-ocr page 1-

C. Joh. PRINS.

ART. 268

Wetboek van Strafrecht.

GEDRUKT BIJ J. .T. OROKX, TE LEIDEX.

V

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

ARTIKEL 268 WETBOEK VAN STRAFRECHT.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

f ï?, q e ^ s c k el, ï f- t

TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN

pocTOR m de Rechtswetenschap,

AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN,

\'

OP GEZAG VAN DEN RECTOK MAGNIFICUS

S. S. nOSETsTSTEIISr,

HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE, YOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN op 01caaii?ag S)cccm-6et \'ISSI, 3cs te- 2 men,

DOOR

cornelis johannes prins,

GEBOKEN TE BEVERWIJK.

/\\ .v

lï. v»

----3^ . gt;iM: I- quot; - ■

GEDRUKT BIJ J. J. GROEN, TE LEIDEN. 1887.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Aan mijne Moeder

EN AAN DE

nagedachtonis van mijnen Yader.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

Hot zij mij vergund hier een woord van openlijken dank te richten tot U, Hooggeschatte Promotor, Prof. Mr. H. van der Hoeven, voor do welwillendheid en onwaardeerbare hulp, mij bij de samenstelling van dit Proefschrift zoo ruimschoots betoond.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INLEIDING.

De invoering van ons Strafwetboek heeft ongetwijfeld een nieuw en wijd veld geopend voor hen, die, aan liet einde hunner academische studiën gekomen, zich een onderwerp voor hun proefschrift willen kiezen.

De gewijzigde inzichten, gedurende den loop der tijden op elk gebied waarneembaar, hebben ook merkbaar hun invloed op het strafrecht doen gelden; groot is immers het verschil tusschen ons hedendaagsch strafrecht en dat van onze voorvaderen. Hoewel de Code Penal, na zijne invoering hier te lande, bij ons in sommige opzichten belangrijke wijzigingen heeft ondergaan, bleef er nog steeds veel te verbeteren over; want kwam het onzen wetgever aan den eencn kant voor, dat (om nu van de algemeene leerstukken niet te gewagen) sommige delicten te zwaar gestraft werden in den C. P., aan den anderen kant bleek het hem dat het belang der maatschappij strafbaarstelling vorderde van enkele handelingen, welke tot nog toe straffeloos konden worden gepleegd, terwijl van een aantal delicten de omschrijving-verbeterd moest worden.

Tot deze laatste rubriek behoort o. a. de lasterlijke aanklacht, welke de C. P. onder de benaming van dénonciaiion calomnieim in art. 373 behandelt. Tot nog toe heeft dit delict

1

-ocr page 14-

bij de Ncderlandsche reclitsgelecrdon oogenschijnlijk ■weinig belangstelling gewekt. Wat hiervan de oorzaak zijn kan? Een beslist antwoord is hierop moeilijk te geven; geenszins de ondubbelzinnigheid van het art. in den C. P., want bij enkele Fransche schrijvers blijkt dat liet artikel tot vele twistvragen aanleiding gaf. Veeleer meen ik dat de woorden, waarmede Mr. de Pinto in 1840 reeds een betoog over ditzelfde onderwerp aanving „dat die weinige belangstelling waarschijnlijk daaraan to wij[ten is, dat het delict in de praktijk weinig voorkomtquot;\'), ook

heden nog van toepassing zijn.

Moet men het uit een maatschappelijk oogpunt ongetwijfeld gelukkig achten dat een delict zelden gepleegd wordt, uit een juridisch oogpunt beschouwd kan dit juist voor die enkele gevallen, waarin het voorkomt, grooter moeilijkheden geven door gemis van eene constante jurisprudentie, welke zoozeer gcwenscht is, vooral bij die delicten, welker formuleering in do wet aan duidelijkheid te wenschen overlaat en daardoor verschillende opvattingen, \'t zij over het delict in zijn geheel, \'t zij over bizondere elementen ervan, toelaat.

Te onderzoeken of onze strafwet in art. 268 de moeilijkheden, welke zich bij de toepassing van art. 373 C. P. voordeden, heeft opgelost, ziedaar het onderwerp, hetwelk ik mij ten doel stel in dit proefschrift te behandelen. Ik acht het daarom niet onbelangrijk alle elementen van het delict afzonderlijk na te gaan, en voor zooverre het mij doeltreffend toeschijnt, zal ik buitenlandsche wetgevingen op sommige punten met de ouze in vergelijking brengen.

Tot juist begrip zal ik de elementen echter niet behandelen in de volgorde van het artikel, doch als volgt:

i) Zie Themis rechtsgel. tijdschrift, 1840, blz. 37.

-ocr page 15-

3

1°. Do aangifte of klaclitc, haar vorm on inhoud; 2n. de autoriteit aan wie de aangifte of klachte moet gedaan zijn;

3°. het zedelijk en juridisch karakter van de handeling; en 4°. de straf.

Do hedendaagsche strafwetgevingen hebben, voor zooverre mij bekend, meest alle de lasterlijke aanklacht als een strafbare daad opgenomen; niet alle stellen echter dezelfde veroischtcn tot voltooiing er van, doch alle komen hierin overeen dat de gevolgen van het delict van dien aard kunnen zijn dat don dader cone niet geringe straf moet kunnen worden opgelegd. Do gelijkenis van het delict, wat sommige elementen betreft, met enkele andere delicten, heeft echter ton gevolge dat men in verschillende wetgevingen het tot verschillende rubrieken van delicten heeft gebracht, hetgeen evenwel van weinig of geen belang is voor de toepassing er van in een concreet geval.

Voor zooverre het onze wet betreft hebben wij, ten opzichte van dc plaatsing in het Wetboek, den C. P. gevolgd mot dit verschil echter dat een tweede delict van geheel anderen aard, hetwelk in den C. P. onder hetzelfde art. 373 viel, door onzen wetgever afzonderlijk behandeld wordt in een geheel ander artikel; al hetwelk bij de hierna volgende behandeling van art. 2G8 uitvoerig zal worden besproken.

Alvorens tot dc eigenlijke behandeling over te gaan, nog een enkel woord over de geschiedenis van het artikel. „ Een enkel woord\'\'\'\' zeg ik omdat die in weinige woorden is weer te geven.

Met de moeielijkheden voor oogcu, welke zich bij de toepassing van art. 873 C. P. voordeden, heeft onze wetgever een artikel geredigeerd hetgeen bij de behandeling

-ocr page 16-

van het wetboek in de kamers eenstemmig werd goedgekeurd. Discussiën hebben er niet over plaats gehad en dientengevolge werd het O. R. O. behoudens eene enkele taalkundige verbetering van Prof. M. de Veies, ongewijzigd aangenomen. Do M. v. T. op bedoeld artikel is ook zeer beknopt en wijst ons slechts kortelijk op de gewichtigste veranderingen, wat vorm en aard van het delict betreft, welke de nieuwe wetgeving ons brengt.

-ocr page 17-

Plet in art. 268 omschreven delict bestaat uit de navolgende elementen, welke alle aanwezig moeten zijn opdat de op het delict gestelde straf kan worden toegepast:

1°. Eene aangifte of klachte.

2°. Schriftelijk indienen of in schrift doen brengen.

3°. Do aangifte of klachte moet tegen een bepaald persoon gericht zijn.

4°. Zij moet inhouden een feit waardoor de eer of goede naam van den beschuldigde moet zijn aangerand.

5°. Zij moot ingediend zijn bij de overheid.

6H. Zij moot valsch zijn.

7°. Het opzet des daders moet gericht zijn op alle voorgaande elementen.

De aangifte of klachte.

In het algemeen kan men zoggen dat eene aangifte of klachte geheel vrijwillig, op eigen initiatief moet worden ingeleverd. quot;Wanb wat toch is het doel van den aanbrenger? Immers om iets kenbaar te maken daar ter plaatse, waar hij meent dat het niet bekend is en waar hij tevens meent dat zijn kennisgeving zekere gevolgen zal hebben. Zonder dit laatste zou elke aangifte of klachte, van welken aard ook, geheel doelloos zijn. Passen wij dit toe op hot delict van art. 268, dan zien wij, dat dit ook hierbij opgaat, echter met dit verschil dat do dader hier de zekerheid heeft dat het feit niet bekend is, daar de aangifte of klachte opzettelijk valsch is. quot;Wanneer iemand

-ocr page 18-

G

als getuige in eene strafzaak opzettelijk eene valsclie verklaring aflegt ten nadeele van den beseliulcligde, zal hij dus nooit onder bereik van art. 208 vallen, daar hij slechts optreedt in eene reeds aanhangige zaak en niet op eigen initiatief aangifte doet van een feit: hij is na aflegging van den eed verplicht te zeggen wat hem hekend is van het feit, waarover de zaak loopt. Doet hij dit niet en geeft hij eene verkeerde, valsche voorstelling er van dan valt hij onder art. 207 en wordt als meineedige gestraft. Niettemin heeft dit delict eenige punten van overeenkomst met dat van art. 268, welks hoofd-element „f?e aangifte of Machte\'\'\' hier juist ontbreekt.

