-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

ICT1E DER -pXTERRITORIALITElT.

PE F

(

-ocr page 8-
-ocr page 9-

I

DE FICHE DEB EIIEilOiUTEIT,

OPMERKINGEN NAAR AANLEIDING VAN DE VRAAG: ZIJN VAN DE BOEDELS VAN DE NEDERLANDSCHE GEZANTEN SUCCESSIERECHTEN VERSCHULDIGD?

PROEFSCHRIFT

TER VERKRIJGING VAN igt;EIST GRAAD VAK

DOCTOE IN DE STAATSWETENSCHAP.

RIJKS-UNIVERSITEIT TE GRONINGEN,

OP GEZAG VAK DEN

RECTOR MAGNIFICUS

DB. J. P. VAN BEAAM HOüCKGEESï,

IIOUGLEEIÏAAR IN DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE,

TEGEN UE BEDENKINGEN DER FACULTEIT IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN,

oj) Zaterdag 3 October 1885, des voormiddags te 10 uur.

■Cr/ ■mméfó ^

v%equot;W

y ^ ISAAC ANTONIE VAN R0IJEN,

geboren te Zwolle.

GRONINGEN. — J. B. HUBEB. — 1885.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

AAN MIJNEN VADER

EN

MIJNE AANSTAANDE SCHOONOUDERS

OPGEDRAGEN.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

Bij de keuze van een onderwerp tot het schrijven van een proefschrift werd mijn aandacht gevestigd op de vraag of van de boedels onzer gezanten successierechten verschuldigd zijn, indien hun overlijden plaats grijpt op een oogenblik dat, en ter plaatse waar, zij hunne betrekking bekleeden.

In 1839 gaf het hoofdbestuur der Registratie eene beslissing waarbij die vraag in bevestigenden zin werd beantwoord ^ en tot op den huidigen dag heeft men gemeend die rechten te mogen heffen.

Of dit terecht geschiedt, is eene vraag die ook ruimer gesteld kan worden nl. in hoever onze wetten de gezanten in den vreemde binden, in hoever. althans voor onze rechters, de verschillende Neder-landsche wetten op hen van toepassing zijn.

De beantwoording hiervan leidt ons op tweeërlei gebied. Vooreerst moeten wij het antwoord zoeken in de wetten zelve. Onze gezanten toch zijn meest-

\') Periodiek woordenboek 1, 1841 uo. li), bl. 1GÜ.

1

-ocr page 14-

2

al Nederlanders en als zoodanig onderworpen aan de Nederlandsche wetten, voor zoover deze voor Nederlanders in den vreemde bindend zijn. Bovendien zijn de gezanten Staatsambtenaren, Het ligt dus geheel op den weg van den Nederlandschen wetgever, omtrent de wijze waarop en de mate waarin zijne wetten hen verbinden, bepalingen te maken.

Behalve echter een onderzoek naar den inhoud van onze wetgeving moeten we ook rekening houden met het volkenrecht, dat in velerlei opzicht den rechtstoestand van gezanten bepaalt en dezen van den ■ rechtstoestand van de meeste andere personen doet verschillen. Het doet dit onder meer door de zoogenaamde exterritorialiteitfictie en inderdaad steunt dan ook vooral hierop. in verband met onze successiewet, de heffing van bovengenoemde rechten.

De invloed van deze fictie laat zich of kan zich laten gelden naar twee zijden: ze kan van invloed zijn op de toepasselijkheid van het recht, in de eerste plaats van het land, waarin de gezant verblijft en zijne function uitoefent, in de tweede plaats van het land dat den gezant zond. Het bekendste van de weinige gevallen, waarbij dit laatste punt ter sprake kwam, is geweest het proces tegen den graaf van Armm. Deze was na den oorlog

-ocr page 15-

3

van 1870 bekleed met den gewichtigen post van Botschafter van het Duitsche rijk te Parijs. In liet laatst van 1871 zijne betrekking aanvaard hebbende, werd hij in het begin van 1874 teruggeroepen, onder zeer bijzondere omstandigheden. In die twee jaren toch was de vriendschap, die tusschen hem en zijn chef, vorst Bismarck, had bestaan, in eene vijandschap veranderd, zóó groot, dat men er niet tegen opzag eene strafactie tegen hem in te stellen. Welke hiervan de innerlijke drijfveeren ook mogen zijn geweest, de volgende feiten leidden tot eene aanklacht, die te Berlijn voor den rechter werd gebracht. De opvolger van graaf Arnim, de vorst van Hohenlohe, miste in het archief verschillende stukken (Er las se d. w. z. brieven, die van het ministerie van buitenlandsche zaken uitgaan in tegenstelling met Berichte die van de gezanten inkomen) betreffende het kerkelijk-politiek vraagstuk, waarvan hij zich op de hoogte wenschte te stellen. Een nader onderzoek bracht aan het licht, dat meerdere stukken, die het gezantschap waren toegekomen , ontbraken, documenten van allerlei aard en gewicht. De aanklacht verdeelt die stukken in drie categorien, nl. in die welke v. Arnim had medegenomen , maar op aanvrage van het ministerie van buitenlandsche zaken heeft uitgeleverd, die, waarvan hij beweerde dat zij zijn privaat eigendom waren

-ocr page 16-

4

en verder die, waarover hij geen aanwijzing kon geven. Op grond daarvan werd hij beschuldigd de artt. 348 en 350 van het Duitsche strafwetboek te hebben overtreden, artikelen, die straf bedreigen tegen het wegmaken en zich wederrechtelijk toeeigenen van oorkonden aan iemand in hoedanigheid van ambtenaar toevertrouwd ^ Zoo die artt.

■) Men zie over dit proces Stenographischer Bericht über den Procesz Arnim, uitgegeven bij Ludwig Rauh, Berlijn 1874. Over deze zaak zij nog het volgende hier in herinnering gebracht.

In 1874 bestond nog niet § 4 van het Duitsche strafwetboek in zijn tegenwoordige vorm. § 4 luidt thans: Wegen der im Auslande begangenen Verbrechen und Vergehen findet in der Regel keine Ver-folgung statt. Jedoch kann nach den Strafgesetzen des Deutschen Reichs verfolgt werden :

t. Ein Deutscher oder Aualander, welcher im Auslande eine hochverriltherische handlung gegen das Deutsche Reich oder ein Bundesstaat, oder ein Miinzverbrechen oder als Beamter des Deutschen Reichs, oder eines Bundesstaats eine Handlung begangen hat, die nach denGesetzendesDeutschenReichs als Verbrechen oder Vergehen im Amte anzusehen ist.

3. Ein Deutscher, welcher im Auslande eine Handlung begangen hat, die nach den Gesetzen des Deutschen Reichs als Verbrechen oder Vergehen anzusehen und durch die Gesetze des Orts an welchem sie begangen wurde mit Strafe bedroht ist.

De gespatieerde woorden zijn ingelascht bij de wet van 2G Febr. 1876, met het oog o. a. op gezanten, en consuls, tegen wier misdrijven, ook indien deze in het buitenland zijn begaan, het Duitsche rijk zich moet beschermen (vid. Die Gesetzgebung des Deutschen Reichs ed. Bezold. III, pg. 89).

-ocr page 17-

5

waren overtreden, dan was dit te Parijs geschied, en wel in het gezantschapshotel. De eerste vraag, die in het vonnis viel te beslissen was derhalve deze, of de Duitsche strafwet, in casu de genoemde artt. zoo ver reikten. De rechtbank besliste in bevestigenden zin op grond van het volgens Europeesch

De Duitsche strafwet zou dus, afgescheiden van het Volkenrecht, in het onderhavige geval niet toepasselijk zijn tenzij ook de Fransche de geimputeerde feiten met straf bedreigde.

De stukken van de eerste serie, die het belangrijkste waren, handelden voornamelijk over de kerkelijk-politieke quaestie. Do aangeklaagde beweerde dat hij hen ter goeder trouw uit Parijs meegenomen had, omdat zijn opvolger Katholiek was en een broeder van een car-dinaal. Hii zou de bedoeling gehad hebben om ze direct in handen van den minister van buitenlandsche zaken te stellen. Hij is vervolgens in Berlijn geweest, maar zou vandaar vertrokken zijn zonder te doen wat hij van plan was en naar Carlsbad zijn gegaan den koffer en de portefeuille, waarin de stukken zich bevonden, meenemende. Het vonnis neemt aan, dat de beschuldigde ter goeder trouw was toen hij de bescheiden rnedenam uit Parijs, maar verwerpt de bewering van den aangeklaagde, dat die goede trouw ook nog te Berlijn voortduurde en oordeelde hem schuldig aan het feit bedoeld, niet in de artt. waarop de aanklacht steunde, maar in art. 133 waarin straf wordt bedreigd tegen hem, die „eine TJrkunde, ein Register, Akten oder einen sonstigen Gegenstand, welche sich zur amtlichen Aufbe-wahrung an einem dazu bestimmten Orte befinden, vorsatzlich bei Seite schaflft.quot; Tengevolge van deze beschouwing was Berlijn, ook zonder fictie, de plaats geworden waar misdrijf was gepleegd.

-ocr page 18-

volkenrecht den gezanten toekomend en door de Duitsche wetgeving in verschillende consequenties erkend recht der exterritoraliteit, »indemquot;, zoo staat er in het vonnis, »es so angesehen wird alsob die diplornatischen Agenten gar nicht ins Ausland ge-kommen, vielmehr im Inlande verblieben waren. Es folgt dem Gesandten danach in der That der heimische Staatsanwalt, mit diesem der heimische Richter und mit diesem das heimische Recht.quot;

Volgens eene andere voorstelling brengt de exterritorialiteit mede, niet alleen dat de gezant wordt geacht te verblijven in zijn land, maar ook dat hij aldaar woonplaats behoudt, hetzij zijn vroegere, die men dan fingeert dat niet door hem is verlaten, hetzij een andere, die willekeurig wordt aangenomen. Hiervan uitgaande beredeneert het registra-tiebestuur ten onzent de toepasselijkheid der successiewet.

Afgescheiden van de vraag of niet een uitdrukkelijke bepaling in de wetgeving van het eigen land van den gezant iets anders meebrengt, komt het mij voor, dat de stelling, dat de wetten van het zendende land op den gezant van toepassing zouden zijn evenals of hij daar werkelijk ware of er werkelijk woonde, onjuist is; dat hoeveel ook tengevolge van de fictie, die men exterritorialiteit noemt, de positie van den gezant, b.v. den Nederlandschen,

-ocr page 19-

7

in het vreemde land tegenover het staatsgezag en ten opzichte van liet daar geldende recht verschilt van die van andere Nederlanders, die aldaar verblijf houden, wat betreft de bevoegdheid van onze rechters of andere ambtenaren of de verbindbaarheid van onze wetten, de positie van dezen en üenen al weinig van elkander verschillen.

O O

-ocr page 20-

H O O F D S T U K I.

DE VERHOUDING VAN DEN GEZANT TOT DEN VREEMDEN STAAT.

1. Gezanten, waarvan hier en in het algemeen in het Volkenrecht sprake is. zijn slechts diegenen, welke souvereine staten elkander toezenden. Zij zijn evenals de consuls, staatsambtenaren, die in tegenstelling met de meeste anderen hun werkkring niet hebben binnen de grenzen van den staat in wiens dienst zij zijn, maar daarbuiten, in het gebied van een anderen staat. Voor zij in functie treden, moeten zij door dezen worden erkend; daarom vergewist men zich vooraf van hunne toelating, maar is de toestemming daartoe gegeven, dan ligt hierin ook opgesloten, dat hun zoodanige vrijheid zal worden gegeven dat zij behoorlijk de function zullen kunnen uitoefenen, die gemeenlijk tot hunne betrekking behooren. ))Unleugbar,quot; zegt

-ocr page 21-

9

Heffter i) ; vliegt scbon in der gegenseitigen Ankniip-fung und Gestaltung einer diploraatischen Verbindnng, die Bedingung so wie das Zugestandnisz, dem Ver-treter des anderen Staates, diejenige Sicherheit und Freiheit einraumen zu wollen, ohne welche die gil-tige, ehrenhafte und ungestörte VollziehungvonStaats-geschaften überhaupt nicht denkbar ist.quot;

Welke nu de recbten, of zoo men wil, de voorrechten zijn, die gezanten toekomen, is niet gemakkelijk uit te maken. Van de drie bronnen van het Volkenrecht; tractaten, gewoonten en de juris auc-tores, kunnen wij voornamelijk, zoo niet alleen, de laatste twee raadplegen. Deze zijn de onzekersten. Terwijl toch de gewoonte als bron ons dikwijle in den steek laat, hetzij door ongelijkheid in de besliste gevallen, \'t zij door gebrek aan de noodige veelvuldigheid , verwarren de schrijvers meermalen wat recht is en wat zij als zoodanig wenschen; dikwijls geven zij alleen dit laatste, en dit heeft voor ons slechts waarde voor zoover wij met hunne redeneeringen kunnen meegaan. Voor het doel, dat wij beoogen, is het echter minder noodig een juiste opsomming te geven van de voorrechten, dan wel om in het algemeen den aard er van te leeren ken-

\') Hofftcr. Das Europaisohe Völkerrecht der Gegonwart, 7c uitgave § 20ü.

-ocr page 22-

10

nen. Dezen zal men het best kunnen bepalen door een blik te slaan op de historie.

Eene eerste vraag, die zich hierbij voordoet en waartoe des te meer aanleiding bestaat, juist omdat het volkenrecht niet is een gecodificeerd, door een overheid voorgeschreven, recht, is deze: welke is toch de taak van de gezanten, ter wille waarvan zij bijzondere voorrechten noodig hebben, want ten slotte komen alle schrijvers hierin overeen, dat privileges hun zijn gegeven, om eene behoorlijke uitoefening van hunne functiën mogelijk te maken.

Ter beantwoording van deze vraag moeten we op een onderscheid letten, dat tusschen de verschillende gezantschappen bestaat. Men noemt gezanten wel de organen van een staat, waardoor deze zich met een andere in verbinding stelt. Naarmate nu die verbinding tijdelijk is of wel bij voortduring, onderscheidt men de gezantschappen in tijdelijke en in vaste gezantschappen. De eerste zijn de oudste en inderdaad van de vroegste tijden bekend. Josephus meldt zelfs dat de instelling der gezanten het ontstaan onmiddelijk dankt aan God, in zoover deze de engelen schiep, die als boden des hemels op aarde nederdaalden *). Hoe het zij, oorspronkelijk misschien voor het eerst gebruikt, waar oorlog niet

\') Gentilis. Do logationibus lib. I cap. 20.

-ocr page 23-

11

met algeheele vernietiging, maar met vrede eindigde, bediende men zich van ouds en bedient men zich nog van hen om onderhandelingen te voeren of mede-deelingen over te brengen. Zij worden met eene bijzondere zending belast en zoodra deze isafgeloopen , keeren zij terug naar het land dat hen zond, om verslag te doen en zich te verantwoorden aan hun souverein.

De vaste gezantschappen zijn van veel jongeren datum De oorsprong dezer instelling moeten we in Italië zoeken, dat men daarom wel eens de bakermat der diplomatie heeft genoemd. In Italië waren in de 14de eeuw bloeiende steden, die zoowel door hun uitgebreide handelsbetrekkingen , als door de behoefte om onderling een zekere mate van evenwicht te bewaren, aanleiding vonden voortdurend in verbinding te staan door middel van diplomatieke agenten. Het meest was de instelling ontwikkeld in de republiek Venetië; deze knoopte het eerst met landen buiten Italië vaste betrekkingen aan. Hare gezanten moesten verslag geven van wat zij in het land waar zij fungeerden belangrijks opmerkten of op andere wijze te weten konden komen , zoowel op econo-

\') Ernest Nijs. Les commencements de la diplomatie in de Revue do droit international et de legislation compareo 1883 pg. 576 vv. , 1884 pg. 55 vv.

-ocr page 24-

10

nen. Dezen zal men het best kunnen bepalen door een blik te slaan op de historie.

Eene eerste vraag, die zich hierbij voordoet en waartoe des te meer aanleiding bestaat, juist omdat het volkenrecht niet is een gecodificeerd, door een overheid voorgeschreven, recht, is deze: welke is toch de taak van de gezanten, ter wille waarvan zij bijzondere voorrechten noodig hebben, want ten slotte komen alle schrijvers hierin overeen, dat privileges hun zijn gegeven, om eene behoorlijke uitoefening van hunne functiën mogelijk te maken.

Ter beantwoording van deze vraag moeten we op een onderscheid letten, dat tusschen de verschillende gezantschappen bestaat. Men noemt gezanten wel de organen van een staat, waardoor deze zich met een andere in verbinding stelt. Naarmate nu die verbinding tijdelijk is of wel bij voortduring, onderscheidt men de gezantschappen in tijdelijke en in vaste gezantschappen. De eerste zijn de oudste en inderdaad van de vroegste tijden bekend. Josephus meldt zelfs dat de instelling der gezanten het ontstaan onmiddelijk dankt aan God, in zoover deze de engelen schiep, die als boden des hemels op aarde nederdaalden Hoe het zij, oorspronkelijk misschien voor het eerst gebruikt, waar oorlog niet

\') Gentilis. De legationibus lib. I cap. 20.

-ocr page 25-

11

met algeheele vernietiging, maar met vrede eindigde, bediende men zich van ouds en bedient men zich nog van hen om onderhandelingen te voeren of mede-deelingen over te brengen. Zij worden met eene bijzondere zending belast en zoodra deze is afgeloopen , keeren zij terug naar het land dat hen zond, om verslag te doen en zich te verantwoorden aan hun souverein.

