-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

i/cJrii.

\'U

TE VENLOO, BIJ DE WED. H. BONTAMPS.

1 8 8 8.

VAN HET

OUDE EN NIEUWE TESTAMENT

MET

CHRISTELIJKE EN STICHTENDE

BEMEEKINGEN,

GETROKKEN CIT DE H. VADERS EN ANDERE GEESTELIJKE SCHRIJVERS;

ZEER NDTTIG EN DIENSTIG VOOR DE GELOOVIGEN.

EERSTE DEEL,

bebelzsnda de geschiedenis van het Oude Testament, dat is, van d« schepping der wereld tot aan de komst van Christus.

NIBÜWE VERBETERDE UITGAVE,

waarin men naauwkeurig nagezien en hersleld heeft, volgens de Vulgate^ de levenstijden der patriarchen, profeten, en andere beroemde heilige j mannen, zoo van het Oude als van het nieuwe Testament.

GESCHIEDENIS lt;lt;

-ocr page 4-

1 wat er geschreven is, is tot ons onderrigt geschreven; opdat wij, door het geduld en de vertroosting, die wij door de heilige Schrift bekomen, hoop zouden hebben.

Eom. 15. v. 4.

Zalig is de mensch, o Heer! die van U onderwezen wordt, en dien gij door uwe wet onderricht. Psalm 93. v. 13.

-ocr page 5-

VOORREDE.

quot;Wij moeten hier niet veel spreken tot lof der Geschiedenis van het oude en nieuwe Testament. Behalve het nut, dat haar gemeen is met alle andere treffelijke geschiedenissen, gaat zij die alle oneindig, door hare oudheid, nut en zekerheid, te boven. Men mag aan haar, op eene bijzondere wijze, toepassen, wat een oud schrijver gezegd heeft van de geschiedboe-ken in het algemeen, namelijk dat zij het licht der eeuwen, de trouwe getuige der waarheid, de bewaarster der voorgaande geschiedenissen, eene bronader van voorzigtigheid en goeden raad, de regel der zeden, de schatkamer der oudheid is: immers, in die tijden, dat de wereldsche schijvers ons niet weten te vertellen dan verdichtsels of duistere en half ver-getene daden, zoo \' leidt ons de geschiedenis van het oude Testament, door vaste, bescheidene en achtereenvolgende ge-schiedenispunten, tot den opregten oorsprong der zaken, namelijk tot God, die in het begin alles gemaakt heeft. Zij wijst ons klaarlijk aan de schepping van de wereld en in het bijzonder die van den mensch, het geluk van zijnen eersten staat, de oorzaak van zijne ellenden en zwakheden. Wij weten uit haar, hoe groot de bedorvenheid der menschen, van het begin

-ocr page 6-

Voorrede.

af, geweest is, en om wat oorzaak de algemeene zondvloed hot aardrijk verdelgd lieeft. Wij ontdekken er de eerste beginselen der kunsten en wetenschappen, de voortplantingen der volkeren en de beschouwing van nieuwe landen. Deze en meer andere punten, waarvan de wereldsche, aloude geschiedenisschrijvers, slechts bij gissing spreken, worden ons in de heilige Bladen met volle zekerheid aangewezen.

Maar hetgeen alles overtreft, is, dat ons aldaar de ware oorsprong wordt aangetoond van alles, wat er op aarde geschiedt, en dat zij ons den vinger üods, en zijn wonderlijk bestuur doet erkennen in al het lijden en de wederwaardigheden, die zijne dienaars overkomen. Laat ons, tot staving dezer waarheid, slechts de oogen op Jozef slaan, die van zijne broeders gehaat, vervolgd en verkocht wordt. Zoude men, menschelijker wijze gesproken, niet zeggen, dat die heilige Aartsvader van God verlaten is? En waarlijk, waar is, zoude men kunnen vragen, de goddelijke bescherming over hem, als hij, als slaaf verkocht zijnde, naar een vreemd land gevoerd wordt? Verder, zoude hij door zijne deugd de eerste rampen een weinig te boven komen, dan wordt hij op nieuw in eenen afgrond van zwaardere ellenden gedompeld. Het schijnt, dat Gods regtvaardige wraak eenen booswicht vervolgt, die om zijne euveldaden niet verdient te leven. Doch laat ons een weinig vertoeven; welhaast zullen wij gehouden zijn de raadsbesluiten der goddelijke Voorzienigheid te bewonderen. Jozefs rampen zijn geen beletsels aan deze verheerlijking, maar dienen als trappen, om hem tot de eerste waardigheid van het koningrijk van Egypte te verheffen. En waarom toch wordt die heilige Aartsvader zoo zeer verheven? Omdat zijne verheffing tot behoudenis van Gods volk moest dienen, en dat hij, in alle punten van zulk een wonderbaar leven, een treffend afbeeldsel van den Verlosser der wereld zijn moest. Het is door meen raad niet geschied, zeide Jozef tot zijne broeders, wanneer zij voor hem ter aarde lagen, dat ik in dit land gezonden hen, maar door Gods wil. Gij waart voornemens, mij kwaad te berokkenen, maar God heeft dit ten goede gekeerd, om mij te verheffen, zoo als gij thans ziet, en om vele volkeren te redden. Dit kondigt ons de heilige Geest aan, opdat de menschen zich zouden leeren onthouden van voortaan nog te spreken van fortuin en geval; maar zij in alles het opperbestuur van een Opperwezen zouden erkennen, door hetwelk al de toevallen dezer wereld, volgens de regels eener ondoorgTondalijke wijsheid, bestuurd worden.

Hetgeen wij van Jozef zeggen, geldt ook in aL de anderen toevallen. Wat ons, volgens onze geringe kennis, een toeval zoude schijnen, is het uitwerksel van een eeuwig raadsbesluit.

4

-ocr page 7-

Voorrede.

in hetwelk al de oorzaken met derzelver gevolgen besloten zijn; en alles bedoelt, door de geheime beschikking Gode, een en hetzelfde einde, hetgeen in den eeuwigen raad is vastgesteld. Bijaldien wij in de bijzondere toevallen eenige wanorde meenen te vinden, is zulks, omdat wij de zaak maar gedeeltelijk zien, en niet het gansche ontwerp, evenzoo als iemand, die van een treffend en fraai schilderstuk hier en daar slechts een hoekje zoude zien, alwaar met zeer donkere kleuren eenige schaduwen en onordelijke trekken zouden geschilderd staan; de schoonste deelen voor zijn oog nog verborgen blijvende. Laat ons dan uit sommige dier geschiedenispunten, van welke ons de H. Geest het gansche ontwerp met al des-zelfs omstandigheden heeft willen kenbaar maken, leeren oor-deelen over al de anderen, waarvan hij ons somtijds maar eenige deeltjes toont, houdende het overige nog besloten, onder het onachterhaalbare geheim zijner eeuwige raadsbesluiten, tot den dag toe van deszelfs veropenbaring, wanneer wij de uitmuntende schoonheid ontdekken zullen van het gansche werk, door de samenvoeging van al de deelen, die elk op hunne orde medewerken, in de afmaling van het geheele ontwerp.

Deze heilige geschiedenis mag dan met regt genoemd worden, de geschiedenis van Gods Voorzienigheid over de men-schen, welker zekerheid, beleid en wijsheid zij ons met den vinger doet aanraken. Maar dit is haar eenigste nut niet. Dewijl zij door den H. Geest geschreven is, om het veratand te verlichten en te gelijk het te ontsteken, zoo geeft zij ons zeer vele deftige levensregelen en voorbeelden voor alle slag van staten en ambten. De vorsten en andere voorname overheidspersonen vinden daar, hoe zij hunne magt en hun gezag moeten gebruiken in het bestuur hunner onderhoorige volkeren; zij leeren er hunne verbintenis zoowel jegens God, als jegens hunne onderdanen; en de onderdanen, van hunnen kant, leeren daar hunne wederzijdsche pligten. De magistraatspersonen en andere ambtenaren leeren er, hoe zij zich van hunnen pligt moeten kwijten, met de zwakken ter hulp te komen tegen diegenen, die hen verdrakken, en onophoudelijk in het oog te houden wat zij aan God en aan de regtvaar-digheid schuldig zijn. De gehuwde personen ,hoe zij hunne kinderen vroom voor God moeten opvoeden; hoe zij de rust en den vrede van het huisgezin moeten betrachten, en alles vermijden, hetwelk eene zalige samenleving zoude kunnen storen. De maagden en weduwen, hoe zij deugdzaam en onberispelijk moeten leven te midden der verergernis, waarvan de wereld zoo vol is; hoe zij moeten arm zijn, zelfs in het midden der rijkdommen; en boetvaardigheid doen, zonder naar de aanlok»

5

-ocr page 8-

lruun\'tde.

selen der geneugte te luisteren. De bedienaars van Gods altaar, toe zij zich meer en meer moeten trachten te heiligen, en bevende voor de ontzaggelijkheid van het Opperste in de heilige bediening verschijnen, en hoe zij nauwkeurig op zich zeiven moeten letten, om niet alleen hun geweten, maar ook de waardigheid van hun heilig ambt in niets te bezoedelen.

Met één woord, alles strekt tot onderrigt in de heilige geschiedenis, tot zelfs de versteendheid van het joodsche volk en deszelfs ongelooflijke neiging tot het kwaad: want wij leeren daardoor kennen de onbesefbare bedorvenheid van \'s menschen hart en de ongenoegzaamheid van alle uiterlijke middelen, die tot het hart niet geraken, om zulk eene diepe, en door de almogende hand alleen geneesbare wonde te kunnen heelen. ,/Dit leerpunt zegt een voornaam schrijver, is als een «sleutel, om in de geheimenis en in den geest van het oude «Testament te treden. Zonder deze opening is het onmogelijk //door te dringen door de duisternissen der heilige geschie-z/denissen, en zij blijven een verzegeld boek voor het mees-«tendeel der lezers. Inderdaad, waarom heeft God zulk een //hardvochtig en ondankbaar volk willen verkiezen ? Waarom «zoo vele weldaden over Israël uitgestort, meer dan over an-//dere volken, die, zoo het schijnt, vromer waren dan dit //wederspannig geslacht ? Waarom zulk eene volhardende //aangekleef\'dheid, ondanks zoo eene ondankbaarheid ? Waar-//om doet hun de Heer zoo velerlei beproevingen ondergaan ? //Waartoe beurtelings al die gedurige beloften en bedreigingen, //vertroostingen en verdrukkingen, vergeldingen en bestraf-//fingen ? Waartoe zoo vele onderrigtingen. vermaningen, //aanzoekingen, berispingen, wonderdaden, profeten en heili-«ge leidslieden ? Waartoe al die weldaden voor een volk, «hetwelk er geen voordeel mede doet, maar integendeel nog «erger wordt ? Deze ondoorgrondelijkheid van Gods wijsheid, «die ons verbaast, moet tot ons onderricht strekken ; en uit «deze donkerheid, van het goddelijke bestuur over dit volk, «schieten stralen, die meer licht geven dan de zon zelve, «om ons te doen beseffen, dat alle uiterlijke geneesmiddelen //ongenoegzaam zijn om het menschelijk hart te genezen.quot;

Wij moeten nogtans daaruit niet besluiten, dat de Joden geen deel hadden aan de inwendige genaden: immers er waren ten tijde van het Oude Verbond opregte regtvaardigen, wier getal geenszins bepaald was door het kleine getal alleen der aartsvaders en profeten. Er waren, volgens de leer der H. Vaders, geestelijke Joden, Christenen naar den geest, die in de afwachting van den Messias leefden, en geheiligd wer-

6

-ocr page 9-

Voorrede.

den door de toelcomande verdiensten van het lijden des Zaligmakers. Ja, de wet, volgens de aanmerking van den H. Augustinus, was den Joden gegeven, om luinne zwakheid te doen kennen, en hunne toevlugt tot den Geneesheer te doen nemen. Maar als men den overvloed der genaden, die de Christenen genieten, bij de genaden, die de Joden ontvingen, gaat vergelijken, dan mag men zeggen, dat deze laatste in behoefte en armoede leefden. De maat der genade was zeer verschillend over deze twee volkeren, en dit moet onze liefde en onze dankbaarheid tot den Heiland opwekken, die ons met zoo vele en zoo groote voordeden boven het Israëlitische volk begunstigd heeft.

De lezer zal in deze geschiedenis van het oude en nieuwe Testament de deftigste stukken aantreffen, en als kort begrip der H. Schrift, en voornamelijk al wat bijzonderlijk dienen kan om den geloovigen eenen diepen indruk te geven van God, van zijne magt en grootheid, van de heerlijkheid zijner werken, van zijne alles besturende Voorzienigheid, van de gtrouwheid in zijne beloften, van zijne liefde en goedertierenheid tot de menschen, van zijne genegenheid om hen te sparen, van zijn geduld in te straffen, van zijne vervaarlijke oordeelen over de onboetvaardige zondaars, van zijne heiligheid en ontzaggelijkheid, en van de stiptheid, met welke hij van ons gediend wil worden. Voorts al de treffelijkste voorbeelden van deugden met de voornaamste zedelessen, die, zoo wel in het oude als in het nieuwe Testament, te vinden zijn. Al wat den eenvoudigen lezer door al te groote duisterheid zoude kunnen ophouden, of hetgeen doorgaans op de noodwendigheid niet past, of naar den smaak niet is van den gemeenen man, heeft men weggelaten, en ondertusschen, of door eenige tusschenvoeging, of anderen beknopte verklaringen, waar het noodig was, den zin trachten op te helderen, opdat hij des te beter zoude verstaan worden. Men heeft alsnog, door eenige stichtende bemerkingen achter élk artikel, den lezer den weg trachten aan te wijzen, hoe hij uit de li. Geschiedenissen nut en onderligt moet pogen te trekken, met het overwegen van de godvruchtige zedelessen, die daaruit moeten volgen, en die hij op zich zeiven moet trachten toe te passen. Uitgebreider, zoude men in deze stof kunnen geweest zijn, indien men de kortheid niet had moeten betrachten, om het boek, dat reeds uitgebreid, en nogtans ten gebruike van den gemeenen man, in één deel moest blijven, niet al te wijdloopig te maken, latende de verdere bedenkingen aan de aandacht van den lezer. Doch voor zooveel dezen togen-ivoordigen druk aangaat, heeft men dit boek door verooliei-

1

-ocr page 10-

Voorrede.

dene bijvoegsels, besnoeijingen, veranderingen en verklaringen op velerlei wijzen trachten te verbeteren en op te helderen.

Een ieder zal, als niet eenen blik, ontwaren, van hoe groot nut zulkdanig werk moet wezen, zoo wel aan de weinig-geleerde jeugd als aan den gemeenen man, hetzij om te kunnen begrijpen al wat hun in de predikingen wordt voorgehouden, hetzij om des te beter te kunnen verstaan hetgeen zij in andere godvruchtige boeken lezen, alwaar men zich doorgaans laat verstaan, dat de lezers en toehoorders eenigzins onderwezen zijn in de voornaamste geschiedenissen der H. Schrift, die daarom menigwerf als in het voorbijgaan met een enkel woord aangeraakt worden, en onverstaanbaar blijven aan dezulken, die ten minste niet eenige kennis habben van de geschiedenissen des ouden en nieuwen Testaments.

Daarenboven, gelijk de eerw. heer Fleury en de eerw. heer Tenelon, Aartsbisschop van Kamerijk, zeer wijsselijk aanmerken, het geschiktste middel, om de jeugd grondig te onder rigten in de kennissen van den H. Godsdienst, is, hun voor te houden, van stuk tot stuk, de voornaamste geschiedpunten der H. Schrift, op welke de Godsdienst en de gansche chris-tene leer gegrondvest zijn. Want gelijk zulke werken, om derzelver schoonheid, verhevenheid en deftigheid, met vermaak aangehoord en gelezen worden: zoo worden zij ook beter onthouden, en doen zij eenen ganseh auderen indruk op de gemoederen, dan eenige drooge vragen en antwoorden, met welke men meent, dat de jeugd genoegzaam in de goddelijke leer onderwezen zal zijn,

De H. Augnstinus volgt in zijn wonderbaar en voortreffelijk boek, nopens het onderrigt der onwetenden (De catechisandis radibus), deze wijze, en het was voormaals in het gemeene gebruik van de H. Kerk, zoo als wij nog zien in de lessen die gelezen worden op Paaschavond, en in het wijden der vonte, enz. alwaar aan de doopleerlingen, tot onderwijs, : onder andere, worden voorgehouden eenige der voornaamste geschiedenispunten, getrokken uit het oude Testament. Het inzigt der Kerk is, haren kinderen daardoor te toonen, dat hare heilige Godsdienst zoo oud als de wereld is, en dat het kort begrip harer leer bestaat, in ons Christus aan te wijzen, zoo als hij verbeeld en verwacht werd in het oude Testament, en ons hem grondig te doen kennen, gelijk hij ons zich zeiven getoond heeft in het nieuwe Verbond; en dit \'is eigenlijk het oogwit van al hare onderrigtingen.

\\Het zoude hier nu de plaats wezen om te toonen, hos

\'8

-ocr page 11-

Voorrede.

9

Christus en zijne hoiüg\'e goecliiedenissen in de oude wet verbeeld werden; hoe Abraham, Izaak, Jacob, Jozef, Job, Melchisedech, David, Salomon, en al de andere heilige Aartsvaders, koningen en profeten, zeer treffende voorbeelden van den Messias waren door al de bijzondere omstandigheden van hun leven, en hoe de geheele wet van Mozes, met al derzelver offeranden en plechtigheden, op Christus, dien zij levendig vertoonden, betrekking hadden. Alles is door hem en om hem geschapen, zegt de heilige apostel Faulus (1), en alles bestaat door hem. Omnia is ipso constant, liij is het einde en het doelwit van de wet, zegt andermaal dezelfde Apostel, finis leges Christus (3). Dat is al de bevelen, onderhoudingen en geschiedenissen der oude wet komen uit en eindigen in Christus, zijne Kerk, zijne geheimenissen en zijne uitverkorenen, en het is in hem, dat al hare voorzeggingen, verbeeldingen en offers hunne voltrekkingen hebben. Deze hoofdwaarheid wordt ons op onderscheidene plaatsen door Christus zeiven bevestigd, en wie kan beter weten wat de profeten verkondigd hebben, dan hij die de profeten gezonden heeft ? Of wie verstaat beter den zin hunner voorzeggingen, dan hij, die hun dezelve heeft ingegeven ? Het is dan de Zaligmaker zelf, die ons verklaart, dat de profeten last hadden, om van hem te spreken, en do omstandigheden zijns levens, zijne vernederingen, zijnen dood aan te kondigen. quot;Wanneer hij op den dag zijner verrijzenis met twee leerlingen, die naar Emaus gingen, sprak, zoo zegt de heilige Lucas (3), dat hij hun de Schrifturen verklaarde. Beginnende van Mozes en al de profeten, zegt hij, legde hi] hun uit hetgeen van hem in de Schrifturen stond, en toonde hun, dat die heilige wetgever zoo klaar van hem had gesproken door de profetische geschiedenissen en door de plegtigheden en verbeeldingen zijner wet, als de andere profeten door hunne uitdrukkelijke voorzeggingen. Mozes zelf, zegt Christus tot de joden (4), die Mozes, op tcien gij al uw betrouwen stelt, zal n beschuldigen; want het is van mij, dat Mozes geschreven hééft; De me emin illes cripsit.

In die vermaarde verschijning, die ons de heilige Lucas in zijn 24e hoofddeel verhaalt (5), zeide Christus : bereid zijnde om ten hemel te varen, tot zijne leerlingen, die zich schier nog niet konden gewennen aan de schande van zijn kruis, en nog als bedwebnd waren door de verwondering en de vreugde zijner verrijzenis; Dit zijn de woorden, die ik, toen

1) Col. 1, v. 16 en 17. 2) Rom. 10, T. 4. 3) Luo. v. 17. 4) Joann. 5, T, 15 en 16 5) Luc. v. 44 en 46.

-ocr page 12-

Voorrede.

ik nog lij n was, tot u gesproken heb, namelijk; dat alles moest vervuld worden wat in de wet van Mozes, in de Profeten en de Psalmen van mij geschreven staat. Ban heeft hij hun verstand geopend, opdat zij de Schrifturen verstaan zouden. En hij zeide hun: Alzoo staat er geschreven, en zoo moest de Christus lijden en ten derden dage van den dood opstaan. De Zaligmaker noemt hier al de boeken, die alsdan, bij de Hebreeuwen, van de heilige Schrift deel maakten : de Wet, deProfeten, en de Psalmen, en hij verklaart, dat alles in dezelve strekt, om den Messias af te beelden, terwijl hij hun bijna verweet, dat zij hem aan zoo zichtbare teekenen niet hadden erkent, en hun leerde, dat alles wat zij in zijnen persoon hadden zien geschieden, de vervulling van datgene was, wat nopens hem in de heilige boeken te voren voorzegd, afgebeeld en geschreven stond.

Het is niet noodig deze hoofdwaarheid der christelijke leer door de getuigenis der Apostelen verder te bevestigen; ook is het ons onmogelijk, hier ter plaatse dit alles door de voorbeelden zeiven, uit het oude Testament getrokken, te bewijzen, zoo als wij ligtelijk hadden kunnen doen, indien dit boek niet reeds uitgebreid ware geworden. Het moet ons hier genoeg zijn, de geloovigen te waarschuwen, dat zij door eene heilige aandacht vooral Christus moeten zoeken, en hetgeen hem aangaat, dat is, zijne Kerk en lidmaten, in alles wat zij hier in het oude Verbond zullen lezen, en dat zij slechts het uiterlijke en de letter hebben van de heilige Schrift, zoo lang als zij daarin het leven van Christus, zijnen geest, zijne bevelen en leerlingen niet afgebeeld vinden.

AVat nu eindelijk betreft het gebruik van dit boek, het is ongelooflijk welk nut de Christenen daaruit zouden trekken en hoe zij daardoor in eene grondige kennis der christelijke leer zouden onderwezen worden, indien de huisvaders dagelijks, of ten minste zondags en op de heiligdagen, eenige punten daarvan deden voorlezen aan hun huisgezin, lt;le meesters en meesteressen aan hunne leerlingen, en de zielenherders zeiven, voornamelijk ten platten lande, aan hunne parochianen, na de Catechismus, of na het sermoon, daar bijvoegende eenige verstaanbare zedelessen, die als het besluit en de vrucht van het voorgelezene geschiedenis-punt zouden strekken; en tevens aangedreven worden, om diezelfde dingen bij zich zeiven, indien zij kunnen, te lezen, of die door iemand in hun huisgezin te doen voorlezen.

Men klaagt dikwijls , dat de dorpelingen en ambachtslieden,

10

-ocr page 13-

Voorrede.

die in de week den gelieelen dag moeten werken, in de onderwijzingen, die Imn op zon- en heiligdagen gegeven worden, onaandaclitig zijn; dit komt somtijds ten deele daarvan voort, omdat zij eenen en denzelfden menscli op eene en dezelfde wijze van dezelfde zaken, en dikwijls zeer droog, hooren spreken. Maar kunne aandacht zou opgewekt worden door het verhaal van eenige dier wonderbare en zielroerende geschiedenissen, die ons in dit boek uit de heilige schrift verhaald worden ; en waaneer de aandacht opgewekt was, zoude men verder de gelegenheid waarnemen, om hen, wegens de noodige geloofspunten, te onderrichten.

Het dicne nog ter waarschuwing voor den lezer, dat men altijd acht moet geven op de verschillende personen, die in het eene of het andere verhaal dezer geschiedenis spreken. Want als God spreekt, is alles heilig en eerbiedwaardig ; zijne woorden moeten strekken , om ons zijne wijsheid en macht te doen bewonderen, zijne heiligheid eeren, zijne oordeelen schromen, zijne goedheid en barmhartigheid beminnen, en om ons voor te houden, op welke wijze hij van ons gediend moet worden.

Wanneer er een heilig en rechtvaardig mensch spreekt, of van zulk een\' gesproken wordt, dan strekt doorgaans de redevoering, om ons een voorbeeld te geven van godsvrucht, van ijver, van betrouwen op God, van mistrouwen over zich zeiven, en andere deugden, waarvan het hart der Heiligen vol is, en wij moeten ons dan opwekken, om die deugden, zoo v-cel als zij op onzen stand toepasselijk zijn, trouw na te leven. Doch daar ook de heilige menschen niet vrij van alle zwakheden en gebreken zijn, mogen wij, indien wij in hunnen handel iets bemerken, hetwelk op geenerlei wijze verschoond kan worden, bijvoorbeeld eene leugen, of eenige andere fout, daaruit geenszins besluiten, dat zulke feilen geene zonde zijn, en wij geen kwaad zouden doen met hen na te volgen. De heilige (Jeest beschrijft ons, integendeel, de Heiligen met hunne gebreken, ten einde wij ons niet zouden verschoonen van hunne deugden te volgen, ziende, dat het menschen waren van dezelfde aarde als wij, en onderworpen, even als wij, aan vele zwakheden: en aldus moeten hunne fouten ons ten nutte, en niet tot verslapping strekken. Ja zelfs de redevoeringen der boozen en hunne schelmstukken, die de heilihe Geest in de heilige Schrift heeft doen stellen, kunnen en moeten tot ons onderrigt dienen, mits wij daaruit leeren kennen den diepen afgrond der mensche-lijke bedorvenheid, en tol wat al boosheden wij bekwaam

il

-ocr page 14-

Voorrede.

zouden zijn, indien wij door Gods rechtvaardig oordeel, even als zij, aan de neiging van ons hart, in hetwelk het zaad en de vonk van alle hoosheid te vinden zijn, overgelaten werden.

Tracht dan, lieve lezer, uit alles uw nut te trekken. Lees met ijver, met ootmoedigheid, en met een gestatig aandenken aan God, die aan liet zaad zijner onderiehtingen den zegen moet geven, om het -vruchten te doen dragon. Lees niet uit nieuwsgierigheid, om veel te weten, en onhescheidelijk daarvan te praten; want dit is ijdelheid; maar lees om u te stichten, om vromer en heiliger te worden, en om door die krachtige middelen, welke u de liefderijke Schepper ter hand stelt, zijne eer en heerlijkheid, en uw eeuwig heil te bevorderen. Amen.

12

-ocr page 15-

GESCHIEDENIS

van het

OUDE TESTAMENT,

MET CHRISTELIJKE

en

STICHTENDE BEMERKINGEN.

HET BOEK DER SCHEPPINB.

Dit hoek wordt in het Grieksch genesis genoemd, dat is .* Boek des oorsprongs, omdat het ons den oorsprong van hemel en aarde heschrijf t. Het lehelst; in 50 Hoofddeelen, eene geschiedenis van 2296 jaren, van het begin der wereld af, tot aan den dood van den aardsvader Jozef. De voornaamste deelen van dit Boek zijn: de schepping, de zondvloed, de roeping van Abraham, en de levens der heilige Aartsvaders tot aan Jozef toe. Het geeft ons een overheerlijk voorbeeld van de grootheden Gods, van zijne magt en wijsheid, van zijne geduchte rechtvaardigheid, van zijne vaderlijke zorgvuldigheid voor zijne kinderen, enz. Wij gaan de voornaamste geschkdenispunten, in verscheidene Hoofddeelen, uit dezelve trekken.

EERSTE HOOFDDEEL.

De schepping van hemel en aarde, en van den mensch. — Het lejaar der wereld, 4Ü04, vóór Christus geboorte.

In liet begin schiep God hemel en aarde De aarde was nog woest en ijdel, en met duisternissen overdekt. God zei-de : het worde licht, en het werd licht,. Hij scheidde het licht van de duisternissen, en het licht noemde Hij dag, en aan de duisternissen gaf Hij den naam van nacht. Dit geschiedde op den eersten dag. Op den tweeden dag schiep God het firmament, hetwelk Hij hemel noemde. Op den derden dag verzamelde Hij het water, hetwelk de aarde overdekte, op eéne plaats, en die verzameling van water noemde Hij zee. Daarna sprak Hij: de aarde brenge allerlei kruiden, planton en boomen voort, die hun zaad in zich bezitten, om. uit de aarde voort te spruiten: en het gebeurde aldus. Op den vierden dag schiep God de zon om de aarde te verlichten, en om den dag, de maanden en jaren aan te toonen.

-ocr page 16-

Geschiedenis

Up den vijfden dag schiep Hij de vissclien en vogelen, zegende hen, en zeide; weest vruchtbaar en wordt vermenigvuldigd. Op den zesden dag schiep God allerlei gedierte, om de aarde te vervullen. Daarna zeide Hij : laat ons den mensch naar ons beeld en gelijkenis maken, en dat hij de heerschappij voere over de visschen der zee, over de vogelen des hemels, over de dieren en over de geheele aarde. God schiep den ménsch aldus: Hij maakte zijn lichaam van het slijk der aarde, en blies in dezelve eenen levenden geest, en aldus werd de mensch levend en bezield. Na hem geschapen te hebben, stelde God hem in het aardsche paradijs. Dit was een lusthof, waarin allerlei boomen stonden, die met de heerlijkste vruchten prijkten. God stelde hem in dezen tuin, opdat hij denzelfen zoude bebouwen en bewaren.

Daarna zeide God : het is niet goed, dat de mensch alleen zij ; laat ons hem een gezellin maken, die hem gelijke. Hij deed derhalve Adam in eenen diepen slaap vallen, en gedurende zijnen slaap, nam Hij eene van deszelfs ribben, waarvan Hij de vrouw maakte, en Hij bracht ze tot Adam. Alsdan zeide Adam : dit is het gebeente van mijn gebeente, en het vleesch van mijn vleesch; daarom zal de man vader en moeder verlaten, en bij zijne vrouw blijven, en die twee zullen slechts één vleesch zijn. God gaf hun ook zijnen zegen en zeide : weest vruchtbaar, vermenigvuldigt, vervult de aarde, en voert heerschappij over alle dieren. — Aldus zijn in zes dagen tijds hemel en aarde, met al derzelver pracht en luister, voltrokken. Op den zevendon dag rustte God, en daarom heeft Hij ook den zevenden dag gezegend en geheiligd.

BEMERKING. De ziel van den mensch is eene schoone afbeelding van het goddelijk wezen ; want gelijk God een geest is, zoo is ook de ziel een geest. God is onsterfelijk, ondeelbaar en onzichtbaar; de ziel is ook onsterfelijk, ondeelbaar en onzichtbaar aan de lichamelijke oogen. God is de eeuwige rede en wijsheid ; de ziel is begaafd met rede en verstand, bekwaam om God te kennen en te beminnen, om deelachtig te worden aan zijn eeuwig geluk. God is één in wezen en drievuldig in personen ; de ziel is één in zich zelve, en drievuldig in hare krachten ; verstand, geheugen en wil.

Maar hoe vele Christenen zijn er, die weinig of niet de waardigheid van de ziel kennen, en die nog minder bezorgd zijn, dat dit beeld Gods niet door de zonde worde besmet, en zich bevlijtigen om het met deugden te versieren. Integendeel, hoe velen zijn er, die niet zoeken dan het gemak en de wellusten van het ellendig lichaam, en slechts bedacht zijn, hoe zij het zullen optooien en genoegen verschaffen ! Welk eene gruwslijke verblindheid 1

14

-ocr page 17-

van Uti Oude Testament.

Mozes gewaagt, wanneer hij de schepping der wereld beschrijft, niet één woord van de Engelen. Doch liet is waarschijnlijk, dat God die te zamen met den hemel geschapen heeft, alhoewel vele heilige Leeraars meenen, dat zij geschapen werden, toen God zeide: het worde licht. Endoor de scheiding tusschen het licht en de duisternissen verstaat de heilige Augustinus de scheiding tusschen de goede Engelen en de duivelen. Alzoo heeft God van het begin der wereld en in zijne voortreffelijkste schepselen getoond, dat men niet gelukkig kan zijn, als men zich van zijnen Schepper afscheidt en dat een schepsel, hoe heilig en hoe groot het ook weze, aan Hem altijd onderworpen moet zijn.... ó, Hoe mishaagt aan God de hoogmoed, en hoe straft Hij denzelven! Dus, gelijk Hij ons een voorbeeld van getrouwheid in de heilige Engelen heeft gegeven, zoo heeft Hij ook gewild, dat de wederspannige engelen als eene stem zouden wezen, die ons gedurig toeroept: God wederstaat aan de hoovaardigen en den ootmoedig en geeft Hij genade. 1. Petr. 5.

11. HOOFDDEEL.

De zonde van den eersten mensch. Gen. 3.

Nadat God den mensch in het Paradijs gesteld had, wilde hij hem gelegenheid geven, om zijnen eerbied en zijne onderdanigheid aan zijnen heiligen wil te betoonen. Hierom gaf Hij hem dit gebod: eet van alle boomen, die in het Paradijs staan; van dezen boom echter, — de Schepper noemde dien boom den boom der kennis van goed en kwaad, — moogt gij niet et0n; want zoodra gij er van eet, zult gij sterven, dat is, gij zult sterfelijk worden, en onderworpen zijn aan den dood.

Gedurende eenigen tijd, onderhielden Adam en Era dit gebod; zij leefden in dezen aangenaman lusthof in onschuld en vermaak ; niets stoorde hun geluk, zij waren onsterfelijk. Doch de duivel, die reeds , door zijne hoovaardij, was afgevallen, benijdde dit geluk ; hij nam voor, den mensch te bekoren, en hem, alsmede al zijn nakroost, te doen vallen.

Op zekeren dag wandelde Eva in de nabijheid van den verboden boom, en zag eene slang (den duivel namelijk, die de gedaante van dit listig dier had aangenomen) om den boom gekronkeld. De slang begon te spreken en zeide haar: waarom heeft God u verboden van sommige boomen te eten ? — Eva .antwoordde : het is ons toegestaan, van al de boomen, die in den geheelen lusthof staan, te eten ; slechts van dezen boom heeft God gezegd ; eet er niet van ; want zoo gij er van eet, zult gij sterven. Het is zoo niet, zeide de slang, gij zult niet sterven; God zelf weet zeer wel, dat, zoodra gij er van eet, u

15

-ocr page 18-

Geschiedenis

de oogen eerst regt zullen geopend worden; gij zult aan God gelijk zijn en kennes dragen van goed en kwaad. Onder het uitspreken dezer woorden, zag Eva den boom eerst regt aan, en hoe langer zij denzelven beschouwde, hoe liefelijker haar de verbodene vrucht toescheen. Zij verstoutte zich dan hare hand uit te steken, plukte de vrucht af, en at van dezelve. Daar zij nog geene straf gevoelde, gaf zij er ook van aan Adam , en ook hij at er van. Zij hadden aldus des Heeren gebod overtreden, en de eerste zonde was begaan ! . .. Nu ondervonden zij op eens eene geheele verandering; hunne oogen gingen open, en zij bemerkten, dat zij naakt waren. Geheel met schaamte beladen, vlochten zij schorten van vijgebladeren, om zich te bedekken, en uit vrees, verborgen zij zich tusschen het geboomte van het Paradijs.

Eerlang echter hoorden zij de stem van God: Adam, waar zijt gij ? Bevende antwoordde hij : ik schaam mij voor U te verschijnen; omdat ik naakt ben, verberg ik mij- Doch de Heer sprak : wie heeft u gezegd, dat gij naakt zijt ? Gewis hebt gij van de vrucht gegeten, welker gebruik ik u verboden had.

Adam hemam hierop : Eva heeft mij van de vrucht gegeven, en ik heb er van gegeten. Hierop sprak God tot Eva: waarom hebt hij dit- gedaan ? Deze antwoordde: de slang heeft er mij toe verleid, dat ik gegeten heb. Toen zeide God tot de slang: omdat gij zulks gedaan hebt, zult gij onder al de tamme en wilde dieren der aarde vervloekt zijn ; op uwen buik zult gij kruipen, en stof zal uw voedsel zijn zoo lang gij zult leven. Doch anders werd de duivel gestraft, als de oorzaak zijnde van dit kwaad. God sprak tegen hem deze Vervloeking uit: dewijl gij de vrouw bedrogen en verleid hebt, zal ik eene vijandschap maken tusschen u en de vrouw 1) tusschen uw gebroedsel en hare spruit. Deze zal uwen kop verpletten, en gij zult listig haren hiel belagen.

God zeide tot de vrouw : uwe smarten zal ik vermenigvuldigen : met pijn zult gij uwe kindoren baren ; uw wil zal aan uwen man onderworpen zijn, en hij zal over u heerschen. En schoon dit laatste ook zonde geiceest zijn in den staat van onschuld, dan ware dit niet gemest tegen haren dank, en met tegenzin, gelijk het nu dikwijls geschiedt. Verder zeide God tot Adam ■: omdat gij de vrouw hebt gehoor gegeven, en gegeten van den boom, welks vrucht ik u had verboden, zal de aarde om uwentwil gevloekt zijn : ook zal zij u doornen en distelen voortbrengen: in het zweet uws aanschijns

1) De heilige Vaders verstaan door deze vrouw de heilige Maagd Maria, die door hare maagdelijke vrucht, Jesus Ch r ist us, den kop van den duivel verpletten zoude..

16

-ocr page 19-

van het Oude Testament.

zult gij uw brood eten, tot dat gij weder aarde wordt, waarvan gij gemaakt zijt: want gij zijt stof en tot stof zult gij we-derkeeren. God gaf hun kleederen van beestevellen, ten teeken dat zij den dood verdiend liadden, en zeide spotsgewijs : Zie, Adam is ons gelijk geworden, kennende goed en kwaad. God de Heer dreef hen daarna uit het Paradijs, en stelde voor deszelfs ingang Cherubs met vlammende zwaarden, om den weg tot den boom des levens te bewaren.

BEMEEK1NG. Aldus, zegt de H. Paulus, is door eenen mensch de zonde in de wereld gekomen, en de dood door de zonde; en alzoo is ook de dood tot alle mensclien overgegaan door dtngenen, in welken zij allen gezondigd hehben. Eom. 5. Dit is de zonde, die Augustinus en andere Leeraars noemen ; onuitsprekelijk in hare grootheid, die naderhand, zulke schrikkelijke gevolgen gehad heeft, en waardoor wij allen verwezen zijn tot den dood ere tot de hel, zelfs eer wij het leven ontvangen hebben, en die ons vijanden maakt, eer wij nog kunnen kennen of weten, wat God vergrammen is. Elk gevoelt de straf van deze zonde, jong en oud, zegt Augustinus. (1) Van het eerste uur, dat wij geboren worden, tot het laatste, dat wij sterven, ligt dit zwaarwigtig juk op ons. (3) Wij komen al weenenue ter wereld, en voorzeggen hierdoor, als het ware, het ballingschap, waarin wij geboren worden. (3) Naauwelijks zijn wij tot de kennis van goed en kwaad gekomen, of terstond voelen wij den droevigen strijd tusschen den geest en het vleesch (4) als uit den slaap ontwakende. (5) Paulus zelf, een zoo groot Heilige, (6) moest onder dit juk tot het einde zijns levens zuchten, en niemand is vrij van dezen ellendigen strijd. Ja, de goddelijke regtvaardigheid heeft gewild, ten einde die zonde niet klein zoude schijnen, dat de straf der zonde nog, zelfs nadat de zonde vergeven is, zoude overblijven-. Alzoo spreekt de H. Augustinus: Nadat Adam en Eva uit het Paradijs gedreven waren, zijn zij waarschijnlijk daaromtrent blijven wonen, om door het aanzien van het Paradijs hunnen val gestadig te gedenken, dagelijks weenende, niet zoozeer over humie verdiende straf, als omdat zij een zoo gemakkelijk en regtvaardig gebod overtreden hadden; en hot is te denken, dat zij nooit meer doodelijk gezondigd hebben. Adam leefde 930 jaren in eene groote boetpleging en vurige gebeden. Waarschijnlijk komt van hem het nederige gebruik, van met het aan-

1). Lib 6. oper. imp. n. 27 2) Lib. 5. oper. imp. n. 64. 3) Lib. 1. de Pece. merif. etc. n. 66. 4) Lib. 21* de Civit. c. 16. 5) Lib. 3. oper. imp. n. 178. (Lib. de Nat. et grat. n. 65. Serm. 151. .n. 8. Lib. de Pece. merit, n. 24.

17

2

-ocr page 20-

Gescaiedmis

scliijn plat ter aarde te bidden, waardoor de menamp;ck oen rouwig en vernederd hart toomt, als onwaardig zijnde, de oogen Ibemelwaarts te slaan, en verdienende door de aarde verslonden te worden, Adam en li va leefden in vele ellenden en smarten : want de aarde bragt voor hen niets voort dan distels en doornen. De dieren, die hun te voren gehoorzaamden, lieten nu hunne tanden zien. Zij zagen overal de droevige gevolgen hunner zonde, bijzonderlijk in a] de boosheden hunner kinderen en kindskinderen, die als de straf hunner misdaad waren. Dus, gelijk de zonde van Adam onbedenkelijk groot is geweest, zoo als de H. Augustinus dikwerf zegt, dewijl door haar geheel het menschelijk geslacht is bedorven, zoo is ook zijne toetpleging overgroot geweest.

III. HOOFDDEEL

Eva baart twee zonen; Kaïn en Abel. Gen. 4.

Adam gaf aan zijne vrouw den naam van Eva, omdat zij de moeder was van allen, die leven. Eva baarde haren eersten zpon, dien zij Kaïn noemde. Daarna baarde zij eenen tweeden, dien zij den naam van Abel gaf. Van hare dochters wordt in de H. Schrift niet gesproken, evenmin als van eenige andere harer zonen, die zij zeer waarschijnlijk gehad heeft; slechts van Seth wordt er gewag gemaakt. Adam en Eva onderwezen hunne kinderen in alles, wat ter zaligheid noodig was, en onder andere, hoe God hen geschapen en in het Paradijs in eenen hoogst gelukkigen staat gesteld had, waar zij de heerschappij hadden over alles, en hoe zij, om hunne ongehoorzaamheid, daaruit gebannen en ter dood venvezen waren. Ook bevalen zij hun, van God, die hen in genade had ontvangen, trouw te gehoorzamen en Hem grondhartig te dienen. Nadat Adam den aard en de geneigdheid zijner kinderen had leeren kennen, schikte Hij Kaïn tot den landbouw en Abel tot het hoeden der schapen. I)eze vsas om zijn levendig geloof, regtvaardig en Gode aangenaam, zegt de Apostel, maar de werken van Kaïn waren hoos. Hebr. 11.

De heilige Oudvaders leeren ons, dat Adam de eerste priester der wereld geweest is, en bet is te denken, dat God aan Adam, en deze aan zijne kinderen geleerd heeft, den Schepper de eerste vruchten van hun gewas op te offeren, en dat Adam eerst verscheidene offers, zoo uit de veldvruchten, als uit het vee, aan God heeft opgedragen. Ook is het denkelijk, dat hij eenige feestdagen gevierd heeft, en voornamelijk den Sabbatdag en de jaarlijksche geboortedagen zijner kinderen, op welke hij aan God offers, zoo van dankzegging als van verzoening, opdroeg.

Kaïn en Abel droegen, volgens het voorbeeld en de leer van

18

-ocr page 21-

van het Oude Testament.

hunnen vader, ook liuniie offerande aan God op: Kaïn uit de veldvruchten, en Abel uit de eerstgeborene en vetste dieren zijner kudde. Zij onderhielden dit aldus zoo lang als zij bij Adam, hunnen vader, woonden, en volhardden daarin ook, als zij elk hun huisgezin in het bijzonder hadden. God zag met welbehagen O]) Abel en deszelfs geschenken; maar Kaïn en zijne geschenken zag hij niet aan, hetwelk Hij te kennen gaf door eenig uitwendig teeken, misschien dat het vuur, hetwelk van den hemel daalde, de offerande, die God behaagde, ontstak en verslond, hetwelk waarschijnlijk niet eens maar meermaals gebeurde. Kaïn werd daardoor tegen zijnen broeder zeer toornig, hij werd bleek en viel in nijd en spijt. God berispte hem hierover liefderijk en zeide: Waarom zijt gij verbolgen, en waarom is uw gelaat zoo vermagerd? Indien gij het goede doet, zult gij ook beloond worden, doch doet gij dit niet, dan staat straks de zoude voor uwe deur. Kaïn werd echter door deze woorden nog niet verzacht, maar behield eenen haat in zijn hart. Op zekeren dag zeide hij tot zijnen broeder Abel, oud zijnde 129 jaren: Kom, laat ons eens naar het veld gaan 1 Als zij nu ver genoeg van hunne ouders verwijderd waren, greep Kaïn zijnen broeder eensklaps aan, en sloeg hem dood. Nu zeide God tot Kaïn: Waar is uw broeder Abel? Hij antwoordde: Wat weet ik het? ben ik tot mijns broeders bewaarder gesteld? Do Heer sprak daarop: Wat hebt gij gedaan? Het bloed van uwen broeder roept van de aarde tot mij. Daarom zult gij vervloekt zijn op de aarde, die haren mond heeft geopend, om het bloed van uwen broeder in te drinken! God verwees den broedermoorder, om geheel zijn leven als banneling op de aarde te zwerven. Kaïn keerde niet tot Gods vaderliefde ; maar daar hij wanhoopte, immer vergiffenis over zijne misdaad te bekomen, vlugtte hij van God, om, in een ver afgelegen land, een ongerust en ellendig leven te leiden. ,

BEMEEKING. Zie, hoe onze eerste ouders hunne kinderen onderwijzen, en hun het voorbeeld geven in boetvaardigheid, in het gebed, in God te dienen, en in alle deugden. Zie, hoe Adam bezorgd is om zijne kinderen op te leiden tot eenen staat, dio met hunnen aard en geneigheid best overeenkomt. Dit alles ver-eischt de pligt der ouders jegens hunne kinderen.

De Heer liet zijne oogen op Abel en zijne geschenken vallen. Eerst op Abel, en dan op zijne geschenken. Dit leert ons, dat hij, die aan God iets behagelijks wil opofferen, vooral moet trachten, zelf aan God te behagen, en dat alsdan zijne gift, hoe gering die ook zij, den Heere behagen zal... Abel is een schoon afbeeldsel van Christus, welke van zijne broeders, de Joden, is gedood... De H. Joannes zegt: Al wie zijn broeder haat, is een doodslager, te weten in zijn hart, en voor

19

-ocr page 22-

Geschiedenis

de oogen van God ; want men wensclit dat degene, die «il-ii haat, niet bestemde. Kaïn heeft Abel gedood, omdat zijne werken | vroom en Gode aangenaam waren ; dit was aan Kaïn onver- : dragelijk, en dit is ook eigen aan eenen mensch, die inwendig ^ eenen haat tegen zijnen naaste in zijn hart voedt. Hij gevoelt i droefheid en smart, wanneer het dien wel gaat, en blijdschap, wanneer hem druk en lijden wedervaart. God beware ons van deze zonde, zegt de H. Angnstinus, die eigen is aan den duivel, en door hem eerst in de wereld is gebracht. Doch al wie leeft als Abel, zal eenen Kaïn vinden. Dat is, gelijk de Apostel zegt: Al diegenen, welke godwmhtig willen leven in Jems Christus zullen vervolging lijden. 2. Tim. c. 3. 12.

IV. HOOFDDEEL.

De dood van Adam en andere aartsvaders, (rod dreigt de wereld te doen vergaan. Gen. 4 en 5.

Dewijl Adam en Eva zeer bedroefd waren over den dood van Abel, verleende God Imn eenen anderen zoon, dien zij Seth noemden. Deze legde zich gansoh op de deugd toe, en wanneer de H. Schrift naderhand eenige personen kinderen Gods noemt, dan zijn dit de nakomelingen van Seth; de nakomelingen van Kaïn noemt zij kinderen der menschen.

Nadat Adam 930 jaren geleefd had, gaf hij den geest, achterlatende een groot aantal kinderen en kindskinderen. Seth bragt Enos voort, en won dochters en zonen, die trouwe navolgers zijner deugd waren; hij stierf in den ouderdom van 912 jaren. Enos, zoon van Seth, begon Gods naam te aanroepen, dat is, in het openbaar, en met uitwendige plegtigheden. Hij bragt Kaïnan voort, en gaf den geest, oud zijnde 910 jaren. Kaïnan won Ma-laleël, en stierf in zijn 895 jaar. Malaleël won Jared, die vader van Henoch is geweest. Deze wandelde in God. Na 135 jaren geleefd te hebben, voerde God hem levend van de aarde weg: opdat hij geenen dood zoude ondergaan, en men vond hem. niet meer. Heb. 11. Henoch won Mathusalem, die 969 jaren geleefd heeft. Mathusalem bragt Lamech voort, die vader was van Noë. Noë verwekte in den ouderdom van 500 jaren, Sem, Cham en Japhet. — Toen nu de menschen begonnen te vermenigvuldigen, werd de bedorvenheid zeer groot onder de kinderen van Kaïn. De nakomelingen van Seth groeiden ook sterk aan, en vielen weldra in dezelfde ondeugden en bedorvenheid; want toen de kinderen Gods do schoonheid van de dochters der menschen zagen {dat is van Kaïns geslacht), namen zij allen uit deze tot hunne vrouwen diegenen, die hun bevielen, verachtende het gevaar, waaraan zij zich, door deze vereeniging met de boozen, stelden; en daar zij God meer en meer verlieten, vielen zij in de ongeregeldheden,

20

-ocr page 23-

van het Oude Te* (anient.

die de Schrift met deze woorden uitdrukt: Alle vleesch had zijnen weg bedorven. Uit deze huwelijken kwamen, als eene straf derzelve, reuzen voort, dat is monsters van menschen.

Toen de Heer zag, dat de boosheid der menschen op de aarde meer en moer toenam, en dat al hunne gedachten en begeerten tot kwaad strekten, berouwde het hem (1) den mensch gemaakt te hebben. Hij zeide dus : ik zal den mensch dien ik geschapen heb, van de aarde uitroeien : en niet alleen den mensch, maar ook het vee, de kruiden, dieren en ook de vogelen der lucht.

Noë vond echter genade bij God. Hij was een vroom en regtvaardig man, en wandelde voor Gods oogen. De Heer zeide tot hem; ik heb besloten al de menschen te verdelgen. Bouw dan een ark (2) van gladhout. Maak er verscheidene vertrekplaatsen in, en bestrijk ze van buiten en binnen met lijm. Maak haar driehonderd ellen hoog, vijftig lang en dertig breed. Verdeel de ark in drie verdiepingen, waarvan er een beneden zij, een in het midden, en een boven; want ik wil eenen grooten watervloed over de aarde laten komen, en alle vleesch, hetwelk onder den hemel leeft, verdelgen. Maar met u zal ik een verbond aangaan. Gij, met uwe zonen,

1) Het berouwde God. Dit moet zoo niet verstaan worden, alsof God eenig hartzeer konde hebben, en hem van voornemen konde doen veranderen, want hij is onveranderlijk; maar de heilige Schrift gebruikt hier eene menschelijke wijze van spreken, ora zich naar onze vatbaarheid te schikken: want als men iemand zijn werk, hetwelk hij gemaakt heeft, ziet breken, en vernietigen, zeggen wij, dat het hem leed is, dat hij het gemaakt heeft, en dat hij van inzigt veranderd is; maar in God kan er geene verandering bestaan. Hetgeen Hij heden wil zal Hij eeuwig willen: Dus, als de schrift zegt: Het berouwde Ö öd, is dit te zeggen, dat Hij deed zoo als een berouwhebbend mensch, die zijn werk vernietigt. Alzoo moeten ook verstaan worden die Schriftuurplaatsen, alwaar gezegd wordt, dat God gram, jaloersch is, enz. daardoor alleenlijk verstaande zekere uitwendige werken, die in de menschen een teeken van gramschap, van jaloerschheid zijn, enz. Gods gramschap zegt Augustinus, is geene ontsteltenis van gemoed, maar van oordeel, waardoor hij straf over de zonde zendt. (2) Uit al hetgeen God tot Noë wegens de ark zegt, kan men deze beschrijving trekken: deze ark was als een groot schip, gemaakt op de wijze van een koffer, in .den onderbodem of grond lag aarde of zand, tot ballast, waarin de vuiligheid der dieren door eenige buizen geworpen werd. Er waren in de ark drie verdiepingen; in het onderste, dat misschien verdeeld was in verscheidene kamers en plaatsen, waren al de dieren der aarde. Op het tweede lag het voedsel der dieren; het derde of het bovenste diende tot verblijf aan de menschen en vogelen: het dak als de deksel van een koffer: er waren trappen of ladders om op en af te gaan van de eene verdieping tot de andere. Boven was er een bijzonder en groot venster, hetwelk konde ontsloten worden; en nog andere kleine, om licht te ontvangen. De deur van de ark was ter zijde van de onderste verdieping, en was zoo groot, dat er de olifanten en kameelen doorgingen.

21

-ocr page 24-

Gcscriialenis

awe vrouw, en uwe sdLooadoeiiters, zult in de avk gaan. God i^af dit bevel aan Noë in het jaar 1556. Noë geloofde Gods woord en gekoorzaamtLe daaraan. Hij bouwde de ark, waaraan hij, honderd jaren arbeidde, en waarschuwde al dien tijd de menschen wegeni den watervloed, die hun stond te overvallen. God wachtte, zegt de heilige Petrus, met, geduld op hunne be-keering, maar zij bleven ongeloovig, brasten, vierden onzedelijke feesten, en leefden in roekelooze gerustheid voort, tot den dag toe, dat Noë in de ark ging. 1. 1\'etr. 3. Matth. 24.

BEMEEKINO. De versteendheid van die menschen, welke de ark zagen bouwen,is een afbeelding (zoo Christus getuigt Matth. 24.) van de versteendheid der Christenen. Zeer dikwijls worden zij gedreigd met het aanstaande oordeel, en zij blijven evenwel ongevoelig. Maar gelijk die menschen schielijk door den watervloed overvallen werden, zoo zullen de Christenen ook door Gods oordeel overvallen worden, zoo zij zich niet bekeeren en christelijk leven.

God geeft ons dagelijks, ook in zijne groots verbolgenheid, blijken van zijne goedheid. Die menschen werden langen tijd te voren vermaand, eer Hij hen strafte, opdat zij de straf zouden ontgaan ; maar indien wij zijne waarschuwing verachten, zoo als men dagelijks ziet, wie zal dan zijnen toorn kunnen Avederhouden ? Hoe langer iemand Gods barmhartigheid, en het uitstel van zijne straffen misbruikt, des te vervaarlijker hij in de strengheid van zijn regtvaardig oordeel zal vallen. Het is schromelijk, zegt de Apostel Paulus, in de handen van den levenden God te vallen. Hebr. 10. 31;

V. HOOFDDEEL

De zondvloed. TToë gaat in de ark met zijne zonen en schoondocliter3« Hij doet er allerhande dieren in komen. Gen. 6. 7. — Het jaar der wereld 165!).

Wanneer de tijd van den watervloed aangekomen was, beval God aan Noë (nu zes honderd jaren oud zijnde) dat hij al de dieren in de ark zoude doen gaan, en allerlei voedsel, zoo voor hem als voor het gedierte, er in dragen zoude. In dezelve moest hij zeven paar van al de reine, en twee paar van de onreine dieren brengen. Noë was hiermede zeven dagen bezig; op den zevenden dag, \'s morgens, ging hij met zijne vrouw, zijne drie zonen, Som, Cham en Japhet, met hunne drie vrouwen, in de ark, en de Heer sloot de deur achter hen digt. Op denzelfden dag begon het op eene verschrikkelijke wijze te regenen. Alle sluizen des hemels werden geopend, De slagregens stortte;len gedurende veertig dagen en veertig nachten neder, en

-ocr page 25-

van het Oude Testament.

ovevstroomileft de gaaacbe aarde; liet water verhief zioli 1amp; ellen, boven de lioogste bergen. Al de menscben, al de dieren der aarde, en al de vogelea der Ine,lit vertiivouku-tt r Noë alleen, met diegenen die met lie* in de ark waren,, werden, behouden^

BEMKRKING. De ark is een afbeeldsel van de heüiga Kesk, ia welke alléén de zaligheid te bekomen is, en buiten welke alles verloren gaat. De rnimte en grootte dezer ark verbeeldt de verspreid ing der heilige Kerk over geheel de aarda De verzameling van al die reine en onreine dieren verbeeldt de verzameling van zoo vele verscheidene natiën en volkeren in de heilige Kerk; natiën, die te voren van elkander zoo vervreemd wajien door de verscheidenheid van landen en zeden, e» die aldaar met elkander veareenigd zijn door één en hetzelfde geloof in Christus, en door den band van liefde, waardoor zij elkander beminnen in Christus en. om Christus, door elkander te beschouwen als lidmaat van één en hetzelfde lichaam, waarvan Christus het hoofd is.

Het hout en het water beteekenen twee groote geheimnissen» liet water beduidt het doopsel, hetwelk ons van alle zonden, zuivert, gelijk de zondvloed de wereld van aile boosheden gezuiverd heeft. Het hout beteekent het kruis van Christus, door hetwelk hij, de wereld verlost heeft. Wij kunnen God niet genoeg bedanken voor de groote weldaad, die hiji ons heeft, bewezen, door ons uit loutere barmhartigheid tot zijne heilige Kerk te roepen.,. Ia de ark waren reine en onreine dieren : in de heilige Kerk zijn ook goede en booze mensehen ; koren en kaf. De booze ontstichten en verdrukken de goede. Doeh die verdrukking moeten zij geduldig lijden, zdj kunnen buiten de Kerk niet vlugten; want buiten de Kerk, even als buiten de ark, ia ec geen behoud.

VI. HOOFDDEEL.

No3 komt uit de ark en draagt den Heer een dankoffer op. Gen. 8 en 9,

Honderd en vijftig dagen bleef het water boven de aarde staan. Doch God herinnerde zich Noë en deed eenen warmen wind over de aarde oprijzen, om het water op te droogen, hetwelk na de 150 dagen begon te verminderen, zoo dat de ark op eenen berg in Armenië bleef staan. Het water verminderde meer en meer, zoodat op den eersten der tiende maand, zich de toppen van de bergen vertoonden. Veertig dagen daarna opende Noë een venster, en liet eene raaf uitvliegen om te zien of het water genoegzaam gezakt was; deze raaf keerde niet weder, omdat zij waarschijnlijk haar aas vond op de doode ligchamen. Daarna liet

23

-ocr page 26-

Geschiedenis

Noë eene duif uitvliegen. Deze, geene plaats vindende, waarop zij kon nisten, keerde weder tot Noë, die zijne hand uitstak, haar vastgreep en haar weder innam. Na nog zeven dagen gewacht te hebben, liet hij de duif wederom uitvliegen, die tegen den avond tot hem wederkwam, met eenen groenen olijftak in haren bek, hetgeen de verzoening van God met de wereld aanduidde. Noë begreep alsdan, dat het water van de aarde genoegzaam gezakt was Hij wachtte echter nog zeven dagen en liet wederom de duif uitvliegen, maar toen keerde zij niet weder; want de aarde was volkomen opgedroogd.

God sprak nu tot Noë, en zeide : ga uit de ark, gij met uwe vrouw en uwe kinderen, en al hetgeen er in is. Noë verliet dezelve, rigtte uit dankbaarheid een altaar op, en droeg God eene brandofferande op. Dit beviel den Heer zoo wel, dat hij beloofde, van de wereld niet meer door eenen watervloed te vernielen. Hij zegende Noë met zijne zonen, zeggende: groeit aan, wordt vermenigvuldigd, en bevolkt de aarde. Alle dier zal u ontzien. Ook is alles, wat op de aarde is, met alle visschen der zee, u ter hand gesteld, en alles wat op de aarde leeft, is u tot voedsel en levensgerief gegeven. Ik schenk u dit alles gelijk mede de kruiden der aarde (1), behoudens nog-tans, dat gij geen vleesch in zijn bloed zult eten. Dit gebod diende om eenen schrik in te boezemen van menschenbloed te vergieten: want ik zal, zeide God nog verder, uw bloed nog wreken op al de beesten, die het gestort zullen hebben, en ik zal uit de hand aller menschen de ziel zijns broeders, wie het ook mogt wezen, afeischen. Al wie \'s menschen bloed vergiet, diens bloed zal ook vergoten worden, want de mensch is naar Gods beeld geschapen. Hij zeide alnog: ik sluit een verbond met u en alle menschen, die na u komen zullen, dat er geen zondvloed meer komen zal; en de regenboog, dien ik daar in de wolken geplaatst heb, zal het teeken van het verbond zijn tusschen mij en de aarde aangegaan.

BEMERKING. Door dezen algemeenen watervloed heeft God zijne geduchte magt getoond om de zonde te straffen, en zijne onverbiddelijkheid, wanneer de maat der boosheden vervuld is. Hij ontziet noch de magt, noch de menigte dei-zondaren, en leert ons aldus hoe wij hom moeten vreezen.

Schromelijk voorbeeld voor u, zondaren, die in uwe zonden blijft volharden! Weet, als God u spaart, dat zijne goedertierenheid u tot boetpleging wil brengen, en indien gij in

1) Men kan hieruit opmaken, dat de menschen vóór den zondvloed geen vleesch aten, maar alleenlijk hetgeen de grond opleverde: en dat God naderhand het vleesch heeft toegelaten, omdat de kiuiden door den zondvloed zeer verslecht, en de krachten der menschen vermin-, .flerd waren.

24

-ocr page 27-

van het Oude Teüament.

uwe zonden blijft dat gij door uwe versteendlieid tegen u zeiven eenen schat van gramscliap vergadert; want Gods oordeel zal komen, en de Heer zal ieder naar zijne werken vergelden. Overweeg dit wel, en zeg: o algoede God! hoe barm-hartiglijk hebt Gij met mij gehandeld ! Ik beken, dat Gij mij in den afgrond der hel kondet werpen op hetzelfde oogenblik, dat ik de zonde bedreef, zoo wel als menige andere menschen, die door den zondvloed, en op vele andere wijzen, schielijk het leven hebben verloren. Maar uwe barmhartigheid heeft mij willen sparen. Dat dan deze barmhartigheid mij bewege, om U, zoo goeden Vader, niet meer te vergrammen, maar U aan to hangen en uit ganscher hart te dienen.

VII. HOOFDDEEL.

Cham en Chanaan door Xoü vervloekt. Toren van Babel. Gen. 9 en 11.

Noë, die een landbouwer was, begon met den grond te bearbeiden, en plantte ook eenen wijngaard ; doch daar hem de kracht van den wijn nog onbekend was, dronk hij er de eerste maal te veel van; hij werd dronken en lag onbetamelijk in zijne tent. Cham, de vader van Chanaan, dit gezien hebbende, ging dit lachend aan zijne twee broeders verhalen. Maar Sem en Japhet legden eenen mantel op hunne schouderen, gingen zoo ruggelings naar hunnen vader, en bedekten hem met denzelven. Nadat Noë wakker geworden was, en de slechte daad van Cham vernomen had, zeide hij ; vervloekt zij Chanaan ! (I) {Chams zoon) dat hij een slaaf der slaven zijner broederszij ! En hij zegende Sem en Japhet.

Noë leefde nog 350 jaren na den zondvloed, en stierf oud zijnde 950 jaren, in het jaar der wereld 1800.

Door de drie zonen van Noë is geheel het menschelijke geslacht op de aarde verspreid. Zij woonden in het eerst in een en hetzelfde land, en spraken dezelfde taal; doch daar zij naderhand door hunne groote hoeveelheid genoodzaakt waren, zich van elkander te scheiden, zeiden zij: komt, laat ons steenen bakken, en die voor arduin, en lijm voor kalk nemende, eene stad voor ons, en eeneu toren bouwen, wiens hoogte tot aan den hemel reike, en daardoor onzen naam vermaard maken, eer wij door de geheele wereld verspreid worden. God kwam deze stad en dien toren, dien de kinderen der menschen bouwden,.

1) Het schijnt, dat Chanaan eerst de naaktheid zijns grootvaders, aan Cham geboodschapt heeft, en aldus de straf hoeft verdiend, die uitgesproken is op hem en niet op zijnen vader, welke voornamelijk haar uitwerksel gehad heeft in de nakomelingen vaa Chanaan, inwoneri-van het Beloofde land.

25

-ocr page 28-

Geschiedenis

bezien en zeide: ziet, zij zijn maar een eenig volt, en zg spreken\' allen dezelfde taal: zij zullen, als zij dit werk begonnen hebben van hetzelve niet afzien, tot dat zif het ganseh voltrokken hebben. Laat ons dan nederdalen, en hunne taal zóó verwarren, dat zij elkander niet verstaan. Door deze verwarring van taal werden zij van die plaats over geheei de aarde verspreid. Daarom werd de aangelegde stad Babel genoemd, hetwelk verwarring beteekent, omdat de Heer aldaar de taal van alle inwoners der aarde in verwarring bragt, en hen verstrooide langs al de gewesten der wereld, wordende zij aldus gedwongen het werk van hunnen hoogmoed te staken, vn onteenigd te leven.

BEMERKING . 1. De geschiedenis van Cham Chanaan leert den kinderen, hoe zij hunne ouders moeten eeren, en zich wel moeten wachten met hen te spotten, maar integendeel hunne .gebreken bedekken.

2. Helaas! hoe vele Christenen zijn er, die meer bedacht zijn cm hunnen naam in de wereld groot en vermaard te maken door groote gebouwen, torens en andere dingen, dan om groot te zijn in den hemel. O verbindheid, o verkeerdheid des harten! Groot te zijn in den hemel, is de ware grootheid, en alle i dele grootheden der wereld verdwijnen als rook. Hoe zullen die -dwazen verschrikt staan in het andere leven, ziende de nietig-lieid van het aardsche, waarvan zij hier op aarde zoo groot werk hebben gemaakt! Daarom bidt de heilige kerk zoo dik-v.\'ijls in de goddelijke dienst: Heer! leer ons de aardsche dingen Hein achten en versmaden, en de hemeische beminnen. Heil ■dengenen, die dit met de heilige Kerk vurig vraagt en van liod verkrijgt!

VIII. HOOFDDEEL.

De roeping van Abraham. Hij gaat, om den hongetsnood, naar Egypte. Gen. XI. 13. — Het jaar 2083.

Van Sem, de oudste zoon van Noë, kwam Thara voort in het zevende geslacht. Thara was de vader vaa Abraham, van jNaclior en van Aran, die te zamen te ür, in Chaldecn, in het land van Mesopotamie, woonden. Aran was de vader van Loth, van Sara en Melcha, welke twee dochters huwden met hare ooms, te weten : Sara met Abraham, en Melcha met Nachor. God zeide tot Abraham : verlaat uw land, uwe maagschap en uws vaders huis, en trek naar het land, hewelk ik u zal too-nen. Ik zal een groot volk \\xit u doen voortkomen ; ik zal u zegenen, uwen naam vermaard maken, en gij zult gezegend zijn. Ik zal al diegenen zogenen die u zegenen, en vervloeken

56

-ocr page 29-

van liet Oude Testament.

allen, die u vervloeken; ja, al de volkeren der aarde zullen in u gezegend worden. Abraham vertrok dan uit Charan, oud zijnde 75 jaren, met zijne kuisvrouw Sara en Loth, zijn neef, met al wat hem toebehoorde naar het land van Chanaan, aï-dm genoemd, omdat het door de nakomelingen van Chanaan he-woond werd. Toen hij aan de plaats Sichem gekomen was, verscheen God daar aan hem, en zeide hem: dit land geef ik uwe nakomelingen. Abraham rigtte aldaar den Heer, die hem verschenen was, een altaar op. Doch na eenigen tijd, dewijl er een hongersnood in dit land bestond, trok Abraham naar Egypte om daar eenigen tijd te leven. Bij zijn aannaderen zeide hij tot Sara: ik weet dat gij eene schoone vrouw zijt: als dan de Egyptenaren u zullen zien, zullen zij zeggen : het is zijne huisvrouw, en zij zullen mij dooden en u sparen. Zeg toch, dat gij mijne zuster zijt, (1) opdat ik welvare om u, en mijn leven behoude. Als nu Abraham in Egypte kwam, zagen de Egypte-naars, dat Sara eene zeer schoone vrouw was, en daar de hovelingen van Pharao hem dit hadden geboodschapt, werd zij opgeligt en naar het huis van Pharao gevoerd, die aan Abraham, welken hij voor haren broeder hield, veel goeds om haar bewees, en hem schapen, ossen, ezels, slaven en kameelen schonk. Maar God bezocht Pharao en geheel zijn huisgezin met vele plagen, ten oorzake van Sara, Abraham\'s vrouw. Pharao liet dan Abraham tot zich roepen, en zeide: wat wil dit beduiden, dat gij aldus met mij handelt ? Waarom hebt gij mij niet gezegd, dat het uwe huisvrouw was ? en waarom zoudt gij mij haar tot vrouw doen nemen, met te zeggen, dat het uwe zuster was ? Herneem uwe vrouw, en trek er mede henen. Voorts beval hij aan zijn krijgsvolk, dat zij Abraham met zijne huisvrouw, en met al wat hij bezat, tot buiten Egypte zouden geleiden.

BEMEEKING. Abraham bezat in het land Chanaan, noch land, noch huis, maar nam daar zijn verblijf als pelgrim: wonende in tenten, en verwachtende door het geloof die stad, die vaste gronden heeft, welker kunstenaar en louwmeester God zelf is. Hebr. 11.

De H. Ambrosius zegt: Pharao, die een zoo groot koning en ongeloovige was, had eenen schroom van het overspel, en vreesde eenen vreemdeling te onteeren, dien de hongersnood gedwongen had naar zijn land te komen. Och, of in alle Chris-

1) Abraham was de oom van Sara. De Hebreeuwen noemden de nabestaanden broeders en zusters: derhalve zeide hij geene leugen. Hij verzweeg alleeolijlc eene waarheid in eene gelegenheid, in welke hij geen ander middel zag om zijn leven te behouden. Rakende de eer van Sara, gelijk hij in staat niet was om dezelve te zamen met zijn leven te verzekeren, zoo liet hij de zorg van hetgeen in zijne magt niet wast om te behouden, aan God, op wien hij betrouwde. S. Augastious.

37

-ocr page 30-

Geschiedenis

tenen dergelijke schrik ook ware wegens deze gruwelijke zonde die zoo bittere, zoo droeve en zoo zware gevolgen heeft!... Abraham was buiten zijn land in vele ellenden en gevaren, en had geene andere vertroosting, dan dat hij daar was door Gods bevel, aan wien hij zoo groote g .loorzaamheid had bewezen. Doch als God Abraham verloot uit zoo vele gevaren, toont hij, dat wij niets moeten vreezen, als wij hem slechts gehoorzamen ; en bijaldien er ons eenig tijdelijk ongeluk overkomt, zoo wij hom getrouw blijven, dat hij dan zelf ouze bescherming eu behoeder zal zijn.

IX. HOOFDDEEL.

Abraham en Loth scheiden van elkander. — Go T vernieuwt zijne belofte aan Abraham, Gen. ij.

Aldus keerde Abraham uit Egypte terug naar het land Chanaan met zijne huisvrouw en Loth. Hij was rijk in vee, in zilver en goud. Loth had ook eene zoo groote menigte schapen, ossen en tenten, dat de streek, door beiden bewoond weldra te klein viel. Dit verwekte verschil tusschen beide herders, en Abraham zeide tot Loth : laat toch geenen twist oprijzen tusschen mij en u, tusschen mijne herders en de uwe ; want wij zijn immers broeders. Zie geheel het land ligt voor u open. Begeef u liever van hier. Indien gij naar de linkerzijde gaat, zal ik mij naar de regter begeven. Loth slechts aan zich zeiven denkende, zag nu alleen naar den vetsten grond. Hij koos dus voor zich het land langs den Jordaan, bij Sodoma, dewijl hetzelve even fraai en vruchtbaar was als het paradijs. Aldus scheidden zij van elkander: Abraham bleef in het -land van Chanaan wonen, en Loth nani zijn verblijf te Sodoma. De Sodomieten waren booze menschen, en voor den Heer een gruwel. Nadat nu Loth van Abraham gescheiden was, zeide God tot hem : al dat land, hetwelk gij ziet, zal ik aan u en aan uw nakroost voor altijd geven, en uw geslacht vermenigvuldigen, gelijk de zandkorrels der aarde. Wie de zandkorrels der aarde kan tellen, die zal ook uwe nakomelingen kunnen tellen. Welaan! doorwandel dit land in zijne lengte en bi\'eedte; want ik zal het u schenken. Abraham brak dan zijne tent op, en kwam bij het dal Mambre, bij Hebron wonen.

BEMERKING. De H. Ambrosius bemerkt op deze plaats, welken schrik Abraham van a!te oneenigheid en geschil had. Het was eene groote onvoorzichtigheid voor Loth, zich af te scheiden van bet gezelschap van zulk een vroom man. Hoe nuttig en zalig is het niet, met menschen te verkeeren, of te wonen, mits men in hen levendig al de deugden kan zien, die zij gedurig oefenen, en daardoor aangezet wordt om ze

28

-ocr page 31-

van het Oude Testament.

na te volgen. En hoe nadeelig is Let, (bijzonderlijk voor de jeugd) al te ligtvaardig die personen te verlaten, wier gezelschap of bestuur haar zoo zalig is! Eene ligtvaardig onderno-mene scheiding wordt somtijds geheel het leven gevoeld en beklaagd. Zie in wat gevaar Loth is geweest met Abraham te verlaten.

X. HOOFDDEEL.

Eenige koningen strijden tegen elkander. Loth wordt gevangen, en door Abraham verlost. Melohisedeoh zegent Abraham. Gen. 14. — Het jaar der wereld 20J2.

Terwijl Loth te Sodoma woonde, voegden zich de koningen van Sodoma en Gomorra, en nog drie andere, te zamen, om te strijden en te wederstaan tegen vier andere koningen. Doch de koningen van Sodoma en Gomorra werden op de vlugt gedreven en verslagen; de overige vlugtteden naar het gebergte» Nadat de vier koningen al de have en levensmiddelen van die \'\' van Sodoma en Gomorra tot buit gemaakt hadden, trokken zij henen. Ook namen zij met hen Loth, den zoon van Abraham\'s broeder, met al wat hij bezat. Ben echter, die het ontkomen was, bragt hiervan aan Abraham de boodschap. Op het hooren, dat zijn bloedverwant gevangen was, wapende hij ten strijde drie honderd en achttien wel geoefende slaven [of knechten) van de dapperste die hij had, en vervolgde de vier koningen tot Dan toe (dat is wel 66 wijlen verre?) en zijne kleine bende in twee splitsende, kwam hij \'s nachts hen op het lijf vallen, versloeg ze en dreef ze tot Hoba toe, en bragt aldus Loth, de overige gevangenen en al het vee,-terug.

Toen Abraham uit den strijd wederkeerde, kwam de koning van Sodoma hem met vreugd te gemoet. Maar Melchisedech, koning van Salem, (daarna Jeruzalem genoemd) bragt brood en wijn mede, en droeg dit op (als eene dank offerande over dien hekomen zegepraal), want hij was een priester van den Allerhoogste. Hij zegende Abraham, zeggende: gezegend zij Abraham van den allerhoogsten God, die hemel en aarde geschapen heeft; en geloofd zij de Heer, door wiens bescherming uwe vijanden in uwe handen zijn. Vervolgens gaf Abraham akn Melchisedech de tienden van zijnen buit (eereude God in den persoon van zijnen Triester.) Dóch de koning van Sodoma zeide tot Abraham: geef mij slechts de gevangenen, en houd al het overige voor u. Abraham antwoordde : ik hef mijne handen omhoog, en zweer u bij God den allerhoogsten Heer, die hemel en aarde bezit, dat ik van alles, wat u toebehoort, niet eenen enkelen draad of schoenriem zal ontvangen, opdat gij niet zegget: ik heb Abraham rijk gemaakt; behalve hetgeen

29

-ocr page 32-

Geschiedenis

de jongelingen tot hunnen nooddruft hebben genomen, en behalve het deel mijner krijgsgezellen, die met mij geweest zijn, namelijk; Aner, Escol en Mambre. (Deze drie woonden ook, zoo als Abraham, in het dal van Mambre\', en maren ffekomeu met hunne w/mum, om Abraham den vijand te helpen vervolgend)

BEMERKING. Melchisedech en zijne offeranden zijn een treffend afbeeldsel van Christus en zijn offer onder de gedaante van brood en wijn. David heeft voorzegd, dat Christus de eeuwige priester zoude wezen naar de wijze van Melchisedech, en niet van Aaron: want ten 1. Melchisedech heeft brood en wijn opgedragen. 2. Melchisedech was koning en priester te zamen. 3. Niemand is hem in zijn ambt gevolgd. 4. Hij was priester, niet voor een bijzonder volk, maar ook voor alle natiën. 5. Melchisedech wil zeggen TLming der regt-vaardigheid, al hetgeen aan Christus alleen volmaakt toekomt. Doch anders was het met Aaron gelegen. 1. Deze offerde ossen en schapen, enz. 2. Hij was priester voor Israël alleen. 3. Hij was priester, en geen koning. 4. Zijne kinderen volgden hem in zijn ambt op, enz. Abraham wilde niets van den buit, eu toonde daardoor zijne kleinachting voor het aardsche.... Al wie een ander uit eenig lijden helpt, moet hier op de wereld geen ander loon verlangen, dan de eer en den luister Gods, de zaligheid van zijnen naaste en een eeuwig loon in den hemel.

XI. HOOEDDEEL.

God belooft aan Abraham eenen zoon. Abraham neemt Agar voor huisvrouw. Agar loopt weg. Gen. 15. 16.

Hierna sprak God tot Abraham: vrees niet, ik-ben uw beschermer, en uw loon zal bovenmate groot zijn. Abraham antwoordde : Heer, mijn God! wat zult gij mij geven, dewijl ik kinderloos naar het graf zal gaan ? Dan leidde God hem buiten zijne tent en zeide : sla uwe oogen ten hemel, en tel de sterren, . indien gij kunt; aldus zal uw nageslacht zijn. Abraham ge-. loofde God, en dit is hem als regtvaardigheid toegerekend. De Heer zeide hem verder: houd voor vast, dat uwe nakomelingen vreemdelingen zullen wezen in een land, hetwelk hun niet zal toebehooren, dat zij in de slavernij zullen gebragt en verdrukt worden. Doch het volk, hetwelk hen tot slaven zal gemaakt hebben, zal ik ook regt doen, en daarna zullen zij met groote goederen van daar vertrekken; maar wat u betreft, gij zult tot uwen vader in Trede gaan, en na eenen hoogen ouderdom begraven worden; echter zullen na het vierde gedacht uwe nakomelingen herwaarts komen.

Dewijl nu Sara, Abraham\'s huisvrouw, hem geene kinderen baarde, zeide zij tot haren man; Zie, God heeft mij onvrucht-

80

-ocr page 33-

van het Oude Testament. 31

baar gemaakt, huw dus Agar, mijne dienstmaagd, of ik -misschien door haar kinderen mogt bekomen. Abraham voldeed dan aan dit verlangen, en Agar werd bevrucht. Als zij dit zag, begon zij hare meesteres te versmaden. Sara klaagde daarover aan Abraham, die tot haar zeide: zie, uwe dienstmaagd is in uwe magt, handel met haar naar uw welgevallen. Bewijl nu Sara haar te streng bejegende, vlugtte deze weg. Een Engel vond haar in de woestijn, en zeide tot haar: Agar, dienstmaagd van Sara, van waar komt gij, en waar gasit gij henen ? Zij antwoordde: ik vlugt voor het aanschijn van mijne vrouw Sara. De Engel zeide tot haar: Keer weder naar uwo gebiedster en verneder u onder hare hand. Gij zult eenen zoon baren, en de Heer zal u ontelbare nakomelingen geven. Agar keerde weder en schonk Abraham eenen zoon, dien hij Ismaël noemde. Abraham was alsdan 86 jaren oud.

BEMERKING. Sara was niet te streng over Agar; maar Agar werd, toen zij zich in achting zag, hoovaardig, het was haar moeijelijk te gehoorzamen.

Dat de dienstboden nsar de les van den H. Paulus luisteren : Gïj, dienstknechten, zegt hij, zijt otiderdanig aan uwe hv.erm naar het ligchaam, en dit met vrees en mtzay, met eenvomtigheid des harten, gelijk aan Christus zeiven, niet alleen voor de oogen dienende (door uitwendige gedienstigheid) om de menschen te behagen, maar zoo als de dienaars van Christus, door dm wil Gods uit er harte te volbrengen. Dient hen met goeden wü, alsof gij den Heer dimdet. Ephes. 6. 5. Eert de overheid van God in uwe meesters, door hen met liefde te dienen. Gij moet trouw hunne goederen gadeslaan, en niet getloogen, dat men hun eenig ongelijk doe. Gij moogt niets geven of leenen van hun goed zonder hunne toestemming. Gij moet hunne eer voorstaan en u wachten van alle kwade overdragingen, waaruit vele geschillen voortspruiten. In alles moet gij hun wel gehoorzamen, maar indien zij iets gebieden, hetgeen zonde is, of dat tegen God strijdt, hun alsdan niet te gehoorzamen, en daardoor iets te moeten lijden, is eene deugd.

XII. HOOFDDEEL,

God vernieuwt zijne belofte aaa Abraliam, en gebiedt hem de besnijdenis.

Abraluuij herbergt drie Engelen. Gen. 17. 18. — Het jaar der wereld 2107. voor Christus, 1897.

Toen Abraham nu 99 jaren oud was, verscheen hem God en zeide: Ik ben de almogende; wandel in mijne tegenwoordigheid, wees volmaakt. Ik zal een verbond met u aangaan, en uw geslacht bovenmate vermenigvuldigen. Abraham dit

-ocr page 34-

32 Geschiedenis

liooremle, viel op zijn aangezigt plat ter aarde. En God zeide: Ik ben liet, die met u een verbond maak ; gij zult vader van vele volkeren worden. Ik zal maken, dat uit u vele natiën en koningen zullen voortkomen. Ik zal u en uwe nakomelingen geheel het land van Chanaan, in hetwelk gij nu als vreemdeling zijt, tot eene eeuwige bezitting geven ; en ik zal hun God zijn. Hij zeide nog tot Abraham : al wat mannelijk onder u is, zal besneden worden (ah eene vooncaarde mn mijn terhond.) Alle mannelijk kind zal, als het acht dagen oud is, besneden worden van geslacht tot geslacht, hetzij dat het slaven zijn, die in uw huis geboren worden, hetzij dat zij met geld gekocht -zijn, kortom alle vreemdelingen, die aan uw geslacht toebe-hooren ;; zoodat mijn verbond voor altijd in uw vleesch gemerkt zal staan. Alle mannelijk kind, hetwelk niet zal besneden zijn, zal onder zijn volk uitgeroeid (en verdelgd) worden, omdat het mijn verbond geschonden heeft. God zeide alnog tot Abraham: Ik zal uwe huisvrouw zoo zegenen, dat uit haar vele volkeren zullen voortspruiten. Üp dit woord viel Abraham plat ter aarde, zeggende bij zich zeiven : Zal iemand, die honderd jaren oud is, nog een kind krijgen ? En zal Sara nog na negentig jaren baren ?... Mij zeide dus tot God : Ü ! dat maar Ismaël voor uw aangezigt \'leve. Doch God hernam: Waarlijk zal Saia, uwe huisvrouw, u eenen zoon baren, en gij zult hem Izaak noemen. Ik heb u ook verhoord over Ismacl; zie, ik zal hem zegenen, ik zal hem een zeer groot nakroost verleenen. jVIaar hel verbond, hetwelk ik met u aanga, zal on Izaak, die u Sara binnen een jaar op dezen zelfden tijd zal baren, gevestigd worden. Abraham deed zich dan op denzelfden dag, te gelijk met Ismaël en al zijne dienaars besnijden. Hij was toen 99, en Ismaël 13 jaren oud.

Kort daarna, terwijl hij op het heetste van den dag voor zijne tent zat, zag hij drie mannen, die Engelen waren, tot zich naderen. Hij trad hen dadelijk te gemoet, boog zich diep voor hen neder, en zeide tot den aanzienlijksten: Mijn heer, indien ik gunst in uwe oogen gevonden heb, zoo gaat toch mijne hut niet voorbij, maar laat mij een weinig water halen, om uwe voeten te was-schen, en rust inmiddels wat onder dezen boom. Laat mij u ook wat brood voorstellen, om u te versterken, en vervolg dan eerst uwen weg. Zij zeiden hem : Doe wat gij zegt. Abraham ging dan spoedig de tent binnen, en zeide tot Sara: Haast u, kneed drie maten meelbloem, en bak koeken onder de asch. Hij liep vervolgens naar het vee, nam een vet, jong kalf, en gaf het aan den knecht, om het te slachten en te bereiden. Ook haalde hij boter en melk, hij stelde hun dit te zamen met het bereide vleesch voor, en bleef bij hen ouder den boom staan, terwijl zij aten, om hen te bedienen. Zij vroegen hem j

-ocr page 35-

van het Oude Testament, 33

waar is Sara, uwe huisvrouw ? Abraham antwoordde: zij is in de tent. Hij, de voornaamste Engel die God verbeeldde, zeido hierop : wanneer ik u het volgende jaar op nieuw zal komen bezoeken, zal Sara, uwe huisvrouw, u eenen zoon baren. Sara achter de deur der tent dit hoorende, begon te lagchen : want beiden waren zij oud, en verre op hunne dagen. Maar de Engel sprak tot Abraham : waarom heeft Sara gelagchen en gezegd: zoude ik, eene oude vrouw, nog baren ? Is wel iets te zwaar voor God? Sara werd verbaasd en loochende, dat zij gelagchen had; doch de Heer nam haar beweerde niet aan.

BEMEEKING. Abraham is een spiegel van weldadigheid in de vreemdelingen te onthalen. Hij zag drie mannen, en niet wetende det het Engelen waren, ijlt hij hen te gemoet, opdat zij zijne goedgunstigheid niet zouden ontgaan. Hij haalt water om hunne voeten te wasschen, mits men in die landen barra-voets gaat, en dat dit de reizigers goed doet. Eindelijk, stolt hij hun spijs voor, om hen te versterken.... Sara is een spiegel van zedigheid, zij bleef altijd opgesloten en verborgen in haaltent, zij kwam zelfs niet te voorschijn voor die drie aanzienlijke mannen, die door haren man onthaald werden, alhoewel die naar haar vraagden. Christene vrouwspersonen ! leert van Sara zedig zijn, in uw huis blijven, zorg dragen voor uw eigen huisgezin, niet gaan praten bij andere vrouwen, niet bekommerd zijn met hetgeen anderen doen in hunne huizen, zonder zorg te dragen voor uw eigen gezin, enz.

XIII. HOOFDDEEL.

God geeft zijn voornemen, van Sodoma en andere steden te vernielen, aan Abraham te kennen. Loth herbergt twee Engelen. Gen. 19. — Het jaar der wereld 2107, voor Christus 1897.

Toen de drie mannen heen gingen, wendden zij zich naar Sodoma; Abraham ging met hen, om ze een eind wegs uitgeleide te doen. Dan dacht God : zal ik voor Abraham kunnen verbergen, hetgeen ik nu ga doen : Hij zeide dus, dat de zonde van Sodoma ten toppunt geklommen waren, en Hij wraak daarover ging nemen. Alsdan keerden twee van die mannen (of engelen) hun aangezigt van daar, en trokken naar Sodoma. Doch Adraham, die nog bij den Heer (dat is lij den derden Engel die God verbeeldde) stond, trad toe en zeide: zult gij, Heer, ook den regtvaardige met den goddelooze vernielen ? Indien er vijftig regtvaardigen in Sodoma bevonden werden, zullen die dan ook te zamen vergaan ? God antwoordde: indien ik vijftig regtvaardigen in Sodoma aantref, zal ik de geheele stad om hunnentwil sparen. Maar zoo er nu van de vijftig regt-

8

-ocr page 36-

r|j4 Geschiedenis

vaardigen, vijf ontbraken; zondt gij de stad dan vernielen, omdat er maar vijf en veertig zijn ? ging Abraham voort. Ik zal ze niet vernielen, indien ik er vijf en veertig vmd, hervatte de Heer. Abraham nam wederom het woord en sprak: indien er nu veertig gevonden worden, wat zult Gij dan doen? God zeide : ik zal ze om die veertig sparen, ó Heer, hernam Abraham andermaal, neem het mij niet kwalijk af, dat ik U nog eene vraag doe. Mogelijk zullen er dertig gevonden worden. Hij antwoordde: Ik zal Sodoina niet verdelgen, indien ik er dertig vind. Terwijl ik heb begonnen, hervatte Abraham, durf ik mijnen Heer nog eens vragen: maar zoo er nu twintig gevonden werden ? God zeide: Ik zal ze om die twintig niet verderven. Ik bid U, hernam Abraham, belg u niet, o Heer, Indien ik er nog een woord bijvoege: zoo Gij er slechts tien mo^el aantreffen! Ik zal hen, sprak Hij, om den wil van de tien5, niet verderven. Dit gezegd hebbende, ging de Heer henen, •en Abraham keerde naar zijne woning weder.

Middelerwijl kwamen de twee Engelen (in de gedaante yan memchen) te Sodoma tegen den avond aan. Loth zat juist onder de poorten der stad, om, naar het voorbeeld van Abraham op de vreemdelingen te letten, en die in zijn huis te leiden. Toen hij de vreemdelingen zag, stond hij op, liep hen te ge-moet, boog zich diep en zeide: ik bid u, mijne heeren, komt toch, en neemt uw verblijf in het huis van uwen dienaar; wascht nu uwe voeten, en morgen zult gij uwen weg vervorderen. Zij zeiden: wij doen dit niet, maar zullen dezen nacht onder de opene lucht doorbrengen. Doca hij bad hen zoo dringend, dat zij eindelijk zijn verzoek inwilligden. Als zij in huis waren, stelde hij hun eenen maaltijd voor; -doca toen zij bereid waren om slapen te gaan, kwam al het volk van de stad, jong en oud, het huis omringen en riepen tot Loth: waar zijn die mannen, die bij u vernachten? doe hen buiten komen, opdat wij ze naar onzen wil behandelen. Loth kwam dan buiten, en de deur achter zich toesluitende , zeide hij : lieve broeders, bedrijft toch geene boosheid. Maar zij antwoordden : maak u weg, gij zijt hier als vreemdeling gekomen en, wilt gij hier meester zijn ? Wij zullen met u nog erger handelen dan met hen. Doch alzoo zij groot geweld deden, en nu bijna de deur op den vloer zouden geloopen hebben, staken de Engelen de hand uit, en na Loth binnen getrokken te hebben, sloten zij de deur digt, en sloegen degenen, die buiten waren, zoowel grooten als kleinen, met eene zoodanige blindheid, dat zij de deur niet konden vinden.

BEMERKING. De H. Gregorius vergelijkt de lasteraars en nijdigaards, die de vrome menschen altijd haten en vervolgen,

-ocr page 37-

van het Oude Testament, 35

bij deze Sodomieten, die in hunne bedwelmdheid het huis van Loth bleven bestormen. Hunne driften verblindden hen zoodanig, dat zij in de regtvaardigen de deugden niet zien, die andere menschen ontwaren, en zij in hen fouten ontdekken, die niet bestaan, dan in hunne eigene blinde verbeelding... God laat hier de goeden met de boozen te zamen leven om vele redenen. God laat den booze leven, zegt Augustinus, of opdat hij zich zoude beteren en bekeeren, of opdat de regt-vaardige door hem zoude geoefend worden. In Psalm 54... In het lijden kent men eerst het geduld. In de vervolging de standvastigheid. In de versmaadheid de ootmoedigheid... Goed zijn in het midden der boozen, zoo als Loth te Sodoma, is eene zeer groote deugd. Goed zijn ouder de goeden, is eene gemeene deugd; maar boos zijn in her, midden der goeden, is eene zeer groote boosheid.

XIV. HOOFDDEEL.

Loth met zijn huisgezin uit Sodoma verlost. Ondergang van Sodoma, Gomorra en nog twee andere steden. Loth\'s huisvrouw gestraft. Afbeeldsel der helle. Gen. 19. — Het jaar der wereld 2107,

vóór Jesus Christus 1897.

De Engelen spraken nu tot Loth: hebt gij hier nog iemand van uwe vrienden ? Doe al degenen, die u eenigzins aangaan, schoonzonen, zonen of dochters, uit de stad vertrekken ; want 1 wij gaan dit volk verdelgen, omdat het geroep hunner zonden tot voor den Heer geklommen is, die ons hier zendt om hen \' ten ondergang te brengen. Loth ging dadelijk zijne toekomende schoonzonen, aan wie hij zijne dochters ten huwelijk beloofd had, waarschuwen en zeide: haast u, maakt u van hier weg; • want de Heer gaat deze stad verdelgen; maar zij zagen dit aan, alsof hij het al spottende zeide. Als nu de dageraad begon aan te breken, praamden de Engelen Loth en zeiden: haast u, en neem uwe vrouw en uwe twee dochters met u, opdat gij, om de boosheid dezer stad, met haar niet vergaat. Wijl hij nog bleef vertoeven, namen zij hem met zijne vrouw en zijne twee dochters bij do hand, — want God wilde hen sparen, — en leidden hen buiten de stad, terwijl zij hun zeiden: indien gij uw leven wilt behouden, zoo ziet dan niot achterwaarts om, noch blijft hier omtrent staan ; maar zoekjt uwe redding op het gebergte, opdat gij met de anderen niét omkomet. Loth antwoordde: terwijl uw dienaar bij u gunst gevonden heeft, mag ik mijne behoudenis op het gebergte niet zoeken; ik vrees, dat de straf mij overvallen zal (mits hij oud was, scheen Item de tijd daartoe te hort.) Hierbij is het stadje Segor, daar zal ik welligt even veilig zijn. De engel zeide tot

-ocr page 38-

ab Geschkdeuis

hem ; zie, ik sta uw verzoek hier ook in toe, dat ik het stadje, waarvan gij spreekt, niet zal verdelgen. Spoed u daarnaar toe,

want ik zal niets beginnen, voor dat gij daar zijt. De zon ging op, als hij te Segor kwam, en God deed nu van den hemel over Sodoma, Gomorra en andere steden, eenen regen van solfer en vuur afstroomen, en vernielde die steden met den geheelen omtrek, met al de inwoners, en al de kruiden en planten der aarde. — Loth\'s huisvrouw zag, tegen het gebod van God he achterom, en werd in een zoutzuil veranderd. Zij zag om, uit nieumgierigJieid, of uit schrik door al het geschreeuw en gehuil der menschen. Bit heeld is daar blijven staan tot na den tijd van Christus toe. Zie Jozef de Antiq. lib. 3. cap. 13.

Abraham, vroeg opgestaan, ging naar de plaats, waar hij te voren met den Heer gesproken had. Hij sloeg de oogen naar Sodoma, Gomorra en het omliggende land, en zag niets meer dan de rook en de vonken der in vlammen opgaande stad. Doch God de steden van dat land vernielende, was echter Abraham gedachtig, en bevrijdde Loth, om zijnentwil, van die verwoesting. Maar Loth, die vreesde binnen Segor te blijven, omdat hij daar niet genoeg in veiligheid meende te zijn, vertrok van daar met zijne twee dochters naar het gebergte, en woonde met haar in eene spelonk.

BEMERKING. De inwoners van Sodoma en van de naburige steden waren tot die gruwelijke zonden van onkuischheid gekomen door andere zonden, die onder de menschen zeer gemeen zijn. Zij waren vol hoogmoed en ijdelheid. Zij beminden de gulzigheid; zij leefden iu overdaad en ledigheid. Zij gaven geene aalmoezen. Doch in dit alles nam Loth geen deel. Zij bedreven eindelijk deze schelmstukken zonder wroeging van geweten, en waren gekomen tot eene volkomene versteendheid des harten, die den afgrond van alle kwaad is.

God straft hunne zonden met vuur en zwavel. Door het vuur toonde Hij, hoe groot de onkuische brand der Sodomieten was, en door den zwavel, hoedanig de stank dier zonden was.

Deze ellendelingen zijn in hunnen ondergang een levendig afbeeldsel van de hel, daar de brand eeuwig duren zal. O! hoe durft de zondaar God nog vergrammen! Augustinus zegt, Serm. 363., dat hij de verhardheid van den zondaar niet kan begrijpen, wanneer hij gedreigd wordt met den brand der hel. Men verwacht dit, en men drijft den spot met die bedreigingen, even gelijk de vrienden van Loth met hem lachten, als hij hun het gevaar voorhield, waarin zij zich bevonden. De scfirik en de vrees van Loth moet ons doen beven. Doch hoe zal het met zoo vele Christenen gaan, die zelfs op de bedreigingen en op het woord van den zaligmaker geen acht geven?

on dii

-ocr page 39-

van het Oude Testament. 37

want Christus zegt, dat het met die van Sodoma, in den dag 3es oordeels, verdragelijker zal gaan, dan met dezulken, welke ng zijn heilig Woord zullen gehoord an verzuimd hebben ... Och, tel of alle onkuischaards dikwijls en levendig deze gruwelijke geer schiedenis overwogen, welk een toom zoude dit zijn om hunne cn ongeregelde neigingen te wederhouden! De heilige Geest heeft er die doen beschrijven, omdat zij een schrikkelijk voorbeeld, tot 0(J het einde der wereld tce, voor alle menschen zoude zijn.

XV. HOOFDDEEL.

\'lit uil ijd

Abimelech doet Sara opligten, en wordt daarover van God gestraft. Gen. 20. — Het jaar 2107.

ten as. af-loe !gt, can ier been, De lioa rei-3n?

Ditzelfde jaar verliet Abraham het dal van Mambre, en ging ^.u eenigen tijd te Gerara wonen. Toen hij daar kwam, zeide hij 3 dat Sara zijne zuster was. Abimelech, koning van Gerara, deed haar tot zich brengen. Maar God verscheen des nachts in a,1 eenen droom aan Abimelech, cn zeide: zie, gij zult den dood 1\' sterven om de vrouw, die gij Abraham hebt ontnomen, want ,°r zij is eene gehuwde vrouw. Doch Abimelech, die haar noch niet 1 ® had aangeraakt, zeide tot God: Heer! zult gij dan ook onwe-16 tende en onschuldige menschen met den dood straffen ? Heeft hij mij zelf niet gezegd, dat zij zijne zuster is ? en zij, dat hij haar broeder is ? Mijn hart is dan opregt geweest, en mijne handen S\'e zijn in deze daad onbevlekt gebleven. {Abimelech wilde geen \'equot; overspel bedrijven, maar meende met haar een huwelijk aan te gaan.) ;en God gaf hem tot antwoord: ik weet, dat gij het hebt gedaan met een opregt gemoed, daarom heb ik u wederhouden van . tegen mij te zondigen, en niet toegelaten, dat gij haar zoudt J aanraken. Geef derhalve de vrouw aan haren man weder; want

hij is een Profeet, en zal voor u bidden, opdat gij moogt leven. Maar indien gij ze niet weder geeft, zoo weet, dat gij, en al

, wat u aangaat, zekerlijk den dood zult sterven. Abimelech ont-^et waakte, stond op, terwijl het nog duister was, riep al zijne dienaars, en verhaalde hun al wat hem was overkomen; deze werden daardoor zeer bevreesd. Hij deed ook Abraham roepen, en zeide tot hem : hoe hebt gij toch met ons gehandeld? wat hebben wij tegen u misdaan, dat gij over mij en over mijn rijk deze groote zonden hebt willen trekken ? Hij zeide verder: wat heeft u toch bewogen, om zulks te doen ? Abraham antwoordde ; ik dacht bij mij zeiven : mogelijk is de vreeze Gods in deze plaats niet, en zij zullen mij, om den wil mijner Vrouwe, dooden. Overigens, zij is ook waarlijk mijne zuster (1),

1

3e grootmoeder van Sara was de moeder van Abraham niet.

-ocr page 40-

38 Geschiedenis

mijns vaders dochter, alhoewel niet mijner moeders dochter, en ik heb ze gehuwd. Maar nadat God mij uit mijns valera huis heeft doen vertrekken, heb ik haar gezegd: gij zult mij dienst doen, zoo gij in alle plaatsen, waar wij zullen komen, zetrt, dat ik uw broeder ben. Abimelech deed dan schapen, ossen en dienstknechten komen, en gaf die aan Abraham. Hij gaf hem Sara, zijne huisvrouw weder, en zeide: zie mijn land ligt voor u open, woon waar het u belieft. En tot Sara zeide Lij ; ik heb uwen broeder duizend zilverlingen tot een hoofddeksel gegeven, om uw aangezigt te bedekken. Abraham bad voor Abimelech, en God. deed de rampen ophouden, waarmede Hij Abimelech en zijn huisgezin had beginnen te slaan,

BEMERKING. Abimelech gaf aan Sara te kennen, dat hetgeen daar voorgevallen was, haar moest leeren, haren staat niet te verzwijgen, om niet meer zich zelve, noch anderen in gevaar te stellen van tegen God te zondigen.

Zie eens, hoe grooten haat God tegen de zonden van overspel heeft, zegt de heilige Ambrosius: en hoe hij degenen dreigt te straffen, die deze zoo schroomeljjke zonde tegen de trouw van het huwelijk durven bedrijven, I)och bijaldien God die eertijds zoo strafte, hoe veel zwaarder zal hij die in de nieuwe wet tuchtigen, alwaar het huwelijk tot de waardigheid van een Sakrameut verheven is?

XVL HOOFDDEEL.

De geboorte van Izaak. Ismaël wordt met zijne moeder A.gar uit het huis gejaagd. Gen. 21. — Het jaar 2108«.

God bezocht dan eindelijk Sara volgens zijne belofte, en zij baarde eenen Zoon. Abraham noemde hem Izaiik, en liij besneed hem als hij acht dagen oud was. Abraham was alsdan 100 jaren oud. Sara zeide : God heeft mij doen lagchen, en allen, die het zullen hooren, zullen lagchen, en blijde zijn met mij. Dit heeft betrekking op den naam van Izaak, die lach beteekent, omdat Sara gelagchen had, wanneer de Heer haar eenen zoon beloofde. Zij zeide verder : wie zoude ooit geloofd hebben, dat men aan Abraham zoude zeggen, dat Sara eenen zoon zoog, dien zij hem in zijnen ouderdom gebaard had? Het kind groeide gunstig op, werd gespeend, en op dien dag hielil Abraham eenen grooten maaltijd. Toen Sara daarna zag, dat de zoon van Agar onder het spelen, haren zoon mishandelde, zeide zij tot Abraham: jaag deze dienstmeid met haar kind weg: want haar kind zal met mijn kind geen

-ocr page 41-

van het Oude Testament. 33

erfgenaam wezen. Abraham nam dit kwalijk: van Sara af, ter oorzake van zijnen zoon Ismaël. Maar God zeide tot hem: neem niet euvel hetgeen Sara over uwen zoon en uwe dienstmaagd gezegd heeft. Doe alles wat zij u zal zeggen : want van Izaak zal uw geslacht voortkomen. Niettemin zal ik ook een groot volk doen ontstaan uit den zoon uwer dienstmaagd, omdat het uw kind is. Abraham stond dan \'s morgens vroeg op, nam brood en eene flesch met water, en legde die op de schouderen van Agar. Ook gaf hij haar het kind, en zond ze weg. Doch nadat zij vertrokken was, begon zij te dwalen in de woestijn van Bersabée. Toen nu hare flesch ledig was, legde zij het kind onder eenen boom, die daar omtrent stond, (Ismaël was alsdan ten minste 16 jaren oud.) En zij ging eenen boogscheut van daar regt over het kind zitten, en zegde, bitter dat weenende: ik zal het kind niet zien sterven. Maar God verlaat hoorde de stem van Ismaël, en de engel des Heeren riep tot in Agar uit den hemel: Agar, wees niet bevreesd ; want God heeft de stem des kinds verhoord van de plaats waar het ligt. rej. Sta op, en neem den jongen bij de hand: want ik zal een nen groot volk uit hem doen voortkomen. God opende ook hare de oogen, zoo dat zij eene bron zag : zij ging derwaarts, vulde de flesch met water, en gaf den jongen te drinken. God was ook met den knaap, die opwies, en in de woestijn bleef wonen, alwaar hij een wakkere schutter werd.

BEMERKING. De heilige Apostel Paulus, deze Schriftuurplaats aan het nieuwe Verband toepassende, zegt: Wij, broeders zijn kinderen der belofte, zoo als Izaak. Maar gelijk alsdan degene, die geboren was naar het vleesch (dat is Ismaël), dengenen vervolgde, die geboren toas naar den geest (dat is Izaak) alzoo gaat het nu ook. (Gal. 4. 28.) De opregte Christenen worden vervolgd van de booze Christenen. Die Izaiik wil zijn, moet den haat en de vervolging van Ismaël dragen.

XVII. HOOFDDEEL.

Abraham\'s gehoorzaamlieid in het offeren van zijnen zoon. Gen. 22. — Het jaar 2125.

Hierna riep de Heer Abraham, en zeide hem, om hem te beproeven: neem uwen eenigen zoon Izaak, uwen lieveling, ga naar het land Morea, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op eenen der bergen, dien ik u zal aanwijzen. Abraham wetende, dat hij dezen zoon slechts van God ontvangen had, aarzelde niet, hem denzelven weder te geven. Hij hield voor vast, door het geloof, dat door Izaak zijn geslacht, gelijk de sterren des hemels, zoude vermenigvuldigd worden, alhoewel hij deze be»

-ocr page 42-

Geschiedenis

lofte niet overeen kon brengen met dit tegenwoordige bevel van God. Abraham stond dan vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee zijner knechten, en Izaak zijnen zoon, met zich, en ging alzoo naar de plaats die hem God had aangewezen. Op den derden dag, toen hij zijne oogen opsloeg, zag hij de plaats van verre (1). Hij zeide tot zijne knechten : blijft gij hier met den ezel, ik en het kind zullen derwaarts gaan, en na onze aanbidding gedaan te hebben zullen wij tot u wederkeeren. Abraham nam het hout des brandoffers, legde het op Izaaks schouders, en hij droeg zelf het vuur en het zwaard. Terwijl zij beiden aldus voortgingen, zeide Izaak tot Abraham: lieve vader! deze antwoordde: wat wilt gij, mijn kind ? ik zie hier, zeide Izaak, wel vuur en hout; maar waar is het slagtoffer ? God zal er wel in voorzien, mijn kind, antwoordde Abraham. Zij vervorderden vervolgens hunnen weg, en kwamen eindelijk ter plaatse, (Re God hem aangewezen had. Abraham rigtte aldaar een altaar op, en na het hout over hetzelve gelegd te hebben, bond hij zijnen zoon handen en voeten, en legde hem op het altaar boven op het hout. Daarna strekte hij zijne hand uit, en greep het offermes aan, om zijnen zoon te slagten. Doch nu zond God, door Abraham\'s trouw en door de gehoorzaamheid des kinds bewogen, eenen Engel, die tot hem riep: Abraham ! Abraham ! Hij antwoordde : wat belieft u ? Dan zeide de Engel tot hem : steek uwe hand over het kind niet verder uit, en wacht u van het leed te doen; want nu heb ik bevonden, dat gij God vreest, dewijl gij uwen eenigen zoon om hem niet gespaard hebt. Bat is, dit Meek nu door eene uitwendige ondervinding, alhoewel alles volkomen van te voren aan God hehend was.

Abraham zijne oogen verbaasd opslaande, zag achter zich eenen ram, die met zijne hoornen in eenen braambosch verward was; na dezen hieruit getrokken te hebben, slagtte hij hem, in stede van zijnen lieveling, als brandoffer voor God. De Engel des Heeren riep voor de tweede maal tot Abraham van den hemel en zeide: Ik zweer u bij mij zei ven, zegt God, omdat gij dit gedaan, en om mijnentwil uwen eenigen zoon niet gespaard hebt, zal ik u bovenmate zegenen, en uw geslacht, gelijk de sterren des hemels, en het zand aan den oever der zee, vermenigvuldigen. Uw nakroost zal de stadspoorten zijner vijanden erven; en in uwen nakomeling (2) zullen de volkeren van het gansche aardrijk gezegend worden, omdat gij naar

1) Waarschijnlijk is Borsabce, waar Abraham woonde, quot;wel omtrent 20 mijlen van den berg Morea, daar I/.aiik moest opgeofferd worden.

2) De beloften zijn gedaan aan Abraham en aan zijnen nakomeling. Hij zegt niet aan uwe nakomelingen, als van vele: maar aan uwen ■nakomeling, als eenen: welke Christus ist S. Paulas ad öal. 3. 16.

40

-ocr page 43-

van het Oude Testament.

mijne stem geluisterd hebt. Abraham keerde nu weder tot zijne knechten, en zij trokken te zamen naar Eersabee.

BEMERKING. Josephus verhaalt, dat Abraham eerst aan Izaiik mededeelde, dat God hem had bevolen zijnen zoon op te offeren, en dat Izaak antwoordde: gaarne wil ik het leven geven aan God, van wien ik het ontvangen heb, en die het mij weder terug vraagt.

Izaak is een treffend afbeeldsel van Christus, en van hetgeen in hem moest voltrokken worden. Ten 1. Zij zijn beiden onderdanig aan het gebod huns vaders. 3. Izaak draagt het hout, tot het brandoffer bestemd. Christus draagt zijn eigen kruis, enz.

Abraham leert ons gehoorzaam zijn aan God, zegt de H. Bernardus. Ten 1. Met eene volkomene onderwerping. 3. Met eenvoudigheid. 3. Met blij hartigheid. 4. Zonder uitstel. 5. Kloekmoedig, ootmoedig, standvastig, enz. Serm. 44 de Diver. Hij leert allen ouders, hoe zij hunne kinderen aan God, en niet aan de wereld, moeten opdragen. En waarom toch loopen er zoo vele kinderen in hun eeuwig verderf, dan omdat hun de ouders van hunne jeugd af den geest der wereld indrukken, en hun leeren hoogmoedig zijn, de zucht naar rijkdommen en eer inboezemende, enz.

XVIII. HOOFDDEEL.

Dood en begrafenis van Sara. Gen. 23.

Nadat Sara den ouderdom van 137 jaren bereikt had, stierf zij te Cariatarbé : in het land van Chanaan. Abraham beweende haar bitterlijk en zeide, na de treurdagen, tot de Heteërs : Ik ben een vreemdeling onder u, verleent mij toch een erfgraf bij u, opdat ik mijne echtgenoote begraven moge. De Heteërs antwoordden : gij zijt een aanzienlijk man onder ons, begraaf uwe vrouw in onze beste graven. Abraham zeide; spreekt dan voor mij ten beste bij Ephron, opdat hij mij de spelonk, die aan het uiteinde van zijnen akker ligt, in uwe tegenwoordigheid, tot een erfgraf overlevere voor den prijs, dien zij waard is. Ephron, die in het middén der Heteërs woonde, zeide tot Abraham : Ik geef u den akker met de grafspelonk in het bijwezen van mijn volk, begraaf er uwe doode. Abraham boog zich neder voor het volk van het land en zeide tot Ephron : Ik zal het geld geven, hetwelk de akker waard is. Neem het toch aan, en dan zal ik Sara begraven. Ephron antwoordde : Mijnheer, het land, hetwelk gij verzoekt, is vier-

4L

-ocr page 44-

Geschiedenis

honderd sikkelen zilvers waard, maar wat kan dit maken voor ons beide? Begraaf gij vrij uwe overledene vrouw. Abraham woog daarop bet geld in de tegenwoordigheid der Heteërs, en alzoo werd de akker met de spelonk en met al het geboomte hetwelk er rondom stond, aan Abraham tot een vast bezit gegeven : en hij begroef vervolgens zijne huisvrouw in de grot,

BEMERKING. God had zoo dikwijls beloofd, dat hij aan Abraham dat land zoude geven; doch Abraham denkt alleen om daar eene begraafplaats voor hem en zijne kinderen te bekomen. De gedurige beschouwing van den hemel deed hem het geheele aardrijk, alwaar hij als een vreemdeling leefde, gering aanzien en verachten. Hoe wel verdient hij de getuigenis, die de H. Paulus van hem geeft, namelijk dat hij het land van Chanaan aanzag als een niet, of dat het hem diende als een spiegel, om daarin een ander onzi^tbaar land te beschouwen, te weten den hemel, waar hij van toen af in den geest woonde! Hij konde met den Apostel zeggen, dat hij alles, wat in de wereld was, aanzag, als nietswaardig, als iets verachtelijks. Aan al wie naar den hemel tracht, is de wereld een ballingschap, een tranendal en eene plaats van zuchten en boetvaardigheid.

XIX. HOOEDDEEL.

Abraham zendt Eliëzer, naar Mesopotamië, om daar eene echtgenoote voor Izaak te zoeken. Gen. 24. — Het jaar 2148.

Nadat Abraham nu zeer bejaard was geworden, zeide hij tot den oppertoeziener van zijn huis : Beloof mij met - eed, dat gij voor mijnen zoon geene huisvrouw zult nemen uit de dochters der Chananeërs, bij welke ik woon, maar dat gij naar mijn land en naar mijn maagschap zult reizen, om daar eene echt-genoote voor hem te nemen. Maar indien de dochter met mij niet wil komen, zeide de knecht, moet ik dan uwen zoon naar het land leiden, dat gij verlaten hebt ? Abraham antwoordde: wacht u wel van mijnen zoon ooit weder derwaarts te brengen. God, de Heer des hemels, die mij uit mijns vaders huis en uit mijne geboorteplaats heeft getrokken, e.n mij bij eede beloofd heeft, dat hij dit land aan mijne nakomelingen zal geven, zal zijnen Engel voor u uitzenden, opdat gij aldaar voor mijnen zoon eene vrouw moget nemen. Indien echter mijne vrienden het u weigeren, of zoo de vrouw u niet wil volgen, dan zijt gij van uwen eed ontslagen. Maar zie toe, dat gij mijnen zoon nooit derwaarts brengt. Nadat de knecht dezen eed gedaan had, nam hij tien kameelen, belaadde dezelve met velerhande quot;kostbaarheden en trok henen. Hij kwam eindelijk in Mespootamië,

42

-ocr page 45-

van liet Oude Testament.

bij Nachor\'s stad {en zijna meesters maagschap). Tegen den avond, op het uur dat de vrouwen water haalden, liet hij zijne kameelen bij eene waterput uitrusten, en bad in dezer voege: o Heer! God van Abraham, mijne Meester! sta mij toch bij, en doe mijnen gebieder Abraham deze gunst. Zie, ik sta hier bij dezen put, en de meisjes van de stad zullen weldra water komen putten. Vergun, dat de dochter, aan wie ik zeggen zal: laat uwe kruik eens neder, opdat ik drinke, en die mij tot antwoord geeft; drink, en uwe kameelen zal ik ook te drinken geven, degene zal wezen, die gij aan uwen dienaar Izaak kebt beschikt, en aldus zal ik weten, dat gij mijnen meester Abraham gunst hebt bewezen. Naauwelijks had hij deze woorden bij zich zei ven uitgesproken, of Rebekka, de dochter van Bathuël, zoon van Nachor, Abraham\'s broeder, kwam daar aan met eene waterkruik op karen schouder.

Het was ei\'ne oversckoone doukter. Zij daalde af tot de bron vulde hare kruik en wilde terugkeeren. De knecht liep haar aanstonds te geinoet, en vroeg kaar wat te drinken. Zij antwoordde : drink heer, en zette de kruik op haren arm. Terwijl tij dronk, zeide zij : ook zal ik voor uwe kameelen water putten, en hun allen te drinken geven. Middelerwijl goot zij hare kruik spoedig uit in de drinkbakken, liep wederom naar de bron om te putten, en gaf aan de kameelen te drinken. Ondertusschen bezag haar Kliëzer aandachtig, zonder iets te zeggen, trachtende te bemerken, of God zijne reis tot eene gelukkige uitkomst gebragt had of niet. Als de kameelen nu gedronken hadden, ontpakte kij voor haar gouden oorringen en twee armbanden, schonk zo kaar en vroeg: wiens dochter zijt gij ? Zeg mij toch ook, of er iw uws vaders huis wel plaats voor ons is om te herbergen ? Zij gaf tot antwoord; Ik ben de dochter van Bathuël, de zoon van Nachor. Stroo en hooi is er bij ons in menigte, en ruime plaats om te vernachten, Zij liep vervolgens naar hare moeder, en verhaalde haar wat er gebeurd was. Zij had eenen broeder, mot name Laban, die, wanneer hij al die juweelen zag, naar Eliëzer liep, welke nog bij de bron met de kameelen stond, \'en hem dus begroette: kom binnen, gezegende des Heeren, wat blijft gij buiten staan? Ut heb mijn huis voor u, en de plaats voor de kameelen bereid gemaakt. Hij deed hem dan binnen komen, en hielp de kameelen ontladen; en na kun voeder gegeven te kebben, bragt kij water voor Eliëzer, óm zijne voeten, als ook die van de mannen, die bij hem waren, te wasschen. Daarna stelde hij hun spijs voor. Maar Eliëzer zeide: ik zal hier niet eten, voor dat ik eerst mijn verzoek voorgedragen heb. Laban zeide: spreek op. Ik ben, zeide kij, de kneckt van Abraham ; God heeft mijnen meester mild gezegend. Hij keeft mij bij eed doen. beloven, dat ik geen huisvrouw voor zijnen zoon zoude nemen

43

-ocr page 46-

Geschiedenis

uit de dochters van Chanaan, maar voor hem eene gaan opzoeken in zijn geslaolit, en ik ben om die redenen in uw land gekomen. Hij verhaalde ook hetgeen hem geschied was bij de bron; hoe hij God had gebeden, om een teeken, waaruit hij zoude kennen, wie Izaak\'s vrouw moest wezen, en dat hij dit teeken in Eebekka volbragt zag. Verder zeide hij : wilt gij nu mijnen meester de genade bewijzen, van mij uwe dochter Rebekka voor zijnen zoon Izaiik mede te geven, zoo zeg het mij, zoo niet, zeg het mij dan ook, opdat ik verder reize. Laban en Bathuël zeiden ; het is Gods werk, wij kunnen zijn behagen niet tegenspreken : zie, Rebekka is daar, neem haar en trek er mede henen, en dat zij volgens het woord des Heeren de huisvrouw zij van den zoon uws meesters. Eliëzer dit hooiende, viel plat ter aarde, en dankte den Heer. Voorts gaf hij aan Rebekka goud, zilverwerk en kleederen, en aan hare broeders en moeder vele prachtige geschenken ; en zij zetteden zich vervolgens aan tafel. Toen nu de knecht heen wilde, om spoedig bij Abraham te zijn, vroegen Rebekka\'s moeder en broeders om deze nog tien dagen bij zich te houden. Maar de knecht zeide: houdt mij niet langer op, dewijl God mij eene gelukkige uitkomst heeft gegeven, en laat mij toch henen gaan naar mijnen meester. Zij zeiden : laat ons haar zelve roepen en haren wil vragen. Zij riepen dan Rebekka en vroegen haar : wilt gij met dien man wel henen trekken ? zij antwoordde : volgaarne. Zij lieten haar dus gaan en wenschten haar alien zegen. Nadat zij dan met hare dienstmaagden de kameelen had beklommen, volgde ook Eliëzer, die zich spoedde om wederom bij zijnen meester te zijn. Als zij omtrent Bersabée naderden, kwam Izaak, uitgegaan bij het vallen van den avond, 9m in het veld eene wandeling te doen, en zijne oogen opslaande, zag hij van verre de kameelen aankomen. Rebekka zag ook opwaarts, en bemerkte Izaak. En van den kameel afstijgende, vroeg zij aan den knecht: wie is degene, die ons langs het veld te gemoet komt ? De knecht zeide : het is mijn heer. Zij nam dan haastig haren sluijer om zich te dekken, uit schaamte en ontzag voor Izaak, en de knecht verhaalde aan Izaak alles, wat hij verrigt had. Izaak bracht vervolgens Rebekka in de tent van haren vader, en huwde haar weldra. Ook beminde hij haar zoo zeer, dat hierdoor de droefheid verzacht werd, die hij over den dood zijner moeder gevoelde.

BEMERKING. Abraham geeft hier een voorbeeld aan de ouders, hoe zij hunne kinderen moeten uithuwelijken. Zij moeten niet zien naar rang of fortuin, niet naar de ligchamelijke schoonheid, enz. maar veelmeer naar een opregt christelijk leven. Zij moeten dit zoeken door gebeden en aalmoezen, gelijk

44

-ocr page 47-

van het Oude Testament.

Eliëzor, die God vurig bad, om te weten, wie hij voor Izaiik had bestemd. Zoohaast Eebekka Izaak ontdekte, omhulde zij zich, uit eerbiedigheid en eerbare schaamte, met haren sluijer. De H. Ambrosius wil, dat jonge dochters hieruit leeren, hoe zij de eerbaarheid moeten bewaren, zelfs ten opzigte van dengenen, dien God haar tot bruidegom heeft gegeven. Zij moeten niet bezorgd zijn om hem te verlokken door schoonheid of uitwendige sieraden, gelijk Eebekka had kunnen doen; maar door zedigheid, beleefdheid en heiligheid van zeden.

XX. HOOFDDEEL.

Abraham huwt met Cethura, Zijn dood in het jaar 218S. Geboorte van Esau en Jacob. Gen. 25 en 26.

Abraham nam ook eene andere vrouw ten huwelijk, genaamd Cethura, bij wie hij nog vele kinderen won, en leefde nog 33 jaren in den echt. Hij maakte Izaak erfgenaam van alles, wat hij bezat, en aan de andere kinderen gaf hij giften, en zond die naar het Oosten om hen van Izaak, terwijl hij nog leefde, af te scheiden. Abraham stierf eindelijk in den ouderdom van 175 jaren, en werd gevoegd bij zijn volk. (1) Izaak en Ismaël begroeven hem bij Sara, in de spelonk van Machpela. Izaak bad den Heere vuriglijk voor zijne huisvrouw, die nu 20 jaren lang onvruchtbaar gebleven was. God verhoorde hem, zoodat Eebekka bevrucht werd van tweelingzonen. Deze, eer zij nog geboren werden, worstelden in den schoot hunner moeder. Daar Bebekka hierover verschrikt icas, ging zij den Heer te rade, en kreeg tot antwoord, dat van deze twee kinderen, twee volkeren zouden voortkomen; dat het eene van die twee volkeren het andere zoude overwinnen, en dat de oudste aan den jongste zoude onderworpen zijn. De eerste, dien Izaaks vrouw ter wereld bragt, was ros en geheel harig van vel, en werd Esau genoemd. De tweede, die kort daarop gebaard werd, hield met de hand den hiel van zijnen broeder vast, en werd Jacob geheeten. Izaak was 60 jaren, als hem die twee kinderen geschonken werden. Men zag weldra de verscheidenheid van hunnen aard. Als zij nu groot geworden waren, werd Esau een dapper jager, die gaarne op het veld was; doch Jacob, zachtzinnig en huiselijk, hield zich in de tenten. Izaak beminde Esau, omdat hij gaarne van zijn wild at, doch Eebekka helde meer tot Jacob over. Als Jacob nu eens linzensoep gekookt had, kwam juist Esau zeer ver-

1) Dat is, zijne ziel ging zich, na zijnen dood, vervoegen bij de zielen fler Patriarchen/ die voor hem geleefd hadden.

45

-ocr page 48-

Geschiedtni»

luoeid uit het veld, en zeide tot liem : geef mij toch van dien kost, want ik ben zeer vermoeid. Jacob antwoordde : verkoop er mij dan uw eerstgeboorteregt voor. Esau was tevreden, en zeide: zie, ik moet toch sterven (1), wat zal mijn eerstgeboorteregt mij baten ? Zweer bet mij dan, zeide Jacob. Esau zwoer het hem, en verkocht aldus het regt van zijn eerstgeboorte aan Jacob. Deze gaf hem nu de linzensoep met brood; Esau at en dronk, en ging heen, zich weinig bekreunende over zijn eerstgeboorteregt. (2)

BEMERKING. Esau die zijn eerstgeboorteregt voor een weinig spijs verkoopt, is een afbeeldsel van vele menscben, die om de goederen der wereld, of om een kortstondig en vuil vermaak der zonde, de hemelsche goederen als verkoopen ; ongevoelig, zoo als Esau over zijn groot verlies, als zij maar hunne zinnelijkheden en hunne ongeregelde hartstogten mogen voldoen. O verblindheid en bedorvenheid des harten! Overweeg, om die te genezen, rijpelijk het volgende: de hemel verliezen, is een oneindig verlies; in de hel eeuwig te moeten branden, is een schrikkelijk onheil, dewijl men daardoor God, dat oneindig en eeuwig Goed, verliest. Het ware beter, dat de wereld, ja honderd werelden in brand stonden, dan dat maar eene ziel den hemel verliest. Alle schepselen moesten over dit verlies weenen. Dit zal ook die worm zijn, die de verdoemden eeuwig al knagen ; want zij zullen eeuwi g als van spijt barsten, dat zij den hemel voor een zoo nietig, zoo vuil en kortstondig vermaak verloren hebben. Maak, o Heer, dat ons dit bewege om de aardsche dingen te verachten, om des te beter aan het oneindige groote werk van \'onze eeuwige zaligheid te arbeiden ; en doe ons zien, dat dit onze eerste en voornaamste zorg in als ons doen en laten moet wezen.

XXI. HOOFDDEEL.

Jacob ontvangt Izaak\'s zegen. Haat van Esau tegen Jacob. Hij vlagt naar Mesopotamië. Gen. 27. — Het jaac der wereld 2245, voor Jesus Christus 1759.

Als Izaak 137 jaren oud was geworden, waren zijne oogen zoo verduisterd, dat hij niet meer konde zien. Dus riep hij

1) Ik sterf. Dit is de taal van een driftig mensch, die, door zijne hartstogten overmeesterd wordt. Dus maakt hij ook geene zwarigheid, van zijn voordeel te verliezen, om zijnen drift te voldoen.

2) Het regt der eerstgeborenen bestond hierin: ten 1. Dat hij een dubbel erfdeel had. 2, Dat hij het hoofd en de meester zijns broeders was, als vervangende de plaats van den vader. 3. Dat hij eenen bijzonderen zegen van den stervenden vader ontving. 4. Ook was hij welligt priester der familie.

46

-ocr page 49-

van het Oude Tedament.

Esau, zijnen oudsten zoon, en zeide; mijn kind, neem uwen pijlkoker en uwen boog, en ga ter jagt, en mogt gij eenig wild opdoen, zoo bereid het naar mijnen u bekenden smaak; breng het daarna hier, opdat ik u zegene eer ik sterf. Eebekka boorde Izaak dit zeggen. Als Esau dan op de jagt was, om zijns vaders wil te volbrengen, riep zij Jacob, vertelde hem wat er gebeurd was, en zeide verder: mijn kind, volg mijnen raad. Ga naar het vee, en baal daar een paar geitenbokjes, om er een kooksel van te maken, dat uwen vader aangenaam is, en gij zult het hem te eten brengen, opdat hij u zegene eer hij sterft. Hij antwoordde : gij weet immers, dat mijn broeder Esau harig en ruig van vel is, en ik glad. Indien mijn vader mij aanraakt, zal hij mij voor een\' bedrieger houden, en ik zal den vloek, in plaats van den zegen, over mij halen. Zijne moeder antwoordde hierop: mijn kind, ik neem dien vloek op mij, doe slechts volgens mijn woord, en haal hetgeen ik zeg. Jacob voldeed dan hieraan, en Eebekka maakte daar een kooksel van, gelijk zijnen vader aangenaam was. Daarna nam zij Esau\'s beste kleederen, en deed die Jacob aan ; zij trok ook harige geiten vellen over zijne handen en zijnen hals, en zond hem alzoo met de toebereide spijze naar zijnen vader.

Toen Jacob bij zijnen vader gekomen was, die van ouderdom blind was geworden, zeide hij : lieve vader ! Izaak antwoordde: wat is er ? Wie zijt gij, mijn kind ? Jacob zeide : ik ben uw eerstgeborene zoon Esau (1). Ik heb gedaan wat gij bevolen bebt: rigt u op, en eet van mijne jagt, opdat gij mij uwen zegen gevet. Jacob was alsdan 77 jaren. Hoe komt het mijn kind, zeide Izaiik, dat gij dit zoo spoedig hebt kunnen vinden ? Jocob antwoordde : God heeft het zoo geschikt, dat ik, hetgene ik zocht, zoo spoedig bekwam. Izaak sprak verder tot Jacob: kom wat nader bij mij, opdat ik voele of gij mijn zoon Esau zijt of niet. Hij kwam dan nader; de vader voelde, en zeide: de stem is wel Jacob\'s stem, maar de handen zijn toch Esau\'s handen; want hij kende hem niet, omdat zijne harige banden aan die van zijnen broeder gelijk waren.. Izaak zeide dan alvorens hem te zegenen; zijt gij toch wel mijn zoon Esau? Hij antwoordde : Ja, ik ben het (hij was de oudste zoem. bij recjt, vermits hij dit re/jt had gekocht, en Esau dit had verloren.) Breng mij dan, zeide Izaak, uw wildbraad, opdat ik u zegene.

1) Indien men deze geschiedenis inziet, zoo als zij hier uitgedrukt staat, zoude men Jacob niet van leugen kunnen ontsohuldigen: hij bevestigt eene zaak, die niet waar is; doch gelijk geheel het leven van deze heilige Patriarchen eene voorzegging en afbeeldsel der geheimenissen van Christus is, zoo moet men dit werk alleen en op zich zelven niet nemen, maar hooger opklimmen tot hetgene werd afgebeeld. En alsdan zal men zien dat het geen leugen was, maar eene groote geheimenis, namelijk: de verwerping der Joden, en de roep der Heidenen.

4?

-ocr page 50-

Geschiedenis

Hij bragt het, en nadat Izaak gegeten had, gaf hem Jacob ook wijn te drinken. Dan zeide Izaak tot hem : kom bij mij, en kus mij, mijn kind. Hij kwam en omhelsde hem. Zoodra nu Izaak den liefelijken geur zijner kleederen had geroken, gaf hij hem zijnen zegen, en zeide: zie, de geur, die van mijnen zoon voortkomt, is gelijk aan een bloeijend veld, hetwelk door God gezegend is. God verleene u den dauw des hemels, en het vette der aarde, met tarwe en wijn in overvloed, dat u de volkeren dienen en de natiën zich voor u nederbuigen; wees heer over uwe broederen, en dat de zonen uwer moeder voor u ter aarde vallen. Vervloekt zal Mj zijn, die u vervloekt; en gezegend, die u zegent.

Naauwelijks had Izaak dezen zegen voltrokken, en was Jacob weggegaan, of Esau kwam eene schotel wildbraad aan zijnen vader brengen, met deze woorden: rigt u op, lieve vader! eet van mijne jagt, opdat gij mij uwen zegen gevet. Izaak zeide tot hem : wie zijt gij toch! Hij antwoordde : ik ben uw eerstgeborene zoon Esau. Izaak verschrikte daarover bovenmate, en zeide, met eene ongeloofelijke verbaasdheid bevangen, tot Esau : wie is het dan, die mij nu al van zijne jagtvangst gebragt heeft, om te eten, eer gij kwaamt? Ook heb ik hem gezegend, en hij zal gezegend wezen. Toen Esau deze woorden zijns vaders hoorde, gaf hij eenen klagenden gil, en zeide tot hem : lieve vader, zegen dan ook mij ! Uw broeder, zeide Izaak, is bedriegelijk tot mij gekomen, en heeft uwen zegen weggenomen. Het is wel met reden, zeide Esau, dat hij Jacob genoemd is. (Jacob beteekent, in het hebreeuwseb, onderkruiper) ; want hij heeft mij nu tweemaal onderkropen ; hij heeft mij mijn eerstgeboorteregt te voren ontnomen, en nu steelt hij mij nog mijnen zegen. (Doch Esau, zoo als reeds gezegd is, had hem dit regt verkocht, en vólgens deze verkooping kwam hem de zegen toe.) Maar zeide hij tot zijnen vader, hebt gij geenen zegen meer voor mij ? Izaak antwoordde : ik heb hem tot uwen heer gesteld, en al zijne broederen heb ik hem tot knechten gegeven ; wat zal ik na dit alles nog voor u kunnen doen, mijn kind? Hebt gij dan, lieve vader, zeide Esau, maar dezen zegen alleen ? Zegen mij toch ook, bid ik u. Dewijl hij luid op bitterlijk weende, werd Izaak bewogen, en zeide tot hem : zie, uw zegen zal bestaan in de vetheid der aarde en in den dauw des hemels. (Bit was het slechtste deel van Jacob\'s zegen; maar hij gaf hem dien zegen niet, welke aan den eerstgeboren toekwam, die meester over zijnen broeder was.) Van uw zwaard zult gij leven (1) doch gij zult uwen broeder onderworpen zijn. Echter zal de tijd komen, dat gij zijn juk zult afwerpen.

1) Dat is, gij zult meest bestaan van den roof en den buit, die gij op ■uwe vijanden behalen zult.

48

-ocr page 51-

van het Oude Testament.

Esau droeg dan eenen gedurigen liaat togen Jacob, om deu zegen, dien zijn vader aan dezen gegeven had. Hij zeide ook bij zich zeiven; de dagen van den rouw {en de dood) mijns vaders zijn nabij, en dan zal ik mijnen broeder om hals brengen. Dit werd Jiebekka gewaarschuwd, die haren zoon Jacob deed roepen, en tot hem zeide: zie, uw broeder Esau dreigt u van het leven te berooven. Neem dan uwen wandelstaf, en vlugt naar Haran, bij uwen oom Laban; en blijf bij hem eenigen tijd, tot dat de woede uws broeders gestild zij, en hij vergeten hebbe wat gij hem berokkend hebt. Waarom zoude ik toch van mijne twee zonen op eenen dag beroofd worden (den eenen door het moorden, den anderen door het reyt) 1

BEMERKING-. Nadat Esau zijn eerstgeboorteregt had verkocht, werd hij, ondanks al zijn gejammer, niet van Izaak verhoord. Een zondaar verliest, door zijne zonden, het regt tot den hemeL Maar indien hij zijne bekeering tot het laatste uitstelt, niettegenstaande al de vermaningen, die God hem doet door zich zeiven, door de herders en predikanten, en door den schielijken dood van andere menschen, is het te vreezen, dat God hem alsdan niet zal verhooren, alhoewel hij tot hem roept, gelijk hij ons waarschuwt in de heilige Schrift, als hij zegt: Ik heh geroepen, en gij helt geweigerd te komen; ik heb mijne hand uitgestoken, en er teas niemand, die mar mij omzag; at mijne raadgevingen en mijne heris-jtingm heit gij veracht: daarom zal ik ook lagchen in uw verderf, en met u spotten, als u zal overkomen zijn, hetgeen (/ij vreesdet. Als het ongeluk u onvericachts zal ovei-vallen; als de verderfenis over u als een storm zal nederdalen, en cds de lenauwdheid en de angst u zal bevangen, dan zullen zij tot mij roepen, en ik zal hen niet aaahooren; zj zullen van \'s morgens vroeg opstaan om mij te zoeken, maar zij zidlen mij niet vinden, omdat zij de vermaning hehben gehaat, en de vrees des Seeren veracht. Pr. 1. 24. 25.

XXII. HOOFDDEEL-

Jacob reist naar Mesopotamië. Hij ziet eene geheimzinnige ladder, langs welke de Engelen op- en afkomen. Gen. 28. — Het jaar 2245.

Esau had twee vrouwen van het land van Chanaan gehuwd, hetgeen aan zijnen vader en moeder zeer mishaagde. Eebekka nam deze gelegenheid te baat om van Izaak te verzoeken, dat Jacob naar Mesopotamië zoude gaan, om aldaar eene vrouw teu echt te nemen. Zij zeide: het leven ben ik moede, ter

4

-ocr page 52-

Geschiedenis

oorzake der Heteësche vrouwen. Indien Jacob ook eene vrouw neemt uit de dochters van dit land, dan wensch ik zulks niet te beleven. Izaak riep dan Jacob en zeide: neem voor u geene luiisvrouw uit de dochters van Chanaan, maar ga onverwijl naar Mesopotamië, en zoek daar eene gade uit de dochters van uwen oom Laban. De almogende God zegene u, make u vruchtbaar, en vermenigvuldig u zoo overvloedig, dat er een groot getcil volkeren uit u voortkome. Jacob verliet dan Bersabée, to voet, en alleen met eenen staf in de hand, en vervorderde zijnen weg naar de stad Haran, omtrent 9 of 10 dagen reizens van Bersabée. Na, op het einde van zijne eerste dagreis, op zekere plaats gekomen te zijn, daar hij zocht te vernachten, omdat de zon nu onder was, nam hij eenen steen, legde dien onder zijn hoofd, en sliep weldra rustig in. Gedurende zijnen sluimer zag hij eene ladder, waarvan het onderste op de aarde stond, en het bovenste aan den hemel reikte, en langs welke ladder Gods Engelen op- en afklommen. Doch boven deze ladder stond de Heer en zeide: Ik ben de Heer, de God van uwen vader Abraham, en God van Izaak: het land, waarop gij slaapt zal ik aan u en uw nageslacht geven. Uwe nakomelingen zullen zijn als het stof der aarde; in u en uw nakroost zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Ik zal uw behoeder wezen, waar gij u ook begevet. Toen Jacob ontwaakte, zeide lij : waarlijk de Heer is op deze plaats, en ik wist het niet. Dit is niets anders dan een huis Gods en de poort des hemels. Zoohaast de morgen dan was aangebroken, nam Jacob den steen, welken hij onder zijn hoofd gelegd had, rigtte hem op tot een gedenkteeken, en goot olie op het bovenste van denzelven. Hij noemde die plaats Bethel, dat is een huis Gods. Hij deed verder de volgende gelofte : indien God met mij is, en mij op weg behoedt, dien ik bewandel, mij spijs en kleederen verleent, en indien ik tot mijns vaders huis voorspoedig weder-keere, zal de Heer mijn God zijn. (dal is, ik zal God dubbel en dubbel verbonden zijn te dienen en te bedanken.) En deze steen, dien ik tot een gedenkteeken heb opgerigt, zal een huis Gods genoemd worden, en ik zal u de tiende offeren van al mijne goederen, die gij mij geven zult.

quot;quot;\'BEMEHKING. Die verschijning diende om Jacob te vertroosten, en te toonen, dat God zijn behoeder zoude zijn door de Engelen, en dit in al de trappen zijns levens. Ook duldt dit aan, hoe de Engelen van den hemel afdalen, om hem en ons te helpen, en opklimmen, om den Heere onze gebeden en goede werken op te dragen. O God, wat is de mensch, dat gij voor hem zorgt, als hij zich opregt tot u keert!... God is overal en op alle plaatsen tegenwoordig, door

-ocr page 53-

van het Oude Testament.

zijn wezen vervult hij alles; door zijne alwetendheid weet en kent hij alles ; door zijne almogendheid bestuurt hij alles, zelfs tot de kleinste zandkorrels. Dit wist Jacob wel; maar God is, zoo gezegd wordt, bijzonderlijk hier of daar tegenwoordig, waar hij eenige uitwerking doet, en eenige bijzondere teekens van zijne tegenwoordigheid geeft. En aldus riep Jacob : waarlijk is de Heer op deze plaats, dewijl hij zich daar wonderlijk vertoonde.

Als wij in de kerk komen, behoorden wij met Jacob en ook met zoo een geloof te zeggen : dit is niets anders dan het huis Gods, en de poort des hemels. Want de plaats, waarvan Jacob spreekt, is slechts eene afbeelding van de heiligheid onzer tempels, alwaar die groote en aanbiddelijke geheimenissen geschieden, alwaar God bijzonderlijk wil geëerd en aangebeden worden, en van ons de dienst, die wij hem schuldig zijn, ontvangen ; alwaar het woord Gods wordt verkondigd, de Sakramenten bediend, enz. Met welke droefheid behoorden wij aan te zien, dat de Heiligen van de Oude Wet meerderen eerbied getoond hebben voor de afbeeldsels van de heilige geheimenissen, dan wij toonen voor de geheimenissen zelve!

XXIII. HOOFDDEEL.

Jacob wordt van Laban ontvangen. Hij trouwt met Lea en Eachel. Zijne kudde wordt vermenigvuldigd. Gen. 27. 30. — Het jaar 2245.

Jacob, zijne reis voortzettende, kwam gelukkiglijk te Haran, alwaar hij eenige herders bij den waterput vond, die daar wachtteden, tot dat zij allen vergaderd waren, om den steen af te wentelen, die daarop lag, en hun vee te drenken. Jacob vraagde hun : kent gij Laban, den zoon van Nachor wel? Wij kennen hem zeer wel, antwoordden zij. Is hij nog wel te pas ? O ja, was hun antwoord. Zie, daar komt Eachel, zijne dochter aan, met hare kudde. Als Jacob haar zag en vernomen had, dat het zijne nicht was, kwam hij nader bij, en wentelde met de anderen den steen af, die op den put lag. En nadat hij haar vee had te drinken gegeven, zeide hij haar, luide weenende, dat hij de neef van haren vader, eti de zoon van Rebekka was. Zij snelde nu naar haren vader, welke, na vernomen te hebben, dat de zoon zijner zuster gekomen was, hem te gemoet liep, en, na hem omarmd te hebben, in zijn huis leidde. Wanneer Laban de oorzaak zijner reis verstaan had, zeide hij hem: zoudt gij mij, omdat gij mijn neef zijt, om niets moeten dienen : Zeg mij, wat loon gij verlangt. Laban had twee dochters : de oudste werd Lea, en de jongste Eachel geheeten. Lea had

51

-ocr page 54-

Geschiedenis

63

leepoogen; maar Each cl was zeer quot;bevallig van gelaat en lig-chaamsgestalte. Jacob zeide dan, dewijl hij Eaehel beminde, tot Laban: ik zal u zeven jaren dienen, om uwe jongste dochter Rachel tot vrouw te hebhen. Laban stemde hierin toe, Jacob diende dan voor Eaehel zeven jaren, welke hem, uit hoofde zijner liefde, die hij haar toedroeg, zeer kort schenen. Jacob (nu 84 jaren- oud zijnde) zeide tot Laban : geef mij mijne huisvrouw, dewijl de tijd volbragt is om met haar te trouwen. Laban noodigde nu eene menigte zijner vrienden ter bruiloft: maar daar hij niet kon dulden, dat zijne jongste dochter vóór de oudste in den echt trade, schoof hij listiglijk Lea, in stede van Eaehel, aan Jacob tot vrouw toe, en bewerkte daardoor, dat deze, buiten zijn weten, haar voor zijne huisvrouw nam. Doch toen Jacob dit bedrog had ontdekt, zeide hij tot zijnen schoonvader: heb ik u niet voor Eaehel gediend ? waarom hebt gij mij dan alzoo bedrogen ? Laban zeide : het is hier bij ons het gebruik niet, dat men de jongste vóór de oudste ten huwelijk geeft. Doch laat de zeven dagen van dit huwelijk nitloopen (zoo lang duurde de hruilofl) en dan zal ik u ook Eaehel geven, voor welke gij mij zeven andere jaren zult dienen. Jacob was hiermede tevreden, en nadat de bruiloft ten einde was, nam hij Eaehel voor zijne huisvrouw, aan welke Laban Bala tot eene dienstmaagd gaf. Jacob huwde dan ook met Eaehel, en beminde haar meer dan Lea, en diende dus bij Laban nog zeven jaren. Doeh God ziende, dat Jacob aan Lea niet veel liefde toedroeg, maakte haar vruchtbaar, en liet hare zuster onvruchtbaar blijven. Lea werd dan bevrucht, en baarde eenen zoon, dien zij Euben noemde. Daarna bragt zij Simeon, Levi en Juda ter wereld. Eaehel was, ter oorzake barer onvruchtbaarheid, hoogst bedroefd, benijdde hare zuster, en gaf Bala, hare dienstmeid, voor eene tweede huisvrouw aan Jacob, opdat zij ten minste oen troost nowle hebben, ran tiit deze kinderen te bekomen. Bala baarde Dan en Nephtali. Toen Lea, zag, dat zij ophield van vruchtbaar te zijn, gaf zij ook tere dienstmaagd Zelplm aan Jacob tot eene vrouw, bij welke hij Gad en Azer verwekte. Naderhand baarde Lea nog Tsaehaar, Zabulon, en eene dochter, Dina geheeten. Daar Eaehel langen tijd onvruchtbaar bleef, en daarover haar verdriet aan haren man uitdrukte, zoo verhoorde God eindelijk hare bede. Zij quot;werd bevrucht, baarde eenen «0011 en zeide: God heeft mijnen smaad weggen omen. Zij gaf haar kind den naam van Jozef. Jacob zeide vervolgens tot zijnen -schoonvader-: laat mij naar mijn vaderland wederkeeren, en geef mij mijne vrouw en mijne kinderen, opdat ik benen trekke. De dienst, die ik u bewezen heb, is u bekend. Laban antwoordde: Ik heb gevonden, dat God mij om uwentwil gezegend heeft. Bepaal dan, zeide

-ocr page 55-

van het Oude Testament.

hij, stipt het loon, dat gij wilt, en ik zal het u geven. Hierop zeide Jacob tot hem: gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw goed in mijne handen aangegroeid is. Gij hadt weinig, eer ik bij u kwam, en thans zijt gij rijk geworden. God heeft u gezegend, van zoohaast ik mijnen voet in uw huis gesteld heb. Het is dan billijk, dat ik nu ook voor het mijne bezorgd zij. Wat zal ik u dan geven ? vroeg Laban. Jacob antwoordde : Niets, maar indien gij mijn verzoek wilt inwilligen, zoo zal ik uw vee wederom gaan hoeden. Bezie al uwe kudden rondom, en al wat onder uw vee geplekt of gespikkeld is, neem dit ter zijde; en al wat er voortaan onder uwe schapen of geiten met kleine plekjes gespikkeld zal zijn, dit zal mijn loon wezen. En wanneer de tijd zal gekomen zijn, om mijn loon te geven, dan zal het blijken, wat mij regtvaardig toekomt. Al wat men onder mijne schapen of geiten zal vinden, hetwelk niet geplekt, gespikkeld of bruin is, zal gestolen goed ziju. Laban stond dit toe, en stelde al de bokken en geiten, die geplekt of gespikkeld waren, en al de lammeren, die met wit gesprenkeld, of bruin waren ter zijde, en gaf die aan zijne zonen. En eene ruimte gesteld hebbende tusschen hen en Jacob van drie dagreizen (yelijk de schapen gaan), gaf hij aan Jacob de overige kudden te weiden. Jacob nam groene takjes van populieren, hazelaren en kastanjehout, deed een deel van deszelfs schors af, ontdekte het wit, hetwelk binnen in de takjes was, en liet het andere deel met groen. Hij legde die gespikkelde takjes in de goten en waterbakken, daar het vee kwam drinken, opdat het, op het zien dier takjes, in dit gezigt zoude ontvangen. Toen de tijd aangekomen was, dat de schapen paren, zagen zij deze takjes aan en bragten gesprenkelde, gespikkelde en geplekte lammeren voort. Dit deed Jacob in den. voortijd of de lente, wanneer de schapen de beste lammeren hebben; doch wanneer zij in den natijd paarden, (want de schapen Iragten in dit land tweemaal \'s jaars lammeren voort), legde hij die daarin, en aldus waren de lammeren, die in den natijd op het einde van het jaar geworpen werden, voor Laban, en dis van in den voortijd behoorden Jacob toe. Alzoo werd Jacob overmate rijk en verkreeg geheele kudden van schapen en geiten. Ook kon hij zich veel knechts en meiden, kameelen en ezels aankoopen. Op deze wijze bleef bij nog zes jaren bij Laban in dienst.

BEMERKING. Jacob geeft hier, in zijn arbeidzaam leven een voorbeeld aan alle pastoors en zieleherders. Gelukkig zijn diegenen, die tot God kunnen zeggen, zoo als Jacob tot Laban: gij weet, o Heer, hoe ik u gediend heb, hoe ik voor uwe Schapen gezorgd Leb, en die heb doen vermeerderen. Er is

S3

-ocr page 56-

Geschiedenis

niet een door mijne fout verloren gegaan. Gelukkig is hij, die op liet laatste van zijn leven met Paulus mag zeggen : Ik heb eenen goeden strijd gestreden, ik heb mijnen loop volhragt; ik heb het geloof behouden. Verder wordt de kroon der regt-vaardigheid voor mij bewaard, die de regtvaardige Regter mij zal schenken in den dag, en mij niet alleen, maar ook allen, die naar zijne komst verlangen. 2. Tim. 4. 7.

XXIV. HOOFDDEEL.

Jacob keert weder tot zijnen vatler. Hij wordt van Laban vervolgd.

Verzoening van Laban met Jacob. Gen. 31.

Jacob hoorde eens, dat de zonen van Laban tot elkander zeiden : die Jacob heeft al ons vaders goed weggesleept, en het is door hetzelve, dat hij rijk geworden is. Hij bemerkte ook, dat Laban hem niet meer met zoo goede oogen aanzag, als naar gewoonte. Bovendien zeide God zelf tot hem : keer naar uw vaderland en uw maagschap weder, ik zal met u zijn. Jacob deed dan aan Eachel en Lea zeggen, dat zij bij hem op het veld zouden komen, waar hij de kudde hoedde. En hij zeide tot haar: ik zie wel, dat mij uw vader met dezelfde oogen niet meer aanziet, zooals naaï gewoonte; doch de God mijns vaders heeft mij altijd bijgestaan. Het is u bekend, dat ik uwen vader uit al mijn vermogen heb gediend; maar hij heeft met mij bedriegelijk gehandeld en mijn loon wel tienmaal veranderd. Doch de Heer heeft niet, toegelaten, dat hij mij zoude hinderen; want als hij mij zeide: Nu zullen de gespikkelde lammeren voor u zijn, alsdan wierpen al de schapen gespikkelde lammeren, en wanneer hij integendeel zeide: de witte zullen u toebehooren, dan bragten zij witte voort. Aldus heeft God aan uwen vader het vee ontnomen, en het mij gegeven. Doch ik heb den Engel Gods in den droom hooren zeggen: Jacob ! en ik antwoordde : Wat moet ik doen? Hij zeide: ik ben de God van Bethel (dat is, die u te Bethel is verschenen), alwaar gij den steen hebt opgerigt en gezalfd, en uwe beloften aan mij gedaan. Nu dan, haast u, verlaat dit land, en keer weder naar het gewest, waar gij geboren zijt. Kachel en Lea zeiden daarop : hebben wij toch wel eenig deel of erfenis uit ons vaderhuis te verwachten ? Doe derhalve aEes, wat u God geboden heeft. Jacob maakte zich dan in stilte vaardig, en verliet met de zijnen, en met al wat hij bezat, het huis van Laban, om tot Izaak, zijnen vader, in het land van Chanaan weder te keeren. Laban was op dienzelfden tijd uitgegaan, om zijne schapen te seheeren ; en llackel

Bi

-ocr page 57-

mn het Oude Testament.

roofde middelerwijl de afgodenbeeldjes (1) van haren vader.

Op den derden dag werd het aan Laban gewaarschuwd, dat Jacob was weggevlugt. Laban vervolgde hem met zijne bloedvrienden zeven dagen lang, en achterhaalde hem. Maar God verscheen des nachts in eenen droom aan Laban, en zeide hem: wacht u van Jacob een hard en onvriendelijk woord toe te spreken. Toen Laban Jacob achterhaald had, zeide hij : waarom hebt gij met mij zoo gehandeld, dat gij steelsgewijs zijt heengegaan, en mijne dochters als krijgsgevangenen hebt weggevoerd. En waarom hebt gij mij niet uw vertrek bekend gemaakt, opdat ik u met vreugd, met gezang en met geklank van trommelen en citters zoude geleiden ? Het zoude nu ook wel in mijne magt zijn, u kwaad met kwaad te vergelden; maar de God van uwen vader heeft mij gisteren nacht gezegd: wacht u van Jacob een hard en onvriendelijk woord toe to spreken. Ik sta u dan toe, dat gij verlangdet om uws vaders huis te zien; waar waarom hebt gij mijne goden geroofd? Jacob antwoordde; wat mijn heimelijk vertrek aangaat, dit is geschied, omdat ik vreesde, dat gij mij uwe dochters met geweld ontnemen zoudt. Wat de dieverij betreft, waarvan gij mij beschuldigt, dat degene, bij wie gij uwe goden vinden zult, met den dood gestraft worde in de tegenwoordigheid van onze bloedvrienden! Onderzoek, of gij iets van het uwe onder het mijne vinden zult, en neem het weg. Hij zeide dit, omdat hij niet wist, dat Eachel de afgodenbeeljes had medegenomen. Laban ging dan in de tenten van Jacob, van Lea, en van de twee dienstmaagden ; maar hij vond ze niet. Daar hij nu ook in de tent van Kachel kwam, zoo verborg zij haastiglijk de afgodenbeeldjes onder het strooisel der kameelen, en ging er op zetten. Nadat Laban dan de geheele tent doorsnuffeld had, vond hij ze niet.

Dewijl Jacob over deze handelwijzen van Laban geheel gestoord was, zeide hij tot hem : ik heb nu twintig jaren met u omgegaan, uwe schapen en geiten hebben nooit eenig onheil bekomen; de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten; hetgeen van de wilde dieren verscheurd was, heb ik u vergoed; al wat er bij dag of nacht gestolen was, hebt gij mij doen vergelden. Bij dag verstikte ik bijna door de hitte, en des nachts verstijfde ik door de koude, en de slaap ontvlood mijne

1) Laban mengde de dienst der afgoden met den dienst van den waren God. Rachel nam die afgoden niet weg om ze te aanbidden, niaar om ze met den voet te treden, en opdat haar vader die niet zoude eeren. Of waarschijnijk, om door deze afgodenbeelden (die van goud en zilver waren) te bekomen hetgeen hun toekwam, en onregtvaardig door Laban werd onthouden, doordien hij haar geen huwelijksgoed of bruiloftsgift had gegeven. Nogtans is deze heimelijke vergoeding ongeoorloofd, zooals Jacob zelf hierna genoegzaam laat blijken.

55

-ocr page 58-

\'*86 GeacMedeuïs

oogen. Op rfeze wijs ieb ik u twintig jaren in uw liuis gediend, veertien jaren om uwe dochters, en zes jaren om uw vee; dat is, om volgens ons besprek, een deel in uwe kudde te hebben. Ook hebt gij mijne vergelding tot tienmaal toe veranderd. En indien de God van mijnen vader Abraham, voor wien Izaak ook vreest, mij niet bijgestaan had, zoudt gij mij weHigt naakt heen gezonden hebben. Maar God heeft mij en mijnen arbeid aangezien, en u gisteren daarom bestraft. Eindelijk werden hunne gemoederen bedaard; zij verzoenden zich met elkander, en namen afscheid, met belofte van tussehen elkander altijd vriendschap te houden. Nadat Laban dan \'s morgens vroeg opgestaan was, keerde hij, na zijne kinderen en dochters omhelsd en gezegend te hebben, naar zijn huis terug.

BEMERKING. Heil dengenen, die gelijk Jacob, tot de wereld en tot den duivel kan zeggen : zie of er iets in mij is, hetgeen u toebehoort, of gij uwe werken in mij vindt, en neem ze mede. Gelukkig is hij, in wie, met dit lezen, een heilig verlangen ontstaat om dit meer en meer te betrachten. — Rachel, door vrijwillig uit het afgodische huis van haren vader te vlugten, leert door haar voorbeeld aan alle christene dochters, de geneigdheid van hare ouders niet te volgen, als zij haar aan de afgoden der ijdelheid en hoovaardigheid willen opofferen. Zij moeten, naar het Evangelie, vader en moeder haten, als zij gebieden hetgeen strijdig is aan de zaligheid, of beletten hetgeen daartoe dienstig is. Zij moeten haars ouders huis aldus vlugten, om een heilig land, of eene plaats te zoeken, waar zij God beter kunnen dienen, en de bedorvene wereld ontvlieden om hare zaligheid te bewerken.

XXV. HOOEDDEEL.

Jacob zendt zijn volk met geschenken naar Esau. De geheimzinnige worsteling met eenen Engel. Jacob wordt Israël genoemd. Gen. 32. 33.

Jacob zette zijne reis voort, en kwam eene schaar van Engelen te gemoet, op welker gezigt hij uitriep ; dit is Gods leger f Daarna zond hij boden vooruit tot zijnen broeder Esau, in het land van Seïr, in het gewest van Edom. En hij gebood hun: Dit zult gij aan mijnen heer Esau zeggen fA/j doet Mmn zijnen heer noemen, om hem te winnen en te verzachten) : Jacob laat u boodschappen, dat hij bij Laban als een vreemdeling gewoond heeft en daar tot nu toe zijn verblijf heeft gehad; dat hij wel voorzien is van ossen, ezels, schapen, knechten en dienstmaagden, en dat hij nu dit aan zijnen

-ocr page 59-

van het Ottae Teiiamamp;nt.

teer bekend doot maken, opdat tij gunst in zijne oogeo moge vinden. Toen de boden tot Jacob wedergekeerd waren zeiden zij: wij zijn bij uwen broeder geweest, en hij komt u met 400 mannen te gemoet. Jacogt;b ontstelde zich hierover dermate, dat hij zijne lieden en kudden in twee benden verdeelde en zeide: indien Ezau de eene bende aantast ea die verslaat, zal de overige zich kunnen redden. Verder stierde tij dit gebed tol den Heer: o God van mijnen vader Abraham, en God van mijnen vader Izaak, o Heer die mij gezegd hebt: keer weder naar het land, daar gij geboren zijt, en ik zal u met weldaden overladen; ik ben al de goedheid en de trouw, die gij mij bewezen hebt, onwaardig. Want met dezen reisstaf alleen ben ik over de Jordaan gekomen, en nu keer ik daarover met twee benden weder; Verlos mij toch uit de handen vftn mijnen broeder Esau : want ik ben zeer bevreesd, dat hij misschien de moeder met de kinderen van het leven berooven zal.

Nadat Jacob dien nacht daar geslapen had, liet bij van al 6et vee, hetgeen hij bezat, geschenken voor zijnen broeder Esau ter zijde stellen: namelijk 300 geiten, 30 bokken 300 schapen, 20 rammen, 30 zaigeiade kameelinnen met hare veulens, 40 koeijeo, 20 stieren, 20 ezelinnen, en 10 jonge ezeltjes. Hij deed dit door zijne knechten, elke kudde in het bijzonder, aan zijnen broeder toevoeren en zeide: gaat voor mij henen, en laat eene ruimte tusschen de verschillende kudden. Doch den aanvoerder beval hij: indien gij mijnen broeder Esau ontmoet, en hij vraagt, wie gij zijt, of waar gij naar toe gaat, of, wie dit toebehoort, hetgeen gij voor u henen drijft, zoo zegt: het is een geschenk vim uwen dienaar Jacob, hetwelk hij aan zijnen heer Esau vooruit zendt, hij zelf nadert ook. Hetzelfde bevel gaf hij ook aian de overigen, en allen die de kudden dreven, hun gebiedende dezelfde taal tot Esau te spreken, en te zeggen dat Jacob ben volgde. Be geschenken werden derhalve vooruit gezonden, terwijl Jacob zelf dien nacht in het leger bleef. Na dén volgenden ochtend weder vroeg te zijn opgestaan, nam hij zijne twee vrouwen, en hare twee dienstmaagden met elf kinderen, en ging over de beek Jaboc. Wanneer hij nu alles, wat hem toebehoorde daarover gebracht had, bleef hij alleen overig. En zie, een onbekende fhet wm een engel die Christus verbeeldde) kwam met bem worstelen, tot dat de dageraad opging. Dewijl hij nu zag, dat hij Jacob niet konde overwinnen, gaf hij hem eenen slag op de pees van zijne heup, die terstond krachteloos werd. Hij zeide verder : laat mij gaan, want het wordt dag. Jacob antwoordde; ik zal u niet laten heen gaan eer gij mij zegent. Hij (de Engel) vroeg wederom: hoe is uw

-ocr page 60-

Geschiedenis

naam ? Jacob antwoordde : mijn naam is Jacob. En de onbekende hervatte: uw naam zal voortaan niet Jacob, maar Israël (1) zijn; want dewijl gij tegen God sterk geweest zijt, hoe veel te meer zult gij dan over de menschen de overhand krijgen ?

Naauwelijks was Jacob van die plaats wedergekeerd, of de zon ging op, en hij zag zijnen broeder Esau met de 400 man op zich afkomen. Hij gaf dan aan Lea en Kachel, en aan de twee dienstmaagden elk hare kinderen. De twee dienstmaagden met hare kinderen stelde hij vooraan : Lea met hare kinderen op de tweede plaats, en de achterste plaats gaf hij aan Rachel en Josef. Alsdan trad hij vooruit, en boog zich ter aarde tot zevenmaal toe, eer hij bij zijnen broeder kwam. Esau liep hem te gemoet, wierp zich om zijnen hals, omhelsde hem en weende. Daarna zijne oogen opslaande, en de vrouwen met hare kinderen ziende, vroeg hij: wie zijn degenen, die daar bij u zijn? Het zijn, antwoordde Jacob, de kinderen, die God uwen dienaar verleend heeft. Daarop naderden de dienstmaagden met hare kinderen, en bogen zich voor hem neder. Hierop volgde Lea met haar kroost, die zich insgelijks neder-boog, en eindelijk kwamen Jozef en Eachel aan hem die eer bewijzen. Esau zeide verder: wat waren dat voor benden, die ik daar even ontmoette ? Deze dienden, zeide Jacob, opdat ik genade in de oogen van mijnen heer zoude vinden. Esau gaf tot antwoord : ik heb goederen in overvloed, lieve broeder! wil toch de uwe voor u behouden. Neen, zeide Jacob; maar indien ik gunst in uwe oogen gevonden heb, zoo gelief toch dit geschenk uit mijne hand aan te nemen: want uw gelaat is mij voorgekomen als dat eens engels. Verwaardig u dus, de geschenken te aanvaarden, die ik voor u heb medegebragt, en die ik van den Algever ontvangen heb. Hij nam ze dan als gedwongen aan en zeide tot Jacob : laat ons nu te zamen henen gaan, ik zal u tot gezelschap op uwe reis verstrekken. Maar Jacob antwoordde: mijnheer, weet, dat ik kinderen bij mij heb, alsmede dragende schapen en koeijen. Zoo ik die op eenen dag te spoedig aandrijf, dan zou de geheele kudde ligtelijk kunnen sterven. Laat dan toch, zeide Esau, ten minste eenige van mijn volk bij u blijven. Zulks is niet noodig, zeide Jacob, het is mij genoeg, dat ik genade in de oogen van mijnen heer vind. Aldus keerde Esau weder naar Seïr, en Jacob kwam gezond tot de stad Sichem, in het land van Chanaiin, en bleef omtrent de stad wenen. Ook kocht hij een deel van den akker, waarop hij zijne tenten gespannen

1) Hiernaar is het dat de nakomelingen van Jacob kinderen van Israël of Israëlieten genoemd worden.

58

-ocr page 61-

van het Oude Testament.

had, van de zonen van Hemor, Sicliem\'s vader, voor honderd lammeren (om in geen geschil met de inwoners te komen), en na aldaar een altaar opgerigt te hebben, aanriep hij den almogenden God van Israël.

EEMERKIMGr. Het is door de vernedering, dat Jacob Esau\'s wreedheid overwint. Hij was hier een schoon voorbeeld van Christus, die door zijne eindelooze vernederingen gezegepraald heeft. God toont hier zijne wonderbare wijsheid en magt, en dat de vervolgingen van zijne uitverkorenen niet grooter of langduriger zijn, dan het hem behaagt, en dat Hij hen alleenlijk bezoekt omdat hij hen lief heeft. Ook toont hij, hoezeer hij meester is van \'s menschen hart. Wie zal dan niet betrouwen op de magt, wijsheid en goedheid Gods, die zco wonderlijk al diegenen helpt, die tot hem hunne toevlugt nemen.

XXVI. HOOFDDEEL.

Dina wordt, omtrent 15 jaren oud zijnde, onleerd, Simeon en Levi wreken op eene verschrikkelijke wijze dezen smaad. Rachel sterft. Izaiik sterft. Gen. 31. 35. 36. — Het jaar 2273.

Terwijl Jacob daar vreedzaam woonde, ging Dina, dochter van Lea, op zekeren dag uit, om de vrouwen van dat land te zien. Sichem, Hemor\'s zoon, een jonge vorst van dat land, werd, na haar gezien te hebben, op haar verliefd: hij ontvoerde haar met geweld, en onteerde ze. Zijne genegenheid viel gansch op het meisje, en daar zij bedroefd was, trachtte hij haar met vleijende woorden te winnen. Ook ging hij bij zijnen vader Hemor, zeggende ; maak toch, dat ik deze dochter tot mijne huisvrouw bekome. Toen Jacob het schenden zijner dochter gehoord had, terwijl zijne zonen nog met het vee op het veld waren, zweeg hij stil, tot dat zij weder kwamen. Middelerwijl ging Hemor, de vader van Sichem, naar Jacob om hem te spreken. Doch denzelfden tijd kwamen zijne zonen van het veld, en, dit hoorende, werden zij grammoedig, om de schandige daad, die Sichem tegen Israël bedreven had. Maar Hemor sprak tot hem deze woorden : mijn zoon Sichem is op uwe dochter verliefd; geef ze hem toch tot vrouw. Sichem zeide ook tot den vader van het meisje en tot hare broeders : laat mij toch gunst voor uwe oogen vinden, en al wat gij van mij verzoeken zult, zal ik geven. Stelt het bruiloftsgoed zoo hoog als het u belieft: eischt geschenken, volgaarne zal ik u alles geven, wat gij vragen zult. Geef mij maar de jonge dochter tot echtgenoot. Jacob\'s zonen gaven aan Sichem en zijnen vader een bedriegelijk antwoord, daar zij hoogst gestoord -waren over het schenden hunner zuster. Wij kunnen, zeide zij.

59

-ocr page 62-

Geschiedenis

deze zaak niet doen, nocli onze zuster geven aan eenen manspersoon, die onbesneden is: want dit is bij ons een scbande. Maar wij zullen met u een verbond kunnen maken, indien gij u allen laat besnijden. Nadat Hemor en Sicliem bierin van barte badden toegestemd, gingen zij naar de stadspoorten, en deden aan bet volk eene scboone aanspraak, waarin zij bet groote voordeel aanhaalden, hetwelk zij daaruit konden trekken, indien Jacob met hen bleef wonen : en nadat het voorstel der besnijdenis gedaan was, stemden de inwoners allen daarin toe. En al wat er onder hen van bet mannelijk geslacht was, werd besneden. Doch op den derden dag daarna, wanneer de wonden gemeenlijk meerder smart veroorzaken, kwamen de twee zonen van Jacob, Simeon en Levi, volle broeders van Dina, met het zwaard in de vuist, en versloegen al wat er van het mannelijk geslacht was, waaronder zich ook Hemor en Sichem bevonden, en ontvoerden Dina uit het huis van Sichem. Als zij vertrokken waren, kwamen de andere zonen van Jacob, plunderden de geheele stad, en namen aldus wraak over de schending hunner zuster. Zij namen ook hunne ossen en ezels, en al hetgeen hun toebehoorde, zoo in do stad als op het veld, mede, en voerden hunne kinderen en vrouwen gevangen weg. Doch Jacob zeide tot Simeon en Levi: gij hebt mij zeer ontsteld, met mij bij het volk van dit land hatelijk te maken. Wij zijn slechts weinig in getal, indien zij te zamen tegen mij opkomen, zullen zij mij verslaan, en mij en geheel mijn huisgezin vernielen. Terwijl lüj dan voor de gramschap der naburige volkeren vreesde, zeide God tot hem: baast u en vertrek naar Bethel, om daar uw verblijf te nemen, en rigt daar een altaar voor den Heer op, die u verscheen, wanneer gij voor uwen broeder Esau vlugttet. God vervulde ook met schrik en vrees al de steden, langs welke bij zijnen doortogt nam, zoo dat zij hem niet durfden vervolgen. Weinigen tijd daarna stierf Eachel, zijne vrouw, toen zij moeder van Benjamin werd. Zij werd op Bethlehem\'s grondgebied begraven. Het jaar daarna kwam Jacob bij zijnen vader Izaak te Mambre, alwaar Abraham en Izaak als vreemdelingen geleefd hadden. Izaak stierf op zijn ISC\' jaar, het jaar der wereld 3275. Zijne zonen Esau en Jacob hielpen hem begraven.

BEMERKING. De H. Ambrosius zegt, dat Dina\'s val een spiegel is voor alle christene maagden. De afgezonderdheid is haar deel, zij mogen niets met de bedorvene wereld en wereldsche mensclien gemeens hebben. Zij mogen geene ijdelbeid beminnen. De nieuwsgierigheid moeten zij vreezen, ziende derzelver droevige gevolgen in Dina, die daardoor de kroon der eere verloor, en oorzaak wis dat hare broeders

60

-ocr page 63-

van het Oude Testament.

groote moordenaars en dieven werden, dat een geheele stad werd vernield, en dat haar vader zelf moest vlugten, en in gevaar verkeerde van met gelieel zijn huisgezin vermoord te worden, indien God het niet bijzonderlijk beschermd had... De zonen van Jacob bedreven hier groote schelmstukken, maar de Heer gebruikte op eene regtvaardige wijze hunne boosheid die hij verfoeide, om de onkuischheid van Sichem te straffea en te doen schromen.

XXVII. HOOFDDEEL.

Jozef meer bemind van Jacob dan zijne andere kinderen. Hij beichui-digt zijne broeders. Hij verhaalt twee droomeu. Hij wordt uit nijd van ben verkocht. Gen. 37. — Het jaar 2276.

Jacob had twaalf zonen, die men gewoonlijk de twaalf Patriarchen of Aartsvaders noemt, te weten: Euben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Nepthali, Gad, Aser, Isachar, Zabulon, Jozef, Benjamin ; deze twee laatste waren zonen van Eachel. Jozef een zestienjarige jongeling, weidde de kudde met zijne broeders, de zonen van Bala en Zelpha, vrouwen van zijnen vader; hij gaf op zekeren tijd aan zijnen vader den schandigen handel zijner broeders te kennen (welke in de Schrift niet genoemd wordt). Israël beminde Jozef boven al zijne zonen, omdat hij hem in zijnen ouderdom verwekt had, en maakte hem een veelkeurig bovenkleed. Daarom werden zijne broeders jaloersch, en droegen hem zulk eenen haat toe, dat zij hem geen vriendelijk woord meer wilden toespreken. Het gebeurde dan ook. dat hij aan zijne broeders zekeren droom verhaalde, dien hij gehad had, hetwelk hunnen haat tegen hem nog meer deed toenemen. Hij verhaalde hun dan op deze wijze: het scheen mij toe, dat wij te zamen op het veld waren om koren in schoven te binden. En ziet, mij rus schoof rigtte zich op, en bleef geheel regt staan; maar uwe schoven kwamen rondom de mijne staan, en bogen zich voor dezelve neder. Watl zeiden hem zijne broeders, zult gij dan onze koning worden ? Of zullen wij onder uw gebied moeten buigen ! Die droomen dan en die woorden ontstaken hunnen haat en nijd des te heviger. Hij kreeg nog eenen anderen droom, dien hij hun ook vertelde. ■Ziet, zeide hij, ik heb nog eenen anderen droom gehad. Het scheen mij toe, dat de zon, de maan en elf sterren zich voor mij nederbogen. Wanneer hij dit aan zijnen vader, en zijnen broeders verhaald had, bestrafte hem zijn vader, «n zeide hem: wat is dit voor eenen droom, dien gij gehad hebt ? zullen wij, ik en uwe moeder (I) en uwe broeders eens voor u ter aarde

1) Dit Is te verstaan van Lea, die alsdan de moeder des huisgezin» Was: want Rachel, Jozefs moeder, was reeds overleden.

61

-ocr page 64-

Geschiedenis

moeten nedervallen ? Zijne broeders werden dan nog meer tegen tem met nijd ontstoken ; doch zijn vader overdacht de zaak stUlekens bij zich zeiven.

Toen, eenigen tijd hierna, zijne broeders eens de kudde van hunnen vader bij Sichem weidden, zond Jacob, Jozef naar hen toe, om te weten, of alles nog wel met hen en het vee gesteld was. Hij ging dan naar zijne broeders en vond hen te Dothan. Als zij hem van verre zagen aankomen, maakten zij voorslagen om hem te dooden, en zeiden tot elkander: zie, daar komt de droomer aan, laat ons hem doodslaan, in eene kuil werpen, en zeggen, dat een wild dier hem verscheurd heeft. Dan zal men zien, wat er van zijne droomen geworden zal. Maar Kuben, dit hoorende, zocht hem uit hunne handen te krijgen, en zeide hun ; brengt hem toch niet om het leven, werpt hem liever in gindschen kuil, die daar in de woestijn is, en bevlekt uwe handen niet met zijn bloed. Dit zeide hij, om hem uit hunne handen te krijgen, en hem wederom tot zijnen vader te brengen. Zoodra Jozef zich nu bij zijne broeders bevond, trokken zij hem terstond zijn gespikkeld kleed uit, grepen hem aan en wierpen hem in een\' der aangewezene kuilen ; deze was ge-lukkiglijk een uitgedroogde waterput. Terwijl zij daarna bij elkander nederzaten, om hunnen nooddruft te nemen, zagen zij eenige Ismaëlieten, die van Galaad kwamen, voorbij reizen met hunne kameelen, die specerijen, balsem en mirrhe naar Egypte voerden. Juda zeide dan tot zijne broeders ; wat zal het ons baten, dat wij onzen broeder dooden, al ware het, dat wij zijnen dood zouden verbergen ? Laat ons hem liever aan de Ismaëlieten. verkoopen, en onze handen met zijn bloed niet bezoedelen ; hij is immers onze broeder, ons vleesch en bloed. Zijne broeders stemden hierin toe. Zij trokken Jozef dan uit den put, en verkochten hem aan de Ismaëliten, die hem in Egypte bragten, voor twintig zilverlingen. Middelerwijl was Euben, die niets van dit voorval wist, tot den put wedergekeerd, en daar hij Jozef niet vond, scheurde hij zijne kleederen, liep naar zijne broeders, en riep : de jongen is er niet meer; wat zal ik gaan beginnen? Doch de anderen namen Jozefs kleed, doopten het in het bloed van een geslagt bokje, zonden het alzoo bloedig aan hunnen vader Jacob, 3n lieten hem zeggen : dit kleed hebben wij gevonden ; zie, of het uws zoons kleed is of niet. De vader herkende hetzelve aanstonds en zeide: ja, het is het kleed mijns zoons; een wild dier heeft mijnen Jozef verslonden! Hij scheurde zijne kleederen van droefheid, trok rouwgewaad aan, en jammerde maanden lang over zijnen lieveling. Al de kinderen kwamen bijeen om hem te troosten, maar hij was onvatbaar voor alle ver-

-ocr page 65-

van het Oude Testament. 63

troosting, en zei de: ik wil treurende om mijnen zoon ten grave gaan.

BEMERKING. Voor dat Jozef tot zijne verheffing kwam, moest Lij veel lijden en groote vernederingen ondergaan ; zoo ook moeten de uitverkorenen, eer zij tot de verhevenheid des hemels komen, hetzij uit-, hetzij inwendig veel lijden... De groote en bijzondere liefde van Jacob tot Jozef was oorzaak van zijn verlies, en van den haat zijner broeders. Eene treffende les voor alle vaders! Het is goed zijne kinderen te beminnen. Het is ook billijk, dat men de deugdzaamste meest bemint; maar het is gevaarlijk uitwendig deze liefde te toonen. Hetgene de ouders meer geven aan het eene kind, hetwelk zij meer beminnen, dan aan het andere, is dikwerf de oorzaak van haat tusschen hen, gelijk de rok, dien Jacob aan Jozef gaf... Jozef is hier een uitmuntend afbeeldsel van Christus, die van zijne eigene broeders, om zijne deugd en heiligheid, gehaat zijnde, van hen verkocht en gedood werd.

XXVIII. HOOFDDEEL.

Jozef wordt aan Putiphar verkocht. Hij wordt beschuldigd en in den kerker gesmeten. Gen. 39.

De Ismaëlieten bragten Jozef in Egypte, en verkocliten hem aan Putiphar, een\' voornaam hoveling van Pharaö; maar God was met Jozef. Putiphar merkende, hoezeer de Heer hem lief had, en dat alles, wat hij deed, door Gods beleid geluk-kiglijk uitviel, vond Jozef zulkdanige gunst in zijne oogen, dat hij hem over geheel zijn huis stelde. God zegende het huisgezin van Putiphar om Jozefs wil, en hij vermenigvuldigde van alle kanten al wat Putiphar bezat. Alles was zoodanig wel onder het gebied van Jozef, dat zijn meester nergens van kennis had, dan van hetgeen hij at en dronk.

Eenigen tijd daarna gebeurde het, dat Putiphar\'s huisvrouw hare oogen op Jozef, die een vriendelijke en bevallige jongeling was, liet vallen. Zij bewees hem alle teekenen eener verdachte vriendschap, en stelde alles te werk, om hem tot een\' pligtvergetenden omgang met haar, en trouwbreuk jegens zijnen meester, te verleiden. Maar\' Jozef antwoordde op al die ondeugende voorstellingen : zie, mijn heer heeft alles in mijnen handel gesteld. Alles is onder mijn gebied, gij alleen uitgenomen, die zijne huisvrouw zijt. Hoe zoude ik dan zoo een groot kwaad kunnen doen, en tegen God zondigen ? Maar zij viel den jongeling met deze en dergelijke woorden dagelijks moeijelijk, doch hij bleef hare wenschen ook standvastig afslaan.

-ocr page 66-

64 Getcltkdeni»

Het gebeulde dan op zekeren dag, als Jozef dan alleen te huis was, dat zij hem bij zijnen mantel vatte, en tem opnieuw dringend aanzocht, haar schandig verzoek in te willigen. Jozef liet den mantel in hare haaden, en ontvlugtte.

Dit booze wijf, zich zoo veracht ziende, riep hare huis-genooten bijeen en zeide: ziet, welken boozen meusch Putiphar ia zijn huis heeft gebragt! Die Hebreeuwer wilde mij onteeren, maar ik begon te schreeuwen en te tieren. Dadelijk liet hij zijnen mantel varen en vlugtte weg. Zij legde den mantel, tot een teeken van getrouwheid, nevens hare zijde, toonda dien aan haren man, toen hij te huis kwam, en zeide hem: de hebx-eeuwsche knecht, dien gij in ons huis hebt gebragt, kwam tot mij, om mij te onteeren. Maai- zoodra ik begoa te schreenwen en te tieren, liet hij mij zijnen mantel, en liep weg. Jozefs heer dit gehoord hebbende, en veel geloof gevende aan de woorden van zijne vrouw, liet hem in de staatsgevangenis werpen. Zijne voeten werden in ketenen geklonken, en hij werd in de ijzers gesteld. Maar God was met Jozef, en deed hem gunst bekomen bij den gevangenbewaarder; want deze stelde de gevangenen iu zijne liauden, zoodat er niets dan onder zijn beleid gedaan werd, en hij hem alles aanvertrouwde; ook verleende God aan alles, wat hij ondernam, eenen gewenschten uitslag.

BEMERKING. Dit voorbeeld leert ons, dat wij, om de ■zuiverheid te bewaren, bijzonderlijk de verkeering met personen van het andere geslacht moeten vlugtea. Dit is het beste middel, en zonder dit zullen de andere niet veel baten. Niets is er zoo bekwaam, zegt de H. Augustiüus, om een mannelijk gemoed neder te veilen, dan de vleijerijen eener vrouw. Lib. 1. Solil. cop. 10. Doch er is ook geen minder gevaar in de vleijerijen en aanloksels van mannen, ten op-^igte der vrouw.

God daalt neder bij de zijnen in de kerkers, gelijk bij Jozef, Hij verlaat hen niet in het lijden. Hij beproeft zijne uitverkorenen door druk en tegenspoed. Wie den moed in het lijden laat zinken, die denkt niet genoeg, dat hij een leerling van eenen gekruisten Meester is. De Heiligen bekeu-nen, dat zij dikwijls pligtig zijn voor God, al zijn zij onplig--tig iu de oogen der menschen. Alhoewel de EL Augustinus zoo wonderlijk door Gods barmhartigheid bekeerd was, en ■dat zijne groote deugden aan de kwaadwilligen de zonden .zijner jongheid hadden moeten doen vergeten, verweten hem aogtarus degenen, die meer op het kwaad dan op het goed .acht namen, zijne vorige zonden. Doch hij gaf ten antwoord: Als ik nu mijn zondig leven nog hoor verachten, uit wat

-ocr page 67-

van het Oude Tmtmnent. 65

inzio-t ziüks gesoliiedt of niet, dat Uraag ik mij niet aan; maar hoe meer ik beschuldigd eu veracht word, des te meer moet ik den geneesheer loven en danken, die mij genezen heeft. De ketter Petilianus betigt mij valschelijk van vele fouten, die ik nooit gedaan heb, maar hij verzwijgt er veel meer. die hij niet weet, welke ik heb bedreven, en die aan üod bekend zijn. (Lib. 3. cont. Litt. Petil. n. 11. cap. 10.) Zoo ook, als men ons onreg-tvaardig beschuldigt, moet men voor God bekennen en zeggen: ó Heer! ik heb meer verdiend dan ik lijd; mijne zonden zijn talrijker en grooter dan de menschen weten, zoo U alleen bekend is.

4^

XXIX. HOOFDDEEL.

De droomen van Pharaö\'s hovelingen, den schenker en den bakker, door Jozef uitgelegd. Hij legt de droomen van Pharaö «it, en wordt uit deu kerker verlost. Gen. 40 en 41. — Het jaar 2289.

Het gebeurde daarna, dat Pharaö twee zijner hovelingen, namelijk den schenker en den bakker, om zekere misdaad, ia dezelfde gevangenis deed werpen, alwaar Jozef zich bevond. De gevangenbewaarder liet hen aan Jozefs toezigt over. Eenigen tijd daarna hadden zij in denzelfden nacht elk eenen droom, waarover zij zich des morgens beangstigden. Toen Jozef \'s ochtends bij hen kwam en hen ontsteld vond, vroeg hij hun ; waarvan komt het, dat uw aangezigt nu droeviger is dan te voren ? Zij antwoordden: wij hebben elk eene droomverschijning gehad, en niemand kan ons die uitleggen. Jozef zeide hun: komt het uitleggen der droomen aan God niet toe ? Vertelt mij, wat gij gedroomd hebt. Nu vertelde de opperscheiiker: ik zag voor mij eenen wijngaard, die drie ranken had, en allengskens zijne botten uitschoot: hij groeide, werd groen, bloeide, en er kwamen rijpe druiven aan. Terwijl ik nu den beker van Pharaö in mijne hand had, nam ik die druiven, perste die uit in den beker, en gaf denzelven aan den koning over. Zie, zeide Jozef, de uitlegging van uwen droom is de volgende : de drie ranken beteekenen nog drie dagen, in welke Pharaö zich de diensten zal herinneren, die gij hem bewezen hebt, en u in uwe voorgaande waardigheid zal herstellen, zoo dat gij hem, volgens uw ambt, den beker zult aanbieden, zoo als te voren. Dit bid ik u ook, dat gij mij gedachtig zijt, «wanneer u deze genade te beurt valt, en mij de goedhartigheid wilt bewijzen, van aan Pharaö te verzoeken, dat hij mij uit deze gevangenis gelieve te verlossen ; want uit het hebreeuwsche land ben ik door hinderlagen ontvoerd en onschuldig in dezen kerker geworpen.

5

-ocr page 68-

Geschiedenis

66

De overste der bakkers, ziende dat Jozef dien droom ten goede uitgelegd had, zeide alstoen tot hem: ik heb gedroomd, dat ik drie korven meel op mijn hoofd droeg; in den bovensten korf was allerhande gebak voor den koning, en de vogelen kwamen uit dien korf eten. Hierop zeide Jozef: dit is de uitlegging van uwen droom : de drie korven beduiden drie dagen, na welke Pharaö u aan eene galg zal doen hangen, alwaar het gevogelte uw vleesch zal komen opeten. Den derden dag daarna, dewijl het de geboortedag van Pharaö was, rigtte deze eenen praehtigen maaltijd voor zijne hovelingen aan; aan tafel herinnerde zich de koning den opperschenker en den opperbakker, en bepaalde hun lot: de bakker werd opgehangen, en de schenker werd in zijn vorig ambt hersteld; doob deze vergat Jozef, toen hij weder in \'s konings dienst hersteld was. ■ Twee jaren daarna had Pharaö zelf een droom. Het dacht hem, dat hij aan de rivier de Nijl stond, en dat uit dezelve zeven schoone, vette koeijen opkwamen, welke op den oever in het gras gingen weiden. Daarna zag hij nog zeven andere uit dezelfde rivier opkomen, die leelijk en zeer mager waren, en nevens de andere op den oever van de rivier in het groene gras stonden. Doch die leelijke en magere koeijen aten de zeven andere schoone en vette koeijen op. Toen werd Pharaö wakker, maar sliep weldra weder in, en had op nieuw een\', droom. Hij zag zeven korenaren, vol en schoon van gedaante, uit eenen halm oprijzen. Hij zag nog zeven andere dunne aren opschieten, die door al te groote hitte verzengd waren. Doch deze dunne aren verslonden de zeven andere volle aren. Pharaö, uit zijne rust ontwakende, was gansch verslagen. Hij liet dan al de droomuitleggers en de wijzen van Egypte ontbieden, en vertelde hun zijnen droom; doch niemand hunner kon hem denzelven uitleggen. Alsdan werd de opperschenker eindelijk Jozef indachtig, en zeide tot den koning : toen gij op uwe dienaars verbolgen waart en mij en den opperbakker in de gevangenis had doen werpen, hadden wij beiden in denzelfden nacht aldaar eenen droom, die ons het toekomende voorzegde. Er was alsdan in den kerker een hebreeuwsche jongeling, die toen voor mij en den overste der bakkers wonderlijke droomen ten duidelijkste uitgelegd heeft, zoodat zijne uitlegging door den uitslag zelf bewaarheid is geworden. Ik ben in mijn ambt hersteld, en de bakker is aan eene galg opgehangen. Terstond werd Jozef, op bevel des konings, uit den kerker gehaald, gereinigd, gekleed, en voor den koning gebracht. Dan sprak Pharaö tot hem : er zijn mij eenige droomen voorgekomen, die niemand kan uitleggen ; doch ik heb hooren zeggen, dat gij die zoo wijsselijk verklaren kunt. Jozef antwoordde : God, en niet ik.

-ocr page 69-

van het Oude Testament.

6?

zal den koning aanwijzing doen van hetgeen hem voorspoedig is. Pharaö verhaalde hem nu, wat hij gedroomd had. Jozef zeide hierop: het droomen des konings beteekent eene en dezelfde zaak. Hierdoor maakt God u bekend, wat hij voorgenomen heeft te doen. De zeven schoone koeijen en de zeven volle aren beteekenen zeven vruchtbare jaren, zoodat de droom hetzelfde beduidt. En de zeven leelijke en magere koeijen, die na de andere opkwamen, en de zeven dunne en verzengde aren, beteekenen zeven jaren van hongersnood. Doch het woord, hetgeen ik gesproken heb, en hetgeen God zal uitwerken, zal op deze wijs volbragt worden : er zijn zeven jaren voorhanden, die eene overgroote vruchtbaarheid door geheel Egypteland zullen aanbrengen, maar na deze zullen er zeven andere van zoodanige schaarschheid volgen, dat men alle voorgaande vruchtbaarheid zal vergeten, en overal zware hongersnood daaruit ontstaan zal. Dat nu de koning dien droom, die hetzelfde beduidt, tot tweemaal toe gezien heeft, is een teeken, dat God de zaak vast besloten heeft, en die eerlang zal, doen uitwerken. De koning gelieve derhalve naar eenen wijzen en verstandigen man uit te zien, en hem over het geheele land van Egypte te stellen, opdat die man in alle gewesten opzieners stelle, die het vijfde gedeelte van den oogst opkoopen, zoo lang de zeven vruchtbare jaren zullen duren, opdat al die vruchten, aldus in de schuren verzameld, onder de bescherming des konings gesteld, en door zijne bevelen in de steden bewaard worden, en er derhalve voor de zeven jaren van den hongersnood, die over Egypte komen zal, voorraad moge wezen, en het land door behoefte niet verga. Deze raad beviel Pharaö en al zijne hovelingen ten uiterste wel. Hij sprak dan tot hen : zouden wij wel iemand kunnen vinden, die zoo blijkbaar met Gods geest vervuld is als deze man ? Zich vervolgens tot Jozef wendende, zeide hij: dewijl u God dit alles heeft te kennen gegeven, zoo weet ik niemand wijzer en verstandiger dan u te vinden. Gij zult het gebied over mijn huis hebben, en op uw bevel zal al mijn volk onderdanig zijn : ik wil geenen anderen voorrang boven u dan alleen den troon; ik benoem u van heden af als stedehouder over geheel Egypte. En een kostbare ring van zijnen vinger genomen hebbende, stak hij dien aan Jozefs vinger; vervolgens deed hij hem -een fijn, kostbaar kleed aantrekken, en hing hem een gouden keten aan den hals. Ook deed hij hem op zijnen tweeden wagen rijden, en voor hem uitroepen, dat een ieder voor hem zoude de knie buigen, en aldus weten, dat hij over het geheele land van Egypte gesteld was. De koning zeide nog bovendien tot Jozef; zoo waar als ik, Phnraö, leef, zal er niemand in geheel Egypteland zijnen voet of vinger roeren, dan onder uw gebied. Ook veranderde

-ocr page 70-

Geschiedenis

hij zijnen naam, en noemde liem\' in de Egyptische taal den Redder der wereld; hij gaf hem Aseneth, de dochter van Putiphar, priester van Heliopolis, tot vrouw. Jozef had alsdan zijn 30 levensjaar bereikt. — Vervolgens verliet hij Pharaö, en doorreisde al de streken van Egypte, om dezelve te bezigtigen.

Toen nu de vruchtbaarheid der zeven jaren aankwam, werd de groote overvloed van de veldvruchten in elke stad, die daar omtrent was, in magazijnen opgestapeld. De menigte van het graan was zoo groot, dat het ontelbaar was, en konde vergeleken worde bij het zand der zee. Toen de zeven jaren van vruchtbaarheid voorbij waren, begonnen de zeven jaren van hongersnood. Er was welhaast gebrek aan eetwaren in al de landen.

Wanneer nu het volk van Egypte in nood was, smeekte het Pharaö om voedsel, die zeide; ga tot Jozef, en doet stiptelijk wat hij u zeggen zal. Middelerwijl nam de hongersnood dagelijks door het geheele land toe. Jozef opende dan de voorraadschuren, en verkocht aan de Egyptenaars graan. Het volk van al de omliggende landen kwam ook naar Egypte om koren te koopen.

BEMERKIXGr. Jozef werd om zijne kuischheid in den kerker geworpen, waarin hij drie jaren verbleef. Met regt wordt hij de martelaar der kuischheid genoemd, Alzoo loont God dikwijls in deze wereld de deugden der uitverkoornen met druk en lijden naar het lichaam, maar met licht en vertroosting naar de ziel. Zoo zeide Christus tot Ananias wegens Paulus, dat hij een uitverkoren vat was, en dat hij hem verkozen had, om zijnen naam aan de Heidenen te verkondigen, maar dat zij hem zouden toonen, hoe veel hij voor hem zou moeten lijden. Als de H. Athanasius in het Concilie van Niceën zoo kloekmoedig de Godheid van Christus tegen den ketter Arius had verdedigd, werd hij daarom van de Ariaansche ketters geheel zijn leven vervolgd. Alzoo heeft God ook den arbeid van de H. Theresia met opspraak en vervolging vergolden. Maar door den grooten voortgang, dien zij alsdan in hare ziel gevoelde, gaf de Heer haar te kennen, hoe zalig het is voor hem te lijden: en zij vond zich geneigd, nog meer lijden te verzoeken. Immers zij werd, zegt zij, met geestelijke blijdschap als overgoten. Zulke voorbeelden zijn zeer overvloedig in de kerkelijke geschiedenissen en in de levensbeschrijvingen der Heiligen. Indien gij dan moet lijden om eenige dienst aan God, of aan zijne Kerk, bewezen te hebben, verblijdt u dan, omdat % van God verleend is, niet alleen in hem te geheven, inaar ook voor hem, ie lijden. Phil. 1. 39.

68

-ocr page 71-

van het Oude Teslammt,

XXX. HOOFDDEEL.

Jozefs broeders, in Egypte komende, worden door hem herkend. Hij

laai hen als bespieders van het land in den kerker werpen. Vervolgens zendt hij hen met graan naar huis; Simeon alleen houdt hij iu bewaring. Gen. 42. — Het jaar 2296.

Toen Jacol) gelioord had, dat er levensmiddelen in Egypte te koop waren, zeide hij tot zijne zonen: waarom blijft gij zorgeloos elkander aanzien ? Ik lieb vernomen dat er graan in Egypte te koop is. Ciaat er heen en koopt koren, opdat wij niet van gebrek omkomen. De tien oudste broeders van Jozef gingen dan om levensmiddelen in Egypte te koopen; want Jocob wilde Benjamin niet met zijne broeders laten vertrekken, uit vrees dat hem iets kwaads mogt overkomen.

Zij kwamen dan in Egypte, met de andere menschen, die ook derwaarts trokken oin graan te koopen: immers dezelfde hongersnood had het land van Chanaan overvallen. Dewijl nu Jozef stedehouder van Egypte geworden was, op wiens bevel koren aan het volk verkocht werd, zoo vielen zijne broeders voor hem plat ter aarde. Hij echter kende hen dadelijk, doch hield zich als vreemd jegens hen, en vroeg hun op eenen nor-schen toon : van waar komt gij ? Zij antwoordden ; uit het land van Chanaan, om koren te koopen. Alstoen herinnerde zich Jozef de droomen zijner jeugd, die hier volbragt werden, en zeide hun; gij zijt bespieders. Zij hervatteden: Ach neen, mijnheer ! uwe dienaars zijn enkel herwaarts gekomen om graan te koopen. Wij zijn alle zonen van eenen vader. Wij zijn vreedzame lieden, die ter wereld niets kwaads in den zin hebben. Jozef sprak hierop: het is zoo niet; gij komt om ons te bespieden, en te zien waar het land het minst versterkt is. Wij, uwe dienaars, hernamen zij, waren twaalf broeders, alle zonen Tan éénen vader, in het land van Chanaan: de jongste is bij onzen vader te huis gebleven, de andere is.reeds dood... Het is gelijk ik gezegd heb, zeide Jozef, gij zijt bespieders. Nu zal ik daarvan de proef nemen. Gij zult van hier niet vertrekken, voor dat uw jongste broeder bij mij zal komen. Zendt iemand van u weg om hem te halen; gij anderen zidt intusschen hier gevangen blijven, tot dat ik ondervinde of gij de waarheid gezegd hebt, of niet. Want zoo waar als Pharaö leeft, houd ik u voor bespieders. Hij liet hen dan voor drie dagen in de gevangenis zetten. Den derden dag liet hij hen uit den kerker halen, en zeide hun ; doet hetgeen ik u zeggen zal, en ge zult het leven behouden ; want ik vrees God en wil niemand onregt doen. Zoo gij vreedzame lieden zijt, laat dan eene van uwe broeders in den kerker gevangen blijven, en gaat gij henea

69

i

-ocr page 72-

70 Geschiedenis

om het koren naar huis te voeren ; maar breng uwen jongsten broeder tot mij, opdat ik moge weten of gij de waarheid zegt,-en gij alzoo den dood moogt ontgaan. Zij deden gelijk hij geboden had, en zeiden tot elkander: dit hebben wij niet regt aan onzen broeder Jozef verdiend ; wij zagen de beilaauwdheid zijner ziel, als hij om genade bad, zonder dat wij naar hem eens luisterden; daarom overkomt ons ook deze ramp. Ruben, onder andere, zeide: heb ik het u niet gezegd, dat gij den jongen geen kwaad zoudt doen ? Maar gij wildet mij geen gehoor geven. Nu wordt zijn bloed op ons gewroken. — Uoch zij wisten niet, dat Jozef hen verstond, dewijl hij door eenen tolk met hen sprak. Als Jozef nu dit gesprek aanhoorde, konde hij zijne tranen niet langer wederhouden ; hij wendde zich van hen af, en weende ; eenige oogenblikken daarna, echter, kwam hij wederom met hen spreken. Hij deed Simeon in hunne tegenwoordigheid binden. Zijnen bedienden gebood hij, dat zij de zakken met graan zonden vullen, elks geld er weder in te doen, en hun daarenboven nog levensmiddelen voor de reis mede te geven. Dit werd zoo gedaan. Nadat zij dan graan op hunne ezels geladen hadden, trokken zij henen. Wanneer onderwege een hunner zijnen zak opende, om zijnen ezel in de herberg te eten te geven, zag hij het geld in het bovenste van den zak, en zeide verbaasd tot zijne broeders: mijn geld is mij wedergegeven : ziet, hot steekt in mijnen zak. Zij waren hierover ten uiterste verwonderd en zeiden tot elkander: wat is dit hetgeen God ons doet overkomen? Zij vervorderden echter hunnen weg, en kwamen eindelijk bij hunnen vader in het land van Cha-naan, en verhaalden hem al wat hun wedervaren was. De heer van dat land, zeiden zij, heeft ons op eene norsche wijze toegesproken, en gemeend dat wij bespieders waren. Maar wij gaven ten antwoord, dat wij vreedzame menschen waren, die geen kwaad ter wereld in den zin hadden. Wij zijn, zeiden wij, twaalf broeders, zonen van één en vader; één is niet meer, en de jongste is bij onzen vader in het land van Chanaan. Hij zeide tot ons : Hieruit zal ik eene proef nemen, of gij vreedzame lieden zijt: laat een\' uwer broeders bij mij, en neemt gij de levensmiddelen, en trekt henen; maar brengt uwen jongsten broeder mede, opdat ik wete dat gij geene bespieders zijt. Dan zal ik uwen gevangen broeder loslaten, en gij zult hier voortaan mogen koopen wat u belieft.

Wanneer zij nu hunne zakken ledig naakten, vond ieder zijn geld in het bovenste van den zak, waarover zij allen met hunnen vader versteld stonden. Vervolgens zeide Jacob tot hen: gij berooft mij nog van al mijne kinderen. Jozef is dood; Simeon is gevangen, en nu wilt gij mij Benjamin nog ontnemen. Dit gaat te verre. Ruben nam het woord op, en zeide tot

-ocr page 73-

van het Oude Testament.

zijnen vilder : dood mijne twee zonen, zoo ik hem niet weder-breng. Geef hem aan mij over, en ik zal hem u weder leveren. Neen, zeide Jacob, mijn zoon zal met u niet medetrekken. Zijn broeder is niet meer, en indien aan dezen ook op den weg eenig ongeluk overkwame, zoudt gij mijne grijze haren met smart ten grave doen dalen.

BEMERKING. O groote God! hoe wonderlijk is uwe Voorzienigheid, waardoor gij alle dingen bestuurt! Niemand kan uwe voornemens verhinderen. De broeders van Jozef verkochten hem, om den droom van zijne verheffing te leur te stellen, en die verkooping strekte juist tot zijne verheffing. Waarlijk, gelijk de heilige Geest zegt, er is geene voorzigtig-heid noch raad tegen God; want alle schepselen, en alle magt is onder Hem, en Hij gebruikt zelfs den wederstand der mensclien om zijn oogwit te bereiken, door al datgene, alhoewel tegen hunnen dank, door hen te doen wat Hem belieft. Heil hem die Gods Voorzienigheid gestadig beoogt, haar door het geloof in alles en in alle voorvallen ziende werken, dezelve aanbidt, en zich gerust aan haar onderwerpt!

XXXI. HOOFDDEEL.

Jacob laat Benjamin eindelijk mede gaan. Jozef, hem ziende, wordt bewogen. Hij doet een maaltijd a an rig ten. Jozefs diinkbeker in den zak van Benjamin. Jozef maakt zich bekend, Jacob wordt naar Egypte ontboden. Gen. 43. 44. 45. — Het jaar 2298.

Dewijl evenwel de hongersnood geheel het land grootelijks drukte, en de levensmiddelen, die Jacob\'s zonen uit Egypte gebragt hadden, bijna verteerd waren, zoo zeide de vader tot hen ; gaat nog eens weder om wat koren te koopen. Juda antwoordde: die heer, die daar het bevel voert, lifieft ons bij eede betuigd, dat wij onder zijne oogen niet meer mogen komen, tenzij wij onzen jongsten broeder mede brengen. Indien het u belieft hem met ons mede te geven, zullen wij te zamen henen trekken. Jacob zeide: Dit is tot mijn ongeluk en mijne droefheid, dat gij aan dien man gezegd hebt, dat gij nog een broeder hadt. Zij antwoordden: Hij vraagde naauwkeurig naar onze bloedverwantschap, of onze vader nog leefde; of wij nog eenen broeder hadden; enz. Wij antwoodden op zijne vragen. Konden wij gissen, dat hij zoude gezegd hebben ; brengt uwen broeder met u mede? Juda zeide verder: zend toch den jongen met mij, en wij zullen straks weggaan, opdat wij en onze kinderen niet van honger omkomen. Ik sta voor hem in, en indien ik hom niet terug bezorg, wil ik daarvan levenslang de schuld dragen. Israël zeide dan: moet het zoo wezen, doet dan hetgeen

71

-ocr page 74-

Geschiedenis

u goeddunkt; neemt ook met u van de uitgelezenste vrachten van dit land, om ze aan den heer van Egypte te schenken. Neemt ook weder zoo veel geld mede als de eerste reis, en daarenboven het geld, dat gij in uwe zakken gevonden hebt, want het kan door vergissing gebeurd zijn; neemt uwen broeder mede, en trekt henen naar den magtigen man. De almogende God make hem jegens u gunstig gezind, opdat hij uwen anderen gevangenen broeder en Benjamin late wederkomen. Zij namen dan geschenken, de dubbele koopsom en Benjamin mede, en trokken naar Egypte, alwaar zij voor Jozef verschenen. Als hij Benjamin met hen zag, gebood hij aan zijnen hofmeester, dat hij de mannen zoude binnen leiden, en eenen maaltijd bereiden; want, voegde hij er bij, die lieden zullen met mij het middagmaal houden. De hofmeester bragt hen dan in Jozefs huis. Zij, echter, werden verschrikt en zeiden tot elkander: Het is ter oorzake van het geld, hetwelk wij in onze zakken hebben mede-gebragt dat wij hier binnen geleid worden. Daarom, als zij nog aan de deur van het huis waren, zeiden zij tot den hofmeester: mijnheer, reeds eenmaal zijn wij hier geweest om graan te koopen, doch vonden, onder de terugreis, de sommen die wij betaald hadden, boven in de korenzakken terug. Wij hebben dit geld weder mede gebragt, alsmede eene andere som, om weder graan te koopen. Wij weten niet, wie dat geld in de zakken heeft gestoken. De hofmeester antwoordde: Weest gerust en zonder vrees; uw God en de God uws vaders heeft u dien schat in uwe zakken gegeven. Hij bracht vervolgens Simeon tot hen, en gaf hun water om hunne voeten te wasschen. Middelerwijl maakten zij hunne geschenken gereed, tegen dat Jozef op den middag zou binnen komen.

Zoodra deze binnen was, boden zij hem hunne geschenken aan, en bogen zich eerbiedig plat ter aarde. Hij groette hen en vraagde : gaat het nog wel met uwen ouden vader, van wien gij mij gesproken hebt ? Zij zeiden : uw dienaar onze vader, leeft nog en is wel te pas. En zich buigende, vielen zij plat ter aarde. Jozef, zijne oogen opslaande, zag Benjamin, zijnen broeder, en zeide: is dit uw jongste broeder? En zich vervolgens tot Benjamin wendende, ging hij voort: lieve zoon, God zij u genadig. Hij liep spoedig heen, want hij werd diep ontroerd en tranen welden in zijne oogen. Hij ging in eene andere kamer en weende daar in volle vrijheid.

Kort hierop, na zijn gelaat gewasschen te hebben, kwam hij weder tot hen, bedwong zich, en gaf bevel om de spijzen voor te dienen. De spijze werd voor elk, voor Jozef, voor zijne broeders en voor de Egyptenaren in het bijzonder op-gedischt; want het was aan de Egyptenaren niet geoorloofd met Hebreeuwen te eten, en zulk een maaltijd was voor hem

72

-ocr page 75-

van het Oude Testament.

verachtelijk. De broeders van Jozef waren nu aan tafel gezeten, regt tegenover hem, ieder, de oudste zoowel als de jongste, volgens zijnen ouderdom; en hierover waren zij zeer verwonderd. Jozef gaf hun vervolgens van de geregten, die voor hem stonden; maar aan Benjamin gaf hij een geregt, dat vijfmaal grooter was. Zij aten en dronken aldus met hem, en warea regt vrolijk.

Daarna liet Jozef hunne zakken vullen, en ieders geld er wederom inleggen. Steek, zeide hij aan den hofmeester, mijnen zilveren beker in den zak van den jongsten, te zamen met het geld. Des anderendaags liet hij hun met hunne ezels vertrekken. Als zij een weinig buiten de stad waren, zond Jozef zijnen hofmeester haastig achter hen, en liet hun zeggen: wat is dit, dat gij aldus kwaad met goed hebt beloond ? De beker dien gij gestolen hebt, is de beker, waaruit mijn meester gewoon is dagelijks te drinken. Gij hebt kwalijk gehandeld. Zij antwoordden : hoe kunt gij zulke woorden spreken ? Verre zij van ons, zulk eene schandelijke daad te bedrijven. Wij hebben immers het geld, dat wij in onze zakken gevonden hebben, bij u terug gebragt, hoe zouden wij \'dan uit uws meesters huis zilver of goud stelen ? Indien bij iemand van uwe dienaars den beker gevonden wordt, dat hij de dood sterve, en wij allen zullen slaven van uwen heer worden. De hofmeester hernam i hetzij zoo als gij zegt. Bij wie ik den beker zal vinden, die zal mijn slaaf zijn, maar gij anderen zult vrij gaan. Aanstonds namen zij hunne zakken van de ezels, stelden dezelve ter aarde, en ieder bond den zijnen zelf los, om den hofmeester alle vrijheid te geven van die te doorzoeken. Hij begon met den zak van den oudsten tot dien van den jongsten, en vond eindelijk den beker in den zak van Benjamin. Nu scheurden zij hunne Meederen van droefheid, laadden de zakken weder op hunne ezels, en lieten zich naar de stad terug leiden.

Juda kwam vooraf met zijne broeders in het huis van Jozef, en allen vielen gezamenlijk plat yoor hem ter aarde. Deze zeide: hoe hebt gij aldus met mij gehandeld ? Juda nam het woord op en sprak : wat zullen wij zeggen ? Waarmede zullen wij ons verontschuldigen ? God straft ons om onze zonden. Ziet, wij allen willen u als slaven dienen. Dit zij verre van mij, zeide Jozef; hij, die den beker gestolen heeft, zal mijn slaaf zijn ; gij overigen kunt tot uwen vader gaan.

Nu trad Juda wat nader tot Jozef en beleed hem vertrouwelijk, hoe hard het hunnen ouden vader gevallen was, van Benjamin mede te laten gaan; hoe hij jammerde, toen zij hem zeiden, dat zij naar Egypte niet mogten wederkeeren, zonder hunnen jongsten broeder mede te nemen ; en hoe hij daarop zeide: gij weet, dat BacJiel mij twee zonen geschonken heeft.

-ocr page 76-

Geschiedenis

en dat de \' één, volgens uw zeggen, door een wild dier is Tersoheurd; Indien gij dezen nu ook mede voert, en dat hem op den weg iets overkomt, zoo zult gij mijne grijze haren met smart ten grave doen quot;dalen. Derhalve, indien ik tot mijnen vader ga, zoo ging Juda voort, zonder zijnen lieveling (dewijl zijne ziel aan de ziel van dit kind gehecht is), zoo zal hij het niet overleven, wanneer hij zulks hoort, en uwe dienaars zullen zijn grijze kruin met diepe smart ten grave doen dalen. Laat mij dan liever uw slaaf zijn, aangezien ik bij mijnen vader voor het kind ben borg gebleven, en tot hem gezegd heb ; indien ik hem niet wederbreng, zoo zal ik bij u schuldig zijn al de dagen mijns levens. Laat toch het kind met zijne overige broeders henen reizen! Zonder hem zou ik mijnen vader niet onder de oogen durven komen, uit vrees van den jammer te zien, die hem ter neder zal slaan. 1

Nu kon Jozef zich niet langer meer wederhouden. Hij gebood aan de vreemdelingen, die bij hem stonden, ter zijde te gaan. Wanneer zij heengegaan waren en niemand vreemds meer aanwezig was, begon hij eensklaps luide te weenen, en riep uit: ik ben Jozef, uw broeder; leeft mijn vader nog? Zijne broeders konden door al te groote verslagenheid niet antwoorden. Hij sprak hen dan zeer vriendelijk toe en zeide: komt nader bij mij ; ik ben Jozef, dien gii verkocht hebt, om naar Egypte gevoerd te worden. Weest echter daarover niet bevreesd, en laat het u niet hard vallen, omdat gij mij, om in deze landen te zijn, verkocht hebt; want God heeft mij, voor u, tot uw behoud naar Egypte gezonden. Het is door uw opzet niet, dat ik herwaarts gevoerd ben, maar door Gods wijze schikking, die mij als heer over geheel dit huisgezin, en tot stedehouder van geheel Egypte gesteld heeft. Gaat dan spoedig naar mijnen vader terug, en zegt hem uit den naam van zijnen zoon Jozef, dat God mij tot heer van gansch Egypte gesteld heeft, en dat hij zonder toeven met geheel zijn huisgezin, en alles wat hem toebehoort, tot mij moet komen; dat ik voor hem en de gansche familie zal zorgen, dewijl er nog vijf jaren van hongersnood te verwachten zijn. Gaat, en boodschapt aan mijnen vader al mijne heerlijkheid, en komt spoedig tot mij over. Gij zult in mijne nabijheid het land van Gessen bewonen. Daarna viel hij zijnen broeder Benjamin om den hals, kuste hem en stortte tranen van vreugde; vervolgens omhelsde hij ook al zijne overige broeders, die dan eindelijk de vrijmoedigheid namen van met hem te spreken. Als nu het gerucht door het hof des konings verspreid was, dat de broeders van Jozef aangekomen waren, verheugde zich Pharaö met zijn geheel huisgezin daarover. Hij veroorloofde

74

-ocr page 77-

van het Oude Tedament.

aan Jozef, zijne broeders wagens mede te geven, ten einde zoodra mogelijk, zijn vader en de vrouwen en de kindereu zijner broeders af te halen. Jozef gaf hun dan wagens, volg-gens dit bevel, en liet aan ieder van zijne broeders een paar kleederen geven. Aan zijnen vader zond hij tien ezels, beladen met kostbaarheden van Egypte, en tien ezelinnen, bevracht inet koren, brood en leeftogt tot de reis. Jozef gaf hun nog deze vermaning : broeders, wordt onderweg niet boos op el-kauder, dat gij mij verkocht hebt, alles is vergeten en vergeven. Zij verlieten dan Egypte, en kwamen behouden in het land van Chanaan bij hunnen vader Jacob, wien zij deze boodschap bragten en zeiden : Jozef uw zoon, leeft nog, en heeft het gebied over geheel Egypte. Jacob, dit hoorende, was als iemand, die uit eeuen diepen slaap oprijst, want hij koude hen hierin niet gelooven ; maar toen hij gehoord had al wat er gebeurd was, en de wagens zag, die Jozef had gezonden, om hem over te voeren, kon hij er niet meer aan twijfelen, en zeide : het is mij genoeg, dat Jozef, mijn zoon, nog leeft; ik zal hem gaan zien, eer ik sterf.

BEMERKING. God heeft gewild, dat Jozei\'s waardigheid zoo lang «an Jacob zoude verborgen blijven : 1. Om zijn geduld te oefenen. 3. Om tijd te geven, dat hij de droomen van Jozef volbragt zoude zien. 3. Om bij die gelegenheid het huisgezin van Jacob naar Egypte te doen trekken, alwaar zij moesten vermenigvuldigen en verdrukt worden; uit welken druk God hen daarna op eene zoo wonderlijke wijze verloste.

Christus zegt: bemint wee vijanden: doet wel aan die u hakn. Bidt voor hen, die ü vervolyen. Dit deed Jozef aan zijne broeders. Hij verwijt hun niet hetgeen zij hem misdaan hadden, maar troost hen, en, in plaats van wraak, bewijst hij huu 1 eene teedere liefde. En bijaldien hij hen in het begin streng behandelde, was zulks tot hun heil, opdat zij tot kennis en berouw van hunne zonden zouden komen^

Met gebod, van zijne vijanden te beminnen, valt zwaar aan de bedorvene natuur en aan de wereldlingen. Wie het geld bemint, die kan geen goed hart dragen jegens degenen, die hem nadeel toebrengen, noch de hoovaardige jegens den-gene, door wie hij veracht wordt; maar dit gebod wordt ligt door de genade en liefde Gods.

Om u daartoe te bewegen, zoo bemerkt ten 1. Het voorbeeld van Christus, stervende en biddende voor zijne moordenaars ; het voorbeeld van Jozef ten opzigte zijner broeders; van David ten opzigte van Saul en Absalon; van Stephauus ten opzigte van degenen die steenigden, en van al de Heiligen. 2. Bedenkt ook, dat men geen kind van God kan zijn, zoo

75

-ocr page 78-

(kschiedenis

men zijne vijanden niet bemint. Aanziet uwe vijanden als werktuigen, die door God gebruikt worden om u te zuiveren; somtijds om de eigenliefde, waardoor gij van een ieder wilt bemind zijn, te dempen. Als gij van hen iets lijdt, bedenkt, dat de Heer u overzendt uit liefde, hetgeen uwe vijanden u uit boosheid berokkenen. Eindelijk bidt God, dat deze voorbeelden u zoo mogen bewegen, dat gij die met grooten ijver navolgt, en zijt gedachtig wat gij dagelijks zoo menigwerf bidt: Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren,

XXXII. HOOFDDEEL.

Jacob trekt naar Egypte. Jozef komt hem te gemoet. Hij stelt zijnen vader aan Pharaö voor. Jacob sterft. Zijne begrafenis. Gen. 46 tot 50. — Het jaar 2298.

Jacob vertrok dan met al wat hij bezat, en kwam te Ber-sabée, alwaar hij den Heere een dankoffer opdroeg, die hem in den nacht verscheen, en hem toeriep : Jacob ! Jacob ! Deze antwoordde: wat belieft u, Heer ? God zeide: Ik ben de almagtige God uwer vaderen; vreest niet naar Egypte te gaan ; want ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal er met u zijn, en u van daar wederbrengen: Jozef zal u de oogeu sluiten. Jacob vertrok daarna naar Bersabée, en zijne zonen voerden hem, met hunne vrouwen en kinderen, op de wagens die Pharaö gezonden had, om hem af ts halen. Toen Jozef vernam, dat zijn vader in het land van Gessen was aangekomen, liet hij dadelijk zijnen wagen bespannen, en kwam hem te gemoet. Zoodra hij hem zag, sprong bij van zijnen wagen, vloog hem om den hals en weende van blijdschap. Jacob zeide tot Jozef: nu wil ik gaarne sterven, dewijl ik uw aanschijn gezien heb, en ik u in het leven achterlaat. Vervolgens zeide Jozef tot zijne broeders: ik zal Pharaö gaan boodschappen, dat gij en mijns vaders huisgezin tot mij zijt gekomen, en zeggen, dat zij schaapherders zijn, die zich met het vee onledig houden, en dat zij hunne schapen en ossen medegebracht hebben. Wanneer Pharaö u dan. zal roepen, en vragen welk uw beroep is, zult gij antwoorden : uwe dienaars zijn herders, die van hunne jeugd af tot nu toe met het vee omgegaan hebben, gelijk ook onze voorvaderen deden. Zegt dit, opdat gij in het land van Gessen moget wonen; want al de Egyptenaars hebben eenen afkeer van herders.

Jozef gaf dan aan Pharaö te kennen, dat zijn vader en zijne broeders aangekomen waren; hij stelde vervolgens vijf zijner broederen, die het minst goed voorkomen hadden (1),

1) Uit vrees, dat de koning de behendigsfen tot zijne dienst zoude genomen hebben.

76

-ocr page 79-

van Tiet Oude Testament.

aan den koning voor, die hun vroeg: wat is uw handwerk ? Zij antwoordden : wij, uwe dienaars, zijn herders, zoo als ook onze voorvaders geweest zijn. Wij komen hier om eenigen tijd in uw land te mogen doorbrengen, dewijl er bij ons geen gras meer voor de kudde van uwe dienaars te vinden is, en de hongersnood zeer groot is in het land van Chanaan. Wij bidden u dan, dat wij ons verblijf in het land van Gessen mogen nemen. Pharaö zeide tot Jozef; dewijl uw vader en uwe broeders tot u zijn gekomen, zoo ligt geheel Egypte voor u open: laat hen wonen in de beste streek; geef hun het gewest van Gessen, en zoo gij weet, dat onder hen behendige mannen zijn, stelt hen dan aan tot meesters over mijn vee. Daarna bragt Jozef ook zijnen vader voor Pharaö. Nadat Jacob den koning alle geluk gewenscht \'had, vraagde hem Pharaö, hoe oud hij was. Jacob antwoordde; het is nu het honderd en dertigste jaar dat ik op de wereld als vreemdeling wandel. De dagen mijns levens zijn kortstondig en ellendig geweest, en hebben het getal van de vreemdelingschap mijner voorvaderen niet kunnen bereiken, omdat kommer, druk en zware arbeid mijn leven verkort hebben. (1)

Nadat Jacob op nieuw den koning alle heil toegewenscht had, verliet hij hem... Vervolgens gaf Jozef zijnen vader en zijne broeders de beste en vruchtbaarste streek van dit gewest, namelijk Kamasses of Gessen, en verzorgde aldaar zijnen vader met zijn gansch huisgezin. Immers, in het ge-heele land was geen brood te vinden, en de hongersnord woedde over het geheele aardrijk, doch het meest in Chanaan. De Israëlieten bleven dus in Egypte wonen. Ook vermenigvuldigden zij bovenmate, — Jacob leefde aldaar nog 17 jaren, en toen hij den ouderdom van 147 jaren bereikt had, en zag dat zijn einde naderde, deed hij zijnen zoon Jozef bij zich komen, en zeide tot hem; zweer mij, dat gij mijne stoffelijke overblijfselen naar de begraafplaats van mijn geslacht zult voeren, teneinde ik bij mijne, vaderen, verzameld, ruste. Jozef beloofde hem bij eede, dat hij trouw zoude nakomen, hetgeen hij hem gebood.

Kort daarna bragt men Jozef de tijding, dat zijn vader bedenkelijk ziek werd. Hij nam derhalve zijne twee zonen, Ephraïm en Manasses, mede, en ging die aan zijnen vader voorstellen. Toen de aartsvader vernam, dat zijn zoon Jozef naderde, verlevendigden zich zijne levenskrachten; hij rigtta

1) De heilige Patriarchen Ab aliam, Izaak en Jacob bekenden, dat zij vreemdelingen waren en uitlanders op de aarde, hetgeen zij zeiden, niet ten opzigte van het land van Chaldeën, hetwelk zij verlaten hadden, en waarheen zij konden terugkeeren indien zij wilden, maar opzigtens het hemelsch Vaderland, hetwelk zij betrachtte den. Hebr, 11. 15. enz.

77

-ocr page 80-

Gewlnedenia

zicli in zijn bed op, om aan dezen zijnen dierbaren zoon de groote voorzeggingen, door den Heer vroeger aan liem gedaan, punt voor punt, toe te vertrouwen. Hij sprak derhalve: uwe twee zonen, Ephvaïm en Manasses, neem ik als mijne eigene kinderen aan. Voorts de genoemde knapen ontwarende, zonder dezelve te erkennen (want zijne oogen waren door den ouderdom en het naderend sterven zeer verzwakt), vroeg hij: wie zijn deze? Nadat Jozef geantwoord had, dat het zijne zonen waren, vroeg hij de kinderen bij zich, om hun zijnen zegen te geven. Als Jozef aan dit verlangen voldaan had, omhelsde Jacob de knapen, en drukte hen aan zijn hart, waarop Jozef, zich nederbuigende, Ephraïm aan de linker-, doch Manasses aan de regterhand van Jacob plaatste. Nu strekte deze laatste zijne handen kruiselings uit, zoodat de regterhand boven het hoofd van de(i jongstge-borenen Ephraïm, doch de linker boven den schedel van den oudsten Manasses, uitgestrekt werd. Voorts sprak hij zegenende: dat de God, voor wiens aanschijn mijne vaderen Abraham en Izaak gewandeld hebben, de God, die mij van mijne jeugd af verzorgd en gevoed heeft, dat de Engel, die mij van alle kwaad verlost heeft, deze jongelingen zegene! Doch daar Jozef meende, dat de houding der handen aan vergissing of bewusteloosheid toe te schrijven was, vatte hij de regterhand zijns vaders en trachtte die op het hoofd van Manasses te leggen, zeggende: vader, uwe handen liggen verkeerd, want deze is de oudste. Doch Jacob antwoordde : dit wist ik wel, mijn zoon, ik weet dat deze de eerstgeborene is ; maar zijn jongere broeder moet tot een grooter volk vermeerderd worden dan hij.

Hierna ontbood Jacob zijne zonen, en gaf aan ieder hunner zijnen zegen, en voorzegde hun, wat hun in de toekomst gebeuren zou. Aan Juda, zijnen vierden zoon, zeide hij deze belangrijke woorden (1) : de schepter zal van Juda niet weggenomen worden, noch de vorst uit zijn geslacht, tot dat diegene komt, die afgezonden zal worden, op wiens komst de volkeren hopen, en naar welke zij met eene brandende begeerte uitzien (namelijk Christus.) En nadat hij hun eindelijk bevolen had, dat zij hem bij zijne voorvaderen en in de grafstede van Abraham en Izaiik- zouden begraven, gaf hij zijnen geest.

Toen Jozef bemerkte, dat zijn vader op het punt was van

(1) Deze woorden van Jacob zijn eene treffende voorzegging van den tijd, wanneer de Messias zoude verschijnen. Het joodsche volk (waarvan het geslacht van Juda daarna het voornaamste deel geweest is) is altijd bestuurd geweest door opperhoofden uit hun volk. En de teugels van het bestuur zijn tot geene vreemde regeerders overgegaan, dan omtrent den tijd der komst van den Messias, namelijk toen Herodes de Idumeër, den schepter van Judea overweldigde. Onder zijn bestuur is Christus geboren; en hier valt aan te merken, dat sedert dien tijd de Joden overal aan vreemd gebird onderworpen zijn geweest.

78

-ocr page 81-

van het Oude Testament.

te sterven, viel hij op deszelfs aangezigt, en gaf hem den afscheidskus. Vervolgens deed hij het liohaam des ontzielden balsemen, en begeleidde het, in prachtige uitvaart, met zijne broeders en de aanzienlijkste mannen, naar de grafplaats van Jacob\'s stamvaders, in het land van Chanaan. Toen zij over de Jordaan gekomen waren, hielden zij daar de uitvaart gedurende zeven dagen met groot gejammer en rouw, en na het lichaam in Chanaan gebragt te hebben, begroeven zij hetzelve in de spelonk vau Machpela. Vervolgens keerde Jozef met zijne broeders en met al het gevolg wederom naar Egypte.

Na Jacob\'s afsterven vreesden de broeders van Jozef, dat deze misschien het ongelijk zou gedenken, dat hij van hen geleden had, en al het kwaad vergelden, dat zij hem berokkend hadden. Zij lieten hem dus weten : uw vader heeft ons bevolen, eer hij stierf, dat wij met zijne woorden zouden zeggen : vergeet toch de misdaad uwer broeders, en de zonde en de boosheid, die zij tegen u bedreven hebben. Toen Jozef deze woorden hoorden, borst hij uit in tranen en sprak : zijt deswege onbekommerd! Kunnen wij de raadsbesluiten des

IAllerhoogsten weerstreven ? Gij hebt destijds gedacht mij kwaad te doen; maar God heeft het ten goede gekeerd, om mij j aldus te verheffen, en vele volkeren te behouden ; vreest dan 1 niet, ik zal u en uwe kleine kinderen onderhouden.Allerhoogsten weerstreven ? Gij hebt destijds gedacht mij kwaad te doen; maar God heeft het ten goede gekeerd, om mij j aldus te verheffen, en vele volkeren te behouden ; vreest dan 1 niet, ik zal u en uwe kleine kinderen onderhouden.

Wijders leefde Jozef nog eenigen tijd met het geheele huis-1 gezin zijne vaders in Egypte. Maar toen hij zijn honderd tien-| de jaar bereikt had, gevoelde hij, dat zijn einde naderde. Hij | droeg dan aan zijne broeders dezen last op; ik ga deze wereld | verlaten: doch God zal u bezoeken, en u doen optrekken 1 naar het land, hetwelk hij aan onze voorvaderen beloofd heeft |i te geven; neemt dan ook van hier mijn gebeente met u mede. Daarna stierf hij gerust en vol vertrouwen op de goddelijke belofte. Zijn ligchaam werd, na zijn sterven, gebalsemd, en in Egypte in eene kist gelegd, om op tijd naar Chanaan gevoerd te worden.

BEMERKING. Toen Jozef zich nu zoo verheven bevond,

■ was hij niet beschaamd over den nederigen staat zijner broe-

| ders. Hij wil zelfs, dat zij herders zouden blijven, alhoewel

I hij wist, hoe verachtelijk die staat bij de Egyptenaren was.

I O! hoe verre zijn zoo vele Christenen van zijn voorbeeld

I verwijderd, die, zoodra zij wat verhevener of rijker zijn dan

I hunne ouders of vrienden, beschaamd zijn hen te erkennen !

| zij moesten zich integendeel verheugen over hunnen geringen

| staat, omdat hij gelijkvormiger is aan den staat van Christus,

| die in alles de minste heeft willen zijn : en zij moesten beven

■ voor de hooge eereambten, die zoo gevaarlijk zijn.

19

-ocr page 82-

Geschiedttnw

Hoe wonderbaar handelt God met zijne uitverkorenen ! Hij maakt dat voor- en tegespoed liun ten goede strekt. Hij treft lien met wederwaardigheden, opdat een bestendig geluk lien niet verlieffe ; liij vertroost hen, opdat zij onder het gevvigt der wederwaardigheden niet zouden bezwijken.

Alle kinderen moeten in Jozef zien, hoe zij hunne ouders moeten eeren, beminnen en helpen, hetgeen de H. Schrift hun zoo zeer aanbeveelt, dat zij hen dreigt, dat de kraaijen de oogen zullen uitpikken van die kinderen, welke hunne ouders verachten of verdrukken. Prov, 50. 17.

HET BOEK DES UITGANGS.

In liet griehsch exodes. Het behelst, in 40 hoofdstukJcen, hetgeen er geschied is gedurende een tijdvak van 145 jaren, sedert den dood van Jozef, tot het oprigtèn van den tabernakel, in liet ttveede jaar na de verlossing van de kinderen Israel s uit Egypte; vervolgende aldus de geschiedenis tot aan het jaar ■der icereld 3514. De voornaamste punten zijn-, de onderdruk\' king der Israëlieten in Epypte; de roeping en de wonderen van Mozes; de wonderbare uittocht uit Egypte; de verkondiging van de wet op Sinaï, en het oprigten van den tabernahel.

I. HOOFDDEEL.

De kinderen van Israël vermenigvuldigen zeer in Egypte. Zij worden door lastige werken onderdrukt. Het gebod ae.n de vroedvrouwen, van al de mannelijke kinderen te dooden.

Mozes wordt geboren. Exod. 1. 2.

Toen Jacob in Egypte kwam, bestond zijn huisgezin niet meer dan uit 70 personen; maar na den dood van Jozef en zijne broeders, waren de kinderen van Israël (Jacob) zoo vermenigvuldigd, dat zij bijna geheel het land vervulden. Onder-tusschen was er in Egypte een nieuwe koning aan de regering gekomen, aan wie Jozef onbekend was. Deze zeide dan tot het volk : Gij ziet, dat de kinderen Israël\'s magtiger zijn geworden dan wij; laat ons hen behendiglijk verdrukten, opdat hun getal niet meer toeneme, en als er een oorlog tegen ons mogt ontstaan, zij zich niet voegen bij onze vijanden, en, ons overwonnen hebbende, het land uittrekken. Hij stelde dan bouwmeesters over hen aan, die hen met werk moesten overladen ; zij legden voor Pharaö steden aan, om tot voorraad van oorlog te dienen. Doch, hoe meer men hen verdrukte, des te meer zij vermenigvuldigden. Hierom haatten de Egyptenaars hen meer en meer, zoo dat zij hun het leven moede maakten door zwaar werk in kalk en ateen, en door andere dwang-

80

-ocr page 83-

van ltd Oude Testament.

arbeid. Alsdan gaf de koning ook het bevel aan de bebreeuw-sche vroedvrouwen, van alle knapen, die onder hen mogtea geboren worden, dadelijk van het leven te berooven. Doch de vroedvrouwen waren hiertoe al te menschlievend, luisterden niet naar dit bevel, en lieten de knapen leven. Pharaö riep haar dan, en zeide; waarom liet gij de knaapjes leven ? Zij antwoordden: de hebreeuwsche vrouwen zijn niet gelijk de Egyptische; zij hebben het kind ter wereld gebragt, eer wij bij haar komen. God echter beschermde haar van alle vervolging (1). Pharaö gaf nu aan al zijne onderdanen dit bevel; Al de zonen, die onder de Hebreeuwen geboren worden, zult gij in de rivier de Nijl verdrinken: doch de dochters sparen.

Amram, vader van Mozes, uit het geslacht van Levi met Jochabed gehuwd, verwekte bij haar twee kinderen, Maria en Aaron, drie jaren voor het bevel des konings. Daarna baarde Jochabed nog eenen zoon, en ziende, dat het een zeer schoon kind was, verborg zij het drie maanden lang in haar huis. Doch daar zij hem niet langer konde verbergen, vlocht zij een korfje van biezen, bestreek het met lijm en pek, opdat het waterdigt zoude zijn, gleed het kind daarin, en stelde het korfje in het riet aan den oever van de rivier. Maria, de zuster van het kind, stond van verre om den uitval van de zaak te zien; Ten zelfden tijde kwam de dochter van Pharaö aldaar, om zich in de rivier te baden. Zij zag het korfje in het riet liggen, en zond hare dienstmaagd om het te halen. Wanneer zij het opende, zag zij er een lief kindje in liggen, en, door medelijden bewogen, zeide zij : dit zal nog een van de hebreeuwsche zoontjes zijn. De zuster van het kind trad nu nader en vroeg: wilt gij, dat ik eene hebreeuwsche vrouw hale, om het kind voor u op te voeden ? Zij zeide: doe zulks. Het meisje liep dan heen, en riep hare eigene moeder. De dochter van Pharaö zeide tot haar: neem dit kind, en breng het voor mij op, ik zal er u voor loonen. De vrouw nam het kind, en voedde het op. Als het nu was opgewassen, bragt zij het bij de dochter van Pharaö, die het voor haren zoon aannam, en hem den naam van Mozes gaf. Zij deed hem onderrigten in al de wetenschappen, die alsdan in , Egypte in achting waren.

Veertig jaren oud geworden, zeide Mozes het hofleven vaarwel, en begaf zich onder zijne broeders, de Israëlieten die nog bij voortduring even hard verdrukt en gekweld werden.

(1) De lengen van deze vrouwen is berispenswaardig: maar de schroom, dien de vrees Gods haar tegen die onregtvaardige wreedheid inboezemde, 13 te prijzen; en dit was hetgene God vergold.

81

-ocr page 84-

g2 Geschiedenis

Eens zaa: hij, dat een Egyptenaar eenen Hebreeuw van zijne bloedverwanten onmenscbelijk sloeg, en memand daarorn rent bespeurende, doodde bij den Eg-yptenaar, en begroet diens

lijk onder bet zand (l). . ..

Des anderendaags wederom uitgegaan zijnde, zag hij twee Hebreeuwen krakeelon, en zeide tot den eenen : waw-om s \'ui o-ii uwen naaste? Deze antwoordde; wie beeft u tot onze reffter gesteld? Wilt gij mij ook dooden, zoo als gij gisteren Egyptenaar om bet leven gebragt hebt? Mozes werd bierdoor ontsteld, en dacht: hoe is die zaak aldus kenbaai e-emaakt ? En toen Pbaraö zelf deze daad vernam, zocht hij Mozes met den dood te straffen; maar deze verbergde zich en vlugtte naar bet land Madian. Daar gekomen zijnde, zette liii zich, vermoeid van de reis, bij eenen waterput neder. Daaromtrent woonde Jetliro (2), de priester van Madian die zeven dochters bad, welke daar kwamen om water te puttea. Als zij de drenkbakken gevuld hadden, om het vee van haien vader te drinken te geven, kwamen eemge herders haar van daar jagen; maar Mozes stond op, beschermde de dochters en gaf hare kudden te drinken. Als zij nu wederom bij naren vader kwamen, vroeg deze: hoe zijt gij zoo haast terug - ij antwoordden: een Egyptische man heeft ons uit de handen der herders verlost, ook heeft hij met ons water geput, en üe kudde te drinken gegeven. Hij vraagde: waar is hij. waaiom liet ail den man aldus benen gaan ? Hoep hem om wat te eten. Zij deden zulks, en hierdoor bleef Mozes bij Jethro wonen, die hem zijne dochter Sephora ten huwelijk gaf.

BEMERKING. Leer uit Mozes, hoe wonderbaar God diegenen bewaart die bij wil redden, door hen tot dat einde te brengen, tot hetwelk hij\' hen geschikt heeft, wat ook de menschen hija-teaen doen of niet. Indien God met ons u, wie km er dm teqen ons zijn ? vraagt de Apostel. (Mom. 8.J De goddelijke wijsheid lacht met al de voornemens van Pharao, die de Israëlieten wil uitroeijen, terwijl hij in zijn eigen paleis dengenen koestert en opkweekt, die hen verlossen zal. God gat aan Mozes een groot geloof. Voor dü gehoj, zegt Paulus, pnücende Idozes, toen Jdj een mm teas geworêen, dat hij de zoon was van dt dochter van Pharaö ; hij \'verkoos liever met Gods volk verdrukt te zijn, dan voor korte», tijd het verwtak der zonde te gemtien. Jiij verkoos de versmaxtdheid van Christus, dtui hij-, als iro-fcet, in den geest voorzag, dezelve eenen grooteren rijkdom

1.) Het wns waarschijnlijk door Gods ingeven, dal Mozes deze daad beüreef, want anderzins was hem dit niet geoorlootd.

2) Hij was priester van den waren God, gelijk Melchisedech was.

m-

-ocr page 85-

van let Oude Tex\'nment. 83

achtende dan de schatten der EgypUnaars, want hij sloeg zijne oogm op de vergelding. (Hebr. 11., U, mogten wij ook zulk een geloof liebbeu !

II. HOOFDDEEL.

God vertoont zich aan Moze; in een braambosch, en zendt hem naar den koning van Egypte. Exod. 3. 4. Hut jaar der wereld 2513.

Mozes was omtrent veertig jaren in het land van Madian geweest, toen de koning van Egypte stierf; maar de Israëlieten bleven zuchten onder de slavernij die hen drukte; hun gezucht klom eindelijk op tot God, en di.ze verhoorde hen. Op zekeren dag was Mozes bezig met de kudden van zijnen schoonvader Jethro te hoeden, en had dezelve eenigzins diep iu de woestijn gedreven, zoodat hij tot aan den voet van den berg Horeb kwam. God vertoonde zich hier aan Mozes, in het midden van een braambosch, in eene vurige vlam. Mozes zag, dat het braambosch brandde, en niet verbrandde; hij zeide dan bij zich zei ven ; Ik zal dit wonderbaar verschijnsel eens gaan zien, uit wat oorzaak dit braambosch niet verteerd wordt. Als God zag dat hij derwaarts ging, om dit te zien, riep Hij tot hem uit het midden van het braambosch: Mozes! Mozes! Deze vroeg: wat belieft üquot; ? En hij kreeg ten antwoord: treed niet nader, doe uwe schoenen uit, want de plaats, waarop gij ?taat, is heilig. God zeide verder : Ik beu de God uwer vaderen, de. Gdd van Aufiüwtn, de God van Izaak en de God var •facab- Mazes bedekts zijn smngmigt; want hij vreesde God a^n te zien. Ik heb, ging de Heer voort, de verdrukking TW wijn volk, hetwelk tot Egypte is, geaiea; huu gekerm is mij ter gore gekomen, en ik ben nedergedaald om hem uit de handen d.w Ügyjrtewffsn te verlossen, ow hen uit dit gewest t§ (ioei\\ qvergaa,n in een laud, dat van meïk en hwig over-Vfïqei.t. Ik zal u tot Pharag zendw, opdat gij mijn volk, de kindeken v^n feaël, uit Egypte, leidet. Mozés zeide tot God: vie. ben ik toch, om tofj I bavaö te gaaft, en om de kinderen vap fea^l, uit Egypte te l^id^ft? De Heei; gal tot antwoord: Ik zal u ipet zijp,..\'

Mozes h^pnaffl., • aj.a ik toil 4e- hinderen van. Israël\' zal komen en hun z§g;: de Gpd uwer- -vü^deren beeft mij tot u. gezonden, en indien zijj mij yragen, hpe ^ijp tfiuua is, wat. zal ik dan antwoorden ? God zeide: Ik ben, die beri. Zeg hun : Die is, heeft mij, gezonden. Zeg yerdpr: de Heei;,. de Giodl uwer Taileren, zendt, mij^ tot, u. Hie? hebt; gij mijpen altij^Ldm-endea naam, waardoor ik aajj. ^U.e. geslaqhten zalt kenbaar worden. Ga. dan, heen,, en vergad/sr de, vorsten van, Israël, en. zeg hun:: j de lieer en de. God v#a AbxaJiu», dp Qo.d van, hiük, da

-ocr page 86-

g.j. Geschiedenis

God van Jacob is mij versohenen, en heeft mij tot u doen zeggen: Ik heb bemerkt, wat u in Egypte is wedervaren en ik zal u uit de verdrukking naar het beloofde land leiden, tot een land, dat van melk en honig overvloeit. Zij zullen u gelooven, en gij zult met de oversten van Israël tot den koning van Egypte gaan, en hem zeggen: de Heer, de God der Hebreeuwen, is ons verschenen; wij bidden u dan, dat gij ons drie dagreizen verre laat gaan in de woestijn, opdat wij onzen God een offer opdragen. Ik weet wel, dat de koning van Egypte u niet zal laten henen trekken, tenzij hij daartoe door eene sterke hand gedwongen worde. .

Mozes zeide op nieuw tot God: zij zullen mij met gelooven. De Heer hervatte; werp uwen herderstaf, dien gij in uwe hand hebt, ter aarde. Mozes deed zulks, en hij veranderde in eene slang, zoo dat Mozes de vlugt nam._ Maar God sprak tot hem : steek uwe hand uit, en vat ze bij den staart. Hij gehoorzaamde, en zij werd wederom een herderstaf. Dit is, zeide God, opdat zij zouden gelooven, dat de Heer aan u verschenen is. God zeide alsnog; steek uwe hand in uwen boezem. Hij deed dit, en straks trok hij er dezelve uit zoo wit als sneeuw van melaatschheid. Steek ze wederom in uwen boezem, zeide God. Hij deed dit insgelijks, en trok ze straks daar wederom uit, frisch gelijk het andere vleesch. Indien zij, zeide God, u niet gelooven om het eerste wonderteeken, zullen zij het \'om het tweede doen. Doch indien zij u om deze twee teekens niet gelooven, zoo neem van het water der rivier, en giet het op de aarde, en al wat gij uit de rivier zult geschept hebben, zal bloed worden. Mozes echter sprak; ö Heer, ik ben nooit wel ter taal geweest, en sedert dat gij uwen dienaar hebt toegesproken, ben ik nog meer en meer belemmerd geworden. God zeide, dat Hij zelf zijne tong zoude besturen, en hem ingeven, wat hij zeggen moest. Mozes zeide hierop ; Ik bid u. Heer, zend toch iemand anders tot den koning. God werd nu op Mozes vergramd, en zeide ; gij hebt uwen broeder Aaron, die een welsprekend man is; hij zal u straks te gemoet komen, en verblijd zijn u te zien. Geef hem mijne woorden te kennen. Ik zal uwen en zijnen mond besturen. Hij zal voor u tot het, volk spreken, en u tot tolk verstrekken ; maar in de zaken, die God aangenaam zijn, zult gij hem geleiden. Neem dan uwen herderstaf, waarmede gij wonderdaden zult uitwerken.

BEMERKING. Mozes weigert bijna met hardnekkigheid, ■quot; de\'\' verlossing en het bestuur van Gods volk aan te nemen, alhoewel God zelf hem zulks gebiedt, en hij zich zeiven daartoe door een afgezonderd leven van 40 jaren bekwaam heeft gemaakt. De H. Gregorius aanziet dezen roep van

-ocr page 87-

van het Oude Testament. 85

Mozes als voorbeeld van alle herders en zielbestuurders, en voegt er bij, dat zij, die niet alleen niet schromen het gebied te hebben over anderen, maar zelfs daarnaar wenschen en trachten, moeten vreezen voor God pligtig te zijn. Onder-tusschen, daar de grootste Heiligen gevreesd hebben het bestuur van Gods volk aan te nemen en hetzelve vermijden, ziet men echter dikwijls de zwakste en zelfs de ondeugendste menschen dezen drukkenden last wenschen en bejagen. Zij zijn ongeschikt om zich zeiven te besturen, en zij willen de zielezorg van geheele landen, steden en dorpen ondernemen. Ik berisp mij zeiven, zegt de H. Bernardus, omdat ik, die niet bekwaam ben voor mijne eigene ziel te zorgen, den last der zielen heb aangenomen.

III. HOOFDDEEL.

Mozes keert weder naar Egypte; Aaron komt hem te gemoet. Zij gaan te zamen bij Israel\'s kinderen, en van daar bij Pharaö.

Zij geven hem Gods gebod te kennen, hetwelk hij veracht,

en de Israëlieten nog meer verdrukt. Exod. 4. 5. — Het jaar der wereld 2513, voor Jesus Christus 1491.

Nadat Mozes van zijnen schoonvader Jethro verlof gekregen had om zijne broeders te gaan bezoeken en zijne gade en twee zonen met zich te nemen, keerde hij wederom naar Egypte. Ondertusschen zeide God tot Aaron : ga Mozes in de woestijn te gemoet. Hij deed zulks, en ontmoette hem omtrent Gods bei\'g, en omhelsde hem. Mozes verhaalde aan Aaron, hoe God hem gezonden had, alsmede de wonderbare tsekens, die hij hem had doen uitwerken. Zij gingen te zamen naar Egypte en vergaderden de oversten van Israels kinderen. Aaron gaf hun al de woorden te kennen, die God aan Mozes gesproken had, en deze deed wondere teekens voor het volk. Zij geloofden hem, en verstaande,, dat God op hunne verdrukking had nedergezien, aanbaden zij hem, en wierpen zich plat ter aarde.

Daarna gingen Mozes en Aaron tot Pharaö, en zeiden ; Dit gebiedt de Heer en God van Israel; laat mijn volk gaan om mij eene plegtige offerande in de woestijn op te dragen. Pharaö antwoordde : wat is dat voor een Heer, dat ik Israël zoude laten gaan ? Ik ken hem niet. Ook zal ik Israël niet laten vertrekken. Hij zeide verder: waarom trekt gij het volk van hun werk af ? Ga dadelijk naar uwen arbeid. Hij gaf ook aan de oppermeesters van dit werk dit bevel: gij zult dit volk geen stroo meir geven, om hunne steenen te maken, maar dat zij hetzelve gaan rapen; gij zult hun ook hetzelfde getal steenen doen opbrengen, gelijk te voren. Zij hebben geen werk genoeg,

-ocr page 88-

86 Geschü\'/quot; nis

en daarom roepen zij; laat ons een ol er aan onzen God H;aan opdragen. Verdrukt liuii met werken. Isa dit verstaan teliebben, liep al het volk door geheel Egypte om stroo te rapen. De toezieners werden door de oppermeesters geslar en, die bun zeiden: waarom brengt gij bet volle getal van de st enen niet op? De toezieners gingen \'tot rliaraö, en riepen met luider stem; boe handelt gij aldus met uwe dienaars? Men geeft ons geen stroo, en men wil even veel stcenen van ons hebben! L\'we dienaars worden geslagen, en men plaagt nw volk te onregte. Pluiraö zeide; gij hebt geen werk genoeg, daarom roept gij; laat ons een otter aan onzen God gaan opdragen, (iaat henen en werkt. Na aldus van Pharaö te zijn teruggekeerd, kwamen zij Mozes en Aiiron te gemoet, die daar re0\'t over stonden; en zij zeiden tot hen: dat God het aanzie en ragt doe. Gij hebt Pharaö van ons kwaad vermoeden doen opvatten, en hém het zwaard in de hand gegeven om ons te dooden. Mozes klaagde over deze zaak bij den Heer.

BEMEEKING. Dit volk klaagde, alsof Mozes de schuld van deze nieuwe verdrukking was. Alzoo lijden dikwijls de ware Herders en zielbestuurders veel opspraak, als zij hunne schapen uit het Egypte der zonde trachten te trekken; maar zij moeten met Mozes geduldig zijn en zich tot God keeren.

IV. HOOFDDEEL.

Mozes en Aa-on komen voor Pharaö. De herderstaf verandert in eens slang. De negen plagen van Egypte. Exod. 6. 7, 8. 9. 10.

God zeide tot Mozes: eerlang zult gij gaan zien, wat ik met Pharaö zal maken : want door mijne magtige hand gedwongen, zal hij het volk niet alleen laten gaan, maar bet zelfs aandringen om henen te trekken. Zeg hun van mijnent-weo-e: Ik hen de Heer, die u door eene hooge magt uit de0 slavernij van Egypte zal leiden. Ik zal u tot mijn volk aannemen, ik zal uw God zijn, en u het land, hetgeen ik aan uwe voorvaders met eed beloofd heb, tot een ertdeel geven. Mozes sprak deze woorden tot Israël s kinderen; maar zij luisterden naar hem niet, om den druk en de kwellingen, waarin zij waren. De Heer gebood dan Mozes aan Pharaö te zeggen, dat hij de Israëlieten uit zijn land zou laten vertrekken. Mozes antwoordde; De Israëlieten zeiven hooren niet naar mij, hoe zal Pharaö dan mij gehoor geven, te meer, omdat ik niet wel ter tale ben ? Niettemin beval de Heer Mozes en Aaron, dat zij tot de Israëlieten, en ook tot Pharaö zouden gaan, om hen uit Egypte te mogen leiden. Zij deden dan gelijk hun bevolen werd. Mozes was alsdan SO, en Aiiron 83 jareii oud. Voor Pharaö komende, deden zij zoo als de

-ocr page 89-

van het Oude Testament,

Heer hun belast had. Aaron wierp zijnen herderstaf Toor Pharaö en zijne hovelingen, en dezelve veranderde in eene slang. Pharaö deed de toovenaars van Egypte roepen, en zij deden insgelijks door hunne bezwering; want ieder wierp zijnen staf neder, en zij veranderden in slangen; maar Aarons slang verslond de andere slangen. Doch het hart van Pharaö werd versteend, zoo dat hij naar hen niet wilde hooren, zoo als God voorzegd had. De Heer zeide dan tot Mozes: het hart van Pharaö is versteend, ga tot hem in den morgenstond bij de rivier, want hij zal bij het water wandelen, en zeg hem : De Heer en God der Hebreeuwen heeft mij tot u gezonden, om te zeggen, dat gij zijn volk zoudt laten gaan om eene offerande in de woestijn te doen: gij hebt tot nog toe naar mij niet willen hooren. Zie, ik zal met dezen staf op het water der rivier slaan, en het zal in bloed veranderen. Mozes sloeg dan met zijnen staf op het water van de rivier, voor de oogen van Pharaö en zijne hovelingen, en het werd bloed: de visschon stierven en het water stonk, ja al het water door geheel Egypte veranderde in bloed. De toovenaars van Egypte deden dit ook (1), waardoor het hart de konings nog meer versteende, en hij trok het zich niet aan. De Egyp-tenaren moesten, rondom de rivier, putten graven om drinkbaar water te kunnen hebben.

Er gingen aldus zeven dagen voorbij; daarna zeide God tot Mozes : ga, en zeg aan Pharaö : De Heer gebiedt, dat gij zijn volk z;ilt laten gaan : en zoo gij het weigert, zal ik uw land zoodanig met kikvorschen plagen, dat zij in uw huis, in uwe slaapkamer, op uw bed zelfs zullen komen, en in de huizen van uwe hovelingen en van uw volk, ja zelfs in uwe ovens en baktroggen : zij zullen op u, op uw volk en uwe hovelingen kruipen. Aaron stak dan zijne hand uit over de wateren van Egypte, en kikvorschen kwamen in zulke menigte, dat zij het land overdekten. De toovenaars van Egypte deden dit ook door hunne bezwering, en deden kikvorschen over het land van Egypte opdagen. Nu riep Pharaö Mozes en Aaron, en zeide: bidt den Heer, dat hij de vorschen wille wegnemen, en ik zal het volk laten gaan, om den Heere eene offerande te doen. Mozes deed zulks, en God deed, op het woord van Mozes de kikvorschen sterven; men hoopte ze bij een, en het aardrijk stonk er van. Pharaö deze verligting ziende, versteende zijn hart en hoorde naar hen niet meer. Daarna zeide God tot Mozes: gebied aan Aaron, dat hij het stof der aarde met zijnen staf sla. Aiiron deed dit, en nu kwamen muggen op de menschen en op het vee; zoo dat al het stof der aarde door gansch Egypte in

1) Dit deden zij waarschijnlijk met water, hetwelk zij uit putten groeven-

87

-ocr page 90-

8 8 Geschiedenis

muggen veranderde. De toovenaars beproefden ook hetzelve, om muggen te doen voortkomen, maar konden dit niet. (1) De muggen bleven de menschen en dieren plagen. Toen zeiden ie toovenaars : De vinger Gods is liier. Docb liet hart van Pharaö bleef nog versteend.

God zeide verder tot Mozes : ga tot Pharaö, en zeg hem : indien gij mijn volk niet laat gaan, zal ik over het uwe alle soort van vliegen zenden : doch op denzelfgen tijd zullen er in het land van Gessen geene vliegen zijn, opdat gij kennet, dat God de Heer des aardrijks is; morgen zal dit teeken geschieden. God deed alzoo. Er kwam zulk eene menigte steekvliegen in de huizen van Pharaö en zijne hovelingen, en over geheel Egypte, dat het land daardoor bedorven werd. Pharaö riep dan Mozes en Aaron, en zeide: gaat heen, doet uwe offerande aan uwen God in dit land. Mozes antwoordde: dit kan niet wezen; laat ons drie dagreizen in de woestijn gaan. Pharaö zeide: ik zal u in de woestijn laten gaan, doch gaat niet verder; bidt ook voor mij. Mozes zeide : ik zal ook voor u bidden, en morgen zullen de vliegen van u weggaan. Hij bad dan God, die, op het woord van Mozes, de vliegen van Pharaö eii zijn volk deed weggaan, en er wras niet écne vlieg meer te vinden. Maar het hart van Pharaö versteende ook dezen keer, zoo dat hij het volk niet liet henen trekken.

God deed dan Mozes tot Pharaö gaan en hem zeggen : indien gij weigert mijn volk te laten uittrekken, en hen met geweld nog ophoudt, zal ik het ve.e, hetwelk op de velden is, door de pest verderven, en er zal niets vergaan van al hetgeen den kinderen van Israël toebehoort. God deed des anderendaags, wat Hij gezegd had, en al het vee der Egyptenaren, hetwelk op het veld was, stierf, en van het vee der Israëlieten ging niets verloren. Pharaö liet onderzoek doen, en bevond dat er niets was gestorven van hetgeen Israël toebehoorde; doch zijn hart bleef niettemin versteend.

Toen zeide God op nieuw tot Mozes en Aaron ; Neemt uwe handen vol asch, en dat Mozes hetzelve voor het aanschijn van Pharaö naar den hemel werpe. Zij namen dan asch, en verschijn voor Pharaö, en Mozes dit naar den hemel werpende, kwamen er zoodanige zweren, zoo op de menschen als het vee, dat de toovenaars zeiven voor Mozes van de zweren niet konden staan. God zeide nog tot Mozes: sta morgen vroeg op, en zeg aan Pharaö morgen op dit uur zal ik eene hagelbui over u doen nederstorten dat zulk eene nooit in Egypte is gezien geweest. Alle menschen

1) Tot daartoe hadden de toovenaars van Pharaö door hunne bezwering de wonderbare teekens van Mozes nagevolgd; maar hier bleven zij staan, zij konden nooit eene eenige mug voortbrengen, en God maakte de irotscbheLd van den duivel door die geringe diertjes beschaamd.

-ocr page 91-

van het Oude Testament.

en beesten, die buiten dak zullen gevonden worden, zullen sterven. De bovelingen van Pliaraö, die voor het woord des Heeren vreesden, lieten hunne knechten en beesten naar huis komen. En degene, die op dit woord geen acht sloegen, lieten hunne knechten en hun vee op het veld. Dan zeide God tot Mozes: hef uwe hand op naar den hemel. Mozes deed zulks, en God gaf donder en hagel, en de bliksem slingerde langs de aarde. Deze hagelbui sloeg al wat er op de velden was, menschen en beesten : ook vernielden zij al het gras der velden en verbrijzelde al de boomen. liet land van Gessen, waar de Israëlieten woonden, was vrij van den hagel. 1\'haraö riep dan Mozes, en zeide : ik beken, dat ik gezondigd heb; God is regt-vaardig, maar ik en mijn volk zijn goddeloos. Bid den Heer, dat die schrikkelijke donder en hagel ophouden, in ik zal u onverwijld laten vertrekken. Mozes hief zijne handen op tot den Heer, en de donder en de hagel hielden op, en er viel geen druppel nat meer op de aarde. Pharaö ziende, dat do hagel en de donder ophielden, vermeerderde zijne boosheid.

En God zeide tot Mozes : zeg aan Pharaö : indien gij nog langer blijft wederstaan, zal ik morgen eene menigte sprinkhanen over uw land doen komen, die alles zullen opeten, wat de hagel niet bedorven heeft; uwe huizen zullen er vol van zijn. Daarna ging Mozes henen. Doch de hovelingen van Pharaö zeide tot deze: hoe lang zullen wij deze vernieling nog blijven aanzien ? Laat toch deze menschen gaan en hunne offerande aan hunnen God doen. Ziet gij niet dat geheel Egypte bedorven is ? Zij deden dan Mozes roepen, en zeide: ga, doe uwe offerande ; maar welke zijn het, die met u gaan ? Mozes antwoordde; jong en oud; wij zullen gaan, met onze zonen en dochters, en ons klein en groot vee; want wij moeten een bijzonder feest des Heeren vieren. Pharaö zeide : wie ziet niet, dat gij iets kwaads in den zin hebt ? Het zal zoo niet geschieden ; maar gaat gij mannen alleen, en doet uwe offerande. Op dien stond werden zij uit Pharaö\'s aangezigt weggedreven. Mozes stak dan zijne hand over Egypte, en God deed dien dag en nacht eenen brandenden wind waaijen, zoodat des morgens vroeg die wind de sprinkhanen medebragt, die geheel Egypte overdekten, en al het kruid en de vruchten der boomen verslonden, die de hagel had overgelaten. Pharaö riep haastiglijk Mozes en Aiiron, en zeide : ik heb tegen uwen God en tegen u gezondigd; maar vergeef mij nog deze zonde, en Iridt uwen God, dat Hij die plaag van mij wegneme. Mozes bad den Heer, die eenen sterken wind uit de Middelansche zee deed waaijen, waardoor de sprinkhanen opgenomen en in de roode zee geworpen werden. Doch Pharaö bleef versteend.

Toen zeide God tot Mozes: steeic uwe hand uit naar den

-ocr page 92-

g g Geschiedenis

hemel. Hij deed zulks, en er kwam over het geheele land van Eo-vpte eene verschrikkelijke duisternis, die drie dagen duurde, zoo dat de een den anderen niet zag; ja memand durfde zich binnen drie dagen verroeren van de plaats waar hij wa . Doch op al de plaatsen, waar de Israëlieten woonden, was het heldere zonneschijn. Pharaö riep dan Mozes en Aaron en zeide : gaat henen en doet uwe offerande; neemt ook uwe kinderen mede; maar laat uw vee hier blijven. Mozes antwoordde : wij moeten ook ons vee hebben en cr zal me een klauw achterblijven; want wij moeten uit hetzelfve date-ene nemen, hetwelk tot de offerande van God noodig is vermits wij niet weten, wat wij moeten opdragen, voor dat wij ter gestelder plaatse zullen gekomen zijn Pharao echter bleef versteend, en zeido tot Mozes: vertrek van hier en wacht u van nog onder mijne oogen te komen, of z sterven. — Mozes zeide : het zal zoo zijn, gelijk gij geze0d hebt, ik zal voortaan uw aangezigt niet meer zien.

BEMERKING. Men staat verbaasd over de groote versteendheid van Pharaö, niettegenstaande al deze teekens en plagen; en bijzonderlijk, daar hij ziet, dat de plagen door hetquot; gebed van Mozes geheel en weldra ophouden; maar de verstoktheid van den zondaar is ongelooflijk, als hij door God, als eene regtvaardige straf, aan zich zeiven woidt over-■gélaten, en aan de dwingelandij van den duivel.

De zondaar wordt op verschillende wijzen versteeiid. len 1. als God hem in zijne verbolgenheid groote bekoringen laat overkomen, zonder hem door zijne genade daartegen te wapenen, daar de booswicht niet om bult. 2 Als 11 y hem in zijne zonden laat verouderen, zonder hem eemge straf of ramp over te zenden, want daardoor wordt hij in zijn kwaad meer en meer gevoed, en daarom is het tijdelijke geluk van den zondaar te vreezen. 3 Als Hij hem de gelegenheid laat overkomen, die van natuur strekken \'om hem nog onbewegelijker te maken. De versteend-heid des gemoeds is eene gevaarlijke strat en een iampzalig( afgrond; dus moet men God innig bidden, dat Hij ons daarvan gelieve te bewaren.

V. HOOFDDEEL.

De tiende plaao- rtoor Ood aan Mozes voorzegd. Het Paasohlam. De eerst-Iborenen kom.n om. Pharaö laat de Israëlieten mt zijn land g atu Israël trekt door de Roede Zee. Pl.araö met zijn leger in de Roode 13 Zee bedolven. Exod. 11. 12. 13. 14. Hetzelfde jaar 2013.