Alzoo geen vrijwillige aangifte of klachte, geen toepassing van art. 268.

Het kan voorkomen dat men zoodanige aangifte doet op aanstoken van een derde, doch dit verandert de zaak niet daar dit ten eerste uiterst moeilijk te bewijzen zou zijn, en ten tweede het opzet van den werkclijken dader toch blijft bestaan.

Wijze en vorm der aangifte of klachte.

Het artikel zegt alleen dat do aangifte of klachte schriftelijk ingeleverd of vanwege den aangever in schrift gebracht moet worden. Verder is do aangever geheel vrij. Die laatste woorden „o/ in schrift doet breng enquot; zijn, zoo lezen we in de M. v. T., er bijgevoegd om eene onder de vorige wetgeving bestaande twistvraag op te lossen. Waarin bestond die?

Art. 373 C. P. zeido slechts: Quiconque aura fait par écrit etc.1). Juist die woorden „par écrW loverden liet twist-

\') Op bladzijde 33 v.v. heb ik de verschillende artt., uit de door mij aangehaalde wetgevingen, vermeld.

-ocr page 19-

punt op, dewijl men de vnag kon stellen: Valt eene mondelinge klacht, bij do in art. B73 genoemde autoriteiten ingediend, niet onder hot artikel? Eigenlijk zou men moeten zeggen „neenquot;, want „écritquot; is en blijft onder allo omstandigheden schrift en kan nooit mondelinge kennisgevingen omvatten. Het artikel zogt duidelijk dat men een geschrift moet inleveren (fait par écrit), inhoudende de aangifte. In de praktijk dacht men er echter anders over en nam het tegendeel aan, waarschijnlijk uitgaande van het denkbeeld dat de wetgever die enge beteekenis van écrit hier niet bedoeld zou hebben. Uit verschillende arresten blijkt dit duidelijk, ten bewijze waarvan ik hier vermeld een arrest, gewezen door het Hof te Leeuwarden 20 Nov. 1855 \').

Onze wet hoeft nu deze quaestie voor ons uitgemaakt in dien zin, dat eene mondelinge aangifte bij de overheid gedaan , en zoowel door haar als door den aangever ondor-teekend, nadat die in schrift is gebracht, onder art. 268 valt.

Wij zien alzoo dat onze wet als vereischte stelt dat do aangifte schriftelijk geschiedt. De vorm, waarin zij gedaan wordt, doet niets ter zake, daar het artikel hiervan niet spreekt, zoodat bijv. een eenvoudige brief of een request aan het parket van den Officier van Justitie bezorgd als voldoende geacht kan worden.

\') Wat betreft hot besproken punt, bevat dit ai-rost deze gvondon: O., wat aangaat het voorgestelde bezwaar, dat de klacht, bij den burgemeester gedaan, niot zou zijn eon klachto bij geschrifte, hoodanige alleen strafbaar is volgons art. 373 C- P.

O, dat hier is een door den requ. oiulerteokend geschrift, dat, voor zooverre daaromtrent niot bij eenigo bepaling uitzondering mag zijn gemaakt, de onderteekening het blijk oplevert, dat een geschrift ig afkomstig van dongene dio het heeft ondorteekend of wel door dezen is erkend, immers wat aangaat don hora betreffendon inhoud daarvan . . . enz.

-ocr page 20-

8

Moet de aangever zijn gesehrift onderteekend hebben? Dit schijnt mij niet noodig toe, zoo slechts uit don inhoud of uit bizondere omstandigheden blijkt wie de schrijver is: alzoo kan een anonym schrijven voldoende geacht worden. Do taal, waarin het geschrift is opgesteld, doet m. i. ook niets af tot de geldigheid ervan; het spreekt van zelf, dat de schrijver zelf de taal moet kennen en dus verstaan wat hij geschreven heeft.

Is eene aangifte per telegram ook eene schriftelijke aangifte volgens ons artikel ? 31. i. wel. Men moet aannemen dat de valsche aangever de wetenschap hebben moet, dat de aangifte zijnentwege schriftelijk geschiedt ter bedoclder plaatse. Welnu, is dit niet het geval met een telegram? \'t Is waar, de geadresseerde ontvangt een geschrift, hetwelk niet geschreven is door den afzender, doch is die afzender niet de ware dader zoo er in het telegram een delict schuilt ? Ongetwijfeld kan men hem noemen de auctor intellectualis, die de telegrafisten slechts gebruikt als hulpmiddelen, van wier verplichte tusschenkomst liij verzekerd is en waardoor hij even zeker is zijn misdadig doel te bereiken, als wanneer hij hetzelfde bericht per brief mededeelde; de telegrafisten, als materieele daders, blijven por se straffeloos, zoo zij althans — gelijk in den regel het geval zal zijn — onbekend zijn met de onwaarheid van de aangifte. De afzender is dus strafrechtelijk verantwoordelijk wegens art. 47 n0. 1 W. v. S., waar als dader genoemd wordt hij, die doet plegen.

Hoe te oordeelen over eene aangifte per telephoon ? Deze zal niet onder art. 268 vallen, daar hierbij geen schrift voorkomt, afkomstig van den aangever en ten tweede het „in schrift doen brengenquot;, waarvan het artikel spreekt, de tegenwoordigheid van den aangever vereischt, enditverva.lt bij het gebruik eener telephoon, die immers juist dient om van elkaar verwijderde personen met elkaar in contact te stellen.

-ocr page 21-

9

Thans nog een enkel woord over de bepaling der Dnitsclie wet ten aanzien van de aangifte. Op dit punt is deze wet zeker wel liet vrijgevigst door geen enkelen vorm voor te schrijven. Moeilijkheden over geoorloofde of ongeoorloofde wijzen van aangifte kunnen zich dus niet voordoen, en dientengevolge geeft het artikel (§164) aanleiding tot de ruimst mogelijke toepassing voor zooverre dit element betreft; niettemin zou ik de voorkeur geven aan onze bepaling, daar liet schrift altijd een uitdrukkelijk zichtbaar en blijvend bewijs oplevert van den wil des daders en meer overleg te kennen geeft dan eene klacht, somwijlen gedaan in een overijlden toestand, zonder dat men zich op dat juiste oogenblik rekenschap kon geven van zijne daad, hoedanige volgens de Duitsche wet voldoende is tot toepassing vau § 164. En door dat schriftelijk bewijsstuk in onze wet zal de rechter bij ons met meer recht eene zware straf kunnen uitspreken, dan soms in Duitschland mogelijk zal kunnen zijn.

Het Oostennjksche Ontwerp Strafwetboek van 1881 zegt alleen: „ Wer eine Amevje macht quot; waaruit men moet opmaken, dat de aangever in de wijze van aangifte geheel vrij is, alzoo evenals in de Duitsche wet.

Thans zijn wij gekomen tot den inhoud van de aangifte of klachte en valt het oog aldra op liet vereischte in liet artikel; dat een bepaald persoon vereischt wordt.

Een bepaald persoon moet in do aangifte of klachte zijn beschuldigd.

Wat hebben wij onder „bepaaldquot; te verstaan?

Het schijnt mij toe dat niet vereischt wordt dat die persoon door naam en voornaam moet zijn aangeduid; het is alzoo voldoende, zoo uit de omschrijving of aanduiding ontwijfelbaar blijkt, wie bedoeld is; zoo zal bijv. de qualifi-

1*

-ocr page 22-

10

catic „de burgemeester van /1quot; of „de echtgenoot van /i\'\' geacht kunnen worden genoegzaam te zijn, om art. 268 toe te passen.

De vraag of dit ook liet geval kan zijn, zoo do valsclie aangever of aanklager zich zelf in zijne aangifte of klacht beschuldigt, dient ontkennend beantwoord te worden, daar niet „een bepaald persoonquot; steeds een derde bedoeld wordt. Bovendien kan men niet aannemen dat iemand tegen zich zelf kan plegen een delict als het hier bedoelde.

