-ocr page 1-

PI

KARAKTERBEELDEN

O ESO H E T S T

P. H. HTJOENHOLTZ Jr.

MARCUS AURELIUS ANTOKJUS \' THOMAS CARLYLK

AUHELIUS AUGUSTINUS EH JAKE WELSH

ARNOLD YAH BRESCIA FREDERICK W. ROBERTSON

MICHEL AHQELO HEINRICH LAHGi

AMSTERDAM Tj. V AN H O L K K M A 1886

-ocr page 2-

Z. oct.

2^78

-ocr page 3-

KARAKTERBEELDEN

-ocr page 4-
-ocr page 5-

X /sn/j JT\'i

V

KARAKTERBEELDEN

G K SCHETST

DOOP.

P. H. HUGENHOLTZ Jr.

t Leven onzer grootc mannen Leert oiiis, hoe men quot;t leven wijdt, Hoe men eens een voetspoor nalaat In tien zand zoom van den tijd.

Longfellow.

AMSTERDAM ÏJ. VAN HOLKEMA 1886

-ocr page 6-

Het leven van groote mannen is een marte-laarsleven. Men kan het niet quot;beschouwen als een voorbeeld, dat men navolgen, maar als type van menschelgke voortreffelijkheid, dat men bestndee-ren en bewonderen moet.

Max Muller.

-ocr page 7-

VOORBERICHT.

Sedert mijne „Schetsen en Tafereelen, Godsdienstig Leesboek voor School en Hnisquot; werden uitgegeven door de Maatschappij tot Xut van \'l Algemeen, werd mij van onderscheiden zijden de wensch te kennen gegeven, dat daarop een vervolg verschijnen mocht. Lachte dit denkbeeld mij aanvankelijk toe, al spoedig zag ik in, dat van eene voortzetting van dat werkje in denzelfden trant geen sprake kon zijn. Te zeer was ik overtuigd van de gegrondheid en het recht van verscheidene aanmerkingen, door eene min of meer welwillende kritiek op dien arbeid gemaakt, te diep doordrongen van de groote gevaren, verbonden aan het betreden van een terrein,, waarop men zich niet geheel thuis gevoelt, voor mij met name dat der natuurwetenschap, dan dat ik me van nieuws zou wagen op een mij vreemd gebied.

Groote aantrekkelijkheid daarentegen had voor mij de poging om het recht en de waarde van het godsdienstig leven, ook in onzen tijd, aanschouwelijk voor te stellen in eenige godsdienstige karakters.

Zoo kwam ik tot bet schetsen van de levensbeelden, hier saam-gebracht. Uit onderscheiden tijden bijeengezameld, zijn ze onder verschillende omstandigheden, deels uitgesproken, deels neergeschreven..

-ocr page 8-

voorbericht.

Een tweetal daarvan, de levensschetsen van Augustinus en van Heinrich Lang zagen reeds vroeger liet liclit, de eerste in de „Volksbibliotheek uitgegeven door de Vereeniging tol handhaving en voortplanting van liet Liberaal lleginselquot;, de laatste in de „Mannen van Beleekenisquot; en vinden hier, in gewijzigde gedaante, van nieuws cene plaats. Een paar andere, die van Michel Angelo en Carlyle werden, in anderen vorm, voorgedragen in eenige letterkundige kringen ; de drie overige zien hier voor \'t eerst liet licht.

Dat deze populaire schetsen geenerlei wetenschappelijke pretensie maken, spreekt vanzelf. Ze geven alleen den indruk weer, dien ik van deze heroën ontving, zoowel uit de gedeeltelijke lezing en aanschouwing van hunne werken, als uit hetgeen anderen over hen geschreven hebben.

Dat ik Michel Angelo\'s kunstwerken enkel uit afgietsels, photogra-phische afbeeldingen en beschrijvingen, maar niet uit persoonlijke aanschouwing van het oorspronkelijke ken, kan ik alleen betreuren.

De geraadpleegde geschriften met name te vermelden, komt me onnoodig voor. Voor hen, die de hier geschetste figuren beter kennen dan ik, is \'t overbodig. Voor hen, die ze grondiger willen leeren kennen, is het gemakkelijk daartoe den weg te vinden. Alleen zij met ■erkentelijkheid vermeld, dat ik de berijmde vertaling der gedichten van Michel Angelo, naar het Duitsch, groolendeels van Sophie Hasen-clever, deels ook van Herman Grimm, aan eene bevriende hand te danken heb.

Mocht het bescheiden boekske hier en daar eenige geestdrift wek-Sken voor hooge zedelijke idealen!

II i l v e r s u m,

1\'. ii. hughnholtz jr.

Augustus 1880.

vi

-ocr page 9-

INHOUD.

Pajniiii.-

YoonBEP.iciiT....................... . v.

Ter inleiding....................... 1.

Marcus Aurelics Antonincs................................9,

Acreliüs Aucustincs.

1. Het ouderlijk huis...................\'2ö.

2. Leer- en zwerfjaren..................;i4.

3. De krisis.......................43.

4. De bisschop van Noord-Afrika.............51.

Arnold van Brescia en zijn tijd.............07.

Michel Anuei.0.

1. De idylle der jeugd..................93.

2. Studie en strijd....................-1(12.

3. In de Sixtijnsche kapel................112.

4. Michel Angelo\'s grootste kunstwerk..........1-20.,

Thomas Carlyle en Jane Welsh.............143.

Frederick William Robertson...............2-25.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

TER INLEIDING.

„Er ligt iets geruststellends voor de volken in de zekerheid, dat mannen, wier grootheid tegen elke proefbestand bleek, nog in leven zijn\'\', schreef onlangs Herman Grimm. „Als ontzaglijke bergtoppen, die de onweders aantrekken en de bliksemstralen alleen opvangen, geven zij hun die in de vlakte wonen een gevoel van veiligheid.quot;

Ons ontbreken ze tegenwoordig maar al te zeer, die statige bergtoppen, waarheen wij de oogen kunnen opslaan, en „vanwaar onze hulp komen zal.quot; Wij leven in het vlakke land. De wassende vloed eener levens- en wereldbeschouwing, die gelijkheid predikt als het hoogste ideaal, spoelt menige hoogte weg, vult menige diepte aan en maakt alles zooveel mogelijk met den grond gelijk. Toch blijven wij een onweerstaanbare behoefte voelen aan die ontzaglijke reuzen, tot wie wij kunnen opzien met eerbied en vertrouwen. Met de volkssouvereiniteit die ons, \'t zij we haar al of niet begeeren, meer en meer te wachten staat, kunnen we vrede hebben, alleen op deze voorwaarde dat het ons niet ontbreke aan eene verstandelijke en zedelijke aristocratie. Want het zijn ten slotte de besten en,

1

-ocr page 12-

2 TEll INLEIDING.

edelsten van ons geslacht, die de wereld regeeren. Hartstochtelijke raddraaiers mogen tijdelijk de massa mede-sleepen, sluwe partijhoofden voor een wijle haar zand in de oogen strooien, op den duur gaat van de eclite ,/ridders van den geesf\', onmerkbaar, maar zeker, die zedelijke invloed uit, die de groote menigte in toom houdt en, na elke afdwaling, weer leidt in \'t rechte spoor. Van die helden en profeten die het „zout der aardequot; en het „licht der wereldquot; zijn, hangt de toekomst van de volken af.

Zijn die aangewezen leiders, die zedelijke dictatoren schaarsch in onzen tijd, die alles effen maakt, dan gaan we als vanzelf terug naar vroegere tijden. Dan zoeken we in het Pantheon der menschheid die figuren op, die ons met bewondering en eerbied vervullen, van wie kracht tot ons uitgaat te midden van den strijd.

En dat te meer nu het godsdienstig geloof, arm aan voorstellingen en bleek van kleur, velen dreigt te ontglippen als een ijle schim. Als we, diep doordrongen van de onuitsprekelijkheid der Hoogste Macht, te vergeefs trachten haar te noemen bij haren naam, te vergeefs zoeken naar een begrip, een vorm, een beeld, die ons haar op bevredigende wijs voor oogen stellen, dan grijpen we bij een slip van hun kleed die mannen en vrouwen,, in wie wij spranken van hooger leven, vonken van goddelijk vuur ontdekken, die door heldenmoed en geestkracht, door geduld en volharding hebben uitgemunt, die zichzelven gaven en hun leven offerden voor anderen. Met het oog op dezulken jubelden de oude volken: de goden zijn onder de menschen neergedaald!

Zulk een menschgeworden godheid was voor de oude Indiërs de Buddha die, geboren uit een aanzienlijk vorstelijk geslacht, de weelde van het hofleven versmaadde en

-ocr page 13-

TER INLEIDING.

zich als een kluizenaar terugtrok in de woestijn, om straks.na-clat het licht voor hem is opgegaan, volstrekte zelfverzaking en dooding van slle begeerte te prediken als de boodschap des heils. Zulke goddelijke wezens waren voor de Grieken de heroën, nu eens mensch geworden goden, dan vergoddelijkte menschen, maar altijd wezens, veel krachtiger, schooner en moediger dan de gewone menschen-kinderen. Zulke godsgezanten waren voor de Israëlieten Mozes, de krachtige wetgever, die met zijnen god sprak ,/van aangezicht tot aangezicht, gelijk een man spreekt met zijnen vriendquot;, en de profeten, die de slotsommen van hunne waarneming van de teekenen der tijden, van hunne eigen zedelijke ervaring bovenal, als een godswoord brachten tot hunne tijdgenooten.

Zulk een vleeschgeworden gedachte Gods was voor de oude christenen de Christus, het ideaal van leeuwenmoed en lammerengeduld, van gehoorzaamheid tot in den dood, wiens beeld hunne oostersche verbeeldingskracht met de helste kleuren maalde en met den schitterendsten stralenkrans omgaf. Zulk eene beeldengalerij van godsgezanten vond de Iloonisch-Katholieke kerk in de breede schare harer heiligen, martelaars en monniken, pausen en priesters, kerkvorsten en kerkdienaars, die, zij \'t ook in verouderde kerkelijke vormen, trekken vertoonen van echten zieleadel en zedelijke grootheid. Die heroën, profeten en heiligen, voor zoover zij inderdaad dien naam verdienen, zijn ook de onze. Al verschillen wij van hen in levens-en wereldbeschouwing, in zeden en begrippen, onder het gewaad van hunnen tijd voelen wij het kloppen van hun hart, en als dat hart gloeit van liefde tot God en.de menschen, van geestdrift voor wat groot en goed is, dan verstaan, dan bewonderen en volgen wij hen.

3

-ocr page 14-

TEII INLEIDING.

4

Aan die heroën van de oudheid en de middeleeuwen voegen wij toe de helden van den nieuweren tijd. Onze voorgangers en leidslieden zijn ook de Hervormers der zestiende eeuw, die, omdat zij niet anders konden, omdat het geweten hun te machtig was, eigen overtuiging plaatsten tegenover het kerkgezag, eigen ervaring der goddelijke liefde tegenover den kerkelijken aflaat, eigen godsdienstige behoeften tegenover de versletene kerkelijke vormen. Dat zijn de • priesters der wetenschap, die \'t waagden alles te onderzoeken en, doordringend tot in het binnenst heiligdom, geheel de oude wereldbeschouwing deden schudden op hare grondslagen, die, in de plaats van de onbewegelijke aarde, met den hemel boven haar^ het onmetelijk heelal stelden als een in zichzelf rustend geheel, gedreven niet door een god die stoot van buiten af, maar door een geest die van binnen uit bezielt en draagt. Dat zijn de dichters en de kunstenaars, die in de taal van liederen, tonen of kleuren den weergalm zochten op te vangen van de eeuwige harmonie. Dat zijn de staatslieden, die de wetten van den staat onderwierpen aan die beginselen der zedelijke orde, die voor altijd en voor allen geldig zijn. Onze voorgangers zijn zij, voor zoover hunne dorst naar waarheid en schoonheid, hunne wetenschap en hun staatsmansbeleid vloeiden uit de bron van zedelijken ernst; onze heroën, niet van wege hunne geleerdheid of hunnen kunstzin, niet van wege hunne uiterlijke gaven, hoe schitterend en kostelijk ook, maar van wege hunne religie, hun geloof aan hooger levensdoel en orde, hunne blijmoedige onderwerping aan de goddelijke wet. Wie licht verspreidden, warmte uitstraaldenj liefde betoonden uit zedelijken drang en innerlijke roeping, hun komt eene plaats toe in onze beeldengalerij.

-ocr page 15-

TEK INLEIDING.

Welk eene kracht ten leven gaat er van die bezielende voorbeelden uit! In de loopbaan van het zedelijk leven overvalt ons, ach zoo vaak, een gevoel van vermoeidheid en mismoedigheid. De dagelijksche arbeid kan zoo eentonig en prozaïsch zijn. In den sleur der alledaagschheid gaan we voort van den eenen dag op den anderen. De lucht is zoo drukkend, de tinten zijn zoo vaal en de hemel is zoo grauw. Reeds knikken onze knieën, reeds vallen onze oogleden toe en dreigen we in een diepen sluimer weg te zinken. Daar valt ons oog, als dat van den Griekschen wedlooper, op de beelden der vroegere overwinnaars, opgericht ter zijde van de baan. \'t Is al^ laten zij de oogen bestraffend op ons rusten, als roepen zij ons toe: moedig voorwaarts, altijd verder, nog is de eindpaal niet bereikt! Eene huivering vaart ons door de leden, een gevoel van schaamte over onze loomheid overmeestert ons en \'t beter Ik wordt weder wakker.

Daarom beschouwde Thomas Carlyle, aan wiens bezielenden invloed liet goede dat in deze bladen moge gevonden worden, grootendeels te danken is, de heldenvereering als een der krachtigste prikkels van het zedelijk leven. Daarom richtte zijn vriend Emerson op de vertegenwoordigers der menschheid het oog. Daarom gaat van de levensbeschrijving van groote mannen een zoo machtige invloed uit, tot vorming van het karakter en tot versterking van den wil.

Of is \'t niet opmerkelijk, hoevele uitmuntende geesten zich aan de Levens van Plutarchus hebben gelaafd en daarbij zijn opgegroeid\'? Benjamin Franklin, Rousseau, Goethe hebben ze gelezen en herlezen met ingehouden adem en wangen gloeiende van geestdrift en, al zijn ze naar den vorm verouderd, nog immer wijzen zij den weg

O

-ocr page 16-

6

die tot karaktervorming leidt. Daarbij, welk eene school van menschenkennis ontsluit ons de biographie! Hoe bespiedt zij de wording en ontwikkeling van een grooten geest; hoe speurt ze zijne handelingen tot in hare diep verborgen bronnen na, hoe draagt zij hare moraal in zichzelve en houdt den toeschouwer den spiegel voor oogen, waarin hij menigmaal zijn eigen beeld herkennen moet! Met hoe hoogen ernst wijst ze op de vreeselijke overmacht, die een onreine hartstocht, eenmaal ingewilligd, ten laatste oefent over de ziel, maar hoe uitlokkend tevens op het heerlijk evenwicht, dat telkens wordt herwonnen, als een hoog en heilig doel het leven beheerscht!

Zoo althans oordeelde Montaigne, toen hij schreef: ,/Zij die de levens beschrijven, voor zoover zij zich meer aan de lessen dan aan de gebeurtenissen doen gelegen zijn, meer aan hetgeen van binnen uit komt, dan aan hetgeen daarbuiten geschiedt, zij zijn mij \'t liefst/\'

In dien geest wenschen we in de beeldengalerij der voorgangers en leidslieden stil te staan bij eenige verheffende karakters en daarbij Rückert\'s woord ons voor den geest te roepen:

Werken van groote mannen te zien Slaat ons ter neder;

Toch verheft liet ook weder.

Dat zulke werken door menschen geschièn!

-ocr page 17-

MARCUS AURBLIUS ANTONINUS.

-ocr page 18-

Wie niet weet wat de wereld is, weet niet waar hij leeft. Alleen wie weet waartoe hij leeft, weet wat de wereld is.

Marcus Acreuüs.

-ocr page 19-

MARCUS AURELIUS ANTONINUS.

Op een Maartschen morgen van het jaar -161 vinden we rondom de legerstede van Rome\'s keizer zijne naaste bloedverwanten en eenige prefecten vereenigd, allen met ingehouden adem starende op het afgemat gelaat van den beminden vorst, \'t Is Antoninus Pius, die daar machteloos ligt uitgestrekt. In den afgeloopen nacht heeft eene hevige koorts den hoogbejaarden lijder gesloopt. Nog rest hem kracht genoeg om het rijk en zijne dochter Faustina, die hem beide evenzeer ter harte gaan, aan zijn pleegzoon Marcus Aurelius aan te bevelen; nog kan hij gelasten dat het gouden beeld der Fortuin, dat in zijne slaapkamer prijkt, naar de vertrekken van zijnen opvolger worde overgebracht. Daarop geeft hij een der dienstdoende tribunen het wachtwoord „Aequanimitasquot;, keert het gelaat naar den wand en blaast rustig den adem uit.

,/Aequanimitas, gelijkmoedigheidquot; — dat laatste woord van den stervenden vorst was de leus geweest van heel zijn leven. ^In mijn vader7\', zoo getuigde later Marcus Aurelius van hem, „was zachtheid van karakter gepaard met eene onwankelbare vastberadenheid in de dingen die hij, na rijp overleg, had vastgesteld; geen ijdelejacht naar

-ocr page 20-

•10 MAKCUS AUKELll\'S ANTONINUS.

\'t geen de wereld eereblijken noemt, liefde tot den arbeid en een open oor voor allen die in \'t algemeen belang hem iets te zeggen hadden; eene kalme onpartijdigheid in het steunen van elk naar zijne behoeften en eene juiste kennis van de gelegenheden, waarbij öl\' krachtig gehandeld óf\' de teugel gevierd moest worden/\'

„Hoe zelfstandig was zijn oordeel over de zeden en handelingen zijner omgeving! Daarom was hij ook ver verwijderd van vitzucht of bekrompenheid, van wantrouwen of\' van de zucht bm over anderen den meester te spelen. Hoe weinig behoeften hij had, kon men zien in zijne wijze van wonen en slapen, van kleeden en spijzen. En hoe geduldig en lankmoedig was hij! In zijne vriendschapsbetrekkingen was hij trouw; wie zijne inzichten openhartig weersprak kon hij verdragen en zich verheugen over elk die hem een beteren weg wees. Daarbij eerde hij de goden, zonder in bijgeloof te vervallen. Stel u hem steeds tot voorbeeld, opdat ge, zooals hij, den dood met een goed geweten kunt tegengaan/\'

Is \'t wonder dat Marcus Annius Verus.— zoo toch luidde zijn oorspronkelijke naam •—- met een traan in \'t oog stond bij het sterfbed van dien man, in wien hij een tweeden vader gevonden had? Welk eene gelukkige school had hij doorloopen aan Antoninus\' hof! Zijn voorgeslacht, uit Spanje naar Rome verhuisd, was daar door keizerlijke gunst, meer nog door eigen verdiensten, tot de hoogste staatsambten opgeklommen. Toen zijn vader gestorven was, trok de kinderlooze Hadrianus zich zijner aan en verloofde hem reeds op zijn vijftiende jaar met de dochter van zijn pleegzoon Commodus, een band dien Antoninus latei-verbrak om hem de hand zijner eigene dochter Faustina te schenken en hem daardoor nog nauwer aan zich te verbinden.

-ocr page 21-

MAUCUS AURELIUS ANTONINUS. H

Na den dood van Comtnodus adopteerde Hadrianus in diens plaats den voortreffelijken Titus Aurelius Antoninus, later, als keizer, Pius de vrome bijgenaamd, onder voorwaarde, dat deze zijnen neef, onzen Marcus Annius Verus, tegelijk met den jongen zoon van den overleden Gommodus als zoon zou aannemen. Dien ten gevolge nam Marcus, in plaats van zijn familienaam, dien van zijn pleegvader aan, wien liij aanhing met dc innigste vereering. Gedurende 23 jaren was hij slechts tweemaal een enkelen nacht van hem gescheiden en volkomen werd hij, eerst als zijn leerling, daarna als zijn mederegent, in den loop der zaken ingewijd.

Dat deelgenootschap aan de regeering evenwel deed hem geen oogenblik hunkeren naar de keizerlijke waardigheid. „Neem er u voor in acht, keizer te wordenquot;, schreef hij. „Er is iets aanstekelijks in deze hoflucht.quot; Meer dan het keizerlijk purper trok hem dan ook de philosofenmantel aan, dien hij reeds sinds zijn twaalfde jaar had aangenomen. Hoe genoot hij van het onderricht van zijn leermeester Gornelius Fronto, met wien hij levenslang in briefwisseling bleef, wanneer deze, de begaafde redenaar, hem inwijdde in de geheimen der welsprekendheid en hein leerde het voor en tegen van alle dingen te bepleiten. Toch waren voor een ernstig en oprecht gemoed, als dat van Marcus, zulke pleidooien, hoe schitterend en geestig ook, te arm aan zedelijk gehalte. Degelijker voedsel ontving hij van Q. Junius Rusticus, den strengen Stoicyn. „Van hem/\' zoo verklaarde hij later, „kreeg ik den indruk dat mijn karakter zuivering en tucht behoefde; hij leidde mij af van sophistische redeneering en onvruchtbare bespiegeling.quot; Maar de grootste weldaad, die hij hem te danken had, was de kennismaking met Epictetus,

-ocr page 22-

-12

,/len eclelsten der Heidensche slaven.quot; Van dezen man, die eerst als slaaf, daarna als vrijgelatene in Rome zijne Stoi-cijnsche wijsbegeerte had gepredikt en, door Domitianus uit Rome gebannen, in Epirus zijn levensavond doorbracht, had hij geleerd dat het innerlijke leven zich aan geen dwang laat onderwerpen; de goden immers zouden niet langer goden zijn, indien het goddelijke niet boven allen dwang verheven was.quot; Dat die innerlijke vrijheid zijn deel was had Epictetus met de daad getoond. Toen zijn meester Epaphroditus hem eens aan het been mishandelde, zeide hij; „gij zult het breken.quot; En toen deze voortging met zijne foltering en het been inderdaad brak, hernam hij met de grootste kalmte: „had ik het u niet gezegd\'?quot; Vrijgelaten betrok hij in Rome eene kleine woning, op \'t soberst ingericht, waar hij, met behulp van eene arme vrouw, een verlaten kind verpleegde, om van daar als een andere Sokrates aan rijk en arm zijne wijsheid te prediken, tot het genoemde banvonnis hem trof. Rustig trok hij zich in Nicopolis terug, wetende dat de mensch overal dezelfde wereld te bewonderen en denzelfden God te prijzen vindt.

Onder zulk eene leiding werd voor Marcus Aurelius de vrijheid, die zichzelve genoeg en haar eigen wetgeefster is, het hoogste ideaal, dat hij zooveel mogelijk zocht te verwezenlijken in de wetten van zijn rijk. Zoo werd, onder den invloed van het Stoïcisme, de Romeinsche wetgeving, reeds vóór de invoering van het Christendom, van een christelijken geest bezield. Zoo onttrok, op het voetspoor van Hadrianus en Antoninus Pius, de keizer de slaven aan de willekeur van hunne meesters, door de bepaling dat dezen, in plaats van zelf de straflende hand aan hen te slaan, al hunne grieven voor de rechtbanken te brengen hadden. Zoo stelde hij,

-ocr page 23-

■13

grenzen aan de willekeurige macht die de vader oefende over zijne kinderen, welke hij naar zijn goedvinden uithuwelijken of wier echt hij weer ontbinden kon. Zoo deed hij de gruwelijke zwaardgevechten, wel is waar, nog niet verdwijnen, maar matigde die toch, onder anderen door de bepaling, dat een meester zijn slaaf niet langer mocht verkoopen, om hem met de wilde beesten te doen vechten.

Maar tot zulk eene vreedzame hervorming van wetten en zeden bepaalden zich \'s keizers i\'egeeringsdaden niet. Van twee zijden werd het rijk bestookt door de barbaren. Ten~ oosten drongen de Parthen, niet tevreden met degt; inwilligingen, hun reeds door Hadrianus gedaan, tot in Armenië en Syrië door. De keizer droeg de bestrijding van dien vijand op aan zijn mederegent Lucius Aurelius Verus. Welk een scherp contrast tusschen deze beide pleegbroeders! Zoo ernstig en in zichzelf gekeerd als de eerste was, zoo gezellig en geestig, maar ook zoo overmoedig en uitgelaten was de laatste. Deelde de eerste sinds Antoninus\' troonsbeklimming met dezen de zorgen van den staat, de laatste gaf zich zorgeloos aan allerlei uitspattingen over. Zoo liet hij ook thans de leiding van den veldtocht groo-tendeels in handen van den beproefden generaal Avidius Cassius en bleef zelf te Antiochië achter, voor een deel wellicht omdat hij zich bewust was niet de veldheerstalenten te bezitten, voor zulk eene onderneming ver-eischt. Deze slaat den vijand zegevierend terug, maar werpt nu ook zichzelf op als mededinger naar de keizerlijke\' kroon. Met onuitputtelijk geduld verdraagt Marcus zoowel den naijver van zijn opperbevelhebber, als de losbandigheid van zijn keizerlijken broeder en als aan de zijde van den Donau de Marcomannen en Quaden binnendringen

-ocr page 24-

14 3IAUCUS AUKELITJS ANTONINUS.

in liet Romeinsche rijk, stelt hij hern ook daar tot tweemaal toe aan \'t hoofd der troepen, tot Verus nog in den bloei der jaren zijne uitspattingen met het leven boeten moet. Thans verwisselt de keizer zelf het gewaad van den wijsgeer met het harnas van den krijgsman. Hoezeer hij als wijsgeer den oorlog minacht, in dienst van den staat trotseert hij gewillig zijn gevaren. Eer hij den veldtocht onderneemt, vraagt hij, hoewel \'t hem vrij stond op eigen gezag uit de schatkist de oorlogskosten te dekken, daartoe de machtiging van den senaat, want, zegt hij in de redevoering bij deze gelegenheid uitgesproken, „een keizer bezit niets als zijn bijzonder eigendom: zelfs het huis waarin hij woont behoort u toe.quot; Op het tooneel van den opstand gekomen, vindt hij Avidius Cassius door zijne eigene soldaten vermoord.

Verscheidene jaren van zijn leven brengt nu de keizer aan de boorden van den Donau nabij Weenen, of aan de oevers van de Granua in Hongarije door. Terwijl hij door zijn zedelijk overwicht de tucht in het leger handhaafde, bevrijdde hij, in een welberaamden, maar langdurigen veldtocht, Pannonië en dreef de barbaren naar den linkeroever van den Donau terug.

De legende verhaalt van eene schitterende overwinning die hij, als door een wonder, behaalde. Gedurende een warmen zomerveldtocht hadden de Quad en aan het Romeinsche leger den toevoer van water weten af te snijden. De troepen, versmachtende van dorst en in het vreemde land het spoor bijster, werden door de barbaren op \'t heftigst aangevallen. Daar barst op eens een vreeselijk onweer los; een verkwikkende regen valt over de Romeinsche legerplaats, terwijl, naar men verhaalt, bliksem en hagelslag de vijandelijke troepen uiteendreven. Aan

-ocr page 25-

MARCUS AURELIUS ANTONINUS. 15

een wonder schreef men die ongedachte uitkomst toe. Jupiter moest op het gebed van Marcus Aurelius zijn opgetreden als redder van zijn volk. Op de Antonynsche zuil, die in Rome de heugenis van dit wonder bewaart, vertoont zich Jupiter Pluvius, in de gedaante van een ge-vleugelden grijsaard, uit wiens hoofdhaar, borst en armen waterstroomen vloeien, die de Romeinen in hunne helmen en schilden opvangen, terwijl de barbaren door den bliksem worden teruggeslingerd. „Jupiter/\' zoo bidt de keizer, ,/tot u hef ik deze hand op die nimmer bloed deed vloeien. Die overwinning verschafte aan het zegevierend legioen den naam van //Legio fulminata.quot; Door de christenen uit. \'s keizers omgeving werd zij toegeschreven aan de tus-schenkomst van hunnen god.

Ons bewijst ook deze legende, dat de wijsgeerige vorst zich wist te voegen naar de vormen van het volksgeloof, zoo zelfs dat hij -als hoogepriester in den tempel van Mars zijn offer bracht. Maar als hij in de stilte van den nacht, in de eentonige vlakte van Hongarije, zich in zijne tent teruggetrokken had, gaf hij zich onbelemmerd over aan zijne lievelingsmijmeringen. Dan las en herlas hij Epictetus\' handboek, maar dan ook liet hij aan zijne eigene gedachten den vrijen teugel en schreef hij die kernachtige spreuken, die in zijn gulden boekske ,/Gesprekken met ziclizelvenquot; ons bewaard gebleven zijn. De inhoud der eerste boeken verraadt dat die gedachten in verloren oogenblikken, in de tusschenpoozen van het strijdgewoel, op het papier geworpen zijn. Toch ademen zij de verhevenste kalmte en de onafhankelijkste vroomheid. Wat de meest stichtelijke geschriften, de schoonste bladzijden uit het Evangelie, of het Roek der Navolging van Jezus Christus als zoodanig kenmerkt, dat vindt men hier terug: rustige objectiviteit.

-ocr page 26-

16 MARCUS AURELIUS ANTONINUS.

onbepaald vertrouwen, den ,/vrede die alle verstand te Loven gaat/\' Juist omdat Marcus Aurelius\' boek geen dogmatischen grondslag heeft, zegt Renan terecht, „zal het zijne eeuwige frischheid blijven behouden. Zoowel de atheïst, of wie er zichzelf voor houdt, als de mensch geheel bevangen in de bijzondere geloofsbegrippen van een of anderen godsdienst, kan hier stichting vinden.Van het verheven standpunt zijner levens-philosophie overziet de schrijver alle dingen, ,/s Menschen lichamelijk leven/\' zegt hij, „is een stroom en zijn geestelijk bestaan een droom; zijn leven worsteling en strijd; zijn naroem de vergetelheid. Wat is in staat hem boven dat alles te verheffen\'? De wijsbegeerte enkel, die hem leert de goddelijke vonk, die hij in zich draagt, rein en ongeschonden te bewaren, zoodat hij heer is over vreugde en smart en onafhankelijk van \'t geen anderen doen of laten/\'

Het hof- of krijgsmansleven is zijne stiefmoeder; zijne eigenlijke moeder is de wijsbegeerte. Al eert hij de eerste, bij de laatste zoekt hij toch telkens weer zijne toevlucht. Zij stelt hem in staat, in \'t gewoel van de legerplaats, te midden van het luidruchtigst krijgsrumoer, met zichzelf alleen te zijn. „De menschen trekken zich gaarne terug op het land, in het gebergte, aan de zee en ook uw hart gaat wellicht daarnaar uit. Maar in den grond der zaak getuigt dit van beperktheid. Het staat u immers vrij, te ieder uur u in uzelf terug te trekken, want nergens vinden we eene zoo vreedzame en ongedeerde schuilplaats als in ons eigen binnenste.quot; — „Wat toch blijft den vrome anders over, dan welkom te heeten wat het lot over hem beschikt, het heiligdom van zijn hart niet te ontwijden, zich niet in tegenstrijdige gedachten te verwarren, de stem van God te volgen, niets te spreken in strijd met de

-ocr page 27-

17

waarheid, niets te doen in strijd met de gerechtigheid!quot; — „Hij is een priester en dienaar van den Allerhoogste, die niet het in hem, als in een tempel, wonende deel van het goddelijke op de rechte wijze verkeert en het ten strijde tegen zijne begeerten oproept.quot; — „In één woord, de god binnen in u voere heerschappij, wat ook uw geslacht, leeftijd, beroep, afkomst of toestand moge zijn, zoodat ge altijd in de stemming verkeert, als gij opgeroepen worden mocht, gaarne en willig te volgen.quot;

Op den innerlijken god, op het hoogere in zichzelven legt hij allen nadruk; de uiterlijke voorstelling is daarbij betrekkelijk onverschillig. Wel heeft hij voor de overgeleverde denkbeelden omtrent de goden eene zekere piëteit •en aan de vormen van den eeredienst onttrekt hij zich niet. „Wanneer de goden inderdaad over mij en over \'t geen geschieden zal beraadslagen, dan is hun raad ook een goede. Want een redeloozen god kan men zich nu eenmaal niet voorstellen. En dan, op welken grond zouden ze mij leed willen aandoen\'? Betreffen hunne beraadslagingen echter niet mijne bijzondere aangelegenheden, dan toch zeker de algemeene belangen der wereld, waaruit ook de mijne voortvloeien en die ik aanvaarden en voor lief nemen moet. Bekommeren zij zich evenwel om niets, wat we toch niet kunnen gelooven — wat werd er dan van onze offers, onze gebeden, onze eedzweringen en van alles wat we enkel plegen te doen in de onderstelling dat er goden zijn en dat zij met ons leven\'? —maar gesteld, zij bekommeren zich niet om mijne aangelegenheden, zoo is \'t toch mijzelven opgelegd mij daarom te bekommeren. Want daartoe heb ik mijn overleg, dat ik wete, wat mij dienstig is.quot;

Eene wereld, niet gehoorzamend aan hooger wet en

2

-ocr page 28-

18

orde kan Marcus Aurelius zich echter niet denken. Voor hemzelven is het bestaan der goden boven alle bedenking verheven. ,/Hun die vragen: waar hebt gij de goden gezien of hoe beseft ge dat zij bestaan en vereert ge hen daarom? antwoord ik, in de eerste plaats, dat zij zelfs met de oogen gezien kunnen worden, in de tweede plaats dat ik ook mijn eigen ziel niet gezien heb en die nochtans eer. Zoo is \'t ook met de goden; uit hetgeen ik voortdurend ondervind van hunne macht, maak ik op dat zij bestaan en met het oog daarop vereer ik hen.quot; De innerlijke en uiterlijke harmonie van alle dingen dus is hem de openbaring der goddelijke macht. „Of alles wordt als een voortbrengsel van het toeval saamgevlochten en verstrooid, of er is eenheid, orde, voorzienigheid. Neem ik het eerste aan, hoe kan ik dan wenschen in dit ongeordend mengelmoes, in deze algemeene verwarring te blijven? Geloof ik het laatste, dan ben ik vervuld van eerbied en blijden moed, vertrouwend op den Albeheerscher.quot;

Die allesbeheerschende macht gaat uit van de zedelijke orde, van het hoogste en beste, waarvan wij de sporen vinden in onszelven. ,/Aan \'t geen het beste in de wereld is, aan het Wezen namelijk dat alles heeft en alles verzorgt, komt onze eerbied toe. Niet minder echter aan \'tgeen het beste in ons is. \'t Is aan het hoogste verwant, daar er ook in ons iets is, dat al het andere beheerscht en waardoor heel ons leven geregeerd wordt.quot;

Het vertrouwen op die hoogste macht leidt hem tot de echt biddende stemming, waarbij het niet te doen is om uiterlijke gaven, maar alleen om innerlijke kracht. „Deze bidt om bevrijd te worden van een of anderen last; gij, bid dat ge niet noodig hebben moogt, daarvan bevrijd te worden. Gene bidt dat zijn kind hem gespaard

-ocr page 29-

MARCUS AUUELIUS ANTONINUS. 19

blijve, gij, bid dat ge niet bevreesd moogt zijn liet te verliezen. In één woord: geef aan al uwe gebeden zulkeene richting en wacht dan af wat geschieden zal.quot;

Zulk eene onderwerping aan den wil der goden, wat is zij anders dan cvereenstemming met de wet der natuur\'? „Wat voor u harmonisch is, o wereld, is \'t ook voor mij! Niets komt mij te vroeg en niets te laat, als\'t u te goeder ure komt. Een zoete vrucht is mij alles wat gij hebt doen rijpen, moeder natuur. Van u en in u en tot u zijn alle dingen.quot;

Voor hem die deze hoogere harmonie der natuur leert kennen vindt alles zijne plaats in het groot geheel. ^Deze augurk is bitter.quot; — Leg ze dan ter zijde. ,/Hier is een doornstruik.quot; Ga haar uit den weg! — Verder laat zich daarvan niets zeggen. Wildet ge voortvaren te vragen: maar waartoe ter wereld bestaat toch dat ontuig? dan zou de natuuronderzoeker u hartelijk uitlachen, even als de schrijnwerker en de schoenmaker u uitlachen zouden, als gij er hun een verwijt van maaktet, dat in hunne werkplaatsen spaanders en afval van allerlei aard verspreid liggen. Met dit onderscheid, dat deze lieden eene plaats hebben, waar ze deze dingen kunnen kwijt raken, de natuur daarentegen niets buiten zich heeft. Nu bestaat het bewonderenswaardige van hare kunst juist hierin, dat zij, die zich uitsluitend zelve begrenst, alles wat in haar dreigt te bederven, oud en onnut te worden, zoo in zich-zelve verwerkt, dat ze daaruit weer iets nieuws schept, zoodat zij geene stof buiten zich behoeft en wat verrot is niet behoeft uit te werpen. Zij heeft aan hare eigene ruimte, aan haar eigen materiaal en aan hare eigene kunst volkomen genoeg.

Zoo vallen hier eene godsdienstige en eene wijsgeerige

-ocr page 30-

\'20

beschouwing der natuur volkomen samen, zoo leidt de overtuiging van de eeuwige noodzakelijkheid, de onverstoorbare orde der natuur tot een streven naar innerlijke harmonie. ,/Gelijk de natuur elke hindernis als zoodanig ter zijde te stellen, in hare noodwendigheid op te lossen, ja tot een bestanddeel van haai^zelve te verwerken weet, zoo kan een wezen met rede begaafd elke belemmering tot een deel van zichzelf maken en die gebruiken tot verwezenlijking van zijn streven, waarop dat ook gericht moge zijn.quot;

Niet tot lijdzaam berusten alzoo, maar tot krachtig handelen, tot onverpoosden arbeid is de mensch geroepen. „Voor den arbeid zijt gij geboren en in de wereld gekomen, en ge zoudt verdrietig zijn dat gij aan \'t werk moet! Zie, alle schepselen, de leeuwerikken en de mieren, de spinnen en de bijen, hoe elk zijn werk volbrengt en op zijne wijze arbeidt aan de groote levenstaak. En gij zoudt de uwe niet volbrengen, den weg niet gaan, dien de menschelijke natuur u voorschrijft \\quot;

Doe wel en zie niet om, is bij dien arbeid zijne leus. „Hebt ge gehandeld naar plicht en geweten, vraag dan niet naar \'t loon, zie niet angstig om naar de gevolgen van uwe daad. Er zijn menschen die, als zij iemand een dienst bewezen hebben, dit aanstonds als een gunstbetoon willen aangemerkt zien; verder dezulken die, al maken zij ook juist niet zulke aanspraken, toch zeer nauwkeurig willen weten, wat zij gedaan hebben, en hem wien zij weldeden, voor zichzelf althans, als hun schuldenaar beschouwen; eindelijk dezulken, die in zekeren zin niet weten wat zij deden, den wijnstok gelijk die zijne druiven draagt en verder niets wil. Het paard, dat zijn weg heeft afgelegd, de hond die het wild najaagt en de bij die haar honig heeft

-ocr page 31-

MARCUS AURELIUS ANTONINUS. 21

bereid, roept niet met luider stem aan ieder toe: zie, dat heb ik gedaan, maar gaat aanstonds tot iets anders over, gelijk de boom weer nieuwe vruchten zet op zijnen tijd. Zoo moet het ook bij den mensch zijn, als hij een goed werk heeft volbracht.quot;

Zulk eene kalme levensbeschouwing, zulk een diep inzicht in de eeuwige noodwendigheid der dingen leidt den edelen vorst tot stille berusting onder het zwaarste lichaamslijden. Galenus, de beroemde geneesheer die zijn tijdgenoot was, gewaagt bij herhaling van de kwaal, naar \'t schijnt een chronisch maaglijden, die hem kwelde, in die mate, dat hij op \'t laatst zijns levens vaak den ganschen dag nauwelijks eenig voedsel nam, en die hem reeds op negenenvijftigjarigen leeftijd wegrukte. Aan dien wijsgeerigen blik op de wereld dankt hij zijne zachtmoedigheid en nederigheid van hart. ,/Kunt gij op iemand toornen//, vraagt hij, ,/die een lichaamsgebrek heeft\'? Hij kan \'t niet helpen, als zijne nabijheid u tegen de borst stuit. Beschouw de zedelijke gebreken evenzoo. Maar, zegt ge, de mensch heeft zijne rede en kan erkennen wat hem ontbreekt. Zeer juist. Bij gevolg hebt ook gij uwe rede en kunt door uw zedelijk gedrag uwen naaste tot rede brengen, kunt u aan hem openbaren, hem tot inkeer brengen en zoo, als hij u hoort, hem genezen, zonder dat gij behoeft te toornen of te zuchten, of uit de hoogte op hem neer te zien.quot;

Zoo rustig voortarbeidend, diep doordrongen van de ijdelheid van al het aardsche, gaat de wijze met verheven kalmte den dood tegemoet. Niet gering denkt hij van het sterven, maar laat het zich welgevallen als een der dingen waarin de wil der natuur zich uitspreekt. „quot;Want van denzelfden aard als het jong zijn en oud zijn, het groeien en

-ocr page 32-

22

manbaar worden, de ontwikkeling van de tanden en den baard, het grijzen of bet voorttelen en alle werkzaamheden der natuur, die de verschillende levenstijden met zich brengen, is ook het sterven. Daarom voegt bet een verstandig man, noch met onverschilligheid, noch met heftige gemoedsbeweging, noch op overmoedige wijze aan den dood te denken, maar dien te beschouwen als eene van de verrichtingen der natuur. Gelijk gij het oogenblik verbeidt, waarop het kind den moederschoot verlaten zal, verwacht zoo ook het uur, waarin uwe ziel dit omhulsel zal afleggen.quot; — „Handel niet alsof gij tienduizend jaren te leven hadt. De dood hangt u boven \'t hoofd. Zoolang gij leeft, zoolang het in uwe macht is, wees goed.7\'

Ook om de vrucht van zijnen arbeid bekommert de wijsgeer zich niet al te zeer, ook hier leert hij zijne verwachting niet te hoog te spannen. ^Spiegel u geen Pla-toniscben staat voor, maar wees tevreden als \'t maar een weinig vooruitgaat en acht dien kleinen vooruitgang niet gering.^ — Wat er ook geschiede, \'t is om \'t even, zoo slechts het hooger leven zich ontwikkelt. „Laat anderen hunne vreugde vinden in \'t geen hun behaagt; mijne vreugde is het een gezonde ziel te hebben, een hart dat tegen niemand verbitterd is, niets menschelijks van zich vreemd acht, maar alles met vriendelijken blik aanziet en opneemt en elk bejegent gelijk \'t hem toekomt.^

Van waar dat dit „handboek van het geresigneerde levenquot; zoo als Renan bet noemt, met ai zijn verheven bespiegelingen, een gevoel van onvoldaanheid bij ons achterlaat\'? Van waar dat in deze ijle berglucht een zekere huivering ons bevangt\'? Is \'t niet, omdat we van den bergtop dei-stille mijmering, waarheen de wijsgeer ons opvoerde, op het werkelijk leven met zijn arbeid en strijd te zeer uit

-ocr page 33-

MAIiCUS AURELIUS ANTONINUS. 23

de hoogte neder zien\'? Geen enkele kreet van toorn of angst, geen zucht zelfs van stille droefenis dringt hier tot ons door. Geen vroolijk jubellied, geen psalm der dankbaarheid, maar ook geen bede om licht en kracht, geen kreet der ziel naar God. ^ Gel ij k moedigheidquot;, onverstoor-bare kalmte is hier \'t hoogste ideaal. Het Nirvana der Buddhisten, een toestand van volstrekte hartstochteloosheid, is hier nagenoeg bereikt.

Maar intusschen golft en bruist aan onzen voet het werkelijk leven met al zijn nood en strijd. En te midden van die ■werkelijkheid — dat gevoelen wij — is onze plaats. Daar ligt ons strijdperk, daar ons arbeidsveld. Daar moet de kamp gevoerd worden en de taak verricht, die de inspanning van onze beste krachten eischt. Heilige geestdrift, warme menschenliefde, vurigen geloofsmoed behoeven wij in dien strijd, en deze schenkt ons de rustige bespiegeling van den denker niet. Wij vinden ze in dien godsdienst, die aan de levensbeschouwing van Marcus Aurelius, had hij dien beter gekend en begrepen, meer diepte en breedte, meer kracht en gloed had kunnen bijzetten.

Ja, meer kracht en gloed, want gebrek aan veerkracht en moed om handelend op te treden, hoezeer valt ons dit bij \'s keizers verhouding tot zijne naaste omgeving in het oog 1 Lucius quot;Verus, zijn karakterloozen mederegent, duldt hij, ondanks al zijne uitspattingen, zeven jaren lang en hoe lang nog zou hij hem lijdelijk gedragen hebben, zoo niet de dood hem tijdig had weggerukt! Voor de wuftheid van Faustina, zijne schoone gemalin, heeft hij geen oog, verblind, \'t zij door hare bevalligheid, \'t zij door piëteit voor haren vader. Ja, hoe weinig zij hem ook begreep en waardeerde, toch dankt hij in zijne bekentenissen den hemel, die hem een zoo aan-

-ocr page 34-

24 MAKCUS AURELIUS ANTONINUS.

minnige, teedere en eenvoudige vrouw geschonken had f

Doch de scherpste doorn in \'t vleesch was hem gegeven in zijn zoon Commodus, een waren woesteling, met ongetemde lichaamskracht, maar arm aan geestelijke ontwikkeling, te eenenmale onvatbaar voor de zachte overreding van zijn wijsgeerigen vader, die, zoo hij tegen den woester* knaap had weten te toornen, zich wellicht het lijden had bespaard van aan zijne zijde een monster te zien opgroeien, tot zijn opvolger bestemd.

Hoe is \'t mogelijk dat een vorst, die met zoo onverstoorbare kalmte, ja al te lijdelijke berusting, de zwakheden en zonden der zijnen verdroeg, die maar al te weinig wist te toornen tegen allerlei ongerechtigheid, tegenover het Christendom zijner dagen eene zoo vijandige houding aannam? Want niet minder dan zijne voorgangers heeft hij de Christenen doen vervolgen. Reeds in de eersts jaren zijner regeering vielen in Rome zelf enkele Christenen, onder hen de bekende Justijn de Martelaar, als slachtoffers. Straks klinken ons uit Klein-Azië de klachten en zuchten der gefolterde Christenen in \'toor en zien we in Smyrna den grijzen Polycarpus met fleren moed den brandstapel bestijgen. Nog later zien we in de christelijke gemeenten van Lyon en Vienne de vervolging woeden.

quot;Wie met de eigenaardige verhouding der Christenen tot het Romeinsche rijk bekend is, verwondert zich daarover niet. Juist omdat Marcus Aurelius, als een ernstig vorst, \'t zoo nauw nam met zijne roeping tegenover den Staat, moest hij elk verzet tegen het Staatsgezag ten strengste onderdrukken. Nog waren de goden in de algemeene schatting goden van den Staat en verwachtte men van hen in oorlog en vrede heil. Wel werd aan de overwonnen volken de vereering hunner eigene goden

-ocr page 35-

MARCUS AURELirs ANTONINUS. 25

vergund, maar op de stellige voorwaarde, dat zij niet in verzet zouden komen tegen de goden van den Staat. Dat laatste nu was met de Christenen het geval. De aanhangers dezer woelige secte waren inderdaad hoogst gevaarlijk voor de rust van den Staat. Het Romeinsche rijk was in hunne oogen eene aan God vijandige macht, die Christus, hoopten zij, bij zijne wederkomst verdelgen zou. Wie in dienst van den Staat trad, ging, zoo meenden zij, met de demonen een verdrag aan. Zoo zochten zich dan de Christenen, te midden van een zoo militairen Staat, van den krijgsdienst te onthouden. Zoo onttrokken zij hunne rechtszaken, indien \'t maar eenigszins mogelijk was, aan \'de openbare rechtbanken. Zoo weigerden zij te zweren bij den genius des keizers of aan de beelden der imperatoren hulde te bewijzen. Ja, tegenover den rechter namen ze vaak een uitdagende houding aan en ontzagen zich niet de tempels en beelden van Rome\'s goden openlijk te honen.

Daarenboven, hoe gebrekkig was in menig opzicht het Christendom der tweede eeuw en hoe weinig beantwoordde het aan \'t ideaal in de schoonste trekken der Evangeliën geteekend! Tegen de eenvoudig-verheven wijsbegeerte van onzen vorst staken de duistere en verwarde stelsels der Gnostieken op \'t ongunstigst af; zijn vreedzaam gemoed had een natuurlijken afkeer van de opgewonden dweperij der Montanisten, die, met het oog op de naderende wederkomst van hunnen Christus, de wereld als met een tooverslag wilden reinigen van alle ongerechtigheid.

Zijne wijsgeerige piëteit voor den voorvaderlijken godsdienst, in welks gebrekkige vormen hij hoogere gedachten vond, bracht hem in botsing met den revolutionairen zin der Christenen, die zelfs aan de beelden der afgestorven keizers den tol der hulde weigerden. Spraken niet die

-ocr page 36-

\'20 MA UCUS AUUELirS AXïOXIXUS.

Christenen op minachtenden toon van de goden van den Staat, voor hem dragers van verhevene ideën, als waren ze niets anders dan demonen en booze geesten ? Spuwden ze niet vark minachtend op den grond, als ze die beelden voorbijgingen en lasterden zij hen niet in \'t aangezicht?

Zoo moest dan op hen de politiek, door Trajanus gevolgd, worden toegepast: de prefecten der verschillende provinciën hadden hen niet op te zoeken, noch rechtstreeks te vervolgen, maar werden zij hun aangebracht en weigerden ze hardnekkig hunnen Christus af te zweren, ja, dan moesten ze als gevaarlijke opstandelingen ten brandstapel verwezen worden !

Tragisch misverstand tusschen twee machten die, gelijk \'t zoo menigmalen gaat, veel dichter bij elkaar stonden dan zij zelve wisten ! Of is er niet een treffende overeenstemming tusschen de vergevensgezindheid en de vijandsliefde, de verdraagzaamheid en het geduld die Marcus Aurelius in zijne Betrachtingen predikt en het „Zalig zijn de zachtmoedigen, de barmhartigen, de vredestichtersquot;, dat ons uit de Bergrede tegenruischt\'?

Wij voor ons, we wenschen beide machten te waardee-ren en met elkander te verzoenen. Stoïcisme en Christendom zijn onafhankelijk van elkander hunnen weggegaan, maar wel verre van elkaar te miskennen en te veroor-deelen, kunnen zij van elkander leeren. Aan de verheven kalmte, de rustige majesteit van het nieuwere Stoïcisme pare zich het tintelend geestesvuur, de hartstocht der men-schenliefde van het echte Christendom. Dan reiken beiden als tweelingbroeders elkaar de hand en leggen zij samen allen nadruk op den hoogsten levenseisch : „luister naaide Godsstem binnen in u, keer, mensch, keer tot uzelven in \\quot;

-ocr page 37-

AUEELIÜS AUaUSTINCS.

-ocr page 38-

„Gij hebt ons tot U gemaakt en onrustig is ons liart, tot het rust vindt in U.quot;

Aügcstixus.

-ocr page 39-

A U R E L I U S AUGUSTINUS.

I.

HET OUüEKLIJK HUIS.

In tijden van gisting en overgang vindt men soms enkele uitstekende persoonlijkheden, in wier gemoed de machten, die den tijd beheerschen, als in een brandpunt samentreffen. In den spiegel van hun zieleleven weerkaatst zich het leven van hun tijd. Dezelfde strijd tusschen het oude en het nieuwe geloof, die daarbuiten wordt gestreden, wordt in hun binnenste gevoerd. Langen tijd laten zij zich heen en weer slingeren door de wisselende golven van zinnelijk en geestelijk leven, van twijfel en geloof. Maar eindelijk, onder den invloed van een alles beheer-schend beginsel, komt er rust en vastheid in hun geestesleven, en terwijl zij vroeger door den tijdstroom werden meegesleept, zijn nu zij \'t, die de bedding van dien stroom verleggen en dien wenden naar hun wil.

Zulk eene persoonlijkheid is die van Aurelius Augustinus. Te Tagaste, een onbeduidend stadje in Noord-Africa, zag hij ten jare 354 het levenslicht. Gering is de invloed, dien Patricius, zijn vader, op zijne ontwikkeling geoefend heeft. Goedhartig maar oppervlakkig van natuur, liet hij den knaap met zijn heerlijken aanleg, maar ook met zijn

-ocr page 40-

30 AU HELI US AUGUSTINUS.

bruisend bloed, nagenoeg aan zichzelven over. Toch had hij behagen in zijne voorspoedige lichamelijke ontwikkeling en in de vlugheid van zijnen geest en bestemde hem al ras tot leeraar in de welsprekendheid. Oneindig meer dankte deze aan zijne moeder. Wat Nonna voor Gregorius van Nazianze en Anthusa voor Chrysostomus geweest is, dat en meer nog was Monica voor Augustinus. De indruk van hare eenvoudige vroomheid bleef hem heel zijn leven bij en reeds met de moedermelk, zoo verklaart hij zelf, zoog hij den naam van zijn Verlosser in. Immers, was Patricius nog Heiden, Monica was met hart en ziel Christin. Reeds vroeg liet zij den knaap onder \'t getal der kate-chumenen opnemen, al werd, naar den geest dier tijden, met het oog op de zonden, die hij later mocht begaan, zijn doop nog uitgesteld.

Met eene zonderlinge mengeling van guitachtigheid en mystieke vroomheid zoekt de knaap voor zijne jongensrampen troost in het gebed en smeekt b. v. God, dat hij in de school niet geslagen moge worden. Stijf en afgemeten is hij echter niet. Nu zien we hem vroolijk met zijne makkers spelen en stoeien, dan met ingehouden adem staren naar de gymnastische oefeningen en tooneel-voorstellingen in den circus, om die straks na te bootsen in het vrije veld. Weinig lust tot leeren en veel speelsch-heid, weinig nadenken en veel dartelheid vindt ge, als bij de meeste jongens, ook bij dezen knaap. Vogelnestjes uithalen en stukjes draaien, och, dat heeft zelfs de groote kerkvader in zijne jeugd gedaan!

Maar als de eerste beginselen doorgeworsteld zijn en het onderwijs in de grammatica een aanvang neemt, ontwaakt zijne belangstelling. De studie der Latijnsche letterkunde, met name van Vergilius\' gedichten, bekoort en

-ocr page 41-

AURELIUS AUOUSTINUS. 31

overmeestert hem. De avonturen van Aeneas prikkelen zijne phantasie en bij den dood van Dido stort hij heete tranen.

Het onderricht, in zijne vaderstad aangevangen, wordt voortgezet te Madaura, eene stad waar liet Heidendom nog diep geworteld was. Geen wonder, dat de kiem van liet christelijk geloofsleven, hem door zijne moeder ingeplant, daar bleef sluimeren en alleen zijne voorliefde voor de klassieke studie, maar vooral voor lichaamsoefening en zingenot, tot meerdere ontwikkeling kwam. Toen hij op zijn zestiende jaar terugkeerde in de ouderlijke woning, was hij tot een bloeienden jongeling opgewassen. Verlustigde zich zijn vader in zijne frisch ontluikende kracht, niet zonder innige bekommering zag zijne moeder hem aan, bij de gedachte aan de velerlei verzoekingen, die den hartstochtelijken knaap bedreigden. En niet ongegrond bleek die bekommernis. Nog een jaar bracht Augustinus door in \'t ouderlijk huis, terwijl inmiddels het geld werd opgespaard, dat hem in staat zou stellen in Carthago zijne studiën te voltooien, een jaar van ongebondenheid en zedeloosheid. Doof voor de raadgevingen en beden zijner moeder, stortte hij zicli met zijne wilde kameraden in den vollen stroom van \'t zingenot.

In dien tijd maakte hij zich schuldig aan een diefstal, waarvan hij na verloop van vele jaren, in zijne Bekentenissen niet zonder diepe schaamte spreken kan. In de nabijheid van een wijngaard, die aan zijn vader behoorde, stond een perenboom met een menigte vruchten beladen. Op dien boom hadden op zekeren nacht Augustinus en zijne vrienden het gemunt. Van al zijne vruchten, beroofden zij hem en, daar ze noch mooi noch lekker waren, aten zij maar een klein deel er van op en wierpen de rest aan de varkens voor.

-ocr page 42-

3\'2 AUREL1US AUGÜSTINUS.

Haarfijn ontleedt hij in zijne Confessiën die schijnbaar onbeteekenende daad. „Wat heeft mij toch in u aangetrokkenquot;, zoo hoeren wij hem vragen, „o, mijn diefstal, gij nachtelijke misdaad van mijn zestiende levensjaar! Schoon immers waart gij niet, daar ge niets anders waart dan een diefstal; ja, zijt ge wel iets, zoodat ik \'t woord tot u kan richten\'?quot; En nu toont hij aan, hoe allerlei andere ondeugden door een schoonen schijn verblinden kunnen. Hoogmoed, wellust, traagheid, weelde, gierigheid, nijd, toorn, ze laten zich allen, schijnbaar althans, rechtvaardigen; maar wat kon hem in dezen diefstal aantrekken \'?

„Was \'t niet — zoo antwoordt bij — dat ik er een zeker vermaak in vond, in het verborgen iets verbodens te doen, omdat ik het niet ongestraft had kunnen doen voor aller oog, alzoo den schijn aannemende van eene valsche vrijheid, terwijl ik slaaf was, daarin een Hauw afschijnsel meenende te zien van uwe-almacht\'? Zoo was ik gelijk aan een slaaf, die zijn meester ontvlucht en zijne schaduw najaagt. O wonder van verdorvenheid en diepte des doods! Zoo heb ik er vermaak in kunnen vindén het verbodene te doen, alleen omdat het verboden waslquot; Doch met dat antwoord is Augustinus nog niet tevreden. „Had ik — zegt hij — werkelijk de vruchten begeerd die ik stal, om ze te hebben en er van te genieten, dan stond het in mijne macht alleen de misdaad te begaan, die mij dat genot verschaffen moest, en had ik de kwaadaardigheid van anderen niet noodig gehad als een prikkel om de mijne op te wekken. Maar wijl ik me daarom volstrekt niet bekommerde, was \'t genot, dat ik in mijne misdaad vond, enkel die te begaan en ze te begaan in vereeniging met anderen.quot; Leedvermaak bij de gedachte, dat de

-ocr page 43-

33

•eigenaars der vruchten daarnaar den volgenden dag te vergeefs zouden zoeken en zich Litter teleurgesteld zouden voelen, dat — zoo luidt zijne slotsom — was de prikkel tot de daad. En daarover met elkaar te kunnen lachen verhoogde het genot.

Ziedaar een enkele proeve van de fijne ontleding, waar-.aan Augustinus in zijne Bekentenissen zijn vroeger leven ■onderwerpt, en van het streng gericht dat hij over zijne daden oefent. Herkennen wij in dat oordeel den grooten zielkundige, die allereerst een diepen blik had geslagen in zijn eigen hart, wij vinden er tevens zijne leer van \'s menschen aangeboren bederf in terug, die hem zelfs lleidde tot de onnatuurlijke bewering, dat Jezus, toen hij .zei, dat der kinderen het koninkrijk der hemelen was, alleen het oog had op hunne kleine gestalte, als zinnebeeld van nederigheid.

Zoo zien wij den jongeling de toekomst tegengaan en het ouderlijk huis verlaten, om zich naar Carthago te begeven, door ziedende hartstochten gekweld, maar tegelijk met ■.schitterende gaven toegerust. Bovenal trok zijne welsprekendheid reeds vroeg de aandacht. Toen b. v. den leerlingen in de school eens de taak was opgelegd om de verzen van Vergilius, waarin June lucht geeft aan haar toorn, omdat ze den vluchteling uit Troje niet van Italië af kan weren, in ongebonden stijl weer te ■ geven en met toepasselijke gebaren voor te dragen, overtrof hij al zijne medescholieren in gelukkige uitvoering. Reeds zag Patri-cius voor zijnen zoon de schitterendste loopbaan geopend, te meer daar Romanianus, een aanzienlijk burger van Tagaste, zich als een Maecenas zijner aantrok en in Car-hago eene woning voor hern huurde.

Noch aan talenten, noch aan hulpmiddelen ontbreekt

3

-ocr page 44-

34 AÜKELIUS AUGUSTINÜS.

het dus den knaap, \'t Is maar de vraag: wat zal hij er mee doen\'?

II.

LKF.R- EN ZWERFJAREN.

„Nauwelijks kwam ik in Carthago — zoo schrijft Augustinus — of van alle zijden dwarrelde er een draaikolk van onreine lusten om mij heen.quot; Geen wonder! Een natuur, zoo zinnelijk als de zijne, vond hier veel wat haar bekoren kon. In de plaats van het oude Phenicische Carthago was, onder het bestuur der Romeinen, eene-nieuwe prachtige stad verrezen. Men vond hier een bisschopszetel en verscheiden christelijke basilieken, maar daarnevens tempels van Saturnus en Astarte.

Bij de feesten, ter eere der laatste gevierd, stond zeker ook Augustinus meermalen onder de saamgevloeide menigte. Hij hoorde de zedelooze liederen aan de godin gewijd, hij zag hare opgewonden dienaars aan een dusgenaamde geestelijke razernij ter prooi, hij aanschouwde-de wellustige gebaren der deelnemers aan den feestelijken optocht en te midden van dat alles vlamde \'t vuur van zijn onreinen hartstocht telkens hooger op. Wel werden er edeler aandoeningen in hem wakker, als hij in den schouwburg door een of ander treurspel tot tranen toe-bewogen werd, maar in het gezelschap van zijne onstuimige kameraden, onder den naam van „verwoestersquot; bekend, werden deze weer onderdrukt.

Nauwelijks had hij zijn 19de jaar bereikt, of reeds werd\' hem, als de vrucht eener onwettige verbintenis, een zoon

-ocr page 45-

AUIIELIUS AUGUSTINUS. li,5

geboren, dien hij — wonderbare mengeling van zinnelijkheid en godsdienstzin ! — Adeodatus, van God gegeven, noemde. Want ook te midden zijner grofste uitspattingen liet de stem van \'t heler Ik zich hooren en kwelde hem de dorst naar God. Een krachtige stoot alleen was er noodig, om hem aan de bedwelming dei-zinnelijkheid te ontrukken en, hoezeer nog schemerachtig, een hooger ideaal te doen rijzen voor zijn geest.

Daar is men in de school van den rhetor, dien hij volgt, genaderd tot de lezing van den Hortensius, een hoek van Cicero, dat wij niet meer bezitten, \'t Bevatte eene opwekking, tot de studie der wijsbegeerte en toonde aan, hoe\'\' men bij hare beoefening zich van allen partijgeest vrij moet houden, alleen de waarheid zich ten doel moet stellen en behoort te trachten naar een leven, vrij van onreinen zinnelijken lust. De waarheid toch is niet een zaak van het denken alleen, maar bovenal van het leven.

Diep treffen en beschamen hem die wenken. Of wat was de waarheid hem tot nog toe anders geweest dan een voorwerp van ijdele bespiegeling of een middel tot bevrediging zijner eerzucht\'? Daar staat ze voor hem als eene zedelijke macht, die eerbied afdwingt en tot reinheid roept. Hij grijpt naar de schriften van het Nieuwe Testament, in de hoop daar troost te vinden. Doch hunne strenge eischen van boete en bekeering zijn hem nog te hard.

Ééne vraag neemt langzamerhand geheel zijne ziel in en wordt de spil, waarom zijn denken zich beweegt, de vraag: van waar het kwaad? In de school der Manicheërs hoopt hij \'t antwoord op die vraag te vinden. Negen jaren lang werd hij door hunne leer geboeid. Zoowel toen hij,

-ocr page 46-

36 AURELIUS AUGUSTINUS.

na afloop zijner studiën, te Tagaste de spraakkunst onderwees, als gedurende zijn verblijf te Carthago als leeraar, behoorde hij wel niet tot de ingewijden, maar toch tot de hoorders der Manicheërs. Wat was er in hunne leer, dat hem gevangen hield? Wat anders dan het verlangen naar verlossing, de behoefte aan verzoening met God, die zich hier uitspreekt in de meest phantastische vormen, en de schoonklinkende belofte eener oplossing van het wereldraadsel, die hier gegeven werd!

Aan den Perzischen godsdienst ontsproten, had het Mail icheïsme de scherpe tegenstelling tusschen God, met het rijk des lichts, en den boozen geest, met het rijk der duisternis, daarmee gemeen. In den strijd tusschen licht en duisternis, in den beginne gevoerd, overwon wel \'t eerste, maar moest het nochtans eenige zijner bestanddeelen in de macht der laatste achterlaten. Om die lichtdeelen te bevrijden, gingen er twee machten, Christus en de Heilige Geest, van God uit. De eerste verscheen zelf op aarde en in zijn lijden, dat enkel in schijn plaats had, zag men het zinnebeeld van het in boeien gehouden licht. Door zijne leer had Christus de vrijmaking van het licht aangevangen, maar reeds zijne apostelen hadden haar misverstaan en in de kerk was zij meer en meer verbasterd. Eindelijk was Mani verschenen, als de door Christus beloofde Trooster of Parakleet, om \'t geheim van den wereldsamenhang te verklaren en de verlossing der lichtdeelen te voltooien. In die erkenning van den aanhoudenden strijd tusschen licht en duisternis, in de tegenstelling tusschen het goede en het kwade, die als twee zelfstandig tegen elkaar overstaande machten worden beschouwd, zoowel als in het streven om haar op te lossen, ligt de poëzie van het Mail icheïsme. Terwijl de scherpe dialektiek der Manicheërs,

-ocr page 47-

AUEELIÜS AUGÜST1NUS. 37

blijkbaar vooral in hunne bestrijding van het Oude Testament, en hunne sympathie voor het leven der natuur, Augustinus aantrok, bleef de hoop van hier de oplossing te vinden van het wereldraadsel en het antwoord op de vraag, die hem vervulde, hem jaren lang bezielen. Ja, zóóver ging een tijd lang zijn geloof aan het Manicheïsme dat hij, om zich te reinigen van den smet zijner onzedelijke levenswijs, meende te kunnen volstaan met spijzen te brengen aan de uitverkorenen die, naar der Manicheën leer, door het gebruik daarvan er de lichtdeelen aan ontlokten en er alzoo engelen en goden uit trokken, van wie hij-zijne verlossing wachtte. Eindelijk gaan hem de oogen open, zoowel voor het onbevredigende der Manicheesche leer, als voor de zedeloosheid van velen barer aanhangers. En juist de man, van wien hij de beantwoording zijner bedenkingen had verwacht, ontgoochelde hem voor goed.

Op den Manicheeschen bisschop Faustus was al zijne hoop gevestigd. Immers hing men in de vergaderingen aan de lippen van dien man en was er maar ééne stem over zijne vloeiende taal, zijne scherpe en geestige polemiek tegen de kerk en zijne bezielde welsprekendheid. Zoodra hij dan ook in Carthago optrad, bevond zich Augustinus onder zijn gehoor. Maar hoe bitter zag hij zich teleurgesteld! Wel oogstte de gevierde spreker ook hier niet weinig bijval; schitterend was dan ook zijne rede en wegsleepend zijne voordracht. Maar in den gouden beker vond men geen versterkenden drank.

„Wat vraagde mijn dorst, zoo roept hij uit, naar kostbare bekers en de bevallige houding van hem, die ze inschonk! Van zulke dingen waren mijne ooren reeds verzadigd.quot; De dorst bleef intusschen nog altijd ongelescht

-ocr page 48-

AURELIL\'S AIGUSTINIS.

en teleurgesteld wendt Augustinus zich weer van het Manicheïsme af, om elders lafenis te zoeken.

Intussclien had zijne trouwe moeder hem met klimmende bezorgdheid op al zijne schreden nagegaan. Ach, toen hij in Tagaste terugkeerde met de vrouw, die steeds nog aan zijne zijde in onecht leefde en met de onwettige vrucht zijner verbintenis, bovenal toen zij hem weerzag als een afvallige van het geloof, toen bloedde haar hart en meende ze hem aanvankelijk haar huis en tafel te moeten ontzeggen. Maar een droom bracht haar tot andere gedachten. :t Was haar alsof ze, van smart verteerd, op een houten maatstaf stond, toen een schoon jongeling, die haar vroolijk toelachte, haar naderde. „Waarom zijt gij zoo treurig\'.quot;1\' vroeg hij, „en wat is de oorzaak van uw dagelijksch verdriet? Ik ween,quot; zoo antwoordde zij, „over het verderf van mijn zoon.\'\' Toen zei hij haar, dat ze gerust kon zijn en op moest letten, dat waar zij was ook haar zoon zich bevond. Monica keek op en zag Augustinus aan hare zijde op denzelfden maatstaf staan.

Dat droomgezicht deelde de moeder mee aan haren zoon. Augustinus antwoordde, dat zij er uit kon afleiden, dat zij nog eenmaal voor zijne overtuiging zou gewonnen worden. „Neen/\' hernam zij met de gevatheid der moederlijke liefde, „want mij is niet gezegd: waar hij is zijt gij,maar waar gij zijt is ook hij.quot;

Door dien droom bemoedigd, ging Monica tot een bejaarden bisschop om haar hart voor hem uit te storten. Zij smeekte hem met haren zoon te spreken, om hem van zijne dwalingen terug te brengen. Maar de grijsaard, die zelf in zijne jeugd een aanhanger der Manicheesche secte was geweest en door langdurig nadenken tot het inzicht in hare dwalingen gekomen was, begreep dat voor Augus-

-ocr page 49-

AUHELIUS AUGÜSTIXCS. 39

linus \'t uur der bevrijding nog niet was geslagen en dat, Mj voortgezet onderzoek, zijne oogen wel moesten opengaan. En als Monica zich nog niet liet afwijzen en onder tranen hare bede herhaalde, sprak de bisschop het merkwaardig woord: „ga in vrede, een zoon van zoovele tranen kan niet verloren gaan.quot;

Dat woord klonk Monica als eene hemelstem in \'t oor en drong haar om haar kind weer op te nemen in hare woning. Evenwel niet voor langen tijd. Want al ras — wij zagen \'t —- zette Augustinus zicii als leeraar te Carthago neer en, toen hij het ook daar niet vinden kon, dreef hem liet onrustig hart naar Rome.

Nauwelijks is hij daar aangekomen, of hij wordt, uitgeput door den hangen strijd tusschen vleesch en geest, afgemat door rusteloos zoeken naar waarheid, op het ziekbed neergeworpen. Met den dood voor oogen, laat hem de leer der Manicheërs troosteloos, \'t Gebed besterft hem op de lippen. Wat baatte hem nu het gebruik dei-spijzen door de uitverkorenen! Wat een Christus, die alleen in schijn geleden had!

Uit zijne ziekte hersteld, waarschuwt hij anderen togen het Manicheïsme, vroeger zoo vurig aangehangen en vervalt in eene wanhopige twijfelzucht. Indien de Academische wijsgeeren eens waarheid spraken, die beweerden, dat men aan alles twijfelen moet, daar toch de waarheid onbereikbaar is!

