-ocr page 1-

Vak 99

-ocr page 2-
-ocr page 3-

-

\'

_

-ocr page 4-

jP C

-ocr page 5-

Vj\'

DES

(\'11 lv 1ST KNS EEN KIK TROOST

IN LEVEN EN STEIIVEN,

OF

vm ! K 1 j A 1 gt; I NG

OVEK DEN

HEIDELBERGSGHEN

VI KrillSMI s

IN Lil PREDLKA\'IÏÉN;

r.E NEVENS

V BE I J.I I)ENIS-PIiE DI KAT IËN;

DOOll DEN ZALIGEN HEER

mm. SMYTEGELT,

in zijn E. loven Bedienaar dos Goddolijkon AVoords te Middelburg.

Onveranderde uitgave volgens 1747.

—----—---1

LEIDEN. — D. DONNER.

-ocr page 6-

Extract uit de handelingen der Classe van Walcheren den S Mei 1742.

Aut. III.

De Eenv. Heeren Johannes Plevier, en Johannes van Winoerpen, als Revisores Librorum leggen over bet volgende scbriftelijk Rapport.

„Wij ondergeschrevenen bebben met zooveel nauwkeurigheid, als ons „onze bezigheden in het werk der bediening toelieten, gelezen zeker boek, „hebbende tot titel Des Christens eenige troost in Leven en in Sterven, „benevens Vijf Belijdenis-Preclilcatien, door den zaligen Heer BEENAR-„DUS SMYTEGELT, in zijn E. leven Predikant te Middelburg. Hetzelve „is gedrukt, en staat uitgegeven te worden, niet naar het eigenhandig „afschrift des predikers, maar onder het prediken opgeschreven; met „hoeveel nauwkeurigheid kunnen of willen wij niet bepalen. In hetgeen „tot verklaring en toepassing van de Catechetische waarheden gezegd „wordt, vinden wij niets dat wezenlijk strijdt tegen de Leer des Gelools, „welke naar Gods Woord, in de Formulieren van Eenigheid begrepen is, „en overal blijken van \'s mans innige godsvrucht, en voorstand van de-„zelve, waarom het met stichting kan gelezen worden, doch denken dat „de spreker, zoo hij de uitgever van zijn Predikatiën had willen zijn, „juist overal dezelfde uitdrukkingen en bewijzen, of niet gebruikt, of niet „behouden zou hebben, welke nu gemeen gemaakt worden.

JOHANNES PLEVIER, Predikant te Middelburg.

JOHANNES VAN WINGERDEN, Fred, te Middelburg.

„Gedaan Middelburg,

„den 2den Mei 174.2*

De E. Vergadering bedankt de Heeren Revisores, approbeert hun handelwijs, en maakt daarvan een. Olassicale Resolutie.

Concordant oollata testor,

JOHANNES KOERTE, Cl. P. T. Scriba.

-ocr page 7-

DE DRUKKERS AAN DUN LEZER.

Bij de uitgave van Des Christens Heil en Sieraad, werd in de Voorrede vim den heer A, W. de Beveeen gezegd: „dat zoo de Heere het „werk geliefde te zegenen, en de drukkers daartoe lust hadden, men „zou voortgaan om andere schoone werken van den eerwaarden Heer „Beunakdus Smytegelï, zaliger gedachtenis, bij vervolg van tijd tot „tijd in \'t licht te geven.quot;

Wij zijn in onze verwachting niet bedrogen; want het werk heeft een spoedigen aftrek gehad; en de Heere heeft het met /.jjue goedkeuring en zegen bekroond; dus bleven wij opgewekt om ook dit werk van den zaligen Heer Smytegelt in \'t licht te geven, en zoo de Heere wil, en wij leven, hierop eenige keurstoffen te laten volgen.

\'t Werk, hetwelk wij u nu aanbieden, goedgunstige lezer, behelst twee en vijftig Predikatiën van zijn Eerwaarde over den Heidelberg-schen Catechismus, met de vijf Belijdenis-Predikatiën, in welke de catechetische waarheden zijn te zamen getrokken; dus geschikt naar het getal der Belijdenis-predikatiën, die ieder jaar, \'s weeks voor het H. Avondmaal te Middelburg gehouden worden. Wij helden \'t meest over om deze stoffen op de vorige direct te laten volgen, eensdeels om te voldoen aan veler verlangen naar dezelve, andersdeels om de dierbaarheid der stoffen, die er in verhandeld worden, behelzende \'t Heilzaam Boek van den Heidélbergschen Catechismus, hetwelk jaarlijks in de kerken van Nederland gepredikt wordt.

Wie zal wraken het noodzakelijk en nuttig onderzoek van onzen Catechismus? Immers moet hij een goed Catechist zijn, die een goed Christen zal wezen. Dat is een sieraad der jeugd, de richtsnoer des levens voor de volwassenen; een staf voor de bejaarden. Dus wast men op in de kennis, en wordt men gefondeerd in de fundamenteele waarheden des Christendoms, gesterkt in het geloof, bevestigd in de hope des eeuwigen levens; zoo wordt de leer der kerk in hare zuiverheid bewaard, dewijl door naarstige oefening van deze grondstuk-

-ocr page 8-

DE DRUKKERS AAN DEN LEZER.

ken de waarheid ons wordt gemaakt als een goudsmids toetssteen, aan welken alle leer beproefd zijnde, dezelve, of\' met alle toegenegenheid ontvangen, of met verschrikking verworpen wordt, naardat die van een goed of kwaad allooi bevonden wordt, beproevende de geesten, of zij uit God zijn, 1 Joh. 4:1. Houdende vast aan H voorbeeld der gezonde ivoorden, 2 Tim. 1; 13. Opdat zij door allen wind der leer niet omgevoerd worden, Ef. 4:14. Maar dc tegensprekers te tvederleggen, Tit. 1:9. Dus wordt de rechte eenigheid der kerk en staat bewaard, en de Christen onderwezen om de waarheden van zjine religie in de praktijk des levens uit te drukken, wandelende godzalig voor God, en in liefde omtrent zijn naaste.

En wie ziet niet, dat alzoo de hope vermeerdert, om de ware leer in die zuiverheid tot de nakomelingschap voort te zetten? In dit opzicht schreef Calvinus aan den Protector van Engeland: indien hij voorhad een gebouw te maken, dat vrij van verval mocht zijn, dat hij dan de oefening in den Catechismus moest bezorgen, \'tgeen tot nut van jong en oud zijn zou.

Om deze redenen was het de raad van Philippus Mélanchton aan Johan Frederik, Hertog van Pommeren, dat hij onder andere oefeningen, die hij dien tretfelijken vorst voorschrijft, iederen Woensdag in de week zou schikken tot oefening voor zichzelf in de catecheti-sche waarheden.

En diezelfde Mélanchton, hoorende de kinderen in \'t huisgezin voorde moeder den Catechismus opzeggen, zeide, zeer verheugd zijnde, tot Lidher en zijn gezelschap: „Laat ons goedsmoeds zijn, daar worden „nog jonge kapiteinen geoefend, dewelke Christus\' zaak zullen voorstaan, en daarvoor strijden.quot;

Wij weten wel, dat er een gansche reeks van voorname mannen, zoo oude als latere Godgeleerden is, die over den Catechismus geleerd en uitvoerig geschreven hebben, \'t Blijkt echter noodig en nuttig, dat er telkens de arbeid van anderen bijkomt. Zoo begreep het de oud-vader Augustinus, zeggende: „Het is nuttig, dat vele boeken van „velen gemaakt worden, niet met verscheiden geloof, ook over dezelfde verschillen, opdat de zaak zelve tot velen kwam, tot den een „aldus, tot den ander alzoo, want toch alle dingen, welke van velen „geschreven worden, niet in aller handen komen.quot; Te meer als men zich te binnen brengt de lust en \'t nut van en voor eene gemeente, om de onderwijzingen van haren ouden en zeer waarden leeraar te kunnen lezen, en dus met vrucht te herdenken \'tgeen met zooveel graagte en zegen is aangehoord.

4

-ocr page 9-

DE DRUKKERS AAN DEN LEZER.

Wij twijfelen niet, ol\' dat boek zal benevens andere dergelijke geschriften zijne plaats en liefhebbers vinden. De zaken, die er in voorkomen zijn wichtig, de wijze van voorstel aangenaam, de stijl zeldzaam, en zeer bekwaam om de zaken voor \'t begrip vatbaar te maken, en in \'t gemoed des menschen in te dringen, waarom wij ons aan de woorden des predikers gebonden hebben. Wenscht iemand een meer systematische behandeling der waarheden, hij kan nevens dezen andere schrijvers gebruiken, die daarin meerder uitmunten, en onzen auteur waardeeren in \'tgeen hij bizonders heeft.

Behaagt onze arbeid anderen niet, wij dringen dien niemand op. Hij late dit dan in zijn waarde, en misgunne het anderen niet, te waardeeren \'tgeen hij veracht, en den zegen te erkennen, dien hij mist. Aan iedereen het van pas te maken is ook zoo weinig onze als het des auteurs toeleg was.

Tegen drukfouten hebben wij, zooveel doenlijk was, gewaakt, en aan dit werk noch moeite, noch kosten gespaard. Dit boek zal echter dat met alle anderen gemeen hebben, dat het niet volmaakt uitkomt. Wij verwachten, dat de bescheiden lezer daarover bescheidenlijk zal oordeelen, en de fouten in liefde verbeteren.

Ontvang het dan met zulk een hart als hetzelve u wordt aangeboden, en gebruik het te uwen nutte. Wordt gij er door gesticht, geef er den Heere alleen de eere van. Dien wij wenscheu, dat dit werk zegenen zal!

5

-ocr page 10-

PRIVl LEG IE.

DE STATEN VAN HOLLAND EN WEST-FRIESLAND doen te weten, alzoo ons te kennen is gegeven bij Ottho en Pieter van Thol, Burgers en Boekverkoopers alhier in \'s Hage, mitsgaders Adam Lamvercns en Michiel Hendrik Gallen fels, Burgers en Boekverkoopers te Middelburg in Zeeland, dat zij Supplianten althans actueel bezig zijnde met het drukken van de Schriften van Bernard Smytegelt, in zijn loven Bedienaar des Goddelijken Woords te Middelburg voornoemd, bestaande in diverse Predikatiën over de Heiligmaking, Boet- en Bedestoffen, over den Cateehis-mus, Gekrookte Riet en andere stoffen van dien Auteur, allen in kwarto, alsmede een Vragenboek van de Christelijke Religie door den voornoemden Auteur in octavo, niet zonder reden beducht waren, dat nijdige en baatzuchtige menschen hen Supplianten de voorz. Werken zouden zoeken na te drukken of doen nadrukken, of elders nagedrukt zijnde hier te lande inbrengen en verhandelen of verkoopen tot zeer groote schade, ja ruïne van de Supplianten, mits welke de Supplianten zich keerden tot Ons, zeer ootmoediglijk verzoekende Octrooi of Privilegie om gedurende den tijd van 15 eerst achtereenvolgende jaren, zoo voor zichzelven als voor diegenen welke in het vervolg hun recht of actie in dezen zouden mogen verkrijgen, de genoemde werken alleen en met seclusie van alle anderen te mogen drukken, doen drukken, uitgeven en verkoopen, verhandelen, in het groot of klein, in het geheel of ten deele, onder een anderen naam of titel, zooals zij Supplianten te rade zouden mogen worden, met verbod dat niemand buiten hen Supplianten of hun actie of rechtverkrijgenden hier te lande de voorz. Werken in het geheel of ten deele in wat formaat of onder wat naam zou mogen nadrukken of doen drukken het zou mogen wezen, of elders nagedrukt zijnde hier te lande inbrengen, uitgeven, verhandelen of verkoopen, op verbeurte van al de nagedrukte, ingebrachte, verhandelde of verkochte exemplaren en voorts op zoodanige poene als wij gewoon waren daartegen te statueeren, in oi\'dinaria forma. Zoo is \'t dat wij de zaak en het voorz. verzoek overgemerkt hebbende en genegen wezende ter bede van de Supplianten uit onze rechte wetenschap. Souvereine macht en autoriteit dezelve Supplianten geconsenteerd, geaccordeerd en geoctrooieerd hebben, consenteeren, accordeeren en octrooieeren hen bij deze, dat zij gedurende den tijd van vijftien eerst achtereenvolgende jaren de voorz. Werken in dier voege als zulks bij de Supplianten is verzocht en hier voren uitgedrukt staat, binnen den voorz. onzen lande alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uitgeven en verkoopen. verbiedende daarom allen en een iegelijk dezelve Werken in \'t geheel of ten deele te drukken, na te drukken, te doen nadrukken, te verhandelen of te verkoopen, of elders nagedrukt binnen denzelven onzen lande te brengen, uit te geven of te verhandelen en verkoopen op verbeurte van al de nagedrukte, ingebrachte, verhandelde of verkochte exemplaren en een boete van drieduizend gulden daarenboven te verbeuren, te applicee-

-ocr page 11-

PRIVILEGIE.

ron een derde part voor den Officier die de calange doen zal, een derde part voor don armen der plaats, waar hot casus voorvallen zal, en het resteerende derde part voor den Suppliant, en dit telkens zoo menigmaal als dezelve zullen worden achterhaald, alles in dien verstande, dat wij de Supplianten met dit ons Octrooi alleen willende gratifleeeren tot verhoeding van hunne schade door het nadrukken van de voorz. Werken daardoor in geenen deele verstaan den inhoud van dien te autoriseeren of te advoueeren en veel minder dezelve onder onze protectie en bescherming eenig meerder crediet, aanzien of reputatie te geven, naarmate de Supplianten in cas daarin iets onbehoorlijks zouden influeeren al hetzelve tot hunnen last zal gehouden wezen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselijk begeerende, dat bijaldien zij dezen onzen Octrooi voor dezelve AVerken zullen willen stellen, daarvan geen geabbrevieerde of gecontraheerde mentie zullen mogen maken, neen maar gehouden wesien hetzelfde Octrooi in \'t geheel en zonder eenige omissie daarvóór te drukken of te doen drukken, en dat zij gehouden zullen zijn een exemplaar van de voorz. Werken op gx-oot papier, gebonden en wel geconditioneerd te brengen in de Bibliotheek van onze Universiteit te Leiden binnen den tijd van zes weken, nadat zij Supplianten dezelve werken zullen hebben beginnen uit te geven, op oen boete van zeshonderd gulden na expiratie der voorz. zes weken bij de Supplianten te verbeuren ten behoeve van de Neder-duitsche armen der plaats, alwaar de Supplianten wonen en voorts op poene van metterdaad verstoken te zijn van het effect van dit Octrooi, dat ook de Supplianten, schoon bij het ingaan van dit Octrooi een exemplaar geleverd hebbende aan de voorz. onze Bibliotheek bij zoover zij gedurende den tijd van dit Octrooi dezelve Werken zouden willen herdrukken met eenige observation, noten, vermeerderingen, veranderingen, correction of anders hoegenaamd, of ook in een ander formaat, gehouden zullen zijn wederom een ander exemplaar van dezelve Werken, geconditioneerd als voren te brengen in de voorz. Bibliotheek binnen denzelfden tijd en op de boeto en poenaliteit als voorz.; en ten einde de Supplianten dit ons Octrooi mogen genieten als naar behooren, lasten wij allen en een iegelijk dien het aangaan mag, dat zij Supplianten van den inhoud van dezelve doen, laten en gedoogen rustelijk, vredelijk en volkomenlijk genieten en gebruiken, cesseerende alle belet ter contrarie. Gegeven in den Haag, onder ons groot Zegel, hieraan doen hangen, den vier en twintigsten April in \'t jaar onzes Hoeren en Zaligmakers duizend zeven honderd vier en veertig.

J. H. V. WASSEN A All, vt.

Ter Ordonnantie van de Staten,

Willem Buys.

Aan de Supplianten zijn nevens dit Octrooi ter hand gesteld, by Extract Authentiek Haar Ed. Gr. Mog. Eeaolutiëu van den 18 Juni 1715 en 30 April 1728, te dien einde om zich daarnaar te regüleeron.

7

-ocr page 12-

PRIVILEGIE.

DK STATEN van ZEELAND: doen te weten, alzoo ons is vertoond bij Middel en Adam Gallenfels, Burgers en Boekverkoopers binnen Middelburg, dat hen Supplianten ter band gesteld waren al de nagelaten Schriften van wijlen D. BERNARD US SMYTEGELT, in zijn leven Bedienaar van het H. Evangelie in deze stad, en zij genegen waren dezelve in Compagnie met Ottho en Picter van Thol, Boekverkoopers in \'s Gra-venhage, te drukken: doch beducht zijnde, dat dezelve in \'t geheel of ten deele, tot hun groote schade, door anderen mochteu nagedrukt worden: zoo keerden de Supplianten zich tot ons, ootmoedig verzoekende, dat het ons geliefde, aan hun benevens hunne voornoemde Compagnons te verlee-nen onze Brieven van Octrooi, in gewoonlijke forma tot het alleen drukken en verkoopen van de voorgemelde nagelaten Schriften, in zoodanige formaten, als zij raadzaam zullen oordeelen, voor den tijd van vijftien aaneenvolgende jaren, onder zoodanige poenaliteiten, als het ons gelieven zou goed te vinden, en te statueeren; ZOO IS \'T, dat wij het voorz. over-merkt hebbende, en genegen wezende ter bede van de Supplianten uit onze rechte wetenschap, souvereine macht en autoriteit, de Supplianten geautoriseerd en geoctrooieerd hebben, autoriseeren en octrooieeren dezelve bij dezen, teu einde zij alleen in Compagnie met Ottho en Pietcr van Thol, gedurende den tijd van vijftien eerstkomende jaren alleen de gemelde nagelaten Schriften van D. BERNARDUS SMYTEGELT, in zijn leven predikant te Middelburg, binnen onzen Lande van Zeeland zullen mogen drukken en inbrengen, in zoodanige formaten, als zij raadzaam zullen oordeelen: verbiedende allen en een iegelijk, dezelve Schriften in \'t geheel of ten deele, in \'t groot of klein, na te drukken of elders nagedrukt binnen onzen lande te brengen of te distribueeren, op verbeurte van de nagedrukte, ingebrachte of gedistribueerde exemplaren, en daarenboven eene boete van duizend Caroli guldens; te appliceeren een derde van dien voor de armen van de plaats, waar die zal komen voor te vallen, een derde voor dengene, die de Calange doen zal, en het overige derde part voor de Impetranten van dit ons Octrooi; ordonneerende en bevelende voorts allen en een iegelijk, die deze eenigszins zou mogen aangaan, de Supplianten het effect van deze onze gunst en concessie rus-telijk, vredelijk en volkomenlijk te laten genieten en gebruiken, zonder hen daarin te doen, of te laten geschieden, eenig hinder, letsel of moeie-nis, ter contrarie. Des te Oirkonde hebben wij ons groot Zegel hieraan doen hangen, en door onzen Secretaris doen onderteekenen. Gegeven in \'t Hof van Zeeland te Middelburg, den 9 Juli 1739.

Ten Ordonnantie van de Hooggemelde Heeren Staten.

Was geteeJccnd,

J. P. Rbcxstoot.

-ocr page 13-

O I3

J) E S C H R I S rr E N S

E E N I G E rr E () O 8 T

IN LEVEN EN STERVEN.quot;

DOOK DEN

EERWAARDIGEN, GODVRUCHTIG]:N EN NU ZALIGEN HEEK

Lsizitis. «al/r9

In ziju loven getrouw Bedienaar des Heiligen Evaugeliea in de Gemeente van Jezus Christus te Middelburg in Zeeland.

ZIET weer een nuttig werk, \'tgeen velen zal behagen, Vooral aan hen, die steeds naar d\'oude paden vragen, Eu ook aan die, wier geest de waarheid meest bekoort. Wanneer zij zuiver is gegrond op Godes Woord;IET weer een nuttig werk, \'tgeen velen zal behagen, Vooral aan hen, die steeds naar d\'oude paden vragen, Eu ook aan die, wier geest de waarheid meest bekoort. Wanneer zij zuiver is gegrond op Godes Woord;

Waaruit men klaar ontdekt den janunerstaat der raenschen. Die straks hun onmacht zien en om verlossing wenschen. Den Middelaar als Borg begeeren voor hun schuld, Die medelijdend is en hunnen wensch vervult.

Voor welke liefdedaad en trouwe gunstbewijzen Zij dankbaar hunnen God en Zaligmaker prijzen.

\'t Is zulk een soort van spijs, die hier wordt voorgezet, Dat uwe ziel zal voên met Zions zielsbanket.

Het zal rechtzinnig naar des Heeren Woord u leeren, Hoe zich een zondaar uit zijn jammerstaat moet keeren Om troost te zoeken in \'t onschuldig offerbloed Van Christus, die aan \'t kruis voor zondaars heeft geboet; En dus een eeuwig heil door lijden heeft verworven Voor zijn verkoren volk, wiens oude mensch gestorven, In \'t nieuw en rein gemoed door \'s Heeren Geest herleeft. En voor dat zalig goed aan God de eere geeft.

Welaan ik noodig u dan weer op deze bladen!

Uier kunt gij uwe ziel met keur van spijs verzaden.

Hier wordt partij weerlegd, do waarheid vastgesteld. De zuivere leer bewaard, de valsche neergeveld.

-ocr page 14-

Hier ziet men trotschen waan tot op den grond verbreken, En ook den mond gestopt van die ons tegenspreken.

Hier wordt van \'s menschen hart de dikke nachtgordijn Geschoven, en ontdekt wie dat, in zijn of schijn. Een Christen is; terwijl men ook de binnenhoeken Van \'t hart met deze toorts nauwkeurig kan doorzoeken, \'t Geen \'t al ontdekken zal tot \'t minst verborgen kwaad. Maar ook tot zuivering is hier een wisse raad.

Geen scherpe doren, noch geen onkruid zal u hind\'ren.

Hier vindt gij stof voor elk, voor mannen, vaders, kind\'ren, En jongelingen, in den geestelijken strijd.

\'t Is rein gezuiverd; dies welaan weest nu verblijd!

\'t Past u, verloste schaar! hier kunt gij u verblij\'en:

Hier is \'t geen gij begeert: hier zijn zielslekkernijen:

Hier triomfeert \'t geloof: hier praalt de zuiv\'re Kerk,

Door dienst van Smytkgelï, in dit doorwrochte werk. Wie prijst dan niet dien man, die, door Gods Geest gedreven. Ons trouw gewaarschuwd heeft en regels voorgeschreven? Zoolang als waarheid klaar ten kand\'laar wordt gesteld, Zal dezes schrijvers naam met zegen zijn gemeld.

Geef heil, geef heil, o God! en wil ons meer versterken Om onze zaligheid ook hiernaar uit te werken;

Zoo zal dit Werk zijn vrucht bij elk en overal Nog doen, waarvoor uw Naam de lof toekomen zal.

H. D. W. T1EU1NGS.

-ocr page 15-

D E S

CHRISTENS EENTGE TROOST

IN LEVEN EN STERVEN.

C A T E C IT L S MU S-P R E DIK ATIE.

Over den I. Zondag. Vrag. 1. en 2.

Eerste Zondag.

1. Vbaag. WelJcc is uw eenige troost, heide in H leven en sterven\'?

Antwooed. Dat ik met lijf en ziel, beide in \'t leven en sterven,

niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met zijn dierbaar bloed, voor al mijn zonden volkomenlijk betaald, en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft; en alzoo bewaart, dat zonder den wil mijns Hemelschen Vaders, geen haar van mijn hoofd vallen kan; ja ook, dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door zijnen H. Geest des eeuwigen levens verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

2. Vbaag. Hoeveel stukken zijn u noodig te iveten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?

Antw. Drie stukken. Ten eerste: Hoe groot mijne zonden en ellenden zijn. Ten andere: Hoe ik van al mijne zonden en ellenden verlost worde. Ten derde: Hoe ik God voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn.

HET is opmerkelijk, wat wij lezen, Job 14:1, alwaar die man, die wel kennis van den mensch had, zegt: De mensch van eene vrouw geboren is kort van dagen en zat van onrust. Sedert dat er menschen geweest zijn, is dit in de meesten waarachtig geweest, dat ze niet lang geleefd hebben. In de eerste wereld bereikten de menschen wel een hoogen ouderdom; maar dat duurde nietET is opmerkelijk, wat wij lezen, Job 14:1, alwaar die man, die wel kennis van den mensch had, zegt: De mensch van eene vrouw geboren is kort van dagen en zat van onrust. Sedert dat er menschen geweest zijn, is dit in de meesten waarachtig geweest, dat ze niet lang geleefd hebben. In de eerste wereld bereikten de menschen wel een hoogen ouderdom; maar dat duurde niet

-ocr page 16-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

lang, dat ze lang leefden. In Mozes\' tijd was \'t al gekomen tot zeventig of tachtig jaren, naardat liet een sterk mensen lang maakte. De geneesheeren zeggen ons, dat als alle menschen dooreen gerekend worden, dezelve alsdan maar bereiken een jaar twee of drie, en ten hoogste vier. Zoo is dan een mensch niet alleen kort van dagen, maar ook zat van onrust, te weten, hij heeft zeer veel onrust. De allerbesten hebben dikwijls zooveel droefheid en zooveel onrust, als zij dragen kunnen. De een heeft zooveel onrust in zijn gemak, als hij dragen kan; en de ander heeft zooveel onrust in zijn moeiten, als hij dragen kan. Die het \'t allergemakkelijkst hebben, dat maakt hen vrij moeier, dan die het \'t allerongemakkelijkst hebben. Dat is zoo doorgaans de waarheid. De weelderigste is zat van onrust. De weelderigste heeft veel moeite en verdriet. De allerwellustigste weet niet, hoe hij den dag ten avond zal brengen. Een ander weet bijna niets van al die moeiten. Sommigen zijn gelijk een Jakob: die was geweest, dat hem des daags de hitte verteerde en des nachts de vorst; en dat zijn slaap van zijne oogen week. Gen. 31:40. /oodat elk mensch wel op zijn voorhoofd mag dragen hetgeen Jakob eens zei. Gen. 42; 38, Gij zoudt mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.

Gelijk dit eene waarheid is, die elk ondervindt, dat de mensch is kort van dagen en zat van onrust; zoo is dit ook eene waarheid, dat als een mensch in treurigheid is, hij dan uitziet naar troost. Hij wenscht getroost te worden; en dat is hem al zoo eigen, als dat het aan den levende eigen is, spijs en drank te begeeren, en als dat het aan het vuur eigen is, dat de sprankelen opwaarts vliegen. Waar zal nu de verkwikking voor eene treurige ziel in wezen? Het natuur-licht weet daar niets van: dat zal het u niet bekendmaken. Daar was eens een wijs man aan dat werk bezig om het uit te vinden. Wijzer is er geen geweest dan Salomo, die had het alles doorsnuffeld. Hij wilde eene sluitreden vinden, maar hij vond ze niet. Hij kon niet zeggen waar de verkwikking van \'t gemoed in gelegen was. Wilde God iemand gezondheid geven, zoodat iemand kon zeggen: ik ben de allerfrischte, was daarin de verkwikking van \'t gemoed gelegen? Ach neen! Schoonheid is ijdelheid, en bevalligheid is bedrog. Dan staat die bevalligheid evenals eene schoone bloem op een steel, doch wordt afgeplukt. Dan wil hij gaan zien, of de rust van \'t gemoed in eere, staten, ambten, of in \'t goed gelegen was. Maar dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes. Als iemand veel goed verkrijgt, zoo vermeerdert hij smart. Als iemand tot aanzien komt, zoo heeft hij ook veel kwelling; behalve dat wilde hij \'teens gaan zoeken in \'t wellustig leven; daar verkreeg hij zich huizen, hoven, boo-men, planten en vijvers. Hij werd het zoo moede, dat er zijn hart van afkeerde. Daar was \'t ook niet te vinden. Toen wilde hij zich gaan begeven tot wijsheid. Daar ging hij studeeren om verstand te verkrijgen. Maar daar was \'took niet: daar moest hij van zeggen: In veel wijsheid is veel verdriets, en die wetenschap vermeerdert, die

12

-ocr page 17-

OVER DEN 1 ZONDAG: Vrag. 1 en 2.

vermeerdert smart, Pred. 1 :18., en veel boeken te maken iw geen einde, en veel lezens is vermoeiing des vleesches, Pred. 12:12. Dan wilde hij het in de eere zoeken. Maar daar was het ook al niet; want als gij de eere naloopt, zoo loopt zij van u weg. Dan wilde hij het in \'t burgerlijk leven zoeken. Maar daar was \'tal mede niet; want de beste deugden zijn blinkende zonden. Wat is \'t dan, daar de rust des gemoeds in te vinden is? Ach Heere! daar staat het alles stil. Het is een onleesbaar geschrift, gelijk dat geschrift op de kalk aan den wand van \'t koninklijk paleis. Dan. 5:15. Dit is als een Sim-sons raadsel; dat kan de groote God maar alleen ontdekken. De natuur schiet er te kort in. In de Schrift en door \'t genadelicht leert men dat geschrift; en dat raadsel wordt ontdekt in dat kostelijk boekje, \'t geen wij nu wederom hebben te beginnen.

Wat een mensch voor verkwikking moet hebben, geliefden, daar hebben wij al een woord ter voorbereiding van gezegd, zoo in onze Inleiding, als in ons Gebed. De Heere doe met ons, zoo als het goed is in zijne oogen!

Wij hebben u dan in de eerste plaats te vertoonen een godsdienstig mensch, die den waren godsdienst in zijn hart en op zijne tong heeft. Daarna moeten wij u doen zien, hoe de onderwijzer eene vraag doet, en zegt: Man, gij zijt een zeldzaam schepsel in mijne oogen. Hoe komt gij toch zoo? Dan moeten wij zien hoe dat godvruchtig hart een snedig antwoord geett. Vervolgens staat ons te letten, dat hij zijn antwoord bekleedt met redenen. Eindelijk zullen wij zien, dat de onderwijzer zoo wel voldaan is, dat hij zegt: Man, ik wil den weg wel weten, waarop de andere hem den weg ook aanwijst.

1. Hebben wij hier te bezien een vroom mensch. Het is hier geen een mensch in \'t bizonder, maar het is \'t goheele geslacht van Gods volk in \'t algemeen.

2. Daar komt een opmerkend man, die zegt: gij zijt een zeldzaam mensch. Wat toch verkwikt u zoo?

3. Hij geeft een snedig en zedig antwoord.

4. Hij antwoordt niet los; maar hij bekleedt zijn antwoord met goede redenen.

5. De man is zoo wel tevreden, en zoo voldaan, dat hij zegt: Wijst mij toch den weg, om mede tot zulk een geluk te kunnen geraken.

Wat het eerste aangaat, een vroom mensch is een mensch van godsdienst. Meent gij, dat een vrome zonder godsdienst is? Wat is dat zijn godsdienst? Dat is zijne manier van leven omtrent God. Het is een groote godsdienst, dien hij heeft: deze is als uit den hemel gevallen. Zij schreeuwden eens Handel. 17:6, Dat de apostelen met hunnen godsdienst de wereld in roer hadden gesteld. Eu bizonder. Handel. 19:35, Dat er een beeld was uit den hemel gevallen, namelijk dat van de godin Diana te Efeze. Maar daar komt een kind van God, en zegt met den Heere Jezus, Matth. 11:25, ik heb mijn godsdienst van God: die heeft dien mij ontdekt. Ik dank u Vader, Heere

-ocr page 18-

GATE CHISMUS-PREDIK ATIE

des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor den wijzen en den verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Wij hebben een godsdienst met veel verborgenheden. Zij is als eene rivier, waar een olifant in kan verdrinken, en een lammetje kan er door wandelen, naar de taal van Augustinns. Gij hebt er de allerverhevenste en majestueuste stukken in, en tegelijk ook de allereenvoudigste. Daar is voor de kindertjes melk in, en voor de mannen vaste spijze. Daar zijn in dat Woord verborgenheden, waar de engelen, noch de duivelen niet bij kunnen. Wijsheid in verborgenheid bestaande, \'t Is een godsdienst, als men er van spreekt, waar de wereld door in roer raakt. Hand. 17:6. Dan wordt men als een spot, men zou wel zeggen: weg van de aarde met uwen godsdienst! \'tls eene secte, die overal tegengesproken wordt. Als een mensch naar den hemel wil, dan geraakt de duivel en de wereld op de been. Behalve dat, zoo zijn er wonderspreuken in, die de natuur voor dwaasheid rekent. Men is tegelijk een arm christen en een koning, een bestredene en vol vrede, een gehate en een beminde, een arme en een rijke, een dienstbare en een vrije. Daar staat Matth. 16:25, In de wereld zult gij uw leven verliezen, en dan zult gij hetzelve vinden. Ik heb een godsdienst, kan een kind Gods zeggen, die God het meeste verhoogt, en den zondaar het allerdiepste vernedert, den verlegen zondaar \'t bondigste vertroost, en den getroosten zondaar tot de allerinnigste godsvrucht aanzet. Bekijkt nu eens al de godsdiensten in de geheele wereld, gij zult bevinden, dat ze daar gebrek aan hebben. Ik heb een godsdienst, die redelijk is; zij maakt de rede wel geen meester, maar zij geeft ook aan de rede plaats. Zij is niet tegen de rede. Ik mag wel lijden, zegt zij, dat er een verstandig oordeel over mij gaat, een geestelijk verstandig oordeel. Wij hebben een godsdienst, die zeer verkwikkend en vertroostend is. Gij kunt er troost uit zuigen. Een mensch van eene vrouw geboren, die kan hier uit zulk eene verlichting en verkwikking hebben, \'t Is een godsdienst, die waardig is, recht gekend, zeker geloofd, en juist beoefend te worden. Ik zie \'t wel, zegt de man, gij zijt een paarl van een mensch: gij zijt een paarl in \'t goud. De rechtvaardige is hier overtreffelijker dan zijn naaste. Spreuk. 12:2(5. Daarop komt de onderwijzer als een man, die de geheele wereld door gereisd had, of die in de kaart het alles gezien had. Wat was hem toch al ontmoet? Daar ontmoette hij eenen Joodschen, eenen Heidenschen, en eenen Mohammedaanschen godsdienst. Ik ontmoet, zegt hij, den dwaalchristen, een deelzottenen gekken; een deel ruigt, die zeggen; daar is geen God, Ps. 14:1, en dan zag ik ook de Christenen. Ik zag eene secte der .loden, of dergenen, die Joden heeteu. Dat was het oude volk Gods, daar God zelf van zeide, dat ze veel voorrechten hadden boven andere volkeren, Rom. 3:2. God zeide, dat Hij met dat volk was, en hun God was. Ik zag, dat in hunnen godsdienst wel wat goddelijks was; maar het gros wierp het wezenlijke weg, en hield zich op met een deel uitwendigheden, schaduwen en offeranden, en daarin verloren zij zich-

-ocr page 19-

OVER DEN T. ZONDAG. Vkao. 1 on 2.

zeiven. Ik begon te zien, dat God dit van hunne handen niet geëischt had. Zij konden daarmede niet voor Hem bestaan. Dau waren er eenigen onder do Heidenen, die dienden den onbekenden God, Hand. 17 :23. Die wisten niet, dat de Godheid geen goud of zilver was. Hun God was geringer dan zij zei ven. De knielder was beter dan degene, waarvoor geknield werd. Toen zag ik ook onder de Mohammedanen. Hoe vondt gij die? man! Daar hadt gij een deel, die alles te zamen lapten, die wat van de Joden, wat van de Ariaansche Christenen, en wat van de Heidenen ontleenden, en uit dat alles een samenstelsel van godsdienst opmaakten. Dit nu was alzoo zot. Dat waren menschen, die zeiden, dat er op zulk een godsdienst een eeuwig aardsch paradijs zoude zijn; zij verleidden zichzelven.