God zeide nu tot Mozes, dat hij Pharaö eindelijk met nog eene pinas* zoude slaan, en dat deze alsdan Israel zoude laten vertrekken, ja zelfs tot den uitlogt dwingen. Hij deed ook

-ocr page 93-

van het Oude Testammt.

aan de Israëlieten zeggen, dat iederen man van zijnen Imur, en iedere vrouw van hare buurvrouw alle soort van zilveren en gouden huisraad zouden leenen, en dat zij dien krijgen zouden. Mozes zeide verder: God heeft mij gezegd : ik zal te middernacht in Egypte komen, en al de eerstgeborenen zullen sterven, van den zoon des konings af, die den troon moet beklimmen, tot den eerstgeborene van den slaaf, die den molen draait, en tot de eerstgeborenen van de beesten, zoo dat er zulk groot gehuil en jammergeschrei door geheel Egypte zal oprijzen, dat nooit iets dergelijks voorheen geweest zal zijn, noch in het toekomende wezen zal. Doch onder de Israëlieten zal niemand, zelfs geen hond, omkomen.

God had ook aan Mozes gezegd: deze maand zal voortaan de eerste maand des jaars zijn. Spreek dan tot de vergadering der Israëlieten, en geef hun dit gebod : een ieder van u neme op den tienden dag dezer maand een lam, elk voor zijn huisgezin. Doch zoo het huisgezin te klein is, om het lam te eten, zal hij met dat van zijnen buurman te zamon doen, en daarvan zoo veel personen nemen, als er noodig zijn tot het eten van het lam. Dit lam moet zijn zonder eenige vlek, van het mannelijke geslacht en één jaar oud. Gij zult het bewaren (dat is, van de kudde afnemen en alleen zetten) tot den veertienden dag dezer maand; en tegen den avond zal het geslacht worden door de gansche menigte van de kinderen Israel\'s. In de huizen, waar zij het zullen eten, zullen zij de beide stijlen en de bovendorpels der deur met zijn bloed bestrijken. Denzelfden nacht zullen zij zijn vleesch eL*n, aan het vuur gebraden, met ongedeesemd brood, en met wilde latuw. Het hoofd, de voeten en de ingewanden zult gij opeten, en indien er iets overschiet, zult gij dit iu het vuur verbranden. Gij zult het aldus eten: uwe lendenen zult gij omgorden, gij zult schoenen aan uwe voeten hebben en stokken in uwe handen, en het in groote haast eten : want het is de Paschen: dat is, de doorgang des Heeren. Ik zal dien nacht geheel Egypte doortrekken, en al de eerstgeborenen, zoo van de menschen als van de beesten, verslaan. Doch het bloed, hetwelk aan uwe huizen zal gestreken zijn, zal tot een teeken dienen, dat gij daar binnen zijt; als ik het bloed zal zien, zal ik voorbijgaaji, en de verdervende plaag zal u niet genaken. God gebood ook, dat zij zeven dagen ongedeesemd brood zouden eten, en dit feest vieren met eene groote plechtigheid, tot* eene altijddurende gedachtenis aan alle nakomelingen van deze groote, door God, aan hen bewe-zene weldaad.

Mozes gaf dit aldus aan de Israëlieten te kennen, en zeide: gaat, neemt lammeren voor uw huisgezin, en slagt het Paaschlam. Doopt alsdan een bundeltje hysop in het bloed.

-ocr page 94-

93 Geschiedenis

hetwelk in liet bekken is, en bestrijkt daarmede den bovendorpel en beide de stijlen uwer deur; doch dat niemand van u uit zijn huis ga tot den morgen toe. Zij deden alles zoo als God bevolen had. Toen het middernacht was geworden, sloeg God al de eerstgeborenen van Egypte, zoo wel den eerstgeborene van Pharaö, die den troon moest beklimmen als den ^eerstgeborene van den geringsten daglooner, als ook elk eerstgeborene uit alle soort van vee. Pharaö en al de Egypte-naren ontwaakten in den nacht van schrik, en er rees een groot gejammer op; want er was geen huis of er was een lijk. Toen deed Pharaö Mozes en Aaron roepen (maar zij Icicamen niet) en hun zeggen; spoedt u, vertrekt van mijn volk weg, gij, en Israël\'s kinderen, met uw vee, gelijk gij hebt gevraagd. De Egyptenaren dreven het volk aan, opdat zij des te haastiger zouden henen gaan; want, zeiden zij, wij zullen allen te zamen vergaan.

De Israëlieten namen hun ongezuurd deeg, bonden het in hunne mantels, en legden het op hunne schouders; en na alle soort van zilveren en gouden vaatwerk, en kleederen in groote menigte van de Egyptenaars, die hen alles leenden, gevraagd te hebben, trokken zij met omtrent zes honderd duizend mannen, met den buit der Egyptenaars beladen, van Eamas-ses henen naar Socoth. Ook ging met hen eene bende van allerlei volk, niet als vlugtelingen, maar in scharen verdeeld, met klein en groot vee, en velerhande beesten. Op dienzelfden daquot;, des morgens zeer vroeg, leidde God de Israëlieten uit Ecrvpte, en Mozes nam met zich de beenderen van Jozef mede. Te\' Socoth aangekomen, zeide God tot .Mozes : alle mannelijke en eerstgeborenen onder de kinderen van Israël zult gij mij toewijden, zoo van de menschen, als van de beesten, want zij behooren mij toe. God sprak aldus, omdat Hij hen gespaard had, toen hij al de eerstgeborenen van Egypte doodde. Zij reisden vervolgens van Socoth, en legerden in de uiterste palen van de woestijn Ethan. Om hun den weg te toonen, ging God zelf voor hen uit, bij dag door eene wolk, die de gedaante had van eene kolom, en bij nacht door eene kolom van vuur. Nooit verlieten hen deze kolommen, opdat zij nacht en dag eenen leidsman zouden hebben. Na eenige dagen reizens, zeide God: gebied den Israëlieten weder te keeren, om te gaan lederen langs den oever de- Koode zee. Men boodschapte dan aan Pharaö, dat de Israëlieten hefr aanstelden, cm de vlugt te nemen Het berouwde hem en al zijne hovelingen derhalve, dat hij liet volk had laten vertrekken. Pharaö liet dus zijnen wagen inspannen en nam zijn krijgsvolk met zich. Hij spande noquot;- 600 uitgelezene wagens in, ja al de wagens, die hij in Egypte konde vinden, om Israël\'s kinderen na te jagen.

-ocr page 95-

van het Oude Testament.

93

Maar deze ware door eene hoogere magt van daar weggegaan. De Egyptenaars vervolgden ken dan en bereikten weldra kunne legertenten, aan den oever der Roode zee opgeslagen. De Israëlieten, dit krijgsgevaar zoo nabij riek ziende, riepen in angst tot den Heer. Eenigen zeiden tot Mozes : er waren misschien in Egypte geene graven genoeg, daarom kebt gij ons hier gebragt, om in de woestijn te sterven. Wat hebt gij beoogd, dat gij uit Egypte trokt ? Dook Mozes zeide; vreest niet. Beschouwt de groote wonderen, die God dezen dag over u zal uitwerken. Hij zal voor u strijden. Daarna zeide God tot Mozes: wat blijft gij roepen ? Gebied den Israëlieten van voort te rukken. Doch gij, kef uwen staf op, steek uwe hand uit over de zee, en scheid die van een, opdat de kinderen van Israël in het midden der zee op het drooge gaan. Dan zal ik ket kart van Pkaraö versteenen, en aldus mijne keerlijkkeid over hem, over al zijne wagens en zijne ruiters doen uitschijnen, en de Egyptenaars zullen leeren, dat ik de Heer ben. Gods Engel clan (de bestuurder van de kolom) die gewoon was het leger der Israëlieten voor te gaan, trok achter om, en te zamen, met hem de kolom, staande aldus tusschen het leger der Egyptenaren en dat van Israël. De wolk was duister van den eenen kant, en zij verlichte den nacht aan de andere zijde, zoodat zij den ganschen nacht tot elkander niet konden komen. Als nu Mozes zijne hand over de zee uitgestoken had, verdeelde ziek ket water van elkander, en een sterk brandende wind, dien God den ge-heelen nacht liet waaijen, droogde den bodem der zee op. De Israëlieten gingen door het midden van de zee op het drooge; want het water diende hun als eene muur van de rechter- en linkerzijde. De Egyptenaren volgden hen na door het midden van de zee, met al de ruiterij van Pkaraö, en met al zijne krijgswagens. Als nu de dageraad was aangebroken, sloeg de Heer (dat is de Engel, welke in die vurige wolkkolom was) zijne oogen op het leger der Egyptenaren, en bragt hen in wanorde. Hij wierp hunne wagens over hoop, zoodat zij teu gronde gingen-. De Egyptenaren zeiden tot elkander: laat ons van de Israëlieten vlugten, want de Heer strijdt voor hen. God zeide tot Mozes: steek uwe hand uit over de zee, opdat de wateren over de wagens en ruiters der Egyptenaren wederkeeren. Mozes deed zulks, en de wateren keerden, met het krieken van den dag, op hunne vorige plaats terug, zoo dat de vlugtende Egyptenaars de wateren te gemoet liepen, en door den Heer in het midden van de baren verslonden werden, zoo dat er niet één van hen overbleef. Aldus verloste God, op dien dag, de Israëlieten uit de magt der Egyptenaren. Toen zij nu de Egyptenaars dood aan den

-ocr page 96-

Geschiedenis

TOr, nn za!ren lissen, en Gods magt bemerkten, vreeJden zij den Hee? en sloegen geloof aan Mozes. Akdan

zi nk11

toSmil. en d de vromen volgien kimt met todtommel.

S\'giSnJ\'quot; b-W «. » «

m» rfe strekte Mozes zijnen sW 0™r de

zee uit en terstond scheidde de Engel de waterm van tlrof amp; X/ce ^ brandende wind volgde, die den geheclen ni,i nf ten minste een groot deel van den nacht waaide, en

T^tiZlvZde Egyptenmrs in hei mddm der zee stelpten. Aldus a Lap.

engelen gedaan teettn Ln ^ aan ^ hebben nooit

^ S eoed verkngen tot God gehad, en nooit gullen

■\'• rl\'t li «Sb en • zii li0, quot;en verslonden in liet helsplie vuur, Z1} dit tebben zij u en t ^ Qng deel eR

S TJ^SftTSTk-**- bewogen, «

• „ 7onn fp zenden, om ons te verlosseïij en wa^

Eft JS Lw»» om quot;»?o.° te * t-rnt **

5S. dto ïontore Enmliuliglieid en HeHe. Hoe W» ««W quot; rlan riiristus al de dagen onzes levens voor deze onew« Se^eWaS wLn en^ bedanken ! ^

A{t met de Engelen m eeuwigbejd doen, Ma,ar iio% t-plen ziin er onder de Christenen, die dit niet kennen, nwcft daarop denken, maar in eene «fselniwelijke ondankbaarkeid

leven!

-ocr page 97-

van het Oude Tedament.

VI. HOOFDDEEL.

Het manna uit den heme) gezonden. Etod. 15. 16. — Hettelfde jaar 2513,

Nadat de Israëlieten de Eoode zee waren doorgetrokken, kwamen zij in eeue groote svoestijn (een dor en onvruchtbaar land) die zij moesten doortrekken, om in het land van belofte te kunnen geraken. Nadat zij drie dagen in de woestijn gereisd hadden, vonden zij geen water; toen kwamen zij te Mara, doch konden het water daar niet drinken, omdat het zeer bitter was. Hierop morde het volk tegen Mozes, en zeide: wat zullen wij drinken ? Mozes riep tot den Heer, die hem een hout aanwees, hetwelk hij in het water wierp, en de wateren werden zoet. Daarna kwamen zij te Elim, van Elim in de woestijn Sin, op den 15 dag van de tweede maand, sedert hun vertrek uit Egypte. Alsdan morden zij wederom, en zeiden : ach, of wij in Egypte gestorven waren, waar wij goede vleeschspijzen hadden, en, naar genoegen brood mogten eten! Waarom hebt gij ons in de woestijn gebracht, om ons van honger te doen omkomen ? Terwijl Aaron tot hen sprak, vertoonde zich de majesteit des Heeren in de wolk, en God zeide tot Mozes; ik heb het gemor der Israëlieten aangehoord; zeg hun: dezen avond zult gij vleesch eten, en morgen zult gij met brood verzadigd worden. Als het nu avond geworden was, kwam er zulk eene menigte kwakkelen gevlogen, dat er geheel de legerstede mede bedekt werd; des anderen daags \'s morgens was er dauw rondom het leger gevallen, en vertoonde de oppervlakte iets, dat aan Ijevrozen rijp geleek. Het waren kleine, witte korrels, die eenen aangenamen smaak hadden.

De Israëlieten, dit ziende, zeiden tot elkander ManïïdJ dat is te zeggen : wat is dat ? Mozes zeide hun: dit is het brood, hetwelk God u te eten geeft. En de Heer gebiedt, dat een ieder daarvan rape, zooveel hij tot spijs noodig- heeft, een gomor (1) voor elk hoofd. De Israëlieten vergaderden dan ieder voor zich, de eene meer, de andere minder. Maar met den gomor metende, bevonden zij, dat zij even veel hadden. Mozes gebood hun, dat niemand daarvan iets zouden overhouden. Doch sommigen bewaarden er iets van tot des morgens toe, en dan kwamen er wormen in, en het begon te stinken. Zij raapten liet des morgens vroeg, want het smolt weg, zoo drade zon het bescheen; maar op den zesden dag raapten zij eens zoo veel, twee gomors voor iederen mensch; een deel aten zij dien dag, en het andere bewaarden zij voor den volgenden,

1) Tot dat zij meenden eene maat (gomor genoemd) te hebben geraapt.

95

-ocr page 98-

96 Geachiedetits

Sabbatdag, want dan moesten zij nisten, en het bedierf dan niet, maar bleef vrij van wormen; op den Sabbatdag was er niet te rapen; en als er eenige op dien dag uitgingen om te rapen (waarover God gestoord was), vonden zij met. .üe Israëlieten noemden deze spijs Manna. Mozes zeide: dit is het gebod des Heeren ; vult een gomor met Manna, om het voor de nakomelingen te bewaren, opdat zij het brood zien, waarmede ik u in de woestijn gespijsd heb, nadat ik u uit Egypte had gebragt. Aaron heeft het ook daarna in het Tabernakel te bewaren gesteld. De Israëlieten aten dit Manna 40 jaren lang, tot dat zij het land van belotte genaakten. (1)

BEMEKKING. In het spijzen der Israëlieten met Manna, gedurende veertig jaren, in de woestijn, heeft de goddelijke Voorzienigheid wonderbaar uitgeschenen en getoond, dat niemand, die op haar betrouwt, gebrek zal lijden. Het Manna moest geraapt worden, ten 1. Voor zonnenopgang, om ons allen te leeren, dat wij al vroeg allen sluimer afleggen en tot den Heer moeten gaan, om zijnen zegen te bekomen, naar het voorbeeld van den Profeet, die zegt: O God, gij zijt mijn Ooi: ik waak tot u van den dageraad. Psalm 53. 1. Ten 2. zij mogten dadelijks zoo veel rapen, als zij voor dien dag noodig hadden, om zich van alle begeerlijkheid te mijden. Ten 3. Zij moesten daags voor den Sabbatdag dubbel rapen, om dien dag geheel ■ voor God te kunnen besteden ; waardoor ons getoond wordt, dat wij met een onbelemmerd gemoed de. zondagen door goede werken alleen moeten heiligen. Ten 4. Het manna was eens engelachtige spijs (gelijk wij in het boek der wijsheid lezen), dat alle genoegens en aangenaamheden van smaak in zich bevatte, en zich voegde naar een ieders lust, door veranderd te worden in hetgeen een ieder wilde... opdat de regtvaardige daardoor zoude gevoed worden... door gehoorzaam te zijn aan Gods genade, die alles voedt. (Hoofdst. 16, 20. enz.) De boozen vonden daar geen\' smaak in. Dezelfde kracht heett het H. Ligchaam onzes Heeren, waarvan het Manna een zoo klaar afbeeldsel was. Ten 5. Het hield op, als zij in het beloofde land kwamen: om ons te leeren, dat wij, na deze korte vreemdelingschap, niet meer met de kostelijkste spijs onder de gedaante van brood en wijn zullen gevoed worden : maar wij zullen alsdan verzadigd worden van het goddelijk wezen, en God, gelijk hij is, van aanschijn tot aanschijn aanschouwen.

1) Zij maalden hetzelve in een\' handmolen of stampten het in mortieren. Zij kookten het, en maakten er koeken van, die den smaak hadden als koeken van suikerbloem met olie en honing toebereid.

-ocr page 99-

van liet Oude Testament.

VII. HOOFDDEEL.

Mo zes doet water uit de steenrots ontspringen. De Ameleciters worden verslagen. Exod. 17.

Daarna vertrokken de Israëlieten uit de woestijn van Sin, en Hamen hunne legerplaats te Eaphidim, alwaar zij geen water Vonden om te drinken. Toen morden zij weder tegen Mozes, en zeiden: waarom hebt gij ons uit Egypte doen gaan, om ons, onze kinderen en ons vee te doen omkomen door den dorst? Doch Mozes riep tot den Heer, en zeide: wat zal ik met dit volk aanvangen? Het scheelt weinig of zij zullen mij steenigen.. God zeide tot hem: ga uit met eenige oversten, en neem uwe roede. Ik zal daar bij u staan op de rots Horeb: sla op dezelve en er zal water uit springen, om het volk te laten drinken. Mozes deed alzoo, en allen waren ten overvoede gelaafd. Terwijl de Israëlieten nog te Eaphidim waren, kwamen de Ameliciters (nakomelingen van Esan) tegen hen vechten. Mozes echter vreesde niet, maar zeide, vol vertrouwen op God, tot Josuë : kies van de beste mannen uit, en trek morgen tegen hen ten strijde : ik zal op het hoogste van het gebergte staan, en de roede Gods zal in mijne handen zijn.

Josuë deed zoo als Mozes bevolen had, en vocht tegen Amelech; maar Mozes, Aaron en Hur klommen op de kruin van het gebergte. Als Mozes zijne handen ophief, won Israël; doch telkens als hij zijne handen liet nederzakken, behield Amelech de overhand. En dewijl de handen van Mozes bezwaard werden, namen Aaron en Hur eenen steen, en legden dien onder Mozes, opdat hij er op zoude zitten, en zij ondersteunden zijne handen aan beide zijden. In diervoege bleven zijne handen tot zonnenondergang opgeheven, en Josuë versloeg alzoo Amelech met al zijn volk. God zeide tot Mozes: schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en laat Josuë weten dat ik de gedachtenis van Amelech onder den hemel te\'niet zal doen. Deze voorzegging werd onder Saül volbragt. 1. Reg. 15. 3.

BEMEEKING. Mozes leert ons hier, dat de zegepraal alleen en geheel van God afhangt, en dat hij die verleent aan wie het hem belieft, en voornamelijk aan diegenen, welke op hem betrouwen, en zich onder zijne magtige hand vernederen. Hij leert ook, hoe wij onze vijanden door het aanroepen van den Naam Gods moeten overwinnen.

Mozes geeft hier een bijzonder voorbeeld aan al degenen, die tot een afgezonderd leven, en tot het gebed geroepen zijn, hoe zij moeten bidden voor de herders en zielbestuurders, en

7

97

-ocr page 100-

Geschiedenis

voor al degenen, die tegen Gods vijanden ten strijde gaan, en hoe zij gedurig hunne handen moeten opheffen tot den hemel. Indien Mozes niet gebeden had, zou Josuë verslagen geweest zijn. Zie, een mensch alleen, die bidt, wordt sterker bevonden, dan een geheel leger. O, hoe noodig is het gebed, bijzonderlijk voor zielbestuurders !

VIII. HOOFDDEEL.

Jethro gaat Mozes bezoeken. Exod. IS.

Wanneer nu Jethro, priester van Madian, schoonvader van Mozes, gehoord had hetgene God voor Mozes en voor de Israëlieten, zijn volk, had gedaan, en dat hij hen uit Egypte had getrokken, nam hij met zich Sepliora, de echtgenoote van Mozes (want hij had haar teruggezonden) en hara twee zonen, Gersam en Eliëzer. Jethro kwam dan tot hem ia de woestijn. Toen Mozes ajne aankomst vernam, ging hij hem te gemoet, en na elkander met vriendelijke woorden gegroet te hebben, gingen zij in de tenten van Mozes. Deze verhaalde zijnen schoonvader de wonderheden van God, en hoe hen de Heer verlost bad. Jethro verheugde zich over al de weldaden, die God aan de Israëlieten had bewezen; hij loofde hem, en droeg hem brand- en andere offers op. En Aaron en al de oversten van Israël kwamen voor het aangezigt des Heeren met hem üiaaltijd houden.

Als Mozes \'s anderendaags gezeten was, om het volk regt te doen, hetwelk voor hera van \'s morgens tot \'s avonds toe, kwam verschijnen (want allen, die eenig geschil hadden, kwamen tot hem om regt), gaf hij hun Gods bevelen en wetten te kennen. Jethro, bemerkende dat Mozes alleen met zoo vele zaken belast was, en het volk daarom van \'s morgens tot \'s avonds moest wachten, zeide tot hem : gij doet niet wel; gij en uw volk zult zekerlijk bezwijken. Zulk een werk is boven uwe magt, en gij alleen zult het niet kunnen uithouden. Hoor dan naar mijnen raad, en God zal met u zijn. Handel gij met uw volk over hetgeen God raakt, en draag gij dit voor Gods oogen. Vertoon hun alsdan zijne bevelen, en hoe hij van hen gediend wil zijn, welken weg zij moeten ingaan, en wat zij doen moeten. Maar zoek onder het volk eenige\' ervarene mannen, die do vreeze Gods hebben, de waarheid beminnen en de gierigheid haten; stel die onder het volk, om hun ten allen tijde regt te doen in zaken van minder aanbelang: maar als er iets van grootere aangelegenheid voorvalt, laat hun dit tot u brengen. In dier voege zullen zij u helpen, do las t zal .akoo onder hen verdeeld zijn, en hij zal voor u ligter wor-

93

-ocr page 101-

van het Onde Testament.

den. Aldus handeleiule, zult gij Gods wil doen; gij zult, in het uitvoeren zijner bevelen, kunnen bestaan, en al het volk zal weltevreden naar zijno tenten wederkeeren.

Mozea volgde den raad van zijnen schoonvader; en na kundige mannen uit geheel het volk Tan Israël verkozen ta hebben, stelde hij hen, sommigen over vijftig, en anderen over tien. Dtae vonnisten de ligtste zaken, maar de gewigtigstj werden voor Mozes gebragt. Daarna vertrok Jethro naar zijn land, en Mozes deed hem een eind wegs uitgeleide.

BEMEEKIXG. Do ijver der ziel bestuurders is in eenigcn somtijds zoo groot, dat zij zich gelijk Mozes, met te veel zaken belasten. Veel beter is het, dat zij zich, naar den raad van Jetkro, alleenlijk beraoeijeu met dingen, die \'God aangaan, en de zaligheid der zielen betreffen. Dit voorbeeld geeft Christus zelf aan beo, als hij, aangezocht zijnde om hun erfdeel tj scheiden, antwoordde: mewtch, wie heeft wij gedel-d om u n-r/t te doen, of om « te sciei-deii? Luc. ! 2, 13. 14. Ook gelijk do Apostel leert: die voor den Heer strijdt, wikldt zkh in geeae wvrdd-iche taken. 3. Tim. 3. 4.

IX. HOOFDDEEL.

De M komen aan den ber^ Siiiaï. (üo l geeft de wot der

tien gcboilen. Exod. 19. 20. — liet j iar der wej-eU 231Ï.

Li de derde maand, nadat de kinderen van Israël uit Egvpl/j vertrokken waren, kwamen zij bij den berg Sinaï. Mozes beklom den berg, waar God hem aldus toesprak : zeg dit aan Israel\'s kinderen: gij hebt nu zelf gezien, hoe ik do Egypto naars heb doeu lijden, hoe ik u heb gedragen, gelijk de aren l zijna jongen op do vleugelen draagt, en hoe ik u voor do mijnen heb aangenomen. Indien gij dan naar mijne woorden luistert, en mijn gebod onderhoudt, zult gij mij quot;bijzonderlijk toegewijd zijn onder de volkeren. Gij zult mij een priesterlijk ^ rijk wezen en een heilig volk. Bat is; een rijk, wells koning ik zal wezen, en akeaar ik wet offeranden door de priesters gei\'trd zal worden. Zeg dat aan Israel\'s kinderen. Mozes nep dan al de oudsten des volks bijeen, \'en legde hun voor, al wat de Heer geboden had. Het volk gaf ten antwoord ; al wat do heer geboden heeft, zullen wij doen. Als Mozes het antwoord van het volk tot den Heer gebracht had, zeide God tot hem : ik zal aanstonds in eene dikke wolk tot u komen, opdat het volk hoore, dat ik tot u spreek, en aan u voor altijd geloof geve. Hij zeide verder: ga naar het volk toe, en reinig hen heden en morgen, en doe hen hunne kleederen wasschen.

-ocr page 102-

100 GescMeclenis

opdat zij tegen den derden dag mogen bereid zijn ; want op dien dag zal de Heer in de tegenwoordigheid van al bet volk op den berg Sinaï nederdalen. Teeken ook rondom den berg afpalingen, en zeg, dat bet volk zicb wacbte van den berg te beklimmen, of de afpalingen aan te raken. Al wie den berg aanraakt, zal met den dood gestraft worden. Mozes kwam vau den berg tot het volk, en gebood hun zich te reinigen. AU zij hunne kleederen gewassohen hadden, zeide hij tot hen: maakt u bereid tegen den derden dag.

Wanneer nu de morgenstond van den derden dag was aangebroken, begon het op den berg, die met eene dikke wolk overdekt was, te donderen en te bliksemen; het geluid van eene schelklinkende bazuin werd gehoord, en het volk, hetwelk in het leger was, werd met schrik en vrees bevangen. Mozes geleidde hen uit hunne tenten, opdat zij voor Gods aanschijn zouden komen, en zij bleven aan den voet van den berg staan. De geheele berg Sinaï rookte; want God was boven op den berg in het midden van een\' hellen vuurgloed nedergedaald, zoo dat er een rook van den berg opging als de rook van een kalkoven, en de gansche berg daverde, terwijl het geluid der bazuin hoe langer hoe sterker werd.

Kort daarna hield de klank op, en eensklaps heerschte er eene diepe stilte. Toen sprak God tot het volk, en verkondigde de tien geboden, zoo als volgt: 1. Ik ben de Heer, uw God, die u uit het land van Egypte, uit het huis der \' slavernij geleid hebt. Gij zult geene vreemde goden voor mijn aanschijn hebben. Gij zult geene gesneden beelden maken, of eenige gelijkenis van al hetgeen boven in de hemelen, of hetgeen beneden op de aarde, of onder de aarde in de wateren is, noch die aanbidden of dienen. Want ik ben de Heer uw God, een vermogende en ijverzuchtige God, die de ongeregtig-heid der vaderen verhalen zal op\' de kinderen tot in het derde en vierde geslacht, dergenen, die mij haten; en die barmhartigheid zal bewijzen tot in het duizendste nageslacht, aan degenen, die mij beminnen en mijne wetten volbrengen.

2. Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdelijk gebruiken. Wie zulks doet, die zal bij hem niet ongestraft blijven. Want de Heer zal dengenen niet voor onschuldig houden, die den Naam van den Heer zijnen God noodeloos zal gebezigd hebben.

3. Weest gedachtig, dat gij den Sabbathdag heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden, en alsdan doen al wat gij te doen hebt; maar de zevende dag is de rustdag van den Heer uwen God. Alsdan zult gij niet werken, gij, noch uw zoon, noch uw knecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, nocli ook een vreemdeling die bij u woont. Want nadat God op

-ocr page 103-

van het Oude Testament. 101

zes dagen den hemel, de aarde, de zee, en al wat er in is, geschapen had, heeft hij don zevenden dag gerust, en daarom heeft hij den Sabbathdag gezegend en voor heilig doen houden.

4. Eert uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moget leven op de aarde, die de Heer uw God uw geven zal.

B. Gij zult niet doodslaan. 6. Gij zult geen overspel bedrijven. 7. Gij zult niet stelen. 8. Gij zult geene valsche getuigenis tegen uwen naaste geven. 9. Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren. 10. Gij zult uws naasten huis niet begeeren, noch zijnen knecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort. — Als het volk den donder, den bliksem en het geschal der bazuin hoorde, en den rookenden berg zag, werd het verschrikt en deinsde achterwaarts. Angstig en verslagen van verre staande, zeiden zij tot Mozes: spreekt gij tot ons, en wij zullen u hooren. Doch dat de Heer tot ons niet spreke, opdat wij niet soms mogen sterven. Zij zonden al do opperhoofden en de oudste der stammen tot Mozes, om hem te zeggen : zie, onze God heeft ons heden zijne majesteit en heerlijkheid vertoond : wij hebben zijne stem uit het midden des vuurgloeds aangehoord, en bevonden, dat God tot den mensch kan spreken, en de mensch in het leven blijven. Maar waarom ons door dat groot verslindende vuur den dood aandoen ? Want indien wij wederom de stem van den Heer onzen God, hooren, zoo zullen wij sterven. Immers wie is er onder al de mensehen, die de stem van den levenden God uit het midden van een vuur kan hooren spreken en blijven leven ? Maar Mozes gaf hun tot antwoord : vreest niet, want God is gekomen om u te beproeven, en u zijne vreeze voor zich in te prenten, teneinde gij niet zondiget. Zij zeiden hem: nader gij zelf liever tot den Heer onzen God, opdat wij, u hoorende, alles volbrengen wat de Heer tot u zeggen mag. Als God dit verstaan had, zeide hij tot Mozes : Ik hoor wat dit volk tot u gezegd heeft; al hunne woorden zijn wel; het ware te wenschen, dat zij immer zoo gezind waren om mij te vreezen en mijne geboden te onderhouden, opdat het met hen en hunne kinderen voor altijd wel ga. Ga hun dan zeggen, dat zij naar de legerplaats wederkeeren : blijf gij verder hier bij mij, opdat ik u al de geboden kenbaar make, die gij hun zult leeren volbrengen. Deut. Cap. 5. Ik zal hun onder hunne broeders eenen Profeet verwekken gelijk gij zijt (1). Ik zal hom ingeven wat

-ocr page 104-

102 GescJiiedenis

liij zal spreken, en al wat ik hem zal «rebieden, zal hij hun voorkowleu: (looi al wie naai\' de woorden, die hij van mijnentwege zal spreken, niet zal willen hooreii, zal ik straffen. Deut. 18.

BEMERKING. De aardsche Joden onderhielden deze geboden uit vrees en als slaven; de ware Christenen onderhouden die als kinderen Gods, en uit liefde tot hein en zijne regtvaar-digheid. I)ie deze liefde «iet bezit, en derhalve verkeerd en bedorven van zijn hart blijft, aan dien vallen deze geboden lastig en moeijeiijk ; maar die deze liei heeft, en door haar genezen is van al die bedorvenheid en verkeerdiieid des harten, aan dien vallen ze gemakkelijk en zoet.

Stort, o God! uwe liefde in mijn kart, opdat ik overtuigd zij van hetgeen Gij zegt: mijn juk is zoet eu mijn last is ligt. Muith. 11.

X. HOOFDDEEL.

Andere -wetten van God. Exod 22.

Toen het volk, op het bevel van hunnen aanleider Mozes, in de legerplaats was wedergekeerd, ging deze torug naar den berg Sinaï, waar God met hem sprak en hein vele wetten gaf, om die door de Israëlieten te doen onderhouden. Zij zijn voor het meestendeel niet anders, dan eene meer uitgebreide uitlegging van de tien geboden. Ziehier de voornaamste:

\\Vie aan anderen, dan aan God alleen offerande opdraagt, die zal het met den dood bekoopen.

Eenen vreemdeling zult gij niet bedroeven, noch verdrukken, denkende, dat gij ook vreemdelingen in Egypte geweest zijt.

Weduwen en weezen zult gij geen nadeel toebrengen. Indien gij hun leed doet, zullen zij tot mij roepen, en ik zal hnn geroep aanhooren ; in mijnen toorn zal ik u niet het zwaard slaan ; uwe vrouwen zullen ook weduwen, en uwe kinderen wezen worden.

Indien gij aan iemand van mijn volk, die onder u arm is, geld leent, zult gij met hen niet handelen gelijk de woekeraars doen, en hem door woeker niet ten ondergang he\'pen.

Indien gij het kleed van uwen naaste tot pand genomen hebt, zult gij het hem voor den zonnenondergang wedergeven; want hij heeft maar dit kleed alleen om zijn lichaam te dekken, noch zelfs een ander om er in te slapen. Derhalve zal ik, indien hij tot mij roept, hom verhoeren, dewijl ik genadig ben.

Uwe oversten zult gij niet vervloekeu, en den vorst van uw volk zult gij niet lasteren.

-ocr page 105-

van het Oude Testament.

De tienden en de eerstelingen uwer vruchten zult gij mij, zonder uitstel betalen.

Leugenacktige woorden zult gij niet aannemen, noch u met booze mensclien vervoegen, ora valsche getuigenis te geven.

Gij zult de menigte uiet volgen om kwaad te doen; noch in het ragt de menigte der stemmen volgen, om van da waarheid af te wijken.

Gij zult ook den armen, in de regtsbediening, geene gunst doen, noch ook het regt verkreuken in de zaak van een behoeftig man.

Vliedt de leugentaal.

Wacht u den onschuldige of den regtvaardige ter dood to brengen; want ik vervloek den goddelooze.

Gij zult geene geschenken ontvangen ; want zij verblinden de verstandigen en verkeeren de uitspraken der regtvaardigen.

Indien gij den es of den ezel van uwen vijand dwalende vindt, zult gij: hem ten regte helpen. Indien gij den ezel van uwen vijand onder den last ziet bezwijken, zult gij niet voorbijgaan, nlaar het beest met hem helpen oprigten.

BEMERKING. God zelf doet ons zien, door al deze geboden, die niet anders zijn dan eene uitbreidiug van de wet der natuur, dat zijne wet zich veel verder uitstrekt, dan de woorden beteekenen, en dat men, door eene aandachtige overdenking van zijne heilige bevelen, den zin en de gevolgen derzelve moet trachten te doorgronden.

XI. HOOFDDEEL.

De tafeTcn der wet. Het gouden kalf. Mozes, ziende de afgoderij des roUtB, werpt ds stecnen tafelen aan stukken, en doet veel volk dooden. Exod. 24. tot 32.

Vervolgens zeide God tot Mozes: Komt gij tot mij boven op de kruin des bergs, en blijf daar, tot dat ik u\'de steenen tafelen geve, waarop ik mijne wet en geboden geschreven heb, om het volk die te leeren. Mozes begaf zich dan met zijnen (\'ieuaar Josuë boven op Gods berg, en zeide tot de oversten: verwacht ons hier; doch zoo er eeuig geschil onder u oprijst, hebt gij Ariron en Hur bij u, gij kunt u op hen beroepen, om dit te vereffenen.

Zoodra Mozes boven op den berg kwam riep God hem uit het midden der duisternis, waarmede de berg omhuld was. Mozes ging dan dwars door de wolk tot op het hoogste des Wgs, en bleef daar veertig dagen en veertig nachten. Gedu-i\'-T.de dien tijd gaf God hem zijne bevelen wegens liet maken van den tabernakel, van de ark des Verbonds, van de tafel

103

-ocr page 106-

Geschiedenis

der toonbrooden met al de toebehoorten en teekende hem derzelver maat en gedaante af. Hij zelf schreef hem voor, hoedanig de priesterlijke kleederen moesten wezen, de pleg-tigheden hunner wijding, en verscheidene andere zaken, de godsdienst betreffende; ook gaf hij hem verscheidene bevelen wegens de slaven, de doodslagers, de dieven, de regters, en de giften om den tabernakel te maken, en vele andere dingen, die alle in dit boek Exodi van het 31e tot het 31e hoofddeel beschreven staan. Eindelijk gaf hij hem twee steenen tafelen der wet, door zijne hand geschreven.

Toen het volk van Israël zag, dat Mozes zoo lang vertoefde, om van den berg te komen, kwam het in menigte tot Aaron en zeide: maak ons goden, doe ons den weg wijzen, want wij weten niet wat er aan Mozes, die ons uit Egypte geleid heeft, mag overkomen zijn. Aaron antwoordde: brengt mij dan de gouden oorversiersels van uwe vrouwen, zonen en dochters. (1) Toen zij hieraan voldaan hadden, deed hij die smelten, en goot er een kalf van. Nu riepen de Israëlieten : o volk van Israël! dit zijn de goden, die u uit Egypte hebben getrokken. Als Aaron dit zag rigtte hij een altaar op voor het kalf en liet omroepen: morgen zal het de feestdag des Heeren zijn. Het volk was dan \'s anderendaags vroeg bij der hand, droeg brand- en dankoffers op, en zette zich vervolgens neder om te brassen en te zwelgen, en zich met spelen en dansen te vermaken.

Nu zeide God tot Mozes : ga spoedig naar beneden; want uw volk, hetwelk gij uit Egypte gobragt hebt, heeft gezondigd. Spoedig zijn zij van den weg, welken gij hun hebt aangewezen, afgeweken. Zij hebben een kalf gegoten, hetzelve aangebeden, en het offeranden opgedragen en gezegd: dit zijn, o Israël, uwe goden, die u uit Egypte getrokken hebben. — Verder zeide de Heer: ik zie wel, dat het een hardnekkig volk is; laat mij mijnen toorn tegen hen ontsteken, en hen vernielen, en ik zal u over een ander groot volk tot overste stellen. Maar Mozes verzuchtte tot den Heer en zeide: Heer, waarom zoudt gij uwen toorn ontsteken tegen uw volk, hetwelk gij met groote wonderen en met eene magtige hand uit Egypte gevoerd hebt? Gedoog niet, bid ik U, dat de Egyptenaren zeggen: hij heeft hen met list uit Egypte geleid, opdat hij hen op het gebergte om hals zoude brengen, en van het aardrijk nitroeijen. Stil toch uwe gramschap, en vergeef de ongeregeldheid van uw volk. Gedenk Abraham, Izaak en Israël,

1) Aiiron zeide dit, in de meening, dat zij dit niet zouden gedaan hebben, en deed er een kalf van gieten, uit vrees dat zij hem om hala zouden gebracht hebben. Maar hij had veel liever moeten sterven.

Mozes heeft hem bij God verbeden.

104

-ocr page 107-

van het Oude Testament.

die uwe dienaars geweest zijn, aan wie gij bij uwen naam gezworen hebt, zeggende: ik zal uw geslacht gelijk de sterren des hemels vermenigvuldigen, en dit land, hetwelk ik u beloofd heb, aan uwe nakomelingen geven, om het voor altijd erfelijk te bezitten. Aldus liet de Heer zich verzoenen, om de bedreiging niet tegen zijn volk uit te werken.

Wanneer Mozes het leger naderde, zag hij het kalf, en het volk rond hetzelve dansen; Lij ontstak in zoo hevige gramschap, dat hij de tafelen aan den voet des bergs in stukken wierp. (1) Daarna rukte hij het kalf, hetwelk zij gemaakt hadden, neder, wierp het in het vuur, en deed het tot stof vermorzelen. Voorts strooide hij dit stof in het water, en gaf er Israël\'s kinderen van te drinken. (2) Ook vroeg hij aan Aaron: wat had u dit volk gedaan, dat gij die overgroote zonde op hen getrokken hebt ? — Mozes bleef hierop aan den ingang van het leger stil staan en zeide: die het met den Heer houdt, die kome tot mij. Hierop kwamen tot hem al de zonen van Levi. Hij zeide tot hen : dit beveelt de Heer en God van Israël: dat een ieder van u zich met zijn zwaard omgorde, dat hij zich in het midden des legers werpe, en allen doode, die hij ontmoet, hetzij broeder of vriend, of na-gebuur. (3) De zonen van Levi deden dan, hetgeen Mozes hun geboden had, en er werden op dien dag onder het volk omtrent 23,000 man neergeveld. Mozes zegende terstond het huis van Levi, en zeide, dat zij hierdoor hunne handen aan den Heer toegewijd hadden. Des anderendaags deed hij deze aanspraak tot het volk : gij hebt eene overgroote zonde bedreven, daarom zal ik tot den Heer opgaan, om op de eene of andere wijze vergiffenis van hem over uwe euveldaad te bekomen. Tot God dan wedergekeerd zijnde, zeide hij: och dit volk heeft eene overgroote zonde bedreven, met zich goden van goud te maken ; maar vergeef hun toch die zonde; of zoo niet, schrap mij dan uit het boek der levenden. God gaf hem ten antwoord : wie tegen mij gezondigd heeft, dien zal ik uit het levensboek schrappen.

BEMERKING. Dit is eene les voor de te zeer toegeeflijke ouders, zegt de H. Gregorius, die hunne kinderen niet durven straften, als zij hun versmacht zien in liefde tot de wereld,

1) Daar hij, zegt Ambrosius, het dronken volk onwaardig achtte, dat het Gods wet ontvangen zoude.

2) Om bun de onmagt van zulke goden, die men tot stof vermorzelen en drinken konde, te leeren.

8) Niet dat zij in de tenten zouden gaan, om hen, die daar binnen waren, te dooden ; maar dezulken alleen ombrengen, die buiten hunne tenten, ln de legers, nog bezig waren met dien goddeloozen feesdag te vieren.

105

-ocr page 108-

Geschiedenh

lt;lie eene ware afgoderij is. T)e Levieten, zeg-t hij, beminden liunne kinderen, doch zij spaarden hen niet; zij benamen bun zelfs het leven, op het bevel van God; eu wij vreezen de onze, door de minste berispingen te bedroeven, omdat wij hen met een ganseh vleeschelijke liefde beminnen. Geen vader bemint meer zijnen zoon, dan Mozes zijn volk beminde; hij wenschte liever te mogen sterven, om hun het leven te behouden, en hij doet er niettemin tot 23,000 omkomen. Deze liefde strijdt niet togen den groeten ijver, dien hij heeft voor de regtvaardigheid. Uoe meer hij Gods gramschap over zijne kinderen vreest, des ■te meer hij die tracht te voorkomen, met haar naur verdiensten te straffen. Ach, hoe vele ouders zullen hun eeuwig verderf bewerken, omdat zij hunne kinderen niet behoorlijk berispt en gestraft hebben !

XII. HOOFDDEEL.

God spreekt g-emeenzfiam met Mozes. De twee steonea tafelen worden vernieuwd. Exod. 3^3. o4.

Daar Mozes over dit ongeluk van zijn volk hoogst bedroefd was, zeide God tot hem : vertrek van deze plaats, gij eu uw volk, en ga naar het land, hetwelk ik met eed aan Abraham, Izaak en Jacob beloofd heb. De Heer deed Mozes aan de schare zeggen : gij zijt een hardnekkig volk; indien ik wederom onder u kwam wonen, zoude ik u te niet doen; maar leg uw feestsieraad af, en ik zal nog zien, wat ik doen zal. Zij legden -al hun sieraad af (ten teeken van rouw.) Mozes brak zijne tent op (1quot;), die hij verre van hot veld opsloeg (2), en de teut der zamenkomst noemde. Al wie iets van den Heer verzocht, ging tot dezelve. Als nu Mozes uit het leger naar die tent der zamenkomst ging, stond al het volk op, elk in de deur van zijne eigene tent, en zij zagen Mozes achter na, tot dat hij in de tent was. Zoohaast deze daarin was, kwam de wolkkolom nederwaarts, en bleef staan aan den ingang van die tent. God sprak daar met Mozes, aangezigt aan aangezigt (3), gelijk een vriend met den anderen spreekt. Zoo lang als Mozes met den Heer in de teut was, en dat de Israëlieten de kolom zagen, bleven zij aan den ingang hunner tent, en aanbaden (rods Majesteit. Wijders zeide God tot Mozes: maak twee tafelen, gelijk de eerste waren, en ik zal daarop dezelfde woorden

1) quot;Waarop de wolkkolom gewoon was te rusten.

2) Verre van het leg^er, te weten duizend ellen, om te toonen, dat God op hen vergramd was. Aldaar kwam het volk te zamen, om van Mozes den wil van God te hooren.

3) God sprak tot Mozes niet door eenigf visioen of droom, zoo alf tot de profeten, maar bescheidenlijk en met woorden.

106

-ocr page 109-

van het Oude Tedmnent.

schrijven, welke op de tafelen stonden, die gij gebroken liebt. Wees bereid tegen den dageraad om alsdan op den berg Sinaï te gaan, en stel u daar voor mij op de kruin van denzelven. Dat niemand met u boven kome, en dat men niemand op geheel den berg zie. Dat zelfs de ossen en de schapen regt over den berg niet weiden. Mozes vervaardigde dan twee steenen tafelen, gelijk de eerste geweest waren, en voor den dageraad opstaande, beklom bij, volgens het gebod des Heeren, den berg Sinaï, met de twee steenen tafelen in zijne hand. God daalde dan af in eene wolk, en stelde zich daar bij Mozes. Hij gaf hem verscheidene burgerlijke wetten voor de kinderen van Israël.

Mozes bleef dan bij den Heer (die de tien geboden op de tafelen schreef) 40 (lagen en 40 nachten zonder voedsel of drank te behoeven. Wanneer nu Mozes van den berg Sinaï kwam, met de twee tnfelen der getuigenis in zijne handen, wist hij niet, dat zijn aangezicht met stralen omgeven was, door de zamenspraak, die hij mot God gehad had. Toen Aaron en de kinderen van Israël deze stralen zagen, werden zij bevreesd om tot hein te naderen ; maar Mozes riep hen; en Aaron met de oversten der vergaderingen kwamen tot hem. Nadat hij met hen gesproken had, traden ook al de kinderen van Israël toe, en hij beval hun alles wat hij op den berg Sinaï van den Heer gehoord had. Terwijl hij tot hen sprak, bedekte hij zijn aangezigt, opdat de stralen van zijn gelaat hun gezigt niet zouden hinderen. Maar als hij in de tent ging, om met den Heer te spreken, ontdekte hij hetzelve weder, tot dat hij uitkwam. Daarna verhaalde hij aan de kinderen van Israël al hetgeen hem God geboden had. Doch dewijl zij zijn aangezigt, als hij uitkwam, met stralen omringd z»gen, bedekte hij dit wederom met een\' sluijer, wanneer hij tot hen sprak.

BKMEKKING. Alle oversten en zieleherders Inoeten de heilige waarheid leeren matigen naar de zwakheid van hunne aanhoorders, en de inwendige gaven verbergen, die God hun door het geloof gelieft te geven;... God laat zich door het gebed van Mozes verzoenen. Deze genade is het afbeeldsel van de genade, die hij aan eenen zondaar bewijst, als hij met een opregt leedwezen tot God wederkeert, en zijne heilige geboden ontvangt, die door de zonden als uitgedaan waren.... God wilde, dat Mozes nu de twee steenen tafelen zoude maken, om de wet daarop te schrijven ; ons aldus toonende, dat de hekeering van eenen zondaar niet geschiedt dan met moeite en arbeid, opdat hij, door deze moeite, op zich zeiven zoude leeren letton om niet meer te hervallen.

107

-ocr page 110-

Geschiedenis

XIII. HOOFDDEEL.

Offergiften om den tabernakel te maken. Beschrijving van denzelven.

Exod. 35. 36. enz. — Hetzelfde jaar 2513, zeven maanden na hunnen uittogt uit Egypte.

Mozes deed nu de geheele vergadering des volks bijeen komen, en zeide (na vele andere dingen): dit gebiedt God bovendien, dat gij bem eene vereering zult opdragen van goud, zilver en koper ; hemelsblaauw, purper en rood scharlaken ; fijn linnen, geitenhaar, rood geverwde ramsbuiden, dassenvellen en cederbout; olie, tot onderhouding van bet lamplicht, en specerijen ter vervaardiging van reukwerken; sardonik en andere edelgesteenten, om het priesterlijk schouderkleed en zijn borstsieraad te versieren. Dat diegenen, die onder u ervaren en behendig zijn, komen om te maken al hetgeen God geboden heeft: namelijk den tabernakel, de ark, het verzoendeksel en de tafel der toonbrooden ; den kandelaar om de lampen op te stellen ; het reukaltaar en bet reukwerk ; het brandoffersaltaar met zijnen rooster; bet wascbvat met deszelfs voet; de voorhangsels des tabernakels, en de kleederen, die gebruikt moeten worden in de dienst der heilige plaats. Jl deze dingen waren aan Mozes op den berg vertoond, en reeds te voren had hij aan het volk daarvan verslag gedaan.

De- kinderen Israel\'s gingen dan henen, en kwamen daarna met bereidwilligheid hunne vereering aan God doen. Mannen en vrouwen gaven gouden ketens, oorsieraden, ringen, armbanden en alle andere juweelen, ten geschenke en ter vereering aan den Heer. Ervarene vrouwen bragten ook hemelsblaauw, purper en scharlaken, garen en fijn linnen, hetgeen zij met eigene banden gesponnen hadden. De oversten des volks offerden edelgesteenten, en specerijen tot het reukwerk.

Mozes zeide dan verder: ziet, de Heer heeft Beseleël verkoren, dien hij vervuld beeft met zijnen geest en wetenschap, alsmede Oöliab, om alle kunstig handwerk te vervaardigen : om te steken, te borduren, fijn linnen en allerhande stoffen te verwen, enz. Terwijl nu deze met vele andere ervarene meesters (in wier hart God wijsheid gestort had) zich naarstig tot het werk begaven, kwam al bet volk nog alle morgen giften offeren, zoodat de werklieden tot Mozes zeiden: het volk brengt meer dan er tot het werk des Heeren noodig is. Mozes liet dan door het leger uitroepen, dat er niemand meer iets brengen zoude.

BEMEKKING. Door dezen grooten ijver der Israëlieten in bot offeren van die giften, tot het opmaken en versieren des tabernakels, wordt de flaauwheid der Christenen, in iets bij

108

-ocr page 111-

van het Oude Testament.

te dragen tot het opmaken, hei-stellen of versieren van .den tempel des Heeren, beschaamd gemaakt. De eersten bragten zoo veel bijeen, dat er meer dan genoeg was, en dat men hen moest doen ophouden. Doch laat nu de herders en predikanten verzoeken, bidden en smeeken, echter krijgen zij zeer weinig. Men kan de armoede en onsierlijkheid van vele kerken, bijzonderlijk ten platten lande, niet zonder groot© droefheid zien. Doch waarbij komt dit anders, dan bij gebrek aan ijver en aan geloof 1

BESCHRIJVING VAN DEN TABERNAKEL. EXOD. 36. ENZ.

De vergadering van de kinderen Israel\'s in de woestijn, was als eene groote, wandelende stad, welker burgers in tenten woonden. God, als hun opperkoning, deed zich daar ook eene treffelijke tent of tabernakel tot zijne woonplaats in het midden van hen oprigten. Deze tent was 30 ellen lang, 10 hoog en even zoo breed; 48 planken van setimhout, met gouden platen bekleed; dienden voor muurwerk, te weten : 30 planken stonden er opgerigt aan de noordzijde, 20 aan de zuidzijde, en acht aan de westzijde : iedere plank rustte op twee zilveren voetstukken. Aan de zijde van het oosten, waar de ingang was, stonden vijf pilaren van cederhout. De kapiteelen derzelve waren van goud, de pedestalen van koper, en deze maakten als vier wegen of ingangen. Aan de pilaren was een behangsel vastgemaakt, hetwelk den ingang gansch stopte of afsloot, en als dit toehing was het van binnen duister, bijzonderlijk in het Heilige der Heiligen ; en dit beduidde de duistere en ondergrondelijke verholenheid van Gods Majesteit, die daar schuilde, en de geheimenissen van de ware godsdienst. Tien gordijnen van fijn linnen met hemelsblaauw, purper en scharlaken garen doorwezen, en zeer kunstig geborduurd met cherubijnen, bekleedden dien tabernakel van binnen; vier soorten van deksels overdekten den tabernakel van boven; het eerste, hetwelk van binnen gezien werd, was uitermate prachtig; het tweede was gemaakt van geitenhaar; het derde van rood-govorwde ramsvellen; het vierde van dassenhuiden blaauw ge-geverwd, ter beschutting van regen, hagel en wind. God deed nog een dergelijk voorhangsel maken, ook geborduurd met cherubijnen, hetwelk binnen den tabernakel aan vier pilaren hing, en diende om het Heilige van het Heilige der Heiligen af te scheiden, latende het Heilige der Heiligen 10 ellen in het vierkant, en het Heilige 30 ellen lang.

In het Heilige der Heiligen was er niets dan de ark des Hëeren ên een gouden wierookvat: niemand mogt daar ingaan dan de opperpriesters, en dat enkelijk eens \'s jaars. In het Heilige stond

109

-ocr page 112-

110 Geschiedenis

do tafel der toonbrooden, de kandelaar, en het reukaltaar, en niemand mogt er zijnen voet instellen dan de priesters.

Dio tabernakel stond op een groot plein, of opene plaats, die 1000 ellen lang en 50 breed was, afgezet met 60 pilaren van 5 ellen hoog. Aan de pilaren was een behangsel van gordijnen, om dit plein af te schutten. Aldaar kwam het volk ora te bidden, om hunne offerande te zien opdragen, (want het braudotf\'ersaltaar stond daar in het midden) en om er aldaar van te eten.

BEMERKING. Dio tabernakel, welke naar verscheidero plaatsen vervoerd werd, is het afbeeldsel van de strijdende Kerk op aarde, die niet vergaat, maar wel van het eene gewest naar het andere verhuist; want dikwijls, als de menschen boosaardig en zondig leven, en het geloof misbruiken, wordt d\'t tot eene regtvaardige straf hun ontnomen en elders overgebragt. De planken van den tabernakel beteekenen de kloekmoedigheid van die heldhaftige mannen, die de heilige Kerk door hunnen ijver en hunne kimde voorstaan en beschermen. De zilveren voetstukken beteekenen de zuivere leer, waardoor zij ondersteund wordt. De voorhangsels, die van het borduursel glinsterden, zijn afbeelsels van de deugden der geloovigen, die kostbaar zijn in do oogen van God, want zij zijn de uitwerking vun de goddelijke genaden in onze harten. Ach, waarom trachten wij die niet vuriger te oefenen !

BESCHRIJVING VAN DE ARK DES VERBONDS.

Do ark des verbouda was een kotter van een onbederfelijk hout, Setim genaamd, van buiten en binnen met het fijnste goud bekleed. Zij was twee ellen en een half lang, eene el en een half breed, en eene el en een half hoog. Het deksel der ark was een tafelblad van het allerfijnste goud. Aan beido zijden van de ark stonden twee Cherubs van het fijnste goud, dio op elkander zagen, en met hunne vleugelen het deks-1 overloinmerden, en aldus een troon maakten, waarop Go l gezeten was. Dit deksel werd het verzoendeksel of de genadestoel genoemd, omdat God van daar tot zijn volk sprak, en zijne stem tot onderrigting of verzoening van hetzelve liet hoóren. Er waren aan de vier hoeken vier gouden ringen, in welke de draagstokken staken, om de ark te dragen als htt leger moest optrekken. In de ark werden door Gods bevel d i tafelen der wet gelegd, en daarom werd zij de ark des Verbond?, en da ark der getuigenis geheeten. Naderhand werd er ook een vat met manna, ert de roede van Aaron in gelegd. Dezi ark was als een kort begrip van geheel de godsdienst der

-ocr page 113-

vun het Oude Testament.

Israëli if en, en zij achtten die als het waardigste, dat zij bezaten. Do heilige schrift noemt haar de glorie van hraèl, en de sterkte van het Joodsche volk. Als het leger moest optrekken, werd de ark vooruitgedragen. Zij werd gewoonlijk gedragen door do Levieten; maar in grooteu nood door de priesters.

BEMERKING. De ware ark, in welke God wil rusten, is eene ootmoedige en reine ziel, in- en uitwendig met de liefde tot God eu tot den evenmensch bekleed. Deze draagt in haar binnenste de wet des Heeren geschreven, die zij ge-stadiglijk overweegt, en naar welke zij geheel haar leven regelt. In haar is ook het levendige en waarachtige manna (waarvan het joodsehe manna maai- een afbeeldsel was), te weten Christus, dien zij dikwijls ontvangt in de heilige Communie, niet wiens geest zij vervuld wordt, zoo dat zij het nu niet meer is, die leeft, maar Christus, die in haar leeft. IKt is tot zulk eene ziel, dat de Heer zegt: kom, mijne uitverkorene, in u zal Ik mijnen troon vestigen ; want de koning is verliefd op uwe schoonheid. Deze ziel moet dikwijls haar geluk overwegen; Jezus in haar hart aanbidden, hem bedanken, licht en genade verzoeken in alle twijfelachtighaden en wederwaardigheden ; tot hem hare toevlucht nemen, zich menigmaal hem opdragen, eu haar uiterste best doen, om zoo kostbaar pand door de zonde niet te verliezen.

BE3CHKUVING VAN DE TAFEL DEü TOONBROODEN.

Deze tafel was van onbederfelijk hout, met gouden platen bekleed ; zij was twee ellen lang, eene el en een half breed, en eene el hoog; zij was met een gouden krans versierd. Bovendien had zij een lijst van vier vingeren hoog, en op dia lijst een\' anderen gouden krans. Aan de vier hoeken waren vier gouden ringen, om er de draagstokken door te steken. Op die tafel waren gestadig twaalf bi*ooden, beduidende de twaalf geslachten van Jacob ; zes op elkander aan den eenen kant van de tafel, en zes aan den anderen kant, gedekt met twee gouden schotels, en op dezelve een gouden wierookvat met uitgezochten wierook, opdat da walm daarvan tot God opstijgen, en deze brooden \'aldus aan hem toegewijd zouden zijn. Zij werden genoemd toonhrooden of irooden van voorstelling, omdat zij gesteld werden in des Heeren tegenwoordigheid, en tot erkentenis, dat do twaalf geslachten hun brood en onderhoud van God ontvingen. Zij waren ge-takken van fijne bloem met olie, die het volk offerde. Do Levieten vervaardigden die wekelijks, en zij- werden alle Sabbath.-d\'igen veranderd: do drooge werden weggenomen, en verscha

Ill

-ocr page 114-

112 Geschiedenis

in de plaats gesteld. Niemand mogt daarvan eten, dan de priesters en dit moest in de heilige plaats gescMeden. Deze tafel werd in het Heilige van den tabernakel, aan de noordzijde, gesteld.

BEMEEKING. In plaats van deze brooden, offeren nu de geloovigen dagelijks, in de heilige Mis, Christus zeiven, het levende brood, aan den hemelschen Vader op, en zich zeiven met hem. Duizendwerf gelukkig, die dit wel en waardig doet, en die dikwijls door den dag die goddelijke offerande van Christus aan den hemelschen Vader vertoont. Gelukkig, die zich zeiven, als een levend en bereidwillig offer, dikwijls vertoont en opdraagt aan God in dien tabernakel van zijn hart, om geheel voor hem te leven; die zich vertoont om met een rein en voorbereid gemoed de genaden te ontvangen, die de Heer in hem zal believen te storten, tot vermeerdering van zijne verheerlijking en tot zaligheid der zielen, en die zich bereidvaardig toont om een levendig werktuig in de hand Gods te zijn, om van hem gebruikt te worden tot alles wat hem believen zal, en om te doen, te laten en te lijden, alles wat zijne vaderlijke voorzienigheid hem zal overzenden. Gelukkig hij, eindelijk, die dikwijls zijn hart met al zijne werken den Heere opdraagt. Hoe vele offeranden, o Heer, zouden wij alzoo dagelijks niet aan uwe Oppermajesteit kunnen opdragen!

BESCHEIJVING VAN DEN KANDEL AAK.

Deze kandelaar was van louter goud, met den hamer ge-■ dreven. Hij had zes fraaije armtakken, drie van beider zijde. Iedere tak was versierd met drie schaaltjes, volgens de gedaante van notenschelpen, met drie appelen en drie leliën. Er bevonden zich ook zeven met allerzuiverste olijfolie gevulde lampen, die boven op den kandelaar en deszelfs takken gesteld werden, om gestadig voor den Heer te branden en licht van alle zijden te verspreiden. Aaron en zijne zonen moesten die lampen verzorgen in den tabernakel, opdat zij van \'s avonds tot \'s morgens voor het aangezigt des Heeren zouden ontstoken blijven. Deze kandelaar met zijne toebehoorten moest een talent van het fijnste goud, dat is omtrent 120 ponden goud, wegen. Hij werd in het heilige van den tabernakel aan de zuidzijde gesteld.

BEMEEKING. De herders en priesters worden in de heilige kerk gesteld op den kandelaar als lampen, om van allo zijden de geloovigen door heilige zeden en zuivere leeringen te verlichten. Het is aan hen, dat Christus zegt: G-ij zijt

-ocr page 115-

mn het Oude Tedament.

het licht der wereld. Hun leven moet een voorbeeld van alle deugden zijn, en eene vertooning van den geest van Christus, waarvan zij moesten vervuld zijn. Als de Bisschop de priesters wijdt, zegt hij tot hen : «volgt na hetgeen gij dagelijks i/verhandelt, door een gedurige versterving en eenen geestelijken «dood. Dat uwe leer een gestadig voedsel zij aan de deugd-;;zamen en vromen, en een geneesmiddel aan de zondaars. «Dat de geur van uw leven de troost zij van de Kerk van //Christus, opdat wij, met u deze wijding te geven en met //die te ontvangen, niet verdienen in ons eeuwig verderf gestort «te worden, maar, integendeel, de eeuwige heerlijkheid mogen «intreden.quot; Hij gebiedt hun ook, dat zij volgens de heiligheid van hunnen staat moeten leven. En door alzoo te leven, zullen zij lampen zijn, die van alle kanten een helder licht verspreiden.

BESCHRIJVING VAN HET BEUK ALTAAR.

Dit altaar was van cederhout, met gouden platen bekleed. Het was vierkantig, zijnde eene el lang en breed, en twee ellen hoog. Alle dagen, \'s morgens en \'s avonds, werd er een wierookvat met kostelijken wierook op gesteld. God zelf had Mozes aangewezen, op welke wijze dit reukwerk moest gemaakt worden. Dit altaar werd in het Heilige van den tabernakel tusschen de tafel der tocnbrooden en den kandelaar geplaatst.

God beval aan Mozes ook een altaar te maken voor de brandoffers, van cederhout, bekleed met dikke koperen platen. Hetzelve was van binnen hol, vijf ellen breed en drie ellen hoog. Boven op het plat was een rooster, netsgewijs gemaakt. Dit altaar stond voor den tabernakel in het opene plein. Er bevond zich ook een koperen waschvat, daar de priesters hunne handen en voeten moesten in reinigen, als ook da vaten, die tot de offeranden dienden, en sommige deelen der offerdieren, die gewasschen moesten worden eer zij opgedragen werden.

BEMERKING. De wierook van iet reukaltaar beteekent het gebed, hetwelk wij dikwijls, en wel bijzonderlijk \'s morgens en \'s avonds, den Allerhoogsten moeten opdragen. Doch, opdat het gebed aan die verhevene Majesteit, als een welriekend reukwerk, behage, zoo moet het gebrand worden in het vuur der liefde, en geschieden met groote ootmoedigheid, eerbied, aandacht, met een berouwhebbend hart, met vast betrouwen eu met volharding.

11?

8

-ocr page 116-

Geschiedenis

Al de brandoffers der oude wet moesten aangestoken en verteerd worden door een vuur, dat van den hemel gekomen was, om ons te leeren, dat al onze werken door liet vuur de goddelijke liefde tot God moeten gestuurd worden, om hem te kunnen behagen, zoo als de Apostel leert als hij zegt: (1. Cor. 10. 31.) hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles ter eere Gods. En nog klaarder in het 16 Hoofddeel, v. 14. doet alles, wat gij verrigt, met liefde.

BESCHRIJVING VAN HET PRIESTERLIJK GEWAAD.

God zeide vervolgens tot Mozes: gij zult Aaron, uwen broeder, en zijne zonen roepen, om voor mij het priesterlijke ambt te bedienen. Voor Aaron zult gij zeer prachtige kleederen doen maken, en over dezelve met ervarene mannen, die ik met wijsheid vervuld heb, spreken. Deze zijn de kleederen, die zij zullen vervaardigen : een borstsieraad, een schouderkleed, eenen overrok, een eng linnen onderkleed, eenen mijter en eenen gordelriem. — De opperpriester had boven dien linnen onderrok, een lang kleed van hemelsblaauw, aan welks onder-boord 72 gouden schelletjes hingen, en tusschen dezelve even zoo veel granaatappeltjes, gemaakt van purper, hemelsblaauw en scharlakenrood, opdat men hem zoude hooren als hij de heilige plaats in- of uitging, en tot eerbied bewogen worden. Boven dat kleed had hij nog een ander zeer kostelijk kleed, hetgeen maar ten halve van het lijf kwam, genoemd F/phod of schoudermantel. Dit was op de schouderen toegemaakt met twee gouden haken, waarop twee edelgesteenten stonden, in welke de namen van de twaalf geslachten gesneden waren, namelijk zes in den eenen steen, en zes in den anderen. Van voor op dit kleed was een vierkantig borstsieraad geborduurd, en versierd met twaalf fonkelende steenen, geschikt in vier rijen, en drie steenen in elke rij. Op dit borstsieraad stonden ook deze woorden: Leering en Waarheid. De opperpriester droeg nog voor zijn voorhoofd eene gouden plaat, die voor aan den mijter vast was, in welke deze woorden gesneden waren : De heiligheid komt den Heer toe.

Nadat nu aÜes, wat de Heer aan Mozes op den berg getoond en voorgeschreven had, gemaakt, en de tabernakel met al zijne toebehoorten opgerigt was, bedekte de wolk des Heeren den tabernakel, en hij werd met Gods glorie vervuld, zoodat Mozes den tabernakel niet konde ingaan. Als nu de kinderen van Israël moesten opbreken en van plaats veranderen, verhief zich de wolk omhoog; maar als zij boven den tabernakel stil bleef, bleven zij op dezelfde plaats ; want de wolkkolom bleef bij dage op den tabernakel rusten, en de vurige

114

-ocr page 117-

van het Oude Testament.

kolom bij nachto in het gezigt van al de kinderen yan Israël, zoo lang zij op reis geweest zijn.

BEMERKING. Het goud fonkelde in deze priesterlijke sieraden, zegt de H. Gregorius, om te toonen, dat God bijzonderlijk de wijsheid in de priesters vereischt; doch eene heilige wijsheid, die hun leven aangenamer maakt in de oogen van God, dan die uitwendige sieraden in de oogen der menschen. De schelletjes van het bovenkleed des hoogen-priester beduiden, dat geheel het leven van eenen priester moet spreken, om door de goede voorbeelden de menschen te stichten en tot God te brengen. Deze woorden : Leering en Waarheid, die de opperpriester op de borst moest dragen, toonen ons, waarmede de priesters inwendig in hun hart moeten bezig zijn : namelijk met de leeringen en waarheden der H. Schrift, bijzonderlijk van het Evangelie, alsook met die van de heilige vaders ; die aangeduid worden door al die edelgesteenten van het borstsieraad. Dus moeten zij, zoo veel mogelijk, alle aardsche bekommernissen en inwikkelingen in tijdelijke zaken vlieden, gelijk de Apostel leert met deze woorden : Niemand, die in den dienst van God is, bemoeije zich met tijdelijke zaken. 3. Tim. 2. 4.

HET BOEK DER LETITEN.

Dit hoek wordt aldus genoemd, omdat het de priesterlijke zaken en de verscheidene bedieningen beschrijft, die eigen waren aan de Leviten, zijnde het geslacht van Levi alleen van God ge-schikt tot alles, wat de plegtigheden van zijne dienst betrof. Het behelst 27 Iloofddeelen. De 7 eerste maken gewag van de verschillende offeranden; de 15 volgende handelen van, degenen, die eenige offerande wilden opdragen, en van de rein- en onreinheid van menschen en dieren; de 5- laatste betreffen de feestdagen, den tabernakel, de tienden en beloften. Wij zullen slechts weinige dingen hieruit verhalen, omdat alles naar de letter hier bijna eigen is aan de Joden. Het behelst de geschiedenis van eene ai eene halve maand, beginnende van de maand Ni san, in het tweede jaar na den uittogt uit Egypte, wanneer de kinderen Israel\'s hij den berg Sin ai leger dm.

I. HOOFDDEEL.

Aaron en zijne zonen worden priester gewijd. Levit, 8.

God zeide tot Mozes; doe Aaron en zijne zonen aan de deur des tabernakels komea. Gij zult hen geheel met water

115

-ocr page 118-

Geschiedenis

reinigen, en daarna Aaron zijne kleederen aantrekken. Verder zult gij zalfolie nemen, en die op zijn hoofd gieten, en aldus zal liij mij toegewijd zijn. Ook zult gij zijne zonen doen komen, en hen ook met den tooi versieren, die voor de priesters verordend is. Mozes nam dan de olie, en na zevenmaal het altaar en de offerande besproeid te hebben, zalfde hij het altaar en al de vaten. Hij stortte de zalfolie op het hoofd van Aaron, trok deze zonen hunne kleedeivn aan en aldus werden zij gewijd. Daarna droeg Mozes een kalf op voor de zonden, op welks hoofd Aaron en zijne zonoii hunne handen legden, terwijl zij hunne zonden beleden. Hij droeg daarenboven een schaap op tot een brandoffer, en nog een tweede tot de wijding der priesters, welks bloed hij streek aan en rond het altaar, aan het uiterste van het regteroor van Aaron, op den duim zijner regterhand, en op den grooten teen van zijnen regtervoet; evenzoo deed hij aan Aaron\'s zonen. Wijders gebood hij hun, zeven dagen in het voorplein des Tabernakels te blijven, om den tijd der wijding (die zeven dagen duurde en zevenmaal herhaald werd) in het gebed over te brengen, op straf van den dood.

BEMEEKING. De Apostel, sprekende van het priesterlijke ambt, zegt deze treffende woorden: niemand mag van zich zeiven die eer aannemen, maar enkelijh hij, die er van God toe geroepen wordt, zoo \'als Aaron. (Hebr, 5. 4.) Het is eene groote verblindheid en vermetelheid zich tot dezen staat te begeven, zonder eerst wel te onderzoeken, of men van God daartoe geroepen wordt. Dit punt is van een allergrootst gewigt; want die tegen den wil en den roep van God zich daartoe begeeft, wat zegen en genade heeft zulk een te verwachten ? En zonder dezen zegen, wat misslagen, ongeregeldheden en gevaren, zoo voor zijne als eens anders zaligheid! Dezen roep van God moet men trachten te kennen, ten 1. Door veel bidden en door een opregt deugdzaam leven. 2. Met zich te doen onderigten en de kenteekens van eenen waren roep wel te onderzoeken. 3. Door den raad van eenen goeden biechtvader, die ons van over lang gekend heeft. Doch om voorzigtiglijk te kunnen oordeelen, of men van God geroepen is, is er een goed geweten, een stichtend leven, genoegzame kunde en bekwaamheid tot de kerkelijke bediening noodig. God gave, dat vele ouders dit wel beseffen, die hunne kinderen hiertoe zoeken te vervorderen. Zij mogen wel wenschen, dat hunne kinderen daartoe van God geroepen worden, maar zij mogen in dezen wensoli niets anders beoogen, dan de verheerlijking van God, de zaligheid van hunne kinderen en van den naaste. Het is een vervaarlijk misbruik, de kinderen daartoe sterk aan te zetten,

116

-ocr page 119-

van het Oude feshmient.

om daardoor eon kind te voorzien, of om er een uit te kiezca., da.t tot de wereld niet nuttig is, of om in dien staat eeuig geldelijk belang, meerdere eer, en andere tijdelijke voordeelen te bekomen; of eindelijk dieu staat aan te zien als een bedrijf om den kost te winnen. De Roomscbe Catbecbismus zegt: z/Men mag te regt zeggen, dat diegenen tot de kerkelijk be-//dieningen door de deur inkomen, die, van God wettelijk //geroepen zijnde, deze bedienig oefenen, alleenlijk om de «eer Gods te bevorderen. Maar sommige komen daar om //kost en kleedereu, en schijnen niets anders te beoogen dan //gewin, even als ambachtslieden... Andere worden bewogen «tot de wijding uit eerzucht, andere om rijk te worden... ; quot;waardoor de glans van het priesterdom zoo verduisterd wordt, «dat er nu bijna geeue zaak voor zoo gering van de geloo-//vigen wordt aangezien. Hierdoor geschiedt het ook, dat //dusdanigen niet meer voordeel trekken uit het priesterdom, »dan Judas uit het apostelschap, waarin hij zijne verdoemenis //gevonden heeft. De sacr. Ordin. num. 8.quot;

II. HOOFDDEEL.

Eerste offer van Aaron. Er daalt Tuur uit den hemel om de offerande te verslinden. Nadab en Abiu worden gedood. Levit. a. 10.

Op den achtsten dag deed Mozes Aaron met zijne zonen en al de ouderlingen komeH, ea zeide tot Aaron : neemt een schaap voor de zonde, en een tweede tot een brandoffer, om ze aan God op te dragen. Tot de schare zeide hij : neemt eenen bok voor de zonde, en een kalf met een lam van een jaar tot een brandoffer, draagt die aan God op, en de Heer zal zich heden aan u veropenbaren. Vervolgens beval hij aan Aaron bij het altaar te komen, om de offerande op te dragen. Mozes en Aaron gingen dan in den tabernakel, en toen zij denzei ven weder verlieten, zegenden zij het volk, en de heerlijkheid des Heeren verscheen aan hetzelve. Een vuur, van God gezonden, verslond de offerande, die op het altaar lag. Toen het volk dit zag, viel het op zijn aangezigt plat ter aarde, en loofde God. De Heer beval verder, dat dit vuur altijd op zijn altaar branden moest, en dat. de priesters dit zouden onderhouden, en daartoe alle dagen, \'s morgens en \'s avonds, hout en voedsel op hetzelve leggen, opdat het gestadig in brand zoude blijven, zonder ooit uitgedoofd te worden. Dit duurde alzoo voort tot den tijd toe, dat Salomon zijnen tempel wijdde, wanneer dit mirakel nog eens vernieuwd werd. Met dit heilige vuur moesten de wierookvaten gevuld worden, als nie*i wierook en reukwerk zoude opofferen, en alle offeranden verslonden worden, die op het brandoffersaltaar gelegd

117

-ocr page 120-

Geschiede nis

werden. Nadab en Abiu, de zonen van Aaron namen echter hunne wierookvaten, en legden in dezelve een vreemd vuur (1), om den wierook op te offeren. Docli een van den Heer uitgezonden, doodde hen, en zij stierven daar voor Gods aan-gezigt. Mozes zeide daarop tot Aaron: dit heeft God gezegd: mijne heiligheid en mijne glorie zal ik vertoonen voor al het volk, wegens degenen die tot mij naderen (dat is wegen» degenen, die de priesterlijke bedieningen uitoefenen). Aaron, dit hoorende, zweeg stil, en Mozes deed de lichamen van Nadab en Abiu uit den tabernakel, zoo als zij daar lagen, in hunne linnen kleederen, wegnemen, en buiten het leger dragen. Ook verbood hij aan Aaron en zijne zonen dezelve te beweenen, of eenig teeken van rouw daarover te toonen.

God sprak nog verder tot Aaron: wijn en allen sterken drank zult gij en uwe zonen niet drinken, als gij in den tabernakel der getuigenis zult gaan, opdat gij met den dood niet gestraft wordet. Dit is eene altijddurende wet voor uwe nakomelingen, ten einde gij onderscheid zoudt weten te maken tusschen heilig en onheilig, tusschen rein en onrein, en opdat gij de kinderen van Israël en al mijne instellingen lee-ren moget.

BEMERKING. De Joden waren verslagen en te gelijk verheugd, toen zij dit vuur van den hemel zagen dalen ; maar, wat is dit, in vergelijking bij het vuur der liefde, dat God in ons hart stort ? want dit is het opregt heilige, van den hemel gezonden vuur, waarvan dit eerste maar eene afbeelding was. Wat reden van groote verwondering en vreugd over die weldaad, welke geene tong kan uitspreken, en veel meer is, dan of God ons duizend werelden gaf! Dit vuur moet altijd op het altaar van ons hart branden ; wij moeten het gedurig voeden door vurige verzuchtingen tot God, en wij moeten door hetzelve onze dagelijksclie offerande van al onze wovken en ons lijden den Heer opdragen... Indien Nadab en Abiu zoo geducht zijn gestraft geweest, omdat zij vreemd vuur namen, hoe zullen zij nu gestraft worden, die met vreemd vuur, dat is, met het hart vol van booze geneigdheden, tot het heilig Altaar, en tot de heilige Communie durven naderen ! Ik zeg, met een hart vol liefde tot de ijdelheden, tot het aardsche, en tot de ongeoorloofde geneugten, of met eenen afkeer, van

1) Zij namen vreemd vuur, dat is, niet dit wonderdoende vuur, maar hetgeen daar was om de spijzen te bereiden. Het is onzeker, ot dit geöchied is uit onwetendheid, of onachtzaamheid; sommige meenen, dat het was uit halve dronkenschap, omdat God straks daarna aan do priesters verbiedt, ten tijde zij in den tabernakel hunne ambsbetrekking uitoefenen, wijn te drinken, en al wat dronken kan maken.

118

-ocr page 121-

mn het Oude Testament.

den naaste. De Heer tuchtigt heu niet meer met zulke zienlijke straffen, maar hij bewaart die voor het andere leven. O God! bewaar ons toch van met dit vreemde vuur tot U te komen.

HIT BOEI DER GETALLEN.

Dit hoek draagt dien naam, omdat hier, door Gods gebod, al de kinderen van Israël, die de wapenen konden dragen, geteld worden. God wilde door deze optelling toonen dat het geslacht van Abraham, volgens zijne belofte, gelijk de sterren des hemels, vermenigvuldigd was. Verder ziet men in dit boek de groote ongetrouwheid en hardnekkigheid der Israëlieten, die, ondanks al de wonderheden Gods, icelke hij voor hunne oogen uitwerkte, evenwel gedurig tegen hem en Mozes morden, ja zelfs naar Egypte wilden wederkeeren, daar zij in zoo groote slavernij geleefd hadden. Dit boek bevat, in 36 Hoofddeélen, dm tijd van 36 jaren en 9 maanden, te beginnen van den tijd dat zij opbraken van den berg Sinaï, tut dat zij in de velden van Aloah aan de grenzen van Chanaan kwamen.

I. HOOFDDEEL.

Aaron en Maria morren tegen Mozes. Er worden twaalf mannen uitgezonden, om het land van Chanaan te bespieden. Het volk begint te morren. God wil hen straffen. Num.

12. 13. — Twee jaren na den uittocht uit Egypte.

Maria en Aaron morden (ook) tegen Mozes Cjaloersch zijnde over zijn gezag) en zeiden ; Heeft God tot Mozes alleen gesproken ? Sprak hij ook niet tot ons ? Toen God dit hoorde, (want Mozes was de zachtmoedigste man, die de aarde betrad) zeide hij aanstonds tot Mozes, Aaron en Maria: gaat gij met drie alleen naar den Tabernakel des Verbonds. Als zij daar gekomen waren, kwam God af in de kolom, en aan den ingang des tabernakels staande, riep hij Aaron en Maria tot zich, en sprak hen aldus aan: hoort wat ik u zeggen zal. Als er een Profeet onder u is, zoo zal ik aan hem door een visioen, of eenen droom wel verschijnen; maar aldus gaat het niet met mijnen dienaar Mozes, die mij in mijn huis getrouw dient. Ik spreek met hem mond aan mond, zoodat hij mij ziet, niet door duistere afbeeldingen en gelijkenissen, maar openlijk. Waarom hebt gij dan niet gevreesd tegen hem te morren? Hierop verdween God, zeer gestoord zijnde tegen hen; en de wolk, die boven den tabernakel hing, trok ook henen.

119

-ocr page 122-

Oeschiedeni»

Aldra vei-toonde zich Maria, geslagen met melaatsoWieid, zoo wit als sneeuw. Toen Ailron deze melaatscliheid zag, zeido hij tot Mozes: Ik bid u, mijn heer, wil ons deze zonde niet toerekenen, die wij in onzen dwazen hoogmoed bedrevèn hebben.... Zie, de helft van haar vleesch is reeds van da melaatscliheid opgegeten. Mozes riep dan tot God: o Heer, genees haar toch ! God antwoordde: indien haar vader haar in het aangezigt gespuwd had (om eeni/je misdaad), zonde zij; dan niet ten minste zeven dagen lang met schaamte vervuld\' worden ? dat zij dan zeven dagen uit het leger vertrekken, daarna zal men haar wederroepen. Maria werd dan zeven dagen lang uit het leger gesloten, en het volk verroerde zich niet van de plaats, voor dat men haar wederriep. Na dit gemor vólgde weldra een ander.

Toen de Israëlieten »u de grenzen van het beloofde land naderden, zeide God tot Mozes: Zend mannen om het land van Chanaan te bespieden; neem daartoe uit iederen stam eenen persoon. Mozes deed zulks, en zeide tot hen: trekt op naar het zuiden, en wanneer gij op het gebergte gekomen zijt, beziet dan het land hoedanig het is, en het volk, dat er in woont, of het sterk is; of zwak ; of het talrijk is of niet; of het land vruchtbaar is of niet; en welke steden er zijn bemuurd of zonder muren; of de grond vet of onvruchtbaar is; boschrijk of zonder boomen. Weest behendig, listig, en brengt ons van de vruchten des lands mede. Het was juist de tijd als men de eerste druiven begon te eten.

Zij trokken dan op, en bespiedden het land van de woestijn Sin tot Rohob toe, langs waar men naar Emath gaat, hetwelk in het zuiden ligt. Vervolgens kwamen zij te Hebron, daar Achiman, Sinaï en Tholmaï woonden, de kinderen van Enac, die een vermaarde reus was. Van daar kwamen zij te Necheles-kol, alwaar zij eenen wijngaardrank met eenen druiventros afsneden, dien twee mannen werk hadden, om, over eenen staak hangende, te dragen. Ook bragten zij van die plaats granaatappelen en vijgen mede.

BEMERKING. Het gemor is een groot kwaad. Hetzelve komt dikwijls daaruit voort, dat men de reden geene plaats geeft: ook uit hoovaardigheid, onverduldigheid, of gering betrouwen op God. De Israëlieten hebben dikwijls de straf van dit kwaad gevoeld en zouden dezelve nog meer ondervonden, hebben, hadde Mozes voor hen niet ten beste gesproken. Allen, die tegen God of hunne oversten durven opstaan en jnorren, moeten hetzelfde vreezen.

120

-ocr page 123-

van het Oude Testament.

II. HOOFDDEEL.

De bespieders keeren Zij verhalen de ligging van het land.

Uet volk begilMte morren. Num. 13. en 14.

De bespieders na veertien dagen wedergekomen zijnde, \'kwamen, toen zij het land rondom doorreisd hadden, tot Mozes en Aaron, en tot geheel de vergadering in de woestijn Pharan, te Cades. Zij toonden hun de vruchten des lands, en zeiden: het land, waarheen gij ons gezonden hebt, vloeit waarlijk van melk en honig over : maar de inwoners zijn zeer sterk, en de steden zeer groot en wel bemuurd; wij hebben daar ook de nakomelingen van Enac gezien. Hierop viel liet volk aan het morren. Doch Caleb stilde de ontevredenheid van het volk, dat tegen Mozes opstond en zeide i laat ons optrekken, en het land tot een erfdeel bezitten, want wij zullen dit kunnen innemen. Maar de anderen, die met hem gegaan waren, zeiden integendeel ; wij kunnen tegen dat volk niet optrekken : want het is sterker dan wij (1). Zij begonnen ook ongunstig van dit land te spreken, en te zeggen; dit land, dat wij doorwandeld hebben, verslindt zijne inwoners: het volk is van eene reusachtige gestalte. Wij hebben daar\'de monsters van Enac\'s zonen, van het geslacht der reuzen, gezien, bij welke wij, in vergelijking, sprinkhanen schenen te zijn. Door deze en dergelijke oorblazerijen, deden zij vooringenomenheid tegen het beloofde land opvatten, zoo dat zelfs geheel Israël begon te weenen en den geheelen nacht door schreide. Allen morden dan weder tegen Mozes en Aaron, zeggende: och, of wij in Egypte gestorven waren! och, of wij in deze woestijn hel leven verloren, en dat God ons niet in dit land leidde, opdat wij door het zwaard niet omkomen, en onze vrouwen en kinderen gevankelijk weggevoerd worden! Ware het niet beter, dat wij naar Egypte terugkeerden ? Ook zeiden zij tot elkander: laat ons een aanleider kiezen om de terugreis naar Egypte te aanvaarden. Toen Aiiron en Mozes dit hoorden, vielen zij voor de oogen van Israël\'s kinderen plat ter aarde, op hunne aangezigten. Doch Josuë en Caleb scheurden hunne kleederen, en zeiden tot geheel de gemeente : het land, hetwelk wij doorreisd hebben, is zeer goed. Als de gunst des Heeren met ons zal zijn, zal hij ons daarin brengen, en ons dat land geven, dat van melk en honig overvloeit. Weest niet wederspannig tegen den Heer, en vreest ook het volk van dit land niet: want wij kunnen ze als een stuk brood verslinden. Alle bijstand is van hen geweken. De Heer is met ons, vreest dus niet! Maar dewijl al het volk begon te tieren, en hen wilde steenigen, vertoonde zich de glorie

1) JosuS was waarschijnlijk te dezer tijd hier niet bij.

121

-ocr page 124-

Geschiedenis

des Heeren boven den tabernakel des Verbonds voor al de Israëlieten; en God zeide tot Mozes: hoe lang zal mij dit volk niet tergen ? Hoe lang zullen zij aan mij geen geloof geven, daar ik al die wonderheden voor lien verrigt heb? Ik zal ze met de pest slaan en vernielen; doch u zal ik over een vrij grooter volk stellen.

Mozes zeide dan tot God : als de Egyptenaren, en ook de inboorlingen van dit land zullen hooren, dat Gij, o Heer, die in het midden van dit volk waart, die daar aangezigt aan aangezigt gezien werdt, die hen door uwe wolk bedektet, die hen door eene wolkkolom bij dage, en door eene vurige kolom bij nacht den weg toondet, zulk eene menigte menschen hebt gedood, alsof het maar één man ware, zullen zij zeggen : hij had de magt niet, hetgeen hij met eed beloofd had, om dat volk in dat land te brengen; daarom heeft hij hen in de woestijn gedood. Laat uwe magt verheven worden, volgens de woorden die gij gesproken hebt. God is geduldig en rijk in

goedertierenheid.....Vergeef toch deze zonde van dit

volk, volgens uwe groote barmhartigheid, gelijk gij hun, sedert dat zij uit Egypte vertrokken zijn, tot hiertoe genadig zijt geweest. God antwoordde : ik vergeef het hun, volgens uw verzoek; nogtans die menschen, die mijne heerlijkheid en wonderheden in Egypte en in de woestijn gezien, en nu tot tienmaal toe mij getergd hebben, zonder naar mijne stem te

hooren, zullen dit land niet zien.....Zeg hun regt

uit: in deze woestijn zullen uwe doode ligchamen gelegd worden; gij allen, die twintig jaren of boven de twintig zijt, en die tegen mij gemord hebt, zult in het beloofde land niet komen, behalve Caleb en Josuë. Ook zullen uwe kinderen in da woestijn, gedurende veertig jaren, rondzwerven. (1) Volgens het getal der veertig dagen, dat gij het land bespied hebt, zal men een jaar voor eiken dag rekenen. De tien bespieders, die den opstand des volks hadden gaande gemaakt, bleven plotseling dood, toen de Heer naar hen zag. I)e twee overigen der bespieders, Josuë en Caleb, bleven in het leven.

BEMERKING. Het beloofde land is een afbeeldsel van den hemel, waarvan de H. Faulus zegt: noch oog heeft het gezien, noch oor het gehoord, noch is het ooit in \'s menschen hart gedaald, hetgene God bereid heeft voor hen, die hem beminnen. Weegt ieder woord wel op. Wat kunnen de menschen met hun kart al niet denken ! Doch dit alles is zoo veel als niet, bij den hemel vergeleken. O hemel, mogten wij u eens zien, onze

1) Zij hadden zeer spoedig in het beloofde land kunnen komen, indien z j tegen God niet opgestaan hadden, want zij waren zeer nabij.

122

-ocr page 125-

van het Oude Testament.

ziel zoude uit het ligchaam gerukt worden, en tot u vliegen ! Ja, indien God honderd jaren strenge boetpleging vereischte, om u eens te mogen zien, dit zoude wel beloond zijn. O hoe verre is dit alles buiten ons begrip! Doch om daar te geraken, moet men de vijanden overwinnen, die dit willen beletten: namelijk den duivel met zijne arglistigheid, de wereld met haar bedrog en ijdelheden, het vleesch met zijne kwade lusten. Jin dit moet veel strijdens kosten. De Apostel roept; niemand zal bekroond worden, tenzij hij wettiylijk zal gestreden hellen. De hemel wordt vergeleken bij een koningrijk ; er moet geweld gedaan worden om het in te nemen. Geweld van versterving, van boetdoening, van bidden, van lijden en van aalmoezen, enz. Dit valt hard aan de bedorvene natuur; maar wij kunnen alles ligtelijk overwinnen, indien wij op God betrouwen en met Caleb en Josuë zeggen : de Heer is met ons, en met den Apostel : ik vermag alles in dengenen die mij versterkt.

III. HOOFDDEEL.

Straf van een man, die op den Sabbathdag hout sprokkelde. Num. 15.

Het gebeurde nu, terwijl de kinderen van Israël in de woestijn waren, dat zij zekeren man aantroffen, die op den Sabbathdag hout sprokkelde. Zij bragten hem tot Mozes en Aaron, en tot al het volk (of de opperhoofden.) Deze stelden hem in bewaring, niet wetende wat zij met hem moesten aanvangen. Maar God zeide tot Mozes : dat men hem met den dood straffe, en dat al het volk hem buiten het leger steenige. Zij geleidden hem dan buiten de tenten en wierpen hem met steeuen dood, zoo als de Heer geboden had. God zeide verder tot Mozes; zeg aan Israels kinderen , dat zij aan het einde hunner mantels franjen maken, en boven de franjen een hemelsblaauw lint leggen, opdat zij op dit gezigt Gods gsboden indachtig worden, en, door zich die te herinneren, dezelve mogen onderhouden, en aan hunnen God toegewijd zijn; want ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte heb geleid, opdat ik uw God zoude zijn.

BEMERKING. God wilde, zoo als blijkt uit de straf van de/.en man, dat de Sabbathdag zeer streng onderhouden werd, en do minste overtreding werd geducht gestraft. In plaats van den Sabbathdag, vieren de Christenen nu den Zondag. Maar, helaas ! op welke onbetamelijke wijs! Velen ont-

! houden zich wel van slaafsche werken; maar het is om nog iets veel slaafscher te bedrijven. Al hunne godsdienstigheid bestaat in eene enkele Mis te hooren; en God weet, met welke geringe godsvrucht, met hoeveel verstrooidheid, en ia houden zich wel van slaafsche werken; maar het is om nog iets veel slaafscher te bedrijven. Al hunne godsdienstigheid bestaat in eene enkele Mis te hooren; en God weet, met welke geringe godsvrucht, met hoeveel verstrooidheid, en ia

123

-ocr page 126-

Geschiedenis

wat zondigen stnat. Verder zien zij naar de kerk niet meer om, en denken naauivelijks meer op God. Zij brengen hunnen tijd over met spelen, wandelen, in de herberg, bij personen van het andere geslacht, in één woord, met hunns zinnelijkheden te voldoen, en vele zonden te bedrijven, en dienen aldus eer den duivel dan God. Doch indien de regtvaardige Heer aldus eenen armen man, die hout sprokkelde gestraft heeft, welke vervaarlijke straffen hebben dusdanigen dan niet to wachten!

IV. HOOFDDEEL.

Core, Datlian en Abiron zinken levend in de aards, 250 mannen worden door het vuur verslonden, en nog 14700 andere menschen komen om. De roede van Aaron breng-t bloemen voort. Num.

16. en 17. — Het jaar der wereld 2514, voor Christus 1490.

Core, Dathan en Abiron, jaloersch over liet gezag van Mozes en Aaron, stonden tegen hen op met 250 mannen van Israël, die oversten der gemeenten waren. Deze begaven zich bij Mozes en Aaron, en zeiden liun; het is thans genoeg met a (dat is, gij zijt lang genoey meester geweest); want de geheele vergadering bestaat uit aan God toegeheiligde menschen, en de Heer is iu liet midden van hen. Waarom verheft gij u boven het volk des Heeren? Mozes, dit hoorende, wierp zich ter aarde.\' Daarna zeide hij tot Gore en tot al zijnen aanhang: morgen vroeg zal God te kennen geven, wie deze zijn; zijne hem toegeheiligden zal hij tot zijnen dienst gebruiken, en zijne uilverkoornen zullen tot hem naderen. Hij deed dan Dathan en Abiron bij zich roepen; maar zij wilden niet komen. Is het niet genoeg, zeiden zij, dat gij ons uit een land hebt geleid, dat van melk en honig overvloeide, om ons in do woestijn te doen sterven; moet gij nog over ons den meester spelen ? (en zij voegden spotsgewijs er hij;) Ja, waarlijk, het land, werwaarts gij ons gebragt hebt, vloeit van melk en honig over. (Jij hebt ons nu ook schoone akkers en wijnbergen tot een bezit gegeven; wilt gij ons nog de oogen uitsteken? Wij komen dus tot u niet. Nu werd Mozes vertoornd en zeide tot God: zie hunne offeranden niet aan. Verder sprak hij tot Gore: gij, met geheel uwen aanhang, stelt u morgen met uwe 350 wierookvaten aan de eene zijde voor Gods aangezigt, en Aaron zal aan de andere met zijn wierookvat staan. Toen zij dat \'s anderendaags aldus deden, en zij mei Mozes en Aaron aan den ingang van den tabernakel stonden, hebbende aldaar geheel hunne bende verzameld, verscheen hun de heerlijkheid des Heeren. En God sprak tot Mozes en Aaron aldus: wijkt van die vergadering af, en ik zal

121

-ocr page 127-

van het Oude Testament.

Ize terstond, vernielen. Maar Mozes en Aaron vielen op hun aangezigt neder en zeiden : o almogende God! o God aller levenden! zult gij, om de zonde van éénen, uwen toorn over g al het volk uitstorten ? God gaf dan dit bevel aan Mozes: | gebiedt aan al het volk, dat het zich van de tenten van Core, | Dathan en Abiron afscheide.ze terstond, vernielen. Maar Mozes en Aaron vielen op hun aangezigt neder en zeiden : o almogende God! o God aller levenden! zult gij, om de zonde van éénen, uwen toorn over g al het volk uitstorten ? God gaf dan dit bevel aan Mozes: | gebiedt aan al het volk, dat het zich van de tenten van Core, | Dathan en Abiron afscheide. Toen Mozes dit gedaan en hun vooraf voorzegd had, dat zij met eenen ongemeenen dood zonden, gestraft zcorden, tot een teelten dat God hem waarlijk gezonden had, scheurde de aarde, toen hij ophield met spreken, onder hunne voeten, en verslond hen met hunne tenten, en met al wat hun toebehoorde, en zij verzonken levend in de aarde. Al de Israëlieten, die er rondom stonden, namen de vlugc op i hun geschreeuw en riepen: misschien mogt de aarde ons ook mede verzwelgen 1 Bovendien liet God een vuur nederdalen, hetwelk de 250 mannen, die reukwerk opdroegen, verslond. God zeide nu tot Mozes: gebied aan den priester Eleazar, dat hij de wierookvaten uit den brand opneme, mits die geheiligd zijn, en het vuur heen en weêr verstrooije; maar dat hij de wierookvaten in platen doet uitslaan, en aan het altaar vastmaken, opdat die aan de kinderen Israël\'s tot een eeuwig gedenkteeken dienen.

Des anderendaags morde al het volk van Israël op nieuw tegen Mozes en Aaron en zeide hun: gij hebt het volk des Heeren om hals gebragt. Dewijl nu het oproer aanving en de toeloop aangroeide, namen Mozes en Aaron hunne toevlugt tot den tabernakel des Verbonds. Toen zij daar binnen getre-j . den waren, werd het met de wolk overlommerd, en de heerlijkheid Gods vertoonde zich. En de Heer zeide tot Mozes: vertrek uit het midden van dit volk, opdat ik het straks verniele. Terwijl zij plat ter aarde lagen, zeide Mozes tot Aaron: neem het wierookvat, doe er vuur in van het altaar, i en leg er reukwerk op; begeef u ook terstond tot het volk om voor hen te bidden; want er is een groote toorn van God uitgegaan, en de straf neemt vinnig toe. Aaron deed het zoo, en liep in het midden van het volk, hetwelk door den brand vernield werd, en hij offerde reukwerk op. Nadat hij zich dan tusschen de dooden en de levenden gesteld had, bad hij om i verzoening voor het volk, en de plaag hield plotseling op. , Het getal dergenen, die door deze straf waren omgekomen, | was 14 duizend . en zeven honderd man, behalve die in het | oproer van Gore het leven hadden verloren. Nadat de brand j gestild was, keerden Aaron en Mozes weder naar den ingang I van den tabernakel.

God (willende het prieterdom van Jciron nog\' meer beves-■■ 1 tyen) zeide tet Mozes; neem van elk opperhoofd der hoofd\' stemmen eene roede, dat is twaalf roeden, en schrijf den naam

125

-ocr page 128-

\'126 Geschiedenis

van ieder opperhoofd op zijne roede. Aaron\'s naam zult gij zetten op de roede van Levi; want voor elk hoofd der stammen zal er eene roede zijn. Deze roeden zult gij in den tabernakel voor de ark des Verbonds leggen; daar zal ik u aanspreken. Wiens roede uitbotten en bloeijen zal, deze is de man, dien ik tot het priesterschap verkoren heb. Aldus zal ik van mij het gemor van Israël\'s kinderen tegen u, afweren. Mozes gaf dit den kinderen van Israël te kennen, en ieder overste gaf hem eene roede voor elk geslacht, zoo dat er twaalf roeden waren, behalve die van Aaron. Mozes legde deze roeden voor het aangezigt des Heeren in den tabernakel der getuigenis. Als nu Mozes \'s anderendaags weder in den tabernakel kwam, vond hij de roede van Aaron die voor den stam van Levi was, met bloeisel, botten en amandels versierd: en hij toonde al de roeden aan het volk. Dan zeide God tot Mozes: draag de roede van Aaron weder naar den tabernakel der getuigenis, opdat zij daar bewaard worde, tot een gedenk-teeken voor de wederspannige Israëlieten, en opdat zij voortaan ophouden van tegen mij te morren, en aldus den dood mogen ontgaan. Mozes deed hetgene God hem geboden had.

BEMERKING. Dit voorbeeld heeft altijd, met regt, alle godvreezende mannen wederhouden van zich zeiven ooit in de geestelijke bedieningen in te dringen, tot welke men, zoo als de Apostel zegt, van God moet geroepen zijn, gelijk Aaron. De H. Augustinus zuchtte, weende en deed vele klagten, als men hem, tegen zijnen dank, priester wijdde, bekennende zich zeiven onwaardig, zulk eenen heiligen en verhevenen staat te bekleeden. Hoe weinigen worden er nu gevonden, die dit voorbeeld navolgen ! Weinigen worden er nu geroepen, zoo als Aaron, en gepraamd even als Augustinus, en meer andere heilige mannen; vele loopen er van zelfs naar toe, en dringen zich er in. God geve, dat zij met die eerzuchtige Israëlieten niet gestraft worden !....

V. HOOFDDEEL.

Maria sterft. Er springt water uit de steenrots. Aaron sterft.

Vurige slangen. De koperen slang. Num. 20 en 21.

Toen de Israëlieten, na vele omwegen, die God hen Meldeed doen om hunne wederspannigheid te straffen, in de woestijn Zin gekomen waren, stierf Maria, de zuster van Mozes aldaar, in den ouderdom van 130 jaren. Het volk begon wederom op deze plaats, bij gebrek aan water, te morren. Mozes wierp zich, naar gewoonte, plat ter aarde

-ocr page 129-

van het Oude Testament.

voor den tabernakel, om God voor hen te bidden, om er water uit te doen ontspringen. Mozes nam dan zijne roede, en zuide, terwijl hij met zijnen broeder Aaron voor het volk stond: hoort toe, gij wederspannigen en ongeloovigen, zullen wij voor u water uit dezen steenrots kunnen doen komen? Hij sloeg dan met zijne roede tweemaal op de steenen, en er ontsprong in overvloed water uit. Doch God nam deze hapering van Mozes zoo euvel op, dat hij om die reden niet wilde, dat hij, noch zijnen broeder Aaron, het volk in het beloofde land zoude brengen, maar het enkelijk van verre zoude zien, zonder er den voet in te stellen. De Israëlieten meenden verder door te trekken door het land der Edomiten; maar de koning van dit volk dwong hen terug te keereu. Derhalve kwamen zij omtrent den berg Hor of Horeb. God gaf aldaar aan Mozes het gebod, dat hij zijnen broeder Aiiron op het hoogste van den berg zoude terug leiden, en hem zijne priesterlijke kleederen uittrekken, om zijnen zoon Eleazarus daarmede te omgeven, tot straf van zijn mistrouwen bij de Waters-van-tegenspraak. Aaron stierf aldaar in den ouderdom van 123 jaren, hét veertigste jaar na den uittogt uit Egypte, en werd van al het volk dertig jaren lang beweend.

Middelerwijl vernam Arad, koning der Ghananeërs, dat de Israëlieten langs den weg kwamen, dien de bespieders te voren hadden bewandeld ; hij trok dus tegen hen ten strijde, behaalde de zegepraal, en nam er eenigen gevangen. Alsdan deden de Israëlieten deze belofte aan God: indien gij dit volk in onze handen levert, zullen wij hunne steden vernielen. God aanhoorde hun gebed, en leverde de Ghananeërs in hunne handen, en zij vernielden hen met hunne steden. Terwijl nu de Israëlieten gedurig van de eene plaaU naar de andere voortreisden, hegon hun de weg te verdrieten. Zij stonden dan tegen God en Mozes op, en zeiden : waarom hebt gij ons uit Egypte geleid, om in deze woestijn te sterven ? Er is geen brood, geen water, en ons hart walgt nu over die ligte spijs. Om deze reden zond God vurige slangen onder het volk, die hun steken toehrachten, waardoor zij zoodanigen inwendigen hrand en lievige pijn gevoelden, dat zij er van stierven. Zij kwamen dan bij Mozes, en zeiden : wij hebben gezondigd, omdat wij tegen God en u zijn opgestaan. Bid toch, dat hij van ons de slangen wegneme. Mozes deed zulks, en de Heer zeide hem: maak eene koperen slang, en stel ze op eenen staak. Al wie gebeten is, en die slang aanziet, zal het leven behouden. Mozes deed eene koperen slang vervaardigen, en stelde die op eenen staak; en al wie gebeten was en die slang aanzag, werd genezen.

-ocr page 130-

Geschiedenis

BEMERKING. De slang was het afbeeldsel van Christus, verheven aan het kruis, die zich zeiven in het heilige Evangelie bij deze slang- vergelijkt; doch eene koperen slang zonder venijn, omdat hij ons vleesch aannemende, het venijn van de zonde niet heeft aangenomen. Christus dan aan te zien door een levend geloof, en ons met hem te vereenigen in al onze werken, is de weg van het eeuwige leven. Uit zijne heilige wonden ontvangen wij al de zaligmakende genaden, heilige bewegingen en goede inspraken, die wij genieten. Hoe vele boetvaardige zielen hebben menigwerf hunne oogen naar den gekruisten Jezus geslagen, hem omhelsd, tegen hun hart gedrukt, en zijne heilige wonden gekust! Hoe velen zijn er hierdoor meer en meer in de liefde ontstoken en in de hoop versterkt, die zich zeiven verstorven en aan hem gelijkvormig gemaakt hebben I

VI. HOOFDDEEL.

Balac, koning der Moabieten, verzoekt Balaaiïij dat hij de Israëlieten zonde vervloeken. De ezelin van Balaam spreekt. Num. 21. 22.

Het jaar der wereld 2553., voor Christus 1451.

Toen de Israëlieten aan de grenzen van het land Moilb gekomen waren, deden zij aan Sehon, koning der Ammorheërs, zeggen: wij bidden u, laat ons door uw land trekken, wij zullen ter zijde door uwe akkers en wijnbergen niet afwijken, noch uit uwe waterputten drinken, tot dat wij uit uw land zullen zijn. Sehon wilde dit volstrekt niet toestaan, maar vergaderde integendeel zijn volk, ging hen te gemoet in de woestijn, en leverde slag aan Israël. Doch hij werd van hen verslagen, en zij namen zijn land in. Daarna zond Mozes krijgslieden, om de stad Jazar te bespieden, die hare plaatsen innamen, en de inwoners wegdreven. Van daar trokken zij naar Basan; maar Og, koning van Basan, trok met al zijn volk tegen hen op, om hen te bevechten. Doch God zeide tot Mozes: vrees niet, ik heb hen in uwe handen geleverd, gij zult met hem doen, zooals gij met Sehon, koning der Ammorheërs, gehandeld hebt. Zij versloegen hem gansch, en namen zijn land in bezit. Van daar voort-reizende, legerden zij in de velden van Moab. Toen Balac, koning van Moab, gezien had al wat de Israëlieten tegen de Ammorheërs hadden gedaan, zond hij boden tot Balaam, om hem te roepen en te zeggen: zie, er is een volk uit Egypte gekomen, hetwelk door zijn getal de aarde overdekt, en hier regt over mij blijft legeren. Ik bid u dan, dat gij dit volk wilt komen vervloeken; opdat ik het moge verslaan, en het op de eene of andere wijs uit mijn land drijve. De oversten der Moabieten en die der Madianieten trokken dan tegen hen op,

128

-ocr page 131-

vnn Jwt, Oude Testament. 120

en toen zij bij Balaam gekomen waren, verhaalden zij liem vat Balac verzoclit. Maar God zeide nog in dien nacht tot Balaam: ga met hen niet, en wacht u wel dit volk te vervloeken, want het is door mij gezegend. Balaam stond dan \'s morgens vroeg op, en zeide tot de vorsten van Balac: keert naar uw land weder, want (:Jod heeft mij verboden met u te gaan. De vorsten, wedergekeerd zijnde, zeiden tot Balac: Balaam heeft geweigerd met ons te komen. Deze echter zond een talrijker en aanzienlijker gezantschap tot Balaam, dat hem zeide: dit laat u Balac weten: vertraag toch niet tot mij te komen, want ik zal u in groote eere stellen, en \\i geven al wat gij wilt: kom slechts om dit volk te vervloeken. Balaam antwoordde; al gaf de koning mij zijn huis vol zilver en goud, zoo kan ik tegen het bevel van den Heer mijnen (iod niets doen, hetzij klein of groot. Maar blijf hier dezen nacht, opdat ik weten mog\'e wat God ditmaal mij zeggen zal. God kwam \'s nachts tot Balaam, en zeide tot hem: dewijl er menschen gekomen zijn om u te halen, sta op, en ga met hen; zoo nogtans, dat gij doen zult wat ik u bevelen zal. Balaam stond vroeg op, en zijne ezelin gezadeld hebbende, trok hij met Balac\'s gezanten af. Gods toorn ontvlamde nu echter tegen hem, omdat hij uit loutere geldzucht mede ging, en de Engel des Heeren stelde zich in den weg tegen Balaam, die op zijne ezelin gezeten was, en twee jongen bij zich had. Als nu de ezelin den Engel des Heeren in den weg zag staan met een vlammend zwaard in de hand, weak zij van den weg af, en trok veldwaarts in. Balaam sloeg ze, om haar wederom op den weg te krijgen. Maar Gods Engel stelde zich op een pad, dat van weerzijde bemuurd was. De ezelin, hem daar weder ziende, drong zich sterk tegen de muren, en wreef Balaams voet tegen dezelve. Deze sloeg er dan weder op; maar Gods Engel verplaatste zich tot eeue naauwere engte, en stelde zich voor haar, zoo dat zij noch ter regter-, noch ter linkerhand wijken konde. De ezelin aldus den Engel ziende staan, viel onder Balaam- ter aarde, die, nu nog heviger gestoord, al vinniger haar begon te slaan. Nu ontsloot God den muil der ezelin, en zij vroeg aan Balaam: wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt? Deze antwoordde: omdat gij het verdient, en mij tot spot stelt. Had ik slechts een zwaard, om u te dooden! De ezelin zeide hierop: ben ik niet uw dier, daar gij tot nog toe altijd op mij gereden hebt? Heb ik ooit iets dergelijks bedreven? Neen, nimmer, zeide Balaam. Plotseling deed God de oogen van Balaam open, zoo dat hij den Engel des Heeren in den weg zag staan met een dreigend zwaard, voor wien hij zich dan ook ter aarde vernederde. De Engel vroeg hem: waarom hebt gij uwe ezelin aldus tot driemaal

9

-ocr page 132-

GcscMedcnh

toe geslagen? Ik ben gekomen om u te wederstaan, dewijl uw doel verkeerd is, en tegen mij aanloopt. Indien de ezelin van den weg niet ware afgeweken om voor mij plaats te maken, had ik u zeker het leven benomen, en het hare behouden. Balaam riep uit; ik heb gezondigd, daar ik niet wist, dat gij mij wildet weerstreven. Nu dan, indien het u niet belieft dat ik ga, zal ik dadelijk wederkeeren. De Engel gaf Balaam ten antwoord: ga met die mannen; maar dit alleen, hetwelk ik u gebieden zal, zult gij spreken. Aldus vervolgde Balaam met de afgezanten van Balac de reis.

BEMERKING. Het vurige verlangen deed Balaam voor de tweedemaal God te rade gaan, en was oorzaak, dat hem tot zijn verderf gezegd werd; ga. Aldus doet de aanbieding van vereeringen, van giften en gaven zeer veel kwaad: de kuisoh-heid der maagden wordt er door geschonden, het regt verkeerd, de waarheid verraden, de trouw gebroken, het geloof verlaten, de goddelijke en menschelijke wetten onder den voet getreden, in één woord, allerlei kwaad bedreven; want de H. Geest zegt: met geld is alles te bekomen. (Eccl. 19.) Wij moeten derhalve die gevloekte begeerlijkheid in ons zeiven door de goddelijke genade trachten te overwinnen, en daartoe rijpelijk bij ons zeiven overdenken hetgene Christus zegt; JFat zal het den mensch laten, dat hij de geheele wereld wint, indien hij zijne ziel verliest? Matth. 16. 29.

VIL HOOFDDEEL.

Balac trekt Balaam te gcmoet. Booze raad van Balaam. Nam. 23. 24.

Toen Balac vernomen had, dat Balaam naderde, trok hij hem te gemoet en zeide; waarom zijt gij niet dadelijk tot mij gekomen? meent gij dat ik uwe komst niet treffelijk kan beloonen? Deze antwoordde; zie, hier ben ik; maar meent gij, dat ik toch iets anders zal kunnen spreken dan hetgene God mij zal ingeven? Vervolgens reisden zij te zamen voort, en Balac bragt Balaam op de hoogte van Baal, van waar hij de legerplaats van Israël konde zien. En nadat Balaam zeveti altaren had doen oprigten, en op ieder eenen jongen os en eenen ram doen opofferen, en dat Balac gedaan had hetgeen Balaam hem beval, en God had te rade gegaan, die aan Balaam de woorden, welke hij moest spreken, ingaf, sprak hij aldus overluid: hoe kan ik, iemand vervloeken, dien God niet vervloekt, of iemand kwaad wenschen, aan wie God goed wenscht?.... Wie zal de groote menigte van Jacob\'s kinderen kunnen tellen? Och, mogte ik met deze regtvaar-

130

-ocr page 133-

1—

I

van het Oude Testament. 131

w \' digen sterven, en kon mijn einde aan het hunne evenaren ! m i,\' Hierop zeide Balac verbaasd en woedend: wat doet gij? Ik n, I heb u geroepen om mijne vijanden te vervloeken, en gij zegent

n. | hen!____ liaiaam gat\' tot antwoord; kan ik anders spreken,

;ij | dan üod mij in ilen mond heeft gelegd ? Balac zeide hierop; it | kom toch op eone andere plaats, van waar gij maar een m . deel (1) van Israël ziet, en vervloekt ze daar. Als hij hem u | dus op een bergtop had, rigtte Balaam daar zeven altaren op, 3t en offerde eenen jongen os, en eenen rara op ieder altaar. Hij ging üod als te voren, te rade, en bleef het volk nog zegenen. Hierop zeide Balac; wilt gij dit volk niet vervloeken, zoo e onthoud u van het te zegenen. Balaam sprak; heb ik u van it te voren niet gezegd, dat ik zoude doen, hetgeen God mij a g zoude gebieden? Kom, hervatte Balac, ik zal u op eone ; ■ andere plaats brengen, of het misschien God behaagde, dat l, | gij ze van daar zoudt vervloeken. Doch na op nieuw altaren , I\' opgerigt en offeranden opgedragen te hebben, bleef hij Israël , nog voortdurend zegenen, eu hun de zegepraal voorspellen. : 1 Balac ontstak dan in toom tegen Balaam, eu zeide; trek henen; \'i ■ ik was voornemens u aanzienlijke geschenken te doen, maar 5 i God heeft u daarvan beroofd. Balaam zeide: heb ik u niet 3 ,i gezegd: al gaf Balac mij zijn huis vol zilver en goud, zoo s kan ik echter tegen het bevel van den Heer mijnen God niet

? ij doen?... Niettemin, eer ik naar mijn volk terugkeer, zal ik u raad geven, wat uwe natie aan dit volk in het toekomende moet doen.

I , Luide riep hij daarna weder: er zal eene ster (2) uit Jacob voortkomen; er zal eene spruit uit Israël uitschieten, die den veldoverste van MoSb zal verslaan. Balaam stond vervolgens op en keerde wederom naar zijn huis gevende eerst Balac den vervloekemwaardiffeti raad, dat hij van de schoonste Moahitische dochters naar het leger der Israëlieten zoude zenden, om hen hiei-door tot onkuischheid en daarna tot afgoderij te brengen, m hen door dien Keg van Gods lescherming te berooven.

Volgens Bdaünis raad, begonnen de Israëlieten, te Setim, met de dochters der Moabiters ontucht te bedrijven, die hen tot hare offeranden noodigden. Zij gingen dan met haar eten en hare afgoden aanbidden. Gods toorn werd tegen hen ontstoken, en hij zeide tot Mozes: vergader al de oversten des volks, en dat zij die ontuchtigen bij klare dagen ophangen opdat mijn toorn zich van Israël afwende. En ziet, een Israëliet bragt eene Madianitische vrouw tot zijne broeders, ter-

1) Daar hij maende, dat Ba\'.aam welligt verschrikt zoude zijn, zoo groots schare te vervloeken.

2) Dit doelt op David, en nog meer op Christus, van wien Daiid een afbeeldsel was.

[

-ocr page 134-

Geach leden is

wijl het Mozes en al do Israëlieten zagen, die voor den tabernakel stonden en weenden. Kiet zoodra had l\'hineës dit gezien, of hij sprong op uit het midden der vergadering, met eene spies in de hand, snelde naar de schuldigen, en doorstak de beide zondigende personen. Aldus hield de plaag op onder de kinderen van Israël; want er waren reeds omtrent 24,000 man van dezelve gestorven. Daarom zeide God tot Mozes: l\'hineës heeft mijne gramschap van Israël\'s kinderen afgewend... Zag hem derhalve, dat hij en zijne nakomelingen het priesterschap eeuwig met vrede zullen bezitten, omdat hij voor zijnen God ijver getoond, en de zonde der kinderen van Israël geboet heeft.

BEMERKING. De goddolooze Balaam wensohte den dood der rechtvaardigen te sterven. Velen van zijne soort wenschen het alle dagen met hem, maar te vergeefs; want om te sterven gelijk de regtvaardigen, moet men eerst leven gelijk de regt-vaardigen. AVij moeten eerst zorgvuldig de goddelijke geboden onderhonden, de ijdelheid der wereld, hare rijkdommen eu geneigdheden versmaden; wij moeten geweld doen aan al da kwade geneigdheden der bedorvene natuur, boetvaardigheid plegen, ons zeiven verloochenen en Christus navolgen. Hoe weinigen zijn er die hierop letten, en noch veel minder die het oprecht volbrengen! Doch allen die dit verzuimen, wenschen te vergeefs den dood der regtvaardigen: want zij zullen dien nooit verkrijgen, tenüij dat zij van leven veranderen.

XII. HOOFDDEEL.

De Madi,[nieten worden door de Israëlieten overwonnen. Da buit wordt gedeeld. Sum. 31. 32,

Wanneer het einde van Mozes nu nabij was, zoide God hem: neem eerst wraak over de Maclianieten, cn dan zult gij met uw volk vereenigd worden. Mozes zeide dan terstond tot de schare; maak onder u mannen bereid tot den strijd, om wraak, van wege den Heer, over Madian te nemen. /ïij gaven dan duizend mannen uit eiken stam, dat is twaalf duizend ervarene en weerbare mannen. Mozes zond met deze Phineës. Ook gaf hij hem de geheiligde werktuigen, namelijk bazuinen enz. Als zij nu tegen de Madianieten gestreden en hen overwonnen hadden, doodden zij alles wat mannelijk was, alsmede hunne vijf madianitische koningen. Ook Balaam werd door het zwaard gedood. De vrouwen en kinderen namen zij gevangen. Al hun vee, huisraad en al hetgeen zij konden krijgen, werd ten buit gemaakt. Voorts staken zij al hunne

132

-ocr page 135-

van het Oude Testament.

steden, dorpen en burgten in brand. Zij bragten hnnnen roof voor Mozes, voor den boogepriester Ëleazar en de oversten van Israël. Mozes, Eleazar en de oudsten des volks gingen hen dan buiten de legerplaats te gemoet. Doch Mozes werd vergramd tegen de veldoversten en zeide: waarom hebt gij de vrouwen in het leven gelaten ? Zijn zij het niet, die, door het verfoeijelijk ingeven van Balaam, de Israëlieten verleid, en hun de wet des Heeren kebben doen overtreden? Slaat dan dood al hetgene mannelijk is, zelfs de kinderen; doodt al de vrouwen, die met mannen ontucht hebben bedreven; maar spaart de jonge meisjes en de maagden. Eleazar zeide vervolgens; dit is de wet door God aan Mozes gegeven: goud, zilver, ijzer, lood en tin zal door het vuur gezuiverd worden, en al wat geen vuur kau verdragen, zal men wasschen (eer men het deelt.)

God zeide alsnog tot Mozes: neem het getal op van al de gevangenen, zoo menschen als dieren, en verdeel den roof in twee halve deelen tusschen degenen die in den strijd geweest zijn, en tussehen het overige van het volk. De buit bestond in 67,500 schapen, 72,000 ossen, 61,000 ezels, en 33,000 maagden.

Daar de nakomelingen van lluben en Gad het land van Jazer en Galaad (welks inwoners God voor de Israëlieten verslagen had) zeer geschikt voor hun vee vonden, kwamen zij bij Mozes, en zeiden: wij bidden, laat ons die landerijen tot een erfdeel, zonder dat gij ons over den Jordaan doet trekken. Doch Mozes zeide: waarom ontstelt gij de gemoederen der Israëlieten, die, dit hoorende, niet naar dit land zullen durven vertrekken? Zij zeiden: wij zullen wel schaapskooijen en stallen voor ons vee, en berauurde steden voor onze kinderen maken; maar wij zullen ons wapenen om ten oorlog te gaan voor Israël\'s kinderen, en tot onze huizen niet wederkeeren, tenzij dat zij in het vaste bezit van hun erfdeel gesteld zijn. Mozes gaf dan aan die van Gad en Euben, en aan den halven stam van Manasses, het rijk van den koning Sehon, en van Og, koning van Basan, met derzei ver landerijen en steden.

BEMERKING. Door deze nakomelingen van lluben en Gad, Worden ons al degenen afgebeeld, die, daar zij op hun gemak en gevoegelijk kunnen leven, hier wel altijd zouden willen blijven en nooit sterven, waardoor zij hunne geringe liefde tot God en hun flaauw geloof aan de toekomende goederen zonneklaar te kennen geven. Verre zij van ons zoo eene begeerte; want wat is toch al het ondennaansche, bij den hemel vergeleken, dan stof en nietigheid? Wij hebben hier geene blijvende stad, wij moeten eene andere betrachten; wij zijn hier in een dal van tranen, balling- en vreemdelingschap, eu al onze verlangens moeten zijn om ontbonden te worden en met Christus te leven.

133

-ocr page 136-

GeteJiiedenis

EET BOEI DEÜTERONÖMIÜM.

Cf de tweede Wet, aldus genoemd, omdat het eene herhaling is van de wet, die dm IsraHiefen op den berg Sinaï gegeven was. Degenen, die de eerste afkondiging van de wet gehoord hadden, waren,, om hunne gedurige wederspamiigheden, in den tijd van veertig jaren, m de woestijn, gestorven, lief was nu als een nieuw volk, en daarom werd de wet, wanneer zij nu bereid waren om het beloofde land binnen te gaan, hun verkondigd. Deze tweede verkondiging is geschied onmiddelijïc voor den dood van Mozes in het 3553e jaar der wereld, 1451 jaren voor de komst van Christus. Dit boek is door Mozes geschreven, en behelst in 34 Hoofddeelen, hetgene er is voorgevallen op den tijd van anderhalve maand, in het veertigste jaar na den uittogt van de kinderen Israels uit Egypte. Alle vijf de hoeken van Mozes te zamen, die mm Jen Pentateuchus noemt, behelzen eene geschiedenis van 2558 jaren.

I. HOOFDDEEL.

Beknopt begrip van de zes eerste Hoofddeelen van dit boek.

In liet 1° Hoofddeel verhaalt Mozes, hetgeen den Israëlieten in de woestijn is wedervaren, tot de wederkomst van de twaalf bespieders. In het 11quot; wordt verboden c)en oorlog aan de afkomelingen van Esau en van Loth aan te doen. In het 11 Ic wordt de nederlaag van Og, koning van Hasan, verhaald, en hoe God Mozes weigert, Israël in het land van belofte te brengen, hetwelk hij aan Josuë beveelt. In het IVe vertoont Mozes den Israëlieten de weldaden, die Ood liun bewezen had, ora hun zijne wetten te doen onderhouden. Hij voorzegt hunne ongetrouwheid, hunne straffen, en de behoudenis van een klein getal. In het Vquot; verhaalt Mozes aan het volk de geboden van God, en wekt hen op, om die te onderhouden. In het VIC gebiedt hij bijzonderlijk God te beminnen, zeggende: gij zult den Heer uwen God uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten beminnen. Deze woorden, die ik heden gebied, zult gij in uw hart geprent houden. Gij zult die uwen kinderen vertellen. Gij zult ze overdenken, als gij in uw huis nederzit, als gij op den weg zijt, als gij slapen gaat, en als gij ontwaakt. Gij zult ze in uwe hand als een ge-denkteeken binden, en ze aan uw voorhoofd tusschen uwe oogen. spannen; gij zult ze schrijven op den dorpel van uw huis, en

134

-ocr page 137-

van liet Oude Testament.

op de stijlen uwer deur; ziet toe, als de Heer u in het land zal gebragt hebben, dat gij hem niet vergeet.

BEMERKING. Wat kan er krachtiger en uitdrukkelijker gezegd worden wegens de liefde, die wij God schuldig zijn? Als Christus deze woorden in het heilig Evangelie herhaalt, voegt hij er bij: dit is het eerste en grootste gebod. Welk eene eer, en wat geluk voor den mensch, dat God wil, ja zelfs gebiedt, dat hij hem zoude beminnen! Zijn eenigste goed, al zijne verhevenheid, zijne edelheid, zijne schoonheid en zijn rijkdom, is daarin gelegen; want door deze liefde nadert hij tot God, en wordt hem eenigzins gelijk. Doch God beminnen uit geheel ons hart, is tot hem gaan, ons met hem vereenigen, en hem aanhangen door al de bewegingen van ons hart, zonder eenige genegenheid te laten vallen op eenig schepsel bulten hem. Wij beminnen God uit geheel onze ziel, als wij in het gebruik van al hare krachten hem voor oogwit hebben, en geheel den uit- en inwendigen mensch besteden om hem te behagen. Wij beminnen God uit geheel ons verstand, als wij gedurig denkeu aan of bekommerd zijn met God, met zijne volmaaktheid, met zijne waarheden, met zijne wet en zijnen heiligen wil. Hiernaar gedurig streven, is de volmaaktheid van dit leven. In dit zonder gebrekkelijkheid te volbrengen, zal de volmaaktheid van het andere leven bestaan. Heer! stort toch dezen onwaardeerbaren schat van uwe heilige liefde in onze harten. Geef ons, dat wij gestadig tegen de eigenliefde ea de begeerlijkheid strijden, om die gedurig te verminderen en uit te roeijen, om plaats te maken aan uwe heilige en zuivere liefde, tot dat wij, in U gansch verscholen zijnde, U zonder eenige verdeeling van ons hart in het koningrijk der liefde mogen genieten, daar, gelijk de H. Augustinus zegt, de liefde de koning is, de waarheid, de wet en de maat, de eindelooze eeuwigheid. Ubi Bex charitas, Lex Veritas et Modus miernitas.

II. HOOFDDEEL.

Vervolg der aanspraak van Mo2es. Deut. 7. 9. enz.

Wanneer de Heer, uw God, u in het land, hetwelk gij gaat bezitten, zal gebragt hebben, zult gij al deszelfs oude inwoners vernielen, zonder met hen eenig verdrag te maken of iemand onder hen te verschoonen. Anderzins zullen zij uwe zonen verleiden, en van God aftrekken, om andere goden te dienen. Werpt dan hunne altaren om verre, slaat hunne afgodsbeelden in stukken, hakt hunne afgodische wouden af, ca

135

-ocr page 138-

Geschiedmü

verbrandt al hun gesneden beeldwerk; want gij zijt een volk, hetwelk den Heere, uwen God, is toegewijd; een volk, hetwelk hij onder alle volkeren der aarde verkoren heeft om hem bijzonderlijk toegeheiligd te zijn. Hij heeft u zich toegevoegd en u verkoren, omdat hij u lief had, en om aan den eed to voldoen, dien hij uwen voorvaderen gezworen had. Wacht u dan (lloojdd. 9.J van bij u zeiven te zeggen: het is om mijne deugd, dat God mij in het bezit van dit land gesteld heeft. Wel is waar, dat die volkeren, om hunne boosheid, op uwe aankomst zijn vernield geworden; maar weest verzekerd, dat de Heer uw God u dit schoone land niet gegeven heeft tot erfenis om uwe deugd, noch om de geregtig-heid van uw hart; want gij zijt een volk, hetwelk bovenmate hardnekkig is. Herinner u wel, dat gij uwen Heer en uwen God altijd getergd hebt in de woestijn, van den eersten dag af, dat gij uit Egypte vertrokken zijt, tot hiertoe, en dat gij hem ten alle tijde zijt wederspannig geweest; waarom hij u ook meer dan eens heeft willen doen omkomen, zoo ik hem door mijne gebeden niet hadde wederhouden.

Nu dan, o Israël (lloo/dd. 10.J, wat verzoekt God, uw Heer, van u, dan dat gij hem ontziet, dat gij in zijne wegen wandelt, dat gij hem lief hebt, dat gij hem uit geheel uw hart en uit geheel uw gemoed dient, opdat het met u ■welga. Ziet, de hemel en het aardrijk komen den Heere toe: nogtans heeft hij zijne genegenheid op uwe vaderen laten vallen; hij heeft hen lief gehad; hij heeft hunne nakomelingen, dat is u, uit alle volkeren verkoren. Maakt dan dat uw hart besneden zij, en legt uwe hardnekkigheid voortaan af. Want de Heer uw God is de God aller goden, en de Heer aller heeren. Hij is een God, die groot, magtig en ontzaggelijk is; die noch den rang, noch de waardigheid der menschen, noch hunne giften aanziet. Vreest dan den Heer uwen God; dient hem alleen; zijt hem getrouw.

Het gebod, hetwelk ik u heden voorstel, (Iloofdd. 30), is niet boven uw vermogen, noch verre te zoeken. Het ligt in den hemel niet,dat gij zoudt kunnen zeggen: wie van ons kan in den hemel treden, om het van daar te halen, en om het ons te doen aanhooren, opdat wij het volbrengen? Het ligt ook over de zee niet, dat gij u zoudt kunnen verontschuldigen en zeggen: wie van ons kan over de zee varen, om het ons van daar te halen, en om het ons voor te dragen, opdat wij volbrengen mogen hetgene ons geboden wordt? Maar het gebod is gansch bij u: het is in uwen mond en in uw hart, opdat gij het zoudt volbrengen.

Indien er een profeet onder u opstaat (Iloofdd. 13J, of zegt, dut hij in eenen droom een visioen of eene verschijning

136

-ocr page 139-

van het Oude Testament.

geliad Leeft, en dat liij u eenig wonderteeken voorzegt, hetwelk ook werkelijk geschiedt, bijaldien hij u van den Heer uwen God en van zijnen weg wilde aftrekken, zult gij naar dien profeet niet luisteren; want de Heer uw God beproeft, dat het bekend worde, of gij hem uit geheel uw hart et uit geheel uw gemoed lief hebt of niet.

Maak, dat er onder u geen arme of bedelaar zij (Hoofdei. 15J, opdat de Hoer u zegene. Indien uw broeder tot armoede vervalt, zult gij uw hart uiet versteenen, en uwe hand niet voor hem sluiten; gij zult ze hem mildelijk openen, eu hom rijkelijk leenen, volgens hetgeen hij noodig heeft. Wacht u wel uwe oogen van hem af te keeren, en hem te weigeren wat hij u verzoekt; opdat hij tegen u tot God niet roepe, en gij daarvan de straf lijdet. Gij zult hem dan mildelijk geven, eu hem in zijnen nood bijstaan, zonder list te gebruiken, opdat de Heer u in alles zegene.

Indien er een geschil onder u ontstaat (Hoofdd. 11.J, en dat gij bevindt, dat de stemmen van uwe regters niet overeenkomen, zult gij u naar de plaats begeven, die uw Heer zal verkoren hebben (1), en tot de priesters en tot den regter gaan, die\' aldaar wezen zullen, en dan hen ondervragen en aanhooren, hoe het met die zaak gesteld is. Gij zult dan hunne uitspraak in het werk leggen, zonder naar de regter- of linkerhand af te wijken. Wie door hoogmoed aan het gebod des priesters en aan de uitspraak van den regter weigert te gehoorzamen, die-zal met den dood gestraft worden.

Wanneer gij in het beloofde land zult gekomen zijn, en eenen koning over u wilt stellen, zidt gij geenen anderen mogen laten heerschen dan dengene, dien God uit uw geslacht verkiezen zal. Wanneer hij ook zal gesteld zijn, zal hij het niet aanleggen om vele paarden te bezitten; hij zal ook geen groot getal vrouwen hebben, opdat zij zijn hare uiet verlokken, noch ook grooten overvloed van zilver en goud. Verder, als hij op zijnen koninklijken troon zal gezeten zijn, zal hij dit boek der vernieuwde wet voor zich uitschrijven uit het voorschrift, hetwelk hij bij de priesters halen zal. Dit boek zal hij altijd bij zich hebben, en daarin al de dagen zijns levens lezen, ten einde hij den Heer zijnen God leere owtzien; opdat ook zijn hart zich\'niet trotsch boven zijne broeders verheffe, van de wet der regter- of ter linkerzijde niet afwijke, en hij aldus langen tijd koning zij over Israël en zijne zonen na hem.

BHMEllKIXG. Mozes geeft, als een zorgvuldige herder, de Israëlieten voor zijnen dood verscheidene heilzame vemaningen,

1) Dat 13 te zeggen, naar de plaats, alwaar zijn tabernakel of zijn tempel zal zijn.

137

-ocr page 140-

Geschiedenis

onder andere: dat zij naarstig de wet des Heeren moeten onderhouden, die gemakkelijk, zoet en aangenaam is voor degenen die God beminnen. Wij moeten allen hiertoe ook ons uiterste best doen, indien wij niet alleen hier den godde-lijken zegen, maar ook hierna de eeuwige goederen willen verkrijgen.

III. liOOFDDEEL.

Verder vervolg van de aanspraak van Mozes. Deut. 18. 21. 23. enz.

Dat er niemand onder u bij waarzeggers te rade ga, of op droomen of vogelgeschrei acht neme; of zich met tooverij ophoude, of met bezwering omga; of door zwarte kunsten of duivelarij het toekomende zoeke te weten; of de waarheid bij dooden trachte te achterhalen. Want God verzaakt zulke dingen, en het is om deze schelmstukken, dat hij die volkeren voor uw aangezigt uit hunne bezitting verdrijft. Zij luisterden naar de waarzeggers of zwarte kunstenaars; doch gij zijt door den Heer uwen God geheel anders onderwezen. Hij zal u eenen Profeet uit uw geslacht (1) gelijk ik ben, verwekken, dien gij gehoor zult geven.

Indien iemand {Hoofdd. 31.) eenen wederspannigen en moed-willigen zoon heeft, die noch naar het gebod zijns vaders, noch zijner moeder luistert, en die, nadat zij hem vermaand en gestraft hebben, naar niets hoort, zullen zijne ouders hem brengen tot de oversten van de stad, en tot de regters, onder welke hij staat, en hun zeggen: deze onze zoon is moedwillig en wederspannig; hij luistert naar ons niet; hij stelt het op brassen en slempen. Alsdan zullen al de burgers van de stad hem ten dood steenigen, opdat de booswicht onder u weggenomen worde, en gansch Israël, dit hoorende, in de vreeze zij.

Eene vrouw zal geen manskleed aantrekken {Hoofdd. 32), en een man zich in geen vrouwenkleed vermommen; want God verfoeit zulke menschen.

Als gij den Heer uwen God {Hoofdd. i?gt;.) eenige belofte gedaan hebt, zult gij die zonder uitstel volbrengen. Want de lieer uw God zal ze u zekerlijk afeischen en uwen uitstel tot zonde rekenen. Indien gij niet wilt beloven, moogt gij dit zonder zonde laten. Maar als gij iets beloofd hebt, moet gij dit volbrengen, en doen aan den Heer uwen God, hetgeen gij hem vrijwillig met den mond toegezegd hebt.

Gij zult van uwen broeder geen overwinst nemen, hetzij dat gij hem geld, graan, of iets anders leent. Uwen broeder

I) Deze profeet is Christus, de eenige Meester, dien God ons be\'veelt ia aanhooren.

-ocr page 141-

van het Oude Testament.

zult gij leenen al lietgene hij noodig heeft, zonder eenig gewin, opdat de Heer uw (rod u zegene.

Wanneer gij van uwen broeder (Hoofdd. 55.J iets zult wedereisclien, hetgene hij a schuldig is, zult gij in zijn huis niet gaan, om iets tot pand te nemen; maar gij zult buiten staan, en hij zal u tot pand brengen, wat hij goedvindt. Doch, indien hij arm is, zoo zal zijn paard bij u niet vernachten (1), maar gij zult het hem voor den zonnen-onder-gang wedergeven, liet kleed eener weduwe zult gij niet tot pand nemen.

Gij zult den bovensten of ondersten molensteen niet tot pane! nemen; want dit is iemands leven tot pand nemen. (2)

Gij zult het dienstloon van den behoeftige niet achterhouden, maar het betalen op denzelfden dag, eer de zon ondergaat ; dewijl hij arm • is, en zijn leven daarvan onderhouden moet; opdat hij tegen u niet tot God roepe, en het u tot zonde gerekend worde.

Als gij, na het graan van uwen akker ingeoogst te hebben, esne schoof zult vergeten hebben, zult gij niet wederkeeren om ze te halen ; maar zij zal voor den uitlander, de weduwen en weezen zijn; opdat de lieer uw God u zegene in alles wat gij doet.

Als gij de vruchten van uwe olijfboomen op gedaan zult hebben, zult gij het overgeslagene niet wederom komen afplukken, maar dit zal aan de uitlanders, weduwen en weezen zijn.

Als gij uwen wijnoogst zult ingezameld hebben, zult gij da overgeblevene wijugaardtrossen niet komen afplukken ; maar zij zullen voor de uitlanders, weduwen en weezen zijn.

Gij zult geene tweederlei (Jloofdd. 25.) dat is, grooter en kleiner gewigt hebben. Gij zult in uw huis geene tweederlei, dat is, eene grootere en kleinere maat hebben ; want al wie onregt doet, die is een gruwel voor den Heer uwen God.

BEMEEKING. Na de liefde tot God, is er ons niets zoo noodig, als de liefde tot den naaste. Deze bestaat in aan hem alle goed te doen, hetgeen wij wenschen aan ons te geschieden, en geen kwaad, hetwelk wij aan ons niet zouden wenschen. Desaangaande gaf Mozes ook aan de kinderen van Israël, op het einde zijns levens, verscheidene schoone bevelen, wel wetende, dat de begeerlijkheid van den mensch zeer groot is,

1) Dit wordt verstaan, indien het pand iets is hetgeen hij noodig heeft om zich des nachts te dekken, gelijk blijkt bij de wet, hiervoren bladz. 100 bijgebragt

2) Eertijds waren er in ieder huis handmolens om het graan te malen. Plet was den mensch zijn leven afnemen, als men hem het middel ontnam om zijn brood te kunnen maken.

139

-ocr page 142-

Geschiedenis

en dat de booze vijand niets verzuimt om die te voeden, Docli de grond van deze bevelen is zoo wel voor de Christenen als voor de Israëlieten. De wet van liet Evangelie doet daar niets af, maar voegt er nog eene grootere volmaaktheid bij.

IV. HOOFDDEEL.

Einde der aanspraak Tan Mozes. Deut. 28. 30 enz.

Mozes voegde bij dit onderrlgt {Hoofdd. 28.^ groote beloften, en ook bedreigingen. Hij beloofde van Gods wege aan de Israëlieten allerlei goed, zoo zij bem getrouw bleven ; maar hij nam ook hemel en aarde tot getuigen, dat zij, indien zij hem verlieten, vervallen zouden in de schrikkelijkste ellenden, die God hun zoude overzenden, als hongersnood, armoede, ziekten, oorlogen, enz. Dat hij hen in de handen hunner vijanden zoude leveren, en zij gevankelijk uit hun land zouden weggevoerd, en tot de uiterste ellende gebragt worden.

{Hoofdd. 30.) Echter voegde hij er hij; zoo gij door een opregt leedwezen des harten tot den Heer uwen God zult bekeeren, onder wat volk het zijn moge dat hij u verspreid heeft, zoo zal de Heer uw God door zijne genade uwe gevangenen doen wederkomen, en u te zamen vergaderen uit al de volkeren, onder welke hij u te voren verstrooid had. Al waart gij tot het uiteinde der wereld verjaagd geweest, zal hij u echter van daar trekken, tot zich nemen, en u in het land brengen,, hetwelk uwe vaders bezeten hebben. Hij zal uw hart en het hart uwer kinderen besnijden, opdat gij den Heer uwen God moget lief hebben uit geheel uw hart, uit geheel uw gemoed, en aldus gelukkig moget leven.

Ik roep hemel en aarde tot getuigen, dat ik het leven en den dood, het geluk en het ongeluk u heden heb voorgedragen. Want ik gebied u, den Heer uwen God lief te hebben, en zijne wegen te bewandelen, opdat gij gelukkig leven moget. Maar indien gij uw hart afkeert, om naar hem niet te luisteren, zoo zult gij u gewis in uw verderf storten. Kiest dan het leven, opdat gij en uwe kinderen welvaret, door den Heer uwen God lief te hebben, zijne stem te gehoorzamen, en hem aan te kleven; want hij is uw leven.

(Hoofdd. 31.) Mozes schreef ook al deze woorden in een boek, en hij gebood de Leviten hetzelve naast de ark des Verbonds te leggen, opdat het tegen het volk van Israël tot getuigenis zoude dienen, wanneer zij het met God aangegane verbond zouden overtreden. Want, zeide hij, uwe kwaadwilligheid en uwe hardnekkigheid zijn mij bekend. Zoo lang als ik met u heb geleefd en omgegaan, zijt gij den Heer altijd we-

140

-ocr page 143-

van het Oude Testament.

derspannig geweest; hoe veel te meer zult gij het na mijnen dood zijn ! Ook gaf hij hun dit gebod, dat men alle zeven jaren op het looverfeest dit wetboek aan gansch Israël zoude voorlezen, opdat zij en hunne kinderen den Heer zonden leeren ontzien en dienen. Dit is het beek, hetwelk gewoonlijk het Deuteronomium genoemd wordt.

BEMERKING. Niets is er krachtiger om de wet des Heeren wel te onderhouden, dan die dikwijls te overdenken. David overdacht ze dag en nacht. Vele heiligen hebben hem nagevolgd, en die van buiten geleerd. Indien wij dit ook behartigen, zoude er meerdere lietde tot God in onze harten zijn, en meerdere vrees van hem te vergrammen.

IV. HOOFDDEEL.

Mozes sterft in den ouderdom van 120 jaren. Zijn graf onbekend.

Josuë wordt tot overste aangenomen. Deut. 31. 34.

Nadat Mozes deze en meer andere geboden, namelijk, wegens de levenswijze der Israëlieten, wegens godsdienstplegtigheden, hunne regtspleging enz. herhaald had, zeide God tot hem: roept Josuë, en komt beide naar den tabernakel, opdat hij mijne bevelen ontvange. De Heer verscheen daar in de wolkkolom, en zeide tot Mozes : zie, gij gaat bij uwe vaderen rusten, en dit volk zal tot afgoderij vervallen.... Mijn toorn zal dan ook tegen hen ontsteken, ik zal ze verlaten, en mijn aangezigt van hen afkeeren. Alle ellenden zullen hun overkomen. Stel ook het volgende gezang in schrift; leer het den kinderen van Israël, opdat zij het van buiten leeren, en het zingen, en dat dit lied mij als getuige diene onder Israël\'s kinderen zoo van mijne weldaden jegens hen, ah van hunne icederspannigheid tegen mij (1). God zeide tot Josuë : Schep moed en gedraag u dapper: want gij zult de kinderen van Israël in het land brengen, hetwelk ik hun beloofd heb. Op denzelfden dag sprak de Heer tot Mozes in dezer voege: ga op den berg Abarim (dat is op den berg Nebo in het Moabitische land, regt over Jericho), en bezie daar het land van Chauaan, hetgene ik den kinderen van Israël zal geven: en aldaar zult gij sterven, gelijk uw broeder Aaron gestorven is op den berg Hor; want gij beide hebt tegen mij gezondigd bij het water van Miraba, te Cades, in de woestijn Zin. Mozes zegende dan voor zijnen dood de

1 1) Dit is dat Toortreffelijk gezang van Mozes (Deut 32.), een kort ■begrip van de gansche wet, en van al de bedreigingen en beloften, die God aan zijn volk gedaan had. Mozes spreekt aldaar op de allerna-.drukkelijkste en allerteederste wijze.

141

-ocr page 144-

Geschiedenis

twaalf gesjochten, en voorspelde hun wat aan ieder geslacht in het toekomende geschieden zoude. Daarna ging hij op den berg Nebo, en God toonde hem het gansche gewest, en zeide hem : dit is het land, hetwelk ik Abraham, Izaak en Jacob bij eede beloofd heb... Gij hebt het gezien, maar zult er niet in gaan. Aldus stierf Mozes, de dienaar des Heeren, in het Moabitische land, door Gods bevel. Hij werd van God begraven in eene vallei tegen over Phogor. Doch niemand heeft ooit geweten waar hij begraven is. (1) Mozes was 120 jaren oud, als hij stierf. Zijne oogen waren niet verduisterd, en zijne tanden niet los geworden. De Israëlieten beweenden hem, in de vlakke pleinen van Moab, dertig dagen lang. Josuë werd nu vervuld met den geest der wijsheid, omdat Mozes hem de handen opgelegd had; om die redenen waren hem de kinderen van Israël ook gehoorzaam. Maar nooit is er nog een profeet in Israël opgestaan, die aan Mozes gelijk was, noch met of tot wie God aangezigt aan aangezigt sprak, en dien hij gezonden had, om al de vreemde teekenen en wonderheden, in Egypte, voor Pharao en zijne hovelingen, uit te werken, of die door zulk eene magtige hand al die groote wonderheden voor gansch Israël gedaan had.

BEMERKING. Geheel het leven van Mozes was als een gedurig mirakel. Hemel, aarde en zee waren hem gehoorzaam. Hij was, volgens de getuigenis van den H. Geest zeiven, de zachtmoedigste aller menschen. Onberoerlijk tusschen zoo .vele ver wijtingen en versmaadheden, vol liefde en zorg voor een ondankbaar e» oproerig volk, vol ijver en getrouwheid voor de eer en verheerlijking van God, verlaat hij het hof van Pharao, daar hij al de vermakelijkheden en geneugten der wereld konde genieten, liever hebbende met Gods volk verdrukt te worden, en zijn geluk alleen verwachtende in den hemel. Na dit alles wordt aan Mozes de ingang van het beloofde land geweigerd, om eene fout, die ons zeer gering schijnt. Hoe streng is God over de kleine gebreken voor zijne uitverkorenen, en hoe verschillend zijn zijne oordeelen van die van den mensch!

1) De H. Apostel Judas Thadeüs zegt in zijnen algemeenen brief: dat de Aartsengel Michael met den duivel in twist was over het ligchaam yan Mozes; dat is, waarschijnlijk wilde Miohaël, volgens Gods bevel, dit ligchaam verbergen, en de duivel zoude het gaarne te voorschijn gebracht hebben, om de Israëlieten tot afgoderij te brengen door de goddelijke eer, die zij ligtelijlc aan Mozes zouden bewezen hebben volgens hunnen aard. X. B. Het 84e hoofddeel van het boek Deut, alwaar de dood van Mozes verhaald wordt, is door hem niet geschreven, maar door den hoogepriester Eleazar, of door Josuë, of eenen anderen profeet er aangeveegd.

142

-ocr page 145-

van het Oude Testament.

HET BOEK JOSUE.

Dit hoek lescln\'ijft ons, in 34 Hoofddeelen, hoe het land Cha-n aan onder de kinderen van LvaH werd verdeeld, en de wonderbare voorvallen, die gedurende de zeventien jaren, dat Josue het volk bestuurde, zijn gebeurd, dat is, van liet jaar der wereld 2555 tot het jaar 2570, wanneer Josuë stierf.

I. HOOFDDEEL.

Toebereidselen om ovr:r den Jordaan te trekken.

Nadat Mozes gestorven was, sprak God tot Josuë: trek over den Jordaan met al uw volk, naar het land, hetwelk ik aan Israels kinderen geven zal. Zoo als ik met Mozes ben geweest, zal ik ook met u zijn. Schep dan moed, eu weea dapper; want gij zult onder dit volk, door loting, het land verdeelen, hetwelk ik aan hunne voorvaders met eed beloofd heb te geven. Zie toe, dat gij de geheele wet onderhoudt, die Mozes u gegeven heeft: overweeg die dag en nacht, opdat gij alles, wat er in geschreven is, volbrenget. Zie, ik gebied het u, schep moed, versterk u, en vrees niet: want de Heer uw God is met u in alles, werwaarts gij u begeven zult. Derhalve gebood Josuii aan de oversten, dat zij aan het volk \'zouden zeggen: voorziet u van hetgeen gij tot de reis noodig hebt; want na drie dagen zult gij over den Jordaan gaan, en in het land treden, hetwelk de Heer, uw God, u geven zal. Hij gebood ook aan de Kubenieten, Gad ie ten en den halven stam van Manasses: laat uwe vrouwen en kinderen aan de zijde van den Jordaan, trekt gewapenderhand op voor uwe broeders, en strijdt voor hen. Zij antwoordden: alles, wat gij geboden hebt, zullen wij doen, en al waar gij ons zult zenden, zullen wij gaan. Even ais wij in alles aan Mozes zijn gehoorzaam geweest, zullen wij het aan u ook zijn. Wie u zal tegenspreken en uwe bevelen niet gehoorzamen, die zal met den dood gestraft worden. Wees slechts dapper en welgemoed.

BEMEEKING. Deze troostrijke aanspraak, die God aan Josuë doet, is alleen bekwaam om ons een groot betrouwen op zijne goedheid en almogendheid te geven. Want wij moeten ons die toepassen en denken, dat hij ons, niettegenstaande het geweld onzer vijanden, gelukkig tot het hemelsche beloofde land zal brengen.

14»

-ocr page 146-

Getchiedtnis

II. HOOFDDEEL.

Jozuë zendt twee bespieders naar Jericho. Hij trekt over den Jordaan met al zijn volk. Josuë 2. 3. 4. — Het jaar der wereld 2553, voor Christus 1451.

Josuë had twee bespieders uitgezonden, en gezegd: gaat liet land eu de stad Jericho bespieden. Zij trokken heen en kwamen in het huis van eene gemeene vrouw (1), Eahab genoemd, en sliepen daar. Als nu de koning van Jericho geboodschapt werd, dat er eenige Israëlieten \'s nachts waren gekomen om het land te bespieden, deed hij aan Eahab zeggen: breng de mannen te voorschijn, die bij u gekomen zijn. Daar de vrouw de mannen verstoken had, zeide zij: ik beken, dat zij bij mij gekomen zijn, maar ik wist niet van waar zij waren. Doch toen het donker werd, zijn zij vertrokken; waar henen, is mij onbekend. Maar indien gij ze spoedig vervolgt, zult gij ze wel achterhalen. Doch zij had de mannen op het bovenste van het huis ouder vlasstoppelen verborgen. De uitgezondenen liepen hen dan achterna. De vrouw kwam boven tot de ver-borgenen, en zeide; ik weet wel, dat de Heer u dit land gegeven heeft, wij zijn allen voor u verschrikt, en geven den moed verloren. Wij hebben gehoord, hoe do Heer de wateren der Eoode Zee voor u heeft uitgedroogd, en wat gij aan de koningen Sehon en Og, gedaan hebt. Nu dan, zweert mij bij den Heer, dat, gelijk ik u barmhartigheid heb bewezen, gij ook barmhartigheid zult bewijzen aan het huis mijns vaders. Zij zeiden: wij stellen ons leven voor u te pand; indien gij ons niet verraadt, zullen wij u goedertierenheid en trouw bewijzen, als de Heer ons dit geven zal. Zij liet hen dan met eene koord uit het venster afzakken: want haar huis stond op de stads muren. Zij zeiden: zie, waardoor wij zullen ontslagen zijn van onzen eed: als wij hier in het land zullen komen, zult gij dit scharlaken snoer tot een teeken aan het venster binden; en gij zult uwen vader, uwe moeder, uwe broeders en al uw maagdschap in uw huis vergaderen. Al wie de deur van uw huis zal uitgaan, die zal de schuld van zijnen dood dragen. Die mannen gingen daarna heen, en kwamen op het gebergte, alwaar zij drie dagen bleven, tot dat hunne vervolgers wedergekeerd waren. En als zij bij Josuë waren gekomen, verhaalden zij wat hun gebeurd was, en zeiden: de Heer heeft dit land in onze handen gegeven, want de inwoners vreezen en geven den moed verloren.

14-i

Toen Josuë aan den Jordaan gekomen was, alwaar zij drie dagen de rust namen, trokken de uitroepers door geheel het leger, en riepen: als gij de ark des Heeren zult zien dragen.

1) Die in geenen goeden naam stond: doch zulks was liun onbewust.

-ocr page 147-

van het Oude Testament.

staat dan op, en volgt ze; zoo nootans, dat er tussclien u eii de ark eene ruimte zij van 2,000 ellen; opdat gij haar van verre moogt zien, en den weg weten, dien gij moet houden. Ziet toe, dat gij de ark niet naderbij komt. Josuë zeide tot het volk: heiligt u, want morgen zal God wondere dingen onder u uitwerken. Des anderendaags beval hij den priesters: neemt de ark op, en gaat voor het volk. Zij deden zulks, en gingen vooruit. Josuë sprak: nu zult gij kennen, dat de levende God met u is. Zoohaast als de priesters, die de ark droegen, aan den Jordaan gekomen waren, en dat hunne voeten ten deele nat begonnen te worden, bleven de wateren, die van boven afkwamen, als opgehoopt stil staan, en zij rezen omhoog als een berg, zoo dat men ze van verre konde zien, van Adom af tot Sarthan toe. Doch, die beneden waren, liepen af naar de Dooda zee. Aldus trok het volk door de rivier Jericho. En de priesters, die de ark droegen, bleven stilstaan in het midden van den Jordaan, tot dat al het volk overgegaan was. Josuë riep alsdan twaalf mannen, die hij had doen uitkiezen, uit eiken stam één man, en gebood hun, dat zij uit het midden van den Jordaan, daar de priesters hunne voeten gesteld hadden, twaalf harde steenen zouden nemen, en die in de legerplaats tot een gedenk-teeken voor Israël nederl eggen.

Als nu alles volbragt was, en zij allen over waren, werd de ark des Heeren ook overgedragen, en de priesters stelden zich voor het volk. Die van den stam Ruben, van Gad, en die van den halven stam van Manasses, gingen ook gewapend voor de Israëlieten. Zoodra de priesters uit den Jordaan gegaan waren, keerden de wateren weder tot hunne vorige plaats, en vloeiden als te voren. Zij legerden te Galgala. Josuë rigtte daar ook 13 steenen op, en zeide: als uwe zonen zullen vragen, wat dezo steenen willen beduiden, zult gij hun zeggen: door deze zijn Israel\'s kinderen droogvoets door gegaan, als do Heer de wateren van den Jordaan opdroogde. Kort na dezen wonder-dadigen aoortogt, vierden de Israëlieten het feest van Paschen, en daags daarna hield^het manna op te vallen, en zij aten van de vruchten des lands.

BEMET1KING. Het beloofde land was een afbeeldsel van de H. Kerk, en de Jordaan van het doopsel. Het was voor de Joden eene groote weldaad en eene innige vreugd, dat God hen in dit land door den Jordaan bragt. Maar wat is dit, in vergelijking bij hetgene God doet, als Hij eenen mensch door het doopsel in de H. Kerk stelt, waardoor hij verlost wordt van de slavernij des duivels en van de zonde, en een kind Gods wordt, erfgenaam van den hemel, broeder en medeerfgenaam van Christus, de woonplaats van de H. Drievuldig-»

10

115

-ocr page 148-

Geschiedenis

heid, tempel van den lieiligen Geest, mededeelaohtig aan de goddelijke natuur ? O, of de Christenen deze verhevene waardigheid wel kenden, alsmede de verzaking, die zij in het doopsel gedaan hebben aan alle wereldsche pracht en ijdelheden !

III. HOOFDDEEL.

De stad Jericho wordt wonderdadig ingenomen. J09. 6.

Nadat de koningen, die over den Jordaan woonden, gehoord hadden, dat de Heer de wateren van den Jordaan voor het gezigt der Israëlieten had doen uitdroogen, verloren zij den moed van schrik. Als nu Josuë op den akker van Jericho was, zag hij eenen man regtover hem staan met een bloot zwaard in zijne hand. Hij trad toe en vraagde: behoort gij tot do onzen, of tot den vijand? Hij antwoordde; Ik ben de prins van Gods leger, en kom u bijstaan.

Middelerwijl dat de stad Jericho naauw ingesloten was, zeide de Heer tot Josuö: zie, ik lever Jericho in uwe handen. Ga met al uwe strijdbare mannen rondom de stad, alle dagen eens, en vervolg dit zes dagen lang. Maar den zevenden dag zullen zeven priesters zeven bazuinen nemen, en voor de ark des Verbonds gaan. Gij zult aldus zevenmaal rondom de stad gaan, en de priesters zullen de bazuinen blazen. Als nu het geschal derzeive trager en langzamer zal gaan, zal al het volk luidop roepen, en de muren van de stad zullen invallen, en ieder van u zal dezelve binnen trekken langs de plaats, die regt over hem is. Geheel het leger ging dan gewapend voor de ark. Josuë gaf ook een gebod, van niet te roepen, noch zelfs één woord te spreken, tot den tijd toe, dat hij zoude zeggen: roept! Aldus ging de ark des Heeren den eersten dag eens rondom de stad, en zij kwam weder in het leger vernachten. Maar den zevenden dag stelden zij zich geheel vroeg in beweging, en gingen de stad zevenmaal rond. Als de priesters op den zevenden omgang het geschal der bazuinen lieten hooren, zeide Josuë tot het volk: roept allen luid op, want de Heer geeft u de stad; maar de stad met al wat zij bezat, zal men vernielen; en Eahab alleen met allen, die zich in haar huis zullen bevinden, het leven schenken. Wacht u van iets, hetwelk verboden is, aan te raken, ten einde gij in geene overtreding vallet. Zoodra het volk een luid geschreeuw aanhief, en de bazuinen geblazen werden, vielen de muren in, en een ieder klom er op, langs de plaats die regtover hem was. Zij doodden er op Gods bevel alles, mannen en vrouwen, jong en oud, ook ossen, schapen en ezels, door het zwaard. Doch Josuë zeide vooraf aan de twee bespieders in het huis

146

-ocr page 149-

van het Oude Testament.

van Rahab te gaan, haar en haren\'vader, liare moeder, enz., en al wat haar toebehoorde, uit hetzelve te doen gaan, en alzoo haar met het gansche gezin te sparen. Daarna staken zij de stad met alles, wat er in was, in brand, behalve het zÜver, goud, koper en ijzer, hetwelk zij aan de schatkamer des Heeren opdroegen, volgens dat Josuë hun te voren bevolen had. Eahab met haar gezin bleef onder het volk van Israël wonen.

BEMERKING. God toont hier, hoe zeer de werken van barmhartigheid hem behagen, en hoe hij die beloont. Met de maat, waarmede gij zult gemeten hellen, zal men u ook meten, zegt Christus. Zoo als gij u gedraagt tot uwen naaste, zoo zal God zich jegens u gedragen. Niet het allerminste werk, tot eenen teug waters toe, zal onbeloond blijven. Hoe veel te meer zal diegene dan niet beloond worden, die veel doet, veel laat, of lijdt voor zijnen naaste, of, om beter te zeggen, voor Christus in den naaste, dewijl hij zegt: hetgene gij zult gedaan hellen aan de minsten van deze, dat helt gij aan mij gedaan.

IV. HOOFDDEEL.

De Israëlieten worden verslagen. Achan wordt gesteenigd.

Verwoesting der stad Hal. Jos. 7. 8.

Josuë zond vervolgens mannen naar Haï, om de stad te bespieden. Toen deze wedergekeerd waren, zeiden zij: twee of drie duizend mannen zullen genoeg zijn om de stad in te nemen en te verwoesten: waarom het volk te vergeefs vermoeid? Drie duizend mannen trokken dan derwaarts; maar zij werden terstond verslagen door de inwoners der stad, die de Israëlieten tot Sabarim toe vervolgden. Hierdoor werd het hart des volks verschrikt, en verslapte het als water. Josuë scheurde zijne kleederen, viel, benevens de ouderlingen, op zijn aangezigt ter aarde voor de ark des Heeren, tot den avond toe, en zij strooiden asch op hunne hoofden. Josuë sprak; o Heer, mijn God! waarom hebt gij dit volk over den Jordaan doen trekken, om het in de handen der Ammorrheërs te leveren? Och, of wij liever aan de andere zijde gebleven waren! Want als al de inwoners des lands dit zullen hoeren, zullen zij te zamen ons omringen en ons van de aarde uitroeijen; en waar zal alsdan de eer van uwen grooten naam blijven? God antwoordde; sta op, Israël heeft gezondigd. Zij hebben van den buit van Jericho genomen, en het onder hun huisraad verborgen. Daarom zal Israël het voor zijne vijanden niet kunnen uithouden; ik zal met u niet meer zijn, tenzij gij uit u diengenen uitroeit, welke aan dit boos werk schuldig is. Josuë

147

-ocr page 150-

Geichiedeitii

deed dan Israël, volgens deszelfs staramen, bij zich komen om te loten, en liet lot viel op den stam van Juda. Als nu de verscheidene huisgezinnen van Juda bijeen kwamen, viel het lot op Zara. En toen nu man voor man van dit huisgezin bijtrad, viel het lot op Aclian. Alsdan zeide Josuë tot Achan: mijn zoon, verheerlijk den lieer van Israel! zeg, wat hebt gij gedaan? Achan antwoordde: ik heb waarlijk tegen den lieer gezondigd. Ik zag onder den buit eenen sclioonen scharlaken mantel, 200 sikkelen zilver, en oen\' gouden staaf. Ik heb den mantel genomen, en in de aarde begraven in mijne tent, en het geld er onder gelegd. Josuë zond eenige mannen derwaarts, die den mantel daar vonden, en het geld ouder denzei ven; zij bragten het voor Josuë en al het volk.

Josuë en geheel Israël grepen daarop Achan, benevens zijme zonen en dochters, zijn rundvee, ezels en schapen, alsmede het zilver, den mantel en den gouden staaf, do tent met al het huisraad, en bragten dit alles naar de vallei Achor. Geheel Israël steenigde hem, en zijn ligchaam met alles wat hem aanging werd door het vuur verslonden.

Aldus werd de toorn dos Heeren van hen afgekeerd, en God zeide daarop tot Josuë: neem al het krijgsvolk met u en trek naar Haï; gij zult met die stad en haren koning handelen, gelijk gij met Jericho en dezelfs koning gehandeld hebt. — Josuë koos dan dertig duizend kloeke helden uit, zond hen \'s nachts henen, en gebood aan eenigen, dat zij zich ginds achter de stad zouden verbergen. En ik, zeide hij: zal met al mijn volk de stad naderen; en als zij op ons zullen uitvallen, zoo als zij te voren gedaan hebben, en dat wij, schijnbaar de vlugt nemende, zij ons vervolgen, zult gij opstaan, de stad innemen en in brand steken. Josuë, met de oversten van Israël, begaf zich nu in optogt, en kwam aan de stad. De koning van Haï dit ziende, trok in allerijl uit de stad met het krieken van den dag, met al zijn krijgsvolk, om slag te leveren. Josuë en al het volk van Israël weken terug, alsof zij vlugtteden, en lokte alzoo den vijand verder van de stad. Toen deze nu zich verre genoeg van dezelve verwijderd hadden, en dat er niet één man in Haï en Betel gebleven was, en men de poorten had laten open staan, kwamen de mannen uit de hinderlaag te voorschijn, ijlden naar de stad, namen die in, en staken ze in brand. Als nu de inwoners van Haï, die Josuë vervolgden, deu rook van de stad zagen opgaan, werd hun alle magt benomen. Josuë ziende uit den opstijgenden rook, dat de stad ingenomen was, hernam het gevecht en versloeg de mannen van Haï. Ook degenen- die de stad ingenomen hadden vielen den vïjand op het lijf, zoo dat er van al die groote menigte niet één

148

-ocr page 151-

van liet Oude Tciiameni\'

on tic wam. Zij namen den koning van Haï levend, gevangen. Nadat de vijanden allen ter plaats gedood waren, keerden de kinderen van Israël tot de inwoners der stad, en benamen hun allen het leven. Al die verslagenen, mannen en vrouwen, beliepen teu getalle van 13 duizend ; het vee en den buit dei-stad deelden de Israëlieten onder elkander. Josuë deed den koning van Haï tot \' avonds toe aan eene galg hangen. Omtrent den avond bragten zij zijn lijk aan den ingang der stad, en wierpen op hetzelve ecu\' hoop steenen.

BEMERKING. Achan verbergt zijne zonde, en God maakt dit kenbaar. Alzoo zal hij ook onze zonden aan hemel en aarde in het laatste oordeel eens ten toon stellen, niet gelijk die ons hier schijnen, maar gelijk zij voor God zijn, met derzelver afgrljsselijkëu gruwel en afschuwelijkheid. Al onze werken zullen daar van de Engelen, menschen en duivelen worden gezien, zoo als zij nu van ons gedaan worden ; de goede werken tot eene onbedenkelijke vreugd en verheerlijking der zaligen, do kwade tot eene onverdragelijke schande der verdoemden. Er is nieU, dat verborgen is, zegt Christus hetwelk niet sal veropenbaard worden. O ! wat een spoorslag zijn deze gedachten, om alle zonden en derzelver gelegenheden te vlugten; om ons op ons zelve te doen letten ; om ons al onze werken voor God te doen ondernemen ; om geene te doen, die wij niet willen, dat zij daar zouden gezien worden ; en ten slotte, om de zonden die wij bedreven hebben, door eene ware boetvaardigheid uit te wisschen, opdat zij slechts aanschouwd worden als voldaan en vergeven!

V. HOOFDDEEL.

Josuë gaat een verbond aan met die van Gabaön. Hij overwint vijf koningen. De zon staat stil. Joauë. 9. 10.

Toen de koningen, die aan deze zijde van den Jordaan woonden, gehoord hadden, hoe het met de steden Jericho en Haï was afgeloopen, vergaderden zij te zamen, om Josuë slag te leveren. De Gabaönieten lieten echter hunne gedachten op list vallen. Zij namen met zich levensmiddelen in oude zakken op ezels gelegd, en in gescheurde en bijeengenaaide lederen wijnllesschen ; zij trokken versletene schoenen en kleederen aan, namen hardbrokkelig brood mede op weg, en zoo kwamen zij tot Josuë en zeiden : wij komen uit ver afgelegen landen, en wenschen met u een verbond te maken. De Israëlieten antwoordden ; misschien woont gij in het land, hetwelk ons tot een erfdeel toekomt, en aldus mogen wij met u geen vredesverdrag sluiten.

149

-ocr page 152-

Geschiedenis

Zij hervattende: wij zullen geheel tot uwe dienst zijn. Josuë vraagde verder: wie zijt gij, en van waar zijt gij gekomen ? Zij hernamen : wij, uwe dienaars, komen van ver afgelegene landen, uitgelokt door den naam Gods. Wij hebben gehoord, wat hij in Egypte, en aan de twee koningen Sehon en Og gedaan heeft. quot;Wij komen u te gemoet en zijn tot uwe dienst; maak met ons een verbond. Zie deze brooden waren nog warm, als wij onze huizen verlieten om tot u te komen, nu zijn zij van ouderdom droog en beschimmeld; die lederen flessohen waren nieuw, nu zijn zij gescheurd en ontnaaid. Onze kleederen en schoenen zijn door de lange reis versleten. De Israëlieten geloofden hen zonder den Heere raad te vragen. Josuë ging dan met hen een vredesverdrag aan, en beloofde, dat hij hen zoude sparen. Drie dagen na het gemaakte verbond, hoorden zij, dat de Gabaönieten in de nabijheid woonden; want op den. derden dag kwamen zij aan hunne steden, namelijk Gabaön, Beroth en Cariatharim ; zij doodden echter de inwoners niet. Hierover morde het gemeene volk der Israëlieten tegen zijne oversten. Doch deze zeiden : wij hebben het hun met eed beloofd, daarom mogen wij hen niet aanvallen ; laat hen dan in het leven blijven, en dat zij ten behoeve van het huis des Heeren hout hakken en water aanbrengen.

A!s Adonisedech, koning van Jeruzalem, dit alles gehoord had, als ook dat de Gabaönieten met de Israëlieten vrede gemaakt hadden, werd hij verschrikt. Hij liet zulks aan andere naburige koningen weten en hun zeggen: komt met uwe legers op en staat mij bij, wij zullen de stad Gabaön innemen ; omdat zij met Josuë een vredesverdrag heeft aangegaan. Vijf koningen der Ammorrheërs spanden te zamen, trokken op, en begonnen Gabaön te bestormen. Do inwoners dezer stad deden dit aan Josuë kennen en lieten hem zeggen : trek toch uwe hand niet van uwe dienaars, maar kom ons haastig verlossen. Dadelijk trok Josuë van Galgala op met al het krijgsvolk ; den geheelen nacht zette hij den togt voort, viel hen onvoorziens aan, en, en versloeg hen voor Gabaön ; wijders vervolgde hij hen, dreef hen tot Azeca en Maceda toe, en alsdan liet God groote hagelsteenen, tot aan Azeca, op hen nederstorten, zoodat er daardoor meer omkwamen, dan er door het zwaard van de kinderen Israel\'s gedood waren. Doch daar Josuë vreesde, dat hem den dag-te kort mogt wezen, om de vijanden geheel te verslaan, zoo bad hij tot den Heer, en zeiden in het bijwezen van al zijn volk: zon, sta stil over Gobaön, en gij, maan, over het dal van Ajalon. Zon en maan bleven stil staan, tot dat het volk over zijne vijanden wraak genomen had. De zon stond in liet midden des hemels, zonder zich te haasten om

150

-ocr page 153-

van het Oude Testament.

onder te gaan, omtrent den tijd van eenen vollen dag. Voor of na dien tijd is er nooit zoo lange dag als deze geweest, waarop God liet geroep eens menschen verhoorde ea voor Israël streed.

Middelerwijl hoorde Josuë, dat de vijf koningen zich in de spelonk bij de stad Maceda verborgen hadden, en gebood aan zijn volk groote steenen voor den ingang der spelonk te rollen en mannen er bij te stellen, om de gevangenen te bewaren. Doch hij gaf den last om de vijanden te vervolgen, en de vlugtelingen tot den laatste toe te dooden. Nadat het leger der vijanden verslagen was, zonder dat er bijna één man overbleef, kwam al het volk frisch en gezond bij Josuë in het leger bij Maceda. Josuë zeide: brengt de vijf koningen hier voor mij. Zij deden zulks, en hij liet hen ter dood brengen, en aan vijf staken hangen tot den avond toe; alsdan wierp men hen in dezelfde spelonk, en bezette den ingang met groote steenen.

BEMERKING. Leer hieruit wat het gebed vermag van degenen, die God dienen, en die veel voor hem doen of lijden. Indien wij den Heer dienen en zijnen wil volbrengen, zal hij ons ook helpen, en zich naar onzen wil schikken, gelijk hij zich geschikt heeft naar den wil van Josuë, door de zon te doen stilstaan. Leer hieruit met ijver en groot betrouwen op Gods goedheid en almogendheid bidden.

VI. HOOFDDEEL.

Josuë overwint verscheidene koningen on landen, die hij alle vernietigt. Hij verdeelt het land bij loting aan de 12 stammen. Zijn dood. 11. 13. en 24.

Ten zelfden tijde nam Josuë de stad Maceda in. Hij verwoestte die en derzelver koning, en al de inwoners deed hij door het zwaard sneuvelen. Van Maceda trok Josuë met het volk naar Lebna. God leverde die stad en derzelver koning in de handen der Israëlieten, die al de inwoners, zonder iemand te sparen, doodden. Van Lebna begaf hij zich naar Lachis, enz. Aldus werden de vijanden der Israëlieten uitgeroeid tot 31 koningen toe, die door Josuë overwonnen werden gedurende het tijdvak van zes jaren. God liet slechts eenigen overblijven, om tot straf van de kinderen van Israël te dienen, als zij die om hunne zonden zouden dienen.

Na al deze veroveringen zeide God tot Josuë: nog veel land is er in te nemen; ik zal deszelfs inwoners voor het aangezigt van Israël verdrijven. Laat nu de Israëlieten in het bezit van hun erfdeel komen, gelijk ik u geboden heb.

131

-ocr page 154-

GescJdedenU

Verdeel dit land onder de negen stammen, en onder de lielft van den stam van Manasses. Josuë verdeelde dan alles bij loten, gelijk God door Mozes bevolen had. De Levieten ontvingen geene landerijen onder hunne broeders; maar de kinderen van Jozef, tlie twee stammen uitmaakten, namelijk -die van Manasses en Ephraïm, bekleedden hunne plaats, zoodat de Levieten slechts in eiken stam eenige steden ontvingen om die te bewonen, met derzelver voorsteden tot het weiden van hun vee; want zij moesten bestaan bij de tienden en de offeranden, die zij van Israel\'s kinderen bekwamen, opdat de bekommernis voor bun tijdelijk onderhoud hen in de dienst van God niet zoude belemmeren. Daarna vergaderden al het volk van Israel te Silo, en zij rigtteden aldaar den tabernakel der getuigenis op.

Wanneer nu God den Israëlieten vrede verleend en een zoo groot deel van dio volkeren onder hun gebied gebragt had, ontbood Josuë, op het einde zijner levensdagen, gansch Israël bij zich, met de oversten, ouderlingen en regters, en vermaande hen, dat zij Gods wet zouden onderhouden, en dat de Heer dan voor hen zoude strijden. En nadat hij hun vele leerrijke vermaningen gegeven had, stierf hij in den ouderdom van honderd en tien jaren; zij begroeven hem op den berg Ephraïm.

BEMERKING. Al de ongeloovige volkeren hadden door hunne boosheden, verdiend vernietigd te worden. Van over lang waren zij tot deze straf van God verwezen. De Heer gebruikt van den eenen kant do Israëlieten, wanneer de maat der booswichten vervuld was, om die te vernietigen, en van den anderen kant stelt hij de Israëlieten hierdoor in bezit van het land, hetwelk hij hunnen voorvaderen beloofd had hun te geven. De zondaar moet met regt vreezen, dat Gods barmhartigheid voor hem ten einde is, en zijne regtvaardigheid bereid staat om hem te overvallen, zoo hij niet ophoudt te zondigen, gelijk dit aan zoo vele duizende zondaars overkomen is, die onverwachts van God met eenen rampzaligen dood gestraft zijn. Hij mag dan zijne bekeering niet een oogenblik uitstellen. En hoe durft hij een enkel uur gerust leven in eene doodzonde, daar zijn leven zoo onzeker is!

153

-ocr page 155-

van het Oude Testament.

HET BOEK DER REGTERS.

Na den dood van Josuë teerden de Israëlieten, eer zij koningen kregen, gedurende den tijd van 317 jaren, door regters of studhouders bestuurd en beschermd. Deze regters waren geene koningen; xoant God zelf bestuurde tot nog toe zijn volk als koning, en wekte hun zelf die regters op, zonder dat die elkander erfelijk opvolgden. Dit boek beschrijft ons, in 24 Honfddeelen, verscheidene gebeurtenissen, die ouder deze regters voorgevallen zjn, en loont op nieuw de afschuwelijke ondank-■ baarheid der Israëliet en jegens hunnen God, dien zij zoo dikwijls afvielen, nadat hij zoo vele ongemëene wonderen voor hen had uitgewerkt, door zich met eene onbegrijpelijke domheid en verblindheid zoo menigwerf tot houten en steenen afgodenbeelden te keeren, om die te dienen en te aanbidden.

I. HOOFDDEEL.

De stam van Juda wordt als tot hoofd dor andora Btammen gesteld. De Ghananeërs worden overwonnen. Adonibeseo. Judie. 1.

Na den dood van Josuë gingen de Israëlieten den Heer to rade, en vroegen hem: wie zal voor ons tegen de Ghananeërs ten strijde trelcken ? God antwoordde : Juda zal zulks doen. Het land is in zijne handen geleverd. Doch die van Juda zeiden tot hunne broeders, den stam van Simeon : trekt met ons op, opdat wij ons lot bekomen ; wij zullen daarna met ii optrekken, opdat gij het uwe verkrijget. Als zij nu ten strijde getrokken waren, leverde God de Ghananeërs en Phereseërs in hunne handen, en zij versloegen te Besec tien duizend man. De vlugtende Adonibeseo werd gevangen, -en zij kapten hem de vingers en toenen af. Hij zeide daarop : zeventig koningen, die ik de vingers en teenen had laten afhouwen, raapten ouder mijne tafel de kruiraelingen bijeen, die van dezelve afvielen. De Heer heeft mij naar verdiensten vergolden. Zij bragten hem binnen Jeruzalem, én hij stierf aldaar; want de kinderen van Juda hadden Jeruzalem ingenomen, de inwoners met het zwaard verslagen en de stad in brand gestoken.

BEMERKING. Waar iemand door zondigt, daar wordt hij ook door gestraft, zegt do Wijze-man, gelijk wij hier zien. God had Adonibeseo eenigen tijd gebruikt om andere te straffen, die om hunne zonden die straf verdiend hadden. Doch mis-

153

-ocr page 156-

Geschiedenis

scliien was hij pligtiger dan degenen, die hij dus plaagde. Hij ondergaat dan ook op zijnen tijd dezelfde straf. Alle zonde moet noodzakelijk hier, of hierna, door Gods straf of door de boetvaardigheid getuchtigd worden.

II. HOOFDDEEL.

De Israëlieten verlaten God en worden zwaar gestraft. Debora verlaat Sisara, die door Jahel gedood wordt. Judie.

2. 3. i. 5. Het jaar der wereld 2719.

Gods Engel versoheen boven Galgala, en zeide tot de kinderen van Israël: ik heb u uit Egypte getrokken, en in dit land gebragt. Ik had u ook beloofd dat ik mijn verbond met u nooit zoude breken, doch op besprek, dat gij ook met de inwoners van dit land geen verbond zoudt aangaan ; maar gij hebt naar mij niet geluisterd. Dit is de reden, waarom ik hen voor uw aangezigt niet heb willen verdrijven. Toen de Engel deze woorden gesproken had, verhieven zij hunne stemmen en weenden. Zij hadden den Heer, zoo lang als Josuö leefde, gediend; maar na zijnen dood bedreven zij ondeugd voor den Heer; zij dienden Baiil, aanbaden afgodenbeelden, en ontstaken aldus des Heeren toorn, die hen dan ook in de handen hunner naburige vijanden leverde. Overal, waar zij gingen, verdrukte hen de hand des Heeren. Wanneer zij nu in den uitersten nood waren, riepen zij tot God, en deze verwekte hun regters en oversten, om hen te redden. God liet zich, zoo lang deze leefden, tot genade bewegen; maar als de regters gestorven waren, deden zij veel erger, dan hunne voorvaders gedaan hadden ; zij liepen naar vreemde goden, dienden, •en aanbaden hen. Daarom ontstak Gods toorn tegen hen. Hij leverde hen in de handen van Chusan Easathaïm, koning van Mesopotamie, aan wien zij acht jaren onderworpen bleven. Zij verzuclitteden dan weder tot God, die hun tot verlosser Othonicl gaf welke hen redde, en regter over Israël werd. Hij trok ten strijde tegen Chusan-Easathaïm, dien de Heer hem in de handen leverde, en het land kwam in rust. Doch na den. dood van Othoniël gingen de kinderen van Israël voort in hunne gruwelen tegen God, die hierom Eglon, koning der Moabieten, sterkte gaf, welke tegen de Israëlieten optrok, en hen versloeg. Aldus bleven zij aan Eglon gedurende den tijd van 18 jaren onderworpen. Zij riepen dan wederom tot God, en deze gaf hun tot verlosser Aod, die, nadat hij den koning Eglon vermoord had (waarover de Moabieten in groote verslagenheid waren), de bazuin liet blazen op het gebergte Ephraïm. De Israëlieten kwamen met hem van het gebergte en hij zeide tot hen : volgt mij, want God heeft onze vijanden,

154

-ocr page 157-

van het Oude Testament.

de Moabieten, in onze handen geleverd. Zij volgden hem, en versloegen de Moabieten tot tien duizend mannen; zoo dat er niet een van lien ontkwam. En het land kwam in rust en vrede na verloop van 80 jaar. Nadat Aod gestorven was, gingen de Israëlieten op nieuw voort in hun ondeugend leven ; daarom gaf God hen over aan Jabin, koning der Chananeërs. De kinderen Israël\'s riepen dan wederom tot God, want hij had hen twintig jaren geweldig verdrukt. In dien tijd was er eene profetes, Debora genaamd. De kinderen van Israël gingen tot haar; doch zij deed Barac roepen, en zeide tot hem : dit is het gebod des Heeren ; ga naar den berg Thabor, en vergader daar tien duizend man ; ik zal omtrent de beek Ciron Sisaras, Jabin\'s veldoversten bij u doen komen met zijne strijdwagens en al zijn volk, en hem in uwe handen leveren. Barac trok op met 10,000 man en Debora met hem. Toen Sisaras dit vernam, vergaderde hij 9 honderd wagens met geheel zijn leger. Debora zeide : dit is de dag, op welken God Sisaras in uwe handen zal leveren; zie, hij gaat voor uw aan-gezigt opdagen. En op denzelfden tijd zond God eenen schrik onder al zijn strijdwagens en zijn volk voor het zwaard van Barac, zoo dat Sisaras van zijnen wagen sprong, en te voet vlugtte. Barac vervolgde de vlugtende wagens en het leger: het volk van Sisaras werd gedood, en er bleef niet één man over. Sisaras kwam vlugtende aan de tent van Jahel, die hem zeide van onbevreesd binnen te komen. Hij deed zulks, en verborg zich in hare tent, waar hij veilig meende te zijn, en sliep van vermoeidheid in. Jahel klonk nu zijn hoofd met eenen door de hersenen gedreven spijker, aan den grond. Kort hierop verscheen Barac, die hem achtervolgde; Jahel ging hem te gemoet, zeggende: zie, hier is de man dien gij zoekt. Hij trad binnen, en zag Sisaras dood ter aarde liggen. Op deze wijze vernederde God Jabin, den koning der Ammorrheërs. Debora en Barac hieven op dien dag een lied aan tot dankzegging over de bekomene zegepraal.

BEMERKING. Wanneer de Israëlieten goede regters en oversten hadden, werden ze van de ongeregtigheden, en de straffen die er op volgden, wederhouden; maar ■ als zij van die regters beroofd werden, gingen zij wederom in hunne ongeregtigheden en afgoderij voort. Welk geluk is het dan niet voor eene gemeente, voor oen klooster, of eene parochie, goede oversten te hebben, die door hun stichtend leven, hunnen arbeid, hunne verstervingen en gebeden, den zegen des hemels over hunne onderdanen trekken, en door wiens toezigt, vermaningen en berispingen de onderdanen van de zonde vederhoiiden en in de deugd gevoed worden ! ... Wat al goed

155

-ocr page 158-

156 Geschiedenis

kan een goede overste stieliten, wat al kwaad beletten! Maar wee hem, die door zijne onachtzaamheid, of door het zoeken van zijn gemak, hieraan ontbreekt; want, gelijk de H. ■Geest zegt, er zal eau allerdrengst oordeel gebeuren ocer degenen, die over anderen gezag voeren.

ITI. HOOrDDEEL.

Gadeoa wordt rcgtcr. Uij werpt liet altaar van Baal omver.

Jadicum. 6. 7. liet jaar der wereld 2759.

Na den dood van Dcbora bedreven de kinderen van Israël op nieuw gruweldaden voor Gods oogen, die hen zeven jaren lang aan de Madianieten overgaf. Zij werden door hen zeer verdrukt, en verborgen zich in de holen en spelonken der bergen en andere schuilplaatsen. Zij verzuchtteden dan tot den Heer, en deze zond hun eenen profeet. Daarna vertoonde zich de Engel Gods aan Gedeon, die bezig was met tarwe te dorschen, en zeide hem : God is met u, o dapper man ! Gedeon sprak hierop ; zoo God met ons is, waarom overkomt ons dan dit alles? Wij zijn van hem verlaten, en aan de magt van Madian overgeleverd!

God zeide: ga, verlos Israël uit Madian\'s magt, door de kracht, die in u is. Ik ben het, die u zend. Gedeon sprak : zal ik Israël verlossen? Mijne familie is de minste in aanzien onder die van Manasses, en ik ben de geringste mijns huis-gezins. God hervatte : ik zal met u zijn, en gij zult Madian als ons eenig man verslaan... Denzelfden nacht gebood God aan Gedeon: neem eenen van uws vaders stieren, en werp Baal\'s altaar omver, bouw daar een ander altaar voor uwen God, en offer dien stier tot eene offerande. Nadat Gedeon dit aldus met tien zijner knechten verrigt had, vielen de Madianieten in het land van Israël. De geest des Heeren daalde ook op Gedeon neder. Hij blies de bazuin, en riep het huis van Abiëzer bijeen. Hij zond boden uit door geheel den stam van Manasses die hem ook volgden, en nog andere afgevaardigden tot het geslacht van Azar, Zabulon en Nephtali, die hem te gemoet kwamen. En Gedeon zeide tot den Heer, indien het u behaagt Let volk van Israël door mijne hand te verlossen, zoo doo mij een teeken: zie, ik zal dat wollen vlies op den dorsch-vloer leggen. Bijaldien nu de dauw op het vlies alleen valt, en de aarde rondom droog blijft, dan zal mij dit bewijzen, dat gij Israël door mijne hand verlossen zult. l)it geschiedde zoo, en, vroeg opgestaan zijnde, wrong hij uit het vlies eene schelp vol dauw. Hij zeide wederom tot den Heer: dat uw toorn zich tegen mij niet ontsteke, indien ik nog een teeken in het vlies verzoeke. Laat, bid ik u, het vlies droog blij ven;

p

Ë

-ocr page 159-

van het Oude Testament.

maar dat de gelieele aarde daar rondom door den dauw vochtig zij. De Heer deed ook hetgene hij verzocht had. Het vlies was dien nacht alleen droog, en geheel de aarde, rondom hetzelve, zeer bedauwd. Nu rukte deze ook met zijne krijgsmagt op, om den vijand aan te tasten.

Maar Ood zeide hem; gij hebt ts veel volk; ik zal Madian in hunne handen niet leveren, opdat Israël niet zegge: door mijne kracht ben ik verlost. Doe onder het volk uitroepen: die onder u vervaard is, keere naar huis. Er trokken 22 duizend mannen naar huis, zoo dat er slechts 10 duizend van overbleven. God zeide alnog tot üedeon: uwe schaar is nog te talrijk, leid ze naar het water (om te drinken), daar zal ik hen beproeven; die het water met hunne tong zullen geslorpt hebben, zult gij aan eene zijde stellen: en die op gebogene knieën drinken, ziüt gij aan den anderen kant plaatsen. Het getal dergenen, die met de hand het water aan hunnen mond gebracht en geslorpt hadden, bedroeg 300 mannen. Al de anderen hadden met gebogen knieën gedronken. De Heer zeide nu tot Gedeon; met die 300 mannen, zal ik Madian in uwe handen leveren. Hij liet dan het overige volk naar hunne tenten gaan, en trok op met 300 mannen, om slag te leveren. Hij verdeelde die in drie benden, en gaf aan iederen krijgsman eene bazuin en een\' aarden pot, waarin eene brandende fakkel verborgen was. En hij zeide tot hen: doet hetgene gij mij ziet verrigten. Ik zal aan den eenen kant naar het leger dor Madianieten trokken, en als ik met mijne gezellen de bazuin zal steken, dan zult gij ook rondom het leger op de uwe blazen, en to zamen roepen: des Heeren en Gedeon\'s zwaard! Hierop naderde hij, des middernachts, met 100 mannen het uiterste des legers. Wanneer nu de voorposten des vijands ontwaakten, begonnen Gedeon\'s krijgsknechten op hunne bazuinen te blazen, sloegen de potten tegen elkander in stukken, zwaaiden de brandende fakkels met de linkerhand omhoog, en riepen: des Heeren en Gedeon\'s zwaard! 1) Geheel het leger van den vijand geraakte in wanorde, en zij namen roepende en huilende de vlugt. Doch de 300 mannen bleven allen op hunne bazuinen blazen. De Heer keerde, in het geheele leger der vijanden, hunne zwaarden tegen hen zeiven, zoo dat zij elkander ombragten. Velen vlugtteden tot Bethseda toe. De Israëlieten kwamen van alle kanten bijeen, en vervolgden de Madianieten, die nogtans wel 150,000 man in getal waren.

BEMERKING. Gelukkig is de mensch, die alle goed aan God, en niet aan zicli zei ven toeschrijft; want even als liet

1) Alsof zij slechts daar stonden, om hunne strijdende makkers aan te moedigen en te lichten.

157

-ocr page 160-

Geschiedenis

God is, die de Israëlieten op zulk eene onzigtbare wijze van de slavernij der Madianieten verlost heeft, zoo is het ook God, die den zondaar op eene onzigtbare wijze uit de slavernij van de zonde verlost, en den regtvaardige in zijne regtvaaardiglieid bewaart.

De 300 mannen, die God uit de 33,000 verkiest, zijn eene afbeelding van deze Evangelische waarheid; velen zijn er geroepen, maar weinigen uitverkoren. Wilt gij met die weinigen zalig worden, leef dan eerst wel met die weinigen. Te leven zoo als velen leven, of zoo als het grootste gedeelte leeft, is gezelschap zoeken, zegt de H. Augustinus, om met de groote menigte naar de hel te loopen.

IV. HOOFDDEEL.

Abimeleoh maakt zich koning. Hij vermoordt zijne 68 broeders. Judie. 9,

Gedeon had 7 0 zonen; want hij had vele huisvrouwen. Eene van zijne mindere vrouwen, met name Drama, baarde hein te Sichem eenen zoon, dien hij Abimelech noemde. Na Gedeon\'s dood vielen Israels kinderen God wederom af, en eerden Baal. Zij maakten zelfs een verbond met dien afgod, dat hij hun God zoude zijn. Abimelech trok op naar Sichem, en zeide tot allen, die zijn maagschap van de zijde zijner moeder waren; stelt aan de inwoners van Sichem deze vraag voor: wat is u beter, bestuurd te worden door 70 mannen, kinderen van Gedeon, of door eenen alleen? Herinnert u bovendien, dat ik uw bloedverwant ben. Zij gaven dit den Sichemieters te kennen, die tot Abimelech overvielen, en hem 70 ponden zilver uit den tempel van Baiil schonken, waarmede Abimelech eenige land-loopers huurde, die hem volgden. In zijns vaders huis komende, vermoordde hij op eenen steen (1) de zonen van Gedeon, zijne broeders, uitgenomen Jonatham, den jongston, die zich verborgen had. Hierop kwamen de Sichemieters bijeen, met al de huisgezinnen van de stad Mello en riepen Abimelech tot koning uit. Toen Janatham deze tijding gehoord had, stelde hij zich op den top van den berg Garizin, van waar hij luidop riep: hoort gij, burgers van Sichem! Hij stelde hun voorts in eene gelijkenis voor, hoe de boomen van het woud, willende eenen koning kiezen, eerst den olijfboom, dan den vijgenboom, en eindelijk den wijngaard daartoe aanzochten, die dit eenparig afsloegen; maar dat de doornstruik, daartoe aangezocht zijnde, dit stoutmoedig aannam. Daarna bad hij, dat God het ongelijk (aan Gedeon gedaan) wilde wreken en toelaten, indien hij deze

1) Dat is de altaarsteen, dien hij aan Baal had opgerigt op dezelfde plaats, alwaar zijn vader Gedeon het altaar van Baal had vernield.

158

-ocr page 161-

van hut Oude Testament.

keu3 van Abimelech als onregtvaardig afkeurde, dat uit ALimelecli een vuur zoude opgaan lietwelk de Sichemieters verslinden zoude, en daarna een vuur uit Sichem, hetgeen Abiraelecli zoude verdelgen. En dit gebeurde alzoo; want drie jaren daarna begonnen de Sichemieters hem te verachten, en hem zijne moorden te verwijten. Doch als zij nu door de hulp van Gaal zijn juk meenden af te werpen, vielen zij veel te-zwak tegen Abimelech, die hen overwon. Hij bestormde voorts de stad Sichem gedurende eenen ganschen dag, nam die vervolgens in, doodde al de inwoners, verdelgde de stad, en bezaaide dezelve met zout.

Abimelech trok van daar naar Thebes, welke stad hij met zijn volk belegerde en veroverde. In het midden der stad stond een hoogen toren, waarop de mannen, vrouwen en de oversten der stad gevlugt waren; zij hadden de deur wel gesloten, en zich op de borstwering van het dak gesteld. Toen Abimelech den toren genaderd was, bestormde hij denzelven, en wilde vervolgens, als hij aan de deur was genaderd, die in brand steken. Maar eene vrouw wierp van boven een stuk van eenen molensteen op het hoofd van Abimelech, en verplette hem de hersenpan. Dadelijk riep hij zijnen schildknaap en zeide tot hem: trek uw zwaard uit, en dood mij; opdat men niet zegge, dat eene vrouw mij omhals heeft gebragt. De schildknaap deed hetgene hem bevolen was en benam hem het leven. Aldus strafte God het kwaad, hetwelk Abimelech tegen zijnen vader bedreven had, met zijne broeders te vermoorden, en zich het gebied aan te matigen.

BEMERKING. Abimelech was slechts door overweldiging regter over Israël, en wij zien in hem wat de eerzucht al uitwerkt. Wee hem, die gedurig hooge ambten bejaagt! De ootmoedige geniet den vrede van zijn hart, en hoe ootmoediger men is, des te meerderen vrede men geijiet; maar de hoovaardige en eerzuchtige is vol onrust en kommer; en hoe hoovaardiger hij is, des te grooter zijne ontsteltenis is. Wordt hij verkleind, dan barst hij van spijt; een hoovaardig hart is dan zich zelf zijne eigene straf: God icederüaat de Itoovaardigen, zegt de heilige Geest zoo menigwerf, en den ootmoedigen geeft hij genade. Hij heeft de magtigen van den troon afgezet, zegt de heilige Maagd in haren lofzang, en de ootmoedigen heeft hij verheven. Moest dit niet genoeg zijn, om ons ootmoedig ta maken ?

159

-ocr page 162-

Gesel liedenh

V. HOOFDDEEL.

Jephte wordt regter over Israël. Hij overwint de Aramonieten.

Zijne belofte. Judic. 10. 11.

Na Aljimelech werd Tliola regter over Israël, en bestuurde hen 33 jaren; na hem volgde Jaïr, die 22 jaren dit ambt bekleedde. Na defen kwam Jeplite, een dapper man, doch de zoon eener onwettige wouw. Galaild, zijn vader, had bij zijne wettige huisvrouw ook andere zonen verwekt; deze, groot geworden zijnde, verdreven Jeplite, en zeiden: gij kunt geen erfgenaam in het huis van onzen vader, zijn, omdat gij uit eene onechte vrouw zijt geboren. Jephte, aldus verstooten, verliet hen en ging in het land van Top wonen, alwaar hem eenige land-stroopers als hunnen vorst volgden. Ten dien tijde voerden de Ammonieten oorlog tegen Israël, en terwijl zij op hen hevig aanvielen, gingen de oversten van Galaad tot Jephte, en zeiden : kom, onzen veldoverste zijn om tegen de Ammonieten te strijden. Jephte trok, na eenige verwijtingen over hun slecht onthaal, niettemin op, en al het volk nam hem voor hunnen veldoverste. Nadat nu Jephte al zijne zaken aan den Heer te Maspha bevolen had, zond hij gezanten tot den koning der Ammonieten, om hem door vele redenen tot vrede te bewegen. Maar de koning wilde er niet naar luisteren. Nu daalde de geest des Heeren over Jephte. Deze nam zijnen togt langs Galaad om, en trok van daar tot Amnion\'s kinderen. Hij deed ook eene belofte aan den Heer, en zeide: indien gij de Ammonieten in mijne handen levert, zal ik al wie eerst uit mijn huis mij te gemoet zal komen, ü ten offer opdragen. Vervolgens trok Jephte tegen de Ammonieten op, en versloeg hen. Als hij nu zegenvierende wederkeerde, kwam hom zijne dochter, zijn eenig kind, omtrent zijn huis met hare gezellin dansende en op handtrommelen slaande te gemoet. Zoohaast hij zijne dochter zag, scheurde hij zijne kleederen, en zeide: ach, gij hebt mij bedrogen, mijn kind, en gij zijt ook bedrogen, want ik heb den Heer eene belofte gedaan, en zal die moeten volbrengen. Zij antwoordde: vader, hebt gij den Heer eene belofte gedaan, handel dan met mij naar uwe belofte, dewijl gij de zegepraal op uwe vijanden behaald hebt. Ik vraag u alleenlijk, dat gij mij toelaat den tijd van twee maanden met mijne gezellinnen mijne maagdelijkheid op de bergen te beweenen. De bedroefde vader hernam: ga in vrede. En zij betreurde haren maagdelijken staat op de bergen. (1) Als de twee maanden voorbij waren, kwam zij tot

1) quot;Want geene kinderen achter te laten, werd in die tijden tot sclianda gerekend.

160

-ocr page 163-

van liet Oude Testament.

haren vader, die zijne belofte vervulde en haar aan den eclite-loozen staat wijdde. Waarschijnlijk haar eerst onthalzende, en haar dan ter eere van God verbrandende. Doch zvlht belofte en hare voltrekking zonde ongeoorloofd zijn, wanneer die zonder het ingeven van God geschiedde.

BEMERKINGr. Eene ligtvaardige belofte is dikwerf de oorsprong van zwaar en langdurig hartewee. Velen beelden zich in, dat die eerste ijver immer zal duren, maar vinden zich daarna bedrogen. Doe geene belofte, tenzij met den raad en met het verlof van eenen voorzigtigen biechtvader of anderen geestelijken persoon, opdat gij het daarna niet beklaget.

VI. HOOEDDEEL.

De geboorte van Samson door den Engel voorzegd. Hij treedt in het huwelijk. Hij verscheurt eenen leeuw. Judioum. 13. 14.

Gedurende zes jaren was Jephte regter over Israël geweest. Na hem volgde Abesan, die 30 zonen en 80 dochters had, en ten tijde van 7 jaren het regtersambt bekleedde. Ahialon volgde Abesan op, en was 10 jaren regter. Na Ahialon was Abdom regter. Deze had 40 zonen en 30 zoons-zonen, die op 70 jonge ezeltjes reden; hij vervulde 8 jaren dit ambt. De kinderen van Israël, die na den dood van hunne regters telkens God afvielen, en ook telkens van hem gestraft werden, hadden,. na den dood van Abdom, om hunne zonden, nu 40 jaren lang onder de Philistijnen gezucht, wanneer de Heer zich eindelijk liet bewegen, en hun Samson tot rechter gaf. Daar zijne moeder onvruchtbaar was, verscheen haar een Engel, eu zeide ; gij zult vruchtbaar worden, en eenen zoon baren. Wacht u dan van wijn of anderen sterken drank te drinken, of iets onreins te eten, dewijl gij eenen zoon zult ontvangen en baren, wiens hoofd met geen scheermes mag aangeroerd worden; want van zijne kindsche dagen af, zal hij als een Nazareër Gode toegewijd zijn, en hij is het, die Israël uit de magt der Philistijnen zal beginnen te verlossen. Die vrouw zeide tot haren man: er is een man Gods tot mij gekomen, met een engelachtig gelaat en bovenmate ontzaggelijk, die tot mij zeide: zie, gij zult ontvangen en eenen zoon baren. Zij bragt dan eenen zoon ter wereld, en noemde hem Samson. Het kind groeide gunstig op, werd van God gezegend, en de geest des Heeren begon met hem te zijn. Nadat Samson eenen man geworden was, zag hij eens eene Philistijnsche dochter in do stad ïliamnata, en zeide tot zijne ouders: ik heb eene vrouwspersoon onder de Philistijnsche dochters gezien, die mij behaagt;

11

1611

-ocr page 164-

162 Geachkdeuia

■ik bid u, neem mij die tot eene huisvrouw. Zijne ouders antwoordden; is er dan geene vrouw onder de dochters van uwe broeders, of onder uw volk, dat gij eene huisvrouw uit de Philistijnen, die onbesneden zijn, wilt nemen? Samson hernam: neem ze mij toch, want zij behaagt mij. Maar zijne ouders wisten niet, dat dit van den Heer kwam, die Samson hierin bestuurde, en dat hun zoon hierdoor gelegenheid zou vinden, om de Philistijnen, die toen Israël verdrukten, te bestrijden. Hij trok dan met zijne ouders naar Thamnata, en gekomen zijnde aan de stadswijngaarden, kwam Samson (die ten weinig van dm weg wem afgeweken) eenen jongen brullenden leeuw te gemoet. Nu kwam de geest des Heeren in hem; hij verscheurde den leeuw, zonder iets in zijne handen te hebben, alsof hij eenen bok in stukken getrokken had; doch hij wilde dit aan zijne ouders niet verhalen. Als hij te Thamnata was aangekomen, legde hij een bezoek af bij de vrouw, die hem behaagde. En na eenige dagen weder derwaarts gaande om haar te huwen, ging hij ter zijde af, om het doode ligchaam van den leeuw te zien, en hij vond in den muil van denzelven eenen bijenzwerm met honigraten; hij nam die honigraten en at er van; te huis gekomen, gaf hij er ook van te eten aan zijne ouders, zonder hua iets te zeggen. Als Samson\'s vader naderhand tot de vrouw gekomen was, rigtte hij daar voor zijnen zoon eene bruiloft op, die zeven dagen duurde. De burgers van die plaats gaven Samson 30 speelgezellen. Hij zeide tot deze: ik zal u een raadsel voorstellen, en indien gij dit binnen de zeven dagen dezer bruiloft kunt raden, zal ik u dertig fijne linnen hemden geven en zoo veel bovenkleederen. Maar indien gij het niet kunt raden, zult gij mij dertig hemden en zoo vele bovenkleederen geven. Zij zeiden : geef uw raadsel op. Hij zeide: de eter heeft eten voortgebragt, en uit den sterke is zoetheid voortgekomen. Er waren al drie dagen voorbij geloopen, en \'ij konden het raadsel niet oplossen. Zij zeiden dan tot de vrouw van Samson: vlei uwen man, en maak dat hij u hat raadsel verklare, of anderszins zullen wij u en uws vade?s huis in brand steken. De vrouw weende dan bij Samson en viel hem zeer moeijelijk. Nadat zij zeven dagen geweend en hem zeer lastig had gevallen, legde hij het haar uit, die het spoedig aan hare stadgenooten ging zeggen. Zij zeiden hem dan den zevenden dag: wat is er zoeter dan honig, en wat is er sterker dan de leeuw? Nu kwam de geest des Heeren over Hem. Hij trok naar Ascalon (alwaar de Philistijnen. woonden), versloeg daar dertig mannen, nam hunne kleederen, en gaf ze aan hen, die het raadsel hadden opgelost. Zeer gestoord, trok bij voorts weg naar zijns vaders huis; Samsou\'s

-ocr page 165-

van het Oude Tedammt.

echtgenoote trad, door dit vertrek, in eckt met een\' dioi gezellen.

Als Samson eenlge tijd daarna zijne vrouw wilde gana bezoeken, zeide haar vader tot hem, toen hij in huis wildo treden: het scheen mij toe, dat gij van mijne dochter gansch niet hieldt, en daarom heb ik haar aan uwen medegezel ge-géven. Maar zij heeft eene zuster, die jonger en bevalliger is dan zij, neem die in hare plaats ten echt. Samson zeide: het zal nu mijne schuld niet zjjn, dat ik tegen de Philistijnen vijandig ben, want ik zal hun kwaad berokkenen. Hij trok dan henen; en na drie honderd vossen gevangen te hebben, bond hij die twee en twee met de staarten aaneen, met eene fakkel in het midden derzei ve. Hij ontstak de fakkels, en liet alzoo de vossen her- en derwaarts in de korenvelden dor Philistijnen loopen, welke daardoor in brand geraakten, zoowel de garven als het staande koren; ook de vlam verslond de wijngaarden en olijfboomen. Toen de Philistijnen hoorden, dat Samson dit gedaan had, omdat zijn schoonvader zijne dochter aan eenen anderen man had gegeven, verbrandden zij de vrouw, benevens haren vader. Doch Samson zeide: al hebt gij dit gedaan, zal ik echter nog eens wraak over u nemen. Hij rigtte dan zoo groot onheil onder hen aan, dat zij verbaasd stonden. Hij vertrok vervolgens van daar en verschool zich in de spelonk van de rots Etam.

De Philistijnen vergaderde thans een leger om hem te vangen, en vielen in het land van Juda. Die van Juda vraagden: waarom zijt gij tegen ons opgetrokken? Zij antwoordden: om Samson te binden en om hem te behandelen gelijk hij oils behandeld heeft. Dus gingen er drie duizend mannen van Juda tot deze spelonk, en zeiden tot Samson: weet gij niet, dat de Philistijnen onze meesters zijn? Waarom hebt gij zulks gedaan? Wij komen u binden, en in de handen der Philistijnen leveren. Zij bonden hem dan met twee nieuwe koordén, en bragten hem uit de rots Etam. De Philistijnen kwamen hem scheeuwend te geraoet. Maar de geest des Heeron kwam in hem, en de banden sprongen aan stukken, gelijk garendraden, die door het vuur verbrand worden. Hij nam dan een ezelskaaksbeen, hetwelk hij daar. vond, en versloe^ daarmede duizend man. Hierop kreeg hij grooten dorst, eu smeekte God: Gij hebt door de hand van uwen dienaar de~o groote overwinning gegeven; zal ik nu van dorst moet u sterven, en in de handen der onbesnedenen vallen? God opende alsdan eenen baktand in het ezels-kaaksbeen, en er ontsproot water uit. Nadat hij gedronken had, werd zijn geest verkwikt, en zijne krachten werden hersteld.

-ocr page 166-

Geschiedenis

BEMERKING. De H. Grogorius ziet liier in de persoon van Samson eene afbeelding van Christus, die ongewapend en door een kracliteloos en smadelijk hout de vijanden van het heilig Evangelie overwonnen heeft, gelijk Samson met een ezelskaaksbeen de Philistijnen versloeg. Hij verkiest een klein getal arme visschers, die de wereld bekeeren, koningen en keizers veranderen, enz., niet door wereldsche magt, wijsheid of welsprekendheid, maar door lijden, geduld, gebeden, en door de kracht van den heiligen Geest. Op deze wijze worden die waarheden nog dagelijks geleerd en aangenomen. Beda zegt: hoezeer de heilige Kerk ook verspreid en talrijk geworden is, wil God echter, dat zij tot het einde toe aangroeije, en tot het beloofde loon home door de ootmoedigheid, nederige zaken en verdrukkingen. Doe ons, o Heer! die geheimenis wel verstaan,

VII. HOOFDDEEL.

Samson neemt de poorten van Gaza op. Hij wordt gevangen, de oogen nitge^token en sterft. Judic. 17. — Het jaar der wereld 2880, voor Christus 1124,

Toen de Philistijnen vernomen hadden, dat Samson binnen hunne stad Gaza gekomen was, stelden zij wacht aan de stadspoorten, om hem daarin te sluiten. Zij hielden zich den gelieelen nacht stil, om hem \'s morgens, als hij zoude uitgaan, om het leven te brengen. Maar Samson stond tegen middernacht op (daar hij het gevaar vernam), nam de twee deuren der stadspoorten met de stijlen en grendels op zijne schouderen, en droeg ze op den top van den berg, die tegenover Hebron ligt.

Samson beminde vervolgens eene vrouw, met name Dalila. Zoodra de oversten der Philistijnen dit wisten, kwamen zij tot haar, zeggende: streel hem en tracht van hem te weten, hoe hij eene zoo groote sterkte heeft, en op welke wijze wij hem kunnen overwinnen, binden en plagen. Indien gij dat doet, zullen wij u elf honderd zilverlingen geven. Dalila smeekte dan streelend Samson, en sprak: zeg mij toch, waarin uwe overgroote sterkte gelegen is, en waarmede nier. u zoude kunnen binden, zonder dat gij het zoudt ontkomen ? Samson zeide spottende tot haar: indien ik gebonden werd met zeven versche, nog nat zijnde wissen, zoude ik even zwak zijn als andere menschen. De oversten der Philistijnen bragten haar zeven wissen, waarmede zij hem bond. Eenige bespieders waren in huis verborgen, en loerden op den afloop der proef. Thans riep Dalila: Samson, de Philistijnen komsn op u 1 Nu brak hij de wissen zoo ligt als men eenen draad grof vlas breekt, die het vuur maar riekt. Dalila klaagde waarom hij haar bedroog. Hij zeide vervolgens, dat hij zijne sterkte zouda

164

-ocr page 167-

van het Oude Testament. 165

verliezen, indien men liem met zeven nieuwe koorden bond. Zij deed zulks, en op haar geschreeuw; de Philistijnen komen! brak hij die als spinnewebben. Toen hij daarna op nieuw door haar lastig gevallen werd om het geheim zijner sterkte te weten, zoide hij, dat hij zou onsterk worden, als men zijne zeven haarlokken met eenen pin aan den grond zoude vastmaken. Zij deed dit ook, en roepende als vuren, trok hij die uit als een niet. Ualila, nu driemaal bedrogen, hield aan, en viel hem vele dagen zeer laslig, zoo dat hij verdrietig werd tot stervens toe. Dan zeide hij : nooit is er een scheermes over mijn hoofd gegaan, omdat ik Nazareër bon, dat is. God toegewijd van mijne kindschheid af. Indien ik mijn haar liet scheren, zoude mijne sterkte mij terstond verlaten. Dalila liet dan aan de oversten der Philistijnen zeggen: komt nog eens, w^nt nu heeft hij mij zijn hart geopend. Zij deed hem dan met het hoofd op haren schoot inslapen, en ontbood voorts eenen scheerder, die zijne zeven haarlokken (waarin zijn haar verdeeld was) afschoor; waarna zij hem van haar wegstiet, Dewijl nu de sterkte van hem gegaan was, vingen hem de Philistijnen en staken hem aanstonds de oogen uit; en hem in ketenen geklonken naar Gaza gebracht hebbende, deden zij hem in de gevangenis den rosmolen draaijen. Middelerwijl begon zijn haar en zijne magt wederom te groeijen. Toen uu de Philistijnen op zekeren dag gekomen waren, om hunne vreugd te betoonen, omdat zij Samson gevangen hadden, deden zij hem daar ook komen, om voor hen te spelen. Hij zeide da* tot den tuchtknaap die hem leidde: breng mij naaide pilaren, waarop geheel het gebouw rust, opdat ik daartegen moge leunen en wat rusten. Dit huis was opgepropt van mannen en vrouwen. Ook niet één van de vorsten der Philistijnen was te huis gebleven. Omtrent drie duizend menschen van beiderlei geslacht hingen over het dak of in de gaanderijen van dit gebouw. Samson aanriep den Heer, en die pilaren vattende, riep hij; laat mij met de Philistijnen sterven! en hij schokt# die met zulk geweld tegen elkander, dat het huis instortte op de vorsten, en op al het volk, hetwelk er binnen was. Op deze wijze verdelgde Samson, in het sterven, veel meer vijanden, dan hij er immer, gedurende zijn leven, gedood had. Hij stierf aldus nadat hij twintig jaren regter, en twee jaren onder het juk der Philistijnen was geweest.

BEMERKING. Samson, onverwinnelijk voor zijne vijanden, wordt schandelijk overwonnen door het bedrog en het vleijen eener vrouw. Hoe vele aanzienlijke personen zijn er, na Samson, door de vrouwen gevallen? Is dit niet genoeg, om alle manspersonen al te groote gemeenzaamheid met eene vrouw te doen

-ocr page 168-

Geschiedeui»

vlugten? Samson verliest zijn haar, en wordt de oogen uitge-etoken. De zondaar verliest, door eene doodzonde, al zijne deugden, de keillginakende genade, bet licht zijner oogen, de vriendschap Gods, en het regt tot den hemel. Doch door eene opregte bekeering krijgt hij, door de oneindige barmhartig-lisid des Hoeren, alles weder, even als Sainson zijne sterkte genadig herkreeg. Doe ons, o Heer! door deze gedachte de zonde moer dun alle kwaad vreezen en vlugten.

VIII. HOOFDDEEL.

De vrouw van eenen Leviet onteerd, en haar ligohaam in twaalf Ueclen verdeeld. Judic. 19.

Zekere Leviet, aan den kant van het gebergte Ephraïm wonende, nam eene huisvrouw van Bethlehem-Juda, welke, om cenig misnoegen, van hem scheidde, en naar huis terug keerde. De Leviet volgde haar na 4 maanden, en wilde zich met haar verzoenen. Zij ontving hem dan, en bragt hem in het huis van haren vader. De schoonvader omhelsde hem, hield hem bij zich, en ging gansch vriendelijk met hem om; hij praamde hem om daar te blijven, maar hij wilde niet. Hij ging dan henen en vervorderde zijne reis, tot zonnenondergang, bij Gabaa in het geslacht van Benjamin. In die stad gekomen zijnde, bleven zij op de straat, omdat hen niemand in huis wilde nemen. (1) Doch zékere man, die van zijnen veldarbeid terug kwam, zag de reizigers met reisgetuig op de straat zitten, en leidde hen in zijn huis. Hij gaf voeder aan hunne twee ezels, en na hunne voeten gewasschen te hebben, deed hij hen aan tafel zitten. Gedurende den maaltijd, kwamen de mannen van de stad, die groote booswichten waren, omringden het huis, klopten op de deur, en riepen: breng den man buiten, die in huis gekomen is opdat wij met hen naar ons welgevallen handelen. De grijsaard ging tot hen uit, en zeide: wacht u, o broeders! wacht u van hom te mishandelen, en alzoo te zondigen. Maar zij wilden naar hem niet luisteren. De Leviet, dit ziende bragt zelf zijne vrouw tot hen buiten, en leverde haar over. De booswichten behandelden die ongelukkige vrouw op eene afschuwelijke wijze, en lieten haar \'s morgens naar haren man wederkeeren.

De vrouw kwam aan het huis, waar haar echtgenoot vernachtte, en viel daar neder met de handen op den dorpel. Haar man die vroegtijdig was opgestaan, opende de deur om zijne reis te vervorderen, en zag zijne vrouw voor de deur liggen. Hij meende in het eerst dat zij sliep, en zeide: sta op, en laat ons voortreizen. Doch ziende dat zij dood was, nam hij haar op zijnen ezel, en reisde voort.

1) Men vond alsdan geene gemeene herbergen.

166

-ocr page 169-

van hat Oude Testament.

Te huis gekomen zijnde, hakte liij het lijk zijner vrouw in twaalf deelen, en zond die tot al de geslachten van Israël, tot elk geslacht een deel. Als deze dit gezien hadden, riepen zij met luider stem : nooit is er zulks in Israël goscliied ! Strijkt dan vonnis en geeft een besluit, wat men hierover behoort te doen.

BEMERKING. Deze Leviet gaf zijne vrouw aan die mannei» over, om een grooter kwaad te beletten, en handelde hierir zeer slecht; want indien het ongeoorloofd is kwaad te doen, opdat er goed van kome, zoo is het nog meer ongeoorloofd kwaad te doen, opdat er geen ander kwaad geschiede.

Het ongelijk, aan het huwelijk gedaan, gaat hier gestraft worden door al de geslachten, die Gods gramschap op zich vreesden te trekken, indien zij zulk. eene gruwelijke misdaad ongestraft hadden gelaten. In dit voorbeeld moeten wij leeren, welke gruwelijke zonde de onkuischheid voor Gods oogen is, voornamelijk die tegen de huwelijkstrouw geschiedt.

IX. HOOFDDEEL.

De Israëlieten spannen te zamen, om die van Gabaa te straffen.

De Benjamieten staan die van Gabaa voor, en worden verslagen. Judic. 20. 21.

Toen al de Israëlieten, ten getalle van 400,000 man, te Maspha vergaderd waren, alsof zij allen maar een mensch waren geweest, werd de Leviet ondervraagd, hoe deze zoo groote boosheid bedreven was. Na alles gehoord te hebben, stond het volk op, en sprak als uit eenen mond: niemand van ons zal in zijne tent gaan, of huiswaarts keeren, maar wij zullen die van Gabaa volgens verdienste beloonen. Zij zonden vervolgens gezanten door geheel het geslacht van Benjamin, om hun te zeggen: hoe is zoo groote boosheid onder u geschied? Levert ons de mannen van Gabaii, die deze vèrfoei-jelijke daad bedreven hebben, opdat zij sterven, en dat zulk eene euveldaad uit Israël weggenomen worde. Doch zij wilden naar hunne broeders niet hooren, maar kwamen uit al de steden van hun geslacht te zamen naar die .van Gabaa om hen te helpen. Uit de steden van Benjamin kwamen 25 duizend strijdbare mannen, behalve die van Gabaa, die zeven honderd mannen uitmaakten, welke regts en links waren, en met slingers zoo juist konden werpen, dat zij, zonder missen, een hoofdhaar konden raken. Nadat de Israëlieten te Silo aan God raad gevraagd hadden, en nadat hun voornemen goedgekeurd was, trokken zij op, en begonnen Gabaa te bestormen. Doch de Benjamieten vielen uit Gabaa, en ver-

167

-ocr page 170-

Geschiedenis

sloegen 23 duizend mannen. De Israëlieten herstelden zich wederom in dezelfde plaats, zoo nogtans, dat zij eerst tot den Heer gingen, tot den nacht toe weenden, en vroegen : moeten wij tegen de Benjamieten, onze broeders, nog ten strijde gaan? De Heer zeide: trekt tegen hen op om de stad te bestormen. Toen zij dan des anderendaags tegen de Benjamieten ten strijde trokken, kwamen deze uit de poort van Gabaa met zulkdanige stoutmoedigheid en gedniisch, dat zij nog 18 duizend man op het slagtveld deden sneuvelen. Derhalve begaven de Israëlieten zich weder tot den Heer. Zij weenden, vasteden ook dien dag tot \'s avonds toe, offerden God branden dankoffers, en vroegen: moeten wij nog tap strijde trekken tegen de Benjamieten, onze broeders? De Heer zeide: trekt op, want morgen zal ik hen in uwe handen leveren.

Een groot gedeelte der Israëlieten legde zich in hinderlagen rondom de stad Gabaii, en trokken voor de derde maal ten strijde. Stoutmoedig vielen de Benjamieten uit de stad, en joegen hunne vijanden verre achterna, die veinsden te vlugten, om hen van de stad te trekken. En toen zij verre genoeg uitgelokt waren, rigtten zich de Israëlieten in hunne schuilplaatsen op, en God versloeg van de Benjamieten, voor Israël, 35 duizend en honderd strijdbare mannen. Zij trokken voorts de stad binnen, bragten alles door het zwaard om en staken Gabaii, alsook de steden en dorpen van de Beiijmuieten, in brand. Uit dezen slag ontkwame niet meer dan zes honderd Benjamieten, die in de woestijn gevlugt waren, en zich in de steenrots van Kemmon vier maanden lang verscholen.

De Israëlieten, echter, werden met droefheid bevangen over de uitroeijing van een geheel geslacht en riepen weenend en luid klagende; o Heer, God van Israël! waarom is zulk een groot ongeval aan uw volk overkomen, dat heden een stam van Israël van ons is weggenomen?... Daar de Israëlieten gezworen hadden, dat zij aan de Benjamieten hunne dochters niet ten huwelijk zouden geven, versloegen zij de inwoners van Galaad, omdat zij tot dezen krijg niet gekomen waren. Doch zij spaarden de maagden, die vier honderd in getal waren, en gaven die aan de overgeblevene Benjamieten; en aan de andere twee honderd hielden zij een ander middel voor, om vrouwen te bekomen.

BEMEEKING. Nooit scheen er eene zaak zoo regtvaardig als de oorlog van elf geslachten tegen die van Benjamin, dewijl hij geschiedde om eene zoo verfoeijelijke misdaad te straffen, en dat zij eerst gebeden, den Heer te rade gegaan, ea den Benjamieten alle vereischte beleefdheid betoond hadden. Niettemin werden zij tot tweemaal toe verdagen. Dit was daarom, ten 1. omdat zij meer betrouwen hadden op hunne

168

-ocr page 171-

mn het Oude Testament.

sterkte dan op God. Ten 2. omdat zij God vergramden in dezen hunnen ijver, daar zij meer wilden wraak nemen over tet ongelijk, hetwelk er aan den Leviet was wedervaren, dan over hetgene er geschied was aan God.

De H. Gregorius zegt, dat God hierdoor heeft willen toonen, hoe zuiver diegenen moeten zijn, die ondernemen de fouten van een ander te straffen. Het is een valsche ijver, anderen te willen berispen en zelf berispelijker te zijn, dan diegenen, welke men berispt. Dikwijls is ook de wijze, op welke men berispt, berispenswaardiger, dan de fout zelve, die in een ander moet berispt worden.

HET BOEK RUTH.

De geschiedenis dezer godvruchtige vrouwen vertoont ons de geboorte van eenen zoon, die Booz bij Ruth verwekte, met name Obed, den grootvader van David, van wiens nakomelingen de Heiland, Christus, onze Zaligmaker, voortgekomen is volgens het vleesch. Dit hoek behelst slechts vier Hoofddeelen, en is veeleer een bijvoegsel van de geschiedenis der regters, dm een bijzonder boek. Ook is deze geschiedenis tusschen eenen der regters te plaatsen, welligt tusschen Sagmar en Debora.

I. HOOFDDEEL.

Noëmi, met Elimelech, haren man, en hare twee zonen, trekt naar het land Tan Moab, om de sohaarschheid der levensmiddelen.

Elimelech sterft. De zonen trouwen. Hun dood. Noëml keert weder. Kuth. 1. 2. — Omtrent het jaar der ■wereld 2708, voor Jesus Christus 1298.

Ten tijde der regters ontstond er eene sohaarschheid in het land. Zeker man, met name Elimelech, van Bethlehem-Juda, ging naar het land Moab, met zijne huisvrouw Noëmi en twee zonen. Aldaar aangekomen zijnde,\' stierf Elimelech. De twee zonen huwden met Moabitische dochters, van welke de eene Orpha, en de andere Ruth genoemd werd. Na aldaar tien jaren gewoond te hebben, stierven de beide zonen. Noëmi bleef dus over zonder zonen en man, en toen zij hoorde, dat God zijne oogen op het volk geslagen had, om hun voedsel te bezorgen, ging zij met hare twee schoondochters henen. Op weg zijnde, om naar het land van Juda weder te keeren, zoide zij tot haar: ga toch elk wederom tot het huis uwer moeder, en dat God u barmhartigheid bewijze, gelijk gij mij en mijnen overledenen bloedverwanten barmhartigheid bewezen hebt. God verleene u rust, elk in het huis van den man, dien gij zult trouwen. Doch zij begonnen luide te weenen.

169

-ocr page 172-

Geschiedenis

■en te zeggen ; wij willen met u tot uw volk gaan. Noëmi hervatte : keert tocli weder, lieve dochters (gij kunt van mij niets vertcaclden), keert weder, bid ik u : want uw druk en kommer valt mij zwaarder dan u. Docli het is de hand Gods ■die over mij gekomen is. Orpha nam dan afscheid van hare schoonmoeder, omhelsde haar en ging heen; Ruth echter bleef bij haar. Noëmi zeide dan: ga ook met haar. Deze antwoordde: kwel mij niet, om u te verlaten en weg te gaan; want waar ■gij gaat, ga ik ook, en waar gij woont, daar zal ik ook wonen; uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. In •het land, waar gij zult sterven, en waar men u begraaft, daar wil ik .ook begraven worden. God straffe mij indien er iets anders dan de dood mij van u scheide. Noëmi ziende dat Euth een vast opzet had om met haar te gaan, berustte dan ■eindelijk in dit voorstel, en zij trokken te zamen voort naar JBothleliom.

Zoo haast zij in de stad waren, werd die tijding overal ■verspreid, en de vrouwen van Bethlehem zeide : ziet, Noëmi is daar! Deze zeide haar: noemt mij niet meer Noëmi, {dut is vermaalt) maar noemt mij Mara (dat is bitterheid); want de ■alinagtige God heeft mij veel bitterheid overgezonden. Ik ging vervuld van hier, en ijdel heeft mij Gpd wedergebragt: wat wilt gij mij Noëmi noemen, daar God mij vernederd heeft? Het was juist in den oogsttijd, toen zij te Bethlehem kwamen.

Ruth zeide tot hare schoonmoeder: Indien het u belieft, zal ik op het veld gaan, om de aren te lezen, die de maai-jers achter zich laten. Zij ging dan heen, en verzamelde de korenaren achter de maaijers. De akker hoorde toe aan Booz, die Elimelechs maagschap was. En zie, Booz kwam juist op ■dien tijd van Bethlehem, en zeide tot de maaijers : God zij met u! Zij antwoordden: God zegene u! Daarna vroeg hij aan den knecht, die over de maaijers gesteld was: wat is lt;lat voor eene vrouw, die daar aren leest? Deze zeide: het is eene Moabitische vrouw, die met Noëmi uit het land van Moab gekomen is. Zij heeft mij gevraagd, of zij de korenaren mogt rapen; en van \'s morgens af is zij op den akker, zonder een oogenblik naar huis te keeren. Dan sprak Booz tot Euth: hoor, dochter, ga niet op andere akkers om aren te lezen, noch vertrek van deze plaats, maar voeg u bij mijne dienstmaagden; volg de maaijers overal, waar zij maai-jen; want ik heb mijn volk last gegeven, dat niemand u zoude hinderen. Indien gij dorst hebt, ga naar de vatan, en drink waar de knechten van drinken. Ruth boog zich, en zeide tot hem: van waar komt mij dit geluk, dat ik in uwe oogen gunst gevonden heb, en gij u gewaardigt mij

-ocr page 173-

van het Oude Tedameut.

te kennen, daar ik eene uitlandsolie vrouw ben? Booz zeide : mij is geboodschapt al lietgene gij na den dood van uwen man aan uwe schoonmoeder gedaan hebt; en dat gij uwe ouders en uw geboorteland hebt verlaten, om onder een volk te komen, van hetwelk gij te voren geen kennis hadt. Dat God u nu naar uwe werken vergelde, en dat gij eene volle loon ontvanget van den Heer en God van Israël, tot wien gij uwe toevlugt genomen hebt, en onder wiens vleugelen gij zijt komen rusten. — Hij voegde er bij: als het tijd is, het middagmaal te nuttigen, kom dan met ons eten, en doop uw brood in den azijn. Zij at dan van eene gerstenpap, en bewaarde nog iets voor hare moeder. Als zij nu opstond om aren te verzamelen, gebood Booz aan zijne knechten: werpt met opzigt van uwe schoven wat ter zijde, en laat het liggen, opdat zij het oprape zonder beschaamd te worden. Zij zamelde de aren tot den avond toe : en wanneer zij het had uitgedorscht, vond zij omtrent eene (ephi), drie maten gerst. Zij keerde met dit graan naar de stad, verhaalde aan hare schoonmoeder, waar zij geraapt had, dat de man Booz genoemd werd, en wat haar was voorgevallen. Nocmi zeide: God wille hem zegenen. Zij zeide ■ook: die man is van ons maagschap. Hij heeft ook, zeide Buth, mij geboden, dat ik bij de maaijers zoude blijven, tot dat al het graan zal gemaaid zijn.

BEMERKING. Zie, hoe milddadig God de liefde tot de ouders, ook in dit leven, loont, bijzonderlijk als die tot hoogen ouderdom, tot armoede en ellende gekomen zijn. Ruth verlaat haar maagschap en haar vaderland, om hare schoonmoeder te volgen, die na den dood van haren man en hare zonen, in diepen druk en smart naar haar vaderland terug keerde. Maar God liet deze getrouwheid niet onbeloond. Hij bezorgt haar, door zijne voorzienigheid, een treffelijk huwelijk met een rijk en vroom man. Uit dit huwelijk sproot niet alleen de koning David, maar ook Christus, naar het vleesch... Ruth is 90k een voorbeeld van de christene dochters, die haars ouders huis en h.iar vaderland verlaten, om door een heilig leven, bij de Heiligen in den hemel te komen... Al wie om God iets op de wereld verlaat, die zal, volgens de belofte van Christus, honderdvoud zoo veel wederom krijgen in den hemel.

11. HOOFDDEEL.

Booz huwt met Ruth. Ruth. 3. 4.

Noëmi zeide nog tot Ruth: lieve dochter, volgaarne zou ik uw welzijn bezorgen. Die Booz is onze bloedvriend; hij zal

171

-ocr page 174-

Geschiedenk

dezen nacht de gerst op zijnen dorsclivloer wauijen. Als hij slapen gaat, let dan op de plaats waar hij zich zal nedeiieggen; daar zult gij u ook heen begeven, en u daar nederwerpen; hij zal u zeggen, wat gij doen moet. Zij antwoordde: al wat gij gebiedt, zal ik doen. Als mi Booz gegeten en gedronken had, begaf hij zich ter ruste op het uiterste van eene hoop schoven; toen begaf zich Ruth zachtjes daar heen, en bleef daar liggen. Toen het middernacht was, verschrikte de man, omdat hij eene vrouwspersoon aan zijne voeten zag liggen. Hij zeide tot haar: wie zijt gij? Zij antwoordde: ik ben Ruth, uwe dienstmaagd: gij zijt mijn nabestaande. Booz zeide: vreest niet, want al wat gij van mij verzoekt, zal ik doen; want de geheele stad weet zeer wel, dat gij eene deugdzame vrouw zijt. Ik beken, dat ik uwe nabestaande ben; maar er is nog iemand, die u nog nader bestaat dan ik. Indien hij u morgen vroeg volgens het maagschapsregt wil behouden, dan is zulks wel; doch indien hij niet wil, zoo zal ik u, zoo waar als God leeft, tot vrouw nemen.

Den volgenden dag ging Booz naar de stadspoort, en ziende zijnen bloedvriend voorbijgaan, zeide hij tot hem: komt eens herwaarts; en voor dien oversten der stad sprak hij aldus: het stuk land hetgene Elimelech toekwam, wil Noëmi verkoopen. Indien gij het wilt bezitten volgens het regt van naderhand, koopt het dan; zoo niet, zegt het mij; want er is niemand die nader is\' dan gij, en ik na u. Hij zeide: ik zal het koopen. Daarop zeide Booz: als gij den akker van Noëmi koopt, zult gij ook de Moabitische Ruth moeten trouwen, die de huisvrouw van den gestorvene geweest is, opdat gij den naam van uwen vriend over zijn erfdeel doet herleven. Hij zeide: ik sta mijn regt van naderhand af. Booz sprak dan tot de oversten en al het volk: gij zijt getuigen, dat ik in bezitting neem, al wat Elimelech, Chelion en Mahalon heeft toebehoord, en dat ik de Moabitische vrouw huw, om den naam van den gestorvene over zijn erfdeel te doen herleven. Al het volk, hetwelk onder de poort was, en de oversten zeiden daarop: wij zijn er getuigen van. Dat God deze vrouw (die in uw huis komt) gelijk make aan Rachel en Lea, die het huisgezin van Israël met kinderen hebben opgebouwd. Dat zij een voorbeeld van deugd worde in Ephrata (het land van Bethlehem), en dat haar naam vermaard zij bij die van Bethlehem. Booz nam vervolgens Ruth tot zijne vrouw, en verwekte bij haar eenen zoon. Alsdan zeiden de vrouwen tot Noëmi: geloofd zij de Heer, die niet toegelaten heeft, dat aan uw huisgezin een nazaat zou ontbreken; want hij is u geboren door uwe schoondochter, die u bemint, die u beter is dan zeven zonen, en die den naam zijns vaders in Israël heeft doen behouden, opdat gij troost

172

-ocr page 175-

van het Oude Testament.

in uwen ouderdom zoudt tebben. Het kind kreeg den naam. van Obed, die de vader van Isaï geweest is, welke vader van David was.

BEMERKING. God toont hier, dat hij niet naar schatten of adelijke afkomst der mensohen, maar alleen naar deugd en opregtheid des harten uitziet. Eene Moabitische vrouw verdient, om haar groot geloof en hare deugd, het geluk van onder het geslacht te komen, uit hetwelk Christus zoude geboren worden. Hoe wonderlijk is Gods Voorzienigheid over zijne uitverkorenen !... Euth verlaat ouders, vrienden en vaderland om God. Waar de liefde tot God groot is, daar kan men alles gaarne om Hem verlaten.

DE BOEKEN DER KONINGEN.

De vier volgende loelcen van het Oude Testament worden genoemd de Boeken dee Koningen, ten 1. omdat in dezelve m het he/jin verhaald wordt, hoe het koninklijke bestuur aanvang genomen heeft onder de kinderen Israel\'s; en ten 3. omdat in dezelve beschreven worden de goede en slechte daden van al de koningen, die eerst over alle twaalf de geslachten, en naderhand na den dood van Salomon, over de twee koningrijken van Jtida en Israël (jeheerscht hebben, tot den tijd toe van de overvoering naar Babylon. Die vier boeken, geven ons een verhaal van 596 of 597 jaren, tot aan het jaar der wereld 3406, 588 jaren voor de komst van Christus.

Het I. Boek der Koningen beschrijft ons, in 21 Hoofddeelen, eene geschiedenis van 101 jaren, waarvan de voornaamste personen zijn: Heli, Samuel, Saül en David,

I. HOOFDDEEL.

De geboorte van Samuël door het gebed van zijne moeder verkregen.

Voorzegging van de straf van Heli. 1. Kon. 1. 2. 3.

Zekere man uit het geslacht van Levi, met name Elcana, had twee vrouwen: de eene werd Anna, en de andere Phenenna genoemd. Phenenna had kinderen. Anna had geen kroost. Wanneer dan Elcana op zekeren tijd zijne offerande had opgedragen, gaf hij daarvan een deel aan Phenenna, en aan ieder van hare zonen en dochters. Aan Anna echter gaf hij een deel met een droef gelaat, want hij beminde haar; doch God

173

-ocr page 176-

Geschiedenis

had haar onvruchtbaar gemaakt, en hare benijdster, Phenennft, viel haar, door hare verwijtingen, daarover lastig. Dit gebeurde aldus telken jare. Anna weende gestadig en wilde schier geen voedsel meer nemen. Elcana vroeg dan: waarom weent gij zoo? Waarom eet gij niet? Ben ik u niet beter dan tien zonen? Anna ging naar den tempel, terwijl zij in haar gemoed bitterlijk droef was, bad den Heer met overvloedige tranen, en deed hem deze belofte: 6 Heer der heerkrachten! indien gij uwe oogen belieft te slaan op de droefheid uwer dienstmaagd, en mij bijzonderlijk gedachtig wilt zijn, door mij eenen zoon te verleenen, zal ik hem u voor geheel zijn leven opdragen. Dewijl Anna aldus vuriglijk voor Gods aangezigt bleef bidden, nam Heli acht op haren mond. Daar hij meende dat zij beschonken was, verweet hij het haar. Doch Anna antwoordde: ik ben niet dronken, mijn heer, want ik heb niets genomen, hetwelk dronken kan maken: maar ik ben eene zeer ongelukkige vrouw, en heb mijn hart voor God uitgestort. Heli zeide: ga in vrede, en dat de God van Israël u geve, hetgene gij verzocht hebt. De Heer was haar gedachtig, en zij baarde eenen zoon, dien zij Samuël noemde. (1) Nadat zij hem gespeend had, leidde zij hem met zich mede, en drie kalveren met drie maten meel en eene kruik wijn medenemende, bragt zij hem in het huis des Heeren te Silo. Nadat zij een kalf geofferd had, droeg zij het kind aan Heli op. Anna zeide: mijn heer, ik ben de vrouw, die hier bij u stond, om God te bidden. Het was om dit kind dat ik bad, en de Heer heeft mij verhoord.

Anna galmde dan ook eenen lofzang over deze geboorte uit. De jongeling diende den Heer voor de oogen van den priester Heli. Zij bragt nog drie zonen en twee dochters ter wereld. De zonen van Heli waren zeer ondeugend, zij achtteden den Heer niet, noch de dienst der priesters jegens het volk. Heli, die zeer oud was, hoorde alles, wat zijne zonen deden; hoe zij aan den ingang des tempels ontucht pleegden, en het volk door hunne geweldenarijen van de offeranden des Heeren vervreemden enz. Hij zeide dan tot hen: waarom doet gij zulke gruwzame dingen, die ik van al het volk hoor? Onthoudt u daarvan, mijne ?oneii!... Indien een mensch tegen eenen anderen zondigt, zoo kan hij van God genade bekomen; maar indien hij tegen den Heer zelveu misdoet (door onteering der heilige zaak), wie zal dan voor hem bidden? Maar zij luisterden naar hunnen vader niet, omdat God hen wilde doen sterven. Een versteend gemoed veracht alles.

174

Toen Samuel 13 jaren oud was, diende hij den Heer voor

1) Samuël beteekent: van Qod govraagd, of van God verhoort.

-ocr page 177-

van het Oude Testament.

de oogen van Heli. Het gebeurde eens, dal Heli zijne rust nam, en dat Samuel, in den tempel des lieeren bij de ark Gods sliep. God riep Samuel, en deze antwoordde: wat belieft u! Hij liep tot Heli, en zeide; wat is er van uwe dienst? want gij hebt mij geroepen. Heli zeide: ik heb u niet geroepen; ga wederom slapen. God riep opnieuw Samuël, die opstond, tot Heli ging, en vroeg: wat belieft u, dewijl gij mij roept? Ik roep u niet, zeide Heli, keer weder en slaap; want Samuël kende Gods stem niet, en de uitspraken des-Heeren waren hem tot nog toe niet geopenbaard geworder. God riep dan Samuël voor de derde maal, die, opstaande tot Heli ging, en zeide: wat belieft u ? want gij hebt mij geroepen. Heli verstond, dat God den jongeling riep, en zeide tot hem: ga slapen ; en indien hij u nog roept, zoo zeg: spreek. Heer, want uw dienaar luistert toe. Samuël begaf zich dan weder ter rust. God kwam alsdan voor hem staan en riep: Samuël, Samuël 1 Hierop zeide Samuël: spreek Heer, want uw dienaar luistert toe. God zeide tot hem: zie, ik ga eene zulkdaniga zaak in Israël uitwerken, dat al degenen, die het zullen hooren, met verbaasdheid zullen geslagen zijn: want ik zal aan Heli doen overkomen, al wat ik tegen zijn huis heb uitgesproken. Ik ga beginnen, en zal het voltrekken. Ik heb hem te kennen gegeven, dat ik zijn huis voor altijd om zijner ongeregtigheids wil zal straffen, omdat hij wel wist, hoe schandelijk zijne zonen leefden, zonder dat hij hen daarover berispte.

Samuël ontsloot des morgens, volgens gewoonte, de deuren van het Huis des Heeren : maar hij vreesde zijne openbaring aan Heli te zeggen. Heli riep hem, en zeide: Samuël, mijn zoon, wat heeft God tot u gezegd? Wil het mij toch niet verbergen. De straf des Heeren kome over u, indien gij mij iets verbergt van al hetgene gezegd is. Samuël gaf hem\' dan alles te kennen, zonder iets te verzwijgen. Heli antwoordde : hij is de Heer, hij doet wat hem behaagt.

BEMEEKING. Alle moeders zien in Anna een voorbeeld, hoe zij voor hare kinderen moeten zorgen. Anna wenschte maar moeder te zijn, om haar kind aan God op te offeren. Zij vraagt een kind, om hetzelve aan dengenen weder te geven, die het haar zoude verleenen. Maar, helaas! hoe ïele ouders zijn er, die hunne kinderen, niet voor God, maar voor do wereld opbrengen, door hun van jongs af den geest van de wereld en van hoovaanlij door woorden en werken in te boezemen. O welke schrikkelijke rekening en welk zwaar oordeel hebben zij voor zulke haudalwijze te verwachten 1

-ocr page 178-

Geschiedenis

H. HOOFDDEEL,

De Israëlieten -worden door de Philistijnen verslagen. De ark de» Heeren geraakt in de handen der vijanden. De twee zonen vau Heli gedood. Heli valt van zijnen zetel en sterft. 1. Kon. 4.

Het jaar der wereld 2888, voor Jesus Christus 1110.

Te dien tijde trokken do Philistijnen te veld, om tegen de Israëlieten te strijden. Toen bet gevecht aanvang had genomen, nam Israël de vlugt voor de Philistijnen, die lang3 de velden, in dien strijd, vier duizend Israëlieten versloegen. Wanneer het volk ia de legerplaats terug gekomen was, zeiden de oversten der Israëlieten; waarom heett God ons heden voor het aanschijn, der Philistijnen geslagen? Laat ons de ark des Verbonds van Silo tot ons halen, opdat zij ons uit de magt onzer vijanden verlosse. Men bragt de ark des Verbonds; en de twee kinderei, van Heli, Ophni en Phiueës, droegen dezelve. Wanneer de bondkist in het leger was. maakte de kinderen van Israël zoo groot vreugdegebaar, dat de aarde dreunde. De Philistijnen, dit hoorende, zeiden: wat beduidt dit geroep in het leger der Hebreeuwen? En vernomen hebbende, dat de ark des Heeren in het leger gekomen was, werden zij verschrikt en zeiden;; God is in het leger gekomen; en zij voegden er zuchtende bij; wee ons! want gisteren en eergisteren waren zij in zoo groote verheuging niet. Wee ons, wie zal ons uit de magt van die verhevene Goden redden? Want dit zijn de Goden, die Egypte met allerhande plagen troffen. Niettemin, o Philistijnen 1 schept moed, en trekt ten strijde. Wordt den Hebreeuwen niet tot slaven, gelijk zij onze slaven geweest zijn. Zij streden dan ook, en Israël werd verslagen. Elk nam de vlugt naar zijne tent; dertig duizend man der Israëlieten sneuvelden; de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Heli, Ophni en , Phineës, kwamen om het leven. Een Penjamieter slechts oiit-kwam aan den strijd, en kwam denzelfden dag te Silo, met gescheurde kleederen, en assche op zijn hoofd. Heli zat op zijnen zetel, met het aangezigt naar den weg gekeerd, want zijn hart was beangst voor de ark Gods. Als de man was ingekomen, deed hij zijn verhaal, en geheel de stad liet een klaaggeschrei hooren. Heli, dit geschreeuw hoorende, vroeg i wat beduidt dit? De man kwam dan haastig aan Heb. de boodschap brengen. Heli was 98 jaren oud. Zijne oogen waren verduisterd, zoo dat hij niet zag. De Benjamiet zeide tot Heli: ik kom heden uit den strijd. Heli vroeg: zoon, wat is er geschied? En hij kreeg ten antwoord: Israël is voor da Philistijnen gevlugt. Er is eene groote nederlaag geschied; r

176

-ocr page 179-

van het Oude Testament,

ook zijn er twee zonen gesneuveld, en de ark Gods is genomen. Toen Heli de ark Gods hoorde noemen, viel hij achterover van zijnen zetel, brak den nek en stierf. Hij was 40 jaren regter over Israël geweest. Zijne schoondochter, de zwangere huisvrouw van Phinees, deze droevige tijding hoorende, boog zich, baarde eenen zoon, en stierf, zeggende: de glorie van Israël is verdwenen, als de ark Gods in des vijands handen is.

BEMERKING. Vele menschen meenen, dat God de zonden van Heli vergeven, en hein daarover in dit leven gestraft heeft. Het is barmhartigheid, als God hier op aarde straft, om hiernamaals te sparen... Heli, Ophni en Phineës waren de oorzaak van deze nederlaag. Zie, hoe streng God is, in de zonde der priesters te straffen! Zij trekken, in plaats van zegen, des Heeren toorn over het volk, wanneer zij onzedig leven. De H. Gregorius zegt: ik meen, dat God van niemand yrooier ongelijk lijdt, dan van de priester».

III. HOOFDDEEL.

Se Philistijnen stellen de ark nevens den afgod Dagon, die omver Talt.

Zij worden gestraft. 1. Kon. 5. 6.

De Philistijnen bragten de ark Gods naar Azot, en stelden ze bij Dagon. Als die van Azot des morgens vroeg opstonden, vonden zij Dagon op zijn aangezigt ter aarde voor de ark des Heeren liggen. Zij namen hem op, en stelden hem wederom op zijne plaats. Als zij den dag daarna opgestaan waren, vonden zij Dagon wederom op zijn aangezigt voor de ark Gods liggen; maar Dagon\'s hoofd en beide zijne handen waren afgehouwen, en lagen op den drempel, zoodat hij alleen den romp behouden had. Daarom betraden de priesters van Dagon, en allen die in den tempel van Azotus kwamen, den drempel niet, naar kusten hem wel. Doch Gods hand sloeg die van Azot met zware plagen. Hij sloeg hen met smartvolle verzweringen_en het speen; ook krielden hunne dorpen en velden van de muizen, en de stad kwam gansch in oproer door de menigte van dooden.

Toen de inwoners van Azot deze plagen zagen, zeiden zij: wij willen de ark Gods niet langer bij ons hebben. En na al de oversten der Philistijnen bijeengeroepen te hebben, vraagden zij: wat zullen wij met de ark van den God van Israël doen? Die van Geth antwoordden: laat de ark omdragen. Als zij die-omdroegen, sloeg de hand Gods de inwoners dier steden ia groot getal met den dood, eu de burgera van ieder stad, vaa

12

177

-ocr page 180-

Gttchitdeni»

klein tot groot, werden met ondragelijke pijnen, TOrzweringen

en met speen geslagen.

. Men zond verder de ark naar Accaron. Doch de Aocaronie-ters riepen: zij brengen de ark tot ons, om ons allen te doodea. Zij vergaderden dan de oversten der Philistijnen, welke zeiden; laat de ark van den God van Israël naar kare plaats weder-keeren, opdat zrj ons en ons volk niet doode; want de inwoners van de stad werden met grooten angst bevangen

Wanneer na de ark des Heeren zeven maanden in het land der Philistijnen geweest was, riepen zij hunne waarzeggers, en vroegen: wat zullen wij. met de ark des Heeren doen? Zegt ons, hoe zullen wij die tot hare plaats wederzenden? Deze gaven ten antwoord: indien gij de ark van den God van Israël wederzendt, zoo zendt haar niet ijdel weder; maar betaalt den Heere de schuld van uwe zonden. Aldus zult gij genezer, worden, en leeren kennen, waarom zijne hand van u niet afwijkt. Wat moeten wij voor onze misdaad betalen? was hunne vraag. Maakt, zeiden zij, volgens het getal der vorstendommen, vijf gouden afbeeldsels van het speen, en vijf gouden afbeeldsels van muizen, die uw land bedorven hebben, en geeft eer aan den God van Israël. Neemt dan ook eenen nieuwen wagen, en twee zuigende koeijen, die nooit een gareel gedragen hebben, spant die in den wagen, sluit hare kalveren in den stal, stelt de ark op den wagen, legt de gouden afbeeldsels, die gij voor uwe misdaad zult betalen, in een koffertje ter zijde, en laat ze henen gaan; en let hierop: Indien zij regt den weg van haar land naar Bethsames optrekken, zoo heeft de God van Israël ons dit kwaad toegevoegd; zoo niet, zullen wij kennen, dat het ons door een toeval geschied is. Zij deden het alzoo, en de koeijen trokken regt den weg in, die naar Bethsames leidt. (1) De- vorsten der Philistijnen volgdan ze tot aan de landpalen van Bethsames, om dit wonder te zien. De Bethsamieters, die alsdan bezig waren met tarwe te maaijen, zagen de ark komen, en werden zeer verheugd. Als nu de wagen op den akker van Josuë, den Bethsamieter was, alwaar een groote steen lag, kloven zij het hout van den wagen in stukken, en na er de koeijen opgelegd te hebben, offerden zij die den Heere tot een brandoffer. De vijf vorsten der Phüistijnen kwamen op dit gezigt weder tot Accaron. Doch omdat de Bethsamieters de ark ongedekt nieuwtgieriglijk hadden aangezien, versloeg God 7 0

1) God schikte zich eenigzina naar de zwakheid dezer menschen, makende, dat de koeijen met de ark regt lienen trokken naar het Joodsche land, zonder Btil te staan, en dat zij haren natuurlijken trek tot hare kalveren als vergaten. Bethsames was de eerste stad der \' Joden, aan dien kant, en was aan de priesters gegeven.

17S

-ocr page 181-

van het Oude Testament.

VilB de ouderlingen en 50 duizend van het gemeene volk (1). Dus riepen zij, vol schrik: wie zal voor het aangezigt van dien Heer en heiligen God kunnen bestaan? Zij deden dan aan de inwoners van Cariatharim zeggen: de Philistijnen hebben de ark des Heeren wedergebragt; komt ze voor u afhalen. Deze kwamen, en bragten die tot Gabaa, in het huis van Abinadab.

BEMERKING. De ark was een afbeelsel van het allerheiligste Sakrament. Diegenen, welke dit onwaardig durven ontvangen, gelijk die van Azotus de ark, worden met andere straffen getuchtigd, welke vervaarlijk grooter zijn, al zijn zij zoo zigtbaar niet. God straft hen naar de ziel, door hen aan hunne ongeregelde driften over te geven, welke straften de verblinde zondaar niet gevoelt, en die daarom zoo veel te grooter zijn, even als de ziekte grooter is, wanneer de zieke die niet gevaar wordt. Heer 1 bewaar ons toch van zulke straffen.

IV. HOOFDDEEL.

De Israëlieten leideo door de Termanin^en van Samuël, eene betere levenswijze, en overwinnen de Philistijnen. De Israëlieten willen eenen Koning hebben. 1. Kon. 7.

Het was nu het twintigste jaar, dat gansch Israël den Heer om rust bad (3). Samuël sprak aldus tot hen; indien gij u uit geheel uw hart tot den Heer bekeeren wilt, neemt dan de vreemde goden. Baal en Astoroth weg, en als gij den Heer zult dienen, zal hij u van de Philistijnen verlossen. De kinderen van Israël wierpen dan Baai en Astoroth weg, en dienden God alleen. Alsdan zeide Samuël: vergadert geheel Israël te Maspha, opdat ik voor u bidde. Zij deden zulks, en na water geput te hebben, goten zij het uit voor den Heer (3), vastteden dien dag, en zeiden: wij \'hebben voor den Heer gezondigd. Als de Philistijnen hoorden, dat de Israëlieten te Maspha vergaderd waren, trokken zij tegen hen ten strijde. De Israëlieten dit hoorende, werden verschrikt, en zeiden tot Samuël: houd niet op, voor ons tot den Heer te roepen, opdat hij ons uit de handen der Philistijnen redde. Samuël offerde een zuigend lam aan God tot een brandoffer, en gebeden hebbende, werd hij verhoord: want

1) De Levieten zelren mogten de ark, op straf van dea dood, niet ongedekt aanzien.

2) Want zij werden gedurig yan de Philistijnen geplaagd.

8) Dit nitgietea van water beteckent de uitstorting yan hun hart Toor den Heer.

179

-ocr page 182-

Geichiedenk

terwijl Lij hot brandofler opdroeg, begonnen de Philistijnen tegen Israël slag te leveren; maar op denzelfden tijd liet God het vreesselijk donderen op de Philistijnen, zoodat zij met schrik bevangen, en van de Israëlieten verslagen werden. Aldus werden de Philistijnen vernederd, en durfden op Israel\'s grondgebied niet meer komen; want de hand Gods was tegen hen, zoo lang als Samuël regter was.

Toen Samuël stokoud was geworden, stelde hij zijne zonen, Joël en Abia, tot regters over Israël; zij bedienden het reg-terambt te liersabée, maar bewandelden de wegen van hunnen vader niet. Zij waren tot hebzucht geneigd, ontvingen giften en gaven, en verkeerden het regt. Overzulks kwamen de oversten van Israël bij Samuël te Eamatha, en zeiden: zie, gij zijt oud geworden, en uwe zonen gaan uwe wegen niet in; geef ons dan eenen koning, gwlijk de andere volkeren, om ons te besturen. Dit mishaagde in Samuël\'s oogen, omdat zij zeiden : geef ons eenen koning om ons te besturen. Samuël bad dan tot den Heer, en de Heer antwoordde: luister naar de stem van dit volk in alles, wat zij zullen zeggen ; want zij hebben u niet verworpen, maar mij, opdat ik hun koning niet meer zoude zijn. (1) Hoor naar hun zeggen, maar waarschuw hen, en maak hun eerst bekend met het regt van den koning, die over hen zal heerschen. Samuël zeide: de kuning, die over u zal gebieden, zal aldus met u handelen : hij zal u uwe zonen- afnemen om zijne voerlieden te zijn; hij zal van hen zijne kolonels, zijne kapiteins, zijne maaijers, zijne smeden en timmerlieden maken, en van uwe dochters zijne keukenmeiden en baksters. Ook zal hij u uwe akkers en wijnbergen, uw vee en uwe olijfgaarden ontnemen, en die aan zijn hovelingen geven. Hij zal de tienden nemen van uw graan, van uwe wijngaarden, van uwe kudden, en gij zult zijne slaven zijn. Alsdan zult gij tegen den koning roepen, dien gij verkoren hebt; maar God zal u niet verhooren. Doch het volk wilde naar Samuel\'s woorden niet luisteren, en zeiden : neen, wij moeten eenen koning hebben ; eh alsdan zullen wij zijn gelijk andere volkeren ; onze koning zal ons besturen, hij zal voor het leger gaan, en voor ons strijden.

BEMEKKING. Uit vele voorbeelden blijkt het, dat goede ouders somtijds ondeugende kinderen hebben; zoo als in Caïn, zoon van Adam; in Cham, zoon van Noë ; in Ismaël, zoon van Abraham ; in Esau, zoon van Izaak; in verscheidene zonen van Jacob, die ondeugend waren; in de twee

1) Onder de regters werden zij bestuurd, niet met een koninklijk gezag maar naar de wet des Heeren; en aldus was God eigenlijk bun koning.

180

-ocr page 183-

v:in hei Ou Je Tcshmevi.

zin on van Heli; in de twee zonen van Savnncl; in de zonen van David, enz. Dit moet ten troost verstrekken aan goede ouders die ondeugende kinderen hebben.

Hoewel de oversten van het volk niet wel waren met zulke verkeerde regters, zondigden zij nogtans grootelijks, met eenen koning tegen den wil van God te verlangen.

Samuël leert hier aan alle zielbestuurders, dat zij zoo spoedig eene ziel niet mogfen verlaten, die begint te vallen, met zich buiten den staat te werpen, daar zij van God in gesteld was; maar zij moeten bidden en tot God verzuchten, en haar de aanstaande gevaren voor oogen stellen.

V. HOOFDDEEL.

Saül wordt konin» gezalfd. 1. Kon. 9. 10. — Hot jaai der wereld 21)09, voor Jesua Christus 1059.

Een zeker man uit ket geslacht van Benjamin, met name Cis, had eenen zoon, Saül genoemd, die zeer wel gemaakt was ; onder al de kinderen van Israël was er geen fraaijere jongeling; hij was een geheel hoofd grooter dan het andere volk. Als de ezelinnen van Cis eens weggeraakt waren, zeide hij tot Saül: neem eenen van de knechten met u, en ga, zoek de ezelinnen. Zij gingen dan door het gebergte van Ephraïm, en door het land van Salisa, en twee andere gewesten, doch vonden ze niet. Toen zij in het land van Suph gekomen waren, zeide Saül tot den knecht: laat ons wederkeeren; misschien mogt mijn vader anders meer over ons bekommerd zijn, dan over de ezelinnen. De knecht zeide; zie, hieromtrent woont een profeet in de stad, die zeer vermaard is: al wat hij zegt is stellig waar. Laat ons tot hem gaan; hij zal ons mogelijk eenig narigt omtrent de ezelinnen kunnen geven. Saül zeide: wij z illen gaan; maar wat zullen wij den man Gods aanbieden? Wij hebben geen brood meer in onze maal, noch geschenk, noch iets anders om den profeet te geven. De knecht sprak; zie, daar is een vierde deel van een\' zilveren sikkel, hetwelk ik bij geval over mij gevonden heb; laat ons den man Gods dit geven, opdat hij ons den weg wijze. Zij gingen dan naar de stad en toen zij in dezelve kwamen ontmoetten zij Samuël. God had daags te voren aan Samuël veropenbaard en gezegd: morgen, op dit uur, zal ik u eenen man zenden uit het geslacht van Benjamin, dien gij zult zalven om den voor-ginger van mijn volk van Israël te zijn. Hij zal hen uit de magt der Philistijnen redden: want ik heb mijne oogen op mijn volk geslagen, en hun gekerm is tot mij opgestegen. Als Samuël Saül aanschouwde, zeide God tot hom: zie, dit is de man, van wien ik gisteren gesproken heb. Deze zal over mijn

181

-ocr page 184-

Geschiedenis

volk koning zijn. Samnel ontving Saül, en zeide; gij zult heden met mij eten, morgen zal ik u laten gaan; ook zal ik u alles zeggen, wat in uw hart is. Wat de ezelinnen betreft, wees daarvoor niet bezorgd, want zij zijn gevonden. Samuël bragt vervolgens Saül met zijnen knecht in de eetzaal, en stelde hen op de eerste plaats van al de genoodigden, die 30 man in getal waren. Aldus bleef Saül met Samuël op dien dag het middagmaal nemen. Daarna kwamen zij weder van de hoogte af naar de stad, en Samuël sprak met Saül op het opperste des huizes (1), alwaar hij hem een rustbed liet spreiden. Als zij \'s morgens vroeg opgestaan waren, en de dageraad aanbrak, riep Samuël tot Saül: kom, ik zal u niet laten henen gaan. Saül kwam, en zij trokken beiden naar buiten. Toen zij tot aan het einde der stad afgegaan waren, zeide Samuël tot Saül: zeg tot uwen knecht, dat hij vooruit ga, en verwijl gij een oogenblik, opdat ik u het woord des Heeren te kennen geve.

Alsdan nam Samuël den horen met olie, goot die over zijn hoofd, kuste hem en zeide: God heeft u heden tot eenen voorganger, tot zijn erfdeel gezalfd, en gij zult zijn volk verlossen, uit de magt der vijanden, die hen omringen. Dit zal u tot een teeken wezen: zoo haast gij van mij gegaan zult zijn, zult gij twee mannen aantreffen, die u zullen zeggen dat de ezelinnen, die gij waart gaan zoeken, gevonden zijn, en dat uw vader, de ezelinnen daar latende, voor u bezorgd is. Daarna zult gij in de stad eene rij van profeten ontmoeten, die van de hoogte zullen afkomen, profeterende en God lovende met luiten en trommels, met fluiten en harpen. Dan zal de geest des Beeren over u komen, en gij zult profeteren en in eenen anderen mensch veranderen. Doe alsdan hetgene gij te doen hebt, want God zal u bijstaan. Al deze teekens kwamen hem op denzelfden dag over. Als nu de personen (die hem te voren gekend hadden) hem onder de profeten zagen profeteren, zeiden zij tot elkander: is Saül onder de profeten? Daarna vraagde Saül\'s oom: waar zijt gij geweest? Ter opsporing der ezelinnen, was hun beider antwoord. Hij vraagde nog verder: wat heeft Samuël gezegd? Zij antwoordden: hij heeft gezegd, dat de ezelinnen gevonden waren; doch wegens het koningschap gaf Saül hem niets te kennen; noch ook aan zijnen vader,

Samuël deed naderhand al het volk van Israël voor den Heer te Maspha vergaderen (om hun eenen koning te geven.) En nadat hij het lot over al de geslachten geworpen had, viel het op het geslacht van Benjamin. Het lot over Benjamin\'s geslacht geworpen hebbende, viel het op het huisgezin

1) Igt;e huizen waren in die landen van boven plat, en de inwoners (liepen daar in tenten, uit oorzaak der felle hitte.