Wat zal liet gevolg zijn van beschuldiging van een gefingeerden dader, d. w. z. oen niet bestaand persoon? Ook hier is art. 268 niet van toepassing. Zal dit geval dan straffeloos zijn? Ter beantwoording van die vraag verwijs ik naar art. 188, welk artikel natuurlijk eerst dan, doch ook dan alleen toepasselijk is, zoo do beschuldiging betreft een strafbaar feit. Gelijk wij zullen zien is het delict van art. 268 een klachtdelict en wie zou hier de gerechtigde zijn tot klagen ? Niemand, want de quasi-dader bestaat niet.

Het is hier tevens de plaats dat art. 188 nader te bespreken. Do wetgever hoeft hier een geheel nieuw artikel, let wel ngeen nieuw delict^ gecreëerd, \'t welk uiterlijk veel overeenkomst heeft met art. 268, doch in strekking daarvan hemelsbreed verschilt.

Do aanleiding hiertoe was het volgende: Onder de werking van den C. P. was de vraag dikwijls gerezen of art. 373 geen tweeledig karakter bezat nl. of het niet te beschouwen was als behooronde tot de groep „ Beleedigingquot; en tevens als delict tegen het openbaar gezag. Voor beide mecningon viel ongetwijfeld veel te zeggen, alhoewel do plaatsing van het artikel in liet Wetboek nopen zou tot de eerste meening over te hellen. Ook in de praktijk hield men zich aan deze opvatting, en beschouwde het als een

-ocr page 23-

11

species van laster, aan bizondere voorwaarden gebonden \'). De beginwoorden van art. 374 geven alle redenen om tot deze conclusie te komen: nadat in art. 373 de dénon-ciation calomniense is behandeld, volgt hier direct: „ dans tons les cas (hetgeen slaat op de voorgaande artikelen) le calomniateur sera.... etc.

Men stelle nu het geval dat iemand opzettelijk de justitie eens wil misleiden, haar noodeloos opsporingen wil laten doen, door middel van eene valsche aangifte tegen een bepaald persoon, terwijl hot hem onverschillig is en hij er zelfs niet aan gedacht heeft of die persoon daardoor benadeeld kon worden.

Ongetwijfeld zal hier art. 373 moeten worden toegepast; want te vergeefs zou men een artikel zoeken waarin de elementen van dat delict vollediger worden genoemd, en toch wordt op deze daad dezelfde straf gesteld als op de opzettelijk valsche aangifte, gedaan met liet doel om iemand in zijn eer te krenken. Wij hebben hier alzoo twee delicten, die in wezen zeer verschillen; heeft bij het eerste het bedriegelijke element de overhand, bij het tweede praevaleert het beleedigende, en vandaar juist de moeilijkheid in het toepassen van straf.

Evenmin als de fransche wetgever is de duitsche er in geslaagd eene scheiding tusschen die twee op zich zelf staande delicten tot stand te brengen; vandaar dat ook bij de Duitschers dezelfde vraag zich voordoet. „Die falsche Anschul-digung erscheint bald als Irreführung der Rechtspüoge, bald als qualifizierte Verleumdung, bald als ernste Gefalir-dung der Rechtssicherheit des Einzelnen,quot; zegt v. Liszt. 1) Dewijl de Duitsche wet echter het delict niet bij „Belee-

1

) Lehrbuch des Deutschen Strafrechts 1884 S, 583

-ocr page 24-

12

digingquot; behandelt, doch liet mot „die Eidesdelictequot; en „die Religions ver goh enquot; in eon afzonderlijken titel vereenigt, zal men hier niet tot dezelfde conclusie kunnen komen als voor den C. P. Men schijnt het delict dan ook als eene handeling tegen „die Rechtspflegequot; te beschouwen, alhoewel sommige elementen er toe zouden leiden om het als een soort van Verleumdung te beschouwen.

Terwijl nu die moeilijkheid zoowel bij onze naburen als in ons eigen land bestond, heeft onze wetgever twee afzonderlijke artikelen geredigeerd, het ééne (art. 188), wakende tegen misleiding der justitie, en hot andere (art. 268) ten doel hebbende de eer en den goeden naam der individuen te beschermen tegen aanvallen van derden door middel van eene opzettelijk valsche aangifte of klachte. Bij vergelijking der beide artikelen ziet men reeds dadelijk, dat in tegenstelling met art. 2G8 in art. 188 niet van een bepaald •persoon gesproken wordt; alzoo is het voldoende tot toepassing van dit artikel zoo iemand slechts aangifte doet dat een moord is gepleegd in den afgeloopen nacht daar en daar, mits de aangever natuurlijk wete dat het feit niet waar is. Zeer terecht is zulk eene aangifte strafbaar gesteld, want het gevaar voor anderen, de benadeeling van den staatsdienst, al hetwelk hiervan het gevolg zijn kan, en het opzet des daders zijn gewichtige punten, die hier niet mogen worden over het hoofd gezien en alleszins do strafbaarstelling rechtvaardigen. De wetgever schijnt tevens de meening toegedaan dat dit delict in het algemeen niet die onberekenbare gevolgen zal kunnen hebben als het delict van art. 268, \'t geen blijkt uit de maxima der straffen op beide delicten gesteld. Stelt toch art. 268 als hoofdstraf ten hoogste drie jaar gevangenisstraf benevens eene facultatieve bijkomende straf, art. 188 stelt slechts als maximum één jaar gevangenisstraf.

-ocr page 25-

13

quot;VVat deze laatste straf betreft, to lioog is ze zeker uiet gestold, want alhoewel liet opzet van den dader er niet op gericht behoeft te zijn, een onschuldige kan allicht de dupe van het delict worden.

Ik zal bij de verdere behandeling van art. 268 nog gelegenheid hebben op andere verschilpunten met art. 188 te wijzen.

Alvorens van dit punt af te stappen, wil ik nog even ter sprake brongen het reeds genoemde Oostenrijksche ontwerp-strafwetboek.

In § 173 en § 174 vinden wij daar eene nagenoeg gelijksoortige behandeling van die delicten als bij ons in de artt. 188 en 268, alhoewel ze bij elkaar worden behandeld; §173 behandelt de „falsche Anschuldigungquot; ten opzichte van een bepaald persoon, terwijl § 174 aanvangt mot de woorden: „AVer auszer dom Falie dos § 173quot;... . Dit delict bestaat dus eerst dan wanneer de bizondere elementen van § 173 (waaronder de beschuldiging van een bepaald persoon) niet aanwezig zijn.

Wat de plaatsing dezer delicten in de strafwet betreft, ziet men, dat onze wetgever het meest juiste standpunt heeft ingenomen, alhoewel hot Oostenrijksche Ontwerp ons op dit punt al zeer uabij komt.

Mij blijft hier nog één punt ter bespreking over in verband met den bepaalden persoon, nl. de vraag: Wat zal het gevolg-zijn, zoo in de aangifte of klachte meerdere personen zijn genoemd? Onder den C. P. kon deze vraag niet voorkomen, daar art. 373 zegt: „Quiconque aura fait centre un ou plusieurs individus.. . quot;. Wordt dus één of worden meerdere personen genoemd, het delict blijft hetzelfde en de straf evenzoo.

Wat zal onder viguour van onze wet nu moeten worden aangenomen in zoodanig geval? Stellen wij bijvoorbeeld, dat iemand opzettelijk bij de justitie eene valsche aangifte

-ocr page 26-

14

doot, dat de bestuurders eener naamlooze vennootschap zich wederrechtelijk gelden van die vennootschap hebben toege-eigend. quot;Wie is dan de bevoegde tot klachtindiening ? Ieder der bestuurders is ontegenzeggelijk bevoegd een strafvervolging tegen den beschuldiger uit te lokken.

Hier zal zich een geval van samenloop voordoen, waarin ons strafwetboek, helaas! niet voorzien heeft, namelijk de ééndaadsche samenloop van gelijke delicten, waaronder wij verstaan het geval dat door eene handeling meermalen dezelfde norm wordt overtreden.

Zonder verder over den samenloop in beschouwingen te treden, wil ik slechts mededeelen dat m. i. (en zoo ik mij niet vergis is dit ook de opvatting van meer bevoegde beoordeelaars) in zoodanig geval art. 55 lid 1 analogisch zal moeten worden toegepast.

Het feit.

