I
OVER
UITSCHEIDING EN OMZETTING
van
dook
L. MEES.
i\'
i,
Scnoi.riixs amp; Zoox. —
1SS5.
Guonixcln. —
■
- ---------------------— --
OVER
UitsGlieidmg en omzetting van digestiefermenten. PROEFSOHRirT
TER VERKRIJGING VAN DEN GRA\\D
EIJKS-UNIVEESITEIT TE GRONINGEN,
OP GEZAG VAN DEX RECTOR MAGNIFICUS
PR. jl. j3. VAN JSRAAM j^OUCKGEEST ,
Huoglceraar in de Vaculielt der Geneeslunde,
TEGEN DE BEDENKINGEN DER FACULTEIT IN HET OPENSAAR TE VERDEDIGEN, op Dinsdag den 15 December 1885. des namiddag-s te 2 uur,
DOOR
LUOAS MEES, An*.
. 7 GEBOREN TE GROXIXGEN.
_____
quot;toCÏW
........... ........................................................................................................
GRONINGEN. — SCIIOI.TENS •amp; ZOOS. — 18S5.
i
i
1 .
■
AAN MIJNE OUDEES
OPGEDRAGEN.
Bij het verlaten dezer Universiteit mag ik niet nalaten U, Hooggeleerde Heer en Professoren der Medische faculteit, dank te zeggen voor het onderwijs dat ik van U mocht ontvangen.
In het hijzonder hen ik dank verschuldigd aan U, Hooggeleerde huizixga , voor de welwillendheid en de nuttige wenken waarmee Gij mij bij de bewerking van dit proefschrift hebt ter zijde gestaan.
INLEIDING.
Onze kennis van de fermenten \'), welke een rol te vervullen hebben bij de digestie, dagteekent eerst uit deze eeuw. Lkuciis \' ) ontdekte in 1831 de diastatische werking van speeksel; Schwann ) bereidde in 4836 het eerst uit de maagmucosa een stol\' die in verbinding met zoutzuur eiwit verteelt: valenïin en claude-bek-nard vonden de 3 fermenten van pancreasvocht, de eerste4) ontdekte in 1844 het suikervormend ferment, de laatste \') bepaalde in 1849 de peptoniseerende en
\') Waar in dit stuk van furtnenten sprake is worden uitsluitend bedoeld de zoogenaamde chemische of ongeorganiseerde fermenten (küune\'s enzymi:) eu niet de georganiseerde fermenten of fermentorganisraen.
KiisTNEii\'s Archiv. 1831.
3) Annalen der Physik XXXVIII S. 358.
4) Physiologic, I, 253.
5) Arcb. génér. de Med. Janv 1849.
1
2
vetsplitsendc werking, terwijl couvisaut \') de eigenschappen van het pep toonvorm end ferment het eerst uitvoerig beschreef.
Staat liet dus reeds eenigen tijd vast dat in het darmkanaal producten gevormd worden, die het voedsel geschikt maken om te worden opgenomen, tot dusver is het niet gelukt ze in chemisch zuiveren toestand te isoleeren. De methode, door brücke quot;) voor het bereiden van fermenten aangegeven. geeft een vloeistof die wel zeer rijk is aan ferment, maar toch nog veel verontreinigingen bevat.
Hieraan is het toe te schrijven dat onze kennis der fermenten betrekkei ij k nog gering is, eu dat hunne eigenschappen moeilijk zijn te bestudeeren. De gevolgen hiervan ten opzichte van het qualitatief aantoonen van fermenten liggen voor de hand. Want daar wij geen chemische reacties op fermenten bezitten, kan alleen tot hunne aanwezigheid worden besloten uit hun phy-sioloo\'ische werlciiiquot;\'.
o o
Wil men dus nagaan waar de fermenten blijven nadat zij hunne werking hebben verricht, dan kan dit slechts door zoogenaamde digestieproeven geschieden.
\') Corvisart, Sur uno fonction peu connue du pancreas: la digestion des aliments azotées, in Gaz. hobdom. 1857 , No. 15, 16, 19.
2) Brücke, Sitzungsbor. d. Wiener Acad. XLIII, S. G01, 1863.
Brücke ) was fle eerste welke deze vraag; waar blijven de lermentenstelde. In 1861 gelukte het hem pepsine in urine aan te toonen, munk 1) vond dit feiment in monschenspeeksel. kümxe vond pepsine behalve in speeksel ook in darmvocht, chylvocht, honde-bloed. in het slijmvlies van den darm, in de hersenen, in de longen en in de glandula thyreoidea.
Giuitzxer 2) vond in normale menschenurine niet alleen pepsine maar ook trypsine, diastatisch- en leb-fei ment, terwijl saiili 3) aantoonde dat de urine van verschillende tijden van den dag pepsine en trypsine in verschillende hoeveelheden bevat.
In de volgende bladzijden wensch ik mijne proeven over het voorkomen van eenige fermenten in urine mede te deelen, en tevens na te gaan op welke wijze die fermenten in het darmkanaal kunnen worden omgezet of onwerkzaam gemaakt.
1*
1
-) Verhandlnngen der Physiol. Gesellschaft zu Berlin, 34 Nov. 1S76.
2
) P. Gkützxek., Breslauer Urztl. Zeitschrift 1S82, No. 17.
3
) Waltuer saiili, Uber das Vorkommen von Pepsin und Trypsin im norm. menscblicben Ham, Pflügers Arcbiv, blz. 309
DIA STATISCH FERMENT.
Dit ferment wordt, zooals bekend is, op twee plaatsen in liet licliaaiu gevormd, in de speekselklieren (ptyaline) en in liet pancreas. Evenmin als eenig ander ferment is het ooit chemiscli zuiver geïsoleerd; wat door beu-zelius, gmeux. siMOX. ïieaxüs en anderen ptyaline werd genoemd waren slechts mengsels die niets karakteristieks vertoonden. Om het in urine aan te toonen maakte ik gebruik van de bekende eigenschap van fermenten dat zij onoplosbaar zijn in alcohol, oplosbaar iu water.
Bij 50 CC urine werd gevoegd 200 CC alcohol van 05 0 C. Na 2 dagen hiermee te hebben gestaan werd de vloeistof gefiltreerd, en het praecipitaat opgelost in 5 CC gedestilleerd water. Deze waterige oplossing reageerde zwak zuur en werd zwak alcalisch gemaakt, aangezien diastatisch ferment in alcalische oplossing het
best werkzaam is. Hierbij vrerd gevoegd 10 CC van een 1 0|o suikervrije amylumoplossing \'), en vervolgens de vloeistof \'m een waterbad van .38\'—iO3 C gebraelit. Na een kwartier werd de vloeistof met feiii.ixg\'s proef-voebt op suiker onderzoebt. Deze was aanwezig.
Om zeker te zijn dat bet ferment, dat bier de sui-kervorming liad tot stand gebracht, uit de urine afkomstig was, werd de volgende controleproef verriebt.
50 CC urine werd gedurende eenige minuten gekookt. Na te zijn bekoeld werd liet op dezelfde wijze behandeld als bij de vorige proef. Bij onderzoek bleek in de amylumoplossing geen suiker aanwezig te zijn. Dooide kookhitte was klaarblijkelijk het diastatisch ferment onwerkzaam gemaakt.
Gelijke proeven werden verricht met urine van verschillende personen, en steeds kon diastatisch ferment worden aangetoond, zoodat bot mag worden beschouwd als een constant urinebestanrldeel.
Vervolgens ging ik na of liet diastatisch vermogen van urine, door denzelfden persoon op verschillende tijden van den dag geloosd, ook verschillen opleverde.
\') Kortheidshalve spreek ik hier en in het vervolg van «amylumoplossingquot; en bedoel daarmede amyluin dat met kokend water behandeld en daarin opgezwollen is. Ik gebruikte altijd aardappelzetmeel.
6
Als maatstaf daarvoor werd gebruikt de tijd die noodig was om al liet amylum in suiker om te zetten.
Nadat in de vloeistof suiker was aangetoond, werd met jodium op amylum onderzocht. Op de volgende wijze werd geëxperimenteerd:
IMorgenurine.Morgenurine.
Hoev. 340 CC. S. G. 4014.
Reactie zuur.
/ Urine vóór den middagmaaltijd geloosd.
II. Hoev. 180 CC. S. Gr. 1024.
[ Reactie zuur.
! Urine na den middagmaaltijd geloosd. Urine na den middagmaaltijd geloosd.
Hoev. 150 CC. S. G. 4015.
Reactie zuur \').