183

-ocr page 185-

van het Oude Testament.

van Metri, en eindelijk kwam het op Saül, zoon van Cis. Men ging hem zoeken, maar men vond hem niet. Zij vraagden dea Heer, of hij daar zoude komen. God zeide: hij heeft zich in zijn huis verstoken. Zij liepen dan derwaarts, en bragten hem van daar. Als hij zich in het midden des volks gesteld had, stak hij, door zijne lengte, tot de schouders uit boven het gansche volk. Dan zeide Samuël; nu ziet gij, wie God gekozen heeft; want er is niemand zijns gelijken onder de gansche menigte. En al het volk riep : leve de koning I Samuël maakte het volk met de voorregten der koningen bekend, schreef hetzelve in een boek, en legde dit voor den Heer. Daarna zond hij een ieder naar huis. Saül trok ook naar huis te Gabaa, en een deel, wiens hart God geraakt had, volgden, hem. Maar eenige kwaadwilligen zeiden; zal deze ons kunnen redden? En zij versmaadden hem, zonder hem eenig geschenk te brengen. Doch Saül geliet zich alsof hij het niet hoorde.

BEMERKING. Saül is zonneklaar van God door Samuël geroepen, en tot koning over Israël gesteld. Hij heeft wel begonnen, vele dingen loffelijk gedaan, doch slecht voleind. Het is, om zalig te worden, niet genoeg dat men tot eenigen staat of ambt van God geroepen is; maar men moet ook vreezen, bidden, waken en strijden tot het laatste toe. Saül ia een schrikverwekkend voorbeeld, hetwelk zoo wel de goeden als de boozen moet doen vreezen. De goeden moeten vreezen en toezien (schoon zij vele teekenen hebben van den roep van God, en dat zij wel hebben begonnen), opdat zij, gelijk Saül, de ootmoedigheid en de andere deugden daarna niet verliezen. De boozen hebben. nog veel meer reden om te schroomen: want indien Saül, die van God geroepen is, valt, hoe moeten diegenen dan niet vreezen, die zich, zonder veel acht te nemen op den roep van God, indringen in hunne bedieningen, bijzonderlijk in het bestuur der zielen?

Toen Samuël sprak van Saül koning te maken, verwierp deze dit, vol van gering gevoelen van zich zelven, en als men het lot wierp, verborg hij zich. Heilige menschen hebben eertijds gevlugt, als men hen tot overheidspersoon of tot hooge bedieningen in de heilige Kerk zocht te verheffen, welke ambten enz. helaas! onkundigen en onwaardigen betrachten en bejagen, omdat zij niet eens denken, welke strenge rekening zij zullen moeten geven over zoo vele zielen, die onder hun bestuur gesteld waren. O gevaarvolle ambten en bedieningen, die een ieder zoo bejaagt! indien men u kende, hoe zouda men u vlugten!

183

-ocr page 186-

GescJtkdmis

VI. HOOFDDEEL.

Saül\'s onwettige offerande. Hij wordt Tan God rerworpen.

Jonathas tast met zijnen sïhildkneclit de Philistijnen aan. De honig van Jonathas. 1. Kon. 13. 14.

Saül was als een kind van een jaar, als hij begon te heer-solien, zegt de heilige Geest. (1) Twee jaren na zijne verkiezing versloeg Jonathas, zoon van Saül, de bezetting der Philistijnen die te Gabaa was. Toen dit gerucht overal verbreid was, trok Israël op tegen de Philistijnen. Het volk werd bij Saül te Galgala verzameld. Doch de Philistijnen vergaderden zich ook, om tegen Israël te strijden, met 20,000 mannen op 3,000 oorlogwagens, 7,000 ruiters, en eene groote menigte voetvolk. Hierover werden de Israëlieten zoo verschrikt, dat zij zich in holen en spelonken verborgen. Als nu Saül al het volk, hetwelk hem volgde, verschrikt zag, en dat hij zeven dagen, volgens het gebod van Samuel, gewacht had, zonder dat Samuel to Galgala kwam, en dat het volk ook van hem wegliep, zeide hij: brengt het brand- en dankoffer tot mij; en hij droeg het brandoffer op. Naauwelijks had hij zulks verrigt, of Samuël kwam daar aan. Saül ging hem te gemoet om hem te groeten. Doch Samuël zeide: wat hebt gij gedaan? Saül antwoordde: ik zag, dat al het volk van mij wegliep, dat gij op dezen gestelden tijd niet kwaamt, en dat de Philistijnen verzameld waren. Zie, zeide ik, de Philistijnen zullen mij te Galgala overvallen, zonder dat ik den Heer verzoend heb ; alsdan gedwongen zijnde, heb ik het brandoffer opgedragen. Samuël zeide: gij hebt dwaasselijk gehandeld, dat gij het gebod van uwen God (hetwelk ik u gegeven had), niet hebt onderhouden. Hadt gij dit niet gedaan, zoo zoude God uwe rogeering over Israël voor altijd vastgesteld hebben. Maar nu zal uw rijk niet verder bestaan: want God heeft zich van eenen man naar zijn hart voorzien, dien hij gesteld heeft om zijn volk te besturen, omdat gij het gebod, dat u gegeven was, niet volbragt hebt. Samuël trok dan gestoord van Galgala-Gabaa-Benjamin henen. Als nu Saül het volk telde, hetwelk bij hem was, vond hij slechts zes honderd man.

Op zekeren dag zeide Jonathas, zoon van Saül, tot zijnen ■wapendrager: laat ons de bezetting der Philistijnen eens op-het lijf vallen. Doch hij gaf dit aan zijnen vader niet te kennen, en zeide: misschien zal God met ons zijn, want het is hem even gemakkelijk door weinigen, als door velen de zegepraal te geven. De wapendrager zeide: ga waar het u

1) Dit is: zaclitnnedig-, eenvondig en onschaldig gelijk êcn kind van een jaar.

184

-ocr page 187-

van het Oude. Teüainent.

185

telleft, ik zal u volgen. Jonatlias hervatte: zie wij trekken tegen dit volk op; als zij dit zullen zien, en zeggen; blijft daar wat, wij zullen bij u komen, laat ons dan blijven staan. En indien zij zeggen: komt tot ons opwaarts, laat ons dan gaan,-want dit zal het teeken zijn, dat (rod hen in onze handen geleverd heeft. Zij vertoonden zich dan aan de bezetting der Philistijnen, die zeiden: komt herwaarts! Alsdan zeide Jonathas tot den wapendrager: volgt mij; en nadat Janathas, kruipende op handen en voeten, en de wapendrager achter hem, tot hen overgekomen was, vielen er eenige voor de voeten van Jonathas, en de andere werden door den wapendrager gedood. Bij den-eersten aanval versloegen zij omtrent twintig mannen. Er ontstond alsdan zulk eene ontsteltenis in het leger, dat het geheel in oproer kwam, en men bemerkte, dat er een wonderwerk van God was overkomen. Als de schildwachten van Saül dit gewaar werden, en zagen dat er eene menigte volks ter aarde-viel en hier en daar de vlugt nam, zeide Saül: onderzoekt^ wie er van ons is weggegaan; en men bevond, dat Jonathas en de wapendrager daar niet waren. Saül sprak tot Acliias: breng de ark Gods (die daar omtrent was) herwaarts. Terwijl Saül deze woorden tot den priester sprak, nam de beroerte in het leger der Philistijnen meer toe. Saül riep dan al het volk bijeen, en zij kwamen op het slagveld. Daar zagen zij,, dat de Philistijnen elkander versloegen. De Israëlieten, die zich verstoken hadden, voegden zich, toen zij dit hoorden, bij het volk; zoo dat Saül omtrent tien duizend mannen bekwam. Aldus verloste God het volk van Israël op dien dag; want zij versloegen de vijanden tot aan Bethaven. Alsdan bezwoer Saül hjt volk en zeide: vervloekt zij hij, die iets zal nuttigen, tot den avond toe, opdat ik mijne vijanden moge vervolgen. En niemand proefde van eenige spijzen. Zij kwamen dan door een woud gegaan, alwaar veel honig op de aarde lag, doch niemand durfde daar aanraken. Jonathas, die de bezwering, van zijnen vader niet gehoord had, doopte het einde van zijnen staf in eenen honigraat. Als hij er van gegeten had» werden zijne oogen verlicht, die van flaauwte schemerden. Iemand zeide nu tot hem: uw vader heeft hot volk met eed bezworen, zeggende: vervloekt zij hij, die heden iets zal eten; daarom bezwijkt het volk. Jonathas antwoordde: mijn vader heeft het land in wanorde gobragt; mijn oog is versterkt, omdat ik wat honig geproefd heb; te meer zoude het volk versterkt zijn geweest, en de nederlaag der Philistijnen grooter, indien het van den buit had mogen eten. Daarna zeide Saül-. laat ons nog dezen nacht op de Philistijnen vallen. Doch de priester zeide: laat ons eerst hier den Heer te rade gaan. Als-Saül den Heer vraagde, of hij de Philistijnen zoude vervolgen.

-ocr page 188-

Geschiedeni»

kreeg hij geen antwoord. Hij zeide daarop: doe al de oversten vergaderen, opdat gij moget zien, door wiens zonde dit geschiedt. Zoo waar als God leeft, al ware ook Jonathas, mijn zoon, hiervan de oorzaak, hij zal den dood sterven. Hij zeide verder tot de Israëlieten: stelt gij u aan de eene zijde, en ik met mijnen zoon zal aan de andere zijde staan. Alsdan sprak Saül aldus tot God: Heer en God! geef toch een teeken, waaromquot; gij heden aan uwen knecht niet geantwoord hebt. Indien in mij, of in mijnen zoon deze schuld is, doe het ons zien; of is de schuld onder uw volk, zoo doe er regt over. Het lot viel op Saül. Werpt nu het lot tusschen mij en Jonathas, ging hij voort; en het lot viel op Jonathas. Saül zeide: zeg mij, wat hebt gij gedaan? Jonathas sprak: ik heb een weinig honig geproefd met het uiterste van mijnen staf: moet ik nu daarom sterven? Saül antwoordde: zoo straffe my God, gij zult sterven. Het volk sprak dan tot Saül: hoe! zoude Jonathas sterven, hij, die deze groote zegen aan Israël toegebragt heeft ? Zoo waar als God leeft, er zal niet een haar van zijn hoofd vallen. Saül trok dan voort. Hij streed verder in het rond tegen al zijne vijanden, en behaalde overal de overhand.

BEMERKING. Saül was als een hind van een jaar, dat is volgens vele Leeraars, ootmoedig, eenvoudig, en zonder arglist. Hij heeft aldus gedurende twee jaren geheersclit, tot dat hij door zijne ongehoorzaamheid begon af te wijken. De H. Schrift verhaalt dit voorbeeld, opdat niemand al te gerust zij, noch op zijne voorgaande deugdzaamheid steune, maar de zalige vrees behoude. Saül wordt van God verstooten om zijne eerste ongehoorzaamheid, daar nogtans verscheidene redenen hem schijnen te verschoonen. David bedrijft twee groote onverschoonbare zonden: een overspel en eenen doodslag, en hij wordt van God niet verstooten. Hoe onbegrijpelijk en aanbiddelijk zijn de oordeelen Gods!

Jonathas is, om het proeven van een weinig honig, in gevaar van den dood. De honig beduidt de zoetheid der wereldsche ijdele vermaken, die men proeft voor eenen korten tijd. en die ons in het gevaar van den eeuwigen dood brengen.

VII. HOOFDDEEL.

Saül wordt gezonden om Araalec uit te roeijen, en spaart don koning Agar. 1. Kon. 15. — Het jaar der wereld 2930, vóór Jesus Christus 1074.

Samuël zeide tot Saül: dit zegt de Heer: ik heb overwogen, hoe Amalec zich tegen Israël gesteld heeft, als hij uit Egypte kwam. Ga dan tot hem; versla hem; spaar niets voor u, maar

186

-ocr page 189-

van het Oude Testament.

sla alles dood, vrouwen, mannen, kindeven, zuigelingen, ossen, schapen, ezels en karaeelen. Saül vergaderde dan 200 duizend voetknechten, en daarbij nog 10 duizend uit het geslacht van Juda; met dit leger kwam hij naar de stad Amaiec, en versloeg de Amalecieten. Hij nam den koning Agag levend gevangen, bragt al het volk door hot zwaard omhals, maar spaarde Agag het beste van de kudde, en de beste kleederen, doch het slechtste vernielde hij.

God zeide dan tot Samuel: het berouwt mij, dat ik Saül tot koning gesteld heb: want hij heeft mij verlaten en mijne woorden niet volbragt. Samuël werd bedroefd, bad den ganschen nacht, en \'s morgens vroeg opgestaan zijnde, kwam hij tot Saül, terwijl deze bezig was met den Heer een brandoffer op te dragen uit den eersten roof, dien hij van de Amalecieten had medegebragt. Saül zeide tot Samuël: de zegen\' des Heeren zij met u; ik heb het woord des Heeren volbragt. Samuël gaf tot antwoord: van waar komt dit geblaat van schapen en het geloei van ossen tot mijne ooren? Saül zeide; zij hebben die van de Amalecieten medegebragt. Het volk heeft de beste schapen en ossen gespaard, om die aan uwen God op te offeren, maar het overige hebben zij vernield.

Samuël zeide: waarom zijt gij God niet gehoorzaam geweest? Waarom hebt gij u tot den roof begeven, en gedaan hetgene gruwelijk is in de oogen van God? Saül zeide tot Samuël: ik ben God immers gehoorzaam geweest! ik heb den togt, waartoe God mij gezonden heeft, volbragt. Ik heb Agag, koning van Amaiec, met mij genomen, en de Amalecieten \'heb ik vernield. Maar het volk heeft van den roof der schapen en ossen genomen, en het bijzonderste van hetgene niet vernield is, om het aan God te Galgala op te dragen. Samuël zeide: heeft God niet liever, dat men hem gehoorzaam zij, dan dat men hem brand- en slagtofiers opdrage? Zie, gehoorzaamheid is beter dan offerande; en naar hom te luisteren, is beter dan het vet van rammen te offeren. Omdat gij dan niet gehoorzaam geweest zijt aan God, heeft hij u verworpen, en hij wil niet meer, dat gij koning zult zijn. Saül zeide tot Samuël: ik heb gezondigd, omdat ik het bevel van God heb overtreden, hetwelk hij door u had uitgesproken, en omdat ik het volk uit vrees gehoorzaamd heb. Maar ik bid u, neem nu mijne zonde op u, en keer met mij wederom, opdat ik God moge aanbidden. Samuël antwoordde: ik keer met u niet weder, want omdat gij Gods woord verworpen hebt, heeft hij u ook verworpen, en hij wil, dat gij geen koning over Israël meer zult zijn. Als nu Samuël zich omkeerde om heen te gaan, greep Saül het uiterste van zijnen mantel, die in stukken scheurde. Samuël zeide daarop: heden

187

-ocr page 190-

Geschied mis

Leeft God uw koningrijk van u afgescheurd, en dat aan iemand anders gegeven, die beter is dan gij. Saül zeide: ik heb gezondigd; maar eer mij toch voor de oversten van het volk, en keer met mij weder om, opdat ik den Heer uwen God aanhidde. Dan zeide Samuël verder; breng den koning Agag bij mij. Men bragt den bovenmate vetten Agag, en Samuël hieuw hem, voor den Heer, te Galgala, in stukken,

BEME11KING. God had zijnen wil te kennen gegeven in het boek Exodie, hoofdd 16. hoe hij de Amalecieten wilde uitgeroeid hebben. Hij had dit door Mozes uitdrukkelijk doen aanteekenen en wel doen onthouden, schoon deze voorzegging eerst 417 jaren daarna volbragt moest worden. God wacht over de 400 jaren, eer de gedreigde straf zal beginnen, om zijn geduld te toonen in de zondaars tot de bekeering te verwachten.

Saül belijdt zijne zonde meer uit vrees dat zijn volk hem zoude aanvallen, dan omdat hij God vergramd had. Dit is eene afbeelding van eene valsche bekeering, waardoor Gods gramschap meer getergd, dan zijne barmhartigheid bewogen kan worden... Samuël houwt Agag, die door Saül door valsch medelijden gespaard was, in stukken. Het is eene les voor alle Herders, om door geen valsch medelijden de zondaars in hunne zonden te laten leven, gevende vrede, daar geen vrede is.

VIII. HOOFDDEEL.

Samuël zalft den vijftienjarigen David tot koning over Israël. 1. Kon. 16.

God sprak nu tot Samuel: hoe lang zult gij Saül bewee-ncn, dien ik verworpen heb? Vul uwen horen met olie, en ga tot den Bethleheraiet Isaï; want ik heb mij eonen zijner zonen tot koning uitgekozen. Samuël antwoordde: hoe zal ik heen gaan? want Saül zal dit hooren, en mij dooden. God zeide: neem een kalf uit de kudde, en zeg dat gij gekomen zijt om God offeranden op te dragen, en roep ook Isaï tot het offerfeest. En gij zult diengenen zalven, dien ik u toonen zal. Samuël deed zoo als God hem bevolen had. Als hij te Bethlehem kwam, waren de oversten verwonderd, en vraagden: is uwe komst vreedzaam? Ja, zeide Samuël; ik kom om God offer te brengen. Keinigt u. en komt met mij tot het offerfeest. Hij deed dan Isaï met zijne zonen zich ook reinigen, en noodigde hen ten offermale. Als nu dezes zonen binnen kwamen, en dat Samuël Eliab zag, dacht hij : zoude dit de gezalfde des Heeren wel zijn ? Doch God zeide: geef geene aandacht op zijn gelaat, noch op zijne gestalte en rijzigheid, want ik heb hem niet verkozen, en ik oordeel niet

138

-ocr page 191-

van het Oude Testament.

volgens hel uitwendige voorkomen: de mensohen zien hut uitwendige, maar God doorziet het hart. Isaï deed Abinadab binnen komen; Samuël zeide: het is ook deze niet, dien God verkoren heeft. Isaï bragt dan zijne zeven zonen voor Samuël. Zijn daar, vraagde hij aan Isaï, al uwe zonen ? Deze antwoordde: er is nog de jongste, die de schapen hoedt. Samuël sprak : doe hem halen: want wij zullen niet aan tafel gaan, voor dat hij hier gekomen zal zijn. Hij deed hem dan halen, en bragt hem voor Samuël. Hij was rosharig, had schoone oogen en een liefelijk gelaat. God zeide: sta op, en zalf hem, want deze is het. Samuël nam den horen met olie, en zalfde hem in het midden zijner broeders, (zonder dat zij wisten, dat hij koning gezalfd werd.) Van dien tijd, af kwam de geest des Heeren in David, en bleef in hem, maar van Saül week hij af; en de booze geest, van God tot hem gezonden, begon hem te kwellen.

De hovelingen van Saül zeiden tot hem: zie, de booze geest kwelt u. Gebied dan dat men iemand zoeke, die op de harp kan spelen, opdat deze (als de booze geest u aangrijpt) spele, en gij verkwikt wordet. Saül sprak: bezorgt mij iemand die goed kan spelen. Een der knechten zeide daarop: ik heb den zoon van Isaï gezien, die wel spelen kan : hij is een kloek man, tot den oorlog geschikt (1) bescheiden in zijn spreken, schoon van gelaat, en God is met hem. Saül deed dan aan Isaï zeggen : zend mij uwen zoon David, die uw vee hoedt. Als nu David bij Saül gekomen was, bleef hij in dezes dienst. De koning beminde hem ook zeer, en David werd zijn wapendrager. En zoo dikwijls als de booze geest Saül aangreep, nam David zijne harp en speelde daarop. Dit verkwikte Saül, en het ging beter met hem: want de booze geest verliet hem.

BEMERKING. Toen Saül koning gezalfd werd, werd hij, van geringe afkomst, dadelijk tot den hoogsten trap verheven; maar David komt slechts allengskens en door veel lijden, vervolgingen en smarten, tot den troon; alzoo handelt God gemeenlijk met die, welke hij verkozen heeft om opregte Herders te zijn. Hij verheft die zoo dadelijk niet, om de zwakheid van den mensch te gemoet te komen, die zoo groot is, dat zij gewoonlijk dadelijk vallen, of spoedig verheven worde. Hij laat hen eerst een verborgen leven lelde, om hen met deugden, genaden en verdiensten te vervullen, voor aleer zij tot voorbeeld van anderen ten toon gesteld worden... Zij

1) Eenige leeraars meenen, dat dit voorgevallen is, nadat David Goliath verslagen had, schoon het hier verhaald wordt, alsof het te voren geschied was: want het was uit dieu strijd, dat men David» sterkte gekend had.

189

-ocr page 192-

Geschiedenis

moeten eerst de deugd bezitten, eer zij die aan anderen inede-deelen.... Zij mogen niet zijn als enkele kanalen, door welke de waarheden enkelijk vloeijen, zonder die te behouden, maar als waterbakken van de deugden, die niet overloopen en geen water geven aan anderen, tenzij dat zij zeiven eerst vol zijn, en die vol blijven.

Het eerste uitwerksel van de zalving van David schijnt het verjagen van den boozen geest uit Saül te zijn. Alzoo moet de bijzonderste zorg van alle Herders wezen, eerst den duivel en de zoude, door opregte bekeeringen, uit de zielen te jagen.

IX. HOOFDDEEL.

David verslaat Goliath. De Philistijnen nemen de vlagt. 1. Kon. 17 Het jaar der wereld 2942, vóór Jeaus Christus 1062

De Philistijnen wapenden zich al weder tot den oorlog tegen de Israëlieten. Saül trok tegen hen ten strijde. De Philistijnen stonden op eene zijde van het gebergte, en de Israëlieten op de andere zijde; een vallei was tusschen hen beide. Nu kwam zekere man, een bastaardkind, met name Goliath, uit het leger der Philistijnen. Hij was zes ellen en een palm hoog. Hij had eenen koperen helm op het hoofd, en een schubbig harnas aan, wegende vijf duizend sikkelen (120 pond). Hij droeg ook koperen laarzen, en een koperen schild. Zijn hellebaard was een weversboom dik, en het ijzer, hetwelk zich daaraan bevond woog 600 sikkelen {dat is 18 of 20 pond). Een schildknaap ging voor hem uit. Hij bleef eindelijk staan, en riep tot het krijgsvolk van Israël: wat is het noodig, dat gij komt om te strijden? Kiest een onder u, die met mij een tweestrijd kome wagen. Indien hij mij verslaat, zullen wij uwe slaven zijn; maar indien ik hem overwin, dan zult gij onze slaven wezen en ons dienen. Toen Saiil en de Israëlieten deze woorden van den Philistijn hoorden, werden zij ontsteld.

De drie oudste zonen van Isaï, Davids broeders, dienden Saül in den krijg. Isaï zeide nu tot David: neem eene ephi gedroogde gerst met deze tien brooden, loop er mede naar uwe broeders, en tracht te vernemen onder welke krijgsbende zij geschikt zijn. Juist toen David bij het leger kwam, trad Goliath te voorschijn, en David hoorde uit zijnen eigen mond dezelfde •woorden, die hij te voren gesproken had. De Israëlieten dezen man ziende, namen verschrikt de vlugt. Doch iemand onder hen zeide: hebt gij dien man wel gezien, die daar te voorschijn trad ? Hij komt om Israël te beschimpen. Daarom zal de koning dengenen, die hem verslaat, met groote schatten verrijken, hem zijne dochter ten huwelijk geven en zijas

190

-ocr page 193-

van het Oude Testament.

vaders huis vrij maken van tol. David vraagde dan-, wat zal men diengenen geven, die dezen Philistijn verslaat, en deze schandvlek van Israël wegnemen zal? Wie is toch deze onbesneden Philistijn die het heerleger van den levenden God beschimpt heeft? En het volk vertelde hem \'s konings belofte. Deze taal van David kwam Saül ter oore, die hem bij zich deed komen. David zeide tot Saül: niemands hart bezwijke; ik, uw dienaar, zal tegen den Philistijn ten strijde trekken. Doch Saül sprak ; gij hebt de magt niet, om dien Philistijn te wederstaan; gij zijt nog maar een knanp, hij daarentegen is een krijgsman van zijn jeugd af. David hervatte: toen uw dienaar de schapen zijns vaders weidde, kwam er eens een leeuw en een beer, die een schaap uit de kudde roofden, en ik vervolgde ze, en sloeg ze. Toen zij tegen mij opstonden, nam ik hen bij den muil, versmachtte en doodde ze. Aldus heeft uw dienaar eenen leeruw en eenen beer verslagen ; die onbesneden Philistijn zal hetzelfde lot ondergaan. Ik ga ér aanstonds op aantrekken, en die schandvlek wegnemen. Saül zeide daarop : ga, en God zij met u. Saül deed hem nu zijne wapenrusting aan. David echter beproefde het of hij, aldus gewapend, wel konde gaan, en zeide voorts tegen Saül: ik kan alzoo niet gaan, want ik ben het niet gewoon. Hij legde dan de wapenrusting weder af, nam zijnen herderstaf, raapte vijf gladde steenen uit de beek, die hij in zijne tasch legde, en trok nu, met zijnen slinger in de hand, voorts ten strijde tegen den Philistijn. Deze kwam ook naar David toe, en sprak met verontwaardiging: meent gij, dat ik een hond ben, dat g\\j tot mij met eenen stok afkomt? Kom maar eens hier, ik zal uw vleesch te eten geven aan de vogelen des hemels en aan de dieren der aarde. Maar David zeide: gij komt tot mij met zwaard, hellebaard en schild, maar ik kom tot u in den naam van den Heer der heerkrachten, van den God der Israëlieten, die gij heden gehoond hebt. God zal u in mijne handen leveren, en ik zal u verslaan, uw hoofd afhouwen, en de doode ligchamen der Philistijnen aan de vogelen der lucht en aan de dieren der velden te eten geven, opdat de gansche vergadering kenne, dat God niet door zwaarden of spiesen de behoudenis geeft.

Toen de Philistijn nu op David aankwam, ■ snelde deze naar hem toe, nam eenen steen uit zijne herdersiasch, legde dien in zijnen slinger, zwaaide denzelven in het rond, en wierp met veel juistheid den steen tegen het voorhoofd van den Philistijn. De steen bleef in het voorhoofd steken, en Goliath viel op zijn aangezigt ter aarde. Doch dewijl Davidquot; geen zwaard had, liep hij toe, stelde zijnen voet op den Philistijn, trok dezes zwaard uit de scheede, en hieuw hem

191

-ocr page 194-

Geschiedenis

daarmedo liet hoofd af. De Pkilistijnen, ziende dat hun held gedood was, namen de vlugt; en de Israëlieten met die van Juda hieven vreugdekreten aan, versloegen eene groote menigte der l\'liilistijnen, en behaalden grooten buit.

BEMERKING. Deze geschiedenis is vol verborgenheden. David is, volgens het gevoelen der heilige Vaders, een voorbeeld van Jesus, den Verlosser en Zaligmaker der wereld. Goliath is het voorbeeld van den duivel, die in de heilige Schrift de vorst der wereld, en somtijds ook reus genoemd wordt; en bij de profeet Job lezen wij, dat er geene magt op aarde bij de zijne te vergelijken is. Jesus dan, de waarachtige David, heeft dezen hoovaardigen geest nedergeveld door de ootmoedigheid van zijn kruis, dat afgebeeld is door den staf, diea David in zijne hand had, als hij tegen Goliath optrok. Voor deze overwinning, die ons de ware verlossing uit de slavernij van den helschen vijand heeft toegebragt, zijn wij hem eene oneindige dankbaarheid schuldig. Doch wij moeten wel toezien, dat wij onder de slavernij van dezen Goliath, die nooit sterft, niet op nieuw door eenige doodelijke zonde vallen.

X. HOOFDDEEL.

Saül wordt jaloersch over David, en wil hem met eene spies doorsteken.

Hij geeft hem zijne dochter Michol ten huwelijk, 1. Kon. 18. 19.

Toen David, na het verslaan van Goliath, met het hoofd van dien reus in zijne hand terugkeerde, bragt de veldoverste van Abner hem tot Saül. Deze wilde hem van dien dag af, bij zich houden. Van dan af werd Jonathas, Saül\'s zoon, met eene zeer groote liefde tot David ontstoken; want, gelijk de heilige Schrift zegt, hij beminde hem als zijn eigene ziel. Als David naderhand eens, na eene overwinning op de Philistijnen, wederkeerde, gingen de vrouwen uit al de steden, den koning Saül te gemoet, zingende en dansende, met handtrommels en snaarspel, en riepen juichend: Saül heeft er duizend verslagen, maar David tien duizend. Hierover werd Saül zeer gestoord: want deze woorden mishaagden hem, en hij zeide: zij geven er David tien duizend, en aan mij slechts duizend. Wafc ontbreekt er hem nu nog, dan het koningrijk? Van dien dag, af zag Saül hem met geen goed oog meer aan. Des anderendaags overviel de booze geest Saül, en David speelde, gelijk; te voren, op de harp. Saül hield eene spies in de hand, ea* wierp die naar David, om hem dus aan den wand te rijgen,. Maar David ontsprong gelukkig dien worp tot tweemaal toe-Saül begon hem nu meer en meer te vreezen, want Gods geest, was met David, en van Saül afgeweken. Ook al de Israëlietem

192

-ocr page 195-

van het Oude Testament. loi

beminden David. Saül zeide daarom met\' arglistiglieid tot hem r ik Zal u mijne oudste dochter Merob tot eene huisvrouw geven; wees dapper, en voer den oorlog des Heeren. Doch hij dacht bij zich zeiven: ik wil hein door mijne hand niet dooden, maar ik wil, dat hij door de handen der PMlistijhen omkome. Toen uu de tijd gekomen was van Merob aan David te geven, gaf Saül die integendeel aan Hadriël van Mohala, tot vrouw.

Michol, Saül\'s tweede dochter beminde David, en Saül zeide : ik zal deze aan hem geven, opdat zij hom tot zijn verdert strekke, en hij in de handen der Philistijnen valle. Hij sprak dan tót zijne hovelingen : zegt aan David; de koning heeft geen ander bruiloftsgoed voor zijne dochter noodig, dan 100 hoofden der Philistijnen, opdat de vijanden des konings mogen gestraft worden. Als de hovelingen dit aan David boodschapten, was deze daarmede tevreden. Hij trok dan op met zijne krijgsknechten, en versloeg 200 Philistijnen. Hij bragt hunne hoofden, en telde die voor den koning, welke hem zijne dochter Michol ten huwelijk gaf. Doch als Saül meer en meer zag, dat God met David was, begon hij hem ook meer te vreezen, en hij werd Davids\'s vijand zoo lang hij leefde.

Saül sprak dan met Jonathas en zijne hovelingen, om David om het leven te brengen. Jonathas gaf dit aan David te kennen, en sprak bij Saül voor David ten beste, zeggende: dat toch de koning tegen zijnen dienaar niet zondige: hij heeft immers geen kwaad gedaan. Zich zeiven heeft hij te pand gesteld, en den Philistijn verslagen; en de Heer heeft door hem aan Israël groote weldaden bewezen. Saül luisterde ditmaal naar Jonathas, en hij zwoer: zoo waar als God leeft, zal hij niet gedood worden. Janathas bragt dan David tot Saül, en bewees hem zijne diensten even als te voren. De booica geest kwam echter wederom in Saül. Hij zat eens in zijn huis met eene spies in de hand, en David speelde op de harp. Saül zocht nu David nog eens met de spies aan de muur te hechten; maar de spies vloog in de muur zonder hem te kwetsen. . David nam dan weder de vlugt, en Saül zond zijne lijfwacht naar dezes huis, om hem te grijpen en \'s morgens te dooden. Michol, dit wetende, zeide het aan David, en liet hem langs het venster af, en hij ontkwam het alzoo. Michol legde een standbeeld in het bed, een harig geitenvel over het hoofd, en dekte hetzelve met kleederen. Wanneer de lijfwacht dan aankwam om David te halen, antwoordde men, dat hij ziek was. Saül zond wederom dienaars, zeggende: brengt hem met zijn bed hier bij mij, opdat hij gedood worde. Als zij daar kwamen, vonden zij een standbeeld in het bed. Alsdan zeide Saül tot Michol: waarom hebt gij mij aldus tot spot

13

-ocr page 196-

Geschiedenis

gesteld, en mijnen vijand laten gaan ? Zij antwoordde; hij zeide mij: laat mij gaan, of ik dood u. David het aldus ontkomen zijnde, kwam bij Samuël te Ramatha, en verhaalde hem alles, wat hij van Saül geleden had, en zij gingen te zamen naar Najoth. Men boodschapte aan Saül, dat David te Najoth was. Saül zond dan boden om hem van daar te halen. Toen deze echter Samuël en met hem eene schaar profeten zagen, welke profeteerden, kwam de geest des Heeren ook over hen, en zij begonnen met de andere te profeteren (1) zonder te denken op hetgene hun bevolen was. Als dit aan Saül geboodschapt werd, zond hij nieuwe boden, die ook profeteerden. Eindelijk, door gramschap ontstoken, ging hij zelf derwaarts, en dezelfde geest kwam in hem, zoo dat hij al wandelende profeteerde, tot dat hij te Najoth kwam; en hij keerde dus weder zonder iets verrigt te hebben.

BEMERKING. 1. God toont hier dat de grooten dezer aarde hunne magt niet kunnen uitwerken tegen degenen, die zij zelfs het meest haten, dan voor zoo veel God dit toelaat. Hij verlost, als met eenen wenk, dengene uit hunne handen, dien hij wil verlossen, en dikwijls op eene wondere wijs... 2. David vlugt. Het strijdt niet tegen de christelijke kloekmoedigheid, te vlugten, als men moet en kan vlugten. Christus zegt; Als wij u zullen vervolgen in de eene stad, vlugt dan naar de andere. Matth. 10. 23. Zoo hebben de H. Athanasius en vele anderen gedaan, door zich in holen en graven te verbergen om zich in geen gevaar te stellen van tegen het geloof te, zondigen, en om hunnen evenmensch de gelegenheid te ontnemen van zijnen toorn uit werken. 3. Hij vlugt bij Samuël, en leert ons daardoor, hoe wij in lijden en verdrukkingen onzen troost bij God door het gebed, en bij zijne dienaars, moeten zoeken. 5. Dezelfde geest van profetie kwam wel in Saül, maar hij werd daarom niet bekeerd. Het was eene voorbijgaande verlichting van den geest Gods, en Saül bleef in zijnen haat tegen David volharden.

XI. HOOFDDEEL.

JonathaB waarschuwt David van te vlugten. Saül doet Achimelech en 84 priesters dooden. 1. Kon. 20. 21. 22.

David kwam van Najoth weder bij Jonathas en zeide : wat heb ik tegen uwen vader misdaan, dat hij mij zoekt te dooden? Jonathas, zich dit nog niet kunnende inbeelden, zeide;

1) Dat is ; psalmen zingen tot den Heer, door woorden van lof en blijdschap uit te galmen, zonder te vei\'otaan wat zij zeiden.

194

-ocr page 197-

van het Oude Testament,

gij zult niet om het leven gebragt worden. Blijf op dit nieuw-maanfeest twee dagen achtervolgens van tafel af, en ik zal het gedacht van mijnen vader trachten te doorgronden, en u dit te kennen geven. Toen het nieuwmaanfeest gekomen was, zat do koning aan tafel, en David\'s plaats bleef ledig. Saül sprak dien dag van David niet. Doch als ook op den tweeden dag de plaats ledig bleef, vroeg Saül aan Jonathas: waarom is de zoon van Isaï gisteren noch heden komen eten? Jonathas sprak: hij heeft mij gebeden om naar Bethlehem te mogen gaan, want, zeide hij, er is een offerfeest in mijne stad. Alsdan ontstak Saül in gramschap tegen Jonathas, en na eenige smadelijke woorden, zeide hij: doe hem halen en breng hem bij mij, want hij moet sterven. Jonathas vroeg: waarom moet hij sterven? Wat heeft hij mij gedaan? Saül nam dan eene spies om Jonathas te doorsteken. Daar Jonathas uit deze handelwijze van Saül zijn boos opzet tegen David genoeg kon doorgronden, ging hij \'s anderendaags naar het veld, waar David zich schuil hield. Hij deed eenen knaap voor zich uit-loopen, die eenen pijl moest oprapen, welken hij geschoten had, en riep: zie, de pijl ligt daar verre voor u, gaauw, gaauw maar! hetgene het bestemde teeken was, dat David moest vlugten. Jonathas gaf voorts boog en pijl aan den jongen, en zeide: draag die naar de stad. Als de knaap was heengegaan, kwam David uit zijne schuilplaats, en boog zich driemaal voor Jonathas neder. Zij kusten elkander hartelijk en weenden. Zij vernieuwden hun vriendschapsverbond, hetwelk zij met eed gezworen hadden, en Jonathas keerde terug naar de stad.

David trok ook verder, en kwam te Nobe bij den priester Achimelech. Deze stond versteld over zijne komst, en zeide: hoe zijt gij zoo alleen? David antwoordde: de koning heeft mij eenen geheimen, pramenden last bevolen (1); ik heb mijn gevolg naar deze en die plaats gezonden. Hebt gij iets ter hand, al zijn het maar vijf brooden, of iets hetgene gij vindt, zoo geef het mij. De priester zeide; ik heb hier geen brood voor het gemeene volk, maar alleen geheiligd brood (hetwelk aan God opgedragen is); en hij gaf hem hetzelve. Er was alsdan in den tabernakel des Heeren een van Saüls hovelingen, met name Doeg, die alles afluisterde. David zeide nog tot Achimelech: hebt gij hier geene spies of een zwaard? De

1) Hetgene David hier van deze bevelen zegt, die Saül hem zoude gegeven hebben, is een leugen. Men zal er nog al eenige voorbeelden van vinden, waaruit men moet besluiten, niet dat de leugen geoorloofd ia, maar dat al de werken van heilige menschen ons tot voorbeeld niet mogen dienen. De eenige en onfeilbare regel is de wet van God, en daarop moet men de werken der heiligen onderzoeken, om alles te verwerpen hetwelk daarmede niet overeenkomt.

195

-ocr page 198-

GeschieiJenh

priester antwoordde: ziehier het zwaard van GoliaHi, dien gij verslagen hebt. David sprak; geef mij dit, want geen is er bij hetzelve te vergelijken.

David vlugtte dan verder bij Aehis, koning van Geth. Toen. dezes hovelingen hem zagen, zeiden zij: is dit David niet ? Was het van hem niet, dat zij al dansende zongen: Saül heeft er duizend verslagen, maar David tien duizend? Als David deze woorden hoorde, en werkte dat hij heleend was, werd hij verschrikt; hij veranderde zijn gelaat en zijnen manieren, liet zich tussohen hunne handen vallen, stiet zich tegen do stijlen van de deur, liet het zeever op zijnen baard loopen, enz. Achis zeide tot zijne dienaars: gij ziet wel, dat die man razend is; waarom hebt gij hem tot mij gebragt en in mijn huis laten komen ? Aldus ontsnapte David en ging zich in de spelonk Odollam verbergen. Zijne broeders en allen, die in zijns vaders huis woonden, kwamen derwaarts, alsmede allen die in vrees leefden, en met schulden beladen waren; en hij werd het hoofd van hen allen, zoo dat er 400 man bij hem waren. David vertrok van daar naar Maspha, in het land van Moab. Hij zeide tot den koning van Moab: ik bid u, laat mijnen vader en mijne moeder bij u wonen, tot dat ik zie, wat God met mij zal doen. Zij bleven dan daar hun verblijf houden, en David reisde van de eene naar de andere plaat». Saül zeide inmiddels tot zijne hovelingen: er is niemand onder u, die medelijden met mij heeft, mijn eigen zoon heeft eenen van mijne dienaars tegen mij doen opstaan, die tot heden toe niet ophoudt mij lagen te leggen. Alsdan zeide Doëg: ik heb den zoon van Isaï bij den priester Achimelech gezien, die den Heer voor hem heeft te rade gegaan; hij heeft hem spijs en het zwaard van Goliath gegeven. De koning zond dan volk heen, om Achimelech en al de priesters, die te Nobe woonden, bij hem te, brengen. Wanneer zij voor den koning verschenen, zeiden de priesters, dat zij niet geweten hadden, dat de koning iets tegen David had, maar hem aanzagen als eenen yetronwen dienaar. Doch Saül sprak: gij zult den dood sterven. En hij riep tot zijne dienaars: grijpt de priesters aan en slaat ze dood! De dienaars wilden hunne handen niet aan hen steken, en nu zeide de koning tot Doëg; dood gij de priesters. Hij gehoorzaamde en doodde op dien dag 85 man (zoo priester» als levieten) met hunne priesterlijke kleederen omgeven. Daarna ging bij (met eenig volk) de stad Nobe door het zwaard vernielen, en bragt mannen, vrouwen, kinderen, zuigelingen, zelfs de ossen, ezels en schapen, om het leven. Een van Achimelech\'s zonen, Abiathar genoemd, ontkwam het, vlugtte tot David, en gaf hem alles te kennen. David zeide verslagen: ik ben oorzaak, dat geheel het huis uws vaders gedood is.

196

-ocr page 199-

van het Oude Testament.

BEMERKING. 1. Het is eigen aan goede menscken zich schuldig te kennen (of te vreezeu) zelfs daar zij geeue schuld in hebben, zegt de H. Gregorius. 3. David klaagt aan Jomithas, hoe onregtvaardig Saül hem vervolgde, zonder deze ouregc-vaardigheid, tenzij uit nood, aan anderen kenbaar te maken. 3. David, vlugtende bij Achis, valt in groot gevaar. Alzoo beproeft Ood zijne uitverkorenen: als zij eenig lijden of kruis meenen te ontgaan, zendt hij hun nog een grooter over. 4. De geveinsde dwaasheid van David is de afbeelding van de dwaasheid des kruises, die al de wijsheid der mensehen oneindig overtreft. De Christenen mogen niet beschaamd zijn bij de valsche wijzen voor dwazen gehouden te worden, opdat zij voor de oogen van God mogen wijs schijnen. De dwaasheid der Christenen is eene ware wijsheid, en de wereldsohe wijsheid is eeue volkoiueue dwaasheid voor God.

XII. HOOFDDEEL.

David ontzet de stad Ceïla. Hij vlugt naar de woestijn Ziph. Hij snijdt iu de spelonk een stuk van Suül\'s mantel. 1. Kon. 2o. 24.

Toen men David boodschapte, dat de Philistijnen Ceïla belegerden, en de schuren plunderden, trok bij met zijn volk derwaarts; hij versloeg de Philistijnen, dreef hun vee weg, en verlostte de inwoners van Ceïla. Als Saül hoorde, dat David te Ceïla was, zeide hij: nu heeft hem God in mijne handen geleverd, want hij is in eene stad besloten. Hij gebood dan aan al het volk naar Ceïla ten strijde te trekken, en David met zijne manschappen te belegeren. David, dit hoorendu, zeide tot den priester Abiathar: kom hier met uw priesterlijk gewaad, om voor mij te rade te gaan. David sprak verder: 6 Heer en God van Israël! uw dienaar heeft gehoord,-dat Saül zich bereidt om herwaarts te komen, en de stad om mijnentwil te verderven; zullen de mannen van Ceïla mij in zijne handen leveren, en zal Saül daar komen? God antwoordde: Wj zal er komen, en zij zullen u in zijne handen leveren, dat is, indien gij daar blijft. David met zijn krijgsvolk, ten getalle van omtrent 700 man, verliet Ceïla, en ging her- en derwaarts zwerven. Saül trok dan met zijn volk op om David op te zoeken, en vervolgde hem in de woestijn Maön. Doch Said ging van den eenen kant van den berg, en David met zijne mannen, was aan den anderen kant, zoodat David wanhoopte Saül te kunnen ontsnappen; want Saül met zijn krijgsvolk omringde David en zijne wapenlieden, om hem te vangen. En ziet, er kwam een bode tot Saül, en zeide: haast u en kom, want de Philistijnen zijn in het land gevallen. Saül trok dus heen.

197

-ocr page 200-

Geschiedenis

David begaf zich dan van daar naar de veiligste plaats van Engaddi. Als Saül wedergekeerd was van de Philistijnen te vervolgen, nam liij met zich 3,000 uitgelezene mannen, en vertrok om David te gaan opzoeken. Hij kwam onderwege bij eene spelonk, in welke hij ging om aan eene behoefte te voldoen. David schuilde met zijn volk in het binnenste der spelonk. Zij zeiden nu tot David; zie, daar is de dag, van welken God gezegd heeft: ik zal uwen vijand in uwe handen leveren. David dan opstaande, sneed stil den boord van Saül\'s mantel, doch zijn hart klopte, omdat hij zulks gedaan had. En hij wederhield zijne mannen krachtig, opdat zij Saül niet om het leven zouden brengen. Als Saül nu de spelonk had verlaten, volgde hem David op de hielen, en riep hem achter na: Heer koning! Saül zag om. David boog zich weder, en zeide: gij ziet, dat God u in deze spelonk in mijne handen geleverd heeft. Men raadde mij, u te dooden, maar ik heb u gespaard. Zie, lieve vader, hier heb ik den boord van uwen mantel; wanneer ik dien afsneed, heb ik u niet gedood. Zie, ik beken, dat ik geen kwaad voornemen tegen u heb, en u niets heb misdaan. En echter staat gij nog naar mijn leven. De Heer zij regter tussohen u en mij.

Op het hooren dezer woorden, zeide Saül: is dit uwe spraak niet, mijn zoon David? En hij begon luide te weenen. Verder sprak hij tot David: gij zijt regtvaardiger dan ik, want gij bewijst mij góed voor kwaad. Gij hebt mij heden uwe liefde bewezen, dewijl gij mij, als God naij in uwe handen leverde, niet gedood hebt. God wille u de weldaad, die gij mij gedaan hebt, vergelden. Ik weet, dat gij zult koning worden; zweer mij dan, dat gij mijn geslacht niet zult uitroeijen. David zwoer het hem; Saül trok naar huis, en David naar veiligere oorden.

BEMEUKING. David is een overschoon voorbeeld van de liefde tot de vijanden. Ongelijk verdragen is eene groote bekoring tot haat en wraakzucht. Wij worden daartegen gewapend door deze woorden van den Apostel: vergeldt niemand kwaad voor kwaad; wreekt u zeiven niet, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe. Ja, indien uw vijand honger heeft, spijst hem; indien hij dorst heeft, laaft hem. Laat u niet overwinnen door het kwaad; maar overwint het kwaad door het goed. Eom. 12. Kwaad met kwaad loonen, is zich laten overwinnen. Kwaad door goed loonen, is zich zeiven overwinnen. Tracht dan met uwen vijand vriendelijk te handelen; wensch hem alle goed als hij u kwaad wenscht. Laat niet blijken, dat gij vijanden hebt dan met hun meer goed te bewijzen. De wapenen, om u zei ven te verweren, ziju de liefde en het geduld. Laat hem voelen dat

198

-ocr page 201-

van het Oude Testament.

uw geduld zijne gramschap , en uwe liefde zijnen nijd te boven gaat. Het is niet genoeg geen kwaad hart te dragen tegen zijnen vijand; maar men moet ook trachten, dat hij geen kwaad hart tegen ons drage. Dit alles heeft David volkomen aan Saül gedaan, en dit is het middel om onzen vijand voor God te winnen . Wij moeten voor onze vijanden bidden, en altijd zoo gesteld zijn in ons gemoed, dat wij willen goed bewijzen en degenen helpen, die ons kwaad doen . Wij moeten hem de teekens van liefde bewijzen, die wij den naaste in het algemeen betoonen moeten ; ja somtijds ook eene bijzondere liefde, bij voorbeeld; als hij vergiffenis vraagt; of als men de menschen anderzins zou ontstichten, of als men oorzaak tot vijandschap gegeven heeft, enz.

XIII. HOOFDDEEL.

Onbeschoftheid van Nabal. Abigail komt David te gemoet. 1. Kon. 29.

Samuël stierf omtrent dezen tijd {in den ouderdom van 98 jaren), en werd bij Ramatha begraven. David had zich naar de woestijn Pharan begeven. — Er was te Maön een zeer rijk man, met name Nabal. Zijne gemalin Abigail was eene voor-zigtige en bevallige vrouw, maar Nabal was norsch en boosaardig. Toen David hoorde, dat men Nabal\'s schapen schoor, zond hij tien jongelingen tot hem te Carmel en zeide: groet hem beleefdelijk uit mijnen naam, en zegt; heil en voorspoed zij aan onze broeders, aan u, en aan uw huis. Wij hebben uwe herders die bij ons in de woestijn waren, nooit moeijelijk gevallen zij hebben nimmer iets van hunne kudde gemist. Wij komen op eenen vreugdedag; geef dan aan uwe dienaars en aan uwen zoon David (1) al wat u believen zal. Als de jongelingen bij Nabal kwamen en hem dit verhaalden, antwoordde deze: wie is die David ? Wie is de zoon van Isaï ? Zal ik dan mijn brood, mijn water en vleesch, hetwelk ik voor,mijne scheerders geslacht heb, aan menschen geven, als ik niet eens weet, waar zij van daan zijn ? Wanneer dit aan David geboodschapt was, zeide hij : ieder neme zijn zwaard. Zij deden zulks, en David omgordde zich ook met het zijne, en ongeveer 400 man trokken, met David aan hun hoofd, op; 200 bleven er bij de pakken.

199

Iemand van Nabal\'s knechten kwam midderwijl aan Abigail zeggen : zie, David heeft boden gezonden, om alle geluk aan onzen meester te wenschen, maar hij heeft hen versmaad. Die menschen hebben ons veel goed bewezen er is

1) Zij noemen David zijnen zoon, omdat Nabal een oud man was.

-ocr page 202-

Geschiedenis

nooit iets van ons vee in de woestijn verloren gegaan; zij beschermden ons bij dag en nacht, zoo lang als wij de schapen bij hen geweid hebben. Daarom, zie wat u te doen staat, want er is een kwaad voornemen tegen uwen man en tegen uw huisgezin opgevat. Abigail spoedde zich dan, en nam 200 brooden, 2 vaten wijn, 5 toebereide hameien, 5 maten gedroogde garst, 100 trossen rozijnen, en 200 pakken vijgen ; zij legde dit op hare ezels, en zeide tot de jongens ? gaat gij vooraf, ik zal u volgen. David echter had gezworen, dat hij niets van hetgene Nabal toebehoorde, tot zelfs een hond, tot den volgenden dag zou overlaten.

Als nu Abigail David zag, stapte zij van haren ezel, viel voor hem op haar aangezicht ter aarde, en zeide : ik bid u, heer koning, geef geen acht op den boozen Nabal, laat toch deze schuld op mij komen. Ik, uwe dienstmaagd, heb uwe knechten niet gezien... David zeide tot Abigail; gedankt zij de Heer, die u mij te gemoet gezonden heeft, want zoo gij niet gekomen waart, zoude er morgen van Nabal niet zelfs een hond zijn overgebleven. David nam dan van Abigail de verschillende mondbehoeften, die zij hem aanbood, en zeide: begeef u gerust naar huis; ik heb naar uwe stem gehoord.

Toen Abigail bij Nabal kwam, vond zij hem bij zijn feestmaal zeer beschonken; daarom sprak zij hem dienzelfden stond niet een woord van het voorgevallene; maar des morgens, als Nabal nuchter was geworden, gaf zij hem alles te kennen, en bragt hem onder het oog, in welk gevaar bij had verkeerd. Dadelijk viel hij in onmagt en was als versteend van schrik. Tien dagen daarna werd hij van God met den dood geslagen. Wanneer David dit hoorde, zond hij boden tot Abigail, om haar tot vrouw te nemen. Doch Abigail, zich deze eer onwaardig achtende, zeide: ik ben zijne dienares, bereid om ook als dienstmaagd de voeten van zijne dienaars te wasschen. Zij maakte zich vervolgens vaardig, beklom eenen ezel, volgde de boden van David met vijf dienstmaagden, en werd zijne vrouw.

BEMERKING. David, het hoofd van al die bedrukte men-schen (die zich onder hem begeven hadden), is het afbeeldsel van Christus, die het hoofd van al de bedrukte Christenen is. Zijt gij dan in eenig lijden, ga tot den gekruisten Jesus, met een levend geloof, en een groot betrouwen op zijne oneindige magt en goedheid, en gij zult hulp vinden.

ü zondaar! hebt gij voorheen gezondigd en Christus versmaad, gelijk Nabal David, dan zal hij u, indien gij tot iem komt, met zulke gesteltenis, zoo als Abigail tot David,

200

-ocr page 203-

van het Oude Testament.

dat is, met een vernederd en vermorzeld hart, niet alleen al uwe zonden vergeven, maar ook uwe ziel voor zijne bruid aannemen.

XIV. HOOFDDEEL.

David vindt Saül ingeslapen, en neemt zijne spies en zijnen beker weg. I. Kon. 26.

De inwoners van Zipli kwamen opnieuw tot Saül, zeggende: David houdt zich schuil op het gebergte Hachila. Saül trok dan naar de woestijn Ziph, met 3,000 man om David te zoeken, en legerde te Hachila. Toon David dit vernam, stond hij heimelijk op, en kwam met Abisaï des nachts tot de plaats, waar Saül zijn nachtleger hield, en vond hem ingeslapen. Abner, do veldoverste van Saül, en het volk lagen rondom hem. Abisaï zeide tot David; God heeft heden uwen vijand in uwe handen geleverd, ik zal hem dan doorsteken. Maar David zeide: dood hem niet; want wie kan zonder schuld den gezalfde des Heeren dooden? Tenzij dat God hem believe te straften, of dat zijn uur gekomen is om te sterven, zal ik (zoo zij mij de Heer genadig) mijne hand niet tegen den gezalfde des Heeren uitsteken. Neem de spies, die aan zijn hoofdeinde staat, en zijnen drinkbeker. Hij deed zulks, en zij gingen henen, zonder dat het iemand gewaar werd; allen bleven zij ingesluimerd, omdat God hun eenen diepen slaap had overgezonden,

David ging dan van verre tegenover het leger op eenen berg staan, en riep tot het volk en Abner: spreek Abner! Abner antwoordde; wie zijt gij, die daar zoo roept, en den koning-niet laat rusten? David zeide tot hem: zijt gij niet een dapper man? Waarom hebt gij dan uwen heer en koning niet beter bewaakt? Want er is iemand in de tent geweest, om den koning te dooden.... Ga, zie nu eens, waar des konings spies en beker is!.... Saül hoorde de stem van David en zeide: is dit niet uwe stem, o mijn zoon David? Deze gaf ten antwoord heer koning, het is mijne stem: waarom blijft mijn heer zijnen dienaar vervolgen? Wat hob ik dan toch gedaan? Doch indien het de Heer is, die u tegen mij drijft, zal hij mijne offeranden aannemen; maar indien het de menschen zijn, dié u tegen mij opwekken, zoo zijn zij vervloekt bij God, welke mij verdrijven, opdat ik in het erfdeel van den Heer niet zoude wonen, alsof zij zeiden: ga en dien vreemde goden. Saül zeide hierop: ik heb gezondigd; kom weder mijn zoon David. Ik zal u geen hinder meer doen, omdat mijn leven heden u dierbaar is geweest. Het blijkt, dat ik dwaaselijk gehandeld heb, en «eer oaweteud ben geweest, Pand zeide: zie bier is des

201

-ocr page 204-

Geschiedenis

konings spies; laat eenen van zijne knechten die komen afhalen. Verder vergelde God een ieder naar zijn regt en trouw; en even als uw leren heden dierbaar in mijne oogen is geweest, zoo bid ik, dat mijn leven ook dierbaar in de oogen van God moge zijn, en dat hij mij van mijne benaauwdhcid verlosse. Saül zeide: gezegend zijt gij, o mijn zoon David! gij zult magtig worden en magtig blijven. David ging henen, en Saül keerde naar zijne woonstede.

BEMERKING, Geef acht, o wraakgierige mensch! op David\'s zachtmoedigheid. Hij kan zijnen vijand dooden, zonder dat hem iemand ziet, of dit kan beletten, doch hij verkiest veeleer in een gedurig gevaar te leven, dan zulks te doen. Wij lezen iets dergelijks van Joannes Gualbertus. Deze was krijgsman. Zijn eenige broeder werd op zekeren dag door zijnen bloedvriend gedood. Het gebeurde dat Joannes met zijne soldaten den moordenaar te gemoet kwam op den goeden-vrijdag, op eone zoo naauwe plaats, dat zij elkander niet konden ontwijken. De moordenaar bad om het leven ter eere van het heilig Kruis, hetwelk hij door zijne gekruiste armen vertoonde. Joannes werd hierdoor zoo getroffen, dat kij hem het leven -spaarde en hem als zijnen broeder omhelsde. Hij begaf zich hierna in eene nabijgelegene kerk om te bidden, en zag een kruisbeeld op zich nederdalen, tot een bewijs van goedkeuring over de heldhaftige daad, die hij verrigt had. (Hij wordt gevierd den 12\'\'quot; Julij). Wat al genaden verdient men niet met zijnen vijand te sparen en te voorkomen !

Integendeel zien wij in Saül, dat er niets wreeder, noch onregt-vaardiger is, dan een wraakzuchtig mensch. Hij kan zijnen naaste valsch doen beschuldigen, en zelfs wenschen, dat hij zoude doen hetgene geoorloofd is, om hem te kunnen straften. Hij kan hem zonder wroegingen ten onregte vervolgen, verdrukken, enz.

XV. HOOFDDEEL.

David vlugt tot Acliis. Saül bij de waarzegster. David verslaat de Amaleoieten, die Sicelech geplunderd en verbrand hadden. I. Kon. 27, 28, 29, 30.

David dacht eindelijk: ik zal toch eens in de handen van Saül Tallen; dus zal ik best doen naar het land der Philistijnen te ■vlugten. Hij ging derhalve met zijne 600 man naar Achis (l), koning van Geth. Toen Saül hoorde, dat David naar Geth ge-vlugt was, deed hij geene verdere moeite om hem te zoekeu.

1) Het was dezelfde koning Achis, tot wien David te voren gevlugt -was, maar waar hij niet had durven blijven. Nu de haat van Saül 1 ;gen David alom gekend was, koude Achis denken, dat David hem -dienst zoude doen.

SOS

-ocr page 205-

van het Oude Testament.

Achis gaf aan David de stad Sicelech, en deze woonde daar gedurende vier maanden. David trok vervolgens met zijne mannen op, en behaalde veel buit te Gessuria, te Gersi en op de Amalecieten, en versloeg alles in die gewesten zonder man of vrouw in het leven te laten; ook voerde hij met zich mede de schapen, ossen, ezels, kameelen en vele kleederen. V

Als nu de Philistijnen hunne benden bijeen vergaderd hadden, om tegen Israël te strijden, zeide Achis tot David; gij moet aan het hoofd uwer manschap met mij te velde trekken; ik zal tt aan het hoofd van mijne lijfwacht stellen. De Philistijnen waren nu te Sunan komen legeren; en Saül, van zijnen kant, ook gansch Israël vergaderd hebbende, was op het gebergte Gelboa gekomen. Toen hij van daar het leger der Philistijnen beschouwde, werd hij zeer beangst. Dus ging hij den Heer te rade, maar kreeg geen antwoord, noch door droom, noch door priesters, noch door profeten. Nu zeide Saül tot zijne hovelingen: zoek mij eene waarzegster opdat ik die te rade ga. Zij zeiden; in Endor kunt gij er eene vinden. Saül verkleedde zich dan, en ging met twee mannen henen, \'s Nachts nog kwamen zij bij de vrouw, en Saül zeide; stel uwe kunst in het werk, en doe diegenen verrijzen, welken ik u zal opgeven. De vrouw zeide; wien zal ik doen verrijzen? Saül antwoordde; Samuël. Als de vrouw Samuël zag, schreeuwde zij met luider stem: waarom hebt gij mij bedrogen? gij zijt Saül zelf. De koning antwoordde; vrees niet; doch wat ziet gij? Ik zie, hernam de vrouw, een goddelijk man uit de aarde opkomen. Saül zeide: wat gedaante heeft hij? Hij is een oud man, omhangen met eenen mantel, was het antwoord. Nu erkende Saül, dat het Samuël was, en boog zich met het aangezigt ter aarde. En Samuël vroeg; waai-om ontrust gij mij, en doet gij mij opkomen? Saül zeide; ik ben in grooten angst; de Philistijnen komen tegen mij op; God is van mij geweken, en geeft mij geen antwoord. Samuël zeide; wat vraagt gij mij toch, dewijl God van u is afgeweken, en tot uwe wederpartij is overgegaan! God handelt met u, gelijk hij voorheen door mij gezegd heeft, blij zal uw koningrijk aan een ander geven, omdat gij naar zijne stem niet geluisterd, en zijne verbolgenheid tegen de Amalecieten niet vol-bragt hebt. Ook zal hij de Israëlieten en u in de handen der Philistijnen leveren, en morgen zult gij met uwe zonen bij mij zijn. (I) Saül viel plat ter aarde; want hij was door Samuël\'s woorden zeer verschrikt. Ook was hij geheel magteloos, als iemand die den geheelen dag niets had genuttigd. Eindelijk namen zij wat spijs, en keerden nog denzelfden nacht tot het leger terug.

203

Al de scharen der Philistijnen verzamelden zich te Aphec.

1) Dat is in staat der dooden, maar niet in dezelfde plaats en rust.

-ocr page 206-

Geschiedenis

De vorsten der Philïstijnen trokken op, ieder aan het hoofd van hunne krijgsbende, en David met zijne mannen was bij Achis in achterhoede. De vorsten zeiden tot Achis: doe dien man wederkeeren, opdat hij tegen ons zijne wapenen niet wende, als wij beginnen te strijden. Achis riep dan David en zeide: ik ken u voor een vroom man; maar gij behaagt de vorsten niet; keer in vrede weder. David zeide: wat hebt gij jn uw dienaar bevonden, van den tijd af dat ik met u omgang heb gehad, dat ik tegen de vijanden van mijnen lieer niet mag strijden? Achis hernam; gij behaagt mij als een Engel Gods, maar de vorsten willen niet, dat gij in den slag kornet. Daarom sta morgen tijdig op, en trek henen. (I)

Toen nu David den derden dag te Sicelech kwam, hadden de Amalecieten die stad ingenomen, in brand gestoken, en de vrouwen en kinderen gevankelijk weggeleid. Als David en zijne mannen de stad verbrand vonden, verhieven zij hunne stemmen en stortteden overvloedige tranen. David was zeer bedroefd, want het volk wilde hem steenigen. Maar hij werd in den Heer versterkt, en vraagde hem raad, zeggende; zal ik de roovers vervolgen? De Heer zeide; vervolg ze, want gij zult hen achterhalen, en hun den roof ontnemen. David trok dan op met zijne 600 man, en als zij aan de Beek Besor gekomen waren, konden eenige van vermoeidheid niet meer voorwaarts. David vervolgde hen echter met 400 man. Zij vonden op den weg den tlaaf van een Amalecieter, dien men aldaar ziek had laten liggen, Toen deze wat verkwikt was, bragt hij David tot de roovers, die door geheel het veld verstrooid zaten, en bezig waren met brassen en zwelgen, en alzoo uitzinnig hunne vreugde over den roof betoonden. David versloeg hen van \'s morgens af tot den avond van den volgenden dag, zonder dat het iemand ontkwam, dan slechts 400 jongens, die, op kameelen, gevlugt waren. Aldus hernam David alles wat de Amalecieten geplunderd hadden, alsmede zijne twee vrouwen.

Als David tot de 200 mannen, die uit vermoeidheid niet hadden kunnen volgen, was terug gekeerd, kwamen zij hem te ge-moet. Eenige kwaadwilligen zeiden nu; dewijl zij met ons niet opgetrokken zijn, zullen wij hun niets van den hernomen roof geven; doch dat elk tevreden zij met zijne vrouwen en kindereu. Maar David sprak; neen, lieve broeders, gij zult alzoo niet handelen met hetgene God ons geleverd heeft. Men zal gelijkelijk handelen met degenen, die gevochten hebben, en met die, welke bij de pakken gebleven zijn. Zij zullen evenals gij, hun deel hebben. Vervolgens keerde David naar Sicelech weder.

1) Dit was een geluk voor David, want anderzins had hij medegewerkt in den dood van Saül en Jonathas.

-ocr page 207-

van hei Oude Testament.

BEMERKING. Dit voorbeeld dient tot troost der kranken die niet in staat zijn om groote zaken voor God te ondernemen, of om groote boetvaardigheid en aalmoezen te doen: want indien zij zich verheugen over de voorname zaken, die de kloekmoedige dienaars Gods uitwerken, indien zij die beminnen, en God daarover bedanken, zoo zullen zij deelachtig worden aan al de werken, en verdiensten, meer of min, volgens de maat van hunne liefde, hunnen ijver en hunne gebeden voor de dienaars der heilige Kerk.

XVI. HOOFDDEEL.

Siiil\'s nederlaag. 1. Kon. 33.

De Philistijnen streden nu tegen Israël; de Israëlieten namen de vlugt, en werden op het gebergte van Gelboë in groo-ten getalle verslagen. De vijanden vielen voornamelijk op Saül, en versloegen Jonathas, Abinadab en Melchiusa, zijne zonen. De geheele strijdkracht viel nu voorts op Saül; de boogschutters zetteden hem na, en bragten hem zware wonden toe. Nu zeide Saül tot zijnen wapendrager; trek uw zwaard, en dood mij, opdat deze onbesnedenen mij niet doorsteken, en daarna beschimpen. Maar de wapendrager was op dit gezegde zeer verschrikt en wilde dit niet doen. Saül greep dan zijn zwaard en stortte zich in hetzelve. Toen zijn wapendrager dit\' zag, stortte hij ook zich in zijn zwaard en stierf met hem.

Des anderdaags kwamen de Philistijnen om de dooden te plunderen, en vonden daar Saül en zijne drie zonen ontzield liggen. Zij hieuwen Saül het hoofd af, en zonden zijne wapenen door hun land tot vreugde rond, opdat dit gerucht onder het volk zoude verbreid worden. Daarna legde zij zijne wapenen in den tempel van Astaroth; maar zijn ligchaam hingen zij aan de muren van Pethsan. Als de inwoners van Jabes-Galaad dit hoorden, trokken de dappersten in het geheim naar die plaats, én haalden Saül\'s ligchaam, en de ligchamen zijner zonën van de muren van Bethsan, en kwamen die te Jabes verbranden. Zij begroeven vervolgens de beenderen, en vastteden, ten tee-ken van rouw, zeven dagen.

BEMERKING. Hoe gelukkig ware Saül geweest, indien liij in zijnen nederigen staat gebleven was, of ten minste had volhard in zijne ootmoedigheid, die hij in het begin van zijne verheffing toonde I O schrikkelijk voorbeeld I Saül, gelijk de heilige Vaders bemerken, is in de oude wet geweest, wat Judas in de nieuwe was. Zij zijn beiden van God verkoren geweest, en daarna van hem verworpen. De eene is door ongehoorzaamheid en hoovaardigheid in wanhoop gevallen, de andere

20S

-ocr page 208-

Geschiedenis

door gierigheid. Zij leeren, zegt de H. Ambrosius dat ook de deugdzaamsten voor alle verheffing moeten vreezen, en in de verheffing zelve op eene diepe ootmoedigheid gegrondvest moeten blijven.

HET TWEEDS BOEK DER KONINGEN.

Het ticeede hoek der koningen geeft ons, in 24 Hoofddeelen, eene geschiedenis van omtrent 40 jaren, tot aan het jaar der wereld 2987. Het voornaamste voorwerp daarvan is het rijk van David.

I. HOOFDDEEL.

David ontvangt de tijding van Saül\'s dood. 2. Kon, I. 2, 3. 4.

Drie dagen na den strijd kwam er iemand uit Saüls leger met gescheurde kleederen en assche op het hoofd; toen hij David zag, viel hij plat ter aarde. David vraagde : van waar komt gij? Wat is er geschied? Hij antwoordde: het volk is uit den strijd gevlugt, en velen zijn er verslagen; ook zijn Saül en zijn zoon Jonathas gedood. David hervatte : hoe weet gij dit ? En hij kreeg ten antwoord: ik kwam bij toeval op het gebergte Gelboë, en Saül was in zijne spies gevallen, en wagens en ruiterij benanuwden hem. Hij riep mij dan en zeide: dood mij want ik ben in de verdrukking, en leef nog te lang. En ik benam hem dus het leven (i), daar ik wel wist, dat hij niet langer konde ademen. Ik nam zijn koninklijk sieraad van zijn hoofd, en zijnen armband, en ik breng ze hier totu, mijn heer. Nu scheurde David, alsmede al de mannen die bij hem waren, hunne kleederen en kermden en weenden over Saül, Jonathas, en het volk des Heeren, en vastteden tot den avond toe.

Ook zeide David tot den jongeling, die hem dit boodschapte: hoe hebt gij niet gevreesd uwe hand uit te steken om den gezalfde des Heeren te dooden ? En hij riep eenen zijner knechten, en zeide: treed toe, en dood hem. En dadelijk vol-bragt de knecht het bevel. David sprak vervolgens dit klaaglied uit: o Israël! de bloem van uw volk is op het gebergte verslagen. Hoe zijn die helden gevallen! o bergen van Gelboë! dat nog de dauw, noch de regen u bevochtige; dat op u geene vruchten groeijen; want de schilden der helden zijn aldaar schandelijk weggeworpen; het schild van Saül zeiven, als ware het nooit gezalfd. O dochter van Sion! treurt, en

1) Dit was eene leugen; want het verhaal komt niet overeen met het voorgaande hoofddeel.

006

-ocr page 209-

van het Oude Testamenl.

laat uwe tranen vloeijen over Saül. Hoe is het mogelijk, dat die sterke helden in den strijd gebleven zijn! Is het dun waar dat Jonathas op uwe bergen verslagen is? Ik ben ontroostbaar over u, o mijne broeder Jonathas! Ik beminde u gelijk eene moeder haren eenigen zoon bemint...

Daarna ging David den Heer te rade, en vraagde: zal ik tegen eene der steden van Juda optrekken? God zeide: trek op. David hernam : naar welke stad ? En hij kreeg ten antwoord: naar Hebron. David trok dan derwaarts; die van Juda kwamen en zalfden David, opdat hij over het geslacht van Juda zoude heerschen. Doch Abner, veldoversten van Saül. droeg Isboseth, zoon van Saül, rondom het leger, en maakte hem koning over Israël. Isboseth was alsdan 40 jaren oud, en heerschte twee jaren. (1) Die van Juda alleen volgden David, die te Hebron den tijd van 7 jaren en 6 maanden heerschte. Er was alsdan een langdurige oorlog {namelijk vijf jaren lang) tusschen het huis van Saül en het huis van David; maar David werd gedurig magtiger, en Saül\'s huis verminderde eiken dag. Terwijl David te Hebron woonde, won hij vele zonen, te weten: Amnon, Cheleab, Absalon, Adonias, Sathiat en Jetraam.

Gedurende dezen oorlog tusschen Saül\'s en David\'s huis kreeg Abner de overhand in het huis van Saül. Doch daar hij tegen Isboseth verbitterd was, omdat die vorst hem het zondigen met zijns vaders vrouwen verweten had, deed Abner tot David, zeggen; ga een vriendschapsverbond met mij aan, en ik zal gansch Israël tot u overbrengen. David zeide: ik ben tevreden. Abner ging dan tot David te Hebron. Daar gekomen zijnde, rigtte David voor hem eenen maaltijd op. Alsdan zeide Abner: ik zal henen gaan, en geheel Israël vergaderen, opdat zij een verbond met u maken. Toen Joab, veldoverste van David, hoorde, dat Abner bij den koning geweest was, en hij hem ongehinderd had laten heen gaan, kwam hij bij David, en zeide: kent gij Abner niet? Wat hebt gij gedaan? Weet gij niet, dat hij gekomen is om u te bedriegen? Joab zond vervolgens boden naar Abner, die hem wederbragten. Joab riep dezen alleen, even alsof hij met hem in een bijzonder gesprek wilde treden, en stak hem verraderlijk dood. (2) Als David dit hoorde, was hij zeer bedroefd, en zeide tot Joab en al het volk: scheurt uwe kleederen, trekt ruwe zakken aan, en treurt over Abner. Ook volgde David de lijkstaatsie. Als nu Abner begraven was, verhief David zijne stem, en weende, alsmede al de aanwezenden, op zijn graf.

Wanneer Isboseth hoorde, dat Abner gedood was, liet hij

1) Dat is vrede, zonder met David oorlog\' te hebben.

2) Vreezende, dat hij zelf veldoverste zouden geworden zijn in zijne plaats.

207

-ocr page 210-

Geschiedenis

den moed zinken, en gelieel Israël was ontsteld. Dtfct Eechab en Baiina (in de meening van David dienst ie doen) trokken henen, en kwamen in liet huis van Isbosetli op het heetste van den dag, juist op den tijd, dat deze eene middagrust nam. Zij vonden hem te bedde liggen, doodden hem, hieuwen hem het hoofd af, brag-ten het aan David te Hebron, en zeiden: ziedaar het hoofd van uwen vijand. Maar David antwoordde: indien ik dengenen heb doen dooden, die mij de tijding bragt van Saül\'s dood, daar hij meende mij eene aangename tijding te brengen, hoe veel te meer zal ik, als goddelooze menschen een schuldeloos man in zijn eigen huis hebben vermoord, zijn bloed uit uwe handen eischen? Hij gebood dan aan zijne dienaars hen te dooden, en deed hun de handen en voeten afhakken. De dienaars deden zulks, en zij hingen hen op; het hoofd van Isboseth begroeven zij te Hebron in Abner\'s graf.

BEMERKING. Zie hoe David, Saül en Jonathas beminde, die zoo groote droefheid over hun ongeluk gevoelden 1 Ongevoelig te zijn over de ellende van onzen naaste, is een teeken van geene of van eene geringe liefde, en dit wordt van God verwezen... Toen David het ongelukkig einde van Saül zag, was hij in de vrees voor zijne eigene verheffing. Daarom gaat hij God te rade, of hij zoude optrekken naar het land van Juda, en hij doet niets, zonder het eerst te vragen. Aldus onderwerpt hij zich in alles aan zijnen heiligen wil en aan zijne goddelijke schikking.

II. HOOFDDEEL.

David wordt koning over geheel Israël. Hij haalt de ark uit het huU van Abinadab. 2, Kon. 5. 6. (2 Paral. 13. 14.)

Alsdan (1) kwamen al de geslachten tot David en zeic\'le\'5 zie, wij zijn uw vleesch en bloed, en de Heer heeft tot u gezegd : gij zult mijn volk besturen. De oversten der Israëlieten kwamen ook tot den koning te Hebron, en zalfden hem tot koning over Israël. David was 30 jaren oud als h.j koning werd : hij heeft 40 jaren geregeerd.

De koning trok dan op naar Jeruzalem tegen de Jebuzecrs, die hem beschimpten, en zeide; gij moet eerst de blinden en de lammen wegruimen, zoo gij hier in wilt. Doch David nam den burg van Sion in, die men voorts de stad van David noemde.

Daarna vergaderde David 3,000 uitgelezene mannen van Israël, en trok met hen op om de ark Gods te halen. Men haalde zo uit het huis van Abinadab te Gabaa, en stelde

1) Het jaar der wereld 2959 voor Christus 1048.

208

-ocr page 211-

van het Oude Testament.

baar op eencn nieuwen wagen : Oza en Ahiö bestuurden dan-zelven, en David me1 al de Israëlieten speelden voor het aangeziclit des Heeren op harpen, luiten, handtrommels, cithers en cimbalen.

Als zij aan de dorschvloer van Naohon gekomen waren, stak Oza zijne hand uit om de ark te ondersteunen, dewijl zij door het struikelen der ossen begon te hellen. Doch God werd tegen Oza vertoornd, en versloeg hem om zijne vermetelheid, zoodat hij bij de ark Gods dood nederviel. David werd hierdoor ontsteld, en dacht: hoe zal de ark Gods tot mij komen? Hij waagde het dan niet die mede to voeren, maar liet ze in het huis van Obededom, een\' voornamen Leviet, plaatsen. De ark bleef daar drie maanden, en God zégende daarom Obededom met geheel zijn huisgezin. Toen David dit hoorde, trok hij henen, en bragt de ark met groote blijdschap naar zijne stad. Er waren bij David zes rijen van zangers. Telkens als de ark zes stappen verder gedragen was, offerde men eenen os en eenen ram. David danste van vreugde uit al zijne magt voor den lieer. Hij droeg, in plaats van zijnen koninklijke tabbaard, een lang wit kleed en linnen ephod. Aldus vergezelschapte hij en geheel het huis van Israël de ark, onder bestendig jubel- en lofgezang, en onder de akkoorden van bazuinen, harpen en cimbalen. Als nu de ark Gods in David\'s stad kwam, lag Michol (Saül\'s dochter) in het venster van haar paleis, en zag den koning voor het aangezigt van den Heer spelen en dansen, en zij versmaadde hem hierover in haar hart.

Als zij de ark des heeren ingebragt hadden, stelden zij die op hare plaats in het midden van den tabernakel, dien David voor haar had laten bouwen, en hij droeg den Heere brand en dankoffers op.

Wanneer nu David naar huis kwam, trad Michol hem te gemoet, en zeide: wat groote eer heeft de koning van Israël heden behaald met zijne kleederen af te leggen, en zich als een potsenmaker aan te stellen ! Doch David antwoordde: voor den Heer, die mij in de plaats van uwen vader en van zijn geheel huisgezin verkoren, en mij bevolen heeft de voorganger van zijn volk te wezen, zal ik dansen, en nog geringer worden dan ik geweest ben, en ik wil klein zijn in mijne eigene oogen.

BEMEBKING. Indien de Bethsamieten en Oza zoo gestraft zijn geweest, omdat zij de ark ligtvaardig hadden bezien of aangeraakt, hoe zullen diegenen dan gestraft worden, die onwaardig Christus in het allerheiligste Sakrament durven ontvangen! ... Oza is een voorbeeld van diegenen, die, niet geroepen zijnde tot de geestelijke bedieningen, Gods gramschap over

14

209

-ocr page 212-

210 Geschiedenis

zich opwekken door du dienst, die zij tem meenen te doen... David verachtte de beschimping van Michol, en zeide: ik wit mij nog meer voor Gods aanschijn vernederen ; ik zal altijd gering en nederig zijn in mijne oogen, en mijnen roem stellen in mij te vernederen. Peze koning, door zjjne verhevenheid te vergeten, was groot in de oogen van al de anderen, en klqin in zijne eigene oogen. Hij veracht zich zeiven, en wil dat anderen hem verachten. Het is eene zeldzame deugd,, ootmoedig te zijn in verhevenheid, en nogtans eene noodzakelijke deugd; want de H. Geest zegt tot de grooten en magtigen dezer wereld: hoe grooler gij zijt, vernedert u des te meer, en gij suit bij den Heer genade vinden. Eccl. 3. 20.

III. HOOFDDEEL.

David neemt zich voor, den Heer eenen tempel te bouwen. Zijne genanten tot den koning der Ammonieten worden sqhande-lijk onthaald. 2. Kon. 7. 8. 9. 10. (I Paralip, 17. 19.)

Toen David nu zijnen troon gevestigd had, en hij, door den Heer, van alle zijden vrede had bekomen, zeide hij tot den profeet Nathan: ziet gij niet, dat ik in een huis van cederhout woon, en dat de ark Gods onder eene tent van huiden rust? Nathan begreep het voornemen van David, en prees hem daarover; maar verder van God onderrigt zijnde, zeide hij, dat het Gods wil niet was, dat hij hem eenen tempel zoude bouwen, dewijl hij in den oorlog veel bloed vergoten had; maar hem werd van den Heeren eenen zoon beloofd, die dit zoude volbrengen.

David versloeg vervolgens de Philistijnen, en bragt ze ten onder. Insgelijks versloeg hij de Moabieten met zoo groote nederlaag, dat hij hen bij loting in drie deelen verdeelde, twee gedeelten doodde, en het derde deel alleen leven liet. Ook sloeg David Adarezer, koning van Soba. Hij nam van hem 1,700 ruiters en 20,000 voetgangers krijgsgevangen. De Syriers van Damascus kwamen Adarezer te hulp; doch David versloeg van hem 22,000 man. Hij bragt de Syriërs ouder zijn gebied, en deed hun schattingen opbrengen.

Wanneer Thou, koning van Einath, hoorde dat David geheel de magt van Adarezer vernield had, zond hij zijnen zoon tot David, om hem veel geluk te wenschen over den slag tegen Adarezer, en om hem geschenken van goud, zilver en koper te geven. Deze geschenken heiligde David aan den Heer toe, alsmede al wat hij had bekomen van de volkeren die hij overwonnen had. Aldus beschermde God David overal •waar hij henen trok.

Eenigen tijd daarna stierf de koning der Ammonieten, en

-ocr page 213-

van het Oude Testament,

zijn zoon Hanon werd koning in zijne plaats. David zond dan zijne dienaars om hem over den dood zijns vaders te troosten. Toen deze in Let land dor Ammonieten gekomen waren, zeiden de vorsten tot Hanon, hunnen heer: meent gij, dat het is om uwen vader te eeren, en u te troosten, dat David hier gezanten gezonden heeft ? ziet gij niet, dat het is om de stad te bespieden en die eens te verdelgen ? Dus deed Hanon David\'s dienaars den baard afscheren, hun de kleederen tot half het lijf a.suijden, en zond hen aldus weg. Als dit aan David geboodschapt werd, deed hij hun zeggen dat zij te Jericho zouden blijven, tot dat hun baard zoude gegroeid zijn.

Daar de Ammonieten zagen, dat zij David onregt gedaan hadden, zonden zij afgevaardigden tot de Syriërs, en huurden van hen 20,000 voetgangers ; zij namen ook 8,000 man van den koning van Maacha en 12,000 van Istob. Toen David dit hoorde, zond hij Joab derwaarts met geheel het leger van zijne dappere helden, die zoo wel de Syriërs als de Ammonieten versloegen. Zij kwamen op nieuw te velde, maar werden wederom zoodanig verslagen in een ander gevecht, waarbij David zelf in persoon was, dat zij sedert de Israëlieten niet meer durfden aantasten.

BEMERKING. Hanon ondervond, tot zijne spijt, wat er vamp;n komt, bóozen raad te volgen. Het verderf of het wel-VWeh van ëen fijk hangt dikwijls van een wijzen of boozen raad af. Daarom vei\'maant ons de H. Paulus, dat wij zouden bidden voor dé koningen en voor allen, die over anderen gezag voeden. 1. Tim. 3. v, 2... Het is ook een groot geluk voor iederen mensch, zoo hij goeden raad weet te vragen in twijfelachtige zaken, en welke personen hij moet raadplegen^ te wteten die kuhdig en vroom zijn, dié niet zoeken dan de eet Gods en de zaligheid van liuntieu naaste. Dat hij, te voren bidde, eene aalmoes geve, eene versterving doe en zijnen heiligen Engelbewaarder aani-oepe, opdat God dengenen verlichte die raad vraagt, om de zaak wel voör te houden, en dehgenen, die raad geeft, om volgens God te raden-; ■dit moet men zoo veel te meer doen, hoe gröotér de zaak is. Doch zulk een zondigt zwaarlijk, zegt de \'heilige Augusitim», die in de zaak zijner zaligheid het onzekere verkiest, en tet zekere daar laat. Stel u dan niet in gevaat van kwaad te Boen zoo lang als gij twijfelt, noch verontschuldig u do\'ór u\'we onwetendheid; Want de zdnden Van önWetëndheiil zijn dikwijl»\' van groot gevolg. Ga dan altijd vbdrzigtig te werk. Men lean noozt te voorzi\'jti{/ zijn Mar, waar de eeitwij/e \'zaligheid gevaar

311

-ocr page 214-

Geschiedenis

IV. HOOFDDEEL.

David\'s OTerspel. Hij doet Urias dooden. 2. Kon. 11.

In iet derde jaar, als de tijd aankwam, dat de koningen gewoon waren ten oorlog te trekken, zond David Joiib met zijne legermagt om de Ammonieten te verwoesten, en de hoofdstad Rabba te belegeren; David zelf bleef te Jeruzalem. Intussclien gebeurde het, dat hij eens, na den middag, van zijn bed opstaande, en boven op het platte dak van zijn paleis heen en weer gaande, eene schoone vrouw in het oog kreeg die een bad nam. David deed dan vragen, wie die vrouw was. Men bragt hem tot antwoord, dat het Bethsabée was, de vrouw van Urias. Hij deed ze hierop halen, en pleegde echtbreuk met haar.

Daarna liet David aan Joab weten, dat hij Urias tot hem zoude zenden. Als Urias tot David gekomen was, ondervroeg deze hem over Joab en den staat des oorlogs. Hij zeide verder tot hem : ga henen naar uw huis en waseh uwe voeten. Als hij uit David\'s paleis ging, werd hem de spijs van den koning nagedragen. Urias echter bleef voor de deur van het paleis slapen ; en als dit aan David geboodschapt werd, zeide hij tot hem : zijt gij niet eerst van de reis gekomen? waarom gaat gij dan niet naar huis? Urias antwoordde: de ark des Heeren, het volk van Israël wonen onder tenten, en Joab, mijn veldoverste, en de knechten van mijnen heer liggen op den harren grond, en zal ik naar mijn huis gaan om te eten en te drinken, en om mijne zinnelijkheid te bevredigen? Zoo waar als ik u alle heil wensch, zal ik het niet doen. David riep dan den volgenden dag Urias ter tafel, en deed hem ter dege drinken, zoodat hij zeer beschonken werd; doch Urias bleef niettemin met David\'s dienaars slapen, zonder naar huis te gaan.

Nu schreef David \'s anderendaags eenen brief aan Joab, én zond dien door Urias zeiven. Deze brief behelsde het volgende : stel Urias ten plaatse, waar het gevecht het hevigste is, en laat hem daar alleen, opdat hij verslagen worde en sneuvele. Joab deed zoo als David in zijnen brief bevolen had, en Urias sneuvelde met vele anderen. Joab liet dit afji David weten, en gaf den boden het bevel: bijaldien gij bemerkt, dat de koning, als gij hem dit alles verhaalt, gram wordt, zoo voeg er bij: ook Urias is om het leven gebragt.

De bode kwam tot David en gaf hem kennis van al wat hem Joab gezegd had. David sprak hierop: zeg aan Joab: laat u deze zaak niet ontstellen, het krijgsgeluk is veran-

212

-ocr page 215-

van het Oude Testament.

derlijk; nu valt deze en dan gene door het zwaard. Boezem uwe krijgsmannen moed in, opdat gij de stad moogt verdelgen. De vrouw van Urias, hooreude dat haar man gesneuveld was, beweende hem zeer. Na den afloop van den rouwtijd, nam David haar ten huwelijk, en zij baarde hem eenen zoon. Maar het gedrag van David was schrikkelijk iu Gods oogen.

BEMERKING. Door het aanzien dezer vrouw zijn ia David de zondige gedachten ontstaan, door de gedachten de begeerten, en door do begeerten de zonde; dit alles zou waarschijnlijk niet gebeurd zijn, indien hij deze vrouw niet gezien had. Ontelbare menschen zijn aldus gevallen door eenen onvoorzienen voorval. Bid daarom met de H. Kerk: Heer, die ziet dat wij van alle magt ontbloot zijn, bewaar ons in- en uittcendig: inwendig van alle zondige gedachten; uitwendig van alle zulke voorvallen,\' die in ons de zondige gedachten kunnen veroorzaken.

De val van David leert ors, dat ook de heiligste en regt-vaardigste menschen altijd moeten vreezen en alle gelegenheden van zonden vlugten, maar bijzonderlijk van oneerbaarheid, zonder te betrouwen op de voorgaande kuischheid. Hij leert ons ook, wat al vervaarlijke euveldaden eene enkele zonde dikwijls na zich sleept.

V. HOOFDDEEL.

De profeet Nathan toont David zijne zonde door eene gelijkenis. 2. Kon.

12. — Het jaar der wereld 2970, voor Jeaus Christus 1034.

God zond dezen profeet Nathan tot David, die aldus tot hem sprak: in zekere stad woonden twee mannen; de eene was rijk en had een groot aantal schapen en ossen. De andere was arm, en had een eenig schaapje, hetwelk hij gekocht en opgekweekt had, zoodat het bij hem met zijne kinderen was opgewassen. Het at van zijn brood, dronk uit zijnen beker, sliep in zijnen schoot, en het was hem lief als eene dochter. Toen nu eens zekere vreemdeling tot dezen rijken overkwam, spaarde deze zijn vee, nam het schaapje van dien armen weg, en slagtte het tot spijs voor den vreemdeling. (1) Nu ontgloeide David\'s hart in toorn over dien rijke, en hij riep uit: zoo waar als God leeft, wie dit gedaan heeft, die zal het met den dood bekoopen!

Hierop zeide Nathan: gij zijt die man! — Dit zegt God: ik heb u tot koning over Israel gezalfd; ik heb u uit de handen van Saiil gered; ik heb u over Juda en Israël gesteld, en is dit alles nog te weinig in uwe oogen, zoo zal ik nog

1} David had vele vrouwen, ürias had er slechts eene.

213

-ocr page 216-

214 Getehiedenis

veel grooters er toe doen. Waarom hebt gij dan mijne wet versmaad? Gij zelf hebt Urias door het zwaard der Ammonieten gedood, en hem zijne vrouw ontnomen; daarom zal ü straffen over u uit uw eigen huis doen oprijzen; ik zal u uwe vrouwen voor uwe oogen ontnemen, en die aan anderen geven. Nu sprak David; ik heb tegen God gezondigd, en ik heh er een opregt berouw over. Nathan antwoordde; God heeft ook uwe zonden weggenomen; gij zult niet sterven, nogtans, omdat gij door deze daad de vijanden des Heeren oorzaak gegeven hebt van hem te lasteren, zal het kind hetwelk u geboren is, sterven. Hierna trok Nathan naar huis. De Heer sloeg werdelijk het kind, dat Bethsabce aan David gebaard had, met eene doode-lijke kwaal. David bad den Heer voor het kind; hij vastte, begaf zich in de afgezonderdheid, en lag op de aarde. Op den«zevenden dag stierf het kind. anneer David, door het gemompel zijner dienaren, den dood vernomen had, stond hij van de aarde op, waschte zich, besproeide zich met riekende olie, trok andere kleederen aan, en ging in het huis des Heeren bidden. Daarna ging hij Bethsabee, zijne vrouw, troosten. Zij baarde later aan David eenen anderen zoon, en noemde hem Salomon. God beminde dat kind, en vervulde het met wondere gaven.

BEMEEKING. Ongeveer een jaar lang bleef David zeer gerust in deze zoo groote zonde voortleven. Zie hoe de zonde eenen mensch verblindt, ja ook hem, die te voren deugdzaam geleefd heeft. Doch God zond uit loutere barmhartigheid den profeet Nathan, om David\'s geweten uit den sluimer te trekken, die, aanstonds vergetende dat hij koning was, alleenlijk dacht dat hij zondaar was, en zeide: ik heh tegen den Heer gezondigd; deze woorden kwamen voort uit een rouwmoedig hart. De profeet, die dit door het licht van Gods geest bemerkte, voegde aanstonds daar bij; de lieer heeft ooh uwe zonden uitgewischt. Maar daarom waren hem de tijdelijke straffen nog niet ontnomen. De profeet voorzegt hem vele rampen, die David aanziet als voordeelige middelen om aan God te voldoen, en zijne gramschap te verzoenen. En daar hij met leedwezen zag in wat staat hij gevallen was, wendde^ hij dadelijk, zonder wanhopen, met een groot betrouwen op God, alle pogingen aan, om alles te herstellen door zijne boetvaardigheid, die geheel zijn leven duurde. De H. Ambrosius zegt dus met reden: vele volgen David na in zijne zonden, maar ■weinigen in zijne boetvaardigheid... Om Urias, die hij had doen dooden, verliest hij vier zijner kinderen: 1. Het kind m overspel gewonnen. 3. Amnon. 3. Absalon. 4. Adonias. Om Bethsabee, met wie hij gezondigd had, zondigt Absalon in het

-ocr page 217-

van het Omle Testament.

openbaar met vrouwen van David. Alzoo straft God de zonden op deze wereld, zelfs nadat eij vergeven aijn.

VI. HOOFDDEEL.

Amnon onteert zijne zuster. Hij wordt gedood van Abaaton. 2. Kon. 13.

Am non, de oudste zoon van David, verkrachtte Thamar, die zijne halve zuster eu de volle zuster van Absalon «vas. Na met haar in bloedschande gevallen te zijn, veranderde zijne onzuivere liefde in eenen onverzoenlijken haat, en hij wilde haar niet moer zien.

Toen Absalon dit vernam, vatte hij eenen doodelijken haat tegen Amnon op; doch hij liet hiervan niets blijken. David ook was over die ongehoorde schanddaad zeer treurig. Twee jaren daarna, toen Absalon zijne schapen deed scheeren, noo-digde hij al de zonen des konings ten maaltijd. Hij kwam dan bij David, en zeide: de schapen van uwen dienaar worden geschoren, de koning gelieve met de zijnen tot mij te komen. Dewijl David dit weigerde, zeide Absalon: als dit niet wezen mag, zoo laat toch mijnen broeder Amnon met ons gaan; en hij bleef zoo aandringen, dat David eindelijk zulks toestond, en ook al zijne zonen liet mede trekken. Absalon had eenen koninklijken maaltijd bereid, en tot zijne knechten gezegd; let er wel op, als Amnon door den wijn zal vervrolijkt zijn, en ik zeggen zal; valt hem aan! brengt hom dan om het leven. AVeest niet bevreesd, ik ben het, die het gebied. De knechten deden zoo als Absalon hun bevolen had, en doodden Amnon gedurende den maaltijd. Dadelijk namen de genoodigde zonen van David, in aller ijl, op hunne muilezels, de vlugt. Toen het gerucht tot David kwam, dat Absalon al zijne zonen verslagen had, sprong hij op, scheurde zijne kleederen, en wierp zich ter aarde, en al de dienaars volgden hem hierin na. Middelerwijl kwam Jonadab aan\' en zeide; Amnon alleen is gedood; want Absalon had dit bij zich besloten, van af den tijd dat hij zijne zuster Thamar verkrachtte. Absalon vlugtte naar den koning van Gessur. David treurde over Amnon dag aan dag.

BEMEUKING. Deze dubbel booze daad van Amnon en Absalon heeft de H. Geest voor de geheele wereld doen beschrijven, opdat het alle menschen tot schrik dezer zonde zoude dienen, ziende derzelver gevaarlijke gevolgen en droevige uitwerkselen.

215

-ocr page 218-

Geschiedenis

VIL HOOFDDEEL.

Joab brengt Absalon weder in genade bij David. Absalon staat tegen zijnen vader op. De raad van Achitophel en van Chusaï. 2. Kon. 14. 15. 16. 17.

Absalon bragt ondertusschen bij David, door den veldoverste Joab, zoo veel te wege, dat de koning na het einde van drie jaren toestond, dat hij zijnen zoon zoude wederhalen. Joab ging dan naar Gressur, en bragt Absalon te Jeruzalem. Maar de koning zeide: dat hij naar zijn huis ga, zonder voor mijne oogen te verschijnen. Hij trok dan naar zijn verblijf, zonder zijnen vader te zien. Absalon was de schoonste manspersoon van geheel Israël. Van het hoofd tot de voeten was er in hem niets gebrekkelijks. Hij liet eens in het jaar zijn haar scheeren, daar het hem te zwaar viel, en het woog ruim 200 sikkelen.

Als hij nu twee jaren te Jeruzalem geweest was, zonder het aangezigt van den koning te zien, deed hij Joab roepen; maar deze wilde niet komen. Hij dwong hem eindelijk te komen, door het in brand steken van zijnen oogst, en zeide: waartoe ben ik van Gessur herwaarts gekomen? ik bid u, maak dat ik den koning zie, of indien hij mijne misdaad nog wil gedenken, dat hij mij dan liever doe sterven. Joiib ging tot den koning, verhaalde hem alles, en Absalon werd geroepen. Deze kwam, boog zich voor den koning ter aarde; en deze kustte en rigtta hem op.

Hierop verschafte Absalon zich wagens en ruiters, en 50 man moesten voor hem uitgaan, \'s Morgens zat hij al vroeg aan den ingang van \'s konings hof en zeide tot al degenen, die wegens eenige regtzaak tot \'skonings regterstool kwamen: het dunkt mij, dat uwe zaken billijk en regt zijn, maar er is niemand gesteld om u te verhoeren. O, of men mij in dit land regter stelde, opdat ik aan allen, die eenig geschil hebben, regt mogt doen wedervaren! En telkens als iemand hem kwam groetengt; nam hij hem bij de hand, omarmde en kuste hem. Aldus zocht hij de harten der Israëlieten te winnen.

Vier jaren daarna zeide Absalon tot den koning: laat mij toch naar Hebron gaan, om mijne belofte, die ik aan den Heer gedaan heb, te volbrengen. De koning zeide: ga in vrede. Hij trok dan derwaarts; doch hij had boden tot al de stammen van Israël gezonden, om hun te zeggen: zoo haast als gij de bazuin hoort blazen, roept dan; Absalon is koning te Hebron! Men kwam dan aan David boodschappen: geheel Israël hangt Absalon aan. Alsdan sprak David tot zijne dienaars: staat op en laat ons vlugten, opdat hij ons niet overrompele en de geheele stad verwoeste. De koning vertrok

«16

-ocr page 219-

van het Oude Testament.

dan te voet. Al zijne dienaars met zijne kloekste krijgsknechten volgden hem. Zij weenden allen luide, en al het volk van de stad ging met den koning over de beek Cedron. Aldaar kwam ook de priester Sadoc met de Levieten, dragende de ark des Heeren; maar David zeide: brengt de ark des Heereir weder in de stad. £n hij trok weenende den Olijfberg op. Hij was barwoets, en zijn hoofd, alsmede dat van al het volk,, was bedekt. Wanneer David op den berg gekomen was, ont God te aanbidden, kwam Chusaï hem te gemout met gescheurde kleederen. David zeide hem: indien gij naar de stad terugkeert, zult gij den raad van Achitophel kunnen verijdelen: derhalve keerde Chusaï naar de stad weder. A/-\' - . \' f

Toen David tot aan Bahurim gekomen was, kwam er zekere man van Saül\'s maagschap, met name Semeï, op hem uitgeschoten, die al gaande David vervloekte. Ook wierp hij steenen naar hem en naar al de dienaars des konings. Ga uit! ga uiti riep Semeï, gij bloedgierige en booze mensch! De Heer heeft al het bloed van Saül\'s huis op u doen vallen, omdat gij het rijk overweldigd en u in zijne plaats gesteld hebt, en nu heeft de Heer het rijk in de hand van uwen zoon Absalon gegeven.

Abisaï zeide alsdan vertoornd : wat lastert die doode hond\' hier mijnen koning? Ik wil hem den kop afslaan. Maar de koning zeide: laat hem lasteren : want God heeft hem Davicï doen lasteren. (1) En wie zal God durven vragen, waarom hij dit gedaan heeft ? Mogelijk zal de Heer daarom mijne-ellende aanzien en mij zegenen voor den laster, dien ik heden lijd. David zette zijnen weg voort, en Semeï liep op de kruin des bergs bestendig nevens hem, vloekte en wierp steenen en aarde naar hem.

Intusschen was Absalon met al zijnen aanhang te Jeruzalem gekomen. Chusaï, David\'s vriend, kwam bij Absalon, zeggende geveinsd: leve de koning! leve de koning! Even als ik tot uws vaders dienst geweest ben, zoo zal ik ook tot uwe dienst wezen. Absalon zeide tot Achitophel: pleegt te zamen \'raad, wat ons te doen staat. Achitophel zeide tot Absalon ; bedrijft ontucht met de bijvrouwen van uwen vader, (deze waren nog* in het paleis gebleven) en aldus zal gansch Israel merken, dat gij met uwen vader onverzoenlijk overhoop ligt, en zal aan \\i sterker gehecht zijn. Zij volgden dezeu vervloekens-waardigen raad, en zondigden met Davids bijvrouwen. Verder zeide Achitophel: laat mij met twaalf duizend man nog dezen-nacht David vervolgen, en hem (van een ieder verlaten zijnde) dooden. Deze raad behaagde aan Absalon en aan al de oversten..

1) Dat is, de Heer heeft de vrijwillige boosheid van Semeï wille» gebruiken om David te vernederen.

21T

-ocr page 220-

-318 Geschiedenis

Docli hij sprak: roep Clmsaï, opdat wij hem ook liooren. Cbusaï zeide: voor ditmaal kan ik den raad van Achitopliei niet goedkeuren. Gij weet, dat uw vader en zijne manneu dappere helden zijn. Hij zal ook bij het volk niet blijven, misschien heeft hij zich al in eene spelonk verstoken. Bovendien, zoo er in het begin eenigen van de uwen in den strijd sneuvelen, zal men roepen, dat uw volk de nederlaag bekomen heeft, en uwe dapperste mannen zullen den moed laten zinken. Het is dan beter, dat gij al de Israëlieten in aller ijl doet vergaderen, en u in het midden van hen stelt, en dan zullen wij hem, op wat plaats hij is, op het lijf vallen. Absalon en al de mannen zeide hierop : de raad Chusaï is beter dan die van Achitophel. Doch dit geschiedde door de schikking des Heeren, dat de raad van Achitophel, die volgens de krijgsregels veel heter was, werd vernietigd, omdat God Absalon wilde straffen. Alsdan ging Chusaï tot de priesters, Davids vrienden, en zeide: op deze en die wijze heeft. Achitophel den raad gegeven, en ik, van mijnen kant, heb dit aangeraden. Laat dan straks aan David zeggen: blijft niet in het vlakke veld der woestijn vernachten, maar trek over den Jordaan, opdat de koning met zijn volk niet verslagen worde. Als nu Achitophel zag dat zijn raad niet gevolgd word, trok hij henen en ging zich verhangen.

EEMERKING. David lijdt met geduld de lasteringen van Semeï; hij wederhoudt niet alleen zich zeiven, maar ook zijne onderdanen, die zijne beleedig\'mgen wilden wreken^ en neemt alles van de hand van God aan, die de boozen gebruikt om de goeden te straffen en te vernederen. Hij betrouwde, dat God, hem hier op de aarde straffende, hem hierna zoude sparen. Volgen wij David na als er te lijden is! O hoe aangenaam zoude dit den Heere zijn, hoe stichtend voor onzen evemncnsch 1 Maar helaas! een weinig beduidend ongelijk is ons dikwijls oorzaak van groote zonden. Als wij dit onverduldig lijden, mishagen wij aan God, wij vergrooten onze schuld in stede van die te verminderen, en ontstichten den naaste. Ons geloof is te klein. Wij denken niet gelijk David, dat God ons uit liefde daardoor gelegenheid geeft om aan zijne goddelijke regtvaardigheid te voldoen, kunnende door bet lijden van eenige smaadwoorden, of door een klein verlies, vele pijnen afkoopen, die wij hierna zoude moeten verduren.

-ocr page 221-

van het Oude Testament.

VUL HOOFDDEEL.

Absalon\'s leger wordt door David\'s leger versJagen. Absalon, vlugtende, blijft aan een boom hangen, wordt gedood en van David beweend. 2. Kon. 18. ISK

Nadat David met zijne mannen over de Jordaan getrokken was, trok Absalon ook daar over, en met hem al het volk van Israël. David monsterde zijn leger (hetwelk door de hulp der omliggende volkeren, die hem genegen wareyi, zeer versterkt was),, on stelde over hetzelve Joab, Abisaï en Ethaï als veldoversten. Verder zeide de koning: ik zal ook met u optrekken. Maar het volk sprak: gij zult dit niet doen. Hij bleef dan onder de poorten der stad zitten, en het volk ging bij benden uit. Ook beval de koning aan Joab, Abisaï en Ethaï: spaart mijnen soon Absalon. Dit gebod gaf hij aan de oversten, in het aanhooren van al het volk.

De strijd nam aanvang in het woud van Ephraïm. Absalon\'s leger werd door David\'s leger verslagen; de nederlaag op dien dag, was uitermate groot. Absalon zelf poogde, op zijnen muilezel zittende, te ontvlugten; maar terwijl hij onder eenen dik-getakten eik voortdraafde, verwarden zijne haren aan eenen tak, en alzoo bleef Absalon, tusschen hemel en aarde, aan dien eik hangen. Iemand kwam dit aan Joab boodscliappen, die zeide: waarom hebt gij hem niet doorstoken? Joab nam dan drie spiesen, en stak die in Absalons borst. Doch daar hij nog levende aan den eik bleef hangen, snelden 10 jongens van Joab\'s wapenknechten toe, en sloegen hem verder dood. Joab liet daarna den aftogt blazen, om de vlugtende Israëlieten niet verder te vervolgen. Zij wierpen wijders Absalon in eenen diepen kuil, en wierpen gezamenlijk eenen grooten hoop steenen op hem. Joab zeide alsdan tot Chusaï: ga, boodschap aan den koning hetgene gij gezien hebt. David zat tusschen de stadspoorten; en toen hij den bode zag, vroeg hij: gaat het wel met mijnen zoon Absalon? Chusaï antwoordde: even als Absalon moeten diegenen varen, die des konings vijanden zijn. De koning begaf zich nu bedroefd en weenend boven de poort, en zeide: o Absalon, mijn zoon! o mijn zoon Absalon 1 och, of ik voor u gestorven ware! o mijn zoon Absalon! Joab, hoorende dat David weende, en in de rouw was over zijnen zoon, ging tot hem en zeide: gij bemint die u haten, en gij haat die u beminnen. Gij toont heden dat gij uw volk weinig acht, en ik merk wel, dat, indien Absalon leefde, en wij allen gesneuveld waren, gij dan wel tevreden zoudt zijn. Sta toch op, en vertoon u: want ik zweer u, dat, zoo gij niet komt, er niet een man dezen nacht bij u blijven, en het met u erger zal gaau

219

-ocr page 222-

Geschiedenis

dan ooit te voren. De koning stond dan op, stelde zicli onder de poort, en het volk kwam zich voor hem vertoonen.

De veldoversten van Absalon, die thans hunne misdaad inzagen, keerden weder tot David. Zij die meest tegen hem waren geweest, toonden hem nu ook om het meest genegenheid om vergiffenis te bekomen.

BEMERKING. Hoe groot was de liefde van David tot Absalon! Hij vergeet den smaad, dien hem door het onteeren van zijne vrouwen is aangedaan, het oproer dat hij gemaakt had onder zijn volk, en den wreeden haat waarmede hij hem vervolgde. Hij weent over zijn ligchamelijken dood, maar nog meer over den dood zijner ziel, daar hij wist, hoe rampzalig hij gestorven was. Zijn voorbeeld leert ons, meer over den dood van de ziel, dan over die van het ligchaam te weenen; want het allerhoogste ongeluk op deze wereld is in zonde te sterven. Hoe luttel is het bekend en nog minder beweend! Men weent dikwijls over den ligchamelijken dood van eenige vrienden, en over hunnen geestelijken dood is men niet eens bedroefd, en zelfs niet over den dood van zijne eigene ziel. De H. Augus-tinus belijdt van zich zeiven, dat hij vóór zijne bekeering geweend had over den dood van Dido (die slechts een verdichtsel was) en niet over den dood zijner eigene ziel, welke, verblindheid hij daarna beweende, en aan iedereen voorstelde; opdat zij zoo dwaas niet handelen, maar hunne tranen sparen zouden in alle tijdelijk verlies, om die over het verlies van hunne ziel en dat van hunnen naaste te storten.

IX. HOOFDDEEL.

Terugkomst van David. Hij vergeeft aan Semeï zijne misdaad. Miphi-boseth regtvaardigt zich. Amasa wordt dooi* Joab vermoord.

Het oproer van Siba wordt gestild. 2. Kon. 19. 20.

De Israëlieten begonnen nu voor vast te denken, om tot David weder te keeren. Geheel Juda kwam hem te gemoet, om hem over den Jordaan te leiden. Semeï was daar ook, en toen de koning over de rivier gekomen was, viel hij voor hem ter aarde, en zeide: o mijn heer en koning! Ik belijd mijne schuld: behandel mij niet volgens verdienste. Vergeef den smaad, die u door uwen dienaar is aangedaan, en wil dien toch in uw hart niet behouden. Abisaï zeide daarop : meent Semeï om deze woorden den dood te ontgaan, daar hij den gezalfde des Heéren zoo afschuwelijk gelasterd heeft ? Doch David sprak; wat bemoeit gij u met mijne zaken? quot;Waarom wilt gij mij heden tergen? Zal men van daag iemand in Israël dooden? Weet ik niet, dat ik heden over Israel ko-

220

-ocr page 223-

van hel Oude Tedament.

ning geworden ben? Hij zeide dan tot Semeï: gij zult niet sterven, en hij bevestigde het bij eede.

Wanneer de koning dan Jeruzalem naderde, kwam hem Miphiboseth te gemoet. Van den tijd af, dat de koning gevlugt was, tot dat hij gelukkiglijk was wedergekomen, had hij zijne voeten niet gewassohen, noch zijnen baard laten scheeren (dit waren lij de Israëlieten teekenen van rouw en droefheid.) Zoodra David hem zag, vraagde hij: Miphiboseth waarom zijt gij met mij niet gekomen? Deze antwoordde: heer koning, mijn knecht heeft mij veracht: want daar ik kreupel was, had ik hem bevolen dat hij mijnen ezel zoude zadelen, om u te volgen. Maar Wj, integendeel, heeft mij valschelijk bij mijnen heer aangeklaagd. Doch gij, o heer koning! zijt als een Engel Gods: daarom handel met mij naar uw welgevallen. Want daar geheel het huis van mijnen vader niets anders dan de dood aan u schuldig was, hebt gij mij onder degenen gesteld, die aan uwe tafel aten. Wat heb ik dan met redenen te klagen, of verder u ergens om te kwellen? De koning antwoordde aan Miphiboseth: houd op met spreken:\' ik wil dat gij en Siba de goederen verdeelen zult (1). Miphiboseth zeide tot den koning: laat hem alles maar houden; het is mij genoeg, dat ik mijnen heer en koning gelukkiglijk in mijn huis zie terugkomen.

Daar David nog zeer bedroefd was over Absalon\'s dood, en daar hij Joab\'s stoutheid niet kon verdragen, besloot hij hem het oppergebied van zijne legers te ontnemen, om het aan Amasa te geven, die, zoo wel als Joab, zijn neef was, zijnde alle twee zonen van twee zusters van David. Amasa had Absalon aangehangen, en zijn leger bestuurd, maar was sedert tot zijnen pligt wedergekeerd.

Middelerwijl gebeurde het, dat eon man van Benjamin\'s geslacht, Seba genoemd, een nieuw oproer tegen David verwekte; Amasa werd gezonden, om het leger tegen dezen oproerigen te vergaderen. In het wederkeeren werd hij door Joab ontmoet, die tot hem zeide: wees gegroet, mijn broeder! en terwijl hij met de regterhand de kin van Amasa vast nam om hem te kussen, doorstak hij hem met de linkerhand, zoo dat hij dood ter aarde nederstortte.

Joab trok voort om Seba te bevechten, die zich-met zijn volk in eene stad begeven had. Joab belegerde die stad; doch de inwoners, om het geweld der belegering te ontgaan, sloegen Seba het hoofd af, en wierpen het van boven de vesten aan Joab, die daarop het leger deed uiteen gaan, en naar Jeruzalem terug kwam. — Deze veldoverste had zich zoo ontzaggelijk

I) Deze Siba was te voren valschelijk aan David komen zeggeni Miphiboseth David niet wilde volgen, en David had hem al de goederen van Miphiboseth gegeven.

221

-ocr page 224-

222 Oe-xliifdp/ih

gemaakt, dat David alsdan niet durfde ondernemen den moord van Amasa te wreken. Hij moest dan door de vingers zien, tot dat bij de gelegenheid Koude aantreffen, om liem de verdiende straf te doen dragen.

BEMERKING. Joab was zeer vermetel, en liet zich om zijne bekwaamheid en groote diensten zeer veel voorstaan, hetwelk aan David groote droefheid veroorzaakte, die deze boetvaardige koning in den geest van droefheid verdroeg, zonder Joiib te straffen; maaT deze ontging daarom de straf niet Salomom heelt deszelfs boosheid gewroken. Hieraan mogen zich al diegenen spiegelen, die trotsch zijn over hunne kunde. Zij moeten toezien, dat zij de goedheid hunner meesters niet misbruiken door te denken: gij kunt mij niet missen, of gij zult mij mijn ambt niet ontnemen. Al ware het zoo, zullen zij echter de goddelijke straf niet ontgaan. Toen Semeï vergiffenis vraagde, was David, blijde, dat hij de gelegenheid had om hem (die den dood verdiend had) barmhartig te behandelen, zoo als God met hem gedaan had. Een mensch, die opregt bekeerd is, heeft een nederig gevoelen van zich zeiven, en doet gaarne genaden aan anderen, gelijk God aan hem genade gedaan heeft. Hij doet niet zooals de onmenschelijke knecht van het heilig Evangelie, die zijnen medeknecht om eene kleine schuld zoo barsch aanging, daar hem nogtans zulk eene groote schuld was kwijtgescholden. Hij weet, hoe euvel de Heer dit genomen en hoe streng hij dit gestraft heeft.

X. HOOFDDEEL.

Driejarige hongersnood. David laat, uit ijdelheid zijn volk tellen en wordt daarover met de pest gestraft. 2. Kon.

21. 22. 23. 24. (1. Paralip. 25.)

Ten tijde van David\'s regeering ontstond er ook een hongersnood, die drie jaren duurde. David ging hierover den Heer te rade, en kreeg ten antwoord, dat dit om Saiil\'s wil was, en om de bloedgierigheid van zijn huis, dewijl hij de Oabaönieten had gedood, die Josuë beloofd had te sparen, en die Saül onder den schijn van ijver voor Israël\'s kinderen zocht te veïnietigen. David liet dan de Gabaönieten roepen, en zeide; wat wilt gij, dat ik u doe? Waarmede zijt gij te verzoenen? Zij zeiden; wij verzoeken niet dat er iemand in Israël gedood worde, maar dat wij den man (die ons ten onregte zoo verdrakt heeft) zoo mogen vernietigen, dat er in Israël niet een van zijnen stam meer overblijve. Geef ons dan zeven mannen van zijne kinderen, opdat wij die kruisen. De koning zeide; ik zal ze u geven. Hij spaarde Miphiboseth: maar de twee zonen van Repha, en de vijf

-ocr page 225-

van het Oude Testament.

zonen van Micliol, dien «ij bij Hadriël gewonnen had, leverde hij; in de tanden van de Gabaonieten over, die hen voor Gods aangezigt op den berg aan een kruis hingen. Daarna zegevierde Duvid nocj viermaal\' over de Pldlistijiien.

Terwijl de Philistijnen in het dal der reuzen legerden, was David in eene bemuurde plaats, en Bethlehem was door de-Philistijnen bezet. David door den dorst gepraamd, zeide: och, of mij iemand eenen teug waters tonde bezorgen uit de bron-put, die te Bethlehem bij de poort staat! Drie helden braken dan door het leger der Philistijnen, en bragten David van dit water. Doch hij wilde het niet drinken, maar goot het uit voor den Heer, en zeide; zoude ik het bloed van die mannen drinken, die met levensgevaar derwaarts gegaan zijn?

Middelerwijl ontstak Gods toorn wederom tegen Israël. Om hen te straffen, liet God satan toe, dat hij David zoude aandraven, om het getal van Israëls kinderen te willen weten. De kouiug zeide dus tot Joab: ga, doorreis al de geslachten van Israël, en tel het volk, opdat ik hun getal wete. Joab antwoordde: de Heer uw God vermenigvuldige uw volk, ja make het honderdmaal grooter. Doch uit wat reden heeft mijn heer en. koning genegenheid tot deze zaak? Maar het verlangen des konings overwon de vertoogen van Joab en der andere krijgsoversten, zoodat Joab met hen henen trok, om het getal vaa het volk op te nemen. Zij doorreisden dan geheel het land, en keerden na negen maanden en twintig dagen weder naar Jeruzalem; alsdan gaf Joiib de lijst aan den koning over. In Israël werden er bevonden acht honderd duizend strijdbare mannen, en vijf honderd duizend in Juda, zonder de geslachten van Levi en Benjamin mede te rekenen. Joiib echter had \'s konings bevel tegen dank volbragt. 1. Faralip. 21.

Na deze optelling gevoelde David eene wroeging in zijn geweten, en sprak tot den Heer: ik heb door deze handelwijze gezondigd; daarom bid ik U, Heer, dal gij de ongeregtigheid van uwen dienaar wilt wegnemen; want ik ben zeer dwaaste werk gegaan.

Den volgenden dag deed God den profeet Gad aan David zeggen; dit zegt de Heer; gij hebt keus van drie plagen, kies eene van die; of gij zult drie jaren hongersnood in uw land moeten lijden, of drie maanden voor uwe vijanden vlugten, of drie dagen de pest in uw land hebben. David zeide: ik ben in grooten angst, maar het is mij beter in de hand van God te vallen (want zijne barmhartigheid is groot), dan in de handen der menschen te vallen. God zond dan de pest in Israël, van \'s morgens af tot den gestelden tijd, en er stierven 70 duizend man van het volk. De Heer zond voorts den Engel, door vvien hij het volk sloeg, ook naar Jeruzalem, om

-ocr page 226-

224 GescJliedenis

de stad te slaan. Doch nu kreeg bij eindelijk medelijden met de eeplaagden, en zeide tot den Engel: het is nu genoeg._

Toen David den engel zag, d\\e het volk sloeg, sprak hij to God: ik ben het, die gezondigd heb; ik ben de phgtige, maar wat hebben die schapen gedaan? Keer dan bid ikü, o Heer. •uwe hand tegen mij en tegen mijns vaders huis. Verder ngtte David, op bevel van den Profeet, een altaar op, droeg zoen- en brandoffers op, en de pest liet dadelijk af.

BEMEHKING. David kiest van drie plagen de pest, omdat Mi zich zeiven als oorzaak der straf aanzag, en hij allermeest door de pest konde gestraft worden; want oorlog en hongersnood konden zijnen persoon luttel raken. Dier zie men ook, hoe God door een verholen oordeel, dikwijls de zonden der oversten in de onderdanen, en de zonden der onderdanen in de oversten straft. Ook zegt de heilige Gregonus, dat God, die de harten der oversten in zijne handen heett, deze dikwijls volgens de verdiensten der onderdanen bestuurt. Aldus laat hij somtijds eenen Herder, die anderzins deugdzaam is, in eene fout vallen, om alzoo degenen, die onder zijn bestuur staan en die God ook vergramd hadden, te straffen- want er is eene groote gemeenschap tusschen de oversten en de onderdanen. Hoe veel is er dan voor de onderdanen aan gelegen, vrome en ervarene Herders en bestuurders te hebben! Derhalve is eene van de voornaamste gunsten, die God aan eene christene gemeente bewijst, haar te voorzien van goede overheidspersonen.

HET DERDE BOEK DER KONINGEN.

Het derde loeTc der koningen leheht in 23 Hoofddeelen, eene aescJnedenis van 126 jaren, te beginnen van het jaar der wereld 2989, tot het jaar 3115. De voornaamste punten zyn: het rijk van Salomon; de dood van David; Salomons tempel; de scheuring van het rijk onder Jtohoam; de daden van vier koningen van Juda, en van acht koningen van Israel.

I. HOOFDDEEL.

Salonnn wordt, op den ouderdom van 18 jaren, tot koning gezalfd.. Adonias onderwerpt zich. 3. Kon. 1. en 2. Paralip. 28.

Uit al de zonen van David, die talrijk waren, werd Salomon, een der jongste, van God verkoren, om zijnen vader m het rijk op te volgen. David had aan den profeet Nathan verklaard, en

-ocr page 227-

van het Oude Testament.

zelfs met eed aan Bethsabee beloofd, dat haar zoon Salomon na hem zoude heerschen. De zaak, nogtans, was niet openbaar gemaakt. Toen nu David oud geworden was, en magteloos werd, had gansch Israël de oogen op hem geslagen, opdat hij hun zoude kenbaar maken, wie na hem den troon moest beklimmen. Maar Adonias, zijn oudste zoon, voorkwam zijne keus, en zeide; ;,ik zal koning zijn; en daarop deed hij voor zich wagens en paarden bereiden, met vijftig man, die voor hem moesten uitloopen. Joab de veldoverste en de hoogepriester Abiathar hielden het met hem; maar de profeet Nathan, de hoogepriester Sadoc, en de dapperste helden van David hielden het met Adonias niet.

Adonias rigtte dan eenen grooten maaltijd op, tot welken hij alle des konings zonen en zijne voornaamste aanhangers riep. Hij werd door al de genoodigden voor koning gegroet, en zij riepen: lang leve de koning Adonias! Nathan werd daarvan verwittigd, en ging het aanstonds Bethsabée zeggen. Zij begaf zich onverwijld tot den koning, verhaalde hem al hetgene er gebeurd was, en maakte hem ook zijnen eed indachtig. Nathan trad ook toe, en bevestigde hare woorden. David zeide daarop tot Bethsabée; zoo waar als de Heer leeft, die mij uit al mijnen angst verlost heeft, zoo zal ik nog dezen dag uitvoeren, hetgene ik u gezworen heb. Hij beval op denzelfden stond aan Sadoc, Nathan en Banaïas, dat zij zonder uitstel Salomon tot koning zouden zalven en kroonen. Men deed den jongen vorst op des ? konings muilezel zitten, en zoo werd hij naar Gibon gebragt, alwaar hem Sadoc zalfde. Men blies daarna de bazuin, en al het volk riep: lang leve de koning Salomon! Verder voerde men hem, onder het geschal van bazuinen en fluiten, en onder de toejuiching van al het volk, hetwelk met hem was, naar Jeruzalem terug.

Toen Adonias en al zijn aanhang dit gerucht hoorden, vraagden zij wat dit beduidde, en waren zeer ontsteld, als zij vernamen, dat Salomon, op het bevel van David, tot koning gezalfd, , en reeds op zijnen troon gezeten was. Al de genoodigden van Adonias, daardoor gansch verschrikt, weiden verstrooid. Adonias, die voor zijn leven vreesde, nam den hoek des altaars vast, en wilde van daar niet gaan, voor aleer Salomon hem bevestigd had, dat hij hem niet zoude doen sterven. Men kwam dit aan I Salomon boodschappen, die antwoordde; indien hij zich vroom i gedraagt, zoo zal er niet een haar van zijn hoofd vallen; maar gt; zoo er eenige geheime en booze listen in hem bevonden worden, | zal hij den dood niet ontgaan. Salomon zond dan iemand der-s waarts, die hem van het altaar afbragt. Adonias kwam zich voor den koning Salomon nederbuigen, waarop deze hem ge-3 bood naar huis te gaan. ,

15

235

-ocr page 228-

GescJiiedenis

BEMEUKING. Het krachtigste middel voor den zondaar om barmhartigheid van God te bekomen, is, zoo als Adonias, zijne toevlugt tot het altaar te nemen, doch tot het altaar van het kruis, en met een vernederd en vermorzeld hart den ge-kruisten Jesus vast te houden, en hem niet te laten gaan, voor fa aleer hij het oog zijner barmhartigheid over hem ontsluit. Dit 5 is een troostrijk middel tegen de vrees van Gods regtvaardig- | heid, die de zondaar door zijne zonden getergd had. Maar al i moet de zondaar op Gods goedheid betrouwen, behoort hij ! nogtans, na de verzoening, zich de woorden van Salomon tot [j Adonias, te herinneren: indien hij wederom valt, zal hij den j dood niet ontgaan.

II. HOOFDDEEL,

Laatste daden van David. 1. Paral. 21. 28. en 29.

Nadat David zijnen zoon Salomon tot koning over Israël ge- :| steld had, liet hij al de vorston der Israëlieten, de oversten der § stammen en de ambtenaren, zoo van het hof als van het leger, fi bijeen komen. Hij stond op, alhoewel hij zeer krank was, en ; zeide: luistert naar mij mijne bloedverwanten en mijn volk. :| Mijn voornemen was eenen tempel te bouwen, alwaar de ark ;| van het Verbond des Heeren zoude rusten; maar de Heer zeide ;i tot mij i uw zoon Salomon zal mij eenen tempel bouwen; want || ik heb hem tot mijnen zoon verkoren, en ik zal zijn vader zijn. | Indien hij mijne geboden en instellingen blijft onderhouden, ?al 1 ik zijn koningrijk vestigen. — Daarom bid ik u, in de tegen- | woordigheid van God, die ons hoort, dat gij al de geboden van r! onzen Heer zoudt onderhouden en ze vlijtig betrachten. En gij, 5» mijn zoon! maak dat gij den God van uwen vader kennen ó moget, en dien hem uit ganscher harte en met een goedwillig gemoed; want God doordringt al de harten, en doorziet al de gedachten van onze ziel. Indien gij hem zoekt, zult gij hem vinden; maar indien gij hem verlaat, zal hij u ook voor eeuwig verwerpen. Nu dan mijn zoon, de Heer zij met u. Hij geve u ook wijsheid en verstand, opdat gij Israël wel besturen en | de wet van uwen Heer en God trouw onderhouden moget. ^ Want als gij de geboden van uwen Heer en God volbrengt, p zult gij in voorspoed kunnen leven. Gij ziet dat ik, in mijne |i armoede (1) heb bereid gemaakt, hetgene tot het groots werk ; van het huis des Heeren noodig is: maar hij heeft u verkoren ;|

1) David had tot het opbouwen des tempels bovenmate groote rijk- |l dommen vergaderd, en nogtans aanziet hij zich als arm, omdat die || rijkdommen, zoo als hij daarna zegt, niet aan hem, maar aan God i toebehoorden, en omdat hij van zijne milde hand alles, wat hij hem opdroeg, ontvangen had.

226

-ocr page 229-

van het Oude Testament. S27

om dit oogwit te voltrekken. Wakker clan allen aan, sla de hand aan het werk, en God zal met u zijn.

De koning zeide verder tot de geheele schaar; het heeft God behangd, uit al mijne zonen, mijnen zoon Salomon, een\' teederen jongeling, te verkiezen, en echter is die bouwing een groot werk. Want het is geen paleis, hetwelk voor eenen mensch, maar voor God den Heer bereid wordt. Ik heb van mijnen kant, uit al mijne vermogens, voor het huis des Heeren vaardig gemaakt, hetgene tot de onkosten van deszelfs oprigting noodig is: echter, is er iemand uwer, die daar vrijwillig iets toe bijdragen wil, hij wijde heden aan den Heer toe, wat hem zal goeddunken. Aanstonds beloofden al de oversten van het volk en al de ambtmannen, hunne giften voor het huis des Heeren op te dragen. Zij gaven goud en zilver, koper, ijzer en edelgesteenten. Ook was al het volk in het geven van deze vrij willige giften zeer verheugd; want zij deden het aan den Heer uit een opregt en vrijwillig gemoed. De koning werd daarover met eene groote blijdschap vervuld; hij loofde den Heer en zeide: geloofd moet gij wezen, o Heer en God van onzen Vader Israël! van eeuwigheid tot eeuwigheid. Aan U, o Heer! komt grootheid, magt, luister, zegen en lof toe; want alles, wat de hemel en de aarde bevatten, behoort U toe. U komt het toe koning te zijn, en uw vorstendom gaat verre dat van alle vorsten te boven. Maar wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij u deze vrijwillige gave durven opofferen? want alles komt van U, en wij geven ü terug, hetgene wij uit uwe handen ontvangen hebben. Want wij zijn als reizigers en uitlanders voor uwe oogen, even als ook al onze voorvaderen geweest zijn. Onze dagen zijn als de schaduw, die niet een oogenblik stil staat. O Heer, onze God! ik weet dat gij de harten doorziet, en de opregtheid bemint; daarom heb ik met opregtheid des gemoeds U alle dingen met vreugd opgedragen, en met eene overgroote blijdschap heb ik uw volk, hetwelk hier tegenwoordig ia, U ook zijne vrijwillige gift zien toewijden. O Heer, God van Israël! onderhoud toch voor altijd deze genegenheid in hun hart, en maak dat hun gemoed zich gestadig met eerbied tot U keere. Verleen ook aan mijnen zoon een volmaakt hart, om al uwe geboden, al uwe instellingen trouw te volbrengen, en dit huis te bouwen.

Daarna zeide David tot de gemeente: looft en dankt den Heer, onzen God. Allen loofden, vielen neder, en offerden ook op dien en den volgenden dag ontelbare slagt- en dankoffers, en men hield tenzelfden dage eenen grooten vreugde-maaltijd voor Gods oogen.

BEMERKING. David had tot Let bouwen des tempels zeer

-ocr page 230-

Geschiedenis

groote schatten vergaderd, en wekte, op het laatste van zijn leven, ook zijne onderdanen op, om geschenken te doen tot dit treffelijk werk, opdat zij, door hunne bijdragen, ook aan de verdiensten deelachtig zouden worden. Zij voldeden daaraan met een opregt en vrijwillig gemoed, want zij wisten, dat anderzins hunne giften aan den Heer, die meer naar het hart dan naaide gift ziet, niet zouden behagen. David loofde den Heer, dat hij hunne harten zoo bewogen had, omdat die blijde milddadigheid eene groote gunst van God is.

III. HOOFDDEEL.

David\'s dood. 3. Kon. 2.

Als David\'s sterfdag naderde, deed hij Salomon, zijnen zoon, bij zich komen, om hem de laatste vermaning te geven. Hij sprak hem aldus toe; zie, ik ga den weg in van allen, die op aarde wonen. Schep moed en gedraag u manhaftig. Neem acht op hetgene de Heer uw God u geboden heeft; wandel op zijne paden, opdat gij in al uwe handelingen, en werwaarts gij u keert, verstandig te werk moget gaan. Hij voegde er bij: gij weet, al wat Joiib, zoon van Sarvia, mij berokkend heeft; wat hij gedaan heeft aan twee oversten van Israël\'s leger, Abner en Amasa, die hij verraderlijk vermoord en aldus hun bloed in vredestijd gestort heeft. Gij zult dan met hem naar uwe wijsheid handelen, en hem zijn leven met geenen vreedzamen dood laten eindigen. (1) Gij hebt ook bij u Semeï van.Baharim, die mij afschuwelijk gelasterd heeft, als ik voor Absalon vlugtte; maar omdat hij mij aan den Jordaan te gemoet kwam, heb ik hem bij den Heer gezworen, dat ik hem door het zwaard niet zoude doen sterven. Gij, niettemin, laat hem niet ongestraft. (2) Dewijl gij verstandig zijt, zult gij wel weten, wat gij met hem te doen hebt.

1) De dubbele moord van Joab moest niet ongestraft blijven, en David aanzag de wraak daarvan als eenen koninklijken pligt. Maar de groote magt van den pligtige van Abisaï, zijnen broeder, had David genoodzaakt hem te sparen. Ook verdienden de diensten door Joab aan den staat bewezen, en zijne onverbrekelijke getrouwheid voor David in aanmerking te komen. Het was dus billijk, dat deze vorst hem ten minste tot zijnen ouderdom liet leven. Maar zijne goede diensten aldus beloond hebbende, belaste hij, stervende, aan zijnen zoon, dat hij zoude voldoen hetgeen hij als bedienaar des Heeren, tot de uitvoering van zijne wetten tegen de moordenaars, aan God en de gemeente schuldig was. Uit hetgene Salomon daarna te kennen gaf, door Joab ter dood to verwijzen, blijkt ook, dat God op David en zijn huis het bloed van Abner en van Amasa gewroken zoude hebben, indien hij Joab niet gestraft had

2) Het bevel van David wegens Semeï schijnt vreemd te zijn, nadat hij hem zijne misdaad zoo edelmoedig vergeven had. Maar deze vorst had

228

-ocr page 231-

van het Oude Testament. 229

David noemde hem ook eenige van zijne getrouwste dienaars, aan welke hij hem beval gunst te bewijzen voor de goede diensten, die zij in den oorlog van Absalon aan hem bewezen hadden. Vervolgens ontsliep hij in den ouderdom van 71 jaren, vervuld met rijkdom, en vol roem, en werd in den burg Sion, David\'s stad genaamd, begraven. Hij had 40 jaren geregeerd : 7 jaren te Hebron over het geslacht van Juda, en 33 jaren over gansch Israël te Jeruzalem.

BEMERKING. Ziedaar nu het einde van David\'s leven; uitmuntend voorbeeld van ootmoedigheid en van betrouwen op God, was deszelfs eerste begin, een voorbeeld van een onver-winnelijk geduld in druk en lijden en alle regtvaardigen door zijnen val en zijne verblindheid, en de troost van alle boetvaardige zondaars, door de genade, die bij bekomen heeft, en eindelijk hun voorbeeld in wonderbare boetvaardigheid, die hij gedurende 20 jaren, tot het einde zijns levens, geoefend heeft.

IV. HOOFDDEEL.

Adonias vrangt om met Abisag in den echt te treden. God verschijnt aan Salomon. Oordeelvelling van Salomon over het geschil tusschen twee vrouwen 3. Kon. (2 Paralip. 1.)

Adonias kwam op zekeren dag bij Bethsabee, de moeder van Salomon, en zeide; ik bid u, den koning te verzoeken, dat hij mij Abisag tot vrouw geve. Zij begaf zich dus bij den koning; maar deze vraag mishaagde hem zoo zeer, dat hij zeide: heden zal het Adonias met den dood bekoopen. Hij zond aan Banaïas, die hem het leven benam. Toen Joab dit hoorde, vlugtte hij in den tabernakel, en greep den hoek van het altaar vast. Men kwam dit Salomon boodschappen. Deze zond Banaïas derwaarts, die Joiib aldaar ter plaatse doodde. Daarna deed hij Semeï om het leven brengen, omdat hij tegen zijn verbod, over den Jordaan was gegaan.

twee pligten te volbrengen: namelijk van boetvaardlgen zondaar en van koning. Als zondaar had hij met eenen boetvaardigen geest do vloeken van Semeï verdragen: maar als koning moest hij de goede orde handhaven, de opstand beletten, en de koninklijke waardigheid van do aanvallen der oproerigen bevrijden. Dit doet hij hier door het bevel, hetwelk hij zijnen zoon geeft. Het is waar, dat hij, op den dag van zijne herstelling op den troon, gezworen had, dat hij hem niet zoude doen sterven: ook heeft hij jegens hem zijn woord trouw gehouden, en het is uit ontzag van dezen eed, dat hij Salomon, bevelende van Semeï de regtvaardige straf van zijne boosheid te doen dragen, nog-tans de beschikking daarvan aan zijne wijsheid overliet, alsof hij hem zeide: gij zljt hierin verpligt een voorbeeld aan het volk te stellen, maar volgens de beloften, door mij aan hem gedaan, betaamt het niet hem juist qm zijne vervloeking om hals te brengen. Het zal genoeg zijn, nabij over hem te waken, om hem te straffen wanneer hij pligtig gevonden zal worden.

£

-ocr page 232-

Geschiedenis

Als het rijk van Salomon aldus gevestigd was, nam hij (1) de dochter van Pharaö, koning van Egypte, tot vrouw, en bragt ze in David\'s stad. Met volk bleef middelerwijl op do hoogten (2) offeranden opdragen, omdat er nog geen tempel was.

Salomon behaagde den Heere, en leefde naar het bevel van zijnen vader. God verscheen hem \'s nachts in eenen droom en zeide hem: verzoek wat gij van mij wilt. Salomon antwoordde: o mijn Heer en God! gij hebt groote barmhartigheid aan mijnen vader David bewezen... Gij hebt mij, uwen dienaar, tot koning in zijne plaats gesteld; doch ik ben jong en weet niet, hoe ik hierin moet aangaan: ook is uw dienaar in het midden van een groot volk, hetwelk door zijne menigte ontelbaar is. Geef dan uwen dienaar verstand en wijsheid, om uw volk regt te doen, en onderscheid te maken tusschen goed en kwaad: want wie is er bekwaam om zulk een overgroot volk te besturen? — Het behaagde God ten uiterste, dat Salomon hem dit verzocht, en hij zeide hem; omdat gij dit verzocht hebt, en niet lange levensjaren, noch rijkdommen, noch den dood van uwe vijanden, maar wijsheid om regt te doen, zie, daarom geef ik u hetgene gij verzocht hebt, dat is verstand en wijsheid, zoo verre, dat niemand u daarin gelijk zal zijn, noch na u komen zal. Bovendien geef ik u nog hetgene gij niet verzocht hebt namelijk rijkdom en eer, zoo dat er niemand u gelijk zal geweest zijn onder de koningen der vorige tijden. Indien , gij mijne wegen blijft bewandelen, zoo als uw vader gedaan heeft, zal ik u een lang leven geven. Zoodra Salomon ontwaakte, nam hij acht op zijnen droom, en nadat hij te Jeruzalem gekomen was, stelde hij zich voor de ark des Verbonds, en offerde dank- en brandoffers.

Nu kwamen er twee iigte vrouwen voor Salomon. De eene zeide: mijn Heer! ik en deze vrouw woonden in hetzelfde huis. Ik bragt daar eenen zoon ter wereld. Drie dagen daarna baarde zij ook. Nu, het kind van deze vrouw is dezen nacht gestorven; want in haren slaap heeft zij het dood gelegen. Daarop stond zij in den nacht op, en terwijl uwe dienares sliep, nam zij mijn kind weg van mijne zijde, en legde haar dood kind in mijnen schoot. Als ik \'smorgens vroeg opstond, zag ik, dat het dood was, maar hetzelve naauwkeurig bij het daglicht beziende, bevond ik dat het mijn kind niet was. Hierop zeide de andere vrouw : het is zoo niet. Het doode

1) Oud zijnde 20 jaren, in het derde jaar zijner regering.

2) Dit waren boschaadjen op heuvelen en bergen: en mits zij met digt geboomte belommerd waren, en door hare hoogte, als het ware, aan den hemel reikten, zag het volk die aan als stiller en geschikter om God te bidden, en hem offerande te doen: maar deze hoogten waren God om verscheidene redenen niet aangenaam.

230

-ocr page 233-

van het Oude Testament.

kind is het uwe, en het levende is mijn kind. Terwijl zij dus voor den koning krakeelden, sprak deze: brengt mij een zwaard, verdeelt bet levende kind in twee stukken, en geeft aan iedere vrouw de helft. Alsdan zeide de moeder van het levende kind tot den koning (want haar hart werd over het kind ontroerdj: ik bid u, JMijnheer, geef haar toch het levende kind, zonder hetzelve te dooden. De andere zeide daar tegen: dat bet noch het mijne, noch het uwe zij, maar dat men het vei\'deele. Hierop gaf de koning deze uitspraak: geeft het levende kind aan deze vrouw, zonder hetzelve te dooden; want zij is er de moeder van. Toen gansch Israël dit vonnis hoorde, kregen zij achting voor den koning, daar zij zagen, hoe Gods wijsheid hem bezielde.

BEMEEKING. De wijsheid van Salomon, in dit vonnis bestaat daarin, dat hij zicb vast liet voorstaan, dat hij, met zulk een ongehoorde uitspraak over het levende kind te geven, iets of wat uit de bewegingen van de ware moeder zoude kunnen bespeuren, en dat haar hart zoude ontvoerd worden, zoo als ■ilit werkelijk geschiede .... Salomon bidt om wijsheid, en is hierin een uitmuntend voorbeeld voor alle oversten en bestuurders. God belooft aan Salomon een lang leven, indien hij zijne geboden onderhoudt, gelijk David, die nogtans zoo schrikkelijk zondigde. Dit dient tot troost van al dezulken, die gevallen zijnde even als David, wederom door eene ware boetvaardigheid zijn opgestaan. God had op zekere wijs de zonden van David vergeten, want zij waren door zijne boetvaardigheid uitgewischt,

VI. HOOFDDEEL.

Salomon\'s magt. Zijne paarden. Hiram zendt aan Salomon boomen tot het bouwen des tempels. 3, Kon. 4. 5. 6, (2. Paralip. 2. 3.

Salomon\'s magt was overgroot. Hij heerschte niet alleen over de twaalf stammen van Israël, maar zelfs over al de landen, die zijn vader veroverd had, van af Egypte tot aan de rivier Euphrates, alles was in vrede. Do spijzen van Salomon\'s tafel bestonden dagelijks uit 30 maten meelbloem. 60 maten meel, 10 gemeste runderen, 20 weidrunderen en 100 schapen, behalve de herten, de wilde geiten, de buffels en de gemeste vogelen. Hij bad ook 40 duizend trekpaarden in zijne stallen, en twaalf duizend ruiters. — ook gaf God aan Salomon een bovenmate groote wijsheid en voorzigtigheid, zoodat er volkeren en koningen van alle landen kwamen, om zijne wijsheid te aanhooren.

Toen Hiram, koning van Tyrus, boorde, dat Salomon ia de plaats van zijnen vader koning gezalfd was, zond bij zijne hovelingen om hem heil en zegen te wenschen. Salomoa

231

-ocr page 234-

Geschiedenis

liet ook door gezanten aan Hiram zeggen: gij weet, dat mijn vader, volgens zijne begeerte, geen huis voor den Heere zijnen God heeft kunnen bouwen, ter oorzake der oorlogen, die hij te voeren had. Maar nu heeft de Heer mijn God van allo zijden mij rust gegeven. Dus heb ik voorgenomen voor den Naam van mijnen Heer en God eenen tempel te bouwen. Gebied aan uwe knechten, dat zij mij cederboomen op den berg Libanus afhouwen, mits er onder ons niemand te vinden-is, die het hout zoowel kan kappen als de Sidoniërs.

Op het hooren van Salomons voorstel, was Hiram zeer verblijd, en liet aan Salomon zeggen: al wat gij mij belast, zal ik volbrengen. Aldus gaf Hiram aan Salomon ceder,-dennen- en pijnboomen volgens zijn welgevallen. Salomon nam ook werklieden uit geheel Israël, ten getalle van 30 duizend; van deze zond hij er tien duizend per maand bij beurte naar den berg Libanus. Hij had 70 duizend dragers; en 80 duizend steenhouwers op het gebergte, behalve die welke het gebied over ieder werk hadden, ten getalle van 3 duizend, 3 honderd, en die de bevelen aan het werkvolk gaven. Men begon den tempel des Heeren te bouwen, 480 jaren na do a uittogt uit Egypte, in het vierde jaar na Salomon\'s regeering over Israël. Deze tempel werd aangelegd naar den vorm van den tabernakel. Hij was 60 ellen lang, 30 ellen breed, en 80 ellen hoog. De steenen, waarvan de tempel gebouwd werd, waren te voren zoo wel bereid, dat er noch hamer, noch bijl, noch eenig ander gereedschap gehoord werd, als men den bouw begon. De muren waren van den binnenkant met cederhout overdekt, zoodat er niet een steen gezien werd. Het Heilige der Heiligen, waar de ark des Heeren gesteld moest worden, werd met het allerfijnste goud bekleed. Salomon maakte daar ook twee Cherubs van olijfhout, tien ellen hoog. Hunne vleugelen waren vijf ellen lang. De eene vleugel van den eersten Cherub raakte den eenen muur, en de eene vleugel van den tweeden Cherub den anderen muur, en beide hunne andere vleugels kwamen in het midden bijeen. Hij overtrok deze Cherubs met goud. Ook versierde hij al de muren des tempels met Cherubs, palmboomen allerlei loofwerk, hetwelk zich verhief, en als uit den muur scheen te komen. Hij bedekte den vloer, van binnen en buiten het Heiligdom, met goud. Aan den ingang van het Heiligdom maakte hij deuren van olijfhout, en deed daarop afbeeldsels van Cherubijnen en palmboomen uitsnijden, en alles met goud overtrekken. Aldus deed hij ook aan den ingang des tempels. (1) Salomon

1) Doze tempel bestond in drie deelen. Het 1. was het Heilige der Heiligen. Het 2. was de heilige plaats. Het 3, het voorplein, en dit was

232

-ocr page 235-

van het Oude Testament.

was zeven jaren aan dezen bouw bezig; het was liet prachtigste werk hetwelk ooit in dien tijd gezien was. Hij bouwde-ook het huis van Libanus-bosch, (een lusthof met hooge her~ gen, ah tot eene hosschaadje gemaakt). Dit huis was 100 ellen lang, 500 breed en 80 hoog, en had 4 gaanderijen ondersteund met cederhouten pilaren... Eindelijk deed hij nog een huis vervaardigen voor de dochter van Pharao, die hij gehuwd had. Al deze gebouwen waren gemaakt van kostbare steeneiv die van buiten en binnen op gelijke maat gezaagd, en op kostbare steenen, van acht of tien ellen hoog, gegrondvest waren.

Salomon deed ook eenen overgrooten koperen waschketel, gieten, [om zijne ruimte ook de koperen zee genoemd.) Hij was rond tien ellen wijd, en vijf ellen hoog. Onder den rand was er snijwerk, hetwelk rondom het waschvat liep. Hij stond op tjpalf uit erts gegoten ossen, en men haalde daar water uit om de priesters te wasschen, als zij kwamen om hunne dienst te doen, en de offeranden op te dragen. Ook maakte Salomon al de verdere toebehoorten des tempels; het gouden altaar en de tafel der toonbrooden, vijf kandelaars van louter goud aan de rechterhand voor het Heiligdom, en vijf aan de linkerhand, en waarop de leliebloemen en gouden lampen stonden. Hij het ook nog daarenboven gouden snuiters, schalen, vorken, bekers, vijzels en wierookvaten vervaardigen.

BEMERKING. Al de uitwendige pracht en kostelijke sieraden waren gebruikelijk in de oude wet voor de Joden, die door deze uitwendigheden in hunne godsdienst moesten gehouden worden; maar de Christenen, die God in geest en waarheid moeten aanbidden, moeten zich in hunne kerken vergenoegen met sieraden die zedig, eenvoudig, rein en net zijn,, waardoor de geloovigen tot inwendige godsvrucht gesticht en bewogen kunnen worden.

Gelukkig is de ziel, die steeds beijverd is om zich in de ootmoedigheid, in de liefde van God. en andere deugden, te vestigen, waardoor zij de levende tempel van God wordt, die-hem veel meer behaagt dan de steenen des tempels, hoe rijk en prachtig die ook mogen wezen.

VI. HOOFDDEEL.

Inwijding des tempels. De ark des Heeron wordt in denzelven gebragt. 3. Kon, 8. (2. Paral, 5. 67.) — Het jaar der wereld 3001, vóór Jesus Christus 1003,

Wanneer dit werk voltrokken was, deed Salomon te Jeru—

onder den blaauwen hemel; aldaar stond het altaar der brandoffers acch met fraaije gaanderijen omringd, onder welke men ten tijde van ongunstig weder en hitte kon schuilen.

23S\'

-ocr page 236-

S34 Geschiedenis

zalem al de oversten van Israël, de vorsten der geslachten en de hoofden der huisgezinnen vergaderen. Alsdan namen de priesters de ark des Heeren, te gelijk met den tabernakel (welken David in zijn paleis opgerigt had), en al de heilige werktuigen, die tot den tabernakel behoorden. Terwijl de priesters en de levieten dit alles opdroegen, ging de koning Salomon, en al het volk van Israël met hem, voor de ark, en zij offerden eene ontelbare menigte schapen en ossen. Deze werden, terwijl zij voortraden, geslagt, en derzelver vet gebrand op de altaren, die van plaats tot plaats tot aan den tempel gesteld waren.

Aldus bragten de priesters de ark des Heeren in het Heilige der Heiligen, onder de vleugels der Cherubs. Wanneer de priesters uit het Heilige teruggekeerd waren, stonden de levieten óp het voorplein aan het oosten van het altaar, zingende onder het geklauk van cimbalen, harpen en cithers, terwijl 100 priesters de bazuinen bliezen en juichten: looft den Heer, want bij is goed en zijne barmhartigheid is eindeloos. En zie, eene wolk vervulde het huis des Heeren, zoodat de priesters zich daar niet konden inhouden, om hunne dienst te doon, want Gods glorie had den tempel vervuld.

De koning viel alsdan op zijne knieën, hief zijne handen naar den hemel, en zeide: o Heer, God van Israël! niemand is U gelijk in den hemel noch op de aarde. Gij onderhoudt uw verbond, en doet barmhartigheid aan uwe dienaars, die uit geheel hun hart in uwe wegen wandelen. Is het dan cok geloofelijk (1), dat God waarlijk met de menschen op aarde zou wonen! Want zoo al de hemelen u niet kunnen bevatten, hoe veel min zal dan dit huis het kunnen, hetwelk ik gebouwd heb, opdat gij, o Heer, mijn God! het gebed van uwen dienaar zoudt aanhooren! Dat toch uwe oogen nacht en dag over dit huis geopend zijn, van hetwelk gij gezegd hebt, dat gij daar wonen zoudt. Verhoor het gebed van uwen dienaar en van al uw volk van Israël, in alles wat zij in deze plaats zullen verzoeken; verhoor hen uit uwen hemelwoon. Wanneer het volk van Israël, om zijne zonden, voor den vijand moet vlugten... wanneer de hemel gesloten zal zijn, en dat er om hunne zonden geen regen valt... wanneer de hongersnood of de pest het land zal slaan, of dat eene besmettende lacht en droogte, of sprinkhanen en ander ongedierte het koren zullen verderven, indien zij met een opregt leedwezen U komen aanroepen en aanbidden in dezen tempel, verhoor hen alsdan in den hemel. O mijn God! luister toch aandachtig naar het gebed, hetwelk in deze plaats gestort zal worden, enz.

1) Dit is geen woord van twijfeling, maar van verwondering.

-ocr page 237-

van het Oude Testament.

Als Salomon zijn gebed geëindigd had, daalde liet vuur uit den hemel en verslond de dank- en brandoffers, die op het altaar lagen. Toen de kinderen van Israël het vuur zagen afdalen, en Gods heerlijkheid over het huis komen, vielen zij op den steenen vloer, aanbaden en loofden den Heer met deze woorden; de Heer is goed, en zijne goedertierenheid zal eeuwig wezen. Gedurende dit feest, dat zeven dagen duurde, werden er 23 duizend ossen en 130 duizend schapen opgedragen. Aldus vierde de koning de wijding van Gods tempel, en liet het, volk gansch verheugd henen gaan, nadat zij nog zeven andere dagen het hoogfeest der tabernakelen gevierd hadden, hetwelk kort daarop volgde, zoodat zij veertien dagen te Jeruzalem bleven.

Hierop verscheen de Heer andermaal aan Salomon, en zeide hein: ik heb uw gebed verhoord, ik heb deze plaats verkoren, om mij een huis van offeranden te zijn. Indien ik den hemel sluit, en geenen regen laat afdalen, of indien ik aan de sprinkhanen last geef, om het land te verderven, of kwade ziekten over mijn volk zend, — indien zij zich bekeeren, en mij om genade bidden, zoo zal ik hen verhooren, hunne zonden vergeven, en, hun land vruchtbaar maken. Ook zullen mijne oogen en mijne ooren acht geven op het gebed, hetwelk in deze plaats gestort zal worden.

BEMERKING. De wolk, die den tempel vervulde, was het teeken van Gods bijzondere tegenwoordigheid in deze plaats, en dat hij als bezit van zijnen tempel nam. Hetgene Salomoa alsdan deed, en hetgene God daar toonde, zou in de geloovi-gen eene diepe ootmoedigheid en eenen heiligen schrik moeten veroorzaken, als zij de kerk binnen treden, dewijl zij aldaar de zaak zelve hebben, waarvan de Joden in dien prachtigea tempel slechts de schaduw bezaten; want al werden de hemelen en de hemel der hemelen geopend, zegt de H. Chrysostomus, zoudt gij echter daar niet vinden, hetgene heiliger, grooter en waardiger is, dan datgene, wat op onze altaren rust.

VII. HOOFDDEEL.

De koningin van Saba komt om Salomon te zien. 3. Kon. 10. (2. Paral. 9.)

De koningin van Saba, die niet kon gelooven al wat zij van Salomon had hooren zeggen, kwam zelve om hem door moeijelijke vraagstukken te beproeven. Toen zij te Jeruzalem met een groot gevolg en vele schatten gekomen was, liet zij zich bij den koning aanmelden, en stelde hem voor al wat zij in haar gemoed had. Salomon gaf haar voldoende antwoorden op alles, wat zij hem voorhield : en er was niet eene

235

-ocr page 238-

Geschiedenis

reden, die den koning verborgen was. Wanneer dan de koningin de volmaakte wijsheid van Salomon, en liet paleis, hetwelk hij gebouwd had, bemerkte, als ook de houding der knechten, de goede houding der tafeldienaars, hunne kleeding, de schenkers, en daarbij de brandofforanden, die hij in den tempel des Heeren opdroeg, geraakte zij door verbazing schier als buiten zich zelve, en zeide tot den koning; al wat ik in mijn land van uwen handel en van uwe wijsheid gehoord had, is volkomen waar: doch ik konde het niet gelooven, voor dat ik zelve gekomen ben en het met mijne eigene oogen gezien heb. Nu bevind ik, dat er mij de helft niet van gemeld was. Uwe wijsheid en uwe handelwijze gaan het gerucht, hetwelk ik gehoord had, verre te boven.

Gelukkig zijn uwe mannen, en gelukkig zijn deze uwe dienaars, die altijd voor u staan, en uwe wijsheid aanhooren. Geloofd zij uw Heer en God, die behagen in u genomen heeft, om u op Israël\'s troon te plaatsen: want dewijl de Heer Israël altijd bemind heeft, daarom heeft hij u tot koning gesteld, opdat gij de geregtigheid zoudt doen bloeijen. Zij schonk vervolgens aan den koning 130 talenten gouds (1) met eene groote menigte specerijen en edelgesteenten. Zulk eene menigte specerijen is er daarna nooit meer in Jeruzalem gebragt. Salomon deed, op zijne beurt, haar nog vele grootere tegengesclienken. Hierop keerde zij met hare hovelingen weder naar haar land.

Salomon liet ook 300 schilden van louter goud en eenen grooten ■ ivoren troon vervaardigen, dien hij met zeer fijn goud deed overtrekken. Deze troon had 6 trappen, twee leeuwen stonden aan de beide zijden, en nog 12 leeuwtjes op de trappen 6 van de eene, en (5 van de andere zijde. Al de drinkbekers van Salomon waren van goud, alsmede de andere vaten; hij werd slechts gediend met gouden schotelen, en niets was er van zilver; want dit laatste metaal werd van geener waarde in Salomon\'s dagen geacht. Het goud, hetwelk hem jaarlijks inkwam, woog wel 656 talenten (1). Salomon ging dus in rijkdom en wijsheid al de koningen te boven, en een ieder zocht hem te zien, cm de wijsheid te aanhooren, die God in zijn hart gelegd had.

BEMERKING. Het groote verlangen van de koningin van Saba, om de wijsheid van Salomon te hooren, zal in den jong-sten dag vele menschen oordeelen, zegt Christus. Zij kwam van zeer verre om de wijsheid van Salomon te aanhooren. Maar Christus, die de eeuwige wijsheid is, is oneindig meer dan Salomon. Hij spreekt tot ons in zijn heilig Evangelie; zijne

1) Dat is meer dan acht milloen. 2) Dat is meer dan zes en veertig millioen.

236

1

m is

11

1 1:

-ocr page 239-

mn het Oude Testament. 237

woorden zijn geest en leven, en zijne wijsheid is de alleen heiligmakende en zalige wijsheid; maar hoe weinig wordt zij van de menschen geacht!

VIII. HOOFDDEEL.

Salomon\'s val. Zijn dood. 3. Kon. 11. — Het jaar der wereld 3029, vóór Jesus Christus 975.

Salomon pleegde daarna ontucht met vele uitlandsche dochters, zoo als Moabitische, Ammonitische, Adonitische, Sidonitische en Heteïsche, die alle heidensch waren en welke God aan de Israëlieten had verboden ten huwelijk te nemen. Hij had er 7 honderd, die hij als koninginnen hield, en 3 honderd van minderen rang. Zij wendden zijn hart af van den Heer, en bedierven hem zoo verre, dat hij op zijn zestigste jaar tot afgoderij verviel. Hij diende zelfs Astarte, de godin der Sidonieten. Hij bouwde eenen tempel aan Chamos, den afgod der Moabieten, eenen aan Moloch, den afgod der Ammonieten, en voor al zijne vreemde vrouwen. God werd dan tegen Salomon zeer vertoornd, en zeide: omdat gij het zoodanig aangesteld en mijne geboden niet onderhouden hebt, zal ik uw koningrijk van u afscheuren, en dit uwen knecht Jeroboam overleveren. Nogtans om uwen vader David, zal ik zulks niet gedurende uw leven doen, en ik zal eenen stam aan uwen zoon laten. God verwekte dan vijanden tegen Salomon, onder andere Jeroboam, die van Salomon over de schattingen van Jozefs huis gesteld was.

Op zekeren dag gebeurde het, dat Jeroboam uit Jeruzalem ging, en dat de profeet Aliias, in eenen nieuwen mantel gehuld, hem op den weg ontmoette. Ahias nam nu zijnen mantel, sneed hem in twaalf stukken, en zeide aan Jeroboam: neem gij hier 10 stukken van voor u; want dit zegt de Heer; Ik zal het koningrijk van Salomon\'s gebied afscheuren, en u tien stammen geven; éénen stam zal hij slechts behouden. Salomon zocht voorts Jeroboam te dooden, maar deze vlugtte naar Egypte. Nadat -Salomon veertig jaren geregeerd had, gaf hij den geest, en werd in de stad van David, bij zijnen vader, begraven. Hoboam, zijn zoon, werd koning in zijne plaats.

BEMERKING. Salomon valt, na zoo vele wonderdaden, na zoo vele ongemeene genade en gunsten van den hemel, zeer verschrikkelijk. De vrouwen bedierven zijn hart, en hij liet verder zijne liefde vallen op de pracht en grootheid, op paleizen en kostbaarheden, en putte zijn volk uit, om die onverzadelijke pracht te voldoen. Van den allerwijsste werd hij de allerdwaaste, latende zich vervoeren tot de onkuische liefde en tot de allerschandelijkste afgoderijen. O schrikkelijke verblindheid l

-ocr page 240-

238 Gesclnedcnia

Hoe zeer wordt het hart van den inenscli door de onzuiver» liefde herschapen!

l)eze droevige val leert ons nog meer, dan de val van David, niet op ons zeiven te steunen, maar altijd in achterdocht en vrees te leven, volgens de les van den li. Paulus: wie sta, r/eve acht dat Jiij niet volle. Doch deze val begint gemeenlijk door hoovaardij, gelijk Salomon zegt: de hoovaardij yaat het verderf vooraf, en, de hoovaardigheid gaat voor deu val. Proverb. 19.

IX. HOOFDDEEL.

Roboam volgt den raad der jongelingen. De tien stammen vallen hem af. 3. Kon. 12.

Toen Eoboam, de zoon van Salomon, koning geworden was, kwam Jeroboam met al het volk tot hem, en sprak: uw vader heeft ons een on verdragelij k juk opgelegd, verzacht dan hetzelve, en wij zullen u dienen. Eoboam zeide: gaat henen, en komt na drie dagen terug. Dit deden zij. Eoboam vraagde midelerwijl raad aan de oude raadsheeren, die onder Salomon gediend hadden. Deze zeiden: indien gij dit volk geeft hetgene zij verzoeken, en hen met zachte woorden toespreekt, zullen zij voor altijd uwe dienaars wezen. Maar hij keerde zich tot de jongelingen die met hem opgevoed waren, en vroeg hun ook raad. Deze spraken; zeg tot dit volk; mijn vader heeft u een zwaar juk doen dragen, ik zal het nog zwaarder maken; mijn vader sloeg u met roeden, maar ik zal u met sporen geeselen. Jeroboam kwam den derden dag met al het volk bij Eoboam terug; maar de koning gaf het volk barsche woorden, en zeide, volgens den raad der jongelingen: mijn vader heeft u een zwaar juk doen dragen, maar ik zal het nog zwaarder maken. Mijn vader sloeg u met roeden, maar ik zal u met sporen geeselen. Toen het volk dit hoorde, zeide het tot hem; wat raakt ons David? Wat hebben wij met den zoon van Isaï te stellen? Aldus ging Israël» henen. De koning Eoboam zond Aduram derwaarts (om het oproer te stillen), maar zij steenigden hem dood, en Eoboam vlugtte naar Jeruzalem. Alzoo viel Israël van David\'s huis af; want zij maakten Jeroboam koning over gansch Israël. Het geslacht van Juda alleen volgde Eoboam. Aldus begon hier die droevige en langdurige scheuring tusschen de koningen van Israël en van Juda, door de onvoorzigtigheid van Eoboam, die den boozen raad der jongelingen had gevolgd, maar dien God gebruikte, om de zonden van den vader en van don zoon te straffen, en zijne voorzegging door den profeet Ahias te voltrekken.

-ocr page 241-

van het Oude Testament. 239

BEMERKTN\'G. Leer uit, dit voorbeeld, den goeden raad van kundige mannen niet te veracliten, hoewel deze tegen uwe bedorvene natuur moge strijden, om eenen anderen raad te volgen, die u meer behaagt. Dit laat God somtijds toe tot straf van de voormaals bedrevene zonden, en waaruit dikwijls groote en langdurige ellenden spruiten.

X. HOOFDDEEL.

Jeroboam brengt het volk tot afgoderij. Zekere profeet laai zich door eenen anderen profeet bedriegen. 3. Kon. 12. 13.

Wanneer Jeroboam zich thans meester van de tien geslachten zag, en vreesde, dat het volk (indien het volgens gewoonte naar Jeruzalem ging, om God aldaar offerande te doen) ligtelijk tot de gehoorzaamheid van Eoboiira zoude wederkeeren, deed hij twee gouden kalveren vervaardigen, en zeide: het valt moeijelijk naar Jeruzalem te gaan; ziet, dit zijn de goden, die u uit Egypte gebragt hebben. Een der kalveren stelde hij te Bethel, en het andere te Dan. Dit sirekte aan het volk tot zonde; want het ging tot Dan toe, om het gouden kalf te aanbidden. Hij maakte ook tempels en altaren op verhevene plaatsen; hij gebood feestdagen te houden, naar de wijze van die van Jeruzalem. Terwijl Jeroboam zelf nu bezig was met wierook te offeren op het altaar te Bethel, zond God eenen profeet tot hem, die van wege God aldus tot het altaar riep: altaar, altaar, dit zegt de Heer: er zal uit het huis van David eon zoon opstaan, met name Josias, die op dit altaar de beenderen zal verbranden der priesters, die daar nu wierook opdragen; en tot bewijs zijner voorzegging, scheurde, op denzelfden stond, het altaar in twee stukken. (Dit werd aldus door den koning Josias, 2S0 jaren na deze voorzegging, volbragt,) Jeroboam stak zijne hand uit om te gebieden, dat men dien profeet zoude aangrijpen; maar zijne hand werd stijf op hetzelfde oogenblik, zonder dat hij die terug konde trekken. Dus zeide hij tot den profeet: bid voor mij, dat mijne hand hersteld moge worden. De profeet bad en de hand werd hersteld. Nu zeide de koning tot den profeet: kom in mijn huis met mij het noenmaal nemen, en ik zal u geschenken geven; maar hij weigerde het, en zeide: dat God hem verboden had in die plaats te eten of te drinken.

Hij trok dan henen, en een oude profeet, die te Bethel woonde, liep den man Gods achter na, en hem onder eenen eik vindende zitten, zeide hij: kom met mij naar mijn huis om wat te eten. Hij antwoordde; ik mag in deze plaats noch eten noch drinken. Deze zeide: ik ben ook, even als gij, een profeet; een engel heeft mij van Gods wege belast, opdat gij zoudt eten en drinken

-ocr page 242-

240 Geschiedenis

Aldus bedroog liij liem, want dit was een lengen. Hij bragt hem dan weder. Toeu zij beide aan tafel zaten, zeide deze oude profeet door Gods ingeven tot den anderen, dien hij verleid had; dewijl gij aan God niet gehoorzaamd, en hier, tegen zijn gebod, gegeten hebt, zoo zult gij niet bij uwe vaders begraven worden. Dit werd weldra voltrokken, want toen hij van daarop zijnen ezel wederkeerde, greep hem onderwege een leeuw aan, en doodde hem. Die leeuw bleef voorts bij het lijk staan, zonder echter het doode ligchaam, noch den ezel te verscheuren.

BEMERKING. De H. Gregorius meent, dat deze profeet een heimelijk behagen had, als hij den koning strafte en genas, en dat deze ijdele roem in zijne ziel eene verduistering veroorzaakte, waardoor hij zich door eenen valschen/profeet liet bedriegen. Zie, deze profeet zondigt door enkel bedrog, en wordt eerlang met den dood gestraft. Jeroboam bedrijft de afgruwelijkste zonde, en wordt gespaard. Aldus handelt God ■ dikwijls met zijne uitverkorenen, namelijk met hen hier te straffen om hen te zuiveren; en dikwerf laat hij de grootste zondaars gerust leven, om ze daarna eeuwig te straffen. Dus is het de allergrootste straf, hier gespaard en hierna eeuwig gestraft te worden.

XL HOOFDDEEL.

De profeet Ahias voorzegt den dood van Jeroboam\'s zoon, en de vernietiging van zijn huisgezin 3. Kon. 14. (2. Paral. 16.)

Te dien tijde werd Ahias, Jeroboams zoon, ziek. Jeroboam zeide hierop tot zijne vrouw: verkleed u, en ga naar den profeet Ahias, die mij voorzegd heeft, dat ik koning zoude worden ; hij zal u zeggen, wat er aan dit kind zal overkomen. Zij ging dan in aller ijl naar Silo toe, en kwam in het huis van Ahias,, Doch God zeide tot dezen i zie, Jeroboam\'s vrouw komt u vragen, hoe het met haren zieken zoon zal gaan. Dat en dat zult gij haar antwoorder.. Wanneer zij binnen kwam, en veinsde eene andere te wezen dan zij werkelijk was, zeide Ahias tot haar: kom binnen, vrouw van Jeroboam! Waarom wilt gij onder die verkleeding, eene andere verbeelden? Ga, zeg Jeroboam; dit zijn de woorden van den Heer, den God van Israël: Ik heb u uit het midden des volks verheven,. Ik heb u tot hoofd, over de Israëlieten gesteld. Ik heb het koningrijk van David\'s huis afgescheurd en het u gegeven, maar gij, (verre van zoa als mijn dienaar David te wezen) hebt meer kwaad bedreven, dan degenen die voor u geweest zijn. Daarom zal ik mijna ..straffen over Jeroboam\'s huis gaan zenden.

-ocr page 243-

van het Oude Testament. 211

Keer dus terug, en op denzelfden stond dat gij uwe voeten in de stad zult stellen, zal uw zoon sterven. En God heeft zicli eenen koning over Israël verkozen (te weten Bucisa), dio Jeroboam\'s liuis nog ten dezen tijde, dien wij beleven, zal ■uitroeijen. Deze vrouw keerde hierop terug, en alles geschiedde gelijk de profeet voorzegd had.

Jeroboam,s regeering duurde 22 jaren, en Nadab, zijn zoon, werd koning in zijne plaats. Eoboiim, Salomon\'s zoon heerschte daarentusschen over Ju da, en stierf na 17 jaren geregeerd te hebben.

Abias, zoon van Eoboiim, volgde zijnen vader in het rijk van Juda, en ook in zijne goddeloosheid op. Hij regeerde 2 jaren, latende het rijk aan zijnen zoon Asa, die gedurende 41 jaren heerschte. Asa deed hetgene regt was voor Gods oogen; hij nam de afgoden weg, die zijn vader gemaakt had, en zijn hart was in het begin gansch den Heere toegedaan. Ook deed God hem zeer voorname overwinningen behalen, en hij versloeg door eene bovennatuurlijke hulp een vervaarlijk talrijk leger der Mooren.

Nadab, Jeroboiims zoon, die thans koning over Israël was, werd door Baasa vermoord, die koning in zijne plaats werd, en gansch Jeroboam\'s huis versloeg, zonder dat er iemand overbleef, volgens dat de profeet Ahias voorzegd had. Ook was er gedurig oorlog tusschen hem en Baiisa, koning van Israël. Asa zegepraalde om zijne godvruchtigheid, maar volhardde daarin niet. Hij riep Benadab, koning van Syrië, ter hulp, en zond hem het goud en zilver uit den tempel. Deze kwam dan Asa te hulp, en dit mishaagde God. Vervolgens begaf zich de profeet Hanani tot Asa, en zeide hem: omdat gij uw vertrouwen op den koning, van Syrië, en niet op God hebt gestold, zult r/ij in ellende vervallen. Hadden de Mooren en die van Lybië, niet veel grootere legers met wagens en ruiters en met ontelbaar volk? En echter leverde God die in uwe handen; want Gods oogen beschouwen het gansche aardrijk, om degenen die, op hem uit geheel hun hart betrouwen, te versterken. Asa, hierdoor verbitterd, deed den profeet vangen, en vele menschen dooden, die het met dezen hielden. Hij werd met eene allergeweldigste pijn in de voeten geplaagd, en stierf nadat hij 41 jaren geregeerd had. Op deze 41 jaren, dat Asa koning van Juda was, zijn er zeven koningen van Israël geweest, namelijk: Jeroboam, Nadab, Baiisa, Ela, Zambiri, Amri en Achab.

Na Asa volgde Josaphat in het rijk, en bewandelde de voetstappen van David. Hij trok Gods zegen over zijne wapenen, die hem bij de koningen van Israël ontzaggelijk maakten. Hij deed vele en groote dingen tot verheerlijking van God. Dit alles zal nader verhaald worden.

16

-ocr page 244-

242 Geschiedenis

Baasa was echter niet minder goddeloos dan Jeroboam en Nadab. God deed door den profeet Jeliu aan Baasa zeggen ; omdat gij (dien ik uit bet stof beb verheven, en over mijn volk van Israël tot hoofd gemaakt) in Jeroboam\'s wegen gewandeld, en mijn volk tot booze werken gebragt hebt, daarom zal ik Baasa\'s nakomelingen geheel uitroeijen, en met zijn buis even als met Jeroboam\'s huis handelen.. Al wie van Baasa\'s huis in de stad sterft, zal van de honden verslonden worden, en wie op het veld sterft, dien zullen de vogels opeten. Doch Baasa werd gestoord over deze bedreigingen van Jehu, en doodde hem. Na den dood van Baasa, volgde zijn zoon Ela hem in het rijk op, die maar twee jaren regeerde; want Zambri, zijn hoveling, die overste was van de helft der ruiterij, stond tegen hem op, en vermoordde Ela in zijne dronkenschap.

Zambri liet zich koning verklaren, en de troon beklommen hebbende, versloeg hij geheel Baasa\'s geslacht, en vernietigde hetzelve, gelijk de profeet Jehu voorzegd had. — Zambri heerschte zeven dagen te Thersa; want Amri, die over het andere deel van bet leger van Ela het gezag had, werd door al de soldaten ook tot koning verkozen, en kwam Zambri te Thersa belegeren. Deze tiran zich zonder hoop van ontzetting bevindende, deed het vuur in zijn paleis steken, en verbrandde zich en geheel zijn huisgezin ; hij stierf aldus in zijne zonden en goddeloosheden, die bij bedreven had.

li

-1

li

iff

I ft

n

BEM\'EEKING. Niets is zoo te verwonderen, als de versteendheid dezer koningen. Een profeet verzekert Jeroboam, dat hij over tien geslachten zal koning worden, om alzoo de zonden van Salomon te straffen, en nogtans valt hij in dezelfde en nog grootere zonden. Er wordt aan Jeroboam nog voorzegd, dat geheel zijn geslacht om zijne goddeloosheid vernietigd zal worden. Dit geschiedt door Baasa, die hem opvolgt, en even goddeloos als Jeroboam is. De profeet Jehu voorzegt aan Baasa al de ellenden, die om zijne zonden boven zijn hoofd hangen, en Ela, zijn zoon, volgt hem in dezelfde zonden, enz. Zie, hoe de zonde den zondaar verblindt, en hem zoo verre versteent, dat hij geen acht geeft op de bedreigingen en straffen van God.

Wij moeten met den H. Augustinus bekennen, dat er niet écne zonde is die de mensch bedrijft, of een ander kan ze ook plegen, als God hen beide zoude verlaten. Alle regt-vaardigen behooren dit te denken en te vreezen, als zij iemand in zonde zien vallen. Ook zegt dezelfde heilige vader: Heer! al het kwaad, hetwelk ik niet gedaan heb, schrijf ik

aan uwe genade toe

-ocr page 245-

van het Oude Testament.

XII. HOOFDDEEL.

Achab wordt koning. Hij treedt met Jezabel in den echt. Elias Toor-zegt eene groote droogte. Hij wordt door de raven en door de weduwe van Sarepte gespijsd. 3. Kon. 16. 17.

In het dertigste regeeringsjaar van Asa, koning van Juda, werd Amri koning van Israël. Hij heerschte 12 jaren, en leefde gruwelijk voor Gods oogen, zoo dat hij in goddeloosheid al zijne voorzaten overtrof. Na Amri werd Achab, zijn zoon, koning. Hij ging allen, die voor hem geregeerd hadden, in boosheid te boven; want het was hem niet genoeg de zonde van Jeroboilm te bedrijven, hij huwde nog daarenboven met Jezabel, dochter van den koning van Sidon, een heidensch en allerboost wijf, en eene wreede vermoordster van Gods profeten. Hij aanbad Baal en rigtte hem eenen tempel op, zoo dat hij door zijne handelwijze God meer tot toorn verwekte dan al de koningen van Israël, die voor hem geweest waren.

De profeet Elias kwam dus aan Achab zeggen: zoo waar als de Heer en God van Israël leeft, zal er, tot straf van AdmVs zonde?i, noch daauw, noch regen op aarde vallen. Daarna zond God Elias naar de beek Carith, alwaar de raven hem \'s morgens en \'s avonds brood en vleesch bragten, en hij dronk uit die beek. Maar na eenigen tijd droogde ook de beek uit, omdat er geen druppel regen op de aarde viel. God beval hem dan naar Sarepte te gaan. De profeet deed zulks, en toen hij aan de stadspoort was gekomen, zag hij daar eene weduwe, die hout raapte; hij zeide haar: haal mij wat water in eene kruik om te drinken. Toen zij heen ging, riep hij haar na: breng mij toch ook eenen beet broods mede. Zij antwoordde: zoo waar als de Heer uw God leeft, ik heb geen brood, maar slechts een handvol meels in een tonnetje, en wat olie in een kruikje; zie, ik was bezig met wat hout te rapen, en daarvan iets voor mij en mijnen zoon gereed te maken, dit willen wij nog eten, en dan sterven. Elias zeide: vrees niet, ga en doe hetgene gij gezegd hebt; bak vooral van het meel een koekje, en breng het mij hier. Daarna zult gij iets voor u en uwen zoon bakken. Want dit zegt de Heer: het tonnetje met meel zal niet verminderen, noch de flesch met olie ledig worden, tot den dag toe, dat God regen op de aarde zal zenden. Zij ging dan heen, en deed hetgene Elias haar bevolen had. Van dien dag af bleef de profeet, zij, en haar huisgezin daarvan eten, zonder dat het tonnetje verminderde, nog de flesch ledig werd. Naderhand werd de zoon van de weduwe ziek, en stierf. Zij zeide dan tot Elias, dat haar eenige zoon gestorven was, waarover zij groote droefheid maakte. Elias, door de tranen vati

243

-ocr page 246-

244 Geschiedenis

de vrouw bewogen, nam het kind van haren schoot, legde het op zijn bed, en riep aldus; o mijn Heer en God! hebt gij dan deze weduwe, die mij naar haar vermogen onderhoudt, dit hartewee veroorzaakt? Daarna zich verkleinende, strekte hij zich over het kind uit (aangezigt op aangezigt, handen op handen, en voeten op voeten leggende) tot driemaal toe; en hij riep aldus tot den Heer: o mijn Heer en God! laat toch de ziel in dit kind wederkeeren. God verhoorde Elias, en het kind werd levend. Hij gaf hetzelve aan de moeder gezond en frisch weder, zeggende: zie, daar is uw kind in het leven.

BEMERKING. Elias zich verkleinende, om klein te zijn met dit kindje, is een afbeeldsel van de geheimenis der Mensoh-wording van den Zoon Gods, in welke hij zich zoo wonderlijk verkleind heeft, met de menschelijke natuur aan te nemen, om ons met hem te vereenigen en te doen herleven. Alzoo moeten de herders in de heilige Kerk zich ook verkleinen, en zich naar hunne onderdanen schikken, om hun zoodanige leer voor te stellen, als deze bekwaam zijn te bevatten en te volgen. Zoo deed de H. Apostel Paulus. Ik heb u, o broeders! schrijft hij tot de Corinthiërs, niet kunnen aanspreken als geestelijke, maar als zinnelijke menschen, als jonge kinderen in Jesus Christus, dat is als nog onvolmaakt in de Christelijke deugden. Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs, want gij wa,art er niet toe bekwaam. Ja, gij zijt er althans nog niet toe geschikt, omdat gij nog zinnelijk zijt. 1. Cor. III. 1. 2.

XIII. HOOFDDEEL.

Elias komt bij Aehab. Hij beproeft de valsche profeten van Baal.

Het vuur daalt uit den hemel over de offerande; 450 profeten van Baal worden gedood. 3. Kou. 18. — Het jaar der wereld 3099, voor Christus 908.

De schaarsohheid der levensmiddelen en de hongersnood duurden drie jaren en een half, en gedurende al dien tijd deed Aehab van alle kanten Elias opzoeken. God zeide dan eindelijk tot hem: ga en vertoon u voor Aehab, opdat ik regen aan het aardrijk verleene. Elias ging dan henen, en ontmoette Abdias, des konings hofmeester. Abdias was een zeer godvreezend man; want toen Jezabel de profeten des Heeren deed vermoorden, verstak hij honderd derzelve in twee spelonken, alwaar hij hun spijs en drank bezorgde. Wanneer hij dan Elias zag, dien hij goed kende, viel hij plat ter aarde. Elias zeide hem: ga, zeg aan uwen meester: Elias is daar. Hierop zeide Abdias: er is geen rijk noch volk, waar Aehab u niet heeft doen zoeken om u te dooden. En indien ik aan

-ocr page 247-

van het Oude Testament.

hem boodschap, dat gij hier zijt, en dat misschien middelerwijl Gods geest u naar eene andere plaats wegneemt, en gij niet gevonden wordt, zoo zoude ik het met den dood moeten bekoopen. Maar Elias stelde hem hierover gerust, en dwong hem tot Achab te gaan.

Achab trad dan Elias te gemoet, en vroeg hem, toén hij hem zag: zijt gij de man, die Israël ongelukkig maakt? Ik niet, zeide Elias, maar gij en uws vaders huis, die Gods geboden verlaten hebt, en Baiil gevolgd zijt. Niettemin, vergader nu al het volk van Israël op Carmelusberg, en ook de 450 profeten van Baal, en de 400 profeten der bosschaadjen, die van Jezabel\'s tafel gevoed worden. Achab deed het zoo, en Elias zeide tot het volk: hoe lang zult gij nog van beide kanten mank gaan? indien de Heer de ware God is, volgt hem; maar indien het Baal is, zoo volgt dezen. Elias sprak verder: ik ben alleen van Gods profeten overgebleven, en Baal\'s profeten zijn 450 in getal. Geeft ons dan twee ossen; dat zij voor zich eenen uitkiezen, dien in stukken hakken en op het hout leggen, doch er geen vuur ouder steken: en ik, van mijnen kant, zal zoo ook met den anderen os handelen. Aanroept gij de namen van uwe goden, en ik zal den naam van mijnen God aanroepen; en de God, die door het vuur zal toonen, dat hij de smeekingen verhoord beeft, die zal de ware God zijn. Het volk zeide: die voorslag is heerlijk.

Elias sprak vervolgens tot de profeten: kiest nu voor u eenen os; maakt hem eerst gereed, en aanroept uwe goden. Zij deden zulks, en riepen van \'s morgens af tot \'s middags toe: o Baal, verhoor ons! Maar er kwam noch stem, noch antwoord. Op den middag begon Elias met hen te spotten, zeggende: roept luider, want uw God is misschien met iemand in gesprek; of hij heeft welligt iets te verrigten, of hij is op reis; of mogelijk slaapt hij! Zij schreeuwden dan met luider stem, en doorkerfden zich, naar hunne gewoonten, met messen en vliemen, zoodat zij geheel bebloed waren. Haar alles was te vergeefs, hun god bleef doof.

\'Nu nam Elias 13 steenen, maakte daar een altaar van, en groef rondom hetzelve eene gracht of waterloop. Hij hakte den os in stukken, en legde dien op het hout. • Daarop deed hij vier groots kruiken met water er over gieten, die hij tot, driemaal toe deed vullen, zoodat het water van alle zijden afliep, en de gracht vol werd. Wanneer nu het uur gekomen was, bad hij God, zeggende: o Heer en God van Abraham, ïsaak eu Jacob! toon nu, dat Gij de God van Israël zijt, en dat ik uw dienaar ben, die dit alles volgens uw gebod gedaan lieb. Verhoor mij. Heer, verhoor mij, opdat dit volk erkenne, dat Gij, o Heer! de ware God zijt. En het vuur daalde uit

245

-ocr page 248-

246 Geschiedenis

den liemel, waardoor het brandoffer, het hout, de steencn, de assche, ja, het water zélfs verteerd werd.

Als het volk dit zag, vielen allen op hun aangezigt en riepen: de Heer is de ware God! de ware God is de Heer! Thans zeide Elias tot hen: grijpt nu deze profeten van Baal aan, zonder dat er iemand van hen ontvlugte, en doodt hen allen. Dit werd alzoo gedaan. Hij sprak verder tot Achab: ga, eet en drink, want ik hoor het gedruisch van eenen sterken regen. En waarlijk, eer hij zelfs in het huis was wedergekeerd, stortte de regen neder.

BEMERKING. Hoe velen zijn er niet onder de Christenen, van welke men wel met Elias zoude kunnen zeggen: hoe lang zult gij nog van heide kanten mank gaan? Zij willen God en de wereld te zamen dienen. Doch de Heer verlangt geheel ons hart zonder verdeeling, omdat het hem toekomt, en dat wij slechts ellendig kunnen zijn, indien wij ons hart verdeeien. Zij zien in deze geschiedenis, hoe magteloos al die afgoden zijn, waarop zij betrouwen, en dat de Heer alleen magtig is de behoudenis te geven, hij, die Elias ondersteunt, hem verhoort, en hem, daar hij alleen is, zulk eene wonderbare overwinning verleent over zoo groot getal machtige vijanden.

XIV. HOOFDDEEL.

Elias vlugt voor Jezabel. Hij wordt door het hemelsoh brood versterkt. Hem wordt bevolen Hazaël tot koning van Syrië, Jehu tot koning van Israël, en Elizeüs tot profeet te zalven. 3. Kon. 19*

Achab verhaalde kort hierop aan Jezabel al wat Elias gedaan, en hoe hij al de profeten gedood had. Jezabel liet dan aan Elias zeggen, dat zij met hem morgen zoude handelen, gelijk hij met al de profeten gehandeld had. Elias voor die bedreigingen bevreesd, vlugtte in de woestijn. Daar zette hij zich onder eenen jeneverboom geheel vermoeid neder, verlangde te sterven (1), en zeide: ó Heer! ik heb lang genoeg geleefd, ontvang mijne ziel, want ik ben niet beter dan mijne vaderen.

Daarop sliep hij in, en zie, een engel des Heeren verscheen hem daar, en zeide: sta op, en eet. Hij koerde zich om, en zag aan zijn hoofd een, onder de assche gebakken brood en eene ilesch met water staan. Hij at en dronk, en sliep weder in. De engel kwam voor de tweede maal en zeide: sta op,

2) Elias vlugtende, wenscht te sterven, niet van ongeduld, maar uit ijver voor Gods wet, om niet meer de boosheden van zijn volk. die hem het hart verscheuren, te zien.

-ocr page 249-

■can het Oude Testament,

en eet, want gij hebt nog eene groote reis af te leggen. Hij gehoorzaamde en reisde (door deze spijs versterkt zijnde) 40 dagen en 40 nacliten tot aan den berg Horeb. Aldaar gekomen zijnde, nam hij zijn verblijf in eene spelonk. Thans hoorde hij eene stem, die hem vroeg: Elias, wat doet gij hier? Hij antwoordde: ik had grooten ijver voor den Heer, den God der heerscharen; want ik zag, dat de kinderen van Israël uw verbond verlaten, en uwe altaren omver geworpen hadden, en daar ik alleen overig ben, zoeken zij mij ook te dooden. God toonde hem verder een straaltje zijner heerlijkheid, en zeide tot hem: keer naar Damascus en zalf Hazaël tot koning over Syrië, Jehu tot koning over Israël, en Elizeüs om profeet in uwe plaats te zijn. Wie Hazaël\'s zwaard ontvlugt, die zal van Jehu gedood worden. Ook heb ik mij 7 duizend man overgehouden in Israël, die de knieën voor Baal niet gebogen hebben.

Elias verliet dan die plaats, en vond Elizeüs, die met 12 paar ossen het land beploegde. Elias naderde hem, en wierp zijn bovenkleed over hem. Nu gevoelde zich Elizeüs inwendig leroerd, liep hem na, en zeide: laat mij toch afscheid van mijnen vader en van mijne moeder nemen, en alsdan zal ik u volgen. Elias sprak; ga heen, en keer spoedig weder. — Elizeüs kwam, na afscheid te hebben genomen, weder, slagtte een paar ossen, kookte hun vleesch met het hout van den ploeg, gaf het volk te eten, volgde Elias, en diende hem.

BEMERKING. Elias is, na al die kloeke daden, voor de bedreigingen van Jezabel verschrikt. Zoo ellendig en zoo ongestadig is de mensch, die aan zich zeiven is overgelaten, zegt de H. Gregorius, dat hij dikwijls, na zijne kloekste daden, zijne zwakheid in kleine dingen gevoelt, om hierdoor ootmoedig te blijven. Groote werken maken dikwijls den mensch hoovaardig; verachting en druk benemen hem den moed; om dan door den lof en do grootachting van sommigen niét hoovaardig te worden, laat God toe dat men door anderen verdrukt en gelaakt wordt.

Dit brood van Elias is een afbeeldsel van het heilig Sakra-ment, door welks goddelijke kracht de mensch op de reis van dit leven versterkt en ondersteund wordt.... Elizeüs, die zijne ossen verlaat, en zijne ploeg verbrandt, is een treffend voorbeeld van hen, die hun voorgaand leven verzaken, om geheel en alleen voor God te leven.... De Heer toont zeer dikwijls in de heilige Schrift, dat groote leerlingen gemeenlijk van groote meesters voortkomen, die bij den Heer door hunne deugden verdienen, dat zij navolgers van hun deugdzaam leven krijgen.

247

-ocr page 250-

Geichiedmh

XV. HOOFDDEEL.

Jezabel doet Naboth steenigen. Elias voorzegt den dood van Achab en Jezabel. Josaphat en Achab strijden tegen de Syriërs. 400 proleten voorzeggen de zegepraal. Micheas voorzegt de nederlaag.

Achab verliest het leven in den strijd. 3. Kon. 20. 21. 22.

(2. Paralip. 18.)

Benadab, koning van Syrië, belegerde Samarië, docli werd door Acliab, vergezeld van de knechten der vorsten, verslagen. Het volgende jaar kwam hij weder te velde, en werd verslagen door de Israëlieten, die 100 duizend man van de Syriërs op eenen dag doodden. Achab, maakte na de overwinning, een verbond met Benadab, doch bleef immer even versteend, en werd door Jezabel nog tot alle boosheid aangezet. De moord van den schnldeloozen Naboth vervulde de maat zijner schelmstukken. Naboth had omtrent het koninklijk paleis eenen wijnberg. Achab zeide dan tot hem; geef mij uwen wijnberg, opdat ik van denzelven eenen moestuin voor mij make, en ik zal u daarvoor een\' anderen wijnberg geven, of u de waarde daarvan in geld betalen. Naboth antwoordde: God beware mij van u het erfdeel mijner voorvaderen te geven (1). Achab kwam daarop vol spijt en droefheid te huis, en knarsetandde. Hij wierp zich op zijn bed, en wilde geere spijs nuttigen. Jezabel bezocht hem en vroeg: wat beduidt dit, dat gij zoo korzelig zijt, en niet eten wilt? En na de rede zijner droefheid gehoord te hebben, zeide zij spotsgewijs: ó man van gezag! die wel bekwaam zijt om het rijk van Israël te regeeren, sta op, eet en drink, en wees gerust, ik zal u den wijnberg van Naboth leveren.

Zij schreef dan brieven uit Achab\'s naam aan de oversten van Naboth\'s stad. De inhoud was: stelt eenen vastendag in (het teas de gewoonte over de groote mudaden te vasten, om Gods toorn af te wenden), en doet Naboth onder de eersten van het volk zitten. (2) Tracht dan twee valsche getuigen te krijgen, die zeggen, dat hij God en den koning gelasterd heeft, en steenigt hem, tot dat hij sterve. Dit werd zoo gedaan. Zij vonden valsche getuigen, en Naboth werd beschuldigd, verwezen en op denzelfden dag gesteenigd. Toen Achab hoorde, dat Naboth dood was, ging hij naar diens

1) Gods wet verbood aan de Israëlieten hunne landen voor eeuwig te verkoopen; en zij gebood dat de erflanden, die uit noodzakelijkheid ■verkocht waren, op het Jubeljaar, dat is, ieder vijftigste jaar, tot hunne «erste bezitters zouden wederkeeren.

. 2) Om hun schelmstuk voor het volk te bedekken.

S4S

-ocr page 251-

van Tiet Oude Testament.

quot;■wijnberg, om er bezit van te nemen. Doch God zeide tot Elias: ga Acliab te gemoet, en zeg hem; dit zegt de Heer: gij hebt Naboth gedood, en zijnen wijnberg in bezit genomen! en voeg er bij: op dezelfde plaats, waar de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen zij ook het uwe likken. Achab zeide tot Elias; waarin heb ik u misdaan? Deze antwoordde: daarin, dat gij u zei ven verkocht hebt, om alle kwaad voor Gods oogen te bedrijven. Daarom zal ik (hij spreekt in den naam van God) mijne straffen over u gaan zenden, en uwe nakomelingen van het aardrijk afmaaijen. Ik zal het huis van Achab met het huis van Jeroboam en van Baiisa gelijk stellen.... en de honden zullen Jezabel op Israël\'s veld verslinden. Achab was een uitermate boos mensch; want Jezabel hitste hem op, zoodat hij een afschuwelijk mensch werd, en aan de afgoden ging offeren. Niettemin, als hij deze woorden hoorde, scheurde hij zijne kleederen, trok eenen ruwen zak aan, begaf zich tot vasten, sliep in dien ruwen zak, en ging met neder-gebogen hoofde. God zeide dan tot Elias: hebt gij wel gezien, hoe Achab zich voor mijne oogen vernederd heeft? Daarom zal ik ook die straffen over zijn huis niet in zijne dagen, maar in de dagen van zijnen zoon laten overkomen.

Drie jaren gingen voorbij, zonder dat er oorlog tusschen Syrië en Israël gevoerd werd. Doch het derde jaar vraagde Achab aan Josaphat, koning van Juda, (die met hen in een verhoud (jetreden was, hetxoelh bijna de oorzaak van zijn verderf was) om met hem tegen Syrië te strijden. Josaphat was tevreden, doch zeide: onderzoek eerst, bid ik u, wat God belieft. Achab vergaderde omtrent 400 profeten, en vroeg hun: moet ik naar de stad Eamoth optrekken, om slag te leveren, of niet? Zij antwoordden: trekt op, en de Heer zal ze in uwe handen stellen. Doch Josaphat (een groots dienaar Gods, op hen niet letrotmende) vroeg: is hier ook niet een profeet des Heeren? Achab antwoordde: er is nog een met name Micheas, maar ik heb eenen afkeer van hem, omdat hij mij altijd kwaad, en geen goed voorspelt. Josaphat zeide daarop: wil toch, o koning! zoo niet spreken. Dus werd Micheas gehaald. De koning vroeg hem: moeten wij optrekken en slag leveren? Micheas antwoordde: ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen zonder herder. Achab sprak nu tot Josaphat: heb ik het u niet gezegd, dat hij mij altijd kwaad en geen goed voorspelt? Hij gebood dan Micheas vast te grijpen, en zeide: sluit dien man in den kerker, en geef hem slechts water en brood, tot dat ik in vrede wederkeere. Achab en Josaphat trokken dan ten strijde, en Achab, al scheen hij Micheas te verachten, vreesde nogtans, en zeide tot Josaphat: als ik van gewaad zal veranderd

24»

-ocr page 252-

Gescldedems

Lebben, zal ik in het gevecht komen; maar ga gij met uwe kleederen ten strijde. De koning van Syrië had zijne oversten bevolen; gij zult niemand bevechten, dan alléén den koning* van Israël. Toen zij nu Josaphat zagen, meenden zij, dat het de koning van Israel was, en keerden zich naar hem alleen toe, om hem te bevechten; maar Josaphat schreeuwde overluid, waaruit zij bemerkten, dat hij de bedoelde persoon niet was, en lieten dus af hem te bestrijden. Iemand spande nu .zijnen boog en schoot, zonder te weten waarheen, zijnen pijl af, en trof Achab tusschen long en maag. Achab zeide dan lot zijnen voorman; breng mij uit het leger, want ik ben zwaar gewond. Het gevecht nam middelerwijl krachtdadig toe, en de koning bleef op zijnen wagen tegenover de Syriërs staan, om zijn volk moed in te boezemen. Maar het bloed stroomde intusschen uit de wonde tot onder in den wagen; en des avonds stierf hij. Hij werd begraven te Samarië, en terwijl de wagen in den vijver gewasschen werd, likten de honden, volgens de voorzegging des Heeren, zijn bloed. Ochozias, zijn zoon, volgde hem in het rijk op.

BEMERKING. Achab gaf teekenen van boetvaardigheid, maar het waren valsclie leekenen, dewijl hij in afgoderij bleef; en den wijnberg van Naboth behield, enz. Hij vreesde de straf, maar haatte de zonde niet.

Doch indien die uitwendige vernedering van Achab zoo veel le wege gebragt heeft, dat God de uitroeijing van Achab\'s huis tot na zijnen dood uitstelde, wat reden heeft dan de zondaar niet, om op Gods barmhartigheid te betrouwen, indien hij met eene opregte droefheid des harten zijne zonden beweent, mits David hem door den H. Geest verzekert, dat God een vermorzeld en vernederd hart niet zal verstoeten. Dit moet de zondaar van ganscher harte betrachten; om deze weldaad moet hij menigmaal tot den Heer verzuchten, en dikwijls zeggen: Heer beweeg mijn hart door eene opregte droefheid. Geef aan mijn hoofd het water van leedwezen, en aan mijne oogen eene bron van tranen, om mijne ellende te beweenen. Geef mij den haat der zonde en eene ware liefde tot U; trek mijn hart af van al het geschapene, opdat ik ü alleen be-minne, en Jesus, uwen minnelijken Zoon, tot het einde mijns levens trouw navolge.

250

-ocr page 253-

van het Oude Testament.

HET TIERDE BOEK DER KONINGEN.

Dit hoek heheht, in 35 Hoofddeelen, eene geschiedenis van 337 jaren onder 16 koninyen van Juda-, en 12 honingen van Israël. Het spreekt ook nog van Elias en Elizeüs; van de vernietiging van het rijk van Israël door Salmanasser, en van de overvoering der Joden naar Babylon, onder Sedecias, koning van Juda, icanneer Jeruzalem ingenomen, en Salomon\'s tempel verbrand werd, in het jaar der wereld 3416, 588 jaren voor Christus.

I. HOOFDDEEL.

Elias voorzegt dat Ochozias zal sterven. Hij zendt zijn Tolk om Elias te rangen. Elias wordt door eenen vurigen wagen opgenomen. 4. Kon. 1. 2.

Ochozias, koning van Israël, zoon van Acbab, viel eens door de traliën zijner eetzaal, en werd ziek. Nu zond hij boden af om aan Beekebub, den god van Accaron, te vragen, of bij van deze ziekte zoude opstaan. Doch de Engel des Hoeren zeide tot Elias : ga, zeg aan de boden van den koning van Israël: is er dan geen God in Israël te vinden, dat gij Beëlzebub te rade gaat? Daarom is dit de uitspraak des Heeren ; van dit bed, waarop gij getreden zijt, zult gij niet afkomen; maar gij zult zeker sterven. Elias trok dan henen. De boden van Ochozias kwamen weder, en zeiden; er kwam ons een man te gemoet die ons zeide: gaat weder tot den koning, en zeg hem dit. Ochozias vroeg nu: wat was dit voor een man? Zij antwoordden; hij was geheel haarachtig, en droeg een leederen gordel om zijne lenden. Ochozias hernam: dat is Elias. Hij zond dan eenen hoofdman met 50 krijgsknechten op hem af. Deze trok tot hem op (want Elias zat op de kruin van den berg) en zeide: man Gods,(l) kom af, de koning gebiedt het. Elias antwoordde: ben ik een man Gods, dan dale er vuur uit den hemel, en verslinde u met uwe mannen. Dadelijk viel er vuur uit den hemel, en verslond hen. Ochozias zond andermaal eenen tweeden hoofdman met 50 krijgsknechten, die tot hem zeide: man Gods, kom af, het is het gebod des konings. Elias antwoordde; ben ik een man Gods, dan dale er vuur uit den hemel, en verslinde u met uwe 50 mannen. En terstond viel er vuur uit den hemel, en verslond hen. Do koning zond nu nog eenen derden

1) De straf, die op deze woorden Tolgden, doet ons zien, dat deze mannen goddeloos waren, die maar uit beschimping den profeet eeneu goddelijken man noemden.

251

-ocr page 254-

253 GescJiiedenis

lioofdman met 50 krijgsknecliten. Deze eoliter viel Eliaa te voet, biddende: man Gods, spaar tocli mijn leven en dat van mijne knechten. De Engel Gods zeide nu tot Elias: ga met hem onbevreesd af. Hij ging dan met hem bij den koning en sprak aldus; dit zegt God; dewijl gij den god van Accaron hebt raad gevraagd, alsof er geen God in Israël was, daarom zult gij van het bed, waarop gij getreden zijt niet afgaan, maar sterven. Ochozias stierf inderdaad, en Joram, zijn broeder, werd koning in zijne plaats.

Toen God besloten had Elias door een wervelwind ten hemel op te nemen, kwamen de leerlingen der profeten, die te Bethel waren, bij Elizeüs, en zeiden: weet gij wel, dat God heden uwen meester zal wegnemen ? Ja, ik weet het, antwoordde hij; hetzelfde zeiden ook de leerlingen van de profeten te Jerieho. Elias beproefde Elizeüs tot driemaal toe, zeggende: dat hij op deze en die plaats moest alleen gaan, en dat Elizeüs daar moest blijven. Maar deze sprak: ik zal u niet verlaten.

Zij trokken dan beiden henen, en 50 van de leerlingen der profeten volgden hen achterna. Terwijl deze zich van verre tot hen gekeerd hielden, stonden zij beide voor den Jordaan. Nu lolde Elias zijnen mantel ineen en sloeg op het water, hetwelk dadelijk van een scheidde, zoo dat zij droogvoets daardoor gingen. _ Alsdan zeide Elias tot Elizeüs: verzoek van mij wat gij verlangt, eer ik van u opgenomen worde. Elizeüs antwoordde: ik bid u, dat uw dubbele geest (1) aan mij vergund worde. Elias zeide; gij vraagt eene zware zaak: niettemin, indien gij mij ziet als ik opgenomen word, zal u gebeuren, wat gij verlangd hebt, maar anders niet. Terwijl zij voortgingen, en met elkander spraken, scheidde een vurige wagen (2), met vurige paarden bespannen, hen van elkander: en Elias voer door eenen wervelwind ten hemel op. Elizeüs zag zulks, en riep : o mijn vader, mijn vader, de wagen en de voerman van Israël! (3) En daarop hem niet meer ziende, scheurde hij zijne kleederen ten teeken van droefheid. Ook nam hij den mantel op, die Elias ontvallen was, en keerde naar den oever van den Jordaan weder. Nu sloeg hij op het water met dien mantel, maar het scheidde van

i-/j

1) Dat is, dat uw overVloedig-e, rijke en kltleke geesfovermij dale, en mij versterke, om de afgoderij den oorlog aan te doen, gelijk gij mij, uwen leerling, hierin zijt voorgegaan. Elizeüs verzoekt zijnen dubbelen geest niet uit vermetelheid of ijdelheid, maar uit liefde.

2) Dat is, een vurige wolk, hebbende de gedaante van eenen vurigen wagen met vurige paarden bespannen.

3) De sterkte der legers bestond alsdan meest in ijzeren krijgswagens. Dewijl nu Elias opgenomen werd met eenen wagen, noemt hem Elizeüs te regt: deu wagen en voerman van Israël. De wagen, dat is de kracht van Israël, die Israël versterkte door zijn gebed en vermaningen, meet dan de krijgswagens. De voerman, omdat hij hen aanleidde tot Qod en hun den regten weg aauwees.

-ocr page 255-

van het Oude Testament.

elkander niet. Hij zeide dan: waar is nu ook voor mij de God van Elias? Doch nog eens op het water slaande, scheidde het van een, en hij trok er door. Hij ging wijders te Jericho wonen. De burgers dezer stad zeide hem : mijnheer, in deze stad is het zeer goed wonen; maar het water is hier zeer slecht en het land onvruchtbaar. Elias zeide daarop : brengt mij een nieuw vat, en legt er zout in. Als zij hem dit gebragt hadden, ging hij bij de waterbron, en wierp er het zout in. Daarbij sprak hij aldus : God verklaart, dat hij deze wateren heeft gezond gemaakt, en dat er geene sterfte of onvruchtbaarheid meer van zal komen. En waarlijk, het water was gezond en het land niet meer onvruchtbaar.

Van daar trok hij naar Bethel; en wanneer hij den weg die naar de stad leidt, opging, kwamen er kleine jongens uit de stad en riepen spottende : klim op, kaalkop! klim op, kaalkop! (waarschijnlijk waren deze afgodisten-jonr/ens, die door hunne ouders geleerd waren met Gods dienaars te geMen.) Hij keerde zich om, zag hen aan, en vervloekte ze in Gods naam. Aanstonds kwamen er twee beeren uit het woud, die twee en veertig van die jongens verscheurden. Elizeüs ging van daar naar Carmelusberg, van waar hij naar Samarië wederkeerde,

BEMERKING. Elizeüs is in deze beschimpingen het voorbeeld van Christus, die aan het kruis van de Joden, van de soldaten en van de opperpriesters bespot werd, enz.

Maar hoe vele Christenen zijn er niet, die nu nog Jesus en zijn kruis, niet met woorden, maar door hunne werken bespotten? Hoe velen zijn er, die hem bespotten in zijne dienaars en in zijne heilige geheimenissen, en die zich in da kerken, en in de heilige Mis, en in het gebed zóó gedragen, dat zij meer schijnen met God te spotten, dan hem te eeren en te bidden? En alhoewel de Heer deze spotters niet altijd zigtbaar straft, zoo als hij op het woord van Elizeüs deze kinderen door de beeren deed verscheuren, zullen zij echter, al schijnen zij ons niet zeer pligtig, hierna door monsters, wreeder dan deze beeren, verslonden worden.

II. HOOFDDEEL.

Drie legers, die gebrek aan water lijden, worden door Elizeüs behouden. Moab wordt verslagen. De olie van eene weduwe wordt vermenigvuldigd. 4. Kon. 3. 4.

In het achttiende jaar der regering van Josaphat, koning van Juda, was Joram, Achab\'s tweede zoon, te Samarië koning over Israël geworden. Hij heerschte twaalf jaren, en leefde schrikkelijk voor Gods oogen, doch niet zoo gruwelijk

253

-ocr page 256-

Geschiedenis

als zijne ouders. Het gebeurde nu, dat de koningen van Israël, van Juda en van Edom tegen den koning der Moabieten te velde trokken. Nadat zij zeven dagen gereisd hadden, ontbrak er water aan het leger. Nu riep Joram, koning van Israël: ach! ach! ach! God heeft ons, drie koningen, bij een gebragt, om ons in de handen der Moabieten te leveren. Hierop zeide Josaphat, koning van Juda: is hier geen profeet des Heeren, opdat wij door hem God mogen verbidden ! Een hoveling des konings van Israël zeide; Elizeüs is hier. De drie koningen gingen dan tot hem. Toen Elizeüs hen zag, zeide hij tot den koning van Israël: wat gemeens heb ik met u ? Ga naar de profeten uwer vaderen.... Voorwaar, indien ik de tegenwoordigheid van Josaphat niet ontzag, zoude ik niet eens naar u willen hooren. Doch ter oorzake van Josaphat heloofde hij water, en ook de overwinning. Des morgens dan, wanneer men gewoon was de offeranden te doen, kwamen de wateren langs den weg van Edom zoo sterk aangevloeid, dat er de aarde mede overstroomd werd.

Toen de Moabieten \'s morgens opgestaan waren, en de eerste zonnestralen zich in het water spiegelden, scheen het hun zoo rood als bloed, en zij zeiden tot elkander: het is vergoten bloed. De koningen hebben elkander verslagen. Trekt dan op,, o Moabieten! om buit te maken. Doch als deze aankwamen, stonden die van Israël op, versloegen de Moabieten, en vervolgden hen. Zij verdelgden voorts hunne steden, overdekten de beste akkers met steenen, verstopten al de waterbronnen en hakten al de vruchtbare boomen af. Dit is het laatste, wat de schrift wegens Josaphat verhaalt. Hij leefde nog 7 jaren daarna, en regeerde in het geheel 25 jaren. Hij wordt van den heiligen Geest, om zijne godsvrucht en zijnen ijver voor de wet Gods, zeer geprezen, maar nogtans berispt over zijnen aanhang met Achab\'s huis, en omdat hij de hoogten niet weggenomen had, alwaar men den waren God wel offeranden opdroeg, maar die men, volgens de wet, in den tempel alleen opdragen mogt. Joram, oudste zoon van Josaphat, volgde zijnen vader op in het rijk.

)Op zekeren dag gebeurde het, dat eene weduwe Elizeüs naliep, en zeide; uw dienaar, mijn man is gestorven, en gij weet, hoe hij den Heer vreesde. Nu komt zijne schuld-eischer, en wil mijne twee zonen wegnemen, om zijne slaven t.e zijn. Elizeüs vroeg: wat hebt gij in uw huis? Zij antwoordde : ik, uwe dienares, bezit nog wat olie om mij te zalven.

! Hierop zeide Elizeüs: ga heen en leen van uwe geburen eenige ledige vaten: keer dan weder in uw huis, sluit de deur achter u digt; en als gij met uwe zonen zult binnen zijn, giet dan iets van uwe olie in al de vaten. Zij deed zulks. De zonen bragten de vaten, en zij goot er de olie in. Hierop zeide Elizeüs: ga heen en leen van uwe geburen eenige ledige vaten: keer dan weder in uw huis, sluit de deur achter u digt; en als gij met uwe zonen zult binnen zijn, giet dan iets van uwe olie in al de vaten. Zij deed zulks. De zonen bragten de vaten, en zij goot er de olie in.

H /

■ Jll

,

254

-ocr page 257-

van het Oude Testament. 255

[Als de vaten vol waren, bleef die olie staan zonder over te loopen. Zij kwam Elizeüs dit boodschappen, die zeide; ga nu | die olie verkoopen, en betaal daarmede uwe schuld. Van het overige kunt gij met uwe zonen leven.

BEMERKING. Deze weduwe is een afbeeldsel van de heilige Kerk, en de olie beduidt de genade van den heiligen Geest, die de heilige Kerk eens moet vervullen. Al hetgene de olie doet en in het ligchaam uitwerkt, dit doet de goddelijke genade geestelijkerwijze in de ziel. De olie verlicht, versterkt, verzacht en geneest. Dit doet de genade ook in de ziel. Zonder haar vermogen wij niets, en door haar kunnen wij alles. Wij moeten dan gedurig naar de wonderbare en krachtige olie wenschen; maar om die te ontvangen, moeten er ledige vaten zijn, ons hart moet ijdel zijn van al het aardsche; want zoo wij daar vol van zijn, zal de olie staan en in ons niet vloeien. Gelukkig is hij, die zijn hart ledig en open houdt, om die overvloedig te ontvangen!

III. HOOFDDEEL,

De Trouw van Sunam. Elizeüs verandert de bitterheid van het moeskruid, Naaman van Syrië. Öiëzi wordt meiaatsch. i. Kon. 4. 5.

Toen Elizeüs eens door de stad van Sunam ging, was daar eene aanzienlijke vrouw, die hem ten middagmaal noodigde. En zoo dikwijls hij naderhand door de stad trok, nam hij zijn noenmaal bij. haar. Zij zeide dan tot haren man ; ik bemerk, dat die profeet een heilig man is. Laat ons voor hem eene kleine kamer inruimen, en daarin een bed, tafel, stoel en kandelaar zetten, opdat hij daar zijn verblijf neme, als hij ons komt bezoeken. Als hij dan op zekeren dag in zijn kamertje was, deed hij de vrouw door Giëzi, zijnen knecht, roepen, en zeide: gij hebt ons van alles wel verzorgd; welke belooning wilt gij ? Giëzi sprak: zij is kinderloos. Dan zeide Elizeüs : gij zult ,op dezen dag, na verloop van een jaar, eenen zoon hebben. De vrouw baarde werkelijk op hetzelfde uur, dat Elizeüs haar voorspeld had, eenen zoon. De jongen werd groot, maar stierf. De vrouw legde hem op het bed van Elizeüs, en reisde in allerijl naar Carmelusberg. Wanneer zij tot den man-Gods gekomen was, gaf zij hem dit vol droefheid te kennen. Elizeüs zeide tot Giëzi: neem mijnen stok in uwe hand, ijl er naar toe, en leg den stok op het aangezigt van den jongen. Doch de moeder zeide tot Elizeüs ik zal u niet verlaten voor aleer gij met mij zult gaan. Giëzi had zich midderwijl naar het huis der bedrukte moeder begeven, en den stok op des kinds aangezigt gelegd, zonder dat er stem of gevoelen in kwam. Hij

-ocr page 258-

256 Geschiedenis

keerde dan tot Elizeüs terug en zeide: iet kind herleeft nogl Jlc niet. Elizeüs ging nu ook, op het voortdurend aandringen détl Hi moeder derwaarts, en toen hij in het huis gekomen was, deed ja zijl hij zijn gebed, en boog zich over het kind. Zijn mond legde hij op des kinds mond, zijne oogen op \'s wichtjes oogen, zijné handen op des kinds handen, en verwarmde het alzoo. Dit deed hij tot twee malen toe, en de jongen werd levendig. ■ tn Elizeüs trok nu weder naar Galgala. Dewijl er hongersnood ï| va in dat land was, en de leerlingen der profeten met hem woon- % w den, zeide hij eens tot zijnen dienaar; kook een\' grooten pot| oj warmoes voor de jonge profeten. Iemand van hen ging naail het veld, om moeskruid op te zoeken, en vond eenen wilden | G wijngaard; hij plukte daarvan wilde vruchten, en sneed die | Ui in den moespot. Toen de leerlingen daarvan aten, riepen zij: | ei o man Gods! de dood in de pot; dat is, het is zoo Utter om 1 tc er van te stenen. Elizeüs deed wat meel brengen, wierp hetl p; in den pot, en er was geene bitterheid meer te proeven. | t( Naaman, veldoverste van den koning van Syrië, was met | I melaatscheid geslagen. Eenige roovers hadden een joodsch meisje l| k gevangen, die als slavin bij Naaman\'s huisvrouw diende. Deze 1 e. zeide; och, of mijn heer eens bij den profeet was, die to | v Samarië is, die zoude hem zeker genezen. Naaman dit verne- f u mende, gaf het den koning van Syrië te kennen, welke zeide: ga naar Samarië : en hij gaf hem eenen brief mede voor defi koning van Israël. Deze brief was van den volgenden inhoud: wanneer ffij dezen hrief ontvangt, zoo weet, dat ik mijnen dienaar Naaman tot u gezonden heb, opdat gij hem van zijne melaahch-heid zoudt genezen. Hij trok dan henen en nam met- zich lt;\'eel zilver en goud, en tien feestgewaden. Nadat de koning van Israël den brief gelezen had, scheurde hij uit misnoegen zijne kleederen en zeide: ben ik dan een God, dat hij mij schrijft, dat ik hem van zijne melaatschheid zou genezen? Elizeüs dit vernemende, deed hem zeggen: waarom hebt gij uwe kleederen gescheurd ? Laat dien man tot mij komen, en leeren kennen dat er een profeet in Israël is.

Naaman kwam dan aan met zijne wagens en ruiters, en bleef voor de deur van Elizeüs staan. Elizeüs zond eenen bode, die hem zeide: ga en wasch u zevenmaal in den Jordaan, en gij zult weder rein zijn. Naaman ging verbolgen weg, en sprak; ik meende, dat hij tot mij zoude uitkomen, zijnen God over mij aanroepen, en met zijne hand de plaats der melaatschheid aanraken. Zijn de waterstroomen van Damascus, Abana en Pharphar niet gezonder, dan al de wateren van Israël? Terwijl hij nu boos henen trok, zeiden zijne dienaars tot hem: lieve vader, indien de profeet groota dingen van u verzocht had, zoudt gij die niet moeten doen?

Al ik te

-ocr page 259-

van het Oude Testament.

Hoe veel te meer dus, daar hij nu maar zegt: ga u waasclien. Hij ging dan heen, wiesch zich zevenmaal in den Jordaan; en zijn vleesch werd weder rein als dat van een jong kind. Alsdan keerde hij tot den profeet weder, en zeide: nu beken ik, dat er waarlijk geen andere God op geheel het aardrijk te vinden is, dan in Israël. Ik bid u, eenig geschenk van uwen dienaar te aanvaarden. Maar Elizeüs bleef dit standvastig weigeren. Alsdan zeide Naaman: uw wil geschiede; en uw dienaar zal voortaan aan geene andere goden brandoft\'ers opdragen, dan aan God alleen. Elizeüs sprak: ga in vrede.

Wanneer Naaman nu een eind wegs voortgereisd was, liep Giëzi, de knecht van Elizeüs, ziende dat zijn meester hem liet gaan, zonder iets van hem te ontvangen, hem achterna, en zeide, toen hij hem ingehaald had: mijn heer zendt mij tot u, en laat u vragen, of gij voor de leerlingen van twee profeten, een talent zilver en twee feestgewaden zoudt gelieven te geven. Naaman hernam: neem liever twee talenten mede. En nadat hij die in twee zakken, te zamen met de twee kleederen, gebonden had, keerde Giëzi weder, en gaf ze in een huis te bewaren. Wanneer hij nu bij Elizeüs kwam, vraagde deze hem: Giëzi, van waar komt gij? Deze antwoordde: uw knecht is nergens heen geweest. Nu sprak Elizeüs: was ik er met mijnen geest niet tegenwoordig, als Naaman van zijnen wagen sprong, om u te gemoet te komen? Nu dan, gij hebt het geld en de kleederen weg, maar Naamans melaatsch-heid zal u en uw geslacht ook voor altijd aangehecht zijn. En waarlijk, Giëzi trok weg, zoo wit als sneeuw van me-laatsohheid.

257

log Qéi

3ed| ;\'clo jne Jit

BEMERKING. De zuivering van Naaman is slechts eene ligte schaduw van de zuivering, die in de ziel door het heilig doopsel geschiedt, in hetwelk zij van eene andere veel sohrik-kelijkere melaatschheid, door de kracht van het dierbare bloed van Jezus-Christus, gezuiverd wordt. Maar hoe weinige Christenen zijn er, die wel begrijpen, welk eene onwaardeerbare gave het doopsel is, en dat God hun die uit eene onverdiende barmhartigheid vergund heeft, met hen, door eene eeuwige verkiezing, uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht te roepen! Hoe weinigen zijn er, die God daarover bedanken! Hoe

be-

weinigen, die den pligt daarvan kennen, en de verzaking seffen, die zij gedaan hebben!

17

-ocr page 260-

Geschiedenis

IV. HOOFDDEEL.

Elizeüs leidt hst Syrische leger in Samarië, De belegering van Samarië.

De Syriërs door God verschrikt, nemen de vlugt. 4 Kon. 6. 7.

Het jaar der wereld 3116, voor Jesus-Christus. 888.

.

Toen eens de koning van Syrië tegen Joratn,^koning van Israël, in oorlog was, bemerkte hij, dat telkens zijne geheirae raadsbesluiten ontdekt werden, en werd daarover tegen zijne dienaars zeer gestoord. Hij wilde dus, door alle middelen weten, wie zijn verrader was. Een van lien zeide: tot is de profeet Elizeüs, die den koning van Israël alles, wat gij in het binnenste van uwe kamer spreekt, te kennen geeft. Nadat de koning gehoord had, dat Elizeüs te Dothen was, zond hij ruiters en wagens met een magtig leger, die \'s nachts de stad kwamen bezetten. De knecht van den profeet vroeg opgestaan zijnde, zag het leger rondom de stad, en kwam tot Elizeüs zoggen: o mijn heer! wat zullen wij gaan aanvangen? Elizeüs antwoordde: vrees niet, want er is meer volk met ons, dan met hen. En na zijn gebed gedaan te hebben, zeide hij: o Heer! open de oogen van mijnen knecht. De Heer opende nu de oogen des knechts, en deze zag rondom Klizeüs eenen berg vol vurige paarden en wagens. Als nu de Syricrs op Elizeüs aankwamen, bad hij God aldus: sla toch dit volk met blindheid! De Heer voldeed aan deze bede, en nu sprak Elizeüs. tot hen: gij zijt hier niet op den regten weg. Komt met mij, ik zal u den man toonen, dien gij zoekt. ^ En hij bragt hen aldus binnen Samarië. Thans zeide Elizeüs. o Heer! open nu de oogen van dit volk, opdat zij zien. Nadat de Heer dit alzoo gedaan had, zagen zij, dat zij in het midden van Samarië waren. De koning van Israël vroeg aan Elizeüs: vader, wil ik hen verslaan? Neen, antwoordde deze: maar geef hun te eten en te drinken, en laat hen dan naar hunnen meester gaan. Het geschiedde aldus.

Eenigen tijd daarna kwam Benadad met geheel zijn leger Samarië beleggen. De stad werd door de langdurige belegering zoo uitgehongerd, dat een ezelskop voor SO zilverlingen verkocht werd (dat is meer dan 50 gulden.) Terwijl nu de koning van Israël binnen de stad langs do wallen ging, riep eeno vrouw hem toe: help mij toch, heer koning! Hij antwoordde: indien u God niet helpt, waarmede zoude ik u helpen, van mijnen dorschvloer, of van mijne wijnpers? (er is niets meer te vinden.) Hierop sprak zij aldus: zie deze vrouw heeft mij gezegd: geef uw kind, opdat wij het heden eten en mijn kind zullen wij morgen eten. Wij hebben dan mijn kind gezoden en gegeten. En toen ik \'s anderendaags tot haar zeide:

25S

-ocr page 261-

van het Oude Testament. 259

geef nu uw kind om te eten, lieeft zij lietzelve iveggestoken. Up het Looren dezer woorden, scheurde de koning zijne kleederen, en al het volk zag het harenkleed, hetwelk hij op zijn vleesch had aangetrokken. En hij zeide: {gestoord op Elizeüs, omdat hij de stad honde verlossen, indien hij wilde) zoo en zoo strafte mij God, indien het hoofd van Elizeüs nog heden op zijne schouders staan blijft. Hij zond dan iemand om hem het hoofd af te houwen; doch aanstonds leedwezen krijgende, werd dit niet uitgewerkt. Elizeüs echter sprak aldus; dit zegt God; morgen op dezen tijd zal men onder de poort van Samarië een schepel meelbloem voor eenen zilverling verkoopen. Maar een der vorsten zeide: al regende God zelfs levensmiddelen uit den hemel, zoo kan toch hetgene gij zegt niet geschieden. Elizeüs antwoordde: gij zult het met uwe oogen zien, doch er niet van eten. — Vier melaatschen, die voor het leger der Syriërs gevlugt waren, en zich aan de stadspoorten ophielden, zeiden tot elkander: wat doen wij hier? Indien wij in de staü gaan, zoo sterven wij van honger; blijven wij bier, dan moeten wij ook omkomen. Het is dan beter, dat wij ons naar het leger der Syriërs begeven, want indien zij ons bet leven sparen, zoo leven wij, en slaan zij ons dood, wij kunnen toch maar sterven. Zij trokken dan op bij het vallen van den avond, en na aan \'s vijands leger gekomen te zijn, vonden zij er niemand, want God had een gedruiscb in het leger der Syriërs laten hooren, waardoor zij terwijl het duister was, de vlugt namen en al bunnen voorraad in bet leger achter lieten.

1\'e melaatschen traden dan in eene tent, aten en dronken daar, namen bet zilver, bet goud en de kleederen weg, en gingen hetzelve verbergen. Verder zeiden zij tot elkander: het is nu de tijd van eene goede boodschap te dragen; want indien wij tot morgen wachten, zal bet euvel genomen worden. Wanneer zij aan de stadspoorten gekomen waren, riepen zij: wij zijn in het Syrische leger geweest, zonder dat wij er iemand gevonden hebben dan paarden, ezels en tenten. De portiers gingen dit aan des konings bof boodschappen. Nu stond do vorst in den nacht op, en zeide: dit is een looze trek van de Syriërs, om ons uit te lokken en alsdan te vangen. Er waren m de stad slechts vijf paarden meer overgebleven. . Men bragt twee derzelve, en de koning zond twee boden naar bet leger der Syriërs om alles te bespieden. Zij volgden hen tot aan den Jordaan, en zagen den ganscben weg vol kleederen eu huisraad liggen, die de Syriërs uit verbaasdheid weggeworpen hadden. Zij kwamen dit den koning boodschappen, en al het volk trok uit de stad, eu maakte alles tot buit. Aldus werd de voorzegging van Elizeüs volbragt, en een schepel meelbloem

-ocr page 262-

260 Geschiedenis

werd voor eenen zilverling onder de poort van Samarië verkocht. De koning had den vorst (tot wien Elizeüs zeide: gij zult het zien, maar er niet van eten) aan de stadspoorten gesteld. Doch de menigte volks was zoo groot, dat zij hem onder de voeten traden, waarvan hij op de plaats stierf.

BEMERKING. Joram was op Elizeüs verbolgen, daar hij hem beschouwde als de oorzaak dezer benaauwdheid. ^ Alzoo doen nog velen, niet alleen Heidenen, maar ook Christenen, die de oorzaak hunner rampen meer toeschrijven aan anderen, dan aan zich zolven, en aan hunne zonden, die er de oorzaak van zijn. Aldus legden eertijds de Heidenen al de rampen op de Christenen, alsof zij de oorzaak waren van al het ongeluk, hetwelk aan het keizerrijk overkwam, daar zij zeiven er oorzaak van waren door hunne schelmstukken, en door hunne wreede vervolgingen van schuldelooze menschen.

Verootmoedigingen lijden, zonder ootmoedig te worden, is eene pijnlijke straf. Kruisen zonder toevlugt tot God, zijn dubbele kruisen. De uitverkorenen aanzien het lijden met de oogen des geloofs, en bekennen ootmoedig, dat hun lijden veel minder is, dan zij verdienen, üod kastijdt niet als een vergramde regter, die de misdaden straft, maar als een goede vader, die zijne kinderen bemint, en hen kastijdt, niet om hen in hun ongeluk te storten, maar om hun heil te bewerken.

V. HOOFDDEEL.

Elizeüs voorzegt den dood van Benadad. Ochoziaa volgt Joram in het rijk van Juda op. Jehu doorschiet Joram, koning van Israel.

Hij doodt Ochozias, koning van Juda, en doet Jezabel uit het venster werpen. 4. Kon. 8. 9. (2 Paralip.

22.) — Het jaar der wereld 3120.

Elizeüs kwam te Damascus, terwijl Benadad, koning van Syrië, zeer ziek was. Hij zond Ha^aël tot dien profeet, om hem te vragen, of hij zoude genezen. Hazaël ging dan met geschenken en vele schatten, geladen op 40 kameelen, en zeide tot Elizeüs; uw zoon, Benadad, koning van Syrië, heett mij gezonden, om u te vragen, of hij van zijne krankheid zou kuntien oprijzen. Elizeüs antwoordde; hij zal er van genezen; doch daarna, zoo als God mij heeft laten weten, zal hij niet van die ziekte, maar op eene andere wijze sterven. De profeet bleef voorts Hazaël strak bezien, en tranen vloeiden uit zijne oogen. Hazaël vraagde; waarom weent gij? Omdat ik weet, antwoordde Elizeüs, al het kwaad, dat gij den kinderen van Israël zult berokkenen; gij zult hunne steden in brand steken, hunne manschap do oden, hunne jonge kinderen verpletten,

-ocr page 263-

van het Oude Testameni.

hunne zwangere wouwen in stukken houwen. God heeft mij te kennen gegeven, dat gij koning van Syrië zult worden. Als Hazaël nu bij zijnen meester kwam, vraagde Benadad, wat Elizeüs gezegd had. Hij antwoordde; dat gij het wel zult kunnen ontkomen. Maar op eenen anderen dag nam hij een wollen laken, doopte dit in het water, spande het over \'s konings aangezigt, en versmachtte hem. Nadat alzoo de vorst om het leven was gebragt, werd Hazaël koning in zijne plaats.

Dit gebeurde wanneer Joram, tweede zoon van Achab, koning van Israël was, en Josaphat over Juda. Toen Joram, zoon van Josaphat, in zijns vaders plaats koning over Juda geworden was, hadden de koningen van Israël en van Juda beiden denzelfden naam. Doch Joram, koning van Juda, had niets van de godsvrucht van zijnen vader Josaphat, maar was in goddeloosheid den koningen van Israël gansch gelijk. Ook was hij gehuwd met de dochter van Achab. Deze Joram, koning van Juda, overleden zijnde, heerschte Ochozias, zijn zoon, na hem. Terwijl Joram, Achab\'s zoon, nog koning van Israël was, kwam hem Ochozias ter hulp in den oorlog tegen Hazaël, koning van Syrië. Joram werd in den strijd gekwetst, en deed zich naar Jezraël voeren, alwaar Ochozias hein kwam I bezoeken.

Jehu, die op bevel des Heeren door eenen van de leerlingen van Elizeüs tot koning van Israël gezalfd was, om geheel het huis van Achab uit te roeijen, trok tenzelfden tijde naar Jezraël, alwaar Joram ziek lag, en Ochozias, koning van Juda, hem ,! met een bezoek was komen vereeren. De schildwacht, die boven de poort stond, deed aan Joram boodschappen, dat er van verre eene bende gewapende mannen aankwam. De koning zond dadelijk verscheidene boden uit, om te weten wat dit was, en terwijl Jehu die mannen ophield, zeide Joram: spant mijnen wagen in; en schoon hij nog ziek was, trok hij met Ochozias, elk op zijnen wagen, Jehu tegen, en ontmoetteden hom op den akker van Naboth. Joram vraagde hem; is alles wel? Wel hoe, antwoordde Jehu, is alles wel, daar de afgoderijen uwer moeder Jezabel nog dagelijks toenemen! ... Op dit gezegde meende Joram te vlugten, maar Jehu doorboorde hem het hart niet eenen pijl, zoodat hij oogenblikkelijk dood in zijnet» wagen viel, en deed zijn ligchaam op het veld voor de honden werpen, Alzoo werd de voorzegging van Elias tegen het geslacht van Achab volbragt. Ochozias dit ziende, nam ook de vlugt, doch Jehu vervolgde hem, en deed hem dooden.

Vervolgens trok Jehu naar Jezraël. Toen Jezabel dit vernomen, had, blanketto zij haar aangezigt, versierde haar hoofd, on legde zich in haar paleis in het venster. Als nu Jehu de

261

-ocr page 264-

Geschiedenis

stad binnen trok, sloeg iiij zijne oogen naar het venster, en vroeg aan Jezabel\'s kamerlingen: wie van u houdt het met mij? Twee of drie van hen bogen zich tot Jehu, die tot hen zeide; werpt haar van boven neder. Zij deden zulks; de muur werd met haar bloed besprenkt, en de paarden vertrapten haar met hunne hoeven.

Toen Jehu daarna het paleis was binnen getreden, om te eten en te drinken, beval hij: gaat eens naar dat vervloekt wijf zien, en begraaft haar, vermits zij eene konings dochter is. Zij gingen heen om haar te begraven, doch vonden niet dan het bekkeneel, de voeten en de uiteinden barer handen. Als zij dit aan Jehu boodschapten, zeide hij; dit is het woord des Heereu, hetwelk hij door zijnen dienaar Elias uitgesproken heeft: de houden zullen Jezabel op het veld van Jezraël verslinden, en haar vleesch zal als mest op den akker wezen, zoo dat al de voorbijgangers zullen zeggen: is dat die schoone Jezabel?

BEMERKING. Ziedaar het einde van Jezabel: een vervaarlijk voorbeeld van Gods rechtvaardigheid, hetwelk nogtans door een zeer langdurig geduld was voorafgegaan. Doch daar de tijd van bekeeriiig, dien God aan Joram en zijne moeder Jezabel gegeven had voorbij was, zoo stortte zijne gramschap op hen quot;neder. Het was niet bij geval dat Jehu Joram op hetzelfde veld, hetwelk Achab en Jezabel Naboth hadden ontweldigd, te gemoet kwam, maar door Gods voorzienigheid en bestuur, om de voorzegging van Elias stipt te volbrengen. Een schrikkelijk voorbeeld voor alle geweldenaars en verdrukkers der onschuldigen, en voor eiken zondaar, die in zijne misdaden verblind en verhard blijft voortleven!

VI. HOOFDDEEL.

Jehu, om Achab\'s huis ve der uit te roeijen, doodf zeventig zonen Tan Achab, en ook de priesters van Baal. De dood van Jehu. De wreedheid van Athalia. Joas wordt koning over Juda.

Elizeiis sterft. 4. Kon. 10. 11. 12. 13. (22. 13. 25.

Achab had te Samarië 70 zonen. Jehu, om het woord des Heeren te volbrengen, hetwelk door Elias over het huis van Achab gesproken was, deed hen allen door die van Samarië zeiven dooden, hunne hoofden te Israël brengen, en die aan den ingang van de poorten tot den volgenden dag leggen.

Daarna begaf hij zich naar Samarië. Op den weg ontmoette hij twee ea veertig bloedverwanten van Ochozias, koning van Juda, en deed hun het leven benemen. Toen hij

262

-ocr page 265-

van het Oude Testament. 263

(e Samarië was gekomen, doodde hij al de overgeblevenen van Aeliab\'s geslacht, volgens het woord van den Heer, hetwelk hij door Elias gesproken had.

Jehu zeide vervolgens tot al het volk: doe al de proleten en priesters van Baal tot mij roepen, want ik wil eene groote offerande aan Baal doen. Al wie er ontbreekt, zal met den dood gestraft worden. Hij deed dit geveinsd, om al de dienaars van Baal te dooden. Zij kwamen dan allen, volgens het bevel, zoo dat er niemand ontbrak. Na de voltrekking des brandoffers, zeide Jehu aan 80 krijgslieden, die daar vaardig stonden: stapt | binnen, verslaat hen, en dat niemand ontkome. Zij doodden hen * door het zwaard, trokken ook Baal\'s standbeeld uit den tempel, en verdelgden het gebouw. Aldus roeide Jehu den afgod Baal uit Israël. God zelf prees den ijver van Jehu, maar deze volhardde niet lang daarin; want hij liet de gouden kalveren overblijven, die Jeroboam te Bethel en te Dan opgerigt had. Kogtans, omdat hij de voornemens des Heeren tegen Achab\'s huis getrouw had uitgevoerd, beloofde hem God den troon van Israël tot het vierde lid. Jehu stierf na eene regering van 28 jaren, en Joachas, zijn zoon, werd koning in zijne plaats.

Nadat Ochozias, koning van Juda, door Jehu, zoo als gezegd is, gedood was, wilde Athalia, zijne moeder regeeren, en deed hij al de kinderen van Ochozias ombrengen, behalve Joiis, die Josaba, zuster van Ochozias en vrouw van den hoogepriester, in eene kamer van den tempel verborg, alwaar hij in het geheim opgevoed werd. Nadat nu Athalia 7 jaren te Jeruzalem, en met haar de afgoderij, geheersclit had, liet zich de hoogepriester Joïada voorstaan, dat het tijd was om aan gansch Juda te verklaren, dat er een wettige koning overgebleven was, wiens kroon Athalia tot nog toe overweldigd had. Joïada bragt derhalve den koning te voorschijn, zette hem de kroon op het hoofd, en gaf hem de wet van Mozes in de hand. Zij maakten hem dus koning, zalfden hem, klapten, van vreugde in hunne handen, en riepen; lang leve de koning 1 Wanneer Athalia het volk hoorde loopen en roepen, kwam zij naar den tempel ijlen, scheurde hare kleederen en riep: verraad! verraad! Maar Joïada deed haar dadelijk uit den tempel trekken, en door het zwaard ombrengen.

Joas was 7 jaren oud, als hij koning werd; hij deed al wat voor Gods oogen aangenaam was, zoo lang als hij Joïada, den opperpriester, voor meester behield. \'lt;

Daarna werd de profeet Elizeüs ziek, en de koning van Israël (ook Joas geheeten, en zoon van Joachas) kwam den profeet bezoeken en zeide weenende: o mijn vader! mijn vader! De profeet beloofde hem, ter vergelding zijner liefde, dat hij driemaal de Syricrs zoude verslaan. De H. Schrift

-ocr page 266-

264 Geschiedenis

verliaalt nog Üit mivakel, hetwelk na den dood van Elizeüs bij tet graf gebeurd is: eenigo menscben gingen eene doode begraven, en zagen roevers van Moab aankomen: zij wierpen derhalve liet lijk schielijk in Elizeüs graf. Zoohaast de doode de beenderen van den profeet aanraakte, kwam hij tot het leven weder. s

Joas, koning van Juda, eerde den opperpriester Joïada (door wiens zorg hij koning geworden was), en werd, dooide vriendschap van den heiligen man, tot allo goed geneigd; hij herstelde den tempel, en roeide al de gruwelijkheden van zijne moeder Athalia uit. Doch tot zijn ongeluk stierf de opperpriester Joïada in den ouderdom van 180 jaren. Joiis eerde hem zelfs na zijnen dood, en deed hem in de koninklijke grafstede begraven. Na dezes dood veranderde hij weldra jammerlijk. _

De vorsten des rijks kwamen Joas zeer diepe eer bewijzen; hierdoor wonnen zij zijn gemoed, zoodat hij hun alles toestond, en onder andere ook de afgodendienst, üp die wijze trok hij, door zijne afgoderijen en andere groote zonden, de gramschap Gods over zich en over geheel het rijk.

Zacharias, de opperpriester, zoon van Joïada, vol van Gods ijver en geest, berispte den koning en zijne voornaamste hovelingen daarover; maar Joiis deed hem iu het voorhof des tempels steenigen. Deze heilige man zeide stervende deze woorden : God ziet het en zal het wreken. Het geschiedde alzoo. De Heer verwekte tegen Joiis de Syricrs, die met een klein getal soldaten geheel zijne krijgsmacht versloegen^ en Gods oordeel tegen hem vervaarlijk uitvoerden. Twee zijner hovelingen stonden naderhand tegen hem op, en doodden hem gedurende zijnen slaap.

BEMEEKING. Het voorbeeld van Joiis toont ons, welk een groot geluk het is, eenen godvruchtigen en ervaren leidsman te hebben, om, onder zijn gezag, beter God te dienen, en het groote werk van de eeuwige zaligheid te behartigen. Die in zonde zijn, zullen onder zulk bestuur zekerder tot de bekeering komen, en die in regtvaardigheid leven, trouw daarin volharden. Wie staat, die moet toezien dat hij niet valle, en gestadig blijven in de zalige vrees van God te verlaten, en van hem verlaten te worden. Eene krachtige beweegreden van deze vrees moet het voorbeeld van Joas en van duizend andere zijn, die wel begonnen, doch slecht geeinigd hebben, en die van deugdzaam zeer ondeugend geworden zijn.

-ocr page 267-

van het Oude Testameui.

VII. HOOFDDEEL.

Amasias wordt koning -van Juda. Na hem volgt Ozias. Na dezen beklimt Joatham den troon. Na Joatham volgt de goddelooze Achas. Over Israël volgen na Joas, Jeroboam II.

Zacharias, Sellum, Manahem, Phaceïa en Phaceë. 4 Kon. 14. 15. 16. 17. (2.

Paralip. 25. 26. 27. 28.)

Amasias, zoon van Joas, werd nu koning van Juda. Hij deed de hovelingen dooden, die den koning, zijnen vader, om. het leven gebragt hadden. Hij voerde verscheidene oorlogen tegen Joas, koning van Israël, die Amasias gevangen nam, hem te Jeruzalem bragt, een deel van de muren afbrak, en met al het goud en zilver, zoo van den tempel, als van \'s konings paleis, henen trok. Maar Joas stierf, en zijn zoon Jeroboam II., werd koning van Israël in zijne plaats. Amasias leefde vóórts in diepen vrede in Juda, tot dat hij van eenige zijner knechten gedood werd, latende in zijne plaats Ozias, zijnen zoon, die ook Azarias genoemd werd. Ozias was in den aanvang zeer godvruchtig, en ging bij de profeten in alle zaken te rade, om. den wil des Heeren te kennen. Maar de voorspoed verhoovaar-digde ten laatste zijn hart, en in zijnen ouderdom wilde hij zelf in don tempel wierook opofferen.

De opperpriester Azarias, hierover ontsteld zijnde, ging hem met de andere priesters daarover berispen. Maar Ozias dreigde hem met den dood, en terwijl hij het wierookvat sterk vasthield, sloeg God hem met melaatschheid in de tegenwoordigheid der priesters, die hem uit den tempel joegen. Hij bleef melaatsch tot het einde zijns levens en was verpligt in eene afgezonderde plaats te blijven. Middelerwijl bestuurde Joatham, zijn zoon, het koninklijke huis; hij werd na den dood van Ozias koning, oud zijnde 25 jaren. Nadat hij 16 jaren te Jeruzalem geheerscht had, liet hij het rijk aan den goddeloozen Achas, zijnen zoon, die nu 20 jaren oud was, en te Jeruzalem al de gruwelen der afgoderij hernieuwde. Daar God over al de schelmstukken verbolgen was, leverde hij Achas over in de handen van den koning van Syrië, en daarna in de magt van den koning van Israël.

Het rijk van Israel was van Joas tot Jeroboam II. en van dezen tot Zacharias overgegaan. Het kwam daarna in handen van Sellum, en vervolgens in die van Manahem, die tot nazaat liet Phaceïa, zijnen zoon, tegen welken Phaceïa zich Phaceë stelde, zoon van Eomelius, om koning in zijne plaats te zijn. Het was deze Phaceë, die tegen den goddeloozen Achas en geheel Juda oorlog voerde. Hij versloeg van Achas volk 120 duizend man op eenen dag, omdat deze en zijn volk God

duiz

L

265

-ocr page 268-

266 Geschiedenis

verlaten hadden. Het zegevierende leger bedreef groote wreedheden tegen Juda, waarover hen de profeet üded berispte, en hun beval, dat zij naar Juda twintig duizend gevangenen terug zouden zenden, die zij van daar hadden weggevoerd. Dit deden zij ook, en gaven zelfs kleederen aan degenen, die er van ontbloot waren, en zetleder, dezulken op wagens, die te vermoeid waren, om te voet te kunnen wederkeeren;

Daar Achas door al deze nederlagen nog niet bekeerd was, ■werd hij meer en meer hatelijk voor God. Hij ging een verbond aan met die van Assyrië. Theglathphalazar kwam dus Achas te hulp tegen die van Syrië en van Israël, en nam al de Israëlieten gevangen, die van de overzijde van den Jordaan waren, en voerde hen naar Assyrië, van waar zij nooit wederge-Tceerd zijn, evenmin als de andere 10 geslachten, die naderhand door zijnen zoon Salmanasser derwaarts werden overgevoerd. De koning van Assyrië was de geesel Gods tegen Achas, die hem ter hulp geroepen had, terwijl hij Achas van alles beroofde.

BEMERKING. Als wij de groote en aanhoudende zonden van de Israëlieten aanmerken, behooren wij ons dan niet te verwonderen over Gods geduld ten opzigte van zulk een ondankbaar volk ? Waarlijk, de lieer is genadig en harmhcirtig, hij is geduldig en vol medelijden. Maar als de zondaar onbekeerd blijft, vergadert hij voor zich eenen schat van Gods gramschap, zoo als de Apostel spreekt, en het gewicht van Gods verbolgenheid zal hem eindelijk verpletten, gelijk wij in al deze vervaarlijke voorbeelden gedurig zien.

VIII. HOOFDDEEL.

Oseë wordt koning van Israël. Hij wordt van Salmanasser weg:gfgt;voerd.

Einde van het rijk van Israël. Godsvrucht van Ezechias, koning van Juda. 4 Kon. 17, 18. (2. Paralip. 20.)

In het 2e jaar der regeering van Achas, koning van Juda, werd Oseë koning van Israël. Hij heerschte 9 jaren, en leefde afschuwelijk voor Gods oogen. Salmanasser, koning van Assyrië, trok tegen hem op, en bragt hem onder zijn gebied, zoo dat hij hem jaarlijksche schatting moest betalen. Doch daar Oseë deze schatting door de hulp van den koning van Egypte wilde ontgaan, kwam Salmanasser wederom tegen hem op met eene nieuwe magt en belegerde Samarië gedurende eenen tijd van drie jaren, en nam de stad in. Hij voerde de Israëlieten gevankelijk naar Assyrië, alwaar zij in Hala en Habor, steden der Meden, en in al de noordelijke gewesten van Azië verspreid werden, zonder ooit naar hun land weder te keeren. Alzoo eindigde het rijk van Israël in het jaar der wereld 3283, voor Christus 721, 255 jaren nadat het van Juda was afgescheurd.

-ocr page 269-

tan het Oude Testament. ZG7

Terwijl het rijk van Israël aldus door de boosheden van zoo vele goddelooze koningen te gronde ging, begon liet rijk van Juda, hetwelk door de langdurige schelmstukken van Achas zoo lang onderdrukt was geweest, het hoofd op te beuren en zich te verkwikken, door do uitmuntende deugd en godsvrucht van den goeden koning Ezechiiis, zoon van Achas. Vóór, noch na hem, is er geen koning van Juda geweest, die hem in deugd en ijver evenaarde. Hij onderhield in alles de wet van God, zonder ergens in af te wijken; om deze reden was God met hem. Hij begon zijne regering met den tempel des Heeren te openen, die zijn vader, om de ware godsdienst te vernietigen, gesloten had. Hij gebood den Priesters en den Levieten, dat zij zich zouden heiligen, om vooral deze heilige plaats (die ontwijd was) te gaan reinigen. Hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes door Gods bevel gemaakt had, en die een der afgoden geworden was, aan welke het volk wierook offerde. Hij herstelde de Priesters en de Levieten in al hunne bedieningen, droeg zorg voor hun onderhoud, en gebood, dat de tienden en de eerste vruchten volgens de wet trouw zouden opgebragt worden. Met welbehagen zegende God dezen koning in al zijne ondernemingen. Hij verklaarde den oorlog aan de koningen, die zijne voorzaten onder bedwang gebragt hadden. Hij beoorloogde de Philistijnen, veroverde hunne steden en hield hunne grenzen besloten.

BEMERKIXG. Welke gelukkige omkeer in de godsdienst en in den staat, door eenen enkelen mensch! Welk een geschenk van de hand Go;ls is een regtschapen vorst, en hoe behooren de onderdanen God te bidden, om dusdanige vorsten van zijne vaderhand te verwerven! De Heer geeft ze aan zijn volk in zijne barmhartigheid, en neemt ze weg in zijnen toorn, en doorgaans zijn het de zonden van de onderdanen, die eenen ondeugenden vorst aan de teugels van het bestuur stellen.

IX. HOOFDDEEL.

Sennacherib doet Ezechias dreigen. De Engel verslaat 185 duizend man op éénen nacht. 4 Kon. 19. (2. Paral. 32. Isaï. 36. 37 —) Het jaar der wereld 3291, voor Jezus-Christus 713.

In het veertiende jaar der regering van den koning Ezechias, kwam Sennacherib, koning van Assyrië, al de steden van luda aanvallen en innemen. Ezechias liet hem zeggen: wijk van mij toch af; alles, wat gij mij zult opleggen, zal ik dragen. De koning van Assyrië deed hem eene schatting van 300 talenten zilver en 30 talenten goud opbrengen. Ezechias gaf

-ocr page 270-

Geschiedenis

al het zilver, hetwelk er in het huis des Heeren en in des konings schatkist te vinden was. Niettegenstaande dit alles, zond de koning van Assyric Eabsaces met een magtig leger naar Jeruzalem. Terwijl zij voor de stad lagen, zeide Eabsaces tot de hovelingen van Ezechias: ga, zeg tot Ezechias, uit naam van den grooten koning van Assyrië: waarop steunt gij? Waarop verlaat gij u? Misschien hebt gij besloten slag te leveren? Maar waarop betrouwt gij, dat gij tegen mij durft opstaan? Meent gij, dat ik buiten den wil des Heeren gekomen ben om deze plaats te verderven? Want God heeft tot mij gezegd: ga henen en verderf dat land. (1) Luistert naar Ezechias niet, die u bedriegt met te zeggen, dat God u redden zal. Hebben de goden van andere natiën hun land van de naagt des konings van Assyrië kunnen bevrijden? Wie zijn onder al de goden der aarde, diegenen, welke zich uit mijne handen verlost hebben? Durft gij nog hopen, dat God Jeruzalem nog van mijne magt zoude kunnen bevrijden? Eu noy meer andere lasteringen voegde hij er bij.

Nadat Ezechias dit alles gehoord had, scheurde hij zijne kleederen, trok eenen ruwen zak aan, en begaf zich tot het huis des Heeren. Ook liet hij den profeet Isaïas zeggen: dit is nu de dag van droefheid, van hoon en godslastering. Het kind is op het punt van ter wereld gebracht te worden j maar de vrouw heeft geen kracht om het. te baren. (2) Isaïas antwoordde; zeg uwen meester: deze is de uitspraak des Heeren: weest niet bevreesd over de woorden, met welke de koning van Assyrië mij heeft gelasterd: want ik • zal hem eerlang naar zijn land doen wederkeeren, en hem door het zwaard doen sneuvelen.

Sennacherib echter zond wederom boden met eenen brief zeggende: laat uwen God, op wien gij betrouwt, u niet bedriegen, als of Jeruzalem in de handen van den koning van Assyrië niet zoude komen: want gij zelf hebt gehoord, hoe de koning van Assyrië alom met de landen gehandeld, en hoe hij die verwoest heeft. Meent gij alleen vrij te zijn?.... Wanneer nu Ezechias den brief uit de handen van de gezanten ontvangen en gelezen had, ging hij naar het huis des Heeren, legde den brief open voor den God van Israël, en bad aldus: o Heeren God van Israël, die daar op de Cherubs gezeten zijt: Gij zijt immers alleen de God van al de koningen der aarde, Gij, dk hemel en aarde geschapen hebt. Neig toch uwe ooren om te hooren, en open uwe oogen om te zien. Luister naar de woorden van Sennacherib, die hij hier tot ons volk gezonden heeft, om den levenden God te lasteren. Wel is waar, o lieer!

1) Dit is eene groote verwaandheid en eene leugen.

, 2) Dat is: de strijd is voorhanden, en wij zijn te zwak.

268

-ocr page 271-

van het Oude Testament.

dat de koningen van Assyrië al die volkeren met hunne landen verdelgd en hunne goden verbrand hebben: immers, het waren geene goden, maar werken van \'s menschen handen .... Gij dan, o Heer, onze God! verlos ons uit zijne handen, opdat al de koningrijken moge kennen, dat Gij alleen de Heer en ware God zijt.

Op denzelfden tijd deed Isaïas tot Ezeohias zeggen ; dit is de uitspraak des Heeren : het gebed, hetwelk gij tegen Sennacherib gedaan hebt, heb ik verhoord. Nog denzelfden nacht trok de Engel des Heeren uit op het leger der Assy-riërs, en versloeg er 185 duizend man. Toen zij \'s morgens ontwaakten, zagen zij daar al die dooden liggen. — Aldus keerde Sennacherib naar zijn land terug. Als hij naderhand zijnen God in zijnen tempel aanbad, benamen zijne zonen hem door het zwaard het leven.

BEMEEKING. Hier blijkt de groote kracht van een gebed, hetwelk met vast betrouwen op God gedaan wordt. Leer hieruit, nooit in eenig voorval, al gij Gods werk doet en zijne verheerlijking betracht, kleinmoedig te worden. Want hoe talrijk en hoe magtig diegenen zijn, die het willen beletten, kan hij echter zeer ligt al hunne magt en hun geweld verijdelen. Wij moeten niet vragen: hoe en op wat wijze? Want hij is almogend, en weet duizende middelen, daar wij misschien op niet een van die tot dusverre gedacht hebben.

X. HOOFDDEEL.

Ezechias wordt van Isaïas in zijne ziekte bezocht, en zijn leven wordt verlengd. Hij,toont zijne schatten aan de gezanten van den koning van Babyion. Dood van Ezechias. Mannaases ■volgt hem in het rijk op. 4. Kon. 29. 21.

(Paralip. 32. 33.) Isaï. 28. 29.

Ezechias werd doodelijk ziek. Isaïas kwam nu uit Gods naam tot hem zeggen : beschik de zaken van uw huis, want gij zult sterven (1). Ezechias keerde zijn aangezigt naar den wand, en sprak tot God: o Heer ! gedenk toch, dat ik voor uwe oogen g-etrouw en met een oprecht gemoed omgegaan, en gedaan heb, hetgeen u aangenaam was. Hierop brak hij in overvloedige tranen uit. Isaïas was het voorhof nog niet half overgetreden, of God zeide tot hem ; keer weder en zeg aan Ezechias : dit is de uitspraak van God : ik heb uw gebed aangehoord, en uwe tranen gezien, ik zal u genezen; na verloop van drie dagen zult gij in den tempel des Heeren treden; ook zal ik uw leven 15 jaren verlengen.

1) Volgens de natuurlijke gesteltenis, waarin gij nu zijt, ten ware God u door een wonderwerk ïfiias.

269

-ocr page 272-

I\'mrr

■ j

270 GescJiicdenk

Ezechias vraagde, door welke toekenen hij zoude kennen, dat God hem lierstellen zoude ? Isaïas antwoordde: dit zal u een teeken zijn: wat hebt gij liever, of dat de schaduw (op den zonnewijzer) tien lijnen voorwaarts ga, of dat zij tien lijnen terugkeere ? Ezeohias antwoordde: het is de schaduw gemakkelijk tien lijnen voorwaarts te gaan, daarom heb ik liever dat zij tien lijnen terugkeere. De profeet aanriep God, en de Heer deed door een mirakel de schaduw van Achas zonnewijzer tien lijnen terug gaan, wordende die dag waarschijnlijk veel langer dan de andere dagen.

Ten zelfden tijde zond de koning van Babyion gezanten tot Ezechias met geschenken, want hij had gehoord, dat hij krank was. Ezechias was hoogst verblijd over hunne komst, en toonde hun zijne specerijkamer, zijn zilver en goud, vele reukwerken, zijn wapenhuis, kortom al wat hij bezat. Middelerwijl kwam Isaïas bij Ezechias, en vraagde: Wat hebben die mannen gezegd? Van waar kwamen zij? Wat hebben zij al in uw huis gezien ? Ezechias antwoordde : zij hebben alles gezien. Kierop zeide Isaïas: zie, de tijd zal komen dat alles, wat in uw )iuis gevonden wordt, en alles, wat uwe voorvaders tot tfu toe ter zijde gelegd hebben, naar Babyion zal weggevoerd worden; niets zal er overblijven, zegt God, ja zelfs van uwe zonen, die uit u zullen voortspruiten, zullen zij er eenige medevoeren, om hen hovelingen in het paleis van den koning van Babyion te maken.

Nadat- Ezechias 29 jaren geheerscht had, gaf hij den geest, en Manasses, zijn twaalfjarige zoon, werd koning in zijne plaats, en regeerde 55 jaren. Hij leefde schrikkelijk voor Gods oogen. Hij rigtte altaren aan Baal op, aanbad en diende de sterren des hemels; zelfs rigtte hij altaren op in Gods tempel om afgoderij te plegen. Hij deed zijnen zoon door het vuur gaan; pleegde waarzeggerijen, duivelarijen en zwarte kunsten ; deed den profeet Isaïas dooden, en vergoot daarenboven zoo veel onschuldig bloed, dat er Jeruzalem ten halve toe vol van was. Manasses verleidde zoodanig de inwoners van Juda en van Jeruzalem, dat zij veel erger leefden dan de volkeren die God daar vernield had. Daarom zond God tot Manasses den veldoverste van den koning van Assyrië, die hem gevangen nam, en in ketenen geklonken naar Babyion bragt. Wanneer hij nu in beangstheid was, bad hij den Heer zeer vurig, en pleegde ongemeene boetvaardigheid voor het aanschijn van den God zijner vaderen. Hij stierde tot den Heer vurige en innige beden, zoodat God hem verhoorde, en hem le Jeruzalem in zijn koningrijk wederbragt. Aldus leerde Manasses God kennen, en herstelde te Jeruzalem zijne dienst.

.:i i_i

-ocr page 273-

van /tet Oude Testament.

HET GEBED VAN MANASSES IN DE GEVANGENIS. (1)

Almogende Heer, God van Abraham, haak en Jacob, die hemel en aarde met al derzelver deraden geschapen hebt; die de nee door me machtig gebed wederhoudt; die den afgrond door de schrikkelijkheid van uwen onsterfelijk en Naam sluit en verzegelt; voor tcie alles, om de aanzienlijkheid meer magt, beeft en siddert; want de grootdadigheid uwer Majesteit kan niemand dragen, en uwe grammoedige bedreigingen over de kwaaddoeners zijn niet te verduren. Doch de oneindige barmhartigheid meer beloften gaat ook alle maat te boven. JFant alhoewel gij de verhevenste Heer zijl, zijt gij niettemin goedertieren, geduldig, ten uiterste medelijdend, en laat u ligtelijk verzoenen over de boosheden die de menschen begaan. Gij, o lieer ! hebt volgens de menigvuldigheid uwer goedheid beloofd deernis te hebben, en vergiffenis te verleenen aan degenen, die tegen u zondigen, en Gij hebt boetcaardigheid tot de zaligheid der zondaars gesteld. Gij, Heer, die de God der regtvaardigheid zijt, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan Abraham, Izaak en Jacob, die, omdat zij regtvaardige en deugdzame menschen waren, tegen U niet zondigden. Maar Gij hebt mij, die een zondig mensch ben, de boetvaardigheid opgelegd. Want mijne zonden gaan het getal der zandkorrels, welke aan den oever der zee liggen, te boven, en mijne boosheden zijn zoo overvloedig vermenigmddigd, dat ik den hoogen hemel niet waardig ben te aanschouwen. Ik ben als met eene zware ijzeren keten nedergebogen ; ik kan mijn hoofd niet opheffen ; ik kan niet rusten, omdat ik uwen toorn over mij opgewekt en gruwelijk voor mee oogen geleefd heb. Want in stede van uwen wil te doen, en moe geboden te onderhouden, heb ik gruwelijkheden bedreven, en in overvloed ergernissen gegeven. i\\ u buig ik dan de kniëen, en ik bid U om barmhartigheid. Ik heb gezondigd, o Heer! ik heb gezondigd, ik belijd mijne boosheden. Daarom bid en smeek ik tot U: vergeef het mij, o Heer! vergeef het mij. Verderf mij nog niet ia mijne zonden; laat uiee gramschap niet eemvig over mij blijven; dat zij mij tot straf niet beware, noch mij verwijze tot de onderste deelen der aarde. Gy zijt God, de God der boetvaardige en der bekeerde zondaars. Toon toch uwe volle goedheid in mij, m maak mij onwaardige, zalig, volgens mee groote barmhartigheid. En ik zal U lovey, al de dagen mijns levens.

BEMEEKINGr. In Manasses zien wij zonneklaar liet voorbeeld van den tegenspoed, hoe liij de oogen opent, die de voorspoed gesloten had, hoe daardoor de mensch tot kennis

1) Alhoewel dit gebed geen deel maakt van de H. Schrift, hebben wij het niettemin hier bijgevoegd, omdat het vol is vaa eenen buetvaardigen geest

271

-ocr page 274-

272 Geschiedenis

lcomt, zijn zondig leven verlaat, tot God verzucht, en met hem verzoend wordt. Manasses mogt vrij met den koninklijken profeet zeggen: het strekt tot mijn heil, o Heer! dat gij mij vernederd hebt. Uwe harmhartigheid zal ik in eeuwigheid verkondigen.. Dit moeten al diegenen ook doen, die door de goddelijke genade voorkomen worden, om welke wij zonder ophouden moeten bidden.

XI. HOOFDDEEL.

Na Manasses volgt Amon in het rijk. Na Amon volgt Josias. Zijne godsvrucht. Hij vraagt raad aan Hoida. Zijn dood. 4. Kon.

21. 22. 23. (2. Paralip. 31. 35.)

Na den dood van den koning Manasses, werd Amon, zijn zoon, in den ouderdom van 23 jaren, koning na hem. Hij regeerde slechts twee jaren. Hij leefde gruwelijk, gelijk zijn vader, en zijne hovelingen bragten hem om het leven. Maar het volk vermoordde de doodslagers, en stelde Josias, zijnen zoon, oud zijnde acht jaren, tot koning in zijne plaats; deze regeerde 31 jaren. Van zijne jeugd af begon hij den God zijns vaders David te beminnen. De altaren der afgoden werden voor zijne oogen afgebroken, en de afgodenbeelden vermorzeld. De beenderen der afgodische priesters deed hij op hunne altaren verbranden. Dit deed hij voornamelijk te Bethel, gelijk de profeet des Heeren ten tijde van Jeroboam,— van dan af Josias met zijnen naam noemende, — zoo uitdrukkelijk voorzegd had. Hij zond ook mannen om het huis des Heeren te herstellen. Als men nu (tot loon der werklieden) het geld uit de schatkist nam, hetwelk in Gods tempel geofferd werd,, zoo vond daar Helcias, de hoogepriester, het wetboek des Heeren, door Mozes hand geschreven. Saphan bragt hetzelve tot den koning en las hem dit voor- Als deze de woorden van de wet gehoord had, namelijk al de bedreigingen over degenen, die legen de wet zouden misdoen, scheurde hij zijne kleederen, en zeide aan Helcias, den hoogepriester en anderen; ga om raad bij den Heer over de woorden, die in dit boek begrepen zijn. Zij gingen dan tot de profetes Holda. Wanneer zij tot haar gesproken hadden, gaf zij dit antwoord; zegt den man, die u zendt: dit zegt de Heer: zie, ik zal over die plaats en over hare inwoners al de straffen gaan zenden, die de koning van Juda in dit hoek gelezen heeft.i Omdat zij mij verlaten, aan vreemde goden offeranden opgedragen, en mij door al de werken hunner handen getergd hebben, daarom zal mijne verbolgenheid tegen die plaats zoo ontstoken worden, dat zij onuitblusch-baar zal wezen, Doch aan den koning van Juda zult gij van wege den God en Heer van Israël zeggen • omdat gij, de

-ocr page 275-

van het Oude Testament. 273

woorden van dit boek gehoord hebbende, zijt verschrikt geweest.... u voor het aaugezigt des Heeren vernederd hebt, uwe kleederen gescheurd, en voor mij uwe tranen hebt gestort, daarom, zegt God, heb ik u verhoord... Uwe oogen zullen al de straffen niet zien, die ik over deze plaats zal zenden.