Na de behandeling van den persoon die beschuldigd is, moet nu het feit worden besproken, waarvan hij beschuldigd is. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat eene aangifte of klachte onbestaanbaar is, zoo zij niet inhoudt de vermelding van eene zekere gedraging van een derde, van welken aard die ook zij. Wat is nu echter noodig opdat zij strafbaar zij, m. a. w. van welken aard moet het te laste gelegde feit zijn ?

Ik wil hier, alvorens dit punt nader toe te lichten, wijzen op de tegenstelling van art. 188, waar van een strafbaar feit gesproken wordt, met art. 268, waar ver-eischt wordt dat het feit van dien aard moet zijn dat de eer of goede naam van den daarvan beschuldigde wordt aangerand. Hieruit volgt reeds vanzelf dat art. 268 een uitge-gebreider groep van handelingen omvat dan art. 188.

-ocr page 27-

15

Groot verschil liccrscht cr op dit punt, nl. over den aard van het feit, in verschillende wetgevingen, en juist bij de bespreking van dit element zal duidelijk het verschil aan den dag komen tusschen onze wet en den C. P. Do herinnering aan art. 373 C. P., de woorden „lasterlijke aanklachtquot;, de plaatsing van het artikel kort na „de lasterquot; zoudeu ons allicht tot het dwaalbegrip doen overhellen, om bedoeld delict als een species van laster te beschouwen. Het is waar gt; beide delicten hebben enkele elementen gemeen, doch dit neemt niet weg dat men zich wachten moet voor die valsche meening. Bespreken wij eerst de vraag: Hoe regelde de C. P. dit? Art. 373 spreekt alleen van „une dénonciation calom-nieusequot;, waardoor men genoodzaakt was tot nader begrip zijn toevlucht te nemen tot art. 367, waarin de calomnie wordt behandeld. Tot het wezen van calomnie wordt ver-eischt te laste legging van „des faits, qui, s\'ils existaient, exposeraient celui, centre lequel ils sont articules, a des pour-suites criminelles ou correctionnelles ou même l\'exposeraient seulemcnt au mépris ou a la haine des citoyens.quot;

Uit onderscheiden arresten blijkt, dat men onder des fails verstond des fails précis, d. w. z. dat de daad zoodanig gepreciseerd of bepaald aangeduid moet zijn, dat niet alleen de soort van de daad blijkt, maar ook welke bepaalde daad van die soort is bedoeld\'). Alzoo vorderde art. 373 dat een bepaald feit moest zijn te laste gelegd.

Geheel anders regelt de Duitsche wet dit punt, die niet spreekt van een feit dat iemands oer of goeden naam aanrandt, maar zegt: het feit moet betreffen die Verletzung einer Amts-pjiicht oder die Beg el tuur/ einer strafbaren Handlung. De wetgever stelt hier dus een engere grens aan den aard van

\') Zie o. a. arrest H. R 23 Juni 1840, bij v. u Honekt IH, § 173 blz. 263. id 27 Febr 1844 in N R XVIL n0. 47, blz. 200.

-ocr page 28-

16

het feit; en de rechter zal hier niet do in vele gevallen moeilijke qnaestie te beslissen hebben of oen zeker feit iemands eer aanrandt, gelijk onder den C. P. en ook bij ons wel het geval is. „Die Begohung einer strafbaren Handlungquot; reikt natuurlijk niet verder dan die handelingen, welke de strafwet strafbaar stolt, en „Amtspflichtequot; kunnen alleen ambtenaren golden in hun functie; § 164 dezer wet wordt door deze bepaling dus zeer beperkt in hare toepassing.

Een groot verschil hiermede levert art. 268 van onze wet, dat aanleiding geeft tot eene meer uitgebreide toepassing. De verwantschap met het misdrijf „lasterquot; laten wij geheel varen, waartoe de M. v. T. op bedoeld artikel ons reeds aanspoort. Wij lezen aldaar, dat de benaming „lasterlijke aanklacht\'\'\'\' behouden is als qualificatie \'), zonder dat evenwel de ■elementen van laster aanwezig zijn. Een punt van overeenkomst vinden wij niettemin in den aard van het geïm-puteerde feit. Het artikel zegt immers dat de eer of goede naam van een bepaald persoon moet zijn aangerand. Wolk eene menigte philosophische theoriën zijn niet reeds verkondigd over het begrip „eerquot;, juist in verband met hot strafrecht. Niet zoozeer bij dit delict als wel bij do boleediging in het algemeen is dit punt herhaalde malen ter sprake gekomen, en de jurisprudentie betreffende dat enkele woord is dan ook zeer uitgebreid, hetgeen zich gemakkelijk laat begrijpen uit hot bijna dagelijks in de praktijk voorkomen van beleedigingsprocossen. Zonder iu leerstellige beschouwingen over dit punt te treden of verschillende bestaande theoriën op te sommen, mag ik toch dit punt niet geheel onaangeroerd laten, dewijl juist die eeraanranding in het delict van art. 268 eene belangrijke rol speelt.

Eer is een rechtsgoed welks ongeschonden behoud ieder

\') Zie Mr. H J. Smidt : Gesch. v. h. AVb v Str dl. II, blz. 396

-ocr page 29-

17

monsch het hoogste belang inboezemen moet. Vaste grenzen te stellen hoever iemands eer reikt in liet algemeen is ondoenlijk, daar die veelal afhankelijk zullen zijn van opvoeding , leeftijd, maatschappelijke positie of gedragslijn, zoodat die voor elk individu zullen afwisselen. Is het in theorie aan te nemen dat iedereen vrij weg zijne gedachten mag openbaren over personen en zaken, zonder daarvoor strafbaar te kunnen zijn, in de praktijk, het werkelijke leven, gaat dit niet aan, en wel hierom: Wanneer A. bv. tegen B. kwaadspreekt van C., behoeft B. dit niet te ge-looven zonder overtuigende bewijsstukken; de menschechter is nu eenmaal geneigd eerder het kwade dan het goede van zijn medemenschen te gelooven; ware die daad van A. nu niet strafbaar, dan zou hij gerust alle mogelijke laakbare daden van anderen kunnen vertellen, hetzij die waar of onwaar zijn; dit nu is niet bestaanbaar in eene welgeordende maatschappij. De Staat moet zorg dragen dat de eene burger niet door den ander in zijn eer gekrenkt kan worden; hot eenige middel, hetwelk de Staat liiertoe kan aanwenden, is het toepassen van straf op den bedrijver van zulk eene daad.

Wat staat hier echter tegenover? De groote moeielijk-heid, hoever de Staat mag gaan in dat strafPen. Moet men voor elk woord, ten nadeele van een ander geuit, voor elke aanmerking op iemands gedrag, strafrechtelijk vervolgbaar zijn ? Dit kan niet, want de samenleving zou op die wijze onhoudbaar worden. Do groote moeilijkheid voor den wetgever is dus juist vast te stellen hoever de Staat mag en moet gaan, om de eer der individuën te beschermen tegen wederrechtelijke aanrandingen. Hij kan echter geen omschrijving geven waar de eer ophoudt en vandaar moet deze quaes tic in elk concreet geval aan de prudentie van den oordeelenden rechter worden overgelaten, hetgeen ten gevolge heeft dat de wisselende inzichten van verschillende rechters

2

-ocr page 30-

18

steeds eene uitgebreide jurisprudentie zullen verschaffen.

quot;Wat betreft de woorden „fjoede naamquot;, welke wij in titel XVI telkens met „eerquot; verbonden aantreffen, hierover veroorloof ik mij het oordeel van Mr. Simons 1) aan te halen, hetgeen ook mij voorkomt de eenige oplossing te zijn, welke mogelijk is, van de vraag: wat liet verschil is tussclien eer en goeden naam. In het voorbijgaan zij opgemerkt dat deze quaestie bij de behandeling van het Wetboek in de kamers niet tor sprake is gekomen, zoodat daar geen licht te vinden is.