Van elk dezer drie vloeistoffen werd 50 CC genomen; zij werden met alcohol gepraecipiteerd en het praecipitaat in water opgelost. Na zwak alcalisch te zijn gemaakt werden bij alle drie gelijke hoeveelheden 4 0|0 amylumoplossing gevoegd, \'s Morgens om 44 uur werden ze in het waterbad geplaatst.
44 u. 20 m. II geeft met fehling\'s proefvocht duidelijk suikerreactie, jodium brengt in de vloeistof geen verkleuring te weeg. Alle amylum is hier dus verdwenen.
\') Deze urine samen stelde natuurlijk niet de totale da,^-hoeveelheid d-iar, het waren slechts 3 monsters.
7
I en III geven ook suikerreactie, door jodium worden ze echter nog blauw gekleurd. Hier was dus nog amylum aanwezig.
12 u. I en III werden door jodium violet gekleurd. Amylum als zoodanig was dus niet meer aanwezig, de violette kleur duidt op aanwezigheid van erythrodex-trine, een overgangsproduct tusschen amylum en suiker.
12 u. 30 m. I en lil worden door jodium ook niet meer gekleurd.
De urine, vóór den middagmaaltijd geloosd. bezat dus de eigenschap om amylum in suiker om te zetten in hooger mate dan de beide andere monsters, waar-tusschen geen verschil was aan te toonen. Den volgenden dag werd met urine van denzelfden persoon dezelfde proef herhaald.
IMorgenurine.
Iloev. 400 CC. S. (I. 1012.
v Reactie zuur.
( Urine vóór den middagmaaltijd geloosd. II. 1 Hoev. 100 CC. S. G. 1021.
Reactie zuur.
Urine na den middagmaaltijd geloosd.
IToev. 180 CC. S. Gr. 1024.
Reactie zuur. Rij kooking troebeling van phos-phaten.
Met 50 CC van elk dezer drie werd weer gehandeld
8
zooals bij de vorige proef. Om li uur werden ze met amylumoplossing in het waterbad geplaatst.
11 u. 5 m. Alle drie bevatten suiker, I en 111 echter slechts een spoor. Ook worden alle drie door jodium nog blauw gekleurd.
11 u. 15 m. II wordt door jodium violet gekleurd, I en III worden nog blauw gekleurd.
11 u. 30 m. II wordt door jodium niet meer gekleurd, I en III kleuren zich violet.
12 u. I en III worden door jodium ook niet meer gekleurd.
Ook hier vertoonde 11 dus weer het sterkst de dia-statische werking. Dat deze sterkere suikervorming niet samenhangt met meerdere of mindere concentratie van de urine, blijkt wanneer we het specifiek gewicht vergelijken. Bij de laatste proef had de urine van des namiddags een specifiek gewicht van 1024, die van vóór den middagmaaltijd van 1021. Toch was bij de laatste het eerst het amylum verdwenen.
Ook andere proeven, die op dezelfde wijze werden verricht en die het dus niet noodig is hier mede te deelen, hadden steeds hetzelfde resultaat. Nemen we nu aan (en hetgeen voor pepsine door iuuicke \') is aangetoond geeft ons daartoe m. i. het recht) dat het
\') BiittCKE, Wieqer Sitzungsber , Bd. XXXVII, 1 859, p 147.
9
gehalte aan diastatisch ferment binnen zekere grenzen evenredig is aan de snelheid waarmee amylum in suiker wordt omgezet, dan volgt uit het voorgaande:
Normale urine bevat steeds diastatisch ferment, \'t welk gemakkelijk is aan te toonen. De hoeveelheid hiervan in de urine is niet op eiken tijd van den dag dezelfde; het maximum bevindt zich in de urine welke vóór den middagmaaltijd wordt geloosd.
Verlaat dus het diastatisch ferment voor een deel het lichaam met de urine, eene andere vraag is of het bij de amylumomzetting ook gemodificeerd wordt, m. a.w. kan diastatisch ferment, als het eenmaal tót suiker-vorming is gebruikt, nog onverzwakt ander amylum omzetten ?
Om deze vraag te beantwoorden werd 50 CC van een 1 c 0 amylumoplossing met 1 CC speeksel (verkregen door deu mond te houden boven aetherdamp, en liet uitloopende speeksel op te vangen) in het waterbad geplaatst. Na eenige minuten was alle amylum in suiker omgezet, jodium bracht in de vloeistof geen verkleuring meer te weeg. Vervolgens werd nog 10 CC van dezelfde amylumoplossing toegevoegd, en weer in het waterbad geplaatst te gelijk met 10 CC van dezelfde amylumoplossing, waarbij ook i CC speeksel was gevoegd. Na 2 minuten werden beide vloeistoffen onderzocht. en geen van heide werd meer door jodium
40
gekleurd. We hadden hier dus geen verschil in de werking van 1 CC speeksel die reeds 50 CC amylum-oplossing had omgezet en een gelijke hoeveelheid speeksel die nog niet had gewerkt.
Tegelijk blijkt uit dit experiment dat speekselwerking niet verhinderd wordt door ophooping van omzettingsproducten, want de eene vloeistof bevatte bij het tweede gedeelte der proef reeds suiker.
Paschutin \') vond eveneens dat «der Wirkung des Ptyalins auf Amylum durch angehaufte Umwandlungs-producte keineswegs Hindernisse gesetzt werden.quot;
Volgens zijn experimenten evenwel is »die specifische Eigenschaft des Ptyalins in Folge des diastatisehen Processes wosentlichen Modillcationem Unterworfen.quot;
Om deze zaak te onderzoeken experimenteerde ik met eenige wijziging van pasciiutin\'s methode, als volgt:
Een zekere hoeveelheid gekookt amylum werd met speeksel vermengd en in de broeistoof in suiker omgezet. Daarna werd de vloeistof in twee gelijke deelen a en b verdeeld, a werd gekookt, om het ferment onwerkzaam te maken, en daarna met speeksel en een nieuwe portie amylum in de broeistoof geplaatst. Hij de ongekookte helft h werd gevoegd evenveel speeksel en amylum als bij a. doch het speeksel vooraf gekookt.
\') Centvalblatt für die med. Wissenschafteo, 1871, no. 34.
11
Beide vloeistoffen a en h waven nn i\'i alles gelijk, behalve dat in a verscli speekselferment op amylum werkte, in b ferment dat reeds eenmaal gewerkt had. Nam dus door de werking de werkzaamheid van liet ferment af dan zou in b een minder intensieve suiker-vorming moeten optreden.
ITet bleek mij nu dat voor bet resultaat van deze proeven alles afhangt van de hoeveelheid ferment die men oorspronkelijk gebruikt.
Ik nam 1). v. 5Ü CC 1 0 0 amylumoplossing met 1 CC speeksel. Toen dit mengsel zoolang in de broei-stoof had gestaan dat de vloeistof niet meer door jodium blauw of rood gekleurd werd en dus alle amylum was omgezet, werd de vloeistof in a en h verdeeld, en zoo als boven aangegeven is behandekl. Bij a kwam 0,5 CC speeksel 4 25 CC. 1 0i0 amylum-oplossing; bij h 0.5 CC gekookt speeksel -f 25 CC 1 00 amylum-oplossing. Onder deze omstandigheden was tusschen a en h geen verschil merkbaar, beiden werkten even snel en even sterk, in beiden was na hetzelfde tijdsverloop het amylum verdwenen.
Het speeksel met 4 vol. water verdund. waarbij dus de proef gedaan werd als voren, maar met een vijfmaal kleinere hoeveelheid ferment, gaf hetzelfde resultaat, geen verschil tusschen a en h.
Evenmin verschilden a en h in werkzaamheid toen ik in plaats van 1 CC speeksel 1 CC nam van een
12
glycerine-extract van pancreas dat krachtig suikervormend werkte.
Toen ik het glycerine-extract verdunde (1 vol 4 4 vol. water) en daarvan 2 CC gebruikte kreeg ik weer hetzelfde resultaat.
Eerst toen ik van dit vijfmaal verdunde extract 1 CC nam, kon ik duidelijk verschil tusschen a en b aantoonen. In a was na 3—4 uur alle amylum omgezet, in b duurde de volledige omzetting veel langer en was zelfs na 0—8 uur niet geheel afgeloopen.
De reden van dit alles is niet ver te zoeken. Het is bekend dat de suikervormende werking van liet speeksel- en pancreasferment een zeer intensieve is; reeds zeer geringe hoeveelheden ferment zetten betrekkelijk groote hoeveelheden amylum om. Wanneer nu van den anderen kant de verzwakking die het ferment door de werking zelve ondergaat, slechts een zeer geringe is, dan laat liet zich begrijpen, dat er allicht genoeg ferment zal overblijven om nieuwe hoeveelheden amylum volledig om te zetten, tenzij men met zeer geringe hoeveelheden ferment werkt. Uit mijne proeven blijkt dat in dit geval wel degelijk een vermindering van werkzaamheid, een verbruik van ferment bij de fermentatie zich laat aantoonen.