„Hoe stond ik zelf verbaasd — zoo schrijft hij — als ik terug zag op den langen tijd, die er verloopen was, sinds ik op mijn negende jaar in liefde tot de wijsheid was ontgloeid en me had voorgenomen, zoodra ik haar gevonden had, alle ijdele hoop en bedriegelijke verwachting te laten varen. En zie, reeds had ik mijn dertigste jaar

-ocr page 50-

40

bereikt en nog stak ik in denzelfden modderpoel. „Morgenquot;, zoo had ik gezegd, ,/Zal ik vinden wat ik zoek; klaar zal \'t zich aan mij vertoonen en ik zal het vasthouden; zie, Faustus zal komen en mij alles verklaren. O, groote mannen der Academie, wel hebt gij tereclit gezegd, dat er niets zekers tot levensregel is te stellen .r

En toch, laat ons ijveriger zoeken en niet wanhopen____

Niets dan ellende biedt het leven, onzeker is de dood. Kwam hij ons plotseling overvallen, hoe zouden wij van hier gaan\'? Waar zouden wij leeren, wat wij hier verzuimd hebben, of waar de straf voor het verzuim moeten dragen? Of zou wellicht de dood zelf ons van alle zorg bevrijden door \'t gevoel te dooven? Ook dat moet worden onderzocht. Maar neen, dat zij verre! Niet ijdel is het, noch doelloos dat het christelijk geloof over heel de aarde zulk eene hoogte van gezag heeft bereikt. Nooit zouden er van Godswege zoovele en groote dingen voor ons zijn geschied, indien de dood van\' het lichaam tegelijk die dei-ziel ware. Wat aarzelen we dan, met achterlating van de hoop dezes tijds, ons geheel toe te leggen op het zoeken van God en het eeuwige leven! Wacht een wijle, de wereld heeft toch ook hare bekoorlijkheid; niet lichtvaardig heeft men zich van haar af te wenden, wijl \'t dan schandelijk is tot haar terug te keeren.quot;

Zoo werd deze groote geest door de golven van den twijfel heen en weer geslingerd; zoo werd de strijd tus-schen vleesch en geest, die we allen bij ervaring kennen, jaren lang met wisselende kans door hem gevoerd; zoo kende ook hij de innerlijke tweespalt, die Goethe zoo treffend beschreef, als hij zijn Faust deed klagen:

-ocr page 51-

ADRELIUS AÜGUSTINUS. 41

Daar wonen, ach! twee zielen in mijn borst,

En de eene wil van de andere zich scheiden;

Want de eene omklemt met lieeten liefdedorst De wereld, waar zij woning wil bereiden;

Maar de andre schudt, in onbetoombre vlucht Het stof zich af en smacht naar llooger sferen.

O, noemde ik slechts een Toovermantel mijn.

Mocht ik er mee naar vreemde landen zweven!

Maar zulk een toovermantel viel hem niet ten deel. Was \'t niet juist zijne fout, dat hij jaren lang alleen bij het spel van vernuft en verbeelding de waarheid had gezocht, terwijl ze alleen voor hem die ernstig zoekt, geloovig bidt en moedig strijdt, haar beeld onthult?

Welnu, wat hij in Rome niet gevonden heeft, dat gaat hij zoeken in Milaan. Daar tot leeraar in de rhetorica aangesteld, leert hij er Ambrosius kennen, den gevierden kerkleeraar, den bezielden hymnenzanger, den vader der armen. Aanvankelijk voelt hij zich alleen door nieuwsgierigheid tot hem getrokken en is \'t enkel de vorm van Ambrosius\' prediking, dien hij bewondert en geniet. Maar ongemerkt neemt hij met en in dien vorm ook den inhoud op in zijn gemoed. Die prediking toch brengt in zijne ziel snaren in beweging, wier klank hem bijna vreemd geworden was, en wekt vrome herinneringen uit de dagen zijner jeugd.

Onder den machtigen indruk van dit woord breekt er een tijdperk van nieuwe gisting voor hem aan. Wel zegt hij het Manicheisme thans voor goed vaarwel, wel zoekt hij rust in de armen der Moederkerk, door zich van nieuws onder de katechumenen te doen opnemen, maar toch is de strijd nog niet volstreden. Ging hij over tot

-ocr page 52-

Al\'RELlüS AUGUSTIXCS.

de kerk, dan wenschte hij zich onverdeeld aan haar te wijden, met opoffering van andere eerzuchtige plannen en geliefkoosde vooruitzichten. En dat kostte strijd!

Nu lokt de voorstelling van een stadhouderschap over eene provincie, met behulp zijner veelvermogende vrienden wellicht spoedig te verkrijgen, hem aan. Dan neemt hij zich voor, een wettig huwelijk te sluiten en zendt met het oog daarop Adeodatus\' moeder weg, maar terwijl zijne aanstaande bruid nog te jong is om het huwelijk te voltrekken, gaat hij intusschen van nieuws eene onwettige verbintenis aan. Straks dringt de vraag; van waar het booze\'? zich aan hem op met verdubbelde kracht, sinds hij de oplossing der Manicheërs voor goed heeft afgewezen.

Gelukkig stonden in die bange uren twee vertroostende engelen hem ter zijde. Hier de trouwe liefde zijner moeder, die hem met haar anderen zoon Navigius naar Milaan was gevolgd en voor de gevaren eener stormachtige zeereis ruimschoots vergoeding vond, toen zij vernam dat haar Augustinus onder de katechumenen opgenomen was. Daar de wijsbegeerte van Plato, die hij vroeger ja van hooren zeggen kende, m iar thans door de studie van verscheidene zijner schriften eerst recht leerde waardeeren. Zij genas hem, door hem tot zelfonderzoek en zedelijken ernst te dringen, aanvankelijk van zijn scepticisme, opende hem \'t oog voor de zuiver-geestelijke natuur van God, leerde hem het betrekkelijk karakter van het kwade erkennen en was ook hem gelijk zoo menigeen, eene weg-bereidster tot het christendom. Zoo naderde de volheid des tijds. Niet lange meer, of \'t licht zou dagen!

42

-ocr page 53-

AURELIUS AUG VSTINVS.

III.

DE CllISIS.

„Hij kwam tot zichzelven en zei: hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood en ik verga hier van honger V\' Die onsterfelijke woorden, waarin de dageraad van \'t nieuwe leven in de ziel eens afgedooklen beschreven werd, geven volkomen weer wat er omstreeks dezen tijd voorviel in het gemoed van Augustinus. Op zekeren dag wandelde hij door de straten van Milaan, mijmerend over eene lofrede die hij te houden had op keizer Valentinianus II, en zich schamende over de leugenachtige vleitaal die van hem werd verwacht, \'t Hoofd vol muizenissen en als door een heete koorts gekweld, kreeg hij een ellendigen bedelaar in \'t oog die zich een roes gedronken had en vroolijk lachte en tierde. ,/Heeft die bedelaarquot;, zoo sprak hij tot de vrienden die hem vergezelden, „met behulp van eenige penningen hem door eene liefdadige hand gereikt, \'t niet verder gebracht dan ik\'? quot;Want het oogenblikkelijk genot dat ik zoek langs moeitevolle, kromme wegen, heeft hij reeds gevonden; zij \'t ook een denkbeeldig en vluchtig genot, even onwaarachtig is het mijne, dat alleen bestaat in de voldoening mijner eerzucht. Hij is ten minsten blij, ik angstig; hij gerust, ik sidderend van vrees.quot; Ach, terwijl hij bezig was de prachtigste volzinnen te smeden en op \'t punt stond nieuwe lauweren te oogsten, verging hij innerlijk van honger en versmachtte hij van dorst. In dien toestand keert hij terug tot de Nieuw-Testamentische schriften, wier strenge eenvoud hem vroeger afgestooten had. Vooral de brieven van Paulus, die hij nu leert waardeeren,

-ocr page 54-

44 AURELIÜS AÜGUSTINÜS.

maken op hem een diep verootmoedigenden indruk.

Vol van verlangen om \'t hart Lij iemand uit te storten, wendt hij zich tot Simplicianus, een der eerwaardigste geestelijken van Milaan. Hij verhaalt den grijsaard van zijne afdwalingen en zijnen strijd. Hij deelt hem mee, hoe hij jaren lang in \'t stelsel der Manicheërs was verstrikt geweest, totdat de geschriften van Plato, die hij in de Latijnsche vertaling van Victorinus had gelezen, hem de oogen eenigszins geopend hadden.

Daarop verhaalt hem Simplicianus, hoe \'t dien Victorinus was gegaan. Ook deze, een gevierd leeraar der welsprekendheid in Rome, was langs den weg der Platonische wijsbegeerte gekomen tot het Christendom. „Weet, zoo had hij in vertrouwen tot Simplicianus gezegd, dat ik reeds een Christen ben.quot; — „Ik zal \'t niet gelooven, antwoordde deze, zoolang ik u niet in de kerk der Christenen heb gezien.quot; — „Zoo maken dan de kerkmuren iemand tot een Christen \\quot; riep Victorinus lachend uit. Maar ondertusschen hield eene heimelijke vrees hem nog terug. Of behoorde er geen moed toe om het Heidendom openlijk vaarwel te zeggen, dat toen juist door Keizer Julianus in een romantisch kleed werd gehuld\'? Zou niet Victorinus, volgens het keizerlijk bevel, bij zijnen overgang, het onderwijs in de klassieke letterkunde en de welsprekendheid moeten laten varen, en waren niet de meesten zijner aanzienlijke vrienden aanhangers van den ouden godsdienst\'?

Toch kan hij zich niet ontveinzen, dat het lafheid is terug te deinzen voor dien openlijken stap. Eindelijk overwint hij zijne aarzeling en gaat tot Simplicianus met den uitroep; „laat ons naar de kerk gaan, ik wil Christen worden.quot; Onder de katechumenen opgenomen, wenscht hij niet lang daarna den doop te ontvangen. Eene openlijke

-ocr page 55-

AURELIUS AUOUSTINUSj

geloofsbelijdenis, die zooveel opzien baren zou, wil men hem sparen. Men biedt hem de gelegenheid aan om in \'t geheim zijne overtuiging uit te spreken. Maar Victorinus Avijst die af. En terwijl de gemeente in gespannen verwachting vergaderd is, terwijl heel Rome met verbazing staart op den man die, in den Heidenschen godsdienst vergrijsd en als rhetor gevierd, thans zijne betrekking ter wille van zijne overtuiging prijs geeft, legt Victorinus belijdenis af van het christelijk geloof.

Een diepen indruk maakte dit verhaal op Augustinus. En niet minder trof hem wat hij hoorde van het kluizenaarsleven van den Heiligen Antonius. Zulk een verblijf in de eenzame woestijn, onder \'t geruisch der beekjes en de schaduw der palmboomen, hoe lacht het den moeden zwerver toe! Hoe heerlijk moest het zijn, na een stormachtig en veelbewogen leven, zich zoo alleen aan God te wijden! Na een gesprek daarover gevoerd, begeeft Augustinus zich met Alypius in den tuin, die grenst aan zijne woning. De brieven van Paulus, op de tafel opgeslagen, neemt hij mee en op een eenzame plek zetten zij zich neer.

Daar rijst hem zijn verleden beschuldigend voor den geest en, sidderend van schaamte en zelfverwijt, rukt hij zïch de haren uit het hoofd. Op eenigen afstand van zijn vriend werpt hij zich onder een vijgenboom neer en laat den vrijen loop aan zijne tranen. ,/Hoelang, hoelang nog!\'\' zoo roept hij in hevige benauwdheid uit. „Morgen, altijd morgen? Waarom niet hedenquot;? Waarom komt er thans geen eind aan mijne schande?quot; Daar klinkt uit eene naburige woning een kinderstem hem tegen, die bij herhaling roept: „neem en lees, neem en lees!quot; Augustinus — zoo kan een nietige omstandigheid, als een lont in \'t kruit geworpen, het ontvankelijk gemoed in vlam zetten — be-

45

-ocr page 56-

4ü AURELIUS AUGUSTINUS.

schouwt dat woord als van Godswege tot hem gericht. Hij keert tot Alypius terug, neemt de rol van Paulus\' brieven ter hand en slaat die open; daar valt zijn oog op \'t woord; „Wandelt niet in hrasserij en dronkenschap, niot in ontucht en ongebondenheid, niet in twist en nijd; maar doet den Heer Jezus Christus aan en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden/\' Hij had niet noodig verder te lezen; dat woord werpt hem een lichtstraal in de ziel en bepaalt de richting van zijn volgend leven.

Zoodra de vacantie aangebroken is, legt Augustinus zijne betrekking als leeraar der welsprekendheid neer en trekt zich in de eenzaamheid terug om daar ,/bevrijd van de knagende zorgen van eer- en hebzucht en de schandelijke omhelzingen van den wellustquot;, zooals hijzelf zich uitdrukt, zich in zijn nieuwen levenstoestand in te denken. Yerecundus, een zijner vrienden, biedt hem daartoe een heerlijke gelegenheid. Hij stelt zijne buitenplaats Cassi-ciacum, nabij Milaan, te zijner beschikking. Heerlijk was zij gelegen aan den voet der heuvelen, die de eerste Alpenlaag naar de zijde van Lombardije vormen, voor den gloed van een Italiaanschen hemel wegschuilend in \'t groen der Zwitsersche valleien.

In het gezelschap van zijne moeder, van zijn boezemvriend Alypius en eenige zijner leerlingen, brengt hij daar in stille overpeinzing en vertrouwelijk gesprek verscheidene maanden door. \'t Was of het gastmaal van Plato zich onder een anderen vorm herhaalde, als zij, om een een-voudigen disch vereenigd, met elkaar spraken over hunne hoogste belangen. Nu eens werd het gesprek voortgezet in de badzaal, dan in de vrije natuur, waar men, onder de schaduw van \'t geboomte tegen een heuvel neergevlijd, aan zijne gedachten den vrijen loop liet.

■-gt;

-ocr page 57-

AUUELIÜS AUGUSTINUS. 47

Merkwaardig is de aanleiding tot een der dialogen daar gevoerd. Op zekeren nacht, dat Augustinus niet kon slapen, werd zijne aandacht getrokken door \'t onregelmatig gekabbel van een beekje, dat langs de villa naar de baden stroomde. Van waar dat het nu met sterker dan met zachter geluid over de kiezelsteenen ruischte\'? Van waar anders, antwoordde zijn vriend Licentius, dan dooide herfstbladeren die, in \'t water vallende, zich hier en daar in de enge bedding opeenhoopten en daardoor den stroom belemmerden\'? Ook die schijnbare onregelmatigheid was, zoo beweerde hij, opgenomen in de orde dei-dingen, buiten welke niets geschiedt.

Dat woord trof Augustinus, omdat het eene overtuiging uitdrukte, reeds lang door hem gekoesterd, \'t Gat\' aanleiding tot een uitvoerig gesprek over de orde, die niet alleen in de natuur, maar ook in de zedelijke wereld wordt gevonden. Elke schijnbare wanorde toch, dus ook de dwaling, dus ook het zedelijk kwaad, is opgenomen in de harmonie der dingen. Op de vraag: wat is de orde\'? kwam men tot het besluit, dat zij is datgene, waardoor alles wordt geleid, wat God besloten heeft. Dus moet God de orde liefhebben, maar is het kwade daarin opgenomen, dan heeft Hij ook het kwade lief. — Neen, luidt het antwoord, maar God bemint de orde der dingen, krachtens welke Hij het goede lief heeft en het kwade haat. Zoo behoort dan toch ook het kwade tot de harmonie van het heelal. Hoe evenwel het kwade daarin opgenomen is, bleef in \'t duister. Het onderwerp bleek te zwaar voor zoo jeugdige krachten. Maar de grondtoon van den dialoog, zoo echt wijsgeerig en zoo diep godsdienstig tevens, was ook die van Augustinus\' leven.

Ook waar die orde, ziedaar de slotsom van \'t gesprek.

-ocr page 58-

48 AUEELIÜS AUGUSTINUS.

nog niet wetenschappelijk kan worden nagespeurd en aangewezen, heeft nochtans het vroom gemoed daarvan een voorgevoel. „Laat ons alzoo bidden — dus besloot Augus-tinus — niet dat ons rijkdommen, of wereldsche eer, of dergelijke vergankelijke en bij den minsten tegenstand wijkende dingen ten deel vallen, maar dat we datgeen erlangen wat ons goed en waarlijk zalig maakt. En opdat die bede oprijze uit een vroom gemoed, bevelen wij ze voornamelijk u, o moeder — zoo wendde hij zich tot Monica — op wier gebed, gelijk ik vast geloof en betuig, God mij dezen geest gegeven heeft, dat ik niets stel boven \'t onderzoek der waarheid, niets anders wil, denk en bemin. En \'k houd niet op te gelooven dat ik het hoogste goed, waarnaar mijn hart uitgaat, ook op uw gebed verkrijgen zal.quot;

Zoo sleet Augustinus ongeveer een jaar op het landgoed van zijn vriend, een jaar van studie, overpeinzing en gebed. In \'t voorjaar van 387 keert hij met zijn vriend Alypius en zijn zoon Adeodatus naar Milaan terug. Op Paschen ontvangt het drietal door de hand van Ambrosius den doop. In hoe geheel andere verhouding stond nu Augustinus tot zijn zoon! Beschouwde hij vroeger het bezit van dat kind als een ongeluk en eene straf, omdat het hem gedurig herinnerde aan zijn onrein verleden, thans legt het hem een duren plicht op, uit zijn vergrijp zelf geboren; nu verheugt hij zich in den heerlijken aanleg van den vijftienjarigen knaap, dien hij met dankbare geestdrift opdraagt aan God.

De vurigste wensch van Monica was alzoo vervuld. Haar zoon, het kind van zooveel tranen, was Christen geworden. Thans maakt zij zich gereed met hem terug te keeren naar haar vaderland. Reeds hebben zij

-ocr page 59-

AURELIUS AUGUSTINüS. 49

:zich naar Ostia begeven orn van daar zicli in te schepen maar Africa\'s kust. Op zekeren avond zitten daar moeder ■en zoon in vertrouwelijk gesprek, leunende aan een venster, dat hun uitzicht bood op den hof van het huis, waarin zij vertoefden, een oogenblik in beider leven, dat Ary Scheffer koos tot onderwerp van eene zijner beroemde :schilderijen. Terwijl zij zich verdiepen in de zaligheid van :het eeuwige leven, schieten hun eindelijk de woorden te Ikort. Zij gevoelen dat wat geen oog gezien heeft en geen ■oor gehoord zich niet in menschelijke taal beschrijven laat.

„Wij sprakenquot;, zoo ongeveer heet het in de Confessiën, .„met elkander op de liefelijkste wijze, en wat achter ons lag vergetende en ons uitstrekkende naar hetgeen voor ■ons was, vroegen wij zamen naar het eeuwige leven der heiligen, dat geen oog heeft gezien en geen oor heeft :gehoord en in geens menschen hart is opgekomen. En als het gesprek op liet genot der zinnen kwam, hoe het zelfs in het reinste lichamelijk licht niet waardig is met de zoetheid van het leven vergeleken of genoemd te worden, toen richtten wij ons daarheen met brandend verlangen; en trapsgewijs doorwandelden wij de rijen aller lichamelijke wezens en den hemel zeiven, vanwaar de zon en maan en de sterren lichten over de aarde. En nog hooger klommen wij op met inwendige gedachten •en woorden en in bewondering van Gods werken, en wij verhieven ons boven onszelven, opdat wij het land der volzaligheid bereikten, waar God Israël voedt met Zijne waarheid tot in eeuwigheid, en waar het leven die wijsheid is, waardoor alles bestaat, wat er is en zijn zal.

Toen zeiden wij: zoo in iemand de onrust des vleesches zwijgt, en de beelden der aarde, der wateren en der ■lucht zwijgen, en de polen zwijgen, en ook de ziel zelve

4

-ocr page 60-

50 AüKELIUS AUOUST1NUS.

zwijgt en boven zichzelve uitgaat, zich vergetende; zoo-droomen en ingebeelde openbaringen zwijgen, en alle-teeken en alles wat vergankelijk is, volkomen zwijgt, naardien dit alles hem, die booren wil, zegt: niet wij zelve-hebben ons gemaakt, maar Hij, die blijft tot in eeuwigheid; zoo alles op zulke rede zwijgt, omdat het oor dan alleen luistert naar God, die zelf alleen spreekt, niet door tusschenkomst Zijner schepselen, maar door zichzelven„ opdat wij Zijn woord hooren, niet door eenige tong van vleesch, noch door de stem eens engels, noch door liet machtig geluid der wolken, noch door het raadsel der gelijkenis, maar Hemzelven, dien wij in Zijne schepselen beminnen, dat wij hern zonder die allen hooren, gelijk wij ons nu opheffen en met de snelle vaart der gedachte-de eeuwige, boven alles blijvende wijsheid genaken; zoo-dit voortduurt, en alle voorstellingen van ongelijken aard weggenomen worden, en deze ééne voorstelling zich van den schouwer geheel en al meester maakt, zoodat. eeuwig leven wordt wat nu nog maar een oogenblikkelijk, erkennen is, — zal dat niet de vervulling wezen van het woord: ga in tot de vreugde tnvs lleeren 9quot;

Zoo sprak hij, en zij zeide: „mijn zoon, wat mij betreft* voor het tegenwoordige leven kan mij niets meer bekoren. Wat ik hier nog doen kan en waarom ik hier langer toeve, weet ik niet, daar mijne hoop voor deze wereld voleindigd is. Eén ding was er waarvoor ik nog een poos wenschte te leven — dat ik u een geloovig Christen mocht kennen, eer ik stierf! God heeft mij dit overvloedig-geschonken, daar ik u Zijn dienaar mag zien en los van

alle aardsche vreugde. Wat doe ik langer hier\'?.....quot;

Monica ging in vrede henen; weinige dagen later was. zij niet meer.

-ocr page 61-

51

Nog vertoeft Augustinus eenigen tijd in Rome, waar hij met verwonderlijke veerkracht aanstonds weder naar de pen grijpt en die onder anderen gebruikt als wapen tegen de Manicheërs, welke hij in twee boeken bestrijdt. Doch, hoeveel \'t hem ook kosten moge het stoffelijk overschot zijner trouwe moeder in den vreemde achter te laten, weldra keert hij naar zijn vaderland terug. Te Tagaste aangekomen, ontvalt hem ook zijn veelbelovende zoon. \'t Was of heel zijn verleden hem ontzinken moest, nu zich een nieuwe toekomst voor hem opende.

IV.

DE BISSCHOP VAN NOORD-APRICA.

Met den terugkeer van Augustinus in zijn vaderland breekt een nieuw tijdperk in zijn leven aan. In de plaats van den twijfelenden wijsgeer, smachtend naar waarheid en licht, van den dikwijls afdolenden, maar rusteloos zoekenden zwerver, treedt thans de eerwaardige bisschop, de strenge handhaver der kerkleer, de onverbiddelijke bestrijder der ketterij. Doch hoe ook de tweede Augustinus als de groote kerkvader geëerd zij en gevierd, toch heeft het beeld des eersten, ondanks al zijne afdwalingen, voor ons, uit een zielkundig oogpunt, veel meer aantrekkelijkheid. Want vooral uit het eerste tijdperk van zijn leven klinkt ons het woord tegen, dat er den grondtoon van uitmaakt: „ons hart, o God, is tot u geschapen en \'t is onrustig in ons, tot dat het ruste vindt in u.quot;

Bij zijne aankomst in Tagaste trok Augustinus zich terug op het land, dat hem uit de nalatenschap zijns vaders was

-ocr page 62-

52

overgebleven, nadat hij een deel zijner goederen aan de kerk, een deel aan de armen had afgestaan. Drie jaren leidde hij daar met enkelen zijner vrienden, in gemeenschap van goederen, een soort van kloosterleven. Daartoe drong hem zijne natuur. Geesten toch als die van Augustinus doen niets ten halve en kennen geen middelmaat. Offeren zij nu met onverdeelde toewijding op het altaar der zinnelijkheid, straks is hun leven geheel aan zelfkastijding en boetedoening gewijd. Maar niet minder brachten hem daartoe de tijdsomstandigheden. Groot was in dien tijd het aantal der geschokte en beangste zielen die tegen het ruw geweld der volken uit het Noorden, door den stroom der volksverhuizing voortgestuwd, eene schuilplaats zochten in een eenzaam oord.

,/Niet de wolven van Arabiè, zoo hooren we Hiëronymus klagen, maar wolven van het Noorden, uit de diepste bergkloven van den Caucasus tegen ons losgelaten, wierpen zich op ons en renden in korten tijd geheele provinciën door. Hoevele waterstroomen zijn in bloed veranderd! Scharen van gevangenen worden voortgesleept. Arabië, Phenicië, Palestina, Egypte zijn door siddering bevangen. Al had ik honderd tongen en een honderdvoudigen mond, \'k zou al die straffen niet kunnen opnoemen/

Is \'t wonder dat velen een wereld poogden te ontvluchten, die hun zooveel jammeren te aanschouwen gaf\'? „Hier\'\', zoo verklaren drie kluizenaars die zich in Bethlehem teruggetrokken hadden, „hier in het dorpje van Christus is alles landelijk, er heerscht een diep stilzwijgen, dat alleen door psalmgezang wordt afgebroken. Waarheen ge u ook wendt, ge hoort den landman bij de ploegschaar zijn Halleluja zingen. De maaier wischt zich onder psalin jn het zweet van het voorhoofd en de wijngaardenier,

-ocr page 63-

53

als hij met den gekromden sikkel den wijnstok snoeit, zingt een lied Davids. Dat zijn hier de liederen en zangen der liefde. Hier strekken ons brood en groenten, die we met onze handen bevochtigd hebben, en kostelijke melk tot een eenvoudig voedsel. Bij zulk eene levenswijs zal ons de slaap niet van \'t gebed, de oververzadiging niet van \'t lezen der Heilige Schrift aftrekken. Is \'t zomer, dan biedt ons de schaduw van het geboomte een vriendelijk dak; is \'t herfst, dan lokt ons de zachte lucht en het afvallend loover tot rusten uit; in de lente is het veld met bloemen bedekt en bij \'tvroolijk lied der vogelen klinkt het gezang der psalmen dubbel schoon.quot;

Wij zullen niet beweren, dat zulk een leven van stille mijmering en rustige contemplatie een teeken van groote geestelijke welvaart is, maar toch bevreemdt het ons niet, dat het Augustinus aanlachte en dat hij onder bijbellezing, vasten en gebed menig uur in stilte doorbracht.

Trouwens hij deed ook hier iets meer dan aan vrome mijmering zich overgeven. Hij schreef er zijne twee boeken over Genesis tegen de Manicheërs, zijne zes boeken over de muziek, waarin zoowel haar wetten en innerlijk wezen als hare waarde voor de opheffing van het hart tot de goddelijke harmonieën aangewezen werd, zijn boek over den waren godsdienst en zijn dialoog over den Meester, waarin hij een der laatste gesprekken, met zijn geliefden Adeodatus gehouden, weergaf. En zoo weinig zelfzuchtig was zijne afzondering, dat hij niet alleen menig uur aan zijne uitgebreide briefwisseling wijdde, maar ook voor allen, die zijn raad en hulp kwamen inroepen, zich belangeloos beschikbaar stelde.

Toch was hij geroepen om in ruimer kring zijn licht te doen schijnen. Op zekeren tijd bezoekt hij Hippo Regius.

-ocr page 64-

54 AURELIÜS ALGUSTJNÜS.

Valerius, de bejaarde bisschop der gemeente aldaar, begeerde sinds lang een steun in zijnen ouderdom. In eene godsdienstoefening, waarin Augustinus tegenwoordig is, brengt hij dien wensch van nieuws ter sprake; de vergaderde menigte roept Augustinus tot priester uit en deze, hoezeer schoorvoetend en smeltend in tranen, laat zich die keuze welgevallen. Op gelijken voet als te Tagaste leeft hij ook hier met enkele vrienden in de afzondering van het klooster.

Dit neemt evenwel niet weg dat hij ook als prediker voor de gemeente optreedt en zich binnen kort tal van vrienden en aanhangers verwerft. Door allerlei antwoorden, uitroepen en verzuchtingen zijner hoorders werden zijne toespraken niet zelden afgewisseld. Onder de menigte die zich onder zijn gehoor verdrong merkte men altijd snelschrijvers op, die het gesproken woord onmiddellijk in schrift brachten. Ja, voor een goed deel dankte de Noord-Africaansclie kerk dier dagen haren bloeitijd aan Augustinus\' prediking.

Meer nog dan een oogenblikkelijke opgewondenheid bracht zij te weeg. Onder den machtigen invloed van zijn woord werden te Cesarea in Mauritanië de bloedige kampspelen, die er tusschen bloedverwanten, ja vaders en zonen gehouden werden, geheel afgeschaft. Onder dien invloed verdwenen te Hippo de bacchanaliën, vroeger op de gedenkdagen der martelaars gevierd. Zoo werd menig maatschappelijk en kerkelijk misbruik door hem aangetast met kloeken ernst en vaste hand.

Sedert hij in 395 was opgeklommen tot de bisschoppelijke waardigheid, die hij aanvankelijk nevens Valerius, maar niet lang daarna alleen bekleedde, zien we hem optreden als zegevierend bestrijder van verschillende personen en

-ocr page 65-

AURELIÜS AUGUSÏINUS. 55

•secten, door de Kerk als kettersch gebrandmerkt. Nu zijn \'t de Manicheërs tegen wie hij zijne wapenen richt en die hij thans verfoeit met dezelfde kracht waarmee hij hun ■vroeger aanhing, ja wien hij — zoo kan eene edele ziel door het stof van \'t strijdperk verontreinigd worden —■ allerlei ongerechtigheden, ook waar het bewijs ontbreekt, ten laste legt. Dan zijn \'t de Donatisten, die met koortsachtige dweepzucht voor kerkzuivering ijveren en zoo-velen mogelijk door wederdoop in hun gemeenschap van volmaakt geloovigen zoeken op te nemen, tegen wie hij het sacramenteel karakter van den kerkelijken doop verdedigt.

Vooral in zijn strijd met Pelagius kwam zoowel de kracht als de zwakheid van den kerkvader aan \'t licht. Augustinus en Pelagius, scherper contrast dan tusschen deze beiden laat zich nauwelijks denken! De een, een hartstochtelijke zoon der heete Libyaansche stranden, de ander, ■een koele zoon van \'t Noorden. De eerste diepzinnig tot duisterheid, de laatste nuchter tot oppervlakkigheid toe. Bij den een een drang tot wijsgeerige bespiegeling die poogt door te dringen tot de diepten Gods en terugdeinst voor geen gevolgtrekking, hoe hard en stuitend ook, zoodra ■die maar door het stelsel wordt gevorderd. Bij den ander ■een. gezond verstand en een praktische zin, die, zonder in de ■diepte af te dalen, enkel vraagt naar\'t geen voor het leven bruikbaar en voor het alledaagsch verstand bevattelijk is. Persoonlijkheden i. é. w. die elkander niet konden ontmoeten, zonder met elkaar in botsing te geraken.

Bekend is de aanleiding tot den twist, die uitbarstte toen Gelestius, Pelagius\' leerling en geestverwant, naar het presbyterambt te Carthago dong. De Britsche monnik had zich geërgerd aan eene lievelingsuitdrukking van

-ocr page 66-

56 AURELIÜS AUGUSTINUS.

Augustinus, die in zijne Bekentenissen meer dan eens--gevonden wordt: ;/o God, geef wat gij beveelt en beveel wat gij wiltquot;, daar ze volgens hem de traagheid voeden en tot werkeloosheid leiden moest. De mensch, zoo leerde hij, kon door eigen kracht het goede doen en de volmaaktheid bereiken. De goddelijke genade, alleen aan hen. die zich harer waardig betoon en verleend, kan de beoefening der deugd slechts gemakkelijk maken. God bezit alleen voorwetenschap, geen voorbeschikking. En ook vóór de komst van Christus zouden er zondelooze men-schen zijn geweest.

Lijnrecht daartegenover stond Augustinus\' gevoelen. Ten gevolge van Adams val, zoo leerde hij, is de men-schelijke natuur verdorven, ligt heel de menschheid irt het booze en zijn allen verdoemelijk voor God. )\'t Is alleen Gods genade, die \'s menschen natuur niet een weinig reinigt, verbetert, te gemoet komt, maar geheel vernieuwt. Die vrije, oppermachtige genade kiest er eenigen reeds vóór hunne geboorte ter zaligheid uit en laat al de anderen in de eeuwige verdoemenis. Zij is de eenige bron van \'s menschen behoudenis, aan haar heeft hij alles te danken.

Dat deze leer van Augustinus ten nauwste met zijn leven samenhangt, ligt onmiddellijk voor de hand. Dat leven had zich gekenmerkt door de sterkste overgangen en tegenstellingen van oud en nieuw. Geen geleidelijke ontwikkeling, geen geregelden vooruitgang vindt ge hier maar hevige schokken en zwaren strijd. In zijn gemoed, verduisterd door de macht van zinnelijkheid en wellust, was nu en dan een bliksemstraal gevallen, die op eensden nacht verhelderde.

Zulke lichtpunten in zijn zieleleven vormden de lezing

-ocr page 67-

AURELIUS AUamp;USTINL\'S. 57

van Cicero\'s Hortensius, de kennismaking met Plato\'s-wijsbegeerte, de ontmoeting met Ambrosius. Eindelijk was op het onvergetelijk oogenblik in den tuin te Milaan het volle licht voor hem opgegaan, \'t Was alsof God hem met eigen hand in de ziel had gegrepen en aan de bedwelming van het leven der zinnelijkheid had ontrukt. Aan diepe schaamte over zijn verleden paarde zich vurige dank voor de verlossing hem bereid, \'t Was geen verbetering en herstelling, neen, maar een algeheele vernieuwing en wedergeboorte die hij had ondergaan. Het oude was in hem voorbijgegaan, alle dingen waren nieuw geworden. En \'t was de slotsom zijner eigen levenservaring, dat alleen Gods genade hem de ziel had gered.

Zoo is Augustinus\' leer de beschrijving van zijn leven, de geschiedenis van zijn gemoedsbestaan. Zoo geeft ze in menig opzicht de gemoedservaring weer van elk, wien \'t niet ontbreekt aan diepen, zedelijken ernst.

Maar ook in Pelagius\' leer vinden wij onszelven menigmaal terug. Ons innerlijk leven toch beweegt /.ich tusschen de beide polen van afhankelijkheids- en zelfstandig-heidsgevoel, wordt gevormd door de beide halfronden van lijdelijkheid en zelfwerkzaamheid. De eerste zijde heeft Augustinus, de andere Pelagius in \'t oog gevat. Beiden spreken waarheid, maar slechts een halve waarheid uit.

Natuurlijk en gezond was Pelagius\' vrees voor een beschouwing van den mensch, die hem louter tot het werktuig der goddelijke voorbeschikking maakt, die hem doet ondergaan, wat de Almachtige over hem beschikt en aannemen wat hem Gods genade biedt, maar de behoefte aan eigen werkzaamheid en veerkrachtig streven in hem doodt. Help uzelven, was zijne leus, want hem die zichzelven

-ocr page 68-

7)8 AURELIÜS AÜGÜSTINUS.

■helpt, helpt God. Billijk was zijne verontwaardiging over de voorstelling, dat God heel \'t menschdom der verdoemenis zou hebben prijs gegeven, wegens de zonde door één menschenpaar gepleegd.

Maar even natuurlijk was in Augustinus de behoefte om het leven, dat in hem was geboren, te beschouwen als de vrucht van hoogere bezieling, en aan te merken als eene -genadegave Gods. En wie gevoelt niet, dat er in zijne leer van de erfzonde, hoe onaannemelijk naar de letter, •eene diepe waarheid ligt? Al brengen wij geen zondige daden mee ter wereld, de kiemen van verkeerde neigingen en onreine driften sluimeren in het kinderlijk gemoed. Gelijk heel de menschheid, zoo heeft iedere mensch in\'t bijzonder zich te ontworstelen aan de macht van zinnelijkheid en zelfzucht, die zijn geestelijk leven aanvankelijk in boeien knelt. En tot dien strijd zijn sommigen toegerust met de heerlijkste krachten en gaven; anderen schijnen ■reeds bij voorbaat tot den ondergang gedoemd.

Ja, wij kennen ze, de uitverkorene naturen, de uitgelezen helden die de keurbende der menschheid vormen, krachtig waar anderen weifelen, moedig waar anderen versagen, tot hooger sferen zich verheffend, waar anderen, wroeten in het slijk, en \'t kan ons niet bevreemden dat -dit feit, ons door de ervaring van eiken dag gepredikt, Augustinus leidde tot zijne predestinatieleer.

Toch kan noch des eenen noch des anderen leer de -onze zijn. Beider groote fout ligt in de onnatuurlijke tegenstelling van het goddelijke en het menschelijke. Wat de mensch uit zichzelven heeft, is slechts leugen en zonde, predikte Augustinus. Maar wie zoo spreekt lastert, zonder het te willen, God 1 Of wien dankt de mensch ■dan. wat hij uit zichzelven heeft ? Is ook zijne zinnelijke,

-ocr page 69-

59

natuur dan niet een gave Gods 1 Is de strijd tusschen vleesch en geest, die tot de overwinning van den laatsten leiden moet, dan niet noodzakelijk en dus door God gewild? En omgekeerd, wanneer Pelagius leert: demensclt dankt de volmaaktheid aan zijn eigen streven, vragen wij: is dat ernstig streven niet wederom de vrucht van den aanleg hem door God gegeven, tot welks ontwikkeling zijn opvoeding en levensloop medewerkten?

Volgt niet ons levenslot en heel de loop der wereld een noodzakelijken gang? Maar strekt niet tevens ons geloof in de oppermacht en zegepraal van het goede ons ten waarborg dat eens God zal zijn alles en in allen? Inderdaad, leidde het geloof aan de onverbrekelijke orde in de wereld van natuur en geest Augustinus tot zijne predestinatieleer, \'t had hem ook moeten leiden tot de leer van de wederherstelling aller dingen, van de volstrekte zegepraal der heilige liefde Gods.

De Katholieke Kerk, hoezeer zij het Pelagianisme veroordeelde, is in de praktijk teruggekeerd tot die opper-Tlakkige beschouwing der menschelijke natuur. Docli op die keerpunten van haar leven, waarop zij de hand in •eigen boezem stak, wTas de diep-wijsgeerige opvatting van Augustinus haar het uitgangspunt van eéne nieuwe beweging.

Zoo grepen Janssenius en de mannen van Port-Royal weer naar Augustinus en bestreden zij de oppervlakkige werkheiligheid van het Katholicisme en de kleingeestige casuïstiek der Jezuiten met wapenen aan zijn tuigliuis •ontleend. Zoo was de Hervorming een terugkeer tot Augustinus en door hem tot Paulus, die van de uiterlijke •daden doordrongen tot het innerlijk beginsel, en in den bodem van Gods welbehagen de wortelen van het gods-

-ocr page 70-

60 AURELIUS AUGUSTINUS.

dienstig leven hadden aangewezen. Zoo herleeft Augus-tinus\' leer in het Calvinisme, dat doordrong in de belijdenisder Nederlandsche Hervormde Kerk. Maar als deze de predestinatieleer tot het ,/Cor ecclesiae//, het hart der kerk, verheft, dan wordt zij, bij hare willekeurige en werktuigelijke opvatting dier voorbeschikking, hoe langer zoo meer vervreemd van Augustinus\' diepen zedelijken ernst.

Die diepere opvatting van de menschdijke natuur komt weder tot haar recht in het wijsgeerig determinisme van den nieuweren tijd. In het dualisme van de Manicheërs-kon de wijsgeerige natuur van Augustinus, kan de ernstige denker zich op den duur onmogelijk vinden. Zoowel het vroom gemoed, als het denkend verstand is monistisch van nature, d. w. z. beide hebben behoefte aan het geloof aan de eenheid en onverstoorbaarheid der wereldorde. De volkomene harmonie, de onverbrekelijke orde der wereld maakt haar in Augustinus\' oogen tot den spiegel van Gods volmaaktheid. Maar zoo kan die harmonie dan ook niet verstoord, die orde niet verbroken worden door menschelijke willekeur. Zoo is er geen plaats voor \'s menschen wilsvrijheid in dien zin, dat hij op elk oogenblik zijns levens evenzeer het goede als het kwade kan willen. Hangt niet \'s menschen wilsbepaling af van zijn karakter en opvoeding, zijn lichaamsgestel en levensopvatting, van de omstandigheden en de omgeving waarin hij zich bevindt\'? En kan er niet dan alleen sprake zijn van continuïteit, van samenhang in het zedelijk leven, en dus ook van opvoeding en zedelijke vorming, als dat verband van den wil met den bodem van het zieleleven waarin hij wortelt, bestendig in \'t oog gehouden wordt?\'

Daarnaar streeft het determinisme en, al zijn we er diep van overtuigd, dat het geenszins alle raadselen oplost

-ocr page 71-

AURELIUS AUOUSTINUS. Ö!

toch beweegt het zich zonder twijfel in de juiste richting. Ontzaglijk veel heeft het daarbij te danken aan Augus-tinus\' leer, losgemaakt uit de dogmatische windselen, die haar ongenietbaar maken voor de kinderen van dezen tijd.

Nog bij één reuzenwerk van den kerkvader staan wij ten slotte stil. \'t Is zijn werk over den Godsstaat, dat meer dan eenig ander uit de tijdsomstandigheden werd geboren. Veertien jaren lang arbeidde hij aan deze proeve van eene verdediging des Christendoms. Aanleiding tot haar ontstaan was de inneming van Rome door Alarik, den koning der Gothen. Diep was de vernedering, die de Eeuwige Stad in die dagen onderging. Toen uit de nauw ingesloten en door hongersnood en pest geteisterde stad twee gezanten over vredesvoorwaarden kwamen onderhandelen, eischte Alarik eene som goud en zilver zoo aanzienlijk, dat men, om die bijeen te brengen, ook het beeld der mannelijke dapperheid versmelten moest. Treffend en aandoenlijk zinnebeeld! De dapperheid van \'t oude heldengeslacht was bij \'t ontzenuwd nakroost weggesmolten. Toch wilde keizer Honorius nog van geen onderwerping Aveten, totdat Alarik andermaal tegen Rome optrok, de stad innam en haar drie dagen achtereen door zijne soldaten liet uitplunderen. Wat al tooneelen van wreedheid en ruwheid werden toen aanschouwd! Wat al kunstschatten toen vernield of weggeroofd!

,/Aan \'t Christendom is het te wijten, dat Rome zoo te gronde is gegaanquot;, zoo heette \'t uit den mond der Heidenen. „Nu ondervinden wij de straf voor het verlaten en vertreden van den dienst der goden. Indien der Christenen God inderdaad zoo machtig ware, zou Hij dan zijn belijders geen bescherming hebben verleend ? Zou dan het goed

-ocr page 72-

62

der Christenen niet van plundering, hun bloed niet van hè» zwaard verschoond gebleven zijn\'?//

Ook tot Augustinus drongen die vragen en klachten door, bij monde van velen, die de ellende van hun vaderland in Africa kwamen ontvluchten, en hij beantwoordde die met de lijkrede op \'t Romeinsche rijk in zijn klooster uitgesproken. Hij keert die klachten en beschuldigingen om. Neen, niet aan de Christenen was hij te wijten, de ondergang van het Romeinsche rijk, maar aan de Romeinen zeiven, aan het innerlijk verval van hun staatsleven, voortgevloeid uit het zedenbederf, waaraan reeds Cicero weet, dat Rome alleen nog den naam van een staat had, terwijl de werkelijkheid reeds lang verdwenen was.

Overigens, wat deerde het de Christenen, dat zij gefolterd werden en gedood\'? Was \'tdan niet waar dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede\'? Is \'t dan een zoo groote ramp van het leven beroofd te worden door dezulken, die wel het lichaam, maar niet de ziel kunnen dooden? En indien het Heidensche Rome onderging, wat nood! Op de puinhoopen van dien staat zou de eeuwige Godsstad verrijzen, wier kunstenaar en bouwmeester God is. Die aardsche en hemelsche stad worden nu tegen elkaar overgesteld en de uiteenloopende banen van het rijk des lichts en dat der duisternis met meesterhand geteekend.

Augustinus\' hoofdwerk was tevens zijn zwanenzang. Nog vier jaren levens restten hem, nadat hij het had voltooid, jaren van nood en van strijd. Africa wordt de prooi der vernielende Vandaalsche horden. Onder aanvoering van Gense-rik verspreiden zij alom verwarring en schrik, plunderen en verbranden de tempels, vermoorden de priesters, slaan het beleg voor de steden en dringen weldra ook tot Hippo door.

-ocr page 73-

AURF.L1US AÜOUSTINUS. Cï

Tot zijn laatste oogenblik toe staat de grijze kerkvader pal op zijn post. Als de arme visschers van Hippo, na een heet gevecht, troost zoeken in het bedehuis, vinden zij er hun bisschop, die hun moed inspreekt en met hen bidt. \'s Avonds vereenigt hij de bisschoppen van Numidië, allen naar Hippo gedreven, aan zijn disch, en bespreekt met hen den nood der tijden en den ernst hunner roeping Hoe donkerder \'t rondom hem wordt, des te meer richt zich zijn oog op den hemelschen horizon. Maar tegelijk, smeekt hij God onder tranen, dat hij van de inneming van Hippo en de ontwijding zijner kerk niet meer getuige moge zijn. „Weet,quot; zoo sprak hij op zekeren dag aan den maaltijd tot zijne vrienden, „dat ik in dezen tijd van ellende God bid, dat Hij óf deze stad van hare vijanden bevrijde, óf, als Hij \'t anders besloten heeft. Zijne knechten tot het. dragen van Zijnen wil sterke, of ook, wat mij betreft, mij uit deze wereld wegneme.quot;

Die laatste wensch wordt vervuld. Aan \'t eind zijner levensdagen sluit hij zich op in zijne studeercel, welker wanden hij met boetpsalmen heeft doen bedekken. Niemand mag hem in zijne boetedoening storen, behalve de geneesheeren die tot hem komen of een dienaar, die hem eene verkwikking reikt.

Eens, zoo verhaalt men, wist ook een vader met een ziek kind zich den weg tot hem te hanen met het verzoek, het de hand op te leggen, opdat het weder gezond wierd. „Bezat ik,quot; zoo antwoordde de grijsaard, ,/dat vermogen, dan had ik het reeds op mijzelven aangewend.quot; Maar de vader antwoordde: „mij is in den droom gezegd; ga tot den bisschop Augustinus, dat hij het kind de handen oplegge en het zal genezen.quot; Nu deed Augustinus wat de vader van het kind verlangde en weldra week de

-ocr page 74-

64

ziekte. Na verloop van tien dagen naderde de dood. Toen traden zijne vrienden binnen en omgaven het sterfbed. Zij vereenigden hunne gebeden met die van den stervenden grijsaard, tot hij den 28sten Augustus 430 in vrede ontsliep.

Een testament liet hij niet na, daar hij niets te vermaken had. Maar wel danken we hem de kostelijke nalatenschap van eene vroomheid die, hoezeer gekneld in leerstellige banden, mannelijk was en waar. Hij zelf, ,/de vorst der kerkvadersquot;, zooals Pascal hem noemde, behoorde tot die fakkels, waarvan hij aan het slot van zijne Bekentenissen spreekt, die het woord des levens in zich hebben en schitteren voor de oogen der geloovigen door den glans der geestelijke gaven, hun door God verleend.

-ocr page 75-

ARNOLD VAN BEESGIA EN ZIJN TUD.

-ocr page 76-

lie Apostolische kerk eene wet voor alle tijden; tie klems zonder grondbezit, de priester ver verwijderd van de staatkunde, onderdaan van de overheid, zonder eenig regeeringsambt in den christelijken staat, zoomin als in de republieken der oudheid. De Kerk moet van het hoofd tot de onderste leden nederig zijn, zich vergenoegen met de tienden en de offers der geloovigen; pracht, hoofschen tooi, ontucht in woord en wandel ontvluchten; de armoede der Apostelen aandoen en de verdienste van Christus in zijn voorbeeld zoeken.

Arnold van Brescia.

-ocr page 77-

ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD.

In het begin der twaalfde eeuw heerschte in Italië eene gisting, waarbij de tegenwoordige socialistische woelingen in \'t niet verzinken. Een vurig verlangen naar vrijheid van kerkelijke overheersching doortrilde, als een electrische stroom, de Italiaansche steden. Tegen het ideaal van Gregorius VII, de alleenheerschappij van den Paus op aarde, waaronder keizers en koningen, evenals de maan aan de zon, aan Rome\'s opperpriester hunnen glans ontleenen, kwam de ontwakende vrijheidszin in verzet.

Reeds hadden de meeste Lombardische steden zich ontworsteld aan de voogdij der Kerk en zich een eigen regeering verworven. Maar nog altijd boog Rome \'t hoofd onder \'s Pausen wereldlijke macht, wel verzwakt door oorlogen, verdeeldheid en ballingschap, maar nog steeds door den steun der traditie gedragen en van nieuws versterkt door Hilde-brands machtigen invloed. Meer en meer evenwel deelde de vrijheidszin der naburige republieken zich aan Rome mede. Daar heerschte nog als van ouds de tegenstelling tusschen de patriciërs en het plebs, den adel en het lagere volk en ontbrak die vrije burgerstand, die de kern vormt van een krachtigen staat. De oude adel, van de Longobar-

-ocr page 78-

68

den, Franken en Suksers afkomstig, leverde in de consuls der Romeinen het bestuur der stad. Alleen in de militie, in afgesloten wapenbonden vereenigd, lag de kiem waaruit zich eene vrije burgerij ontwikkelen zou. In het jaar 1143 kwam het op eens tot eene uitbarsting. De kleinere adel verbindt zich, uit ijverzucht tegen de consuls, met de burgers; de nieuwe gemeente maakt zich meester van het capitool en proclameert zich daar als den waren Senaat, terwijl de oudere adel zich vereenigt onder de Pauselijke banier. Zoo hernieuwde zich op de ruïnen van het capitool de oude strijd, thans met liet bepaalde doel, aan Rome\'s opperpriester de wereldlijke kroon te ontrukken.

Van die republikeinsche beweging zou Arnold van Brescia de ziel worden. Stond eens in de stad zijner geboorte, aan den zoom der vruchtbare vlakte van Lombardije, aan den voet der Rhetische Alpen gelegen, een tempel van Hercules, ook een Herculische geest woonde in het hart van deze haren zoon. Als den bevrijder van de zwakken, als den beschermer der verdrukten zou hij zich doen kennen, getrouw aan zijne leus: „wil de Paus de navolger van Christus zijn, dan moet hij aldalen van zijnen troon.

Reeds lang waren de schilderachtige valleien van Piö-rnont, waarin hij zijne kinderjaren doorbracht, de woonplaats van verschillende kettersche secten, die terugkeer tot den eenvoud van het Apostolisch Christendom als het hoogste ideaal zich voorstelden. In die diepe, hier en daar schier ongenaakbare bergkloven woonden de Petrobrusia-nen en Catharen, later de quot;Waldenzen, die van de wereld afgezonderd hunnen Bijbel lazen en herlazen, en de vromen van het Oude en Nieuwe Testament in hun streng en ingetogen leven zich ten voorbeeld stelden. Eenvoudig,

-ocr page 79-

AKNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD. C9

maar bekrompen, ernstig, maar ruw en hard was de vroomheid van die bewoners der valleien; de navolging van het apostolische leven zochten zij bovenal in vrijwillige armoede en onthouding van het huwelijk, ja in het ruw gewaad dat hun \'t lijf, in het plompe schoeisel dat hun de voeten dekte. Maar onder die ruwe schors, een natuurlijke reactie tegen kerkelijke praalvertooning en zedeloosheid, was een kern verscholen van zelfstandigen, krachtigen godsdienst. In dien geestelijken dampkring groeide Arnold op.

De jaren zijner jeugd zijn overigens voor ons in nevelen gehuld. Nadat hij reeds vroeg in zijne vaderstad geestelijke geworden en tot lector gewijd was, begaf hij zich naar Frankrijk. Daar wilde hij zijne wijsgeerige en theologische opleiding voortzetten. Bij wien zou hij dat beter kunnen doen, dan bij den gevierden maar rampspoedigen Abélard !

We zien hem neergezeten te midden dier breede schare van leerlingen, die den meester gevolgd waren naar den Parakleet, eene kloosterschool, die hij zich, na jaren van bange worsteling, in de woestijn had gesticht. Een roemvol, maar niet onbevlekt verleden had de groote denker achter zich. Als oudste zoon van een .krijgsman in Bre-tagne, was ook hij oorspronkelijk voor den militairen stand bestemd. Hij bleef getrouw aan die bestemming, maar zou de wapenen voeren op geestelijk en wijsgeerig gebied. De groote strijd tusschen realisten en nominalisten, in die dagen gevoerd, vervulde weldra heel zijne ziel. \'t Gold de vraag, of de ideën een werkelijk, zelfstandig bestaan hebben, onafhankelijk van de individuen die hare tijdelijke verschijningsvormen zijn, dan wel of ze enkel namen zijn en afgetrokken begrippen. Van de laatste meening was

-ocr page 80-

70 ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN ÏIJD.

Roscellinus, Abélard\'s eerste leermeester, onder wiens leiding hij zijn scherp verstand ontwikkelde. Straks begeerig ook de andere partij te hooren, neemt hij den wandelstaf op en komt ten laatste in Parijs, waar Willem van Champeaux, een vurig realist, hem boeit. Van dien meester is hij eerst een volgzaam leerling, dan een heftig bestrijder, eindelijk een ernstig mededinger. In de school, die hij eerst te Melun, later te Corbeil sticht, overschaduwt hij weldra den roem van zijnen leermeester en dwingt dezen eindelijk tot de concessie, ,/lat in elk bijzonder individu dezelfde natuur altijd slechts op een bepaalde, eindige, maar nooit op oneindige wijze woont/\' Zoo laat de jeugdige strijder zich noch bij liet eene, noch bij het andere legerkamp inlijven en zoekt, noch door het realisme noch door het nominalisme bevredigd, naar een hoogere eenheid tusschen die beide. Hij blijft vragen en vorschen en hoort en verslaat op dezelfde wijze Anselmus van Laon, nevens wien hij voorlezingen over de profetiën van Ezechiel opent, spoedig door een groote schare gevolgd. Die schare blijft hem getrouw en groeit aan bij den dag, als hij zijn leerstoel wederom naar Parijs overbrengt.

Wie vermoedde in die dagen dat de hooggevierde, maar overmoedige wijsgeer zijnen val zoo nabij was! Onder al zijne leerlingen is er ééne, Heloise, de schoone nicht van den kanunnik Fulbert, die hem ziel en zinnen betoovert. Het begaafde meisje, aan wier onderricht hij, op verzoek van haren oom, al zijne vrije uren geeft, wijdt hij in de wijsbegeerte in, maar intusschen sluipt, onmerkbaar en onweerstaanbaar, de liefde binnen in beider hart. De hartstochtelijke denker wordt een even vurig minnaar, zijne liefde maakt hem zinneloos en radeloos; ,/t wasquot;, zoo erkent hij zelf,,/alsof men een teeder lam aan een hongerigen wolf had toever-

-ocr page 81-

ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TUB. 71

trouwd.quot; Zoo gaan er maanden voorbij, waarin de hartstocht klimt en de liefde tot de studie kwijnt. Met loome schreden gaat Ahélard naar zijne lessen en werktuigelijk herhaalt hij wat zijne leerlingen reeds menigmalen van hem hoorden.

In de plaats van wijsgeerige 1\'ormulcn ruischen ër minneliederen door zijne ziel. De scholastieke wijsgeer wordt ■een droomend troubadour. Maar vreeselijk is het ontwaken. Héloïse is op het punt moeder te worden en wordt door Abélard overgebracht naar Bretagne, waar zij een zoon het leven schenkt. Kort daarop huwt Abélard in «tilte de vrouw, wier eer hij zooveel mogelijk herstellen wil, al verzet deze zich daartegen, uit vrees dat de roem van den nog altijd hoogvereerden man daardoor schade lijden zal. Nauwelijks evenwel is het huwelijk gesloten, of beiden nemen zich voor, in kloosterlijke afzondering voor «en misstap te boeten, waarvoor Abélard onverhoeds, door een afschuwelijke verminking, op \'t smadelijkst was gestraft.

Iléloise, doof voor de smeekingen van hare vrienden, neemt den sluier aan. Abélard trekt zich terug in het klooster van Saint Denis. Daar herleeft, nu de stem van den hartstocht zwijgt, de oude liefde voor de studie. Weer verzamelen zich zijne leerlingen rondom hem en te hunnen behoeve schrijft hij zijne Inleiding in de theologie. Hier onderneemt hij de wanhopige poging om het leerstuk der Drieëenheid redelijk te verklaren en geeft zich daardoor aan de ketterjacht van zijn Vervolgers bloot. Onder hen zijn vooral twee leerlingen van Willem van Cham-peaux en van Anselmus, die niet rusten eer hun vijand om zijn stoute wijsbegeerte voor een provinciaal concilie, te Soissons ter verantwoording geroepen is.

-ocr page 82-

72

Daar verschenen dwingt men hem zijn boek met eigen1 hand te verbranden en de geloofsbelijdenis van Athanasiusr die men hem geschreven voorlegt, te prevelen. Abélard, diep vernederd en geschokt gehoorzaamt. Men leidt hem, snikkende van smart en woede, als gevangene naar de-abdij van Saint-Médard.

Tegen zulk een onbeschaamde rechtsverkrachting gaan evenwel van alle zijden stemmen op. De bisschop van Chartres bevrijdt hem uit zijne gevangenschap en kort daarop vinden we Abélard in het klooster door hemzelf gesticht, dat hem, np al de doorgestane ellenden, een pa-rakleet, een trooster zijn zal. Uit schelpen en riet is dekluis gebouwd, waarin hij zich met een monnik uit St. Denis terugtrekt. Nauwelijks is zijne schuilplaats ontdekt, of scharen zijner vrienden stroomen er heen; zij bouwen zich hutten van stroo in zijne nabijheid en verdringen zich van nieuws om hem te hooren. Abélard, gebogen maar niet gebroken, heft het hoofd weer op en hervat zijn onderricht en Arnold voelt zich onweerstaanbaar getrokken tot den man, die, hoemeer hij van de heersch-zucht en den naijver der geestelijkheid te lijden had, des-te meer de liefde voor onafhankelijke vroomheid voelde aangroeien in zijn hart. Als Abélard de genezing der Kerk vindt in terugkeer tot het oorspronkelijk eenvoudig Christendom, als hij in het leven der Apostelen het beeld van den echt-christelijken leeraar schetst, als hij de Kerk tot hare geestelijke taak terug wil brengen, dan hangt Arnold aan zijne lippen en verlangt hij vurig in de praktijk om te zetten wat deze in theorie verkondigt. Hoe langen tijd Arnold onder Abélards leiding bleef, laat zich niet met zekerheid bepalen ; zeker lang genoeg om een innige vriendschap met hem te sluiten, zoodat hij, van zijne beginselen door-

-ocr page 83-

ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD. 7?

trokken en met zijn vrijheidszin bezield, terugkeerde in zijnevaderstad.

Daar had de demokratisch-godsdienstige beweging der Pataria sinds lang den bodem omgewoeld. Met geweld hadden hare aanhangers, in lompen gehuld en van dweepzucht blakende, geijverd voor het celibaat en de vrouwen der priesters verdreven uit hunne woningen. Mede door hun toedoen was Brescia\'s regeering in de handen van consuls gekomen, maar toch hadden de bisschoppen hun aandeel in het bestuur behouden. Juist daarin lag de-aanleiding tot een sleeds vernieuwden strijd. Uit het Augustijner-klooster, waar hij weldra den rang van abt bekleedt, begint Arnold zich te mengen in dien strijd. Monnik is hij van top tot teen, een vurig prediker der wereldverloochening, die allereerst zijn eigen vleesch door ruwe kleeding en vasten kastijdt. In de Schrift doorkneed, weet hij hare uitspraken scherpzinnig en welsprekend aan te wenden. Zoo treedt hij op als een heftig bestrijder van de wereldlijke macht, ja van alle stoflelijk bezit, van de geestelijkheid en de kloosters en predikt door woord en voorbeeld de evangelische armoede. Door den stroom zijner woorden weet hij oud en jong, rijk en arm mee te sleepen. Vooral den laagsten standen klinkt zijn evangelie als muziek In de ooren, zoodat zijne vijanden klagen: hij bedriegt het volk, is een vleier van den groeten hoop en zet dien tegen de geestelijkheid op. Die beginselen verdedigt hij ook tegenover den bisschop Manfred, den gunsteling van Paus Innocentlus 11 en zulk een sterke oppositie weet hij tegen dezen te wekken, dat hij, na een verblijf in Rome, niet dan met groote moeite terugkeert in de stad.

Over dien tegenstand zou Manfred zich wreken. Op het

-ocr page 84-

74 ARKOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD.

concilie dat Innocentius in April 1139 op het Lateraun bijeenroept, treden bisschop Manfred en andere geestelijken aait Brescia met de zwaarste aanklachten tegen Arnold als ketter en scheurmaker op. De Paus leent daaraan gretig \'t oor. Hij ontzet Arnold uit zijn kerkelijk ambt, bant hem uit zijne vaderstad en uit Italië, ja doet hem onder eede beloven, dat hij niet zonder uitdrukkelijke vergunning van den Paus den Italiaanschen bodem weer betreden zou. Andermaal neemt Arnold naar Frankrijk de Avijk en zoekt hij bij Abélard zijne toevlucht.

Doze, die toen weer evenals in de dagen zijner jongelingschap op den berg der Heilige Genoveva bij Parijs -leerde, was in een hevigen strijd gewikkeld met Bernhard van Clairveaux, den abt, die door zijn ontzaglijken invloed de toenmalige Kerk beheerschte. Nauwelijks is deze uit Italië teruggekeerd, waar hij Arnold als een gevaarlijken ketter heeft leeren kennen, of hij vindt hem terug in Frankrijk als bondgenoot van zijnen tegenstander Abelard. „Den leeuw zijn wij ontkomenquot;, zoo schrijft hij aan Paus Innocentius, met zinspeling op diens juist verslagen mededinger, Anakletus wiens eigen naam Leo was, „maar nu zijn wij in den draak vervallen. Een nieuw evangelie wordt voor de volken gesmeed. Over de zedelijkheid, over de sacramenten, over de drieëenheid wordt niet met mate gedisputeerd en alles wordt behandeld geheel in strijd met hetgeen ons overgeleverd is.quot; — „Abélard,quot; zoo klaagt hij: „hoont de slagorden van den Heilige, geeft aan zijne en der wijsgeeren nieuwigheden de voorkeur boven het katholieke geloof en terwijl allen vluchten, daagt hij mij alleen tot een tweegevecht uit.quot; En Arnold heet „de wapendrager van dezen Goliath; beiden vertoonen de gedaante van vroomheid, maar hebben hare kracht verloochend,

-ocr page 85-

ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD. 75

terwijl zij des satans zijn, doen zij zich voor als engelen des lichts./y

Op één punt zeker stemde Bernhard met zijn tegenstander Arnold overeen. Ook hij was monnik, kluizenaar met hart en ziel. Nooit wellicht heeft iemand het in de volstrekte dooding der zinnen zoover gebracht als hij. Van zijne abdij te Clairveaux wist hij niet, hoe het dak er uitzag, noch hoeveel vensters zij telde. Hij schaamde zich over zijn behoefte aan slaap en als iemand in een diepen sluimer lag verzonken, noemde hij dat „slapen naar het vleesch en naar de wereld.quot;

Aan de nieuwelingen, die in grooten getale zich aan zijn klooster kwamen aanmelden, stelde hij den eisch: „laat uwe lichamen daarbuiten in de wereld; de geest alleen moet hier binnentreden; het vleesch is tot niets nut.quot;

Tegenover de praktijk der religie, waarop we thans, soms wellicht eenzijdig, allen nadruk leggen, stelt Bernhard in zijn boek „Over de consideratiequot; de hooge waarde van het schouwend leven in \'t licht. Hij beklaagt Paus Eugenius, wien hij bij diens benoeming zijn boek opdraagt, dat hij zich aan allerlei praktische bemoeiingen zal moeten wijden, ,/t Zij genoeg u te herinnerenquot;, schrijft hij hem, „dat ge u niet geheel noch altijd aan de handeling moogt geven, maar een deel van uw hart en uwén tijd aan de beschouwing hebt over te laten.quot;

Toch heeft die kluizenaar op het tooneel der wereld den grootsten invloed uitgeoefend en heerschte hij in de kabinetten der vorsten, in de vergaderingen der kardinalen, in de conciliën der Kerk met zijn despotisch karakter en zijn overweldigend genie. Als hartstochtelijk verdediger van het gezag der Kerk en onvoorwaardelijk aanhanger der traditie, komt hij met de wijsgeerige en

-ocr page 86-

76 ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD.

staatkundige ketterijen van Abélard en Arnold in onverzoenlijker! strijd.

Eenige kettersche stellingen uit Abélards schriften waren door Willem van Thierry aan Bernhard ter veroordeeling gezonden en deze had den aangeklaagde tot herroeping geprest. Vergeefs; Abélard wenschte niet ongehoord veroordeeld te worden. Hij daagt Bernhard uit tot een openlijk dispuut, maar de heilige man waagt zich niet aan den scherpzinnigen betoogtrant van den geoefenden dialecticus. Op de provinciaal-synode, in 1141 te Sens gehouden, in tegenwoordigheid van den Koning en het hof en een aanzienlijk aantal bisschoppen, is ook Abélard verschenen. Maar hij verneemt al ras dat daags te voren eenige plaatsen uit zijne schriften door Bernhard en eenige bisschoppen besproken en veroordeeld zijn. Hij weet dus bij voorbaat welk vonnis hem wacht.

In gespannen verwachting zijn niet alleen de leden dei-synode, maar ook een menigte toehoorders saamgekomen, zich spitsende op de rekenschap van den weisprekenden ketter. Bernhard leidt met korte woorden de onderhandeling in en noodigt Abélard uit, de aanstonds voor te lezen stellingen uit zijne schriften ófte herroepen, óf hare juistheid aan te toonen. Maar nauwelijks is de voorlezing begonnen, of Abélard staat op en verklaart, zonder daarvan verder reden te geven, dat hij zich op den apostoli-schen stoel beroept. Daarop verlaat hij onmiddellijk de vergadering.

Zoo bleef dan Abélards persoon voorloopig onaangevochten. Maar zijne tegenstanders dralen niet. Zoo spoedig mogelijk wordt de aanklacht tegen hem naar Bome opgezonden. Een Pauselijke hul van \'t zelfde jaar legt aan Abélard als ketter een eeuwig stilzwijgen op en sluit al zijne

-ocr page 87-

ARNOLD VAN BRESCIA EN /.UN ÏIJ1). 77

aanhangers van de kerkelijke gemeenschap uit. Wel is de naam van Arnold in die bul niet uitdrukkelijk genoemd, maar in een bijzonder schrijven van den Paus wordt den aartsbisschoppen van Reims en Sens gelast, Abélard en Arnold beide als predikers van verderfelijke leerstellingen en vijanden van het katholiek geloof van elkaar gescheiden in het klooster op te sluiten en hunne boeken te doen verbranden.

Zoo waren dus de beide groote ketters door denzelfden kerkelijken vloek getroffen. Maar verschillend is de wijze, waarop zij dien ondergaan. Abélard, door al zijne wederwaardigheden uitgeput, vindt een rustige wijkplaats in liet klooster van Clugny, welks eerwaardige abt Peter hem min of meer met Bernhard weet te verzoenen. Zijne kracht is gebroken en na nog een jaar levens legt hij \'t moede hoofd ter ruste.

Anders Arnold. Zonder zich te bekreunen om den, trouwens niet offlciëelen, kerkelijken ban treedt hij openlijk in Parijs op als leeraar der theologie en houdt zijne voordrachten op denzelfden berg der H. Genoveva, waar Abélards stem had weerklonken. De ideale eischen van het Evangelie, hoezeer ook met de werkelijkheid in strijd, doet hij onverzwakt hooren. De bisschoppen beschuldigt hij van gierigheid en hebzucht en onbeschróomd tast hij hun zondigen levenswandel aan. Ja zelfs den heiligen Bernhard durft hij beschuldigen van ijdele roemzucht, van afgunst jegens allen die in de wetenschap of in de Kerk niet onder zijn vaandel dienden. Verdrong zich rondom Abélards leerstoel eene talrijke en aanzienlijke schare, \'t zijn niet vele wijzen en niet vele edelen die Arnold omringen; zijne arme leerlingen, weinig in getal, moeten van deur tot deur bedelend in hun onderhoud voorzien.

-ocr page 88-

78 ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN ÏIJD.

Maar boven den schitterenden opgang staat de verborgen invloed. Abélards wegsleepende welsprekendheid laat weinig vruchten achter; Arnolds apostolische prediking dringt als een zuurdeeg door.

Als geen der Fransche bisschoppen het waagt Arnold den mond te snoeren, is \'t wederom Bernhard die tegen hem optreedt. Hij weet te verkrijgen dat de Koning van Frankrijk hem uit zijn rijk verdrijft. Arnold vlucht nu naar Duitschland en zet zich vervolgens in Zurich neder, waar hem, als beroemd godsdienstprediker en verdediger der volksvrijheid, een openlijk leeraarsambt wordt opgedragen. Hier viel zijn machtig woord in goede aarde. quot;Want de Zwitsers waren van oudsher een vrijheidlievend volk. De handelskaravanen der vrije Lombardische steden brachten over den St. Gotthard niet alleen de vruchten van hunnen bodem en de voortbrengselen van hunne kunst, maar ook de liefde voor hunne vrije staatsinstellingen. Onder die kooplieden waren er die hun Bijbel lazen en van buiten kenden, die allerlei kerkelijke gebruiken als menschelijke instellingen verwierpen en den beeldendienst verafschuwden. Zoo vond dan Arnold voor zijne prediking den weg reeds gebaand. Geen wonder dat veertig jaren later de nawerking van zijne prediking nog in oostelijk Zwitserland en Lombardije is te bespeuren en dat men hem later als een voorlooper van Zwingli beschouwde.

Ook daar laat Bernhard hem niet met rust. Hij richt een schrijven aan den bisschop van Constanz, in wiens diocese Zürich lag, om hem voor het drijven van den scheurmaker te waarschuwen. „Indienquot;, zoo schrijft hij op zalvenden toon aan den bisschop, „indien de huisvader wist op welk uur van den nacht de dief komen zou, dan zou hij waken en toezien dat zijn huis niet

-ocr page 89-

ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD. 79\'

ondergraven werd. Weet dat er zoo een dief bij nacht ingt; uw huis is ingebroken, niet in het uwe wel is waar, maar in dat des Heeren, doch dut aan uwe zorg is toevertrouwd. Ik spreek van Arnold van Brescia, van wien ik wenschte dat hij even gezond ware in de leer, als hij streng van leven is. Een mensch is hij, noch etende noch drinkende,, met den duivel alleen hongerende en dorstende naar liet bloed der zielen. Een van dezulken, die de apostolische waakzaamheid kenteekent als de gedaante der godzaligheid hebbende, maar haar innerlijke kracht verloochenende.quot;\'

Hij verhaalt hoe hij uit Italië gebannen en uit Frankrijk verjaagd is. „En nu, gelijk ik vernomen heb, werkt hij bij ulieden de ongerechtigheid en verslindt uw volk als een bete broods. Een vijand is hij van hef kruis vam Christus, een zaaier van verdeeldheid. Zijne tanden zijn als puntige pijlen en zijne tong als een scherp zwaard. Door vleiende redenen en een schijn van deugd weet hij rijken en machtigen tot zich te lokken; is hij zeker van hun vriendschap, dan zult gij hem met open vizier tegen de geestelijkheid zien optreden, ja vertrouwend op wapengeweld zal hij zich tegen de bisschoppen zelve verheffen.quot; \'t Zij de bisschop hem verjage of gevangen neme;, hij moet hem in elk geval onschadelijk maken, „opdat deze woeste wolf niet in de schaapskooi inbreke en de schapen slachte en verderve.quot;

De teekening is zeker zwart genoeg en, al behelst ze\' voor ons een onwillekeurige lofspraak, uitnemend geschikt om den bisschop vrees voor zulk een monster aan te jagen. Het schrijven miste dan ook zijn doel niet, want kort daarop is Arnold uit Zurich verdwenen. Weer heeft hij dus den wandelstaf opgenomen en elders een toevluchtsoord gezocht. Hij vond het bij den kardinaalGuido,.

-ocr page 90-

80 ARNOLl) VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD.

die in 1142 als pauselijk legaat naar Moravië en Bohemen Avas gezonden. Maar ook daar weet hem Bernhards speurkracht uit te vorschen. „Arnold van Brescia7\', schrijft hij den kardinaal, „wiens leven honig, maar wiens leer vergif is, die den kop van een duif en den staart van een -scorpioen heeft, dien Brescia heeft uitgespuwd, Rome heeft verstoeten. Frankrijk heeft verdreven, Duitschland heeft verwenscht en Italië niet weder opnemen wil, moet thans hij u zijn. Zie toe, hid ik u, dat hij door uw aanzien niet nog grootere schade veroorzaken Naar \'t schijnt •liet deze legaat zicli niet zoo gemakkelijk uit het veld slaan en is het vermoeden niet ongegrond dat Arnold eerst in 1145 met hem naar Italië terugkeerde.

Intusschen hadden, sinds de vroeger vermelde bestorming van het Capitool, de woelingen in Rome aangehouden. AVa:s het Coelestinus II gedurende de vijf maanden van -zijn pontificaat niet, gelukt tot een vergelijk te komen, zijn opvolger Lucius II wierp zich in de armen der wereldlijke quot;vorsten en zocht vooral steun hij den koning van Sicilië. Maar Jordan Pierleone, een broeder van den vroegeren tegenpaus Anakletus, kiest de zijde van het volk en door zijn toedoen komt de eerste stedelijke constitutie tot stand, waarbij de gemeente van nieuws eene poging doet om •den Paus van zijne wereldlijke macht te ontzetten.