Als zij den koning deze boodschap gebragt hadden, trad hij den tempel des Heeren met de priesters, met de profeten en niet al het volk binnen; hij las hun de woorden voor, die in dat boek stonden. De koning stond regt op zijnen troon, en maakte een verbond voor God, dat zij den Heere zouden getrouw zijn, on zijne geboden, wetten en instellingen uit gansch hun hart zouden onderhouden. En het volk stemde hierin toe. Josias trok daarna onvoorzigtig ten strijde tegen Nechaö, koning van Egypte, in het veld van Mageddo. Hij werd van de schutters gewond, en zeide tot zijne hovelingen : voert mij uit den strijd, want ik ben gekwetst. Zij bragten hem te Jeruzalem. Hij stierf aldaar, en werd begraven in de grafsteden zijner vaderen, zeer beweend van geheel Juda, en voornamelijk van den profeet Jeremias. — Jeremias begon in het dertigste jaar zijner regering te profeteren.

BEMERKING. God neemt dezen vromen koning uit de wereld, om hem niet te straffen met diegenen, die de straffen verdiend hadden. Goede menschen hebben veel liever te sterven, dan zoo vele rampen en gruwelijkheden te moeten zien. Maar gelukkig is de zondaar, als God hem op deze wereld kastijdt, om hem te bekeeren, en om hem hierna niet te straffen. Doch het grootste van alle ongelukken is, hier gestraft te worden, zonder zich te bekeeren, en hierna in alle eeuwigheid gestraft te worden.

XII. HOOFDDEEL.

Na Josias regeert Joachas, en na hem Joakim. Nabuohodonozor neemt Jeruzalem in, en Joakim gevangen. Hij ontslaat hem echter: maar naderhand wederspannig geworden zijnde, wordt hij gedood, en , zijn zoon Joachim in zijne plaats gesteld. Joachim wordt naar Babyion overgevoerd, en Sedecias in zijne plaats gesteld. Jeruzalem wordt belegerd en verbrand. Men steekt Sedecias de oogen uit. Godolias wordt over Judeën gesteld. 4. Kon. 23, 24. 25. (2. Paralip. 36. — Jerem. 37. 39.)

Na den dood van Josias, werd Joachas, zijn zoon, in zijne plaats aangesteld. Hij regeerde slechts drie maanden; want toen de koning van Egypte te Jeruzalem kwam, onttroonde hij hem, en maakte Eliakim, zijnen broeder, koning,dien hij Joakim noemde. Hij leidde verder Joachas gevankelijk, in ketenen geklonken, naar Egypte, alwaar hij stierf. Joakim regeerde 11 jaren te Jeruzalem, en leefde afschuwelijk voor Gods oogén.

18

-ocr page 276-

Geschiedenis

In het vierde jaar van zijn rijk, kwam Nabuchodonozor Jeruzalem belegeren, en nam dezen koning gevangen, om hem naar Babyion mede te leiden. Ook nam hij de gonuen vaten uit Salomon\'s tempel en vele der aanzienlijkste Joden en edele jongelingen mede, onder welke de profeet Daniël was. (Van dien tijd af her/int men de zeventig jaren van de Babylonische gevangenis te tellen?) Doch hij ontsloeg Joakim, en bevredigde zich met hem eene schatting op te leggen. Maar toen Joakim Nabuchodonozor wederspanning was geworden, werd hij wederom gevangen door de Chaldeërs, die hem om het leven bragten, zonder zijn ligchaam te begraven. Zijn achtjarige zoon Joachim, anders genoemd Jechonias, werd koning in zijne plaats. Hij leefde gruwelijk voor den Heer, en regeeide te Jeruzalem slechts 3 maanden en 9 dagen; want Nabuchodonozor zond wederom krijgsvolk af, die Joachim naar Baby-Ion bragten, met zijne moeder, gade, kinderen, hovelingen, vorsten en strijdbare mannen, ten getale van duizend, met al de prachtige versierselen van Gods tempel. Nabuchodonozor stelde in de plaats van Joachim Mathanias, zijnen oom, tot koning, dien hij Sedecias noemde. Deze regeerde 11 jaren. Zijne handelwijze was ondeugend; zelfs ontzag hij den profeet Jeremias niet, die hem krachtvol en liefderijk vermaande.

Hij viel, niettegenstaande zijnen eed, Nabuchodonozor af. De priesters zeiven, en al het volk, deden de eene overtreding op de andere. God zond zijne profeten tot hen, om hen onophoudelijk te vermanen: maar zij dreven den spot met de profeten en met hunne vermaningen, tot dat eindelijk Gods toorn gansch ontstak ; want in het negende jaar der regering van Sedecias, kwam Nabuchodonozor, koning van Babyion, met geheel zijn leger, naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, en na twee jaren werd de ellende en de hongersnood zoo dringend, dat de inwoners de muren der stad doorbraken, en al de krijgslieden bij nacht de vlugt namen. Sedecias meende ook langs eenen geheimen weg te ontwijken; maar hij werd achterhaald in de vlakte van Jericho, en te Eeblatha bij den koning van Babylon gebragt, die hem zijne ondankbaarheid verweet, zijne twee zonen voor zijne oogen doodde, en hem de oogen uitstak. Daarna werd hij geboeid naar Babyion vervoerd, alwaar hij in den kerker bleef tot zijnen dood. Aldus werd volbragt, hetgene de profeet Ezechiël voorzegd had, namelijk, dat men hem te Babyion zoude brengen, en hij Babyion niet zoude zien. In dezen Sedecias eindigt het rijk der koningen van Juda, in het jaar dei\\ wereld 3416, 588 jaren voor de komst van Christus.

Daarna kwam Nabuzardan, veldoverste van Nabuchodonozor, te Jeruzalem, stak Gods tempel met het koninklijke paleis

274

-ocr page 277-

van het Oude Testament.

I in brand, en vernielde voorts door het vuur al de huizen en

I gebouwen. Ook brak het leger der Chaldeërs al de muren

I van Jeruzalem af, en zij versloegen alles door het zwaard, zonder

i jongeling, of maagd, . of stokouden grijsaard te sparen. Die

I aan het zwaard waren ontkomen, voerde Nabuzardan weg.

I Echter liet hij er eenige van de behoeftigsten, om de wijn-

I gaarden te bewaren en het land te bebouwen. Hij ontvoerde

I ook den opperpriester Sarajas, en Sophonias den tweeden

I pïiester, met eenen overste van het leger, en andere, en bragt

1 hen bij den koning te Eeblatha, die hen daar van het leven

I beroofde.

I Wanneer nu Juda uit zijn rijk weggevoerd was, stelde Na-

I buchodonozor Godolias over het volk, hetwelk hij in bet land

I liet blijven. Op het hooren dat (üodolias tot overste gesteld

I was, kwam het volk bij hem te Mapha, en Godolias zeide:

| weest niet bevreesd, onderdanen van de Chaldeërs te zijn;

I blijft maar in het land, ten dienste van den koning van Ba-

I bylon, en het zal u welgaan. Maar in de zevende maand

| kwam Ismabel, van koninklijken bloede, met tien man, en

I doodde Godolias met de Joden en de Chaldeërs, die bij hem

| waren, waardoor al het volk, klem en groot, met de oversten

I weldra, uit vrees voor de Chaldeërs, naar Egypte trokken.

In het 37° jaar, dat Joachim naar Babylon weggevoerd was,

I stierf Nabuchodonozor, en Evilmerodaoh werd koning in zijne

| plaats. Hij deed Joachim uit den kerker halen, bejegende hem

I vriendelijk, en stelde zijnen zetel boven den zetel van al de

I koningen, die bij hem te Eabel waren. Hij deed hem de

I kleederen afleggen, die hij in den kerker had gedragen, eu

I liet hem gedurende geheel zijn leven aan zijne tafel eten.

BEMEEKING. Tot deze ellenden zijn de Joden om hunne zonden gekomen, en zij strekken ons tot een voorbeeld van I Gods vervaarlijk oordeel over den hardnekkigen zondaar. Hij I slaat hen met verblindheid en bedwelmdheden , die de straffen I hunner boosheid zijn. De profeet Jeremias had in zijn 32(i I Hoofddeel aan Sedecias voorzegd, dat hij zoude gevangen, en I te Babyion gebragt worden; Ezechiël had in zijn 12° Hoofd-| deel voorzegd, dat hij Babyion niet zoude zien. Dit was 1 hem genoeg om beide die heilige mannen voor valsche pro-\'1 feten te beschouwen. Hij is gevankelijk in Babyion geleid, :| maar heeft hetzelve niet gezien, want zijne oogen waren uit-1 gestoken.

Wij zien de gevoelens van do bekeerde Joden te Jiabylon | met^ groote teederheid uitgedrukt in den 136 Psalm van J v^\' waarvan wij hier een deel overschrijven. Bij de rivieren B 00quot; Balylon zaten wij, en tceenden, als loij aan Sion dachten.

275

-ocr page 278-

276 Gtamp;cldederus

Wij hingen onze harpen aan de wilde hoornen, die daar stonden. Degenen, die ons gevangen weggeleid luidden, verzochten van om een gezang, en die ons medegenomen hadden, zeiden-, zingt om een loflied zoo als gij er te Sion zengt. Hoe zouden wij eenen lofzang des Heeren in een vreemd land kunnen aanheffen! O Jeruzalem! indien ik u ooit vergete, dat mijne regterhand ook vergeten worde. Bat mijne tong aan mijn gehemelte kleve, indien ik uwer niet gedenke en Jeruzalem niet houde voor mijne hoogste vreugd! enz.

De opregte Christenen aanzien aldus zich zeiven ook als gevangenen, en de wereld voor een Babyion, waarin zij als ballingen zijn, en hetwelk zij haten. Ue ijdele vermaken, de grootheden en rijkdommen zijn als waterstroomen, die henen vlieten en geene bestendigheid hebben; maar zij houden het hemelsohe Jerusalem voor hunne hoogste vreugd, naar hetwelk zij gestadig verzuchten. Zij laten hunne gedachten dikwijls en levendig op hetzelve vallen, om door die gedachten versterkt te worden in dat heilig geweld en dien wereldschen strijd, die er noodig is om de zegepraal te behalen.

KOHTB LIJST

der Koningen van Juda en van Israël, die in de voorgainde verhalen te zeer onder elkander gemengd zijnde, niet duidelijk genoeg worden onderscheiden.

De eerste koning over Gods volk was Saül,. de tweede David, de derde Salomon. Na den dood van Salomon werden de twaalf geslachten in twee koningrijken verdeeld. Het eene werd het rijk van Juda, het andere het rijk van Israël genoemd. De koningen van Israël woonden te Sichem, daarna te Tersa, en eindelijk te Samarië.

De koningen van Juda waren; 1. Eoboarn. 2. Abias. 3 Asa. 4. Josaphat. 5. Joram. 6. Ochozias. 7. Athalia, moeder van Ochozias. 8. Joas. 9. Amasias. 10. Azarias, anders Ozias 11. Joatham. 12. Achas. 13. Ezechias. 14. Manasses. 15 Amon. 16. Jozias. 17. Joachas. 18. Joakim, ook Eliachim genoemd. 19. Joachim, ook Jechonias geheeten. 20. Sedecias,

De koningen van Israël waren: 1. Jeroboam 2. Nadab, 3. Baasa. 4. Ela. 5. Zambiri. 6. Amri. 7. Achab. 8. Ochozias, 9. Joram. 10. Jehu. 11. Joachas. 12. Joas. 13. Jeroboam de IIe. 14. Zacharias. 15. Sellum. 16. Manahem. 17. Phaceïa 18. Phaceë. 19. Oseë.

De koningen van Juda en Israël verschillen hierin: ten 1 Dat al de koningen van Juda gesproten zijn uit het geslacht? van Juda, en allen uit den stam van David, behalve Athalia,

-ocr page 279-

van het Oude Testament. 277

Doch de koningen van Israël waren uit verscliillende geslachten en stammen geproten.

Ten 2. Van de koningen van Juda bleven vele (maar niet alle) in de ware godsdienst. Doch de koningen van Israël waren a\'len afgodisten. Het rijk van Israël is te niet gedaan door Salmanasser, koning van Assyrië. Hetzelve had na de scheiding des rijks van Juda 255 jaren bestaan. De Joden van de tien geslachten werden gevangen naar Assyrië geleid. De koningen van Babyion zonden ander volk in hunne plaats, die sedert Samaritanen genoemd werden. Het rijk van Juda bleef nog in stand, tot dat het vernietigd werd door Nabu-chodonozor, zoo als wij reeds gezien hebben.

De Joden volgden doorgaans de kwade voorbeelden hunner koningen; echter behield God ten alle tijde in beide de rijken een klein getal godvreezende menschen, die zijne wet onderhielden, en getrouw leefden in het ware geloof, ondanks de goddeloosheid hunner koningen. God zond ook gedurig profeten, om de Israëlieten tot beternis te brengen, en hun in de ware godsdienst te behouden.

De profeten vleiden noch de koningen, noch het volk, om hun te believen, maar stelden hun met eene groote vrijmoedigheid hunne boosheid voor oogen. Zij schroomden niet, hun de bitterste waarheden te verkondigen, zonder te zien of zij van hen geacht of versmaad werden: immers zij trachtteden slechts aan God te gehoorzamen, en hunnen pligt te volbrengen. Aldus deed Samuël aan Saül; Nathan aan David; Ahias aan Jeroboam; Elias aan Achab en aan Ochozias; Hanani aan Asa; Micheas en Achab aan Josaphat; Ehzeüs aan Joram, koning van Israël, en aan Josaphat, koning van Juda; Isaïas aan Ezechias; Jeremias aan den koning Sedecias; Daniël aan de koningen Nabnchodonozor en Balthazar.

del

.et iël na

De vrome koningen eerden de profeten als gezanten van God, en beminden hen als hunne ware vrienden. De ondeugende koningen haatteden, vervolgden hen gemeenlijk, ja, doodden hen somtijds, daar zij hen aanzagen als onverdragelijke menschen, die hun altijd kwade tijdingen bragten, en onder het volk beroerten en verslagenheid verwekten.

BEMERKING. Let aandachtig, hoe al deze koningen geleefd hebben, en hoe zij gestorven zijn. Zij hebben in eer, in pracht, en in vole genoegten hunne dagen doorgebragt. Bit alles heeft opgehouden, en het meeste deel van hen ligt nu in de hel. Denk, dat gij ook zult sterven, eu misschien l \'izeer haast. Zie overzulks alles aan als ijdelheid, en vlugt de huizonde, opdat gij ook geen onzalig uiteinde hebbet.

-ocr page 280-

Geschiedenis

PARALIPOMENON.

Na de l el-en der Koningen volyen in de heilige Schri/t dt twee boelten Paralipomenon genoemd, welk grieksch woord zoo veel te zeggen is, als het achtergelatene, omdat deze twee hoeken verscheidene punten behelzen, die tot de geschiedenü der Israëlitische Koningen hehooren, en echter in de hoeken der Koningen zijn achtergelaten. Het eerste hoek behelst 39, en het tweede 36 Hoofddeelen, maar zij maken in het he-hreeuwsch slechts een hoek genoemd, Kronijk of Jaarboek uü. Wij zullen er hier geewe uittrekselen van geven, omdat de voornaamste punten, die tot ons oogwit kunnen dienen, gemengi zijn onder datgene, wat wy hiervoren uit de boeken der Koningen verhaald hebben.

HET I. BOEK VAN ESDRAS.

De zonden van .die van Juda hadden God zoo verre gelergd\\ dat hij al de bedreigingen, die hij door zijne profeten over\\ Jeruzalem uitgesproken had, eindelijk op eene vervaarlijk^ wijze door den koning van Babyion uitvoerde, 7cordende\\ Jeruzalem en geheel het joodsche land verwoest, de tempel\\ van Salomon verbrand, en al het volk naar Babel gevankelij\\\\ weggevoerd; zoo als in de voorgaande verhalm gezien is. Maar om zijne genadige beloften over het huis van Juda te volbrengen, \'had \'de Heer door den profeet Jeremias doen verzekeren, dat deze gevangenis maar zeventig jaren zoude duren, en h voren, door den profeet Isaïas, dat de koning Cyrus hen in vrijheid zonde herstellen, hem noemende met zijnen naam, wél 200 jaar te voren, eer hij ter wereld kwam. Deze profetie van Isaias, volgens de getuigenis van Josephus, iverd aan Cyrus na de verovering van Babel getoond, en hij gaf den Joden oorlof om naar hun vaderland iceder te keeren, en om Jeruzalem en den tempel op te houwen. Zij kwamen niet allen dadelijk terug; er kwam een deel met Zorohahel, eenigen nader-hond met Esdras, en eenigen met Nechemias. Zij werden ooit in het herbouwen van Jeruzalem langen tijd door de Samaritanen, hunne vijanden en naburen, verhinderd, zoodat de muren van Jeruzalem door Nehemias, wel zeventig jaren na het eerste door Cyrus vergunde verlof, eerst voltrokken werden.

278

-ocr page 281-

van het Oude Tedament,

Het eerste loek van Esdras in hetwelk deze zaken ten deele verhaald worden, behelst in 20 Hoofddeelen, een verhaal van twee en tachtig jaren, te beginnen van het jaar der wereld 3468, tot het jaar 3550, dat is, tol het jaar 536 voor de komst van Christus.

I. HOOFDDEEL.

Cyius laat de Joden naar Jeruzalem keeren, en den tempel opbouwen.

Die vau Samarië willen dit beletten. E.idras gaat van Babylon naar Jeruzalem. Zijne droefheid.

In het eerste jaar, dat Cyrus, koning van Perzie, te Babyion regeerde, wekte God zijn hart zoodanig op, dat hij door geheel zijn rijk een bevel deed uitroepen, waardoor hij den Joden oorlof gaf om naar Jeruzalem te gaan, en den tempel te herbouwen. De hoofden der huisgezinnen, een ieder, wie dit God in het hart zond, maakten zich daartoe vaardig, en Cyrus zelf stelde hun de gouden en zilveren vaten van Gods tempel, ten getalle van 5 duizend 4 honderd, ter hand, die Nabuchodonozor weggevoerd had. De huisgezinnen, die naar Jeruzalem wederkeerden, een ieder naar zijne stad, maakten te zamen het getal van 42,360 man, behalve 8,000 knechten en dienstmaagden. Zij hadden 736 paarden, 245 muilezels, 435 kameelen en 6,720 ezels. Te Jeruzalem gekomen, gaven zij vrijwillige giften om den tempel te herbouwen. Zorobabel en zijne broeders herstelden vooral het brandoffers-altaar, niettegenstaande hunne vrees voor de omliggende volkeren, \'s Morgens en \'s avonds offerden zij aan God daarop brandoffers, en hielden het loverfeest en andere feesten volgens de wet. Zij gaven geld aan steenhouwers, en spijs, drank en olie aan die van Sydon, om cederhout uit het woud van Libanus te brengen.

Het tweede jaar na hunne aankomst begonnen Zorobabel, Salathiël\'s zoon, en Jozuë met de priesters en Levieten het werk des Heeren aan te vangen. Als nu de grondslag van Gods tempel gelegd werd, stelden zich de priesters in hun gewaad met bazuinen, en de Levieten met cimbalen, om God te loven. Zij zongen bij beurt, en al het volk maakte een groot vreugdegejuich. Maar vele van de priesters en andere onder het volk, die reeds bejaard waren, en den eersten tempel gezien hadden, weende met luider stem, als zij de grondleggingen van den nieuwen tempel zagen, daar zij uit dit begin genoeg bemerkten, hoe verre hij van den eersten bouw zoude verschillen.

Moen nu de vijanden van Juda en Benjamin hoorden, dat zij aan God eenen tempel bouwden, beletteden zij hun, de

279

-ocr page 282-

Geschiedenis

handen aan het werk te slaan. Zij kochten zelfs eenige hovelingen met geld om, die de onderneming der Joden, gedurende de regering zelve van Cyrus, vernietigden. Zij schreven verder aan den koning Artaxerxes groote klagten tegen de Joden, en onder andere deze: dat Jeruzalem eene wederspannige stad was, en dat zij, indien zij herbouwd werd, de schattingen en tollen niet meer zoude geven, zoodat de inkomsten des konings daaraan te kort zoude komen. De koning dit inziende, gaf tot antwoord: verbied de mannen met den bouw voort te gaan, tot dat ik hierover ander bevel geve. Aldus hield do bouwing van Gods tempel op tot in het tweede jaar der regering van Darius.

Wanneer de profeten Aggeüs en Zacharias te Jeruzalem gekomen waren, werden Zorobabel en Jozuë door hen zoo opgewekt, dat zij de herbomving van Gods tempel op nieuw begonnen; ook gaf de koning Darius een nieuw bevel, dat het huis Gods te Jeruzalem herbouwd zoude worden. En hij schreef aan den stadhouder der bewoners van gene zijde der rivier, dat hij uit \'s konings tollen aan die mannen de onkosten tot het werk, en al wat er noodig was tot het brandoifer, als kalveren, lammeren en geiten, zoude geven; opdat zij, zeide Darius, offeranden van goeden geur aan den God des hemels mogen opdragen, en voor het leven des konings en zijne kinderen bidden: en zoo wie dit gebod zal overtreden hebben, dat men een hout uit zijn huis hale, hem daaraan hange, an vervolgens zijn huis omver hale. En dat de God, welke in die plaats, heeft willen wonen, al de koningrijken en volkeren verniele, die hunne hand zullen uitsteken om den tempel Gods te beschadigen. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven, en wil dat het nauwkeurig volbragt worde.

De oversten der Joden gingen dus zeer ijverig met het bouwen voort en voltrokken het werk op vier jaren tijds. De kinderen Israël\'s vierden de kerkwijding van Gods tempel met groote vreugd.

Onder de regering van den koning Artaxerxes, kwam Esdras van Babyion, omtrent 60 jaren nadat Zorobabel van daar, op bevel van Cyrus, was vertrokken. Eenige der priesters en Levieten, zangers en deurbewaarders, die tot nog toe in Babyion gebleven waren, kwamen met Esdras naar Jeruzalem. Zij vertrokken uit Babel op den eersten dag der vijfde maand, en op den eersten dag der vijfde maand kwamen zij te Jeruzalem aan,

Esdras was in groot aanzien bij Artaxerxes. De koning gaf hem al wat hij vraagde, en God bestuurde Esdras in al zijne verrigtingen. Den brief, dien de koning aan Esdras gaf, was van den volgenden inhoud :

Artaxerxes, koning der koningen, aan Esdras, priester zeer

280

-ocr page 283-

oau . e\'j Oude Testament.

ervaren in de wet van den God de\', hemels; heil en zegen ! Mijn bevel is, dat, al wie in mijn rijk onder de Israëlieten geneigdheid heeft om naar Jeruzalem te gaan, met u henen reize: want gij wordt door den koning gezonden, om in Juda onderzoek te doen, hoe het met de wet van uwen God gaat, alsmede om derwaarts te voeren het zilver en goud, hetwelk de koning en de raadsheeren aan den God van Israël, die te Jeruzalem woont, geschonken hebben. Ook zult gij datgene derwaarts voeren, wat gij verder zult bekomen in de gewesten van Babylon, of hetgene het volk en de priesters tot den tempel van hunnen God zullen offeren. Zelfs wat er nog meer noodig is voor den tempel van uwen God, hoe hoog de onkosten ook beloopen, dit zal u gegeven worden. Van mij, koning Artaxerxes, wordt dit bevel gegeven aan de schatbewaarders der algeraeene inkomsten van diegenen die over gene zijde der rivier wonen, dat gij alles, wat Esdras zal vragen, zult geven... Al wat er tot de dienst van den God des hemels noodig is, zult gij geven, opdat zijne gramschap niet tegen het rijk des konings en zijne kinderen ontstoken worde.

Tevens brengen wij u ter kennis, dat gij geenen lol of schatting op de priesters zult beffen... Gij nu, Esdras, volgens de wijsheid, die u van uwen God gegeven is, hebt de magt, oversten en regters over alle volkeren te stellen, die ann de andere zijde der rivier wonen, en die de wetten van uwen God kennen.

Esdras zeide; geloofd en gedankt zij de Heer en God onzer vaderen, die dit den koning ingeboezemd heeft, dat hij den tempel des Heeren, die te Jeruzalem is, en die mij, door zijne barmhartigheid, bij den koning en al de oversten van zijn rijk gunst heeft doen vinden, deze verheerlijking zoude aandoen.

Nadat ik dan, zegt Esdras, door het bestuur van God over mij, moed geschept had, vergaderde ik de oversten der Israëliten, om met mij op te trekken. Wij kwamen bijeen bij de riyier, en bleven daar drie dagen. Ik liet nu eenen vastendag uitroepen, opdat wij ons voor onzen Heer en God zouden vernederen, en om van hem een voorspoedig geleide op den weg te verzoeken; want ik schaamde mij den koning eenen bijstand van ruiters, tot bescherming tegen de vijanden, te vragen, omdat wij aan den koning gezegd hadden, dat onze God al degenen bestuurt, die hem opregt zoeken, en hij zijne gramschap over dezulken uitwerkt, die hem verlaten. Aldus reisden wij voort, en kwamen te Jeruzalem...

Toen echter Esdras vernam, dat er velen onder de Joden, die 69 jaren vóór hem te Jeruzalem gekomen waren, heidensche Trouwen gehuwd hadden, scheurde hij zijnen mantel en zijn

281

-ocr page 284-

Geschiedenis

kleed, trok het haar uit zijn hoofd en zijnen baard, hief zijne handen hemelwaarts en zeide; o mijn God! ik ben beschaamd mijne oogen tot U op te slaan: want onze boosheden zijn boven ons hoofd vermenigvuldigd, en onze misdaden zijn, van de dagen onzer vaderen af, tot aan den hemel toe, gegroeid; maar wij zeiven hebben ook tot op dezen dag zwaar gezondigd, en zijn om deze boosheden, aan de koningen dezer landen, aan het zwaard, aan de slavernij, aan den roof en aan de ver-smaadheid overgeleverd geweest... Maar wat zullen wij nu zeggen, o God! daar wij uwe geboden verlaten hebben? want Gij hadt ons geboden en gezegd: gij zult uwe dochters aan de zonen der Heidenen niet ten huwelijk geven, noch hunne dochters voor uwe zonen ten huwelijk nemen... O Heer en God van Israël! zoudt Gij zoo verre op ons vergramd zijn, dat Gij ons geheel zoudt vernietigen? Wel is waar, Gij zijt regtvaardig; maar wij die nog behouden zijn overgebleven, belijden voor uw aangezigt onze schuld.

Terwijl Esdras aldus bad, weende, en voor Gods tempel op zijn aangezigt lag, vergaderde bij hem eene groote menigte van mannen, vrouwen en kinderen, en het volk weende erbarmelijk. Sechenias echter nam nu het woord op en zeide; wij hebben Gods wet overtreden; maar daarover is nu waarlijk berouw in Israël. Laat ons een nieuw verbond met God aangaan, dat wij al die vrouwen met hare kinderen zullen doen vertrekken. Sta op, het komt u toe de bevelen te geven, en wij zullen u helpen. Esdras rigtte zich dan op, en nam den eed af van al de oversten. Priesters en Levieten, en van gansch Israël, dat zij zoude uitwerken wat Sechenias ontworpen had. — Esdras echter wilde noch eten, noch drinken, om zijne groote droefheid over die overtreding. Middelerwijl liet men een bevel uitroepen, dat al de wedergekomenen binnen drie dagen te Jeruzalem zouden vergaderen. Ook werden er oversten en regters gesteld, om te zien of al diegenen, welke met uitheerasche vrouwen gehuwd waren, die met der daad verlieten.

BEMERKING. Zoohaast als de Joden den tempel begonnen te herbouwen, vielen hen hunne vijanden aan. Zoodra iemand christelijk wil gaan leven, zal hij vijanden aantreffen, die hem vervolgen. De H. Augustinus zegt; begint slechts christelijk te leven, en gij zult deze waarheid ondervinden.

God toont zijne magt over al de koningen der aarde, door heidensche koningen te gebruiken, om zijne barmhartigheid over Israël uit te werken, en om te Jeruzalem den tempel en de godsdienst, die de inwoners door hunne zonden te niet gedaan hadden, opnieuw te herstellen. O hoe wonderbaar is zijne magt, en hoe ondoorgrondelijk is zijn bestuur!

383

-ocr page 285-

van het Oude Testament,

HET II. BOEK ESDRAS.

Hetwelk eigenlijk het boek Nehemias is.

Het ticeede loei Esdras, aldus genoemd omdat het een vervolg is van het eerste van Esdras, doch eigenlijk leschreven door Nehemias, behelst in 13 Hoofddeelen, een verhaal van omtrent 81 jaren, brengende de joodsche geschiedenis tot aan het jaar der wereld 3581, dat is 423 Jaren voor Christus. Nehemias Inoam in Jndeën omtrent 13 jaren na Esdras, en meer dan 70 jaren na Zorobabel. Hij was landvoogd over Jndeèn gesteld, door den honing van Per zié, en had het geluk van tusschen vele wederwaardigheden de muren van Jeruzalem te voltrekken.

I. HOOFDDEEL.

Droefheid van Nehemias over den staat van Jeruzalem. Be koning geeft hem toelating om naar Jeruzalem te gaan. De vijanden beletten de stad te bouwen. 2. Esdras. 1. 2. 3. i. 5. 6. 7.... 12.

Nadat onder het beleid van Zorobabel, en naderhand van Esdras, Jeruzalem eenigzins hersteld, en de tempel opgebouwd was, werd dit werk eindelijk voltrokken, voornamelijk voor zoo veel als het de opbouwing der stadsmuren betrof, door den ijver van Nehemias, een zeer aanzienlijke Jood, geboren onder de gevangenen in Babyion; hij was zeer geacht in het huis van Artaxerxes, koning van Perzië, wiens opperschenker was. Toen deze heilige man van diegenen, die uit Judeën kwamen, den beweenenswaardigen staat van Jeruzalem vernam, hoe de vesten omverre lagen, de poorten verbrand, en meer andere rampen, door de vijanden der Joden veroorzaakt, werd hij tot in het diepste zijns harten getroffen, zoodanig dat do droefheid op zijn aangezigt te lezen was. — Als de koning dit bemerkte, vraagde hij hem de oorzaak daarvan. Nehemias gaf hem de reden te kennen, en verzocht toelating om naar Jeruzalem te mogen gaan, en deze stad wederom op te bouwen. De monarch willigde zijn verzoek in, en gaf hom zeer voordeelige brieven mede met toezegging van al den bijstand, dien hij zou kunnen verlangen. Nehemias kwam dan met weinige mannen te Jeruzalem, en hield zich eenige dagen stil; wanneer hij vervolgens, bij nacht, den staat der stadsmuren bezigtigd had, vergaderde hij de voornaamsten van Jeruzalem, en gaf hun zijn voornemen te kennen, hun tevens het oorlof van Artaxerxes, koning van Perzië, toonende.

283

-ocr page 286-

Geschiedcnü

Men begon dan met grooten ijver te bouwen; doch toen de vijanden der Joden dit vernomen badden, meenden zij dit te beletten. Sannaballat, de voornaamste onder hen, hitste de Samaritanen en de naburige volkeren aan, om alles omverre te werpen, en zij kwamen de bouwlieden hoon en smaad aandoen. Nehemias keerde zich, in dien neteligen toestand, tot God, en zeide: Heer! zie onze versmaadheid aan. Tevens bemoedigde bij zijne mannen om hunne hoop op den Heer te stellen, en dapper voor de hunnen te strijden. Van dien tijd af was de eene helft van het volk aan het werk, en de andere helft stond onder de wapenen, en zelfs die aan den muur bouwden, hadden in de eene hand het truweel, en in de andere hand het zwaard. Zij bouwden, zegt Nehemias, maar de bazuinblazers waren bij mij, om in alle geval den nood aan te kondigen. Ook ontstond er een hongersnood, in welken Nehemias zijne liefde tot de armen edelmoedig liet blijken. Hij bestrafte de rijken, roeide den woeker uit, en gaf iedereen uitmuntende voorbeelden van milddadigheid en onbaatzuchtigheid. Eindelijk gelukte het Nehemias, zijn voornemen te voltrekken, en de muren van Jeruzalem werden hersteld.

Naderhand las Esdras het wetboek van Mozes aan de gansche vergadering voor, en verklaarde tevens den zin, omdat hij zoude verstaan worden. Al het volk weende, als zij de wet hoorden lezen. Zij pleegden boetvaardigheid, beleden hunne zonden en zuchtteden tot God. Men stelde voorts eenen vastendag in, maakte een nieuw verbond met God, en Nehemias keerde met grooten ijver weder om de ingeslopene misbruiken te verbeteren.

Na het boek van Nehemias, Lebben wij in de heilige Schrift geen verder vervolg van de Joodsche geschiedenis, tot den tijd der Machabecn, dat is gedurende 250 jaren.

BEMERKING. Ten 1. Nehemias was krachtens zijn ambt verpligt in het hof des konings te blijven; nogtans was zijn hart te Jeruzalem. Alzoo moeten de Christenen in de wereld leven, de wereld gébruikende, alsof zij ze niet gebruiken. I. Cor. 7.

2. Wie de heilige Kerk wil helpen opbouwen, die moet even als Nehemias, het hof van den koning verlaten; dat is, hij moet de wereldsche grootheden en gemakkelijkheden verachten. 3. De Joden, die Gods volk waren, waren altijd van hunne vijanden veracht en verdrukt. Dit is een afbeeldsel van allen, die een vroom en christelijk leven leiden: loant allen, die godvruchtig willen leven, zrdlen vervolging lijden. 4. Die God vreest, moet geene menschen vreezen, maar moet zich aanmoedigen om in de deugd te volharden, ondanks al het geweld van hen, die zulks willen beletten, zoo als Nehemias in het bouwen der muren deed.

284

-ocr page 287-

van Jut Oude Tmixt-ment.

HET BOEK TOBIAS.

Dit hoek vertoont ons in den persoon van Tolias een volmaakt voorbeeld van eene oprechte godsvrucht, van een onwankelbaar geduld, en van eene uitstekende weldadigheid tot den armen; alsmede van den kant van God, een wonderlijk voorbeeld zijner vaderlijke zorgvuldigheid, voor hen, die hem opregt vroom, dienen, en al hun betrouwen op hem stellen. Dit boek bevat in 14 Hoofddeeten, eene geschiedenis van 9 5 jaren, te beginnen van het eerste jaar der gevangenis der Israëlieten onder Sal-manassar, hetwelk plaats had het jaar der wereld 3283, tot aan den dood van den jongen Tobias, die na de verwoesting van Ninive, in het jaar der wereld 3378, gestorven is.

I. HOOFDDEEL.

Godsvrucht van Tobias. Hij treedt met Anna in den echt. Hij leert zijnen zoon God vreezen. — Hij vindt gunst bij den koning Sal-manassar. Hij vertroost zijne broeders. Hij leent geld aan Ga-belus. Tob. 1. 2. 3.

Tobias, uit het geslacht en de stad Nephtali, werd met de andere Israëlieten der tien geslachten, ten tijde van Salma-nassar, koning van Assyrië, gevangen naar Assyrië gevoerd. Doch gedurende zijn gevangenschap verliet hij den weg der waarheid niet. Toen hij zelfs nog jong was, vertoonde hij niets kinderlijks in zijne werken. Terwijl de overigen naaide gouden kalveren liepen, die Jeroboam opgerigt had, vlugtte hij alleen het gezelschap van hen allen, en reisde naar Jeruzalem tot den tempel des Heeren, alwaar hij den God van Israël aanbad, en trouw zijne eerste vruchten en tienden otterde.

In zijnen mannelijken leeftijd huwde hij eene vrouw uit zijn geslacht, met name Anna, en won bij haar eenen zoon, welken hij ook Tobias noemde; hij leerde hem, van zijne kindschheid af. God vreezen, en zich van alle zonden onthouden. Wanneer hij dan, met zijne vrouw, zijnen zoon en geheel zijn huisgezin gevankelijk in de stad Ninive gekomen was, en de overige Israëlieten do spijs der Heidenen aten, hield hij- zich altijd rein van deze zonde. Omdat hij dus den Heer uit geheel zijn hart aanhing, deed God hem gunst vinden bij den koning Salma-nassar, die hem oorlof gaf om te gaan waar hij wilde, en vrijheid om alles naar zijne verkiezing te doen. Tobias ging dan tot al de gevangenen van zijn volk, en gaf hun goede vermaningen en troost. Te Eages, eene stad in Meden, leende hij, tegen een handschrift, aan Gabelus, een gebreklijdend man

285

-ocr page 288-

Geschiedenis

uit zijn geslacht, tien talenten zilver (1). Na den dood van Salmanassar, beklom zijn zoon Sennaclierib den troon, die de kinderen Israel\'s onderdrukte en haatte. Tobias, ecliter, liet niet na, dagelijks zijne medegevangenen te troosten en aan ieder hunner, naar zijn vermogen, van zijne goederen uit te deelen. Hij spijsde de hongerigen, kleedde de naakten, en begroef de dooden zorgvuldig.

Toen eindelijk: Sennacherib uit het joodsclie land weder gekomen was om de plaag te ontvlugten, met welke God hem om zijne lasteringen geslagen had, en, hierdoor vergramd, vele van de Joden om het leven deed brengen, begroef echter Tobias hunne lijken. Als dit den koning geboodschapt werd, beval hij hem te dooden, en beroofde hem van al zijn goed. Tobias, van alles ontbloot, vlugtte met zijne vrouw en zijnen zoon, en bleef verborgen; want velen beminden hem. Na 45 dagen werd de koning door zijne zonen vermoord. Nu keerde Tobias weder in zijn huis, en al zijn goed werd hem terug gegeven.

Eens was er op eenen feestdag een goed middagmaal in het huis van Tobias bereid. Hij zeide tot zijnen zoon: ga, en breng eenigen, die godvreezend zijn van ons geslacht, herwaarts, opdat zij met ons maaltijd houden. De zoon ging heen, en verhaalde bij zijne wederkomst, dat er een Jood op de straat vermoord lag. Tobias sprong van de tafel op, verliet het middagmaal, en kwam nuchter bij het lijk; hij nam hetzelve op, en \'bragt het stilletjes in zijn huis, om het na zonnenon-dergang te begraven. Daarna zette hij zich weder aan tafel, at sidderend en bevend, dewijl hij aan eene voorspelling van den profeet Amos dacht: mee feestdagen zullen in tranen en klagen veranderd worden. Na zonnenondergang begroef hij het ziellooze ligchaam.

Doch zijne naasten berispten hem, zeggende: het is nu kortelings geboden, dat men u zoude dooden om deze zaak, en gij zijt nauwelijks het doodsbevel ontkomen, of gij begraaft weder de dooden. Maar Tobias, God meer vreezende dan den koning, nam de ligchamen der gedooden weg, verborg ze in zijn huis, en begroef ze des nachts. Het gebeurde eens, dat hij op zekeren dag, vermoeid zijnde van te begraven, naar zijn huis kwam, zich nevens den muur nederlegde (3) en in slaap viel. Terwijl hij nu sliep, viel er warme zwaluwendrek in zijne oogen, waardoor hij blind werd. Doch dewijl hij van zijne jeugd af God altijd gevreesd en zijne geboden onderhou-

1) Dat 13 meer dan 4300 livers (ponden groot.)

2) Hij ging in huis niet, omdat hij volgens de wet, door het begraven der dooden, onrein was geworden, en dat hij, binnen komende, het huisgezin onrein zoude gemaakt hebb„n.

386

-ocr page 289-

van het Oude Teitament

ilen had, zoo toonde hij geene droefheid Ugeu God over deze blindheid, maar bleef onberoerd in Gods vrees.

Zijne bloedverwanten en aangehuwde vrienden beschimpten zijne handelwijze, en zeiden: waar is nu het loon van uwe hoop, om welke gij zoo vele aalmoezen gaaft, en de dooden begroeft? Maar Tobias berispte hen, en zeide: wilt zoo niet spreken; want wij zijn kinderen der Heiligen, en verwachten dat leven, hetwelk God diegenen geven zal, die hem tot het einde toe getrouw zijn.

Anna, zijne vrouw, ging dagelijks naar het weefwerk, en won alzoo door den arbeid het onderhoud. Hieruit is te besluiten, dat hun yoed hen wederom was ontnomen.) Het gebeurde dan, dat zij op zekeren dag een jong geitenbokje te huis bragt. Toen Tobias het hoorde blaten, zeide hij; zie toch toe, of het misschien niet gestolen is, en geef het weder aan wie het toekomt: want het is ongeoorloofd gestolen goed te eten of aan te raken. Zijne vrouw, hierover vertoornd zijnde, sprak; het blijkt nu duidelijk, dat uwe hoop, eene ijdele hoop is. Men ziet nu, wat er al van uwe aalmoezen komt. Met deze en meer andere verwijtingen griefde zij het hart van haren echtgenoot. Nu begon Tobias te zuchten, en bad met tranen aldus: o Heer! Gij zijt regtvaardig: al uwe oordeelen zijn vol regtvaardigheid en al uwe wegen zijn barmhartigheid, waarheid en geregtigheid: want Gij straft slechts om ons te Tcunnen vergeven, om in ons uwe beloften te kunnen volbrengen, ons van onze zonden te zuiveren. Heer! wees mij gedachtig, en ipil mijne zonden niet wreken, noch mijne, of mijner ouders misdaden gedenken. Wij hebben uwe bevelen niet onderhouden, en daarom zijn wij gevangen geworden, en ter dood geleverd. Wij zijn tot \'spot gesteld van alle volkeren, onder welbe Gij ons verstrooid hebt. Heer! handel met mij naar uw welbehagen, en gebied, dat mijne ziel in vrede ontvangen worde van de Engelen; want het is mij beter te sterven dan te leven.

Het gebeurde ten zelfden dage, ciat Sara, de dochter van Baguël, te Eages, ook een verwijt hoorde van eene dienstmeid haars vaders. Sara had zeven mannen na elkander gehad, die allen in den eersten huwelijksnacht door den duivel Asmo-deiis gedood waren. Terwijl zij nu hare dienstmeid over eenige fout berispte, antwoordde haar deze: o gij moordenares van uwe mannen! dat er nooit zoon of dochter van u ter wereld kome. Wilt gij mij ook dooden gelijk gij uwe zeven mannen om det leven gebragt hebt? Op dit woord trok Sara naar het bovenste van haar huis, alwaar zij drie dagen en drie nachten lans bleef, zonder eten of drinken; maar zij volhardde in het phed, en verzocht den lieer met tranen, dat hij haar vpn

287

-ocr page 290-

2 S b Gesch iedeu is

dien smaad wilde verlossen. Op den derden dag eindigde zij laar gebed, loofde den Heer en zeide: hoogverheven zij uw Naam, o God onzer voorvaderen! die, nadat Gij verbolgen geweest zijt, barmhartigheid bewijst; en die ten tijde der verdrukking de zonden aan diegenen vergeeft, die U aanroepen. Heer! tot U keer ik mij, tot U wend ik mijne oogen. Ik bid U, o Heer! dat Gij mij van dezen smaad verlossen wilt, of mij uit deze wereld roepen. Gij weet, o Heer! dat ik mij rein van alle onkuische lusten heb gehouden. Nooit heb ik mij onder diegenen gemengd, die verboden vermaak bedreven of ligtvaardig leefden; het is waar, ik heb toegestemd eenen man te nemen in uwe vrees, maar niet uit zinnelijken lust. Ik was misschien hun, of zij mijner niet waardig, omdat Gij mij mogelijk voor eenen anderen man hebt bewaard. Want geen mensch kan uwe schikking doorgronden. Maar een ieder, die U dient, heeft dit voor zeker, dat hij zal gekroond worden, indien Gij hem in dit leven beproeft; dat hij zal verlost worden, indien gij hem verdrukt; en dat hij zijne toevlugt tot uwe barmhartigheid mag nemen, indien Gij hem straft; want gij schept geen vermaab in ons verderf; maar na onwe-der verleent Gij kalmte, en na tranen en zuchten vervult Gij ons met vreugde, üw Naam, o God van Israël, zij in alle eeuwen geloofd!

De gebeden dezer twee personen, te weten van Tohias en van Sara, zijn ten zelfden tijde voor Gods verhevene Majesteit verhoord geweest. En de heilige Engel Gods, Raphaël, werd gezonden om hen beiden te genezen, wier gebeden te gelijk voor Gods aangezigt werden uitgesproken.

BEMERKING. De groote voorzigtigheid en ingetogenheid van Sara verdient eene bijzondere aandacht. Ten 1. Zij houdt zich in, en antwoordt niet op de verwijtingen. 3. Zij gaat heen, en vlugt de gelegenheid. 3. Zij begeeft zich tot het gebed, en verzoekt den Heere sterkte. Volgen wij haar wel na? Hoe vele zonden zouden wij daardoor vlugten en welke groote verdiensten inzamelen!

Sara roept God tot getuige, hoe zij nooit eenen man begeerd heeft, hoe zij zich zuiver van alle onreine lusten gehouden heeft, zonder ooit met ligtzinnigen om te gaan, en hoe zij alleen tot het huwelijk in de vrees des Heeren gekomen is. O, dat alle vrouwspersonen haar navolgen! En mogten diegenen, die het ongeluk gehad hebben van verkeerd te hebben gehandeld, daarover opregt boetvaardigheid plegen! Sara is een uitmuntend afbeeldsel van den geest van kuischheid, met welken men zich tot den huwelijken staat begeven moet. Waarlijk waren de mannen, die haar te voren gegeven waren

-ocr page 291-

van het Oude Ttstament. 28Sgt;

liaar niet waardig, en de Heer schikte aan zulk eene kuische bruid eenen kuischen bruidegom toe, zoo als Tobias was.

II. HOOFDDEEL.

Heilzame lessen ran Tobias aaa zijnen zoon. De Engel Eaphaël gaat met Tobias naar Gabelus. Tob. 4. 5. 6.

Daar nu Tobias meende te zullen sterven, ontbood hij zijnen zoon, die thans 20 jaren bereikt had, en zeide: mijn zoon, luister naar mijne woorden, en leg ze als eenen vasten grondslag in uw hart. Wanneer God mijne ziel zal ontvangen hebben, begraaf dan mijn ligchaam. Eer uwe moeder, zoo lang als zij leven zal. Gedenk, hoe vele smarten zij om u onderstond; als zij ook haren levensloop zal geëindigd hebben, begraaf haar dan naast mij. Houd God al de dagen uws levens voor oogen. Zie toe, dat gij nooit in de zonden toestemt, of de geboden van den Heer onzen God overtreedt. Geef aalmoezen naar uw vermogen; keer uw aangezigt nooit van den arme af. Hebt gij veel, geef veel; hebt gij weinig, zoo geef van dat weinige iets uit goeder harte; alzoo vergadert gij voor u een groot loon tegen den dag van behoefte. Want de aalmoes bevrijdt ons van zonden en van den eeuwigen dood, en zij zal niet toelaten, dat de ziel in de duisternis der hel valle. O, tot wat een groot betrouwen zal de aalmoes strekken bij den allerhoogsten God, voor allen die dezelve zullen gegeven hebben! Wacht u van alle onkuischheid. Laat de hoovaardij nooit in uw hart noch in uwe gedachten de i overhand hebben; want alle verderf is daaruit gesproten. Indien iemand voor u gewerkt heeft, geef hem. terstond zijn loon; laat het loon van uwen huurling bij u niet berusten. Doe nooit aan anderen hetgeen gij niet wilt dat men aan u doe. Deel den hongerigen en behoeftigen van uw brood mede; kleedt de naakten... Vraag altijd raad aan eenen wijzen man. Loof God ten allen tijde, en bid hem, dat hij uwe gangen besture, an dat al uwe voornemens in hem mogen rusten.

Ik geef u ook te kennen, mijn zoon, dat ik 10 talenten zilver aan Gabelus, te Eages, eene stad in Meden, geleend heb. Zijn handschrift is in mijne handen. Zie hoe gij tot hem zult kunnen gaan, om dat geld te ontvangen en hem het handschrift weder te geven. Vrees niet mijn zoon! wij leiden wel een armoedig leven, maar wij zullen eens groote goederen hebben, indien wij God ontzien, de zonden vlugten, en doen wat hem behagelijk is.

De zoon antwoordde; al wat gij geboden hebt, zal ik doen; maar hoe zal ik dit geld ontvangen? Die man kent mij zoo

19

-ocr page 292-

290 Geschiedenis

min als ik hem. Ik weet zelfs den weg niet, die derwaarts geleid. De vader zeide: als gij hem het handschrift zult toonen, zal hij u het geld wedergeven. Ga nu. en tracht eenen trouwen reisgezel te vinden.

Tobias, ging dan naar buiten, en vond een\' aanzienlijken jongeling, die zijne kleederen had opgeschort en als reisvaardig stond. Tobias, niet wetende dat het een Engel was, groette hem, en vroeg: van waar zijt gij, goede jongeling? Hij antwoordde: ik ben uit Israëls kinderen. Tobias vroeg verder: kent gij wel den weg, die naar het landschap der Meden leidt? De Engel antwoordde: ik ken hem zeer wel en heb zelfs bij onzen broeder Gabelus geherbergd. Tobias zeide: wacht dan een weinig, tot dat ik deze tijding aan mijnen vader drage. Tobias trad binnen en verhaalde dit aan zijnen vader. Deze, daarover verwonderd, verzocht den jongeling in huis te komen. Deze kwam, groette Tobias en zeide: blijdschap zij aan u ten allen tijde. Tobias antwoordde: welke blijdschap kan ik hebben, die in de duisternis zit, zonder het licht des hemels te zien. De jongeling zeide: heb moed, God zal u genezen.

Tobias vraagde hem vervolgens; zoudt gij mijnen zoon wel bij Gabelus, te Enges, eene stad van Meden, kunnen leiden? Als gij zult wedergekomen zijn, zal ik u uw loon geven. De Engel antwoordde: ik zal hem derwaarts leiden en weder gezond tot u brengen... Tobias sprak: gaat gelukkig henen, God zij met u, en zijn engel zij met u op den weg.

Als zij vertrokken waren, begon de moeder te weenen, en te zeggen: den steunstok van onzen ouderdom hebt gij weggezonden ; och, of er dat geld nooit geweest ware! Ofschoon wij in armoede verkeerden, waren wij echter tevreden; het vermaak van onzen zoon te zien, was voor ons waarlijk een groote rijkdom! Tobias zeide: ween toch niet, onze zoon zal wel gezond tot ons wederkeeren; ik geloof dat de goede Engel hem vergezelt, en dat hij alles, wat hem betreft, naar wensch zal schikken.

Toen Tobias henen reisde, volgdé hem zijn hond. Onder weg meende Tobias zijne voeten te gaan wasschen in de rivier Tigris. En zie, er kwam een groote visch op hem aan, die hen dreigde te verslinden. Tobias riep nn gansch verschrikt: mijnheer, help, help, hij grijpt mij aan! De Engel zeide: vat hem bij de kieuwen, en trek hem naar u. Tobias trok den visch op land, en hij begon zich voor zijne voeten dood te spartelen. De engel zeide vervolgens: neem het ingewand uit den visch, en bewaar voor u het hart, de gal en den lever: want deze zijn zeer goed tot het maken van geneesmiddelen. Nadat tobias dit verrigt had, braadden zij het dikste gedeelte 7an den visch, en zoutteden er nog een deel van, zoo dat zij

-ocr page 293-

van het Oude Testament.

jp de reis tot Rages genoeg- hadden. Nu vraagde Tobias aan den Èngel: broeder Azarias, ik bid u, zeg mij, waartoe die deelen van den visch dienstig zijn, die gij mij hebt doen bewaren ? De Engel antwoordde; indien gij het hart en den lever op kolen legt, zoo verdrijft de rook, die er van opstijgt, alle booze geesten. De gal is Toed om de oogren, die een wit vlies hebben, daarmede te bestrijken, en zij worden daardoor genezen. Tobias vroeg wijders; waar wilt gij, dat wij blijven? De Engel antwoordde; hier woont een man, Êagiiël genoemd, die van uwe geslacht is. Hij heeft ook slechts eene dochter, met name Sara, en zijn goed zal u geworden; want gij moet die dochter huwen. Verzoek ze van baren vader, en hij zal u die geven. Tobias antwoordde; ik tieb gehoord, dat zij reeds zeven mannen gehad heeft, en dat I rij allen gestorven zijn. Ik heb zelfs gehoord, dat de duivel |ben gedood heeft. De Engel zeide; luister, ik zal u leeren, jwie degenen zijn, over welke de duivel magt heeft; die het \'huwelijk zoodanig aangaan, dat zij God uit hun hart en uit hunne gedachten sluiten, en slechts hun zingenot zoeken te 1 volbrengen, gelijk paarden en ezels, die geen verstand hebben. IMaar gij zult haar in de vrees des Heeren tot u nemen; drie I nachten zult gij met haar in het gebed overbrengen. Op den nersten nacht zult gij den lever van den visch in brand steker, I;n de duivel zal been vlieden. Op den tweeden nacht zult gij 1 onder het gezelschap der H. Patriarchen aangenomen worden. 1) Op den derden nacht zult gij den zegen ontvangen, om hen talrijk kroost voort te brengen. Gij zult aldus het huwelijk met haar aangaan, meer uit trek tot kinderen, dan uit zin-j;enot, opdat gij den zegen van Abraham in uw geslacht verkrijget.

BEMERKING. De Engel Puiphaël, die Tobias op den weg I ;eleidt, is een afbeeldsel van de onzigtbare zorg, die uw Engelbewaarder over u draagt. Welke goedheid van God! Welke ier voor den mensch, dat hem een prins van den hemel tot l jewaarder gegeven wordt! O, met welke liefde aanvaardt die I Prins dezen last, en met wat vlijt zorgt die Engel voor u! Uij altijd bij u, om u op al uwe wegen te bewaren. Hij I )itlt voor u, en als gij bidt, bidt hij met u. Hij offert uwe :ebeden en goede werken aan God op, en brengt zijnen zegen ot u. Hij helpt u in de gevaren, in uwe bekoring, in uw ijden. Hij verdrijft van u den boozen geest, enz. O, welk berouwen behoort gij dan niet op uwen heiligen Engel te hebben 1 enk dus op hem in al uwen angst, in al uwe kwellingen en be-onngen, en verzoek zijne hulp met een groot betrouwen op ijne magt en zorg.

?) \'s, gij zult deelachtig worden aan hunne kuisohheid eaheilig-11eid om met uwe vrouw het huwelijk eerbaar te beleven.

291

-ocr page 294-

Geschiedenis

III. HOOFDDEEL.

Kaguël geeft zijne dochter aan Tobias ten huwelijk. Sara en Tobias brengen drie nachten in het gebed over. Vrees en vreugde van Ra-guël. De Engel ontvangt het geld van Qabelus, die mede ter bruiloft komt. De ouders van Tobias zijn in angst over het lang wegblijven van hunnen zoon. Kaguël geeft zijne dochter treffende vermaningen, die voor alle vrouwen hoogst nuttig zijn. Tob. 7. 8. 9. 10.

Zij kwamen dan in bet tuis van Eaguë), die hen met blijclschap or.tviug. Toen Eaguël Tobias aanzag, zeide hij tot Anna, zijne vrouw; hoe gelijkt dezen jongeling aan mijnen neef! vervolgens vraagde hij hun: van waar zijt gij, mijne jonge broeders ? Zij antwoordden: wij zijn uit het geslacht van Nephtali, van de gevangenen van Ninive. Kaguël vroeg verder; kent gij Tobias, mijnen bloedvriend wel? Zij zeiden; wij kennen hem zeer wel. En terwijl Eaguël veel goeds van hem sprak, zeide de Engel tot Eaguël; Tobias, naar wien gij vraagt, is de vader van dezen jongeling. Eaguël viel hem om den hals, kustte hem weenende, en zeide: God zegene u, mijn zoon! want gij zijt de zoon van een zeer deugdzaam man. Anna, zijne vrouw, en Sara, zijne dochter, weenden ook. Na nog over het eene en andere gesproken te hebben, deed Eaguël eenen ram dooden, en eeneu maaltijd bereiden. Doch Tobias zeide: ik zal heden hier niet eten noch drinken, tenzij gij eerst mijne begeerte toestaat, en mij belooft Sara, uwe dochter, te geven. (1) Eaguël, dit hoorende, werd verschrikt, daar hij zich herinnerde wat er gebeurd was aan de zeven mannen, die tot haar genaderd waren, en hij begon te vreezen, dat ook aan Tobias iets dergêlijks mogte wedervaren. Daar hij op het verzoek niet antwoordde, zeide de Engel; wil niet vreezen hem uwe dochter te geven; want zij komt dezen godvreezenden jongeling tot eene vrouw toe. Eaguël sprak dan; ik twijfel niet, of God heeft mijne gebeden en tranen verhoord. Ik geloof ook, dat hij u daarom hier heeft doen komen, opdat zij volgens Mozes wet met haar geslacht zoude vereenigd worden. Wees dan verzekerd, dat ik ze u zal geven. Vervolgens nam hij de regterhand van zijne dochter, legde die in de regterhand van Tobias, en zeide: de God van Abraham, van Izaak en Jacob zij met u; hij ver-eeuige u, en verleene u vollen zegen. Daarna schreven zij de huwelijksvoorwaarden, vierden het bruiloftsmaal en loofden God.

1) Tobias schijnt hier zijn huwelijk aan te gaan zonder den raad vat zijne ouders; maar hij was zoo overtuigd van de heiligheid en wijsheid van zijnen leidsman, dat hij van hunne toestemming verzekerd niogt zijn. En de schikking van God bleek al te klaar.

292

-ocr page 295-

van, het Oude Tenlurdeiifi quot;292

Eaguël d«eil dan Anna eene andere kamer (1) bereiden, waarin zij hare dochter bracht. Na het avondmaal genomen ta hebben, brachten zij Tobias tot haar. Deze zich aan de woorden des engels herinnerende, trok uit zijnen zak een stuk van den lever, en legde het op gloeijeude kolen; en tenzelfden tijde greep de engel Eaphaël den duivel aan, en bond hem in da opperwoestijn van Egypte. Tobias vermaande de maagd, en zeide: Sara, laat ons heden, morgen en overmorgen God bidden, want deze drie nachten zullen wij overbrengen zonder dan zingenot te denken; immers wij zijn kinderen der Heiligen, daarom mogen wij ook niet bij elkander komen, gelijk dezulken die God niet kennen.

Zij baden dan ook beide vurig den Heere, dat hij hen geliefde te behouden, en Tobias sprak aldus: o Heer, God onzei-vaderen! dat hemel en aarde, de zee, bronnen en rivieren, en al de schepsels die zij bevatten, U loven en verheerlijken, {jij zijt het, die Adam uit de aarde gevormd en hem Eva tot eeiia hulp gegeven hebt. Gij weet, dat ik mijne zuster hier niet met onreinen lust tot vrouw neem, maar uit verlangen om nakomelingen te verwekken, die uwen naam in alle eeuwen mogen, loven. Sara sprak nu: wees ons toch genadig. Heer! wees oii^ genadig, opdat wij beiden in gezondheid tot eenen hoogea ouderdom mogen komen.

Omtrent het gekraai van den haan, deed Eaguël zijne knechten roepen, en zij gingen een graf delven: want Eaguël, zeide: mogelijk is aan Tobias geschied, gelijk aan de andera zeven mannen. Toen het graf gemaakt was, zeide Eaguël tot zijne vrouw: zend eene dienstmaagd, om te zien of hij dood. is, opdat wij hem begraven eer het dag worde. Men deed zulks, en de dienstmeid kwam weldra terug met de verheugen-, de tijding, dat beiden gerust sliepen. Thans loofden Eaguël en Anna God, en zeiden: wij loven en danken U, o Heer en God van Israël! omdat onze gedachte niet vervuld is geworden, en Gij U over deze twee kinderen ontfermd hebt. Gij hebt den vijand verdreven, die ons vervolgt. Maak, o Heer! dat zij U meer en meer verheften... opdat, alle volkeren mogen kennen dat er in de gansche wereld geen andere God is, dan Gij alleen. — Eaguël liet aanstonds, nog eer het dag werd het graf vullen. Hij deed ook een gastmaal bereiden voor al zijna buren en vrienden, en bezwoer Tobias, dat bij veertien dagen bij hen moest blijven. Ook van alles, wat hij bezat, gaf hij hem do helft.

Vervolgens riep Tobias den Engel, dien hij voor eenen mensch beschouwde, en zeide hem: broeder Azarias, ik bid u, hooc

1) Eeu« ttudere, dan die, in welke de ze\\eii aiiuiuen geotoi v^u

-ocr page 296-

GescJiiedenii

naar hetgene ik u zal voorstellen. Al diende ik ook gedurende geheel mijnen levensloop als knecht, zoo zoude ik uwe zorg tuldigheid over mij nog niet kunnen vergelden. Niettemin bid ik u, dat gij lastdieren en dienaars wilt nemen, en naar Eages tot Gabelus gaan, om hem zijn handschrift weder te geven, en het geld van hem te ontvangen, met verzoek, dat hij tot mijne bruiloft gelieve te komen. Want gij weet zelf, dat mijn vadei de dagen optelt, en indien ik eenen dag te lang uitblijve, zal hij zich zeer bedroeven. Gij ziet ook, hoe Eaguël mij gezworen heeft eenige dayen hier te hlijven, en ik kan aan zulk dringend verzoek niet wederstaan. Eaphaël nam dan vier van Eaguël\'s dienaars en twee kameelen, en vertrok naar Eages. Toen hij tij Gabelus was gekomen, gaf hij hem het handschrift, enl ontving het geld. Hij verhaalde hem ook wat er aan den jongen Tobias geschied was, en noodigde hem ter bruiloft. Toen Gabelus in Raguël\'s huis gekomen was, vond hij Tobias ter maaltijd zitten. Dadelijk sprong deze op, en zij kusten elkander regt hartelijk. Gabelus weende, loofde God, en sprak; de God van Israël zegene u; want gij zijt de zoon van een regtschapen en godvreezend man, die vele aalmoezen uitdeelt, gezegend zij ook uwe vrouw en de ouders van u beide. De Jleer verleene u, dat gij uwe kinderen en kindskinderen tot de derde en vierde afkomst moogt zien. Gezegend zij ook uw zaad door den God van Israël, die de koning aller eeuwen is. Alle,zeiden; Amen! en vierden vervolgens het bruiloftsfeest in de vreeze Gods.

Terwijl nu Tobias, ter oorzake van de bruiloft langer uitbleef dan er bepaald was, werd Tobias, zijn vader, ongerust, en zeide tot zijne vrouw: waarom meent gij, dat mijn zoon zco l;ing vertoeft ? Zoude welligt Gabelus gestorven zijn, en er niemand wezen, die hem het geld wil wedergeven? De ouders begonnen dan zich bovenmate te bedroeven, en weenden zeer, omdat hun zoon op den gestelden dag tot hen niet wederkeerde. Inzonderheid de moeder was als ontroostbaar, en zeide: och! och I mijn dierbaar kind, waarom hebben wij u, het licht onzer oogen, den steunstok van onzen ouderdom, den troost van ons leven, de hoop van ons geslacht uit het land gezonden? Daar wij alles in u alleen bezaten, moesten wij u bij ons gehouden hebben! Doch Tobias zocht haar te troosten en zeide: ontstel u zoo niet: onze zoon is wel te pas! De man, met wien wij hem gezonden hebben, is een trouwe reisgezel. Doch zij was niet te troosten. Dagelijks ging zij, zeer vroeg, langs alle kanten zien, en ging door al de wegen, langs waar er hoop scheen te wezen op zijne wederkomst, om hem, ware het mogelijk, te zien aankomen,

l Ondertusschen sprak. Eaguël tot zijnen scIwqüzqou, blijf.

-ocr page 297-

mn het Oude Testament. 293

bij mij, en ik zal uwen vader Tobias doen booilsoliappeu, dat gij wel te pas zijt. Tobias echter gaf hem tot antwoord: ik weet voorzeker, dat mijn vader en mijne moeder nu al de dagen tellen, en in grooten angst zijn. Ik kan derhalve uw verzoek niet inwilligen. Nadat dan Eaguël nog met aandrang Tobias verzocht had van te blijven, en Tobias naar hem geenszins wilde luisteren, gaf hij hem eindelijk Sara over, alsmede de helft van al zijn goed, bestaande in knechten, dienstmeiden, kameelen, koeijen en ander vee, en in veel geld, en liet hem in blijdschap henen reizen. Hij zeide daarbij: Gods heilige engel zij met u op den weg, en leide u welvarend naar huis. De Heer verleene ook, dat gij alles bij uwe ouders wel moogt vinden, en dat mijne oogen uwe kinderen mogen zien, eer ik sterve. De ouders vielen vervolgens hunne dochter om den hals, kusten haar, en gaven haar deze vermaning: dat zij hare schoonouders zoude eeren, hares man liefhebben, het gezin wel besturen, het huis in goede orde houden, en zich in alles onberispelijk gedragen.

BEMERKING. Boven al de treffende ondemgtingen, die uit het voorgaande te trekken zijn, moeten bijzonderlijk do jonge gehuwe vrouwen op de vermaning letten, welke de ouders van Sara haar geven, die zeer wel overeenkomt met hetgene de Apostel aan haar allen door Titus beveelt, zeggende: dat de jonge vrouxoen voorzigtig zijn, hare echtgenooten beminnen, hare kinderen liefhebben, haar huisgezin wel gadeslaan, zachtaardig zijn, en onderdanig aan hare mannen, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. Tit. 2. 4. 5. Indien zij allen dit volbragten, en dat ook de mannen aan hunnen pligt niet te kort bleven, o hoe vele huisgezinnen zouden er door dea ouderlingen vrede als hemelen zijn, die nu, door vele geschillen, godslastering en vloeken, aan de hel gelijken!...

IV. HOOFDDEEL.

Tobias en Sara reizen naar huis. Anna ziet hem het eerst. De ouda Tobias krijgt het gezigt weder. Tobias en zijnen vader bieden Raphael de helft aan van alles, wat zij medegebragt hadden. Raphaël maakt zich bekend. De oude Tobias dankt God en sterft. Dood van den jongen Tobias. Tób, IJ. 12. 13. 14.

Zij begaven zich nu op reis, en kwamen den elfden dag to Charan, gelegen op den weg naar Ninive. De engel zeido thans: broeder Tobias, gij weet, in welke gesteltenis gij uwent vader gelaten hebt. Indien het u derhalve belieft, zullen wij nu vooruit reizen, uwe vrouw Sara, met de overigen en het vee, zal ons langzaam volgen. Daar dit Tobias ïéer wel be-

-ocr page 298-

396 Geschieden \'i

viel, zeicle Kaphaël tot hem: neem wat van de gal des vis-sclien mede, want wij zullen het noodig hebben. Tobias deed zulks, en zij trokken voorwaarts. Anna, daarentussohen, zat dagelijks omtrent den weg op het hoogste van eenen berg, van waar zij zeer verre konde zien. Eindelijk zag zij hareu zoon in de verte aankomen, en herkende hem dadelijk. Zij liep in allerijl naar haren man, zeggende: uw zoon komt ! Ondertusschen zeide Eaphaël tot Tobias: zoo haast gij in huis zult getreden zijn, aanbid dan den Heer uwen God, en ga, na hem gedankt te hebben, bij uwen vader en omhels hem. Bestrijk ook terstond zijne oogen met de gal van den visch, die gij bij u hebt, dan zullen die dadelijk geopend worden, eu uw vader zal het licht des hemels aanschouwen, en zich verblijden u te zien.

De hond, die den zoon had vergezeld, liep vooruit, en kwispelstaartte, alsof hij de tijding van hunne komst kwam brengen. Zijn vader, alhoewel blind, stond op, en begon al struikelende te loopen, nam eenen knecht bij de hand, en ijlde alzoo zijnen zoon te gemoet, dien hij teeder omhelsde. Ook de moeder kuste hem, en beide weenden van vreugde. Nu nam Tobias de gal van den visch, bestreek de oogen zijns vaders, en een half uur daarna begon er eene witte schel uit zijne oogen te komen, even als het vliesje eener ei. De zoon trok er dit uit, en de oude Tobias kreeg het gezigt weder. Thans dankten en verheerlijkten allen God over deze weldaad. Na zeven dagen kwam ook Sara, de vrouw van zijnen zoon, met geheel haar gezin, met het vee en het rijke huwelijksgoed, benevens het geld dat Tobias van Gabelus ontvangen had. De jonge Tobias verhaalde ook aan zijne ouders al de weldaden Goüs, die hij aan hem door zijnen leidsman bewezen had.

Vervolgens riep Tobias zijnen zoon ên vroeg hem: wat zullen wij dien heiligen man geven, die met u gekomen is? Tobias antwoordde: welke vergelding zullen wij hem toch kunnen doen? en wat zal zijne weldaden kunnen evenaren? hij heeft mij gezond naar Eages geleid en herwaarts weder-gebragt. Het geld heeft hij bij Gabelus zelf gaan halen. Hij heeft mij eene vrouw bezorgd, en den duivel van haar verdreven. Hare ouders heeft hij met blijdschap vervuld. Hij heeft mij van den visch, die mij inslokken wilde, verlost. Plet licht des hemels heeft hij u doen aanschouwen. En wij zijn met alle goederen door hem verrijkt. Hoe kunnen wij hem naar waarde hierover beloonen? Ik bid u, lieve vader, vraag hem toch, of hij zich wil gewaardigen, de helft to aanvaarden, van hetgene wij met ons gebragt hebben. Vader en zoon riepen hem dus ter zijde, en smeekten hem, dat hij zich zoude gewaardigen, de helft van al hetgene zij mede-

-ocr page 299-

van het Oude Testament.

gebragt hadden aan te nemen. Thans gaf hij hun in het heimelijk dit antwoord: looft en dankt den God des hemels en verheerlijkt hem voor alle mensehen, omdat hij u barmhartigheid bewezen heeft. Want het is goed, dat men het geheim des konings, hetwelk somtijds zoo lofwaardig niet is, verborgen houde; maar het is heerlijk, dat men de werken Gods verkondige en verhefte... Ik zal dan aan u do waarheid ontdekken, ik wil u de geheime zaak niet verbergen. Wanneer gij met tranen badt, de dooden begroeft, uw middagmaal verliet, en de dooden met den dag in uw huis verborgt, om die \'s nachts te begraven, was ik het, die uw gebed den Heere opdroeg. Dewijl gij daardoor aan God aangenaam werdt, was het ook noodig, dat het u beproefde. Maar nu heeft mij God gezonden om u te genezen, en om Sara, de vrouw van uwen zoon, uit des huwelijks magt te verlossen: want ik ben de Engel Eaphaël, een der zeven, die voor den Heer staan.

Toen zij dit hoorden, werden zij zeer ontsteld, en vielen bevend op hun aangezigt ter aarde. Maar de Engel zeide: vrede zij met u, weest niet bevreesd; want als ik mij met u bevond, was ik er door Gods wil. Dankt hem dan, en verkondigt zijnen lof. Ik scheen wel met u te eten en te drinken; doch ik voed mij met eene onzigtbare spijs en drank, die de menschen niet kunnen begrijpen. Thans echter is het tijd, dat ik tot dengenen wederkeer, die mij gezonden heeft. Dankt den Heer, en verkondigt zijne wonderen. — Na deze woorden werd hij uit hun gezigt weggenomen. Alsdan vielen zij op hun aangezigt en bleven drie uren nederliggen, en dankten God. Voorts stonden zij op en verhaalden al zijne wonderdaden. De oude Tobias loofde den Heer aldus: groot zijt Gij. o Heer! in alle eeuwigheid; uw rijk zal eeuwig duren. Gij slaat, en geneest tevens; Gij brengt de menschen tot aan den dood, en brengt hen van daar terug; niemand kan uwe magt ontvlugten... Gij zijt het, die ons om onze zonden getuchtigd hebt; Gij zijt het, die ons om uwe barmhartigheid zult verlossen. Wat mij betreft, ik zal U danken in het land, waar ik gevangen ben, omdat gij uwe majesteit over een zondig volk getoond hebt... Bekeert u dan, o zondaren, en doet hetgene regt is voor Gods aanschijn; alsdan zal u gewis barmhartigheid bewijzen.

Nadat Tobias het gezigt wedergekregen had, leefde hij nog 43 jaren. Nadat hij 103 jaren geleefd had, gaf hij vreedzaam zijnen geest, en werd treffelijk te Ninive begraven. Hij was 56 jaren oud, als bij zijn gezigt verloor, en zestig als hij het wederkreeg. Het overige van zijn leven bracht hij vergenoegd dijp\'r. Steeds nam hij toe in godsvrucht, tot dat hij in den Heer ontsliep. In zijn sterfuur riep hij zijne zeven kleinzonen.

39T

-ocr page 300-

Geschiedenis

en zeide liun; de ondergang van Ninive is nabij, want Gods woord zal niet onvervuld blijven. Hij voorzegde verder, dat de Joden naar Jerusalem weder keer en, en de Heidenen tot God zouden lekeerd worden. Hierom, mijne kinderen, (ging hij voort), aanhoort uwe vader; dient den Heer getrouw, en tracht te doen, wat hem behagelijk is. Gebiedt uwen kinderen regtvaar-dig te leven, aalmoezen te geven, aan God te denken, en hem geheel uw leven uit hart en geest te loven en te verheerlijken. Verblijft hier niet; maar zoohaast gij uwe moeder naast mij zult be graven hebben, maakt u dan bereid om van hier te vertrekken; want ik voorzie, dat de boosheid van Ninive haar zal doen ten ondergaan.

Na den dood zijner moeder verliet de zoon Ninive, met zijne vrouw, zijne kinderen en kindskinderen, en keerde weder tot de ouders zijner echtgenoote, welke hij gezond aantrof. Hij droeg zorg voor hen, en sloot zelf hunne oogen. Hij zag zijne kindskinderen tot in het vijfde geslacht. En na 99 jaren in de vreeze Gods geleefd te hebben, ontsliep hij zacht in den Heer, en werd met plegtigheid begraven. Geheel zijn geslacht volhardde in de vroomheid en godsvrucht, zoo dat zij aan God en de menschen aangenaam waren.

BEMERKING. De heilige Geest heeft deze geschiedenis van Tobias naauwkeurig doen beschrijven, opdat zij, tot het einde dei-wereld, tot een voorbeeld strekken zoude; 1. Voor de kinderen, hoe zij hunne ouders moeten eeren en gehoorzamen. 3. Voor degenen, die in den echt willen treden, hoe zij den huwelijken staat heilig moeten beginnen en beleven. 3. Voor de ouders, hoe zij hunne kinderen moeten opvoeden in de godsviucht en in de vrees des Heeren, opdat zij navolgers van hunne deugden worden.

HET BOEK JUDITH.

Dit hoek verhaalt ons, in 16 Hoofddeelen, die wonderbare ver-lossiny van de stad Betlndiquot;, door de manhaftigheid der hel-denmoedi(je Judith. Het leert ons voornamelijk, hoe God\' middelen weet te vinden voor hen, die op hem betrouwen, ook dan, wanneer alle menschelijke hulp en raad ontbreken. Deze geschiedenis, volgens het algemeen gevoelen, viel voor ten tijde van Manasses, koning van Juda, na zijne terugkomst vit de gevangenis; hij liet, waarschijnlijk nit hoetpleging, het bestuur van zijn rijk aan den, opperpriester Bliacham over, o-a het overige van zijn leven tot het beweenen zijner misdaden te besteden. Dit is ook de reden, waarom er in deze geschiedenis niet gesproken wordt van eenen koning, maar

.298

-ocr page 301-

vun het Oude Testament.

alleen van Eliacham. Dit zoo zijnde, de honing vm Assyriï, die hier Nahmhodonozor genoemd wordt, Saosducldn, kleinzoon van Sennacherib wezen, en dit verhaal plaats gehad hellen in het jaar der wereld 3347, 557 jaren voor Christus.

I. HOOFDDEEL.

Nabuchodonozor, koning van Assyrië, wil zijn rijk verder uitbreiden, en zich voor God doen erkennen. Hij zendt Holofernes met een magtig leger ten strijde. De schrik van de Israëlieten. Judith. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Arphaxad, koning der Meden, na vele natiën onder zijn gebied te hebben gebragt, deed eene zeer sterke stad bouwen, die bij Echatanas noemde. Hij maakte derzelver muren van vierkante, gehouwene steenen, 70 ellen hoog en 30 breed. Hij maakte hare torens ter hoogte van 100 ellen. De torens waren vierkant, en elke zijde was 39 voet breed. De poorten deed hij van gelijke hoogte der torens vervaardigen. Hij roemde, als een vermogend heer, over de magt zijner legers en de treffelijkheid zijner wagens. Doch Nabuchodonozor, koning van Assyrië, die in de groote stad Ninive regeerde, trok in het twaalfde jaar zijns rijks tegen Arphaxad ten strijde, in de ruime vlakte Eagan, en overwon hem. Nu werd het rijk van Nabuchodonozor verheven, en hij werd hierdoor uitermate hoovaardig, ja zoo verregaande, dat hij meester over den ge-heelen aardbodem meende te zijn; hij zond gezanten tot allen, die in Cicilie, te Damascus, en op den berg Libanus woonden, tot de volkeren van den berg Carmelus en van Cedar, tot de inwoners van Galileën, en tot allen, die in Samarië waren, en over den Jordaan, tot Jeruzalem toe, en tot het land van Jesse, tot aan de grenzen des Moorenlands, om hen te verpligten, zich aan hem te onderwerpen. Doch zij weigerden eenparig zijn verzoek, en zonden de gezanten ijdel, ja schandelijk henen. Nu werd Nabuchodonozor vertoornd tegen al de aangrenzende volkeren, en zwoer bij zijnen troon en zijn rijk, dat hij zich over al die landschappen zoude wreken.

In het dertiende jaar zijner regering, werd er in zijn hof raad gehouden, hoe hij zich wreken zoude. Hij riep al de veldoversten en de voornaamste krijgslieden bijeen, en zeide, dat zijn voornemen was geheel het land onder zijn gebied te brengen. Daar dit ieder wel beviel, sprak hij tot Holofernes, den overste van het leger: trek op tegen al de rijken, die mijn bevel versmaad hebben. Geen enkel rijk zult gij sparen, en al de bemuurde steden zult gij onder mijn gebied brengen.

Holofernes vergaderde dan tot dien krijgstogt een getal van honderd en twintig duizend voetgangers, en twaalf duizend schutters te paard. Hij begaf zich nu met zijne wagens, ruiters

299

-ocr page 302-

Geschiedenis

en schutters in optogt, en kwam aan Cilicië, nam daar al de burgten in, en overwon al de versterkte plaatsen. Hij vernielde de vermaarde stad Melothi, en plunderde en roofde de nakomeling van ïharsis en Ismaël. Vervolgens kwam hij te Mesopotamië, verwoestte daar al de versterkte steden, nam gelieel liet land in, voerde met zich mede al de nakomelingen van Madian, en plunderde hunne rijkdommen : en allen, die hem wederstand boden, versloeg hij door het zwaard. Daarna kwam hij tot de velden van Damascus, in den oogsttijd, verbrandde al het gewas, en deed al de boomen en wijngaarden afhouwen, zoo dat al de inwoners van het land met ijzing bevangen werden.

Nu vaardigden al de koningen en vorsten van Syrië, Lybië en Cilicië gezanten tot Holofernes af, om hem te zeggen: dat uwe verbolgenheid jegens ons ophoude; het is beter, dat wij in het leven blijven, en den grooten koning Nabuchodonozor dienen, dan door het zwaard en het vuur om te komen. Zie, al onze steden en landerijen, al ons vee, onze ossen, schapen, al onze paarden en kameelen, en al onze goederen en huis-gesinnen zijn voor uw aangezigt; neem alles onder uw gebied, ■wij met onze kinderen zijn uwe slaven. Holofernes kwam dan derwaarts, en al de vorsten en de voornaamste heeren, die de steden bewoonden, alsmede het volk, haalden hem in met bloemkransen, toortsen, trommels en fluiten, in dansende rijen. Doch niettegenstaande dit alles, konden zij evenwel de trotsch-heid van zijn barbaarsch gemoed niet verzachten; want hij vernielde hunne steden, en hakte hunne bosschen (l).af, omdat Nabuchodonozor hem bevolen had, al de goden der aarde te vernietigen, opdat hij alléén door de volkeren, die onder de magt van Holofernes zoude buigen, voor God erkend zoude worden.

Als de kinderen van Israël, die in het land van Juda woonden, dit vernamen, werden zij voor Holofernes zeer verschrikt. Zij vreesden, dat hij met Jeruzalem en den tempel des Heeren zoude handelen, zoo als Lij met de andere steden en tempels gehandeld had. Zij zonden dan volk van Samarië in het rond tot Jericho toe, bezetteden al de hoogten der bergen, versterkten hunne steden, en vergaderden graan tot bereiding-van den oorlog.

800

Al het volk verzuchtte inmiddels tot den Heer; het vernederde zich met vasten en bidden. De priesters trokken haren kleederen aan, de kinderen vielen neder voor den tempel des Heeren, en men bedekte het altaar met een boetgewaad. Eenpariglijk verzuchtteden zij tot den Heer en God van Israël, opdat hij niet zoude toelaten, dat hunne kinderen

1) In welke zij de godsdienst pleegden voor hunne afgoden.

-ocr page 303-

van het Oude Testament. 301

ten roof gegeven, hunne vrouwen verstrooid, hunue steden verwoest, hun heiligdom ontheiligd, en zij aan de Heidenen tot spot gesteld -zouden worden. Eliachim, de hoogepriester, doorreisde ook geheel Israël en vermaande aldus het volk: wees verzekerd, dat de Heer uwe gebeden zal verhooren, indien gij voor zijn aanschijn volhardt in vasten en bidden. Gedenkt, dat Mozes, de dienaar des Heeren, niet door het zwaard, maar door het storten van heilige gebeden, Amelec verdreven heeft, die zijn betrouwen stelde op zijne magt, op zijne sterkte, op zijn leger, op zijne schilden, op zijne wagens en op zijne ruiterij. Alzoo zal het met al de vijanden van Israël gaan, indien gij in uwe vrome en godvreezende handelwijze, waarmede gij begonnen zijt, blijft volharden.

Door deze opwekking van Eliachim, bleven zij in het gebed voor het aanschijn des Heeren voortgaan. Zelfs degenen, die de brandoffers des Heeren opdroegen, deden de offerande, omgord met haren kleederen, en hunne hoofden met assche bestrooid: allen baden God uit ganscher harte, dat hij Israël zoude willen bijstaan.

Toen het Holofernus geboodschapt was, dat de Israëlieten zich tot wederstand bereidden, en de doorgangen der bergen gesloten hadden, werd hij als razend van woede; hij riep al de vorsten van Moab, en al de hoofdmannen bijeen, en zeide hun; zegt mij, welk volk is dat, hetwelk de bergen bezet ? Hoedanig, hoe groot en hoe talrijk zijn hunne steden? Welk is hunne magt, dat zij ook buiten al degenen, die in het Westen wonen, ons versmaden, in plaats van ons te gemoet te komen, om ons in vriendschap te ontvangen?

Hierop zeide Achior, overste der Ammonieten: mijn Heer! in dien gij u gewaardigt mij te aanhooren, zoo zal ik wegens dit volk de waarheid zeggen, en geene valschheid zal er uit mijnen mond komen. Dit volk is van de afkoïnst der Chal-deërs. Zij hebben eerst in Mesopotamië gewoond, omdat zij de goden hunner vaderen in Chaldeën niet volgen wilden. Door aldus de godsdienst hunner voorouders, die vele goden aanbaden, te verlaten, hebben zij eenen God des hemels alléén gediend, en zich in Chanaan gevestigd. Daarna, toen het land in hongersnood was, begaven zij zich naar Egypte, alwaar zij ten tijde van 400 jaren zoo vermenigvuldigden, dat hun leger ontelbaar was. — Verder verJiafdde Achior al de xoondere weldaden, die God aan dit volk gedaan had in \'Egypte, in de Roode Zee, enz. Op alle plaatsen, waar zij kwamen, ging hij voort, streed God voor hen, niemand kon dit volk ooit overwinnen, tenzij als het van zijnen God was afgeweken. Doch zoo dikwijls zij iemand anders dan hunnen God dienden, werden zij aan den roof, aan het zwaard, en ten spot overgeleverd. Maar zoo menigwerf het hun leed

-ocr page 304-

Geschiedenis

303

was, dat zij van de dienst Gods waven afgeweken, gaf de Heer des hemels hun kraolit om hunne vijanden te wedeïstaan. Alles ging wel met hen, zoo lang zij voor de oogen van hunnen God geen kwaad bedreven: want hun God haat de zonde. Onderzoek derhalve, mijn Heer, of zij eenige misdaad voor de oogen van hunnen God bedreven hebben: zoo ja, dan mogen wij optrekken; want hun God zal hen aan u gewis leveren. Doch indien zij voor hunnen God onschuldig zijn, zullen wij hun niet kunnen wederstaan, want hun God zal hen brscher-men, en wij zullen tot spot gesteld worden. Toen Aohior deze aanspraak had geëindigd, werden al de raadslieden van Holo-fernes door gramschap onstoken en zij meenden hem te dooden; zij zeiden-tot elkander: wat is dit voor iemand, die zegt, dat de kinderen van Israël magtig zijn om den koning Nabucho-donozor en zijn heerleger te wederstaan? Welnu, teneinde Achior leere, dat hij ons wil verleiden, laat ons het gebergte optrekken, en als wij de magtigste onder de Israëlieten zullen gevangen hebben, dan zal hij met hen door hetzelfde zwaard omkomen; opdat al het volk wete, dat Nabuchodonozor de god der aarde is, en dat er geen andere buiten hem bestaat. Holofernes sprak nu ook grimmig van woede tot Achior; dewijl gij geprofeteerd en gezegd hebt, dat het volk van Israël beschermd wordt door zijnen God, zoo zult gij, om u te toonen, dat er geen andere God dan Nabuchodonozor is, als wij hen allen als een enkel man zullen verslagen hebben, ook met hen door hetzelfde zwaard\' van de Assyriers sterven, en geheel Israël zal met U vergaan. Maar indien gij gelooft, dat uwe voorspelling waarachtig is, laat dan uw aangezigt niet ontsteld worden. — Verder gebood Holofernes, dat men Achior naar Bethulië leiden, en in de handen der Israëlieten leveren zoude. Eene krijgsbende van Holofernes voerde hem dan derwaarts; maar als zij aan het gebergte kwamen, waarop Bethulië ligt, vielen de slinge-naars op hen uit. Zij weken dan ter zijde van den berg af, bonden Achior met handen en voeten aan eenen boom, en keerden naar het leger van Holofernes weder. De Israëlieten van Bethulië kwamen nu tot Achior, maakten hem los, en nadat zij hem in hunne stad gebragt, en in het midden des volks gesteld hadden, vroegen zij, wat dit beduidde, dat de Assyriërs hem aldaar hadden gebonden gelaten. Achior verhaalde thans in het midden der oversten en voor al het volk, al hetgene hij geantwoord had op de vraag van Holofernes, en hoe de krijgslieden hem daarom wilden dooden; hij voegde er bij, hoe Holofernes zelf, gansch in woede, hem om die reden in de handen der Israëlieten had doen leveren, omdat hij, wanneer hij deze zoude overwonnen hebben, hem ook door velerhande pijnen zoude doen sterven, omdat hij gezegd

-ocr page 305-

VM het Oude lentameéU.

lad, dat de üod des hemels de beschermer der Israëlieten is.

Nadat Achior dit alles verhaald had, viel al het volk op dju aangezigt en aanbad den Heer; en met een algemeen ;ekerm en geween stortten zij tot hem eenparig dit gebed : i God, Heer van hemel en aarde! aanzie hunnen hoogmoed, in sla toch uwe oogen op onze nederigheid. Aanzie de vrees van de U toegewijden, en toon dat Gij diegenen niet verlaat, die op Ü betrouwen, en dat Gij dezulken vernedert, die op ich zei ven steunen en zich op hunne eigene kracht beroemen.

Den geheelen dag bragten zij in het gebed over, vertroostten chior, en zeiden; de God onzer vaderen, wiens magt gij verkondigd hebt, zal u die genade doen, dat gij zelf hunnen ondergang zult zien; en wanneer de Heer, onze God, zijne dienaars in vrijheid zal gesteld hebben, dan wenschen wij, dat hij ook in het midden van ons uw God zij. Thans nam üzias, overste der stad, hem in zijn huis. Verder werd hij tot een groot avondmaal met al de oversten genoodigd, en zij verkwikten zich te zamen, daar de vastendag nu volbragt was. Daarna vergaderden allen op nieuw, en riepen gedurende den geheelen nacht God om hulp aan.

BEMERKING. Zeer wel, zeide Achior, hm God haat de zonden. Ja, hij hnat die met eenen eeuwigen en onverander-lijken haat, als het grootste kwaad en strijdende tegen zijne eeuwige wet, die hij met eene eeuwige en onveranderlijke liefde bemint. Voegt bij elkander al den haat, dien ooit een mensch tegen zijnen vijand gekoesterd heeft, en dien de duivels en aan de verdoemden tegen elkander er. tegen God dragen; die te zamen genomen, is niet te vergelijken, bij den haat van God tegen de doodzonde. Hij haat de doodzonde oneindig; hij haat ze eeuwig; hij haat ze noodzakelijk; hij haat ze zoo zeer als hij zich zeiven bemint. Een wel verlicht oog ziet maar één eanig kwaad in de wereld, namelijk de zonde. Bedenk dus, hoe wij de zonden moeten haten, vreezen en vlugten. Vele groote Heiligen hebben strenge boetvaardigheid gedaan; en waarom? Zij hadden geene zonden gepleegd, maar die boetvaardigheid strekte om er geen te doen.

II. HOOFDDEEL.

Holofernes belegert Betlmlië. Judith berispt de overater, omdat zij aan Go Is barmba tigheid een tijdperk stellen. Zij trekt in haar feestgewaad uit Bethulië. Zij wordt bij Holofernes gebragt, die haar vriendelijk ouvangt. Judith. 7. S. 9. 10. 11.

Des anderendaags gebood Holofernes aan het krijgsvolk, naar Betlmlië op te trekken. Wanneer de kinderen van Israël hunne groote menigte zogen, vielen zij plat ter aarde, wierpen

30S

-ocr page 306-

Geschiedeim

assche op hunne hoofden, en baden eenparig, dat de God van Israël zijne barmhartigheid aan zijn volk geliefde te bewijzen. Vervolgens omgordden zij zich met hunne wapenen, en bezette-den de plaatsen, die naar de bergengten leidden. Dag en nacht hielden zij daar wacht. Holofernes, het gebergte opgaande, bevond dat de bron, die aan de stad water verleende, haren loop buiten de stad had. Hij deed dan dien waterloop afsnijden. Doch er bestonden niet verre van de muur nog eenige bronnen, waaruit men do belegerden bedektelijk water zag komen halen.... Die van Ammon en Moab kwamen dan bij Holofernes, en zeiden : de Israëlieten betrouwen niet op hunne lansen en pijlen, maar de bergen zijn hunne bescherming, en de steil afgaande heuvelen zijn hunne bolwerken. — Indien gij hen dan zonder strijden wilt overwinnen, stel dan wacht aan de bronnen, opdat zij daaruit geen water meer komen halen... Holofernes plaatste dan rondom de stad honderd man aan elke bron. Na verloop van twintig dagen, werden al de waterputten en waterbakken der inwoners van Bethulië ledig, zoodat er iu de stad geen water meer was om te drinken, zelfs niet voor een\' enkelen dag; want men gaf aan het volk dagelijks water bij maat. Het gebrek aan water werd eindelijk zoo groot, dat al de inwoners bij Ozias kwamen, om zich aan Holofernes over te geven: zeggende: het is beter, dat wij gevangen in het leven blijven, om God te loven, dan dat wij stervende ten spot van alle menschen gesteld worden. Wij roepen heden hemel en aarde tot getuigen, en den God onzer vaderen, die ons volgens onze zonden straft, dat gij terstond de stad aan Holofernes zult overleveren, opdat wij liever een korten dood mogen sterven door het zwaard, dan dien lang-durigen door den onlijdelijken dorst. Nadat zij deze woorden gespröken hadden, ontstond er onder hen allen een groot geween en gekerm, en zij riepen gedurende vele uren met eenparige stemmen tot den Heer: wij hebben gezondigd met onze vaderen, wij hebben onregtvaardig gehandeld. Doch Gij, die genadig zijt, ontferm U onzer, of straf Gij zelf liever onze ongeregtigheden, door uwen geesel, maar geef hen, die U loven, toch niet over aan een volk, hetwelk U niet kent, opdat men onder de Heidenen niet zegge: waar is nu hun God? — Als zij, vermoeid door het geroep en geschrei, eindelijk stil zwegen, stond Ozias op met tranen besproeid, en zeide: broeders, schept moed, laat ons nog vijf dagen de barmhartigheid van God afwachten, welligt zal hij zijne gramschap intrekken, en glorie geven aan zijnen naam. Doch indien er binnen vijf dagen geene hulp komt, zullen wij volgens uwe woorden handelen.

Deze woorden van Ozias kwamen ter oore van Judith, die

304

-ocr page 307-

van het Oude Testament.

nu sedert drie jaren en zes maanden weduwe was. Zij had -in liet bovenste gedeelte van haar huis eene verborgene kamer gemaakt, alwaar zij zich met hai-e dienstmaagden opgesloten hield. Zij droeg een haren kleed om hare lenden, en vastte al de dagen haars levens, uitgenomen de Sabbath-en Feestdagen. Zij was uitermate schoon van gelaat. Ook had haar man haar groote rijkdommen achtergelaten... Zij vreesde God, en niemand was er, die van haar een kwaad woord sprak.

Toen zij had gehoord, dat Ozias beloofd had de stad na vijf dagen over te geven, deed zij de oversten Chabri en Charmi bij zich roepen, en zeide tot hen; wat beduidt dit, dat Ozias toegestemd heeft de stad aan de Assyriërs over te leveren, indien er voor ons binnen vijf dagen geene hulp komt? Wie zijt gij, om aldus den Heer te tergen? Op zulke wijs verwerft men mijne barmhartigheid niet, maar men wekt integendeel alzoo zijne gramschap en zijnen toorn op. Gij gaat aan den Heer de tijd van zijne barmhartigheid bepalen, en beperkt hem den dag daartoe volgens uw goeddunken. Doch aangezien de Heer geduldig is, laat ons hierover ook leedwezen hebben, en zijne genade met ootmoedigheid verwachten. Hij zal de Heidenen, die tegen ons opstaan, vernederen, en hij, die onze Heer en God is, zal hen tot schande stellen. Nu dan, o broeders! die de oversten van Gods volk zijt, beurt veeleer, door eene treffende aanspraak, hunne harten op, en doet hun gedenken, dat onze voorvaders beproefd zijn geweest, omdat men zoude zien, of zij hunnen God waarlijk dienden. Brengt hun onder het oog, dat onze vader Abraham is beproefd geweest, en dat hij, door veel lijden beproefd zijnde. Gods vriend is geworden. Zoo zijn ook Izaak, Jacob, Mozes, en allen die aan God behaagd hebben, door veel lijden gegaan, en den Heere getrouw gebleven. Doch die de beproeving niet ontvangen hebben in de vrees Gods, maar hunne onlijdzaamheid en hun schan-dig morren hebben getoond, zijn door den verdervenden engel vernield, en door de slangen vermoord geworden. Daarom laat ons niet wrevelig zijn om hetgene wij lijden, maar denkende dat deze straffen minder zijn dan onze zonden verdienen, laat ons gelooven, dat de geesels des Heeren, met welke Wj ons kastijdt, ons tot onze beteinis, en niet tot ons verderf, overkomen. — Ozias en de oversten antwoordden: alles, wat gij gezegd hebt, is waar; bid dan voor ons, want gij zijt eene heilige en godvreezende vrouw. Judith sprak nu: daar gij bekent, dat hetgeen ik u heb mogen zeggen, van God komt, zoo beproeft ook of het van God is, hetgeen ik voorgenomen heb te doen, en bidt dat God mijn voornemen

20

303

-ocr page 308-

Geschiedenis

wille ondersteunen. — Begeeft u dan dezen nacht bij de stadspoorten. Ik zal met mijne dienaars uitgaan; bidt sleclits, dat God, gelijk gij gezegd hebt, binnen vijf dagen op zijn volk van Israël genadig nederzie. Doch ik wil niet, dat gij onderzoekt wat ik voornemens ben te doen: en tot den tijd toe, dat ik u daarvan de boodschap brenge, moet er niets geschieden, dan dat men God voor mij bidde. Ozias zeide Laar: ga in vrede, de Heer zij met u, tot straf onzer vijanden.

Als zij weg waren, sloot Judith zich in hare kamer; zij trok een haren kleed aan, strooide assche op haar hoofd, viel op haar aangezigt neder voor den Heer, en riep tot hem: Heer en God van mijnen vader Simeon! ik bid ü, sta mij, eene weduwe bij... Toon thans, dat Gij onze God zijt. Geef mij standvastigheid, om Holofernes te versmaden, en kracht, om hem te verslaan... Verhoor mij, ellendige, die al mijn betrouwen op uwe barmhartigheid stel, in mijn verzoek, ó God! herinner uw verbond; stel zoodanige woorden in mijnen mond, en versterk het voornemen mijns harten dermate, dat uw huis in uwe heiligmaking blijve, opdat alle volkeren mogen kennen, dat Gij de ware God zijt, en er buiten U geen andere te vinden is.

Na deze bede tot den Heer, stond zij op. Zij riep haar dienstmaagd, trok haar boetkleed uit, en legde haar weda-welijk gewaad af. Zij wiesch zich, bestreek zich met welrie-kenden balsem, krulde haar hoofdhaar, en trok haar feestgewaad aan. Zij deed sandalen aan, alsmede armbanden, zij hing eene gouden keten aan haren hals, ringen in de ooren en aan de handen, en versierde zich met al hare juweelen. God zelf vermeerderde haren luister, dewijl geene zinnelijkheid, maar deugd hare drijfveer was. Zij gaf nu hare dienstmaagd eene flesch wijn, een vaatje olie, meel, gedroogde vijgen, brood en kaas, en alzoo ging zij henen. Wanneer zij aan de stadspoorten kwamen, vonden zij Ozias en de oversten van de stad, die haar verwachtteden. Als zij Judith bezagen, werden zij over hare schoonheid door verwondering als weggerukt. Zij lieten, haar nogtans gaan, zonder iets te vragen, maar zeiden alleenlijk: de God onzer voorvaderen zij u gunstig, en ver-sterke uw voornemen door zijne kracht, opdat Jeruzalem over u moge roemen, en uw naam onder het getal der Heiligen en regtvaardigen moge gesteld worden. Al do omstaanders zeklen eenparig: Amen! Amen! Judith ging biddende de poort uit met hare dienstmaagd.

Als zij omtrent den opgang der zonne den berg afkwamen, kwam de voorwacht der Assyriërs haar te gemoet; zij hielden haar staan, en vroegen: van waar komt gij? Of waar gaat

306

-ocr page 309-

van het Oude Testament^ 307

gij henen? Juditli antwoordde: ik ben eene hebreeuwsche vrouw, en ik vlugt van hen weg: want ik weet, (1) dat zij u tot roof zullen gegeven worden, omdat zij, u verachtende, zich niet van zelfs hebben willen overgeven, en alzoo barmhartigheid ontvangen. Daarom heb ik bij mij zelve gedacht: ik zal tot den veldoverste Holofernes gaan, om hem hun geheim te ontdekken, en hem aan te wijzen door welken weg hij hen kan overwinnen, zonder dat hij een enkel man van zijn leger zal verliezen.

De mannen aanhoorden hare woorden met aandacht, bezagen haar gelaat, en hunne oogen werden als bedwelmd door de verwondering over hare schoonheid. Zij zeiden haar; gij hebt uw leven gered, omdat gij zoodanigen vond hebt uitgedacht, van tot onzen heer te komen; wees verzekerd, dat, als gij voor zijn aanschijn zult staan, hij u wel zal behandelen, en gij hem aangenaam zult zijn. Zij bragten haar vervolgens in de tent van Holofernes, en boodschapten hem, dat daar eene vrouw was, die hem iets belangrijks had mede te deelen. Als nu Judith, voor Holofernes gebragt, hem zag zitten onder een purper verhemelte, met goud, smaragden en andere edelgesteenten versierd, viel zij voor hem ter aarde. Doch de dienaars van Holofernes hieven haar door zijn bevel op, en Holofernes sprak: wees niet bevreesd: want ik heb nooit iemand leed gedaan, die Nabuchodonozor heeft willen dienen. En indien uw volk mij niet versmaad had, zoude ik hun nooit den oorlog hebben verklaard. Maar zeg mij: waarom zijt gij van hen weggegaan? En wat heeft u aangezet om tot ons te komen? Judith antwoordde: neem de woorden van uwe dienaresse in dank aan, want indien gij deze woorden volgt, zal God door u wondere dingen vemgten. Verder verhief zij hem hemelhoog en zeide; dat, door hem, niet alleen de menschen, maar ook de dieren Nabuchodonozor zouden dienen. Bat hij vernuftig en milddadig xoas, en dat God de Bethuliërs om hunne zonden zoude overleveren; dat zij, dit wetende, van hen teas gevlugt, en dat de Heer haar gezonden had om dit te boodschappen, enz.

Al deze woorden, op eenen ongekunstelden toon uitgepro-ken, behaagden aan Holofernes en zijne dienaars ten hoogste. Zij waren zeer verwonderd over hare wijsheid, en zeiden tot elkander: zulkdanige vrouw, zoo schoon, zoo bevallig en zoo welsprekend, is er in geheel de wereld niet te vinden. Holofernes zeide overigens tot haar: God heeft welgedaan, dat hij u vooraf heeft gezonden, om dit volk in onze handen te leveren. Dan dewijl uwe belofte goed is, zoo zal uw God,

1) Het voornemen van Judith, om haar volk te verlossen, kwam van God; maar do leugens, die zij gebruikte, en het middel, om dit uit te Toeren, kwamen van haar alleen.

-ocr page 310-

Geschiedenis

wille ondersteunen. — Begeeft u dan dezen nacht bij de stadspoorten. Ik zal met mijne dienaars uitgaan; bidt sleclits, dat God, gelijk gij gezegd hebt, binnen vijf dagen op zijn volk van Israël genadig nederzie. Doch ik wil niet, dat gij onderzoekt wat ik voornemens ben te doen : en tot den tijd toe, dat ik u daarvan de boodschap brenge, moet er niets geschieden, dan dat men God voor mij bidde. Ozias zeide haar: ga in vrede, de Heer zij met u, tot straf onzer vijanden.

Als zij weg waren, sloot Judith zich in hare kamer; zij trok een haren kleed aan, strooide assche op haar hoofd, viel op Laar aangezigt neder voor den Heer, en riep tot hem: Heer en God van mijnen vader Simeon! ik bid ü, sta mij, eene weduwe bij... Toon thans, dat Gij onze God zijt. Geef mij standvastigheid, om Holofernes te versmaden, en kracht, om hem te verslaan... Verhoor mij, ellendige, die al mijn betrouwen op uwe barmhartigheid stel, in mijn verzoek, ó God! herinner uw verbond; stel zoodanige woorden in mijnen mond, en versterk het voornemen mijns harten dermate, dat uw huis in uwe heiligmaking blijve, opdat alle volkeren mogen kennen, dat Gij de ware God zijt, en er buiten ü geen andere te vinden is.

Na deze bede tot den Heer, stond zij op. Zij riep haar dienstmaagd, trok haar boetkleed uit, en legde haar wedu-welijk gewaad af. Zij wiesch zich, bestreek zich met welrie-kenden balsem, krulde haar hoofdhaar, en trok haar feestgewaad aan. Zij deed sandalen aan, alsmede armbanden, zij hing eene gouden keten aan haren hals, ringen in de ooren en aan de handen, en versierde zich met al hare juweelen. God zelf vermeerderde haren luister, dewijl geene zinnelijkheid, maar deugd hare drijfveer was. Zij gaf nu hare dienstmaagd eene flesch wijn, een vaatje olie, meel, gedroogde vijgen, brood en kaas, en alzoo ging zij henen. Wanneer zij aan de stadspoorten kwamen, vonden zij Ozias en de oversten van de stad, die haar verwachtteden. Als zij Judith bezagen, werden zij over hare schoonheid door verwondering als weggerukt. Zij lieten haar nogtans gaan, zonder iets te vragen, maar zeiden alleenlijk: de God onzer voorvaderen zij u gunstig, en ver-sterke uw voornemen door zijne kracht, opdat Jeruzalem over u moge roemen, en uw naam onder het getal der Heiligen en ■ regtvaardigen moge gesteld worden. Al de omstaanders zeiden eenparig: Amen! Amen! Judith ging biddende de poort uit met hare dienstmaagd.

Als zij omtrent den opgang der zonne den berg afkwam an, kwam de voorwacht der Assyriërs haar te gemoet; zij hielden haar staan, en vroegen: van waar komt gij? Of waar gaat

806

-ocr page 311-

van het Oude Testament^ 307

gij henen? Judith antwoordde: ik ben eene hebreeuw scha vrouw, en ik vlugt van hen weg: want ik weet, (1) dat zij n tot roof zullen gegeven worden, omdat zij, u verachtende, zich niet van zelfs hebben willen overgeven, en alzoo barmhartigheid ontvangen. Daarom heb ik bij mij zelve gedacht: ik zal tot den veldoverste Holofernes gaan, om hem hun geheim te ontdekken, en hem aan te wijzen door welken weg hij hen kan overwinnen, zonder dat hij een enkel man van zijn leger zal verliezen.

De mannen aanhoorden hare woorden met aandacht, bezagen haar gelaat, en hunne oogen werden als bedwelmd door de verwondering over hare schoonheid. Zij zeiden haar; gij hebt uw leven gered, omdat gij zoodauigen vond hebt uitgedacht, van tot onzen heer te komen; wees verzekerd, dat, als gij voor zijn aanschijn zult staan, hij u wel zal behandelen, en gij hem aangenaam zult zijn. Zij bragten haar vervolgens in de tent van Holofernes, en boodschapten hem, dat daar eene vrouw was, die hem iets belangrijks had mede te deelen. Als nu Judith, voor Holofernes gebragt, hem zag zitten onder een purper verhemelte, met goud, smaragden eu andere edelgesteenten versierd, viel zij voor hem ter aarde. Doch de dienaars van Holofernes hieven haar door zijn bevel op, en Holofernes sprak: wees niet bevreesd: want ik heb nooit iemand leed gedaan, die Nabuchodonozor heeft willen dienen. En indien uw volk mij niet versmaad had, zoude ik hun nooit den oorlog hebben verklaard. Maar zeg mij: waarom zijt gij van hen weggegaan? En wat heeft u aangezet om tot ons te komen? Judith antwoordde: neem de woorden van uwe dienaresse in dank aan, want indien gij deze woorden volgt, zal God door u wondere dingen vemgten. Verder verhief zij hem hemelhoog en zeide; dat, door hem, niet alleen de meimhen, maar ook de dieren Naluchodonozor zouden dienen. Bat hij vernuftig en milddadig was, en dat God de Bethidiërs om hunne zonden zoude overleveren; dat zij, dit wetende, van hen was gevhigt, en\' dat de Heer haar gezonden had om dit te hoodschappen, enz.

Al deze woorden, op eenen ongekunstelden toon uitgepro-ken, behaagden aan Holofernes en zijne dienaars ten hoogste. Zij waren zeer verwonderd over hare wijsheid, en zeiden tot elkander: zulkdanige vrouw, zoo schoon, zoo bevallig en zoo welsprekend, is er in geheel de wereld niet te vinden. Holofernes zeide overigens tot haar: God heeft welgedaan, dat hij u vooraf heeft gezonden, om dit volk in onze handen te leveren. Dan dewijl uwe belofte goed is, zoo zal uw God,

1) Het voornemen van Judith, om haar volk te verlossen, kwam van God; maar do leugens, die zij gebruikte, en het middel, om dit uit te Toeren, kwamen van haar alleen.

-ocr page 312-

Geschiedenis

indien hij dit voor mij uitwerkt, ook mijn God zijn, en uw naam zal vermaard worden.

BEMERKING. De schoonheid van Judith is slechts eene schaduw van de schoonheid eener ziel, die in staat van genade is, die God bovenal bemint, die de aardsche ijdelheid versmaadt, die door den Heer met zijnen inwendigen glans vervuld wordt. Wie zal zulke schoonheid achterhalen? Waarom trachten wij niet vuriger naar deze schoonheid? Waarom besmeuren wij die zoodanig door onze zonden? Wij moeten dan de deugden beminnen, en de zonden haten, ten einde te behagen aan den hemelschen Bruidegom, die ons meer en meer zal begiftigen met zijne genaden, en eindelijk als tot zijne bruid zal zeggen; hoe schoon zijt gij, o mijne vrienden, hoe schoon zijt gij! Cant. 1. 14-., en haar binnen laten in de eeuwige bruiloftszaal.

III. HOOFDDEEL.

Holofernes roept Judith ten avordmaal. Judith onthooft hem. Zij keert naar Bethulië weder. Het hoofd wordt op de vesten gehangen. De Assyriërs nemen de vlugt. Lof van Judith. 12. 13. 14. 15. 10. — Het jaar der wereld 3348.

Daarna gebood Holofernes, dat men haar in de tent, alwaar zijn zilverwerk bewaard werd, zoude brengen, en dat zij daar zoude blijven. Hij beval ook, dat men haar geregten van zijne tafel zoude geven; maar Judith zeide; ik mag van die dingen, die gij beveelt mij te geven, niet eten, maar ik zal eten van hetgene ik medegebragt heb. Zijne dienaars bragten haar vervolgens in de kamer: zij verzocht, dat men haar zoude toelaten \'s nachts en voor den dageraad uit te gaan, om den Heer gedurende drie dagen te bidden. Zij ging dus alle nachten uit naar het dal van Bethulië, en wiesch zich in de bron. Als zij wederkeerde, bad zij God, dat hij baar wilde besturen tot redding van zijn volk. Terug zijnde, bleef zij in hare tent en vastte tot \'s avonds.

Op den vierden dag gaf Holofernes een groot feest voor zijne dienaars, en zeide tot Vagaö, zijnen kamerling: ga heen, en verzoek de hebreeuwsche vrouwe, dat zij ook dit feest met hare tegenwoordigheid wille vereeren. Vagaö kwam dan bij Judith, en zeide: o schoone vrouw! verwaardig u bij mijnen Heer te komen, om voor zijn aanschijn geëerd te worden, en met hem spijs en drank te nuttigen. Judith antwoordde : wie ben ik toch, dat ik mijnen Heer zoude durven tegenspreken ? Zij stond dan op, deed haar feestgewaad aan, begaf zich vervolgens in de tent van Holofernes, en

308

-ocr page 313-

van het Oude Testament,

309

bletf in eene eerbiedige houding voor hem staan. Deze zeide haar: zet u neder en eet en drink nu met vrolijkheid; want gij hebt gunst in mijne oogen gevonden. Judith antwoordde : ja, mijn Heer, want heden ben ik meer verheven, dan ik al de dagen mijns levens geweest ben, Zij at en dronk dan (zittende voor zijn aangezigt ter zijde aan eene andere tafel) van hetgene hare dienstmaagd bereid gemaakt had. Holofernes was ook zeer vrolijk, en dronk uitermate veel wijn. Toen het nu reeds laat geworden was, gingen ook zijne dienaren, die vrij wel beschonken waren, naar hunne verblijfplaats; en Vagao sloot de deur der slaapkamer toe. Judith bevond zich thans alleen in het vertrek van Holofernes. Deze lag op het bed door verregaande dronkenschap in slaap gevallen. Judith gebood hare dienstmaagd, dat zij buiten de tent de wacht zou houden. Nu stond zij voor het bed van Holofernes, bad met tranen en verzuchtte in stilte. Versterk mij, o Heer en God van Israël! en keer op dit oogenblik uwe oogen naaide werken mijner handen, opdat gij, volgens uwe gelofte, Jeruzalem, uwe stad, moget verhellen ; geef, dat ik datgene moge volvoeren, wat ik in u meende te vermogen. Thans ging zij naar den pilaar, die aan het hoofdeinde van zijn bed stond, ontbond zijn daaraan gehecht zwaard, trok het uit, de scheede, greep hem bij het haar en zeide: versterk mij, o Heer God, op dezen stond; en hieuw hem, in twee slagen, het hoofd af. Nu nam zij het beddebehangsel van den pilaar weg, en wentelde zijn onthoofd lichaam in de legerstede. Na een luttel tijds ging zij uit, gaf hare dienstmaagd het hoofd over, en beval dit in eenen zak te steken. Vervolgens gingen zij beide henen, volgens hare gewoonte, alsof zij haar gebed gingen verrigten. Zij trokken door het leger en kwamen vervolgens aan de poorten der stad. Judith riep nu var. verre tot de poortwachters: opent de poorten! want God is met ons, en hij heeft zijne magt over Israël getoond. Als de mannen hare stem hoorden, ontboden zij de oversten, en al het volk, klein en groot, en snelden haar met brandende toortsen te gemoet. Zij beklom nu eene verhevene plaats, gebood stilte, en sprak: looft den Heer, onzen God, die degenen, welke op hem betrouwen, niet verlaten heeft; die, door zijne dienstmaagd, zijne barmhartigheid, welke hij aan het huis van Israël toegezegd heeft, heeft uitgewerkt en die den vijand zijns volks heden nacht door mijne handen heeft gedood. Nu trok zij het hoofd van Holofernes uit den zak, toonde het hun, en zeide: ziet, daar is het hoofd van Holofernes, den veldoverste van het Assyrische leger, en daar is zijn behangsel, onder hetwelk hij dronken lag, wanneer hem de Heer onze God door de hand eener vrouw verslagen

-ocr page 314-

GescMedeim

heeft. Zoo waar als de Heer leeft, zijn Engel heeft mij bewaard, toen ik derwaarts ging, gedurende den tijd, dat ik daar verbleven ben, alsmede op mijne terugkomst. God heeft zijne dienstmaagd, zonder eenige zonde vlek tot u wedergebragt; ook verheug ik mij nu over zijne overwinning; mijne ontkoming en uwe verlossing. Looft en dankt hem allen, want hij is goedertieren, en zijne barmhartigheid zal eeuwig duren. — Ozias en de oversten van het volk loofden en dankten God, en verhieven Judith boven al de vrouwen, die zich nu in zoodanig gevaar gesteld had, om hen daaruit te verlossen.

Nu ging men Achior halen, en Judit zeide tot hem; de God van Israël (voor wie gij getuigenis gegeven hebt, dat hij zich over zijne vijanden wel kan wreken) heeft dezen nacht door mijne hand het hoofd van al die ongeloovigen afgehouwen. En opdat gij het voor waar moogt aannemen, zie, daar is het hoofd van Holofernes, die door zijne trotschheid en baldadigheid den God van Israël versmaad heeft, en u gedreigd had te dooden, zeggende; als het volk van Israël zal gevangen genomen zijn, zal ik u doen doorsteken. Toen Achior liet hoofd van Holofernes zag, stortte hij op zijn aangezigt neder, en viel in onmagt. Nadat hij tot zich zeiven gekomen was, viel hij voor de voeten van Judith, en zeide; gezegend zijt gij van uwen God! want de God van Israël zal in u, onder alle volkeren die van uwen naam zullen hooren spreken, verheerlijkt worden. En Achior nam, van dit oogenblik af, de Joodsche godsdienst aan.

Judith zeide vervolgens tot al het volk; aanhoort mij broeders! hangt dit hoofd op onze muren, En zoohaast de. zon op komt, grijpt dan uwe wapenen, en trekt razend en schreeuwend de stadspoort uit; niet dat gij beneden tot hen moogt afgaan; maar even alsof gij tegen hen een\' uitval kwaamt wagen. Dan zal de voorwacht heengaan om Holofernes te wekken, en hem onthoofd ziende, zal het geheele leger van schrik en vrees ontsteld zijn. En als gij hen ziet vlugten, vervolgt hen dan, want God zal ze onder uwe voeten vermorzelen.

Zoodra dan de dag begon aan te breken, hing men het hoofd van Holofernes op de muren; al de mannen vatteden hunne wapens aan, en vielen met een vervaarlijk gedruisch uit. De voorwacht dit ziende, liep naar de tent van Holofernes, en maakte eenig gerucht om hem hierdoor te ontwaken, doch alles bleef vruchteloos. Nu kwamen de oversten bij de kamerlingen, en zeiden spotsgewijze; gaat toch binnen en wekt hem op, want de muizen kruipen uit hare holen en durven ons tot den slag beroepen. Vagaö trad dan binnen, bleef voor de gordijn staan, en klapte in zijne handen om hem alzoo wakker te maken. Doch daar hij geene de minste

310

-ocr page 315-

van liet Oude Tcdammt.

beweging van eenen slapentlen mensch boorde, kwam hij nader tot de gordijn, ligtte die op, en zag nu den romp van H oio-ternes in zijn bloed gewenteld liggen!... Op dit gezigt gaf hij een luiden gil, weende en scheurde zijne kleederen. Daarna trad hij de tent van Judith binnen, en toen hij haar ook niet ontdekte, sprong hij buiten de tent en riep tot het volk: eene hebreeuwsche vrouw beeft heden bet huis van den koning Nabucbodonozor tot schande gebragt; ziet, Holofernes ligt daar onthoofd! Nadat de Assyrische krijgsoversten dit gehoord hadden, scheurden zij allen hunne kleederen, en eene onbesef-bare vrees en schrik overviel hen. Er ontstond ook een ijsselijk geschreeuw door geheel het leger.

Wanneer nu het gansche krijgsheer vernomen had, dat Holofernes onthoofd was, werden alle zinne- en radeloos, en door schrik en angst vervoerd, namen zij allen de vlugt. Toen de kinderen Israel\'s zagen, dat zij het op vlugten stelden, achtervolgden zij hen, en kwamen, onder het geschal der bazuinen en onder een vervaarlijk gedruisch, het gebergte af-geloopen, en velden al wie zij inhalen konden, neder.

Ook Eliachim, de hoogepriester, kwam van Jeruzalem naar Bethulië met al de priesters, om Judith te zien. Wanneer zij bij hen gekomen was, zegenden zij baar allen en zeiden: gij zijt de luister van Jeruzalem, de vreugd van Israël, en de verheffing van ons volk. Gij hebt manmoedig te werk gegaan. De Heer beeft uw hart versterkt, omdat gij de kuischheid bemindet. Daarom moet gij eeuwig gezegend zijn.

Men konde den buit, dien de Israëlieten behaald hadden, j naauwelijks op dertig dagen bijeen vergaderen. Zij gaven aan Judith al hetgene Holofernes bad bezeten in goud, zilver, kleederen, paarlen en alle huissieraad. — Nu zong Judith, den Heere eenen lofzang, om hem over deze groots overwinning te bedanken. Na deze zegepraal ging al het volk den Heer te Jeruzalem aanbidden; zij droegen allen hunne brandoffers op, en volbragten al hetgene zij God beloofd hadden. Judith offerde, | tot eene heilige gift, al de wapenen van Holofernes, dié het volk haar gegeven had, alsmede het behangsel, hetwelk zij van zijne slaapstede had genomen. Al het volk was verheugd, en het vreugdefeest dezer overwinning werd met Judith drie

II maanden lang gevierd. Ook werd zij zeer vermaard door geheel het land van Israël. Overigens bleef zij in het huis van haren man wonen tot den ouderdom van honderd en vijf jaren, wanneer zij den geest gaf, en in de grafstede van haren echtgenoot begraven werd.I maanden lang gevierd. Ook werd zij zeer vermaard door geheel het land van Israël. Overigens bleef zij in het huis van haren man wonen tot den ouderdom van honderd en vijf jaren, wanneer zij den geest gaf, en in de grafstede van haren echtgenoot begraven werd. Het feest van, deze overwinning, werd ïoor de Hebreeuwen onder hunne heilige Feestdagen gesteld.

BEMERKING. Judith is een volmaakt voorbeeld van alle

311

-ocr page 316-

Geschiedenis

weduwen, De heilige Vaders houden dezen staat in groote waarde en wekken de christene weduwen daartoe op. De heilige Geest beveelt in do heilige Schrift bijzonderlijk zorg te dragen voor de weduwen. Houdt op van kwaad te doen, zegt hij door den profeet Isaïas tot de zondaars, zoekt de geregtigheid, he-schermt de wedmcen en weezen, en komt dan en leschuldigt mij. Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneemc. I. Hoofdd. Bit is de zuivere en onbevlekte godsdienst bij God onzen Vader, zegt hij ook door den apostel Jacobus, de weduwen en weezen in hare bedruktheid te bezoeken, en zich onbesmet te houden van deze wereld. I. Hoofdd. Doch opdat de weduwen haar staat wel beleven, moeten zij, even als Judith, die zich gemeenlijk in hare kamer hield, zich in huis houden, dit verzorgen, en hare kinderen opwekken in de vreeze Gods. 3. Judith vastte alle dagen, en droeg doorgaans een haren kleed om hare lenden; zoo moeten zij ook de boetpleging beminnen, en een vadsig en gemakkelijk leven vlugten. 3. Judith leefde onbekend en vervreemd van de wereld en van de ijdele vermaken. Zij moeten ook de wereldsche gezelschappen vlugten, bijzonderlijk van dartele personen van het andere geslacht, alsook de wereldsche vermakelijkheden, de spelen, de operas, de ballen enz. Judith beminde het gebed en de heilige lezingen. Zij moeten hetzelve ook beminnen, zoc als Paulus zegt: die eene ware weduwe en verlaten is, moet op God betrouwen, en volharden in te smeeken, en dag en nacht te bidden; want die in weelde leeft, die is levend dood. (1. Tim. 5.)

HET BOEK ESTHER.

Dit boek behelst 16 Hoofddeelen, en geeft ons, in den persoon van Esther en Mardocheiis, twee uitmuntende voorbeelden van eene volmaakte godvruchtigheid en van een onverwinnelijk geduld en betrouwen op God. Ook zien wij in hetzelve de nietigheid der wereldsche verhevenheden, en hoe alles door Gods bestuur tot nut zijner uitverkoornen strekt. De geschiedenis had plaats ten tijde van Darius, zoon van Hyctaphes, koning van Verzie, die hier Assuerius genoemd wordt, tcanneer dit koningrijk in eenen bloeijenden staat was en de Joden, door hunne overwinning van Babylon, in Ferzie, Meden, Assyria, en Chaldeën verstrooid waren.

I. HOOFDDEEL.

De maaltijd van Assuërus. Hij ontbiedt Vasthi. Esther wordt koningin. Mardocheiis wil de knieën voor Aman niet buigen, waarom deze besluit al de Joden uit te roeijen. Esther. 1. 2. 3. 4.

Assuërus, koning van Perzië, die van den Indus tot Ethiopië

313

-ocr page 317-

van het Oude Testament. 813

over 137 landschappen gelieersclit heeft, rigtte in het derde jaar zijner regeering, te Susan, de hoofdstad van zijn koningrijk, eenen grooten maaltijd op voor al zijne vorsten en ambtmannen, voor de dappersten onder de Perzen, voor de uitmuntendsten onder de Meden, en voor de oversten der provinciën, opdat hij aldus de schatten van zijn wijd beroemd koningrijk en de verhevenheid zijner magt zoude toonen. De maaltijd duurde 180 dagen. Na het einde van denzelven, noodigde hij al het volk, hetwelk te Susan bevonden werd, groot en klein, ook tot een feestmaal. Hij gebood hetzelve te bereiden voor zeven dagen in de voorplaats van zijnen uitge-strekten tuin en zijne bossohen, die op eene koninklijke wijze beplant waren. Al de genoodigden dronken uit gouden drinkbekers, en de spijzen werden in schotels van allerhande gedaanten opgedischt. Men gaf er ook van den besten wijn in overvloed, zoo als het de grootdadigheid des konings betaamde. Niemand werd tegen zijnen dank tot drinken gepraamd: want de koning had bevolen, dat een zijner vorsten aan elke tafel zoude zitten, opdat eenieder zoo veel zoude nemen, als het hem beliefde. De koningin Vasthi rigtte ook eenen maaltijd op voor de vrouwen, in het paleis waar de koning Assuërus plagt te wonen. Den zevenden dag, wanneer de koning dooiden wijn wat te zeer verheugd was, gebood hij aan zijne kamerlingen, dat zij de koningin Vasthi, met de koninklijke kroon op het hoofd, voor hem zouden binnen brengen, opdat hij hare schoonheid aan al zijn volk en aan zijne vorsten zoude vertoonen, want zij was uitermate fraai. Maar zij weigerde op \'s konings bevel te komen. De vorst, daardoor hoogst verbolgen, vroeg aan de wijzen, die volgens het koninklijk gebruik immer bij hem waren, en door wier raad hij alles deed, omdat zij de wetten des lands volmaakt kenden, welk vonnis men tegen de koningin Vasthi, die \'s konings bevel geweigerd had te volbrengen, moest uitspreken. Mamuchan gaf ten antwoord; de koningin Vasthi heeft niet alleen tegen den koning, maar tegen al het volk en tegen al de vorsten misdaan; want zoodra deze daad der koningin aan al de vrouwen bekend is, zal dit aanleiding geven om hare mans te verachten; zij zullen zeggen: de koning Assuërus heeft geboden dat de koningin Vasthi tot hem zoude komen, maar zij heeft het geweigerd; en naar dit voorbeeld zullen al de vrouwen der vorsten ran Perzië en Meden weinig acht op de \'bevelen harer mannen geven; derhalve is, naar mijn inzien, de verbolgenheid des konings regtvaardig. Indien het den vorst dus behage, dat er dan een koninklijk gebod van hem uitga, inhoudende dat de koningin Vasthi niet meer zal mogen verschijnen voor het aangezigt van den vorst, haren gemaal.

-ocr page 318-

.314 Geschiedenis

maar dat eene andere, die beter is dan zij, hare kroon zal ontvangen. Deze raad behaagde den koning en de vorsten, en Assuërus zond brieven tot alle provinciën, dat de mans in hunne huizen meester zijn,

Nadat dit aldus geschied, en de gramschap van Assuërus nu bedaard was, begon hij op Vasthi te denken, wat zij gedaan had, en wat haar wedervaren was. Nu zeiden zijne hovelingen; dat men voor den koning jeugdige, schoone dochters, door geheel het rijk opzoeke, en die in de stad Susan brenge; en diegene, welke onder alle deze aan \'skonings oogen behagen zal, zal koningin in\' de plaats van Vasthi wezen. Dit woord beviel den monarch, en hij beval dit ten uitvoer te brengen.

Er was te Susan een Jood, Mardocheüs genoemd, die met den Joodschen koning Jechonias, naar Babyion gevankelijk was weggevoerd. Hij was de voedsterheer van Edissa, dochter zijns broeders, anders genoemd Esther, die bovenmate bevallig en fraai van gelaat was. Nadat hare ouders gestorven waren, nam haar Mardocheüs voor zijne dochter aan. Onder vele schoone dochters, die te Susan aangebragt en aan Egeüs den kamerling geleverd werden, werd onder deze hem ook Esther gebragt. Doch zij gaf aanvankelijk niet te kennen, dat zij Jodin was, zoo als Mardocheüs haar zulks verboden had Als nu de tijd gekomen was, ging elk van de jonge dochters bij beurte tot den koning, opgetooid met al wat dienen kon om hare schoonheid te verheffen. Toen de beurt aan Esther gekomen was, eischte zij geen vrouwen sieraad, maar was tevreden met hetgene men haar gaf. Zij werd dan ip de kamer des konings geleid, en zij alléén beviel den vorst, die haar dadelijk, in stede van Vasthi, de koninklijke kroon op het hoofd stelde; ook gaf hij een prachtig bruiloftsmaal, en liet, ter dier gelegenheid, groote geschenken uitdeelen.

Sedert dat Esther tot koningin was verheven, zat Mardocheüs dagelijks aan de poort van het paleis, dewijl hij, als pleegvader, gaarne naar haar welzijn vernam. Hot gebeurde bij die gelegenheid eens, dat Bagathan en Thares, denrbe-waarders van het paleis, vertoornd zijnde op den koning, hem zochten te dooden. Als dit Mardocheüs ter oore kwam, gaf hij het aan Esther te kennen. Deze zeide het aan den koning uit naam van Mardocheüs. Nadat de zaak ondetrzocht was geworden, werd zij waar bevonden, en beide schuldigen werden opgehangen. Ook werd dit in de jaarboeken opgeteekend.

Naderhand verhief de koning Aman boven al zijne v,irgten._ Al de dienaars des konings moesten hunne knieën voor Aman buigen, en hem vereeren, want Assuërus had zulks bevolen\'. Mardocheüs alleen weigerde aan dit bevel te voldoen, \'s Konings dienaars zeiden dan tot hem: waarom overtreedt gij

-ocr page 319-

van het Oude Testament. 315

het geLod van den vorst? Daar MardooUeiis naar hem niet luisterde, lieten zij dit aan Aman weten, om te zien, of hij in zijn opzet zoude blijven volharden; want hij had hun gezegd, dat hij Jood was. Als Araan dit gehoord, en bij onderzoek bevonden had, dat Mardocheüs voor hem de knieën niet boog, noch hem vereerde,, werd hij op hem zeer verbolgen. Poch hij besloot, niet alleen om Mardocheüs ter dood te brengen, want hij had gehoord dat hij van de Joodsche natie was, maar hij zocht al de Joden te verdelgen, die het rijk van Assuërus bewoonden.

In de eerste maand, Nisan genoemd, in het 12e jaar der regering van Assuërus, werd voor Aman\'s oogen het lot geworpen, op welken dag en op welke maand het joodsche volk moest gedood worden: en het lot viel op de twaalfde maand Adar. Aman zeide dan tot den koning: er is een volk, dat door al de provinciën van uw rijk verstrooid, doch van elkander is gescheiden, hetwelk nieuwe wetten en plegtigheden gebruikt; en daarenboven ook des konings wetten veracht. Gij weet zeer wel, dat het u niet voordeelig, is, dat dit volk door al te groote gedoogzaamheid hoogmoedig worde. Indien het u dan belieft, geef een gebod uit, dat het gedood worde, «n ik zal 10 duizend talenten aan uw rijkontvangers doen geworden. Op deze woorden nam de koning den zegelring van zijnen vingw, gaf dien aan Aman, vijand der Joden, en zeide tot hem: het geld, hetgene gij belooft, zij het uwe. Verder handel met dat volk naar uw welgevallen. Des konings schrijvers werden dan geroepen op den ISquot;1quot;1 dag van de eerste maand Nisan, en men schreef uit naam van den koning Assuërus, volgens het bevel van Aman, aan al de landvoogden en aan de regters van verscheidene volkeren en provinciën, en de brieven werden met des konings ring gezegeld. Men zond ze door de boden van Assuërus tot al de landschappen, om al de Joden, van den jongsten tot den oudsten, kinderen en vrouwen op eenen dag te dooden, en om hunne goederen tot buit te maken. De brieven waren van dezen inhoud: (nadat de koning betuigd had, dat hij zijne onderdanen met goedertierenheid, in rust en vrede besturen wil, zegt hij;) men heeft mij te kennen gegeven, dat er door geheel de wereld een volk verstrooid is, hetwelk nieuwe wetten gebruikt, de bevelen der koningen versmaadt, en de eendragt van alle menschen door zijne verschillendè gevoelens stoort. — Na dit vernomen te hebben, hebben wij een gebod gegeven, dat al degenen, die Aman, (de oppervoogd van al onze provinciën, en de eerste na den koning, dien wij als onzen vader eeren,) zal willen aanwijzen met vrouwen en kinderen, door hunne vijanden, zonder eenig medelijden, den veertienden dag\' der twaalfde maand Adar van het loopenda

-ocr page 320-

316 Geschiedenis

jaar om het leven zullen gebragt -worden, opdat die booze menschen, op éénen dag ten grave dalende, den vrede, dien gij gestoord hebben, aan ons koningrijk wedergeven.

BEMERKING. Hoe schrikkelijk wordt de mensch door de eerzucht verblind! Welke snoode daden werkt hij daardoor uit! Vrome menschen scheldt hij voor fielten uit; de onderdanen, die het getrouwste aan hunne oversten, en het vrede-lievendste zijn, voor wederspannigen en voor oproermakers. Hij tracht niet anders dan zich door den ondergang van zijnen vijand te verheffen, maar het mislukt dikwijls, zoo als aan den hoovaardigen Aman. Is het niet hier, gewis hiernamaals, want het is eene onverbrekelijke wet van God dat: al wie zich verheft, vernederd zal worden. Matth. 23. 13.

II. HOOFDDEEL.

De jammer van Mardocheüs over dit wreede bevel. Esther verschijnt

voor den koning. Zij l»at den koning en A.man ten maaltijd noodigen.

Aman doet eene galg vervaardigen. Esther. 4. 5.

Toen Mardocheüs dit bevel vernam, scheurde hij zijne kleederen, trok eenen ruwen zak aftn, bestrooide zijn hoofd met asache, jammerde luide en liep huilende de straten door tot voor de poorten va-n het paleis; want niemand mogt het hof mei een treurkleed binnentreden. Ook maakten de Joden in al de provinciën, steden en plaatsen, tot welke het wreede bevel des konings gekomen was, groot misbaar; zij vastteden, huilden en weenden erbarmelijk. Esther\'s staatsjufvrouwen en kamerlingen kwamen haar dit boodschappen, namelijk, dat Mardocheüs zulk een misbaar maakte, en met eenen ruwen zak voor de poort van het paleis bleef zitten. Toen zij dit hoorde, werd hij zeer ontsteld. Zij zond kleederen aan Mardocheüs, opdat hij die zoude aantrekken, en het rouwgewaad afleggen, opdat hij dan weder bij haar ten hove zoude mogen komen, om over die zaak Terder te spreken, maar hij wilde ze niet aanvaarden.

Dan riep zij Athach, den kamerling, dien de koning tot IVare dienst gesteld had, en gebood hem tot Mardocheüs te gaan, ara van hem te vernemen waarom hij dit deed. Athach kwam bij Mardocheüs, die voor de poort van het paleis stond. Mardocheüs maakte hem alles, wat er geschied was, kenbaar, alsmede dat Aman beloofd had, voor het dooden der Joden, in de schatkist des konings geld te storten. Hij gaf hem ook een afschrift van het bevel, hetwelk te Susan hing, opdat hij het de koningin zoude toonen, en haar vermanen om tot den koning te gaan, om voor haar volk te smeeken. Athach boodschapte bij zijne wederkomst aan

-ocr page 321-

van het Oude Testament. 317

Esther alles wat hem Mardockeüs gezegd had. — Deze gebood hemquot; aan Mardocheüs te zeggen; het is wel bekend, aan alle dienaars des konings, en alle provinciën die onder zijn gebied zijn, dat maa of vrouw, die ongeroepen de binnenkamer des konings ingaat, terstond zonder uitstel gedood wordt, tenzij de koning misschien, tot teeken van genade, zijnen gouden schep-ter tot hem uitsteke, en hij aldus in het leven behouden wordt. Hoe zal ik dan tot den koning durven gaan, die nu sedert dertig dagen bij hem niet ben geroepen geweest ?

Mardocheüs deed, na dit vernomen te hebben, op nieuw aan Esther zeggen: laat u niet voorstaan, dat gij uw leven behouden zult, omdat gij in het koninklijke paleis woont. Doch, indien gij nu zwijgt, zoo zullen het de Joden door eene andere gelegenheid ontkomen, en gij en uws vaders huis zult te niet gaan, want God zal dit uw verzuim en uwe onbarmhartigheid tot zijn volk gewis straffen. Wie weet, of gij niet daarom tot het rijk gekomen zijt, opdat gij in zulk eenen benarden tijd ons ter hulp zoudt komen.

Esther liet wederom aan Mardocheüs boodschappen: ga, en vergader al de Joden, die gij te Susan vinden zult, en bidt voor mij. Eet noch drinkt, gedurende drie dagen en drie nachten, en ik zal met mijne dienstvrouwen ook zoo handelen. Alsdan zal ik, tegen de wet, ongeroepen tot den koning gaan, en het levensgevaar trotseren.

Mardocheüs ging dan heen, en deed al hetgene hem Esther bevolen had. Hij stierde zijn gebed tot den Heer, herinnerde zich al zijne wonderheden, en bad aldus: Heer, almogende Koning! alles is in uwe raagt, niemand kan uwen wil weder-staan, indien Gij vastgesteld hebt Israël te verlossen. Hemel en aarde en al wat onder den hemel is, hebt Gij gemaakt. Gij zijt de Heer van alles; niemand kan uwe Majesteit wederstand bieden. Alles is U bewust; Gij weet, dat ik niet uit trotschheid, uit nijd, of uit eenige genegenheid tot ijdelen roem, den hoovaardigen Aman geene eer hebt bewezen; want om den welstand van Israël ware ik ook bereid geweest zijne voetstappen met blijdschap te kussen. Maar ik heb gevreesd de eer van mijnen God aan menschen te bewijzen, en iemand anders te vereeren, dan God alleen. Nu dan, o Heer, Koning eh God van Abraham! wees uw volk genadig, want onze vijanden willen ons verderven, en uwe erfenis gansch uit-roeijen. Versmaad toch uw erfdeel niet, hetwelk Gij voor ü uit Egypte verlost hebt. — Geheel Israël riep dan ook in gelijken geest en in gelijke smeeking tot den Heer, omdat de dood hun zeker aanstaande was.

Op den derden dag trok Esther, na zich te voren door tranen, bidden en vasten bereid gemaakt te hebben, hare

-ocr page 322-

318 Geschiedenis

koninklijke kleederen aan, en trad de voorzaal in van liet paleis, ragt over het verblijf des konings. Deze zat in vollen luister op zijnen troon, ontzagbaar om aan te zien. Zoodra hij Esther zag, ontvlamden zijne oogen van toorn, omdat zij ongeroepen was binnen gekomen. Op dit gezigt viel de koningin in zwijm in de armen harer dienstvrouw. Nu veranderde God het hart des konings in zachtmoedigheid. Hij sprong van angst en kommer van zijnen troon, sloot haar in zijne armen, en vroeg haar teederlijk, toen zij langzamerhand haar bewustzijn herkreeg: wat deert u Esther? ik ben uw broeder, vrees niet, gij zult niet sterven. Deze wet is voor u niet geteeld, maar voor al de anderen. Kom vrij nader, en raak den schepter aan. En daar zij zweeg, legde hij zelf den gouden schepter op haren hals, omhelsde haar verder, en zeide; waarom spreekt gij niet? Zij antwoordde: de luister uwer majesteit had mijn hart geschokt, en dit heeft mij doen bezwijken. En dit zeggende, viel zij weder in onmagt. De koning, geheel ontsteld van Esther in dezen staat te zien, zocht haar te vertroosten. Toen zij eindelijk hersteld was, vroeg hij haar: wat wilt gij, koningin Esther? Wat is uw verzoek? Al verzocht gij de helft van mijn rijk, ik zal het u geven. Zij gaf ten antwoord; indien het den koning belieft, noodig ik u, heden met Aman bij mij ten maaltijd te komen. Deze antwoordde: roep terstond Aman, om aan den wil van Esther .te voldoen. De koning en Aman kwamen dus ten maaltijd, die hun Esther bereid had.

Na het maal vroeg de koning aan Esther; wat begeert gij dat ik u geve, en wat verzoekt gij van mij ? Al verzocht gij de helft van mijn rijk, gij zult het bekomen.

Esther antwoordde; mijn verzoek en mijne bede is deze: indien ik gunst in \'s konings oogen gevonden heb, en indien het den koning belieft mij te geven wat ik verlang, en hij mijne bede toesta, zoo verzoek ik den koning en Aman morgen op nieuw ten maaltijd te komen, dan zal ik mijn verlangen aan cftm koning voorstellen. Assuërus gaf zijn woord, en Aman ging blijde en welgemoed henen; doch als hij Mardocheüs voor de poort van het paleis zag zitten, en hij voor hem niet eens opstond, werd hij zeer vergramd; maar hij bedwong zich tot bij zijne tehuiskomst. Thans ontbood hij zijne vrienden en zijne huisvrouw Zares, bij zich, en stelde hun zijne groote rijkdommen voor; hij sprak hun van zijnen aanzienlijken stam, alsmede van den grooten luister, waarmede hem de koning boven al zijne vorsten en hovelingen verheven had, en voegde er nog bij; de koningin Esther heeft ook niemand anders met den koning ten maaltijd geroepen, mij dan alleen, en morgen zal mij nog eens die groote eer te beurt vallen.

-ocr page 323-

van het Oude Testament, 319

Doch met dit alles meen ik echter niets te hebben, zoolang \' i ik den Jood Mardocheüs voor het paleis zie zitten.

Zares, zijne huisvrouw, en zijne vrienden antwoordden; doe Bene galg maken van vijftig ellen hoog, en verzoek morgen pan den koning om Mardocheüs daar aan te hangen, zoo zult rij vrolijk met den monarch ter tafel gaan. Deze raad behaagde iiem, en hij gaf daartoe aanstonds de noodige bevelen. .

BEMERKING. Alzoo folteren de eerzuchtige menschen rich zeiven in hun gemoed, omdat zij al hunne verlangens-niet kunnen inwilligen. Hebt dan in de wereld al de eer en rijkdommen van Aman, indien er maar iets ontbreekt van lietgene gij driftig verlangt, is het alsof gij niets hadt. De lerzucht is dus eene overgroote ellende en onrust, en het is een groot geluk en rust, gering en ootmoedig te zijn.

III. HOOFDDEEL.

Assuërus dwingt Aman Mardocheüs te eeren, omdat deze een verraad ontdekt had. Esther, 6.

\'s Nachts daarna konde de koning niet slapen. Hij liet zich derhalve de jaarboeken zijner voorgaande regeering voorlezen. Onder het lezen kwam men tot de plaats, alwaar geschreven stond, hoe Mardocheüs den ven-aderlijken aanslag van de kamerlingen Bagatham en Tharses, die den koning Assuërus zochten te vermoorden, kenbaar gemaakt had. Toen de vorst flit hoorde lezen, vrog hij met zigtbare belangstelling: wat eer of verheffing heeft Mardocheüs voor deze trouwe dienst ontvangen? De voorlezer antwoordde: hij heeft er geen het minste loon voor ontvangen

Hierop vroeg de koning: wie is daar in de voorzaal? De dienaars antwoordden: het is Aman. (deze was daar gekomen om het verlof tot het ophangen van Mardocheüs). De koning beval van hem binnen te roepen, en vroeg hem: welke eer zou men moeten bewijzen aan dien man, welken de koning wil eeren? Aman, meenende dat Assuërus niemand dan hem wilde eeren, antwoordde: de man, dien de koning eeren wil, moet in koninklijk gewaad uitgerust worden; hij\' moet een rijpaard des vorsten bestijgen, en de koninklijke kroon op zijn hoofd hebben; een der voornaamste vorsten zal zijn paard leiden, en langs de straten der stad voor hem gaan roepen: aldus moet hij geëerd worden, dien de koning wil eeren. — Assuërus hernam: doe zulks zonder uitstel aan Mardocheüs den Jood, die voor het paleis zit. Zie wel toe, dat gij niets verzuimt van hetgene gij gezegd hebt. Aman ging heen, en

-ocr page 324-

Geschieih nit

nadat hij Mavdoclietts het kleed aangetrokken, en hem op \'s kouiugs rijpaard had gezet, ging hij door de straten der stad vooruit, en riep: alzoo moet hij geëerd worden, dien de koning eeren wil. Na deze plegtigheid, kwam Mardocheüs wederom zoo als te voren aan het paleis zitten, en Aman spoedde zich vol spijt met bedekten hoofde naar huis. Hij verhaalde aan Zares, zijne vrouw, en zijne vrienden, al wat hem wedervaren was. Zijne raadslieden en zijne echtgenoote zeiden: bijaldien Mardocheüs, voor wien gij hebt begonnen te vallen, een Jood is, zult gij hem niet kunnen wederstaan, maar voor hem bezwijken. Terwijl zij nog hierover spraken, kwamen de kamerlingen des konings, en bevolen hem dadelijk tot den maaltijd der koningin te komen.

BEMERKING. De verhevene eer, die Mardocheüs hier bekcjmt, is een afbeeldsel van de onbegrijpelijke eer, die de zaligen in den hemel ontvangen, omdat zij den Koning der koningen hier getrouw gediend hebben. Deze eer en het minste deel daarvan is wonderbaar en zoo groot, dat al de eer, die al de vorsten en koningen van deze wereld ooit hebben ontvangen, daarbij vergeleken, maar kinderspel en een niet is; want zij worden niet alleen geëerd van de Engelen en de Heiligen, maar van God zeiven, die hen kroont, en hun eene eer geeft, die eeuwig zal duren. Ach! waarom denken wij daar zoo weinig op! Deze gedachten zouden ons bewegen om alle aardsche eer te verachten, en alle vermaad-heid om God hier gaarne te lijden, door de verwachting van die oneindige en eeuwige eer in den hemel.

IV. HOOFDDEEL.

Esther smeekt tijdens den maaltijd om liaar leven. Aman wordt aan de

galg gehangen. Het bevel, tegen de Joden gegeven, wordt herroepen.

Zij dooden hunne vijanden. Esther 7. 8. 9. Het jaar der wereld 3495.

De koning en Aman waren dus weder aan het feestmaal der koningin gezeten. De koning vroeg dan op nieuw: wat verzoekt gij, Esther, dat u vergund worde, en welk is uwe bede? Al verzocht gij ook de helft van mijn rijk, gij zult het verwerven. Nu gaf zij dit antwoord: indien ik, o koning! genade in uwe oogen gevonden heb, en indien het u belieft, zoo behoud mij en mijn volk, voor hetwelk ik smeek, in het leven: want wij, ik en mijn volk, zijn geleverd om vertreden, om vermoord en uitgeroeid te worden. Dat men ons nog tot slaven en slavinnen verkochte, zulks ware dragelijk, en zuchtende zoude ik gezwegen hebben; maar nu hebben wij eenen vijand, wiens wreedheid aan den koning wordt toegeweten.

320

-ocr page 325-

van het Oude Testament.

Assuërus vroeg hierop : wie is hij ? en wie is er zoo magtig, om zulks te willen begaan? Esther antwoordde: deze vijand, deze onze verdrukker, is die boosaardige Aman. Op het hoo-ren dezer woorden, werd Aman verschrikt, ja kon den aanblik des konings en der koningin niet verdragen. Assuërus door gramschap ontstoken, stond op en ging in zijnen lusthof. Aman stond ook op om de koningin Esther voor zijn leven te bidden: want hij zag wel, dat de koning iets kwaads tegen hem in den zin had. Hij wierp zich dan op de knieën voor Esther, en smeekte zijn lijfsbehoud af. Toen nu de koning wederkwam, en hem voor de voeten der koningin uitgestrekt zal liggen, riep hij toornig uit: wel hoe, wil deze, zelfs ocder mijne oogen en in mijn paleis, de koningin geweld aandoen? Naauwelijks had de koning die woorden gesproken, of de hovelingen dekten Aman\'s aangezigt met eenen sluijer, als niet waardig zijnde den koning te zien; en Harbona, een der kamerlingen, zeide: er staat voor het huis van Aman eene galg van 50 ellen, voor Mardooheüs bereid gemaakt. De koning zeide: hang Aman daaraan. Dit werd dadelijk uitgevoerd, en de gramschap des konings bedaarde zich.

Nog dien zelfden dag gaf de koning het huis van Aman aan Esther. Mardocheüs kwam zich nu ook aan den koning ver-toonen: want Esther had beleden, dat hij haar oom was. Assuërus nam den zegelring, dien hij van Aman had doen weder-nemen, en overhandigde dien aan Mardocheüs. Wijders viel Esther voor de voeten des konings, en bad hem weenende, dat de boosheid van Amfm en zijne uitvinding tegen de Joden - zouden vernietigd, en de oude moordplakaten van Aman zouden ingetrokken worden. De monarch antwoordde aan Esther en Mardocheüs: schrijft gij aan de Joden, zoo als het u belieft, uit mijnen naam, en zegelt de brieven met mijnen ring. Dadelijk werden er dan andere brieven aan de Joden geschreven, en deze werden door renboden naar al de provinciën gebragt, om alzoo den moord en de uitroeijing te voorkomen. De koning beval hen ook, dat zij in de steden de Joden zouden bijeenroepen, en hun zeggen, dat zij al hunne vijanden met vrouwen en kinderen zouden dooden. Deze wraakneming werd op den dertienden dag van de maand Adar vastgesteld.

In al de steden, waar dit nieuwe bevel aankwam, waren de Joden uitnemend verheugd. Op den dertienden dag der twaalfde maand, op welken dag het besloten was al de Joden te dooden, begonnen deze zich over hunne vijanden te wreken. Zij dooden in Sussan vijf honderd man, behalve de tien zonen van Aman, die de koningin Esther aan den koning verzocht had te doen hangen. Het getal der gedooden dooi

21

331

-ocr page 326-

Geschiedetvis

al de provinciën was vijf en zeventig duizend man. De Joden stelden ook eenen feestdag in, opdat zulk groot voorval nooit uit het geheugen zoude gaan.

Beve\'. van den koning Assuërus ten voordeele der Joden, tegen dat van Aman. Esther. 16.

Artaxerxes, groote koning, van den Idus af tot Ethiopië, aan de oversten van 127 landschappen; heil en zegen. Men heeft ontwaard, dat vele menschen de goedheid der vorsten, en de eer, die hun aangedaan is, door hoovaardij misbruiken, zoo dat zij niet alleen trachten de onderdanen des konings te verdiuk-keu, maar zelfs, daar zij den roem, die hun vergund is, niet kunnen verdragen, hunne weldoeners zoeken lagen te leggen. Het is hun niet genoeg ondankbaar te zijn voor de verkregene weldaden, maar zij meenen ook het oordeel van den alzienden God te kunnen ontvlugten. Ja, zij komen tot zulke groote dwaasheid, dat zij degenen die hunne ambtspligten naarstig volbrengen, en alles zoo doen dat zij allen lof waardig zijn, arglistig tot den val trachten te brenger. Gij moet niet denken, zoo wij nu andere dingen gebieden, dat zulks uit ligtzinnigheid voortkomt, maar dat wij onze vonnissen geven volgens den nood der tijden, en zoo als het algenieene welzijn vereischt. Doch opdat gij duidelijker verstaat hetgene wij willen zeggen, zullen wij u het volgende onder het oog brengen: Aman, die door zijne wreedheid onze goedheid besmeurd heeft, is, schoon hij een vreemdeling was, van ons beleefd ontvangen geweest, en nadat wij hem met alle goedheden overladen hadden, zoo verre dat hij onze vader genoemd, en van alle menschen als de eerste na den koning vereerd werd, is hij tot zulk eene verwaandheid gekomen, dat hij ons van ons rijk en leven wilde berooven: want hij heeft Mardocheüs, door wiens trouw wij nog in het leven zijn, en de gezellin van ons rijk, Esther, met al haar volk, door eene ongehoorde arglistigheid willen doen vermoorden... Doch wij hebben bevonden, dat de Joden, die door dezen booswicht ter dood verwezen waren, onschuldig zijn, en naar regtvaardige wetten leven; dat zij kinderen zijn van den allerhoogsten en eeuwiglevenden God, door wiens weldaad aan onze vaders en aan ons het koningrijk gegeven, en tot den huldigen dag behouden is. Daarom weet, dat de brieven, die hij uit onzen naam gezonden heeft, van geener waarde zijn en als nietig moeten beschouwd worden. Voor deze misdaad hangt nu diegene, die het uitgevonden heeft, en geheel zijn aanhang, voor de poort van de stad Sussan aan de galg; niet dat wij, maar God zelf hem naar zijne verdiensten vergolden heeft.

Dit bevel, hetwelk wij u toezenden, zult gij in al uwe steden aanplakken, opdat de Joden volgens hunne wetten vrijelijk

323

-ocr page 327-

■van het Oude Ttdmnent. 323

leven. Gij zult hen ook helpen, opdat zij diegenen om het leven brengen, die zich tot hun verderf bereid hadden, op den dertienden dag van de maand Adar : want de almogende God heeft hun dezen dag, die hun een dag van rouw en droefheid moest wezen, in blijdschap veranderd. Daarom zult gij hem ook onder uwe andere Feestdagen stellen, en hem vrolijk vieren, opdat voortaan bekend zij, dat al degenen, die de Perzen onderdanig zijn, het waardige loon ontvangen van hunne trouw; maar dat zij, die aan het rijk lagen leggen, om hunne misdaad op eene voorbeeldige wijze gestraft worden.

BEMERKING. De koning Assuërus is niet beschaamd openlijk te bekennen, dat een eerzuchtig mensch hem bedrogen had, en in stede van voort te gaan met de beslotene wreedheid, doet hij dezelve ophouden, zoohaast hij beter onderrigt was. God toont hier, dat hij het hart der koningen in zijne handen heeft, en het ten goede wendt, als het hem belieft... Aman met zijnen aanhang wordt regtvaardig met den dood gestraft, die in hem werd volbragt, hetgene de koninklijke Profeet tegen allen, die boosheden smeden, zoo duidelijk voorzegd heeft: lüj had eenen put gedolvtn, en hij zelf was er in gevallen. Psalm 7. 16.

HET BOEK JOB.

Men meent dat Job omtrent het jaar der wereld 2299 zoude geboren zijn, bijna tenzelfden tijde als Jacob met zijn huisgezin zich naar zijnen zoon Josef in Egypte begaf, en dat deze geschiedenis plaats had, voor dat God de geschrevene wet door Mozes gegeven heeft. Het voornaamste punt, hetivelk hier betwist en verhandeld wordt tusschen Job en zijne vrienden, is, of God in dit leven de boozen maar alleen straft, en niet de goeden, en of de grootheid der straffen een klaar bewijs is van de grootheid der zonde in dengenen, die met druk en lijden van God geslagen wordt. De vrienden van Job willen, door vele en langdradigs redenen, betoonen, van ja; Job toont integendeel zijne onschuld, en bewijst aldus, dat de druk en het lijden, die God aan vrome menschen overzendt, geenszins een teeken is, dat zij pligtig zijn aan grove misdaden, maar dat dit dient om hen te zuiveren van de kleine gebreken, en om hun gelegenheid te geven van groote verdiensten te verwerven. — Bit boek behelst 42 lloofd-deelen.

-ocr page 328-

Geschiedenis

I. HOOFDDEEL.

Deugden van Job. Hij verliest alles. Ziju\' geduld. Job, 1.2.3. 11. 12.19 en SI

In het land van Hus leefde een man met name Job. Hij was zeer rijk in kudden, en had zeer vele dienstknechten. God zegende zijnen arbeid, en alles, wat hij bezat, groeide dagelijks aan, zoodat hij de rijkste en magtigste werd van al degenen die in het Oosten woonden. Te midden van al die rijkdommen was hij eenvoudig en opregt van hart; hij was godvreezend en bewandelde de wegen des Heeren, zonder ergens in af te wijken. Hij stelde zijn betrouwen niet in de rijkdommen; hij had deernis met hen, die in lijden waren, en deze deugd was met hem van zijne kindsohheid af opgegroeid. Hij kleedde de naakten, vertroostte de weduwen, en deelde van zijn brood aan de weezen uit; hij was het oog der blinden, de troost der bedrukten, de beschermer en verlosser van al diegenen, die onregtvaardig verdrukt werden. Naauwkeurig onderzocht hij de zaken, over welke hij moest oordeelen, en werd van een ieder om zijne regtvaardige vonnissen geëerd en bewonderd. Hij Meld zich ten allen tijde rein en onschuldig, hij waakte op zijne oogen, zoodat hij die zelfs niet toeliet eene vreemde vrouw te bezien. Hij had zeven zonen, die allen in eene opregte vereeniging leefden. Zij gingen bij beurte bij elkander te eten, en al ,de maaltijddagen geëindigd waren, offerde Job brandoffers voor een ieder hunner; want hij zeide; misschien hebben mijne kinderen tegen God gezondigd.

Als nu Job in zijnen grootsten voorspoed was, liet God satan toe, van hem door het verlies van alles wat hij bezat te beproeven. Wanneer dus op zekeren dag Job\'s zonen en dochters ten hnize van hunnen eerstgeboren broeder feest vierden, kwam er een bode tot Job zeggen; wanneer de ossen ploegden en de ezelinnen nevens hen in de weiden graasden, vielen de Sabeërs plotselings op ons, namen alles weg, en doodden uwe dienstknechten; ik alleen ben het ontkomen om het u te boodschappen. Terwijl hij nog sprak, kwam er een tweede, die zeide: een verdelgend vuur is uit den hemel gevallen, en het heeft de schapen met de herders verteerd; ik alleen ben het ontkomen om het u te boodschappen. Terzelfden tijde kwam er een derde, die sprak: de Ahaldeërs, in drie benden verdeeld, zijn op uwe kameelen gevallen, hebben ze weggevoerd, en uwe dienstknechten door het zwaard gedood; ik alleen ben het ontsnapt om het u te boocdshappen. Deze was nog bezig met spreken, toen er een vierde kwam, die zeide: terwijl uwe zonen en dochters in het huis van hunnen eerstgeboren broeder maaltijd hielden, is er een gewei-

324

-ocr page 329-

van het Oude Testament. 33B

dige wind eensklaps op de vier hoeken van ket huis gevallen, hetwelk is ingestort en al uwe kinderen verplet heeft; ik alleen ben het ontkomen om het u te boodschappen.

Dan wierp zich deze heilige man ter aarde, aanbad God en zeide: naakt ben ik ter wereld gebragt, en naakt zal ik in de aarde wederkeeren. God heeft het gegeven. God heeft het ontnomen; zoo als het den Heer belieft, zoo is het geschied ; de naam des Heeren zij geloofd.

Satan kreeg daarna van God nog de magt, om Job in zijn vleesch te kwellen, doch zonder hem het leven te mogen benemen. Hij sloeg hem dan van het hoofd tot de voeten met zeer vuile zweren. In dezen toestand lag hij daar op eenen mesthoop en streek met eenen potscherf den etter uit zijne zweren. Al zijne welbekenden verlieten hem dan; zijne vrouw alleen bleef bij hom, doch om hem te kwellen, en hem tot ongeduld en wanhoop te brengen; want zij zeide hem: blijft gij nog in al uwe eenvoudigheid volharden? Versmaad God en sterf. Maar Job antwoordde: gij spreek als eene uitzinnige. Indien wij het goede van Gods hand ontvangen hebben, waarom zouden wij er dan ook niet het kwade van aannemen?

BEMERKING. Het is een overgroot geluk, van der jeugd af in den weg des Hoeren te wandelen; men wijkt gemeenlijk dan ook in den ouderdom daarvan niet af.... God bezoekt dikwijls deugdzame menschen door lijden en tegenspoed, niet om hen te straffen over eenige grove zonden, maar om hen te beproeven en hun geduld te toonen... De booze geest kan niets meer dan hetgene hem God toelaat. Dus moeten wij altijd op God betrouwen, alles van zijne hand aannemen, en zoowel in tegen- als in voorspoed hem loven en danken.

II. HOOEDDEEL.

Job wordt van zijne vrienden bezocht. Verbaal van hunne zamenspraken.

Drie vrienden van Job, Eliphas, Baldad en Sophar, zijnen druk en lijden vernomen hebbende, kwamen bij hem, om hem te troosten. Hij was zoodanig mismaakt, dut zij hem naauwe-lijks konden herkennen. De droefheid belette hun te spreken, en zij weenden langen tijd, eer zij eenig gesprek met hem aangingen. Doch daarna, in stede van Job in zijn lijden te troosten, bedroefden zij hem nog meer, daar zij hem, tegen de waarheid, wilden doen gelooven, dat God hem enkel daarom gestraft had, omdat hij aan eene of andere groote misdaad pligtig was. Daarover hadden zij een langwijlig gesprek, dat wel eenige waarheden behelst, maar hetwelk, legen do waarheid.

-ocr page 330-

Geschiedenis

aan Job werd toegepast. De voornaamsten van die gezegden willen wij hier nederschrijven.

Eliphas zeide: (Hoofdd. 3.) Zal een menscli ten opzigte van God zicli regtvaardigen? Of zal een schepsel zuiverder dan zijn Schepper wezen? Ziet, zijne eigene dienstknechten zijn niet standvastig geweest, en in zijne engelen heeft hij ongeregtig-heid gevonden. Hoe veel te meer zullen dan bewoners van leemen hutten, welker grondwerk van aarde is, als van de motten verreerd worden?

Wat is de mensch, vervolgde Eliphas, (Hoofdd. 15.)dnthij voor God vlékkeloos zoude zijn? Ziet, onder zijne Heiligen zeiven is er niemand, die onveranderlijk is, en de hemelen zijn niet zuiver voor zijne oogen. Hoe veel te meer dan is een mensch gruwelijk en ondeugend, die de boosheid als watei? indrinkt? Een goddelooze mensch groeit alle dagen in hoogmoed op; hij steekt zijne hand tegen den Almogende uit, en stelt zich tegen den Allerhoogste. Eer zijn tijd vervuld zal zijn, zal hij vergaan, en zijne takken zullen verdroegen als een wijngaard, die in zijnen eersten bloei geschonden wordt, en als een olijfboom, die zijne bloemen afwerpt.

In de wereld gebeurt er niets bij geval. (Hoofdd. 15.) Het is ook de aarde niet, die de smart voortbrengt. De mensch wordt tot den arbeid geboren, even als de vogel tot vliegen. Daarom, indien ik in eenige ellenden verviel, verre van daarover te morren of ongeduldig te worden, zoude ik den Heer smeeken, en tot God mijne stem verheffen, die groote onbegrijpelijke dingen uitwerkt, die de nederigen verheft, en de treurenden vertroost en gezond maakt. Die de gedachten der boozen vernietigt, zoodat zij niet kunnen uitvoeren, wat hunne handen begonnen hadden. Die de wijzen in hunne arglistigheid vangt, en de raadsbesluiten der boozen verijdelt. Op dien dag zullen zij duisterheden ontmoeten, en op den middag zelfs zullen zij al tastende gaan, alsof het nacht ware. God zal de ellendigen van het zwaard huns monds verlossen, en de armen uit de magt der geweldenaars trekken. De behoeftige zal in hoop leven, maar de boosheid zal moeten zwijgen. Gelukkig is de mensch, die van God gestraft wordt. Daarom veracht de tuchtroede des Heeren niet; want als hij kwetst, zalft hij ook; en als hij slaat, geneest hij ook weder met dezelfde had.

Sophar zeide: (Hoofdd, 11.) Wilt gij misschien Gods wegen begrijpen, en den Almogende volmaakt kennen? Hij is verhevener dan de hemel. Wat wilt gij dus doen ? Hij is dieper dan de hel, hoe wilt gij hem bevatten? Hij gaat de uitgestrektheid der aarde en de breedte der zee verre te boven, Indien hij alles omverre wil werpen, of alles ondereen slaan.

326

-ocr page 331-

mn het Oude Testament.

wie zal hem tegenspreken ? Want de ijdellieid der mehschen is hem bekend, en hij ziet hunne ondeugd. Indien gij de boosheid uwer handen wegneemt, dan zult gij vast staan, en niet vreezen.

Baldad zeide: (Hoofdd. 8.) Zoo gij in tijds tot God uwe toevlugl neemt, en tot den Almogende om genade bidt; in-lien gij zuiver en regt in zijne wegen wandelt, dan zal hij aanstonds tot uwe hulp snellen. Allen, die God vergeten, zillen als het gras der weiden verdroogen: de verwachting vaj den huichelaar zal vergaan: zijne dwaasheid zal hem zelfs mishagen, en zijn betrouwen zal aan de spinnewebben gelijk zijn. God zal de regtvaardigen niet verwerpen, en ook de hoostardigen bij de hand niet vatten.

Sojhar zeide: (Hoofdd. 30) Dit weet ik van ouds, reeds van als de mensch op de aarde gesteld is, dat de luister der boo-zen ko-tstondig is, en dat de vreugd der huichelaars op eenen oogenblk henen vliedt. Al klom zijn hoogmoed tot aan den hemel (r), en al raakte zijn hoofd de wolken, zal hij echter eindelijk als drek vergaan, en verworpen worden. Die hem te voren gezen hadden, zullen zeggen: waar is hij nu? Als een droom zal hij wegvliegen, en niet te vinden zijn. Hij zal als een nachtgaigt verdwijnen. Zijn gebeente zal met de zonden zijner jeugü vervuld worden, en zij zullen met hem in het stof gaan ruten. Het goed, hetgene hij ingezwolgen heeft,, zal hij uitbraken, en God zal het uit zijn ingewand drijven. Al wat hij een^ aider gedaan heeft, zal hij betalen, zonder te niet te gaan. Volgns de manigte zijner arglistigheid zal hij in lijden zijn. Wan hij heeft de armen verdrukt en geplunderd; hij heeft ze hun huis ontnomen, in stede van het op te bouwen. Zijn ingewnd is onverzadelijk geweest; maar nadat hij zijnen wensch vekregen had, heeft hij hem niet kunnen behouden. Van zijne spijs was er niets overig (voor den armen), daarom zal er ook ran zijn goed niets overig blijven. En een vuur, hetwelk doo. geen mensch is ontstoken, zal hem verslinden; de hemelen »ullen zijne ongeragtigheid openbaren, en de aarde zal tegen hm opstaan. Dit is het lot, hetwelk den goddelooze van Gods rege zal overkomen; dit is het erfdeel, hetwelk hij om zijn ijc»! gezwets van den Heer ontvangen zal.

BEMERKING. De vrinden van Job kenden hem naauwelijks, zoo zeer was hij mismaat. Hij was een afbeeldsel van den lijdenden Jesus, dien man \\n smarten, van wien de profeet zegt: er was in hem geene gedaafyl noch schoonheid. Zijne vrienden, in plaats van hem te troosten,verdubbelden zijn lijden, met hem iets te willen optijgen, waaian hij niet pligtig was; dit kwam daaruit voort, omdat zij Goa oordeel en niet verstonden.

827

-ocr page 332-

Geschiedenis

III. HOOFDDEEL.

quot;Woorden van Job over verscheidene dingen. Over de wijsheid en almogendheid Gods. Hoe schrikkelijk zijne oordeelen zijn. Over de ellenden van den mensch. Lof der wijsheid. Haar oorsprong; waarin zij bestaat.

Vraagt liet den dieren zeiven, en (Hoofdd. 12.) zij zullm het u leeren. Vraagt liet de vogelen der lucht, eu zij zullen bet u ,te kennen geven. Spreekt de aarde aan, en zij za-^ u antwoorden. De visschen der zee zullen het u ook verlon-digen. Want wie is er, die niet weet, dat het de magt frods is, welke dit alles geschapen heeft? In zijne magt is het leven van alle vleesch en geest. Bij God is wijsheid en magt raad en verstand zijn bij hem te vinden. Indien hij iets wil afbreken, zal niemand hot opbouwen. Indien hij eenen mensch wil opsluiten, zal niemand voor hem opendoen; iitlien hij zijne wateren ophoudt, wordt alles\' droog; indien hj ze laat vloeijen, zullen zij het aardrijk overstroomen.

Bij hem is de sterkte en de wijsheid. Hij kent denbedrieger, en hem die bedrogen wordt. De raadsheeren breng hij tot de wijsheid, en de regters tot uitzinnigheid. De goiïelriem der koningen maakt hij los, en bindt hunne lenden pet koorden. Hij voert de opperpriesters met schande henen, ei de magtigen werpt hij omverre. Aan de weisprekenden onttrek\'hij de spraak, en de geleerdheid der ouden neemt hij weg. Hijbedekt de vorsten met verachting, en de verdrukten rigt hij op Hij openbaart, wat in de diepe duisternis verborgen lag; en de schaduw des doods brengt hij in het licht. Hij vermenigvuligt de volkeren, en vernedert hen; en nadat zij bedorven ziji; herstelt hij hen ia den eersten staat. Hij beneemt het ver?and aan de oversten, die de volkeren besturen; en in het weste en ongebaande doet hij hen dwalen, zoo dat zij al tastemé in de duisternissen gaan, alwaar geen licht is; immers hij doet ze her- en derwaarts dwalen, even als dronke menscten.

Ik weet wel (Hoofdd. 9.) dat de mnsch, bij God vergeleken, zich niet kan verschoonen. Itxien hij met hem wil twisten, zal hij van duizend opwerpigen er niet een beantwoorden. God is wijs in kennis, en strk in kracht. Wie heeft ooit tegen hem opgestaan, en vrede ghad? 11 ij is alleen. Dit is: niemand kan zijne voornemens af-eren, en hij doet al wat hij wil. Hij verzet de bergen, zondf dat degenen, die hij in zijnen toorn omverre werpt, het jswaar worden. Hij schokt de aarde uit hare plaats, hij doet -lare pilaren daveren. Als hij het gebiedt, zal de zon nietopkomen; de sterren staan onder hem, als onder een zegel -\'esloten. Hij alleen hoeft de

328

-ocr page 333-

van het Oude Testament.

hemelen liun uitspansel gegeven; hij wandelt op de golven der zee. Hij doet onbegrijpelijke dingen en wonderheden, die men niet kan optellen. Hij zal tot mij komen, zonder dat ik hem zie. Hij zal van mij vertrekken, zonder dat ik het merk. Indien hij overigens iets vraagt, wie zal hem antwoorden, of wie zal hem zeggen: waarom doet gij dit? Hij is God, wiens gramschap niemand kan wederstaan. Onder hem buigen degenen, die de wereld dragen. Wie ben ik dan, om hem te antwoorden, of om redenen met hem te wisselen? Al was er eenigen schijn van regtvaardigheid in mij, zoude ik mij echter niet verweeren, maar mijnen regter om genade bidden. Zelfs als hij mijn gebed verboort, zal ik mij niet laten voorstaan, dat hij naar mij geluisterd heeft. Hij kan mij met, eenen stormwind vernietigen, en mijne plagen vermenigvuldi-den, zonder dat ik er de reden van weet.

Indien het op sterkte aankomt, hij is almogend: indien het op regtdoen aankomt, wie zal voor mij getuigen ? indien ik mij wil verschoonen, \'zal mijn eigen mond mij verwijzen ; indien ik mij onschuldig vertoon, zal hij betoonen dat ik verkeerd ben. Al was ik opregt, zou ik er toch niet van verzekerd zijn; daarom zal ik mijn leven versmaden. Ik was in achterdenken over al mijne werken, daar ik wel wist, o Heer! dat Gij, wanneer ik zondig, mij uiet zoudt sparen. Zelfs al was ik met sneeuwwater gewasschen, en al blonken mijne handen van reinheid, zoudt Gij mij niettemin in de vuiligheid verbergen, en mijne kleedereu zouden van mij gruwen. Want God is geen mensch zoo als ik, om mij voor hem te verantwoorden; hij kan niet gelijkelijk met mij in het regt gehoord worden.

\'sMenschen leven (Hoofdd. 7.) op aarde is een gedurige strijd: zijne dagen zijn als de dagen van eenen huurling. Ik heb ellendige maanden tot erfdeel bekomen, en zeer moeije-lijke nachten heb ik voor mij geteld. Gedenk toch, o Heerl dat mijn leven een enkele wind is. Wat is toch de mensch, dat gij zoo veel werk van hem maakt? Hoe kunt gij uw \'hart op hem laten vallen?

De mensch (Hoofdd. 14), uit eene vrouw geboren, leeft weinig tijds, en is vol ellenden. Hij ontluikt als eene bloem, en wordt weldra vertreden. Als de schaduw vliedt hij heen; nooit blijft hij in denzelfden toestand. En gewaardigt Gij U, o Heer! zulk eenen aan te zien, of hem niet U in het regt te trekken ? Is er iemand van vlekken vrij ? (Volgens de 70 vertalers.) Neen, voorwaar niemand, al was hij slechts oen dag oud. Wie kan hem rein maken, o Heer! dan Gij alleen? Kort zijn des menschen dagen; het getal zijner maanden is bij U besloten; Gij hebt hem grenzen gesteld, die hij

329

-ocr page 334-

GeHchiedeuis

niet kan overschrijden. Wijk tocli van hem af, opdat hij ruste, tot dat hij, als een huurling, het gewenschte einde vim zijnen dag bekome.

Het zilver heeft aderen, (Hoofdd. 38.) waaruit voortkomt; en het goud heeft eene plaats, waar het gevormd wordt; maar waar zal men de wijsheid vinden? en waar is de plaats van verstand ? Derzei ver waarde is den mensch onbekend; en in het land dergenen, die in de weelde leven, wordt zij niet gevonden. De diepten zeggen: in ons is zij niet. De zee zegt: tij mij is zij niet te vinden. Men kan ze met het allerfijnste goud niet koopen; men kan haren prijs tegen geen zilver opwegen. Hen kan ze noch bij de indiaansche stoffen, noch bij de kostelijke gesteenten, of goud, of kristal vergelijken. Al wat verheven en uitmuntend is, zal ten haren opzigte niet eens gemeld worden. Van waar komt dan de wijsheid? en waar is de rustplaats des verstands? Zij is verborgen voor de oogen van allen die leven. Zelfs aan de vogelen des hemels is zij onbekend. God alleen kent hare wegen ; hij weet, waar hare plaats is. Als hij de regens hunne wetten gaf, en de weg voorschreef aan de bulderende stormwinden, dan heeft hij haar aangezien, vertoond en onderzocht, en tot den mensch heeft hij gezegd: zie de vrees des Heeren is de wijsheid, en van het kwaad af te wijken, is het verstand.

BEMERKING. Gods almagt en milddadigheid zijn onbegrijpelijk. Hoe is het mogelijk, dat wij hem zoo weinig wee-zen en zoo weinig op hem betrouwen!... Niets is er boozer dan de mensch, en nogtans niets hoovaardiger, eh dat om geene andere reden, dan omdat hij zijne broosheid niet beter overdenkt... De hemelsche wijsheid gaat alle schatten te boven ; velen nogtans houden meer van de nietige rijkdommen dezer wereld, en zorgen en zwoegen dag en nacht om die te bekomen, daar zij om de hemelsche wijsheid slechts niet eens uit er harte zouden verzuchten. Be vrees des Heeren is de wijsheid, zegt Job, en van het hcaad af wijken, is het verstand. Hoe vele wijzen zullen er, volgens dezen regel, van God als dwazen veroordeeld worden; en hoe velen, die de wereld voor dwazen aanziet, voor opregte wijzen gerekend worden!

IV. HOOFDDEEL.

Over het vergankelijke geluk der boozen; over hunnen schromelijken val.

Gevoelen van Job over zijne ellenden. Hij erkent Gods hand. die hem

slaat. Hij is neêrslagtig, maar zonder zijn betrouwen te verliezen.

Waarom zijn de goddeloozen wel te pas? (Hoofdd. 31.) Waarom worden zij verheven, en met rijkdom begiftigd? Hunne

330

-ocr page 335-

van het Oude Testament.

kinderen zijn bestendig voor liun aangezigt; zij zien hunne afkomst en hunne nakomelingen voor hunne oogen. Hunne huisgezinnen zijn in rust en vrede, en Gods roede is over hen niet. Hun vee is gezond en vruchtbaar. Hunne kinderen komen welig te voorschijn, en vervrolijken zich met dansen en spelen. Zij slaan op trommen en cithers, en verheugen zich op het geluid der harpen. Zij brengen hunne dagen in voorspoed over, en sterven op een oogenblik, zonder aan eene langdurige ziekte te lijden. Zij zeggen tot God: ga van ons henen: wij hebben de kennis uwer wegen niet noodig. Wat is de Almogende, dat wij hem zouden dienen? en wat nut trekken wij er uit, in hem te bidden? Maar verre zij van mij de handel der godde-loozen; want hun geluk is in hunne handen niet.

Hoe dikwijls ziet men, dat do lampen der goodeloozen uitgaan, dat het verderf hun overkomt, en God hun in zijnen toorn smarten uitdeelt? Zij worden als stroo door den wind ils | verdreven, en als het kaf, hewelk door eenen stormwind weg-:ir I gevoerd wordt. God zal de smarten des vaders voor de kinderen le i bewaren, en als de Heer hun betalen zal, zal hij het wel ge-

Iwaar worden. Hij zal zijnen ondergang met zijne oogen zien, en van den toorn des Allerhoogsten zal hij drinken.waar worden. Hij zal zijnen ondergang met zijne oogen zien, en van den toorn des Allerhoogsten zal hij drinken.

Men ziet dezen mensch sterven, schoon hij sterk en gezond, rijk en gelukkig was: en integendeel ziet men eenen anderen in de bitterheid zijner ziel sterven, zonder dat hij voorspoed op aarde genoten heeft. Nogtans zullen zij beide in het stof slapen, en met wormen overdekt worden. Doch de booze wordt bewaard tegen den dag zijns verderfs, en tot den dag zijns toorns zal hij gebragt worden.

God heeft zijnen pijlkoker geopend, (Hoofdd. 30.) en mij gestraft. Mijne ziel kwijnt in mij: de dagen van smart hebben mij bevangen. Ik ben als slijk geworden. Ik ben gelijk aan i stof en assche. Ik roep tot U, o Heer! maar Gij verhoort mij niet. Ik sta voor U, maar Gij beziet mij niet. Gij zijt tegen mij vertoornd geworden; Gij stelt U tegen mij, volgens de gestrengheid uwer hand. Gij hadt mij verheven, maar nadat Gij mij als op eenen wind gesteld hadt, hebt Gij mij met kracht verbrijzeld. Ik had voorspoed verwacht; edoch tegenspoed heeft mij bevangen. Ik verlangde naar het licht, en er kwam duisternis. Mijn ingewand is als kokend zonder eenige rust: mijn vel is over mij zwart geworden, en mijne beenderen zijn door de hitte verdroogd.

Mijne nabestaanden hebben mij verlaten, (Hoofdd. 13.) en die mij wel kenden, hebben mij vergeten. Mijne huisgenooten achtten mij als eenen vreemdeling. Mijne vrouw schroomde voor mijnen adem ; die ik meest beminde, verfoeide mij. Mijn vleesch is afgeteerd, mijn gebeente kleeft aan mijn vel: alleenlijk

331

-ocr page 336-

Geschiedenis

blijven de lippen over mijne tanden. Ontferm U mijner, gij ten minste, mijne vrienden: want de hand öods heeft mij getroffen.

Het verdriet mij te leven. (Hoofdd. 10.) Ik zal mijne tong tegen mij loslaten; ik zal in de bitterheid mijner ziel spreken, en tot God zeggen: veroordeel mij toch niet. Geef mij te kennen, waarom Gij mij aldus oordeelt; dunkt het U goed, dat Gij mij bezwaart, dat Gij het werk uwer handen slaat, en de raadsbesluiten der goddeloozen gunstig zijt? Uwe handen hebben mij gemaakt; zij hebben al de dealen van mijn ligchaam gevormd; en zoudt Gij, na dit alles, mij eensklaps willen vernietigen? Herinner U toch, dat Gij mij als potaarde gevormd hebt. Gij hebt mij het leven verleend; Gij zijt mij genadig .geweest, en uwe zorg heeft mijnen geest bewaard. Indien ik dan gezondigd heb, en Gij mij tot nu toe gespaard hebt waarom laat gij dan niet toe, dat ik van mijne ongeregtigheid gezuiverd worde? Zal de kortheid mijner dagen niet haast een einde nemen? Laat mij dan toe, dat ik over mijne smarten een weinig klage, eer ik ten grave dale.

Ik wenschtte tot den Almogende te mogen spreken. (Hoofdd. 13.) en mij voor God te verdedigen. Al benam God mij het leven, zal ik evenwel op hem betrouwen; niettemin zal ik mijne wegen voor hem bestraffen. Bevrijd mij alleen van twee dingen: uwe hand wijke van mij af, en dat uwe vrees mij niet ver-schrikke. Eoep mij dan, en ik zal mij verdedigen; of laat mij spreken, en laat mij dan uw antwooid hooren. Hoe talrijk zijn mijne \'ongeregtigheden en zonden! Maak mij mijne overtredingen en misdaden bekend. Waarom verbergt Gij voor mij uw aangezigt? Waarom houdt Gij mij voor uwen vijand? Tegen een blad., hetwelk door den wind verdreven wordt, toont Gij uwe magt: Gij vervolgt eenen dorren stoppel. Gij zendt mij bitterheden over, en wilt mij vernietigen om de zouden mijner jeugd. Gij klinkt mij in boeien, en let op al mijne wegen, daar ik nogtans weldra zal vergaan, als iets, hetwelk verrot, en als een kleed, dat van de motten wordt verteerd.

Ik weet (Hoofdd. 30.) dat Gij mij aan den dood zult ever-leveren, alwaar de woonplaats vastgesteld is voor allen, die leven. Doch ik weet ook, dat Gij uwe hand niet uitsteekt, om hen teenemaal te vernielen. Want ik (Hoofdd. 19.) weet, dat mijn Verlosser leeft, en dat ik ten jongste dage uit het stof zal opstaan. Ik zal weder met mijn vel omgeven worden, en in mijn vleesch mijnen God aanschouwen. Ja ik zal hem zien; mijne oogen zullen hem aanschouwen. Ik zelf, en geen ander. Deze hoop bewaar ik in mijn boezem.

BEMEEKING. Niets wordt er in de wereld zoo zeer bemind als voorspoed, rijkdom, hooge ambten, enz. en nogtans is

332

-ocr page 337-

van liet Oude Testament.

er niets zoo vol gevaar. Het einde van meest al degenen, welke deze dingen bezitten, is de eeuwige verdoemenis. Derhalve aiogen wij nooit naar dezelve trachten, veel min daar om bidden, en bijaldien God ons die geeft, moeten wij ze met vrees genieten, en wel toezien dat wij den gever derzelve er niet door vergrammen, en dus ons eeuwig ongeluk bewerken... Job is geduldig in .al zijne pijnen. Hij blijft God bidden, betrouwt op zijne goedheid, en is bereid nog meer te lijden. Hij leert ons, hoe wij in alle bezoeking ons kloekmoedig moeten gedragen, zonder den moed te laten zinken, en hoe wij vervuld moeten zijn van dit troostend woord van den Apostel: de Heer kastijdt dengenen, dien hij lief heeft, Hebr. 13 6.

V. HOOFDDEEL.

Job beschrijft zijne smarten. Hij is een trefifend afbeeldsel van Christus.

Hij wordt door zijne vrienden van vele boosheden beschuldigd. Hij

betoont in het bijzonder de onschuld van zijn leven.

Mijne pijn maalt mij af (Hoofdd. 16.), al de lidmaten mijns ligchaams zijn verdorven. Mijne rimpelingen getuigen voor mij: een valschaard staat tegen mij op, en spreekt mij tegen. Hij heeft zich tegen mij met al zijne woede gewapend, en mij dreigende, heeft hij geknarsetand. Mijne tegenpartij heeft mij met vonkelende oogen beschouwd. Hunne monden hebben zij tegen mij geopend. Na vele verwijtingen hebben zij mij eenen kaakslag gegeven. Met mijne smarten hebben zij zich verzadigd. Ik ben bij hen ten spot geworden. (Hoofdd. 30.) Zij ontzien zelfs niet mij in het aangezigt te spuwen. God heeft in de handen der goddeloozen geleverd, (Hoofdd. 16.) hij heeft mij den nek doen buigen, verpletterd en als tot zija doelwit gesteld. Hij heeft mij met zijne lansen omringd, mijne lenden doorstoken, mijn ingewand op de aarde uitgestort, mij met wonden doorkerfd. Mijn aangezigt is van weenen opgezwollen, en mijne oogen zijn verduisterd. Dit alles is mij wedervaren, schoon er geene ongeregiigheid in mijne handen, en mijn gebed zuiver voor God was. O aarde! bedek mijn bloed niet, en dat mijn geroep in u geene schuilplaats vinde. Want zie, miju getuige is in de allerhoogste plaats. Ik heb niet gezondigd (Hoofdd. 17.) nogtans ziet mijn oog niet anders dan vele bitterheid. Heer! verlos mij, en stel mij naast U; en wie dan tegen mij strijden wil, dat hij kome. (Hoofdd.)

Job\'s vrienden konden niet dulden, dat hij bleef voortgaan met zich te regtvaardigen. Zij zeiden hem: gij blijft daarbij, met te zeggen: mijne handel is rein, en ik ben zuiver voor Gods oogen. Het ware te wenschen dat God u toesprak, om u de verborgenheid zijner wijsheid, de volmaaktheid der be-

333

-ocr page 338-

33-1 Geschiedenis

velen van zijne wet te toonen, en u te doen zien, dat uw lijden veel minder is, dan dat uwe boosheid verdient. Meent gij dat God u straft (1), omdat hij u vreest, of omdat bij met u in het regt zal treclen? Komt u dit niet over om uwe meniarvuldige boosheden en tallooze ono\'eregtisrheden ? Want

O O O O O

gij hebt zonder reden pand van uwe broeders afgenomen. Die bijna naakt waren, hebt gij opnieuw van kleedereu beroofd. Die door vermoeidheid afgemat waren, hebt gij water geweigerd, en de hongerigen bebt gij uw brood onttrokken. Het land hebt gij bezeten door het geweld uwer sterkte, en gij hebt het door uwe magt veroverd. De weduwen hebt gij ongetroost weggezonden, en de armen der weezen hebt gij verbrijzeld. Daarom zijt gij met strikken omvangen, en heeft u eene schielijke verdrukking ontsteld.

Job antwoordde: (Hoofdd. 33.) och, of ik den Heer eens mogte zien, en tot zijnen troon komen! ik zoude mijn regt in zijne tegenwoordig\'heid voorstellen, en u met vollen monde berispen; want hij kent mijnen handel, en heeft mij als het goud door het vuur beproefd. Zijne voetstappen heb ik gevolgd; zijne wegen heb ik vroom bewandeld, en ben er niet van afgeweken. De geboden zijner lippen heb ik niet verlaten ; de woorden zijns monds heb ik in mijnen schoot weggelegd.

Wanneer zeker gescLil mij onbekend was (Hoofdd. 29), onderzocht ik hetzelze met alle zorgvuldigheid. Ik verloste don ellendige die om hulp smeekte, alsook de weezen, die geenen redder hadden. Ik bedwong de geweldenarijen der onregr.-vaardigen en onttrok de prooi aan hunne tanden. Ik werd gezegend van hen, die op het punt waren van verloren te gaan; het hart der weduwen deed ik verkwikken. Ik bekleedde mij met de geregtigheid, en mijne uitspraken versierden mij als een koninklijk gewaad. Ik was het oog der blinden, de voet der kreupelen, de vader der armen. Wanneer ik zelfs was als een koning, van zijne lijfwacht omringd, was ik niettemin de vertrooster der bedrukten.

Ik heb een verbond (Hoofdd. 81.) met mijne oogen gemaakt, om zelfs op geene maagd te denken. Want welk lot, of welk erfdeel zoude ik van den almogenden God hierboven uit den hemel kunnen verwachten? Staat het verderf niet bereid voor don ongeregtige, en vreemde plagen voor alle boosdoeners? Let hij niet op mijne wegen, en telt hij ook al mijne voetstappen niet? Ik wenschte dan, dat hij mij in eene juists weegschaal stelde, en mijne ongeregtigheid onderzocht. Mijn voet is van den regten weg niet afgeweken; mijn hart heeft de geneigdheid mijner oogen niet ingevolgd: mijne handen

I) Dit alles heeft nog eene verhevenere en juistere waarheid in Ciiriótus, van wien Job het afbeeldsel was.

-ocr page 339-

van hd Onde Teslameut.

zijn met niet besmeurd, en mijn luirt is nooit verlokt geweest tot eene vrouw.

Nooit heb ik geweigerd met mijnen knecht of met mijne dienstmaagd in het regt te treden, wanneer zij met mij in geschil waren. Want wat zoude ik doen, als God mij kwam oordeelen? En als hij over mij onderzoek zoude nemen, wat zoude ik hem dan antwoorden? Is het niet dezelfde, die mij en mijnen knecht geschapen, en ons in den schoot onzer moeder gedaante gegeven hoeft?

Ik heb den armen hun verlangen toegestaan; de weduwe, die mij hulpvragend aanzag, heb ik niet laten wachten. Mijn brood heb ik niet alleen gegeten, maar heb de weezen daarvan medegedeeld. Want het medelijden is van mijne jeugd af met mij opgegroeid. De behoeftige, die bij gebrek aan kleeding en deksel verging, heb ik niet ongetroost laten henen gaan. Zijne lenden werden van de wol mijner schapen verwarmd en hij zegende mij. Geen vreemdeling moest buiten op de straat blijven: mijne deur was voor den reizende altijd geopend.Ik heb mijne handen nooit tegen de weezen opgeheven, ook zelfs als mij de zaak in het regterhuis werd aangewezen. Want ik heb God altijd gevreesd als de golven der zee, die boven mij opgezwollen hingen; en zijn gewigt heb ik nooit kunnen dragen.

Nooit heb ik mijn betrouwen op het goud gesteld, noch mijn vermaak in de overvloedige rijkdommen genomen, die mijne hand gewonnen had. In het verderf van mijnen vijand bon ik nooit verheugd geweest, noch verblijd in zijne tegenspoed. Nooit heb ik mijnen mond geopend om te zondigen, noch door vloeken zijnen dood te wenschen. Mijne misdaden heb ik niet bedekt, noch mijne boosheid in mijnen schoot verborgen, zooals de menschen gewoonlijk doen.

BEMERKING. Wij moeten bekennen, dat Job hier zeer hoogdravend spreekt van zijne deugden en goede werken, hetwelk tegen de ootmoedigheid schijnt te strijden. Maar hij werd door de lasteringen van zijne vrienden daartoe als gedwongen: wij mogen hem echter niet gansch verschoonen, dewijl God hem berispt. Hij heeft hem ook die fout ligtelijk vergeven, omdat Job grondig gelijk had, en zijne vrienden ongelijk. Ja, hij heeft zelfs gewild, dat, door de voorbede van Job zijne vrienden de vergiffenis van hunne grove misdaden zouden bekomen.

VI. HOOFDDEEL.

God spreekt tot Job eu tot diens vrienden, en geeft hem het dubbel terug van al hetgene hij verloren had.

Na al die redenen, die Job met zijne vrienden had gewisseld.

335

-ocr page 340-

336 GescJikdenis

deed cle Heer zijne stem in eenen stormwind liooren, en sprak tot Job, om hem ten aanzien van zijne eindelooze wijsheid en magt te vernederen. (Hoofdd. 38.) Sta regt: ik zal u vragen, en antwoord mij. Waar waart gij als ik de grondvesten der aarde legde? Zeg liet zoo gij het weet. Als de morgensterren mij te zamen loofden, en alle kinderen Gods vrolijk juichten? Wie heeft de zee met dijken gesloten, toen zij uitbrak? Ik heb die mot palen omringd, en tot haar gezegd: tot hiertoe zult gij komen, en niet verder. Hier zult gij uwe zwellende golven breken. Hebt gij, nadat gij ter wereld gekomen waart, aan de morgensterren wetten gesteld? hebt gij den dageraad zijne plaats gewezen? Hebt gij de uiteinden der aarde aangevat en bewogen, en er de godde-loozen uit gedreven? Aan de goddeloozen zal men hun licht benemen, en de sterke armen zal men breken. Zijt gij in de diepte der zee getreden? Hebt gij de diepte van den afgrond doorwandeld? Zijn de deuren des doods aan u geopend geweest? Hebt gij de donkere poorten gezien? Hebt gij de uitgestrektheid des aardrijks doorzocht? Zeg mij eens, of gij dit alles weet. Waar heeft het licht zijn verblijf, en waar is de plaats der duisternis? Door welken weg wordt het licht en de hitte verspreid? Zijt gij de schatkamers van de sneeuw wel ingetreden? Wie geeft aan de geweldige slagregens hunnen loop, en wie baant den weg aan den rommelenden donder ? Wie brengt de daauwdruppelen voort? Wie doet het ijs ontstaan, ■ en wie baart de vorst in de lucht? Kent gij den omloop der sterren? kent gij de ordening des hemels, of kent gij zijnen invloed op aarde? Wie heeft de wijsheid in het hart der menschen gelegd, of wie heeft de haan de wetenschap van den aanbrekenden dag gegeven? Wie bereidt de raaf haar voedsel, wanneer hare jongen her- en derwaarts loopen, als zij geen aas hebben?

Nadat God dit en nog veel meer over zijne magt en de wijsheid, die uit zijne werken met luister te voorschijn komen, gesproken had (Hoofdd. 38. 40. en 41.), sprak Job: ■ïvat kan. ik antwoorden, o mijn God! (Hoofdd. 42.) ik weet dat Gij alles kent, en dat er geene gedachten voor U verborgen is. Door het gehoor had ik U gehoord, maar nu zie ik ü door mijne oogen. Ik leg mijne hand op mijne mond. Ik beschuldig mij zelven, en doe boetvaardigheid in stof en assche.

Daarna zeide God tot Eliphas: mijn toorn is tegen u en tegen uwe twee vrienden onstoken; want gij hebt naar de ge-regtigheid zoo niet gesproken, als mijn dienaar Job. Daarom neemt zeven stieren en zeven rammen, en gaat tot mijnen dienaar Job, en offert ze voor u tot een brandoffer. Mijn dienaar Job zal ook voor u bidden, en ik zal hem verhooren,

-ocr page 341-

van hat Oude Testament. 337

opdat u uwe dwaasheid niet worde toegerekend. Zij voldeden aan dit bevel van God, en de Heer verhoorde Job.

Eindelijk, nadat Job\'s geduld op allerlei wijzen beproefd was, werd God ook door zijne boetvaardigheid verzoend. Hij gaf hem het dubbel terug van al hetgene hij te voren bezeten had; hij bad zeven zonen en drie dochters. Hij zag zijne kindskinderen tot in het vierde geslacht, en stierf in hoogen ouderdom.

BEMERKING. Als wij al de grootheden van God aandachtig overwegen, dan worden wij gedwongen, om met den Apostel uit te roepen: o diepe afgrond van den overvloed en de kennis Gods! Hoe onbegrijpelijk zijn zijne oordeden, en hoe onnaspeurlijk zijn zijne wegen, enz. (Eom. 11. 43.) Laat ons ook met den geduldigen Job in alle lijden ons geheel aan God overgeven, en ons voor onze fouten grondhartig vernederen, dan zullen wij, na een kortstondig lijden, ons hierna eeuwig met hem verblijden. Immers de heilige Petrus zegt; de God van genade, die ons door Jesus Christus tot zijne eeuwige heerlijkheid geroepen heeft, zal ons, na een weinig lijden voltrekken, versterken en bevestigen; en wij zullen dan ondervinden, dat de druk en het lijden van dezen tijd, die zoo ligt en zoo kort zijn, in ons eene eeuwig gewigt van eene uitstekende heerlijkheid zullen uitwerken. 1. Cor. 4. 17.

HET BOEK DER PSALMEN.

Het Boek der Psalmen is een kort begrip van de gehetle hei lige Schrift. Het stelt ons beknopt en met treffende uitdrukkingen voor oogen de schepping der wereld; de daden der oude Patriarchen; den uittogt der Israëlieten uit Egypte; de verkondiging der toet; de geschiedenis der regters en koningen; de verlossing uit de babylonische gevangenis; de opbouwing van den tempel; de profetién of voorzeggingen wegens Christus en zijne heilige geheimenissen, en wegens alles wat de heilige Kerk aangaat; alsook al hetgene ons in het oude Testament is vertoond door Mozes, Josuë en andere heilige Schrijvers. Be heilige Kerk heeft van de 150 Psal-men hare dagelijksche en geioone gebeden gemaakt, om met diezelfde woorden, die de heilige Geest aan David en aan andere heilige Profeten ingegeven heeft, ten allen tijde haren dank, hare aanbiddingen en hare verzuchtingen tot God te stieren; want zij vindt iu de Psalmen met goddelijke woorden uitgedrukt al de gesteltenissen, waarin zij of hare kin-

\' 32

-ocr page 342-

Geschwdi\'i/is

deren zich Jmnnen hevinden. Dit alles doet ons zien, hoe zeer

wij die heilige lofzangen moeten achten en beminnen.

DE WIJZE MAN.

De vijf volgende hoeken Korden begrepen onder de benaming mn de Wijze Man, to weten; het boek der Spreuken, de Eocle-siastes, het Hooglied van Salomon, het Boek der Wijsheid en de Ecclesiasticus.

1. De Spreuken van Salomon behelzen, in 33 Hoofddeelen, zeer treffende en goddelijlce zedelessen, die allen mensch hoog nuttig zijn. Wij zullen de voornaamsten daarvan hier laten vólgen.

2. De Ecclesiastes, dat is te zeggen de Prediker, bevat, in 13 Hoofddeelen, een zeer treffend afdeeldsel van de ijdel-heid der geschapene zalcen; dit afbeeldsel moet zoo veel te grooteren indruk op alle gemoederen maJcen, omdat Salomon, de Schrijver van dit boek, die ij delheid door eigene ondervinding beproefd heeft. Men meent, dat hij dit boek op het einde van zijn leven geschreven heeft.

3. Het Hooglied van Salomon verbeeldt ons, in 8 Hoofddeelen, de geestelijke trouw van het eeuwige Woord des Vaders met zijne Bruid, de heilige Kerk, die haar begin in de Mersch-wording van Christus heeft genomen, en verder voltrokken door zijne- andere goddelijke geheimenissen, als: door zijnen dood, door zijne verrijzenis, door zijne hemelvaart en door de nederddling van den heiligen Geest. De bruid en de bruidegom worden daar afgebeeld, nu onder de benaming van koning en koningin, dan onder de gelijkenis van eenen herder en eene herderin verder onder de gedaante van eenen wijngaardenier en eene dochter die den wijngaard bewaart. Dit alles is op Christus en zijne Kerk zeer treffend toepasselijk. Wij zullen hiervan echter geene uittreksels geven, omdat dit boek, volgens de leer der heilige Vaders, slechts bijzonder dient voor zeer verstorvene en zeer geestelijke zielen, en zonder bekwamen uitleg niet viel van iedereen verstaan kan worden.

4. Het Boek der Wijsheid, bijeenvergaderd uit de treffende Spreuken en gedachten, die de wijze Salomon had achtergelaten, geeft ons, in 19 Hoofddeelen, een heerlijk denkbeeld van de ongeschapene Wijsheid, die hier overal zelve spreekt, en toont ons te gelijk de eigendommen en vruchten der geschapene wijsheid, die hier overal niet anders beteekenen dan de ware deugd en godsvrucht.

5. De Ecclesiasticus heeft 51 Hoofddeelen, en is geschreven door Jesus, zoon van Sirach, die omtrent 200 jaren voor de

338

-ocr page 343-

van het Oude Testament.

Jcomst van Christies leefde. Hij was kleinzoon of naldeinzoon van, den Uoogepriester Jesus of Josedech, die met Zorobabel een groot aantal gevangenen uit Babyion terug bragt. Dit hoek maakt ook een deel van den Wijze Man, alsof het van Salomon kwam, om zijne groote gelijkvormigheid in de Spreuken en in den schrijfstijl met de boeken van Soloman. Het bevat eene algemeene zedeleer, nuttig voor allen mensch, daar het aanzet tot allerlei deugden, en den lezer van alle zonden afschrikt, waarom dit boek van de Grieken Panaretos, dat is; kort begrip van alle deugden, genoemd wordt.

NOTA. Alhoewel in deze zedeleer geene historische punten te vinden zijn, die van onze Gesctiedenis van liet Oude Testament kunnen deel maken, heeft men niettemin zeer dienstig geoordeeld, tot nut van den lezer, de volgende zedelessen uit den Wijze Man, dat is: uit de voorgemelde boeken, hierbij te voegen.

ZEDELESSEN UIT HST BOEK DEU SPREUKEN. I. HOOFDDEEL.

1. God vreezen. Het gezelsuhap der hoozen vlieden. 2. De wijsheid noodigt alle menschen uit. Wee dengenen, die veronachtzaamt haar te aanhooren. 3. De wijsheid vervult diegenen met gueJ, die haar bezitten. 4. Grondregels volgens welke men moet handelen om quot;e-lukkig te zijn. Prov. 1. 2. 3.

1. De vrees des Heeren is het begin der wijsheid. Dwaze menschen verachten de wijsheid en de onderrigtinaren.

Mijn zoon! indien de boozen u met zoete woorden willen verleiden, zie dan toe, dat gij hen niet navolgt. Indien zij zeggen: kom met ons in gemeenschap! verkeer toch, o zoon, met dit volk niet. Houd uwen voet van hunne paden: want hunne schreden loopen tot het kwaad; en zij haasten zich om bloed te vergieten. Zij leggen zelfs lagen tegen hun eigen bloed, en spannen netten uit tegen hunne eigene ziel.

3. De wijsheid (1) roept daar buiten overluid; zij laat hare

339

-ocr page 344-

GcóC/uCucUiS

stem op de straten hooren. Zij doet zich hoeren alwaar veel volk bijeenvergaderd is; zij doet hare uitspraak aan de poorten der stad, en zegt: O kinderen! hoe lang zult gij de kiudsch-heid beminnen? Hoelang zullen de dwazen naar datgene verlangen, wat hun schadelijk is? Hoe lang zullen de onvoorzig-tigen de wetenschap haten? Bekeert u door mijne berisping. Ik zal u mijne gedachten te kennen geven. Ik zal u mijne woorden doen gevoelen. Dewijl ik geroepen heb, en gij mij afgewezen hebt; dewijl ik mijne hand heb uitgestoken, zonder dat iemand daar acht op nam; dewijl gij al mijne raadgevingen veracht, en mijne berisping hebt laten varen, daarom zal ik ook lagchen in uw verderf, en met u spotten, als u datgene zal overkomen zijn, wat gij vreesdet. Als het ongeluk u onverwachts zal overvallen; als het verderf als een onweder over u zal nederstorten ; als de benaauwdheid en de angst u zullen bevangen, dan zullen zij tot mij roepen; doch ik zal hen niet aanhooren; zij zullen mij van den vroegen morgen zoeken, maar mij niet vinden, omdat zij de onderwijzing gehaat, en de vrees des Heeren veracht hebben; omdat zij mijnen raad afgeslagen, en al mijne bestraffingen smadelijk verworpen hebben. Zij zullen dan de vruchten van hunnen handel eten, en zich ten halze toe met hunne raadsbesluiten verzadigen. De afgekeerdheid der onverstandigen zal ze dooden, en de voorspoed der dwazen zal ze verderven. Maar wie naar mij luistert, die zal onbeschroomd rusten, en zonder vrees van eenig kwaad in overvloed zijn.

3. Mijn zoon! indien gij tot de wijsheid roept, en uw hart tot voorzigtigheid geneigd is; indien gij ze zoekt als zilver, en haar als eenen verborgen schat tracht op te delven, dan zult gij kennen wat de vrees des Heeren is; en Gods wetenschap zult gij vinden. Want het is de Heer, die de waarheid geeft; en het is uit zijnen mond, dat de voorzigtigheid en de kennis komt. Hij bewaart een bestendig geluk voor de regt-zinnigen, en beschermt degenen, die opregt te werk gaan, opdat zij de paden der geregtigheid zouden blijven bewandelen, en de wegen zijner Heiligen waarnemen.

Als de wijsheid in uw hart zal gedaald zijn, en de weienschap aan uwe ziel zal behagen, dan zal de goede raad u bewaren, en de voorzigtigheid u behouden, opdat gij van den boozen handel bevrijd moogt zijn, en van de menschen ■ die met verkeerde woorden omgaan; die de regte baan verlaten, en door de duistere wegen wandelen; die zich verblijden als zij kwaad doen, en zich in de allerbooste zaken verheugen. Bewandel dan den rechten weg, en tracht de paden der regtvaardigen te behouden; want die opregt zijn, zullen het land bewonen, en dc eonvoudigen zullen er voor

340

-ocr page 345-

van het Oude Testament. 341

altijd blijven. Maar de goddeloozen zullea uit het land uitgeroeid worden, en die met ongeregtigheid omgaan, zal men uit hetzelve wegrukken.

4. Mijn zoon! vergeet mijne wetten niet; maar dat uw hart mijne geboden beware: want zij zullen u een lang leven en den vrede aanbrengen.

Laat de barmhartigheid en de waarheid van u niet weggaan: bind ze om uwen hals, en schrijf ze in uw hart; alsdan zult gij aangenaam en van goede zeden gevonden worden voor God en voor de menschen.

Betrouw op den Heer uit geheel uw hart, zonder op uwe wijsheid te steunen.

Denk op hem in al uwen handel, en hij zal uwe gangen besturen.

Wees toch niet wijs in uwe eigene oogen: vrees God, en wijk van het kwaad af.

Vereer God met uwe goederen, en doe hem eene offerande vau al uwe eerste vruchten: alsdan zullen uwe schuren gevuld worden; uwe perskuipen zullen van wijn overloopen.

Mijn zoon! verstoot toch de kastijding des Heeren niet; laat het u ook niet verdrieten, als gij van hem bestraft wordt. Want de Heer kastijdt degenen, die hij lief heeft, gelijk een vader zijnen zoon, dien hij bemint.

Gelukkig is de mensch, die de wijsheid gevonden heeft, en met de voorzigtigheid verrijkt is. Haar kooplwn\'el gaat den koophandel van zilver te boven, en hare inkomst is veel beter dan het zuiverste en fijnste goud. Zij is kostbaarder dan al de edelgesteenten: al wat er wenschelijk is, kan men bij haar niet vergelijken. Het lang leven heeft zij in hare regter-hand, en in hare linker rijkdom en eer. Hare wegen zijn liefelijk, en al hare paden met vrede vervuld. Zij is een boom des levens, voor hen, die ze omhelzen; en gelukkig is degene, die zich sterk aan haar gehecht houdt.

Mijn zoon! verlies deze dingen niet uit het oog; bewaar de wet en den goeden raad; want zij zullen het leven voor uwe ziel, en een halssieraad zijn. Dan zult gij uwen weg vrijmoedig bewandelen; dan zal uw voet niet struikelen. Wanneer gij slaapt, zult gij niet schrikken : gij zult rusten, en uwe rust zal zacht wezen. Gij zult noch voor eene haastige ontsteltenis, noch voor het overkomende geweld der boozen schromen. Want God zal aan uwe zijde staan, en uwen voet bewaren, opdat gij in cjeenen strik zoudet gevangen worden.

-ocr page 346-

Geschiedenis

11. HOOFDDEEL.

1. Weldadig zijn jegens den naaste. 2. De ware goederen zijn alleen

voor de regtvaardigen. 8. Over den weg der regtvaardigen en der

boozen. 4. Zijn hart. zijnen mond en zijne voetstappen bewaren. 5.

Zijn hart aan de onzuivere liefde niet overgeven. 6. Opwekking tot

den arbeid. Voorbeeld van de mier. 3. 4. 5. 6.

1. Belet niemand, wanneer hij kan, wel te doen: ja, doe zelve wel, indien gij zulks kunt, aan uwen naaste.

Zeg nooit tot uwen vriend: ga nu lienen, en kom dan weder; morgen zal ik liet u geven, indien gij het terstond kunt doen.

Wacht u, van uwen vriend, die op u betrouwt, kwaad te doen.

Twist niet zonder reden met iemand, die u geen kwaad gedaan heeft.

2. Wees nooit jaloersch over eenen onregtvaardigen menseh; wil ook zijnen handel niet navolgen; want alle bedriegers zijn [gruwelijk bij den lieer, die den eenvoudigen zijne geheimenissen ontdekt.

Ue Heer zal het huis der goddeloozen met armoede slaan; maar de woning def regtvaardigen zal hij zegenen.

De spotters zal Lij ook bespotten, maar de zachtmoedigen zal hij genade bewijzen.

De wijzen zullen eer beërven, maar de verheffing der dwazen zal tot hunne schande strekken.

3. Tracht de wijsheid te bekomen, want de wijsheid gaat alles te boven; tracht de voorzigtigheid te bekomen door al uw goed.

Hoor toe, mijn zoon! en neem mijne woorden in acut, opdat de jaren uws levens verlengd worden. Ik zal u den weg der wijsheid toonen. Ik zal u op de regte paden geleiden. Als gij die zult ingaan, dan zal uw gang niet angstvol zijn, zelfs als gij loopt, zult gij niet struikelen.

Neem toch geen vermaak in den handel der goddeloozen; laat den weg der boozen u nooit behagen. Vlugt er van, ga er niet door, wijk er af, en laat hem varen.

De weg der regtvaardigen is als een schitterend licht, het welk voortgaat en toeneemt tot den vollen dag van de eeuwigheid-, doch de weg der goddeloozen is vol duisterheden gedurende geheel hun leven; zij weten niet waar zij hij kunnen dood vallen.

4. Bewaar uw hart boven al datgene, wat te bewaren is; want het leven heeft daaruit zijnen oorsprong.

Wacht u wel van eene booze tong; en maak dat lasterende lippen verre van u zijn.

313

-ocr page 347-

van het Oude Testament.

Doe uwe oogeu regt vooruitzien; en maak dat uwe oog-. ledtiu vooraf letten waar gij gaan zult.

Wijk nocli ter regter- nocli ter linkerzijde af. Keer uwe voetstappen van alle kwaad.

5. Mijn zoon! wees aandachtig op de wijsheid, die ik u voorstel, en neig uw oor tot de voorzigtigheid, welke ik u leer, opdat gij uwe gedachten wel gadeslaat, en uwe lippen de goede leeringen mogen bewaren.

Luister toch niet naar de looze trekken eener vrouw, want de lippen van eene ontuchtige zijn als druppelen honig, en hare spraak is zachter dan olie. Maar haar einde is bitter als alsem, en het snijdt als een tweesnijdend, scherp zwaard. Hare voeten gaan naar den dood, en hare treden komen op de hel uit. (jij dan, mijn zoon, maak dat gij uwen weg verre van haar neemt, en wacht u, tot de deur van haar huis te naderen. Schenk toch uwe eer niet aan eene vreemde, noch de jaren van uwe jeugd aan eene wreede, opdat anderen niet verzadigd worden van uwe goederen, en uw arbeid niet overga tot vreemde huizen; opdat gij ook in het laatste niet kermt, als gij vleesch en bloed verteerd zult hebben; en alsdan niet zegt: waarom heb ik de onderwijzing gehaat? waarom heb ik de berispingen in mijn hart versmaad? waarom heb ik niet geluisterd naar de stem van degenen die mij leerden, en naar mijne meesters niet geluisterd? O zoon! gedenk dat eeu ieders handel voor Gods oogen is, die op al zijne gangen aandachtig let. Een goddelooze mensch zal door zijne zonden gevangen worden, en gebonden met de touwen zijner boosheid. Omdat hij de onderwijzing niet aangenomen heeft, zal hij sterven, en zich om zijne groote dwaasheid bedrogen vinden.

6. Ga tot de mier, luiaard! beschouw haren handel, en word wijs. Want, ofschoon zij noch aanleider, noch meester, noch overste heeft, bereidt zij niettemin voedsel voor zich in den zomer, en vergadert in den oogsttijd om leeftogt te hebben. Hoe lang blijft gij, luiaard nederliggen? Wanneer zult gij toch uit uwen slaap opstaan ? Met een weinig te slapen, een w.einig te sluimeren, en een weinig de handen te zamen te leggen om te rusten, zal u de armoede overkomen als een reiziger, en het gebrek als een gewapend man. Maar indien gij naarstig wilt zijn, zoo zal u de oogst aankomen als eeue bron, en de armoede zal verre van u vlieden.

III. HOOFDDEEL.

1. Zeven zonden die God voornamelijk haat. 2. De goddelijke wet altijd gedenken, en de gelegenheden der zonde vlugten. 3. Vermaning der eeuwige Wijsheid tot alle menschen. Prov. 6. 7. 8.

1. Zes dingen zijn er, die God haat, en het zevende ver-

843,

-ocr page 348-

S14 Geschiedenis

foeit hij ten uiterste: opgeheven oogen; eene leugenachtige iong: handen, die schuldeloos bloed vergoten; een hart hetwelk booze gedachten smeedt; voeten, die zich haasten om kwaad te doen; eenen valschen getuige, die met leugentaal omgaat, en iemand die onder broeders twist zaait.

2. Mijn zoon ! onderhoud de geboden uws vaders, en ver laat de lessen uwer moeder niet. Houd ze gedurig in uw hart geprent, hang ze om uwen hals. Laat ze u vergezellen als gij wandelt; laat ze over u de wacht houden, als gij slaapt, en houd u bij uw ontwaken met dezelve bezig. Want het gebod is eene lamp, de wet is een licht, en de berisping ter verbetering, is de weg des levens; opdat gij bewaard moogt worden van eene ondeugende vrouw, en van de vleijende woorden eener vreemde tong. Laat toch uw hart niet op hare schoonheid vallen, laat u niet vangen door hare blikken. Kan iemand wel vuur in zijnen schoot verbergen, zonder zijne kleederen te verbranden? Kan iemand wel op gloeijende kolen gaan, zonder dat hij zijne voeten brandt?

3. Eoept de wijsheid niet, en laat het vernuft zijne stem niet hooren? Ja, zij stelt zich op de verhevenste plaatsen en wegen; omtrent de poorten en den ingang der steden roept zij: Mannen, tot u roep ik, en verhef mijne stem tot de kinderen der menschen. Leert, onvoorzigtigen, wat de wijsheid is, en gij dwazen, keert in u zei ven. Ontvangt dan mijne onderwijzingen liever als het zilver; acht de wetenschap meer dan het goud. De vrees des Heeren haat de boosheid. Ik verzaak de verwaandheid, de hoovaardigheid, de verkeerde wegen en eene dubbele tong. Wijze raad en geregtigheid, voorzigtigheid en sterkte komen mij toe. Door mij heerschen de koningen; de wetgevers doen door mij wat regt is, en de magtigen geven door mij regtvaardige vonnissen. Ik bemin die mij beminnen, en die mij vroegtijdig zoeken, zullen mij vinden. Mijn vermaak is te zijn met de kinderen der menschen. Gij dan, o zonen! hoort mij

. aan; gelukkig zijn, die mijne wegen blijven bewandelen! Zalig is de mensch, die naar mij hoort, die dagelijks waakt aan mijne deur, die den ingang van mijn huis ijverig waarneemt. Die mij vindt, vindt het leven, en behaalt de zaligheid van den Heer. Maar wie tegen mij zondigt, die kwetst zijne ziel; allen, die mij haten, beminnen den dood.

IV. HOOFDDEEL.

Grondregels over onderscheidene zaken. Prov. 9. 10 enz.

Berisp den wijze, en hij zal u liefhebben; geef den wijze gelegenheid, en hij zal in wijsheid toenemen: leer den regt-vaardige, en hij zal met ijver uw onderligt ontvangen.

De

zichti

lm ipott

Ec is d( G

verd omv ü

ong-

i\'

-ocr page 349-

van het Oude Testament. 345

Db vrees des Heeren is liet begin der wijsheid, en de voorzichtigheid der Heiligen is de wetenschap.

Indien gij wijs zijt, zult gij er nut uit trekken: indien gij een ipotter zijt, zult gij er ook alleen het kwaad van dragen.

Een wijze zoon is de vreugd zijns vaders; maar een dwaze is de droefheid zijner moeder.

God zal de ziel van den regtvaardige door den honger niet verdrukken; maar hij zal de bedriegerijen der goddeloozen omver werpen.

Gods zegen is over het hoofd der regtvaardigen; maar de ougeregtigheid der goddeloozen zal hun aangezigt bedekken met schaamte, en hem in de diepste verachting doen vallen.

Het aandenken aan de regtvaardigen is met lof vermengd; maar de naam der goddeloozen zal tot stank worden.

Die de wijsheid in zijn hart bezit, zal de waarschuwing aannemen; maar een dwaas mensch laat zich met de lippen slaan.

Wie opregt wandelt, die wandelt gerust; maar die zijne wegen verdraait, zal betrapt worden.

Haat verwekt krakeel; maar de liefde bedekt alle gebreken.

Die de onderrigtingen aanneemt, is op den weg des levens; maar die de berisping veracht, is in doling.

In veel spreken zal geene zonde ontbreken; maar wie zijne lippen wederhoudt, die is zeer verstandig.

De zegen des Heeren maakt iemand rijk, en de kwelling-zal bij hem niet gevonden worden.

Hetgene de goddelooze vreest, zal hem overkomen: de regtvaardigen zulleu ook verkrijgen wat zij wenschen.

De goddelooze zal als een on weder voorbijgaan; maar de regtvaardige is als eene eeuwige grondvesting.

De vreeze des Heeren verlengt het leven; maar de jaren der goddeloozen zullen verkort worden.

Die opregt is, vindt zijne sterkte in den weg des Heeren ; maar de schroom is voor degenen die kwaad bedrijven.

De regtvaardige zal eeuwiglijk vast staan; maar de goddeloozen zullen het niet lang op de aarde maken.

Eene valsche weegschaal is gruwelijk voor den Heer; maar opregt gewigt is zijn behagen.

Waar hoovaardigheid woont, daar zal ook schande komen ; maar waar ootmoedigheid is, daar is wijsheid.

De rijkdommen zullen in den dag der wraak niet baten ; maar de regtvaardigheid bevrijdt van den dood.

Als een goddeloos mensch sterft, is al zijne hoop te niet; de verwachting der regtvaardigen zal niet vergaan.

Door den zegen der regtvaardigen wordt eene stad verheven; /naar door den mond der goddeloozen wordt zij vernield.

Die bedriegelijk te werk gaat, zal het geheim openbaren ;

htige het-om itaal

ver-bart gij en Jod per-ogt ide ire au ne

-ocr page 350-

Geschiedenis

maar die getrouw van harte is, Terzwijgt hetgene liem door zijnen vriend is toevertrouwd.

Waar getn opperhoofd is, daar zal ket volk vervallen; maar waar vele raadsbesluiten zijn, daar is geluk.

Die barmhartig is, doet wel aan zijne ziel.

Het werk van den goddeloózen zal geenen stand houden ; maar die regtvaardigheid zaait, zal vasten loon inoogsten.

Sommigen deelen hun eigen goed uit, en worden rijker: anderen roeven hetgene hun niet toekomt, en blijven in armoede.

Die het graan ophoudt, zal onder het volk vervloekt worden ; maar de zegen zal over degenen komen, die het verkoopen.

Die op zijne rijkdommen betrouwt, zal vallen; maar de regtvaardigen zullen a!s groene takken uitschieten.

Indien de regtvaardige op de aarde gestraft wordt, hoe veel te meer zal dan de dwaze en de booswicht in de hel gestraft worden !

Die de berisping bemint, bemint de wetenschap; maar die de bestraffing haat, is een dwaze.

Die zijn vermaak neemt in zijnen tijd over te brengen in wijn te drinken, zal de schande in zijn huisgezin nalaten, hetwelk tot armoede vervallen zal.

De handel van eenen dwaas is reg: in zijne oogen; maar die verstandig is, hoort gaarne naar raad.

Valsche lippen zijn gruwelijk voor den Heer; maar die trouw handelen, zijn hem aangenaam.

Het leven is te vinden in het pad der geregtigheid: maar de verkeerde weg leidt naar den dood.

Die zijnen mond bewaart, bewaart zijne ziel; maar, die onbescheiden in het spreken is, zal in druk komen.

De luiaard wil, en hij wil ook niet; maar de ziel des naarstigen zal in overvloed zijn.

Onder de hoovaardigen is gedurig twist; maar die in alles naar raad hoeren, gaan wijselijk te werk.

Goed, hetwelk spoedig gewonnen is, zal te niet gaan; maar datgene, wat allengskens met den arbeid der handen vergaderd wordt, zal gezegend zijn.

Die met wijzen omgaat, zal wijsheid bekomen; maar die de medegezel der dwazen is, zal hun gelijk worden.

Die de roede spaart, haal zijnen zoon; maar die hem lief heeft, straft hem op zijnen tijd.

Eene wijze vrouw bouwt haarhuisgezin op; maar. een dwaas wijf zal het door hare eigene handen omwerpen.

Die den regten weg inslaat, en God vreest, wordt veracht van dengenen die schandig leeft.

Er is een weg, die iemand goed schijnt; maar deszelfs einde loopt naar den doad.

346

ll p

V

li

-ocr page 351-

van het Oude Testament.

Het lagchen zal van droefheid vergezeld zijn; en het einde dér blijdschap komt op treuren uit.

Een dwaze mensch heeft groot vermaak in zijne eigene handelwijze; maar een goed man is meer te achten.

Een onnoozele mensch gelooft alle dingen; maar een nadenkend man let aandachtig op al wat hij doet.

Een wijze man is vol achterdocht, en keert zicli van het kwaad af; maar de dwaze springt er over en houdt zich gerust.

Die gramstorig is, zal dwaze dingen te wege brengen; een arglistig man zal gehaat worden.

Een behoeftige menscli zal zelfs aan zijnen naasten buur hatelijk zijn; maar een rijk man (1) heeft vele vrienden.

Die zijnen naaste versmaadt, valt in zonde; maar die den armen barmhartig is, zal gelukkig zijn.

Die in den Heer gelooft, zal de goedertierenheid liefhebben.

De vreeze des Heeren is eene bronader des levens, om het verderf van den dood te ontvlieden.

Die geduldig is gaat voorzigtig te werk; maar die ongeduldig is, stelt zijne dwaasheid ten toon.

Die den onschuldige verdrukt, doet hoon en smaad aan zijnen Schepper; maar die den behoeftige barmhartig is, bewijst hem eer.

De goddelooze wordt om zijne boosheid verdreven; maar de regtvaardige heeft zelfs betrouwen in zijnen dood.

De geregtigheid verheft de volkeren, maar de zonde brengt hen tot schande.

Een zachtmoedig antwoord ontwapent de gramschap; maar een norsch woord verwekt toorn.

Het oog des Heeren beschouwt de boozen op alle plaatsen.

De offeranden der goddeloozen zijn gruwelijk aan den Heer; maar de beloften der regtvaardigen zijn hem aangenaam.

De handel der goddeloozen is schrikkelijk voor Gods oogen; maar hem die de geregtigheid najaagt, zal hij liefhebben.

Een gerust gemoed is een gedurige maaltijd.

Weinig goed, met de vrees des Heeren, is beter dan grgote schatten, die den menschen nooit verzadigen.

Beter is het, genood igd te worden tot moeskruid met liefde, dan tot een gemest kalf met vijandschap.

Een grammoedig man verwekt twist; maar die geduldig is, zal zelfs den opgerezen twist stillen.

Booze voornemens zijn afgrijsselijk bij den Heer; maar een reine en aangename uitspraak zal hij goedkeuren.

(1) Wij moeten hier den lezer vermanen, dat de Wijze man, in dit en. ?.n v0^eI1(ie boeken, ons onderwijst, nu met geboden voor te schrijven, en dan met fcnkelijk de misbruiken en de onregtvaardigheden te verhalen, die er gemeenlijk in de wereld gepleegd worden, en die een vroom mensch moet vlugten.

347

-ocr page 352-

Gesclderlcnk

Boor barmhartigheid en geloof worden de zonden gezuiverd door de vrees des Heereu vermijdt men het kwaad.

De Heer is verre van de goddeloozen; maar de gebeden der regtvaardigen zal hij verhooren.

De vrees des Heeren is de aanleiding tot de wijsheid, en de ootmoedigheid gaat de eer voorat\'.

God heeft alles om zich zeiven gemaakt, ja ook den god-delooze (1) tot den kwaden dag.

Het begin tot den goeden weg is, wel te doen; en het is God aangenamer dan offeranden.

Het verstand van den mensch beschikt zijn doen; maar God moet deszelfs gangen besturen.

De regtvaardigheid is de bevestiging van \'skonings troon

Een geduldig man gaat een sterk man te boven; en die zich zeiven meester is, overtreft de overwinnaars van steden.

De loten worden in den schoot geworpen: (2) maar God bestuurt dezelve. (3)

Een stukje droog brood met blijdschap, is beter dan een huis vol geofferde beesten met twist.

Even als het zilver door het vuur, en het goud door den oven beproefd wordt, alzoo beproeft God de harten.

Die den armen bespot, hoont zijnen Schepper; en die zich in eens anders verderf verblijdt, zal niet ongestraft blijven.

Eene berisping doet meer nut aan een verstandig man, dan honderd slagen aan eenen dwaze.

Het ongeluk zal nooit van diens huis wijken, die kwaad voor goed vergeldt.

Hij, die den goddeloozen vrijspreekt, en hij. die, den regt-vaardigen verdoemt, zijn beiden een gruwel bij God.

Wat baat het den dwaze groote rijkdommen te bezitten, aangezien hij er de wijsheid niet mede kan koopen?

Die zijn huis te hoog opbouwt, tracht dat het invalt; en die de onderwijzing vliedt, zal in Veel ongemak komen.

Een opregie vriend bemint ten allen tijde; en een broeder wordt in tegenspoed gekend.

Een vrolijk hart maakt het ligchaam jeugdig; maar een droef gemoed zal de beenderen uitmergelen.

De wijsheid schijnt uit in het aangezigt van een verstandig

1) Dit is zeggen, dat de zonden zelve der verdoemden zullen medewerken tot Gods verheerlijking, als doende uitschijnen zijn geduld in dezelve te verdragen, en zijne regtvaardigheid in ze te bestraffer..

2) De gewone wijs van het lot te trekken in die tijden, was, dat men de loten legde in den schoot van een kleed, gelijk men ze hedendaags in eenen hoed legt.

3) De Wijze man leert ons door deze woorden, dat God zelf de loting bestuurt: en dat hetgene meestal een uitwerksel van het toeval schijnt te zijn, door zijne Voorzienigheid en volgens zijnen wil geschiedt.

343

öensc Zei bn v( Ee

WOOÏ

H

aanz

D zij lt; V deg I dig

-ocr page 353-

van het Oude Testament. 349

nensch: de oogen van eenen dwaas wenden zich naar alle\'kanten.

Zelfs een dwaas zal, indien hij zwijgt, wijs geacht worden ; sn vernuftig, indien hij zijne lippen niet opent.

Een dwaas mensch heeft geen vermaak in verstandige woorden, tenzij dat gij hem naar zijn hart spreekt.

Het is zeer kwaad, den persoon van den goddelooze te aanzien, en aldus van het ware regt af te wijken.

De woorden eener dubbele tong schijnen eenvoudig, maar zij dringen tot in het binnenste des gemoeds.

Wie loom en traag is in zijn werk, die is de broeder van degenen, die zijn werk omverstoot.

De naam des Heeren is als eene sterke toren; de regtvaar-dige neemt zijne toevlugt tot hem.

Die antwoordt eer hij gehoord heeft, toont dat hij dwaas en schande waardig Is.

De dood en het leven zijn in de magt der tong: die ze lief heeft (1), zal hare vruchten eten.

Die eene goede vrouw gevonden heeft, heeft een\' grooten schat gevonden: hij heeft van den Heer gunst bekomen.

De rijkdommen geven vele nieuwe vrienden; maar een arm mensch wordt ook van de vrienden, die hij had, verlaten.

Ken valsche getuige zal niet ongestraft blijven; en wie met leugens omgaat, zal het niet ontkomen.

Iemands wijsheid wordt gekend door zijn geduld: en zijn eer bestaat in het ongelijk, dat men hem aandoet, over het hoofd te zien.

Een dwaze zoon Is het verdriet zijns vaders; en een morrend wijf is gelijk aan daken, die gedurig doordruipen.

Huis en goed wordt van do ouders gegeven; maar eene verstandige vrouw komt eigenlijk van den Heer.

Die den armen barmhartigheid bewijst, leent den Heer, die hem ook het geleende zal wedergeven.

Het hart van den mensch voedt vele gedachten; maar de wil des Heeren zal bestaan.

De luiaard steekt zijne hand onder zijnen oksel, zonder die zelfs aan zijnen mond te brengen.

De wijn is de oorsprong van onmatigheid, en de dronken-schap van beroerten; al wie zijn vermaak daarin neemt, zal de wijsheid niet bekomen.

Het strekt tot eer van eenen mensch, zich van twist te «oheiden; maar alle dwazen wikkelen zich in schande.

Om de koude heeft de luiaard niet willen ploegen; daarom zal hij In den zomer bedelen, zonder Iets te ontvangen.

iverd beden d. en god-

Vele menschen worden goedhartig genoemd; maar wie zal een oprecht en getrouw man vinden ?

1) Die ze lief heeft: die gaarne veel spreek^

-ocr page 354-

Geschiedenis

Een kotiinsr, die op zijnen troon zit om regt te doen, verdrijft al het kwaad met zijne oogen.

Wie kan er zeggen: mij a hart is rein, ik ben zuiver van alle zonden?

Tweederlei gewigt en tweederlei maat zijn twee afgrijsselijke dingen bij God.

Uit de geneigdheden van een kind kan men merken of zijn handel zuiver en regt zal zijn.

Wees niet geneigd tot slapen, opdat de armoede u niet overvalle; open uwe oogen, opdat gij met brood verzadigd ■wordet.

Het deugt niet, het deugt niet, zeide alle kooper; (1) maar als hij weggegaan is, dan zal hij roemen (van eenen goeden koop gedaan te hebben.)

Houdt toch geene gemeenschap met iemand, die verholene dingen ontdekt, die arglistig te werk gaat, en die eenen onbescheiden mond heeft.

De erfenis waartoe men in het eerst haastig is, zal in het laatst geenen zegen hebben.

Zeg niet: ik zal kwaad met goed loonen; verwacht den Heer, en hij zal u verlossen.

De voetstappen van den mensch worden door den Heer bestuurd; hoe zou dan de mensch zijne wegen kunnen kennen.

Barmhartigheid en trouw bewaren den koning, en zijn troon wordt door goedertierenheid bevestigd.

Het Hart des konings is in de hand des Heeren als vloeijend water. (2) Hij zal het leiden, waar het hem belieft.

Het is boter op den hoek van het dak te zitten (3), dan in een ruim huis te wonen met een morrend wijf.

Die zijne oogen sluit voor het gekerm der behoeftigen, zal ook roepen maar niet verhoord worden.

Die het stelt op maaltijd te houden, zal tot gebrek komen; die wijn en lekkere spijs lief heeft, zal nooit rijk worden.

Boter is het op eene dorre heide te wonen, dan met een grammoedig en knorrig wijf.

Die do regtvaardigheid en de barmhartigheid najaagt, zal het leven, de regtvaardigheid en de eer vinden.

De begeerten dooden den luiaard; want ziijne handen wil-

t

(1) Het is een groot misbruik, hetwelk de Wijze-raan doet beraerlren, opdat men het vlugten zoude.

(2) De wijze man vergelijkt het hart des konings in Gods hand. bij die wateren, welke een tuinman, of een kunstbronmaker, met eenen omdraai van de hand doet vloeijen naar de verschillende plaatsen, als bijv. in het boek Esther, hoofdd. 4. alwaar zij verhaalt hoe God op eenen stond het hart van Assuërus veranderde, en hem, in stede van gramschap, de zachtmoedigheid instortte.

(3) Men moet zich hier herinneren, dat alsdan de daken plat waren.

330

-ocr page 355-

van het Oude Testament.

len niet werten; den geheelen dag brengt hij in begeerte en wenschen door.

Er is geene wijsheid, geen vernuft, geen raad tegen God.

Men bereidt vele paarden tot den oorlog; maar God moet de behoudenis geven.

Een goede naam is beter dan groote schatten; en met de menschen wel te staan, gaat goud en zilver te boven.

Het is een gemeen spreekwoord; den weg, dien iemand in zijne jongheid inslaat, zal hij in zijnen ouderdom niet verlaten.

Die tot de barmhartigheid geneigd is, zal gezegend worden; want hij beeft den armen van zijn brood medegedeeld.

Jaag den spotter weg, en de twist zal met hem henen gaan; alsdan zal geschil en lastering ophouden.

De luiaard zegt: er is een leeuw buiten, ik zal te midden op de straat gedood worden.

De onverstandigheid is in het hart der kinderen ingewikkeld; maar de roede der kastijding zal ze verdrijven.

Die, om zijne rijkdommen te vermeerderen, den armen verdrukt, zal ook aan eenen rijkeren moeten geven, en arm worden.

Wacht u van den arme te kort te doen, omdat hij arm is, en van den behoeftige in het geregf te verdrukken; de Heer zal zijne zaak oordeelen, en die, welke zijne ziel doorboord hebben, zal hij ook doorboren.

Houd gansch geene vriendschap met eenen grammoedigen mensch; heb geenen omgang met eenen razende, opdat gij naar zijnen handel niet leert leven, en aan uwe ziel geene gelegenheid van vallen geeft.

Doe geene moeite om rijk te worden; maar stel eene maat aan uwe voorzigtigheid.

Verzet de scheidpalen niet van kleine kinderen; noch stel uwen voet in den akker der weezen. Want hun nabestaande {te zoeten God, Vader der weezeu) is magtig\', en hij zal hunne zaak tegen u oordeelen.

^quot;Wil toch uw kind de kastijding niet onttrekken; want als gij het straft, zal het er niet van sterven. Gij zult het met de roede slaan, en zijne ziel zult gij van de hel verlossen.

Laat u niet bevinden in de maaltijden der wijnzwelgers, noch in de slemperijen dergenen, die vleesch te zamen brengen. Want die hunnen tijd met zwelgen en maaltijden te houden, doorbrengen, zullen te niet gaan, en de slaperachtige luiheid zal gescheurde kleederen dragen.

Aan wien zal wen wee zegcjen1? Aan wiens vader \'zal mm wee zeggenquot;? Voor wie zal het krakeel zijn? Voor wie zullen de diepe kuilen wezen? Voor wie de wonden zonder oorzaak?

351

-ocr page 356-

352 Geschiedenis

Voor wie de roode en duistere oogen? Is het niet voor degenen, die hunnen tijd overbrengen met wijn te drinken, en die hun vermaak nemen in bekers te ledigen?

Bezie den wijn niet, als hij liefelijk in het glas speelt. Hij zal zoetjes de keel binnenloopen, maar op het laatst zal hij als eenen slang steken, en als eene adder vergift uitwerpen.

Laat geenzins na, degenen te bevrijden, die men omhals wil brengen. Indien gij zegt: ik heb er de magt niet toe; de kenner der harten weet het. Dengenen, die uwe ziel bewaart, is alles bekend, en hij zal u loon naar werken geven.

Een regtvaardig mensch zal zevenmaal vallen en opstaan; (1) maar de goddeloozen zullen in het kwaad verzinken.

Verblijd u niet, als uw vijand valt: laat uw hart zich niet in zijn verderf verheugen, opdat God, het met mishagen aanschouwende, mogelijk zijne gramschap van hem niet keere en op u laten vallen.

Mijn zoon! vrees God en den koning.

Al wie tot den goddelooze zegt: gij zijt regtvaardig, die zal van het volk vervloekt, en van de gemeente verzaakt worden.

Zeg toch niet: zoo als hij mij behandeld heeft, zal ik hem ook behandelen: hij {namelijk God) zal een ieder loon naar werken geven.

Ik ging eens door den akker van een luiaard, en door den wijnberg van eenen dwaas: en zie, alles was vol distels. De doornen hadden hem gansch bedekt, en de steenen schutsmuur was omgevallen. Als ik dit aanschouwde, nam ik het ter harte, en werd er wijzer door.

Vertoon u niet met pracht in de tegenwoordigheid des konings, noch stel u onder de grooten; want het is beter dat men u zegge: kom hier hooger op, dan dat men u voor den vorst vernedere.

Brengt hetgene uwe oogen gezien hebben, niet spoedig en schreeuwende aan den dag; want als gij uwen vriend onteerd zult hebben, zoudt gij het daarna mogelijk niet kunnen herstellen.

Handel over uwe zaken met uwen vriend, zonder uw geheim aan eenen vreemde te openbaren, opdat hij u misschien

1) De zin van deze woorden is, volgens semmiggen, dat een regtquot; vaardigman dikwijls uit mensohelijke zwakheid fouten begaat, die hij aanstonds door do boetvaardigheid herstelt, daar de booze gewoonlijk nog tot meerdere zonden vervalt. Volgens anderen beteekenen zij, dat de regtvaardige iedere maal als hij verdrukt wordt, vertroosting zal ontvangen, daar integendeel Gods regtvaardigheid de boozen van den eenen afgrond van kwaad in eenen anderen laat vallen.

-ocr page 357-

mn het Oude Testament. 353

niet bescMmpe; als hij het gehoord heeft, ja niet ophoude het u te verwijten.

Een stoffer, en iemand die zijne belofte niet houdt, is gelijk aan den wind en de wolken, waarop geen regen volgt.

Indien uw vijand honger heeft, spijs hem; indien hij dorst heeft, laaf hem; want aldus zult gij eenen hoop gloeijende kolen over zijn hoofd gieten, (1) en de Heer zal het u vergelden.

De noordewind doet den regen ophouden: zoo doet ook een droef gelaat ten opzigte eener kwade tong.

Een man, die zijn drift niet kan beteugelen in het spreken, tó als eene opene stad zonder wallen.

Antwoord den uitzinnige niet (2) volgens zijne dwaasheid, opdat gij aan hem niet gelijk wordet.

^Antwoord den uitzinnige (3) volgens zijne dwaasheid, opdat Lij in zijne oogen niet wijs zij.

Een onverstandig mensch, die in zijne dwaasheid hervalt, is gelijk aan eenen hond die braaksel weder inslikt.

Hebt gij eenen mensch gezien, die wijs in zijne eigene oogen is? van eenen dwaas is nog meer te verwachten, dan van hem.

Gelijk eene deur in hare hengels draait, zoo doet de luiaard ook in zijn bed.

^ aar geen hout is, daar gaat geheel het vuur uit; en daar, waar de oorblazer weg is, zal het krakeel zich bedaren. ^De woorden der oorblazers schijnen wel zoet te zijn, maar zij dringen tot in het binnenste des gemoeds.

Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de toekomende tijd zal voortbrengen.

Laat een ander u prijzen, maar niet uw eigen mond; een vreemde mensch, maar niet uwe eigene lippen.

Openbarige berisping is beter dan geslotene liefde. (4). _ De wonden van eenen vriend zijn beter dan de bedriege-lijke omhelzingen van eenen hater.

Let zorgvuldig op de gesteltenis van uwe schapen, en geef acht (5) op uwe kudden; want de magt, die gij bezit, zal

(1) Dit ia te zeggen: uwe weldaden zullen in zijn hart het vuur der liefde ontsteken; of indien hij ongevoelig blijft, zullen zij eene zwaardere straf op hunnen hals halen.

(2) Dat is: wederleg niet eene dwaasheid: een smaad- of toornig woord, door eenig dergelijk,

(3) Dat is: antwoord hem met zachtaardigheid, en op eene wijze, dat hij zijne dwaasheid gevoelt en ziet, opdat hij er eene heilzame schaamte van hebben moge.

(4) Dat is te zeggen: dat degene, die ons openlijk over onze fouten berispt, ons voordeeliger is dan een oogschijnende vriend, die ons dö waarheid niet durft zeggen, uit vrees van ons te vergrammen.

(5) Dit is eene les, die de Wijze-man aan degenen geeft, wier pligfc hèt is anderen te besturen.

23

-ocr page 358-

GescJiiedbim

niet eeuwig duren; maar de kroon, welke gij ontvangen zult, zal voor altijd blijven.

Booze menschen denken op liet oordeel niet! maar zij die den Heer zoeken lette op alles.

Die zijn oor afkeert om de wet niet te aantooren, dezes gebod zal gruwelijk zijn.

Die zijne boosheid verbergt zal eene slechte uitkomst hebben : maar die ze bekent en verlaat, zal genade ontvangen.

Gelukkig is de mensoh, die altijd in achterdenken is (van God te vergrammen); maar wie zijn hart versteent, die zal in het kwaad vallen.

Even als een brullende leeuw en een verhongerde beer, zoo is een goddelooze vorst over een arm volk.

Die in het regt den persoon der menschen aanziet, handelt slecht; ja zulk een mensch zal voor een stuk brood de waarheid verlaten.

Wie een ander berispt, die zal naderhand bij hem meer gunst vinden, dan die hem met eene vleijende tong bedriegt.

Die vader of moeder besteelt, en zegt: het is geene zonde, die is gelijk aan eenen moordenaar.

Die den armen geeft, zal niets behoeven; maar die\'zijne oogen van bidden afkeert, zal gebrak lijden.

Een mensch die met hardnekkigheid dengenen versmaadt, die hem berispt, zal door een spoedig verderf vernield worden, zonder hoop van herstelling.

Als , de regtvaardigen verheven worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloozen de heerschappij aannemen, zal het volk zuchten.

Een regtvaardig koning zal het volk oprigten, maar een gierigaard zal het verderven.

Een regtvaardige zal kennis nemen van de zaken der armen, maar een goddelooze mensch wil er niets van weten.

Een dwaas mensch stort geheel zijn hart uit; maar een wijs man gaat langzaam voort, en bewaart iets voor het toekomende.

Als een vorst gaarne naar leugens luistert, dan zullen al zijne dienaars goddeloos worden.

Den koning, die den armen getrouw regt doet, dezes troon zal eeuwig vast staan.

De roede en do bestraffing baren wijsheid; maar een kind hetwelk men zijnen wii laat doen, zal zijne moeder beschamen.

Bestraf uwen zoon, en hij zal u vertroosten; ja, hij zal aan uwe ziel groot vermaak verschaffen.

Hebt gij eenen man gezien, die haastig in het spreken is ; er is van hem meer dwaasheid te verwachten, dan zijne verbetering.

854

-ocr page 359-

van het Oude Testament, 355

Die zijnen kneolit van jongs af week opvoedt, zal hem naderhand wederspannig vinden.

Een hoovaardig mensch zal vernederd ivorden; mapr die nederig van geest is, zal eer behalen.

Die de menschen vreest, zal weldra vallen; maar hij, die op den Heer betrouwt, zal verheven worden.

De regtvaardigen hebben eenen gruwel van eenen goddeloo-zen mensch; en de goddeloozen hebben eenen gruwel v-an hen, die op den regten weg zijn.

V. HOOFDDEEL.

1. Oevaar, zoo wel van de rijkdommen, ala van de uiterste armoede,

2. Onderrigting aan Salomon door zijne moeder gegeven. 3. Over de

vrouw. Prov. 30. 31,

1. O Heer! twee dingen heb ik van U verzocht, weiger mij dezelve toch niet eer ik sterf. Weer verre van mij de ijdelheid en de leugentaal. Geef mij noch armoede nock rijkdom; maar verleen mij datgene, wat tot mijn onderhoud noodig is, opdat ik, al te verzadigd zijnde, U mogelijk niet verloochene en zegge: wie is de Heer? Of ook. opdat ik, uit al te groote armoede, niet stele, en den naam van mijnen God door eenen valschen eed onteere.

3. Mijn zoon! geef toch uw vermogen aan vrouwen niet, noch besteed uwe rijkdommen, om koningen te verderven.

Geef den koningen geenen wijn, want niets is er verborgen daar, waar de dronkenschap de overhand heeft; opdat zij ook door den drank de wetten niet vergeten, en het regt der armen niet verdraaijen.

Geef sterken drank aan de bedrukten; geef wijn aan degeneï die van harte bedroefd zijn. Laat zo drinken, opdat zijn hunno behoeften vérgeten en hunnen druk en lijden niet meer gedenken.

Open uwen mond voor eenen stommen mensch, en voor de zaak van allen, die maar voorbij reizen.

Open uwen mond, oordeel volgens de geregtigheid, en doo regt aan den hulpeloozen en behoeftige.

3. Wie zal toch eene kloeke vrouw (1) vinden? Hare kostbaarheid gaat alleSj hetwelk van de verst afgelegene landen gebragt wordt, te boven. Op zulk eene vrouw betrouwt het hart van haren man, wien ook geene goederen ontbroken zullen. Al do dagen haars levens zal zij hem weldoen, en hem nooit moeijelijk vallen. Zij tracht wol en vlas te bekomen, en stelt hare handen vrolijk aan het werk. Zij staat op, als het nog duister is. Zij geeft spijs aan haar huisgezin, en den gestelden lijftogt aun hare dienstvrouwen.

® ■ !

(1) Dat is te zeggen; wijs, oplettend op haar huisgezin, werkzaam, enz.

-ocr page 360-

Geschiedenis

Zij laat hare gedachten vallen om eenen akker te koopen. Zij plant eenen wijngaard uit de winst van haren handarbeid.. Zij schort hare lenden ijverig op; zij verstrekt hare armen tot het werk. Zij beproeft haren koophandel, en bevindt dat hij wel uitvalt. Zij laat hare lamp zelfs \'s nachts niet uitgaan. Zij slaat hare hand aan nuttige zaken. Zij strekt hare vingeren tot het spinnen uit. Zij opent hare hand voor den hulpelooze; hare handpalmen steekt zij uit tot den behoeftige. Zij zal voor haar gezin wegens de kille sneeuw niet vreezen, want hare huisgenooten zijn van dubbele kleederen voorzien. Zij maakt een tapijtwerk voor zich zelve: hare kleeding is van fijn linnen en van purper. Haar man is aanzienlijk in het regterhuis, als hij er gezeten is met de raadsheeren des lands. Met kracht en luister is zij omgeven; voor den toekomenden tijd is zij gansch wel gemoed. Haren mond opent zij met wijsheid, hare tong is de leerschool der zachtzinnigheid. Zij let op al den omgang van haar huisgezin; het brood der ledigheid eet zij niet. Hare kinderen rigten zich op, om haar geluk te wenschen, en haar man om haar te prijzen. Vele vrouwspersonen hebben rijkdommen vergaderd, maar zij gaat dezelve verre te boven. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid is ijdelheid, maar eene godvreezende vrouw zal lof behalen.

ZEDELESSEN UIT DEN E C C L E S IA S T E S.

I. HOOFDDEEL.

1. IJdelheid der wetenschappen en menschelijke geleerdheid. 2. IJdel» heid yan het vermaak, van de rijkdommen, van de gebouwen. 3. Het 13 dwaasheid schatten te vergaderen, die men niet durft gebruiken.

1. IJdelheid der ijdelheden, zegt Ecolesiasticus; ijdelheid der ijdelheden, en alles is ijdelheid. Want wint de mensch door al de moeijelijkheid, met welke hij onder de zon arbeidt? Alle zaken zijn moeijelijk, niemand kan ze met woorden uitspreken. Het oog wordt niet verzadigd met te zien, noch het oor met te hooren. Koning over Israël geworden zijnde, begaf ik mijn hart om wijsselijk te onderzoeken en na te speuren al wat onder de zon gebeurt. God heeft den kinderen dsr menschen die lastige bekommernis gegeven, om zich daarmede bezig te houdeu. Ik bezag dan alles, wat onder de zon geschiedt, en bevond dat alles ijdelheid en kwelling des geestes was. Het is moeijelijk de verkeerden regt te maken, en het getal der dwaze menschen is zonder einde.

Ik sprak in mijn gemoed, en zeide: zie, ik ben groot

356

-ocr page 361-

van het Oude Testament. 337

geworden, ik heb in wijsheid al diegenen oyertroffen, welke vóór mij geweest zijn: mijn verstand heeft ook vele dingen wijsselljk aangemerkt en ondervonden: ik liet dan mijn hart vallen om de wijsheid en de geleerdheid, en de dwalingen en de dwaasheid te kennen; maar ik werd gewaar, dat hierin ook groote moeijelijkheid en kwelling des geestes gelegen was. Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die de wetenschap vermeerdert, vermeerdert ook zijne smarten. Verder heb ik gezien, dat de mensch, van al de werken Gods die onder de zon geschieden, geene reden kan vinden. Ja, hoe meer hij arbeidt om ze te zoeken, hoe minder hij ze zal - vinden; en al zeide een wijs man, dat hij die weet, zal hij echter die niet kunnen vinden.

3. Ik zeide bij mij zei ven: laat ons dan allerlei vreugde gaan smaken en allerlei goederen genieten; maar ik bevond dat dit ook al ijdelheid was. Het lagchen heb ik voor dwaling-geacht, en tot de blijdschap zeide ik: hoe komt gij mij zoo bedriegen! Ik maakte mijne werken met groote pracht; ik begaf\' mij tot het bouwen van huizen, en tot het planten van wijngaarden. Ik legde tuinen en boomgaarden aan: ik beplantte ze met allerhande boomen. Ook maakte ik vijvers, om daarmede de plantsoenen van jonge boomen te besproeijen. Ik hield knechten en dienstmaagden, en een talrijk huisgezin. Ik bezat ossen en schapen in groote menigte. Ik vergaderde goud en zilver, alsmede de kostbaarheden der koningen en provinciën. Ik maakte voor mij zangers en zangsters, kortom al het vermaak van de kinderen der menschen; ook ging ik in rijkdom al mijne voorzaten te boven, en mijne wijsheid (1) bleef bij mij. Immers ik onttrok mijne oogen niets van hetgene zij verlangden, en ik wederhield mijn hart niet van eenige vreugde. Maar na mij tot al de werken, die mijne handen gemaakt hadden, en tot de moeite, die ik te vergeefs daartoe aangewend had, gekeerd te hebben, bevond ik, dat alles ijdelheid en kwelling des geestes, en er niets standvastig onder de zon was.

3. Ik verfoeide al mijn vlijt, met welke ik door zoo groote zorgen gearbeid had, (om rijkdommen te vergaderen), terwijl ik eenen erfgenaam zal hebben, zonder dat ik weet, of hij wijs of dwaas zal zijn. Evenwel zal hij meester van al mijnen arbeid wezen. Kan er nog wel zulk eene ijdelheid te vinden zijn? Daarom hield ik op, en besloot in mijn hart, niet verder onder de zon te arbeiden. Wat nut heeft de mensch van al zijnen arbeid, en al de kwelling des geestes die hij onder de zon bezuurt? Al zijne dagen zijn vol droefheid en smarten. Des nachts zelfs

(1) Dit is te zeggen: die groote uitgestrektheid van verstand en wetenschap, van welke wij in de geschiedenis gesproken hebben: maar niet die wijsheid, welke wij in het boek der Spreuken hebben beschreven.

-ocr page 362-

GescUedmn

kun zijn verstand niet rusten. Is dit dan geene ijdelheid? Want, nadat hij zoo gezwoegd en geslaafd heeft, laat hij zijne winst aan eenen luiaard over. Dit is ook al ijdelheid en groot verdriet. Is het niet beter te eten en te drinken, en zich van zijnen arbeid goed te doen? (1) Dit komt ook van Gods hand, die aan dengenen, die voor zijn oog goed is, de wijsheid, kennis en vreugd geeft; aan den booswicht echter geeft hij moeijelijk-heid eu overtollige zorg om te verzamelen en te vergaderen, opdat hij het overgeve aan dengenen, die het God behaagt

II. HOOFDDEEL.

1, De ong\'eregtigheden en nijd zijn in dit leven gemeen. 2. De ledigheid

en de drift, om goederen te vergaderen, zijn twee ellendige buitensporigheden. Ellende der gierigaards.

1. Ik heb onder de zon in de vierscharen der goddeloosheid gezien, en de ongeregtigheid in plaats der geregtigheid. Hierop zeide ik bij mij zeiven: God zal den regtvaardige en den goddelooze oordeelen, en dan zal de tijd van alle dingen gekomen zijn.

Ik bezag de verdrukkingen, die onder de zon geschiedden, en de tranen der schuldeloozen, zonder dat hen iemand vertroostte ; ook zag ik de inagteloosheid, waarin zij waren, om aan het gi weid der verdrukkers te wederstaan, als verlaten zijnde van de hulp aller menschen. Ik achtle dan het lot der gestorvenen boven dat der levenden: ja, ik achtte boven deze twee dengenen gelukkiger, die nog niet geboren is, en het kwaad, hetwelk ouder de zon geschiedt, nog niet heeft gezien.

Wederom liet ik mijne gedachten vallen op den ganschen arbeid der menschen, en bemerkte, dat hun vernuft onderworpen is aan den nijd van hunnen naaste. Hierin is dan. ook ijdelheid en onnutte bekommering gelegen.

3. De dwaze vouwt zijne handen te zamen, en verteert (2) zijn eigen vleesch, zeggende; beter is eene kleine handvol rust, dan twee geheele hand vollen arbeid en kwelling des geestes.

In mijne bedenking heb ik nog eene andere ijdelheid onder de zon gevonden. Er is een zeker mensch, die niemand bij zich heeft, noch kind, noch broeder; nogtans houdt hij niet op van zorgen en zwoegen; zijne oogen worden door

858

de 1

zelv\'É oed

D de : Dit

Ws

me

r;

1

Dit beteekent, liever matig verkregene goederen gebruiken, dan de gierigaards na te volgen, die dezelve niet durven aanraken, en ze ■voor anderen bewaren.

-ocr page 363-

van het Oude Testament.

de rijkdommen niet verzadigd, zonder dat hij eens bij zich zeiven denkt: voor wie arbeid ik, en laat ik na mij zei ven goed te doen? Hierin bestaat ook ijdelheid en groote kwelling.

De gierigaard wordt door het geld niet verzadigd. Ja, wie de rijkdommen lief heeft, die zal er geene vrucht van hebben. Dit is ook ijdelheid.

Waar veel goed is, daar zijn er ook velen, die verteren. Wat voordeel heeft er dan de bezitter van, dan dat hij het met zijne oogen aanziet?

De slaap is zoet voor den arbeider, hetzij dat hij weinig of veel gegeten hoeft. Maar de verzadiging van den rijke laat hem niet rusten.

Er is nog een smartverwekkend zwaard, hetwelk ik onder de zon gezien heb, namelijk: rijkdommen, door derzelver meester tot zijn eigen verdriet bewaard; want zij gaan ellendig verloren. Hij zal eenen zoon hebben, die in de uiterste behoefte wezen zal. Even als hij naakt uit den schoot zijner moeder gekomen is, zoo zal hij er ook wederkeeren, zonder van zijnen arbeid iets mede te nemen. Dit is waarlijk een groot hartewee. Hij gaat henen, zoo als hij kwam. Wat baat het hem, dat hij voor den wind gearbeid heeft? Al de dagen zijns levens heeft hij in het duister gegeten, met vele zorgen, smart en verdriet. Dit heb ik dus voor eene goede zaak aangezien, dat iemand eet en drinkt, en vreugd geniet van zijnen arbeid gedurende de dagen zijns levens, die hij van God ontvangen zal.

Er bestaat nog een ander kwaad, dat onder de menschen zeer gemeen is, te weten; een man, aan wien God rijkdom, goed en eer gegeven heeft, en aan wien niets ontbreekt van alles wat hij wenschen kan. Doch, God hem de magt niet vergunnende om daarvan te eten, zal een vreemdeling dit alles verslinden. Dit is immers ijdelheid en groote ellende.

III. HOOFDDEEL.

1. öromlleeringen over verscheidene zaken. 2. Gedachten over den dood

en het laatste oordeel van God. li. Laatste woorden van den Ecolesiastos.

I. Zie toe waar gij uwen voet stelt, als gij het huis ingaat, en nadert om te hooren. Want de gehoorzaamheid is beter dan de offeranden der dwazen, die niet \'weten wat kwaad zij doen.

Wees niet onvoorzigtig in uwe woorden, noch overijlend als gij voor God uw gebed zult doen: God is in den hemel, en gij zijt op de aarde. Daarom laat uwe woorden weinig in getal zijn.

Indien gij God iets beloofd hebt, zoo stol geenszins uit het te voldoen; want dwaze en ontrouwe beloften ziin hem niet

359

Want, ! winst )t ver-van I hand, j tennis jelijk. leren, St

-ocr page 364-

Geschiedenis

aangenaam. Volbreng clan al hetgene gij beloofd hebt. Het is veel beter geene beloften te doen, dan die ta doen, en ze niet te volbrengen. Zeg ook voor den engel niet: ik ben on-voorzigtig te werk gegaan, opdat God over uw spreken niet vertoornd worde, en datgene verderve wat gij doet.

Beter is een goede naam, dan kostbare balsem: en de sterfdag is beter dan de geboortedag. (1)

Beter is liet tot een lijkhuis te gaan, dan naar een gastmaal; want in het eerste wordt men aan het einde aller menschen vermaand, en de levende overdenkt wat hem gebeuren zal.

Beter is het van een wijs man bestraft te worden, dan door de vleitaal der dwazen te worden verleid.

Wees niet gramstorig: want de gramschap rust in den boezem der dwazen.

Gebruik het goed in den dag des voorspoeds; en wees op uwe hoede in den dag des tegenspoeds; want God maakt den eenen zoo wel als den anderen, zonder dat de mensch redenen vindt om te klagen.

Wees niet goddeloos of dwaas, opdat gij voor uwen tijd niet sterft.

Zulk een legtvaardige mensch, die goed doet zonder ooit te zondigen, is er op de aarde niet.

Somtijds heeft de eene mensch de heerschappij over den anderen tot zijn eigen kwaad.

Omdat het vonnis over de boozen niet dadelijk wordt uitgesproken, daarom is het, dat de menschen zonder eenige vrees zondigen.

Niettemin, omdat de booswicht honderdmaal kwaad bedrijft, en door langmoedigheid verdragen wordt, zoo heb ik daaruit begrepen, dat het wel zal gaan met degenen, die God vreezen, en die zijn aangezigt ontzien; maar met den goddelooze zal het niet wel gaan, en zijne dagen zullen niet lang duren: ja, die Gods aangezigt niet vreezen, zullen als de schaduw voorbijgaan.

Er zijn regtvaardigen, aan wie het ongeluk overkomt, alsof zij de werken der goddeloozen gedaan hadden: en er zijn goddeloozen, die zoo gerust zijn, alsof zij met de werken der regtvaardigen bekleed waren. (2)

Men vindt regtvaardige en verstandige menscher, en hunne werken zijn in Gods hand; nogtans weet niemand of hij

(1) Dit wordt verstaan van deugdzame menschen, die met den dood in het bezit der eeuwige goederen geraken; daar zij door de geboorte de ellenden van dit tegenwoordig leven hadden beërfd.

(2) Dit is een vast betoog, dat er na dit leven een ander over is, alwaar do regtvaardigen zalig en de zondaars verdoemd zullen zijn. Want onder eenen regtvaardigen God kan de zonde niet ongestraft, en de deugd niet onbeloond blijven.

360

-ocr page 365-

van het Oude Testament.

haat of liefde waardig is. (1) Alles blijft onzer tot liet toekomende.

Wee u, o land! wiens koning een kind is, en wien oversten, van den morgenstond af, het op maaltijd houden stellen. (2) Gelukkig is het land, wiens koning edelmoedig is, (3) en wiens oversten op hunnen tijd hunne spijzen nuttigen, om het ligchaam te herstellen, en niet tot overdada.

3. Indien een mensch vele jaren leeft, en dezelve in alle blijdschap overbrengt, zoo moet hij ook gedenken aan dien duisteren tijd en die lange dagen, (4) welke, als zij zullen aangekomen zijn, al het voorgaande voor ijdelheid zullen uitmaken.