Wanneer dus kïihxe (Physiol, chemie. 21) en anderen beweren dat ptyaline en evenzoo alle andere fer-
13
meuten bij hunne werkzaamheid volkomen onveranderd blij ven, dan berust deze onjuiste bewering daarop dat deze onderzoekers bij hunne proeven met te groote hoeveelheden ferment hebben gewerkt. Later zullen wij ook voor pepsiue een dergelijk verbruik kunnen aantoonen.
Met den spijsbrok komt het speeksel in de maag. Hier komt het onder den invloed van het maagsap; het is dus van belang te weten hoe zich liet suikervormend ferment ten opzichte hiervan verhoudt.
Zoutzuur ter sterkte van 0.1 00 maakte ptyaline geheel onwerkzaam. Op de volgende wijze quot;werd geëxperimenteerd :
Bij 1 CC\' speeksel werd gevoegd 10 CC zoutzuur van U.i \\. Gedurende 10 minuten werd dit in liet waterbad op een temperatuur van 38°—iO\' C gehouden. waarna de vloeistof zwak alcalisch gemaakt werd. Vervolgens werd 10 CC 1 c0 amylumoplossing toegevoegd, en de vloeistof weer in het waterbad geplaatst.
Het speeksel bleek ziju suikervormend vermogen te hebben verloren, want bij onderzoek van de amylum houdende vloeistof was geen spoor suiker te ontdekken.
Om de werking van zoutzuur in vereeniging met pepsine (dus maagsap) op het suikervormend ferment te bepalen, werd 1 CC speeksel in het waterbad geplaatst met 10 CC zoutzuur van 0.1 0io, waaraan eeu
weinig pepsiae was toegevoegd. Het hiervoor gebruikte pepsine was het pepsinum solubile van witte. Nadat zij 10 miuuteu in liet waterbad liad vertoefd werd de vloeistof zwak alcalisch gemaakt. Vervolgens werd 10 CC 10:0 amylumoplossiug toegevoegd en na eenigen tijd de vloeistof op suiker onderzocht.
Tot mijn groote verwondering was deze aanwezig.
Het bleek echter bij nader onderzoek dat deze suiker uit liet pepsinepraeparaat afstamde, dat rijk aan suiker was. Door uittrekking met alkohol bij gewone temperatuur liet zich deze suiker niet verwijderen, zoodat ik van bet verdere gebruik van dit praepai aat voor dit doel moest afzien :).
Ik gebruikte nu een glycerine-extract van de maag-mueosa, en overtuigde mij er van dat dit extract suikervrij was. Het speeksel dat met een weinig van dit extract zoutzuur in de broedstoof had gestaan, had zijn vermogen om amyluin in suiker om te zetten geheel verloren, zoodat dus de werking van kunstmatig maagsap (zoutzuur -f- pepsine) geheel met die van zoutzuur overeenkomt.
\') Hager (Handb. d. pbarm. Praxis, II, 63S) vermeldt niets van dit suikergehalte van witte\'s pepsine. Later vond ik in jialy\'s Jahresbericht, X. 29C, de vermelding dat aviïte\'s prae-paraat melksuiker bevat. Van daar dat bet door uittrekking met alkohol niet suikervrij werd.
Nylén ), nam eveneens proeven over bet lot van speekselfenncnt in de verdere gedeelten van liet darmkanaal. De resultaten waartoe liij komt, en die ik ontleen aan een referaat van iiammausten in liet Bio-logisches Ceutralblatt, Ikuul II. blz. 707. komen op bet volgende neer.
De tijd, welken de spijsbrok in de mondholte doorbrengt. is niet voldoende om hier een eenigszins belangrijke suikervorming tot stand te doen komen. Wil men dus de pbvsiologische beteekenis van speeksel als suikervormende stol\' leeren kennen, dan is bet van belang na te gaan ol\' speeksel iu andere gedeelten van bet darmkanaal deze eigenschap nog behoudt. Wat de werking van zuur maagsap op de suikervorming betreft, uit tal van waarnemingen is gebleken dat een zuurtegraad van 0.05—0.1 0o I ICl de werking van speekselfermeiit verl i i i idert.
Het blijft nu nog de vraag of speekselferment door zulk een zuurtegraad veranderd, resp. vernietigd wordt, of dat het zuur slechts een tijdelijken invloed op het ferment heeft. zoodat de suikervormende werking weer tot stand kan komen in den neutraal of alcalisch reageerenden darm.
Om dit laatste te onderzoeken deed nylén proeven
\') S. kylÉx , Nagra bidrag till kilnnedomen om spottens diastatika verkan.
IG
met gefiltreerd menschenspeeksel. Dit werd met zoutzuur geneutraliseerd en vervolgens door toevoeging van meer zoutzuur op den verlangden zuurtegraad 0.025— 0.1 0\'0 HC1 gebracht. Uit deze proeven bleek dat een zuurtegraad van 0.4 % IIC1 bet ferment niet alleen verljindert te werken, maar ook binnen korten tijd voor goed onwerkzaam maakt. Reeds na 10 minuten was het speeksel, nadat het weer alcalisch was gemaakt, niet meer in staat amylum in suiker om te zetten. Bij lagere zuurtegraden wordt het ferment wel langzamer vernietigd, maar zelfs bij een zuurtegraad van 0.05 0\'0 HCl werd alle ptyaline in den loop van een uur gedestrueerd. Do schadelijke invloed van het zuur was veel grooter bij lichaamstemperatuur dan hij gewone temperatuur.
Tevens merkt nylén op dat een zelfde zuurtegraad niet altijd dezelfde werking op speeksel vertoont. Van grooten invloed hierbij is het gehalte van het speeksel aan ptyaline. Een zuurtegraad (altijd onder 0.1 0|0 HCl) welke de werking van een speeksel, dat rijk is aan ferment, in een bepaalden tijd niet van belang verstoort, kan in denzelfden tijd een speeksel, dat minder ferment bevat, geheel onwerkzaam maken.
Hieraan schrijft hij het toe dat de opgaven over den zuurtegraad, waarhij speekselferment wordt vernietigd, bij de verschillende auteurs zoo verschillen.
•J 7
Daar do maag geen zuiver zoutzuur maar zuur maagsap bevat, gaat nylkx de gecombineerde werking van pepsine en zoutzuur op speeksel na. Uit de proeven die hij hierover nam bleek, dat de aanwezigheid van pepsine de werking van liet zuur niet van belang verandert. Het scheen hem toe. dat zuur in vereeni-ging met pepsine een weinig zwakker werkte dan hot zuur alleen.
Ook volgens deze onderzoekingen dus wordt de sni-kervormende werking van speeksel door bet zuur van het maagsap voor goed opgeheven; zelfs wanneer dc zure cbymus door de alcalische darmvochten geneutraliseerd wordt, kan geene suikervormende werking meer tot stand komen. In de maag zelf wordt deze werking-door bet zure maagsap verhinderd en in de mondholte kan, daar de spijsbrok hier slechts korten tijd vertoeft, een eenigszins belangrijke suikervorming niet plaats hebben.
Hieruit besluit nvlkx dat zelfs bij den mensch, wiens speeksel zeer intensief op amylum werkt, de suiker-vormende werking van speeksel van slechts ondergeschikte physiologische beteekenis is.
Langlev ) beproefde de werking van zoutzuur op een infuus van de parotis van een konijn.
\') J. N. L.vxolkv, On tbc destruction of ferments in tho alimentary canal, Jonrn. of Physiology No. 3. 23.
d8
Hiervan kon hij de diastatische werking vernietigen door verwarming op 39° C gedurende 5 minuten niet zoutzuur van 0.014 01.
Zoutzuur van 0.005 0C, gedurende 15 minuten met liet infuus in liet waterbad geplaatst, had op het ferment geen invloed. Ter sterkte van 0.01 % werkte zoutzuur nog sterk destrueerend.
Ook f alk \') beproelde de werking van maagsap op speeksel; hij komt eveneens tot het resultaat dat speek-selferment hierdoor wordt vernietigd. Dat hierbij vooral het zoutzuur een rol speelt, besluit hij daaruit dat pa-payin, \'t welk alleen in alcalisdie of neutrale oplossing peptóniseerend werkt, niet den minsten invloed op speeksel heeft.
Volgens i alk evenwel eindigt de speekselwerking volstrekt niet in de maag, maar kan bij de alcalisdie reactie in den dunnen daim weer tot haar recht komen.