Vergeefs wendt de Paus zich om hulp tot koning Koen--raad III, den eersten vorst uit het groote geslacht der Ilohenstaufen. Nu doet Lucius een wanhopige poging om zijne wereldlijke macht te heroveren en bestormt als een andere Brennus of Vitellius het Capitool. Doch de senatoren, die de schimmen der oudheid uit de Tarpejische rots zien opstijgen, verdedigen het met denzelfden moed als hunne voorouders. . De Paus, gelijk men verhaalt.

-ocr page 91-

ARKOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD. 81

door een steenworp doodelijk getroffen bluast weinige dagen later in een naburig klooster den laatsten adem uit.

Nu bestijgt een eenvoudig monnik, een leerling van Bernhard, als Eugenius III den Pauselijken stoel. Doch de senatoren versperren hem den weg naar den St. Pieter, waar hij gewijd zou worden. Als die wijding te Farsa heeft plaats gehad, neemt de Paus voorloopig zijn intrek te Viterbo. Van daaruit worden de onderhandelingen geopend en komt het tot een vergelijk. De Romeinen huldigen \'s Pausen oppergezag, deze erkent op zijne beurt de Romeinsche republiek onder zijn investituur. Op die voorwaarden houdt Eugenius reeds vóór Kerstmis van het iaar 1145, zijn intocht in het Lateraan. Maar in stilte blijft in stad en land het oproer gisten. Met leede oogen zien adel en geestelijkheid dat de Senaat zijne macht over de .geheele Campagna zoekt uit te breiden; Tivoli geeft aanleiding tot nieuwe tumulten en de Paus, die zich beklaagt dat Rome\'s herder niet de schapen van Petrus, maar welven, draken en scorpioenen heeft te weiden, neemt door Lombardije naar Frankrijk de vlucht.

Thans treedt Arnold openlijk als demagoog in Rome ■op. Door Eugenius III op belofte van onderwerping van den ban ontheven, had hij tot nog toe in een verborgen hoek der stad geleefd. Nu steekt hij \'t hoofd weder op, maar haalt zich daardoor een nieuwe veroordeeling van quot;s Pausen zijde op den hals. Nog eer hij Italië vaarwel zegt, waarschuwt de Paus tegen de dwaalleeringen en de secte van Arnold en bedreigt allen, die zich aan hem aansluiten, met het verlies van alle kerkelijke ambten en voordeelen. Arnold bekommert zich daarom niet langer. In zijn monnikspij gehuld, bleek en door \'t vasten uitgeteerd, staat hij als een schim op de ruïnen van

C

-ocr page 92-

82

het Capitool en doet in zijn boersch Latijn de krachtigste-boetredenen hoeren. Onverholen tast hij de kardinalen aan. Hij noemt hun college wegens hun hoogmoed, hunne gierigheid en huichelarij niet een tempel des Heeren, maar een koophuis en een roovershol. Zij nemen de plaats der Schriftgeleerden en Phameërs in de Christenheid in. De Paus, zoo heet het, is niet, gelijk hij voorgeeft, een apostolisch man en een zieleherder, maar een man des bleeds, die brandstichting en moord met zijn aanzien bedekt, een beulsknecht der kerk, een onderdrukker der onschuld, die niets anders in de wereld doet dan zijn lijf verzorgen, zijn eigen geldbuidel vullen en dien van anderen ledigen. „Daar de Paus//, zoo leerde hij,, „zoo weinig apostolisch is, dat hij noch de leer noch het leven der apostelen navolgt, is men hem ook geen gehoorzaamheid noch eerbied verschuldigd. — Bovendien zijn de menschen niet te dulden die Rome, den zetel van het keizerrijk, de bron der vrijheid, de beheerscheres dei-wereld aan de slavernij willen onderwerpen.quot;

Zoo sprekende wordt Arnold de man van den dag. De republiek stelt hem plechtig in haren dienst en onder hare hoede. Als een andere Savonarola staat hij, het stadsbestuur met raad en daad ter zijde. Terwijl Arnold alzoo opstand predikt, tracht Bernhard de Romeinen tot onderwerping over te halen. „Uwe vaderen\'7 schrijft hij, „hebben de wereld aan de stad onderworpen, maar gij wilt die tot de fabel der wereld maken. Gij hebt het Pausdom uit de stad verdreven, ziet nu toe wat er van Rome worden zal: een romp zonder hoofd, een aangezicht zonder oogen. Verloren schapen, keert tot uwen herder en bisschop terug! Doorluchtige heldenstad, verzoen uweder met uw waren vorst Petrus en Pauluslquot;

-ocr page 93-

ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD. 83

Doch zelfs een Bernhard vermocht niet op te roeien tegen den stroom der tijden. Wel keert de Paus in Juni •114S naar Italië terug, maar in \'t begin des volgenden jaars heelt hij \'t nog niet verder dan tot Tusculum gebracht en de Romeinen richten andermaal een smeekschrift tot keizer Koenraad III, pas van zijn kruistocht teruggekeerd, dat hij komen moge om over rijk en stad te gebieden. „Aan uwe koninklijke hoogheid hebben wij reeds meermalen bericht wat door ons is geschied, hoe wij u trouw blijven en hoe de steeds schitterender glans van uwe kroon onze dagelijksche wensch is. Wij verbazen ons dat gij ons met geen antwoord hebt verwaardigd. Dit is ons eenparig streven, het rijk der Romeinen, dat God a.in uwe leiding heeft toevertrouwd, weder te verheffen tot de macht die het onder Gonstantijn en Justini-anus heeft bezeten, die uit volmacht van den Senaat en het volk van Rome de wereld beheerscht hebben. Daarom hebben wij met Gods hulp den Senaat hersteld en vele vijanden van uwe keizerlijke macht verslagen, opdat utoe-korne wat des keizers is. Wij hebben een goeden grond gelegd. Wij waarborgen recht en vrede aan allen die het willen.... IJl ons ter hulp met keizerlijke macht: de stad is u ter wille, gij kunt in Rome, de hoofdstad der wereld, machtig wezen en onbeperkter dan bijna al uwe voorgangers over gansch Italië en het Duitsche rijk gebieden, nadat alle hindernis der papen is terzijgesteld. Wij bidden u, draal niet; verwaardig u uwe gehoorzame dienaars door brieven en boden van uwen welstand te verzekeren. . . .

Heil den koning! \'t Gelakte naar wensch hem ; over den vijand lleersch\' zijne macht! Hij wone in Rome en regeere den aardbol. Zij hij gebieder der aard, gelijk eenmaal Justinianus,

-ocr page 94-

84 ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TTJl).

Geev\' men den Keizer wat\'s Keizers, den Paus wat\'s Pausen gebied is) Zoo als Christus gebood, want Petrus betaalde den cijns toch.

Zoo drukten de Romeinen in barbaarsche hexameters ten slotte hun programma uit. Zoo erkenden de Romeinsche republikeinen, door den nood gedwongen, het historisch recht des Duitschen konings op Rome.

Eindelijk was Koenraad op het punt zijn intocht in Rome te houden, nochtans niet als vriend der republiek, maar als beschermer van den Paus. Gelukkig overviel hem de dood vóór de uitvoering van dat voornemen en werd alzoo den Romeinschen patriotten een jammerlijk bloedbad bespaard.

Na Koenraads dood beklimt zijn neef Frederik, de bekende Barbarossa, den Duitschen troon. quot;Weer zoeken beide partijen zich de gunst van den nieuwen vorst te verwerven. Als de koninklijke boden door den Paus ontvangen worden, spreekt een aanhanger van Arnold zijn ergernis daarover op deze vrijmoedige wijze uit: ^Ik verheug me dat gij door uw volk tot koning zijt gekozen, maar ik betreur het dat gij den raad der priesters en monarchen volgdet, door wier leer het goddelijke en menschelijke ouderling-verward is en dat gij de heilige stad, de beheerscheres der wereld, de moeder aller keizers, niet, gelijk behoorde, over uwe keus geraadpleegd hebt. De roeping van uwe voorgangers tot den troon geschiedde, gelijk thans de uwe, door blinden, door Julianisten, ketters, afvallige geestelijken en valsche monniken, die hunnen stand schande aandoen, die in strijd met de evangelische, apostolische en kerkelijke wet wereldlijke macht in handen hebben en in luide tegenspraak met goddelijke en menschelijke ordeningen kerkelijke en staatsrechterlijke verhoudingen dooreenmengen. Hoe kunnen zij die alleen naar schatten hun-

-ocr page 95-

85

keren, het voornaamste gebod des Evangelies verstaan: ,/zalig de armen van geesf\', zij die noch arm zijn, noch begeeren het te worden.

Met de fabel van de schenking van Constantijn dreven, zoo beweert hij, in Rome ook de daglooners en oude vrouwen den spot; uit schaamte durfde de Paus zich met de kardinalen zelfs niet meer in de stad vertoonen. Frederik evenwel bewandelt den voorzichtigen weg des Lehouds, hij slaat op de nieuwe republiek geen acht en bij een verdrag, dat hij in Constanz aangaat, belooft hij \'s Pausen wereldlijke macht te eerbiedigen, terwijl de Paus hem de keizerlijke kroning en de bescherming van zijn troon toezegt. Onder die omstandigheden deed Eugenius III zijn intocht in Rome en bracht er vreedzaam zijne dagen ten einde. Door passieven tegenstand had de eenvoudige monnik van Clairvaux, die onder het Pauselijk purper altijd de haren pij bleef dragen, verkregen wat geen geweld vermocht.

Toch was het een vulcanische bodem waarop de Pauselijke stoel rustte, en bruiste en kookte het vuur der revolutie allerwege onder den grond. Op aansporing van Arnold hadden omstreeks twee duizend man zich heimelijk verbonden en honderd senatoren en twee consuls voor \'t leven verkozen, van welke twee de een de inwendige, de ander de uitwendige aangelegenheden der stad naar de besluiten dier honderd regelen zou. Zij hadden daarenboven besloten den eenen tot keizer te benoemen. Boven de consuls en den senaat zou hij staan en \'t gansche volk regeeren.

Hoe overspannen en avontuurlijk die plannen, ook waren toch getuigden zij van de kracht en vastberadenheid, waarmee zij, die \'tjuk der geestelijkheid moede waren, dat poogden af te schudden. Aan het eene land na het andere deelde zich dan ook die beweging mee. Aan Frankrijk, waar de

-ocr page 96-

86 ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD.

Waldenzen en Albigenzen wonnen aan innerlijke kracht. Aan Duitschland, waar in -1153 de stoutmoedige adel op tien rijksdag te Ulm had bepaald, dat de kerkelijke han niet langer zou ingrijpen in wereldlijke zaken, dat zij die wegens roof of brandstichting, aan kerkelijke goederen gepleegd, in den ban gedaan waren, dat oordeel, zou \'t geldig zijn, nog eens door een wereldlijk gericht bevestigd moesten zien, wijl anders de aanmatiging der geestelijkheid het rijk overhoop zou werpen; voorts dat zij, die door de kerk met excommunicatie gestraft waren, nochtans achtbare burgers en ridders konden blijven, daar het rijk van Christus niet van deze wereld was. Ook tot Zwitserland drong zij door, waar de republikeinsche organisatie der oostelijke cantons voltrokken werd, zoowel als tot Lombardijs, waar de republikeinsche woelingen een dreigend karakter aannamen.

Terecht begreep dun ook Paus Hadrianus IV die, na de kortstondige regeering van den hoogbejaarden Anastasius IV, het dubbele zwaard in handen kreeg, dat hij \'t moest voeren met krachtige vuist. Een man van zeldzame kracht was Nicolaus Breakspear, de zoon van een armen priester in Engeland die, na velerlei lotgevallen, tot kardinaal van Albano en legaat van Noorwegen verheven was. Aanstonds biedt hij met kracht aan de Romeinsche commune \'t hoofd; de senaat weigert hem, hij den senaat te erkennen. Beslist eischt hij nu de verbanning van Arnold, door zijne voorgangers wel herhaaldelijk gevorderd, maar nooit krachtig doorgezet. Als die eisch niet onmiddellijk wordt ingewilligd en daarbij de verwonding van een kardinaal op de via sacra aan de Arnoldisten toegeschreven wordt, legt Hadrianus het interdict op Rome. Nog nooit had een Paus \'t gewaagd dit vreeslij k dwangmiddel tegen Rome aan te wenden. Loodzwaar drukte die vloek

-ocr page 97-

ARNOLD VAN BllESCIA EN ZIJN TIJD. 87

■op de stad of het land daardoor getroffen. Geen godsdienstoefening werd er gehouden en geen klokgelui gehoord; ^een mis gelezen, geen ander sacrament dan de doop, en deze enkel in het voorportaal der kerk, bediend. Uitgebluscht werden de lichten op het altaar, terneerge-worpen de kruisbeelden, weggeborgen de relieken. In ongewijde aarde moesten de dooden rusten en het huwelijk werd op het kerkhof ingezegend. Met trotsche minachting draagt Rome enkele dagen dien vloek, maar de zwakken ■en kleinen, de vrouwen en priesters buigen alras \'t hoofd en de senatoren, door het volk Lestormd, smeeken den Paus om genade. Deze belooft opheffing, zoodra Arnold is verdreven. En hij die de afgod was geweest van het volk dat hij betooverde, ondervond de wuftheid van de menigte die liever een hervormer dan haar kerkdienst prijs geeft.

Met loome schreden, en bloedend hart verliet Arnold de stad, die haar profeten uitwierp! Hoe zal hij Frederiks kortzichtigheid bejammerd hebben die, in .plaats van de Romeinsche demokratie in te toornen en als bondgenoot in zijn strijd met den Paus te gebruiken, haar met verachting van zich stiet! Al bleef hij gelooven aan den eindelijken triumf zijner beginselen, voor \'t oogenblik moest hij \'t harde vonnis beamen door Bernhard over de Romeinen uitgesproken; ,/Ze zijn een volk, rusteloos en steeds tot oproer geneigd, ze weten niet te gehoorzamen, dan alleen wanneer zij niet langer weerstand kunnen bieden. . . , Onstuimig en ongeduldig dwingen zij om geschenken en zijn ondankbaar, als zij die ontvangen hebben. Grootsprekers zijn ze met de tong, maar kinderen, als \'t op daden aankomt. Kwistig in \'t beloven maar lafaards in het houden; als kruipende vleiers en bijtende lasteraars huichelen zij den.

-ocr page 98-

88

eerlijksten eenvoud en zijn zij de laaghartigste verraders.quot;\'

Maar wie had een oog voor de kleine schare der Arnol-disten, toen op groenen Donderdag na de opheffing van het interdict de Paus onder algemeen gejubel van den St. Pieter trok naar het Lateraan! Arnold intusschen bereikte de grenzen van Toscane en zocht eene schuilplaats in een klooster der Camaldulensers teBricola. Doch veilig was hij er niet in de handen van een man, met hem uit dezelfde plaats geboortig, maar van gansch anderen geest,, den kardinaal Oddo. Nog te goeder ure ontrukten hem de graven van Campagnatico, adellijken die hart hadden voor den wakkeren volkstribuun, aan dit werktuig der curie en schonken hem op hunne goederen herbergzaamheid.

Intusschen deed Frederik zijnen intocht in Rome en werd in den St. Pieter gekroond. Maar terwijl de kapel\' van het gejubel der Duitschers weergalmde, werd zij door militaire macht bewaakt. quot;Want \'t was enkel de Paus--en de Kerk, niet de burgerij die den Duitschen vorst feestelijk onthaalde. Deze wilde niets weten van den koning, die hare constitutie niet erkennen wilde, ja stond vijandig tegenover hem. Mocht het volk een oogenblik gezwicht hebben voor den vloek van \'t interdict, thans herleefde weer de oude vrijheidszin en daarmee de oude liefde voor den man van Brescia.

Na den middag stroomden de Romeinen, die zich op het Gapitool gewapend hadden, over de Tiberbrug in de Leo-stad, waarheen Frederik, met de kroon van Karei op \'t hoofd, zich had begeven. Zij bestormden het Vaticaan en vielen op \'t leger van Frederik aan, wellicht in de hoop van hun profeet Arnold te zullen bevrijden, Niet dan na een heftigen strijd, waarin omstreeks duizend Romeinen omkwamen, werden zij teruggeslagen.

-ocr page 99-

ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD. 80

Kort daarop viel Arnold, wiens uitlevering door den Paus van Frederik was geëischt. „Voor dezen man\'\', verklaarde hij, „wien alle goederen der fortuin onverschillig zijn, is het Pausdom niet veilig, zoolang de Tiber zijne-asch niet in de zee heeft uitgestort.quot; Onmiddellijk zond Frederik mannen uit om hem te grijpen. Een zijner gast-heeren werd gevat en deze, om zichzelf te bevrijden^ leverde Arnold aan Frederik en de kardinalen uit. Aan den prefect der stad overgeleverd, na vooraf wellicht door een geestelijk gericht als ketter te zijn gevonnisdr werd hij veroordeeld als rebel en stierf op den brandstapel, waar rnen hem aan een paal wurgde en daarna verbrandde. Sloeg hij het brekend oog nog eens op Pgt;omer door de eerste stralen der morgenzon verlicht, op dat Rome aan welks staatkundige en geestelijke bevrijding hij zijn leven had gewijd 1 Door den rossen gloed van den brandstapel opgeschrikt, stormden vele Piomeinen naar de-gerechtsplaats, maar vergeefs streden zij zelfs om de asch van den martelaar, die over den Tiber werd uitgestrooid.

Doch als een feniks uit de asch, verrees Arnolds machtige geest om nog eeuwen lang zijn invloed te openbaren.. quot;Voor zoover zijne gestalte ons voor oogen staat — aan de scherpte der omtrekken ontbreekt helaas maar al te veel! — maakt ze den indruk van een man, die met den gloed en de belangeloosheid van een innige overtuiging streed voor een grootsch ideaal, het ideaal van een vrije Kerk in een vrijen Staat, van staatkundige vrijheid in godsdienstige vrijheid gegrond. Ernst was \'t hem met het woord van den Christus: ,/mijn Koninkrijk is niet van deze wereld/\' en met diens leuze: „gekomen niet om gediend te worden, maar om te dienenquot;. Met scherpe en bittere woorden hekelde hij de heerschzucht en de heb-

-ocr page 100-

90 ARNOLD VAN BRESCIA EN ZIJN TIJD.

zucht der geestelijkheid en tegen \'s Pausen wereldlijke heerschappij kampte hij op leven en dood. Maar hij deed het, omdat hij geen hooger heerschapp ijdan die der zacht-moedigen, geen hooger macht dan die der liefde kende. Noch door de heerschzucht van Bernhard van Clairvaux, noch door de ijdelheid van Ahélard wordt zijn beeld ontsierd; het staat daar eenvoudig, mannelijk en waar.

Arnolds ideaal begint eerst in onzen tijd verwezenlijkt te worden. De heerschappij van den Paus is thans tot het Vaticaan beperkt. De vrije ontwikkeling van het ^koninkrijk Italië kan hij bejammeren en veroordeelen, haar tegenhouden kan hij niet. In zijne Encycliek „Aan de christelijke regeering der Statenquot; zien we dan ook Leo XIII merkwaardige concessiën doen aan de eischen -van den nieuweren tijd. Als we hem daar hooren verklaren, ,/lat de Kerk de ware eerlijke vrijheid weet te erkennen en te gedoogen, dat zij niet veroordeelt de hoofden van Staten die verschillende eerediensten duldenquot;, dan blijkt ons hoe zelfs de Paus zijns ondanks meegaat met zijn tijd. Toch is de strijd tegen Ultramontaanschen overmoed, tegen kerkdijken gewetensdwang in Katholieken en Protestantschen vorm nog lang niet uitgestreden. Arnold van Brescia leere ons, dat we dien dan alleen zegevierend kunnen voeren, wanneer de vrijheid ons geen doel maar middel is; middel om het hoogste te verwerven: heiligen ernst, zedelijken invloed, persoonlijke vroomheid. Laat uw religie krachtig wezen en gezond, ernstig en diep, ■en vanzelf vallen de kerkelijke boeien af, het twistvuur verdooft, de mannelijke zachtmoedigheid herneemt hare rechten en de stille wensch gaat in vervulling: vrije vroomheid brenge vrede!

-ocr page 101-

MICHEL ANGELO.

-ocr page 102-

Uwe vrienden stellen uw karakter liooger dan uwe werken. Slechts zij, die u niet persoonlijk leerden kennen, waardeeren enkel het minder verdienstelijke in u ; uwe werken.

VlTTORIA COLONNA.

-ocr page 103-

MICHEL ANGEL O.

I.

DE IDYLLE DEK JEUGD.

In een van de schitterende zalen van het paleis der Medici vinden we, omstreeks het jaar 1490, eene uitgelezen schaar van geleerden en kunstenaars aan den disch ver-eenigd.

We bevinden ons in het hart van den Renaissancetijd. „Welk eene eeuw! De studiën bloeien, de geesten ontwaken, \'t is een lust om te leven \\quot; zoo roepen wij met Ulrich von Hutten uit. Nieuw leven op \'t gebied der letterkunde, waar de klassieke letteren met vernieuwde geestdrift worden beoefend, sinds allerlei Grieksche geleerden, uit Constantinopel verdreven, zich in Italië hebben neergezet. Nieuw leven op \'t gebied der kerk, waar de boeien van de middeleeuwsche scholastiek aanvankelijk werden afgeschud en de behoefte aan hervorming in hoofd en leden met klimmenden nadruk uitgesproken wordt Nieuw leven op \'t gebied der wijsbegeerte, waar men zich aan den leiband van Aristoteles ontworstelt en voor Plato\'s

-ocr page 104-

94 MICHEL ANGELO.

verheffende ideën hoofd en hart ontsluit. Nieuw leven in Florence, de stad der lente bovenal, waar Dante de grootste aller Florentijners heeft gezongen en door zijne zangen de Italiaansche volkstaal heeft geschapen, sinds door Boccacio en Petrarca in al hare schoonheid aan \'t licht gebracht.

Van heel die beweging is het paleis, waarin wij ons-thans bevinden, het brandpunt. Daarheen stroomt alles wat Italië voortreffelijks biedt. Daar wordt het gezelligste en vroolijkste verkeer afgewisseld door den ernstigsten arbeid, daar gaat liefde voor de beeldende kunsten met beoefening der wijsbegeerte saam. Daar prikkelt een voorbeeldelooze wedstrijd den ijver van kunstenaars en letterkundigen. „In de lucht van Florencequot;, zoo schrijft Vasari, de levensbeschrijver van de groote kunstenaars van dien tijd, „ligt een ontzaglijke aandrift om naar roem en eer te streven. Niemand wil met anderen gelijk staan; elk wenscht hooger op te klimmen. Zijt gij niet even goed als ieder ander? zegt men tot zichzelven. Kunt gij \'t niet even ver en verder brengen ? Wie van de kunst, die hij geleerd heeft, gemakkelijk de vruchten plukken wil, moet niet in Florence blijven. Florence is als de lijd die de dingen schept en weer vernielt, als hij ze tot voltooiing heeft gebracht/\'

Ziet ge rond in dezen kring, dan trekt allereerst Lorenzo de Medici zelf uwe aandacht. Niet zoozeer door zijn vorstelijken rang, als wel door zijne uitnemende vroolijkheid, zijn fijnen tact en zijne warme kunstliefde weet hij zijne omgeving te beheerschen. Evenals zijn grootvader Cosimo, de invloedrijke koopman, die met zijn aanzienlijk vermogen verscheidene vorsten van Europa steunde,, grooie bergwerken in Italië ondernam en op zijne rijkbe-laden schepen zich de schatten van het Oosten liet toe-

-ocr page 105-

MICHEL ANliELO.

voeren, is ook hij vorst en burger tevens, de erfelijke raadgever van het Fiorentijnsche volk, regeerend zonder titel en mandaat, zijn recht ontleenend aan zijne onontbeerlijkheid. Meester van taal en versbouw, heeft hij aan allerlei dichtsoorten zijne krachten beproefd. Nu zijn \'t zoetvloeiende minneliederen, dan hartstochtelijke sonnetten, nu wijsgeerige canzonen, dan burleske dans- en carnavalsliederen, straks godsdienstige zangen die hij aan zijne lier ontlokt. En als hij rondwandelt in zijne kunstakademie, of in zijne verzameling van gemmen en munten zich beweegt, voelt hij zich daar evenzeer te huis. Geen wonder dat de gunstelingen van dezen Maecenas tot hem opzien met innige vereering! Laat ons er eenigen met name noemen.

Ziehier Marsilio Ficino, den priester-wijsgeer voor wien de samensmelting van Platonisme en Christendom het hoogste ideaal is, „daar tochquot;, zoo meende hij, „de ware wijsbegeerte niets dan de echte godsdienst, de echte godsdienst niets dan de ware wijsbegeerte is.quot; Als gij hem in \'t mijmerend oog ziet, verwondert het u niet dat hij een sterke neiging tot mysticisme heeft en kunt ge u voorstellen dat hij is aangeklaagd wegens beoefening der magie. Maar hoort ge hem spreken over de Platonische onsterfelijkheidsleer, zijn lievelingsonderwerp, dan bevreemdt het u evenmin dat men aan zijne lippen hangt in dezen kring. Nevens hem ziet ge Cristoforo Landino, leeraar in de welsprekendheid en dichtkunst, den man die door de eerste uitgave der Divina Commoedia aan Italië\'s letterkunde een onschatbaren dienst heeft bewezen.

Wie is die reeds meer bejaarde man, die hem aanziet met een spotachtigen oogopslag en wien een zoo guitige trek om de lippen speelt? \'t Is Luigi Pulci, de dichter

95

-ocr page 106-

\'96 MICHEL ANGELO.

van de Morganti maggiore, een romantisch heldendicht, waarin het kerkgeloof met twijfel en ontkenning kampt en ernst en ironie, bijbelteksten en profane aardigheden in den geest dier tijden zijn dooreengemengd. Van een geheel ander karakter is zijn buurman Angelo Poliziano die, als tienjarige knaap doodarm in Florence gekomen, in de koesterende atmospheer van het Mediceische hof van den rijkdom zijner gaven zich bewust werd en als dichter van Grieksche epigrammen en Italiaansche volksliederen, als vertaler van een deel der Ilias vooral, Lorenzo\'s hart gestolen heeft.

Van \'t geen de Mediceërs al over hebben voor de kunst .zou ook de man die aan zijne zijde zit u weten te verhalen, Bartolommeo Scala die, naar zijn eigen verklaring, van alles ontbloot, arm en uit ouders van den geringsten stand geboren, naar Florence kwam, zonder middelen, zonder aanspraken, zonder beschermers, zonder verwanten en door Cosimo opgenomen werd.

Maar \'t meest schittert in dezen kring die slanke, schoon gevormde man wiens gelaat, stralend van goddelijken glans, aller oogen tot zich trekt, \'t Is Giovanni Pico de Mirandola die, ondanks zijne hooge geboorte, zich met evenveel ijver als volharding aan de letteren heeft gewijd en als de phenix der geesten door zijne tijdgenooten wordt geroemd. //De natuurquot;, zoo schrijft Poliziano zijn dischgenoöt, „scheen over dezen man, of liever dezen heros, alle gaven van lichaam en geest te hebben uitgestort. Scherpzinnig en met het gelukkigst geheugen begaafd, was hij in de studie onvermoeid, in zijne wijze van uitdrukking helder en wegsleepend. Men was in twijfel, of hij meer door zijne talenten, dan door zijne zedelijke eigenschappen schitterde. In elk deel der wijsbegeerte t\' huis, met grondige kennis

-ocr page 107-

MICHEL AXOELO. 97

van verscheidene tulen bevoorrecht, waande hij zich verheven boven allen lof.quot;

. Stel een deel dier lofspraak op rekening van den geest der onderlinge verheerlijking, waaraan \'t zeker niet ontbrak in dezen kring, trek er verder af Pico\'s ziekelijke ■dweeperij met de mysteriën van magie en kabbalah, dan blijft er nog genoeg over dat zulk een lof rechtvaardigt. Vooral als ge bedenkt, dat Pico het hoofd der Italiaansche humanisten was, de man die het ideaal der humaniteit beschreef in deze schoons woorden uit zijne rede over de waarde des menschen: „Midden in de wereldquot;, spreekt de Schepper daar tot Adam, „heb ik u gesteld, opdat ge des te lichter om u henen ziet en opmerkt al wat daarin is. Ik schiep u als een wezen, noch hemelsch, noch aardsch, noch sterfelijk, noch onsterfelijk alleen, opdat ge uw eigen vrije schepper en overwinnaar zoudt zijn; gij kunt tot een dier ontaarden en tot een goddelijk wezen u herscheppen. Ue dieren brengen uit den moederschoot voltooid hun wezen meè; de engelen zijn van den beginne af wat zij in eeuwigheid blijven zullen. Gij alleen hebt eene ontwikkeling, een wasdom naar vrijen wil, de kiem van een alzijdig wezen draagt gij in u.quot;

Doch niet enkel mannen, ook een aantal knapen, vinden we in dezen kring. Ze staan vertrouwelijk rondom Poliziano, hunnen gouverneur, \'t Zijn Lorenzo\'s drie zonen Piero, Giuliano en Giovanni, in welken laatsten ge thans nog moeilijk den toe-komstigen Paus Leo X zoudt herkennen. En de vierde, die met de drie jonge Medici als hun gelijke omgaat\'? \'t Is Michel Angelo die onlangs, op Lorenzo\'s aandrang, bewoner van zijn paleis geworden is, die te midden van dit genotrijke en voor een deel wufte leven zijne zedelijke reinheid bewaren en een model van nauwgezetheid en belangeloosheid blijven zal.

-ocr page 108-

08 MICHEL ANGELO.

Welk eene andere wereld dan die van Settignano, eeiï nietig plaatsje in het Florentijnsch gebergte, waar hij geboren is en aan de borst van zijne voedster, de vrouw van een steenhouwer, de liefde tot diens handwerk ingezogen heeft! Een andere kring dan het huis van zijn vader die, hoezeer gesproten uit hel aanzienlijk geslacht der graven van Canossa, als nederig ambtenaar geen anderen rijkdom dan dien der armen : een aantal kinderen had. Eene andere omgeving dan die van Urbino, waar hij weinig oor had voor de taalkundige lessen van zijnen meester Francesco, maar des te meer oog voor \'t geen hij in de werkplaatsen der schilders zag.

,/Hoe men schilder wordtquot;, is ook eene van die oudegeschiedenissen, die altijd nieuw blijven. Daarin komt veel voor van onmogelijke schetsen, op muren en tafels gekrast, wonderlijke silhouetten, portretten, arabesken, waarvan de randen van schrijf- en leerboeken wemelen, onafgemaakt schoolwerk, en wat dies meer zij. En daarbij een vader die niets ongerijmder vindt, dan dat zijn jongen kunstenaar zou worden. Dat alles was ook hier \'t geval. Van den voorslag van Dominico Ghirlandajo, die van die schetsen \'t een en ander had gezien, dal de knaap bij hem in de leer zou komen, wilde de vader eerst niels weten. Maar de veertienjarige knaap wist door te zeilen.

Dal hij er recht toe had, bewees al aanstonds zijne eerste schilderij, eene copie van de verzoeking van den Heiligen Antonius, die door acht duivelen onder allerlei dierengestalten gekweld wordt. Zoo jaloersch was zijn meester van dien arbeid, dat hij dien uitgaf voor zijn eigen werk. Maar als straks de leerling de werken van den meester zeiven gaat retoucheeren, zoodat deze wrevelig uitroept; „de jongen weet er meer van dan wij allen wordt de

-ocr page 109-

99

onderlinge verhouding zoo gespannen, dat Leiden zonder weemoed van elkaar scheiden.

Door zijn vriend Granacci ingeleid in den tuin van San Marco, waar de kunstschatten der Medici prijken, wordt hij opgenomen onder de leerlingen van den ouden beeldhouwer Bertoldo, door wien Lorenzo een aantal jongelieden liet onderrichten in de kunst. Al aanstonds trekt hij daar door de wijze, waarop hij in leem figuren modelleert, het oog van zijn beschermer tot zich.

Juist liet deze in zijnen tuin een gebouw zetten, dat tot bibliotheek moest dienen en geheel uit marmer opgetrokken werd. Met de steenhouwers, die deze marmerblokken bewerken, sluit de\'jonge kunstenaar vriendschap; van hen weet hij een blok marmer en de noodige gereedschappen te verkrijgen. Voor \'t eerst drijft hij den beitel daarin en co-pieert met losse hand den kop van een Faun, die in den tuin stond, maar geeft dien, in afwijking van het oorspronkelijke, een lachend gelaat, waardoor de mond geopend is, en al de tanden zichtbaar zijn.

Bij den laatsten slag met den beitel bespeurt hij op eens een getuige achter zich, die den geimproviseerden arbeid bewondert.

,/t Is immers een oude faun dien ge hebt willen maken?quot; zoo vraagt deze hem.quot; — „Zooals ge zietquot;, antwoordt de knaap. — „Maar jongen, waar hebt ge dan grijsaards gezien, die al lachend een mond vertoonen geheel met tanden gevuld?quot; — Dit zeggende verwijdert zich Lorenzo, want hij is \'t, en als hij kort daarop terugkomt, vindt hij eene open plaats in den mond van den oude, zoo kunstig aangebracht, dat een volleerd meester \'t niet had kunnen verbeteren.

Zulk een genie wenscht Lorenzo aan zich te verbinden.

-ocr page 110-

100 MICHEL AXGELO,

Hij ontbiedt den ouden Ludovico en biedt hem, mits hij hem zijn zoon afsta, eene voordeelige betrekking aan. Deze begeert een bescheiden postje dat vacant is. ,/lk meendequot;, zegt Lorenzo, „dat gij meer zoudt gevraagd hebben, en \'t zou u ten deel gevallen zijn.quot;

Van dat oogenblik af is Michel Angelo Lorenzo\'s huis-en dischgenoot en wordt hij opgenomen in den kring, zoo even geschetst. Maar de buitengewone gunst die Lorenzo hem bewijst wekt — is \'t wonder? —veler jaloezie. Zijne makkers koesteren wrok tegen den zeker reeds vroeg in zichzelf gekeerden, schijnbaar norschen knaap.

Op zekeren dag komt het tot eene uitbarsting en een hunner, Torregiano, de sterkste van allen, valt op hem aan, werpt hem op den grond, verbrijzelt met een enkelen vuistslag hem den neus en laat hem daar bewusteloos liggen, badende in zijn bloed. Die vuistslag was beslissend voor zijn verder leven, en dat hij later somber en eenzaam zijnen weg vervolgde, was zeker voor een deel te wijten aan de verminking van zijn schoon gelaat.

Maar in de kunst vindt hij zijn troost. Degelijks laat Lorenzo hem tot zich roepen, beziet met hem desteenen, munten en andere kostbaarheden, waarvan zijn paleis overvloeit, en wenscht zijn oordeel daarover te vernemen. Op raad van zijnen beschermer beeldt hij in een marmeren hasrelief den strijd van Hercules met de centauren af, een kunstwerk waarin hij nog op zijn ouden dag behagen vond.

Zoo vormen de jaren, aan \'t hof van Lorenzo gesleten, de schoone idylle van Michel Angelo\'s jeugd. De fijnhe-schaafde vorst, die voor zijne kunstakademie schatten overhad, ging de studie zijner kweekelingen na met den scherpen blik van een kenner en stond hun ten dienste met den schat zijner rijke belezenheid.

-ocr page 111-

MICHEL ANGELO. 101

Onder de leiding van Poliziano en Pico de Mirandola beoefende nu de jonge kunstenaar de oude letteren, las hij den Bijbel en Dante, die twee goudmijnen, waaruit hij zijne uitnemendste gedachten putte en legde hij den grondslag van die breede studie der anatomie, die hem tot den grootsten schilder en beeldhouwer van het naakt heeft gevormd.

Doch alle idyllen zijn van korten duur in \'t leven. Ook deze medaille had hare keerzijde. De schitterende regeering van Lorenzo, van afkomst een eenvoudig burgerman, werd — hoe kon \'t anders\'? — door de adellijke familiën en de aanzienlijke kooplieden der Arnostad, met leede oogen aangezien, en, al gaf de vorst tie scliitterendste feesten, al verzamelde hij Italië\'s eerste geesten aan zijn hof, al zocht hij aan zijne tirannie een republikeinschen glimp te geven, toch groeide tlie argwaan bij den dag.

Ja, die schitterende feesten kostten geld en voor de weelde dor hofhouding waren Lorenzo\'s inkomsten weldra niet toereikend meer. Reeds was de staatskas aangesproken; groote leeningen waren er gesloten, en op de fondsen van liefdadige gestichten had Lorenzo beslag gelegd. Reeds was zijn broeder Giuliano op de trappen van het hoogaltaar gevallen, als het slachtoffer van eene samenzwering, waaraan hij zelf ternauwernood ontkomen was.

Zoo begon de glans van het hof der Medici te tanen; donkere wolken pakten zich samen; een vreeselijk onweer was nabij, ja, \'t kwam op uitliet lievelingsklooster der Medici, waar, in het jaar van Michel Angelo\'s komst in Florence, een strenge bedelmonnik zijn intrek genomen had.

Savonarola, de man, in wiens oog heel het hof der Medici met al zijne kunstschatten, zijne bevallige vormen en platonische gastmalen, niets anders was dan ijdelheid.

-ocr page 112-

-102 Michel aïigelo.

de man die sleehts ééne gedachte had: de hervorming van de Kerk, voorbereid door den scherpen geesel, waarmee God Italië zou tuchtigen, Savonarola verhief zijne donderende stem.

II.

studie ex strijd.

Tot de trouwste hoorders van den prior van San Marco behoorde Michel Angelo. De ernstige kunstenaar voelde zich aangetrokken tot den strengen boetgezant. En dat te meer sinds hij het woelige hofleven had vaarwel gezegd, dat, toen Lorenzo was gestorven en door zijn onbeduidenden zoon Piëro was opgevolgd, alle bekoorlijkheid voor hem verloren had. Waar zou hij beter troost vinden dan in zijne kunst ?

Hij richt in het huis van zijnen vader een eigen werkplaats in, koopt een blok marmer, drijft er den beitel in en schept, als wilde hij den weekelingen van Florence een beschamend voorbeeld stellen, een kloeken Hercules. Als \'t op zekeren nacht hevig heeft gesneeuwd, laat Piëro hem ontbieden en gelast hem op de binnenplaats van het paleis een standbeeld van sneeuw op te richten, een last dien de man, die reeds in de bewerking van het marmer zijne meesterhand getoond had, niet zonder een blos van gekrenkte eerzucht zal vernomen hebben. Toch kwijt hij zich van die taak en wel zoo, dat de aandacht van zijn jeugdigen beschermer van nieuws op hem gevestigd wordt en deze niet rust, eer hij in het paleis zijn oude kamer weer betrokken heeft.

-ocr page 113-

MICHEL AXOELO. 103

Ondertusschen steekt de storm tegen de Medici hoe langer hoe dreigender op, al moge de luchthartige Piëro zich het gevaar ontveinzen. Cardiere, zijn luitspeler, wordt tot tweemaal toe verontrust door een gezicht dat hij aan Michel Angelo meedeelt. Lorenzo zag hij voor zich, met verscheurde kleederen, die hem beval aan zijn zoon te zeggen dat hij binnen kort uit zijn huis verdreven zou worden, om er nimmer weer te keeren. Piëro drijft den spot met dal gezicht, maar Michel Angelo is er diep door getroffen. Hij bespeurt, dat de ontevredenheid van het volk en de invloed van den republikeinsch-gezinden profeet van San Marco klimt bij den dag. \'t Is hem, den geestverwant van Savonarola, onmogelijk, als \'t er op aankomt, voor de Medici partij te kiezen. Maar even onmogelijk, bij de groote verplichting, die hij aan Piëro\'s vader heeft, zich tegenover dezen te plaatsen. Aan dezen tweestrijd maakt hij een einde door te vluchten naar Venetië.

Hij brengt het evenwel niet verder dan tot Bologna, waar hij een nieuwen Maecenas vindt in Gianfrancesco Allovrandi en eene nieuwe gelegenheid tot oefening zijner krachten in de voltooiing van een grafteeken van den Heiligen Dominicus, door Nicola Pisano\' onafgewerkt achtergelaten. l)och de jaloezie der Bologneescbe kunstenaars op den twintigjarigen weggeloopen Florentijner, die daarbij in de bewerking van een engelenbeeldje niet gelukkig was geslaagd, verhindert hem dien arbeid te voltooien.

Zoo keert hij dan terug naar zijne vaderstad, waar inmiddels het visioen van Cardiere in vervulling was gegaan. Het paleis der Medici vindt hij verlaten en hun naam met verachting overstelpt. Daar doolt lüj rond door den tuin van San Marco, waar ieder plekje door herinneringen is

x

-ocr page 114-

104 MICHEL ANGELO.

gewijd. Hier ontving hij de eerste les van zijn ouden meester Bertoldo, daar leidde hem Poliziano in de kennis der oudheid in, ginds sprak Lorenzo voor \'t eerst hem vriendelijk toe. Hij zoekt naar de beelden, die hem meermalen tot modellen hadden gediend; ach, ze zijn verdwenen, aan den meestbiedende verkocht en in alle oorden van de wereld verstrooid!

Nochtans, al wenscht hij de schoone dagen van Lorenzo te vergeefs terug, \'t is andermaal een Lorenzo de Medici, die zich zijner aantrekt, en wel een neef van Piëro dier vroeger naar Frankrijk gevlucht, thans in \'t gevolg van Karei VIII den Franschen vorst, die zijne rechten op den troon van Napels kwam doen gelden, was teruggekeerd en onder een anderen naam in Florence werd geduld, \'t Was in dien quot;tijd, dat hij zijn beroemden slapenden Cupido maakte, waaraan hij, op raad van zijn beschermer, het voorkomen gaf van een antiek en dien hij als zoodanig aan den kardinaal van San Giorgio verkocht. Deze, opgetogen over het kunstwerk, biedt hem eene plaats in zijne woning aan, en Michel Angelo vertrekt naar Rome.

Michel Angelo in Rome! Met welk een gevoel van eerbied en bewondering zal de jeugdige kunstenaar hebben rondgewandeld in de Eeuwige Stad, waar hij, de hartstochtelijke minnaar der oude kunst, op alle publieke plaatsen en pleinen antieke kunstwerken prijken zag. Doch even onuitwischbaar, als de indruk dien de stad op hem maakte, is de stempel dien zijn genie op haar heeft gedrukt. In Rome kwam hij tot de volle bewustheid van zijne kracht en sloeg zijn geest de forsche vleugelen uit en eerst aan Michel Angelo dankt Rome hare schoonste kroon, den koepel van den Sint Pieter, die de gansche stad beheerscht.

Door \'t beitelen van een Racchus en een Cupido trekt

-ocr page 115-

MICHEL ANGELO 105

hij hier reeds veler aandacht tot zich. Maar den naam van Italië\'s eersten beeldhouwer verwerlt hij zich door la Piëta, eene treurende Maria met het lijk van haren zoon op den schoot. Een gevoel van innige deernis wordt door beide gestalten gewekt; door de „moeder vol van smartenquot;, die \'t hoofd met diepe doch gelaten droefenis buigt over haar dooden zoon, die op haar knieën rust, en door den zoon die met achterwaarts gezonken hoofd, uitgeputte gestalte en slap neerhangende voeten in den schoot zijner moeder ligt, als had de dood hem van nieuws tot een kind gemaakt. Hoezeer is het te betreuren dat deze beeldengroep in eene der zijkapellen van den St. Pieter ternauwernood zichtbaar is!

Michel Angelo\'s eerste verblijf in Rome was niet van langen duur. Huiselijke omstandigheden roepen hem naar Florence terug. Daar eischt weldra een reuzenwerk de inspanning van al zijne krachten. Reeds jaren geleden was een marmerblok van negen meter hoogte uit de steengroeven van Carrara naar Florence gevoerd, maar daar onbewerkt blijven liggen. Michel Angelo verklaart zich, daartoe aangezocht, bereid om uit den prachtigen steen een beeld te houwen en tijgt met moed aan \'t werk. Een klein model in was is het eenige wat hem tot leiddraad dient, bij de schepping van zijn David als herdersknaap. Door verschillende andere bestellingen werd zijn werk afgebroken, o. a. door eene van de twaalf apostelen, waarvan er slechts een. de apostel Mattheus, in grove omtrekken voltooid werd. Toch was nri verloop van twee jaren en eenige maanden, het reuzenwerk gereed. Maar menige nacht ook zag den kunstenaar in \'t werkpak bij zijn arbeid nederliggen, om dien te hervatten, zoodra zijne uitgeputte kracht zich genoegzaam had hersteld.

-ocr page 116-

■106 MICHEL AN\'GELO.

Toen hij nagenoeg de laatste hand lei aan zijn werk, kreeg liij eens een bezoek van Piero Soderini, don burgemeester der stad. „quot;VVat dunkt u van mijn werk?quot; vroeg schertsend de kunstenaar. — „Mij dunktquot;, zei de Gonfaloniere op verwaanden toon, „dat de neus te groot isquot;. — „Gij hebt gelijkquot;, zoo antwoordt Michel Angelo, neemt ongemerkt een handvol marmergruis, beklimt de ladder, gaat schijnbaar aan \'t beitelen, maar laat inderdaad het meegenomen gruis naar beneden vallen. — „Wat dunkt u thans\'?quot; — „O,quot; roept Soderini met vermakelijk zelfbehagen uit, „nu hebt gij hem \'t leven gegeven!quot; —

Zoodra de arbeid afgeloopen is, worden Florence\'s eerste kunstenaars saamgeroepen, om te beraadslagen over de plaatsing van het beeld. De uitslag dier overleggingen is, dat het geplaatst wordt nevens de deur van het regeerings-paleis, in de plaats van de Judith van Donatello. Doch ook \'t genot, dat de kunstenaar van zijn wel volbrachten arbeid smaakte, poogde de lage nijd te vergallen. Nauwelijks is men begonnen het beeld uit de werkplaats in de open lucht te brengen, of er wordt met steenen naar geworpen en zelfs de wacht, sinds dien tijd er bij geplaatst, wordt aangevallen. Gelukkig evenwel werd het beeld evenmin door een steenworp gedeerd, als de maker zich door dien nijd gekrenkt voelde en den ISden Mei 1504 kon het ter bestemder plaatse worden opgericht. Daar staat, geheel naakt, het reusachtig beeld van den zestienjarigen herdersknaap. De rechterhand, waarin hij den slinger houdt, hangt rustig naar beneden, de linker is opgeheven over de borst, als op \'t punt een steen in den slinger te leggen, terwijl de scherpe blik op een doelwit gericht schijnt. Meer dan drie eeuwen lang stond daar de David, door den een gelaakt, door den ander geprezen, maar door eiken

-ocr page 117-

MICHEL AN\'OELO. I 07

Florentijner als de goede genius van zijne stad beschouwd, tot hij voor weinige jaren achter de A kademie der schoone kunsten eene plaats vond. Ons is hij een eigenaardig zinnebeeld van die voorliefde voor het grootsche en reusachtige, die Michel Angelo tot zoo stoute scheppingen dreef, maar ook tot zoo bedenkelijke afdwalingen voerde.

In hetzelfde jaar, waarin de David werd voltooid, valt Michel Angelo\'s wedstrijd met den man, die toen onder Italië\'s schilders de eerste plaats bekleedde, met Leonardo da Vinei. Door zijn wereldberoemd Avondmaal, eene muurschildering, waarvan helaas, niets dan eene jammerlijke ruïne overbleef, door zijne Mona Lisa, een vrouwenbeeld van zeldzame schoonheid en menig ander werk had hij zich een grooten naam verworven, toen hem de beschildering van een der wanden in de zaal van den Grooten Raad werd opgedragen. PJene overwinning, door de Florentijners op de Milaneezen bij Anghiari in Toscane behaald, was het onderwerp dat hij zich koos.

Terwijl hij zich met de bewerking van het carton bezig hield, bracht Michel Angelo een rustigen zomer door, nu de dichters lezende en zelf sonnetten schrijvende, dan de laatste hand leggende aan het voetstuk van zijnen David of bezig met de bewerking van zijne Apostelen. Maar eene natuur, zoo stout en veelomvattend als de zijne, kon een ander niet aan een grooten arbeid bezig zien, zonder dien ook zelf te willen ondernemen. De begeerte om met Leonardo zijne krachten te meten laat hem geen rust. Op den anderen grooten wand der zaal wenscht hij te toonen, wat hij ook op dit gebied vermag.

Werkelijk komt die opdracht tot hem, \'t zij al of niet door hem uitgelokt, en gretig neemt hij die aan. Wel een bewijs dat de Florentijners een even onbegrensd vertrouwen

-ocr page 118-

MICHEL ANGELO.

stelden in Michel Angelo als deze in zichzelven! Want een paar Madonna\'s uitgezonderd, had hij tot nog toe zoo goed als niets geschilderd. En tegenover een kunstwerk van den vorst der Italiaansche schilders zou de eerstbeginnende zijn arbeid hebben te plaatsen ! Was \'t geen dwaze overmoed, geen ijdele zelfverheffing die hem daartoe dreefquot;? Neen, \'t was het fier en rustig zelfvertrouwen van den kunstenaar, die zich ook van zijne sluimerende krachten ten volle bewust is.

Als pendant van Leonardo\'s kunstwerk koos ook Michel Angelo een strijdtafereel, aan de Pisaansche veldtochten ontleend. Maar had zijn mededinger het laatste, beslissende oogenblik uit den veldslag gekozen, hij ontleende zijne beelden aan \'t eerste treffen of, liever nog, aan de voorbereiding daartoe. Een troep Florentijnsche soldaten, juist zich badende in den Arno, verneemt onverwachts eene oproeping lot. den strijd. Sommigen klauteren uit het water tegen den steilen oever op, anderen trekken met moeite over hunne natte leden hunne kleederen aan, weer anderen hebben zich reeds in den zadel geworpen. Een uitgezochte gelegenheid voor den kunstenaar om zijne studie van het naakt, in allerlei houding en buiging, ten toon te spreiden ! Toen de beide cartons voltooid waren, stroomden de kunstenaars van alle zijden samen om deze meesterstukken te bewonderen en te vergelijken. Natuurlijk waren de gevoelens zeer verdeeld en koos de eer. voor da Vinei, de ander voor Michel Angelo partij. Maar allen waren \'t er over eens, dat Leonardo in stoutheid van opvatting en grondigheid van anatomische studie een geduchten mededinger had gevonden.

Jammer maar dat van beide kunstwerken slechts een gebrekkig overschot ons rest. Leonardo\'s schilderwerk.

iOS

-ocr page 119-

MICHEL ANGEIiO.

met olie op den muur aangebracht, mislukte en daarbij kwamen onaangenaamheden met het bestuur der stad, zoodat hij aan eene roepstem uit Milaan, de stad waar zijn roem gevestigd was, gretig gehoor gaf en zijnen arbeid achterliet zoo als hij was. Niets anders rest ons daarvan dan een prachtige groep van vier ruiters in verwoeden strijd gewikkeld, door de hand van Rubens gecopieerd. Eveneens ten deele kennen wij uit een oude copie het carton van Michel Angelo.

Toen deze den arbeid staakte, was \'t omdat Julius 11 hem met onweerstaanbaren drang tot de voortzetting van, een veel omvattend kunstwerk riep. Heeds was hem de uitvoering van een kolossaal grafteeken opgedragen, \'t welk deze Paus zichzelven wilde stichten in de basiliek van St. Pieter, waar reeds de Piëta prijkte. Het plan van dit monument, op welks voetstuk alleen veertig beelden zouden voorkomen, behoort tot het stoutste, wat Michel Angelo ooit ontwierp. Tot de voltooiing daarvan alleen zou een menschenleven nauwelijks toereikend ziju geweest. Toch had hij ook hier het onderwerp nog niet gevonden, dat al den rijkdom van zijn genie zou doen uitblinken; \'t was of de loop der omstandigheden hem telkens verbood een denkbeeld uit te werken dat zijne beste krachten niet volkomen waardig was.

Hij begeeft zich naar Carrara, om daar zelf het marmer voor zijn kunstwerk uit te kiezen en brengt daar acht maanden in de steengroeven door. Als hij in Rome terugkeert, liggen er weldra eenige groote marmerblokken op het plein vóór de basiliek en onder \'t oog van den kunst-lievenden, maar ijdelen Paus, die zooveel over had voor eigen verheerlijking, aanvaardt de kunstenaar zijne taak. Reusachtige ontwerpen droeg hij in die dagen met zich

109

-ocr page 120-

MICHEL ANGELO.

om. Bij een tweede verblijf in de groeven van Carrara bekruipt hem de lust om eene rots, die zich aan het zeestrand verhief, en tot ver in zee zichtbaar was, om te scheppen tot een kolos, die den zeevarenden tot sein zou kunnen dienen.

Zijne vernieuwde afwezigheid maakt Bramante, een man die als kunstenaar groot, maar als mensch klein was, door jaloezie gedreven, zich ten nutte om den Paus in te nemen tegen het aanvankelijk door hem geliefkoosd ontwerp. \'t Zou immers toch niet afkunnen komen. Ontzaglijk groot zouden de kosten zijn aan de uitvoering verbonden, \'t quot;Was daarenboven een slecht voorteeken, zich tijdens zijn leven zulk een grafteeken te doen verrijzen. De naijverige mededinger bereikt, zijn doel. Als Michel Angelo, die anders onaangemeld bij den Paus binnentrad, zich weer tot Zijne Heiligheid vervoegt, wordt hij aan de deur afgescheept, met het bericht, dat de toegang hem is ontzegd. „Welnuquot;, zoo roept hij uit, „zeg aan den Paus dat, als hij mij in\'t vervolg noodig heeft, hij mij moge zoeken waar ik te vinden ben/\' Hij keert iiuiswaarts, stelt onmiddellijk orde op zijne zaken, zet zich te paard en rijdt op eens naar Florence terug.

Doch zijne afwezigheid was niet van langen duur. De Paus kan den grooten kunstenaar niet missen, voelt alras berouw van zijn overijdelen stap en dringt bij herhaling op zijne wederkomst aan. Onder voldoende waarborgen dat hij behoorlijk zal ontvangen worden, geeft Michel Angelo aan die roepstem gehoor. Eene nieuwe taak, nog droeviger bewijs van \'s Pausen ijdelheid, nog minder \'s meesters krachten waard, wordt thans hem opgedragen; de vervaardiging van een bronzen standbeeld van Julius II in Bologna. Hier blijft het niet bij een ontwerp. In zittende

MO

-ocr page 121-

MICHEL ANGELO. Ill

houding, en meer dan drievoudige levensgrootte, beeldde tie kunstenaar den kerkvorst af, met opgeheven rechterhand, terwijl de linker de sleutels van den Heiligen Petrus omvat. De gieting, de eerste maal mislukt, slaagde bij eene tweede poging uitmuntend. Maar zwaar viel hem de inspanning, die een zoo ongewone arbeid hem kostte. ,/Moest ik,quot; zoo schrijft hij aan zijne verwanten, ;/den in-spannenden arbeid die mij dag noch nacht rust laat, ten tweeden male ondernemen, dan geloof ik niet dat ik in staat zou zijn dien door te zetten. Ik ben overtuigd dat geen ander, wien deze drukkende last was opgelegd, \\ zou hebben uitgehouden. Mijn geloof is dat uwe gebeden iihj staande en gezond gehouden hebbenquot;....

Nog een half jaar ongeveer verliep, eer de reuzenarbeid was voltooid. Onder klokkengelui, trompetgeschal en volksgejubel werd het beeld van Julius, tegenover het hoofdportaal van den San Petroneo geplaatst, feestelijk onthuld. Hoe hadden wij den kunstenaar, na zoo ver-moeienden arbeid, althans eenige rust gegund! Doch nauwelijks is hij in zijne vaderstad teruggekeerd, of de Paus, die van zijne heerlijke gaven zooveel mogelijk partij wil trekken, roept hem tot eene andere taak. Thans wacht hem de arbeid, waaraan hij bovenal zijn onsterfelijken naam te danken heeft. In Rome vindt hij nu den man, die nevens hem het Vaticaan zal maken tot de meest gewijde plek der Italiaansche schilderkunst, hij vindt er Raphael Sanzio.

-ocr page 122-

111.

IN DE SIXTIJNSCIIE KAPEL.

Als Michel Angelo door de uitgestrekte gangen van het Vaticaan zich naar de Sixtijnsche kapel begaf, om daar aan zijnen arbeid zich te wijden, moet hij menigmalen den jeugdigen Raphael op zijnen weg hebben ontmoet. Weinige schreden toch van de kapel verwijderd lag de Camera della Segnatura, waar de vijf-en-twintigjarige kunstenaar de kolossale opdracht had aanvaard om de twee hootd-wanden met zijne School van Athene en zijne Disputa, den wand tegenover het venster met zijn Parnassus te bedekken. Tot nog toe was hij door \'t leven gegaan, gelijk een vogel door de lucht vliegt. Los en gemakkelijk, vanzelf en ongedwongen had hij een schat van kunstwerken voortgebracht en door eene reeks van Madonnaa\'s, wedijverend in liefelijkheid en gratie, het hart zijner tijdge-nooten veroverd.

Thans werkend aan de zijde van den Titan, die in bevalligheid en populariteit zijn mindere, in stoutheid en kracht, in anatomische kennis en plastisch vermogen zijn meerdere was, ondervindt hij diens electriseerenden invloed. De vraag wie van deze beiden grooter is geweest, is even ijdel, als die of Goethe boven Schiller, Beethoven boven

-ocr page 123-

MICHEL ANGELO. H 3

Mozart uitmuntte. Terwijl elk zijn eigen weg ging en zijn eigen roeping volgde, verhieven zij samen het Vati-caan tot een van de meest gewijde plekken der Italiaan-sche kunst.

Aanvankelijk had Michel Angelo, toen hij voor de tweede nlaal naar Home ging, zich dat in geenen deele voorgesteld. Hij ging er heen met het voornemen, zich geheel te wijden aan het gralteeken van Julius 11. Doch eene gansch andere taak had deze, op aansporing van Bramante, voor hem weggelegd. De heerschzuchtige kerkvorst was nu eenmaal op hem verbitterd en kon niet dulden, dat een eenvoudige leek, al heette hij ook Michel Angelo, met onbuigzame fierheid tegenover hem stond. Op het gebied der beeldhouwkunst had hij zijn meesterschap getoond; nu zou men hem aan \'t schilderen zetten. Zoo werd de beschildering van het gewelf der Sixtynsche kapel hem opgedragen.

Genoemd naar Sixtus IV, onder wien zij gebouwd werd, stond deze kapel aanvankelijk op zichzelve. Thans is ze geheel ingesloten binnen de ontzaglijke gebouwenreeks van het Vaticaan. AVie haar binnentreedt en \'t oog omhoog slaat, ziet het statige gewelf bedekt met eene bunte rij van tafereelen, vier van grooteren, vijf van kleineren omvang, alle aan liet boek Genesis ontleend. De schepping van zon en maan, de schepping van Adam, de val en verdrijving uit het paradijs en de zondvloed vormen de hootdtafereelen. Van minder uitgebreidheid zijn die, welke voorstellen de vergadering der wateren, de scheiding van licht en duisternis, de schepping van Eva, Noachs oflerande en Noachs dronkenschap. En alle te zamen zijn ze omgeven door de kolossale figuren van twaalf zittende profeten en sibyllen. Aanvankelijk duizelen we bij een zoo overstelpenden

-ocr page 124-

MICHEL ANGELO.

■rijkdom van beelden en gedachten. Maar Jjij nadere beschouwing voelen we ons bijzonder aangetrokken tot de figuren der proleten en sibyllen, die de gedachte uitdrukken dat er in de Joden- en Heidenwereld een voorgevoelr eene verwachting leefde van het toekomstig heil. Under de profeten trekt vooral Jeremia onze aandacht die, met de voeten onder zich gekruist, zich voorover buigt, den linkerarm rustend op hot dijbeen, met opgeheven hoofde,, terwijl do hand grijpt in den geweldigen baard; liet beeld van het diepste, rustigste nadenken. Onder de sibyllen is \'t inzonderheid de Delpbische die ons bekoort. Haar hoofd, van ideale sciioonlieid stralend, is in een zeegroenen sluier gehuld, een aangezicht omlijsten, dat, door de levendigste uitdrukking bezield, eene hoogheid ademt, die al wat laag is uit hare nabijheid bant. Om de krachtige gestalte golft een vurig opperkleed, waartegen een geelachtig groen onderkleed afsteekt, terwijl een blauwe mantel het harmonisch kleurenspel voltooit. Alle twaalf figuren drukken dezelfde gedachte uit: de verwachting van de toekomst, van het droomend voorgevoel af tot het schouwen dei-waarheid en de hoogste geestverrukking toe, en toch elke op zoo eigenaardige wijze, dat hare beschouwing een rijke bron van zielkundige studie ontsluit.

Onder de grootere tafereelen rust het oog met bijzonder welgevallen op de voorstelling van de schepping van den eersten mensch. Tegen een donkeren bergrug ziet ge Adam uitgestrekt. Zijne heerlijke gestalte is voltooid, maar nog ontbreekt er\'t volle leven aan; machteloos en half bewusteloos ligt hij daarneer. Daar zweeft uit den hooge God hem langzaam tegemoet, omgeven en gedragen door een stoet van engelen,, die met Hem in een wolkenmantel zijn gehuld en waarvan sommigen met kinderlijke verbazing staren op den eersten

114

-ocr page 125-

MICHEL ANOELO.

mensch, dat nieuwe pronkstuk van Gods schepping. Gods eigen gestalte is bedekt door een violetgrijs gewaad, uit doorzichtige nevelen geweven, waardoor de vormen van het wonderschoone lichaam henenschemeren. Zulk eene/l schoone gestalte, meende de schilder Cornelius, was sinds \\1 Pheidias niet geschapen.

Inderdaad, er is iets betooverends in de wonderbare mengeling van majestueuze kracht en tecdere erbarming, die hier ons tegenstraalt. De Allerhoogste steekt de rechterhand uit naar den mensch, die de linkerhand tot hem opheft, en uit dien vinger Gods, waarmee hij de hand van Adam aanraakt, stroomen hem leven en bezieling te ge-moet. Als een electrieke vonk doorstraalt hem het goddelijk leven; reeds begint hij zich op te bellen uit zijne liggende houding, uit zijne sluimering is hij ontwaakt!

Een eigenaardige schoonheid heelt ook het daaraan gren- \\ zende tafereel van de schepping van Eva. Hier ligt Adam, in een diepen slaap verzonken, op de rechterzijde, met den rug Legen een rots geleund. Als uit zijne linkerzijde uitgekomen, staat Eva achter hem en buigt zich eerbiedig) met saamgevomven handen, neer voor God, die haar tegemoet treedt, thans niet langer zwevende, maar staande op den grond. Moge de gestalte van God, hier volgens de traditie als een oud man geteekend, weinig bevredigend zijn, dubbel bekoorlijk is de gedaante der vrouw, wier lange blonde haarlokken voor een deel om rug en schouders golven, voor een deel den boezem bedekken. Den mond half geopend, drinkt zij met onuitsprekelijk genot de levenslucht in en ziet met eerbiedige vertrouwelijkheid tot haren Schepper op.

Noode weerstaan wij de verzoeking, bij elk dezer tafe-reelen in \'t bijzonder stil te staan, maar om eene ken-

115

-ocr page 126-

116

schetsing van Michel Angelo\'s persoonlijkheid, niet 0111 eene uitvoerige beschouwing van elk zijner werken is \'t ons thans te doen. Dan staan we iüer verbaasd over zijne onuitputtelijke voortbrengingskracht en ijzeren volharding. In twintig maanden tocli was de schildering van dit gewelf voltooid, maanden van ongeloofelijke inspanning en aanhoudenden strijd, maanden waarin hij dag aan dag op den rug liggende schilderde, terwijl de verf hein telkens in \'t gezicht droop. En hoe weinig rust was onder dezen arbeid hem gegund!

Nu wordt hij gekweld door huishoudelijke zorgen, daar hij uit Rome de huishouding zijns vaders in Florence bestuurt. Van zijne verdiensten bespaart hij zooveel mogelijk, om in de veelvuldige behoeften van dat gezin te voorzien. In allerlei kleinigheden, b. v. telkens als een veldarbeider zijn plicht heeft verzuimd, wordt zijn raad ingewonnen. Op het bericht, dat zijn jongere broeder Gismondo naar Piome wenscht te komen, meldt hij, dat hij dien onmogelijk wachten kan. Niet omdat hij hem niet als zijn broeder lief heeft, maar wijl hij hein inderdaad niet kan helpen. Hij is genoodzaakt thans enkel en alleen op zijn eigen persoon te letten en kan nauwelijks in zijne eigene behoeften voorzien. Met zorg en arbeid overladen, heeft hij geen enkelen vriend in Rome en heeft er ook geen noodig, daar hij nauwelijks tijd heeft om zijn sober maal te nemen.

Dan wordt hij voortgezweept door het ongeduld van den Paus, die, uit vrees dat hij de voltooiing van het kunstwerk niet meer zal beleven, het onmogelijke eischt. Hoewel in een half jaar tijds de helft van het werk voltooid was, toch kent het ongeduld van Julius geen grenzen. De steiger moet worden weggenomen, om althans dit eene stuk aan de nieuwsgierige Romeinen te kunnen vertoonen. Ot

-ocr page 127-

MICHEL ANGELO. 117

Michel Angelo al tegenwerpt dat de laatste hand er nog aan ontbreekt, \'tbaat hem niet. „Wanneer zult ge er dan een eind aan maken?quot; vraagt.de Paus. — „Zoodra ik kanquot;, luidt het antwoord. „Wat let me dat ik u van den steiger naar beneden werpen laat!quot; zoo dondert Julius hem tegen. Michel Angelo, wetende met wien hij te doen heeft, staakt den arbeid en laat de balken wegnemen. En op Allerheiligen van \'tjaar 1509 staart het verbaasde Rome het kunstwerk aan, in zoo onbegrijpelijk korten tijd geboren. Maar terwijl \'t den kunstenaar niet ontbreekt aan loftuitingen, hem van alle zijden toegezwaaid, laat\'de Paus hem wachten op zijn geld. En als ware dat alles nog niet genoeg, smeedt de navijverige Bramante eene intrige om de voortzetting van het schilderwerk Raphael in handen te spelen. Het plan mislukt en in tien maanden tijds is ook de andere helft voltooid.

Thans verliep er eene reeks van jaren, eer het ontzaglijk frescostuk, dat den geheelen wand tegenover den ingang beslaat, geschilderd werd. \'t Is het wereldberoemde .Laatste Oordeel waarin Michel Angelo\'s gerijpte geest in zijne volle kracht zich openbaart. Tot onkenbaar wordens toe, helaas, is dit meesterstuk door allerlei oorzaken mishandeld en verminkt. Nu door den rook van altaarkaarsen en wierookwolken, die de fijne kleurnuances deed verloren gaan, dan door de krammen, in den muur geslagen tot bevestiging van den Pauselijken troon; niet het minst door de bonte gewaden, waarmee men, uit ergerlijke preutschheid, de naakte figuren bedekte. Eerst onder de leiding van een geoefenden kunstkenner wordt het ons mogelijk in dezen chaos orde te ontdekken.

Daar vertoont zich aan den wand voor ons het uitgestrekte hemelruim. In \'t midden zien wij Christus als den

-ocr page 128-

MICHEL ANGELO.

quot;wereldrechter neergezeten, met Maria aan zijne rechterhand. \'t Naast is liij omgeven door een kring van heiligen, elk met de teekenen zijner waardigheid in de hand. Aan zijne voeten vertoonen zich de engelen des gerichts, wier donderend bazuingeschal de dooden oproept uit hunne graven; twee gestalten uit deze groep staren in de voor hen opgeslagen hoeken, dat der verdoemenis ter eene, dat des levens ter andere zijde. Ter rechterzijde ziet men de geloovigen, ontwakend uit hun eeuwenlangen slaap, voor een deel reeds ten hemel stijgen, ter linker de verlorenen die, aangegrepen door dc geesten des afgronds, ondanks den felsten tegenstand in de diepte worden meegesleurd. Ontzettend is de kamp tusschen de veroordeelden en de duivelen. En de wijze waarop de oude Charon eene schare rampzaligen naar den Styx drijft en met zijne roeispaan de ongelukkigen geeselt, die terugdeinzen voor den sprong in de diepte, herinnert aan de beschrijving in Dante\'s hel:

„Charon, de denion, \'t brandend oog steeds stroever Op hen gevest en wenkend zamelt allen :

En niet den roeispaan slaat liij ledren toever.

Gelijk, wanneer de najaarsstormen schallen.

De blaadren zich verspreiden, en de boomen Hun gansche tooisel wêer ter aard doen vallen,

Zoo ziet men quot;t kwade zaad van Adam komen.

En een voor een, op \'t wenken, quot;t strand afspringen, Als vooglon op \'t gefluit in quot;t net genomen.

Zoo gaan zij heen op duistre waterkringen.

En vóór zij de overzijde nog bestijgen,

Staan nieuwe scharen hier weer saam te dringen

118

-ocr page 129-

MICHEL AXCELO. 1 I 0

In de hoogte eindelijk aanscliouwt men groepen van engelen, die de teekenen van Jezus\' lijden zegevierend aandragen, en van martelaars, de foltertuigen torsende, waarmee ze hier gepijnigd zijn. Treffend is vooral de tegenstelling tusschen de opwaarts zwevende zaligen en de verdoemden, in den diepen afgrond neergeploft.

Doch iioe stout van gedachte en grootsch van uitvoering dit meesterstuk ook zij, \'t laat ons in menig opzicht onbevredigd. Aan een kring van voorstellingen is het ontleend, waarin wij, kinderen van dezen tijd, ons niet meer thuis gevoelen. Wij kennen geen ander wereldgerichtj\'dan \'t geen, naar Schillers woord, door de wereldgeschiedenis geoefend wordt. Ons is de Christus de wereldrechter, alleen voorzoover zijn geest de wereld voortdurend overtuigt van zonde en van gerechtigheid en van oordeel, voorzoover de Christelijke beginselen het vonnis uitspreken over al wat laag is en onrein. En wat onszelven betreft, ons eigen geweten en het oordeel der nakomelingschap, door dien geest hezield en voorgelicht, is ons de tweevoudige vierschaar, waarvoor de onzienlijke Rechter ons ter verantwoording roept.

Daarbij, hoe missen we hier die teederheid, die in de straks beschreven tafereelen ons bekoorde! Ontzaglijk is de breedgeschouderde gestalte van den Christus, die met opgeheven armen, fladderende haarlokken en vlammende oogen de verlorenen dreigt met dood en verderf; de wrekende Jahwe is hij of de donderende Jupiter, niet do zachtmoedige Menschenzoon, die kwam, niet om te verderven, maar om te behouden. Vandaar dan ook de vreeselijke angst der ongelukkigen die ten doode zijn gedoemd en de gejaagdheid, die zelfs op \'t gelaat der ge-loovigen, in afwachting van de beslissende uitspraak, zich

-ocr page 130-

MICHEL ANfiELO.

vertoont. Nochtans, of liever juist daarom, is dit werk de eigenaardigste uitdrukking van \'s kunstenaars diepste gedachten. De diepe melancholie en den strengen ernst, die zich daarin weerkaatsen, zullen wij terugvinden, als we ten slotte een blik slaan op Michel Angelo\'s innerlijk leven.

IV.

MirirEL angelo\'s ouootste kunstwerk.

„De stijl is de menschquot;, dat woord van Buffon, dat niet alleen voor den schrijftrant, maar ook voor den kunststijl geldt, is ook op Michel Angelo volkomen van toepassing.