Toen kwam ik onder de dwaalchristenen, onder de Papisten, Socinianen, Remonstranten, Mennisten en meer anderen. Hoe vondt gij \'t daar? Daar vond ik er, die de Drieëenheid loochenden. Ik zag er, die de krachten van den vrijen wil verheffen boven God. Ik zag er, die in hunne eigene gerechtigheid zochten behouden te worden. Ik zag er, die loochenden de leer van de bizondere genade; zij leerden eene algemeene genade, dat men kan zalig worden in alle godsdiensten, al was het leven nog zoo slecht. Dan vond ik er, die een deel gekken waren onder de Christenen. Deze waren de godloochenende zotten, die waren dwaze zotten, Ps. 14:1, en 4. Die moesten al het licht eerst uitblusschen, gelijk een deel moordenaars. Zij blazen de lampen en de_ kaarsen uit. Dan vond ik den waren Christen. Maar ik kan van u niet af! Waarom niet? Dat zal ik u zeggen. Ik heb gezien, dat gij van nature niet beter waart, dan do anderen: gij waart zoo dood, zoo blind als al de anderen, maar ik zag er bij, dat gij zooveel voorspoed niet hadt als de anderen. Zij leven in \'t vette, en gij in do armoede. Gij mocht wel terecht zeggen: Ach God! ik heb dikwijls geen kleedje om aan te doen, ik ga in armoede daarheen. Ik zag ook dat de Joden, do Heidenen, de Mohammedanen, en de duivel tegen u waren; en het scheen mij toe, alsof God zelf ook togen u was: uwe straffingen waren er allen morgen, Ps. 73:14. Derhalve, man, waart gij wonderlijk in mijne oogon; en in al uwen tegenspoed stond ik daar eens aan uwe gevangenhuizen, ik zag u eens in banden; ik stond aan uwe schavotten. Maar in uwe gevangenhuizen zongt gij, als nil gegoeseld werdt, waart gij blijde, dat gij waardig waart geacht, om don naam van Christus smaadhoid te lijden. Werdt gij aan eenon staak verbrand, gij kustot, gij omhelsdot don staak van blijdschap. Moest gij op eenen rooster gelegd worden over glooiende kolen, gij zeidot tegen uwe pijnigors: ik bon al half gaar gebraden, keert mij om, ik gevoel geen smart. Ik kan daar niet bij, man, of ik moet u eens vragen, wat voor troost gij geniet in uwe smart: gij waart evenwel getroost; wat hebt gij dan, om op te leven en te sterven? Wat schiet er over; ik wenschte, dat gij \'tmij eens zoidet ? En gij moet mij ook niet in \'t algemeen antwoorden. Delila zei eens tegen Simson: Verklaar mij toch waarin uwe groote kracht zij. Richt. 1(5:6.

IB

-ocr page 20-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Zoo ook, man, verklaar het mij toch, waarin mv groote troost /ij. Gij moet niet zeggen: Ik ben de hel waardig, God zij gedankt, dat ik er nog niet in ben. Gij moet niet maar zeggen: ik zou God rechtvaardigen moeten, zoo Hij mij kastijdde; de kastijdingen zijn geen oorzaak van vreugden, en gij zijt evenwel getroost. Salomo zeide eens Spreuk. 30; 18, 19, dat hem drie dingen te wonderlijk waren, namelijk de weg van eene slang op eene rots; daar kan ik mijn leven, zegt hij, niet achter komen. Dan was hem nog mede wonderlijk de weg van een schip in \'t hart van de zee; en dan de weg van een arend in den hemel. De onderwijzer komt bij dezen man, en zegt; ik vond u getroost op het ziekbed en in den dood; gij zijt een wonderlijk schepsel! Ik hoor n, al zijt gij op een schavot. Moet gij sterven, dan is \'t: Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk! Openb. 22:20, en: Op uwe zaligheid wacht ik, Heere! Gen. 49:18, en: Ik heb eene begeerte om ontbonden te zijn, Fil. 1:23. Wat is het dan toch, dat u zoo getroost doet zijn? Dat is de vraag. Daarop komt do Christen, en hij zegt: Ik zal u een eenvoudig antwoord geven. Ik kan \'tvoor u niet verbergen wat de verkwikking van mij is. Wilt gij het weten? twee dingen zal ik er u op antwoorden. Het eerste is: Dat ik mijns-zelfs niet ben; het andere, dat ik het eigendom ben van den Heere Jezus Christus. Het eene, ik ben mijnszelfs niet, dat is een vreemd woord; is daar troost in, dat men zijnszelfs niet is? Ik meende, dat het verkwikkelijk was, dat iemand kon zeggen: Wij zijn heeren, wij zullen spreken en leven naar onzen lust, Jer. 2:31. Is dan daar verkwikking in, dat men zijnszelfs niet is ? De vijanden van mij en van God, die zijn hunszelfs. Daar is geen heerlijker toestand dan zijnszelfs te zijn, 1 Cor. 6:19. Gij zijt dan uwszelfs niet. Is er wel een ongelukkiger mensch als een blind mensch, als die zoo zijnszelfs is, dat er niemand het opzicht over hem heeft? Is een schip niet ongelukkig, dat aan de winden en baren overgegeven is; en is het huis niet ongelukkig, dat aan de vlammen wordt overgegeven: en is \'t ook zoo niet gelegen met eenen akker, daar niemand zich mede bemoeit, die men maar laat groeien: die wordt als de akker des luiaards, waarvan wij lezen, Spreuk. 24:30. Is een eerstgeboren kind niet ongelukkig, als er de vader en moeder de hand van aftrekken? Is een ondeugend kind niet ongelukkig, dat de ouders er de hand van aftrekken? Dit is dan mijn troost, zegt de Christen, ik ben mijnszelfs niet, mijn eerste man is gestorven, dat eigen ik is gedood; mijn verstand was toen een snoode verleider, een wijze bedrieger; mijne genegenheden waren de verraders van mijn hart. Toen ik mijnszelfs was, was al dat wellustig leven als zoovele slangen, die mij verleidden. Derhalve, man, verstaat gij \'t, of verstaat gij \'t niet, dit is mijne verkwikking, dat ik mijnszelfs niet ben. Daarop geeft hij nog eene reden, zeggende: Ik ben Christus eigen.

Is dit tot troost iemand te dienen? De apostel zegt nochtans: Is iemand dienstbaar en kan hij vrij worden, het is beter, 1 Cor. 7:21. Ja: zoo is \'t. Maar als ik Jezus Christus eigen ben, dan ben ik vrij.

16

-ocr page 21-

OVER DEN I. ZONDAG. Vrao. 1, en 2.

zijn dienst is rechte vrijheid. Als ik Jezus dien, dat doe ik met het grootste genoegen. Derhalve de grootste vrijheid is Hem dienstbaar te wezen. Welk eene verkwikking is dat voor kinderen, dat ze het eigendom hunner ouders zijn! Welk eene verkwikking is dat voor eene vrouw, dat zij het eigendom baars mans is! Welk eene verkwikking is \'t voor een onderdaan, dat hij het eigendom van zijn Koning is! en. welk eene verkwikking is het voor een knecht, dat hrj het eigendom van zijn Heer is! Hoe zijn zij nu het eigendom van den ileere Jezus Christus ? Zij zijn er toe verkoren van den Vader, gegeven aan den Zoon, gekocht met zijn bloed. Hij trok mij door zijnen Geest; Hij riep mij, en ik werd Zijne; ik zeide\'; Zie, hier ben ik:\'ik geef mij aan U over om eeuwiglijk uw knecht te zijn. Zijns zelfs eigenquot; te zijn, is de staat van den verloren zoon, en de gestalte van de gemeente te Laödicea! Ach, dat gij koud of dat gij heet waart! maar omdat gij lauw zijt en noch kond, noch heet, zal Ik u uit mijnen mond spuwen. Gij zegt, dat gij zijt rijk en verrijkt; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt, en \'alle ding gebrek \'hebt. Openb. 3:15, 16, 17. Maar Christus eigen te zijn, is de staat, waar gij van leest. Kom 14:8, Hetzij dat wi] leven, wij leven den Heere, hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dan dat wij sterven, wi] zijn des Heeren. De\'Heere Jezus Christus te Bethlehem geboren, heeft in zijnen bornput alle wateren van genade. Hij is de wensch der Heidenen, de troost der ziele. Daarop vraagt de Onderwijzer: hebt gij redenen om zoo getroost te zijn? Ja, zegt hij, ik heb redenen. Dat is ons derde stuk. Daarop gaat \'een oprechte vrome zijn antwoord bekleeden met schoone redenen, waarom hij zoo getroost is.

Do eerste reden is: Als ik mijzelven verlies, en het eigendom van Christus ben, dan ben ik het eigendom van eenen getrouwen Zaligmaker.

_ De tweede reden is: Dan ben ik het eigendom van eenen Christus, die de gezalfde Gods is, Ps. 2:2.

Ten derde. Hij heeft mij met lijf en ziel gekocht, en voor al mijne groote zonden volkomenlijk betaald.

Ten vierde. Hij heeft mij verlost uit alle geweld des duivels van onder de slavernij en tirannie des satans.

Ten vijfde. Hij bewaart mij in zijne kracht, dat ik dien tiran niet meer behoef te ontzien.

Ten zesde. Hij schikt het zoo, dat alles mij moet medewerken ten goede. JSlog eens,

Ten zevende. Hij verzekert mij des eeuwigen levens.

Ten achtste. Hij maakt mij door zijnen Geest van harte willig en bereid, om voor Hem te leven. Geliefden, die acht stukjes zijn de moeite wel waard, dat als gij thuis komt, gij ze dan eens iii uwe handen neemt, en ze eens bekijkt.

1. Ben ik Jezus1 eigendom? Wel! dan heb ik een Zaligmaker, wiens naam is Jezus, die zal zijn volk zalig maken van al hunne

17

-ocr page 22-

18 CATECHISMUS-PREDIKATIE

zonden, Matth. 1:21. Wat baat gunst der wereld en rijkdom, als ik dat niet had; en wat schaadt armoede en verachting? t^ hen kan mii geen deel aan dezen Zaligmaker geven, en \'tander kan tmi] met ontnemen. Mijn eeuwig heil is in God. Of ik dan arm ben; en ot ik op een schavot sterf, dat geeft, noch neemt aan de zaligheid met. Miine zaligheid is in den Heere Jezus opgesloten. Zou ik dan op een schavot niet eens kunnen zingen, daar ik zulk eenen getrouwen Zaligmaker heb, die zegt: mijn kind, mijn lam, vrees met, als gi) in \'t vuur en in \'t water zult gaan. Ik zal u niet verlaten; maar ik zal bij u zijn? Dezenzelfden nacht, zeide Paulus, heeft de Heere Jezus in de gevangenis bij mij gestaan, en Hij zeide: Heb goeden moed, Paulus, gelijk gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, zult gi] ook te Rome getuigen. Hand. 23:11 en 27 :23. tgt; lt;• . ,

2. Het is een Christus. Ach God! Hij is een 1 rofeet, een Priester en een Koning; Hij is de gezalfde Gods; de Borg, de Losser. Hij is van den Vader beloofd en in deze wereld gezonden. Hij is een Leer-aar die zijns gelijken niet heeft. Hij zendt al de leeraars; Hii begaaft ze. Hij is ook een Priester. Hij heeft zijn lichaam opgeofferd op het hout, 1 Petr. 2:24. Wat is Hij een krachtig voorbidder! Kom. 8:34. Hoe\'zegent Hij zijn volk! Hijquot;is ook een Koning. Zijne regeering is zoo klemmend\'; zoo zacht, zoo redelijk. Hij beschermt zoo krachtig. Hij is zulk een almachtig Koning. Dat is mijn Jezus, myn Christus, wiens eigendom ik geworden ben door genade, door \'t geloof, door de verzekering des Geestes, door geestelijke ondervindingen.

3. Dat is nog niet genoeg, daar is nog een derde reden, te weten: Hij heeft mij met lijf en ziel gekocht met zijn dierbaar bloed; voor al mijne zonden volkomenlijk betaald, 1 Petr. 1:18, 19. Hij heeft ons gekocht, niet met zilver of goud, maar met zipi dierbaar bloed. Wat al zonden had ik! Ik was zoowel slecht als de lurken en de Heidenen. Ik had zooveel zonden, dat ze de haren van mijn hoofd te boven gingen. Ik was enkel dwaasheid; die nam God de \\ adei van mij weg, en Hij legde ze op den Heere Jezus; die heeft ook mime zonden in zijn lichaam gedragen op het hout. Hij werd een Zondoffer, en dat voor de zonden; en God vergaf ze mip Hu rooieerde ze, Hij dempte ze, en dat voor lijf en ziel. Hoe duur ben ik gekocht! Zou ik Hem dan niet verheerlijken met lichaam en geest? 1 Oor. 6:20. Wel maar! man, ik zag u bij den duivel. Uat is de

vierde reden. , , j

4. Ik zag u bij den duivel, in \'t huis van dien sterk gewapende; gij diendet hem zoo naar zijnen wil! Ja, dat is waar, hij had zulk een kracht op mij, dat ik wel meerder dan mijn gezelschap gezondigd heb. Wel hoé geraaktet gij er uit? Daar kwam de Heere Jezus, die mij gekocht had, aan dat gevangen huis, en Hij zei: komt uit het hiiis van dien sterk gewapende. Daar werd ik overtuigd, ik werd bekeerd. Ik kwam met Hem in een verbond, en zoo kwam ik uit het gevangenhuis. Ik ging er uit, gelijk als Israël uit Egypte, zij werden er uitgeleid. Ik werd uit zijn geweld verlost: hi]

-ocr page 23-

OVER DEN I. ZONDAG. Viuo. 1, en 2.

kon mij niet langer houden. Wilt gij nog een reden zien? Dat is de

5. Vijfde reden. Acli! Ik word bewaard in de kracht van mijnen Verlosser. Ik kan niet afvallen. Ik heb een almachtig God, een Losser, die mij bewaart; en dat zoo nauw, dat er niet een haar van mijn hoofd afvallen kan zonder den wil van mijn hemelschen Vader, Matth. 10:29, 30. Hoe schriftuurlijk is het alles! Hij bewaart zoo nauwkeurig een mensch. Die van den Turk genomen wordt, en vandaag uit het gevangenhuis verlost wordt, kort daarna kan hij er al wederom inkomen; maar een Christen niet. Als die er uit is, komt hij er niet weder in. Ja maar! gij zijt zoo bebloed: elk rukt en plukt u. Hoe gaat dat dan? Dat moest mij medewerken ten goede. Word ik geslagen? \'t Zijn de kastijdingen van eenen Vader, \'t is de wil Gods, dat ik lijd. Het moet mij alles medewerken ton goede. Gij hadt het ten kwade gedacht, zei Jozef, maar God heeft het ten goede gedacht. Gen. 50:20. Alle dingen moeten dengenen, die God liefhebben, medewerken ten goede. Kom. 8:28. De korte en lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid, 2 Cor. 4:17.

6. Zij moeten God altemet danken, dat ze in velerlei verzoeking geleid worden. Dat is de zesde reden van den waren Christen.

7. Dan geeft hij nog een zevende reden, en dat is, dat hij in al zgn kommer door de genade Gods verzegeld wordt. Dan komt God en zegt: gij zit zoo eenzaam Elia! hoe zit gij zoo met uw hoofd tusschen uwe voeten en dubt? Laat ik u eens verkwikken. In \'t suizen van eene zachte stilte kwam God, en Hij verkwikte hem, 1 Kon. 19:12. Daar vervult hij hunne mond met vreugde; zoodat ze wel zouden zingen en schreeuwen van blijdschap; en hij verheugt ze met onuitsprekelijke vreugde, en leidt ze in de binnenkameren, Hoogl. 1:4 en 2:4, en de liefde is zijne banier over hen.

8. Eindelijk en ten laatste, maakt God ze hartelijk bereid om voor Hem te leven. Meent gij dat het gedwongen spel is? Ach! neen. Mijne vriendin, zegt de Heere Jezus, gij zijt als de paarden in de wagens van Farao, eer ik het wist, zette mij mijne ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk, Hoogl. 1 :9 en 6:12. Zij steken hunne voeten in de schoenen van de bereidwilligheid des Évangelies, Ef. 6:15. Het is alles zoo hartelijk! Zij zijn geen geveinsden. Zij liegen van hen, die zeggen, dat ze geveinsd\' zijn; zij doen alles van harte. De geest maakt hen van harte willig en bereid. Ach! zeggen zij, ik zou wel door vuurvlammen gaan achter mijnen Heere!

Wat zegt gij nu van des Christens antwoord? Wij zeggen dit: dat deze vraag niet kan beantwoord worden, dan van een waar Christen, en van niemand anders. Of gij de vraag al duizendmaal opzegt, dat helpt niet, gij moet ze ondervinden. Wat doet nu de Onderwijzer? Nu ben ik zoo voldaan. Gij hebt mij tevredenheid gegeven, zegt hij. Ik heb er niet één woord tegen; zoudt gij mij ook wel daarheen willen brengen? Daar komt clan de Christen, en die zegt: ach! ia. Wilt gij mede dien weg inslaan? God eischt hier niet als eertijds van

19

-ocr page 24-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Abraham, Gen. 22:2, Offer mij Izak uwen eenigen zoon, dien gij lief hebt; Hij zegt niet, dat gij uzelven met messen snijden zoudt; Hij zegt niet, offer mij duizend varren of duizend rammen: maar God komt, en eischt wat anders. ... „ „ ,

Wat wil Hij dan zeggen? Er zijn drie wegen, langs welke (iod elkeen tot dien troost brengt; als die niet ingeslagen worden, zult gi] er nooit toe komen; maar die ze inslaat, wil Hij zeggen, daar ligt

de belofte voor. . /1 t j

De eerste weg is; dat. ik ken. hoe ellendig ik ben bi] bod en de menschen. Zulk een gezicht te hebben van mijn verloren staat der natuur, maakt, dat men moet zeggen: Gij doode! Gij zijt een harde, een goddelooze. Zijt gij nog rijk in uwe oogen, zoo gaat gi] naar de hel, in plaats van naar den hemel. Wat nu gedaan? 0 God! ik heb zoo geleefd, zoo goddeloos, en daarin nu al zooveel jaren doorgebracht, totdat God mijn hart week en verslagen wilde maken. Daar stond ik toen als diequot; drie duizend verslagene zielen, Hand. 2:37. Ik stond als de tollenaar, en als de stokbewaarder, met tranen in de oogen, en met het zwaard in zijne hand. Ach Heere! wat een scharlaken roode ziel heb ik! Ach-! hoe heb ik mij vervloekt gemaakt! Wat zal ik n doen, 0 menschenhoeder! Job 7:20. Zoo gij dat niet zoo zeggen kunt, zoo kunt gij niet tot dien troost komen. Dat is zoo de wijze, op welke men leert kennen, hoe groot de zonden en ellenden zijn. ..

De tweede weg is: Dat men niet alleen zijne ellenden moet kennen ; maar men moet ook kennen, hoe men van al zijne zonden en ellenden verlost zal worden. Ik wil niet, dat gij wanhoopt, en met een Kaïn en Judas heenloopt, en met een Adam gaat schrikken en 11 verbergen. Ik wil u tot het gezicht van uwe ellenden niet brengen, om u te overstelpen; maar gij moet tot het gezicht van uwe verlossing overgaan; is er eenig middel om de strafte ontgaan, en wederom totquot;genade te komen? Is er geen balsem in Gilead, is er geen heelmeester meer aldaar? Jer. 8:22. God woont wel in \'t hooge en m \'t verhevene, maar Hij woont ook bij de verslagenen van harte, Jes. 57:15. Er is een Zaligmaker, in welken Hij \'t kan doen. Dat gij nu zoudt denken, het zal er niet op aankomen, hoe ik leef. Ach! ja. Het zal er gewis op aankomen; want:

Ten derde. Dan moet gij voor den Heere teeder gaan leven; het komt er wel op aan. Uit de vruchten moet gij nu den boom gaan kennen, en gij moet gaan zien, of uwe overtuigingen, en of uw geloof goed zijn. Zijt gij een kwade boom, dan zult gij geen goede vruchten voortbrengen;\' maar zijt gij een goede boom geworden, alsdan zult gij ook gaarne uitroepen: Wat zal ik nu den Heere vergelden voor al zijne weldaden, Ps. 116:12. Daar hebt gij onzen eersten Zondag en onze vijf Stukjes opengelegd. .

Wat is onze godsdienst een heerlijke godsdienst^ Wat is hij nuttig boven alle godsdiensten! Boven den Joodschen, Heidenschen, Moham-medaanschen. De waarachtige Christen heeft het merg genomen uit

20

-ocr page 25-

OVER DEN I. ZONDAG. Vbag. 1, on 2.

den Joodschen godsdienst, en heeft ze laten behouden een deel oude en verouderde schaduwen en plechtigheden. Deze godsdienst is verheven boven den top der bergen. Zij is verheven boven den Heiden-schen, dewelke vele goden diende, \'t Is de eenige waarachtige godsdienst. Daar ligt de waarheid.

Maar die nu die heerlijke dingen belijden, laten het dikwijls slecht in-de oefening liggen. Graat uwe oefening niet tegen uwe belijdenis ?

Eerst. Hoe menigen zitten hier, die hunnen godsdienst niet kennen, zij kennen geen ellende. Als ze maar wel te eten en te drinken hebben, dan is \'t wel. Zij kennen geen smart over zonden. Zij zullen zoo in \'t algemeen wel eens zeggen: de wereld is onvolmaakt; wat al treurigheid is er op de wereld; of iets dergelijks; doch \'t gaat hen niet ter harte.

Ten tweede. Anderen trekken hunnen godsdienst in, zij worden ketters. Die arme ketters! Zij weten, dat men in \'t natuurlijke niets op het onzekere doet, en dat men middelen gebruikt; of doet men iets op het onzekere, dat het dan gevaarlijk is; en zou men dan in de Schriftuur de middelen verachten? Hoe menigeen is er in zijne droefheid getroost naar \'t Woord! Maar wilt gij alles doen, wat uw hart lust, dan hebt gij geen troost te wachten. Anderen zijn getroost in de wereldsche dingen, als ze die maar hebben; ais ze maar goud en zilver hebben. Als ik dat heb, zeggen ze, dan is \'t wel. Een ambt of een betrekking, smal of breed, daarmede zijn zij tevreden, en gerust op hunnen droesem. Anders is hun de spijze niet zoet, noch de slaap liefelijk, al is \'t dat een ongemakje, een pijn in een kies of tand, al dat zoete kan bitter maken. Anderen troosten zichzelven met de eeuwigheid en den dood ver uit hun gedachten te zetten; al is het, dat het den inensch gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeel, Hebr. 9:27. Anderen rekenen hunnen troost in den dienst dei-zonden, in aardsche winst, vermaak, gemak. Anderen rekenen hunnen troost in \'t spotten met Gods kinderen, die zeggen: \'fc is maar een deel sufferij de zekerheid van Gods kinderen. Onze troost is bij den Heere: wij hebben die eerste vraag van buiten geleerd, dat is onze troost. Hoe wij leven, niemand zal onzen troost van ons wegnemen. Zoo! doet zoo. Troost u zoo met zulke valsche gronden. Waagt gij \'t zoo naar de eeuwigheid?

1. Weet gij wel, dat als gij zult gaan sterven, het u dan alles ontvallen zal? Zegt gij: wat moet het dan voor een troost wezen? Hebt gij in uw leven uw ongeluk wel gezien in uws zelfs eigen te zijn? Hebt gij dat voor uwen deerlijken toestand wel ooit gerekend?

2. Hebt gij uw leven wel gezucht tot God in eenzame, doch aan u en God bekende plaatsen? Hebt gij aldaar God wel met tranen van berouw gebeden, gesmeekt en aangeloopen, dat gij toch uw zeiven niet meer mocht wezen, dat nw vleesch en bloed toch zoo niet tegen Gods wil mocht doen? Hebt gij daarover getreurd, eu waart gij dikwijls daarover lang in het gebed?

21

-ocr page 26-

22 CATECHISMÜS-PREDIKATIE

3 Wegen de zonden, die gij begingt, u wel op \'t hart? Was uw hart er wel over belast; waart gij er beschaamd en verlegen over? Deden ze u smart aan ? Wilt gij ze wel weten ? , , , ,

4. Naamt gij dan zoo uwen toevlucht en vertrouwen wel tot den

Zaligmaker? Kreeg die al uwe achting?

5 Voeldet gij, dat gij uit het geweld des duivels verlost weidt? Waren de zonden uwe vijanden, of liet gij uwe ooren doorboren aan \'t huis des duivels; en was de zonde u een lekkere bete.

6. Vermijdet gij wel ooit de gelegenheid, die aanleiding kon geven

t07 7Werdtngij altemet eens verkwikt; kreegt gij altemet eens een straaltje van üods liefde, van den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat? Voeldet gij wel ooit, dat uw hart gewillig en bereid ceinaakt werd om voor den Heere te leven? Was zijn dienst u het liefste van alles dat er was? Zoo nu uw hart hierop moet zeggen: neen o\' schrikt dan! Waarvandaan zult gij dan troost halen? VVie zal ü dan troosten? Ach Heere! Dan moet gij.den wagen omkeeren, en zeggen: wat is uw eenige droefheid beide m leven en in sterven. Ach\' dan moet uw gemoed en geweten antwoorden; Dat ik met lyt en ziel beide in leven en in sterven mijns zelfs eigen ben. bu znt dan aan uw eigene verdorvenheid overgegeven. Ach lleere! dan hebt mi rreen Christus, geen Zaligmaker, Dan hebt gi] zoovele zonden, en li hebt geen rantsoen. Ach Heere! dan zilt gi] onder t geweld des duivels, die heerscht krachtig over n. Die heeft dan een heerschende en een kwellende macht over u, Ach\'. dan wordt gi] bewaard gelijk de duivel, tot het oordeel, om gestraft te worden, gelijk een schaap tot den dag van slachting; en alle dingen moeten u ten kwade dienen \'t Lezen, \'t bidden, de doop, \'t avondmaal, en al wat er is, dient u ten kwade. Ach Heere! Dan hebt gij in uw leven geen verzekering van uwe zaligheid te wachten. Gij zijt wel verzekerd, dat gij eeuwig-lijk in de hel zult liggen. Een waar vroom hart zal zeggen; Ja, ik ben ook niet verzekerd. Wel\', waarover rollen de tranen zoo dikwijls langs uw aangezicht? Wat zou u zoo welgemoed maken dan de verzekering\' als gij ze verkrijgen mocht? Gij zijt immers met meer onder de heerschappij des \'duivels? Gij kunt zoo los niet meer leven? Gij kunt het metquot; hem nooit meer eens worden? Moet gij er niet altemet nepen en vuistslagen om uitstaan? Neemt gi] wel met duizendmaal uwen toevlucht tot den lleere Jezus? Wil en anderen naar de hel? Gij niet. Zijn daarover niet uwe tranen en klachten, dat gn niet weet,\' of gij deel aan de vergeving der zonden hebt, dat God het u niet getuigt? Wel\', hebt gij nog geen verzekering, gn zi]t nog niet dood. Gij zucht en bidt er nog om. Het zou u zoo liet wezen! Gij betuigt iinmers. dat gij willig en bereid zijt, om voor Hem te leven en \'t met Hem te houden ? Moet gij met zeggen: God heeft dat in mij gewrocht, ik kreeg \'t anders niet. Ik was te voren zoo niet. Ik wilde te voren voor den Heere met leven? Wat werd er ai moeite aan u gedaan! Al was er een vader, eene moeder, of anderen

-ocr page 27-

OVER DEN I. ZONDAG. Vbag. 1 en 2.

23

die over u gesteld waren, die zeiden: Bidt, leest; gij wildet niet lee-ren, gij wildet niet bidden, gij wildet niet lezen. Nu, moet gij zeggen, ben ik anders. Hebt gij \'t niet al dikwijls ondervonden, dat u alle dingen medegewrocbt hebben ten goede, zelfs uw kruis? En als gij God zoo achterna gegaan hebt, dat gij Hem er over danken moest, moet gij niet zeggen: \'t Is zoo verkwikkelijk in leven en sterven? Ik, ben zoo getroost, dat ik zulk een getrouwen Zaligmaker heb, die mij in geen nood verlaten zal; en die mij eindelijk eens bij Zich zal nemen, en in de eeuwige heerlijkheid brengen, tot zijne eer en mijne blijdschap ? Amen.

-ocr page 28-

CATECHISMUS-PRE DIK ATI E.

Over den 11. Zondag. Vrag. 8. 4. 5.

Tweede Zondag.

3. Vhaag. Waaruit leent gij mve ellendigheid?

Antwoord. Uit de wet Gods.

4. Vraag. Wat eischt de ivet Gods van ons?

Antwoord. Dat leert ons Christus in eene somma, Matth. 22 :37—40.

Gij ztdt liefhebben den Heere, uwen God, met geheel inv hart, en met geheel mve ziel, en met geheel uiv verstand. Dit is het eerste en het groote gebod. En het tiveede, dezen gélijlc, is: Gij zidt uwen naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de gansehe ivet en de profeten.

5. Vraag. Kunt gij dit al vollcomenlijlc houden?

An twoord. Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijnen naaste te haten.