Met xylkn en laxglkv vind ik dit onwaarschijnlijk, daar het speeksel gen li men lijd in de maag vertoeft, en het maagzuur dus alle gelegenheid heeft om het speekselferment onwerkzaam te maken.
Het suikervormend ferment van het pancreas verhoudt zich tegenover zoutzuur even als speekselferment.
\') F. F alk , IJber das Verhalten einiger Fermente im tbic-ïischen Organismus. Vmciiow\'s Archiv, 84, 110.
19
In den dikken darm, ton minste in liet coecum, heerscht zure reactie. Deze vindt editor liaar oorsprong niet in aanwezigheid van vrij zoutzuur, maar is waarschijnlijk een gevolg van andere zuren, zooals melkzuur en bo-terzuur.
Ik beproefde daarom de werking van het melkzuur op bet suiker vormend .ibrment. Dit zuur bleek mij eveneens de diastatische werking van speeksel op te belVou. Dij 1 CC speeksol. \'t welk mot water was verdund, worden 5 druppels melkzuur gevoegd. Nadat dit mengsel een hallquot; uur in de broedstoolquot; bad doorge-bracbt word het goneutralisoord en zwak alcalisch ge-maakt. Op zijn suikorvormend vermogen onderzocht, bleek bot speeksol dit Ie hebben verloren. We mogen dus aannemen dat het suikorvormend ferment van het pancreas, quot;t wolk in den dikken darm geraakt, bier onwerkzaam wordt gemaakt.
Er zijn dus, zooals uit het voorgaande blijkt, drie inanioron waarop bet diastatisch ferment uit het lichaam verdwijnt, een gedeelte, en waarschijnlijk bet grootste, wordt in het lichaam omgozot en onwerkzaam gemaakt door inwerking van zuren, een ander gedeelte komt te voorschijn in de urine, terwijl ook bij ziju werking een gedeelte van bet ferment verloren gaat.
Om in de urine te kunnen geraken moot het natuurlijk eerst zijn geresorbeord en vervolgens door de
2*
20
nieren uitgescheiden. Daaruit volgt dat diastatisch ferment diffundeerbaar moet zijn.
Dat dit werkelijk zoo is, werd op de volgende wijze aangetoond:
Een verdund glycerine-extract van pancreas, \'t welk sterk suikervormend werkte, werd in een dialysator gedaan, en deze geplaatst in gedestilleerd water. Den volgenden dag werd liet buitenste water op zijn suiker-vormende werking onderzocht. Deze eigenschap bezat het in hooge mate, terwijl een ander gedeelte van het buitenste water, dat vooraf was gekookt, waardoor natuurlijk liet ferment moest worden vernietigd, deze eigenschap in het geheel niet vertoonde.
De deugdelijkheid van den dialysator was vooraf aangetoond door hem te vullen met verdund bloed. 24 uren werd hij hiermee in gedestilleerd water geplaatst, zonder dat er een spoor bloedkleurstof, welke zooals bekend is niet diffundeert, in het water was overgegaan. Het perkamentpapier bezat dus nergens een kleine opening.
De plaats waar het ferment in het bloed overgaat is niet met zekerheid aan te wijzen. Uit de speekselklieren en uit het pancreas zelf zal misschien een kleine hoeveelheid geresorbeerd worden; van uit de maag zeer waarschijnlijk niet, daar het hier te zeer bluot staat aan de werking van het zure maag-
21
sap. Het grootste gedeelte wordt waarschijnlijk gere-sorbeerd van uit den dunnen darm, aangezien hier, voor zoover bekend is, niets schadelijks op het ferment inwerkt. Volgens falk \') toch heeft gal op suikervormend ferment slechts een zeer onbeduidende werking, terwijl het eveneens zeer resistent is tegen rotting.
\') F. Falk, t. a. p.
P E P S I X E.
Om dit ferment in urine aan te toonen zou men op dezelfde wijze te werk kunnen gaan als bij diastatiseh ferment gebeurde. Het alcobolpraecipitaat kan opgelost worden inwater, dit op een verlangden zuurtegraad (zoutzuur) worden gebracht, en deze vloeistof op zijn peptoniseerend vermogen worden onderzocht.
Op deze wijze verrichtte ik mijne proeven echter niet, maar maakte gebruik van het door v. avitticii \') ontdekte feit dat fibrine, gelegd in eene vloeistof welke pepsine bevat, dit ferment absorbeert.
Om dus een vloeistof op pepsine te onderzoeken is liet voldoende er eene hoeveelheid fibrine in te leggen: na eenigen tijd neemt men deze er uit. legt ze ineen
\') v. Wjttich, Weitere Mittheilungen übcr VerJauungsfev-mente, pflüger\'s Archiv., Bd. V, p. 43q.
23
zwakke oplossing van zoutzuur (0.1 0jc) en ziet of deze fibrine in de broedstoof wordt verteerd. Is dit werkelijk het geval dan beeft men bet recbt aan te nemen dat in de vloeistof pepsine aanwezig was.
Tot deze ontdekking kwam v. witticii bij zijn proeven over de diffiuideerbaarbeid van pepsine. Werd een pepsinboudende vloeistof op den dialysator geplaatst, en werd in bet buitenste water fibrine gelegd, dan werd deze fibrine, met 0.1 0j0 zoutzuur in bet waterbad op digestietemperatuur geplaatst , iu een ball\' uur verteerd. Op de volgende wijze bevestigde bij deze waarneming: In een sterk werkend glycerine-extract van de maag werd zooveel fibrine gelegd dat nog slecbts weinig vloeistof boven de fibrine stond. lederen dag werd de vloeistof van de fibrine afgegoten, en nieuwe fibrine toegevoegd. Den acbtsten dag bad de vloeistof gebeel baar peptoniseerende werking verloren, terwijl de fibrine, bij toevoeging van zoutzuur, in korten tijd verteerde.
Door grützner \') en SAur.i 2) werd reeds van deze eigenscbap gebruik gemaakt om pepsine in urine aan te toonen. In navolging daarvan handelde ik op de volgende wijze:
\') P. Grützner, Breslauer ürlztl. Zeitscbrift 1883 no. 17. \'2) Waltiier saiili, über das Vorkoinmon von Pepsin und Trypsin iin norm. menscblicbon Harn. pflügek\'s Archiv. XXXVI, 5 blz. 209.
24
In 50 CC urine werd een weinig varkensfibrine \') gelegd. Na hiermee ongeveer 24 uren te hebben gestaan werd de urine er afgegoten. Na goed te zijn afgewasschen, werd de fibrine met 50 CC zoutzuur van 0.1 0:0 in de broedstoof geplaatst en op een temperatuur van 38°—40° C gehouden. Na 2 uur was alle fibrine verteerd.
Daar fermenten door kookhitte onwerkzaam worden gemaakt, zal fibrine welke gelegen heeft in urine, die eenige minuten tot 1001 C is verwarmd, door zoutzuur niet worden verteerd. Voor controle herhaalde ik daarom de zelfde proef met mine die vooraf was gekookt. Be fibrine werd in den loop van den dag uiet verteerd. maar zwol alleen op.
Daar v. witticit bij zijn onderzoekingen tot liet besluit kwam dat zoutzuur alleen ook in staat is fibrine te verteeren, zou men de bedenking kunnen maken dat de verteering misschien van dit zuur liet gevolg-was geweest, en dat het niet gerechtvaardigd was de aanwezigheid van pepsine aan te nemen. De proef met de gekookte urine toont evenwel duidelijk aan dat deze werking niet zeer spoedig intreedt, want in den loop van den dag zwol de fibrine slechts op, maar verteerde
\') De fibrine die ik gebruikte werd, na uit het bloed te zijn afgescheiden, met water uitgevviisschen, uitgedrukt en onder glycerine bewaard. Zij blijft dan langen tijd goed. Bij het gebruik wordt de glycerine door nitwasschen met water verwijderd.
25
niet. Yersdie fibrine, welke met zoutzuur in liet waterbad werd geplaatst, begon eerst den volgenden dag-te verteeren. üe verteering die bij de eerste proef in zoo korten tij.1 optrad, mogen we dus gerust toeschrijven aan pepsine. waarmee zich de fibrine gedurende baar verblijf in de urine had voorzien.
Dat urine, welke op verschillende tijden van den dag wordt geloosd, verschillende hoeveelheden pepsine bevat, blijkt uit de volgende proeven:
Urine van 10 uur \'s morgens.
I. Hoev. 300 CC. S. G. 1023. Reactie zuur.
Urine van 8 uur \'s avonds.
Hoev. 145 CC S. G. 1020.
Reactie zuur. Bij koking troebeling van
pbosphaten.
20
VI.
Urine van 10 u. 30 m.
Hoev. 175 CC S. G. 1024.