Gij moogt dan, o jongeling! in uwe jeugd vrolijk zijn, uw hart in uwe jeugd vermaken, uwe geneigdheid en wat aan uwe oogen behaagt, (5) involgen, maar weet, dat God u om dit alles voor zijnen regterstoel zal dagen.

Zie dan, dat gij de gramschap uit uw hart weert, en, de boosheid uit uw ligchaam wegneemt; want jeugd en vreugd zijn ijdelheid.

Denk, als gij jong zijt op uwen Schepper, eer die lastige dagen aankomen en eer die jaren naderen, van welke gij zult zeggen: zij bevallen mij niet; eer het stof wederkeert naar de aarde, waaruit het gekomen was; eer de geest wederom gaat tot God, die hem gegeven heeft.

3. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid. De slotrede van alles is deze; vrees God en onderhoud zijne geboden. Dit is al wat de mensch moet doen. Want God zal alles, wat er geschiedt, alle misslagen, alle goed en alle kwaad, in het oordeel brengen.

1) De zin van deze woorden is, dat God de beschermer der rcgtvaar-digen is: dat hij hunne goede werken kent en vergelden zal: maar dat de regtvaardigen zeiven, gedurende dit leven, niet teenemaal zeker weten, óf hunne werken aan God behagen, of niet. Deze kennis wordt voor het andere leven bewaard. God wil, dat ondertusschen hun betrouwen met Trees vermengd zij, opdat zij ootmoediger en oplettender zouden zijn.

2) Dit is te zeggen: die niets dan het genot der tafel en andere vermaken betrachten, van zoo haast als zij opstaan; daar zij op dien tijd van den dag, wanneer het verstand het meest vrij is, zich tot nuttige zaken zouden moeten begeven.

3) Naar de letter staat er: die van adclijke afkomst is: of die waardig is adelijke voorouders te hebben.

4) Dit is te zeggen: ten dage van den dood.

5) Hier wordt aan de jongelingen niet toegelaten, zich in het vermaak te werpen; maar de Wijze-man vermaant hen, dat hoe zeer hij ook derwaarts gedreven worden, zij evenwel die drift moeten beteugelen door de gedachte aan Gods oordeel: alsof hij zeide: vermaakt u zoo veel gij \'wilt; maar evenwel zult gij ten laatste moeten verschijnen voor God, om volgens uwe werken gevonnisd te worden.

361

-ocr page 366-

Geschiedenis

ZEDELESSEN ÜIT HET BOEK DERWIJSHEID.

I. HOOFDDEEL.

1. De rogtvaardigheid beminnen. God eenvoudig zoelcen. 2. God hoort I en weet alles: hij straft de verborgenste zonden. Ijeugeiitaal. 3. De | dood komt niet van God, maar van de zonde. 4. Taal der godde-loozen. Hun haat tegen de regtvaardigen, Wijsheid. 1 en 2.

I. Gij, regters der aarde, bemint de regtvaardiglieid. Hebt goed gevoelen van God, en zoekt hem niet een eenvoudig hart. Want hij wordt van diegenen gevonden, die hem niet tergen, en hij vertoont zich aan dezulken, die op hem betrouwen. Verkeerde gedachten scheiden iemand van God, en die zijne magt willen beproeven, worden van uitzinnigheid overtuigd.

De wijsheid zal in eene kwaadaardige ziel niet komen, noch hare woonplaats nemen in een ligchaam, hetwelk aan de zouden verslaafd is. Want de heilige Geest, van wie het onderwijs komt, vliedt de geveinsdheid: hij wijkt af van de gedachten der onverstandigen, en de overkomende ongeregtigheid zal hem doen henen gaan.

3. De geest der wijsheid hoeft de menschen lief: daarom zal hij diegenen, die met zijne lippen lastert, niet ongestraft laten. Want God is de getuige van alles, wat binnen hem omgaat, de ware doorgronder zijns harten, en de aanhoorder van zijne woorden. Gods Geest vervult het geheele aardrijk, en dewijl hij alles te zamen houdt, hoeft hij kennis van het-gene men zegt. Wie dan ongeregtige dingen spreekt, die kan zich niet verbergen, en zal het oordeel Gods, hetwelk alles moet straffen, niet ontgaan.

Men zal over de raadsbesluiten van den goddelooze onderzoek doen; het geluid zijner woorden zal tot God opstijgen, opdat hij over zijne zonden gestraft worde. Want Gods ja-loersche oor hoort alles; het gemor der misnoegden is voor hem niet verborgen.

Wacht u dan van te morren, hetwelk tot niets dient: en onthoud uwe tong van achterklap; want de verborgene woorden zullen niet ongestraft blijven, en do mond, die liegt, doodt de ziel.

3. Houdt op van den dood door de dwaling uws harten zoo ijverig na te loopen, en van het verderf door de werken uwer handen, over u te trekkc-i. Want God heeft den dood niet gemaakt, noch hij heeft vermaak in het verderf der levenden. Hij heeft alles geschapen! opdat het bestaan zoude. De schepselen waren gezond in hun begin, in dezelve was geen verdervend venijn; het rijk van den dood was op de aarde nog niet te vinden. Want de regtvaardiglieid is altijddurend; zij

362

-ocr page 367-

mn het Oude Testament.

is aan den dood niet onderworpen; maar de goddeloozen hebben den dood door hunne werken en hunne woorden tot zich geroepen. Zij zagen hem aan voor hunnen vriend; zij zijn er voor gesmolten. Zij hebben dan een verbond met hem gemaakt, want die gemeenschap waren zij waardig.

4. Do goddeloozen hebben in de ongeregtigheid hunner gedachten gezegd; ons leven is kortstondig en eÜendig: er is ook geen geneesmiddel tegen den dood der menschen: en men kent er niemand die uit de onderaavdsche plaatsen is wedergekomen. Wij zijn als bij toeval geboren, en na den dood znllen wij zijn, alsof wij er nooit geweest waren. Onze tijd is eene voorbijvliegende schaduw, en er is geen wederkeeren na den dood. ilij is vastgesteld, zonder dat er iemand van wederkomt. Komt dan aan, laat ons de tegenwoordige goederen genieten ! Laat ons dan het geschapene gebruiken, terwijl wij nog jong zijn. Laat ons met kostelijken wijn en liefelijke waters ons zei ven opkroppen, eer dat de aangename tijd ons ontsnappe. Laat ons onze hoofden met rozen kroonen, eer zij verflensen. Dat er geen veld zij, waar onze dartelheid niet gezien worde; want dit is ons lot. Laat ons den regtvaardigen behoeftige overweldigen, zonder weduwen te sparen, of iemands grijze haren of ouderdom te ontzien. Dat onze sterkte de regel zij van het regt: want al wat zwak is, dient tot niets. Laat ons dan den regt-vaardige lagen leggen, want hij is ons hinderlijk. Hij stelt zich tegen onzen handel; hij verwijt ons de overtredingen der wet, en verbreidt overal onze zonden die wij begaan. Hij beroemt zich, dat hij Gods kennis heeft; hij noemt zich den Zoon Gods. Zijne tegenwoordigheid alleen is ons ondragelijk, want zijn leven is niet zoo als dat van andere menschen: hij slaat gansch andere wegen in. Wij worden van hem afgekeurd: hij onthoudt zich van onzen handel, als van onreinheden. Hij verheft zeer hoog het einde der regtvaardigen, en roemt dat God zijn vader is. Laat ons dan eens zien, of zijne woorden waar zijn, en laat ons beproeven, hoe het met hem zal afloopen. Want indien hij waarlijk de Zoon van God is, zal hem God te hulp komen, en hem uit de handen zijner vijanden verlossen. Laat ons hem beproeven, door smaad en pijnigingen, opdat wij zijne zachtmoedigheid mogen kennen, en een bewijs van zijne verdraagzaamheid bekomen. Laat ons hem tot een schandigen dood verwijzen: want zoo hij zegt, zal God voor hem zorgen.

363

Deze gedachten hebben de goddeloozen dwalende gehad, want hunne boosheid heeft hen verblind. Gods verborgenheden (1) hebben zij niet verstaan: op het loon der regtvaardiglieid

1) Gods gelieiraenisBen, volgens welke Christus, en a\'le Trome menschen tot eeuwige vreugde gebracht worden.

-ocr page 368-

864 Geschiedenis 1 c^e

Lebben zij nooit hunne hoop gesteld, en de heeriijklieid deletoove heilige zielen hebben zij niet geacht. Want God had deltadig6 mensch onsterfelijk geschapen, en hem gemaakt om een beelietwell te zijn, hetwelk aan hem geleek, doch door de jaloerschheiAewort des duivels is de dood in de wereld gekomen, en die helange1 met hem houden, ondervinden het. looshf

Itaat

II. HOOFDDEEL. |eiie

fcn ee

1. Geluk der regtvaardigen: ellende der boozen. 2. De dood der regtvaar-l 3. digen is gelukkig. God neemt den regtvaardige uit barmhartigheidljg \\ ten gesohikten tijde uit de wereld. 3. Zeer verschillig lot der regtvaar-lr digen en de goddeloozen na hunnen dood. Vergeel\'scbe klagteu derlquot;®11 laatsten, ten aanzien van het geluk der regtvaardigen. Wijsheid. 3. 4. ö.len \'

leiüd

1. De zielen der regtvaardigen zijn in Gods hand, en delaltiji smart des doods zal hen niet aanraken. Zij schijnen voor de Izal oogen der dwazen te sterven; hun uitgaan wordt voor ellendig Ikun geacht, en hun afscheiden van ons wordt bij hen voor eene I en vernietiging gehouden; maar zij zijn in vrede. Want al lijden!en zij in het gezigt der menschen eenige pijn, zoo bezitten zij nog- 1 ove tans eene volle hoop op een onsterfelijk leven. Nadat zii een I te ■weinig zullen gekastijd zijn geweest, zullen zij veel goed ont- I op vangen; want God heeft hen beproefd, en bevonden dat zij I ■waardig waren bij hem te zijn. Hij heeft hen beproefd, gelijk I vc het goud in den smeltkroes; hij heeft hen als een brandoffer I oi tot zich genomen, en op zijnen tijd zal hij verder op hen denken. 1 li; Dan znllen de regtvaardigen als sterren blinken; zij zullen de B o Heidenen oordeelen; zij zullen de heerschappij voeren over de 1 z volkeren, en hun God zal als koning in alle eeuwigheid heer- I c schen. Die op hem betrouwen, zullen de waarheid begrijpen; 1 1 de geloovigen zullen hem met liefde onderdanig zijn, want de 1 1 genade en de vrede zijn voor zijne uitverkoornen.

Maar de goddeloozen zullen volgens hunne voornemens I gestraft worden; zij, die den regtvaardigen veracht hebben, en ■ van den Heer afgeweken zijn. Want die de wijsheid en den I goeden raad verachten, zijn ongelukkig; hunne hoop is ijdel, B hun arbeid is vruchteloos, en hunne werken zijn onnuttig. S Want het einde van een boos geslacht is zeer afgrijsselijk.

3. Een regtvaardig man zal, al stierf hij vroeg, in rust E zijn. Want hetgene den ouderdom moet doen eeren, bestaat I niet in een lang leven, noch in een zeker getal jaren; maar 1 des menschen grijsheid is zijne wijsheid, en zijn ouderdom I bestaat in een vlekkeloos leven. Omdat de regtvaardige aan 1 God behaagde, was hij van hem bemind, en werd van onder de zondaars, onder welke hij leefde, weggerukt, Hij werd A weggerukt, opdat de boosheid zijn verstand niet verkeeren, . |

-ocr page 369-

van het Oude Testament 363

de arglistigheid zijne ziel niet bedriegen zoude. Want de etoovering der ondeugd verduistert het goed, en de onge-\'d de, tadige driften der bedriegelijkheid verkeeren het gemoed, beeli etwelk anders regt was. Daar hij in weinig tijds volmaakt eworden was, heeft hij vele. jaren geleefd. Hij was God angenaam, daarom heeft hij hem spoedig uit het midden der )00sheid weggenomen. Het volk ziet dit alles aan, maar ver-itaat het niet, en liet overdenkt niet eens bij zich, dat het tene genade en barmhartigheid van God is over zijne Heiligen, in een gunstig oog over zijne uitverkorenen.

3. De goddeloozen zullen het einde der wijzen zien, zonder ie inzigteu te begrijpen, die God over hen had, en waarom hen de Heer in zekerheid gesteld heeft. Zij zullen het zien, en hen verachten, maar God zal met hen spotten. Want eindelijk zullen zij tot eenen schandigen val komen, en voor altijd in versmaadheid onder de dooden zijn. Immers de Heer zal die hoogmoedigen vernielen, zonder dat zij iets zullen kunnen wederspreken: hij zal hen ten gronde toe uitroeijen, en tot het uiterste toe verwoesten. Zij zullen in weedom zijn, en hunne gedachtenis zal te niet gaan. Zij zullen door het overdenken van hunne zonden met schrik (voor Gods oordeel) te voorschijn komen; want hunne boosheden zullen tegen hen opstaan, om hem te overtuigen.

Dan zullen de regtvaardigen zich met groote vrijmoedigheid verheffen, tegen hen die hen verdrukt, en die hunnen arbeid onttrokken hebben. Deze, dit ziende, zullen met eene schrikkelijke verbaasheid bevangen worden, en gansch versteld staan over die onverwachte zaligheid. Daar zij nu berouw hebben, zullen zij in de persing van hun gemoed zuchten en zeggen: deze zijn het, met welke wij eertijds lachten, en die wij openbaar bij alle menschen tot spot stelden. Wij, uitzinnigen, hieldein hun leven vóór eene dwaasheid, en hunnen dood voor eene schande. Ziet, hoe zij nu onder Gods kinderen gerekend worden, en hoe zij hun lot onder de Heiligen bekomen hebben. Dus zijn wij van den weg der waarheid afgedwaald; het licht der regtvaardigheid heeft ons niet bestraald, en de zon der kennis is over ons niet opgerezen. Wij zijn in den weg der boosheid eu des verderfs vermoeid geworden; wij hebben woeste en moeije-lijke wegen doorreisd; maar de weg des Heeren hebben wij niet gekend. Wat hebben wij met onze trotschheid gewonnen? wat heeft het pogchen op onze rijkdommen ons gebaat? Al di\'d dingen zijn voorbijgegaan gelijk de schaduw, en gelijk een voor* bijloopend gerucht. Even als een schip, hetwelk de golven doorsnijdt, waarvan, wanneer het voorbij is, geen spoor of streek gevonden wordt; of gelijk een vogel, die door de lucht vliegt, van welks weg geen kenteeken te vinden is; of gelijk

M de

\'iilieic ie hei

vaar. ïheid raar-i der 4.5.

de de dig me len

en t-

:\'J fc

-ocr page 370-

S64 Geschiedenis

Lebben zij nooit hunne hoop gesteld, en de heerlijkheid dei-heilige zielen hebben zij niet geacht. Want God had den mensoh onsterfelijk geschapen, en hem gemaakt om een beeld te zijn, hetwelk aan hem geleek, doch door de jaloerschheid des duivels is de dood in de wereld gekomen, en die het met hem houden, ondervinden het.

II. HOOFDDEEL.

1. Geluk der regWaardigen: ellende der boozen. 2. De dood der regtvaar-digeu is gelukkig. God neemt den regtvaardige uit barmhartigheid ten geschikten tijde uit de wereld. 3. Zeer verschillig lot der regtvaar-digen en de goddeloozen na hunnen dood. Vergeefscbe klagten der laatsten, ten aanzien van het geluk der regtvaardigen. Wijsheid. 8. 4. 5.

1. De zielen der regtvaardigen zijn in Gods hand, en de smart des doods zal hen niet aanraken. Zij schijnen voor de oogen der dwazen te sterven; hun uitgaan wordt voor ellendig geacht, en hun afscheiden van ons wordt bij hen voor eene vernietiging gehouden; maar zij zijn in vrede. Want al lijden zij in het gezigt der menschen eenige pijn, zoo bezitten zij nog-tans eene volle hoop op een onsterfelijk leven. Nadat zij een weinig zullen gekastijd zijn geweest, zullen zij veel goed ontvangen; want God heeft hen beproefd, en bevonden dat zij waardig waren bij hem te zijn. Hij heeft hen beproefd, gelijk het goud in den smeltkroes; hij heeft hen als een brandoffer tot zich genomen, en op zijnen tijd zal hij verder op hen denken. Dan zullen de regtvaardigen als sterren blinken; zij zullen de Heidenen oordeelen; zij zullen de heerschappij voeren over de volkeren, en hun God zal als koning in alle eeuwigheid heer-schen. Die op hem betrouwen, zullen de waarheid begrijpen; de geloovigen zullen hem met liefde onderdanig zijn, want de genade en de vrede zijn voor zijne uitverkoornen.

Maar de goddeloozen zullen volgens hunne voornemens gestraft worden; zij, die den regtvaardigen veracht hebben, en van den Heer afgeweken zijn. Want die de wijsheid en den goeden raad verachten, zijn ongelukkig; hunne hoop is ijdel, hun arbeid is vruchteloos, en hunne werken zijn onnuttig. Want het einde van een boos geslacht is zeer afgrijsselijk.

3. Een regtvaardig man zal, al stierf hij vroeg, in rust zijn. Want hetgene den ouderdom moet doen eeren, bestaat niet in een lang leven, noch in een zeker getal jaren; maar des menschen grijsheid is zijne wijsheid, en zijn ouderdom bestaat in een vlekkeloos leven. Omdat de regtvaardige aan God behaagde, was hij van hem bemind, en werd van onder de zondaars, onder welke hij leefde, weggerukt, Hij werd ■weggerukt, opdat de boosheid zijn verstand niet verkeeren,

1

gt;

1

-ocr page 371-

van het Oude Testament,

en de arglistigheid zijne ziel niet bedriegen zoude. Want da betoovering der ondeugd verduistert het goed, en de ongestadige driften der bedriegelijkheid verkeeren het gemoed, hetwelk anders regt was. Daar hij in weinig tijds volmaakt geworden was, heeft hij vele jaren, geleefd. Hij was God aangenaam, daarom heeft hij hem spoedig uit het midden der boosheid weggenomen. Het volk ziet dit alles aan, maar verstaat het niet, en het overdenkt niet eens bij zich, dat het eene genade en barmhartigheid van God is over zijne Heiligen, en een gunstig oog over zijne uitverkorenen.

3. De goddeloozen zullen het einde der wijzen zien, zonder de inzigten te begrijpen, die God over hen had, en waarom hen de Heer in zekerheid gesteld heeft. Zij zullen het zien, en hen verachten, maar God zal met hen spotten. Want eindelijk zullen zij tot eenen schandigen val komen, en voor altijd in versmaadheid onder de dooden zijn. Immers de Heer zal die hoogmoedigen vernielen, zonder dat zij iets zullen kunnen wederspreken: hij zal hen ten gronde toe uitroeijen, en tot het uiterste toe verwoesten. Zij zullen in weedom zijn, en hunne gedachtenis zal te niet gaan. Zij zullen door het overdenken van hunne zonden met schrik (voor Gods oordeel) te voorschijn komen; want hunne boosheden zullen tegen hen opstaan, om hem te overtuigen.

Dan zullen de regtvaardigen zich met groote vrijmoedigheid verheffen, tegen hen die hen verdrukt, en die hunnen arbeid onttrokken hebben. Deze, dit ziende, zullen met eene schrikkelijke verbaasheid bevangen worden, en gansch versteld staan over die onverwachte zaligheid. Daar zij nu berouw hebben, zullen zij in de persing van hun gemoed zuchten en zeggen: deze zijn het, met welke wij eertijds lachten, en die wij openbaar bij alle menschen tot spot stelden. Wij, uitzinnigen, hielden hun leven voor eene dwaasheid, en hunnen dood voor eene schande. Ziet, hoe zij nu onder Gods kinderen gerekend worden, en hoe zij hun lot onder de Heiligen bekomen hebben. Dus zijn wij van den weg der waarheid afgedwaald; het licht der regtvaardigheid heeft ons niet bestraald, en de zon der kennis is over ons niet opgerezen. Wij zijn in den weg der boosheid en des verderfs vermoeid geworden; wij hebben woeste en moeije-lijke wegen doorreisd; maar de weg des Heeren hebben wij niet gekend. Wat hebben wij met onze trotschheid gewonnen? wat heeft het pogchen op onze rijkdommen ons gebaat? Al dïê dingen zijn voorbijgegaan gelijk de schaduw, en gelijk een voor* bijloopend gerucht. Even als een schip, hetwelk de golvea doorsnijdt, waarvan, wanneer het voorbij is, geen spoor of streek gevonden wordt; of gelijk een vogel, die door de lucht vliegt, van welks weg geen kenteekeu te vinden is; of gelijk

365

-ocr page 372-

Geschiedenis

eiiii pijl, die nanr het doel gesclioten wordt; aldus zijn wij, nadat wij geboren waren, aanstonds bezweken. Wij hebben ook geen teeken van deugd in ons kunnen aanwijzen; maar wij zijn versleten in onze boosheid. Dit zijn de woorden, die do boozen in de hel zullen spreken.

Doch de regtvaardigen zullen in alle eeuwigheid leven: hflfi loon is bij den Heer, en de Allerhoogste zorgt voor hen. Daarom zullen zij een treffelijk koningrijk en een heerlijke kroon van de hand des Heeren ontvangen; want hij zal ze met zijne regterhand bedekken, en hen met zijnen heiligen arm verdedigen. Hij zal zijn wapentuig met ijver aannemen, en zijne schepselen wapenen tot de wraak van zijne vijanden. Tot een borstharnas, zal hij de geregtigheid aantrekken; en een regtvaardig oordeel zal hij tot eenen helm op het hoofd zetten. Hij zal de heiligheid aannemen als een ondoordringbaar schild. Zijne onbewegelijke gramschap zal hij tot eene lans scherpen, en de geheele wereld zal müt hem tegen de dwazen strijden.

III. HOOFDDEEL.

1. Vermaning aan de groeten en aan de regters der wereld. 2. De wijsheid alleen maakt onderscheid tusschen de vorsten; zij gaat alles te boven en komt van God. 3. Nut der wijsheid. quot;Wijsh. 6. 7. 8.

1. quot;Wijsheid is beter dan kracht, en een verstandig man is beter dan een sterke.

Hoort ■ dan toe, o koningen, en verstaat het wel. Leert, o regters der aarde! Laat het tot uw oor ingaan, gij, die heerschappij over alle volkeren voert, en die behagen neentt in de menigte der natiën. Denkt, dat de heerschappij \'u van God gegeven is, en de magt van don Allerboogste, die uwe werken zal navorschen, en uwe raadsbesluiten naauwkeurig onderzoeken. Omdat gij, do bedienaars van zijn koningrijk quot;zijnde, geen regt gedaan, noch do wet der regtvaardigheid onderhouden, noch naar Gods wil gewandeld hebt, schrikkelijk en haastig zal hij zich aan u vertoonen; want degenen, die over anderen gesteld zijn, zullen streng geoordeeld worden. De kleinen krijgen ligt barmhartigheid, maar de grooten zal men zeer pijnigen. God zal niemand ontzien noch de verhevenheid van iemand vreezen. Kleinen en grooten zijn door hem geschapen, en bij draagt voor allen dezelfde zorg. Maar voor degenen, die magtig zijn, is er eene zwaardere straf te vreezen. Indien gij dan, o koningen der volkeren, behagen hebt in troonen en schepters, bemint de wijsheid, opdat gij eeuwig koningen moogt zijn. Hebt den glans der wijsheid lief, o gij allen, die boven de volkoren gesteld zijt! Want de menigte der wijzen, is hot behoud der

366

-ocr page 373-

van het Oude Testament,

wereld, en een wijze koning, is do welstand van het volk.

3. Ik ben ook wel een sterfelijk nlenseli, even als de andere, en uit hetzelfde geslacht van diegenen, die eerst nit aarde gé* schapen is. Ik heb dezelfde lucht ingeademd, ik ben op dezelfde\' aarde gevallen, en mijn eerste geluid heb ik ook, gelijk de anderen, niet weenen gegeven. In doeken ben ik met groote zorg opgevoed; want niemand van de koningen is op eene andere wijze in deze wereld geboren. Alle menschen komen dan op dezelfde wijs ter wereld, en gaan er op gelijke wijs weder uit.

Dus (aan dezelfde zwakheden even als de andere onderworpen zijnde, en niettemin do andere moetende besturen) heb ik om verstand gebeden, en het is mij vergund; ik heb den geest der wijsheid aangeroepen, en hij is in mij gekomen. Ik heb haar hooger geschat dan schepters en troonen, en den rijkdom heb ik als niet gerekend ten opzigte harer waarde. Boven de gezondheid en alle schoonheid heb ik ze lief gehad; ik had haar verkoren om mijn licht te wezen, want haar glans zal nooit vergaan. Alle goed is mij te zamen met haar toegekomen, en ontallijke schatten door hare handen. Want zij is een onuitputbare schat voor de menschen, en dia er zich van bediend hebben, hebben Gods vriendschap bekomen: want God bemint niemand, dan die zijne woning bij de wijsheid heeft. De Heer heeft mij ook vergund mijne gedachten wel uit te drukken, en te bedenken wat de gaven, die mij verleend zijn, waardig zijn. Want hij is zelfs de aan-leider tot de wijsheid, en die de wijzen ten regte stuurt. Want in zijne handen zijn wij, wij en onze woorden met alle vernuft en met de wetenschap van alle kunsten. Hij is het, die mij de ware kennis van al het geschapene gegeven heeft. Ik heb de kennis bekomen van alles, wat verborgen en onbekend was, dewijl lt;le wijsheid, die een kunstenenares van alle dingen is, mij het leerde.

3. De wijsheid strekt zich krachtig uit van het eene einde tot het andere, en zij schikt alles zachtjes. Ik heb haar bemind en nagespeurd van mijne jeugd af: ik heb haar getracht voor mijne braid te nemen; want ik was een minnaar vail hare schoonheid geworden. Hare edelheid blijkt daaruit treffelijk, dat zij met God verkeert, en dat de Heer van alles haar lief heeft. Want Gods wetenschap leert zij ons, en zijne werken bestuurt zij. Indien men rijkdom in zijn, leven verlangt, wat is rijker dan de wijsheid, die alles verrigt? Indien het vernuft iets te wege brengt, waar is er, onder alles wat wezen heeft, zulk een groot kunstenaar, als zij te vinden? Indien iemand de geregtigheid lief heeft, haar arbeid is loutere deugd. Want zij leert de matigheid, de voorzigtigheid, de regtvaar-digheid en de dapperheid; dingen, die in dit leven de nut-

367

-ocr page 374-

Geschiedenis

tigste aan de menscheu zijn. Indien nu iemand de ervarenheid van alle zaken verlangt, de oude gescliiedenissen zijn haar be* kend, en over de toekomende dingen weet zij te oordeelen, Ik heb dan besloten, dezelve aan te nemen, om met mij te leven, wetende dat zij mij liet goede zal raden, en mijn troost zal zijn in kommer en verdriet: en bare gemeenschap brengt geene kwelling, maar vrolijkheid en blijdschap voort.

IV. HOOFDDEEL.

I. Gebed van Salomon om de wijsheid te bekomen. 2. Almogendheid, regtvaardigheid en barmhartigheid van God. 3. Over de kennis van God. quot;Wijsheid. 9. 11. 12. 13.

1. Nadat ik dan deze dingen bij mij gedacht, en ze in mijn hart breeder overlegd had, hoe dat in de vermaagschap-, ping der wijsheid de onsterfelijkheid te bekomen was, zoo ging ik dezelve alom zoeken, om ze tot mij te nemen. Maar dewijl ik wist, dat ik de wijsheid niet anders konde verwerven, tenzij mij God die vergunde, (en dit was reeds een uitwerksel van de wijsheid, die in mij was, van te weten van wie ik die gave moest ontvangen), zoo stierde ik tot den Heer mijn gebed, en zeide uit geheel mijn hart:

O God mijner voorvaderen! Heer der barmhartigheid, dia alles door uw woord gemaakt, en door uwe wijsheid den mensch geschapen hebt, opdat hij de heerschappij zoude hebben oyer uwe schepselen, opdat hij de wereld zoude besturen in heiligheid en in geregtigheid, en vonnissen met een opregt gemoed; verleen mij de wijsheid, die bij uwen troon gezeten is, zonder mij uit uwe kinderen te verstoeten. quot;Want ik ben uw dienaar, en de zoon van uw dienstmaagd; een zwak mensch, die weinige jaren te leven heeft, en zeer onbe-kwam om het regt en de wetten te verstaan. Ook, al ware iemand volmaakt onder de kinderen der menschen, zoo zal hij, indien hem uwe wijsheid ontbreekt, voor niets geacht worden. Gij hebt mij verkoren om koning over uw volk, en regter over uwe zonen en dochters te zijn; Gij hebt mij ook geboden, dat ik eenen tempel op uwen heiligen berg zoude bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar den vorm van den heiligen tabernakel, welken Gij te vorea toebereid hadt; maar de wijsheid is bij n, die uwe werkefi kent, en die bij U was, als Gij de wereld schiept, die weet wat voor uwe oogen aangenaam, en welke de geregtigheid van uwe geboden is. Zend die toch af van uwen heiligen hemel, en van den troon uwer grootheid, opdat zij met mij zij en met mij arbeide, en ik wete, wat ü behagelijk is. Want zij kent en verstaat alle dingen: zij zal mij voorzigtig

368

-ocr page 375-

van het Oude Tedament.

leiden in mijnen handel, en mij door hare kracht bewaren. Aldus zullen mijne werken u aangenaam zijn, en ik zal uw volk besturen met regtvaardigheid, en den troon mijns vaders waardig zijn.

Want wie onder de mensohen kan Gods inzigten kennen, of wie kan bedenken, wat zijn wil is? De gedachten der mensohen zijn vreesachtig, en onze voorzienigheid is onzeker. Want het ligohaam, hetwelk aan de bedorvenheid onderworpen is, bezwaart de ziel, en deze aardsche woning verdrukt het verstand, hetwelk door vele zorgen verdrukt wordt. Wij begrijpen naauwelijks die dingen, welke op de aarde zijn, en hetgene voor onze oogen is, kunnen wij zonder moeite en zorg niet vinden; wio zal dan datgene, wat in den hemel is, kunnen naspeuren? Wie zal uwe voornemens kennen, tenzij gij hem wijsheid geeft, en uwen heiligen Geest van den hemel afzendt, opdat aldus de handel dergenen, die op de aarde wonen, regt gemaakt worde, en dat do menscben leeren wat U behaagt. Want door de wijsheid zijn, o Heer! al degenen genezen, die van het begin af U aangenaam geweest zijn.

3. Het heeft U beliefd, o Heer, alles bij maat, getal en gewigt te schikken: want de oppermagt is bij U alleen voor altijd te vinden; en wie kan toch de kracht van uwen arm wederstaan? De geheele wereld is voor uwe oogen als het aasje eener weegschaal, en als een droppeltje van den morgendauw, hetwelk op de aarde valt. Maar Gij hebt medelijden met alle menschen, omdat Gij almagtig zijt, en Gij ziet hunne zonden door de vingeren, opdat zij zich zouden bekeeren. Want Gij bemint alles wat bestaat, zonder iets te haten van hetgene Gij gemaakt hebt. Hadt Gij het gehaat, Gij zoudt het niet geschapen hebben. Hoe zou er ook iets kunnen bestaan, indien Gij het niet gewild hadt? of hoe zou er zonder uw bevel iets zijn bewaard geweest? Maar Gij spaart alles, omdat U alles toebehoort, o Heer! die de zielen lief hebt.

Heer! hoe goedertieren, hoe zachtmoedig is uw geest in alles! Dit is de reden, dat Gij diegenen, die dwalen,-langzamerhand bestraft. Gij vermaant hen, en maakt hen indachtig, waarin zij zondigen, opdat zij, de boosheid verlatende, o Heer! in U gelooven. Door hen dan allengskens te bestraffen, geeft Gij hun gelegenheid om zich te bekeeren. Het was niet, dat Gij iemand vreesdet, als Gij hunne zonden door de vingeren zaagt: want wie zal tot U zeggen, waarom doet Gij dit? of wie zal zich tegen uw oordeel verzetten? of wie zal voor uwe oogen de onregtvaardigen komen wreken? Dewijl Gij dan regtvaardig zijt, bestuurt Gij alles regtvaardig en acht het verre van uwe magt, dengenen te verwijzen, die niet ver-

24

369

-ocr page 376-

Geschiedenis

diend lieeft gestraft te zijn. Want uwe kracht is de grond van uwe regtvaardigheid, en omdat Gij de Heer van alles zijt, daarom is het, dat Gij alles spaart. Doch Gij betoont uwe kracht, als men niet gelooft dat Gij volle magt hebt en maakt de stoutmoedigheid van degenen die U niet kennen beschaamd. Maar dewijl Gij de Heer en Meester zijt van uw vermogen, doet Gij regt met zaohtzinniglieid, en bestuurt ons met vele versoliooning, want Gij hebt de magt ter hand, als het U believen zal. Door deze handelwijze hebt Gij uw volk geleerd, dat een regtvaardig mensch ook liefderijk moet zijn, en Gij hebt uwen kinderen vertroostende hoop gegeven, dat Gij door uwe kastijding hun de gelegenheid zult vergunnen, om zicli van hunne zonden te bekeeren. Als Gij ons dan eenige kastijding overzendt, geeselt Gij onze vijanden oneindig meer; opdat wij, door een ander te bestraffen, uwe goedertierenheid zorgvuldig zouden bedenken; doch dat wij, wanneer wij van ü gestraft worden, op uwe barmhartigheid zouden betrouwen.

3. Dwaas zijn waarlijk alle menschen, bij welke Gods kennis niet gevonden wordt, en die uit de zigtbare goederen niet hebben kunnen verstaan dengenen, die is, noch den Maker erkend hebben uit de beschouwing zijner werken; maar zich hebben laten voorstaan, dan, of het vuur, of de wind, of de lucht, of de omloop der sterren, of de zee, of de zon of de maan de goden waren, die de wereld bestuurden. Doch indien zij dezelve voor goden geacht hebben, om het vermaak hetwelk zij namen in hunne schoonheid, dat zij daarnit dan leeren, hoeveel schooner diegene wezen moet, die hun Heer is! Want het oorspronkelijke begin heeft al deze dingen geschapen. Indien zij hunne kracht en hunne uitwerking met verwondering hebben aangezien, dat zij daaruit begrijpen, hoe veel vermogender diegene moet zijn, die dezelve gemaakt heeft. Want uit de grootheid en schoonheid der schepselen, zal men derzelver Schepper zonneklaar kunnen kennen.

U te kennen, o God! is de volmaakte regtvaardigheid, en uwe geregtigheid en uwe magt te weten, is de oorsprong van een onsterfelijk leven.

ZEDELESSEN UIT HET BOEK ECC L E SIA S T10 ü 3. I. HOOFDDEEL.

1. De wijsheid komt van God. 2. Voordeel van de vrees des Heeren. 3. Tegen de schijnheiligheid. 4. Geduld in kwellingen, en betrouwen op God. 5. Vrees en liefde van God. Betrouwen op zijne barmhartig-heid. Eccli. hoofdd. 1. 2.

1, Alle wijsheid komt van don Heer; zij was altijd bij

370

-ocr page 377-

van het Oude Testament.

hem, en zij is daar voor alle eeuwen. Gods woord, hetwelk in de hoogste hemelen is, is de bron der wijsheid; de Allerhoogste heeft ze uitgestort over al zijne werken; zij is bij alle menschen volgens zijne vergunning, en hij verleent ze aan allen, die hem liefhebben.

2. De vrees des Heeren is eer, roem, vrolijkheid, en eene kroon van verheuging.

Die God vreest, zal in zijn uiterste welvaren, en in den dag van zijnen dood gezegend worden.

De vreeze Gods is het begin der wijsheid, en zij doet zich in de regtvaardige en trouwe menschen bemerken.

De vreeze des Heeren is eene geleerde godsvrucht.

De volheid der wijsheid is God te ontzien; zij verzadigt den mensob. met hare vruchten.

De vreeze Gods is de kroon der wijsheid, en zijn beide gaven van God.

De vreeze des Heeren verdrijft de zonde.

Mijn zoon! indien gij de wijsheid verlangt, onderhoud dan hetgene regt is, en God zal ze u geven.

Mistrouw niet van de vrees des Heeren, ga ook niet tot iem met een dubbel hart (1.)

8. Wees geen schijnheilige voor de menschen, en geef acht op uwe lippen, opdat zij u niet tot val en schande strekken. Want God zal datgene, wat in u verborgen is, openbaren, en u in het midden der gemeente tot vernedering brengen; omdat gij arglistig tot den Heer gekomen zijt, en uw hart vol arglistigheid en bedrog is. Wee aan de dubbelhartigen, aan kwaadaardige tongen, aan handen die boosheid bedrijven, en aan den zondaar die twee wegen in de wereld inslaat!

4. Mijn zoon! als gij u tot de dienst des Heeren begeeft, bereid dan uwe ziel tot de bekoring (3). Verneder uw hart, en wees geduldig. Wees ook niet haastig in den tijd van tegenspoed. Verdraag langmoedig Gods vertoeven; schik u naar hem, en verbeid hem, opdat uw leven in het einde gezegend worde.

Ontvang al wat u overkomt; wees geduldig in uwe èmarten, en behoud de lijdzaamheid, als gij vernederd wordt; want even als goud en zilver in het vuur beproefd wordt, zoo ook worden de aan God aangename menschen in den oven der verootmoedigingen beproefd.

(1) Dat -wil zeggen: met een hart, hetwelk tusschen de liefde tot God en de liefde tot de menschen verdeeld is. ^

(2) Men moet daardoor verstaan, niet alleen de inwendige bekoringen, maar ook de verdrukkingen die ons van God worden toegezonden, de tegenspoed van wege de menschen; kortom, al wat dient om de getrouwheid van den mensch jegens God te beproeven.

371

-ocr page 378-

Gescliiederds

Betrouw op God, en hij zal u kevstellen. Stap den regten weg in, en hoop op hem. Houd u in zijne vrees, en bewaar ze al de dagen uws levens.

Wee den kloekmoedigen, die op God niet betrouwen, en die ook daarom van hem niet zullen beschermd worden. Wee degenen, die de lijdzaamheid verloren, die de regte paden verlaten hebben, en die afgeweken zijn tot het kwaad ; wat zullen zij aanvangen, als de lieer hen zal komen oordeelen?

Gij, die den Heer vreest, verwacht zijne barmhartigheid. Wijkt van hem niet af, opdat gij niet tot val komet.

Gij, die den Heer vreest, betrouwt op hem, en uw loon zal niet vergaan.

Gij die den Heer vreest, steunt op hem, en zijne barmhartigheid zal u met groot vermaak overkomen.

Gij, die den Heer vreest, bemint hem, en uwe harten zullen verlicht worden.

Aanziet, o lieve zonen! de oude geslachten der menschen, en bemerkt, dat niemand, die op den Heer betrouwd heeft, in schaamte gebleven is. Wie is in zijne geboden standvastig gebleven, en van hem verlaten? Wie heeft hem aangeroepen, en is van hem veracht geworden? want God is goedertieren en barmhartig; hij vergeeft de zonden in den tijd van wederwaardigheden, en liij beschermt degenen, die hem opregt zoeken.

Die den Heer vreezen, zullen aan zijne woorden niet onge-loovig zijn: en die hem beminnen, zullen zijnen weg standvastig blijven houden.

Die den Heer vreezen, zullen onderzoeken wat hem aar-genaam is: en die hem lief hebben, zullen door zijne wet verzadigd worden.

Die den Heer vreezen, zullen hunne harten bereiden, en hunne zielen in zijne oogen zalig maken.

Die den Heer vreezen, zullen zijne geboden onderhouden, en met geduld wachten tot dat hij zijne oogen op hen slaat. Laat ons, zullen zij zeggen, boetvaardigheid doen, opdat wij in de handen des Heeren, en niet in de handen der menschen vallen; want even als zijne verhevenheid groot is, zoo is ook zijne barmhartigheid.

TI. HOOFDDEEL.

I. Over de pligten der kinderen jegens hunne ouders. 2. ZachtraoeJigaeid. en ootmoedigheid. Nieuwsgierigheid. Verhard gemoed. Die het gevaar bemint, zal er in vergaan. 3. Aalmoezen geven, en medelijden met da elleniigen. 4. De waarheid en de regtvaardigheid boven alles beminnen. Zachtmoedigheid, milddadigheid. 5. Betrouwen op de rijkdommen. (Jod is traag om te straffen. Zijne bekeering niet uitstellen. Eool. 3. 4. 5.

1. O kinderen! aanhoort het bevel van uwen vader, en

373

-ocr page 379-

van het Oude Testament.

volbrengt liet zoodanig, dat gij zalig wordet. Want God lieeft den vader in eer en hoogachtig doen stellen bij zijne kinderen; en het gezag der moeder heeft hij door zijn gebod over hen vastgesteld. Die zijnen vader eert, zal ook verinaak bekomen van zijne kinderen; en hij zal verhoord worden, wanneer hij bidden zal.

Die God vreest, zal zijne ouders eer bewijzen, en hij zal diegenen, die hem voortgebragt hebben, als zijne heeren dienen.

(Hoofddeel. 7. v. 29.) Eert uwen vader uit ganscher harte, zonder de smarten van uwe moeder te vergeten. Gedenkt, dat gij uit hen geboren zijt, en tracht voor hen te doen, zoo als zij voor u gedaan hebben.

Eert uwen vader met daden, met woorden en met alle geduld, opdat zijn zegen over u kome, en over u tot het einde uws levens blijve.

De zogen der vaders bouwt het huis der kinderen ; maar de vloek der moeder verderft het ten gronde.

Mijn zoon! wees uwen vader behulpzaam in zijnen ouderdom, en bedroef hem niet zoo lang hij leeft. Indien hem het verstand begeeft, wees inschikkelijk, zonder hem te verachten ten opzigte van de voordeden, die gij over hem hebt; want de barmhartigheid, die men eenen vader bewijst, zal nooit vergeten worden. God zal u ook vergelden, als gij de gebreken uwer moeder verdraagt. Gij zult daardoor in de regtvaardig-heid gevestigd worden; men zal u gedenken in den dag der smart, en uwe zonden zullen smelten gelijk ijs voor de zon.

Die zijnen vader verlaat, trekt eene schandvlek op zich; en hoe vervloekt bij God is hij, die zijne moeder vertoornt!

3. Mijn zoon! voer uwe werken zachtmoedig uit; en boven alle menschelijke eer zal men u liefhebben.

Hoe verhevener gij zijt, verneder u des te meer, en gij zult bij den Heer genade ontvangen. Want Gods magt is alleen groot, en het zijn de ootmoedigen, die hem eeren.

Doorsnuffel die dingen niet, die u te zwaar zijn; tracht ook geene oorzaak te doorgronden, die uwe kracht te boven gaat: maar denk altijd op datgene, wat God u geboden heeft, zonder veel van zijne werken door nieuwsgierigheid te willen naspeuren. Want het is noodig, dat gij geheime dingen met uwe oogen ziet. Immers, u zijn menigvuldige dingen aangewezen, die het verstand der niensclien■ te boven gaan. Velen zijn door hunne verbeeldingen bedrogen geweest; het kwaad vermoeden heeft hun verstand door hunne ijdelheid bedorven.

Een versteend gemoed zal op het laalste kwalijk varen en die het gevaar bemint, zal er in vergaan.

3. Het water bluscht het vlammende vuur uit, en de aal-

373

-ocr page 380-

874 GescJiiedeuis

moes wederstaat aan de zonde, en heeft de kracht van ze uit ie wisschen. God geeft aolit op deugene, die milddadig is, en zal liem in liet toekomende gedenken, zoo dat hij in den. tijd van zijnen val eenen steun zal vinden.

Mijn zoon! onttrek den arme zijne aalmoes niet; wend ook uw oog van hem niet.

Bedroef het gemoed van den hulpelooze niet, noch stel uwe gift uit aan dengenen, die in druk en lijden is.

Wend uwe oogen van den arme niet af, opdat hij zich niet tegen u vergrarame: geef hem ook geene oorzaak, dat hij achter uwen rug u vervloeke. Want het gebed van dengenen, die u kwaad wenseht in de bitterheid zijner ziel, zal verhoord worden van hem, die hem geschapen heeft. (1)

Neig uw oor tot den behoeftige: voldoe zonder droef te zijn uwen pligt, en geef hem een zachtmoedig en troostend antwoord.

Verlos dengenen, die onregt lijdt, uit de hand van den hoovaardige, zonder dat het u in uw gemoed verdrietig valle.

Zij de weezen in het regt toegedaan als een vader; en wees. in de plaats van man aan hunne moeder. Aldus zult gij als. een onderdanig kind zijn bij den Allerhoogste, die u meer zal, liefhebben, dan uwe moeder.

3. Mijn zoon! neem den tijd wel waar, en wacht u van het kwaad. Wees nooit beschaamd de waarheid te zeggen, al hing er uw leven van af. Want er is eene beschaamdheid, die tot de zonde leidt, en er is eene andere, die eer en gunst baart.

Wees geen uitnemer van personen tegen uw eigen voordeel: wees ook niet leugenachtig tegen uwe eigene ziel.

Wederhoud de vermaning niet in den tijd van zaligheid.

Spreek de waarheid nimmer tegen, en wees beschaamd over eene leugen, waarin gij door onkunde gevallen zijt.

Schaam u niet van uwe zonden te belijden.

Strijd voor de regtvaardigheid, als voor uw leven: vecht voor haar tot den dood toe; en God zal uwe vijanden voor u vernietigen.

Wees niet te vlug met uwe tong, noch lui en traag in uwe werken.

Wees niet als een leeuw onder uwe huisgenooten, door diegenen, die aan u onderworpen zijn, te verstoeten en te ver» drukken.

Dat uwe hand niet geopend zij om te ontvangen, noch gesloten om te geven.

5. Steun niet op onregtvaardigen rijkdom: zeg ook niet:

1) De Wijze-man keurt de vervloeking der armen, uit ongeduld voortkomend, niet goed; maar hij vermaant de rijden derzelver uitwerksels te vreezen.

-ocr page 381-

van het Oude Testament.

Ik heb genoeg ora van te leven: want in den dag van wraak en smart zal dezelve n niet baten.

Volg uwe sterkte niet in, om aan uwe begeerlijkheid te voldoen. Zeg ook niet: wie zal mij om mijne doenwijze onder zicb kunnen brengen? want God zal dit zekerlijk wreken. Zeg ook niet: ik heb gezondigd, en wat leed is mij wedervaren ? want de Allerhoogste is een traagzame bestraffer,

quot;Wees niet zonder achterdenken over de misdaden, die u vergeven zijn; wacht u insgelijks van de eene zoude op de andere te hoopen. Zeg ook niet: de barmhartigheid des Heeren is groot: hij zal mij de menigte mijner zonden vergeven. Want de barmhartigheid en de gramschap zijn hem zeer digt bij de hand, en zijne gramschap zal op de zondaars rusten.

Vertraag niet u tot God te keeren: stel het ook niet uit van dag tot dag: want hij zal haastig uitvaren, en u verdei? ven, als de tijd der straf zal gekomen zijn.

III. HOOFDDEEL.

1. De ligtvaardigheid des geestes vlugten; de onbescheidenheid in het spreken, en de valsche overdragingen. 2. Over het verkiezen van eenen vriend. Waarde van eenen trouwen vriend. Standvastig in de vrien-schap zijn. 3. De wijsheid is in het eerst moeijelijk om te vinden, maar haar juk wordt zacht. De ouderlingen en wijzen aanhooreai 4. Leerregelen over een goed regter. 5. Goedheid tot de dienaars. Zorgvuldigheid voor de kinderen. Eccl. 5. 6. 7.

1, Waai niet met alle winden; sla ook alle wegen niet in: sla vast in den weg des Heeren, in de waarheid uwer gevoelens, en in uwe wetenschap: dat ook het woord van vrede en regtvaardigheid u altijd vergezelle.

Wees zachtmoedig om te aanhooren wat er gezegd wordt, opdat gij het moogt verstaan en met wijsheid antwoorden.

Indien gij verstand genoeg hebt, zoo antwoord uwen naaste: zoo niet, leg uwe hand op uwen mond, opdat gij in uw onredelijk spreken niet gevangen wordet, en tot schande komet.

Dat men u voor geenen oorblazer houde, en dat uwe tong u niet tot schrik en schande strekke: want eene dubbele tong zal groote schande behalen, en over eenen oorblazer zal haat, vijandschap en verwijt komen.

Doe gelijkelijk regt aan kleinen en grooten. 3. Een zoetaardig woord maakt vrienden, .en het verzacht vijanden; een goed mensch is ook overvloedig in zachte woorden.

Leef in vrede met vele menschen; maar kies eenen raadgever onder duizend.

Wilt gij eenen vriend bekomen, bekom hem door beproevingen, zonder hem al te spoedig te betrouwen. Want men.

375

-ocr page 382-

876 Geschiedenis •

vindt vrienden, die vrienden zijn, zoo lang als zij er Imn voordeel in vinden, en die u in den dag van tegenspoed laten varen. Men vindt vrienden die in vijanden veranderen, en die hunnen haat met schelden en lasteren te kennen geven. Men vindt ook tafelvrienden, die in tijd van nood in vriendschap niet volharden.

Verwijder u van uwe vijanden (1), en wees op uwe hoede voor uwe vrienden. (2)

Een trouwe vriend is eene sterke bescherming: wie hem gevonden heeft, die heeft eenen grooten schat gevonden.

Niets is er te vergelijken bij eenen trouwen vriend; goud en zilver verdienen geenszins in de weegschaal gelegd te worden met de waarde zijner trouw. Die God vreezen, zullen hem vinden.

Voor zoo veel iemand den Heer vreest, zal hij echte vriendschap genieten: want zijn vriend zal hem gelijk zijn.

(Hoofdd. 9. v. 44.) Verlaat geenen ouden vriend; want een nieuwe zal aan hem niet gelijk zijn.

(Hoofdd. 37. v. 1:) Alle vriend zal wel zeggen : ik heb ook vriendschap gehouden met dezen mensch; maar men vindt vrienden, die het slechts met den naam zijn.

Een medegezel zal met zijnen vriend blijde zijn, al hij in blijdschap is: en in den tijd van tegenspoed zal hij tegen hem zijn.

Vergeet uwen vriend niet in uw gemoed; wees hem gedachtig, ook als gij rijk zult zijn geworden.

3. Mijn zoon! neem de onderrigtingen van uwe jeugd af aan, en tot uwe grijsheid toe zult gij wijsheid bezitten.

Begeef u tot haar, zoo als iemand die ploegt en zaait: en verwacht hare goede vruchten. Want gij zult haar wel een weinig bearbeiden, maar welhaast van hare vrucht eten.

Hoe bitter valt de wijsheid aan onleerzame menschen: een dwaze zal het bij haar niet uithouden.

Zij zal hem als een proefsteen zwaar vallen, en hij zal zich haastig van haar ontlasten.

De wijsheid is aan velen niet openbaar; doch aan wie zij bekend is, met die blijft zij tot het aanschouwen van God.

Hoor toe, mijn zoon! neem verstandige vermaningen aan, zonder mijnen raad te verwerpen. Steek uwen voet in hare boeijen, en uwen hals in haren halsband. Buig uwe schouderen om haar te diagen, zonder verdriet in haren handel te scheppen. Ga tot haar uit geheel uw hart, en behoud hare wegen uit al uwe krachten. Als gij ze bekomen hebt,

1) Niet van genegenheid, maar van hun gezelschap: betrouw niet op degenen, die u eene valsche genegenheid toedragen.

2) Dit is te zeggen: voor degenen die wel voorgeven uwe vrienden te zijn, maar wier getrouwheid nog niet genoeg beproefd is.

-ocr page 383-

van het Oude Test ^nmt.

laat haar dan niet varen; want op het la:itste zult gij inbaar rust vinden, en zij zal u tot groot vermaak strekken. Hare boeijen zullen u tot eene sterke bescherming-, en haar halsband tot een eerekleed dienen.

Mijn zoon! begeef u tot de vergadering der ouderlingen, en wees tot hunne wijsheid uit ganscher harte genegen, opdat gij alle goddelijke verklaringen van heu moogt hooren, en hunne treffende spreuken u niet ontgaan.

Indien gij een verstandig man ziet, ga tot hem van \'s morgens vroeg; en dat uw voet den drempel van zijn huis veslijte.

Heb uwe gedachten op Gods geboden, en oefen u gestadig in zijne bevelen. Hij zal uw hart versterken, en de verlangde wijsheid zal u vergund worden.

4. Wacht u van kwaad te doen, aldus zal u geen kwaad bevangen; wijk af van den ondeugende, en de zonde zal van n afwijken.

Verzoek van den Heer geen hoog ambt, noch van don koning eenen luisterrijken zetel.

Regtvaardig u nooit voor God, want hij kent de harten ; wil ook den koning niet laten weten, dat gij wijs zijt.

Zoek nooit regter te worden, tenzij gij sterk genoeg zijt om alle pogingen van het kwaad te breken; opdat gij, door magtige personen te vreezen, mogelijk van uwe regtvaardigheid niet vervallet.

Wees niet kleinmoedig.

Laat niet na te bidden en aalmoezen te geven. Zeg ook nooit: God zal de menigte mijner giften aanzien, (1) en de offeranden, die ik aan God den Allerhoogste opdraag, zal hij in dank aannemen.

Lach nooit met iemand die in droefheid is; want God,, die vernedert en verheft, beschouwt alles.

Vind geene leugens uit tegen uwen broeder; wacht u van te liegen; want zich daaraan te gewennen, is zeer kwaad.

Wil niet veel praten in de vergadering der ouderlingen; herhaal ook uwe woorden niet in uwe gebeden. (2)

Wees niet afkeerig van zwaren arbeid, noch van den\'landbouw, die door den Allerhoogste ingesteld is.

Verbreek de vriendschap niet met uwen vriend, omdat hij wat uitstelt u te behagen; noch verwerp eenen broeder, die n lief heeft om God.

(1) Dat wil zelt;j?en; stel uw betrouwen niet op de uitwendige teekens van godsvrucht, alhoewel zij in zieh zeiven heilig zijn; want men behaagt maar allepnlijlc aan Ood door de godsdienstigheid des harten-Al het andere, dat is nutteloos.

(2) Dit is het, wat Christus in het Evangelie gezegd heeft: Als gij bidt, gebruik niet vele woorden, gelijk de Heidenen, die meenen dat zij door-de menigte hunner woorden zullen verhoord worden. Math. 6. 7.

377

-ocr page 384-

Geschiedenis

Doe eenen knecM, die getrouw werkt, geen leed, nocli aan eenen huurling, die zich zeiven ten beste geeft.

Dat een verstandige dienstkneclit u zoo lief zij als uwe eigene ziel; verlaat liem niet in zijne armoede.

Hebt gij zonen, zoo onderwijs hen, en buig hen van hunne jeugd af.

Hebt gij dochters, bewaar de zuiverheid van haar ligchaam. En toon haar geen vrolijk gelaat.

Trouw uwe dochters uit, en gij zult een groot werk doen, maar geef haar eenen verstandigen man.

Heb een wakend oog over uwe dochter die onbeschaamd is, opdat zij, wanneer zij de gelegenheid vindt, dezelve niet waarneme.

IV. HOOFDDEEL.

1. Aan de priesters de schuldige eerbewijzen. Werken van barmharlig-hoid. Gedachte over den dood. 2. Verscheidene onderrigtingen. 3. Tegen de jaloerschheid en de te groote vriendelijkheid. Vermaning over het gebruik der oogen. 4. Vergankelijke roem der boozen. Goede menschen zoeken zich met G-od te bekommeren. Praatzucht 5. De onderdanen volgen hunnen vorst. Een goed koning wordt van öod gegeven. De zonden zijn de oorzaak van de verwoesting der rijken. De magt eens mensehen duurt korten tijd. 6. Tegen de gierigheid. Eocli. 7. 8. 9. 10.

1. Vrees den Heer uit geheel uw hart, houd ook zijne priesters in waarde.

Bemin uit al uw vermogen dengenen, die u geschapen heeft, en verlaat degenen niet, die hem dienen. Geef de priester hun deel zoo als u bevolen is; de eerste vruchten en de offerande van zuivering.

Eeik uwe hand uit tot den armen, opdat uwe verzoening en uw zegen voltrokken worden.

De milddadigheid is alle menschen aangenaam; zij belet zelfs niet, dat zij zich tot de dooden uitstrekke. (1)

Laat niet na degenen te troosten, die bedroefd zijn; en ween ook met hen, die weenen.

Wees niet traag in de zieken te bezoeken, want hierdoor zult gij in de liefde versterkt worden.

In al uwe werken, gedenk uwe uitersten, en nimmer zult gij zondigen.

2. Het goud en zilver heeft vele menschen bedorven: het strekt zich zelfs uit tot aan de harten der koningen, om ze te bewegen.

Twist niet met een praatzuchtig mensch; leg ook op zijn vuur geen hout meer.

(1) Hetzij met hen te begraven, zoo als de H. Tobias deed, hetzij met offerande en gebeden voor hen op te dragen, gelijk men in de geschiedenis der Mamp;chabeën ziet.

878

-ocr page 385-

van het Oude Testament.

VeracM nieraancl, die zich van de zonden afkeert; die hem ook geene ver wijtingen; gedenk, dat wij allen strafschuldig zijn. _

Misprijs niemand om zijnen ouderdom: want die oud worden, zijn geweest gelijk wij.

Wees nooit blijde over den dood van uwen vijand; gedenk, dat wij allen zullen sterven, en dat wij ook niet trachten, dat mea daarom over ons blijde zij.

Leen niet aan iemand, die magtiger is dan gij: of, zoo gij hem geleend hebt, houd het voor verloren.

Openbaar aan eenieder uw hart niet, opdat gij mogelijk van hem geenen valsohen dank behalet, en hij u lastere.

3. Wees niet jaloersch over uwe vrouw, opdat zij de kwaadaardigheid, die gij haar geleerd hebt, tegen u niet uitwerke.

Geef geene vrouw magt over u, opdat zij niet meester worde over uwe sterkte, en gij tot schande komet.

Bezie geene ligte vrouw, opdat gij in hare strikken niet vallet.

Keer uwe oogen van een opgepronkt wijf, en wacht u van eene vreemde schoonheid nauwkeurig te beschouwen. Door de schoonheid eener vrouw zijn er velen ten val gebragt, en de zondige geneigdheid wordt door dezelve als een vuur ontstoken. Velen zijn van God afgevallen door het bewonderen van de schoonhèid eener vreemde vrouw.

4. Benijd de eer en den rijkdom des zondaars niet, want gij kent het verderf niet, dat liem zal overkomen.

Noodig regtvaardige mannen aan uwe tafel, en dat uw roem in de vreeze Gods zij.

Dat uw verstand zich bezig houde met goddelijke zaken, en dat uwe uitspraak zij over de geboden des Allerhoogsten.

Een praatzuchtig man is in zijne stad te vreezen: en wie in zijn spreken onvoorzigtig is, die zal gehaat worden.

5. Gelijk de overste des volks is, zoo zijn ook zijne dienaars, en zoo als de regeerder der stad is, zoo ook zijn de inwoners:

Een onkundige koning zal zijn volk verderven ; maar de steden zullen bevolkt worden door het verstand der grooten.

De magt der aarde is in Gods hand; hij zal over dezelve ten geschikteu tijde eenen bekwamen regeerder stellen.

In Gods hand is \'s menschen voorspoed. Die in de wet ervaren is, dezen zal hij tot eer brengen.

Een koningrijk wordt van het eene volk tot het andere overgebragt, om de onregtvaardigheden, moedwilligheden, lasteringen en het menigvuldige bedrog.

Het leven van alle overste, die den meester speelt, zal niet lang duren. Aldus is iemand heden koning, en morgen dood. Wanneer de mensch sterft, beërft hij slangen, ongedierte en wormen.

379

-ocr page 386-

GescMedenis

6. Niets is er leelijker dan een gierig menscli. Niets is er onregtvaardiger dan ongeregelde geldzucht; want zulk een menscli zal zijne ziel verkoopeu. Hij heeft zijn ingewand van barmhartigheid, gedurende zijn leven, reeds verloren.

V. HOOFDDEEL.

1. Hoe zeer God de hoovaardigheid haat. 9. De deugd is zeer te achten.

3. Niet oordeelen caar den schijn. Zich met menigvuldige zaken niet

overlasten. Alles komt van God, behalve de zonden en onwetendheid.

4. De rijkdommen niet betrachten, noch zijn betrouwen op dezelve

stellen. 5. De aalmoezen met onderscheid geven. 6. Het gez dschap met

zondaars, rijken en mugtigen is gevaarlijk. Eccli. 10. 11. 12. 13.

1. De hoovaardigheid is hatelijk bij God en de menschen.

Wat verheft zich een mensch, die niets anders dan stof en asch is!

Het begin der menschelijke hoovaardigheid is, van God afwijken : want zijn hart wijkt af van dengenen, die hem geschapen heeft.

De hoovaardigheid is het begin van alle zonden; hij, die er aan verkleefd is, zal met gruwelijkheden vervuld worden, en eindelijk zal zij hem bederven.

God heeft de troonen der trotsche oversten vernield, en de ootmoedigen heeft hij in hunne plaats gesteld.

De wortelen der hoovaardige volkeren heeft hij doen verdroegen, hunne landen heeft hij omver geworpen: hij heeft ze uitgeroeid, en hunne gedachten van de aarde weggenomen.

De geheugenis der hoovaardigen heeft hij vernietigd: en hij heeft er de geheugenis der ootmoedigen gelaten.

De hoovaardigheid is in den mensch niet geschapen, noch de toorn in hen, die uit vrouwen geboren zijn.

De vreeze Gods is de roem van treffelijke en behoeftige menschen.

Wacht u, eenen arme, die regtvaardig is, te verachten; en eenen rijke, die een ondeugend leven leidt, te verheffen.

De grooten, de regters en de magtigen worden geëerd: maar niemand is grooter dan hij, die God vreest.

3. Prijs niemand om zijne schoonheid, noch veracht niemand om zijn gelaat. De bij is klein onder do vliegende dieren, doch hetgene zij voortbrengt, gaat alles in zoetheid te boven.

Eoem nooit op uwe kleeding, noch verhef u, als gij tot eer komt; want Gods werken alleen zijn wonderlijk, roemwaardig, verborgen en onbekend.

Verwerp niemand, voor dat gij onderzoek gedaan hebt, en bestraf hem daarna met regtvaardigheid.

380

-ocr page 387-

vayi het Oude Testament.

Geef geen antwoord voor dat gij gehoord hebt; spreek ook niet in het midden eener verhandeling.

Krakeel niet om eene zaak die u niet aangaat.

Mijn zoon! bemoei u niet met vele dingen; want zoo gij die overvloedig aanneemt, zult gij niet vrij van schuld zijn; zoo gij ze najaagt, zult gij ze niet kunnen bereiken; en zoo gij ze voorloopt, zult gij u van dezelve niet kunnen ontlasten.

Men vindt menschen, die werken, die zich zeer haasten, en die veel arbeid doen; doch omdat zij goddeloos zijn, komen zij des te meer in het gebrek.

Men vindt iemand die zwak is, die herstelling noodig heeft, die van sterkte beroofd is, en die van armoede overvloeit: nogtans ziet God dien mensch ten goede aan, hij trekt hem uit zijne nederigheid, en verheft hem tot eer, waarover velen, verwonderd zijnde, glorie aan God gegeven hebben.

Goed en kwaad, leven en dood, armoede en rijkdom, alles komt van God.

Bij God is de wijsheid, de wetenschap, de kennis der wet: de liefde en de wegen tot het goede zijn bij hem te vinden.

De dwalingen en de duisternis zijn met den zondaar geboren : en die zich in het kwaad verheugen, zullen in het kwaad verouderen.

De gave Gods blijft bij de regtvaardigen, en zijne gunst zal hem tot in eeuwigheid voorspoedig maken.

4. Men vindt iemand, die rijk wordt door zijne spaarzaamheid, en al het loon dat hem er van toekomt bestaat daarin, dat hij mag zeggen : ik heb voor mij rust gevonden; nu zal ik mijn goed alleen gaan opeten; maar hij weet niet, dat de tijd henen snelt, dat de dood genaakt, en dat hij stervende, alles aan anderen zal moeten nalaten.

Sta vast in uw verbond, onderhoud er u mede, en word oud in datgene uit te werken, wat u geboden is. Laat uwe aandacht niet vallen op den handel van booze menschen. Betrouw op God en blijf in uwe plaats. quot;Want het is voor God zeer ligt, eenen arme op staanden voet rijk te maken.

Zeg niet: wat heb ik te doen ? of wat goed kan mij nu nog overkomen? Zeg ook niet: ik heb genoeg, en wat kwaad kan mij voortaan wedervaren? Vergeet het kwaad niet in de dagen van voorspoed, nocli vergeet het goed in de dagen van druk en ellenden. Want het is voor den Heer ligt een ieder in zijn uiteinde naar zijne wegen te vergelden.

5. Indien gij wel doet, zie toe aan wie gij het doet, en gij zult voor uwe weldaden grooten dank genieten. Doe wel aan eenen deugdzamen mensch, en gij zult eene milde vergelding ontvangen, is het niet van hem, dan toch gewis van den lieer. Geef aan eenen godvruchtigen mensch, zonder den

381

-ocr page 388-

Geschiedenis

kwaaddoener (1) bij te staan. Doe wel aan iemand die ootmoedig is, maar geef den goddeloozen niet.

6. Wie zal met eenen verleider, die van eene slang gebeten is, medelijden hebben? of met al degenen, die tot wilde dieren naderen? Zoo zal het ook gaan met hem, die zich voegt bij eenen kwaaddoener, en die zich in zijne zonden wikkelt.

Die pek aanraakt, zal er van besmet worden; en die met den hoovaardige omgaat, zal hem gelijk worden.

Die met iemand, die treffelijker is dan hij, gemeenschap heeft, neemt een zwaar pak op zijne schouderen.

Houd ook geene gemeenschap met iemand die rijker is dan gij. Wat gemeenschap zal een aarden pot met eenen ketel houden? want als zij tegen elkander stooten, zal de eerste gebroken worden.

Zoo lang als gij eenen rijken voordeelig zijt, zal hij u te werk stellen; maar wanneer hij van u niets meer te verwachten heeft, zal hij u verlaten. Indien gij wat ten beste hebt, zal hij met u eten: hij zal u uitputten, en over u geene droefheid hebben. Indien hij u noodig heeft, zal hij u bedriegen; hij zal u toelagchen, u goede hoop geven, met u spreken, en vragen: hebt gij iets van doen? Hij zal u door zijne gastmalen beschaamd maken, tot twee- driemaal toe, om u uit te putten, en eindelijk met u spotten.

Als hij u naderhand ziet, zal hij u verlaten, en met u lagchen.

Als\' een vermogend man u tot zich noodigt, maak u dan van kant: hij zal u zoo veel te meer tot zich noodigen.

Wees niet al te moeijelijk, opdat gij niet verstoeten wordet: vervreem u ook niet te zeer, opdat hij u niet vergete.

Spreek niet te lang met hem, betrouw ook op zijne lange redevoeringen niet; want hij zal u beproeven met u veel te doen spreken, en lagchende zal hij uwe geheime zaken uitputten.

(1) Men moet bereid zijn alle menschen te helpen: maar men moet het met omzigtigheid doen; en als men alle behoeftigen nie* kan bijstaan, is het toch billijk, dat men de deugdzame menschen voor anderen helpt.

382

-ocr page 389-

van hut Oude Tistameuf.

VI. HOOFDDEEL.

1. De rijken geacht en de armen veracht. De gesteltenis des harten maakt den rijkdom en de armoede goed of kwaad. 2. Gelukkig hij die met de tong niet zondigt. Dwaasheid en onregtvaardigheid der gierigaards. Gedachte over den dood. Gee i gebruik van zijn goed. 3. Voordeelen van de opregte regtvaardigheid. God is de oorsprong der zonde niet. De mensch is geschapen met een vrijen wil. God heeft geen behagen in de ongeregeldheid der menschen, 4. De menigte van kinderen is geen voordeel, indien zij Gods vrees niet hebben. 5. God ia regtvaardig en barmhartig. Hij heeft alles geschapen: hij bestuurt, aanschouwt en oordeelt alles: maar aanvaardt diegenen in genade, die in dit leven tot hem wederkeeren. Eccli 13. 17.

1. Als een rijke waggelt, wordt hij van zijne vrienden ondersteund: maar als eene arme valt, wordt hij bovendien van zijne vrienden verstooten.

Als eene rijke struikelt, zijn er velen die hem ophelpen; hij zal trotsche dingen spreken, en nog verschoond worden: maar als eene arme struikelt, wordt hij nog daaarbij bekeven, hij zal verstandige dingen zeggen, doch geen gehoor bekomen.

Als een rijke spreekt, zwijgt ieder stil, en zij verheffen zijn woord hemelhoog. Maar als een arme spreekt, zeggen zij: wat is dat voor een?

Rijkdom is goed voor dengenen, die zijn geweten met geene zonden besmeurd heeft. De armoede is ook zeer kwaad aan eenen goddeloozen mensch, die het gemor in zijnen mond heeft.

2. Zalig is de man, die in zijn spreken zich niet misgrepen heeft, en door geene wroeging van overtredingen geprikkeld wordt.

Waartoe dient het goud aan eenen gierigaard. Wie rijkdommen onregtvaardig vergadert, die vergadert ze voor anderen: een ander zal van zijn goed wellustig leven.

Die zich zeiven geen goed doet; voor wie zal hij goed wezen, hij, die geen genot heeft van zijn eigen goed?

Niets is er erger, dan die zich zeiven afgunstig is: dit is zelfs eene vergelding van zijne boosheid.

Indien hij wel doet, doet hij liet ontwetende en onwillig; eindelijk laat hij ook zijne boosheid blijken.

Mijn zoon! indien gij het hebt, doe dan u zeiven wel, maar draag ook aan God uwe offerande naar behooren op.

Denk, dat de dood niet vertoeft, en dat het vonnis, om ten grave te gaan, tegen u uitgesproken is.

Doe uwen vriend goed, eer hij sterft: reik ook uwe hand tot den armen uit, en geef hem naar uw vermogen.

Doe u zei ven (uit gierigheid) niet te kort: en neem uw deel in de weldaad, die u vergund is.

Geef, en ontvang: maak dat uwe ziel geheiligd worde.

3. Die den Heer vreest, zal het goede doen: en die regt-

383

-ocr page 390-

384 Geschiedenis

vaardigheid bekomen heeft, zal de wijsheid vinden. Zij zal hem met het brood des levens spijzen: zij zal hem met het water eener zalige wetenschap drenken: zij zal hem zoo vestigen, dat hij niet zal wankelen; zij zal hem met den geest der wijsheid en des verstands vervullen: zij zal Vreugd en verheuging in overvloed over hem uitstorten, en hem eenen eeuwigen naam tot erfdeel geven. Onverstandige menschen zullen haar niet begrijpen; maar verstandige zullen haar te ge-moet gaan. Dwa\'.e menschen zullen haar niet eens zien: want van de hoovaardigheid en het bedrog is zij verre afwezig. Leugenaars zullen op haar niet eens denken, maar de regtzin-nigen zullen haar bij zich laten vinden, en voorspoedig zijn, tot dat zij God zullen aanschouwen.

Zeg niet: God is de oorzaak, dat ik de wijsheid niet heb: want het is aan u, van niet te doen hetgene hij verfoeit.

Zeg ook niet: Hij heeft mij in dwaling gebragt: want god-delooze menschen heeft hij niet noodig. God haat integendeel alle gruwels van dwaling: ook zullen diegenen, die hem vreezen, dezelve riet beminnen.

In het begin heeft God den mensch geschapen, en hem in de handen van zijnen raad gelaten. Hij heett hem zijne bevelen gegeven. Indien gij zijne geboden bewaren wilt, en altijd trouw doet wat hem behaagt, zullen zij u ook bewaren. Hij heeft voor u water en vuur gesteld; opdat gij uwe hand tot hetgene gij wilt, zoudt uitstrekken. Leven en dood, goed en kwTaad zijn voor den mensch j datgene, wat hij verkozen zal hebben, zal men hem geven.

Want Gods wijsheid is groot. Hij is sterk in kracht en ziet onophoudelijk alles aan.

Zijne oogen zijn gevestigd op hen, die hem vreezen: al de werken der menschen zijn hem bekend. Hij heeft niemand geboden ongoddelijk te werk te gaan; hij heeft ook niemand uitstel geven om kwaad te doen, want hij heeft geenen lust tot een groot getal van ongeloovige en onnutte kinderen.

4. Verblijd u niet, dat gij vele zonen hebt, indien zij goddeloos zijn: neem geen vermaak in hen, zoo zij God^ niet Treezen. Want een godvreezende zoon is beter dan duizend goddelooze.

Het is ook veel beter kinderloos te sterven, dan goddelooze kinderen na te laten.

5. Even als de barmhartigheid nabij God is, zoo is ook de gramschap nabij hem. Hij is magtig om te vergeven, maar hij kan ook zijne gramschap uitstorten. Even als zijne barmhartigheid groot is, zoo is ook zijne kastijding, en hij doet een ieder regt naar zijne werken, l)e booswicht zal het door zijne rooverij niet ontvlugten, en de verwachting van

-ocr page 391-

mn het Oude Testament. 385

dengenen, die barmhartigheid doet, zal niet achterblijven.

Zeg toch niet: Ik zal mij voor God verbergen; of: Wia zal uit de hooge hemelen op mij denken ? Onder zoo veel volk zal men mij geenszins kennen : want wat ben ik onder zoo eene menigte schepselen?

Luister naar mij, mijn zoon ! Leer de wetenschap, en wees met uw hart aandachtig op mijne woorden. Ik zal u opregte onderwijzing geven ; ik zal u de wijsheid naauwkeurig verkondigen.

trod heeft met omzigtigheid van het begin af zijne werken beschikt: en van den dag af, dat zij gemaakt zijn, heeft Hj hunne deelen onderscheiden. Hij heeft zijne werken voor altijd versierd; zij hebben geen gebrek noch vermoeijenis geleden, en hebben in hunne werkingen niet opgehouden. Naderhand heeft God zijne oogen naar do aarde geslagen, en haar met zijne goederen vervuld. Alle slag van gedierten heeft haro oppervlakte bedekt, en zij keerden ook tot haar weder.

Hij heeft den mensch uit aarde geschapen, en hem naar zijn eigen beeld gemaakt. Hij heeft hem volgens zijnen aard met sterkte bekleed, hem met reden begaafd, eene geestelijke wetenschap in hem gevormd, hem eene medehulp uit zijn vleesch geschapen, hun hart met wijsheid verrijkt, en hun getoond, wat goed en kwaad was. Zijne bevelen en zijne oordeelen heeft hij hun voorgelegd, en hun gezegd : Wacht u van alle kwaad. Ook heeft hij aan ieder hunner bevolen, zorg te dragen voor zijnen naaste. Hunne wegen zijn altijd voor hem : zij zijn voor zijne oogen niet verborgen. Al hunne werken zijn voor Gods aangezigt als de zon ; de wetten, die hij hun voorgelegd heeft, zijn door hunne boosheden niet verduisterd; al hunne ongeregtigheden zijn voor des Heeren aanschijn. Ten laatste zal hij zich oprigten, en aan iedereen de vergelding geven die hem toekomt, en de ondengenden in het diepste der hel werpen. Maar aan hen, die zich bekeeren, heeft hij den weg der regtvaardigheid geopend; die in lijden bezweken, heeft hij versterkt, en hun de waarheid tot eene erfenis toegeschikt.

Bekeer u dan tot den Heer, en zie van uwe zonden af. Bid voor zijn aangezigt, en zie, dat gij uwe gebreken steeds vermindert. Keer wederom tot den Heer. Wijk van uwe ongeregtigheid af, en verzaak wat God verzaakt. Loof en dank den Heer, terwijl gij in leven en gezond zijt. Loof en dank hem, en verheug u in zijne genade. Hoe groot is Gods barmhartigheid en zijne genade over degenen, die zich heilig-lijk tot hem bekeeren !

25

-ocr page 392-

Geschiedenis

VII. HOOFDDEEL.

1. Grootheid van God; zijne goedheid jegeus den mensch, hoe zwak en veracht hij ook moge zijn. 2. Goedhartig geven; bidden en in de deugd voortgaan; op Gods oordeel denken; zich van het vermaak vervreemden. 3. Het kwaad, hetwelk door den wijn en de vrouwen veroorzaakt wordt. Met groote omzigtigheid van den naaste spreken, cn hem berispen. 4. Over de valsche wijsheid en de schijnheiligheid. Het uiterlijk van eenen mensch doet dikwijls zijn inwendig kennen. 5. Voordeel van de broederlijke berisping. Zijne misdaad bekennen als men berispt wordt. Ten bekwamen tijd spreken en zwijgen, is een kenteeken van eenen wijze. Eecl. 18. 19. 20.

1. Die in eeuwiglieid leeft, heeft alles geschapen. Wie is er bekwaam om zijne werken te verkondigen ? Wie zal toch zijne wonderheden kunnen naspeuren ? W ie zal de almagt zijner grootheid, melden ? Wie zal zijne barmhartigheid kuunen begrijpen ? Wanneer de mensch tot het einde zal gekomen zzn, dan zal hij eerst beginnen : en als hij zal opgehouden hebben, dan zal hij verbaasd staan.

Wat is de mensch ? Waartoe is hij nuttig ? Wat is toch het goed of het kwaad, hetwelk hij (aan God) kan doen? Het getal zijner dagen is ten uiterste honderd jaren. De kortheid van die jaren zijn, in vergelijking bij de eeuwigheid, als, een druppel water bij de zee, of als een enkel zandkorreltje bij het oeverzand. Daarom gaat God geduldig met de menschen te werk, en daarom stort hij zijne goedertierenheid over hen uit. De booze vermetelheid huns harten heeft hij beschouwd; daarom heeft hij zijne genade over hen vermenigvuldigd, en hiin den regten weg aangewezen.

De goedertierenheid van den mensch strekt zich uit over zijnen naaste, maar de goedertierenheid van God strekt zich over alle vleesch uit. Daar hij barmhartig is, geeft hij hun onderrigtingen, en leert hen gelijk een herder zijne schapen. Hij bewijst barmhartigheid aan degenen, die zijne genadige onderwijzingen aannemen, en zich haasten zijne bevelen te onderhouden.

3. Mijn zoon, als gij iemand eene weldaad bewijst, berisp hem dan niet, of als gij eene gift doet, voeg er geene spijtige woorden bij. Een goed woord is beter dan de gift zelve; doch bij een deugdzaam man zal men die beide vinden. Een dwaze mensch doet bitsige verwijtingen, en de gift van een onbeleefde is pijnlijk aan de oogen.

Eer gij een vonnis velt, tracht de regtvaardigheid te kennen, en leer eerst, voor dat gij spreekt

Houdt niet op van altijd te bidden en van in regtvaardigheid voort te gaan tot den dood toe ; want de vergelding zal eeuwig duren.

-ocr page 393-

van het Oude Testament. ^ 887

Bereid u eer gij u tot het gebed begeeft; wees toch niet als een mensch, die God tergt (1).

Gedenk de gramschap van den laatsten dag, en den tijd van wraak, wanneer God een ieder naar zijne verdiensten zal loonen.

Gedenk de armoede in den tijd van overvloed, en het gebrek of de behoefte in den tijd van rijkdom. De tijd verandert van \'s morgens vroeg tot den avond toe: en dit alles geschiedt op een oogenblik voor Gods oogen.

Zie, dat gij uwe lusten niet involgt, maar bedwing uwen eigen wil.

Indien gij uwe ziel hare lusten toestaat, zul zij u aan uwe vijanden tot vreugde maken.

Neem geen vermaak in de wellusten (3), en maak met anderen geen gezelschap, om goeden sier te maken. Wacht u ook wel van geld te ligten, om het in maaltijden te verbrassen : want zoo handelende, zult gij den benijder van uw eigen leven zijn.

Een arbeidsman, die aan dronkenschap onderworpen is, zal niet rijk worden, en wie kleine dingen veracht, die zal allengs-kens vervallen.

3. Wijn en vrouwen doen wijze menschen van God afwijken, en stellen de verstandige tot verachting.

Die spoedig gelooft, is ligtvaardig van hart, en hij zal er verlies door lijden.

Herhaal nooit booze en spijtige woorden, en het zal u niet tot verachting dienen.

Verhaal uwe gedachte noch aan vriend, noch aan vijand: en indien gij iets misdaan hebt, laat het aan niemand weten; want hij zal u aanhooren, en u schuwen; hij zal uwe misdaad als willen beschermen en u haten.

Hebt gij wat hooren zeggen tegen uwen naaste, zoo laat het bij u sterven, en wees verzekerd, dat bet u niet zal doen barsten.

Een dwaze mensch wordt door het woord, hetwelk hij gehoord heeft, gepijnigd, gelijk een barende vrouw door haar kind.

Onderrigt uwen vriend over zijne misdaad, of hij het mogelijk niet verstaan hadde, en zeg: ik heb het niet gedaan; en indien bij het gedaan heeft, opdat hij het niet meer doe.

Onderrigt uwen naaste, of hij het mogelijk \' niet gezegd hadde; of, indien hij het gezegd heeft, opdat hij het niet meer zegge.

(1) Het geheele gevolg van \'s menschen werken moet eene gedurige bereiding tot het gebed wezen; en het is op zekere wijs Q-od tergen, als men hem zijne genade komt vragen, nadat men veronachtzaam 1 heeft, op zich zeiven te waken.

h£2) Deze plaats is opgesteld naar den griekschen tekst.

-ocr page 394-

Oeschiedents

Een menscli, wien de kennis en het verstand ontbreekt, doch die God vreest, is beter dan hij, die veel verstand heeft, en de wet des Allerhoogsten overtreedt.

Men vindt zekere slimme listigheid, maar zij gaat niet regt. Men vindt iemand, die zich zeker woord laat ontvallen, en die niettemin de waarheid zegt. Men vindt personen, die zicli uit schalkheid vernederen, doch hun hart is vol bedrog.

Men kent iemand aan zijn gezigt: men kent eenen verstan-digen mensch uit de gedaante van zijn gelaat. Iemands kleeding, zijn lagchen en zijn gang geven te kennen wat in hem is.

5. Hoe veel beter is het, iemand te berispen, en hem gelegenheid te geven tot de belijdenis van zijne schuld, dan tegen hem gram te worden!

Welk een groot goed is het, dat iemand berouw toont, wanneer hij berispt wordt; want aldus zult gij eene vrijwillige zonde schuwen.

Velen zwijgen en worden wijs bevonden, en er zijn er, dia gehaat worden om hun veelvuldig gepraat.

Menigen zwijgen, omdat zij niet weten te antwoorden; en menigen zwijgen, omdat zij den bekwamen tijd afwachten.

Een wijs man zal zwijgen, tot dat de geschikte tijd gekomen is; maar ongebondene en onverstandige menschen zullen den tijd niet aanzien.

Die veel praat zal zijne ziel wonden.

Eén wijze spreuk zal in den mond van den dwaze misprezen worden, omdat hij die niet ten gepasten tijd uitspreekt.

Vin. HOOEDDEEIr.

1. Goeds uitval in het kwaad. Zucht tot de zoude, die men niet kan bedrijven, Booie schaamte. Gewoonte van liegen. Regter, die gescheni ken aanvaardt. 2. Ware boetvaardigheid. De zonde vlugten. Gebed van een armen. Weg der zondaars. 3. Verschillende kenteekens Tan den wijze en Tan den dwaze. 4, Verechoidene vermaningen betreffende de vriendschap. 5. Gebed tegen de zonde der tong; hoovaardigheidi gulzigheid en onkuischheid. Ecoli. 20. 23.

1. Een ongeregelde mensch heeft somtijds geluk in hat kwaad, maar zijn winst strekt tot schande.

Men vindt personen, die door eer vernederd worden, en men treft er aan, die door vernedering het hoofd opheffen.

Er is iemand, die belet wordt, bij gebrek, te zondigen; maar hij zal in zijne rust geprikkeld worden.

Er is iemand, die zijne ziel verliest uit schaamte; uit ontzag voor de menschen zal hij zich zeiven in het verderf storten.

388

-ocr page 395-

van het Oude Testament.

\' De leugen is aan den mensch eens leelijke schandvlek; nog-tans is zij gedurig in den mond van ongeregelde menschen.

Een dief is beter, dan iemand die gedurig liegt, doch beiden zullen zij het verderf tot erfdeel bekomen.

Het leven van leugenachtige menschen is zonder eer, en zij dragen hunne schande gedurig met zich.

Gaven en geschenken verblinden de oogen dqj: regters, en zijn als een breidel in hunnen mond, om hunne bestraffingen te wederhouden.

2. Mijn zoon, indien gij gezondigd hebt, zoo zondig niet verder: maar bid, dat u het vorige vergeven worde.

Vlied de zonde als eene slang: indien gij tot haar nadert zal zij u steken. Hare tanden zijn leeuwentanden, die de zielen der menschen dooden. Alle boosheid is gelijk aan een tweesnijdend zwaard ; hare wonde is ongeneeslijk.

De smeekbede, die uit den mond der armen komt, stijgt op tot Gods troon; en zijn oordeel zal haastig komen.

De weg der boosheden is als met efFene steenen belegd, maar eindelijk komt hij op de hel, de duisternis en smarten, uit.

3. De wijsheid en het verstand zijn de vruchten van de vreeze Gods.

De wetenschap van een wijs man zal als een watervloed overstroomen, en zijn raad zal als eene bron des levens zijn.

Het inwendige van eenen dwaze is als een gebroken vat; let zal geene wijsheid behouden.

Als een verstandig man een wijs woord hoort, zal hij het prijzen en aan zich toevoegen; maar als een wellustige mensch het hoort, mishaagt het hem, en hij werpt het achter zijnen rug.

Een dwaze mensch schatert als hij lacht, maar een wijze man zal naauwelijks zachtjes lagchen.

Het hart der dwazen is in hunnen mond; maar de mond der wijzen is in hun hart. (1)

Die eenen dwaze leert, is gelijk aan iemand, die scherven aan elkander wil naaijen.

Wie de wijsheid aan eenen dwaze voorlegt, die spreekt aan iemand die sluimert; op het einde der aanspraak zal hij vragen : Wat is het ?

Het booze leven van een dwaze is veel erger dan de dood; men weent over de dooden zeven dagen; maar over eenen dwaz( en goddelooze moet men al de dagen zijns levens weenen.

(1) Dat is te zeggen, dat de dwaze, niet magtig zijnde zijne drift te betoomen om te spreken, bij tijd en ontijd alles zegt wat hem voorkomt; daar de wijze niet een woord zegt tenzij hij het te voren heeft overlegd. Bij den eenen is de tong meester over het verstand, en bij den andere bestuurt het verstand de tong.

389

-ocr page 396-

Geschiedenis

4. Die eenen steen onder de vogelen werpt, verjaagt die j van gelijken, die zijnen vriend lastert, verbreekt de vrienscbap.

Al liadt gij tegen uwen vriend het zwaard getrokken, zoo laat echter uwen moed niet zinken; want het kan hersteld 1. worden.

Al hadt gij tegen uwen vriend bittere woorden gesproken, zoo wees toch niet bevreesd, want het kan bijgelegd worden, Maar hiervan moet men uitzonderen lasteringen, verwijt, trotschheid, ontdekking van het geheim, of eene verraderlijk gegevene wonde. Want in al deze voorvallen zal een vriend henen gaan.

Wees getrouw aan een vriend in zijne armoede, blijf hem t bij in den tijd zijner verdrukking, opdat gij u verheugen moget, als het met hem wel gaat. 1

Ik zal het mij niet schamen, mijnen vriend te groeten. Ik j zal mij voor hem niet verbergen. Indien mij iets kwaads om zijnentwil overkomt, zal ik het verdragen. i

5. Wie zal er een wacht aan mijnen mond stellen, en een onschendbaar zegel aan mijne lippen, opdat ik door dezelve niet valle, noch door mijne tong verloren ga?

O Heer! die de Vader en de Meester mijns levens zijt,

laat toch niet toe, dat ik door dezelve valle.

Och, of er eene roede over mijne gedachten gesteld werde, en de wijsheid mij in mijn hart bestrafte, opdat ik in mijno onvoorzigtigheid niet gespaard worde, en mijne zonden zich niet meer en meer openbaren: opdat ook mijne onvoorzigtigheid niet toeneme, mijne misslagen niet vermenigvuldigen, mijne zonden niet overvloediger worden, en ik aldus valle voor degenen die tegen mij zijn, en mijn vijand zich over mij verblijde.

O Heer, die mijn Vader en de God mijns levens zijt! geef mij toch niet over aan hunne raadsbesluiten. Geef mij geene opgehevene oogen, (1) en weer alle begeerlijkheid van mij; geef mij niet over aan eene ondeugende en onbeschaamde ziel.

(1) Dit is te zeggen: laat niet tce: dat ik in de zonde van hoovaar-digheid valle.

390

-ocr page 397-

mn het Oude Testament,

IX. HOOFDDEEL.

1, Vermaning wegens het zweren. 2. Het is eene dwaasheid dat men da oogen der menschen, en niet de oogen van God, vreest. 3. Drie zaken te verlangen, en drie zaken te verfoeijen. Lof van de vreeze Gods. 4. Over de booze en over de goede vrouw. 5. Gevaar van den koophandel. De armoede is voor velen eene gelegenheid van zonde. 6c Beproeving der verdrukking. In Gods vrees volharden. De woorden der boozen en der vloekers schroomen. Eccli. 23. 25. 26 27.

1. Gewen uwen mond niet tot zweren, want vele aanstootingen zijn daarin te vinden.

Gewen u ook niet Gods naam gedurig in den mond ta hebben, noch de namen van Heiligen: want alzoo doende, zult gij van schuld niet vrij zijn.

Wie zweert, en die Gods naam gedurig in den mond heeft, zal van zonde niet zuiver zijn.

Iemand, die veel zweert, zal met boosheid vervuld worden, en de plagen zullen van zijn huis niet afwijken.

Indien hij zijnen eed niet volbrengt, zal de schuld op hem vallen; maar indien hij zijnen eed niet acht, zondigt hij eens zoo veel.

Indien hij ligtvaardig zweert, zal hij geenszins verschoond worden: ja, zijn huis zal met de straf, die hij er zal voor lijden, vervuld worden.

3. Een booswicht, die zijn ligchaam tot ontucht misbruikt, zegt bij zich zeiven; Wie ziet mij ? de duisternis heeft mij omringd, de muren bedekken mij: niemand ziet mij. Wien zal ik vreezen? De Allerhoogste zal mijne zonden niet gedenken. Maar hij begrijpt niet, dat het oog van den Allerhoogste alles beschouwt. Zoodanig is de vrees van eenen mensch, die alleenlijk de oogen der menschen vreest. Hij merkt niet, dat de oogen des Heeren onvergelijkelijk klaarder ziju dan de zon, dat zij letten op al de wegen der menschen, en het diepste des afgronds en het verborgenste van het mensche-lijk hart doorzien. Dewijl alle dingen aan God den Heer zijn bekend geweest, eer zij geschapen waren, ziet hij ook\'dezelve, nadat zij voltrokken zijn.

Die mensch zal gestraft worden op de straten van de stad, omdat hij de vreeze Gods niet voor oogen heeft gehad. Zoo zal ook eene vrouw varen, die haren man .verlaat, en overspel bedrijft. Want vooreerst is zij wederspannig aan de wet des Allerlïoogsten; ten tweede, heeft zij tegen haren man gezondigd; ten derde, heeft zij onkuischheid door overspel bedreven. Hare gedachtenis zal vervloekt zijn, en hare schande zal nooit vergaan. Degenen, die van haar overgebleven zijn, zullen bekennen, dat er niets beter is dan den Heer te vree-

391

-ocr page 398-

Qeichkdenh

zen, niets zoeter dan acht te nemen op zijne geboden, en niets heerlijker dan God te volgen.

3. Drie dingen behagen aan mijnen geest, die ook aangenaam zijn aan God en aan de mensehen; De eendragt der broeders, de liefde tot zijne buren; ook man en vrouw, die in goede overeenkomst met elkander leven.

Ik haat drieërlei slag van mensehen, en hun leven is mij onverdragelijk: Een arme, die hoovaardig is; een rijke, die leugenachtig is; een oud man, die onverstandig en dwaas is.

Hoe wilt gij in uwen ouderdom vinden, wat gij in uwe jeugd niet vergaderd hebt?

Groote ervarenheid is de kroon van ouderlingen: doch de vrees des Heeren is hun roem.

O hoe groot is hij, die de wetenschap en de geleerdheid bekomt! Maar hij is niet hooger dan hij, die God vreest.

De vreeze Gods gaat alles te boven.

Zalig is hij, aan wie het vergund is God te vreezen. Bij wie zal men hem vergelijken, die deze vrees bezit?

De vreeze Gods is het begin zijner liefde: doch het begin van het geloof moet er ook bij zijn.

Er is geen erger hoofd, dan het hoofd van eene slang: aldus is er ook geene gramschap boven de gramschap eener vrouw.

Jjiever heb ik bij eenen leeuw en eenen draak te wonen, dan met een boosaardig wijf.

De booze tong eener vrouw is voor eenen vreedzamen mensch, hetgene een zandachtige berg voor de voeten van een oud man is.

Let niet op de schoonheid eener vrouw: verlang haar ook om hare schoonheid niet. (1)

Indien eene vrouw de overhand krijgt, zal zij haren man gedurig tegenspreken.

4. Een boos wijf verdrukt het gemoed, maakt het aange-E\'^t droevig en wondt het hart.

Van de vrouw heeft de zonde haar begin gehad, en door haar zijn wij allen tot den dood gekomen.

Gelukkig de man, die eene goede vrouw heeft.

Eene kloeke vrouw verheugt haren man, en zij zal zijne levensdagen met vreugde vervullen.

Eene goede vrouw is een goed erfdeel; zij zal, als het erfdeel dergenen die God ontzien, aan eenen man voor zijne goede werken vergund worden. Hetzij hij rijk of arm is, zijn hart zal echter vergenoegd wezen, en beide zullen zij altijd Vrolijk van aangezigt zijn.

(1) De Wijze-Man geeft ons daardoor te kennen, dat men bovenal de gesteltenis van haar gemoed moet onderzoeken, en dat daarop een mensch zijne verkiexing moet bouwen.

893

-ocr page 399-

van het Oude Testament.

Een jaloersoli wijf is de smart en droefheid des harten. Een drankminnend wijf is zeer grammoedig; haren smaad en hare leelijkheid zal men niet kunnen bedekken.

De bevalligheid eener naarstige vrouw doet haren man vermaak aan, en zij doet het merg in zijne beenderen groeijen. Hare groote ervarenheid is eene gave Gods.

Eene verstandige vrouw bemint de stilzwijgendheid: er is niets aan hare welgeschikte ziel te vergelijken. Eene deugdzame en kuische vrouw gaat alle weldaad te boven. Niets is er, hetgene waardig is tegen haar k uisch gemoed opgewogen te worden.

5. Twee zaken schijnen mij moeijelijk en gevaarlijk: Een koopman zal moeijelijk de misslagen ontgaan, en een wijn-verkooper (1) zal zich niet van de zonden der lippen bevrijden.

Uit armoede hebben er velen gezondig; en wie zoekt rijk te worden, die wendt zijne oogen (van Gods wet) af.

Even als een stuk hout in den muur tusschen de steenen. vastgemaakt wordt, aldus wordt de zonde tusschen den kooper en den verkooper besloten (2).

6. De oven beproeft de vaten der pottenbakkers; en de verdrukking beproeft de goede werken.

Indien gij u niet zorgvuldig aan de vrees des Heeren houdt, zal uw huis zeer haastig omvallen.

Indien gij de regtvaardigheid najaagt, zult gij ze wel inhalen, en gij zult ze aantrekken als een\' eere-tabbard. Gij zult bij haar wonen; zij zal u beschermen, en gij zult in den dag der veropenbaring een\' steun vinden.

Een heilig man blijft in de wijsheid gestadig gelijk de zon; maar een dwaze verandert gelijk de maan.

De spraak van dengenen, die veel zweert, doet de haren te berge rijzen, en zijne onbeschaamdheid doet iemand de ooren stoppen.

X. HOOFDDEEL.

1. Over dengenen die de geheimen openbaart. Over den vleijer. De kwade voornemens vallen op derzelver uitvinders. 2. Tegen de wraakgierigheid. 8. Den twist vlugten. Welk groot kwaad door de booze tong veroorzaakt wordt. 4. Aan zijnen naaste leeneu: hem getrouw de schuld betalen. Aalmoezen geven. Eccl. 27. 28. 29.

1. Wie de geheimen van zijnen vriend ontdekt, die verliest zijn vertrouwen; hij zal geenen vriend naar zijn hart meer vinden. Zie toe, dat gij uwen vriend uit er harte liefhebt, en hem

1) Hetgene de Wijze-llan hier zegt van eenen wijnverkooper, moet ook gezegd worden van alle zaken die men verkoopt.

2) Beiden zijn in gevaar, van daarin te vallen, omdat zij slechts elkander zoeken te bedriegen.

393

-ocr page 400-

Geschiedenis

getrouw zijt. Doch indien gij zijne verborgene zaken ontdekt zult liebben, zoo moet gij hem niet meer naloopen. Over een scheldwoord is er verzoening; maar als een ongelukkige mensoh de geheimen van zijnen vriend ontdekt, dan is alles voor hem verloren.

Die met de oogen wenkt, smeedt booze dingen: niemand zal zich van hem ontmaken. Voor uwe oogen zal hij niets dan zoetheid in den mond hebben; over uwe reden zal hij zich verwonderen; maar eindelijk zal hij geheel anders spreken; en zijne woorden zal hij verdraaijen. Vele dingen heb ik gehaat, maar niets zoo zeer als zulk eenen. Ook zal hij van God gehaat zijn.

Die eenen put graaft, zal er invallen: die voor zijnen naasto eenen struikelsteen legt, zal er zelf tegen stooten, en dia voor een ander strikken spant, zal er zelf in gestrikt worden. Die kwaden raad geeft, op dien zal hij wederkeeren, zonder dat hij zal weten, van waar het hem overkomt.

2. Wie zich wil wreken, die zal ook Gods wraak gewis moeten dragen, want hij zal zijne zonden voor altijd bewaren.

Vergeef dan uwen naaste het onregt, hetwelk hij u aandoet, en dan zult gij over uwe zonden, wanneer gij bidt, insgelijks vergiftenis verkrijgen.

Durft een mensch tegen eenen anderen mensch zijne gramschap behouden, en van God genezing verzoeken ? Hij. die geene barmhartigheid heeft voor eenen mensoh, die aan hem gelijk is, durft zulk een voor zijne zonden bidden? Hij, daar hij van vleesch gemaakt is, behoudt zijne gramschap, en vraagt aan God verzoening! Wie zal toch genade voor zulk eenea mensoh kunnen verwerven ?

Gedenk uwe uitersten, en laat alle vijandschap varen. De bederfenis en de dood zijn nabij; daarom houd u aan de geboden des Heeren.

Heb de vreeze Gods in uwe gedachten, zonder op uwen naaste vergramd te zijn.

Denk op het verbond van den Allerhoogste, en zie de onwetendheid van uwen naaste over het hoofd.

3. Wacht u van twisten, en gij zult uwe zonden verminderen; want een grammoedig man doet krakeel ontstaan; een boos mensch zaait twist onder vrienden, en onder degenen, die in vrede leven, maakt hij vijandschap.

Hoe meer hout men op het vuur legt, des te meer het branden zal; zoo ook, hoe sterker een mensch is, des te meer zijne gramschap sterker zal zijn; en hoe rijker een mensch is, des te hooger zijne verbolgenheid zich zal verheften.

Een haastig krakeel zal vuur ontsteken, een haastig gevecht zal bloed vergieten; en de getuigenis eener tong zal iemand ter dood brengen.

a9é

-ocr page 401-

van /iet Oude Tesfament.

Indien gij op eene vonk blaast, zal zij in brand geraken; indien gij er op spuwt, zal zij uitdooven j en dit beide komt voort uit uwen mond (1).

Een oorblazer en eene dubbele tong zijn vervloekte men-scben: want zij hebben vele personen, die in vrede leefden, verdorven.

Eene dubbele tong heeft oneindig veel kwaad in huizen, steden en rijken veroorzaakt.

De slag van eene roede maakt blaauwe plekken, maar da slag eener tong vermorzelt de beenderen.

Velen zijn er door de scherpte des zwaards gevallen: doch niet zoo velen, als er gevallen zijn door de tong. Haar dood is een kwade dood, en het graf is beter dan zij.

Zij die God verlaten, zullen onder hare magt vallen; zij zal hen door een onuitbluschbaar vuur ontsteken.

Bezet uwe ooren met doornen, om niet naar eene booze tong te luisteren. Maak deuren en grendels aan uwen mond. Giet uw goud en zilver te zamen, om er eene weegschaal vau te maken voor uwe woorden, en sterke breidels voor uwen mond. Zie wel toe, dat gij u door uwe tong niet misgrijpt, opdat gij niet tot val kornet in de tegenwoordigheid van uwe vijanden, die op u loeren, en alzoo uw verderf ongeneeslijk en doodelijk zij.

(Hoofdd. 37. v. 21.) Een kwaad gesprek bederft het hart, Vaaruit deze vier dingen voortkomen: Goed en kwaad, leven en dood; en het is de tong, waarvan deze_dingen gemeenlijk afhangen.

4. Die de barmhartigheid oefent, zal zijnen naaste leenen, en die milddadig is, onderhoudt de geboden.

Leen uwen naaste, als hij in nood is; maar geef ook het geleende op den gestelden tijd aan uwen naaste weder.

Houd uw woord en wees hem getrouw, dan zult gij altijd vinden wat u noodig is.

Velen meenen, dat het geleende als gevonden is, en zij vallen dezulken lastig, die hen geholpen hebben. Zij kussen de hand van den gever, tot dat zij het gekregen hebben, en doen vele beloften met ootmoedige woorden. Doch als de tijd van weder te geven, gekomen is, verzoeken zij uitstel, geven verdrietige en bitsige antwoorden, en klagen dat het hun ongelegen komt. Al kunnen zij betalen, spreken zij nog-tans tegen, en geven naauwelijks de helft ■ van hetgene zij schuldig zijn, daar zij de andere helft voor gevonden rekenen. Doch indien zij het het niet kunnen betalen, berooven zij den gever van het geld; zij betalen hem met schelwoorden en

(1) De Wijze-JIan geeft hierdoor te verstaan, dat dezelfde tong geschillen ontsteekt en dtiout.

395

-ocr page 402-

396 Gesohiedenis

vloeken; en voor de eer en gunst, die hij hun bewezen heeft, geven zij smaad weder Daarom laten velen na te leenen, niet uit kwaadwilligheid, maar door de vrees die zij hebben, dat men geene zwarigheid zal maken van hen te bedriegen.

Wees echter goed en geduldig ten opzigte van eenen ongelukkige; laat hem ook om eene aalmoes niet lang loopen.

Help den behoeftige, om het gebods wille; zend hem in zijne armoede niet henen.

Verlies uw geld om uwen broeder en uwen vriend, zonder hetzelve tot uw verderf onder eenen steen te gaan verbergen.

Besteed uwe schatten volgens het gebod van den Allerhoogste, en het zal u voordeeliger zijn dan goud.

Verberg uwe aalmoes in den schoot der armen, en zij zal u van alle kwaad vrijspreken. Zij zal voor u tegen uwen vijand strijden, beter dan het schild of de spies van eenen magtigen held.

XI. HOOFDDEEL.

1, Voor zijnen vriend borg zijn, doch met voorzigtigheid, 2. Liever met weinig tevreden zijn, dan bij anderen schandige onderwerping te doen. 3. Zijne kinderen met standvastigheid besturen. 4. Welke schat de gezondheid en de vreugd des harten ia. 5. De liefde tot het geld ia eene groote zonde. Het ia moeijelijk hetzelve te bezitten, zonder bet te beminnen. 6. Regels, die men in de maaltijden moet onderhouden: nut der matigheid. Gevolgen van de overdaad. Eccli. 29. 31.

1. Een goed man zal voor zijnen naaste borg blijven, maar die alle schaamte verloren heeft, verlaat zijnen vriend. Vergeet nooit de weldaad van dengenen, die voor u borg gebleven is, want hij heeft zich voor u ten beste gegeven.

Een onvoorzigtige en kwade borgtogt heeft vele welgestelde menschen verdorven.

Herstel uwen naaste naar uw vermogen; maar neem ook acht, dat gij zelf tot geene ellende vervallet.

2. Beter is de spijs van eenen arme onder een planken dak, dan kostelijke spijzen in een vreemd land zonder huizing.

Wees tevreden, zoowel met een klein als met een groot; aldus zult gij het verwijt van vreemdelingschap niet moeten hooren.

Van het eene huis naar het andere te gaan, is een ellendig leven: want waar men gast is, daar durft men niets vrijmoedig doen of spreken.

3. Die zijnen zoon bemint, zal hem dikwijls kastijden; opdat hij eindelijk over hem verheugd worde.

Een ongetemd paard wordt onbandig, en een veronachtzaamd kind moedwillig.

-ocr page 403-

van het Oude Testament,

Streel uwen zoon, en hij zal u doen schrikken: speel er mede, en hij zal u bedroeven.

Geef hem toeh geene vrijheid in zijne jeugd: geef acht op hetgene hij doet, op hetgene hij denkt.

Buig zijnen hals in zijne jeugd, geesel hem, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet verharde, u wederspannig worde, en aan uwe ziel tot smart zij.

Onderwijs uwen zoon, en maak er uw werk van, opdat zijne ongeregeldheid u tot geene scliande strekke.

4. Beter is een arme, die gezond en sterk is, dan een krachtelooze rijke.

Geen schat overtreft de gezondheid des harten; er is ook geene grootere vreugde dan de vreugde des harten.

Geef uwe ziel niet aan droefheid over; kwel ook u zeiven niet in uwe raadsbesluiten.

Heb medelijden met uwe ziel, en tracht God te behagen. Onthoud u, vergader uw hart in Gods heiligheid, en verdrijÉ de droefheid verre van u: -want de droefheid heeft er velen gedood, en echter is er geen voordeel in haar te vinden.

Nijd en gramschap verkorten het leven: ongerustheid doet voor den tijd oud worden.

5. Het waken, om rijkdom te bekomen, doet het ligchaam uitdroogen, en de kommer voor dezelve, belet het slapen.

Wie het goud bemint, die zal niet schuldeloos zijn: het goud heeft vele menschen tot val gebragt en deszelfs glans is oorzaak van hun verderf geweest.

Het goud dient tot val aan degenen, die er hun hart aan opofferen. Wee hun, die het najagen!

Zalig is een rijke die onbesmet bevonden wordt, die het goud niet najaagt, en die op geld en schatten zijn betrouwen niet stelt. Waar is hij toch? wij zullen hem prijzen; want hij heeft wondere dingen in zijn leven gedaan. Hij is door het goud beproefd geweest, en volmaakt bevonden. Hij heeft de wet kunnen overtreden, maar heeft zulks niet gedaan: hij heeft kwaad kunnen bedrijven, maar niet gedaan. Daarom is zijn goed in den Heer gevestigd geworden, zijn roem zal eeuwig duren, en de geheele vergadering der Heiligen zal zijne aalmoezen verkondigen.

6. Wanneer gij aan eene treffende tafel gezeten zijt, zoo geef u niet dadelijk aan de onmatigheid over. Gebruik, ala een spaarzame menscli, hetgene u voorgezet wordt, opdat gij door uw veel eten niet gehaat wordet.

Houd, uit zedigheid, het eerste op: wees niet onverzadelijk, opdat gij geene ontstichting gevet.

Als gij dan onder velen gezeten zijt, steek uwe hand niet eerst voor allen uit: vraag ook niet eerst voor allen te drinken,

Hoe weinig wijn heeft iemand noodig die wel opgevoed is*

391

-ocr page 404-

898 Geschiedenis

Gij zult alsdan ook in uwen slaap niet benaauwd zijn, noch pijn gevoelen.

Slapeloosheid, buikpijn en krimping in de darmen zijn bij eenen gulzigaard te vinden; maar een matige menscli zal gezond slapen. Hij zal slapen tot \'s morgens vroeg, en zijne ziel zal in hem wel gesteld zijn.

Beroep de wijnzwelgers niet om te dringen: want de wijn heeft er velen in het verderf gestort.

De wijn, met matigheid gedronken, is als het leven der menschen: maar welk leveu leidt die mensch, welke zich door tien wijn laat krenken !

De wijn is vanhet begin af tot de vrolijkeid van den mensch, en niet tot dronkenschap geschapen.

Wijn met matigheid gedronken, verheugt de ziel en het gemoed.

Matigheid in drank is de gezondheid van ziel en ligchaam. Wijn, met overdaad gedronken, baart twist, toorn en veel onrust; dronkenschap baart stoutmoedigheid, doet den onvoorzigtige vallen, krenkt de sterkte, en is oorzaak van verwondingen.

Wees niet van de laatsten, om van de tafel op te staan, en dank God, die u geschapen heeft, en u met zijne goederen verzadigt.

XII. HOOFDDEEL.

I, Ootmoedigheid en zorgvuldigheid zijn noodig aan dengenen, die ahderen besturen moet. 2. Lessen voor degenen, die in gezelschappen zijn. 3. Voordeelen van het geloof en de vreeze Gods. Gods regt-vaardigheid in de menschen te onderscheiden. 4. Zich nooit afhankelijk van zijne kinderen maken. 5. Geen betrouwen op waarzeggerijen en droomen stellen. Geenen anderen regel dan Gods wet volgen. 6. God is de beschermer van hen, die hem vreezen en beminnen. 7. God verwerpt het offer der boozen, alsook dat hem gedaan wordt van onregtvaardig goed. Hartvochtigheid tot den arme. Het hervallen in zonde. Welke offerande God aanvaardt. Ootmoedig gebed. Goedhartig geven volgens dat men heeft. Eccli. 32. 36,

1. Hebben zij u tot oversten gesteld, verhef u niet, maar wees onder hen als een hunner. Draag zorg voor hen, en zit dan neder: neem dan uwe rust, als gij uwe bezorging volbragt hebt, opdat zij u tot een voorwerp van vreugd strekken, en gij een kroon tot een aangenaam sieraad moget ontvangen.

2. Spreek eerst, gij, die de oudste zijt: (want het betaamt u eerst te spreken) maar spreek met naauwkeurige wetenschap.

Stort uwe rede niet uit, waar geen gehoor is.

Luister toe, o jongeling ! met stil te zwijgen ; spreek zeer weinig, zelfs in zaken die u aangaan : indien men u twee-niaal vraagt, antwoord met korte woorden. Houd u in vele

-ocr page 405-

van het Oude Testament.

dingen ontwetend: luister toe, en zwijg; of werp eene vraag op (om ondemgt te ontvangen.)

3. Wie den Heer gelooft, die let op zijne geboden : dengenen die op liem betrouwt, zal niets ontbreken.

Aan hem die God vreest, zal geen kwaad overkomen; maar God zal liem in de bekoring belioeden, en van het kwaad bevrijden.

Een verstandig mensch geeft geloof aan Gods wet, en de wet is hem getrouw.

Alle mensohen zijn uit dezelfde aarde, waarvan Adam is, geschapen: maar God heeft hen door zijne menigvuldige wijs-

Iheid van elkander onderscheiden, en den weg van den een geheel anders gemaakt, dan van den anderen.heid van elkander onderscheiden, en den weg van den een geheel anders gemaakt, dan van den anderen.

Sommigen onder hen heeft hij gezegend en verheven: anderen heeft hij geheiligd en zich toegewijd; doch weder anderen | heeft hij vervloekt, en hen, om hunnen afval, omvergestooten. Even als de potaarde in de hand van den pottenbakker is, om zo oenen vorm te geven en te bewerken, en even als al die gedaanten zijn volgens zijne eigene schikking, zoo is ook de I mensch in de hand van dengenen, die hem geschapen heeft: die hem volgens zijne regtvaardigheid zal vergelden.

4. Geef toch aan uw kind, aan uwe vrouw, aan uwen broeder, aan uwen vriend geene magt over u zoo lang gij leeft;

| noch geef uwe goederen aan een ander, opdat het u niet be-rouwe, en gij om dezelve niet zoudt moeten smeeken.

Dat niemand u in dit stuk, zoo lang gij nog leeft en ademt, doe veranderen; want het is u beter, dat uwe kinderen u bidden, dan dat gij naar hunne handen zoudt moeten zien.

Houd dan het oppergezag in al uwe zaken, zonder uwe eer te kort te doen; verdeel uw erfdeel op het einde van uw leven, als het uur van uwen dood zal gekomen zijn.

5. Een onverstandig man voedt zich met ijdele hoop en leugentaal; onbedachte mensohen maken op droomen staat.

Waarzeggerij, volgelgeschrei en droomen der kwaaddoeners zijn ijdele en dwaze dingen.

De inbeeldingen, die uw verstand daarvan bekomt, zijn ijdel; daarom laat er uw verstand niet op vallen, ten ware de Allerhoogste u door dezelve bezocht. Want droomen hebben vele menschen verleid, en zij, die hun betrouwen daarop stelden, zijn gevallen.

399

De woorden der wet zullen getrouw volbragt worden, en de mond van een regtzinnig man zal de wijsheid verklaren (1).

(quot;I) Alsof hij zeide: man moet Gods wet, die de mensclien wijs en getrouw maakt, en niet ijdele droomen, te rade gaan.

-ocr page 406-

4,00 GescJiiedenia

6. Die God vreest, zal over niets verschrikt zijn: niets zal hij vreezen, om dat God zijne hoop is.

De oogen des Heeren zijn over degenen, die hem vreezen. Hij dient hun tot eene sterke bescherming, tot eenen krach-tigen steun, tot eene beschutting tegen de hitte, en tot eene lommerhut tegen de middagzon.

Hij bewaart hen van te vallen, heft hen op als zij gevallen zijn, verheft hunne ziel, verlicht hunne oogen, verleent hun gezondheid, leven en zegen.

7. De offerande, die men uit onregtvaardig goed opdraagt, en de giften der onregtvaaidigen zijn niet aangenaam. Da giften der booswichten worden bij den Allerhoogste niet goedgekeurd; hij ziet hunne offeranden niet aan, en wordt over hunne zonden, om hunne slagtoffers, niet verzoend, hoe talrijk die ook mogen zijn.

Die een slachtoffer uit het goed der armen opdraagt, doet zoo veel, alsof hij eenen zoon onder de oogen zijns vaders doodde.

Het brood der armen is hun leven; die er hen van berooft, is een doodslager.

Die iemand doodt, en die den ambachtsman zijn dagloon onttrekt, zijn twee gebroeders.

Wat baat aan iemand, als hij gewaschen is, nadat hij eenca doode aangeraakt heeft, zijn wasschen (1), indien hij hem weder aanraakt? Alzoo gaat het met eenen mensch, die over zijne zonden vast, en die dezelve op nieuw bedrijft. Wat wint hij met zijne vernedering, en wie zal zijn gebed verhooren?

8. Die de wet onderhoudt, doet overvloedige offeranden: en het is een zalig offer de geboden na te leven. De onge-regtigheid te verlaten, is een zoenoffer van de zonde, en eene verbidding voor het kwaad.

Als de offerande van eenen regtvaardigen mensch het altaar vet maakt, dan is dit een goede geur voor het aanschijn van den Allerhoogste. Het slagtoffer van eenen regtvaardige is hem. aangenaam, en God zal zijne gedachtenis niet vergeten.

God zal geen uitnemer van personen zijn; maar het gebed van degenen, die opregt lijdt, zal hij verhooren. Het smeeken der weezen, of eener weduwe, die hare klagten voor hem uitstort, zal hij niet versmaden.

Die God met vreugde aanbidt, zal van hem aangenomen worden; en ziju smeeken zal tot aan de wolken opstijgen.

Het gebed van dengenen, die zich vernedert, zal door d( wolken dringen: hij zal niet ophouden, tot dat het nabj

(1) Volgena de wet werd een mensch onrein, als hij een dood lig* cbaam aangeraakt had, en hij moest zich wasschen, om zich van dia wettelijke besmetting te zuiveren.

-ocr page 407-

mn Tiet Oude Testament.

God gekomen is, en hij zal niet wéggaan, voor dat de Allerhoogste zijne oogen op hem slaat.

Voor Gods oogen moogt gij niet ledig verschijnen: want om het gebods wille moet dit alles gedaan worden. Geef aan den Heer uit goeder harte: doe al uwe giften met een blij gelaat, en offer uwe tienden met verheuging op. Geef aan den Allerhoogste volgens hetgene hij u gegeven heeft. Want God vergeldt rijkelijk: zevenmaal zoo veel zal hij u wedergeven.

XIII. HOOFDDEEL.

1. Profetie of voorzegging, op de wijze van een gebed, over de bekeering der Heidenen en de wederkomst der Joden tot het licht de® geldofs. 2. Hoe men zich moet gedragen als men raad vragen wil. 3-Les over de ziekte en de geneesmiddelen. 4. Hoe men de dooden be-weenen moet. Ecoli. 36. 37. 38.

1. O God, Heer van alles! wees ons genadig, en zie ons aan: laat ons het licht uwer barmhartigheid aanschouwen. Zend uwe versterking over de Heidenen, die U niet zoeken; opdat zij mogen kennen, dat er geen andere God is dan Gij alleen, en uwe wonderheden mogen verkondigen. Steek uwe hand uit over de vreemde volkeren, en doe hun uwe almagt gevoelen. Gelijk Gij voor hunne oogen geheiligd zijt in ons, zoo wordt Gij ook in hen voor onze oogen verheven, opdat zij U mogen kennen, zoo als wij U kennen; want er is geen God buiten U. O Heer! vernieuw «we teekenen, en doe ons nogmaals uwe wonderdaden zien. Wil toch uwe hand en uwen regter-arm verheerlijken. Neem onze vervolgers onder ons weg en verniel onze vijanden. Maak dat de tijd haastig kome: gedenk uw besluit, opdat men uwe wonderheden verkon-dige. Breng al de geslachten van Jabob te zamen ten einde zij uwe erfenis worden, gelijk zij van het begin af geweest zijn. Wees uw volk genadig, hetwelk naar uwen naam genoemd is, en Israël, dien Gij voor uwen eerstgeboren gehouden hebt. Doe barmhartigheid aan uwe heilige stad Jerusalem, die de stad uwer rust is. Verrijk Sion met uwe verhevene uitspraken, en zend uwe volle heerlijkheid over uw volk. Vertoon wie degenen zijn, die van het begin af U toebehooren, en volbreng de voorzeggingen, die de voorgaande profeten in uwen naam uitgesproken hebben. Beloon degenen die U verwachten, opdat men zie, dat uwe profeten waarachtig zijn. Verhoor de geboden uwer dienaars, volgens den zegen dien Aaron over uw volk gegeven heeft, en bestuur ons op den weg der geregtigheid, opdat al de aardbewoners mogen kennen, dat Gij de God zijt, die de eeuwen bestuurt.

2. Alle raadgevers geven hunnen raad; maar er zijn er, die niet dan zich zeiven in hunne raadgevingen beoogon.

\'Wacht xi dus voor eonen raadgever. Verneem eerst wat hij

26

401

-ocr page 408-

403 Geschiedenis

van doen heeft: want Lij zal voor zich zeiven bezorgd zijn.

Ga eens met eenen goddeloozen mensch over heiligheid handelen; met eenen onregtvaardigen mensch over regtvaar-digheid; met eenen koopman over zijne koopwaar; met eenen onbarmhartigen over barmhartigheid; met eenen landbouwer over al hetgone zijn land betreft. Zulke personen moet gij in al deze dingen niet te rade gaan. Maar houd u gestadig bij een godvruchtig en godvreezend man, die gezind is gelijk gij, en die, als gij in het donker zult waggelen, met u zal medelijden hebben.

Ga ook in uw eigen hart om goeden raad te nemen; want gij zult geenen getrouwen raad vinden. Een godvruchtig gemoed zal somtijds beter de waarheid ontdekken, dan zeven schildwachten, die op eenen hoogen wachttoren staan.

Smeek bovenal den Allerhoogste, opdat hij uwe gangen in de waarheid besture.

Dat de regte rede al uwe werken voorafga, en dat een vaste raad al uw doen te voren beschikke.

3. Bewijs den geneesheer eer, dewijl gij hem van noode hebt; want het is door den Allerhoogste dat hij er is.

Alle genezing komt van God: ook zal zij van den koning met geschenken vereerd worden. God heeft de geneesmit-delen uit de aarde voortgebragt; daarom zal een verstandig mE.n dezelve niet verwerpen,

God heeft de menschen de kracht der geneesmiddelen doen kennen, opdat zij hem in zijne wonderheden zouden eeren.

Hij geneest den mensch door dezelve, en verzacht zijne pijnen. De artsenijmenger maakt er ook welriekende mengelingen en genezende zalven van, zonder dat men het einde in zijn -werk kan vinden. Want Gods zegen strekt zich over de ge-Leele uitgestrektheid der aarde uit.

Mijn zoon! verzuim u niet in uwe krankheid, maar bid den Heer, en hij zal u genezen. Wijk van het kwaad af, draag uwe handen regt, en zuiver uw hart van alle zonden; offer renkwerken en offers, en ga dan tot den geneesheer: want God heeft hem gesteld. Laat hem derhalve van u niet weggaan, want gij hebt hem noodig. Er is een tijd, dat gij de handen der geneesmeesters gebruiken moet. Zij zeiven zullen ook den Heer bidden, opdat hij hunne verkwikking en genezing om hun vroom leven wel doe gelukken.

Deze zal nu in de handen der geneesheeren vallen, (1) die zondigt voor de oogen van dengenen, die hem geschapen heeft.

4. Mijn zoon ! stort tranen over eenen doode, en begin te weenen, als iemand die zware rampen geleden heeft. Omwind zijn ligchaam naar de gewoonte, zonder zijne begrafenis te

(1) Dat is te zoggen, dat de zonden dikwijls de oorzaak der kiekte zijn.

-ocr page 409-

van het Oude Testament.

verzuimen. Dat nogtans uwe droefheid niet zonder vertroosting zij; want de droefheid baart den dood, en de droefheid des harten doet den nek nederbuigen. Geef dan uw hart niet over aan de droefheid, gedenkende dat gij den doode geen voordeel daarmede zult doen, en gij u zeiven zult kwellen.

Wees mijn oordeel gedachtig, (1) want zoo zal het uwe zijn: heden ik, morgen gij.

Als de doode in rust is, laat dan ook uwe gedachten over hem rusten, en vertroost u over hem, als zijn geest vaa het ligchaam gescheiden is.

XIV. HOOFDDEEL.

1, Alles strekt ten goede voor de regtvaardigen, en ten kwade voor de goddeloozen. Alles gehoorzaamt den wil des Scheppers. 2. Zwaar juk aan Adam\'s kinderen opgelegd. Nutteloosheid van de rijkdommen der hoezen. Geluk van eenen mensch, die door zijnen arbeid zijne dage-lijksohe nooddruft wint. Tegen het bedelen. 3. Gedachten over den dood. Bezorgdheid voor eenen goeden naam. Lof van Gods grootheden. Ecel. 39. 43.

1. Hef lofliederen aan, en verhef den Heer om zijne werken. Geef heerlijkheid aan zijnen naam, en zeg aldus: al de werken Gods zijn ten uiterste schoon. Zijn zegen spreidt zich uit als eene overloopende rivier. Doch zijn toorn zal als een water-vloed nederstorten over de volkeren, die hem niet zoeken.

Hij schikt zijnen handel naar den handel der menschen: en zoo legt hij in zijne gramschap struikelsteenen voor de goddeloozen.

Het voornaamste, hetwelk tot het leven der menschen noodig is, is water, vuur, ijzer, zout, melk, brood, wijn, olie en kleederen; doch daar al deze dingen voor de godvruchtigen ten goede zijn, zoo worden zij ten kwade verkeerd bij de goddeloozen en de zondaars. (2)

Er zijn geesten, die tot wraak geschapen zijn, en door hunne woede vermeerderen zij de pijnigingen der boozen. Als de gestelde tijd zal gekomen zijn, zullen zij hunne kracht uitstorten, en den toorn van hunnen Schepper volbrengen. Het vuur, de hagel, de honger, de dood, al deze dingen I zijn tot waak geschapen; ook de tanden der wildo dieren, s de schorpioenen, de adderslangen en het zwaard, om de god-| deloozen te straffen en uit te roeijen. Zij voeren met vermaak I de bevelen van hunnen Schepper uit: zij staan op het aardrijk

(1) Het is de doode die hier spreekt.

(2) Deze zaken zijn een goed voor de Heiligen, omdat zij, dezelve |naar den wil van God gebruikende, zich dezelve nuttig maken, om er I het eeuwige goed mede te winnen. Integendeel, de boozen gebruiken | iezelve, om daardoor God nog meer te vergrammen. Deze zaken, die I in zich zelve goed zijn, worden hun door derzelver slecht gebruik eena I jolegenheid tot het eeuwige verderf,

403

-ocr page 410-

404 Geschiedenis

gereed tot datgene, waartoe zij noodig zijn, en als hun tijd daar wezen zal, zullen zij zijn woord volbrengen.

2. Eene groote moeijelijkheid is er aan alle menschen opgelegd, een zwaar juk aan Adam\'s kinderen, van den dag af dat zij geboren zijn, tot op den dag, dat zij in de aarde, onze algemeene moeder, begraven worden. Zoo wel aan dengenen die op den troon in luister gezeten is, als hem die op de aarde in liet stof nederligt: zoo wel aan hem die in het purper gekleed en eene kroon op het hoofd heeft, als hem die met grof linnen bedekt is. Toorn, nijd, beroerte, twijfelmoedigheid, vrees des doods, volhardende gramschap, twist en tweedragt ontstellen \'s menschen verstand, en zelfs in de nachtrust, wanneer de tijd gekomen is van eenige rust te riemen... Bovendien de dood, het bloedvergieten, de twist, het zwaard, de verdrukking, de honhersnood, de verdelging de plagen, dit alles is tegen de boozen geschikt. Ook is de zondvloed ora hunnentwil gekomen.

Do goederen der onregtvaardigen zullen als een regenstroom üitdroogen; zij zullen gelijk zijn aan eenen donderslag, die onder den regen een groot gedruisch maakt.

Weldadigheid is als een lusthof van zegeningen; de werken van barmhartigheid zullen eeuwig duren.

Het leven van eenen werkman, die met het zijne tevreden is, is aangenaam, en er is een schat in te vinden.

Mijn zoon! zie toe dat gij ten tijde uws levens tot dun bedelzak niet vervalt: want het is beter te sterven dan te bedelen. Het leven van iemand die naar eene vreemde tafel ziet, is voor geen leven te rekenen. Een verstandig en kundig man zal zich daarvan wachten; maar een onbeschaamd mensch valt het bedelen dikwijls zoet.

3. O dood! hoe bitter is uwe gedachtenis aan eenen mensch die voorspoed heeft in zijne goederen, aan eenen mensch die onbekommerd leeft, die in alles wel gelukt, et die nog gezond is om spijs te nuttigen!

Wil het vonnis van den dood niet vreezen. Denk op degenen, die voor u bestaan hebben, en die na u zullen komen. Wanl dit vonnis is van den Heer over alle vleesch.

Wat kan u overkomen, als gij Gods welbehagen doet? Hetzi gij tien, honderd, duizend jaren leeft, men zal ir. de plaat der dooden niemand over zijne jaren verwijt doen.

Wee u, goddelooze menschen, die de wet des Allerhoogstei verlaten hebt! Toen gij geboren werdt, zijt gij in de ver vloeking geboren; en als gij sterven zult, zal de vervloekin uw erfdeel zijn.

Men draagt rouw over het lichaam der menschen; maar u naam der goddeloozen zal te niet gaan.

-ocr page 411-

van het Oude Testament. 405

Wees bezorgd om eenen goeden naam te bekomen; want die zal u meer bijblijven, dan duizend groote en kostbare scliatten. Een goed leven heeft een zeker getal dagen, een goede naam echter blijft altijd.

4. God heeft aan zijne Heiligen bevolen al zijne wonderheden te verkondigen, die hij, als een almagtige Heer, zoo heeft vastgesteld, dat zij door zijne heerlijkheid gestadig blijven duren.

Hij doorzoekt den afgrond van het hart der menschen, en hunne listigheid is hem bekend. Hij kent alles, wat gekend kan worden; hij ziet de merkteekens der toekomende tijden; hij verkondigt do voorbij zijnde en toekomende dingen; hij ontdekt het spoor van alles wat verholen is. Geene gedachten zijn hem onbekend. Hij, die voor alle eeuwen en in alle eeuwigheid is, heeft de grootheden zijner wijsheid sierlijk opgesteld. Men kan aan zijne wegen noch bij-, noch afdoen. Niemands raad heeft hij noodig.

Indien wij hem willen verheerlijken, hoe zullen wij he: dan aanleggen? Want de Allerhoogste gaat al zijne werken in grootheid te boven. Geef glorie aan den Heer, zooveel in uw vermogen is: want hij zal het nog overtreffen. Zijne grootdadigheid maakt ons verstomd.

Loof den Heer, en verhef hem volgens uwe magt: want hij overtreft allen lof. Vervul u met sterkte, om hem te verheffen. Vermoei u nogtans niet al te zeer; want gij zult het niet begrijpen.

Wie heeft hem ooit gezien, om het te kunnen verkondigen? Wie zal zijne grootheid, die van het begin is, kunnen uitspreken? Er zijn nog vele verborgene dingen, die grooter dan deze zijn; want wij hebben weinige zijner werken gezien. Doch God heeft alles geschapen, en de wijsheid aan de godvruch-tigen gegeven.

DE PKOFRET ISAIAS.

Na den Ecclesiasficus, volgen in de heilige Schrift de hoeken der profeten. Vier van die loeken dragen den naam van Groote profeten, omdat zij meer geschreven hebben dan de andere, die Kleine profeten genoemd worden. De groote zijn; Isa\'ias, Jeremias met Baruch, Ezechiël en Daniël. Over de kleine profeten zullen wij hier ook iets zeggen:.

Isd\'as was uit den koninklijken stam van David, en profeteerde wel gedurende 100 jaren onder de vier koningen van Juda, te weten; Ozias, Joatham, Achas en Ezechias. Hij trad in den echt, gaf zijne vrouw den naam van profetesse, en won lij haar eenige kinderen, Isa\'ias voorzegde den ondergang

I

-ocr page 412-

Geschiedenis

van het rijk van Israé\'l, en van Ezechias, \'koning van Juda, — in wiens ziekte het wonder gebeurde van het teruggaan der zon, — voorzegde hij, dat al zijne schatten, met al het volk van Juda, naar Babylon overgeleverd zouden worden, maar dat hunne gevangenis een einde zoude nemen onder Cyrus, dien hij wel 100 jaren te voren met zijnen naam noemde. Hij spreekt van Christus, van zijne geboorte, van zijn leven en zijne mirakelen, van zijn lijden en dood, en van de uitbreiding der II. Kerk zoo klaar, dat hij meer voor eerten Evangelist, dan voor eenen Profeet mag gehouden worden; waarom hem ook van de II. Vaders de naam van Evangeli-sclien profeet gegeven wordt. Volgens de overlevering der Joden, welk gevoelen verscheidene H. Vaders ook volgen, zoude Manasses, koning van Juda, daar hij de berisping van Israël niet kon dulden, hem wel eene houten zaag hebben doen doorzagen, hehcelk moet gebeurd zijn omtrent het jaar der tcereld 3324, 680 ./«mi voor de komst van Christus. Beprofetievan Isaias behelst 66 hoofddeelen. Om de kortheid te betrachten, kunnen wij echter slechts weinige lessen daaruit trekken.

ZEDELESSEN ÜIT DE PROFEET ISilAS.

In het VI hoofddeel beschrijft Isaias een wonder visioen, in hetwelk God hem een straaltje zijner majesteit toonde. Ik zag, zegt hij, den Heer op zijnen troon zitten, en het onderste van zijn kleed vervulde den tempel. De Serafs stonden rondom den troon. Zij hadden elk zes vleugelen. Met twee vleugels bedekten zij hun aangezigt, met twee andere hunne voeten, en met de twee overige vlogen zij. Zij riepen elkander toe: Heilig, Heilig, Heilig is de Heer, de God der heerkrachten! Geheel de aarde is met zijne heerlijkheid vervuld I Het gewelf des tempels daverde door de stem van hun geroep, en het werd met rook vervuld. Hij zeide; wee mij, dat ik gezwegen heb! want ik ben onrein van lippen en woon in het midden van een volk, hetwelk onreine lippen heeft. En niettemin heb ik den Koning der heerkrachten met mijne oogen gezien. Isaias, door dit gezigt verstomd, bekent, dat zijne lippen te onrein waren, om den menschen zulke heilige zaken te verkondigen. En zie, een der Serafs kwam tot mij gevlogen met eene gioeijende kool, die hij met eene tang van net altaar had genomen : hij raakte daarmede mijnen mond aan, en zeide mij; die kool heeft uwe lippen aangeraakt, uwe ongeregtigheid zal uitgewischt worden, en gij zult van uwe zonden gezuiverd zijn. Na deze zuivering hoorde hij den Heer vragen: wie zal ik zenden ? En hij sprak: zie, hier ben ik,

406

-ocr page 413-

van het Oude Testament.

zend mij. Bit leert ons, hoe zuiver van hart en mond diegenen ■meten wezen, die het woord Gods verkondigen.

In het VII hoofddeel spreekt hij klaarlijk van de geboorte dei Zaligmakers uit eene Maagd. Ziet, zegt hij, eene Maagd zal ontvangen en eenen Zoon baren, en zijn naam zal Emmanuel, dat is. God met ons, genoemd worden.

In het IX hoofddeel hebben wij ook eene schoone profetie of voorzegging van Christus en van zijne goddelijke eigendommen. Het volk, zegt hij, hetwelk in de duisternis wandelde, heeft een groot licht gezien; aan degenen die in het land van de schaduw des doods wonen, is het licht opgerezen... Want een kindje is ons geboren, en een zoon is opgegeven, die op zijne schouderen het teeken van zijne heerschappij dragen zal; zijn naam zal Wonderlijk, Eaadsheer, magtige God, Vader der toekomende eeuw, Vorst van vrede genoemd worden.

In het XXXni hoofddeel verschrikt hij de zondaars door een eeuwig verslindend vuur. De zondaars zijn in Sion verschrikt geworden, zegt hij; ijzing en schrik hebben de schijnheiligen bevangen. Wie is er onder u, die bij een verslindend vuur zal kunnen wonen? Wie onder u zal zijn verblijf kunnen nemen bij de eeuwige vlammen ?

Het LUI hoofddeel is niets anders dan eene achtereenvolgende profetie van het lijden van Christus. Hij zal voor den Heer opstaan als een plant, en als een spruitje uit eenen dorren grond. Hij heeft noch schoonheid, noch luister. Wrij hebben hem gezien, maar hij had geene gedaante, dat wij naar hem verlangen zouden. Hij zag er verachtelijk uit, en als de ver-worpenste der menschen, een man vol smarten, en die van lijden wist te spreken. Zijn gelaat was verduisterd en afschuwelijk, zoodat wij hem niet achtteden. Waarlijk heeft hij onze zwakheden op zich genomen, en zich met onze smarten beladen. Wij hielden hem als eenen melaatsche, die van God verslagen en vernederd was. Maar het was om onze zonden dat hij gewond, het was om onze boosheden dat hij gekwetst werd; de straf die ons den vrede moest aanbrengen, is op hem gevallen, en wij zijn door zijne smarten genezen.

Wij waren allen als dolende schapen, en elk ging zijne wegen in; maar God heeft de boosheid van ons allen op zich genomen. Hij is geslagtofferd geworden, omdat het hem beliefde, zonder zijnen mond te openen. Even als een schaap, is hij ter dood geleid; en als een lam, hetwelk voor zijnen scheerder stom ligt, heeft hij zijnen mond niet geopend. Hij kon niet klaarder spreken van het lijden van Christus, en van de oorzaak van zijn lijden,

In het LV hoofddeel zegt hij tot de zondaars: zoekt den Heer, als hij te vinden is; aanroept hem, als hij nabij is.

407

-ocr page 414-

Geschiedenis

Dat de gocldelooze zijnen weg, en de boozo zijne gedachten ver!aien. Dat hij tot den Heer wederkeere, en hij zal hem barmhartig zijn ; dat hij wederkeere tot onzen God, want hij is overvloedig in vergeving. Mijne gedachten, zegt God, zijn niet als uwe gedachten, noch mijne wegen als uwe wegen; want zoo hoog als de hemelen verheven zijn boven de aarde, zoo hoog zijn mijne gedachten boven uwe gedachten verheven.

JEREMIAS EN BAEUCH.

Jeremias was van het priesterlijk geslacht, en uit de stad Anatoth, Hij werd van in den schoot zijner moeder geheiligd, en van toen af van God voorbeschikt om zijn profeet te wezen. Hij begon dit ambt van als hij nog maar 15 jaren oud was, waarom hij, zich willende verschoonen, tot God zeide: ik ben nog maar een kind. Hij berispte de Joden op eene strenge wijze. Hij spaarde noch koningen, noch vorsten, noch priesters, noch valsche profeten. Hij voorzegde, dat Nahuchodonozor Jeruzalem zou innemen, plunderen en verbranden: doch daar de Joden versteend bleven, droegen zij hem eenen hevigen haat toe, en vervolgden hem bitterlijk. Daardoor is hij een uitmuntend voorbeeld geweest van Christus in zijn lijden. Het gemeene gevoelen is, dat Jeremias ongehmcd is gebleven. Hij profeteerde gedurende 45 jaren, 41 jaren in het Joodsche land, en 4 jaren in Egypte. Men meent, dat hij in de stad Taphnes, in Egypte, door de Joden, in het zestigste jaar van zijn leven, gesteenigd werd. De profetie van Jeremias behelst 52 hoofddeelen, alsnog 5 hoofddeelen van zijne treurzangen over de verwoesting van Jeruzalem en de overvoering van zijn volk, alwaar hij de ellende van het Joodsche volk, en naar den,geest de rampen van de H. Kerk, met treffende woorden beweent, die geschikt zijn om steenen harten te vermurwen.

Bij de profetie van Jeremias icorden gevoegd de 6 hoofddeelen van den profeet Baruch, die de geheimschrijver van Jeremias was. Hij heeft zijne profetie te Babel geschreven, om zijne gevangene broeders te troosten en hen tot boetvaardigheid en betrouwen op te wekken. Zijne geheele profetie wordt aangezien als een onderrigt, dat hij van Jeremias ontvangen had, en dus ook als een vervolg van dezen profeet.

408

-ocr page 415-

van het Oude Testament.

ZEDELESSEN UIT DEN PROPEET JEREMIAS,

I. Hoofddeel. Nadat God Jeremias tot zijnen profeet ver-hozen had, zegt hij: Omgord uwe leuden : spreek tot hen al wat ik u gebied. Ik heb u heden als eene vaste stad, als eene ijzeren kolom en als eenen metalen muur over het ge-heele land, over de koningen van Juda, deszelfs vorsten, zijne priesters, en over het volk des lands gesteld : zij zullen tegen u strijden, maar u niet overwinnen; want ik ben met u (zegt de Heer), om u te verlossen.

II. Hoofddeel. Hij berispt de Joden uit Gods naam. God sprak nog tot mij aldus: ga, roep, dat het Jeruzalem hoore, en zeg tot haar: dit is Gods uitspraak, dit vraagt God: Wat ongeregtigheid hadden uwe voorvaders in mij gevonden, om van mij af te wijken, en om, door ijdele dingen na te jagen, zeiven ook ijdel te worden ? Waarom dachten zij niet: waar is de God, die ons uit Egypte heeft doen vertrekken ; die ons door de woestijn, door een dor en onbewoond land, geleid heeft ? Ik heb u in een vruchtbaar land gebragt, om er de vruchten én de lekkerste gewassen van te eten ; maar gij hebt, toen gij er gekomen waart, mijn land ontheiligd, en van mijn erfdeel eenen gruwel gemaakt. Uwe priesters zeiven dachten niet eens, waar die God was. Die met de wet omgingen, kenden mij niet. De herders vielen mij af: de profeten deden hunne voorzeggingen in Baal\'s naam, en volgden de afgoden. Daarom zal ik ook met u in het regt treden, ja met uwe kinderen zeiven zal ik in het regt treden.

Gaat eens over de zee naar de eilanden, en geeft daar acht; bemerk daar met oplettendheid, of iets dergelijks ooit geschied is, dat eenig volk zijne goden veranderd heeft, alhoewel het gewis geene goden zijn. Nogtans heeft mijn volk den God, die deszelfs roem en luister was, in eenen afgod veranderd. Staat hierover verbaasd, o hemelen ! en weest in rouw, o gij hemelpoorten 1 zegt God. Want mijn vqlk heeft twee boosheden uitgewerkt. Zij hebben mij verlaten, die de bron der levende wateren ben, en zij hebben zich waterbakken uitgehouwen, geborstene waterbakken, die geen water konden houden.

In het IV Hoofddeel beschrijft Jeremias- eene opregte he-Tceering aldus; Indien gij, o Israël! u bekeeren wilt, zegt God, bekeer u tot mij. Indien gij uwe zonden voor mijne oogen wegneemt, zoo zult gij niet meer vervoerd worden; maar gij zult uwe eeden doen in waarheid, in oordeel en regt vaardigheid. Inwoners van Juda en van Jeruzalem! maakt uw nieuw zaailand bereid, zonder op de doornen te willen

40»

-ocr page 416-

Geschiedenis

zaaijen; (1) besnijdt u naar Gods welbehagen, neemt de onbe-snedenteid uws harten weg, opdat mijne verbolgenheid niet als een vuur uitvare, en in brand gerake, zonder gebluscht ta kunnen worden, om de boosheid van uwen handel.

Mijn volk is een dwaas volk; het heeft mij niet gekend. Het is wijs om kwaad, maar onwetend om goed te doen.

V. Hoofddeel. Hij spreekt aldus van de algemeene bedorven-held: Doorloopt al de wijken van Jeruzalem: doorziet, doorr snuffelt, doorzoek al de straten dier stad, en zoo gij iemand vindt, die regt handelt, en die de waarheid zoekt, dan zal ik ze genadig zijn. Zelfs als zij bij den levenden God zweren, doen zij valschen eed. 6 Heer! uwe oogen zien wat regt is; gij hebt ze geslagen, maar zij hebben het niet gevoeld; gij hebt ze vermorzeld, maar zij hebben geene verbetering willerl aannemen. Zij hebben hunne aangezigten harder dan keijea gemaakt, zonder zich te willen bekeeren.

Ik dacht bij mij zei ven: het zijn misschien maar de slechte ea onverstandige menschen, die de wegen des Heeren of Gods wet niet kennen. Ik zal dan tot de grooten gaan, en met hen spreken; want de wegen des Heeren en Gods wetten zijn hun bekend. Doch deze hadden nog meer zamengespannen, om het juk af ta werpen, en hunne banden te verbreken. Hunne zonden zija talrijk, en hunne wederspannigheid is sterk toegenomen.

VI. Hoofddeel. Met welke hardnekkigheid de looze wei,ge-ren naar God te hooren. Men hoort in Jeruzalem slechts vaa onregt en vernieling spreken. Ik zie er gedurig weedom ea verdrukking voor mijne oogen. Beter u toch, o Jeruzalem I opdat ik mijn hart van u niet aftrekke, noch u tot een ver? woest en onbewoonbaar land stelle. Tot wie zal ik spreken? Wie zal ik vermanen, die naar mij zal luisteren ? Ziet hunne ooren zijn gestopt, zoodat zij niet kunnen hooren. Zij verr smaden Gods woord, en zullen het niet aannemen. De valscha profeten vermaakten de wonden van mijn volk op eene schan-dige wijs. Daar waar geen vrede was, riepea zij: vrede I vrede! Ik zeide tot dit volk: als gij op den weg zijt, ziet wel toe, en vraagt naar de oude wegen, en welke de regta weg is; slaat dien dan in, en gij zult de rust uwer ziel vinden. Maar zij gaveu ten antwoord: wij willen hem niet inslaan. Ook had ik wakers (3) over u gesteld, opdat zij naa? het geluid hunner bazuin zouden luisteren. Maar zij gaveij ten antwoord: wij willen er niet naar hooren. Daarom zal

(1) Dit ia te leggen: verbetert niet alleen uwe uitwendige werker,maag ook uwe harten. Weest niet gelijk iemand, die goed zaad in de aarde zoudj ■werpen, maar de doornen en het onkruid daaruit niet trekken zoude.

(2) Dat zijn de ware profeten, die van God waren aangesteld, om tg waken over zijn volk, en het te vermanen over de gevaren, die het oix deszelfs zonden over het hoofd hingen.

410

-ocr page 417-

van Tiet Oude Testament.

ik over die menschen eene straf zenden, die zij door hunne aanslagen hebben verdiend, omdat zij naar mijne woorden niet geluisterd, en mijne wet verworpen hebben.

VIL Hoofddeel. De profeet houdt hun, uit Gods naam, hunne verhlindheid voor. Zal men, als men valt, niet denken om op te staan? en zal men, als men afgedwaald is, niet zoeken weder op den regten weg te komen? Hoe komt het dan, dat dit volk te Jeruzalem van mij afgekeerd blijft door eene altijddurende afgekeerdheid ? dat zij het bedrog omhelzen, zonder te regte te willen komen? Ik heb er op gelet; ik heb er naar geluisterd; niemand spreekt iets goeds; niemand heeft leedwezen over zijne zonden; elk loopt zijne wegen in, gelijk een paard, hetwelk met losse toom ten strijde rent. De ooije-vaar gevoelt in de lucht, dat zijn tijd gekomen is; de tortelduif, de zwaluw, de kraai, onderhouden de tijden van hunna aankomst, maar mijn volk heeft den tijd van Gods wraak niet gekend. Hoe kunt gij zeggen: wij zijn verstandig, de wet des Heeren is bij ons? De leugenachtige pen der Schriftgeerden beeft waarlijk maar leugens voortgebragt: De verstandigen zullen tot schande komen; de schrik zal hen aangrijpen, en zij zullen gevangen worden; want daar zij het woord des Heeren verworpen hebben, is er geen verstand meer bij hen te vinden. Ieder hunner, van de kleinsten tot de grootsten toe, is op gierigheid uit; zij gaan allen, van den profeet tot de priesters toe, met leugentaal om.

IX. Hoofddeel. Men mag slechts alleen op God roemen. Dat de wijze zich niet op zijne wijsheid beroeme, noch de sterke op zijne sterkte, noch de rijke op zijne rijkdommen. Maar die roemen wil, dat hij zich roeme, omdat hij kent en weet, dat ik de Heer ben, die barmhartigheid en regt doe, en op de aarde vonnis: want in deze dingen heb ik mijn behagen, zegt God.

In het XI Hoofddeel spreekt Jeremias aldus in den persoon van Christus; Gij hebt het mij getoond, o Heer! zoo dat ik het weet: hunne raadsbesluiten hebt Gij mij dan alle bekend gemaakt. Doch ik was als een zachtmoedig lam, hetwelk ter slagtbank geleid wordt; ik kende de aanslagen niet, die zij tegen mij gemaakt hadden, zeggende: laat ons hout in zijn brood doen, en hem uit het land der levenden uitroei-jen, dat zijn naam niet meer gemeld worde. Bit heteekent klaarlijk de raadsbesluiten der Joden tegen Christus, om hem, te kruisen, en zijde gedachtenis uit te roeijen: icant de profeten waren in hunnen persoon en in hunne voorzeggingen een afbeeldsel van Christus.

XVII Hoofddeel. Men mag op de menschen niet, maar ojl God betrouwen. Vervloekt is hij, zegt God, die zijn betrou» wen op den mensch stelt, en die, zijn hart van God afwen*

411

-ocr page 418-

Creschlectenis

dende, op eenen vleeschelijken arm zijne steun neemt. Hij zal als het heidekruid der woestijn wezen, hij zal liet goed niet genieten, maar zijn verderf hebben in de dorheid der wildernis, in een onvruchtbaar en onbewoond land. Gelukkig is hij, die op God zijn betrouwen stelt, want God zal zijn steun wezen. Hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en die zijne wortelen aan eene beek uitschiet, zoo dat hij voor de overkomende hitte niet te vreezen heeft. Zijn loof zal groen blijven, hij zal niet bekommerd zijn in den tijd van droogte, maar onophoudelijk vruchten dragen.

XVIII Hoofddeel. Be mensch is in Gods handen; even als de potaarde in de handen der pottenhakkers. De Heer zeide tot Jeremias; ga in het pottenbakkers werkhuis, en daar zult gij mijne woorden hooren... Ik ging, en zie, hij maakte een werk op zijn rad, en nadat de pot, dien hij van klei met zijne handen gemaakt had, gebroken was, maakte hij daarvan wederom eenen anderen naar zijn welgevallen; en de Heer zeide tot mij : zal ik met u niet mogen handelen, o huis van Israël! gelijk dezen pottenbakker? Zie, gelijk de potaarde in de hand van den pottenbakker is, alzoo zijt gij in mijne hand, o huis van Israël!

BEMERKING. ]. De mer.sch, uit het slijk der aarde gemaakt, moet zich met vrees en ootmoedigheid onderwerpen aan God, die zich vergelijkt bij eenen pottenbakker, in wiens hand de mensoh gansch en geheel is. Zijn leven, zijne wegen, zijne magt, zijn geluk en al zijn goed hangt ten eenemale van die aldoende hand en magt af, die hij niet kan ontberen, noch ontvlugten. 3. De klei in zich zelve, is slechts klei, maar in de hand des pottenbakkers krijgt zij deze gedaante. Zoo ook is de mensch in de stof, waarvan bij gemaakt is, ontbloot van alle natuurlijk en bovennatuurlijk goed; maar dat hij verstandig, wijs, voorspoedig, welsprekend, godvree-zend, rijk in deugden is, enz., zulks krijgt hij van God, die zijne gaven uitdeelt aan iedereen, gelijk het hem belieft. 3. Ieder mensch moet tevreden zijn met zijnen staat, hetzij dezelve verheven of nederig is. En gelijk de klei niet tot den pottenbakker kan zeggen: waarom hebt gij mij aldus gemaakt? zoo mag ook de mensch niet tot God zeggen: waarom hebt gij mij arm, gebrekkig, enz., gemaakt, en de andere rijk, groot, verstandig, met een gezond ligchaamsgestel. enz.? 4. Het is eene groote deugd, zich zeiven te aanzisn als potaarde in de hand van God, en zich van hem te laten besturen, vormen en hervormen door tegenspoed, vernederingen, ziekten, kruisen, enz., zoo als het aan die opperste Masjesteit belieft, die dikwijls de klei aldus wringt en wrijft,

413

-ocr page 419-

van hat Oude Testament.

om daarvan eenen fraaijen pot te maken, die tot eer en sieraad in den hemel zal dienen. De heilige Apostel Paulus (Tlom. 9. v. 31.) gebruikt dezelfde gelijkenis, om te toonen, dat God uit de algemeene klei van het mensohelijke geslacht, hetwelk geheel en gansch tot de verdoemenis verwezen was, naar zijn welbehagen van in eeuwigheid verkozen heeft die het hem beliefde, om vaten van eer te zijn, bewijzende hun eene onbegrijpelijke en onverdiende genade, en de andere regtvaardig in de verdiende straf latende. Doch, daar Gods geducht en ondoorgrondelijk oordeel tot het einde toe verborgen zal blijven, moet elk hoopen en vreezen.

UIT DE TREURKLA6TEN VAN JEREMIAS-

1. Hoofddeel. Hoe ligt die volkrijke stad zoo verlaten! De meesteres van vele volkeren is als eene weduwe geworden! De vorstin van vele landschappen moet nu schatting betalen! zij weent onophoudelijk dag en nacht, de tranen vloeijen langs hare wangen... Hare priesters zuchten ; hare jongvrouwen zijn bedrukt, en zij zelve is met bitterheid overladen. Al haar volk verzucht en zoekt om nooddruft. Zij hebben al hunne kleinooden verkocht, om voedsel te bekomen... O gij allen die hier voorbij gaat! ziet en aanmerkt, of er eene smart is, die gelijk is aan -de mijne!.... Mijne oogen zijn door het weenen bezweken, mijn ingewand is gansch ontsteld, omdat men de jonge kinderen, de zuigelingen op de straten ziet bezwijken... en hunnen geest geven in den schoot hunner moeders. Hoe is het goud zoo ontluisterd! Hoe is de schitterende kleur zoo veranderd! Hoe liggen de steenen des heiligdoms zoo op de hoeken van alle straten verstrooid ! Hoofdd. IV. I.

E Z E 0 11 IEL.

De profeet Ezechiël was uit het priesterlijke geslacht, \'en een der voornaaimte gevangenen, die met DaniH en vele anderen van Jeruzalem te zamen met Jechonias, koning van Juda, naar Bah/Ion gevoerd werd. Hij hegon aldaar te profeteren in het jaar der wereld 3409, dat is, 595 jaren .voor de komst van den Messias. Hij profeteerde gedurende 32 jaren, van welke de elf eerste overeenkomen met de elf laatste jaren van Jere-mias. Deze twee profeeten voorzeiden, op eenen en denzélfden tijd, de straffen, die over Jeruzalem hingen, al woonden zij op zulk eenen veren afstand van elkander, te weten, Jeremias te Jeruzalem, en Ezechiël te Bahel; welke 3 steden wel 340 uren

413

-ocr page 420-

414 Geschiedenis

of 25 dagreizen van elkander gelegen waren. De voorzegging van Ezechiel (Hieron. in Ezech. XII. v. 17.) werd van Ba-lylon naar Jeruzalem, en die van Jeremias uit Jeruzalem naar Babylon, gezonden. Derhalve was de ongeloovigJieid en versteendheid der Joden, die de overeenstemmende voorzeggingen van deze twee zoo verre van elkander afgelegene profeten niet wilden geheven, nog des te grooter. Ezéchièl is vol van verborgene en duistere vertooningen, ten getalle van 23, en daardoor is hij altijd moeijelijk om uit te leggen en om te verstaan geweest. Zijne profetiën behelzen 84 hoofddeelen. Sommige oude schrijvers hexoeren, dat hij door de Joden in Balylon zoude gedood zijn.

I. HOOFDDEEL.

God vertoont aan Ezechiël een wonder gezigt van dieren en van vier raderen. Ezech. 1.

In het XXX jaar, op den vijfden dag der vierde maand, toen ik mij onder de gevangenen bevond, zag ik goddelijke openbaringen. Ik zag een stormwind uit het noorden komen, en eene dikke wolk met vuur in denzelven, en in het midden Van het vuur als eene gedaante van het fijnste koper. In het midden van dit vuur zag ik de gelijkenis van vier dieren... Elk van die dieren had vier aangezigten... Er was een aangezigt van eenen mensch, en een aangezigt van eenen leeuw aan de regter-zijde van hen vier, en een aangezigt van eenen os aan de linker-zijde van die vier dieren ; en een aangezigt van eenen arend boven op hetzelve. Hunne aangezigten en hunne vleugelen strekten zich naar omhoog, twee van ieders vleugelen raakten elkander, en twee bedekten hunne ligcliamen. Ieder van hen ging voor zijn aangezigt henen. Derwaarts, waar de geestdrift hen naar toe dreef, gingen zij: en wanneer zij voorttraden, keerden zij zich niet om. Als ik die dieren bezag, scheen er een rad op de aarde, bij elkeen van de dieren met hunne vier aangezigten.

Wanneer die dieren voortgingen, gingen ook de raderen neven hen; en als de dieren van de aarde omhoog werden geheven, werden ook de raderen opwaarts geheven... want de geest des levens was in de raderen.

BEMERKING. Vier dieren zijn de afdeeldingen van de vier heilige Evangelisten. De gedaante van den arend wordt toegepast aan den H. Joannes, omdat hij boven de anderen vliegt door de verhevenheid van de geheimenissen, die hij verhandelt, beginnende vooraf met de Godheid van Christus: de gedaante van eenen mensch wordt toepepast aan Mattheus,

-ocr page 421-

mn het Oude Testament.

omdat hij begint met de menscbelijke geboorte van Christus; de leeuw aan Marcus, omdat hij aanvang maakt met de prediking van Joannes den Dooper, die in de woestijn brieschte als een leeuw; en eindelijk de os aan Lucas, omdat hij zija Evangelie begint met de offerande van Zacharias.

De H. Gregoruis verstaat ook door deze vierderhande dieren, (die, ondanks de verscheidenheid van hunnen aard, zoo naauw met elkander vereenigd waren, en door denzelfden geest gedreven werden), verscheidene Christenen, die in de vereeni-ging van een en hetzelfde geloof leven. Eenige zijn uitmuntend van geest en verstand, en zoo verre boven de andere, als de mensoh boven de redelooze dieren verheven. Eenige zijn kloekmoedig om te lijden voor de regtvaardigheid, hetwelk afgebeeld wordt door de sterkte van den leeuw. Andere zijn afgebeeld door den os, omdat zij in de gedurige verstervingen zich zeiven aan God opdragen als een slagtoffer. Andere zijn verheven in hooge en hemelsche zaken, en worden door den arend afgebeeld. Nogtans zijn zij zoo vereenigd met elkander door den band van liefde, gelijk vele ledematen van een en hetzelfde ligchaam, die allen door een en en denzelfden geest leven en bestuurd worden.

II. HOOFDDEEL.

God vertoont de herstelling der Joden door dorre doodsbeenderen die herleven. Dit vermaarde gezigt wordt geestelijkerwija door Christus in de Christenen voltrokken, en is altijd in de heilige Kerk van groot aanzien geweest. Ezeoh. 37. — Omtrent het jaar der wereld 3120, voor Jesus Christus. 584.

De kracht des Heeren daalde eens over mij, zegt de profeet, zij leidde mij buiten, en bragt mij in Gods geest op een veld vol beenderen; zij lagen in groote menigte op hetzelve en waren uitermate dor. En hij vroeg mij: Adam\'s kind! zouden die beenderen wel levend worden? Ik antwoordde; ó Heer Godl gij weet het. Hierop zeide hij tot mij : profeteer over de beenderen, en zeg hun: dorre beenderen, aanhoort Gods woord! Dit is de uitspraak van God den Heer tot deze beenderen: Ik zal terstond een geest des levens in u zenden, en gij zult herleven. Ik zal zenuwen over u trekken, vleesch over u doen groeijen, eene huid over u spannen, u eenen geest vergunnen, en gij zult herleven, en bekennen dat ik God ben.

Ik profeteerde dan, zoo als God mij bevolen had. Terwijl ik profeteerde, kwam er een gedruisch en weldra daarna eene beweging. De beenderen vergaderden zich bij elkander, elk tot zijn gewricht. Ik zag er eerlang zenuwen en vleesch optomen. Ook werd er eene huid overgespannen, maar de geest des levens was er nog niet in. God zeide dan tot mij:

415

-ocr page 422-

416 (ieamp;ch iedeni»

profeteer tot den geest des levens, profeteer, en zeg tot hem o Geest des levens! dit gebiedt God de Heer: kom van de vier hoeken der wereld, en blaas op deze verslagenen, opdal zij herloven. Ik profeteerde dan, zoo als God mij bevolen had, en de geest des levens kwam in hen ; zij werden levend, zetteden zich regt op hunne voeten, en maakten aldus een talrijk heerleger uit.

Hierop sprak God tot mij in dezer voege; deze beenderen zijn het huis van Israël. Onze beenderen, zeggen zij, zijn verdord, onze hoop is te niet, wij zijn verloren. Profeteer dan en zeg hun; dit is de uitspraak van God den Heer:

o mijn volk! ik zal uwe graven openen; ik zal u uit dezelve doen opkomen, en u in Israël\'s land brengen. Gij zult weten o mijn volk! dat ik God ben, als ik uwe graven geopend en u daaruit gebragt zal hebben; en als ik u mijnen geest zal ingestort hebben, en gij, levend geworden, door mij in uw land zal rusten: dan zult gij weten, dat ik, die God ben, het gezegd en ook gedaan heb.

BEMEHKING. Door deze beenderen worden de Joden afgebeeld, die overal verspreid waren in het land van hunne gevangenschap, en die bij zich zei ven zeiden, onze beenderei zijn verdord, onze hoop is te niet. Er schijnt niets zoo moeije lijk om te gelooven, als dat dorre doodsbeenderen, zoo verre van elkander verspreid, wederom tot één ligchaam zouden vereenigd worden en herleven. Maar God wilde toonen, dat hij almagtig is; en even als hij door zijne magt de verstrooide Joden als uit hunne graven heeft doen verrijzen, dat Lij door dezelfde magt de dooden zal doen verrijzen in den jongstgn dag, en ook de zondaars doen opstaan uit het graf der zonden, waarin zij als een Lazarus reeds bedorven lagen. Deze geestelijke verrijzenis geschiedt door de uitstorting van den geest Gods, door de levendmakende H. Sakramenten van Boetvaardigheid en van het doopsel, en daarom werd in de oude tijden, in de plegtige bediening van het H. Doopsel deze profetie aan de Doopleerlingen bijzonder voorgehouder..

DANIEL.

Daniel, uit het koninklijk geslagt van Juda geproten, werd, toen hij slechts 8 jaren oud teas, te zamen met den koning Jechonias, gevangen naar Babyion geleid. Van als hij den ouderdom van 13 jaren bereikt had, vervulde hem God met den geest van profetie of voorzegging, waardoor hij de onschuld van Susanna deed blijken. De Heer gaf hem ook de wetenschap van droomen uit te leggen, waardoor hij van Nahuchodonozor zeer verhevm werd. Naderhand toerd

-ocr page 423-

van Tiet Oude Testament. 417

niet min verheven door de uitlegging van de leruchte woorden; Mane, Thekel, Phares, die aan den koning Balthazar het rijk en het leven gekost hebben. Nadat Balthazar vermoord wax, tcerd Daniël ook de vriend van Darius, koning der Meden, die Babel ingenomen had. Deze voorname gunst, die Daniël hij den koning 9an Babyion genoot, kwam hem duur te staan; want zij was de oorzaak, dat ijne benijders hem tot tweemaal toe in den leeuwew Jeuil deden werpen, waar hij door mirakel telkens ongehinderd mtkicam. Zijne wijsheid was alom zoo vermaard, dat de profeet Ezechiël spotsgewijs tot den koning Tyrus zeide; zijt gij wijzer dan Daniël? (Ezech. 27. v. 8.J Zijne profetiën wijzen stipt den tijd aan van de komst des Heilands; dat hij zoude gedood worden; dat daarop de tempel zoude verwoest worden, en verwoest blijven, hetwelk een onwederlegbaar bewijs is tegen de Joden. Daniël profeteerde gedurende zeer vele jaren, en hcam tot hoogen ouderdom. Zijne profetie behelst 14 Hoofddeélen,

I. HOOFDDEEL.

Daniël, Ananias, Misaël en Azarias worden tot hof jongelingen Terkozen.

Zij vergenoegen zich met groenten en water. Habuchodonozor\'a eerste droom. Dan. 1. 2.

Nabuchodonozor beval zijnen eersten kamerling van uit Israël\'s kinderen eenige jongelingen te zoeken van koninklijken huize, die wel gemaakt, goed onderrigt, en wel opgevoed waren, die in liet paleis in \'s konings dienst zouden gebruikt, en dat hun de taal der Cbaldeërs onderwezen zoude worden. Ook beval de koning, dat men hun dagelijks hunnen nooddruft zoude geven van zijne eigene spijs en van zijnen eigenen wijn, opdat zij, aldus drie jaren opgevoed zijnde, daarna in \'s konings tegenwoordigheid zouden staan. Onder die jongelingen bevonden zich Daniel, Ananias, Misaël en Azarias. Maar de overste der kamerlingen gaf aan Daniël den naam van Balthazar, aan Ananias den naam van Sidraoh, aan Misaël dien van Misach, en aan Azarias den naam van Abdenago. Daniël nam het vast besluit, zich geenszins te besmetten met de spijs of drank des konings. (1) Hij bad derhalve den overste der kamerlingen, van hem toe te laten, dat hij van deze spijs niet ate, opdat hij niet zoude besmet worden. De overste zeide tot Daniël: ik vrees den koning, mijnen Heer, die u deze spijs toegeschik\'t heeft. Indien hij nu ziet, dat uw aangezigt magerder wordt, dan dat der andere jongelingen van uwen ouderdom, zoo zult gij de oorzaak wezen, dat de koning mij het hoofd zal doen verliezen. Doch

(1) Want die werden ten deele aan dea konings afgoden opgedragen,

27

-ocr page 424-

418 Geschiedenis

cle Heer maukte, dat Daniël gunst in de oogen des oversten vond.

Hierop sprak Daniël tot Malazar, die de overste der kamer lingen over Daniël, Ananias, Misaël en Azarias gesteld had beproef slechts uwe dienaars gedurende 10 dagen, met on groenten te eten te geven, en water te laten drinken. Bezi alsdan onze aangezigten, en de aangezigten der jongelinge: die van des konings tafel spijzen ontvangen ; en zoo wij ver magerd zijn, zoo handel met ons vervolgens naar uw goed dunken. De kamerling deed het alzoo, en na de 10 dagen za; men hen schooner en voller van gelaat, dan al de jongelingen die van \'s konings spijs aten. God gaf aan die jongelingen diepe kennis en wijsheid, maar aan Daniël gaf hij de kenni van verschijningen en droomen. Toen nu de tijd gekomen was op welken de koning geboden had, dat men hen voor hen zoude brengen, bevond hij, dat er onder al die jongelingen niemand gelijk was aan. Daniël, Ananias, Misaël en Azarias aldus werden zij in zijne dienst aangenomen..., In alles wa hun de koning vraagde, bevond hij hen tienmaal kundige dan al de waarzeggers en sterrekijkers, die in geheel zijn riji waren.

In het tweede jaar zijner regering (1) had Nabuchodonozoi eenen droom, waarover hij zeer verschrikt werd, maa:- dien hi vergat. De koning gebood dan, dat men alle waarzeggers, sterrekijkers, zwarte kunstenaars en de Chaldeërs bijeen zoude roepen, om hem te kennen te geven wat hij gedroomd had, Zij vraagden om den droom te weten, opdat zij dan de uit legging daarvan zouden geven. De koning zeide; ik herinnei mij denzei ven niet meer; doch zoo gij mij den droom en des\' zelfs beteekenis niet te kennen geeft, zult gij allen sterven Maar zoo gij mij den droom verklaart, zult gij van mij giften, geschenken en voorname eer ontvangen,.. Zij antwoordden wederom: de koning believe zijne dienaars den droom te zeggen, en wij zullen de uitlegging daarvan geven. De vorsl hernam: ik zie wel, dat gij maar tijd zoekt te winnen... Indiei gij mij dan den droom niet uitlegt, zoo heb ik dit gevoelei van u, dat gij eene bedriegelijke uitlegging bereid gemaalquot; hebt, om mij met woorden te paaijen, tot dat de tijd zoudi verloopen zijn. Zegt mij den droom !... De Chaldeërs antwoord den: er is niemand op aarde, die des konings gebod za kunnen volbrengen... Die zaak is zoo zwaar dat niemand dit kan kenbaar maken dan de goden, die met de menschen nie omgaan.

Nu ontstak de koning in toorn, en beval, dat men al dl

(1) Dit is, het tweede jaar als hij alleen regeerde.

-ocr page 425-

I-, van het Oude Testament.-, van het Oude Testament. 419

wijsgeeren (1) van Babel zoude doen sterven. Dit bevel ging aanstonds voltrokken worden. (2) Men zoclit ook Daniël (3} en zijne gezellen, om gedood te worden. Daniël ging dan bij Ariocb (die reeds uittrok, om de wijsgeeren te dooden), en vroeg hem, om welke zaak zulk een wreed vonnis door den koning was uitgeproken? Wanneer deze hem de zaak te kennen gegeven had, verscheen Daniël voor den koning, en verzocht eenigen tijd uitstel, om deze uitlegging te doen; dit werd hem toegestaan. Hij ging vervolgens naar huis, en verhaalde 1 za?l de zaak aan zijne medegezellen, Ananias, Misaël en Azarias, nSeill opdat zij van den God des hemels barmhartigheid verzoeken noCT;l zouden, om deze verborgenheid uit te leggen, en om niet met jnnisB (jg andere wijsgeeren van Babel omgebragt te worden.

was:i s\' Nachts daarop werd aan Daniël het geheim geopenbaard, herai (jjg daarover den God des hemels bedankte, en zeide: do naam ngecl dgg Heeren zij in alle eeuwen geloofd; want de wijsheid en rlas I magt behooren hem toe... Daniël ging vervolgens naar ;Vriooh, wat| en zeide: doodt de wijsgeeren van Babel niet; maar breng mij voor den koning, en ik zal hem de uitlegging van alles doen, ry\'B Arioch deed Daniël voor den koning komen, tot wien hij ■ zeide: ik heb iemand onier de weggevoerde Joden aangetrof-lozo.J fenJ di® ^6\'1 koning de uitlegging van zijnen droom zal geven, n hi;! De monarch sprak nu tot Daniël: zijt gij magtig mij den gersB droom, dien ik gehad heb, en deszelfs beteekenis uit te leg-gen? Daniël antwoordde: de verborgenheid, waarnaar de koning hmlg vraagt, kunnen de wijsgeeren, de sterrekijkers en waarzeggers m!* niet openbaren. Maar er is een God in den hemel, die de nnei» verborgenheid ontdekt... Dit is het dan, wat gij, o koning! des* gezien hebt. Gij zaagt als een groot standbeeld; hot hoofd 3n..,B van hetzelve was goud, verbeeldende een rijk van groote heer-fteiiiB UjhJieid; de borst en armen waren van zilver, verbeeldende een IderB minder rijk; de buik en de lenden waren van koper, verbeel-dende een rijk van dapperheid. Doch de beenen waren van ijzer, W\'beéldende een rijk van kracht en geweld. De voeten waren dietB ten deele van ijzer en gebakken aarde. Dit beeld bleef zoo )eleij voor u staan, tot dat er een steen van den berg afgehouwen aaVJ werd, zonder iemands toedoen, die het beeld raakte aan zijne 3u(l« ijzeren en gebakkene voeten, en die vermorzelde. Aldus werd ordB het ijzer, de gebakken steen, het koper, het zilveren het goud te zamen vergruisd; en het werd als kaf, dat de wind uit den ditB dorschvloer voert. Maar de steen die het beeld vergruisd had nieil

1

Waaronder al de waarzeggers, sterrekijkers en meer andere ver-l (H nuftige en verstandige mannen begrepen worden.

-ocr page 426-

Geschiedenis

weid een groote borg, die geheel de aarde vervulde. Dit wa» uw droom, o koning! en deszelfs beteekenis zal ik u ook verklaren.

Gij zijt de koning der koningen; en de God des hemels heeft u een groot koningrijk, en daarbij sterkte, heerlijkheid en vermogen gegeven... Gij zijt dan het gouden hoofd. Na u zal er een ander rijk opstaan van zilver, minder dan het uwe; {te toeten liet koningrijk der Meden en Perzen.) Na dit een derde van koper, hetwelk over geheel de wereld gebieden zal. {dat is het koningrijk der Grieken, of Alexander de Groote.) Het vierde koningrijk zal hard als ijzer zijn {namelijk het koningrijk der Romeinen.) Gelijk ijzer alles verbrijzelt, zoo zal dat rijk zulks ook doen; maar dewijl gij gezien hebt, dat de voeten en teenen eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem waren, zal dit rijk, alhoewel het eenen oorsprong heeft van het ijzer, in zich verdeeld worden. En even als gij zaagt, dat de teenen ten deele van ijzer, en ten deele van aarde waren, zoo zal ook dat koningrijk ten deele sterk, en ten deele broos wezen.

Ten tijde der koningrijken zal de God des hemels een rijk stichten, hetwelk nooit zal vernield worden {te weten dat van Christus?) Dit rijk zal alle andere rijken verwoesten, doch zelf door alle eeuwen stand houden. De droom is echt, en zijne uitlegging gaat vast. Nu wierp zich de koning ter aarde, boog zich voor Daniël neder, en riep: voorwaar, uw God is de God aller goden, en de Heer aller koningen. Ook werd Daniël tot vorst over het geheele grondgebied van Babyion verheven. Op zijn verzoek werden zijne gezellen mede als landvoogden over eenige provinciën aangesteld. Daniël bleef aan \'s koiiings hof.

BEMEEKING. O wonderbaar koningrijk van Christus! duizendwerf gelukkig hij, die onderdaan van dit koningrijk is, dat is, die Christus kent door het geloof, die hem met ijver dient, die hem aanziet als den wettigen koning van zijn hart, in hetwelk hij door zijnen geest en zijne liefde heerscht. Dit alleen kan ons gelukkig maken, en niets ter wereld buiten dit. Maar om een lidmaat van het rijk Christus te wezen, mogen wij van het rijk der wereld niet zijn; want Christus zegt: mijn rijk is van deze wereld niet.

420

-ocr page 427-

421

van het Oude Testaments II. HOOFDDEEL.

De drie medegezellen van Daniël worden in eenen gloeijende oven geworpen, (1) Dan, 3. i. — Het jaar der wereld 3117, voor Chrustus. 578.

De koning Nabuchodonozor had een gouden standbeeld laten oprigten, dat 60 ellen boog, en 6 ellen breed was, en deed al de oversten en ambtenaren der provinciën tot de inwijding van dit beeld bijeen vergaderen. Zij voldeden hieraan, en zet-teden zich voor het standbeeld. Nu riep de heraut: zoohaast gij het geschal der trompetten, fluiten, schalmeijen en alle slag van speeltuigen zult hooren, zult gij nedervallen en het gouden standbeeld aanbidden; wie hieraan niet gehoorzaamt, zal op denzelfden stond in den brandenden oven geworpen worden. Zoohaast dan al de volkeren het geluid der trompetten, fluiten, enz. hoorden, vielen zijn neder, en aanbaden het gouden beeld. Daarop kwamen eenige Chaldeërs de Joden beschuldigen, en zeiden aan den koning: gij hebt immers, o vorst! een bevel gegeven, dat een ieder het gouden standbeeld znl aanbidden? Nu zijn er eenige Joden, (die gij tot toezieners der landszaken gesteld hebt) Sidrach, Misach en Abdenago, die uw bevel veracht hebben. Uwe goden eeren zij niet, noch aanbidden het gouden standbeeld, dat gij opgerigt hebt.

Nabuchodonozor, hierover zeer vergramd, deed nu deze drie tot zich brengen, en vroeg hun: is het waar, Sidrach, Misach en Abdenago, dat gij mijne goden niet eert, en het gouden standbeeld niet aanbidt! Wel nu, bedenkt u! zoodra als gij het geschal der trompetten, fluiten, cithers, enz. zult hooren, valt dan neder, en aanbidt het standbeeld. Doch, indien gij het niet aanbidt, zult gij tenzelfden stonde in den gioeijenden oven geworpen worden: en wie is de God, die u uit mijne handen verlossen zal ? Daniël\'s gezellen antwoordden moedig: onze God, dien wij eeren, kan ons uit den brandenden oven trekken, en ons uit uwe handen, o koning! verlossen. Doch belieft dit hem niet, zoo verklaren wij u, dat wij evenwel uwe goden niet zullen eeren, noch het gouden standbeeld aanbidden... Nu schoot Nabuchodonozor in eene woedende gramschap op, zijn gelaat ontgloeide van toorn, en hij gebood, dat men den oven nog zevenmaal heeter zoude stooken, dan men gewoon was te doen. Daarna beval hij aan de sterkste mannen! dat zij Sidrach, Misach en Abdenago, aan de voeten gebonden, in den brandenden oven zouden werpen; dit werd terstond ten uitvoer ge-

(1) Deze geschiedenis gebeurde vele jaren na de uitlegging van den vöbr-gaanden droom, en Daniël was alsdan afwezig, mogelijk in \'s lands bedieningen.

-ocr page 428-

Geschiedenis

bragt... D0 oven was inmiddels zoo geweldig gestookt, dat de mannen, die hen daarin geworpen hadden, zeiven door de vlammen gedood werden; maar de drie gezellen van Daniël, die gebonden in het raidden des ovens geworpen waren, wan-deïden in het midden der vlammen, loofden en dankten God, en noodigden alle schepselen uit om God te prijzen.

Nu werd Nabucbodonozor gansch opsteld, toen hij in don oven zag, en vraagde aan zijne hovelingen: hebben wij niet drie mannen gebonden in het midden des vuurs geworpen? Nogtans zie ik vier mannen, die zonder banden in het midden des vuurs wandelen. De gedaante van een vierden is aan een Engel gelijk. Hij kwam dan bij hen aan de opening des ovens, en zeide: o Sidrach, Misach en Abdenago! dienaars van den loogverheven God, komt er uit. Zij gehoorzaamden. En allen, de stadhouders en de bevelhebbers enz, beschouwden die mannen en zagen, dat het vuur geene raagt gehad had op hunne ligcharaen, en dat er zelfs niet een haar van hun hoofd verlengd was, noch hunne kleederen geschonden waren; ja dat zij aelfs niet eens naar het vuur roken. Nu borst Nabucbodonozor uit in deze woorden; gelooft zij de God van Sidrach, Misach en Abdenago, die zijnen Engel gezonden heeft om zijne dienaars, die op hem betrouwd hebben, te verlossen, die het gebod des konings over het hoofd gezien, en hunne lihchamen ten beste gegeven hebben, ora geenen anderen God te dienen sn te aanbidden dan hunnen God. Daarom geef ik het gebod, dat een ieder, den den God van Sidrach, Misach en Abdenago lastert, den dood zal sterven: hij zal in stukken gekapt, en zijn huis verwoest worden, want er is geen ander God, die zulk eene raagt heeft ora te redden. Alle drie werden-rij in het land van Babyion tot een voornaam ambt verheven. Voorts teerden door een plakkaat de grootheden des Heeren aan al de onderdanen verkondigd, in deze bewoordingen: de hoogver-lievene God heeft vreemde teekens en wondere daden bij mij gedaan; daarom heb ik goedgevonden die te verkondigen, want zij zijn groot. . , Zijn rijk is een eeuwig rijk, en zijne magt duurt van geslacht tot geslacht.

BEMERKING. Let hier ten 1. op de groote verblindheid Tan Nabuchodonozor, die een standbeeld voor God doet aanbidden. 2. Op den valschen ijver der onderdanen, die den loning vleijen, tot alles bereid zijn, en hem opmaken tegen CJods dienaars. 3. Op de standvastigheid van de drie marte-iaren in het weigeren van aan iets, buiten God, godsdienstigheid te bewijzen. 4. Op de wreedheid van den koning. 3. Op de goedheid van God, die zijne trouwe dienaars in de tlamtnen on^ihinlerd bewaart. 6. Op de kracht van dit won-

-ocr page 429-

van het Oude Tcstameltt.

ierwerk, waardoor Nabuchodonozor zijn ongelijk ziet en bekent. 7. Leert hieruit in alle voorvallen nooit iets tegen de wet van God te doen; wat u de menschen ook mogten beloven, hoe zij u ook mogten bedriegen blijft altijd op God betrouwen.

III. HOOFDDEEL.

Nabuchodonozor\'s tweede droom door Daniël uitgelegd. Dan. 4.

Nabuchodonozor had nog eens eenen zonderlingen droom, welken hij aan zijn volk in dezor voege bekendmaakte: dit is het droomgezigt dat ik gehad heb: het scheen mij toe, dat ik in het midden van het land eenen bovenmate hoogen boom zag staan. Die boom reikte tot aan den hemel: hij werd gezien tot aan het einde van het gansohe land; zijne takken waren zeer schoon en vol vruchten; iedereen at er van: tamme en wilde dieren woonden onder dien boom. De vogelen des hemels hielden zich op zijne takken, en alle vleesch werd van hem gevoed. En zie, eenen engel daalde van den hemel, die riep : kapt den boom uit; houwt zijne takken af; verstrooit zijne vruchten ; dat de beesten die onder hem schuilen, en de vogelen die op zijne takken wonen, henen vlieden. Doch laat er eens kiem van in de aarde. Dat hij met een ijzeren en een koperen keten gebonden worde in het gras, hetwelk op het veld staat; dat hij met den dauw des hemels bevochtigd worde, en dat zijn deel zij het gras der aarde met de dieren te eten; dat zijn hart, van een menschenhart verandere in het hart van een dier, en dat hij aldus zeven tijdstonden, of jaren, doorbrenge. Dezen droom heb ik, Nabuchodonozor, gezien. Gij nu Balthazar (dat is Daniël), geef daarvan de uitlegging. Balthazar antwoordde; die boom zijt gij zelf, o koning! die in grootheid zoo zijt gewassen, dat gij tot aan den hemel reikt, en de heerschappij voert tot aan het einde van het gansche land. De Engel, dien gij van den hemel hebt zien afdalen en zeide: kapt den boom uit, maar laat eene kiem er van in de aarde, is de verklaring van het vonnis des Allerhoogsten, hetwelk u zal overkomen : men zal u uit de zamenleving der menschen bannen; uw verblijf zal zijn met de wilde dieren: gij zult gras eten als een rund; gij zult met den dauw des hemels bevochtigd worden, tot dat gij zult bekennen, dat er een allerhoogste Heer en Meester is over de koningrijken, en dat hij die geeft aan wie het hem goeddunkt. Het bevel, om eene kiem er van in de aarde te laten, geeft te kennen, dat gij andermaal den troon zult bestijgen, nadat gij de hemelsche Almagt zult erkend hebben. Daarom, o koning, laat mijnen raad u wel bevallen. Koop uwe zonden af door aalmoezen, en uwe ongeregtigheden met aan de armen barmhartigheid te bewijzen.

423

-ocr page 430-

Geschiedenis

Dit alles is Nabuoliodonozor overkomen; want na een jaar ging liij eens boven zijn paleis rondwandelen, en sprak in ziek zeiven : is dit niet de groote stad Babel, die ik door de kracht van mijn vermogen ter eere van mijne majesteit en tot den zetel van mijn rijk opgebouwd heb? Naauwelijks bad bij dit gezegd, of er kwam eene stem uit den hemel, die zeide: uw rijk zal u afgenomen worden; men zal u uit de zamen-leving der menschen verbannen; uw verblijf zal zijn met de wilde dieren; gij zul gras eten als een rund. Op denzelfden stond werd dit alles volbragt, zoo dat zijn haar groeide gelijk arendsvederen, en zijne nagelen gelijk werden aan klaauwen der vogelen.

Na verloop van den bepaalden tijd, (zegt de koning na zijne herstelling) hief ik, Nabuchodonozor, mijne oogen hemelwaarts : en tot mijn verstand gekomen zijnde, loofde en dankte ik den Allerhoogste (die in eeuwigheid leeft.) Al de inwoners des aardbodems, bij hem vergeleken, zijn als een louter niet. Hij doet alles wat hem belieft, zoo wel met de heerkrachten des hemels, als met die op de aarde wonen. Niemand kan zijne magt wederstaan noch zeggen : waarom doet gij dat ?

Ten zelfden tijd kreeg ik mijne eerste gedaante weder. Mijne hovelingen kwamen mij inhalen. Ik werd in mijn rijk hersteld, en mijne heerlijkheid werd nog gröoter dan te voren. Daarom prijs en verheerlijk ik, Nabuchodonozor, den Koning des hemels; want al zijne werken zijn waarachtig, zijne wegen zijn geregtigheid, en hij heeft de magt om de hoovaardigen te vernederen.

BEMEEKING. Welken haat draagt God tegen de hoovaar- \' digheid, en hoe vernedert hij de trotsche menschen! Hij stelt Nabuchodonozor, die zich boven de menschen wilde verheffen, onder de dieren. Deze trotsche koning, die na vele magtige koningrijken overwonnen, Jeruzalem en den tempel verwoest had, aanzag zich zeiven als den grootsten monarch der wereld, en als eenen God op de aarde, en met dergelijke trotsche gedachten bezig zijnde, wordt hij plotseling gestraft. De straf, met welke God den grootsten koning der wereld gestraft heeft, moet alle hoovaardigen en trotschaards doen beven... De hoogmoed, die eertijds de Engelen in duivels veranderde, verandert de menschen in dieren.

11

IX. HOOFDDEEL.

De koning Balthazar rigt eenen maaltijd aan. Hij ziet eene hand op den muur schrijven, Daniël legt dit schrift uit. — Balthazar wordt Termoord. Dan. 5.

Balthazar, kleinzoon van Nabuchodonozor, rigtte eens eenen

424

Hi

-ocr page 431-

van het Oude Testament.

grooten maaltijd aan voor duizend van zijne rijksgTooten. Nu gebood liij, in dronkenschap, dat men de gouden en zilveren vaten zoude halen, die zijn vader Nabucliodonozor uit den tempel van Jeruzalem geroofd had, om daaruit te drinken. Dit werd alzoo verrigt, en de koning, zijne grooten en zijne vrouwen dronken uit de vaten.... Op denzelfden stond zweefde er als eene menschenliand boven in de eetzaal, die met de vingeren iets schreef op de muur, tegenover den kandelaar. De koning zag de schrijvende vingeren voortgaan, en zijn gelaat veranderde; hij werd beroerd: de gewrichten zijner heupen werden krachteloos, en zijne knieön sloegen van schrik tegen elkander. Hij riep dan met luider stem: dat men de sterre-kijkers, de Chaldeërs en de waarzeggers zoude binnen doen komen, en sprak tot de wijsgeeren van Babel aldus: al wie deze letteren zal kunnen lezen, en ze mij uitleggen, zal in purper gewaad gedost worden, een gouden keten aan zijnen hals hebben, en de derde plaats in mijn koningrijk bekleeden, dat is naast \'s Ironings zoon. Doch de wijzen konden het schrift niet lezen, noch de uitlegging daarvan geven, waarover de ko-uing en al zijne rijksgrooten hoogst verbaasd stonden. De koningin, dit vernemende, trad de eetzaal binnen, en sprak: lang leve de koning! Laat u niet ontstellen, er is een man in uw koningrijk, die met eene goddelijke kennis begaafd is. Tijdens het leven uws grootvaders, is er bij gemelden persoon diepe kennis en wijsheid bevonden, zoodat hij door uwen overleden grootvader, den koning Nabucliodonozor, gesteld werd als het hoofd der waarzeggers. Die verlichte man is Daniël; ontbied hem dus!

Daniël werd dan voor den koning gebragt, die hem zeide: zijt gij Daniël, een der weggevoerden uit Juda? Ik hoor van u zeggen, dat gij verborgene dingen kunt ontdekken en geheime zaken oplossen. Indien gij dan dit schrift kunt lezen, • en mij de uitlegging daarvan geven, zult gij in purper gedost worden, een gouden keten aan den hals hebben, en de derde vorst in mijn rijk zijn. Daniël sprak hierop tot den koning: gelief uwe geschenken te behouden, of geef uwe vereering aan een ander, maar ik zal, o koning! u de letters voorlezen, en u dezelve uitleggen. Hij zeide hem verdei\' met vrijmoedigheid, dat God die vingeren gezonden had, omdat Balthazar niet ootmoedig geworden was, door het voorbeeld aan Naïïuchodonozor, Kiens hoovaardigheid de Heer zoo tconderhaar gestraft had. Dit zijn nu de woorden, ging hij voort, die daar geschreven staan: Make, Thekel, Phakes. En dit is derzelver beteekenis: Mane, God heeft uw koningrijk geteld, en hij heeft het zijn einde gegeven. Thekel, gij zijt in de weegschaal gesteld, en te ligt bevonden. Phares, uw koningrijk is verdeeld en is

425-

-ocr page 432-

Geschiedenis

aan de Meden en Perzen gegeven. Nu werd Daniël volgens \'s konings bevel, in het puiper gekleed, een gouden keten werd hem om den hals gehangen, en men deed voor hem uitroepen, dat hij de derde plaats in het rijk zoude bezitten. Op denzelfden nacht werd Balthazar gedood. Darius van Meden werd op zijn 62° jaar koning in zijne plaats: want Cyrus, leaning van Perzië, en Darius, Ironing van Meden, hadden nu twee jaren lang de stad Balei belegerd, en terwijl die van Babel, op hunne sterkte hetromcende, hun vermaak namen, om hierdoor hunne vijanden als te bespotten, zoo hadden de belegeraars met eenen onvermoeiden arbeid den vloed van den Eujdi-rates afgekeerd, en toaren langs de bedding der rivier in de stad gekomen en tot in het paleis doorgedrongen, alwaar zij Bathazar om hals bragten.

BEMERKING. Indien Balthazar zoo verschrikt werd op het zien van die schrijvende vingeren, hoe zal dan de zondaar verschrikt staan, als hij Christus den Regter zal zien, en als zijne werken gelegd zullen worden in do weegschal van Gods oordeel! Hoe zullen er dan velen verschrikken, wanneer zij znllen zien, dat een groot gedeelte hunner uitwendige goede werken, waarop zij zeer betrouwden, te ligt zal bevonden worden, omdat zij niet gedaan zijn met een goed inzigt en om God! Ook zullen de booze werken daar gewogen worden: roet hoe grootere drift en begeerlijkheid die geschieden, des te leelijker zijn zij voor God. O welke spoorslag meet die gedachte ons zijn, om vroom te leven, en te waken over al de inzigten van ons doen en laten!

V. HOOFDDEEL.

t Daniël in den leeuwenkuil. Dan. 6.

Darius vond goed 120 stadhouders over zijn rijk te stellen. Doch hij stelde vorsten boven hen, van welke Daniel een wa , aan wie de stadhouders rekenschap moesten geven. Daniël ging al de vorsten-stadhouders te boven. Daar dan de koning hem over het geheel rijk dacht te stellen, benijdden hem de vorsten, en zochten zijnen ondergang. Hierom zeiden zij tot elkander: wij zullen geen gelegenheid tegen hem kunnen vinden, tenzij misschien in de zaken, die de wet van zijnen God aangaan. Hierop gingen zij bij den ko-ring om hem te misleiden, en zeiden tot hem: lang leve de toning Darius! Al de vorsten van uw rijk en de opperbevelhebbers hebben in eenen raad besloten, dat er een koninklijk bevel zoude uitgaan, dat al wie binnen dertig dagen iets

426

-ocr page 433-

van het Oude TeJa nent.

eal verzocht hebben van eenigen God of raenscli, tenzij .van u alleen, o koning! in den leeuwenkuil geworpen zal worden. Belief dan dit besluit te bevestigen, en dit bevel te onderteekenen, opdat het volgens de onwederroepelijte wet der Meden en perzen niet veranderd worde. De koning liet dan dit bevel en besluit afkondigen. Toen Daniël dit vernomen had, ging hij in zijn huis en knielde driemaal \'s daags met opene vensters naar den kant van Jeruzalem, en aanbad en dankte zijnen God, even zoo als hij gewoon was te doen. De bespieders klaagden hem dan dadelijk bij den koning aan en zeiden: heer koning! hebt gij niet vastgesteld, dat al wie binnen dertig dagen iets zoude verzoeken van goden of menschen, behalve van u alleen, in den leeuwenkuil zoude geworpen worden ? Zie Daniël, een der weggevoerde gevangenen uit Juda, heeft uw besluit veracht, en doet dagelijks driemaal zijn gebed volgens zijne gewoonte.

De koning werd op het hooren dezer woorden zeer bedroefd, en deed zijn best, tot zonnenondergang toe, om Daniël te redden ; maar die mannen zeiden: gedenk, o koning! dat het eene wet der Meden en Perzen is, dat men alle gebod, hetwelk de koning stelt, niet mag veranderen. Nu gaf Darius eindelijk last van Daniël voor hem te brengen, en men wierp hem vervolgens in den leeuwenkuil. De koning zeide tot Daniël: moge de God, dien gij onophoudelijk vereert, u verlossen! Men dekte vervolgens den ingang met eenen steen, dien de koning met zijnen ring bezegelde, opdat er niets kwaads tegen Daniël zou ondernomen worden.

Hierna ging Darius naar huis, begaf zich zonder eenig voedsel te nuttigen te rust, doch kon dien ganschen nacht niet slapen. Des morgens, zoodra de dag aanbrak, liep hij naar den leeuwenkuil : toen hij daar gekomen was, riep hij met een droeve stem; o Daniël! dienaar van den levenden God! heeft uw God, dien gij onophoudelijk vereert, u van de leeuwen kunnen bevrijden? Daniël antwoordde; lang leve de koning! Mijn God heeft zijnen Engel gezonden, die de muilen der leeuwen gesloten heeft, en zij hebben mij niet den minsten hinder toe-gebragt, omdat ik voor Hem regtvaardig bevonden werd: en tegen u, o koning! heb ik niets misdaan.

Hierover werd de monarch zeer verheugd, en gebood, dat men Daniël uit den kuil zoude trekken: dit .werd alzoo gedaan, en er werd geen letsel aan hem bevonden. Nu deed de koning Daniël\'s beschuldigers zeiven, met hunne vrouwen en kinderen, oogenblikkelijk in den kuil werpen, en deze werden, eer zij nog op den bodera waren, door de grimmige leeuwen aangegrepen en verslonden. Darius gaf daarna dit bevel; door mij wordt dit bevel gegeven, dat men door

427

-ocr page 434-

438 Uesduedenis

geheel mijn gebied vrees en eerbied zal hebben voor den God van Daniël: want hij is de levende God, de Eeuwige, \'die in alle eeuwen leeft. Hij verlost, hij bevrijdt, hij doet ■wonderheden en vreemde teekens in den hemel en op de aarde. Hij is het, die Daniël uit den leeuwenkuil gered heeft. — Daniël bleef in eer en achting onder het rijk van Darius en van Cyrus den Perziër.

BEMEEKING. Wij zijn hier gedurende het leven tussohen de duivelen, gelijk Daniël tussohen de leeuwen. Wij zijn verwonderd over het groote mirakel, hetwelk God uitwerkte, met Daniël te bewaren tussebfn de leeuwen, en wij verwonderen ons niet over het groot en gedurig mirakel, door hetwelk wij onophoudelijk bewaard worden van de helsche leeuwen, die altijd vaardig staan om ons te verslinden, volgens deze waarschuwing van den H. Petrus: Iroeders, weest matig en waakt, want uw vijand, de duivel, loopt altijd rond als een hrieschende leeuw, zoekende icien hij zal verslinden. Wederstaat hem dapper in het geloof. I. Petr. 5. 8.

Daniël in den leeuwenkuil is een schoon afbeeldsel van Christus, door zijne onschuld, door den haat en nijd dergenen, die zijnen dood wilden; door de lafhartigheid van den koning, die hem verwijst; door de wreedheid der leeuwen, waartoe hij verwezen wordt, en door zijne wonderbare redding, die als eene verrijzenis mag beschouwd worden.

VI. HOOFDDEEL.

Daniël\'s openbaring van vier dieren, die Tier koningrijken beteekenen. Dan. 7.

Ik zag, zegt hij, in mijne openbaring of nachtzigt, dat vier winden des hemels tegen elkander streden op eene uitgestrekte zee: en dat er uit die zee vier groote gedierten oprezen. Het eerste was een leeuwin, en had arendsvleugelen. Zij stond op hare pooten als een mensch, en aan dezelve werd een menschen-hart vergund. (1) Het tweede was als een beer: het had in zijnen muil drie rijen tanden. (2) Daarna zag ik nog een ander dier, aan eenen luipaard gelijkende; het had vier vleugelen op zijnen rug, en vier hoofden. (3) Verder zag ik een vierde dier, hetwelk zeer schrikkelijk en bovenmate sterk was; het had

1) Dit eerste beteekent, volgens de uitleggers, het koningrijk der Chaldeërs, voornamelijk onder Nabuohodonozor.

2) Het tweede beduidt, het koningrijk der Meden en Perzen welke groote roovers en bloedgierige menschen waren.

o) Het derde beteekent, het koningrijk der Maoedoniërs, onder Alexander den Groote.

-ocr page 435-

van het Oude Testament. 429

groote ijzeren tanden; Jiet verslond, verbrijzelde en vertrad het overige met zijne pooten: (1) het had ook tien hoornen; en ik zag eenen anderen kleinen hoorn tussohen dezelven oprijzen. In den hoorn stonden oogen gelijk menschen-oogen, en een mond die wonderbare dingen sprak.

Ik zag daarna, dat de troonen geplaatst werden, en dat de Oude der dagen {dat is God) gezeten was. Zijn kleed was blinkend als de sneeuw, en zijn hoofdhaar als zuivere wol; zijn troon was van vurige vlammen, en deszelfs raderen een gloeijend vuur. Eene vurige en snelle rivier liep voor hem: | millioenen dienden hem, en duwende millioenen stonden voor . hem. De vierschaar nam hare plaats, en de boeken werden geopend... Ik bleef voortzien, en zag, dat het dier gedood, en zijn ligchaam overgegeven werd om verbrand te worden; dat de magt aan de andere dieren ook ontnomen, en hun levenstijd tot eenen zekeren tijd en stonden bepaald was. Ik bleef nog immer zien, en zag als den Zoon des menschen op de wolken komen, en tot den Oude der dagen naderen, dia hem de magt, de heerlijkheid en het koningrijk gegeven heeft, opdat alle volkeren, stammen en talen hem zouden dienen. Zijne magt is eene eeuwige magt, die niet zal vergaan, en zijn koningrijk zal niet bedorven worden. Bit beduidt het \'koningrijk van Christus.

Hierover werd ik, Daniël, zeer verschrikt, en verzocht aan iemand, die daar stond, de uitlegging van dit alles. En hij zeide: deze vier dieren zijn vier koningrijken, die op de aarda zullen opstaan.„ Doch ik wenschte den uitleg te bekomen van het vierde dier, en van de tien hoornen die het op zijn hoofd droeg. Hij zeide: het vierde dier is het vierde koningrijk op de aarde, hetwelk grooter zal zijn, dan al de andere koningrijken, en geheel het land zal verslinden, vertreden en verbrijzelen. De tien hoornen van dit dier zullen tien koningen wezen, na welke een ander zal opstaan, (3) die magtiger zal zijn, die den Allerhoogste zal lasteren, en zijne Heiligen vertreden ; ook zullen de Heiligen in zijne handen geleverd worden tot eenen tijd, tot twee tijden, en de helft van eenen tijd, dat is, drie jaren en een half, zoo lang zal de Antichrist den meester spelen: zoo lang is ook Antiochns te Jeruzalem meester geioeest. Be profeet Baniël heeft nog verscheidene dusdanige gezigten, die wij, om de kortheid te letrachten, hier niet kunnen aanhalen.

BEMERKING. Het rijk van den Antichrist zal klein beginnen, en. daarna zeer groot worden, en dan zal die vervol-

(1) Het vierde beduidt, volgens velen, de heerschappij der Romeinen.

(2) Vele uitleggers passen die toe aan Antioohus den dooduchtigey koning van Sjrië, die een afbeeldsel van deu Antichrist geweest is.

-ocr page 436-

Geschiedenis

ging ontstaan,- waarvan Christus zegt, dat er dergelijke nooit zal geweest zijn, en eene dusdanige verleiding, dat zelfs de uitverkorenen, indien liet mogelijk ware, verleid zouden worden.

VII. HOOFDDEEL.

Susanna wordt door twee oude boeven tot zonde aangezocht: zij wil veeleer het leven verliezen, dan God vergrammen: zij wordt valsch beschuldigd, ter dood verwezen, en door Daniël verlost. Dan. 13.

De^e geschiedenis, alhoewel hier geplaatst, is echter, %po men meent, voorgevallen als Daniel slechts twaalf jaren oud was, in het jaar der wereld SS9$, voor Jesus Christus 606.

Te Babyion woonde een man met name Joakim. (1) Hij trad in den echt met eene uitermate schoone vrouw, Susanna geheeten, die ook zeer godvreezend was; want hare ouders hadden hnar naar Mozes wet onderwezen. Joakim was zeer rijk, en had eenen boomgaard, omtrent zijn huis. Twee ouderlingen, die dit jaar tot regters gesteld waren, kwamen zeer dikwijls in het huis van Joakim, en allen, die geschillen hadden, kwamen daar bij hen, als zijnde het huis, icaar de geschillen beslist werden.

Als degenen die iets bij de regters te doen hadden, des middags vertrokken, ging Susanna veelal in den boomgaard wandelen. Die ouderlingen zagen haar daar. dagelijks ingaan, en werden in begeerte tot haar ontstoken. Nogtans gaven zij aan elkander hunne onzuivere lust niet te kennen, en waren beschaamd dit te openbaren. Zij wachtteden dagelijks zorgvuldig, om haar te zien. Op zekeren dag zeide de eene tot den anderen: laat ons huiswaarts keeren, want het is het uur van het noenmaal. Zij scheidden dan van elkander, en bij hunne terugkomst ontmoetteden zij elkander weder. Na hierover de oorzaak gevraagd te hebben, maakten zij elkander hunne onzuivere lusten bekend, en beraamden te zamen middelen, op wat tijd zij Susanna zouden kunnen vinden. Als zij daartoe eenen bekwamen dag gekozen hadden, gebeurde het, dat Susanna met twee harer dienstmaagden in den boomgaard ging, en deze gelastte olie en zeep te halen, en verder den boomgaard te sluiten, daar zij zich wilde baden. Pas waren de dienstvrouwen weg, om aan het

(1) Al waren de Joden gevankelijk naar Babyion gevoerd, moet men daarom niet denken, dat zij in boeijen of kerkers waren, geiijk sommigen zich zouden kunnen inbeelden. Maar zij leefden onder de Baby-loniërs, en hadden de vrijheid van huizen en landen te mogen koopen. ^Jer. 29.j van zich naar hunne wetten te besturen, en regters uit hnn »olk te verkiezen, om hunne geschillen te vereffenen, zoo als uit de geschiedenis duidelijk blijkt. Zij noemden nogtans deze staat gevangenis, omdat zij in een vreemd land en onder een vreemd gebied waren.

430

-ocr page 437-

van het Oude Testament. 431

gegeven bevel te voldoen, of de twee ouderlingen, die zieli in den boomgaard verscholen liadden, liepen naar Susanna, en zeiden; voldoe aan onze begeerten, of zoo niet, dan zullen wij getuigenis geven, dat wij u op echtbreuk betrapt hebben. Susanna verzuchtte en zeide: ik word van alle kanten geperst: want doe ik uwen wil, zoo ben ik den dood schuldig, voor God dien ik vergram; weiger ik het, zoo zal ik uwe handen niet ontkomen. Doch het is mij beter zonder te zondigen in uwe handen te vallen, dan voor den Heer te zondigen. Daarop liet Susanna eenen luiden schreeuw\'; maar de ouderlingen schreeuwden ook tegen haar in, en een van hen liep naar de deur des boomgaards, en deed die open. Toen de knechten van het huis dit geschreeuw hoorden, snelden zij dadelijk in den boomgaard, om te zien wat er gaande was. Als de ouderlingen hun verhaal gedaan hadden, waren zij ten uiterste verslagen, want nooit hadden zij iets ten nadeele van Susanna gehoord.

Des anderendaags, als het volk bij Joakim, haren man, te zamen vergaderde, kwamen de twee ouderlingen daar ook, en deden Susanna voor zich dagvaarden. Zij kwam met hare ouders, met hare kinderen en haar maagschap. Zij was zeer teeder en bevallig van gelaat: de booswichten geboden, dat men haar den sluijer, die haar aangezigt bedekte, zou afrukken. Ondertusschen weenden hare vrienden, en allen die haar kenden. De twee ouderlingen stonden nu op, legden hunne handen op haar hoofd, terwijl zij weende en mot eenen vertrouwden blik naar den hemel zag. De ouderlingen zeiden : toen wij alleen in den boomgaard wandelden, hebben wij deze op echtbreuk betrapt; dit betuigen wij.

Hot volk geloofde hen als ouderlingen en regters des volks, en verwezen Susanna ter dood. Nu riep zij met luider stem : o eeuwige God! aan wie het verborgene bekend is, en die alle dingen weet eer zij geschieden; U is het bewust, dat zij valsche getuigenis tegen mij gegeven hebben, Zie, ik moet sterven, en echter heb ik niet gedaan van al hetgene zij valschelijk tegen mij verzonnen hebben. — God verhoorde hare smeekbede; en toen zij ter dood geleid werd, wekte hij den heiligen ijver op van eenen jongeling, met namé Daniël. Deze riep overluid: ik ben onschuldig aan het bloed van deze! De gansche menigte keerde zich om, en vroeg\'; wat zegt gij daar? Hij antwoordde zijt gij, Israel\'s kinderen, zoo onverstandig, dat gij eene Israëlietische dochter veroordeelt, zónder de zaak naar regt te onderzoeken, en zekerheid van dezelve te hebben ? Keert weder naar de vierschaar : want zij hebben valsche getuigenis tegen haar gegeven. Nu keerde het volk met haast terug, en de ouderlingen zeiden tot hem, (spot:\'

-ocr page 438-

433 Geschiedenis

gewijs zoo het schijnt); kom, zit in het midden van ons, om ons te onderrigten: want God lieeft u de waardigheid van regter gegeven. Daniël sprak hierop: scheidt hen van elkander, ik zal hen ondervragen. Nadat zulks geschied was, riep hij den eenen, en zeide tot hem: gij, oude boef, nu komen uwe zonden op u, die gij voorheen bedreven hebt met onregt-vaardige vonnissen te vellen, met de onschuldigen te verdrukken, en de strafschuldigen in vrijheid te stellen. Indien gij haar gezien hebt, zeg dan: onder wat boom hebt gij haar op echtbreuk betrapt? Hij antwoordde: onder eenen pijnboom. Hierop zeide Daniël; teregt hebt gij gelogen tot uw verderf: want Gods Engel zal volgens het vonnis, hetwelk hij van hem ontvangen heeft u straks de pijn aandoen door u in twee te klieven. Als hij dezen had doen weggaan, deed hij den anderen komen, en zeide hem : gij, broedsel van Ghanaan en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de geile lust heeft uw hart verkeerd; zeg mij dus: onder welken boom hebt gij haar op echtbreuk betrapt? Hij antwoordde: onder eenen eik. Hierop zeide Daniël: gij hebt tot uw verderf gelogen. Daarop juichte de gansche vergadering dit vonnis toe, en loofde den Heer, die de redder is van hen die op hem betrouwen. De verzamelde menigte stond nu tegen de twee ouderlingen op, en men handelde met hen, volgens de wet, gelijk zij met hunnen naaste meenden te handelen. Men bragt hen ter dood, on het schuldloos bloed werd behouden. Helcias en zijne huisvrouw loofden God over hunne dochter Susanna, alsook Joakim en al hare aanverwanten, omdat er niets schendigs in haar bevonden was.

BEMEEKING. Wat al schoone voorbeelden in Susannai Liefde tot de kuischheid, vrees voor God, schrik voor da Zonde, getrouwheid tot den dood toe aan God, aan hareil echtgenoot! quot;Welke ijver, welke onbeschroomdheid, welke wijsheid in Daniël, welke getrouwheid in God over degenen, die hem vreezen en op hem betrouwen! Welke regtvaardigheid in de boosheid te straffen, en de booze raadsbesluiten te doen vallen op den hals diergenen, welke de boosheid smeden! Maar welke opeenhoping van schelmachtige en verfoeijelijke daden in die oude ontuchtige boeven! Tot zulke blindheden vervoert da ohkuischheid degenen, die zich 4ah haar overleveren.

-ocr page 439-

van het Oude Testament

VIII: HOOFDDEEL.

Het bertro» der priesters van den afgod Bel door Daniël ont lekt, Da-diët doo(h den draak, wordt in den leeuwenkail geworpen, en van Habacua ge pijsd. Dan 14.

Duniël werd dagelijks aan \'s konings tafel genoodigd, {deze koiüng is waarsehijnlijk EoilmerodacK) en was in voorrang boven al zijne vrienden. De Babyloniërs vereerden alstoen eenen afgod, met name Bel, voor wien dagelijks 12 maten fijn meel, 40 schapen en 6 groote kruiken wijn aangebragt werden. De koning ook vereerde dien afgod, en ging hem alle dagen aanbidden. Maar Daniël aanbad zijnen God. Nu vroeg de koning eens aan Daniël; waarom aantndt gij Bel niet\' Deze antwoordde: omdat ik geeue afgoden aanbid, die met \'s menschen handen gemaakt worden, maar den levenden God, die hemel en aarde geschapen heeft De koning hernam meent gij dan, dat Bel geen levende God is? Ziet gij niet, hoeveel hij dagelijks eet? Daniël antwoordde lagohende; o koning! laat u niet bedriegen; Bel is van binnen potaarde, en van buiten koper. Hij heeft nooit gegeten. De koning, over deze woorden vergramd, deed de priesters van Bel roepen en zeide: zoo gij mij niet diengenen aanwijst, wie ai het voedsel gebruikt, dat aan Bel ge-bragt wordt, zult gij met den dood gestraft worden. Maar, indien gij kunt bewijzen, dat Bel het zelf eet, zoo zal Daniël sterven, want hij heeft Bel gelasterd. Daniël zeide; ons geschiede naar uw woord.

De Priesters van Bel waren 70 in getal, behalve hunne vrouwen en kinderen. De koning ging nu met Daniël naar Bel\'s tempel, en dezes priesters zeiden tot den koning; zie wij gaan weg; gij, koning, stel de spijs aan Bel voor en schenk den wijn; sluit voorts de deur des tempels, en zegel die met uwen ring. Kom dan morgen vroeg, en indien gij niet bevindt, dat Bel alles heeft opgegeten, zoo zullen wij den dood sterven, of anders Daniël, die ons belogen heeft. Zij waren niet bevreesd, want zij hadden onder de tafel\'eenen verborgen ingang gemaakt, door welken zij altijd inkwamen, en die dingen verslonden.

Nadat nu de priesters weggegaan waren, stelde de koning de spijs aan Bel voor. Doch Daniël gebood zijne knechten assche te brengen, en zifte die in het bijzijn des koning door geheel den tempel. Daarna sloten zij de deur, verzegelden die met den koninklijken ring, en gingen vervolgens henen. De priesters, naar hunne gewoonte, kwamen \'s nachts met hunne vrouwen en kinderen, en aten en dronken alles op. \'s Anderen-

28

433

-ocr page 440-

Geschielents

daags ging nu de koning zeer vroeg met Daniël naar den tempel. Hij vraagde: Daniël, zijn de zegels ongeschonden ? Deze antwoordde; Ja, heer koning. Zoohaast de koning de deur geopend, en de tafel bezien had, riep hij luide uit: o Bel! gij zijt groot en vrij van alle bedrog. Daniël begon te lagchen on zeide; zie eens naar den vloer, wiens voetstappen dit zijn. De koning antwoordde: ik vind voetstappen van mannen, vrouwen en kinderen. Daarover ten hoogste vergramd, deed hij de priesters met vrouwen en kinderen vatten, die hem nu den verborgen ingang onder de tafel toonden. De koning deed hen onthalzen, en gaf Bel over aan Daniël, die hem en zijnen tempel verwoestte.

Er was ook een groote draak, dien de inwoners van Babel aanbaden. De koning zeide tot Daniël: zie, nu kunt gij toch niet zeggen, dat die draak geen levende god is; aanbid hem dan. Doch Daniël antwoordde: ik aanbid den Heer mijnen God, want hij alleen is de levende God; maar geef mij de magt, en ik zal dezen draak zonder zwaard of stok dooden. De koning gaf hem daartoe verlof, en Daniël nam nu pek, vet en haar, en maakte er koeken van, die hij aan den draak gaf, welke er van stierf. Zie, zeide Daniël, wat gij aanbadt... De Babyloniërs, dit gehoord hebbende werden zeer verbolgen; zij riepen woedend: de koning is een Jood geworden, hij heeft Bel verwoest, den draak gedood, en de priesters verslagen! Vervolgens liepen zij naar den monarch, en schreeuwden: lever ons Daniël, of wij zullen u dooden. Daar de koning zag, dat zij tegen hem geweld zouden gebruiken, leverde hij Daniël in hunne handen. Zij wierpen hem dan in den leeuwenkuil, daar hij gedurende zes dagen bleef. In den kuil bevonden zich zeven leeuwen, die men gewoon was dagelijks twee\' ligchamen en twee schapen te geven: maar nu werd hun niet gegeven, opdat zij Daniël zouden verslinden.

Te dien tijde was er in het joodsche land een profeet, met name Habacuc, die juist naar het veld ging, om zijne maai-jers pijs te brengen. Gods Engel zeide tot dezen: draag dit middagmaal naar Babel, aan Daniël, die in de leeuwenkuil geworpen is. Mijnheer, zeide Habacuc, Daniël heb ik nooit gezien, en waar die kuil is, weet ik niet. De Engel nam hem bij het haar, en stelde hem door eene krachtige beweging te Babel boven den kuil. Nu riep Habacuc: Daniël, dienaar Gods, neem het noenmaal, hetwelk God u toezendt. Daniël sprak; o Heer! Gij zijt mij dan gedachtig geweest, en verlaat niet, die U beminnen! Hij stond dan op, at, en en Engel des Heeren bragt Habacuc wederom in zijne woonstede.

De koning kwam den zevenden dag aan den knü, om Daniël te beweenen. Toen hij daarin keek, zag hij Daniël

434

-ocr page 441-

van het Oude Testament.

tusschen de leeuwen zitten, en riep luide: groot zijt Gij, o God van Daniël! En liij deed Daniël terstond uit den kuil trekken, en diens vijanden er in werpen, die op een oogenblik door de leeuwen verslonden werden. Daarna beval de koning: allen, die op de gansclie aarde wonen, moeten den God van j Daniël eeren, want liij is de verlosser, die wonderheden ea vreemde teekens op de wereld uitwerkt, en bij heeft Daniël uit den kuil der leeuwen gered.

Dit was de eerste maal, dat Daniël in den leewcenhiil geworpen icerd, oud zijnde omtrent 57 jaren, al wordt dit in de heilige Schrift laatst verhaald. Hij werd er voor de tweedemaal ingeioorpen, in den ouderdom van 82 jaren, omdat hij den warm God aanhad, zooals in het Hoofddeel V, verhaald is. De orde van den tijd wordt in de heilige Schrift niet altijd onderhouden, zoo als deskundigen wel beicust is.

BEMEEKIXG. Niets spijt de boozen zoo zeer, als dat hunne ondeugende streken ontdekt worden; daardoor worden zij in het kwaad nog meer verhard; zij braken alle venijn uit tegen hunne ontdekkers, en zoeken zich te wreken: maar dikwijls, zoo als aan de vijanden van Daniël, valt de straf, die zij voor eéh ander bereid hadden, op hunnen eigen hals. Goede menschen, integendeel, die nooit met opzet en voorbedachtheid, maar uit enkele zwakheid of onwetendheid zondigen, zijn blijde en erkentelijk, als hunne fouten ontdekt J worden. Zij vernederen zich voor God en voor de menschen, en nemen daaruit gelegenheid om zich te beteren. Zie uit uw gedrag, aangaande de berispingen, tot welker getal gij u moet rekenen.

DE XII KLEINE PEGEETEN.

Aldus genoemd, niet omdat zij van minder gezag zijn dan de vier groote profeten, detcijl zij allen door Gods Geest gesproken hébben, maar omdat hunne schriften minder zijn. - Zij bestraffen allen de zondaars met eenen iconderen moed, zonder aanzien van personen; zij geven allen eenen diepen indruk van de ontzaggelijkheid van God, van zijne regtvaardigheid, barmhartigheid, enz., en onder de voorzeggingen van vele toekomende dingen, die weldra stonden te geschieden, mengen zij verscheidene voorzeggingen, die maar aan Christus alleen en aan zijne Kerk toegepast worden.

1. Oseas begon te profeteren omtrent 835 jaren voor de geboorte van Christus, ouder Jeroboam II, koning van Israël,

435

-ocr page 442-

43 G rj/-iclütdtnu

e?t onder Ozias, Joathan, Jchas en Ezecltias, koningen van Ju-ia. Bus profeteerde hij bijna gedurende eene geheele eeuw. Zijne profdie behelst 14 Hoofddeelen. Hij voorzegt zeer duide-Ij/c di hekeering der Heidenen tot het ware geloof.

2. Joel begon wat later dan Oseas te profeteren. Hij voorzegt dè nederdaling van den heiligen Geest; hij spreekt van de rampen, die Jeruzalem over het hoofd hingen, en van het laatste eordeel. Hij heeft maar 3 Hoofddeelen.

3. Amos profeteerde omtrent 780 jaren voor Christus, onder Ozeas, koning van Juda. Hij voorzegt de wegvoering der Joden, hunne wederkomst, en het rijk van den Messias. Zijn tchrift bevat 9 Hoofddeelen.

4. Abias heeft maar een eenig Hoofddeel: hij profeteerde zoo het schijnt, ten tijde van Ozeas, en vroeger dan Jonas en Micheas. Hij voorzegt den ondergang van Edom, den bloeijenden ttaat der wede -gekeerde Joden, en de uitroeijing der afgoderij door gansch het aardrijk.

5. Jonas profeteerde ook ten tijde van Ozeas. Hij was door zijne begrafenis in den walvisch, en zijne daarop volgende predi-latie te Ninivé, met de bekeering van die heidensche menschen. een treffelijk voorbeeld van Christus. Wij zullen hieronder een uittreksel geven van zijne profetie, die slechts in 4 Hoofddeelen leitaat.

C. Micheas begon ook omtrent 758 jaren voor Christus, en profeteerde onder Joathan, Achas en Ezechias, koningen van Ju-da. Hij voorzegt de geboorte en de geboorteplaats van Christus, en spreekt zeer duidelijk van de verwoesting van Jeruzalem. Hij Heeft in het geheel 7 Hoofddeelen.

7. Nahum profeteerde omtrent 740 jaren voor Christus. Hij, voorzegt voornamelijk den ondergang van Ninivé, welke stad sedert de bedreiging van Jonas tot hare oude boosheden teas tceder-gekomen. De profetie van Nahum icerd 636 jaren voor .Christus vervuld, door de verdelging von Ninivé en van gansche Assyrische tijk. Deze profetie heeft slechts 3 Hoofddeelen.

8. Habacuc leefde ten tijde van Jeremias en van Daniël, 600 jaren voor Christus. Hij voorzegt, hoe de Joden door de Chaldeêrs, en dan ook de Chaldeers op hunne beurt, van God zullen gestraft worden; hoe Cyrus de Joden zal vrijlaten, en hoe Christus de geheele wereld verlossen zal. Zijne profetie bevat enkelijk 3 Hoofddeelen.

9. Sophonias, die omtrent 680 jaren voor Christvs,\'ónder den koning Josias, te zamen met Jeremias, leefde, voorzegt in 8 hoofddeelen bijna dezelfde zaken, die Jeremias wijdloopig voorspeld had. Hij mengt verscheidene dingen onder dezelve, wegens den roep der Heidenen en de instéllïng der heiiuje Kerk.

10. A ïgeüs profeteerde van de wederkomst der Joden vit

-ocr page 443-

van beC Cudc Tc-stument

Balyhn, jaren voor Christus, en waklcert Iten lot de opf.oiiwmg des tempels aan; hij voorzegt de komst van den Messias, naar wien alle volkeren verlangen, en die den tweeden tempel met zijne heerlijkheid vervullen zal. Hij heeft slechts 2 hoofddeelen.

11. Zacharias, heeft 14 hoofddeelen. Hij was tijdgenoot van Aggeüs. Hij wakkert de Joden ook tot de wederopbouwing det tempels aan. Hij is vol van profetische gezigten. en spreekt van Christus, van zijn lijden en sterven als een Evangelist.

12. MalacMiis, de laatste der profeten, profeteerde als de tempel herbouwd was, 454 jaren voor Christus. Hij bestraft dezelfde fouten in de Joden, die Nehemias ten zelfde tijde in hen bestrafte. Hij spreekt zeer duidelijk van den Voorlooper van Christus, en van den Messias, die alles herstellen zal, en van het heilig Misoffer. Zijne profetie bevat maar 4 hoofddeelen.

I I)e geheele tijd, dat deze heilige Mannen geleefd en geprofeteerd hebben, bevat omtrent 400 jaren. Wijders moet men in het algemeen wegens al de profeten aanmerken, dat in al hunne voorzeggingen wegens tijdelijke zaken, het voornaamste oogwit van den heiligen Geest, die door lien sprak, altijd de geestelijke zin geweest is, volgens welken dit alles bijzonder betrekking heeft op Christus en zijne ledematen, op de vijanden van Christus, of van zijne Kerk. Dit is, volgens Christus zeiven, de sleutel van alle profetiën, en van al de geschiedenissen, onderrigtingen en instellingen der oude wet.

DE PROFEET JONAS.

Jonas wordt naar Ninivé gezonden. Hij neemt de vlugt. Hij wordt in zee geworpen en door eenen walvisch ingeslokt. Hij predikt te Ninivé. De Ninivieten worden bekeerd. Jonas heeft spijt over de goedheid Gods. Jon. 1. li.

God zeide tot Jonas : maak u op, ga naar de groote stad Ninivé, en predik daar : want hare boosheid is tot mij op-geklommen. Maar Jonas vlugtte van Gods aangezigt, en trok naar Tharsis. Hij kwam te Joppe, alwaar hij naar Tharsis dacht over te varen. Hij betaalde het vaargeld en ging scheep, Maar God deed eenen zoo geweldigen wind over de zee ontstaan, dat het schip in gevaar was van om te slaan. Da scheepslieden werden bevreesd, en riepen elk tot zijnen God; zij wierpen ook de lading in zee: maar Jonas lag onder in het schip in eenen diepen slaap. De stuurman ging bij hem en zeide: wat I slaapt gij hier ? Sta op, en roep uwen God aan, of hij misschien onzer wille gedenken; en ons bevrijden van te vergaan. Voorts zeiden zij tot elkander: koml, laat ons het lot werpen, opdat wij mogen weten, waarom ons dit

437

-ocr page 444-

Geschiedenis

ongeval overkomt. Zij deden zoo, en liet lot viel op Jonas... Nu zeiden zij tot hem: zeg ons, waarom is ons dit onheil overkomen? Welk is uw beroep, van waar zijt gij, waar gaat gij henen, of van wat volk zijt gij? Hij antwoordde; ik ben een Hebreeuwer, en vrees den Heer, den God des hemels, die zee en aarde geschapen heeft. Hij bekende voorts, hoe hij voor het aanschijn des Heeren gevlugt was. Hierop werden zij zeer verschrikt, en vraagden hem: waarom hebt gij dit gedaan? Zij vraagden ook: wat moeten wij met u doen, opdat de zee bedare? Jonas antwoordde; werpt mij in zee: want ik weet, dat dit hevig onweder om mijnentwil over uis gekomen. De schepelingen roeiden nu om het land weder te iereiken; maar zij konden niet, want de zee werd meer en meer onstuimig. Zij verzuchtten dan tot den Heer, en zeiden: d God! laat ons toch om dezen man niet vergaan, wil ook zijnen dood ons niet toerekenen; want gij zglf, o Heer! hebt hierin volgens uw goedvinden gehandeld. Hierop wierpen zij Jonas in zee, en aanstonds bedaarde de storm.

God had eenen grooten visch beschikt, om Jonas in te zwelgen : deze bragt in den buik van dien visch drie dagen en drie nachten door. Jonas bad daar aldus: ik roep tot u, o Heer! in mijne benaauwdheid, en gij zult mij verhooren. Gij hebt mij in het midden der zee geworpen.... Wanneer ik in de duisternis bekneld was, werd ik u indachtig opdat mijn gebed tot uwen heiligen tempel mogt opstijgen... Ik zal u eenen lofzang opdragen, ik zal de beloftens die ik u gedaan heb voor mijne redding, volbrengen. God gebood nu den visch, en deze spuwde Jonas weder op het land.

De Heer \'gebood Jonas nü wederom; ga naar de groote stad Ninivé {hoofdstad van Assyria?) Deze stad was wel drie dagreizens groot. Jonas begon eene dagreize verre de stad in te gaan, en riep met luider stem: nog veertig dagen, en Ninivé zal vergaan. De Ninivieten geloofden God, stelden eene algemeene vaste in, en trokken, arm en rijk, ruwe zakken aan. De koning zelf stond op van zijnen troon, legde zijn kleed af, bedekte zich met eenen ruwen zak en zat neder in de assche. Hij liet ook door Ninivé uitroepen, dat noch mensch noch dier iets mogte nuttigen, of zelfs water drinken, [om aldus de menscJien door het jammerend gehuil der dieren tot droefheid en boetvaardigheid op te loehken); maar dat zoo wel de menschen als de dieren, met zakken bekleed, en het volk uit al zijne kracht tot God zou roepen; dat ook eenieder zich zoude bekeeren van zijnen boozen handel... of mogelijk God zijnen toorn zoude afwenden, en alzoo vergeving sc\'aenke. —• God zag het werk hunner bekeering, en bragt zijne bedreiging niet ten uitvoer.

438

-ocr page 445-

van het Onde Testament.

Toen Jonas wist, dat God zijn vonnis herroepen had, aangaande do verwoesting van Ninivé, was hij hierover bedroefd, en zeide tot den Heer ; o God! dacht ik het niet, toen ik nog in mijn land was? Daarom wilde ik dit ook voorkomen, met naar Tharsis te vlugtenwant ik weet, dat gij een zachtmoedige, goede en geduldige God zijt, een God vol goedertierenheid, en die de zonden vergeeft, zoo haast mm er berouw over heeft en er loetvaardigheid over ■pleegt... Jonas trok. vervolgens quot;uit de stad, en zette zich neder in een lommerhutje, tot dat hij zien zoude wat er van Ninivé mogte worden. God beschikte het zoo, dat er een boompje met groote bladeren over het hoofd van Jonas kwam groeijen, om zijn hoofd tegen de hitte te beschutten. Jonas was daarover zeer verblijdt; maar God zond ook \'s anderendaags eenen worm, die het boompje zoo doorknaagde, dat het verdorde. Als nu de zoa oprees, deed de Heer eenen brandenden wind waaijen, waarbij do zon regt op het hoofd van Jonas straalde, en hij verzocht te mogen sterven... Nu sprak God; meent gij dat uwe gramschap over het verdorde boompje regtvaardig ts? Te regt ben ik daarover ter dood toe vergramd, antwoordde Jonas. Dan zeide de Heer; gij bedroeft u over een boompje, hetwelk gij niet geplant hebt, hetwelk op eenen nacht ontstaan, en op eenen nacht vergaan is; en, zoude ik geene deernis met de stad Ninivé hebben, alwaar meer dan 120 duizend menschen zijn, die geen onderscheid weten tusschen goed en kwaad, en behalve deze nog ontelbare schuldelooze dieren?

BEMERKING. Uit deze geschiedenis leeren wij, hoe zeer aan God de zonde mishaagt; hoe groot zijne barmhartigheid is; welk vermogen de ware boetvaardigheid heeft, en welke de teekequot;ns eener ware boetdoening zijn; dat men zich over de bekeering der zondaars moest verheugen en God bedanken. Derhalve moeten wij de zonden verfoeijen, tot den goeder-tieien God met een vermorzeld en verootmoedigd hart onze toevlugt nemen, en vertrouwen van barmhartigheid te verwerven.

DE II. BOEKEN DER MAOHABEEN.

De natuurlijke orde vin de geschiedenis der Machabeën, zoude zijn, dit verhaal te plaatsen achter het boek van Nehemias hief voren, bladz. 278, om aldus de Joodsche geschiedenis op ordh te doen volgen. Doch tusschen hetgene Nehemias in zijn boeh verhaalt, en wat verhaald wordt in de hoehen der Machabeën,

439

-ocr page 446-

Geschieden k

is er nog een tusschentijd van 350 jaren, waarvan wij niets in de heilige Schrift hebben. Be Joden, na hunne wederkomst uit Babyion, leefden onder het gebied dér koningen van Ter-zié\', tot den tijd toe, dat dit koningrijk, onder Barius Coëom-mannns, vernietigd werd door Alexander den Groofe, onder wiens gebied zij alsdan kwamen: en toen na zijnen dood zijn rijk gesplitst was kwamen zij onder de koningen van Syrië : onder eenige dezer hadden zij zeer veel te lijden, zoo als wit de volgende Geschiedenis dar Machabe:jn blijken zal.

Be twee boeken der Machabeén, die van de heilige Schrift deel maken, verhalen ons, het eerstquot;, in 16 en het tweede in 15 hoofddeelen, eene geschiedenis van 33 jaren, in welke de voornaamste punten zijn. de kloeke en edelmoedige marteldood van den ouden Eleazarus en van eene manhaftige moeder met hare zeven zonen. Voorts de dappere daden van Judas Machabeüs. en van zijne broeders na hem. Hunne onoverwinnelijke liefde voor Gods heilige toetten en voor hei vaderland, hnn groot geloof en hun onwankelbaar betrouwen op God; het mistrouwen van zich zelnen en van hunne eigene krachten.

Wij zien hier, dat God de oorlogen mar zijn welbehagen doet uitvallen; dat de groote magt niet helpen kan, als hij zijnen zegen aan de mindere magt verhenen wil; aat er in tijd van nood geen heter en krachtiger middel is, dan het gebed; maar dat men niettemin de menschelijke middelen, die God ons door zijne voorzienigheid, ter hand stelt, moet waarnemen, enz. Bit alles zijn afbeeldingen\' van den geestelijken strijd, dien de heilige Kerk ten allen tijde te voeren heeft gehad, en tot het einde der wereld toe hebben zal. tegen hare geestelijke vijanden. en voornamelijk tegen den Antichrist, die door Antiochns zoolevend afgebeeld wordt. Ook vindt elke ziel in het bijzonder hier zeer treffende voorbeelden, om tegen de. onziglbare aanvechtingen der helsche magten te leeren strijden.

I. HOOFDDEEL.

Heliodortis wil op het bevel Tan Seleuous in den tempel ronven, en wordt daarover door de Engelen gegeeseld, 1. Mach. en 2. Mach, 3. — 176 jaren voor Jesus Cliristus.

Nadat Alexander de Groote, Darius, koning der Perzen en Meden, overwonnen had, trok hij voort tot aan de uiterste grenzen des aardrijks, en veroverde landen, volkeren en vorsten, zoodat iedereen voor zijn aangezigt zweeg. Piotselii.g werd hij ziek, en daar hij bemerkte dat hij zoude sterven, riep hij zijne voornaamste hovelingen, verdeelde onder hen zijn koningrijk, en stierf na eene twaalljarige regeering. De veldbeeren stelde zich dan, elk in zijn landschap, eene

440

-ocr page 447-

van het Oude Testament.

koninklijks kroon op het hoofd, gelijk mede- hunne nakomelingen na hen gedurende vele jaren.

Een van die, met name Seleucus, regeerde in Syrië: Judeën ook was hem onderworpen. Onder Seleucus Phüopator, een zijner opvolgers, werd de heilige stad Jeruzalem in diepe rust en vrede bewoond, om de godvruchtigheid en vroomheid van den hoogepriester Onias, zoo dat zelfs de heidensche koningen en vorsten deze plaats eerden, en den tempel met groote geschenken begiftigden.. Seleucus, koning van Azië, deed\' al de onkosten, die tot de dienst der offeranden noodig waren. (Seleucus veranderde daarna van genegenheid.) Doch Simon, een Jood, opziener van den tempel, zocht groot onheil over de stad te brengen, waarin de hoogepriester hem weerstond. Simon trachtte zich hierover te wreken, trok uit spijt naar Appollonius, den veldoverste van Seleucus, en zeide, dat de schatkist te Jeruzalem vol geld was, en dat men dit ligtelijk onder het bewind des konings konde brengen. Nadat Apollonius dit aan den koning verhaald had, riep hij Heliodorus, zijnen ontvanger, en beval hem het geld naar Jeruzalem te gaan halen.

Heliodorus begaf zich op reis, en te Jeruzalem aangekomen zijnde, zeide hij tot Onias, wat er hein wegens dit geld was aangebragt, en vraagde, of dit inderdaad zoo was. De hoogepriester betoogde, dat dit geld in den tempel in bewaring was, om weduwen en wezen te_ onderhouden; dat men groot onregt zoude doen aan hen, dié dit daar hadden betrouwd, en aan den vrijdom des tempels; kortom, dat dit ondoenlijk was. Maar Heliodorus hield staande, dat dit geld tot den koning gebragt moest worden, en bestemde daartoe eenen dag, op welken hij het wilde overnemen, en de zaak uitvoeren. Hierdoor ontstond groote kommer en zorg in de stad. De priesters, in hun priesterlijk gewaad, wierpen zich voor het altaar neder, en riepen tot den hemel.... en niemand konde het aangezigt van den hoogepriester Onias aanzien, zonder in zijn hart gewond te worden.... Anderen liepen met hoopen uit hunne huizen naar het gemeene gebed, omdat de onteering van de heilige plaats voorhanden was. De vrouwen, met haren kleederen omgord, vervulden de straten. De maagden zelfs, die zich te voren niet in het openbaar vertoonden, liepen ook uit, deze tot Onias, gene naar de muren des tempels. Zij smeekten tot den almo-genden God, dat het vertrouwde geld in zijn geheel bewaard mogte worden. Gedurende die algemeene smeekbede tot God trad Heliodorus met zijne soldaten naar de schatkamer des tempels, om het geld met geweld te ligten ; doch nu deed de Opperheer van de Engelen en van alle magten eene zoo wonderbare vertooning, dat allen, die zich verstout hadden Heliodorus te gehoorzamen, door de krai\'ht Gods met schrik

441

-ocr page 448-

Geschiedenis

b^angen, in onmagt vielen; want zij zagen een paavd, met een schoon dekkleed versierd. Op hetzelve was een sclirik-■barende ruiter gezeten; dit paard sloeg Heliodorus met de voorpoten ter aarde. De ruiter scheen gouden wapenen te dragen. Er verschenen ook twee sterke, welgebouwde en fraai gekleede jongelingen, die zich van heide zijden nevens Heliodorus plaatsten, en hem onophoudelijk geeselden. Heliodorus lag plat ter aarde, en was sprakeloos en zonder hoop van genezing; hij werd van de zijnen opgenomen, en in eenen draagstoel weggevoerd.... Eenige vrienden van Heliodorus kwamen aan Onias verzoeken, dat hij don Allerhoogste voor hem zoude aanroepen. Oniag droeg dan een zoenoffer voor zijne herstelling op, en terwijl hij bezig was, verschenen dezelfde jongelingen wederom aan Heliodorus, en zeiden tot hem: bedank den hoogepriester Onias; want om zijnentwil heeft God u het leven gespaard. Ga nu heen, verkondig aan een ieder zijne grootheden en magt. Daarop verdwenen zij. Nadat Heliodorus eene offerande aan God gedaan, en Onias bedankt had, trok hij weder met zijn krijgsvolk naar den koning, en bevpstigde dooi zijne getuigenis aan iedereen de werken van den grooten God die hij gezien had. Als de koning naderhand vroeg, wie hei zou durven wagen, om nog eens naar Jeruzalem gezonden te worden, zeide hij; indien gij eenen vijand of verrader in uw •rijk hebt, zoo zend hem vrij derwaarts, gij zult hem wel ge-geeseld terug krijgen, zoo hij er nog levend afkomt; want in die plaats is waarlijk eene goddelijke kracht te vinden. Hij, die daar boven in den hemel woont, is er de bewaarder van, en hij slaat en vernielt al degenen, die daar komen om boosheid te bedrijven.

BEMERKING. Aldus heeft God getoond, hoe hij de Christenen zal straffen, die oneerbiedigheden in zijnen heiligen tempel bedrijven, en daar komen om kwaad te doen. Och, of eeniedei hierdoor bewogen wierde,\' om zich voortaan heilig in die God toegewijde plaatsen te gedragen, en voor de ontzaggelijkheid van\' het huis des Heeren te beven !

TI. HOOFDDEEL.

Onias wordt verradelijk gedorn\'. Wondere teekena in de lucht over Jeruzalem. Antiochus neemt Jeruzalem in. Hij plundert den Tempel. 2. Mach. 4. 5.

Simon beschuldigde nu Onias bij Seleucus, alsof hij zeil Heliodorus geslagen had, of daarvan de oorzaak geweest was, en van ontrouw jegens den koning. Onias begaf zich naar dei monarch, om zich te verontschuldigen. Inmiddels stierf Seleii\' cus, en Antiochus, zijn broeder, bijgenaamd de doorluchtige

443

-ocr page 449-

van het Oude Testament.

kwam tot hot rijt. Onder dezen werd de hoogepriesterlijke waardigheid aan den meestbiedende geveild. Jazon, broeder van Onias, bood er 360 talenten zilver, en nog 80 talenten, üit andere inkomsten voor. Onias werd dus door Antiochus afgesteld, en Jazon werd hoogepriester gemaakt,

Drie jaren daarna, bood Manelaus, broeder van Simon, nog meer geld aan Antiochus voor die waardigheid dan Jazon, en nu werd Jazon van zijn ambt ook afgesteld, en naderhand ook desgelijks Manelaus, wordende door zijnen broeder Lysi-maohus in zijne plaats opgevolgd. Doch deze ook afgesteld zijnde, zoo geraakte Manelaus, door middel van geld, wederom tot meergezegde waardigheid; hij roofde eenige gouden vaten uit den tempel, en schonk die aan Andronicus, des ko-nings hoveling. Onias berispte Manelaus daarover. Deze ging nu naar Andronicus, en bad hem, dat hij Onias wilde dooden. Deze snoode hoveling begaf zich naar Onias, gaf hem, bij eede, do hand, en bragt hem zoo verre, dat hij zijne vrije plaats verliet, en nu bragt hem Andronicus verraderlijk om het leven. Dit werd niet alleenlijk van de Joden, maar ook van de andere volkeren, ten hoogste euvel genomen. Antiochus zelf werd innerlijk over Onias bedroefd, en zoo door medelijden bewogen, dat hem de tranen over de wangen vloeiden. Hij werd ook tegen Andronicus zoo verbolgen, dat hij hem het purpergewaad deed afleggen, en hem door do geheele stad omvoeren, tot dat hij eindelijk den moordenaar op dezelfde plaats deed dooden, alwaar hij deze goddeloosheid tegen Onias begaan had.

Het oproer en de schelmstukken groeiden middelerwijl binnen Jeruzalem geweldig aan; en de Hoor, om de rampen aantekon-digen, die Jeruzalem over het hoofd hingen; liet vreemde tee-kens in de lucht ontwaren. Men zag namelijk, gedurende 40 dagen, in de lucht, in goudlaken gedoste ruiters, met lansen gewapend en in bendon verdeeld. Men zag do paarden in slagorde gesteld, togen elkander aanloopen, de mannen elkander aantasten, en de schilden bewegen. Men zag er eene groote menigte met helmen op het hoofd, en blooto zwaarden in de hand; men zag schichten vliegen; men zag den glans van gouden wapenen en vyn allerlei harnassen; zoodat ieder bad, dat deze vreemde gezigten noch mogton ten goede keeren.

Dewijl er een valsch gerucht wegens-den dood van Antiochus verspreid was, zoo kwam Jazon, na duizend- mannen verzameld te hébben, naar do stad toe, om zich in het\'priesterschap te stellen. Hij dreef de burgers van de muren, en nam da stad in, zoo dat Manelaus haar het kasteel moest vlugten Jazon doodde zijne eigene burgers, zonder iemand te sparen; maar al zijne listen en lagen strekten tot zijne schande: hij nam de vlugt, en stierf op eene ellendige wijze.

443

-ocr page 450-

44i (jescnuaenu

Daar de koning Antiochus uit al deze beroerten vermoedde, dat het Joodsclie land van hem zocht af te vallen, verliet hij met groote verbittering Egypte, beoorloogde Jeruzalem, nam de stad in, en liet alles, zonder onderscheid van geslacht of jaren, zonder het minste medelijden ombrengen. De slagting duurde drie dagen. Tachtig duizend man werden er gedood, veertig duizend gevangen genomen, en geen minder getal verkocht. Doch dit was nog niet genoeg; hij verstoutte zich, hebbende Menelaus tot aanleider, den allerheiligsten tempel der wereld in te treden, en in zijne onreine handen de gewijde •vaten te nemen en die te ontheiligen. Hij was zoo vol overmoed, dat hij niet eens dacht, dat God, om de zonden der burgers,, voor een weinig tijds vertoornd was, en hij daarom die plaats had laten onteeren. — Vervolgens trok Antiochus, na 1800 talenten uit den tempel geroofd te hebben, weder naar zijn land terug, meenende door zijnen hoogmoed, dat lüj de aarde bevaarbaar en de zee gangbaar zoude kunnen maken; zoo verregaande was zijne trotschheid.

BEMEEKING. Antiochus denkt in zijne verblindheid niet eens dat God hem kon straften, zoo als hij Heliodorus gestraft had. Nooil is God meer vergramd, dan als hij om de zonden en boosheden der menschen toelaat, dat zijn heilige Naam ge lasterd, de heilige plaatsen onteerd, en de heilige zaken geschonden worden. O verschrikkelijk zijn de zonden, die men bedrijft in die plaats, waar men slechts moest komen, om voor de zonden te verzuchten, en van God vergiffenis te vragen.

IIL HOOFDDEEL.

Antiochus dwingt de Joden hunne godsdienst te verlaten. Kleinmoedig

heid van Eleazarus. 2. Mach. 6. In het jaar der wereld. 3837, voor

Christus 167.

Niet lang daarna zond de koning volk van Antioehiö, om de Joden de goddelijke instellins;; te doen verlaten, en om den tempel van Jeruzalem te ontheiligen, en hem den tempel van Jupiter te noemen. Aldus werd de tempel vervuld van ongebondenheden, overdaad en brasserij der Heidenen, die daar ontuchtig leefden. Het altaar zelfs lag vol ongeoorloofde din gen. De Sabbathdagen werden niet meer onderhouden, en de feestdagen der voorvaderen niet meer gevierd; ja, niemand durfde bekennen, dat hij Jood was. Een ieder werd met gc weid gedwongen de dienst der afgoden bij te wonen, en als het feest van Bacchus was aangekomen, werden zij gedwongen, ter eere van dien afgod, met eenen krans van heiloof gekroond te gaan. Ook ging er een gebod uit, door het ingeven der Ptolomeilssen, dat men in de omliggende steden der Heidenen

-ocr page 451-

van het Oude Testament. 445

insgelijks handelen zoude tegen de Joden, en hen tot het offeren dwingen, door diegenen te dooden, die niet tot de gebruiken der Heidenen wilden overgaan. Er was dan groote ellende en hartewee te zien. Twee vrouwen, die beschuldigd waren dat zij bare zoontjes besneden hadden, werden openbaar door geheel de stad met de kinderen aan hare borsten omgevoerd, en daarna jver de vesten geworpen Andere, die in eene bijgelegene spelonk vergaderd waren ora daar in het geheim den Sabbath te vieren, werden bij Philippus aangebragt, en door het vuur erbrand; en n -tg ve\'e andere ongehoorde wreedheden werden er h\'dreven.

Kleazarus, een der voornaamste schriftgeleerden, een achtbare, negentigjarige grijsaard, werd gedwongen zijnen mond te openen, om varkensvleesch te eten. Doch hij wilde liever met rjom sterven, dan niet oneer leven, en ging derhalve gewillig naar cle strafplaats, en nam voor, door eene standvastige lijd-zaamlieid, niets ongeoorloofds, uit liefde voor het leven te doen: want de omstaanders, ter oorzake der oude vriendschap die zij hem toedroegen, door een verkeerd medelijden bewogen, namen hem ter zijde, en baden hem, zich heimelijk ander vleesch te laten brengen, hetwelk hij eten mogt, en dat hij veinzen zoude van het offervleesch, volgens het bevel van den koning, te eten, opdat hij alzoo den dood zoude mogen ontgaan.... Maar daar hij overwoog wat zijn treffelijke ouderdom van hem vereischte, en wat ook zijne ingeborene edelmoedigheid, vervoegd met de grijze haren, van hem verzocht, en bovenal de heilige wet, van God zei ven ingesteld, gaf hij tot antwoord: dat hij verkoos liever t.n grave te dalen, want, voegde hij er bij, het betaamt niet aan onze jaren, dat wij zouden veinzen, en aldus vele jonge lieden, om deze mijne huichelarij, en ora den korten tijd van een vergankelijk leven, door mij zouden verleid worden, (door te gelosven, dat de negentigjarige Elea-zarus tot het leven der Heidenen is overgegaan.) Hierdoor zou ik eene openbare schandvlek, met eene algemeene vervloeking op mijne grijze haren halen: want al worde ik voor den tegenwoordigen tijd verlost van de straffen der menschen, zoude ik nogtans, levende of dood, de handen van den al-mogenden God niet kunnen ontvlieden. Dus wil ik heldhaftig, en voor onze heilige wet, eene» roemrijken dood gewillig lijden, en alzoo de jonge lieden een voorbeeld van waren moed nalaten. Dit gezegd hebbende, werd hij naar de martelplaats gesleurd... Als hij nu door de slagen bijna dood was, verzuchtte hij aldus, zeggende : Heer ! gij weet dat ik, die van den dood kon bevrijd worden, zware pijnen aan mijn ligchaam lijd; maar die, naar de ziel, uit ontzag voor u, gaarne . Hjde. Aldus stierf hij. niet alleen aan jonge lieden,

-ocr page 452-

446 Gesot,iedencs

maaj aan geheel zijn volk, in de gedaciitenis van zijnen dood, een voorbeeld van deugd en kloekmoedigheid nalatende.

BEMEEKING. Het is niet genoeg de wet met der daad niet te overtreden, maar men mag liet zelfs niet veinzen te doen, zoo als dit voortreffelijk voorbeeld ons duidelijk leert. Want alzoo sterkt men de d walenden in hunne doling, men geeft, aan de goeden een verergerend voorbeeld, en legt hun struikelsteenen om er over te vallen: het is ook een teeken van menschelijke vrees en van verkeerde schaamte. Van deze vrees zegt Christus: vreest niet voor degenen, die Jiet lic/chaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden; maar vreest veel meer dengenen, die te gelijk ziel en ligchaam in de hel kan verdoemen. (Matth. 23.) En van de verkeerde schaamte zegt hij:

zich over mijne woorden schamen zal, over dien zal zich de Zoon des menschen ook schamen, als hij in de heerlijkheid van zijnen Vader en van de heilige Engelen komen zal. (Luc. 9. 46.)

IV. HOOFDDEEL.

De marteldood der zeven Machabeïsche broeders. Kloekmoedigheid van hunne moeder. 2, Macb. 7. — Het jaar voor Christus 167.

De koning Antiochus liet zeven broeders met hunne moeder geeselen, om hun, tegen de wet varkensvleesch te doen eten. Maar de oudste hunner zeide regtuit; wij zijn bereid liever te sterven, dan de goddelijke wetten te overtreden. De koning, in toorn ontstoken, deed braadpannen en koperen ketels gloei-jende maken, en gebood dengenen, die het eerst gesproken had, de tong af te snijden, het vel van zijn hoofd te trekken, en de handen en voeten af te houwen, onder de oogen zijner broeders en moeder. Als hij hem nu al zijne leden onbruikbaar gemaakt had, gebood Antiochus, dewijl hij nog adem gaf, het vuur te ontsteken, om hem in den vuurrooden ketel te roosten. Terwijl hij aldus gebraden werd, moedigden zijne broeders en de moeder elkander aan om kloekmoedig te sterven. God, zeiden zij, ziet dit aan....

Na den dood van den eersten, namen zij den tweeden, om beproefd te worden, en nadat zij het vel van zijn hoofd met het haar afgetrokken hadden, vraagden zij, of hij nu varkensvleesch wilde eten, dan wel langzamerhand in al zijne lidmaten gepijnigd te worden. Maar hij antwoordde manmoedig : ik zal het niet doen, — en onderstond dezelfde pijn als de eerste. Na dezen werd de derde beproefd, en toen men hem verzocht de tong uit te steken (hetwelk hij op staanden

-ocr page 453-

van Tiet Oude Testament. 447

voet deed), stak hij\'ook kloekmoedig de handen uit, en zeide met betrouwen: deze lidmaten heb ik *Van den hemel ontvangen; maar in vergelijking met Gods wet, tel ik die niet; ik betrouw, dat ik ze eens wederom zal bekomen. De koning en de overige toeschouwers stonden ten uiterste verbaasd over de kloekmoedigheid van dezen jongeling, die de bitterste pijn als een niet aanzag.

Na dezen folterden zij den vierden op dezelfde wijs. En als hij bijna dood was, zeide hij: het is voordeeliger door \'s men-schen handen te sterven, als men betrouwen mag, dat God ons tot een nieuw leven zal verwekken; doch voor u is er geene verrijzenis tot een beter leven te verwachten. Daarna gingen zij voort met den vijfden te pijnigen, die tot den koning zeide: gij doet nu wat gij wilt, omdat gij de magt onder de menschen bekomen hebt, maar wacht wat, gij zult Gods groote magt gevoelen, en zien hoe hij u en uwen stam zal straffen. De zesde sprak, toen hij den dood op de lippen had: wij lijden dit alles, omdat wij dit verdiend, en tegen onzen God gezondigd hebben; maar denk niet dat gij de straffen zult ontvlugten, gij, die u verstout hebt God zeiven te bevechten. — Bovenal nu was de moeder te verwonderen, die op eenen dag hare zeven zonen zag doo-den, en 4eder hunner met eene mannelijke stem moed insprak. Dewijl de jongste nog overbleef, trachtte Antiochus. hem door liefkozingen te winnen, en beloofde hem met eed, dat hij hem zoude rijk en gelukkig maken, hem voor zijnen vriend aannemen, enz. Doch daar de jongeling daarnaar niet wilde hooren, riep de koning de moeder, en vermaande haar, dat zij haar kind tot deszelfs geluk zoude raden; maar zij, integendeel zeide tot den knaap: o mijn zoon! heb medelijden met mij, die u ter wereld gebragt, gezogen, gekoesterd, opgevoed en tot dezen ouderdom gebracht heb. Aanschouw hemel en aarde, mét alles wat er in is, en overdenk, dat God dit alles en het geheele menschdom uit niet geschapen heeft. Aldus zult gij dezen beul niet vreezen, en waardig zijn deel te hebben met uwe broeders... Terwijl zij nog sprak, riep de jongeling: waarnaar wacht gij! Ik gehoorzaam niet aan\'s konings gebod: ik houd het met het gebod der wet; maar gij !■ o koning, die de uitvinder van allerhande kwaad tegen de Israëliten geworden zijt, zult Gods hand niet ontvlugten. Gij groote booswicht! ondeugenste aller menschen I verhef u niet door ijdel betrouwen! De kóning hierdoor in gramschap ontstoken, werkte zijne wreedheid nog meer tegen dezen uit, dan tegen al de andere. De knaap bezweek weldra onder al deze martelingen. Eindelijk werd ook de moeder, na hare kinderen, ter dood gebragt.

BEMERKING. De H. Augustinus, sprekende van deze heilige

-ocr page 454-

448 Geschiedenis,

Martelaren, zegt, dat tlogenen die gestorven zijn voor de wet van Mozes, ook voor Christus gestorven zijn. De martelaars der nieuwe wet hebben Christus beleden, veropenbaard in het Evangelie. De Machabeën en de andere martelaars hebben hem beleden, verborgen in de oude wet, als den toe^ komenden Messias, en voor hem hun leven gegeven. Doch voor deze getrouwheid, die zij God bewezen hebben, liever stervende dan zijne wet te overtreden, worden zij nu door hem beloond met eene onbedenkelijke heerlijkheid. Dit moet ons bewegen, ojn ons steeds te versterven en te verloochenen, hetwelk als een kleine marteldood is, waardoor men versterkt wordt tegen de ongeregelde driften en begeerlijkheden, om Gods wet niet te overtreden.

V. HOOFDDEEL.

IJver van Mathatias. Hij doodt cenen Jood, die gereed stond om den afgoden te offeren. Hij vlugt met de zijnen naar het gebergte. I. Mach, 2.

Toen Mathatias, uit het priesterlijk geslacht, al de boosheid van zijn volk zag, zeide hij: wee mij, dat ik geboren ben om de vernieling van mijn volk en van de heilige stad te aanschouwen! Nu gebeurde het, dat er eenige afgezanten van den koning Antiochus kwamen, om het volk, hetwelk iïi de stad Modin gevlugt was, te dwingen offerande op te dragen, wierook te branden, en Gods wet te verlaten. Velen derjsraë-liten waren hiermede tevreden en gingen tot hen; maar Mathatias en zijne zonen bleven standvastig. De afgezanten beloofden hem grooten giften en schatten, indien hij aan den koning gehoorzaamde. Doch Mathatias antwoordde; al waren alle volkeren gehoorzaam aan den koning, al vielen alle van de godsdienst hunner vaderen af, zullen echter ik en mijne bloedverwanten aan de wet onzer voorvaderen getrouw blijven.

Terwijl hij dit zeide, trad er een Jood toe, om voor ieders oogen aan de afgoden op het altaar, dat te Modin door \'s konings bevel was opgerigt, te offeren. Mathatias, dit ziende, werd ontsteld, hij ontbrandde van ijver voor de wet, sprong toe en doodde hem, alsook de afgezant des konings, die het volk dwong, vervolgens haalde hij het altaar omver, verbrijzelde het en riep met luider stem; wie ijver heeft voor de wet, volge mij! Hij vlugte naar het gebergte met zijne vijf zonen, Johannes, Simon, Judas, Eleazarus en Jonathas, en verliet alles wat hij in de stad had. Velen dergenen die de wet vereerden, vlugtteden ook, met vrouwen en kinderen, naar de-woestijn. Dit werd ook aan \'skonings bedienden geboodschapt, die volk tot hen uitzonden, en op Sabbath-dag de spelonk belegerden waarin zij zich verborgen, en schreeuwden: komt er uit, en volbrengt het bevel des

-ocr page 455-

van het Oude Testament,

konings! Zij wederstonden hun niet, wierpen zelfs niet eenen. steen op hen, noch maakten hunne holen toe. Laat ons, zeiden zij, in onze onschuld sterven: hemel en aarde zullen getuigen zijn, dat gij ons onregtvaardigiijk doodt. Wij verlaten de spelonk niet, noch willen \'s konings bevel nakomen, noch den Sabbathdag ontheiligen. Zoo werden er bij do duizend men-schen gedood.

Als Mathatias en zijne vrienden dit vernamen, waren zij zeer bedroefd, en zeiden tot elkander: indien wij allen zoo doen, zullen wij welhaast allen van de aarde uitgeroeid zijn. Zij namen dan dit besluit: indien iemand ons den oorlog op den Sabbathdag verklaart, zullen wij tegen hen strijden, om niet allen te sterven... Diegenen, die voor de wet beijverd waren, schaarden zich dan bij Mathatias; met dit leger trok hij rond, versloeg de afgodisten, verdelgde de altaren der afgoden, en hand-| liaafde des Heeren wet. Ook God begunstigde hunne wapenen.

Toen het einde van Mathatias naderde, zeide hij tot zijne I zonen: nu is de hoovaardigheid in hare volle kracht: nu is | het de tijd van beproeving, afval, gramschap en verbolgenheid. I Daarom, lieve zonen! zijt mijne ijveraars voor de wet, en | geeft uw leven voor haar ten beste. Gedenkt, wat uwe voor-! vaders gedaan hebben, en gij zult grooten roem bekomen, j Hoe zijn Abraham, Josef, David, Ananias, Azarias, Misaël, j Daniël, enz niet beproefd geweest? Zijt aldus van geslacht tot i geslacht, en gij zult bevinden, dat al wie zijn betrouwen op | God heeft gesteld, nimmer tot schande is geworden. Gij moet | de bedreigingen van eenen booswicht niet vreezen: want zijn | roem is nietig. Heden is hij zeer verheven, en morgen is hij 1 verdwenen. Schept dan moed, mijne zonen, en gedraagt u | dapper voor de wet. Daarna gaf hun zijnen zegen, stierf, en I werd door zijne zonen te Modin begraven. Gansch Israël be-I weende hem.

BEMERKING. Mathatias is een voorbeeld voor alle over-I sten en herders, hoe zij tot God moeten roepen en zuchten I over al de ergernissen en boosheden, die zij dagelijks zien, en die zij niet kunnen verbeteren.

VI, HOOFDDEEL.

Judas Machabeüs yolgt Mathatias, zijnen vader, in het gebied over

Israël op. Zijne eerste daden: hij reinigt den tempel. 1. Mach, 3. en 4.

Het jaar der wereld 3838, voor Jesus Christus 166.

Judas, de Machabeër, zoon van Mathatias, volgde zijnen vader in het gebied op. Al zijne broeders stonden hem bij. 2ij voerden den oorlog van Israël met vreugde. Hij gordde

29

449

-ocr page 456-

Oeschiedenis

het harnas aan als een reus... en was in zijne ondernemingen als een leeuw. Hij vervolgde de booswichten, en hen die zijn volk ontrust hadden, verwees hij tot het vuur. Zijne wapenfeiten joegen zijne vijanden op de vlugt. Hij werd vermaard tot aan de uiterste palen der wereld. Hij verzamelde degenen, die om de vervolging gevlugt waren, en bragt een leger van 6000 mannen te been. Apollonius, stadhouder van Syrië, vergaderde alsdan de Heidenen om tegen Israël te strijden. Toen Judas dit vernomen had, trok hij hem te gemoet, versloeg hem, en benam hem het leven. Hij nam uit den veroverden buit het zwaard van Apollonius, en streed daarmede zoo lang als hij leefde. Toen Seron deze nederlaag had vernomen, kwam hij de zijnen te hulp met een magtig leger; Judas strok hem met weinige mannen te gemoet. Als dezen het vijandelijke leger op zich zagen aankomen, zeiden zij tot Judas: hoe zullen wij, die zoo weinig in getal zijn, tegen een zoo magtig leger kunnen strijden, daar wij heden door vasten verzwakt zijn? Judas antwoordde: de God des hemels kan ons zoowel door weinigen als door velen redden. De overwinning in den oorlog bestaat niet in de grootte des legers; maar de sterkte komt van boven. Vreest dus niet! Nu viel hij den vijand op het lijf, en Seron met zijn leger werd gansch verslagen.