WIJ lezen, Hos. 6:7, Zij hebben liet verbond overtreden als Adam. God de lleere had twee verbonden opgericht; het verbond der werken, daar llosea van spreekt, en het verbond der genade, daar gij veel van hoort in het Woord na den val. liet wordt genaamd het eeuwig verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is, 2 Sam. 23:5. Het verbond des vredes, dat vast is, dat niet wankelt, Jes. 54:10. Die twee verbonden komen in sommige zaken overeen; en in andere zaken verschillen ze. Zij komen in sommige zaken overeen. Waarin komen ze overeen? In de partijen, die zijn dezelfde: namelijk God en de mensch. Zij komen ook daarin overeen, dat zij hebben wetten en eischeu. Zij hebben beide beloften en dreigementen. Beloften, namelijk van geluk en eeuwig leven. Dreigementen, te weten, van eeuwig ongeluk en verloren te zullen gaan. Zij hebben ook beide sacramenten. Gelijk ze overeenkomen in sommige dingen, zoo verschillen ze ook wederom in andere; gelijk er eene overeenkomst is, zoo is er ook een onderscheid en verschil. Het verschil is haast te vinden. In \'t verbond der werken waren de partijen God en de mensch. God, dat volmaakte Wezen, en de mensch die volmaakt geschapen was. In \'t verbond der genade blijft God volmaakt; maar de mensch is zondig geworden, door den val. Het ver-IJ lezen, Hos. 6:7, Zij hebben liet verbond overtreden als Adam. God de lleere had twee verbonden opgericht; het verbond der werken, daar llosea van spreekt, en het verbond der genade, daar gij veel van hoort in het Woord na den val. liet wordt genaamd het eeuwig verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is, 2 Sam. 23:5. Het verbond des vredes, dat vast is, dat niet wankelt, Jes. 54:10. Die twee verbonden komen in sommige zaken overeen; en in andere zaken verschillen ze. Zij komen in sommige zaken overeen. Waarin komen ze overeen? In de partijen, die zijn dezelfde: namelijk God en de mensch. Zij komen ook daarin overeen, dat zij hebben wetten en eischeu. Zij hebben beide beloften en dreigementen. Beloften, namelijk van geluk en eeuwig leven. Dreigementen, te weten, van eeuwig ongeluk en verloren te zullen gaan. Zij hebben ook beide sacramenten. Gelijk ze overeenkomen in sommige dingen, zoo verschillen ze ook wederom in andere; gelijk er eene overeenkomst is, zoo is er ook een onderscheid en verschil. Het verschil is haast te vinden. In \'t verbond der werken waren de partijen God en de mensch. God, dat volmaakte Wezen, en de mensch die volmaakt geschapen was. In \'t verbond der genade blijft God volmaakt; maar de mensch is zondig geworden, door den val. Het ver-

-ocr page 29-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

bond der werken richtte God op met het hoofd van het gansche menschelijke geslacht. God maakte wel het verbond der genade in een Hoofd; niet in dat van \'t gansche menschelijke geslacht, maar alleen in het Hoofd van zijne uitverkorene kinderen. Het werkverbond had geen Middelaar, hot genadeverbond wel. Het werkverbond gaf leven op de werken van den bondeling, het genadeverbond op het werk van den Middelaar. Het werkverbond zegt; Doet dat, en gij zult leven. Het genadeverbond zegt: Gelooft, en gij zult zalig worden. Daar ziet gij nu die twee verbonden; gij ziet waarin dat ze overeenkomen, en waarin dat ze verschillen. Mag nu een Christen Avel naar de eeuwigheid gaan, terwijl hem dat onbekend zoude zijn? 0! elk moet zicli daarop uitleggen om dat te kennen. Hij kan niet zeggen, dat het hem niet ontdekt wordt. Zoo haast als een Christen \'s namiddags in de kerk komt, zoo wordt het hem bekendgemaakt. Wij moeten zeggen, dat de onderwijzer anders niet verhandelt als die twee verbonden. De menschen, die zeggen, dat er in den Catechismus te verhandelen gebrek is, aan \'t verhandelen van de verbonden, hebben de zaak niet wel begrepen. Die zeggen: de leer wordt wel verhandeld in den Catechismus; maar daar is gebrek aan \'t verhandelen van de verbonden; die dat zeggen, hebben er weinig bij neergezeten, of het werk bekeken. Wij moeten vrijmoedig zeggen: dat er anders niet in den Catechismus verhandeld wordt, dan de verbonden. Gij hebt er de oprichting van het eerste verbond, en ook met wien: de algemeenheid namelijk van het werkverbond, de breuk, de onmacht van den mensch, de straf, de wraak van het verbond; dat alles hebt gij in het eerste stuk van den Catechismus. De oprichting van het werkverbond, de breuk, de straf, daar komt de onmacht en alles in. In het tweede stuk hebt gij niet anders, dan eene verhandeling van het genadeverbond. Daar gaat de onderwijzer toonen de oprichting, de middelen, de bondelingen, de weldaden, de sacramenten en de verzekering daarvan. Daarop komt hij in het derde stuk, en hij gaat den heiligen wandel van de bondelingen verhandelen. Wij zijn nu in de verhandeling van het werkverbond, en dat doet de onderwijzer aldus. Opdat door de harde boodschap in haar hart geen moedeloosheid zoude komen, zoo geeft hij eerst eenen schoonen troost. De onderwijzer begint dan aldus, en hij vraagt: Welk is uw eenige troost, beide in leven en in sterven. Daarop begint dat schepseltje stil te staan, en zegt: is er zulk een troost te verkrijgen, dan mag ik niet moedeloos zijn. Daarop begint hij den allernaarsten toestand te beschrijven, en daar leidt hij ze in, en zet ze als van \'t hoofd tot de voeten in de hel, opdat ze bekommerd zouden worden, en uitroepen: is er een middel om uit dien naren toestand verlost te worden, en tot den eersten troost te komen, opdat ik onder Gods zegen eenen stap zoude kunnen doen in \'t verbond der genade, en zoo ten hemel gaan? Wij hebben dan tegenwoordig te bezien.

Eerst. De ellende van den mensch. Ten tweede. Het middel, waardoor God den mensch die ellende leert kennen. Ten derde. De

25

-ocr page 30-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

uiterste onmacht en krachteloosheid des menschen. Ten vierde. Dat God die methode gehouden heeft, van den val af, en die houden zal tot op het laatste oordeel toe, om den mensch door de kennis van zijne ellende tot troost te brengen.

1. Hebben wij te zien, wat een ellendig voorwerp een mensch is. Als wij dat bezien, moeten wij niet denken, dat zijn die menschen maar alleen, die in de verre indien wonen, de Barbaren; maar wij moeten aan ons zeiven denken.

2. Staat ons te bezien het middel, dat God daartoe gebruikt; en dat is de wet, die dient om een mensch tot dat gezicht te brengen; want onder de ellende is ook blindheid.

3. Staat ons te letten op de krachteloosheid om het te kunnen herstellen, schoon wij onze ellende zien.

4. Moeten wij wel opmerken, dat dit zoo is gegaan na den val, en dat dit zoo zal duren tot op het laatste oordeel toe.

Eerst. Hebben wij dan de ellende te bezien. Ellende, wat is dat? \'t Is een toestand, die treurig is; \'t is een toestand, die te kennen geeft dat iemand gevallen is in ongeluk: \'tis een toestand, die jammerlijk is. De ellende van den mensch bestaat in de zonde en in de straf van de zonde. Zoo haast als nu de mensch onder de zonde gekomen is, zoo was ook al meteen de bezoldiging der zonde de dood, Rom. G: 23. De zonde, maakt die den mensch zoo ellendig? Ja. \'tls zulk een ongeval. Ach Heere! zegt hij, hoe geraak ik er uit? Ik ellendig mensch! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Rom. 7:24. Openb. 3; 17, Gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Wat een ongeluk is de zonde! zij maakt u zot, zij doet u sterven. Daar gaat gij met eene doode ziel. Zij besmet u. Zij vervreemdt u van God; gij zijt van God afgevallen, gij wordt als in eenen steen veranderd. Uw hart verandert als in eenen keisteen. De engelen werden er duivelen door. Een apostel wordt een duivel door de zonde. Door de zonde moeten zelfs de duivelen sidderen, Jak. 2:19. Door de zonde zijn de grootste ongevallen over ons gekomen. Behalve dat, zoo komt\' er nog wat bij, dat ons zoo ellendig maakt; en dat is de straf. Wat zijn er al straffen door de zonde over den mensch gekomen! Daar ziet men altemet den hemel gemaakt als ijzer, en de aarde als koper, Levit. 26:19. En dat er geen rund in de stalling is, Hab. 3:17. Daar wordt de geheele wereld als een gasthuis van ellende. Elk schepsel zucht, Rom. 8:22. Wat doet een mensch zat zijn van onrust dan de zonde en de straf; wat doet hem den dood zoeken boven het leven; wat doet hem het leven moede worden; wat doet hem schreeuwen en kermen; is het niet de straf? Wat doet hem eindelijk de dood hot venster inkomen? Eu dat kunnen geen menschen weren, al was \'t een koning, daar al de lijfwachten rondom het bed staan: de dood wil niet wijken, hij klimt het bed op. Daar begint hij te trillen en te beven; zijne gedaante vervalt; het doodzweet breekt hem uit; de doodstranen komen voor den dag; de lippen krimpen op; hij geeft eenen snik; de ziel gaat uit

26

-ocr page 31-

OVER DEN II. ZONDAG. Vrag. 3, 4 on 5.

27

het lichaam; en zoo maakt hij oen einde van zijn leven. Wat doet hem nu in de hel zijne tanden knersen, zijne handen wringen, schreeuwen, stampen; is het niet de straf\'? Wat doet de mensch zeggen: Ik ben de man, die ellende gezien heeft. Ivlaagl. 3:1. Is er eene smart als deze mijne smart? Klaagl. I : 12. Is dat nu al het ongeval? Neen. Wat komt er dan nog bij? Dit: dat hij het niet weet. Openb. 3:17, Grij weet niet, dat gij zijt ellendig, enz. Dat komt er bij. (jij wilt het niet weten. Wat nog al? Was er iemand, die het u zeide, dat gij zoo ellendig waart, gij zoudt er tegen invliegen. Wat komt er nogal bij? Gij beeldt u in, dat het wel zal gaan; \'tZal zoo kwalijk niet af loepen, denkt gij. Wat nog? Gij zijt blijde en wel in uwen schik, dat gij zoo zijt. Gij zoudt er wel over van vreugde opspringen, dat gij zoo zijt. Wat verzwaart het ongeval nogal meer? Dit, dat gij onwaardig zijt eenige redding. Daar is niets in mij, of in u, dat God beweegt, om ons te redden; zal Hij het ons doen, zoo zal Hij zeggen: Ik doe het niet om uwentwil, o mensch! het zij u bekend. Wij liggen walgelijk in onzen bloede. Wij zijn maar het tegendeel waardig; den vloek en alle plagen, die in het Boek geschreven zijn. Wat nog ? Daar is niets onder de zon dat ons redden kan; wij zijn een bedorven schepsel; wij moeten het bij onszelven, en bij alle andere opgeven. Daar is geen uitkomst; of wij spreken, hooren of lezen, \'tkan alles niet helpen. Geloofden wij dat, o God, het zoude als een hamer zijn, om ons hart te morselen te slaan. Ja daar komt nog meer bij. Wij zijn slaven van den duivel; wij zijn het met hem eens; wij dienen hem getrouw, hardnekkig, onbeschroomd; wij wilden wel, dat er geen mensch in de wereld was, die vroom was; wij wilden wel, dat er geen predikant in de wereld was, die anders was, dan wij zijn. Dat is de ellende. Dewijl nu onder de ellende ook blindheid is, zoo zeide God: Ik zal ze u doen kennen; Ik heb er een middel toe; Ik zal ze voor uwe oogen brengen. De ellende te kennen, zeide de Heidenen, was eene zaak, die nuttig, moeielijk en noodzakelijk was. Zij schreven daarom op hunne tempelen, voor den in- en uitgaanden man: Ken u zei ven, omdat het zoo nuttig was. De koning Croesus, de goden raad vragende, langs welken weg hij zalig zou kunnen worden, kreeg tot antwoord: Ken u zei ven. Ook zeiden de Heidenen, dat het moeilijk was dit te kennen; dat de betrachting en oefening van die spreuk niet onder den mensch te vinden was. Ze was, zeiden ze, uit den hemel gevallen. Wisten nu de Heidenen bij het licht der natuur zoo te spreken, wat moesten wij Christenen dan doen? Het is zoo noodig het onderzoek onzes zelfs, of kent gij u zeiven niet ? 2 Cor. 13:5. \'t Is nuttig, o! daar zit zoo veel nut in: alleen kent uwe ongerechtigheid, der. 3:13. Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mij zeiven ben bekendgemaakt, zeide eens Efraïm, heb ik op de heup geklopt, Jer. 31 : 19. \'t Is moeielijk. Daarom bad Augustinus altijd in zijn gebed; geef dat Ik u en dat ik mij zeiven ken; dat was altijd een stuk van zijn gebed. Heere! geef cïat Ik u en mij zeiven ken. Nog eens.

-ocr page 32-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

De kennis van onszelven moet niet maar eene bespiegelende kennis zijn, of \'t een predikant of lidmaat is, waarop bij zich zou verheffen, eii er zijne wijsheid in stellen, met ze zoo net te beschrijven, maar bet moet eene toepassende en ondervindende kennis wezen. Waarom de onderwijzer ook aldus vraagt; waaruit kent gij uwe ellendigheid? Hij vraagt niet naar de ellende van de engelen, die gevallen zijn, dat ze daarop zouden speculeeren, wat hunne zonden en hun oordeel is, en welke de straffen zijn, die zij nog te wachten hebben; hij vraagt niet naar de ellende van degenen, die in hunne zonden gestorven zijn, en naar hunne plaats gegaan zijn in de gevangenis, 1 Petr. 3: 19, maar hij vraagt: welk is uwe ellende? uwe, met toepassing op hen zeiven. Ondervindt gij, dat gij zoo ellendig zijt? Wat verslagenheid hebt gij er over? Wat schaamte, droefheid en veroordeeling? Kent gij dat gedurig roepen om redding; kent gij die heilige wanhoop van uzelven, en van al wat buiten God is? Zegt gij: Heere! ik ga verloren, zoo Gij mij niet redt? Is dat zoo ondervinde-lijk en naar binnen gaande in u? Kent gij dat binnenwerk, dat daar zoo omgaat? Hoe komt gij er toe, tot zulk eene kennis? Door de wet Gods.

God heeft drieërlei wetten gegeven aan Israël: eene burgerlijke, eene kerkelijke, en eene zedelijke of eeuwigdurende wet. De burgerlijke wetten waren zulke, die golden in de burgerlijke regeering. Leerden ze daar hunne ellenden uit kennen? Ja. Had er iemand een doodgeslagen, of had een dief gestolen, zoo werd hij gestraft, omdat het verboden was zulks te doen in de samenleving. Daar zagen ze in, wat voor eene natuur zij zelf hadden; tot welke misdaden zij zouden kunnen vervallen, en welke straffen zij waardig waren. Konden zij door die kerkelijke wetten, de wetten der plechtigheden, hunne ellende leeren kennen! Ja. Daar zagen zij die duizende priesters; al die offeranden; al die schuld- en zonde-offeranden. Daar zagen zi] hunne zonden in. Daar zagen zij in de straf, die zij waardig waren, en dat ze alzoo waardig waren gestraft te worden, als die beesten geslacht werden. Zij zagen uit het voorbeeld, dat de Middelaar moest en zou gestraft worden. Dan was er nog de eeuwigdurende of zedelijke wet, waar geen jota, noch tittel van voorbij zal gaan. Hier zullen wij ons nu niet breed ophouden met die wetgeving in al hare omstandigheden te zien, want dan zouden wij te lang zijn. Alleenlijk zullen wij zien, bij welke gelegenheid zij die wet kregen. Daar gaat Israël uitquot;Egypte op het Paaschfeest. Op den vijftigsten dag daarna op het Pinksterfeest, daar zijn ze aan den berg Sinaï. Daar komt God en die geeft hen die wet, op een vreeselijke wijze, onder donderen en bliksemen. Alles beefde. Daar roept God Mozes tot Zich; die Mo-zes, met welken Hij als een vriend met een vriend verkeerde; gelijk als een mensch met zijnen naaste. Daar moest hij naderen in de wolk. Des mans hart beefde er over. Hij veranderde; hij was zeer bevreesd. Hij was zoo ontroerd, Hebr. 12:21. Dat kan ik niet dragen, zegt hij. God sterkte den man; God sprak met Mozes, en Mozes

28

-ocr page 33-

OVER DEN II. ZONDAG. Vrag. 3, 4 on 5.

met God. God sprak met een luide stem die wet, dat gansch Israël liet hoorde. Toen zeide God tot zijnen vriend: Gij zult hier vertoeven veertig dagen en veertig nachten. Zoo gaf God hem die wet in twee steenen tafelen, t Was Gods werk, en Gods schrift. Deze wet der tien Geboden wordt gedeeld in twee tafelen, te weten: in liefde Gods en liefde des naasten. Christus verdeelde ze zoo, Matth. 22:37—40, daar Hij gevraagd werd, welke het grootste gebod van de wet was. Zoo hébben ook al de profeten en de apostelen ze insgelijks verdeeld. Panlus, Ef. 6:2, heeft die verdeeling ook gevolgd als hij zei: Eert uwen vader en uwe moeder, \'twelk het eerste gebod is met eene belofte. Het is ook in de natuur der zaak gegrond, \'t Kan anders niet verdeeld worden. De eerste eischt liefde tot God; de andere liefde tot den naaste. Hebt gij het wel begrepen, wat de liefde Gods is? Hebt gij wel begrepen, wat de liefde tot de menschen is? Elk heeft zoo al een poppetje, waar hij zijne liefde op zet. Daar zult gij \'tuit kunnen kennen, wat de liefde tot God is. Dc liefde Gods wat is dat?

Ten eerste. Het is die wonderlijke hoogachting, die gij voor God hebt. Niets is u zooveel waard als God. Gij legt vader, moeder, zuster, broeder, ja uw eigen leven eens nevens God; maar God overtreft het alles. Een die God liefheeft, zegt:

Als ik dan U heb, o Heer mijn!

Zoud\' daar iets anders mijn God zijn?

Fs. 73:25, Wien heb ik nevens U in den hemel? nevens U lust mij niets op aarde!

Ten tweede, \'t Is de liefde eigen, tn schreien en te kermen naar het geliefde voorwerp, als ze het mist. Ik kan niet leven, zeg-gen ze. De ziel van zulk eenen, die God liefheeft, dorst naar God. Of ik hier al leef in de wereld, zegt zoo een, ik kan mijne begeerte met het wereldsche niet voldaan krijgen, als ik met mijn hart niet hooger zweef. Ach, mocht ik God hebben! Ps. G3:2.

Ten derde. Zij hebben geen meerder genoegen alsdan, wanneer ze eene hoop hebben, dat ze hun geliefd voorwerp eens genieten zullen. Dat vervroolijkt hun aangezicht. Ik heb genoeg aan ü, Heere! zeggen ze, als Gij mijn God zijt. Ik heb geen meerder genoegen als in ü, Heere! daarin is al mijn vermaak en mijn lust. Als ik U heb, dan lust mij niets meer.

Ten vierde. Het is de liefde eigen genoegen te geven aan dengene dien ze lieft, dien zoekt ze te behagen. Zoo is \'t ook gesteld met de liefde tot God. Een die God liefheeft, het is hen eigen, dat ze God genoegen zoeken te geven. Zij zoeken Hem te behagen, hetzij inwonende, hetzij uitwonende. Zij zoeken Hem welbehagelijk tezijn. 2Öor.5:9.

Ten vijfde. Het is de liefde eigen dikwijls te spreken van dengene dien men liefheeft. Kan men er niet bijkomen, men verlangt er naar. Zoo is \'t met de liefde tot God eveneens gelegen. Kan ze zichzelven niet voldoen, door er bij te komen, zij verlangt naar huis. Ziet gij ze wandelen, \'t is met de oogen naar boven. Zij denken al dikwijls:

29

-ocr page 34-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

daar quot;vvoont Hij, die mijne ziel lief heelt. Dat eischt God iu de eerste Tafel der wet: doet het niet uwe gansche ziel, met al uw krachten; met uw geheele verstand moet het geschieden. Ik moet, zegt God, uwe liefde geheel hebben, in de grootste ingespannenheid.

Wat is nu de liefde tot den naaste? Als men zijnen naaste eert en acht. Davids naam was zeer geacht, 1 Sam. 19:1. \'tMoet geschieden met eer de een den anderen voorgaande, Rora. 12:10, in liefde met elkander te verkeeren. Kaïn! hoe zijt gij zoo ontstoken, zeide God, tegen uwen broeder, zijne begeerte is toch tot u? Dat is, zijne liefde is voor u. Gen. 4:6, 7. Wat is de liefde tot den naaste? Droevig te zijn, als \'t hem kwalijk gaat, blijde te zijn, als \'t hem wel gaat; be-hulpzaam te zijn, als hij in ongelegenheid geraakt; gaarne vergeven, als hij ons iets misdaan heeft. De liefde doet den naaste geen kwaad, Hom. 13:10. Wij moeten onzen naaste liefhebben gelijk onszelven. Wat is dat te zeggen? Hoe heb ik mijzei ven lief? Gewillig, ongeveinsd, vurig, standvastig. Gewillig: men moet immers niemand dwingen om zich zei ven lief te hebben. Vurig; men behoeft niemand op te wekken, om zichzelven lief te hebben, daar is hij vurig genoeg toe. Elk heeft oprechte liefde tot zichzelven. Standvastig: ik heb mij zeiven zoolang lief als ik leef. Zoo moet de liefde tot onze naasten zijn. Met al die liefde, die wij onszelven toedragen, moeten wij hen liefhebben. De liefde tot God is nu bet eerste en het grootste gebod? Waarom is de liefde tot God bet eerste en het grootste gebod ? God moet altijd voorgaan, en den naaste moet volgen, en achteraan komen. Als God en den naaste in tegenstand komen, al was \'t dan uw eigen leven, zoo gaat God voor. Die is de hoogste, de grootste, de meeste.

Nu het tweede gebod is bet eerste gelijk. Waarin? Het is van denzelfden Wetgever, \'t Is van denzelfden inhoud, \'t Is liefde; doch welke moet wijken voor die van de eerste Tafel. Als gij nu den Bijbel zult lezen, zal dat daarop uitkomen; al de profeten, apostelen, evangelisten komen daarop uit. Dat is de inhoud van de wet in het werk- en in het genade-verbond; als u dat ontbreekt, dan zult gij nooit binnenkomen.

Uit die wet nu leerden ze hun ellende kennen. Dat zult gij zoo gemakkelijk in \'t eerst niet zien. Welk gebruik heeft die wet, hoe moet gij ze gebruiken, als gij er uwe ellende uit zult leeren kennen?

Eerst\'. Gelijk een spiegel moet gij ze gebruiken, als een ontdekker. Ten tweede.\' Als een beschuldiger. Ten derde. Als een bewijzer. Ten vierde. Als een overtuiger. Ten vijfde. Als een richter. Ten zesde. Als een, die alles in alarm brengt. Let eens op.

Eerst. Dit gebruik heeft de wet, om een mensch tot kennis van ellende te brengen. Ziet gij wel, zegt ze, dat gij zoo ellendig zijt? Ziet gij de vlekken wel? Wat gelijkt gij naar de liefde tot God en den naaste? Kent gij uw gebrek daar wel in? Gij kunt in mij uwe aangeborene vlekken zoowel zien, als in een spiegel de vlekken des aangezichts, Jak. 1:23. Hom. 7:7, Ik ken de zonde niet dan door

30

-ocr page 35-

OVER DEN II. ZONDAG. Vkag, 3, 4 en 5.

de wet, want ook had ik niet geweten de begeerlijkheid zonde te zijn, indien de wet niet zeide: (iij znlt niet begeeren. Hom. 3:20, Want door de wet is de kennis der zonde. Ach Heere! toen ik mij er bij ging leggen, toen werd ik ontdekt.

Het tweede gebruik is: zij beschuldigt ons, als wij gezondigd hebben; zij zegt: gij zijt de man; ik betuig, ik beschuldig n daarmede; gij hebt daar en daar gezondigd; gij hebt mij verbroken, en tegen het Woord gedaan.

Ten derde. Ik ben een bewijzer, zegt ze, ik beroep mij op de alwetendheid Gods, op uw eigen geweten, op de plaats, waar gij \'t gedaan hebt; laat elk spreken.

Dan heeft ze ten vierde dat gebruik: dat ze een overtniger is. Zoodat gij eindelijk moet zeggen: Gij zijt mij te sterk geworden. Joh. 8:9. Waren ze overtuigd in hun hart, zij gingen de een voor en de ander na, weg.

Ten vijfde. Dan is ze een richter. Naar deze wet moet gij sterven, zegt ze. Bindt hem handen en voeten, en werpt hem uit in de buitenste duisternis, Matth. 22:13. De wet spreekt het vonnis, de vloek zal in alles komen.

Ten laatste. De wet maakt een alarm, zoodat gij anders niet ziet, of hoort, dan vervloekt zijt gij in alles, Deut. 28, in uw bidden, lezen, en in al wat gij doet. \'t is al gedurig: daar gaat die vervloekte. Daarop begint er ontsteltenis te komen. Daar komt een begrip, een gevoelig beseffen. Zij staan eens stil. Zij kunnen er niet een woord tegen zeggen. Waarmede, zeggen ze, zal ik mij verontschuldigen; wat zal ik meer roepen tot den Koning? Ik en mijns vaders huis zijn niet dan lieden des doods. Ik ben verloren. Dat is de ellende te kennen door de wet. Komt mij nog een beetje dichter, zegt God, en gaat niet haastig weg; herkauwt het, brengt het aan uw hart. Ach lleere! wat zal er van ons worden! Zullen wij ons gaan beteren op een anderen tijd? Als ik en gij veroordeeld uit de kerk gingen, zullen wij ons kunnen gaan beteren? De onderwijzer neemt dien val-schen grond weg, als er gevraagd wordt: of men God wel kan liefhebben, en de wet volkomenlijk onderhouden? Wat antwoordt er nu een godloochenaar op? Neen, zegt hij, maar God moet het alles doen. Vraagt het aan een Sociniaan, aan een Remonstrant, aan een Papist; wat zullen die zeggen? Een Sociniaan en een Remonstrant zegt, ja; en zulks vanwege de krachten van zijnen vrijen wil. Een Papist heeit een schat van goede werken; zij hebben zelfs overschot, om aan anderen, die te kort komen, nog wat mee te deelen, wat zegt er nu onze godsdienst naar het Woord van God van? Ach! neen, zegt hij; en hij zucht; hij begint met een ach! was ik zoo! maar ik heb het in mijne gedachten niet, om het te doen. Ik vind mij geheel anders gesteld. Ik ben van nature geneigd, zegt hij. God en mijnen naaste te haten. Daar hebt gij de onmacht van den zondaar. God liet te hebben zonder eene zonde te doen, dat kan ik niet doen. Een rank buiten den wijnstok kan die wel vruchten dragen? Ik kan alzoo min

31

-ocr page 36-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

van nature God liefhebben, clan dat een moorman zijne huid of een luipaard zijne vlekken kan veranderen, Jer. 13:23. Dat is de aard van een zondaar. Zijn er prenten, onder welke God den zondaar ophangt; Hij hangt hem op als een onmachtige om het te kunnen doen.

Die onmacht zullen wij nu niet bezien; dat moet hierna nog verder verhandeld worden, als wij zullen gekomen zijn tot na den val. Derhalve hebben wy u een voorbeeld gegeven, waaruit gij kunt zien, dat de zondaar God niet kan liefhebben, of het moet hem gegeven worden. Ik voel, zegt de zondaar, dat ik God en mijn naaste haat; ik voel, dat het van nature zoo is, ik ben er genegen toe. Ik haat God, wat zou ik Hem liefhebben? Ik heb een haat tegen al de wegen Gods. Hoe zondaar! hoe kunt gij dat goede Wezen haten? Ja. Dan komt God niet voor als een goed Wezen. Hoe komt Hij dan voor? Als een alwetend, alomtegenwoordig en rechtvaardig God; als een almachtig, heilig, rechtvaardig Wezen. Als Hij mij zoo voorkomt, dan wilde ik wel, zegt de zondaar, dat er geen God was, Ps. 14:1, of dat God zulk een Wezen niet was; dat Hij een duivel of ons gelijk was; dat Hij mede de zonde kon doen, of dat Hij zich zei ven verloochenen kon. Ik wenschte dat ik boven God was. Ik wil God niet liefhebben. Ik wil \'t op mijn hart niet leggen; wijk maar van mij. Ik wil de minste lust om God niet laten. Aangaande zulke woorden, als van rechteroogen uit te steken; ik wil er niet eens naar hooren. Ik wil zoo goddeloos leven. God moet buiten staan; en ik zal \'t Hem laten aanzien. Dat is mijne natuur, zoo volslagen strijd ik tegen God. Ik ben niet te stuiten. Als hem iemand stuiten wil, hij zon hem wel in \'t aangezicht vliegen. Als nu God iemand zijne ellende al heelt leeren kennen, dan is er nog al zeer veel van dat in hem over; en hij moet verwonderd zijn, hoe dat hij alles te boven gekomen is. Behalve dat, zoo gevoelt\'hij, dat hij ook zijn naaste haat. Kan hij hem verkleinen, verachten, een trek spelen, van hem liegen, achterklappen, daar valt hij niet vies van. Als ik mijn oogmerk kan hebben, is dat mijn dagelijksch werk; dat reken ik noch zonde noch schande; dat is mij eene vermakelijke bezigheid. Behalve dat, zoo moet ik bekennen, \'dat het mijn natuur en mijn aard zoo is. Het is_ geen aanval, al had ik mijn leven onder geen menschen geweest; ik zou zoo gesteld zijn, al had ik mijn leven onder geen menschen verkeerd. Een leeuw is roofachtig in zijn aard; een steen opgeheven zijnde, heeft dien aard, dat bij neerzinkt. De vuursprankelen vliegen uit hun aard naar boven; alzoo is \'t de aard van een slang, dat zij venijn schiet, en alzoo is dat ook mijn aard; al verbieden \'t mijne ouders, al zie ik andere voorbeelden, hoe kwalijk het hen bekomt, dat is evenwel mijn wezen, daar ben ik al heel van opgemaakt van binnen en van binten. Ik voel, dat ik daartoe genegen ben, als ik zoo doe; maar als ik van goddelijke dingen moet spreken, dat gaat mij niet wel af; doch als ik zonden mag doen, dat gaat mij wel van de hand; dan heb ik een welsprekende tong; daar ben ik genegen toe; dan ben ik in mijn element en in mijn schik, gelijk een vogel in de lucht

f)2

-ocr page 37-

OVER DEN II. ZONDAG. Viuo. 3, 4 en 5.

en een viscL in \'fc water in hun schik zijn. Zoo ben ik gesteld. Zou ik dan God en mijn naaste volmaakt kunnen liefhebben? Wel in eeuwigheid niet, zoolang ik zulk een natuur heb.

Ziedaar, geliefden, het verzwaart alles; \'t is al molensteen op molensteen. Wie zijn nu zoo, de wilde barbaren, de mensch en eters? Neen, maar wij; en wij zullen zoo sterven, en zoo blijven, totdat wij in dé hel vallen, zoo God ons niet bekeert; al onze geschiktheid kan ons niet helpen; dat zijn wij elk van nature; of wij elkander al wat opschikken, dat kan niet helpen.

Nu het vierde stuk: dat is de weg om tot troost te komen; dat is geen weg om het op te geven; dat is de weg, om ons tot troost te brengen in leven en in sterven, \'t Is een weg om ons tot verkwikking te brengen. Krijgen ik en gij door dien weg geen troost, wij zullen nooit tot troost komen. God heeft nooit een anderen weg gehouden, noch Hij zal een anderen houden, tot op het laatste oordeel toe; Hij zal den mensch of in \'t eerste of in \'t laatste tot het gezicht van zijn ellende brengen, en door dien weg zal hij tot troost gebracht worden. Of men al spreekt van evangelische leidingen, gi] zult niet getroost worden dan langs den weg van de kennis der ellende. Hoe heeft God gedaan in Mozes\' tijd; hoe onder David; hoe zijn der profeten handelwijze geweest; hoe van Christus; hoe der apostelen? Ik weet geen anderen weg, die anders zegt, verleidt zichzelven. Ik heb geen andere boodschap aan u te doen. Ach! het hart moet eerst gekneusd zijn. Is iemand gekneusd; staat hij met tranen; zegt hij: ik ben verloren; schreeuwt hij om redding;\'komt hij als een belaste naar den Middelaar; krijgt hij eene hand om Hem aan te grijpen? Dan moeten wij zulk eenen troost toezeggen. Hier is balsem in Gilead. Dan zegt zulk een: kan ik de wet niet houden, Heere! Mijn Jezus zal ze houden. Heb ik zulk eene duivelsche natuur, mijn Jezus heeft een volmaakte natuur. Ben ik zulk eene mach-telooze, mijn Jezus is de sterke God. Dan kan uwe ziel rusten op eene veilige wijze. Dan kunt gij met verademing en met ruimte komen. Den dood en alle rampen kunt gij dan met vrijmoedigheid onder de oogen zien. Dat is dan tot uw troost, dat Jezus uw Zaligmaker is. Dan kunt gij zeggen: Ik ben door \'t gezicht van mijne ellende naar Hem gejaagd; de kennis van mijne ellende is een spoor om mij uit mijzelven tot Jezus te drijven; nu zie ik het oogmerk Gods in mij zoo uit te kleeden en te verwonden, opdat ik daardoor gekleed en geheeld zou worden. Dat zijn onze vier stukken, \'t Is alles om \'t heerlijkste.

Mogen wij nu nog niet een woordje tot uwe stichting spreken? Wij zeggen dan.

Eerst. Zijn hier zulken niet, waarvan wij zouden moeten zeggen, gelijk als de Heere Jezus zei, als Hij Jeruzalem genaakte, en de stad zag; daar stond Hij met tranen in zijne oogen: Ach! of gij ook be-kendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient. Maar nu is het verborgen voor uwe oogen. Luk. 19:42. Zijn hier

33

-ocr page 38-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

niet wel zulke menschen, waarvan men zou moeten zeggen: gij weet niet, hoe ellendig dat gij zijt; dat gij \'t eens antwoorden moest, waarin uwe ellende bestaat, zoudt gij \'t wel kunnen doen? Ja, misschien zoudt gij \'t nog door eene wijsgeerige kennis kunnen doen; doordat gij \'t hiidt leeren napraten; maar wie weet het, zooals \'t daar gepredikt is?

Ten tweede. Vraag ik u: zijt gij er in uw leven wel oyer bekommerd, zoodat het een overwicht bij u heeft? Hebt gij pijnen of een zware ziekte, hoe bekommerd zijt gij er wel over! Gij kunt niet slapen van kommer; maar gij zijt uw leven wel bekommerd over uwen ellendigen toestand. Hebt gij er wel een uurtje rust of slapen om gelaten? Kent gjj \'t wel, daarover op uw bed te liggen worstelen in zweet en tranen? Kent gij het, op uwe kamer en in verborgen plaatsen te treuren, of zijt gij op uwen droesem stil en gerust zonder kommer? Maakt gij \'t daar zoo al goed mede? Wij zijn altemaal ellendig, zegt gij, maar die balsem en die raad deugt niet voor u.