Reactie zuur. Rij knking troebfl ing van
I phosphaten.
Rij 30 CC van elk dezer quanta, urine werd fibrine gevoegd , en dezo, na er 24 uren mee te hebben gestaan, afgewasscben. \'s Middags om 1 uur werd do fibrine met 30 CC HC1 van 0.1 0;0 in het waterbad geplaatst.
1 u. 20 m. I en 111 vertoonen digestie.
1 u. 45 m. VI begint te digereeren.
2 u. 30 m. I lieeft alle fibrine opgelost, dan volgen III, VI, II, V, IV, de laatste echter maar weinig.
Urine van 9 u. 30 m. \'s morgens.
I. j Hoev. 390 CC S. G. 1012. ! Reactie zuur.
i\' Urine van 11 u. 30 m.
II. Hoev. 190 CC S. G. 1012.
! Reactie zuur.
| Urine van \'s middags 4 uur.
111. . Hoev. 185 CC S. G. 1010. Reactie zuur.
Urine van \'s avonds 0 uur. Hoev. 115 CC S. G. 1021.
Reactie zuur. Rij bekoeling sedimentum la-
teritium,
IV.
Urine van \'s avonds 0 uur.
V. I-Inev. 205. CC S. G. 1010.
Reactie zuur.
Hiermee word weer op dezelfde wijze geliandeld ais bij de vorige proef. Nadat de fibrine er uit was go-nomen en afgewasschon word zo met zoutzuur van 0.1 0:o om 1 uur in de broed stoof geplaatst.
1 u. 30 m. 1 en TI boginnon to verteeron. do anderen nog niets.
2 uur. I en II zijn vooruitgegaan, de anderen beginnen; de volgorde is I. II. UI. V, IV.
2 u. 30 m. Idem:
4 uur. I is verteerd. 11 bijna, de andoren zijn ook vooruitgegaan.
0 uur. ill ook verteerd, do twee anderen op onbeduidende rostes na, IV bet minst.
Bij beide proeven dus was liet eerst verteerd do fibrine welke in de morgenurine bad gelegen, terwijl die, welke baar pepsino ontleende aan de urine wel la-na den middagmaaltijd (welke om 4 u. 30 m. word gebruikt) was geloosd, den langsten tijd noodig bail om verteerd te worden.
Daar volgens de onderzoekingen van brücke \') bot pepsingebalte van een vloeistof binnen zekere grenzen
\') Brücke , Wiener Sitzungsber. Bel. XXXVII 1859. p. 147.
28
evenredig is aan de snelheid waarmee de verteering in die vloeistof plaats heeft, on door sahli ) is aangetoond. dat door fibrine meer pepsine uit een vloeistof wordt geabsorbeerd. naarmate die vloeistof meer van dit ferment bevat, mogen wc de eevolgtrekkinü: maken
~ o ~ o
dat morgennrine het rijkst is aan pepsine, terwijl de urine, die na den middagmaaltijd wordt geloosd, het minst van dit ferment bevat.
Sahli, die tot de zelfde resultaten komt, vat zijn bevinding aldus samen:
«Der normale menschliche Harn. enthalt bestiindig Pepsin, in nicht unbetrachtlicher Menge; den grössten Pepsingehalt weist immer der Morgenharn vor dem Frühstück auf, das Minimum fallt stets in die Stun-den nach dem Mittagessen.quot;
Evenals bij diastatisch ferment doet zich ook hier de vraag voor of pepsine, \'t welk reeds één maal pep-toon uit eiwit heeft gevormd, nog onverminderd die functie kan vervullen. Op de volgende wijze meen ik te hebben aangetoond dat ten minste een gedeelte hierdoor onwerkzaam wordt gemaakt.
Wanneer in een vloeistof door de werking van pep-
\') Waltiieu sauli, Ubcr das Vorkointnen von Pepsin und Trypsin hu norm menschl. Harn tap.
29
sine en zoutzuur eiwit in peptoon was omgezet. werd in die vloeistof een praecipitaat te weeg gebracht van syntonine, door liet vocht te neutraliseren en daarna een spoor azijnzuur toe te voegen, zoodat de reactie even zuur is. (Syntonine lost in verdund azijnzuur niet op). Dat praecipitaat werd vervolgens uitgewasschen en in 0.1 0|0 zoutzuur opgelost. Deze vloeistof bleek dan een uitstekende verteeringsvloeistof voor fibrine te zijn, een bewijs dus dat het pepsine in liet syntoninepraecipitaat was overgegaan. Het filtraat van het syntoninepraecipitaat werd op pepsine onderzocht door er fibrine in te leggen. Deze fibrine met zoutzuur in het waterbad geplaatst, verteerde echter niet. Het filtraat bevatte dus geen pepsine.
Wil men dus bij een digestieproef met pepsine onderzoeken of er in de vloeistof nog werkzaam ferment aanwezig is, dan behoeft men slechts het syntonine uit do vloeistof te praecipiteeren. Dit praecipitaat bevat dan het aanwezige ferment.
Ik ging nu op do volgende wijze te werk. Ju elk van drie kolijes a, h en c werd gedaan 100 CC zout-zuur van 0,1 oi0 en omstreeks 5 gram vochtig fibrine. Bovendien werd bij a gevoegd 1 CC van een 1 0|0 oplossing van witte\'s pepsine, bij b 2 CC en bij c 3 CC. Alle drie werden nu in de broeistoof (85° C) geplaatst . Toen na 2i uur alles verteerd was, werd uit elke van
30
de drie porties liet (rijkelijk aanwezige) syntonine al-gesclieiden, waarin volgens liet straks gezegde het pep-si ne bevat incest zijn. Dit praecipitaat werd in zont-zuur 0.1c 0 opgelost en met c1. 4 gram librine in de broeistool\' geplaatst. Na \'2 i uur was in a het librine onveranderd gebleven, in h gedeeltelijk verteerd, in c geheel verteerd. Het van het syntoninepraecipitaat af-geliltreerde vocht liad in geen van de drie porties eenige pejitoniseerende werking. Herhaaldelijk gedaan gal\' deze proef steeds hetzelfde resultaat. M. i. is hier geen andere uitlegging mogelijk dan deze dat bij kleine hoeveelheden pepsine (a en h) ontwijfelbaar een verzwakking van werkzaamheid is aan te toonen, terwijl bij eenigszins grootere hoeveelheden (c) die verzwakking niet merkbaar is. om dezelfde redenen als boven voor het suikervorraend ferment ontwikkeld zijn. Ik concludeer dus dat pepsine bij zijne werkzaamheid, zij liet dan ook in geringe mate. wordt verbruikt.
v. Wrmcu \') toonde op een andere wijze aan dat de werkzaamheid van pepsine minder intensief wordt, nadat het eens heeft gewerkt. Hij nam eene oplossing van pepsine en zoutzuur, en voegde fibrine in overmaat toe. zoodat niet alle librine verteerd werd. Vervolgens werd de vloeistof van de nog aanwezige librine afgelil-
\') Weitere Milikeilungen, t. a. p.
31
treerd, en liet liltraat verdund. Deze vemunde vloeistof moest dus nog in staat zijn fibrine te verteeren.
Bij al zijn proeven bleek liem dat de werking van hot pepsine zeer verzwakt was, eu dikwijls geheel uitbleef. Wanneer men het liltraat tot op het dubbele volume verdunde door verdund zoutzuur en de hoeveelheid librine bepaalde die nog werd verteerd. dan was deze belangrijk minder dan men zou verwachten.
Verlaat het pepsine met den thymus de maag dan komt het in den dunnen darm. AVij dienen dus na te gaan welke de invloed is van de hier allengs optredende alcalische reactie en van de zich hier uitstortende producten van liet pancreas. (Van deze laatsten werd echter alleen de werking van trypsine of pancreatine onderzocht). Om de werking van het peptoniseerend ferment van het pancreas op pepsine na te gaan, nam ik de volgende proef:
Een varkenspancreas werd, nadat het 24 uren had gestaan, lijn gesneden en met water uitgetrokken\'). Dit extract, met natrium carbonaat vermengd, zoodat
\') Het extract van een nog warm parcreas , zelfs van een dier dat in volle digestie is, bevat, zooals bekend is, geen trypsine. Het bevat slechts de moederstof hiervan zymogeen of trypsinogeen, eerst na eenigen tijd gaat deze stof in trypsine over. Evenmin als trypsine zelf in deze stof ooit chemisch zuiver geïsoleerd.
32
liet gehalte van de vloeistof aan Na, CO,, 1 00 bedroeg, werkte zeer sterk peptoniseerend, zoodat liet een voldoende lioeveellieid trypsine bevatte.