„Zoo er werkelijk eenig verschil bestaat,quot; aldus Mr. S. t. a. p., „dan zal dit hierin moeten gelegen zijn, dat bij do „uitdrukking „r/oecle naamquot; meer de aandacht er op geves-„tigd wordt, dat de gedachteopenbaring van beleedigenden „inhoud ook anderen er toe zal leiden den beleedigde do „erkenning te onthouden van zijn zedelijke waarde, terwijl „bij liet begrip „eerquot; er alleen op wordt gelet, dat de bc-„leediger door zijne handeling, onafhankelijk van den lt;je-„maulden of te maken indruk, reeds aan de rechtmatige „rechten van den beleedigde heeft te kort gedaan.quot;

Zoo deze de ware onderscheiding is, zal men moeten aannemen dat degeen, die opzettelijk iemands goeden naam aanrandt door middel van eene valsche aangifte, zwaarder behoort gestraft te worden dan hij, die slechts iemands eer op die wijze aanrandt. -)

Na de beschouwing van het Pransche, Duitsche en No-derlandsche recht kunnen wij nu deze conclusie trekken: Onze wet verdient de voorkeur boven de beide anderen:

\') D Simons acad. proefschrift getiteld: „Vrijheid van drukpers in verband met het W v. Squot; 1)1/. 175 Leiden 1883. \'

2) Over het begrip „oerquot; leze men o. a. Abhandlungen aus dera Strafrecht von v. Buiu Gieszen 18C2

-ocr page 31-

19

deze beide eischen een bepaald feit, onze wet niet. Wat is het gevolg nu van dit verschil? Hoevele laakbare daden zijn er niet, welke men iemand kan te laste leggen en waardoor diens eer wordt aangerand, zonder dat die juist onder de termen der strafwet of onder schending van ambtsplichten behoeven te vallen? en dit juist straft onze wet in tegenstelling met do Duitsche.

Het verschil met de Franscha wet zit hierin dat onze wet geen bepaald feit eischt, en de fransche wel.

Autoriteit aan wie de aangifte of klachte moet gedaan worden.

Opdat de aangifte of klachte strafbaar zij, eischt art. 268 dat zij bij do overheid moet zijn ingediend; zeer terecht wijst de wet hier eeno zekere autoriteit aan, die de aangifte of klachte moet hebben aangenomen, want het laat zich gemakkelijk begrijpen wat het gevolg zou zijn van zulk eene aangifte aan een particulier gedaan. Zulk eene aangifte zal immers niet zoo licht het door don valschen aangever ge-wenschte gevolg hebben als eeno, aangebracht daar ter plaatse, waar dat gevolg onvermijdelijk zal zijn; of om dit met een voorbeeld op te helderen: Eeno beschuldiging van een burgemeester, in oen brief aan oen particulier medegedeeld, zal niet direct hetzelfde gevolg hebben en misschien zelfs nooit hebben (wanneer die persoon den brief verscheurt) als zulk eeno beschuldiging bij den gemeenteraad aangebracht _ Deze zal, zoo de beschuldiging bijvoorbeeld betreft eene ambtsovertreding, gaan onderzoeken wat daarvan waar is en al blijkt later dat de aangifte valscli was, de verdenking van zoodanig persoon kan hem reeds genoeg bonadeclen; niet het minst zal dit ook het geval kunnen zijn mot handelslieden, bij wie hot crediet een voorname factor van hun bestaan is.

-ocr page 32-

20

In eene aangifte bij de overheid straalt alzoo eenc zekere vermotcllioid door, daar de dader hierbij meestal zeker kan zijn dat zijn daad niet zonder gevolg blijven zal.

Is dat woord „overheidquot; helder, zoodat daaromtrent geen twijfel kan voorkomen, wie daaronder begrepen zijn?

Onze wet wijkt hierin af van den C. P., die wil dat de klacht zij aangebracht „aux officiers de justice ou de police administrative ou judiciairequot;. Een uitgebreide groep van personen voorwaar, welke men nog had willen aanvullen met de woorden „soit au (joiweniemenV\\ welke echter na breedvoerige discussiën in de Vertegenwoordiging van Frankrijk geschrapt worden \'). Do eerste woorden „officiers de justicequot; gaven geen aanleiding tot verschil van meening; de laatste „officiers de police administraiive ou judiciairequot; echter wel.

De jurisprudentie gaf er een zeer uitgebreide beteekenis aan en begreep er onder niet alleen de eigenlijk gezegde justitieele macht, maar allen, die in openbare betrekkingen ook van administratieven aard, een zekere macht over hun ondergeschikten uitoefenen en die, misleid door eene valsche aangifte, er toe gebracht kunnen worden een onschuldige door ontslag of een andere wijze van tuchtiging te straffen. Eene opsomming van die aldus bevoegd verklaarde autoriteiten vindt men bij verschillende Fransche schrijvers, als Blanche, Chassan, Chauveau et Hélie.

De Duitschers zijn in de keuze van een juist woord voor die autoriteiten al niet gelukkiger geslaagd. Slaat men verschillende schrijvers na, dan ontdekt men ook daar strijd over de beteekenis van het in § 164 voorkomende woord „Behördequot;; dat is hier de autoriteit, bij wie de klacht moet

\') Blanche, Etudes sur le C. P. Paris 1861. art 373 C. P.

-ocr page 33-

21

zijn gedaan. Rubo \') meent dat liet woord „Amtspflichtoquot; (zie liet artikel) duidelijk aantoont, dat niet alleen Staats-, maar ook Privatbehörde bedoeld zijn, dewijl de wetgever Mor geen onderscheid maakt in do soort van beambten, gelijk hij wel doet in andere artikelen, b.v. § 33.

Hiertegenover staat weder een uitspraak van liet Ober-tribunal te Urtel, d.d. 12 April 1877, waarbij beslist werd dat „ Behördequot; slechts een orgaan van don Staat be-teekent en alzoo eene private spoorwegmaatschappij geen Behörde is volgens § 164.

De Belgische wetgever heeft dergelijke vragen willen voorkomen en spreekt kortweg van „l\'autoritéquot;. In een rapport van M. IIaüs 1) lezen wij hieromtrent: Le législateur ne doit pas seulement avoir en vue les dénonciations dont parlo le Code d\'instruction criminelle, il doit punir toute dénonciation calomnieuse faite par écrit a une autorité quel-conque civile, militaire ou ecclésiastique.

Ook onze wetgever heeft de vele woorden van don C. P. vervangen door één, dit is nl. de Overheid. Men moet hier-

O \'

onder niet alleen de justitieele overheid verstaan, maar ook de administratieve, en wel om deze redenen:

1°. Gesteld dat iemand aangifte doot bij de justitie van een feit, een administratief vergrijp door een zeker persoon gepleegd, en hetwelk niet strafrechtelijk vervolgbaar is. De justitie zal die kennisgeving ter zijde leggen als behoorende niet tot hare competentie, en het opzet van den dader zou zijn doel missen. quot;Wordt die aangifte gedaan bij do administratieve autoriteit, die een zekere macht heeft over den valsch beschuldigde, dan zal de dader zijn doel wel bereiken en zal hij ook strafbaar zijn.

1

) Medegedeeld door NvrEi.s, III. blz 268.

-ocr page 34-

22

De klachte of aangifte moet alzoo bij de hevoeyde autoriteit zijn gedaan opdat ze strafbaar zij.

2°. In art. 188 wordt van geen overheid gesproken, doeli wel van ecne strafbare daad; en waar zal men aangifte doen van eene gepleegde strafbare daad? Immers bij de justitie of politie alleen. Had de wetgever dit ook voor art. 268 willen bepalen, dan had hij liet woord overheid kunnen weglaten en alleen zeggen: Hij die een valsche aangifte.... inlevert. Hierin ligt dan eo ipso opgesloten hij de hevoecjde macht, d. i. de justitie of politie gelijk boven.

3°. Ook taalkundig beschouwd komen we tot dezelfde conclusie. Wij vinden in het Nederlandsche woordenboek: overheid = personen of lichamen, aan welke liet openbaar gezag in stad of land is toevertrouwd. Hieronder valt dus ook de administratieve overheid, zooals do commissaris des konings en de gemeenteraad.

Het is voorwaar niet onbelangrijk zekerheid te hebben omtrent den zin van een bepaald woord, gelijk hier het geval is, daar de al of niet toepasselijkheid van liet artikel daarvan kan afhangen. De M. v. T. geeft ons omtrent dit punt geen licht en daarom wilde ik dit meer in het bizonder nagaan.

Thans zijn wij gekomen tot de laatste en niet de minst belangrijke elementen van het delict, nl.

Dc valschMd der aangifte of klachte en het opzet.

Dezo beide elementen staan in nauw verband met elkaar, in zooverre dat het opzet, behoudens op do andcro ele-menten, wol hot allereerst op de valsch-, onwaarheid van hot aangegevenc moet gericht zijn.

-ocr page 35-

23

Het is niet .alleen voldoende dat het opzet gericht is op de valsehheid, m. a. w. dat de aanklager meent dat de klacht valsch is. Neen! de klacht, het daarin vervatte feit, moet op zichzelf onwaar zijn, het moet in strijd zijn met de werkelijkheid; derhalve zal iemand, mcenende eene valsche aanklacht te doen, welke echter blijkt waarheid te bevatten, niet strafbaar zijn volgens art. 268, al is zijn opzet op de onwaarheid gericht.