Ten derde. Of\' zijt gij zulk een die uzelven spiegelt in valsche spiegels, met leugenen in uw rechterhand? Jannes en Jambres stonden Mozes tegen, 2 Tim. 3:8. Hoe menigen wederstaan den Geest! Als er zulken zijn, die de wet, dien spiegel hen voorhouden, zij staan ze tegen; zij zijn als een ziek patient, komt de wondheeler met zagen en bijlen,quot; zij\'willen niet lijden dat hij met zijn werk voortgaat. Hebt gij geen aiider middel; lilijf dau van mij af, zeggen ze, en dan loo-pen ze tot valsche spiegels. Tot welke valsche spiegels? Tot deze: wel een ander is nogal slechter, zeggen ze, als ik; daar zijn er zelfs die vroom schijnen en gij zijt nog al beter. Evenals die farizeër: hij was zoo wel in zijne oogen; maar de tollenaar was beter dan hij. Luk. 18:11 -14. Dan spiegelt gij n aan zulken, die den naam hebben, dat ze leven, en zij zijn dood. Gij ziet aan dat voor oogen is; maar God ziet het hart aan. Dan neemt gij dien valschen spiegel. Gij meent dat gij gelukkig zult zijn, want God heeft u gezegend, \'t Zal mij wel gaan, zegt gij; als God mij niet liefhad. Hi] zou mij zoo niet zegenen; \'tis mis. Liefde, noch haat kunt gij niet weten uit hetgeen voor uw aangezicht is. De vromen hebben dikwijls daar het minste deel van. Anderen nemen die van smarten en tegenheden, ziekte en kwade dagen. God, zeggen zij, kastijdt een iegelijken zoon dien Hij liefheeft. Ach arme! \'t zijn geen roeden van een Vader, maar wel van een Richter. Het zijn misschien beginselen van uwe eeuwige smart, waar de hel misschien kort op volgen zal. Wij vragen u: zoudt gij wel durven zeggen, dat gij God niet haat? Staat gij niet in een vol vuur van haat tegen God? Durft gij wel met blijdschap aan God denken? Moet gij niet schrikken, als gij aan Hem denkt? Wij vragen u, of gij niet in een haat tegen uwen naaste leeft; en dat misschien zonder oorzaak; ja misschien om het goede dat in hem is? Ik haat Micha, zeide Achab, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad, 1 Kon. 22:8. Voldoetquot; gij uwen lust niet, al moest gij daarom in een haat met God leven? Wandelt gij niet naar

84

-ocr page 39-

OVER DEN II. ZONDAG. Vrao. 3, 4 en 5.

uw gedachten, en naar de ijdelheid uws gemoeds? Ef. 4:17. Wilt gij wel gemoeid worden? Zijt gij niet als een Nabal? 1 Sam. 25:10. Zij mochten hem niet eens aanspreken. Wij zeggen u dan: zijt gij zulk een, \'t kan evenwel niet lang duren. Zijt gij zoo: \'t mag zeventig of tachtig jaren duren, naardat het een sterk mensch lang maakt, Ps. 90:10, Doch \'t zal niet altoos duren: Ja \'t is zoo onzeker of \'tnog zoo lang duren zal. Kon men u een Methusalems ouderdom belooven van negenhonderd-negenenzestig jaren! Maar gij hebt geen eenen dag zeker. Beziet eens een Amnon: aan zijns broeders tafel werd hij vermoord, 2 Sam. 13:29. Ziet het in een Absalom: als hij er niet om dacht, werd hij daar aan een boom opgehangen.

Ja, ten vierde. Wilt gij zoo blijven leven in uwe natuur, als een hater Gods, zoo weet, dat gij zijne liefde ook niet hebben zult. Hij heeft u dan mede niet lief. Dan zult gij zijnen allergrootsten haat onderworpen zijn: den haat van een oneindigen God, Wat heeft dat een oneindig ongeluk tot zijn gevolg! Nu hebt gij misschien geene banden tot uw dood toe; maar alsdan zult gij eeuwige banden en smarten hebben. Hier is het nu uw zangtijd, maar bij uw dood zal dat uit zijn. Dan zal uw zuchttijd voor eeuwig volgen. Mogen wij u dan bidden, leert uzelven kennen. Zijn ik en gij daar vijanden van, \'t zal ons niet gelukken. Gebruiken wij zulk een prediken niet, dan zal \'t ons maar kwaad doen. Wilt gij uwe ijdele natuur blijven too-nen, ziet dan toe, wat er afkomen zal. Ach! konden wij u tot nadenken brengen, zoodat gij het wildet weten, dat gij zoo ellendig zijt! Weet gij wel, dat er geen anderen weg des troostes zal gevonden worden? Daar zal er in eeuwigheid geen anderen zijn. In de hel zult gij het wel willen weten; maar \'t geldt daar niet. Dan is het wanhopig. Als ik en gij dood zullen wezen, dan is er geen verhelpen meer aan: dan zal het u alles ontvallen, waar gij elkander mede gepleisterd hebt. Het moet nu gekend worden, of daarna zal \'t eeuwig wanhopig wezen. Gij zult zeggen: Hoe moet ik dan wezen, als ik mijzelven recht ken? Hoort eens! Dan zult gij die gestalte kennen, die David ondervond in den 6aeu psalm: Ach! straf mij niet in uwen toorn, zegt hij, kastijd mij niet in uwe grimmigheid. Gij zult die schaamte kennen van Ezra: Mijn God ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God! want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel, Ezra 9:7. Die hunne ellenden kennen, verstaan die gestalte van den tollenaar wel. Hij staat van verre; hij slaat op zijne borst; Hij durft zelfs zijne oogeii niet opheffen naar den hemel, uitroepende: o God! zijt mij arme zondaar genadig! Luk, 18:13, Die hunne ellende kennen zijn niet zeer verzekerd: zij zouden liever van verre staan. Weet gij wie ze nog kent, en troost te wachten heeft? Die zoo verbrijzeld is, In\'tkort of in \'t lang zal hij de gestalte van den verloren zoon kennen; hij zal met zulk eene belijdenis komen; zoo radeloos: dat hij te voren niet zou hebben willen weten, dat komt er dan alles uit; die kennen

35

-ocr page 40-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

hunne ellende, die zichzelven zoo veroordeelen. Al wat er in \'t Woord verschrikkelijk is, passen zij op zichzelven toe; en niets van \'tgeen verkwikkelijk is. Ach Heere! zeggen ze, ik zou U rechtvaardigen moeten, zoo Gij mij in de hel wierpt. Ik zou niet één woord te zeggen hebben, als dat Gij rein zijt in Uw spreken, en rechtvaardig in Uw richten, Ps. 51 :6. \'t Zijn zulken, die in verborgene plaatsen op hunne knieën liggen, en hun Richter om genade bidden, Job 9:15. Die zeggen: zoo Gij mij den schepter belieft toe te reiken, dan zal ik leven; en ik zal in eeuwigheid erkennen, dat het uit genade was. Die booze natuur zal u zoo te veel geworden zijn. Dat gi] zoo onmachtig zijt, daarover zult gij rusteloos schreeuwen om redding. Wie nog? Dezulken, die zeggen: Wat moet ik doen om zalig te worden? Zoo gij \'t mede zegt: Heere! ik hoop het op te volgen. Als ik van uwe wegen afdwaal, trek mij dan weder naar ü toe. Die werkt wel, die dan eindelijk in de armen van den Zoon Gods valt, en zegt: Hij moet mijne zijn, en ik zijne of anders is \'t wanhopig. Kome ik nu om, zoo kome ik om, Esth. 4:16. Ik kleef ü aan; ik krijt om uwe gemeenschap; Heere Jezus! ik ben zoo blijde, dat er een middel is, om van de ellende verlost te worden. Opgeven mag ik het nooit; Gij kent ook mijne woorden: Do Heere is een Ontfermer, Ps. 11G:5.

Wat zegt nu uw hart? Is dat zoo uwe koers van leven? Ons gedurig naderen tot God, is dat onze wijze van leven ? Tot dezulken mogen wij wel zeggen; dat God hen verkwikken zal. De Heere zal u zegenen; Hij zal u helpen; en u verhooren ter bekwamer tijd. Gij zult Hem vinden in vindenstijd. Het gewenschte oogenblikje van troost in zijnen raad bepaald zal misschien welhaast komen, zoodat gij zult moeten zeggen:

Hij verkwikt mijne ziel die zeer is verslegen,

Om zijns Naams wil leidt Hij mij in zijne wegen;

Ps. 23:1.

Voelt gij nu nog zoovele overblijfsels van uwe booze natuur; strijdt er \'tegen; en zoekt zoo in de liefde tot God en uwe naasten te quot;wandelen, totdat geloof en hoop zullen ophouden en verdwijnen, en de liefde volmaakt zal zijn. Amen.

3G

-ocr page 41-

C A T E C HIS M U 8-P R E DIK A T1E.

Over den 111. Zondag. Vrag. 6. 7. 8.

TDerde Zondag.

(3. Vraag. Heeft dan God den mensch alzoo hoos en verkeerd geschapen\'i

Antwoord. Neen Hij; maar God heeft den mensch goed, en naar zijn evenbeeld geschapen, dat is: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijnen Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, Hem te loven en te prijzen.

7. Vraag. Vanwaar Icomt dan mlh een verdorven aard des mensehen?

Antwoord. Uit den val en ongehoorzaamheid onzer eerste voor-

ouders, Adam en Eva in \'t paradijs, daar onze natuur alzoo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.

8. Vraag. Maar zijn ivij alzoo verdorven, dat wij ganschelijh onbelcwaam zijn tot eenig goed, en geneigd tot alle ktvaad?

Antwoord. Ja wij; het zij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.

JES. 45:7, daar zegt de Heere: Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede, en schep het kwaad. Dat is een vreemde tekst in onze ooren. Schept God dan bet kwaad? Het staat daar: Ik schep het kwaad. Daar moet gij door verstaan het kwaad der straf. Wat is er al voor kwaad der straf? Onder de oordeelen Gods te liggen, dat doet ons zeer; en \'t doet ons weedom aan. Daar is zoo geen kwaad in ons huis, of in de stad, of in de ge-heele wereld, dat God niet doet, Amos 3:6. Vindt gij iemand met tranen in de oogen, met smarten en slagen; gij zult niemand ontmoeten, of hij zal zeggen: dat het de vinger Gods is. Al wilden ze Mozes tegenstaan, zij moesten op het laatst uitschreeuwen: Dit is de vinger Gods, Exod. 8:19. Komt daar eene Naomi, die misgaan is van goed, kinderen, en alles; de hand des Heeren, zegt ze, is tegen mij uitgegaan, Ruth 1:13. Ziet gij daar een Job in den lande van \'tOosten; gij ziet hem den eenen dag den rijksten, den anderen dag den armsten. \'t Is de Heere, zegt hij, die bet doet, de Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij ge-ES. 45:7, daar zegt de Heere: Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede, en schep het kwaad. Dat is een vreemde tekst in onze ooren. Schept God dan bet kwaad? Het staat daar: Ik schep het kwaad. Daar moet gij door verstaan het kwaad der straf. Wat is er al voor kwaad der straf? Onder de oordeelen Gods te liggen, dat doet ons zeer; en \'t doet ons weedom aan. Daar is zoo geen kwaad in ons huis, of in de stad, of in de ge-heele wereld, dat God niet doet, Amos 3:6. Vindt gij iemand met tranen in de oogen, met smarten en slagen; gij zult niemand ontmoeten, of hij zal zeggen: dat het de vinger Gods is. Al wilden ze Mozes tegenstaan, zij moesten op het laatst uitschreeuwen: Dit is de vinger Gods, Exod. 8:19. Komt daar eene Naomi, die misgaan is van goed, kinderen, en alles; de hand des Heeren, zegt ze, is tegen mij uitgegaan, Ruth 1:13. Ziet gij daar een Job in den lande van \'tOosten; gij ziet hem den eenen dag den rijksten, den anderen dag den armsten. \'t Is de Heere, zegt hij, die bet doet, de Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij ge-

-ocr page 42-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

loofd, Job 1:21. Ziet gij den grooten Zaligmaker onder een smartelijk lijden; Vader, zegt Hij, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan, Matth. 26:39. Daar is geen duivel in do hel, of hij moet zeggen: ai de weedom, dien ik heb, is van God.

Dat niet alleen; maar daar is een kwaad, dat God niet schept. Dat kwaad is veel onder den mensch. Het is onder alle menschen. Het is een kwaad, dat de oorzaak is van alle kwaad, dat er in de wereld is. Dat is het kwaad der zonde. Dat is het onkruid; dat zijn de doornen; dat is de melaatschheid. Dat kwaad is niet alleen de oorzaak van al het leelijke, en van al de schade, die ons overkomt; maar het is ook de oorzaak van al de schande, die ons overkomt. Nergens zult gij iemand vinden, of gij zult hem met dat kwaad bezet vinden. Doch daar moeten wij op antwoorden: Eerstelijk da\' dat kwaad niet is van God. Ten tweede, dat dat kwaad is van den duivel. En wij moeten er daarenboven nog van zeggen, dat het kwaad zoo groot is in den mensch, dat niemand het kan te boven komen. Daar moet eene almacht Gods toe wezen, om dat te boven te komen. Dat zijn de zaken, die in dezen Zondag begrepen zijn. Eerst, moeten wij zien, hoe de mensch zoo boos en verkeerd komt te zijn; of God hem zoo boos en verkeerd geschapen heeft? En daarop zullen wij antwoorden :

Ten eerste. Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht. Job 34 :10. God heeft hem zoo niet geschapen.

Ten tweede. Hoe komt hij dan zoo verdorven? Hieruit: Uit den val van onze eerste voorouders Adam en Eva.

Ten derde. Raakt dat ons allen? Ja.

Ten vierde. Is dat niet te boven te komen door een mensch? Neen; die heeft geen kracht om zich te herstellen.

Ten vijfde. Daar moet een werk Gods komen.

Eerst. Zeggen wij, dat de mensch zoo verdorven is, dat is niet van God: verre is Grod van goddeloosheid. Ten tweede. Het is des menschen en des duivels schuld. Ten derde. Dat gaat tot alle menschen over. Ten vierde. Wij zijn allen onmachtig om ons te bekeeren. Ten vijfde. God moet het doen door zijne genadige, krachtdadige en vrijmachtige hand.

1. De mensch is wel van God geschapen, maar niet zoo boos. Wat is een mensch? Een mensch bestaat uit lichaam en ziel, die met elkander vereenigd zijn. Onder al de schepselen, nadat God alles geschapen had, zoo heeft Hij ook den mensch geschapen, man, en vrouw schiep Hij ze. Gen. 1 :27. En dat deed God bijwijze van schepping en krachtige voortbrenging. Waaruit schiep God den mensch? De man schiep Hij uit de aarde, en de vrouw heeft Hij uit den man gemaakt, Gen. 2:22. Wie waren de eerste menschen? God schiep eerst een paar, Adam en Eva. Uit éénen bloede heeft God het gansche geslacht der menschen gemaakt. Hand. 17:26. God noemt Adam en Eva onze eerste voorouders, daar al wat mensch is uit gesproten is, volgens de wet des huwelijks: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt,

38

-ocr page 43-

OVER DEN III. ZONDAG. Vraö. 6, 7 en 8.

Gen. 1:28. Behalve alleen de Heere Jezus Christus, want die is ontvangen uit den H. Geest, volgens het Woord, Luk. 1 :35, De Heilige Geest zal over u komen; cn de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen. De H. Schrift kent geen menschen voor Adam en Eva, en de H. Schrift is het alleronfeilbaarste boek, dat er in de wereld is. De H. Schrift noemt de twee eerste menschen niet name. Daarna worden ze nog gesteld, en Adam wordt de eerste mensch genaamd in \'t optellen van de geslachtregisters. Luk. 3 :38, en 1 Cor. 15:45. Doch de eerste mensch was uit de aarde, aardsch, en dewijl wij dat beeld des eersten gedragen hebben, zijn wij allen van nature ook aardschgezind. Maar hoe heeft God dan den mensch geschapen? Goed en naar zijn evenbeeld. Dat is te zeggen bekwaam, om datgene te bereiken, waartoe God hem gemaakt had: zoodanig goed, om te beantwoorden zijne deugden; goed tot datgene, waartoe God hem gebruiken wilde: hij was tot een goed gebruik en einde geschapen. God maakte de engelen ook goed; maar zij zijn niet allen goed gebleven. God maakte alle schepselen goed, waar ook de mensch onder was, die het sieraad van al de schepselen was. God was goed, van Hem kan geen kwaad werk komen. Hij was een volmaakt Werkmeester, daar kan geen onvolmaakt werk afkomen. God was een zuiver licht, daar kan geen duisternis afkomen. God was heilig, daar kan geen onheilig schepsel afkomen; die kan geen onheilige schepselen maken. God was een Wreker; en als Hij een kwaad werk gemaakt had, zoo zou Hij zijn eigen werk hebben moeten verderven.

De mensch is dan geschapen goed en naar Gods beeld. Wat is een beeld? Dat zijn zoo eenige gelaatstrekken van iemands wezen; zoo een zweem van iemands gedaante. Wiens beeld is dit? zei de Heere Jezus, Matth. 22:20 Het is des keizers, zeiden de Farizeën; zoo is dan een beeld een zweem van iemands gedaante.

Dan is er een Wezenlijk Beeld van den onzienlijken God, dat is de Zoon Gods alleen: de volheid der Godheid woont in Hem lichamelijk, Col. 2:9. Zulk een beeld is er geen een, als Hij, Hebr. 1 :3, Col.\' 1:15. Dan is er een beeld van gelijkenis en gezag: dat is de man met betrekking op de vrouw. Dan is er een geestelijk beeld, dat God den mensch gaf, in de eerste schepping; en \'tgeen Hij in de herschepping weder herstelt. Welk beeld is het hier? Hier is het dat geestelijk beeld, zoo een beeld van gelijkenis naar God, zoo een trek en zweem naar God. Niet dat ze gansch de Goddelijke natuur of de Goddelijke volmaaktheden hebben. Neen; maar zoo, dat God ze hen mededeelt. Al wat in den mensch van die volmaaktheden eindig is, dat is in God oneindig, dat kunt gij nu weer niet begrijpen, of gij moet vragen: waarin was dat beeld? De mensch had een schoon lichaam, en eene onsterfelijke ziel; die was als het doek en het paneel, waar God dat beeld op trekt en inzetten zou. Dat kunt gij zien aan een Absalom, en aan de dochters van Job na den val: hoe schoon waren ze! Zij stalen als het hart van het volk. En wat is er na den val nog eene schoone ziel in den mensch! Wat moet het dan

39

-ocr page 44-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

vóór den val geweest zyn! Nu, in dat lichaam, en die ziel, en in den ganschen mensch gaf God zijn beeld: zoo een trek, een zweem, eene gelijkenis naar God. In /,i]ii verstand, hij kende God: wat eene heiligheid was er in de gansche kracht van zijne ziel! wat eene rechtvaardigheid in zijn wandel voor God en menschen! Daarbij had hij een zeer heerlijk verstand van Goddelijke dingen. Wij kenden geene geestelijke dingen zonder dat beeld. Dan waren wij bot en dom in \'t geestelijke. Al was iemand van nog zulk een schranderen geest en van nog zulk een vlug begrip in \'t natuurlijke, hij kent echter de geestelijke dingen niet. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, zij zijn hem eene dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk moeten onderscheiden worden, 1 Cor. 2: 14. Maar zoo gauw als dat beeld hersteld wordt, zoo dra bevat hij ook de geestelijke dingen. Die zijn hem dan geen dwaasheid meer. Hij krijgt ook eene heiligheid in zijn hart. Die volmaakte mensch wist niet te zeggen: Het kwade ligt mij bij, liom. 7:21, maar het goede ligt mij bij. Die volmaakte mensch had geen verdorvenheid van binnen. Dan had hij ook een rechtvaardig gedrag, inwendig voor God, en uitwendig voor den mensch. Waarop dan ge-fondeerd werd zijn recht ten leven; zoodat de wet hem eene wet des levens was. Daar werd toen die wet der werken niet uitgesloten. Op die volmaakte onderhouding zou die mensch gefondeerd hebben zijn recht ten leven. De gevolgen nu van dat beeld waren de heerschappij over al de werken van Gods hand, Ps. 8:5—9. Gij zijt een heer vaii alles, zei God, Gen. 2:15, 16. \'tls alles tot uwen dienst; het moet u alles oppassen en verkwikken. Dan had hij eene onsterfelijke ziel en lichaam; \'twelk blijkt uit de bedreiging vóór den val, eii uit de uitvoering na den val. Gij zult niet sterven, zoo gij niet eet van dien boom. Gij zult sterven zoo gij daarvan eet. Dat heerlijk schepsel kon staande zijn gebleven, als het zijn tijd van beproeving had uitgestaan. Dan zou de Heere God hem bevestigd en in den hemel opgenomen hebben; en geen één schepsel zou er ooit gevallen zijn geweest. Zoo blijkt dan daaruit, geliefde, dat God den mensch gemaakt heeft naar zijn beeld. God heeft den mensch recht gemaakt. De wijste mensch, die er ooit op aarde geweest is, of wezen zal, getuist dat, Pred. 7:29. Dit blijkt:

Eerst. Uit de groote wijsheid, die de mensch toonde vóór den val.

Ten tweede. Uit den gemeen/.amen omgang, dien hij met God had.

Ten derde. Blijkt het uit de overblijfselen van het lieeld Gods, die er nog zijn in alle menschen na den val: uit dat kennelijke Gods, het recht Gods.

Ten vierde. Uit de herschepping. Col. 3:9, 10; Ef. 4:22—24.

Ten vijfde. Uit het einde, waartoe God hem geschapen had; het was namelijk: opdat hij God zijn Schepper recht zou leeren kennen. Hem van harte liefhebben; en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou. Dat kan hij niet bereiken, of hij moet een hart hebben, om God lief te hebben, en om met Hem in de eeuwige zaligheid te

40

-ocr page 45-

OVER DEN HI. ZONDAG. Vrag. (5, 7 on 8.

kunnen leven. Maar hier, zegt Partij, staat Gods raad niet; die is veranderd en gebroken. Wij zeggen:

In de eerste plaats: zij staat immers; want dat was het einde, dat God niet Zichzelven had voorgesteld, maar den mensch.

Ten tweede. Zij staat immers; nademaal de mensch leefde met God. Hij prees God; hij kende God, zoolang hij dat beeld had. De mensch was zoo versierd gemaakt, dat niemand dat met eenige redenen tegenspreken kan. Wat doet nu God? Die komt in een verbond met dien mensch, en die mensch met God. Die mensch blijft niet in dat verbond, maar is gevallen, en door den val zoo komt de verdorvenheid. Daar komt nu God met dat volmaakte schepsel in een verbond, en Hij zegt: Hier kom Ik als de Opperheer, en kent gij Mij daar niet voor, dat Ik eischen, mag dat gij Mij zult liefhebben en dienen? Och! Ja, zegt de mensch. Mag Ik u dan, zegt God, geene wetten geven; ben Ik dan niet uw Koning, uw Maker? Daarop komt God en zegt: zult gij Mij dan niet dienen; Ik zal dat niet onder mij laten: dat en dat zult gij tot uw loon hebben. Maar aan de andere zijde zoo gij \'t niet doet, zult gij sterven, en allen die na u komen. Ik ben een rechtvaardig God; ïk zal wraak nemen over al de overtreders mijner geboden. Wat is nu daartegen in te brengen? Moet gij niet zeggen: \'tis niet als redelijk en billijk? Daarop komt God en zegt: Mensch! de wetten zijn niet zwaar, \'die Ik u geef. De wet der natuur geef Ik u, welker inhoud is: liefde tot God boven allen, en liefde tot de naasten als tot onszelven. Is dat wel zwaar? Ach! neen. Mijn juk is licht, mijne geboden zijn niet zwaar, \'tis al-temaal liefelijk, Matth. 11:29, 30. Behalven dat Ik u eens zou verzoeken te weten wat in uw hart is, zoo geef Ik u nog een gebod, en dat is het proefgebod. Ik geef u al wat er is. Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten: maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten, Gen, 2:16, 17. \'t Is alles redelijk en billijk. Daarop komt die volmaakte mensch, en die is zoo genegen om naar dat woord te doen, die is vanzelf genegen, om God te gehoorzamen. Ik zal het doen, zegt hij; ik kom in allen dezen; in den vloek en in den eed. Ik kom met U in een verbond, o_ groote God! ik zal \'tnakomen; en niet alleen ik, maar ook allen die heden hier nog niet zijn, gelijk eertijds Israël zoodanig verbond met God maakte, Deut. 29: 14, 15. Daar sprak Israël zoo tot God; en zoo zeide God ook hier: in allen dezen maak Ik een vast verbond met ii o Adam! en met n o Eva! en met al degenen, die uit u voort zullen komen. Gij willigt dit voor uw persoon in, als \'t hoofd van het gunsche menschelijke geslacht. Gij hebt dat verbond van Hosea aangeteekend, Hos. 6:7. Dat zij het\'verbond overtreden hadden gelijk Adam. Gij hebt het ook van Job aangeteekend. Zoo ik, gelijk Adam mijne overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijne misdaad verbergende. Job 31 : 33.

Nu blijft nog overig de groote vraag, te weten: of Adam als het hoofd van het gansche menschelijk geslacht, stond. Of dat

41

-ocr page 46-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

waar is, dat kunnen wij u duidelijk doen zien uit liet volgende:

Ten eerste. Alle dingen, die over Adam en Eva worden uitgesproken, omtrent het huwelijk, zijn over iedereen gekomen; als bijvoorbeeld: zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt; en alles wat er over de vrouw en over den man is uitgesproken, het raakt alle menschen. Dit almede: Daarom zal de man vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn. Mark. 10:7, 8.

Ten tweede. Wanneer ze gevallen zijn, zoo vinden wij, dat hunne natuur verdorven is. Hoe kan dat nu wezen, of het moet alle menschen raken, die allen vallende, en elkeen van hen in zijne natuur werden verdorven: doch staande blijvende niemand verdorven zou zijn geworden.

quot; Ten derde.. De twee eerste menschen nu gevallen zijnde, zoo komt de straf over allen. Doch behalve dat, Gods Woord toont het ons in die tegenstelling van Adam, en Christus, Rom. 5:12, 14- 19. Daar kunt gij klaar zien, hoe Adam, als \'t hoofd van allen voorkomt, en Christus als het Hoofd van het uitverkoren geslacht gerekend wordt: Adam, van al degenen, die uit hem voortgekomen zijn; en Christus, van de uitverkorenen, daar hebt gij het Verbond der werken, die wet, die toen ten leven was: dat was toen niet onmogelijk, om dooide volmaakte onderhouding derzelve te leven. Die wet wees toen den mensch het leven toe. Ziedaar het verbond is gemaakt. Hoe is het nu? Hoe maakte het de mensch? Hij werd een verbondbreker: hij valt droevig onder het beleid van den Allerhoogsten God. Misschien zult gij denken: hoe is dat? Wat beleid heelt God in die overtreding eir ongehoorzaamheid van Adam, en Eva? Een wijs, heilig, en eerlijk beleid.

Eerst. Ik neem daar kennis van, zegt God in de eeuwigheid, dat het wezen zal.

Ten tweede. Ik besluit het vast. Zijn de haren van ons hoofd alle geteld, Luk. 12:7. En zal er geen een van verloren gaan. Luk. 21:18. En valt er geen een muschje op de aarde zonder den wil des Hemel-schen Vaders, Matth. 10:29. En zou dan het geheels raenschdom vallen, zonder zijnen wil?

Ten derde. Was dat het beleid van God, dat Hij den mensch vrijmachtig beeft believen te stellen onder een Hoofd. Dat heeft God aan zijne engelen niet gedaan Elkeen derzelver stond_ en viel voor zichzeiven, gelijk God elkeen die staande bleef, voor zijn hoofd bevestigd heeft, i Tim. 5:21.

Ten vierde. Was dat het beleid Gods, dat Hij den mensch wel volmaakt geschapen heeft; doch niet zoo, dat hij niet vallen kon. De engelen kunnen nu niet vallen. Die waren eerst ook zoo geschapen, dat zij vallen konden. Dat beeft bij de uitkomst gebleken. God heeft den mensch wel eene volmaakte natuur gegeven; maar niet zoo, dat hij niet vallen kon.

\'Ten vijfde. Is \'t het beleid Gods, dat Hij den duivel heeft toege-

42

-ocr page 47-

OVER DEN III. ZONDAG. Vraq. C, 7 on 8.

laten om de nienschen te verleiden; hen te verzoeken en te ziften, om te zien, wat een kracht hij doen zou. De duivel vergrimde op den mensch. De duivel kan anders zelfs in geen zwijnen varen, zoo God het niet toelaat.

Ten zesde. Was dit het beleid Grods, dat het Hem niet beliefd heeft den val te beletten. Even gelijk Hij tegen Abimelech zeide; Ik heb n belet van tegen Mij te zondigen. Gen. 20: (J. Dit deed God hier niet.

Het laatste of zevende beleid van God was, om Zich door tusschen-komst van den val, meer te doen verheerlijken in \'t werk der Herschepping, dan Hij gedaan zou hebben in \'t werk der Schepping. Hij zou Zich meer verheerlijken in sommigen in Christus weer te herstellen. Daartoe heeft Hij de zijnen voorgekend, voor de tijden eeuwen, om Zich groot te maken in de oneindigheid van zijne liefde, wijsheid en almachtigheid. Dat is het heerlijk beleid van God in den val. Gij moogt het wel bekijken; gij moogt het wel eens overleggen, en in uwe hand nemen en het herkauwen. Gij zult zeggen: Nu wilden wij het beleid van den duivel wel eens zien. Dat was listig en hoos, de listigheid.

Ten eerste: Wanneer hij komt in de gedaante van eene slang, die nog als een voorbeeld van listigheid bekend is, Weest voorzichtig als de slang, Matth. 10: 16, welker list niet te doorgronden is. Dat daar nu de duivel onder was, dat is klaar. Hij wordt genaamd een menschenmoorder van den beginne, Joh, 8:44, De draak, Openb. 12:3, De oude slang, Openb. 20:2. De duivel verandert üich in een engel des lichts, 2 Cor. 11 :14, Ziet toe dat u niemand verleide, gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, 2 Cor. 11: 3, en 1 Tim. 2: 14, Daar zou vijandschap zijn tusschen het zaad der vrouw en dat der slang, Gen, 3:15, De list was niet alleen dit, dat hij onder de gedaante van eene slang kwam; maar

Ten tweede. Het schijnt, dat hij de vrouw heeft aangetast, daar ze alleen was, en die misschien maar het gebod van haren man ontvangen heeft.

De derde list was deze: hij spreekt haar aan omtrent het proefgebod, en niet omtrent de wet der natuur. Maar daar is in zijn beleid niet alleen list, maar ook boosheid. Wat was de boosheid van den duivel?

Eerst. Hij deed ze twijfelen. Is \'t wel zoo? zegt hij. Gen. 3:1, Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs.

Ten tweede. Zijne boosheid was ook deze: dat hij \'t dreigement wegnam. Gij zult niet sterven, zegt hij. De papisten hebben eene vergeving der zonden verzonnen door den paus, maar de eerste leermeer-ter daarvan is de duivel.

Ten derde. Hij doet eene belofte tegen het dreigement: gij zult God gelijk zijn, zegt hij. Daarbij,

Ten vierde. Zegt hij: wil ik u eens wijzen, hoe dat gij er toe komen zult? Daar gaat hij dien mensch leeren een korte leiding, He-

43

-ocr page 48-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

den zegt hij, dat is, vandaag zal \'t zoo zijn. God weet, dat ten dage

zult als God wezen, liennende lietsoed en net itwaad, uen. ö: i). /m

zouden terstond zalig zijn. Nog van dezen dag kunt gij zoo gelukkig zijn, wil hij zeggen; beproef het, \'t is maar eens te eten, proef maar eens, neem maar eens van deze vrucht.

Ten laatste. Hij doet er een eed bij. God weet het, zegt hij, het zal zoo zijn; heden, ten zei ven dage. Zie daar hebt gij zoo het beleid des duivels. Het lichtvaardig zweren is ook al uit te vinden waar het vandaan komt. \'t Is van den duivel.