In zijne breed aangelegde, somber getinte werken weerspiegelt zich zijne krachtige en ernstige persoonlijkheid, aan die van zijn leermeester Savonarola in zoo menig opzicht verwant. Terwijl Leonardo da Vinci en Raphael zich in weelde baadden, kenmerkt zich zijn leven, hoewel hij sommen gelds verdiende, door de strengste onthouding. „Zoo rijk als ik benquot;, schreef hij in hoogen ouderdom, „heb ik altijd als een arm man geleefd.quot;

AU zijn vader en broeders, kort na den terugkeer der Medici in Florence, onder misgewas en zware belastingen gebogen gaan, schrijft hij hun : „zorgt voor uwe gezondheid en ziet, of ge toch niet in staat zijt het dagelijksch brood te verdienen en, met Gods hulp, arm maar eerlijk door de wereld te konijn, ik doe niet anders, leef armoedig en bekommer me niet om uiterlijk eerbetoon; duizenderlei zorgen en werkzaamheden drukken mij en zulk een leven leid ik nu reeds vijftien jaren, zonder ook maar één vergenoegd, rustig uur gekend te hebben. Alles

■120

-ocr page 131-

121

heb ik gedaan om u te ondersteunen, wat gijlieden nooit hebt erkend en geloofd. God vergeve ons allen, ik ben bereid zoo voort te arbeiden zoolang ik kan en mijne krachten \'t uithouden \\quot;

Dezelfde diepe melancholie drukt zicli uit in de wijze, waarop hij den ondergang der Florentijnsche republiek betreurt, in zijn beroemd grafmonument van Lorenzo en Ginliano de Medici. In de vier figuren van den dageraad, de avondschemering, den dag en den nacht, aan de voeten van de beelden der Medici geplaatst, bereikte hij liet toppunt van zijn beeldhouwkunst en legde hij tegelijk zijne innigste gedachten neer. Met den ondergang der vrijheid door den terugkeer der Medici was, zoo meende de fiere republikein, de nacht over Florence gedaald. „Slaapquot;, zoo laat hij in een bijna onvertaalbaar gedicht den Nacht spreken;

„Slaap is mijn troost! Als steen, noch zien noeli hooren Is quot;t beste deel, waar ieder uchtend-dageu Slechts \'t heir weer oproept van onnoembre plagen.

Spreek daarom zaclit, en wil mijn rust niet storen Iquot;

Van dien tijd af bestond er voor Michel Angelo geen Florence meer. Noch de onvoltooide beelden van het grafmonument, noch de onafgewerkte facade van de sacristie van San Lorenzo konden hem daarheen teruglokken. Eerst na zijnen dood zou hij er wederkeeren.

Even eenzaam en in zichzelven gekeerd als Beethoven ging hij zijnen weg en, hoezeer hij Raphael waardeerde, toch is \'t zeer mogelijk, dat hij hom daarvan nimmer blijk gegeven heeft. Was ook bij hem, gelijk bij den Duitschen toondichter, die somberheid wellicht te wijten aan zijn lichaamsgestel\'? Helaas, zijn hoofd, dat op een paar forsche

-ocr page 132-

MICHEL AXGELO.

schouders zicli verhief en met zijn hooggewelfd voorhoofd en breeden schedel den denker kenmerkte, was, gelijk wij zagen, jammerlijk ontsierd. De man, die de mensche-lijke gelaatstrekken en lichaamsvormen in het marmer en op het doek zoo heerlijk wist weer te geven, had zelf een misvormd gelaat.

Eén enkele vuistslag gaf wellicht een bepaalden plooi aan zijn karakter en spreidde over zijne levensopvatting een somberen tint. ilij wist toch, dat hij niet, als Raphael, door een bevallig voorkomen der menschen hart kon stelen en slaakte in een van zijne sonnetten de droeve klacht: „Geef mij het hemelsch reine aangezicht weder, waaruit de natuur alle schoonheid weggenomen heeft.quot; Maar wat hein-zelven onthouden was, leefde des te krachtiger als een ideaal in zijne ziel en in de uitdrukking daarvan vond hij zijn troost.

\'t Waren dan ook de hoogste eischen, die hij zichzelven daarbij stelde. Getrouw aan zijne grootsche opvatting van de roeping des kunstenaars, wees hij iedere bestelling af, die hij boven zijne krachten of met zijn aanleg strijdig achtte. Maar onverbiddelijk streng was hij ook jegens elk, die \'t met zijne kunstenaarsroeping minder ernstig namen zich door winst- en eerbejag liet drijven Dat moest b.v. Perugino, Raphaels vroegere leermeester, ondervinden, die in latere jaren zooveel en vluchtig was gaan schilderen, dat zijn kunst in een handwerk was ontaard. Michel An-gelo noemde hem kortweg een ruw, onwetend mensch en, toen Perugino hem deswege voor de rechtbank daagde, verklaarde deze, dat hij eenvoudig had gezegd wat niel te loochenen was.

Geen wonder dat zulk een hard oordeel, over menigen kunstbroeder geveld, zoowel als de afgunst en tegenwer-

122

-ocr page 133-

MICHELANGELO. \'123

king waarmee hij te kampen had, hem meer en meer van anderen vervreemdden. Steeds langer en zwarter werden de schaduwen, die vielen op zijn pad. Niet het minst ten gevolge van den bouw van de St. Pieterskerk, waarvan hij als zeventigjarig grijsaard de leiding op zich nam en waaraan hij zijne uvimigUaatste. levensjaren grootendeels wijdde, onder voorwaarde van te werken zonder eenig loon.

Had Bramante er in 4 500 den grondsteen van gelegd en \'t eerste plan ontworpen en was dit plan gewijzigd eerst door Raphael, later door Pcruzzi, eindelijk door San Gallo, eerst Michcl Angelo braclit in die plannen eenheid en ging bij den bouw van één oorspronkelijk hoofddenkbeeld uit, dat van den reusachtigen koepel, die het gan-sche gebouw bekroont en er eene indrukwekkende kracht aan verleent. Maar terwijl thans elk ingewijde met onverdeelde bewondering opziet tot dat reuzenwerk, zag toen de bouwmeester zich aan allerlei hatelijke oordeelvellingen blootgesteld. De een kon niet dulden, dat hij den arbeid zijner voorgangers in menig opzicht afkeurde en wijzigde. Een ander was op hem geheten, omdat hij uit spaarzaamheid eenige beambten ontsloeg of hun loon besnoeide. Een derde kon hem niet vergeven, dat hij geheel zijn eigen weg ging, zonder eerst den raad der kardinalen, die op den bouw het toezicht hadden, te vernemen. Doch wat deerden hem al die aanmerkingen van bekrompenheid en baatzucht! Hij wist in welk ideaal hij geloofde en daaraan getrouw trok hij zich met mannelijke fierheid in zichzelven terug. Opwellingen van somberheid en bitterheid kon hij echter niet altijd onderdrukken.

Toen zijn trouwe dienaar Urbino, die hem 20 jaren lang ter zijde had gestaan, door eene ziekte werd aangetast, paste Michel Angelo hem op en waakte hij bij hem

-ocr page 134-

MICHEL ANOELO.

met moederlijke teederheid. Hij stond hem in zijne laatste oogenblikken bij en was ontroostbaar bij zijn dood. „Godquot;, zoo schreef hij aan Vasari, „heeft mij in hem eene groote genade geschonken, maar met eindolooze smart gepaard. De genade bestaat hierin, dat hij, zoolang hij leefde, mij in \'t leven behield en mij stervende sterven geleerd heeft, niet met onlust, maar met verlangen naar den dood. Mijn eenige troost is hem in liet paradijs weer te zien. En in zijn zaligen dood bezit ik daarvan een onderpand van Godswege, want meer dan de dood heeft hem het denkbeeld smart aangedaan, dat hij mij achterlaat in deze bedrieglijke wereld met al hare moeiten, hoewel het grootste deel van mij voorbij en niets anders mij overig is dan oneindige ellende.

„Blindquot;, zoo heet het in een sonnet uit dezen tijd:

„lilind is de wereld, aan verraders trouw,

Ik echter, haat en eer gelijk verachtend,

Ga stil en eenzaam verder mijne wegen.

In niet een zijner werken wellicht heeft hij zoo zijn eigen karaktertrekken ingebeiteld en zijn innigst wezen uitgedrukt als in zijn Mozes, bestemd voor het onvoltooide grafmonument van Paus Julius II, die iets even geweldigs en titanisch had als hij. „Wie dit beeld eens gezien heeftquot;, schrijft Grimm, „behoudt daarvan een blijvenden indruk, \'t Kenmerkt zich door eene majesteit, een zelfbewustzijn, een gevoel, als stonden dezen man de bliksemstralen des hemels ten dienste, doch als bedwong hij zich, eer hij die loslaat, in afwachting of de vijanden, die hij wil vernietigen, het zullen wagen hem aan te grijpen.

Daar zit hij, als op \'t punt van op te springen, het hoofd her rustend op de schouders, met de hand, wier arm de

-ocr page 135-

MICHEL ANGKl.O.

tafelen der wet omklemt, grijpend in den baard, die in breede golven op de borst valt, met wijd ademende neusgaten en een mond op welks lippen de woorden schijnen te trillen. Zulk een man vermocht wel een niuilend volk te bedwingen en het als een wandelende magneet dooide woestijn en de zee na zich te trekken. De Mozes is de kroon der moderne beeldhouwkunst \\quot;

Maar gelijk er van den man Mozes staat geschreven, dat hij zeer zachtmoedig was, zoo liep er ook door de marmeren gestalte van Michel Angelo een ader van teederhei l. De sombere kunstenaar, die eenzaam zij nen weg vervolg^lu, was een warm kindervriend.

Toen eens op straat een jongen naar hem toe kwam, met het verzoek dat hij iets voor hem teekenen zou, nam hij \'L hem aangeboden vel papier en voldeed onmiddellijk aan zijn verlangen. Dat hij zelf een kind bleef, ook in zijn onverzadelijken leerlust, daarvan getuigt de anekdote, dat hij eens in een sneeuwjacht door Rome wandelde met een tasch onder den arm. Een kardinaal, die hem in zijne statiekoets voorbijreed zag den tachtigjarigen grijsaard en riep hem toe; „Waar gaat gij heen door zulk een bar weer\'?quot; „Naar school. Eminentie, om wat te leeren!quot; luidde het antwoord. Hij was op weg naar het Forum, om daar zijne studiën te maken.

Aan de weduwe van zijnen knecht Urbino, die hem eenige kleine geschenken had gezonden, schreef hij: „Ik merkte wel, dat gij iets tegen mij hadt, maar ik wist de oorzaak niet te vinden. Uit uw laatsten brief meen ik nu \'t waarom gelezen te hebben. Toen gij mij de kaas zondt, schreeft ge daarbij, dat ge mij nog andere dingen hadt willen zenden, maar dat de zakdoeken nog niet klaar waren. Ik antwoordde u, om u niet op kosten te jagen,

125

-ocr page 136-

120 MICHEL ANOELO.

dat gc verder maar niets zenden moest, maar liever iets van mij vragen; daarmede zoudt ge mij \'t grootste genoegen doen, want ge kondt weten, ja gij luidt er de bewijzen van in handen, hoezeer ik uw zaligen Urbino, ook na zijn dood, nog altijd liefheb en hoe alles wat hem betreft mij ter harte gaat.7\'

Heeft, zoo vragen we onwillekeurig, een zoo trouw en feeder hart zijne innigste gedaciiten niet in liederen uitgestort Maar wij gaven reeds antwoord op die vraag, door van Michel Angelo\'s gedichten te spreken. Inderdaad was de machtige kunstenaar tegelijk een lyrisch dichter van zeldzame teederheid. Wat van den lyrischen dichter in \'t algemeen, van een Goethe b. v. en een Heine geldt, dat geldt ook van Michel Angelo; men moet zijn leven en zijne hartsgeheimen kennen om zijne zangen te waar-deeren. Ze zijn bij uitnemendheid subjectief; zijn hart klopt er in; verzuchtingen zijn er in belichaamd. Vandaar dat ze eigenlijk alleen waarde hebben voor wie hem als mensch heeft liefgekregen en als kunstenaar leerde hoogschatten.

In drieiiriST soorten laten zijne gedichten zich verdeelen. Men vindt hier wijsgeerige gedichten, minneliederen en godsdienstige zangen. Laat ons zien, in hoever zij ons \'s dichters karakter leeren kennen. Tot de wijsgeerige gedichten brengen we dan die sonnetten of madrigalen, waarin de liefde voor het schoone, voor het ideaal hare uiting vindt, of waarin het wondervermogen van de kunst wordt verheerlijkt in beelden, aan het bedrijf van den beeldhouwer ontleend. Wel neemt ook hier zijne gedachte den vorm aan van het minnelied, maar telkens straalt door de regels heen, dat het geen persoon is, maar het idiaal, de eeuwige schoonheid waarop zijne liefde is

-ocr page 137-

MICHEL ANGELO. 127

gericht. De aardsche sclioonlicid is hier, in echt-Platoni-schen geest, slechts het middel om tot de hemelsche op te klimmen. Zoo b. v. in dit sonnet:

Ken zuivre, soobre smaak verheugt zich \'t meest in quot;t wHi-k der schoonste kunst tlie wedergeeft,

In was, in pleister of in marmersteen,

lie wondre lijnen van liet menschenbeekl.

Als later de jaloersche, wreede tijd l);it werk verminkt of zelfs geheel vernielt,

Dan blijft toch d\' eerste schoonheid in de ziel Die niet vergeefs er door getroffen werd.

Zoo blijft ook uwe schoonheid, als een beeld Van t goed dat in den hemel is bewaard.

Ons door den eeuw\'gen kunstenaar geloond,

Ofschoon verwelkend met der jaren vlucht,

Te dieper slechts gegrift in mijne ziel,

Ilie denkt aan \'t schoon waar tijd noch dood aan raakt.

Zoo is \'t de openbaring Gods in de schoonheid der ge-liel\'de, die \'s dichters hart ontvlamt. Daarom wekt ook al wat schoon is zijne liefde, een edel paard, een schoone hond, een heerlijk landschap, gebergte ot\' bosch. Sterk komt dit uit in eenige gedichten, aan den jongen Romeinschen edelman Tommaso de Cavalieri gericht, waarin hij de schoone gestalte van dien jongeling verheerlijkt. ;/Met uwe oogen/\'

zegt hij, „zie ik een heerlijk licht, dat ik met mijne blinde oogen niet vermag te zien, op uwe vleugelen verhef ik mij ten hemel/\' »

z/Amor wil\'7, zoo heet het elders, „dat ik u alleen zoek en begeer, maar hij drijft mij tevens aan, te gloeien voor

-ocr page 138-

\'lis MICHEL ANCELO.

alles wat in zekeren zin naar u gelijkt. quot;Wat van uwe schoonheid zich verwijdert is zonder glans, want waar gij niet zijt, daar is de hemel niet.quot;

„Onze zielquot;, zoo spreekt hij met Plato, „die in haar voorbestaan de volmaakte schoonheid heelt aanschouwd, tracht nu de verspreide bestanddeelen daarvan terug te vinden in de zichtbare wereld, om, opklimmend van het bijzondere tot bet algemeene, langs de ladder van hot schoone op te stijgen tol God.quot; Maar als de volkomenste schepping Gods, is eene schoone vrouw bij uitnemendheid geschikt om de idee der hoogste schoonheid op te wekken. Wel belichaamt zij die in zinnelijke vormen, maar om de idee die zij draagt is\'t den dichter te doen. Daarom zingl hij;

De sclioonlieid werd mij op mijn aartlsche wegen. Ter leidstar bij een dulible taak gegeven ;

In beide kunsten mag zij mij omstralen,

Blinkt me als een spiegel, licht me als fakkel tegen.

Zij is \'t, die mij naar l liooge doel doet streven.

Dut ik beoog bij \'t beitlen en bij \'t malen.

o Heiligschennis baar, zoo hoog verheven.

De schoonheid, niet dan zinneulust te wanen 1 Haar, die der ziele banden wil ontsnoeren.

\'t Verdorven hart blijve aan het aardsche kleven,

Voor quot;t reine ontsluit ze, als engel Gods de banen, Waarlangs bet zich ten hemel op ziet voeren.

In keur van beelden, aan zijne kunst ontleend, schildert hij de bekoring, die de schoonheid op hem oefent, maar tevens het lijden dat zij hem oplegt. Gelijk datgeen, wat de kunstenaar uit het marmer in \'t aanzijn roept, reeds in den steen is opgesloten en hij alleen het in den steen verborgene te voorschijn brengt, zoo liggen ook in \'t hart

-ocr page 139-

MICHEL AXCxELO. 1 29

der geliefde beide opgesloten, zijn geluk en zijn wee. Leven •en dood, liefde en verachting\'heeft zij in haren boezem; weet hij er met al zijn gloed niets anders uit te voorschijn te roepen dan den dood, dan draagt noch zij, noch het lot do schuld, maar enkel \'s dichters onvermogen. Omgekeerd wordt elders de dichter vergeleken bij de ruwe, ongevormde stof, die door den beitel der liefde vorm en gestalte moet verkrijgen. //Gelijk in het marmer de levende gedaante, die daaronder wegschuilt, door het omhulsel van den steen is bedekt, zoo zijn de goede werken in mij verborgen, bedekt door de overmacht van het vleesch% Gij kunt mij bevrijden van dat omhulsel, dat kracht, deugd en rede in mij gebonden houdt.quot;

Schoone gedachten, in keurige beelden gehuld, maar toch, — te wijsgeerig en te zwaar voor de gevleugelde liefde, \'t Is gedurig merkbaar, dat de dichter vergeefs zoekt naar eene verpersoonlijking van zijn ideaal, naar een hart dat hem verstaat en voor hem klopt. Nog is de kunst zijne eenige liefde en als men hem eens vraagt, waarom hij geene vrouw genomen heeft, luidl zijn antwoord: //maar al te zeer heb ik eene vrouw, die mij altijd bezig houdt, namelijk deze kunst, en mijne kinderen zijn de werken die ik eenmaal achterlaat \\quot; Ongehuwd en eenzaam bleef hij dan ook ten einde toe. En wat voor een kunstenaar, in Italië vooral, niet weinig zegt, geen enkele onreine verbintenis wierp een smet op zijn leven. Toch leerde hij op gevorderden leeftijd het geheim der liefde verstaan; toch ontmoette hij de vrouw, die geheel zijn wezen in een reinen gloed ontstak.

Nog op 63jarigen leeftijd viel er een heldere lichtstraal in zijn donker gemoed, toen hij Vittoria Colonna leerde kennen. Uit een oud adellijk geslacht gesproten, was deze

9

-ocr page 140-

MICHEL ANGELO.

reeds jong met den markies van Pescara gehuwd. Toen haar gemaal in den slag van Pavia zwaar gewond was en kort daarop overleed, begaf zij zich naar Rome en zou in een klooster zijn gegaan, zoo niet Paus Clemens VII de nonnen verboden had, haar het ordekleed aan te trekken. Toch leefde zij als non, nu te Ischia, dan te Napels, tot zij in een klooster te Viterbo nabij Rome eene rustige schuilplaats vond. Met afwijzing van de schitterendste huwelijksaanzoeken, wijdde zij daar haar leven aan de studieder klassieken en der Heilige Schriften en aan de ondersteuning van behoeftigen.

In Rome leerde Michel Angelo haar kennen. En ook toen zij het klooster te Viterbo had betrokken, werd hun verkeer onafgebroken voortgezet. Geen wonder dat twee zulke ernstige naturen zich onmiddellijk tot elkaar getrokken voelden. De gelukkigste jaren van zijn leven bracht hij door in den kring, waarvan zij de ziel was. Nu bezocht hij haar in hel klooster, dan daalde zij af in de nederige woning die hij zich had laten bouwen aan den voet van den Monte-Cavallo, ,/als eene godheid neergedaald uit den hoogequot;,. zooals hij in een zijner sonnetten zegt, „uit die sferen, waar noch sterfelijke genegenheden met dwalingen vermengd, noch schuldige gedachten kunnen bestaan.quot;

Eene aanhoudende wisseling van teekeningen, gedichten en gedachten had er tusschen hen plaats. Soms ook voerden zij in ruimeren kring gesprekken over vragen van kunst- en levensbeschouwing. Een miniatuurschilder, meester Frans van Holland, die door de Portugeesche regeering naar Rome gezonden was om er kunststudiën te maken en het voorrecht had in dien kring te worden binnengeleid, deelt daaromtrent merkwaardige bijzonderheden mee.

-!30

-ocr page 141-

131

Daar liep, naar hij vertelt, eens het gesprek over de eigenaardigheden van de kunstenaarsnatuur en de Mar-chesana ontlokte aan Michel Angelo deze eigenaardige confessie: „Men verwijt den kunstenaars, dat zij zonderlingen zijn, op wie men niet aan kan en met wie \'t niet is uit te houden. Maar hoe zal een kunstenaar, die midden in zijnen arbeid zit, tijd en gedachten vinden om den lieden de verveling te verdrijven\'? Er zijn er al te weinigen, die wat ze te doen hebben met volkomen nauwgezetheid doen. Doch wie tot hen behoort zal begrijpen, waarom met groote kunstenaars soms niets is aan te vangen. Neen, hun hoogmoed heelt daaraan geen schuld! Hoe zelden ontmoeten zij een geest, die hun kunstwerk verstaat! Moeten ze zich dan inlaten met elk onbeduidend gebeuzel, dat hen aan hunne diepe gedachten ontrukt\'? Zeker, als een of ander leeghoofd zich ging inbeelden, dat het \'t ware levensgenot was, geheel eenzaam te zijn en niemand om zich te hebben, dan zouden zijne vrienden hem met het volste recht laten loopen en zou de wereld hem met uilen grond veroordeelen, maar een kunstenaar, die eenzaam leeft, omdat zijn levensdoel liet meebrengt en verder niets van u verlangt, niet rustig te laten begaan, is de grootste onbillijkheid. Hij heeft stilte noodig. Er is geestesarbeid die iemand geheel in beslag neemt en ook niet het kleinste deel zijner ziel vrijlaat, waarmee hij zich aan u kan overgeven.quot;

Een andermaal verdedigt Michel Angelo tegenover Vit-toria de Italiaansche schilderschool, in vergelijking van de Vlaamsche, die door haar veel vromer wordt geacht. Maar al durft hij van haar verschillen en zijne vrijere opvatting van de kunst tegenover hare mystiek verdedigen, toch ondergaat hij in klimmende mate haar onweerstaan-

-ocr page 142-

MICHEL AXOELO.

baren invloed en het liefdevuur, dat in zijne aderen gloeit veroorzaakt hem des te heviger pijn, hoe meer hij ontdekt, dat zij van haren kant hem enkel vriendschap en vereering toedraagt. Aan dat pijnlijk gevoel geeft hij lucht in deze aandoenlijke klacht;

o fiij, -wie liefde lokt, vliedt liefde\'s gloed!

Fel brandt haar wonde ; gruwzaam zijn de parten.

Waarmee zich Amor wreekt op wie hem tarten.

Wilt gij vi redden — vlucht! en vlucht met spoed !

Ach! spiegelt u aan mij, wien kracht en moed Vergingen, ganscli verteerd door minnesmarten ;

Vond eens haar pijl de kwetshre plek des harten,

Dan stilt verstand noch afstand \'t ziedend bloed.

Waande ik niet vrede en vreugd te zullen vinden.

Toen \'k liefde\'s stralen, hij het eerste ontmoeten. Met zegenend verrukken dorst begroetenquot;?

— Helaas! nu weet ik hoe zij mij verslinden.

Niets verlangt hij vuriger dan haar beeld weer te geven, \'t zij in het marmer, \'t zij op het doek. Die begeerte, die hij langen tijd met zich omdroeg, deelt hij haar eindelijk mee in dit sonnet;

Wij zien \'t, en toch, \'t blijft nauwlijks te gelooven

Dat een uit dooden steen gehouwen beeld.

Of \'t met ontsterflijk leven was bedeeld.

Nog duurt, als \'s kunstnaars asch reeds is verstoven !

Zoo gaat de kunst natuur in macht te boven.

En \'t maaksel dien die quot;t voortbracht; eens geteeld,

— o Zoete hoop die \'s kunst\'naars harte streelt! —

Kan tijd noch dood zijn glans en kracht verdooven.

-ocr page 143-

MICHEL AXGELO.

Zoo wenschte ik ook, o ilierbre ! van ons beiden Een beeltenis, in marmer of in verven.

Te scheppen, die \'t verganklijke overwint;

Dan zag men eeuwen nog na ons verscheiden,

Hoe schoon gij waart, hoe smartlijk ik moest derven,

En hoe terecht :k n maatloos heb bemind!

Vittoria blijft langen tijd dool\' voor die bede. Des te dieper wordt de vereering die Michel Angelo haar toedraagt. Des te meer maakt hij haar deelgenoot van zijn innerlijken strijd; des te vertrouwelijker biecht hij haar ook zijne godsdienstige twijfelingen, b. v. in deze woorden:

Ach ! steeds nog blijft mijn ziel den vrede derven,

Waar \'k her- en der gedreven Door \'s harten weiflend streven,

Nu \'t goede kies en straks weer buk voor \'t kwade!

Zoo moet wel raadloos zwerven Wien nog geen hemelsch heil-licht kwam te stade.

Opdat ik uitkomst vinde En niet ter prooi verblijve Aan \'t duister, ook nog bij miju laatste schreden,

o Kom den arme blinde Tc hulp, gij reine ! en schrijve Uw hand op quot;t blad, u zoekend met mijn beden,

Den weg dien k moet betreden;

Zeg gij mij: beidt Gods gunst slechts den getrouwe,

01\' ook, of milder nog, eens zondaars rouwe ?

Zoo wordt de allegorische en wijsgeerige minnepoëzie, onder Vittoria\'s invloed, allengs vervangen door het godsdienstig lied en vindt het hoofdbeginsel van de Reformatie, de rechtvaardiging uit het geloof, weerklank in \'s dichters gemoed. Ook hij behoorde, even als zijne vrienden, tot den kring derzulken, die hoopten langs vreedzamen

-ocr page 144-

134

weg de Moederkerk te kunnen hervormen. Hoezeer de Roomsch-Katholieke kerk hem aantrok, als beschermvrouw der kunst, hoezeer hij in den dienst der Pausen zijne heerlijkste kunstwerken schiep, toch voelde zijn vrije zin zich aangetrokken tot den ernstigen eenvoud van hot Protestantisme. Had zijn onafhankelijke geest op het terrein der kunst met de traditie gebroken, ook op godsdienstig gebied zocht en ging hij zijn eigen weg. Heeds in zijne voorstelling van het jongste gericht is \'t niet het middelaarschap van den Christus of de Moeder Gods, maar \'s menschen eigen zielsgesteldheid, die zijn eeuwig lot beslist.

De Reformatie kon ook in Italië het werk der Pienaissance niet voltooien, zonder gisting en geloofsvervolging in \'t leven te roepen. Wel scheen het omstreeks dezen tijd, dat Pgt;ome, tot allerlei inwilligingen bereid, zich met de Lutheranen zou verstaan. Inzonderheid Paus Paulus Hl achtte aansluiting aan de Luthersche vorsten van Duitschland wenschelijk, als tegenwicht tegen dé klimmende macht van Karei V. Daarbij deed zich in liet conclave der kardinalen de invloed van den verlichten Conta-rini gelden. Ja, \'t was zelfs zoover gekomen, dat deze als Pauselijk legaat naar den rijksdag te Regensburg gezonden was, om over reformatorische maatregelen te onderhandelen. Daar keert zich op eens de kans. Contarini wordt verdacht van een bedenkelijk heulen met Duitschland en, vooral door toedoen van den jongen kardinaal Farnese, die eene verbintenis met Frankrijk wenscht, wordt hij naar Rome teruggeroepen en vandaar, onder voorwendsel dat hij zijn last was te buiten gegaan, als gezant naar Bologna gezonden.

\'t Volgend jaar woedt de Inquisitie in Rome. Yittoria, ook

-ocr page 145-

MICHEL ANGEI.O. 135

•door spionnen begluurd, durft er zichniet meer vertoonen. quot;Wel vindt zij steun bij den kardinaal Polo, als aanhanger der hervormingspartij naar Viterbo gebannen, maar diep schokt haar dc dood van den edelen Contarini en de vlucht van haren vriend Fra Ocohino, den capucijnermonnik uit Venetië lt;lie, aanvankelijk tot biechtvader van den Paus verheven, thans, door de consequentie zijner hervormingsbeginselen voortgestuwd, partij had gekozen tegen den Pauselijken stoel.

Haren troost vindt ze in de wisseling van brieven en :gedichten, die het persoonlijk verkeer met Michel Angelo vervangt. In dezen tijd zendt hij haar eene schilderij, Maria voorstellende, gezeten aan den voet van het kruis, met het lijk van haren zoon op den schoot en twee engelen aan weerszijden, die met hunne handen Christus\' armen ondersteunen. Op het kruis leest men Dante\'s woorden :

„Daaraan denkt niemand hoeveel bloed het kost.quot;

Diep is Vittoria getroffen door dat kunstwerk. „Alles ds mogelijkquot;, schrijft ze, „hem die gelooft. Mijn vertrouwen stond vast, dat God u bovenmenschelijke kracht zou verleenen om dezen Christus te schilderen. Wat ge thans geleverd hebt is zoo volkomen, dat het onmogelijk ware iets schooners te wenschen. Alleen dit nog, \'t verrukt me dat de engel ter recjiterhand van den Christus verreweg het schoonste is op de schilderij. Deze Michaël zal u, Michel Angelo, eens zijne plaats geven tenjongsteii dage aan de rechterhand Gods. Ik kan niets doen, dan Christus, wiens beeld gij \'zoo volkomen gemaald hebt, bidden, dat deze wensch vervuld worde en u, mij geheel te beschouwen als iets, waarover ge maar te beschikken hebt.quot;

De vijf laatste jaren van haar leven bracht Vittoria in Dome door, waarheen zij terugkeerde, nadat in Viterbo

-ocr page 146-

MICHEL AXGELO.

eene hevige ziekte haar op den rand van \'t graf had ge-hracht, om zich in liet Benedictijner klooster, Santa Anna, op haren dood voor te bereiden. In die jaren zag, zoo \'t schijnt, Michel Angelo zijn wensch vervuld hare beeltenis te mogen malen. In Engeland althans berust een portret van haar, dat hem wordt toegeschreven. Hoewel eerst in de vijftig jaren, is zij daar eene oude vrouw. Een witte weduwensluier omhult haar hoofd en valt op horst en schouders neer, maar nog is hare gestalte rijzig en over de edele, krachtige gelaatstrekken ligt een verheven kalmte.

Toen haar einde naderde, stond, behalve de kardinaal Polo en een paar andere vrienden, ook Michel Angelo aan hare legerstee. ïot afscheid kuste hij haar de hand. Niets berouwde hem later zoozeer, dan dat hij haar niet een kus op het voorhoofd en de wangen had gedrukt. Haar dood maakte hem bijna radeloos van smart; het eenige hart, waarvoor hij \'t zijne ontsloot, had opgehouden te kloppen.

In eene reeks van roerende grafschriften stort hij zijn hart uit. Zoo hooren we hem b v. klagen:

Sinds zij, wie steeds mijn hart blijft toebehooren,

Van hier ging, dekt een donkre wolk van rouwe Heel \'t aardrijk, dat, met de uitverkoren vrouwe.

Zijn sieraad — en zijn glimlach heeft verloren 1

Waar toeft gij nu ? — Ach ! al mijn zoete droomen Zij gingen plotsling, met het lieflijk wonder Van uw gestalte, in quot;t zelfde graf ten onder!

Maar gij, werdt ook gijzelve mij ontnomen \'?

Neen, schoon het godlijke slechts tot ons daalt

In \'t kleed, dat, aardsch aan de aarde blijft behooren.

•Dij quot;tsterven kan slechts \'tsterflijke ons begeven;

-ocr page 147-

MICHEL ANGELO.

Cij bleeft en blijft ons, en voor immer straalt In \'teenwig sclioone, uit u voor ons geboren,

De lichtglans van uw innigst zieleleven.

Die overtu ging gaf den zeventigjarige kracht, om zijn leven nog meer dan twintig jaren lang, niet maar voort te sleepen, maar met vernieuwden moed te aanvaarden. In die twee laatste tientallen jaren toch wijdde hij zich, als met verjongde kunstaandrift, aan den bouw van de Pieterskerk.

Bij toeneming in zichzelven gekeerd, legt hij in de gedichten der laatste periode, die een innig-religieuzenquot; geest ademen, zijne biecht af voor God. Heftig is de strijd, tus-schen de Platonische en de Christelijke levensbeschouwing, die woedt in zijne ziel. Hij klaagt zichzelven aan, dat hij met Plato langen tijd in de schoonheid het hoogste levensideaal gevonden heeft. Hij beschuldigt zichzelven van afgoderij met schilder- en beeldhouwkunst gepleegd. Dezelfde strenge voorstelling van den hemelsehen Rechter, die we in zijn schilderij van het jongste gericht aantroffen, kwelt hem nu de ziel en met een verbrijzeld gemoed buigt hij zich aan den voet van het kruis, om van den lijder van Golgotha, dien hij met God vereenzelvigt, genade af te smeeken. Zoo 1). v. in dit aandoenlijk sonnet:

Van \'s werelds lust verzaad, haar kwelling moede.

Vlucht ik tot u ! als \'t scheepje dal, onttogen Aan quot;t bruisend nat van golven fel bewogen,

De haven vindt, dié kalmte biedt en hoede.

Uw doornenkroon, uw handen eens ten bloede (icfolterd, al de weedom in uwe oogen.

Zij zeiden mij dat, hoe door schuld gebogen,

Gij den verslaagne toch gedenkt ten goede.

■137

-ocr page 148-

MICHEL AXOEI.O.

o Wilt dan niet op mijn verleden letten,

Gij heilige oogen 1 Wil niet strenglijk wreken

Al wat, o lieer! nwe ooren eens moest krenken;

Neen, laat nw bloed mij reinigen van smetten :

Hoe armer \'k ben door zwakheid en gebroken,

Te milder moge uw liefde mij gedenken!

Hot acstlietiscb en liet zedelijk ideaal, die vroeger voor hem samensmolten, staan nu onverzoend tegen elkaar over en, terwijl hij aan zijne kunst niet kan afsterven, verwijt hij zich gedurig dat hij afgoderij met haar pleegt. Heeft zoo de piëtistische opvatting van het Christendom die hij aan Vittoria had te danken, hem noodeloozen angst gebaard, toch zien wij in die zelfkwelling een bewijs van zijn teeder geweten en van zijn beogen ernst. We vinden ■er de waarheid in dat de kunst, hoe heerlijk en verbeven ook, niet bet hoogste is in \'t leven; dat het vroom gemoed alleen in den godsdienst vrede vinden kan.

Aan \'t godlijke moest ik hot leven wijden.

En al tie jaren mij voorbijgesneld,

Heb ik op \'s werelds vreugd het hart gesteld.

En liet me ras door haar tot zonde leiden.

Zoo klaagt een bijna negentigjarig grijsaard, die baast op ieder kunstgebied met heiligen ernst en ongeloofelijke inspanning bad gearbeid. De man, die op een leven van strenge onthouding kon terugzien en wien\'t nooit om winst of eer te doen was, beschuldigt zichzelven van wereldzin, en dorst, in \'t gevoel zijner zwakheid en nietigheid, naar booger onvergankelijk leven.

138

-ocr page 149-

MICHEL AXOELO. ISO

Toch bleef hij werken, zoolang \'t voor hem dag was. Als 87jarig grijsaard viel hij eens bewusteloos op den grond, nadat hij blootsvoets drie uren achtereen aan zijne teekentafel had gestaan. Men meende, dat zijn einde daar was, ■en zie, kort daarop rijdt hij weer te paard en werkt aan teekeningen voor de Porta Pia. Eerst drie jaren later werd zijn ijzeren lichaam door sleepende koortsen gesloopt. Nog kon hij niet besluiten zich ter ruste te leggen. Tot vier dagen vóór zijn dood zag men hem buiten in een stortregen omdolen.

In tegenwoordigheid van een drietal vrienden en van zijne geneesheeren blies hij eindelijk den adem uit, na zijn laatsten wil in deze woorden te hebben uitgedrukt; „mijne ziel in de handen Gods, mijn lichaam aan de aarde, wat ik bezit aan mijne verwanten.quot; Daarbij de wensch dat zijn lijk naar Florence overgebracht en daar begraven worden zou.

Zoo keerde hij, na dertig jaren van vrijwillige ballingschap, terug in zijne vaderstad, die hem altijd lief gebleven was. Hoewel er reeds drie weken na zijn dood verloopen waren, was zijn gelaat nog even ongeschonden, als ware hij pas gestorven. Ontzaglijk groot was de menigte, dio zich verdrong rondom het graf, waarin hij met groote praal werd bijgezet. Toch bleef het voor \'t nageslacht bewaard, ten volle den man te waardeeren, die als beeldhouwer en bouwmeester, als schilder en dichter evenzeer heeft uitgemunt, maar vooral door de vastheid van zijn karakter en den ernst van zijne persoonlijkheid ons met eerbied vervult.

Want waarheid bevat het woord van Vittoria Colon na, dat wie alleen zijne werken bewondert, nog maar het geringste in hem schat. Het grootste kunstwerk van Michel Angelo

-ocr page 150-

MICHEL ANGELO.

•140

is Michel Angelo zelf. Als uit marmer gebeiteld staat zijn beeld daar voor ons, even stout en streng als zijn Mozes. Maar het geheim van zijne kracht lag in zijne kleenheid, die hem vertrouwen deed op hoogere levensmachten. En wat van Mozes is gezegd, geldt ook van hem: hij stond pal, als ziende den Onzienlijke.

-ocr page 151-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH.

-ocr page 152-

„Er is in den menscli iets Hoogers dun liefde tot g\' luk. Hij kun l zonder geluk stellen en in stede duarva zaligheid vinden.quot;

Carlyle.

-ocr page 153-

THOMAS CAELYLE EN JANE WELSH.

Op den tweeden April van het jaar -1860 leverde het theater van EdinLurgh een treilend schouwspel op. Een talrijk en aanzienlijk publiek, bestaande uit hoogleeraren,, studenten en beschaafde vrouwen was daar bijeen, toen twee mannen binnentraden, in met goud gestikte togaas gehuld. De gansche vergadering staat op en met luide toejuichingen en een eindeloos gewuif met hoeden, boeken en zakdoeken worden zij begroet. Een hunner, een bejaard, eenigszins gebogen man trekt aller aandacht. Forsch gebouwd en breed geschouderd is zijne gestalte. Somberen in zichzelf gekeerd staart hij voor zich uit. Dooreen gewoeld zijn zijne grijzende haarlokken. Maar onder de zware wenkbrauwen tintelen zijne o.ogen van geestdrift en vernuft. Hij begint te spreken, werpt in \'t vuur zijner rede alras zijne toga af en laat nu aan den stroom zijner gedachten den vrijen loop.

In deze toespraak berijdt de geniale redenaar als zijne geliefde stokpaardjes. De behoefte aan heldenvereering en den zegen van een zedelijk dictatorschap toont bij aan, met name in de voorbeelden van Cromwell en John Knox. De hooge waarde van het zwijgen ver-

-ocr page 154-

■144 THOMAS CARLYLE EX JANE WELSH.

heerlijkt hij en liet gewicht van eene goede keuze van boeken, zoowel als liet nauw verband tusschen een gezond en heilig (healthy and holy) leven legt hij den jongelieden aan \'t hart. In één woord: uit den rijken schat van zijne kennis en levenservaring grijpt hij al iin-proviseerende tal van bijzonderheden, die hij, als zoovele goudkorrelen, met kwistige hand om zich strooit.

Als hij heeït uitgesproken, springen de studenten op. Sommigen dringen voorwaarts om hem te omhelzen, anderen barsten in tranen uit, allen zijn aangegrepen door zijn krachtig woord.

De man, die zoo zijn gehoor betoovert is Thomas Car-lyle die, aan de zijde van zijn ouderen vriend Sir David Brewster, binnentreedt, om de betrekking te aanvaarden van Hector van de Edinburghsche hoogeschool. Op zijn 71 sto jaar, in den avond van een leven vol arbeid en strijd, ontvangt hij, beter laat dan nooit, de hulde van zijn geboorteland. Die hulde werd hem sinds dien tijd hoe langer zoo meer gebracht door allen, die zijne geheimzinnige persoonlijkheid leerden ontraadselen en, niet afgeschrikt door den ruwen bolster, doordrongen tot de edele kern van zijn .karakter. Want een sphinx is Carlyle, een onbekende, met wien ge langen tijd moet worstelen, eer hij u zegent; volgens Taine, een soort van voorwereldlijk monster, verdwaald in een wereld, waarin hij niet thuis behoort. Afschrikkend is aanvankelijk zijne tot paradoxen geneigde natuur, die alle dingen \'t onderst boven keert en met heel de wereld op voet van oorlog is maar, als ge hem nader leert kennen, vindt ge een hart zoo teeder en trouw, eene mystiek zoo innig en diep, een zoo scherpen blik op de historie en een zoo warme liefde voor den mensch, dat ge onder de bekoring geraakt

-ocr page 155-

THOMAS CARLYLE EX JANE WELSH. 145

van een zoo machtige persoonlijkheid. Maakt onder dien indruk het verlangen zich van u meester zijn levensbeeld te schetsen, dan komt hijzelf u daartegen waarschuwen. „Onmogelijk is \'t// zegt hij, „en zal \'t altijd blijven, voor welk schepsel ook, mijn leven te beschrijven. Tot mijn biograaf, als een of andere dwaas die taak mocht willen ondernemen, zou ik zeggen : laat af, arme dwaas! Laat mij en mijne wanhopige worstelingen voor goed begraven liggen en spoedig door heel de wereld vergeten zijn.quot; Aangezien het laatste onmogelijk is, kan wie hem vereert niet nalaten het eerste te beproeven. Zij de poging.dwaas en vermetel, zij vinde hare rechtvaardiging in de liefde die haar \'t leven schonk.

„Wie den dichter wil verstaan Moet in \'t land des dichters gaanquot;,

heeft Goethe eens gezegd. Passen we dat woord op Car-lyle toe, dan vinden we in zijn geboorteland, in de natie waaruit hij voortkwam, voor een deel de verklaring van zijne persoonlijkheid. Schotland toch, met zijne sombere en stoute natuur, met zijne steile rotsen en diepe kloven, zijne statige wouden en sombere heidevlakten, is een beeld van Carlyle\'s geest. Een zoon zijns volks is hij in merg en been, want de Schot is ernstig en streng, maar tegelijk oprecht en eenvoudig tot liet naïeve. Den stroeven ernst van John Knox en het waar gevoel van Robert Burns, grondtrekken van liet Schotsche volkskarakter, vindt ge in Carlyle\'s geest terug.

In liet Schotsche graafschap Dumfries werd hij den 4lkn December 1795 geboren. Zijn vader, een eenvoudige

10

-ocr page 156-

THOMAS CARLÏLE EX JANE WELSH.

landbouwer, was de lype van een strengen, nachteren Puritein. Alle verdichte verhalen waren in zijn oog een gruwel en de Arabische nachtvertellingen stonden in zijne schatting met vervloekte leugens gelijk. Die afkeer van verdichting vloeide niet alleen uit zijn gebrek aan phantasie, maar ook uit zijne strenge waarheidsiielde voort.

^lk noem hemquot;, zegt Carlyle in zijne Herinneringen,, „een natuurkind, zeldzaam vrij van gemaaktheid in lederen vorm; een man, gezond naar lichaam en geest. God vree-zende en ijverig werkend op Gods aarde met tevredenheid, hoop en ongeschokte vastberadenheid. Spaarzaam en ingetogen, had hij een Spartaansche onverschilligheid voor alles wat het leven veraangenaamt. Voedsel en alle stoffelijke dingen hadden voor hem waarde, alleen omdat zij kracht geven tot den arbeid, \'s Menschen hoogste doel,, kon hij zeggen, is God te verheerlijken en voor eeuwig Zijne gemeenschap te genieten. Bij dit licht wandelde hij en koos hij zijn pad, omzichtig en oprecht, te midden van ;/de bouwvallen eener zinkende eeuw.quot; Zestig jaren lang hoorde men hem lederen morgen en lederen avond bidden: „Houd ons bereid op die groote gebeurtenissen, dood, oordeel en eeuwigheid. Verlaat ons niet als wij oud worden en onze huren grijzen.quot;

Zoo gestreng als zijn vader was, zoo zachtzinnig en teer was zijne moeder. Met overdreven bezorgdheid hield ze haren Thomas van alle vechtpartijen terug, zoodat hij bedenkelijk zoet en de wrijfpaal zijner kameraden dreigde te worden. Maar op zekeren dag komt zijn jongensnatuur boven en, als een van zijne makkers hem weer plaugtr slaat hij zijn vijand met zijn houten klomp zoo hevig op een min edel lichaamsdeel, dat deze voorover in den

44G

-ocr page 157-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH, -147

modder valt. Van dien dag al\' is de brave Hendrik in hem dood en durft hij zijnen vijand staan op elk gebied.

Dit was een van Thomas\' eerste ervaringen op de school van Annan, die hij op zijn tiende jaar met die van zijn geboorteplaats Ecclefechan verwisselde, om als de meest belovende der zonen tut geleerde, wellicht tot prediker, te worden opgeleid. De geschiedenis van zijne leerjaren vindt men voor een deel in zijn Sartor resartus, dien deels historischen, deels mythischen roman terug. „Op een schoonen Meimorgenquot;, zegt hij, ^dien ik me nog levendig herinner, draafde ik aan mijns vaders zijde, op dg wijze die in den Sartor beschreven is, naar het gymnasium van Hinterschlag (zoo als daar de school van Annan heet), \'t Was een heldere morgen, voor mij vol hoop en verwachting, die later wreed werd teleurgesteld, droef getint door het afscheid van moeder en van huis. Latijn en Fransch leerde ik daar vloeiend lezen; eenige meetkunde, algebra, rekenkunst tamelijk wel; algemeene omtrekken van aardrijkskunde, \'t Grieksch bestond enkel uit het alphabet. Overigens verslond ik alle boeken die ik er machtig worden kon.quot;

Nadat hij er vier jaren, voor zijn gevoel onder de ellendigste van zijn leven, had doorgebracht, sprak \'t vanzelf, dat hij zich aan den dienst der Kerk zou wijden. Zoo vinden we hem reeds op zijn veertiende jaar aan de hoogeschool te Edinburgh. Deze had in die dagen geene geldelijke voordeden of beurzen aan te bieden, maar enkel de strenge tucht van armoede en zelfverloochening. De jongens toch die er heen gingen waren, voor \'t meerendeel, kinderen van ouders, even arm als Carlyle\'s vader, op wie al de hoop van hunne familie was gevestigd. ïevoet gingen zij er heen en zochten zich een nederig verblijf.

-ocr page 158-

448 THOMAS CARLYLE EX JAXE WELSH.

Levensmiddelen, een weinig havermeel, groenten, lioter en, bij wijze van weelde, enkele eieren werden hun van huis gezonden. Zoo ontbrak \'t hier niet aan middelen tot karaktervorming, al liet het gehalte van het onderwijs te wenschen over.

„Wat dit laatste betreft7\', zegt Teufelsdrökh, en wij vinden er Carlyle\'s ervaring in terug, ,/de hoogeschool, waar ik werd gevormd, staat me nog levendig voor den geest en \'t is mijn droeve plicht te zeggen dat, buiten Engeland en Spanje, de onze de slechtste van alle tot dusver ontdekte hoogescholen was. Daarbij beroemde zij zich. eene universiteit der rede te zijn, in den hoogsten graad vijandig aan alle mysticisme. Veel sprake was er van den vooruitgang van ons geslacht, van duistere eeuwen en vooroordeel, en de hongerige jongelingschap, die naar hare geestelijke voedsters opzag, werd verzocht den Oostewind te happen. Intusschen zijn er onder elfhonderd knapen licht elf begeerig om te leeren. Door wrijving met dezulken werd zekere warmte in mij opgewekt. Instinct en gelukkig toeval leidden mij minder tot levenmaken, dan tot denken en lezen. Ik leerde op mijn eigen hand in bijna alle beschaafde talen vloeiend lezen over bijna alle onderwerpen van wetenschap. Een zeker grondplan van letterkundig leven begon zich in mij te vormen, dat door allerlei ervaringen oneindig verbeterd en uitgebreid zou worden.quot;

Langzamerhand verkreeg hij een zeker gezag onder zijne vrienden, met wie hij gedachten wisselde over den laatsten roman van Walter Scott, of het jongste gedicht van Byron, over de oorlogen of den val van Napoleon, over meetkunstige vraagstukken en godsdienstige onderwerpen. Maar tegelijk werd het hem steeds duidelijker,

-ocr page 159-

THOMAS CA11LYLE EN JANE WELSH. 149

dat hij niet de minste roeping had voor het predikambt, naarmate er meer ernstige twijfelingen rezen in zijne ziel. Twee voordrachten die hij nochtans hield ter verwerving van den vereischten graad, eene Engelsche preek over den tekst: „eer ik verdrukt werd dwaalde ik\'\' en eene Latijnsche redevoering over de vraag of er al of niet een „natuurlijke godsdienstquot; is, waren beide in zijn oog zóó zwak, dat zij hem in die overtuiging versterkten.

Intusschen was er eene betrekking van leeraar in de wiskunde te Annan opengevallen. Carlyle dong er naar en werd op negentienjarigen leeftijd benoemd. De bezoldiging van ruim f 700.— daaraan verbonden, was meer dan voldoende om in zijne geringe behoeften te voorzien. Op Mainhill, een naburige boerderij, waarheen zijn vader metterwoon verhuisd was, bracht hij zijne vacantiedagen door. Daar werd de studie van Goethe\'s Faust aangevangen en de vertaling van den \'Wilhelm Meister voltooid. Zoo vindt de zoekende geest meer en meer zijn vaderland.

Zijne illusiën voor de toekomst drukt hij in een brief aan een vriend in dezer voege uit; „o Fortuin! gij die aan elk zijn deel geeft in het slijk dezer wereld, schenk, zoo \'t u behaagt, kronen en kransen, vorstendommen en beurzen, podding en praal aan de grooten en edelen der wereld. Geef mij, met een hart, verheven boven uwe gunsten en nukken, letterkundigen roem te verwerven. Zij \'t dan ook mijn tot te verhongeren, toch zal ik me verheugen dat ik geen geboren koning ben.quot;

Nog niet onmiddellijk evenwel zou hij zich aan zijne eigenlijke roeping wijden. Te Kirkcaldy, waar eene nieuwe school was opgericht, werd hij, op aanbeveling zijner Edinburghsche professoren, tot leeraar benoemd-

-ocr page 160-

i 50

Hij vond er een gecluchten mededinger, maar ook een warmen vriend in Edward Irving. In zijne Herinneringen heeft hij dezen eene eerezuil gesticht. ,/Irving/\' heet het daar, „was vier jaren mijn oudere, de i\'acüe princeps in succes on naam onder de Edinburghsche studenten, beroemd wiskundige, begaatd leeraar eerst te Haddington, daarna in Londen. Hij was me een broeder en vriend, zooals ik er vroeger of later nooit een bezat in deze-wereld, een hart getrouw tot in den dood.quot;

Aan Irving\'s zijde bracht hij een tweetal jaren in Kirkcaldy door, in zijne vrije uren diens bibliotheek doorlezende, waaruit vooral Gibbon hem aantrok en boeide. Maar ook voor onderwijzer was Carlyle niet in de wieg gelegd; te eenzelvig en te stroef was zijne natuur, om zich gemakkelijk aan jongelieden te geven. Zonder eenige bepaalde vooruitzichten zet hij zich in Edinburgh neer. Met een kapitaaltje van £ 100 dat hij had overgespaard, met een rustig besef van innerlijke kracht, vermeerderd dooide soberheid en het zelfbedwang, die hij zich eigen had gemaakt, gaat hij, ondanks liet bedenkelijk hoofdschudden van zijne ouders, kalm de toekomst tegemoet.

Eene innige bezorgdheid over den toestand zijner ziel spreekt uit dit schrijven van zijne vrome moeder. „Een nieuw jaar (1819) is aangevangen. Hoe snel vliegt toch de tijd! Zoek God met heel uw hart en o mijn lieve jongen, houd niet op, om Zijne leiding te smeeken op al uwe wegen. Verzuim niet dagelijks een deel van uwen Bijbel te lezen en moge de Heer uwe oogen openen voor de wonderen Zijner wet!quot;

„Ik vrees,quot; zoo antwoordt haar zoon, „dat ik niet regelmatig genoeg ben geweest in het lezen van het boek dei-boeken, dat ge mij aanbeveelt. Gisterenavond evenwel las

-ocr page 161-

151

ik uit mijn lievelingsboek Jub en ik hoop, dat in\'t vervolg trouwer te doen. Ik smeek u te gelooven, dat ik oprecht begeer een goed man te worden ; en, al mogen wij uiteen-loopen in sommige min belangrijke bijzonderheden, toch vertrouw ik vast, dat dezelfde macht, die ons met onvol-komene vermogens schiep, de dwalingen zal vergeven van elk, die waarheid en gerechtigheid zoekt met een eenvoudig hart.quot;

Omstreeks dienzelfden tijd nochtans, dat hij zijne moeder zoo zocht gerust te stellen, woedde een storm van twijfel en onzekerheid in zijn eigen ziel. Terwijl hèt geloof van zijne kinderjaren hem ontzonk, drukte de maatschappelijke nood van Schotland en Engeland hem loodzwaar op \'t gemoed. Op den grooten oorlog was eene algerneene verslapping gevolgd. De loonen waren laag, de prijzen hoog en onder de duizenden werklooze arbeiders heerschte eene oproerige stemming. De toestand van het volk was telkens het onderwerp van gesprek tusschen hem en zijn vriend Irving en, te midden van de beangstigende teekenen des tijds, vroeg hij zich weifelend af: waar zijn de sporen van een rechtvaardig Godsbestuur, van eene wijze Voorzienigheid? Te vergeefs zocht hij dan troost in \'t ouderlijk huis, waar men zijne twijfelingen niet verstond en zijne moeder hem met klimmenden zielsangst gadesloeg. Alleen moest hij dien strijd doorstrijden en met een bezwaard hart keert hij naar Edinburgh terug. Terug tot zijnen arbeid, die voor \'t oogen-blik vooral bestaat in rechtskundige lessen tot, bij het einde van den cursus, zijne leerlingen hem verlaten, \'t Waren de donkerste dagen van zijn leven, die hij thans doorworstelde, tot hij in de Junimaand van 1821 doorleefde wat hij in den „Sartor resartusquot; als zijne wedergeboorte beschrijft.

-ocr page 162-

152 THOMAS CAKLYLE EX JANE WELSH.

„Voor zulke lezers/\' heet het daar, „die hebben nagedacht over liet menschelijk leven en die gelukkig hebben ontdekt dat ziel niet synonym is met maag, zal het duidelijk zijn, dat voor eene zuiver zedelijke natuur het verlies van het godsdienstig geloof \'t verlies van alles was-Ongelukkige jonge man! Alle wonden, de pijn van eene langdurige verlatenheid, de dolkstoot van valsche vriendschap en van valsche liefde, alle wonden in uw zoo vruchtbaar hart zouden weer genezen zijn, ware \'t niet van zijne levenswarmte beroofd geworden. Wel mocht hij met een woesten kreet uitroepen: „Is er dan geen God ? of althans geen ander dan een God van verre, sinds den eersten Sabbath in ledigheid daar neergezeten, toeziende ergens buiten het heelal? Heeft het woord „plicht\'7 geen zin? Is wat wij plicht noemen geen goddelijke bode en gids, maar een valsch aardsch droombeeld, vrucht van begeerte en vrees, of uit de galeien voortgevloeid ? \'t Geluk van een goedkeurend geweten! Voelde niet Paulus van Tarsen, dien zijne bewonderaars sinds den heilige hebben genoemd, dat hij de voornaamste der zondaren was, en bracht niet Nero van Rome welgemoed een groot deel van zijn tijd met vioolspel door ? Ik zeg u ja! Voor den onwedergeboren gebonden Prometheus is \'t de bitterste verzwaring van zijne ellende, dat hij zich van zijne deugd bewust is, dat hij zichzelf het slachtoffer gevoelt van lijden niet alleen, maar van onrechtvaardigheid. Wat dan? Is de heldenbezieling die wij deugd noemen slechts een zekere hartstocht? Ik weet het niet; dit slechts weet ik: Is wat gij geluk noemt ons eigenlijk levensdoel, dan zijn we allen op den verkeerden weg.

Met zulke gedachten vervuld sleepte ik mij in \'t heetst

-ocr page 163-

THOMAS CAULYLE EN\' JAXE WELSH. 153

der hondsdagen langs de morsige Rue St. Thomas de l\'Enfer, door een bedompte atmospheer, over een plaveisel heet als de oven van Nebukadnezar, toen op eens de vraag bij mij oprees: „Waarvoor zijt ge toch bevreesd\'? Waarom schreit en huivert ge als een lafaard en gaat ge sidderend en bevend uwen weg\'? Wat is \'tergste dat vóór u ligt\'? De dood\'? Wel, voeg er de angsten der hel aan toe en alles wat duivelen of menschen tegen u vermogen! Hebt ge geen hart\'? Kunt ge niet dragen wat het ook zijn moge en als een kind der vrijheid, hoezeer uitgeworpen, de hel zelve onder uwen voet vertrappen, terwijl zij n verteert\'? Laat haar dan komen, ik zal haar onder de oogen zien en tarten.quot; Terwijl ik zoo dacht, stortte er als een stroom van vuur over heel mijne ziel en wierp ik de laffe vrees voor altijd van mij. Ik was sterk, van een ongekende kracht, een geest, bijna een god.

Zoo had het eeuwige Neen met donderend gezag weergalmd door al de schuilhoeken van mijn Wezen, van mijn Ik. Daar stond geheel mijn Ik op, in natuurlijke, uit Grod geboren majesteit en deed met nadruk zijn protest hooren. Zulk een protest, de belangri jkste Levensdaad, mag diezelfde verontwaardiging en uitdaging uit een zielkundig oogpunt met juistheid genoemd worden. Het eeuwige Neen had gezegd: zie, gij zijt verweesd, uitgeworpen en het heelal is mijn, des duivels, eigendom. Maar geheel mijn Ik antwoordde nu: Ik ben niet uw eigendom, maar vrij en voor altijd boven u verheven. Van dit uur ben ik geneigd mijne geestelijke wedergeboorte te dagteekenen; misschien begon ik dadelijk daarna een Man te zijn.quot;

In die dagen van innerlijken strijd werd Carlyle door zijn vriend Irving binnengeleid in eene woning, waar hij

-ocr page 164-

1quot;t4 THOMAS CARLVLE EN JA XE quot;WELSH.

liet beste vond, dat hem ten deel viel in zijn leven. Te Haddington woonde de weduwe van Dr. Welsh niet hare eenige dochter. Haar echtgenoot was drie jaren te voren door eone lievige koorts, hij een zijner patiënten opgedaan, weggerukt. Als een kundig arts niet alleen, maar ook als een achtenswaardig en betrouwbaar man, was hij gezien in zijne omgeving. Zijn eenig kind, Jane Baillie Welsh, in 1801 geboren, was van hare vroegste jeugd af een buitengewoon meisje. Met hare zwarte haarlokken en groote, donkere oogen, met haar bleek gelaat, haar breed voorhoofd en hare bevallige gestalte, maakte ze den indruk van schoonheid, maar meer nog dien van geest en vernuft. Brandende van leerlust wierp ze zich op de nieuwe talen, het teekenen en de muziek. Maar ze begeerde ook ;/Latijn te leeren als een jongen.quot; Terwijl hare moeder niet wenschte, dat ze zooveel leeren zou, trachtte haar vader haar altijd vooruit te stuwen. Jeannie ging naar een van de onderwijzers in Haddington en leerde van hem een zelfstandig naamwoord van de eerste declinatie (penna, een pen.) Met deze kennis gewapend, wachtte zij eene gelegenheid af om die te luchten. In plaats van \'s avonds naar bed te gaan, kroop zij onder de tafel en verschool zich achter het tafelkleed. In eene pauze van het gesprek hoorde men een stemmetje: „penna, een pen, pennae, van een penquot; enz. en toen allen vol verbazing luisterden, kroop ze uit hare schuilplaats te voorschijn, ging naar baar vader en zei: „ik wou zoo graag Latijn leeren, och toe, laat me een jongen zijn \\quot; Dat deze list gelukte, behoeft nauwelijks gezegd te worden. Op de school te Haddington, waar jongens en meisjes door elkander gingen en zij in het rekenen en de algebra, waarin ze gezamenlijk les kregen, menigen jongen overtrof voegde op

-ocr page 165-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH.

zekeren dag een jongen haar iets toe, dat haar niet aanstond. Zij hief hare hand op en sloeg hem een blauw oog. Juist trad de meester binnen. Deze ontdekte de sporen van den strijd en zei op dril\'tigen toon; „Ge weet, jongens, dat ik u verboden heb in de school te vechten, op straffe van een pak slaag. Wie is er nu weer aan den gang geweest\'?quot; Niemand sprak en de meester, die boos werd, dreigde allen in \'trond te zullen slaan, als de schuldige zich niet aanmeldde. Natuurlijk waren al de jongens te ridderlijk om een meisje aan te klagen en was er dus eene pauze. In \'t midden daarvan keek Jeannie op en zeide: „Vergeef me, ik sloeg dat blauwe oog.quot; De meester trachtte ernstig te kijken en perste de lippen op elkaar, maaide jongen was groot en Jeannie klein, zoodat hij in lachen uitbarstte en haar zei dat ze „een kleine deugnietquot; was, die daar niets meer te doen had en maar hoe eer zoo liever weer naar de meisjes moest gaan.

Haar verlangen naar het Latijn werd nu bevredigd, \'t Was Irving, die haar reeds op haar negende jaar met Vergilius kennis deed maken. Hij bleef haar leermeester tot haar achttiende jaar en bracht haar toen in aanraking met Carlyle, tot wien ze zich voelde aangetrokken door gemeenschappelijke liefde voor studie en lectuur. Garlyle was in deEngelsche letterkunde volkomen t\'huis, had Italiaansch en Spaanse 1» geleerd, was vertrouwd met d\'Alembert en Diderot, met Rousseau en Voltaire en was juist begonnen zich in Schiller en Goethe te verdiepen. Schiller nam thans bovenal zijne gedachten in. Ook deze had eene jeugd van armoede en ontbering gekend, had lang geworsteld om zijn weg te vinden, had, toen het voorvaderlijk geloof hem ontzonk, zich zijne eigene zedelijke overtuiging gevormd. Onberispelijk was zijn leven en over geen enkelen regel

-ocr page 166-

15G THOMAS CAllLYLE EN JANE WELSH.

uit zijne geschriften had hij zich te schamen. Daarbij vond Carlyle in hem die vereeniging van dichterlijke phantasie en historischen zin, die een der hoofdkenmerken van zijn eigen werken zou uitmaken. Is \'t wonder dat hij zich door dat alles voelde aangetrokken en aan Schillers leven een zijner eerste studiën wijdde\'?

De wijsgeerige diepte, de rijke wereld- en men-schenkennis, die hij bij Schiller miste, zou hij bij Goethe vinden. In den Werther, den Faust, den Prometheus trof hij aan wat hij zelf gedacht had en doorleefd en in den Wilhelm Meister vond hij „een dieper inzicht in de elementen der menschelijke natuur en een uitnemend er gave om die alle dichterlijk te verbinden, dan in alle andere poëzie van onzen tijd.quot; Deze roman bleef zijn leven lang zijn lievelingsboek en op zijn ouden dag zeide hij tot de Edinburgsche studenten: ,/t Heeft, sinds ik het vertaalde, altijd in mijne ziel gewoond, als wellicht het merkwaardigste geschrift, dat in later eeuw verschenen is. \'k Heb dikwijls gezegd, dat er sommige bladzijden in zijn die ik, ware eerzucht mijn eenige levensregel, liever geschreven zou hebben dan al de boeken die het licht zagen, sinds ik in de wereld kwam.quot;

Zoo zag Carlyle zich meer en meer zijne eigenaardige roeping aangewezen. Als middelaar tusschen Engelands en Duitschlands letterkunde wenschte hij op te treden. De verdiensten der Engelsche verlichting zag hij niet voorbij, hare klaarheid en nuchterheid, hare kalmte en kracht. Den geest en het vernuft der Fransche wijsgeeren wist hij te waardeeren, maar zij moesten te gader worden aangevuld door de diepzinnigheid en den gemoedelijken ernst der Duitschers. Ja de overspannen phantasie, die hem-zelven parten speelde, bekoorde hem in deDuitsche romantiek.

-ocr page 167-

157

Novalis\' contemplatieve natuur, die, t\'huis is in het heiligdom der smart, trekt hem aan. Fichte\'s romantische beschouwingen sleepen hem mee. In Jean Paul ziet hij den grootsten humorist, wiens humor niet uit verachting, maar uit liefde opwelt. De Duitsche mystiek, die de goddelijke idee der wereld zoekt en achter het zichtbare liet onzichtbare pleegt te ontdekken, wordt de bron van zijne kleêrenphilosofie.

Aan die lievelingsstudiën kon Garlyle zich naar hartelust wijden, toen hij als gouverneur der jongelieden Bulier was opgetreden en daardoor een betrekkelijk onbezorgd bestaan genoot. Maar onbezorgdheid was voor zijn rusteloos gemoed niet weggelegd. Elk onderwerp dat hij wil overmeesteren is als een vijand, met wien hij ten bloede toe te kampen heeft. Zoo kan ook Schillers ideaal van \'s menschon aesthetische ontwikkeling hem op den duur niet bevredigen. ,/Het najagen van het schoonequot; zegt hij „het voorstellen daarvan in bekoorlijke vormen en de verbreiding van gevoelens, daaruit voortvloeiende, was een soort van godsdienst voor zijne ziel. Hij beschouwde zichzelf als een apostel van het Verhevene. Jammer dat hij niet langs beteren weg zijn ideaal wist te verwezenlijken. Een schouwburg is een gebrekkige kampplaats voor den moralist. Hij staat zelfs beneden de synode van den godgeleerde.quot;

Op den rand der bladzijde, waarop hij dit schreef, toekende hij het zinnebeeld van de brandende kaars, waarboven het motto : „Terar dum prosim, moge ik verteren, mits ik nuttig zij!quot; ,/Maar waf\' zoo gaat hij voort, „als ik niet prosum ? Als ik dan toch verteer, ik kan \'t niet helpen. Dit is het begin en het eind van alle wijsbegeerte, zelfs aan den grofsmid bekend: wij moeten doen het beste wat we kunnen. O laffe en machtelooze slotsom ! Ik wenschte dat

-ocr page 168-

158 THOMAS CARLYLE EN\' JANE WELSH.

ik de wijsbegeerte van Kant volkomen verstond. Is zij een hoofdstuk uit de geschiedenis der menschelijke dwaasheid\'? Of het schoonste in de historie der menschelijke wijsheid? Of beide dooreengemengd en in welke mate\'?quot;

\'t Is de strijd tusschen zijn puriteinschen aanleg en zijn humanistisch streven, tusschen den Semiet en den Griek in hem, die hem thans en voortdurend kwelt. Onder den diepen indruk van zijn zielestrijd en niet minder van zijn lichaamslijden — de maag was en bleef zijn zwakke deel — sloot hij op den Oudejaarsdag 1823 zijn dagboek aldus:

,/De vloek, die op mij rust, schijnt vreeselijker en zwarter dan die van eenig sterveling. Opgesloten te zijn in een verrot karkas, waarvan iedere toegang pijn schijnt binnen te laten, tot mijn verstand verduisterd en verzwakt is en mijn hoofd en hart even troosteloos en duister zijn: waarmee heb ik dit verdiend\'? Of is \'t het noodlot enkel dat deze dingen regelt, zonder zich een jota te bekommeren om verdienste of ondeugd, onze arme menschelijke belangen verpletterend onder zijn zwaarwichtig toestel en ons en hen meedoogenloos tot stof vermalend ? Ik weet het niet. Zal ik het ooit weten\'? Waarom berooft ge uzelf dan niet van\'t leven ? Is er geen rattenkruid\'? Is er geen vergif van allerlei soort ? en hennepquot;? en staal\'? Zeer waar, Satanas, al deze dingen zijn er; maar \'t zal tijds genoeg zijn ze, die te gebruiken, als ik het spel verloren heb, dat ik nog slechts bezig ben te verliezen. Gij bemerkt menheer, ik heb nog eene scheme ring van hoop, en zoolang mijne vrienden, mijne moeder, vader, broeders, zusters leven, zou de plicht, hunne harten niet te breken nog overblijven, ook al was alle hoop vervlogen. Dit is zeker, mijne kwellingen zijn grooter dan ik vermag te dragen. Herstel ik niet spoedig, dan

-ocr page 169-

THOMAS CA11LÏLE EN JANE WELSH. ISO

ben ik voor altijd ellendig. Men spreekt van den zegen van eene slechte gezondheid uit een zedelijk oogpunt. Ik verklaar plechtig, zonder overdrijving, dat ik negen tienden van mijne tegenwoordige ellende en wellicht meer dan negen tienden van al mijne fouten toeschrijf aan dit helsche maaglijden.^

Men bemerkt: geduld en gelatenheid waren niet de sterke zijde van Garlyle\'s karakter. Zijne prikkelbare natuur, zijn ondragelijk humeur waren een plaag voor hem-zelven en voor zijne omgeving. Hij wist van „de ziekte der geleerdenquot; mee te spreken en als zijn ingewandslijden hem kwelde, spaarde hij niemand, allerminst wie hemquot;\' \'t naast en \'t liefst waren. „Dikwijlsquot;, zoo beleed hij eens berouwvol aan zijn broeder John, „als de Satan in de gedaante van de gal mij in zijne macht had, heb ik u hard bejegend; bitter, hoewel vergeefs helaas, kwelt mij die herinnering; maar ge hebt er, hoop ik, nooit aan getwijfeld, dat ik toch in den grond u liefhad.quot;

Die liefde trouwens toonde hij met de daad. Jaren lang steunde hij, uit zijne beperkte middelen, den broeder dien hij zoo kon uitschelden en bekostigde een tijd lang alleen diens medische studiën. Zijn broeder Alick hield zich met moeite als landbouwer staande; hij kwam hem tegemoet en schreef: „wat een der broederen uit ons ouderlijk huis bezit beschouw ik als een gemeehschappelijk kapitaal, waaruit allen gerechtigd zijn te putten, wanneer ook hunne behoefte het eischt.quot;

Op \'t laatst van \'t jaar \'1824 zette Carlyle zich in Londen neer. Hij vond er een hartelijke ontvangst bij zijn vriend Irving, die daar een gevierd prediker was geworden maar, hoe ook gevleid en bedorven, nog altijd dezelfde voor zijn ouden vriend, al meesmuilde deze menigmaal over zijne deftigheid

-ocr page 170-

i 60 THOMAS CARLYLE EX JANE WELSH.

en ijdelheid. Weldra bewoog hij zich in een kring van letterkundigen, waarvan Coleridge toen het middelpunt uitmaakte. Carlyle beschouwde hem, te midden zijner vurige bewonderaars, met kritischen blik en teekende in zijn „Leven van Sterlingquot; zijn portret met deze sarcastische trekken:

„Coleridge zat in die jaren aan den rand van Highgate Hill, neerziende op het in rook gehulde Londen, als een wijze, ontkomen aan de ijdelheid van \'s levens strijd, de aandachten trekkende van tallooze brave zielen, nog in dien strijd gewikkeld. Zijne eigenlijke bijdragen tot de poëzie, de wijsbegeerte of eenigen anderen tak van letterkunde waren gering gewreest, maar hij bezat, vooral in \'t oog van jonge, leergierige mannen, een hooger dan letterkundig, een soort van profetisch of magisch karakter. Hij werd geacht, hij alleen in Engeland, den sleutel te bezitten van de Duitsche en overige transcendentale wijsbegeerte; \'t verheven geheim te kennen van „met de rede te gelooven wat het verstand als ongeloo-felijk had moeten verwerpen.quot; Hij kon, nadat hij Heine en Voltaire onder de oogen had gezien, zichzelf een rechtzinnig christen noemen en tot de Kerk van Engeland met hare oude gewoonten en gewaden zeggen: esto perpetua. Een verheven man die, alleen in die donkere dagen, zijne kroon van geestelijke rijpheid had gered, ontkomen aan het zwarte materialisme en den revolutionairen zondvloed, met „God, vrijheid en onsterfelijkheidquot; als zijn eigendom.quot;

Geen wonder, dat Carlyle, die zelf den sleutel tot Duitsch-lands letterkunde en wijsbegeerte had gevonden, dien koning en zijn hofstoet met spotachtige blikken gadesloeg en weinig neiging voelde, onder zijn trawanten zich te scharen. Intusschen vormde hij zich van zijn eigen toe-

-ocr page 171-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 161

komst in Londen geen groote verwachtingen. Diep was hij er zich van bewust, dat zijn eigen gaven geen erkenning zouden vinden, dan na een lange en moeitevolle loopbaan. Meer dan tot de groote wereldstad voelde hij zich getrokken tot een rustig oord in het Schotsche vaderland, maar toch lag het probleem van zijne toekomst nog voor hem als een open vraag. Dit ééne slechts stond voor hem vast, dat hij nooit zijne ziel aan den duivel verkoo-pen, nooit tegen zijne overtuiging handelen, nooit zijne onafhankelijkheid prijs geven zou. „Wat Don Quichotte zei\'\', zoo schreef hij in deze dagen, „zeg ik hem menig--malen na: ware \'t slechts een stuk brood en een teug water die de Hemel u gegeven heeft, verheug u dat ge niemand dan hem daarvoor te danken hebt.quot;

Overigens lag de wijde wereldzee daar voor hem. Zijn letterkundig genie was het kompas, dat hem de richting aan zou wijzen. Reeds had zijn Schiller een gunstig onthaal gevonden; reeds was er eene tweede uitgave van zijn quot;Wilhelm Meister te wachten; reeds had Goethe van hem gesproken als van „eene nieuwe zedelijke kracht, wier omvang en uitwerking nog onmogelijk te voorspellen waren.quot;

Is \'t wonder dat Carlyle, door dit alles aangemoedigd en mijmerend over zijne toekomst, die onwillekeurig verbond met de gedachte aan haar, tot wie hij zicli sinds lang getrokken voelde? Jane Welsh vond zich gestreeld door de genegenheid van den genialen boerenzoon, aan wien zij voor hare ontwikkeling zooveel te danken had. Bij zijne afkomst en positie kon er, zoo meende zij, van eene nauwere betrekking tusschen hen geen sprake zijn. Zoo dreef ze een gevaarlijk spel, nu eens erkennende, dat de kennismaking met hem eene gebeurtenis in

11

-ocr page 172-

•162 THOMAS CAKLYLE £X JAXE WELSH.

haar leven was geweest, dun weer den spot drijvende niet zijne boersche taal en zijne hartstochtelijke uitdrukkingen. Toen Carlyle blijkbaar de hoop koesterde, dat ze zijne vrouw zou worden, schreef ze hem eens ronduit: „Mijn vriend, ik heb u lief. Ik herhaal \'t, al schijnt de uitdrukking mijzelve overijld. Het beste wat ik voel hangt met mijne liefde tot u samen. Maar als ge mijn broeder waart, zou ik u evenzoo liefhebben. Neen, uwe vriendin zal ik zijn, uwe oprechtste, trouwste vriendin, zoolang ik adem haal. Maar uwe vrouw — nooit! Nooit, al waart ge zoo rijk als Croesus, zoo geëerd en beroemd, als gij eens zult zijn/\'

\'t Was als had zij een heimelijk voorgevoel van al het lijden, waarop de verbintenis met dezen man haar te staan zou komen. En toch oefent hij op haar een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Niet lang daarna maakte zij eene testamentaire bepaling, waarbij ze heel haar vermogen overdroeg op hare moeder, zoolang deze leefde; na haar eigen en haar moeders dood vermaakte zij \'t aan Carlyle. Deze komt thans tot haar met een openhartig huwelijksaanzoek, \'t Is zijn ideaal op eene boerderij te wonen en hij vraagt haar, of ze op Craigen-puttock, haar vaderlijk erfgoed, dat ideaal met hem verwezenlijken wil. Zijne gezondheid en geregelde werkzaamheid heeft hij verloren, door aan de natuur ontrouw te worden. Hij moet die terugvinden, door tot haar weer te keeren. „Geloof me, Jane, de letterkunde, die wij beide zoo ijverig beoefenen, kan niet het eenige voedsel uitmaken van een menschelijken geest. Zij is de w ij n van het leven, niet het voedsel. Wat maakt de vrouwen tot blauwkousen en de mannen tot kamergeleerden ? Dat zij de huiselijke en maatschappelijke plichten verwaarloozen. \'t Leven is voor hen niet langer een bloeiend veld, maar

-ocr page 173-

16*

een dorre tuin. Zij versmaden de gewone zegeningen die de Voorzienigheid voor a 1 hare schepselen heeft weggelegd en zoeken er een zekere quintessens voor in de plaats te stellen, toebereid in de distilleertoestellen van schilders, rijmelaars en zangers. Wat is er \'t gevolg van\'? Dat zij ontevreden en verachtelijk, ellendig en gevaarlijk worden.