De vaste gezantschappen zijn van veel jongeren datum De oorsprong dezer instelling moeten we in Italië zoeken, dat men daarom wel eens de bakermat der diplomatie heeft genoemd. In Italië waren in de 14de eeuw bloeiende steden, die zoowel door hun uitgebreide handelsbetrekkingen , als door de behoefte om onderling een zekere mate van evenwicht te bewaren, aanleiding vonden voortdurend in verbinding te staan door middel van diplomatieke agenten. Het meest was de instelling ontwikkeld in de republiek Venetië; deze knoopte het eerst met landen buiten Italië vaste betrekkingen aan. Hare gezanten moesten verslag geven van wat zij in het land waar zij fungeerden belangrijks opmerkten of op andere wijze te weten konden komen, zoowel op econo-

\') Ernest Nijs. Les commencoments de la diplomatie in do Revue de droit international et de legislation compareo 1883 pg. 576 vv. , 1884 pg. 55 vv.

-ocr page 26-

12

misch als op politiek gebied. Hunne »relazioniquot; kregen groote vermaardheid. Het voorbeeld van de republiek werd spoedig door andere natiën gevolgd. Lodewijk XI, Ferdinand de Katholieke, Hendrik VII, zij allen wisten de groote voordeelen te waardeeren, die uit dergelijke gezantschappen konden worden getrokken. Men kan zeggen, dat sedert het begin der 16e eeuw de meeste staten van Europa op deze wijze met elkaar in voortdurende verbinding stonden.

Welke voordeelen men in die dagen van een vast gezantschap verwachtte blijkt o. a uit hetgeen Com-mines dienaangaande mededeelt ^, 3)ce n\'est pas chose trop süre de tant d\'allées et venues d\'ambas-sades, car bien souvent s\'y traitent de mauvaises choses, toutefois il est necessaire d\'en envoyer et d\'en recevoir. Ceux, qui viennent de vrais amis et oü il n\'y a point de suspicion, je serais d\'avis qu\'on leur fit bonne chère et eussent permission de voir le prince assez souvent. Et quand il faut le voir, qu\'il soit bien informé de ce qu\'il doit dire et l\'en retirer tót; car 1\'amitié qui est entre les princes no dure pas toujours. Si les ambassadeurs viennent de par princes oü la haine soit continuelle, en nul temps n\'y a grande süreté selon mon avis. On les

\') Commines, Memoires sur les règnes do Louis XI ct Charles VIII lib. Ill cap. VIII. Revue t.a.p.

-ocr page 27-

13

doit bien traiter et honorablement recueillir, comme envoyer au devant d\'eux et les faire bien loger, et ordonner gens sürs et sages pour les accompagner: car par la on sait qui vont vers eux et garde-t-on les gens legers et malcontents de leur porter nouvelles, car en nulle maison tout n\'est content. D\'avantage je les voudrais tót ouïr et dépêcher car ce me semble trés mauvaise chose que tenir ses ennemis chez soi. Et pour un ambassadeur, qu\'ils m\'enver-raient, je leur enverrais deux: et encore qu\'ils s\'en ennuyassent, disant qu\'on n\'y renvoyat plus, si voudrais-je y renvoyer quand j\'en verrais opportunité et le moyen. Car vous ne sauriez envoyer esp ion si bon et si sur, ni qui eüt si bien loi de voir et d\'entendre.quot; \'t Is dan ook niet te verwonderen, dat zij, die het liefst voortdurend een gezantschap bij een anderen vorst hadden, liever geen van dezen ontving en zoo dit al moest geschieden hen allerlei moeielijkheden in den weg trachten te leggen.

Eenmaal algemeen toegelaten, blijken de vaste gezantschappen het geschikste middel te zijn in de hand der vorsten om in het hart van het vreemde land te intrigueeren en de samenzweringen, waarin gezanten zijn betrokken, zijn inderdaad niet zeldzaam.

De middelen , die men om zijn doel te bereiken meende te mogen aanwenden, waren niet altijd even kiesch en men versmaadde de groote kracht

-ocr page 28-

14

van het geld noch om zich een aanhang te verschaffen , noch om geheimen uit te vorschen, noch om ambtenaren tot plichtverzaking te nopen.

Zoo zegt Bijnkerhoek, ter plaatse waar hij de redenen opsomt, die men kan aanvoeren voor een gepriviligieerd forum: ))Onderzoek de taak van de gezanten zooals die nu is en doorgaans is geweest, en het komt op dit ééne neer, dat zij hun\' vorst zooveel mogelijk van nut zijn. Dikwijls echter kunnen zij dat niet, indien zij niet de grooten in het rijk, waar zij zich bevinden, onderling verdeelen en door bepraten en belooning tot hun gevoelen overhalen of als zij niet de staatsgeheimen opsporen ^ al moeten daar ook ambtenaren voor worden omgekocht, als zij niet partijschappen in het leven roepen en hunne onderlinge veeten voeden; kortom indien zij niet door wijntje en Trijntje, door listen en lagen (vino et Venere, gratia et sordibus) voor hunne zaken werkzaam zijn 1).quot;

De bloeitijd van deze wijze van werken valt in de 16e en 17e eeuw. Het kwam er toen minder op aan voor den diplomatieken ambtenaar, geaccrediteerd bij eene vreemde regeering om de internationale betrekkingen te vergemakkelijken, één van de voorwaarden van vooruitgang en beschaving,

J) Bijnkershoek, de foro legatorum cap. VII op. min. pg. 4G0.

-ocr page 29-

15

dan wel om geheimen te ontdekken en intrigue tegenover intrigue te stellen

In den loop der tijden is echter de werkkring der gezanten gewijzigd. Dit blijkt reeds hieruit dat de vervulling van den gezantschapspost als bewijs wordt aangemerkt van de goede verstandhouding tusschen de twee betrekkelijke staten, terwijl omgekeerd, het onvervuld laten van dien post wijst op het bestaan van een minder vriendschappelijke gezindheid. Van het standpunt, dat zij in de 16e en 17e eeuw innamen konden zij in het laatste geval van des te meer nut zijn. Overigens heeft het internationale verkeer een\' nooit gekenden omvang gekregen en voortdurend breidt zich het nog zoodanig uit, dat veel meer dan vroeger de aandacht der gezanten moet zijn gevestigd op het beramen en het bespreken van de middelen, om aan de eischen daarvan tegemoet te komen, de slagboomen door de grenzen der staten aan dit verkeer in den weg gesteld, weg te ruimen, in één woord op het bevorderen der gemeenschappelijke belangen der volken. Immers de vroegere algemeen aangenomene beschouwing, waarvan ook de Groot uitging, dat de belangen der verschillende staten van nature in strijd met elkander zijn, heeft plaats moeten maken

\') Revue 1884 pg. 66.

-ocr page 30-

16

voor een nieuwere, men komt nl. hoe langer hoe meer tot het inzicht, dat de belangen der mensch-heid één zijn, en dat onze welvaart, onze rust en veiligheid het meest zijn gediend, wanneer die ook bij anderen bestaan. Hoever deze beschouwing echter in de praktijk is doorgedrongen, en of de staatsbestuurders ook tegenwoordig niet doorgaans en dikwijls te recht, elkander met een wantrouwend oog aanzien, is eene andere vraag. In elk geval, al hoort men niet meer spreken van samenzweringen, zoo zal het toch moeilijk kunnen worden ontkend, dat de gezanten nog steeds werkzaam zijn in de richting, die in de 17e eeuw de heerschende was. Hunne function bestaan voorzeker nog voor een groot gedeelte daarin, om een oog te houden in het zeil van het vreemde schip van staat en hunne superieuren op de hoogte te stellen van wat belangrijks, uit een een politiek gezichtspunt, in het vreemde land omgaat, van de neigingen die zich daar openbaren bij het volk, van de mogelijke plannen, die de regeering er in haar schild voert. Nog steeds geldt, naar wij mogen aannemen, van hen, door hun verblijf in de plaats, waar de regeering is gezeteld, door den omgang, die zij met de hoogste ambtenaren kunnen hebben, de woorden hierboven aangehaald, dat men niet kan zenden aespion si bon et si sur ni qui eüt is bien loi de voir et d\'entendre quot;

-ocr page 31-

17

2. Hoedanige rechten zullen den gezanten moeten toekomen? In den tachtigjarigen oorlog, schrijft Vattel (le droit des gens liv. IV § 88), liet Alva een heraut van den prins van Oranje ophangen, zeggende, dat hij niet was verplicht veiligheid te geven aan een heraut, dien het hoofd der opstandelingen hem zond. De schrijver keurt dit af, en terecht; op welke wijze toch, zegt hij, zal men gelegenheid vinden om over vrede te spreken , hoe zal men eene heilzame schikking kunnen treffen, indien de twee partijen elkander geene mededeelingen kunnen doen, noch elkander vertrouwde personen in alle veiligheid kunnen toezenden? Wat nog in het midden der 16e eeuw geschiedde met dien heraut onzer voorouders, die tot rebellen waren verklaard, zal in vroegere tijden zeker menigmaal het lot zijn geweest van een gezant, indien twee volken elkander beoorloogden. Evenwel gelijksoortige bezwaren, als door Vattel voor het geval van opstand of burgeroorlog aangevoerd, hebben zich moeten laten gelden en hebben ook inderdaad er toe geleid, om een gezant van hen, met wie men in oorlog was, niet als vijand te verdelgen, maar vrij en ongedeerd naar de zijnen te laten terugkeeren. Het komt mij voor, dat dit de oorspronkelijke, natuurlijke beteekenis is van de uitdrukking: onschendbaar. Reeds vroeg zijn daaraan religieuse voorstellingen verbonden; in

-ocr page 32-

48

de oudste Romeinsche geschiedbronnen immers komt naast inviolabilis gewoonlijk het woord sacer voor. Men plaatste de gezanten onder de bijzondere bescherming der goden, gelijk men hen thans onder die van het volkenrecht plaatst. De onmacht van dit recht werd op deze wijze vergoed door de vrees voor hoogere machten. 1) Worden in latere tijden gezanten ook tot andere doeleinden gezonden dan tot vredesonderhandelingen, komt er niet een enkel persoon maar een geheel gezantschap, met gevolg en met allerlei benoodigd-heden voor onderhoud en voor de reis, dan zal zich de onschendbaarheid ook daarover uitstrekken in dezen zin, dat eveneens het gevolg vrij en ongedeerd zal mogen terugkeeren en dat het recht van het gezantschap op de medegenomen goederen zal worden erkend en gëeerbiedigd.

Het spreekt van zelve, dat bij het ontstaan of liever bij de bevestiging der vaste gezantschappen de zaak een geheel ander aanzien heeft gekregen. Behalve toch dat het leven, de vrijheid en de eigendom, als die van onze burgers worden ontzien en beschermd , zoo hebben zij bovendien behoefte aan zekere voorrechten boven deze. Immers er zal steeds grooten lust bestaan bij de vreemde

\') Bluntschli. Das moderne Völkerrecht der cirilisirten Staten als Rechtsbuch dargestellt. § 191.

-ocr page 33-

19

regeering om den persoon van den gezant onschadelijk te maken en zich inzage te verschaffen in de papieren en stukken op zijne functiën betrekkelijk. Durft men hiervoor niet openlijk uitkomen, hoe gemakkelijk is tegenover den gezant niet eene verdenking van een of ander misdrijf voor te wenden en daarin niet een dekmantel te vinden, om toch tot datgene te geraken, wat men gaarne wil dat zal geschieden. Zullen zij derhalve hunne functiën behoorlijk verrichten , dan moet de persoonlijke vrijheid hun niet kunnen worden ontnomen, hunne woning, althans het archief, niet aan nasporingen zijn blootgesteld, het geheim van de correspondentie, die zij met hunne regeeringen voeren en het vrije verkeer met deze door middel van boden, hun worden verzekerd, ook onder omstandigheden waarin dit alles tegenover andere ingezetenen niet geldt. Er is echter meer noodig. Ook in het geval dat werkelijk door zekere handelingen de strafwet is overtreden en deze feiten daghelder zijn bewezen, dan nog moet het vreemde staatsgezag zich van straffen onthouden. »11 est permis a l\'ambassadeur d\'employer la corruption pour découvrir les intrigues qui se font contre le service de son maitrequot; ^ zeide Henri IV tot den Spaanschen gezant. Vindt men dit over en

\') Mémoires de Sully; Vattel dl. II pag. 141,

2*

-ocr page 34-

20

weer goed, dan ligt het voor de hand, dat men een gezant, die zich aan omkooping schuldig maakt, niet straft.

De voorrechten, den gezanten toegekend, zullen zich moeten ontwikkelen overeenkomstig de taak, die zij hebben te vervullen. Naarmate die taak ruimer wordt, moet ook het voorrecht worden uitgebreid. Hoe meer dit geschiedt, hoe meer de privilegies eene beperking mee zullen brengen van het volkenrechterlijk beginsel, dat iederensouverein macht toekent over alle personen en zaken, die zich op zijn territoir bevinden 1) en zoo is zelfs daar, waar strijd ontstond met groote belangen, met de eischen bv. van civiel- of strafrecht, immers door de Groot, ten voordeele der gezantschappen beslist op gronden, ontleend aan het overwegend nut van hunne function. De theorie heeft zich evenwel niet enkel tevreden gesteld met een beroep te doen op de eischen der practijk, maar heeft, toen de Groot de grondslagen had gelegd van een eigenlijk gezegd volkenrecht, als bron der verschillende, voor eene behoorlijke waarneming van den post vereischte, voorrechten aangenomen de fictie, die men heeft genoemd de fictie der exterritorialiteit.

1

Bluntschli § 136 noemt het recht op exterritorialiteit een negatief recht; m, a. w. het verhindert de uitoefening van de „einheirnisohe Staatsgewalt.quot;

-ocr page 35-

21

Zij, die vóór de Groot over volkenrechterlijke quaesties schreven, namen gewoonlijk het Rom. Recht tot grondslag en pasten het toe voor zoover dit mogelijk was.

In het Rom. recht waren aan de ))legatiquot; eenige voorrechten toegekend en wel bepaaldelijk het recht, om in geval tegen hen eene vordering werd ingesteld , gegrond in eene overeenkomst, die was aangegaan, vóór zij met de betrekking van legatus werden bekleed, verwijzing van de zaak te vragen naar den rechter van hunne woonplaats. Dit jus domum revocandi kwam ook aan andere personen toe, maar was voor legati uitgebreider. Terwijl gene zich op dit recht slechts konden beroepen, indien zij op eene andere plaats werden aangesproken als die, waar de verbintenis was aangegaan, konden deze zulks ook doen, indien zij voor den rechter werden gedaagd te Rome wegens overeenkomsten , die zij daar ante legationem hadden gesloten. Dat men hierbij hoofdzakelijk het oog had op eene schorsing van de zaak te Rome zelve, blijkt uit § 3. 1. 2 tit. I de judic., inzonderheid uit de woorden »plane, si perfecta legatione subsistunt (Romae) eos conveniendos Divus Pius rescripsitquot;

\') F. F. do judiciis tit. I. 1. 2 §§ 3 cn 4.

-ocr page 36-

22

Voorts kon daar evenmin eene actio in rem tegen hen worden ingesteld1), noch konden ze publiek worden aangeklaagd 2), indien namelijk de actie voortsproot uit bezit, dat vóór de aanvaarding der betrekking was verkregen of het misdrijf voor dien tijd was gepleegd. Overigens waren zij wegens verbintenissen, aangegaan gedurende den tijd, dat zij als legaat fungeerden, evenals ieder ander onderworpen aan de rechtspraak van den rechter te Rome, terwijl zij zich eveneens voor hem hadden te verantwoorden wegens misdrijven gedurende dien tijd gepleegd. Van eene fictie hierbij is geen sprake, want na afloop der legatie werden zij gedaagd daar, waar zij waren, óf in Rome als ze daar bleven óf op hun woonplaats, als zij daarheen terugkeerden. Bovendien in de gevallen, dat zij het recht hadden om verwijzing te vragen, moesten zij, aangesproken wordende, zich op hun voorrecht beroepen en cautie stellen, dat zij later zouden verschijnen. Er is derhalve ook minder sprake van onttrekking aan rechtspraak.

Deze bepalingen worden, althans wat het civiel recht betreft, overgenomen door hen, die vóór de Groot over het gezantenrecht schreven. Zoo b.v. door

\') F. F. ibid. 1. 24 § 2.

5) F. F. de acouaat. tit. 2 1. 12.

-ocr page 37-

23

den bekendste onder die schrijvers, Albericus Gen-tilis in zijn »De legationibus libri III.quot; Doch ook wat het strafrecht betreft, alhoewel daarover meer twijfel bestaat en een enkele schrijver, zooals Hot-man het 3)plus seur et plus seantquot; vindt om gezanten niet te straffen, een ander een onderscheid wenscht te maken naar den aard van het misdrijf, zijn toch de meesten van meening, dat de vorst, bij wien een gezant is geaccrediteerd, wel het recht heeft om dezen te doen boeten voor misdrijven, gedurende de waarneming van zijn\' post gepleegd De schrijvers blijven dus meestal afkeerig van de rechten, die de gezanten eischen. Toch is in de leer van Gentilis reeds eene tegemoetkoming te bespeuren aan de behoeften der practijk. Volgens hem kunnen gezanten wel is waar voor den vreemden strafrechter worden gedaagd wegens misdrijven gedurende den tijd van hunne functie begaan, maar deze misdrijven moeten zijn voltooid 1). Nu is samenzwering volgens hem nooit een misdrijf, dat men voltooid kan noemen; de gevolgtrekking, die voor de hand ligt, is deze: de gezant kan daarvoor niet in het vreemde land worden gestraft. Inderdaad is dan ook op zijn advies de Spaansche gezant bij koningin

1

) Gentilis Cap. XVIII.