Hoe gedraagt zich nu de mensch? Gij moet nu niet verwonderd zijn, hoe hij tot de zonde kwam, de mensch wist van geen duivel. Bovendien God was zoo goed. Zij hadden geen gedachten van eenig kwaad. Zij dachten misschien dat het iemand uit Gods naam was. Zij vragen niet eens aan God raad. Zij zien de vrucht; zij begeeren ze; zij nemen ze; zij eten ze. \'t Was een vrucht die aangenaam was, die begeerig was. Daar is nu de val. Daar valt de geheele wereld, en van haren val beeft de geheele aarde. Wat een val was dat, toen daar drieduizend Filistijnen op het dak waren, als Simson het omver trok! Maar hier valt de geheele aarde uit den hoogsten tnp van geluk, tot den diepsten kolk van ellende. Hier valt de geheele aarde van God af tot den duivel. Daar deed zich meteen op liefdeloosheid tot den naaste; ongeloof, ongehoorzaamheid, dartelheid. Nu is de vraag, of hun natuur toen zoo is verdorven geworden? En bet antwoord is, ja. Zij werden toen evenzoo gelijk wij nu allen zijn; te weten, onbekwaam tot eenig goed, en geneigd tot alle kwaad. Daar gingen zij toen, en loochenden de alwetendheid God, en zyne alomtegenwoordigheid. Zij gingen de dingen bemantelen die niet recht zijn. Daarop komt de groote God, als een Richter, en zegt: wat hebt gij gedaan? En Hij stelde het hun ordentelijk voor oogen; en Hij sprak straf uit over den man, en over de vrouw, over de slang, en over het aardrijk: en Hij legde zoo het fondament van eene geheele nieuwe wereld, en van een geheele nieuwe kerk, en Hij zeide: dat het zaad der vrouw, den duivel den kop zou vermorzelen; maar dat ook het zaad van den duivel het zaad van do vrouw veel moeiten aan zou doen. Daar ligt nu het stuk. Het is vol glans aan alle kanten. Gij rnoogt het wel bekijken, maar gij moogt niet verachtelijk daarvan spreken. Gaat ons dat nu allen aan? Wij antwoorden: ja. Als Adam, die het hoofd van het verbond was, gevallen was, zoo is de stam, de wortel en al de takken met hem gevallen. Bewijs; in welken wij allen gezondigd hebben; in welken wij allen gestorven zijn; in welken wij allen zoo verdorven zijn. Derhalve is hier de erfzonde, waar de dadelijke uitvloeit: de toegerekende, en inklevende zonde. Weinigen weten, wat het is te zeggen de erfzonde. Dat is die zonde, die wij van Adam geërfd hebben. Die toegerekende erfzonde van Adam, dat is het eten van dien boom, van welken God gezegd had: gij zult het niet doen. Adams andere zonden zijn het ook die

44

-ocr page 49-

OVER DEN III. ZONDAG. Vkaq. 6, 7 on 8.

45

niet? Neen. Toen was het verbond al gebroken; toen was liet al ge-daan. Let er wel op, en onthoudt dat: dat eten is onze zonde, gelijk net lijden en gehoorzaamheid van Christus den uitverkorenen toegerekend wordt, zoo wordt ook de ongehoorzaamheid van Adam en Jliva in \'t eten van den boom, aan al hunne nakomelingen toegerekend. Die ongehoorzaamheid was de verbreking van \'t Verbond. Die eitzonde, dat is die aangeborene zonde, welke wij uilen en een iegelijk van onze ouders overerven. Dat gaat daarmede evenals met de slangen: zij werpen hun vergift over aan hunne jonge slangen; en elk graantje heeft zijn kaf je; en een jonge leeuw vertoont in zijn opwassen zijn verscheurenden aard. Hier is het ook zoo: wij zijn daardoor zoo boos en verdorven geworden, dat wij van nature geneigd zijn God en onze naasten te haten• Dat is de erfzonde die ons aangeboren is. Adam gewon een zoon naar zijne gelijkenis, naar zijn evenbeeld. Gen. 5:3. En het gedichtsel van \'s menschen hart is boos van zijner jeugd aan. Gen. 8:21. Daarom zegt ook Job, hfdst. 14:4, vVie zal een reine geven uit een onreine? Niet een. En die hoo-vaardige Paulus, liom. 7: 18, Ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont. Al wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch. Joh. 3:6. Ziet, ik ben in ongerechtigheid geboren: en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen, Ps. 51 : 7. Wij allen zijn van nature kinderen des toorns gelijk ook de andere, Ef. 2:3. Ja! van Adam tot Mozes toe, heeft de dood geheerscht, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding Adams, Kom. 5:14. (Dat zijn de kleine kinderen, die geen dadelijke zonde begaan hebben; maar alleen om die toegerekende erfzonde.) De bezoldiging der zonde is de dood, Rom. 6:23. Zoodat gij u zoo met vervvonderen moet, als God een jonggeboren kind in de hel werpt. Gij zult zeggen: hoe kan nu de zonde van een ander de onze worden ? Dat is weer wonderlijk! God is de Formeerder van het lichaam, Ps. 139:14, Gij hebt mij op eene wonderlijke wijze gansch vreeselijk gemaakt. Hij is ook de Schepper van de ziel, liebr. 12:9, en als een rechtvaardig Richter, zoo weigert God aan die ziel zijn beeld: en dat lichaam, waar allerlei zaden der verdorvenheden in zijn met die ziel zonder Gods beeld, vereenigt God te samen; en die steken elkander als aan brand. Zoo wordt de zonde als voortgeteeld, want hoe komt toch het vergift in eene jonge slang; en de wreede aard in een jongen leeuw anders als door voortteeling? Nu is de vraag: laat ons zoeken hersteld te worden, wat hebben wij met zulk eene booze natuur te doen? Ja daar liggen wij in onze onmacht; daar komt Partij, en die verheft den vrijen wil; die zeggen; een mensch kan zichzelven bekeeren, als hij maar wil. Als men ziek wordt, men moet dan maar wat beloven en dat is genoeg. Maar wij zeggen: door onszelven kunnen wij het niet te boven komen. Zijn wij dan zoo onbekwaam ten goede?\' Ach! Ja. Wij zijn tot alle goed werk ongeschikt; en daar hebben wij klare en duidelijke plaatsen in de H. Schrift toe. Zal ook een Moorman zijne huid veranderen?

-ocr page 50-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

of een luipaard zijne vlekken? zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen die geleerd ztjt kwaad te doen, Jer. 13:23. Kan eene rank buiten den wijnstok vrucht dragen? Zonder Mij kunt gij niets doen, Joli. 15:5. De natuurlijke mensch kan het geestelijke niet verstaan,

1 Cor. 2:14. Wij zijn van onszelven onbekwaam iets goeds te denken,

2 Cor. 3:5. Let op de teekening, die God ons daarvan geeft. De zondaar is een doode, en kan een doode wel leven? Kan een blinde zien? Kan een doove hooren? Kan een kwade boom wel goede vruchten voortbrengen? Dat kunt gij licht begrijpen. Een mensch kan zichzelven dan ook niet bekeeren. Bedenkt de daad Gods. Het wordt genoemd eene herschepping, een nieuw hart te geven, van dood levend maken. Wij weten wel, dat wij natuurlijk-goed kunnen doen: als namelijk eten, drinken, te kerk gaan, en dergelijke dingen. Wij 1 funnen uitwendig nog al veel doen, en \'t nog al ver brengen met dien jongeling waarvan gij leest, Matth. 19:20. Maar \'t inwendige daar kunnen wij niets toe doen. De allerkrachtigste predikant kan daar niets toe doen. Hij die plant, en hij die natmaakt, is niets, zoo God den wasdom niet geeft, 1 Cor. 3:6, 7. Altemaal de predikanten kunnen er niets toe doen. Van een anderen godsdienst, bijvoorbeeld, over te komen, dat is almede die verandering niet. Het is in een bekeeren, in een herscheppen, waarin die verandering bestaat. Ach! God! wie zal ons helpen? Bij den mensch is \'t onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk, Matth. 19 : 26. Al predikte God zelf den menscben, en tlij bracht er zijn machtigen arm niet bij, \'t zou niets helpen. Al predikte de lleere Jezus, als Hij zijnen machtigen arm niet ontblootte, zij werden niet bekeerd. Al was het een Paulus, al was het een engel uit den hemel, al had iemand de allergoddelijkste bediening, hij zou niets kunnen doen. Hij kan wel veel tot de middelen doen, maar God moet ze zegenen.

Daarop komt nu de Onderwijzer en zegt: gij kunt de onmacht niet te boven komen, tenzij gij door den Geest Gods wedergeboren wordt. Daar is eene verandering des menscben, waar in de Schrift dikmaals van gesproken wordt; en die wordt in \'tOude Testament genaamd: eene besnijdenis des harten, Jer. 4:4, Ez. 44 :9. Het steenen hart weg te nemen, en een vleeschen hart en geest te geven, Ez. 36:26, 27. En in \'t Nieuwe Testament wordt ze genaamd: eene vernieuwing, eene wedergeboorte, door Jezus Christus\' opstanding uit den doode, 1 Petr. 1:3, bekeeren, en duizenderlei zulke uitdrukkingen zult gij in \'t Woord vinden. Bedenkt het stuk. Daar ligt in Gods eeuwigen raad, dat Hij Zich aan mij of aan u verheerlijken zal in de genade in Christus. Dat wordt genaamd de verkiezing. Daar is een stonde in Gods raad bepaald van elks leven, waar, en wanneer hij geboren zal worden; zoo ook, waar en wanneer hij wedergeboren zal worden; onder zulk een predikant; met zulke talenten. Daar is in dat besluit vastgesteld het oogenblik, het punt, de juiste tijd, dat God hem aan zijn hart raken zal, door \'t een of \'t andere middel. Somtijds legt God de genade in iemand van der jeugd af aan; in sommigen in de

4G

-ocr page 51-

OVER DEN III. ZONDAG. Vrag. 6, 7 en 8.

jongelingschap. Van twaalf tot vijfentwintig jaren worden de meeste veranderd. Dan geschiedt dat ook wel in de mannelijke jaren, van de vijfentwintig jaren af. tot de vijftig toe. Hoe menigen worden er dan nog wel bekeerd! Somtijds doet God liet wel van vijftig jaren af, tot de zeventig of tachtig jaren toe. De ouderdom van Abraham was vijfenzeventig jaar; maar, geliefden! dat is een zeldzaam oogen-blik wanneer \'t geschiedt op \'t laatste tijdstip van \'t leven. In de moordenaars aan het kruis, waar gij van leest, Luk. 23; 40—43, daar waren er twee op een kruisbed, de een werd aangenomen en de ander verlaten. Als die stonde daar is, gaat God met zijn werk voort. Zij moeten dikwijls tien, twintig of dertig jaren lang, min of meer in de zonde leven, eer ze bekeerd worden; en dan komt God en zet het werk door. Te voren zouden ze er mede gespot, en \'t veracht hebben; maar dan komt God, en werkt in hen, en zij worden zoo eenvoudig; en God zegt: Menscb! wat doet gij? kunt gij nog langer tegen Mij zondigen; en daar gaan ze dan gekwetst in hun hart naar huis; en zij zouden \'t wel uitschreeuwen. Gij moet u niet verwonderen, dat ze het daar zoo uitschreeuwen; 11 and 2:37. Als gij een pijl in \'t gemoed krijgt, dan druipen de tranen uit de oogen. Och Heere! zeggen ze, ik wilde wel, dat ik al tehuis was, van onder de menschen, en alleen. Daar liggen zij dan te zuchten en te bidden, en \'t komt er voor den Heere alles uit, wat zij in al hun leven gedaan hebben; daar liggen zij dan met schaamte, en belijden en schreien, en zeggen: wat heb ik gedaan, dat ik zoo gezondigd heb? ik moet verloren gaan, zoo er geen uitkomst is. En zij zouden zich-zelven wel tegenvallen, en zeggen: er is voor u geen uitkomst of behoudenis. En de duivel zegt ook: God zon het u nog wel vergeven, hadt gij maar die en die zonden niet gedaan. Daar spelen dan zoo deze of gene zonden in hunne gedachten. Daar zitten zij dan en weenen, en worden beschaamd en schaamrood. Daar worden zij dan veranderd in hun hart, in hunne oogmerken. Daar gaan zij zich dan afscheiden van hun gewoonlijk gezelschap. En als men hen vraagt: hoe is het, dat gij niet meer bij ons komt? Ach! zeggen ze, ik kan niet meer met u verkeeren en omgang hebben: gij moest met mij mededoen, of ik moet mijn afscheid van u nemen. Dat is de wedergeboorte. Daar beginnen ze te zien, wat ze te voren niet zagen. Nu komen ze bij vromen, waar ze te voren bij goddeloozen kwamen. Nu gaan ze te kerk of in een vroom gezelschap, waar ze te voren in de kroeg gingen. Zij kunnen van de vromen niet afblijven. Die moeten dikwijls wel zeggen: wat heb ik u gedaan? gelijk Elia tot Eliza zeide. Ik kan u niet verlaten, zeggen ze. Zij zijn dan gelijk als Ruth, omtrent Naomi. God had Naomi lichtelijk aan Ruth gezegend, en aan Orpa lichtelijk niet. Uw God, zei lluth, zal mijn God zijn, maar Orpa ging weg, Ruth 1: 14. Zij krijgen eene geheel andere taal. Waar ze te voren wereldsch en goddeloos waren, daar worden zij nu in hunne taal en gedrag nederig en vroom.

Al de poppen, waar ze te voren, in de zonde liggende, mede ge-

47

-ocr page 52-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

speeld hadden, werpen ze nu in het vuur; en niemand kan ze meer stuiten. Galg noch rad kan hen tegenhouden; en zij wilden wel, dat elkeen met hen mededeed. Dan zouden zij hunne kinderen, die zij te voren tot zonden opgewekt hadden, wel naar den hemel willen doen gaan. Zij bidden voor hunne kinderen. Te voren dachten zij daar niet eens om. Dat doet nu de Geest, door middel van \'t Woord. Dat is het zaad der wedergeboorte. Dat zijn de nagelen en prikkelen diep ingeslagen van de meesters der verzameling, die gegeven zijn van den eenigen Herder, Pred. 12:11. Dat zijn de pijlen van den Koning, Ps. 45:6. Wordt het Woord aan hen eene kracht Gods tot zaligheid, Kom. 1 :1(5. Zij zijn dan niet meer onbekwaam tot het goede. Dat is dan recht tegenovergesteld. Zij zijn gewillig tot het goede, en ongenegen tot de zonde. Wat zegt gij nu? Legt u nu eens bij het stuk. Wat zegt uw hart? Ach! hoe weinig kennis hebben sómmige menschen daarvan! die denken, dat de wedergeboorte bestaat in eene verandering van godsdienst. Die ze niet kennen, stellen zich gerust daarin, dat ze dan niet veel te verantwoorden zullen hebben. Anderen, die wat kennis in de letter hebben, worden trotsch en opgeblazen. Anderen zyn er, die hun vleesch zouden toegeven, om over de handelingen Gods te twisten. Arm menschje! wilt gij dat betwisten? zegt gij tot uwen Maker: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt, dat Gij ons onder zulk een hoofd begrepen hebt? Had dat hoofd staande gebleven tot eeuwige blijdschap, wat hadt gij blijde geweest, dat gij er onder begrepen waart! Hoe blijde zijt gij, als gij onder een hoofd staat, waar gij wat goeds van krijgt. En die onder Christus begrepen zijn, dat tweede Hoofd, hoe blijde zijn die! Hoe menigen zijn er, die met den duivel in vrede leven! Geliefden! Hoe menigen beelden zichzelven in, dat ze naar den hemel gaan, die lichtelijk binnenkort in de hel zullen liggen! Hoe menigen beelden zich in, dat zij wel kracht hebben om zich te bekeeren! Zij zijn wel eens overtuigd; zij zeggen wel eens: ik zal bidden, ik zal lezen. Maar, hoort gij \'t wel, mensch! dat is de wedergeboorte niet. Het zijn alleenlijk middelen om ze te verkrijgen. Menigen denken: ik ben ai wedergeboren, doch zij zijn nog zelfs niet eens op den weg daartoe. Wij zullen u eenige teekenen geven.

Èerst. Een kindeke, als het eerst geboren wordt, krijgt zijn leven van een ander; dit geestelijk kind krijgt ook een leven, dat het te voren niet had. God geeft het: Hij heeft ons gemaakt, en niet wij, Ps. 100:3. Paulus\' planten en Apollos\' natmaken is niets: God moet den wasdom geven, 1 Cor 3:7.

Ten tweede, \'t Is zoo klein in \'t begin. Ach! hoe klein is dit geestelijk kindeke, als het wedergeboren wordt! \'t Is klein in kennis, in geloof en in alles.

Ten derde. Daar komt een tijd, dat het te voorschijn komt. Hoelang dat het ook gedragen mag wezen, er is een tijd dat het doorbreekt ; dit kind smoort niet in de geboorte, maar het wordt geboren: het breekt door op zijn tyd.

48

-ocr page 53-

OVER DEN III. ZONDAG. Vr.ao. G, 7 011 8.

Ten vierde. Als een kind geboren wordt, zoo komt het walgelijk te voorschijn; en /,00 ziet zich dit kind ook, Ezech. 16:5.

Ten vijfde. Ben kind is zoo naakt als het geboren wordt, zoo ook dit kind; als iemand wedergeboren wordt, het heeft geen kleederen van inbeelding ol eigen gerechtigheid.

Ten zesde. Hoe kermt een eerstgeboren kind om voedsel! zoo ook dit geestelijk kind is niet zoo haast wedergeboren, of het heeft zulk een trek naar die redelijke en onvervalschte melk, die kinderspijze.

Ten zevende. Een kind daar moet de hand aan gehouden worden. Zoo ook al wederom een wedergeborene, hoe wordt hij gekweekt, getroeteld, bewaard! De Heere heft ze op, als ze vailen; Mij ondersteunt ze als ze struikelen.

Ten achtste: Een kind groeit; het wast op. Zoo doet ook mede dit geestelijke kind: het groeit, en neemt toe in vrijmoedigheid, in voorzichtigheid, in kloekmoedigheid, in eenvoudigheid, en in gave van bidden. Vindt yij dat in uw hart, dankt er God voor. Dit is de eerste rustdag in dit jaar. Wat is dat wonderlijk dat wij nu juist van de nieuwe schepping spreken! Gij ziet dan wel, dat ons hart vol is om u allen tot wedergeborene kinderkens te maken, om u allen toe te wenschen, dat gij dit ondervinden moogt. Ik wensch, dat in Gods eeuwigen raad en in het boek des levens mijn en uwe namen ten leven mogen zijn opgeschreven; en dat gij in de loopbaan van uw leven zulk een stondetje heugen moogt, dnt gij bereids gekregen hebt, of nog krijgen zult, dit geestelijk leven. Ik wensch u van uod zoo veel geest toe, dat gij u dit geestelijk leven niet schaamt, en dat gij als een geestelijke levende onder de dooden moogt staan. Wij wenschen u toe, zoo gij nog volgende jaren hebt, dat gij gesterkt moogt zijn in \'t geestelijk leven, en dat gij moogt zijn tot opscherping der liefde en der goede werken. Wij wenschen u toe. dat, als gij onder \'t middel zijt, en als gij scheidt, dat gij dan moogt zeggen: God zij geloofd, ik ga niet ongezegend heen. Wij wenschen, dat God u zegene in uwe personen, familiën, en in alles, waar gij uwe hand aanslaat. Wij wenschen u niet alleen toe het geestelijk leven, maar dat gij deel moogt hebben aan de hope des eeuwigen levens. Dat gunne ons God, mij eu elk uwer, om zijns Zoons wil. Amen.

49

-ocr page 54-

C AT E C HIS MUS-P RE D IK A TIB.

Over den TV. Zondag, Vrao. 9. 10. n.

Vierde Zondag.

9. Viuag. Boet dan God den mensch geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eischt, dat hij niet doen kan?

Antwoord. Neen Hij; want God heeft den mensch al/.oo geschapen, dat hij dat kon doen, maar de mensch heeft zichzelven en al zijne nakomelingen, door \'t ingeven des duivels, en door moedwillige ongehoorzaamheid derzelver gaven beroofd.

10. Vraag. Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Antwoord. Neen Hij, geenszins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk, beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen, gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt zij een iegelijk, die niet blijft in al wat er geschreven is in het boek der wet, omdat te doen.

11. Vraao. Is dan God ook niet harmharüg ?

Antwoord. God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig, daarom zoo eischt zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste Majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf, aan lichaam en ziel gestraft worde.

WIJ lezen, Pred. 7:29, Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht. Salomo had al veel onderzocht en nagespeurd. Hij had al groote dingen onderzocht, om eene sluitrede te willen maken. Hij had den mensch gevonden, dat hij daar geen staat op kon maken; maar hij had God gevonden goed en volmaakt; den mensch daarentegen had hij gevonden met veel listen en vonden. God is een licht, in welken gansch geen duisternis is, 1 Joh. 1:5. Tegen den prins mag men niet zeggen: Gij zijt een goddelooze, noch tegen een vorst: gij Belialsman, volgens de taal van Job, Job 34:18. Hoeveel minder\' kan men dat van God zeggen, die het aangezicht dei-vorsten niet aanneemt, noch de rijken niet kent voor de armen. Job 34:19. Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht, Job 34:10,quot; Hij is een werkmeester, wiens werk volkomenIJ lezen, Pred. 7:29, Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht. Salomo had al veel onderzocht en nagespeurd. Hij had al groote dingen onderzocht, om eene sluitrede te willen maken. Hij had den mensch gevonden, dat hij daar geen staat op kon maken; maar hij had God gevonden goed en volmaakt; den mensch daarentegen had hij gevonden met veel listen en vonden. God is een licht, in welken gansch geen duisternis is, 1 Joh. 1:5. Tegen den prins mag men niet zeggen: Gij zijt een goddelooze, noch tegen een vorst: gij Belialsman, volgens de taal van Job, Job 34:18. Hoeveel minder\' kan men dat van God zeggen, die het aangezicht dei-vorsten niet aanneemt, noch de rijken niet kent voor de armen. Job 34:19. Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht, Job 34:10,quot; Hij is een werkmeester, wiens werk volkomen

-ocr page 55-

OATEOHISMÜS-PRTOD [KATIE ENZ.

is, üeut. 32:4. Als nu iemand zegt, dat God de bewerker van de zonde is, weet gij, wat men zulk een moest doen? Dit, hetgeen ze dien lasteraar deden, Levit. 24: 14, De gansche vergadering steenigde hem, totdat hij stierf. God heeft den mensch goed geschapen en naar zijn evenbeeld. Hij maakte volmaakte schepsels in den hemel, zonder lichaam; en Hij maakte het redelijke schepsel op de aarde, den mensch ook volmaakt. Die mensch had lichaam en ziel; maar dooiden val werd de mensch doortrapt, vol listen en vonden. De duivel komt bij hem met zijne listen; wel zegt hij, eet van dien boom; \'t zal immers zulk een groot kwaad niet wezen? Doet het slechts; God heeft het wel verboden, dat is waar. Daarop toont hij dat God goed is; en gij hebt anders niet te wachten, zegt hij, daii dat God goed zal blijven; ziet de spijs, zij is begeerlijk; en is \'er nog al eenig kwaad in. God zal het u vergeven. Daar bracht hij hen tot ongehoorzaamheid. Die mensch nu gevallen zijnde, heeft nu ook zijne listen en vonden. O! daar wenschte hij wel, dat als er geen God was; of was er een, dat Hij niet alwetend, en niet alomtegenwoordig was. Daar gaat hij zich versteken, alsof God niet alomtegenwoordig was. Hi) vliedt of God niet alwetend was; daar gaat lijj het bedekken; hij legt het zoo al van het eene op het andere, en uit een vijandigen grond, en eindelijk op God zelf. Gelijk God nu den mensch recht geschapen heeft, zoo is hij door den vul als een wangeschapene geworden, en al zijne nakomelingen hebben die listen ook geleerd. Dat zegt Salomo, dut ze veel listen en vonden hebben. Wat voor listen hebben de menschen na den val? Deze: Paulus zag dien helschen vond, Rom. 9. Waarom, zeiden ze, heeft God ons begrepen ondereen hoofd, waarom heeft God ons niet bizonder voor onszelven laten staan of vallen, gelijk als de engelen, die Hij onder geen hoofd gesteld heeft. Maar hij antwoordt hen daarop, vers 20 en 21: Wie zijt gij, o mensch! zegt hij, dat gij tegen God antwoordt? Of heeft de pottenbakker },reen macht over het leem? Zal een kind tegen zijn vader zeggen: Wat genereert gij? En togen zijne moeder: Wat baart gij ? Jes. 45 : 10.

Daar komt nog een ander met nog een vond, en die zegt: wij hebben het niet gedaan; moeten wij boeten wat onze vaders gedaan hebben? Onze vaders, zeiden ze, hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden, Ezech. 18:2. Kan God, zeggen zij, met recht van ons eischen, hetgeen onze voorouders ee-daan hebben?

Daar komt nog een andere listigheid. Is dat recht, zegt men, dat God van ons eischt, hetgeen Hij weet, dat wij niet doen kunnen? Als Hij dat dan straft, is dat dan de rechtvaardigheid Gods niet benomen ?

Dan komt er nog een andere vond en die legt een breede pleister van de barmhartigheid Gods op hare wonde. Zou God dan wel barmhartig zijn, als Hij ons straft om de zonde van onze voorouders? Dat alles gaat de onderwijzer ontdekken, en wegnemen; en hij toont aan, dat God rechtvaardig is, als Hij al de nakomelingen straft, om

51

-ocr page 56-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

de overtreding van onze voorouders. Gord nu als een man uwe lendenen; Ik zal u vragen, en onderricht Mij, zegt God, Job 40:2. Hij gaat ze in hunne naaktheid zetten; en hij neemt al die leugenen uit hunne rechterhand weg, opdat ze als verlegen en verslagen zouden komen; even gelijk een David, in den 6aen Psalm vers 2—8, en gelijk als al de vromen gedaan hebben. Maar zoo God het niet zegent, \'t zal alles niet kunnen helpen. Nu kan niemand zich/,elven helpen, evenmin als een Moorman zijne huid kan veranderen, al wascht hij zich met koud en met heet water, al schuurde hij zich met zand en zeep, hij blijft een Moor; al plant gij een doorn in nog zulke goede aarde, hij blijft een doorn. Zoo is \'teveneens gesteld met den zondaar; hij blijft zooals hij is, zoolang, totdat het God belieft hem aan zichzelven te ontdekken. Daartoe is de Onderwijzer bezig geweest in de twee voorgaande Zondagen; en in dezen Zondag hebben wij te bezien: •• i r j-

Eerst den eisch Gods omtrent eene onmogelijke zaak; en of die eisch wel rechtvaardig is.

Ten tweede. Als die eisch niet voldaan wordt, den schrikkelijken toorn Gods, en de straf. __

Ten derde. De laatste toevlucht van een zondaar, die hem bijblijft totdat hij den laatsten snik op zijn doodbed geeft; die neemt hij^ weg, en hij toont aan, dat God zijne barmhartigheid niet oefent, of zijne rechtvaardigheid moet eerst genoeggedaan worden Dat doet hij, \' Ten vierde. Om een mensch tot het gezicht van zijne zonde te brengen, opdat hij langs den weg van de kennis der ellende zou komen tot dien eenigen troost in leven en in sterven. Dat zijn onze zaken; vier stukken die te verhandelen staan. Ten eerste. God eischt wat ik en gij niet doen kunnen, is dat rechtvaardig? Ten tweede. Als wij in gebreke blijven, straft Hij het. Ten derde. Behelp u niet met de\'barmhartigheid\'; er is geen barmhartigheid in \'t zalige Wezen, of zijne gerechtigheid moet genoeggedaan worden. Ten vierde, en ten \'laatste. Ziende nu zoo ons ongeluk, zullen wij daardoor niet verlegen worden; zullen wij daar niet eens over op onze knieën vallen en onzen Rechter om genade bidden, gaan schreien, op ons aangezicht vallende, en worstelen om vergeving en ontferming?

Wat het eerste aangaat. Wat eischt God van ons? Weet gij wat? Dit, dat ik en gi] ons leven geen zonden zouden doen; dat wij volmaakt God dienen zouden. Lev. 18:5, doet dat en gij zult leven. Mark. 12:30, 31, Gij zult liefhebben den Heere uwen God met geheel uw verstand, met al uwe krachten, en uw naaste als uzelven. Gij moet God volmaakt liefhebben, en uw naaste als uzelven. Gij moet geen eene zonde doen van \'t begin tot het einde van uw leven. Dat is nu de eisch van den grooten God. Dat was den mensch vóór den val niet onmogelijk; maar kan ik en kunt gij dat nu doen? Ach! neen. Ach! neen. Evenmin, als een Moorman zijne huid veranderen kan, Jer. 13:23, evenmin als een hert dat dood is leven kan. Wie kan een blindgeborene het gezicht geven; een doode doen leven;

52

-ocr page 57-

OVER DEN TV. ZONDAG-, Vuag. 0, 10 on 11.

53

een kreupele doen wandelen? Kan een kwade boom wel goede vruchten voortbrengen? Neen. Ja, zoo hij iets kan doen, zoo moet het de machtige en genadige band Gods in hem komen doen. Daar moet dan aan hem zulk eene kracht geschieden, als er geschied is door Jezus uit de dooden op te wekken. Et\'. 1 :19, 20. \'tls dan door de - uitnemende grootte en sterkheid van Gods macht. Zoo wordt hij dan een nieuw schepsel. Als dat schepsel nu dit alles heeft, dan kaii het hier pog niet volmaakt zijn. De besten hebben nog maar een klein beginseltje. Elk moet zeggen: dat al wat er nog in hem is, het nog maar ten deele is; en hetgeen ten deele is, zal eens tenietgedaan worden, 1 Gor. 13:9. God eischt het evenwel, zult gij zeggen. Daar was een heidensch wijsgeer, die zeide: hoe zullen wij\'de wetten maken? Naar de macht van den mensch. antwoordde men hem, naaide macht van de onderdanen. Hoe zult gij de wet maken, Heere? Naar de macht der menschen, zonden wij zeggen. Neen, zegt de Heere, hier blijft de eisch Gods. \'t Is wel onmogelijk; maar wij moeten onderscheid maken tusschen volstrekt onmogelijke zaken, en onmogelijke zaken door toeval. Iets is onmogelijk, dat altoos en volstrekt onmogelijk geweest is. Iets is onmogelijk, dat mogelijk geweest is, maar door een toeval onmogelijk geworden is. Daar kan iets zijn\' dat nooit mogelijk is geweest, doch dat eischt God ook niet. De wereld te scheppen, het zand de zee tot paal te zetten, de zon te re-geeren, eischt God dat? Neen; dat zou niet recht zijn. Maar iets is onmogelijk, dat mogelijk is geweest, maar door een quot;toeval onmoge-lijk geworden is. Door den val in de zonde zijn wij onmachtig geworden, om God volmaakt lief te hebben, en te gehoorzamen. De Onderwijzer zegt: door \'t ingeven des duivels, en moedwillige ongehoorzaamheid is de mensch gevallen. God had hem geschapen, dat hij het doen kon. Nu blijft deze kwestie nog over: Doet God dan den mensch geen onrecht, dat Hij in zijne wet van den mensch eischt, hetgeen vóór den val mogelijk was? Want God had hem volmaakt geschapen; maar door een toeval, te weten, het vallen in de zonde, is het onmogelijk geworden. Doet dan God geen onrecht, dat Hij van hem eischt \'tgeen hij niet doen kan? \'t Was mogelijk in den staat der rechtheid. Wij zagen in den vorigen Zondag, dat\' ze tegen hun beter weten, en tegen alle licht aan hebben gezondigd, zonder dat ze van binnen daar in \'t minst toe werden aangezet, of de minste noodzaak van buiten daartoe hadden. Nu is de vraag: of dat onrecht is, dat God eischt, dat wij Hem zoo dienen, alsof wij nog in den volmaakten staat waren voor den val. Dat bestaat onder\'alle volkeren en rechten, dat een heer van zijn knecht, een koning van zijn onderdaan, een crediteur of schuldeischer van zijn schuldenaar mag eischen volkoraene betaling, zoo zij die te voren hadden, maar door een toeval verkwist hebben. Behoudt een heer geen recht om te eischen, dat zijn knecht hem zal dienen, al heeft die zich door dronkenschap daartoe onbekwaam gemaakt? Zoo is \'t hier ook gesteld. Mensch! zegt God, gij verkwist moedwillig den zegen, maar Ik eisch evenwel\',

-ocr page 58-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

dat ini Mij volmaakt zult dienen. Gij zijt mijn schepsel, Ik uw Wetgevergii bliift afhankelijk van Mi] in uvv wezen; gn hebt wei uzelven van die gaven beroofd, doch Ik blijf recht hebben om te eischen eene volmaakte gehoorzaamheid. De eisch is alti)a recht, ciat men van een ander eischt, \'tgeen voor hem mogeh]k is en was te doen; al heeft hij nu niets om te betalen, blijtt nochtans de eisen billijk en rechtvaardig. Ach Heere! moeten wij zeggen, alle. mond is hier gestopt: \'t is zoo betamelijk: wij kunnen het met doen, wij hebben moedwillig onszelven onmachtig gemaakt; wij geven U eer, dat Gij recht hebt om te eischen. In \'t burgerli]ke zou men het kwalijk nemen, als men zeide, dat dat geen recht was, en zal het dan alleen in \'t geestelijke bij God kwalijk genomen worden? Behalve dat, zondaar, ziet gij nu wel hoe gij dat misbruikt in uw levensloop, dat de predikanten willen hebben dat gij u bekeert en gy kunt met. Gij eischt, zegt gij, een onmogelijken plicht, die niet kan geschieden, dan door de kracht Gods. Zij eischen dan Gods recht, en niet uwe

kl Nu hebben wij het tweede stuk te bezien. Als gij in gebreke blijft, zegt God, al weet Ik dat gij niet kunt volbrengen \'tgeen Ik in mijne wet eischte, zoo zult gij gestraft worden. Is dat recht. Ja. Als een lieer ziin knecht dronken ziet, zal liij hem dan met tiicntigen. Of zal\'een kind niet getuchtigd worden, dat zich moedwillig mis-draagt? Zal de overheid de moedwilligen niet straffend Kom. io • ^ leest gij, dat zij Gods dienaresse is, en het zwaard met tevergeets draagt; maar een wreekster is tot straf desgenen, die kwaad doet. Zoo straft God dan ook. Wat straft Hij? De zonde. Met wat voor een straf en hoe? Rechtvaardig is God de Heere in \'t straiten van de zonde. Hij houdt den schuldige geenszins voor onschuldig, en dat is zijn Naam, Exod. 34:7; de zondaar zegt altijd: genadig en barmhartig is zijn Naam. \'t Is zoo, en dat gaat vooraf, Lxod. 34 : b ; maar \'t is ook zoo, en het wordt er al aanstonds bijgezegd, dat 14i] den schuldige geenszins onschuldig houdt. Daarom wordt er ook getuigd. Een Wreker is de Heere aan zijne wederpartijders, en Hi] behoudt den toorn zijner vijanden. Nahum 1:2. Hij haat alle werkers der ongerechtigheid, Hij zal de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel; de boozen zullen bij Hem niet verkeeren, noch de onzinnigen zullen voor zijne oogen met bestaan, Ps. 5:57. Rom. 1:18, de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel, over alle goddeloosheid en ongerechtigheid dei men-schen. En dat is het recht Gods: nameliik dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn, Rom. 1:32. Wilt gij voorbeelden hebben? Gaat dan naar duizenden gevallen engelen. Heelt bod ze niet gestraft en verwezen ten vure, en alle genade voor eeuwig aan hen ontzegd? 2 Petr. 2:4. Gaat naar Adam toe. Heelt God hem ook niet gestraft? Gaat naar de eerste wereld, Gen. 7:21. Gaat, staat eens stil bij Sodom en Gomorra. Gaat, wandelt eens in hgypte, en beziet Israël, als zij daar zoo verdrukt werden. Heelt God de

54

-ocr page 59-

OVER DEN TV. ZONDAG. Vrao. f», 10 en 11.