Ook gij zijt ongelukkig en ik weet waarom. Gij hebt een diepen en krachtigen geest, maar geen ernstige taak is u aangewezen. Gij veracht en bespot de onbeduidendheid van de dingen rondom u. Aan de dingen, die gij eert, kunt ge alleen een zekere bewondering toedragen, die geen praktische gevolgen heeft. Och, dat ik u de meesteres van een huis zag, op menschelijke zielen overdragende dien geest van orde, dat oordeel en dien fijnen smaak, die ge nu alleen aan schilderijen en portefeuilles besteedt; levende harten zegenend met die enthusiaste liefde, die ge nu wijdt aan \'tgeen gij op een afstand ziet.quot;

z/Laat ons door middel van elkander leeren, wat het zegt te leven. Laat ons onze geesten en gewoonten ordenen en doen groeien in den vreedzamen zonneschijn der natuur.... Zeg ja, als ge mij durft vertrouwen en laat ons samen leven en sterven. Nochtans, schroom niet mij af te wijzen, als rijpe overweging \'t u gebiedt, \'t Zal een vreeselijke foltering voor mij zijn, en mij voor altijd de hoop benemen, die sinds jaren de troost van mijn leven was; maar beter, die te verduren met al hare gevolgen, dan u uw geluk te doen verbeuren. Somtijds, ik erken het, als ik u hoor spreken van uw vroolijke bloedverwanten en tegenover hunne schitterende uitrusting mijn eigen eenvoudige omgeving en schrale vooruitzichten stel, mijne nederige, maar dierbare en achtingswaardige

-ocr page 174-

164 THOMAS CARLYLE EX JANE WELSH.

familie, die ik zal blijven liefhebben en eeren om hun innige toegenegenheid en den zuiveren eenvoud van hun karakter — als ik aan dat alles denk, zou ik u bijna kunnen raden, mij voor altijd van u te stooten en u te verbinden met iemand, wiens kring en omstandigheden meer met de uwe overeenkomen. Maar dan weer zeg ik in een oogenblikvan fierheid: „er is in mij een geest, dit meisje waardig. Ik zal haar onderwijzen, geleiden en gelukkig maken. Samen zullen wij de vreugden en smarten van het leven deelen.

Spreek dan____ Denk na over mij, over uzelve, over

uwe omstandigheden en beslis. — Durft ge mij vertrouwen, durft ge uw lot met mij aanvaarden, gelijk ik het mijne met u\'? Moge God u zegenen en geleiden. Beslis zooals ge wilt.quot;

Oprecht en eenvoudig was Carlyle\'s vraag. Onbewimpeld en eerlijk was Jane\'s antwoord. „Ik dacht weinigquot;, schreef ze, „dat mijne scherts over uwe boerderij te Craigenput-tock de aanleiding tot zulk een ernstig en zonderling plan zou worden. Hadt ge den toestand van verslagenheid gezien, waarin uw brief mij bracht, dan zoudt geuzelven liever alles hebben ontzegd, dan dien geschreven te hebben. Maar gedane zaken nemen geen keer. Laat mij u open en onomwonden zeggen, wat ons beider geluk vordert. Ik lieb u lief en ik zou het ondankbaarste en onverstandigste schepsel zijn als ik \'t niet deed. Maar ik ben niet verliefd op u; dat is te zeggen: mijne liefde is geen hartstocht, die mijn oordeel benevelt en al mijne gedachten aan mijzelve en anderen in beslag neemt, \'t, Is een eenvoudige, eerlijke, rustige toegenegenheid, saamge-weven uit bewondering en sympathie, maar misschien geschikter om huiselijk geluk op te bouwen dan iets

-ocr page 175-

-1C5

anders. Kortom, het is een liefde die op het levenslot invloed heeft, maar het niet maakt. Ik zie het zooals \'tis, met al de argumenten er voor en er tegen.\'\'

In die kalme stemming vraagt ze hem: „hebt ge eenig zeker middel van bestaan om mij te onderhouden, op dien voet waarop ik gewoon was te leven\'? eenige bepaalde plaats in den maatschappelijken kring, waarin ik geboren ben en opgegroeid\'? Neen. Gij hebt plannen en bekwaamheden om beide te bereiken. Maar tot nog toe hebt gij ze niet bereikt. Gebruik de edele gaven die God u geschonken heeft. Denk na over een plan, dat meer be-\', looft dan het land te bebouwen op de naaktste plek van het graafschap Dumfriesshire. Gij en ik huishoudende te Craigenputtock ! \'t Zou wat fraais zijn! Niets dan uwe onbekendheid met die plek kan het vermoeden van krankzinnigheid, bij \'t maken van zulk een plan, van u weren. Reken er op, dat gij \'t er geen twaalf maanden zoudt uithouden. Wat mij betreft, ik zou eraan de zijde van een engel zelfs.geen maand kunnen slijten. Denk aan iets anders !... quot;Wat er ook gebeure, ik zal niemand anders trouwen. Ziedaar de eenige belofte die ik kan of wil aüeggen; de slotsom van mijne overleggingen over dat ernstige onderwerp. Mijne besluiten, als ik ze eenmaal genomen heb, zijn onveranderlijk als de wetten van Meden en Perzen. Schrijf mij aanstonds en zeg me, dat gij bereid zijt den uitslag aan den tijd en het lot over te laten en dat ge intusschen zult voortgaan mijn vriend en gids te wezen, wat ge zoolang getrouw zijt geweest, en niets m e e r.quot;

Carlyle evenwel houdt aan. Hij begeert zulk eene toekomst in de wildernis en Jane als deelgenoot daarvan, omdat alleen op die wijze zijne lichamelijke en geestelijke

-ocr page 176-

106 THOMAS CAULYLE EN JAXE WELSH.

gezondheid zirli herstellen zal en zijne gaven zich volkomen zullen ontwikkelen. Zij blijft hare bezwaren handhaven, maar geraakt intusschen iioe langer zoo meer onder zijn onweerstaanbaren invloed.

Er is iets tragisch in de worsteling dier beide fiere en edele naturen, die elkaar niet ontkomen kunnen en zich met een zekere fataliteit aan elkaar overgeven, terwijl het vuur der innigste liefde in beider hart ontbreekt. Intusschen kwam Carlyle aan de verwezenlijking van zijne wenschen een schrede nader. Niet ver van Mainhill, de woonplaats zijner ouders, huurden deze de boerenplaats Hoddam Hill, waar Thomas zich met zijn broeder Alick, die de zaak zou drijven, neerzette. Daar vond hij eene wijkplaats om zich toe te rusten voor den verderen strijd. Daar vatte hij zijne Duitsche literatuurstudiën weder op.

En zie, door een onverwachte gebeurtenis werd daar de vrouw, om wier bezit hij zoolang geworsteld had, hem op eens in de armen gevoerd. Irving, de man dien Jane \'t eerst en \'t warmst had liefgehad, had in Londen te kwader ure aan zekere bemoeizieke dame zijne hartsgeheimen geopenbaard en haar medegedeeld, dat ook hij aan zijne oud-leerlinge eene innige liefde had toegedragen, maar dat de omstandigheden hem tot een ander huwelijk hadden geleid. Deze wendt zich tot Jane, als eene wel-meenende maar onhandige vriendin, wil haar troosten over hare teleurgestelde liefde en schrijft aan Carlyle, dien zij vurig bewondert, over \'t zelfde onderwerp. Aan die pijnlijke briefwisseling maakt Jane een einde door het bericht, dat zij op \'tpunt is met Carlyle in \'t huwelijk te treden. Zij brengt thans een lang voorgenomen bezoek aan Hoddam Hill, voelt zich onmiddellijk thuis in Carlyle\'s eenvou-

-ocr page 177-

THOMAS CAULYLE EN JANE WELSH. 1G7

•cligen familikring en doelt, t\'huis komende, aan liare moeder mee dat ze zich met hem heeft verloofd.

Het jaar van Carlyle\'s rustig verblijf op Hoddam Hill, waar hij zich voornamelijk aan de bewerking der Duitsche Romantiek wijdde, spoedde intusschen ten einde. Moeielijk-heden met den eigenaar hadden ten gevolge, dat de huur van dit verblijf, zoowel als van Mainhill, niet werd vernieuwd en geheel de familie, ook onze Thomas, verhuisde metterwoon naar Scotsbrig nabij Ecclefechan.

Het verlangen van Carlyle naar een eigen huis en haard wordt daardoor in dubbele mate opgewekt. Niet om bevrediging van eene lagere eerzucht is \'t hem te doen. Eeh professoraat in de Engelsche letterkunde te München wijst hij af. Hij begeert niets dan een rustig plekje, thans een huisje nabij Edinburgh, met een tuin door hooge muren omgeven, die alle geraas buitensluiten. Het aanbod van Mevrouw Welsh, hem als schoonzoon op te nemen in haar eigen huis en kring, wijst hij hooghartig af. Hij wil meester zijn in zijn eigen huis en beginnen met de deur te sluiten voor alle vervelende indringers. Jane moet hem nemen zooals hij is, den armen, onberoemden, zieken man, den zonderlingen boerenzoon, zonder beroep en zonder vooruitzichten. Is er een ander, dien ze boven hem begeert, nog laat hij haar volkomen vrij.

Eindelijk wordt het pleit beslecht; Na langdurige onderhandelingen wordt de woning nabij Edinburgh gehuurd en voorzien van meubelen uit Jane\'s ouderlijk huis. Hare moeder zal zich bij haren vader in Templand nederzetten. De naderende trouwdag wordt door beiden met zenuwachtige spanning te gemoet gezien. Carlyle weet maar al te wel „dat hij een slecht mensch is om mee saam te wonen, dat de beste voornemens schipbreuk lijden

-ocr page 178-

168 THOMAS CABLYLE EN JANE WELSH.

op de praktijk en dat het een toeval is, als eenige vrouw met hem gelukkig kan zijn/\' En aan wat al ceremoniën heeft hij zich te ondenverpen! Kleederen moeten worden aangeschaft, handschoenen aangetrokken, beider namen moeten in hunne respectieve kerken worden afgelezen! De galante bruidegom stelt voor, dat zij in de postkoets de huwelijksreis beginnen zullen en, met het oog op zijne zenuwachtigheid, zijn broeder John als geleider zullen meenemen. Als zijne bruid van deze voorslagen niets wil hooren, bewilligt Carlyle in \'t gebruik van een eigen postkoets, op voorwaarde dat hij onder weg drie cigaren zal mogen rooken. Intusschen bereidt hij zich op den huwelijksdag voor, door de lezing van Kants Kritiek der zuivere rede! Zijne bruid is vol goeden moed en schrijft: ^Ik ben vastberaden en vroolijk — vroolijk zelfs met het oog op de gevreesde plechtigheid, op gebrek of welk dreigend lot dan ook. O, mijn liefste vriend, wees altijd zoo goed voor mij en ik zal de beste en gelukkigste vrouw zijn.\' Als ik in uwe blikken en woorden lees, dat ge mij liefhebt, bekommer ik me geen haar om \'t gansch heelal daarbuiten/

Op den 17den October -1826 legt zij vol vertrouwen hare hand in de zijne. Het huwelijk wordt in de parochie-kerk van Templand in alle stilte voltrokken en het jonge paar reist per postkoets naar hunne woning te Comely Bank bij Edinburgh. Of de drie cigaren werkelijk gerookt werden, meldt de geschiedenis niet.

Leggen we aan dit huwelijksleven den maatstaf van uiterlijken voorspoed aan, dan was \'t de jammerlijkste, de meest mislukte verbintenis, die zich denken laat. Jane Welsh, die al wat voor geld te koop was, zoodra zij \'t wenschte, kon verkrijgen, die de rijken des lands aan

-ocr page 179-

THOMAS CARTA Li: EN JANE WELSH. 169

hare voeten zag en met haar zwak gestel tot dusverre een rustig studieleven had geleid, moest van dit oogenblik af als een huurlinge zwoegen en slaven, wasschen en schuren, kleederen en schoenen verstellen. Een gezelligen kring verwisselde zij met een eenzaam leven en haar levensgezel duldde niemand bij zich in zijn studeervertrek, reed en wandelde alleen, ja verlangde een eigen slaapkamer, daar \'t minste geraas bij nacht zijne zenuwen stoorde. Hunne jaren lange armoede getroostten beiden zich liever, dan dat hij zijne talenten aan de markt zou brengen en zou ophouden zichzelf te zijn. En toch, hoezeer dit geniale egoïsme van den grooten zonderling ons ergeren\' moge, toch waren beiden onmisbaar voor elkaar. Hare liefde, die hem vleide noch spaarde, beantwoordde hij met eene kinderlijke en eerbiedige gehechtheid en indien, naar Carlyle\'s lijfspreuk, niet geluk maar zegen \'t hoogste in het leven is, heeft het in dezen echt aan \'t hoogste niet ontbroken.

Allergelukkigst, voor zoover mogelijk ook naar \'t uitwendige, gaat het eerste huwelijksjaar voorbij. Wel verloochent Carlyle geen oogenblik zijne melancholieke natuur en geven zijne lichaamskwalen stof tot overvloedige klachten, maar „liet huis is een volmaakt model, voorzien van alle gemakken die \'t hart hegeeren kan, en wat mijne vrouw aangaat, ze is beter dan eènige vrouw zijn kan en heeft me lief met eene toewijding, waarvan \'t mij een raadsel is, hoe ik die heb verdiend. Ze is vroolijk en gelukkig als een leeuwerik en beantwoordt met zulk een zachte blijmoedigheid mijn somberen blik, dat nieuwe hoop me vervult, zoo dikwijls ik haar oog ontmoet. Ze is zoo geduldig, zoo vriendelijk en opgewekt. Ach, mocht ik barer waardig zijn!quot;

-ocr page 180-

170 THOMAS CAI! TALE EN JA XE WELSH.

Door tusschenkomst van Jeffrey, den redacteur van de Edinburgh Review, die, hoe weinig hij zich in Carlyle\'s geestdrift en hooge adspiratiën kon verplaatsen, toch bewondering had voor zijn talent, wordt nu de eerste bijdrage van zijne hand in dat tijdschrift opgenomen en ruim betaald en een schrijven van Goethe, die met zijn Schiller warme ingenomenheid betuigt, geeft hem groote blijdschap. Wel komt voor een korten tijd het uitzicht op een professoraat in de moraal te St. Andrews zijne rust verstoren, maar het gaat voorbij. Eer hij zulk eene schitterende hoogte zou bereiken, wachtte hem nog eene school van jaren lange ontbering en miskenning.

Toch begon . omstreeks dezen tijd Carlyle s naam meer bekend en geëerd te worden, ook in zijn eigen vaderland. Was hij tot dusverre voornamelijk opgetreden als vertolker van de Duitsche letterkunde, nu koos hij zich allengs een ruimer arbeidsveld en wijdde hij ook aan de Engelsche en Fransche literatuur bij toeneming zijne aandacht. Zco ontstond gaandeweg die reeks van letterkundige verhar-delingen die hij later onder den titel van „Critical and miscellaneous essaysquot; in zeven deelen verzamelde. Zooveel in hem was heeft Carlyle zich hier toegelegd op eene waardeerende en sympathetische kritiek. Tweeërlei kritiek tocli is er. Bij de eene klimt de criticus op de schouders van den grooten man, dien hij wil beoordeelen; hij ziet zoodoende uit de hoogte op hem neer, maar vergeet dat hij die hoogte aan hem te danken heeft; hij verlustigt er zich in dat hij ,/t zoo heerlijk ver heeft gebrachtquot; en behandelt het voorwerp A an zijne kritiek op luchthartige, half spottende wijze. Bij de andere is de criticus de priester der literatuur en der philosophie; hij luistert met eerbied en ontzag naar de stemmen, die hem tegen-

-ocr page 181-

THOMAS CAULYLE EX JANE WELSH. 171

klinken in dit heiligdom; hij tracht zich te verplaatsen in den tijd en de omgeving van den kunstenaar, dien hij gadeslaat en door te dringen tot in het diepst van zijne ziel.

„Is eene persoonlijkheid\'\', zegt Carlyle, „werkelijk van genoegzame beteekenis om zijn leven en karakter onder de algemeene aandacht te brengen, dan zijn we altijd van meening geweest, dat het publiek behoort bekend gemaakt te worden met tie verborgen bronnen en eigen-■aardigheden van zijn karakter. Hoe vertoonden zich de wereld en het menschelijk leven van zijn bijzonder standpunt aan zijnen geestquot;? Hoe wijzigden bijkomende omstandigheden hem van buiten, hoe wijzigde hij die van binnen uit? Met welke krachtsinspanning beheerschte hij, met welk weerstandsvermogen en welk lijden onderging hij die omstandigheden\'? In één woord; van welken aard en oorsprong was de invloed der maatschappij op hem; van welken aard en oorsprong was zijn invloed op de maatschappij\'? Wie er in slaagde deze vragen te beantwoorden met betrekking tot een of andere persoonlijkheid zou, gelooven wij, een modél van volkomenheid bereiken in de biographie.quot;

Die welwillende kritiek valt Carlyle gemakkelijk, waar hij te doen heeft met naturen aan de zijne verwant, met Burns en Johnson, Jean Paul en Novalis, Goethe en Schiller bovenal. In den Schotschen dichter waardeert hij allermeest de waarheid en oprechtheid zijner natuur. „Hier is geen fabelachtige smart of vreugde; geen holle phantastische sentimentaliteit; geen gekunstelde beschouwing in voelen en denken. De hartstocht, die ons geschetst wordt, heeft in een levend hart gegloeid; \'t gevoelen dat hij uitdrukt was de vrucht van zijn eigen nadenken en een licht voor zijn eigen voet. Hij schrijft

-ocr page 182-

I 7-2 THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH.

niet van hooren zeggen, maar uit eigen aanschouwing en ervaring; \'t zijn de tooneelen, waarop hij gewoond en gearbeid heeft, die hij beschrijft. Die tooneelen, ruw en eenvoudig als ze zijn, hebben reine aandoeningen, edelege-dachten, bepaalde besluiten in zijn eigen ziel gewekt; hij spreekt uit wat in hem is, niet uit ijdelheid of eigenbelang, maar omdat zijn hart te vol is om te zwijgen. Hij spreekt het uit, zoo liefelijk en welluidend als hij kan, in huiselijken, landelijken trant, maar die is de zijne en van den echten stempel. Ziedaar het groote geheim om lezers te vinden en te houden; laat hem die anderen wil bewegen en overtuigen eerst zelf bewogen en overtuigd zijn. Horatius\' regel si vis me fiere (zoo gij wilt dat ik weenen zal) is toepasselijk in ruimeren dan letterlijken zin. lederen dichter, eiken schrijver zouden we wenschen toe te roepen: wees waar, als ge wilt dut men u gelooven ztl. Laat een man de gedachte, de aandoening, den werke-lijken toestand van zijn eigen hart maar met natuurlijken ernst uitspreken en anderen, zoo wonderbaar zijn wij allen saamverbonden door den band der sympathie, moeten en zullen acht op hem slaan. In beschaving, in ruimte van blik mogen we boven of beneden den spreker staan, in beide gevallen zullen zijne woorden, mits ernstig en oprecht, eenigen weerklank in ons vinden; want, in spijt van alle toevallige in- of uitwendige verscheidenheden, ontmoeten de menschelijke oogen en harten elkaar.quot;

Tegenover den reinen eenvoud van Burns stelt hij het opgeschroefde pathos van Byron. ,/Deze verfrischt ons niet uit de goddelijke fontein, doch bedwelmt ons maar al te vaak met gemeenen sterken drank, die, weliswaar, het gehemelte prikkelt, maar weldra walgt en kwalijk smaakt. Zijn zijne Harolds en Giaours, zouden we willen

-ocr page 183-

ïlIOitAS CARLYLE EX JANE WELSH. 173

vragen, werkelijke menschen? dat wil zeggen; dichterlijk bestaanbare en denkbare menschenquot;? Schijnen niet hun karakters, schijnt niet het karakter van hun auteur dat er in doorstraalt, iets voor een bepaalde gelegenheid aangenomen, geen natuurlijke of mogelijke wijze van zijn, maar iets dat er op is aangelegd om grooter te schijnen dan de natuur\'? Gewis, al deze stormachtige zielsangsten, dit vulcanische heroïsme, deze hovenmenschelijke verachting en sombere wanhoop, met hun pruilend gelaat en tandengeknars, gelijkt meer naar het lawaai van een tooneelspeler in een of ander armzalig treurspel, dat drie uren duurt, dan naar het gedrag van een man in hot werkelijke leven, dat zestig of zeventig jaren duurt. Voor ons gevoel ligt er eene theatrale, valsche, gekunstelde tint over elk van deze anders zoo machtige stukken.quot;

Ernstig poogt hij aan den anderen kant een man als Voltaire te waardeeren, beurtelings verheerlijkt als de apostel der rede en de vader der gezonde wijsbegeerte, en vervloekt als een monster van goddeloosheid, een sophist en atheïst. Zeker heeft, met uitzondering van Luther, niemand zoo geweldig op zijn tijd gewerkt, omdat hij de afspiegeling was van zijne eeuw, eene eeuw van geestige kritiek, van bijtenden spot en schitterende conversatie, maar ook van oppervlakkige twijfelzucht en bittere persiflage, zonder adel en zin voor \'t hoogere.

Maar neen, voor eene kalme waardeering ergert hij zicli te diep aan Voltaire\'s gemis aan piëteit. ,/Eerbied, het hoogste gevoel, waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, de kroon van het zedelijk leven, kostbaar als fijn goud, schijnt hij niet te kennen. De goddelijke gedachte, die achter de wereld der verschijnselen zich verschuilt, was voor niemand ooit meer onzichtbaar. Hij

-ocr page 184-

■174

leest de geschiedenis, niet met liet oog van een vrome of zelfs van een criticus, maar door een zuiver anti-katholieken bril. Zij is hem niet een machtig drama, opgevoerd op het schouwtooneel der oneindigheid, met zonnen als voetlichten en de eeuwigheid als achtergrond, welks schepper God is en welks inhoud of moraal ons opleidt tot den troon van God, maar een armzalig en vermoeiend twistgesprek tusschen de Encyclopedie en de Sor-Jjonne.quot;

Zoo verloochent zicli nimmer in Carlyle,\'t zij hij kritiek oefene of historie schrijve, \'t zij hij optrede als letterkundige of romanschrijver, zijn diepgeworteld geloof. De kalmte van den geschiedschrijver, de nuchterheid van den beoordeelaar moge hem daardoor vaak ontbreken, zijn stijl moge daardoor hartstochtelijk en hoekig zijn, als mensch achten wij er hem te hooger om. Hij staat daar voor ons als de profeet der zedelijke orde. \'t Heelal moge voor hem eene aaneenschakeling van wonderen en raadselen, het menschelijk leven een gang van mysterie tot mysterie zijn, één ding staat onwankelbaar voör hem vast: ,/De groote ziel van deze wereld is Rechtvaardig. Met eene stem, zacht als de harmonie der sferen en toch sterker en strenger dan alle donderslagen, bereikt deze boodschap nu en dan onze ooren, te midden van het hol rumoer der wereld. Dit is het groote feit waarin wij leven en waaruit wij zijn. \'t Is een edele Spartaansche moeder voor ons allen, zoo wij hare zonen durven zijn.quot;

Is \'t wonder dat een man, zoozeer herinnerend aan een ziener des Ouden Verbonds, uit eene wereld van bedrog en praal vertooning zich wenschte terug te trekken in de woestijn? Dat ideaal, jaren lang door hem gekoesterd, zag hij eindelijk verwezenlijkt. Zijne vrouw bewil-

-ocr page 185-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 175

ligde er ten laatste in, al was \'t met eene kille huivering, zich neer te zetten op Craigenputtock, haar vaderlijk erfgoed, eene landhoeve midden in de barre heide gelegen, als een eiland in een grenzenloozen oceaan, van de naastbij-gelegen hut meer dan een mijl verwijderd. Thomas\' broeder Alick zou ook deze kleine boederij besturen, hij zelfde stilte der eenzaamheid volop genieten. Ziehier hoe de heremiet aan Goethe, den man van de wereld, zijne kluis beschrijft: ,/In deze wildernis van heide en rotsen vormt ons goed eene kleine oase, een strook beploegden en beplanten grond, waar koren rijpt en boomen schaduw bieden, hoewel, omgeven door zeemeeuwen en onstuimige baren. Hier hebben wij met niet geringe inspanning eene nette, eenvoudige woning gebouwd en ingericht; hier wijden we, bij gebrek aan professorale of andere werkzaamheid, ons aan de beoefening der letterkunde, overeenkomstig ons vermogen en op onze eigenaardige wijze. Wij wenschen een voorspoedigen groei aan de rozen en andere bloemen in onzen tuin; we hopen op gezondheid en rustige overpeinzing tot bereiking van ons doel. Twee hitten, die ons overal heenbrengen, en de berglucht zijn de beste medicijnen voor zwakke zenuwen. Mijn dagelijksche rit, waarop ik grooten prijs stel, is mijn eenige ontspanning, want dit ons hoekje is het eenzaamste in Groot-Brittannië — zes mijlen verwijderd van iemand die ons zou kunnen bezoeken. Hier zou Rousseau even gelukkig geweest zijn, als op zijn He de Saint Pierre. Mijne vrienden in de stad schrijven mijn verblijf alhier aan eene dergelijke gemoedsstemming toe en voorspellen mij geen goeden uitslag. Maar ik kwam hier alleen met het doel, mijne levenswijze te vereenvoudigen en mij die onafhankelijkheid te verzekeren, waardoor ik aan mijzelf getrouw kan zijn.

-ocr page 186-

\'17G TilOJIAS CAKLYLE EX JANE WELSH

Ook is de eenzaamheid hier niet van zoo groote beteeke-nis, want een postwagen brengt ons spoedig naar Edinburgh, dat we als ons Britsch Weimar beschouwend

Dat de eenzaamheid hier nijpen kon, zou hij, zou vooral de arme Jane ondervinden. Laat zijzelve ons op hare humoristische wijs verhalen, hoe zij de kunst van broodbakken leerde. „Het brood van Dumfries gebracht lag hem zwaar in de maag (o Hemel!) en \'twas mijn plicht als eene christenhuisvrouw t\'huis te bakken. Zoo zond ik om Cobbett\'s huishoudboek en wijdde ik al mijne krachten aan het brood. Maar daar ik niets wist van het gistingsproces, of de hitte van den oven, wilde \'t geval dat mijn brood in den oven kwam op den tijd, dat ik zelf naar bed placht te gaan, en ik was de eenige wakende persoon in ons huis in \'t midden der woestijn. Oeene knappe dienstbode verkoos op zulk een afgelegen plaats te wonen, \'t Sloeg een, twee, drie uur en nog zat ik in mijne drukkende eenzaamheid, mijn heele lichaam kloppende van vermoeidheid, mijn hart bevend door een gevoel van verlatenheid en vernedering. Dat ik, die t\'huis zoo verwend was, tot in \'t holle van den nacht moest opzitten om op een brood te passen, dat ten slotte maar geen brood wou worden! Die gedachte maakte me half krankzinnig, tot ik mijn hoofd op de tafel lei en overluid snikte. Toen kwam Benvenuto Cellini, die den ganschen nacht opzat om zijn Perseus in den oven te bewaken, mij voor den geest en ik vroeg mijzelve af: wat is eigenlijk in \'t oog der Hoogste Macht het wezenlijk verschil tusschen een beeld van Perseus en een brood, wanneer ze beide zijn datgeen, wat de hand vindt om te doen? \'s Kunstenaars vaste wil, zijne energie, zijn geduld waren immers de bewonderenswaardige eigenschappen.

-ocr page 187-

177

waarvan zijn Perseusbeekl de toevallige uitdrukking was? Ware hij eene vrouw geweest die te Craigenputtock woonde met een ziekelijken man, zestien mijlen verwijderd van ■een Lakker, die daarenboven nog slecht bakte ook, dan zouden diezelfde eigenschappen in een goed brood nog beter zijn uitgekomen. Ik kan niet zeggen, welk een troost die gedachte over mijn ongezellig leven verspreidde, gedurende de jaren dat we woonden in dit woeste oord, waar onze twee onmiddellijke voorgangers gek werden •en de derde aan den d rank geraakte.quot;

Nog erger was \'t op zekeren harren winterdag. Terwijl het boerenmeisje, dat het ruwste werk verrichtte, hare ouders was gaan opzoeken, werd het huis onder de sneeuw bedolven, zoodat er aan terugkeeren geen denken was. Car-lyle wist de sneeuw zoover weg te ruimen, dat hij de noodige brandstof van buitenshuis kon gaan halen. Nu toog zijne vrouw aan den arbeid; ze had het brood te bakken, de koe te melken, de boter te karnen. Eindelijk boende ze volijverig de keukenvloer, terwijl Thomas, met de pijp in den mond, in zijn leuningstoel zat toe te zien. Daar doet zich op eens een donderend geraas hooren; de sneeuw, die zich in den schoorsteen had opgehoopt en thans begon te smelten, stort als een lawine naar beneden ; een breede waterstroom golft door de pas gereinigde keuken en, terwijl Jane in tranen uitbarst, valt de trouwe dienstmaagd, die door de sneeuw zich een weg had gebaand, haar in de armen met den uitroep: „o mijn lieve mevrouw, quot;k had gedroomd dat je dood\' waart K\'

Gelukkig stond tegenover dat koude proza de warme poëzie! ,,/Eén winter,quot; verhaalt Carlyle, „lazen wij \'s avonds samen Don Quichotte in \'t oorspronkelijke, Tasso in dito was voorafgegaan, maar had ons niet lang geboeid.quot; Hijzelf

12

-ocr page 188-

178 THOMAS CAKLYLE EN JANE WELSH.

was in zijne kritische studiën verdiept. Maar bovenal werd hier, als de eigenaardige vrucht van een zesjarig woestijnleven, de Sartor resartus geboren.

\'t Is een deel van zijne eigene levensgeschiedenis, \'t is-geheel zijne levensphilosophie die Garlyle in dit wonderbare boek heeft neergelegd. Geen ander zijner geschrillen vertoont ons hem zoo duidelijk, in zijne licht- en. schaduwzijden. In den grilligen vorm eener kleerenphilo-sophie geeft hij hier de innigste ervaringen, de heiligste-overtuigingen, de diepste verzuchtingen van zijn hart. Gewoonten, instellingen, geloofsbelijdenissen, wat zijn \'t anders, ziedaar de hoofdgedachte, dan kleederen, waarmee de menschen hunne aangeboren naaktheid bedekken; kleederen, verouderend met den tijd, verslijtend in den. loop der jaren, zich wijzigend naar zeden en gewoonten, maar altijd de uitwendige openbaringen van het innerlijke-geestesleven. Ja, is niet het gansche heelal een zichtbaar kleed, eene zinnelijke verschijning die het wezen, de goddelijke idee der wereld omhult? Dichters en wijsgeeren uit onderscheiden eeuwen hadden dat denkbeeld uitgesproken. Goethe deed het immers in de woorden die hij, in zijn Faust, den Aardgeest op de lippen legt en die zonder twijfel ook Garlyle inspireerden:

„Zoo maak ik het eeuwig verjongende kleed,

Aan \'t weeftouw des tijds voor de Godheid gereed.quot;

Voor de groote massa is die goddelijke idee der wereld niet te vinden; zij blijft staan bij het zichtbare kleed en leeft louter te midden van de oppervlakkigheden en den uiterlijken schijn; alleen aan persoonlijkheden als den held van Garlyle\'s boek onthult zij zich.

-ocr page 189-

THOMAS CA11LÏLE EM JANE WELSH. -179

Die held, Diogenes ïeufelsdrückh, geel\'t te Weiss-nieht-wö bij de firma Stillschweigen amp; C0. een werk uit onder den titel; „Die Kleider, ihr Werden and Wirken.quot; Den unonymen uitgever van den Sartor resartus, den ,/Opge-lapten kleerlapperquot; was verzocht dit boek in Engeland bekend te maken. Terwijl hij zich daarmee bezighoudt, ontvangt hij, door tusschenkomst van den Hofraad Heuseh-recke, eene bezending papieren en documenten van Teu-telsdröckh, professor in de wetenschap der „Dingen in \'t algemeen/\' De ontwikkelingsgeschiedenis en de levensbeschouwing van dezen zonderlingen wijsgeer die, vajj den top van \'t hoogste huis der stad, het doen en drijven der menschen bespiedt, wordt ons hier meegedeeld.

We zien hem van „het eeuwige Neenquot;, door het „Centrum der onverschilligheidquot; komen tot het „eeuwige Ja.quot; Met andere woorden: aanvankelijk staat hij weifelend en ontkennend tegenover de groote levensvragen, hebben de woorden „Godquot; en „Plichtquot; voor hem geen beteekenis en is zijne wereld eene barre woestenij, \'t Gevaarlijkste ongeloof is het zijne, het ongeloof in zichzelven. Maar inde Rue St. Thomas de l\'Enfer doorleeft hij die krisis, waarvan we reeds gewaagden, als van een keerpunt in Car-lyle\'s eigen ontwikkeling. De met vuur gedoopte ziel begint zichzelve te bezitten. De citadel van haar koninkrijk heeft zij stormenderhand ingenomen. Kalm zet hij zijne pelgrimstochten voort, maar al zijn de inwendige duivelen uitgeworpen, er is nog niets beters voor in de plaats getreden. Hij heeft het neutrale, het doode punt bereikt, waardoor een ieder gaan moet, die reist van de negatieve naar de positieve pool.

Eindelijk breekt het tijdperk van „het eeuwige Jaquot; voor hem aan, eene innerlijke ontwikkeling grijpt er in hem

-ocr page 190-

180 THOMAS CAIICÏLE EN JANE WELSU.

plaats; de eerste zedelijke daad, die van de dooding van zijn Ik, volbrengt hij. Hij leert het woord van den Wijze verstaan: „Alleen met zelfverloochening begint het leven, dat dien naam verdient.quot;

„Wat is \'t, zoo vroeg ik mijzelven af, waarover gij u jaren lang hebt geërgerd en gekweld\'? Is quot;t niet omdat ge niet gelukkig zijt\'? Omdat uw eigen Ik, waarde heer, niet voldoende wordt geëerd, gekoesterd en gevoed? Gij dwaas! Welke wet bepaalt dun dat gij gelukkig moet ;zijnquot;? Een korten tijd geleden hadt ge zelfs nog geen recht om te bestaan. Hoe, indien ge geboren en voorbestemd waart, niet om gelukkig, maar om ongelukkig te zijn? Zijt ge dan niets anders dan een gier, die \'t heelal doorvliegt .zoekende om wat te eten, en droevig schreeuwend omdat het u aan aas ontbreekt? Sluit uw Byron, open ■uw Goethe.quot;

„Es leuchtet mir ein, \'k begin liet in te zienquot; roept hij ■elders uit, „er is in den mensch iets Hoogers dan liefde •tot geluk; hij kan \'t zonder geluk stellen en in stede ■daarvan zaligheid vinden! Was \'t niet om dit hoogere te prediken, dat wijzen en martelaars, dichters en priesters in alle tijden hebben gesproken en geleden, in leven en dood getuigenis afleggende van het goddelijke in den mensch en van de kracht en wijsheid die hem dit goddelijke verleent? Heb niet het Vermaak, heb God lief. ■Dat is het Eeuwige Ja, waarin alle tegenspraak is ■opgelost. Wie daarin wandelt en werkt, hem zal \'t wel gaan.quot;

Alles ziet hij nu met andere oogen. De natuur wordt hem het levend kleed der Godheid, in de menschen ziet hij zijne medebroeders, het lijden krijgt eene hoogere be-teekenis, de plicht die voor de hand ligt, gaat hem boven

-ocr page 191-

THOMAS CARLYLE EK JANE WELSH. 181

alles, \'tis niet langer een Chaos, maar een Kosmos, waarin hij zich beweegt.

Naast den hoogsten ernst staat hier de vroolijkste scherts en de bijtendste spot. 01\' hoe zou een Carlyle dit thema kunnen behandelen, zonder zijn humor te doen bruisenen tintelen, zonder de scherpe geeselslagen van zijn sarcasme te doen neerdalen b. v. op den rug van de leden der ,/dandy-secte\'\', der ongelukkigen die leven om zich te kleeden! Maar de diepe grondtoon, die door alles henen-ruischt, is de wonderspreuk van het Evangelie: „wie zijn leven verliest zal liet vinden.quot;

Toen dit zonderbaarste aller boeken was voltooid, liep de schrijver dagen lang vergeefs door Londen, om er een uitgever voor te zoeken. Eén boekhandelaar was tot de uitgave bereid, mits de auteur hem eene som van £ -150 gaf. Vier jaren moesten er nog verloopen, eer het in Amerika in zijn geheel verscheen, om uit de nieuwe wereld allengs zijn weg naar de oude te vinden.quot;

Intusschen leden de kluizenaars letterlijk armoede in de woestijn. De werkpaarden had men moeten afschaffen. De oude Larry, Garlyle\'s lievelingspaard, deed nu dubbelen dienst, maar bezweek van vermoeienis, \'t Was alsof met hem de laatste vriend was heengegaan. Alles moest worden aangegrepen. Jeffrey zendt hem een lijstje van betrekkingen, waarnaar hij zou kunnen dingen, de post b. v. van bibliothecaris in het Britsch Museum of een secretariaat in een handelshuis. Carlyle is tot alles bereid, maar vreest alleen, dat zelfs dit nog boven zijn bereik zal zijn. „Ik verwacht nietquot;, schrijft hij aan zijne moeder, „dat Jeffrey in staat zal zijn, iets voor mij te doen. Ik moet nu eenmaal door \'t leven gaan zonder een beroep, in voortdurende armoede, gelijk beteren vóór mij. Ons gebrek is

-ocr page 192-

182 THOMAS CARLYLE EX JANE WELSH.

gebrek aan geloof. Jezus van Nazareth was niet arm, al had hij geen plek om \'t hoofd neer te leggen en Sokrates was rijk genoeg.quot;

Een half jaar in Londen doorgebracht, droef getint door den dood zijns vaders, deed hem intusschen nieuwe betrekkingen aanknoopen en verbeterde zijne vooruitzichten, \'t Hoofd vol nieuwe plannen en gedachten, keerde hij in de eenzaamheid terug. Onder den verschen indruk van Goethe\'s dood wijdde hij daaraan allereerst een woord. ,/t Was omstreeks elf uur in den morgen; hij stierf, zegt het bericht, zonder eenig zichtbaar lijden, na weinige minuten te voren papier gevraagd te hebben om ts schrijven en zijne vreugde over de naderende lente te hebben uitgedrukt. Een schoone dood, gelijk die van een soldaat getrouw op zijn post. \'s Dichters laatste woorden zijn een groet aan de nieuw ontwakende aarde en zijne laatste beweging is, te werken aan de hem opgelegde tank\'. We zouden het een klassiek-gewijden dood kunnen noemen, zoo \'t niet eerder ware een Elia\'s hemelvaart, in een wagen, niet van vuur en onweder, maar van hoop en zachte lentezonnestralen.quot;

Straks volgde een uitvoerig artikel over den grooten dichter en zijne plaats en beteekenis in de geschiedenis van Europa. „Weet ge waarom ik van Goethe houd\'.\'// schreef hij later aan Emerson. „Hij is de eenige krachtige, frissche geest, dien ik door alle geslachten heen in Europa heb ontdekt. Hij was het die \'t eerst overtuigend tot mij sprak; „zie zelfs in deze jammerlijk-sceptische en epicu-ristische eeuw bestaat de mogelijkheid [dat, wanneer er niets meer is dan honger en huichelarij, een man zich mannelijk gedraagt.quot; Waarschijnlijk kent gij Goethe enkel van zijn Heidenschen kant. Toch zult ge langzamer-

-ocr page 193-

THOMAS CARLYIjE EX JANE WELSH. 181!

hand ook den Christen in hem leeren kennen en hem des te meer lief krijgen.quot;

In die studiën verdiept, was Carlyle blind voor liet lijden van zijne arme vrouw, wie de eenzaamheid en de ruwe arbeid, van haar gevorderd, bij toeneming ondragelijk waren. Uit dezen tijd dagteekent, naar \'t schijnt, een gedicht, dat men onder hare papieren vond, waarin ze zich verbaast •over eene zwaluw, die komt neerstrijken onder haar eenzaam dak en deze benijdt, als zij de vleugelen rept.

Een vriendelijke lichtstraal in de duisternis der woestijn was een bezoek van Emerson. Op zekeren Zondagvoormiddag aan \'t eind van Augustus zaten de Carlyles met hun beiden aan den maaltijd, toen een wagen uit Duin-fries voor de deur stilhield. De jonge Amerikaan stapte er uit, die toen juist uit zijne Unitarische omgeving, welke hem te eng werd, zich had losgerukt en naar Europa gekomen was om daar de merkwaardigste verschijnselen op geestelijk gebied, in de eerste plaats Carlyle te leeren kennen. Op levendige wijze beschrijft Emerson zelf den indruk, dien hij van zijn bezoek ontving;

^De lange magere man met zijn zware wenkbrauwen had zijne buitengewone gave van conversatie geheel in zijne macht; hij was onuitputtelijk in anekdoten en overstroomde ieder onderwerp dat hij aanroerde met zijn bruisenden humor. Zijn gesprek, dat de meest huiselijke onderwerpen spelenderwijs behandelde, bracht den deelgenoot op eens in kennis met zijne huisgoden en \'twas aardig, daaruit trekken te verzamelen voor een scboone mythologie. Beperkt was de kring van onderwerpen en eenzaam de man, daar er binnen zestien mijlen geen sterveling was om mee te praten, behalve de predikant van Dnnscore, zoodat liet gesprek onvermijdelijk over boeken liep.quot;

-ocr page 194-

184 THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH.

„Welnu, we spraken over boeken. Plato leest hij niet en Sokrates verkleinde hij; Mirabeau, zoo hield hij vol, was een held. Gibbon noemde hij een prachtigen brug van de oude naar de nieuwe wereld. Zijn eigen lectuur was onuitputtelijk. Tristram Shandy was een van zijne meest geliefde boeken, na Robinson Crusoe en Robertson\'s Amerika, een lieveling zijner jeugd. Rousseau\'s Confessies hadden hem tot de ontdekking gebracht, dat hij geen domkop was en \'t was nu tien jaren geleden, dat hij Duitsch had geleerd, op aanraden van iemand, die hem zei, dat hij in die taal zou vinden wat hij behoefde.quot;

Over de heuvelen dwalende of op een der toppen neergezeten, spraken de twee merkwaardige mannen over de letterkunde van hunnen tijd, over den toestand van Engeland, over de onsterfelijkheid der ziel. Bij alle verschil van aanleg en karakter leidde hunne kennismaking tot eene innige vriendschap, die voortgeduurd heeft tot hun dood. „De laatste woorden die Carlyle tot mij zeide,quot; schrijft Moncure Conway in zijne herinneringen aan den meester, „waren; groet Emerson van mij. Nog altijd denk ik aan zijn bezoek ons in Craigenputtock gebracht, als aan het schoonste dat ik daar heb ondervonden.quot;

Carlyle\'s zesjarige ballingschap op de eenzame heide spoedde ten einde. Voor hemzelven droeg zij onschatbare vruchten. De gezonde lucht, het zuivere voedsel, de landelijke omgeving hadden zijn lichaam gesterkt. In de school van armoede en teleurstelling was zijn geest gerijpt. Een onnoemelijk aantal feiten, de vrucht van zijne omvangrijke lectuur, had hij opgehoopt in zijn geheugen; allerlei twijfelingen en bezwaren had hij in zijn Sartor van zich afgeworpen en, naarmate zijne overtuiging vaster werd, leerde hij die ook juister uitdrukken. Zijne

-ocr page 195-

THOMAS CAHLYLE EN JANE WELSH. 185-

vrouw daarentegen had er gezwoegd en gesloofd, gedraafd en gezweet en een leven geleid, dubbel afmattend voortiet lichaam en doodend voor den geest, omdat hare onvermoeide toewijding maar al te weinig werd opgemerkt en gewaardeerd. Te laat, helaas, zou Carlyle ontwaken tot\' het besef van alles wat bij haar te danken had!

Zoo vangt de tweede helft van \'s dichters leven aan. Zijne leer- en zwerfjaren, \'t meest beslissend voor de vorming van zijn karakter en daarom \'t uitvoerigst door ons-geschetst, waren ten einde. Van nu aan zou de ziener \' van Chelsea, de overtuigingen die hij zich verworven had, in voordrachten en geschriften toepassen op historisch en sociaal gebied. „Do ziener van Chelseaquot;, zoo werd bijgenoemd naar Cheyne Row, Chelsea een afgelegen wijk van Londen, waar hij zich neerzette en 47 jaren lang tot aan zijn dood vertoefde. Zijne woning was eenouderwetsch gebouw, welks aantrekkelijkheid verhoogd werd door een. vriendelijken tuin, waarin Mevrouw Carlyle \'de bloemen-plantte, die ze uit Schotland had meegebracht.

Hoe putte Carlyle zicli uit in wanhopige pogingen om zich daar die stilte te veroveren, die voor zijne studie en nachtrust de onmisbare voorwaarde was en wier lof hij aldus heeft bezongen: „Stilte en geheimhouding! Werden er in onze dagen altaren gebouwd, dan moesten zij daarvoor worden-opgericht tot algerneene vereering! Stilte is het element,, waarin groote dingen zich vormen en verbinden, opdat ze ten laatste in volmaakten vorm en majesteit in het daglicht van het leven kunnen treden, waar ze voortaan heerschen zullen/\' Geen wonder dat hij in de woelige wereldstad lang te vergeefs dat altaar zocht! Nu storen hem

-ocr page 196-

ISO THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH.

do hanen, door hun gekraoi, dan de honden, door hun geblaf en door allerlei listen en lagen moeien zij tot zwijgen worden gebracht. Straks weer brengen de verwarde tonen van allerlei muziekinstrumenten hem tot wanhoop. Eindelijk, toen hij in zijne studie over Frederik den Groote verdiept was, gelukte \'t hem zicli op den top van zijn huis eene kamer te doen bouwen, van dubbele wanden voorzien en haar licht enkel van boven ontvangende, waartoe nauwelijks eenig geluid kon doordringen. Toch waren eenige zijner machtigste werken geschreven, eer hij zoo volstrekt aan \'t gewoel der wereld onttrokken was.

Allereerst neemt nu de Fransche Revolutie zijne ziel geheel in beslag. Reeds lang had hij als een vlinder rondom dat onderwerp gefladderd. Zijne Essays over Voltaire, Diderot en Cagliostro stonden daarmee in onmiddellijk verband. Zijne behandeling van de episode van het diamanten halssnoer was als de ouverture van dit aangrijpend muziekstuk. De bloedige ondergang van de Fransche monarchie was hem eene bevestiging van zijn geloof in de onschendbaarheid der zedelijke orde. Niet straffeloos baden zich de rijken in weelde en genot, terwijl de armen zwoegen en lijden. Het verstoorde evenwicht der maatschappij moot zich vroeger of later herstellen. Tusschen do regels van de geschiedenis der Fransche Revolutie stond voor hem overal met vlammend schrilt te lezen: „Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is de schandvlek der natiën. God laat zich niet bespotten. Zoowat een mensch zaait, dat zul hij ook maaien \\quot;

In dit opzicht bleef hij getrouw aan zijne Puriteinsche afkomst en verloochende hij het Schotsche Calvinisme, dat .hem in \'t bloed zat, niet. Al was de uiterlijke schaal van

-ocr page 197-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. \'187

dat geloof verbroken, al was wat naar wonderen en bovennatuurlijke Ingrijping zweemde voor hem weggevallen, gebleven was \'t onwankelbaar vertrouwen op de Eeuwige Gerechtigheid. Haar ziet hij in de omwenteling hare vierschaar spannen. Of was niet heel de Fransche maatschappij vóór de Revolutie een samenweefsel van bedrog en schijn? Bedrog was het koningschap, bedrog de adel, bedrog de kerk. Geen leidslieden waren ze langer, de Duces, de aanvoerders; hun oorlogszwaard was een hofrapier geworden. De kerk, het geweten der menschheid in de middeleeuwen, was thans eene blinde leidsvrouw der blinden. De massa werd beschouwd als... een „peuple taillable et corvéable a merci.quot; Maar de Revolutie reet dien spinrag uiteen. De ijdele formulen werden begraven; de anarchie wreekte zich op de krach-telooze autoriteit. Het onrecht moest gewroken worden, immers de goden zelve kunnen liet gedane niet ongedaan maken en de Nemesis volbracht haar werk.

Die waarheden wilde Carlyle aan zijne tijd- en landge-nooten ter waarschuwing voorhouden. Want ook in Engeland en Schotland dreigde gevaar. Terwijl de koren-wetten den prijs van het brood kunstmatig hadden doen stijgen, stond voor duizenden werklooze landbouwers en arbeiders het gebrek voor de deur; de adel genoot intusschen zijne renten en schoot zijne hoenders en patrijzen, alsof dat alles hem niet aanging. Die staat van zaken kon niet voortduren. Maar geen ander geneesmiddel was er dan \'t geen reeds door Israels profeten aanbevolen was: berouw en bekeering.

Aan \'t eind van zijn eersten winter in Londen had Carlyle met groote inspanning het eerste deel van dit werk ten einde gebracht. Hoe zwaarder hem die

-ocr page 198-

188 THOMAS CAllLYLE EN JANE WELSH.

arbeid was gevallen, des te meer genoot hij van zijne-tijdelijke rust. Aan zijn vriend John Stuart Mill, die zijn handschrift, wellicht om \'t ergens aan te kondigen, wilde excerpeeren, had hij het te leen gegeven. Daar treedt op zekeren avond Mill Carlyle\'s kamer binnen. Hij ziet doode-lijk bleek en is aanvankelijk niet in staat een woord uit te brengen. Stamelend verzoekt hij Mevrouw Carlyle naar beneden te gaan, waar iemand haar wil spreken. En nauwelijks heeft zij de kamer verlaten, of hij deelt in onsamenhangende klanken aan haar echtgenoot mee, dat hij zijn handschrift, na \'t gelezen te hebben, achteloos had laten liggen en dat, liet, op vier of vijf bladzijden na,, spoorloos verdwenen was. Welk een ramp voor den armen auteur! Hij was gewoon zijne onstuimige gedachten opliet papier te werpen, zoodra zij tot rijpheid waren gekomen. Zijne aanteekeningen werden, zoodra hij ze gebruikt had, her- en derwaarts verstrooid en niets bijna kon hij zich herinneren van \'t geen hij geschreven had. Met de grootste kalmte bleef hij met Mill nog een paar uren zitten praten over onverschillige dingen en, toen deze de deur achter zich gesloten had, was \'t eerste woord dat hij tot zijne vrouw sprak: „wel, wat is Mill verschrikt; die arme jongen! We moeten ons best doen voor hem te verbergen, hoe ernstig deze ramp voor ons is.quot; Zoo moedig wist deze edele zie), in kleinigheden onhandelbaar en zwak, een groote ramp te dragen. Mill zond hem een banknoot van £ 200, met vriendelijk verzoek, daarmee de geldelijke schade, die hij had aangericht, eenigszins-te mogen vergoeden. Carlyle liet zich overhalen de helft daarvan aan te nemen, als vertegenwoord,gende het loon voor vijf maanden arbeids.

Met kloeken moed zette hij zich neer, om het verbrande

-ocr page 199-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. i 8\',)

deel op nieuw te schrijven. Maar \'t was aanvankelijk als kon hij de vervlogen beelden zich niet meer voor den geest roepen, \'t Vooruitzicht van in den naderenden zomer, na volbrachten arbeid, met zijn broeder John, die uit Italië overkomen zou, Schotland te bezoeken, was in rook opgegaan. „Ik ongelukkige teekent hij in zijn dagboek aan, „ik kan maar niet weer opschieten met mijn ellendig boek\\quot;

Toch droeg de ramp al aanstonds hare vruchten. Man en vrouw werden door het leed nader tot elkaar gebracht. z/Mijne kleine heldin/\' schrijft Carlyle aan zijn broeder, „staat gereed, ook dezen slag van \'t lot met mij te dragen. Wij zullen niets vreezen, dan in handen van den verzoeker te vallen.quot; In September van hetzelfde jaar kon hij aan zijn broeder schrijven, dat de laatste regel van het bewuste deel wederom geschreven was. Zijne vrouw was van oordeel dat de tweede bewerking beter was dan de eerste.

In de maand Januari van het volgend jaar was de Geschiedenis der Fransche Revolutie voltooid. Gereed uit wandelen te gaan, gaf Carlyle het handschrift aan zijne vrouw ter lezing met de woorden: „Ik weet niet, of dit boek iets waard is, noch wat de wereld er mee doen of niet mee doen zal; maar dit kan ik haar zeggen: gij hebt in de laatste honderd jaren geen boek gehad, dat meer rechtstreeks en gloeiend uit het hart van een levend man is gevloeid. Doe er mee wat gij wilt!quot; — De wereld heeft de waarheid van dat woord begrepen, want niet een van Carlyle\'s werken bracht in Europa en Amerika zulk een electrieken schok te. weeg; in niet één geeft hij zulk een levende galerij van menschelijke beelden en treedt hij zoozeer als dramatisch dichter op als in ziju Fransche Revolutie.

Maar al zou dit boek diepe sporen achterlaten, niet

-ocr page 200-

190 THOMAS CAKLYLE EN JANE WELSH.

aanstonds braclit het zijne rente op. En de nood wus-weder nijpend. Men sprak van eene uitnoodiging tot het houden van voordrachten, die uit Amerika zou komen. Zijn vaderland evenwel had oudere rechten. Miss Marti-neau zette de zaak op touw en in \'t voorjaar hield Carlyle voor een uitgelezen gehoor een zestal voordrachten over Duitsche letterkunde. Hoezeer men zich verbazen mocht over zijn Schotsch accent, zijne stootende voordracht, zijn wonderspreukigen redeneertrant, toch had hij spoedig zijn gehoor veroverd. Er volgde een tweede, een derde reeks en zij baanden den weg tot de beroemde lezingen over „Helden en heldenvereering.quot;

In die schitterende voordrachten ontwikkelde Carlyle weer eene Jievelingsgedachte, die geheel zijne beschouwing der geschiedenis beheerscht. Ver verwijderd was hij namelijk van de opvatting, als zou de vooruitgang der menschheid voornamelijk, zoo niet uitsluitend, in vermeerdering van kennis te zoeken zijn; diep afkeerig van die nivel-leerende voorstelling der historie, die de groole mannen beschouwt als de schepselen, niet als de scheppers van hun tijd, ja ternauwernood plaats voor hen laat, daar toch alle menschen in hoofdzaak gelijk zijn. Tegenover zulk eene demokratische opvatting was hij aristokratisch in merg en been. De groote menigte is volgens hem arm van hoofd en hart, zwak in kennis en in zedelijke kracht. Alleen de besten regeeren de wereld.

,/De algemeene geschiedenis/\' zoo heette het in den aanvang zijner eerste lezing, „de geschiedenis van \'tgeen de mensch in deze wereld heeft tot stand gebracht, is in den grond de geschiedenis der groote mannen die daar hebben gewerkt. Zij waren de leiders der menscheid, de modellen, de stalen en, in ruimeren zin, de scheppers van

-ocr page 201-

THOMAS CAULYLE EN JANE WELSll. 191\'

\'t geen de groote menigte trachtte te doen of te bereiken;, alles wat we in de wereld verwezenlijkt zien is eigenlijk het uiterlijke resultuat, de praktische belichaming van gedachten, die de Groote Mannen, in de wereld gezonden, bezielden; de ziel van heel de wereldgeschiedenis is, wel beschouwd, h u n n e geschiedenis. Hoe zouden we aan dit onderwerp voldoende recht doen weervaren!

Eén ding troost ons, dat liet gezelschap van Groote Mannen, hoe ook beschouwd, rijk aan winst is. Wij kunnen een groot man niet aanzien, iioe gebrekkig ook, zonder iets van hem te leeren. Hij is een levende lichtfontein,, dien men met welgevallen nadert; het licht, dat de duisternis -• der wereld verlicht, en dat niet maar als een aangestoken lamp, maar veeleer als een natuurlijk licht, schijnend als eene hemelgave; een vloeiende lichtbron van oorspronkelijk aangeboren inzicht, van mannelijkheid en edelen heldenmoed, in welks stralen allen gevoelen dat \'t hun wel is.quot;

Achtereenvolgens gaat hij na, hoe de heros in de geschiedenis optreedt als godheid, als profeet, als dichter, als priester, als letterkundige en als koning.

Aanvankelijk wordt de held aangebeden als een god. Odhin, die hem daarvan de type is, verkondigt zijn volk het goddelijke in de natuur en werd zoo hun Onderwijzer en Aanvoerder. Zoo was het Heidendom niet louter leugen, maar eene goddelijke openbaring. Zoo is ieder mensch eene belichaming van de godheiden ligt er een diepe waarheid in Novalis\' woord: „ev is maar één tempel, \'smen-schen lichaam.quot;

Als profeet treedt de heros op in Mohammed, die geen bedrieger was, maar een oprecht prediker van blijvende waarheid. Of ligt die niet in de beide hoofdgedachten van

-ocr page 202-

•192 THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH.

dezen godsdienst; Allah akbar, Allah is groot en Islam, overgave\'? Wat beteekent de dienst van een afgodsbeeld, ingesmeerd met olie en was, zoodat de vliegen er op blijven kleven\'? God alleen bestaat en in de harmonie met zijne bevelen ligt bet leven. Ik ken tot op dezen dag geen betere bepaling van plicht, dan Islam, zelfovergave, toewijding.

Heroïsch is eveneens de verschijning van den dichter, dien Garlyle in Dante en Shakespeare vertegenwoordigd ziet. Dante geeft uiting aan \'t geloof der middeleeuwen en beschrijft de onzichtbare wereld. Shakespeare daarentegen schildert de uiterlijk waarneembare wereld, maar .in haar binnenste kern. Zijne personen gelijken op uurwerken, met wijzerplaten van doorzichtig kristal; zij wijzen het uur aan, evenals alle andere; daarenboven is het inwendig mechanisme zichtbaar.

In Luther en Knox ziet hij den heros als priester. Luthers optreden te Worms is hem het grootste morrent in de nieuwe geschiedenis. Het Engelsche Puritanisme, Engelands en Amerika\'s parlementair leven, de Fransche omwenteling, de kiem van dat alles ligt in Luthers mannelijk woord: „ik kan niet andersquot;; had hij op dat oogenblik anders gehandeld, alles ware anders geweest! Zoo is er ook in de geschiedenis van Schotland eigenlijk maar ééne gebeurtenis, zij bevat niets van belang voor de wereld, dan de hervorming vaii Knox. Schotland was een land zonder ziel, waarin niets was ontwikkeld dan wat ruw, uitwendig, half-dierlijk was. Maar bij de Reformatie ontgloeit het innerlijke leven, onder het geraamte, als \'t ware van den dood. Eén gedachte, de edelste van allen, ontvlamt en wordt als een baken omhoog geheven; hoog als de hemel, toch bereikbaar van de aarde; waarbij de ge-

-ocr page 203-

THOMAS CAKLYLE EN JANE quot;WELSH. 193

•ringste man een burger wordt niet alleen, maar een lid Tan Christus\' zichtbare kerk, een waarachtig held, als hij blijkt een waar man te zijn!

Knox had veertig jaren in \'t duister geleefd, eer hij aan \'t licht trad. Hij had zich gevoegd bij den kleinen kring van hervormingsgezinden die in St. Andrews Castle samenkwamen, toen op zekeren dag de prediker, aan\'t eind van zijne opwekking gericht tot deze strijders voor eene verloren zaak, eenklaps zei, dat er andere sprekers •moesten optreden, dat tillen, die het hart en de gave van een priester in zich voelden, zich moesten doen hooren. Zulk een hart en zulke gaven had immers een uit hun midden,^ met name John Knox. „Heelt hij niet?quot; zei de prediker, ■een beroep doende op zijn gehoorwat is dan zijn plicht?quot; Het volk antwoordde toestemmend; hield zulk een man het woord terug dat in hern sluimerde, dan was hij een misdadiger, die zijn post verzaakt. De arme Knox was genoodzaakt op te staan; hij traciitte te antwoorden, maar hij kon geen woord uitbrengen, barstte uit in een stroom van tranen en liep heen. Dat tooneel is de herinnering waard. Hij zat eenige dagen in hevige benauwdheid neer. Hij stelde zijne kleine kracht tegenover zijne groote taak. Hij voelde met welk een doop hij gedoopt moest worden. Hij „barstte in tranen uit.quot;

Op de galeien van de Loire, waarheen hij later met anderen gezonden wordt, houdt men hem een beeld van de Moedermaagd voor, met den eisch dat hij, de kettersche •Godslasteraar, het zal vereeren. „Moeder ? Moeder van ■God?quot; zegt Knox; „dat is geen Moeder Gods,\'t is een stuk hout, zeg ik u, met verf er op. \'t Is geschikter, denk ik, ■om te zwemmen dan om aangebeden te wordenquot;, voegt hij er bij en slingert het ding in de rivier.

-ocr page 204-

194

Zoo toont hij, hoe een man juist door oprechtheid heroïek: wordt. „Daar ligt hijquot;, sprak men bij zijn graf, „die-nooit het aangezicht van een mensch vreesde.quot; Meer dan. iemand uit den nieuweren tijd gelijkt hij naar een profeet, der oude Hebreen. Gij berispt hem om zijne onverdraagzaamheid ! Maar wij zijn hier niet om te „verdragenquot;\' valschheden, dieverijen, onbillijkheden, als zij op ons aanstormen. quot;We zeggen tot hen ; ge zijt valsch, onverdraaglijk. In dezen zin gewis is Knox overdraagzaam geweest.quot;

Heroën vindt men onder de mannen van letteren, sinds zij door de drukpers koningen der aarde zijn geworden. De mannen, die hem daarvan de typen zijn; Johnson,. Rousseau en Burns hebben oprechtheid en waarheidsliefde gemeen. Of was niet Johnson\'s moraal: zuiver uwe ziel van bedrog\'? Heeft niet Uousseau\'s heroïsme, al was-\'t onder nevelen van ijdelheid verborgen, aan de valsche beschaving den oorlog verklaard? Werd niet Burns, de onbeschaafde boer, door zijne moreele kracht, het middelpunt van het geestelijk leven zijns volks?

In Cromwell en Ndpoleon eindelijk ziet hij toonbeelden van den held-koning. Een koning toch is een Cönning, een bekwaam man, een man die zich niet door schijn laat bedriegen. Vind in eenig land den bekwaamsten man die er bestaat, verhef hem tot de hoogste plaats en schenk hem oprechte vereering, dan hebt ge een uitstekend bestuur voor dat land; geen stembus of parlementaire welsprekendheid,, geen constitutie-vorming of andere machinerie, van welken aard ook, kan dat verbeterenquot;.

Welsprekende profetiën, krachtige geloofsovertuigingen zijn deze voordrachten van Carlyle, welke hij op scb rift bracht,, na die te hebben uitgesproken. Uit een historisch oogpunt mogen zij hier en daar aan bedenking onderhevig zijn

-ocr page 205-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 195

— de voorstelling van Odhin b. v. is stellig verouderd en onjuist — voor de kennis van Garlyle\'s karakter en levensbeschouwing hebben zij groote waarde. In al de door hem geteekende portretten vindt men trekken van zijn eigen beeld terug. Vandaar de warme gloed die er over uitgespreid ligt, de bezielende invloed dien zij oefenen. De historiebeschouwing, die bij in zijne lezingen over helden in breede trekken had ontwikkeld, werd in twee uitgebreide werken, zijn Cromwell en zijn Frederik de Groote in bijzonderheden toegepast, \'t Zijn twee heldenbeelden, in de lij.st van hunnen tijd gevat.

Dat van Olivier Gromwell teekende hij met bijzon-, dere voorliefde. Geen wonder! Hij had hier te doen met een man, die vleesch van zijn vleesch en been van zijn been was; een volbloed-puritein, een ge-loovig radikaal, levende in een tijd, toen huichelarij niet fatsoenlijk was en men de taal nog niet beschouwde, als een middel om de gedachte te verbergen. Juist omdat het hem zoozeer ter harte ging, worstelde hij vier jaren lang met dit onderwerp. Eerst trachtte hij een geregeld verhaal van Cromwell\'s leven te geven, maar toen hij hierin zichzelf niet kon voldoen, wierp hij zijn handschrift, voor de helft reeds afgewerkt, op het vuur en vatte zijn onderwerp van een andere zijde aan. Uit de door hem medegedeelde brieven van Gromwell en zijne redenen, in het Parlement gehouden, ontwerpt hij zijn beeld, zoodat het daar levend voor ons staat, niet als dat van een geestdrijver die, door eerzucht verleid, in een huichelaar ontaardt, maar als dat van een ernstigen volksleider, die, hoe men zijn streven beoordeele, waardeering en eerbied verdient. Hij vindt hier de bevestiging van zijn lievelingsdenkbeeld, dat niet de parlementen.

-ocr page 206-

•19G THOMAS CAULYLE EN JANE WELSH.

met hunne eiadelooze deLatten, niet de toevallige meerderheden, met hare wisselende meeningen, maar de enkelen, de besten de wereld regeeren.

Niet een zijner werken wellicht werd met zoo algemeene ingenomenheid ontvangen, als zijn Cromwell. Eene zoo onpartijdige voorstelling van den grooten Protector, uit zijne eigene brieven en redenen saamgeweven, was ieder welkom. Binnen weinige maanden zag eene tweede, vermeerderde uitgave daarvan het licht en Garlyle, tot de middaghoogte van zijn invloed en roem gestegen, kon genieten van \'t besef, dat hij een goed werk verricht had. Maar het, „repos ailleursquot; bleef zijne leus. Onmiddellijk voelde hij zich aangetrokken door een ander onderwerp. Het beeld van Frederik den Groote rees hem voor den geest.

Toch verliepen er eenige jaren, eer hij dit reuzenwerk aanvaardde. Een reuzenwerk toch zou \'t zijn, in vergelijking waarmee zijn Cromwell slechts kinderspel was. Eene geschiedenis van Frederik den Groote was voor hem eene geschiedenis van de IS116 eeuw in \'t algemeen. Wat al boeken en mémoires, dagbladen, brieven en staatspapieren moesten er voor worden nageslagen! Ja, eene reis in Duitschland, een persoonlijk bezoek aan slagvelden en andere historische plekken bleek daarbij onvermijdelijk.

Aanvankelijk deinsde Garlyle voor dit alles terug. Daarbij kwam dat de sociale vragen van den dag zijne aandacht vorderden en hij zich geroepen voelde daarvan 1,e getuigen. Toch moest hij terugkeeren tot den man en tot de eeuw, waarop hij nu eenmaal \'t oog gevestigd had. Niet omdat de oude Frits een man was naar zijn hart. Dezen ontbrak die piëteit, dat warm godsdienstig geloof die hem in Cromwell aantrokken. Maar hij was geen huichelaar, hij

-ocr page 207-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 197

wist wat liij wilde en door zijn karakter en zijne bekwaamheden beheerschte bij zijn tijd.