Ons artikel plaatst, evenals do artikelen van smaad en eenvoudige belecdiging, hot woord „opzeftelijhquot; voorop, waaruit al dadelijk volgt, dat culpose volvoering van het delict niet strafbaar is, alhoewel men zich die zeer wel denken kan ; we stellen slechts het geval: Iemand doet al te lichtvaardig aangifte van een niet gepleegd feit, mcenende dat het werkelijk geschied is en hij mitsdien zedelijk verplicht is er kennis van te geven aan de justitie; hij blijft straffeloos, want art. 268 is niet toepasselijk, evenmin de artikelen van smaad en laster, daar cr van geen opzet sprake is. Zeer terecht heeft de wetgever dit aangenomen; want, wat zou het gevolg zijn van strafbaarstelling eener culpose valsche aanklacht? Het Wetboek van Strafvordering (art. 12) legt ieder die kennis draagt van een gepleegd strafbaar feit, de zede-Ijjkc (let wel, niet de gerechtelijke) verplichting op daarvan aangifte te doen bij het bevoegd gezag. Veronderstellen wij nu, dat iemand een misdrijf is ter oore gekomen, hetwelk door een zeker persoon gepleegd zou zijn; zal hij het dan niet liever verzwijgen, dan zich een mogelijke strafvervolging op don hals halen wegens valsche aangifte, indien later blijken mocht, dat die bedoelde persoon niet aan dat misdrijf schuldig is? Ware culpose valsche aangifte nu strafbaar, dan zou hij, de aangever, zonder eenigen twijfel strafbaar zijn, daar hehoudois het opzet alle elementen van het delict van art. 268 in zijn daad liggen opgesloten.

-ocr page 36-

24

Is do aangifte, zooals ik roods zoido, voor hot publiek in liet algemeen slechts eeno moreelo verplichting, moeilijker en gevaarlijker zou do taak der openbare ambtenaren zijn, die ■wettelijk verplicht zijn dadelijk kennis te geven aan het O. M., wanneer zij in de uitoefening van hunne betrekking kennis hebben bekomen van een gepleegd strafbaar feit.

En wat zou nu hot gevolg zijn van die strafbaarstelling? De kans tot ontdekking van sommige verborgen delicten zou veel geringer zijn dan thans het geval is.

Volkomen terecht zogt een Duitsch jurist \'): Hoo groot de nadeolen eenor culpose valsche aangifte ook kunnen zijn, de wetgever moot er wel op bedacht zijn, dat door strafbaarstelling daarvan, do neiging om aangiften te doen, die tegenwoordig toch al zoo gering is, nog meer zou verminderen.

Het feit, zooals het in de aangifte vermeld staat, moet, gelijk wij reeds zagen, absoluut onwaar zijn en hierbij komt een belangrijk punt ter sprake, hetwelk hier gcree-delijk eene plaats kan vinden. Hot geldt n.1. de vraag: of het geen noodzakelijk vereischte is, dat, alvorens er van eene strafvervolging wegens lasterlijke aanklacht sprake kan zijn, definitief uitgemaakt zij dat do klacht (het feit) onwaar is! m. a. w. Vordert dit geen praejudiciëel onderzoek? Onder den C. P. was dit in dien zin uitgemaakt dat dat voorafgaand onderzoek een conditio sine qua non was voor de mogelijkheid om art. 373 op den dader toe te passen \'-) en ten gevolge van deze opvatting nam men ook aan dat do rechter , die over de lasterlijke aanklacht moest oordeelen, e e n i g-1 ij k en alleen tot grondslag van dit oordeel mocht uoinen de

\') Docnow.

2) Aldus l) v. een arrest van het Hof te Leeuwarden van 24 Mei 1878 (W, v. h. R. n0. 4803).

-ocr page 37-

25

beslissing, door don compotontcn rechter omtrent de prae-judiciëele quaestie gegeven \'). Niettemin kwamen er uitzonderingen voor; bijv.: wanneer de dader bekent, wanneer hij zelf direct verklaart dat het feit onwaar is, in zoodanig geval was natuurlijk geen onderzoek vooraf noodig.

Deze was alzoo de meest aangenomen opvatting, waarbij uitgemaakt word dat art. 372 op art. 373 van toepassing was, hetgeen in overeenstemming is met liet toen geldend gevoelen dat do lasterlijke aanklacht eigenlijk een onderdeel van de laster is. Hoe nu te oordeelen over onze wet?

Wij moeten m. i. tot ecne andere conclusie komen; wanneer wij do vraag stellen: moet men bij ons artikel 265 toepassen op art. 2G8, b. v. wat die schorsing (in n0. 3) betreft? dan zal men moeten antwoorden „Neenquot; en dat wel om deze redenen:

ten eerste: omdat in art. 265 met name van „lasterquot; wordt gesproken: en de M. v. T. op art. 268 waarschuwt ons juist tegen verwarring of gelijkstelling van laster met lasterlijke aanklacht waartoe de benaming van laatstgenoemd delict ons zoo licht zou brengen;

ten Ureede: omdat de wetgever bekend was met de quaestie hierover onder den C. P. ontstaan; had hij nu gewild dat art. 265 ontwijfelbaar van toepassing zou zijn, dan zou hij de plaatsing der artikelen zeker anders geregeld hebben: bovendien doolt „het te laste gelegde feitquot;, waarvan art. 265 telkens spreekt, op een bepaald feit n.1. dat, waarvan in de vorige artikelen gesproken wordt, en art. 268 eischt geen hepaald feit:

Hoe zal nu de loop van de procedure zijn? Do valsche aangever wordt vervolgd op klachte; hem staan nu twee

\') De H. R. besliste dit bi] verschillende arresten als die van 9 Jan. 1849 en 12 Febr. 1850 enz.

2*

-ocr page 38-

26

wegen open om de straf te ontgaan: lijj moet óf kunnen bewijzen cnlpoos gehandeld te hebben, en dan wordt hij ontslagen van rechtsvervolging, óf hij moot de waarheid van het aangegeven feit aantooncn en dan wordt hij vrijgesproken. Is hij, wat die bewijslevering betreft, gebonden aan de beperking van art. 263 ? Evenmin als art. 265 zal ook dit artikel mogen worden toegepast; het blijft beperkt tot do laster.

quot;Wanneer de valsche aangever zelf erkent dat liij willens en wetens een onwaar feit heeft aangegeven, is do taak van den rechter zeer gemakkelijk; evenzoo wanneer de aangifte een strafbaar feit inhoudt en de Officier v. Justitie» reeds vóórdat do beleedigde zijne klacht hoeft ingediend, een onderzoek naar dat feit hooft gedaan en bemerkt dat het onwaar is. Dan kan de rechter het resultaat van dat onderzoek als een bewijs aannemen.

In de meeste gevallen zal de taak van den rechter moeilijker zijn nl. wanneer het opzet niet dadelijk bewezen kan worden.

We hebben reeds gezien dat het opzet niet alleen op de onwaarheid van het feit gericht moet zijn, maar op alle elementen van het delict; alzoo ook op de aanranding van de eer of den goeden naam. Hierin vinden we eene overeenkomst met smaad.

Evenals dit delict is de lasterlijke aanklacht een formeel delict, waarmede bedoeld wordt, dat hot delict voltooid is door en met do enkele handeling van den dader, zonder dat de gevolgen in aanmerking komen: het is zelfs onverschillig of hot delict de door den dader verwachte gevolgen heeft of niet; het delict van art. 268 is dus voltooid, zoodra de aangifte of klachte ter plaatse is gedaan; alzoo blijft het aangeven van iets hova ficlc, gevolgd door mala fides (supor-veniens), straffeloos of m. a. w. wanneer iemand meent een

-ocr page 39-

27

waar feit aan te geven on liij, later tot de overtuiging komende dat liet onwaar is, bij zijn aangifte persisteert, en niet tracht die te vernietigen, valt hij toch niet onder art. 268; do mogelijkheid zal dan bestaan dat hij wegens smaad gestraft wordt daar voor smaad geen vereischte is dat het feit waar moet zijn; daartoe moet dan natuurlijk de animus injuriandi aanwezig zijn.