Egypfcenaren niet merkbaar gestraft ? God straft de zonde. Let eens op Gods kinderen, die Hij zoo liefheeft. Wanneer zij zondigen tegen God, zoo komt de Heere en kastijdt ze, 1 Petr. 4:17. Als nu liet oordeel eerst van liet huis Gods begint, wat zal \'t dan met degenen zijn, die het Evangelie ongehoorzaam zijn? Ziet het eens in den Heere Jezus, den Borg van het verbond, 1 Petr. 2:22—24 en Jes. 53:\'2—8. God straft de zoude, al is het dat 11 ij lankmoedig is. Do lankmoedigheid van God neemt de straf niet weg. Denkt gij: God verdraagt mij zoo al? Wel al komt het oordeel Gods niet haastelijk over eene booze daad des menschen, \'t zal evenwel niet achterblijven. Honderdentwintig jaren gaf God aan de eerste wereld, zij achtten de prediking van Noach niet; doch het kwaad kwam hen evenwel over. Veertig jaren heb Ik verdriet gehad van dit geslacht, zegt God, Ps. 95:10. Gij moet den rijkdom van zijne goedertierenheid niet verachten, of gij vergadert uzelven toorn als een schat in den dag des toorns en der openbaring van Gods rechtvaardig oordeel, Rom. 2:5. De lankmoedigheid Gods neemt de straf niet weg. Als de maat vol is, dan komt het kwaad, Gen. (3:13 en 15: 1G, de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. De maat was nog niet vol. Welke zonden straft God? De aangeborene of erfzonde; en allo werkelijke zonde. De erfzonde is de moeder der hoererij, die in de wereld is; dat monster is de hartziekte van de ziel; en als het hart ziek is, dan is het aangezicht ook ontsteld. Als die plaag van binnen is, dan is het van buiten ook geheel ontsteld. Straft God die nu? Ja. Uwe kinderkens sterven, die geen dadelijke zonde begaan hebben. Heeft God recht om die in de hel te werpen? Ja; alzoowel als ons, die zoovele dadelijke zonden begaan hebben. Wat dunkt n van de eerste wereld? \'t Gedichtsel der gedachten van \'s menschen hart is ten allen dage alleenlijk boos, zelfs van onze jeugd af. Gen. 6:5. Hoe menig kind is er toen in den Zondvloed naar den afgrond met zijne ouders gegaan, die in de gevangenis waren ten tijde van Petrus? Wilt gij \'t nog klaarder zien? Bekijkt dan So dom eens. Tot de kinderkens toe werden daar in dien algemeenen ondergang verbrand, die zoo niet gebrand hadden in de zonde.

Wilt gij \'t nog nader zien? Bekijkt dan Korach, Dathan, en Abiram: de aarde opende haren mond, en verslond ze met hunne huizen, en zij met hunne gansche familiën zonken levend ter helle, Num. 16; 31—33. Moet nu een vader en moeder altijd denken: mijn kind dat gestorven is, is in de hel? \'t Mag wel kommer in uw hart baren. Maar weet gij wat gij doet, zegt: Heere! gij zijt rechtvaardig; ik heb U gezocht, als het kind nog leefde; maar nu is het dood, nu moet ik zwijgen. Evenals een David. Leert dit van David, 2 Sam. 12:20. Gij zult licht uw kind in den hemel vinden. Wel weest er niet al te bekommerd over, zoo gi] genade hebt, en zalig zult worden: al was het, dat uw kind verloren gegaan was, het zal u geen pijn zijn, omdat God er Zich in verheerlijken zal.

God straft ook de dadelijke zonden. Wij hebben stoute zonden:

55

-ocr page 60-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zonden met studie en overleg\' en met zeer veel verzwarende omstandigheden. Wij zijn hoovaardig, trotsch. Wij willen God niet vreezen. Wij kennen elk de zouden van elkander niet, maar wij kennen onze eigene wel, welke onze voorname zonden zijn. Wij hebben allen de majesteit Gods gekwetst, zijn toorn getergd, zijne lankmoedigheid vertreden, den zegen misbruikt, tegen de slagen zijn wij opgerezen, zoodat wij niet te stillen waren. Wij hebben altemet over de zonde gelogen, ons aangezicht als een keisteen gesteld, harder dan een rots, de zonde daar zijnde. Hoe is \'t gesteld, als er eens in een huis een moord of doodslag bedreven wordt? De justitie staat voor de deur. Zoo ook, als bij een mensch de zonde is, de justitie Gods staat voor de deur. Daar komt de wrake Gods, Gen. 4:7.

Nu komen wij van zelfs daartoe. Met wat voor strat straft God de zonde? Met de tijdelijke, geestelijke en eeuwige straf. De onderwijzer zegt: met tijdelijke en eeuwige; doch wij zullen, om \'t gemak van ons geheugen, de straf verdeden in drieërlei: te weten in lichamelijke. geestelijke en eeuwige. De onderwijzer verdeelt ze wel in tweeërlei, namelijk in tijdelijke en in eeuwige, doch \'t is evenveel. Wilt gij \'t zoo nemeiii wij kunnen het ook wel zoo doen; maar anders zeggen wij, met lichamelijke, geestelijke en eeuwige straffen.

Ten eerste. Ach Heere! als wij de wereld bezien, hoe is \'t schepsel onder de ijdelheid! Daar ligt het en zucht, en zegt: ik ben in mijn element niet. Het water moet vechten tegen den mensch. De bliksem, de donder, het is mijn element niet. Het zegt, \'t is voor den val zoo niet geweest. Rom. 8:20, Ik ben der ijdelheid onderworpen, ofschoon niet gewillig; ik wilde wel dat het alweer anders was. Dat kan niet zijn, als in den dag der opstanding: als er nieuwe hemelen, en een nieuwe aarde zal zijn, 2 Petr. 3 :13. Bezien wij den hemel, hoe is die door de zonde geworden? Die is dikwijls als ijzer geworden, de aarde als koper, Lev, 26:19. Daar komt de sprinkhaan, de rups, de kruid-worm, dat heir Gods, dat trekt daar in de akkers, en er is geen rund in de stallingen, Hab. Ill: 17. O! hoe zucht het vee! Joël 1 : 18. Hoe gaat het met den mensch op de dorpen en in de steden? Ach! hoe menigmaal moeten ze zuchten! Daar is dikwijls de vloek in alles, in hun opstaan, in hun nederliggen, in den baktrog, in de kinderen, in \'t beroep, in de nering, Deut. 28 en Levit. 26. Komt gij van het eene huis in \'t andere, in elk huis is het een of \'t andere ontsteld. Daar zucht de vader, daar zucht en schreit het kind, daar sterft de moeder, daar zucht en schreeuwt er een van de pijn, daar wordt een kind geboren, daar komen de zusters de broeders tegen met tranen, daar vindt gij er een, die zegt, ach! mijn hoofd; een ander, ach! mijn voet; een ander, ach! mijn borst; een ander, ach! mijne lendenen; een ander wat anders; hebbende dikwijls zooveel ellende, dat ze den dood zouden kiezen boven het leven, waarom ze wenschen in \'t graf te liggen. Er zijn dikwijls zooveel lichaamsellenden, dat men zou zeggen: ach! was ik niet geboren. Daar vervloeken ze dikwijls hunne ouders, en den dag van hun geboorte. Elkeen heeft meest al

56

-ocr page 61-

OVER DEN IV. ZONDAG. Vrao. 0, 10 en 11.

zijne bezoekingen, de een min, de ander meer. Zijn er die geen banden hebben tot den dood, dan zijn er nog zwaarder geestelijke plagen. Die \'t minst lichamelijke plagen hebben, die hebben dikwijls het allermeest van de geestelijke plagen. Do geestelijke zijn ontzag-lijker dan de lichamelijke.

Ten tweede. Wat zijn de geestelijke straiten om de zonde? Blindheid in het verstand, zij zien niet, zij kennen noch God noch zichzelven. Hun oordeel is verduisterd, hun wil verkeerd; hun geheugen is verdorden, hun geweten kan hen schrikkelijk benauwen; welke angsten en nepen hebben ze wel in hun gemoed, zoorlat ze geen raad weten, zij hebben dikwijls zooveel, als zij dragen kunnen. De sprankels van de hel hebben ze in hun gemoed. Weet gij met wat voor geestelijke plagen God de Heere de zonde straft? Zijn Geest twist niet met hen, zij zitten gemakkelijk onder de predikatie, zij hooren die gemakkelijk, er is geen hart bij de zaken, er komt een geest des diepen slaaps, zij zijn niet wakker te maken. En zijn ze al eens wakker, hoorende hooren ze, maar zij verstaan niet; ziende zien ze, maar zij bemerken niet. Maak het hart dezes volks vet, zegt God, Jes. G: 9. Is er ergens een vrome, die altemet nog een aanspraak aan hen doet. God neemt ze weg door den dood; is er een vrome vader of moeder die met ons eens bidden, zij gaan weg; is er een predikant die het meest op ons hart vermocht, God neemt hem weg, of maakt hen onbruikbaar; zij slijten af bezijden den dorschvloer in het kaf. De goeden gaan weg, het koren wordt er niet verzameld, en er blijft een hoopje licht kaf oVer; hun gebed is tot zonde. Eindelijk zoo komt God en Hij zegt: Ik zal den kandelaar van zijn plaats wegnemen. Ach lleere! waarom verstokt gij ons hart, dat wij u niet vreezen? Dan komt eindelijk het slot van al die zichtbare dingen, dat is de dood, Gods bode, die ons gadeslaat bij dagen en bij nachten. Daar haalt bij, als \'t zijn tijd is, den een van het raadhuis, den ander van den predikstoel, den ander van zijn kantoor, den ander uit zijn gezelschap, den ander uit zijn schuit of schip, den ander van den wagen, den ander uit zijn winkel, den ander van zijn werk, den ander van achter zijnen ploeg; daar schiet hij, op Gods bevel, een pijltje, dat hem grijpt bij de kraag van zijn rok. Daar wordt het bed gespreid en bereid, waarop hij gaat liggen, waar hij bij zijn leven niet van af komen of opstaan zal; de ziekte begint zoo aan te groeien dat men zegt: de dood heeft dien zieke bevangen. Op het aangezicht komt het natte doodzweet, de hersenen zijn bedwelmd, de tong begint te stamelen, het geweten brandt dikwijls zoodanig op het laatst, dat het hem schrikkelijk benauwt. Die bode doet ondertusschen zijn last. Daar geeft de patient een snik, en hij is weg, hij is dood. Daar staan de vrienden en schreien, zij zeggen, hij of zij is overleden. Was dat nu nog maar alles, maar hetgeen er nog opvolgt:

Ten derde. Dat is \'t allerzwaarste; en dat zijn de eeuwige straffen. Een half uurtje min of meer na dien laatsten snik zoo is die ziel in de hel. Daar heft zij hare oogen op in de vlam, in die plaats van

B7

-ocr page 62-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

eeuwig ach en wee! in dat eeuwige vuur dat voor de goddeloozen bereid is, en door den adem des Almachtigen zal worden aangestoken. Ach Heere! dat is die buitenste duisternis. Dat zijn die eeuwige pijnen; en de rook van hunne pijniging gaat op in alle eeuwigheid; naar de ziel wel eerst, na de opstanding in ziel en lichaam beide. Vreest Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel, Matth. 10: 28. Wat is daar nu? Straf van gemis en straf van gevoel. Wij weten het allen wel, dat het vreoselijk zal zijn aan de sprankels van ons gemoed, die als voorbereidselen zijn. Hoe vreeselijk zal het daar zijn! Al was het heelal papier, al waren al de wateren op de geheele aarde inkt, al de grasscheutjes en kruidjes, pennen en al de zandkorrels aan de zee, schrijvers, zij zouden echter niet bekwaam zijn, om dat ongeluk te beschrijven. Er is niemand, hoe bekwaam hij ook zij, om dien jarnrner te beschrijven; dat is onmogelijk en onbeschrijfelijk. Evenwel is er zooveel van bekend, dat u de haren daarvan ten berge moeten rijzen.

Wat is nu, zult gij mogelijk vragen, de straf van gemis? Wat missen zij er? Ze missen er God. Dat hindert mij niet, zegt de zondaar, ik kan Hem nu wel missen. Maar zondaar! nu hebt gij uw vermaak, en dan zult gij dat ook missen. Gij hebt dan nu geen vermaak in God, dan zult gij ook den hemel missen. Dien mis ik nu ook, zult gij zeggen; als ik altijd op aarde mocht blijven, wat vraagde ik dan naar den hemel. Ja maar, als gij den hemel zult missen, dan zult gij de aarde ook missen. Dat ik en gij ballingen werden gemaakt, zou het ons niet tot smart zijn? Als eertijds Tarquinius uit Rome moest vertrekken, schreide hij daarover. Gij zult missen uw gezelschap, gij zult missen de vromen, die u altemet eens aanspraken, eens met u en voor u baden. Gij zult missen datgene, \'twelk u nog eens verkwikken kan, do kerk, de predikatie, de bediening, die zoo opwekkend was; den Bijbel, dien gij altemet eens lezen kunt. Gij zult missen een stichtelijk traktaat, en al zulke boeken, die gij hier altemet eens in uwe hand kondt nemen. Gij zult missen al het genoegen, dat gij hier hadt. Gij zult missen uwe dienstboden, gij hadt er hier altemet twee of drie die u ten dienste stonden met wat gij maar spraakt. Gij zult missen uwe godloochenende gedachten, Gij zegt nu wel, is \'t wel zoo, dat er een hel zal zijn; maar dan zult gij er uzel-ven over vervloeken, dat gij het niet geloofd hebt. Dan zult gij niet eene godloochenende gedachte hebben omtrent God, omtrent het oordeel, omtrent de opstanding. Gij zult missen al uwe valsche gronden, uwe pleisters van looze kalk; al dat genezen van uwe breuken op \'t lichtste; al uwe vleiers zult gij missen, al uw eigen vleierij. Ach, schrik! wat zal het dan zijn?

Dan zult gij nog daarenboven eene straf van gevoel hebben. Wat is dat? Een gevoel in uwe ziel; een gevoel in uw lichaam; in uwe ziel eerst, en daarna ook in uw lichaam en in uwe ziel tegelijk. In de ziel eerst: want gij zult zulk een klaar en helder begrip van uw ongeluk hebben, en zien dat uwe breuk zoo groot is als de zee, en

58

-ocr page 63-

OVER DEN IV. ZONDAG. Vkao. 0, 10 en 11.

50

dat ze niet te lieelen is. Dat niet alleen, maar gij zult uw ongeluk willen voorkomen, om niet te^en God te zondigen, en gij zult niet kunnen, gij zult het door een gedurig zondigen nog grooter maken. Gij zult iri uw geheugen gestraft worden. Kind, zal \'t zijn, gedenk, dat gij het goede gehad hebt in uw leven. Luk. 16:25. Gij zult ge-denkeli, hoevelen er waren, die u in uw leven naar God toe hebben willen brengen, en gij hebt niet gewild. Gij zult gestraft worden in uw geweten. Nu is \'t mijn tijd, zal die zeggen, tot in eeuwigheid; op de wereld moest ik zwijgen, toen gaaft gij mij geen gehoor, hoewel ik u zoo trouw gewaarschuwd heb, ik moest achteraf staan; maar nu zal ik het alles in uw aangezicht werpen, dat verborgen en openbaar was. De leden van uw lichaam zullen gestraft worden. Gij zijt zot en dwaas, die denkt dat er in de hel geen lichaamspijn zal zijn. Gij zult aldaar allerlei pijnen en plagen hebben. Heeft nu altemet iemand een soort van lichaamspijn, hij is vrij van andere pijnen; maar daar zullen ze allerlei en altemaal zijn. Is er altemet een lid bezocht, het andere is wederom vrij. Maar daar zal de bezoeking in al de leden zijn, van het hoofd af tot de voeten toe. Job was zoo bezocht, en zoo zal \'t daar ook zijn; doch hij kreeg uitkomst; maar daar zal het zijn zonder eenige tusschenpozing, daar zal \'t aanhoudend zijn. Uw tong zult gij kauwen van pijn, uwe tanden knersen, uwe handen wringen, met uwe voeten stampen, met uwen mond zult gij vloeken. Ach Heere! hoe bang zal \'t zijn! gij zult moeten zeggen, dat de helft u hier niet is aangezegd. Nu spot gij er mede en gij zegt: zou er wel vuur in de hel zijn, en wat zal het voor vuur zijn, hoe zou liet kunnen wezen, dat men in \'t vuur zou liggen en niet verbranden? Wel zotten! alsof \'t God onmogelijk was u in het vuur te laten leven. Wel gekken! was het God wel onmogelijk den braambosch te laten branden en niet verteren ? Exod. 3:3. En de jongelingen in den vurigen oven te laten wandelen, zonder te branden? Dan. 3:25. En zal \'t dan God onmogelijk zijn u in de hel, in de uiterste pijn te laten leven? Het zijn zoo al vuile duivelsche dingen die wij in ons hart hebben. Wij zeggen tegen die daartegen zijn: is zijne hand verkort? Kan Hij der leeuwen muil toesluiten voor Daniël, en ze openen voor zijne wederpartijders ? Dan. 6:23. En zou Hem dat onmogelijk zijn? Daar zult quot;ij moeten zijn in zulk een deerlijk gezelschap,quot; bij de duivelen, bij de moordenaren, bij de aller-goddèloosten die er op de geheele wereld ooit geweest zijn; die aan galgen gehangen hebben, geradbraakt zijn, die verbrand zijn om hunne schelmstukken; bij de alleronbeschaafdsten, bij de duivelen, die geesten, die hier zoo verschrikkelijk voor u waren dat gij or voor sidderde, en \'t klamme zweet u uitbrak, als gij dacht, dat God mij eens een duivel liet zien. Laten wij elkander niet verleiden, gij zijt immers niet zot. Wij weten \'t wel, wat er in \'t hart al omgaat. De duivel stelt toch al zijne listen in \'t werk, om u te verleiden; en dan zal hij zeggen: nu moet ik al mijne macht in \'t werk stellen, om u te pijnigen, volgens den last van den Opperrichter, Wiens die-

-ocr page 64-

CATEOHISMUS-PREDIKATIE

naar ik ben. Bedenkt liet eens, en laat de schrik des Heeren u bewegen tot het geloof. Eeuw in, eeuw uit, zonder vermindering van pijn en zonder hoop op uitkomst. Bij het natuurlicht hebben de heidenen de eeuwigheid willen uitdrukken. Zij verbeelden ze door een naakte man aan eene rots met ketenen geklonken, en gebonden aan handen en voeten. Zij verbeelden \'t dat er een gier of arend allen dag kwam, die zijne klauwen en scherpen bek in deszelfs ingewanden sloeg, en een stuk van het ingewand, van het hart of de long of lever uithaalde, hetgeen allen dag wederom zooveel aangroeide, als daar werd afgehaald. Dat was het zinnebeeld van dien worm die niet sterft; dat verbeeldden ook de ketenen waarvan hij zich nooit ontdoen kon, en door dat dagelijksch aangroeien der afgescheurde ingewanden werden de eeuwigdurende smarten of pijnen verbeeld. Dit zal onze boosheid zijn, dat het zoo bitter zal zijn, dat het tot aan ons hart gaat, Jer. 4: 18. Hoe schrikkelijk is Gods toom! Zij is als een verterend vuur, als een eeuwige gloed, als een beer die van zijn jongen beroofd is. Dat zijn zoo de afbeeldingen die God geeft van zijne rechtvaardigheid.

Nu zal de zondaar zeggen: wel! is dat rechtvaardig en naar een rechtvaardig oordeel? Ja. De zonde wordt gestraft naar het besluit van God, 2 Thess. 1 :5. Zij worden gesteld tot toorn, 1 Thess. 5:9. Zij zyn tot het oordeel opgeschreven, en ze worden gestraft naar het dreigement Gods: vervloekt is een iegelijk die niet blijft, in al wat er geschreven staat. Gal. 3:10. Dan wordt de toorn Gods geopenbaard van den hemel naar zijne rechtvaardigheid. Rom. 1 :18. Dit is het recht Gods dat degenen die zulke dingen doen, des doods waardig zijn. Hom. 1; 32. Zou de Richter der gansche aarde geen recht doen? Gen. 18:25. Hij is rechtvaardig in zijn spreken en rein in zijn richten, Ps. 51: 6. Hij zal het aangezicht in het gericht niet aannemen, Job 34:19. Ik zal mijn Schepper gerechtigheid toeschrijven Job 36:3. Nu zou men wel anders schrijven of wrijven willen. Is dat nu rechtvaardig, zegt de zondaar, dat God eindige\'zonden met oneindige straffen straft? Dat God eindige zonden van eindige schepsels met eeuwige straffen straft? Ach arme! al zijn zij de schranderste geesten in wereldsche zaken, in het geestelijke zijn ze de dom-sten. God heeft het voor de wijzen en verstandigen verborgen. Hij heeft het den kinderkens geopenbaard, Matth. 11:25. Scheelt het niet veel tegen welk persoon men zondigt en tegen welke wetten? Is het niet zwaarder, en wordt het niet hooger genomen, als men tegen een koning zondigt, dan tegen een bedelaar? Is het niet zwaarder, als men tegen een vader zondigt, dan tegen een vreemde? Als een knecht ongehoorzaam is, al klaagde zijn heer, de justitie zal hem niet dooden; maar klaagt een vader over de ongehoorzaamheid van zijn kind, het wordt van de justitie gestraft. Daar is ook onderscheid in de zonden, of ze moedwillig of onwetend gedaan worden. Beging iemand een doodslag, en was het bij toeval, daar waren dan de vrijsteden voor in \'t Oude Testament. Maar is \'t moedwillig, dan

60

-ocr page 65-

OVER DEX IV. ZONDAG. Viuo. 9, 10 on 11.

is er geen verschooning voor. Is er nu we) hooger Wezen, flan God? Kan de zonde wel meer verzwaard worden, als dat men tegen God zondigt? Gij zult zeggen: mijne zwarigheid is nog niet opgeklaard, zij is nog niet weg; kan de zonde van een eindig schepsel met eeuwige straf gestraft worden? Ik zie we\' iets als door eene opening, maar \'t voldoet mij nog niet: ik zie \'tnog niet helder? Wel! ik zal het u klaar doen zien.

Eerst. Elke zonde wordt begaan als tegen do hoogste majesteit Gods; en zoo ligt er als een soort van oneindigheid in.

Ten tweede. Elke zonde wrijft ons zulke vlekken aan, zoo het bloed van Christus die niet ahvascht, zoo blijven ze in alle eeuwigheid. Er is zulk eene onreinheid in, dat God tot in alle eeuwigheid aan ons geen lust heeft; maar Hij heeft er een eeuwigen afkeer van.

Ja, ten derde. Als gij in de zonde sterft, zoo zult gij eeuwiglijk blijven zondigen. Nu kunt gij het klaar zien. Blijft gij eeuwiglijk zondigen, zoo moeten er eeuwige pijnen en een eeuwig verderf zijn. Nu is er geen zwarigheid meer overig. Wilt gij nu moedwillig zijn? VVeest het. Kan er u dan niets dringen? Jawel! zult gij zeggen, ik weet mij niet meer te keereri. Maar er is nog eene uitvlucht.

Ten derde. Is God dan niet barmhartig? Ach! Ja. God is barmhartig. Gods kinderen willen \'tnog eens zoo groot maken; ma:ir legt de pleister toch niet verkeerd. Wat is God goed, zelfs als wij zondigen. Hij regent over goeden en kwaden, Matth. 5:45. Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. Ps. 106:1. Hij is een Vader van alle barmhartigheid, 2 Cor. 1 :3. Gij kunt er niet te groot van denken. Maar God kan in eeuwigheid de zonde niet vergeven, als er niet voor voldaan wordt. Zondaar! gij zult eveneens zijn, als een die in de zee is wanneer het schip breekt: hij loopt al van de eene plank op de andere, zoolang totdat hij krachteloos wordt. Gij zult zeggen: laat ik met David in de handen des Heeren vallen, zijne barmhartigheden zijn vele, 1 Kron. 21: 14. Maar gij kunt in geen erger handen vallen, dan \'t geschiedt buiten Christus. Maar als gij het als David kunt_doen, dan kunt gij in geen betere handen vallen. Onthoudt het. het is misschien de laatste maal van ons leven dat wij deze stof prediken: in geen ergere handen kunt gij vallen. Maar als gij door bekeering, geloof, genade in Christus, en zoo in de handen Gods valt, dan kunt gij in geen betere vallen: zijne barmhartigheden zijn vele. Kunt gij dat niet vatten? Gij kunt wel als gij wilt. God kan Zichzelven niet verloochenen: zijne rechtvaardigheid vloeit uitzijn Wezen. Zou mijne ziel, zegt God, zich niet wreken aan zulk een volk als dit is, Jer. 5:9. Eer dat Ik mijzelven zou verloochenen, zegt God, zoo heb Ik de zonde gestraft in mijn Zoon voor de uitverkorenen. De gestrengheid Gods, zegt Paulus, is te zien aan de eene zijde, en de goedertierenheid aan de andere zijde. Kom. 9:22, 23.

Nu komt de Onderwijzer tot het vierde stnk. Ik wenschte wel, dat dit nu een middel was om u tot troost te brengen. Wordt het nog geen tijd? God is rechtvaardig, maar Hij is ook vol van genade. De

(!1

-ocr page 66-

OATECniSMUS-PEEDIKATIE

Onderwijzer toont de Goddelijke rechtvaardigheid aan, opdat gij tot verlegenheid zoudt gebracht worden, en uitroepen; Is er eenig middel om de straf te ontgaan, en wederom tot genade te komen? En dan antwoordt Hij; door zulk een Middelaar. Daar is nu het verbond der werken afgehandeld, de oprichting, de breuken, de doorgang tot al de straffen, de onmacht. Dat doe ik nu met een oogmerk, zegt hij, om u naar den Heere Jezus te drijven, en u in uwe verlegenheid te doen vragen en uitzien naar den Heere Jezus. Dat is dan nu de overgang tot de tweede stof: namelijk tot het verbond dei-genade. Mogen wij nu nog een woordje tot u spreken?

Wat was de mensch een schoon schepsel, toen hij eerst geschapen was! Hoe edel was hij! Hoe verkeerde hij met God den Heere; hij bezat dat heerlijke beeld Gods; wat blonk hij uit in zijn verstand, in zijne gerechtigheid en in zijne heiligheid. Maar bekijkt datzelfde schepsel nu eens. Wat een ongelukkige is het nu! Wij lezen, dat de vrienden van Job kwamen, om hem te zien, Job 2; 11. Zij hadden hem in zijn voorspoed gezien; maar nu komen ze hem in zijne ellende zien: zij zitten stom bij hem op de aarde. Eindelijk zeiden zij: is dit onze vriend? Is die zoo ongelukkig geworden? Daar komt Naomi, uit het land der Moabieten naar Bethlehem. Daar loopt de geheele stad te zamen, en zegt; Is dat Naomi, die zoo voorspoedig was? Daar stond de profeet Jeremia voor Jeruzalem, toen het verwoest was, en hij zeide; ziet of er eene smart is als deze onze smart. Ik ben de man, die ellende gezien heeft, Klaagl. 1:12 en 3:1. Toehoorders, doet gij ook zoo. Bekijkt uzelven, of gij zoo gestaan hebt voor God, en gezegd; Ik ben de man die ellende gezien heeft; dat het vergroot is; dat het onze moedwil is; dat het door onszelven gekomen is, over lichaam en ziel? Wij hebben \'tmoedwillig gedaan, dat het nog vergroot, is. Ik en gij zijn onmachtig, en alle schepselen zijn onmachtig, om ons te helpen. Wij moeten het bij onszelven en bij alle schepselen opgeven, dat onze ellende vergroot is. Dan ook nog dit, dat wij ons nog zooveel goeds inbeelden; en hoe menige van die zijn bedrogen, dat het vergroot is. Dan nog dit, dat wij dan nog onszelven beginnen te vleien. Moet ik sterven; hoe zal het dan gaan? Ik zal eens bidden, lezen, schreien. Ach! ik zal eens op mijn borst slaan; ik zal mijne bedstede eens doornatten met mijne tranen, en zeggen; weest mij genadig. We! zorgelooze zondaar! zult gij het daarmede krijgen? Zal dan een David, een Hiskin, een Petrus, een Paulus het zoo bang gehad hebben; hun geweten hen zoo benauwd hebben; en zult gij het zoo gemakkelijk hebben? Hoort eens, als gij dan zult roepen, zoo zal God uit den hemel niet antwoorden: Hij zal spotten in uw verderf, en lachen als uw vreeze komt. Al vermenigvuldigdet gij het gebed, Ik hoor het niet, zondaar! zegt God. En dat uwe redding nog des te moeilijker maakt, is dit, dat gij het alles met de barmhartigheid Gods genezen wilt; en dat is de gebaande weg naar de hel geweest voor duizendmaal duizenden men-schen, die de barmhartigheid Gods veracht hebben, die ze misbruikt

02

-ocr page 67-

OVER DEN IV. ZONDAG. Vbao. 9, 10 en 11

en er op gezondigd hebben. Gij moet weten, dat God Zich om u niet verloochenen zal. Weet gij dan niet, dat Hij ook rechtvaardig is; ja, dat het nog verzwaard is, dat wij in eeuwigheid niet beter zullen worden, zoo wij niet bekeerd worden. Het staat alles maar te verergeren. Zijt gij van dien vleienden aard, dat gij zegt: het zal beteren binnen een jaar, binnen een maand? Neen, gij bedriegt nzelven; het staat alles te verergeren, zoo gij niet verandert van staat. Binnen een half jaar min of meer zult gij wellicht voor God moeten verschijnen. Dan zult gij met Hem alleen te doen hebben, voor Wiens oogèn alles naakt en geopend is, Hebr. 4:13. Wel, geliefden! het zal misschien in \'t kort zijn, dat de dood, die schuldeischer zal komen, en dien kan niemand stuiten. Als die ter vensteren inkomt, vraagt hij er niet naar, al is er eene geheele vergadering. Ach God! wat zal het dan zwaar zijn, zoo gij onbekeerd en buiten Jezus zijt. Weet gij wie het \'t allerzwaarste in de hel zal hebben? Ik en gij kunnen dat weten naar het Woord.

Eerst. Groote kenners en slechte beoefenaars, die den wil Gods geweten en niet gedaan hebben, die zullen met dubbele slagen geslagen worden, Luk. 12 :47.

Ten tweede. Trouwelooze predikanten, die hunne ziel niet bevrijd hebben met de goddeloozen te waarschuwen, Ezech. 3 :18 en 33 :6—8. Dan zal die verleide gemeente zeggen: wij zijn blijde, dat gij mede in de hel zijt, omdat gij ons bedrogen hebt.

Ten derde. Ouders, die hunne kinderen niet opgekweekt hebben voor God; die hunne kinderen niet eens zuur hebben willen aanzien als zij zondigden. Dan zullen die kinderen zeggen: ik ben blijde, dat gij mede in de hel zijt; gij hebt mij niet gezocht te stuiten in den loop der zonden, door u ben ik in de wereld gekomen, gij hadt het belootd, dat gij mij voor God zoudt opkweeken, en gij heGt het niet gedaan.

Dan ten vierde. Zulken, die van buiten meer vertoonen, dan zij van binnen bezitten: die zich met schijn en geveinsdheid ophouden.\'Hun deel zal zijn met de geveinsden, Matth. 24:51. Weet gij wie het nog schriklijk zwaar zullen hebben?

Ten vijfde. De nabij-christenen; de dwaze maagden; zij hadden mede hare lampen, en zij kwamen mede; doch niet verder dan tot aan de deur. In \'t gezicht van \'t land zult gij schipbreuk moeten lijden en verongelukken, die hier met den geest begonnen hebben én met het vleesch geëindigd, Gal. 3:3. Daar zoete roeren, aangename bemerkingen in waren; die een talentje van bidden hadden, en achteruit zijn gegaan; zulken, die hun talent begraven hebben; zulken, die onder eene levende bediening van \'t Woord geleefd hebben, \'t Zal Tyrus en Sidon, Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan dezulken, Matth. 11:22. De mannen van Ninive zullen tegen u opstaan. Luk. 11 :32.