Nadat Carlyle langer dan een half jaar onafgebroken stof verzameld bad, ondernam hij op \'t eind van Augustus -1851 de lang beraamde reis naar Duitschland, vergezeld door zekeren beer Neuberg, een Duitschen bewonderaar. Over Bonn, vanwaar bij een schat van boeken uit de universiteitsbibliotheek medenam, trokken zij naar Frankfort en Hamburg. Naar Weimar en den Wartburg deden zij een eerbiedige bedevaart. Met groote piëteit beschrijft bij aan zijne oude moeder zijn bezoek aan Luthers cel: „Ge opent eene deur en treedt eene kleine kamer binnen, kleiner dan uw mooiste kamer te Scotsbrig, ja \'kdenk haast kleiner dan uw kleinste; een armoedig, laag vertrek, met een oud venster met in lood gevatte ruitjes; voor mij de eerwaardigste van alle kamers, die ik ooit binnentrad. Daar staat Luthers oude eikenbouten tafel, omstreeks drie voet in \'t vierkant, en een kolossaal fossiel been, de wervel van een mammoeth, dat hem tot voetbank diende. Overigens behoorde hem zeker niets toe van \'t geen nu in die kamer is. Ik kuste zijne oude eikenhouten tafel, keek uit zijn venster, dat men voor mij opende, langs den wand van het kasteel in een diepen afgrond, over de breede ruggen van statig begroeide bergen en dacht bij mijzelf: „hier leefde eens voor een, tijd een van \'sHeeren krijgsknechten. Eere zij hem \\quot;

Verder liep de tocht over Leipzig, Dresden en Berlijn, waar alle sporen die de groote Frederik achterliet, natuurlijk zorgvuldig werden nagégaan. Toen de reis, voorgesteld als een soort van Odyssee, vol bezwaren en gevaren voor een zoo prikkelbaar en zenuwachtig man, was afgeloopen, beloofde bij zichzelven die nooit weer te wagen. Zoolang

-ocr page 208-

■198 THOMAS CARLYLE EN JAÏiE WELS1J.

hij in Duitschland was, kon hij niets te eten krijgen geschikt voor een christenmenseh en geen bed groot genoeg om in te slapen. De ledikanten waren allen te kort en aan troggen gelijk. Hij had, zoo heette het, geen oog geloken in de zeven weken die hij in Duitschland doorbracht!

Maar voor zijn arbeid droeg de expeditie goede vruchten. Bijna vijftien jaren van zijn leven wijdde hij daaraan, opgesloten in het hoog vertrek, dat een paar duizend boek-deelen bevatte, min of meer met het onderwerp verwant, en welks wanden, voor zoover ze niet door boeken waren ingenomen, bedekt waren met prenten en afbeeldingen, betrekkelijk Frits en zijne veldslagen. Met moeite zette hij dien arbeid voort. ,/Geen voldoening hoegenaamd vond ik er in,quot; zoo klaagde hij tegenover Varnhagen von Ense, ,/alleen arbeid en moeite. Wat voor den duivel had ik niet uw Frederik te maken \\quot; Het boek draagt dan ook maar al te duidelijk de sporen van de moeite enden weerzin, waarmee het ter wereld werd gebracht. Carhie zelf voelde te weinig sympathie voor den vorst-vrijdenker, den voorvechter der verlichting, om anderer belangstelling voor hem te wekken en er behoort moed toe, hem te volgen door den ingewik-kelden doolhof der Pruisische politiek. Toch verraadt zich in de schildering van Frederiks portret en van zijne verhouding tot Voltaire, gelijk op zoo menige andere plaats, de meesterhand.

Carlyle\'s historische werken werden afgewisseld door verschillende vlugschriften over den maatschappel ijken toestand van zijn vaderland. Want hij behoorde niet tot die geschiedschrijvers, die zich in \'t verleden begraven en, verdiept in de studie van den voortijd, \'t oog sluiten voor het leven en streven van hunne tijdgenooten. Neen, gelijk hij de historie beschouwde

-ocr page 209-

199

imet het oog van een profeet, zoo gevoelde hij behoefte zicli nu en dan rechtstreeks te doen hooren over de vragen van den dag. De groote volksbeweging, die onder den naam van het Chartisme bekend staat, wekte zijne levendige belangstelling en in menig opzicht zijne sympathie. Hij had hart voor het verzet der arbeiders tegen de aristokratie van grondbezit en kapitaal; hij ergerde zich in \'t diepst zijner ziel aan de korenwetten, die den vrijen handel belemmerden, en toen vooral in het laatste tiental jaren van de eerste helft onzer eeuw de slapte van den handel en het gebrek aan arbeid, de duurte van het brood en de dreigende hongersnood overal bezorgdheid baarden, brandde hem \'t woord op de lippen. In zijne geschriften; „Over het Chartisme/\' „Voorheen en Thans/\' „Pamfletten van later dagenquot; stortte hij zijn hart uit in eene taal, gloeiend van heilige verontwaardiging, maar ook gekenmerkt door schromelijke overdrijving ■en onbillijkheid. Hier meer dan ergens is hij een Bedouien, wiens hand tegen allen is, gelijk aller hand tegen hem. Zijne artikelen waren, gelijk hij \'t zelf uitdrukte, even verbazingwekkend voor Girondijnen en Radikalen, als voor nietscloende Aristokraten, Conservatieven en ongeloovige Whigs. Het thema „dat waarheid gesproken en recht gedaan moet wordenquot;, het koste wat het wil, vormt hier de iioofdgedachte. Leven de beginselen, al moge de wereld vergaan, is de\' onveranderlijke grondtoon. Tegen do heerschende ekonomische begrippen die, bij onvoorwaardelijke toepassing van het beginsel van „laissez fairequot;, de wet van vraag en aanbod lieten heer-schen, al moeten ook duizenden individuen daarbij te gronde gaan, komt hij op \'t heftigst in verzet.

Den machtigsten indruk maakte zijn „Past and Present.quot;

-ocr page 210-

200

Op een rit door Suffolk, ter wille van zijne CromweU\'-studiën ondernomen, kreeg hij een diepen indruk van het ontzettend kontrast van weelderigen rijkdom en schamele-armoede in het Engeland dier dagen; van den wrok van duizenden hongerlijders, enkel in bedwang gehouden dooide banden van gewoonte en overlevering. De kennismaking met de kroniek van Jocelijn de Brakelonde, met hare-levendige schildering van het Engelsche leven in de ISde eeuw, leidde hem tot de studie van het leven der monniken in het klooster van St.Edmund, en in \'t algemeen tot de tegenstelling van het middeleeuwsche kloosterleven en het jagen en woelen der nieuwere maatschappij.

Met buitengewonen spoed en zonder de gewone barensweeën wierp hij het boekske in de zeven eerste weken van 1843 op \'t papier. Met bittere en billijke ironie verdedigt hij den paradox, dat de vrije arbeider dier dagen, verkrijgbaar voor concurreerende prijzen, de laagste die-hem in \'t leven konden houden, dieper te beklagen was, dan, de lijfeigene der middeleeuwen, ja dan de Neger uit Carolina.

De verslapping van het zedelijkheids- en rechtsgevoel schrijft hij aan het gebrek aan godsdienst toe. „Onze godsdienst is gewekenquot;, zoo klaagt hij. ,/Om \'t ouderwetsch uit te drukken: wij hebben God vergeten.quot; We hebben stillekens onze oogen gesloten voor de eeuwige zelfstandigheid der dingen en die enkel opengehouden voor de uiterlijke vertooning en den schijn. Wij houden dit heelal inwendig voor een groot, onbegrijpelijk Misschien: uitwendig, \'t springt in het oog, is het een groote Veestapel, een Werkhuis met uitgebreide Keukentoestellen en Eettafels, waaraan \'t een voorrecht heeten mag eeneplaats te vinden! Al de Waarheid van dit Heelal is onzeker; alleen zijn winst en verlies, zijn pracht en praal\'

-ocr page 211-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 201

zijii en blijven zichtbaar voor den praktischen man/\'

Wat, is liet groote geneesmiddel voor al die maatschappelijke ellende? Het inzicht in de waarheid: ^laborare est orare, arbeiden is biddenquot;, met andere woorden; trouwe,, nauwgezette arbeid is gehoorzaamheid aan de wetten Gods. //Wie zijt gij die snoeit op uw leven van ledigheid, die met welgevallen uwe schitterend vergulde rijtuigen, uwe kostbare kussens vertoont, gemakkelijk en uitlokkend tot genisten slaap? Wanneer ge opwaarts ziet, of naar beneden, rondom, achter of voor u, ziet ge ergens, tenzij in een sprookje alleen, een ledigen held, heilige, god of duivel zelfs? Geen spoor daarvan. In de hemelen, op de aarde, in de wateren onder de aarde is er niemand aan u gelijk. Gij zijt een oorspronkelijke figuur in deze schepping. Eén monster is er in de wereld: de luiaard. Wat is zijn godsdienst? Dat de natuur een hersenschim is, waarin slimme bedelarij of dieverij soms goed den kost kan vinden. Dat God een leugen is, zoowel als-de Mensch en zijn Leven. Helaas, helaas, wie onzer is er die zeggen kan: ik heb gewerkt! De getrouwsten onzer zijn onnutte dienstknechten en kunnen met den bedroefden, oprechten ouden Samuel zeggen: „Een groot deel van mijn leven is verbeuzeld geworden.quot;

Doch wat te zeggen van hern, die geene andere functie-heeft en, behalve bij publieke gelegenheden, erkent er geen andere te hebben, dan die van leeg té loopen op een bevallige of onbevallige manier en van zonen te verwekken die leeg-loopen en hun, die ten minsten weven of graven toe te roepen: „Gij schandelijke menschen die te veel produceert! Mijne korenwetvrienden, over welke denkbeeldige nog rijkere Dorado\'s en ijzeren spiesen snelt gij, door de zwaartekracht gedreven, voort \\quot;

-ocr page 212-

\'202 THOMAS CAllLYLE EN JANE WELSH.

Genoeg, want Carlyle\'s overspannen taal in zijne sociale vertoogen is haast niet weer te geven. Toch is die taal nog gematigd, in vergelijking van den gezwollen toon, die in zijne latere pamfletten heerscht. Hier niets dan klachten en grieven tegen de maatschappij zijner dagen! Engelands nijverheid heet een groote gifpoel, vol walmende pestdampen, de constitutie een onbereikbaar en de bereiking onwaardig ideaal, de staathuishoudkunde eene onheilswetenschap, het parlement eene nationale kletsvereeniging.quot;

Moe kan \'t ons leed doen dat een man, die aan zijn volk zulke ernstige waarheden te zeggen had, en dat soms wist te doen op zoo aangrijpende wijze, door onberaden heftigheid zijn invloed verzwakte en zichzelven in den weg stond!

Toch zijn het waarheden die hij verkondigt, ontzettende waarheden, die ons thans meer dan ooit in de oogen -springen. De woelingen onzer sociaal-demokraten, door fanatieke leiders opgezweept, vervullen ons met een gemengd gevoel van deernis en ergernis. Deernis met de ongelukkige slachtoffers van overbevolking en overproductie, die zich door gevaarlijke demagogen naar den afgrond laten sleepen; ergernis over de blinde leidslieden die roekeloos spe-ilen met vuur. Toch heeft die onrustbarende gisting hare heldere lichtzijde. Zij opent ons de oogen voor de wonde plekken van ons maatschappelijk leven, zij doet ons inzien dat niet liet „Mammon-evangeliequot; maar het evangelie der zelfverloochening het redmiddel is in den nood; ze doet ons diep gevoelen: wat ons ontbreekt is „sociale rechtvaar-■ digheid\'\' en wij mogen niet rusten, eer zij verwerkelijkt is.

Daarom is de invloed van Carlyle als maatschappelijk hervormer groot en onweerstaanbaar en zal die toenemen .bij den dag. \'t Ging hem gelijk Israels profeten. Al waren

-ocr page 213-

THOMAS CAULYLE EN JANE WELSH.

de visioenen van een Amosen Hosea grillig en zonderbaar, de beelden van een Jesaja gezocht en stout, al haalde Jeremia zich den haat en de vervolging van zijne tijdge-nooten op den hals, toch dwongen zij eerbied en vertrouwen ai\'; al mocht men hen verachten, naar hen luisteren moest men. Niet anders ging het den ziener van Chelsea. Alle partijen had hij beleedigd, alle sekten tegen zich ingenomen. Toch erkenden allen, dat hij een man was van schitterende gaven niet alleen, maar ook van onkreuk-baren waarheidszin. Toch voelden allen de waarheid van Emersons woord: ;/een nieuw denker is op onze planeet neergedaald \\quot;

Wat was het geheim van dien onzaglijken invloed\'? Wat anders dan zijn hooge ernst en zijn innig-godsdienstige natuur! Hoewel hij aan\'toude kerkgeloof ontwassen en van het supranaturalisme vervreemd was, stelde hij toch nooit de ontkenning op den voorgrond, ja den kritischen arbeid van geleerden als Strauss en Renan wist hij te weinig te waardeeren. Maar terecht zegt Froude,zijn levensbeschrijver •en bewonderaar; „Hij was de eerste om ons Gods werkelijke tegenwoordigheid nu, in deze hedendaagsche wereld te doen zien; niet in redekundige wendigen en schoone gevoelens, niet in twijfelachtige wonderen, als van Lourdes of La Salette, maar in letteren als van vuur, die allen konden lezen, geschreven in het boek der menschelijke ■ervaring. Voor hem is Gods bestaan niet eene bewijsbare waarschijnlijkheid, een feit welks zekerheid afhangt van ■kerkelijk gezag, of van apostolische opvolging, of van zoogenaamde historie, die wellicht kan blijken niet meer dan legende te zijn, maar een ontzaglijke werkelijkheid, waarvan de lotgevallen der volken, het lot van iederen .mensch in \'t bijzonder, voortdurend getuigenis alleg-

igt;03

-ocr page 214-

204 THOMAS CARLïLE EN JANE WELSH.

gen. Hier en hier alleen is de bekrachtiging en de be-teekenis van het woord plicht gelegen. Wij hebben ons werk te doen, niet omdat het voordeelig blijken zal en we daarvoor beloond zullen worden, maar omdat wij door het gebod van een Meerdere gehouden zijn het te doen. Wij moeten rechtvaardig zijn en waar, omdat God het onrecht verafschuwt en de leugen haat, en omdat wij rekenschap van onze woorden en daden hebben af te leggen.quot;

Met andere woorden: de zedelijke orde is hem de-hoogste Godsopenbaring, die hem met eerbied en ontzag vervult, \'t Heelal is hem „een levend, onuitsprekelijk,, goddelijk wezen, tegenover \'t welk de beste houding, bij al de wetenschap die men bezitten moge, altijd is die van ontzag, vrome vereering en nederigheid van ziel, aanbidding, zoo niet in woorden, dan in stilte/\'

Tegenover dat alles omvattend wonder zinken alle dusgenaamde wonderen in \'t niet. ,/t Is wiskunstig zekerquot;,, zeide hij, „dat niets van dien aard ooit geschied is of geschieden kan.quot; De historische godsdiensten, het. Christendom daaronder begrepen, waren in zijn oog de opeenvolgende pogingen der menschheid om \'smenschen plicht en roeping te verklaren. Maar wat hij ook betwijfelen of ontkennen mocht, twijfel aan het bestaan van goed en kwaad, aan \'s menschen verantwoordelijkheid drong nimmer door in zijne ziel. Vandaar, dat hij zich tot streng zedelijke naturen als Calvijn en Knox, als Cromwell en de Puriteinen zoo sterk aangetrokken voelde, al was-hunne dogmatiek de zijne niet. Vandaar, dat hij aan zijne vrome moeder schrijven kon, dat haar geloof hetzelfde was als het zijne, al spraken ze ook een geheel: andere taal. Vandaar, dat hij het gebed zoo hoog waar-

-ocr page 215-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 205

■deerde, als ,/een wenden van de ziel, in heroïeke vereering, in eindeloos verlangen en streven naar het Hoogste, Alles te boven gaande, Alomvattende.quot; Maar vandaar tevens zijn diepe afkeer van dien armzaligen, verminkten godsdienst van lafaards, waartoe men het Christendom had misvormd, van die „kerkgewaden vol gaten en scheuren, die ledige vormen en maskers, alleen dienstig om er pluksel van te maken voor de wonden der menschen, of om tot tonder gebrand te worden, dienstig tot wetenschappelijke doeleinden, of tot onderhouding van het keukenvuur/\' Vandaar eindelijk zijn vast geloof, dat do godsdienst in een onopgemerkten hoek bezig is zich een gewaad te weven, waarin hij weder te voorschijn zal komen, om ons of onze kinderen en kleinkinderen te .zegenen.

Waar wij zoo zoeken door te dringen tot Carlyle\'s persoonlijk en verborgen leven, daar dringt zich ten slotte een pijnlijk raadsel aan ons op, dat we althans eeniger-mate te verklaren hebben. Wij staan voor de kwellende vraag: hoe is \'t mogelijk dat een man, zoo ernstig en nauwgezet, zoo warm en gevoelig van natuur, de vrouw van zijne keus zoo heeft verwaarloosd en miskend? quot;Want dat bedroevend feit is, na de uitgave van de brieven en gedenkschriften van Mevrouw Carlyle en van zijne eigene bekentenissen, volkomen uitgemaakt.

Pogen we dat raadsel op te lossen, dan doel in \'t algemeen de vraag zich aan ons voor, of genieën die leven in de wereld der gedachte, profeten die opgaan in hunne levensroeping, het recht hebben zich eene levensgezellin te kiezen. Jezus en Paulus, Augustinus en Kant, Pascal

-ocr page 216-

200 THOMAS CAKLYLE EN JANE WELSH.

en Spinoza, Beethoven en Mozart gingen onverzeid door \'t leven en eene betrekkelijke waarheid ligt er in den eisch van het celibaat, den priester gesteld. Deze hoogepriester in het rijk der gedachte koos zich niet straffeloos eene aardsche bruid.

\'t Was alsof Jane Welsh een angstig voorgevoel had van liet lijden, waarop de verbintenis met dezen reus haar zoui te staan komen. Zoolang mogelijk, wij zagen het, weerstond zij Carlyle\'s aanzoek. En als zij eindelijk voor zijn aandrang zwicht, schrijft ze hem: „ik weet niet, hoe uw geest zulk: een overwicht over den mijnen heeft verkregen, in spijt van mijn trots en mijne onverzettelijkheid. Maar \'t is eenmaal zoo. Hoewel tegenover anderen koppig als een muildier, ben ik tegenover u buigzaam en onderworpen. Ik luister naar uwe stem, als naar die van mijn tweede geweten, bijna even ontzagwekkend als de stem, die de natuur in mijn binnenste doet hooren. Van waar hebt ge die macht over mij? Want ze is niet enkel het gevolg van uw genie en van uwe deugd.quot;

Geen zwakke en meegaande natuur dus was het, maar eene vrouw van een fier en onverzettelijk karakter, van hare buitengewone gaven en ontwikkeling zich ten volle bewust, die zich aan Carlyle wijdde met al de zelfverloochening van eene edele ziel. Terwijl h ij in hoogere sferen zweefde, deed z ij \'t ruwe werk, stond zij, de fijn-beschaafde vrouw in de keuken en aan de waschtobbe,. veegde zij den vloer en bakte zij het brood, als de geringste dienstmaagd. Met onuitputtelijk geduld verdroeg zij de uitbarstingen van zijn slecht humeur en hoerde ze zijne eindelooze klachten over slapelooze nachten aan. Hoe sterk ook het eenzame leven op de barre heide haar zenuwgestel aangreep, zij hulde zich in een mantel van

-ocr page 217-

207

Stoïcisme, die haar lijden Aquot;oor Carlyle verborg. Als hij: des middags, na zijne gebruikelijke wandeling of rit te paard in een van Londens parken, vóór den maaltijd zich een uurtje aan haar wijdde, ontving ze hem, hoe zwak en lijdend ook, altijd niet denzelfden vriendelijken glimlach en was dit voor beiden liet feestelijkst oogenblikvan. den dag.

„Als ik/\' schrijft Carlyle in zijne Herinneringen, „tusschen 5 en C uur \'s middags t\'huis kwam, trachtte ik een uur te slapen, vóór mijn eenzamen, soberen maaltijd. Maar vooraf kwam ik een half uur bij haar in de woonkamer, waar een helder vuurtje vroolijk brandde in \'t half donkere-vertrek. Als ik daar mijn brandewijn met water dronk en mijne pijp tabak rookte, zittend op den grond, met mijn rug naar de deurpost, zoodat al de rook, als ik daarop lette, in den schoorsteen trok, dan was dat het heldere cogen-blik van mijn donkeren dag. O, die avonduurties, diemij nu\' niet meer wachten bij mijne thuiskomst, hoe schoon en gezegend waren zij! Zij lag gewoonlijk op de sopha, vermoeid evenals ik, van \'t geen ze dien dag gedaan en geleden had. Maar hare verhalen, zelfs al waren ze van droe-vigen iniioud, hadden zulk eene bevalligheid en waarheid,, zulk eene liefelijk klinkende melodie van een natuurlijk minnend hart, dat ik in mijn leven niets genoten heb dat daarbij haalt. Haar moed, geduld en stil heroïsme moeten, vaak onmetelijk groot geweest zijn!quot;

Ja, wel zijn ze dat geweest, want eerst na haren dood werd uit hare brieven openbaar, wat al strijd en lijden, dat leven van toewijding haar had gekost. Aandoenlijk is b.v., dit haar schrijven aan eene jonge vriendin, die haar kennis gaf van haar aanstaand huwelijk.

„En zoo zijt ge op \'t punt van te gaan trouwen! Gij!\'

-ocr page 218-

\'203 THOMAS CARLYLE EN JANK WELSH.

Nu reeds! Eu ge verwacht dat ik u geluk wenschen zal, of „misschien ook niet7\'. Ik bewonder de scherpzinnigheid Tau dat „misschien ook nietquot;. Waarlijk, melieve, ik wensch u alles goeds in \'t nieuwe leven, dat zich voor u opent! Ge trouwt onder goede voorteekenen, omdat uw vader uw huwelijk goedkeurt. Maar een gelukwensch bij die gelegenheid schijnt mij een verzoeken van de Voorzienigheid. De zegevierende bruiloftsmarsch die, ouder gewoonte, bij gelegenheid van het huwelijk wordt gehoord — dat aanheffen van een Te Deum eer de strijd is aangevangen — heeft, zoolang ik kon nadenken, mij getroffen als iets zinneloos en goddeloos. Als ooit het gebed, als ooit het gevoel van ernst en vrees op zijne plaats is, als ooit iemand terugdeinzen moet voor ijdele vertooning en beuzelpraat, dan zeker wanneer twee menschelijke wezens zich aan elkaar verbinden, om lief en leed te deelen tot de dood hen scheidt, juist bij die gelegenheid, die men alleen pleegt te vieren met vreugdebetoon en gelukwenschen, met bloemen en kransen! Goede God!quot;

Helaas, zoo sprak zij uit eigene, droevige ervaring. Want •een bange, tragische strijd was haar huwelijksleven, te tragischer omdat man en vrouw, onder \'t zelfde dak vaak zoover van elkaar verwijderd, tocli in den grond elkaar liethadden met geheel de ziel. Als zij niet onder één dak vertoefden, wat dikwijls voorkwam, want Carlyle maakte zijne veelvuldige reizen liefst alleen, wisselden zij bijna dagelijks brieven, waarin van weerszijden de hartelijkste belangstelling doorstraalt in eikaars werken en lijden. „Goede, beste man,quot; zoo schrijft Jane eens uit Templand, waar zij hare moeder was gaan bezoeken, als deze haar ondanks al haren aandrang niet op den bepaalden tijd wilde laten gaan, aan Thomas die op Craigenputtock

-ocr page 219-

THOMAS CAKLYLE EN JANE WELSH. 209

achterbleef. „Gij zeidet, dat ge u in mijn afzijn zoudt vervelen, en ik hoop van harte, dat ge u verveelt, \'t Zal zoo zoet zijn, dat alles weg te kussen hij mijne wederkomst. Gij zult mij pakken en al mijne kleine ondervindingen aanhooren en uw hart zal kloppen, als ge verleemt, hoe ik verlangd heb tot u terug te keeren. Ik denk ieder uur, elk oogenblik aan u. Ik heb u lief en bewonder u meer dan... ja meer dan eenig ding, mijn eigen lieveling! Maar Zondag weg te komen was niet in mijne macht, mijne moeder drong aan, smeekte en begon op \'t laatst te schreien...

Op zijne beurt schrijft hij een drietal jaren later uit het volle hart; ,/t Is geen ijdel woordenspel, \'t is een ernstig\' feit; mijne liefde vooru, die niet van\'t uiterlijke afhangt •en ouderdom en verval trotseert zal, dit durf ik voorspellen, ■sterker worden, hoe langer wij samen leven en zwoegen. .,Ta, Jeannie, al heb ik u in eene ruwe, barre wildernis gebracht, ik voel dat ik u gered heb. Houd mij met uwe armen omvat, wees mijn eigen profetes, mijn tweede ik en vrees niets, hoe ook de duivel dreigen moge!\'\'

Te laat, helaas! zag Carlyle in, dat hij eene liefde, zoo innig en oprecht gevoeld, maar al te weinig in daden had doen blijken, dat hij een trouw en edel hart had verwaarloosd en miskend. Daarvoor gingen hem de oogen open, toen zijne Jane hem plotseling ontviel.

In de Aprilmaand van 1866 had Carlyle in Edinburgh den triumf gevierd, dien we in het begin van deze schets beschreven. Zijne vrouw zat aan tafel met Dickens en Forster, toen Tyndall haar per telegraaf den schitterenden uitslag berichtte van de rede, daar door haren man gehouden. Zwak en kwijnend als ze was, voelde zij zich daardoor opgewekt. JS\'og eenige weken vertoefde hij in zijn

14

-ocr page 220-

210 THOMAS CAKLYLE EN JANE WELSH.

geliefkoosd Schotland. Terwijl allerlei bezoekers haair kwamen gelukwenschen en zij eindeloos vele brieven le lezen en te schrijven had, reed ze in den namiddag dagelijks uit in den open wagen, dien haar man haar ten geschenke had gegeven. Zoo deed ze ook den 21 «ten April. In Hydepark had zij het hondje, dat ze altijd met zich in het rijtuig nam, een weinig laten loopen, toen het diertjedoor een voorbij gaanden wagen overreden werd. Zij, stapte aanstonds uit, nam het geliefkoosd dier in hare armen met zich in \'t rijtuig, en reed verder. Toen een oogenblik later de koetsier meende te bespeuren, dat zij, onwel was, reed hij haar naar het St. George\'s hospitaal. Daar aangekomen werd zij dood gevonden, zittend met de handen in den schoot. Zij leunde in een hoek van het rijtuig, met een deken over hare knieën uitgespreid; hare oogen waren gesloten en alleen jie bovenlip een weinig opgetrokken. Wie haar in het rijtuig en in het hospitaaL zagen, roemden de schoone uitdrukking op haar gelaat.

Met\' diepe verslagenheid vernam Garlyle de droeve tijding. Zoo snel mogelijk reisde hij huiswaarts en weinige dagen later legde hij haar neer in \'t graf, waarin haar vader rustte. „Ontzettend is de slag die mij getroffen heeftquot;,, zoo schreef hij kort daarop aan zijn vriend Thomas-Erskine. „Heel mijn bestaan heeft hij uiteengescheurd,. zoodat het nu op eens in bouwvallen om mij heen ligt. In naam van haar die ik verloren heb, moet ik trachten het te herstellen en zooveel mogelijk op te bouwen, voor de weinige jaren of dagen die mij resten mogen. Dat moet de wijze zijn, waarop ik de nagedachtenis eer van haar,, wier geschiedenis op aarde nu voor me ligt, badende in droefheid, maar heerlijk schoon, ja van een soort van. epische grootheid en heroïeken adel, nu slechts aan.

-ocr page 221-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 211

één hart bekend.quot; Zoo begon thans de edele figuur dei-afgestorvene met toenemende klaarheid op te rijzen voor zijn geest, maar tegelijk greep een gevoel van knagend zelfverwijt hem aan. ,,0, kon ik haar nog maar eens zien/\' riep hij bij herhaling uit,ware\'t slechts voor vijf minuten, om haar te doen weten dat ik haar, ondanks alles, altijd liefhad. Zij heeft het nooit geweten, nooit!quot; In zijne sla-pelooze nachten en eenzame dagen vluchtte hij naar het verleden terug. Hij doorbladerde hare aanteekeningen en journalen en begon langzamerhand die ^Herinneringenquot; te boek te stellen, waarin hij Jane\'s beeld zoo aanschouwelijk geteekend heeft. Aandoenlijk is de wijze, waarop hij allerlei kleine trekken uit hun huwelijks-,,, leven in zijn geheugen terugroept. Als hij zich in de dagen van Craigenputtock verplaatst, schrijft hij: „Hoe kon zij de woestijn daar voor haarzelve en voor mij doen bloeien, welk een tooverpaleis maakte zij van die hut op de heide! In mijn leven heb ik geen menschelijk verstand gezien dat zoo, als vanzelf, lederen vezel van liet menschelijk bestaan doordrong. Van het bakken van een brood of het stoppen van eene kous, tot het zich bewegen in de hoogste kringen of moeielijkste toestanden, was alles overleg, waarheid, bevalligheid van beweging, trouw aan het eens verkregen inzicht.quot;

Na de ramp met het eerste deel der „Fransche Revolutiequot; ; //Ach, welk eene sympathie betoonde mijn lieveling me toen, hare armen om mijn hals slaande, nu eens klagend en treurend, maar dan ook weer mij aanmoedigend als een beter tweede Ik! Niets schooners ken ik onder den hemel.quot;

Nu eerst gaan hem de oogen open voor al het lichaams-en zielelijden, dat zijne arme vrouw te dragen had. ,/Zulke

-ocr page 222-

212 THOMAS CAKLYLE EN JANE WELSH.

hoofdpijnen zag ik nimmer in mijn leven, gepaard met zenuwtrekkingen en krampachtige trillingen, die van 24 tot CO uren konden aanhouden, zonder dat er eenige hulp was aan te brengen. Ach, wat al lijden had mijne arme Jeannie te dragen op haar doornig levenspad; de onopgemerkte heldin, enkel gadegeslagen door mij, die \'t nu eerst met heldere oogen zie!quot; Nu vloeit zijn hart over van dank voor hare liefde, met bitter zelfverwijt vermengd. „Dank, lieveling, voor uwe lichtende woorden en daden die mij, en niemand anders, voortdurend in de oogen blonken ! Ik was uwer, mijne godheid, onwaardig; de on-geloovige Thomas was ik, de wanhopende. Was ik gemakkelijk om mee om te gaan? En toch omstraalde zij mij voortdurend met haar glans en hield, in spijt van rnijne zwaarmoedigheid en barschheid, geen oogenblik op mij lief te hebben en te helpen!quot;

„O, mijne dierbare, bedroefd is mijne ziel om \'t gemis van u en ten einde toe zal zij dat blijven. Eenzamer schepsel is er voortaan niet op de wereld, voor wie geen persoon, geen werk noch eenig ding, in vergelijking met het verlorene, van waarde is. Soms is \'t, als knikt het beeld van haar, die in haar zegekar is heengegaan, in dien schoonen dood, mij glinsterend toe en als zegt ze: „ik ben heengegaan, mijn lieve, werk nog een weinig voort, zoo ge kunt; zoo niet, volg mij. Hier is laagheid noch ellende. Moed, moed ten einde toe lquot;

Het doet goed, die kreten van diepe smart en oprecht berouw uit Carlyle\'s mond te hooren. Opgesloten in den toovercirkel zijner eigene gedachten, was hij jammerlijk tekortgeschoten tegenover haar, die hij in den grond zoo innig liefhad. Nu wreekte zich aan hemzelven de zedelijke orde, wier onschendbaarheid hij zoo dikwijls aan anderen

-ocr page 223-

THOMAS CAKLYLE EN JANE WELSH, 213

gepredikt had. Maar indien eene jarenlange, ernstige boete een zondig verleden eenigszins kan uitwisschen, dan heeft hij \'t zooveel in hem was tenietgedaan.

Wel richtte hij zich met zijn krachtig lichaam en zijn kloeken geest langzamerhand uit zijne eerste verslagenheid op; wel restten hem nog elf jaren van denken en werken, maar bewolkt en somber was toch de avond van zijn leven. In zijne eenzaamheid bleven zijne weinige, maar echte vrienden hem trouw ter zijde staan, voorzoover hij daarvoor vatbaar was. Want zoo op zichzelf staand en in zichzelf gekeerd was deze wonderbare kluizenaar, dat niemand hem volkomen kon genaken. „Kunnen vrienden veel voor iemand doen\'?quot; schreef hij eensin zijn-dagboek. „In den omgang vind ik hier dat ik bijna niets ontvang, \'t meest, en dat nog zeldzaam, is een louter aannemen van \'t geen ik geef. Alleen, alleen!quot; „Mogen wij voelen/\' zoo placht mijn goede vader te bidden, „dat wij niet alleen zijn, omdat de Heer met ons is

Toch waren er enkelen, die min of meer den weg vonden tot zijn hart. Irving en Sterling, in de eerste plaats, die hij beiden hartelijk liefhad. Den eerste herdacht hij in zijne Herinneringen, den laatste in zijn Leven van Sterling, een aantrekkelijk boekske, wellicht het kalmste en teederste van alles wat hij schreef. Maar beiden waren reeds sinds jaren heengegaan. Leigh Hunt, zijn buurman in Chelsea, hield hem menigmaal bezig\'met zijn onderhoudenden, gezelligen kout, al ergerde Carlyle zich vaak aan zijn luchthartig optimisme. Ctuart Mill, hoezeer zijn tegenvoeter op philosophisch en ekonomisch gebied, steunde hem met zijne uitgebreide kennis en zijne hartelijke vriendschap. Moncure Conway, de geestvolle Amerikaansche prediker van South-place Chapel, was zijn trouwe metgezel op zijne namid-

-ocr page 224-

214 THOMAS CAllLYLE EN JANE WELSH.

dagwandelingen. Froude stichtte in een viertal lijvige boekdeelen hem een eerezuil, van des te hooger waarde, omdat hij niet schroomde zijne schaduwzijden onbewimpeld te erkennen, ja daarin zelfs de grenzen der kieschheid overschreed. Maar voor zijn broeder John wien, al was hij geneesheer van beroep, ook de letterkundige ader niet ontbrak, ontsloot hij bovenal zijn hart.

Hoe rijk dat hart was aan liefde en mededoogen, bleek uit al wat hij voor anderen deed. De sombere pruttelaar had een groote aantrekkingskracht voor allen, die hulp naar lijf of ziel, of raad op den levensweg behoefden. Elke post bracht hem een stapel brieven van dien aard. Nu van een bewonderaar die eene betrekking behoefde, dan van een ander die hein een handschrift ter beoordeeling zond, straks van een derde die hem zijne levensmoeheid klaagde.

Met onuitputtelijk geduld beantwoordde hij de meeste brieven, stond de klagers te woord of gaf hij raad en geld, soms veel te veel. Als proeve, een enkel brieije aan een jongen vereerder, die hem zijn dank betuigd had: //Mijn goede jonge vriend, ik ben zeer gevoelig voor de belangstelling, die gij voor mij koestert en val u niet hard om uw enthusiasme, dat zoo goed voegt bij uwe jonge jaren. 2oo mijne boeken u eenig goed doen, bekommer er u dan in \'t minst niet om, of anderen dat gelooven of niet. maar leg gij voor uzelf dat weg in uw hart, als een wezenlijke aanwinst, of liever als een werkelijke boodschap u gebracht, die gij ten uitvoer hebt te brengen, wat ook anderen mogen doen. Dit is waarlijk de eenige raad, dien ik u kan geven, met het oog op \'t geen ge in mijne of anderer boeken leest; breng in praktijk wat ge daar leest, begin onmiddellijk op allerlei wijze uw geloof om te zetten

-ocr page 225-

THOMAS CARLYLE EN JAKE WELSH. 215

an een daad en ga er mee voort, totdat ge meer en altijd meer geloof verwerft, waarmee ge evenzoo handelt. Anders is \'t een ijdel werk, hoeken te schrijven ofte lezen! Verwonder u daarbij niet dat „men geene sympathie voor u heeft.quot; Dat is een verschijnsel, dat ge heel uw leven door ;zult aantreflen, als \'t uw streven is een ernstig leven te Heiden. „Menquot; kan u niet redden met zijn sympathie, al had „menquot; ook nog zooveel te geven. Een man kan en moet zichzelf redden, met of zonder „men\'squot; sympathie, zooals het uitkomtquot;.....

„Ik herinner me een meisje,quot; schrijft Froude, „hem volkomen vreemd, dat hem schreef dat zij, om hoeken te Ikoopen, eenig tafelzilver van hare grootmoeder had ver-pa ml. Ze liep gevaar betrapt te worden en onder te gaan. quot;Wilde Carlyle haar helpen het te lossenquot;? Hij raadpleegde mij. Een mijner betrekkingen die in liare huurt •woonde, deed onderzoek, zag het meisje en bevond dat het verhaal waar was. Hij beantwoordde haar brief met vaderlijke goedheid, betaalde hot geld en bewaarde haar voor schande.quot;

Ondanks de ruimere omstandigheden, waarin hij zicii hi later levensjaren bevond — want liet toenemend debiet .zijner werken bracht hem toen evenveel duizenden opals honderden in vroeger jaren — bracht hij niet de minste •wijziging in zijnö zuinige levenswijze. Zijn eenige weelde •was liefdadigheid.

JSog dichter werden de nevelen, toen zijne rechterhand, die hem zoo trouw gediend had, de pen niet danger voeren kon, eii \'t hem onmogelijk bleek allerlei gedachten, die nog gistten in zijn brein, aan iemand te -dicteeren. Op de vraag, hoe hij gestemd was, schreef hij met bevende vingeren aan zijn broeder: „Somber, rnijine-

-ocr page 226-

246 THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH.

rend, zwijgend, terugziende op het onveranderlijke en-vooruitziende naar het onvermijdelijke en onverbiddelijke.. Een groot verlies, dat van mijne rechterhand! Ik tracht somtijds te dicteeren, maar zonder eenig succes, en vreesdat ik het nooit zal leeren. Maar ik wil moedig zijn, ten minsten zwijgen, ook waar dit mij treft.quot; Zoo had hij in tweeërlei zin zijne rechterhand verloren. Onverminderd bleef nochtans de helderheid van zijnen geest, ongeschokt zijn godsdienstig vertrouwen.

De overpeinzingen in zijn dagboek loopen menigmaal over het oppervlakkige atheïsme en het holle ongeloof, dat hij bij toeneming rondom zich zag voortwoekeren. Onder den indruk van een paar schotschriften „die deugd en ondeugd voor producten verklaren, evenals vitriool en azijn,, en al onze hoogere overtuigingen en adspiratieën voor m o d d e rquot; schrijft hij b. v. //Een ontzettende uitbreiding van atheïsme, met snelle vaart en in spottend-uitgelaten taal, staat kennelijk voor de deur, zoowel hier als in Frankrijk. Dit is een hoogst ernstig voorteeken, dat tot eindelooze overpeinzing aanleiding geeft. Verdrijven zij //God\'7 uit hunne arme, verwilderde harten, dan zal er voor eenigen tijd, misschien voor verscheiden geslachten, eene wereld komen, waarvan weinigen droomen. Maar ik vrees geen oogenblik hunne vernietigingquot; van \'t geen het eeuwige Feit der feiten is en durf voorspellen, dat de menschheid algemeen of daartoe zal t e r u g k e e-ren met vernieuwde klaarheid en heiligen ijver, of anders geheel zal wegzinken in ondenkbare diepten van ellende en laagheid. Moed! altijd moed ! Maar hoe diep moeten wij nog zinken\'?

„Ik wenschte, dat ik de kracht had om voor mijne medeschepselen verstaanbaar en in breede trekken uit te

-ocr page 227-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 217

drukken, wat de grond is van rnijn geloof in God.Elders begint hij die trekken aan te geven als \'t heet: „Wat ik allereerst zou hebben aan te duiden is, dat niemand met dit volk moet redetwisten met eenige hoop van slagen. De logica zal de zaak nooit uitmaken ; hij die niets van God bespeurt in zijn eigen ziel, zal hem nooit vinden in de wereld der stof. Daar niets dan krachtsbetooning,. ijzeren regelmaat, algemeene dood en meedoogenlooze onverschilligheid. Alleen in \'smenschen ziel, als ontzag,, liefde, nadenken, grootmoedigheid zich daar ontwikkeld hebben, kan het Hoogste zich van aangezicht tot aangezicht in zonneglans ontsluieren. Daar zeer zeker, en nergens anders. En is dat niet het eigenlijk hof vaij appèl voor zulk eene zaak\'? De stof zelve, de uiterlijke stoffelijke wereld, is of Niets, of anders een product van \'s inenschen Geest. Tot den geest komt deze vraag ter eindbeslissing, als tot het hoogste ressort.quot;

Op zijn 74stru geboortedag schrijft hij in zijn dagboek: ,/ls dit mijn laatste verjaardag, gelijk mij soms niet onwaarschijnlijk voorkomt, dan geve de Eeuwige Vader mij bereid te zijn, mij zwakken aardworm. lederen avond zie ik op de photographische afbeelding van zeker graf — de rustplaats van zijne vrouw — en kan dan bidden met geheel mijn hart: «Groote Vader, ach, erbarm u over haar en mij en ons allen \\quot; — „De snel wassende vloed van het atheïsme heeft geen vat op mij, bevochtigt zelfs mijne voetzolen niet. Ja, is er wellicht niet een tijdelijke noodzakelijkheid voor die strooming, die in de toekomst haren onschatbaren zegen zal brengen\'? Geduld! Geduld en hoop \\quot;

Terwijl geduld en hoop hem niet begaven, hield hij een open oog voor de teekenen der tijden en kon hij nu en.

-ocr page 228-

THOMAS CARLYLE EX JANE WELSH.

21S

dan den lust niet weerstaan, zijn machtige stem te doen hooren. Zoo zond hij in 1869 aan de bladen een brief over zijn lievelingsonderwerp ,/De emigratie.^ Zoo zocht hij \'t volgend jaar, toen in den Fransch-Duitschen oorlog een sentimenteel medelijden met Frankrijk zich in Engeland openbaarde, in de Times aan te toonen, hoe welverdiend der Franschen neerlaag was geweest. Toen hem in 1875 door Disraeli namens de Regeering dehooge onderscheiding van het Grootkruis van de orde van Bath -werd aangeboden, wees hij die bescheiden, maar beslist van de hand. Hoogst welkom was hem daarentegen op zijn 80sten geboortedag een gouden gedenkpenning, met een schrijven vol waardeering en dankbaarheid, door de bloem van Engelands letterkundigen en mannen van wetenschap hem aangeboden. Gelukkig door de liefde van zijn volk, kon hij menigen avond gezellig zitten kouten in den kring van zijne vrienden en, in zijn ruimen armstoel gedoken, met de aarden pijp in den mond, aan zijn bruisenden humor den vrijen teugel vieren. Stil en statig daalde zoo zijn levenszon ter kimme. De teekenen van den ouden dag vertoonden zich meer en meer. Zoo lang mogelijk bewoog hij zich, even als de grijze Victor Hugo, door de woelige straten der wereldstad. Dan was \'t hem ■welkom, een arm te vinden waarop hij leunen kon. Namen en plaatsen begon hij te vergeten, maar alles wat der herinnering waard was stond hem helder voor den geest, en ieder nieuw vraagstuk wist hij met de oude vlugheid te peilen. Sprak hij van de toekomst en hare raadselen, dan zweefden hem telkens de laatste woorden -van een lievelingslied op de lippen :

„Wir lieissen Euch hoflen.quot;

-ocr page 229-

THOMAS CARLYLE EN JANE WELSH. 219

Zoo hijgde hij meer en meer naar rust.,/ Reeds lang heb ik me gewendquot;, zoo schreef hij weinige maanden vóór zijn dood, „den Ernsten Freund aan te zien, als de vriendelijke en onmisbare toevlucht, door den Grooten Schepper aangewezen aan zijne vermoeide kinderen, wier werk is afgedaan. Helaas, helaas! de laatste barmhartigheid Gods is, dat Hij ons verlost van een leven, dat een te zware last voor ons werd/\'

Den 5den Februari 1881 sloeg zijn verlossingsuur. Daags te voren had zijn vriend Froude hem aangetroffen, met de werkdoos en andere kleinigheden van zijne vrouw binnen het bereik van zijn stervende hand.

Op een somberen Februari-morgen werd zijn lijk, nevens dat van zijne moeder, te Ecclefechan bijgezet. De gevallen sneeuw had het veld in een witte lijkwade gehuld. Overeenkomstig zijn uitdrukkelijk verlangen had de begrafenis plaats in beperkten kring en behalve zijne verwanten stonden enkel zijne vrienden Froude en Tyndall, Lecky en Conway rondom de groeve. In breeder kring eene schare van Schotsche boeren, terwijl een menigte kinderen nieuwsgierig gluurden door de kerkhofpoort of kleuterden over de muren. „Hoe jammer dat die Tom Caerl een onge-loovige was!quot; hoorde men bij \'t verlaten van de begraafplaats twee boeren hoofdschuddend tot elkaar zeggen van hun grooten landgenoot. Toen Conway, op zijn terugtocht, de oude school te Hoddam bezocht, waar Thomas als knaap op de banken had gezeten, vond hij daar een oud man, die zijn schoolkameraad was geweest. Bevend en langzaam voortstrompelend door de sneeuw zeide hij: „Tom zond me altijd wat ieder jaar — tot dezen laatsten winter, toen hield het op.quot;

-ocr page 230-

220 THOMAS CARIALE EN JANE WELSH.

„Toen hield het op!// Doch wat niet ophield, wat ook nooit zal ophouden, dat is de invloed, voortdurend geoefend door Chelsea\'s machtigen profeet!

-ocr page 231-

FKEDEEICK WILLIAM ROBERTSON.

-ocr page 232-

„Het leven is, evenals de krijg, een reeks van misgrepen. Niet hij is ile beste veldoverste en niet hij de beste christen die de minste misgrepen begaat; dit kan dikwijls do middelmatige wel bereiken. Maar hij staat het hoogst, die, door misslagen te herstellen, de schoonste zegepralen behaalt. Vergeet daarom alle begane misslagen als zoodanig en maak er even zoovele. middelen van ter overwinning.

Robertson.

-ocr page 233-

FREDERICK W. ROBERTSON.

„De les die wij in het leven te leeren hebben is dezelfde,, die ons bij het reizen door eeÏÏe bergaehtige streek telkens-weer wordt voorgelegd. Zij bestaat hierin, afstanden te berekenen. De reiziger ziet den bergtop, schitterend in de avondzon, schijnbaar vlak boven zijn hoofd, en hij besluit den volgenden morgen vroeg, dien berg te beklimmen en vóór het ontbijt terug te keeren. Maar den volgenden morgen ontdekt hij, dat hij mijlen ver van den voet verwijderd is, en bij zijne aankomst aldaar, nog vijf a zes uren zal behoeven om den berg te beklimmen en de helft van dien tijd om terug te keeren, zoodat hij tevreden mag zijn, als hij vóór den avond weer t\'huis is.

Evenzoo gaat het met iedere menschelijke onderneming. Onze eerste gedachte verschilt hemelsbreed van \'t geen de ervaring ons leert. Wij trekken uit, met schitterende verwachtingen, maar bevinden dat .zij, ach, zoo langzaam verwezenlijkt worden. Zoo verkrijgt het leven een steeds droever en somberder tint. Tusschen ons ideaal en zijne verwezenlijking ligt een onmetelijke kloof. Wat het wei k van dagen scheen, blijkt het werk van maanden te zijn; wat

-ocr page 234-

-224

wij voor het werk van jaren hielden, behoeft eeuwen voor zijne voltooiing. Zoo, stap voor stap, wordt de mensch ontgoocheld, voortgeleid door de hoop op eene Mijde toekomst, die zich hier nooit verwezenlijkt. Ik geloof, dat de les der levenservaring deze is: zeer weinig te verwachten, omdat de menschelijke verwachting zoo schaars wordt verwezenlijkt, overvloedig te zaaien en zich te vergenoegen met een kleinen oogst. Gelukkig de man, die door teleurstelling niet geheel gebroken is! Gezegend die man, want zijn streven is \'t, niet ontmoedigd, maar rustig voort te werken, met steeds minder ongestadige geestdrift, den blik bestendig op de toekomst gericht/\'

Zoo door droeve teleurstelling geleerd, maar niet gebroken, zoo ontgoocheld, maar niet ontmoedigd was de man, die in deze woorden zijn eigen levensgeschiedenis schetste — Frederick William Robertson. Overvloedig en in Gods naam heeft hij voortgezaaid, al mocht hij tijdens zijn leven slechts een luttelen oogst aanschouwen. Vran waar de sombere tint, die over zijn kort, maar krachtig leven ligt gespreid\'? Van waar anders, dan uit dé botsing van zijn stout en verheven idealisme met de onbevredigende werkelijkheid? In dien strijd heeft hij de wapenen niet neergelegd, dan toen hij voor goed van zijn post werd afgeroepen.

Want Robertson was een krijgshaftige natuur. Voor een deel laat zij zich wellicht uit zijne afkomst verklaren. Zijn grootvader toch, kolonel Robertson, ten wiens hui5;e in Londen hij toevallig geboren werd, was een uitstekend militair en zijn vader een niet minder gunstig bekend kapitein bij de artillerie. Twee van zijne broeders verwierven zich eene eervolle vermelding in den Kaffer-oorlog; \'t sprak van zelf, zoo meende bij, dat hij dezelfde loopbaan

-ocr page 235-

FREDERICK W. KOBERTSON. 225

!kiezeu zou en het eerste onderwijs, dat hij vier jaren lang van zijn vader genoot, bewoog zich dan ook eenigszins in die richting.

Toen de familie in 1829 naar Tours verhuisde, werd zijne vorming op breeder grondslag voortgezet. Met een Engelschen leermeester wijdt hij zich nu aan de studie der klassieken en op eene Fransche school leert hij deze taal grondig kennen. Toen de Revolutie van \'30 het gezin naar Groot-Brittannië terugdreef, werd de zestienjarige knaap op de „Nieuwe Akademiequot; te Edinburgh geplaatst.

Hoe strenge zorg zijne ouders ook aan zijne opvoeding Avijdden, zij onthielden liem den zegen niet van eene vroolijke jeugd. „Tot mijne vroegste herinneringen/\' zoo hooren we hem later verhalen, „behooren mijn hit en mijn cricketspel, mijne konijnen en mijns vaders jachthonden; de dagen waarop ik vol trots het jachtroer droeg, mijn rit huiswaarts bij maanlicht met den ouden jager, en de ordonnans van mijn vader, de artillerist, die hand in hand met mij placht te wandelen.quot; Nu zien we hein opgaan in dartel spel en forsche lichaamsoefeningen, dan verdiept in een of anderen ridderroman, waarbij hij zichzelf een ridder waant, op avonturen uitgaande, onrecht herstellende en zijn leven wagende voor weerlooze vrouwen. Maar dit alles doet geen afbreuk aan zijn rusteloozen arbeid. Als hij op zijn achttiende jaar huiswaarts keert, heeft hij een schat van positieve kennis opgedaan en blaakt hij van liefde voor den krijgsdienst, eene liefde, die dagelijks wordt gevoed door de verhalen van veldslagen en van de heldendaden van Sir Charles Napier, zijns vaders wapenbroeder, die telkens het onderwerp uitmaken van het gesprek in huis. Als dan ook zijn vader, die beter dan Jdj zelf zijn diep godsdienstigen aanleg doorgrondt, hem

15

-ocr page 236-

226 FREDERICK W. U0BE11TS0N.

een kerkelijke loopbaan voorstelt, luidt zijn antwoord zeer gt; beslist: ,/alles liever dan dat, ik ben er niet geschikt voor.quot;

Zijn wensch wordt ingewilligd en zijn naam op de lijst van een cavalerie-regiment in Indie geplaatst. Gedurende-de twee jaren zijner voorbereiding zweeft hem het ideaal voor den geest, als militair een zuiver-christelijk leven te leiden en de „Cornelius van zijn regimentquot; te worden. De geschiedenis en geographic van Britsch-lndië bestudeert hij uitvoerig en de strategische bewegingen der Engelsche generaals gaat hij zorgvuldig na. Maar evenwijdig met zijne militaire studiën loopt zijne letterkundige en godsdienstige lectuur en somtijds vloeien beide samen als hij den godsdienst der Hindoes en de geschiedenis der Indische zending tot het voorwerp van zijne studie maakt.

Zijne eigenlijke levensbestemming evenwel zou hij niet missen. De ontmoeting met verschillende predikers, die-hem herhaaldelijk dezelfde vraag voorleggen, brengt hem aan \'t wankelen. Eindelijk, als met een romantisch instinct van zelfopoffering, stelt hij de beslissing in handen, van zijn vader. Deze aarzelt niet lang. De balans slaat door naar de zijde der kerk en op 21 jarigen leeltijd begint hij zijne theologische studie te Oxford.

De gemoedelijke student leert zijn Nieuw Testament\',, zoowel in \'t Grieksch als in \'t Engelsch, grootendeels van buiten en sticht met eenigen zijner vrienden eene vereeni-ging aan gebed en bijbellezing gewijd, maar tegelijk versterkt hij zijn kloeken geest door de studie van Plato en Aristoteles. Onder de dichters trekt, al worden Shakespeare en Byron niet vergeten, vooral de mijmerende natuur van Wordsworth hem aan.

Zoo leidt hij te Oxford een rustig studieleven, een-, zaam en in zichzelf gekeerd. Dut ridderlijke in zijne\'

-ocr page 237-

FREDERICK W. ROBEKTSON. 227

natuur, dat liet krijgsmansleven in zijn oog bekoorlijk maakte, straalt meer en meer ook in zijn godsdienstig leven door. „Had ikzelfquot;, zoo zegt hij, „het tijdperk der geschiedenis kunnen kiezen, waarin ik leven zou en mijn eigen levensroeping, \'t zouden de middeleeuwen geweest zijn en het leven van een Cid, den hersteller van onrecht.quot;

Er is dan ook in zijne godsdienstige voorstellingen een middeleeuwsch bijgeloof, b. v. in de wondermacht van het gebed. Als jongen op de jacht met zijn vader, bidt hij dat deze den vogel treffen moge en, geschiedt dit niet, dan twijfelt hij aan het geoorloofde van het jachtvermaak. Ot als hij op school met andere jongens gevaar loopt onrechtvaardig gestraft te worden, bidt hij dat hij niet geslagen worde, en \'t overkomt hem nooit in de drie jaren die hij er doorbrengt. Zoo waant hij zichzelf een lieveling van de Godheid en wordt er, naar zijn eigen verklaring, niet beter op. ,/t Gaf me dat gevoel van veiligheid, dat de Jood waande te bezitten door zijne afstamming van Abraham, of waarmee hij, onder bescherming van de Ark, ten strijde toog, al gaf hij zich ook over aan het kwaad.quot;

Maar tegelijk straalt de ridderlijke zijde van zijn godsdienst door in de aanbidding van de reinheid, die hij in de vrouw verpersoonlijkt ziet. Is \'t niet die ridderlijke vereering van de vrouwelijke kuischheid die hij later in zijn preek over „De glorie van de moedermaagdquot; heeft neergelegd ?

Toen hij gereed stond aan het eind van zijn akademische loopbaan zijn ambt te aanvaarden, vervulde hem die weemoed die, heel zijn leven door, de grondtrek bleef van zijn karakter, \'t Was de droefheid van den man, die met heilige onvoldaanheid over zichzelven den grooten afstand

-ocr page 238-

228 FREDERICK W. ROBERTSON.

bespeurt die zijn praktisch leven van zijne hooge idealen scheidt. Toen de bisschop van Winchester hem den 12en Mei -1840 wijdde tot zijn ambt van hulpprediker te dier plaatse, greep hij hem in de ziel met het daartoe gekozen motto: „lijd verdrukking als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.quot;

Zijne eerste toespraken, uitgesproken met een zelfvertrouwen en zeggingskracht, zeldzaam in een zoo jeugdig prediker, maakten al aanstonds diepen indruk. En bij zijn arbeid onder de verwaarloosde en armoedige bevolking van Winchester, had hij overvloedige gelegenheid om aan het woord de daad te paren. Zoo waren \'t ernstige leerjaren, die hij, onder de leiding van zijn hoogvereerden rector, Mr. Nicholson, in Winchester doorbracht, zijne vroege morgenuren aan strenge studie wijdende, \'s namiddags vertoevende in de onzindelijke achterbuurten, den avond slijtende in des rectors woning. Maar \'twas nog vreugdeloos en donker in zijne ziel; met eene vormelijke vroomheid bepaalt hij voor eiken dag het onderwerp van zijn gebed; bijna een jaar lang onthoudt hij zich van alle vleeschspijzen en een geest van stroeve zelfverzaking doet hem het leven minachten en hunkeren naar den dood. Zoo, naar lichaam en ziel lijdende, begeeft hij zich tot herstel van zijne gezondheid naar het vasteland.

Zocht hij op zijne reis langs den Rijn en in Zwitserland verpoozing van theologische mijmeringen, dan beantwoordde zij niet aan haar doel. Want gedurig vinden we hem in dogmatische beschouwingen verdiept. In Genève vindt hij een warm onthaal in rechtzinnige kringen en met den vromen piëtist Malan wisselt hij meermalen gedachten. Maar \'t is als voorziet deze den tweestrijd, die in zijne ziel ontbranden zal, als hij hem toevoegt: „Gij zult

-ocr page 239-

229

een treurig leven hebben, mijn waarde broeder, en een treurig dienstwerk \\quot; Thans evenwel is Robertsons rechtzinnigheid nog volkomen ongeschokt en staat het onwrikbaar voor hem vast, dat wie de Godheid van Christus loochent, niet als een Christen mag beschouwd worden.

Het jaar -1842 bracht in zijn leven tweeërlei gewichtige verandering. Vooreerst vond hij te Genève de vrouw zijner keuze, Helena Denys, met wie hij weldra in \'t huwelijk trad. Ten anderen aanvaardde hij het predikambt te Cheltenham, waar hij vijf jaren werkzaam was, jaren naar het uitwendige alleen gekenmerkt door de geboorte van drie kinderen en den dood van een hunner, maar naar ^ het inwendige door een zwaren ontwikkelingsstrijd. Ware \'t hem alleen om uiterlijk succes te doen geweest, dan had hier niets aan zijn geluk ontbroken. Want al trad hij op een ongeschikt namiddaguur voor zijne gemeente op, nadat hij in de ochtendgodsdienstoefening zijn begaafden rector had gehoord, toch oefende hij allengs een zekere tooverkracht op zijn gehoor en een landelijk kerkje, onder Cheltenham behoorend, bijna ledig toen hij er voor\'t eerst optrad, werd gaandeweg gevuld door onontwikkelde landlieden, die even ademloos aan zijne lippen hingen, als later de meest beschaafde hoorders, die hem te Brighton volgden.

„Ik had eerst een vooroordeel tegen hem opgevat,quot; zoo schrijft een zijner vrienden te Cheltenham, „schoon buiten zijne schuld, eer ik het voorrecht had, hein te hooren preeken. Ik werd door zijne toespraak getroffen niet alleen, maar overweldigd. De hooge vlucht en de heldere uiteenzetting van zijne gedachten, de ruimte van blik, de in toom gehouden hartstocht, de van ernst trillende stem, het volkomen opgaan in zijn onderwerp en de overvloed des harten waaruit de mond sprak deden mij gevoelen, dat ik geen

-ocr page 240-

230 FREDERICK W. ROBERTSON.

( gelegenheid mocht laten voorbijgaan om hem te hoor en/\' Toch hield hij zijn eigen werk in dezen kring voor eene mislukking. „Droef en terneergeslagenquot;, zoo schrijft hij in quot;1845 in zijn dagboek, „door \'t gevoel van mijn eigen nutteloosheid en gebrek aan doel! Ik treur niet, omdat ik niet gelukkig ben, maar omdat ik niet weet, wat te doen en hoe het te doen.quot;

Een edele onvoldaanheid over zichzelf was de bron van die droefgeestigheid. Vooreerst ging hij gebogen onder \'t overwicht van zijnen rector, dien hij zoozeer bewonderde, dat het hem moeite kostte, een paar uur na hem den-zelfden kansel te beklimmen. Dan kwelde hem eene nauwgezetheid van geweten, die hem een werk, dat een ander tamelijk wel volbracht zou achten, als ijdel deed beschouwen. En de ervaring, dat hij door sommigen liiet begrepen werd, leidde hem tot den waan, dat hij alleen stond en in de lucht sprak.

Als hij in de heerlijke omstreken van Cheltenham, te midden van de vrije natuur, zich in zijn element gevoelde, gelukte \'t hem soms zich aan die droeve mijmeringen te ontrukken. Dan vloeiden allerlei gedachten over poëzie, wetenschap en kunst als een bruisende stroom hem van de lippen. Dan herleefde soms zijn oude ridderlijke overmoed. Zoo wilde hij op zekeren dag, een rit makende met iijne vrouw en eenige vrienden, te paard over een hoogen heg springen, \'t Was een gevaarlijke sprong en het paard deinsde bij herhaling terug. Zijne vrienden, die het gevaar beseften, ontrieden hem den sprong. Maar hij wilde \'t niet opgeven en zag geen gevaar. Ten laatste vloog het paard over de heg, maar kwam met zulk eene kracht, zijn ruiter onder hem, neer op den harden grond, dat de toeschouwers verwachtten, dat beiden ernstig letsel bekomen

-ocr page 241-

PBEDEKICK W. ROBERTSON. 231

luidden. Robertson stond ongedeerd en lachend op, maar ■erkende later, dat hij veel te driftig was geweest.

Dat In deze jaren zijne intellectueele ontwikkeling op •steeds breeder schaal werd voortgezet, blijkt uit zijne veelzijdige lectuur. Carlyle\'s geschriften, vooral zijn „Verleden en Hedenquot;, brengen eene heilzame gisting iti .zijn gemoed te weeg. Tot voorbereiding van zijne kritische studiën van het Oude Testament leest hij Nie-bühr\'s Rome en Guizot\'s Geschiedenis der beschaving. Tennyson en Dante zijn zijne lievelingsdichters. Den laatsten leest hij eiken dag en de Hel prent hij zich geheel in \'t geheugen. Daarbij ontwaakt weer zijne vroegere liefde voor scheikundige onderzoekingen en\' houdt hij zich in zijne vrije oogenblikken met de studie der physische aardrijkskunde bezig.

Geen wonder dat, onder den invloed van zoo veelzijdige •studie, ook Robertsons godsdienstig standpunt zich verruimde en verhief. In zijne preeken, die veel zorgvuldiger dan vroeger werden voorbereid, verdiept hij zich niet langer in fijne dogmatische onderzoekingen, maar grijpt hij uit hot zieleleven en beweegt zich op praktisch gebied. Daarbij maken de geijkte termen van de zoogenaamde .„evangelischequot; partij hem steeds meer afkeerig van een ijdel woordenchristendom. Zoo komt het aan \'t eind van zijn verblijf te Cheltenham tot een zvvaren zielestrijd, tot •eene innerlijke krisis, waarin al zijne overtuigingen hem ontzinken, behalve deze ééne, die blijft staan als eene rots in de branding: ,/t moet goed zijn goed te doen.quot; Van dit standpunt uit zou hij zich langzamerhand eene nieuwe wereld veroveren, want het was uit eigen ervaring dat hij later tot de werklieden te Brighton sprak: ,/t Is een vreeselijk oogenblik, wanneer de ziel begint te ont-

-ocr page 242-

232 FREDERICK TT. ROBEllïSON.

dekken dat de pilaren, waarop zij langen tijd blindelings steunde, meerendeels verrot zijn en ze nu alle begint te wantrouwen; als zij de ijdelheid gaat inzien van vele overgeleverde meeningen, die zij met ongeschokt vertrouwen aangenomen had en in die pijnlijke onzekerheid gaat twijfelen, of er nog iels te gelooven overblijft. Ik ken slechts één weg om ongedeerd aan die worsteling te ontkomen; \'tis deze: vast te houden aan die dingen die nog zeker zijn — de groote, eenvoudige mijlpalen der zedelijkheid. Wat ook onzeker moge zijn in de donkerste uren, die eene menschelijke ziel doorleeft, dit althans staat vast: is er geen God en geen toekomstig leven, zelfs dan nog is het beter edelmoedig dan zelfzuchtig, beter kuisch dan losbandig, beter waar dan valsch, beter moedig dan een lafaard te zijn. Gezegend de man, die als \'t duister en stormachtig is daarbinnen, zich heeft durven vasthouden aan die eerwaardige steunpunten.quot;

Naar lichaam en ziel geschokt, gaat hij in \'t najaar van •1846 andermaal op reis. In Heidelberg dompelt hij zich zes weken lang in de Duitsche wijsbegeerte. Waarschijnlijk deed zij hem niet zooveel goed, als het luchtbad in de bergen van Tirol, dat er op volgde. Met den reistasch op den rug, wandelt hij van Insprück over den Brenner,, doorkruist verschillende dalen, bestijgt den pas van Am-pezzo en komt binnen drie en een halven dag te Cortona, vier-en-twintig uren van Venetië aan. Alleen, te midden dier woeste, stoute natuur, volbrengt hij zijne Jacobswor-steling. Hij bestudeert het volkskarakter der Tirolers. „Zij worden gezegd zeer godsdienstig te zijn, en indien kapellen, kruisen, gebeden zonder eind den godsdienst uitmaken, dan zijn zij \'t zeker. Maar hun godsdienst schijnt alleen een spel of toovermiddel, bruikbaar om hen

-ocr page 243-

FREDERICK W. ROBERTSON. 233

voor een gevaar te behoeden; dat noem ik geen religie, maar lafheid. Ken man die kruipt voor een crucifix, of beeft voor het sacrament en niet met heel zijn hart wegzinkt in aanbidding voor \'t geen goed, heilig en waar is, is niet godsdienstig, maar bijgeloovig.Laat anderen meenen, dat bijgeloof op zichzelf goed is, ik beweer dat het hoegenaamd geen godsdienstig element bezit. Een man die een kerk binnentreedt, met den hoed op \'t hoofd, die beelden verbrijzelt tot gruis, liet gewijde brood uit het venster werpt of onder den voet treedt, en toch in zijn binnenste knielt voor goedheid en zieleadel, is de man in wien ontzag en eerbied de rechte plaats innemen, al mochten dwazen hem oneerbiedig noemen.quot; Zoo wordt voor Robertson liet godsdienstig geloof enkel eerbied voor de macht van liet heilige en vindt hij daarin het uitgangspunt voor zijne nieuwe opvatting van den godsdienst.

Tijdens zijn verblijf in Heidelberg treedt hij er wekelijks voor een kring van warme geestverwanten op. Hunne dringende uitnoodiging om in hun midden te blijven — zijn werkking te Cheltenham toch had hij opgegeven — slaat hij na eenige aarzeling af. In Engeland teruggekeerd, met herstelde gezondheid en krachtigen geest, smacht hij intusschen naar nieuwen arbeid. Daarom verbindt hij zich aan eene kerk in Oxford, al is ze in eene van de minste wijken der stad gelegen, en al stemt hij niet in met de hoog-kerkelijke inzichten van den bisschop aldaar. Naar zijne meening maakt b. v. de doop het kind niet tot een kind van God, maar als hij hierover openhartig zijn gevoelen heeft geuit en de bisschop nochtans zijn aanzoek herhaalt, aarzelt hij niet het aan te nemen.

In de weinige maanden die hij er doorbracht won hij niet alleen het vertrouwen van het arme en ruwe volk

-ocr page 244-

234 FREDEllICK W. K013EUTS0N.

uit zijn kerspel, maar trok hij ook tal van studenten tot zich. \'Toch was zijn kort verblijf alhier enkel hel voorspel van zijne werkzaamheid in Brighton, waar hij zijne volle ■kracht ontplooien zou. Toen hij in Juli 1847 derwaarts geroepen werd, aarzelde hij langen tijd, hoewel een veel ruimer inkomen hem daar wachtte, uit vrees van zijnen bisschop leed te doen.

Eerst toen deze zeil\' hem tot aannemen drong, liet hij zich daartoe overhalen. Vermoeid ging hij er heen, in \'t voorgevoel dat hij begon af te dalen van den berg, hunkerend naar ,/de diepe rust in dat stille land, waar het iraadsel van dit wond\'re leven wordt opgelost en het meest irustelooze hart zijn last neerlegt.quot; Hij zou daar eerst leeren, dat de ware rust enkel door strijd verkregen wordt.

In Brighton, de bevallige, maar coquette badplaats, het üevelingsoord van Engelands ari.stokratie, met hare stijve, hoofsche vormen trad Robertson als patroon der werklieden en als volksvriend op. Maar tegelijk trok hij de beschaafden en aanzienlijken tot zich. Dat verschijnsel verklaart zich uit zijne tweevoudige natuur. Aristokraat in smaak en manieren, was hij demokraat in beginsel. Met zijne ridderlijke natuur koos hij de zijde der verdrukten en herkende hij adel van karakter, ook onder •ruwe vormen. Diep was hij er van doordrongen dat de Kerk van Engeland het Christendom te veel van zijne theologische zijde predikte, te weinig als een sociale, wereld-hervormende macht. Daar deelt de schok, die in 1848 heel Europa doortrilde, zicii ook aan hem mee. Daar dringt de kreet; „Vrijheid, gelijkheid, broederschapquot; ook 4,ot Engeland door.

-ocr page 245-

235

Reeds had de groote parlementaire enquête van -1842 voor de ellende van den fabrieksarbeider de oogen geopend. De stoomkracht, die de machine dreef, had den arbeider tot haar aanhangsel verlaagd, dwong tot over-matigen arbeid en stelde ook de onrijpe kracht van vrouwen en kinderen in haren dienst. De onzettendste gruwelen kwamen bij dat onderzoek aan \'t licht. Kinderen van7a8 jaren werkten in aardewerksfabrieken tot 15 uren achtereen en het Britsche bijbelgenootschap liet, in zijn bekeerings-ijver, jonge meisjes van -15 jaren in zijne boekbinderij tot in \'t holle van den nacht met arbeiders samenwerken. .//De meesters,quot; zoo heette het in \'t verslag, ,/Verlokken die meisjes tot dat late werken door extra-loon en geld voor een goed avondeten in de kroegen, en groote lieder-Jijkheid heerscht onder haar.quot;

Op tweeërlei wijze trachtten de Engelsche werklieden zichzelf te redden uit dien nood. Hier dreef het gekrenkte rechtsgevoel en de uiterste ellende de verbitterde Char listen tot revolutie en wapengeweld ; daar leidde het gezond verstand tot de zedelijke middelen van vereeniging ■en coöperatie. Doch toen de Chartistische beweging, die niets minder beoogde dan de staatsmacht te brengen in handen van de arbeiders, door de Fransche Revolutie van nieuws aangewakkerd, voor goed was mislukt, sloegen verlichte en ernstige volksvrienden uit hoogeren stand de handen ineen, om de werklieden te steunen in hun streven naar meerdere vrijheid en zelfstandigheid.

Wien komt hier niet de naam van den edelen Maurice A\'oor den geest! „Vast overtuigd dat geheel het land eerst heil kon verwachten van eene opheffing der arbeidende klassen en dat geheel het land te gronde zou moeten gaan, als deze niet plaats had,quot; stichtte hij eene „Maat-

-ocr page 246-

236 FREDERICK W. ROBERTSON.

schappij tot bevordering van Werklieden-vereenigingenquot;quot; en stelde hij, met zijn vriend Charles Kingsley, zich aan \'t hoofd der „Christen-socialisten.quot;

Robertson schaarde zich niet aan hunne zijde, al hield tiij in eene reeks van toespraken, in vereeniging met hen. tot de werklieden gericht, zijne beroemde preek: „De boodschap van de kerk aan de rijken.quot; Ondanks de hooge-achting die hij beiden mannen toedroeg, verschilde hij van-hen in de keus der middelen om den arbeidenden stand op te heffen. Gelijk in alles, zoo ging hij ook hier zijn eigen weg. Op zijne wijze bracht hij de maatschappelijke vragen op den kansel. Eene reeks van bijbellezingen over het eerste boek van Samuel gaf hem daartoe gereede aanleiding. De vragen naar het recht van den eigendom en van den arbeid, naar de grenzen van het koninklijk gezag en het recht der volkssouvereiniteit, kwamen daarbij vanzelf ter sprake. Was \'t zijne schuld dat vraagstukken, die het volk Israel onder Saul en David beroerden, onder andere vormen terugkeerden in zijnen tijd ?

Werd hij daarom aan den eenen kant als demokraat en revolutionair uitgekreten, aan de andere zijde vonden zijne woorden warme instemming. „Als gij een oogenblik voor mij beschikbaar hebt,quot; zoo schreef hem een zijner vrienden, „wenschte ik u te hooren over de vraag, of er niet iets kan gedaan worden om de harten der werklieden voor den godsdienst te openen. Hoe wenschte ik, dat gij de kracht van tien man hadt, of dat er eenige meerderen waren zooals gij! Van dezulken zouden de werklieden leeren dat godsdienst, ware godsdienst werkelijk te grijpen is, dat zijne leeringen met de eischen der rede in overeenstemming zijn, en dat wie Christen wordt, daarom niet ophoudt mensch te zijn.