Als deze twee overwinningen ter oore van Antiochus waren gekomen, werd hij zeer vertoornd. Hij vergaderde geheel zijne krijgsmagt, eu gaf de zorg daarvan aan Lysias, die Ptolomeus, Nicanor en Gorzias daarmede afzond, om in het land van Juda te vallen, en het gansch te verderven. Zij begaven zich dus in aantogt, en sloegen hun leger bij Emmaüs neder. Judas en zijne broeders, ziende dat het vijandelijke leger in hun land was nedergeslagen, zeiden tot elkander: laat ons de vernieling van ons volk afweren, en voor onze broeders en voor den tempel dapper strijden. De gemeente kwam dan bijeen te Maspha; zij vastten op dien dag, trokken boetzakken aan, strooiden assche op hunne hoofden, scheurden hunne kleederen, en riepen krachtig tot den hemel. De krijgsbenden van Judas waren verschrikt, toen zij het groote leger der vijanden zogen: maar hij boezemde hun moed in, door hen aan de wonderdaden te doen gedenken, die God hunne voorvaders gedaan had. Na hen door het vasten voorbereid te hebben, begon hij den aanval, en versloeg dit groot leger. Lysias, ziende de zijnen op de vlugt gedreven, trok naar Antiochië, met voornemen van het toekomende jaar zelf in persoon ten strijde te komen. Doch Judas gebruikte dien tns-schentijd, om, zoo veel mogelijk was, Jeruzalem te herstellen ; zijne eerste zorg was voor de herstelling van; den tempel. Hij verkoos daartoe onberispelijke priesters. Na het altaar, dat

450

-ocr page 457-

can net Oude Testament. 451

de afgodisten door hunne goddeloosheden ontheiligd hadden, omvergeworpen te hebben, deed hij een nieuw vervaardigen, alsmede nieuwe heilige vaten, en herstelde den kandelaar, de tafel en al hetgene aan de dienst der tempels behoorde. Hierna stelde hij eenen feestdag in om don tempel te wijden. Dit feest duurde acht dagen, en er werd een gebod uitgegeven, van dit inwijdings-feest jaarlijks acht dagen lang te vieren. Nadat dit alles te Jeruzalem was verrigt, trok Judas op tegen zijne vijanden, die hij in verscheidene gevechten versloeg: want hij had God voor beschermer. Het gebeurde eens, wanneer hij tegen Timotheus streed, (2. Mach. 10.) dat de vijanden, toen de strijd op het hoogste was, vijf schoone manspersonen van den hemel zagen afdalen; (vijf Engelen) zij zaten op paarden met gouden teugels, en reden de Joden vooraf; twee waren er aan de zijde van Machabeüs, beschutteden hem door hunne wapenen, en bewaarden hem van gewond te worden. De andere schoten, in stede van pijlen, bliksems op de vijanden, waardoor zij met blindheid geslagen, in verwarring gebragt werden, en aldus de nederlaag kregen.

Toen hij naderhand zich wederom met zijn volk in aantogt begaf, om tegen Dysias te strijden, verscheen hun, niet verre van Jeruzalem, een ruiter, (3. Mach. 11,) die vooruit reed in witte kleederen met gouden wapenen, en met eene spies in de hand. Op dit gezigt dankten zij eenparig God, en werden zoo versterkt, dat zij als leeuwen op den vijand vielen, en hem versloegen.

BEMERKING. God toont ons door dit zigtbare wonder-teeken, dat hij op eene onzienlijke wijs zijne dienaars ondersteunt in den strijd en in den staat, waarin hij hen stelt. En bijaldien hij onze oogen opende, gelijk eertijds die van den knecht van Elizeüs, zouden wij zien, dat al onze sterkte van den hemel komt, en dat er meer Engelen strijden voor ons, dan menschen en duivelen tegen ons.

VIL HOOFDDEEL.

Antiochus wordt met eene ongeneeslijke pijn geslagen. Hij valt van zijnen wagen, — Hij doet schoone beloften. Hij sterft ellendig, 1, Mach. 6, en 2. Mach. 9. — Het jaar der wereld 3841,

voor Jezus Christus 163,

Antiochus keerde nu met diepe droefheid uit Perzië naar Babel terug, omdat hij de schatrijke stad Elimaiis niet had kunnen innemen, Onderwege vernam hij, dat Nicanor, Timo-theüs, Lysias, enz, van de Joden geslagen waren. Hij besloot derhalve tegen hen op te trekken, om over zijne vijanden Waak te nemen. Hij beval spoed te maken, om immer voort reizen. Doch de wraak Gods vervolgde hem, omdat hij

-ocr page 458-

Geschiedenis

trotschelijk had geroemd, van Jeruzalem het graf der Joden te maken, zoohaast hij daar zoude komen. Doch naauwelijks had tij deze woorden geëindigd, of hij werd met eene smartelijke buikpijn en hevige weeën in zijn gedarmte aangegrepen. Hij liet echter daarom niet af van zijne boosheid; hij spuwde vuur en vlam tegen de goden, en gebood nog sneller te rijden, doch stortte uit den wagen, en brak al zijne gewrichten. Nu werd hij, (die te voren vol trotschheid aan de baren der zee scheen te willen gebieden, en de hoogste bergen in eene schaal te willen wegen) ter aarde nedergeslagen, en voorts in eenen draagstoel gedragen, ver-toonende alzoo openbaar in zich Gods almagt. Zijn ligchaam wemelde van maden; het vleesch viel er stuksgewijze af, en het wasemde eenen zulkdanigen stank uit, dat hij zoowel voor zich zeiven, als voor het geheele leger ondragelijk was. Middelerwijl werden zijne pijnen immer heviger.

Nu begon hij tot zelfkennis te komen; hij riep al zijne vrienden, en zeide tot hen: ik kan niet de minste rust smaken, en mijn hart bezwijkt van kommernis, als ik denk tot welk eene ellende ik gekomen ben, daar ik te voren in mijne heerschappij zoo vergenoegd en bemind was. Nu herinner ik mij al het kwaad, dat ik te Jeruzalem gedaan heb, met al de gouden en zilveren vaten te rooven, en zonder reden volk te zenden, om de inwoners van het joodsche land uit te roeijen. Ik zie wel, dat mij daarom die ellenden overkomen zijn, en nu sterf ik van verdriet in een vreemd land.

Die booswicht bad ook den Heer, van wien hij geene barmhartigheid stond te bekomen, hoewel hij nu beloofde diezelfde stad, tot welke hij zich spoedde om ze te bederven en tot een graf te maken, in volle vrijheid te stellen. Hij beloofde ook, dat hij de\' Joden, die hij te voren onwaardig achtte begraven te worden, en tot aas aan de vogelen en de wilde dieren wilde werpen, zou gelijk maken aan de burgers van Antiochië; dat hij den heiligen tempel, dien hij te voren geplunderd had, zoude vereeren met kostelijke geschenken, en de geroofde vaten dubbel wedergeven; dat hij de onkosten, die tot de offerande noodig waren, uit zijne inkomsten zoude doen betalen; dat hij daarenboven de joodsche godsdienst zoude aannemen, en geheel het land zoude doorloopen, om Gods almagt te verkondigen. Eindelijk schreef hij eenen brief aan de Joden, die allerlei schoone beloften inhield. Doch, er was geene harmhartigheid voor Antiochus te heJcomen, omdat God, die de kenner des harten is, wel zag, dat dit alles niet uit eene opregte boetvaardigheid voortkwam. Hij stierf dan onderwege ellendig, in het 22e jaar zijner regeering.

BEMEEKING. O schrikkelijk voorbeeld voor den zondaar, die zijne bekeering tot het laatste van zijn leven, of tot iu

453

-ocr page 459-

van het Ouiïe Testament. 453

zijne ziekte, uitstelt! En al geven de zondaars op het laatste van hun leven teekenen van berouw en bekeering, zijn echter dezelve zeer onzeker en bedriegelijk; want de vrees van den dood kan ten eerste een zondaar doen zuchten; 1. hem schoone woorden doen spreken; 2. groote voornemens en beloften maken, enz. zoo als Antiochus gedaan heeft. Te vergeefs zegt de H. Augustinus, meent men de zonden geheel overwonnen te hébhen, als men alleen maar uit vrees van de straf niet zondigt. Hij zegt ook: ik wil u niet bedriegen, dit is eene gevaarvolle zaak; ik durf zidk eenen zondaar geene gerustheid toezeggen. Be bekeering van eenen ziekte is dikwijls ziek, de le-keering van eenen stervende sterft dikwijls met hem. Wilt gij wel sterven, zoo leeft wel. Die wel geleefd heeft, kan niet kwalijk sterven. Vreest gij kwalijk te sterven, zoo vreest kwalijk te leven. Gij zidt wel sterven, indien gij eerst wel hebt leeren leven. Een goede dood is het loon van een goed leven. Gelijk het leven is, zoo is gemeenlijk ook de dood. Gewigtige woorden ! Och, of zij in het hart van iederen zondaar eenen diepen indruk maakten, en hern zoo bewogen, om, van dit oogenblik, afstand van zijne zonden te doen!

VIII. HOOFDDEEL.

Antiochus Eupator volgt zijnen vader in liet rijk op. Hij herneemt den oorlog tegen de Joden. Kloekmoedigheid van Eleazarus, 1. Mach. 6.

Na den dood van Antiochus Epiphanus, volgde hem Antiochus Eupator, zijn zoon, in het rijk op, oud zijnde 9 jaren. Daar eenigen onder de Joden niet konden dulden, dat Judas Machabeüs zoo magtig was, en zoo geëerd werd, kwamen zij Antiochus verzoeken, dat hij medelijden zoude willen hebben met het Joodsche land, zeggende dat het meestendeel van het volk geneigd was, om zich aan den koning te onderwerpen, maar dat Judas alléén hen wederhield; dat hij den burg van Jeruzalem te dezer uur belegerde, en Bethsura versterkt had, en dat, bijaldien men hem niet voorkwam, men hem ten laatste niet meer zou kunnen ten onder brengen.

Hierdoor werd Antiochus tegen Judas aangezet, eti trok tegen hem op met een leger van 100 duizend voetgangers, 20 duizend ruiters, en 32 olifanten, die ten strijd geoefend waren. Hij verdeelde deze dieren tusschen de benden. Bij iederen olifant stonden duizend voetgangers met ijzeren, geschelpte harnassen, en koperen helmen op hunne hoofden. Ook waren er vijf honderd uitgelezene ruiters bij elk beest geschikt. Op eiken olifant stond een sterke houten toren, en in eiken toren waren 42 krijgslieden, die van boven vochten, terwijl een Indiaan het beest bestuurde. Men toonde den olifanten het sap der roode druiven en moerbeziën, om hen op te hitsen.

-ocr page 460-

Gesckiedtnia

Deze geduchte krijgsman ontroerde Judas niet. Hij naderde den vijand als eenen leeuw, en versloeg vooraf 600 man. Ele-azarus (die voor den hroeder van Judas Machabeüs gehouden wordt) werd bijzonderlijk in dezen strijd vermaard: hij zag namelijk eenen olifant, met \'s konings wapenen getooid, eu daar hij meende, dat er Antioohus op zat, gaf hij zijn leven ten beste, om zijn volk door den dood van zijnen grootsten vijand te verlossen. Hij drong dan stoutmoedig door de scharen, en versloeg, ter regter- en linkerzijde, al wat hem weerstond, ging onder den buik des olifants, en stak dien overhoop. Het beest stortte neder, en verplette Eleazarus. En alzoo werd de overwinning zijn graf, niet anders beoogende, dan de verheerlijking van God en de verlossing van zijn volk.

Deze kloekmoedigheid verschrikte de vijanden, die kort daarna met de Joden vrede maakten, op aanrading van Lysias, welke tot den koning zeide; laat dit volk toe zijnen wetten te onderhouden: want, omdat wij hunne wetten veracht hebben, is het tegen ons zoo verbitterd. En de koning ging met Judas en met het Joodsche volk een vredesverdrag aan.

BEMEEKING. De H. Gregorius, de kloekmoedigheid van Eleazarus prijzende, trekt uit zijnen dood eene schoone zede-les. Degenen, die, na sterke driften overwonnen te hebben, zegt hij, zich daarover verhoovaardigen, zijn aan Ejeazarus gelijk, omdat zij onder hunnen vijand, gelijk hij onder het beest, dood blijven. Wij moeten dan altijd de hoovaardigheid vlugten, ons verootmoedigen, en aan God alleen den roem geven, met David zeggende: niet aan ons., o Heer! niet aan ons; maar geef de glorie aan uwen Naam (Psalm 113, 9.) En met den H. Paulus; Aan den koning van alle eeuwen, aan den onsterfelijken, onzigtharen en eenigen God zij eer en heerlijkheid, in de eemuiglieid der eeuwigheden. (1. Tim. 1. 7.)

IX. HOOFDDEEL.

Judas verslaat Bacchides en Alcimus. Hij wordt door eenen droom versterkt. Hij verslaat en straft Nicanor. Eindelijk, strijdende tegen Ba-chides en Alcimus, wordt hij gedood. 1. Mach. 7. 9. en 2, Mach. 15.

Nadat Demetrius koning van Syrië geworden was, kwamen eenige kwaadaardige Joden (hebbende Alcimus, die hoogepriester trachtte te zijn, tot opleider) Judas en zijne broeders bij den koning beschuldigen, zeggende: Judas en zijne broeders hebben al uwe vrienden vernield, en ons uit ons land verdreven. De koning zond dan Bacchides om dit verderf te zien. Hij gaf ook het hoogepriesterschap aan den goddeloozen Alcimus, en gebood hem over de Israëliten wraak te nemen. Zij trokken dan op met eene groots

454

-ocr page 461-

van het Oude Testament.

krijgsmagt en zonden boden tot Judas, om hem bedriegelijke woorden van vrede voor te dragen; maar Judas geloofde hen niet. Alcimus zocht hem niet te bedriegen. Doch velen der schriftgeleerden konden dit niet gelooven, en zeiden: een priester uit Aaron\'s geslacht zal ons immers geen ongelijk doen ? Alcimus gaf hun schoone woorden, en zwoer, dat hij hun geen leed zoude doen. Zij geloofden hem dan eindelijk ; doch ondanks zijne belofte, deed hij er zestig aangrijpen en op eenen dag dooden.

Judas overwon eindelijk Bacchides en Alcimus door zijne dapperheid. De koning Demetrius, over de nederlaag van die twee veldoversten zeer gestoord, zond Nicanor in hunne plaats, die eerst met listen Judas wilde bedriegen; maar zijn bedrog werd ontdekt, en hij kwam voorts met een geducht leger tegen hem op. Doch God versterkte Judas door eenen droom. Hij zag in denzei ven dat Onias (die hoogepriester geweest was) zijne handen tot God uitstak, om voor al de Joden te bidden; dat er naderhand ook een andere man verscheen van hoogen ouderdom, met helderen glans omgeven. Onias wees nu op dezen, en zeide: dit is Jeremias, die zijne broeders bemint, die veel bidt voor zijn volk en voor de heilige stad. Jeremias zelf strekte de regterhand uit, gaf Judas een gouden zwaard, en\' zeide tot hem: neem dit geheiligde zwaard, hetwelk een geschenk van God is • hiermede zult gij de vijanden vernielen. Dit verhaal van Judas boezemde aan al de krijgslieden zoo veel moed in, dat zij tegen Nicanor ten strijde trokken. Deze begaf zich nu in aantogt, onder het geschal der trompetten en onder het gezang van zegeliederen. Maar Judas en zijn volk vielen op den vijand, onder het aanroepen van God, en onder eene vurige bede; zoodat zij wel met de handen vochten, maar met hun hart tot den Heere baden. Aldus versloegen zij niet minder dan 35 duizend man. Nicanor zelf bleef dood in den strijd: zoodra zijn volk dit zag, nam het de vlugt, en allen werden tot den laatsten man verslagen. Nadat de Joden het lijk van Nicanor in hunne magt hadden, gebood Judas, dat men hem het hoofd zoude afhouwen, alsmede zijne hand, die hij zich verstout had tegen den tempel uit te steken. Ook beval hij de long van Nicanor uit te snijden, en die in kleine stukjes voor de vogelen te werpen, doch de hand tegenover den tempel op te hangen. Het hoofd van Nicanor hing Judas boven uit den burg, tot een teeken van Gods bijstand. Na deze zegepraal trok hij met zijne bende in Jeruzalem, ter viering van het dankfeest.

Demetrius, vol woede over den dood van Nicanor, zond in het volgende jaar op nieuw Bacchides en Alcimus met een talrijk leger. De schrik kwam ouder de soldaten van-

455

-ocr page 462-

Geschiedenis

Judas, die slechts drie duizend man meer bij zich had; toen zij het groote leger hunner vijanden zagen, namen er nog twee duizend twee honderd de vlugt, zoodat er maar acht honderd bij Judas bleven. Hij bevond zich derhalve, aangezien zijne kleine bende, in eenen neteligen toestand. Zij, die hem getrouw gebleven waren, oordeelden, dat het voor hem beter was te vlugten, dan met zoo weinig volk tegen een zoo magtig leger op te trekken. Doch Judas antwoordde: verre zij van ons, dat wij voor hen zouden vlugten. Indien ons uur gekomen is, laat ons dan mannelijk voor onze broeders sterven. De strijd nam aanvang, en Judas streed van \'s morgens tot \'s avonds toe tegen dit groote leger. De regtervleugel van Bacchides werd verslagen; Judas met de zijnen volgden de vlugtende op; maar toen die van den linkervleugel dit zagen, vielen zij Judas van achter aan; eindelijk, na een hardnekkig gevecht, sneuvelde de heldenmoedige Judas. Jonathas en Simon namen het lijk van hunnen broeder weg, en begroeven het te Modin. Gansch Israël beweende hem, en allen riepen zuchtend uiti ach, hoe viel de held, die ons volk behoedde!

BEMEEKING. Judas ontzag de gevaren niet: hij behartigde zoo zeer Gods verheerlijking, dat hij liever had te sterven, dan te zien dat die te kort zoude gedaan worden. Hij heeft, zegt de H. Ambrosius, eenen roemrijTcen dood voor zijne zegepraal hekomen. Hij leert ons alle vrees afleggen, en ook den dood niet schromen, als die ons voor Gods eer wordt aangedaan; want alzoo zullen wij, voor een kortstondig en ellendig leven, een leven bekomen, dat eene eindelooze en onuitdrukbare vreugde bevat.

X. HOOFDDEEL.

Jonathas volgt zijnen broeder Judas in het Joodsche gebied op.

1. Mach. 9. 10. 11. 12.

Na den dood van Judas Machabeüs, bekleedde zijn broeder Jonathas zijne plaats. Toen Bacchides dit vernomen had, zocht Jonathas te dooden. Deze en Simon, zijn broeder, dit hoorendo, vlugtten met hun volk naar de woestijn Thecua. Na eenigen tijd meende Bacchides Jonathas te verslaan, maar werd gedwongen de vlugt te nemen, en ondervond te dier gelegenheid, dat de kloekmoedigheid van Jonathas niet. minder was, dan die van zijnen broeder. Twee jaren daarna zet-teden eenige booze Joden, die benijdden dat Jonathas in vrede leefde, Bacchides weder aan, om tegen Jonathas ten strijde te trekken, maar zijn leger werd op nieuw geslagen; zoo dat hij ten laatste met Jonathas een vredesverdrag aanging. Naderhand zochten de koningen Alexander er. Deme-

456

i

lil ;! Hij

II

■i ii i|

-ocr page 463-

van het Oude Testament.

trius, die tegen elkander in oorlog waren, met Jonathas elk in het bijzonder vriendscliap te maken, en deden hem elk van zijnen kant groote beloften. Maar Jonathas mistrouwde Demetrius, wiens voorgaande wreedheid hem noch versch in het geheugen lag, en toonde zich meer geneigd tot Alexander. Deze bevestigde Jonathas in het opperpriesterschap, en na eene groote overwinning over Demetrius, die zelf sneuvelde, bekomen te hebben, wilde hij Jonathas zien; hij verzocht hem van naar Ptolomaïs te komen, alwaar Alexander met Cleopatra, dochter van den koning van Egypte, den echt had aangegaan. Jonathas kwam daar, en toonde zijne grootdadigheid door zijne vereeringen. Alexander nam er behagen in, deed Jonathas in het purper kleeden, en beschaamde allen die gekomen waren om hem te beschuldigen.

Demetrius, oudste zoon van Demetrius Soter, die in den slag gesneuveld was, werd op Jonathas vergramd, omdat deze een vriendschapsverbond met Alexander had aangegaan; hij zond derhalve Apollonius tegen hem te velde. Jonathas trok. hem met zoo veel dapperheid te gemoet, dat het leger van Appollonius de vlugt moest nemen. Door zijnen broeder Simon geholpen, bekwam Jonathas naderhand, door Gods hulp, op wien hij al zijn betrouwen stelde, nog vele overwinningen. Doch eindelijk werd hij, door geen geweld kunnende overwonnen worden, door verraderij overwonnen.

Triphon, veldoverste van Alexander, wilde zich zeiven koning van Azië maken, en de kroon van Antiochus, Alexander\'s zoon, ontweldigen; doch daar hij vreesde dat Jonathas dit zoude beletten, zocht hij hem te dooden. Hij begaf zich dan naar Bethsan. Jonathas kwam daar ook met 40 duizend man. Op het zien van zulk een magtig leger, vreesde Triphon de hand aan hem te slaan. Hij ontving hem dan met groote eer, en gebood zijne krijgslieden, van Jonathas te gehoorzamen gelijk hem zeiven. Waarom hebt gij, vraagde Triphon, al dat volk die moeite aangedaan, dewijl er tusschon ons geen oorlog is? Zend ze weder naar hunne woningen; verkies voor u eene lijfwacht, en kom dan vervolgens met mij naar Ptolomaïs, en ik zal u de stad in handen stellen, en dan weder henen trekken, want daarom ben ik slechts • gekomen. Jonathas geloofde hem, en zond zijne krijgslieden naar Judeën. Doch zoo haast hij met duizend man, die zijne lijfwacht uitmaakte, binnen Ptolomaïs kwam, sloten de burgers de poorten, en bragten hen door het zwaard verraderlijk om het leven. Jonathas werd in de gevangenis gesteld. Toen de vijanden der Joden nu het Joodsche volk zonder gebieder zagen, meenden zij hen alsdan zeer ligtelijk te overwinnen, en hunnen naam gansch uit te roeijen,

457

-ocr page 464-

458 Geschiedenis

BEMERKING. Uü de nederlaag van Jonathas moeten wij leeren/ niet al té ligtvaardig geloof aan onze vijanden te geven. De geveinsdheid is al te groot. Onder schijn van goed, willen zij ons dikwijls kwaad. Wij moeten dan altijd voorzigtig :zijn, zoo wij niet bedrogen willen worden, maar allermeest ten opzigte van onze geestelijke vijanden, die alle listen gebruiken om ons te verleiden. Daarom zegt Christus: weesl voorzigtig als slangen, en eenvoudig als duiven. (Matth. 10. 19). En om yan hen niet overwonnen te worden: waakt en bidt, zegt hij verder, opdat gij niet in hekoring vallet. Ibid, hoofdd. 36. v. 41.

XI. HOOFDDEEL.

Simon volgt Jonathas in het gebied op. Hij wordt verraderlijk geda rende eenen maaltijd gedood. 1. Mach. 13. 16.

Toen Simon vernam, dat Triphon met eene groote krijgt magt in optogt was, en den schrik van zijn volk bemerkte, moedigde hij hen aan, en zeide : gij weet, wat ik en mijne brofr ders voor onze wetten en voor onzen heiligen tempel gedaan hebben; hoe al mijne broeders om Israels welzijn gedood zijn, en dat ik er alleen ben overgebleven. Doch ik ben niet beter dan mijne broeders. Ik zal dan mijn volk, onzen tempel, onze vrouwen en kinderen wreken; want al de Heidenen zijn te za^ men vergaderd om ons te verdelgen. Nu riep de schare met luider stemme: wees gij ons hoofd en onze leidsman in de plaats van Judas en Jonathas, uwe broeders! Voer gij onzen oorlog, en al wat gij ons gebiedt, zullen wij doen.

Zijne eerste zorg was, hoe hij Jonathas uit de handen van Triphon verlossen zoude. Wanneer het dezen ter kennis was geraakt, dat Simon in de plaats van Jonathas was aangesteld, om tegen hem te strijden, liet hij hem door gezanten zeggen; wij houden Jonathas, uwen broeder, gevangen, om het geld dat hij den koning schuldig was. Zend dan honderd talenten zilver en zijne twee zonen tot gijzelaars, opdat hij, nadat hij op vrije voeten is gesteld, niet overloope naar Demetrius ; voldoe dus aan ons verzoek, en wij zullen hem laten gaan.

Alhoewel Simon wel zag, dat Triphon bedriegelijk handelde, zond hij echter het geld en de twee zonen, opdat het volk daarna niet zoude zeggen; omdat hij het geld niet gezonden heeft, is Jonathas gedood. Doch Triphon stelde Jonathas niet in vrijheid, maar benam hem, alsmede zijne zonen, het leven.

Daar Simon zijnen broeder Jonathas niet levend had kunnen bekomen, wilde hij ten minste zijne beenderen hebben, en

-ocr page 465-

van het Oude Testament.

begroef die te Modin, in de stad zijner vaderen, alwaar hij eene treffelijke gedenkzuil voor eene grafstede deed oprigten.

Simon leefde eenigen tijd daarna in eenen langdurigen vrede: doch in zijnen ouderdom werd hij benevens zijne twee zonen, gedurende eenen maaltijd omhals gebragt door de verraderij van Ptolomeüs, zijnen schoonzoon, die naar zijn ambt stond. Hij werd van zijn volk zeer beweend, en begraven bij zijne broeders, in de graftombe die hij voor hen en voor zich had laten vervaardigen. Zijn zoon Johannes, bijgenaamd Hyrcanus, volgde hem in het priesterschap en in het volksbestuur op.

BEMERKING. Deze doorluchtige en manhaftige broeders, die in alles van één gevoelen, van één hart en éénen geest waren, in het midden van ontelbare gevaren, uit welke God alleen hen konde redden, zijn een afbeeldsel van de ware Christenen. Deze moeten altijd, even als die broeders, met elkander in liefde en vriendschap vereenigd zijn, zonder eigenbaat, zonder haat of nijd, vervreemd van de wereld, en vastgehecht aan God alleen; in het midden van al de rampen en drukkende toevallen, onberoerlijk gelijk zij, gelooven dat God alles bestuurt, en dat er niets zonder de schikking van zijnen goddelijken wil geschiedt; betrouwen, niet op hunne magt en sterkte, maar op den almogenden bijstand zijner genade : en eindelijk allen goeden uitval alleen toeschrijven aan zijne goedheid en barmhartigheid, en met de Machabeën zeggen:

O Heer! mee hand, en niet de onze, heeft dit uitgewerkt. Uwe almagt is de steun van onze zwakheid geweest, en bijaldien wij de overwinning, die Gij ons verleend hebt, aan iemand anders dan aan U alleen toeschreven, zoo zouden wij door onze ondank-laarheid verdienen overwonnen te icorden van diegenen zeiven, die wij door mee genade overwonnen hebben.

459

-ocr page 466-

Geschiedenis

460

SLUITREDE.

Na Joannes Hyrcanus eindigt het verhaal van de boeken des ouden Testaments, omtrent 130 jaren voor de komst van Christus. Doch volgens den Joodschen historieschrijver Flavius Josephus, volgde op Hyrcanus zijn zoon, Judas Aristobolus, en nam den naam van koning aan. Maar na eene korte regee-ring kwam Alexander Janneüs, zijn broeder in zijne plaats, die 25 jaren regeerde. Op hem volgde Hyrcanus, zijn oudste zoon, die drie jaren daarna door zijnen jongsten broeder Aristobolus beoorloogd en onttroond werd. En nadat Aristobolus ook omtrent drie jaren geregeerd had, werd de stad Jeruzalem door den romeinschen veldoverste Pompejus veroverd, die het hoogepriesterschap wel aan Hyrcanus wedergaf, maar het vorstendom der Joden voor zich zeiven behield, brengende aldus het Joodsche land onder het gebied der Romeinen, waarop de schepter, of het oppergebied, voor altijd van de Joden weggenomen werd; want de Eomeinen stelden naderhand Herodes, die geen Jood, maar een Idumeër en een vreemdeling was, tot koning der Joden, die zijne regeering begon 38 jaren voor de komst van Christus. Op het einde zijner regeering kwam de beloofde Messias ter wereld, juist op den tijd, die door de vermaarde profetie van dèn patriarch. Jacob aangewezen was. (Genesis 49. 9.) Deze heilige patriarch gaf, wanneer hij zijn einde voelde naderen, aan ieder zijner zonen eenen bijzonderen zegen, en voorzegde hun, wat hun bij vervolg van tijd stond te gebeuren. Doch tot Juda, zijnen vierden zoon, zeide hij deze aanmerkelijke woorden: de scJiejjter zal van Juda niet afgenomen xoorden, noch de wetgever uit zijn geslacht, voor dat degene komt, die afgezonden moet worden, en-die de verwachting der Heidenen zal zijn. Deze woorden be-teekenen zonneklaar den Messias, en den tijd, wanneer hij verschijnen zoude. Het joodsche volk, waarvan het geslacht van Juda het voornaamste deel uitmaakte, werd altijd bestuurd door oversten uit hunne natie, en de regeering ging tot geene vreemden over, dan als Herodes de Idumeër, van wien wij zoo even spraken, den schepter overweldigde, op welken tijd ook de Zaligmaker verscheen. Sedert dien tijd zijn de Joden op alle plaatsen aan vreemde overheden onderworpen geweest ; en bet is aanmerkelijk, dat zij in het lijden van

-ocr page 467-

van het Oude Testament.

Christus, voor Pilatus zeiven verklaarden, dat het hun niet geoorloofd was, iemand, ook van hun eigen volk, ter dood te brengen, en dat zij overluid riepen; wij hebben geenen anderen koning dan den keizer! In al de vorige tijden haddea zij nog altijd eenig oppergebied behouden, en nooit erkenden zij de vreemde mogendheden, die hen overheerschten en knevelden, voor hunne koningen. De langdurigste gevangenschap, die zij ooit ondergaan hebben, was die van Babylon, welk» zeventig jaren geduurd heeft, en nog behielden zij alsdan de magt van iemand ter dood te verwijzen, zoo als blijkt uit de geschiedenis van Susanna. En al stonden zij na dien tijd onder de schatting der Meden, Perzen, Grieken, Syriërs, of vaa de koningen van Egypte, werden zij echter bestuurd van hunne opperpriesters, die alsdan onder hen bijna eene volstrekte magt hadden, ook in het tijdelijke. Van deze opperpriesters voerden sommigen ten laatste ook den naam van koningen. Deze magt duurde tot de komst van Christus, teneinde de voorzegging van Jacob voltrokken zoude worden.

Ook werd de Messias, ten tijde als Christus verscheen, met groote drift en volkomene verzekering verwacht, zoo van de Joden als van de Samaritanen en van de naburige volkeren, doch met zeer verschillende gesteltenissen. De vrome Joden, als erfgenamen, naar den geest, van hunnen vader Abraham, vader der geloovigen, verwachtteden eenen Messias, die hen verlossen zoude van hunne zonden en van de bedorvenheid der natuur, die zij gevoelden, daar zij overtuigd waren van hunne zwakheden; want de wet toonde hun wel het goed, hetwelk zij moesten doen, en het kwaad, dat zij moesten laten; maar zij gaf bun door zich zelve de kracht niet, om het goed te doen en het kwaad te laten; die kracht moest hun door de verdiensten van den verwachten Messias gegeven worden.

De booze of aardsche Joden, die slechts kinderen van Abraham waren naar het vleesch, welke verre het grootste deel uitmaakten, en God enkel dienden om geld en goe.d en tijdelijk welzijn, beeldden zich in, dat hun Messias een magtige koning zou zijn, die op deze wereld heerschen zoude met pracht en luister, die hun de zegepraal geven zou over al hunne vijanden, en hun volgens de geneigdheid huns harten, alle tijdelijk geluk en wereldschen voorspoed zoude toebrengen... Is het derhalve te verwonderen, dat zij, aldus gesteld, hem niet gekend hebben, wanneer hij verscheen, en dat zij, in hem niets anders ziende dan hetgene strijdig was aan hunne aardsche begeerlijkheden, hem verachtteden en verstieten, en eindelijk tot eenen schandigen dood verwezen?

Doch dat die Christus, welken de Joden niet gekend»

461

-ocr page 468-

462 Geschiedenii van het Oude Testament,

maar verstoeten hebben, nogtans do ware Messias was, zal uit niets zoo klaar en tastbaar blijken, als uit het goddelijke verhaal van zijn heilig leven, van zijne mirakelen, van zijne leer, van zijnen dood, van zijne roemvolle verrijzenis en hemelvaart, van de zending des heiligen Geestes en de wonderlijke opbouwing zijner heilige Kerk. Dit alles maakt de stof uit der Geschiedenis van het Nieuwe Testament, die hier gaat volgen,

EINDE

der Geschiedenis van het Oude Testament

-ocr page 469-

GESCHIEDENIS

VAN HET

TE VENLOO, BIJ DE WED. H. BONTAJIPS.

1 8 8 8.

NIEUWE TESTAMENT,

MET

CHRISTELIJKE EN STICHTENDE

BEMERKINGEN,

SETROKKEN UIT DE H. VADERS EN ANDERE GEESTELIJKE SCHRIJVERS;

ZEER NUTTIG EN DIENSTIG VOOR DE GEL00VI6EN.

TWEEDE DEEL,

behelzende eene Evangeliscke geschiedenis van het leven van Jesns Christus, en van de andere deelen des Nieuwen Testaments.

NIEUWK VERBETERDE UITGAVE,

-ocr page 470-

Ik heb niet dienstig geaclit, dat ik iets anders onder u moest kennen, dan Jesus Cliristus, en die gekruist is. I. Cok. 2. Jesus Christus, den gekruiste, kennen, is iets groots kennen, Dus, al zegt de Apostel, dat hij niets anders wist, was er echter niets wat hij niet wist. Are. Serm. 160» N. 3.

A hor Paul \'ot illes H jove Jesu lit Inge ien, V chrii wek] rigt. !00 borg ladi am :

uj

ieili foor n 1 m o Iers A.ugi ever ligd eer. ;escl

-ocr page 471-

VOORWOORD.

Nadat de Heiland eertijds menig werf en op velerlei wijzen ioor de profeten tot de oudvaders gesproken had, zegt de H. ?aulus (1. Hebr. 1. 3.) zoo heeft hij ten laatste in deze dagen ot ons gesproken door den Zoon, welken hij tot erfgenaam van illes gesteld, en door wiens hij ook de wereld geschapen heeft.

Het is de levensgeschiedenis, de leeringen en daden van dien loven alles gezagenden Zoon Gods, onzen Heer en Zaligmaker esus Christus, die wij hier gaan geven; dezelve is getrokken lit de heilige Evangelisten, die als getuigen Gods, door het ingeven van den H.. Geest, op verscheidene stonden en plaatsen, met min of meer omstandigheden, dezelve beschreven hebben.

Wij moeten niet vele woorden gebruiken om een opregt christen gemoed tot eerbied voor zoo goddelijke dingen op te wekken. Het gansche leven onzes Heilands is tot ons onder-rigt. Al zijne woorden zijn geest en leven. Zijne mirakelen, ioo wel als zijn lijden, zijne gedurige lessen, ja zelfs zijn verborgen en onbekend leven van dertig jaren, is eene kracht-ladige prediking. Men behoeft slechts zijne daden te beschouwen, 3ra zijne leer te verstaan; want hetgene hij geleerd heeft, heeft lij vooral zelfs beleefd. Alles, wat hij geproken heeft,.zijn heilmiddelen voor de ziel; alles, wat hij gedaan heeft, zijn voorbeelden van deugden. Het minste woord is vol zalving ïn heilig voedsel; het minste werk is van oneindige waarde, 3n om tot de hoogste volmaaktheid te komen, is er niets an-lers noodig, dan hem na te volgen. Immers,\' gelijk de H. iUigustinus zegt: (Aug. lib. de vera Kelig. N. 31.) zijn geheele ieven op de aarde, in de menschheid die hij voor ons gewaar-ligde aan te nemen, was niets anders, dan eene gedurige zedeeer. Wij verwijzen derhalve den lezer tot de volgende Sesclüedenis, die de voornaamste leeringen en mirakelen van

30

)est 2. len. was 3.

-ocr page 472-

Voorwoord.

onzen Zaligmaker bevat; dezelve is getrokken uit de vier H. Evangelisten, en, zoo veel doenlijk is geweest, volgens orde en tijd-opvolging bijeengevoegd en met stichtende bemerkingen doormengd. De andere punten der geschiedenis van het nieuwe Testament zullen hier achteraan, historieschgewijze, ook volgen; zoo als: de nederdaling van den Geest; de opbouwing der christene Kerk; het heilige leven der eerste Christenen, en de wonderbare voortplanting van het geloof door de Apostelen. Vooraf echter zullen wij iets in het bijzonder zeggen over de vier heilige Evangelisten.

OVEE DEN H- MATTHEUS, APOSTEL EN EVANGELIST.

De H. Mattheüs, die ook Levi genoemd werd, was, even als de andere Apostelen, van Galilea geboortig. Eer hij tot Christus bekeerd werd, was hij een tollenaar, die pachten of tollen ontving, welke door den romeinschen keizer over het Joodsche land gesteld waren. Dit was een zeer hatelijk ambt, maar voornamelijk bij de Joden, die, als het uitverkorene volk van God, zich toeschreven van dergelijke tollen vrij te zijn.

Zijn tolhuis stond bij Capharnaüm aan den oever der zee. Hij werd van Christus, die daar voorbij ging, geroepen; aanstonds stond hij op, en verliet alles, om hem als leerling te volgen. Hij is de eerste, die ons het heilige Evangelie beschreven heeft; hiertoe werd hij aangezocht van de geloovige Joden, en kreeg daartoe zelfs een bevel van de andere Apostelen. Met regt geeft hij zijn boek den naam van Evangelie, welk grieksch woord eene blijde of aangename tijding beteekent: immers, wat blijdere tijding kan er bedacht worden, dan dat de langgewenschte Heiland gekomen is, om het gevallene menschdom te verlossen; datl God zijn koningrijk in onze zielen herstellen wil; dat de boosstel zondaars barmhartigheid mogen verhopen; dat zij Gods kinderen I kunnen worden, ja, broeders van zijnen eenigen Zoon, en erf-1 genamen van zijn eeuwig rijk. Daarom wordt nu ook bij del Christenen dit woord Evangelie voor de algemeene tijding al-I leen eigenlijk gebruikt, dat is voor de geschiedenis van de ge-I boorte, het leven, de leering, de mirakelen, het lijden, den dood,! de verrijzenis en hemelvaart van onzen Zaligmaker Jesus Christus,!

Deze heilige geschiedenis heeft Mattheüs eerst beschrevenl in de (Aug. lid. 1. de Consens. Evang. cap. 3. n. 4.) he-l breeuwsche taal, dat is in het Syrische met Champ;ldeeuwsclil gemengd, welke taal de Joden alsdan in Palestina spraken,! en die Christus, onze Zaligmaker, toen hij nog op deze we-l reld wandelde, zoo sprak. Eusebius en de H. Hieronymusl getuigen, dat, toen de heilige Pantenus, op het einde deil

466

-ocr page 473-

Voorwoqrd. 467

tweede eeuw, het geloof iij ludië gaan prediken, hij aldaar het hebreeuwsche Evangelie van den H. Mattheüs vond, hetwelk daar gelaten was door den H. Apostel Bartholomeüs, en dat hij hetzelve naar Alexandrie medebragt. Dit kostbare origineel werd nog ten tijde van den H. Hieronymus in de vermaarde boekzaal van Cesariën bewaard.

Wij hebben nu geenen anderen tekst dan den Griekschen, waarvan de vertaling, van den tijd der Apostelen, en gelijk sommige heilige Vaders schrijven, door den Apostel Joannes of Jacobus zeiven gedaan is. Toen men in het jaar 588 het lig-chaam van den H. Barnabas ontgroef, vond men het Evangelie van Mattheüs, hetwelk Barnabas met eigene hand afgeschreven had, op zijne borst liggen; waaruit men kan besluiten, in wat groote waarde het heilig Evangelie van die heilige mannen en eerste verkondigers des geloofs gehouden werd.

Mattheüs, zoo als de H. Augustinus bemerkt, heeft in zijn Evangelie allermeest beoogd, de koninklijke afkomst van Christus te verhalen, en de heilige levenswijze te beschrijven, op welke de eeuwige, menschgewordene Wijsheid onder de menschen verkeerd heeft. Daarom is hij wel zoo verheven niet als Joannes, die de hoogere geheimenissen van de allerheiligste Drieëenheid, eu van de Godheid van Christus dikwijls verhandelt; maar hij is meer gematigd, naar het begrip en de bekwaamheid der gemeene ge-loovigen. Dit Evangelie is geschreven in het jaar 39, zes jaren na den dood van Christus, en behelst 38 hoofddeelea.

OVER DENquot; H. EVANGELIST MARCUS.

De H. Marcus, die het heilig Evangelie geschreven heeft, is dezelfde Marcus niet, van wien dikwijls in de brieven van den H. Paulus gesproken wordt, maar een andere, die de leerling van den H. Petrus was, en welken hij in het einde van zijnen eersten brief zijnen zoon noemt. (Hoofd. 5. v. 13.) Hij heeft zijn Evangelie te Eome geschreven, op het verzoék\'van de geloovigen dier stad; toen de heilige Petrus het gezien had, keurde hij het goed, en gaf het aan de heilige Kerk üit zijnen naam te lezen, zoo als de heilige Hieronymus ons getuigt. Marcus is daarna met zijn Evangelie naar Egypte gereisd, alwaar hij de vermaarde Kerk van Alexandria gesticht heeft, die voorheen de tweede kerkelijke overheid of waardigheid bezat, dat is, de eerste na den Stoel van Home.

De H. Chrysostomus vraagt, waarbij het mag komen, dat er onder de twaalf Apostelen van Christus, slechts twee geweest zijn, die zijn Evangelie geschreven hebben, en dat hetzelve beschreven is geworden door Marcus en Lucas, die maar leerlingen van Christus en van de Apostelen waren ? En hij

-ocr page 474-

4(1 S yoorwoorJ.

geii\'i- ten antwoord, dat zulks geschied is, omdat de heiliga Mannen niets uit ijdele roemzucht deden, maar zich in alles door het ingeven van den heiligen Geest lieten beshiren, daar hun enkel oogwit n\'as het welzijn der heilige Kerk.

Marcus heeft zijne evangelische geschiedenis, even als Lucas en Joannes (Aug. .ut supra), in de grieksche taal geschreven, omdat die als de vermaardste was van de geheele wereld, en zoo wel te Kome gesproken werd, als door geheel het Oosten, alwaar die taal eerst verspreid was door de overwinning van Alexander den Groote. Hij volgt in zijn schrijven den H. Mattheüs zeer nabij, zoodat men in het eerst zoude meenen, dat Marcus niet dan een kort begrip van Mattheüs heeft willen geven. Nog-tans zijn er verscheidene geschiedenissen in zijn Evangelie, die met bijzondere omstandigheden verhaald worden, hetwelk men onder anderen zal kunnen bemerken in het verhaal van den val van Petrus; waarschijnlijk, omdat hij den H. Petrus zelf dit al te dikwijls had hooren verhalen. Hij heeft zijn Evangelie geschreven in het jaar 43, dat is, tien jaren na het lijden van Christus; het behelst slechts 16 hoofddeelen.

OVER DEN H. EVANGELIST LUCAS-

De H. Lucas was geboortig van Antiochië, de hoofdstad van Syrië, in welke stad de leerlingen van Christus eerst begonnen hebben den naam van Christenen te voeren. (Act. 11. •v. 26.) Wij zien uit de brieven van den H. Paulus, dat de H. Lucas geneesheer was: want aldus wordt hij van den Apostel in zijnen brief tot die van Colossen genoemd. (Colos . v. 14 ) Even als de H. Mattheüs zijn Evangelie geschreven d voor de geloovige Joden, en de H. Marcus voor de Honen, zoo ook heeft de H. Lucas het zijne voor de Grieken hreven. Ook was hij in de grieksche taal wonderlijk be-n, alhoewel hij door het aannemen van de Joodsche \'enst, of door eenige andere oorzaak, de hebreeuwsche \'ijzen geleerd en behouden had.

waarschijnlijk tot het christen geloof bekeerd te Anti-or de prediking van den li. Paulus, wiens getrouwe hij daarna werd in zijne reizen, zoo ah uit de ■ Apostelen en elders te bemerken is. Sommige \'jn van gevoelen, dat hij de omstandigheden dei-Christus wijdloopiger beschrijft, omdat er van ige fabelen desaangaande onder de Grieken ver-, De II. Vaders getuigen, dat hij zijn heilig reven heeft door den raad en het beleid van viens leerling hij was. Hij was ongehuwd, en srdom van 84 jaren. Zijn Evangelie schreef

-ocr page 475-

Voorwoord.

hij omtrent het jaar 56, dat is 23 jaren na den dood vau Christus. Het bestaat in 24 hoofddeelen.

OVER DEN H JOANNES APOSTEL EN EVANGELIST.

De H. Joannes was van Bethsaïda, eene stad gelegen aan den oever der Galileesche zee, anders genoemd het meer van Genezareth, of van Tiberias. Zijn vader droeg den naam van Zebedeüs, zijne moeder dien van Salome; Jacobus de meerdere, die door den koning Herodes Agrippa ter dood gebragt werd, was zijn broeder. Joannes was waarschijnlijk nog zeer jong, toen hij van Christus tot leerling en Ajios-tel verkoren werd, mits hij, volgens de getuigenis van den H. Hieronymus, tot 68, en volgens andere, toe 72 jaren na den dood van den Zaligmaker geleefd heeft. Dus konde hij, volgens dit laatste gevoelen, slechts 2ü of 26 jaren oud zijn, als hij van Christus uit het vaartuig van zijnen vader met zijnen broeder Jacobus geroepen werd. Hoe bijzonderlijk hij van den Zaligmaker bemind werd, blijkt uit vele plaatsen van liet heilig Evangelie, maar voornamelijk uit die onge-ineene gunst, met welke Jesus, aan het kruis, hem zijne eigene Moeder tot eene moeder gaf, (Joann. 10. v. 26. 27.) en Joannes aan Maria in zijne plaats tot eenen zoon. Daarom noemt hij zich zeiven ook dikwijls in zijn evangelie, den leerling, dien Jesns liefhad.

Na de komst van den heiligen Geest en de scheiding der Apostelen heeft hij het Evangelie voornamelijk verkondigd in klein-A zie, (nu Natolie) zoo als de H. Ireneüs en andere geloofwaardige schrijvers getuigen. Te Eorae werd hij door den keizer Domitianus veroordeeld, om in eenen ketel met ziedende olie geworpen te worden; doch (gelijk Ter-tulianus getuigt) hij kwam daar ongehinderd uit, en werd in ballingschap gezonden naar het eiland Patmos, alwaar hij den Apocalipsis of het Boek der Openbaringen schreef. Na den dood van den keizer kwam de H. Joannes- weder te Ephesen, (alsdan de hoofdstad van klein-Azië) alwaar hij zijn Evangelie schreef in het jaar onzes Heeren 96, dat is, 63 jaren na den dood van Christus. Hij was bijzonderlijk tegen de ketterij van Elion en Cerinthm, die de Godheid van Christus loochenden, en leerden, dat hij een enkele mensch was, die zijn begin niet gehad voor zijne Moeder Maria, en van God, zijnen Vader, niet van in eeuwigheid voortkwam. Hierom is het, dat Joannes in het eerste van zijn Evangelie voor alles de Godheid van Christus vaststelt, en in het vervolg nog door verschillende bewijsredenen dezelve bevestigt. Hij beschrijft ook vele tref-

-ocr page 476-

Voormord.

fende leeringen en mirakelen, die Jesus in de eerste jaren zijner prediking gedaan heeft, en die van de andere Evangelisten niet beschreven waren, en bovendien nog die hoogverhevene preek en dat goddelijke gebed, welke de Heer tot zijne Apostelen na het laatste avondmaal heeft uitgesproken.

Om die reden wordt in de verklaring van de vier evangelische gedierten, door de heilige Vaders (Aug. Lib. I. de Conscns. Evang. cap. 6. n. 9. Item. Tr. 86, in Joan. n. 3.) aan Joannes de arend toegeëigend, als die van het begin of boven alles vliegt; zooals aan Mattheüs de mensch, of de Engel, in menschelijke gedaante wordt toegepast, omdat hij zijn begin neemt van de menschelijke afkomst van Christus; aan Marcus de leeuw, omdat hij zijn Evangelie begint met de prediking van Joannes den Dooper, en hij roept, en als een leeuw briescht in de woestijn; eindelijk aan Lucas de os, of het kalf, omdat zijn Evangelie met de offerande van Zacharias begint. Het Evangelie van Joannes bevat 21 Hoofdstukken: verder hebben wij nog van denzelfden heiligen Evangelist zijn Boek der Openbaringen en nog drie kanonieke brieven.

470

-ocr page 477-

GESCHIEDENIS

VAN HET

NIEUWE TESTAMENT,

MET CHKISTELIJKE

EN

STICHTENDE BEMERKINGEN.

I. HOOFDDEEL.

De Engel Gabriël voorzegt de geboorto van Joannes den dooper, cn wordt ook tot de hoogzaligste Maagd Maria gezonden. Menschwording van Christus. Luc. 1. In het jaar der wereld 4003.

Wanneer de voorzeggingen der profeten, wegens de komst van den Messias, ten einde liepen, en dat de tijd der goddelijke genade, om aan het menschelijke geslacht eenen Zaligmaker te verleenen, aanstaande was, werd de Engel Gabriël tot Zacharias gezonden, om hem de geboorte van den H. Joannes, die de voorlooper van den Messias zoude wezen, te gaan verkondigen. Zacharias was een priester van de beurt van Abia (1); zijne vrouw was uit den stam van Aaron gesproten, en heette Elisabeth. Beiden leefden deugdzaam en onberispelijk voor God. Zij hadden geene kinderen, omdat Elisabeth onvruchtbaar was, hetwelk hun zeer smartte; dikwijls hadden zij den Heer gebeden, dat hij hun toch een zoon\' wilde verleenen; doch hunne bede scheen niet verhoord te worden. Als nu Zacharias eens, volgens zijne beurt, het priesterlijke ambt in den tempel bediende, en het reukoffer aan God opdroeg, verscheen hem de Engel des Heeren aan de regterzijde van het reukaltaar. Zacharias werd op dit gezigt zeer ontsteld, doch de engel zeide; vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord. Elisabeth, uwe vrouw, zal eenen zoon baren, dien gij Joannes zult noemen. Hij zal u tot blijdschap en vreugde verstrekken, en velen zullen zich over zijne geboorte verblijden: want hij zal groot zijn voor den Heer. Noch wijn, noch anderen sterken drank zal hij drinken (dat is, hij zal een Nazareër zijn, en aan God toegewijd,) en reeds vóór zijne geboorte zal hij met den heiligen Geest vervuld zijn. Hij zal vele van Israël\'s kinderen tot hunnen Heer en hunnen God bekeeren. Ja, als met den geest en de kracht van Elias bezield, zal hij den Heer voorafgaan, ten einde een volmaakt volk voor God te bereiden.

1) De priesters waren, om hunne menigte, door David in 24 benden of vaderlijke huizen verdeeld. Elke bende oefende eene week dienst uit. Abia was het hoofd van de laatste bende. 1. Par. 24.

-ocr page 478-

4 73 Geschiedenis

Zacharias vroeg hierop: waaruit zal ik dit alles weten? want ik ben oud, en mijne vrouw is ook verre op hare dagen. De Engel antwoordde hem: ik ben Gabriël, die voor den troon Gods sta; ik ben van God gezonden, om u deze blijde tijding te verkonaigen. Gij echter zuU stom zijn, tot den dag toe, dat dit geschieden zal, omdat gij mijne woorden niet geloofd hebt, die op hunnen tijd zullen volbragt worden. — Middelerwijl stond het volk naar Zacharias te wachten, en kon niet begrijpen, waarom hij zoo lang in den tempel bleef. Eindelijk kwam hij te voorschijn; dadelijk zag men aan hem, dat hem eene verschijning moest bejegend zijn; doch daar hij stom was, kon hij zich niet dan door teekenen doen verstaan. Zoodra de dagen zijner bediening voorbij waren, keerde hij met opgeruimd gemoed huiswaarts. Eenigen tijd daarna bevond zich werkelijk Elisabeth in eenen gezegenden staat. God lovende, zeide zij: de Heer heeft mijne bede verhoord, en mijnen smaad onder de menschen willen wegnemen. (1)

Zes maanden daarna zond God denzelfden Engel naar eene stad in Galilea te Nazareth, tot eene maagd, mèt name Maria, welke verloofd was aan eenen afstammeling uit het huis van David, Jozef geheeten, dien God gegeven had tot bewaarder en beschermer van hare\' zuiverheid. Zij waren beide gehuwd, gelijk de H. Augustinus zegt, met een wederzijdsch voornemen van met elkander in zuiverheid te leven, waarvan tot dan toe op aarde geen voorbeeld geweest was. Dezelfde Heilige zegt alsnog, (Senn. 51. cap. 36. n. 26.) dat de glans en de heerlijkheid dezer deugd haar begin heeft genomen in de allerheiligste Maagd. Maar God vereerde die hemelsche en heilige verblind-tenis met de goddelijkste vrucht, die op de aarde verschijnen konde. — De Engel vond Maria alleen, volgens de bemerking van den H. Ambrosius. Het is in de eenzaamheid, dat God de zielen bezoekt, en zijne grootste gunsten uitdeelt. De Engel naderde tot haar, en zeide: wees gegroet, gij, vol van genade! de Heer is met u : gezegend zijt gij onder de vrouwen. — Maria was verschrikt over deze verschijning, en nog meer over deze groetenis. (Ootmoedige zielen kunnen haren lof niet hooren, zonder ontsteld te worden: want zij schromen voor den engel der duisternissen, die dikwijls het masker van eenen engel des lichts aanneemt.)

En de Engel vervolgde: vrees niet, Maria,\' want gij hebt genade bij God gevonden. Zie, gij zult ontvangen en eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam Jesus noemen, Hij zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten heeten, {gelijk hij waarlijk is-,) God, de Heer, zal hem den troon van zijnen

(1) Kinderloos te zijn, was bij de Joden eene schande, en werd als eene straffe Gods aangezien.

-ocr page 479-

cci het Nieuwe Testament.

vader David vergunnen. Hij zal eouwio-lijk over Jacob\'s huis lieersclien en zijn rijk zal geen einde hebben. Maria vroeg weder: hoe zal dit gebeuren, dewijl ik geenen man beken? (Hare liefde tot de zuiverheid, hare voorzigtigheid en hemelsche wijsheid doet haar zoo spreken.) — l)e Engel gaf haar tot antwoord: de heilige Geest zal over u dalen, en de kracht dos Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige (namelijk het heilig kind, de heilige vrucht), hetwelk uit u zal geboren worden, de Zoon Gods genoemd worden. Ook Elisabeth, uwe nicht, heeft in haren ouderdom eenen zoon ontvangen, zoodat zij reeds in de zesde maand harer zwangerschap is; immers bij God is er geen ding onmogelijk. Hierop zeide Maria: ziehier de dienstmaagd des Heeren : mij geschiede naar uw woord. Eu de Engel verdween, latende haar in de diepste ootmoedigheid, zonder dat die hemelsche tijdingen haar in iets verhieven. Wonderbare ootmoedigheid, die van haren lof en van zoo onbesefbare verheffing kan hoeren spreken, zonder zich zelve te verheffen ! Op datzelfde oogenblik nam het goddelijk; Woord des Vaders onze mensch-heid aan in den schoot der heilige Maagd. O, weergaloos wonder! Een God, mensch; eene maagd, moeder; en eene moeder, maagd! O heilrijk en dierbaar oogenblik voor het menschelijk geslacht, dat zoo vele wenschen en zuchten gekost heeft!

BEMERKING. Maria was vol genade eer zij den Zoon Gods ontving, en die genade nam immer toe, en aldus kwam de heilige Maagd tot eene genade, die al onze gedachten te boven gaat. Een vat, hetwelk vol water is, kan niet voller worden; maar eene ziel, die vol van genade is, kan immer nog meer ontvangen. De ligchamelijke volheid drukt en bezwaart; de volheid van genade verlicht en verbreidt zich: want die volheid is eene volheid van licht en liefde, waarin men in dit leven altijd kan toenemen. Eene kamer, die vol licht is, kan steeds nog helderder en helderder worden. Een hart, dat vol liefde is, kan voller en voller worden.quot; Deze volheid en hare vermeerdering moeten wij immer betrachten. Zijn rijk zal zonder einde zijn. Een hemelsche troon en een eeuwig koningrijk, hetwelk God aan den Messias, den Zoon van David beloofd had. De Joden verstonden dit doorgaans van eene tijdelijke heerschappij; maar de Engel en Maria hadden geheele andere gedachten, daar zij wel wisten, dat er bij God niets waarlijk groot is; dan wat eeuwig is; geen waarachtig rijk, dan het rijk van liefde; geene ware vrijheid, dan van de zonden verlost te zijn.

47S

-ocr page 480-

Geschiedenis

II. HOOFDDEEL.

Maria bezoekt Elisabeth. Joannes wordt in den schoot zijner moeder geheiligd. Lofzang van Maria. Luo. 1. — Hetzelfde jaar 4003.

Naauwelijks was die allergrootste en allerwonderbaarste geheimenis in de heilige Maagd volbragt, of zij leert ons door hare vernedering, dat, hoe meer God eenen mensch verheft, deze zich zooveel te meer vernederen moet. Zij ging dan, zonder op hare waardigheid acht te nemen, naar het gebergte, tot eene stad van Juda, en na eene moeijelijke reize van drie dagen, kwam zij onverwachts in het huis van Elisabeth, en groette haar vriendelijk. Elisabeth had zoodra de groetenis van Maria niet gehoord, of zij werd met den heiligen Geest vervuld, en riep in verrukking uit: gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en gezegend is de vrucht uws ligchaams! Van waar komt mij het geluk, dat de Moeder van mijnen Heer tot mij komt? Gelukkig zijt gij, die geloofd hebt: want hetgene u van den Heer gezegd is, zal volbragt worden. Maar de ootmoedige Maagd niet langer den lof van Elisabeth kunnende verdragen, hief den heerlijken lofzang aan, dien men met regt den roem der ootmoedigen, en de beschaming der hoovaardigen noemen mag.

Mijne ziel, zeide zij, verheft den Heer! en mijn geest heeft zich verheugd in God, mijnen Zaligmaker, omdat hij de nederigheid zijner dienstmaagd heeft aangezien: want zie, van nu af, zullen alle geslachten mij zalig noemen; want de Almogende heeft groote dingen in mij gedaan: heilig is zijn naam. Zijne barmhartigheid strekt zich uit van geslacht tot geslacht over. hen die hem vreezen. Hij heeft de kracht van zijnen arm geopenbaard ; hij heeft diegenen, die hoovaardig in de gedachten van hun hart zijn, verstrooid. Hij heeft de magtigen van den troon gestort, en de nederigen verheven. De hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en de rijken ijdel heen gezonden. Hij heeft Israël, zijnen dienaar, opgenomen, zijner barmhartigheid indachtig zijnde: gelijk hij tot onze voorvaderen gesproken had, tot Abraham, en zijn nageslacht in eeuwigheid.

BEMEEKING. Hier hoort men eene ziel spreken, die, vol van den heiligen Geest, zich zelve en hare groote verhevenheid vergeet en slechts op de grootheid van God denkt. Het is eigen aan de ootmoedigheid: ten 1. nooit de genaden van God, maar zich zelve te vergeten; 3. niets aan zich zelve, maar alles aan God toe te schrijven; 3. nergens zich zelve in iets te verheffen, maar allen lof, naar het voorbeeld van de allerheiligste Maagd, aan God te geven.

474

-ocr page 481-

van het Nieuwe Testament.

III. HOOFDDEEL.

Joannes wordt geboren. Zaoharias herkrijgt de spraak. Zijn heerlijke lofzang. Luc. 1. — Hetzelfde jaar 4003.

Nadat Maria ongeveer drie maanden bij Elisabetli vertoefd Md, keerde zij weder naar Nazareth. Daarintusschen verstreek de tijd van Elisabeth, en zij baarde den door den Engel beloofden zoon. Hare buren en bloedvrienden namen innig deel in die vreugde, wegens de groote barmhartigheid die haar God bewezen had. Wanneer zij nu op den achtsten dag gekomen waren, om het kind te besnijden, en het een\' naam te geven, wilden zij het, volgens zijnen vader, Zacharias noemen. Doch de moeder nam het woord op en zeide; hij zal Joannes genoemd worden. De overigen merkten haar aan, dat er niemand onder haar maagschap was, die zoo genoemd werd. En ten zelfden tijde deden zij teeken aan Zacharias, hoe hij het kind genoemd wilde hebben; maar daar hij nog stom was, nam hij een plankje, en schreef daarop: Joannes is zijn naam. Allen waren hierover ten hoogste verwonderd. Bijna op hetzelfde oogenblik werd zijne tong ontbonden, en hij dankte en verheerlijkte God. Vol van den heiligen Geest, hief hij nu dezen schoonea lofzang aan: Geloofd zij de Heer, de God vau Israël, omdat hij zijn volk bezocht en verlost heeft, en ons eenen magtigen Zaligmaker uit het geslacht van David zijnen dienaar heeft opge1-wekt. Gelijk hij beloofd had door den mond van zijne heilige profeten, die er van alle tijden geweest zijn: dat hij ons van onze vijanden, en uit de handen van allen, die ons haten, zoude ver-lossen. Hij zal de barmhartigheid, die bij aan onze vaderen bewezen heeft, aan ons vernieuwen; hij zal zijn heilig verbond indachtig zijn, en den eed houden, dien hij aan onzen vader Abraham gezworen heeft, en ons verkenen, dat wij, uit de handen onzer vijanden verlost, hem zonder vrees in heiligheid en regtvaardigheid al de dagen onzes levens zouden dienen. En gij, mijn kind! zult de profeet van den Allerhoogsten ge« noemd worden; want gij zult den Heer vooruit gaan, om zijne wegen te bereiden: gij zult zijn volk tot de kennis der zaligheid brengen, opdat zij vergiffenis der zonden verkrijgen naar de groote barmhartigheid van onzen God, die thans eenen nieuwen dageraad over ons laat opgaan, om hen, die in de duisternissen en in de schaduw des doods zitten, te verlichten, en om onze schreden in den weg van vrede te besturen.

Al degenen die tegenwoordig waren, toen Zacharias zijne spraak wederkreeg, en luide God loofde, werden door eenen heiligen eerbied bevangen. Het voorval werd wijd en zijd in het gebergte bekend, en allen die er van hoorden gewagen.

478

-ocr page 482-

Geschiedenis

zeiden met verbazing: wat zal er toch van dit kind worden? De hand des Heeren is immers zigtbaar met hem?

BEMERKING. De lofzang van Zacharias is het kort begrip van Gods barmhartigheden over het menschelijke geslacht. God heeft zijnen eenigen zoon beloofd en gezonden, door zijne groote harmhartigheid; per visceke miserkjordi.e. Niets heeft hem daartoe bewogen, dan eene onverdiende en onbegrijpelijke genade. Hij heeft hem met eed aan onzen vader Abraham beloofd. Hij heeft hem door alle eeuwen toegezegd door zijne heïlige profeten, van welke de H. Joannes de laatste moest zijn, die voor hem den weg zoude bereiden. Hij heeft eindelijk hunne verlossing te wege gehragt, met voor hen dien magtigen Zaligmaker uit het geslacht van David te verwekhen; cobku salctis. Niet om hen rijk te maken, niet om hen over de gansche wereld, gelijk de aardsche Joden zich inbeelden, te doen heerschen: maar om hen te verlossen uit de magt van dien sterkgewapende, namelijk den duivel, door de vergiffenis hunner zonden, die hunne ware vijanden zijn. Opdat zij hem in heiligheid en regtvaardig-heid zouden dienen; dat is, niet door enkele uitwendige werken, die van buiten glansrijk en van binnen bedorven zijn; maar door eene inwendige heiligheid en zuiverheid des harten, die dusdanig is voor de oogen van God. Niet voor eenen korten tijd, maar al de dagen huns levens: niet met gedurig in doodelijke zonden te vallen en wederom daaruit op te staan; maar door eene voortdurende regtvaardigheid, met welke zij vast hsbben voorgenomen hem voor altijd te dienen. Dit is het groote werk van onzen Verlosser; daartoe heeft hij met zoo vele wonderheden den H. Joannes vooruit gezonden, om den weg tot zulke bekeeringen re bereiden: daartoe is hij daarna zelf verschenen,-óns komende bezoeken als een opkomende dageraad, wanneer wij in de duisternissen en in de schaduw des doods zaten. Dit is het voorwerp van dit heerlijk danklied van Zacharias, welks lofzang wij niet zingen gelijk het behoort, tenzij wij hem zingen met zulk een gemoed, en dat wij God te zamen met hem, uit den grond van ons hart, bedanken over zoo groote, zoo goddelijke, maar zoo weinig gekende weldaden.

IV. HOOFDDEEL.

De Engel onderrigt Jozef wegens den gezegenden staat van Maria. De

Heiland der wereld wordt geboren. Matth. 1. Luc. 2. — Het jaar der

wereld 4004. (1^).

Toen Jozef zijne bruid in eenen gezegenden staat zag, voor

(1) De geleerden weten, hoe de tijdrekenaars, in het jaar aan te ■wijzen, verschillen, op hetwelk Christus geboren is; wij volgen hier de rekening die meest in het gebruik is, en stellen dus deze geboorte op het jaar der wereld 4004.

476

-ocr page 483-

van hei Nieuwe Testament. 477

f

aleer hij van het goddelijk geheim was verwittigd, werd hij gansch ontsteld. Hij wist, hoe kuisch hij niet haar geleefd had; hij kende hare groote deugd, en hij ziet haar in dezen gezegenden staat. Hoe kan hij zulks verstaan? Indien hij haar bij zich houdt, vreest hij tegen de wet en tegen God te zondigen; maakt hij dit geval ruchtbaar, dan beneemt hij hare eer, en stelt haar leven in gevaar. Hij besluit dan bij zich zeiven, Maria in stilte te verlaten om niet tegen de wet, noch tegen hare eer te misdoen, en alzoo den Heer de verborgenheid eener zoo wondere zaak over te laten. Terwijl hij in deze gedachte was, verscheen hem de Engel des Heeren in den slaap, en zeide: Jozef. David\'s zoon, wees niet bevreesd Maria tot vrouw te nemen; want zij is de moeder van den Zoon Gods, en dezen haren Zoon zult gij Jesus noemen; want hij zal zijn volk van hunne zonden verlossen. Dit alles is geschied, opdat zoude volbragt worden, hetgene van den Heer door den profeet Isaïas gezegd is: ziet, eene maagd zal ontvangen, zij zal eenen Zoon baren, en men zal zijnen naam Emmanuël noemen, dat is te zeggen; God met ons. Jozef ontwaakte, en deed gelijk de Engel hem bevolen had ; hij nam Maria tot zich.

Wanneer nu de tijd aanstaande was, dat de Verlosser der wereld zoude geboren worden, liet God toe om de heilige Maagd uit Nazareth, hare woonplaats, te trekken, en haar naar Bethlehem te doen komen, alwaar, volgens de voorzegging der profeten, de Messias moest geboren worden; dat er een gebod uitging van den romeinschen keizer Augustus, dat al de hoofden der huisgezinnen, in zijn rijk moesten opgeschreven worden. Dien ten gevolge trok ieder naar die stad, van waar zijn geslacht afkomstig was, teneinde zich daar te laten opschrijven. Jozef verliet dus zijne woonstad, Nazareth in Galilea, om zich naar Bethlehem, de stad van Juda, te begeven; dewijl hij van David\'s geslacht afstamde, teneinde zich met Maria, zijne vrouw, te doen opschrijven. Zij kwamen des avonds laat te Bethlehem aan. Er was toen reeds eene menigte menschen aangekomen, om zich te laten opschrijven. Alle huizen waren vol vreemdelingen. Jozef zocht voor zich en voor zijne maagdelijke vrouw eene herberg om te vernachten; maar overal werden zij afgewezen. Op het einde van het stadje was een hof, hetwelk voor de herders van de omstreken tot eene schuilplaats, en tot eenen stal voor hunne kudde verstrekte. In deze ellendige plaats namen zij hun nachtverblijf, en hier kwam Jesus Christus, de Zoon Gods ter wereld. Maria wond het kind in doeken, en legde het, wijl er geen betere plaats voorhanden was, in de krib.

BEMEEKIXG. Hoe eenvoudig en met hoe weinige woorden beschrijven de heilige Evangelisten de geboorte van den grootsten

-ocr page 484-

473 Geschiedenia

onder al de koningen! Christus was gekomen om onze hoovaar-diglieid te genezen, en al lietgene groot was, te verachten. De heilige Evangelisten, zijne leerlingen, volgen zijnen geest na. Zij verheffen noch de waardigheid van zijnen persoon, noch de goddelijkheid zijner geboorte uit eene Maagd, noch de grootheid van zijne liefde en van zijne ootmoedigheid; maar zij laten alles aan de bedenking en de aanbidding van ons geloof, omdat de stal en de krib, en een sprakeloos kindje, hetwelk onze God is, veel krachtiger spraken dan alle woorden. Laat ons dit navolgen, zwijgen, bewonderen, aanbidden!

V. HOOFDDEEL.

De geboorte des Heilands quot;wordt door den Engel aan de herders bekend gemaakt. Een God, en niemand anders, konde den mensch verlossen. Christus wordt besneden en Jesus genoemd.

Luc. 3. — Het jaar der wereld 4001.

De Heiland der wereld, nu geboren zijnde, toonde door het verkiezen van de eerste menschen, aan wie hij zijne geboorte wilde bekend maken, dat hij zijne verborgenheden aan de grooten en wijzen dezer wereld verbergt, en die aan de nederigen kenbaar maakt. In den nacht wanneer hij geboren werd, waren er niet verre van daar in de velden eenige herders, die de nachtwacht over hunne kudde hielden. En ziet, een Engel des Heeren verscheen hun; een hemelsch licht omstraalde hen, en zij werden met eene buitengewone vrees bevangen. Maar de Engel zeide hun: weest niet bevreesd; want ik breng u eene blijde tijding, die tot groote vreugd aan al het volk verstrekken zal, Heden nacht is u in David\'s stad de Zaligmaker geboren, die de Heer Christus is. En hieraan zult gij hem kennen: gij zult een kind, in doeken gewonden, in eene krib vinden liggen. O God! dit is een kenteeken van eenen God-mensch! Een kindje in doeken getoikkeld, liggende in eene krih !

Tenzelfden stonde verereenigde zich bij den Engel een talrijk hemelsch heerleger, dat God verheerlijkte en zong: eere zij God in den hoogste, en vrede op aarde den menschen van goeden wil! (1) Toen de Engelen verdwenen waren, zeiden de herders tot elkander: laat ons naar Bethlehem gaan, en zien wat de Heer ons bekend gemaakt heeft. Zij spoedden zich dan derwaarts, en vonden Maria en Jozef, en het Kind liggende in eene krib. Nu werden zij overtuigd van lietgene hun van het Kind gezegd was. Allen, aan wien zij naderhand hunne bevinding mededeelden, stonden verbaasd over die dingen. — Maria bewaarde al deze zaken, en overlegde dezelve in haar hart. De herders keerden weldra naar hunne velden

(1) De grieksohe tekst heeft: vrede op de aarde en goeden wil tol de menschen.

-ocr page 485-

van het Nieuwe Testament.

en hun vee weder en loofden en dankten den Heer, voor alles wat zij hadden gehoord en gezien.

BEMERKING. Het menaohelijk geslacht had nu omtrent 4000 jaren onder de slavernij des duivels gezucht, en zich in zijne ellenden gewenteld. Het lag gevallen; niemand konde het op-rigten. Gods gramschap bleef over den mensch, niemand konde hem verzoenen. Noch de natuurlijke wet, van God in het hart van den mensch gedrukt; noch de geschrevene wet van Mozes; noch het meningvuldige bloed der Joodsche offers; noch het zuchten van al de menschen, noch de heiligheid van al de Engelen was bekwaam om den mensch te verlossen. Een God alleen, de geringheid van den mensch aannemende, zonder zijne verhevenheid te verlaten, konde voor eene oneindige schuld voldoen, en eene eeuwige gramschap bedaren. Ken, o mensch! de grootheid van uwen val, de waardigheid uwer ziel, en de liefde uws Verlossers.

Acht dagen later werd het Kind besneden, en Jesus genoemd.

BEMEEKING. Tot onzen troost wordt Christus in zijne besnijdenis Jesus genoemd, dat is te zeggen: omdat hij komt om ons zalig te maken en ons van onze zonden te verlossen. Laat ons dan dien naam met geloof en betrouwen aanroepen, en door hem de barmhartigheid verwachten, die hij ons als Zaligmaker verdiend heeft... Die Naam is de schrik der duivelen en de sterkte der Christenen, indien zij hem met een heilig ontzag uitspreken en met eene teedere liefde in hun hart dragen. Maar laat ons wel opmerken, wat die hooge Naam aan onzen Zaligmaker gekost heeft. Hij stort de eerste druppelen van zijn bloed, wanneer hij de bediening van zijnen Naam begint, en hij zal den laatsten druppel vergieten, als hij op het kruis de be-teekenis van den Naam van Jesus zal voltrekken. Derhalve moeten wij niet denken zalig te worden, zonder dat het ons lijden en smart zal kosten. Hij heeft onze zaligheid niet uitgewerkt zonder bloed, en wij zullen ook niet zonder lijden zalig worden,

TL HOOFDDEEL.

De Wijzen uit het Oosten zoeken, vinden en aanbidden Jesus. (1) Zedeles Matt. 2. — Het zelfde jaar 4004.

Als nu Jesus, ten tijde van den koning Herodes, te Beth-lehem-Juda geboren werd, kwamen er eenige Wijzen uit het

(1 Sommigen stellen de opoffering van Chrisus in den tempel voor de komst van de wijzen te Bethlehem, bewogen zijnde door de bondige redenen van den Heer Tilemont in zijne kerkel. geschiedenis. 1. Tom, Kot. IX. op Jesus. Doch wij volgen hier het gemeene gebruik.

479

-ocr page 486-

Geschiedenis

Oosten (van de aanzienlijkste mannen van hun land) te Jeruzalem vragen: waar is de nieuwgeboren koning der Joden? Wij hebben zijne ster in het Oosten gezien, en zijn gekomen om hem te aanbidden. Herodes ontroerde toen hij dit hoorde, en geheel Jeruzalem met hem. Hij deed dan al de opperpriesters (de opperhoofden van de vier en twintig priesterlijke fa-miliën) (4 Saral. 24. v. 4. 5.), en de schriftgeleerden (wier ambt het was de Schrift aan het volk uit te leggen) bijeen vergaderen, en vraagde hun, waar de Christus, dat is de Messias, van God door de profeten beloofd, zoude geboren worden. Zij gaven hem ten antwoord: te Bethlehom-Juda; want aldus staat er bij den profeet geschreven: (Mich. 5. v. 2.): en gij, o Bethlehem, land van Juda! zijt geenzins de minste onder de vorstelijke steden van Juda; want uit u zal de Vorst geboren worden, die mijn volk van Israël besturen zal.

Nu riep Herodes de Wijzen in het geheim bij zich, en vroeg hij naauwkeurig naar den tijd, op welken hun de ster verschenen was en zond ze voorts naar Bethlehem, zeggende: gaat en ondervraagt naarstig naar het kind: en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij dan, opdat ik het ook ga aanbidden. Na dit verhoor, begaven zij zich op weg; de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen, tot dat zij boven den herderstal, waarin het kindje lag, bleef staan. Op het zien van dit hemelteeken, dat hun groet genoegen verschafte, traden zij binnen, en vonden het kind met zijne moeder Maria. Zij vielen aanbiddend voor het kind op hunne knieën; voorts openden zij hunne koffers en boden goud, wierook en mirre, ten geschenke aan. — Verder in den slaap van Gods wege vermaand zijnde, van naar Herodes niet weder, te keeren, namen zij eenen geheel anderen weg om in hun land terug te komen.

BEMEEKING. Uit deze geschiedenis leeren wij: 3 Hoe groot de verblindheid was van de Joden. Vreemdelingen komen Christus van uit een verafgelegen land zoeken en aanbidden, daar hij nog een kind is, en de Joden, die zijn volk zijn, behandelen hem met versmaadheid en onverschilligheid, zoodra zij van zijne geboorte hooren gewagen. 2 Hoe men het licht der goddelijke genade moet waarnemen, mits van eene éénige gelegenheid dikwijls ons eeuwig geluk of ongeluk afhangt. 3. Het is een vervaarlijke staat de waarheid te kennen, en er niet naar te leven : Christus anderen aan te wijzen, zoo als de Schriftgeleerden deden, en hem niet te zoeken noch te volgen: den weg der zaligheid leeren en denzei ven niet ingaan. Hoe wonder en goddelijk is het geloof\', hetwelk ons, gelijk de Wijzen, een behoeftig, mag-

480

-ocr page 487-

■can het Nieuwe Testament.

teloos kind kan doen aanbidden als onzen God. 5. De Wijzen keeren weder langs eenen anderen weg, en leeren ons, dat het een groot bedrog is, zich in te beelden dat men bekeerd kan zijn van de zouden, zonder van leven te veranderen, en naar den hemel gaan, door den weg die ter helle leidt.

VII. HOOFDDEEL.

Zuivering van Maria. — De opdragt van Jesus. — Simeon,. Anna.

Luo. 2. — Hetzelfde jaar 4004.

Veertig dagen na de geboorte van den Heiland, wanneer de tijd van de zuivering van Maria, volgens de wet van Mozes, vervuld was, bragten zij het kind naar Jeruzalem, om het den Heere op te dragen (volgens hetgene in Gods wet geschreven staat, namelijk dat alle mannelijke eerstgeborene vrucht God zal toegewijd worden), en om het offer te doen, volgens hetgene er in Gods wet gezegd wordt, namelijk een paar tortelduiven, of twee andere jonge duiven.

Er bestond eene wet (Lev. 12.), inhoudende, dat eene vrouw, die eenen zoon ter wereld had gebragt, als onrein, veertig dagen buiten den tempel moest blijven, zonder iets te mogen aanraken van al hetgene heilig was, en na gemelden tijd moest zij een lam en eene duif gaan opofferen, indien haar vermogen zulks toeliet; of twee duiven, bijaldien zij arm was.

Door eene andere wet (Exod. 13.) moest alle mannelijke eerstgeborene vrucht aan God bijzonderlijk toegewijd worden, om in zijne dienst te leven, tot aandenken, dat God de eerstgeborenen der Egyptenaren door den verdervenden Engel doodende, de eerstgeborenen der Israëlieten behouden had, die vervolgens op eene bijzondere wijze hem toebehoorden, en daarom aan hem moesten blijven, of afgekocht worden door zeker rantsoen, zoo zij van het geslacht van Levi niet waren.

Dit had geene plaats in Christus; want hij was zelf het lam, waarvan het paaschlam, om welks bloed de eerstgeborenen der Israëlieten behouden werden, het afbeeldsel was; maar hij draagt zich zeiven op in onze plaats, opdat wij aan God, zijnen Vader, zouden mogen behagen, wanneer wij ons met hem opdragen.

De andere wet had ook in Maria geene plaats: want zij had noch zonde, noch de andere onreinheden, waarvan in de wet gewag werd gemaakt; maar hare liefde, onschuld en eenvoudigheid dienen haar in plaats van wet; opdat wij, die zoo vol zonden zijn, en op alle wijzen besmet, ons als zondaars niet zouden schamen ons te zuiveren volgens de wet der boetvaardigheid, als wij eene kuische maagd zich zien reinigen, alsof zij onrein ware geweest.

Er woonde te Jeruzalem een hoogbejaarde man, met name

31

481

-ocr page 488-

482 Geschiedeuü,

Simeon; hij was vroom en g\'odvreezend, en verlangde vurig naar den troost van Israël, naar den Verlosser der menschen. De heilige Geest, die in liera was, liad hem de belofte gedaan, dat hij den dood niet smaken zou, voor aleer hij den Gezalfde des Heeren gezien had. Hij kwam dan door het ingeven van den heiligen Geest, in den tempel, juist als Maria en Jozef het kind bragten. Hij nam den kleinen Jesus op zijne armen en zeide, God lovende: nu laat Gij, o Heer, uwen dienaar, Volgens uw woord, in vrede gaan: want mijne oogen hebben uw heil gezien, dat gij, ter verlossing van alle volkereij, hebt gezonden: een licht ter verlichting der Heidenen en tot glorie van uw volk Israël\'s.

Ook was er eene profetesse, met name Anna, eene weduwe vap vier- en tachtig jaren, die gedurig in den tempel was, en daar God dag en nacht met vasten en bidden diende. Deze trad op denzelfden stonde toe, dankte en loofde God insgelijks, en sprak van Jesus aan al degenen, die naar de verlossing van Israël verlangden.

BEMERKING. Alles is hier groot en wonderbaar. Een Godmensch, die zich offert; eene Moeder-maagd, die zich . zuivert, zonder besmet te zijn; een deugdzame grijsaard, die .deze zoo goddelijke offerande in zijne armen, en nog meer in zijn hart ontvangt; eene oude weduwe en tevens heilige profetesse, die den Messias verkondigt, nadat nu al van over de 400 jaren de profeten ontbroken hadden.

Een ieder wordt hier geleerd, aan God op te offeren al wat mon van God ontvangen heeft; maar de ouders,moesten bijzonderlijk uit dit voorbeeld leeren, hunne kinderen aan God op-te,dragen; ten 1. met bezorgd te zijn, om hen tot het heilige Doopsel te brengen; 2. met de onschuld van het Doopsel in hen te bewaren; 3. •met de deugdzame opkweeking van hunne kinderen als eene voorname zaak ter harte te nemen. Doch zij die hunne kinderen van jongs af den geest van de wereld inprenten, offeren hunne kinderen aan den duivel en niet aan God op.

VIII. HOOEDDEEL.

De vlugt van den Heiland naar .Egypte. Kindermoord van Herodes. Onder, spheidene benierkingen. Jlatt. 2. Hetzelfde jaar der w.ereld.4fl01.

Nadat de quot;Wijzen .uit het Oosten vertrokken waren, verscheen een Engel des Heeren aan Jozef in zijnen slpap en zeide; sta op, neem het kind met zijne moeder, en vlugt naar Egypte; blijf daar tot dat ik het u zeggen zal: want Herodes zal het kind zoeken om het te dooden. Jozef stpnd .dadelijk op, nam het kind en zijne moeder, en vertrok nog

-ocr page 489-

van lid Nieuwe Testament.

in den naolit naar Egypte. Hij bleef daar tot na den dood van Herodes, opdat volbragt zoude worden, hetgene van den Heer door den profeet voorzegd was: uit Egypte keb ik mijnen zoon geroepen. (Oseas 11. v. 1.)

Daar Herodes middelerwijl merkte, dat hij van de Wijzen te leur gesteld was, werd hij zeer vergramd en deed al de kinderen dooden, die in Bethlehém en in de omstreken dier stad waren, van twee jaren oud en daar onder. Er werd dus volbragt hetgene door den profeet Jeremias voorzegd was (Jerem. 81. v. 15.); een angstig geschrei, gekerm en gehuil is in I\'ama gehoord; Rachel beweent hare kinderen en is ontroostbaar, omdat zij er niet meer zijn. Dat is, zoo als voorheen Rachel, de moeder van Benjamin\'s stam en bij Bethlehem begraven, door den profeet Jeremias te voorschijn gebragt werd, als beweenende hare nakomelingen, die naar Babyion gevankelijk overgevoerd waren, aldus wordt zij nu weder te voorschijn gebragt, als jammerende over hare kindoren die door Herodes vermoord werden,

BEMERKING. Men moet de wereld meer vreezen, als zij vleit, dan als zij ons vervolgt. (Aug. Epist. 145. N. 3.) Helodes kon de schuldelooze kinderen zooveel goed niet doen met hen te beminnen, als hij die gedaan heeft met hen te vermoorden. Ongelukkig zijn dezulken, die tegen God opstaan, zoo als Herodes; en gelukkig diegenen, die om Go lijden, zoo als de schuldelooze kinderen. Hoe wreed is di vorst, die zoo veel schuldeloos bloed vergiet! Hoe goddela-is hij, die de voorzegging der profeten en den raad van G meent te vernietigen ! Mogelijk schijnt hij wijs in zijne eig\' oogen, omdat hij voor zijne kroon meent te zorgen, ma;,

omdat hij zoo vele laffe dienaars heeft, die zulk wreed ge volbrengen; gelukkig, omdat hij niet twijfelt of de Messia \' onder de menigte vermoord worden. Maar hoe dwaas is r \'-\'f Indien de Messias niet komt om te heerschen, wat \'wil Hi \'

dan vreezon? Indien hij komt om zijne kroon to nemè 0j u,0s zal het hem dan beletten? Hoe magteloos! (on vae is 1 i-{■ toc^h inagtig tegen God?) De Messias, dien hij wil wer^oönjg., ontsnapt hem alleen, gelijk Mozcis. aan Pharaö./Hoe ongelukk ) want hij vervult de maat zijner boosheden, en weinige m-Jf\' den daarna staat zijn eigen zoon tegen hem op^dien\'r* daarom doet dooden; maar na vijf dagen sterft hij\'zelf d \' Cjene verrotting van zijn ingewand, onder schrikkelijk\'^nimen1quot; die het begin van eeuwige folteriregen zijn. Aldus duurt dè boosheid en de magt der meuschen niet langer dan hun leven maar de straf luumer boosheid is eiiwleloos.

483

-ocr page 490-

Geschiedenis

XL HOOFDDEEL.

De Heiland keert weder uit Egypte. Hij woont te Nazareth. Wordt

onder de leeraars gevonden. Hoe men hem vindt. Matth. 2. Lac. 2.

Na den dood van Herodes, verscheen de Engel weder aan Jozef in den slaap, in Egypte, en zeide hem: sta op, neem het kind met zijne moeder, en begeef u naar het land van Israël; want diegenen, die naar het leven des kinds stonden zijn dood. Jozef begaf zich, met het kind en de moeder, dadelijk op reis, en kwam weder in het land van Israël. Echter vernemende, dat Archelaüs over Judea in plaats van Herodes, zijnen vader, heerschte, vreesde hij derwaarts te gaan; en nadat hij, in den slaap, van God weder aangemaand was, reisde hij naar het land van Galilea, en ging in de stad Nazareth wonen. Zoo werd vervuld hetgene door de profeten voorzegd was, namelijk: hij zal Nazareër genoemd worden.

BEMERKING. 1. Jozef zet niet eenen stap zonder Gods bevel. 11 ij gaat, hij komt; doch alles op het woord van den Engel; tot dat God hem roept, houdt hij zich verborgen en stil in zijnen eersten staat. De ware volmaaktheid bestaat dus in altijd voor God te wandelen, enquot; zijnen raad te volgen. 2. Na kortstondige vertroostingen volgen nieuwe beproevingen. God verlost nooit de zijnen dadelijk van alle lijden.

Het heilig Evangelie meldt ons niet verder van de kinasch-\'■ heid des Zaligmakers, dan alleenlijk, dat hij gewoon was jaarlijks met zijne ouders naar Jeruzalem te gaan, naar het paaschfeest; bij deze gelegenheid wordt óns de volgende ge-c chiedenis verhaald. Als Jezus twaalf jaren oud was, ging hij

et zijne ouders naar Jeruzalem. Wanneer echter de feesten a|( eloopen waren, en de overigen allen huiswaarts keerden was kind Jesus te Jeruzalem gebleven, buiten wete zijner oude. l\'ez.e dachten, dat hij onder het overig gezelschap was; ,\'4.1 gingen dus eene\'dagreize voort, en zochten hem onder huntfö iiT\'aagscli.ap en hunne kennissen. Doch daar zij hem niet aantroffen, keerden zij naar Jeruzalem terug, om hem te zoeken. Na drie dj gen vonden zij hem in den tempel, zittende onder de wetgeleerden en leeraren, die hij uitboorde en ondervroeg. Allen, die hem hoorden stonden versteld over zijne schranderheid en de wijsheid zijner opmerkingen en antwoorden. Zij tie ouders waren zeer verbaasd hem daar te vinden, en zijne moeder vroeg bem: zoon, waarom hebt gij aldus met ons gehandeld? zie, uw vader en ik zochten u met groo-ren anfst. Jüsus antwoordde: waarom zocht gij mij? Wüt

434

-ocr page 491-

van het Nieuwe Testament,

gij niet dat ik met de dingen, die mijnen Vader betreffen moet bezig zijn? Maar zij begrepen de bedoeling van zij gezegde niet regt; Maria echter bewaarde al deze woorden in haar hart. — Jesus ging wijders met hen naar Nazareth, en was hun in alles onderdanig. En hij nam, tegelijk met de jaren, in wijsheid en aangenaamheid voor God en voor de menschen toe.

BEMEEKINGr. De heilige Maagd verloor Jesus zonder hare schuld: zoo is het met ons niet. Doch wij moeten evenwel haar voorbeeld volgen, om hem te vinden. Wij moeten vooreerst gewaar worden, door het onderzoek van ons geweten, dat hij verloren is; want velen zijn er, die het niet zien. Terugkeeren, dat is onze vorige goede werken en onze eerste liefde hernemen. Zoo veel wegs doen, om naar Jeruzalem te gaan, als wij gedaan hebben om er ons van te verwijderen. Wij moeten hem met droefheid, zorg en volharding zoeken. Wij moeten hem, daar hij is, in het midden van diegenen, welke hij onderwijst, zoeken. Wij moeten van hem leeren, dat ons eenig werk op de wereld is, bezig te zijn met het-gene onzen hemelschen Vader aangaat. Weinige zijn er, die hem vinden, omdat er weinige zijn, die hem alzoo zoeken. Doch dat degenen, die hem gevonden hebben, met de bruid zeggen; ik heb diengenen gevonden, die mijne ziel bemint, ik zabgt; hem vasthouden, en niet laten gaan. Cant. 3.

X. HOOFDDEEL.

Joannes predikt en doopt in de woestijn. De Heiland wordt van hem

gedoopt. Eene nuttige les voor ons. Matth. 3. Maro. 1. Luo. 3. _

Het jaar der wereld 4034, en het 30 van Christus.

Men weet niet wat Jesus gedurende zijne eerste jongelingsjaren, die hij in de diepste verborgenheid doorbragt, gedaan heeft; alles, wat wij van dit oogenblik af, tot het tijdstip dat hij openlijk als leeraar optrad, weten, drukt de heilige Schrift, zoo als wij daar even meldden, in weinige woorden uit: Jesus was zijnen ouderen onderdanig, en nam met de jaren toe in» wijsheid en beminnelijkheid bij God en bij de menschen.

Nadat de Zaligmaker altijd dertig jaren lang verborgen voor de \'wereld geleefd had, wilde de hemelsche Vader zijnen Zoon bekend maken. Ten dien einde zond hij\' zijnen afgezant, den heiligen Joannes den Dooper, vooraf, hetwelk ons aldus omstandig beschreven wordt in het heilig Evangelie : in het vijfde jaar der regeering van keizer Tikerius, toen Pontius-Pilatus stadhouder was over Judea: Herodes, vorst van Galilea: Philippus, zijn broeder, vor;t van Iturea en van Trachonitisland; Lysanias, vorst van Abilenen : — onder da

485

-ocr page 492-

Geschiedenia

hoDgepriesters Annas en \'Oaiptas, liet de Heor zijn woord .aan Joannes, zoon van Zaclmrias, in de woestijn iliooren, alwaar hij .tot mog toe /met God alleen verkeerd had, .om zicli tot dit groot ambt quot;waardig te bereiden. Joannes doorliep hierop al het land langs den Jordaan, predike en doopte, zeggende ; doet boetvaardigheid.; want )hfit rijk Gods is .nabij! dat is: bekeert u; hebt berouw over uwe zonden; verandert van hart; betert uw leven. — Hij was het, van wien de profeet Isaaas aldus gesproken had: (Isa. 40. v. 8.) Men zal eene stem in de woestijn hooren: bereidt den weg des iHeeren, maakt dal zijne paden effen en regt zijn. Alle dalen zullen verheven, en alle bergen en jheuvelen zullen vernederd worden: de kromme wegen zullen regl, en de oneffe gelijk gemaakt worden, .en alle monsch zal Gods aaligheid zien. (Dat, is, gelijk men zulks gewoon is uitwendig te doen in de aankomst van vorsten en koningen, zoo moet hetzelfde inwendig ook voor Christus goscMeden:; mamelijk met de doornen en het .onkruid van de \'begeerlijikkeden uit te roeijen, en alles effen en regt temaken.)

Joannes predikte niet alleen de boetvaardigheid met woorden, maar allermeest door zijne levenswijze en door geheel zijn uitwendig gedrag. Hij droeg een kleed van kameelhaar en eenen lederen gordel; zijn voedsel was sprinkhanen en in de wildernis vergaderde honing. Al de veldbewoners der Joden,, alsmede de inwoners van Jeruzalem en van .geheel Judea, kwamen nu tot hem, en werden van hem in den Jordaan gedoopt, terwijl zij rouwmoedig hunne aomden quot;beleden. Toen hij nu vele van de Farizeërs en van de Saduceërs tot zijn doopsel zag koirien, (1) riep Joannes uit: .grj, slangengebroedsel, wie heeft u geleerd voor de toekomende gramschaj) te vlieden? dat quot;is, voor de gramschap en het oordeel Gods. Doet dan waardige vruchten van boetvaardigheid. Zegt niet \'bij u zeiven.: wij hebben Abraham tem vader: want ik zeg u, God is magtig om uit deze steenen zelfs kinderen Abraham\'s te verwekken. De bijl is nu Teeds aan den wortel van den boom gesteld. Alle boom, die geene goede vruchten voortbrengt, zal afgehakt en fln het vuur geworpen worden.

Het volk vroeg hem nu : wat moeten wij dan doen ? En hij gaf hun tot antwoord : die twee kleederen heeft, geve er een aan die geen beeft; en wie spijs heeft, diatrtdele ook zoo. Er kwamen ook. Publikanen om gedoopt te worden, en vroegen hem : meester, wat moeten wij doen ? Hij gaf hun ten antwoordt eischt niet meer dan hetgene u voorgeschreven is. De soldaten vraagden hem ook; wij nu, wat moeten wij

(t) De Farizeërs en Saduceërs waren twee secten ontler de Joden ■waarvan de eerste zeer streng leefden; doch uit ijdelen roem; de tweede zochten inn gemak op deze wereld.

486

-ocr page 493-

van het Niëinoe Testament,

doen? Hij \'anWbórd\'d\'e: \'ddet niémand geweld aan; Haagt niemand valschelijk \'aah, éh zijt mét uwe söldij tevreden.

Dewijl nu een ieder daclit, of Joannes wel niet soras de Christus ware, zeidö hij openlijk vöor al het volk: ik doop u wel met water tot uwe bekeering, maar die na mij zal kotnen, is magtiger dan ik, en wiens schoenriemen ik \'niet eenb waardig ben \'te ontbinden. Hij zal u döópéti met den heiligen Geest en met vuur. (Dat is met den heiligen Geest, die aan het vuur gelijk is, door dë zonden te vergeven, het verstand te verlichten, den wil te ontsteken, en altijd hemelwaarts stijgende.) Hij heeft zijne wan reeds in de hand, en zal zijnen do\'rschvloer zuiveren; de tarwe zal hij iii zijne quot;schuren verzamelen, maar het kaf zal hij door een onuit-bluschbaar vuur verbranden.

Op denzelfden tijd kwam Jesus, die nu bijna zijn 30e jaar quot;bereikt had, van Galilëa\'naar den Jordaan tot Joannes, om van \'hem gedoopt té worden. Maar deze wilde het hém in hét eerst belettéh, en zeide: ik heb noodig van u gedoopt te wordén, eh komt gij \'tot mij ? Jesus antwoordde heiii: laat het zoo gésohieden, want aldus betaamt het, dat wij alle geregtighéid vervullen. Nu ondérwiérp Joannes zich aan zijnen wil, en Jesus werd door hem gedoopt. !Na den doop verliet Jesus biddende het water, en zie, de hemel opende zich, en hij zag den Géést Gods even als eene duif.nederdalen, die voorts op hem kwani en boven hem blééf. Ook wérd ei- eene stem uit dén hemel gehoord, die zeidé : deze is mijn welbeminde Zoon, in wién ik mijn béhagen \'gönomén heb.

BEMEB.KIKG. 1. Een God-ménsch Vernedert zich ónder eénen mensch, om de oneér te herstellen, die de mens\'ch aan God gedaan had, door aan hem getijk te willen zijn. (Gén. 3. v. 5. 22,) 2. Hét doopsel van Joannes Was eene openbare belijdénis van bóetvaardighéid ovér de zonden. Christus, \'komende óm gédoopt te worden, stélt zich onder het getal •dér zóridaïén. Welke vernedering voor dén eenigen Zoon van God ! \'Hij had geéhe zonden bedreven, en wil van de menschén * voor zondaar \'aangezien worden. Moet dit voorbeeld ons niet beschamen ? Wij, die zondaars zijn, willen geene zondaars schijnen; eh Hij, die de heilighéid en de onschuld zelve is, wil vooi\' zondaar gehouden worden! 3. De, hemel opent zich voor Jésüs. Dé Vader spreekt, de heilige Geest daalt neder, de Zoon wordt gedoopt. Dus verschijnt de heilige Drievuldighéid in het doopsel van Christus, onder welker aanroeping wij moesten gedoópt Worden. De wateren worden geheiligd om óns van de zondén te kunnen zuiveren. Wij krijgen in het doopsel ook deel met Christus aan deze woorden: déze is

48 7

-ocr page 494-

Geschiedenis

mijn welbeminde Zoon. Laat ons deze grootheden wel overdenken, en er heilige gedachten uit trekken.

XI. HOOFDDEEL.

Christus vast veertig dagen en overwint de bekoringen van den duivel.

— Hoe wij den duivel moeten overwinnen. Matt. 4. Marc. 1.

Luc. 4. — Het jaar der wereld 4034 en het 30e van Christus, volgens de gemeene tijdrekening.

488-

I li

IHli

■i v-:\'

ill r

i

Zoodra als Jesus gedoopt was, leerde hij door zijn voorbeeld allen geloovigen, hoedanig hun leven na het doopsel moet wezen, en hoe zij zich tot de bekoringen en tot het lijden bereiden moeten. — Hij werd dan door den geest naar de woestijn gevoerd, om van den duivel bekoord te worden, hij was aldaar onder de wilde dieren zonder iets te eten; en . nadat hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, kreeg hij honger. Nu trad de bekoorder toe, en zeide: indien gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze steenen brood worden. Jesus gaf ten antwoord: er staat geschreven: (Deut. 8. v. 3.) de mensch leeft niet bij brood alleen; maar bij alle woord, hetwelk uit den mond van God voortkomt: (dat is, bij alles hetgene hem God tot voedsel belieft te geven, ook bij zijn enkel woord, of bij zijnen enkelen wil, die de mensch in het • leven houdt, als het hem belieft, gelijk het in Mozes en Elias gebleken is.) Dan voerde hem satan op naar de heiliga stad, plaatste hem op het hoogste des tempels, en zeide: indien gij Gods Zoon zijt, werp u naar beneden, want er staat geschreven: (Psalm 90. v. 11.) Hij heeft zijne Engelen over u.last gegeven om u te bewaren. (Satan vervalscht de Schrift door deze woorden achter te laten : in al uwe wegen); zij zullen u op hunne handen dragen, opdat gij uwen voet niet aan eenen steen stootet. Jesus antwoordde hem: er staat geschreven: (Dent. 6. v. 16;) gij zult den Heer uwen God niet tergen. De duivel nam hem wederom op naar eenen zeer- hoogen berg, en terwijl , hij hem al de koningrijken der wereld in hunnen vollen luister toonde, zeide hij hem: dit alles zal ik u geven, indien gij nedervallende, mij aanbidt. Jesus gaf hem ten antwoord: ga weg van mij, satan 1 want er staat geschreven: (Deut. 6. v. 13.) den Heer, uwen God, zult gij aanbidden, en hem alleen dienen. Nu verliet hem satan voor eenen tijd. En terstond kwamen de Engelen, en dienden hem.

KM\'

BEMERKING. Christus leert ons den duivel overwinnen: 1. Met zich bereid te maken tot den strijd door vasten, ■waken, bidden, overwegen van Gods woord, en door allerlei

-ocr page 495-

van het Nieuwe Testament, 489

verstervingen. 3. Hij leert ons de wapenen kennen van den duivel, te weten: de drieërlei begeeilijklieid des vleesches, bestaande in eten en drinken, enz., afgebeeld door bet hrood; de begeerlijkheid der oog en, afgebeeld door de eer en pracht der wereld; de hoovaardij des levens, door de gruwelijke trotschheid van den duivel, die als God wil aangebeden worden. 3. Christus toont ons, dat het woord Gods als een schild moet dienen, om de schichten van den duivel af te\' keeren, en als een zwaard, om hem aan te tasten; want hij verwint hem door drie uit de heilige Schrift getrokkene grondregels. 4. Hij toont ons eindelijk, dat de ootmoedigheid dien hoovaardigen geest op de vlugt drijft: want daar de duivel roemend zijne gewaande grootheid, onbeschaamd ten • toon spreidt, verbergt Christus zijne ware grootheid, zonder het minste teeken van zijne magt te geven.

XII. HOOFDDEEL.

Joannes geeft getuigenis van den Heiland. Zijne eerste leerlingen.

Bruiloft van Cana-Galilea. Vermogen van de allerheiligste Maagd. Joan. 1. 2. — Het jaar 30.

Vooraleer de hemelsche Vader zijnen Zoon, van wien hij zoo treffelijk _ getuigenis in het doopsel gegeven had, zijne openbare bediening zoude laten beginnen, wilde hij, dat Joannes, zijn voorlooper, aan de joden verscheidene malen getuigenis van hem zoude geven, welke getuigenis, zoo om de uitmuntende heiligheid van Joannes, als omdat zij hem zelfs voor den Messias aanzagen, van een allergrootst gewigt moest zijn. Wanneer dan-de Joden tot hem Priesters en Leviten van Jeruzalem afzonden, om te vragen wie bij was, beleed Joannes openlijk, dat hij de Christus niet was. Zij vraagden hem: wie zijt gij dan ? Zijt gij Elias? Hij antwoordde; ik ben het niet. — Zijt gij dan een profeet? Hij zeide wederom: neen. Wie zijt gij dan, opdat wij antwoord geven aan degenen die ons gezonden hebben. Wat zegt gij van u zeiven ? werd hem nogmaals gevraagd. Ik ben, zeide hij, eene stem, roepende in de woestijn : maakt den weg des Heeren effen en regt, gelijk de profeet Isaïas gezegd heeft. (Isa. 40. v. 8.) Ik doop wel met water; maar er is iemand in het midden van u, dien gij niet kent. Deze is het, die vóór mij gesteld is geworden, en die na mij komen zal, en wiens schoenriemen ik niet waardig ben te ontbinden. — Dit gebeurde te Bethanië, of anders te Bethabara, alwaar Joannes doopte.

BEMEEKING. Welk verheven gevoelen heeft de H. Joannes van Christus, en welk gering gevoelen van zich zeiven ! Om

-ocr page 496-

quot;490 . GesbM\'edénh

één gering gèvöelèn van \'ons zeTvën té hébben,-mbéténWij tèjgën de quot;waartei\'d geen\'e zondën\' of\' gebreken bijbrengen, dbot \'ééné gèrttaikte eti Valèobe o\'otïno\'édigheid: VSj b\'ehöeVéh\'slechts aan ons zélvén te Vlagen: wie zijt gij\'? w\'at hebt\'gij\'? wat ■ vérmo\'ógt gij\'? Gij zijt\' een iriétisch, ïn \'ZóVideh:en in de gram-\'schap Yè\'n God \'geboren, onderworpen a\'An alïe ellénden, eh dén éet^igen dobd \'Schuldig. Wat hébt :^ij \'van u zélVen\'quot; Hét Concilie van \'Ofanië zegt het met\'beknopte woorden • Ungentaal én \'zonde. \\Vat Vérmo\'ogt gij? Wij\'-\'zijh\'iiit\'óns\'zélVén, Zoo als de Apbstel léért, niet bék^vsam iéts \'gbéds te dénké\'n \'tot onze\'zfllighéid, veel niin dit te bégëérèii\'en\'uit te Weifcétt Inaair al orize bekwaamheid kómt Van God\'. Hij is hét, die\'ft ons het willen en het vblbrengén, \'volgéns zijn \'welbéhagéh é \'dobr zijne \'génade, uitwerkt. Doch deze génade is God aaii niemand schuldig: hij verleent die uit banilh\'artigheifl, om de verdiensten van Christus, aan wie het hem belieft; het hangt nifet af van dengeilen, clié wil, //noch van hem, die loopt //maar van God die barmhartigheid bewijst.quot; fltom. 9.) «Wat //hebt gij, vraagt Paulus wederom, hetgene gij niet ontvangen //hebt ? waarom roemt gij u dan, alsof gij hét niet outvangen //hadt?quot; (1. Cor. ?gt;.) Als gij dan eenig goed ter zaligheid doet, schrijft \'zulks \'niet toe a;an \'u zeiven, inaar aan God, en zeg dan met den heiligen Paulus; dooi\' dé genade Gods bén ik wat ik beft. (1. Cor. 15.)

Als Joannes \'s anderendaags jesus tot zieh züg komen, zëide hij: ziedaar hét Lam Gods; ziedaar dengenen, die dé zonden dér quot;Wereld wegneemt... Ik heb den heiligen Geest to de gédattnfe ■eener duif van den hémel Zien nederdalen, en op hefrt blijven rusteti. Ik kende hem niet; maar die mij gézbnden beeft, om hem met water te doópen, zeide mij; degene, \'bp wieii gij dei heiligen Geest zult zien nederdalen en op hetn blijvën rnstei); deze is het, die met den heiligen Geest doopt. Ik heb het alzflii \'gezien, en getuigenis gégeven, dat hij de Zoo\'ft Gods is.

Den volgenden dag stond Joaniies daar wederom ^mét twet zijner leerlingen. Toen hij zijne oogën opsloeg, en Jesus \'dsat zag wandelen, zeide hij weder : ziedaar het Lam Gods! Die twee leerlingen boorden hem dit zeggen, volgden JesBi, ■en bleven dien dag bij hem. Het was toen omtrent de tiende uiïr des dags, volgens onze rekening omtrent tiet nte M\' middag: want de Joden tellen de uren van \'s morgens af t« beginnen. Andreas, de broeder van Sïmon-Pétrtïs, was e® dier twee evengemelde leerlingen. Deze vond \'eeïst vootsI zijnen broeder Simon, en zeide hem : wij hebben den Messias gevonden, dat is te zeggen, den \'Christus, en hij bïagt hem bij Jesus. Den dag daarna riep Jesus Ph\'ilippus tbt zich,

wen ]

_ b

Jesi

Mi(

nu

mee

niel

wei

raki

keb

veri

trpi

zegj

Jod

gei\'

zeid bov don in i iede nad, Maf eers aldi; Eng wan

13 met Haa bij

in m

om

nogi

om

wat

de :

doer

en

wanl

;iMst het

(i)

-ocr page 497-

van hét Niemee Tedament. 491

hrngt Natlanaël tot hem. Aldus begon het getal der leerlingen te vermeerderen, alhoewel hij nog geen enkel wonderwerk gedaan lïad.

Drie dagen daarna werd er eene bruiloft te \'Cana-Galilea ;ehouden; ook de Moeder van Jesus was derwaarts gegaan. ■ esus was mede met zijne leerlingen ter bruiloft genoodigd. Midden onder het bruiloftsmaal begon de wijn \'te ontbrekenquot;; nu zeide Maria zachtjes tot Jesus: zij hebberi geenen wijn meer. Jesus antwoordde haar: vrouwe, wij hebben daarmede niets gemeens. Jesus wilde daardoor zijne \'heilige Moefier niets weigeren, maar omdat hare vraag hem als praamde een mirakel te doen, hetwelk hij ongevraagd nog niet zotwie verrigt kebben. Overzulks dienen deze woorden zeiven, om het groöte vermogen van de heilige Maagd te doen blijken. Dus, vol \'betrouwen zeide Maria tot de dienaars: doet alles, wat hij u zeggen zal. Er waren dan, volgens het gebruik, hetwelk de Joden hadden van zich te wasschen, zes steenen waterkruiken, jeplaatst, houdende elk twee of \'drie maten in. (1) Jesus zeide hun: vult de kruiken met water. En zij vulden die töt boven toe. Schept er nu uit, zeide hij, en draagt \'hem aan den hofmeester. Dit deden zij. De hofmeester het dadelijk in wiju veranderde water proevende, riep tot don bruidegom! iedereen brengt altijd den besten wijn eerst vooral op, en nadat men wel gedronken heeft, geeft men eene mindere soort. Maar gij hebt den besten wijn tot nu toe bewaard. —■ Dit eerste zijner mirakelen deed Jesus te Cana-Galilea, en maakte aldus zijne heerlijkheid en magt bekend, waardoor zijne teerlingen in hem geloofden. (Dat is, hun geloaf werd versterkt; want zij geloofdei; reeds van te voren.)

\'BEMEEKIN\'G. Dit eerste mirakel van Christus leert oins, met wat betrouwen wjj onze toevlugt tot de allerheiligste flaagd moeten nemen, om haar te bidden, dat zij voor ons jij haren Zoon wille verzoeken, geerae verandering van water in wijn, maar verandering van leven. .Zij is magtig bij Jesus, om voor ons te verkrijgen wat zij verzoekt, onder beding nogtans, dat wij onderhouden, of ten minste ijverig trachten, om de geboden van haren Zoon te onderkouden: doe alles, hjj u zeyyen zal, zegt de heilige Maagd. Willen wij, dat moeder iets voor ons vraagt en verkrijgt, dan moeten wij iloen, -wat de \'Zoon ons gebiedt. Meenen de Moeder te eereo, m den Zoon te vergrammen, is bedrog van den duivel; want, waar de liefde tusschen moeder en zoon is, zoo als liwschen Jesus en Maria, daar ook is het leed van den zoon ket leed van de moeder,.: De wijn beteekent de genade, de (1) . Een« Jooaache maat \'bevatte Ongeveer 24 kannen van onze maat.

WIJ

3 or hts vat

\'eb

m\'!

3ii:j

■en, ken én-\'ft éh aan ■de .ngt ipt Arat gen igen leid , en ben

éic!e •dei ante jtei ÖÉ dei steS, ilzöó

twet daat od?! esifti ends ) m af i ( oortl ;ssias hem a-,

-ocr page 498-

492 Geschiedenis

liefde, de godsvrucht, den ijver, enz. \\Vat kunnen wij, als die beginnen te ontbreken, beter doen, dan tot Jesus gaan door onze en zijne Moeder? Doch wij verzuimen dit, en vervallen dus tot eene ellendige flaauwheid, die door het water beteekend wordt,

XIII. HOOFDDEEL.

Jesus drijfb de handel- en wisselaars uit den tempel. Hij onderwijs!

Nioodemas. De koperen slantf. Gewigtige ondrrrigtingen. Joan.

2. en 3. — Hetzelfde jaar 30.

Na de bruiloft van Cana-Galilea, begaf zich Jesus met zijne Moeder, zijne bloedvrienden en zijne leerlingen naar Caphar-naüm, alwaar hij op weinige dagen verscheidene mirakelen deed. (Luc. IV. 23.) Van daar ging hij naar Jeruzalem, om Kei eerste paaschfeest na zijn doopsel te gaan vieren; ook aldaat deed hij verscheidene wonderheden gedurende dit feest, (Joan, III. 2. en IV. 45.) waardoor hij overal in achting begon te komen. Toen hij in den tempel kwam, vond hij er personen, die daar ossen, schapen en duiven verkochten, alsook wisselaars; . op dit gezigt ontstak hij in verontwaardiging, vlocht eene zweep van koorden, en dreef die allen uit den tempel. Ook goot tij het geld der wisselaars uit, wierp de tafel omverre, en zeide tot de duivenhandelaars: neemt deze dingen weg, en maakt van het huis mijns vaders geen huis van koophandel! Alsdan werden zijne leerlingen indachtig dat er geschreven staat: ijver voor uw huis heeft mij verslonden. (Psalm. 68.) —

De Joden vroegen hem nu: door welke teekens toont gij ons, dat gij do magt hebt, om dit te doen? Jesus antwoordde; breekt dezen tempel af, (1) en ik zal hem binnen drie\' dagen weder opbouwen. De Joden zeiden hierop: men heeft 46 jaren aan dezen tempel gebouwd, en zoudt gij hem binnen drie dagen oprigten? Doch zij begrepen hem niet; want Jesus sprat van den tempel zijns ligchaams. Daarom, als hij van den dood verrezen was, werden zijne leerlingen indachtig, dat hij deze woorden gesproken had, en gaven geloof aan de Schrift, en aan hetgene Jesus gezegd had. Terwijl Jesus de verdere Paascli-dagen te Jerusalem doorbragt, geloofden er velen in zijnen naam, op het zien der mirakelen die hij deed. Maar Je betrouwde zich zeiven niet aan hen, omdat hij hen albn kende, en hij niet noodig had, dat hem iemand getuigenis gaf van den mensch: want hij wist, wat er in den mensch was, name\' lijk veranderlijkheid, ongestadigheid en trouweloosheid.

BEMERKING. Christus heeft in het begin zijner bediening; en ook op het einde, dat is 4 of 5 dagen voor zijnen dood,

(1) Welligt bragt hij de hand tot de borst, te kennen gevende van welken tempel hij sprak, zonder dat de Joden er acht op namen.

-ocr page 499-

VJ,n h t Nii-uice Testanen\'. 493

koopers étl Verkoopers uit \'zijnen tempel gejaagd, om zijnen godilelijken ijver voor de eer van het huis zijns Vaders te toonen. Deze tempel was slechts het afbeeldsel van onze kerken. Daarentusschen jaagt er Christus al degenen uit, die daar dingen verkochten, welke tot de offerande noodig waren: wat zoude hij niet gedaan hebben, indien hij daar dronkaards en andere booze menscllen gevonden had?

Deze tempel is ook een afbeeldsel van den tempel onzer ziel en onzes ligchaams, die God in den heiligen Doop zijn toegewijd. Weet gij niet, zegt de H. Paulus, dat mo ligchaam ie tempel van den heiligen Geest is, die in u is, dien gij van God ontoangen helt, en dat gij u zeioen niet meer toebehoort ? temt gij zijt gekocht met eenen grooten prijs. Eert God dus en draagt hem in uw ligchaam. (1. Cor. 6.J En zoo iemand den nel Gods schendt, zal God zulk iemand vernielen; want de vel Gods is heilig, en gij zijt die tempel. Cl. Cor. 3.J Deze tempel wordt geschonden en ontheiligd door de zonde, en voornamelijk door de zonden van onkuischheid. Hoe moeten wij dan die zonden niet vreezen, welke door God met eene zoo geduchte straf bedreigd worden.

Een der aanzienlijkste onder de Joden, met name Nicode-nms, verbaasd over al wat hij van Jesus hoorde, besloot hem te gaan bezoeken, echter in het heimelijk uit vrees voor de Joden. Hij kwam dan des nachts bij Christus, en vroeg: Meester, wij weten dat gij een leeraar zijt, die van.Godswege gekomen is: want niemand kan de mirakelen doen, die gij uitwerkt, tenzij God met hem is. Jesus gaf hem ten antwoord; voorwaar, voorwaar, ik zeg het u: tenzij dat iemand op nieuw geboren wordt, zoo kan hij het rijk Gods niet zien. Nicodemus was nu reeds van de opperste geloofwaardigheid van Christus overtuigd door de wonderteekenen, en hij aanziet hem als van öod gezopden. Dus gaat Christus hem nu spreken van dingen, die hij niet kan begrijpen, en die hij op het woord van Christus moet aannemen. Aldus is ons geloof wegens de onbegrij-pelijkste geheimenissen op de rede zelve gegrond. —

Nicodemus vroeg hem : hoe kan een mensch herboren worden als hij reeds oud is ? Jesus antwoordde : voorwaar, voorwaar, ik zeg het u; tenzij iemand herboren wordt door het water en den heiligen Geest, zoo kan hij in Gods rijk niet tomen. Hetgene van het vleesch geboren is, is vleesch, en netgene van den heiligen Geest geboren is, is geest: wees niet quot;envonderd, dat ik u gezegd heb, dat gij op nieuw moet gewen worden. De geest blaast waar hij wil, en gij hoort zijne \'tem wel, maar weet niet van waar hij komt, noch waar hij \'enen gaat (dat is de heilige Geest geeft zijne gaven daar,

-ocr page 500-

49,4 Gesfkiedeuü,

waar liet liem belieft; gij hoort en ziet zijne uiiwendige uitwerkselen wel, maar weet niet, hoe hij in u komt, en wanneer . hij van u vertrekt.) Zoo gaat het met diengenen, welke uit den Geest geboren is. Nicodemus gaf hem ten antwoord: hoe kunnen deze dingen geschieden ? Jesus zeide: wel hoe! zijt gij een leeraar in Israël, en weet dit niet? Indien gij niet gelooft, wanneer ik u van aardsche dingen spreek, hoe zult gij mij dan gelooven, als ik u van hemelsche spreken soude ?

Dok is niemand hier boven in den hemel geweest, dan degene die van den hemel nedergedaald is, namelijk, de Zoon des menschen, die in den hemel is (om aldaar al datgene, wat God aangaat, te doorgronden, en den mensch te verkondigen ;) en even als Mozes in de woestijn de koperen slang opgeheven heeft (Num. 21. v. 9,) zoo ook moet de Zoon des menschen opgeheven worden (te. welen aan het kruis), opdat. al wie in hem gelooft, niet verloren ga, maar-het eeuwige leven bekome. quot;Want zoo lief heeft God de wereld gehad, dat hij. zijnen eeuigen Zoon gegeven- heeft, opdat al . wie in hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven bekome. God heeft zijnen Zoon in de wereld niet. gezonden, om de wereld te veroordeelen, maar opdat de wereld door hem zoude zalig worden. Die \'in hem gelooft, wordt niet ..veroordeeld; maar wie niet gelooft, die is van nu af veroor-, deeld; omdat hij niet gelooft in den naam van den eenigen Zoon Gods. Nu, deze veroordeeling bestaat daarin, dat het licht in de wereld gekomen is, en dat de menschen de duisternissen meer bemind hebben dan het licht, omdat hunne werken boos waren. Want al wie boosheid bedrijft, haat het licht, en komt bij; het licht niet, teneinde zijne werken niet zouden gestraft worden. Maar wie volgens de waarheid handelt, die komt bij het licht, opdat zijne werken bekend zouden worden, daar die volgens God gedaan zijn.

BEMERKING. Christus leert hier»aan .Nicodemus en tegelijk. aan ons; 1. dat het niet genoeg is onderwezen te zijiii om in het, rijk der hemelen te komen:, maar dat men een ander mensch moet worden; dat er, oen nieuwe, geest, een # * nieuw hart, een nieuw leven en eene nieuwe herboring noodig is. Hierover staat Nicodemus versteld, en hoe vele. Christenen met hem? 2. Dat die wondere verandering niet kan komen dan van den heiligen Geest: al wie uit het vleescli gehoren is, is vleesc/i; dat is, bedorven en vpl zonde; om geestelijk to worden, moet men herboren worden door den heiligen Geest. Hij alleen geeft het leven der genade, en hij is het !die het bewaart. Hij is als de lucht, die wij inademen, en als de ziel, die ons doet leven. 3. Dat die geest Uaast ijoaar Jiij

-ocr page 501-

van het Nieuwe Testament. \' 495

»7... Gpcl is zijne: genade aan niemand schuldig. Hij geeft die aan wie tij wil, wanneer hij wil, zoo veel hij wil, en gelijk hij het wil. Wij weten zelfs niet, van wie zij zal afgenomen worden, en tot wie zij zal overgaan, opdat de regtvaardige vree^e, en de zondaar hope. r)eze; genade wordt niet gegeven, dan, door de verdiensten van den eenigen Middelaar: jesus Christus, door de liefde des Vaders voor ons tot den kruisdood verwezen, door de koperen slang afgebeeld, welke, vrij zijnde van alle vergift, de vergiftige steken der helsche slang gene.est., Laat ; ons dan onze toevlugt remen tot dien almogen-den Geneesheer; want al wie in hem gelooft en betrouwt, gelijk het behqort,: wordt niet verwezen; maar al wie niet tot den eenigen Geneesheer loopt, die ons genezen kan, moet noodzakelijk steryen.

XI?. HOOFDDEEL.

De .H. Joannes wordt gekerkerd, Christus onderwijst de Samarita^nsche vrojijW. over het leyeude wjitet.en ov?r de ware aaubidijing.

Mare. 6. Ime._ 3. Joan, 4. Hetzelfde jaar 30.

De. H. Jpannes. had nu de voornaamste pligten van zijnen roap volbragt. Hij had den weg voor . den Messias bereid door zijne prediking, door zijn doopsel, door zijn heilig en boet-ya^rdig leven, en door de getuigenissen, die hij vau Christus aan de geheele wereld gegeven had. Zijne bediening liep ten einde. Dus dreef hem de -Geest; Gods uit de, woestijn naar het hof van Herodes, alwaar hij aldra de roemrijke kroon van den marteldood voor zjjne getrouwheid, en voor zijne liefde tot de waarheid en zuiverheid, zoude bekomen. Herodes leefde openbaarlijk in een- schandig en bloedschendig overspel. Hij had in den eersten ontzag en eerbied, voor- Joannes, \'hield hem in in waarde, deed vele dingen; op zijn w.oord, en luisterde gaarne naar hem. Hij scheen zich zelfs niet te storen over de vrijpostigheid, met, welke Jpannes. hem-zeide: het is u niet geoorloofd vrouw van uwen bloeder bij u te nemen; — tot. dat hij, aangehitst- zijnde door de razernij dier onkuische vrouw, aan wie Herpdes sterk verslaafd was, Joa\'nneis in den kerker deed werpen. Tot welke veriuirdheid- en wreedheid brengt de on-kuisqhheid. den mensch niet!

Toen Jesus. vernomen had, dat Jpannes. in de gevangenis was geworpen, en dat\' daarenboven de Farizeërs jaloersch waren, omdat hij zoo vele leerlingen kreeg, begaf hij zich hiiten het, gebied van- Herodes,; niet omejat hij hem vreesde ^\'ant\' in eene andere gelegenheid doet hij aan; Herodes. regt-uit zeggen, dat hij, ook tegen zijnen dank, zijne loopbaan

-ocr page 502-

Geschiedenis

volbrengen zoude, maar om ons een voorbeeld te geven, hoe wij met ootmoedigheid\' voor onze vijanden moeten vlugten; wij, die zoo zwak zijn, en alles te vreezen hebben. Hij verliet dan Judea, en vertrok wederom naar Galilea. Doch dewijl hij zijnen weg door Samarie moest nemen, kwam hij in eene stad van dit gewest, Siohar genoemd, nabij het gedeelte land, hetwelk Jacob aan zijnen zoon Jozef had gegeven. Aldaar bevond zich een bronput, dien men de bron van Jacob noemde.

Jesus, vermoeid van de reis, zette zich bij deze bron neder. Het was omtrent d.e zesde uur van den dag, (dat is middag.) Nu naderde eene Samaritaansche vrouw, om water te putten (bij geval, zoo het scheen; maar bij God is er geen geval: alles geschiedt door zijne eeuwige schikking. De Vader zendt daar de ziel, die zijn Zoon komt zoeken.) Jesus zeide haar; vrouw, geef mij wat te drinken. — Zijne leerlingen waren inmiddels naar de stad gegaan, om mondbehoeften te koopen. De Samaritaansche vrouw vroeg hem; Hoe komt het, dat gij, die een Jood zijt, van mij, die eene Samaritaansche ben, te drinken vraagt? Want de Joden hielden geene gemeenschap met de Samaritanen. (1) Jesus gaf haar ten antwoord: zoo gij wist, wie degene is, die u te drinken vraagt, zoudt gij hem zei ven er om gevraagd, en hij zou u levend water gegeven hebben. (Dat is: den heiligen Geest, die als hemelsch water den dorst naar de wereld wegneemt, de brandende begeerlijkheid bluscht, en de ziel vruchtbaar maakt, om vruchten tot het eeuwige leven voort te brengen.)

De vrouw hervatte: Heer! gij hebt niets om mede te putten, en de put is diep: van waar zoudt gij dan het levende water bekomen? Zijt gij meer dan onze vader Jacob, die ons dezen put gegeven, en daarvan zelf met zijne kinderen en met zijn vee gedronken heeft? Jesus antwoordde haar: al wie van dit water drinkt, zal wederom dorst krijgen; doch wie drinken zal van het water, hetwelk ik hem zal geven, die zal in eeuwigheid geenen dorst meer lijden; het water, hetwelk ik hem geven zal, zal in hem eene bron worden, die tot in het eeuwige leven springt. De vrouw zeide tot hem: Heer! geef mij dat water, opdat ik geenen dorst lijde, noch hier moet komen putten. — Jesus antwpordde: ga dan en roep uwen man, en kom dan hier. De vrouw gaf tot antwoord: ik heb geenen man, Jesus hernam: gij zegt zeer wel, dat gij geenen man hebt, want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet: gij hebt hierin dus met waarheid ge-

(1) De Samaritanen waren oorspronkelijk Heidenen, en in de godsdienst door de Israëlieten onderwezen, die onder Jeroboam zich van den tempel van Jeruzalem hadden afgescheurd. Dus werden zij aangezien als Scheurmakers, en van de Joden zeer gehaat.

496

-ocr page 503-

van het Nieuuia Testament. 497

sproken. De vrouw sprak nu; Heer, ik zie, dat gij een profeet zijt. Onze vaders hebben op gindsclien berg deu Heer aangebeden, en gij en de uwen zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, daar men aanbidden moet. —- Zij sprak van den tempel dor Samaritanen, die op den berg Garizim gebouwd was, en welke jij met bare hand aanwees. Do Samaritanen wilden, dat men in dien tempel ook God aanbidden mogt en offers opdragen; doch de Joden wilden, dat men slechts in den tempel van Jeruzalem alleen offers opdragen mogt; want volgens de wet mogt dit maar geschieden op eene eenige plaats. Hierover ondervroeg zij Christus, dien zij voor eenen profeet aanzag. ■— Jesus gaf haar tot antwoord: Vrouw, geloof mij, de tijd nadert, dat gij noch op den berg, noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden. Gij aanbidt hetgene gij niet kent, ïvij aanbidden hetgene wij kennen; want de zaligheid komt van de Joden. Maar de tijd nadert, en is er reeds, dat de ware aanbidders den Vader in geest en waarheid zullen aanbidden : want zulke aanbidders zijn het, die de Vader zoekt. God is een Geest, en die hem aanbidden, moeten hem ia geest en waarheid aanbidden. Dat is, de ware aanbidding bestaat niet in enkele uitwendige offeranden, noch is aan eenige plaatsen gehecht; maar zij bestaat in de inwendige godsdienstigheid des harten, door welke God door het geloof, de hoop on de liefde gediend wordt. De uitwendige offeranden zijn er het teeken van; maar zonder die beweging des harten geschieden zij niet in geest en waarheid. Ook geeft Christus hier te kennen de onbloedige offerande van de nieuwe wet, die niet op eenige plaats, maar door de gansche wereld ging opgedragen worden.

Nu zeide de vrouw: Ik weet, dat de Messias (dat is Christus) komen moot. En als hij zal gekomen zijn, zal hij ons alle waarheid leeren. Jesus antwoordde haar: Ik ben het, die met u spreek. De vrouw liet nu dadelijk hare kruik staan, spoedde zich naar de stad, en zeide tot allen, die zij ontmoette: Komt met mij om eenen monsch te zien, die mij alles gezegd heeft, wat ik gedaan heb. Zoude dit soms de Messias niet zijn? (Men ziet hier gedurig, dat zoowel de Joden als Samaritanen vol waren van de verwachting van den Messias, en dat zij voor vast hielden, dat de tijd van zijne komst nu daar was.) Middelerwijl waren zijne leerlingen met de aangekochte mondbehoeften .wedergekomen, en zeiden: Meester! neem nu wat voedsel. Jesus hervatte: Ik heb eene spijs te eten, die gij niet kent. Mijn voedsel is, den wil van dengenen te doen, die mij gezonden heeft.

Wanneer de inwoners van Sichar met de vrouw tot Jesus gekomen waren, verzochten zij hem, dat hij bij hen eenigen

33

-ocr page 504-

Geschiedenis

tijd wilde blijven, Jesus bleef daar twee dagen. Vele Samaritanen geloofden er dan in hem, om zijne eigene woorden, en zij zeiden tot de vrouw; het is niet meer op uw zeggen, dat wij gelooven; want wij zeiven liebben hem nu gehoord, en weten dat hij waarlijk de Zaligmaker der wereld is.

BEMERKING. Zulke eene goddelijke aanspraak heeftgeene verdere bemerking, maar wel eene aandachtige overdenking noodig.

XV. HOOFDDEEL.

Verscheidene mirakelen van Christus. Hij stilt het onweder op de zee.

Les voor ons. Matth. 4. Mare. 4. Luc. 4. Johan. 4. — Het 30 Jaar

van Christus, het eerste zijner prediking.

Jesus bevorderde nu zijne reis naar Galilea, begon aldaar in het openbaar te prediken, en, even als Joannes gedaan had, de mensohen tot boetvaardigheid te vermanen, zeggende : het rijk Gods is nabij, doet boetvaardigheid en gelooft het Evangelie. De Galileërs namen hem met genoegen op, dewijl zij alles hadden bijgewoond, wat hij op het hoogfeest te Jeruzalem had verrigt. Hij begaf zich vervolgens weder naar Cana, alwaar hij, ter bruiloft, het water in wijn veranderd had. Vervolgens trok hij naar Capharnaüm, die zijne stad genoemd wordt, omdat hij aldaar gemeenlijk zijn verblijf nam. Aldus scheen er, volgens de voorzegging der profeten, aan dat volk een groot licht, hetwelk hun, om hunne bedorvenheid en ondankbaarheid, tot een zwaarder oordeel gediend heeft. Zijne prediking had eene gansch andere kracht dan die van de wetgeleerden; want zijne mirakelen gaven dagelijks nieuwen luister aan de waarheid, die hij verkondigde. Te Capharnaüm genas hij den zoon- van zekeren koninklijken hoveling uit het hof van Herodes. Toen Jesus langs de zee van Galilea wandelde, riep hij voor de tweede maal Petrus en Andreas, zijnen broeder, alsook Jacobus en Joannes. Wanneer hij naderhand wederom te Capharnaüm was aangekomen, genas hij aldaar eenen bezetene in de Synagoge. Van daar ging hij ten huize van Petrus, alwaar hij dezes schoonmoeder van de koorts genas. Korten tijd daarna gebeurde die groofe vischvangst, waarover Petrus zoo versteld stond, dat hij aan de voeten van Jesus viel, en zeide: Heer, vertrek van mij, want ik ben een zondig mensch.

Al deze groote teekenen van wonderbare genezingen lokten de kranken van alle kanten uit, om van den Zaligmaker te kunnen genezen worden ; want hij genas al de zieken. Aldus werd volbragt, hetgene door den profeet Isaïas voorzegd was (Isa. 40. v. 8.); Hij heeft onze krankheden op zich genomen, en zich met onze smarten beladen.

Jesus doorreisde daarna geheel Galilea; hij. leefde in de

493

-ocr page 505-

van het Nieuwe Testament. 499

Syragogen predikte de blijde tijding van het rijk Gods en genas alle zieken. Vele scharen volks, van Galilea, van Deca-polis, van Jeruzalem, en van het gewest over den Jordaan volgden hem. — Op zekeren tijd, toen hij veel volk rondom zich zag, gaf hij last, om naar de andere zijde van de Galileesche zee over te varen. Hij scheepte zich dan in en zijne leerlingen volgden hem. En zie, er ontstond een hevig onweder, zoodat het schip als door de bruischende golven overstelpt werd; doch Jesus sliep. Zijne leerlingen kwamen dan vol vrees bij hem, en zeiden: Heer, red ons, wij vergaan! Hij zeide tot hen: wat zijt gij bevreesd, gij kleingeloovigen! Hij stond op, gebood de winden en de zee, en het werd kalm. Hierop verwonderden zich de menschen, en zeiden: wat is dit voor een, dat hem ook de winden en de zee gehoorzamen?

BEMERKING. Christus beproeft het geloof zijner leerlingen. Zij gaan op zijn hevel te scheep, en Jesus is met hen; wat hadden zij nu te vreezen? Niettemin laat hij toe, of hij zelf doet eenen hevigen storm ontstaan op het meer, hetwelk doorgaans, naar het zeggen van Josephus, zoo kalm was als de stilste rivieren. Christus slaapt middelerwijl, zoo door de vermoeidheid van den voorgaanden dag, als wel voornamelijk om het hart zijner leerlingen te onderzoeken, en hunne vreesachtigheid bloot te stellen.

Aldus beproeft hij de zijnen door de stormen, die hij me-nigwerf in de heilige Kerk, welke het schuitje is, waarin alleen Christus met zijne leerlingen overvaart, laat oprijzen; als ook door de bekoringen, die hij in hun hart laat ontstaan. De Apostelen toonen, ten minste, dat zij geloof hebben, met Christus te wekken en te roepen: Heer, red ons, wij vergaan! Nogtans berispt hij hun klein geloef, omdat zij niet genoeg op zijne barmhartigheid en almagt betrouwen; maar wat zal hij tot ons zeggen, die zoo verre van hunne vurigheid verwijderd zijn, die slapen, als wij Christus door ons geroep moesten wekken ? O Heer ! wek ons geloof op, opdat wij, ons in gevaar ziende, met vurigheid en betrouwen tot dengenen mogen roepen, die de stormen en de winden gebiedt; O Heer, red ons, of wij vergaan !

XIV. HOOFDDEEL.

Christus jaagt een legioen duivelen uit, en laat die in varkens overgaan. Deze bezetene is een afbeeldsel van het menschelijk geslacht. Mattb. 8. Mare. 5. Luc. 8.

Nadat Christus zijne niagt, welke hij over de elementen had, niet de zee door een enkel woord tot bedaren te brengen,

-ocr page 506-

(jits^/tiedenia

aan zijne leerlingen bewezen had, toonde liij hun ook het gezag\',\' welk hij over do duivelen had. Dit bleek namelijk in vele bezetenen, die hij op verschillende tijden verloste, doch allermeest in dengenen, van wien wij gaan spreken. Deze bezetene kwam Jesus tegen, zoohaast hij, na het onweder, in het land der Gerazeners kwam, hetwelk gelegen is regt over Galilea aan den overkant van het meer. — Hij was sedert langen tijd door den boozen geest bezeten; hij droeg geene kleederen, woonde in geene huizen, maar hield zich alleenlijk in de graven op. Ja, alhoewel men hem in ketenen klonk, verbrijzelde hij echter die, en werd van den boozen geest naar de woeste plaatsen gedreven.

Zoohaast hij Jesus zag, viel hij voor hem neder en aanbad hem; en onder eenen hevigen schreeuw, zeide hij hem: wat hebt gij met mij te doen, Jesus, Zoon van den allerhoogsten God? Ik bid u, pijnig mij niet. Want Jesus gebood den on-zuiveren geest, dat hij uit dien mensch, welken hij van overlang bezeten had, vertrekken zoude. Jesus vroeg hem ook: hoe is uw naam? Hij zeide: mijn naam is Legioen; want er waren vele duivels in hem. Hij vroeg dit, niet omdat hij het niet wist, maar om de menschen te doen vreezen, hoorende van hoe vele booze geesten een enkele mensch kan bezeten worden. En de booze geesten baden hem, dat hij hun niet zou bevelen naar den afgrond (der hel) te gaan. Daar omtrent was eene groote kudde zwijnen, welke op het gebergte weidde. De booze geesten verzochten hem dus, dat Lij hun wilde toelaten in de varkens over te gaan. Hij liet het hun toe. De varkens, in welke dadelijk de booze geesten waren overgegaan, liepen nu, als dolzinnig, van het gebergte in het meer, en verdronken. Toen de hoeders dezer dieren dit zagen, namen zij de vlugt en gingen het boodschappen aan de daar omtrent wonende personen. Deze kwamen dadelijk, om te zien wat er geschied was. Wanneer zij bij Jesus gekomen waren, vonden zij den mensch, uit wien de booze geesten vertrokken waren, aan zijne voeten zitten, gekleed, en wel bij zijn verstand, en allen werden ten hoogste verschrikt. Ook verhaalden hun degenen, die het gezien hadden, hoe de bezetene van het legioen verlost was. Al hot volk van hot land der Gerazeners kwam hierop Christus bidden, dat hij van hen vertrekken wilde, daar zij met groote vrees bevangen waren. Hij ging dan te scheep, en keerde wederom. Doch de man, uit wien de booze geesten vertrokken waren, bad hem, om met hem te mogen blijven. Maar Jesus zond hem henen, en zeide: keer weder naar uwe woning, en verhaal de grootheden, die u God gedaan heeft. Hij ging dan henen en verkondigde door de geheele stad de groote dingen, die Jesus

500

-ocr page 507-

mn het Nieuwe Testament,

in liem uitgewerkt Lad; ons liiercloor leerende, dat wij voor God en de mensclien toonen moeten de erkentenis der gaven, die wij door zijne barmliartigheid ontvangen hebben.

BEMERKING. Volgens de heilige Vaders, is deze bezetene mensch een afbeeldsel van liet menschelijk geslacht, dat voor de komst des Zaligmakers vol ellenden, en onder de magt van den duivel was. Deze mensch was zonder kleederen, om af te beelden, dat wij het geloof en de oorspronkelijke regtvaardig-heid verloren hadden, die ons als met een kleed van eer en luister in den staat der onsehuid bedekte. Hij verbrak alle boeijen en banden; want geene wetten konden den bedorven mensch binden of beteugelen.

Degenen, die de oneerbare vermaken beminnen, zijn gelijk aan de varkens, die onreine dieren zijn, en zich in het naodder wentelen, waarop de duivels verliefd zijn, en die daarna te zamen met de duivels schielijk in den afgrond der hel loopen, Hoe schrikkelijk is dit! Doch hoe weinig wordt het geschroomd! Indien al degenen, in welke de duivels door de zonde invaren, zich op hetzelfde oogenblik in de zee gingen verdrinken, of zich in het vuur werpen, hoe zoude isdereen voor zich en voor anderen beven? Maar omdat de duivels, en het kwaad, hetwelk zij doen, onzigtbaar zijn, schroomt men er niet voor. Men loopt spelende naar den afgrond, en men is gerust, als men maar met den grooten hoop loopt, zonder eens te denken welke geest ons drijft, en waar dit dolzinnig loopen ons brengen zal. O God open onze oogen, opdat wij niet, gelijk redelooze dieren, met eene onverzaadbare drift ons eeuwig verderf inloopen !

XVII. HOOEDDEEL.

Jesus roept Mattheus. Een lamme wordt ter genezing door het dak ne-dergelaten. De Schriftgeleerden morren^ omdat Jesus de zonden vergeeft. Teekena van bekeering; verandering van leven. Matth. 9.Mare. 2. Lue. 5. — Op het einde van hetzelfde jnar 30.

Toen Jesus weder van het land der Gerazeners kwam, zag hij eenen man in het tolhuis zitten, met name Mattheus. Tot dezen zeidehij; volg mij. Mattheus gehoorzaamde. Deze persoon liet nu, in zijn huis, ter eere van Jesus, een treffelijk gastraaal aanrigten. Aan dezen maaltijd waren ook vele Publikanen en zondaars gezeten. De Earizeërs dit ziende, zeiden tot zijne leerlingen: waarom eet uw Meester met de Publikanen en met de zondaars? Jesus vernam dit en zeide: de gezonden hebben geenen geneesheer van noode, maar wel de zieken. Daarom gaat, en leert wat dit te zeggen is: Ik heb de barmhartigheid liever dan de offerande. Want ik ben de regtvaardigen niet

501

-ocr page 508-

Geschiedenis

komen roepen, maar wel de zondaars. (Os. 6, v. 6.) Dezel 611 woorden: Ik heb de hamhartigheid liever dan de offerande, 1 TUS spréékt de profeet Oseas in den naam van God, aan wie del tel\'quot; geestelijke werken van liefde en barmhartigheid tot zijnen 1 ljazl naaste aangenamer zijn dan de uitwendige offers.

BEMERKING. Christus verbreekt hier dadelijk al de banden van Mattheus. Hij gaat hem zoeken, zonder dat deze zelf I eerst op hem denkt; hij roept hem, treft zijn hart, en bekeert! hem, door hem af te trekken van zijn tolhuis en van de geldzucht, om van eenen tollenaar eenen leerling, en weinigen tijd | daarna eenen Apostel te maken. Zulke mirakelen dienen om ons geloof en ons betrouwen op te wekken. Laat ons dan betrouwen, want de hand des Heeren is niet verkort. Zulk eene weldaad vereischt ook eene groote offerande. God wil alles van zulk eene ziel. Hij wil, dat zij hem volge, en alles verlate, voornamelijk al wat haar schadelijk is. Daarom keeren de andere Apostelen somtijds weder tot het visschen, als zijnde dit een schuldeloos bedrijf; maar Mattheus keert nimmer tot het tolhuis weder, omdat het hem gevaarlijk is.

God heeft eene vermogende kracht om de harten door zijne genade, zonder geweld of dwang, af te trekken van hetgene zij ook met de grootste aankleving tot hun verderf beminnen. Wij zien dit in Mattheus; want niets is er zoo moeijelijk, als eenen gierigaard van de geldzucht af te trekken.

Jesus wederom te in zeker huis was, te zamen, dat hem de deur niet konde Middelerwijl bragt menschen gedragen

Na verloop van eenige dagen kwam Capharnaüm; toen men hoorde, dat hij kwamen er terstond zoo vele menschen het huis noch zelfs de plaats omtrent inhouden. Hij leerde hun Gods woord.

men hem eenen lamme, die door vier werd. Doch daar zij den zieke, om den toeloop van het volk, niet voor Jesus brengen konden, lieten zij hem door het dak, met zijn bed, in het vertrek, regt voor de voeten van Jesus nederdalen. Jesus, hun geloof ziende, zeide tot den lamme: zoon, uwe zonden zijn u vergeven, Nu dachten eenige der schriftgeleerden bij zich zeiven : Wat zegt deze? Hij. lastert God. Wie kan de zonden vergeven dan God alleen ? Jesus las terstond hunne bedenking in hunne harten, en vroeg; waarom hebt gij zulke gedachten in uw gemoed ? wat is er ligter, tot den lamme te zeggen: uwe zonden zijn u vergeve, of: sta op, neem uw bod op en wandel ? Doch opdat gij weten moget, dat de Zoon des menschen de magt heeft om op de aarde de zonden te vergegen, zoo zeg ik u (zich tot den lamme wendende): sta op, neem uw bed op.

503

-ocr page 509-

het Nieuwe Testament.

en ga naar uw huis. De lijder stond dadelijk op, nam zijn. rustbed op, en ging ganscli genezen naar zijne woonstede, terwijl hij God loofde. Allen, die dit zagen, zeiden in verbazing : nooit hebben wij iets dergelijks gezien.

BEMERKING. Nog dagelijks moeten de Christenen zich verwonderen over Gods goedertierenheid, die aan de mensohen de magt verleend heeft van do zonden te vergeven. Het schijnt dat hij hen door deze magt boven den staat der menschen verheven heeft, dewijl zij, nog cp de aarde zijnde, een ambt bedienen, hetwelk nooit aan de Engelen gegeven is.

503

Jesus wilde, dat de ligchamelijke genezing van dezen zieke de proef zou zijn, dat hem werkelijk zijne zonden vergeven waren. Aldus is eene blijkbare genezing naar de ziel, in de zondaars, de beste proef van de vergiffenis hunner zonden.- anderzins, zonder deze genezing, dat is zonder de verandering en beternis van leven, zou men, volgens den H. Cyprianus (de lapsis), de wonden der ziel door de sakramenteele ontbinding dikndjls niet genezen, maar bedekken, en door bedriegelijke verzekeringen hun het middel benemen, om tot eene vaste bekeering te komen. Dit ware, zegt die groote Bisschop en H. Martelaar, de zondaars eenen valschen vrede toezeggen, die schromelijk is voor diegenen welke hem geven, en verderfelijk voor hen, die hem ontvangen. De vaste bekeering aan eenen zondaar, moet derhalve blijken uit de genezing zijner kwalen. Bedriegt u dus niet, noch laat u bedriegen.

XVIII. HOOFDDEEL.

Jesus geneest eene vrouw van het bloedvloeijen, en verwekt het dochtertje van Jaïrus van den dood. Matth. 9. Maro. 5. Luc. 8.

Daarna kwam er zeker man, met name Jaïrus, die overste eener Synagoge was, Jesus te voet vallen en bad hem, dat hij toch in zijn huis wilde komen, om zijne eenige twaalfjarige dochter, die op haar sterfbed lag, te genezen. Terwijl Jesus voortging, ontstond er een groot gedrang onder de menigte die hem volgde. Onder deze bevond zich eene vrouw, die\'al twaalf jaren lang aan het bloedvloeijen leed, en haar geheel vermogen in geneesmiddelen besteed had, zonder van iemand te kunnen genezen worden. Zij naderde bij Jesus en raakte den boord van zijn kleed aan, zeggende in zich zelve: indien ik slechts zijn kleed kan aanraken, zal ik genezen zijn. Ter zelfder stonde gevoelde zij, dat zij genezen was. Jesus keerde zich nu om, en vroeg: wie heeft daar mijn kleed aangeraakt? Alzoo het ieder ontkende, zeide Petrus en de andere leerlingen: Meester, de menigte des volks dringt en stoot u, en Gij vraagt nog; wie

-ocr page 510-

604 Geschiedenis

heeft mij aangeraakt? Maar Jesus ternam: iemand heeft mij aangeraakt; want ik merk dat er eene genezende kracht van mij is uitgegaan. Toen de vrouw zag, dat Her niets te verbergen was, kwam zij bevende voor zijne voeten nedervallen, en verklaarde voor al liet volk, om wat reden zij liem aangeraakt had en hoe zij op staanden voet genezen was. Jezus zeide haar vriendelijk: wees gerust, mijne dochter, uw geloof heeft u genezen. Ga in vrede en wees bevrijd van uwe kwaal.

BEMERKING. Hoe ootmoedig en hoe vol betrouwen is deze vrouw! Dat dan onze ellenden, die boven alle menschelijke geneesmiddelen zijn, ons niet kleinmoedig maken, maar ons aldus vernederen. Laat ons alles verwachten van eenen almo-genden geneesheer, en die niets zoo zeer verlangt, dan dat wij hem door ootmoedigheid als pramen om de kracht zijner genezende genade over ons te laten vloeijen.

Terwijl hij nog bezig was met spreken, kwam iemand aan den overste van de Synagoge zeggen : uwe dochter is gestorven, wil dus den Meester niet langer moeijelijk vallen. Jesus hoorde dit, en zeide dadelijk tot don vader van het dochtertje; vrees niet, geloof slechts, en zij zal gered wrorden. Jesus kwam nu in het huis van Jaïrus, alwaar reeds, volgens het gebruik, treurspelers en rouwklaagsters hunne jammertoonen aanhieven. Hij zeide hun: wat maakt gij zulk een getier ? Staakt uw weenen en gaat uit een, want het kind is niet dood, maar slaapt. (1) Doch zij lachten hem uit, daar zij wel wisten, dat het dood was. Verder liet hij niemand binnen komen in de plaats, waar het kind lag, dan deszelfs vader en moeder, alsmede Petrus, Jacobus en Joannes. Hij nam haar nu bij de hand, en riep : meisje, sta op ! Hare ziel keerde weldra in het ligchaam weder, zij stond op en wandelde heen en weder door de kamer. Hij bfeval, dat men het kind iets zou te eten geven. De verslagenheid van allen was onbeschrijfelijk. De weldoende Jesus gebood wijders, dat men van het voorgevallene niets verder zou bekend maken.

BEMERKING. Teekens van eene ware bekeering. 1. Opstaan: zijn gemak, zijne vermaken en kwade gewoonten verlaten, die als het bed waren, waarop men dood lag. 2. Een nieuw leven en eenen nieuwen geest scheppen. 3 Dit nieuwe leven voeden en doen aangroeijen door Gods woord, en door het ontvangen van het Ligchaam van Christus, hetwelk de spijs onzer ziel moet zijn. 4. Door een nieuw en stichtend

(1) Haar dood wordt een slaap genoemd, omdat hij niet langer zoude duren dan een slaap, dewijl zij aanstonds verwekt ging worden.

ever rori\'

lit

te

claa: een

-ocr page 511-

van het Niemce Testament, 503

t mij|even tot verwondering dienen aan de menscten, die ons vanlorig leven gekend hebben.

Tgenf

ver-| XIX. HOOFDDEEL.

had,

haar p)e acht en dertigjarige zieke aan het waterbad. Oppermagt van Chris-ft u I tQ3, Bevestiging ven zijne zending. Joann. 5 — Het jaar 31.

tl is

ijke ons 110-wij ge-

Nu naderde weder het hoogfeest der Joden; Jesus vertrok ;it dien hoofde, op nieuw naar Jeruzalem. Bij de schaaps-loort was er een waterbad, in Let Hebreeuwsoh Bethsaïda jeheeten, hetwelk vijf gaanderijen had, en in welke eene groo-te menigte zieken, blinden, kreupelen en lammen lagen, die laar vertoefden tot dat het water geroerd zoude worden; want len Engel des Heeren daalde op zekere uren neder in het aterbad; en wie alsdan de eerste, na deze roering, het bad Igebruikte, werd dadelijk genezen. — Thans lag aldaar een lijder, die acht en dertig jaren ziek was geweest. Toen Jesus [hem zag liggen, en wist, dat hij nu al zoo lang ziek was geweest, vroeg hij hem: wilt gij gezond worden? De zieke [antwoordde hem; Heer, ik heb niemand, die mij in het bad helpt dragen, als het water geroerd wordt; en als ik dus mijn best doe om er in te geraken, is er al reeds een ander voor mij ingegaan. Jesus zeide tot hem: sta op, neem uw bed op, en ga henen. Op hetzelfde oogenblik voelde de man, dat hij genezen was. Hij stond op, nam zijn bed, en ging vol blijdschap heen. Maar alzoo het alsdan Sabbathdag was, zeiden hem de Joden: het is Sabbathdag, gij moogt uw bed niet dragen. Hij antwoordde hun: die mij genezen heeft, heeft mij gezegd: neem uw bed op en ga henen. Wie heeft u dit gezegd ? was hunne vraag. Maar de man kon hem niet noemen: want Jesus had zich uit de menigte des volks heen gemaakt. Jesus vond hem naderhand in den tempel, en zeide hem: zie, gij zijt nu genezen, zondig niet meer, opdat u niets ergers over-kome.

BEMERKING. 1. Laat ons in de ellende van dezen lamme onze geestelijke kwalen zien. Het ware te wenschen, dat wij zoo geduldig in het lijden waren, en daarentusschen zoo be-geerig om van onze inwendige geestelijke kwalen genezen te worden. 2. Laat ons de overgroote magt van Christus aanbidden, en zijne regtvaardige oordeelen . vreezen, indien wij na onze genezing tot de voorgaande doodelijke zonden wederkeeren.

De genezene ging vervolgens aan de Joden boodschappen, dat Jesus hem genezen had. Daarom werd Jesus van de Joden vervolgd, omdat hij op den Sabbath genas. Jesus echter

-ocr page 512-

506 Geschiedmü

antwoordde aan de Joden: even als mijn Vader (onafgebroken voor het lieil der menschen) werkt, zoo werk ik ook. Om die reden stonden de Joden hem nog meer naar het leven, omdat hij niet alleen den Sabbathdag brak, maar ook zeide; dat God zijn Vader was, zich aldus gelijk makende aan God. Jesus sprak hen nu aldus aan: voorwaar, voorwaar, ik zeg u, de Zoon kan van zich zeiven niets doen, maar dat alleen hetgene hij den Vader ziet doen: want al wat de Vader doet, doet de Zoon insgelijks. Want de Vader heeft den Zoon lief; hij toont hem alles, wat hij doet, en zal hem nog meerdere dingen dan deze toonen, zoo dat gij u zult verwonderen. Want even als de Vader de dooden verwekt, en hun het leven geeft, zoo geeft de Zoon ook het leven aan al die hij wil. Ook oordeelt de Vader niemand (1), maar heeft al het oordeel aan den Zoon gegeven, opdat zij allen den Zoon zouden eeren, gelijk zij den Vader eeren. Wie den Zoon niet eert, die eert den Vader, die hem gezonden heeft ook niet. Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u: Die mijn woord aanhoort, en in dengenen, die mij gezonden heeft, gelooft, die heeft het eeuwige leven. Ja, de tijd komt aan, en is er reeds, dat de dooden de stem van den Zoon Gods zullen hooren, en zij, die ze hooren, zullen levend worden. Want even als de Vader het leven in zich zeiven bezit, zoo heeft hij ook aan den Zoon gegeven het leven in zich zeiven te bezitten (2), en hem de magt verleend van oordeel te vellen, omdat hij de Zoon des menschen is. Weest daarover niet verwonderd; want de tijd nadert dat allen, die in de graven zijn, de stem van den Zoon Gods hooren zullen. En die deugdzaam en vroom geleefd hebben, zullen te voorschijn komen en tot het leven verrijzen; maar wier handel ondeugend en boos is geweest, zullen tot de verdoemenis verrijzen. Ik vermag niets uit mij zeiven. Gelijk ik hoor, zoo oordeel ik; en mijn oordeel is regtvaardig: want ik zoek niet mijnen eigen wil, maar den wil van dengenen, die mij gezonden heeft.

Bijaldien ik van mij zeiven getuigenis geef, zoo gaat mijne getuigenis niet vast. Er is een andere, die van mij getuigenis geeft, en ik weet, dat de getuigenis, die hij van mij geeft, vast gaat. Gij zijt bij Joannes geweest, en hij heeft getuigenis van de waarheid gegeven. Wat mij betreft, ik heb de getuigenis van den mensch niet noodig: maar ik zeg dit, opdat gij moogt zalig worden. Hij was eene brandende en verlichtende fakkel, en gij hebt u voor een weinig tijds in zijn licht willen verheugen. Maar ik heb eene getuigenis, die grooter is dan die van Joannes; want de werken, die de Vader mij vergund heeft te volbrengen, die werken zeiven,

1) Te weten op eene zigtbare wijs.

2) Door zijne eeuwige geboorte uit den Vader.

-ocr page 513-

van het Nieuwe Testament. 507

die ik doe, geven getuigenis van mij, dat mij de Vader gezonden lieeft. — En de Vader zelf, die mij gezonden heeft, leeft getuigenis van mij gegeven; en gij hebt zijne stem nooit jehoord, noch hem gezien. Zijn woord hebt gij ook in u niet, omdat gij geen gehoor aan dengenen geeft, dien hij gezonden ift. Gij onderzoekt de Schrifturen, omdat gij daarin het eeuwige leven meent te hebben, en echter zijn het die, welke van hem getuigenis geven. Maar gij zoekt bij mij niet te ko-imfiinen, om het leven te vinden. Wat mij aangaat, ik heb den izel roem van de menschen niet noodig; maar ik ken u, dat gij jjeene liefde Gods in u hebt. Ik ben gekomen in den naam van mijnen Vader, (dat is, met het gezag en de magt mijns Vaders, en met alle teekenen zijner zending), en gij neemt mij niet aan; bijaldien een ander in zijnen eigen naam komt, dien zult gij aanvaarden. Hoe zoudt gij kunnen gelooven, gij, die den roem van elkander ontvangt, en die den waren roem, welke van God alleen komt, niet zoekt? Denkt niet, dat ik u bij den Vader zal beschuldigen; er is iemand, die u beschuldigt, namelijk Mozes, op wien gij u betrouwt. Want zoo gij Mozes geloofdet, zoudt gij mij ook gelooven: immers het is van mij, dat hij geschreven heeft. Maar indien gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij dan mijne woorden gelooven?

BEMERKING. Deze goddelijke aanspraak van Christus tot de Joden, moet met groote aandacht overwogen worden; want hij wijst hier zelf onwederleggelijk aan, waarop zijne zending, zijne magt, en het geloof van zijne grootheid gegrondvest is.

De verblindheid en de ongeloovigheid der Joden is schrikkelijk. Zij beelden zich in, dat hun wederstand tegen Christus voortkwam uit ijver voor God, en dat Mozes hen zoude voorstaan; maar Christus toont hun, dat hunne ongeloovigheid uit geene andere oorzaak komt, dan omdat zij God niet beminnen; ja, dat Mozes zelf hen zal beschuldigen. Laat ons dan onzen ijver wel onderzoeken, of hij van God komt, en of de Heiligen, die wij zoo verkeerd navolgen, niet veeleer onze beschuldigers, dan onze beschermers, bij God zullen wezen;

XX. HOOFDDEEL.

Christus kiest twaalf apostelen. Waarom arme e:i ongeletterde menschen? Waarom eenen Judas, die hem verraden zoude? Luc, 6. — Het jaar 31 van Christus, het tweede na zijne prediking.

Wanneer nu het getal der leerlingen begon toe te nemen, besloot Christus er voor zich uit die groote menigte twaalf voorname te kiezen, die als de twaalf partriarchen van zijn

-ocr page 514-

108 Geschiedenis

nienw volk zouden wezen, en de twaalf grondsteenen van zijne Kerk, om die als Apostelen, dat is, als zijne afgezanten, naderliani door de gansclie wereld tot liet verkondigen van liet Evangelie tt zenden. Het waren deze, aan welke hij daarna de magt verleende, om de zonden te vergeven, en die hij tot Bisschoppen aanstelde, met vermogen van deze goddelijke magt aan anderen, na zijne hemelvaart, mede te deelen. Deze waren gestadig rondom hunnen meester, als getuigen van a! zijne woorden, van al zijne mirakelen en van al zijne verrigtingen, zoo dat de geheimenissen, aan het volk zoo dikwijls in gelijkenis voorgesteld, aan deze in het bijzondei door Christus uitgelegd werden. Wanneer hij dan deze gewig. tige keus zoude doen, begaf hij zich alleen op eenen berg, en bragt den geheelen nacht in het gebed tot God door. Na liet aanbreken van den dag riep hij zijne leerlingen tot zich, en koos uit hen allen er twaalf uit, die hij Apostelen noemde; hunne namen zijn; Simon, dien hij den naam van Petrus gaf, en Andreas zijnen broeder; Jacobus en Joannes; Philippus en Bartholomeus; Mattheus en Thomas; Jacobus, zoon van Al-pheüs, en Simon, de ij veraar geheeten; Judas, zoon van Jacobus, en Judas de Iscarioter, die de verrader werd.

BEMERKING. Christus bidt den ganschen nacht, om df toonen, dat hij in deze keuze gansch van God zijnen Vader wil afhangen, en dat het verkiezen van bisschoppen, priesters en andere dienaren Gods, eene zaak van het allergrootste gewigt is. Hij roept wie het hem belieft, omdat hij geen acht neemt op de verdiensten, noch op de gelegenheid van hen, die hij zoude verkiezen, maar op den roep van zijnen Vader alléén, die degensn waardig maakt, welke hij verkiest. Derhalve zijn de waardigste dienaars, en die het grootste nut in de heilige Kerk stichten diegenen, welke God roept, gelijk hij Aaron riep, en gelijk Christus zelf daartoe geroepen werd van zijnen Vader. Doch al ziet God naar geene begaafdheden, omdat hij die zelf geeft, moeten nogtans degenen, die in zijnen naam zijne dienaars verkiezen, naar de begaafdheden zien, omdat zij menschen zijn, die de bekwaamheid niet kunnen geven, en die eens rekenschap zullen moeten doen van hunne keus. Zij moeten echter niet alleenlijk naar de uiterlijke begaafdheden, maar allermeest naar het deugdzame leven, en naar de teekens van Gods roep zien; want het zijn niet alleen de geleerdsten en welsprekendsten, die van God geroepen zijn, of die meest gezegend worden om de zondaars te bekeeren, en de grootste vruchten doen in de heilige Kerk. Dusdanige kunnen bij hunne toehoorders wel verwondering wekken, maar daardoor worden deze nog niet bekeerd.

Jesus kiest hier voor zijne Apostelen geene menschen van groot aanzien, geene rijke, geene magtige, geene welsprekende

-ocr page 515-

van het Nieuwe Testament, 509

of geleerde, maar geringe, arme, onkundige menschen: ten 1, opdat de bekeeiing van de wereld niet zoude toegeschreven worden aan grootheid, rijkdom, geleerdheid, menschelijke magt, maar alleen aan zijne almogende genade. 3. Om daardoor de wijzen, geleerden en welsprekender! te beschamen en te vernederen.

Verder stelt de Zaligmaker ook eenen Judas, die hem verraden zoude, onder het getal zijner Apostelen: Ten 1. om hierdoor te leeren, dat het niet genoeg is, om zalig te worden, wettig geroepen te zijn tot eenigen staat, maar dat men volgens zijnen roep moet leven, en daarin volharden. 3. om te toonen, dat er goede en slechte dienaars in de heilige Kerk zijn. 3. Opdat wij met geduld, naar zijn voorbeeld, de slechte zouden verdragen, met welke wij moeten handelen en leven.

XXI. HOOFDDEEL,

De berg-predikatie van Jeans. Matth. 5. en Luo. 6. te zamen gevoegd

De acht Zaligheden. Wie er, volgens Christus, gehikkiy, en wie ongelukkig zijn. — Het jaar 31, het tweede der prediking van Christus.

Naauwelijks had Christus zijne Apostelen verkozen, of hij deed hun, in de tegenwoordigheid zijner andere leerlingen, en van eene groote menigte volks, die heerlijke prediking, die de berg-predikatie genoemd wordt. Wij zullen dezelve hier aanhalen, als zijnde het kort begrip van al de evangelische grondregels; tevens zullen wij er eenige uitgebreide bemerkingen bijvoegen, ter oorzake der gewigtigheid van de zedeleeringen, die ons daarin door Christus gegeven worden.

Toen Jesus de menigte volks bezag, beklom hij eenen berg; hier zette hij zich neder. Zijne leerlingen schaarden zich op beide zijden bij hem. De volksschare stond aan den voet des bergs. Aller oogen waren op hem gevestigd. De diepste stilte heerschte er. Nu begon Jesus te onderwijzen, en zeide:

Zalig zijn zij, die arm van geest zijn; want het rijk\' des hemels behoort hun toe.

Zalig zijn de zaclïtmoedigen; want zij zullen het aardrijk bezitten.

Zalig zijn zij, die weenen; want zij zullen vertroost worden.

Zalig zijn zij, die hongerig en dorstig zijn naar de regt-vaardigheid; want zij zullen verzadigd worden.

Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid tw werven.

Zalig zijn zij, die zuiver van harte zijn; want zij zullen God zien.

-ocr page 516-

510 Geschiedenis

Zalig zijn de vreedzamen (1); want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de regtvaardigheid want het rijk des hemels behoort hun toe.

Zalig zijt gij, als de menschen u om mijnentwil haten, als zij u zullen lasteren, als zij zich van u zullen afscheiden, beleedigen; en als zij u zullen vervolgen, en valschelijk alle kwaad tegen u spreken: verblijd u alsdan en verheugt u, want uw loon is zeer groot in den hemel; immers op dezelfde wijze hebben zij reeds voor u de profeten, de heiligste en verstar digste mannen Gods mishandeld.

Wee u, rijken! want gij hebt uwen 1 troost. Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en weenen. Wee u, als de menschen lof van u zullen spreken; want alzoo deden hunne voorouders ten opzichte der valsche profeten.

BEMERKING. Hoe verschillen de oordeelen van Christus van de inbeeldingen der menschen, wegens het ware geluk Men wil gelukkig zijn, maar men zoekt het geluk daar, waai het niet gevonden kan worden: in rijkdom eer, genoegten, lof der menschen, wereldsche grootheden, enz. Christus leert ons, dat het rijk der hemelen, waarin het ware geluk bestaat, te bekomen is door de armoede van geest, dat is door de onthechting der aardsche zaken; door zachtmoedigheid; doot vredelievendheid; door liefdadigheid; door zuiverheid des harten; door honger en dorst naar de regtvaardigheid. Het is wegens deze gronddeugden, dat wij ons hart moeten onderzoeken: want daarin is de ware godsvrucht gelegen. Velen zijn er, die kunnen zeggen: ik kan niet vasten; ik kan geene gebeden verrigten, geene aalmoezen geven, geene uitstekende werken doen; maar elkeen kan arm zijn, ootmoedig, zachtmoedig, liefdadig zuiver van hart, hongerig en dorstig naar de regtvaardigheid.

De wereld schijnt die deugden ook wel te achten en te prijzen, maar zij dwaalt daarin, als zij meent die te kunnen bekomen zonder verstervingen, zonder geweld, zonder drut en lijden. Daarom voegt er Christus bij; zalig zijn zij. vervolging lijden om de regtvaardigheid, enz., die weenen over hunne eigene en over eens anders zonden, over de vererger nissen der wereld, over de ellenden van die droevige ballingschap ; over het gevaar van God eeuwig te verliezen, en over de onvermijdelijke ellende van hem nog altijd te mishagen. Die alzoo gesteld zijn, zullen aldra den haat en de vervolgingen der wereld op zich trekken, en door dat zalige merkteeken, volgens de verzekering van Christus, gelukkig zijn.

(t) Dat is, zoo wel die den vrede bewaren, als die lieir: maken.

ve ni te lei k; d( ui zi

-ocr page 517-

van het Niemce Testament. 511

De Apostelen zijn het zout der aarde en het licht der wereld.

Christus vernietigt geenszins de wet, maar voltrekt die.

Groot ere regtvaardigheid dan die der Farizeërs.

Gij zijt het zout der aarde; doch bijaldien het zout zijne kracht verliest, waarmede zal het dan gezouten worden? Het dient tot niets meer, dan om weggeworpen en van de menschen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld. Eene op eenen berg gelegene stad kan niet verborgen zijn; ook ontsteekt men geene kaars, om onder een korenvat te plaatsen; maar men stelt die op den kandelaar, opdat zij al de huisgenooten verlichte. Laat ook uw licht voor de menschen schijnen, opdat zij uwe goede werken ziende, uwen Vader verheerlijken, die in den hemel is.

Wilt niet denken, dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te vernietigen; neen, ik ben gekomen om dezelve te volmaken; want ik verzeker u, dat hemel en aarde eerder zullen vergaan, dan dat er eene letter of een stipje van de wet zal verloren gaan of onvervuld blijven. Degenen dan, die een van de minste geboden overtreden, en de menschen alzoo geleerd zal hebben, die zal in het rijk der hemelen de minste (1) genoemd worden: maar wie dezelve geleerd, en er naar gehandeld zal hebben, die zal groot genoemd worden in het rijk der hemelen. Want ik zeg u, dat, als uwe regtvaardigheid niet grooter is, dan die der Schriftgeleerden en Farizeers, gij in het rijk der hemelen niet zult komen.

BEMERKING. Laat ons van Christus leeren, hoe alle leerling van Christus het zout der aarde en het licht der wereld met zijn. Eene ware leerling van Christus moet door goede zeden en door eenen heiligen levenswandel zijnen medemensch van de bederfenis der wereld bewaren, en eene lamp zijn, om hem te verlichten. Wee ons, indien wij een krachteloos zout zijn, hetwelk slechts verdient vertreden te worden, of eene rookende lamp, die maar smook en stank, en geen licht van zich geeft! Wee ons, indien onze voorbeelden maar strekken om de wet te vernietigen of te krenken.... Wij üiogen onze bijzondere godsvrucht wel verbergen, maar over de plig-ten van onzen roep mogen wij ons noch schamen noch ze verbergen, en die moeten zóó schijnen voor de oogen van de menschen, dat zij over de onberispelijkheid onzer handelwijze gehouden zijn God te verheerlijken. — Onze regtvaardigheid moet veel grooter zijn, dan die van de Schriftgeleerden en Farizeërs, die het stelden in enkele uitwendigheid, en die de zondige gedachten, de ongeregelde begeerten, de smaadwoor-

(1) Dat is: hij zal er geenszins gerekend worden.

-ocr page 518-

Geschiedenis

den en de onkuisclie blikken voor geene zonden rekenden, als zij zicli maar onthielden van de uitwendige daad van den doodslag en het overspel; maar een opregte Christen stelt zijne deugd in de wet te volbrengen tot het minste stipje toe, en van deze getrouwheid komt zijne godsdienstigheid. Hij denkt slechts, hoe hij God getrouw zal zijn in alles, en aldus leert hij, ook zonder spreken, hoe ontzaggelijk God is, hoe waardig hij is gediend, gevreesd en bemind te worden.

De gramschap vluyten. Zich met de naaste ve7\':oenen.

Gij hebt gehoord, dat aan uwe voorouders gezegd is: gij zult niet doodslaan: want al wie doodslaat, zal strafbaar zijn voor de vierschaar. Maar ik zeg u; al wie op zijnen broeder [naaste, zonder reden) vertoornd wordt, zal strafbaar zijn voor het geregt; en die tegen zijnen broeder Eaoa (1) zal zeggen, zal strafbaar zijn voor den hoogen raad; en die zal zeggen: gij zijt een dwaas, zal schuldig zijn aan het helsche vuur.

Indien gij uwe giften aan het altaar gaat opdragen, en daar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, zoo laat uwe gift voor het altaar liggen, en ga u eerst met uwen broeder verzoenen, en kom dan uwe gift opofferen. Maakt in tijds met uwe tegenpartij eene overeenstemming, terwijl gij nog met hem op den weg zijt, opdat hij u niet aan den regter levere, en deze u niet in de magt zijner geregtsdienaars stelle, en gij aldus in dén kerker geworpen wordet. Voorwaar, ik zeg het u, gij zult er niet uitkomen, voor dat gij den laatsten penning betaald zult hebben.

BEMERKING. Christus vernietigt de wet niet, maar voltrekt ze, en toont hare uitgestrektheid en haren geest. De wet van Mozes verbiedt den doodslag; maar wat zal het baten, dat wij onze handen rein houden van vergoten bloed, indien het hart, hetwelk door God gezien wordt, vol is van haat en nijd en van eene moorddadige bitterheid! De liefde is het leven der ziel; alle gramschap, die de liefde vernietigt, doodt de ziel, en is toereikend om ons van God tot een eeuwig vuur te doen venvijzen.

513

Laat ons op deze woorden nauwkeurig letten, dewijl, volgens het oordeel van den Zoon Gods, een enkel smaadwoord de eeuwige verdoemenis verdienen kan, en leeren wij daaruit, dat hetgene bij de menschen maar klein is, groot en doodelijk zijn kan in de oogen van God. Dit moet ons strekken om ons van de minste bitterheden in onze woorden te wachten, en moet ons de minste beweging van gramschap in ons hart doen versmachten.

(1) Een smaadwoord.

-ocr page 519-

van het Nieuwe Testament. 513

Indien wij de liefde lot den naaste in iets gekwetst liebben, zoo laat ons niet uitstellen, van Let geneesmiddel in de broederlijke verzoening te zoeken. Bijaldien de Jood zicli eerst moet verzoenen, eer bij een onredelijk dier aan God zouda durven opdragen, zullen wij dan de offerande van vrede en het Lam Gods durven opdragen met een verbitterd gemoed ? of als wij weten, dat onze broeder, en mogelijk door onze schuld, tegen ons verbitterd is?

Indien de voorzigtigheid vereisclit, dat wij eene ongegronde en ondeugende zaak vereffenen, eer wij den regter het vonnis laten uitspreken, dan vereisoht zij nog meer, dat wij ons met onzen broeder verzoenen, eer wij voor den regterstoel van God of voor zijn heilig altaar verschijnen... Al wie voor dezen strengen regter zonder liefde verschijnt, zal aan den duivel geleverd worden, om eindelooze pijn te ondergaan.

Overspel in het hart. Alle oorzaak van verergenis wegnemen.

Onverltrekelijkheid van het huwelijk.

Gij liebt gehoord, dat aan uwe voorouders gezegd is: gij zult geen overspel doen. (Exod. 20. v. 14.) Maar ik zeg u: al wie eene vrouw aanziet om haar te begeeren, heeft reeds met haar overspel in zijn hart bedreven. Indien dan uw regter oog ü tot ontstichting dient, rukt het uit, en werpt het van u: want het is u beter, dat een uwer ledematen verloren ga, dan dat geheel uw ligchaam in do hel geworpen worde. En voor zoo verre uwo regterhand u tot ontstichting dient, snijdt ze af, en werpt ze van u: want het is beter, dat een uwer lidmaten verloren ga, dan dat geheel uw ligchaam in de hel geworpen worde.

Er is alsnog gezegd (Deut. 34. v. 1.): die zijne vrouw verlaat, geve haar eenen scheldbrief. Maar ik zeg u: wie zijne vrouw verlaat, ten ware om overspel, en die zelfs in dit geval haar toelaat eenen anderen echtgenoot te nemen, die doet haar overspel bedrijven j wie de verlatene vrouw trouwt, die bedrijft ook overspel.

BEMERKING. De Zaligmaker leert ons de uitgestrektheid van do deugd van kuischheid, en het middel om die ongeschonden te bewaren. De Jood beeldt zich in, dat het genoeg is geen overspel, of andere uitwendige zonden wegens dit punt te bedrijven. Maar Christus vereisoht de zuiverheid des harten. Een onzuivere blik, eene oneerlijke begeerte, eene zondige ingewilligde gedachte, een ondeugend woord, eene losheid, die de wereld maar voor eene beuzeling rekent, kan voor Gods oogen, gelijk het overspel, eene doodelijke zonde zijn. Om God te mogen aanschouwen, moet het

o 3

-ocr page 520-

Geschiedenis

hart zuiver zijn ; docli het hart is niet zuiver, als het ons drijft tot, of toestemt in een ongeoorloofd vermaak.

Het geneesmiddel tegen die zonde is bidden, waken en de gelegenheid vlugten. Die het gevaar bemint, zal er in vergaan. Daarom, bijaldien uw regter oog u ontsticht, zegt Christus, ruH het uit, en werpt het weg. Dat is, ook de personen, die u zoo lief en zoo noodig zijn als uw regter oog, moet gij, indien zij u tot val en ontstichting dienen, verlaten ; gezelschappen, bijeenkomsten, zamenspraken, spelen en vermakelijkheden, en andere voldoeningen, indien zij ons tot zonde strekken, desaangaande moet men aioh geweld aandoen om die af te breken, zonder naar de beschimping der vrijgeesten te luisteren. Men laat zich dikwijls eenen arm of een been afzetten, om voor een weinig tijds een ellendig leven te verlengen en den dood te ontgaan ; en zullen wij niet eene voldoening willen laten, om het eeuwige leven niet te verliezen?

Niet zweren zonder nood.

Insgelijks hebt gij gehoord, dat aan uwe voorouders gezegd is: gij zult geenen valschen eed doen: maar datgene wat gij den Heere gezworen hebt, zult gij volbrengen. (Lev. 19. v. 1.) Maar ik zeg u: zweert nimmer, noch bij den hemel, want hij is de troon van God; noch bij de aarde, want zij is zijne voetbank; noch bij Jeruzalem, want zij is de stad van den grooten koning. Gij zult ook niet zweren bij uw hootd; want gij kunt er niet één haar wit of zwart van maken. Maar dat uw woord zij: Ja, ja! neen, neen! Al wat meerder gezegd wordt, komt van het kwaad.

BEMERKING. De Tarizeers beeldden zich in, dat het zweren, slechts zonde was, als men tegen de waarheid zwoer, en dat zelfs een\' valschen eed zweren, niet bij God, maar bij de schepselen kwaad was. Maar Christus prent ons door zijne leer wel een ander ontzag in voor den heiligen Naam van God, en voor de afhankelijkheid der schepselen van den Schepper, en wil ons daardoor het eedzweren, zooveel mogelijk, doen vermijden. Het is vooreerst groote zonde, datgene met eed te bevestigen, wat valsch is of waaraan men twijfelt; niet te volbrengeu de ongeoorloofde zaken, die men met eed beloofd heeft, en met eed te beloven iets wat ongeoorloofd is, of wat men niet voornemens is te volbrengen. Maar dit alles is nog niet genoeg. Een valsche eed is zulk een groot kwaad, dat men, uit vrees van dit te bedrijven, alles moet doen wat men kan, om niet te zweren. Men mag God nooit tot getuigenis roepen, dan om gewig-tige redenen en met groote omzigtigheid; doch welke noodzakelijkheid is er van te zweren, als men u gelooven wil

5U

-ocr page 521-

vttn lid Nieuwe Testament. öl5

zonder zweren, als de oorzaak maar gering, of als men u geen geloof zal geven, schoon gij zweert?

Christus wil zelfs niet, dat wij door de schepselen zweren, omdat zij allen aan God toebehooren en van hem afhangen, en omdat men door God zweert, als men hem tot getuige neemt, of in zich zeiven, of in het werk zijner handen.

Laat dan ons woord zijn: ja, ja; neen, neen; want wat meer gezegd wordt, komt van het kwaad, dat is, of van de oneerbiedigheid van hen die zonder nood zweren, of van een onregtvaardig mistrouwen van den naaste die men dwingt te zweren, of van de geringe trouw der menschen ouder elkander, waardoor men ilen eed afeischt, omdat men hunne woorden mistrouwt.

Laat ons dan vol ontzag zijn voor den heiligen Naam van God, om niet zonder noodzakelijkheid te zweren; vol liefde en geregtigheid tot den naaste, om hem niet zonder reden te doen zweren; en vol van zoo groote regtzinnigheid, dat onze woorden bij iedereen zoo vast gaan als een eed.

Geen kwaad met kwaad loonen, maar kwaad met goed vergelden.

Anderen behandelen, gelijk men behandeld wil worden.

Gij hebt gehoord, dat er gezegd is; oog om oog, en tand om tand (Exod. 31. v. 24.): maar ik zeg u, die mij aanhoort: wederstreeft den gramstorige niet; bemint uwe vijanden, en doet goed aan die u haten. Zegent degenen die u vervloeken, bidt voor hen die u lasteren. Zoo u iemand op de regter frang slaat, biedt hem ook de linker aan. Bijaldien iemand met u en om uwen rok wil twisten, geeft hem dan nog den mantel; en die u met geweld eene mijl met hem doet gaan, vergezelt hem dan liever twee mijlen.

Geeft aan hem die u iets verzoekt; weest ook niet afkeerig van dengenen die van u leenen wil. En indien u iemand het uwe ontneemt, eischt het niet weder. Gelijk gij wilt, dat de menschen u behandelen, behandelt hen ook zoo.

BEMERKING. Christus leert ons hier, hoe verre de liefde tot den naaste moet gaan; boe zij bereid moet zijn alles te lijden en alle mogelijke liefdadigheid te bewerken.

Be wet, die den Joden toeliet in het regt te vragen, oog om oog, tand om tand, was in zich zelve regtvaardig; dewijl zij voorschreef, dat de straf gelijk moest zijn aan de misdaad, maar ook niet verder. Doch de geest van wraakzucht, waardoor de Joden hierin gedreven werden, was kwaad; en daarom bevoelt ons Christus aan, het kwaad, hetwelk ons overkomt, niet te wederstaan, en liever de andere wang aan te bieden, mantel en rok te laten varen, en twee mijlen, in stede van eene, mede

-ocr page 522-

516 Geschiedenis

te gaan, dan wraak te nemen, en aldus de liefde te verliezen; en hij heeft ons die groote les nog meer door zijn voorbeeld, dan door zijne woorden, geleerd, wanneer hij in zijn lijden, als hij een kaakslag ontving, zoo zachtmoedig antwoordde, en voorts geheel zijn ligchaam overgaf aan de allerwreedste pijnen, zonder eens zijnen mond te openen om een klaagwoord te uiten,

Doch de liefde gebiedt niet alleen het kwaad te lijden, maar ook aan den naaste alle mogelijke goed te bewijzen. Geef aan al roie vraagt, zegt Christus, en icees niet ajkeerig van te leenen; •dat is, wanneer gij kunt, en als uw broeder het noodig heeft, zonder ooit iemand te verstoeten bij gebrek aan liefde, uit mistrouwen op Gods voorzienigheid, of uit aankleving aan het aardsche goed. En als dit alles niet letterlijk volbragt kan worden, moeten wij toch den geest van liefde behouden, zoo dat de liefde zelve de beweegreden zij, waarom men in dit geval weigert te leenen of te geven; aldus zal men het gebod door de bereiding des harten volbrengen. Maar of die bereiding des harten opregt is, daarin kan de eigenliefde zich ligtelijk bedriegen: God echter, die het hart doorgrondt, kan zij niet bedriegen.

Zijne vijanden heminnen.

Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: gij zult uwen naaste liefhebben (Lev. 19. v. 18.) en uwen vijand haten. Maar ik zeg u; hebt uwe vijanden lief, doet wel aan die u haten, en bidt voor hen die u vervolgen en lasteren, opdat gij kin deren moogt wezen van uwen vader, die in den hemel is, die zijne zon laat opgaan over de goeden en kwaden, en zijnen regen over de regtvaardigen en onregtvaardigen afzendt. Want indien gij slechts degenen lief hebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij dan te verwachten? Doen de Publikanen dit ook niet? Ondeugende menschen hebben ook diegenen lief, dio hen liefhebben. En zoo gij maar goed bewijst aan hen, die u wel doen, wat dank zult gij dan daarvoor hebben, aangezien de booze menschen dit ook doen? En indien gij maar leent aan hem, van wien gij hoopt weder te krijgen wat dank zult gij dan hebben, aangezien do booze menschen ook aan elkander leenen, om gelijk vriendschap te ontvangen? Zoo gij maar aan uwe broeders vriendschap bewijst, wat bij zonders verrigt gij dan? Doen zelfs de Heidenen dit ook niet? Gij dan, hebt uwe vijanden lief; doet goed; leent zonder daarvoor iets te verwachten; uw loon zal groot wezen, en gij zult kinderen van den Allerhoogsten zijn; want hij is goedertierend jegens de ondankbaren en de boozen. Weest dan

-ocr page 523-

van het Nieuwe Testament. 512

barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is; en gelijk uw he-inelsche Vader volmaakt is, zoo weest gij ook volmaakt.

BEMERKING. De wet van Mozes leert, dat men zijnen naaste beminnen moet; maar zij zegt nergens, dat men zijnen vijand haten mag. liet waren de Farizeërs, die een verkeerd besluit trokken uit het bevel, hetwelk God den Israëlieten gegeven had, om de Chananeërs, die de Heer om hunne goddeloosheden wilde straften, zonder genade uit te roeijen. De Joden werden aldus door de Farizeërs bedrogen, maar lieten daarom niet na te zondigen, met hunnen vijand te haten, dien zij, volgens de wet, als hunne naasten moesten beminnen. Doch hoe zullen zich de Christenen kunnen verschoonen, aan wie de Heer zoo uitdrukkelijk bevolen heeft eene opregte en grondhartige liefde, zelfs tot hunne vijanden te dragen? Zijnen vijand beminnen, is hem goed wenschen, zich verheugen in het goed dat hem overkomt; zich bedroeven in zijn ongeluk, en geneigd zijn om hem te helpen. Wij zijn wel niet gehouden eene teedere vriendschap met hem te houden, zoo als met onze bloedverwanten en vrienden; maar God wil, dat wij ook voor onze grootste vijanden eene bovennatuurlijke goedhartigheid en eene opregte, christelijke liefde hebben, door hen te aanzien als zijne schepselen en zijne kinderen, die naar zijn beeld en zijne gelijkenis geschapen zijn, en als onze medebroeders in Christus; en dat wij hem om deze liefde, die boven onze magt is, opregt en volstandig zouden bidden.

Christus wil ook, dat wij onze vijanden ware blijken van liefde geven: met hun goed te bewijzen en God te bidden, dat hij hen zegenen wille, opdat wij kinderen mogen zijn van onzen Vader, die in den hemel is, die zijne zon laat schijnen over goeden en kwaden, en zijnen regen over de regtvaardigen en onregtvaardigen afzendt. En waar zouden wij toch zijn, indien God zijne liefdadige hand van ons aftrok, zoo haast wij door de zonde zijne vijanden waren ? Dit is de volmaaktheid, tot welke wij geroepen zijn, en zonder welker betrachting wij den naam van Christenen niet Verdienen.

XXII. HOOFDDEEL.

Vervolg van de berg-predikatie. Matth. 6. en 7. en Luo. 6. to zamen gevoegd.

Ben lof der menschen niet zoeken.

Wacht u van uwe goede werken voor de menschen te doen, om van hen gezien te worden; want anders zult gij er geen loon van Lebben bij uwen Yader, die in den hemei is. Als

-ocr page 524-

«

518 Geschiedenis

gij aalmoezen geeft, zoo laat voor u de bazuin niel blazen, gelijk de huiclieiaars in de Synagogen en op de straten doer, om van de mensclien geëerd te worden. Voorwaar, ik zeg liet ii: zij hebben hun loon al ontvangen. (Dit is ook alles, wat zij er van hehben.) Maar als gij eene aalmoes geeft, laat dan zelfs uwe linker-hand niet weten, wat de regter doet, opdat uwe aalmoezen verborgen blijven; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.

BEMERKING. Laat ons hier van Christus leeren, onze , goede werken alléén om God te verrigten, zonder andere vergelding daarvoor te zoeken, dan hem, en zonder daardoor aan anderen, noch ook aan ons zeiven te willen behagen. Het is niet genoeg goed te doen, en zelfs zoo veel goed te doen als men maar kan; maar wij moeten het naar behooren doen; en daarom moeten wij naauwkeurig letten op onze meening, Ziet toe, zegt Christus, dat gij uwe goede werkm niet doet om van de mensclien gezien te worden, dat is, om van hen geëerd te worden. Dat zelfs ime linker hand niet wete wat mee regter doet. Heb er ook geen zelfbehagen in; tracht het goed dat gij doet te vergeten opdat gij niet zijt als de heidensche Filózofen, die, het oordeel der andere mensclien versmadende, zich door de ijdele inbeelding hunner eigene uitstekendheid opbliezen, of gelijk, de Farizeërs, die over hunne goede werken zich vleiden, en in hun luut zeiden : ik hen niet gelijk de andere mensclien. Bekommeren wij ons daarmede niet. Hetgene wij opregt om God doen, zal niet vergeten worden. Hij zal alles aanteekenen en overvloedig loonen. Laat ons geene andere getuigen zoeken, dan zijne oogen, en altijd even getrouw zijn in het goede te doen; hetzij dat de mensclien ons zien, of niet: God ziet het dit is genoeg.

Wat men in het hidden vermijden moet. Het gebed des Heeren.

Als gij bidt, zoo doet niet gelijk de huichelaars, die gaarne in de Synagogen en op de hoeken der straten staande, bidden, om van de menschen gezien te worden. Voorwaar, ik zeg u, zij hebben hun loon reeds ontvangen. Als gij bidden wilt, gaat dan in uwe kamer, sluit de deur, en bidt daar tot uwen Vader in het verborgen; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden. Gebruikt ook niet vele woorden in uw bidden, gelijk de Heidenen doen) want zij meenen, dat zij door veel spreken verhoord worden. Weest dus hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij noodig hebt, zelfs eer gij het hem verzoekt. Maar gij moet hem aldus bidden; Onze Vader, die in de hemelen zijt! geheiligd zij uw Naam. Ons toekome uw rijk. Uw wil

-ocr page 525-

van liet Nieuwe Testament. 519

gescHede op de aarde gelijk in den hemel. Geef ons heden ons dagelijkscli brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring ; maar verlos ons van den kwade. Amen. — Want indien gij de menschen hunne misslagen vergeeft, zoo zal ook uw Vader u uwe misslagen vergeven. Maar bijaldien gij de menschen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal uw Vader uwe misdaden ook niet vergeven.

BEMERKING. Christus leert ons hier drie dingen: ten 1. als wij bidden, de deur van ons hart voor alle andere zaken te sluiten, om met God alleen bezig te zijn over het groote werk onzer zaligheid.

Ten 2. Ons betrouwen niet te stellen op het groote getal en de uitgelezenheid der woorden, gelijk de Heidenen. He\'t opregt christen-gebed is een geroep des harten, hetwelk zich met ootmoetigheid en betrouwen tot God keert, om in zijne ellenden geholpen te worden. Wel bidden, is zijn hart voor God uitstorten, niet in schoone woorden of kiesche gedachten, maar in dikwijls herhaalde zuchten, verlangen, aanbiddingen en vurige smeekingen. Zoo bad Christus in den hof van Olijven; zoo bad David in zijne psalmen; zoo leert de heilige Kerk ons bidden in hare Collecten; zoo bad de Publikaan -van het Evangelie, de melaatsche, de Chananeesche vrouw, en al de andere, die van Christus verhoord en geprezen worden.

Ten 3. Christus leert ons, wat wij moeten vragen; om te toonen, hoe zeer hij verlangt ons te verhoeren; hij stelt ons, in het gebed des Heeren, met korte woorden den smeekbrief op, dien wij ouzen Vader moeten toestieren.

Het gebed des Heeren is de regel onzer verlangens. Wat moet een Christen anders verlangen, dan dat de naam van God geheiligd worde; dat zijn rijk ons toekome, en dat zijn wil volkomenlijk volbragt worde? Wat moeten wij voor ons zeiven en voor onzen naaste verlangen, dan onze noodwendigheden naar ziel en lichaam; vergiffenis onzer zonden en de genade om die niet meer te bedrijven; de verlossing van de begeerlijkheid, die ons nog derwaarts drijft, en van alle ander kwaad, door eenen zaligen dood en eene roemrijke verrijzenis. Maar laat ons wel toezien, dat wij vergiifenis vragen, gelijk wij een ander vergeven. Vergeven wij dan alles en aan iedèreen: regtzinnig, van harte, voor altijd, en achten wij ons gelukkig, dat wij, door de kwijtschelding van iets gerings, de vergiffenis van zoo groote schulden kunnen verkrijgen.

Over het vasten.

Als gij vast, moet gij er niet zoo treurig uitzien als de huichelaars, die hun gelaat verbleeken, opdat de menschen

-ocr page 526-

Geschiedenis

zouden zien dat zij vasten. Voorwaar, ik zeg u, dat dit hun I gelieele loon is. Gij, als gij vasten wilt, zalft dan uw lioofd, 1 en wasclit uw aangezigt, opdat de mensclien niet merken dat I gij vast, maar wel uw Vader, die in het verborgen ziet: en hij zal het u vergelden.

BEMERKING. Christus leert hier, dat het vasten deel maakt van de ware godsvrucht. Wij zijn door onmatigheid uit het ] Paradijs gedreven, wij moeten door de matigheid en de versterving daar wederom trachten in te komen, en ons zeiven geweld aan doen, om het rijk der hemelen te erlangen. Indien de Jood uit bijgeloovigheid, en de huichelaar uit ijdelheid, vast, moeten de opregte Christenen vasten uit ware boetvaardigheid.

Christus heeft zijnen leerlingen voorzegd dat zij zouden vasten, tij heeft er hun het voorbeeld van gegeven, gelijk Mozes en Elias aan de Joden. Men kan geen leerling van Christus zijn, indien men zelfs de geboden vastendagen weigert te onderhouden, hetzij uit onmatigheid, hetzij uit menschelijk opzigt. Onze bijzondere verstervingen van godsvrucht mogen wij wel verbergen; maar wat geboden is, mogen wij ons nooit schamen.

Doch het vasten, om aan den Vader, die in het verborgen ziet, te behagen, moet door eene ware godsvrucht geheiligd worden. Zalft uw hoofd, zegt Christus, en wascht uw gelaat. Zalft uw hoofd door de vroolijkheid van eenen blijden geest, eu wascht uw gelaat door de onschuld van een heilig leven, en door de tranen van boetvaardigheid.

De schat der Christenen is in den hemel.

Vergadert u geene schatten op de aarde, waar de roest en de motten dezelve bederven, waar dieven die uitgraven en stelen; maar vergadert u schatten in den hemel, waar noch roest, noch motten die verteren, en waar de dieven die niet uitgraven, noch stelen. Want waar uw schat is, daar is ook uw hart.

ii 1

BEMEEK1NG. Is er iets ter wereld, wat onze schat kan zijn, of verdient te wezen? Eijke en vermogende vrienden, geld en goed, lof en eer, pracht en wellusten, dit alles kan de dood ons ontnemen, de roest verteren, de motten bederven, de dief stelen. Alles is ijdelheid, behalve God te beminnen. Onze ziel moet eeuwig leven; al wat niet eeuwig duurt en haar niet eeuwig gelukkig kan maken, kan haar schat niet wezen.

Dus moeten wij eenen schat van deugden en goede werken verzamelen, die eeuwig duren, die ons rijk maken voor God, rijk door een goddelijk goed, rijk voor de eeuwigheid.

630

-ocr page 527-

van het Nieuwe Testament. 521

Waar is uw hart? Waar zijn uwe betrachtingen? Waar uw liart is, daar is ook uw schat. Is uw hart op aarde, dan zijn flaar alle uwe betrachtingen: de aarde is uw schat, en hoe vergankelijk is al het aardsche! Als de mensch sterft, is voor hem de geheele wereld dood. Is uw hart in den hemel, dan zijn uwe gedachten en betrachtingen in den hemel: de hemel is dan uw schat, en een hart, hetwelk aan God en aan den hemel gehecht is, zal de vernietiging van alles, wat er op aarde is, niet met zich slepen.

Het eenvoudig oog.

Het oog is het licht des ligchaams. Indien dan uw oog rein is, zoo zal geheel uw ligchaam verlicht wezen. Maar indien uw oog kwaad is, zoo zal geheel uw lichaam verduisterd wezen. Zoo het licht, hetwelk in u is, slechts duisternis is, hoe groot zal dan de duisternis zelve zijn.

BEMERKING, Onder al de lidmaten van het menschelijke ligchaam is het oog maar alleen, dat het licht ziet, en het is door hetzelve, dat al de andere ligchamen verlicht zijn en zien. Bijaldien het oog zuiver, gezond en zonder letsel is, mist het niet in deszelfs gezicht, en al de andere lidmaten verrigten behoorlijk elk zijne bedieningen, alsof zij ziende waren. Deze gelijkenis gebruikt Christus tot een geestelijk onderrigt.

Indien onze godvruchtige oefeningen, als bidden, vasten, aalmoezen geven, enz. die als het oog zijn van ons geestelijk ligchaam, zuiver, eenvoudig en zonder letsel zijn, zal dit licht zich uitstorten over alle andere werken, die uit zich zeiven onverschillig zijn. Maar indien onze goede werken zelve, die dienen moesten om de andere te verlichten, besmeurd, duister en bedorven zijn, hoedanig zullen dan onze andere werken zijn, die uit zich zeiven niets goeds bezitten en die door ons gebed en onze goede meening moesten geheiligd worden?

Wederom, het eenvoudige oog is onze goede meening. Als men niets anders bedoelt dan God te behagen, dan is onze meening eenvoudig en \'oprecht; en de zuivere meening doet ons, als door een helder licht, klaar zien, wat wij doen of laten moeten, en dit licht wordt aldus de regel en de zegening van al onze werken. Eindelijk, het eenvoudige oog is ons geloof, ons geweten en de opperliefde van het hart. Het eenigste middel om ons leven door goede werken te heiligen en onze meening zuiver te maken, is ons hart te zuiveren door het geloof en de liefde vlt;in God. Indien wij God zuiver, opregt en volmaakt beminnen, zullen wij als van zelfs al onze werken tot God stieren, zelfs als wij op

-ocr page 528-

523 Geschiedenis

tem niet uitdrukkelijk denken, omdat liet zijne liefde zal zij. welke ons die zal doen ondernemen. Dit is liet oog, dat alle verlicliten \' zal. Amor meus, pondus meus, zegt Augustinu ille feror, qiiocumque feror.

Niemand kan twee Ueeren dienen. De ijdéle lekommeringen vlugten.

Niemand kan twee heeren dienen: want hij zal of dei eenen haten, en den anderen liefhebben ; of hij zal den eenei verdragen en de andere verachten. Gij kunt God en he geld niet dienen. Ik zeg u dan: zijt gij voor uw leven nie (zoo angstvallig) bekommerd, wat gij eten en drinken zult noch voor uw ligchaam, waarmede gij het zult kleeden. I het leven dan niet waardiger dan de spijs, en het ligchaam niet waardiger dan de kleeding ? Aanschouwt de vogelen dei hemels; zij zaaijen noch maaijen, noch verzamelen in d( schuren, en toch voedt hen uw hemelsche Vader. En zij gij niet veel waardiger dan deze ? Wie is er toch van u, die met al zijne bekommeringen zijne lengte eenen elleboog kan verhoogen ? En waarom zijt gij ook bekommerd voor uw« kleeding ? Beschouw de leliën des velds. Zij arbeiden noch spinnen, en toch zeg ik u, dat Salomon, zelfs in al zijne heerlijkheid en pracht, niet is gekleed geweest gelijk eene van deze. Bijaldien God dan het veldgewas, dat heden in wezen is en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo l» kleedt, hoe veel te meer zal hij u dan kleeden, gij kleingfr loovigen ? Weest dan niet bekommerd, en vraagt niet altijd wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken-, of waarmede zullen wij ons kleeden ? Dit alles is slechts de zorg dei Heidenen. Uw Vader weet wel, dat gij al deze dingen van noode hebt. Zoekt dan eerst het rijk en de regtvaardigheiii Gods, en al het overige zal u toegeworpen worden. W dus niet bekommerd over den dag van morgen; want de dag van morgen zal wel voor zich zeiven zorgen. Elke dai heeft zijn eigen kwaad genoeg..

BEMERKING. Leert uit deze woorden, hoezeer de geldzucht tegen de dienst en de getrouwheid, die wij God schuldig zijn, strijdig is, en hoe verre de onthechting van het geld en van de aardsche zaken gaan moet, om God getrouw te zijn.

De wereld beeldt zich in, dat men wel kan verkleefd zijn aan de aardsche zaken, zonder daarom na te laten God te dienen. Tegen deze dwaling stelt Christus hier dezen gewig-tigen grondregel: gij kunt geene twee Ueeren dienen ; en weder-

der

alh-

stel sel

-ocr page 529-

van het Nieuwe Testament.

derotn elders: ffij zult den Heer meen God aanbidden, en hem alleen dienen. (Math. IV. 9.) God dienen, is God voor alles stellen. Doch men kan niet te zamen God voor de schepselen stellen, en de schepselen voor God.

De geldzucht is strijdig tegen God. Zij vernietigt den geest des geloofs, die de toekomende en onzienlijke goederen beoogt : zij doet de hoop te niet, die men op God alleen moet stellen, en die de gierigaard stelt op zijne schatten ; en ook de liefde, die het hart van de aardsche zaken onthecht. De ootmoedigheid, de getrouwheid en de rechtvaardigheid loo-pen gevaar, als het hart aan geld verslaafd is.

Christus wil, dat men het aardsche goed bezitte zonder aangekleefdheid, gelijk Abraham en de andere Patriarchen; het verlieze zonder morren, gelijk Job; het overschot milddadig uitreike, gelijk al de Heiligen; den overvloed schrome, gelijk Salomon in zijne eerste eenvoudigheid.

En omdat de zorg voor het noodzakelijke dikwijls tot dekmantel van gierigheid dient, leert Christus ons hier, dat wij voor het noodzakelijke zelfs niet mogen beangst zijn; want ten 1. de angst kan ons niet baten; ten 2. hij kan ons niet dan pijnigen; ten 3. hij beleedigt God, die onze Vader is, die onze behoeften kent, die daarin kan voorzien, en ons niet verlaten zal, indien wij ons betrouwen op hem stellen, dewijl hij zelfs de kruiden der aarde en de vogelen der lucht van iunne noodwendigheden voorziet.

Zoekt dun eerst het rijk en de regtvaardir/heid Gods. De zaligheid is de groote zaak, de eigenlijke zaak, en, in zekeren zin de eenigste zaak die wij moeten behartigen. Alles hangt daarvan af, alles moet daartoe strekken. Indien wij onze ziel behouden, zal ons het overige van zelve toeyeworpen worden. Maar indien wij onze ziel verliezen, is alles voor ons verloren, en zonder herstel verloren.

Niet oordeelen.

Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden; vervloekt niet, en gij zult niet vervloekt worden; scheldt kwijt, en u zal kwijtgescholden worden; geeft en u zal gegeven worden. Men zal u eene goede, opgehoopte en overloopende maat in uwen schoot gieten. Want op dezelfde wijs, dat gij zult geoordeeld hebben, zult gij geoordeeld worden;-en met dezelfde maat waarmede gij een ander zult gemeten hebben, zal men u ook inmeten.

BEMERKING. Christus verbiedt hier niet te veroordeelen, hetgene openbaar tegen de wet van God strijdt. Het is ons niet geoorloofd het licht duisternissen te noemen, en de

523

-ocr page 530-

Gesclüedenü

duisternissen licht. David bezweek van smart over de overtreding, die hij dagelijks zagj en elke Christen moet in zijn hart ook alzoo gesteld zijn. Maar Christus verbiedt ons, zonder gezag, personen en zaken te oordeelen, die ons niet aangaan: te oordeelen zonder licht en kennis over hetgene wij niet weten; te oordeelen zonder geregtigheid, met de zaken uit drift te vergrooten: te oordeelen zonder liefde, met verkeerdelijk op te nemen wat onschuldig konde zijn: te oordeelen over de tegenwoordige gesteltenis des naasten uit eenige voorgaande fouten; te oordeelen over zijn hart uit eenige ligte uitwendigheden: te wanhopen van zijne zaligheid, om zijne tegenwoordige onboetvaardigheid: zonder genade te oordeelen, door alles ten ergste te nemen, voornamelijk als het onzen eigen persoon betreft.

Het is bijzonderlijk om dit laatste, dat Christus er bijvoegt: vergeeft, en u zal vergeven worden; of anderzins, gelijk de H. Job zegt: een oordeel zonder harmhartigheid, voor al wie geene larmhartigheid zal hebhen. En wat zal er van ons geworden, indien het met ons zoo gaat? Men zal ons met dezelfde maat inmeten, met welke wij zullen gemeten hebben.

Splinter in het oog.

Jesus zeide hun ook deze gelijkenis: kan de eene blinde den anderen wel leiden? vallen zij niet beide in de gracht? De leerling is niet boven zijnen meester; maar alle leerling zal volmaakt zijn, als hij gelijk is aan zijnen meester. Wat! ziet gij den splinter in het oog uws broeders, gij, die den balk in uw eigen oog niet ziet? Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen: laat mij den splinter uit uw oog doen, gij, die den\' balk, die in uw eigen oog is, niet ontwaart? Huichelaars! trekt eerst den balk uit uw eigen oog, en ziet dan hoe gij den splinter uit het oog uws broeders kunt trekken.

BEMEKKING. Omdat de menschen dikwijls aan hunne nadeelige oordeelen, die zij over den naaste vellen, den naam geven van ijver voor het goede en voor de verbetering, zoo maakt Christus ons hier indachtig, dat wij blinden ziin, dat de eene blinde den anderen niet helpen kan; en dat het ons vervolgens zeer kwalijk staat, eenen splinter in eens anders oog te zien, daar wij menigmaal den balk niet zien, die in ons eigen oog is. Dat is, dat wij eerst en vooral moeten bezorgd zijn voor onze eigene gebreken, en voornamelijk voor de boosaardigheid en den hoogmoed, die menigvverf in de verwijzingen te vinden zijn, die wij van onzen evenmensch doeu.

Men vleit zich somtijds, omdat men zelfs eenen splinter in eens anders oog ziet, en Christus berispt ons over die scherp-

624

-ocr page 531-

van lid Nieuwe Testament.

zinnigheid. Hij looolient niet, dat die splinter daarin is; maar leert, dat wij slecht en boosaardig doen, met die daar in te zien, terwijl wij eenen balk in ons eigen oog niet ontwaren. Is zulks te verdragen? Christus, die de onsckuld zelve, is, oordeelt ons met barmhartigheid; en wij, die zoo vol gebreken zijn, zouden de minste gebreken in onze medebroeders niet verschoonen 1

Dusdanig waren de Farizeërs, die vol bedorvenheid en hoogmoed staken, en de Leerlingen kwamen berispen, dat zij met ongewasschene handen aten. Dusdanig waren ook de vrienden van Job; maar laat ons wel toezien, dat wij hen beide niet navolgen.

Het heilige niet geven aan de honden.

Geeft het heilige niet aan de honden, noch werpt uwe parelen voor de varkens, opdat zij die niet vertrappen, en, zich om-keerende, u verscheuren.

BEMEKKING. Ten einde het verbod, van zijnen naaste te oordeelen, geene gelegenheid van lafhartigheid aan degenen zou geven, die de plaatsen van Christus bekleeden, om de zondaars te oordeelen, 300 gebiedt de Zaligmaker hun, hier, wel toe te zien, dat zij het Heilige niet geven aan de honden, en de parelen niet werpen voor de varkens; dat is: dat zij het Heilige der Heiligen niet geven aan de zondaars, zoo lang zij nog in het modder der zonden steken, waardoor zij gelijk zijn aan honden en varkens, twee dieren, waarvan de Joden een gruwel hadden. Zij mogten het varkensvleesch niet eten, noch het offeren, noch zelfs het geld, waarvoor zij dat verkocht hadden, in den tempel opdragen.

Dit heeft ook plaats wegens de heilige waarheden van het Evangelie, die men voor dezulken moet verbergen, die daar tegen blaffen alsquot; honden, en die dezelve als de varkens met de voeten vertreden, door hunne aankleving aan het slijk en liet modder der vleeschelijke genoegten, en die door hunne boosheid degenen verscheuren, welke hun zaligmakende waarheden willen verkondigen. Wee den zondaar, die door zijne onbeschaamd- en roekeloosheid de schuld is, dat hem do waarheid, volgens dit gebod van Christus, verzwegen wordt!

Kracht van het gebed.

Vraagt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal open gedaan worden. Want al wie vraagt, ontvangt; wie zoekt, vindt; en men zal open doen aan hem.

525

-ocr page 532-

526 Geschiedenis

die klopt. Wie is er onder u, die zijnen zoon eenen steen zal geven, als hij tem brood vraagt? of die hem eene slang zal geven als liij hem om eenen visch bidt? Indien gij dan, die boosaardig zijt, goede dingen aan uwe kinderen weet te geven, hoe veel te meer zal dan uw Vader, die in den hemel is, de ware goederen geven aan hen, die dezelve van hem verzoeken ?

BEMEEKINS. Noodzakelijkheid, kracht en hoedanigheid van het gebed. Alles praamt ons tot bidden. Het gebod van Christus, onze ellenden en onze eindelooze en onophoudelijke noodwendigheden; de deugden, die ons ontbreken; de be koringen die ons, zoo in- als uitwendig, omringen; de verhevenheden der Evangelische verbindtenissen, waartoe wij noch in ons zeiven, noch in eenig schepsel de noodige kracht kun nen vinden. Wat blijft er ons dan over, dan hetgene Christus gebiedt? Vraagt en u zal gegeven worden. Ik gebied u groote zaken, die aan de natuur zwaar vallen, die boven uw vermo gen zijn, maar ik toon u ook eene hulp, die u eene volle magt zal geven, om alles, wat zwaar is, te kunnen overwinnen. Ik toon u nog eene hulp, die almogend is, en waar tegen de magt der hel niets vermag. Vraagt, en gij zult verkrijgen. Dus stelt ons het gebed de almogendheid Gods ter hand. Welke kracht! Welke troost voor ons! en hoe begeerig is God om te geven, dewijl hij ons zoo praamt om le vragen en zoo plegtig belooft aan diegenen te geven, welke hem vragen!

En hoe zouden wij ook van zijne goedheid kunnen mis-Irouwon? Hij is immers de beste aller vaderen. Hij is het, die aan alle vaders, hoe boos en hoe magteloos zij zijn, de tee dere genegenheid geeft tot hunne kinderen, om hun te verleenen hetgene hun dienstig, en te weigeren wat hun hinderlijk is. Zal hij het ware goed, den goeden geest, de opregte deugden de genade en de eer niet geven aan die, welke er hem, naar behooren om bidden?

Doch om behoorlijk te bidden, moeten wij bidden met be^ trouwen; want God is onze Vader, hij is oneindig goed, hij gebied ons te vragen, hij belooft ons te geven. Met potmoe digheid : want wij zijn het onwaardig, wij zijn arm, wij zijn bedelaars. Vraagt: met vurigheid en met het hart. Het zijn groote zaken, die wij vragen, en alles is er ons aan gelegen. Zoekt: met volstandigheid; want die spoedig ophoudt, kent zijne onwaardigheid niet, noch de aangelegenheid van hetgene hij vraagt. Klopt, en bijaldien do Heer vertraagt te openen, zoo klopt tot dat het hem believen zal te openen: want hij stelt slechts uit om uwe volharding te beproeven.

-ocr page 533-

Ivan het Nieuwe Testament, 52 Jvan het Nieuwe Testament, 52 J

Anderen heJiandelen, zoo ah men icil heJiancleld worden. — I)e enne wen.

IVat gij wilt, dat de niensclien u doen, doet hun dat ook r at liierin bestaat de wet en de profeten.

jaat de enge poort in: want wijd is de poort, en breed de r die tot de verdoemenis geleidt, en velen zijn er, die hem aan. Hoe eng is de poort, en hoe smal is de weg die tot leven leidt, en hoe weinigen zijn er, die denzelven vinden!

BEMERKING. Wij moeten onzen naaste beminnen gelijk zei ven;, dus moeten wij hem doen, hetgene wij willen dat gedaan worde. Wij zijn hem, gelijk hij ons, liefde en regt-rdigheid schuldig. Wij willen niet, dat hij ons zal haten, ichten, bedriegen, lasteren, van ons kwaad spreken, benijden, metel van ons oordeelen, ja zelfs, dat hij zich ons aandrage. i mogen wij dit ook niet doen aan den naaste. Wij willen, igendeel, dat hij ter onzer zaligmaking zal helpen, dat hij.

zal troosten, bijstaan, verdragen, medelijdend, toegedaan, ilhartig zijn, met één woord, dat hij ons zal beminnen om 1. Dus moeten wij ons ook zoo jegens den naaste gedragen.

zien zoo wel, wat de wet Gods van hem vereischt ten 311 opzigte, en wij klagen zoo ligt, als hij daaraan ontbreekt. ;e klagten zullen ons oordeel zijn.

)e breede weg, die tot de verdoemenis leidt, is niet alleen weg der vrijgeesten, die noch op Gods wetten, noch op geweten acht geven, en zich aldus in het ruime stellen, r ook de weg van velen, die niemand te kort doen, en ;ens de wereld zeer eerlijk leven, doch niet weten van vaardigheid, van zich te versterven, van zich geweld aan loen, enkelijk denkende op een zacht, vermakelijk en welig leven, omdat zij zien, dat de grootste menigte niet 3rs doet. Doch zoohaast als een weg ruim en gemakkelijk en van velen bewandeld wordt, zoo geeft hij reden van ik. Zoude Christus met zoo groote verwondering roepen : smal is de weg, die tot het leven geleidt, en hoe weinigen er, die hem vinden, indien men maar doen moest, zoo als grootste menigte, om zalig te worden? , Men moest alsdan het kleine getal zijner leerlingen wezen, om zalig te üen, en men moet nu ook zijn van het kleine getal van die de leering des Heilands eeren en volgen, die ware vaardigheid plegen, die hun kruis opnemen en dragen, en rijk der hemelen met een heilig geweld innemen.

De valsche profeten.

\'acht u van de valsche profeten, die tot u in schaapskleederen

-ocr page 534-

Geschiedenis

komen, maar van binnen grijpende wolven zijn. Uit hunne

vrucliten zult gij lien kennen. Het is geen goede boom die ]

kwade vruchten voortbrengt, noch bet is een kwade boom, die ] goede vruchten geeft. Want elke boom wordt aan zijne eigene vruchten gekend. Men plukt geene vijgen van doornen, nocli men snijdt druiven van braambosschen. Alzoo brengt alle goede

boom goede vruchten voort; maar de kwade boom brengt slechte ] vruchten voort. Een goede boom kan geene kwade vruchten

voortbrengen, en eene kwade boom kan geene goede vruchten ] opleveren. Alle boom, die geene goede vruchten voortbrengt, zal afgekapt en in het vuur geworpen worden. Een goed menscli brengt goed voort uit den goeden schat zijns harten; en een slecht mensch brengt kwaad voort uit zijnen schat; want

waarvan het hart vol is, daarvan spreekt de mond. Gij zult i

die derhalve uit hunne vruchten kennen. t

i

. BEMERKING. Ten allen tijde zijn er valsche profeten ge- 1 weest, en zullen er ten allen tijde zijn; en hoe meer de wereld 1 tot haar einde zal naderen, des te grooter, volgens de voor- ( zegging van Christus, zal bet bedrog en de verleiding zijn. De z Zaligmaker waarschuwt ons zeer dikwijls tegen dit bedrog, zoo i als ook de ware Profeten en de Apostelen ten allen tijde gedaan hebben, en deze waarschuwing is des te gewigtiger, omdat z het bedrog hierin van een oneindig gevolg is; omdat de onder- c scheiding moeijelijk is, en dikwijls slechts gezien kan worden van degenen, die hunne zaligheid met grooten ijver beminnen; j want de valsche profeten hebben de ware profeten bedriegers ^ en verleiders genoemd, gelijk de Earizeërs Christus zelfs eenen ; verleider noemden; en de ware profeten noemden ook van 0 hunnen kant de valsche profeten verleiders, zoo als zij inder- 0 daad waren. Daarenboven, de valsche profeten hebben vele (i uitwendige schijndeugden, die in het oog springen, gelijk de z Schriftgeleerden en Earizeërs, die een streng leven leidden, v en groote zifters van kleine beuzelingen waren, die tot de, ]; echte godsvrucht niet dienen; maar het waren wolven, met j schaapsvellen bekleed. 0 Al wie eeno andere leer voorhoudt, dan die van Christus, v van zijn heilig Evangelie en van zijne Kerk, die alleen de j, Eoomsch Katholijke Kerk is, is een valsche profeet. Al wie g den hemel belooft op andere voorwaarden, dan hem Chris- ^ tus in zijn heilig Evangelie belooft heeft, is een valsche profeet, Al wie eenen anderen weg aanwijst, dan dien Chris- jj tus aangewezen heeft, en die naauw en smal is, is eea v valsche profeet. Maar welk is het duidelijkste teeken van n onderscheid ? Gij zult die aan hunne vruchten hennen, zegt 0 da Zaligmaker, Christus en zijne Apostelen hebben altijd ^

528

-ocr page 535-

mn Tiet Kiemoe Testament. 529

kunnen onderscheiden worden van de valsche leeraars, door tastbare blijken, dat allen, die het licht beminden, daarin niet konden missen. De heilige Vaders en de voorstanders van de ware leer in hunne tijden, ook als de verleiding zeer groot was, hadden zoo vele kenteekens om zich te onderscheiden, dat allen die de waar-Leid opregt zochten, altijd licht genoeg hadden om die te vinden. Wat moet men doen om niet bedrogen te worden? Met ijver licht vragen, zijn hart zuiveren, en de teekens van onderscheid kiezen, die Christus ons in zijn Evangelie aanwijst.

Noodzakelijkheid der goede werken.

Waarom noemt gij mij Heer, Heer, zonder te doen hetgene ik zeg? Zij zullen niet allen in het rijk des hemels gaan, die tot mij zeggen; Heer, Heer; maar wie den wil volbrengt van mijnen Vader, die in den hemel is, die zal het rijk des hemels binnen treden. Velen zullen in dien dag zeggen: Heer, Heer! hebben wij in uwen naam niet geprofeteerd, in uwen naam duivelen uitgejaagd, in uwen naam mirakelen gedaan? Dan zal ik openlijk antwoorden: nooit heb ik u gekend: gaat van mij, die boosheid bedrijft!

BEMERKING. Christus leert ons hier, waaruit wij van ons zeiven moeten oordeelen, en ook van een ander, zoo veel als ons dit noodig is.

Te vergeefs vleit zich iemand met enkele woorden en beloften, waarvan men geen gevolg ziet. De werken alleen zijn de toetsteen der ware deugd. God zelf, schoon hij den grond van het hart kent, zal ons naar onze werken oordeelen. De grond van het hart is gewis het voornaamste; want al het overige komt er uit voort, en al!es is goed of kwaad, volgens den grond waaruit het voortkomt. Doch deze grond maakt zich kenbaar door de werken. De goede boom brengt goede vruchten, en de kwade brengt slechte vruchten voort. De goede liefde die God in het hart stort, brengt goede wei ken voort; de kwade liefde of de begeerlijkheid, die door de zonde in ons is, brengt, naarmate zij in het hart lejft, kwade werken voort. Dat de regtvaardige nog dagelijksche misdaden bedrijft, is, omdat hij nog niet volmaakt goed is, en de zondige begeerlijkheid in hem nog leeft, schoon. zij de overhand in hem niet heeft. Dat de zondaar, die nog in doodzonde gedompeld is, eenig goed, tot zijne bekeering dienende, verrigt, is, dat tij begint goed te worden door het begin van eenen goeden wil, die de genade in hem uitwerkt. Dit is altijd zeker, dat men goed of kwaad doet, volgens dat men inwendig goed of kwaad is, en dat de mensch, naarmate hij een goede of twade boom is, ook goede of kwade vruchten voortbrengt.

34

-ocr page 536-

528 Geschiedenis

komen, maar van binnen grijpende wolven zijn. Uit hunm vrucliten zult gij lien kennen. Het is geen goede boom di( kwade vruchten voortbrengt, noch het is een kwade boom, dii goede vruchten geeft. Want elke boom wordt aan zijne eigem vruchten gekend. Men plukt geene vijgen van doornen, nocl men snijdt druiven van braambosschen. Alzoo brengt alle goedi boom goede vruchten voort; maar de kwade boom brengt slecht( vruchten voort. Een goede boom kan geene kwade vruchtei voortbrengen, en eene kwade boom kan geene goede vruchtei opleveren. Alle boom, die geene goede vruchten voortbrengt zal afgekapt en in het vuur geworpen worden. Een goed menscl brengt goed voort uit den goeden schat zijns harten; en eei slecht mensch brengt kwaad voort uit zijnen schat; wan waarvan het hart vol is, daarvan spreekt de mond. Gij zul die derhalve uit hunne vruchten kennen.

. BEMERKING. Ten allen tijde zijn er valsche profeten ge weest, en zullen er ten allen tijde zijn; en hoe meer de wereh tot haar einde zal naderen, des te grooter, volgens de voor zegging van Christus, zal het bedrog en de verleiding zijn. D( Zaligmaker waarschuwt ons zeer dikwijls tegen dit bedrog, zoo als ook de ware Profeten en de Apostelen ten allen tijde ge^ daan hebben, en deze waarschuwing is des te gewigtiger, omdal het bedrog hierin van een oneindig gevolg is; omdat de onder scheiding moeijelijk is, en dikwijls slechts gezien kan worden van degenen, die hunne zaligheid met groeten ijver beminnen want de valsche profeten hebben de ware profeten bedrieger en verleiders genoemd, gelijk de Earizeërs Christus zelfs eenen verleider noemden; en de ware profeten noemden ook,van hunnen kant de valsche profeten verleiders, zoo als zij inder daad waren. Daarenboven, de valsche profeten hebben velf uitwendige schijndeugden, die in het oog springen, gelijk d( Schriftgeleerden en Èarizeërs, die een streng leven leidden, en groote zifters van kleine beuzelingen waren, dia tot tl( echte godsvrucht niet dienen; maar het waren wolven, mei schaapsvellen bekleed.

Al wie eeno andere leer voorhoudt, dan die van Christus van zijn heilig Evangelie en van zijne Kerk, die alleen d( Eoomsch Katholijke Kerk is, is een valsche profeet. Al wil den hemel belooft op andere voorwaarden, dan hem Chm tus in zijn heilig Evangelie belooft heeft, is een valsche profeet, Al wie eenen anderen weg aanwijst, dan dien Chris\' tus aangewezen heeft, en die naauw en smal is, is een valsche profeet. Maar welk is het duidelijkste teeken van onderscheid ? Gij zult die aan lunne vruchten hennen, zegt da Zaligmaker, Christus en zijne Apostelen hebben altijil

ik te mi h\'i he du zal

zei on

lof de va: gri

OVi

dei zic vn lie: de om

VOl

is, g«

nie is, üj wi. me of kw

-ocr page 537-

van loet Rieuioe Testament. 529

kunnen onderscheiden worden van de valsche leeraars, door tastbare blijken, dat allen, die het licht beminden, daarin niet konden missen. De heilige Vaders en de voorstanders van de ware leer in hunne tijden, ook als de verleiding zeer groot was, hadden zoo vele kenteekens om zich te onderscheiden, dat allen die de waarheid opregt zochten, altijd licht genoeg hadden om die te vinden. Wat moet men doen om niet bedrogen te worden? Met ijver licht vragen, zijn hart zuiveren, en de teekens van onderscheid kiezen, die Christus ons in zijn Evangelie aanwijst.

Noodzakelijkheid der goede werken.

Waarom noemt gij mij Heer, Heer, zonder te doen hetgene ik zeg? Zij zullen niet allen in het rijk des hemels gaan, die tot mij zeggen: Heer, Heer; maar wie den wil volbrengt van mijnen Vader, die in den hemel is, die zal het rijk des hemels b\'innen treden. Velen zullen in dien dag zeggen; Heer, Heer! hebben wij in uwen naam niet geprofeteerd, in uwen naam duivelen uitgejaagd, in uwen naam mirakelen gedaan? Dan zal ik openlijk antwoorden: nooit heb ik u gekend: gaat van mij, die boosheid bedrijft!

BEMERKING. Christus leert ons hier, waaruit wij van ons zeiven moeten oordeelen, en ook van een ander, zoo veel als ons dit noodig is.

Te vergeefs vleit zich iemand met enkele woorden en beloften, waarvan men geen gevolg ziet. De werken alleen zijn de toetsteen der ware deugd. God zelf, schoon hij den grond van het hart kent, zal ons naar onze werken oordeelen. De grond van het hart is gewis het voornaamste; want al het overige komt er uit voort, en alles is goed of kwaad, volgens den grond waaruit het voortkomt. Doch deze grond maakt zich kenbaar door do werken. De goede boom brengt goede vruchten, en de kwade brengt slechte vruchten voort. De goede liefde die God in het hart stort, brengt goede wei ken voort; de kwade liefde of de begeerlijkheid, die door de zoride in ons is, brengt, naarmate zij in het hart leeft, kwade werken voort. Dat de regtvaardige nog dagelijksche misdaden bedrijft, is, omdat hij nog niet volmaakt goed is, en de zondige begeerlijkheid in hem nog leeft, schoon, zij de overhand in hem niet heeft. Dat de zondaar, die nog in doodzonde gedompeld is, eenig goed, tot zijne bekeering dienende, verrigt, is, dat üj begint goed te worden door het begin van eenen goeden wil, die de genade in hem uitwerkt. Dit is altijd zeker, dat men goed of kwaad doet, volgens dat men inwendig goed of kwaad is, en dat de mensch, naarmate hij een goede of Wade boom is, ook goede of kwade vruchten voortbrengt.

34

unni i di( , clii gen( nocl oei icht( litei htei 3ngt nscl eet ivan zul

! ge. :rel( oor De zoo ge. idal der •den len ger men van 3 er vel : di len ; dfl me

tus d( wi( ris\' chf ri9\'

een van

:es[l tijil

-ocr page 538-

530 Geschkdeiiis

Vervolgens vleit men zicli op eene valsche wijze over den goeden wil, als er geene goede werken volgen.

Het homoen op eene steenrots. Het houwen op het zand.

Nu zal ik u toonen, aan wie hij gelijk i , die lot mij komt, mijne woorden aanhoort, en naar dezelve handelt. Hij is gelijk aan een verstandig man, die een huis bouwt, en na diep gegraven te hebben, den grondsteen daarvan op eene steenrots legt: stortregens vielen op dat huis neder, waterstroomen golfden tegen hetzelve aan, stormwinden bulderden er tegen, doch het viel niet in, omdat het op de steenrots gebouwd is.

Maar al wie deze mijne woorden hoort, en naar dezelve niet handelt, is gelijk aan eenen dwaze, die zijn huis op het zand, of op de aarde zonder groi.dsteen gebouwd heeft. De plasregen stortte neder, waterstroomen joegen er op aan, de winden blaasden en stormden op dit huis, toen stortte het in, en deszelfs val was verschrikkelijk. — Over deze redevoering van Jesus waren al zijne toehoorders ten hoogste verbaasd, want hij leerde hun, niet gelijk de Schriftgeleerden en Fari-zeërs, maar als eene bijzondere magt bezittende.

BEMERKING. Christus sluit die wonderbare prediking, welke een kort begrip zijner gansche zedeleer is, met de bovenstaande woorden, die ons leeren, dat hel niet genoeg is zijiie woorden te aanhooren, en zich over zulke schoone lessen te verwonderen, maar dat men die in het werk moet leggen, indien wij het gebouw van onze zaligheid vast en sterk willen maken. Die zijne woorden aanhoort en oefent, is een verstandig man; hij legt goede grondslagen; hij houwt op eene steenrots. Men kan geene vaste en volmaakte deugd bekomen, zoo men volgens het Evangelie niet leeft.

Als men daarop bouwt, zullen de stortregens en stormwinden dat huis niet omverre halen, dat is, de bekoringen, de tegenspoed, de vervolgingen en verdrukkingen zullen dien mensch in geene doodzonden doen vallen. Dit beteekent niet alleen, dat hij het Evangelie niet naleeft, die nog doodzonde bedrijft; maar dat men gemeenlijk volhardt in de regtvaardig-heid, als men eens voor goed bekeerd is, en de ware godsvrucht omhelsd heeft, zijnde deze afval zoo veel te zeldzamer, als die godsvrucht opregter en volmaakter geweest is.

Men ziet hieruit, wat men van vele bekeeringen moet denken, waarop vele Christenen verwaand staat maken. Zij gaan te biechten, belijden hunne doodzonden, ontvangen vergiffenis, beelden zich in dat alles wel is, en naderen tot de heilige Tafel. Zij bedrijven dezelfde grove zonden, en dat duurt

IL

-ocr page 539-

van het Nieuwe Testament. 531

zoo jaren en jaren: zij laten zicii voorstaan, dat dit beurtelings zondigen en biechten ken in den hemel zal helpen. Dit is eene dwaling der Joden. Zij bedreven de zonden, zij droegen zoenoffers op, en zondigden op nieuw, omdat zij noch de liefde Gods, noch een vast voornemen hadden, van niet meer te zondigen. Deze grove en gevaarlijke dwalingen heeft Christus gillen vernietigen, door deze laatste onderwijzing der goddelijke prediking, ons leerende, dat een huis hetwelk door regens en winden zoo ligt omverre stort, niet op de rots, maar op het zand gebouwd was.

Waarlijk is men dan slechts verstandig, o Heer! als men zijn huis op den vasten grond houwt. Maar Gij alleen kunt mij die wijsheid geven; vergun mij dan, dat ik opregt, volmaakt en volstandig naar uw heilig woord leve, opdat mij niets ter wereld van tl afscheide.

XXIII. HOOFDDEEL.

Christus zuivert eenen melaatsche. en geneest den knecht van eenen hoofdman. Leering voor ons. Luc. 5. 7. Matth, 8. — Hetzelfde jaar 31.

Toen Jesus, na het eindigen zijner predikatie, van den berg afkwam, volgde hem een groote menigte volks. Ook naderde hem een melaatsche, die voor hem nederviel, zeggende; Heer! indien Gij wilt, kunt Gij mij zuiveren. Jesus stak zijne hand uit, raakte hem aan, en zeide: ik wil het, wordt gezuiverd. En terstond werd hij van zijne melaatschheid genezen. Jesus zeide verder tot hem; zie toe dat gij het aan niemand zegt, maar vertoon u aan de priesters, en offer de gift (Levit. 13. y. 3.), die Mozes geboden heeft tot hunne overtuiging. (Dat is, om hen te overtuigen van mijne onschuld, en dat ik geen hater ben van Mozes wet: of tot eene getuigenis voor hen, dat gij gezuiverd zijt.)

Wanneer nu Jesus binnen Capharnaüm gekomen was, kwam er een hoofdman tot hem, die hem bad en zeide: Heer mijn knecht ligt te huis met eene lamheid geslagen, en lijdt zware pijnen. (1) Jesus zeide tot hem: ik zal hem komen genezen. De hoofdman gaf hem tot antwoord: Heer! ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts één enkel woord, en mijn knecht zal gezond worden. Want ik, alhoewel een mensch, die onder de magt van hoogeren sta, heb onder mij soldaten, die mij gehoorzamen. Als ik nu tot den eenen zeg: ga daar, dan gaat hij; en aan den anderen: kom hier, dan komt hij; en tot mijnen knecht: doe dat, dan

* quot;i? Vo,°en3 ^en kwam de hoofdman tot Jesus, niet door

zeWen, maar door de oversten der Joden en door zijne vrienden, die hij uit ootmoedigheid tot hem zond, zich niet waardig achtende tot Christus te naderen.

-ocr page 540-

533 Geschiedenis

doet hij het. Ik, zoo geringe mensch, gebied aan mijne onderdanen, en wordt gehoorzaamd; hoe veel te meer zult Gij dan gehoorzaamd worden. Gij, die de Opperheer van alles zijt, indien Gij maar belieft te gebieden, dat de ziekte van mijnen hiecht verdwijne, en hij de gezondheid herkrijge!

Jüsus was over deze woorden verwonderd, en zeide tot zijn gezelschap: voorwaar, ik zeg u, zoo groot geloof heb ik zelfs in Israël niet gevonden. Ook verklaar ik u, dat er velen van het Oosten en van het Westen zullen komen zitten met Abraham, Izaiik en Jacob in het rijk des hemels; maar de kinderen des rijks (de Joden, die, van Abraham voortkomende, gelijk een bij zonder regt schenen te hebben tot Gods rijk) zullen in de uiterste duisternissen geworpen worden. Daar zal geween en knarsing der tanden zijn. (1) Vervolgens zeide Jesus tot den hoofdman: ga, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. — En zijn knecht werd op hetzelfde oogenblik gezond.

BEMERKING. Hoe groot is het geloof, de liefde en de ootmoedigheid van dezen Heiden! Zijne liefde blijkt uit de zorg, die hij voor zijne huisgenooten draagt; zijn ootmoedig heid, omdat hij zich niet waardig acht, dat Christus in zijn huis kome; zijn groot geloof en het verheven gevoelen, het\' welk hij heeft van de almagt van Christus: spreek slechts één enkel woord, zegt hij, en mijn knecht zal gezond tear den. Het is met deze gevoelens van geloof en van betrouwen, dat de heilige Kerk wil, dat wij tot Christus zouden naderen; om die redenen stelt zij ons die woorden in den mond, wanneer wij tot de Tafel des Heeren gaan. Dan helaas!.hoe verre zijn wij van de gesteltenissen van dezen Heiden verwijderd, die zoo ootmoedig, zoo vol van geloof en van betrouwen was Laat ons ten minste van eenen krijgsman leeren, welk ver heven gevoelen wij moeten hebben van Christus en van zijne alvermogende kracht om onze ziel te genezen.

XXIV. HOOFDDEEL.

Christus verwekt bij Xaim den eenigen zoon eener weduwe. Afbeeldsel van de bekeering der zondaars. Luc. 7. — Hetzelfde jaar 31.

Jesus begaf zich hierna naar eene stad, met name Naïm: met zijne Leerlingen en eene groote menigte volks. Als hij omtrent de poort dier stad kwam, werd er juist een eenige

(1) Het rijk des hemels wordt in de heilige Schrift afgebeeld door een avondmaal (Luc ü. Apoc. 14.), alwaar men gewoon was veel licht te ontsteken. Degenen, die buiten gesloten werden, stonden in het donker en knarsetandden van spijt; hetwelk eene afbeelding is vamp;n de helscho duisternissen en van de wanhoop der verdoemden.

-ocr page 541-

van het Nieuwe Testament. 533

zoon eener weduwe ter begrafenis uitgedragen. Weenetwle en jammerende volgde de verlatene moeder de baar; eene menigte menschen uit de stad vergezelden haar deelnemend. Zoodra de Heer deze zag, werd hij innig over haar met medelijden bewogen, en zeide tot haar: ween niet. Hij trad dan toe, en raakte de baar aan, terwijl de dragers stil hielden; hij zeide : jongeling, ik beveel u, sta op! De doode rigtte zich op, en begon te spreken. En Jesus gaf hem aan zijne moeder weder. Allen werden met schrik bevangen, en verheerlijkten God, zeggende; er is een groote profeet onder ons opgestaan, en God heeft zijn volk bezocht. Dit wonderwerk verspreidde zich door geheel Judea en door al het omliggende land.

BEMERKING. 1. Wij leeren uit dit mirakel, dat er in de wereld niets bij toeval geschiedt, maar dat alles wat aan de menschen een onverwacht voorval schijnt, in God een waarachtig besluit is; want Jesus. die zich daar alleenlijk maar bij toeval scheen te bevinden, was daar in der daad gekomen met voornemen van dezen doode tot het leven terug te roepen. 2. \\\\ ij zien hier ook de teedere liefde die de heilige Kerk haren kinderen toedraagt. Zij aanziet een ieder in het bijzonder als haren eenigen zoon; zij heeft hier op de wereld geene andere blijdschap, dan door zuchten en gedurige gebeden kinderen voor haren bruidegom voort te brengen, of degenen tot het leven te verwekken, die door de zonden gestorven zijn. Aldus heeft zij over ons geweend. Strekken wij haar thans tot blijdschap, of wel tot smart? Zijn wij dankbaar over de gebeden der regtvaardigen, die voor ons gesmeekt hebben? Zuchten wij nu ook met de geheele heilige Kerk over hen, die naar de ziel dood zijn? Want het is eigen aan alle opregte Christenen, met smart zoo vele onheilen en verergernissen te gevoelen, waardoor zoo menige zielen sterven; maar helaas! naauwelijks zijn wij bewogen over onze eigene zonden; hoe zouden wij dan over die van een ander weenen? 3. Door deze dragers, die Jesus doet stil staan, worden de duivels afgebeeld, wetke de zielen, dood door de zonde, naar de hel dragen, even als naar het graf, zoo Jesus hen niet doet stil staan.

XXV. HOOFDDEEL.

Joannes zendt twee zijner leerlingen tot Christus. — Lót van Joannes. De Joden worden noch door strengheid, noch door zachtmoedigheid bekeerd. Ongeluk van de steden, die het heilig Evangelie versmaden.

— Voorbeeld voor ons. Math. 11. Luc. 7. — Hetzelfde jaar 31.

Terwijl de mirakelen van Christus overal ruchtbaar werden, kwamen de Leerlingen van den H. Joannes, dien Herodes in den kerker had doen werpen, dit alles aan hunnen meester

-ocr page 542-

534 Geschiedenis

verhalen. Deze heilige man, wel wetende dat hij om geen ander einde op de wereld was, dan om den Heiland kenbaar te maken, zond twee zijner leerlingen tot Jesus, en liet hem vragen (1): zijt Gij degene, die komen moet (van men al de profeten gesproken hebben, en naar wien wij allen verlangen, als den beloofden Messias), of hebben wij nog eenen anderen te verwachten ? Jesus, die wist, dat de leerlingen van Joannes eenigzins over hem afgunstig waren, zeide niets van zich zeiven, hetwelk tot zijn voordeel zoude kunnen schijnen, maar terwijl hij onder hunne oogen eene menigte mirakelen verrigtte, gaf hij hun dit antwoord: gaat en boodschapt aan Joannes wat gij gehoord en gezien hebt: de blinden zien, de kreupelen wandelen, de melaatschen worden gezuiverd, de dooven hooren, de dooden herleven, en den armen wordt het Evangelie verkondigd. (3) Zalig is hij, al wie in mij niet ontsticht wordt. (3) Na het weggaan dezer afgezondenen, begon Jesus van Joannes tot het volk te zeggen : wat zijt gij in de woestijn gaan zien ? Een riet, hetwelk met den wind heen en weder waait. Wat zijt gij er toch gaan zien? Eenen mensch, die prachtig gekleed gaat. Die prachtig gekleed zijn, bewonen de paleizen der keningen. Maar wat zijt gij gaan zien? Eenen profeet? Ja, voorwaar, zeg ik, en meer dan eenen profeet. Want hij is het, van wien er geschreven staat (4) : ziet, ik zal mijnen gezant voor uw aangezigt zenden, die u den weg bereiden zal. Voorwaar, ik zeg het u: onder allen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand grooter te voorschijn gekomen, dan Joannes de Dooper. Doch de minste in het rijk des hemels, is meerder dan hij. (Bat is, Christus self, die aan sommigen minder scheen dan Joannes.) — Van den tijd van Joannes den Dooper af, tot nu toe, lijdt het rijk des hemels geweid, en de geweldigen nemen het in. Want tot Joannes toe hebben al de profeten en de wet toekomende dingen voorzegd (maar Joannes heeft den Messias met den vinger aangewezen.) Bijaldien gij het ook wilt aannemen; hij is de Elias, die komen moet. Die ooren heeft om het te verstaan, die versta bet. Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken (dat is de heden-daagsche Joden ?) Het is gelijk aan de kinderen, die op de markt zittende, hunne gezellen toeroepen, en zeggen: wij hebben voor u op de fluit gespeeld; maar gij hebt niet

(1) Sfiet omdat hij daaraan twijfelde, maar omdat zijne leerlingen daar van zouden overtuigd worden.

(2) Dit waren de kenteekens van den Messias, volgens Isaïas, hoofdd. 85.

(3) Dit schijnt Christus bedenkelijk te zeggen tegen de leerlingen Vi n ïoannes, die over hem ontsticht waren, omdat hij zoo streng niet leefde als hun meester.

\' (4) Malach. 3. v. 1.

-ocr page 543-

van het Nieuws Testament,

gedanst; wij hebben u treurliederen voorgezongen, maar gij hebt niet geweend. — Want Joannes is gekomen en at noch brood, noch dronk wijn (leidende een streng leven in de woestijn), en zij zeggen: hij heeft den duivel in. De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende (dat is, leidende een gewoon burgerlijk leven, etende en drinkende gelijk een ander) en zij zeggen: ziet den gulzigaard, ziet den wijnzwel-ger, den vriend der Publikanen en der zondaars! Maar da wijsheid is goedgekeurd van hare kinderen, te weten de goddelijke wijsheid, die het gedrag zoo van Joannes als van Christus bestuurde, is goedgekeurd van de ware kinderen Gods.

\' BEMERKING. Alles roept ons hier toe, dat Christus de ware Messias, en er geen ander te verwachten is; het heilige leven van Joannes, zijnen voorlooper; en de openbare getuigenis die hij van Christus geeft; de uitmuntende mirakelen van Christus, zijn allen kenteekens, aan welke, volgens de profeten, de Messias moest gekend worden! Wee degenen, die in hem dan nog geërgerd worden! De Joden waren ontsticht over zijne arme en gemeene afkomst; de Parizeërs haatten zijne leer en zijne mirakelen; de kwade Christenen zijn geërgerd over de gestrengheid van zijn Evangelie en over de verdrukkingen, die zijne leerlingen van wegens de wereld lijden. Zij verwijzen Christus, door hunne ver vreemdheid van zijne zaligmakende leeringen, of door hunno ongeregelde geneigdheden, of door hun boos leven, en worden ook van hem verwezen.

Nu begou Jesus de steden, in welke zijne meeste wonderdaden geschied waren, te verwijten, dat zij zieb niet bekeerd hadden. Wee u, Corosaïn! Wee u, Bethsaïda! want bijaldien in Tyrus en Sidon de wonderheden geschied waren, die in a geschied zijn, zouden zij reeds van over lang in haren kleederen en in assche boetvaardigheid gedaan hebben. Daarom zeg ik u ook, dat het met Tyrus en Sidon verdragelijker in den dag des oordeels zal gaan, dan met u. En gij, Caphar-naüm, .meent gij u tot den hemel toe te verheffen? Gij zult tot de hol toe nederdalen. Want zoo in de stad Sodoma de wonderheden geschied waren, die in u geschied zijn, zou zij nog tot op den dag van heden toe bestaan. Daarom zeg ik u ook, dat het met Sodoma en Gomorrha in den jongsten dag verdragelijker zal gaan dan met u.

BEMEEKING. Aldus verwijt, veroordeelt en straft God het misbruik zijner genaden, en door dit misbruik alleen kunnen wij pligtiger zijn voor Gods oogen, dan de gruwzaamste zondaars, aan welke hij zoo groote barmhartigheden niet be»

535

-ocr page 544-

Geschiedenis

wezen heeft. Wat al redenen van schrik voor ons! Wij hebben veel meer ontvangen dan Bethsaïda en Caph\'arnaüm. Deze steden, waar Christus woonde of voor eenigen tijd verbleef, waren slechts de afbeelding van de heilige Kerk, alwaar hij voor altijd woont. De uitwendige mirakelen, die bij aldaar deed, waren afbeeldselen van de onzigtbare wonderdaden, die hij in de heilige Kerk door de heilige Sakramenten uitwerkt. Daarenboven, wat al andere voordeelen bewijst hij ons niet in het bijzonder buiten vele andere christene Katholijken, als hij ons zoo veel licht en zoo vele hulpmiddelen geeft om wel te leven en zalig te worden, die anderen welligt niet hebben ? Doch wat nut hebben wij uit dit alles getrokken ? Wie zal dan niet beven?

XXVI. HOOFDDEEL.

De zondargt;gt;gt; (Magdalena) aan de voeten van Joaus ten huize van Simon den Farizeër. Voorbeeld van boetvaardigheid. Luc. 7__Hetzelfde jaar 31.

Het voornaamste werk van onzen Zaligmaker hier op deze wereld was, de menschen tot boetvaardigheid te brengen en hen van hunne zonden te verlossen. Hiertoe strekten zijne leeringen, zijne mirakelen, zijn heilig leven en de zaligmakende genade, die bij ons was komèn verdienen. Ziehier een uitmuntend voorbeeld van derzelver kracht in eene zondares, wier bekeering de H, Lucas op de volgende wijze verhaalt. Zekere Farizeër had Jesus ten maaltijd genoodigd. Jesus kwam en ging eraan tafel. In dezelfde stad - woonde ook eene vrouw, die voor eene groote zondares bekend was. Toen zij vernomen had, dat Jesus bij den Farizeër ten maaltijd was. begaf zij zich derwaarts met eene albasten fleschr met balsem. Zij naderde hem van achter eh viel aan zijne voeten neder, welke zij met hare tranen besproeide, en ze vervolgens met hare haarlokken afdroogde, alsmede dezelve met balsem bestreek. De Farizeër, die Jesus ten disch had verzocht, zag dit stilzwijgend aan, en zeide in zich zeiven ; indien dit een profeet was, zoude hij wel weten, welk eene vrouw zij is, die hem aanraakt ; want zij is eene groote zondares. Jesus (de ijdele inbeelding van den Farizeër, die zich in zijn hart zoo verre boven deze vrouw stelde, willende beschamen, en toonen welke verandering de ware bekeering in den mensch brengt) sprak hem aldus aan: Simon, ik heb u iets te zeggen. Simom vroeg: wat dan. Meester? Een schuldeischer, zeide Jesus, had twee schuldenaars: de eene was. hem vier honderd, en de andere vijftig tienlingen schuldig; doch daar zij niets hadden om te betalen, schold hij hun beide de schuld kwijt. Zeg nu eens, wie van deze twee zal hem meest liefhebben ? Simon gaf tot antwoord: ik laat mij voorstaan,

536

v

-ocr page 545-

van het Nieuwe Testament,

dat liet degene is, aan wien hij het meest heeft kwijtgescholden. Jesus hernam: gij hebt wel geoordeeld. En zich tot de vrouw keerende, sprak hij tot Simon : ziet gij deze vrouw wel? Ik ben in uw huis gekomen, zonder dat gij mijne voeten eens met water gewasschen hebt; maar zij heeft die met hare tranen besproeid en ze met hare haarlokken afgedroogd. Gij hebt mij met geenen kus begroet; maar zij, sedert dat zij binnen gekomen is, heeft niet opgehouden mijne voeten te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet eens met olie gezalfd; zij echter heeft mijne voeten met kostbaren balsem bestreken. Daarom zeg ik u: vele zonden zijn haar vergeven, omdat zij veel bemind heeft; maar aan wie weinig gegeven wordt, die bemint ook weinig (1). Vervolgens zeide hij tot de vrouw: uwe zonden zijn u vergeven. Die met hen aan tafel zaten, begonnen in zich zeiven te zeggen: wat is dat voor een, die ook de zonden vergeeft? Doch Jesus stoorde er zich niet aan, en zeide verder tot de vrouw: uw geloof heeft u behouden, ga in vrede.

BEMERKING, 1. Deze vrouw is, volgens de heilige Vaders, een voorbeeld van eene volmaakte bekeering. Zij is in haar hart getroffen door de inwendige genade, die haar tot Jesus trekt. Zij stolt hare bekeering niet uit, maar loopt aanstonds naar den Zaligmaker. Zij schaamt zich niet geacht te worden voor hetgene zij is, openbare boetvaardigheid voor openbare zonden te plegen, en den onaangenamen geur harer verergernissen door den goeden geur eener opregte bekeering weg te nemen. Zij geeft onwedersprekelijke blijken van berouw. En Christus geeft getuigenis van hare liefde, die de ziel der ware bekeering is. Men hoort hier niet wat zij gezegd, maar men ziet wat zij gedaan heeft God neemt meer acht op de daden, dan op de woorden. De eene zijn de vruchten van den boom, en de andere zijn slechts de bladen. 2. Zij gebruikt tot de deugd, al wat zij tot de zonden misbruikt had, voornamelijk door aan Jesus zoo vele offeranden te doen, als zij er te voren aan den duivel gedaan had. Deze zoo wonderbare bekeering mag de roem der boetvaardigheid genoemd worden, en\' toont, dat de bedorvenste zondares zuiver voor God wordt, wanneer de ootmoedigheid hare boetvaardigheid heilig maakt, daar integendeel de zuiverste maagd voor zijne oogen onkuisch wordt, wanneer zij om de zuiverheid, die haar behoorde (2) ootmoediger te maken, hoovaardig wordt. 3. Zij, die de zondares ia zonde gevolgd hebben, moeten haar in boetvaardig-

1) Dit is, degenen die meenen -weinig gozondigd te hebben, willen maar weinige boetvaardigheid eu weinige weiken van liefde doen. Dit valt op den Farizeër.

2. Aug. de Virginit. Cap. 41. n. 52. 53. 54.

537

-ocr page 546-

538 Geschiedenis

heid volgen. Hoe vele voorbeelden van hare zonden; lioa weinige van hare boetvaardigheid!

XXVII. HOOFDDEEL.

Jesus jaagt den boozen geest uit eenen blinde en stomme. De gelijkenis

van het zaad. Matth. 12. 13. Maro. 4. Luo. 8. Hetzelfde jaar 3t

Daarna werd er een bezetene, die blind en stom was, tot Jesus gebragt, en hij genas hem zoo volkomen, dat hij sprak en zag. Al het volk, hierover verbaasd, zeide: zoude soms deze de zoon van David niet zijn, (dat is de Messias?) Maar de Farizeërs, dit hoorende, antwoordden daarop: deze jaagt de duivels maar uit door Beelzebub, de vorst der duivelen. Daar Jesus in hun hart las, zeide hij: alle rijk, hetwelk tegen zich zelf verdeeld is, zal niet in stand blijven. Indien nu de eene duivel den anderen uitjaagt, zoo is het tegen zich zelf verdeeld. Hoe zal zijn rijk dan staande blijven? Indien ik ook door Beelzebub de duivels uitjaag, door wie jagen uwe zonen die dan uit? Daarom zullen zij ook uwe regters zijn. (Namelijk de Apostelen van Christus; of, gelijk sommigen meenen, de be-zweerders van den duivel onder de Joden.) (Ziet Act. 9. v. 14.)

BEMEKKING. Waartoe brengt de haat en nijd de Joden ! Wat blinde slagen geeft de mensch, als hij Gods werken wil lasteren 1 Hoe spreekt hij zich zeiven tegen, als hij de blinkende waarheid wil versmachten! Christus jaagt de duivels uit, zulks kunnen wij niet loochenen; maar het is door den duivel zeiven, zeggen zij, dat hij den duivel uitjaagt, dat wil zeggen: de duivel, om Christus dienst te bewijzen, vernietigt zijn eigen rijk. Zij zeggen zulks van hunne eigene kinderen niet, noch misschien van de leerlingen van Christus, en zij durven het echter van Christus zeggen, wiens heiligheid en magt zoo veel grooter is. En waarom toch? omdat zij hem, hoe heiliger hij was, des te meer haatten.

Omtrent denzelfden tijd kwam Jesus weder aan het meer Genesareth, waar zich eene groote menigte volks bij hem voegde. Hij ging in een schipje: al het volk stond aan den oever. In dien stand begon hij zijne hemelsche leer in gelijkenissen voor te dragen. Hij zeide onder andere: een zaaijer ging uit om te zaaijen; terwijl hij nu zaaide, viel er een gedeelte langs den weg en werd vertreden; ook kwamen de vogelen des hemels en pikten het op. Een ander gedeelte viel op steenachtigen grond, daar het .niet veel aarde had, en schoot terstond op, omdat de aarde, die het had, niet diep was; doch wanneer de zon opgegaan was, verbrandde het, en daar het geen wortel had, verdroogde het. Een ander gedeelte viel onder de doornen; de doornen groeiden mede

op,

brag

-ocr page 547-

mn het Nieuwe Testament.

p, en verstikten het, zoo dat dit ook geene vrucliten voort* ragt. Een ander gedeelte echter viel op eenen goeden grond; dit ging op, groeide in de hoogte, vermenigvuldigde en bragt dertig-, zestig-, ja honderdvoudige vruchten voort. Die ooren heeft om te hooren, die hoore. — Zijne leerlingen vroegen hem nu: waarom spreekt gij tot het volk door gelijkenissen? Jesus antwoordde: omdat het u, maar niet aan hen, vergund is de verholenheden van het rijk des hemels te kennen. Want aan al die heeft, zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben; maar aan al wie niet heeft, zal zelfs hetgene hij heeft, ontnomen worden (dat is, die zoo veel als niet heeft, zal ook het weinige, hetgene hij heeft, of wat hij schijnt te hebben, ontnomen worden.) Daarom spreek ik hun door gelijkenissen, omdat zij ziende, niet zien; en hoorende, niet hooren, noch verstaan; (dat is, omdat zij, na mijne openbare mirakelen gezien te hebben, in mij niet hebben geloofd, daarom worden zij met het voorleggen van duistere dingen gestraft.) Zoodat in hem deze voorzegging van Isaïas volkragt wordt: (Isaï. 6. v, 9. 10.) Gij zult met uwe ooren hooren, doch niet verstaan; en met uwe oogen zien, doch niet bemerken; want het hart van dit volk is bezwaard geworden, en het heeft zijne ooren verdoofd, en zijne oogen gesloten, uit vrees dat het met zijne oogen zoude zien, met zijne ooren hooren, met zijn gemoed verstaan, en zich bekeerende, ik hen zoude genezen. Maar zalig zijn uwe oogen, omdat zij zien, en uwe ooren, omdat zij hooren. Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u: vele profeten en regtvaardigen hebben gewenscht te zien wat gij ziet, doch hebben het niet mogen zien; zij hebben gewenscht te hooren, wat gij hoort, doch hebben het niet mogen hooren.

Luistert dan naar de gelijkenis van den zaaijer. Als iemand het woord van het rijk des hemels aanhoort, zonder acht daacop te nemen, dan komt de booze, en neemt weg, wat in zijn hart gezaaid was. Dit is diegene, die het zaad langs den weg ontvangen heeft. Maar hij, die op steenachtigen grond het zaad ontvangt, is zulk eene, die het woord aanhoort .en hetzelve terstond met blijdschap aanneemt : doch daar hij in zich zeiven geenen wortel heeft, volhardt hij slechts voor zekeren tijd; en als de verdrukking of de vervolging om het woord overkomt, wordt hij terstond ontsteld, en valt weder af. Die onder de doornen het zaad ontvangt, is degene, die het woord aanhoort; doch de bekommernissen dezer wereld, en het bedrog der rijkdommen versmachten het woord, en maken het vruchteloos; hij echter, die het zaad in goeden grond ontvangt, is degene, die het woord aanhoort, en daarop acht neemt, en het ongestoord vruchten laat voortbrengen, de eene dertig-, een andere zestig-, en een dtrde honderdvoudig.

539

-ocr page 548-

Geschiedenis

BEMEEKING. Deze gelijkenis heeft geene uitlegging noo-1 dig, dewijl de Zoon Gods zelf zich gewaardigd heeft ons diel te verklaren. Dus moeten wij met zoo veel te meer oplettend-1 heid den eigen zin van dezelve waarnemen, en onze verkeerde inbeelding afleggen. Inderdaad, wie van ons zou gezegd hebben, dat een hart, hetwelk de waarheid in het eerst met blijdschap aanhoort, een steenen hart kan zijn? Dat de rijkdommen doornen zijn, daar deze kwetsen, en de andere streelen, gelijk de H. \' Gregorius zegt? Dat een onachtzaam leven, zonder op de waarheid acht te geven, ons zonder andere zonde tot de ver- | doemenis kan brengen? Doch dit alles wordt ons door den Zaligmaker zeiven verklaard. Aldus moeten wij den waren zin van al de andere gelijkenissen, die het ons hier, kortheidshalve, onmogelijk is te plaatsen, trachten te achterhalen, met aandachtig te letten op hetgene Christus voor heeft, en wat hij door de leerzame gelijkenissen ons zoekt in te prenten.

XXVIII. HOOFDDEEL.

Christus zendt zijne Apostelen twee en twee om te prediken. Regelen, die hij hun voorschrijft. Bemerkingen. Matth. 9. Mare. 6. Luc. 9. — Het twee en dertigste jaar van Christus.

i f

IK

0 Mii

Pil i

Ivw U

i

„ J;a ,4* | li

De Zaligmaker doorwandelde al de plaatsen van Galilea, en had diep medelijden met het volk, omdat het verstrooid was als schapen, die geenen herder hebben. Hij zeide dus tot zijne leerlingen; de oogst is wel groot, maar de werklieden zijn weinig in getal; daarom bid den Heer van het oogstveld, dat hij werklieden tot zijnen oogst wille zenden. Aan de twaalf zijner Apostelen gaf hij nu de magt om de duivels uit te jagen en om alle ziekten te genezen: vervolgens zond hij hen twee en twee, om het Evangelie van het rijk Gods te prediken. Hij beval hun, dat zij niet naar de Heidenen, noch in de steden der Samaritanen, maar liever tot de verlorene schapen van het huis Israels zouden gaan. Waar gij komt, zeide hij, predikt daar en zegt: het rijk des hemels is nabij. Geneest de kranken; verwekt de dooden ; zuivert de melaatschen; jaagt de duivelen uit. Gelijk gij dit om niet ontvangen hebt, zoo geeft het ook om niet. Hebt noch goud, noch zilver, noch eenig ander geld in uwen gordel; neemt ook geene reiszakken, noch stok, (1) noch brood, noch meer kleederen en schoenen, dan gij aan uw ligchaam hebt; want een arbeider is zijn loon waardig. Onderzoekt in alle steden en dorpen, waar gij komen zult, wie daar waardig is u te herbergen. Als gij in een huis

1) Te weten, die hun tot verdediging zoude dienen; want een leun-stok wordt hun, bij Marcus, toegelaten.

540

-ocr page 549-

mn het Nieuice Teslunient.

komt, zoo zegl; vrede zij aan dit huis. En indien liet zulks waardig is, zoo zal uw vrede over hetzelve dalen; maar als het denzelven niet waardig is, zoo zal uw vrede tot u weder-keeren. Indien echter u niemand ontvangen wil, noch uwe woorden aanhooren, verlaat dan dat huis of die stad, en schudt het stof van uwe voeten tot eene getuigenis tegen hen. Voorwaar, ik zeg u, het zal in den dag des oordeels verdragelijker gaan met Sodoma en Gomorrha, dau met die stad.

Christus schreef zijnen Apostelen nog vel.e andere regels voor, wanneer hij hen wilde bereiden, om het Evangelie naderhand door de geheele wereld to prediken. Doch dit geschiedde, zoo het schijnt, op andere stonden. Wij zullen echter die uit Mattheus hier achtervolgens plaatsen, ten einde men met eenen oogslag zie, hoedanige menschen hij tot de onderneming van zulk een ongehoord werk zond, en welke regels hij hun voorschreef om het te voltrekken.

Zie, zeide de Heiland, ik zend u als schapen in het midden der wolven. VVeest dus voorzigtig als slangen, en eenvoudig als duiven. Wacht u van de menschen, want zij zullen u haten, u geeselen in de Synagogen. Gij zult voor de stadhouders en koningen gebragt worden, om voor hen en de Heidenen getuigenis te geven. Doch als zij u voor den regterstoel slepen, weest dan onbekommerd, hoe, of wat gij spreken zult: want op denzelfden stond zal u ingegeven worden, wat gij ter verantwoording zeggen moet. Want niet gij, maar de Geest van uwen Vader zal door u spreken. Voorts zal de eene broeder den anderen, en de vader zijnen zoon ter dood leveren; en de kinderen zullen tegen hunne ouders opstaan, en hen ter dood brengen. Gij zult van de menschen gehaat worden om mijnen naam; maar wie tot het einde toe zal volharden, die zal zalig zijn. Als de menschen u in de eene stad zullen vervolgen, vlugt dan naar eene andere; voorwaar, ik zeg u; gij zult de steden van Israël niet doorreisd hebben, of de Zoon des menschen zal gekomen zijn. (1) Intussjhen is de leerling niet boven den meester, noch de knecht boven zijnen heer. Het moet den leerling genoeg wezen, dat hij gelijk zijn meester, en de knecht, dat hij gelijk zijn heer is. Indien zij den Vader des huisge-zins Beëlzebub genoemd hebben, hoe veel te meer zullen zij zijne huisgenooten dan zoo noemen.

Vreest hen dan niet: want er is niets bedekt, hetgene niet ontdekt zal worden, noch verborgen, wat niet zal geweten worden. Hetgene ik u zeg in het geheim, zegt dat in het openbaar; en hetgene gij stilletjes hoort, predikt dat op de

(quot;1) Om wraak te nemen over die wederapannige steden, gelijk 40 jaren, na zijnen dood geschied is door de Romeinen, wanneer er nog vele van zijne eerste leerlingen in leven waren,

541

-ocr page 550-

512 Geschiedenis

daken. Vreest ook niet voor degenen, die het ligchaam dooden, ea de ziel niet kunnen dooden; maar vreest vrijmeer dengenen, die ziel en ligchaam in de hel kan verdoemen. Koopt men niet twee musschen voor eenen penning? Nogtans valt er niet een van die op den grond, zonder den wil van uwen Vader. Ja, zelfs de haren van uw hoofd zijn allen gesteld. Wilt niet vreezen: gij zijt immers waardiger dan al de musschen?

Al wie dan mij voor de menschen zal erkennen, dien zal ik ook voor mijnen Vader, die in den hemel is, erkennen. Maar degene, die mij voor de menschen zal loochenen, dien zal ik ook loochenen voor mijnen Vader, die in den hemel is.