Uit het te voren gezegde, nl. dat het delict oen formeel delict is, volgt nog, dat voor do strafbaarheid hot oogmerk van den dader niets ter zake doet. Ook de motieven blijven hierbij geheel buiten rekening; deze kunnen goed of slecht zijn; daarmede houdt de wetgever geen rekening; bij het opleggen van straf in een concreet geval zal dit punt echter wel in aanmerking genomen moeten worden, gelijk we hierna zullen zien.

Eene vraag, die niet van belang ontbloot is, is deze: of do lasterlijke aanklacht een klachtdelict is. Is dit niet zoo, dan zal zij natuurlijk ambtshalve door het O. M. vervolgd kunnen worden. Ouzo vorige wetgeving liet beide opvattingen toe, waartoe de meermalen genoemde bizondere inrichting van art. 373 C. P. aanleiding gaf. Do Belgische strafwet maakt er absoluut geen klachtdelict van; dit lezen wij bij Nypels , waar hij spreekt over de delicten smaad en laster: „Los „delits d\'injure ou de \'calomnio, commis par la voie de la „presse, ne pourront ótre poursuivis que sur la plainte de „la partie calomniéo ou injuriéequot;; en dan lezen wij even verder: „pour ce qui concerne la dénonciation calomnieuse, „la poursuite peut toujours avoir lieu d\'office.quot;

Wat nu onder onze wet hiervan te zeggen? Do scheiding dor twee, in art. 373 C. P. vereenigde, delicten in twee afzonderlijke artikels, heeft voor ons de quaestie eenigzins veranderd. Toch bestaat er voor ons eene moeilijkheid: De

-ocr page 40-

28

oplossing van de vraag, welke het hier geldt, hangt af van eeno andore nl.: Hooft de wetgever het delict als een onderdeel van „boleedigingquot; hoschouwd of niet? Het opschrift van titel XYI in aanmerking nemende iu verband met do plaatsing van art. 269 (waarin gezegd wordt, dat heloediging krachtens dozen titel alleen op klachto vervolgbaar is) na art. 2G8, zouden wij deze vraag met „jaquot; moeten beantwoorden, alhoewel de elementen van smaad of laster niet allen aanwezig zijn. De schijnbare tegenstelling tusschen artt. 268 en 261 als zou in art. 268 „een bepaald persoonquot; en in 261 met viemandquot; geen bepaald persoon bodoold worden, vervalt, door er op te wijzen dat art. 268 dit vereischte stolt in tegenstelling met art. 188. Dit element is dus voor smaad en lasterlijke aanklacht hetzelfde. Hier tegenover staat echter ecu groot verschil tussehen beide delicten, nl. dat bij laatstgenoemd delict het opzet niet alleen op eeraanranding gericht moet zijn (zooals bij het eerstgenoemde) doch wel in do eerste plaats de onwaarheid van hot aangegovene moet beoogon; niettemin heeft de wetgever blijkbaar den bijkomenden dolus, om een bepaald persoon in zijn eer te krenken, van zoo overwegenden aard geacht dat hij er een klachtdelict van maakte.

Wat don verjaringstermijn van de klacht betreft, zoo zal de beleedigde dus gebonden zijn aan de termijnen in art. 66 W. v. S. vastgesteld. De verjaringstermijn van het delict zelf is volgens art. 70 id. drie jaren, zoodat, wanneer do beleedigde eerst 3 jaron na het plegen van het delict, ervan kennis krijgt, zijn klaagrecht verloren is, daar die termijn van art. 70 loopt onafhankelijk of hot delict oen klachtdelict is of niet.

Afgescheiden van deze quaestiën, kan het voorkomen, dat de beleedigde geen vervolging provoceert, indien het delict hom bekend is en do dader toch vervolgd wordt.

-ocr page 41-

29

n.1. in geval een valsclie aangifte van een door een bepaald persoon gepleegd strafbaar feit bij de justitie is gedaan, doch ook alleen in zoodanig geval, dan zal het O. M. in enkele gevallen ambtshalve kunnen vervolgen krachtens art. 188; hiertoe is echter noodig dat, ofschoon de elementen van art. 268 voorhanden zijn, de bedoeling van den dader ook gericht was op misleiding der justitie: een geval dusvanéén-daadsche samenloop van verschillende delicten (art. 55).

Een ander geval van samenloop is nog gemakkelijker denkbaar, n.1. tusschen art. 268 en 261.

Wanneer het delict van art. 268 bovendien de elementen van smaad bezit (t. \\v. een bepaald feit en de dader moet hot doel gehad hebben ruchtbaarheid te geven aan liet geincri-milieerde feit), dan zal toch art. 268 worden toegepast, daar dit de handeling het juist omschrijft. Mocht do beschuldigde valsclie aangever echter worden vrijgesproken, omdat b.v. het opzet uiet voldoende bewezen is, dan vervalt voor den klager de bevoegdheid om nu een klacht wegens smaad in te dienen, krachtens don in ons strafrecht gehul-digden regel „non bis in idemquot; (zie art. 68 W. v. S.).

De straf.

Over dit punt kan ik kort zijn, daar het in verhand met ons onderwerp tceinig stoj tot bespreking oplevert. De tweeledige natuur van het in art. 373 C. P. omschreven delict was ontwijfelbaar van invloed op de in een concreet geval op te leggen straf. Voor ons is thans deze moeilijkheid vervallen door de opneming van art. 188 in Titel II Boek II, van ons wetboek. Is het voor de beslissing van de vraag, of het gepleegde feit onder art. 268 valt, den rechter niet geoorloofd de motieven, welke den dader tot volvoering daarvan geleid hebben, in aanmerking te nomen; ter bepaling van het quantum der

-ocr page 42-

30

op te leggen straf zal dit wel moeten geschieden, zal liij daarmede wel degelijk rekening moeten houdeu, en dat wel om deze roden:

Alhoewel het opzet op alle elementen gericht moet zijn, zal hot delict niet altijd met het uitsluitend doel gepleegd worden om een bepaald persoon te grieven, of nog erger, to bonadoolon: men stelle zich slechts voor het geval, dat een vader, om zijn kind voor straf te vrijwaren, een ander, onschuldige, gaat aangeven als don vermoedclijken dader van een zeker door zijn kind gepleegd delict. Men kan hier do gredachtenganff van dien vader samenvatten in de woorden:

o o o

„liever A dan B laten veroordeelenquot;.

Zonder eonigen twijfel is hier dus opzet aanwezig, doch verdient deze man dezelfde straf als hij, die slechts gedrongen door de hatelijke begeerte om iemand verachtelijk te maken in de oogen van het publiek, bij de justitie aangifte gaat doen, dat een zeker persoon oene onzedelijke en tevens strafbare daad heeft verricht? Voorzeker neen! het delict qua delict blijft in de boide gestolde gevallen hetzelfde, doch van moreel standpunt beschouwd, bestaat er tusschen beide een hemelsbreed verschil, hetwelk m. i. bij het opleggen van de straf, niet moet worden uit liet oog verloren.

Onze wet, als grondstelling aannemende, dat slechts een maximum straf voor elk delict moet vaststaan, waarboven do rechter nooit mag gaan (behoudens do drie wettelijke uitzonderingen natuurlijk, n.1. in geval van herhaling, samenloop en ambtsmisdrijven) stelt voor de lasterlijke aanklacht ten hoogste drie jaar gevangenisstraf als hoofdstraf. De C. P. stelde: écu maand tot een jaar en eene geldboete van 100 tot 3000 francs (dus bij ons 50—1500 guld). In art. 374 volgde dan nog eeno bijkomende straf, n.1. ontzetting van de in art. 42 C. P. genoemde rechten voor den tijd van 5 tot 10 jaar. Oorspronkelijk was deze straf onafscheidelijk

-ocr page 43-

31

verbonden aan de hoofdstraf, doch de wet van 29 Juni 1854 \') gaf den rechter de bevoegdheid deze al of niet toe te passen naar zijn goeddunken.

Zoo is ook de bepaling der Duitsche wet en van de onze-Wat deze laatste aangaat: al. 2 van art. 268 gaat niet zoo ver als de C. P., die toeliet ook het recht om voogd, bewindvoerder of curator te zijii te outzeggen. Deze zijn zuiver private rechten en in tegenstelling hiermede heeft onze wetgever den dader blijkbaar alleen onbevoegd willen doen verklaren tot het uitoefenen van zekere publiekrechtelijke bevoegdheden, te weten: de rechten genoemd in art. 28 nn. 1, 2 en 3. W. v. S.