-ocr page 38-

24

Elisabeth, dc hertog van Mondoza, die op allerlei wijze tegen de koningin had geconspireerd, niet ter dood gebracht, maar naar zijn meester teruggezonden.

Zoolang men zich echter stelde op den bodem van het Romeinsche recht, kon logisch eene belangrijke uitbreiding der voorrechten niet worden verdedigd. Men heeft het evenwel beproefd. In het bijzonder heeft Bijnkershoek getracht het te doen, door in navolging van de Groot er op te wijzen, dat de legati uit het corpus juris niet waren gezanten van vreemde volken, maar eenvoudig waren de gezanten, die naar Rome werden afgevaardigd door de steden en de provinciën, dus door deelen van één rijk. Bijnkershoek gaat daarbij zóó ver, dat hij hen, die de bepalingen van het Romeinsche recht op de volkenrechtelijke gezanten toepasten, een grief maakt, dat zij op dit onderscheid in het geheel geen acht sloegen. Wel is waar bestaat er volgens dien schrijver eenige overeenkomst, maar het onderscheid is zoo groot, en was ook vóór de Groot reeds zoo vele malen opgemerkt, dat hij zich er over moet verwonderen, hoe vijf rechtsgeleerden van grooten naam, door het niet op te merken zich hebben laten misleiden, om op het Rom. recht het antwoord te gronden, dat zij koningin Elizabeth gaven en waarbij zij als hunne meening uitspraken,

-ocr page 39-

25

dat zij volkomen gerechtigd was den bisschop van Ross voor hare rechters te roepen en hem te straffen. Deze geestelijke, gezant van Maria Stuart, was iemand van wien Wicquefort meldt, dat er geen intrigue was tegen de rust van het koninkrijk, noch eene samenzwering zelfs tegen het leven der koningin, of hij was er de aanlegger van of één van de voornaamste medeplichtigen. De bewijzen waren zoo duidelijk, dat men hem gevangen nam; hij beriep zich toen, ofschoon tevergeefs, op de voorrechten aan zijne betrekking verbonden 1).

Hetgeen Bijnkershoek bedoelt is dit, dat die legati provinciales en municipales, door onderdanen gezonden , zelve onderdanen waren van hem, tot wien de legatie was gericht, iets wat met gezanten , waarover in het Volkenrecht sprake is, in den regel niet het geval is. Hij doet, al is het dan ook zijdelings, juist met het oog op dit verschil, een beroep op het Rom. recht, ter verdediging van een geheele onttrekking aan de macht van den vreemden rechter. In cap. VI van zijn werk »De foro legatorumquot;, waarin hij over het Rom. recht spreekt, zegt hij, dat de legati hebben het jus revocandi domum »in eo quod ante legationem contraxerunt.quot; De

\') Wicquefort Mémoires touchant les ambassadeurs et les ministres publics pg. 140.

-ocr page 40-

26

reden daarvan is sne impediatur legatioi); ne prohibeantur publico raunere fungi a). Dit moet er echter even goed toe leiden, om hun dat recht te geven voor overeenkomsten, gesloten gedurende hunne zending. Waarom hebben zij dat recht in dit geval niet? Omdat zooals Julianus het sierlijk heeft uitgedrukt; saliter potestas dabitur legatis sub hac specie res alienas domum auferendi.quot; Men bedenke evenwel, dat zij onderdanen zijn van den keizer en (laat Bijnkershoek er iets verder op volgen) ))Quis ajat subditum unius ejusdemque Principis tam prolixe revocare domum posse, quam non subditum? quis princeps, cum ab eo sit omnis jurisdictio, legatum sibi subditum non puniat, ubi-cumque deliquerit? et sic erat in illis Romanorum legatis. Dit is m. i. een petitio principii. Met evenveel, zoo niet met meer, recht zou men kunnen vragen; Wie zal zeggen , dat iemand, die geen onderdaan is, die ons geheel vreemd is, van een voorrecht mag genieten, dat wij slechts aan onze onderdanen toestonden? en zoo was het met die gezanten der Romeinen, want van den legatus hostium, waarvan in de digesten alleen sprake is in lex uit. tit. VU de legationibus, wordt op deze plaats

\') F. F. dc judio 1. 26. F. F. dc judic 1. 27.

-ocr page 41-

27

en bij de geschiedschrijvers enkel gezegd, dat zij heilig en onschendbaar zijn i). Er is echter nog iets anders, waarop gelet moet worden en waardoor in Rome het privilegie van een legaat niet zoo zwaar kon drukken nl. dit, dat de zending betrekkelijk spoedig was afgeloopen, daarentegen werd de post van gezant in den tijd reeds van Gentilis voor on-bepaalden tijd waargenomen Dit heeft bij dezen schrijver zijn gewicht, want hij kent het jus revo-candi niet toe, als de termijn voor het instellen van eene actie zou verstrijken, omdat ))nec superveniens publicum officium debet perpetuum alteri damnum afferrequot; 2). Bijnkershoek heeft dit bezwaar ook gevoeld, wij zullen later zien, hoe hij er eene oplossing aan tracht te geven. De beide genoemde punten van verschil zouden derhalve, ceteris paribus, niet eene uitbreiding, maar eer eene inkrimping, zoo niet eene geheele afschaffing, doen verwachten van de in het Rom. recht bekende gezantschappelijke privilegies daar, waar sprake is van volkenrechter-lijke gezanten.

\') Cf. Evertsen de Jonge over de grenzen van de rechten der gezanten § 3 alwaar hij als zijn gevoelen verdedigt, dat de Romeinen wel begrip hadden van een volkenrecht in den zin, die er tegenwoordig aan wordt gehecht.

\'■\') Gentilis lib. II cap. 6 pg. 116,

-ocr page 42-

28

4. Tot dusver zien wij aan de gezanten bij uitzondering en slechts op enkele punten vrijheid ingeruimd. Met de Groot komt daarin verandering, zoodat vrijheid regel wordt en de gevallen, waarin zij aan het vreemde staatsgezag worden onderworpen, uitzondering. Gelijk in het algemeen op de ontwikkeling van het volkenrecht en op het gevoelen der latere schrijvers, heeft hij in dezen een zeer grooten invloed uitgeoefend en wel één, die misschien niet in alle opzichten een gelukkige kan worden genoemd.

Slechts een kort hoofdstuk lib. II cap. 8 van zijn »De jure belli ac pacisquot; wordt aan dit onderwerp gewijd. Hij beschouwt daarin de vraag of de gezanten gestraft kunnen worden als één met die of zy heilig en onschendbaar zijn Uit de rede kan men dit niet beantwoorden , want het is geen quaestie van natuurrecht , maar van wilsrecht. Wat de volken hebben gewild blijkt uit feiten. Daaruit kan de vraag echter in tweeledigen zin worden beantwoord, omdat er gevallen zijn zoowel, dat de onschendbaarheid werd bewaard, als dat gezanten werden gestraft. Men moet daarom zijn toevlucht nemen tot getuigen en tot gissingen. Als getuigen worden aangehaald Livius en Sallustius. De slotsom zijner beschouwingen is, dat men hen niet moet straffen, ïnam cum plerumque diversa, saepe et adversa sint

-ocr page 43-

29

consilia eorum, qui mittunt legates et qui accipiunt, vix est ut non semper aliquid in legatum dici possit, quod criminis accipiat speciem. Et quamquam quaedam sunt ita oianifesta, ut dubitationem non habeant, sufQcit tarnen ad aequitatem et utilitatem legis universalis peruculum universale.quot; Dit leidt hem tot het uitspreken van de bewering, dat de algemeene gewoonte, die iemand aan het gebied onderwerpt van den staat, waarin hij zich bevindt, uitzondering lijdt als hij gezant is, zoodat in dit geval hij moet worden beschouwd daarbuiten te zijn. ))Quare,quot; zoo laat hij op het boven aangehaalde volgen, ))omnino ita censeo, placuisse gentibus ut communis mos, qui quemvis in alieno territorio exis-tentem, ejus loci territorio subjicit, exceptionem pateretur in legatis, ut qui sicut fictione quadam habentur pro personis mittentium \') ita etiam ficti-

\') Aan deze fictie wordt tegenwoordig weinig kracht meer ontleend, maar heeft mede gediend om daarop de onafhankelijkheid der gezanten te baseeren. Men ziet echter in, dat de gezant zijn voorrechten te danken heeft aan zijn eigen persoon en karakter en niet aan don persoon van zijn vorst, m. a. w. dat hij de vorst zelf niet is (Heffter pag. 445).

Duistere voorstellingen zijn daar aan verbonden geworden; men zie b.v. Vattel IV 70. In het reglement omtrent den voorrang onder de diplomatieke agenten, geteekend te Weenen in 1815 is sprake van een vertegenwoordigend karakter. Dit reglement verdeelt de gezanten in drie klassen en zegt in art. 2 les ambassadeurs, legats ou nonces ont seuls le caractère représentatif. Volgens Heffter t. a. p. heeft dit alleen

-ocr page 44-

30

one simili constituerentur quasi extra territorium, unde et civili jure populi, apud quem vivunt, non tenentur (cap. 18 § 4 no. 5).

Het gezin en de bedienden, het huisraad en in het algemeen alle die goederen, welke een gezant noodig heeft, \'t zij om te leven, \'t zij om zijne waardigheid op te houden \') worden als accessoria beschouwd (sui generis sanctimoniam habent, haec sancta sunt accessorie cap. 18 §8), zoodat zijn gevolg, evenmin als hij zelf, kan worden gestraft en het genot van de goederen hem niet kan worden ontnomen door beslaglegging of executie.

5. De Groot, bij wien het hoofdzakelijk eenequaestie is van rechtsmacht van den vreemden staat, heeft met de boven aangehaalde woorden den grondslag gelegd voor eene nieuwe leer, die met terzijde stelling van de bepalingen van het Romeinsche Recht twee grondvoorrechten, als ik ze zoo noemen mag, aanneemt: de onafhankelijkheid en de exterritorialiteit. Blijkbaar hangt gene samen met het eerste , deze met het tweede gedeelte van den geci-teerden volzin, m. a. w. met de beide beteekenissen

invloed op het ceremonieele recht. Zij mogen met 6 paarden rijden, den hoed op het hoofd houden, als de souverein dit ook doet etc.

\') „Legatus instructus et cum instrumentoquot; luidt de oude rechtsterm.

-ocr page 45-

31

van het woord gebied, waaraan men al of niet onderworpen kan zijn en waarop of waarbuiten men zich kan bevinden. Wat het recht op onafhankelijkheid meebrengt duidt het woord reeds aan: de gezant is geheel onafhankelijk van het vreemde staatsgezag. Anders is dit met het laatste van genoemde voorrechten, waartoe wij ons meer in het bijzonder willen bepalen. Volgens de leer der exterritorialiteit worden alle voorrechten van de gezanten afgeleid en verklaard uit eene fictie, niet alleen voor zoo ver zij eenmaal krachtens gewoonte bestaan, maar ook moet volgens haar zoo dikwijls er quaestie is van een recht of bevoegdheid van of tegenover dergelijke personen de oplossing in overeenstemming met die fictie wezen.

Wat wordt daarmede gefingeerd? Deze vraag is gemakkelijker gesteld dan beantwoord.

Volgens den één fingeert men alleen, gelijk de Groot doet, dat de gezant niet is in het land, waar hij zijne functiën verricht, hij heeft daar ook geen woonplaats. Volgens anderen wordt hij geacht het land, dat hem zond, niet te hebben verlaten, m. a. w. daar voortdurend aanwezig te zijn, daar te blijven wonen, of ook wel zijne vroegere woonplaats niet te hebben verlaten. Nemen wij een dezer laatste voorstellingen aan, dan is de fictie tweeledig; er ligt dan in opgesloten ten eerste eene fictie van

-ocr page 46-

32

afwezigheid in liet land van verblijf en ten tweede eene van aanwezigheid in dat, waardoor hij gezonden is.

In deze leer, in verbinding met die der onafhankelijkheid, konden allerlei noodwendige voorrechten steunen, die geen steun vonden in het Romeinsche Recht, zoo b.v. onttrekking aan de strafrechtsmacht van den vreemden staat. Echter niet alleen die, welke redelijker wijze in het belang van eene behoorlijke vervulling van de taak der gezanten geeischt kunnen worden, maar ook die, welke de grenzen van het strikt noodige overschrijden De vele privileges tot de buitensporigste toe, waarop men in den bloeitijd der vaste gezantschappen de hoofden daarvan aanspraak ziet maken, zijn voor een goed deel op de fictie gebaseerd of vloeien er zelfs min of meer consequent uit voort. Vrijstelling van belastingen en invoerrechten, vrijheid van het hotel, van het ge-heele kwartier, waarin de gezant en zijn gevolg wonen, zooals hun dit te Rome en te Madrid een tijdlang toekwam , een recht dat medebracht, dat geen ambtenaar het mocht betreden; in het algemeen een geheele exemp-tie uit het recht en de macht van den vreemden staat, zij werden in de praktijk geeischt en vonden hunne verdedigers in de theorie. Men ziet gezanten rechten vindiceeren, die ten allen tijde slechts den sou-verein toekomen. Sully, de gezant van HendrikIV

-ocr page 47-

33

in Londen, vroeg een beul te leen om het vonnis te executeeren, waarbij hij een edelman van zijn gevolg ter dood had veroordeeld. Inderdaad het had er veel van of de grond, waarop de woning van den gezant stond, niet behoorde tot het gebied van den souverein, bij wien hij was geaccrediteerd. Die exorbitante voorrechten zijn echter geenszins overal toegestaan geworden en waar zij bestonden, binnen engere grenzen teruggebracht.

Op het gebied der theorie is tot in den tegen-woordigen tijd de besproken leer in dat, wat het wezenlijke er van uitmaakt, de algemeen aangenomene. In plaats van positief te beredeneeren welke bijzondere voorrechten voor de uitoefening van de func-tiën worden geeischt, wordt eerst de onafhankelijkheid of de exterritorialiteit aangenomen en daaruit de verschillende privilegies gededuceerd, om vervolgens, waar dit zou leiden tot niet gewilde gevolgtrekkingen, een beroep te doen op de omstandigheid dat de vervuiling van de taak het voorrecht niet vordert, of wel eenvoudig te zeggen, dat het niet bestaat. Een voorbeeld van wat hier wordt bedoeld levert Bijn-kershoek. In cap. VII (De foro legatorum) begint het onderzoek naar de vraag, waar de gezanten moeten worden gedaagd en aangeklaagd. Hij somt in dat hoofdstuk de argumenten op, die uit de rede kunnen worden bijgebracht voor en tegen de bevoegdheid

3

-ocr page 48-

34

van den plaatselijken rechter. Tot de eerste behooren natuurlijk alle die redeneeringen, welke de belangen in het oog houden van de burgers van het land waar de gezant zijne function verricht, tot de laatste, de argumenten, welke geput kunnen worden uit de belangen der gezantschappen. Beide wegen nagenoeg tegen elkaar op. Er is echter eene alles overwegende reden (cap. VIII) voor de onbevoegdheid van den vreemden rechter aan te voeren, namelijk die, welke is neergelegd in de aangehaalde woorden van de Groot lib. II cap. 48 § 4 no. 5, dat gezanten niet zijn onderworpen aan het gebied van hem, bij wien zij vertoeven en buiten wiens land zij moet worden geacht te zijn. De door de Groot gegeven regel wordt dus hier als de grond van het privilegie voorgesteld. 1)

1

) Rechtspraak hangt volgens Bijnkershoek af van het onderworpen zijn aan , het zich in de macht bevinden van hem, door of namens wien het vonnis wordt gegeven. Pendet ea res a sola subjectione et absque ea, si fit, irrita est omnis jurisdictie et irrita quae earn praece-dit, in jus vocatio (Cap. I). Cf. cap. XVI Nego eum (legatum) conveniri posse, quia pati non potest id, quod extremum est in jurisdictione, nisi subducatur officio principis sul. Dat „uiterstequot; is natuurlijk de voldoening aan het vonnis te verkrijgen door aantasting van den persoon of diens goed. Dit is feitelijk mogelijk met alle personen en zaken, die zich op het grondgebied van den souverein bevinden. Gezanten zijn echter rechtens niet aan het gebied onderworpen, omdat zij als het ware buiten het land zijn; vandaar geen rechtspraak over hen.

-ocr page 49-

35

In cap. XXI daarentegen is het anders. De schrijver bespreekt hier de vraag of de woning van den gezant asyl verschaft. Hij beantwoordt haar ontkennend, want zoo staat er o. a. in dit hoofdstuk ))omnia legatorum privilegia, quibus utuntur ex tacito Gentium consensu, non alio fine comparata sunt quam ut tuto , sine remora, sine impediraento cujus-quam officio suo fungantur. Possunt autem tuto fungi, eliamsi facinerosos non recipiant, nec occultent, nec Principi, apud quemsunt, intervertant jurisdic-tionem, non in sui vel suorum at tertii, ad se non pertinentis, gratiam.quot;

Volgens Wheaton ^ volgt uit het beginsel der exterritorialiteit, dat de gezant de rechtspraak toekomt over zijne huisgenooten en de overige personen , die aan het gezantschap zijn verbonden, zoowei in burgerlijke als in strafzaken. »Maisquot;, schrijft hij : ))quant aux crimes, commis par ses domestiques, quoique strictement parlant le ministre ait le droit de les juger et de les punir, l\'usage moderne l\'autorise simplement a les arrêter et a les envoyer dans leur propre pays pour y être jugés.quot;

Overigens moet het onderworpen zijn aan de macht van een souve-rein tengevolge van het zich bevinden op diens territoir, wel onderscheiden worden van het begrip van onderdaan.

\') Wheaton. Elements du droit interniitional liv. Ill chap. I § 16.