Wat denkt gij nu? Wilt gij nu nog de zonde doen; u verkoopen om kwaad te doen; en in de zonde blijven liggen? Zult gij daarmede

63

-ocr page 68-

OATECHISMÜS-PEEDIKATIE

spelen? Uitzinnige Galaters! wie heeft u betooverd, Gal. 3:1. Wie heeft uwe oogen bestreken? Wij zeggen:

Eerst. Dan, zult gij gaan spelen met adders en leeuwen. Zult gi] eene bevroren slang in uwen boezem gaan ontdooien, die u \'t hart eindelijk af zal steken? Wilt gij dan uzelven verongelukken.

Ten\' tweede. God waarschuwt u dikwijls; die biedt u zijne gunste aan: en dat zoo lang, en zoo lieflijk. Hij wil ze u geven. Gij komt in geen kerk, of in \'t openbaar gebed; gij leest geen hoofdstuk of zij wordt u aangeboden. Wilt gij voor Mij leven, zegt de Heere, zoo wil Ik uw God worden.

Ten derde. God zal bet moede worden, zijne barmhartigheid zal eens ophouden: Hij zal het moede worden zijne handen over u uit te breiden.

Ten vierde. Hoe kort of hoe lang zult gij nog maar leven? Gij weet het niet; en vraagt het de geheele stad, niemand zal er u op kunnen antwoorden. Daar is maar een heden van genade. Wilt gij dan naar de hel? Ik bid u, bedaar toch. Staat een^beetje stil; en ziet ze er eens liggen. Hoe wanhopig ziet het er uit in het voorbeeld van den rijken man! Hoe schreeuwden een Korach, Dathan en Abiram! Hoe gaarne wilde die rijke zijne broeders gewaarschuwd hebben, opdat ze niet in de hel zouden komen! Luk. 16:27, 28. Ach! mocht hun dit gepredikt worden, dat u gebeurt, hoe blijde zouden zij wezen, hoe zouden ze God aanloopen om bekeering! Staat nog eens stil. Hoever zijt gij al? Gij zijt al half met uw eene been in de eeuwigheid afgegleden, \'t Is eveneens als een mensch, die op een toren of hoogen berg is, en hij glijdt daar af, hij wordt nog gegrepen. Wij hopen, dat de Almachtige en genadige hand Gods u nog grijpen zal, opdat gij niet in het verderf stort. Predikant en gemeente moeten weg: man, vrouw, ouders en kinderen, zoo gij niet bekeerd wordt, gij zult met elkander in de hel vallen, en wij kondigen u aan, dat het onherstelbaar zal zijn. Gij zult er eeuwig moeten blijven. Zegt gij: wat moet ik dan doen ?

Eerst. Wel stolt u als een ellendige voor den Heere; en bidt om hulp.

Ten tweede. Zegt: Heere! \'t kan geen uitstel lijden. Ach! verdoem mij niet, er is maar als eene kleine schrede tusschen mij en den dood, 1 Sam. 20:3. Schreeuwt, schreit, totdat gij een gunstig antwoord krijgt. Geeft het in uw leven niet op. De duivel liegt bet, als hij zegt, dat wij de menschen tot wanhoop willen brengen. Kwamen er meer tot wanhoop, \'t was wat beter. Er gaan er in deze stad geen drie door wanhoop verloren, daar er wel duizend door zorgeloosheid verloren gaan. Gods knechten durven het vrijmoedig ^zeggen. Opgeven? Nooit; maar houdt aan, worstelt om een zegen. Zegt: Heere! laat ik de blijkjes van uwe barmhartigheid hebben; daar kan mij anders niets verkwikken. Valt altemet voor God neer; en zegt: Ik zal mijn Rechter om genade bidden. Job 9:15. Straf mj| met in uwen toorn, Ps. 6:2. Zegt, bidt, en zingt met David, Ps. 6:3, 4:

G4

-ocr page 69-

OVER DEN IV. ZONDAG. Vrao. 9, 10 on 11.

Mijn geest hem ook ontstelt,

Zwaar verschrikken mij kwelt,

Vrees maakt mij onvro.

O rieere! hoog geprezen,

Hoe lange zal \'t nog wezen.

Dat ik moet blijven zoo ?

Ach! wil ü tot mij keeren!

Wil ook van mij toch weren,

Deez\' benauwdheid niet klein.

Zeer groot zijn mijn\' misdaden;

Maar uit louter genade Maakt mij. Heer, daarvan rein.

Legt dien Psalm alfcemet eens voor uw hed, en leest hem.

1 en derde. Gaat bij de vromen, en vraagt, hoe zij daardoor geraakt zijn; of gL] ook door hun onderwijs, door hun bidden en smeeken te recht mocht komen. Wilt gij niet, dan moet gij in de hel. Maar strijdt liever om in te gaan door de enge poort. Luk. 13:24. De teedere\'en oprechte vromen zijn voor God zoo naakt en zoo arm. De Heere Jezus is zulk een schat in hunne oogen. De Geest in zijn geestelijk werk is hen zulk eene waardige zaak.

Kinderen Gods! dankt God in de eerste plaats, dat Hij u van al die plagen verlost heeft.

Ten tweede. Weest nederig. Zijne barmhartigheid in Christus heeft het gedaan.

Ten derde. Ontfermt u over anderen. Vader! zoek uw kind te giijpen. Man! zoek uwe vrouw te grijpen. Vrouw! zoek uw man uit het vuur te rukken. Weest standvastig, altijd overvloedig in \'t werk des Heeren, 1 Cor. li): 58. Waakt, want gij weet de ure niet, in welke de Heere komen zal. Matth. 24:42. Weest blijde, want uw deel is in den hemel, in Gods genieenschap.

Ten vierde. Al kunt gij God niet volmaakt dienen, gij zult het eenmaal hiernamaals doen.

Ten vijfde. Schrijft het Gods gerechtigheid toe. O! gij die God vreest, als anderen veroordeeld worden, zult gij vrij gesproken worden, als anderen aan den duivel gegeven worden, zult gij aan den Vader gegeven worden, als anderen in de hel zullen gaan, dan zult gij voor eeuwig m den hemel gaan, als zij zullen schreien, zult gij blijde zijn. Verkwikt er nzelven mede, al moest gij hier voor bij de\'hel \'gesleept worden. Houdt n maar trouw achter\'den Heere, Hii zal voor u zorg dragen tot in alle eeuwigheid. Amen.

65

-ocr page 70-

C A T E CIIIS M U S -PR E I) IK A TIE.

Over Den V. Zondag Vrag. 12. 13. 14. 15.

Vijfde Zondag.

12. Vkaag. Aangezien wij clan naar dat rechtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straf verdiend hehhen, is sr eenig middel, waardoor tv ij deze straf ontgaan mochten, en wederom tot genade komen?

Antwoord. God wil, dat zijiie gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan dezelve, of door ons zeiven, of door een ander volkomen betalen.

13. Vkaag. Maar kunnen wij voor ons zeiven betalen?

Antwoord. In geenerlei wijze; maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.

14. V haag. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, die voor ons bctale.

Antwoobd. Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mensch gemaakt heeft; ten andere, zoo kan geen bloot schepsel den last van Gods eeuwigen toorn tegen de zonde dragen, en de andere schepselen daarvan verlossen.

15. Vhaag. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Antwoord. Zulk een, die een waarachtig en rechtvaardig mensch

zij, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook waarachtig God is.

HET is opmerkelijk \'tgeen wij lezen. Luk. 2; 10. Dat, als wanneer de Engel tot de herders kwam, hij tot hen zeide; Vreest niet! want ziet, ik verkondig u groote blijdschap die al den volke wezen zal. Ik verkondig u eene goede boodschap, wilde hij zeggen. Zij mochten zeggen: welke? Deze, zegt hij, daar is heden een Zaligmaker geboren, en Hij is u geboren; ik predik u een Evangelie, wilde hij zeggen. Wat is het Evangelie? Dat is eene goede boodschap aan een arm verslagen en verlegen zondaar; dat hij genade kan krijgen en zalig worden in Christus; en dat er geen zondaar te groot is, geen te oud, geen te ver afgedwaald, of hij kan terecht gebracht worden.ET is opmerkelijk \'tgeen wij lezen. Luk. 2; 10. Dat, als wanneer de Engel tot de herders kwam, hij tot hen zeide; Vreest niet! want ziet, ik verkondig u groote blijdschap die al den volke wezen zal. Ik verkondig u eene goede boodschap, wilde hij zeggen. Zij mochten zeggen: welke? Deze, zegt hij, daar is heden een Zaligmaker geboren, en Hij is u geboren; ik predik u een Evangelie, wilde hij zeggen. Wat is het Evangelie? Dat is eene goede boodschap aan een arm verslagen en verlegen zondaar; dat hij genade kan krijgen en zalig worden in Christus; en dat er geen zondaar te groot is, geen te oud, geen te ver afgedwaald, of hij kan terecht gebracht worden.

-ocr page 71-

CATECHISMUS-PREDIKATIE, ENZ.

Daar is een Evangelie der beloften, Gen. 3:15. En daar is er een der vervulling. Alle natuurlicht kan u dat niet doen verstaan, noch uitvinden; al de kennis der engelen kan dat niet te kennen geven; de all er wijste niet al zijne wijsheid komt daarin tekort: hij vat, noch weet-dat. Niemand had het ooit kunnen uitvinden, had de hemel die wijsheid niet te kennen gegeven.

De Heidenen zagen bij het licht der natuur wel, dat er een God was; maar zij meenden zonder genade zalig te worden. De Wet wist er niet van: die donderde zonder troost. Het geweten weet van geen Middelaar: die klopt, die benauwt, die weet van geen middel om zich te stillen, alle middelen, die zij gebruikt, maken hare onrust te zwaarder. Hetgeen niemand weet, dat weet God. Als Hij een mensch verbrijzeld gemaakt heeft door zijne hand, zoo doet Hij als een wond-heeler, Hij giet er olie en wijn in. Zoo gaat het met den grooten God, Wiens verstand geen getal is, Ps. 147:5. Hij is nabij de ge-brokenen van harten, en Hij behoudt de verslagenen van geest, I\'s. 34:19. God komt en Hij toont, dat er balsem in Gilead is; Hij komt wel eens bij een Elia met een sterken wind, met eene aardbeving en met een groot vuur: zoo doet God ook nog; en dan komt 11 ij eindelijk in het suizen van eene zachte stilte, 1 Kon. 19 : 12. Zoo gaat het ook in het eerste deel van den godsdienst; en als gij er dan bijlegt het tweede deel. Eerst is het de kennis van de ellende, daar komt het Woord als een hamer, en als een scherpe pijl en vuur. Het tweede van de verlossing, is als de balsem voor de ziel, die door de kennis van de ellende verbroken is. Dat is als de balsem op de wonde, als het geneesmiddel voor de ziel. Wij hebben van dat tweede deel, de verlossing, heden een begin te maken. Een mensch wil nog wel van de verlossing hooren, maar van de ellende niet; bij is niet gaarne waar hij zoo verkleind wordt. Doch gij moet weten, dat ^ij aan de verlossing geen deel hebt, zoo gij uwe ellende niet kent. Wij hebben dan te bezien:

Ten eerste. Dat er eene verlossing is voor menschen.

Ten tweede. Voor wat voor soort van menschen? Het is voor ver-legene zondaren.

Ten derde. Het middel der verlossing, namelijk daar moet aan Gods gerechtigheid genoeggedaan worden.

Ten vierde. De onmacht van het gansche schepsel daartoe.

Ten vijfde, Moeten wij eene vraag doen, daarin bestaande: wat moeten wij dan voor een Verlosser zoeken?

Eerst zeggen wij, dat er eene verlossing voor menschen is. Ten tweede: Voor wat voor menschen? Voor znïken die zeggen: ik weet geen raad, is er eenig middel om de straf te ontgaan, en wederom tot genade te komen? Ten derde. Daar wordt een middel gegeven; maar het is een schrikkelijk middel; te weten: er moet aan Gods gerechtigheid genoeggedaan worden. Ten vierde. De Onderwijzer leidt ons tot de onmacht. Ten vijfde. Zoo valt er eene vraag in \'t harte, en die is deze: Heere! waarmede zal ik U ontmoeten, met tranen.

07

-ocr page 72-

C A T E C IT ISMUS-PIIE D T K A T T E.

Over Den V. Zondag Vrag. 12, 13. 14. 15.

Vijfde Zondag.

12. Vraag. Aangezien wij dan naar dat rechtvaardig oordeel Gods, tij-delvjJce en eeuwige straf verdiend hebben, is er eenig middel, waardoor wij deze straf ontgaan mochten, en wederom tot genade komen?

Antwookd. God wil, dat zijne gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan dezelve, of door ons zeiven, of door een ander volkomen betalen.

13. Vbaao. Maar hunnen wij voor ons zeiven betalen?

Antwoord. In geenerlei wijze; maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.

14. Vraag. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, die voor ons hetale.

Antwoord. Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mensch gemaakt heeft; ten andere, zoo kan geen bloot schepsel den last van Gods eeuwigen toorn tegen de zonde dragen, en de andere schepselen daarvan verlossen.

15. Vraag. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Antwoord. Zulk een, die een waarachtig en rechtvaardig mensch

zij, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook waarachtig God is.

HET is opmerkelijk \'tgeen wij lezen. Luk. 2:10. Dat, als wanneer de Engel tót de herders kwam, hij tot hen zeide: Vreest niet! want ziet, ik verkondig n groote blijdschap die al den volke wezen zal. Ik verkondig u eene goede boodschap, wilde hij zeggen. Zij mochten zeggen: welke? Deze, zegt hij, daar is heden een Zaligmaker geboren, en ilij is u geboren; ik predik u een Evangelie, wilde hij zeggen. Wat is het Evangelie? Dat is eene goede boodschap aan een arm verslagen en verlegen zondaar; dat hij genade kan krijgen en zalig worden in Christus; en dat er geen zondaar te groot is, geen te oud, geen te ver afgedwaald, of hij kan terecht gebracht worden.ET is opmerkelijk \'tgeen wij lezen. Luk. 2:10. Dat, als wanneer de Engel tót de herders kwam, hij tot hen zeide: Vreest niet! want ziet, ik verkondig n groote blijdschap die al den volke wezen zal. Ik verkondig u eene goede boodschap, wilde hij zeggen. Zij mochten zeggen: welke? Deze, zegt hij, daar is heden een Zaligmaker geboren, en ilij is u geboren; ik predik u een Evangelie, wilde hij zeggen. Wat is het Evangelie? Dat is eene goede boodschap aan een arm verslagen en verlegen zondaar; dat hij genade kan krijgen en zalig worden in Christus; en dat er geen zondaar te groot is, geen te oud, geen te ver afgedwaald, of hij kan terecht gebracht worden.

-ocr page 73-

CATECHISMUS-PREDIKATIE, ENZ.

Daar is een Evangelie der beloften, Gen. 3:15. En daar is er een der vervulling. Alle natnurlicht kan u dat niet doen verstaan, noch uitvinden; al de kennis der engelen kan dat niet te kennen geven; de allerwijste met al zijne wijsheid komt daarin tekort: hij vat, noch weet dat. Niemand had het ooit kunnen uitvinden, had de hemel die wijsheid niet te kennen gegeven.

De Heidenen zagen bij het licht der natuur wel, dat er een God was; maar zij meenden zonder genade zalig te worden. De Wet wist er niet van: die donderde zonder troost. Het geweten weet van geen Middelaar: die klopt, die benauwt, die weet van geen middel om zich te stillen, alle middelen, die zij gebruikt, maken hare onrust te zwaarder. Hetgeen niemand weet\', dat weet God. Als Hij een mensch verbrijzeld gemaakt heeft door zijne hand, zoo doet Hij als een wond-heeler. Hij giet er olie en wijn in. Zoo gaat het met den grooten God, Wiens verstand geen getal is, Fs. 147:5. Hij is nabij de ge-brokenen van harten, en Hij behoudt de verslagenen van geest, I\'s. 34:19. God komt en Hij toont, dat er balsem in Gilead is; Hij komt wel eens bij een Elia met een sterken wind, met eene aardbeving en met een groot vuur: zoo doet God ook nog; en dan komt Hij eindelijk in liet suizen van eene zachte stilte, 1 Kon. 19:12. Zoo gaat het ook in het eerste deel van den godsdienst; en als gij er dan bijlegt het tweede deel. Eerst is het de kennis van de ellende, daar komt het Woord als een hamer, en als een scherpe pijl en vuur. Het tweede van de verlossing, is als de balsem voor de ziel, die door de kennis van de ellende verbroken is. Dat is als de balsem op de wonde, als het geneesmiddel voor de ziel. WTij hebben van dat tAveede deel, de verlossing, heden een begin te maken. Een mensch wil nog wel van de verlossing hooren, maar van de ellende niet; hij is niet gaarne waar hij zoo verkleind wordt. Doch gij moet weten, dat gij aan de verlossing geen deel hebt, zoo gij uwe ellende niet kent. Wij hebben dan te bezien:

Ten eerste. Dat er eene verlossing is voor menschen.

Ten tweede. Voor wat voor soort van menschen? Het is voor ver-legene zondaren.

^ Ten derde. Het middel der verlossing, namelijk daar moet aan Gods gerechtigheid genoeggedaan worden.

Ten vierde. De onmacht van het gansche schepsel daartoe.

Ten vijfde, Moeten wij eene vraag doen, daarin bestaande: wat moeten wij dan voor een Verlosser zoeken?

Eerst zeggen wij, dat er eene verlossing voor menschen is. Ten tweede: Voor wat voor menschen? Voor zulken die zeggen: ik weet geen raad, is er eenig middel om de straf te ontgaan, en wederom tot genade te komen? Ten derde. Daar wordt een middel gegeven; maar het is een schrikkelijk middel; te weten: er moet aan Gods gerechtigheid genoeggedaan worden. Ten vierde. De Onderwijzer leidt ons tot de onmacht. Ten vijfde. Zoo valt er eene vraag in \'t harte, en die is deze: Heere! waarmede zal ik U ontmoeten, met tranen.

07

-ocr page 74-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

bidden, deugden? Dat helpt al niet. En dan raken wij zoo tot de voorwaarden van den Middelaar. Dat zijn onze vijf zaken.

Eerst. Wat is eene verlossing? Dat is gered te worden uit een groot ongemak, waar men in vervallen was. Zoo werd Noach uit de eerste wereld gered door eene ark, en Lot uit Sodom door de engelen; en Mozes redde de kinderen Israëls uit Egypte, en daarna werden ze uit Babel verlost; en zoo werd Onesimus gered uit zijne armoede door Paulus. Hier is het eene verlossing uit onze ellende, waar wij altemaal in zitten. Wij liggen altemaal onder de slavernij des duivels, onder de macht der zonden. Die overste der wereld wrocht krachtig in ons. Wij wisten geen paal^ noch einde aan de zonde. Wij waren niet te stuiten. Wij waren vrijwillige slaven. Daar is eene verlossing uit de handen van het gerecht, hier is eene verlossing uit de handen van den Goddelijken Rechter, daar wij allen en elkeen zouden moeten verloren gegaan zijn, was er deze verlossing niet. Nu is er ook eene verlossing uit het gevangenhuis der zonden; van onder dien tiran, den duivel, en van eene diope_ schuld. De zondaar is misgaan van al dat goed, dat hij in \'t begin der schepping had, zoodat het wel eene verlossing mag genoemd worden, 1 Petr. 1:18. Gij zijt verlost uit uwe ijdele wandeling. Col. 1:14. Die verlossing is eene waarachtige verlossing, eene volkomene verlossing, eene noodzakelijke verlossing. Waar vindt gij van die de redenen, den prijs, bet rantsoen, en dat ze in waarheid is? Col. 1:14. Dan vindt gij in \'t Woord ook dat ze volkomen is, Hebr. 7:25. Hij kan volkoinenlijk zaligmaken. Is in \'t Woord ook de noodzakelijkheid te vinden? Ja, Rom. 4:16. Is er geen verlossing, zoo moeten wij allen en elkeen verloren gaan. Nu, het is eene verlossing voor menschen, niet voor engelen, niet voor de verdoemden; maar het is eene verlossing voor menschen, die op de wereld leven, en niet van engelen, Hebr. 2:16. Waarlijk Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. Metdat ze gezondigd hebben, zijn ze gevallen; en God verlost hen niet, maar zij worden bewaard met eeuwige ketenen der duisternis tot het oordeel^ des groo-ten dags, 2 Petr. 2:4. Niet één is er uitverkoren, niet één gekocht met Christus1 bloed, en niet één zal er ook verlost worden. Daar is dan eene verlossing van menschen, die leven. Wanneer (le mensch ontslapen is, zoo hij te voren niet verlost is, zoo is daar in eeuwigheid geen hoop op herstel; en voor degenen, die de zonde tot den dood gezondigd hebben, daar wil God niet dat men voor bidden zal, 1 Joh. 5:16. Daar is geen verlossing, nocb gebed voor. Daar is geen verlossing voor menschen, die ontslapen en in hunne zonden gestorven zijn. Het is dan eene verlossing voor menschen, die op de wereld leven;\' in dien tusschentijd van hunne geboorte tot hun dood moeten ze er toe gekomen zijn, of zij zullen er nooit toe komen. In de eerste wereld vóór den zondvloed was de verlossing voor allerlei slag^ van menschen, uit welk geslacht of huis die ook wezen mochten: of ze uit het geslacht van Kaïn, of van Methusalem, of van Noach

G8

-ocr page 75-

OVER DEN V. ZONDAG. Vrag. 12, 13, 14 en 15.

waren; daar werd de goddelijke verlossing onder bekendgemaakt. Daarna nam God een eenig volk aan. Dat waren de kinderen Abrahams, Izaks en Jakobs. Doch die verloste de Heere ook niet hoofd voor hoofd, mensch voor mensch; maar voor degenen, die onder do-zelve-verlost werden, was de waarde van die verlossing te zien. Dat heeft zoo geduurd tot op de komst van den Heere Jezus Christus. En na zijne hemelvaart ging God het ook aan de Heidenen bekend maken. Aan de Heidenen werd het toen ook bekendgemaakt. Die schapen, die tot den eersten stal niet behoorden, werden toen ook toegebracht. Joh. 10:16. En dat duurt nog zoowel onder rijk als arm, groot en klein. Of iemand een groot of minder zondaar is, man of vrouw; niemand is te oud of te ver afgedwaald, \'t Is een getrouw Woord, zei Paulus, en aller aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben, 1 Tim. 1:15. Hij is de Middelaar Gods en der menschen, 1 Tim. 2 :5. Het zaad Abrahams neemt Hij aan, Kebr. 2:10. Wat zijn het voor menschen? Wij mogen het op geen anderen toepassen, dan op degenen, die hier voorkomen; die zoo zeggen: al onze tegenwerpingen zijn opgelost, wij zijn uitgestudeerd; of wij dat al oplossen, dat wij het aan den val of aan God willen wijten, wij moeten uitroepen:

Eerst. Aangezien wij zoo ellendig zijn, zoo is onze mond gestopt; en zoo moeten alle hoogten, die zich tegen U verheffen, daar neervallen.

Ten tweede. Wij bekennen, dat wij door de zonde hebben verdiend tijdelijke en eeuwige straffen; en dat ofschoon wij in de hel lagen, het zou naar verdiensten zijn. Alles wat wij boven den dood en de hel hebben, is enkel Gods goedheid.

Ten derde. Wij belijden, dat het volgens het rechtvaardig oordeel Gods zou zijn, en dat wij zouden moeten zeggen: li ij U, o Heere! is de gerechtigheid; maar bij ons de beschaamdheid\'des aangezichts. Dan. 9:7. Zon de Richter der gansche aarde geen recht doen? Gen. 18;25: \'tZou gansch geen toorn of wreedheid zijn, uls Gij ons straftet. Wat is toorn en wreedheid? Dat is iemand te straffen zonder verdiensten, of boven verdiensten. Het zou rechtvaardig zijn, al ging ik eeuwig verloren.

Ten vierde. Het is zulk een, die hier in deze vraag voorkomt, die zegt: ach Heere! ik kan uwe hand niet ontgaan: ik moet den slag wachten; indien ik zoo moet voort blijven leven, zoo kom ik in de hel; en anders heb ik niet te wachten. Nog eens:

Ten vijfde. In die vraag geeft men te kennen: 1. Ik ken geen middel: vleesch en bloed heeft mij dat niet geopenbaard, Matth. 16: 17. 2. Ik geloof, dat God, er een weet. Ik kom dan tot ü, o God, Gij zijt de Alwetende, Gij weet meer dan ik; hebt Gij een middel? zegt dat verlegen hart, anders moet ik wanhopig zijnde naar de hel gaan.

Ten zesde. Moet ze uitroepen: indien er dan een middel is, ei, be-

69

-ocr page 76-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

lief het mij toch te ontdekken, ik hoop, dat ik het opvolgen zal. Wat wilt Gij, Heere! dat ik doen zal? Hand. 9:6.

Ten zevende. Ach! liefste Heere! ik vrees, dat ik alle dagen den slag te wachten heb, ik kan geen uitstel verdragen; ik heb te wachten, dat ik in mijn slaap zou kunnen sterven; ik zou uit mijn huis kunnen gaan, en er niet meer inkomen; is er een middel? Ach! dat Gij het mij beliefdet te kennen te geven; hoe spoedig kunt Gij het doen; daar is maar eene kleine schrede tusschen mjj en den dood; Gij hebt uwe hand maar eens los te laten, en daar lig ik in de hel, en ben dan voor eeuwig weg. Derhalve:

Ten achtste. Ik ben ten uiterste verlegen, en ten einde raad; mijn hart is vol: wat moet ik doen om zalig te worden? Hand. 16:30. Ik ben zoo geprikkeld, Heere Heere! \'tis eveneens met niij als met eene vrouw, wier broodwinner op sterven ligt, en er zijn verscheidene kinderen, en er is geen voorraad om van te leven. Gij zoudt den geneesheer wel vastgrijpen en zeggen: weet gij geen raad? Is er dan nog niet een middeltje? \'t Is de gelijkenis van een ter dood veroordeelde, die naar het schavot geleid wordt, en hij ontmoet den rechter: hij grijpt hem vast, en zegt: is er geen raad, om nog los te geraken, \'t Is de gelijkenis van een mensch, die zijn huis in den brand staat, en zijne kinderen en goederen zijn er nog in. Ach! schreeuwt hij: is er geen middel, om my te helpen ? zoo moeten mijne kinderen en mijn goed verbranden.

Ten laatste, \'t Zijn zulken, dat, zoo God een middel geeft, zij het voor genade erkennen zullen. Als Gij een middel zult geven, om de straffen te ontgaan, Heere! zeggen ze, \'tzal buiten, boven en tegen verdiensten zijn; en ik zal moeten erkennen, dat ik uit genade ben zalig geworden, Ef. 2:8. Want uit genade zijt gij zalig geworden; niet uit u, het is Gods gave: niet uit de werken, opdat niemand roeme.

Daar hebt gij het tweede stuk: het is eene verlossing voor men-schen, en voor welke menschen? Voor zulken, die zoo verlegen en zoo doodarm zijn, die het tegenspreken moede zijn, die het opgeven en zeggen: mocht ik het eens weten, of er een middel is, hoe kom ik terecht; en zoo ik terecht kom, ik zal \'t voor genade rekenen; ik weet, Heere! dat Gij meer verstand hebt dan ik, of\' dan engelen of menschen.

Daar staat nu die arme verlegene en zondige ziel, en luistert naar antwoord. Ik zal hooren, zegt ze, wat God spreken zal, Ps. 85:9. Zij is gelijk als die vrouw, welke den Medicijnmeester gesproken hebbende, verstomt; de stem ontbreekt haar, zij kan niet meer, zij is als Habakuk, zy luistert wat de Heere spreken zal, Hab. 1 :1 en 2:1, en als de kerk, Ps. 85:9. Zij is als Benhadads knechten, die namen dat woord naarstelijk waar, als de koning zei: leeft Benhadad nog? Hij is mijn broeder, 1 Kon. 20:32, 33. En als het Kananeesche vrouwtje, zij vatte den Heere op dit woord, als Hij zeide: \'t Is niet betamelijk, dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens

70

-ocr page 77-

OVER DEN V. ZONDAG. Vrag, 12, 13, 14 en 15.

voorwerpe. Ja Heere, zegt ze, de hondekens eten ook van de kruimpjes, die van de tafel der kinderen vallen, Mark. 7:28. Zoo komt die ziel. Ach Heere! zegt ze, ik sta en luister, uitziende, verlangende. Daar komt de goddelijke stem en zegt: Ik wil geen oliebeken, tranen kunpen mij niet voldoen. Wat dan? God wil, dat zijne gerechtigheid genoeggedaan worde. Daar hebt gij eene gerechtigheid, die moet genoeggedaan worden, dat wil uod, anders is er geen verlossing.

Er is drieërlei gerechtigheid Gods. Eene gerechtigheid van Gods geboden, eene gerechtigheid door straf en oordeelen, en eene gerechtigheid van de Goddelijke regeering. Er is zulk eene gerechtigheid in God, die de gerechtigheid van zijne geboden genaamd wordt. Er is niet een gebod, of er is zulk eene volmaaktheid in, Ps. 119:128, Al uw geboden heb ik in alles voor recht gehouden, maar alle val-sche pad heb ik gehaat. Er is eene gerechtigheid in de regeering Gods. \'t Is alles zoo rechtmatig. De Heere is de llotsamp;teen. Wiens werk volkomen is, Deut. 32 : 4.

Er is ook eene gerechtigheid Gods in de oordeelen en straffen omtrent de goddeloozen, en in de kastijdingen der vromen; in de slagen van Gods kinderen, als Hij iemand verdoemt, als Hij met iemand twist en in \'t gericht treedt, zijn huis afbreekt, zijn tegenpartijder is. \'t Is altemaal zoo rechtvaardig! Als Hij zijne kinderen kastijdt, \'t is zoo rechtvaardig. Job 8:4, Indien uwe kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft ze ook in de hand hunner overtreding geworpen. Al is het hard, \'t is evenwel altijd zoo rechtvaardig. Die gerechtigheid nu wil God, dat genoeggedaan wordt.

Nu komt een Sociniaan en die zegt: die gerechtigheid vloeit niet uit het wezen Gods, en dienvolgens is \'t niet noodzakelijk, dat God de zonde straft, immers niet met eeuwige straffen, \'t Was te wenschen, dat er onder ons geen gevonden werden, die zeggen: zoo God het niet besloten had de zonden te straffen. Hij had ze ook wel ongestraft kunnen vergeven, maar omdat Hij \'t besloten heeft, moet Hi] ze straffen; en zoo vloeit het dan niet uit Gods wezen, maar uit zijn besluit. Maar de oprechte Godgeleerden zeggen: God kan de zonden niet ongestraft vergeven. De rechtvaardigheid Gods, en de zonden te straffen is God zoo eigen, als Hem zijne liefde, zijne macht en zijne alomtegenwoordigheid eigen zi]n. \'t Is eene volmaaktheid, die vloeit uit het wezen Gods. Zoo spreken al de rechtzinnigen, die oprecht zoeken te zijn naar het Woord. Dat dit klaar is, zullen wij u doen zien, in eene reden vier of vijf.

Eerst. God noemt de rechtvaardigheid zijne ziel, de heiligheid Zich-zelven. Jer. 9:9 en 10, Zou mijne ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? De Heere heeft gezworen bij zijne heiligheid! dat is bij Zichzelven; Amos 4:2 en 6:8, staat het duidelijk: de Heere heeft gezworen bij Zichzelven, en op andere plaatsen meer. Nu kunt gij \'t begrijpen, dat de zonden gestraft moeten worden. Het komt voort uit Gods wezen. Zoowel als \'t wezen van \'t vuur is hitte te geven,

71

-ocr page 78-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

en liet wezen van een leeuw te verscheuren, zoo ligt ook het straffen der zonde in Gods wezen.

Ten tweede. God kan de zonden niet ongestraft vergeven. Waarom niet? Omdat, als God ze niet straft, de zondaar dan zou beginnen te denken, dat God hem gelijk was. En hij zou beginnen te zeggen, die kwaad doet, is goed in de oogen des Heeren. Wel zegt God: gi] spreekt dat zoo, maar Ik zal het u ordentelijk voor oogen stellen, en u too-nen, dat Ik u niet gelijk ben, als mijn tijd zal komen dat Ik u over de zonden bezoeken zal, Ps. 50:21, Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik ten eenenmaal beu gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentlijk voor uwe oogen stellen.

Ten derde. Menschen van minder licht dan wij, die van \'t besluit Gods niet wisten, die wisten echter van de rechtvaardigheid Gods. Wat wist een Farao van \'t besluit? Ik, zeide hij, ben goddeloos en ook mijn volk; maar God is rechtvaardig. Belsazar, hoe rilde hij, als de vingers, die teekenen van de goddelijke rechtvaardigheid, daar aan den wand kwamen! Dan. 5:5. Wat deed een Felix anders bevreesd zijn dan de goddelijke rechtvaardigheid. Hand. 24:25. Wat deed de Barbaren zoo vreezen, toen Pauius dien adder van zijne hand in \'t vuur afschudde? Die allen wisten van \'t besluit niet; en toen de adder de hand van Pauius greep, zeiden ze echter: Deze inensch is gewisselijk een doodslager, welken de wraak niet laat leven, Hand. 28 : 4, 5. M og eens.