Laat u niet voorstaan, dat ik den vrede op de aarde ben komen brengen; ik ben er niet den vrede, maar het zwaard komen brengen. Want ik ben den zoon (IJ tegen zijnen vader, de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder tweedragt, komen maken; en de huisgenooten van den mensch zullen zijne vijanden zijn. Wie vader en moeder meer lief heeft dan mij, is mijner niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan mij, is ook mijner niet waardig. Die zijn kruis niet opneemt, en mij navolgt, is mijner niet waardig. Die zich zeiven behouden wil, zal zicli in het verderf brengen, en die zich zeiven in het verderf zal brengen om mijnentwil, zal zich zeiven behouden.

Die u ontvangt, ontvangt mij; en die mij ontvangt, ontvangt dengenen, die mij gezonden heeft. Die een profeet ontvangt, omdat hij profeet is, zal met hem geloond worden j en die eenen regtvaardige ontvangt, omdat hij regtvaardig is, zal ook met hem beloond woorden. En wie maar eenen teug water aan eenen van deze minsten te drinken zal geven, omdat hij mijn leerling is, voorwaar, ik zeg het u, het zal niet onbeloond blijven.

BEMEKKING. Moest Christus niet God zijn, om dit alles te voorzeggen? Moest hij niet meester van de harten zijner Apostelen wezen, om door dusdanige afschrikkende voorzeggingen hen te verwittigen en te trekken tot de onderneming van zulk een zaak ? Moest hij den uitslag niet in zijne hand hebben, om door middelen, die tegen zijn oogwit gansch strijdig schenen, hun de bekeering der wereld te doen ondernemen en te doen uitvoeren ? Verdere bemerkingen zijn hier niet noodig; elke les brengt haar licht en hare onderwijzing mede.

(1) Niet omdat de leerlingen van Christus tot tweedragt zouden genegen zijn, want het Evangelie maakt hen lammeren; maar omdat hun maagschap, onbekeerd blijvende, gedurig tegen hen zoude twisten en heb verdrukken, gelijk dit daarna in de Apostelen en de eerste Christenen, en voorts in de andere Martelaren gebleken is.

-ocr page 551-

van het Nieuwe Testament.

XXIX. HOOFDDEEL.

OnthooMng van Joannes den Dooper. — De onzuiverheid en het dansen vlugten. Uit Matth. 14. en Mare. 6. te zamen gevoegd. — Hetzelfde jaar 32.

Terwijl de Apostelen in liunne zending waren en Jesus ook in de steden van Galilea predikte, deed Herodes Joannes in den kerker onthoofden, op aanhitsing van Herodias, nadat hij hem een geheel jaar gekerkerd had gehouden. Herodes hield veel van Joannes, zoo als reeds gezegd is; niettemin liet hij zich door die onkuische vrouw vervoeren, om hem gevangen te zetten. Zij had hem volgaarne van het eerste oogenblik van kant willen helpen, maar zij vermogt dit niet, omdat Ilerodes het volk vreesde, hetwelk Joannes voor eenen profeet hield. Eindelijk bood zich aan Herodias eene gunstige gelegenheid aan, om Joannes weg te krijgen. Herodes liet op zijnen geboortedag eenen kostbaren maaltijd oprigten voor de vorsten en krijgsoversten, en de voornaamsten van Galilea. Gedurende den maaltijd kwam de dochter van Herodias binnen, danste midden in de eetzaal, en behaagde daardoor zoo zeer aan Herodes, en aan al de dischgenooten, dat de koning van verrukking als buiten ziehzelven, haar zeide: verzoek wat gij wilt, ik zal het u verkenen. Hij voegde er zelfs bij; al wat gij verlangt, zult gij bekomen, al ware hot de helft van mijn rijk. Dit alle bekrachtigde hij met een\' duren eed. — Het meisje liep spoedig naar buiten en vraagde aan hare moeder: wat zal ik verzoeken? Deze antwoordde: het hoofd van Joannes den dooper. Het meisje kwam oogenblikkelijk weder binnen en zeide tot Herodes: ik bid u, geef mij dadelijk het hoofd van Joannes den dooper op eene schotel. De koning werd op het hooren dezer woorden zeer bedroefd; nogtans om den eed, en om degenen die met hem ter tafel zaten, wilde hij hare vraag niet verwerpen. Hij zond dan onverwijld een\' zijner lijfwachten heen, met het bevel om Joannes het hoofd af te houwen, en hem hetzelve te brengen. Deze voldeed aan het bevel, en bragt het bloedige hoofd op eene schotel aan het meisje. Het meisje gaf het vervolgens aan hare moeder over. Als de leerlingen van Joannes dit gehoord hadden, kwamen zij zijn ligchaam halen, legden het in het graf, en gingen dit aan Jesus boodschappen.

BEMERKING. Aldus worden de andere schelmstukken van Herodes gestraft, en de deugden van Joannes geloond. God konde niets schrikkelijker toelaten voor Herodes-Antiphas, dan hem Joannes te laten onthoofden. Hij had zich gahsch overgeleverd aan zijne onkuische geneigdheden tot Herodias, zijne nicht, en wettige vrouw van zijnen nog levenden broeder Philippus, en

543

-ocr page 552-

Geschiedenis

bedreef aldus een bloedschennis en een dubbel overspel, vervoegd met eenen onregtvaardigen oorlog tegen Aretas, koning van Arabië, wiens dochter hij verstooten had. Herodes kende de waarheid; hij had de vrijmoedige berispingen van Joannes hardnekkig verworpen; hij had geene uitvlugten om zich te verschoonen; maar de drift tot Herodias vervoert hem. Een maaltijd, een dans, een ligtvaardige eed, een menschelijk opzigt, eene ongegronde ongerustheid, een helsche aanslag tusschen Herodias en Salome, de danseres, dit alles werkt door Gods regtvaardige toelating mede, om hem de maat van zijne boosheden, door het vermoorden van dezen zoo grooten profeet, te doen vervullen. Men is tot alle boosheden bekwaam, als men l)ij de onkuischheid de onboetvaardigheid voegt.

Is er dan geen kwaad gelegen in het dansen, in de ballen, in de schouw bui-gen, en andere bijeenkomsten van ijdel vermaak, daar zoo veel zielen bloed vergoten wordt door de verergernissen; daar men, uit menschelijk opzigt, om te behagen en om te voldoen, over zoo vele dingen stapt, die het Evangelie en hef geweten verwijzen; daar degenen, die tot de zonde lokken, onbeschaamd spreken gelijk Salome, terwijl er niemand den mond opent om het kwaad te beletten, zoo als de hovelingen van Herodes, uit lafhartig ontzag, zwegen; daar men niet de helft van een rijk, maar een eeuwig koningrijk waagt? Het is de duivel, zegt de H. Chrysostomus, die den dans dezer dochter aangenaam maakte.

Waar gedanst wordt, zegt deze heilige Vader nog verder, daar is de duivel tegenwoordig. Het is schandig voor eene dochter, aan wie de eerbaarheid zoo eigen is, zegt de H. Ambrosius, in het aanzien van manspersonen te dansen. Maar wat heeft zij kunnen leeren van eene overspelige moeder, dan de eerbaarheid met voeten te treden? Dat eene dochter danse, zegt bij, die eene overspeelster voor moeder heeft; maar dat eene christene moeder hare dochter de godsdienstigheid leere, en niet het dansen.... Hoe veel beter is het met Joannes in den kerker zijn, dan met een zoo doorluchtig gezelschap, zoo als de wereld spreekt, op eenen prachtigen maaltijd!

• Herodes en Herodias spelen hier de rollen van Achab en Jezabel, die Elias van kant wilden helpen. Joannes, die. volgens het zeggen van Christus, een Elias is, lijdt hetgene Elias eens lijden zal. Hij sterft zonder een weerwoord en zonder misnoegen. Do grootste man, die ooit uit eene vrouw geboren is, wordt vermoord zonder gerucht, gelijk men eene musch zou dooden. Gelukkig zij die waardig zijn voor God te lijden, nadat zij, gelijk Joannes, voor de regtvaardigheid vrijmoedig gesproken hebben. Zij schijnen wel onder het geweld te bezwijken, maar behalen eene opregte, volkomene en eeuwige zegepraal.

■644

-ocr page 553-

tan het Niemce Tedament,

XXX. HOOFDDEEL.

Christus spijst vijf duizend man met vijf brooden en twee vissclien. Hij vlugt weg, omdat zij hem tot koning willen uitroepen. Leering. Slattli. 14. Maro. 6. Luo. 9. Joann. 6, — Hot jaar der gemeene tijdrekening 32, omtrent den derden Paschen na het doopsel van Christus, een jaar voor zijnen dood.

Middelerwijl kwamen de Apostelen weder van tanne zending, en verhaalden aan Christus de wonderheden die zij verligt hadden; maar hij leerde hun ootmoedig alles aan God, zijnen hemelschen Vader, toe te schrijven, terwijl hij met een dankbaar en ootmoedig hart deze schoone woorden uitriep: ik dank ü. Vader, Heer van hemel en aarde, dat Gij deze dingen verborgen hebt voor da wijzen en de verstandigen, en zo aan do kleinen hebt veropenbaard. U zij dank. Vader, omdat het U aldus behaagd heeft.

Het gerucht van al deze genezingen en wonderdaden kwam Herodes ter ooren, die bij zich zelvon dacht, of soms Joannes^ dien hij had doen onthoofden, wel van den dood niet mogt verrezen zijn en al die mirakelen doen. Toen Jesus dit vernam, en willende ook zijne Apostelen een weinig van hunnen arbeid laten uitrusten, riep hij hen naar eene eenzame plaats. Zij staken dan met een schipje de Galileesche zee over naar eene woestijn te Bethsaïda. Toen do volksscharen hem zagen vertrekken, liepen zij hem langs den oever na, en beproefden, zoo het mogelijk ware, hem voor te komen. Het was nu omtrent Paschen, zijnde de derde Pasohen na het doopsel van Christus. (1) De menigte, die hem volgde, was wel ten ge-talle van vijf duizend man, behalve de vrouwen en kinderen. Toen Jesus aan wal stapte, zag hij reeds geheele schare van menschen; hoewel hij do noodige rust niet vond, nam hij de lieden toch vriendelijk op. Hij beklom eene hoogte en onderwees het volk, genas de zieken, en hielp allen die hulp bij hem zochten. Het volk luisterde met zulke aandacht naar hem, dat het bijna op geen voedsel dacht, schoon het hem al drie dagen in de woestijn gevolgd had. Jesus riep nu Philippus, een\' zijner leerlingen, en zeide: ik heb medelijden met die menigte; waarvan zullen wij brood koopen, om hun te eten te geven? Hij zeide dit, om hen te beproeven; want hij wist wel wat hij doen zoude. Philippus gaf hem tot antwoord : al kochten wij voor twee honderd tienlingen brood (dat is 60 guldens), zoude dit nog niet toereikend zijn om

1) AVij lezen In het Evangelie niet, dat Christus deze maal naar Jeruzalem is gcstroken, om den feestdag te vieren, misschien omdat da Joden hem wilden ter dood brengen: waardoor hij ons leert, volgeiii den H. Augustinus, do gevaren vlugten, wanneer do liefde nog nie* vereischt, dat men zijn leven ten beste geve.

545

33

-ocr page 554-

546 Geschiedenis

ieder een stutje te geven. Nu zeide Andreas, de broeder van Simon-Petrus: Her is een knaap, die vijf garstenbrooden en twee visohjes heeft; maar wat helpt dit onder zoo vele menschen? Jesus zeide: doe lien in rijen op de grasrijke vlakte nederzüten. . I\'it geschiedde. Zij waren omtrent de vijf duizend man. Jesüs nam de broeden, en na die gezegend te hebben, brak hij die in stukken, en gaf dezelve aan zijne leerlingen, om ze onder het volk te verdeelen ; op dezelfde wijze liet hij ook de visschen ronddeelen, zoo veel als ieder wilde eten. Als zij nu verzadigd waren, zeide hij tot zijne leerlingen; vergadert de overgescho-tene brokkelingen, opdat er niets verloren ga. Zij deden zulks, en vulden twaalf korven met brokkelingen, die overgebleven waren. Als de menschen dit wonder zagen, riepen zij met verbazing uit: dit is voorzeker de profeet, die in de wereld moet komen. Toen het Jesus bewust was, dat zij zouden aandringen om hem met geweld tot koning uit te roepen, verwijderde hij zich ongemerkt naar eenen berg om te bidden.

BEMEEKINGr. De heilige Vaders hebben deze vijf duizend menschen aangezien als een afbeeldsel der Christenen, die de wereld ten minste met het hart verlaten, om Christus in de woestijn dezes levens te volgen... Deze verzadiging, naar het ligchaam, van die zoo groote menigte, is ook een afbeedsel van de verzadigingen der ziel, die gespijsd wordt ten 1, door Christus en zijne heilige geheimenissen; 3. door zijn heilig woord; 3. door zijne genade; 4. door zijn heilig ligchaam.

Jesus ziet het groote geloof dier menschen, en wacht echter tot op den derden dag om hen te spijzen. Aldus handelt God met zijne uitverkorenen. Van den eenen kant laat hij hen in lijden, omdat het uur hunner vèrlossing nog niet gekomen is, en zij zich van den anderen kant aan zijnen godde-lijken wil blijven onderwerpen, tot dat de tijd van hunne verlossing naken zal. Ons klein geloof is de oorzaak, dat wij zoo spoedig willen verlost zijn. Het komt God alleen toe, dat uur le bepalen: hij weet wat ons voordeelig en zalig is, en wij moeten in alles aan zijne schikking onderworpen zijn.

XXXI. HOOFDDEEL.

CLristus wandelt op de zee; hij doet Petrus over het water bij zich komen; hij stilt het onweder, en geneest vele zieken. Hos God zijne uitverkorenen beproefd. Matth. 14. Mare. 6. — Het jaar 32.

Zoo als daar even gezegd werd, had Jesus, na het groote mirakel van de vermenigvuldiging der brooden, zich alleen op eenen berg verwijderd, om aldaar in de eenzaamheid te bidden; hij had zijne leerlingen vooraf gezonden om scheep te gaan. Als het nu reeds laat geworden was, trokken deze

-ocr page 555-

I

van het Nieuwe Testament. 547

naar de zee, en voeren naar Capharnaüm. Middelerwijl ontstond er een lievige wind, die de zee onstuimig maakte.

Toen Jesus zag, dat zij groote moeite aanwendden om te ïoeijen (immers de wind was hen tegen,) kwam hij omtrent de vierde nachtwacht tot hen, (1) wandelde op de zee, en scheen hen te willen voorbijgaan. Wanneer zij tiem op het water zagen wandelen, meenden zij dat het een geest was, en hieven een angstig geschreeuw aan; want allen werden zeer verbaasd. Jesus echter sprak hun terstond aan en zeide: betrouwt, ik ben het, vreest niet. Petrus gaf hierop tot antwoord : Heer! indien gij het zijt, doe mij tot U op het water komen. Kom, zeide Jesus. Nu stapte Petrus uit het vaartuig, en wandelde op het water, om naar Jesus te gaan. Maar toen hij de hevigheid des winds gevoelde, werd hij bevreesd, en riep, op het punt zijnde van te zinken, uit: Heer, behoud mij! Jesus stak terstond de hand uit, nam hem vast, en zeide: kleingeloovige! wanrom hebt ge getwijfeld? Zoohaast hij bij zijne leerlingen op het schipje gegaan was, bedaarde de wind, waarover zij nog veel meer verbaasd stonden ; want zij hadden het gebeurde met de brooden niet gevat, omdat hun hart verduisterd was.

Zij landden vervolgens te Genezareth aan. Zoohaast zij uit Ihet vaartuig gestapt waren, erkenden de inwoners van het land Jesus. Hier verigtte hij nu weder liefdewerken met zieken te genezen, enz. Overal, waar men hoorde dat hij was, in wat dorp, land of stad hij kwam, legden zij de kranken op de straten, en baden hem om alleen den boord van zijn kleed te mogen aanraken: en allen, die denzelven aanraakten werden gezond.

BEMEBKING. De leerlingen van Christus gaan hier door zijn gebod in het schipje, nogtans laat hij hen roeijen met gevaar van te vergaan. Aldus wil God de zijnen in dit leven, ook als zij zijnen roep volgen, door lijden en tegenspoed beproeven. Waarom zijn wij dan zoo mistroostig in de bekoring?... De Apostelen werkten bijna zonder baat tegen stroom en wind. Dit is de afbeelding van het christelijk leven, in het midden van de onstuimige zee dezer wereld. De bedor-vene aarde, de winden der bekoringen, alles gaat ons tegen: de arbeid verveelt, het gebed verdriet, maar Christus ziet de zijnen, komt op zijnen tijd, en helpt hen uit den nood.

Petrus wandelt op het woord van zijnen Meester over de baren, hij is gehoorzaam : wat heeft bij dan misdreven dat hij begint te zinken? God, zeggen de heilige Vaders, wilde \'lezen Apostel de hand doen gevoelen, die hem ondersteunde,

-ocr page 556-

Geschiedenis

en hem, alsook ons, overtuigen, dat wij zinken, zoohaast Mj haar onttrekt. De bekoringen dienen dan: 1. om ons, (Aug. de corrept. et grat. Gap. 9.) ootmoediger en voorzigtiger te maken; 3. om ons onze zwakheid te leeren kennen; 3. om ons te doen bidden; 4. ons de gelegenheid der zonde te doen vlugten; 5. en om daarna den Heere meerdere dankbaarheid te betoonen.

XXXII. HOOFDDEEL.

Ghriatus leert, dat wij zijn overheillg Ligchaam als spijze moeten nuttigen. Eenige leerlingen verlaten hem, maar de Apostelen blijven getrouw. De Cananeesche vrouw. Haar groot geloof. De volharding in het gebed. Math. 15. Maro, 6. 7, Joann. 6, — Hetzelfde jaar 32.

Des anderendaags zocht het volk, hetwelk van de brooden gegeten had, den Heiland overal. Het wist, dat er een eenig schipje gelegen had langs den kant dor woestijn, en dat Jesus niet met zijne leerlingen in hetzelve was gestapt, maar dat zij alleen afgevaren waren. Daar zij hem niet vonden, kwamen zij met andere vaartuigen, die van Tiberias waren overgekomen, naar Oapharnaüm, alwaar zij, Christus ziende, hem met verwondering vroegen: Meester, hoe zijt gij hier gekomen? Maar Jesus, zonder op hunne nieuwsgierige vraag te antwoorden, en voor hen zijne goddelijke magt, door welke hij over het water gegaan was, verborgen houdende, toonde hun, dat zij meer zich zeiven dan hem zochten, vermits zij hem slechts opspoorden, omdat zij van het brood gegeten hadden, hetwelk hij door mirakel in de woestijn vermenigvuldigd bad.

Hieruit nam hij gelegenheid om hen te vermanen, dat zij een ander brood zouden zoeken; hij wilde namelijk spreken van het allerheiligste Sakrament des Altaars. Ik ben, zeide hij, het brood des levens. Uwe voorvaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, maar zijn gestorven. Ik ben het levende brood, die uit den hemel gedaald ben. Al wie van dit brood eet, zal eeuwig leven: en het brood dat ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk ik zal geven voor het leven der wereld. Zoo gij het vleesch van den Zoon des menschen niet eet, en zijn bloed niet drinkt, voegde hij er bij, zoo zult gij het leven in u niet hebben. Want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed waarlijk drank... Velen zijner leerlingen, dit gehoord hebbende, zeiden: dit zijn harde woorden: wie kan die aanhooren? Van dien tijd af, keeïden er velen van hen terug, zonder hem nog te volgen. Jesus zeids dan tot de twaalf: wilt gij ook niet henen gaan? Maal Simon Petrus gaf hem tot antwoord; Heer, tot wien zoudea wij gaan? Gij hebt immers de woorden van het eeuwiga

548

-ocr page 557-

van \'het Nieuwe Testament.

leven? (te weten, als men die np.ar den geest verstaat, en niet gelijk de Capharnaïeten, die meenden dat Christus zijn vleesch en bloed op eene zigtbare wijze wilde geven.)

BEMERKING. Wat Christus hier belooft, heeft hij in het laatste avondmaal volbragt. Het heilig Sakrament des Altaars is een brood, hetwelk uit den hemel gedaald is, een levend brood, een brood hetwelk het eeuwige leven geeft; niet gelijk het manna, hetwelk met al deszelfs wonderheden slechts eene enkele schaduw van dit hemelsche brood was. Wij nuttigen waarlijk en wezenlijk het ligchaam van Christus in het heilig Sakrament, gelijk zijne goddelijke en onfeilbare beloften hier duidelijk beteekenen. De Ketters, die dit niet kunnen gelooven, zijn gelijk aan de Capharnaïeten en de afvallige leerlingen. De Katholijken, zoo als Petrus en de getrouwe leerlingen, geven eenvoudig geloof aan de woorden van Christus.

Naderhand bezocht Jesus de Syrische kust, rondom Tyrus en Sidon. Daar ontmoette hem eene Cananeesche vrouw uit die streken, en riep hem kermende toe: Heer, Zoon van David, ontferm ü mijner! mijne dochter wordt hevig van den duivel gekweld. Jesus echter scheen haar niet te verstaan. De leerlingen baden hem nu, en zeiden; laat haar gaan (met haar te geven wat zij verzoekt), want zij schreeuwt ons na. Hij gaf hun tot antwoord: ik ben slechts gezonden tot de verlorene schapen van het huis van Israël. Echter trad de vrouw toe, viel Jesus te voet en smeekte: Heer, help mij toch! Hij antwoordde; het is niet billijk, dat men het brood aan de kinderen onthoude, om het voor de honden te werpen (1). De vrouw antwoordde daarop: het is waar. Heer, maar de honden eten wel van de brokjes, die van de tafel hunner heeren vallen. Nu gaf haar Jesus tot antwoord: o vrouw, uw geloof is groot, uw verlangen zij vervuld! En waarlijk, hare dochter werd op hetzelfde oogenblik genezen.

BEMERKING. 1. De heilige Vaders verwonderen zich met reden over het groote geloof dezer heidensche vrouw. De heilige Gregorius zegt: gelijk deze vrouw de ongeloovigheid der Joden beschaamd maakte, dat nu ook zoo in de heilige Kerk goede, wereldlijke menschen dikwijls de geestelijken beschamen, door de eenvoudigheid van hun geloof en de opregt-heid van hun leven. 3. Wij zien in deze vrouw, met welke ootmoedigheid en volstandigheid wij bidden moeten, zelfs als God ons gebed schijnt te verstooten. Haar groot geloof blijkt

1) De kinderen waren de Joden, als bijzonder van God verkoren. En door de honden worden de Heidenen beteekend, om hun boos leven en hunne zedeloosheid.

-ocr page 558-

Geschiedeni» *

uit de beproevingen. Christus beproeft haar: 1. Door zijn stilzwijgen. 3. Nog meer door de woorden, die hij tot zijne Apostelen spreekt: ik hen niet gezonden, enz. 3. Hij vergelijkt die zelfs bij eenen hond, en schijnt haar te willen verstooten: maar zij stoort zich aan niets, en stemt ootmoedig in alles toe. Zij volhardt, nadat de Apostelen niet verder durven spreken; zij verkrijg hetgene zij niet kunnen bekomen; en Jesus zelf toont zijne vewondering over haar groot geloof. Indien wij aldus bidden, zal Christus zonder twijfel tot ons ook zeggen: u geschiede volgens uwen wil. De heilige Monica heeft alzoo voor haren zoon Augustinus gebeden, en na vele weigeringen, zoo het scheen, heeft zij zijne bekeering verkregen.

XXXIII. HOOFDDEEL.

Verschillende gevoelens van het volk wegens Christus. Belijdenis, lof en berisping van Petrus. De verheerlijking van Jesus. Leering voor ons. Matth. 16. 17. Mare. 9. Luc. 9. — Het 32 jaar van Christus. Het 3e na zijn doopsel.

Na vele andere mirakelen, die Jesus in Galilea ven-igt had, kwam hij omtrent Cesarea-Philippi, en vraagde aan zijne leerlingen: voor wie houden de lieden den Zoon des menschen? Zij gaven tot antwoord: sommigen houden hem voor Joannes den Dooper, anderen voor Elias, weer anderen voor Jeremias, of eenen van de profeten. Jesus vroeg hun: en gij, voor wie houdt gij mij? Simon-Petrus vatte het woord op, en zeide: gij zijt Christus, de Zoon van den levenden God. Jesus zeide hem hierop: zalig zijt gij, Simon-Barona: want vleesch en bloed hebben u dit niet geopenbaard (dat is, geene menschen, die van vleesch en bloed gevormd zijn), maar mijn Vader, die in den hemel is. Ik zeg u ook, gij zijt Petrus (welke naam steenrots heteekent), en op die steenrots zal ik mijne Kerk bouwen; en de poorten (dat is de almagt der duivels) der helle zullen haar niet overweldigen. Aan u zal ik de sleutels van het rijk des hemels geven. Al wat gij op de aarde zult binden, zal ook gebonden zijn in den hemel; en al wat gij op de aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijn. Verder gebood hij zijnen leerlingen, van aan niemand te zeggen, dat hij Jezus de Christus was, (te weten, opdat degenen, aan wie zij dit nu mogelijk zouden zeggen, daarna door het lijden vau Christus geërgerd zijnde, en aldus van het geloof afvallende, niet erger zouden worden.)

Van dien tijd af begon Jesus aan zijne leerlingen voor te houden dat hij naar Jeruzalem moest reizen, en veel van de ouderlingen (1), schriftgeleerden en opperpriesters te

1) Die ouderlingen waren de voornaamste personen onder de Joden, uit welke hun raad van staten bestond, dien zij Sanhedrin noemden.

550

-ocr page 559-

van het Nieuwe Testament.

Üjden zou hebben; dat hij ter dood zoude gebragt worden, én, ten derden dage verrijzen. Petrus wenkte onzen Heer hierop ter zijde, en zeide hem: verre zij dit van U, Heer; dat zal ü niet overkomen. Jesus keerde zich bij die woorden om, en zeide tot Petrus: ga weg van mij, gij tegenstrijder, gij dient mij tot ergenis: want gij smaakt niet wat goddelijk, maar wat menschelijk is. (Christus toont hierdoor, dat hij zijne Heiligen zelden verheft, of hij vernedert die ook terstond. Zoo groot is de zwakheid van den mensch; want zoo God aldus met hem niet handelde, zou de minste voorspoed in het tijdelijke of geestelijke bekwaam zijn, om hem to verijdelen en wederom tot val te brengen.)

Zes dagen daarna nam Jesus Petrus, Jacobus en Joannes, zijnen broeder, met zich, en beklommen zij eenen hoogen berg. Hij veranderde aldaar voor hen van gedaante. Zijn aangezigt schitterde als de zon, on zijne kleederen werden wit als sneeuw. En nu verschenen hun Mozes en Elias, met hem sprekende. Petrus nam het woord op, en zeide tot Jesus: Heer! wij zijn hier goed; laat ons, indien het U belieft, hier drie tenten maken {van loof, van hoomlakl-en, of eenig ander gewas), eene voor U, eene voor Mozes en eene voor Elias. Terwijl hij nog sprak overlommerde hen eene helderglanzende wolk, en er riep eene stem uit dezelve: deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn behagen genomen heb; luistert naar hem! De leerlingen wierpen zich, op het hooren dier woorden, ter aarde, en werden met vrees en ontzag vervuld. Jesus trad nader toe, raakte hen aan, en zeide: staat op, en vreest niet. Zij, nu hunno oogen opslaande, zagen niemand dan Jesus alleen. Wanneer zij van den berg kwamen, gaf Jesus hun dit gebod; spreekt aan niemand van hetgene gij gezien hebt, tot dat de Zoon des menschen van den dood zal verrezen zijn.

BEMERKING. Door deze openbaring heeft Christus het \'geloof in zijne leerlingen willen versterken, zijne Godheid meer en meer bevestigen en een straaltje van zijne toekomende heerlijkheid toonen. Mozes en Elias verschenen \'hem, en spreken met hem over lijden, omdat de wet en de profeten van Jesus getuigenis geven, en van zijn lijden gesproken hebben. Hij toont zijne heerlijkheid op den berg Thabor aan diezelfde leerlingen, aan wie hij zijn lijden en zijne nederigheid stond te laten zien op den berg van Olijven: om ons te leeren, dat de eeuwige heerlijkheid niet bekomen wordt zonder lijden, noch dat het lijden zal zijn zonder hoop op de einde-looze heerlijkheid. Petrus wilde op dezen berg blijven; doch hij was er nog niet waardig genoeg toe. De patriarch Jozef wist zijne verheffing (Gen. 37. v. 7. 9.) te voorzeggen, maar

551

-ocr page 560-

553 GescJdedenis

üj voorzag niet, wat lijden (v, 28. 24. Cap. 39. v. 30. Cap. 40. v. 14.) vooraf zoude gaan, eer hij (Gen. 41. v. 14. 41, 43,) daartoe zoude geraken. Hoe velen zijn er, die de heerlijkheid des hemels wenschen, zonder dezelve te willen verdienen? Wat doen wij toch voor den hemel? Wat lijden wij? Wat verlaten, of wat derven wij om hem te bekomen?

XXXIV. HOOFDDEEL,

Jesus geneest eenen maanzieken jongeling. Kracht van het geloof, van

het gebed en van het vasten. Betaling van den hoofdpenning. Matth,

17. 18. Mare. 9. Luc. 9. — Hetzelfde jaar 32, het derde zijner predikatie.

Toen Jesus met zijne drie Apostelen van den berg Thabor bij de andere leerlingen en bij het volk gekomen was, kwam er zekere mensch tot hem, die voor hem op zijne knieën viel, en zeide: Heer, ontferm U over mijnen zoon, die de maan-ziekte heeft, en grievende pijnen lijdt, want hij valt dikwijls in het vuur, en in het water, dewijl hij van een stommen geest zeer gefolterd wordt. Ik heb hem tot uwe leerlingen ge-bragt, maar zij hebben hem niet kunnen genezen. Jesus riep nu uit: o ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem hier bij mij. Jesus bezwoer den boozen geest zoo straf, dat hij uit den jongeling vertrok, en deze werd op hetzelfde oogenblik gezond. Nu kwamen de teerlingen in het heimelijk bij Jesus, en vroegen: waarom hebben wij hem niet kunnen uitjagen? Hij zeide hun: om uwe ongeloovigheid; want ik zog u voorwaar: bijaldien gij een geloof had gelijk een mostaardzaad (dat is, een geloof, hetwelk ootmoedig en sterk is: det mostaardzaad\' is klein en-krachtig.) zoudt gij aan dien berg zeggen: begeef u derwaarts: en hij zou zich verplaatsen, en niets ter wereld zonde onmogelijk zijn. Maar dit slag (van booze geesten), voegde er Jesus bij, wordt niet uitgedreven, dan door bidden en vasten. Het geloof doet bidden, en door het gebed erkent men zijne zwak-* heid en onmagt, om iets goeds, dat tot de zaligheid strekt, te kunnen doen zonder de genade; en het beweegt tot boetvaardigheid, terwijl de zondaar zijne onwaardiggeid bekent, waardoor hij beletsels tracht weg te nemen, die de hulp Gods van hem vervreemden.

Jesus ging van daar voort naar Capharnaüm. Hier kwamen de ontvangers van den hoofdpenning bij Petrus en vroegen: betaalt uw meester den hoofdpenning niet? Hij antwoordde! zekerlijk wel! Toen Petrus nu in het tolkantoor ging, voorkwam hem Jesus, en vroeg: wat dunkt u, Simon, van wie ontvangen de koningen der aarde tol of schattingen? van hunne kinderen, of van vreemden? Petrus antwoordde: van vreem-

-ocr page 561-

van het Nieuwe Testament.

den. Jesus sprak nu: zoo zijn de kinderen dan vrij; en ver\' volgent ik nog veel meer, die de Zoon van den opperden Koning len) maar om deze lieden niet te verergeren, zoo ga naar de zee, werp uwen angel uit, en trek den eersten visch die er aankomt op; breek diens kaken los, en gij zult er eenen dubbelen boofdpenning ia vinden (dat is 30 stuivers); neem dien. en betaal daarmede voor mij en voor u.

BEMERKING. Hieruit blijkt: 1. de armoede van Christus, die zelfs geen geld bad om den cijnspenning te betalen. Ten 2. zijne geboorzaambeid aan de menscbeu en de mensobelijke bevelen, en zijne ootmoedigbeid in volgaarne te willen betalen, lietgeno bij niet sclxuldig was. 3. Zijne liefde om geene ergernis te geven,

JC.XXV. HOOFDDEEL.

Wie de grootste is. quot;Worden als een klein kind. Leering. Do verergernis vlugten. Elkanders misdaden vergeven. De groote schuldenaar van tien duizend talenten. Matth. 18. Maro. 9. Luo. 9. — Hetzelfde jaar 32.

Uit den cijnspenning, dien Christus voor zich en voor Petrus had doen betalen, hadden de andere leerlingen, zoo bet schijnt, eenige jaloerschheid opgevat, want zij hadden op den weg ouder elkander getwist, wie van hen de grootste was. Christus, die alles wist, ondervroeg hen, toen zij te huis gekomen waren, frelke woorden zij onderwege gehad hadden; maar zij zwegen uit beschaamdheid stil. De Zaligmaker echter nam nu het woord op, en zeide: zoo iemand onder u de grootste wil wezen, die moet de laatste zijn, en de dienaar van allen. En te gelijk liet bij een klein kind tot zich roepen, omarmde het, stelde het midden onder hen, en zeide: voorwaar, ik zeg u, zoo gij u niet bekeert, en gelijk wordt aan kleine kinderen, zult gij in het rijk der hemelen niet komen. Al die zich gelijk een klein kind zal vernederen, zal de grootste in het rijk des hemels zijn: en die zulk een klein kind in mijnen naam ontvangt, ontvangt mij: en die mij ontvangt, ontvangt dengenen, die mij gezonden heeft. Dus, die onder u de grootste wil zijn, zal de minste wezen.

BEMERKING. Uit deze leer van den Zaligmaker zien wij, hoe noodzakelijk de ootmoedigbeid is, die den grondsteen en de bewaarster aller deugden uitmaakt; eene deugd, alleen ïigen en bekend aan de Christenen. Zoo spreken de H. H. Augustinus, Bernardus en Hieronymus. (Aug. Epist. 118.) Eène^ deugd zoo noodzakelijk als het doopsel en als de boet-doening; want gelijk Christus zegt: tenzij gij (Joan. 3. v. 6.) gedoopt wordt, zult gij niet ingaan in het rijk der hemelen;

553

-ocr page 562-

Geschiedenis

tenzij gij (Luc. 13. v. 3.) boetvaardigheid doet, zult gij verloren gaan: aldus zegt bij bier ook van de ootmoedigbeid, tot zijne leerlingen: tenzij gij u vernedert, en gelijk wordt aan kleine kinderen, zult gij in bet rijk des hemels niet komen.

Hoe is men bezorgd, om niet zonder Doopsel of zonder het heilig Sakrament van boetvaardigheid te sterven! Maar is men ook zoo bezorgd, om niet zonder de deugd van ootmoedigheid het leven te verlaten?

Wie eenen dezer kleinen, die in mij gelooven, verergert, sprak Christus nog verder, dien ware het beter, dat hij, met eenen molensteen aan den bals gebonden, in zee geworpen werd. Wee der wereld, ter oorzake der verergernis! Het is onmogelijk, dat er geene verergernis ontsta; maar wee dengenen, door wie de ergernis komt! Indien uwe hand, of uw voet, of uw oog u tot verergernis dient, kapt die liever af, of rukt die uit, en werpt ze weg, dan dat gij om de verergernis in het vuur geworpen zoudt worden (dat is, dat wij ook die zaken, welke ons zoo lief en zoo noodig zijn als deze lidmaten, liever moeten derven en van ons werpen, dan door dezelve verergernis te geven, of te lijden, en ons te verdoemen). Ziet dan toe, zeide Christus ten slotte, dat gij niemand van deze kleinen veracht; want ik zeg u, dat hunne Engelen altijd het aanschijn van mijnen Vader, die in den hemel is, aanscaouwen.

BEMERKING-. Hoe lief en boe dierbaar zijn de kleinen, dat\' is, de ootmoedigen, in de oogen van God! en welke zorg wil hij dat wij voor onze zielen dragen, wanneer hij ons leert, dat wij alles moeten verachten, om die zalig te maken,!

5 54

Nog eene andere gewigtige les gaf Christus ten zelfden tijde aan zijne leerlingen, wegens het vergeven van elkanders misdaden: want nadat bij aan Petrus gezegd had, dat hij niet alleen tot zevenmaal toe, maar tot zeventigwerf zevenmaal (1) aan zijnen broeder vergeven moest, stelt hij de gelijkenis voor van den grooten schuldenaar, die tien duizend talenten (dat is eene overgroote som) aan zijnen heer schuldig was, hetwelk hem alles uit medelijden en uit loutere genade van zijnen goeden meester werd kwijtgescholden. Deze knecht had eenen medeknecht, die hem honderd tienlingen, dat is, omtrent dertig guldens, schuldig was. Dezen greep hij vast, en schoon hij hem om uitstel smeekte, deed hij hem echter zonder genade in de gevangenis werpen, tot dat hij alles betalen zoude. Over deze wreedheid werd de heer ten uiterste vertoornd. Hij liet den hardvochtigen knecht bij zich komen,

(1) Dat ia; zoo dikwijls als hij tegen hem zondigt.

-ocr page 563-

van het Nieuwe Testament.

en sprak hem aldus aan: gij booze knecht, ik had u al die schuld kwijtgescholden, omdat gij mij daarom gebeden hadt; moest gij dan ook geen medelijden hebben met uwen mede-knecht, zoo als ik medelijden met u gehad heb? Voorts leverde de heer hem aan de geregtsdienaars over, tot dat hij de gansche schuld zoude afbetaald hebben. Deze leerrede besloot Jesus met deze belangrijke woorden; aldus zal mijn hemelsche Vader met ieder uwer ook handelen, indien gij uwen broeder niet van harte vergiffenis schenkt.

BEMERKING. Die in deze gelijkenis niet ziet, hoeveel wij God schuldig zijn, hoe milddadig hij ons alles vergeeft, en hoe wij onzen broeders vergeven moeten, is blind; en die door den donderslag, welken Christus daarbij voegt, niet ontwaakt, zoo als de H. Augustinus zegt (1) slaapt niet, maar is dood.

XXXVI. HOOFDDEEL.

Jesua gaat in het heimelijk naar het loover- of tentenfeest. Hij reinigt tien melaatschen; één alleen betuigt zijne erkentenis. Weinige toonen dankbaarheid over de weldaden van God.

Joan. 7. Luc. 17. — Hetzelfde jaar 32.

Wanneer het feest der Joden Scenopegia (3) genoemd, voorhanden was, kwamen de broeders van Jesus (dat is zijne bloedvrienden, volgens de hebreeuwsche spreekwijze) en zeiden tot hem: vertrek van hier en ga naar Judea, opdat uwe leerlingen aldaar ook de werken mogen zien die Gij verrigt. Want niemand doet iets bijzonders in hei verborgen, maar zoekt vermaard te zijn. Dewijl Gij zulke dingen doet, vertoon U aan de wereld. Jesus zeide hun: mijn tijd is nog- niet gekomen; maar uw tijd is allj oogenblikken gereed. De wereld kan u niet haten; maar mij haat zij, omdat ik van haar getuigquot;, dat hare werken boos zijn. Gaat gij naar dit feest: wat mij betreft, ik zal er mij niet henen begeven, daar mijn (3) tijd nog niet vervuld is. Doch nadat zijne bloedvrienden henen gegaan waren, ging hij ook naar gemeld feest, niet openbaarlijk, maar als in het verborgen.

Jesus nam zijnen weg door Samarië en Galilea. Toen hij in zeker dorp aangekomen was, ontmoetten hem tien melaatschen, die van verre bleven staan, en luidkeels riepen: Jesus, Meester! ontferm U onzer. Als hij hen zag, zeide hij tot hen: gaat, vertoont u aan de priesters. En terwijl zij op den weg waren,

(1) Aug. Ench. Cap. 71. num. 19.

(2) Andera het loover- of tentenfeest, omdat zij acht dagen, onder tenten van loof gemaakt moesten wonen, tot gedachtenis dat zij aldus 10 jaren in de woestijn geleefd hadden.

(3) Dat is: ik ga er nog niet, gelijk het Grieksch :nhoult.

555

-ocr page 564-

Geschiedenis

556

werden zij gereinigd. Een hunner ziende dat hij genezen was, keerde weder, en dankte en verheerlijkte Jesus met luider stemme, terwijl hij voor zijne voeten viel. Dit was een Samaritaan. Jesus nam het woord op en zeide: zijn zij niet alle tien gezuiverd geworden ? Waar zijn dan de negen andere ? Dan er werd niemand gevonden, die wederkwam om God te verheerlijken, dan deze vreemdeling. Hij zeide hem dan: sta op, en ga henen, uw geloof heeft u gezond gemaakt.

BEMERKING-. De dankbetuiging, over al de weldaden, ons van den Heer bewezen, is zoo veel te aangenamer aan God, hoe minder er zijn, die aan dezen pligt voldoen. Eene ziel, die het geluk en de weldaden erkent, die aan haar geschied zijn, stelt niet een oogenblik uit hare dankbaarheid te betoonen. Hoe velen zijn er, die van God weldaden vragen; hoe weinigen, die erkentelijk zijn, nadat zij die ontvangen hebben! Hoe grooter de weldaad is, des te grooter onze dankbaarheid ook moet wezen. Hoe grooter onze onwaardigheid is, en hoe min wij verdienen genezen te worden, des te grooter ook de weldaad dezer genezing is. Welke dankbaarheid is de mensch dan niet schuldig als hij genezen en verlost wordt van zijne zonden ! Wij moeten God bidden, dat hij ons een dankbaar hart wille geven, en van de ondankbaarheid, die eene zoo gemeene zonde is, beware.

\'Rit : üll

XXXVII. HOOFDDEEL.

Kenteekens dat de leer van Jesus dezelfde is als die vau zijnen Vader. Er worden dienaars uitgezonden om den Heer te vangen. Bene over- \' spelige vrouw wordt van den dood verlost. Zachtmoedigheid tot de zondaars. Het hervallen is verschrikkelijk. Joan. 7. en 8. Hetzelfde jaar 32.

Gedurende de eerste dagen van het looverfeest sprak men in Jeruzalem veel van Christus, omdat hij nog niet op dit feest verschenen was; want het was een van de drie hoogtijden der Joden, op welke de mannelijke personen, volgens de wet, aldaar moesten verschijnen. De Joden zochten hem dan op den feestdag en vroegen: waar ia hij ? Er ontstond dus veel gemompel over hem onder het volk; want sommigen zeiden; het is een goede man, anderen daarentegen zeiden: het is volstrekt zoo niet, maar hij is een verleider. Niemand nogtans sprak openhartig van hem, (te weten, degenen die een goed gevoelen van hem hadden) uit vrees der Joden.

Als het feest nu ten halve gekomen was (dat is, op den Vierden of vijfden dag van hetzelve: want het duurde aaht dagen), ging Jesus naar den tempel en onderwees al-

»Ui! t i

l!l!

;ir \'!

JP

Bi-! ■gt; i\'

-ocr page 565-

van het Nieuwe Testament, 587

daar. De Joden verwonderden zich en zeiden: hoe kent deze de Schrift, daar hij die niet geleerd heeft? Jesus gaf huu tot antwoord: mijne leer is de mijne niet, maar van dengenen die mij gezonden heeft. Indien iemand den wil van God wil doen, die zal kennis krijgen van de leer, of zij van hem is, dan of ik uit mij zeiven spreek. Wie uit zich zeiven spreekt, die zoekt zijnen eigen roem; maar die den roem zoekt van dengenen die hem gezonden heefc, die is opregt, en in hem is geen bedrog. Heeft Mozes u de wet niet gegeven ? En echter volbrengt niemand van u de wet. Waarom zoekt gij mij het leven te benemen? Het volk antwoordde hem: gij hebt den duivel in! Wie zoekt u het leven te benemen ?....

Eenige burgers van Jeruzalem zeiden; is dit dezelfde niet, dien zij zoeken te dooden? Zie, hij spreekt daar vrijmoedig voor iedereen, zonder dat zij hem tegenspreken. Zouden de oversten nu wol overtuigd zijn, dat hij de Christus is? Middelerwijl zonden de Farizeërs met de Opperpriesters dienaars uit om hem te vangen. Er ontstond ook groote oneenigheid om hem, onder het volk. Sommigen van hen zouden gaarne de band aan hem geslagen hebben, en echter durfde dit niemand wagen. De dienaars, die eenige der onderwijzingen, welke Christus op den laatsten dag van het looverfeest gedaan had, gehoord hadden, kwamen nu wederom tot de Opperpriesters en Farizeërs, die hun vroegen: waarom hebt gij hem niet medegebragt? Hun antwoord was: nooit heeft er een mensch gesproken, zoo als hij. Na onder elkander nog over het eene en andere getwist te hebben, trok ieder huiswaarts.

BEMEEKING. Indien de oordeelen der menschen wegens Christus zoo verschillend waren, moeten dan de deugdzame menschen zich storen, dat de wereld van hen zoo onbescheiden praat? Kan het gepraat der menschen het kwaad goed maken, of het goed kwaad? Laat ons dan goed doen, zoo veel het in ons vermogen is, en het oordeel slechts Treezen van dengenen, die nooit kan bedrogen worden.

Jesus ging nu naar den berg van Olijven. — Den volgenden morgen keerde hij weder naar den tempel, waar al het volk tot hem kwam. Hij zette zich neder, en onderwees hetzelve. Ondertusschen bragten de Schriftgeleerden en Farizeërs tot hem eene vrouw, die op overspel betrapt was; zij stelden haar in het midden, en vroegen Jesus: Meester, deze vrouw is zoo even op overspel betrapt. Mozes heeft ons (Lev. 20, v. 10.) in de wet belast, zoodanige vrouwen te steenigen. Wat zegt gij hierop? Dit zeiden zij, om hem te beproeven, opdat zij iets zoudsn hebben om hem te beschuldigen: of als

-ocr page 566-

B 5 S Geschiedenis

eenen voorstnvder van de kwaaddoeners, en versiiiader van de wet van Mozes, of als eenen onbarmhartige tot de zondaars. Jesus bukte zich, en schreef met den vinger op den grond (waarschijnlijk dezelfde woorden, die hij kort daarna uitsprak.) Terwijl zij hem bleven vragen, rigtte hij zich op, en zeide tot hen: wie onder u zonder zonde is, die werpe den eersten steen op haar. Verder bukte hij zich weder, eu ging voort met op den grond te schrijven. Toen zij zijn antwoord gehoord hadden, gingen zij stilletjes henen, de een vóór, de andere na, en Jesus bleef alzoo alleen met de vrouw. Hij rigtte zich nu op, en vroeg: vrouw, waar zijn nu uwe beschuldigers? heeft u niemand ter dood veroordeeld? Zij antwoordde; niemand. Heer. En Jesus hernam: ook zal ik u niet oordoelen. Ga henen, maar zondig voortaan niet meer.

BEMEEKING. Christus leert hier: 1. hoe men eerst zich zeiven moet oordeelen, eer men een ander verwijst; 3. zijn voorbeeld leert ons, zachtmoedig jegens groote zondaars te zijn; want niets beweegt hen zoo zeer, om zich te bekeeren, dan eene zachtmoedigheid, die zij noch verwacht, noch verdiend hadden.

Zondig voortaan niet meer, zegt Christus, want het hervallen is gruwelijk. 1. Om de groote ondankbaarheid, waarin men zijne goedertierenheid versmaadt. 2. Om de zware gevolgen van het hervallen. Zondig niet meer, zeide Christus ook tot den lamme, (Joan. 5. v. li.J opdrt u niets ergers overkome, want het- icare heter, zegt de H. Petrus, (Pet. 2. v. 21 en 22 J den weg der regtvaardigheid niet gekend, dan na denzelven gekend te hellen, af te wijken van de heilige tcet die hun overgeleverd, was. Aangezien hun is overkomen, hetwelk een waar spreekwoord zegt: de hond is wedergekeerd tot zijn eigen braaksel, en het zwijn, nadat het gewasschen teas, is zich wederom iti het slijk wentelen.

Het hervallen in de doodzonde komt dikwijls voort, ten 1. omdat wij de afgrijsselijkheid van de zondeniet kennen; 3. omdat wij de goddelijke genade niet vragen; 3. omdat wij het gevaar der gelegenheid niet vlugten; 4. omdat wij ons zeiven niet versterven; 5. omdat wij op onze uitersten niet denken; en ten 6. zeer dikwijls, omdat men niet opregt bekeerd ;-S.

XXXVIII. HOOFDDEEL.

Christus berispt de Joden. Zij willen hem steenigen. Hij geneest eenen blindgeborene. Deze beschermt Jesus, en wordt daarom van de Fari-zeërs weggejaagd, maar van Jesus ontvangen. Onze troost en ons voorbeeld. Joann. 8. en 9. — Hetzelfde jaar 32.

Nadat Jesus de overspelige vrouw door zijne goedertierenheid van den dood verlost had, en door zijne wijsheid den

-ocr page 567-

van het Nieuwe Testament, 559

strik was ontgaan, in welken hem zijne vijanden meenden te vatten, ging hij voort met verscheidene gewigtige waarheden aan het volk en aan do Farizeërs voor te houden, zoo als ons [de heilige Joannes in zijn 8e Hoofddeel verhaalt. Jesus zeido namelijk: ik ben het licht der wereld. Al geef ik getuigenis van mij zeiven, gaat echter mijne getuigenis niet min vast, omdat^ de Vader van mij getuigenis geeft door de mirakelen, die gij mij hebt zien doen: gij zult mij zoeken, maar niet [vinden; gij zult in uwe zonden sterven, tenzij gij gelooft, dat lik het begin ben; gij zult kennen, wie ik ben, wanneer gij mij _ eenmaal zult omhoog geheven hebben (namelijk aan het kruis); niemand kan mij van zonde betigten; al wie zonde doet, is slaaf der zonde; de Zoon Gods alleen kan u in vrijdom stellen (1); er zijn geene ware kinderen van Abraham, dan die Abraham\'s werken doen; diegenen zijn dus kinderen van den duivel, die de werken des duivels doen.

De Joden begonnen hem hierop smaad- en scheldwoorden toe te brengen, en te zeggen, dat hij een Samaritaan was, en den duivel in had. Jesus verwierp deze lastering met groote zachtmoedigheid; maar toen hij een weinig daarna zeide, dat Abraham verlangd had om zijne komst te zien, en dat hij er al was, eer Abraham geboren werd, namen zij steenen op, om die naar hem te werpen; maar Jesus ontdook hen, dat is, maakte zich onzigtbaar, en verliet den tempel.

BEMERKING. Aldus wordt de versteendheid der Joden gestraft. Christus verlaat hen; hij verbergt zich voor hun aan-gezigt; hij verlaat hunnen tempel: en dit is nog maar een afbeeldsel van datgene, wat hij verder zal doen, door hun de ware godsdienst te ontnemen, die hij den Heidenen geven zal. Aldus worden ook diegenen gestraft, die Gods genade misbruiken; zij wordt hun ontnomen, en aan anderen gegeven. Christus verbergt zich, en trekt van hen weg.

Wanneer Jesus van daar ging, zag hij in het voorbijgaan eenen blindgeborene. Zijne leerlingen vroegen hem: Mqester, om wiens zonde, om de zijne, of\' om die van zijne ouders, deze blind geboren? Jesus gaf hun tot antwoord: het is noch om de zonden, die hij gedaan heeft, noch om de zonden zijner ouders; maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden vertoond worden. Nu maakte Jesus een balletje van aarde en speeksel, bestreek daarmede de oogen van den blindgeborene, en zeide tot hem: ga u in het bad Siloë was-schen (hetwelk zoo veel te zeggen is als Gezondene). De blinde ging henen, wiescli zich, en kwam ziende weder. Zijne geburen, en die hem te voren hadden gekend, vroegen nu; is dit niet (1) Het gclieel menschelijk geslacht was slaaf van de zonde; Cliris-tas alleen kon hen vrij maken door zijne genade.

van ion-den rna

0P rpe en sijn 3en iw we

Zij ik

-ocr page 568-

660 Geschiedenis

degene, die daar even nog nederzat en bedelde? Eenigen zei. den: ja; anderen weder neen: docli Mj geleek hem zeer. Da genezene blinde echter zeide: ik ben diezelfde. Zij vroegen hem dan: hoe zijn u de oogen geopend? En hij hernam: da man, die Jesus genoemd wordt, maakte een slijkballetje, bestreek daarmede mijne oogen, en zeide: ga naar het bad van Siloë, en wasch u daar. Ik deed zulks, en nu zie ik. Zij vroegen hem verder: waar is die man? En zijn antwoord was, dat hij zulks niet wist. — Deze genezing geschiedde op een Sabbath.

Zij bragten dan dien man tot de Earizeërs, die hem vroegen, hoe hij ziende geworden was. Wanneer hij het hun verhaald had, begonnen zij onder elkander te twisten. De een zeide: dia mensch is van God niet, want hij onderhoudt den Sabbath niet. Een ander beweerde: hoe kan een booze mensch die mirakelen doen ? Gij dan, zeiden eenigen van hen tot den blinde : wat zegt gij van hem ? Deze antwoordde : het is een profeet — Doch daar zij niet konden gelooven, dat hij blind geboren was, deden zij zijne ouders roepen, en vroegen hun: is dit uw zoon? Is hij blind geboren? Hoe komt het, dat hij nu ziet? De ouders gaven ten antwoord: wij weten, dat deze onze zoon, en blind geboren is; maar hoe en door wie hij nu ziet, dit is ons onbewust : ondervraagt hem zeiven; hij is immers oud genoeg om zich zeiven te verantwoorden ? De ouders spraken aldus, omdat zij wel wisten, dat de Joden reeds onder elkander besloten hadden, al diegenen uit de Synagoge te bannen, wie Jesus toer den Christus erkennen zouden.

Hierop werd de blinde nog eens geroepen, nog eens ondervraagd, en krachtig aangemaand, dat hij de waarheid zou zeggen; maar daar hij de Earizeërs door zijne bondige antwoorden verstomde, en zij uit zijne woorden niets konden trekken, waarmede zij Christus zouden bezwaren, gaven zij hem smaadwoorden en stieten hem buiten.

Toen Jesus vernam, dat zij hem buiten gestooten hadden, vroeg hij hem, toen hij hem ontmoette : gelooft gij in den Zoon Gods ? Hij gaf ten antwoord: wie is deze, Heer, opdat ik in hem geloove ? Jesus zeide tot hem: gij hebt hem gezien. Hij is het, die met u spreekt. Hierop zeide hij : ik geloof in hem. Heer. Hij viel voor hem neder en aanbad hem.

BEMERKING. Gelukkige blinde, die tot het ware licht gekomen is! Hij heeft de Earizeërs beschaamd gemaakt, en getoond, dat een eenvoudig en ootmoedig geloof meer licht geeft, dan de hoovaardige wetenschap. De Joden hebben hem buiten gejaagd, maar Jesus heeft hem met liefde ontvangers Wanneer de wereld ons veracht en wegjaagt, dan komt Jesus

-ocr page 569-

van het Nieuwe Testament. 561

tot ons en vertroost ons. Er is geen grootere troost noch blijdschap, dan om Jesus veracht en verstooten te worden.

Laat ons van dezen blinde leeren.wat ons te doen staat. Hij is een-dig gehoorzaam aan hetgene Christus hem gebiedt. Een weinig slijk aan de oogen gestreken, en wat bronwater scheen toch niet bekwaam om zijne oogen te openen. Hij gaat zich echter wasschen zonder aarzelen, en komt ziende weder. Daar zijn geloof en zijne gehoorzaamheid volmaakt was, zoo bekomt hij ook eene volmaakte genezing. Er geschiedt in hem zulk eene verandering, dat zijne buren twijfelen, of hij het zelf is; maar hij verheerlijkt zijnen Zaligmaker, verklarende dat hij dezelfde is, die blind geweest was, en dat Christus hem het gezigt had wedergegeven. Aldus moet ook een boetvaardige eenvoudig gehoorzaam zijn in de middelen te gebruiken, die hem tot zijne genezing voorgeschreven worden, schoon die strijdig zijn aan zijnen hoovaardigen aard en zijne bedorvenheid; hij moet dusdanig veranderen door een stichtend leven, dat men hem niet meer kent: en nimmer vergeten, hoe blind hij geweest is, opdat hij aan God met ootmoedigheid over zijne genezing eene eeuwige dankbaarheid bewijze.

XXXIX. HOOFDDEEL.

Christus is de goede Herder. Kenteekens zoo wel van den goeden herder, als van den huurling. Joann. 10. — Hetzelfde jaar 32.

Na de genezing van den blindgeborene, verhaalt ons de H. Joannes de leerrede van den goeden Herder, welke Jesus tot de Joden hield. Daardoor wordt ons de liefde geleerd, die de herders tot de hun toebetrouwde schapen moeten dragen, door diengenen na te volgen, die de opperste Herder is, en die uit liefde voor zijne schapen zijn leven ten beste zoude geven. Hij toont ook, uit welke tee-kens men eenen goeden herder kennen kan, te weten: dat hij niet alleen geld en goed, rust en gemak, maar ook bereid is zijn leven voor zijne schapen te pand te stellen — en door welke teekenen de huurling, integendeel, gekend wordt.

Jesus zeide dan: voorwaar, ik zeg u, die niet door de deur van den schaapstal gaat, maar van elders inklimt, is een dief en moordenaar; maar die door de deur ingaat, is de herder der schapen. A.an dezen doet de deurbewaarder open, en de schapen hooren zijne stem. Hij roept zijne schapen elk bij zijnen naam, en leidt die uit. En als hij hen uitgeleid heeft, gaat hij hen voor, en de schapen volgen hem, omdat zij zijne stem kennen. Doch eenen vreemde volgen zij niet, maar_ vlugten van hem, omdat zij de stem van den vreemde niet kennen. Ik ben de goede Herder. Da goede Herder geeft zijn leven voor zijne schapen; maar de huurling,

36

-ocr page 570-

Geschiedenis

die de herder niet is, en aan wien de schapen niet toebe-hooren, verlaat de schapen als hij den wolf ziet aankomen, en neemt de vlugt. Dan rooft de wolf en verstrooit de schapen. De huurling neemt de vlugt, omdat hij een huurling is, en zich de schapen niet aantrekt.

Ik ben de goede Herder; ik ken de mijnen, en de mijnen kennen mij. Gelijk de Vader mij kent, zoo ook ken ik den Vader. Ook geef ik mijn leven voor mijne schapen ten beste. Ik heb nog andere schapen, die van dezen schaapstal niet zijn, die moet ik er ook bijbrengen, en zij zullen naar mijne stem luisteren, en het zal eene eenige kudde en en eenige herder worden. Daarom heeft mijn Vader mij lief, omdat ik er mijn leven voor afleg, om hetzelve weder te hernemen. Niemand ontneemt mij het leven; maar ik geef het vrijwillig. Ik heb de magt van het af te leggen, en ook van het te hernemen. Dit ia het gebod, hetwelk ik van mijnen Vader ontvangen heb.

BEMERKING. Het is eene groote verwaandheid, zich tot de geestelijke bedieningen en zielezorg te begeven, zonder zich eerst wel te onderzoeken, veel en lang te bidden, zich te versterven, enz., om te kennen, of men daartoe eigenlijk komt; dat is, door Christus, en door eenen waren roep, dan of men gedreven wordt door eerzucht, eigenbaat of andere aardsche inzigten, en niet door liefde voor de schapen.

Kenteekens van eenen goeden herder: Ten 1. De schapen hooren zijne stem. Het is dan zijn pligt, hen te onderwijzen, te vermanen, en hen gestadig tot de betrachting hunner zaligheid op te wekken. 2. Hij roept zijne schapen, elk hij zijne naam. Hij moet hen dan wel kennen, hen bezoeken, helpen en troosten, zoo in hunne geestelijke als ligchamelijke krankheden. 3. Hij leidt die uit-, dat is, uit hunne zonden en kwade gewoonten; uit hunne traagheid en onachtzaamheid, en hij leidt hen tot de zalige weiden van het woord Gods, en voedt hen daarmede, alsook met de heilige Sakramenten. 4. Hij gaat hen voor met goede voorbeelden, als het voorbeeld der kudde. Hij stelt het leven voor zijne schapen te pand. Hij moet in de bereiding des harten vaardig zijn, zijn leven te geven voor zijne schapen, als hunne zaligheid anderszins u gevaar zoude zijn. Hoe veel te meer moet hij dan niet bereid zijn, al wat hij heeft en vermag, tot de dienst van God ei de zaligheid der schapen te besteden!

Gelukkige schapen die zulke herders hebben ï want dooi dusdanige wordt hun de weg ten hemel aangewezen; zij wor-den door hen gevoed en bevrijd van de verslindende wolven, en eindelijk gebragt tot den hemelschen schaapstal. Die dusdanige niet hebben, moeten er vurig naar trachten en er me\'

663

-ocr page 571-

van het \'Nieuwe Testament. 563

ijver en aanhoudendheid om bidden, en alsdan zal de goede herder hun niet ontbreken. Maar zeer ongelukkig zijn de slechte schapen, die naar de goede herders niet luisteren, die hen lasteren, hen bedroeven en vervolgen.

XL. HOOFDDEEL.

Het gebod der liefde. De gekwetste van Jericho. Verscheidene bemerkingen, tuc. 10.

. Op zekeren tijd kwam er een wetgeleerde bij Jesus, en vroeg hem, om hem te beproeven; Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven? Jesus gaf hem ten antwoord: wat staat er in de wet geschreven? Wat leest gij daar? Hij antwoordde (Deut. 6. v. 5.): gij zult den Heer uwen God lief hebben, uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit al uwe krachten en uit geheel uw gemoed, en uwen naaste gelijk u zeiven. Jesus zeide tot hem: gij hebt zeer wel geantwoord; doe dit, en gij zult leven. De wetgeleerde wilde zich ver-schoonen, en vroeg: wie is dan mijn naaste? Nu begon Jesus het volgende verhaal: zeker man reisde van Jeruzalem naar Jericho; onderwege viel hij in de handen van moordenaars, die, na hem uitgeschud en verscheidene wonden toegebragt te hebben, heen gingen en hem half dood lieten liggen. Bij geval ging er een priester denzelfden weg, en trok voorbij; een Leviet, die ook op de plaats kwam en den gewonde zag, ging ook voorbij; doch zekere Samaritaan, die er op zijne reis bij kwam, en hem zag, werd innig door medelijden bewogen. Hij ging naar hem toe, goot olie en wijn in zijne wonden, en verbond dezelve; daarna zette hij hem op zijn lastdier, bragt hem in eene herberg, en verzorgde hem. Des anderendaags, als hij vertrekken zoude, gaf hij den waard twee tienlingen (1), zeggende; verzorg hem wel, en al wat gij meer verschoten zult hebben, zal ik u bij mijne terugkomst betalen. Wie van de drie, dunkt u, was de naaste van dengenen die in de handen der moordenaars gevallen was (2)? De Schriftgeleerde- gaf ten antwoord: die hem barmhartigheid bewezen heeft. Jesus zeide hem: ga en doe ook zoo.

BEMERKING. 1. Hoe dikwijls beproeven en tergen wij God niet, zoo als deze wetgeleerde? Wij vragen zijnen wil te kennen, alsof wij dien wilden volbrengen, en echter doen wij niet wat wij reeds weten dat wij doen moeten. Velen zijn er, die hunne godsvrucht stellen in altijd te vragen en te hooren, en niets te

1) De twee tienlingen deden slechts 12 etuivers, maar men konde alsdan onvergelijkelijk meer daarvoor koopen dan thans.

2) Dat is: wie van de drie heeft de schuldige liefde tot den naaste beoefend f

-ocr page 572-

Geschiedenis

doen. 3. Hoe meer een zondaar zich verschoonen wil voor God, des te meer hij zich pligtig maakt. 3. Men kan zich menig, maal inbeelden, dat men veel weet, zoo als deze wetgeleerde, en echter onwetend zijn in de punten die meest tot de zaligheid dienen. Hoe zeer is de kunde te vreezen, als zij zonder liefde is! 4. tiod beminnen uit geheel zijn hart enz. is, niet één gedeelte van ons leven ledig of ijdel laten van de liefde tot God, zegt de H. Angustinus, maar alles tot hem stieren, gelijk men alles van hem ontvangen heeft. Dit gestadig te betrachten, is de volmaaktheid dezes levens. Dit zonder gebrek te volbrengen, zal de volmaaktheid van het andere leven wezen. De letterlijke zin dezer gelijkenis is, om ons te leeren, dat wij den naaste moeten beminnen gelijk ons zeiven, met hem door de daad in zijnen nood naar ons vermogen te helpen, en te toonen, dat ook onze vijand onze naaste is... 5. De priester en de Leviet konden zich misschien wel inbeelden, dat zij reden hadden om voorbij te gaan; maar zal hen dit verschoonen? Zij hadden welligt inwendig menschelijk medelijden; doch wat helpl dit, daar de liefde en de oefening der liefde ontbreekt? De Samaritaan ging eenvoudig te werk, zoo als de ware liefde gewoon is. Het is hem genoeg, dat hij dien stervenden mensch daar ziet, die hij moet en kan helpen. Hij legt de oneenigheid af, die de Samaritanen van de Joden verdeelde, en bewijst liefde aan dengenen, dien hij voor vijand aanzag. 6. Naar den geestelijken zin dezer gelijkenis, is de gekwetste van Jericho het menschelijke geslacht. Priester en Leviet gaan hem voorbij. De wet van Mozes, met al hare pligtplegingen en slagtoffe;quot;s, kan hem niet helpen. Christus, de goddelijke Samaritaan, ofschoon de gekwetste zijn vijand was, komt bij hem, en uit louter medé-lijden betoont hij hem eene liefde, die geen mensch kan begrijpen.

XLI. HOOFDDEEL.

Martha en Maria. Het uit- en inwendige leven.

Terwijl onze Zaligmaker verder reisde, kwam hij in zeker dorp aan, alwaar eene vrouw, met name Martha, hem in haar huis ontving. Zij had eene zuster, Maria geheeten. Deze plaatste zich aan de voeten des Heeren, en bleef naar hem luisteren. Martha was middelerwijl bezig met alles bereid te maken om hem wel te ontvangen, en toetredende, zeide zij: Heer, bemerkt Gij niet, dat mijne zuster mij alleen laat werken ? Zeg haar dan dat zij mij helpe. Maar Jesus gaf haar tot antwoord: Martha, Martha! gij bekommert en ontrust u over vele dingen; doch één ding alleen is er slechts noodig. Maria heeft het beste deel verkozen, hetwelk haar niet ontnomen zal worden.

-ocr page 573-

van het Nieuwe Testament.

BEMERKING. Wij zien in deze twee zusters een afbeeldsel van het werkende leven, hetwelk ons, uit nood, doet bezig zijn met uitwendige liefdewerken; en van het beschouwende leven, hetwelk ons, uit liefde, gansch bezig houdt met God en goddelijke zaken. Deze twee levens moeten, even als twee zusters, vereenigd zijn in den handel van eenen opregten Christen. Hij moet somtijds de rust van het inwendige leven verlaten, om den naaste door uitwendige liefdewerken behulpzaam te zijn; en somtijds ophouden van het werkende leven om zich te begeven tot de oefening van het inwendige leven, alwaar hij, ontbloot van alle uitwendige bekommernissen, lezen of hooren mag wat hem kan aanleiden tot de kennis der waarheid, die overwegen in de stilte des harten, en door het gebed de liefde ontsteken, welke door de uitwendige verstrooidheden verflaauwd en verminderd was. Gelukkig, wie met Maria zijn leven mag overbrengen aan de voeten van Christus, wanneer hem God niet elders roept I

Men mag nooit zoo zeer voor een ander bezorgd zijn, dat men zich zeiven vergeet, gelijk de H. Bernardus (Lib. 1. de Consid. Cap. 5.) zegt tot den Paus Eugenius, die zijn leerling-geweest was. Eene éénige zaak is er slechts noodig, namelijk de betrachting vau hetgene eeuwig is, of tot de gelukkige eeuwigheid leidt. De uitwendige liefdewerken zijn slechts noodig, als God ons daartoe roept, door de gelegenheid die hij ons door zijne goddelijke Voorzienigheid daartoe geeft; maar de waarheid te beminnen, te behartigen en te beoefenen, is ten allen tijde en aan iedereen noodig.

XLII. HOOFDDEEL.

Jesus weigert het erfdeel te scheiden onder twee broeders. Gelijkenis

van den landman, die zijne schuren vergroot. De rijkdommen niet beminnen. Luc. 12. — Hetzelfde jaar 32.

Nadat Christus ons, door het antwoord dat hij aan Martha gaf, geleerd had, hoe verre hij het inwendige leven, hetwelk steeds met God vereenigd is, boven het Werkende leven stelt, schoon het ook met uitwendige liefdewerken vergezeld is, toont hij verder door bitse verwijtingen, die hij uit-dondert tegen de huichelarijen der Schriftgeleerden en Earizecrs, (Matth. 33. Luc. 24.) die het inwendige verzuimden, en slechts alleen voor uitwendige schijndeugden bezorgd waren, welk groot bedrog er onder de uitwendige werken van godvruchtigheid kan schuilen, als het reine hart, de opregte meening en de inwendige geest daaraan ontbreken. Daarom ■waarschuwen ons de heilige Vaders, dat de duivel, als hij eene ziel bezit, haar somtijds zal aandrijven tot vele schoone uitwendige werken, die eenen glanzenden schijn hebben voor

565

-ocr page 574-

Geschiedenis

de oogen der mensclien, maar van binnen bedorven zijn; want als die hoovaardige geest, die den troon van den Allerhoogste invaart, slechts meester van het hart kan blijven, laat hij het uitwendige gaarne aan God over.

Iemand zeide eens tot den Zaligmaker : Meester, gelief mijnen broeder te zeggen, dat hij onze erfenis met mij verdeele. Jesus gaf hem ten antwoord: mensch, wie heeft mij gesteld om u regt te doen, of om u te scheiden? (Hierdoor leert ons Jesus, hoe dat geestelijke personen zich moeten wachten van zich met tijdelijke zaken te bemoeijen, omdat geheel hun hart en al hunne bekommernissen met God moeten bezig zijn.) Dus zeide hij tot het volk : ziet toe, en wacht u van alle gierigheid, want iemands leven hangt niet af van hetgene hij bezit, hoe overvloedig het wezen moge. Vervolgens zeide hij hun deze gelijkenis: er was een zeker rijk man, wiens land overvloedige vruchten had voortgebragt. Hij dacht dus bij zich zeiven: wat zal ik doen, mits ik niets heb, waarin ik mijne vruchten zal kunnen verzamelen? Dit, zeide hij, zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en daarin al mijn tegenwoordig gewas met mijn ander goed vergaderen. En ik zal tot mijne ziel zeggen : o ziel! gij hebt nu goeds genoeg voor vele jaren overgegaard; rust nu, eet en drink, en wees vrolijk. Maar God liet hem weten : dwaze als gij zijt! dezen nacht zal men uwe ziel van u wedereischen; en voor wie zal datgene wezen, dat gij verzameld hebt ? Aldus zal het gaan met iemand, die voor zich zeiven schatten vergadert, en voor God niet rijk is.

Hierbij voegde Christus nog verscheidene schoone lessen wegens de ijdele bekommernissen voor de noodzakelijkheden van dit leven, zooals zij bij den H. Lucas gevonden worden, (Luc. 13. 23. enz) en gelijk wij die reeds nagenoeg hiervoren gegeven hebben uit den H. Mattheus (Matth. 6. 23. enz.) in de bergpredikatie. Eindelijk voegde hij er nog deze troos-telijke woorden bij : vreest niet, gij, kleine kudde; want het heeft uwen Vader beliefd, u zijn rijk te vergunnen. Verkoopt wat gij bezit, en deelt er aalmoezen van uit; maakt voor u geldzakken die niet verslijten, en vergadert schatten in den hemel die niet vergaan, daar de dief niet omtrent komt, noch de motten die verderven; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

BEMERKING. De rijke mensch, welken Jesus een dicaze noemt, had geene gedachten om zich door onregtvaardige middelen rijk te maken. Zijne dwaasheid bestond alleen hierin, dat hij zijn best deed om goederen te vergaderen voor vele jaren, zonder op het eeuwige en op den dood te den-

566

-ocr page 575-

van het Nieuwe Testament, 567

ken, die hem op het onverwachts konde verrassen en hem alles ontnemen. De Zaligmaker wil ons hierdoor leeren, dat wij die ongeregelde begeerte tot de tijdelijke goederen moeten bedwingen, met gedurig het oogenblik voor oogen te hebben, waarop wij alles moeten verlaten.

Laten wij onze gedachten en ons hart tot den hemel verheffen, zegt de H. Augustinus, (Serm. 06. N. 5.) en door aalmoezen datgene hemelwaarts zenden, wat wij niet willen verliezen. Geen andere schat verdient onze liefde, dan een schat, die eeuwig duurt. Deze schat is onze schat, want wij zijn daartoe geschapen, en bij alleen kan ons verzadigen. Dat derhalve ons hart in den hemel zij, dewijl onze schat daar is.

XLIII. HOOFDDEEL.

Het groote avondmaal. De genoodigden willen niet komen. Alles verloochenen, om de leerling van Christus te zijn. Leering.

Lue. 14. Hetzelfde jaar 32.

Christus was eens op eenen Sabbath bij eenen Farizeër ter tafel genoodigd, en genas aldaar, in weerwil der Farizeërs, eenen waterzuchtige. Hij leerde verder, hoe men de laatste plaats verkiezen moet, en liever de armen dan de rijken, vrienden en bloedverwanten ter maaltijd moet noodigen. Eindelijk stelde hij hun deze gelijkenis voor: zekere mensch had oen groot avondmaal opgerigt en vele personen genoodigd. Toen het uur des avondmaals gekomen was, zond hij zijnen knecht tot de ge-noodigden en liet hun zeggen, dat zij komen zouden, mits nu alles gereed was. Maar zij begonnen zich eenparig te ontschul-digen. Do eerste zeide tot hem: ik heb eene hofstede gekocht, en moet die noodzakelijk gao-n bezigtigen: ik bid u gelief mij te ontschuldigen. Een andew zeide: ik heb vijf paar ossen gekocht, en ga die beproeven; ik bid u, gelief mij te ontschuldigen. De derde zeide: ik heb mij in den echt begeven, en kan derhalve niet komen.

De knecht bragt bij zijne wederkomst deze boodschap aan zijnen heer. Toen de vader des huisgezins dit vernam, ontvlamde hij in toorn, en zeide tot zijnen knecht: ga op de markten en straten der Stad, en breng hier de armen, verminkten, blinden en kreupelen binnen. De knecht voldeed aan dit bevel, en zeide bij zijne terugkomst: Heer! wat gij bevolen hebt, is volbragt, en er is nog plaats. De heer beval hem op nieuw: ga naar de openbare wegen, en noodig elk wien gij ontmoet, opdat mijn huis vervuld worde. Want ik verklaar, dat niemand van die mannen, welke genoodigd waren, mijn avondmaal zal proeven.

BEMERKING. Heeft de misdaad van deze genoodigden ook niet plaats in vele Christenen? God roept, noodigt, praamt hen.

-ocr page 576-

Geschiedenis

enz.; zij schijnen het wel niet te weigeren, maar zijn zoo vast aan hunne tijdelijke zaken verkleefd, dat zij als niet kunnen komen, omdat zij niet genoeg willen, en dat zij het eeuwige minder dan het vergankelijke beminnen. Het is geene zonde een pachthof te koopen, zijne ossen te beproeven, eene vrouw in echt te nemen; maar oin deze en dergelijke dingen God te vergeten, de zaligheid te verwaarloozen, het gebed, de heilige Sakramenten en goede werken te laten varen, dit is de oorzaak van hun ongeluk.

Om ons nog verder te leeren, hoe wij ons hart van alle aard-sche zaken moeten onthechten, en alles om Christus wil afstaan, zeide Jesus naderhand tot de scharen: al wie tot mij komt, en vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zich zeiven niet haat, (1) die kan mijn leerling niet wezen. En wie zijn kruis niet draagt, en mij navolgt, die kan mijn leerling ook niet zijn. — Hij vergelijkt degenen, die zich tot zijne dienst willen begeven en niet genoeg denken, dat God ons bloed en leven en onzen al vraagt, aan eenen roensch, die eenen toren wil bouwen zonder zijne rekening te maken, en daar hij zijn werk niet kan voltrekken van iedereen uitgelag-chen wordt; en aan eenen koning, die met tien man vermetelijk zoude te veld trekken tegen eenen anderen vorst, die met twintig duizend man legen hen aankomt. Dusdanigen, wil Christus zeggen, zullen gewis te kort schieten. Zoo ook degenen, die niet aan alles, ten minste met er harte, verloochenen, maar nog aan iets verkleefd zijn, zullen ten tijde der beproevingen schrikkelijk vallen en tot schande komen, en als het zout worden, hetwelk, na zijne kracht verloren te hebben, tot niets goed meer is dan om vertreden te worden.

BEMERKING. Deze groote waarheden hadden de martelaren zeer wel gevat. Zij wisten, dat zij aan Christus bloed voor bloed, en leven voor leven schuldig waren; de vervolgingen dienden hun tot waarschuwing, en de beproeving was de toetssteen. Die door de liefde der tijdelijke goederen afvielen, waren tot spot van den duivel en van de menschen. Laat ons derhalve onze krachten beproeven en ootmoedig van God vragen wat ons ontbreekt, zoo om ons zeiven niet vermetel in te dringen in zaken die boven onze kracht zijn, als om onder de beproevingen niet te bezwijken, die onza pligt en onze verbindtenis medebrengen.

XLIV. HOOFDDEEL.

Het verloren schaap. De verlorene penning, en de verloren zoon. Afbeeldsel eener opregte bekeering. Luc. 15. — Hetzelfde jaar 32.

De Zoon Gods, die ons zoo dikwerf tot boetvaardigheid

(1) Dat is: minder bemint dan mij.

568

-ocr page 577-

mn het Nieuwe Testament,

vermaand had, als tot het eenigste middel om behouden te worden, gaat ons hier door verscheidene gelijkenissen toonen, hoe aangenaam de boetvaardigheid aan God en aan zijne Engelen is, en tevens met welk een vaderhart diegenen van den Heer ontvangen worden, die zich opregt willen bekeeren. Hij stelt ons derhalve voor, eerst de blijdschap van iemand die, na zijn verdwaald schaapje gevonden te hebben, hetzelve op zijne schouderen neemt en tot den schaapstal brengt; dan de blijdschap eener vrouw, die, nadat zij langen tijd haren verloren penning gezocht had, na hem gevonden te hebben, hare buurvrouwen roept, om met haar deel te nemen in hare blijdschap.

Maar de eerste en treffendste van al deze gelijkennissen is die van den verloren zoon, welke Christus aldus verhaalt : zeker man, zeide hij, had twee zonen; de jongste van hen zeide: vader, geef mij mijn erfdeel. De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Weinige dagen daarna pakte de jongste zoon alles bijeen, en ging op reis naar een ver afgelegen land, alwaar hij zijn vaderlijk erfdeel in een wellustig loven verkwistte. Nadat hij alles verspild had, ontstond er eene groote hongersnood in dat land; ook hij kegon gebrek te lijden : daarom ging hij bij iemand zijne dienst aanbieden. Deze zond hem naar zijn landgoed, om de varkens te hoeden. Hier zou hij nu gaarne zijnen honger gestild hebben met die boomvruchten, waarmede men de varkens mest; doch niemand gaf ze hem. Toen begon hij eindelijk na te denken, en zeide bij zich zeiven : hoe vele daghuurders mijns vaders hebben brood in overvloed, terwijl ik hier van honger moet omkomen! ik zal opstaan, tot mijnen vader terugkeeren en hem zeggen: vader, ik heb tegen den hemel en tegen u gezondigd ; ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden; beschouw mij toch slechts als eenen uwer daglooners. Hij begaf zich dan op weg, en keerde tot zijnen vader terug. De vader zag hem reeds in de verte, werd met het innigste medelijden jegens hem aangedaan, liep hem te gemoet, viel hem om den hals en kustte hem. De zoon begon nu te stamelen: vader, ik heb tegen den hemel en tegen u gezondigd; ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden. Doch de vader liet hem niet uitspreken, en zeide tot zijne knechten: haalt spoedig het schoonste kleed en trekt het hem aan; geeft hem eenen ring aan den vinger en schoenen aan zijne voeten; haalt het gemeste kalf en slagt het. Wij willen een vreugdemaal aanrig-ten; want deze mijn zoon was (voor mij als) dood, en leeft weder. Hij was verloren, en is wedergevonden.

De oudste zoon was juist op het veld, toen zijn broeder te huis kwam; als hij nu terugkeerde, en het huis naderde.

569

-ocr page 578-

Geschiedenis

hoorde hij muzljk en gezang; hij riep dus eenen der knechten, en vraagde hem, wat dit beteekende? ])eze antwoordde: uw broeder is wedergekomen, ea uw vader heeft het gemeste kalf laten slagten, omdat hij hem weer gezond te huis heeft ontvangen. De oudste broeder was hierover zeer verstoord, ea wilde niet binnen komen. Nu kwam de vader zelf buiten, en begon hem vriendelijk te verzoeken. Doch de zoon gaf zijnen vader ten antwoord: zie, ik dien u reeds zoo vele jaren, en heb uwe bevelen nog nooit overtreden: desniettegenstaande hebt gij mij noch nooit een bokje gegeven, om voor mijne vrienden een vreugdemaal aan te rigten: maar nu deze uw zoon, die zijn erfgoed met ontuchtige personen doorgebragt heeft, terugkomt, laat gij voor hem zelfs het gemeste kalf slagten. De vader gaf hem ten antwoord: zoon, gij zijt immers altijd bij mij, en al het mijne is het uwe; doch het was billijk, dat wij feest vierden en vrolijk waren, daar uw broeder, dien wij dood waanden, nog leeft en daar hij die verloren was, weder gevonden is.

BEMERKING. Wij hebben in de gelijkenis van den\'verlo-ren zoon zeer vele treffende zedelessen. Wij zien in hem den bedorven aard der dartele jongheid: Ten 1. hoe zij de vreeze Gods uit hun hart sluiten en onbesuisd handelen. 0. Hoe zij niet willen afhangen van hunne ouders. 3. Hoe zij deze kwellen, veel droefheid veroorzaken, verlaten, enz. 4. Met slecht gezelschap verkeeren. 5. Al hun geld en goed iu overdaad en in ontucht verkwisten. 6. Hunne eer verliezen. 7. Tot armoede komen.

Wij zien ook hoe God met de bekeering van den zondaar handelt. Ten 1. Hij zendt hem menigmaal ziekte, armoede of tegenspoed over. 3. Hij vernedert hem. 3. Hij beneemt hem do gelegenheden van zondigen. 4. Hij doet hem het slecht gezelschap vlugten. 5. Hij stort hem goede gedachten in. 6. Hij laat hem zijnen akeligen staat gevoelen. 7. Hij doet er hem over zuchten. 8. Hij wekt hem op. 9. Hij doet hem goede voornemens maken. 10. Zijne schuld belijden. II. Vergiffenis verzoeken. 13. Zich onwaardig achten, en zich tot vernedering bereid toonen. enz.

Wij zien ook in hem een straaltje der eindelooze goedheid van God jegens eenen zondaar, die zich uit geheel zijn hart tot hem bekeert. Ten 1. Hoe vaardig hij is om hem in genade te ontvangen. 3. Hoe vriendelijk hij hem onthaalt. 3. Hoe hij al zijne zonden vergeeft. 4. Hoe goedwillig hij die vergeeft. 5. Met hoe vele genaden hij hem vervult. 6. Wat groote vreugd hij en de Engelen Gods daarover in den hemel gevoelen, enz.

570

-ocr page 579-

van het Nieuwe Testament,

XLV. HOOFDDEEL,

Gslijkeiiis van den onregtraardigen rentmeester. Zich vrienden makeir om in den hemel te komen. Wie in het klein getrouw is, die zal het in het groot zijn. Lui\'. 16. — Hetzelfde jaar 32.

Ckristus stelde zijnen leerlingen nog eene andere gelijkenis voor. Er was, zeide hij, een rijk man, wiens rentmeester bij hem beschuldigd werd, dat hij zijns meesters goed verkwistte. Hij riep hem dan, en zeide hem : wat hoor ik hier van u ? Doe rekening van uw rentmeesterschap, want gij zult mijn rentmeester niet langer meer zijn. De aangeklaagde dacht bij zich zeiven: wat zal ik doen ? Spitten kan ik niet, en te bedelen schaam ik mij. Ik zal mij dan vrienden maken van de schuldenaars mijns meesters, opdat zij mij ook gunstig wezen, wanneer ik van mijn ambt zal afgesteld zijn. Hij riep hen dan, den eenen voor, den anderen na, en liet hun boosaardig hunne brieven vervalschen, door hun minder te laten schrijven dan zij schuldig waren. Als zijnquot; meester dit alles vernomen had, prees hij dien onregtvaardigen rentmeester over zijne schalkheid, omdat hij ligtelijk had weten te zorgen voor zijne eigenbaat; niet dat hij te prijzen was over zijne onregtvaardig!■ eid en valschheid, maar over de schranderheid om zich vrienden te maken. En dit is het eenigste hetwelk ons Christus door die gelijkenis wil leeren : daarom moeten wij altijd naar het oogwit van de gelijkenis zien, en niet te zeer aandringen op eenige omstandigheden, die te misprijzen zijn. en tot het voornaamste oogwit niet dienen.

Ik zeg u dan ook, zeide Christus tot zijne leerlingen: maakt u vrienden van de onregtvaardige (1) rijkdommen, opdat, als gij te kort zult komen in uwe rekening, die vrienden u in de eeuwige tabernakelen ontvangen.

Die in het klein getrouw is, vervolgde hij, zal ook in het groot getrouw wezen (want als men tot de minste pligten toe trouw volbrengt, zoo zal men aan de gewigtigste niet ontbreken); en die in het kleine onregtvaardig is, zal het ook in het groot wezen (omdat hij, die het kleine veracht allengs-kens zal vervallen.) En voor sluitrede geeft Christus dezen gewigtigen regel; niemand kan twee heeren dienen ; want hij zal of den eenen haten of den anderen liefhebben; of hij zal den eersten aanhangen en den laatsten verachten. Gij kunt derhalve God en het geld niet dienen. De Earizeërs, die dit alles aanhoorden, lachten hem uit; maar Christus sprak tot hen dit vervaarlijk vonnis: gij geeft u uit voor regtvaardigen,

1) De rijkdommen worden hier onregtvaardige genoemd, omdat zij dikwijls onregtvaardig bekomen zijn, of onregtvaardig bezeten worden en menigvuldige gelegenheden geven, om zonden en ongeregtigheden te bedrijven.

571

-ocr page 580-

Gesclnedenia

maar God kent uwe harten : want hetgene verheven is bij cle menschen (dat is in uwe oogen), is een gruwel bij God.

BEMERKING. Wij zijn allen in dien onregtvaardigen rentmeester afgebeeld. God heeft ons het zijne toebetrouwd; wij hebben het verkwist; hij vraagt er ons rekening over. Wat zullen wij nu aanvangen ? Wij zijn te slap om boetvaardigheid te doen, en te hoovaardig om te bidden. Zoeken wij ten minste middelen om vrienden te vinden, die voor ons bij God zullen spreken. Reiken wij genoegzame aalmoezen uit van het goed onzer meesters, om te hopen, dat de armen onze borg zullen zijn, en dat de aalmoes, die wij in hunnen schoot storten, voor ons zal sraeeken. Daaraan ontbreken wij ook maar al te veel. Dus valt op ons, wat Christus zegt ten opzigte der schalkheid van dezen onregtvaardigen rentmeester; de Mndtren dezer wereld zijn voorzigtiger in hunnen handel, dan de kinderen des lichts. Laten wij ons dan schamen, dat wij oneindig minder doen voor oen eeuwig goed, dan de aardsche menschen voor eene handvol geld. Doch laten wij ons zoo schamen, dat wij ons beteren : want de tijd nadert, en de rekening is voorhanden. Wee ons, indien noch de Heiligen, noch de armen alsdan voor ons spreken.

XLVI. HOOFDDEEL.

De arme Lazarus en de rijke vrek. Eijk zijn is vol gevaar. I.uo. 36.

De wijze, op welke Christus van de rijkdommen spreekt, moet alle rijken doen beven. Ziet er hier een schrikinboezemend voorbeeld van. Er was, zeide de Zaligmaker, een rijk man, die in het purper en het allerfijnste linnen gekleed ging, en alle dagen prachtige maaltijden hield. Er was ook een bedelaar, met name Lazarus, die aan zijne deur lag, en geheel met zweren was bedekt. Deze zou gaarne zijnen honger gestild hebben met de brokkelingen, die van des rijken tafel vielen; doch niemand gaf hem die : slechts de honden kwamen zijne zweren likken, die aldus meer barm-hartit^heid toonden, dan deze gierigaard. Nu gebeurde het, dat de bedelaar stierf, en door de Engelen in Abraham\'s schoot gedragen werd. De rijke stierf ook, en werd in de hel begraven. — Wat verandering! Welk verschil!

Terwijl hij hier zware pijnen leed, hief hij zijne oogen op, en zag in de verte Abraham, en Lazarus in zijnen schoot. Hij riep nu luide: vader Abraham! ontferm u mijner, en zend toch Lazarus, opdat hij het uiterste van zijnen vinger rn het water doope, om mijne tong te verkoelen; want ik

572

-ocr page 581-

van het Nieuwe Tedament,

word versclirikkelijk in deze vlammen gepijnigd. Maar Abraham gaf hem tot antwoord: zoon, wees indachtig dat gij het in uw leven goed gehad hebt, en dat Lazarus slechts rampen heeft moeten doorstaan; daarom wordt hij nu vertroost, en gij gepijnigd. En bovendien is er eene overgroote ruimte tus-schen ons beide gesteld, zoo dat wij, al wilden wij ook, even zoo min tot u kunnen komen als gij tot ons. De rijke hernam; ik bid u, o Vader! dat gij hem ten minste naar mijns vaders huis wilt zenden: want ik heb nog vijf broeders; dat hij deze toch waarschuwe, opdat zij in deze plaats van pijnen ook niet komen. Abraham antwoordde hem: zij hebben Mo-zes en de profeten : dat zij naar die luisteren. Neen, sprak hij, o vader Abraham! maar indien er een der dooden tot hen kwame, zoo zouden zij zich zeker bekeeren. Doch Abraham gaf hem tot antwoord: indien zij aan Mozes en de profeten geen gehoor geven, zoo zullen zij ook niet gelooven, al ware het dat er iemand van de dooden verrees.

BEMERKING. 1. De zaken zijn in deze wereld geheel anders dan zij schijnen: Lazarus was gelukkig, schoon hij ellendig scheen. De rijke vrek, integendeel, was werkelijk ellendig, zelfs als hij gelukkig scheen. 3. Hij vond na zijnen dood Abraham zoo streng in hem alles te ontzeggen, als hij in zijn leven onbarmhartig geweest was in Lazarus de brokkelingen zijner tafel te weigeren. 3. Daar men door zondigt, daar wordt men door gestraft. (Sap. 11. v. 17.) Hij had dooide tong gezondigd; hij wordt in de tong gepijnigd. 4. Rijk zijn, prachtig gekleed gaan, lekker eten en drinken, geene zorg voor armen dragen, is genoeg, zonder andere boosheden, om eeuwig verloren te gaan. 5. Zulk een rijke laat zijne vrienden twee rampzalige middelen achter, om hem naar de hel te volgen : het leiden van een gemakkelijk en zinnelijk leven, en de rijkdommen, om zulk een leven te kunnen navolgen. Men moet geen onregtvaardig goed bezitten om het eeuwig ongeluk in te loopen; men moet maar het zijne ongeregeld beminnen of hetzelve misbruiken.

Na een arm en ellendig, doch kortstondig leven den schoot Gods open te vinden, om daar eeuwig gelukkig te zijn, o welke blijdschap, welke troost! Na een wellustig en gemakkelijk leven, hetwelk slechts één oogenblik duurt, in den afgrond der hel te vallen, om daar eeuwig ellendig, eeuwig ongelukkig te zijn, o schrik! o wanhoop! Weegt dit tegen elkander op in de weegschaal des harten.

573

-ocr page 582-

Geschiedenis

XLVII. HOOFDDEEL.

De tweede komst van Christus, vergeleken bij de tijden van Hoe en Loth,

De onregtvaardige regter en de weduwe. De Farizeërs en de Publi-

kaan. Verscheidene leeringen. Luc. 17. en 18. — Hetzelfde jaar 32.

Nadat de Zaligmaker het rampzalig einde van den rijken vrek voorgesteld heeft, doet hij zijne leerlingen nog meer vreezen, met hun onder het oog te brengen, hoe het gaan zal in zijne tweede komst. Hij vergelijkt dien tijd met den tijd van den zondvloed. De menschen aten en dronken, zegt hij; zij gingen echtverbindtenissen aan, en werden ten huwelijk gegeven, tot den dag toe dat Noë in de ark ging en dat zij te zamen verdronken. Zoo gebeurde het ook in de dagen van Loth. Zij stelden het op eten en drinken; zij kochten en verkochten: zij waren bezig met planten en timmeren; doch op denzelfden dag dat Loth uit Sodoma trok, viel er een vuur- en zwavelregen uit den hemel, en vernielde hen allen. Even alzoo zal het gaan op den dag, als de Zoon des menschen zal verschijnen.

In het vervolg leert Christus aan zijne Leerlingen, en te gelijk aan ons, zonder ophouden bidden, door het voorbeeld eener weduwe, die in hare onderdrukking eenen boozen regter ging aanzoeken, dat hij haar regt zoude doen; en hem zoo lastig viel, dai hij gedwongen werd, ten einde van haren last ontslagen te worden, haar regt te doen. Hij wederstond haar wel langen tijd, doch naderhand zeide hij bij zich zeiven; al is het, dat ik noch God vrees, noch menschen ontzie, zoo zal ik echter, omdat deze weduwe mij zoo moeijelijk valt. haar regt doen, opdat zij mij niet gedurig kome moeijelijk vallen. Gij hoort, voegde er de Heer bij, wat die onregtvaardige regter zegt. En zal God dan geen regt doen aan zijne uitverkoreen, die dag en nacht tot hem roepen? of zal hij nog langer verdragen dat men hen verdrukke? Ik verklaar het u, dat hij hun zeer spoedig regt zal laten wedervaren.

Daarna verhaalde hij nog eene andere gelijkenis, waaruit wij leeren hoe wij moeten bidden, namelijk met ootmoedigheid, bekentenis van onze onwaardigheid, mistrouwen van ons zeiven, en betrouwen op God. Hij zeide dan toï sommigen, die zich lieten voorstaan dat zij regtvaardig waren, en die de anderen verfoeiden, deze gelijkenis. Er gingen eens twee personen naar den tempel om te bidden. De eene was een Farizeër, de andere een Publikaan. De Farizeër bad, regt-staande, aldus: o God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roovers, bedriegers, overspelers, of ook niet gelijk deze Publikaan. Ik vast tweemaal ter week, en geef het tiende van al wat ik bezit. De Publikaan integendeel,

B74

-ocr page 583-

van het Nieuwe Te»tament.

bleef in de verte staan, en durfde zelfs zijne oogen naar den hemel niet opslaan, maar sloeg op zijne borst, en zeide: o God! wees mij zondaar, genadig. Ik verklaar u, voegde Jesus er bij, dat deze geregtvaardigd naar huis is gegaan, doch de eerste niet. Want al wie zich verheft zal vernederd worden; en die zich vernedert, zal verheven worden.

BEMERKING. 1. Hoe verschillend zijn de oordeelen van God, van die der menschen! De menschen zouden deze Farizeërs voor heilig houden, en God, die de hoovaardigen verstoot en den ootmoedige genade bewijst, veracht hen. 2. De zonde van den Farizeër bestaat daarin niet, zegt Augustinus, (In psalm 51. n. 1. Epist. 36. n. 7.) dat hij God bedankte, omdat hij niet was gelijk de andere; — want wij zijn God hierover dankbaarheid schuldig, — maar omdat hij zich boven een ander verhief, en den Publikaan verfoeide. 3. Wie opregt ootmoedig is, die let slechts op zijne eigene fouten; en hoe meer hij erin een ander ziet, des te meer hij voor zich zeiven vreest: men veracht dan een ander, maar, omdat men zich zeiven niet kent. 4. Geene gevaarlijkere gesteltenis dan op zijne eigene krachten te betrouwen, en, door een valsche inbeelding van eigene regt-vaardigheid, een auder te verfoeijen. Uitwendige deugden, zonder ootmoedigheid, zijn zeer gevaarlijk. Het is beter met den Publikaan over zijne zonden te zuchten, dan met den Farizeër op uitwendige schijndeugden te roemen.

XLVIII. HOOFDDEEL.

Onverbrekelijkheid van het huwelijk. De zuiverheid is eene gave Gods.

Men brengt kleine kinderen tot Jesus. Gevaar der rijkdommen.

Matth. 19. — Hetzelfde jaar 33.

Nadat Christus op zekeren tijd aan de Farizeërs de onverbrekelijkheid van het huwelijk uit de Schrift bewezen had, zeiden de leerlingen, die hierover verbaasd waren, tot Jesus: indien de zaak van den man tot de vrouw aldus gelegen is, zoo is het niet raadzaam zich in het huwelijk te begeven; maar daar Christus wilde toonen, dat de staat van kuisch-heid eene gewigtige zaak was, en eene gave van God, gaf hij hun tot antwoord: iedereen vat dit niet, maar die alléén, aqn wie het vergund is. Want er zijn er, die tot het huwelijk ongeschikt zijn, die aldus geboren zijn; anderen zijn het naderhand door de menschen geworden; ook worden er gevonden, die zich zeiven onhuwbaar gemaakt hebben (te weten door belofte, of door voornemens van in zuiverheid te leven), om het rijk des hemels. Die het vatten kan, die vatte het.

Nu bragt men kleine kinderen tot hem, opdat hij de handen

575

-ocr page 584-

Geschiedenis

op hen leggen, en voor hen bidden zoude; maar de leerlingen! spraken die vrome moeders met harde woorden toe, daar zij niel wilden toelaten, dat men hunnen Meester zoo lastig viele. Doclil Jesus zeide: laat die kleine kinderen tot mij komen, en weeit| hen toch niet af, want voor hen is het rijk des hemels.

Als nu Jesus zich op weg begaf, kwam zekere jongeling totl hem, die hem vroeg: goede Meester, wat goed moet ik doen, oiii| het eeuwige leven te bekomen? Jesus antwoordde hem; wilt ] _ tot het leven komen, zoo onderhoud de geboden. Doch daar del jongeling hernam, dat hij die van zijne jeugd af onderhouden had J en verder vraagde, wat hem nog ontbrak, gaf hem de Zalig-I maker dit antwoord: wilt gij volmaakt zijn, ga en verkoop all wat gij hebt; geef het den armen, en gij zult eenen schat inl den hemel hebben, en kom mij dan volgen. De jongeling trok, [ op het hooren dezer woorden, droevig henen: want hij bezatI vele goederen. Hierop zeide Jesus tot zijne leerlingen: ik zeg u, voorwaar, dat het zeer moeijelijk is voor eenen rijke om in het 1 rijk der hemelen te komen. Ja, een kameel zal gemakkelijker door 1 het oog eener naald gaan, dan een rijke in het rijk der hemelen komen. Zijne leerlingen werden hierdoor zeer verslagen, en vroegen: wie kan er dan zalig worden? Dit is onmogelijk bij de men-schen, zeide de Zaligmaker, maar bij God is alles mogelijk.

BEMEEKINGr. Wie zou geen goed gevoelen van dezen jongeling gehad hebben? Hij komt zelf vragen, niet een mirakel, maar wat hij doen moet om zalig te worden. Hij beruigt, dat hij al de geboden Gods van zijne jeugd af onderhouden heeft, en onderzoekt wat hij nog verder moet doen. Hoe zelden treft men zulke menschen aan! Nogtans, zoohaast als Christus hem spreekt van alles te verlaten, keert hij terug en gaat bedroefd henen, omdat hij aan de rijkdommen verkleefd was. Tastelijk voorbeeld om ons te leeren, hoe aanklevend en gevaarlijk de rijkdommen zijn: want het is zeer moeijelijk, zijn hart daar niet op te stellen, of het daar af te trekken, wanneer het aan dezelve verkleefd is. Het is zeer moeijelijk zich hierom niet boven anderen te verheffen, zich door dezelve tot een zinnelijk en vermakelijk leven niet te begeven, of die gansch te verlaten, als God zulks vereischt. Echter willen alle menschen eens zalig worden, en bijna alle wenschen zij naar eenen staat, waarin men, volgens de eeuwige Waarheid zelve, zoo moeijelijk zalig wordt. Welke verblindheid I

XLIX. HOOFDDEEL.

De gelijkenis van de arbeiders gezonden in den wijngaard. Hoe elk in den wijngaard des Heeren moet arbeiden. Matth.

20. — Hetzelfde jaar 32.

De Zoon Gods wilde eens zijne leerlingen, en te gelijk ons,

576

Hi

lil.

li

li

-ocr page 585-

mn het Nieuioe Testament, 377

leeren, hoe elk mensch volgens zijnen roep aan het werk zijnet zaligheid moet arbeiden. Hij stelde hun dus deze gelijkeni» voor: het rijk des hemels, zeide hij, is gelijk aan eenen huisvader, die in den vroegen morgen uitging om werklieden voor zijnen wijnberg te huren. Na met de werklieden overeengekomen te zijn voor eenen tienling (1) daags, zond hij hen naar zijnen wijnberg. Omtrent het derde (3) uur ging hij weder uit, zag nog anderen op de markt ledig staan, en zeide tot hen: gaat ook naar mijnen wijnberg, en hetgene billijk is zal ik u geven. Deze gingen ook derwaarts. Wederom ging hij uit, omtrent het zesde en het negende uur, en deed op diezelfde wijze. Omtrent elf ure ging hij nog eens uit, trof er eenigea aan, en zeiden tot hen: waarom staat gij hier den geheelea dag ledig ? Zij gaven hem ten antwoord: omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide hun: gaat gij dan ook naar mijnen wijnberg.

Als het nu avond geworden was, zeide de heer tot zijnen rentmeester: roep de werklieden en geef hun het loon; begin met den laatste, en ga zoo voort tot den eerste. Als diegenen dan kwamen, die omtrent elf uren aan het werk gegaan waren, ontvingen zij elk een\' tienling. Als de eersten kwamen, meenden zij, dat zij meer ontvangen zouden; maar zij ontvingen ook elk eenen tienling. Toen morden zij tegen den huisvader, en zeiden: de laatsten hebben slechts één uur gearbeid, en gij stelt hen aan ons gelijk, daar wij den last van den dag en de hitte doorgestaan hebben. (Zoo groot is de goedheid Gods tot de beheerde zondaars, dat Mj hun meer schijnt te geven, dan aan de regtvaardigen, en dat de Heiligen zeiven er jaloersch van zouden zijn, indien zij honden.) Maar de huisvader gaf aan een hunner ten antwoord: vriend, ik doe u geen onregt: zijl gij niet voor eenen tienling met mij overeengekomen? Neem hetgena u toekomt, en ga henen. Ik wil aan dezen laatsten zoo veel geven als aan u. Is het mij niet geoorloofd te doen wat mij belieft? Is uw oog kwaad, omdat ik goed ben ? (Dat is, zijt gij nijdig, omdat ik mild ben? Want men bemerkt den nijd meest uit de oogen.) Zoo zullen de laatsten de eersten, en de eersten de laatsten zijn: want velen zijn er geroepen, maar weinigen uitverkoren.

BEMEEKING. Niemand van ons kan zeggen: ik ben niet gehuurd. Elk is tot zijn bijzonder werk geroepen: niemand mag dus ledig staan, maar moet arbeiden aan het werk, tot

1) Dat is een stuk geld van 6 stuivers; maar men konde alsdan voor zulk een stuk veel meer levensmiddelen koopen dan thans.

2) Het eerste uur van den dag was bij de Jodeu datgene, hetwelk nu bij ons \'s morgens 6 ure genoemd wordt; het derde, dat wij nu 9 ure noemen; het xesie, hetwelk wij nu noemen 12; het negende, dat wij nu noemen 3 na noen; en het elfde, was bijna gelijk nu bij ons 5 ure \'s avonds.

37

ïiget niel

-ocr page 586-

Geschiedeiiis

Let,welk hij van Gocl geroepen is. 1. Met naarstigheid, ornaat het loon overgroot is. 3. Met getrouioheid, omdat elk oogen-blik van onzen tijd den meester, en niet aan ons, toebehoort. 3. Met volharding, omdat het loon niet gegeven wordt, dan aan die, welke tot \'s avonds toe gearbeid hebben. 4. Mejt vurigheid, om den tijd in te halen, dien wij verkwist hebben. 5. Allermeest echter met ootmoedigheid, want door de hoovaar-digheid worden de eersten de laatsten; en door de ootmoedigheid kunnen zij, die de laatsten waren, de eersten worden. Niemand verheffe zich dus, noch meene meerder loon te verdienen, dan die na hem gekomen zijn; want de getroiuvsten moeten op het einde nog zeggen: wij hébben slechts datgene gedaan, wat tcij moesten doen, wij zijn onnutte knechten.... Waarom worden er zoo weinigen zalig, dan omdat er zoo weinigen zijn, die aldus in den wijngaard des Heeren arbeiden.

L. HOOFDDEEL.

Lazarus wordt van den dood verwekt. Afbeeldsel der bekeering van eenen verouderden zondaar. Joan. 11. — Het drieëndertigste jaar van Jesus-Christus; het vierde van zijne predikatie.

Een der uitmuntendste mirakelen van Jesus, en hetwelk den nijd der Farizeërs meest opgehitst heeft, om hunnen aanslag te verhaasten en Jesus van kant te helpen was de opwekking van Lazarus. Deze was broeder van Martha en Maria. Wanneer hij te Bethanië ziek lag, zonden zijne zusters iemand naar Betha-bare, over den Jordaan, alwaar Christus zich alsdan bevond, om hem daarvan kennis te geven. Dit geschiedde, volgens de gissing van sommige geleerden, dingsdags op den 15e Januarij van het jaar 33. Jesus, die deze twee zusters en hunnen broeder beminde, gaf te kennen, dat deze ziekte maar was, om de heerlijkheid van God te doen uitschijnen; derhalve, in stede van zich te haasten, om Lazarus te gaan genezen, bleef hij met voordacht nog twee dagen op dezelfde plaats, opdat hij zoude overleden zijn eer hij kwam. Na deze twee dagen sprak hij tot zijne leerlingen: laat ons naar Judea wederkeeren. Deze zeiden: Meester, nu zoo eerst zochten u de Joden te steenigen, en wilt gi] alweder derwaarts gaan? Jesus antwoordde: gaan er niet twaalf uren in eenen dag ? Indien iemand dan bij dage wandelt, die stronkelt niet, omdat hij het licht dezer wereld ziet. Hiermede wilde Jesus te kennen geven, dat de dag van zijn sterfelijk leven ook zijnen vastgestelden tijd had, die door de boosheid der Joden niet konde verhaast worden.

Jesus zeide hun nu regtuit (op den 18 Januarij,) Lazarus is dood. En ik ben blijde, om uwentwil, dat ik daar niet geweest ben; opdat gij gelooven, dat is, versterkt moogt

578

-ocr page 587-

van het Nieuwe Testa,ment.

■n\'orden in het geloof, dat ik de ware Messias ben. Maar laat ons naar hom heen gaan. Toen Jesus daar kwam (op den 21 Januarij), vernam hij, dat hij nu reeds vier dagen begraven was. En daar Bethanië digt bij Jeruzalem was (Joann. 11. V.--18. 19. enz.), dat is, omtrent 15 stadiën of twee derde deelen van een uur gaans van daar, waren er velen van de Joden tot Maria gekomen, om haar over haren broeder te troosten. Wanneer Martha verstaan had dat Jesus aankwam, ging zij hem te gemoet. Maar Maria bleef in huis. Martha, na eene lange zamenspraak met Jesus, wegens het sterven en verrijzen van Lazarus, kwam stilletjes Maria, hare zuster, roepen, zeggende: de Meester is daar, en roept u. Deze, dit hooronde, stond dadelijk op, en ging naar hem toe: want Jesus was nog in het dorp niet gekomen, maar was nog op dezelfde plaats, waar hij Martha ontmoet had.

Als de Joden, die met Maria in huis waren en bezig met haar te troosten, zagen dat zij zoo haastig opgestaan en henen gegaan was, volgden zij haar, zeggende; zij gaat naar het graf toe, om daar te weenen. Maria kwam nu ter plaatse, waar Jesus was, en na hem gezien te hebben, wierp zij zich voor zijne voeten, en zeide: Heer! waart Gij hier geweest, mijn broeder ware niet gestorven. Toen Jesus haar, alsmede de Joden die met haar gekomen waren, zag weenen, werd hij zeer ontroerd, en vroeg: waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden hem: kom. Heer, en zie het. En Jesus weende. De Joden zeiden hierop: ziet, hoe lief hij hem had. Maar eenigen van hen vervolgden: konde hij, die de oogen van eenen blindgeborene geopend heeft, niet maken dat deze niet stierf? Jesus kwam nu diep ontroerd bij het graf. Het was eene spelonk, en men had er eenen steen tegen gelegd. Hij deed denzelven wegnemen. Maar Marlha, de zuster van den overledene, zeide: Heer! hij stinkt al: want hij is reeds vier dagen overleden. Heb ik u niet gezegd, antwoordde baar Jesus, indien gij gelooft, dat gij de heerlijkheid en de magt van God zien zult? Zij namen den steen dan weg. En Jesus, de oogen opwaarts slaande, zeide: Vader! ik dank U, omdat Gij mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij mij altijd verhoort; maar ik zeg dit om het volk, hetwelk hier rondom staat, opdat zij mogen gelooven, dat Gij mij gezonden hebt. Na deze woorden gesproken te hebben, riép bij met luider stem: Lazarus, kom uit! En dadelijk kwam de doode uit; zijna handen en voeten waren met windels onwonden (dat is, met linnen windelbanden, waarin men de doode ligobamen gewoon was te wikkelen, met vele specerijen, volgens het gebruik der Joden); zijn aangezigt was met eenen zakdoek omwonden. J esus zeide tot hen: ontbindt hem, en laat hem henen gaan. Vele der Joden, die tot Maria en Martha

579

-ocr page 588-

GesrMedetiia

gekomen waren, en gezien hadden wat Jesus gedaan had, ge* loofden in hem.

BEMERKING. De verrijzenis van Lazarus, is, volgens de leering der heilige Vaders, een afbeeldsel van de verrijzenis der ziel, wanneer zich een verouderde zondaar bekeert. Om Lazarus van den dood te verwekken, weent Jesus, ontstelt hij zich, bidt, roept en gebiedt. Dit alles geeft ons te kennen, wat moeite, arbeid, tranen, zuchten en bidden de bekeering van eenen zondaar kost, die in zijne zonden dood en als begraven ligt. De heilige Augusti-nus leert ons dit door zich zeiven, wanneer hij den strijd beschrijft dien hij onderging, met de zuchten en tranen, en al zijnen arbeid, eer zijne banden ten eenenmale verbroken waren: maar hij leert ons tegelijk het gelukkige gevolg van die dierbare tranen. L. 8. Conf. cap. 5. 7. 11. 13.

LI. HOOFDDEEL.

De opperpriesters besluiten den dood van Christus. De Samaritanen weigeren hem den doorgang. Hij voorzegt op nieuw zijn lijden. De zonen van Zebedeüs vragen de eerste plaats. Onderrigt. Joann. 11. Luo. 9, Matth. 20. — Hetzelfde jaar 33, het vierde jaar zijner prediking.

Op het gerucht van de verrijzenis van Lazarus, deden de Opperpriesters en de Farizeërs den raad bijeenkomen, en zeiden : wat doen wij ? want deze mensch verrigt vele mirakelen. Indien wij hem aldus laten geworden, zullen zij allen in hem gelooven als in den Messias, Koning der Joden. En de Romeinen zullen ons land en onze natie komen vernielen, omdat wij eenen anderen koning aannemen dan den keizer van Eome. Doch een hunner, met name Oaïphas, de hooge-priester van dat jaar, zeide tot hen: gij verstaat de zaak niet, en denkt niet eens, dat het beter is, dat er één mensch voor het volk sterve, dan dat de geheele natie verloren ga. Dit zeide hij echter niet uit zich zei ven; maar daar hij de hooge-priester van dat jaar was, profeteerde hij, dat Jesus voor het Joodsche volk zoude sterven, en niet alleen voor dit volk, maar ook om de kinderen Gods, die alom verspreid waren, te vergaderen ; dat is, om die uit alle gewesten der wereld te verzamelen als zijne schapen, en tot den éénigen schaapstal, zijne heilige Kerk, waarvan hij de Herder is, te brengen,

Van dien dag af beraadslaagden zij te zamen, om hem te dooden. Daarom wandelde Jesus onder de Joden niet meer in het openbaar, maar vertrok naar een bij de woestijn go-legen oord, in eene stad, Ephrem genaamd, alwaar hij met zijne leerlingen verbleef, tot den tijd toe dat hij weder naar Jeruzalem zou trekken, om aldaar op het Paaschfeest, voor ons allen, ah het ware Paaschlam, opgeofferd te worden.

580

-ocr page 589-

van het Nieuwe Testament.

Wanneer nu deze tijd vervuld was, verkloekte hij zijn gelaat, om zicli naar Jeruzalem te begeven; dat is, liij gaf door zijn aangezigt te kennen, dat hij een vast voornemen had van zich ten beste te gaan geven, zonder te vreezen wat hem ook mogte overkomen. Dus zond hij boden vooraf. Deze kwamen in een dorp der Samaritanen, alwaar zij hem eene verblijfplaats meenden bereid te maken. Maar de inwoners wilden hem niet ontvangen, omdat zijn gelaat te kennen gaf, dat hij naar Jeruzalem ging. (Want er was groote twist tusschen de Samaritanen en de Joden over de plaats, in welke God moest aangebeden worden, zoo als hiervoren gezegd is; de Joden namelijk wilden, dat dit te Jeruzalem moest geschieden, en de Samaritanen op den berg Garizim.) Als de leerlingen, Joannes en Jacobus, dit zagen, zeiden zij: Heer! wilt Gij, dat wij het vuur uit den hemel doen dalen om dat volk te verslinden? (1) Jesus keerde zich om, berispte hen en zeide: gij weet niet van wat geest gij zijt. (Dat is, tot wat geest gij geroepen zijt: te weten tot den geest van liefde en zachtmoedigheid, en niet tot den geest van strengheid en wraakgierigheid. Want de Zoon des menschen is niet gekomen om de menschen te vernielen, maar om hen zalig te maken.) — Zij trokken vervolgens naar een ander dorp.

BEMERKING. De geest der nieuwe wel is een geest van zachtmoedigheid en liefde. Hoe kan de bitterheid der wraak bestaan in het gemoed van eenen Christen, wiens Meester slechts in de wereld gekomen is, om wel te doen en zalig te maken, ja zelfs om voor zijne vijanden te sterven.

Dewijl Christus verscheidene malen alles, wat hem stond te overkomen, aan zijne leerlingen voorzegd had, teneinde zij door zijn lijden niet onverwachts zouden ontsteld en ge-ergerd worden, zoo herhaalde hij dit nog eens, wanneer zij nu op weg waren om naar Jeruzalem te gaan. Ziet, wij trekken opwaarts naar Jeruzalem, zeide hij; de -Zoon des menschen zal aan de opperpriesters en de schriftgeleerden geleverd worden; deze zullen hem ter dood veroordeelen, en hem overgeven aan de Heidenen, om bespot, gegeeseld en gekraist te worden; ten derden dage echter zal hij verrijzen. Maar zij iegrepen dit niet, noch wisten, wat hij hun wilde zeggen.

BEMERKING. Wij staan verbaasd over de verblindheid der leerlingen, die zulke uitdrukkelijke voorzegging van alles wat eerlang stond te geschieden, niet begrijpen; te meer

1) Om deze reden worden die twee Apostelen in het hei\'ig Evangelie donderaars genoemd.

581

-ocr page 590-

Geschiedenis

omdat Christus het hun verscheidene malen herhaalt. Maar zijn wij minder verblind, of meer te verschoonen ? Alles wat Christus voorzegd had, niet alleen in zijnen persoon, maat in zoo vele andere lidmaten, is nu volbragt. Ons is tevens ook voorzegd, dat ieder uitverkoorne door vele kwellingen en wederwaardigheden in het rijk der hemelen moet gaan, en niettemin, zoohaast ons, of aan eenige goede menschen, eenig lijden overkomt, staan wij verbaasd en bedwelmd, ja wij zijn bijna geërgerd, alsof ons nooit voorzegd ware dat dit alles geschieden moet.

Omtrent ditzelfde tijdstip kwam de moeder der kinderen van Zebedeüs tot Jesus met hare zonen; zij boog zich vooi hem, als willende iets verzoeken, te weten, dat hare twee zonen zouden mogen zitten in zijn rijk, de eene aan de regter-, de andere aan de linkerhand. Daar Jesus wel wist, dat zij niet uit zich zelve sprak, maar door het ingeven van hare kinderen, stierde hij zijn antwoord tot hen, en vroeg: kunt gij den kelk drinken, dien ik ledigen zal? Zij antwoordden; dit kunnen wij. Waarop Christus vervolgde: het is waar, gij zult mijnen kelk drinken; doch te zitten aan mijne regter- of linkerhand, komt mij niet toe u te vergunnen; want dit blijft weggelegd voor diegenen, aan wie het door mijnen Vader bestemd is.

BEMERK IN O. De andere tien Apostelen namen dit van dé twee gebroeders zeer euvel; en wij zeiven zijn over hunne verblindheid en onvoorzigtigheid als verbolgen; maar doen diegenen beter, die voor zich zeiven, of voor hunne vrienden geestelijke ambten verzoeken? die döor magtige voorspraak, door tussohenkomst van vrouwspersonen, en vele andere onbedachte menschen, welke niet weten wat zij vragen, bijna met geweld de kerkelijke bedieningen verwerven? Christus leert ons, integendeel, noch voor ons, noch voor onze nabestaanden, eenig ambt te begeeren, den roep van God en zijn bestuur af te wachten, en ons middelerwijl tot alles vaardig te houden, door het oefenen van zijne heilige wet, en door eene volle bereiding des harten, tot het deel hetwelk hij ons in zijnen kelk zal gelieven te geven.

Waarop komt de blinde liefde van eerzuchtige ouders jegens hunne kinderen uit, als zij hen zonder roep in de kerkelijke bedieningen indringen? Zij stellen hunne kinderen in het uiterste gevaar van hunne eeuwige verdoemenis, en verbinden zich zeiven, om rekening te geven over de grove en ijsselijke misslagen, die zij begaan zullen, en over het verlies van hunne ziel en zoo vele andere zielen.

583

-ocr page 591-

van het Nieuwe Testament.

LIL HOOFDDEEL.

Jesus geeft, omtrent Jericho, aan drie blinden het gezigt weder.

Zacheiia wordt geroepen. Leering. Luc. 18 en 19. Matth.

20. Mare. 10. Hetzelfde jaar 33»

Toen Jesus omtrent Jericlio kwam, zat er zekere blinde langs den weg te bedelen. Wanneer deze vernomen kad, dat Jesus van Nazareth, aldaar voorbij ging, begon hij luide te roepen : Jesus, zoon van David, ontferm U mijner! De voorbijgangers bekeven hem; maar hij schreeuwde nog veel meer, tot dat Jesus beval, dat men den blinde bij hem brengen zoude. Nadat men hieraan voldaan had, vroeg Jesus hem: wat wilt gij, dat ik u doe? De blinde sprak: Heer! maak dat ik zie. Jesus zeide hierop : word ziende, uw geloof heeft u genezen. Weldra kreeg hij het gezigt weder, en volgde Jesus, terwijl hij en al de aanschouwers God loofden en verheerlijkten.

BEMERKING. Hoe vele blinden zijn er niet naar de ziel! Maar hoe weinigen worden er gevonden, die roepen om genezen te worden ! De blindheid der ziel wordt bemind, en die van het ligchaam geschroomd. Christus is bereid om hen te genezen, maar wil gebeden worden. Gelukkig zij, die roepen! Gelukkig zij, die in hun roepen aanhouden, en voor goed wenschen ziende te worden, en die hem na hunne genezing volgen 1

Nadat de Zaligmaker binnen Jericho gekomen was, nam Mj zijnen weg door quot;de stad. Hier woonde een zeker rijk man, met name Zacheüs, een opperpublikaan. Deze begeerde Jesus eens te zien; maar hij konde zulks niet, wegens het gedrang der menigte en zijne kleine gestalte. Hij liep derhalve vooruit, en beklom eenen wilden vijgenboom, om Jesus te kunnen zien. Toen onze Zaligmaker tot die plaats gekomen was, zag hij naar boven, en riep: Zacheüs, kom haastig neder; want heden moet ik in uw huis verblijven. Hij kwam terstond beneden en ontving hem met blijdschap. Allen, die zulks zagen, morden, omdat Jesus bij eenen mensch zijn verblijf ging nemen, dien zij voor eenen zondaar hielden. Zacheüs echter stelde zich voor Jesus, en zeide: zie, Heer, de helft van mijn goed geef ik aan den armen, en heb ik iemand ergens in te kort gedaan, geef ik het hem vierdubbel weder. Jesus sprak: heden is de zaligheid over dit huis gekomen, omdat deze ook een zoon van Abraham is. Want de Zoon des menschen is gekomen, om datgene te zoeken ea zalig te maken wat verloren was.

583

-ocr page 592-

Geschiedend

BEMEEKING. Men kent eene opregte bekeering uit de verandering van leven. Noch zuchten, noch woorden, noch schoone beloften alleen, zijn hiertoe genoeg: want dit alles kunnen ook ondeugende menschen doen, en toch ondeugend blijven. Er moeten werken zijn, zoo als in Zacheüs, die vierdubbel wederom gaf, indien hij iemand te kort gedaan had.... Troostende woorden voor den zondaar; de Zoon des menschm is konten zoeken en zalig maken wat verloren was.

In het uitgaan van Jericho genas Jems twee andere blinden, van welke de voornaamste Bartimeüs genoemd werd, wiens geschiedenis zoo zeer overeenkomt met die van den Hinde, welke wij pas te voren nit den H. Lucas verhaald hebben, dat sommigen die voor dezelfde geschiedenis nemen. Wij zullen derhalve hiervan niet verder spreken.

LUI. HOOFDDEEL.

Maria, de zuster van Ijaaarus, zalft de voeten van Jesus. Judas mort hierover. De opperpriesters willen Lazarus dooden. Jesus doet zijne Intrede in Jeruzalem. Zijne magt over de gemoederen. Hij weent over de stad. Matth, 11. Maro. 11. Luo. 19. Joann. 12. — Het jaar der gemeene tijdrekening 33.

Zes dagen voor Paschen (]) kwam Jesus te Bethanië, alwaar Lazarus zich bevond, die door Jesus van den dood verwekt was. Hier maakten zij hem een avondmaal bereid. Martha diende, en Lazarus zat met de overigen aan tafel. Maria had een pond kostbare nardusbalsem in eene albasten flesch. Hiermede zalfde zij de voeten van Jesus, terwijl hij aan tafel zat, droogde dezelve met haar haar af, en quot;Stortte vervolgens al den overigen welriekenden balsem over zijn hoofd, zoodat deszelfs aangename geur het geheele huis vervulde. Hierop zeide een zijner leerlingen, namelijk Judas den Iscarioter, die hem verraden zoude : waarom dien balsem niet verkocht voor drie honderd tienlingen (dat is 90 guldens) en dat geld aan den armen gegeven ? Doch hij zeide dit, niet omdat hij zich den armen aantrok, maar omdat hij een dief was. Hij had namelijk de beurs, waaruit Jesus aalmoezen voor de armen gaf. Maar Jesus sprak : laat haar met rust: zij heeft mij voorloopig tot mijne begrafenis gezalfd. Overigens hebt gij altijd armen bij u; maar mij hebt gij niet altijd. (Te weten, op zoo eene zigtbare wijs.)

Eene groote menigte Joden vernamen inmiddels, dat Jesus le Bethanië was, en kwamen derwaarts, niet om hem alleen, maar ook om Lazarus te zien, dien hij van den dood verwekt Lad. Hierop beraadslaagden de opperpriesters, om zelfs ook

j-Jl) Op den zondag, 29 Maart, eerste dag van de weik, die nu bij tHtó de goeie IVeek genoemd wordt.

684

-ocr page 593-

van het Nieuwe Testament. \' 585

Lazarus van kant te helpen. Want vele van de Joden vielen om zijnentwil af, en geloofden in Jesus.

Ondertussclien trok Judas naar de opperpriesters en de hoofdmannen, en kwam met hen overeen, dat hij hun, met de eerste gelegenheid en zonder oproer, Jesus leveren zoude voor 30 zilveren penningen (dat is omtrent 36 gulden.)

Des anderendaags (\'s maandags 30 maart), wanneer zij Jerusalem naderden, en omtrent Bethphage en Bethanië bij den Olijfberg gekomen waren, zond Jesus twee zijner leerlingen en zeide hun: gaat in dit dorp, hetwelk regt voor u ligt. Zoodra gij er zult binnen komen, zult gij eene ezelin vastgebonden zien staan, en daarnaast een veulen; ontbindt die, en brengt haar bij mij. Indien u iemand soms iets zegt, zoo antwoordt, dat de Heer die noodig heeft, en men zal ze dadelijk laten volgen. Dit alles geschiedde, opdat volbragt zoude worden, hetgene aldus door den profeet voorzegd was: (Isaias 63. v. 11. Zach. 9. v. 9.) zegt aan het volk van Sion: ziet, uw koning komt tot u, zachtmoedig, gezeten op eenen ezel, op een veulen, het jong van een lastdragend dier. — De leerlingen gingen heen, en deden wat hun Jesus bevolen had. Zij bragten dan de ezelin met het veulen, legden hunne kleederen op het lastdier, en Jesus ging er op zitten. Ook spreidde een groot deel van het volk hunne kleederen langs den weg, anderen hakten takken van de boomen, en wierpen die langs de baan. Toen hij het oord naderde, waar men van den Olijfberg nederwaarts gaat, begonnen de leerlingen, en al het volk dat vooruit ging en volgde. God met luide vreugdegalmen te prijzen. Zij riepen: Hosanna {dat is, heil en welvaren) den Zoon van David 1 gezegend zij hij, die daar komt in den naam des Heeren! Hosanna in het hoogste des hemels!

BEMERKING. De Zaligmaker toont hier zijne heerschappij en oppermagt over \'s menschen hart. Hij handelt er mede naar zijn welgevallen. Hem wordt alle eer en lof gegeven, hetzij zijne vijanden willen of niet. Te vergeefs zijn de voornemens der menschen tegen de voornemens van God. De Joden haten Jesus, willen hem ter dood brengen, en zullen het doen; doch niet anders, noch op eenen anderen tijd, dan als hij geschikt heeft; want hij zal geslagtofferd worden, omdat het hem beliefd heeft; maar de heerlijkheid van zijnen dood en van zijn kruis zullen zij door al hunnen haat en hunne pogingen niet kunnen beletten.

Als Jesus de stad naderde en dezelve in het oog kreeg, begon hij over haar te wreenen, en zeide weemoedig: och, of gij zelfs nog op dezen uwen dag erkendet, wat u tot heil verstrekte! doch nu is het voor uwe oogen verborgen, daarom

-ocr page 594-

Geschiedenis

zullen u dagen overkomen, dat uwe vijanden rondom u een wal opwerpen en u omringen zullen; dat zij u van alle zijden zullen benaauwen, en u met uwe inwoners ten gronde toe vernielen ja, den eenen steen zullen zij op den anderen in u niet laten omdat gij den tijd uwer bezoeking niet hebt willen erkennen

BEMERKING. Dit alles is tot een stipje toe volbragt in de afgrijsselijke belegering van Jeruzalem, onder den romeinschen keizer Titus, zoon van Vespacianus, veertig jaren na den dood van Christus, zoo als Flavius Josephus (Lib. 6. et 7. Belli Judaici), een joodsche historieschrijver die bij het beleg tegen woordig was, dit alles omstandig en wijdloopig verhaalt; zoodat die heidensche keizer ronduit verklaarde, dat de hand Gods zich in de belegerering en derzelver gevolgen vertoonde. Doch dit alles was in deze aankomst van Christus te Jeruzalem nog verborgen. Aldus zijn aan eene zondige ziel die zich zingende en spelende in haar eeuwig verderf stort, de gruwelijke straffen verborgen, die haar over het hoofd hangen; maar alles zal volbragt worden, en eerlang zullen de straffen volgen, zoo zij den tijd van hare bezoeking niet waarneemt.

Toen het volk hetwelk in de stad was ( de menigte was uitermate groot, ter oorzake van den aanstaanden feestdag) vernam dat Jesus naderde, ging het hem met geene mindere vreugdeteekenen te gemoet, en allen, die bij de verrijzenis van Lazarus waren tegenwoordig geweest, hadden deze daad in geheel Jeruzalem bekend gemaakt. De gansche stad geraakte, bij Jesus intrede, in rep en roer. Iedereen vroeg: wie komt er toch? En zij die vooruit gingen antwoordden: Jesus, de profeet van Nazareth in Galilea. De Earizeërs, echter, zeiden geheel ontevreden tot elkander: nu zien wij toch, dat wij niets uitrigten: immers de geheele wereld loopt hem na,

LIV. HOOFDDEEL.

Eenige Heidenen zoeken Jesus te zien. Hij wordt in hunne tegenwoordigheid verheerlijkt. Hij is het licht der wereld. Zijn woord zal regt doen in den jongsten dag. Joan. 12. — Het jaar 33j \'s Maandags 30. Maart.

Wanneer de Zaligmaker in Jeruzalem was gekomen, begaf hij zich regelregt naar den tempel. Er bevonden zich eenige Heidenen, die daar gekomen waren, om hunne aanbidding te doen op den feestdag; (want sommige Heidenen kenden den waren God en vereerden hem: echter mogten zij niet verder komen, dan in den eersten omtrek des tem-

■586

-ocr page 595-

van het Nieince Testament.

pels, die daarom het voorplein der Heidenen genoemd werd.) Deze zochten door Philippus en Andreas, Jesus te zien, en werden tot hem gebragt. De Heiland sprak ter dier gelegenheid in dezer voege: het uur is gekomen, dat de Zoon des nienschen verheerlijkt zal worden. Voorwaar, ik zeg u: zoo het tarwegraan niet eerst in de aarde valt en sterft, zoo blijft het eenzaam, maar indien het eerst sterft, zoo brengt het vele vruchten voort. Die zich zeiven lief heeft, zal zich zeiven in het verderf storten; en die zich zeiven in deze wereld haat, zal zich voor het eeuwige leven behoeden. Zoo iemand mijn dienaar wil zijn, dat hij mij volge; en alwaar ik ben, daar zal mijn dienaar ook wezen. Zoo iemand mijn dienaar zal geweest zijn, die zal van mijnen Vader geëerd worden. Mijn ziel is nu bedroefd: en wat zal ik zeggen? Vader! verlos mij van dit uur? Maar daarom ben ik immers hier gekomen, dat mij een zulkdanig uur te beurt viel. Vader! verheerlijk uwen Naam. Terstond kwam er eene stem van den hemel, die zeide; ik heb hem verheerlijkt, en zal hem nog hooger verheerlijken. Het daar verzamelde volk, dit hoorende, zeide, dat het een donderslag geweest was; anderen merkten aan; het is een Engel, die hem heeft toegesproken. Nu sprak Jesus: deze stem is niet om mijnentwil, maar om u gekomen. Nu gaat het oordeel der wereld beginnen. Nu gaat de vorst dezer wereld (1) verdreven worden. En als ik van de aarde omhoog zal geheven zijn, zal ik alles tot mij trekken. Dit zeide hij, zinspelende op de soort van den dood, dien hij sterven zoude.

BEMERKING. Deze Heidenen die tot Christus komen, wanneer hij van zijn eigen volk verstooten en gekruist gaat worden, beteekenen, dat de Heidenen na den afval der Joden, op het punt waren tot het geloof geroepen te worden: maar zij worden niet bekeerd dan na den dood van Christus, omdat de tarwe eerst moet sterven: en dat hij door zijnen dood die groote bekeering ging verdienen. Hij wordt in hunne tegenwoordigheid verheerlijkt, om de groote wonderheden te toonen, die zijn dood onder het Heidendom ging uitwerken. De duivel ging uitgeworpen, de ketterij vernietigd worden, en Christus, aan het kruis verheven zijnde, ging alles tot zich trekken. Christus heeft dit alles voorzegd, en daarna volbragt, en aldus ons geloof gevestigd.

\' Jesus riep ook op denzelfden tijd tot de Joden in den tempel: die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengenen die mij gezonden heeft. En die mij ziet, ziet dengenen die mij gezonden heeft. Ik, die het licht ben, ben in de wereld gekomen,

(1) Dat is de duivel die de wereld onder zijne slavernij hield.

587

-ocr page 596-

Geschiedenis

opdat al wie in mij gelooft, in de duisternissen niet blijven. Doch zoo iemand mijne woorden aanhoort, en die niet onderhoudt, oordeel ik hem niet: want ik ben niet gekomen om de wereld te oordeelen, maar om dezelve zalig te maken. Die mij verwerpt, en mijne woorden niet aanneemt, heeft iemand die hem oordeelen zal. Het woord, hetwelk ik gesproken heb, zal hem ten jongste dage oordeelen. Want ik heb uit mij zeiven niet gesproken, maar de Vader, die mij gezonden heeft, heeft mij last gegeven, wat ik zeggen en spreken moet; ook weet ik, dat zijn bevel het eeuwige leven is. Hetgene ik dan spreek, spreek ik, zoo als het de Vader mij bevolen heeft.

Toen nu de dag begon te vallen, ging Jesus met de twaalf naar Bethanië, waar hij overnachtte.

BEMERKING. Het woord, hetwelk Christus gesproken heeft, zal ons oordeelen, dat is, het woord van zijn heilig Evangelie. Laat ons derhalve daarnaar luisteren, laat het ons overwegen; want het zal onze regter zijn. Het zal ons zalig maken indien wij er naar leven: immers het is het Evangelie der zaligheid; maar het zal ons verwijzen, indien wij er ons zeiven niet naar schikken.

LV. HOOFDDEEL.

Jesus vervloekt den vijgenboom. Hij jaagt de verkoopers uit den iempel.

De kleine kinderen vermelden zijnen lof. Matth. 21. Mare. 11.

Luc. 19. Het jaar 33, Dingsdag 31 Maart.

Des anderendaags, wanneer zij van Bethanië weder naar Jeruzalem kwamen, zag Jesus van verre eenen vijgeboom.. Daar hij honger gevoelde, ging hij er naar toe, maar vond er niets op dan bladeren; want het was de vijgentijd niet. Nu zeide hij, ten aanhoore zijner leerlingen, tot den vijgenboom: dat niemand van u voortaan in de eeuwigheid meer vruchten ete. En aanstonds verdorde de boom.

BEMEEK1NG. Het is tot eene vermaning voor de Joden, dat Christus dezen boom vervloekt. Zij zijn de onvruchtbare vijgenboom, van welken hij is vruchten komen zoeken, en deszelfs uitroeijing is het afbeeldsel van hunnen aanstaanden ondergang. Het is ook voor ons, dat Christus honger hoeft en vruchten gaat zoeken, namelijk vruchten van goede werken. Enkele bladeren, dat is de uitwendige schijn alleen, kunnen hem niet voldoen, en de vervloeking van eenen eenvoudigen boom, is de aanzegging van de straffen die ons over het hoofd hangen, indien wij onvruchtbaar blijven.

Jesus begaf zich vervolgens naar den tempel, en dreef

685

-ocr page 597-

can het Nieuwe Testament.

daar de koopers en handelaars uit; de tafels der wisselaars, alsmede de zetels der duivenverkoopers wierp hij omverre. Hij zeide tot hen: er staat geschreven: (Isa. 56. v. 7. Jerem. 7. v. 11.) Mijn huis zal een huis des gebeds zijn; maar gij hebt het tot een roovershol gemaakt. Er werden nu blinden en kreupelen tot hem in den tempel gebragt, en hij genas die allen. Als nu de Opperpriesters en de Schriftgeleerden de wonderdaden zagen, welke hij deed, en de kinderen in den tempel hoorden roepen: Hosanna den Zoon van David! namen zij zulks zeer euvel, en zeiden tot hem : hoort gij wel, wat zij zeggen? Ja, zeer duidelijk, antwoordde Jesus. Hebt gij dan nooit gelezen, ging hij voort, (Psalm 8, v. 3.) dat David in zijne psalmen zegt: gij hebt uwen volmaakten lof getrokken uit den mond der kleine kinderen en zuigelingen ? — Jesus gaf dagelijks zijne onderwijzingen in den tempel. Maar de opperpriesters, de schriftgeleerden en de oversten des volks zochten hem om het leven te brengen ; doch zij vonden geen middel om iets tegen hem te ondernemen, want al het volk hoorde hem met verrukking aan. Des avonds verliet hij telkens de stad, en begaf zich naar Bethanië.

BEMEEKING. De zachtmoedigste aller menschen is vergramd tegen degenen, die den Joodschen tempel ontheiligen; wat zal hij dan doen met hen, die onze heilige tempels onteeren? Want het zijn vrij andere tempels, dan de tempels der Joden. Het is aldaar, dat gedurig wordt opgedragen het alleraanbiddelijkste en allerheiligste offer, door hetwelk al de oude offeranden, die er slechts het afbeeldsel van waren, vervuld worden ; dat wij door het heilig doopsel Christen worden; dat wij in de zaligmakende leer van onzen goddelijken Verlosser onderrigt en onderwezen worden; dat wij van onze zonden vergiffenis krijgen, en door het hemelsche brood zoo dikwijls gespijsd worden. Met welken eerbied moeten wij dan. daar komen, om de goddelijke Majesteit te aanbidden, zijne oneindige goedheid over zoo vele weldaden te bedanken, en zijne vergramde regtvaardigheid over onze zondèn te verzoenen 1 En wat zal er van ons geworden, indien wij hem, door onze oneerbiedigheid, tot zelfs op zijnen troon komen tergen.

LVI. HOOFDDEEL.

De Leerlingen zien den vijgenboom verdord. Kracht de3 geloofs. Da

Opperpriesters vragen, door wat magt Christus aldus handelt. Gelijkenis van twee zonen. De afschuwelijke wijngaardeniers. Matth, 21. Mare. 11. 12. Luo. 20. — Het jaar 33, \'s Woensdags 1 April.

Des anderendaags \'a morgens, wanneer de leerlingen met Jesus wederom van Bethanië naar Jeruzalem kwamen, zagen zij den vijgenboom tot den wortel toe verdord; zij gaven

689

-ocr page 598-

GeseTtiedenis

hunne verwondering hierover aan hunnen Meester te kennSh. Jesus zeide hun: voorwaar, ik zeg u: bijaldien gij geloof hebt, en niet twijtelt, zult gij hetzelfde doen, niet alleen aan eenen vijgenboom, maar zelfs als gij aan dezen berg zoudt zeggen : verplaats u, werp u in de zee, zoo zal zulks geschieden. Al wat gij derhalve in het gebed zult verzoeken, gelooft, dat gij het bekomen zult.

BEMERKING. Wondere kracht van het geloof en van het betrouwen op God ! Met regt zeggen do heilige Vaders, dat wij zoo veel zullen ontvangen, als wij zonder haperen durven verhopen. Waarom ontvangen wij dan zoo weinig ? Omdat ons klein geloof en onze geringe getrouwheid, in God opregt en uit ganscher harte te dienen, ons doet haperen en ons betrouwen zeer klein maakt.

Als Jesus den tempel was binnen getreden, kwamen de opperpriesters met de schriftgeleerden en de ouderlingen bij hem, eu vroegen ; zeg ons eens, door welke magt gij aldus handelt ? Dat is, wie heeft u de magt gegeven om aldus in den tempel te doen, gelijk gij gisteren deedt ? Jesus gaf hun tot antwoord; ik zal u eene vraag voorstellen, en indien gij mij die beantwoordt, dan zal ik u ook zeggen, door wat magt ik dus handel. Waaruit had de doop van Joannes zijnen oorsprong, uit den hemsl of van de menschen ? Hier waren zij gevangen: want zij zagen wel, indien zij zeiden: van den hemel, — dat hij hun zoude antwoorden: waarom hebt gij hem dan niet geloofd ? En indien zij antwoordden : van de menschen; — vreesden zij, dat al het volk hen zoude gestee-nigd hebben; want het was overtuigd, dat Joannes een van God gezonden profeet was. Zij antwoordden dus: wij weten het niet. En Jesus hernam : Ik zal u dan ook niet zeggen, door welke magt ik dit alles doe.

BEMERKING. De huichelaars verdienen niet, dat Christus tot hen klaar en duidelijk zoude spreken. Dewijl zij aan zijne mirakelen niet geloofden, zouden zij ook aan zijne woorden geen geloof gehecht hebben. Zij worden dan in hunne eigene netten gevangen, en in de duisternissen gewenteld, die zij beminnen. Zoo zal het met alle huichelaars gaan, die het licht slechts zoeken, om het tegen te spreken.

Dezen geheelen woensdag, mits zijn uur zoo nakend was, bragt Christus over met gelijkenissen en leeringen voor te stellen, zoowel aan de Earizeërs als aan het volk ; en nadat zij uit Jeruzalem gegaan waren, nog verder aan zijne leerlin-lingen. De voornaamste dezer gelijkenissen en leoringen zullen wij hier laten volgen. ■-

Er was een man, zeide Christus, die twee zonen had.

B9tr

-ocr page 599-

van het Nieuwe Testiment.

Hij vervoegde zich tot den oudsten, en zeide liem: zoon, ga henen in mijnen wijngaard werken. Deze antwoordde: ik wil niet; docli hij gevoelde later berouw, en ging derwaarts. Aan den jongeren gaf de vader hetzelfde bevel, en deze antwoordde: ik ga derwaarts, Heer! doch hij hield zijn woord niet. Wie van die twee heeft den wil zijns vaders volbragt? Zij antwoordden hem: de eerste. Jesus. zeide hun: voorwaar, ik zeg u, dat de Pnblikanen en ontuchtige vrouwen u zullen voorgaan in het rijk Gods. Want Joannes is tot u in den weg der regtvaardigheid gekomen, en gij hebt hem geen geloof gegeven; integendeel, de Publikanen en ontuchtige vrouwen hebben hem geloofd: gij zaagt zulks, en hebt echter naderhand nog geen berouw gehad om hem geloof te geven.

Wederom stelde Jesus eene andere gelijkenis voor, die op hetzelfde einde uitkomt, namelijk op de ondankbaarheid en boosheid der Joden en op hunne aanstaande verwoesting. Er was, zeide hij, een huisvader, die eenen wijngaard geplant had; rondom denzelven had hij eene hegge geleid, eene wijnpers en in gemaakt, en eenen wachttoren gebouwd. Hij liet dien wijn» gaard aan de zorgen van eenige landlieden over, en begaf zich voor eenigen tijd op reis. Als nu de oogst aanstaande was, zond hij zijnen knecht tot de landlieden, om van hen de vruchten des wijngaards te bekomen. Maar zij grepen hem aan, sloegen hem, en zonden hem ijdel henen. Hij zond tot hen wederom eenen anderen. Dezen mishandelden zij ook, steenigden hem, verwondden hem aan het hoofd, hoonden hem op eene verregaande wijze, en joegen hem ledig weg. Hij zond nog eenen derden, dien zij ook kwetsten, ja hem om het leven bragten. Hij zond wederom andere knechten in grooter getal, dan de eerste, en zij mishandelden hen ook; de eenen sloegen zij, en de anderen werden vermoord.

Nu zeide de heer des wijngaards; wat zal ik toch doen? ik zal mijnen geliefden, eenigen zoon tot hen zenden; mogelijk, als zij dezen zien, zullen zij ontzag hebben. Hij deed zulks dan; maar de landlieden zeiden onder elkander, toen zij den zoon zagen : deze is de erfgenaam ; komt, laat ons hem dooden, en zijn erfdeel zal aan ons zijn. Met een woest geweld grepen zij hem dan aan, joegen hem uit den wijngaard, en benamen hem verder het leven. Wat zal de heer des wijngaards, als hij wedergekomen zal zijn, met die landlieden doen? vroeg nu de Zaligmaker. Zij gaven hem tot antwoord : hij zal de booswichten volgens hunne boosheid vernielen, en den wijnberg aan de zorg van andere landlieden overlaten, die er hem op tijd de vruchten van zullen leveren.

Jesus zeide tot hen: hij zal hen komen vernielen en zijnen wijngaard aan anderen besteden. Op deze woorden zeiden zij:

591

-ocr page 600-

Geschiedenis

verre zij dit van ons (namelijk, dat wij den erfgenaam of den Christus zouden willen dooden.) Maar Jesus hief de oogen op, en sprak aldus: wat is dit dan te zeggen, dat er geschreven staat; (Psalm 117. v. 13. 33.) de steen, dien de bouwmeesters verworpen hadden, is de hoeksteen geworden. (1) De Heer heeft zulks gedaan, en het is wonderlijk in onze oogen. Daarom zeg ik u, dat het rijk Gods (de Joden) u zal afgenomen, en gegeven worden aan een volk (de Heiden), hetwelk de vruchten daarvan voort zal brengen. Al wie over dien steen zal vallen, zal zijne leden breken; maar op wien hij vallen zal, dien zal hij vermorzelen.

BEMERKING-. Hij valt over Christus, die over zijn ootmoedig en behoeftig leven geërgerd wordt, gelijk de Joden, die, door hunne hoovaardigheid en aardsche geneigdheden verblind, niet konden gelooven, dat Christus, zoo arm en zoo gering in hunne oogen, de Messias zou zijn, of dat de wara Messias van hen zoude kunnen verstooten en gedood worden. En Christus valt op dengenen, die hij na eenen onboetvaar-digen dood in zijne regtvaardige gramschap verpletten zal, gelijk de Joden om hunne boosheid en ontboetvaardigheid, in de verwoesting van Jeruzalem verpletterd zijn.

De opperpriesters en de schriftgeleerden zochten op denzelfden stond de handen aan hem te slaan; want zij verstonden wel, dat die gelijkenis op hen doelde, dat hij van hen sprak; doch zij vreesden het volk, hetwelk Jesus voor eenen profeet hield.

BEMEEKINGr. Wat al lessen en leeringen bevat deze gelijkenis, wegens de oneindige liefde van God jegens de menschen, wegens zijn onbegrijpelijke bezorgdheid om hen te vermanen, en wegens zijn onvermoeijelijk geduld in hen tot boetvaardigheid te verwachten! Wat al zalige en tevens scherpe verwijtingen tegen de zondaars, over hunne vermetelheid en wreedheid, en over het misbruiken van Gods oneindige weldaden 1 Wat al bedreigingen, zoo zij zich niet beteren! Het moet meer overwogen, dan met woorden verbreid worden.

LVH. HOOFDDEEL,

De koninklijke bruiloft. De gast zonder bruiloftskleed. De oijnspenning.

De Saddueeërs beantwoord wegens de Terrijzenis. Het groote gebod.

Hoe de Messias te gelijk de Zoon en de Heer van David is. Matth.

22. Maro. 12. Luo. 20. — Het jaar 33. \'a Woendags 1 April.

Op denzelfden dag stelde Christus alnog deze gelijkenis

(1) De hoehleen is een steen, die twee muren van een gebouw aan elkander hecht, bij welke Christus vergeleken wordt, omdat hij de Joden en de Heidenen in het gebouw van zijne heilige Kerk zoude vereenigen.

593

-ocr page 601-

van het Nieuwe Testament.

voor; het rijk des hemels, zeide hij, is gelijk aan eenen koning, die eene bruiloft voor zijnen zoon had aangerigt. Hij zond dan zijne knechten uit, om de genoodigden ter bruiloft te roepen; maar deze wilden niet komen. Hij zond op nieuw andere dienaars uit, om den genoodigden van zijnentwege te zeggen: ziet, ik heb mijn noenmaal bereid gemaakt; mijne ossen en andere gemeste beesten zijn geslagt, en alles is in gereedheid; komt derhalve ter bruiloft. Maar zij achtteden dit niet, en gingen henen, de eene naar zijn pachthoef, de andere naar zijne koophandels-bezigheden. Nog anderen grepen zijne knechten aan, en doodden hen, na hun vele versmaadheden aangedaan, te hebben.

BEMERKING. Men ziet hier drie soorten van menschen, die in gevaarlijken staat zijn: 1. die een gemakkelijk, lui en zinnelijk leven leiden: Pachthoef, speelgoed. 3. Die zoodanig bezig zijn met de tijdelijke zaken, dat zij op hunne zaligheid naauwelijks denken: Koophandels-bezigheden, enz. 3. Die openlijk boos zijn, even als die geweldigaards, die Gods dienaars mishandelen, enz.

Toen de koning gehoord had, dat er niemand tot de bruiloft wilde komen, werd hij zeer vertoornd; hij zond nu krijgsvolk af, hetwelk die moordenaars ombragt, en hunne stad in brand stak. Dan zeide hij tot zijne knechten: het bruiloftsmaal is wel gereed, maar de genoodigden waren het niet waardig; gaat dus op de straten en noodigt al wat gij ontmoet.... Zijne knechten gingen uit en bragten al wat zij aantroffen, kwaden en goeden, bijeen, en de bruiloftszaal werd met gasten vervuld. De koning kwam nu binnen om de gasten te zien; toen bemerkte hij er eenen die geen bruiloftskleed aan had. Hij zeide tot hem; vriend, hoe zijt gij binnen gekomen, zonder een bruiloftskleed aan te hebben? De man bleef stom, daar hij geene ontschuldiging kon bijbrengen. Daarop zeide de koning tot zijne dienaars: bindt hem handen en voeten, en werpt hem in de uiterste duisternissen, daar geween en knarsing der tanden zal zijn.

BEMERKING. Al zijn wij geroepen, al worden wij gedwongen, mogen wij echter ons niet verstouten van zonder bruiloftskleed tot \'s Heeren maaltijd te komen. De straf van dezen vermetelen gast is het afbeeldsel van de straf voor hen die onwaardig communiceeren. Al kunnen de menschen uitwendig niet onderscheiden aan wie het bruiloftskleed ontbreekt, zal echter de Koning die kennen, en zullen zij niet een enkel woord hebben om zich te verschoonen.

De Farizeërs lieten nu Christus daar, gingen henen en beraadslaagden, hoe zij hem in zijne woorden zouden vatten. Zij

38

593

-ocr page 602-

GescMedenü

kwamen dan met de Herodianen bij Hem, en Yroegen; Meester.\' wat du niet U, is het geoorloofd den cijnspenning aan den keizer te betalen of niet? Door deze vraag zochten zij Jesns hatelijk te maken of aan den keizer, of aan het volk. Aan den keizot indien hij zeide dat men den cijnspenning niet moest betaler» aan het volk, indien hij zeide dat men tol betalen moest; want de Joden snoefden altijd op hunnen vrijdom, als zijnde de kinderen Gods, en zij aanjagen de vreemde vorsten slechts als hunne dwingelanden, aan wie zij den tol uit dwang betaalden Daar Christus de geveinsdheid dezer ondervragers kende, wilds hij den cijnspenning zien. Wanneer zij hem dien toonden, vroeg hij hun: wiens beeld en wiens opschrift is dit? Zij antwoordden hem: des keizers. Geeft dan, zeide Christus, den keizer wat den keizer toekomt, en Gode wat Gode toekomt,

BEMERKING. Goddelijk antwoord, hetwelk hunne boosaardige listigheid beschaamd maakt, en aan ons eenen aller-zaligsten regel wegens ons gedrag tusschen God en de menschen voorschrijft, om met wijsheid en voorzigtigheid te onderscheiden, wat wij aan God en aan de menschen schuldig zijn... Doch indien de cijnspenning aan den keizer toekomt, omdat hij deszelfs beeldtenis en opschrift draagt, aan wie komt dan onze ziel toe? Wie zal dat beeld en die teekens, waarmede zij geteekend is, kunnen uitwisschen? Of hoe zullen wij ons kunnen verschoonen, indien wij die geven aan wie zij niet toebehoort, aan onze moordenaars en onze beulen: aan den duivel, de wereld en onze begeerlijkheden?

Nu kwamen de Sadduceërs op hunne beurt, die de verrijzenis der dooden niet konden gelooven. Er was eene vrouw, zeiden zij, die zeven mans achtervolgens gehuwd had; aan welke van die zal zij nu in den dag der verrijzenis toebehooren? Gij zijt in dwaling, sprak Christus, omdat gij noch de Schrift, noch de kracht Gods begrijpt. Als de dooden zullen verrijzen, zullen zij niet in echtverbindtenis treden, noch ten huwelijk gegeven worden; maar zij zullen gelijk zijn aan de Engelen in den hemel. Dat echter de dooden zullen verrijzen, beweas hij hun met deze reden: God noemt zich, zeide Christus, de God van Abraham, van Izaak en Jacob, al lang nadat die Patriarchen gestorven waren. God is immers geen God van dcoden, maar van levenden; want zij leven allen voor hem.

BEMERKING. Dus was de opwerping der Sadduceërs vernietigd, dat de ziel te zamen met het ligchaam stierf, en die vervolgens met de verrijzenis spotteden. Waarvan komen al die beschimpingen der vrijgeesten? Is het niet uit den

594

-ocr page 603-

van Tiet Nieuwe Testament.

groncl, omdat zij, gansch naar het vleescli en de zinnen levende, niet verstaan dan hetgene vleeschelijk is, noch de Schrift, noch de kracht Gods begrijpen?

Naderhand kwam er een wetgeleerde Christus beproeven en vragen, welk het eerste of grootste was van al de geboden ? Het eerste van al de geboden, zeide Christus, is dit: Israël, hoort toe; (Deut. 6. 4.) : uw Heer, uw God is slechts een éénige God. Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, uit geheel uw verstand en uit al uwe krachten. Dit is het eerste en voornaamste gebod. Het tweede is hieraan gelijk: (Lev. 18. 19.): gij zult uwen naaste liefhebben gelijk u zeiven. In deze twee geboden bestaat de geheele wet en de profeten. De wetgeleerde vroeg nu: Meester! gij hebt wèl gezegd; want het is meer dan al de brand- en zoenoffers. Dit antwoord van den wetgeleerde werd van Christus zeer geprezen. Laat ons met die les tevreden zijn, en die grondig overwegen.

Niemand durfde aan Christus voortaan nog strikvragen voorstellen; maar hij stelde den Farizeërs van zijnen kant eindelijk deze vraag voor: wat dunkt u van den Christus ? Wiens Zoon is hij? Zij antwoordden hem: Davids Zoon. Hoe noemt hem dan David in den geest zijnen Heer? hernam Christus ; want hij zegt in het boek der Psalmen (Ps. 109. 1.) : de Heer heeft tot mijnen Heer gezegd: zit aan mijne reg-terhand, tot dat ik uwe vijanden tot eene bank uwer voeten stelle. Indien David hem dan zijnen Heer noemt, hoe is hij dan zijn Zoon ? Niemand konde hem dit beantwoorden. Dus bleven zij stom. — Jesus echter werd van het grootste deel des volks gaarne gehoord.

BEMEEKING. Christus is de Heer en Zoon van David, omdat hij God en mensch is. Zijn Heer, als God; en zijn Zoon, als zijnde van zijn geslacht, gelijk de Messias, volgens de voorzegging der profeten, wezen moest. De trotsche wijzen worden hier wel beschaamd en stom gesteld, doch niet bekeerd. Laat ons liever de eenvoudige scharen volgen, die Christus gaarne hooren, en zich over zijne wijsheid verwonderen en Verheugen.

LVIII. HOOEDDEEL.

Men moet de Schriftgeleerden aanhooren, maar hen niet navolgen. Wie

onze leermeester is. Het rijke offer der arme weduwe. Matth. 22.

Luc. 20. — Het jaar 33. \'s woensdags 1. April.

Nadat Christus van de Schriftgeleerden en Earizeërs aldus

595

-ocr page 604-

596 Uesckiedeiti»

beproefd was, zeide hij, schoon hij de bitterheid van hun o-emoed kende, en wist wat zij tegen hem besloten hadden, gelijk hij hun door de voorgaande gelijkenis genoegzaam had doen vatten, niettemin tot zijne leerlingen en tot het volk: de Schriftgeleerden en Farizeërs zijn gezeten op den stoel van Mozes; onderhoudt en doet alles wat zij u gebieden, maar hiindelt niet volgens hunne werken : want zij zeggen het, maar doen het niet. Zij binden zware en onverdragelijke lasten te zamen, en leggen die op de schouders der menschen ; maar zij willen die met hunne vingeren niet eens aanraken. Al hunne werken doen zij, om van de menschen gezien te worden : daarom dragen zij breede gedenkschriften en groote boorden aan hunne kleederen. (1) Zij zoeken de eerste plaatsen op de maaltijden, de eerste zetels in de Synagogen, en de begroeting op de markt, en trachten van de menschen meester genoemd te worden. Maar gij, laat u geen meester noemen : want gij hebt slechts eenen Meester, en zijt allen broeders. Noemt ook niemand uwen vader op de aarde; want gij hebt enkel éénen Vader, die in den hemel js. Laat u ook geene leeraars noemen ; want gij hebt slechts eenen Leeratir, namelijk Christus. Die onder u de meester is, zal uw dienaar zijn. Want wie zich verheft, die zal vernederd worden, en die zich vernedert, zal verheven worden.

BEMERKING. Wonderbare zachtmoedigheid van Christus! De Farizeërs bespieden hem, en wachten slechts naar het uur om hem van kant te helpen ; niettemin staat kj hun gezag voor, zoo bij het volk als bij zijne leerlingen. Hij wist wel, dat de menschen hierin zeer dikwijls misdoen. Het schijnt, dat\'zij hunne overheid niet kunnen eeren, zoo zij maar eenige gebreken in hen bemerken ; of zoo zij hen eeren, volgens zij te gelijk hunne zonden na. Christus leert ons, onzen oversten al waren zij nog zoo boos van leven als de Earizeërs, eerbied bewijzen, en doen wat zij zeggen, zoo lang als zij ons voorhouden wat God van ons begeert, volgens zijne heilige wet, schoon zij het niet zouden doen ; maar hij verbiedt ons ten zelfder tijd, indien zij ondeugend leven, hunne kwade werken

te volgen. , j

God is onze eenige Vader, omdat hij de Vader onzer vaderen is, omdat wij van hem het leven bekomen hebben, en hij alle vaders oneindig in goedheid en vaderliefde te boven gaat.

1) Do Schriftgeleerden en Farizeërs droegen op hun voorhoofd en aan hunne armen eenige perkamenten banden, waarop zij iets van de eehoden Gods geschreven hadden, willende aldus, naar den uitwendigen «chijn, de wet Gods (Deut. 6. 8.) onderhouden, terwijl zij daarvan den opregten zin lieten varen. (

-ocr page 605-

van het Nieuwe Testament. 597

Christus is onze eegt;iige Leermeester, omdat hij alleen de harten leert door zijne genade: want het komt noch van dengenen die plant, noch van hem die besproeit, maar van God die den wasdom verleent. 1. Cor. 3. v. 7.

Eer Christus nog uit den tempel vertrok, nam hij zijn oogmerk, hoe de rijken hunne giffen in de offerkist wierpen. Hij zag daar ook, onder andere, eene arme weduwe twee kleine penningen in werpen, waarop hij tot zijne leerlingen zeide: voorwaar, ik zeg u, deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gestort, dan al de anderen. Want deze hebben van hunnen overvloed bij de giften Gods geworpen; maar zij heeft in hare armoede haar gansch vermogen gegeven.

BEMERKING. Laat ons uit dit voorbeeld de waarde der liefde leeren. Zonder haar zijn de grootste giften niets; maar de minste zaken zijn groot, als zij met eene groote liefde geschieden. God ziet zooveel niet naar groote paleizen, prachtige tempels, rijke offeranden, als wel naar eene groote liefde. Twee penningen, een teug koud water, verdienen den hemel, als zij uit liefde voortvloeijen. Alzoo ook eene geringe aalmoes, eene kleine behulpzaamheid, een gering werk is groot voor God, als het voortkomt uit dien rijken schat van een liefdevol hart.

De liefde geeft, als zij volmaakt is, aan God alles wat zij vermag. Deze weduwe geeft geheel haar vermogen. Het rijk der hemelen, zegt de heilige Augustinus, is te bekomen, voor zoo veel als wij er kunnen voor geven. Petrus geeft zijne netten, Zacheüs de helft van zijn goed, deze weduwe twee penningen. Daarom zegt Tobias: hebt gij veel, geef veel; hebt gij weinig, geef dan toch nog iets van dit weinige uit een goed hart. Tob. 4. v. 9.

LIX. HOOFDDEEL.

De verwoesting van don tempel. Voorspelling van groote vervolgingen.

Tweedragt tusschen bloedvrienden om Christus wil. Voorteekens van

het laatste oordeel. Bidden en waken. De goede en de booze knecht.

Matth. 24. Marc. 1?. Luc. 21. — Het jaar 33, \'s woensdags 1 April.

De Zaligmaker verliet voor de laatste maal den tempel, \'s woensdags omtrent den avond. Zijne leerlingen zeiden tot hem, terwijl zij den tempel aanwezen: Meerster! zie eens welke steenen en welke bouworde! Jesus gaf hun tot antwoord : ziet gij dit alles? Voorwaar, ik zeg u, de tijd zal komen, dat dit alles zoo zal vernield worden, dat de eene steen op den anderen niet zal blijven.

-ocr page 606-

Geschiedenis

Dit alles is aldus geschied; want tegen dank van keizer Titus zelven, die in de belegering van Jeruzalem bevolen had dat men den tempel zoude spraren, werd dezelve door eenen soldaat in brand gestoken en in assclie gelegd: en al de vlijt, die Titus deed aanwenden om den brand te doen blussclien, was te vergeefs.

Als zij nu aan den Olijfberg gekomen waren, kwamen de leerlingen hem in het heimelijk vragen, wanneer deze dingen geschieden zouden, en welke te teekeus van het einde der wereld zouden zijn? En Christus gaf hun desaangaande verscheidene onderrigtingen. Vooreerst, wegens de verwoesting van Jeruzalem: laat u, zeide de Zaligmaker, niet bedriegen, dewijl er vele valsche Christussen zullen opstaan, ilie er velen zullen verleiden. Eerst zullen er oorlogen en beroerten, aardbevingen, pest, ziekten, hongersnood en wondere teekens aan den hemel ontstaan; u zal men te voren vervolgen, in de Synagogen geese-len, in de gevangenissen werpen, aan de stadhouders overleveren; weest echter niet beangst, hoe gij u zult moeten verweren: ik zal aan uwen mond eene wijsheid verleenen, tegen welke al uwe vijanden niet zullen vermogen: niet gij, maar de heilige Geest zal spreken. Ook zult gij door uwe eigene ouders en bloedverwanten ter dood gebragt worden, en om mijnen naam hatelijk zijn aan alle menschen. Nogtans zal er niet een haar van uw hoofd verloren gaan. Velen zullen er verergerd en verleid worden; velen zullen er elkander verraden; de boosheid zal overvloadig zijn, en de liefde van velen verflaauwen; doch wie tot het einde toe volharden zal, die zal zalig zijn. Zij zullen door hun geduld hunne ziel behouden. — Een groot deel van al deze dingen zullen wij zien in de werken der Apostelen, en het overige is genoeg uit de kerkelijke geschiedenissen bekend.

Jeruzalem, zoo vervolgde de Heiland, zal door legers omringd worden; de al verdervende gruwel zal in de heilige plaats staan. (Hierdoor worden zij gewaarschuwd naar de bergen te vlugte^ zonder naar huis om te zien om iets te halen.) Het zullen dagen van wraak zijn, en de weedom zal zoo groot wazen, dat er dusdanige nooit van het begin der wereld af geweest is.

De leerlingen van Christus hebben deze waarschuwing waargenomen. Bij het aankomen der Eomeinen, vlugttea zij naar het stadje Pella, en werden in de belegering van Jeruzalem niet gewikkeld. Al de andere omstandigheden, die Christus voorzegd heeft, zijn over Jeruzalem stipt volbragt. Men moet slechts Josephus lezen, om van al deze dingen overtuigd te zijn.

Wegens het laatste oordeel voorzegt ons Christus, dat er verleiders en valsche Christussen zich zullen vertoonen, die zulke wondere teekens zullen doen, dat zij ook de uitverkorenen, indien het mogelijk ware, zouden verleiden. De komst

598

-ocr page 607-

van het Nieuwe Testament. 59amp;-

van den Zoon des menschen zal verscliijnen, zegt de Heiland, gelijk de blitsem. Er zullen zulke vervaarlijke teekens geziuu worden, dat de menschen van sclirik zullen uitdroogen. Do zon zal verduisterd worden; de maan zal geen licht van zich geven; de sterren zullen van den hemel vallen; de krachten der hemelen zullen beroerd worden. Het teeken van den Zoon des menschen, te weten zijn heilig Kruis, zal aan den hemel verschijnen; hij zal zijne Engelen afzenden, die door het schelle geklank der bazuin de uitverkorenen van de vier hoeken der wereld zullen vergaderen. Eindelijk, zegt Christus: hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan. Doch van dien dag en van dat uur weet niemand, zelfs niet de Engelen, noch de Zoon, (voor zoo veel hij mensch is) maar de Vader alleen.

Het besluit en de les, die Christus uit dit alles voor ons trekt, is hidden en waken. Want die dag zal komen als eeu strik, als een dief, ten dage van Noë, wanneer wij het niet weten noch meenen. Doch de dag, die voor de geheele wereld de dag des oordeels zal zijn, zal voor ons de laatste van ons leven wezen. Zalig is de knecht, zegt de Zaligmaker, dien de Heer, wanneer hij komen zal, aldus werkende zal vinden, (dat is, bezig met bidden en waken.) Hij zal hem stellen over al zijne goederen. Maar indien deze knecht in zijn hart denkt; wmijn Heer zal nog zoo haast niet komen,quot; en alzoo een ondeugend leven leidt, zal zijn Heer komen, als hij hem niet verwacht; hij zal hem afscheiden, en hem zijn deel geven onder da schijnheiligen, alwaar geween en knarsing der tanden zal wezen.

BEMERKING. Die naar zulke gewigtige en vervaarlijke lessen van Chiistus niet luistert, zal naar de woorden der menschen ook niet hooren.

LX. HOOFDDEEL.

Gelijkenis van de tien maagden en van de uitgedeelde talenten. Verscheidene bemerkingen. Matth. 25. Luo. 19. — Het jaar 33, \'s Woensdags 1 April op den Olijfberg.

Üm deze noodzakelijkheid van het waken nog dieper in te prenten, stelt Christus zijnen leerlingen nog twee gelijkenissen voor. De eerste is van de tien maagden, ónder welke vijf wijze en vijf dwaze waren. Zij gingen gelijkelijk met brandende Jampen den bruidegom te gemoet; maar de dwazen hadden geen olie genoeg in hare lampen. Terwijl zij sluimeren en slapen, gaan hare lampen uit; niemand wil haar olie leenen. (Kik heeft genoeg met voor zich zeiven te zorgen; de goede werken van anderen kunnen ons weinig baten, als ons de liefde ontbreekt.)

-ocr page 608-

Gcsc/iiedt\'/iis

Zij gaan dan olie koopen; maar de bruidegom komt middelerwijl in het midden van den nacht. De wijze maagden, die met hare brandende lampen vaardig stonden, gaan met den bruidegom binnen, en de dwaze maagden vinden, bij liare terugkomst, de deur gesloten, die nimmer voor haar zal geopend worden. Wie zal niet vreezen, zelfs van hen die icel begonnen hebben, of zij wel zullen eindigen; of de liefde op het laatste niet zal ontbreken: of zij zullen gereed zijn, wanneer de bruidegom zal komen? Waakt dan, want elk uur kan het laatste zijn.

Na deze gelijkenis stelt ons Christus nog eene andere voor. Het zal in het rijk der hemelen gaan, even als met een voornaam man, die naar een ver afgelegen land wilde reizen. Voor zijn vertrek riep hij al zijne knechten, en gaf hun zijne bezitting over. Den eenen gaf hij vijf talenten, eenen anderen twee, eenen derden een, elk naar zijne bekwaamheid; daarbij zeide hij hun: doet er voordeel mede, tot dat ik zal terug keeren en begaf zich aanstonds op reis. Langen tijd daarna kwam de heer terug, en hield rekening met hen. Hij die vijf talenten ontvangen had, kwam en bragt hem vijf andere talenten, die hij gewonnen had. Zijn heer gaf hem ten antwoord: zeer wel, goede en getrouwe knecht! omdat gij over weinig getrouw zijt geweest, zal ik u over veel stellen; treed binnen in de vreugde des Heeren. Die, welke er twee ontvangen had, bragt er ook nog twee andere bij, en werd van gelijken door zijnen Heer onthaald; maar hij die één talent ontvangen had; kwam en zeide: Heer! ik wist dat gij een gestreng man zijt; dat gij wilt maaijen, waar gij niet gezaaid hebt, en plukken, waar gij niet geplant hebt. Dewijl ik dus bevreesd was, ging ik henen, en begroef uw talent in de aarde. Zie, hier hebt gij het uwe weder. Zijn heer, het woord opnemende, zeide hem: gij ondeugende en trage knecht, dewijl gij dit wist, moest gij dus mijn geld bij de wisselaars op renten hebben uitgezet, opdat ik, bij mijne terugkomst, het mijne met winst had kunnen terug ontvangen. Ontneem hem dan het talent, en geef het aan hem, die tien talenten heeft. Want al die heeft, zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben: maar van die niet heeft, zal ook datgene, wat hij schijnt te hebben, ontnomen worden. Werpt; dien onnutten knecht in de uiterste duisternissen, alwaar geween en knarsing der tanden zal zijn.

BEMERKING. Ten 1. Ieder moet getrouw zijn in datgene lo volbrengen, wat God bera oplegt, volgens de talenten die ëe Heer hem vergunt. Die God roept, geeft hij genade, om naar zijnen roep te kunnen leven. 2. Het is vermetelheid het werk van een ander, waartoe men geen talent heeft, te willen

600

-ocr page 609-

van het Nieuwe Testament.

ondernemen. 3. Niemand mag ledig zijn onder den dekmantel van een middelbaar talent, zelf niet al is het zeer klein. 4. Al de vruchten van onzen arbeid moeten wij aan God toeschrijven en aan hem opdragen. 5. En geenen anderen lof noch loon verlangen, dan dengenen, die God geven zal.

LXI. HOOFDDEEL.

Beschrijring Tan het laatste oordeel. Schromelijkheid van dien dag Matth.

25. — Het jaar 33. \'s Woensdags 1 April; op den Olijfberg.

Na deze gelijkenis ging Christus voort met zijne leerlingen en ons allen te onderwijzen, wegens het laatste oordeel. Als de zoon des menschen, zegt hij, in zijne heerlijkheid zal komen, eu al zijne Engelen met hem, dan zal hij zich op den troon zijner Majesteit plaatsen. Al de volkeren der aarde znllen voor hem vergaderd worden, en hij zal hen van elkander scheiden, gelijk een herder de schapen van de bokken scheidt.

BEMERKING. Alsdan zal Christus verschijnen als een God vol majesteit, als een koning op zijnen troon, als een regter op zijnen regterstoel, als een herder in het midden zijner schapen; en daar nu goeden on kwaden onder elkander gemengd zijn, zal op dien dag de schromelijke scheiding voor altijd gebeuren.

De schapen zal hij aan zijne regter-, en de bokken aan zijne linkerhand stellen. Dan zal hij tot degenen die aan de regterhand staan, zeggen ; komt, gezegenden mijns Vaders! bezit het rijk, hetwelk voor u van het begin der wereld bereid is. Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij gespijsd: ik heb dorst gehad, en gij hebt mij gelaafd : ik was vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd : ik was naakt, en gij hebt mij gekleed : ik was ziek, en gij hebt mij bezocht: ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen. Dan zullen de regt-vaardigen hem vragen : Heer! wanneer hebben wij gezien, dat Gij honger hadt, en hebben wij U gespijsd ? Of dat Gij dorst hadt, en hebben wij U gelaafd ? Of wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien, en hebben wij U geherbergd ? Of naakt gezien, en hebben wij U gekleed. Of wanneer hebben wij U ziek, of in de gevangenis gezien, en zijn wij tot U gekomen ? De Koning zal ten antwoord geven : voorwaar, ik zeg u: wat gij ooit aan eenen mijner geringste broeders hebt gedaan, dat hebt gij aan mij gedaan. Welke troost in den dag des oordeels, voor hen die armen, zieken, gevangenen, geholpen en verkwikt hebben.

^Daarop zal zich de Koning tot diegenen wenden, die aan zijne linkerhand staan, en hun zeggen ; vertrekt van mij, gij

601

-ocr page 610-

Geschiedenii

vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is. Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij niet gespijsd. Ik heb dorst gehad, en gij hebt mij niet gelaafd. Ik was vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd. Ik was naakt, en gij hebt mij niet gekleed. Ik was ziek, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet gezocht. Dan zullen zij ook hem vragen, doch te laat: Heer! wanneer hebben wij U hongerig of dorstig, of vreemdeling, of naakt,\' of ziek, of in de gevangenis gezien, en hebben wij nagelaten U dienst te bewijzen ? Maar hij zal tot antwoord geven: voorwaar, ik zeg u, wat gij ooit aan eenen dezer geringsten geweigerd hebt, dat hebt gij aan mij geweigerd. En deze zullen in de eeuwige pijnen, en de regtvaardigen in het eeuwige leven ingaan.

BEMERKING. Hoe schrikwekkend zal dit oordeel zijn\\ Wij zullen er eene strenge rekenschap geven van alle gedachten, woorden en werken, aan eenen regter, die alles weet en onbewegelijk is. Ik zal Jeruzalem, dat is, de regtvaardige zielen zelve, zegt God, onderzoeken met lantaarn en; (Soph. 1. 14.) dat is, met de grootste naauwkeurigheid. Indien dan, zegt de

H. Petrus, de regtvaardige naauwelijks zal zalig worden, wat zal er dan van den goddelooze en van den zondaar gewordea f

I. Petr. 4. 18. Alles zal tegen ons opstaan: ten 1. da goede en de kwade Engelen. 3. De arme menschen. 3. Zij, die ons onderwezen en tot de deugd opgewekt hebben door woorden en goede voorbeelden. 4. Degenen die wij verergerd hebben.

5. Zij, die zoo vele genaden niet ontvangen hebben als wij

6. Ongeloovigen. 7. Ons eigen geweten. 8. Allen die wij verdrukt hebben. Eindelijk, al de schepselen die de zondaar misbruikt heeft zullen tegen hem opstaan, om de beleediging, hunnen Schepper aangedaan, te wreken, en geheel de wereld zal tegen de dwazen strijden. Sap. 5. 21.

Dan zullen de regtvaardigen (zegt de Wijze man) zich met groote vrijmoedigheid oprigten, tegen degenen die hen henaauwd en de vruchten van hunnen aroeid ontnomen hebben. Op dit gezigt zullen de boozen met eene schrikverwekkende verbaasdheid bevangen worden over het onverwacht geluk der regtvaardigen. Berouw hebbende, zullen zij in de benaamodheid Jinns harten zuchten, en zeggen, die zijn het, met wélke wij eertijds lachten, en die w j openbaar hij alle menschen tot spot stelden. Wij, dwazen, zagen hun leven voor dwaasheid aan, en hun eindt voor eerloos. Ziet, hoe zij nu onder Gods kinderen gerekeni worden, en hun deel bekomen hebben onder de Heiligen. Wal heiben wij nu door onze trotschheid gewonnen ? Of wat heeft ons het pogchen op onze rijkdommen gebaat ? Al die domen

-ocr page 611-

van het Nieuwe Testament.

zijn voorbijgegaan als eene schaduw en als een voortloopend gerucht. Sap, 5. 1. en volg.

LXII. HOOFDDEEL.

Bereiding van het paaschlam. Jesua wascht de voeten zijner Apostelen. Instelling van het allerheiligste Sakrament des Altaars. Jesus wijst den verrader aan. Twist onder de leerlingen. De Heiland voorzegt den val van Petrus. M.itth. 26. Mare. 14. Luo. 22. Joann. 13. Het jaar 33, Donderdags 2 April.

Nadat Christus des woensdags al deze lessen en vermaningen op den Olijfberg, alwaar liij \'snaclits met zijne leerlingen verbleef, geëindigd had, zond hij \'sanderendaags Petrus en Joannes vooraf naar Jeruzalem, en zeide hun: gaat heen, maakt alles gereed, om het paaschlam te eten. Zij vroegen hem, in welk huis zij dit moesten bereiden? Zoohaast als gij in de stad zult komen, zeide Jesus, zult gij een\' man ontmoeten, die eene aarden kruik met water draagt; volgt dezen in het huis, waar hij ingaat, en zegt aan den heer des huizes: de Meester laat u vragen, waar de eetzaal is, daar hij het paaschlam met zijne leerlingen eten moet? Dan zal hij u eene groote eetzaal aanwijzen; maakt daar den maaltijd bereid. lie twee leerlingen gingen heen, bevonden alles gelijk Jesus hun gezegd had, en bereidden het paaschlam.

BEMERKING. Dusdanig moet liet hart zijn, in hetwelk Christus het paaschmnal door de heilige Communie houdt: verheven boven de aardsche zaken, verbreid door de liefde, versierd door allerlei deugden.

Tegen den avond kwam Jesus in de verlichte zaal, en zette zich met de twaalf Apostelen aan tafel. Hij zeide hun vol weemoed en vriendelijkheid : ik heb vurig verlangd om dit paaschlam met u te eten, eer ik ga lijden. Want ik zeg het U: ik zal het voortaan niet meer eten, tot dat alles in het rijk Gods zal vervuld zijn. Nu nam hij den kelk vol wijn, bad dankend, en zeide: neemt denzelven, en laat hem onder u rondgaan (1); want ik zeg u, dat ik van het gewas des wijngaards niet meer drinken zal, tot dat het rijk Gods zal gekomen zijn.

Jesus, die zijn einde zag naderen, wilde voor dezen laat-sten maaltijd aan zijne leerlingen een treffend bewijs dier innige liefde geven, welke hij steeds jegens hen gekoesterd had. Na het maal stond Jesus van tafel op, legde zijn overkleed af, deed een\' linnen doek voor, goot water in een bekken, begon de voeten van de leerlingen te wasschen, en droogde die vervolgens met den linnen doek af. Petrus weerstond in

1) Het was de gewoonte in de gastmalen, voorna-nelijk in het paasehmaal, dat de huisvader vooraf dronk uit den beker, en hem voort in het rond liet gaan aan alle genoodigden. Doch dit was nog du geconsacreerde beker niet, van welken hierna moet gesproken worJeu, maar het was enkel wijn.

603

-ocr page 612-

C04 Geschiedenis

liet eerst, en zeide met eerbied: Heer! in eeuwigheid zult Gij mijne voeten niet wasschen. Doch Jesus sprak: zoo gij u door mij niet laat wasschen, zult gij geen deel met mij hebben. Nu, antwoordde Petrus, wasch mij dan niet alleen de voeten, maar ook de handen en het hoofd.

BEMERKING. Welk een voorbeeld geeft ons deze voet-wassching niet! Voorbeeld van zuivering, ootmoedigheid en liefde, welke deugdoefeningen de heilige Communie noodza-lijk vooraf moeten gaan.

Nadat hij hunne voeten gewasschen had, ging hij weder aan tafel zitten, en zeide tot hen; weet gij wel wat ik u gedaan heb ? Gij noemt mij Meester en Heer, en dat met ragt; want ik ben het. Heb ik u dan, die uw Heer en Meester ben, de voeten gewasschen, zoo moet gij ook elkander de voeten wassch. Want ik heb u een voorbeeld gegeven, ten einde ook gij doet wat ik u gedaan hrb.

Jesus nam nu het brood, dankte God, zegende het, brak hetzelve, en gaf het zijnen leerlingen, zeggende; neemt en eet, dit is mijn ligohaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dit tot mijner gedachtenis. Op gelijke wijze nam hij ook den kelk, dankte God, en reikte hun dien toe, zeggende: drinkt allen hier uit; want dit is mijn bloed, het bloed van het ■ nieuwe Testament, hetwelk voor u en voor velen zal vergoten worden, tot vergeving der zonden: doet dit ter mijner gedachtenis.

BEMEEKING. De geloovigen weten, wat groot Sakrament en wat goddelijke gaven Christus ons hier door deze eenvoudige woorden geschonken heeft; ook zijn hier geene mensche-lijke redenen, maar wel harten noodig, om met liefde, aanbidding en dankbetuiging die verhevene geheimenissen van ons geloof te beseffen.

Christus had te voren verscheidene malen bedektelijk gezegd, dat een zijner leerlingen hem verraden zoude; maar nu gansch ontsteld zijnde, zeide hij openlijk, dat de hand van diengenen, welke hem verraden zoude, met hem aan tafel was, en hij gaf Joannes te kennen, dat het diegene zou zijn, wien hij een ingedoopt stukje brood geven zou. En hij gaf het brood aan Judas. Deze nam het aan, en dadelijk voer de duivel in hem. Hij stond op, en verliet plotseling de zaal, om zijnen aanslag te voltrekken. Middelerwijl was het reeds nacht geworden. Nadat hij vertrokken was, zeide Jesus; nu is de Zoon des menschen verheerlijkt en God door hem.

-ocr page 613-

van het Nieuwe Testament,

Kort daarna (zoo groot was de zwakheid der leerlingen) ontstond er een geschil onder hen, wie van hen de grootste zoude zijn. Maar Jesus zeide hun : de heidensche vorsten spelen den meester over hun volk, maar aldus mag het onder u niet gaan. Die de grootste onder u is, worde de minste, en de overste als iemand die dient (Deswege stelde hij hun zijn eigen voorbeeld voor oogen, zijnde in het midden hunner als een dienaar.)

Hij zeide hun verder: kindertjes nog een weinig tijds ben ik bij u. Gij zult mij zoeken; maar gelijk ik aan de Joden gezegd heb, dat zij daar, waar ik henen ging niet konden komen, zoo zeg ik nu ook aan u. Ik geef u daarom een nieuw gebod : bemint elkander, gelijk ik u heb lief gehad. Als gij elkander bemint, zal iedereen weten, dat gij mijne leerlingen zijt.

Jesus had te voren tot Petrus gezegd: Simon, Simon 1 zie, de booze vijand heeft verzocht om u allen als tarwe te mogeu ziften, maar ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet bezwijke. En gij, als wanneer gij bekeerd zult zijn, versterk dan uwe broeders. Nu vroeg Petrus : Heer! waar gaat gij henen ? Jesus antwoordde: daar, waar ik henen ga, kunt gij mij niet volgen; gij zult mij naderhand volgen. Petrus hervatte: waarom kan ik u niet volgen ? Zelfs mijn leven zal ik voor u ten beste geven. Ik ben bereid met u in den kerker en tot den dood te gaan! Jesus hernam: gij zoudt uw leven voor mij ten beste geven ? Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, nog heden, in dezen nacht, eer dat de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal hebben verloochend.

BEMERKING. Hoe veel beter kende Christus het hart van Petrus, dan deze zich zeiven I en hoe duur heeft aan Simon zijn verwaand en ijdel pogchen gekost! Hoe veel beter is het, zijne zwakheid ootmoedig te belijden, en zich buiten het gevaar te houden, als men zich slechts gedreven voelt door menschelijke pogingen van eene verwaande kloekmoedigheid. Maar de hoovaardige gelooft zijne zwakheid niet, dan door ongelukkige beproevingen, en het is hem somtijds nuttig door den val beschaamd gemaakt te worden, als hij daardoor ootmoediger wordt.

Hierna deed Christus die lange en treffende leerrede, genaamd de leerrede na het Avondmaal, welke wij hier, als zijn Testament, geheel zonder eenige bemerkingen zullen aanhalen, omdat zij van liefde overvloeit, en niets anders noodig heeft, dan een opregt christen hart, om verstaan en omhelsd te worden.

605

-ocr page 614-

Geschiedenis

LXm. HOOFDDEEL.

DE LEERREDE VAK CHRISTUS NA HET AVONDMAAL,

Jeaus gaat eene plaats voor de zijnen bereiden. Hij is de weg, de waai*

heid en het leven. Men verkrijgt alles in zijnen naam. Hij belooft den heiligen Geest. Hij troost zijne Apostelen. Kenteekens dat men hem bemint. De heilige Geest zal alles leeren. De ware vrede. Joann. 14. — Het jaar 38, Donderdags 2 April,

in de eetzaal te Jeruzalem, \'a avonds omtrent 9 ure.

Uw gemoed worde niet ontsteld, sprak Jesus liefderijk. Gelijk gij in God gelooft, geloof ook alzoo in mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen. Ware het anders, dan zoude ik liet u gezegd hebben : want ik ga heen, om u eene plaats te bereiden; en nadat ik zal vertrokken zijn, en u eene plaats zal bereid hebben, zal ik wederkomen en u tot mij nemen, opdat gij ook moogt wezen waar ik ben. Gij weet immers waar ik henen ga, en den weg die er heen geleidt. Thomas zeide : Heer ! wij weten niet eens waar Gij henen gaat, en hoe zouden wij dan den weg weten ? Jesus sprak : ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader, dan door mij. Indien gij mij wel gekend hadt, dan zoudt gij mijnen Vader ook wel gekend hebben ; doch gij zult hem weldra kennen, en gij hebt hem van nu af al gezien. Philippus zeide: Heer! toon ans dea Vader, dan is het genoeg. Jesus antwoordde : ik ben zoo langen tijd met u geweest, en hebt gij mij nog niet gekend ? Philippus, die mij ziet, die ziet ook den Vader. Hoe zegt gij dan : toon ons den Vader 1 En gelooft gij niet, dat ik in den Vadsr ben, en de Vader in mij is ? De woorden die ik tot u spreek, spreek ik niet uit mij zeiven, maar de Vader; die in mij verblijft, verrigt de werken die ik doe. Gelooft gij niet, dat ik in den Vader ben, en dat de Vader in mij is ? Gelooft het ten minste om mijne werken. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; die in mij gelooft zal de werken die ik doe, ook doen, en zelfs nog grootere (1), want ik ga tot den Vader. En al wat gij den Vader in mijnen naam verzoeken zult, zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. Indien gij mij ook iets in mijnen naam verzoekt, zal ik het ook doen.

Indien gij mij lief hebt, onderhoudt dan mijne geboden. Ik zal den Vader bidden, en hij zal u eenen anderen Trooster verleenen, opdat hij voor altijd met u blijve; namelijk den Geest der waarheid, dieu de wereld niet ontvangen kan, omdat zij hem niet ziet, noch kent: maar gij zult hem kennen, want hij zal bij u blijven, en in u zijn. Ik zal u niet als weezen

(Ij Dit is volbragt, als, na de nederdaling van den heiligen Geest, de schaduw alleen van Petrus de zieken geiias, hetwelk wij van Christus niet lezen. Doch dit geschiedde door de kraclït^ di© de Apostelen van Christus ontvingen.

606

-ocr page 615-

van het Nieuwe Testament, 607

laten: ik zal fot u wederkomen. Nog een weinig tijds, en de wereld zal mij niet meer zien: maar gij zult mij nog zien; want gelijk ik leef, zoo zult gij ook leven. Ia dien dag dan zult gij weten, dat ik in den Vader ben, en gij in mij, en ik in u. Wie mijne geboden heeft, en dezelve onderhoudt, die is het die mij bemint. Wie mij bemint, die zal ook van mijnen Vader bemind worden: en ik zal hem beminnen, en mij aan hem kenbaar maken. Judas, niet de Iscarioter, vroeg nu; Heer! waarom zult Gij U meer aan ons, dan aan de wereld kenbaar maken? Jesus antwoordde hem: al wie mij bemint, zal mijne woorden onderhouden; en mijn Vader zal hem beminnen, en wij zullen tot hem komen, en bij hem onze woonplaats nemen. Die mij niet bemint, onderhoudt mijne woorden niet. Ook de woorden die gij gehoord hebt, zijn niet de mijne, maar de woorden van den Vader, die mij gezonden heeft.

Deze dingen heb ik u gezegd, als ik bij u bleef; maar de Trooster, de heilige Geest, dien de Vader in mijnen naam zal zenden, zal u alles leeren en ingeven wat ik gezegd heb. Ik laat u den vrede, ik geef u mijnen vrede. Ik geef u geenen vrede, gelijk de wereld geeft. Dat uw gemoed dan niet ontsteld, noch bevreesd zij. Gij hebt gehoord dat ik u gezegd heb: Ik ga wel henen, maar ik kom weder tot u. Indien gij mij lief hadt, zoudt gij u verblijden, omdat ik tot den Vader ga: want de Vader is meer dan ik. (1). Ik zeg het u, eer zulks geschiedt, teneinde, nadat het geschied zal zijn, gij gelooven moogt. Ik zal voortaan met u niet veel meer spreken: want de vorst dezer wereld gaat komen; in mij echter heeft hij niets wat hem toebehoort. Maar omdat de wereld kennen zoude, dat ik mijnen Vader bemin, en dat ik doe wat hij mij belast heeft, zoo staat op, en laat ons van hier gaan. Jesus stond op, en nadat zij, volgens gewoonte, de dankpsalmen gezongen hadden, ging hij naar den Olijfberg, en zijne leerlingen volgden hem.

LXIV. HOOFDDEEL.

VERVOLG VAN DE LEERREDE NA HET AVONDMAAL.

Christus is de wijngaard, zijne leerlingen zijn do ranken. Volharden in de liefde. Troost in de vervolging. Bestendigheid van de leer des Zaligmakers. Getuigenis van dea heiligen Geest. Joan. 15. — Op den weg naar het hofje.

Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de wijngaardenier. Elke rank die in mij geene vruchten voortbrengt, zal hij afsnijden, en die vruchten draagt, zal hij aankweeken, opdat zij nog meerdere vruchten voortbrenge. Gij zijt gezuiverd, door de woorden die ik gesproken heb. Blijft in mij, (1 Meerder dan ik, voor zoo veel aU ik Menscb ben.

-ocr page 616-

Oeschiedenis

en ik in u. Even als de rank geene vruchten uit zich zelve kan voortbrengen, zoo zij niet aan den wijnstok blijft, zoo kunt gij ook geene vruchten voortbrengen, zoo gij niet in mij blijft. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Die in mij blijft, en ik in hem, draagt vele vruchten: want zonder mij vermoogt gij niets. Al wie in mij niet blijft, die zal weggeworpen worden gelijk eene rank, en hij zal verdorren; men zal hem oprapen, en in het vuur werpen om te branden. Indien gij in mij blijft, en mijne woorden in u blijven, zoo zult gij verzoeken al wat gij wilt, en het zal u geworden. Hierin wordt mijn Vader verheerlijkt, dat gij vele vruchten draagt, en mijne leerlingen wordt. Gelijk de Vader mij bemint, zoo bemin ik u ook.

Blijft vast in mijne liefde. Indien gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven; even als ook ik de geboden van mijnen Vader onderhoud, en in zijne liefde verblijf. Deze dingen zeg ik u, opdat mijne vreugd in u blijve, en uwe vreugd vervuld worde. Ik zeg u nog eens: dit is mijn gebod: dat gij elkander bemint, gelijk ik u bemind heb. Niemand kan grootere liefde bewijzen, dan dat hij zijn leven voor zijne vrienden ten beste geeft. Gij zult mijne vrienden zijn, indien gij doet wat ik u gebied. Ik zal u geene knechten meer noemen: want de knecht weet niet wat zijn meester doet; maar ik heb u mijne vrienden genoemd, omdat ik al datgene wat ik van mijnen Vader gehoord heb, u kenbaar heb gemaakt. Gij hebt mij niet, maar ik heb u verkoren, en u gesteld, opdat gij vruchten zoudt gaan voortbrengen, en dat uwe vrucht zoude blijven, teneinde de Vader u alles verleene, wat gij van hem in mijnen naam verzoeken zult.

Dit gebied ik u nogmaals, dat gij elkander bemint. Indien de wereld u haat, zoo bedenkt, dat zij mij reeds vroeger dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld geweest waart, zoo zoude de wereld het hare bemind hebben; maar omdat gij van de wereld niet zijt, en ik u uit de wereld verkoren heb, daarom haat u de wereld. Herinnert u de woorden die ik u gezegd heb : de knecht is niet grooter dan zijn heer. Hebben zij mij vervolgd, zoo zullen zij u ook vervolgen; hebben zij mijne woorden bewaard, zoo zullen zij de uwe ook bewaren. Maar dit alles zullen zij u aandoen om mijnen naam, omdat zij dengenen, die mij gezonden heeft, niet kennen. Bijaldien ik niet gekomen ware en tot hen gesproken hadde, zoo zouden zij geene zonde hebben (1); maar nu hebben zij geene verschooning meer van hunne zonde. Wie mij haat, die haat ook mijnen Vader. Had ik onder hen geene werken gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zoo zouden zij geene zonde

(1) Te weten van ongeloovigheid, want zij hadden menigvuldige andere zonden.

608

-ocr page 617-

van liet Nieuwe Testament. 609

Lebben; maar nu hebben zij die gezien, en niettemin mij en mijnen Vader gehaat. Doch dit geschiedt, opdat dit woord, hetwelk in hunne wet geschreven staat, zoude volbragt worden; zij hebben mij zonder reden gehaat. Als de Trooster zal gekomen zijn, die Geest van waarheid, die van den Vader voortkomt, en dien ik u van den Vader zal afzenden, zal hij van mij getuigenis geven, en gij zult er ook getuigenis van geven, omdat gij van het begin af met mij geweest zijt.

LXV. HOOFDDEEL.

VERVOLa VAN DE LEERREDE NA HET AVONDMAAL.

Jesus Tersterkt zijne Apostelen. Hij belooft wederom den heiligen Geest, die de wereld zal overtuigen en aan de Apostelen alles leeren.

Vreugd na droefheid. De Vader verleent alles in den naam van Jesus. De Heer voorzegt opnieuw de verloochening van Petrus, Joan. 16. Matth. 26. Mare. 14.

Op den weg naar het hofje.

Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet zoudt geërgerd worden. Zij zullen u uit hunne Synagogen bannen; ja, de tijd komt aan, dat al wie u om het leven brengt zal meenen aan Grod eene dienst te bewijzen. En dit zullen zij u aandoen, omdat zij noch den Vader, noch mij kennen. Doch ik heb u dit gezegd, opdat, wanneer de tijd zal gekomen zijn, gij u moogt herinneren dat ik het u voorzegd heb. Ik heb het u van het begin niet gezegd, omdat ik bij u was.

Maar nu ga ik tot diengenen die mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt mij: waar gaat gij henen ? Maar omdat ik deze dingen tot u gesproken heb, heeft de droefheid uwe harten vervuld. Echter zeg ik u de waarheid; het is u dienstig dat ik ga; want zoo ik niet heen ging, zou de Trooster tot u niet komen; maar indien ik weg ga, zal ik hem tot u zenden. En als hij gekomen zal zijn, zal hij de wereld overtuigen van de zonde, van de regtvaardigheid en van het oordeel. (1) Van de zonde: omdat zij in mij niet geloofd hebben. Van de regtvaardigheid: omdat ik tot den Vader ga, en gij mij niet meer zien zult. Van het oordeel: omdat de vorst dezer wereld van nu af veroordeeld is. Ik heb u nog al veel te zeggen, maar gij kunt het nu niet dragen. Doch als die Geest dér waarheid zal gekomen zijn, zal hij u alle waarheid leeren: want hij zal niet van zich zeiven, maar van al hetgene hij gehoord heeft, spreken,

1) Van de zonde dergenen, die in Christus niet hebben willen ge-looven, ondanks al zijne mirakelen en de goddelijke teekenen zijner zfending; van de regtvaardigheid en heiligheid van Christus en zijne leeringen; van het oordeel, door hetwelk Satan reeds verwezen is.

89

-ocr page 618-

610 Geschiedenis

en u de tegenwoordige dingen verkondigen. Hij zal mij verheerlijken, want van het mijne zal hij ontvangen, en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft is hot mijne: daarom zeg ik, dat hij van het mijne ontvangen zal en het u verkondigen.

Nog een weinig tijds, en gij zult mij niet meer zien; en wederom een weinig tijds, en gij zult mij zien; want ik ga tot den Vader. — Hierop zeiden eenige zijner leerlingen tot elkander: wat wil hij ons daarmede zeggen? Nog een weinig tijds, en gij zult mij niet meer zien, en wederom een weinig tijds, en gij zult mij zien: waiit ik ga tot den Vader. Zij vroegen dan elkander; wat wil hij daarmede zeggen: een weinig tijds? Wij begrijpen zijn gezegde niet. Daar Jesus merkte dat zij hem wilden vragen, zeide hij hun: gij onderzoekt onder elkander over hetgene ik gezegd heb: nog een weinig tijds, en gij zult mij niet meer zien; en wederom een weinig tijds, en gij zult mij zien. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: gij zult schreijen en weenen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal zich in blijdschap veranderen. Als eene vrouw baart, is zij in droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar als zij haar kind ter wereld gebragt heeft, dan gedenkt zij de smart niet meer, om de blijdschap dat er een mensch tor wereld gekomen is: alzoo zijt gij nu ook wel in droefheid, maar ik zal u nog eens zien, uw hart zal zich verblijden, en niemand zal u uwe blijdschap ontnemen; en in dien tijd zult gij mij niets meer vragen.

\' Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: al wat gij \'van mijnen Vader in mijnen naam verzoeken zult, zal hij u geven. Tot dusverre hebt gij niets in mijnen naam verzocht; verzoekt, en gij zult het verkrijgen, opdat uwe blijdschap volkomen zij. Deze dingen heb ik u in gelijkenis gezegd; de tijd komt nu aan, dat ik met u niet meer in gelijkenis, maar openlijk van den Vader zal spreken. In dien tijd zult gij in mijnen naam verzoeken; doch ik zeg u niet, dat ik den Vader voor u bidden zal; Want de Vader zelf bemint u, omdat gij mij bemind en geloofd hebt, dat ik van God ben uitgegaan. Ja, ik ben van den Vader uitgegaan, en in de wereld gekomen; nu verlaat ik wederom de wereld, en ga tot den Vader. Zijne leerlingen zeiden: zie, Gij spreekt nu openlijk, en zegt geene gelijkenissen meer. Nu zien wij wel, dat gij alles weet, en niet noodig hebt dat U iemand vrage. Daarom gelooven wij dat Gij van God zijt uitgegaan. Jesus gaf hun ten antwoord : gelooft gij het nu? Dezen nacht zult gij allen in mij geërgerd worden. De tijd nadert, en is er reeds, dat gij verstrooid zult worden, en mij alleen zult laten. Want er staat geschreven : (Zach. 13. 7.) Ik zal den herder slaan, en de schapen dei-kudde zullen verstrooid worden. Maar nadat ik zal verrezen

-ocr page 619-

van het Nieuwe Tes\'amcn\', 611

lijn, zal ik u in Galilea voorafgaan. Deze dingen heb ik u gezegd, )pclat gij in mij vrede zoudt liebben. Gij zult veel in de wereld te cerduren bebben; maar betrouwt, ik heb de wereld overwonnen. Petrus zeide nu: al werden allen in u geërgerd, zal ik echter nooit geërgerd worden. Jesus antwoordde hem: ik zeg u, voorwaar, Jat gij heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid ;al hebben, mij driemaal zult verloochenen. Petrus echter, her-ratte; al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u niet ver-oochenen. Hetzelfde zeiden ook al de andere.

LXVI. HOOFDDEEL.

HET GEBED VAN CHRISTUS, Si DE LEERREDE VAX HET AVONDMAAL.

Christus bidt voor de verheerlijking zijns Vaders, voor de zaligheid der Apostelen, en voor hen die in hem zullen gelooven. Joann. 17.

Op den weg naar het hofje.

Nadat Jesus aldus gesproken had, hief hij zijne oogen hemelwaarts en zeide: Vader! het uur is gekomen, 1) verheerlijk nu uwen Zoon, 2) opdat uw Zoon ook U verheerlijke, en allen die Gij hem gegeven hebt, het eeuwige leven geve. Het eeuwige leven 3) beslaat daarin,, dat zij U, den eenigen waren God, kennen, en Jesus Christus, dien Gij gezonden hebt. Ik heb U op de aarde rerheerlijkt; 4) het werk hetwelk Gij mij belast hadt te doen, heb ik voltrokken. Nu ook o Vader! verheerlijk mij met de heerlijkheid die ik bij U had, eer de wereld bestond. 5)

Uwen naam heb ik kenbaar gemaakt aan de menschen, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behooren U toe, jij hebt mij die vergund, en hunne woorden hebben zij onderhouden. Nu kennen zij, dat alles wat Gij mij gegeven bebt, van U voortkomt. Want de leering die Gij mij gege-ren hebt, heb ik hun overgeleverd, en zij hebben die aangenomen, en waarlijk erkend dat ik uit U gesproten ben, en geloofd dat Gij mij gezonden hebt. Het is voor hen dat ik bid: Ik bid voor de wereld niet, maar voor degenen die 3ij mij vergund hebt, want zij behooren U ook toe: en al iet mijne is het uwe, en het uwe is het mijne: en door hen len ik verheerlijkt geworden. Nu ben ik in de wereld niet meer; 6) maar zij zijn nog in de wereld, en ik kom tot U,

1) Van mijn lijden en mijnen dood.

2) Door mijne verrijzenis en hemelvaart.

3) Dat is, het begin en de oorsprong van het eeuwige leven.

4) Door mijne leer en mirakelen.

5) Als voortkomende van u voor alle eeuwigheid.

6) Dat is., ik ga nu zoo van hen henen.

-ocr page 620-

612 GescMedenia

tot IJ. Heilige Vader! bewaar hen in uwen naam, opdat zij eensgezind zijn gelijk wij. (1) Als ik nog met han was, zoo bewaarde ik ben in uwen naam: ja, ik heb diegenen bewaard die Gij mij gegeven hebt: en er is niemand van hen, verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, (2) op dat de Schrift vólbragt worde. Nu kom ik tot U, en deze dingen zeg ik, nog in de wereld zijnde, opdat zij in zich zeiven mijne blijdschap ten volle zouden bezitten. Ik heb hun uwe woorden overgeleverd, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij yan dé wereld niet zijn, evenmin als ik van de wereld ben. Ik bid niet dat Gij hen van de wereld wegnemet, maar dat Gij hen van den booze beveiliget. Zij zijn van de wereld niet, gelijk ik ook niet van de wereld ben. Heilig ben door de waaaheid. Uw woord is de waarheid. Gelijk Gij mij in de wereld gezonden hebt, zoo zend ik hen ook in de wereld. En ik heilig, offer mij zeiven voor hen, (3) opdat zij ook door de waarheid geheiligd mogen worden. (4).

Doch ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor degenen die in mij door hunne leer gelooven zullen, opdat zij allen één mogen wezen, gelijk Gij, Vader, in mij zijt, in ik in U; dat zij ook in ons één mogen wezen, opdat de wereld geloove dat Gij mij gezonden hebt. En de heerlijkheid die Gij mij gegeven hebt, heb ik hun ook gegeven, teneinde zij één mogen wezen, gelijk wij ook één zijn. Ik ben in hen, en Gij in mij, opdat zij volkomenlijk één mogen worden, en dat de wereld kenne dat Gij mij gezonden hebt. Vader mijn verlangen is, dat diegenen welke Gij mij gegeven hebt, ook met U dear zijn mo\' gen, waar ik ben, opdat zij mijne verheerlijking, die Gij mij gegeven hebt, aanschouwen mogen: want Gij hebt mij bemind, eer de wereld geschapen was. Kegtvaardige Vader! de wereld heeft U niet gekend; maar ik heb U gekend: en deze hebben erkend: dat Gij mij gezonden hebt, en ik heb hun uwen naam kenbaar gemaakt, en ik zal denzelven nog kenbaar maken, opdat de liefde, met welke Gij mij bemind hebt, in hei moge zijn, en ik in hen.

GEBED. Heilige Vader 1 de wereld kent U niet, dewij zij, ontbloot van uwe liefde, vijand van de heiligheid is. Sohei( ons meer en meer, bidden wij, van die booze en vervloekt( wereld, ons, die gij van in eeuwigheid bemind hebt in uwei

1) Eén door liefde, gelijk wij één zijn van wezen.

2) Judas.

3) Dat is, ik draag mij voor hen op tot een heilig Slagtoffer.

4) Dat is, door eene ware heiligheid; niet geliji die de wet gaf ■welke slechts eene schaduw van de ware heiligheid was.

Hl

Z1J tri te: in na all hi; is mi aa lai wi en

sic bi wi m

W( 11

W(

de

or

W(

ali he hi hi ru Zc Wi

-ocr page 621-

van het Nieuwe Testament. 613

Zoon, en voor welke uw Zoon zoo krachtig gebeden heeft. Doe ons de vruchten van dit goddelijk gebed overvloedig genieten; doe ons één zijn met U en met elkander, zoo als uw Zoon één met U is, dat is, door eene heilige, vaste, innige en onverbrekelijke liefde, en leid ons eindelijk, door de liefde, tot het bezit van u zeiven in eeuwigheid. Amen.

LXV1I. HOOFDDEEL.

HET SMARTVOL LIJDEN TAN ONZEN HEER JESUS CHRISTUS.

Jesus bidt in het hofje. Hij leert ons bidden, en ons geheel aan God onderwerpen. Matth. 27. Mare. 14. Luc. 22. Joan.

8. — Het jaar 33, Donderdags \'a nachts.

Na het storten dezer goddelijke bede, kwam Jesus met zijne leerlingen aan een landgoed, Gethsemani geheeten. Hij trad met hen den tuin binnen, en zeide : zet u hier neder, terwijl ik ginds henen ga, en bid. Bidt ook, opdat gij niet in bekoring vallet. Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, nam hij verder met zich in den tuin. Toen hij zich met deze alleen bevond, werd hij door angst en vrees bevangen, zoodat hij begon te sidderen en te beven. Ach ! zeide hij, mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier, waakt en bidt met mij. Hij ging eenen steenworp verder, viel weder op zijn aangezigt, en bad luide: o mijn Vader ! is het mogelijk, zoo laat dezen kelk van mij weggaan ; doch niet mijn, maar uw wil geschiede. Hierna stond hij op, ging tot zijne leerlingen, en vond hen alle drie slapen. Eu hij zeide tot Petrus: hoe, slaapt gij ? Kunt gij niet één uur met mij waken. Waakt en bidt, opdat gij in geene kekoring vallet. De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. Hij ging nu voor de tweede maal heen, en bad : mijn Vader! kan deze kelk van mij niet weggaan, tenzij dat ik hem drinke, zoo geschiede uw wil. Hierop .keerde hij terug naar zijne leerlingen, en\'vond hen weder in een\' diepen slaap, want hunne oogen waren (door den vaak) zeer bezwaard. Hij verliet hen dan weder, en ging op nieuw voor de derdemaal zijn gebed met nog vuriger woorden storten. Hij geraakte in doodsangst, zijn zweet werd als druppelen bloed, welke op den grond vielen. Toen verscheen hem een Engel van den hemel, die hem versterkte. quot;Wanneer hij van zijn gebed opstond, en tot zijne leerlingen kwam, vond hij hen nog slapen. En hij zeide hun : slaapt nu vrij en gerust, zoo dit u mogelijk is ! Ziet, de tijd is gekomen, dat de Zoon des menschen in de handen der zondaars geleverd zal worden. Staat op, en laat oas gaan : mijn verrader is nabij [

-ocr page 622-

614 , Geschiedenis

BEMERKINGK Jesus leert ons, hoe wij moeten bidden Ten 1. Men moet de eenzaamheid zoeken, en zich van de menschen, zoo veel mogelijk, afscheiden om met God alleen te spreken. 3. Met een vernederd en ootmoedig hart. 3. Men moet zijnen nood met betrouwen den Heere te kennen geven 4. Weinig in het bidden spreken. 5. Zich geheel aan den god delijken wil onderwerpen. 6. Volharden in het gebed. 7. Vurigei bidden, wanneer het lijden of de bekoring grooter wordt.

De H. Bernardus (Serm. in Festo S. Andre, n. 5.,.) den Zaligmaker in hot hofje overwegende, zegt: nu zal ik nooit meer den moed opgeven, schoon mij het lijden moeijelijk et pijnlijk valt, en dat ik wenschte, dat de kelk van lijden voorhij zoude gaan, indien ik maar met Jesus daarbij kan voegen Vader ! kan die kelk van mij niet gaan, dat dan uw wil, en niet de mijne geschiede.

Het hoofd roept, en bidt hier voor zijne lidmaten, zegt de H. Augustinus. (Serm. 105. in Psalm. 40. n. 6 et in Psalm 42, n. 7.) Hij, die gekomen was om te sterven, vreesde niet te sterven; maar wij, die zijne lidmaten zijn, spreken hier in ons hoofd. Dit voorbeeld van Jesus is tot troost van degenen, die wel van lijden wenschen ontslagen te zijn, maar dia zich echtei geheel aan den regtvaardigen wil van God onderwerpen.

LXVIII. HOOFDDEEL.

. De aannadering en de verraderlijke kus van Judas. De Joden worden tel aarde geworpen. Jesus worde gevangen. Bemerkingen. Matth. 26. Mare.

14. Luc. 22. Joann. 18. — Het jaar 33, Donderdags \'c nachts.

Terwijl de Zaligmaker nog sprak, trad Judas den- tuin binnen. Eene groote menigte soldaten en bedienden des hooge\' priesters, met lantaarnen en fakkels, met zwaarden en spiezen, volgden hem. Judas had hun een teeken gegeven ; diegene, welken ik kussen zal, is het; grijpt dezen, en voert hem behoedzaam weg. Hij ging dan vooruit, en zoodra hij bij Jesus gekomen was, zeide hij hem: wees gegroet Meester en hij kuste hem. Jesus vroeg hem liefderijk : vriend, waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des menschen mei eenen kus! Edoch, daar de Heiland wist, al wat hem zou overkomen, ging hij de mannen te gemoet, en vroeg hun wien zoekt gij ? Zij antwoordden: Jesus van Nazareth. Toe n zeide hij ; ik ben het. Op het hooren dezer woorden deinsden zij terug, en vielen, als door den bliksem getroffen, tei aarde. Jesus vroeg hun nogmaals, toen zij van den schrik wat bekomen waren : wien zoekt gij ? Zij gaven weder ten antwoord Jesus van Nazareth. Indien gij mij dan zoekt, zeide Jesus verder, laat deze dan gaan. Dus werd het woord volbragt, hetwelk hij gezegd had: niemand van die gij mij vergund

-ocr page 623-

mn het Nieuwe Testament. 615

hebt, heb ik laten verloren gaan. (Joan, 17. v. 83.) — Nu sloegen zij de handen aan Jesus. De leerlingen zagen dit en vroegen: Heer! willen wij er met het zwaard op inslaan ? Doch Petrus trok, zonder aarzelen, zijn zwaard en hieuw den knecht des hoogepriesters, met name Malclius, het regteroor af. Maar Jesus zeide tot Petrus: steek uw zwaard in de scheede, want die het zwaard tegen anderen trekt, zal door het zwaard vergaan. Zal ik den kelk niet drinken, dien mij de Vader gegeven heeft? Of meent gij, dat ik mijnen Vader nu nog niet bidden kan, die mij terstond twaalf legioenen Engelen, en nog meer zal toezenden ? Hoe zou dan de Schrift v.olbragt worden, die zegt, dat het aldus geschieden moet? Voorts raakte Jesus het oor van Malchus aan, en hetzelve was oogenblikkelijk genezen.

Ten zelfden tijde sprak Jesus, tot degene\'n die gekomen waren om hem te vangen : gij komt als tot eenen moordenaar, met zwaarden, spiezen en stokken. Ik zat dagelijks onder u in den tempel, en leerde daar openlijk, en daar hebt gij nooit uwe hand tegen mij uitgestoken. Maar dit is uw uur, en de magt der duisternissen. Dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden volbragt worden. Daarna stak hij zijne handen vrijwillig uit en liet zich binden. Toen hij gebonden weggeleid werd, verlieten hem zijne leerlingen, en namen de vlugt. Doch een jongeling, die eenen zweetdoek over zijn lig-chaam had geworpen, kwam hen gevolgd; dezen grepen zij aan. Echter wierp hij den zweetdoek weg, en liep heen.

BEMERKING. Ten 1. do Joden kenden Jesus niet, al h;d Judas hun een teeken gegeven. Alle voorhoeding van den mensch is te vergeefs, als het God belet. Ten 2. Zij vielen terstond, achterover op het antwoord van Jesus: ik hen het. Had zijn woord zulke kracht, als hij kwam om geoordeeld te worden, zegt de H. Augustinus (In Joann. 18. v. 6.), wat zal het dan zijn, wanneer hij zal komen oordeelen, en zeggen : ïk hen het, wiens geboden gij overtreden, wiens deugden en voorbeelden gij verac\'t, en wiens bloed gij onder de voeten getreden hebt! Ten 3. Niemand van zijne leerlingen werd aangesproken, omdat hij gezegd . had ; laat deze gaan; hij is niet bezorgd voor zijn eigen leven, maar hij zorgt voor het leven zijner leerlingen, en toont, dat hij de Heer, en Meester is, die gebiedt, en hun doet verrigten wat hem belieft, in zijne boeijen. Ten 4. Hij geneest liefderijk het oor van Malchus, en laat dus geen kwaad toe, dan om er goed uit te trekken, en leert ons dus goed voor kwaad geven. Ten 5. De jongeling, die vlngtende zijnen zweetdoek in den brand moest laten, toont genoeg, wat zij met de leerlingen zouden gedaan hebben, indien Christus door zijn gebod hun de handen niet had gebonden.

-ocr page 624-

616

Geschiedenis LXIX. HOOFDDEEL,

Jesus Toor Caïphas, en den hoogen raad ; hij werd onderrraagd, T«r-wezen en bespot. Leering. Matth. 26, Mare. 11. Luo. 22. Joafl. 18 — Het jaar 33. \'s Vrijdags \'s nachts, omtrent een uur.

Gebonden en als een misdadiger leidde men Jesus eerst tot Annas, den schoonvader van Caïphas. Het was dezelfde Caïphas, die, dit jaar hoogepriester zijnde, tot de Joden gezegd had, dat het beter was, dat er één mensch zoude sterven voor het volk, dan dat de geheele natie te niet zoude gaan, zonder dat hij wist, dat de heilige Geest aldus door zijnen mond verklaarde, dat Christus niet om eenige misdaad, maar tot behoudenis van zijn volk zoude sterven. Het heilig Evangelie vermeldt ons niet, wat er in het huis van Annas geschied is; mogelijk was het maar in het voorbijgaan, en om Annas eenige eer en vermaak aan te doen, dat zij Jesus tot hem bragten, Annas zond dan Jesus aldus gebonden naar het huis van Caïphas, alwaar al de opperpriesters, de schriftgeleerden en de ouderlingen vergaderd waren.

Simon Petrus, daarentusschen, met nog eenen anderen leerling, volgde Jesus van verre, tot aan de zaal van den hoogepriester. Deze leerling, die bij den hoogepriester bekend wasj ging met Jesus tot in de zaal. Maar Petrus bleef buiten aan de deur staan. De andere leerling sprak nu met de deurbewaarster, en liet Petrus binnen, alwaar hij onder de dienaars zat, om het einde te zien. Nadat zij in het midden der zaal vuur ontstoken hadden, en zamen rondom hetzelve zaten, ging iPetrus ook onder hen zitten om zich te warmen.

De hoogepriester ondervroeg Jesus (1) wegens zijne leerlingen en zijne leer. Jesus antwoordde hem: ik heb openlijk gesproken voor al de wereld; ik heb altijd in de Synagoge en in den tempel geleerd, waar al de Joden bijeenkomen, en niets heb ik in het verborgen gezegd. Wat ondervraagt gij mij ? Ondervraag degenen die mij gehoord hebben, wat ik hun gezegd heb. Toen hij dit zeide, gaf hem een der dienaaja eenen geweldigen kaakslag, en zeide: zult gij aldus den hop,-gepriester antwoorden ? Jesus zag dien booswicht aan, en zeidó.: heb ik kwalijk gesproken, zoo bewijs het, maar heb ik wel gesproken, waarom slaat gij mij dan?

BEMERKING. Hoe moeijelijk is het f» voldoen aan degenen, die ons haten! De Farizeërs hadden te voren gezegd (Joann. 8-): gij geeft getuigenis van u zeiven, uwe getuigenis gaat niet vast. Hier verzoekt Jesus, dat zij van anderen zouden , getuigenis vragen, wegens hetgene hij geleerd heeft, en om 1) Des nachts omtrent 2 ure.

-ocr page 625-

van het Nieuwe Testament,

dit antwoord krijgt hij dien wreeden kaakslag. Doch Christus, ronder over zoo grooten smaad wraak te nemen, vraagt met de grootste zachtmoedigheid: heb ik kwalijk gesproken, zoo bewijs het; maar heb ik wel gesproken, waarom slaat gij mij dan? Het is veel meer, in dusdanig voorval zachtzinnig te spreken, dan de andere wang te bieden, na den eersten kaakslag, gelijk Jesus te voren geleerd had. Dus zegt ons Christus alhier nog meer door zijne werken, dan hij te voren door zijne woorden gedaan had: leert van mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben. (Matth. 11. v. 29.)

De opperpriesters en de geheele raad zochten eenige valsche getuigenis tegen Jesus, om hem ter dood te brengen. (1) Maar zij vonden er niet eene die toereikend was, om zulks met eenigen schijn van regt te doen, alhoewel vele valsche getuigen optraden. Ten laatste stonden er twee getuigen op, en zeiden: wij hebben hem hooren zeggen: ik kan den tempel Gods omver halen, en denzelven binnen drie dagen weder opbouwen. Maar deze hunne getuigenis zelve was niet genoegzaam. Nu stond de hooge-priester op in het midden van den raad, en zeide tot Jesus: antwoordt gij niets op hetgene deze tegen u getuigen?

Des morgens vroeg (3), wanneer nu de geheele raad vergaderd was, werd Christus voor de opperpriesters, de ouderlingen en schriftgeleerden gebragt, die hem vroegen: zijt gij de Christus, zoo zeg het ons? Hij gaf ten antwoord: bijaldien ik het u zeg, zult gij mij niet gelooven; en bijaldien ik u ook eene vraag voorstel, zult gij mij niet antwoorden, noch laten gaan. Nogtans zal weldra de Zoon des menschen aan de regterhand van den almagtigen God zitten. Nu vroegen allen: zoo zijt gij dan de Zoon Gods? En de hoogepriester het wooord opvattende, zeide: ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zult zeggen, of gij de Christus, de Zoon Gods zijt ? Jesus gaf hem tot antwoord: Ik ben het. Voorwaar, ik zeg u, eens zult gij den Zoon des menschen aan de regterhand van den almagtigen God zien zitten, en ook zult gij hem eens zien komen op de wolken des hemels. Nu scheurde de hoogepriester zijne kleederen, en riep: hij heeft God gelasterd! wat hebben wij nog getuigen noodig! Wat dunkt u? Zij riepen allen: hij is den dood schuldig! Toen deden zij hem alle mogelijke bespotting aan. Eenigen spuwden hem in het aan-gezigt en gaven hem kaakslagen, anderen blinddoekten hem, sloegen hem, en zeiden: profeteer, wie u geslagen heeft! en nog meer andere grieven deden zij hem aan.

(1) Des morgens na 3 ure.

(2) Des morgens omtrent 4 ure.

617

-ocr page 626-

Geschiedenis

BEMERKING. 1. Christus zwijgt hier in het eerst uit wijsheid en voorzichtigheid, om te toonen, dat ongegronde en versierde beschuldigingen allerbest wederlegd worden met te zwijgen en met ze te versmaden. 3. Maar hij zwijgt ook, om ons een voorbeeld van zachtmoedigheid, geduld en ootmoedigheid te geven. Niets valt er ons harder, dan te zwijgen als men kwalijk van ons spreekt; maar menigmaal is er niets zoo noodig om den inwendigen vrede te bewaren; om met betrouwen te kunnen bidden; om de vijanden onzer zaligheid te beschamen; om het onvermoeijelijk geduld van God, die zonder ophouden zwijgend van de zondaars getergd wordt, na te volgen; eindelijk, om den tijd af te wachten, op welken God wil, dat wij zouden spreken. 3. Christus spreekt dan eindelijk, uit eerbied voor God, zijnen Vader, in wiens naam hij bezworen werd door den hoogepriester, om getuigenis van zijne zending te geven, ora die booswichten te verwijzen en hun de straffen te voorzeggen, die hun over het hoofd hingen. Ten laatste, om ons te leeren, dat men ook menigwerf gehouden is getuigenis van de waarheid te geven, ook met gevaar van bloed en leven, en om ons do genade van dusdanige belijdenis te verdienen, 4. Gelijk Christus hier bespot en mishandeld wordt van de Joden, wordt hij nog dagelijks bespot in zijne heilige geheimenissen in het heilige Sakrament. Maar wee degenen, die hem beschimpen ! Hij ziet alles, al schijnen zijas oogen verbonden, en is oneindig magtig om hen te straffen. Het Joodsche volk is naderhand behandeld van de Heidenen, zoo als zij hier handelen met hunnen Messias, tot eene straf van deze gruwelijke misdaad.

LXX. HOOFDDEEL,

De val en de bekeering van Petras. Oorzaak van zijnen val. Mattb.

26. Mare. 14. Lue. 22. Joann. 18. — Het jaar 33. Des Vrijdags \'s nachts, tusschen 2 en 3 ure.

Terwijl Jesus in het paleis des hoogepriesters verhoord werd, had er in het voorhof een ander belangrijk voorval plaats. Petrus zat, zoo als reeds gezegd is, zich bij het vuur te warmen. Hier naderde hem de deurbewaavster, en zeide, terwijl zij hem aandachtig bezag: deze was ook met Jesus. Maar Petrus loochende het, zeggende: vrouw, ik ken hem niet. Ik weet niet wat gij zeggen wilt. Hierop ging hij naar het voorhof, en de haan kraaide. Bij hel uitgaan zag hem eene andere dienstmeid, die tot de omstaanders zeide: deze was ook met Jesus van Nazareth. Een andere zag hem korts daarna, en sprak: gij zijt ook van dat volk. Pjtrus, die nu teruggekomen was, stond zich weder bij het

618

-ocr page 627-

vm het Nieuwe Testament.

vuur te warmen. Die naast Lom aan het vuur stonden, vroegen liem : zijt gij ook niet van zijne leerlingen ? Hij loochende het, en zeide: ik ken deu man niet, en bevestigde zulks met eenen eed.

Een uur daarna kwam er een andere knecht, een nabestaande van dien Malchus, aan wie Patrus het oor had afgehouwen, en zeide tot Petrus ; heb ik u niet met Jesus in den hof gezien? En de bijkomenden zeiden: zekerlijk, gij zijt ook van dat volk, want uwe spraak maakt genoeg bekend, dat gij een Galileër zijt. Maar Petrus loochende het weder: o mensch! sprak hij, ik weet niet wat gij zeggen wilt. Nu begon hij te vloeken en te zweren, en zeide: ik ken den mensch niet, van wien gij spreekt. — Op dit oogenblik kraaide de haan voor de tweedemaal. De Heer keerde zich om en zag Petrus aan. Nu herinnerde zich Petrus het woord, hetwelk hem Jesus gezegd had; eer de haan tweemaal kraaijen zal, zult gij mij driemaal verloochend hebben. Vol berouw ging hij naar buiten, verborg zijn aangezigt, en begon bitter te weenen.

BEMERKING. Hoe groot is de vermetelheid van den mensch, eer hij zijne zwakheid kent! Waar zijn nu die manhaftige woorden van Petrus: ik hen bereid met u tot in den kerker en tot den dood te gaan! Is dit voor uwen Meester sterven, loochenen dat gij zijn leerling zijt? Petrus was kloekmoedig en sterk, maar hoe lang? Tot dat er eene dienstmaagd komt zeggen: deze was ook met Jesus. Wanneer hij te voren zoo dapper sprak, meende hij te kunnen, zegt de H. Augusti-nus (Lib. de grat. et lib. arb. c. 17), hetgene hij gevoelde te willen. De oorzaak van zijnen val is: 1. Zijne vermetelheid en het groot betrouwen op zijne eigene krachten. 2. De onachtzaamheid in het bidden. 3. Zich zei ven in de gelegenheid te werpen. Om dan met Petrus niet te vallen, moet men van zijne eigene krachten mistrouwen, vreezen, bidden en de gelegenheid vlugten.

Oneindige barmhartigheid, die den zondaar voorkomt om hem tot boetvaardigheid te brengen ! Petrus had zoo diep kunnen vallen als Judas, indien Christus hem aan zich zei ven had overgelaten, zoo als hij verdiend had, zoo wel als Judas. Zijn val is leelijk, maar zijne boetvaardigheid is ook treffelijk! Ik hoor zijne woorden niet, zegt de H. Ambrosius, maar ik zie zijne tranen, die de vergiffenis niet vragen, maar verdienen. Daar de werken spreken, zijn de woorden overbodig, even als de woorden ijdel zijn, als de werken zwijgen. Wie Petrus in zouden gevolgd heeft, die moet hem ook in boetvaardigheid volgen.

619

-ocr page 628-

Geschiedenis

LXXI. HOOFDDEEL.

Jesus -wordt aan Pilatus OTergeleverd. Judas wordt wanliopicf en verhangt zich. Valache bekeering. — Matth. 27. Mare. 13. Luo. 33. Joan.

18. — Het jaar 33. \'s Vrijdags \'s morgens omtrent 6 ure.

Zoodra de morgenstond was aangekomen, beraamden de opperpriesters, de ouderlingen des volks, met de schriftge-leerdeu en den gelieelen raad, hoe zij Jesus zouden ter dood brengen. Zij hadden hem wel te voren reeds onder elkander ter dood verwezen, maar dewijl hun door de Eomeinen de magt benomen was, van iemand het leven te benemen, hadden zij den romeinschen stadhouder noodig, om hun besluit in het werk te kunnen leggen. Doch hiertoe moest de misdaad blijken. Zij beraadslaagden dan onder elkander, hoe zij even-gemelden stadhouder tot hun opzet zouden verwilligen. Dit kostte hun geene geringe moeite, dewijl Pilatus de onschuld van Christus zonneklaar zag, en hij slechts door den haat der Joden aan hem geleverd werd. Nu stond de geheele vergadering na de beraming op, en men leidde Jesus gebonden van Caïphas naar het regterhuis, en men gaf hem over aan de stadhouder Pontius-Pilatus. Maar zij gingen in het regterhuis niet binnen, uit vrees dat zij onrein zouden worden, en alsdan het paasohlam niet mogten eten.

BEMERKING. Deze huichelaars vreezen onrein te worden met in het huis van eenen heidenschen mensch te gaan, hetwelk door de wet geenszins verboden werd, en zij vreesden niet onrein te worden, met eenen schuldelooze, die hun God en Messias is, ter dood te brengen. Aldus zijn er velen aan hen gelijk, die muggen ziften, en kameelen doorzwelgen. Men kan deelnemen aan de heilige Sakraraenten, wat uitwendig zoude kunnen onrein maken vlugten, en daartussohen inwendig vol zijn van haat en nijd. Men kan kwaad nemen uit dingen die God niet verbiedt, en niettemin den onschuldige verdrukken, omdat hij ons mishaagt, en andere boosheden bedrijven zonder de minste wroegingen, gelijk de Farizeërs hier doen.

Toen Judas zag, dat Jesus door den Joodschen raad ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw, en bragt de dertig zilveren penningen aan de opperpriesters en de ouderlingen weder (eer zij nog uit de vergaderplaats, die in den tempel was, vertrokken waren), zeggende: ik heb gezondigd, ik heb onschuldig bloed verraderlijk overgeleverd! Zij antwoordden hem: wat gaat ons dat aan! dat is uwe zaak! Nu wierp Judas bevende het geld in den tempel, liep wanhopig weg,

620

-ocr page 629-

van het Nieuwe Testament,

nam eenen strop, en verhing zicli. Zijn ligcliaam borst in het midden door, en geheel het ingewand vloeide er uit. (Act. 1. v. 18.) De opperpriesters raapten de zilveren penningen op, en zeiden: wij mogen die in de offerkist niet werpen, omdat het bloedgeld is. Zij besloten dan, om voor het geld den akker van zekeren pottebakker te koopen, welken zij tot eene begraafplaats voor vreemden bestemden. Van dezen dag noemde het volk dit veld het bloedveld. Dus werd volbragt, hetgene door Jeremias den profeet aldus voorzegd was : en zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, die van de kinderen van Israël geacht zijn geweest de waarde van dengenen (te weten Christus), welken zij op dien prijs gesteld hadden. Zij hebben dit gegeven voor het pottebakkers veld, volgens hetgene de Heer mij bevolen heeft te profeteren. (Zach. 11. v. 12.J

BEMEEKINGr. Men kan soms zijne zonden kennep, eenen schroom daarvan gevoelen, leedwezen over dezelve toonen, en die belijden; daarenboven datgene, wat men onregtvaardig bezit, wedergeven, en de gelegenheid vlugten, zonder opregt bekeerd te zijn. en vervolgens een valsche boetvaardige blijven, zoo als Judas was. Het ootmoedige en vernederde hart ontbrak aan de boetvaardigheid van Judas, de bekeering tot God, het betrouwen op Christus, en de liefde tot zijnen Verlosser, zonder welke gesteltenis al de andere uiterlijke teekens van droefheid den zondaar niet bekeeren.

LXXII. HOOFDDEEL.

Jesus wordt beaoliuldigd voor Pilatus, van hem ondervraagd en naar Herodes gezonden. Drie valsche beschuldigingen. Matth. 27. Mare.

15. Luc. 23. Joan. 18. — Het jaar 33, \'s Vrijdags 3 April, omtrent 6 ure \'s morgens.

Pilatus kwam dan tot hen buiten, en vroeg: welke beschuldiging brengt gij in tegen dezen mensch? Zij gaven hem ten antwoord: bijaldien hij geen misdadiger ware, zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. Pilatus hei-nam : neemt gij hem zeiven en oordeelt hem volgens uwe wet. De Joden zeiden; het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen. Aldus werd het gezegde van Jesus volbragt (Matth. 20. v. 19.), als hij te kennen gaf, wat dood hij sterven zoude, te weteu, den dood des kruises, die in gebruik bij de Romeinen was; want hadden de Joden hem ter dood mogen brengen, dan zouden zij hem, volgens hunne wet, hebben doen steenigen, als een valsche profeet, en niet doen kruisen. Als zij nu zagen, dat Pilatus niet zoo geheel bereid was om hunnen wil te doen, begonnen zij Jesus te beschuldigen, zeggende: wij hebben bevonden dat hij het volk verleidt,

621

-ocr page 630-

Geschiedenis

en verbiedt de schatting aan den keizer te betalen ; hij £;eoft zich uit voor den Christus, den koning, enz.

Pilatus ging hierop in het regterhuis, en riep Jesus. Jesus stond voor den stadhouder, die hem aldus ondervroeg: zijt gij de koning der Joden ? Jesus gaf hem tot antwoord : vraagt gij dit uit u zeiven, of hebben het u anderen van mij gezegd ? Pilatus antwoordde : ben ik een Jood ? Uw eigen volk en de opperpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt gij bedreven? Jesus gaf ten antwoord: mijn rijk is van deze wereld niet. Bijaldien mijn rijk van deze wereld was, zoo zouden mijne dienaars voor mij strijden, opdat ik aan de Joden niet zoude geleverd worden; maar mijn rijk is van hier niet. Pilatus vroeg andermaal: zoo zijt gij dan een koning ? Jesus antwoordde ; ik ben een koning, gelijk gij zegt. Daartoe ben ik geboren, en in de wereld gekomen, om van de waarheid gc-tuigenil\' te geven. Al wie van de waarheid is, hoort mijne stem. Wat is de waarheid? vroeg Pilatus op nieuw. En dit zeggende, ging hij weder buiten tot de Joden, tot de opper-perpriesters, en de scharen, en zeiden hun: ik vind geene schuld in dezen mensch. Zij echter beschuldigden hem van vele dingen, waartegen Jesus echter geen enkel woo;quot;d sprak. Pilatus vroeg hem weder; hoort gij niet hoe vele zaken zij tegen u getuigen ? Maar Jesus gaf geen antwoord, waarover de stadhouder zeer verwonderd stond.

Desniettemin drongen de Joden zoo veel te sterker aan, en zeiden : hij hitst het volk op door zijne leer, die hij door geheel Judea, van Galilea af tot hier toe, verkondigt. Zoodra Pilatus Galilea hoorde noemen, vroeg hij, of hij van Galilea was ? En na vernomen te hebben, dat hij onder het gebied van lierodes stond, zond hij Jesus tot den vorst die ook op dien tijd te Jeruzalem was. (1) Deze was zeer verblijd, dat hij Jesus zag, want hij was sedert langen tijd nieuwsgierig om hem te zien, omdat hij veel van hem hoorde spreken, en hoopte door hem een mirakel te zien geschieden. Hij stelde hem dan vele vragen voor, maar Jesus gaf hem geen antwoord. Daarentusschen stonden de opperpriesters ook daar, en bleven hem hardnikkiglijk beschuldigen. Herodes met zijne lijfwacht beschimpte en bespotte Jesus, on deed hem een wit kleed aan, om hierdoor te kennen te geven, dat hij dwaasselijk den koning der Joden speelde, en zond hem aldus weder tot Pilatus. (Aldus wordt de eeuwige wijsheid voor een\' dwaas uitgemaakt, door dezen onkuischen mensch en moordenaar van den heiligen Joannes den Dooper. Lijden en zwijgen is eene dwaasheid voor de wereld, maar eene wijsheid voor God.) Op denzelfden dag werden Pilatus en Herodes vrienden : waint te voren waren zij in vijandschap tegen elkander.

1) Des morgens omtrent 7 ure.

C23

-ocr page 631-

van het Nieuwe Teahmenf.

BEMERKING. Om liet doodvonnis tegen Jesus van Pilatus af te persen, bescliuldigden hem de Joden van drie misdaden. Zij zeiden: 1. Hij verleidt het volk. Jesus liad aan liet volk geleerd: zijn kruis opnemen ; ziet zei ven verlooclienen; de bedorvene natuur geweld aandoen, om in den liemel te komen; God beminnen uit gelieel bet hart en uit alle krachten; zijnen naaste liefhebben gelijk zich z tl ven; zijne vijanden wel doen, en dergelijke andere heilige leeringen. Was dit bet volk verleiden ? Maar niets valt er zoo ligt, als in het algemeen tegen den schuldelooze hatelijke beschuldigingen op te werpen, zonder iets in het bijzonder aan te wijzen.

3. Hij verbiedt den cijnspenning aan den leeizer te betalen. Hoe konde dit te zamen staan met hetgene Jesus omtrent vijf dagen te voren zoo uitdrukkelijk gezegd had: (Matth. 23. v. 87. 21. Mare. 21. v. 70. Joann. 20. v. 37. 38.) geeft den keizer wat den keizer toekomt, en aan God wat God toekomt ? Integendeel, bij heeft zelf een mirakel gedaan, om den hoofdpenning te kunnen betalen.

3. Hij noemt zich Christus, de koning. Hoe hij zich koning noemde, geeft hij aan Pilatus te kennen; hoe hij zijne leerlingen verboden heeft aan iemand kenbaar te maken, dat hij de Christus of Messias was, blijkt uit verscheidene plaatsen. Doch hoe hij, niettemin, met der daad de Messias was, blijkt uit zijne werken, uit de getuigenissen der profuten, die op hem alleen maar pasten, en uit de getuigenissen, die hem God zijnen Vader gaf, door de mirakelen die zij hem hadden zien doen. Het zijn dan drie verzonnen en hatelijke lasteringen, die tot troost van zijne leerlingen strekken, wanneer zij, gelijk de H. Augustinus zegt, (Aug. in Psalm 63. ad. v. 9. n. 15.) verleiders genoemd, of door andere lasteringen beklad worden.

LXXIII. HOOFDDEEL.

Pilatus tracht Jesus in vrijheid te stellen, en stelt hem achter Barrabas.

Christus wordt gegeeseld, met doornen gekroond en bespot. Ziet den menscb! Hij wordt overgeleverd om gekruist te worden.

Zonden van Pilatus. Matth. 27. Mare. 15. Luc. 23. Joann.

18. — Des Vrijdags omtrent 8 ure \'s morgens.

Pilatus riep nu de opperpriesters, de oversten en het volk bijeen, en zeide hun: gij hebt dezen mensoh voor mij gebragt als een volksverleider, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en geene schuld in hem gevonden over die dingen, welke gij hem optijgt; ook Herodes bevond hem aan die dingen niet schuldig: ik zal hem dan geeselen, en laten gaan. Pilatus was ook gewoon, telkens op den feestdag van Paschen, eenen gevangene los te laten, volgens de keuze des volks. Deze ge-

623

-ocr page 632-

624 Geschiedenü

woonte schijnt eerst onder de Joden in gebruik geweest te zijn, tot aandenken aan de verlossing uit de slavernij van Egypte, en daarna door de Eomeinen onderbouden, om bet Joodscbe volk te bebagen. Er zat alsdan juist een beruchte moordenaar gevangen, met name Barrabas, welke bij eenen oploop in de stad eenen doodslag bad begaan. Dezen woesten mensch liet hij naast Jesus zetten. Wanneer het volk nu verzameld was, om Pilatus te verzoeken, hetgene bij hun jaarlijks gewoon was toe te staan, zeide hij tot hen: ik vind geene schuld in dezen mensch (dat is in Jesus): gij zijt gewoon, dat ik u eenen gevangene met Paschen loslate; wien wilt gij dan van deze twee, Barrabas of Jesus, die Christus genoemd wordt? want hij wist wel, dat de opperpriesters hem door baat en nijd overgeleverd hadden.

Terwijl Pilatus nog op den regterstoel gezeten was, liet zijne vrouw hem zeggen; (1) bemoei u toch met dien regtvaardige niet; want ik ben heden nacht om zijnentwil ongemeen gekweld geweest in eenen droom. Dan vroeg Pilatus hun andermaal wien wilt gij dat ik u van de twee loslate ? Het volk, aangehitst door de opperpriesters en de ouderlingen, begon eenpariglijk te roepen: maak dezen van kant, en laat ons Barrabas los! Pilatus vroeg weder, trachtende Jesus los te laten: wat wilt gij dan, dat ik met den koning der Joden doe, die Christus genoemd wordt ? En allen riepen als uit eenen mond: kruist hem! kruist hem! Pilatus drong echter nog eens aan en zeide: wat kwaad heeft hij gedaan? ik vind in hem geene schuld, die den dood verdient. Ik zal hem derhalve geeselen en laten gaan. Maai zij riepen nog sterker: kruist hem! kruist hem!

BEMERKING. Het was een vervaarlijk schelmstuk voor Pilatus, Christus te stellen nevens Barrabas; nog een erger voor de Joden, hem achter Barrabas te stellen; maar een onbegrijpelijk in de Christenen, als zij Jesus zoo dikwijls stellen achter een schandig vermaak, een klein gewin, of wat ijdele eer, die zij in de zonde zoeken.

Nu liet Pilatus Barrabas los, en deed Jesus geeselen. Na die geeseling sleurden hem de soldaten in de voorzaal van het regterhuis, en riepen de geheele krijgsbende bijeen. Zij ontkleedden hem, hingen hem eenen ouden purperen mantel om, vlochten eene kroon van doornen, stelden hem die op zijn hoofd, gaven hem een riet in de regterhand, en begon nen spotsgewijs op hunne knieën te vallen, en hem te groeten, zeggende: wees gegroet, koning der Joden! Ook gaven zij hem kaakslagen, bespogen hem, namen het riet, sloegen hem daarmede op het hoofd, en knielden spottend voor hem neder,

1) Des morgens omtrent 9 ure.

-ocr page 633-

625

Vervolgens ging Pilatus nog eens buiten, (1) en zeide: ziet, ik breng hem hier andermaal voor u, opdat gij weten zoudt, dat ik in hem geene schuld vind. Jesus werd te voorschijn gebragt met eene doornen kroon op het hoofd, en met den purperen mantel omgeven. En Pilatus sprak tot de schaar; ziet den mensch! Doch zoo ras hem de opperpriesters en hunne dienaars zagen, riepen zij: kruist hem! kruist hem! Pilatus hervatte: neemt gij hem, en kruist hem, want ik vind in hem geene schuld. De Joden antwoordden hem: wij hebben onze wet, en volgens deze wet moet hij sterven, omdat hij zich als Gods Zoon heeft uitgegeven. Pilatus werd op het hooren dezer woorden nog meer bevreesd. Hij trad nu weder het regterhuis binnen, en vroeg Jesus: van waar zijt Gij ? Maar Jesus gaf geen antwoord. Pilatus hernam: hoe! antwoordt Gij mij niet? weet Gij niet, dat ik de magt heb om U te kruisen, en tevens de magt om U vrij te laten? Jesus antwoordde: gij zoudt over mij geene magt hebben, zoo u die van hierboven niet gegeven ware. Daarom beging degene, die mij aan u geleverd heeft, grootere zonden. Van dan af zocht Pilatus hem in vrijheid te stellen; de Joden echter schreeuwden: indien gij hem loslaat, zijt gij des keizers vriend, niet; want al wie zich tot koning maakt, stelt zich tegen den keizer.

Nadat Pilatus deze woorden gehoord had, liet hij Jesus buiten brengen, en ging op den regterstoel nederzitten, ter plaatse Lithostrotos genoemd, en in het hebreeuwsch Gabba-tlia. Het was alsdan parasceve, dat is, de dag der voorbereidingen van Paschen, omtrent het zesde uur van den dag. (3) Pilatus zeide nu tot de Joden: ziehier uwen koning. Maar de Joden schreeuwden als vroeger: weg met hem! weg met hem 1 kruist hem! Pilatus zeide hun: zal ik uwen koning kruisen? De opperpriesters antwoordden: wij hebben geenen koning dan den keizer alleen. Pilatus ziende dat hij niets won, maar dat het oproer allengskens grooter werd, liet zich een bekken met water brengen, wiesch zijne handen ten aanschouwe van al het volk, en zeide: ik heb geene schuld in het bloed van dezen regtvaardige; gij moogt het verantwoorden. Al het volk riep: zijn bloed kome over ons en over onze kindereu. Om het volk te believen, gaf hij Jesus nu aan hen over, om gekruist te worden.

BEMERKING. Na eenige flaauwe pogingen voor de regt-

(1) Des morgens om 10 are.

(2) Bij ons omtrent den middag, of omtrent XII ure, dat is, het was nader aan de XII, dan aan de IX; want de Joden verdeelden hunne uren slechts van drie tot drie, en de uren die tusschen de IX of XII kwamen, IX of XII genoemd, volgens dat zij nader aan de IX of aan de XII waren; het kon dan volgens onze rekening omtrent half 11 ure zijn.

40

-ocr page 634-

Geschiedenis

vaardigheid valt Pilatus eindelijk, overwonnen door datgene, waaraan zijn hart meer verkleefd was. 1. l)e eerzucht sleept hem weg. Hij heeft liever de vriend des keizers te zijn, dan de vriend van God. Hoe velen zijn er, die hem gelijk zijn! 2. Hij handelt tegen zijn eigen hart. 3. Hij handelt tegen de bekende onschuld van Jesus en de openbare getuigenis, die hij zelf daarvan gegeven had. 4. Tegen de gewigtige vermaningen van zijne huisvrouw. 5. Tegen het vonnis van Herodes. 6. Hij doet Christus eerst geeselen, om de Joden te believen, schoon hij overtuigd is, dat hij noch die straf, noch eene der allerminste verdiend heeft. 7. Hij geeft hem over aan den moedwil der krijgsknechten, die zijne lafhartigheid misbruiken, en veel verder gaan dan de regter had uitgesproken. 8. Hij doet Christus kruisen, nadat hij door zijne antwoorden inwendig zoo ontroerd was geweest, dat hij besloten had hem voor goed los te laten. Hij speelt den huichelaar en wascht zijne handen, willende zijne eigene lafhartigheid op een ander dringen. Hoe velen zijn er niet, die hunne handen wasschen, nadat zij het honderdste deel zoo veel niet gedaan hebben voor de regtvaardigheid als Pilatus! Maar wat zal hun die hand-wassching baten voor den alwetenden en regtvaardigen God?... Hoe veel onregtvaardigheden zal een regter, die niet vaststaat in de regtvaardigheid, niet bedrijven! Eene ongarelde drift alleen is genoeg, om eenen mensch slaaf te maken, en alle andere goede genegendheden te versmachten.

LXXIV. HOOFDDEEL.

Jesus draagt zijn kruis. De vrouwen weenen over hem. De kruisiging van Christus. Het opschrift boven het kruis. De soldaten werpen het lot over zijne kleederen. Hij wordt aan het kruis gelasterd en bespot. De moordenaar wordt bekeerd. Men mag de bekeering niet uitstellen. Matth. 27. Maro. 15. Luc. 22. Joan, 19. Des Vrijdags omtrent 10 ure en half voormiddag.

Da soldaten grepen Jesus aan, namen hem den purperen mantel af, trokken hem zijne kleederen weder aan, en leidden hem uit om hem te kruisen. Het kruis waaraan hij sterven zoude, moest hij zelf dragen; hij ging zoo naar de plaats Calvarië geheeten, in het Hebreeuwsch Golgotha, dat is te zeggen, de plaats der doodsbeenderen, waar de doodshoofden en beenderen van de geregte boosdoeners lagen, die men daarom gemeenlijk den Calvarieberg noemt. Onderwege i won gen de soldaten zekeren man van Cyrenen, met name Simon, vader van Alexander en van Rufus, die juist van het veld kwam, ora Jesus het kruis na te dragen. Eene groote menigte volks volgde Jesus, en vele vrouwen beklaagden hem en weenden luide. Jesus keerde zich om, en zeide: dochters van JeruzrJen! weent niet over mij, maar weent over u zei ven

626

-ocr page 635-

van het Nieuwe lestament.

en over uwe kinderen; want de tijd zal komen dat men zeggen zal: gelukkig zijn degenen, die geene kinderen hebben. Dan zullen zij tot de bergen beginnen te zeggen: valt op ons! en tot de heuvelen : overdekt ons! want indien men met het groene hout aldus handelt, hoe zal men dan met het dorre handelen ? dat is : bijaldien ik, die een groene boom ben en goede vruchten draag, zoo lijden moet, hoe zal het dan met de dorre boomen of met de booze menschen afloopen ?

BEMERKING. De Zaligmaker misprijst het weenen dezer vrouwen niet, maar toont haar, waarover zij meer, dan over hem, moesten weenen, namelijk over de gruwelijke misdaad van de veroordeeling van den Messias, welke zoo vervaarlijke gevolgen zoude hebben : want hij gaf hierdoor te kennen, hoe schromelijk om zijnen dood de stad Jeruzalem zoude gestraft worden, zooals naderhand door de Eomeinen geschied is. Doch indien zij alsdan, om de gruwelen dezer belegering, van schrik riepen: bergen, valt op ons! heuvelen overdekt ons! wat zal de zondaar dan doen in den vervaarlijken dag des oordeels ? Want bijaldien de hemelsche Vader aldus met zijnen eenigen Zoon gehandeld heeft, die onschuldig was, wat zal er dan van den ondankbaren zondaar geworden ?

Ook werden met hem twee andere boosdoeners geleid, om gekruist te worden. Toen zij op den Calvarieberg gekomen waren, bood men Jesus mirrevvijn met gal gemengd aan ; Wj proefde dien wel, maar dronk er niet van. Voorts kruisigden zij hem, alsook de twee boosdoeners, den eenen langs den regter- den anderen langs den linkerkant van Jesus. Dit gebeurde omtrent het derde uur van den dag. (1) Zoo dat de Schrift volbragt werd, welke zegt: en onder de booswichten is hij gerekend geweest (Isaiee 33. v.\' 12.) Te midden der smartelijkste pijnen sloeg de Heiland eenen teederen blik ten hemel, en zeide: Vader! vergeef het hun, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

BEMEEKING. De eerste woorden van Christus aan het kruis zijn woorden van liefde. Hij neemt geen acht, wie hem doet sterven, maar voor wie hij sterft. Hij geeft zijn bloed voor hen die het vergieten, en vraagt vergiffenis voor degenen die naauwelijks vergiffenis zouden durven hopen, indien zij wisten wat zij deden. Hij konde nooit beter toonen, dat hij God was, dan door eene liefde, die gansch goddelijk en boven de gedachten der menschen is; en nooit toonen de Christenen beter, dat zij zijne leerlingen zijn, dan met hunne vijanden lief te hebben, wel te doen aan degenen die hen (1) Het derde uur duurde tot het zesde uur, zoo als reeds gezegd is, dat Is, volgens onze rekening, het negende uur duurde tot het twaalfde;, en het was nu omtrent den middag volgens onze wijze van rekening.

62 7

-ocr page 636-

Geschiedenis

haten, en te bidden voor dezulken, die hen lasteren en vervolgen.

Pilatus had ook een opschrift geschreven, en het boven aan het kruis laten hechten; hetzelve luidde: Jesus van Nazareth, Koning der Joden. Het was geschreven in de hebreeuwsche en latijnsche talen. (1) Vele der Joden lazen dit opschrift, omdat de plaats, waar Jesus gekruist werd, bij de stad was. De opperpriesters zeiden dan tot Pilatus : gij moest niet schrijven : koning der Joden, maar dat hij gezegd heeft: Ik ben de koning der Joden. Pilatus echter antwoordde ; wat ik gesc\'. reven heb, blijft geschreven.

De soldaten die Jesus gekruist hadden, verdeelden nu zijne kleederen : zij maakten er vier deelen van, voor elk een ; om het overkleed echter, hetwelk zonder naad was, wierpen zij het lot, opdat de Schriftuur volbragt zoude worden, die zegt: (Psalm 21. v. 19.) zij hebben mijne kleederen onder elkander gedeeld, en over mijn overkleed hebben zij het lot geworpen. Nadat de krijgslieden de kleederen des Heeren verdeeld hadden, zetleden zij zich onder het kruis neder, en bewaakten hem.

Velen die voorbij gingen, lasterden hem, schuddeden het hoofd, en zeiden : gij, die den tempel Gods te niet wilt doen, en hem wederom binnen drie dagen opbouwen, verlos u zeiven ! Zijt gij de Zoon Gods, kom dan van het kruis! De opperpriesters, schriftgeleerden en de ouderlingen zeiden ook spottende: anderen heeft hij verlost, en zich zeiven kan hij niet verlossen. Is hij de koning van Israël, de Christus, de uitverkorene Gods, dat hij nu van het kruis kome, en wij zullen in hem gelooven. Hij stelt zijn betrouwen op God, dat God hem nu verlosse, indien hij hem liefheeft; want hij heeft gezegd; Ik ben Gods Zoon. Ook de soldaten kwamen\'hem bespotten, reikten hem azijn toe, en zeiden : zijt gij de koning der Joden, verlos dan u zeiven !

BEMERKING. Welk een goddelijk geduld in Christus, die dit alles aanhoort, en zwijgt, daar hij zich konde wreken 1 Hij wilde zijne leerlingen onderrigten, hoe zij zich in dergelijke omstandigheden moeten gedragen, wanneer zij om de godvruchtigheid en om hun lijden beschimpt en gelasterd worden. Wij zien hier meer dan eenen Job gelasterd van zijne vrienden, en wij hooren hier de woorden, die de goddeloozen in het boek der Wijsheid (Sap. 2.) en in de Psalmen (Psalm 21.)

(1) In het Hebreeuwsch voor de Joden, in het Grieksch voor de Grieken die talrijk te Jeruzalem waren; in het Latijn voer de Romeinen, die bijna over al de andere natiën de heerschappij voerden. Aldus gaf Pilatus, zonder zijne weet, aan de geheele wereld te kennen, datjesus de koning was, naar welken alle volken verlangden; en hetgene geschreven was, moest geschreven blijven, omdat de heilige Geest de hand van PUatus hierin bestuurde.

628

-ocr page 637-

van het Nieuwe Testament. 629

uitbraakten tegen den regtvaardige, en echter zal de wereld nooit willen gelooven, dat heilige menschen veel van haar kunnen lijden, ja, gekruist worden, en nogtans schuldeloos zijn.

Zelfs een der boosdoeners, die naast Jesus hingen, lasterde hem ook, zeggende: indien üij de Christus zijt, zoo verlos U en ons. Maar de andere berispte hem, en zeide: vreest gij dan God ook niet, daar gij in dezelfde straf zijt? wat ons aangaat, wij lijden reglvaardig, want wij ontvangen loon naar werken; maar deze heeft niets misdaan. Daarop zeide hij tot Jesus: Heer! wees mijner gedachtig als Gij in uw rijk zult komen. Jesus gaf hem tot antwoord: ik zeg u, voorwaar, heden zult gij nog met mij in het paradijs zijn, dat is, in eene plaats van vreugd en blijdschap, in den schoot van Abraham, het voorgeborgte der helle, waar Christus na zijnen dood is nedergedaald; want eigenlijk is de hemel slechts door de hemelvaart Christus geopend.

BEMEKKING. Wonderbaar geloof van dezen moordenaar! Degenen die Christus dooden hebben zien verwokken en zoo vele mirakelen doen, vallen hem af, en deze gelooft, als hij Christus aan het kruis ziet hangen! Welk eene goddelijke magt van Christus over de harten! hoe wonderbaar zijn de eerste vruchten van het kruis!

Doch dat de zondaar zich niet bedriege, met zijne bekeering tot het einde van zijn leven uit te stellen, op hoop van bekeerd te worden gelijk de moordenaar. Één op het laatste is bekeerd, opdat niemand wanhope; doch de Schrift spreekt slechts van eenen, opdat iedereen vreeze. God kan ook de ver-hardste zondaars op het einde hekeeren, niemand twijfelt daaraan; zijne magt en goedheid zijn eindeloos. Hij kan zelfs de dooden verwekken, en, volgens het Evangelie, heeft er Christus drie verwekt. Maar wie zoude zoo dwaas zijn, van daarom zijne boetvaardigheid tot den dood uit te stellen, op hoop, dat hij nog kan verrijzen? Waarom is men dan zoo uitzinnig van zijne bekeering uit te stellen tot het einde zijns levens, daar men meest alle menschen ziet sterven gelijk zij geleefd hebben, en daar men maar van eenen alleen in de Schrift leest, dat hij zich op het einde bekeerd heeft? God is die zeldzame genade aan niemand schuldig, en geeft die zeer zelden. Willen wij den goeden moordenaar navolgen, zoo laat ons hem volgen, met op het eerste oogenblik ons te bekeeren, zoo haast als God ons roept, gelijk hij in Christus geloofd heeft, zoodra hij hem door de genade kende.

-ocr page 638-

Geschiedenis

LXXV. HOOFDDEEL.

Maria onder het kruis. — Duisternissen. — Jesus geeft zijnen geest.

Wonderheden na zijnen dood. — Vruchten van den dood des Zaligmakers. Matth. 27. Mare. 15. Lue. 23. Joann. 10.

Bij het kruis van Jesus stonden, onder andere, zijne Moeder, hare schoonzuster Maria, vrouw van Cleophas, en Maria Mag-dalena. Toen Jesus zijne Moeder, en den leerling dien hij lief had, bij haar zag staan, zeide hij tot zijne Moeder: vrouw, ziedaar uwen Zoon. Daarna sprak hij tot Joannes: ziedaar uwe Moeder. Van dan af nam Joannes Maria bij zich in huis, en zorgde voor haar alsof zij zijne eigene moeder was.

BEMEEKING. vNiemand is grooter, na Jesus Christus, in quot;heiligheid, dan de allerheiligste Maagd; maar ook niemands kruis, na dat van Christus, is er grootér, dan het kruis van Maria. Nu wordt volbragt hetgene Simeon gezegd had (Luc. 2. v 35): uwe ziel, o allerheiligste Moeder! zal met een zwaard doorstoken worden... De heilige Joannes, voor loon van zijne kuisch-heid, krijgt de allerzuiverste Maagd voor moeder: waaruit wij zien, hoe zeer Jesus deze deugd beminde, en hoe wij die moeten beminnen, om de heilige Maagd voor onze moeder te hebben.

Omtrent het zesde uur van den dag (1), kwam er eene zware duisternis over de geheele aarde, tot het negende uur toe. De zon werd verduisterd; omtrent het negende uur (2) riep Jesus met luider stemme: EU, Eli, lawma Sabadkani! (Psalm. 21. v.-2)! dat is: mijn God, mijn God! waarom hebt gij mij verlaten!

BEMERKING. Het is om onze zonden, dat de hemelsche Vader zijnen Zoon verlaten heeft, opdat wij, die verlaten waren, niet voor eeuwig zouden verlaten zijn. Verlaat ons niet, o Jesus! noch onttrek ons uwe genade, en alsdan zal alle andere verlating en beproeving ons tot zaligheid strekken.

Eenige der omstaanders zeiden, toen zij dit hoorden: hij roept Elias aan (misschien omdat zij de taal niet wel verstonden). Daarna, wijl Jesus wist dat nu alles volbragt was, en opdat de (Psalm. 68. v. 22.) Schrift ook volbragt zoude worden, zeide hij: ik heb dorst. Dadelijk liep er iemand henen, doopte eene spons in den azijn, stak dezelve op eenen riet-stok, bood hem die alzoo aan, en zeide met de overigen: wacht, laat ons zien of Elias hem zal komen verlossen.

(1) Dat is omtrent 12 ure \'s middags.

(2) Drie ure na mid-lajf

630

-ocr page 639-

van het Nieuice Testament.

Toen Jesus den azijn gedronken had, zeide tij; het is volhragt! Och, of wij ook met Jesus op het einde van ons leven mogtea zeggen: het is volhragt. Het werk, hetgene gij mij bevolen hebt, heb ik voltrokken! Hierna riep hij nog eens met luider stem: Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest. En bij deze woorden neigde hij zijn hoofd en stierf.

BEMERKING. O heilig oogenblik, o dierbare stond, die de verzoening aan den zondaar en aan de dooden het leven geeft. Hoe zeer hebt gij ons bemind, o goede Vader, die uwen Zoon om onzentwil niet gespaard, maar hem voor ons allen ten beste hebt gegeven! hoe hebt gij ons bemind! Zullen wij dan niet leven voor dengenen, die voor ons gestorven is?... Het is een heilig gebruik van de goede Christenen, het uur en het oogenblik van den dood des Heilands dagelijks te aanbidden; het uur van hunnen dood met al deszelfs omstandigheden te omhelzen, en die met den dood van Christus te vereenigen.