-ocr page 50-

36

Niet alleen echter is de redeneering van hen, die uit eene fictie de voorrechten der gezantschappen afleiden in plaats van uit den aard en het wezen van het ambt, bedenkelijk, maar zij geeft niet eenmaal den gezant die absolute zekerheid, die men er van verwacht. Dit blijkt uit de handelwijze van Frankrijk tegenover den Hessischen gezant von Wrech. Deze gezant had in Parijs schulden gemaakt en weigerde die te betalen. Toen hij, teruggeroepen zijnde, vertrekken wilde, werden hem paspoorten geweigerd, waarvan ook gezanten voorzien moeten zijn om door het vreemde land te trekken, gaande naar of komende van hun standplaats. Het gevolg was, dat von Wrech wel in Parijs moest blijven tot zijn crediteuren waren voldaan. Deze handelwijze van het Fransche gouvernement vond vrij algemeen afkeuring ^ , doch wordt verdedigd in de bekende mémoire van den hertog van Aiguillon onder meer met de volgende woorden: L\'immunité du ministre public consiste essentiellement a le faire considérer, comme s\'il continuait a résider dans les états de sou maitre. Rien n\'empêche done d\'em-ployer vis a vis de lui les moyens de droit, dont on

\') Hartmann. Institutionen des praktisohen Völkerrechts in Frie-1 denszeiton , pag. 1U3.

-ocr page 51-

37

userait, s\'il se trouvait dans le lieu de son domicile ordinaire

De tweeërlei beg.\'nselen: de fictie der exterritorialiteit eenerzijds en de aard van het ambt anderzijds , welke beiden als motief voor de gezantschapsprivilegiën dienst doen, geven gelijk te verwachten is aanleiding tot verwarring en verschil van gevoelen.

Naast de genoemde rechten, op onafhankelijkheid en op exterritorialiteit, blijft men spreken van de onschendbaarheid der gezanten, maar hecht daaraan niet altijd zooals Bijnkershoek eene bijzondere betee-kenis.

Deze schrijver noemt het gevoelen van de Groot onjuist, dat de heiligheid en onschendbaarheid hun een recht geeft op eene gepriviligieerde rechtspraak. Volgens hem brengen deze eigenschappen mede een recht op bescherming van het vreemde staatsgezag tegen aanranding door particulieren. Ieder heeft wel op zoodanige bescherming aanspraak, maar die van gezanten moet bijzonder krachtig zijn b.v. door bedreiging met zwaardere straffen.

Vele schrijvers nu uit onze eeuw geven nog altijd aan de onschendbaarheid de gewone bet eekenis, die de Groot er aan hechtte n.1. een beschut zijn tegen aantasting van den persoon of de goede-

\') C. do Martens. Causes cclèbrcs du droit dos gens. dl. II pag. 114.

-ocr page 52-

38

ren van de zijde van het staatsgezag of door middel van zijne organen en daar zij zoo ruim mogelijk wordt genomen, moet dit begrip en dat der exterritorialiteit elkaar ten deele dekken. Toch komen beide naast elkaar voor.

Volgens Bkintschli: ))Das moderne Völkerrecht der civilisirten Staten als Rechtsbuch dargestelltquot;, komt den gezanten toe het recht der onschendbaarheid en dat der exterritorialiteit § 191 en 196. De onschendbaarheid brengt volgens § 192 behalve het recht op krachtdadige bescherming mede, dat de staat, bij wien een gezant is geaccrediteerd, verplicht is zich van iedere uitoefening van geweld te onthouden. Volgens § 136 is een exterritoriale persoon niet aan het gebied van den staat (Staats-hoheit) onderworpen, binnen de grenzen waarvan hij zich werkelijk bevindt. Zal nu tegen iemand, die exterritoriaal is een of ander daad van geweld kunnen worden gepleegd door het staatsgezag, maar zal ook iumand, tegen wien het staatsgezag geen enkele dergelijke handeling mag verrichten, niet met een exterritorialen persoon gelijkstaan?

Hartmann, »Institutionen des praktischen Völker-rechts in Friedenszeitenquot; pag. 101, stelt, als gevolg der fictie voor; »Der Gesandte wird der Hoheit des Empfangstaats nicht unterworfenquot; en eenige regels verder »Der Gesandte ist dagegen verpflichtet, sei-

-ocr page 53-

39

nerseits diese Hoheit zu achten, nichts dieseble Be-eintrachtigendes zu unternehmen oder Seitens der von ihm abMngige Personen zu zulassen.quot; Het niet onderworpen zijn aan de hoogheid komt dus hierop neer, dat de staat geen dwang tegen hem kan uitoefenen , dat de gezant onschendbaar is. De laatste schrijver geeft dan ook aan onschendbaarheid alleen de beteekenis, die Bijnkershoek er aan hechtte.

Heffter § 42 zegt »Exterritorialitat ist im Allge-meinen die völkerrechtliche Exemtion gewisser Personen und damit in Verbindung stehender Sachen von der Staatgewalt in demjenigen Territorium, worin sie sich körperiich befinden.quot; In § 204 zegt hij, waarin onschendbaarheid bestaat. »Es besteht darin, dasz nicht blosz der fremde Staat, an welchen die Mission erfolgt, in seinen Regierungsorganen, sondern auch jeder Angehörige desselben sich aller verletzenden körperlichen oder unkörperlichen An-griffe gegen dergleichen Personen enthalten musz, und jede Art von Beleidigung derselben zugleich auch für eine Beleidigung des absendenden Staates zu halten ist. Ook hier moet de vraag rijzen, waarin kan de »Exemtion von der Staatsgewaltquot; anders bestaan, dan hierin, dat 3)der fremde Staat sich in seinen Regierungsorganen aller verletzenden körperlichen oder unkörperlichen Angrilïe enthalten muszquot;, tenzij hij onder ))verletzende Angriffequot; enkel

-ocr page 54-

40

verstaat, die, welke onrechtmatig geschieden. Maar zulke onschendbaarheid zou niets bijzonders hebben; bovendien blijkt uit § 212 genoegzaam, dat hij er die beteekenis niet aan hecht. Uit de laatst gegeven definitie van exterritorialiteit blijkt tevens, dat aan dit woord de beteekenis van onafhankeliikheid wordt gegeven, exemtie uit de macht of onafhankelijk van die macht zijn toch gelijke begrippen. Zoo schrijft Klüber (Droit des geus moderne de 1\' Europe § 204) »11 est en sa qualité de ministre, affranchi de la souverainité et de la domination du gouvernement du pays Cette exemption s\'appelle l\'exterritorialité ou l\'indépendance du ministre.quot;

Men vindt voorts bij den één meer de exterritorialiteit , bij den ander meer de onschendbaarheid op den voorgrond geschoven. Heffter somt op pg. 433 de rechten der gezanten op munter der Exterritorialitats-fictionquot;. Het eerste wat wij daaronder aantreffen is het recht op onschendbaarheid. Bij Hartmann staat de exterritorialiteit geheel op den voorgrond en vloeit hieruit voort, zooals wij boven zeiden, dat wat, bij anderen onschendbaarheid beteekent. Bij Calvo, ))Le droit internationalquot; daarentegen, vindt men weer terug de voorstelling van de Groot, § 551 3)Toutes les faveurs exceptionnelles, que les nations accordent a la personne, a la familie, aux employés et aux serviteurs des agents diplomatiques, dérivent

-ocr page 55-

41

de deux droits fondamenfaux: de 1\'inviolabilité person-nelle et de I\'exterritorialite ou 1\'exemption de la jurisdiction localequot; , maar § 571 oordeelt hij . dat »au fond I\'exterritorialite est la consequence et non Ie principe de l\'inviolabilitéquot;.

De rechten , die de gezanten volgens de schrijvers, behalve het recht op bescherming, rneer in het bijzonder toekomen, betreffen de volgende punten:

I0. Onschendbaarheid des persoons, van de woning , van den staatswagen, van het brievengeheim enz. in het algemeen. Het is hiermede als met de opname van eene dergelijke bepaling in eene constitutie: het is een regel niet zonder uitzonderingen, alleen zij moeten hier in het V. R, steun vinden. Vooreerst, indien de nood dringt, ingeval de gezant een aanslag pleegt, tegen het bestaan of de veiligheid van den Staat of in andere gewichtige omstandigheden, mag men zich van zijn persoon en zijne papieren verzekeren Men zal daartoe natuurlijk in zijn hotel mogen doordringen. Ditzelfde zal geoorloofd zijn , indien hij weigert, na daartoe gedaan verzoek, misdadigers uit te leveren, die in zijne woning zijn gevlucht. Behalve dit, kunnen er ook ))anderequot; omstandigheden zijn, die een dergelijk optreden wettigen. Wheaton , wiens getuigenis hier-

\') Wheaton Elements III, 1 § 15, 4o.

-ocr page 56-

42

om nog al vertrouwen verdient, omdat hij een ijverig voorvechter is der privilegies, zegt liv. III chap. 1 § 18 »bien qu\'en général sa maison soit inviolable et que les agens de la police, des douanes ou de l\'accise n\'y puissent pénétrer sans sa permission, les abus, qu\'entraina ce privilége en faisant dans certains pays un asile pour les coupa-bles, le restreignirent de beaucoup dans l\'usage moderne des nations. HefFter1) geeft hier een voorbeeld, hoe men met de eene hand iets kan geven en met de andere kan terugnemen. ))Auszer diesem Falie (indien een misdadiger in het hotel is gevlucht) ist gewisz jedes Eindringen und Durch-suchen des Hotels etwas Unerlauhtes, sogar wenn der Verdacht obwaltete, dasz dasselbe zum Schutze eines Verbrechers oder zur Verhehlung des Spuren eines Verbrechens benutzt werde. Inzwischen musz auch hieriiber der Gesandte auf Befragen Auskunft ertheilen; würde die Antwort verweigert oder in ungenügender Weise gegeben, so würde die Staats-regierung nicht verhindert sein, die Durchsuchung dennoch vorzunehmen.

2°. het kapellerecht. De gezant mag zijn godsdienst blijven belijden en voor de uitoefening daar-

\') Das Eur. Völkerrecht pg. 434.

-ocr page 57-

43

van, in zijn hotel een kapel hebben en een eigen geestelijke.

3°. exemtie van de plaatselijke rechtspraak. De gezant, zijn gevolg etc. kan niet voor den strafrechter te recht staan, noch voor misdrijven, noch voor overtredingen , ook niet voor die van policiereglementen. Hi] moet deze echter wel in acht nemen en nakomen1). Dit laatste is in strijd met de fictie der exterri-toraliteit; om het toch hiermede in overeenstemming te brengen, redeneert Hartmann a): So ist er den Polizei gesetzen nicht unterworfen, er darf sie aber seinerseits nicht beeintrachtigen, w i r d sie also, sö weit sie nur durch aligemein Befolgung? überhaupt ihren Zweck erreichen können wie z. b. Gesundheits und feuerpolizeiliche Vorschriften, Erlasse über Si-cherheits-undStraszenpolizeizubeacbten haben.

Zij zijn eveneens onttrokken aan de vreemde rechtspraak in burgerlijke zaken; dit geldt zoowel van de vrijwillige als van de contentieuse jurisdictie. Er bestaat echter weinig eenstemmigheid, hoever het voorrecht reikt wat deze laatste betreft, terwijl bovendien het dikwijls hoogst moeilijk is, den juisten zin te begrijpen van hetgeen door verschillende schrijvers gezegd wordt. Volgens de leer, die den gezanten

!) Calvo § 526. 2) Institutionen pg. 101.

-ocr page 58-

44

het gunstigst is en die misschien het meest in overeenstemming is met de practijk, staan de volgende regelen vast. Vooreerst zijn de bnrgelijke rechters onbevoegd kennis te nemen van zaken, waarin de gezanten de gedaagden zijn, tenzij het een recon-ventioneele eisch is of zij er in hebben toegestemd voor den vreemden rechter te procedeeren. Onzeker is hierbij, hoever het van invloed is, dat de diplomatieke agent onderdaan was van den vreemden souve-rein, of vóór de aanvaarding van zijn post reeds in een zekere betrekking stond tot den vreemden staat, b.v. doordat hij daar woonde of er een staatsambt bekleedde. Vervolgens zijn er geen middelen tot bewaring of verkrijging van recht toegelaten, die zouden bestaan in eene aantasting van den persoon of van het vermogen; derhalve geene gijzeling en geen beslag of executie van het goed. De eerste regel lijdt uitzondering , indien het eene vordering is op de zaak zelve, althans op eene onroerende zaak; deze moet worden gebracht daar, waar zij behoort, bij den rechter van de plaats, waar het goed ligt. Van den tweeden regel zijn uitgezonderd de onroerende goederen behalve het hotel en de roerende goederen, welke den gezant toekomen in eene andere hoedanigheid b.v. als koopman of als grondeigenaar. Of en in hoever deze laatste uitzonderingen tevens uitzonderingen op den eersten meebrengen, of een arrest op die goe-

-ocr page 59-

45

deren den rechter van de plaats, waar het gelegd is, bevoegd maakt, of vorderingen, gegrond op eene als koopman, grondeigenaar, aangegane verbintenis, voor den vreemden rechter mogen worden gebracht en men op deze wijze mag komen tot den meest gewonen titel met executoriale kracht, daarover bestaat weinig zekerheid en duidelijkheid

Het rationeelste zijn zeker zij. die in dezen de onschendbaarheid van den persoon, van het hotel en van het bezit der roerende goederen, zoover uitstrekken als noodig is, voor een behoorlijke uitoefening van de functien. Gaat men alleen uit van de fictie der exterritorialiteit, dan zal men alles geoorloofd moeten achten, wat tegen hier niet wonende, en niet aanwezige debiteuren mag geschieden, b.v. ten onzent, dagvaarding voor den rechter van de woonplaats des schuldeischers1). Tot andere gevolgtrekkingen, zal men kunnen komen als men de onafhankelijkheid op den voorgrond stelt, vooral omdat dit begrip zoo rekbaar is. Zoo b.v. zegt Vattel2),

1

\'■!) Bar. Internat. Privat und Strafrecht § 130.

2

) Yattel liv. IY chap. VIII § 115.

-ocr page 60-

46

waar hij de vraag stelt, hoe de gezanten moeten worden gedagvaard in die zaken, waarin zij aan onze jurisdictie zijn onderworpen, »on doit faire citer l\'ambassadeur, comme on cite les absents, puisqu\'il est censé hors du territoire et que son indépen dance ne permet point, qu\'on s\'adresse a sa personne par une voie, que porte le caractère de l\'autorité, comme serait le ministère d\'un Huissier.quot;

4°. de rechtspraak over het gevolg komt aan den gezant toe, echter met de noodige beperking. Crimi-neele jurisdictie mag hij niet uitoefenen, zelfs niet uit kracht van eene uitdrukkelijke opdracht van zijn souverein, zonder toestemming van de vreemde regeering. Zijne bevoegdheid bepaalt zich tot voorloopige inhechtenisneming en getuigenverhoor. Rechtspraak in burgerlijke geschillen, wordt volgens de stellige getuigenis van Hefifter, nergens in Europa door de gezanten uitgeoefend, hoewel het recht er toe door vele schrijvers wordt erkend, zoodat de eigen rechtspraak over het gevolg en het personeel voornamelijk bestaat in de uitoefening der volontaire jurisdictie.

5°. Vrijstelling van accijnsen en invoerrechten en andere belastingen, die direct van den persoon of het roerend vermogen van den gezant worden geheven. De vrijstelling van eerstgenoemde rechten wordt in den regel beperkt tot een zeker maximum

-ocr page 61-

47

of wel gedurende een zekeren tijd na de aankomst. De goederen zelve zijn niet vrij van visitatie en de gezant mag er geene invoeren, waarvan de invoer is verboden. De omvang van dit privilegie beschouwt men veelal als afhangende van het goedvinden van den staat, waar de gezant is geaccrediteerd, want een verplichting tot inwilliging van zoodanige privileges kan in het geheel geen steun vinden in eene innerlijke noodzakelijkheid; een gezant kan echter vorderen, dat de fiscus hem en zijne collega\'s met hetzelfde mes scheert

Boven zeide ik reeds, dat de fictie, dat de gezant geacht wordt zijn land niet te hebben verlaten, eigenlijk tweeledig is; dat er namelijk in ligt opgesloten eene fictie van afwezigheid, een niet zijn in het land van verblijf en eene van aanwezigheid, een zich bevinden of wonen in het land, dat hem zond. Gaan wij de genoemde voorrechten na, dan is er wel eenige reden om te zeggen, dat de gezant inderdaad met is op het vreemde territoir. Iets dergelijks laat zich zeggen van het hotel, dat als het ware ligt buiten het gebied van den vreemden staat. De strekking van al die privilegies is, om den diplomatieken agent in het belang van den staat, dien hij vertegenwoordigt , zekere onafhankelijkheid tegenover het vreemde

*) Heffter pag. 442. Hartmann, pg. 105.

-ocr page 62-

48

staatsgezag te verzekeren , opdat dit hem niet onmogelijk maakt zijne betrekking behoorlijk te vervullen. Er zijn echter talrijke gevallen waarin in het volkenrecht het gebied van den ontvangstaat over den gezant en het hotel wordt erkend, welke gevallen nog vermeerderd kunnen worden , indien men aanneemt het gevoelen van Phillimore. Deze verdeelt, evenals Vattel, de privilegies in essentieele en niet essentieele. De eerste , samengevat in het woord ^inviolabilityquot; zijn die, welke zijn gegrond in de natuur der zaak, zij zijn daarom onveranderbaar. De tweede, welke worden aangeduid met het woord »exterriorialityquot; en waartoe in het bijzonder behoort de onttrekking aan de civiele rechtspraak , zijn niet zoo onveranderbaar, hoewel zij door het gebruik zoo zijn gehedigd, dat men kan veronderstellen, dat zij worden toegestaan. Deze niet essentieele privilegies kunnen echter worden afgeschaft, onder voorwaarde dat dit vooraf wordt bekend gemaakt en de gezanten van de verschillende volken op gelijken voet worden behandeld1).