-ocr page 247-

FREDERICK W. ROBERTSON. 237

„Steeds meer ben ik onder den indruk van de breeds en diepe kloof, die gaapt tusschen den arbeidersstand en de godsdienstpredikers. En toch, zou hen ooit eene stem, niet luid maar diep, bereiken, kon ooit een leven hunne sympathie en liefde wekken, dan zeker is die stem die roept: „komt tot mij, gij vermoeiden en belasten,quot; dat leven van zelfopoffering en ernstige teederhoid de vervulling hunner diepste nooden.quot;

Robertson stelt zich onmiddellijk met Mr. Holtham, den schrijver van dien brief in betrekking en samen geven zij den eersten stoot tot de stichting van het „Werkmans-instituutquot; te Brighton. Meer dan duizend werklieden verbinden zich tot eene bijdrage van een penny \'s weeks, en huren een huis, dat ze met eigen banden schoonmaken, inrichten en meubileeren. Eene bibliotheek is weldra, deels uit eigen middelen, deels uit bijdragen van meer-gegoeden aangekocht. Nu komt tot Robertson het verzoek, het instituut met een rede te openen. Na eenige aarzeling laat hij zich daartoe overhalen. Als dienaar van de Kerk van Engeland gevoelt hij zich, gelijk hij dn zijne inleiding verklaart, bijzonder tot die taak geroepen.

„Zulk een geestelijke tochquot; zegt hij, „neemt een eigenaardig standpunt in. Hij staat, gewoonlijk door zijne geboorte, altijd door zijne positie, tusschen de hoogere en de lagere standen. Hij heeft vrijen toegang tot het huis van den edelman en is welkom in de hut van den landman. Versta ik de roeping van een dienaar van de Kerk van Engeland wel, dan is \'t zijne eigenaardige en heilige taak een schakel te vormen tusschen de beide uitersten der maatschappij; van de aanzienlijksten des lands, met allen eerbied, maar ook met volkomen beslist-

-ocr page 248-

238 FREDERICK W. ROBERTSON.

heid, plichtsbetrachting tegenover hunne minderen te eischen; aan den anderen kant de heftigheid en de jaloezie te verzachten van hen, die uit een toestand vol ellende niet verschoonlijke bitterheid opzien tot hen, die zich in weelde baden.quot; Dat in eene toespraak, die alzoo wordt ingeleid, een godsdienstige grondtoon zal weerklinken, dat hier op het innerlijk, persoonlijk leven alle nadruk zal worden gelegd, l.iat zich vooruit vermoeden.

Robertson sluit zich aan het tweevoudig programma der vereeniging aan: de werklieden van deze stad te voorzien van de middelen tot verstandelijke en van de middelen tot zedelijke verbetering; hunne politieke ontwikkeling te bevorderen en hunnen smaak te verfijnen. Mannen van allerlei richting telt hij onder zijne hoorders. Tory\'s en Whigs, Radikalen en Conservatieven, maar geene van allen wachten van uiterlijke instellingen in de eerste plaats hun heil. Hun leuze is: „Wij willen onszelf hervormen ; dan hervormen de instellingen zichzelve.quot; ,/Zoo handelendequot; zegt hij, ,/gaat ge zeker in de juiste volgorde te werk, want is het hart van eene natie wijs en goed, rekent er dan op, dat de wetten dier natie onmogelijk slecht kunnen blijven. Vrije instellingen zullen nooit vanzelf vrije mannen vormen uit dezulken, die aan de ondeugd verslaafd zijn, maar vrije mannen zullen onvermijdelijk hun innerlijk karakter uitdrukken in hunne uiterlijke instellingen. Eerst „binnen in u vangt het nieuwe leven aan.quot;

Welk een moed en wat al zelfstandigheid van karakter behoefde een dienaar van Engelands Kerk, om in die dagen zoo te spreken ! Want wie zich in den toestand der werklieden verplaatste en het betrekkelijk recht van het socialisme erkende, was in veler oog een gevaarlijk revolutionair. Maar Robertson was reeds te zeer gewoon aan

-ocr page 249-

FREDERICK W. ROBERTSON. 239\'

misverstand en miskenning, dan dat hij daardoor een oogenblik zou zijn afgeweken van den koninklijken weg van plicht en geweten.

Straks vond hij weer een andere aanleiding om de ma:tt-schappelijke vraag uit een ethisch oogpunt te bezien. De vereeniging tot het vroeg sluiten der winkels noodigde hem uit in eene openbare samenkomst deze resolutie aan. Ie bevelen;

,/üat deze vergadering, overwegende, dat een vroeger ea meer uniform tijdstip van staking der bezigheden aan allen, die daarin betrokken zijn, tijd zou geven voor zedelijke en verstandelijke verheffing, aan alle handelaars aanbeveelt gedurende \'t geheele jaar \'s avonds te 8 uren hunne winkels te sluiten, dat zij zichzelve verbindt aankoopen te-doen vóór 8 uur \'s avonds en de dienstboden daartoe op-te wekken.quot; In de aanbeveling van die motie komt Robertsons gezond verstand en praktische zin helder aan \'t licht. Bij de wenschelijkheid van hare aanneming voor de gezondheid van lichaam en geest behoeft hij niet lang stil te staan. Maar hij; heeft een open oog voor hare bezwaren. Brighton is eene stad, die van \'t bezoek van vreemdelingen leeft, \'s Zaterdagsavonds stort zich een stroom van bezoekers over de stad uit, die, naar de hotels vloeiende, op eens een buitengewonen aankoop van levensmiddelen noodzakelijk maakt en die aan vele winkeliers op een laat uur groot voordeel kan aanbrengen. Ook mag de begeerte van winkelbedienden, zich \'s avonds aan lectuur te wijden, niet te hoog worden aangeslagen; op de twintig wellicht één die-haar koestert. Als nu die jongelieden, wier arbeid vaak vrij onbeduidend is, \'s avonds enkel verstrooiingen zullen zoeken en geen degelijke bezigheid, is \'t de vraag of zij, daardoor zullen winnen. Toch moet, niet door pressie op.

-ocr page 250-

240 FREDERICK W. ROBERTSON.

de winkeliers, maar enkel langs den weg der overreding, het ideaal in \'t oog gehouden en nagestreefd worden. Met zijne nobele en sobere toespraak oogstte hij geen daverenden bijval in; toeli zou \'t later blijken, dat zij niet vruchteloos geweest was.

Intusschen volgde hij met groote belangstelling de ontwikkeling van zijn kind, het Werkmans-instituut. Na verloop van een paar jaren werd het bedreigd door een ernstig gevaar. Eene socialistische meerderheid in dien kring zocht voor het atheïsme propaganda te maken en deed het voorstel, geschriften van die strekking in de bibliotheek op te nemen. Dat gevaar dreigde te meer, omdat de invloed van de hoogere standen stelselmatig uit de vereeniging was uitgesloten. Dat werklieden het bestuur van hunne vereeniging zelve in handen moesten hebben, spreekt van zelf. Maar aan ,/honoraire ledenquot; uit hoogere standen, wier giften men gaarne aannam, was zelfs eene adviseerende stem ontzegd. „Door alle medewerking van dezulken te verwerpen/\' zei Piobertson terecht, „door hunne contributie aan te nemen, maar hun advies te weigeren, schiep en kweekte men een geest, niet van mannelijke, maar van naijverige onafhankelijkheid en deed, in een nieuwen vorm, die verkeerde verhouding tus-schen de verschillende standen herleven, die tegenwoordig de ergste kwaal van ons maatschappelijk leven is.\'\'

Daar hij in de stichting dezer vereeniging zoo van nabij betrokken was, voelde hij zich door dit voorstel, waaromtrent men na langdurige debatten tot geen slotsom gekomen was, persoonlijk gecompromitteerd. Hij mocht en kon niet zwijgen. Op gevaar af van beschuldigd te worden van klerikale bemoeizucht, riep hij op eigen verantwoordelijkheid eene samenkomst bijeen in de groote zaal

-ocr page 251-

FKEDEIUCK W. 110BE1ÏTS0N. 241

van het stadhuis. Voor een overtalrijk publiek, waaronder, nevens al de leden van het Werkmans-instituut, alle standen van Brighton vertegenwoordigd waren, trad hij op. Er waren er aanvankelijk, die door gesis en gebrom hem tot zwijgen trachtten te brengen, maar tegen zijne kloeke houding en den kalmen toon zijner muziekale stem waren zij niet bestand.

Toen hij de aanleiding tot zijne oproeping had uiteengezet, vervolgde hij: „Ik treed hier niet als dictator op, en evenmin zal ik op beleedigende wijze tot u afdalen. Ik weet, dat velen, tot wie ik heden spreek, meer kracht en vastheid van geest hebben dan ik van nature bezit, al moge het voordeel van eene betere opleiding aan mijne zijde zijn. Ik ben niet voornemens de kracht te beproeven van priesterlijk gezag, en evenmin denk ik door vleitaal en pluimstrijkerij u tot mijn gevoelen over te halen.

Laat de werklieden zich het denkbeeld uit het hoofd zetten, zoo het al bestaat, dat ik hen, door het aanslaan van een vrijzinnigen toon, zou willen winnen. Spreek ik openhartig vrijzinnige gevoelens uit, dan is\'t niet omdat ik die heb aangenomen, maar omdat ze met iederen vezel van mijn wezen saamgeweven zijn. Hield ik op vrij te denken en te spreken, ik zou mijne natuur geweld aandoen. Laat hen .niet meenen, dat zulk eene taal is aangenomen als voegende op een spreekgestoelte, waarvoor z ij verschijnen. Er zijn •er onder u die u zullen zeggen, dat ik op eene andere plaats, van mijn eigen kansel, niet voor werklieden, maar voor hunne meesters, ■ voor de rijken en aanzienlijken des lands denzelfden toon aansla en het Christendom predik, als de volmaakte wet der vrijheid. Zij kunnen u zeggen, dat dit mij iets heeft gekost ■en dat ik ten gevolge daarvan een zworen last van ver-

16

-ocr page 252-

242

(lenking, miskenning en persoonlijken haat me op den. hals geladen heb. Ik zeg dit niet uit bitterheid; ik acht het een duren plicht, vrijzinnig en edelmoedig te zijn,, zelfs tegenover illiberalen en bekrompenen en \'t schijnt mij een erbarmelijke zaak, als iemand er naar streeft, waar te zijn en waarheid te spreken, en dan op een toon van. verbazing zich beklaagt, dat de waarheid hem niet met lauweren, maar met doornen kroont; ik zeg het alleen, opdat we elkander goed verstaan. Laat de leden dezer vereeniging verzekerd zijn, dat ze geen gehuichelde taal\' van mij zullen hooren. Ik ben ook niet voor hen opgetreden om het evangelie te verkondigen, maar om hen te-ontmoeten op een breed, gemeenschappelijk terrein, om: mij tot hen te richten als een man tot zijne broeders.

^Ik denk evenmin het socialisme of het ongeloof te betichten. Dat zou onedelmoedig zijn. Hebt ge wel eens gehoord van eene plaats die men ,/s Lafaards burcht^ noemt\'? Zoo zou men dien kansel of dat spreekgestoelte kunnen heeten, vanwaar iemand, omgeven door zijne vrienden,, in de afwezigheid van zijne tegenstanders, zeker van toejuichingen en veilig voor tegenspraak, zwart maakt wie van hem verschillen. Ik denk heden avond niet tot discussie uit te noodigen; maar juist omdat er geen gelegenheid is voor repliek, zal er, al ware daarvoor geen betere reden, geenerlei verdachtmaking zijn.

„Uw voorzitter heeft u reeds gezegd, dat er geen debat zal zijn en ik zal u verklaren, waarom ik daartoe besloten heb. Alle onderwerpen zijn vatbaar voor vrij onderzoek, maar niet alle zijn geschikt voor publieke discussie. Niet van wege hunne zwakheid of twijfelachtigheid, maar van wege de groote teerheid van het punt in quaestie. Er zijn dingen te teer en te heilig om, zonder schade voor

-ocr page 253-

FREDERICK W. ROBERTSON. 243

de waarheid, ruw behandeld te worden. Zoo staat niets meer vast dan de plicht der kinderliefde, maar wilde men daarvan een vraagpunt maken, ter bespreking in eene dehating-cluh, dan zou het, verbeeld ik me, vrij twijfelachtig zijn. of men tot waarheid kwam. Om die reden weiger ik heden avond discussie toe te staan over de liefde, die een Christen zijn Verlosser toedraagt of over den eerbied waarmee hij opziet tot zijnen God, een eerbied heiliger clan ooit een man zijne vrouw toedraagt. Daarom verwerp ik de uiterst ongerijmde poging om eene waarheid, als het beslaan van God, door het opsteken der handen uit te maken/\'.........

z/Er is eene uitdrukking, aan een der leden van het Werklieden-instituut toegeschreven, die ik, \'t zij hij die al of niet gebezigd hebbe, tot de mijne maak; \'t is deze: ^als iemand onderneemt htt bestaan van God te bewijzen, tracht hij te veel te bewijzen.quot;

„Ik kan geen van de hoogste waarheden b e w ij z e n, behalve aan het Hart, de Ziel, de liede. Ik kan niemand bewijzen, dat zoet beter is dan zuur, dat goed beter is dan kwaad, tenzij er in zijn eigen wezen een gevoel is van het eeuwige onderscheid tusschen beide. Ik kan niemand bewijzen, dat er een zon is, tenzij hij een oog heeft om haar te zien......

,/God moet gevoeld worden door het hart, bij intuitie erkend door de rede, eer Hij bewezen kan worden aan het verstand. Gevoelt iemand niet in eiken vezel van zijn hart de Goddelijke Tegenwoordigheid, dan kan ik niet bewijzen dat zij daar of ergens anders is. Want wat men klaar voor oogen ziet, kan nooit zekerder zijn dan de overtuigingen der ziel of der rede.

Om zijn hoorders die goddelijke tegenwoordigheid te

-ocr page 254-

244

doen gevoelen, slaat Robertson eenvoudig die bladzijden uit de geschiedenis van zijn innerlijk leven op, waarop we vroeger wezen; hij verhaalt hoe hijzelf uit hangen twijfel tot een vast geloof gekomen is; hij ontwikkelt, hoe in het geloof aan de macht van \'t goede heel de godsdienst opgesloten ligt. Hij toont den werklieden aan, hoe een waarachtig-vrijzinnige, echt-demokratische geest hen minder van hunne rechten, dan van hunne plichten moet doen spreken, en als een eersten plicht hun de eerbiediging van anderer rechten oplegt.

,/Mijne rechten/\' zoo spreekt hij, „zijn in waarheid mijne plichten; mijne rechten worden beperkt door eens anders rechten. Gij hebt het recht, uwe boeken te lezen en voor uzelf te onderzoeken en na te vorschen; maar ik bid u, mannen broeders, hebt gij het recht, in eene vereeniging, die gij met anderen deelt, boeken in te voeren, die in hunne oogen walgelijk zijn? Is dat vrijheid\'? Gij wenscht door uwe lectuur vermaak te bevorderen; terecht, want er ligt een zekere godsdienst in den gullen lach, die uit het hart opwelt. Maar gij wilt meer; uw reglement verklaart: „Het doel van deze instelling is de zedelijke en verstandelijke veredeling van hare leden te bevorderen.quot; Wat is er geworden van den hoogen zedelijken toon, die uwe eerste adressen aan het publiek kenmerkte? Waar zijn de mannen, van wie ik in de zaal hierbeneden eene taal hoorde, die mijn hart goed deed, die mij fier deed zijn op mijn vaderland, als ik hunne woorden vergeleek bij de taal door werklieden aan gene zijde van het kanaal gevoerd? Mannen van Brighton\'s VVerkmans-instituut, hoe komt het dat de taal van uwe publicatiën tot een zooveel lager zedelijk peil gedaald is? Nog eens, gij zijt verplicht aan de

-ocr page 255-

245

zaak, die uwe vereeniging dient, die ongeloovige geschriften onvoorwaardelijk te verwerpen.*

De wijze, waarop deze zaak, zoowel door de werklieden als door Robertson werd aangevat, is aan bedenking onderhevig. \'t Is de vraag, of het raadzaam was een geheele rubriek van geschriften als „ongeloovig\'\' ter zijde te stellen. Maar natuurlijk is \'t,dat Robertson eene vereeniging, onder zijn patronaat ontstaan, voor liet dreigend gevaar van godsdienstloosheid en ontkenningszucht wilde behoeden en de toon, waarop hij \'t deed, dwong allen eerbied af. Velen zijner tegenstanders gingen huiswaarts zeggende: „dat is een waar man, geheel anders dan ik hem-mij had voorgesteld; een man, met wien ik \'t niet eens ben, maar dien ik niet langer zal aanvallen.quot;

Er waren er onder de sceptische meerderheid, die zich door Robertson lieten overtuigen; de overige,scheidden zich af, namen een groot deel van de bibliotheek en het eigendom van het instituut mede en vormden eene nieuwe vereeniging, die echter van korten duur was.

De meerderheid, die bleef, kende ook aan de honoraire leden invloed op den loop der zaken toe en richtte tot Robertson tweeërlei verzoek: of hij de herboren vereeniging met eene toespraak wilde openen, en of hij het voorzitterschap daarvan wilde aanvaarden, \'t Een, zoowel als \'t ander, werd wijselijk door hem afgewezen.

\'t Eerste weigerde hij, wijl het hem niet raadzaam voorkwam, zoo spoedig andermaal de aandacht van het publiek te vestigen op de Werkmansvereeniging, die niet door kunstmiddelen, maar door geiijkmatigen wasdom hare innerlijke kracht moest heroveren; \'t laatste, omdat hij, wel verre van den werklieden de teugels uit de handen te willen nemen, aan henzelven, mits voorgelicht door anderer

-ocr page 256-

246 FREDERICK VV. ROBERTSON.

advies, de leiding diet- zaken wilde zien toevertrouwd.

Nochtans bleef hij de vereeniging, door innerlijke verdeeldheid verzwakt, krachtig steunen in haren strijd om het bestaan. In November 1851 lezen we in zijn dagboek; ,/Ik heb deze week iederen avond werklieden-vergaderingen en lezingen bijgewoond.quot; Van nieuws daartoe aangezocht, hield hij in \'t begin van het volgend jaar zijne beroemde voordrachten. „Over den invloed van de poëzie op de arbeidende klassen//, voor de vuist uitgesproken voor een gehoor van meer dan duizend personen. Aan de godsdienstige opvoeding der werklieden wilde hij door die voordrachten arbeiden. „Het geloof aan de werkelijkheid van eene onzichtbare Waarheid en Schoonheid te wekkenquot;, was, gelijk hij aan een zijner vrienden schreef, het hoofddoel van dit zijn werk. Maar hij deed het met de kiesch-heid en den tact hem eigen. Om hun de hoogste poëzie, die van den godsdienst te leeren waardeeren, trachtte hij hun de oogen te openen voor de waarde der poëzie in \'t algemeen.

Natuurlijk is hij er op voorbereid, dat velen \'t eene dwaasheid zuilen achten, werklieden bezig te houden met een onderwerp, dat hun geen goedkooper voedsel en geen hooger loon geeft. „Geef hunquot;, zeggen dezulken, „lezingen over wetenschap, over de beginselen van staathuishoudkunde, van schei- of werktuigkunde, of welk onderwerp ook, dat met het werkelijk leven in verband staat, maar in deze arbeidseeuw is rijmelarij waarlijk niet op hare plaats. Mij schijnt het juist toe, dat wij in deze eeuw van werktuigkunde en staathuishoudkunde, waarin kennis met wijsheid wordt verward en al wat tot \'s menschen zinnelijk welbehagen en tijdelijke welvaart behoort ijverig wordt nagejaagd, met verwaarloozing van het fijnere geestes-

-ocr page 257-

FREDERICK VV. ROBERTSON. 247

\'leven, niet zoozeer licht behoeven voor het verstand, als ■dauw op het hart.quot;

Welnu, de poëzie moet dien aanbrengen. Wat tocli is zij ? Ze is „de natuurlijke taal van het opgewekt gevoelquot; of „de indirecte uitdrukking van \'t geen zich niet rechtstreeks onder woorden brengen laat, waardoor de ziel haar innerlijk gevoel in zinnelijke en aanschouwelijke beelden hult.quot; Die omschrijving van de poëzie toetst hij aan na-tuurtooneelen en kunstwerken, die hem bijzonder troffen ■en aan de werken van zijne lievelingsdichters, Words-Avorth en Tennyson, terwijl hare invloed op den arbeidenden stand, haar oorsprong uit en hare werking op heU ■dagelijksch leven met een schat van voorbeelden wordt aangetoond.

Modellen van volksvoordrachten zijn deze verhandelin-;gen zeker niet — ze werden trouwens voorgedragen voor een gemengd gehoor — maar in Robertsons rijken geest, met Milton en Shakespeare, met Pope en Byron op \'t innigst vertrouwd, en in zijn dichterlijk gemoed doen zij ons •een diepen blik slaan.

Hoe Robertson naar buiten werkte, bleek ons uit een ■enkel voorbeeld, zijne verhouding tot de werkliedenver-eeniging en zijnen arbeid in haar midden. Maar wie tot zijn innigst zieleieven wenscht door te dringen en hem als religieus karakter wil waardeeren, die neme zijne .preeken ter hand, in een vijftal deeltjes bij duizenden verspreid.

Als haar hoofdgedachte, als de ziel van heel Robertson\'s levensbeschouwing treft ons telkens zijne diep-zedelijke •opvatting van den godsdienst of zijne innig-religieuze op-r

-ocr page 258-

248 FREDERICK W. ROBERTSON.

vatting van de zedelijkheid. Godsdienst en zedelijkheid zijn hem inderdaad onafscheidelijk één, twee zijden van eene en dezelfde zaak. Treffend komt dit uit in zijne toespraak over ,/s Christens doel en drijfveerquot;, naar aanleiding van het woord: „Weest volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.quot; Tweeërlei verkeerde opvatting van de Bergrede bestrijdt hij daar.

^Beide beschouwen haar enkel als een wetboek, als eene verzameling van zedelijke voorschriften. De eerste, voor wie godsdienst niets anders is dan correcte zedelijkheid, ziet in dezen bundel zedelessen het kort begrip der religie. De laatste vindt er een soort van geestelijk Jodendom, terwijl het hoogere en meer ontwikkelde Christendom eerst in de apostolische brieven aangetroffen worden zou. \'t Een is even onjuist als \'t ander. Niet het volbrengen van een zeker aantal plichten wordt hier geëischt, maar de gehoorzaamheid aan eene geestelijke wet, belan-gelooze goedheid, blijmoedige zelfopoffering, zedelijke reinheid. De natuur en de mogelijkheid der menschelijke volmaking zijn beide vervat in de uitdrukking: //gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.quot; Zij onderstelt de verwantschap tusschen God en mensch. Wordt ons de eisch gesteld aan God gelijk te wezen, dan volgt daaruit, dat wij de kiemen in ons dragen van de goddelijke natuur. Goddelijk is de mensch in zijn scheppend vermogen, in zijn rusteloos verlangen naar steeds hooger staat, in die-heilige onvoldaanheid, waardoor de schrijver zijn eigen beek niet weder lezen kan en de beeldhouwer niet met genot op zijn voltooiden arbeid kan staren; goddelijk in de oneindigheid van zijne verstandelijke en zedelijke eigenschappen, zoowel als in zijn vermogen om zichzelven op te offeren. Be drang nu, die hem tot dit rusteloos streven drijft, mag

-ocr page 259-

FREDERICK W. ROBERTSON. 240\'

niet zijn liet verlangen zijne ziel te redden, niet het geluk dat plichtsbetrachting met zich brengt, maar alleen-de dorst naar volmaking, de honger naar gerechtigheid.

Nu eens wordt dat streng zedelijk karakter, die verheven eisch van het Christendom, historisch in verband gebracht met de idealen der voorchristelijke godsdiensten, als in eene serie van adventspreeken over den godsdienst der Grieken, der Romeinen en der Barbaren. De Grieksche godsdienst wordt geteekend met zijn rusteloos polytheïsme, dat de aanbidding over tal van voorwerpen verdeelt en daardoor innerlijke eenheid mist en in zijne wereldschge-zindheid die tot ontgoocheling, achteruitgang en ongeloof\' aan het eeuwige moest leiden; met zijn eeredienst van het schoone, die de kunst tot eene ongekende hoogte opvoerde, maar in zinnelijkheid ontaardde en zijne vergoding van het menschelijke, die voorbijziet dat niet al het mensche-lijke goddelijk is. Als hoog-ernstig en gestreng doet de Romeinsche godsdienst zich kennen, zoowel in het openbare leven, waar de goddelijke orde van het heelal, de wet der hemelsche hiërarchie, in den Staat belichaamd, in den Keizer verpersoonlijkt wordt gedacht, als in het bijzondere, waarde heiligheid van het huiselijk leven in den dienst der Laren en Penaten hare uitdrukking vindt. Maar dat zedelijk leven trad in dienst van wereldsche doeleinden, die religie ontaardde in twijfelzucht en bijgeloof en — het machtig Piome ging te gronde.

De godsdienst der Barbaren eindelijk treedt ons voor oogen in het beeld der inwoners vanheteiland Malta,die Paulus met zijne medeschipbreukelingen in hun midden ontvingen. Bij hen eene natuurlijke goedhartigheid, die met barbaarsche wreedheid kan samengaan, een denkbeeld van wedervergelding, dat aan de zonde straf verbindt, maar in den

-ocr page 260-

■250

-vorm van uiterlijke wraak, die den groven misdadiger vervolgt; eene Godsvereering, die in het wonderbare en geheimzinnige alleen het voorwerp van vereering vindt, maar dan ook verdwijnt, hoe meer de wetenschap wonder en mysterie verdrijft. Boven die allen staat het Christendom, dat niet in de schoonheid, niet in het recht, niet in het mysterie, maar in heiligheid en liefde het hoogste voorwerp der aanbidding vindt.

Dan weder wordt het zedelijk ideaal des Christendoms beschouwd in verband met de idealen en behoeften van het menschenhart. Met den scherpen blik van een menschen-kenner ontleedt hier Robertson de diepste roerselen, de fijnste vezelen van het zieleleven. „Moeilijker dan de bewerking van het kostelijkste deel van het fijnste werktuig is de voltooiing van het christelijk karakter. Laat de hitte der vervolging komen, of de koude der menschelijke verlatenheid, of een weinig van het stof der wereld — en het edel, kostelijk ding wordt geknakt en verwoest.quot;

De naturen, die enkel van de buitenzijde worden aangedaan, de oppervlakkige en licht bewegelijke gemoederen, de verstrooiende en verstikkende invloeden worden geschetst, naar aanleiding van de verschillende grondsoorten in de gelijkenis van den zaaier, terwijl oprechtheid van bedoeling, ernstige overpeinzing en volhardende beoefening als de voorwaarden van blijvende godsdienstige indrukken worden geteekend. Elders wordt de innerlijke strijd der ziel die, waar ze vergeefs zich afmat om den goddelijken naam te noemen, den goddelijken zegen zich verwerft, naar aanleiding van de mythe der worsteling van Jacob, geschetst.

Nu ontvouwt hij naar aanleiding der ontwikkeling van Jezus, het ideaal der algemeen-menschelijke ontwikkeling.

-ocr page 261-

251

•Geleidelijk en natuurlijk komt zij tot stand in de schaduw van het huis, zonder de kunstmatige prikkels en den opwindenden wedstrijd van onzen tijd. \'t ,1s een toenemen in zedelijke kracht, in zielsvermogen en zelfbeheersching die eiken hoozen geest, dien ze verslaat, aan haren inner-lijken wasdom dienstbaar maakt; een toenemen in die -wijsheid die, ver verheven boven talent of boekengeleerdheid, door aanhoudende navorsching en wrijving van gedachten wordt verworven ; een toenemen in gunst bij God •en menschen, dat boven de aardsche roeping de hemel-•sche stellende, juist in den alledaagschen kring de hoogere laak leert vervullen.

Dan stelt hij in \'t licht, hoe het geloof, in den gods-•dienstigen zin van \'t woord, niet is eene vreemde, uit-heemsche macht, langs bovennatuurlijken weg in de ziel ■gedaald, maar hetzelfde beginsel waaruit we dagelijks ileven, waardoor we onszelven en onze rnedemenschen vertrouwen, waardoor de maatschappij, die anders een zandhoop ware, een levend organisme is.

Doch niet enkel tot de verborgen wereld van het ge moed s-deven bepaalt zich Robertson in zijne toespraken. Van zijn godsdienstig standpunt bespreekt hij de maatschappelijke verhoudingen en de brandende vragen van den dag. De botsing tusschen David en Nabal b. v. is hem het zinnebeeld van den strijd der maatschappelijke belangen •en behoeften. Wie is sterker: David, met zijne woeste, hongerige bende, één in \'t gevoel van het onrecht hun geschied of Nabal, met zijne weldoorvoede en gedrilde huurlingen, vereend door eigenbelang, niet door liefde tot ;zijne zaak? Pijnlijke vraag, die zich herhaalt in ieder land, waar men prat is op zijne rechten, maar over zijne .plichten luchtig henenglijdt! Eene vraag, die enkel kan

-ocr page 262-

252 FREDERICK W. ROBERTSON.

worden opgelost, waar, evenals Abigail tusschen Nabalen? David, zoo de christelijke liefde optreedt als middelares tusschen rijken en armen. Reiden predikt zij de waardigheid van lederen mensch als mensch, de wet der zelfopofferende liefde, die tot een vrijwillig communisme leidt en de voorwaarde, waarop alleen door hoog-geplaatsten en aanzienlijken invloed geoefend worden kan. ,/0, laat toch de rijkenquot;, zoo luidt het aan \'teind dezer toespraak, ,/de teekenen der tijden niet misverstaan of hunne broederen verkeerd begrijpen; dezen hebben steeds minder eerbied voor titels en rijkdom, voor kleederen en kerkelijke aanmatiging; maar zij hebben waarachtigen eerbied voor meerdere kennis en hoogere zedelijkheid;, zij luisteren als kinderen naar wie zij vertrouwen, dat de dingen beter weten dan zijzelven. Of is er niet iets onuitsprekelijk treffends en beschamends in de ruime, hartelijke, mannelijke, eclit-Engelsclie vereering en liefde, die de werklieden toonen jegens hen die hen waarlijk liefhebben en dienen\'?quot;

,/Ilelaa.squot;, zoo besluit hij, „wij geestelijken van de Kerlc van Engeland, we hebben drie eeuwen lang onderwerping gepredikt aan de bestaande machten, als ware dat de-eenige tekst in den Bijbel, die sloeg op de betrekking tusschen heerschers en beheerschten 1 Zelden hebben wij van de bestaande machten rechtvaardigheid durven eischen, de mannen van rijkdom en titels aan hunne plichten herinnerd. Wij hebben stroomen van slaafsche vleierij over het goddelijk recht der vermogenden uitgestort! Schande over ons! Het ongelijk, den zwakken aangedaan, hebben wij niet tentoongesteld; en toch, voor één tekst in den Bijbel, die onderwerping en lijdzaamheid eischt van de armen, zult gij er honderd vinden, die de ondeugden der

-ocr page 263-

253

rijken aan de kaak stellen: Wee ons, in den dag des ge-riclits, indien wij de pluimstrijkers der rijken, in plaats van de herstellers van der armen grieven zijn geweest; wee ons als we David enkel onderwezen hebben in eerbied voor zijn meerdere, Nabal, en vergeten dat Davids zaak, niet die van Nabal, de zaak is van God!quot;

Ts \'t wonder dat zulk eene ernstige aanklacht, der Kerk van Engeland in \'t aangezicht geslingerd, menigen hoogkerkelijke als een gruwel in de ooren klonk, dat menige rijke egoïst dezen boetprediker ging schuwen als een gevaarlijk man\'?

Even vrijmoedig trotseerde Robertson de openbare meening in de Sabbathsvraag. Wie den Engelschen Zondag in zijne doodelijke eentonigheid kent, weet wat die vraag daar beteekent. Toen de opening van het ,/Crystal palacequot; op een gedeelte van den Zondag de goedkeuring der Regeering had verkregen, werd een petitionnement daartegen van streng-kerkelijke zijde op touw gezet. Robertson weigerde ten stelligste, dat verzoekschrift te teekenen. Bedekt en openlijk daarover aangevallen, verdedigde hij zich in zijne toespraak: ,/Het glazen-paleis «n de godsdienstige niet-waarneming van den Sabbath/\' Onverholen spreekt hij zijne meening uit, dat iedere wettelijke Sabbathsviering, zoowel op den eersten, als op den Jaatsten dag der week, alleen op .Toodsch, niet op Christelijk standpunt voegt. Toch bestaat er eene godsdienstige waarneming van den Sabbath en ver is \'t er van af, dat .iedere niet-waarneming van den rustdag uit godsdienstige beweegredenen voort zou vloeien.

Eene gevaarlijke zijde heeft zulk eene verandering in de Engelsche zeden, waarbij openbaar en officieel milli-oenen worden uitgenoodigd, wel niet tot een ongodsdien-

-ocr page 264-

254 FREDERICK W. ROBERTSON.

slig, maar zeker tot een niet-godsdienstig gebruik van den rustdag.

,/Toch mogen wij niet weigeren, den armen eene soort van ontspanning toe to staan, die de rijken reeds lang niet geaarzeld hebben zich te veroorloven in hunne kostbare woningen en buitenplaatsen, zonder verzet van de dienaars der Kerk, die alleen in hun zeer getast schijnen, als de ontheiliging van den Sabbath luid en algemeen is. Neen, mijne broeders\'\', zoo besluit hij, „laat ons deze zaak kloek en klaar onder de oogen zien. \'t Kan zijn dat God met ons volk te richten heeft, \'t Kan zijn, gelijk men zegt, dat onze Vader ons zal kastijden door het zwaard van den vreemdeling. Maar komt er een oordeel over ons land,, dan zal \'t ons treffen, niet omdat de briefwisseling hier op den rustdag wordt voortgezet, noch omdat Zondags-treinen niet bij de wet verboden worden, noch omdat aan den werkenden stand de openbare vergunning wordt gegeven voor eene ontspanning van eenige uren op den rustdag; maar omdat wij zelfzuchtige menschen zijn en omdat we vermaak stellen boven plicht, en nijverheid boven de eer; omdat we onze partij meer liefhebben dan onze kerk en onze kerk meer dan ons christendom en ons christendom meer dan de waarheid en onszelven meer dan alles. Dat zijn de dingen die ons volk onteeren; maar de arbeid en het vermaak van de armen bezoedelen eene natie niet

Bij eene zoo zuiver ethische en vrije opvatting van den godsdienst als in Robertsons toespraken doorstraalt, kan \'t ons bevreemden, dat hij aan de taal der oude dogmatiek niet geheel ontwassen is. Wij hoeren hem spreken van den geopenbaarden, in tegenoverstelling van den natuurlijken godsdienst, van de drieëenheid, van de menschwor-

-ocr page 265-

255-

cling Gods, van de verzoening enz. Doch vooreerst hebben we daarbij tedenken aan de sterke gehechtheid aan de traditie en aan het groote accommodatievermogen van de Engel-sche geestelijken, waardoor \'t zelfs mannen van zoo vrijzinnige richting als Charles Kingsley en Deken Stanley mogelijk Avas, werkzaam te blijven in de Anglikaansche kerk. En ten anderen verstaat Robertson bij uitnemendheid de kunst, de godsdienstige kern dier overgeleverde dogmen op den voorgrond te stellen. Zoo is hen de rnenschwording eigenlijk de openbaring van het goddelijke in den mensch, de triniteit, die hij vergelijkt bij de drieëenheid van lichaam, ziel en geest in den mensch, de vereeniging van de schep-\'\' pende, de verlossende en de heiligende macht in de Godheid, \'t Kan ons soms verdrieten, hem zoo den nieuwen wijn in oude lederzakken te zien gieten en vaak rijst de gedachte bij ons op: ware \'t hem mogelijk geweest zich van die verouderde vormen en voorstellingen los te maken, hoeveel vrijer had hij dan de vleugelen kunnen uitslaan! Maar terwijl wij er niet aan denken, hem onder de beslist-modernen te rangschikken, doet het ons telkens goed, op te merken, hoe hij de blijvende waarheid, de religieuze hoofdgedachte onder het verouderde omhulsel weet te ontdekken.

Van den diepen indruk dien zijn woord teweegbracht, getuigen zijne hoorders om strijd. ^Ik kan niet onder woorden brengenquot;, zoo schrijft een hunner, ,/het eigenaardige gevoel van vereeniging met hem en van onderlinge gemeenschap, dat ons vervulde onder zijne toespraak. Ik had een gevoel, alsof iedereen in de vergadering trillen moest van eene ontroering als de mijne en alsof zijne onderdrukte aandoening ten deele was toe te schrijven aan zijne bewustheid van onze aandoening.

-ocr page 266-

quot;256 FKEDERICK W. KOBERTSON.

Evenmin ktm ik u liet gevoel beschrijven van eene lioogere Tegenwoordigheid, dat ons vervulde, als hij sprak; van het heilig ontzag, dut onze harten doordrong, van de ■eerbiedige stille, waarin het zwakst geluid de aandacht trok, van de gretigheid, waarmee velen luisterden, als om een woord op te vangen dat hun twijfel bannen of hunne smart heelen kon; van het licht dat op eens sommiger gelaat verhelderde, als eene of andere uitdrukking hen diep getroffen had, als voelden ze: deze man spreekt tot mij en zijne woorden zijn door God ingegeven. En als het einde kwam en, te midden van eene ontzaglijke stilte, eene zucht van verlichting van ingespannen aandacht uit heel de vergadering opsteeg, heb ik dikwijls menschen gezien, zóó getroffen, dat zij onbewegelijk neêr-zaten, tot de tonen van het orgel hen tot de volle bewustheid brachten, dat de prediker had opgehouden te spreken. Na zulk eene toespraak scheen het eenig passend slot de bede van Alexander Knox: „Bevestig die indrukken in mij, o God!quot;

Treffende blijken mocht Robertson dan ook ontvangen van de warme vereering zijner vrienden. Van de wijze, waarop de werklieden zijnen raad en steun inriepen, spraken we reeds. Maar ook van de zijde der jongelieden werd hem eens eene oprechte hulde gebracht. Een bon-derdtal hunner bood hem op het stadhuis te Brighten een dankadres aan „voor den verheven blik dien hij hen had leeren slaan op \'t hoogste en heiligste in den godsdienst, voor den hoogen standaard van zedelijkheid, waarnaar hij hen geleerd had hun leven in te richten, zoowel als voor de lessen van wijsbegeerte en wereldsche wijsheid, die zij zoo dikwijls van zijne lippen hadden opgevangen.quot;

Diep bewogen, maar met zijn natuurlijken eenvoud ant-

-ocr page 267-

257

woordde hij: „Met de oprechtheid van een Engelschman hebt gij mij gezegd, dat mijn dienstwerk u goed heeft gedaan. PJven oprecht wil ik n antwoorden, dat ik het geloof met heel mijn hart. Ik weet dat er mannen zijn, die eens in duisternis en twijfel rondtastten en nergens licht konden vinden, doch thans een anker en eene rustplaats vonden voor hunne zielen. Ik weet dat er mannen zijn, bitter en toornig gestemd tegenover verhoudingen in de maatschappij, onbillijk in hun oog, die dat alles nu aanzien met een zachten en vriendelijken blik. Ik g e-loof — want van deze dingen weet God alleen — dat er menschen zijn, die zich een hooger ideaal voor oogen leerden stellen en, misschien mag ik er bijvoegen, hun leven naar dat ideaal leerden vormen. Ik mag dit mijn geloof niet verbergen en ik ben innig dankbaar te mogen zeggen, dat, zoo mijn dienstwerk morgen ten einde liep, het in deze stad althans niet te eenenmale ijdel zou geweest zijn!quot; En uit het diepst zijns harten voegde hij er bij: „de handteekeningen, aan dit adres toegevoegd, zullen mij, naar ik vertrouw, in menig donker uur ter vertroosting en aanmoediging zijn.quot;

„In menig donker uurquot;, want in grooten getale heeft hij ze gekend, die duistere oogenblikken. Hoe ongeloovig kon hij zijn aan de kracht en beteekenis van zijn predikwerk! Zoo schreef hij eens; „krukken zijn uitstekend om zich op voort te bewegen, maar tot versterking van de leden, die zij van den grond opheffen, tot ze lenig zijn geworden, baten zij niets, naar \'k gis. Neen, geloof me, het geestelijk leven is niét een weten, noch een hooren, •maar een doen. Wij weten alleen, voorzoover wij kunnen doen, al doende leeren wij doen en al doende leeren wij kennen; wat wij waarlijk, recht, in den weg van

17

-ocr page 268-

258

onzen plicht doen, dat en dat alleen zijn wij. Preeken zijn; krukken — naar ik geloof dikwijls de slechtste dingen voor de geestelijke gezondheid, die ooit zijn uitgevonden.\'\'

Niets verafschuwde hij zoozeer, als den naam van een populairen prediker, wetend dat wie voor zijne hoorders een //goed sprekerquot; is, gevaar loopt niets anders voor hen te zijn. Er is iets van Carlyle\'s bitterheid in zijn toon als^ hij zegt: „Als ge wist hoe innerlijk ziek ik word van het parlement met zijn gebabbel en gewawel, of hoe ge \'t anders noemen wilt; hoe weinig in mijn oog beteekent wel ter taal te zijn; hoe goddelijk groot, in vergelijking daarvan, het rijk des zwijgens me toeschijnt; hoe ik me tot in het stof vernederd voelde, bij de ontdekking dat ik door goden en menschen voor den populairen prediker van eene fatsoenlijke badplaats gehouden werd, en hoe streng ik mijne tong heb weerhouden van eene syllabe of een volzin te zeggen op kansel en katheder, omdat zij populair zou zijn!____quot;

//Ik wenschte dat ik het preeken niet zoozeer haattequot;,, zoo schrijft hij ergens in zijne brieven, //maar de vernedering van een Brightonsch prediker te zijn, is bijna ondraaglijk. „Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mijquot;, maar ik geloof dat er geen handwerksman is, wiens werk mij niet waardiger en hooger toeschijnt dan het mijne.quot;

Van waar dat bittere sarcasme, waarmee Robertson zich uitlaat over eene levenstaak, die hij tot zooveler stichting heeft volbracht\'? Van waar in \'t gemeen de nevel van somberheid, die hing over zijne edele ziel? Ze laten zich verklaren, allereerst uit zijn zenuwachtig en prikkelbaar gestel, \'t welk ten laatste de aanleiding werd tot een hersen-lijden, dat hem groote zorg baarde. Hij bestreed het en.

-ocr page 269-

FREDERICK \\V. ROBERTSON. 259

hield het ten onder met al de kracht van zijn ijzeren wil. Daartoe diende hem de lichaamsoefening, die hij liefhad. Een lust was \'t, hem te zien wandelen, met zijn lenigen, vluggen tred en zijne militaire houding, maar merkwaardiger nog in het open veld met hem te gaan jagen. Dan kon hij uren lang een enkelen vogel vervolgen, of aan den zoom van een moeras ineengedoken zittende, loeren op wilde eenden. Maar meer nog nam hij de toevlucht tot geestelijke middelen en, door laster vervolgd of door tegenstand geprikkeld, zocht hij zijn troost in zijne lievelingsdichters of verdiepte hij zich in chemische studiën.

Ja, ook in hem bevestigde zich het Paulinische woord: „als ik zwak ben, dan ben ik machtig/\' Want hoe dieper hij terneergebogen was, met des te warmer ijver wijdde hij zich aan eene taak, die hem zoo menige klacht op de lippen legde. Des te meer ging hij op in de kleine plichten van zijn ambt, in \'t verkeer onder de armen, in \'t onderwijzen van de kinderen op de Zondagsschool^ ja in \'t laatste jaar van zijn leven trok hij dikwijls uit in den nacht, om aan de gevallenen van Brighton zich te wijden.

Doch zijne droefgeestigheid had nog een dieper en edeler oorzaak dan zijn lichaamslijden. Zij vloeide voort — wij zagen \'t reeds — uit de hooge eischen, die hij zich-zelven stelde, uit die heilige onvoldaanheid, die hem geen oogenblik rust liet. Zij hing samen met het gevoel van verlatenheid en eenzaamheid, dat hem, onder den indruk van allerlei miskenning en, veroordeeling, kon beklemmen. Zoo was zijn schoone toespraak over „De eenzaamheid van Christusquot; eene biecht, geschreven als met zijn eigen hartebloed. Eenzijdig en ziekelijk was ten deele dat gevoel van verlatenheid. Het verblindde hem

-ocr page 270-

260

maar al te zeer voor de vrucht van zijnen arbeid, voor de gehechtheid, waarmee de groote meerderheid zijner gemeente hem aanhing, voor de eerbiedige liefde die velen hem toedroegen. Gelijk hij zelf van elke phrase in \'t diepst van zijne ziel afkeerig was, zoo vermoedde hij soms bij anderen ijdel vertoon, waar inderdaad warme sympathie gevonden werd. Tot op zekere hoogte nochtans stond hij zeker alleen, verheven boven het gros van zijne hoorders, boven zijne tegenstanders, wier verdachtmaking en verbittering hem niet bereiken kon. Over dat alleen staan beklaagde hij zich niet. Hij voelde dat in zijn isolement zijne kracht gelegen was.Wat iemand doen kan in vereeniging met anderen,quot; zegt hij, „stelt hem niet op de proef. Zeg ons, wat hij alleen kan doen. \'tZegt iets, de waarheid te verdedigen, als ge weet dat uw gehoor reeds vooringenomen is, en dat ieder argument een toestemmend antwoord zal vinden; \'t zegt meer, de waarheid vast te houden, indien zij al gesteund moet worden, alleen — bejegend met koele blikken en onvriendelijken argwaan, \'t Zegt iets, zich in het gevaar te storten, te midden van het gejuich en den bijval der menigte; \'t zegt meer, als de verlaten kapitein van het zinkende schip, de laatst overgebleven bemanning te zien wegvaren, en, de armen over elkaar gekruist, weg te zinken in de diepte, verpletterd maar niet ten onder gebracht.quot;

Als hij zich zóó eenzaam voelde, zei hij tot zichzelven allereerst: ,/laat uw leven een leven des geloofs zijn. Ga niet angstvallig rond, om na te vragen wat anderen denken, wat anderen gelooven en wat anderen zeggen, \'t Schijnt de gemakkelijkste, \'t is de moeielijkste zaak in \'t leven dit te doen: in God te gelooven. God is u nabij. Houd n onverschrokken aan Hem vast. Bevende sterveling, er

-ocr page 271-

FREDERICK W. ROBERTSON. 261

is een onbekende macht binnen in uw ziel, die zal opwaken als gij haar wakker roept. De\'dag kan\'komen, waarop al wat menschelijk is, man en vrouw u ontvalt Wees daarom reeds nu onafhankelijk van hen allen. DelVader is met u. Zie op Hem. Hij zal u redden \\quot;

Robertson\'s levensdag spoedde ten einde, nog eer hij de middaghoogte had bereikt. Weinige maanden voor zijnen dood overviel hem, in eene van Brighton\'s straten, eene flauwte, die hem bewusteloos deed neerzinken. Op aandrang van zijn geneesheer, die ernstige hersenaandoening constateerde, nam hij eenige weken rust. In dien tijd brachten eenigen zijner gemeenteleden eene som bijeen, waarvoor hij zich een hulpprediker terzijde stellen kon. Dankbaar nam hij het aanbod aan en benoemde daartoe een zijner vrienden, den Heer Ernest Tower. Maar de Vicaris van Brighton weigerde, wegens eene persoonlijke veete, die benoeming goed te keuren. Eene pijnlijke correspondentie, daarover door Robertson gevoerd, verbitterde zijne laatste levensdagen. Op den 5tlen Juni 1853 werd zijne stem voor \'t laatst in Trinity-Chapel gehoord. Toevallig bracht hij in den namiddagdienst de geregelde lezing van den tweeden brief aan de Corinthiërs ten einde. De afscheidsgroet aan \'t slot; „Voorts broeders, vaartwel V\' was zijn laatste woord tot zijne gemeente.

Nog bereidde hij zijne laatste leerlingen tot de kerkelijke aanneming voor. Den 2den Juii sleepte hij zich nog voort langs de straat, maar met zoo kennelijke moeite dat een werkman hem den arm ter ondersteuning bood. „In de laatste maandquot;, zoo schreef hij, „was het leven voor mij ééne kwijning, gedeeltelijk verlamd in de beenen,\'s nachts.

-ocr page 272-

262 FREDERICK W. ROBERTSON.

slapeloos van pijn, bij dag twee stoelen verwisselend met de sopha en de sopha met den grond/\'

Toch, al nam het hersenlijden toe, had zijne denkkracht hem nog niet begeven. Een brief, door den natuurkundige Faraday in de Times over het spiritisme geschreven, boezemde hem levendige belangstelling in. „Hij deed mij meer goed7\', schrijft hij, „dan trekpleisters, morphine, quinine, staal of wat men mij ook gaf. Klare, gezonde, wetenschappelijke waarheid, in plaats van bet ziekelijk verlangen naar mysteriën en bovennatuurlijke dingen, dat vele beuzelaars thans vervult, een verlangen in strijd met wetenschap en godsdienst beide.quot;

Lang bleef hij nog aan herstel gelooven, tot hij drie dagen voor zijn dood voor \'t laatst schreef: „In de laatste veertien dagen ben ik dagelijks erger geworden. Bij de hevige pijn in de hersenen, bij eene machteloosheid en terneergeslagenheid, te vreeselijk om te beschrijven en bij de klaarblijkelijke bezorgdheid der geneesheeren, voel ik nu, dat ik dit niet te bovenkomen zal. Zijn wil geschiede! Ik schrijf op de pijnbank.quot;

In den laatsten nacht trachtten zijne moeder en zijne vrouw, die met een zijner vrienden en zijn geneesheer hem met de grootste toewijding verpleegden, vergeefs zijn lijden te verlichten. Hij kon \'t niet dragen, dat men trachtte hem eene gemakkelijke houding te doen aannemen. „Ik kan \'t niet velen, laat mij met rust. Ik moet sterven. Laat God zijn werk doen/\' met die woorden blies hij den 18Jen Augustus 1853 op zevenendertigjarigen leeftijd den adem uit.

Zoo ging deze „goede krijgsknecht van Christus,quot; gelouterd door zwaren strijd en diepgaand lijden, het land der ruste in.

-ocr page 273-

HEINEICH LANG.

-ocr page 274-

„Wie Gode lepfUen, sterven niet. Terwijl een adem van rein menschclijke grootheid ons van hen tegen-waait. leeren wij door hen gelooven aan het goddelijke, zoo in onszelven. als in anderen.quot;

Lang.

-ocr page 275-

HEINR1CH LANG.

,/De protestantsche pastorie heel\'t hare eigenaardige-roeping in de geschiedenis. Men heeft „kinderen en boe-kenquot; soms spottend den eenigen rijkdom van een pro-testantschen leeraar genoemd; maar men vergat, dat daarin de schoonste lofspraak vervat is. Geen ander beroep is zoo vanzelf aangelegd op de bevordering van het familieleven,, die geboorteplaats van alle menschelijke ontwikkeling. De-eenvoudige levenswijze beveiligt genoegzaam voor armoede, om den zin voor het ideale niet onder drukkende zorgen voor het dagelijksch brood te verstikken en is toch weer niet schitterend genoeg, om die zorgen geheel buiten te sluiten, waardoor de leden van een gezin veel nauwer, dan door overvloed saamverbonden worden. De uit den aarcV der betrekking voortvloeiende onthouding van de luidruchtige feesten en verstrooiingen der samenleving geeft, des te grooter ontvankelijkheid voor de stille, gemoedelijko-geneugten van het huisgezin en voor de onbaatzuchtigste-gastvrijheid. De stille, eenvoudige tevredenheid van den burgerstand laat ruimte voor beschaving van geest en gemoed, en is verheven boven den beperkten gezichtskring, en den bekrompen zin soms aan die klasse eigen. De-

-ocr page 276-

\'2(;G HETNIUCH LANG.

vrije tijd, die hier, zooals in geen anderen werkkring, den huisvader vergunt zich aan zijn gezin te wijden, scheidt hem hoogstens door de openstaande deur der studeerkamer van het huiselijk leven. Voeg daarbij de bijna aartsvaderlijk eerwaardigheid en eenvoud van den werkkring en het godsdienstig element, dat hier als de natuurlijke atmosfeer haast onmerkbaar ingeademd wordt — wat is er dan meer noodig om een edel, gemoedelijk familieleven te doen geboren worden ?//

Toen Lang in zijne levensschets van Lessing den zegen ■ der protestantsche pastorie in die woorden beschreef, sprak hij uit eigene ervaring. Zelf zag hij den 14den November 1826 in zulk eene pastorie het levenslicht. Zij stond te Frommern, een dorp in de Zwabische Alpen, vanwaar het gezin twee jaren later naar het dorp Aldingen verhuisde. Daar bracht de kleine Heinrich vier jaren van zijn kinderleven door, in een oud huis, „zoo stil en rustig, zoo zonnig en :schilderachtig gelegen op een afstand van liet dorp, te midden van boomgaarden en bloemtuinen en met het uitzicht aan drie kanten op weiden en velden, die door de niet bosschen begroeide bergen en de ver in\'t rond zichtbare kapel begrensd werden.quot; Zoo schildert hijzelf het tooneel van zijne kinderjaren in de boeiende autobiographic, waarmee hij onder den titel „Tot op den drempel der pastoriequot; de Gartenlaube verrijkte.

Later zag hij op die zonnige jaren zijner jeugd, als op eene liefelijke idylle terug. „Ik geloof nietquot;, zegt hij, „dat iemand gelukkiger kindsheid heeft gehad dan ik. Nu althans komt ze mij in de herinnering voor als een zonnig landschap. Ik wenschte een dichter te zijn, om dat zalig verleden naar waarde te kunnen schetsen, toen, om met ■de woorden van den Oosterschen zanger te spreken, het

-ocr page 277-

207

licht des Almachtigen liet vaderlijk dak bescheen, toen de voeten baadden in room en de rots nevens mij stroomen van olie uitgoot. Wel bespeur ik eenige bolletjes van het dikke bloed van Schopenhauer in mijne aderen; doch zoo ik het genot van hetgeen mij omringt, het geloof aan de menschheid, de opgewektheid van geest, ondanks alle aanvechtingen, heb behouden, dan dank ik dit grootendeels aan de indrukken, die ik in mijne jeugd mocht ontvangen.quot;

Met vier zusters en één broeder, twee jaren ouder dan hij, groeide hij in de ouderlijke woning op. Zijne twee oudste broeders gingen reeds op de Latijnsche school en maakten zich gereed de voetstappen huns vaders te drukken. Dien vader teekent hij ons als eene ernstige, in zichzelf gekeerde natuur. Hoezeer levendig en gezellig van aard, had hij in de drie dorpspastorieën, die hij achtereenvolgens bewoonde (want in 1838 nam hij een beroep aan naar Schweningen, eene groote gemeente op de grenzen van Zwitserland, waar hij in drieëntachtigjarigen ouderdom stierf) en waar hij van alle degelijk gezelschap verstoken was, de gewoonten van een eenzaam, afgetrokken denker aangenomen. „Zelden zagen wij hem anders dan in gedachten verdiept, die hem dikwijls zoo bezig hielden, dat hij de innerlijke beweging, de dialektiek der begrippen in zijnen geest, door gesticulatie met de handen en den mond te kennen gaf. \'t Zij hij zijne dagelijksche wandelingen ver buiten het dorp maakte, \'t zij hij uren achtereen, in zijn chambercloak en met een lange pijp in den mond, in den tuin op en neer wandelde, \'t zij hij \'s avonds onder een kruik bier aan het venster zat, we zagen hem bijna altijd in lectuur of in gepeins verzonken.quot;

Zoo sprak het vanzelf, dut de taak der opvoeding groo-

-ocr page 278-

268 BEINR1CH LANG.

tendeels rustte op de schouders der moeder, die gelukkig liet tegenbeeld van haren man, het type eener vroolijke en openhartige, welwillende en praktische huisvrouw was, meer ervaren in de huishoudkunst dan in de letterkunde, meer thuis in den moestuin, dien zij geheel alleen ver-verzorgde, dan in den doolhof der theologische bespiegelingen.

Trouwens met de laatste had ook zijn vader niet veel op; zijne preeken waren voornamelijk gericht tot het hart en den wil. De praktijk van het leven was daarin hoofdzaak. Door zulke ouders werden de kinderen niet gedresseerd en gefatsoeneerd; ze groeiden op als jonge boomen, waarbij men soms een stok zet om hen geen verkeerde richting te laten nemen, en die men tct bevordering van hunne vruchtbaarheid, ontdoet van de overtollige loten, maar voor \'t overige aan zichzelf overlaat.

Uit dien vrijen lusthof werd het plantje overgebracht in de kweekerij, toen het negen jaar oud geworden was. Dat ook de jongste zoon, gelijk de oudere, predikant moest worden, sprak in dezen kring vanzelf. Daartoe moest hij allereerst naar de Latijnsche school. Op zekeren Zondagmorgen, toen de zon nog nauwelijks aan den hemel was, riep zijn vader hem in de studeerkamer, sprak hem ernstig en liefderijk toe, drukte hem twee gebeden in de hand, één voor \'s morgens en één voor \'s avonds, opzettelijk voor hem opgesteld en zei: ,/bid en werk vlijtig, mijn jongen Zoo ging hij op de kisten met koopwaren van een bij de familie bekend koopman, die naar de kermis reisde, naar het op acht uren afstands gelegen stadje Sülz.

-ocr page 279-

269

„Latijnsche school, Latijnsche poort,

Gezegend en gezellig oord,

0 wereld vol illusie !quot;

Zoo zong onze De Génestet, bij de herinnering aan zijne Latijnsche-jongensjaren. Bij wien die geestige lierzang ook weerklank moge vinden, bij Lang zeker niet onvoorwaardelijk. Gezellig was \'t althans niet, het bedompte schoollokaal, waar hij met 70 a 80 jeugdige Latinisten vijf jaren van zijn leven doorbracht. „Welke geest hier heerschtequot;, zoo verhaalt hijzelf, „kon de binnentredende onmiddellijk opmaken uit het opschrift, dat met groote, zeer in \'toog vallende letters op den muur te lezen stond: „u t met den indicativus kost zes slagen met de plak.quot; Dat beteekent zooveel als; 1°. hier is Latijn de hoofdzaak, met den aankleve van Grieksch en Hebreeuwsch voor hen, die zich tot eene wetenschappelijke betrekking willen voorbereiden; 2°. het Latijn moet ten koste van eiken prijs worden ingestampt en hazelaarsstokken groeien er in overvloed op de groene heuvels.quot;

Gelukkig hielp de steun van twee oudere broeders en de liefderijke hand van de vrouw van den praeceptor hem door \'t ergste heen, en toen de gronden van \'t Latijn — hier beschouwd als het fundament, van alle beschaving — eenmaal waren gelegd, begon de vlugge knaap al ras zijne makkers vooruit te streven. Een vermakelijk staaltje daarvan verhaalt hijzelf. Op zekeren dag, toen de ranglijsten Averden opgemaakt, bleek het, dat hij eene klasse oversprong en van primus eener lagere, primus eener hoogere werd, tot groote ergernis van zijnen voorganger, een knappen jongen, die hern in alle andere vakken overtrof, maar wien hij \'tafwon in zuiver Latijn schrijven, de eenig-

-ocr page 280-

270

geldende maatstaf. ,/Duren is een schoone stad!quot; riep deze-hem uitdagend toe, maar zie — liij moest daarop naar bed met de mazelen en was na tien dagen dood. „Vacan-tie V\' klonk het den volgenden dag, en toen de jonge-Heiurich, nog geheel onder den indruk van dit tragisch voorval, zijn ransel pakte, bleek het op eens, dat ook hij de mazelen had en, terwijl de anderen zingende de bergen overtrokken, in eene donkere kamer moest achterblijven.

Na zijn herstel werpt hij zich met nieuwen ijver op de studie en geraakt alras onder de bekoring der klassieken. Cicero\'s geschriften oefenen hunne tooverkracht op hem uit. De plastische gestalten van Livius vervullen hem met bewondering en, als iiij de Grieksche grammatica — niet zonder behulp van de plak! — meester is, beginnen ook Sokrates en Lucianus hem te boeien, terwijl reeds op zijn twaalfde jaar de eenvoudigste geschiedkundige gedeelten van het Oude Testament in \'t Hebreeawsch gelezen worden.

O zeker, ze was eenzijdig, deze streng-klassieke vorming,, waarbij voor uitspanningen en wandelingen even weinig tijd overbleef, als voor eene aanvankelijke kennismaking met de nieuwere letterkunde. Maar toch is \'t de vraag,, of deze eenzijdigheid niet te verkiezen is boven de onrustbarende veelzijdigheid der tegenwoordige paedagogiek, die onze jongens, overstelpt door het onafzienbaar heir van leervakken, dat op hen komt aanstormen, in gevaar brengt om van alles wat — indien maar niet van \'t geheel niets — te weten ! Van het geloof in de alleenzaligmakende kracht van het Grieksch en Latijn zijn onze tegenwoordige pae-dagogen nog te weinig genezen. Toch lijdt het geen twijfel, dat de strenge en nauwkeurige studie van ééne enkele taal, \'t zij dan een doode of een levende, in hooge mate

-ocr page 281-

IIEINIUCH LANG. 271

bevorderlijk is aan die klaarheid van voorstelling en die juistheid van uitdrukking, die wij in Lang bewonderen.

Aan het einde van zijn schooltijd stonden twee gewichtige gebeurtenissen: de aanneming tot lidmaat der kerk en het staatsexamen. Wat de eerste betreit, zij kon voor den dertienjarigen knaap niets anders zijn, dan eene geheimzinnige formaliteit. Had de jonge Heinrich geweten wat hij deed, dan had hij zich zeker niet neergelegd bij eene belijdenis, van den val van Adam alquot; tot het ambt der sleutels toe.

De plechtigheid, bestaande uit het werktuigelijk opaeggen van het belijdenisboekje, het knielen op den trap voor t altaar, het aanhooren van eene spreuk en zegenbede, waarbij hij tot zijne ergernis gewaarschuwd werd tegen „de tegenstellingen der valschelijk dusgenaamde wetenschapquot;, liet hem te eenenmale koud. Wie hem daarom hard valt, of van gebrek aan ernst verdenkt, die hoore hem verhalen : „Den volgenden dag ging ik te voet naar school terug; het was een tocht van 7 a 8 uren. Hier beleefde ik mijn Damascus, hier nam God zelf mij in de eenzaamheid aan tot lidmaat zijner kerk. Eene zee van zalige en ootmoedige gewaarwordingen drong mijn hart binnen. Vreugde en leed wisselden elkaar in mijn boezem af; ik bad en schreide tegelijk. De wer.eld lag zoo groot en uitgestrekt voor mij. Boomen en velden waren getuigen van mijne heilige eeden en vurige geloften/\'

Na verloop van een halfjaar volgde nu het staatsexamen, dat wil zeggen: het onderzoek, dat tot heden in WTurtem-berg jaarlijks aan eene keurbende van circa 40 kweekelingen op staatskosten den weg opent, door de zoogenaamde theologische seminariën of kloosterscholen te Maulbronn, Schönthal, Blaubeuren en Urach, naar het sticht te Tubingen.

-ocr page 282-

272 HEINBICH LANG.

Hoe verouderd en zonderling zulk een kunstmatige theolo-genteelt van staatswege ons thans ook schijnen moge, toch danken we daaraan de vorming van geesten als Schelling en Hegel, Baur en Schwegler,Vischer en Zeiler, Strauss en Lang. Zouden den goeden Melanchthon,op wiens raad hertog Ulrich van Wurtemberg het zoogenoemde stipendium in Tubingen stichtte, de haren niet te berge rijzen, als hij zag, wat al ketters daar, onder de landsvaderlijke vleugelen eener rechtzinnige Regeering zijn uitgebroed? Ook Lang behoorde tot dat broeisel; want dat de scherpzinnige knaap met goed gevolg de proef doorstond, liet zich verwachten. Zoo openen zich voor hem de poorten van het klooster Schönthal aan de .laxt.

Wanneer Hausrath opmerkzaam maakt op het merkwaardig feit, dat twee geschriften, die de beschaafde wereld in de laatste eeuw in beweging gebracht en op tweeërlei gebied een nieuw tijdperk geopend hebben uit Zwaben zijn voortgekomen: „De Rooversquot; van Schiller en het „Leven van Jezusquot; van Strauss, en als hij het radikalisme dier beide werken in verband brengt met de inrichting der Wurtembergsche scholierenkazernen, of kloosters, zoo ge wilt, die in geniale koppen de behoefte aan vrijheid ten sterkste prikkelt, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat ook de stoutheid, waarmee Lang later optrad, aan die harde kloostertucht te danken is.

Aan kloosterlijke afzondering ontbrak het hier ten minsten niet. Het voormalige Benediktijner-klooster, zeven uren van Heilbronn verwijderd, kwam slechts tweemaal in de week, door middel van een postbode, met de buitenwereld in aanraking. Ook de kloosterregelen werden

-ocr page 283-

HEINRICH LANG. 273

-streng gehandhaafd; van vijf uur \'s morgens, tot tien uur \'s avonds was de tijd zoo nauwkeurig mogelijk verdeeld. De eenige tijd, die voor eene wandeling beschikbaar bleef, was het namiddaguur van i tot 2; het rooken en het bezoeken van de herberg was ten strengste verboden, en •voor „vrijheid en tijdverdrijf op schoone zomerdagenquot; bestond al zeer weinig gelegenheid. Ondanks die Spar-taansche levenswijze, keerde onze kloosterling, naar zijn ■eigen getuigenis, na afloop van iedere vacantie,. welgemoed naar de inrichting terug, en was \'t hem altijd weepgt; een genot de oude makkers terug te zien en gezamenlijk den tocht naar de „speciosa vallis\'\'\' aan te nemen.

Toch was hij op verre na geen model-leerling. Daartoe werkten de omstandigheden ook niet mee. Reeds in het •eerste jaar leed hij tot driemalen toe aan de belroos, die hij, door verwaarloozing van een aanval van groep, zich •op den hals haalde. Drie maanden in de ziekenkamer doorgebracht zetten hem zoo jammerlijk achteruit, dat hij dof en onverschillig werd en anderhalf jaar in treurige zelfkwelling doorbracht.

Doch ook hier rees uit de nevelen de dag. In het klooster doorleefde Lang zijne storm- en drangperiode. Allerlei voortbrengselen der nieuwe literatuur drongen binnen die wanden door. Shakespeare\'s werken, Goethe\'s drama\'s, Lessing\'s „Hamburger Dramaturgiequot;, Uhland\'s gedichten werden er verslonden. Al die gedachten en gedichten brachten eene krisis in zijn gemoedsleven teweeg, die hij -aldus beschrijft;

„Op een zomerschen Zondag-avond, terwijl ik aan het vensier stond en de witte wolken in de blauwe lucht met blikken vol verlangen volgde en de oogen over de kruinen naar de groene heuvelen liet weiden, werd het

18

-ocr page 284-

274 HEINR1CH LAKCJ.

mij zoo droef en bang t6 moede. Och, kon ook ik maaiquot; naar buiten gaan, langs heuvelen en dalen zwerven, de-verborgen bergpaden opzoeken, aan den zoom der weilanden de golven der rivier beluisteren, de geuren van velden en wouden met volle teugen inademen! Ons echter riepen de klokken kerkwaarts, en droomend en afgetrokken voldeed ik mee aan dien plicht. Doch toen de poort van het klooster zich eindelijk opende, snelde ik naar buiten en spreidde een hemel van blijdschap en smart zicli over mij uit.

\'tls een wonderlijk tijdstip, als de geest zijn vuurdoop ondergaat, als het gebonden gevoel zich losmaakt en het hart, in eene half zinnelijke, half bovenzinnelijke opwelling,, alles in zich zou willen opnemen wat groot en heilig is! Dan ondergaat het gemoed eene goddelijke wijding, die al, het ruwe en gemeene afwijst; dan spreidt zich over alle zaken een tooverachtig waas uit, evenals de blauwe tint over de bergen; het leven is nog als een liefelijk geheim,, omdat men de gordijn, die er vóór hangt, nog niet heelt opgelicht.

Zoo spelen omstreeks dezen tijd in Lang\'s ontwikkeling, het romantische en liet klassieke wonderbaar dooreen; want de klassieke phüologie bleef schering en inslag van het onderwijs, waaraan de studie van de geschiedenis en. van de beginselen der wijsbegeerte zich paarde; eenige oraties van Demosthenes, tragedies van Sophokles, dialogen van Plato worden grondig bestudeerd en allengs onthult zich voor zijn oog ;/de oude wereld met haar gezond realisme, waarover niettemin het waas eener phantasüsche en naïeve jeugd ligt uitgespreid; met haar open oog voordewerkelijkheid, dat daarom juist het schoone en ideale opmerkt ; met hare harmonische verbinding van wijsbegeerte en.

-ocr page 285-

275

poëzie, zoo als aan den tijd der jeugd eigen is, wanneer ue krachten en werkzaamheden van den geest nog niet scherp zijn afgebakend ; inet eene kunst, welker grootste voortreffelijkheid bestaat in hare natuurlijkheid en haren eenvoud; niet eene zedelijkheid en burgerdeugd, die in geen ander tijdperk der geschiedenis zóó groot en rein hebben uitblonken/\'

En die oude wereld leerde hij bezien met kritischen blik, want Prof. Oehler b.v. liet niet na, de oogen zijner kweekelingen te openen voor de tegenstrijdigheden en onmogelijkheden in de koningsverhalen van LiviuS; hoewel hij, als bekrompen theoloog, er zich zorgvuldig voor wachtte die kritiek ook op ,/het kritiekste^ toe te passen en de zoogenaamde „Boeken van Mozesquot;, van \'t begin tot het einde — :t verhaal van Mozes\' dood en begrafenis incluis — als Mozaïsch bleef voorstellen. Maar de jeugdige denker oefent reeds kritiek en koestert twijfelingen op eigen hand. Zoo teekent hij b.v. met dikke letters in zijn schrijfboek aan, dat een der repetenten, bij eene plaats uit Herodotus, de afstamming van het menschelijk geslacht uit één menschenpaar betwijfelt. Ook wordt hem steelsgewijze reeds een blik gegund in de denkbeelden van den wijsgeer, die later op zijne ontwikkeling den grootsten invloed oefende. In den lessenaar, dien hij van zijn ouderen broeder, bij diens vertrek naar de akademie, erfde, vindt hij een dictaat van den toenmaligen repetent Rümelin, later door zijne Shakespeare-studiën beroemd geworden, waarin de algemeene geschiedenis in den geest van Hegel\'s „Philosophie der Geschichtequot;, als de vooruitgang in het bewustzijn der vrijheid werd voorgesteld.

Ook zijn godsdienstig gemoed laat zich niet onbetuigd;

-ocr page 286-

HEINRICH LANG.

de orthodoxe geest der landskerk, die in het seminarie heorscht, laat hem koud; meer bekoort hem het piëtisme der Herrnhutters. Doch hij heeft eene vroomheid op eigen hand. „Was ik in die jaren vroom?quot; zoo schrijft hij. „Nooit vromer, daar de dauw des hemels nooit frisscher en oorspronkelijker op mijne ziel lag. Hoe zou liet hart niet vroom zijn dat droomde

„Van lente en liefde, een zaal\'gen, blijden tijd

Van vrijheid, mannenwaarde, van trouw en heiligheid.quot;

Ik bad dikwijls, wel is waar alleen bij mooi weer en een helderen hemel, aan het open venster in den gang, dat op den kloostertuin uitzag.quot;

27G

Zoo gistte en kookte het in \'t gemoed van den jonge-geling, die het klooster vaarwel zei, om zich te werpen in de armen van Tubingen\'s Alma Mater.

Met vier jaren in het Augustijner-klooster te Tubingen zou het kloosterleven van Lang besloten worden. Toch gunde dit klooster hem althans eenige meerdere vrijheid. Met hoeveel blijdschap begroette hij de nieuwe kamer van het Sticht, waar hij met vijf anderen wonen en werken zou, en althans zijn eigen vensternis had, met een heerlijk uitzicht op den Neckar en de Zwabische Alpen. „Daar spon men zich zoo gemoedelijk als men kon in zijne kleine wereld in. Geheel den wand behing men met portretten — ik had Lessing, Baur, Strauss, Shakespeare tegenover mij hangen — en met tallooze silhouetten van vrienden; het heiligdom werd met een groen gordijn van de wereld afgesloten, welk voorhangsel evenwel door een

-ocr page 287-

HE1NRICH LANG. 277

domme gril van het bestuur bij straffe werd verboden.