De Duitsche wet geeft den valsch beschuldigde nog eene bevoegdheid, n.1. om op kosten van den veroordeelden valschen aangever hot vonnis bekend te maken op de wijze in dat vonnis vermeld. Ons strafrecht kent óók deze bevoegdheid in sommige gevallen toe, doch de artikelen in de wet moeten er bepaaldelijk op wijzen dat die openbaarmaking geoorloofd is; zie de artt. 309, 324 en 339 W. v. S. In art. 208 is dit niet bepaald, hetgeen ik wel te bejammeren vind, daar het juist bij een delict als het hiurbedoelde van groot gewicht kan zijn den dader voor liet publiek te ontmaskeren (wij denken bijv. aan liet door eene lasterlijke aanklacht geschokte vertrouwen van oen koopman); \'tis waar, de gerechtigde zal zulks kunnen doen zonder tusschenkomst van den rechter, door middel van advertenties in de nieuwsbladen, doch het publiek zal, zoo ik mij niet vergis, meer waarde hechten aan eene gerechtelijke bekendmaking op openbare plaatsen (als het gerechtsgebouw, de beurs en andere), dan aan een particulier bericht. Boven-

gt;) Stb. n0. 102.

-ocr page 44-

32

dien zou het ook rechtvaardig zijn, dat de kosten van die bekendmaking in dit geval op den veroordeelde drukten, daar het niet aangaat, dat de onschuldige, die in de oogen van het publiek reeds een misdadiger schijnt en daardoor finantiëel reeds genoeg benadeeld kan zijn, om zijn eigen onrechtvaardig geschonden eer te rehabiliteeren nog kosten zou moeten maken.

Opmerking verdient eene zekere overeenkomst in do, straffen, hoofd- en bijkomende, gesteld op lasterlijke aan-Jdacht en laster; de wetgever heeft waarschijnlijk ingezien dat beide delicten tot dezelfde gevaarlijke gevolgen kunnen leiden.

Ten slotte nog eene opmerking over het geval, dat de aangifte of klachte inhoudt een feit, gepleegd door een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner ambtsbediening. Onder de algemeene bepalingen van beleediging in titel XVI, behoort nu artikel 267, waar over die ambtenaren gesproken wordt. De bedoeling van dit artikel is dat de functioneele eer van den ambtenaar moet zijn aangerand; alzoo valt eene beleediging een veldwachter b. v., niet in functie zijnde, aangedaan, niet onder art. 267. Nu mag men liet zeer zeker zonderling achten, dat art. 267 vóór en niet na art. 268 geplaatst is, daar we thans moeten aannemen volgens de letter van do wet (het artikel verwijst immers uitsluitend naar de voorgaande artikelen) dat eene lasterlijke aanklacht tegen een ambtenaar in functie niet valt onder art. 267, en dientengevolge in zoodanig geval dezelfde straf moet worden opgelegd als in gewone gevallen.

-ocr page 45-

Art. 268 Nederl. S.W.h. Hij, die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid cenc valsche klaclite of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van den persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaren.

Ontzetting van de in art. 28 n?. 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

Art. 373 C. F. Qui conque aura fait par écrit uue dénon-ciation calomnicusc centre un ou plusieurs individus, aux officiers de justice ou de police administrative ou judiciaire, sera puni d\'un emprisonnement d\'un mois a un an, et d\'une amende de 100 a 3000 francs.

Art. 374. Dans tous les cas le calomniatcur sera, a compter du jour oü il aura subi sa peine, inter dit pendant cinq ans au moins, et dix ans au plus, des droits mentionnós en l\'article 42 du présent Code.

§ 104. Duitsch S. W.h. Wcr bei ciner Behörde eiue Anzeige macht, durch welche er Jemand wider besseres Wissen der Begehung ciner strafbaren Handlung odcr der Verletzung einer Amtspflicht beschuldigt, wird mit Gefiing-nisz niclit unter einem Monat bestraft; auch kann gegen

3

-ocr page 46-

34

densclbcn auf Verlust der burgerlichen Ehrerechten erkannt werden.

So lange ein im Folge der gemachtcn Anzeige eingelci-tetes Verfahren anhangig ist, soli mit dem Verfahren und dor Entsehoidung iiber die falsche Anschuldigung inne gehalten werden.

§ 165. Wird wegen falsclior Anschuldigung auf Strafe erkannt, so ist zugleich dem Verletzten die Befugnisz zu zu sprechen, die Verurtheilung auf Kosten des Scliuldigon öffentlich bekannt zu machcn. Die Art der Bokanntmachung, sowie die Frist zu dersolben, ist in dem Urtheile zu be-stimmen. Dem Verletzten is auf Kosten des schuldigen eine Ausfertigung des Urtheils zu ertheilon.

Art. 445 C. F. Beige: Sera puni d\'un emprisonnement de quinze jours a six mois et d\'une amende de 50 francs a 1000 francs: Celui qui aura fait par ccrit a l\'autorité une dénonciation calomnieuse.

Celui qui aura adressé par écrit a une porsonne des imputations calomnieuses centre son subordonné.

Enhrurf Str. Ges. B. 1.881 Oostenrijk. § 173. Wer einer Behorde eine Anzeige macht, durch welche er einen anderen wider besseres Wissen der Begehung einer strafbaren Handlung beschuldigt, ferner wer durch Ranke, insbesondere durch Palschung oder Beseitigung von Urkun-den oder anderen Beweisstücken bewirkt, dasz Jemand

-ocr page 47-

35

wegen einer strafbaren Handluug, denen er nicht schuldig ist, in üntersuchung gezogen oder verurtheilt wird, wird mit Znchthans bis zu 5 Jahren oder mit Gofïingnisz, und wenn eine der im § 165, Absatz 1 und 2 vorausgesetzten Verurtheilungen eintrat, mit Zuchthaus bis zu 10 Jahren bestraft.

§ 174. Wcr auszer dem Falie des § 173 einer Behörde eino falschc Anzeigo über eine strafbare Handlung macht, wird mit Gefangnisz bis zu 3 Monaten oder an Geld bis zn 500 Fl. bestraft.

-ocr page 48-
-ocr page 49-

STELLINGEN.

i.

Wanneer dc man, handelingen welke zijne vrouw zonder zijn toestemming verricht hoeft, naderhand bekrachtigt, behoudt do vrouw toch hot recht togen die handelingen op te komen.

II.

Het is niet geoorloofd hij testament voogden onder eene tijdshopaling of voorwaarde to benoemen.

III.

Do dolus incidens goeft geen grond tot vernietiging van ecu contract.

IV.

Zoo iemand een wissel voor een hoogor bedrag accepteert dan de wisselsom bedraagt, is hij slechts verbonden voor die wisselsom.

-ocr page 50-

38

V.

Hot accoord ontslaat do borgen van don gefailleerde niet.

VI.

1. Wanneer hot accoord is verworpen, mag de gefailleerde niet een tweede, gunstiger accoord aanbieden.

2. Het ware echter wenschelijk dat deze bevoegdheid, bij herziening van de wetsbepalingen betreffende het faillissement, uitdrukkelijk werd toegekend.

VII.

De rechtsvordering tot uitkeering eener erfenis is eene onpersoonlijke.

VIII.

Wanneer de huurder zijn goederen vervreemdt, ten gevolge waarvan ze uit zijn bezit geraken, verliest de verhuurder daardoor het recht van pandbeslag op die goederen wegens de huurpenningen.

IX.

Ecne redevoering, door een Kamerlid gehouden en later door hem in druk verspreid, valt nooit onder de strafwet.

X.

Ten onrechte verlangen velen de afschaffing der Schutterijen ; eene belangrijke reorganisatie er van is niettemin een dringend vereischte, willen zo aan haar doel beantwoorden.

-ocr page 51-

39

XI.

Het recht van amendement moest ook aan do Eerste Kamer zjjn toegekend.

XII.

Een getuige in eeno strafzaak, die tot geen kerkgenootschap behoort, is niet verplicht tot de eedsaflegging; liij kau volstaan met de belofte.

XIII.

De definitie van „diefstalquot; in art. 310 Wb. v. Sr. is te eng.

XIV.

Art. 67 Wb. v. Sr. verdient afkeuring, zooals liet thans is gesteld. In elk geval moest de toestemming van den beschuldigde hiertoe vcreischt worden.

XV.

Art. G4 Wb. v. Sr. moet worden aangevuld mot de krankzinnigen, die niet onder curateele staan.

XVI.

De overtreding van art. 452 Wb. v. Sr. moest alleen op klachte vervolgbaar zijn.

-ocr page 52-
-ocr page 53-
-ocr page 54-
-ocr page 55-