Het komt mij voor, dat de conclusies, die men uit het gezegde kan trekken deze zijn: vooreerst doet de dooreenmengeiing van exterritorialiteit, onafhankelijkheid en onschendbaarheid ons vermoeden,

1

Phillimore. International law. CXL. CLXXVII.

-ocr page 63-

49

dat het alle uitdrukkingen zijn voor dezelfde zaak, maar vervolgens, indien men let op de vele uitzonderingen en de gevolgtrekkingen, waartoe men anders komt1), dan geloof ik, dat de bewering, dat een gezant niet is onderworpen aan het vreemde gebied slechts is een regel, waarin de verschillende immuniteiten en privilegies tegenover het vreemde staatsgezag zijn samengetrokken, dat het is, zooals Ulpianus het uitdrukt een regel »quae rem, quae est, breviter enarratquot;. Is dit zoo, dan is ook de fictie, dat men den gezant denkt, zijnde of wonende buiten het land , waar hij werkzaam is, niet de grond , niet de bron van privileges, maar slechts een aanschouwelijk beeld van zijne onafhankelijke positie in het vreemde land. Evenmin nu als het geoorloofd is uit den regel tot het recht te komen, zal men tot grondslag van beschouwing mogen nemen iets, wat slechts beeldspraak is. Het beeld is goed getroffen, het brengt ons als met één trek in een oogenblik de betrekking voor den geest, waarin de geëximeerde persoon of zaak

\') Men zie b.v. Gerard de Rayneval, Institutions du droit de la nature et des gens. „11 est même conséquent aux principes, qu\'il peut infliger des peines corporelles et même la mort. ïoute oette juridic-tion est ibndée sur une fiction de droit, selon laquelle l\'hotel d\'un ministre public est censé hors du territoire du souverain, auprès duquel il est accreditéquot; te vinden bij Merlin. Répertoire v. public pg. 315.

4

-ocr page 64-

50

tot het vreemde staatsgezag staat, maar het is, alsof het juist doordat het zoo treffend en gelijkend is, wat al te sterk op de verbeelding van menigeen kan inwerken en hen wat fictie is, doet aanzien voor werkelijkheid. Zoo laat Vattel de gezanten, in de gevallen waarin zulks kan, dagvaarden zooals men afwezigen dagvaardt, omdat zij worden beschouwd niet in het land te zijn. Eerst aan het slot van zijn werk, waar hij vreest, dat het volhouden van de vergelijking zou kunnen strekken tot verdediging van wat de hertog van Sully in London had gedaan, daar heet het: set si l\'ambassadeur est réputé hors du territoire, aussi bien que sa maison et son hotel, ce n\'est qu\'une faqon cTexprimer son indépendance et tous les droits nécessaires au légitime succès de l\'ambassadeur 1).quot;

6. De voorrechten, die voor gezanten worden ge-ëischt, staan, behalve met den aard der functiën, zooals wij die boven hebben besproken, in verband met de rechtszekerheid en rechtsveiligheid, die men kan verwachten in het land, waarheen de zending volgt. Hoe grooter deze zijn, hoe minder noodzakelijk het is, dat een gezant bijzonder wordt beschermd en eene afzonderlijke positie inneemt. Men zorge echter er voor bij de beoordeeling hiervan,

\') Cf. Bluntschli § 135, Hall. International law pag. 135.

-ocr page 65-

51

zich niet te laten leiden door hetgeen men onmiddellijk om zich ziet, door het vertrouwen in eigen rechters en in de integriteit van eigen ambtenaren. Zoo zouden wij b. v. verkeerd doen, met alleen te letten op ons eigen land, waar overeenkomstig art. 111 en 115 Gw. alle ingezetenen gewaarborgd zijn tegen misbruiken van het staatsgezag en waar wij ons kunnen verheugen in eene onpartijdige rechtspraak van onafhankelijke rechters. Men lette ook niet alleen op het geval, dat er vrede en vriendschap bestaat tusschen de twee regeeringen, die een gezantschap bij elkaar onderhouden. Wanneer toch de natiën elkander vijandig gezind zijn, springt de behoefte aan bijzondere bescherming wederom in het oog. In het proces tegen den graaf von Arnim wordt verklaard, dat de rijkskanselier er zich over had uitgelaten, dat er natiën (nl. de Fransche) waren in Europa, die niet als eene beschaafde maar als een wilde moesten worden behandeld en welken men geen gezant maar een barbaar moest zenden 1). In een brief van 22 Jan. 1873 schrijft Arnim over de positie der Duitschers in Frankrijk «Mocht ooit nog eens een nieuwe oorlog tusschen beide landen uitbreken, waarin wij een tweede maal de overwinning behaalden, zoo behoorde in het nieuwe vre-

\') Process Arnim pag. 210.

4*

-ocr page 66-

5\'2

des ver drag aan de Duitschers een geëximeerde stelling en eene eigene rechtspraak te worden verzekerd.quot; ^ Hoeveel te meer heeft dan behoefte aan dergelijke onafhankelijkheid een gezant, die de onmiddellijke vertegenwoordiger van het gehate land is. Evenwel men zal veilig mogen aannemen, dat overal en onder alle omstandigheden in Europa de rechtszekerheid grooter is geworden, dan zij in vorige eeuwen was. Er is nog iets anders, dat op het bestaan van de privilegies van invloed is. De overdrijving van het gezantenrecht valt in een tijd, die wel wordt genoemd de dynastieke periode bij uitnemendheid, alles door en voor den vorst kenmerkt die periode. De belangen der private burgers moeten dan wijken voor die van genen en hun huis. Vooral in dit opzicht is er in de laatste tijden groote verandering ten goede gekomen 1).

De genoemde omstandigheden moeten ten gevolge hebben eene inkrimping van de gezantschappelijke privilegies en inderdaad bestaat de zucht daartoe. Rolin-Jacquemyns zegt daarover \'t volgende2): ))Mar-tens erkent reeds, dat het misbruik der kwartier-

1

) Heffter § 215 noot 1 merkt op, dat men in Holland de privilegies voortdurend zeer trachtte in te korten.

2

\') Rechtsgutachten zum Process des Grafen H. von Arnim bladz. 128. Meer uitvoerig is dit onderwerp behandeld bij Evertsen de Jonge.

-ocr page 67-

53

vrijheid kan worden beschouwd als geheel te zijn afgeschaft. Hij erkent ook in navolging van Vattel, dat het hotel niet tot schuilplaats mag strekken voor staatsmisdadigers; voor gemeene misdadigers durft hij zich niet zoo stellig uit te laten. Tegenwoordig komt niet alleen asylrecht niet meer voor, evenmin als andere oudere gevolgtrekkingen uit de exterritorialiteit, maar het bestaan der fictie zelve wordt ernstig bedreigd. Pinheiro-Ferreira in zijne noten op Vattel §§ 92—103, HO, 117 en 118 bestrijdt haar uitvoerig en krachtig en toont aan hoe onhoudbaar, hoe veeleischend zij is en hoe onver-eenigbaar met den werkelijken toestand van onze beschaving voor zoover zij overschrijdt de grenzen van de achting, die verschuldigd is aan den persoon en de familie van den gezant en aan de papieren van het gezantschap. Zonder zoover te gaan, nemen toch de tegenwoordige wetgevingen en de rechtspraak hoe langer hoe meer eene richting, die het terrein inkort, waarop de fictie der exterritorialiteit is toegelaten. Zoo leert een van de jongste schrijvers, Esperson, dat in burgerlijke zaken de immuniteit niet kan worden ingeroepen dan voor zoover het strict noodig is om de vervulling der functiën van den gezant niet onmogelijk te maken. Dalloz laat de geldigheid toe van de dagvaarding, die geen ander doel heeft dan den gezant te verplichten om

-ocr page 68-

54

eene verbintenis te erkennen, die zuiver burgerlijk is en niet vatbaar voor lijfsdwang. Esperson is verder van meening dat in strafzaken, het systeem , dat het meest in overeenkomst is met onze beschaving en de moderne wetenschap dit is, welke geheel de bevoegdheid erkent van de plaatselijke rechtbanken voor de overtredingen der vreemde gezanten.quot; Wij willen ons dan ook vereenigen met zijne conclusie, dat het geheel zou indruischen tegen de beweging, die zich in de rechtswetenschap en de jurisprudentie tegenwoordig openbaart, om de consequenties der exterritorialiteit uit te breiden buiten hetgeen uitdrukkelijk door het volkenrecht wordt voorgeschreven of voortvloeit uit de inwendige positieve wetgeving van den staat.

-ocr page 69-

HOOFDSTUK II.

DE VERHOUDING VAN DEN GEZANT TOT DEN ZENDENDEN STAAT.

In hoever zal men kunnen spreken van eene fictie, dat de gezant het land, dat hem zendt, niet verlaat en daar woonplaats behoudt?

Meestal worden deze voorstellingen gebruikt, zonder dat er andere gevolgen aan worden verbonden, »

dan die, welke voortvloeien uit de fictie dat de gezant niet woont en niet is in het land, dat hem ontvangt. Men kan ze dan beschouwen als uitdrukking gevende aan dezelfde gedachten n.1. dat hij niet onderworpen is aan het vreemde gebied, iets wat overigens zonder bezwaar is. Anders wordt dit als men van haar uitgaande, de rechten en de plichten van een gezant tegenover zijn eigen land gaat bepalen.

De gestelde vraag komt te pas bij een onderzoek

-ocr page 70-

56

naar een bevoegden rechter, voor wien men zaken kan aanhangig maken, die niet mogen worden gebracht voor den rechter van het land, waar de gezant zijne functiën verricht. Wij merkten reeds op, dat de onbepaalde tijd, gedurende welken iemand aan het hoofd van eene ambassade kon staan, aanleiding moest geven tot de overweging of hij vrijelijk zich in schulden kon steken, zonder dat ergens recht tegen hem was te verkrijgen. Buitendien kunnen er ook andere quaestiën zich voordoen, die men door den rechter zou willen zien beslist, ofschoon het meest voorkomende geval wel zal zijn geweest, dat een gezant weigerde aan eene verbintenis gevolg te geven. In zulke gevallen rijst de vraag is er een rechter bevoegd en zoo ja welke?

Deze zaak wordt besproken in de reeds aangehaalde verhandeling van Bijnkershoek ))De foro lega-torumquot;. In cap. X daarvan wordt de vraag, waar de gezanten in een burgerlijk geding moeten worden gedagvaard aldus beantwoord: ^ceteroquin generaliter existimo, legatum ita conveniendurn atque si ibi, ubi legatus est, neque esset neque contra-xisset, neque bona amquam legatus haberet. Quia legatione domicilium non mutavit, nee forum mutasse intelligendus est, atque adeo convenietur in loco, unde in legationem profectus est, si judex ejus loei, ante profectionem, legati fuerit judex competens,

-ocr page 71-

57

vel quicumque alius ejus fuerit judex in imperio principis, qui legatum misit. Quod si nullibi ante profectionem habuerit vel domicilium, vel judicem, non est nisi ad supremum judicem, principis, a quo missus est, recursus. Neque legatus, ibi con-ventus, excipiet, se reipublicae causa abesse, atque adeo se invitum in jus vocari non posse, cum, fictione juris, habeatur pro praesente, ne ulli cae-teroquin ullius judicis foro subjici possit.quot;

Reeds dadelijk merken wij hier twee dingen op: vooreerst dat uit de omstandigheid, dat de woonplaats door de zending niet verandert, alleen volgt, dat ook het forum hetzelfde is gebleven, voor zoover dit met het domicilium in verband staat, dus geenszins het daarop volgende ))vel quicumque alius ejus fuerit judexquot; en vervolgens dat voor de bevoegdheid van den hoogsten rechter geen bewijsgrond wordt bijgebracht. Doch dit daargelaten, de argumentatie van de bevoegdheid van den rechter der vorige woonplaats houdt geen steek, want de schrijver verzuimt aan te toonen, dat de gezant zijne woonplaats niet heeft veranderd. Wij vinden daarover althans niets stelligs1). Te voren is er

\') Cf. cap. V pg. ibi. „legatum non esse ejus, ad quern missus est, subditum sed manera ejus, qui misit, ideoque nullo ejus, apud quem legatione fungitur, judicio sive de debito, sive de crimine

-ocr page 72-

58

slechts sprake van geweest, dat de vreemde rechter, wiens bevoegdheid in den regel door de nieuwe woonplaats van den gezant zou worden bepaald, niet competent is, omdat de algemeene gewoonte, die iemand onderwerpt aan het gebied van hem, op wiens grondgebied hij vertoeft, tegenover gezanten uitzondering lijdt, zoodat deze als het ware, buiten het land waar zij fungeeren, worden geplaatst, terwijl hier in cap. X tot staving van de bevoegdheid van den rechter der vroegere woonplaats aangenomen wordt, een blijven wonen aldaar en zelfs een voortdurende aanwezigheid, binnen het rechtsgebied van den vroe-geren rechter. De schrijver meent óf dat beide begrippen gelijk beteekenend zijn óf wel dat de laatste noodzakelijk uit de eerste voortvloeit. Bar-beyrac, die van het werk eene vertaling leverde met noten, is blijkbaar mede van oordeel, dat hier eene leemte is in het betoog en teekent bij de woorden, »quia domicilium non mutavitquot; aan het volgende »c\'est une suite nécessaire de la

agatur, censeri obnoxiumquot; (zie pg. 34 in de noot). Hier volgt : „Ex gentium eonaensu, cum expresso, tum tacito, deinde ostendam, ex eo, quod quia legationis causa abest, domicilium mutatum non videriquot;. Nu bespreekt B. later wel gevallen, waaruit kan blijken, dat de gezant geen woonplaats in het vreemde land heeft; dat hij echter werd gedaagd voor den rechter van de verlaten woonplaats , daarvan wordt geen enkel voorbeeld bijgebracht.

-ocr page 73-

59

fiction, sur qiioi est fondé le privilége des ambassadeurs , s\'ils sont censés être hors du pays, oü ils résident, ils doivent par conséquent être censés, être dans le lieu oü ils avaient domicile auparavant; car si faut-il qu\'ils soient quelque part.quot; Deze redeneering gaat m. i. niet op, want ten eerste , uit het niet zich bevinden in een bepaald land, volgt nog volstrekt niet van zelve, dat men zich bevindt in een ander bepaald land en nog veel minder dat men woont in een zekere bepaalde plaats, maar ten tweede, dat vertoeven buiten het land van verblijf is toch slechts eene fictie en is men eenmaal aan het .verdichten , dan kunnen wij een gezant ook wel beschouwen nergens te zijn of te wonen. Het komt mij daarom voor, dat gesteld al, dat de positie van een gezant in het vreemde land bepaald wordt, door hem buiten het gebied daarvan te denken, het toch onjuist is, uit de fictie zooals de Groot, die heeft gegeven af te leiden, wat Bijnkershoek wil en daar hij ook niet door voorbeelden de toestemming der volken bewijst, zal men de bevoegdheid van den rechter der vorige woonplaats voor onbewezen mogen houden. Dit laatste geldt ook van den tegenwoordigen tijd. Men vindt wel meermalen gesproken, dat de woonplaats niet wordt verlaten, maar bezwaarlijk zal het zijn bewijzen te vinden, dat de rechter van die woonplaats bevoegd blijft.

-ocr page 74-

60

Wheaton i) vat de fictie der exterritorialiteit op in dezen zin, dat de gezant slechts verblijft op \'t grondgebied van zijn souverein zonder dat hij van de vorige woonplaats spreekt. Volgens hem blijft de gezant altijd onderworpen aan de wetten van zijn vaderland, die zijn persoonlijken staat beheerschen en zijne rechten op goederen, voor zoover zij voortspruiten uit eene overeenkomst, erfopvolging of testament. Waarom dit echter in meerdere mate het geval moet zijn dan bij een niet tot de diplomatie behoorenden persoon, is mij niet duidelijk. Het kan toch niet wezen, ter wille van de noodzakelijkheid, dat de gezanten geheel onafhankelijk zijn van het plaatselijk gezag en dat het zou steunen, op wat de schrijver zelf een ))idée frappante pour exprimer l\'indépendance de la jurisdiction localequot;, is toch niet aan te nemen.

Dat ook in het volkenrecht de fictie inderdaad niet zoo wordt opgevat, blijkt vooral mede hieruit, dat derde staten, althans, volgens het gevoelen der meeste schrijvers, niets te maken hebben met eenig privilegie, dat met exterritorialiteit in verband staat. Moest men haar niet alleen zóó opvatten, dat de gezant buiten den staat is, waar hij is geaccrediteerd, maar werkelijk zoo, dat hij zijne vroegere

\') Wheaton Elements § 14.

-ocr page 75-

61

woonplaats blijft behouden of dat hij blijft vertoeven in het land dat hem zond, dan zou dit ook krachtens het volkenrecht ten opzichte van derde staten moeten doorgaan.

Hetgeen wij hebben trachten te betoogen is dit, dat al wil men ook uitgaan van den regel, dat de gezant geheel onafhankelijk is van het vreemde staatsgezag en al wil men daartoe tot basis van beschouwing nemen de fictie, dat hij buiten het vreemde land zich bevindt, dat dan toch nog niet gegrond is eene redeneering, die steunt op het werkelijk verblijven of wonen in het zendende land.