50 CC van het oorspronkelijke extract werd met een halve gram van wittk\'s pepsinurn solubile gedurende een half uur in het watei\'bad op een temperatuur van SSquot;1—40° C gehouden. Vervolgens werd de vloeistof op O.i 00 HCl gebracht en fibrine bijgevoegd. In de broedstoof geplaatst was deze librine na een half uur verteerd, liet trypsine had dus het pepsine niet het minst veranderd.
Van grooten invloed is echter de alcaliciteit. Een oplossing van carb. natr. ter sterkte van 1 a0, welke ingewerkt had op \'/a gram pepsine, had de peptoni-seerende werking van dit laatste zeer verminderd. Eerst na 5 uren had dit pepsine een kleine hoeveelheid fibrine verteerd.
])e werking van alcali en trypsine samen op pepsine is nog veel sterker. 50 CC van het pancreasextract werd op 1 00 carb. natr. gehalte gebracht. Hierbij werd een half gram pepsine gevoegd, en dit alles een half uur in de broedstoof geplaatst. Dit pepsine, op zijn digestievermogen onderzocht, had in 5 uren nog niets van de bijgevoegde librine verteerd.
1 0i0 alcali is voor trypsine de gunstigste conditie om peptoon te vormen. In den dunnen darm is de alca-
33
liciteit echter waarscliijnlijk niet zuo lioog. Het is dus ook van belang te weten hoe een geringer gehalte aan carb. natr. werkt.
De werking hiervan was zeer veel minder. Pepsine, dat met 0.25 0;0 opl. carh. nati\'. in de hroedstoof had gestaan, kon nog ia 1 uur een hoeveelheid fibrine verteeren. In vereoniging met trypsine werkte deze zwakkere oplossing echter steiker op pepsine. Dit pepsine had meer dan 3 uren noodig om fibrine te verteeren.
Ook Kiiiink ) vond dat trypsine in neutrale oplossing niet op pepsine werkt, maar dat het door alcaliën zeer wordt aangetast.
Laxglky \') onderzocht de werking van een oplossing-van carb. natr. van 0.1—1 0o op liet extract van de maagmucosa van een schaap. Een inwerking van 0.1—0.3 00 carb. natr. gedurende 21 uren bij een temperatuur van 15.5D C was bijna van geen invloed, veel sterker werkte 0.5 °\':0 carb. natr., terwijl i c|0 carb. natr. hot ferment geheel onwerkzaam maakte. Bij 30° C kon hij pepsine van een konijn in 20 minuten door 1 0 0 carb. natr, oplossing onwerkzaam maken.
\') Verhandlungen des natuurliist. raed. Vereins zu Heidelberg. I, 193; 1877.
\'-) J. N. Lvnglev, On the destruction of ferments ia the alimentary Canal, Journ. of Physiology, 3.23.
8
34
Werd dit pepsine met 0.5 0|0 carb. natr. oplossing behandeld, dan trad eerst na 2 uren verteering van fibrine op.
De werking van 1 0!0 carb. natr. oplossing was dus bij de proeven van laxgley sterker dan bij de mijne. Dit zal waarschijnlijk bet gevolg daarvan zijn dat wij verschillende pepsinpraeparaten gebruikten.
Langley vond eveneens dat alcali veel sterker op pepsine werkt bij aanwezigheid van trypsine. Een glycerineextract van een hondenpancreas werd met een waterig extract van maagslijmvlies op 0,25 0j0 carb. natr. gebracht, en vervolgens 4 72 uur op 39° C gehouden. Dit pepsine had veel meer van zijn werkzaamheid verloren dan pepsine waarop slechts 0.25 0i0 alcali had gewerkt.
Even als bij liet diastatisch ferment wenschte ik ook bij pepsine dilïusieproeven te doen. De dialysator werd gevuld met 1 0!0 witïe\'s pepsineoplossing en 24 uur in gedestilleerd water gezet. Hierna werd de dialysator weggenomen, en in het buitenwater fibrine gelegd. Na 24 uren werd deze fibrine met 30 CC zoutzuur van 0.1 o|0 op digestieteinperatuur gebracht.
Tevens werd in de broedstoof geplaatst gewone verscho fibrine met 30 CC zoutzuur van dezelfde sterkte.
Na 8 uren was in geen van beide vloeistoffen fibrine verteerd; er was dus geen pepsine gediffundeerd.
35
Was dus van deze 1 0io pepsineoplossing niets ge-diffundeerd, een ander resultaat kreeg ik toen de zelfde 1 troef werd herhaald met een dubbel zoo sterke oplossing. De fibrine, die toen in het buitenste water had gelegen nadat de dialysator er uit was genomen, werd om 11 uur \'s morgens met zoutzuur in het waterbad geplaatst.
Om 11.20 was reeds digestie waar te nemen, terwijl om 12 uur de fibrine reeds zoo goed als verteerd was.
Uit deze proeven mag men dus de gevolgtrekking maken dat pepsine, zij het dan ook bij vrij sterke concentratie , dilTundeerbaar is.
In zijne «Weitere Mittheilungen über Verdauungs-fermentequot; bespreekt v. wittich ook de diffundeerbaar-heid van pepsine, en noemt dit ferment »fast volkommen indilfusibel. Zelfs wanneer de vloeistof dagen lang op den dialysator had gestaan, vertoonde het buitenste water, wanneer het op den vereischten zuurtegraad was gebracht, geen spoor van peptische werking, terwijl het glycerineextract op den dialysator door bet opnemen van water wel troebel werd, maar zijn peptische werking, bij toevoeging van zoutzuur, onverzwakt had behouden.
Zeer snel evenwel, zegt v. wittich, dringt pepsine
door perkamentpapier, wanneer men het ferment laat
3»
3(5
dilTimdeeren in 0.2 c|0 zoutzuur. \' Op deze wijze waren enkele minuten voldoende om de zoutzuuroplossing in een zeer werkzame verteeringsvloeistof te veranderen, v. Witticii verklaart dit door aan te nemen dat het pepsiue een in water dilTundeerbare verbinding aangaat met liet zuur (chloorpepsin-waterstofzuur van sciimidt).
Tevens ontdekte v. witticu een.ander feit bij zijn diffusieproeven. Wanneer bij glycerin-pepsine dooiden dialysator van guauam in gedestilleerd water liet diffundeei\'en, waarin een paar vlokken fibrine waren gelegd, dan was wel geen pepsine in het buitenste water aan te toonen, maar de iibrine bad eene veran-derinfi\' onderdaan. Werd deze met verdund zoutzuur
o o
in de broedstoof geplaatst dan werd zij wel verteerd, en des te sneller naarmate de dialyse langer luid geduurd. Hij meent dit te moeten verklaren door aan te nemen dat pepsine ook zonder aanwezigheid van Iibrine in het buitenste ■water in minimale hoeveelheden diilundeert, maar dat door het absorbeerend vermogen van Iibrine de dill\'usie versneld en versterkt wordt.
De resultaten van v. witticu zijn m.i. met de mijne in overeenstemming.
Dat pepsine dilVundeerbaar is blijkt ook uit zijn proeven, anders toch is liet niette verklaren dat de fibrine, welke in het buitenste water had gelegen, bij toevoeging van zoutzuur binnen bet uur verteerde.
37
Van grooten invloed schijnt echter te zijn de sterkte van de pepsinoplossing, daar bij mijn proeven het pepsine wel diiïandeerde uit een 2 0 . oplossing, niet uit eene van 1 o:0 \'). Tevens schijnt de diffusie op te houden wanneer een zeker quantum in het buitenste water is overgegaan. Wordt echter de pepsine gedurende de dialyse steeds weer uit het buitenste water verwijderd, zooals bij de proeven van v. witticii geschiedde door het absorheerend vermogen van de aanwezige fibrine, dan wordt het quantum, waarbij de diffusie ophoudt, niet bereikt, en er kan steeds pepsine uit don dialysa-tor diffundeeren.
Tot geheel andere resultaten komen wolfiiügel en hammaksten. De eerste ■) deed diüusieproeven met een glycerine-extract van het fundusgedeelte van de maag, bij een vloeistof die verkregen was door zelfverteering van de maag (fundus) met 0.4 0 o zoutzuur, of salpeterzuur, en bij een peptoonhoudende vloeistof die pep-
\') Wanneer ik liier en elders spreek van 10 0 (resp. 2 0j0) pepsineoplossing, dan bedoel ik daarmede steeds een oplossing van 1 gram pepsinnm solubile witte in 100 CC water. Daar dat praeparaat geen zuiver pepsine is, is natuurlijk het werkelijk pepsinegehalte van zulk een vloeistof beneden (en waarschijnlijk ver beneden) 1 0|0.