En zie, de scheidgordijn des tempels (door welke het Heilige der Heiligen afgezonderd werd van de heilige plaats) (Exod. XXVI. 31. 34.) scheurde van boven tot beneden, de aarde beefde, de steenrotsen barstten, de graven openden zich, en vele ligchamen van Heiligen die gestorven waren, stonden op (1); zij gingen, na de opstanding van Jesus, buiten de graven, kwamen in de heilige stad, en verschenen aan vele menschen.

De hoofdman, die regt tegenover Jesus stond, en de overigen, werden zeer verbaasd, toen zij de aardbeving en al het voorgevallene opmerkten, en zagen, dat hij, krachtig roepende den geest gegeven had. Zij loofden God, en zeiden luide; waarlijk deze mensch was regtvaardig, hij was do Zoon van God. Ook de menigte, die dit vertoog waarnam, keerde weder, sloeg bevende op de borst, en ging stil uit elkander. Al de kennissen van Jesus, en vele vrouwen die hem van Galilea gevolgd waren, stonden van verre, en zagen dit aan. Onder deze was Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus den Mindere en van Josef, te zamen met Salome, en met de\' moeder van de kinderen van Zebedeüs, welke hem ook, als hij in Galilea was, volgden en dienden, en vele anderen, die met hem mede naar Jeruzalem gekomen waren.

BEMERKING. Christus heeft zijnen geest gegeven, maar zijne magt, in stede van te bezwijken, begint nu allermeest te werken. Als een andere Samson, verwint hij meer door zijnen dood, dan in al zijn leven. Doch wat beteekenen al die

(1) De graven van die Heiligen zijn in den dood van Christus wel gebarsten en opengegaan, maar zij zijn niet verrezen, dan na de verrijzenis van Christus, die, volgens den Apostel de eersteling is van hen die ontslapen. Primitce dormientium. 1 Cor. 15. 20.

631

-ocr page 640-

Geschiedenis

wonderheden? 1. De gordijn des tempels scheurt, dat is, de ■ware godsdienst en de heilige zaken, die de Joden alleen bewaarden, gaan hun afgenomen en gemeen gemaakt worden aan alle volkeren, en de hemel, het ware Heilige der Heiligen, door de zonden gesloten, wordt door den dood van Christus geopend. 2. De aarde beeft, de steenrotsen barsten, dat is de gansche aarde gaat ontroerd worden door de predikatie van het heilig Evangelie, en de versteende harten gescheurd door de boetvaardigheid. De graven gaan open, dat is, Christus door zijnen dood, verwint onzen dood, gelijk hij ons door zijne verrijzenis zal doen herleven. 4. Doch zijne grootste mirakelen zijn de werken van zijne genade onder het kruis. De hoofdman en de soldaten belijden, dat hij de Zoon Gods is: vele der Joden keerden wederom, slaande van leedwezen op hunne borst; en de vrome en godvruchtige menschen, die daar omtrent stonden, worden in hun geloof versterkt. Dit is het, wat de dood van den Heilige der Heiligen moest uitwerken, namelijk de zondaars bekeeren, en de regtvaardigen nog regtvaardiger maken. Dit moest zij ook in het heilig Misoffer uitwerken.

LXXVI. HOOFDDEEL.

De zijde van Jesus wordt doorstoken. Josef van Arimathea. Christus wordt begraven. De Joden zetten eene wacht aan het graf.

Wonderbare voltrekking der profetiën of voorzeggingen. Mare. 13. Luc. 23. Joann. 19.

De Joden verzochten nu den landvoogd, omdat de ligchamen niet aan het kruis mogten blijven hangen op den Sabbath mits liet Parasceve (1) was, dat men de gekruistén de beenderen zoude laten breken, en daarna hen afnemen. De soldaten kwamen nu, en braken de beenderen van de beide misdadigers, die met den Zaligmaker gekruist waren. Toen zij bij Jesus kwamen, en zagen dat hij reeds gestorven was, braken zij zijne beide \'beenderen niet; maar een der soldaten doorstak zijne zijde met eene lans, en terstond vloeide er bloed en water uit. Deze dingen geschieden, opdat de Schrift zoude volbragt worden: (Exod. 13. v. 48. Num. 9. v. 13.) geene van zijne beenderen zult gij breken. En wederom zegt de Schrift op eene andere plaats: zij zullen de oogen slaan op dengenen, dien zij doorstoken hebben. (Zach. 13. v. 10.)

Tegen den avond (2), kwam zeker rijk mar, met name Jozef van Arimathea, eene stad van Juda, die in den raad en daad der anderen niet had toegestemd. Hij was ook leerling van Jesus, doch in het heimelijk, uic vrees voor de

(1) Dat is de dag der voorbereiding, op welken moest gnmaakt worden hetgene tot den volgenden Sabbathdng noodig was.

(2) Omtrent 5 ure \'s avonds.

632

-ocr page 641-

van het Nieuwe Testament.

Joden. Deze ging stoutelijk tot Pilatus, en verzocht hem om het ligchaam van Jesua te mogen wegnemen. Pilatus was verwonderd, dat hij al reeds gestorven was. Ter verzekering hiervan liet hij den hoofdman roopen, van welken hij, op zijne vraag, het antwoord bekwam, dat Jesus reeds dood was. Pilatus stemde nu in het verdoek van Jozef van Arimathea toe. Deze ging nu uit om fijn linnen te koopen : ook kwam Nicoderaus, dezelfde die voorheen \'s nachts bij Jesus gekomen was, en bragt omtrent honderd ponden mirre en aloë. Zij namen nu het ligchaam bedaard van het kruis af, en wonden hetzelve, met de specerijen, in linnen doeken, gelijk het bij de begrafenis bij de Joden gebruikelijk is. Nabij de geregtsplaats was er een tuin, en in denzelven een prachtig in eene rots uitgehouwen graf, waarin nog geen lijk gelegen had, en aan Jozef toebehoorde. In dit graf legden zij het ligchaam van Jesus, wentelden eenen grooten steen voor den ingang, en keerden bedroefd huiswaarts. De Sabbathdag begon alsdan aan te komen, (1) en de vrouwen, die met Jesus van Galilea gekomen waren en tegenover het graf zaten, namen acht waar hij gelegd werd. Zij keerden vervolgens ook naar huis, en maakten specerijen en balsem gereed, doch hielden zich stil op den Sabbathdag, volgens het gebod.

Des anderendaags; (2) dat is de dag na Parasceve, vergaderden de Opperpriesters en de Farizeërs bij Pilatus, en zeiden : mijnheer, wij zijn indachtig, dat deze verleider (Aug. in Psalm 53. num. 15,) (aldus noemden zij Jesus ; tot troost van zijne dienaars, zegt de H. Augustinus, wanneer zij verleiders genoemd worden) bij zijn leven gezegd heeft: binnen drie dagen zal ik verrijzen. Doe derhalve het graf bewaken tot den derden dag toe, uit vrees dat zijne leerlingen hem \'s nachts zouden wegnemen, en aan het volk zeggen, dat hij van den dood verrezen is. En deze laatste dwaling zoude nog erger dan de eerste zijn. Pilatus zeide hun : gij hebt eene wacht; bewaakt dus zelf het graf naar uw goedvinden. Zij bezetteden dus het graf met soldaten en verzegelden den steen die er voor lag.

BEMEBKING. Alles wat de profeten voorzegd hadden wordt in Christus volbragt: zijne beenderen blijven ongebroken ; zijne zijde wordt doorstoken; zijn graf, na eenen schan-digen dood, is prachtvol en treffelijk. Wie heeft dit alles kunnen voorzien en voorzeggen, dan de geest Gods? Wie heeft het, tegen alle waarschijnlijkheid, kunnen doen uitwerken, dan hij alleen, die meester is van de toekomende

1) Want de Joden begonnen hunne feestdagen \'s avonds te voren, gelijk nu nog de heilige Kerk doet in de kerkelijke diensten.

2) Zaturdag op den 4 April.

633

-ocr page 642-

*

634 GesaJdedenis

dingen omdat hij de harten aller menschen in zijne hand heeft en hunne ondernemingen bestuurt, tot voltrekking ran datgene wat hij geschikt heeft uit te werken ? Aldus wordt de schandige kruisdood heerlijk en goddelijk in de oogen der Christenen, die door het geloof zien uit wat liefde en tot welk luistervol einde Chriatus dusdanigen dood verkozen heeft.

LXXVII. HOOFDDEEL.

Verrijzenis van Christus. Hij verschijnt aan Magdalena en aan de an-de re heilige vrouwen. De soldaten worden omgekocht. Jesus vertoont zich aan de leerlingen van Emmaüs en aan Petrus. Waarom de verrijzenis zoo zeer moest bevestigd worden. Matth. 28. Mare. 16. Luc. 24. Joan. 20. — Het jaar 33, Zondag op den 5 April.

Als de Sabbathdag voorbij was, en de morgenschemering van den eersten dag der week begon aan te breken, kwamen Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus, en Salome, die \'s Vrijdags \'s avonds specerijen gekocht hadden om Jesus te balsemen, met zonnenopgang tot het graf. Onderwege zeiden zij tot elkander: wie zal ons den steen van den ingang des grafs afwentelen ? want hij was zeer groot. Ondertusschen was Jesus met zonnenopgang verrezen, en eer de vrouwen aankwamen ontstond er eene geweldige aardbeving; een Engel des Heeren daalde van den hemel neder, wentelde een steen van het graf en ging er op zitten. Zijn aangezigt schitterde als de bliksem, en zijne kleederen waren witter dan snee.iw. De wachters werden van schrik als dood ter aarde geslagen. Toen de vrouwen in den hof gekomen waren, gingen zij naar het graf, en bemerkten dat de steen voor den ingang was afgewenteld. Vol verbazing zagen zij in het graf, en vonden niets van het ligchaam van Jesus. Hierop liep Maria Magdalena dadelijk alleen naar Jeruzalem terug, en kwam aan Petrus en J oannes zeggen : zij hebben den Heer uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben. Na deze woorden keerde zij aanstonds weder naar het graf;

Ondertusschen zagen de andere vrouwen, die bij het graf gebleven waren, twee manspersonen in blinkende kleederen; en alzoo zij bevreesd werden, zeide de Engel tot haar: weest niet bevreesd ; ik weet dat gij Jesus zoekt, die gekruist is. Doch wat zoekt gij den levende onder de dooden ? Hij is hier niet, want hij is verrezen, gelijk hij voorzegd heeft. Komt, ziet de plaats waar hij gelegen heeft, en gaat spoedig aan de leerlingen en aan Petrus zeggen, dat hij verrezen is ; en hij-; zal hen voorafgaan naar Galilea; alwaar zij hem zullen zien-. De vrouwen gingen ijlings met blijdschap en vrees aan de, leerlingen deze boodseh«|gt; brengp»..

-ocr page 643-

van het Nieuwe Testament.

Petrus en Joannes, te voren door Magdalena gewaarschuwd, iepen beide te gelijk naar het graf; doch Joannes, vlugger lan Petrus zijnde, bereikte eerst hetzelve, bukte zich, zag de ioeken liggen, maar ging er niet in. Petrus, die hem volgde, trad in het graf, zag de doeken liggen, maar den hoofddoek tag hij alleen ter zijde ineen gerold. Nu kwam Joannes ook bij hem, zag dit alles, en geloofde hetgene Maria gezegd had, namelijk, dat het ligchaam van Jesus weggenomen was; zij gingen bedwelmd henen, want zij verstonden nog de Schrift niet, dat Christus van den dood moest verrijzen. — Hierna snelde Maria Magdalena den hof weder binnen, stond voor het graf en weende. Terwijl zij nu bevreesd in hetzelve zag, bespeurde zij twee in het wit gekleede Engelen, zittende de een aan het hoofdeinde, de andere aan het voeteinde, waar het ligchaam van Jesus gelegen had. De twee Engelen vroegen haar: vrouw, waarom weent gij ? Zij antwoordde hun; omdat men mijnen Heer heeft weggenomen, en ik weet niet waar men hem gelegd heeft. — Onder dat zeggen, keerde zij zich om en zag Jesus staan ; maar zij wist niet dat hij het was, omdat hij de gedaante van eenen hovenier had aangenomen ; zij zeide hem dan: mijnheer, indien gij hem weggedragen hebt, zeg mij dan toch waar gij hem nedergelegd hebt, en ik zal hem wederhalen. Jesus zeide nu tot haar: Maria! Op dit oogenblik erkende zij hem, en zeide: Rabboni! dat is Meester! Van verrukking opgetogen, viel zij nu voor zijne voeten neder. Doch Jesus zeide: raak mij niet aan; want ik ben nog niet tot mijnen Vader opgeklommen; maar ga, en zeg aan mijne broeders (leerlingen), dat ik verrezen ben, en dat ik spoedig ga tot mijnen en hunnen Vader. Hierop verdween hij uit hare oogen. — De Apostelen echter konden hieraan geen geloof geven.

Ondertusschen verscheen Christus ook aan andere vrouwen op haren weg, eer zij nog te Jeruzalem waren gekomen, om de tijding te brengen van het visioen der Engelen, hetwelk zij gezien hadden. Buiten zich zelve van vreugde, vielen rij op hare knieën en omarmden bevende zijne voeten. Zij kregen van Jesus insgelijks een gebod, van alles aan zijne leerlingen kenbaar te maken; maar hare woorden schenen voor hen als een droom, en zij gaven haar geen geloof. •

Terwijl deze dingen geschiedden, kwamen er eenige van de wacht in de stad, en bragten aan de opperspriesters de boodschap van hetgene er gebeurd was. Deze vergaderden met de ouderlingen, en gaven, na met hen geraadpleegd te hebben, de soldaten eene groote som gelds, met dit bevel: zegt aan het volk, dat zijne leerlingen hem \' s nachts zijn komen stelen, terwijl gij sliept. (Deze verblinde priesters willen

633

-ocr page 644-

Geschiedenis

slapende lieden voor getuigen doen gelden!) En indien de sta houder uwe onachtzaamheid gewaar wordt, zullen wij hem w tevreden stellen, en maken dat u geen leed geschieden za Nu namen de soldaten het geld aan, en deden zoo als d hoogepriesters hun voorgezegd hadden.

Op denzelfden dag, namelijk op den eersten paaschdag na middag, gingen er twee van de leerlingen naar een dorp, me name Emmaüs, hetwelk zestig stadiën (1) van Jeruzalem ge legen was. Onderwege spraken zij onder elkander van hetgen er gebeurd was, Terwql zij dus praatten, kwam Jesus zelf bi hen, en hield hun gezelschap. Maar hunne oogen waren ge boeid, opdat zij hem niet zouden kennen. Jesus vroeg: wel gesprek voert gij met elkander? en waarom zijt gij bedroefd Een hunner, met name Cleophas, gaf hem tot antwoord: zij gij alleen onder de vreemdelingen te Jeruzalem, die niet wee wat dezer dagen aldaar geschied is? Wat dan? vroeg Jesus Ach, zeiden zij, wat er met Jesus van Nazareth is voorgeval len, die een groot profeet was, magtig in woorden en werken voor God en al het volk; hoe hem onze hoogepriesters oversten tot den dood hebben veroordeeld en laten kruisen Wij hoopten dat hij het was, die Israël verlossen zou; en bij dit alles, is het heden reeds de derde dag dat dit gebeurd is wel is waar,, hebben ons eenige vrouwen, die ook volgeressen van hem waren niet weinig verbaasd gemaakt: zij zijn reeds vroeg bij het graf geweest, en hebben zijn lijk niet meer ge vonden; hierop kwamen zij, en verhaalden dat hij leefde eenigen van ons gingen dadelijk naar het graf, en vonden het werkelijk ledig: doch hem hebben zij niet gezien.

Toen zeide Jesus tot hen : o gij onverstandigen! is het dan zoo moeijelijk om alles te gelooven wat de profeten voor zegd hebben? Moest Christus dit alles niet lijden, en zoo zijne heerlijkheid ingaan ? Nu begon hij met Mozes, liep de profeten door, en verklaarde hun alle plaatsen der Schrift die op hem betrekking hadden.

Intusschen waren zij het vlek, waar zij heen wilden, ge naderd. Jesus wilde verder gaan ; doch beiden verzochten hem dringend: ach, blijf toch bij ons! Zie, de avond begint reeds te vallen, en de zon neigt ten ondergang. Toen nam hij bij hen zijnen intrek. Zoodra zij nu gezamenlijk aan tafel za ten, nam Jesus het brood, zegende het, brak het en gaf het hun Op hetzelfde oogenblik gingen hunne oogen open, en zij herkenden hem. Duidelijk zagen zij zijn liefderijk aangezigt; en het was, alsof de hemel voor hen was opengegaan; doch op denzelfden stond onttrok J.jsus zich aan hunne oogen.

I) Eenc stadie is 125 stappen. De 60 stadiën maken 7500 stappen ; 3000 maken een uur gaans; diensvolgens de 60 stadiën twee uren en een half uur.

636

-ocr page 645-

van liet Nieuwe Testament. 637

Toen zij van hunne eerste verbazing bekomen waren, zeiden ;ij tot elkander: was ons hart niet brandend, toen hij onder-vege met ons sprak en ons de Schrift verklaarde? Oogen-jlikkelijk stonden zij op, en haastten zich om naar Jeruzalem erug te keeren, daar de liefde hen voortstuwde om deze blijde tijding aan de overige leerlingen te brengen.

Zij vonden de Apostelen en vele leerlingen te Jeruzalem (1) vergaderd : ook deze hadden intusschen een nieuw berigt van de opstanding van Jesus ontvangen. Jesus was namelijk aan den bedrukten Petrus, die opregt berouw gevoelde dat hij zijnen meester ontrouw geweest was, verschenen, om hem liefderijk te troosten; zij liepen dus hen beide dadelijk geheel verheugd te gemoet, en zeiden: de Heer is waarlijk opgestaan, en aan Simon verschenen! Nu verhaalden de beiden ook, hoe Jesus onderweg bij hen gekomen was, en hoe zij hem aan het brekeu des broods gekend hadden.

BEMERKING. De verrijzenis van Christus is de vervulling der profetiën en voorzeggingen, de bevestiging van zijne Godheid en van zijn Evangelie, en de grondsteen van ons geloof-, want indien Jesus niet verrezen is, zegt de Apostel, (1. Cor. 11. v. 6.) zoo is ons prediken vruchteloos, en uw geloof ij ijdel. Ja, zoo worden wij (namelijk de Apostelen) valscho getuigen Gods bevonden. Dus moet de verrijzenis van Christus vast en onberoerlijk staan, en daarom heeft hij toegelaten dat de Apostelen zoo lang twijfelen en zich niet overgeven zouden, dan aan de klaarblijkelijkste bewijzen, opdat men niet zoude kunnen zeggen, dat het ligtgeloovige menschen waren, dia zich lieten bedriegen.

Christus verschijnt eerst aan Magdalena, omdat hare liefde zoo groot was; daarna aan de andere vrouwen, vermits zij getrouwer waren dan de Apostelen zeiven; verder aan Petrus, omdat hij in tranen van boetvaardigheid zat; ten 4. aan de twee leerlingen, omdat hun hart vol was, en zij spraken van datgene wat hem aanging. Dat Christus zich aan de heiliga Maagd vertoond heeft, schoon de heilige Evangelisten van haar zwijgen, hieraan is naauwelijks te twijfelen, ten ware Christus welligt met haar gehandeld had, gelijk hij gewoon is te doen met de vroomste en verhevenste zielen, aan welke hij het grootste deel geeft in zijn lijden, en het minste _in do tijdelijke vertroostingen.

De verrijzenis van Christus is een voorbeeld van de ware bekeering, door welke de zondaar uit zijne zonden opstaat, en tot een nieuw leven verrijst. Christus verrijst \'s morgens geheel vroeg. Men mag de bekeering niet uitstellen, maar men moet

(1) Terwijl zij op den weg waren, verscheen Christus te Jeruzalem aan Petrus, gelijk blijkt uit het volgende.

s stad sm w m za als

g na gt;, me n ge \'tgeni lf bij i

well )efcl zijl weel

BSUS, 5val ken, s en san bij IS;

sen eds gele; liet

-ocr page 646-

Geschiedenis

slapende lieden voor getuigen doen gelden!) En indien de stadhouder uwe onachtzaamheid gewaar wordt, zullen wij hem wei tevreden stellen, en maken dat u geen leed geschieden zaL Nu namen de soldaten het geld aan, en deden zoo als de hoogepriesters hun voorgezegd hadden.

Op denzelfden dag, namelijk op den eersten paaschdag namiddag, gingen er twee van de leerlingen naar een dorp, met name Emmaüs, hetwelk zestig stadiën (1) van Jeruzalem gelegen was. Onderwege spraken zij onder elkander van hetgene er gebeurd was, Terwijl zij dus praatten, kwam Jesus zelf bij hen, en hield hun gezelschap. Maar hunne oogen waren geboeid, opdat zij hem niet zouden kennen. Jesus vroeg: welk gesprek voert gij met elkander? en waarom zijt gij bedroefd? Een hunner, met name Cleophas, gaf hem tot antwoord; zijt gij alleen onder de vreemdelingen te Jeruzalem, die niet weet wat dezer dagen aldaar geschied is? Wat dan? vroeg Jesus. Ach, zeiden zij, wat er met Jesus van Nazareth is voorgevallen, die een groot profeet was, magtig in woorden en werken, voor God en al het volk; hoe hem onze hoogepriesters en oversten tot den dood hebben veroordeeld en laten kruisen ! Wij hoopten dat hij het was, die Israël verlossen zou; en bij dit alles, is het heden reeds de derde dag dat dit gebeurd is; wel is waar, hebben ons eenige vrouwen, die ook voigeressen van hem waren niet weinig verbaasd gemaakt; zij zijn reeds vroeg bij het graf geweest, en hebben zijn lijk niet neer gevonden ; hierop kwamen zij, en verhaalden dat hij leefde; eenigen van ons gingen dadelijk naar het graf, en vonden het werkelijk ledig; doch hem hebben zij niet gezien.

Toen zeide Jesus tot hen : o gij onverstandigen! is het u dan zoo moeijelijk om alles te gelooven wat de profeten voorzegd hebben? Moest Christus dit alles niet lijden, en zoo in zijne heerlijkheid ingaan ? Nu begon hij met Mozes, liep al de profeten door, en verklaarde hun alle plaatsen der Schrift, die op hem betrekking hadden.

Intusschen waren zij het vlek, waar zij heen wilden, genaderd. Jesus wilde verder gaan; doch beiden verzochten hem dringend: ach, blijf toch bij ons! Zie, de avond begint reeds te vallen, en de zon neigt ten ondergang. Toen nam hij bij hen zijnen intrek. Zoodra zij nu gezamenlijk aan tafel zaten, nam Jesus het brood, zegende het, brak het en gaf het hun. Op hetzelfde oogenblik gingen hunne oogen open, en zij herkenden hem. Duidelijk zagen zij zijn liefderijk aangezigt; en het was, alsof de hemel voor hen was opengegaan; doch op denzelfden stond onttrok J.jsus zich aan hunne oogen.

1) Eenc stadie is 125 stappen. De 60 stadiën maken 7500 stappen ; 3000 maken een uur gaans; diensvolgens de 60 stadiën twee uren en een half uur.

636

-ocr page 647-

van het Nieuwe Testament.

Toen zij van hunne eerste verbazing bekomen waren, zeiden zij tot elkander: was ons hart niet brandend, toen hij onder-wege met ons sprak en ons de Schrift verklaarde? Oogen-blikkelijk stonden zij op, en haastten zich om naar Jeruzalem terug te keeren, daar de liefde hen voortstuwde om deze blijde tijding aan de overige leerlingen te brengen.

Zij vonden de Apostelen en vele leerlingen te Jeruzalem (1) vergaderd : ook deze hadden intusschen een nieuw berigt van de opstanding van Jesus ontvangen. Jesus was namelijk aan den bedrukten Petrus, die opregt berouw gevoelde dat hij zijnen meester ontrouw geweest was, versohenen, om hem liefderijk te troosten; zij liepen dus hen beide dadelijk geheel verheugd te gemoet, en zeiden: de Heer is waarlijk opgestaan, en aan Simon verschenen! Nu verhaalden de beiden ook, hoe Jesus onderweg bij hen gekomen was, en hoe zij hem aan het breken des broods gekend hadden.

BEMERKING. De verrijzenis van Christus is de vervulling der profetiën en voorzeggingen, de bevestiging van zijne Godheid en van zijn Evangelie, en de grondsteen van ons geloof-, want indien Jesus niet verrezen is, zegt de Apostel, (1. Cor. 11. v. 6.) zoo is ons prediken vruchteloos, en uw geloof ij ijdel. Ja, zoo worden wij (namelijk de Apostelen) valsche getuigen Gods bevonden. Dus moet de verrijzenis van Christus vast en onberoerlijk staan, en daarom heeft hij toegelaten dat de Apostelen zoo lang twijfelen en zich niet overgeven zouden, dan aan de klaarblijkelijkste bewijzen, opdat men niet zoude kunnen zeggen, dat het ligtgeloovige menschen waren, die zich lieten bedriegen.

Christus verschijnt eerst aan Magdalena, omdat hare liefde zoo groot was; daarna aan de andere vrouwen, vermits zij getrouwer waren dan de Apostelen zeiven; verder aan Petrus, omdat hij in tranen van boetvaardigheid zat; ten 4. aan da twee leerlingen, omdat hun hart vol was, en zij spraken van datgene wat hem aanging. Dat Christus zich aan de heilige Maagd vertoond heeft, schoon de heilige Evangelisten van haar zwijgen, hieraan is naauwelijks te twijfelen, ten wara Christus welligt met haar gehandeld had, gelijk hij gewoon is te doen met de vroomste en verhevenste zielen, aan welke hij het grootste deel geeft in ziju lijden, en het minste in de tijdelijke vertroostingen.

De verrijzenis van Christus is een voorbeeld van de ware bekeering, door welke de zondaar uit zijne zonden opstaat, en tot een nieuw leven verrijst. Christus verrijst \'s morgens geheel vroeg. Men mag de bekeering niet uitstellen, maar men moet

(1) Terwijl zij op den weg waren, verscheen Christus te Jeruzalem aan Petrus, gelijk blijkt uit het volgende.

637

-ocr page 648-

638 Geschiedenis

de beweging van den heiligen Geest ijverig en spoedig volgen. 2. Hij laat alle doodskleederen in het graf. De zondaar moet alle zondige gewoonten en geneigdheden verlaten. 3. Christus is waarlijk verrezen, en geeft er overtuigende blijken van. De zondaar moet vaste blijken geven van eene ware bekeering. 4. Christus is verrezen om niet meer te sterven. De zondaar moet voor goed herleven, om voortaan nimmer meer in de zonde te sterven.

LXXVIII. HOOFDDEEL.

Christus vertoont zich aan zijne Apostelen in het afwezen van Thomas, en acht dagen daarna in zijn bijwezen; wederom bij de zee van Tiberias, en eindelijk op eenen berg in Galiiea. Al die verschijningen zijn ook voor ons geschied. Matth. 28. Mare. 10. Luc. 24, Joan. 21. 1. Cor. 15.

Terwijl de Apostelen en de twee leerlingen over deze dingen spraken, en de deuren uit vrees voor de Joden gesloten hadden, kwam Jesus nog op denzelfden avond (IJ in het midden van hen staan, zeggende: vrede zij met u. Ik ben het, vreest niet. Zij werden verschrikt en meenden, dat zij eenen geest zagen; maar Jesus zeide tot hen: waarom ontstelt gij u? Beziet mijne handen en voeten, ik ben het zelf: voelt en ziet, een geest heeft noch vleesch, noch beenderen, gelijk gij ziet dat ik ze heb. Bij dit zeggen, toonde hij hun zijne handen en voeten, en zijne zijde. Maar dewijl zij, vol blijdschap, het nog niet geloofden, vroeg hij: hebt gij hier iets om te eten? Zij stelden hem een stuk gebraden visch met honigraat voor. Hij at daarvan in hunne tegenwoordigheid, nam de overblijfsels en deelde die onder hen uit. Nu zeide hij nog eens; vrede zij met u. Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u ook. Als hij dit gezegd had, blies hij op hen, zeggende: ontvangt den heiligen Geest: welker zonden gij zult vergeven hebben, die zullen hun vergeven zijn, en welker zonden gij houden zult, die zullen gehouden wezen.

Thomas, genoemd Didymus, een der twaalf, was echter met hen niet, als Jesus kwam. Deze zeide dan, dat hij niet eerder zoude gelooven dat Jesus verrezen was, tenzij hij zelf zijne wonden zag, en zijnen vinger in zijne zijde hadde gestoken.

Acht dagen daarna, (1) wanneer zij andermaal in dezelfde plaats vergaderd waren, en Thomas met hen was, kwam Jesus weder, terwijl de deuren gesloten waren, in het midden van hen staan. Hij riep Thomas, en deed hem zijne wonden aanraken. Deze Apostel, nu gansch overwonnen, riep hierop uit: mijn Heer en mijn God! Maar Jesus gaf hem tot antwoord

(1) Op den eersten Paaschdaj.

(2) Des Zondags 12 April.

-ocr page 649-

van Tiet Nieuwe Testament.

omdat gij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd; zalig zijn zij die gelooven, zonder gezien te hebben.

Naderhand vertoonde zich Christus op nieuw aan zijne leerlingen, bij de zee van Tiberias, namelijk aan Petrus en Thomas, Joannes en Jacobus, eu aan Nathaniel, met nog twee andere leerlingen, die allen met Petrus ter vischvangst waren gegaan. Nadat zij den geheelen nacht zonder iets te vangen overgebragt hadden, zagen zij Jesus, zonder hem te kennen, toen de morgen aanbrak op den oever staan. Hij vroeg hun om iets te ontbijten, en hield zich alsof hij visch van hen wilde koopen. Dewijl zij niets hadden, deed hij hun het net naar den regterkant van het schip werpen, hetwelk aanstonds zoo vol visschen was, dat zij niet magtig waren hetzelve op te trekken. Nu kende Joannes, de beminde leerling, zijnen Meester, en zeide tot Petrus : het is de Heer ! En Petrus, op het hooren dezer woorden, gordde zijn overkleed om, en sprong in zee, om naar Jesus te zwemmen. De overigen volgden in het schip, terwijl zij het net met visschen voorttrokken. Aan het land gekomen zijnde, zagen zij daar een koolvuur aangelegd, met eenen visch daarop, en brood. Jesus vroeg van de visschen die zij gevangen hadden. Zij trokken dan het net aan land, waarin honderd drie en vijftig visschen waren, zonder dat nogtans het net scheurde. Jesus nam dan brood en visch, en deed hun het noenmaal nemen. Dit was de derde keer, zegt de H. Joannes, dat hij zich aan zijne leerlingen vertoonde. Dat is, de derde verschijningsdag, of de derde maal, dat hij zich aan een deel zijner leerlingen te zamen vertoonde.

Na het noenmaal vroeg Christus aan Petrus tot driemaal toe, of hij hem liefhad ? en op zijn drievoudig antwoord, beval hij hem ook tot driemaal toe zijne lammeren en zijne schapen te hoeden, terwijl hij hem voorzegde, hoe hij God in zijne oude dagen door den marteldood zou verheerlijken. Daar Petrus verlangde te weten, wat er van den beminden leerling zoude geworden, bestrafte Christus zijne nieuwsgierigheid, zeggende: indien ik dezen wil laten blijven, tot dat ik kome, wat gaat u dat aan ? Volg gij mij.

BEMEEKING. Wij behooren dikwijls te denken, dat Christus ons vraagt: bemint gij mij? En of wij met waarheid kunnen zeggen: ja, Heer, ik bemin U. Doch daartoe zijn enkele woorden niet genoeg; maar de werken en eene trouwe onderhouding van zijne geboden, moeten de proef van onze woorden zijn. Die mijne geboden heeft, en dezelve onderhoudt, zegt Jesus, die is het, die mij bemint. De geestelijke herders moeten ook denken, dat Christus tot hen zegt, gelijk tot Petrus: hoedt mijne schapen, en niet u zeiven; hoedt die

639

-ocr page 650-

Geschiedenis

als de mijne, en niet als de uwe; zoekt mijne verheerlijking, en niet de uwe, opdat gij niet als huurMngon zijt, die zich zeiven en niet de schapen beminnen.

Op eenen anderen dag bestegen de elf leerlingen eenen berg in Galilea, waar Jesus hen genoodigd had. Hij verscheen aldaar volgens de getuigenis van den Apostel Paulus (1. Cor. 15. v. 6), aan meer dan vijf honderd broeders. Toen zij hem zagen, aanbaden zij hem, alhoewel sommigen in het eerst nog twijfelden (of het in de daad Jesus was), en hij zeide: mij is alle magt gegeven in den hemel en op de aarde. Gaat alzoo en onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes. Leert hun onderhouden al wat ik u geboden heb. Ziet, ik ben ten allen tijde met u, tot het einde der wereld.

Daarna verscheen Jesus ook nog eens in het bijzonder aan den heiligen Jacobus, zoo als de heilige Paulus getuigt. (Ibid. v. 7.)

BEMEEKING. Even als deze verschijningen van Christus tot eene onwederlegbare bevestiging van zijne Godheid en van zijne goddelijke leering dienen, zoo strekken zij ook tot versterking van ons geloof, tot opwekking van ons betrouwen, en tot vermeerdering van onze liefde, zoo ten opzigte van den persoon van onzen goddelijken Zaligmaker, als van zijne heilige lessen, die hij zoowel tot ons als tot zijne leerlingen, voor en na zijne roemrijke verrijzenis, gesproken heeft. Doch welke verwondering, welke dankzegging en welke aanbidding zijn wij niet schuldig over die goddelijke magt, welke Christus in zijne Apostelen en de heilige Kerk verleend heeft; over al de mirakelen en wondere teekenen, die hij hun voorzegd heeft door quot;hunne handen te zullen geschieden in zijnen naam, en die wij verzekerd zijn naderhand geschied te wezen, overal waar het heilig Evangelie eerst verbreid is geworden ! Wat eene vastheid heeft dan ons heilig geloof niet, en hoe wonderlijk heeft de Zaligmaker de schande van het kruis weggenomen, door de verheerlijking zijner verrijzenis en derzei ver treffelijke gevolgen!

LXXIX. HOOFDDEEL.

Laatste verschijning van Christus. Hij belooft den heiligen Geest en vaart ten hemel. Wat hij in den hemel voor ons doet. Hoop van hem te volgen. Mare. 26. Luc. 24. Act. l. — Het jaar 33, den 14 Mei.

Ten laatste verscheen de Zaligmaker aan de elf Apostelen, terwijl zij aan tafel zaten, op den dag zijner hemelvaart, waarschijnlijk in dezelfde kamer, alwaar zij zich tot nog toe,

640

-ocr page 651-

van het Nieuwe Testament. 641

vergaderd en opgesloten hielden. Nadat hij hun hunne ongeloo-vigheid en de hardheid van hun gemoed verweten had, zeid( hij hun: deze zijn de woorden die ik tot u gesproken heb, al ik nog bij u was: dat alles moest vervuld worden, hetgem van mij in de wet van Mozes, in de profeten en in de psalme; geschreven staat. Tegelijk opende hij hun verstand, opdat zij d Schrifturen zouden verstaan, en zeide: alzoo staat er geschreven aldus moest de Christus lijden, ten derden dage verrijzen, e; in zijnen naam de boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden ge predikt worden aan alle volkeren, te beginnen van Jeruzaler. af. Gij zijt getuigen van deze dingen. Hij zeide verder: gaa; door de geheele wereld; predikt het Evangelie aan alle schepselen. Die gelooven en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maai die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. En deze teekens zullen diegenen volgen, welke gelooven ; zij zullen in mijnen naam de duivelen uitjagen, vreemde talen spreken, slanger opnemen, en indien zij iets doodelijks mogten gedronken hebben, zal zulks hun niet schaden; zij zullen de handen op de zieken leggen, en deze zullen gezond worden. Ik ga u zenden, zeide hij wederom, volgens de beloften des Vaders : blijft dan in de stad, tot dat gij met kracht van hierboven bekleed wordt. Want Joannes doopte wel met water: maar gij zult binnen eenige dagen met den heiligen Geest gedoopt worden.

Zij vroegen hem nu: Heerl zult gij nu het rijk van Israël gaan herstellen ? Doch hij zeide hun: het staat u niet toe de tijden en stonden te weten, die de Vader in zijne magt gesteld heeft; maar gij zult de kracht van den heiligen Geest ontvangen, die over u zal nederdalen: gij zult mijne getuigen zijn zoo te Jeruzalem, als door geheel Judea, Samarië en tot de uiterste grenspalen der wereld.

Nadat de Heer Jesus met hem aldus gesproken had, leidde hij hen buiten Bethanië: hier hief hij zijne handen op, en gaf hun zijnen zegen. Terwijl hij hen zegende, scheidde hij zich van hen af, hij voer opwaarts ten hemel, en eene wolk nam hem voor hunne oogen weg. Hij is aldaar gezeten aan de regterhand Gods. Terwijl zij hunne oogen hemelwaarts geheven hielden, toen hij opklom, verschenen hun twee Engelen in witte kleeding, die tot hen zeiden: mannen van Galilea! wat staat gij aldus naar den hemel te zienP Diezelfde Jesus, die voor uwe oogen ten hemel gevaren is, zal op dezelfde wijze wederom komen, gelijk gij hem ten hemel hebt zien stijgen. Zij aanbaden hem vervolgens, en keerden vol vreugde van den Olijfberg weder naar Jeruzalem.

In de stad gekomen zijnde, begaven zij zich naar de spijs-of offerzaal,, alwaar zij verbleven, te weten : Petrus, Joannes, Jacobus, Andreas, Philippus, Thomas, Bartholomeus, Mattheus,

41

-ocr page 652-

Geschiedenis

Jacobus, zoon van Alplieiis, Simon de ijveraar, en Judas, broeder van Jacobus. De volhardden allen eenparig in het gebed met Maria, de Moeder van Jesus, en met nog vele andere godvruchtige vrouwen, en met de broeders van Jesus, dat wil zeggen, met mijne bloedverwanten.

BEMERKING. Christus is ten hemel geklommen, om ons aldaar eene plaats te bereiden, om als onze middelaar bij den Vader voor ons te spreken, pm als hoogepriester de offerande van zijn bloed aan Hem voor ons te vertoonen: om onze gebeden aldaar te ontvangen; om den heiligen Geesc met al zijne gaven en genaden over ons af te zenden; om aan de zondaars eenen vrijen toegang te bezorgen tot den troon van genade. Eindelijk, om onze harten tot Hem te trekken, als tot onzen schat, in wie onze liefde moet rusten. Met reden mogen wij dan hopen, dat de lidmaten eens zullen volgen daar, waar hun hoofd hen is voorafgegaan. (Leo. Serm. 1. de Ascens. Dom.) Aldaar zullen wij Christus zien, zoo als hij is, hem kennen zonder dwalen, (Aug. lib. 11. de Civit. cap. 28.) en even als wij van hem gekend worden; hem onophoudelijk beminnen, met hem vereenigd zijn zonder hem te kunnen verliezen, en hem genieten met eene onuitsprekelijke blijdschap, welke uit de kennis en uit de liefde zal voortspruiten. Doch wij zullen er niet zonder lijden komen; want indien Jesus heeft moeten lijden, om zijne heerlijk-lieid in te gaan, hoe kunnen wij hem dan volgen, tenzij wij met hem lijden, ons kruis opnemen, ons zeiven verloochenen, en, volgens zijn gebod, den hemel geweld aandoen.

LXXX. HOOFDDEEL.

Matthias wordt in de plaats van Judas verkozen. De komst van den heiligen Geest. De leerlingen spreken allerhande talen. Drie duizend menschen worden door de eerste predikatie van Petrus bekeerd. Heilig leven van de eerste geloovigen. Hoe de heilige Geest de menschen verandert. Act. 2. Het jaar 33. Van de Hemelvaart tot Pinksteren.

Na de hemelvaart van Christus, die de voltrekking van de daden onzes Zaligmakers is, welke ons beschreven zijn door de heilige Evangelisten, beginnen eigenlijk de werken of daden der Apostelen, ons achtergelaten door den H. Lucas. Men kan in deze bemerken, hoe dat, na de afzending van den heiligen Geest, het christen geloof eerst geplar.t word in het midden der vervolgingen, lasteringen en verdrukkingen, en hoe dat alle slag van menschen, hooge en lage, elk dooi hunne bijzondere driften gedreven, hetzelve te vergeefs hebben bestreden. Men ziet daar ook de groote liefde van de eerste Christenen onder elkander, een eene volkomene versmading van de aardsche goederen. Doch schoon de H. Lucas in

642

-ocr page 653-

van het Nieuwe Testament,

het begin de daden van de Apostelen in het gemeen beschrijft, verhaalt hij nogtans in het vervolg bijzonderlijk de reizen, de predikatiën en den veelvuldigen arbeid van den H. Paulus, sprekende meestendeel als ooggetuige en medegezel van den grooten Apostel.

Zijn boek behelst in 33 hoofddeelen, de geschiedenissen van omtrent 30 jaren, beginnende van bet jaar onzes Heeren 33 tot 63. De eerste geschiedenis na de hemelvaart van Christus, is de verkiezing van Matthias, welke de H. Lucas in dezer voege verhaalt:

Terwijl de Apostelen met de andere leerlingen en de heilige vrouwen te Jeruzalem in de afgezonderdheid zaten, en de komst van den heiligen Geest verwachtteden, stond Petrus in het midden van de broeders (die te zamen omtrent het getal van honderd en twintig uitmaakten), en zeide hun: broeders, het-gene de heilige Geest door den mond van David (Psalm 40. v. 10.) in de Schrift voorzegd heeft wegens Judas, die de aan-leider geweest is van degenen die Jesus gevangen hebben, moet volbragt worden. Hij was van ons getal, en had ook deel in het lot dezer bediening gekregen. Maar na een stuk land uit bet loon zijner snoode daad bekomen te hebben, (1) heeft hij zich verhangen: hij is in het midden door gebarsten, en geheel zijn ingewand is uitgevloeid. Dit alles is aan de inwoners van Jeruzalem bekend geworden, en dat stuk land wordt in hunne taal Haceldama, dat is, het bloed veld genoemd. Nu er staat in het boek der Psalmen geschreven: (Psalm 68. v. 26. en 108. v. 8.) dat zijne woonstede verlaten worde; dat niemand die bewone, en dat een ander zijn bisschoppelijk ambt ontvange. Het is dan noodig, dat van die mannen, die met ons omgegaan hebben, zoo lang de Heer Jesus onder ons was, van den doop van Joannes af tot den dag toe dat hij van ons ten hemel is opgevaren, één gesteld worde, om met ons zijne verrijzenis te getuigen. Zij stelden er dan twee Jozef, Barrabas genoemd, wiens bijnaam ook Justus was, en Matthias. Hierop baden zij aldus: Heer! Gij die de harlen van alle menschen kent, wijs ons toch aan, wie Gij van deze twee verkoren hebt om dit ambt te bekleeden, dat is, het Apostelschap, waarvan Judas door zijne boosheid vervallen is. Zij trokken dan het lot (2) over hen, en hetzelve viel op Matthias. Deze werd dus onder het getal der Apostelen opgenomen.

(1) Dat is, de dertig penningen, voor welke hij Christus geleverd had, en met welke dit land gekocht werd. Bijna gelijk de dieven de galg bekomen door hunne dieverijen, niet volgens hun voornemen, ma^r volgens den uitval der zaken.

(2) De Apostelen trekken hier het lot door Gods ingeven, waarschijnlijk om klaarder te toonen, dat de verkiezing tot de geestelijko bedieningen van God alleen moet afhangen.

643

-ocr page 654-

Geschiedenis

BEMERKING. Heer! Gij die de harten kent, toon ons wie Gij verhoren hebt. Indien men het hart moet kennen, om tien waar-digsten tot de geestelijke bedieningen te kiezen, is het dus da gesteltenis van het hart, die de waardigste bedienaars maakt; het is dan aan God, dat men de verkiezing moet laten; want God kent de harten zoo als zij zijn, en de menschen kunnen er slechts naar gissen door de uitwendige werken. Het voornaamste deel dus, hetwelk de menschen in dusdanige verkiezingen mogen nemen, is den Heer te bidden, dat hij zoude kiezen, zenden en toonen, wie hij verkozen heeft. Als Christus tot zijne Apostelen zeide: de oogst is groot, maar er zijn weinige werklieden, zegt hij niet: loopt dan elk spoedig naar het werk, maar: lidt den Heer van het oogstveld, dat hij werklieden naar zijn véld wille zenden. Het staat aan den Heer alleen te kiezen en te zenden. Hij kiest dezulken, die het hem belieft, en maakt diegenen waardig door zijne verkiezing, welke het te voren niet waren, en hij verwijst degenen die van zelfs loopen, zonder gezonden te worden, hoe waardig zij ook mogten schijnen.

De Apostelen volgen deze grondregels. Zij verkiezen er twee uit de menigte, die zij oordeelen de waardigsten te zijn; zij bidden, en laten aan den Heer de keus van die beide; en teneinde het te meer zoude blijken, dat het de Heer is dié hierin beslist, onderwerpen zij zich aan het lot.

Het is ook deze meening, die de heilige Kerk wil opvolgen, als zij op de Quatertemperdagen de geloovigen eenparig doet bidden en vasten, om van den Heer verlicht te worden in de verkiezing der geestelijke bedienaars. Maar volbrengen de geloovigen ook met ijver dezen schuldigen pligt? Te vergeefs klagen zij over onwaardige en onbekwame dienaars; zij zei ven zijn er de schuld van; zij bidden niet, trekken zich die gewig-tige zaak niet aan, en aldus wordt hunne onverschilligheid gestraft.

Wee aan de verkiezers der geestelijke bedienaars, indien zij zich vleijen over hun vermogen, alsof zij dit mogten aanzien als eens gelegenheid, om hunne bloedverwanten en hunne vrienden te bevorderen, en aan te stellen die het hun belieft. Da Apostelen, die zoo heilig en wier meeningen zoo zuiver waren, beven en bidden om eenen mede-Apostel te verkiezen; en wij zullen zonder vrees zijn!

Als het Pinksterfeest genaderd was, (1) waren zij nog in de reeds gemelde zaal bij elkander. Nu hoorde men plotseling 9en gedruisch aan den hemel, als van eenen zeer sterken wind, die het geheele huis vervulde. Ook verschenen hun vurige tongen, welke op een ieder hunner verbleven. Allen werden met

fl) Op den 24 Mei.

644

-ocr page 655-

van het Nieuwe Testament.

den heiligen Geest vervuld, en begonnen verscheidene talen te spreken, zoo als hun de heilige Geest die ingaf. Ten dien tijde waren er te Jeruzalem godvruchtige Joden, uit alle natiën, die onder den hemel zijn. Toen dit gedruisch vernomen werd, liep eene- groote menigte volks naar de plaats, waar de Apostelen vereenigd waren. Hoe stond elkeen niet verbaasd, toen zij de Apostelen, elk in zijne moedertaal hoorden spreken! Wel hoe, vroegen zij elkander: zijn zij allen, die daar spreken, geene Galileërs ? Hoe hooren wij elk van hen dan spreken in onze taal, waarin wij geboren zijn? Wij allen, zoo verscheiden van land en spraak, hooren hen, elk in onze taal, de groote daden van God verkondigen. Zij zeiden dan met verbaasdheid: wat beduidt dit ? Doch andere zeiden spottend: dat volkje heeft te veel wijn gedronken.

Nu trad Petrus met de overige Apostelen op, en sprak met luider stemme; gij mannen van het volk van Judea, en gij allen die te Jeruzalem woont, luistert naar mijne woorden. Deze lieden zijn niet dronken, gelijk gij meent, mits het maar het derde uur van den dag is (1); maar dit is hetgene reeds voorzegd is door den profeet Joel (Joël 3. v. 28. Isaï 45. v. 3.) : in de laatste dagen, zegt God, zal ik mijnen Geest over alle vleesch uitstorten. Uwe zonen , en dochters zullen profeteren, uwe jongelingen zullen door goddelijke gezigten verlicht worden, en uwe oudsten zullen voorzeggende droomen krijgen. Mannen van Israël! luistert nu verder wat ik u zeggen zal: gij weet het zelve, dat Jesus van Nazareth, door magtige* daden van God, bewezen is de man te zijn, die aan u gezonden was. Van dezen Jesus, die naar Gods onveranderlijke raadsbesluiten in uwe magt geleverd is, hebt gij u meester gemaakt, hem aan het kruis geklonken en gedood. God heeft hem echter weder opgewekt; want het was onmogelijk, dat de dood hem in zijne magt kon houden. Dezen Jesus heeft God doen verrijzen; daarvan zijn wij allen getuigen. Deze is het, die (nadat hij door Gods magt is verhoogd) den heiligen Geest over ons heeft uitgestort, gelijk gij dit nu hoort en ziet. Geheel het geslacht van Israël moet dan voorzeker weten, dat God denzelfden Jesus, welken gij gekruist hebt, tot den Heer en Messias gesteld heeft.

Toen zij dit hoorden, werden zij in hun hart geraakt, en vroegen Petrus en de andere Apostelen; gij mannen en broeders, wat zullen wij dan nu doen? Petrus gaf hun tot antwoord : bekeert u, en dat een ieder van u in den naam van Jesus. Christus, tot vergiffenis zijner zonden gedoopt worde, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. Want die belofte

fl) Dat is, omtrent negen ure \'s morgens, naar orze reken\'ng.

645

-ocr page 656-

Gesc/iiedeitia

is aan u, aan uwe kinderen, en aan allen die nog verre af zijn, gedaan. Zij, die het woord uit goeder harte aannamen, werden gedoopt: eu op die dagen waren er omtrent drie duizend personen, die onder het getal der leerlingen van Jen us Christus gesteld werden. Deze woonden gestadig de onderwijzingen der Apostelen bij, en waren bij de gemeenschappelijke breking des broods en bij het gebed tegenwoordig. Al het volk was vol ontzag voor de eerste geloovigen, door het aanzien hunner deugden. Ook werden er vele wonderdaden te Jeruzalem door de Apostelen gedaan, zoodat een ieder verschrikt stond. Al de geloovigen hielden zich vereenigd, en hadden alles onder elkander gemeen; da meer gegoeden verkochten land en goed, en bragten den prijs daarvan aan de voeten der Apostelen, die dit verdeelden onder hen allen, volgens dat een ieder noodig had. Zij gingen ook alle dagen gezamenlijk naar den tempel, braken nu in dit, dan in dat huis, het brood (1), en genoten hunne spijzen met vreugde en eenvoudigheid des harten. Ook vermeerderde God dagelijks het getal dergenen, die zalig werden.

BEMERKING. De heilige Geest maakt de Apostelen gansch andere menschen. Zij waren onwetend en onkundig; nu spreken zij allerlei talen, verstaan de Schrifturen, halen de verholene spreuken op van de Profeten, en hetgene Christus hun had „beloofd, wordt volbragt, namelijk dat hij hun eenen mond en eeue wijsheid zoude geven, die niemand van hunne vijanden zoude kunnen tegenspreken: immers zij zijn het niet die hier spreken, maar het is de Geest Gods, die in hen spreekt.. Zij waren te voren zwak als een riet; eene dienstmeid was genoeg om hen te doen beven, en zij sloten zich op van vrees. Nu komen zij onbeschroomd te voorschijn, eu zeggen aan de Joden regtuit, dat zij de moorders van hunnen Messias zijn. Welk eene goddelijke verandering! Aldus zal dezelfde Geest ook de harten veranderen van al diegenen, welke hem opregt ontvangen. Hij zal die verlichten, vertroosten, en eenigzins gelijk maken aan de opregte boetvaardigen, die zich op het prediken van Petrus bekeerden. Kom,\' o heilige Geest, vervul de harten uwer geloovigen, en ontsteek in hen het vuur uwer goddelijke liefde!

(i) Dat is, zij verojaderdon met benden in de geschiktste huizen, .hielden broedermaa:tijden onder elkander, naar het voorbeeld van het laatste, avondmaal, alwaar zij ook waarschijnlijk liet heilig Sakrament ontvingen. Het is van deze bijeenkomsten dat de heilige Paulus spreekt, 1. Cor. 11., als hij eenige misbruiken berispt, die ten zijnen tijde daar reeds waren ingeslopen.

646

-ocr page 657-

647

van het Nieuwe Testament. LXXXI. HOOFDDEEL.

Petras geneest eenen kreupele. Zijne tweede leerrede. Hij wordt te zamen

met Joannes gevangen gezet. Men verbiedt hun verder te prediken.

Hun treffelijk antwoord. Het gebed van de geheele Kerk voor hen. Zij worden door den heiligen Geest versterkt. De liefde der eerste Christenen. Aot. 3. 4. — Het jaar 33.

Om de leerlingen der Apostelen te bevestigen, liet de Heer aanstonds volgens zijne gelofte de mirakelen volgen, die als de goddelijke zegels zijn om Gods woord te bekrachtigen. Aldus, na de eerste leerrede van Petrus, welke Mervoren verhaald is, ging de Apostel te zamen met Joannes naar den tempel, omtrent het negende uur des gebeds. Een arme man, die van zijne geboorte af lam was geweest, liet zich ten dien tijde dagelijks brengen aan de poort des tempels, genoemd de schoone poort, om eene aalmoes te verzoeken van hen die den tempel binnen traden. Hij vroeg ook de beide Apostelen eene aalmoes. Maar Petrus zeide tot hem, zie ons aan ! Hij beschouwde hen dan ook met opmerkzaamheid, in de hoop iets te zullen ontvangen. Doch Petrus zeide: ik heb noch goud, noch zilver; maar hetgene ik heb, geet ik u. In den naam van Jesus Christus van Nazareth, sta op en wandel! Petrus nam hem bij de hand, hief hem op, en denzelfden stond werden zijne beenen en voeten gestijfd. Hij sprong op, stond en ging, en kwam met hen huppelend springen in den tempel, en dankte God. Al het volk dat hem zag gaan en God hoorde loven, werd zeer verbaasd en verschrikt over hetgene hem overkomen was. En terwijl hij zich bij Petrus en Joannes hield, liep al het volk met verbaasdheid tot hen in de gaanderij, die Salomon\'s gaanderij genoemd wordt. — Toen Petrus dit zag, sprak hij het volk aldus aan : mannen van Israël 1 waarom staat gij hierover verwonderd, of waarom hebt gij de oogon op ons geslagen, alsof wij door onze eigene kracht dezen mensch hadden genezen ! De God van Abraham, de God van Izaak, de God van Jacob, de God onzer vaderen heeft zijnen Zoon Jesus verheerlijkt, dien gij overgeleverd en verloochend hebt, in de tegenwoordigheid van Pilatus als hij oordeelde dat men hem los moest laten. Gij hebt den Heilige en den Kegtvaardige verloochend, en verzocht dat men u eenen moordenaar zoude schenken. En den Gever des levens hebt gij ter dood gebragt; maar God heeft hem van den dood weder opgewekt: wij zijn daarvan getuigen. En door het geloof in zijnen naam, heeft hij dezen u bekenden mensch die volmaakte gezondheid toegedeeld. Nu, broeders! ik weet wel dat gij het door onwetendheid bedreven hebt (1), gelijk mede uwe

(1) Onwetendheid, die voortkomt uit bedorvenheid en verblindheid des harten, die zonde is, en uitwerksel der zonde; maar Petrus verschoont hen zoo veel mogelijk, om hen des te beter te winnen.

1,11

i

i

ïl

ii:

-ocr page 658-

648 Geschiedenis

oversten. Doet dan boetvaardigheid en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewisoht worden. Terwijl hij nog tot het volk sprak, kwamen de priesters, de hoofdman des tempels, en de Saduceërs, en namen het zeer euvel dat zij het volk leerden, en de verrijzenis der dooden vaststelden, door het voorbeeld van Jesus, dien zij verkondigden verrezen te zijn. Zij sloegen dan de handen aan hen, en stelden hen tot \'s anderendaags in de gevangenis (vermits het reeds avond was geworden.) Velen van die, welke het woord gehoord haddon, namen het geloof aan, en het getal der nieuwe aanhangers bedroeg ongeveer duizend man.

Des anderendaags vergaderden te Jeruzalem de opperhoofden, de ouderlingen en schriftgeleerden, met Annas den hoogeprie-ster, Caïphas, Johannes, Alexander, en allen die van het priesterlijke geslacht waren. Petrus en Joannes moesten in het midden van hen verschijnen. Door wat magt, of in wiens naam hebt gij dit uitgewerkt, vroeg men hun ? Petrus, vervuld met den heiligen Geest, sprak tot hen in dezer voege: hoort toe, gij opperhoofden des volks, en gij ouderlingen van Israël I Aangezien men ons heden regt vraagt over de weldaad, welke wij aan eenen gebrekkelijken mensch bewezen hebben, dat men zich wil onderrigten van de manier op welke hij genezen is, zoo verklaren wij aan u allen, en aan al het volk van Israël, dat het geschied is door den naam van onzen Heer Jesus Christus, van Nazareth, dien gij gekruist hebt en dien God ■ van den dood verwekt heeft; door dezen is het, dat die mensch hier gezond voor u staat. Hij (Jesus) is de steen, dien gij, bouwmeester verworpen hebt, en die de opperste hoeksteen geworden is. (Zie Matth. 21. v. 42.) Ook is er geene zaligheid in iemand anders te bekomen. Want er is geen andere naam onder den hemel aan de menschen vergund, door welken wij moeten zalig worden.

BEMERKING. Geene zaligheid, tenzij door Jesus; geen opregt en zaligmakend goed, tenzij door zijne genade; geene genade, tenzij door zijne verdiensten.

De regters, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Joannes, en wetende dat het ongeleerde en geringe menschen waren, stonden verwonderd. Zij wisten ook, dat zij leerlingen van Jesus geweest waren. Bovendien konden zij de genezing van den man die voor hen stond, niet loochenen. Zij geboden hun dan uit den raad te gaan, en beraamden onder elkander, zeggende : wat zullen wij met die menschen doen ? Want dat er een openbaar mirakel door hen gedaan is, is aan al degenen bekend, die te Jeruzalem wonen: wij kunnen het niet loochenen. Maar opdat het niet .verder onder het volk verspreid worde, zoo laat óns hun streng verbieden, van nog voortaan

-ocr page 659-

van het Nieuwe Testament.

in dezen naam \'tot eenigen mensch spreken... Zij werden vervolgens geroepen, en men verbood hun van, op wat wijze het zou mogen zijn, nog in den naam van Jesus te spreken of te leeren. Maar Petrus en Joannes antwoordden: wij laten u zeU ven oordeelen, of het voor God redelijk is, aan u meer te gehoorzamen, dan aan God. Want wij kunnen datgene, wat wij gezien en gehoord hebben, niet nalaten te verkondigen.

BEMERKING. Hoe zeldzaam is deze apostolische gesteltenis! Om God meer gehoorzaam te zijn dan de menschen, moet men God maar alleen vreezen, en manmoedig al datgene verachten, wat de menschen kunnen geven of nemen, met al het leed dat zij ons kunnen doen, als zij tegen God aankanten.

Met dat al bedreigden zij de Apostelen nog strenger, en lieten hen vervolgens henen gaan, want zij vonden geen middel om hem te straften, ter oorzake van het volk, aangezien iedereen God verheerlijkte over hetgene er geschied was. De man, aan wien deze wonderdadige genezing gedaan was, was boven de veertig jaren oud.

Toen de Apostelen los gelaten waren, kwamen zij tot hunne medebroeders, en verhaalden wat de opperpriesters en de ouderlingen hun gezegd hadden. Deze, dit hoorende, verhieven gezamenlijk hunne stem tot God, en zeiden: Heer! gij zijt de God, die hemel en aarde, de zee en al wat er in is, geschapen hebt; Gij hebt door den heiligen Geest, door den mond van onzen vader David, uwen dienaar, gezegd: (Ps. 2. v. 1.) waarom hebben de Heidenen gebulderd? waarom hebben de volk-keren ijdele voornemens gemaakt? De koningen der aarde hebben een verbond aangegaan; de vorsten staan te zamen tegen den Heer en tegen zijnen gezalfde op. Want waarlijk zijn Horodes en Pontius Pilatus, met de Heidenen en het volk van Israël, in deze stad te zamen gekomen tegen uwen heiligen Zoon Jesus, dien gij gezalfd hebt, om datgene uit te werken, wat uwe handen en uw raad hadden voorbeschikt te geschieden\'. Nu dan, Heer, sla uwe oogen op hunne bedreigingen, om die te beletten en te vernietigen; en vergun uwe dienaars, dat zij uw woord met alle vrijmoedigheid mogen spreken, en door het uitsteken van uwe hand (dat is, door uwe magt en kracht) genezingen, mirakelen en wonderdaden geschieden mogen, in den naam van uwen heiligen Zoon Jesus.

Als zij hun gebed geëindigd hadden, werd de plaats, daar zij vergaderd waren, geschokt; zij werden allen met den heiligen Geest vervuld, en spraken Gods woord met alle vrijpostigheid. — De geloovigen, alhoewel zij nu reeds in groot getal waren, hadden slechts één hart en ééne ziel, en niemand

649

-ocr page 660-

■650 Geschiedenis

zeide dat iets van hetgene hij bezat, het zijne was, maar alles was onder hen gemeen. Dus was er ook niemand behoeftig onder hen, omdat al degenen die landerijen of huizen bezaten, dezelve Verkochten en den spijs daarvan voor de voeten der Apostelen bragten, waarvan men aan een ieder volgens zijne behoefte uitdeelde. — Onder andere wordt hierover bijzonderlijk door den Geest geprezen, Jozef, bijgenaamd Barnabas, die zijnen akker verkocht, en den prijs daarvan in het gemeen bragt. — Verder gaven de Apostelen met groote vrijmoedigheid getuigenis van de verrijzenis van onzen Heer Jesus Christus.

BEMERKING. Hier hebben wij de eerste beginselen van tie christene Kerk. De heilige Geest predikt door de Apostelen; maar welke preek! God werkt krachtdadig door zijne mirakelen; de harten worden ontroerd, de geloovigen versterkt. Wat voorbeelden van bekeering! Wat voorbeelden van deugden ! Welke liefde, welke eendragt onder elkander, welke vurige gebeden! Alles is hier goddelijk, en wij hebben geene andere bemerkingen noodig, als wij wel bevroeden, dat de Geest Gods ons hierdoor leert, hoe wij die voetstappen van de eerste geloovigen, ten minste van verre moeten navolgen.

LXXXII. HOOFDDEEL.

Aiianias en Saphira worden met eenen plotselijken dood gestraft. Liegen is steeds zonde. De Apostelen doen vele mirakelen; zij worden in do gevangenis gesteld, door den Engel verlost, en in den raad gegeeseld. Act. 5. Het jaar 33.

Daar God middelerwijl wilde toonen, hoe groot de op-regtheid en ongeveinsdheid van de godsdienst onder de geloovigen wezen moet, liet hij door een schroom verwekkend voorbeeld den gruwel blijken, dien hij van alle huichelarij heeft. Zeker man, met name Ananias, met Saphira, zijne vrouw, verkochten een stuk land, om aldus zoo het scheen, de volmaaktheid van de andere geloovigen na te volgen, die alles verkochten, en de opbrengst der verkochte goederen aan de Apostelen ter hand stelden. Doch de man hield, met kennis van zijne vrouwe, door listigheid iets achter van den prijs, en bragt dus maar alleenlijk een deel voor de voeten der Apostelen. Nu sprak Petrus: Ananias, hoe hebt gij den boozen vijand aldus plaats gegeven in uw hart, met tegen den heiligen Geest te liegen, en bedriegelijk een deel van den prijs des akkers te onttrekken? Hadt gij cienzelven niet onverkocht voor u kunnen houden? En de prijs daarvaö was immers ook in uwe magt? Hoe hebt gij deze zaak in uw hart kunnen besluiten? Gij hebt niet tegen de menschen, maar tegen God gelogen. Ananias viel, op het hooren dezer

-ocr page 661-

van het Nieuwe Testament. 651

woorden, ter aarde, en gaf den geest. Zijn zielloos ligohaam werd eenige oogenblikken daarna buiten gedragen en begraven.

Omtrent drie uren daarna kwam zijne vrouw binnen, die niets wist van hetgene haren man overkomen was. Petrus vroeg haar: vrouw, zeg mij eens, hebt gij den akker maar tot zoo veel verkocht? Toen zij zulks bevestigde, zeide Petrus tot haar: hoe hebt gij aldus kunnen overeenkomen met uwen man, om den geest des Heeren te tergen ? Zie, zij, die uwen man begraven hebben, staan aan de deur, en zullen u ook uitdragen. Terstond viel zij voor zijne voeten, en gaf den geest. De jongelingen traden binnen, vonden haar ontzield, droegen haar buiten, en begroeven ze bij haren man. Daardoor ontstond eene groote vrees onder de geheele gemeente, en onder allen die het vernamen.

BEMEEK1NG. Liegen is altijd zonde, en nooit kan de leugen geoorloofd zijn, om wat reden het ook weze; maar zij is eene veel zwaardere zonde in godsdienstige zaken, in beloften die men den Heere doet, en in alle andere werken van godsdienstigheid. God wil dat wij hem in opregtheid en vurigheid dienen; de heilige Geest vlugt de geveinsden; Christus heeft in geheel zijn heilig Evangelie tegen geene zonden zoo uitgevallen als tegen de huichelarij der Schriftgeleerden en Earizeërs, en wij zien hier, hoe hoog de zonde van Ananias en Saphira genomen wordt. Dat dan alle Christenen de leugentaal en huichelarij vlugten; maar voornamelijk, dat alle ouders over hunne kinderen waken, om nooit de leugentaal ongestraft te laten ; want velen komen, door deze zonden, tot eene menigte andere, tot welke zij nooit zouden geraakt zijn, indien zij over de allerminste leugen waren gestraft geweest.

I

H

De Apostelen werkten vele mirakelen en wonderteekens onder het volk uit, en Petrus werd zoo aanzienlijk, dat men de kranken op de straten droeg, die aldaar op bedden en matrassen gelegd werden, opdat ook enkelijk zijne schaduw, als hij voorbij kwam, iemand van hen mogt overlommeren, en zij aldus van hunne krankheden mogten genezen worden. Ook eene groote menigte uit de omliggende steden kwamen naar

Jeruzalem, en bragten zieken en door onzuivere geesten ge-kwelden mede, die allen geholpen werden.

De hoogepriesters en geheel hun aanhang werden daar- ,

door met nijd ontstoken. Zij sloegen de handen aan de Apostelen, en lieten hen in de staatsgevangenis werpen. Maar de Engel des Heeren stelde hen \'s nachts in vrijheid, en zrj stonden \'s morgens vroeg in den tempel te leeren. Onder-tusschen deed de hoogepriester den raad vergaderen, en zond

I

__ ili

i

vi

-ocr page 662-

653 Geschiedenis

mannen naar den kerker om de Apostelen te halen. De dienaars kwamen eenige oogenblikken daarna terug, en zeiden s wij hebben den kerker wel verzekerd en gesloten gevonden; doch toen wij dien openden, vonden wij er niemand binnen. Op denzelfden stond bragt men de boodschap dat de mannen, die daags te voren in de gevangenis geworpen waren, in den tempel stonden en het volk onderwezen. Alsdan kwam de hoofdman met de dienaars, en leidde de Apostelen, zonder hun eenig geweld aan te doen, uit vrees van het volk, in den raad. Nu sprak de hoogepriester: hebben wij u niet ten strengste bevolen in dezen naam niet meer te prediken? En zie, gij habt gansch Jeruzalem met uwe leer vervuld, en wilt ons het bloed van dien mensch te last leggen. Petrus en de overige Apostelen gaven tot antwoord : men moet God meer dan de menschen gehoorzamen. De God onzer vaderen heeft Jesus, dien gij aan het kruis gehangen en gedood hebt, wederom opgewekt. Hij heeft hem door zijne magt tot oppersten Heer en Zaligmaker verheven, om aan Israël de boetvaardigheid en de vergiffenis der zonden te verleenen. Wij zijn hier getuigen van, gelijk ook de heilige Geest, welken God aan allen gegeven heeft, die hem gehoorzamen.

Toen zij dit hoorden, barstten zij als van spijt, en hielden raad om hen te dooden; maar Gamaliel, Farizeër en leeraar der wet, stond op en beval de Apostelen voor eenige stonden buiten te gaan. Voorts bewees hij aan den raad door verscheidene voorbeelden, dat, indien dit werk van de menschen kwam, het van zelf zoude verdwijnen, doch indien het van God kwam, dat zij het geenszins zouden kunnen vernietigen. Hierop werden de Apostelen wederom binnen geroepen, en nadat zij deze hadden doen geeselen, verboden zij hun van in het toekomende nog in den naam van Jesus te spreken, en lieten ze verder\'gaan. Zij verlieten de vergadering, in het hart verheugd, dat zij waardig gevonden waren voor den naam van Jesus smaad te lijden.

BEMERKING. Er bestaat geene magt tegen de magt van God. Alle raadsbesluiten zijn tegen hem krachteloos. Er is geene wijsheid, zegt de wijsste der koningen, er is geen vernuft, er is geen raad tegen den Heer. {Prov. SI. 30.) Wat al ijdele pogingen zien wij hier tegen de werken van God inspannen 1 Welke schande voor die wijze mannen, aldus overwonnen te worden door magtelooze en onkundige menschen ! Maar welke roem voor de Apostelen, de versmaadheid van Jesus te dragen ! Doch hoe weinig is die blijdschap bij de menschen bekend en bemind.

-ocr page 663-

van het Nieuwe Testametif, 653

LXXXIII. HOOFDDEEL.

Aanstelling van zeven diakens, Stephanus doet wondere teekens. — Hg wordt valsohelijk beschuldigd; — verantwoordt zich; — wordt ge-steenigd; — bidt voor zijne vijanden. Hoe wij onze vijanden moeten beminnen. Act. 6. 7, — Het jaar 33.

Toen zich het aantal der leerlingen sterk begon te vermenig-vnldigen, ontstond er een misnoegen onder de grieksche Joden tegen de hebreeuwsche, omdat hunne weduwen veronachtzaamd werden in hetgene men dagelijks uitdeelde; dat is, omdat zij uit de gemeene beurs zoowel niet van levensbehoeften en kleederen verzorgd werden als de andere. De twaalf Apostelen riepen over zulks al de leerlingen bijeen, en zeiden hun: het betaamt niet de verbreiding van Gods woord te staken, om te verzorgen hetgene de tafel raakt (of om de bezorging van den arme waar te nemen.) Daarom, broeders, kiest onder u zeven m annen van eene goede faam, en die met den heiligen Geest en met wijsheid vervuld zijn; aan deze willen wij dit ambt toebetrouwen. Wat ons betreft, wij zullen ons geheel aan het gebed en de bediening van Gods woord toewijden.

Dit voorstel behaagde aan de gansche vergadering, en zij kozen Stephanus, eenen man vol van geloof en van den heiligen Geest: Philippus, Prochores, Nicanor, Timon, Permenas en Nicolaus, een aangenomen Jood van Antiochië. Deze stelden zij aan de Apostelen voor, die, nadat zij gebeden hadden, hun de handen oplegden. Inmiddels verspreidde zich Gods woord, en het getal der leerlingen vermenigvuldigde zeer te Jeruzalem. Ook een groot deel der joodsche priesters onderwierp zich aan het geloof.

Stephanus, vol van genade en kracht zijnde, deed wondere teekens eh groote mirakelen onder het volk. Middelerwijl stonden eenige uit de Synagogen, de vrijgelatene genoemd, (3) der Cyreners, der Alexandriners, der Cilliceërs en der Azianers, tegen Stephanus op, en twistteden met hem. Maar zij konden aan de wijsheid en den geest, met welken hij sprak, niet wederstaan. Nu gingen zij mannen omkoopen, die zeggen zouden, dat zij hem lasterwoorden tegen Mozes en tegen God hadden hooren spreken. Zij ruiden het volk op, alsmede de ouderlingen en de schriftgeleerden, sloegen de handen aan hem, en bragten hem voor den raad. Zij stelden daar ook valsche getuigen, welke zeiden: deze mensch lastert onophoudelijk deze heilige plaats en de wet; want zij hebben hem hooren zeggen, dat die Jesus van Nazareth deze plaats zal vernietigen, en da wetten veranderen, die Mozes ons gelaten heeft. Intusschen

(1) De Joden, die buiten Palestienen opgevoed waren, werden grieksche Joden genoemd, omdat zij gemeenlijk de grieksche taal spraken; de andere noemde men belreeuwsche Joden.

(2) quot;Welke Joden hier moeten verstaan worden door vrijgelatene, kan men nazien bij Calmet.

-ocr page 664-

Geschiedenis

zagen al de in den raad vergaderden het aangezigt van Sfepbanus als dat van eenen Engel.

De hoogepriester vroeg hem nu: zijn deze dingen zoo als de aanklagers zeggen? Hierop sprak Stephanus: gij mannen, broeder?, luistert toe! Nu verhaalde hij hun al de weldaden, die God hunnen voorvaderen bewezen had, en eindelijk voer hij tegen hen uit met deze nijpende woorden: gij hardnekkigen en onbesneden van hart en van ooren, gij wederstaat altijd aan den heiligen Geest; gelijk uwe vaders geweest zijn, zoo zijt gij ook. Wie is er van de profeten, die uwe vaderen niet vervolgd hebben? Zij hebben degenen gedood, die de komst voorzegden van den Kegtvaardige, wiens verraders en moordenaars gij geworden zijt; gij, die wet, door de bediening der Engelen, ontvangen, doch niet onderhouden hebt. Op het hooren dezer woorden werden zij woedend en knarsetandden. Stephanus echter, vol van den heiligen Geest, sloeg zijne oogen hemelwaarts, zag de heerlijkheid Gods, en Jesus ter regterhand zijns Vaders staan. Zie, zeide hij, ik zie den hemel geopend en den Zoon des menschen aan de regter hand Gods staan. Nu lieten zij eenen grooten schreeuw hopron, stopten hunne ooren, vielen hem eenparig op het lijf, sleepten hem buiten de stad en steenigden hem. De getuigen legden hunne kleederen aan de voeten van zekeren jongeling, niet name Saulus. Terwijl zij hem steenigden, bad Stephanus luide ■tot Jesus; ontvang mijnen geest. Voorts viel hij op zfjne knieën, en riep: Heer! wil hun toch deze zonde niet toerekenen. Dit gezegd hebbende, ontsliep hij in den Heer. En Saulus had, even als de anderen, in zijne moord toegestemd. Er ontstond dan eene groote vervolging, en de leerlingen, behalve de Apostelen, werden allen door Judea en Samarië verstrooid.

BEMEKKING. De heilige Kerk heeft in dezen eersten en roemwaardigen martelaar, niets grooter gevonden, dan zijne liefde tot degenen, welke hem steenigden. Stephanus toont, dat hij een opregte leerling van Jesus is. De vrijmoedigheid, met welke hij zijne vijanden aansprak, was een gevolg van zijne groote liefde tot hunne zaligheid. Men kan zonder de menschen te haten, hun ook met bitsheid do groote fouten voor oogen stellen die zij bedrijven. Niemand beminde de Joden meer dan de heilige Stephanus, en niettemin verwijt hij hun met meer strafheid hunne hardnekkigheid. Maar dit zijn verwijtingen zonder bitterheid, zonder gramschap, zonder gal, van dengenen die zijn bloed opoffert, zeJfs voor hen die het vergieten. Deze groote Heilige leert ons zachtmoedig zijn te midden der versmaadheden, die onze eigene persoon betreffen, maar streng en met kracht fouten berispen, die Gods eer en de ware godsdienst schenden.

654

-ocr page 665-

vtin het Nieuwe Testament. 655

Onze vijanden te beminnen, naar het voorbeeld van Ste-phanus, kan noch door de bedorvene natuur, noch door we-reldsche wijsheid, noch door de heidensche heldendaden geleerd worden, maar door Jesus alleen. Deze deugd is eigen aan de godsdienst van Christus, en de ware kenteekenen der kinderen Gods. Dit heeft eertijds eenen grooten Heilige doen zeggen, dat hij geen grooter mirakel konde doen, dan zijne vijanden beminnen: want als de dwingeland van hem een mirakel verzocht, om hierdoor de waarheid van zijne godsdienst te bevestigen, gaf hij tot antwoord: is dit mirakel niet genoeg, dat gij mij zoo geduldig ziet lijden, en ik u al het ongelijk, dat gij mij aandoet, uit er harte vergeef? Dit zijn voorbeelden voor ons, om diegenen te leeren beminnen, die ons haten, te bidden voor hen die ons vervolgen, en het kwaad met goed te Iconen, naar het voorbeeld en de leer van Christus en van zijne Heiligen.

LXXXIV. HOOFDDEEL.

Saulua vervolgt de Kerk. Philippus predikt, en doopt Simon dea too-venaar. Joannes en Petrus geven den heiligen Geest aan de Samaritanen, Simon zoekt deze magt te koopen. Philippus doopt den kamerling van de koningin der Mooren. Bemerking. Act. 8. — Het jaar. ^3.

Een der voornaamste voordeelen die de heilige Kerk uit den dood van den H. Stephanus trok, was het verdubbelen der vervolging, waardoor de geloovigen in verscheidene provinciën, en te gelijk het geloof jnet hen, verspreid werden. Saulus, die daarna een zoo groot Apostel geworden is, verwoestte daaren-tusschen de Kerk van Christus; hij liep van huis tot huis, sleepte mannen en vrouwen met geweld uit dezelve, en wierp die in de gevangenis. Degenen die verstrooid waren, verkondigden Gods woord in al de plaatsen, welke zij doortrokken.

Philippus, een der zeven diakens, begaf zich naar de stad Samarië, en verkondigde Christus. Het volk luisterde aandachtig naar hetgene hij zeide, omdat het de mirakelen hoorde en zag, die hij deed. Want booze geesten gingen, met een ijsselijk geschreeuw, uit vele bezetenen. Ook werden er vele lammen en kreupelen genezen, zoodat er eene groote vreugd in de stad ontstond.

Te dier plaatse was ook zekere man, met name Simon, die te voren in de stad met tooverij omgegaan, het volk van Samarië bedot had, en zich voor iets bijzonders uitgaf, ledereen, klein en groot, luisterde naar hem, en zeide: deze is de groote kracht Gods; immers hij had hun gedurende langen tijd door zijne tooverijen de zinnen verdraaid. Nu zij echter geloof gaven aan hetgene Philippus hun van het rijk Gods verkondigde, werden zij, zoo mannen als vrouwen, in

-ocr page 666-

Geschiedenis

iden naam van Jesus Christus gedoopt. Alsdan nam Simon ook het geloof aan, en nadat hij gedoopt was, bleef hij gedurig bij Philippus, terwijl hem diens wondere teekens en groote mirakelen verbaasden.

Wanneer de Apostelen, die te Jeruzalen waren, verstaan hadden, dat die van Samarië het woord Gods aangenomen hadden, zonden zij Petrus en Joannes tot hen. Philippus, die slechts diaken was, had hen wel kunnen doopen, maar hij konde hun den heiligen Geest, dat is het heilig Vormsel, niet geven, hetwelk eigen is aan de Bisschoppen. Als deze aldaar waren aangekomen, baden zij voor hen, opdat zij den heiligen Geest ontvangen mogten. Want hij was nog op niemand van hen afgedaald, maar zij waren alleenlijk in den naam van den Heer Jesus gedoopt geweest. De Apostelen legden hun de handen op, en zij ontvingen den heiligen Geest. Toen Simon zag, dat door de oplegging van de handen der Apostelen, de heilige Geest medegedeeld werd (want dit konde alsdan gezien warden, door de gaven van verscheidene talen te spreken,) bood hij hun geld aan, en zeide: geeft mij ook deze magt, dat allen, op wie ik de handen leggen zal, den heiligen Geest ontvangen. Maar Petrus zeide tct hem: uw geld zij met u tot uwe verderfenisI gij, die gemeend hebt dat de gave Gods door geld te verkrijgen is, gij hebt noch deel, noch lot in deze zaak ; want uw gemoed is niet echt voor God. Heb dan berouw over deze uwe boosheid, en bid God, dat hij ze u vergeve. Want ik zie, dat gij op het allerbitterste vergald, en aan de boosheid gekluisterd zijt. Simon antwoordde: bid gij toch voor mij bij den Heer, opdat niets van hetgene gij gezegd hebt, mij overkome.

. BEMERKING. Al die zich laten verblinden door den glans der geestelijke bedieningen, of die ze invaren uit eerzucht, uit gierigheid en begeerlijkheid, zijn aan Simon gelijk. Het is van dezen Simon, dat de zonde van Simonie haren naam bekomen heeft.

Nadat Petrus en Joannes het woord des Heeren gepredikt hadden, keerden zij naar Jeruzalem terug, en verkondigden ■voorts het Evangelie in vele vlekken van Samarië. Een Engel des Heeren gebood nu aan quot;Philippus: sta op en begeef u naar het zuiden op don weg, die van Jeruzalem naar Gaza roert. Hij gehoorzaamde dadelijk. En zie hier reed nu een Moor, een magtige heer, kamerling en oppertoeziener over al de schatten van Candace, koningin der Mooren, die naar Jeruzalem gereisd was, om God daar te aanbidden (want er waren er ook onder de Heidenen, die den waren God kenden en dienden.) Hij keerde, in zijnen wagen gezeten, terug,

656

-ocr page 667-

van het Nieuwe Testament, 657

en was bezie; met in Isaïas te lezen. De heilige Geest zeide lt;lan tot Philippus: ga, vervoeg u bij dien wagen. Philippus liep er henen, hoorde den vreemdeling uit Isaïas lezen, en vroeg liem: meent gij dat gij ook wel verstaat hetgene gij leest? De kamerling gaf tot antwoord: hoe zou ik het kunnen verstaan, zoo het mij niemand uitlegt? Hij bad Philippus dan, om in zijnen wagen te komen, en plaats naast hem te nemen. De Schriftuurplaats die hij las, was deze: (Isaï. 53. v. 7.) als een schaap is hij ter slagtbank geleid, en als een lam hetwelk voor zijnen scheerder stom ligt, heeft hij zijnen mond niet geopend. In zijne vernedering is hij ter dood verwezen. Wie zal zijn geslacht kunnen beschrijven? Want zijn leven zal van de aarde weggenomen worden. De kamerling zeide hierop tot Philippus: zeg mij toch, van wie zegt dit de profeet, van zich zei ven, of van iemand anders? Philippus begon hem nu dezen tekst uit te leggen, en kondigde hem Jesus aan. Terwijl zij nu voortreden, kwamen zij bij eene uitgestrektheid waters, en de kamerling zeide: zie, daar is water, wat belet mij gedoopt te worden? Philippus antwoordde: indien gij uit ganscher harte gelooft, zoo mag het geschieden. Hij antwoordde: ik geloof, dat Jesus Christus de Zoon Gods is. Hij deed den wagen dan stil staan: beiden gingen in het water, en Philippus doopte hem. Naau-welijks echter waren zij op het drooge, of de Geest des Hee-ren nam Philippus weg, zoodat hem de kamerling niet meer zag; doch hij vervolgde vol vreugd zijne reis. Philippus bevond zich thans te Azotus, en verkondigde het Evangelie in alle steden, welke hij doortrok, tot zijne komst te Cesarea.

BEMERKING. God leert zijne dienaars, door het voorbeeld van Philippus, noch aan personen, noch aan plaatsen gehecht te zijn.

Wie kent de onbegrijpelijke oordeelen van God! (Rom. 11. v. 33. 84) Deze kamerling wordt geroepen, en zoo menigö anderen worden daar gelaten. Welk barmhartigheid\' voor hem, die aldus geroepen wordt! (Aug. de dono persev. c. 7.) Dat hij dan dankbaar zij over deze groote weldaad en over die goddelijke genade. Doch over diegenen, die in hunne duisternissen gelaten worden, moeten wij Gods regtvaardigheid schromen, hetwelk een gevolg der zonde is.

LXXXV. HOOFDDEEL.

Saulus wordt bekeerd, en van Ananias gedoopt. Hij predikt te Damascus. Hij wordt van den muur der stad in eene mand afgelaten. Hij gaat naar Jeruzalem. Vlugt naar Tarsis. Trappen van bekeering. Act. 9, — Het jaar 34.

De vrucht, die de heilige Kerk nog verder uit den dood van

43 quot;

-ocr page 668-

Geschiedenis

«tra H. Steplianns trok, was de bekeering van Sauhis. Want had. Steplianus, gelijk de H. Augustinus zegt, niet gebeden daa zou de heilige Kerk geenen Paulus gehad hebben. Deze Saulus, nog vol van moorddadige bedreigingen tegen de leerlingen des Hoeren, begaf zich naar den hoogepriester, en verzocht van hem brieven voor de Synagogen van Damascus, om, zoo hij eenige (/i ristenen konde vinden, hetzij mannen of vrouwen, dezelve gevangen naar Jeruzalem te brengen. Als hij nu op reis was en Damascus naderde, omringde hem plotseling een licht van den hemel, als een bliksem. Hij stortte ter aarde en hoorde eene stem, die tot hem zeide: Saulus, Saulus, waarom vervolgt gij mij? Saulus vroeg: wie zijt gij? De Heer zeide: Ik ben Jesus, dien gij vervolgt. Het valt u hard tegen den prikkel te slaan, (1) i-h aan mijnen wil te wederstaan. Saulus vroeg nu verbaasd en bevend: Heer! wat wilt Gij dat ik doe? De Heer gaf hem tot antwood: sta op, en ga de stad binnen; daar zal men u zeggen, wat gij doen moet. Zijne medereizigers stonden ten hoogste versteld, mits zij wel eene stem hoorden, maar niemand zagen. Saulus rigtte zich nu op; maar zijne oogen openende, zag hij niet meer. (het bliksemende licht had hem het gezigt ontnomen.) Zij leidden hem dus bij de hand, en bragten hem binnen Da-irmscus, alwaar hij drie dagen, zonder te zien, te eten noch te drinken verbleef.

Te Damascus bevond zich thans een leerling, met name Ananias, tot wien de Heer in eene openbaring zeide: Ananias, sta op, en ga naar de straat, die men de Eegte-straat noemt, en vraag daar naar zekeren man met name Saulus, van Tarsis; want die is daar bezig met bidden. (Op denzelfden stond had Saulus ook éene openbaring, dat een man, Ananias, bij hem binnen kwam, en hem de handen oplegde om het gezigt te herkrijgen) Ananias gaf aan den Heer tot antwoord : Heer! ik heb van verscheidene personen hooren zeggen, hoe veel kwaad die man aan uwen heiligen naam te Jeruzalem berokkend heeft. En hier zelfs heeft hij van de opperpriesters de magt, om al degenen, welke uwen naam aanroepen, gevangen te nemen. De Heer zeide tot hem: ga slechts henen: want hij zal mij tot een uitgelezen middel dienen, om mijnen naam aan de Heidenen, aan de koningen en aan het volk van Israël te verkondigen. Ik zal hem too-nen. hoe veel hij om mijnen naam zal moeten lijden. (Doorgaans, hoe meerdere genaden, hoe meerder lijden; want het lijden dient om de genaden te bewaren en te versterken.)

Ananias ging dan derwaarts, kwam in het aangewezene

(1) Eene gelijkenis genomen van de ossen, met welke men in dat land p\'.oegde, en die de ploegers van achter met prikkels voortstuwden. Doch de ossen, somwijlen achteruit slaande, sloegen hunne voeten in de prikkels, en kwetsten zich des te meer.

-ocr page 669-

m.7i het Nieuwe Testament.

huis, legde de handen op Saulus, en zeide: Saulus, mijn broeder! de Heer Jesus, die u op den weg is verschenen, heeft mij gezonden, opdat gij het gezigt zoudt wederkrijgen, en met den heiligen Geest vervuld worden. Terstond vielen er als vliezen van zijne oogen. Hij zag, stond op, en werd gedoopt. Als hij voedsel genomen had, hernam hij zijne krachten. Hij bleef ook eenige dagen bij de leerlingen in Damascus, en ging terstond in de Synagogen prediken, dat Jesus de Zoon Gods was. Allen die dit aanhoorden, stonden hierover versteld, en zeiden: is dat die mensch, die te Jeruzalem degenen die dezen naam aanriepen, zoo wreed vervolgde, en die gekomen was om hen naar de opperpriesters gevangen te leiden ? — Saulus werd alle dagen stoutmoediger, en maakte de Joden die te Damascus woonden beschaamd, hun door de Schrift bewijzende, dat Jesus de Messias was. Hij vertrok van daar naar de woestijn van Arabië, alwaar hij eenen merkelijken tijd verbleef, (Gal. I. v. 17.) namelijk tot het jaar 37.

Wanneer hij naderhand te Damascus terug kwam, en weder predikte, hielden de Joden raad, om hem op het best het leven te benemen; maar hunne listen en lagen werden aan Saulus bekend gemaakt. Terwijl zij nu de poorten bij dage en nachte bewaakten, om hem te vermoorden, lieten hem zijne leerlingen bij nacht in eene mand neder, en zoo ontkwam hij aan de handen der Joden.

Toen hij te Jeruzalem was gekomen, zocht hij zich bij de leerlingen te voegen; maar zij vreesden hem allen, omdat zij niet geloofden dat hij ook leerling was. Hierom stelde hem Barnabas de Apostelen voor, en verhaalde hun, hoe hij op den we» den Heer gezien had, die hem had toegesproken, en hoe hij te Damascus met vrijmoedigheid den naam van Jesus had verkondigd. Zoo kwam hij in omgang met de leerlingen, en sprak met kracht in den naam van den Heer Jesus. Hij herstelde aldus de fouten op de plaats, waar hij die begaan had, stichtte daardoor degenen die hij geërgerd had, en trachtte diegenen te bekeeren, welke hij van de waarheid had afgetrokken. Hij sprak ook met de Heidenen, en twistte met de grieksche Joden ; deze echter zochten hem te dooden. Wanneer de broeders dit vernomen hadden, deden zij hem naar Cesarea uitgeleide, en zonden hem naar Tarsis. — De Kerk was daarentusschen in vrede, en werd grondig gesticht door geheel Judea, Galilea en Samarië, wandelende in de vrees des Heeren, en vervuld met de vertroosting van den heiligen Geest.

BEMERKING. Aldus is Saulus, tot groote vreugd der heilige Kerk, van eenen vervolger een Apostel geworden.

659

-ocr page 670-

Geschieden i*

\'Dit moet ook de allergrootste zondaars aanwakkeren; want God verkiest somtijds dusdanigen, om aan de geheele wereld te doen blijken, dat hij de meest verstokten bekeeren kan, dat zijne genade almogend, en zijne barmhartigheid eindeloos is.

Wij zien in Saulus verscheidene trappen van de opregte bekeering. 1. Hij wordt ter aarde geworpen. Als God groote zondaars bekeeren wil, keert hij doorgaans alles het onderste boven. 3. Hij zoekt Jesus te kennen, zeggende: wie zijt gij. Heer ? De zondaar moet licht en raad vragen, en trachten onderwezen te worden. 3. Wanneer Saulus ziet, wien hij vervolgt, wordt hij verschrikt. Aldus is de vreeze van Gods oordeelen gemeenlijk de eerste beweging, die den zondaar treft, wanneer hij nu zijne zonden ziet. 4. Saulus geeft zich gansch over aan God. Keer! zegt hij, wat wilt Gij dat ik doe? De eerste oorsprong van de zonde is onze eigene bedorvene wil. De zondaar moet dien afgaan en gansch verloochenen, en zich vaardig toonen tot alles wat God vereischen zal.

LXXXVI. HOOFDDEEL.

Petrus geneest Enea3, en verwekt Tabitha. De Engel verscliijnt aan

Cornelius. Petrus wordt dnor een visioen onderrigt; hij begeeft zich naar Cornelius, en doet hem doopen. God heeft zijne uitverkorenen onder alle volkeren. Petrus verschoont zich over zijn gedrag. Act. 9. 10. 11. — Het jaar 35.

Toen de H. Petrus in zijnen ijver voortging met het Evangelie te verkondigen, kwam hij te Lydda aan, en vond aldaar eenen man, met name Eneas, die, lam zijnde, reeds acht jaren te bed had gelegen. Petrus zeide dan tot dezen : Eneas, de Heer Jesus Christus make u gezond! Sta op! En Eneas voelde zich op het oogenblik genezen, en al de inwoners van Lydda en Saron bekeerden zich, door dit voorval getroffen, tot den Heer.

Te Joppe, eene stad niet verre van Lydda gelegen, woonde eene leerlinge, Dorcas, of anders Tabitha geheeten, die vele goede werken deed en vele aalmoezen uitreikte. Deze werd nu ziek en stierf. De leerlingen zonden twee mannen naar Lydda tot Petrus, hem verzoekende onverwijld bij hen te komen. Petrus begaf zich met die mannen aanstonds op weg; zoodra hij ter plaatse gekomen was, leidde men hem in de opperzaal, waar het lijk lag. Daar omringden hem vele weenende weduwen, die hem de mantels en kleederen toonden, welke Tabitha voor haar gemaakt had. Petrus verzocht ze alle uit de kamer te gaan. Nu boog hij zijne knieën, bad, keerde zich voorts tot het ligchaam, en zeide : Tabitha, sta op 1 Zij ontsloot aanstonds hare oogen, zag Petrus aan, en zat over-

660

-ocr page 671-

van het Nieuwe Testament.

eind. Hij gaf haar de behulpzame hand, hief haar op, en stelde haar aan de godvruchtigen (dat is aan de geloovigen) en aan de weduwen die hij weder had binnen geroepen, levend voor. Hierdoor geloofden er velen in den Heer, en Petrus verbleef langen tijd te Joppe bij zekeren ledertouwer, met name Simon.

Op het einde van zijn verblijf te Joppe, was in de stad va» Cesarea een man, met name Cornelius, kapitein van de krijgsbende, die de Italiaansche genoemd werd. Hij, met geheel zijn gezin, was zeer vroom en godvreezend, deelde vele aalmoezen onder het volk uit, en bad God gedurig. Deze kreeg \'s namiddags omtrent drie ure eene openbaring van eenen Engel, dien hij klaarlijk voor zijne oogen zag, met bevel, dat hij Simor.-Petrus van Joppe zoude doen afhalen, die hem zeggen zoude wat hij doen moest. Cornelius riep aanstonds twee van zijne huisgenooten, en zond hen volgens het onderrigt van den Engel, met eenen godvreezenden krijgsman naar Joppe. — Des anderen daags, wanneer deze personen aan de stad Joppo begonnen te naderen, ging Petrus omtrent den middag naar het bovenste gedeelte van het huis, om zijn gebed te doen. Ondertusschen kreeg hij honger, en terwijl men bezig was met spijs gereed te maken, kwam hem eene opgetogenheid des geestes over. Hij zag als een linnen laken van den hemel dalen, vervuld met, eene groote menigte onreine dieren, die de Joden volgens do wet niet eten mogten. Ook kwam er eene stem die zeide: sta op. Petrus, sla dood en eet. Petrus antwoordde: verre zij dit van mij, Heer; want nooit heb ik iets gegeten, hetwelk besmet of onrein was. Hetgene God gereinigd heeft, zeide de stem, zult gij niet onrein noemen. Dit geschiedde aldus tot driemaal toe. Terwijl Petrus bij zich zeiven dacht, wat deze openbaring wilde beduiden, stonden de afgevaardigden van Cornelius voor de deur; en de heilige Geest zeide nu tot Petrus; er zijn drie mannen die naar u vragen; sta op, ga naar beneden en reis met hen zonder achterdenken voort; want ik heb die gezonden.

Petrus voldeed hieraan, en nadat hij hen had hooren spreken, ontving hij hen in huis, en vertrok den volgenden dag met hen. Den dag daarna kwamen zij te Cesarea, alwaar Cornelius, hem verwachtende, zijne bloedverwanten en zijne beste vrienden had doen bijeenroepen. Als Petrus binnen zoude komen, ging de kapitein hem te gemoet, viel voor zijne voeten en aanbad hem. Dat is, volgens de wijs van spreken der Oostersche volkeren, bewees hem eenen diepen eerbied.) Petrus rigtte hem op, en zeide: sta op, ik ben ook een mensch even als gij. (De eerbewijzingen vallen aan de ootmoedigen lastig, voornamelijk als zij ongemeen zijn.)

Petrus ging sprekende met hem binnen en vond daar vele

6G1

-ocr page 672-

Geschiedenis

menschen vergaderd. Hij zeide derhalve tot hen : gij weet, dat- het eenen Jood 01 gioorloofd is gemeenschap met eenen vreemdeling te hebben (1); maar God heeft mij getoond, dat ik geenen mensch meer onzuiver of onrein moet noemen. Daarom ben ik, ontboden zijnde, zonder tegenspraak gekomen. Ik vraag u derhalve, om welke oorzaak gij mij ontboden hebt. Cornelius verhaalde hierop de veropenbaring die hij over vier dagen gehad had, en zeide ten laatste: wij zijn hier allen in uwe tegenwoordigheid vergaderd, om alles te aanhooren, waarmede de Heer u belast heeft.

Petrus sprak: nu bevind ik in waarheid, dat God geen uitnemer van personen is, maar dat al wie hem vreest en vroom leeft, hem aangenaam is onder alle volkeren — Hij sprak hen verder van de weldaden, van de mirakelen, van den dood en de verrijzenis des Heilands, en dat hij tot regter gesteld was over levenden en dooden. Eindelijk zeide hij: van dezen (namelijk van Jesus) geven al de profeten getuigenis, dat allen die in hem gelooven, door zijnen naam vergiffenis van hunne zonden zullen verkrijgen. Terwijl Petrus nog sprak, daalde de heilige Geest over al degenen die het woord aanhoorden. (waarschijnlijk in vurige tongen.) (kei. 11. v. 15.) En de onbesnedene geloovige;), die met Petrus gekomen waren, stonden versteld, dat de genade van den heiligen Geest ook over de Heidenen werd uitgestort. Want zij hoorden hen vreemde talen spreken en God verheerlijken. Hierop zeide Petrus: kan men ook het doopsel weigeren aan dezulken, die, even als wij, den heiligen Geest ontvangen hebben ? En hij beval, dat men hen in den naam van den Heer Jesus Christus zou doopen.

BEMERKING. Wij zien uit deze geschiedenis van Cornelius: 1. Dat God overal in alle straten, onder alle soorten van menschen zijne uitverkoornen heeft, die zijne genade, welke de vrucht en het uitwerksel van zijne eeuwige verkiezing is, wel weet te vinden. 3. Dat God getrouw kan gediend worden ook onder krijgslieden. Ja, Cornelius zal ons in den dag des oordeels verwijzen, omdat wij naauwelijks in het midden van de heilige Kerk en onder de geloovigen doen, wat hij in het midden der Heidenen en onder de soldaten gedaan heeft. 3. Dat het geloof in Christus ter zaligheid noodig is aan allen, die tot hun verstand gekomen zijn, en dat hun anderzins de zedelijke deugden niet kunnen baten. 4. Maar dat het gebed en de aalmoezen, ofschoon zij slechts met eene beginnende liefde geschieden, tot God gaan, en de genade verkrijgen van eene volkomene bekeering.

(1) Dat is, met degenen die van de joodsche natie niet zijn.

662

-ocr page 673-

van het Nieuw Testament.

De Apostelen en de broeders die in Juda waren, hoorden met verwondering, dat ook de Heidenen het woord Go^ls hadden aangenomen ; toen nu Petrus te Jeruzalem aankwai\'i, moest hij zich verdedigen bij de broeders, waarom hij bij 011-besnedene menschen gegaan was en met hen gegeten had. liij verschoonde zich met groote ootmoedigheid, en verhaalde hun eenvoudig, hoe God zelf de ingever was van geheel zijn gedrag, en hoe de heilige Geest, onder het prediken, over die heiden-sche mensehen was nedergedaald. Indien God, zeide hij, hun dezelfde genade gegeven heeft, gelijk aan ons, hoe zou ik dan toch God kunnen wederstaan ? Als zij dit gehoord hadden, zwegen zij, en verheerlijkten God, zeggende : zoo heeft dan de Heer ook aan de Heidenen de boetvaardigheid tot het eeuwige leven gegeven.

BEMERKING. Hoe eenvoudig, hoe stichtend is deze handel ! Hoe verschilt hier Petrus van hetgene hij te voren was! Hoe wel heeft hij van den Heer geleerd, niet den meester te spelen over de schapen, maar met liefde te voldoen aan hunne gegronde of ongegronde teergevoeligheid !

Men meent, dat de Apostelen weinigen tijd na deze gebeurtenis van elkander gescheiden zijn,, en dat Petrus alsdan zijnen bisschoppelijken stoel geplaatst heeft te Antiochië, eene vermaarde stad in Syrië, zijnde te dien tijde de hoofdstad van gansch het Oosten. Echter bleef Petrus daar niet bestendig, maar ging ook het woord Gods verkondigen in Pontus, Galatic, Azië, Bithinië, en andere omliggende landen. Zijne eerste aankomst te Rome wordt gesteld onder den keizer Claudius, in het jaar 42, van waar hij naderhand wederom naar Judea is gekeerd.

LXXXVII. HOOFDDEEL.

De leerlingen worden te Antiochië eerst Christenen genoemd. Herodea doet Jacobus onthoofden, en stelt Petrus in de gevangenis. Deze wordt

door den Engel verlost. Noodzakelijkheid van het gebed. Herodes wordt van God gestraft. Act. 11. 12. — Het jaar 43 en 44.

De geloovigen, die door de vervolging tegen den heiligen Stephanus, alom waren verstrooid geweest, bekeerden veel volk te Antiochië. Toen de Apostelen, die te Jeruzalem waren, zulks vernamen, zonden zij Barnabas derwaarts. Deze, na de genade Gods gezien te hebben, en vol zijnde van den heiligen Geest, was zeer verblijd, en vermaande hen van standvastig in hun heilig voornemen te blijven. Hij ging dan van daar naar Tarsis, om Saul us te zoeken, welken hij naar Antiochië medebragt, alwaar zij beiden gedurende een jaar verbleven. Zij onderwezen er veel volk, en met dusdanigen luister, dat de leerlingen voor de eerste maal in die Etad Christenen genoemd werden. Ten zelfden tijde kwamen er

663

-ocr page 674-

Geschiedenis

eenige profeten van Jeruzalem naar Antiocbië over. Eer. hunner, met name Ajjabus, stond op, en gaf door den heiligen Geest te kennen, dat er hongersnood over de geheele wereld zou komen. Nu waarlijk, deze hongersnood bestond onder Claudius den vijfden, keizer van Rome. De leerlingen besloten dan, elk naar zijn vermogen, eenigen bijstand te zenden aan de broeders, die in Judea woonden : dit deden zij ook werkelijk, en zonden hunne giften aan de priesters, door de handen van Barnabas en Saulus.

Omtrent denzelfden tijd gebruikte de koning Herodes zijne magt, om eenige leden der Kerk te mishandelen. Hij deed Jacobus, den broeder van Joannes, door het zwaard om het leven brengen ; en merkende, dat dit den Joden aangenaam was, nam hij Petrus ook gevangen. Het waren alsdan de dagen der mgedeesemde broaden, dat is, de dagen of de tijd van Paschen. Toen Petrus in den kerker was geworpen, gaf hij hem te bewaren aan vier wachten, ieder van vier soldaten, willende hem na Paschen voor het volk brengen. Middelerwijl werd er van de Kerk een gedurig gebed tot God voor hem hemelwaarts gezonden. Wanneer hem nu Herodes ter dood zoude gaan leiden, sliep Petrus, met twee ketenen geboeid, denzelfden nacht tusscheu twee soldaten ; de wachters bewaakten het gevangenhuis. ^

En zie, schielijk kwam er een licht in den kerker waar Petrus zat, en hem verscheen een Engel des Heeren, die hem tegen de zijde stiet, hem alzoo ontwaakte, en zeide: sta haastig op! Aanstonds vielen de kluisters van zijne handen, en de Engel sprak verder: omgord u, trek uwe schoenen aan, en volg mij. Petrus gehoorzaamde en volgde den Engel, niet wetende of dit wel alles werkelijk plaats had, maar veeleer meenende, dat het een droom was. Als zij de eerste en tweede wacht voorbijgegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, waar het paleis van Uerodes mede gesloten was, waardoor men in de stad gaat. Deze ging voor hen van zelfs open. Toen zij aan de gevangenis ontkomen, en eene straat verder gegaan waren, verdween de Engel. Nu eerst kwam Petrus bij zijne zinnen, en zeide: nu weet ik voorwaar, dat God zijnen Engel gezonden, en mij verlost heeft uit de handen van Herodes, en uit al de verwachtingen van het joodsche volk. Met die gedachte ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Joannes, die ook Marcus genoemd werd, alwaar er velen tot bidden vergaderd waren. Als hij aan de deur klopte, kwam er eene dochter, met name Ehode, vragen, wie er was? Daar zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap de deur niet open, maar liep binnen en zeide, dat Petrus voor de deur stond. Zij zeiden haar: gij dwaalt. Maar zij hield staande, dat het zoo was. Zij geloofden haar in het

664

-ocr page 675-

van het \'Nieuwe Testament. 665

eerst niot; doch daar het meisje voortging met te zeggen, dat het geen andere was, zeiden zij: het zal zijn Engel zijn. Daar Petrus middelerwijl bleef kloppen, deden zij open en zagen hem met groote verwondering. Hij deed hun teeken met de hand, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hun nu, hoe God hem uit den kerker geleid had. Laat, zeide hij verder, hiervan de boodschap dragen aan Jacobus, den minderen, en aan de broeders. Voorts begaf hij zich naar eeae andere plaats.

BEMERKING. Wij zien in de verlossing va® Petrus, hoe het gebed altijd in de heilige Kerk de sterkte, de troost en de toe-vlugt in alle lijden geweest is. Het gebed is gansch noodzakelijk om te verkrijgen. God konde Petrus zonder de geloovigen wel verlossen, maar hij beweegt hen om te bidden, omdat er vele dingen zijn die hij niet ongevraagd geeft. Aldus gaan er vele menschen verloren, omdat zij niet bidden. Dat de zondaar in zijne zonden blijft steken, van zijne driften overwonnen wordt, de kwade geneigdheden als niet kan laten enz. is, omdat hij niet bidt. Dat de regtvaardige valt, is, omdat hij de volharding in de regtvaardigheid niet genoeg vraagt; want al die vraagt, verkrijgt, voornamelijk als hij iets vraagt, hetwelk tot de zaligheid ten eenenmale noodig is, gelijk de bekeering aan den zondaar, en de volharding aan den regtvaardige.

Weinigen tijd na den marteldood van den H. Jacobus en de wonderdadige verlossing van den H. Petrus, stierf Herodes Agrippa eenen rampzaligen dood. Want toen hij op zekeren dag te Cesarea, met groote pracht en luister, op zijnen troon gezeten was, en eene aanspraak tot de afgezanten van Tyrus en Sidon deed, riep het pluimstrijkende volk hem toe: dit zijn woorden van eenen God, en niet van eenen mensch. En op ditzelfde oogenblik sloeg hem de Engel des Heeren, omdat hij God de eer niet gaf, met geweldige kramppijnen in zijn ingewand. — Hij werd van de wormen opgevreten, en stierf ellendig.

BEMERKING. Herodes had het schuldelooze bloed vergoten. Hij had Jacobus onthoofd, en Petrus doen vangen, met opzet van hem ook te dooden, enkelijk om de Joden ce believen. Hij had den goddeloozen lof der pluimstrijkers met vollen mond ingezwolgen; maar God strekt zijne hand uit, en maakt hem het aas der wormen, zelfs nog gedurende zijn leven om ons te leeren, dat men de pracht en de grootheid der boozen niet moet vreezen; want al hnn roem, zegt de heilige Geest, is slechts drek en wormen. 1. Mach, 2. v. 26.

-ocr page 676-

Geschiedeni*

LXXXVIII. HOOFDDEEL.

fiergius wordt door Paulus bekeerd, en Elytnas met blindheid geslagen. Paulus keert zich tot de Heidenen ; wordt van de Joden vervolgd, geneest te Lystra eenen kreupele, waarom het volk hem offers wil opdragen; kort daarna echter wordt hij gesteenigd. Veranderlijkheid der mensehen, Hoe God met zijne vrienden handelt. Act. 13. 14. — Het jaar 44.

In het vervolg beschrijft de H. Lucas voornamelijk de daden en den apostolisohen arbeid van den H. Paulus, aan wie hij ook eerst dezen naam geeft, in stede van Saulus, als hij van Sergius Paulus, stadhouder van Paphos, begint te spreken. Wanneer nu Saulus en Barnabas van Jeruzalem, alwaar zij zoo als reeds is gemeld eenige aalmoezen waren gaan dragen, te Antiochië terug gekomen waren, werden zij, door een uitdrukkelijk bevel van den Geest Gods, tot de bediening van het heilig Evangelie aangesteld. Zij vertrokken dan ook, volgens de zending van den heiligen Geest, naar Silencië, en van daar voeren zij naar Cyprus, een zeer aanzienlijk eiland der ir.iddelandsche zee. Na geheel dit eiland doorreisd te hebben, kwamen zij te Paphos aan, alwaar de H. Paulus zijnen ijver toonde tegen eenen valschen profeet en toovenaar Bar-Jesus, anders Elymas genoemd, die den stadhouder Sergius Paulus, een verstandig man, wederhield van het woord Gods uit den mond van den Apostel te aanhooren, waartoe hij zeer begeerig was. Paulus, met den heiligen Geest vervuld sloeg nu de oogen op Elymas, en zeide hem: kind des duivels, die met allerlei arglist en bedrog vervuld zijt, zult gij nooit ophouden de regte wegen des Heeren te verdraaijen!\'Zie,.Gods hand valt op u, gij zult aanstonds blind worden, en de zon, tot op eenen zekeren tijd, niet meer aanschouwen. Terstond werd Elymas dermate blind, dat hij rondtastte om iemand te vinden, die hem mogte leiden. Als de stadhouder dit zag, werd hij dadelijk geloovig en verwonderde zich over de leer des Heeren.

BEMERKING. Zoodra iemand tot het goed wil keeren, spant satan alles in, om hem dit te beletten. De booze mensehen zijn zijne werktuigen; dus moet men zich tegen hunne verleiding wapenen. Elymas stelt zich tegen de waarheid, en wordt met blindheid geslagen. Deze vervaarlijke straf moeten wij ook vreezen, als wij haar wederstaan.

Van Paphos kwamen zij te Pergen, in Pamphilië, en van daar te Antiochië, in Pisidië, alwaar Paulus in de Synagoge aangezocht werd om eene aanspraak tot het volk te doen; hij verkondigde hier Christus, en zeide onder andere: uit het zaad van David heeft God, volgens zijne beloften aan Israël, den Zaligmaker Jesus verwekt... Doch daar de inwoners van Jeruzalem en hunne oversten hem niet kenden,

«66

-ocr page 677-

van het Nieuwe Testament. 667

.

noch ook de woorden der profeten, die op alle Sabathdagen gelezen werden, hebben zij die door hun vonnis volbragt; want alhoewel zij geene schuld in hem vonden, die den dood kou it verdienen, verzochten zij nogtans Püatus, dat hij hem ter doc l zoude brengen. En als zij nu alles wat van hem geschrevtu was volbragt hadden, en hem van het kruis hadden afgedaan, H legden zij hem in het graf. God echter heeft hem ten derde dage van den dood verwekt, en hij is gedurende verscheidene dagen gezien geweest van velen die tot nog toe hiervan getuigen zijn bij het volk. U zij dan kennelijk, o mannen en broeders dat door hem de vergiffenis der zonden aan u verkondigd wordt; en dat al wie in hem gelooft, geregtvaardiad wordt van al hetgene, waarvan gij door Mozes wet niet zijt kunnen geregtvaardigd worden.

Den volgenden Sabbathdag kwam bijna de geheele bevolkii,--der stad bijeen, om het woord Gods te hooren. De Joden werden door het zien van dien toeloop, zoo zeer door nijd ontstoken,

dat zij zich tegen alles stelden, wat Paulus zeide en het lasterden. Dan zeide Paulus en Barnabas vrijmoedig: u moest eerst het woord Gods verkondigd worden; maar aangezien gij dit verwerpt, en u onwaardig maakt van het eeuwige leven, zoo keeren wij ons tot de Heidenen. Deze, dit hoorende, waren verblijd en verheerlijkten het woord des Heeren, en allen die tot het eeuwige leven waren voorgeschikt, namen het geloof aan. De Joden ruiden eenige dweepzuchtige en aanzienlijke vrouwspersonen, alsmede de voornaamsten van de stad op, verwekten eene vervolging tegen Paulus en Barnabas, en verdreven hen tot buiten hunne grenspalen. De Apostelen schuddeden het stof van hunne voeten, ter getuigenis tegen hen, en kwamen vervolgens te Iconië, alwaar zij zoo indrukwekkend spraken in de Synagoge, dat er eene groote menigte Joden en Grieken het geloof aannamen. Zij bleven daar langen tijd, en deden vele mirakelen: maar alzoo er naderhand een oploop tegen hen,

zoowel van Heidenen als van Joden onstond, vlugtteden zij naar de steden Lycaonië, Lystra en Derba, en naar het omliggende land, alwaar zij het Evangelie verkondigden.

Te Lystra bevond zich een man, die van zijne geboorte \'af kreupel was geweest. Deze hoorde Paulus prediken. De Apostel sloeg de oogen op hem, en bemerkende dat hij geloof had om genezen te worden, riep hij luide: rigt u op. en sta op uwe voeten! Terstond sprong de kreupele op, en begon te gaan.

li I

1\'mS

m

f

Als het volk dit wonder zag, verhief het zijne stem en riep in de lycaonische taal: de goden zijn tot ons in de gedaante van menschen afgekomen. En zij gaven aan Barnabas den

naam van Jupiter, en aan Paulus dien van Mercurius, omdat hij het woord voerde. (Jupiter en Mercurius waren twee voor-

I

-ocr page 678-

Geschiedenis

name afgoden der Heidenen.) Zelfs de priesters van Jupiter, wiens tempel digt bij hunne stad stond, bragten gekroomle ossen, voor de poort, en wilden ook, te gelijk met het volk, offers opdragen. Op deze tijding scheurden Barnabas en Paulus hunne kleederen, (tot teeken dat zij die daad verfoeiden,) sprongen onder de menigte, en riepen : mannen, wat wilt gij doen? Wij zijn ook, even als gij, sterfelijke menschen; wij bevelen u, dat gij u van deze ijdele dingen bekeert tot den levenden God, die hemel, aarde en zee, met al wat er in is, geschapen heeft. Daarentusschen kwamen er eenige Joden van Antiochië (in Pisidië) en van Iconië over, die, nadat zij het volk hadden omgepraat, Paulus steenigden, en hem buiten de stad sleepten, in de meening dat hij dood was.

BEMERKING. Hoe wisselvallig is de mensch: men steeniert hier Paulus, dien men weinige stonden te voren, om lu-L mirakel hetwelk hij gedaan had, goddelijke eer wilde bewijzen. Aldus handelt God met zijne uitverkorenen: nu zijn zij iu voor- dan in tegenspoed; nu in droefheid dan wederom in blijdschap; nu geëerd, dan veracht. De heilige Gregorius zegt; (Lib. 8. Cap. 17. Item. Jib. 19. Moral. Cap. 5.) dat God naauwelijks eenige deugden geeft, of hij beproeft terstond den mensch, om hem zijn niet altijd voor oogen te stellen, opf!:it hij zich nergens in zoude verbetten, maar zien wat hij in zich zei ven is, en wat hij door de hulp van God vermag. Wij zien inderdaad in de werken der Apostelen, dat bijna in allo voorvallen, alwaar het Evangelie aangenomen wordt, en eenigen voortgang doet, aanstonds de verdrukkingen en vervolgingen op de Apostelen vallen, als zijnde het loon en de zegen van hunnen arbeid, en een tegenwigt tegen den ijdelen roem. Laat ons dan ons zeiven nooit verheffen, als er iets wel gaat, noch den moed laten zinken, als alles ons tegenkant.

LXXXIX. HOOFDDEEL.

Het concilie van Jeruzalem. Paulus doet Timothf-as besnijden. Hem wordt door den heiligen Geest verboden op sommige plaatsen te prediken. Hij bekeert Lydia en Philippen. Wordt aldaar met Silas gegeeseld. Bekeert den cipier. Hij predikt te Tessalonica en te Berca. Hij komt te Athene. Act. 15. 16. en 17. — Het jaar 51 en 62.

Nadat het Paulus te Lystra ontkomen wa?, ging hij, te zamen met Barnabas, de steden bezoeken waar zij te voren het Evangelie gepredikt hadden, om de broeders te versterken; van daar kwamen zij te Antiochië, in Syrië terug. Wan-

668

-ocr page 679-

van. het Nieuice Taf anient.

neer zij tiaar waren, ontstond er een groot geschil wegens de besnijdenis en het ondurbouden van de wet van Mozes. Eenige broiders, die van Judea waren afgekomen, zeidon tot de nieuw-bekeerden uit het Heidendom : zoo gij niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, kunt gij niet zalig worden. Over dit geschil werd Paulas en Barnabas met nog eenige andere naar Jeruzalem gezonden tot de Apostelen en de priesters. De Apostelen en de ouderlingen kwamen nu bijeen, om dit stuk te onderzoeken, en na eene groote verhandeling, stond 1\'etrus op, vertoonde aan de broeders, hoe dat God reeds van over lang de Heidenen door zijn toedoen tot het Evangelie geroepen had (te weten in den persoon van Cornelius), (1) en hun den heiligen Geest had verleend, zonder besneden te zijn. Waarom dan, zeide hij, wilt gij nu God tergen met aan de leerlingen een juk op te leggen, hetwelk noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen ? Doch wij gelooven, dat het alleenlijk door de genade van den lieer Jesus Christus is, dat wij, zoo wel als zij, zullen zalig worden.

Daarna nam Jacobus, Bisschop van Jeruzalem, het woord op, en bewees dezelfde waarheid uit de voorzeggingen der profeten, besluitende, dat men de Heidenenen die zich tot (iod bekeerden, desaangaande niet moest ontrusten, maar onder andere waarschuwen, dat zij zich zouden onthouden van afgoderij, ontucht en van het eten van bloed, en van vleesch va*, versmachte dieren. Jacobus maakt bijzonderlijk gewag van ontucht, omdat de Heidenen dit voor geene zonden rekenden, en van bloed, en van vleesch van versmachte dieren, uit ontzag voor de wet van Mozes, om aan de Joden iets toe te geven, ten einde die oude plechtigheidswet maar allengskens eu me( eer te begraven.

Dus besloot het gansche concilie, Judas en Silas, te zamen met Paulus en Barnabas, naar Antiochië af te zenden, met het besluit van deze heilige vergadering, begrepen in den volgenden brief.

«De Apostelen, de ouderlingen en de broeders, doen de broeders onder de Heidenen, die te Antiochië, in Syrië en in Cylië zijn, groeten.

«Daar wij vernomen hebben, dat eenigen, die hier van ons afkwamen, u door hunne woorden onrust en wankelbaar gemaakt hebben, zonder dat wij hun daartoe last gegeven hadden, zoo hebben wij, te zamen vergaderd zijnde, goedgevonden eenige mannen te verkiezen, en tot u te zenden met onze allerliefste (Barnabas en Paulus) mannen, die zich zeiven ten besta gegeven hebben voor den naam van onzen Heer Jesus Christus. Wij hebben u dan Judas en Silas gezonden, die u hetzelfde 1) Zie hiorvoren bladz. 600, enz.

609

-ocr page 680-

Geschiedenis

ook mondelings zullen verhalen. Want het heeft den heiligen Geest en ons goedgedacM, u geenen grooteren last op te leggen, dan deze noodzakelijke dingen: dat gij u zult onthouden van hetgene de afgoden geofferd is: van bloed, van versmacht vleesch en van ontucht; van welke dingen u wachtende, zult gij wel doen. Vaart wel.quot;

BEMERKING. Dit is de geest en het gedrag van het eerste algemeene concilie der heilige Kerk. Hoe liefdevol, vaderlijk en eendragtig wordt hier alles verhandeld en besloten ! Ook was dit een goddelijk voorbeeld voor al de Kerkvergaderingen, die naderhand gevolgd zijn, en nog volgen zullen.

Deze brief veroorzaakte groote blijdschap te Antiochië; elk onderwierp zich met eerbied aan dit heilig en goddelijk besluit. Judas, anders Barnabas genoemd, keerde weinigen tijd daarna naar Jeruzalem terug; maar Silas bleef te Antiochië, en werd medegezel van Paul us: want Barnabas scheidde zich van hem af, ter oorzake van Joannes Marcus, dien hij met zich naar Cyprus nam. Paulus en Silas gingen de steden bezoeken, alwaar Paulus te voren gepredikt had, bevelende overal het besluit der Apostelen en ouderlingen te onderhouden.

Te Lycaonië gekomen zijnde, nam Paulus Timotheüs met zich. Deze Timotheüs was de zoon eener geloovige Joodsche vrouw, maar van eenen heidenschen vader, van welken de broeders goede getuigenissen gaven. Doch hij deed hem besnijden, om den wil der Joden, die allen wisten dat de vader van Timotheüs heidensch was.

Als zij Phrygië doorreisd hadden, verbood hun de H. Geest het woord Gods te prediken in Azië, eene bijzondere provincie van Natolië. Hun werd ook door den Geest van Jesus belet, naar Bithinië te gaan, tot een blijkbaar teeken, dat de prediking van het geloof eene loutere gave Gods is, tot welke niemand regt heeft, en die bestuurd en medegedeeld woidt aan de volkeren, volgens het ondoorgrondelijk oordeel Gods.

Toen Paulus langs Mysië en Troas gekomen was, werd hij in den slaap door eenen Macedoniër, die voor hem stond, naar Macedonië geroepen. Wanneer zij te Philippen, de eerste stad van Macedonië, waren aangekomen, opende God aldaar bet hart van zekere vrouw, met name Lydia, eenen purper-verkoopster van Thyatiren. welke met gansch haar huisgezin gedoopt werd, en Paulus met zijn gevolg dwong bij haar zijn verblijf te nemen.

BEMEEKING. Paulus predikt overal met grooten ijver, hij volbrengt zijnen pligt; maar dezulken alleen worden bekeerd, aan wie God door zijne genade het hart gelieft te openen. Met geloof is eene gave Gods. Wij moeten God bedanken, die

670

-ocr page 681-

van het Nieuwe Testament.

ons die gave gegeven heeft, en hem bidden, dat hij het hart wille openen aan hen, die deze gave nog niet hebben.

In dezelfde stad verjoeg Paulus eenen waarzeggenden duivel uit zekere dienstmeid, die door waarzeggerij aan hare meesters veel winst toebragt. Hieruit ontstond er tegen Paulus en Silas een oproer. Men scheurde hun de kleederen van het lijf, en zij werden in het openbaar op de markt gegeesekl. Verder wierp men hen geketend in den kerker.

Omtrent middernacht, wanneer Paulus en Silas hun gebed stortteden en dankpsalmen zongen, werd de kerker door eeuamp; groote aardbeving geschokt; al de deuren gingen open, en do boeijen der gevangenen sprongen los. De cipier werd zeer verschrikt, en daar hij meende dat de gevangenen geviugt waren, stond hij bereid om zich het leven te benemen; maar Paulus riep met luider stemme: doe u geen leed, want wij zijn allen nog hier. Alsdan viel hij bevende voor de voeten van Paulus en Silas, zeggende: mijne heeren, wat moet ik doen om zalig te worden ? Geloof, zeide Paulus, in den Heer Jesus, en gij en geheel uw huisgezin zult zalig worden. Op hetzelfde oogenblik wiesch de cipier hunne wonden af, ontving het doopsel met al de zijnen, bragt hen in zijn huis, en stelde hen aan tafel, terwijl hij zich verheugde over de gave God. (Hoe wonderbaar is God in de werkingen en in de kracht zijner genade 1)

Des anderen daags deden de oversten van de stad zeggen: laat de menschen heen gaan. De cipier bragt aanstonds deze boodschap aan de Apostelen. Maar Paulus zeide tot de stadsdienaars : hoe! nadat zij ons, roomsche burgers (1), openbaarlijk hebben doen geeselen, en in den kerker doen werpen; zonder kennis van zaken, zouden zij ons nu in het heimelijk uitlaten! Het zal er zoo niet gaan! Dat zij zei ven kornen, en er ons uit leiden. (Niet dat Paulus naar de eer stond, maar omdat zulks noodig was voor de verheerlijking van het Evangelie.) De oversten, die zeer bevreesd werden, omdat zij hooren dat het roomsche burgers waren, kwamen hun dan vleijende woorden geven, en na hen uit den kerker geleid te hebben, verzochten zij hun de stad te willen verlaten. Zij gingen dan eerst naar het huis van Lydia, en begaven zich verder op reis.

BEMEPKING. Van waar komt aan Lydia, een zwak vrouwspersoon en eene nieuwbekeerde, die groote manmoedigheid en standvastigheid in het geloof, dat zij geene menschen vreest, en zich de Apostelen niet schaamt, die men

(1) Dat is, die het regt van roomschen burger genieten; want Paulas ■was geboortig van Tliarsia, in Silicië, eene stad die het regt had van het roomsche burgerschap.

671

-ocr page 682-

€72 Geschiedenis

■die openbare schande had aangedaan? Het is de kracht van het geloof en van den heiligen Geest, die in haar werkt. Die zioak naar de wereld zijn, zegt de Apostel, heeft de \'Heer verkoren, om magtigen te beschamen. (1. Cor. 2. v. 27.)

Te Thessalonica, de hoofdstad van Macedonië, aangekomen zijnde, predikte Faulus aldaar met veel vrucht, en bewees uit de Schrift, dat de Christus moest lijden en verrijzen, en dat die Jesus, welken hij hun verkondigde, de Messias was. Deze voortgang vm het Evangelie werd al weder met een nieuw oproer gezegend, waarom de broeders \'s nachts Paulus en Silas naar Berea wegzonden.

De Bereneërs namen het woord met volle genegenheid des harten aan, terwijl zij dagelijks in de Schrift onderzochten, of hetgene men hun zeide, ook zoo was. Maar de Joden van Thessalonica kwamen derwaarts het volk ontrusten en oproerig maken. Weldra zonden de broeders Paulus naar den zeekant, en deden hem uitgeleide tot Athene toe. Toen zij terug keerden, beval hij hun, dat Silas en Timotheus, die te Thessalonica waren gebleven, hem op het spoedigste zouden volgen.

BEMERKING. Wij laten den godvruchtigen lezer zijne bemerkingen maken op deze wonderbare voortplanting van het heilige Evangelie, onder al die verdrukkingen, en hem zijn geloof en verwondering oefenen over de goddelijkheid van zulk een werk, over het geduld en de kloekmoedigheid der Apostelen, en tevens over den ijver, de barmhartigheid en standvastigheid der nieuw bekeerden.

XC. HOOFDDEEL.

paulus predikt te Athene; werkt en predikt te Corinthen bij Aquilas Apollos, doet veel goeds. Paulus doopt te Ephese» een.ge leerlingen van Joannes, en predikt aldaar gedurende twee jaren. De zonen van Seeva. Oproer van Demetrius. Entychus wordt van den dood verwekt. Aanspraak tot de priesters van Ëpliesen. Act. 17. 18. 19 en 20. — II.t jaar 52 tot 58.

Terwijl Paulus te Athene Silas en Timotheus verwachtte, werd zijn gemoed zeer bedroefd, omdat hij die stad zeer toegedaan zag aan de afgoderij. [Als hij nu op de markt met de filosofen twistte, vroegen sommigen: wat wil deze prater zeggen? Anderen zeiden: hij schijnt nieuwe goden aan te kondigen, omdat hij hun Jesus en de verrijzenis aankondigde. Zij bragten hem dan op den Areopagus, eene plaats, alwaar de beruchte raad van Athene gehouden werd. Deze raad bestond uit de deftigste mannen der stad, Areopagiters genoemd. Aldaar deed Paulus eene zeer treffende leerrede, nemende gelegenheid uit een altaar, hetwelk hij in het voor-

-ocr page 683-

van het Nieuwe Testament. 673

bijgaan gezien had, waarop geschreven stond: aan den onbekenden God. Diengenen dan, zeide hij, welken gij dient zonder hem te kennen, kom ik u verkondigen. Dus bewees hij hun, dat de ware God niet onbekend kan zijn; dat hij als tastelijk geworden is door de dingen welke hij gemaakt heeft; dat hij ons zeer nabij is; dat het in hem is, dat wij leven, ons bewegen en bestaan ; ja, dat wij zelfs, volgens het zeggen van hunne eigene dichters, van zijn geslacht zijn. Vervolgens dat hij geenszins gelijk is aan gouden, zilveren of steenen beelden, die door menschen vervaardigd zijn. Verder begon hij hun te spreken van Christus, die van den dood verrezen was. Toen zij van de verrijzenis hoorden spreken, begonnen zij met hem te lagchen. Aldus ging hij uit het midden van hen, alleenlijk gevolgd zijnde door Dyonisius, raadsheer van den Areopagus, met eene vrouw Damaris genoemd, en nog eenige anderen, die het geloof aannamen.

Naderhand kwam Paulus te Corinthen, en vervoegde zich. bij zekeren Jood, met name Aquilas, die met zijne vrouw Priscilla uit Italië gekomen was, omdat keizer Claudius al de Joden uit Eome had gebannen. Hij bleef dan aldaar en werkte met hen, als zijnde van hetzelfde ambacht, namelijk tentemakers. Wanneer nu Silas en Timotheüs van Macedonië waren aangekomen, predikte Paulus des te vuriger in de Synagoge. Maar alzoo de Joden hem tegenstonden en lasterden, schudde hij zijne kleederen tegen hen af, en zeide: uw bloed zij over u: ik ben er onschuldig aan; voortaan trek ik naar de Heidenen.

Vele der heidensche Corinthianen namen het geloof aan, en de Heer zeide \'s nachts in een visioen tot Paulus : vrees niet, maar spreek manmoedig, zonder iets te verzwijgen ; want ik ben met u, en heb veel volk in deze stad. Paulus verbleef dan aldaar gedurende een jaar en zes maanden. Naderhand bragten hem de Joden voor den regterstoel van Gallio, stadhouder van Achaïen; maar deze wilde zich de geschillen wegens hunne wet niet aandragen.

Toen Paulus van Corinthen vertrekken zoude. Het hij te Cenchreën, eene zeehave van Corinthen, zijn haar afscheren, ter oorzake van eene belofte der Nazareërs, (1) die hij gedaan had om den Joden te toonen, dat hij geen versmader van Mozes\' wet was. Hij ging scheep naar Syrië, met Aquillas en Priscilla, die hij in het vervolg te Ephesen liet, alwaar hij maar weinigen tijd verbleef. — Hij ging vervolgens door Ce-sarea naar Jeruzalem, en van daar doorreisde hij de landschappen van Galatië en van Phrygië, terwijl hij van stad tot stad de broeders versterkte,

fl) Zie hieroTer Num. 6. v. 18.

43

-ocr page 684-

Geschiedenis

r Omtrent denzelfden tijd kwam Apollos te Ephesen, die zeer ervaren was in de heilige Schrift, en met grooten ijver Jesus verkondigde, schoon hij eukelijk maar gedoopt was met den doop van Joannes. Aquilas en Priscilla, die Paulus te Ephesen gelaten had, gaven hem verder licht, en schreven in zijn voordeel aan de leerlingen van Achaïen. Apollos was dan zeer nuttig aan de geloovigen ; immers hij overtuigde de Joden openbaarlijk en met groote kracht, bewijzende door de Schrift, dat Jesus de Messias was.

Terwijl Apollos verder naar Corinthen gegaan was, en aldaar predikte, kwam Paulus te Ephesen, alwaar hij omtrent twaalf man, die maar alleenlijk het doopsel van Joannes ontvangen hadden, in den naam van Jesus deed doopen, dat is, met het doopsel van Christus; en nadat hij hun de handen had opgelegd, ontvingen zij den heiligen Geest, profeteerden, en spraken verscheidene talen.

Paulus twistte aldaar wel gedurende drie maanden met de Joden in de Synagoge; maar alzoo zij verhard bleven, scheidde hij zich van hen af met zijne leerlingen, en ging in de school van zekeren Tyrannus onderrigt geven. Dit duurde wei twee jaren lang, zoodat al die in Azië woonden, van welke provincie Ephesen de hoofdstad was, zoo Joden als Heidenen, het woord des Heeren hoorden. Er geschiedden ook zoo ongemeene mirakelea, dat, door de enkele zweetdoeken en gordelriemen van Paulus, de zieken en de bezetenen genezen werden.

Er woonden te dien tijde te Ephesen zeven broeders, duivelbezweerders, zonen van eenen joodschen opperpriester, Sceva gehee-ten. Deze liepen het land af, en bezwoeren de duivels in den naam van Jesus, dien Paulus predikte. Doch de booze geest gaf hun tot antwoord : Jesus ken ik wel, en Paulus ook ; maar gij, wie zijt gij ? De bezetene greep dan twee van hen met zulk geweld aan, dat zij gewond en naakt ten huize uitvlugtten, hetwelk grpotelijks diende tot verheffing van den naam Jesus.

Velen der bekeerden kwamen hunne zonden belijden en hunne tooverboeken verbranden ten aanschouwe van al het volk; alhoewel die boeken eene waarde van omtrent acht en dertig duizend guldens bedroegen. — Zoo groeide Gods woord magtig aan, en werd krachtdadig bevestigd. Al deze voortgang echter moest wederom beloond en gezegend worden met het loon, dat het heilig Evangelie beloofd, namelijk met vervolgingen en verdrukkingen: want Christus, die aan de zijnen beloofd heeft, dat hij hun eenen mond en eene wijsheid zoude geven, tegen welke al hunne tegenstrevers niets zouden vermogen, heeft hun te gelijk voorzegd, dat hun daarom de vervolgingen niet zouden ontbreken, maar zij, om zijnen naam van alle menschen zouden gehaat worden.

674

-ocr page 685-

van het Nieuwe Testament.

Er was te Ephesen zekere zilversmid, met name Demetrius, die veel winst toebragt aan degenen die van dat ambacht waren, door het maken van zilveren tempeltjes, verbeeldende den prach-tigen Ephesiaauschen tempel voor godin Diana, die niet alleen te Ephesen, maar zelfs door geheel Azië in aanzien was. Deze vertoonde aan zijne medemakkers, dat niet alleen hunne winst, maar ook de tempel en de dienst van Diana groot gevaar liepen door de predikingen van dien Paulus, die overal leerde, dat goden, die door \'s menschen handen gemaakt worden, geene goden zijn. Hierop begonnen zij vol grammoedigheid te schreeuwen : groot is de Diana van Ephesen! Aanstonds geraakte de gansche stad in rep en roer, en naar de schouwburgplaats loopende, zonder te weten waarom, schreeuwde al het volk wel gedurende twee uren; groot is de Diana van Ephesen! Paulus meende zich onder het volk te begeven, maar de leerlingen en zijne vrienden lieten het niet toe. — Wanneer de geheimschrijver der stad, een bedaard en voorzigtig man, ter nauwernood stilte bekomen had, zeide bij onder andere tot het volk: indien Demetrius, en de kunstenaars die met hem zijn, iets tegen iemand uitstaan hebben, dat zij dan elkander in het regt trekken; er worden immers regtsdagen gehouden en er zijn ook stadhouders. Of indien gij iets anders verzoekt, zal men het in eene wettelijke vergadering kunnen afdoen, want anderszins loopen wij gevaar, van bij de overheid als oproerigen beschuldigd te worden, dewijl wij noch schuld, noch oorzaak van dezen oploop kunnen aanwijzen. Door deze verstandige toespraak werd de oploop gestild.

Van Ephesen vertrok de H. Paulus naar Macedonië, en van daar naar Griekenland, van waar hij meende naar Syrië over to varen; doch om de listen en lagen, die hem van de Joden gelegd werden, vond hij goed langs Macedonië terug te keeren. Hij voer derhalve omtrent Paschen van Philippen, en kwam vijf dagen daarna te Troas aan, alwaar hij zekeren jongeling, met name Eutychus, die onder de prediking van Paulus, welke tot in den middernacht duurde, slapende van de derde verdieping was dood gevallen, tot het leven terug riep.

Wanneer nu Paulus met zijn gevolg, na zijn vertrek van Troas, te Mileten was aangekomen (zijnde voorbij Ephesen gevaren, omdat hij wenschte op Pinkster.dag te Jeruzalem te wezen) ontbood hij de priesters van Ephesen, te Mileten bij zich, en deed hun de volgende gansch herderlijke en goddelijke aanspraak:

Gij weet, zeide hij, hoe ik met u altijd heb omgegaan, van den eersten dag af, dat ik in Azië gekomen ben, dienende den Heer met alle ootmoedigheid, en met vele tranen en gevaren, die mij door de listen der Joden overkomen zijn; hoe ik u

675

-ocr page 686-

Geschiedenis

niets onttrokken heb van al hetgene u voordeelig was, noch nagelaten u hetzelve, hetzij in het openbaar, hetzij van huis tot huis, te verkondigen, predikende aan Joden en Heidenen de bekeering tot God en het geloof in onzen Heer Jesus Christus. Zie, nu ga ik, door het bevel van den Geest, naar Jeruzalem, doch weet niet wat mij aldaar te gebeuren staat, dan dat de Geest Gods mij van stad tot stad doet weten, dat kluisters en hartzeer mij te Jeruzalem verwachten. Ik vrees echter niet een dezer dingen, en mijn leven is mij niet te dierbaar, wanneer ik slechts mijne loopbaan voleindige en de bediening des woords, die ik van den Heer Jesus ontvangen heb, om het Evangelie van de genade Gods te prediken.

Zie, ik weet nu, dat gij allen, wiens land ik doorreisd heb, predikende het rijk Gods, mijn aanschijn niet meer zien zult (1) Daarom neem ik u voor getuigen op den dag van heden, dat ik van het bloed van u allen zuiver ben. Immers, ik heb niet nagelaten u al de voornemens van God te verkondigen. Neemt dan wel acht op u zeiven en op de geheele kudde, over welke u de heilige Geest tot Bisschoppen gesteld heeft, om de Kerk Gods, die hij door zijn eigen bloed bekomen heeft, te besturen. Want ik weet, dat er na mijn vertrek grijpende wolven onder u zullen komen, die uwe kudde niet sparen zullen, en dat er uit u zelfs mannen zullen opstaan, die verkeerde leeringen zullen onderwijzen, om leerlingen tot zich te trekken. Daarom waakt, en herinnert u, dat ik drie jaren lang, nacht en dag niet opgehouden heb met tranen een ieder van u te vermanen. En nu beveel ik u aan God, en aan het woord .zijner genade, hij, die magtig is den bouw uwer zaligheid, dien wij begonnen hebben, te voltrekken, en u een deel te vergunnen in zijn erfdeel met al zijne Heiligen. Niemands zilver of goud of kleed heb ik begeerd, zoo als gij zelve weet; want deze handen hebben den nooddruft aan mij, en aan diegenen die met mij waren bezorgd. Aldus heb ik u in alles betoond, hoe men, met alzoo te arbeiden, de zwakken moet ondersteunen, en aan het woord van den Heer Jesus gedenken, wanneer hij gezegd heeft; het is zaliger te geven, dan te ontvangen.\' — Dit gezegd hebbende, viel hij op zijne knieën, en bad met hen allen. Zij begon-

(1) Het blijkt niettemin nit de brieven van Paulus op veracheidene plaatsen, als Philip c. 1. v. 25. 26. o. 2. v. 24. Philemon, v. 22. Hebr. 13. 23.; dat Paulus, na zijne eerste gevangenis te Rome, nog naar Azië terug gekeerd is. , , , j j

Maar dewijl de heilige Geest aan Paulus overal banden en boeijen deed voorzeggen, zonder van loslating te spreken, liet de Apostel zich vast voorstaan, dat hij nooit die banden zoude ontkomen; en daarom neemt hij hier, als voor het laatste, zijn afscheid... God veropenbaart niet alles aan zijne Heiligen, noch aan zijne Profeten, voornamelijk in hetgene -hunnen eigen persoon aangaat. Zie Calm et.

676

-ocr page 687-

van het Nieuwe Testament. 677

nen ook zeer te weenen, vielen Paulus aan den hals, kusten hem, en waren ten hoogste bedrobfd, omdat hij hun gezegd had, dat zij hem niet meer zouden zien. Zij deden hem verder uitgeleide tot aau het schip.

BEMERKING. Hier zien wij den geest en als het binnenste der ziel van dezen grooten Apostel, en te gelijk een aller-volmaakst voorbeeld van eenen waren herder. Dus zouden wij er eenige kieschheid in vinden van bij zoo goddelijke lessen eenige menschelijke bemerkingen te voegen.

XCI. HOOEDDEEL.

Panlus reist naar Jeruzalem, Voorzegging van Agabus. Hij wordt in den tempel gevangen genomen; hij verantwoordt zich voor de Joden, en verdedigt zich voor den raad. 40 Joden zweeren zijnen dood. Paulus verweert zich voor Felix; verantwoordt zich voor Festas, en wordt vnor koning Agrippa gebragt, die hem onschuldig verklaart. Act. 21. 26. — Van het jaar 58 tot 60.

Wanneer Paulus zich aldus van de priesters van Ephesen had afgerukt, zette hij van Mileten zijne reis voort naar Syrië. Te Tyrus aangekomen, werd hem nog eens geraden zich niet naar Jeruzalem te begeven. Hij vervolgde niettemin zijnen weg en kwam door Ptolomaïs naar Cesarea, alwaar hij in het huis van Philippus verbleef. Deze was een diaken, die vier dochters had, welke profeteerden. Het was aldaar, dat de profeet Agabus, toen hij van Judea overkwam, aan Paulus vertoonde, hoe hij te Jeruzalem zoude gekluisterd en aan de Heidenen overgeleverd worden: waarom zijne vrienden hem smeekten, dat hij niet naar Jeruzalem zoude gaan. Paulus echter antwoordde: wat overkomt u, van zoo te-weenen, en mijn hart te bedroeven? Want ik ben niet alleen bereid te Jeruzalem gekerkerd te worden maar zelfs om voor den naam des Heeren Jesus te sterven. Toen zij hem dus van voornemen niet konden doen veranderen, hielden zij zich tevreden en zeiden: de wil des Heeren moet geschieden. — Wanneer Paulus te Jeruzalem was aangekomen, werd hij van de broeders zeer vriendelijk ontvangen; toen hij echter zeven dagen daarna in den tempel gekomen was, ter oorzake van eenige Nazareërs, om volgens den raad van Jacobus en de andere broeders te doen blijken, dat hij de wet van Mozes niet verachtte, ruiden de Joden van Azië, die tot het Pinksterfeest gekomen waren, het volk op en sloegen de handen aan Paulus, roepende; Mannen van Israël, helpt ons! ziedaar dengenen, die tegen ons volk, die tegen de wet en deze plaats (dat is, den tempel of de heilige stad Jeruzalem) een ieder overal gaat leeren. Daarenboven heeft hij ook de Heidenen in den tempel gebragt, en deze heilige plaats ontecrd. De geheele stad raakte

-ocr page 688-

Geschieden»

dus in rep tn roer. Pauius werd door de woelende menigte vast gegrepen; men sleurde hem buiten den tempel; en terstond sloot men de deuren, opdat hij er niet inloopen, en aldus ontkomen zoude. Daar men hem naar het leven stond, bragt men aan den kolonel van het regiment, hetwelk den tempel bewaarde, tijding, dat geheel Jeruzalem in rep en roer was. Deze nam weldra soldaten en kapiteinen met zich, en liep naar hen toe. Op het zien van den kolonel en de krijgslieden, hield men op Pauius te mishandelen. Do kolonel trad nu toe, greep Pauius aan, en deed hem in de boeijen klinken, terwijl hij hem vroeg, wie hij was, en wat hij gedaan had. De eene uit de verwarde menigte riep dit, de andere dat. Alzoo hij dan om het groot gewoel niets zekers konde verstaan, deed hij hem in Let kasteel leiden. Toen Pauius aan de trappen gekomen was, moesten de soldaten, om het geweld van het volk, hem dragen; want eene groote menigte schreeuwde: maakt hem van kant! Als Pauius nu op het punt was van in het kasteel geleid te worden, vroeg hij den kolonel: mag ik iets tot u zeggen? De kolonel gaf tot antwoord: Kunt gij grieksch? Zijt gij die Egyptenaar niet, die over eenige dagen een oproer maakte, en naar de woestijn vier duizend moordenaars met u leidde? Pauius sprak: ik ben een Jood van Tarsis in Cüicië, een burger van die stad, welke genoeg bekend is. Ik bid u, laat mij tot het volk eene aanspraak doen. — Wanneer hij zulks had toegelaten, gaf Pauius, staande op de trappen, het volk een teeken met de hand. Er ontstond aldra eene groote stilte, en Pauius sprak hen aan in de hebreeuwsche taal. In deze aanspraak betoonde hij voor het volk, hoe hij de wet beijverd, en de Christenen vervolgd had, hoe wonderlijk hij bekeerd, en van God tot de Heidenen gezonden was. Zoohaast als zij van de Heidenen hoorden spreken, begonnen zij op nieuw te schreeuwen: maakt hem van kant! het is schande, dat hij leeft. De kolonel wilde hem dus doen geeselen en pijnigen, om te weten, waarom het volk aldus tegen hem uitviel. Pauius echter ontkwam het met te verklaren, dat hij burger van Eome was (1).

Des anderendaags, wijl de kolonel mei zekerheid weten wilde, waarover Pauius beschuldigd werd, bragt hij hem in deu raad der Joden, alwaar de hoogepriester Ananias, op de eerste\' woorden die Pauius sprak, hem voor den mond deed slaan. Pauius zeide hierop tot hem; God zal u ook slaan, gij witgepleisterde muur. Gij, die daar zit om mij volgens de wet te oordeelen, zult gij, tegen de wet, gebieden mij te

(1) \'Want de stad Tarsis, van waar Pauius geboortig was., had het voor-regt van het roomsche burgerschap. Doch het was ongeoorloofd eeueu roomsohen burger, zonder kennis Yan aaken, ie binden of te geeselen.

678

-ocr page 689-

van het Nieuwe Testament,

slaan ? Diegenen die rondom Paulus stonden, zeiden hem: tuit gij den hoogepriester Gods aldus uitschelden? Paulus antwoordde: broeders, ik wist niet dat het de hoogepriester was; want er staat geschreven: gij zult van den overste des volks geen kwaad spreken.

Daar Paulus wist, dat een deel van den raad Sadduceërs, en het andere Farizeërs waren, riep hij overluid in den raad: broeders, ik word hier in het regt gebragt over de hoop van een ander leven, en de verrijzenis der dooden. Hierop ontstond er eene groote twist tusschen de Farizeërs en Sadduceërs: de eersten namelijk gaven geloof aan de verrijzenis, de anderen zeiden, dat er geene is. Gedurende de twisten en dit gewoel deed de kolonel Paulus naar het kasteel brengen, daar hij vreesde dat men hem zou verscheuren.

Den volgenden nacht vertoonde zich de Heer aan Paulus, zeggende: schep moed, want gelijk gij van mij te Jeruzalem getuigenis gegeven hebt, alzoo moet gij ook te Rome doen. De kolonel Lysias ontdekte middelerwijl, dat wel veertig Joden den dood van Paulus gezworen hadden, derhalve zond hij hem\'s nachts weg met een sterk gevolg van de soldaten naar Cesarea, tot den roomschen stadhouder Felix, met eenen brief, behelzende het verhaal van hetgene wegens Paulus te Jeruzalem gebeurd was.

Vijf dagen daarna kwamen de Joden van Jeruzalem met den redenaar ïertullus, om Paulus voor Felix te beschuldigen. Doch alzoo hij zijne onschuld deftig verdedigde, deed hem Felix in den kerker veel meerderen vrijdom geven, zonder te beletten, dat hem iemand van de zijnen zoude komen dienst bewijzen. Eenige dagen daarna deden Felix en zijne echtgenoote Drusilla, die Jodin was, Paulus voor zich verschijnen, om hem te hooren spreken van het geloof in Christus. Doch alzoo de Apostel veel sprak van de regtvaardigheid, van de kuischheid en van het oordeel, werd Felix verschrikt en zond hem henen. Daar hij echter de hoop koesterde, dat Paulus hem geld zoude geven, liet hij hem dikwijls halen, om met hem te spreken.

BKM ERKING. Velen worden er wel verschrikt, als zij, gelijk Felix, van het oordeel hooren spreken, maar die schrik heeft geen gevolg, om hen van leven te doen veranderen, omdat zij dien schrik trachten te verdooven.

Na twee jaren volgde Pontius Festus in de plaats van Felix: en deze, om de Joden te believen liet Paulus bij voortduring in de gevangenis.

Naauwelijks was Festus te Cesarea aangekomen, of Paulus werd voor zijnen regterstoel gebragt; hier verweerde hij zich tegen de Joden, die van Jeruzalem waren gekomen, en welke

679

-ocr page 690-

Geschiedenis

»em Tele zware beschuldigingen, aantijgden, die zij echter nie\' konden goed maken. Festus nam nu het woord op en zeide, wn de Joden te believen, tot Paulus: wilt gij naar Jeruzalem jaan, en aldaar voor mij over deze zaken geoordeeld worden? Maar Paulus antwoordde: ik sta hier voor den regterstoel des ieizers, hier moet ik geoordeeld worden. Ik heb de Joden geen onregt gedaan, gelijk het u ook genoeg bekend is. Of heb ik iets bedreven hetgene den dood verdiend heeft, zoo weiger ik niet te sterven; maar zoo er niets is van al datgene, waarover zij mij beschuldigen, zoo mag mij niemand aan hen overleveren. Ik beroep mij op den keizer. Nadat Festus met zijnen raad gesproken had, zeide hij: hebt gij u op den keizer beroepen, dan zult gij tot den keizer gaan.

Na eenige dagen gaf Festus de zaak van Paulus aan den koning Agrippa te kennen, die met zijne huisvrouw Berenice te Cesarea gekomen was om Festus te begroeten. Hier is, zeide hij, zeker man van Felix gevangen gelaten, welken de opperpriesters en de ouderlingen der Joden, toen ik te Jeruzalem was, kwamen beschuldigen, verzoekende, dat ik hem ter dood zoude verwijzen. Maar ik gaf hun tot antwoord, dat het bij de Eomeinen geen gebruik was iemand te veroordeelen, voor dat de beschuldigde in de tegenwoordigheid van zijne beschuldigers gesteld werd, en magt bekwam, om zich tegen die opgelegde schuld te verdedigen. Doch de beschuldigers die naderhand tegen hem verschenen, bragten niets bij, daar ik iets kwaads in zag. Zij hadden enkelijk eenige geschillen met hem over huune godsdienst, en over zekeren gestorven Jesus, van wien Paulus zeide, dat hij nog in het leven was. Ik was dus gansch verlegen, en vroeg hem, of hij over die dingen te Jeruzalem wilde geoordeeld worden. Doch, mits hij zich daarvan beriep en verzocht, dat zijne zaak ter kennis van den keizer zoude gebracht worden, heb ik hem in bewaring gehouden, tot dat ik hem naar den keizer kan zenden. Agrippa zeide tot Festus: ik wilde zelf wel dien man eens hooren. Morgen, hernam Festus, zult gij hem hooren.

Des anderendaags deed Paulus in de tegenwoordigheid van Agrippa, Berenice en Festus, eene zeer krachtvolle verdediging, zoo dat Agrippa eindelijk aan Paulus zeide: gij zoudt mij bijna bewegen om Christen te worden. Paulus antwoordde: God gave, dat gij niet alleen bijna, maar ook ten eenenmale, met al degenen die mij aanhooren, heden zoodanig werdet, gelijk ik ben, uitgenomen deze banden. Nadat zij dan met elkander gesproken hadden, zeiden zij; die man heeft niets gedaan, hetwelk den dood of de gevangenis verdient. En Agrippa zeide tot Festus: had hij zich niet op den Keizer beroepen, dan zoude men hem los mogen laten.

eso

-ocr page 691-

van het Nieuwe Testament. 681

^jiMERKING. Hoe erg hebben het de grooten dezer wereld, om den hals te buigen onder het nederige juk van den ge-kruisten Jesus! De armen moeten God bedanken, dat zij door de nederigheid van hunnen staat minder beletsel hebben, om het Evangelie aan te nemen, en het rijk der hemelen te bekomen, waartoe de armen van geest alleen ragt hebben. 2. Deze Heidenen waren tegen Paulus niet ingenomen, gelijk de Joden, en daarom vellen zij gunstig en regtmatig oordeel. Haat en nijd, en ingenomenheid verblinden de menschen, en doen hun vele onregtvaardigheden en wreedheden bedrijven. 3. De ware leerlingen van Jesus moeten, even als Paulus, zoo onberispelijk zijn in hunnen handel, dat hen iedereen, die hun gedrag onderzoekt, onschuldig moet verklaren; doch daarom moeten zij niet denken, dat zij zullen ontslagen worden. Het is hun voordeelig en zalig, dat zij in de verdrukking blijven, en hun troost moet zijn, dat God meerdere heerlijkheid zal trekken uit hunne veroordeeling, dan uit hun ontslag. Gelijk het met den meester gegaan is, zoo zal het met zijne leerlingen ook gaan.

xcn. HOOFDDEEL.

Paulas reist te scheep naar Kome, eu lijdt schipbreuk voor Maltha. Hij wordt zonder hinder van eene adder gestoken. Hij predikt Christus te Rome aan de Joden. Zijne verdere daden tot aan zijnen dood. Act. 27. en 28. — Van het jaar 60 tot 66.

Paulus werd naderhand door Festus aan zekeren kapitein van een keizerlijk regiment, met name Julius, overgeleverd, om, benevens nog eenige andere gevangenen, naar Kome te varen, om voor den keizer gebragt te worden. Deze Julius handelde met Paulus zeer beleefdelijk. Hunne reis was langzaam en moeijelijk, want zij hadden naar den Apostel niet willen luisteren, die hun ontraden had, van in den winter de reis te bevorderen. Niettemin, wanneer zij in het uiterste gevaar waren, verkloekte hij al het scheepsvolk, zeggende: ik raad u, welgemoed te zijn, want niemand van u zal zijn leven verliezen, het schip alleen zal vergaan; immers wij moeten op zeker eiland geslagen worden. Dezen zelfden nacht, ging hij voort, is er een Engel van den God, aan wien ik toebehoor en welken ik dien, bij mij geweest, en heeft mij gezegd: vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer verschijnen, en God heeft u het leven van allen, die met u varen, geschonken (er waren 376 man op het schip.) Daarom, mannen, schept moed! want ik heb dit geloof in God, dat het geschieden zal gelijk het mij gezegd is.

Nadat zij gedurende veertien dagen in het midden der stormen, en in een gedurig gevaar geweest waren, zonder

-ocr page 692-

Geschiedenis

bijna eenig voedsel te. nemen, bad Paulus hen allen, dat zij zic\'u zouden versterken, om te kunnen gered worden. Niemand van u, zeide hij, zal een haar van zijn hoofd verliezen. Nu nam hij brood, dankte God in de tegenwoordigheid van hen allen, brak het en begon te eten. Dus werden zij beter gemoed, en deden ook zoo. Toen zij eindelijk het land zagen en het niet kenden, geraakten zij op eene zandplaat; het voorste van het schip geraakte in het zand vast, en zoo werd het achterste door de baren in stukken geslagen. Doch, volgens de voorzegging van Paulus, geraakten zij allen behouden aan land, sommigen door het zwemmen, anderen op planken en stukken van het schip.

BEMERKING. Hoezeer doet elk zijn best, om in den storm en schipbreuk zijn leven te behouden! en hoe weinig om in de bekoring en in de geestelijke gevaren zijne ziel niet te verliezen 1

Als zij het gevaar aldus ontkomen waren, vernamen zij, dat het eiland Melita genoemd werd. (thans Maltha.) De barbaren (1) bewezen hun geene kleine beleefdheid; want na een groot vuur ontstoken te hebben, ter oorzake van den regen en de koude, gaven zij hun al den bijstand dien zij noodig hadden. Nadat Paulus eenig rijs bijeen geraapt en het op het vuur gelegd had, schoot er, door de hitte, eene adder uit, die zich rondom zijne hand kronkelde. Als de barbaren dit dier aan zijne hand zagen hangen, zeiden zij tot elkander: die menscb moet een moordenaar wezen, welken alhoewel hij de zee ontkomen is, echter de regtvaardige wraak Gods niet toelaat te leven. Paulus schudde de adder in het vuur af, en leed er geen hinder van. De aanschouwers lieten zich nu voorstaan, dat hij aldra zou opzwellen en dood ter aarde vallen. Na echter lang gewacht te hebben, en ziende dat er hem geen leed geschiedde, veranderden zij van gevoelen, en zeiden dat hij een God was.

BEMERKING. Wie zal zich ontroeren over de oordeelen der menschen, die zoo ligtelijk het eene oogenblik prjzen wat zij het andere oogenblik laken? De eerste stond is Paulus een moordenaar, die niet verdient te leven, de andere stond een God, daar zij zich over verwonderen, en nog had dit vonnis van de barbaren eenigen schijn, volgens hunne bijgeloovigheid; maar hoe velen zijn er niet, die prijzen en laken, zonder dat zij weten waarom! Laat ons dan alleen Gods oordeel vreezen, die naar de geregtigheid oordeelt, en geen kwaad goed kan noemen, noch goed kwaad.

Omtrent dezeltde plaats lagen de landgoederen van den

1) De Grieken en de Latijnen waren gewoon barbaren te noemen, al degenen die noch Srieksch noch Latijn spreken.

€82

-ocr page 693-

van het Nieuwe Testament. 683

oversten des eilands, met name Publius; deze ontving Paulus, Lucas en Aristarchus in zijn huis, en vergastte hen drie dagen. De vader van Publius was door de koorts en den rooden loop aangerand. Publius ging uu bij hem, stortte zijn gebed, legde de handen op hem, en genas hem. Hierop kwamen al de krankon van het eiland tot Paulus, en zij werden genezen.

Na drie maanden verlieten zij Maltha. Te Rome gekomen zijnde, werd het aan Paulus toegelaten alleen te wonen, met eenen soldaat die hem bewaakte, volgens het gebruik der Bomeinen : dat is, op zoodanige wijs, dat er eene lange keten van den eenen kant vast was aan den linkerarm van den soldaat, en van den anderen kant aan den regterarm van Paulus, opdat hij niet zoude kunnen ontvlugten.

Drie dagen na zijne aankomst te Eome, ontbood Paulus de voornaamsten der Joden, aan welke hij verslag deed van zijn wedervaren. Doch alzoo zij noch brieven wegens Paulus, noch klagten hadden ontvangen, zochten zij zeiven hem wel eens te hooren spreken; want rakende die sekte, zeiden zij (aldus noemden zij de christene godsdienst,) is het ons kenbaar dat zij overal bestreden wordt. Zij kwamen dan op zekeren bestemden dag in groot getal naar zijn verblijf, alwaar hun Paulus met vele betuigingen het rijk Gods verkondigde, trachtende hun van den vroegen morgen tot \'s avonds toe, hetgene Jesus aanging, uit de wet van Mozes en uit de profeten te doen gelooven. Sommigen gaven geloof aan hetgene Paulus zeide, anderen niet; dus gingen zij twistende henen. Paulus sprak hun hierop met deze woorden toe: de heilige Geest heeft met reden door Isaïas, den profeet, (Isaï. 6. v. 9.) tot onze voorvaderen aldus gesproken : ga tot dat volk, en zeg hun ; met uwe ooren zult gij hooren, en niet verstaan; en met uwe oogen zien, en niet begrijpen; want het hart van dit volk is bezwaard, zij hebben hunne ooren gestopt en hunne oogen toegenepen, omdat zij noch met hunne oogen zien, noch met hunne ooren luisteren, noch met hun hart begrijpen zouden, en, zich bekeerende, van mij genezen worden. U zij dan kennelijk dat deze zaligmaking Gods aan de Heidenen, die er naar zullen hooren, is toegezonden.

Wijders bleef Paulus twee geheele jaren in het vertrek, hetwelk hij gehuurd had, en ontving allen die tot hem kwamen gansch vriendelijk. Hij predikte hun het rijk Gods, en leerde wat Christus aanging, met alle vrijmoedigheid, en zonder beletsel.

Hier eindigen de werken der Apostelen, die door den H. Lucas zijn beschreven. Paulus schreef ten tijde van deze eerste gevangenis te Rome, alwaar hij omtrent Februarij van het jaar 61 was aangekomen, verscheidene zijner brieven, als den

-ocr page 694-

Geschiedenis

brief tot die van Laodicië, van welke hij gewag maakt. Col. 4. 16, en die verloren is, en den brief tot d\'ie van Colossen. In het jaar 63 werd hij op vrije voeten gesteld, en schreef hij den brief tot de Hebreeuwen. Het kan zijn, dat hij korten tijd na zijn ontslag zijne reis gedaan heeft naar Spanje, van waar hij naar het Oosten is wedergekeerd. Dus predikte hij in het jaar 63 op het eiland Creta, thans Candia, alwaar hij Titus tot Bisschop aanstelde, en vertrok van daar verder naar Judea. In het jaar 64, kwam hij weder in Azië, alwaar hij veel geleden heeft; en Timotheüs te Ephesen tot Bisschop latende, vertrok hij naar Macedonië, üit Philippen schreef hij zijnen eersten brief aan Timotheüs, en omtrent denzelfden tijd eenen aan Titus. Hij bragt dit jaar den winter over te Nico-polis. De eerste openbare vervolging van het romeinsche rijk tegen de christene godsdienst, ontstond tenzelfden tijde onder keizer Nero.

In het jaar 65 vertrok Paulus wederom naar Azië, nemende zijnen weg langs Troas, Ephesen en Mileten. Omtrent dezen tijd kwam hij met den Apostel Petrus, nadat hun God waarschijnlijk hunnen marteldood veropenbaard had, te Eome weder aan. Men meent, dat zij aldaar door hunne gebeden Simon den toovenaar uit de lucht hebben doen nederstorten, wanneer hij door duivelsche kunsten wilde ten hemel vliegen. Hierop werden zij in den kerker geworpen, en nadat Paulus zijne .verantwoording voor Nero gedaan had, schreef hij zijnen tweeden brief aan Timotheüs, en eindelijk eenen tot die van Ephesen en andere geloovige gemeenten van Azië. Ten laatste iverden Petrus en Paulus te Eome, om het geloof, gedood op den 39 Junij vau het jaar 66.

BEMERKING. Hier zien wij het gelukkig einde van den treffelijken loop dier twee groote Apostelen, het loon van hunnen arbeid en de kroon hunner wondere daden. Christus had hun beiden voorzegd, hoe zij God zouden verheerlijken, te weten: aan Petrus, dat, als hij oud zoude geworden zijn, een ander hem zoude omgorden, en leiden waar hij niet wilde, waardoor hij hem den dood te kennen gaf, dien hij voor Christus zoude sterven; (Joann. 21.) en aan Paulus, dat hij hem toonen zoude hoe veel hij om zijnen naam zou moeten lijden. (Act. 9. 16.) Wij zien nu alles volbragt, en niets is er zoo troostelijk voor eenen opregten Christen, \'als deze goddelijke geschiedenis te lezen, en te bedenken het wonderbare bestuur van God In de voortplanting van het heilig geloof, de onverwinne-iijke kracht zijner goddelijke genade, de heldhaftige kloekmoedigheid zijner Apostelen, de onvermoeijelijkheid van

684

-ocr page 695-

van het Nieuwe Testament,

hunnen arbeid en hun lijden; de onbaatzuchtigheid van hunnen handel; de heiligheid van hun leven; de doordringende kracht van hunne woorden; de uitnemendheid van hunne mirakelen; de zeldzaamheid en snelheid van de bekeeringen, die zij deden; en onder al dien luister van zoo goddelijke werken, de ongehoorde verdrukkingen in welke zij leefden, en waaronder zij ten laatste schenen te bezwijken.

De vorsten der aarde behalen overwinningen, als zij hunne vijanden vernielen en veroveren; maar de krijgslieden van Christus blijven overwinnaars, als zij, naar het voorbeeld van hunnen goddelijken Meester, hun bloed en leven door eene ovcr-magtige liefde ten beste geven voor hen, die ben haten, om een eeuwig leven te bezorgen aan degenen, die hun het vergankelijk leven ontnemen.

HET BOEK DER OPENBARINGEN.

Nadat de heilige Joannes, Apostel, omtrent hel jaar onzen Ileeren B9, in de tweede openbare vervolging van de heilige Kerk, onder keizer Bomitianus, te Rome ongeschonden uit de ziedende olie teas gekomen, werd hij in ballingschap gezonden naar het eiland Pathmos, gelegen in de Egeesche zee, niet verre van de kusten van klein-Azië. Aldaar schreef hij het Boek der Openbaringen, behelzende in 32 Hoofddeelen, de openbaringen en uitspraken, die Christus zelf, de Heer en God der heilige Profeten, aan Joannes gedaan heeft over hetgene weldra stond te geschieden in het rijk van den roemvollen Zaligmaker. Het schijnt, dat de eerste vervolging van de heilige Kerk, alsook de laatste onder den Antichrist, in dit boek bijzonderlijk zijn afgebeeld. Doch men ziet tusschen de duisterheden van dit boek schoone sterrelichten flikkeren, voornamelijk in de drie eerste en in de drie laatste Hoofddeelen. Men voelt er eenen zalvenden indruk van Gods verhevene Majesteit;\' men krijgt er verhevene gedachten van de geheimenissen van Christus, van de heerlijkheid en den luister van zijn rijk, en van zijn uitverkoren volk. Ja, men mag zeggen, dat die dingen nergens anders in de heilige Schrift met zoo krachtige en doordringende uitdrukkingen afgebeeld worden. Yan den eenen kant wordt men verschrikt door de vervaarlijke uihoerkselen van Gods regtvaardigheid over de zondaars, en door den schrikke-tijken val van Babylon, en van den anderen kant als verrukt ioor de aangename vertooning van den hemel, de bruiloft van iet Lam, de pracht en den luister van het nieuwe Jeruzalem, en den gelukkigen staat der zaligen.

685

-ocr page 696-

Geschiedenis

I. HOOFDDEEL.

Afbeelding van den Zoon des menschen^ die aan Joannes verschijnt. Apoc. 1.

Openbaring van Jesus Christus... die de getrouwe getuige, is, de eerstgeborene onder de dooden, en de oppervorst van de koningen der aarde, die ons bemind, ons van onze zonden in zijn bloed gewasschen, en ons ook koningen en priesters voor zijnen Vader gemaakt heeft. Hem zij roem en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Ik, Joannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking, in het rijk en in het geduld van Jesus Christus, ben gebannen geweest in het eiland Pathmos, om het woord Gods verkondigd en om getuigenis van Jesus gegeven te hebben. Ik was in den geest op den dag des Heeren {den Zondag), en hoorde achter mij eene sterke stem, als van eene bazuin, welke zeide: schrijf hetgene gij ziet in een boek, en zend het aan de zeven kerken, (1) die in Azië zijn: te Ephesen, te Smyrna, te Thyati-ren, te Sardis, te Philadelphië en te Laödiceën. Ik keerde mij om, om de stem te zien, die tot mij sprak, en ik zag zeven gouden kandelaren (beduidende de zeven gemelde kerken.) En in het midden der zeven gouden kandelaren ontwaarde ik iemand, die den Zoon des menschen geleek; hij droeg een lang kleed, ■hetwelk onder de borst met een gouden gordel was vastgemaakt; (verbeeldende het koningdom van Christus en den hand van liefde); zijn hoofd en zijn haar was zoo helder wit, als witte wol, ja als de sneeuw, (dat is uitnemende grijs, gelijk zich God de Vader aan Daniël vertoonde. Dit heteekent de eeuwigheid van den Zoon Gods,) en zijne oogen als een vlammend vuur, (hetwelk te kennen geeft zijn aldoor ziend oog,) zijne voeten gelijk het fijnste koper, gloeijende als in eenen oven, (dit be-teekent zijne menschheid, die, van liefde gloeijende, in den oven des lijdens beproefd is,) en zijne stem als het gedruisch van eenen waterstroom, tot schrik der boozen. En hij had zeven sterren in zijne regterhand (beduidende de Bisschoppen, van die zeven kerken, die hij als in zijne handen draagt, door zijne vaderlijke zorg;) uit zijnen mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard (het woord Gods, heticelk tot in het binnenste der ziel dringt,) en zijn aangezigt scheen zoo helder als de zon in hare volle kracht. Toen ik hein zag, viel ik els dood voor zijne voeten; hij legde zijne regterhand op mij, en zeide: vrees niet, ik ben de eerste en de laatste. Ik ben die leeft, en dood ben geweest; en zie, ik leef in alle eeuwigheid: ik

(1) Het getal van zeven, hetwelk een getal van volmaaktheid is, be\' teekent de geheele Kerk.

686

-ocr page 697-

van het Nieuwe Testament,

ben de sleutel des doods en der hel. Schrijf dan hetgene gij gezien hebt, hetgene tegenwoordig is, en wat nog staat te volgen.

BEMERKING. Bijaldien dit gezigt zoo schrikkelijk was voor Joannes, die, heilig en schuldeloos zijnde, niet scheen te moeten verschrikt zijn, wat zal het dan wezen voor den rampzaligen zondaar, als Christus in zulk eene gesteltenis ten oordeel zal komen ? Die klaarblinkende zon, die tot de minste stofjes ontdekt, zelf in do regtvaardige zielen, doet hen beven; maar indien de ziel konde sterven, dan zou dat vervaarlijk gezigt de verdoemden duizendmaal doen sterven. Indien dan, gelijk de H. Petrus zegt, de regtvaardige ter naauwernood zal zalig worden, wat zal er dan van den goddeloozen en den zondaar geworden ?

II. HOOFDDEEL.

De H. Joannes schrijft op beTel van Christus, verscheidene zaken aan de zeven bisschoppen van de bovengemelde kerken. Apoo. 2. 3.

1. Schrijf, zegt de Zaligmaker aan den Engel, dat is aan den Bisschop, van de Kerk van Ephesen: ik ken uwe werken, uwen arbeid en uw geduld. Ik weet dat gij de boozen niet kuct verdragen, en gij degenen die zich voor Apostelen uitgeven, alhoewel zij het niet zijn, beproefd en hen leugenaars bevonden hebt. Het is mij bewust, dat gij geduld hebt, om mijnen naam hebt geleden, en niet bezweken zijt. Doch dit heb ik tegen u, dat gij van uwe eerste liefde zij afgeweken. Gedenk dan, van waar gij gevallen zijt; pleeg boetvaardigheid, en doe uwe eerste werken. Anders zal ik weldra tot u komen, en uwen kandelaar van zijne plaats voeren, indien gij geene boetvaardigheid doet. Maar dit hebt gij goeds, dat gij de daden der Nicolaïten (1) haat, die ik ook haat. Die ooren heeft, dat hij hoore wat de Geest tot de kerken zegt. Wie verwint, die zal ik te eten geven van den boom des levens, die in het midden des Paradijzes van mijnen God staat.

BEMERKIISTG. Indien wij ons gemoed opregt voor God onderzoeken, zal de waarheid zonder vleijen of sparen ons ook duidelijk voor oogen liggen. 1. Het goed, hetwelk wij door Gods genade gedaan hebben, om- ons daarin te versterken. 3. Onze afwijkingen en ongetrouwheid, om ons daarin te beteren en boetvaardigheid te plegen. 3. Zij zal ons verschrikken door hare bedreigingen. 4. En ons aanmoedigen en opwekken door hare treffelijke beloften.

Hoe velen zijn er niet, die ook aldus met ijver en vurigheid

(1) Deze waren zeer verfoeijelijke Ketters.

687

-ocr page 698-

688 Gezchiedenm

beginnen in een heilig en deugdelijk leven, en naderhand allengskens afwijken van hunne eerste liefde, van het gebed, van de verstervingen, van de naauwkeurigheid, van de getrouwheid, enz. Luistert dan met de ooren des harten, wat u do Geest Gods te verwijten heeft: gedenk van waar gij gevallen zijt, pleeg loetvaardigheid, en doe uwe eerde werken.

II. Schrijf aan den Engel van de kerk van Smyrna (dit was de uitmuntende H. Tohjearpus); ik ken uwe verdrukking en uwe armoede (van alles beroofd zijnde om mijnentwil); maar gij zijt rijk (in hemelsche goederen) en wordt gelasterd van hen die zich voor Joden uitgeven, daar zij het niet zijn (valsche ijver aars van de wet, die zij zeiven niet onderhouden); maar wel eene vergadering van den boozen vijand. Vrees niet voor hetgene gij nog te lijden hebt. Zie, de duivel zal er eenige van u in den kerker werpen, opdat gij moogt beproefd worden, en gij zult tien dagen verdrukking hebben. Wees getrouw tot den dood toe, en ik zal u de kroon des levens geven.... Die verwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden, dat is van den eeuwigen dood, of van de verdoemenis.

BEMEEKING. Hoe weinigen zijn er, die de waarheid zoo volmondig prijzen mag, zonder eenige verwijting daar bij te voegen! Dusdanigen moeten aangemoedigd worden om in het goede te volharden. Doch de volharding is eene groote gave Gods; niemand is van dezelve verzekerd; daarom moeten wij die vurig vragen, en ze bevende van Gods genade verwachten. Hoe rijk was deze heilige bisschop in zijne armoede! de uitwendige pracht ontbrak hem; maar hoe groot was hij voor God en zijne Engelen!

Hl. Schrijf aan den Engel van de kerk van Pergamen: ik weet dat gij woont, waar de zetel van den boozen vijand is, (ik ken uwe gevaren), en dat gij nogtans mijnen naam behouden, en mijn geloof niet verloochend hebt, zoo zelfs in die dagen, als Antiphas, mijn getrouwe getuige bij u, waar de bcoze vijand woont, gedood is. Doch ik heb iets tegen u, dat gij er daar hebt, die de leering van Balaam houden (dat is van die snoode en ontuchtige Nicolaïters), die Balaac leerde eenen stronkeisteen te werpen voor de kinderen van Israël, opdat zij zouden eten van de spijzen aan de afgoden geslagtofferd, en ontucht bedrijven.... Doe dan boetvaardigheid, dan zal ik tot u komen, en u met het zwaard mijns monds bevechten... Wie verwint, die zal ik een verborgen manna en eenen witten keursteen geven, en op dien steen zal een nieuwe naam geschreven zijn (te toeten den naam van een kind Gods), die niemand kent dan degene die hem ontvangt.

fP*\'\'

:ÏM

-ocr page 699-

van lid Nieuwe Testament.

BEMERKING. Het is een groote lof voor dezen Bisscliop, te midden van zware beproevingen getrouw bevonden te worden, zonder van het geloof af te wijken. Maar dit is niet genoeg voor eenen herder; hij moet de kudde beschermen tegen de wolven; de kwade leeringen en hare leeraars wederleggen, door het woord Gods; die nergens gedoogen, maar overal uitroeijen.... Het verhoryen manna, den troost, dien God geeft in het lijdon en in de verdrukking; den keursteen van zijne troostrijke goedkeuring in het midden der lastering; den nieimen naam van een kind Gods, het kenteeken van eenen uitverkorene, mut gelijk te zijn aan den lijdenden Zaligmaker; dit alles kent niemand, dan die het ontvangt.

IV. Schrijf aan den Engel der kerk van Thyatiren : dit zegt de Zoon Gods... Ik ken uwe werken, uw geloof en uwe liefde, uwe gedienstigheid en uw geduld, en dat uwe laatste wérken de eerste overtreffen. Doch ik heb iets tegen u, dat gij het wijf Jezabel, die zich voor eene profetesse uitgeeft, toelaat te leeren, en mijne dienaars te verleiden, om hun ontucht te doen bedrijven en de offerspijs der afgoden te eten. (Waarschijnlijk een aanzienlijk en magtig wijf van de secte der Nicolaïten, die, om hare overeenkomst met de goddelooze Jezahel, Achah\'s vrouw, hier ook Jezahel genoemd wordt, en die er velen verleidde.

.....Maar houdt toch hetgene gij hebt, tot dat ik kome. Wie

overwonnen, en mijne werken tot het einde toe zal onderhouden hebben, dien zal ik magt geven over de volkeren. Hij zal die beheerschen met eenen ijzeren staf, en gelijk een aarden vat zullen ze verbrijzeld worden. Gelijk ik ook van mijnen Vader verkregen heb, en ik zal hem de iiiorgenster geven, dat is dit vertroostend licht van zegen en genade, hetioelk als de voorlede is van den dag der gélukkige eeumgheid.

BEMERKING. Welke heerlijke lof voor dezen Bisschop dat hij van de eeuwige Waarheid, die niet streelt noch verijdelt, hooren mag, dat zijne laatste werken de eerste, die reeds zoo loffelijk waren, nog overtreffen ! Doch al had hij zijne eigene zonden niet te vreezen, stellen hem echter de vreemde zonden in gevaar. Hoe gevaarvol is de staat dei-overheidspersonen, aan wie de zonden toegerekend worden, die zij niet beletten wanneer zij zulks vermogen!

V. Schrijf aan den Engel van de kerk van Sardis: ik ken uwe werken : gij hebt den naam dat gij leeft, en echter zijt gij dood. Bewaak en versterk het overige van mo volk, hetwelk in doodsgevaar is; want ik bevind uwe werken niet vol voor God. Herinner u dus, wat gij ontvangen en gehoord hebt; bewaar het, en doe boetvaardigheid. Indien gij niet

44

689

-ocr page 700-

690 Geschiedmis

waakt, zal ik tot u komen als een dief,, ea gij zult niet weten \' | wat uur ik tot u komen zal. Gij liebt echter te Sardis eenige

personen die hunne kleederec. niet besmet hebben; dat is, die A de onschuld van hun doopsel ongeschonden hewaard hebben. Deze

zullen met mij wandelen, in het wit gekleed, dewijl zij het waardig zijn. Wie verwint, die zal aldus in wit gewaad gekleed worden, hetwelk een teeken is van heiligheid, heerlijkheid en zegepraal. En ik zal zijnen naam niet uitwisschen uit het boek des levens, maar denzelven belijden voor mijnen Vader en zijne Engelen.

BEMEKKING. Deze Bisschop had eenen goeden naam om zijn uitwendig stichtend leven; maar hij was dood voor God, misschien om nalatigheid van zijnen pligt, welke zonden min gevoeld en gezien worden. Zijne werken waren niet vol ledig; want een herder moet geheel voor God en geheel voor zijne kerk wezen.... Onze werken zijn ijdel voor God, al schijnen zij schoon en vol voor de menschen, als zij ijdel van liefde zijn eu vol van eenen anderen geest. En wat zal het ons baten, dat wij van degenen geprezen worden, die slechts de uitwendige werken zien, als wij verwezen worden van God, die het hart doorgrondt!

VI. Schrijf aan den Engel der Kerk van Philad\'elphië: dit zegt de Heilige en Waarachtige.... Ik ken uwe werken. Zie, ik heb voor u eene deur geopend, eene deur geopend voor de ■ verbreiding van het Evangelie, die niemand sluiten kan ; want alhoewel gij weinige kracht bezit, zoo hebt gij toch mijn woord behouden, en mijnen naam niet verloochend. Zie, ik zal er u geven uit de vergadering des vijands..., ik zal hen aanstonds doen komen, en u te voet doen vallen, en zij zullen weten dat ik u lief heb. Omdat gij naar mijn woord het geduld bewaard hebt, zoo zal ik u ook bewaren van het uur der bekoring, hetwelk de geheele wereld zal. overkomen (1), om degenen te beproeven die op aarde wonen. Zie, ik kom weldra. Houdt hetgene gij hebt, opdat niemand uwe kroon ontneme. Wie verwint, dien zal ik tot eenen pilaar maken in den tempel van mijnen God, en hij zal er niet meer uitgaan ; ik zal den naam van mijnen God op denzelven schrijven, en den naam der stad van mijnen God, het nieuwe Jeruzalem, die van mijnen God uit den hemel afdaalt, en ook mijnen nieuwen naam. (Eene gelijkenis genomen uit het gebruik, van den naam en dl groote daden der overwinnaars te schrijven op marmeren gedenk-zuilen tot eene eeuwige gedachtenis.)

BEMERKING. De zegepraal der martelaars en hun luister zal eeuwig duren. Zij zullen den naam van God, hunnen (1) Dit past op de vervolging onder Trajanus, die zwaarder was dan die van Nero en Domitianus.

M |j

Ir

. i amp;

-ocr page 701-

van het Nkum Testament. \' 801

Koning, dragen, voor wiens verheerlijking en door wiens kracht zij gestreden hebben; den naam van Christus, onder wiens standawrd) zij gezegepraald hebben; den naam van het hemelsche Jeruzalem, hetwelk zij stormenderhand ingenomen hebben... Deze Bisschop wordt van\' den Heer geprezen, zonder iete in . hem te berispen. Hij was ook zwak, door het gevoelen van zijne eigene onmagt, en sterk door zijne ootmoedigheid; want God neemt zijn behagen ia zijne raagt to- toonen in dfezulken, die hunne1 eigene raagt mistrouwen. De Heer troost hem; niet met te zeggen : de bekoring\' zal ophouden, de beproeving zal tot u niet komen\', gij zult niet sterven; maar met te zeggen : ik Jcom weldra, houdt hetgene gij hebt, dat niemand uwe kroon rni t-neme. De genade alleen kan smaak in zulke vertroostingen vinden-.

VII. Schrijf aan den Engel der kerk van Laodiceen: dït zegt, die Amen is, dat is die de Waarheid zelve is: ik ken uwe werken, en dat gij noch koud, noch heet zijt. Och, of gij koud, of heet waret! Maar omdat gij laauw zijt, en noch koud, noch heet, zal ik u uit mijnen mond spuwen. {Die koud zijn, zien ligter dat zij in eenen slechten staat zijn; maar die laauw zijn, meenen doorgaans dat het met hen welgaat?) Want gij zegt: ik ben rijk,, wd voorzien, en heb aan niets gebrek; en gij weet niet dat gij ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt zijt. Ik raad u, dat gij goud Van mij koopt, hetgene door het vuur gezuiverd -k, {goud van liefde om u te ontsteken: door bidden en smeek en,, hetwelk de prijs is, waarvoor het bekomen wordt) ; opdat gij rijk moget worden, en witte kleederen hebben om aan te trekken, opdat de schande uwer naaktheid zich niet openbare. Ik zalf uwe oogen met oogzalf van Gods woord en nederige boetvaardigheid, opdat gij zien moget. Die ik lief heb, bestraf en kastijd ik. Wees dan ijverig en doe boetvaardigheid. Zie, ik sta aan de deur en klop aan. Zoo iemand mijne stem hóórt, en mij de deur opent, zal ik tot hem binnengaan, en met hem maaltijd houden, en hij met mij. Die verwint, zal ik met mij doen zitten op mijnen troon: gelijk ik ook verwonnen heb, en met mijnen Vader op zijnen troon gezeten ben. Die ooren heeft, dat hij hoore, wat de Geest tot de kerken zegt.

BEMERKING. God laat somtijds degenen, die laauw en traag zijn, in openbare zonden vallen, dat is, koud worden, opdat zij daardoor tot hunne verbetering verootmoedigd en beschaamd zouden worden. „Ik durf zeggen, zegt de H. JVa-z/gustinus, dat het nuttig is aan de hoovaanligen in eene^ //openbare zoude te vallen, opdat zij daardoor aan zich zelven „mishagen, die door het behagen in zich zeiven gevallen zijn.quot; „L. 4. de Civ. c. 13.

-ocr page 702-

692 Geschiedenis

Om die doodelijke traagheid te overwinnen en ijverig te

i

I

worden, zoo denk op uwe uitersten. 1. De dood is nakend; het uur is onzeker; wij sterven dagelijks: de nacht komt aan, in welken niemand zal kunnen werken; daar zal geen tijd meer zijn. 3. Denk op de rekening, die gij in het oordeel zult moeten geven van uwen tijd, van uwe werken, woorden en gedachten. 3. Denk op de schrikkelijke pijnen dei-hel; het onuitbluschbare vuur, die knarsing der tanden, die eeuwige duisternissen, waartoe de luiaard met den onnutten knecht veroordeeld zullen worden. Denk op het eeuwige geluk der uitverkorenen, hetwelk zij niet zonder geweld en zonder boetvaardigheid kunnen kekomen. Denk op de snelheid, de kostbaarheid en onwederroepelijkheid van den tijd, waarover de verdoemden zich eeuwig te vergeefs zullen beklagen, dat zij dien zoo nutteloos verkwist hebben. Deze gedachten hebben de Heiligen krachtig aangewakkerd om zich alle geweld aan te doen, en zich niet te sparen in eene zaak waarvan het verlies en de winst oneindig groot zijn.

De aandringingen van de waarheid zijn scherp en bijtend; maar zij straft diegenen, die zij lief heeft, even als iemand die zijnen vriend nijpt en pijnigt, om hem uil eenen doodelijken slaap op te wekken.

(Fat de heilige verholenheden betreft, die in dit hoek te lezen zijn, deze hunnen op tweederlei wijzen verstaan worden, waarvan de eene algemeen en gemakkelijk, en de andere zeer moeije-lijk is.

Be eerste .wordt ons aangewezen door den H. Augustinus, L. 20. de Civ. c. 7. enz,, en bestaat daarin, dat \'men zich in deze-wereld verheelde twee steden of koningrijken, die teel uitwendig onder elkander vermengd, waar naar den geest zeer verschillend zijn. De eene stad is Babylon, waarvan de duivel de vorst is, de begeerlijkheid de wet, de zinnelijke en naar de bedorvene natuur levende menschen de burgers, en de eeuwige verdoemenis het einde. Be andere stad is Jeruzalem, rcelker koning God zelf is, welker regel de liefde, welker burgers de christenen zijn, en welker einde de eeuwige zaligheid is.

Beze ticee steden of volkeren, zij7i vijanden van elkander. Babylon\'s inwoners honden het met de hoovaardij, de geldzucht, de vleeschelijke welhisten, dat is, zij aanbidden het beest met zijnen aanhang (waardoor men den duivel of den Antichrist verstaat.) Zij spelen den meester, haten, vervolgen en verdrukken de vrome menschen, doch worden ook van God met afgrijsselijke plagen gestraft die zij niet altijd gevoelen, omdat die meer geestelijk, dan ligehamelijk zijn.

Jeruzalem\'s inwoner en danken en verheerlijken God; zij oefenen hm geloof door de verdrukkingen, genieten inwendig de

-ocr page 703-

van het Nieuwe Testament. 693

hemelsche vertroostingen, heschouwen met vrees en verwondering de blindheid, de bedorvenheid en de straffen der zinnelijke en dwalende menschen ; verfoeijen, verzaken en vlugten het ongelukkige Buhylon met al zijne pracht, rijkdom en wellusten; en verwachten met geduld de rust en goederen des hemels.

Deze uitlegging is de gemakkelijkste en ook de nuttigste voor de gemeene geloovigen.

In de andere wordt alles toegepast op de vervolgingen der Heidenen tegen de Christenen, verstaande door Babylon het heidensche Rome, en verder naar den geestelijken zin op al de rampen en vervaarlijke beproevingen, die de heilige Kerk tot het einde der eeuwen te verduren zal hebben. Wij zullen echter hier ii k sluiten met de verheugende en aangename vertooning, die de 11. Joannes ons in zijne twee laatste Hoofddeelen van het hemelsche Jeruzalem geeft.

III. HOOFDDEEL.

Bosc\'nnjvlng van het Nieuwe Jeruzalem. Apoc. 21. en 22.

Ik zag de heilige stad, liet nieuwe Jeruzalem, van God uit den hemel afdalen, toebereid als eene bruid, versierd voor haren bruidegom. En ik hoorde eene zware stem uit den troon zeggen : ziehier de woning van God met de menschen ; hij zal met hen wonen ; zij zullen zijn volk zijn, en de Heer zelf, met hen zijnde, zal hun God wezen. God zal hunne tranen afdroogen, en er zal voortaan noch dood, noch gejammer, noch geween, noch smart meer zijn: want de eerste dingen zijn voorbij. En hij die op den troon zat, zeide : zie, ik maak alles nieuw.... Ik zal dengenen die dorst heeft, uit de waterbron des levens, om niet, te drinken geven. Wie verwint, die zal deze dingen bezitten. En ik zal zijn God, en hij mijn zoon zijn.

Nu kwam er een dezer zeven Engelen, en sprak mij aldus aan : kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam too-nen (de bruid, om. hare maagdelijkheid; en de vrome, om hare vruchtbaarheid; Joannes had die te voren nog maar van verre van den hemel zien afdalen.) En hij voerde mij op in den geest, op eenen uitgestrekten en hoogen berg, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem, die van God uit den hemel afdaalde ; zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans was gelijk een edelgesteente, gelijk de jaspissteen, glinsterend als kristal. Zij had eenen grooten en hoogen muur, en twaalf namen daarop geschreven, welke de namen zijn van de twaalf stammen der kinderen Israël\'s. Er waren drie poorten in het Oosten, drie in het Noorden, drie in het Zuiden, en drie in

-ocr page 704-

\'Geschieiïenh

het Westen. De muur der stad had twaalf grondwerken, waarop de \'twaalf namen van de Apostelen des Lams stonden. En hij dio met mrj sprak, \'had eene gouden meetroede, om de stad, hare poorten en den muur te meten (alles wordt in Tiet hemelsche Jeruzalem met de gouden maat der liefde gemeten?) De stad lag in het vierkant, zijnde in de lengte zoo groot als in de breedte, hetwelk hare volmaaktheid, hechtheid en eeuwige duurzaamheid te kennen geeft. Haar muur was gebouwd van Jaspissteen, de stad zélve was van zuiver goud, even als een zuiver glas.. De grondwerken van den muur der stad waren met allerlei edelgesteenten versierd... De twaalf poorten waren twaalf paarlen. Se straat der stad was van zuiver goud, gelijk een helder glas. En ik aag geenen tempel in dezelve: want de Heer, de almogende God, is haar tempel en ook het Lam. En die stad heeft noch zon, noch maan noodig, om haar te verlichten : want de heerlijkheid Gods verlicht haar, en hare lichtende fakkel is het Lam. De volkeren zullen in haar licht wandelen, en de koningen der aarde zullen hunne heerlijkheid en eer daarbinnen brengen. Hare poorten zullen niet dagelijks gesloten worden, dewijl daar geen nacht zal zijn. Er zal niets besmettelijks in haar binnenkomen, noch iets hetgene gruwel of leugen bedrijft, maar zij, die geschreven staan in het boek des levens van het Lam. — En hij toonde mij eenen .stroom van het levend water, zoo helder als kristal, hetwelk uit den troon van God en van het Lam voortvloeide.

In het midden van hare straat en aan beide zijden van den stroom stond de boom des levens, die twaalf vruchten draagt, brengende alle maanden zijne vrucht voort {hetwelk de eeuwige en onverwelklare jeugd der uitverkoornen beteekent), en de bladeren des booms dienen tot genezing der volkeren {icant dezelfde boom des levens, die op de aarde de geestelijke gebreken genezen heeft, zal in den hemel de gelukzaligen in eene altijddurende onsterfelijkheid behouden).... Zij zullen Gods aanschijn zien, en zijnen naam zullen zij op hunne voorhoofden geschreven dragen. De Heer God zal hen verlichten, en zij zullen koninklijk in alle eeuwigheid heerschen... Hij, te vielen Jems, die getuigenis van deze dingen geefc, zeide ; Ja, ik kom haastig. — Ja, kom. Heer Jesus! Aldus eindigt de heilige Schrift met de tweede komst van Christus, en niet het einde der wervld, gelijk zij met de scJiejtjjikg der wereld begonnen heeft.

BEMERKING. Al deze treffende verbeeldingen, die de heilige Joannes ons hier van het hemelsche Jeruzalem geeft, moeten ons dienen om ons gemoed te verheffen tot een ge-Ink en eene heerlijkheid, welke alle verbeelding te boven

694

-ocr page 705-

van het Nieuwe Testament. 6ü5

gaat ; want alle parabelen, figuren en gelrjkeBissen schietea liier oneindig te kort.... De magt, de rijkdom en de luister van al de koningen der aarde te zamen, zijn niet bekwaam om on» eene ligohamelijke stad te bouwen, zoo als degene die de H. Joannes hier beschrijft; maar God doet dit naar den geest, met eene grootdadigheid en treffelijkheid, die met zijne ftlmagt overeenkomt.... Alles is heiligheid, zuiverheid, licht en vastheid in de hesielsche stad der uitverkoornen. Alles is er groot, rijk en kostbaar, niet door het goud, waarnaar de gierigaard op de aarde snakt, maar door de liefde, die den mensch hier heilig maakt, en hem eeuwig verzadigen en gelukkig maken zal in den hemel. Laat ons dan met den H. Augustinus zeggen: o Jeruzalem, stad Gods! mijn hart hemint w, mijne ziel snakt naar moe schoonheid. O hoe prachtvol, hoe edel zijt gij ! TPülc vermaak is het mij, mijne oogen te slaan op moe klaarheid, ett mij in moe goederen te verheugen, die mij zoo veel te meer van liefde doen kwijnen, als ik die meer overdenk. O kemel! welke genoegte is het mij, de oogen mijns harten op u te vestigen, van u te spreken, naar u te hooren, van u te schrijven, en dagelijks iets van moe gelukzaligheid te lezen.... om mijne ziel wat te ververschen en te verkloeken. O heilige stad Gods! wat vermaak is het mij, met oogen en ooren, met gedachten en, zinnen, met hart en ziel gestadig op te vliegen naar u, te wandelen door u, te rusten in u ! Het verstand kan zulks niet hegrijpen : hart en ziel kunnen het alleen bevroeden. O uitzinnigheid van den zondaar, om een kortstondig en schandig vermaak die altijddurende en reine wellusten te verliezen !

Kort hegrip van al de deelen van het Niemoe Testament, eit voornamelijk van de brieven der Apostelen, op orde van tijd.

Tot voltrekking der geschiedenis van het Nieuwe Testament, zouden wij nog iets moeten zeggen van de brieven der Apostelen. Doch aangezien zij de geschiedenis niet betreffen, zullen wij daar alleenlijk den inhoud van geven, en elk stuk hier op orde van tijd plaatsen, gelijk het geschreven is; hetwelk geschikt is, om aan de geschiedenis eenig licht te geven.

Het oudste en eerste stuk van geheel, het Nieuwe Testament is het ^Evangelie van den II. MattJieüs, geschreven in het jaar 36 van Christus, naar de gemeene tijdrekening, en in de hebreeuw-sche taal van dien tijd. Het was tot troost der geloovigen, die de Apostelen, alsdan nog te Jeruzalem zijnde, op het punt waren te gaan verlaten. Zie hetgene wij van den H. Mattheüs nog gezegd hebben, bladzijde 468.

De H. Petrus schreef zijnen eersten brief in het jaar 45, zoo men meent in het Grieksch, en uit Rome, hetwelk hij

-ocr page 706-

696 Geschiedenis

Babyion noemt. Hij is toI zedelijke vermaningen, die hij van den grond ophaalt uit de geheimenissen van ons geloot. Men ontwaart in dezelve eene kracht en majesteit, die waardig zijn van den prins der Apostelen. Hij bevat veel in weinige ■woorden. Hij behelst 5 hoofdstukken.

In hetzelfde jaar 45 schreef de II. Marcus zijn Evangelie, ook te Rome, volgens dat hij hetzelve uit den mond van den li. Petrus, zijnen meester, gehoord had. Zie van den li. Marcus, lladz. 467.

In het jaar 52, wanneer de H. Paulus te Corinthe was, alwaar hij gedurende 18 maanden zijn verblijf nam, zond hij Timotheüs over en weder naar de geloovigen van ïhessalonica; en wanneer hij hunne standvastigheid in het geloof vernam, schreef hij den leu Brief van die van Thessalvuica, vol van eene allerteederste liefde; hij prijst en vermaant hen te gelijk in denzelven. Verder onderrigt hij hen wegens de dingen, waarin zij nog te kort blijven. Ueze brief bevat 5 hoofdstukken.

Het volgende jaar 53, daar Paulus niet naar Thessalonica, kende overkomen, zoo als hij liun bad doen hopen, schreef hij zijnen 3equot; Brief aan die van Thessalonica, om hen te bedaren wegens de vrees, die zij, of uit zijnen 1°quot; briet, of uit eenig gerucht hadden opgevat, alsof de dag des Heeren dadelijk ging overkomen. Hij onderrigt hen desaangaande, en berispt te gelijk diegenen, die te lui waren om te werken. Deze brief Leeft slechts 3 hoofdstukken.

In hetzelfde jaar 53 schreef de H. Lucas zijn Evangelie in Let Grieksch, wanneer hij met Paulus, zijnen Meester, in Griekenland was. Zie den H. Lucas, hladz. 468.

Toen de H. Paulus te Kphesen was, zoo men kan gissen, in Let jaar 55, vernam hij, dat de geloovige Heidenen van Galatië, aan welke hij het Evangelie verkondigd had, misleid werden door ijveraars van het Jodendom, welke hun wijsmaakten, dat de besnijdenis en de andere plegtigheden der wet van Mozes noodig waren ter zaligheid, trachtende te . gelijk het gezag van den 11. Paulus te verminderen, alsof hij maar moest aangezien worden voor eenen leerling der Apostelen (op wie niet zoo zeer te betrouwen was, als op Petrus, Joannes en Jacobus, die zij zeiden van hunnen kant te zi;n, en de pilaren van de kerk noemden), zoo schreef de Apostel hierover zijnen Brief lot die van Qalatiigt;, drong sterk aan tegen die lasteringen en dolingen, en trachtte met gezag deze dwaze en ligtgeloovige Christenen tot den regten weg weder te brengen. — Deze brief bevat 6 hoofdstukken.

Nadat de H. Paulus van Corinthe vertrokken was, Laddpn de H. H. Petrus en Apollos ook te Corinthe gepredikt. Hieruit had een Loop Lalf bekuerde Joden, die den Apostel speel-

h

Wk:

|

It

i

1

-ocr page 707-

van hd Nieuwe Testament,

den, en limine stervende Sinagogen nog wilden in het leven houden, gelegenheid genomen om scheuring onder de Christenen van Corinthe te verwekken. De eene zeide: ik houd het met Cephas; de andere: ik met Apollos; een derde: en ik met Paulus. Bovendien was er te Corinthe een onkuisch mensch, die eene schrikkelijke verergernis had gegeven. Zij dreven ook processen voor heidensche regters, en hadden verscheidene misbruiken in hunne liefdemaaltijden, en wegens de spijzen, die den afgoden geofferd waren. Over dit alles schrijft de Apostel zijnen l1\'quot; Brief tot die van Corirdhe in het jaar 56, en geeft hun tevens raad wegens den staat van het huwelijk, van de weduwen en van de maagden, — Deze brief hoeft 16 hoofdstukken.

Daarna zond hij hun zijnen leerling ïitus toe. Deze kwam naderhand bij Paulus, te ïroiis, met troostende tijdingen van Corinthe, namelijk dat zij door den brief van den Apostel naar weusch waren getroffen geweest.

Hierop zond de Apostel Titus terug met zijnen \'2en Brief aan die van Corinthe. waarin hij zich verschoont, dat hij zelf niet komt; den onkuische ontslaat hij van den kerkelijken ban ; zijn gezag beweert hij tegen de valsche leeraars, voorstanders van het Jodendom, en zorgt voor de armen van Jeruzalem, wiens zorg hem bijzonderlijk was aanbevolen. Zie Gal. 3. v. 10. Hij bevond zich alsdan in Macedonië, misschien te Philippe. Deze tweede brief heeft 13 hoofdstukken.

Paulus kwam op het einde van het jaar 57 weder te Corinthe, alwaar hij 3 maanden verbleef. {Act. 10. v. 3.) Van daar schi-eef hij zijnen Brief tot die van Rome, schoon hij te Eorae nog niet geweest was. De oorzaak van zijn schrijven was een groot geschil, hetwelk tusschen de bekeerde Joden en do Heidenen van die Kerk was opgerezen. De eersten beweerden, dat het licht van het Evangelie eigenlijk aan de Joden toekwam, die Gods uitverkoren volk waren, aan hetwelk de wet en de beloften gegeven, en de Messias ter onderhouding van de wet gezonden was. Maar de Heidenen, zeiden zij, als van Ood vèrvreemd, waren een verfoeijelijk volk.

De Heidenen integendeel, verweten den Joden hunne ondankbaarheid en ongetrouwheid, en bovenal den Godsmoord, dien zij bedreven hadden in het kruisen van den Messias. Zij roemden verder op hunne wijsgeeren, die zonder wet, of zonder eenige bijzondere goddelijke openbaring, den waren God gekend, vele schoone zedepligten voorgehouden, en zelfs geoefend hadden, waardoor zij meenden het Evangelie meer dan de Joden verdiend te hebben.

Het oogwit van dezen brief van den Apostel is, deze twee volkeren in Christus, als in den oppersten hoeksteen, door den band van genade en ootmoedigheid te vereenigen. Hierop

697

-ocr page 708-

698 \'GegcJiiedeiiis

dempt hij eerst den hoogmoed der Heidenen, en daarna de trotsch-heid en den roem der Joden, en leert, daar -zij allen in zonden staken, dat zoowel de eene als de andere niet dan straf verdienden ; dat zij goregtvaardigd en zalig worden, niet door eenige eigene verdiensten, of om de werken der wet, maar uit loutere genade en barmhartigheid, door het geloof en de genade van onzen Heer Jesus Christus. Ter verklaring dezer grondwaarheid, handelt hij van de erfzonde, van het geweld der begeerlijkheid, van de genade en de verkiezing, van den roep der Heidenen, en van dergelijke hooge leerstukken van ons heilig geloof.

Bovendien mengelt hij als in een tweede deel van denzelfden brief namelijk in de hoofdstukken, V, VI, VIII, XII, XIII, XIV, de bijzonderste zedelessen, welke verre alles wat Mozes of de wijsgeeren ooit hebben voorgeschreven overtreffen; bevelende aan de Joden, niettegenstaande den vrijdom van Gods volk, aan de vorsten en overheden onderworpen te zijn, en de Heidenen vermanende, om de zwakheid der Joden wegens het onderscheid van spijzen, met liefde te verdragen, hetwelk ook de oorsprong kan geweest zijn van hun geschil. Deze brief behelst 16 Hoofdstukken.

Omtrent het jaar 60 schreef de H. Jacolus de mindere. Bisschop van Jeruzalem, waarschijnlijk zijnen Algemeenen brief. Zijn voornaamste oogmerk was, te bewijzen dat het geloof z.onder de werken niet kan zalig maken, hetwelk de aanhangers van Simon den toovenaar leerden. Deze Brief is vol zedespreuken en troostvolle woorden. Hij berispt zeer de zonden, die door de tong geschieden; hij bevat 5 Hoofdstukken. \'

De geloovigen van Philippen, die den Apostel Paulus eene •zeer groote liefde toedroegen, hadden hem door Epaphroditus, hunnen Bisschop eenig geld gezonden tot onderstand, wanneer Paulus te Rome gekerkerd was. Met deze gelegenheid schreef de Apostel in het jaar 62 zijnen Brief aan die van Philippen. Hij prijst in denzelven hunne milddadigheid, en betuigt eene ongemeene teederheid en vreugd over hunne sterkte in het lijden. — Hij wekt hen op tot alle deugden, voornamelijk tot ootmoedigheid, en versterkt hen tegen de joodsch-gezinde leeraars. Deze brief behelst 4 Hoofdstukken.

Paulus, die in het jaar 61 te Rome gevankelijk was opgebragt, had aldaar bekeerd zekeren Onesimus, slaaf van Philemon, burger van Colossen, die van zijnen meester was weggeloopen, nadat hij hem bestolen had. Paulus zond dan in het jaar 62 dezen Onesimus naar Colossen terug, met eenen Brief tot Philemon, zijnen meester, welken hij met groote liefde tracht te bewegen, om zijnen bekeerden slaaf in genade te ontvangen, en zelfs in vrijheid te stellen. Dit is slechts een briefje zonder verdeeling in Hoofdstukken.

-ocr page 709-

van het Nieuwe Testament.

Door denzelfden Onesimus werd ook de Brief van den Apostel aan die van Colossen gedragen, welken Brief hij hun waarschijnlijk geschreven had op het verzoek van Epaphras, hunnen Apostel, die met Paulus te Eome gevangen zat Het geloof van die van Colossen was ontrust door eenige aanhangers, gelijk men meent van Simon den toovenaar, alsook door eenige ijveraars van het Jodendom. De eersten hadden hun geleerd de Engelen te aanbidden, als oppermiddelaars tusschen God en de menschen. De anderen hadden hun de ceremoniën van de wet aangepredikt, en wijsgemaakt, dat zij het geloof niet zuiver ontvangen hadden, zoo als de andere Christenen. Dus stelt de Apostel in zijnen Brief hiertegen vast, dat Christus de Zoon Gods en onze eenige middelaar is, door wiens bloed wij met God verzoend worden. Hij vermaant hen verder over de christelijke versterving en andere deugden, en op wat wijze een ieder zijnen staat beleven moet. Deze brief bevat 4 hoofdstukken.

In het jaar 63 werd Paulus uit zijne eerste gevangenis te Kome losgelaten, en schreef zijnen Brief tot de Hehreeuwen, dat is aan de Christen- Joden, die te Jeruzalem en in Palestinen woonden. (Zie Ad. VI. I.) Deze, altijd ingenomen blijvende voor de ceremoniën en offeranden van de wet (Act. XXI. 20.) waren niet tevreden, dat de bekeerde Heidenen daarvan ontslagen werden. Bovendien hadden zij veel te verduren van de onbekeerde Joden, die hun hunne goederen afgenomen, of aangeslagen hadden. Deze dubbele bekeering was hard, en zoude hen wel hebben doen wankelen. De Apostel, die het verlies van hunne goederen wat hersteld had, tracht derhalve, door de aalmoezen die hij hun uit Griekenland had toegezonden, door dezen Brief hen verder te troosten en in het geloof te versterken.

De voordeelen van de wet, waarop de Hebreeuwen meest roemden, waren hare bediening door de Engelen en door Mozes; het priesterdom van Aaron; de gedurige dienst der Levieten; het heiligdom van den tabernakel; de kracht en duurzaamheid der offeranden; de oude beloften en mirakelen.

De Apostel echter toont, dat al deze dingen, als voorbereidselen en afbeeldingen, wijken moeten voor Christus, die de waarheid en de zaak zelve is, en in wien alles op eene oneindig volmaaktere wijze gevonden wordt. Ja, dat het geloof zoo noodzakelijk en zoo krachtig is, dat alle regtvaardigen van het begin der wereld af daardoor zijn zalig geworden. Dit alles vermengt hij, naar gewoonte, met goddelijke lessen en stichtende vermaningen, overal doorzaaid in de 13 Hoofdstukken van dezen Brief.

Men gist, dat omtrent hetzelfde jaar 63 de II. Lucas de werken der Apostelen geschreven heeft, die als het Evangelie zijn van den heiligen Geest, welke afdalende van den roemrijken

699

-ocr page 710-

Geschiedenis

Zaligmaker, zijne Kork bezield, gelieiligd en te Jeruzalem gevormd heeft, en zoo wonderlijk heeft doen aangroeijen, dat zij de Heidenen en hare grootste vijanden zelfs heeft ingewonnen. Zie verder van de werken der Apostelen, luervoren bladz. 642.

Toen Paulus uit de gevangenis van Rome op vrije voetei was gesteld, ging hij wederom overal de kerken bezoeker. Te Macedonië aangekomen, schreef hij uit Philippen in hes jaar 54 zijnen eersten brief aan Timothèüs, waarin hij henen al de geestelijke herders onderwijst over de pligten var. zoo een hoog en waardig ambt; namelijk, hoe zij zicii gedragen moeten ten opzigte van de heilige Kerk, ten opzigte van hunne onderdanen, en ten opzigte van zich zeiven. Deze brief bevat 6 hoofdstukken.

Tenzelfden tijde schreef hij ook eenen Brief aan Tifus, in welken hij hem ontbiedt. Ondertusschen houdt hij hem de bisschoppelijke pligten voor oogen, en wil, dat hij op de ijveraars van het Jodendom zoude letten. Hij leert hein alle slag van menschen besturen, en hoe hij met de ketters moet leven. Deze brief behelst 3 hoofdstukken.

Omtrent het jaar 65 schreef de H. Petrus zijnen II0quot; Brief. Het was weinig voor zijnen dood, dat hij aan alle geloovigen dit testament naliet, terwijl hij hen vermaande volstandig te blijven in de leer der Apostelen, hunnen roep door goede werken zeker te maken, en zich ta wachten van de dwalingen en ketterijen, die van de eerste tijden opstonden. Deze brief heeft ook 3 hoofdstukken.

Petrus en Paulus kunnen omtrent dien tijd te Eome gekomen zijn, en nadat Paulus zijne verantwoording voor Nero gedaan had, schreef hij zijnen tweeden Brief aan Timothèüs, vol van vaderlijke teederheid en van liefde tot zijnen leerling. Hij moedigt hem aan tot den marteldood, maakt gewag van ketterijen, die alsdan in zwang waren, waarschuwt hein van het gevaar der laatste tijden, en beveelt hem de waarheid overal en ten allen tijde manmoedig te prediken. Deze brief behelst 4 hoofdstukken.

Eindelijk schreef de Apostel Paulus ook zijnen Brief aan die, van EpJiesen en aan de andere geloovige gemeenten van Azië, waarvan Ephesen de hoofdstad was. Hij leert luin in dezen brief de hoogste geheimenissen van ons geloof: de regtvaardigmaking; de onverdiende genade en verkiezing ter zaligheid; den roep der Heidenen, en hunne vereeniging met do Joden tot een eenig ligchaam, van hetwelk Christus het hoofd is, verheven boven alle Engelen, enz. Hij voegt hier verscheidene schoone zedelessen bij, en versterkt hen aldus, niet alleen tegen de Joodschgezinden, maar ook tegen de Siraonianen, en dergelijke booze leeraars, die zoo wel de zeden

700

-ocr page 711-

van het Nieuwe Testament,

bedierven als liet geloof. Deze brief behelst 6\' hoofdstukken.

Naderhand zijn de H. H. Apostelen Petrus en Paulus in het jaar 66 te Rome, om het geloof gedood op den 29 Junij, zoo als reeds gezegd is.

In het jaar 70 werd, onder Titus, zoon van den keizer Vespasianus, Jeruzalem gansch verwoest, volgens de voorzeggingen van Christus, en werd de wraak (Jods over het joodsche volk uitgestort. ï)e rampen der belegering van die ellendige stad zijn onbeschrijfelijk. Er bleven in het beleg alleen over de elf honderd duizend Joden (zoo als Elavius-Josephus, een joodsch geschiedenis-schrijver van voornaam gezag en ooggetuige van die belegering, zelf getuigt), zoo door den honger, als door de pest en het zwaard: de hongersnood was er zoodanig, dat eene moeder haar eigen kind at. Eindelijk werd ook dg. tempel verbrand, ondanks al de vlijt, die ïitus had aangewend om dit te beletten; en die rampzalige stad, die zoo vele profeten gedood, (jn ten laatste ook Christus, haren koning en Messias, gekruist had, werd ten gronde toe verdelgd, volgens hetgene de Zaligmaker, weenende over haar, voorzegd had, namelijk dat de eene steen op den anderen in haar niet zoude gelaten worden.

Omtrent het jaar 71 kan de H. Judas, Apostel, zijnen algemeenen Brief geschreven hebben, die bijna van denzelfden inhoud is, als de tweede brief van Petrus, wiens gedachten en uitdrukkingen hij dikwijls volgt: doch met meerdere hevigheid tegen de Nicolaïters, Gnostiken, Simonianen, en dergelijke dwaalgeesten. Deze brief is, om deszelfs kleinheid, in geene hoofdstukken verdeeld.

In het jaar 95, gedurende de tweede vervolging van de heilige Kerk, onder keizer Doinitianus, kwam de H. Joannes, Apostel, ongeschonden uit de ziedende olie, en werd in ballingschap, naar het eiland Pathmos gezonden. Aldaar schreef hij het Boek der Openharingen, behelzende de openbaringen en uitspraken, die Christus zelf, de Heer en God der H. Profeten, aan Joannes gedaan heeft, over hetgene weldra te geschieden stond in het rijk van den roemvollen Zaligmaker. Het schijnt dat de eerste vervolgingen tegen de H. Kerk, alsook de laatste, daar bijzonderlijk zijn afgebeeld. Zie hiervoren bladz. 687, enz. — Na den dood van keizer Domilianus, werd dé H. Joannes in het jaar 96 uit zijne balliugschap wedergeroepen onder keizer Nerva; te Ephesen komende, bestuurde hij de kerken van Azië. Aldaar schreef hij in het jaar 97 zijn H. Evangelie in de grieksche taal, daartoe als gedwongen zijnde door de bisschoppen en de gemeenten van Azië, nadat hij ten dien einde eene openbare vaste met gebeden had ingesteld. Zijn inzigt was, de Godheid van Jesus Christus te verklaren, en dezelve tegen

701

-ocr page 712-

702 Geschiedtd» van het Nieuwe Tedament.

Ebidon, Ceriirtus ea degelijk kwaad zaad te bevestigen, alaook om ta gelijk t» veïvullen, hetgene de andere Evangelisten wegens het leven van Christus hadden achtergelaten, bijzonderlijk van het eerste jaar zijner prediking en van het laatste avondmaal. Zie verder van den H. Joannes, bladz. 469.

In bet jaar 98 schreef de 1L. Joannes drie brieven. In den eersten stelt hij vast de Godheid van Christus en zijne eeuwige geboorte tegen de ketters Ebidon en Cerintus, alsook de menschheid van den Zoon Gods tegen Basilides; verder het onderhouden van de goddelijke geboden, de oefening van de liefde, en de noodzakelijkheid der goede werken tegen de sekte van Simon den toovenaar. Deze eerste brief heeft 5 hoofdstukken.

De tweede en derde Brief zijn zeer klein en aan bijzondere . .personen geschreven, en hebben, even als de andere schriften van^ dien geliefden leerling van Christus, eene zekere zalving en zoetheid, met groote waarheden.

In het 100e jaar na de geboorte van Christus, of een weinig later, stierf de H. Joannes, in den ouderdom van omtrent 100- jaren, zijnde de laatste der leerlingen, die met Christus lier op de wereld verkeerd hebben,.

EINDE

DËR

Geschiedenis, van het Nieuwe Testament.

GOEDKEITEING.

Ha gedaan onderzoek verleenen wij volgaarne onze goedkeuring aan het werk getiteld: Geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament, met christelijke en stichtende hemcrhingen, en^. en bevelen hetzelve als zeer nuttig, den geloovigen aan.

M\'eehelen, 9 October 1849;

J. B. PAUWELS.

VIC. GEN.

-ocr page 713-

BLADWIJZER DER HOOFDDEELEN VAN HET OUDE TESTAMENT.

HET BOEK DER SCHEPPING,

Voorrede. 5

De schepping van hemel en aarde en van den mensch. 13

De zonde van den eersten mensch. 15

Eva baart twee zonen: Kaïn en Abel. 13

De dood\' van Adam en andere aartsvaders. God dreigt de wereld

te doen vergaan. 20

De zondvloed. Noë gaat in de ark met zijne zonen en schoondochters. Hij doet er allerhande dieren inkomen. 22 Noë komt uit de ark en draagt den Heere een dankoffer op. 23 Cham en Ghanaan door Noë vervloekt. Toren van Babel. 25 De roeping van Abraham. Hij gaat, om den hongersnood, naar

Egypte. 20

Abraham en Loth scheiden van elkander. — God vernieuwt zijne

belofte aan Abraham. 28

Eenige koningen strijden tegen elkander. Loth wordt gevangen en

door Abraham verlost. Melchisedech zegent Abraham. 29

God belooft aan Abraham eenen zoon. Abraham neemt Agar voor

huisvrouw. Agar loopt weg. 30

God vernieuwt zijne belofte aan Abraham, en gebiedt hem de besnijdenis. Abraham herbergt drie Engelen. 31 God geeft zijn voornemen, van Sodoma en andere steden te vernielen, aan Abraham te kennen. Loth herbergt twee Engelen. 33 Loth met zijn huisgezin uit Sodoma verlost. Ondergang van Sodoma, Gomorra en nog twee andere steden. Loth\'s huisvrouw, gestraft. Afbeeldsel der helle. 35 Abimelech doet Sara opligten, en wordt daarover van God gestraft. 37 De geboorte van Izaa*. Ismaël wordt met zijne moeder Agar uit

het huis gejaagd. 38

Abraham\'s gehoorzaamheid in het offeren vari zijnen zoon. 39

Dood en begrafenis van Sara. 41

Abraham zendt Eliëzer naar Mesopotamië om daar eene echtgenoote

voor Izaak te zoeken. 42

Abraham huwt met Cethura. Zijn dood in het jaar 2183. Geboorte

van Esau en Jacob. 45

Jacob ontvangt Izaak\'s zegen. Haat van Esau tegen Jacob. Hij vlugt naar Mesopotamië. 46

j

-ocr page 714-

704 Bladwijzer.

Jacob reist naar Mesópotamië. Hij ziet eene geheimzinnige ladder

langs welke de Engelen op- en afkomen. 49

Jacob wordt van Laban ontvangen. Hij trouwt met Lea en Rachel.

Zijne kudde wordt vermenigvuldigd. • 51

Jacob keert weder tot zijnen vader. Hij wordt van Laban vervolgd.

Verzoening van Laban met Jacob. 54

Jacob zendt zijn volk met geschenken naar Esau. De geheimzinnige

worsteling met eenen Engel. Jacob wordt Israël genoemd. 5G

Dina wordt, omtrent 15 jaren oud zijnde, onteerd. Simeon en Levi wreken op eene verschrikkelijke wijze dezen smaad. Rachel sterft. Izaak sterft. 59

Jozef meer bemind van Jacob dan zijne andere kinderen. Hij beschuldigt zijne broeders. Hij verhaalt twee droomen. Hij wordt uit nijd door hen verkocht. 61

Jozef wordt aan Putiphar verkocht. Hij wordt beschuldigd en in

den kerker gesmeten. 03

De droomen van Pharaö\'s hovelingen, den schenker en den bakker,

door Jozef uitgelegd. Hij legt de droomen van Pharaö uit, en wordt uit den kerker verlost. 65

Jozefs broeders, in Egypte komende, worden van hem gekend. Hij doet hen als bespieders van het land in den kerker werpen. Vervolgens zendt hij hen met graan naar huis; Simeon alleen houdt hij in bewaring. . 69

Jacob laat Benjamin eindelijk mede gaan. Jozef hem ziende, wordt bewogen. Hij doet eenen maaltijd aanrigten. Jozefs drinkbeker . in den zak van Benjamin. Jozef maakt zich bekend. Jacob wordt

naar Egypte ontboden. 71

Jacob trekt naar Egypte. Jozef komt hem te gemoet. Hij stelt zijnen vader aan Pharaö voor. Jacob sterft. Zijne begrafenis. \' 76

HET BOEK DES ÜITGANGS.

De kinderen van Israël vermenigvuldigen zeer in Egypte. Zij worden door lastige werken onderdrukt. Het gebod aan de vroedvrouwen, van al de mannelijke kinderen te dooden. Mozes wordt geboren. 80

God vertoont z:ch aan Mozes in eenen braambosch, en zendt hem

tot den koning van Egypte. 83

Mozes keert weder naar Egypte. Aaron komt hem te gemcet. Zij gaan te zamen bij Israël\'s kinderen, en van daar bij Phiraö. Zij geven hem Gods gebod te kennen, hetwelk hij veracht en de Israëlieten nog meer verdrukt. 85 Mozes en Aaron komen voor Pharaö. De herderstaf verandert in

eene slang. De negen plagen van Egypte. 86

De tiende plaag door God aan Mozes voorzegd. Het Paaschlam. De eerstgeborenen komen om. Pharaö laat de Israëlieten uit zijn land gaan. Israël trekt door de roode zee. Pharaö met zijn leger in de roode zee bedolven. 90

-ocr page 715-

Bladwijzer, 705

Het manna uit den hemel gezonden. 95

Mozes doet water uit eene rots ontspringen. De Amaleciters worden

verslagen. 97

Jethro gaat Mozes bezoeken. 98

De Israëlieten komen aan den berg Sinaï. God geeft de wet der tien

geboden. 99

Andere wetten van God. 102

De tafelen der wet. Het gouden kalf. Mozes ziende de afgoderij des volks, werpt de ateenen tafelen aan stukken, en doet veel volk dooden. 103

God spreekt gemeenzaam met Mozes. De twee steeneu tafelen

worden vernieuwd. 106

Offergiften om den tabernakel te maken. Beschrijving van den-

zelven. 108

Beschrijving van den tabernakel. 109

Beschrijving van de ark des verbonds. 110

Beschrijving van de tafel der toonbrooden. 111

Beschrijving van den kandelaar. 112

Beschrijving van het reukaltaar. 113

Beschrijving van het priesterlijk gewaad. 1 li

HET BOEK DER LEVIETEN.

Aaron en zijne zonen worden priester gewijd. 115

Eerste offer van Aaron. Er daalt vuur uit den hemel om de offerande te verslinden. Nadab en Abia worden gedood. 117

HET BOEK DER GETALLEN.

Aaron en Maria morren tegen Mozes. Er worden twaalf mannen uitgezonden om het land van Chanaan te bespieden. Het volk begint te morren. God wil hen straffen. 119

De bespieders keeren terug. Zij verhalen de ligging van het land.

Het volk begint te morren. 121

Straf van eenen man, die op den Sabbathdag hout sprokkelde. 123 Core, Dathan en Abiron zinken levend in de aarde. 250 mannen worden door het vuur verslonden, en nog 14700 andere menschen komen om. De roede van Aaron brengt bloemen voort. 124

Maria sterft. Er springt water uit de steenrots. Aaron sterft.

Vurige slangen. De koperen slang. 126

Balao, koning der Moableten, verzoekt Balaam dat hij de Israëlieten

zoude vervloeken. De ezelin van Balaam spreekt. 128

Balao trekt Balaam to gemoet. Booze raad van Balaam. ISO

De Madianieteu worden door de Israëlieten overwonnen. De buit wordt gedeeld. 132

HET BOEK DEUTERONOMIUM.

Beknopt begrip van de zes eerste hoofddeelen van dit boek. 134 Vervolg der aanspraak van Mozes. 135

45

-ocr page 716-

706 Bladwijzer

Verder vervolg van de aanspraak van Mozes, 138

Einde dor aanspraak van Mozes. 140

Mozes sterft in den ouderdom van 120 jaren. Zijn graf onbekend. Josuë wordt tot overste aangenomen. 141

HET BOEK JOSUË.

Toebereidselen om over den Jordaan te trekken. 143

Josuë zendt twee bespieders naar Jericho. Hij trekt over den Jordaan met al zijn volk. 144 De stad Jericho wordt wonderdadig ingenomen. 146 De Israëlieten worden verslagen. Achan wordt gesteenigd. Verwoesting der stad Haï. 147 Josuë gaat een verbond aan met die van Gabaon. Hij overwint vijf

koningen. De zon staat stil. 149

Josuë overwint verscheidene koningen en landen, die hij alle vernietigt. Hij verdeelt het land bij loting aan de twaalf stammen.

Zijn dood. 151

HET BOEK DER REGTERS.

De stam van Juda wordt als tot hoofd der andere stammen gesteld.

De Ohananeërs worden overwonnen. 153

De Israëlieten verlaten God, en worden zwaar gestraft. Debora verslaat Sisara, die door Jahel gedood wordt. 154 Gedeon wordt regter. Hij werpt het altaar van Baal omver. 156 Abimeleoh maakt zich koning. Hij vermoordt zijne 68 broeders. 158 Jephte wordt regter over Israël. Hij overwint de Ammonieten.

Zijne belofte. 160

De geboorte van Samson door een Engel voorzegd. Hij treedt in

het huwelijk. Hij verscheurt eenen leeuw. 161

Samson neemt de poorten van Gaza op. Hij wordt gevangen, de

oogen uitgestoken, en sterft. \' 164

De vrouw van eenen leviet onteerd, en haar ligchaam in twaalf

deelen verdeeld. 166

De Israëlieten spannen te zamen, om die van Gabaii te straffen. De Benjamieten staan die van Gabaa voor, en worden verslagen.

HET BOEK RUTH.

Uoëmi, met Elimelech, haren man, en hare twee zonen, trekken naar het land van Moab, om de schaarschheid der levensmiddelen. Elimelech sterft. De zonen trouwen. Hun dood. Noëmi keert weder. 169

Booz huwt met Ruth. I71

HET EERSTE BOEK DER KONINGEN.

De geboorte van Samuël door het gebed van zijne moeder verkregen. Voorzegging van de straf van Heli. 173 De Israëlieten worden door de Philistijnen verslagen. De ark des

167

1

-ocr page 717-

Bladwijzer. 707

Heeren geraakt in de handen der vijanden. De twee zonen van Heli gedood. Heli valt van zijnen zetel en sterlt. 176

e Philistijnen stellen de ark nevens den afgod Dagon, die omver valt. Zij worden gestraft. 177

e Israëlieten leiden, door de vermaning van Samuël, eene betere levenswijze, en overwinnen de Philistijnen. De Israëlieten willen eenen koning hebben. 179

ml wordt koning gezalfd. 181

lül\'s onwettige offerande. Hij wordt van God verworpen. Jonathas tast met zijnen schildknecht de Philistijnen aan. De honig van Jonathas. 184

vül wordt gezonden om Amaleo uit te roeijen, en spaart den koning Agag. 186 imuël zalft den vijftienjarigen David tot koning over Israël. 183 avid verslaat Goliath. De Philistijnen nemen de vlngt. 190 aül wordt jaloersch over David, en wil hem met eene spies doorsteken. Hij geeft hem zijne dochter Michol ten huwelijk. 192 onathas waarschuwt David van te vlugten. Saül doet Achimelech en 84 priesters dooden. 194, •avid omzet de stad Ceïla. Hij vlugt naar de woestijn Ziph. Hij snijdt in de spelonk een stuk van Saul\'s mantel. 197 •nbeschoftheid van Nabal. Abigail komt David te gemoet. 199 \'avid vindt Saül ingeslapen, en neemt zijne spieü en zijnen beker weg. 201 lavid vlugt tot Achia. Saül bij de waarzegster. David verslaat de Amalecieten, die Sicelech geplunderd en verbrand hadden. 202 aül\'s nederlaag. 205

HET TWEEDE BOEK DER KONINGEN.

lavid ontvangt de tijding van Saül\'s dood. 206

lavid wordt koning over geheel Israël. Hij haalt de ark uit het huis van Abinadab. 208

lavid neemt zich voor, den Heere eenen tempel te bouwen. Zijne gezanten tot den koning\' der Ammonieten worden schandelijk onthaald. 210

lavid\'s overspel. Hij doet ürias dooden. 212

le profeet Nathan toont David zijne zonde donr eene gelijkenis 213 mnon onteert zijne zuster. Hij wordt van Absalon gedood. 115

oab brengt Absalon weder in genade bij David. Absalon staat tegen zijnen vader op. De raad van Achitophel en van Chusaï. 216 bsalon\'s leger wordt door David\'s leger verslagen. Absalon vlug-tende, blijft aan eenen boom hangen, wordt gedood en van David beweend. 219

\'erugkomst van David. Hij vergeeft aan Semeï zijne misdaad. Miphiboseth regtvaardigt zich, Amasa wordt door Joab vermoord. Het oproer van Siba wordt gestild. 220

-ocr page 718-

708 Blad tv ijzer

Driejarige hongersnood. David laat, uit ijdelheid, zijn volk tellen, en wordt daarover met de pest gestraft. 222

HET DERDE BOEK DER KONINGEN.

Salomon wordt, op den ouderdom van 18 jaren, tot koning gezalfd. Adonias onderwerpt zich.

Laatste daden van David.

David\'s dood.

Adonias vraagt om met Abisag in den echt te treden. God verschijnt aan Salomon. Oordeelvelling van Salomon over het geschil tus-schen twee vrouwen.

Salomon\'s magt. Zijne paarden. Hiram zendt aan Salomon boomen tot het bouwen des tempels.

Inwijding des tempels. De ark des Heeren wordt in denzelven ge-bragt.

De koningin van Saba komt om Salamon te zien.

Salomon\'s val. Zijn dood.

Roboam volgt den raad der jongelingen. De tien stammen vallen hem af.

Jeroboam brengt het volk tot afgoderij. Zekere profeet laat zich door eenen anderen profeet bedriegen.

De profeet Ahias voorzegt den dood van Jeroboam\'s zoon, en de vernietiging van zijn huisgezin.

Achab wordt koning. Hij treedt met Jezabel in den echt. Elias voorzegt cene groote droogte. Hij wordt door de raven en door de weduwe van Sarepte gespijsd.

Elias komt bij Achab. Hij beroept de valsche profeten van Baal. Het vuur daalt uit den hemel over de offerande. 450 profeten van Baal worden gedood. 244

Elias vlugt voor Jezabel. Hij wordt door het hemelsch brood versterkt. Hem wordt bevolen Hazaël tot koning van Syrië, Jehu tot koning van Israël, en Elizeüs, tot profeet te zalven. 246

Jezabel doet Naboth steenigen. Elias voorzegt den dood van Achab en Jezabel. Josaphat en Achab strijden tegen de Syriörs. 400 profeten voorzeggen de zegepraal. Micheas voorzegt de nederlaag. Achab verliest het leven in den strijd. 248

HET VIERDE BOEK DER KONINGEN.

Elias voorzegt .dat Ochozias zal sterven. Hij zendt zijn volk om Elias te vangen. Elias wordt door eenen vurigen wagen opgenomen. 251

Drie legers, die gebrek aan water lijden, worden door Elizeüs behouden. Moab wordt verslagen. De olie van eene weduwe wordt vermenigvuldigd. 253

De vrouw van Sunam. Elizeüs verandert de bitterheid van het moeskruid. Naaman van Syrië. Giëzi wordt melaatsch. 255

Elizeüs leidt het syrische leger in Samarië. De belegering van Sa-

B

224

■v

226

Jeli

228

J

229

Au

231

.

233

Os

235

237

Se

238

E

239

240

F

243

i

I

-ocr page 719-

Bladic ijzer 709

marië. De Syrieërs, door God verschrikt, neraen de vlugt. 258

Elizeüs voorzegt de dood van Benadad, Ochozias volgt Joram in het rijk van Juda op. Jehu doorschiet Joram, koning van Israël. Hij doodt Ochozias, koning van Juda, en doet Jezabel uit het venster werpen. 260

Jehu, om Achab\'s huis verder uit te roeijen, doodt zeventig zonen van Achab, en ook de priesters van Baal. De dood van Jehu. De wreedheid van Athalia. Joas wordt koning over Juda. Elizeüs sterft. 262 Amasias wordl, koning van Juda. ïfa hem volgt Ozias. Na dezen beklimt Joatham den troon. Na Joatham volgt de goddelooze Achas. Over Israël volgen, na Joas, Jeroboam II., Zacharias,

Sellum, Manahem, Phaceïa en Phaceë. 265

Oseë wordt koning over Israël. Hij wordt van Salmanasser weggevoerd. Einde van het rijk van Israël. Godsvrucht van Ezechias,

koning van Juda. 266

Sennacherib doet Ezechias dreigen. De Engel verslaat 185 duizend

man op eenen nacht. 267

Ezechias wordt van Isaïas in zijne ziekte bezocht, en zijn leven wordt verlengd. Hij toont zijne schatten aan de gezanten van den koning van Babyion. Doodjvan Ezechias. Manasses volgt hem in het rijk op. 269

Het gebed van Manasses in de gevangenis. 271

ïTa Manasses volgt Amon in het rijk. Na Amon volgt Jozias. Zijne

godsvrucht. Hij vraagt raad aan Holda. Zijn dood. 272

Na Josias regeert Joachas, en na hem Joakim. Nabuchodonozor neemt Jeruzalem in, en Joakim gevangen. Hij ontslaat hem echter maar naderhand wederspannig geworden zijnde, wordt hij gedood, en zijn zoon Joachim in zijne plaats gesteld. Joachim wordt naar Babyion overgevoerd, en Sedecias in zijne plaats gesteld. Jeruzalem wordt belegerd en verbrand. Men steekt Sedecias de oogen uit. Godolias wordt over Judeën gesteld. 273

Korte lijst der koningen van Juda en van Israël, die, in de voorgaande verhalen te zeer onder elkander gemengd zijnde, niet duidelijk genoeg worden onderscheiden. 276

DE BOEKEN VAN ESDRAS.

Cyrus laat de Joden naar Jeruzalem keeren en den tempel opbouwen. Die van Samarië willen dit beletten. Esdras gaat van Babyion naar Jeruzalem. Zijne droefheid. 279

Droefheid van Nehemias over den staat van Jeruzalem. De koning geeft hem toelating om naar Jeruzalem te gaan. De vijanden beletten de stad te bouwen. 283

HET BOEK TOBIAS.

Godsvrucht van Tobias. Hij treedt met Anna in den echt. Hij leert zijnen zoon God vreezen. — Hij vindt gunst bij den koning

-ocr page 720-

710 Bladioijzer.

Salraanasser. Hij vertroost zijne broeders. Hij leent geld aan Gabelus.

Heilzame lessen van Tobias aan zijnen zoon. De Engel Raphael gaat met Tobias naar Gabelus.

Raguël geeft zijne dochter aan Tobias ten huwelijk. Sara en Tobias brengen drie nachten in het gebed over. Vrees en vreugde van Raguël. De Engel ontvangt het geld van Gabelus, die mede ter bruiloft komt. De ouders van Tobias zijn in angst over het wegblijven van hunnen zoon. Raguël geeft zijne dochter treffende vermaningen, die voor alle vrouwen hoogst nuttig zijn.

Tobias en Sara reizen naar huis. Anna ziet hem het eerst. De oude Tobias krijgt het gezigt weder. Tobias en zijn vader bieden Raphaël de helft aan van alles wat zij medegebragt hadden. Raphaël maakt zich bekend. De oude Tobias dankt God en sterft. Dood van den jongen Tobias.

HET BOEK JUDITH.

Nabuchodonozor, koning van Assyrië, wil zijn rijk verder uitbreiden en zich voor God doen erkennen. Hij zendt Holofernea met een magtig leger ten strijde. De schrik van de Israëlieten.

Holofernes belegert Bethulië. Judith berispt de oversten, omdat zij aan Gods barmhartigheid een tijdperk stellen. Zij trekn in haar feestgewaad uit Bethulië, Zij wordt bij Holofernes gebragt, die haar vriendelijk ontvangt.

Holofernes roept Judith ten avondmaal. Judith onthoofdt hem. Zij keert naar Bethulië weder. Het hoofd wordt op de vesten gehangen. De Assyriërs nemen de vlugt. Lof van Judith.

HET BOEK ESTHER.

De maaltijd van Assuërus. Hij ontbiedt Vasthi. Esther wordt koningin. Mardocheüs wil de knieën voor Aman niet buigen, waarom deze besluit al de Joden uit te roeijen.

De jammer van Mardocheüs over dit wreede bevel. Esther verschijnt voor den koning. Zij laat den koning en Aman ten maaltijd noodigen. Aman doet eene galg vervaardigen.

Assuërus dwingt Aman Mardocheüs te eeren, omdat deze een verraad ontdekt had.

Esther smeekt tijdens den maaltijd om haar leven. Aman wordt aan de galg gehangen. Het bevel, tegen de Joden gegeven, wordt herroepen. Zij dooden hunne vijanden.

Bevel van den koning Assuërus ten voordeele der Joden, tegen dat van Aman.

HET BOEK JOB.

Deugden van Job. Hij verliest alles. Zijn geduld.

Job wordt van zijne vrienden bezocht. Verhaal van hunne zamen-spraken.

-ocr page 721-

Bladwijzer, 711

quot;Woorden van Job over verscheidene dingen. Over de wijsheid en almogendheid Gods. Hoe schrikkelijk zijne oordeelen zijn. Over de ellenden van den mensch. Lof der wijsheid. Haar oorsprong; waarin zij bestaat. 328

Over het vergankelijke geluk der boozen; over hunnen schromeKj-ken val. Gevoelen van Job over zijne ellenden. Hij erkent Gods hand, die hem slaat. Hij is neêrslagtig, maar zonder zijn betrouwen te verliezen. 330 Job beschrijft zijne smarten. Hij is een treffend afbeeldsel van Christus. Hij wordt door zijne vrienden van vele boosheden beschuldigd. Hij betoont in het bijzonder de onschuld van zijn leven. 333 God spreekt tot Job en tot diens vrienden en geeft hem het dubbel terug van al hetgene hij verloren had. 335 HET BOEK DER PSALMEN.

Zedelessen uit het boek der Spreuken. 839

Zodelessen uit den Ecclesiastes. 356

Zedelessen uit het boek der Wijsheid. 362

Zedelessen uit het boek der Ecclesiasticus. 370

Zedelessen uit den profeet Isaïas. 406

Zedelessen uit den profeet Jeremias. 409

Uit de Treurklagten van Jeremias. 413

God vertoont aan Ezechiël een wonder gezigt van vier dieren en

van vier raderen. 414

God vertoont de herstelling der Joden door dorre doodsbeenderen die herleven. Dit vermaarde gezigt wordt geestelijkerwijze door Christus in de Christenen voltrokken, en is altijd in de heilige Kerk van groot aanzien geweest. 415

DANIËL.

Daniël, Ananias, Misaël en Azarias worden tot hofjongelingen verkozen. Zij vergenoegen zich met groenten en water. Nabuchodo-nozor\'s eerste droomen. 417

De drie medegezellen van Daniël worden in eenen gloeijenden oven

geworpen. 421

Nabuchodonozor\'s tweede droom door Daniël uitgelegd. 423

De koning Balthazar rigt eenen maaltijd aan. Hij ziet eene hand op den muur schrijven. Daniël legt dit uit. Balthazar wordt vermoord. 424 Daniël in den leeuwenkuil. 426 Daniël\'s openbaring van vier dieren, dié vier koningrijken be-

teekenen. 428

Susanna wordt door twee oude boeven tot zonde aangezocht; zij wil liever het leven verliezen, dan God vergrammen; zij wordt valsch beschuldigd, ter dood verwezen, en door Daniël verlost. 430 Het bedrog der priesters van den afgod Bel door Daniël ontdekt. Daniël doodt den draak, wordt in den leeuwenkuil geworpen en van Habacuc gespijsd. 433^

-ocr page 722-

712 Bladwijzer.

DE XII KLEINE PEOrETEJf.

Jonas wordt naar Ninivé gezonden. Hij neemt de vlugt. Hij wordt in zee geworpen en door eenen walvisch ingeslokt. Hij predikt te Ninivé. De NiniTieten worden bekeerd. Jonas heeft spijt over de goedheid Gods.

DE II BOEKEN DEB MACHABEEN,

Heliodorus wil op het bevel van Seleucus ia den tempel rooven, en wordt daarover door de engelen gegeeseld.

Oniaa wordt verraderlijk gedood. Wondere teekens in de lucht over Jeruzalem. Antioohus neemt Jeruzalem in. Hij plundert den tempel.

Antioohus dwingt de Joden hunne godsdienst te verlaten. Kloekmoedigheid van Eleazarus.

De marteldood der zeven machabeësehe broeders. Kloekmoedigheid van hunne moeder.

IJver van Mathatias. Hij doodt eenen Jood, die gereed stond om den afgoden te offeren. Hij vlugt met de zijnen naar het gebergte.

Judas Machabeüs volgt Mathatias, zijnen vader, in het gebied over Israël op. Zijne eerste daden. Hij reinigt den tempel.

Antioohus wordt met eene ongeneeslijke pijn geslagen. Hij valt van zijnen wagen. Hij doet scboone beloften. Hij sterft ellendig.

Antioohus Eupator volgt zijnen vader in het rijk op. Hij herneemt den oorlog tegen de Joden. Kloekmoedigheid van Eleazarus.

Judas verslaat Bacehides en Aleimus. Hij wordt door eenen droom versterkt. Hij verslaat en straft Nieanor, eindelijk strijdende v.egen Bacehides en Aleimus, wordt hij gedood.

Jonathas volgt zijnen broeder Judas in het joodsche gebied op.

Simon volgt Jonathas in het gebied op. Hij wordt verraderlijk

gedurende eenen maaltijd gedood.

Sluitrede,

EINDE VA* DE TAFEL

DER GESCHIEDENIS VAN HET OUDE TESTAMENT,

-ocr page 723-

BLADWIJZER DER HOOFDDEELEN VAN HET NIEUWE TESTAMENT.

Voorwoord. 465

De ËDgel Gabriël voorzegt de geboorte van Joannes den dooper, en wordt tot de hoogzaligste Maagd gezonden. Menschwording van Christus. 471

Maria bezoekt Elisabeth. Joannes wordt in den schoot zijner moeder geheiligd. Lofzang van Maria. 474 Joannes wordt geboren. Zacharias herkrijgt de spraak. Zijn heerlijke lofzang. 475 De Engel onderrigt Jozef wegens den gezegenden staat van Maria.

Do Heiland der wereld wordi geboren. 476

De geboorte des Heilands wordt door den Engel aan de herders bekend gemaakt. Een God, en niemand anders, konde den mensch verlossen. Christus wordt besneden en Jesus genoemd. 478

De Wijzen uit het Oosten zoeken, vinden en aanbidden Jesus. 479 Zuivering van Maria. De opdragt van Jesus. Simeon en Anna. 481 De vlugt van den Heiland naar Egypte. Kindermoord van Herodes.

Onderscheidene bemerkingen. 482

De Heiland keert weder uit Egypte. Hij woont te Nazareth. Wordt

onder de leeraars gevonden. Hoe men hem vindt. 484

Joannes predikt en doopt in do woestijn. De Heilar.d wordt van

hem gedoopt. Eene nuttige les voor ons. 485

Christus vast veertig dagen en overwint de bekoringen van den

duivel. Hoe wij den duivel moeten overwinnen. 488

Joannes geeft getuigenis van den Heiland, Zijne eerste leerlingen. Bruiloft van Cana-Galilea. Vermogen van de allerheiligste Maagd. . 489

Jesus drijft de handel- en wisselaars uit den tempel. Hij onderwijst

Nicodemus. De koperen slang. Gewigtige onderrigtingeno 492

De H. Joannes wordt gekerkerd. Christus onderwijst de sama-ritaansche vrouw over het levende water en over de ware aanbidding. 495 Verscheidene mirakelen van Christus. Hij stiit het onweder op de

zee. Les voor ons. 498

Christus jaagt een legioen duivelen uit, en laat die in varkens overgaan.

Deze bezetene is een afbeeldsel van het menschelijke geslacht. 499 Jesus roept Mattheüs. Een lamme wordt ter genezing door het dak nedergelaten. De schriftgeleerden morren, omdat Jesus de zonden vergeeft. Teekens van bokeering; verandering van leven. 501

-ocr page 724-

714 Bladwijzer

Jesus geneest eene vrouw van het bloedvloeijen, en verwekt het dochtertje van Jaïrus van den dood.

De aoht-en-dertig jarige zieke aan het waterbad. Oppermagt van Christus. Bevestiging van zijne zending.

Christus kiest twaalf Apostelen. quot;Waarom arme en ongeleerde men-schen? quot;Waarom eenen Judas, die hem verraden zoude?

De berg-predikatie van Jesus. De acht zaligheden. quot;Wie er, volgens Christus, gelukkig, en wie ongelukkig zijn.

De Apostelen zijn het zout der aarde en het licht der wereld. Christus vernietigt geenszins de wet, maar voltrekt die. Grootere regt-vaardigheid dan die der Farizeërs.

De gramschap vlugten. Zich met den naaste verzoenen.

Overspel in het hart. Alle oorzaak van verergernis wegnemen. Onverbrekelijkheid van het huwelijk.

Niet zweeren zonder nood.

Geen kwaad met kwaad loonen, maar kwaad met goed vergelden. Anderen behandelen gelijk men behandeld wil worden.

Zijne vijanden beminnen.

Vervolg van de berg-predikatie. Den lof der menschen niet zoeken.

Wat men in het bidden vermijden moet. Het gebed des Heeren.

Over het vasten.

De schat der Christenen is in den hemel.

Het eenvoudige oog.

Niemand kan twee heeren dienen. De ijdele bekommeringen vlugten.

Niet oordeelen.

Splinter in het oog.

Het Heilige niet geven aan de honden.

Kracht van het gebed.

Anderen behandelen, zoo als mon wil behandeld worden. De enge weg.

De valsche profeten,

noodzakelijkheid der goede werken.

Het bouwen op eene steenrots. Het bouwen op het zand.

Christus zuivert eenen melaatsche, en geneest den knecht van eenen hoofdman. Leering voor ons.

Christus verwekt bij Naïm den eenigen zoon eener weduwe. Afbeeldsels van de bekeering der zondaars.

Joannes zendt twee zijner leerlingen tot Christus. Lof van Joannes. De Joden worden noch door strengheid, noch door zachtaardigheid bekeerd. Ongeluk van de steden, die het heilig Evangelie versmaden. Voorbeeld voor ons.

De zondares (Magdalena) aan de voeten van Jesus, ten huize van

Simon den Farizeër. Voorbeeld van boa.vaardigheid.

Jesus jaagt den boozen geest uit eenen blinde en stomme. De gelijkenis van het zaad.

Christus zendt zijne Apostelen twee en twee om te prediken. Kegelen, die hij hun voorschrijft. Bemerkingen.

-ocr page 725-

Bladwijzer, 715

Onthoofding van Joannes den dooper. De onzuiverheid en het

dansen vlugten. 543

Christus spijst vijf duizend man met vijf brooden en twee visschen.

Hij vlugt weg, omdat zij hem tot koning wilden uitroepen. 545

Christus wandelt op de zee; hij doet Petrus over het water bij zich komen; hij stilt het onweder, en geneest vele zieken, Hoe God zijne uitverkorenen beproeft. 546

Christus leert, dat wij zijn overheilig Ligchaam als spijze moeten nuttigen. Eenige leerlingen verlaten hem, maar de Apostelen blijven getrouw. De Cananeesche vrouw. Haar groot geloof. De volharding in het gebed. 548

Verschillende gevoelens van het volk wegens Christus. Belijdenis, lof en berisping van Petrus. De verheerlijking van Jesus. Leering voor ons. 550

Jesus geneest eenen maanzieken jongeling. Kracht van het geloof, van het gebed en van het vasten. Betaling van den hoofdpenning. 552

quot;Wie de grootste is. quot;Worden als een klein kind. Leering. De verergernis vlugten. Elkanders misdaden vergeven. De groote schuldenaar van tien duizend talenten. 553

Jesus gaat in het heimelijk naar het loover- of tentenfeest. Hij reinigt tien melaatschen; éón alleen betuigt zijne erkentenis. Weinigen toonen dankbaarheid over de weldaden van God. 555

Kenteekens dat de leer van Jesus dezelfde is als die van zijnen Vader. Er worden dienaars uitgezonden om den Heer te vangen. Eene overspelige vrouw wordt van den dood verlost. Zachtmoedigheid tot de zondaars. Het hervallen is verschrikkelijk. 556 Christus berispt de Joden. Zij willen hem steenigen. Hij geneest eenen blindgeborene. Deze beschermt Jesus, en wordt daarom van de Farizeërs weggejaagd, maar van Jesus ontvangen. Onze troost en ons voorbeeld. 558

Christus is de goede Herder. Kenteekens zoowel van den goeden

herder, als van den huurling. 561

Het gebod der liefde. De gekwetste van Jericho. Verscheidene

bemerkingen. \' 563

Martha en Maria. Het uit- en inwendige leven. 564

Jesus weigert het erfdeel te scheiden onder twee broeders. Gelijkenis van den landman, die zijne schuren vergroot. De rijkdommen niet beminnen. 565

Het groote avondmaal. De genoodigden willen niet komen. Alles

verloochenen om de leerling van Christus te zijn. Leering. 567

Het verlorene schaap. De verlorene penning, en de verloren zoon.

Afbeeldsel eener opregte bekeering. 568

Gelijkenis van den onregtvaardigen rentmeester. Zich vrienden maken om in den hemel te komen. Wie in het klein getrouw is, die zal het in het groot ook zijn. 571

-ocr page 726-

716 Bladwijzer.

De arme Lazarus en de rijke vrek. Rijk zijn is vol gevaar.

De tweede komst van Christus vergeleken bij de tijden van Hoe en Loth. De onregtvaardige regter en de weduwe. De Farizeërs en de Publikaan. Verscheidene leeringen.

Onverbrekelijkheid van het huwelijk. De zuiverheid is eene gave Gods. Men brengt kleine kinderen bij Jesus. Gevaar der rijkdommen.

De gelijkenis van de arbeiders gezonden in den wijngaard. Hoe elk in den wijngaard des Heeren moet arbeiden.

Lazarus wordt van den dood verwekt. Afbeeldsel der bekeering van eenen zondaar.

De opperpriesters besluiten den dood van Christus. De Samaritanen weigeren hem den doorgang. Hij voorzegt op nieuw zijn lijden. De zonen van Zebedeüs vragen de eerste plaats. Onderrigt.

Jesus geeft, omtrent Jericho, aan drie blinden het gezigt weder. Zacheüs wordt geroepen. Leering.

Maria, de zuster van Lazarus, zalft de voeten van Jesus; Judas mort hierover. De opperpriesters willen Lazarus dooden. Jesus doet zijne intrede in Jeruzalem. Zijne magt over de gemoederen. Hij weent over de stad.

Eenige Heidenen zoeken Jesus te zien. Hij wordt in hunne tegenwoordigheid verheerlijkt. Hij is het licht der wereld. Zijn woord zal regt doen in den jongsten dag.

Jesus vervloekt den vijgenboom. Hij jaagt de verkoopers uit den tempel. De kleine kinderen vermelden zijnen lof.

De leerlingen zien den vijgenboom verdord. Kracht des geloofs. De opperpriesters vragen door wat magt Christus aldus handelt. De gelijkenis van twee zonen. De afschuwelijke wijngaardeniers.

De koninklijke bruiloft. De gast zonder bruiloftskleed. De cijnspenning. De Saduceërs beantwoord wegens de verrijzenis. Het groote gebod. Hoe de Messias te gelijk de Zoon en de Heer van David is.

Men moet de schriftgeleerden aanhooren, maar hen niet navolgen. Wie onze leermeester is. Het rijke offer der arme weduwe.

De verwoesting van den tempel. Voorspelling van groote vervolgingen. Tweedragt tusschen bloedvrienden om Christus wil. Voorteekens van het laatste oordeel. Bidden en waken. De goede en de booze knecht.

Gelijkenis van de tien maagden en van de uitgedeelde talenten. Verscheidene bemerkingen.

Beschrijving van het laatste oordeel. Schromelijkheid van dien dag.

Bereiding van het paaschlam. Jesus wascht de voeten zijner Apostelen. Instelling van het allerheiligste Sakrament des Altaars. Jesus wijst den verrader aan. Twist onder de leerlingen. De Heiland voorzegt den val van Petrus.

Jesus gaat eene plaats voor de zijnen bereiden. Hij is de weg,

-ocr page 727-

Bladwijzer 7 L 7

de waarheid en het leven. Men verkrijgt alles in zijnen naam. Hij belooft den heiligen Geest. Hij troost zijne Apostelen. Kenteekens dat men hem bemint. De heilige Geest zal alles leeren. De ware vrede. 606

Christus is de wijngaard, zijne leerlingen zijn de ranken. Volharden in de liefde. Troost in de vervolging. Bestendigheid van de leer des Zaligmakers. Getuigenis van den heiligen Geest. 607

Vervolg van de leerrede na het avondmaal. Jesus versterkt zijne Apostelen. Hij belooft wederom den heiligen Geest, die de wereld zal overtuigen, en aan de Apostelen alles leeren. Vreugd na droefheid. De Vader verleent alles in den naam van Jesus. De Heer voorzegt op nieuw de verloochening van Petrus. 600

Het gebed van Christus na de leerrede van het avondmaal. Christus bidt voor de verheerlijking zijns Vaders, voor de zaligheid der Apostelen, en voor hen die in hem zullen gelooven. 611

Het smartvol lijden van onzen Heer Jesus Christus. Jesus bidt in het hofje. Hij leert ons bidden, en ons geheel aan God onderwerpen. \' 613 De aannadering en de verraderlijke kus van Judas. De Joden

worden ter aarde geworpen. Jesus wordt gevangen. Bemerkingen. 614 Jesus voor Caïphas en den hoogen raad; hij wordt ondervraagd,

verwezen en bespot. Leering. 616

De val en de bekeering van Petrus. Oorzaak van zijnen val 618

Jesus wordt aan Pilatus overgeleverd. Judas wordt wanhopig en

verhangt zich. Valsche bekeering. 620

Jesus wordt beschuldigd voor Pilatus, van hem ondervraagd, en

naar Herodes gezonden. Drie valsche beschuldigingen. 621

Pilatus tracht Jesus in vrijheid te stellen, en stelt hem achter Bar-rabas. Christus wordt gegeeseld, met doornen gekroond en bespot. Ziet den mensch ! Hij wordt overgeleverd om gekruist te worden. Zonden van Pilatus. 623

Jesus draagt zijn kruis. De vrouwen weenen over hem. De kruisiging van Christus. Het opschrift boven het kruis. De soldaten werpen het lot over zijne kleederen. Hij wordt aan het kruis gelasterd en bespot. De moordenaar wordt bekeerd. Men mag de bekcering niet uitstellen. 626

Maria onder het kruis. Duisternissen. Jesus geeft zijnen geest. Wonderheden na zijnen dood. Vruchten van den dood des Zaligmakers. 630 De zijde van Jesus wordt doorstoken. Jozef van Arimathea. Christus wordt begraven. De Joden zetten eene wacht aan het graf. Wonderbare voltrekking der profetiën of voorzeggingen. 632 Verrijzenis van Christus. Hij verschijnt aan Magdalena en aan de andere heilige vrouwen. De soldaten worden omgekocht. Jesus vertoont zich aan de leerlingen van Emmaus en aan Petrus. quot;Waarom de verrijzenis zoo zeer moest bevestigd worden. 634

-ocr page 728-

718 Bladwijzer

Christus vertoont zich aan zijne Apostelen in het afwezen van Thomas, en acht dagen daarna in zijn bijwezen; wederom bij de zee van Tiberias, en eindelijk op eenen berg in 6alilea. Al die verschijningen zijn ook voor ons geschied.

Laatste verschijning van Christus. Hij belooft den heiligen Geest en vaart ten hemel. Wat hij in den hemel voor ons doet. Hoop van hem te volgen.

BEGIN VAN DE WERKEN DER APOSTELEN.

Matthias wordt in de plaats van Judas verkozen. De komst van den heiligen Geest. De leerlingen spreken allerhande talen. Drie duizend menschen worden door de eerste predikatie van Petrus bekeerd. Heilig leven van de eerste geloovigen. Hoe de heilige Geest de menschen verandert.

Petrus geneest eenen kreupele. Zijne tweede leerrede. Hij wordt te zamen met Joannes gevangen gezet. Men verbiedt hun verder te prediken. Hun treffelijk antwoord. Het gebed van de geheele Kerk voor hen. Zij worden door den heiligen Geest versterkt. De liefde der eerste Christenen.

Ananias en Saphira worden met eenen plotselijken dood gestraft.

Liegen is steeds zonde. De Apostelen doen vele mirakelen; zij worden in de gevangenis gesteld, door den Engel verlost, en ia den raad gegeeseld.

Aanstelling van zeven Diakens. Stephanus doet wondere teekens. Hij wordt valschelijk beschuldigd; verantwoordt zich; wordt ge-steenjgd; bidt voor zijne vijanden. Hoe wij onze vijanden moeten beminnen.

Saulus vervolgt de Kerk. Philippus predikt, en doopt Simpn den toovenaar. Joannes en Petrus geven den heiligen Geest aan de Samaritanen. Simon zoekt deze magt te koopen. Philippus doopt den kamerling van de koningin der Mooren. Bemerking.

Saulus wordt bekeerd, en van Ananius gedoopt. Hij predikt te Damascus. Hij wordt van de muur der stad in eene mand afgelaten. Hij gaat naar Jeruzalem. Vlugt naar Tarsis. Trappen van bekeering.

Petrus geneest Eneas, en verwekt Tabitha. De Engel verschijnt aan Cornelius. Petrus wordt door een visioen onderrigt; hij begeeft zich naar Cornelius, en doet hem doopen. God heeft zijne uitverkorenen onder alle volkeren. Petrus verschoont zich over zijn gedrag.

De leerlingen worden te Antiochië eerst Christenen genoemd. He-rodes doet Jacobus onthoofden, en stelt Petrus in de gevangetis. Deze wordt door den Engel verlost. Noodzakelijkheid van het gebed. Herodes wordt van God gestraft.

Sergius wordt door Paulus bekeerd, en Elijmas met blindheid geslagen. Paulus keert zich tot de Heidenen, wordt van de Joden

-ocr page 729-

Bladwijzer. 719

vervolgd, geneest te Lystra eenen kreupele, waarom het volk hem offers wil opdragen; kort daarna echter wordt hij gesteenigd. Veranderlijkheid der mensohen. Hoe God met zijne vrienden handelt. 666

Het concilie van Jeruzalem. Paulus doet Timotheüs besnijden. Hem wordt door den heiligen Geest verboden op sommige plaatsen te prediken. Hij bekeert Lydia en Philippen. Hij wordt aldaar met Silas gegeeseld. Hij bekeert den cipier. Hij predikt te Thessalo-nica en te Berea. Hij komt te Athene. 668

Paulus predikt te Athene; werkt en predikt te Corinthe bij Aquilas. Appollos doet veel goeds. Paulus doopt te Ephesen eenige leerlingen van Joannes, en predikt aldaar gedurende twee jaren. Do zonen van Seeva. Oproer van Demetrius. Entychus wordt van den dood verwekt. Aanspraak tot de priesters van Ephesen. 672 Paulas reist naar Jeruzalem. Yoorzegging van Agabas. Hij wordt in den tempel gevangen genomen; hij verantwoordt zich voor de Joden, en verdedigt zich voor den raad. 40 Joden zweren zijnen dood. Paulus verweert zioh voor Felix; verantwoordt zich voor Festusj en wordt voor koning Agrippa gebragt, die hem voor onschuldig verklaart. 677

Paulus reist te scheep naar Rome, en lijdt schipbreuk voor Maltha. Hij wordt zonder hinder van eene adder gestoken. Hij predikt Christus te Rome aan de Joden; zijne verdere daden tot aan zijnen dood. 681

HET BOEK DER OPENBARINGEN.

Afbeeldsel van den Zoon des mensohen, die aan Joannes verschijnt. 686 De H. Joannes schrijft, op het bevel van Christus, verscheidene zaken

aan de zeven Bisschoppen van de bovengemelde kerken. 687

Beschrijving van het nieuwe Jeruzalem. 693

Kort begrip van al de deelen van het Nieuwe Testament, en voornamelijk van de brieven der Apostelen op orde van tijd. 695

EINDE VAN DE TAFEL

DER GESCHIEDENIS VAN HET NIEUWE TESTAMENT.

-ocr page 730-
-ocr page 731-
-ocr page 732-
-ocr page 733-