Er is evenwel telkens sprake bij volkenrechterlijke auteurs van eene fictie, die den diplomatieken ambtenaar, hoewel buiten zijn land zijne functiën verrichtende , in nauwer betrekking denkt met zijn eigen land, dan dit het geval is met andere burgers buitenslands verblijvende. Wat kan daarvan de reden zijn ? Staan wij, om een antwoord hierop te geven, nog een oogenbiik stil bij de onttrekking aan de rechtspraak van het vreemde land. Al hoewel de ontvangstaat niet mag straffen, daarom wordt nog niet aangenomen, dat een gezant elk misdrijf straffeloos mag plegen. Men zal echter onderscheid moeten maken, welke de aard van het misdrijf is. Indien dit gericht is meer bijzonder tegen den vreemden staat, tegen diens bestaan, diens

-ocr page 76-

62

rust en veiligheid, zooals b.v. het geval is met samenzwering, spionnage, omkooping, openbaarmaking, of mededeeling aan een buitenlandsche mogendheid van bescheiden, berichten of inlichtingen omtrent eenige zaak, waarvan hij weet, dat de geheimhouding door het belang van den staat wordt geboden 1) , dan zal het ongestraft moeten blijven op gronden, zooals boven is medegedeeld, ontleend aan algemeen nut of noodzakelijkheid. Maar indien het een gemeen misdrijf is, een moord, eene brandstichting, dan zal het, dunkt mij , integendeel aan niemand door de natuur der ambassades noodzakelijk of gewenscht voorkomen, niet aan het algemeene rechtsbeginsel te voldoen, dat ieder misdrijf wordt gestraft. Op wien rust de plicht hiervoor te zorgen eerder, indien de ontvangstaat het niet mag, dan op de staat, die zendt ? Immers ten behoeve van dezen geniet de gezant in den vreemde vrijheid. Met dezen blijft hij in nauwe betrekking verbonden, in wiens belang hij werkzaam moet zijn. Daar komt bij, dat de staat, wiens gezant door een anderen wordt toegelaten , voldoening schuldig is, al wanneer deze door misdrijf te plegen den vreemde staat heeft beleedigd, en de gastvrijheid heeft geschonden, eene voldoe-

\') Art. 98 Nieuwe wetboek van strafrecht.

-ocr page 77-

63

ning, die juist het best zal worden gegeven door bestraffing van den misdadiger.

De meeste schrijvers volgen hierin het gevoelen van de Groot, volgens wien de gezant, als hij een misdrijf heeft gepleegd van genoegzame zwaarte om het niet door de vingers te kunnen zien, uit het land kan worden gezet en aan zijn vorst moet worden overgegeven, opdat deze zelf hem straffe of hem overlevere aan den vreemden stafrechter. Zoo hij dit weigert en daardoor als het ware de misdaad goedkeurt, dan zal men de bestraffing kunnen eischen door alle middelen, die het volkenrecht aan de hand geeft, om zich recht te verschaffen. (De Groot lib. II 18 § 4 »poena bello exigi potest.quot;) Verder gaan de schrijvers niet en laten dus aan den vorst over, aan te wijzen de plaats waar, de rechters door wie en de wijze waarop de straf zal worden uitgesproken. In een\' geordenden staat van den tegenwoordigen tijd echter, geschiedt dit alles niet meer direct door den vorst zelf, maar worden dergelijke zaken geregeld en aangewezen door de wetgevende macht. Zoo moet ook vooraf in de wetten zijn bepaald, welke misdrijven door den rechter kunnen worden gestraft. In de wetten van iederen staat moet daarom het antwoord op die vragen worden gezocht. Het kan zijn, dat de genoemde punten niet bijzonder geregeld zijn en

-ocr page 78-

64

dat ook het gemeene recht onvoldoende is om tot eene gewenschte of door de vreemde regeering ge-ëischte bestraffing te komen, maar dan is het m. i. niet de taak van den rechter, maar van den wetgever te voorzien in datgene, wat wij beschouwen als eene volkenrechterlijke verplichting van een staat, die voor zijn diplomatieke agenten in het vreemde land onttrekking aan strafrechtspraak eischt. Iets anders is het, waar onze rechter zich onthoudt om straf uit te spreken tegen een vreemden gezant; immers men zal, tenzij het tegendeel blijkt, mogen aannemen, dat een wetgever niet verder wil gaan, dan hij krachtens volkenrecht mag gaan, zoo b.v. waar hij bij ons in art. 8 der Algemeene Bepalingen zegt: »de strafwetten en verordeningen vanpolicie, zijn verbindend voor allen, die zich op het grondgebied van het koninkrijk bevinden.quot;

Iets dergelijks als bij het strafrecht zal men mogen opmerken bij de onttrekking aan de burgerlijke rechtspraak. De onbevoegdheid der plaatselijke rechters brengt niet mede en behoeft niet mede te brengen, dat er geen recht kan worden gesproken tegen den gezant. Om gelijke reden als boven zal de bevoegde rechter moeten worden gezocht in den staat, die den gezant zond. Liever dan met het reeds geciteerde gedeelte van de noot van Barbey-rac zou ik mee wenschen te gaan met de redenee-

-ocr page 79-

65

ring in de daarop volgende woorden neergelegd: »D\'ailleurs, par ce tempérament d\' équité, on ac-corde i\'exemtioa de jurisdiction avec 1\' intérêt et le but commun des deux puissances, qui demande que les ambassadeurs, qu\'elles s\'envoient ou peu-vent s\'envoyer Tune a l\'autre, ne dépouillent point a la faveur de ce privilége les sujets de l\'état, ou ils sont en ambassade.quot; Maar die redeneering pleit slechts voor de bevoegdheid van de rechters van het eigen land in het algemeen, geenszins voor die van de vorige woonplaats in \'t bijzonder. Deze beveelt zich door niets aan boven een anderen b.v. van de plaats, waar de regeering is gevestigd of boven den hoogsten rechter. Men zou zijne bevoegdheid als regel kunnen stellen, wanneer gezantschappen nog van tijdelijken aard waren. Immers dan zal in de meeste gevallen de band blijven bestaan tusschen den gezant en de plaats, die hij verliet, waar de zetel van zijn vermogen gevestigd was en gevestigd bleef, waar hij .zal blijven tehuis behooren. Wanneer echter, zooals tegenwoordig, diplomatieke agenten jaren lang buitenlands vertoeven, van de eene standplaats naar de andere worden gezonden, komt het mij voor, dat niets aanleiding geeft om aan te nemen de bevoegdheid van den rechter eener plaats, tot welke, algemeen gesproken, dergelijke agenten hebben opgehouden in eenige betrekking te staan.

-ocr page 80-

66

Het gevoelen van Bijnkershoek vindt dan ook geenszins bij ieder steun. Vele schrijvers immers zwijgen over deze quaestie, terwijl anderen er zich toe bepalen om de vreemde crediteuren te verwijzen of naar hunne regeering, op dat deze langs diploma-tieken weg voldoening verkrijge, of naar de rechters in het algemeen van het land, waartoe de gezant behoort1). Dat Bijnkershoek , die in strafzaken geen bepaalden rechter aanwijst, in burgerlijke zaken de bevoegdheid van den rechter deï vorige woonplaats aanneemt, vindt vooral zijne verklaring in het jus domum revocandi van het Rom. recht. Want al zegt hij, dat, omdat de Romeinen er zoo over dachten het daarom nog geen volkenrecht is, hoewel de onkunde van sommigen de bepalingen voor eene zekere categorie van gezanten vastgesteld , op alle anderen heeft overgebracht, zoo pleit toch de opname van wat het Rom. Recht zegt, de inrichting van het geheele werk en enkele plaatsen daaruit, dat hij, al is het dan ook niet direct, toch er kracht aan ontleent.

Naar onze bescheiden meening is uit het volkenrecht niet anders af te leiden dan eene verplichting van den staat, die gezanten zendt, om aan te vullen, wat in het vreemde land, ten gevolge van de alge-

\') Heffter pg. 439 n. 3,

-ocr page 81-

67

meen toegekende privilegies ontbreekt. Hoe daaraan wordt voldaan m. a. w. de aanwijziging der misdrijven, die gestraft zullen worden, van de rechters die zullen oordeelen in straf of civiele zaak, mag tamelijk onverschillig heeten. Het kan worden overgelaten aan den wetgever van eiken staat, gelijk om eene vergelijking uit ons staatsrecht te bezigen, dikwijls aan provinciale besturen wordt overgelaten eene nadere regeling te maken ter uitvoering van wat eene wet voorschrijft. Is het gemeene recht voldoende , zoowel om gezanten die buitenslands misdrijf pleegden te kunnen straffen als wel om hen aan te kunnen spreken b.v. doordat toegelaten is, dat vreemdelingen hier procedeeren, dan zijn geene bijzondere bepalingen noodig en verschilt de positie van een gezant in dezen niets van andere landgenooten, die in den vreemde zijn. Wil men echter, waar dit onvoldoende is, de rechter die nadere regelingen onmiddellijk uit het volkenrecht laten afleiden en enkele daarvan, zooals de bevoegdheid des rechters der vorige woonplaats, de toepasselijkheid van het inlandsche strafrecht, op het gezag van enkele schrijvers of overeenkomstige de redeneering van den Berlijnschen rechter aannemen, hoewel deze niet met voorbeelden noch met goede gronden hunne bewering staven , en wil men daartoe spreken, dat volgens het Volkenrecht de gezant zijn land niet verlaat, en daar woonplaats

5*

-ocr page 82-

(18

behoudt, dan kan ieder van deze uitdrukkingen toch niet anders zijn dan een regel, of liever nog een beeld dat ons het gezegde aanschouwelijk voorstelt. Beschouwt men ze niet als beeldspraak en neemt men ze als waarheid aan, tot welke zonderlinge consequenties moet dit leiden? Zal de gezant gestraft kunnen worden, indien hij in het vreemde land eene handeling pleegt, waardoor een voorschrift van policie van zijn land zou zijn overtreden, of strafbaar zijn, als hij zijn hotel niet dien overeenkomstig heeft ingericht? Hoe zal men hem moeten dagvaarden. Toch aan den persoon of aan de woonplaats. Dit zal echter blijken onmogelijk te zijn , tenzij de deurwaarder gaat naar Petersburg, Constantinopel, Lissabon. Of wil men dagvaarding aan de vroegere woonplaats? Wij stellen echter het geval, dat deze door hem is verlaten, dat hij in geene betrekking meer tot haar staat, noch tot hen, die er werkelijk wonen en dan zal toch zonder twijfel van alle wijzen van dagvaarden deze de meest zekere zijn, dat de gedaagde gezant er totaal niet mede bekend wordt. Indien men nu in zulke gevallen wel zal willen erkennen , dat de exterritoriale persoon zich bevindt, waar hij is en woonplaats heeft daar, waar hij woont, wat geeft dan het recht aan het registratiebestuur dit niet te erkennen, wanneer, wat ons aanleiding gaf over dit onderwerp te schrijven, de ligging der

-ocr page 83-

69

woonplaats van iemand, die overleden is, de verplichting bepaalt van de erfgenamen om van diens boedel successierechten te betalen; natuurlijk, indien het niet uit eene uitdrukkelijke wetsbepaling voortvloeit? Wij komen later hierop terug.

Het gezegde brengt ons van zelve nog eens tot eene beschouwing van het hotel. Er zijn er, die op grond van de exterritorialiteitfictie hebben beweerd, dat dit hotel zou zijn een deel van het gebied van den staat, door den gezant vertegenwoordigd. Dat wij deze gevolgtrekking, die trouwens bij de meeste schrijvers geen steun vindt, verwerpen , volgt reeds hieruit, dat ze gebaseerd is op iets, dat wij niet als de grondslag van de voorrechten der gezanten willen hebben zien aangenomen. Maar bovendien, welke verwarring van souvereini-teiten zal men krijgen, omdat toch de vreemde staat inderdaad niet ophoudt daar te gebieden, al is zijn gebied over het hotel ook beperkt. Het is onderworpen aan voorschriften van policie, niet altijd behoeven ambtenaren van den vreemden staat, voor de deur te blijven staan. En welke zonderlinge wijze van gebiedsverkrijging door koop of misschien wel door huring van een stuk grond met een huis bebouwd, midden in een ander land. Deze wijze van anexeeren moge gebruikelijk zijn tegenover onze zwarte of bruine aardbewoners, zij is ten

-ocr page 84-

70

eenenmale in strijd met de gewoonten tusschen de subjecten van het Europeesche Volkenrecht.

Trachten wij thans het gezegde samen te vatten. Exterritorialiteit opgevat in den zin, dat de gezant niet aan het gebied van den vreemden staat wordt onderworpen of wel aan diens macht is onttrokken, is een regel, waarin zijn samengetrokken de verschillende privilegies, krachtens welke de staat, die een gezant ontvangt, niet al die macht tegen hem mag uitoefenen, als geoorloofd is, krachtens zijne hoedanigheid van souverein, over andere personen en hun toekomende zaken, die op het grondgebied van dien staat zich bevinden. Daarentegen blijft de gezant aan het gebied van zijn eigen land onderworpen in dezen zin, dat de rechtsband daarmede inniger moet blijven dan het behoeft, met andere tot hetzelfde staatsverband behoorende personen, die zich buitenslands bevinden. Is het eerste gegrond in het belang dat de staat, die zendt, daarbij heeft, dat aan zijne diplomatieke agenten een zekere vrijheid wordt ingeruimd, opdat het vreemde staatsgezag de ongestoorde waarneming van het ambt niet belemmere, het tweede is gegrond in het belang van het land, dat ontvangt en diens burgers, dat eischt, dat de leemte ontstaan door de vrijheid op eigen gebied den gezant toegestaan, in het andere land worde aangevuld. Dit brengt mede, dat

-ocr page 85-

71

hier recht moet worden gedaan in de gevallen hier boven besproken. Brengt het meer mede? Het is een gedeelte van het gezantenrecht, waarbij de schrijvers zelden stilstaan. Bij de besproken punten moet o. i., indien noodig, de wetgever uitdrukkelijk tusschenbeide komen. Doch wanneer men dit niet noodzakelijk rekent, dan zal toch in geen geval, waar de grond niet voorhanden is , een beroep op het Volkenrecht kunnen worden gedaan, tot staving van eenig recht of verplichting van, eenige bevoegdheid over, of de toepasselijkheid van een of ander wet op den gezant, dat steunen zou op de besproken fictie. Exterritorialiteit, opgevat in den zin, dat de gezant in het zendende land blijft vertoeven of wonen, is slechts beeldspraak.

Wat wij van den gezant opmerkten, zal in het algemeen ook gelden voor hen, die tot het gevolg enz. behooren. Ook deze zullen, indien zij misdrijf plegen en het hoofd van het gezantschap hen niet aan den vreemden rechter wil of moet overgeven, in het vertegenwoordigde land moeten worden gestraft. Hoe is het echter gelegen met de rechtsmacht, die de gezant over hen mag uitoefenen. De vreemde staat onthoudt zich, die aan zich te trekken , laat daarom toe, dat het hoofd haar tot zekere hoogte uitoefent, maar hieruit volgt nog niet, dat zij door de leden van het gevolg zelve moet worden

-ocr page 86-

72

erkend. Hier te lande is de bevoegdheid van den schipper (wij bevinden ons hier eveneens op het terrein der exterritorialiteit) tot getuigen verhoor, tot inhechtenisneming en opzending bij de wet geregeld 1); men heeft ook gemeend de bevoegdheid van consulaire ambtenaren in de wet2) te moeten erkennen, waarom zal dan een Nederlander, deeluitmakende van het gevolg van een Nederlandschen gezant niet mogen vorderen, dat deze zijn bevoegdheid ontleent aan een Nederlandsche wet.

Een ander gevolg uit de exterritorialiteitfictie is m. i. enkel een quaestie van inwendig recht. Men vindt n. 1. dat de kinderen van een gezant, in het vreemde land geboren, geacht worden geboren te zijn in het eigen land 3). Is dit een quaestie van volkenrecht, waarbij alleen sprake behoort te zijn van internationale betrekkingen? Iets anders is het, wanneer men daarmede slechts wil zeggen, dat die kinderen bij de wetten van den vreemden staat niet mogen worden verklaard tot dat staatsverband te behooren 4).

De wet zal overigens de gevolgen die uit de exterritorialiteit voortvloeien mogen uitbreiden, b.v. door de gezanten als ingezeten te blijven beschouwen m.

1

•) Wet 7 Mei 1856 St. no. 32.

2

Wet 25 Juli 1871 St. no. 91.

3

») Wheaton. Elements, 111. oh. § 14.

4

^1) Hall. International law Part II chap, iv pg. IW.

-ocr page 87-

73

a. w. hen rechten toe te kennen of lasten op te leggen als waren ze nog werkelijk ingezeten. In zulke gevallen blijft de band inniger dan het volgens het volkenrecht het geval behoeft te zijn. Tot het eerste zal hierin aanleiding worden gevonden, dat zoo iemand in dienst van den staat zich buitenslands moet bevinden; tot het tweede hierin, dat in verschillende opzichten de exterritoriale persoon in het land van verblijf van verschillende lasten is vrijgesteld. Daarom kan men zonder onbillijk tegenover den gezant te zijn, in meerdere mate onze wetten hem laten blijven verbinden dan dit tegenover anderen billijk is.