-) Dr. Güstav wolfhügel , Uber Pepsin und Fibrinverdauung ohne Pepsin, pflüger\'s Archiv. Bd. VII p. 18S.
38
sine bevatte. Nooit kon hij in het diffusaat pepsine aantoonen.
Hammarsten \') ontkent ook de dilTundeerbaarheid van pepsine ten eenenmale; volgens liem is de aanwezigheid van fibrine in het buitenste water zonder eenigen invloed, terwijl het eveneens onverschillig is of het buitenste water zuur reageert of neutraal is. Deze afwijkende resultaten laten zich m. i. gereedelijk verklaren uit den invloed die, zooals straks is gezegd, wordt uitgeoefend door de concentratie der pepsineoplossing. Wolffiiügél en hammarsten werkten waarschijnlijk met zwakkere oplossingen dan witticii en ik.
Het pepsine, dat het lichaam met de urine verlaat, stamt of uit den maaginhoud öf uit het maagslijmvlies. Men kan zich moeilijk voorstellen, dat het ferment van hier uit in het bloed en daarna in de urine overgaat zonder diffundeerbaar te zijn, zoodat m. i. ook de aanwezigheid van pepsine in urine voor de dilTundeerbaarheid pleit.
Door kïiiixe \') werd pepsine aangetoond in honden-
\') O lof hammarsten , Om pcpsinuts indiffusibilitot. Referaat in Jahresbericht über die Fortscbritte der Thiercbemie, 1873, p. 160.
\') W. kühse, Ueber die Verbreitnng einiger Enzyme im Thierkürper. Verhandl. des natnrhist. medic. Vereins zu IJei-delberg. 1877, Bd. II, p. 1.
30
bloed. Door mij werd eveneens hondenoloed op pepsine onderzocl it, on tevens Avenschte ik na te gaan of vasten op liet pepsingehalte van liet bloed van invloed is.
Hiertoe werden 2 honden genomen. De eene had gedurende 2 etmalen gevast, de andere eenige uren vóór zijn dood goed gegeten. Van beide werden de carotiden doorgesneden en het uitstroomende bloed opgevangen in 2 Liter alcohol van 03 0C.
Na 10 dagen werd de massa afgefiltreerd, en het aan de lucht gedroogde praecipitaat in water opgelost. Yan beide waterige oplossingen werd nu de eene helft gekookt, de andere niet. In alle 4 vloeistoffen werd nu fibrine gelegd. Na 24 uren werd deze er uit genomen en met 30 CC zoutzuur van 0.1 c,|0 in het waterbad geplaatst. In de ongekookte porties kwam echter evenmin verteering tot stand als in de gekookte.
Het gelukte mij dus niet pepsine in bloed aan te toonen, terwijl men toch moet aannemen dat deze vloeistof dit ferment bevat. Op welke wijze het door kuhne werd aangetoond geelt hij niet op. In alle gevalle is het niet te verwonderen dat het moeilijker is dit ferment aan te toonen in bloed dan in urine. In het bloed toch komt het nooit tot een zekere concentratie van pepsine, aangezien de nieren voortdurend urine, en hiermee ferment, afscheiden. Geheel anders js het echter bij de urine; hierin gaat steeds ferment
40
over, zoodat het absolute gehalte aan pepsine steeds toeneemt.
Uit het voorgaande volgt dus, dat pepsine voor een gedeelte het lichaam verlaat met de urine, een ander gedeelte gaat bij zijn werkzaamheid te gronde (dit is waarschijnlijk slechts een klein gedeelte), terwijl het overige inden dunnen darm, door de ongunstige condities waarin het hier verkeert, onwerkzaam wordt gemaakt.
T R Y P S I N E.
Aangezien fibrine de eigenschap bezit pepsine uit een vloeistof te absorbeeren, en wij hierin een geschikt middel hebben gevonden om pepsine aan te toonen, werd onderzocht of fibrine zich misschien op dezelfde wijze verhield tegenover trypsine. Dit bleek niet liet geval te zijn.
Fibrine welke eenige dagen in een trypsinhoudende vloeistof had gelegen en, na afgewasschen te zijn, met i 0\'0 carb. natr. oplossing in de broedstoof werd geplaatst, vertoonde niet de minste verteering.
Om dus urine op dit ferment te onderzoeken diende een andere methode te worden gevolgd.
S.VTiLi ) voegde bij 5 CC urine 10 CC J 0 0 carb. natr. oplossing en plaatste dit met fibrine in de broed-
\') Pflüger\'s Archiv, 1885, Bd. XXXVI, p, 224.
42
stoof. Uit de verteering der fibrine besloot hij tot aanwezigheid van trypsine.
Om trypsine eenigszins qnantitatief te bepalen, maakte hij gebruik van de door iieideniiain \') aangegeven methode, die hierop neêr komt dat men om van twee vloeistoffen te bepalen welke het rijkst aan trypsine is, ze op een zelfden graad van alcaliciteit brengt, en nagaat welke van beide het snelst fibrine verteert.
Mijne proeven over het voorkomen van trypsine in urine gaven mij niet liet recht tot de aanwezigheid van dit ferment te besluiten.
Verrichtte ik de proeven zooals door saiii.i is aangegeven , dan trad of geen verteering op, uf de fibrine werd slechts een weinig gearrodeerd, terwijl bijna geen verschil te bespeuren was bij vergelijking met urine die vooraf was gekookt.
Weinig meer resultaat kreeg ik met de methode van alcoholpraecipitatie. Nooit kreeg ik volkomen oplossing-van fibrine, terwijl van verschil met gekookte urine weer weinig was te merken.
Ik moet dus in tegenspraak met sahli beweren dat, trypsine geen normaal urinebestanddeel is.
Toen mijne proeven hierover reeds waren afgeloopen verscheen in pflïigers\' Archiv2) een onderzoek van
\') Hermann, Handbuch dor Physiologie, Bd. V.I, p. 187.
XXXVII, 223.
A3
Dr. ii. leo: «ïiber das Schicksal des Pepsins und Trypsins im Organismus.quot; Wat het voorkomen van pepsine in urine betreft komt hij tot dezelfde resultaten als saiili en ik. Doch evenmin als ik kon hij trypsine in normale urine aantoonen. Bovendien onderzocht bij herhaaldelijk faeces op trypsine, doch steeds met negatief resultaat.
Wanneer dus trypsine het lichaam niet verlaat met de urine en evenmin met de faeces, dan is het de vraag: waar blijft het dan?
Drie mogelijkheden doen zich hier voor:
1°. Het gaat uit den darm in het bloed over om ergens elders te worden omgezet.
2°. Het wordt in den darm door de werking van schadelijke stoffen omgezet.
3°. Het wordt in den darm bij zijne werkzaamheid verbruikt.
Om ten aanzien van deze mogelijkheden tot eenige zekerheid te komen is echter niet zoo heel gemakkelijk. Het experimenteeren met trypsine is aan verschillende bezwaren onderhevig. Vooreerst bezitten wij geen geschikt middel om het uit vloeistoffen af te scheiden, zooals wij dat voor het pepsine in het absorbeerende fibrine bezitten. Vooral bij verdunde trypsineoplossingen doet zich dit gebrek gevoelen, en bij het qualitatief
aantoonen van trypsine zijn het meestal zeer verdunde oplossingen waarmede men werken moet.
Ten anderen (en dit bezwaar weegt vooral niet minder dan het vorige) treedt in de alkalische digestiemeng-sels met trypsine zeer gemakkelijk rotting op. Dit stoort natuurlijk de proef in hooge mate; men kan door de troebelheid liet verloop der digestie minder goed beoordeelen, men krijgt geen heldere fütraten; de rotting zelf kan het eiwit doen verdwijnen, enz. enz. Door de toevoeging van antiseptica onstaan weer nieuwe complicaties, die het resultaat onzeker maken.
Het bestaan van deze bezwaren moge de magerheid
O O
van wat ik verder over trypsine hel) mede te deelen eenigermate verontschuldigen.
Ten opzichte van de eerste vraag: Gaat het trypsine in het bloed over ? dient men na te gaan of dit ferment dilïusibel is. Ik deed dit door een pancreasextract (van welks krachtig peptoniseerende werkzaamheid ik mij vooraf door een digestieproef had overtuigd) te brengen in een dialysator die in gedestilleerd water stond. Dit water werd dan op trypsine onderzocht door het met fibrine en 10 0 natriumcarbonaat in de broeistoof te plaatsen. Nimmer was daarin echter eenig spoor van dit ferment aanwezig, ook dan niet als de dialyse 2 X 24 uur geduurd had. De vloeistof
45
in den dialysator daarentegen verteerde na afloop dei\' dialyse nog even krachtig als te voren.