Volop genoot de jonge student van de meerdere vrijheid van beweging hem verleend, maar meer nog van de vrijheid van studie, die toch niet zonder controle was, zoodat hij b.v. in de uitvoering van zijn voornemen, om reeds in het eerste semester Zeiler te hooren over de geschiedenis der Griekscbe wijsbegeerte door een streng verbod verhinderd werd, al liet men hem overigens in \'t al of niet bijwonen der colleges zijn eigen gang gaan. Reeds lang stuitte het hem tegen de borst van de professorale wijsheid „ieder uur een lepelquot; te ontvangen. Zijn geest was dan ook reeds genoeg gerijpt om zich in de studie een eigen weg te banen, en vóór alle dingen was \'t hem behoefte een pad te volgen, waarop hij nauwelijks de eerste schreden had gezet — het pad van kunst en poëzie. Op dien weg geleidde hem de beste gids dien hij kon wenschen. Friedrich Vischer, de smaakvolle en diepzinnige kunstkenner, had juist te Tubingen een leerstoel in de aesthetiek aanvaard. Onder zijne leiding zich aan de studie der kunstgeschiedenis te wijden — welk een benijdenswaardig genot! Winekelmann\'s Geschiedenis der oude kunst, Lessing\'s Laökoön, Uotho\'s Geschiedenis der schilderkunst werden ijverig bestudeerd. Töppfer\'s woord : „il faut flaner une année dans sa viequot;, werd door Lang in gezonden zin in praktijk gebracht. Want het eerste jaar te Tubingen werd grootendeels besteed aan voyages en zigzag op het gebied van poëzie en literatuur. Nu verdiept hij zich geheel in Goethe\'s liederen, dan verkwist hij twee vacantiën met dramatische proefnemingen, straks ontvlamt een gedicht van Percy Shelley zijne bewondering voor het vegetarianisme in die mate, dat hij bijna een jaar lang van plantenvoedsel leeft.

-ocr page 288-

278

Doch van al dat romantisch droomen en dwepen geneest hem eene veertiendaagsche reis die hij, met 28 gulden op zak, naar Keulen onderneemt. „Na die reis was de romantische droom uitgeslapen; \'t was voor goed met alle sentimentaliteit gedaan. Ik had de steden, de schepen, den handel, het verkeer, de menschelijke bedrijven, in één woord de wereld met hare praktische belangen en wezenlijken arbeid leeren kennen. Ik zag niet meer naar den maneschijn, maar zocht het volle daglicht. En \'t was hoog tijd ook; want met het tweede studiejaar kreeg ik te doen met gewichtige zaken, de ernstige vraagstukken der wijsbegeerte en godgeleerdheid.quot;

Ouder gewoonte lag aan den ingang van het tweede jaar Kant\'s „Kritik der reinen Vernunftquot; op den lessenaar van den seminarist. Dat was, na het suikerbrood der frasJe letteren, harde en zware kost. Nu kwam het er op aan „planken te zagenquot;, zooals zijn praeceptor placht te zeggen. De Copernicus der wijsbegeerte nam nu ook hem de dingen voor de oogen weg en verplaatste hem in het ideale middelpunt van zijn zelfbewustzijn, om hem van hieruit de wereld in een nieuw, ongedacht licht te doen zien.

De fijne, maar onweersprekelijke onderscheiding tusschen de dingen, zooals ze ons toeschijnen en zooals ze op zichzelf zijn, werkt ontgoochelend op ieder, die haar voor \'t eerst leert kennen. Doch hoezeer de jeugdige Lang een diepen indruk bewaarde van den stoulen revolutionair, die van al de gewrochten van het menschelijk denken en gelooven niets dan bouwvallen overlaat, om alleen het onwrikbaar fundament van het plichtsbesef te laten staan, maar ai te weinig onderging hij, tot schade voor zijne verdere ontwikkeling, den invloed van den grootmeester der kritiek.

Evenmin kon Fichte\'s „Wissenschaftslehrequot; hem over-

-ocr page 289-

HEINRICU LANO. 270

tuigen, dat ulle dingen i)uiteii hem niet anders dan het ■voortbrengsel en de afspiegeling zouden wezen van zijn eigen ik. Nog minder trok Schelling, de wijsgeer der ■romantiek en der reaktie, hem aan. Met des te grooter voorliefde dompelde hij zich in de wijsbegeerte van Hegel, die juist toen — tusschen 1840 en \'30 — haren bloeitijd doorleefde. Om de ingewikkelde terminologie en de dialektische methode van het reusachtige stelsel bekommerde hij zich even weinig, ais om de houdbaarheid der bijzonderheden. ,/t Wasquot; — om met Lang zeiven te spreken — „het groote wereldproces der gedachte, dat den jongeling bedwelmde; \'t was het grootsche vraagstuk eener alles omvattende, al het werkelijke in zich sluitende wereldbeschouwing, dat hem boeide en meesleepte. De wereld een eeuwig worden, •eene rustelooze ontwikkeling, een voortgaan van trap tot trap, een rammelende weefstoel, waarop het levend kleed der Godheid geweven wordt; en de geschiedenis der volken het wereldgericht of de vooruitgang in het bewustzijn der vrijheid — dat indrukwekkend denkbeeld vervulde •den Ijongeling met bewondering. Ach, al zou \'t later ook (hem schijnen

„Of quot;t raadselvolle leven Droevig lacht met elk systeemquot;,

toch achtte hij hier een tijdlang alle mysteriën opgelost en het heelal bevredigend verklaard.

Leerling en geestverwant van Hegel was dan ook de groote man, aan wien Lang vooral zijne theologische ■vorming te danken had — Ferdinand Christian Baur.

Wat ile studie der Nieuw-Testamentische letterkunde aan dezen geleerde verplicht is, weet elk die geen vreemdeling is op dit gebied en kan hier niet in bijzonderheden

-ocr page 290-

280 HEIN RICH LANG.

worden ontwikkeld. In eene reeks van monographieën\' over de dogmengeschiedenis, even reusachtig van omvang als diepzinnig van inhoud, had hij de ontwikkeling der kerkelijke leerstukken geschetst als eene in wisselende vormen zich uitende poging om de openbaring Gods in den menschelijken geest in woorden en symbolen weer te geven. En in zijne kritische geschriften had hij met wonderbare scherpzinnigheid aangetoond, hoe de strijd en de verzoening van het Joden- en Heidenchristendom aan al de boeken van liet Nieuwe Testament een eigenaardigen tint geschonken en de historische gegevens vervormd en gegroepeerd heeft. Al is thans zijne kritiek reeds weder onvoldoende, toen was het Tubingen dier dagen de zetel der meest vrijzinnige en onafhankelijke theologie, die zich bij monde van Baur en zijne uitnemende leerlingen Zeiler en Schwegler zoo onbewimpeld mogelijk uitsprak, en de-vrije geest van Lang dompelde zich met innig genot in de bruisende stroomen dier kritiek. Weinig bekommerde-hem voor \'t oogenblik de vraag, of hij uit dien breeden stroom zou kunnen binnenloopen in de enge haven der Wurtembergsche kerk, waarin het bekrompenst piëtisme heerschte. \'tWas hem enkel om zekerheid te doen. Wat nood indien de lectuur van Strauss en Baur hem de bovennatuurlijke wonderwereld van het Nieuwe Testament ontroofde, de mensch Jezus blonk hem eerst recht heerlijk in \'t oog, nu hij in geen anderen glans dan in dien der reinste vroomheid straalde. Dat die vroomheid des harten niets te vreezen heeft, zelfs niet van de scherpste kritiek,, dat was zijne innige overtuiging. Van Schleiermacher had hij geleerd, dat de godsdienst niets anders is dan de onuitroeibaar in \'t gemoed gewortelde trek naar het oneindige,, want, zoo drukte hij \'t zelf uit, «het werkelijk vrome hart.

-ocr page 291-

HEINUICH LANG. 281

verlangt niet een wonderdoenden God, die in de wereldorde ingrijpt ter wille van \'s menschen behoeften en begeerten, maar alleen den waarachtigen, tegenwoor-digen, voelbaren God, bij wien liet, te midden van dea angst van het tijdelijke, uitrusten, uit wien het krachten licht, troost en sterkte putten kan.quot; Eerst zoo scheen de godsdienst onder de menschen te kunnen worden wat hij volgens zijn wezen is: onbaatzuchtige, zelfverloochenende-toewijding. Voor zulk een diep opgevatten, vergeestelijkten, gezuiverden godsdienst eens te mogen arbeiden — welk een hartverheffend en bezielend vooruitzicht!

Maar waar lachte hem dit vooruitzicht toe in de kerk van Wurtemberg, die Baur\'s leerlingen stelselmatig ach-teruitzette, en o zoo gaarne, als ze maar gedurfd had, dcu grooten meester zeiven onschadelijk had gemaakt! Tot die kerk zou hij moeten zeggen: „Ga heen, en zoek u eenen and\'ren knecht \\quot; Hem bleef niets anders over,, dan naar een professoraat of een ander heenkomen uit te zien.

Ook hier brachten de omstandigheden licht en kwam uit het kwade het goede voort. De Februari-revolutie vanlt; \'48 bracht niet alleen Frankrijk, maar geheel Europa in beweging en werkte ook in de rustige Zwabische akademiestad als een electrieke schok. Onder de ontvlambare studenten,, dwepende met de republiek en hare grondvesting in Duitschland, is Lang een der eersten. Door zijn jovialen-zin, zijne schitterende gaven en zijne betrekking van bibliothecaris aan het museum, had hij zich eene groote mate van populariteit verworven en als warm republikein wordt hij de stichter en hoofdleider van eene „demokratische vereeniging.quot; Dat kon er niet door voor een Tubingscli seminarist. Men laat hem de keus tusschen het verlaten.

-ocr page 292-

282 HEINRICH LANO.

van het Sticht of van die vereeniging, maar hij verandert eenvoudig den naam der laatste, en doopt ze als „volks-vereeniging\'\' en het bezwaar is uit den weg geruimd.

Wetenschap en politiek strijden om den voorrang in den voorbereidingstijd voorliet eindexamen. In deze dagen ontwikkelt hij eene buitengewone werkzaamheid. Nu schrijft hij couranten-artikelen, en adressen of houdt hij toespraken tot het volk; dan werpt hij zich, met het oog op het naderend examen, in \'t diepst der theologie. In Augustus legt hij liet eindexamen af en, al staat hij kerkelijk en staatkundig in een kwaden reuk, toch is men onpartijdig genoeg om zijne bekwaamheid te erkennen. Met glans doorstaat hij de proef.

Thans kon de jeugdige demokraat zich onbelemmerd wijden aan de politiek. De revolutionaire gisting, die zich in alle Duitsche staten deed gevoelen, die in Berlijn 1\' reder ik Willem IV tot zoo belangrijke concessies had gedwongen, die overal het feudalisme van den troon stiet, en door het dralen van het Frank forter-parlement nog bleef voortduren, kookte ook in Lang\'s binnenste. Gelukkig was hij nuchter genoeg gebleven om zich te verzetten tegen het plan van een demagogisch heethoofd, een tocht naar Stuttgart te ondernemen tot omverwerping der regeering.

Des te gretiger aanvaardt hij de opdracht der Tubingsche volksvereeniging, om in eene samenkomst te Reutlingen als redenaar op te treden. In een gloeienden speech verklaart hij de republiek voor het eenige heil van Duitsch-land en staaft — merkwaardig genoeg! — zijn gevoelen door de aanhaling der rede van Perikles bij Thucydides, waarin deze de staatsregeling van Athene voor zijn bond-;genooten verheerlijkt. Met daverend handgeklap, eenstem-

-ocr page 293-

HEIN RICK LAND. 283

mige aanneming van zijne resolutie en eene serenade tot ■slot wordt zijne opgewonden taal beloond.

Daar las men den volgenden dag in den „Schwabischen Merkorquot;, dat zulke lieden eigenlijk achter slot en grendel behoorden te zitten. Als hij kort daarop, in alle argeloosheid, zich in Stuttgart vertoont, zien zijne bekenden hem aan met verbaasde en angstige blikken en wordt hem in \'t oor gefluisterd, dat er van vervolging sprake is. Aanstonds keert hij naar Tubingen terug, pakt in der haast zijn boeltje bijeen en rijdt met de post naar Schweningen, de toenmalige standplaats zijns vaders. Daar verneemt\'hij dat de politie inderdaad een onderzoek naar hem heeft ingesteld. Over de grenzen dus! Zijne ouders zien hem bekommerd na, maar de jonge zwerver betreedt met twee Thaler in den zak en een botaniseerdoos, waarin een pistool en een paar hemden, vol moed den bodem van Zwitserland.

De man, wiens naam thans in heel Zwitserland met eere wordt genoemd, vond er, als een verdacht vluchteling, ternauwernood toegang. Na voor Constanz het hoofd gestoo-ten te hebben, steekt hij het meer över, wordt in Rorschach toegelaten, en trekt van daar naar St. Gallen. Op weg daarheen ontmoet hij een oud moedertje, aan wie hij zijn nood klaagt. Zij spreekt hein moed in; hier was hij in het vrije Zwitserland en, ais hij maar een goed geweten had, zou niemand hem kwaad doen. De profetie van het ■oudje is vervuld.

Weinige dagen na zijne aankomst in St. Gallen, waar hij door Tubingsche betrekkingen alras een kring van

-ocr page 294-

HEINRICH LANG.

vrienden vond, komt hem eene courant in handen, waarin op eene vacante predikantsplaats in Wartau de aandacht wordt gevestigd. Onmiddellijk meldt hij zich daarvoor aan. Om te kunnen meedingen, moet hij zich aan het St. Gallensche staatsexamen onderwerpen, dat hij,, al schudt men ook het hoofd over zijn Tuhingsche ketterijen, met eere aflegt.

Met een anderen candidaat wordt hij tot de proefpreek te Wartau uitgenoodigd. Zijn mededinger is een lange, ibrsche man, die \'s voormiddags met eene welluidende stem eene flinke preek voordraagt. Als deze den kansel verlaat, zegt een der kerkeraadsleden hij zichzelven, maar zoo luid dat beide \'t hooren konden: „O wee, kleine!quot; Maar als \'s namiddags de kleine Lang, na eene rede vol gloed en verheffing te hebben uitgesproken, van den kansel afdaalt, zegt dezelfde man: „O wee, groote!quot; De kleine was dan ook de man.

Wartau, drie uren heneden Ragatz in een verrukkelijk oord gelegen, is de gemeenschappelijke naam van zes kleinere plaatsen, die met elkaar ééne kerkelijke gemeente vormen. Ongeveer in \'t middelpunt, in het gehucht Gret-schins, ligt nabij de schilderachtige ruïne van het slot Wartau, op een afzonderlijken heuvel de oude kerk met haar Gothisch koor en daarnevens de pastorie, door de weinige huizen van het gehucht omgeven. Te midden van een welvarend, opgewekt, vrijzinnig boerenvolkje, vond hij hier eene wijk- en werkplaats, begeerlijk boven duizenden. Juist thans hadden die luidjes hunne zelfstandigheid getoond, door zich niet te storen aan het collatie-recht, tot dusver door de regeering van Glarus over hunne gemeente uitgeoefend, zoodat Lang de man van hunne eigene vrije keuze was. En zij hadden van die keuze geen.

284

-ocr page 295-

HEINR1C1I LANG. 285

berouw. Wel was de jonge prediker geen ,/dominé// van den ouden stempel; vrij in zijne bewegingen, stout en pikant in zijne scherts; maar zijn spreektrant was zoo vurig en pittig en zoo helder en eenvoudig tegelijk, zijn omgang zoo welwillend jegens allen, zijne houding zoo waardig en kloek, dat hij aller harten voor zich won.

Nu bewoog hij zich onder zijne boeren, dan zag men hem in tuin en wijnberg aan den arbeid, straks bracht hij enkele dagen onder zijne letterkundige vrienden in St. Gallen door. Maar te midden van dat alles ontbrak er nog iets aan zijn geluk. Die leemte werd aangevuld, toen hij den 3den Augustus -1852, zijne lieve bruid, Constantia Suter, als huisvrouw binnenleidde in zijne pastorie, eene vrouw die bijna 24 jaren het lief en leed des levens met hem deelde en tiians met hare vijf kinderen zijne nagedachtenis eert.

Vijftien jaren lang duurde de Wartausche idylle. Hij vond er, wat Zwingli in Glarus vond, een welkome gelegenheid om zijne godsdienstige levens- en wereldbeschouwing op breeden grondslag op te bouwen, in alle bijzonderheden door te denken en langzamerhand in keu-rigen vorm af te teekenen in eene reeks van geschriften of essays. Een klein bundeltje preeken, dat hij in 1853 in het licht gaf, legt getuigenis\' af van de klare en gemoedelijke wijze, waarop hij voor zijne landgemeente zijne overtuiging uitsprak. Hoewel niet zoo rijk in gedachten, als zijne twintig, jaren later verschenen reden, doen zij toch zien, hoe hij reeds toen de kunst verstond van moeielijke theologische vragen bevattelijk en praktisch te bespreken.

Vijf jaren later verscheen, als een onaanzienlijk boekske, de vrucht van heel wat studie en nadenken, zijne groeve

-ocr page 296-

280

van eene Christelijke dogmatiekquot;. We kunnen ons voorstellen, met welk een bedenkelijk hoofdschudden ze door menigen ouderwetschen theoloog, reeds om haar uiterlijk voorkomen, werd begroet. Een boekje van 164 pagina\'s,, (in de tweede editie tot 2G8 uitgedijd), terwijl de oude mannen van het vak daartoe minstens twee, drie dikke doelen noodig hadden. „Uw jas is veel te kort, even als uwe dogmatiek \\quot; riep hem een paar maanden later een komische piëtist toe, op eene vergadering waar Lang. zich in een vrij modern phantasie-costuum vertoonde. ,/Maar het laken is goed/\' gaf hij ten antwoord, „en ik zie er in uit als een fatsoenlijk man, waartoe dient het zich te pingen met een paur meter overtollige stoi\'?//

Ja, de stof is goed, geweven uit draden deels der Hegelsche wijsbegeerte, deels der Schleiermachersche godsdienstbeschouwing, maar volgens een plan dat den oor-spronkelijken denker verraadt.

Na eene inleiding, die de taak der dogmatiek en hare verhouding tot schrift en overlevering schetst, wordt het christelijk beginsel in het eerste deel naar zijn grond en wezen, in het tweede deel in zijne historische ontwikkeling voorgesteld. In de tweede afdeeling van het eerste deel die het christelijk beginsel volgens zijn theoretische onderstellingen bespreekt, wordt a. het godsbegrip in \'t algemeen, b. \'s menschen verhouding tot God besproken, eene andere, naarmate zij is die van den natuurlijken, den wettischen of den geestelijken mensch.

Al aanstonds wordt in den aanhef het recht der dogmatiek, niet als verbindende formule, maar als redelijke en samenhangende uiteenzetting van den inhoud van het godsdienstig geloof, behoorlijk gehandhaafd. „Godsdienst en dogme moeten streng uit elkaar gehouden worden.

-ocr page 297-

HEINRICH LANG, 287

Godsdienst is gezindheid, dogme, de verklaring dier gezindheid door het verstand. Godsdienst is geestdrift, dogme, het onderzoek naar de bronnen dier geestdrift en naar de objecten, waarop hij zich richt. Godsdienst is beweging van het gevoel en den wil door het Oneindige, welks adem den eindigen geest beroert, dogme, het resultaat van het nadenken over die aanrakingquot;.

Van een opzettelijke kritiek van Lang\'s dogmatiek kan hier, evenmin als van die zijner andere werken, sprake zijn. Tot kenschetsing evenwel, zoowel van dezen arbeid als van zijne persoonlijkheid in \'t algemeen, diene de opmerking, dat in dit weefsel maar al te zeer ontbreken eenige draden uit de Kantsche wijsbegeerte, met andere woorden, dat Lang, tot zijne groote schade, de kritiek van den grooten Koningsberger bij het verblindend wereldpoëem van Hegel heeft achtergesteld. Wel zou door de invoeging dier draden het weefsel hier en daar als een spinrag zijn uiteengescheurd, waar \'t bleek dat het monisme, \'t welk ook voor ons voortvloeit uit eene religieuze beschouwing van de wereld, niet is een wetenschappelijk resultaat, gelijk Lang het te zeer voorstelt, maar een postulaat van het godsdienstig geloof; doch de zedelijke factor zou meer tot zijn recht gekomen zijn,. indien de godsdienst niet in de eerste plaats als de gemeenschap met het Oneindige ware voorgesteld, maar als een zich buigen voor die Heilige Macht die in het geweten haar „gij moetquot; doet hooren.

Zweefde Lang in zijne dogmatiek in de hoogere sieren der bespiegeling, in de concrete wereld der historische gestalten bewoog hij zich daarentegen, toen hij in het daarop volgend jaar zijne Wandeling door de Christelijke wereldquot; deed.

-ocr page 298-

\'288 UEINKICH LANG.

Door deze boeiende en pikante brieven verwierf hij zich ook in ons vaderland tal van vrienden, en opende hij veler oog voor het onhoudbare der antieke en het aantrekkelijke der moderne godsdienstbeschouwing. Wel was het, gelijk hij in zijne voorrede schreef, //geen wandeling voor genoegen alleen. Wie meê wil gaan moet zich inspannen en de frissche berglucht der gedachte kunnen verdragen. Doch zij zal daarom des te meer loonend zijn, want zij brengt den wandelaar de rijpe geestesvruchten van twintig eeuwen, tot eene kostelijke lafenis voor geest en gemoed.quot;

De wandeling begint bij de frissche bron van het oorspronkelijk Christendom en doet ons in zijn helderen spiegel het karakterbeeld van den christen volgens de zaligsprekingen zien. Zij brengt ons daarop bij de eerste stadie van den christelijken geest, het Katholicisme, waarin het godsdienstig gemoed als aan de wereld vijandig wordt voorgesteld en dientengevolge de godsdienst tot iets uitwendigs wordt gemaakt. Zij komt vervolgens tot de -oase van het oorspronkelijk Protestantisme, dat het godsdienstig leven van zijn innerlijke zijde doet kennen en den godsdienst voorstelt als eene werelddoordringende macht. Door het stekelig kreupelbosch van de kerkelijke orthodoxie der 1\'de eeuw, met hare verloochening van het Protestantisme leidt nu de weg; uit dit kreupelbosch wordt de wandelaar door het piëtisme bevrijd, maar als dit straks ontaardt, vindt hij zich van nieuws in de doornstruiken verward. Ruimer haalt hij adem, als hij op de breede hoogvlakte van het tijdperk der verlichting komt, doch guur en scherp zijn de wervelwinden van het rationalisme en supranaturalisme, die hem daar in het gezicht snijden. Nu loopt het pad door het somber, geheimzinnig woud der romantiek en straks door het breed en statig

-ocr page 299-

HEINRICH LANG. 289

■aangelegde park van den bloeitijd der Duitsche letterkunde. •Ov^r de heraelhooge bergen der nieuwe philosophie gaat \'vervolgens de weg en, heelt men die, zonder schade voor de geestelijke longen, overgetrokken, dan vertoonen zich op ruwe akkers een aantal mannen met spaden en houwee-.len ter ontginning aan \'t werk. \'t Zijn de beoefenaars van de kritiek des Bijbels. Heeft men hun werk aandachtig gadegeslagen, dan ziet men op een afgelegen, lommerrijke .plek twee slille mijmeraars neerzitten, wier eenige en ■eeuwige liefde het Oneindige is ; Spinoza en Schleiermaclier. Ten slotte wacht den vermoeiden wandelaar nog een voyage en zigzag, waarbij allerlei beelden uit de kerkelijke reaktie der laatste 25 jaren aan zijn oog voor-hijgaan, afgewisseld door de verschijning van Strauss en Feuerbach en besloten door het somber beeld van het materialisme. Wel laat de gids hem aan \'t eind eenigszins •verlegen staan met de vraag: „Wanneer zal de godsdienst • druiven voortbrengen in plaats van distelen\'? Wanneer zal de groote eeuw komen voor allen die Jezus liefhebben — ook zonder dogmatiek\'?quot; Maar toch zal niemand zich de schoone wandeling beklagen, of zonder een gevoel van warmen dank aan den ervaren gids het boek ter zijde leggen.

Doch niet slechts als wijsgeèrig denker en populair stilist, ook als voortreffelijk partij-aanvoerder deed Lang zich reeds tijdens zijn verblijf te Wartau kennen. Sedert door het optreden van Riedermann, als hoogleeraar in de dogmatiek te Zurich onder de vrienden van het Protestan-itisme aldaar nieuw leven was ontwaakt, deed zich de behoefte aan een eigen orgaan van deze richting levendig gevoelen. Er was belangstelling genoeg; \'t kwam er maar ■op aan, een redakteur te vinden. Uit St. Gallen wordt

-19

-ocr page 300-

290

Lang\'s naam genoemd en, op uitnoodiging van de mannerh van Zurich, verklaart hij zich onmiddellijk tot die taak bereid. Zoo verschenen van het jaar 1859 af onder zijne redactie de „Zeitstimmen aus der reformirten Kirche der Schweizquot;, die in 187-2 met de Berner ,/Reformblatterquot; werden saamgesmolten tot de „Reform, Zeitstimmen aus der reformirten Schweizquot;, onder gemeenschappelijke redaktie van Lang en Bitzius.

Ook voor deze taak bleek Lang uitnemend berekend te zijn. Aan eene groote gemakkelijkheid van conceptie en. heerschappij over den vorm paarde hij eene zeldzame gave-van repliek en polemiek, al valt het niet te ontkennen, dat hij, vooral in den eersten tijd, in zijn strijd tegen de orthodoxie en de middenpartij, zich soms tot al te groote heftigheid liet vervoeren. Zijne artikelen beslaan eene uitgebreide plaats in de zeventien deelen dezer beide tijdschriften, en zoo vaak de redacteursnood aan den man, kwam, vloog zijn vaardige pen over \'t papier. Een programma der vrijzinnige theologie, naar zijne eigenaardige opvatting, gaf hij in zijne kloeke en klare artikelen over de moderne wereldbeschouwing in den tweeden jaargang. Een echt verzoenenden geest ademen zijne artikelen ter beantwoording der vraag: „Waarover zijn wij \'t eens\'?quot;\' Scherp en op clen man af is zijne bijdrage: „Wij zijn \'t niet, die Israel beroeren!quot; Doch waar te eindigen, wildenwij alle artikelen van zijne hand in beide tijdschriften op^ sommen, die vermelding verdienen! Hier worden de teekenen des tijds in de Protestantsche en Katholieke wereld in \'t licht gesteld. Daar worden kerkelijke en politieke-vragen, als naar de verhouding van de kerk tot den staat en de school, ter sprake gebracht. Elders wordt een tegenstander onder handen genomen, soms met eene scherpe-

-ocr page 301-

1IEIXBICH LANG. 291

ironie die aan de polemiek van Lessing denken doet. In laatstgenoemde artikelen ontbrak het wel eens aan genoegzame waardeering en soms werd het gevoelen van den tegenstander zoo op de spits gedreven, dat deze er niet anders dan eene karikatuur van zijne meening in zien kon. Ook daar evenwel dreef hem enkel verlangen om de dingen bij den rechten naam te noemen, wat hem soms den andersdenkende een gevoelen deed toedichten, \'t welk deze, zoo hij consequent was, moest omhelzen en Ijezielde hem de overtuiging: „beginselen moet men klaar en bepaald uitspreken, de wereld zorgt er wel voor dat ze verknoeid worden.quot;

Wat de „Zeitstimmen\'\' voornamelijk door Lang\'s toedoen hebben uitgewerkt, heeft Hirzel, na haar zevenjarig bestaan, zeer juist dus uitgedrukt: ,/Zij bewerkten eene schoone, voor beide partijen zeer aangename verhouding tusschen de liberale geestelijkheid en de beschaafdste en degelijkste vertegenwoordigers van den politieken en materieelen vooruitgang in ons volk. Zij droegen er toe bij, de godsdienstig-kerkelijke belangstelling van onze bevolking levendig te houden, en ons volksleven te bewaren voor materialistische onverschilligheid of vijandschap tegenover de Kerk. Ze zijn waarschijnlijk te tellen, de godsdienstige tijdschriften, die, van hun ontstaan af, voortdurend een zoo aanzienlijk getal van staats- en schoolmannen, van fabrikanten en kooplieden, van ekonomen en ambachtslieden, van vrouwen en meisjes onder hunne onvermoeide lezers vinden, die vrijmoedig de leemten van het blad kritiseeren, maar ook zijne goede zijden gaarne erkennen, als waarin onze ,/Zeitstimmen\'\' zich verheugen mogen. Waarlijk, \'t is geene kinderachtige schrijversijdelheid, die zicli daarop beroemt, maar wel mogen wij er ons van heeler

-ocr page 302-

292 HEIN RICH LANG.

harte over verblijden, dat in onze dorps- en stadsgemeenten een kern voorhanden is, bestaande uit christenrnen-schen, wien liet te doen is om een kort en klaar en redelijk geloof.Zouden wij ons in Nederland niet gelukkig mogen prijzen, zoo hetzelfde hier gezegd kon worden van eenig tijdschrift van dien aard

Terwijl Lang alzoo het recht van den vrijen godsdienst in zijn tijdschrift bepleitte, had hij alweer een ander boek op touw gezet, om de kracht van dien godsdienst in \'t leven te doen zien. Hij teekent een vijftal ,/Godsdienstige karakterbeeldenquot; ; Paulus, den Heidenapostel, Huld-reich Zwingli, De bannelingen van Locarno, (eene episode uit de geschiedenis der Zwitsersche reformatie) Gotthold Ephraïm Lessing en Ernst Daniel Friedrich Schleiermacher. Hier bevond hij zich op zijn eigenlijk terrein. Zijn open oog voor de werkelijkheid, zijne gave om zich in allerlei toestanden te verplaatsen, zijn talent van plastische schildering, komen hein hier om strijd te stade. Het beeld van Lessing, met kleine wijzigingen en toevoegsels overgenomen uit den jaargang 1861 van de „Zeitstimmenquot; is van allen \'t best geslaagd. Geen wonder, indien althans de spreuk van Goethe waarheid bevat:

„Du gleiclist dem Geist den l)u begreifst.quot;

Want de geest van Lang vertoont met dien van Lessing menigen familietrek. Tot den grootsten criticus van den nieu weren tijd gevoelde hij zich zoo onweerstaanbaar getrokken, omdat hijzelf iets bezat van zijn tintelenden humor en zijne bijtende ironie, maar vooral van zijne mannelijke onverschrokkenheid. Niets deed hem dan ook zoo pijnlijk aan, als wanneer Lessing\'s veroordeeling van ^de nieuwmodische the-

-ocr page 303-

HEINRICH LANG. 293

ologie, die niet alleen ongenietbaarder, maar ook gevaarlijker dan de orthodoxe wasquot;, tegen hem werd ingeroepen door lieden, die noch van Lessing, noch van theologie iets begrepen. De laatste woorden, uit zijne pen gevloeid, behelsden eene zelfverdediging tegen die ongegronde aanklacht. Lessing had het oog op de halfheid en lamheid van de toenmalige „Fortschrittstheologiequot;, een beginselloos mengelmoes van half geloof en halve wijsbegeerte, terwijl hot elk die Lang kent duidelijk is, dat hij, juist door de scherpe onderscheiding van beide terreinen, beiden het volste recht wil laten wedervaren. „Wij willenquot;, zoo luidde zijn laatste woord, ,/niets meer en niets minder dan op de baan, welke Lessing heeft afgebakend, welke de Duitsche philosophie van Kant af, en de Duitsche theologie van Schleiermacher af tot Baur en zijne navolgers toe, bewandeld heeft, dezelfde verzoening tusschen godsdienst en beschaving bewerken, die Lessing aan zijnen tijd als zijne hoogste roeping voorgehouden heeft/\'

Met de schildering van zulke levensbeelden heeft Lang meer bijgedragen tot opbouwing van veler geestesleven, dan door menig uitgewerkt vertoog. De meesten onzer tijdgenooten zijn behept met eene schuwheid voor „stichtelijke lectuurquot;, die zich als reaktie tegen de vroegere preekenverslinding volkomen laat verklaren, maar zoolang liet waar blijft, dat leven leven wekt, zoolang zal ook het levensbeeld van een groot en goed man eene machtige werking oefenen op elk ontvankelijk gemoed.

Dit neemt niet weg dat Lang, ook langs den meer ge-bruikelijken weg, zijn volk heeft pogen te stichten. In \'t zelfde jaar waarin hij zijne „Religiose Charakterequot; uitgaf, zond hij een bundel „Stichtelijke urenquot; in het licht, drie jaren later door een tweeden gevolgd. Met opzet koos-

-ocr page 304-

294 IIEINRICH LANG.

liij denzelfJen titel, dien Zschokke aan zijn bekenden arbeid had geschonken, omdat hij in zijne taal \'t zelfde beoogde wat deze in zijn rationalistischen trant had bedoeld. Maar nog dieper wilde hij gaan. ,,111 een tijdquot; zegt Bieder-inann terecht, „waarin de grondslagen van alle religieusi-teit door den twijfel worden omgewoeld, kon hij zich geene godsdienstige beschouwingen denken, die niet een stevig gedachten-lichaam hadden. Daarom koos hij juist de diepste problemen van het geestelijk leven tot godsdienstige beschouwing. En zoo bevinden zich in deze „Stunden der Andachtquot; de kostelijkste parelen van zijne godsdienstige wereldbeschouwing, wier waardeering evenzeer mag worden aanbevolen aan hen die de godsdienstige kern alleen in een oud-kerkelijke schaal hebben ieeren schatten, als aan hen die \'t voor beschaafd en verlicht houden, den godsdienst zelf te beschouwen als een bolster zonder pit/\'

Zoo hadden zich Lang\'s talenten in de stille afzondering van Wartau\'s pastorie tot volle rijpheid ontwikkeld. Is \'t wonder dat hij verlangend uitzag naar dien „stroom der wereld die \'t karakter vormtquot;, en soms een begeerig oog sloeg naar een meer uilgebreiden werkkring\'? Gretig gaf hij dan ook gehoor aan de roepstem, die in -1863 uit de groote gemeente Meilen aan het meer van Zurich tot hem kwam. Natuurlijk waren er ook daar, die den „on-geloovigequot; met allerlei vooroordeelen begroetten, maar zijn warme, frissche preektrant wist die volkomen weg te vagen, en na verloop van anderhalf jaar schonk hem de gemeente eenparig het burgerrecht. Men had hier niet te doen met een biërarchischen bemoeial, gelijk, ondanks

-ocr page 305-

HEINUICH LANG. 295

;zijne goede bedoelingen, zijn voorganger was, ,/die meende dat geen geit in liet dorp zonder hem hare melk kon igeven.quot; Volgens Lung had de predikant zijn recht van bestaan te toonen, allereerst door zich te wijden aan zijne -eigenlijke godsdienstige roeping en door zich langs dien weg te doen kennen als een in ieder opzicht rustig en bruikbaar lid der maatschappij.

Te midden van zijne praktische werkzaamheid liet hij ■ook hier de pen niet rusten. Reeds lang was het zijn ideaal het beeld van Luther te schetsen, gelijk hij in zijne „Religiose Charakterequot; dat van Zwingli had ontworpen. Maar het portret van dezen man, met zijne wisselende ^gelaatstrekken en aanhoudende wendingen, kon niet dan ■na jarenlange voorbereiding worden afgewerkt. In \'t jaar -1870 verscheen het, als een vervolg op den eersten bundel \'karakterbeelden. Ook nu staat hem geen wetenschappelijk, maar een kunstenaarsdoel voor oogen. „Zal ik rekenschap geven van mijn plan\'7 — zoo luidt het in de voorrede — .„dan plaats ik mij in gedachten voor Luther\'s standbeeld aan de zijde van een reisgenoot, wien Luther\'s leven en geschiedkundige beteekenis in\'t algemeen bekend is. Dezen metgezel tracht ik de innerlijkste roerselen van deze persoonlijkheid te ontdekken en in de hoofdmomenten van zijn leven aanschouwelijk te maken, zoodat het beeld, als \'t ware voor zijne oögen gebeiteld, ten slotte verklaard ■en begrepen voor hem staat.quot;

Tegelijk evenwel komt hij er rond voor uit, dat zijn boek ■eene bepaalde „Tendenzquot;, een actueel belang heeft. „Ik wensch met dezen Luther in vollen ernst propaganda te maken voor eene Duitsche kerk, die in allen deele ongeveer het tegendeel van de tegenwoordige moet zijn. Op \'t oogenblik dat de Duitschers, sinds lang reeds een volk

-ocr page 306-

296 HEINRICH LANG.

van denkers, zich opmaken om ook een volk van staatslieden te worden en, na lange verbrokkeling van krachten^ de gedachte van nationale eenheid pp grootheid te verwezenlijken/\' (hij schreef in \'t jaar \'70) „is het duhbeli smartelijk te zien, hoezeer dit volk, in de gestaltenis van. zijn kerkelijk en godsdienstig leven, bij de overige deelen van zijne taak ten achteren is. Nog ziet men de eene helft met ijzeren ketenen geklonken aan het Romanisme,, welks ondermijning de wereldhistorische roeping der Reformatie is geweest, terwijl de andere geklemd is in de boeien van een zoogenaamd Protestantsch kerkwezen, dat in de oogen van de geestesbeschaving onzer eeuw niets minder is dan een openlijk schandaal.quot; Onbewimpeld en duidelijk genoeg! Zijn gesciirift moet „iets bijdragen tot de-godsdienstige zelfbevrijding van het Duitsche volkquot;, \'t Is een machine de guerre tegen het Katholieke en Protestantsche papendom.

In het eerste deel wordt de monnik Luther, deels op weg naar, deels binnen de wanden van het klooster, oas voor oogen gesteld. Wij zien, hoe diep hij wortelt in den bodem van de middeleeuwen, hoe hij in zijne cel beurtelings kruipend en fier den hemel afdwingt, hoe hij twijfelt en zijne twijfelingen weer zichzelf ontveinst, tot hij, door de aanvaarding van het beginsel der rechtvaardiging door het geloof, het Katholicisme in beginsel verbreekt, maar om het, in het denken niet dan ten halve overwonnen,, in zijne geloofsovertuigingen van nieuws te omhelzen.

In het tweede deel staat de Hervormer ons voor oogen. De boeiende tafereelen van Wittenberg en Worms worden, geschilderd met zoo levendige kleuren, dat we meer dan ooit doordrongen worden van hunne onvergankelijke be-teekenis. In het derde eindelijk zien we den Kerkstichter

-ocr page 307-

HEINKICH LANG.

297

optreden en zijn wij getuigen van die droeve reaktie in Luther\'s leven, waardoor hij, aan zijn Protestantsch beginsel ontrouw, even hartstochtelijk woedt tegen de beeld-stormers, de hemelsche profeten en de boeren, als tegen Erasmus en Zwingli. Maar als wij den zanger van „Een vaste burgquot; beluisteren en Luther in zijn huiselijk leven, en aan zijn levensavond gadeslaan, dan klopt ons hart weer warm voor den grooten man. Zeker heeft niemand zoo als Lang ons het oog geopend voor de twee men-schen, den monnik en den reformator, die elkaar in Luther afwisselen en bestrijden, voor de tweeërlei wereldbeschouwing, die hier woont in één hoofd en hart.

Het jaar der uitgave van zijn Luther was het laatste van Lang\'s achtjarige werkzaamheid in Meilen. Hij woonde er zoo in het midden zijns volks, dat hij in \'t voorjaar van \'70 eene vereerende roepstem naar Bremen afwees, hoezeer hem, na kennismaking met den kring van geestverwanten aldaar, die werkkring ook aanlachte. In het jaar vóór zijnen dood deden de Bremer vrienden andermaal eene poging om hem naar Noord-Duitschland te lokken, doch wederom vergeefs. De Wurtemberger was op end\' op een Zwitser geworden, of liever hij was \'t van nature; republikein in zijn hart en ongedwongen in zijne bewegingen, zou hij zich in het Duitsche rijk niet hebben t\'huis gevoeld. Des te meer bekoorde hem de werkkring die in \'t voorjaar van \'71 hem in Zurich aangeboden werd. Den 23sten April hield hij zijn intreerede als „diaken\'\' of „helperquot;, zoo \'t heette, maar reeds den 2den Mei moest hij eene lijkrede uitspreken bij de begrafenis van zijn ambtgenoot Hirzel, in wiens plaats hij nu tot

-ocr page 308-

208 HEINllICH LANfi.

■eersten prediker aan tie St. Pieterskerk bevorderd werd. Vijf jaren van onvermoeide en energieke werkzaamheid bracht Lang in Zurich door. Geen uitvoerig geschrift vloeide in dien tijd meer uit zijne pen. Des te overvloediger gelegenheid bieden zij ons om hem gade te slaan •als\' prediker en essayist. Indien iemand, dan is Lang het type geweest van \'t geen onze Duitsche naburen een ^Relbrmpfarrer^ noemen, dat wil zeggen: een prediker die de Kerk wil dienen, maar alleen om haar voortdurend te hervormen en haar dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der maatschappij, of, om met Biedermann te •spreken, „getrouw aan den geest van het Protestantisme, wil hij de Reformatie niet in het verleden, maar in het heden.quot; Het doode wil hij uit de Kerk verwijderen, niet orn haar van haren inhoud te berooven, maar om voor het leven in haar plaats te maken. De hervorming is hem niets dan het vloeibaar houden van den vorm der Kerk, ■opdat zij aan het geestelijk doel, waarin alleen zij haar recht van bestaan in het geestesleven der volken vindt, zoo goed mogelijk beantwoorde.quot; Voor Lang was de \'kansel de tribune, waarop hij ijverde voor die hervorming die, uitgaande van het hart, grijpt in het volle menschen-leven en overal hare herscheppende kracht openbaart.

Hij kende geen schooner tribune op aarde. Tot zijne tijdgenooten te spreken van het hoogste, wat het men-■schenhart beweegt, de teekenen des tijds te plaatsen in het licht der eeuwige waarheid en allen op te wekken, hun leven en tijd als denkende menschen op te vatten •en met een open oog en hart door de wereld te gaan, te spreken omdat men overtuigd is dat geloof, blijmoedige •overgave aan de goede zaak, weer geloof wekt — welke tribune kan heerlijker zijn dan de kansel!quot;

-ocr page 309-

HEINRICH I.ANG.

Zoo spreekt hij in zijne intreerede te Zurich, waarin thij zijn hoorders rekenschap geeft, eerst van de negatieve aijde van zijne overtuiging, van zijn ongeloof, daarna van den positieven kant zijner inzichten, van zijn geloof. De ■God der Kerk, de bovennatuurlijke Godszoon, de wonderbare Bijbel waren hem ontvallen. „Hier echter scheiden aich nu de wegen. Sommigen — \'t was wellicht de meerderheid— werden onkerkelijk en onverschillig, of vijandig tegen alles wat maar met godsdienst samenhing. Is de \'God der Kerk er niet, zoo zeiden ze, dan is er in \'t geheel geen God. Schrappen we dat woord uit ons woordenB\'oek! Stofwisseling, electriciteit, magnetisme, aantrekking en afstooting — dat is heel het leven. Welke beteekenis zou ■Christus nog voor ons hebben! Rukt de kruisen uit den grond! Christus een voorwerp van geschiedkundig onderhoek, maar niet meer van geloof. De Bijbel een vreemd boek in eene taal, die wij niet meer verstaan, met geschiedenissen die wij niet meer gelooven, wel is waar met :schoone leeringen, maar telkens vermengd met hetgeen .aanstootelijk en onbruikbaar is. De Kerk meer een rem-toestel voor den vooruitstrevende!! geest, dan zijne leidsvrouw en aanvoerderes. Breken wij haar af, of, zoo we dat niet kunnen, laten we haar staan voor hen die haar noodig hebben. Zoo ongeveer dachten en gevoelden tal-loozen, daaronder menschen van hooge ontwikkeling en ernstig zedelijk streven; zoo verbraken zij eiken band met liet godsdienstig geloof des volks, en werden innerlijk ■en uiterlijk van het kerkelijk leven vervreemd.

„Met hen kan ik niet meegaan. Al is de God der Kerk •er niet, is er daarom in \'t geheel geen God\'? Als ik niet langer kan gelooven in een God van willekeur en wonderen, moet ik daarom ook niet gelooven in Hem, die

-ocr page 310-

300

die zich aan mij openbaart in de wetten en ordeningen der wereld, die voor mijne oogen dagelijks zijn wereldgericht oefent in de lotgevallen der volken, die in mijn. geweten tot mij spreekt als de Heilige en Rechtvaardige, elke overtreding zijner wetten vervolgende met zijne onverbiddelijke straf; die, zoodra ik weer op bet pad van \'t goede terugkeer, zicb mij te voelen geeft als den Genadige, die het berouwvolle kind met vurige liefde aan \'t hart drukt en hem toeroept: „Vrede zij u, het oude is voorbijgegaan, \'t moet alles nieuw worden\'\', en mij de ziel vervult met blijdschnp en verrukking. In dezen God der godsdienstige ervaring zou ik niet kunnen geloo-ven\'? niet moeten gelooven\'? Wie mag zeggen; \'k geloof niet in Hem, in wien wij leven, ons bewegen en zijn\'?quot;

Zulk eene vurige godsdienstige overtuiging vindt ge overal in zijne toespraken terug. Uit den aard der zaak hebben zij veelal een apologetisch karakter. Onder allerlei vormen vindt ge hier een pleidooi voor den miskenden en verachten godsdienst. Nu wordt in den eersten bundel „De afkeer van vele tijdgenooten van den godsdienstquot; opzettelijk besproken. Na herinnerd te hebben aan de wijze, waarop Schleiermacher de beschaafde verachters der religie in zijne dagen teekende, vervolgt hij:

„Is deze schildering niet meer van toepassing op de tegenwoordige toestanden ? Zijn er thans geen verachters van den godsdienst meer onder beschaafden en onbe-schaafden\'? \'t Is waar, het geldt niet meer, als toen, voor een teeken van beschaving ;/een vrijgeest te zijn, althans zoolang men gezond is.quot; \'t Behoort niet meer tot den goeden toon, met den godsdienst te spotten; realistisch en positief geworden, heeft onze tijd ook den godsdienst als een historisch en wereldbewegend verschijnsel leeren.

-ocr page 311-

HEINRICH LANG. 301

waardeeren. Dal er nochtans onder velen onzer tijd-genooten een besliste, nu meer, dan min bewuste afkeer van den godsdienst heerscht, wie zal dat ontkennen\'? Men late zich toch niet misleiden door het feit, dat kerkelijke en religieuze vragen voor het oogenblik op den voorgrond staan! Daarin heeft de haat tegen machten die •de vrijheid belagen en de noodzakelijkheid om zich daartegen te verweren, wellicht een ruimer aandeel, dan de religieuze zin en de behoefte aan reiner en edeler vormen van hel kerkelijk leven.quot;

Als eene der oorzaken van die verachting vermeldt hij de verwarring van den godsdienst met de kerk en vervolgt dan: ,,0 mochten zij die ambtshalve den godsdienst voorstaan, steeds indachtig zijn aan de groote verantwoordelijkheid die op hen rust! Maar mocht men ook ter andere zijde eindelijk eens ophouden den godsdienst aansprakelijk te stellen voor \'t geen de kerk misdoet! De godsdienst is immers de kerk niet. De godsdienst is de bron die frisch en krachtig en kristalhelder uit het heilig duister van den berg opwelt; de kerk is de breede stroom, die dikwijls met tragen gang door de vlakte vloeit en allerlei slijk en aardsche bestanddeelen met zich voert. De kerkelijke verrichtingen; bidden, zingen, prediken zijn immers niet de godsdienst, maar nu eens de gebrekkige,

zichzelf nooit voldoende uitdrukking der godsdienstige gevoelens, dan de even gebrekkige middelen om den heiligen stroom, die aan \'t gemoed ontspringt, in sneller beweging te brengen en zijne wateren over het land te verspreiden. Uit zijne onuitputtelijke diepten vult en ver- \'

kwikt de godsdienst telkens weer de kerkelijke bedding en bewaart die voor uitdroging; nevens de priesters heeft hij .reeds onder Israël profeten gewekt en vaak, als het ker-

-ocr page 312-

302

kelijk zout smakeloos was gewordc-n en de wachters des huizes sliepen, heelt hij leeken ontvonkt, zoodat zij het rechte verlossingswoord vonden voor hunnen tijd en het geestesvuur weer op de hoogten deden opvlammen.quot;

Hoe nochtans in de kerk, in het godsdienstig gemeenschapsleven, mits het zich aanhoudend hervorme en ver-jonge, de godsdienst tot zijn recht kan komen, ontwikkelt hij in zijne toespraak: „Wat de Kerk ons biedt.quot; Drie gestalten treden ons daar, onder allerlei vormen, telkens weer voor den geest: Mozes met de tafelen der wet, Elia met de rol der profetie, Jezus met de blijde boodschap van het verschenen heil, met anderewoorden, de eeuwige zedelijke ordeningen, de profetische adspiratiën en de blijde ervaring van het goddelijke binnen in ons worden ons hier telkens weer gebracht.

En waar het gebrekkig menschelijk woord tekort schiet, daar vertolkt de kunst de godsdienstige aandoening van het gemoed. Die gedachte vormt den grondtoon van Lang\'s rede bij de inwijding van het nieuwe orgel in de St. Pieter, waarin hij aan \'t eind zich tot het machtig instrument in deze woorden richt: „Zoo aanvaard dan nu uwe taak in deze gemeente, gij prediker zonder woorden, gij tweede kansel, wees voor hen die hier binnentreden als de dauw in den zomernacht, die het smachtend veld verkwikt,, opdat het zaad der waarheid niet in onvruchtbaren grond valle. Wie nog buiten staan, tot dusver afgestootea door de eenvormigheid van onze godsdienstoefeningen, lok hen vriendelijk en zacht naar binnen, opdat ze voelen: „Hier is de voorhof des hemels, hier is God en ik wist het niet.quot; Stort van uwen gloed iets uit in onze gebeden, opdat zij innig worden, in onze liederen, opdat zij vurig en vol geestdrift zijn, in onze toespraak, opdat ze nooit eene

-ocr page 313-

IIEINRICII LANG. 303-

geleerde, dorre verhandeling zij, maar steeds een storm op de vesting van liet hart, vol gloed, vuur, geestdriften, hun die thans nog door de wanklanken der godsdienstige geschillen zijn gescheiden toone, dat er boven \'t geen, waarover we strijden, nog een gebied bestaat, dat rnen niet in woorden uitdrukken, dat men slechts gevoelen en in \'t diepst der ziel ervaren kan.quot;

Zal de godsdienst, zal het Christendom zoo weer eene wereldbeheerschende macht worden, dan moet het iets anders wezen dan het overgeleverd Christendom der Kerk. „Laat mij u de geschiedenis van een arbeider in\'onze dagen verhalenquot;, zoo spreekt hij in zijne rede over „Chris-tendom en socialisme/\' „Hij is van der jeugd af opgevoed in het christelijk godsdienstonderwijs der kerk, men heeft niet nagelaten hem de leer van de erfzonde met hare gevolgen, van de drieëenheid, van de menschwording Gods, van het bloed der verzoening in te prenten en hem te zeggen: wie dit alles niet gelooft, is voor eeuwig verdoemd. Maar onder de invloeden van onzen tijd, die onwillekeurig en vaak onmerkbaar in alle poriën van ons wezen indringen, kon hij dat alles van den beginne af niet recht gelooven ; het liet hem koud, het kwam niet uit zijn eigen gevoelen en denken voort; hij liet het zich meer aanleunen, dan dat hij \'t zelfstandig in zich opnam. Na zijne kerkelijke belijdenis, niet met het hart, maar enkel, met de lippen uitgesproken, heeft hij geen kerk meer van binnen gezien. Waartoe zal ik die geschiedenissen aan-hooren, dacht hij, die ik toch niet gelooven kan! Waartoe luisteren naar die altijd in dezelfde eenvormigheid terug-keerende dogmen, die indruisen tegen mijn gezond verstand! Zoo is hij, verstoken van alle godsdienstige opwekking, door \'t lief en leed des levens heengegaan.

-ocr page 314-

-304 HEINllICH LANG.

Waar is hij te land gekomen\'? In eene van die werklieden-vereenigingen, waar \'t- van zelf spreekt, dat het atheïsme het geloof is van onzen tijd, waar \'t heet: //Vervloekt zij de oude God der kerk, vervloekt de godsdienst, vervloekt de priesters, die een hinderpaal voor alle ontwikkeling zijn! Wat leeren zij anders dan een godsdienst voor rijken en aanzienlijken\\quot; Dat hoorde hij daar en nam hij maar al te gretig in zich op. En op het aangezicht, waarvan de vrede Gods verdween, staat thans de internationale trots te lezen, en het gemoed, dat niet meer in verbinding staat met eene eeuwige wereld des geestes, staat open voor alle verlokkingen van \'t kwade ■ en in het hart, waarin geen geloof meer is aan eene goddelijke wereldorde, legert zich ontevredenheid en haat • tegen al die ordeningen van het leven, die men tot dusver voor goddelijk hield, tegen eigendom, familie en al het bestaande — en de revolutionair van heden is geboren.

Hoe is dit gekomen\'? Voor \'t grootste deel hierdoor, dat tie Kerk het gemoed niet van jongs af een houvast kon geven tegen de twijfelingen en ontkenningen onzer dagen, wijl zij aan \'t kind van onzen tijd den godsdienst biedt in een gewaad, waarin de tijd het niet meer verdragen en genieten kan, en alzoo millioenen van menschen heen-drijft naar die godsdienstloosheid, waarin ze aan ondeugd en vertwijfeling ter prooi worden. Het overgeleverde Christendom is niet in staat, tot eene gezonde oplossing der sociale quaestie bij te dragen, maar het verergert en vergiftigt haar.quot;

Toch zijn er, nadat de geslachten van den voortijd zich verzadigd hebben aan het brood van het Christendom, daarvan nog korven genoeg overgebleven voor het tegenwoordige geslacht en alleen in Godsbetrouwen, zelfver-

-ocr page 315-

HEIN li IC II LANG.

loochening en broederliefde ligt ten slotte de oplossing van de maatschappelijke vraag.

Zijn \'t niet wederom ,/Reden over den godsdienst tot de beschaafden onder zijne verachters?quot; En moest niet ■een profeet als Heinrich Lang dien toon aanslaan in dezen tijd? De tijd van de polemiek op den kansel is — zoo zij er ooit heeft t\'huis behoord — voor goed voorbij. Sedert de verpletterende kritiek, door Baur en Strauss op de bijbelsche verhalen en de kerkelijke dogmen uitgeoefend, is de bestrijding van beider letterlijke opvatting een overtollig en ijdel werk. Wie er behoefte aan heeft die vast te houden, doe het, zoolang hij kan! De dogmengeschie-denis is het dogmengericht.

Eene geheel andere taak heeft thans de moderne godsdienstprediker die, gelijk Lang, van zijne roeping doordrongen is. Nu het bestaansrecht van den godsdienst zei ven wordt betwijfeld of ontkend, niet alleen door oppervlakkige Jan Rap\'s, maar ook door ernstige denkers, heeft hij tegenover dezen front te maken. Dat doet Lang vooral in die toespraken die hij zelf ,/Standpunktpredigtenquot; noemde en die eigenlijk meer „conférencesquot; zijn over godsdienstige vraagstukken, dan preeken voor een gemengd gehoor. Maar daarnaast staan zijne „Stimmungspredigtenquot;, geloofsgetuigenissen, gemoedsuitstortingen, waarin de adem van zijne eigene godsdienstige stemming opwekkend en bezielend over zijne hoorders gaat. Eene enkele proeve uit zijne toespraak: „Mijne genade zij u genoeg/\'

Wanneer wij alles wat ons en alle anderen weervaart terugvoeren tot den eenen grond, waaruit ons vreugde en leed, gezondheid en ziekte, ontbering en overvloed, leven en dood toevloeien, houden onze lotgevallen op, slechts ■onsamenhangende fragmenten, enkel een ongeordend men-

20

305

-ocr page 316-

oOO HEIN RICH LANG.

gelmoes van atomen of toevallen te zijn; ze zijn dan ingevoegd in eene allesomvattende orde en blijken daardoor doelmatig, redelijk en goed, elk op zijne plaats. Ziedaar onze opvatting van het oude vrome woord : wat God doet, dat is welgedaan. En onderzoeken wij nu, waartoe deze wisselende lotgevallen ons goed kunnen zijn, dan ontdekken wij alras: zo zijn goed tot bevordering van ons hoogste levensdoel, mensciien te worden; zij maken ons los van liet schuim op de oppervlakte der eindige dingen en verdiepen ons in onszelf; ze zijn eene school voor onzen geest, middelen tot onze opvoeding en ontwikkeling. Zoo vereeren wij in de lotgevallen die ons treffen eene liefde die verwondt, maar ook heelt, ja die juist door te wonden heelt. Daaraan hebben wij genoeg, hoeveel in bijzonderheden ons raadselachtig blijven moge. In dit licht gezien wordt de wereld ons verstaanbaar en helder \'t hoofd.

^Die overtuiging maakt ook \'t hart zoo stil. Hoe hevig het bloede, hoe angstig het kloppe, hoe luide het schreie in de eerste smart, zoodra het door de nevelen heen Hem ontmoet, die ons meer zijn kan en wil dan vader, moeder, broeder, kind, die de ziel vervult met zijne genade, als de wereld haar ledig laat en dor, die in de nooden der eindigheid leven en oneindigen vrede onder zijne vleugelen bergt, keert vrede tot ons in; de bittere zielesmart wordt zachte weemoed, het oog glimlacht door de tranen heen en de mond verandert de klacht in het loflied : „de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, geloofd zij Zijn heilige naam \\quot; Wat is ook aardsch geluk en aardsche lust! \'t Een na \'t ander gaat voorbij, voortgedragen dooide hand van \'t lot; laat het vallen, laat het zinken ! Immers heb ik het eene, dat alles vervangt. Laat zijne ge-

-ocr page 317-

HEINRICH LANG.

narte u genoeg zijn, o hart! leer verzaken, in zelfverzaking ligt de kracht!

z/Dat maakt eindelijk ook den wil zoo rein en sterk. Thans houdt het onstuimig wenschen, het stormachtig verlangen op. Thans wijkt de zelfzucht, die vroeger altijd \'s menschen verhouding tot God verontreinigde; de loonzucht valt weg, die vroeger de reine bron der religie troebel maakte. Immers de mensch verlangt niet meer dut God zich tot het werktuig van zijne zinnelijke wenschen en persoonlijke belangen verlage ; slechts één ding wil iiij, dat hij Gods werktuig worde, dat zijn kói\'t, ras voorbijsnellend leven door dulden en genieten, door dienen en dragen, door lief en leed iets bijdrage tot de komst van liet groote Godsrijk. Gericht op dit eene doel, dat alles in zich sluit, verkrijgt die wil eerst zijn volle kracht. Een met Hem „die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baanquot; verwerft hij die onafhankelijkheid tegenover al het tijdelijke en eindige, waarmee hij heel de wereld met hare plagen en heel de mensch heid \'met haren haat kan trotseeren en zeggen : „is God voor mij, wie kan tegen mij zijn\'? wat zal mij scheiden van Zijne liefde\'?quot; Op de puinhoopen van zijn geluk, van den hoogsten trap van \'s .werelds eer en lust neergestooten in laagheid en smaad, draagt hij een hemel \'in \'t gemoed en grijpt van daar de wereld weder aan met sterke, moedige hand, overtuigd, dat het geloof bergen kan verzetten en dat hun die het met God wagen, alles dienen moet.quot;

Maar we moeten den lust bedwingen om met meerdere voorbeelden te staven, hoe rijk van inhoud en frisch van vorm Lang\'s toespraken zijn. Hoe hij er zich toe voorbe-reidde, verklaarde hij zelf aan een van zijne vrienden in een schoonen herfstnacht aan de Wallensee.

307

-ocr page 318-

308 iiEiNiiicH i.AXfi.

,/Eene klare, menschelijke gedachte, de overbrenging daarvan in de phantasie, en eindelijk de storm — zoo worden mijne preeken geboren/\' In de stilte van het studeervertrek of op eene eenzame wandeling ontworpen en doordacht, werden zij voor de vuist uitgesproken, en als hij daar stond voor zijn talrijk gehoor in de St. Pieter, clan voer de storm van een heilig entlmsiasme door zijn gemoed en de harten zijner hoorders.

Schaars treft ge onder zijne toespraken aan wat de Franschen noemen „sermons d\'appeF; eene prediking op den man af; een rechtstreeksch beroep op het geweten zijner hoorders is hem vreemd; de metaphysica schuift soms de psychologie te ver op den achtergrond en eene fijne ontleding van karaktertypen en gebreken zoekt ge bij Lang vergeefs. Ook valt het moeilijk, hem altijd vrij te spreken van liet gebruik der phrase, waartoe hij, bij zijne veelvuldige behandeling van algemeene thema\'s te lichter verviel. Zoo oordeelt zelfs zijn warme vriend Biedermann, als hij zegt: ,/Lang had zich den looper, dat de godsdienst geen zaak is van het verstand, maar van bet gemoed en de phantasie, zóó aangewend, dat het mij op \'t laatst pijnlijk aandeed, zoo dikwijls ik dat hoorde. Ik moest aan het woord van Goethe denken: ,/t Zou voor de Duitschers heilzaam zijn, als \'t hun honderd jaren lang verboden werd, het woord „gemoedquot; te gebruiken.quot;

De spreker in het openbaar, die in dezen zonder zonde is, werpe den eersten steen op Lang!

Niet alleen in godsdienstige toespraken, maar in tal van voordrachten en brochures trad Lang in zijne laatste levensjaren als verdediger van den godsdienst tegen de uiterste-

-ocr page 319-

HEINRICH LANG. 300

linkerzijde op. Toen Strauss zijn zwanenzang gezongen en aan \'t eind zijns levens met Christendom en godsdienst gebroken had, heette het uit veler mond : ziedaar nu den man uit één stuk, den consequenten denker, den ^heelequot; in tegenoverstelling van den „halvenquot; Lang. Al getroostte deze zich dien smaad der halfheid gaarne, toch was \'t hem behoefte openlijk rekenschap te geven, zoowel van \'t geen hem met Strauss vereenigde, als van \'t geen hem van dezen scheidde. Dat deed hij in eene voordracht „over David Friedrich Straussquot;, opgenomen in zijne godsdienstige toespraken, waarin hij even onverholen zijne innig\'e vereering voor den grooten denker uitspreekt, als hij de leemten en tegenstrijdigheden van diens standpunt in \'t licht stelt, al zouden de fanatieke vertegenwoordigers van het ,/geloofquot; hem \'t een, de fanatieke vertegenwoordigers van het abstracte denken hem \'t andere ten kwade duiden.

Doch vooral in zijn Essay: „De godsdienst in de eeuw van Darwin,quot; zet hij zijne godsdienstbeschouwing tegenover Strauss breedvoeriger uiteen. Is \'t waar, wat deze beweert, dat het gebied van den godsdienst in de menschelijke ziel gelijkt naar dat der roodhuiden in Amerika, dat — men moge het bejammeren of afkeuren zooveel men wil — door hunne blanke naburen van jaar tot jaar meer ingekrompen wordt\'? „Neen, en nogmaals neenquot;, antwoordt Lang, op deze beide voorwaarden: 1°. De godsdienst moet volkomen gezind zijn de nieuwere wereld- en natuurkennis op geen enkel punt te storen, als deze, volgens haar recht, al wat geschiedt op natuurlijke wijze verklaart. 2°. Hij moeteven vast besloten zijn, zich zijnerzijds in zijne zelfverzekerdheid niet te laten storen door de wereldwetenschap. Alleen op die voorwaarden kan de behoefte van het denken aan eenheid te midden van het vele, de drang van het hart

-ocr page 320-

310

naar het Oneindige, te midden der eindige dingen, en de eerbied van het geweten voor het Heilige, dat boven onze wisselende luimen staat, gehandhaafd en bevredigd worden.

Niet minder stelde Lang zich partij tegen den veel besproken pessimist, die, in de plaats van het zichzelf oplossend Christendom een godsdienst der toekomst aanprees. Ondanks de „bolletjes van het dikke bloed der Schopen-haoersquot;, die hij beweerde in zijne aderen te hebben, was Lang èn van nature, èn krachtens zijn geloof, zoo volbloed optimist, dat Yon Hartmann\'s pessimisme hem met een onverholen afkeer vervulde.

Het Christendom is, volgens Von Hartmann, waar, omdat \'{?n voorzoover het pessimisme, is en wereldverzaking predikt, onwaar wijl het een optimistischen achtergrond heeft en uit het gebrekkig heden uitziet in een volmaakt verschiet. „Onjuistquot;, zegt Lang. „Ja, de godsdienst is een kreet der ziel om verlossing, maar eene verlossing niet van het bestaan als het kwade, maar van het kwade in het bestaan. De godsdienst, en in de hoogste mate het Christendom, is in zijn Alpha en Omega, in zijn grond en einddoel optimistisch; zijn pessimistisch bestanddeel, waardoor liet de ellende van den mensch en de wereld erkent, vindt zijne aanvulling in het optimistisch geloof. Een godsdienst, die volhardt in het pessimisme is als een man zonder hoofd, een cirkel zonder middelpunt, een gespannen snaar, maar die slechts aan de eene zijde is vastgehecht. Daarom juist beantwoordt Lang de vraag: „is het liberale Protestantisme nog een godsdienst\'?quot; toestemmend, daar het er op uit is, de in menige opzicht ellendige wereld te bestralen en te verheerlijken door het licht van het godsdienstig geloof.

Ook met Friedrich Albert Lange, den geestvollen auteur

-ocr page 321-

HEINRICH LANG. 311

van de „Geschiedenis van het Materialismequot;, geraakte Lang op vriendschappelijke wijze slaags. Lang\'s monistische natuur kwam op tegen de scherpe scheiding tusschen de mechanische wereld der verschijnselen en de ideale wereld des geloofs door Lange gemaakt, terwijl deze den „Retbrin-pfarrerquot; beschuldigde van het streven om het Christendom in een zuiveren rede-godsdienst om te zetten. Voorzoover dit eene beschuldiging mag heeten, wijst Lang haar met het oog op al zijn schriften af. Ja, hij vindt den oorsprong van den godsdienst in \'s menschen zedelijke natuur, doch terecht herinnert hij, hoe hij zonder ophouden den.,godsdienst heeft voorgesteld, als eene zaak des harten, der gezindheid, der ideale gemoedsrichting, streng te scheitien van theologie en philosophie.

Bij Lange staat naast de wetenschap, die niets anders is dan de kennis van den mechanischen samenhang der dingen, de ideale beschouwing der werkelijkheid, die zich uitspreekt in de philosophie, de poëzie, den godsdienst. Zij is eene even noodwendige vrucht van de menschelijke natuur, als de strenge wetenschap, ja, zij geeft aan het leven eerst wijding, kracht en troost, maar — is en blijft louter poëzie. Uit een wetenschappelijk oogpunt beschouwd, hebben dus alle voorstellingen van liet godsdienstig geloof gelijke waarde, en is het om \'t even of men spreekt van Jupiter of van Jahveh, van de drieëenheid der orthodoxen, de trias der rationalisten, of de triniteit der vrije gemeenten, het goede, ware en schoone.

Tegen dit dualisme komt Lang in verzet. Hij toont overtuigend aan, dat onze godsdienstige voorstellingen wel degelijk den invloed ondergaan van den vooruitgang der wetenschap. Hij wijst er op, hoe de ideale wereld des ge-moeds haren bodem vindt, niet boven lucht en wolken.

-ocr page 322-

312 HE1NRICH LANG.

maar in de wereld der zinnen, diealzooook in zich draagt wat die idealen wekt en voedt. „Warequot;, zoo vraagt hij, „de wereld niet ingericht op de idealen van het menschelijk gemoed, hoe zou het dan zijne idealen in die wereld scheppen en vasthouden ? Betoonen zich daarentegen natuur en geest, de wereld der zinnen en de wereld van het ideaal op elkander aangelegd (ik spreek menschelijker wijs) zoo moet de wijsbegeerte zich ten taak stellen, zoowel de eenheid als het verschil tusschen die beide te erkennen, en daarmee ophouden de eene uitsluitend aan de wetenschap, de andere uitsluitend aan de poëzie toe te wijzen.quot;

Als Lang zoo optreedt als monist in hope, heeft hij onze volle sympathie; niet als hij waant den geest, dien het geloof in het mechanisme van de wereldorde vermoedt en voorgevoelt, reeds wetenschappelijk te kunnen aanwijzen. Doch hoe ook uiteenloopend in methode, beide mannen begeeren zoowel voor de wereldwetenschap, als voor het geloof eene ruime, vrije plaats, beiden zijn edele vertegenwoordigers van het idealisme en waren welücht nader tot elkaar gekomen, had niet de dood beiden zoo vroegtijdig weggerukt.

Den Zondag vóór zijn overlijden stond Lang nog op den kansel van de St. Pieter en sprak, even vurig en weelsprekend als altijd, naar aanleiding van de woorden; „Geeft den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods isquot;, over den overgang van de registers van den burgerlijken stand uit de handen van den geestelijke in die van den burgerlijken ambtenaar, die in \'t begin van het jaar 1876 in Zwitserland de gebeurtenis van den dag was. Met ingenomenheid begroette hij dien maatregel, even noodwendig voor den Staat, als weldadig voor de Kerk. Op de bedenking, dat de \'geestelijken nu niet meer zouden weten wat

-ocr page 323-

HEIN RICH LANG. 313

te doen, antwoordde hij onder anderen: „dwaze redeneering! Juist thans zullen zij, van een drukkenden last ontheven, indien zij willen, onverdeeld voor hunne roeping kunnen leven. Wat in eigen hart, in het leven en in den tijd voorvalt, nadat men \'t eerst zelf verwerkt heeft, te plaatsen in het licht der eeuwige waarheid, door een onderwijs vol frischheid en geestdrift de harten der jeugd te verwarmen, aan gezinnen die naar raad en troost verlangen, aan armen en kranken, hulp en versterking te brengen, alle echt humane ondernemingen in \'t belang van het volk en van de jeugd krachtig te bevorderen, is dat niet eene edele taak, al onze krachten waard\'? Weg dan met de gedachte, dat de prediker niets meer te doen zou hebben ! De menschelijke samenleving zal altijd mannen behoeven, die in ernstige uren voor haar op de toppen der bergen klimmen, van daar den op- en ondergang der zon waarnemen, en dan den volke verkondigen wat zij in Gods nabijheid hebben gezien.quot;

Zoo stond hij daar als wachter op de hoogte en verklaarde de teekenen des tijds, weinig vermoedende dat voor hemzelven de zon ter kimme daalde.

Wat was hij vroolijk en opgewekt op de ijsbaan, waar men hem in den namiddag met zijne kinderen aantrof! Hoe bezield sprak hij den volgenden dag te Bazel, waarheen hij, al voelde hij zich eenigszins onwel, toch op herhaalden aandrang zich begeven had om er, ten tweeden male in dien winter, eene voordracht te houden, ditmaal over het Openbaringsboek. Hoe opgeruimd was hij daarna nog in den vriendenkring ! Toch vertoonde zich toen reeds de roosachtige ongesteldheid, die hem den volgenden morgen naar huis dreef en die onderweg zoo in hevigheid toenam, dat hij, bibberend van de koorts en met een

-ocr page 324-

UEIN RICH LANG

„Goddank, dat ik t\'huis ben!quot; op de lippen, zijne woning binnentrad. In drie dagen tijds was liet krachtige lichaam gesloopt en, na eene laatste ademhaling, die enkel zwart bloed te voorschijn bracht, blies hij niet de woorden: ,/nu is \'t beslist, beslist!quot; den IBden Januari den adem uit.

Al te vroeg is hij gevallen, de kloeke strijder voor de zaak der vrije vroomheid! Maar nu hij in de volle kracht des levens werd geveld, blijft hij ons des te meer voor oogen staan als een toonbeeld van frisschen levensmoed. Heinrich Lang was een degelijk theoloog, een welsprekend redenaar, een talentvol schrijver, maar hij was meer dan dat — hij was een religieus karakter!

314

-ocr page 325-
-ocr page 326-
-ocr page 327-