Er is nog ééne vraag welke korte overweging eischt. Mag de gezant zich op eenig privilegie beroepen in zijn eigen land? Vattel antwoordt bevestigend, Liv. IV, § 116 en verdedigt met de onafhankelijkheid , dat ook wanneer hij in zijn vaderland wordt aangesproken, hij elke vordering kan afwijzen. Men moet daarom, om de voldoening van eene verbintenis te verkrijgen, hetzij men burger of vreemdeling is, het den gezant beleefd verzoeken en als hij weigert, zich tot zijn meester wenden, die verplicht is recht te verschaffen op eene wijze, die het best overeenkomt met den publieken dienst. Dc vorst behoort te zien of het wenschelijk is, zijn gezant terug te roepen of de rechtbank aan te wijzen ,

-ocr page 88-

74

voor welke men hem kan dagvaarden, de termijnen stellen enz. »C\'est un instrumentquot;, zegt Vattel, ))dans la main du conducteur de la nation, dont rien ne doit détourner ou empêcher le service. Deze opvatting van zijne onafhankelijkheid wordt bij anderen zelden aangetroffen, gewoonlijk zegt men er mede, dat de gezant onafhankelijk is van den vreeraden rechter. Wat de schrijver wil, is dunkt mij geheel eene zaak van inwendige wetgeving. Iedere staat moet voor zich beoordeelen of zij geene civiele actie tegen zijne gezanten wil toestaan, althans aan iemand, die tot het staatsverband behoort1). Wordt het aan den vreemdeling geweigerd, dan loopt men gevaar, dat de vreemde regeering het privilegie afschaft of op andere wijze recht zoekt te geven aan een harer onderdanen; waarvoor, zooals het geval van den baron von Wrech getuigt, gemakkelijk een voorwendsel te vinden is a).

Aan het slot van het eerste hoofdstuk zeiden wij, dat de invloed van de fictie op de verhouding van den gezant tot den vreemden staat aan het tanen is. Houdt

1

) Zoo bepaalden in 1643 de Generale Staten, dat de processen, die hangende waren tegen een van hunne gezanten in Engeland, niet konden worden vervolgd en dat er geen nieuwe op touw konden worden gezet. Bijnkershoek, cap. X.

-ocr page 89-

75

zij op naar deze zijde invloed te hebben dan spreekt het van zelve dat om zoo te zeggen naar binnen toe, aan haar geen kracht meer kan worden ontleend. Een van de eerste gevolgen, die men zal opheffen, is m. i. de niet erkenning van het forum domicilii, al zal men ook nog langeren tijd niet toelaten gijzeling van den persoon en beslag of executie van sommige goederen. Wordt dat het geval, dan vervalt ook de aanleiding om te spreken van een behoud van woonplaats in het vertegenwoordigde land.

-ocr page 90-

HOOFDSTUK UI.

DE BEPALINGEN VAN HET NEDKRLANDSCHE RECHT.

Wij willen thans een blik werpen op onze wetgeving , waarin eene bepaling wordt aangetroffen, die de strekking heeft om onze wetten, althans sommige, de gezanten in het buitenland in meerdere mate te doen binden dan met andere personen het geval is. Deze bepaling ligt in art. 3 al. 3 van de wet van 28 Juli 1850 Stbl. no. 44 regelende onder meer het ingezetenschap. Het artikel waarvan de alinea een deel uitmaakt, luidt in zijn geheel als volgt: »Gevestigd of ingezetenen zijn, die binnen het rijk in Europa hebben gewoond:

1°. gedurende de drie laatste jaren. 2°. gedurende achttien maanden, na aan het bestuur hunner woonplaats het voornemen tot vestiging te hebben verklaard. Nederlanders zijn gevestigd

-ocr page 91-

77

of ingezetenen, die gedurende de laatste achttien maanden hunne woonplaats binnen het rijk in Europa hebben gehad.

Nederlanders, die ter zake van\'s Lands dienst in een vreemd land wonen, worden voortdurend als ingezetenen beschouwd.

De bepalingen van ingezetenschap in bijzondere wetten voorkomende, gelden alleen voor zoo veel betreft de onderwerpen in die wetten behandeld.quot;

De geschiedenis van al. 3 is de volgende 1): In het oorspronkelijk ontwerp komt zij niet voor, zij is, gelijk trouwens het geheele artikel zooals het in zijn tegenwoordigen vorm bestaat, als amendement in de 2e Kamer voorgesteld en in de wet opgenomen. Reeds bij de algemeene beraadslagingen maakte de heer Wintgens de opmerking, dat hij had gewenscht iets in het ontwerp te vinden over hen, die rei publicae causa afwezend waren Men lette er op, zeide hij o.a., dat wanneer men aan die personen de qualiteit van ingezeten ontnam, daaruit zou volgen, dat al die speciale wetten, die de ingezetenen verbinden, op hen niet toepasselijk zijn en een gezant of een consul b v. zeer wel zou

\') Handelingen der Staten Generaal 1849 — 50.

-ocr page 92-

78

kunnen beweren, dat hij op dien grond niet verplicht zou zijn om het recht van successie te betalen, wanneer dat van hem mocht worden gevorderd Bij de behandeling van art. 3 werd door den heer van Heemstra het amendement voorgesteld zooals de alinea thans luidt Tot toelichting daarvan sprak hij het volgende:

aBij de algemeene beraadslagingen is reeds opgemerkt, dat het onredelijk zoude zijn om hen, die rei publicae causa afwezig zijn, te onderwerpen aan de bepaling van art. 3 en hun eerst na een verblijf van achttien maanden het ingezetenschap toe te. kennen. Men heeft toen gezegd dat zij voortdurend als ingezetenen moesten worden beschouwd en de regeering heeft daarop geantwoord, dat de Nederlanders , die in den vreemde wonen, aan dat ingezetenschap niets zouden hebben, want dat zij niet zouden kunnen worden gebracht op eene kiezerslijst en dus het kiesrecht niet zouden kunnen uitoefenen. Ik stem dit toe, maar buiten het kiesrecht zijn toch nog andere rechten aan het ingezetenschap verbonden, het recht b v. van vereeniging en vergadering en van petitie. Wanneer men nu deze afwezigen als ingezetenen blijft beschouwen, zullen zij er dit bij gewonnen hebben, dat zij onmiddellijk na hunne terugkomst ingezetenen zijn en dat er niet eerst achttien maanden zullen moeten

-ocr page 93-

79

verloopen, om hun het recht te geven, het kiesrecht uit te oefenen, maar dat zij dit onmiddellijk na hun terugkeer zullen kunnen doen. Ten aanzien der gezanten in een vreemd land is per Actionem juris gentium het beginsel aangenomen, dat een Nederlandsch gezant in den vreemde altijd wordt beschouwd Nederlander te blijven. In zijn huis is hij op Nederlandsch grondgebied en dus blijft hij voortdurend Nederlandsch ingezetenquot;.

Zooals men ziet steunt de bepaling ten deele op de exterritorialiteitfictie. Daargelaten dat de spreker eenigszins onduidelijk en verward is, want wat doet het er hier toe dat de gezant in den vreemde altijd als Nederlander blijft beschouwd, blijkt uit hetgeen daarover vroeger is gezegd, dat de beschouwing in de laatste woorden neergelegd ons onjuist voorkomt.

Wat wilde men met de aanneming van alinea 3 bereiken ?

Het begrip van ^ingezetenenquot; duidt vooreerst iets feitelijks aan; immers men zal zoo mogen noemen hen, die op een zeker grondgebied hun vast verblijf hebben, er te huis zijn, er wonen als is het dan ook, dat zij geen vaste woonplaats hebben. Aan die feitelijke omstandigheden kunnen rechten en plichten zijn verbonden, doch die kunnen verbonden zijn aan het feit alleen, of daaraan in verband met zeker tijdsverloop of met het verblijven

-ocr page 94-

80

binnen een\' bepaalden, engeren kring of met iets anders. Zoo eischt de wet van 50 bet feit der woning binnen het rijk en een zeker tijdsverloop, waarvan de duur afhangt van de nationaliteit of van het al of niet afleggen der daar gemelde verklaring. Worden zij, die aan zulke voorwaarden voldoen, ingezetenen genoemd, dan heeft men een wettelijk begrip voor zich en daar andere wetten weer andere vereischten stellen, bestaan er allerlei soort van ingezetenen. Men houdt natuurlijk op ingezeten te zijn, zoodra men ophoudt zijn vast verblijf te hebben op het gebied, waarop men was gevestigd. Daarmede gaan bij gebrek aan bijzondere bepalingen omtrent tijdsverloop en wat dies meer zij, de rechten verloren aan het ingezetenschap verbonden, maar wordt men ook van de lasten, die het meebrengt, ontslagen.

Men wenschte dus blijkens de beraadslaging de personen, wier dienst ten behoeve van het Rijk een vast verblijf in het buitenland meebracht, vooreerst niet te onderwerpen aan de bepaling van al. 2 en hen dus dadelijk na hunne terugkeer weer als ingezetenen beschouwd te hebben en dit in het bijzonder met het oog op het kiesrecht. Om toch kiesbevoegd te zijn moet men onder meer ingezeten wezen en de kieswet, die even voor de wet, waarover wij thans spreken, was aangenomen bevat in art. 2 een zelfde vereischte n. 1. een tijdsverloop van 18 maanden na de vestiging

-ocr page 95-

81

binnen het rijk om als ingezeten te worden beschouwd. Hiervan wenschte men de gezanten vrij te stellen. Wel had de heer Wintgens bij de algemeene beraadslaging ook gezegd, dat z. i. onze gezanten, voor het overige voldoende aan de vereischten van art. 76 grondwet, rechtmatige aanspraak hadden om hier te lande te kunnen komen kiezen, maar om dit te bereiken, kon, zooals de minister hom terecht antwoordde, de opneming van een artikel als: »zij die in \'s rijksdienst in een vreemd land wonen, worden niettemin als ingezetenen beschouwd,quot; niet baten; want om het kiesrecht uit te oefenen moet men op een kiezerslijst voorkomen en dit kan niet, zonder dat men in een bepaalde gemeente woont. Volgens hem was het bezwaar des heeren Wintgens dan ook meer gericht tegen de derde alinea van art. 3 van het ontwerp, thans al. 2. Vervolgens wenschte men die personen bij voortduring in het genot te laten van de rechten, die aan ingezetenen toekomen, b.v. het recht van petitie, maar hen ook in delasten, althans in de met name genoemde successie belasting, laten deelen.

Eene behandeling der vraag, wanneer de wet van 50 de richtsnoer moet zijn, zoo dikwijls er in onze wetten sprake is van ingezeten, zou ons te ver voeren. Genoeg zij het hier enkel de volgende punten aan te stippen. De wet heeft alleen op het

G

-ocr page 96-

82

oog het ingezetenschap van het rijk. Op eene deswege gedane vraag in de Kamer antwoordde de minister dat daaraan geen redelijke twijfel kan bestaan. Voorts stelt zij zelve aan hare werking grenzen in al. 4; hare bepalingen derogeeren niet aan wat omtrent ingezetenen in bijzondere wetten is vastgesteld Hoewel sommigen van oordeel waren, dat dit reeds uit de natuur der zaak volgde, is die alinea toch uitdrukkelijk er bij gevoegd om alle quaesties daarover af te snijden. Of men derhalve ingezeten is ten opzichte van rechten of lasten, welke geregeld zijn bij wetten, die een eigen definitie er van hebben, of men het is van eene gemeente of eene provincie moet niet door de wet van 50, maar van elders worden beslist. Hieruit volgt, dat indien die vragen voor gezanten worden gesteld de bepaling, dat zij voortdurend als ingezeten worden beschouwd, zonder invloed is.

De beperking der werking van de wet in al. 4 neergelegd, is eene zeer belangrijke, omdat in vele wetten afzonderlijke bepalingen voorkomen. wie onder ingezetenen moeten worden verstaan. Onge-

\') Al. 4 zegt, dat de bepalingen van ingezetenschap in bijzondere wetten voorkomende alleen gelden, voor zooveel betreft de onderwerpen in die wetten behandeld. „Voor zooveel alaquot; maar dan ook met uitsluiting van de bepalingen der wet van 50.

-ocr page 97-

83

lukkig voor de voorstellers van al. 3 is dit het geval, zoowel in de kieswet als in de wet op de successie. De eerste zegt, dat zij voor ingezeten des rijks houdt hem, die zijne woonplaats gedurende de laatste sluiting (der kiezerslijsten) voorafgaande achttien maanden, hier te lande of in de koloniën of de bezittingen van het rijk in andere werelddeelen heeft gehad1); de laatste dat voor een ingezeten des rijks bij de toepassing dier wet wordt gehouden ieder, die binnen het rijk in Europa zijne woonplaats heeft2). Geen van beide wetten bepaalt iets bijzonders omtrent hen, die ter zake van \'s lands dienst buitenslands wonen. De positie van den gezant zal daarom ten opzichte dier wetten niets verschillen van die van andere personen.

De vroeger vigeerende successiewet van 1817 hield voor ingezeten hem, »die binnen dit rijk zijn domicilium of den zetel van zijn vermogen heeft gevestigd3).quot; Deze bijvoeging, die een der kenmerken der woonplaats bevat, is vervallen en eveneens de quaestie van de nationaliteit4), zoodat thans de vraag, of de belasting verschuldigd is, die onder den

0*

1

\') Art. 2, Wet 4 Juli 1850, Stbl. no. 17.

2

) Art. 1, Wet 13 Mei 1859, Stbl. no. 36.

3

) Art. 1, Wet 27 Dec. 1817, Staatsbi. no. 37.

4

) Sprenger van Eyek. De wetgeving op het recht van successie. Uitg. 1884, § 57, pag. 172.

-ocr page 98-

84

naam van recht van successie wordt geheven van de waarde van al wat geerfd of verkregen wordt, uit den boedel van een ingezeten des rijks door diens overlijden (art. 1 der successiewet), zich oplost in deze, of de overledene binnen het rijk zijne woonplaats had.

Waar een persoon zijn woonplaats heeft hangt van omstandigheden af. Gesteld nu, dat deze zoo zijn, dat een overledene niet was ingezeten met het oog op de successiewet, dan zijn de erfgenamen geen belasting verschuldigd. Welke reden is er nu om een andere beslissing te geven, zoo die persoon gezant was? Dit zal toch niet mogen geschieden op grond van de aanschouwelijke voorstelling van een regel en nog wel een regel uit het volkenrecht, in een geval als dit, waarin hoegenaamd de gronden voor dien regel niet aanwezig kunnen zijn. Men zegt »aangezien voor vertegenwoordigers van Nederland bij vreemde mogendheden, evenals voor vertegenwoordigers van vreemde mogendheden in Nederland niet het burgerlijk recht maar het volkenrecht bepaalt, waar de woonplaats van den vertegenwoordiger is.quot; Dit is m. i. eene phrase; waar de woonplaats is, is eene vraag naar feitelijke toestanden; quaestie van recht is het, wat van de woonplaats afhangt, in hoever zi] eene verplichting meebrengt voor den bewoner of een ander, in hoe-

-ocr page 99-

85

verre zij de competentie bepaald van de autoriteiten binnen wier kring zij ligt of zij de plaats aanwijst, waar bepaalde rechten moeten worden uitgeoefend enz. Zou nu in het volkenrecht aan de woonplaats de verplichting zijn verbonden van de erfgenamen onzer gezanten om belasting te betalen? Bij geen der door mij geraadpleegde schrijvers over volkenrecht heb ik dit gevonden.

Men verwijst naar Foelix, ^ deze zegt in no. \'211 : «Pendant l\'exercice de ses fonctions a l\'étranger, l\'ambassadeur ou le ministre ne cesse pas d\'appar-tenir a sa patrie: il y conserve son domicile et le\'juge de ce domicile exerce la jurisdiction sur lui, comme s\'il était présent. Aussi sa succession s\'ouvre dans le lieu de ce domicile.quot; De schrijver behandelt in het hoofdstuk, waaruit deze woorden zijn genomen, te samen de exterriorialiteit der souvereinen en der gezanten. Wat de eersten betreft kan men zich zeker niet goed voorstellen, dat zij woonplaats hebben buitenslands; de anderen behoeven dit niet, maar kunnen het wel. Zoo sluit Heffter 2), vooropstellende dat in den regel de exterritoriale persoon zijne vroegere woonplaats behoudt, niet uit de mogelijkheid van het hebben eener woonplaats in

\') Foelix, Traitó du droit international privé ed. par Dcmangant. -) Heffter, Das Eur. Volkorr. pag. 99.

-ocr page 100-

het vreemde land. Het is dus niet de vraag, indien hij zijne woonplaats behoudt, of dan de rechter van die plaats bevoegd is en of dan daar de erfenis openvalt , maar juist, indien hij die niet heeft behouden, of dan, niettegenstaande dit, toch een rechter hier te lande bevoegd blijft en toch de erfenis hier openvalt. Wij hebben boven gezien, dat er iets vóór gezegd kan worden om competentie van den rechter in het zendende land aan te nemen evenals of de gezant daar nog woonplaats had behouden , maar hoe komt men van dit op de bevoegdheid van het registra-tiebestuur om successierechten te vorderen. Geheel anders is het, ingeval men kan zeggen; de rechter is bevoegd omdat de gezant er nog woonplaats heeft.

Het beroep op Foelix is vreemd te noemen. Volgens den titel van zijn werk en de definitie, die hij van droit international geeft, valt de onderhavige belastingquaestie geheel buiten het kader van des schrijvers beschouwingen. Dat recht toch bevat de regelen, die gevolgd worden in geval van conflict van wetten. Hij verdeelt het in tweeën: droit international public regelt de betrekking van natie tot natie of m. a. w. het heeft tot onderwerp conflicten van publiek recht; droit international privé is het geheel der regelen volgens welke worden beslist conflicten van het privaatrecht van ver-

-ocr page 101-

87

schillende volken. !) Mag men belastingzaken lot het publiek recht rekenen, dan is een beroep op een schrijver over international privaatrecht zonderling. Maakt men er van eene quaestie van privaatrecht, dan is evenmin het beroep gerechtvaardigd. Het is toch vooreerst al moeielijk te spreken van regels naar welke conflicten worden opgelost, indien, gelijk bij belasting het geval is, zoowel aan de wet van het eene volk als aan die van het andere zoude kunnen en moeten worden voldaan. Dit echter daar gelaten zoo kan bij de gestelde vraag in het geheel geen sprake zijn van een conflict. ■ Immers aangenomen de geëximeerde positie van den overleden gezant zoo kan er slechts quaestie zijn van de al of niet toepasselijkheid van één wet en wel van de Ned. successiewet, de wet van 13 Mei 1859, Stbl. no. 36.