Dit resultaat pleit dus tegen de dilTmideerbaarlieid van trypsine. Zeer goed is dit trouwens te rijmen met de afwezigheid dier stof in de urine. Was het trypsine dill\'usibel, dan zou het allicht meer kans hebben in de urine over te gaan, dan nu het niet dilïusi-bel blijkt te ziju.
De eerste mogelijkheid, dat trypsine uit den darm verdwijnt door resorptie, moet dus, zoo al niet ten eenenmale ontkend, dan toch betwijfeld worden.
Wordt bet dan in den darm zelf omgezet en onwerkzaam gemaakt ?
Een beslissend antwoord op die vraag, betzij ontkennend of bevestigend, is op bet oogenblik nog niet te geven.
Volgens hetgeen ik hierover experimenteerde is trypsine tegen zuren zeer resistent, veel resistenter dan het pepsine tegen alkaliën. Ik gebruikte O.i 0 0 zoutzuur, Vj Oio melkzuur, 100 melkzuur, 0o boterzuur en 1 0o boterzuur, liet deze bij 35° \'/,—1 uur op trypsine werken en onderzocht dan bet ferment met fibrine en l 0 0 natriumcarbonaat. In al deze proeven kon ik nimmer eenige vermindering van het digestievermogen aantoonen. Het met zuur behandelde trypsine verteerde even sterk als do niet met zuur behandelde controleproef.
46
Mays \') kwam tot dergelijke resultaten. Hij vond dat azijnzuur van 1 °0 zelfs na een werking van 16 uur lang liet trypsine nog niet onwerkzaam maakt.
Wanneer daarentegen kïihne 2) en langley \') vonden dat zoutzuur reeds bij een gehalte van 0,05 0|0 het trypsine aantast, dan moet daarbij in aanmerking v/orden genomen dat zij het zuur gedurende langen tijd (2\'/2 uur en langer) lieten inwerken en ten anderen dat het niet alleen op de relatieve, maar ook op de absolute hoeveelheid van het zuur aankomt, zooals mays (t. a. p.) aantoonde. Een groote hoeveelheid zwak zuur zal, bij een gelijke hoeveelheid ferment, even sterk kunnen werken als een geringere hoeveelheid sterker zuur.
Bovendien hebben m. i. voor de vraag die ons hier bezig boudt, n.1.: welke is het lot van het trypsine in den darm? de proeven met zoutzuur slechts een ondergeschikte waarde. Vrij zoutzuur toch zal in den darminhoud alleen kunnen voorkomen in het begin van het duodenum. Verder op zal het spoedig in chloornatrium overgaan, door het natrium der galzure zouten en van het natriumcarbonaat. In den darm kan men
\') Untersucb. a J. physiol. Instit. in Heidelberg. Ill 378. -) Verbandl d. naturhist. medic. Vereins in Heidelberg. I. 193. 5) Journal of Physiology. III. 23.
47
verder op alleen verwachten organische zuren, melkzuur, boterzuur, azijnzuur enz. quot;Wanneer het nu van deze Is aangetoond, dat zij zelfs in betrekkelijk hooge concentratie (veel hooger dan zij ooit in den darm kunnen voorkomen) en bij langdurige inwerking het trypsine niet aantasten; wanneer bovendien geen andere stollen in den darm bekend zijn van welke zich een schadelijke invloed op het trypsine laat verwachten, dan blijkt het, dat door dit alles de tweede der straks gestelde mogelijkheden n.l. dat het trypsine door schadelijke stoffen in den darm zou te gronde gaan, veel van hare waarschijnlijkheid verliest.
Rest nu nog de derde mogelijkheid, n.l. dat het trypsine bij zijne werking zelf wordt omgezet en als zoodanig te gronde gaat. Bij liet onderzoek hierover ging ik uit van de volgende overweging. Daar het trypsine niet dilfusibel is en peptonen daarentegen vrij gemakkelijk diffunderen, zal het door dialyse mogelijk zijn deze beide stoffen van elkaar te scheiden en de in een trypsineoplossing opgehoopte peptonen daaruit te vei wijderen.
Ik had nu een glycerine-extract van pancreas dat krachtig peptoniseerend werkte. Hiervan voegde ik 2 CC bij 100 CC 1 0!0 natriumcarbonaat en zette dit met een rijkelijke hoeveelheid iibrine (Ca. 15 grm.) in de broeistoof. Een stukje thymol werd er bijgevoegd om
de ruttin(;■ tegen te quot;aan. Xa 24 uur was alles ver-
O O O
teerd. De vloeistof werd nu 24 uur lang gedialyseerd bij continueele waterverversching. Daardoor werd het grootste deel der peptonen verwijderd, en de mogelijke storende invloed dien deze op de digestie konden uitoefenen, opgeheven. De inhoud van den dialysator werd nu geneutraliseerd, op 1 0i0 Na^ (\'0, gebracht en met 5 gram vochtig librine in de broeistoof gezet. Een gelijke hoeveelheid l 0i0 natrkimcarbonaat werd met 2 CC extract en 5 fibrine tot controle er nevens geplaatst. Ik had dus twee vloeistolfen die in alles gelijk waren, behalve dat de eene versch trypsine bevatte, de andere trypsine dat reeds eenmaal gewerkt had. liet bleek nu dat tusschen die beiden in snelheid of intensiteit van digestie geenerlei verschil te bespeuren was.
De proef werd nu herhaald met dit verschil dat in plaats van 2 CC extract i CC genomen werd. Ook nu weder hetzelfde resultaat.
Een volgende proef met \'/•gt; CC extract (en kleinere hoeveelheden fibrine dan bij de vorige proeven) gaf hetzelfde. Evenzoo een proef waarbij slechts CC extract werd genomen en de hoeveelheid trypsine dus zeer gering was. In dit laatste geval verliep de digestie bij het trypsine dat reeds gewerkt had wel iets langzamer dan in de controleproef, doch na 24 uur was in beide vloeistolfen evengoed alles verteerd.
49
Ik concludeer dus dat trypsine bij zijne werkzaamheid niet in noemenswaarde mate wordt verbruikt.
Resumeerende moet ik dus komen tot een »non liquetquot;; de vraag naar de lotgevallen van het trypsine is op dit oogenblik nog niet beslissend te beantwoorden.
Twee digestiefermenten worden nog in het darmkanaal gevormd, die hier ter sprake zouden kunnen komen, n.1. het vetsplitsend ferment en het lebferment. Ik heb ze buiten onderzoek gelaten om verschillende redenen. Voor hot vetsplitsend ferment bestaat nog geen doelmatige methode van extractie. Bovendien zou het onderzoek van zijne werking telkens een quantita-tieve bepaling van vrije vetzuren vereischen en daardoor vrij omslachtig worden.
Wat het lebferment betreft gaven voorloopige proeven over het voorkomen van dit ferment in normale urine van volwassenen mij een volslagen negatief resultaat, terwijl ik er niet in slaagde mij voldoende hoeveelheden urine van zuigelingen of zogende dieren te verschaffen.
Dit tot verklaring, waarom ik mijn onderzoek tot diastatisch ferment, pepsine en trypsine beperkt heb.
4
STELLINGEN.
STELLIG Gr EN.
j.
Normale faeces bevatten geen diastatisch ferment, pepsine en trypsine.
II.
De therapeutische aanwending per os van trypsine-ea trypsinogeenpraeparaten is irrationeel.
III.
Ten onrechte beweert kïiiixe dat bij fermentatie geen verbruik van ferment plaats heeft.
stellingen.
IV.
De suikervorraende werking van speeksel is slechts van ondergeschikte physiologische beteekenis.
V.
Bij croup verdient de locale aanwending van een geconcentreerde papayotinoplossing aanbeveling.
VI.
Bij verdacht op carcinoma ventriculi onderzoeke men de urine op pepsine.
VII.
De uitstekende werking van martialia bij chlorose wordt het best door de theorie van bunge verklaard.
VIII.
Labium leporinurn opereere men niet in het eerste levensjaar.
ii
STELLINGEN.
IX.
Van de verschillende methoden voor steensnede is de sectio alta te verkiezen.
X.
Bij sectio alta verznime men nooit het gebruik van den rectaal colpeurynter.
XI.
In vele gevallen is narcose met het mengsel van v. mering te verkiezen boven chloroformnarcose.
XII.
Bij Uraemie is de aanwending van nitro-glycerine geïndiceerd,
Ill
XIII.
Hysterie is geene indicatie voor castratie.
stellingen.
XIV.
Wanneer bij retroflexio uteri pessaria onvoldoende zijn of om andere redenen niet kunnen worden aangewend, verkorte men de ligamenta rotunda volgens de methode van alexander.
iv