Een ander argument werd nog te berde gebracht bij de behandeling der wet in 1859 in de Eerste Kamer der Staten Generaal. 2) Blijkens het Voor-loopig Verslag werd de vraag gedaan, hoe de wet zou worden toegepast ten aanzien van een lid der Nederlandsche diplomatie, die geen vaste woonplaats binnen het rijk had. De regeering antwoordde,

\') Traité. Introduction. 5) Hand. 1859 — 60.

-ocr page 102-

88

dat een Nederlandsch diplomatiek agent, hoezeer buitenslands verblijf houdende, een ingezeten van dit rijk is, die officii causa afwezig, hier te lande zijne woonplaats heeft en daarom onder het bereik valt van art. 1 al. 3. Het eerste is waar, volgens art. 3 al. 3 van de wet op het ingezetenschap, doch doet hier niets af en door officii causa afwezig te zijn heeft men of krijgt men geen woonplaats, die men anders niet zou hebben. *)

Misschien dacht de regeering aan art. 77 B; W., ))die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hunne woonplaats indien zij het tegenovergestelde voornemen niet aan den dag hebben gelegd.quot;1)

1

) Opzoomer, dl. I, pag. 114. Art. 77 is een overtollig artikel in ons B. W. Het is overgenomen uit den C. N. en staat dan ook in verband met de daarin voorkomende bepaling over domicilie. Het fransche recht kende slechts verandering, geene opheffing van woonplaats. De verandering geschiedde door de werkelijke woning in eene andere plaats, gevoegd bij den wil om daar het hoofdverblijf te vestigen. Eene uitzondering is hierop gemaakt voor hen, aan wie eene betrekking voor het leven werd opgedragen; hare aanneming bracht (art. 107) mede, dat van zelve en onmiddellijk het domicilie was overgebracht op de plaats, waar het ambt zou worden bekleed. Daarentegen gold (art. 106) voor hen, die tijdelijk tot openbare bedieningen werden geroepen, de algemeene regel; zij behouden, zegt art. 106, hunne woonplaats, als zij liet tegenovergestelde voornemen niet aan den dag hebben gelegd. In tit. IV, bk. I van het B. W., waarin de uitzondering voor levenslange betrekkingen niet is opgenomen,

-ocr page 103-

89

Maar de vraag was juist gesteld voor het geval, dat door opbreking van de woonplaats hier te lande of door vestiging van een nieuwe in het vreemde land het tegenovergestelde voornemen was aan den dag gelegd. De vraag in de kamer gedaan bleef dus onbeantwoord. Het bestuur der registratie weet er echter wel een antwoord op te geven, en zegt in de beslissing van 39: »dat bij gebreke van een andere aanwijzing (n.1. omtrent de woonplaats) de residentie van het Nederlandsche gouvernement, voor de toepassing van het recht van successie, geacht moet worden de plaats van het laatste domicilie te zijn; eene redeneering, die c a. in 4882 is toegepast. Maar zonder eenige aanwijzing omtrent eene woonplaats mag men toch aannemen, dat de persoon in quaestie hier geen woonplaats had, en dat dus geen rechten behoeven te worden betaald, die alleen zijn verschuldigd, indien de overledene wel binnen het rijk

behoefde de regel voor openbare bedieningen, tijdelijke of levenslange, niet te worden bevestigd. Intusschen wordt tegenwoordig de leer verlaten, dat men niet zonder woonplaats kan zijn, of liever dat het B. W. dit zou uitsluiten. Dit maakt in de gevallen, waarin de bepalingen van het B. W. de richtsnoer moeten zijn, bij de vraag waar de woonplaats van den gezant is, dit onderscheid, dat men volgens de oude beschouwing zal moeten vragen, heeft de gezant zich op zijn standplaats al gevestigd, volgens de nieuwe of hij zijne woonplaats binnen het rijk heeft opgebroken.

-ocr page 104-

90

woonplaats had. Het willekeurige van die uitspraak , wordt terecht door Sprenger van Eijck van die decisie gezegd, doet hare ongegrondheid reeds vermoeden.

Wanneer wij dus de vraag herhalen, of het op de verplichting der erfgenamen om successie rechten te betalen van invloed kan zijn, indien de erflater lid der Nederlandsche diplomatie is, dan komt het mij voor, dat een ontkennend antwoord moet worden gegeven. Het volkenrecht blijft m. i. hierin buiten rekening. In onze wetten kan geen ander antwoord zijn gegrond, zoodat, door tot betaling te dwingen, men in strijd handelt met het voorschrift, vervat in art. 478 der Grondwet, volgens hetwelk geen belastingen ten behoeve van \'s Lands kas kunnen worden geheven dan uit kracht van eene wet.

Is er iets bijzonders in onze wetgeving bepaald omtrent de rechtspraak over de leden der Ned. diplomatie ? Of een vreemdeling hier te lande kan procedeeren, bij welken rechter de vordering moet worden aangebracht , zijn vragen , die uit onze wetgeving moeten worden beslist en zooals wij boven hebben trachten aan te toonen, moet dit ook gelden, indien een vreemdeling hier eene vordering wil instellen tegen den Nederlandschen gezant. Eene dergelijke vordering zal dus moeten worden gebracht aar, waar zij, onverschillig of de gedaagde gezant

-ocr page 105-

91

is, behoort te worden aangebracht. Immers indien men de exterritorialiteit in de door ons aangegevene beteekenis opvat, heeft hij noch hoofdverblijf, noch verblijf, dan daar, waar hij ook zonder zijne hoedanigheid het zoude hebben. De wijze van dagvaarden zal dan moeten geschieden overeenkomstig hetgeen art, 4 3° bepaalt ten aanzien van hen, die buitenslands wonen. Ook de bepaling van de wet van 1850, volgens welke een gezant voortdurend als ingezeten wordt beschouwd, brengt daarin geene verandering. Wel zou men naar aanleiding van deze wet kunnen vragen, of men hem mag dagvaarden op een termijn van acht dagen, omdat deze termijn in art. 11 Rv. wordt gezegd voor ingezetenen te zijn vastgesteld. Evenwel de aard der zaak en het verband van genoemd artikel met art. 7 Rv. wijzen er reeds genoegzaam op, dat men bij dien termijn te denken heeft aan hen, die feitelijk ingezeten zijn, aan hen, die in het koninkrijk wonen.

Intusschen schijnen quaestiën van dezen aard in de praktijk zich niet. voor te doen. Daarentegen bestaat er wel blijkens het geval, dat in de inleiding werd medegedeeld, aanleiding tot de vraag, waar een misdrijf, door den gezant gepleegd, moet worden geacht gepleegd te zijn en voor wolken rechter hij daarvoor moot terechtstaan. Wat nu

-ocr page 106-

92

betreft het Ned. recht is de Hooge Raad de rechter, die bevoegd is verklaard, over de zaak te oordeelen (art. 98 R. O.), terwijl de wijze van strafvordering is omschreven in art. 318 Sv. Zullen echter zijne misdrijven gestraft kunnen worden, evenals of zij hier te lande zijn begaan ? Het komt mij voor, dat het antwoord niet bevestigend mag luiden op grond van eene 2)bildliche Darstellungquot; en dat men niet anders de in werkelijkheid buiten ons land gepleegde delicten zal mogen straffen, dan in de gevallen, voorzien bij art. 8 en 9 van het Wetboek van Strafvordering 1) Dan zal wel een dergelijk misdrijf als door von Arnim is gepleegd, ongestraft kunnen blijven 2), maar het is m. i. juister en beter te eischen, dat de wetgever in eene zoodanige leemte voorzie , dan het beginsel prijs te geven in art. 4 C. P. neergelegd en in art. 1 Sv. bevestigd, dat niemand tot straf kan worden veroordeeld, dan in de gevallen vooraf door de wet bepaald.

1

\') Hetzelfde voor het Fransche recht aangenomen door Dalloz. Jurisprudence générale. Agent diplomatique no. 134.

2

) In art. 6 van het nieuwe Wb. v. Sr. wordt de Nederlandsche strafwet toepasselijk verklaard op den Nederlandschen ambtenaar , die zich buiten het rijk schuldig maakt aan een in tit XXVIII van het tweede boek omschreven ambtsmisdrijf.

-ocr page 107-

STELLINGEN.

-ocr page 108-
-ocr page 109-

STELLINGEN.

I.

De Rijnvaartrechter is niet bevoegd kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van schade, veroorzaakt door den schipper, wanneer deze niet heeft te kort gedaan aan de verplichtingen, die op hem rusten volgens de Rijnvaartakte.

II.

De voorstelling van Heffter als zou de ratificatie van een verdrag zijn: ))die Beglaubigung das der Bevollmiichtigte die Grenzen seines Auftrages nicht überschritten habequot;, schijnt onjuist.

III.

Bij verandering in het gehalte der munt behoort de rechter, zoo niet anders door partijen is over-

-ocr page 110-

96

eengekomen, alleen de nominale waarde in aanmerking te nemen.

IV.

Ondernemers behooren aansprakelijk te worden gesteld voor schade, die de arbeiders lijden tengevolge van rampen, welke hen bij hunnen arbeid treffen, voor zooverre de ramp niet opzettelijk door den beschadigde wordt veroorzaakt. De wet stelle daarbij zoodanige regels, dat de uitbetaling der vergoeding worde verzekerd.

V.

De zucht om koloniën te verwerven is een uitvloeisel van het beschermende stelsel.

VI.

De Grondwet laat niet toe de uitlevering van Nederlanders.

VIL

Uitlevering van eigen onderdanen is vooralsnog niet wenschelijk.

-ocr page 111-

97

vin.

Het ontwerp van wet, waarbij aan den burgemeester, die geen lid van den gemeenteraad is. de bevoegdheid wordt gegeven om alleen te beslissen, in geval op de vergadering, bedoeld in art. 49 al. 3 der gemeentewet, geen der raadsleden tegenwoordig is, strijdt niet met de Grondwet.

IX.

Art. 154 van het door de commissie tot herziening van de Grondwet voorgestelde ontwerp, verdient geen aanbeveling. De grondwet behoort alleen de mogelijkheid van een zelfstandige administratieve rechtspraak te erkennen.

X.

De getuigeneed in burgerlijke en strafzaken mag niet worden afgenomen van hem , die tot geen kerkgenootschap behoort.

XI.

Art. 76 der Grondwet verzet zich niet tegen de invoering van een uniformcensus.

-ocr page 112-

98

XII.

Onder »het bestuur, dat de vergunning geeft,quot; in art 17 der wet van 10 Juni 1875, St.bi no. 95, moet men verstaan het bestuur dat volgens die wet belast is met het geven van vergunningen.

XIII.

Art. 40 der wet op de onteigening heeft slechts de strekking om de denkbeeldige waarde uit te sluiten.

XIV.

Eene verordening, waarbij absoluut wordt verboden binnen de gemeente met velocipèdes te rijden, raakt het algemeen belang. Art. 153 der gemeentewet zal dus toepassing kunnen vinden.

-ocr page 113-

STELLINGEN

TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN

ÜOCTOE IN DE EECHTSWETENSCHAP,

AAN DE

RIJKS-UNIVERSITEIT TE GRONINGEN,

OP GEZAG VAN DEN

RECTOR MAGNIFICUS

DR. J. P. VAN BRAAM HOÜCKGEESÏ,

HOOGLEER AAK IN DE FACULTEIT DEK. GENEESKUKDE,

TEGEN DE BEDENKINGEN DEE FACULTEIT IN HET OPENBAAR TE VERDEDIGEN,

op Zaterdag 3 October 1885, des voormiddags te 11 uur,

DOOR

ISAAC ANTONIE VAN ROIJEN,

geboren te Zwolle.

GRONINGEN. — J. B. HÜBER. — 1885.

-ocr page 114-
-ocr page 115-

STELLINGEN.

I.

De vrouw kan afstand doen van de gemeenschap van winst en verlies.

II.

Op den revindiceerenden eischer, die zich beroept op eene akte van eigendomsoverdracht van onroerend goed, rust tegenover den gedaagden bezitter het bewijs van het recht zijns voorgangers.

III.

De kooper van het recht van den verwachter kan geen aanspraak maken op hetgeen van de erfenis onverteerd en onvervreemd is overgebleven, indien de verwachter vóór den bezwaarden erfgenaam is overleden.

-ocr page 116-

102

IV.

Derden, eene in art. 233 B. W. bedoelde schenking doende, kunnen hare werking in dier voege beperken, dat ingeval van voor-overlijden van den begiftigden echtgenoot, de schenking overgaat op enkele uit het huwelijk voort te spruiten kinderen.

V.

De legataris heeft een persoonlijk recht op de aan hem gelegateerde zaak.

VI.

De verhuurder heeft het recht van beslag niet op goederen, die de huurder heeft vervreemd.

VII.

De actie, waarvan in art. 2014 al. 2 B. W. sprake is, kan worden ingesteld door iederen houder, onverschillig of hij de zaak als eigen bezat of voor een ander.

VIII.

De endossant kan zich aan de wisselverbintenis

-ocr page 117-

103

onttrekken door bij het endossement eene clausule van die strekking te voegen.

IX.

Ten onrechte wordt het accoord wel gezegd een overeenkomst te zijn.

X.

Een wisselbrief, die voor vervallen wordt gehouden , tengevolge van het faillissement van den betrokkene , is nog vatbaar voor endossement.

XI.

Bij eigendomsovergang van verzekerde voorwerpen houdt, indien de verzekerde niet weigert haar over te nemen, de verzekering op te loopen voor den ouden eigenaar, ook wanneer deze nog belang behoudt in het verzekerde voorwerp.

XII.

Ten onrechte zegt Mr. Kist (Beg. v. Hand. dl. II pg. *228) dat de houder van een wissel zich in ieder der failliete boedels van de wisselschuldenaren, voor

-ocr page 118-

104

het geheel kan laten verifiëeren, niettegenstaande hij reeds uit een boedel een deel zijner vordering heeft ontvangen.

XIII.

Onjuist, is de overweging in een vonnis van het gerechtshof te \'s Hertogenbosch W. v. h. R. no. 5110, dat, wanneer een wissel is getrokken en geaccepteerd het bestaan van schuldvernieuwing moet worden aangenomen, maar dat het onnoodig is te laten blijken, dat de partijen deze hebben gewild.

XIV.

De Nederlandsche rechter is bevoegd het verhoor op vraagpunten aan een buitenlandschen rechter op te dragen in geval van wettige verhindering der partij.

XV.

Voor eene betichting van valschheid van eene akte is het niet noodig, dat de vereischten aanwezig zijn voor het misdrijf van valschheid.

XVI.

De gedaagde in eersten aanleg kan den termijn van dagvaarding niet vervroegen.

-ocr page 119-

105

XVII.

De ambtenaren, genoemd in art 11 van het Wetboek van Strafvordering, zijn met de in art. 275 der Gemeentewet genoemde ambtenaren bevoegd te constateeren de in dit artikel bedoelde overtredingen.

XVIII.

De bekentenis, die een volledig bewijs van schuld kan opleveren, moet zijn afgelegd op de terechtzitting.

XIX.

De vordering van de civiele partij zal kunnen worden toegewezen, wanneer de feiten zijn bewezen, maar de rechter oordeelt, dat ze niet strafbaar zijn.

XX.

Eene verandering onzer strafprocedure in kleinere zaken in de richting der »StrafbefehIequot; van het Duitsche recht is niet wenschelijk.

-ocr page 120-

106

XXI.

Voor de strafbaarheid wegens de overtredingen opgesomd in Boek III van het Nieuwe Wetb. van Strafr. is het bewijs van het enkele feit niet voldoende.

XXII.

Art. 113 C. P. kan niet meer worden toegepast.

XXIII.

.Het is goed te keuren, dat het Nieuwe Wetb. van Strafr. gelegenheid geeft de ingediende klacht te kunnen intrekken.

XXIV.

Een loontrekkend persoon, die bij zijn in dienst treden eene zekere som heeft gestort tot zekerheid van mogelijke tekorten uit welken hoofde deze ook mochten ontstaan, is niet strafbaar wegens art. 408 C. P., wanneer hij in zijne betrekking gelden ontvangen hebbende, nalaat die te verantwoorden, indien namelijk de gestelde zekerheid meer bedraagt dan de niet verantwoorde gelden.

-ocr page 121-

107

XXV.

Wanneer meerdere personen misdrijf hebben gepleegd wordt door de vervolging van één van hen tevens de verjaring ten voordeele der anderen gestuit.

XXYI.

Inwoning in eenc gemeente der Ned. Herv. Kerk zonder meer maakt hem, die op een der wijzen opgesomd in art. 2 van het Algemeen Reglement lid is geworden eener andere gemeente niet tot lid der gemeente zijner inwoning.

XXVII.

Voor de tot standkoming eener wijziging in de Grondwet blijve men het vereischte behouden, dat een buitengewone meerderheid zich er voor verklaart.

XXVIII.

Gedeputeerde Staten kunnen en behooren hunne goedkeuring te onthouden aan de gemeentelijke begrooting, wanneer daarop posten zijn uitgetrokken voor uitgaven, waarbij geen gemeentelijk belang is gemoeid.

-ocr page 122-
-ocr page 123-
-ocr page 124-
-ocr page 125-