Ten vierde. Het blijkt ten allerklaarste in \'t straffen zelfs van Gods Zoon, als borg en losser. Heeft nu God zijn eigen Zoon niet gespaard, hoe zou \'t dan kunnen zijn, dat het van \'t besluit Gods maar alleenlijk afhing? Zou er dan zulk eene liefde Gods wel zijn in het zenden van zijnen eeniggeboren Zoon tot een rantsoen voor velen? Joh. 3:16. Hierin bevestigt God zijne liefde jegens ons, dat Hij zijnen eenigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven. Kom. 8 : 32.

Dit laatste is wel de grootste bewijsgrond. Hebt gij er wel op gelet? Hoe heeft God Zich gedragen omtrent de engelen, die zondigden? Zij vallen en zij moesten terstond weg. Adam, die zondigt, hij valt, hij moet weg; hoe gedraagt God Zich omtrent zijne liefste kinderen, die zondigen? Als ze eens in hunne weelde God vergeten, krijgen zij een slag, gelijk David; hij moest het volk tellen; maar het is haast: mij is bange, 2 Sam. 24:14. Derhalve blijkt het hieruit, dat de rechtvaardigheid Gods ook Gods wezen is. Die rechtvaardigheid moet voldaan zijn, daar moet voldoening en betaling zijn. Als wij het zelf zouden kunnen doen, dan zouden wij eeuwige straffen moeten kunnen dragen en de wet voldoen, en dat zou dan betaling wezen; maar als het voldoening is, dan is \'t zoo, dat een ander in onze plaats aan den hoofdpersoon voldoet, en dat door iets, dat zooveel waardij heeft, als de schuldenaar zelf zou moeten geven. Is dat het eenige middel om de straffen te ontgaan? Ja, door betaling of rantsoen. Dit is als het eerste blijkje van verkwikking, dat er in

72

-ocr page 79-

OVER DEN V. ZONDAG. Vbaq. 12, 13, 14 en 15.

den Catechismus voorkomt. Het eerste blijkje was, daar moet eene wedergeboorte zijn. liet eerste, wat daarop volgt, is, het zou een ander moeten zijn, die aan de gerechtigheid Gods voor u voldoet; ik sta daarvan af, dat gij het moet zijn; en ik sta toe, zoo gij een ander vindt., die daartoe in staat is, dat ik er mede tevreden zal zijn.

Daarop komt een Sociniaan en een Remonstrant. Hoe! zegt hij, hoe kan dat zijn? Dat loopt tegen de waarheid Gods aan, die heeft gezegd: de ziel, die zondigt, die zal den dood sterven, Ezech. 18:20. Wij zeggen: de menschelijke natuur zal sterven, daar is de waarheid Gods niet door weggenomen. Wel, zeggen ze, is \'t wel ergens in de wereld ooit gezien, dat iemand in de schuld van een ander trapt, en die betaalt. Wij zeggen: Hebt gij dan de Schrift niet gelezen, wat Juda deed voor zijnen broeder; zeggende: ik zal borg voor den jongeling zijn. Gen. 43:9. Hebt gij dan niet gelezen, dat Mo zes voor Israël zeide: Heere! delg mij uit uw boek; laat ik sterven, wil hij zeggen, en dit volk leven, Eixod. 32:32. Hebt gij niet gelezen, wat David sprak voor zijnen zoon Absalom: ach! zegt hij, dat ik voor u gestorven ware, Absalom! mijn zoon, mijn zoon, 2 Sam. 18:33. Hebt gij niet opgemerkt, wat Paulus zegt: Kom. 9:3. Want ik zou zelf, zegt hij, wel wenschen verbannen te zijn van Christus voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vleesch. Hebt gij dat dan niet gelezen van de Heidenen, wat die zeiden? Ziet, wat Paulus aan de Romeinen schrijft: Voor eenen rechtvaardige zal er nauwelijks iemand sterven; maar voor den goede zal iemand mogelijk bestaan te sterven, Rom. 5: 7. Ls dat nu rechtvaardig, en heeft dat bij men-schen plaats; en is \'t niet rechtvaardig als God \'t doet? Ja maar, zeggen ze, \'t loopt tegen alle rechten van alle volkeren regelrecht aan, dat een rechter een onschuldige zou straffen, en een schuldige vrijlaten; God vervloekt zulken, die den goddelooze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn Hem een gruwel, ja die beiden, Spr. 17 :15. En, zeggen ze, gij lieden gaat dat recht te buiten, als gij zegt, dat God de zonden in den Heere Jezus gestraft heeft, en den zondaar vrijlaat. Doch wij antwoorden daar op: Dat de natuurlijke mensch niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem eene dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk moeten onderscheiden worden, 1 Cor. 2: 14. Anders zoudt gij zoo niet spreken. Daar is geen politieke vergadering of rechter, om een onschuldige met den dood te straffen, en een schuldige daarvoor vrij te spreken. Waarom? Omdat die onschuldige geen macht heeft om zijn eigen leven af te leggen; hij mag zich niet laten dooden voor een ander; en gedood zijnde, zoo kan hij zichzelven niet meer levend maken of opwekken, noch ook dien goddelooze beter maken. Maar bij God is \'t geheel anders gesteld; die heeft eene goddelijke macht en gezag in iemand, die het hoofd is, te straffen, inplaats van die onder hem begrepen zyn. In \'t tweede gebod staat: ik bezoek de misdaad der vaderen aan de kinderen in \'t derde en vierde lid, dergenen, die Mij haten. Hij heeft de macht.

73

-ocr page 80-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

74

om de gerechtigheid van een borg toe te rekenen aan onrechtvaar-digen; en die Borg heeft de macht, om de zonden op zich te nemen. Hij had macht om zijn eigen leven af te leggen; en is zijn leven afgelegd, Hij heeft macht om het wederom aan te nemen, en om zich-zelven weer op te wekken, en levend te maken, Joh 10 : 18. Ook had II ij macht, om door zijn dood den Geest van God in \'t hart van dien misdadiger te stellen, en hem te verbeteren. Wat zegt gij nu? Wordt ook het gemeen daardoor geen nut aangebracht? Derhalve moet het geschieden door onszelven, of door een ander; zoo door zijne gehoorzaamheid als door zijn lijden. Door zijne gehoorzaamheid heeft Hij de wet volbracht, en door zijn lijden de straf gedragen, Hebr. 5:8. Nu komt God en die doet ons in onszelven eens inkeeren. Keert eens in de wereld met uwe gedachten, wij kennen elkander. Ben ik en zijt gij er toe instaat? De allervroomsten, die teeder leven, bidden, ter kerk komen, het Woord lezen, nauwgezet handelen, over kleine dingen ontsteld zijn, schreien, op hun borst slaan, kunnen die voor anderen genoegdoen? Neen. De eene broeder kan den anderen niet verlossen; \'t rantsoen der ziel is te kostelijk, Ps. 49:8, 9. Kan \'t dan geen mensch doen ? Ach neen! De beste die er leeft, behalve dat hij een bloot schepsel is, heeft zonde; en hoe zou hij den toorn van God kunnen dragen? \'tls eene verlossing, die van een eeuwig gewicht en waardij is. Behalve dat de allerbeste zondig is, zoo maken wij de schuld nog dagelijks meerder; en elke zonde verdient eeuwige straf, al was \'t, dat iemand als die jongeling was, waarvan gij leest. Mark. 10: 20, die al de geboden had onderhouden, men zou moeten zeggen: een ding ontbreekt u! Al droegt gij zooveel straffen, dat gij met den profeet zou moeten uitroepen; Ik ben de man, die ellende gezien heeft, Klaagl. 3 :1. En mijne breuk is zoo groot als die der zee, wie zal mij troosten? Ach arme! wij zouden smelten, als God geen kracht naar kruis gaf; wij zouden vergaan. Daar komt dan elk en zegt: wij zullen wat verbeteren, eens schreien, ter kerk gaan; en wij hopen, dat God wat door de vingers zal zien; wij zullen ten Avondmaal gaan, ons van de goddelooze gezelschappen houden, en zoo voldoen. Ach arme! \'t Kan niet helpen. De beste van Gods kinderen werken in \'t eerst met hunne gestalten en deugden, en willen zoo voldoen. Ik weet wel, dat het te leelyk is dat te zeggen met onzen mond, maar dat ligt zoo op den grond van ons hart; dat is een overblijfsel van onzen eersten godsdienst. Wij kunnen \'t zelf niet doen. Wat dan? Daar zijn zooveel schepselen, engelen, duivelen, zooveel schatten, kunnen die \'t niet doen? De engelen kunnen die \'t niet doen ? Neen. Die hebben geen lichaam om in te lijden, het zijn bloote schepsels. Zij hebben groote deugden, dat is tot eer van God; maar als de engelen onder den toorn van God moesten komen, zij bezweken, zoowel als de duivelen. Kunnen \'t de duivelen niet doen? Neen, die liggen zelf onder eeuwige pijnen, en daar is geen hoop op uitkomst voor hen. Zijn er in den hemel geen rechtvaardige zielen, geen menschen, die het kunnen doen? Neen, daar

-ocr page 81-

OVER DEN V. ZONDAG. Vkag. 12, 13, 14 en 15.

/.iia raenschen met hunne lichamen. Zouden \'t dan die niet kunnen doen? Dat wij naar Henoch en Elia toegingen, zouden \'t die niet kunnen doen? Ach neen! het zijn mede schepsels, die kunnen\'t niet doen; zij zijn er niet toe in staat. Zijn er geen onder de zielen der volmaakte rechtvaardigen? Ach neen! Die roepen uit: Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, üpenb. 5:9. Zij zijn er zelf door een ander gekomen, hoe zouden zij dan een ander kunnen helpen? Daar zijn zooveel schepselen, goud, zilver, dieren; kunnen die \'t niet doen? Ach neen! De beesten op duizend bergen zijn mijne, zegt God, I\'s. 50:10. Maar is een elpenbeenen troon van Salomo, de borstlap van den Hoogepriester, de gouden plaat, of eenig ander heilig ding daar niet toe in staat? Ach neen! Geenszins. Al won iemand de geheele wereld en hij moest schade aan zijne ziel lijden, wat zou \'t hem baten? Wat zou hij geven tot lossing van zijne ziel, Matth. 16:26. Iemand zal zeggen; ik heb zulke vrome vrienden, die zoo voor mij bidden; zouden die \'t niet kunnen doen? God zal \'t om hunnentwil doen, want Hij doet barmhartigheid aan duizenden, die Hem liefhebben. Doch dat doet God niet, omdat ze Hem liefhebben. Wie verdient het voor hen? Zij doen wel hun plicht, maar om des plichts wil worden ze niet zalig; maar alleen om de verdiensten van Christus. Dat rantsoen is te kostelijk; de eene broeder zal den anderen nimmer kunnen verlossen, Ps. 49:8, 9. Een vroom mensch en een predikant zijn goed voor den zondaar, als het in tijd van nood is, en als hij ontsteld is; dan zijn vrome ouders ook goed, maar anders doet het verloren kind zijnen vader bittere droefheid aan, Luk. 15:13, 14. Als zij ontsteld zijn, dan schreeuwen zij om de vromen; dan is \'t, loopt om een vroom predikant. Als ze ziek zijn, dan zijn ze eveneens als de koning Ahazia, waarvan gij leest, 2 Kon. 1 :9. Daar zendt hij een deel soldaten naar den profeet Elia met een hoofdman, die tot hem zeiden: Gij man Gods, de koning zegt: kom af! Dan zijn ze als Jairns, die aan de voeten van den Heere Jezus viel, zeggende: Mijn dochtertje is op haar uiterste, ik bid U, dat Gij komt, en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven. Mark. 5:22, 23. Maar ais de zondaar weltevreden is,

dan is er niemand minder geacht, dan een vroom mensch; doch als \'top een nijpen komt, dan is \'t: Haalt een vroom mensch! Geliefden, dat kan \'t ook niet doen. Derhalve geen schepsel is er, die \'t doen kan. Is er dan niet een gezant, een uitlegger, een uit duizend? Ach God! zult gij zeggen, is dat van de verlossing spreken! \'t Is al zwarigheid op zwarigheid; is er niet een, die zeggen kan: ik heb de verlossing gevonden? Daar houden ze een gesprek met elkander, Wat moeten wij dan doen? Wien moeten we hebben, die de Middelaar is? Dat is ons laatste stuk.

Een Middelaar kunt gij u niet begrijpen, of het veronderstelt drie personen, te weten: een die beleedigd wordt, een die béleedigt, en een die tusschen beiden komt en die twee te zamen verzoent. God is beleedigd, en daardoor is Hij tegen den zondaar in een vijand verkeerd. ^ quot;

* *

75

-ocr page 82-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Die verzoend moeten worden, is God en de zondaar. God voegt Zich bij al hetgeen wij niet gaarne zien. Ach! God is ons een vijand geworden van binnen en van buiten. Ik zal de wereld, zegt Hi], die gij zoo lief hebt, om uwentwil verwoesten; den duivel zal ik tot uwen beul geven; de menschen, die gij niet lijden moogt, zal Ik helpen, en Ik zal hun alles ten goede doen medewerken, en \'t u alles ten kwade doen werken. De mensch is ook een vijand van God. Ik wil niet doen, zegt hij, dat Gij gebiedt, laat mij maar leven naar mijn zin; laat het met mij staan, zoo \'t wil, ik wil geen genade, geen Geest, geen overtuigingen, het zou jammer zijn, dat hij vroom en bekeerd zou worden. Nn zegt een mensch; hier moet een Middelaar zijn, die aan de gerechtigheid Gods voldoet. Daar zijn middelaars van tusschen-spraak, die tusschen twee partijen intreden. Zoo deed Mozes aan de twee, die twistten, Exod. 2:13. Dan zijn er door borgtocht, die boeten willen voor een ander. Zoo deed Juda voor Benjamin, Gen. 43:9. Dan zijn er middelaars door voldoening, de Heere Jezus is het alle drie. Wij moeten een middelaar door woorden hebben, die de verzoening bekendmaakt; en dan moeten wij zulk een borg hebben, die in plaats van den schuldenaar intreedt, en een door dadelijke verzoening. Wat voor een moet het zijn? Daar komt God en die ontdekt het, wij hadden \'t anders nooit geweten. De voorwaarden zouden voor onze oogen verborgen geweest zijn. Dat antwoord is uit de H. Schrift, en in de H. Schrift is het te vinden, als gi] ze leest, hoedanig een persoon de Middelaar wezen moest, en wat voor voorwaarden in Hem vereischt worden. Hoe vele voorwaarden worden er in Hem vereischt ? vier:

Eerst. Hij moet zijn een waarachtig mensch.

Ten tweede. Hij moet zijn een rechtvaardig mensch.

Ten derde. Hij moet zijn waarachtig God.

Ten vierde. Hij moet zijn God en mensch in eenigheid des persoons.

Eerst. Hij moet een waarachtig mensch zijn, geen spooksel. Hij moet ook niet maar een aangenomen lichaam hebben voor een tijd, maar een ziel met een waarachtig lichaam vereenigd, zoodat men kan zeggen, dat hij waarlijk een mensch is.

Ten tweede. Hij moest een rechtvaardig mensch zijn, zoo in zijne geboorte, leven, daden, en in zijn lijden, en overal zonder zonden; in zijne ontvangenis en geboorte moest hij rechtvaardig zijn, om de wet volkomenli|k te gehoorzamen, en volmaaktelijk te lijden al wat er te lijden was.

Ten derde. Hij moest ook God zijn, zoodat Hij kon zeggen: Ik behoef het geen roof te achten, Gode even gelijk te zijn. Pil. 2:6, Hij moest zijn in de gestalte Gods, de geheele goddelijke natuur en al de goddelijke volmaaktheden moesten in Hem zijn.

Ten laatste. Dat alles nu moest Hij zijn in eenigheid des persoons. Die naturen moesten niet gescheiden worden, nog in elkander gesmolten worden. God en mensch is Hij in een persoon, de Immanuel, God met ons, Jes. 7:14; De verborgenheid der godzaligheid is bui-

7G

-ocr page 83-

OVER DEN V. ZONDAG. Vrag, 12, 13, 14 on 15.

ten allen twijfel groot, God is geopenbaard in het vleescli, 1 Tim. 3:16. Hi] is uit de vaderen voor zooveel liet vleescli aangaat, en God bovenal te prijzen in der eeuwigheid, Kom. 9:5. Als gij dien vinden kunt, clan kimt gij gerust zijn, dat gij den waarachtigen Middelaar gevonden hebt.

Nu is onze godsdienst eene redelijke godsdienst; en dio wil onderzoeken, of er zulk een Middelaar is; en reden geven, waarom er znlk een Middelaar wezen moet. Dat doet ze in \'t vervolg; en zij is zoo voldaan, dat ze zegt; ik heb geen reden meer van doen. Wat vooreen is \'t dan? Zulk een; \'t Is alles gansch begeerlijk wat aan Hem is, Hoogl. 5; 16. \'t Is Jezus Christus. Hoe komt ze daar nu achter, hoe weet ze dat? God zelf heeft het geopenbaard in het H. Evangelie. Daar al de wijzen van de wereld geen raad voor wisten, dat heeft öod ontdekt in \'t Evangelie der beloften, der schaduwen en der vervulling.

Nu zullen wij nog een vraag of twee, drie doen, en daarmede zullen wij dit stuk voor afgehandeld houden.

Onze eerste vraag bestaat hierin. Eerst. Waarom de verlossing voor geen duivelen is.

Ten tweede. Waarom ze voor geen dooden is.

Ten derde. Of ik en gij onder de verlosten zijn. En clan zullen wij zeggen, antwoordt daar nu op voor God.

Eerst. Waarom is die verlossing voor geen duivelen? waarom is \'teen Zaligmaker voor de menschon? Hebt ge daar wel om gedacht? Behalve de vrijmacht van God, die wij niet bepalen mogen, zoo kunnen wij er eene reden of drie, vier van geven.

De eerste reden is deze. De duivelen hebben gezondigd in meerder boosheid dan de mensch, zij zijn aangegaan tegen meer licht en heerlijker plaats. De mensch was op de aarde; maar zij waren in den hemel in \'t volle licht, bij God in heerlijkheid, aanschouwende de werken van Gods heerlijkheid. \'tWas de uiterste boosheid. Zij wilden grooter zijn, dan God hen gemaakt had.

Ten tweede. Zij zondigden zonder eenige aanleiding, niemand had hen tot de zonde opgewekt. De mensch daarentegen kreeg aanleiding en verzoeking, en zoo heeft God aan geen duivel genade believen te geven.

Ten derde. Als de duivelen, die eertijds goede engelen waren, vielen, zoo vielen niet al de engelen. Daar bleven er nog duizendmaal tien duizenden staande, die God verheerlijkten, en het aangezicht Gods zagen. Doch toen Adam viel, zoo vielen al de menschen. God nu wil niet alleen engelen, maar ook menschen in den hemel hebben, die Hem verheerlijken.

Ten vierde. Heeft het Grod gedaan, om zijne uitnemende liefde tot de menschen te betoonen. De engelen waren wel veel heerlijker schepselen; maar God gaat ze echter voorbij; en daar moeten wij allen voor stom staan. De geesten waren veel heerlijker dan de menschen; maar God gaat ze nochtans voorbij. Moeten wij hier-

77

-ocr page 84-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

over niet uitroepen: hebt Gij ons liefgehad, Heere! daarin is eene hoogte, breedte, lengte en diepte, die alle kennis te boven gaat? Ef. 3 :18, 19.

Nu de tweede vraag. Die bestaat hierin. Waarom is de Middelaar voor geen verdoemden? Daar liggen er duizenden in de hel, die inde zonde gestorven zijn. Daar zullen er zoo schrikkelijk veel zijn in den dag der opstanding. God geve, dat wij het niet ondervinden. Maar waarom verlost God die niet ?

Eerst. Omdat ze zijn: vaten des toorns, tot het verderf toebereid. Kom. 9:22. Daar is eene verkiezing, en daar is eene verwerping, en zij zijn verworpenen, tot het verderf toebereid. Dat vloeit uit de verwerping Gods. God heeft aan hen alle genade ontzegd, zoowel als aan de duivelen.

Ten tweede. God heeft voor de verworpenen den borgtocht van y.ijn Zoon niet aangenomen. Hij heeft die oneindige waarde door den borgtocht van Christus en deszelfs gevolgen bepaald aan de vaten der barmhartigheid.

Ten derde, \'t Is het welbehagen Gods zoo; want gelijk Hij aan de eerste wereld honderd en twintig jaren tijd gegeven heeft, zoo ze in dien tusschentijd zich niet bekeerden, zoo zouden ze het nooit krijgen ; God heeft nu ook bepaald den tijd van bekeering tusschen onze wieg en het graf, dat is de bepaalde tijd van de verandering. Als die nu voorbij zal zijn, dan zal er geen bepaalde tijd meer voor u zijn, dat heeft God gesteld tot een eeuwig bevel, en als dat voorbij is, dan is het heden van de genade gedaan.

Ten vierde. De zonden, welke zij gedaan hebben, moeten met eeuwige straffen gestraft worden. Zoo moeten ze dan eeuwige straften dragen, eeuwige pijnen uitstaan. Daarvan zal geen duivel, noch verdoemde verlost worden.

Kon ik en gij, tot onze verkwikking zeggen: wij zijn verlost uit zoo vele duizenden van menschen! Ach! konden wij zeggen; ik ben den straffen ontgaan en wederom tot genade gekomen! Daar hangt ons welzijn aan, mijn en uw welzijn hangt er aan. Zoo wij de straften ontgaan en wederom tot genade gekomen zijn, hebben wij kunnen zeggen: naar het rechtvaardig oordeel zijn wij de straf ontgaan. Waaraan zou men dat nu kunnen weten?

Eerst. God zal u zoo dikwijls een gezicht van zijne rechtvaardigheid gegeven hebben, zoodat gij zult gezegd hebben: o Heere! Gij kunt de zonde niet ongestraft vergeven. Gij zijt de Rechter der gansche aarde, en zou die geen recht doen? Gen. 18:25. Hebt ge daarin gestaan met betrekking op uzelven: Gij moogt, noch kunt ze niet ongestraft vergeven, en \'t betaamt U niet, Gij zoudt geen God zijn, als Gij ze ongestraft vergaaft.

Ten tweede. Kunt gij uzelven niet helpen. Te voren wildet gij altijd uzelven helpen; gij wildet het altijd zus en zoo beleggen; kunt gij dat nu niet meer doen? Zegt gij: neen; o God! ik kan mijzelven niets geven; wat heb ik, dat ik niet ontvangen heb, 1 Cor. 4:7. Is

78

-ocr page 85-

OVER DEN V, ZONDAG. Vjiao. 12, 13, 14 on 15.

er iets goeds in mij van mijzelven? Ach neen! zoo ev iets goeds van U in mij is, wat maak ik het gedurig bevlekt! mijne tranen, gebeden, deugden, wat zijn ze bevlekt! Ik ben als een onreine en al mijne gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, Jes. 154; G. Zij werpen die gestalten niet weg, maar het kwaad gebruik zoeken ze weg te doen. Ach Heere! zeggen ze, ik heb in mijzelven geen grond, om voor U te bestaan, ik kan zelf\' niet voldoen; hoe zou een mensch rechtvaardig zijn voor God; zoo hij lust had om met Hem te twisten, niet een op duizend zou hij kunnen beantwoorden. Job 9:2, 3.

Ten derde. Heere! ik zie, dat het schepsel een gebroken bak is; en of ik al loop van den eenen gebroken bak tot den anderen, of ik gezondheid en voorspoed hebben wilde, rijk wilde zijn en dergelijke, het zijn gebroken bakken, die geen water houden, Jer. 2:13. Het kan mij niet troosten; ijdelheid der ijdelheden, \'t is alles ijdel-heid, Pred. 12 : 8.

Ten vierde. Heere! ik moet bij genade leven. Kent gij dat, om in uw leven geen gebed te doen, waarin gij vergeet, om genade te bidden? Dat is zulkeen zoo gewoon. Ach! zegt hij, ik ben er ziek van, ik wilde wel, dat Gij \'tmij gaaft. Dan zou ik mij den allergelukkigste rekenen van de geheele wereld, als Gij naar gratie met mij beliefdet te handelen.

Ten vijfde. Kent gij dit? Ach Heere! de zonden benauwen mij zoo! \'t Is hun altemet al te bang, en al te veel, en al te nauw, waar ze ook mogen zijn; al waren ze op een open veld, zij meenden daar zouden ze ruimte vinden, en \'t is er hen alzoo bang, als in hun binnenkamer; de zonden wegen hen op \'t hart. Ach! vergeef ze mij, zeggen ze, ik heb anders niet veel reden om gebukt te gaan in de wereld, dan over de zonde; ik heb een huis, alles goeds, veel, maar ach! de zonden wegen mij zoo op het hart; de lleere Jezus moet het alles doen; ik kan God anders nergens op wijzen, ik wil ook niet; bij Hem is de fontein des levens en in zijn licht zien wij het licht, Ps. 66:10. Hij is de put der levende wateren, Hoogl. 4:15. Het eenige fondament, op U moet ik bouwen, bij U moet ik blijven, aan uwe voeten zal ik sterven. Kom ik dan om, zoo kom ik om, Esther 4:16. Ik kan maar sterven; er is niemand dan Gij, Gij zijt de laatste plank, die er overgebleven is na Adams schipbreuk, waarop ik kan behouden worden. Op zulk eene wijze werken ze voor God.

Ten laatste. Zijt gij verlost, dan zijt gij geen vijand van God meer. Wie er ook een tegenpartijder van God is, ik niet meer, zeggen ze. Zij worden zulke vrienden van God. Duivel en wereld, zeggen ze, ik werp de wapens uit mijne hand, en ik wil voor God gaan leven. Al zijn hunne deugden \'t fundament van hunne zaligheid niet, het zijn evenwel de vruchtjes van hunne genade, vloeiende uit de verdiensten van Christus. Dan spreken ze recht, en zeggen: lleere! mijn verderf is uit U niet, maar uit mijne zonden, maar bij U zijn uitkomsten

79

-ocr page 86-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

tegen den dood, Ps. 68:21. En ze wachten de vergeving uit zijne genadige hand.

Nu onze vierde vraag. Wat zegt gij van die zaken? Zijn die nu voor mij of u? Of wij elkander al lieten gaan, en niet eens aantastten, wat zou dat zijn? Daar kunnen wij niet mede voor God komen. Ach zondaar! daar hebt gij geen part, noch deel aan. Wij moeten u aanzeggen: gij zijt naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straiten waardig. Die hebt gij verdiend, en gij verdient ze nog alle dagen, \'t Is de goedertierenheid Gods, dat het nog niet uit is met u, dat gij nog niet vernield zijt. Wij zeggen u aan, dat er na den dood geen heden van genade meer te wachten is. Gij leeft nog, maar gy spot met het rechtvaardig oordeel Gods. Hij zal gewisselijk komen, en gij zult eens voor Hem geroepen worden. Dan zult gij wel op nwe knieën voor Hem willen vallen, en zeggen: is er eenig middel om de straffen te ontgaan? Maar dan zal God zeggen: het is te laat; daar is er voor u nu geen, gij waart onder het middel, maar gij wildet liet niet; nu zult gij ook zoeken, maar niet vinden, tot Mij roepen, maar Ik zal u niet antwoorden. Ik zal lachen in uw verderf, en spotten als uwe vreeze komt, Spr. 1 : 2G. Ach arme! Dan zult gij zeggen: is er niemand om te helpen? En daar moet gij dan weg van voor Gods aangezicht, om de straffen van \'t eeuwige vuur te dragen, en te ondervinden ondragelijke pijnen in ziel en lichaam; en zoo zult gij aan de rechtvaardigheid Gods moeten voldoen, zonder ooit te kunnen voldoen. Integendeel, kunt gij zeggen, ik vind die gestalten? Dan mogen wij tot uwe verkwikking zeggen: als anderen zullen veroordeeld worden, zult gij vrijgesproken worden; als anderen in de hand van den duivel zullen gegeven worden, zult gij in de hand van God gegeven worden, en God zal u in de hand van zijn lieven Zoon geven; als anderen door den Richter naar de hel zullen gewezen worden, zoo zal God u naar den hemel wijzen, en gij zult er naar toe gebracht worden; als anderen voor eeuwig in de hel zullen liggen kennen, zoo zullen de verlosten eeuwig blijdschap hebben. Daar zal geen vader of moeder ontroerd zijn over hun kind, dat in de hel ligt. Daar zal de blijdschap ongestoord zijn in eene altoosdurende en zelfs gelijkvormige rust.

Bekijkt nu eens uwen godsdienst. Wat is dat nu, of gij uiterlijk met uwen mond belijdt en gij komt tot het innerlijke niet? Het zal u schade zijn. Maar die tot het innerlijke komen, wel! in den hemel zult gij den Heere Jezus zien in alle vier die voorwaarden. Meent gij, dat Hij Zich daar zoo niet vertoonen zal? Wel duizendmaal heerlijker, dan in den Bijbel. Als een waarachtig mensch, een rechtvaardig mensch, een waarachtig God, en eindelijk als een waarachtig God en mensch in eenigheid des Persoons zal Hij Zich daar vertoonen. Meent gij dat die voorwaarden van den Middelaar afgescheiden zullen worden? Ach neen! die zullen eeuwiglijk in Hem vereenigd blijven.

Dat is nu onze Middelaar, en daar ziet al Gods volk op. Wij zeiden onlangs eens: Hij is \'t Hoofd des lichaams, opdat Hij in alles de

80

-ocr page 87-

OVEE DEN V. ZONDAG. Vkaö. 12, 13, 14 en 15.

81

eerste zou zijn, Col. 1:18. Hij is de Vorst, de Prins, anders was ik hier niet, zullen de verlosten zeggen. God, de Vader, zal zijn lof en eere hebben. De Geest zal zijn lof en eere hebben, maar ook zal de Zoon, Jezus Christus, een wonderlijken lof en eere hebben onder al die broederen. Gij Lam, dat geslacht zijt, zijt waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eere, en heerlijkheid, en dankzegging; want Gij hebt ons Gode gekocht met uw bloed, Openb. 5:9, 12. Zijne heerlijkheid zal niet uit te spreken zijn, en de verlosten zullen het Lam volgen, waar het ook henen-gaat, Openb. 14:4 en 4:10. Zij zullen de kroon voor zijne voeten leggen, en Hem eeuwig dankzegging geven. Amen.

6

-ocr page 88-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den VL Zondag. Vrag. 16. 17. 18. 19.

Zesde Zondag.

16. Vraag. Waarom moet Hy een waarachtig en rechtvaardig mensch zijn ?

Antwoord. Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de nien-

schelijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde, en dat een mensch, zelf een zondaar y.ijnde, niet voor anderen kon\' uetalen.

17. Vraag. Waarom moet Hij te zamen een waarachtig God zijn?

Antwoord. Opdat Hij, uit kracht zijner Godheid, den last des toorns

Gods aan zijne menschheid dragen, en ons de gerechtigheid, en het leven verwerven, en wedergeven mocht.

18. Veaag. Maar wie is dezelve Middelaar, die te zamen een waarachtig God, en een waarachtig rechtvaardig mensch is?

Antwoord. Onze Heere Jezus Christus, die ons van Gode tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is.

19. Vraag. Waaruit weet gij dat?

Antwoord. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het paradijs geopenbaard heeft, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijnen eenig-geboren Zoon vervuld.

WIJ lezen, Rom. 6; 23, De bezoldiging der zonde is de dood. Dat weet elk mensch wel, daarvan is een indruk in \'thart van een iegelijk, Rom. 1 ; 32. Dat, die de zonde doet, moet sterven; en dat dit het recht Gods is, dat, die de zonde doet, des doods waardig is, is zeker; want nadat de Apostel aldaar veie soorten van zonden had opgeteld, zoo besluit hij met deze woorden: De-welken, daar zij het recht Gods weten, namelijk, dat degenen, dio zulke dingen doen, des doods waardig zijn, niet alleen die dezelve doen, maar ook die mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen. Dat klemt elk. De verharde zondaar, die geen genade heeft, moet daar evenwel verlegen over vallen, gejaagd en benauwd over zijn. Hoe gejaagd was Kaïn, als hij dat zag! Gen. 4:13 en 14. Wat andersIJ lezen, Rom. 6; 23, De bezoldiging der zonde is de dood. Dat weet elk mensch wel, daarvan is een indruk in \'thart van een iegelijk, Rom. 1 ; 32. Dat, die de zonde doet, moet sterven; en dat dit het recht Gods is, dat, die de zonde doet, des doods waardig is, is zeker; want nadat de Apostel aldaar veie soorten van zonden had opgeteld, zoo besluit hij met deze woorden: De-welken, daar zij het recht Gods weten, namelijk, dat degenen, dio zulke dingen doen, des doods waardig zijn, niet alleen die dezelve doen, maar ook die mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen. Dat klemt elk. De verharde zondaar, die geen genade heeft, moet daar evenwel verlegen over vallen, gejaagd en benauwd over zijn. Hoe gejaagd was Kaïn, als hij dat zag! Gen. 4:13 en 14. Wat anders

-ocr page 89-

CATECHISMUS-PEEDIKATIE, ENZ.

deed Achab zichzelven vernederen, dan dit? 1 Kon. 21:27. Als Saul dit zag, hoe was hij verschrikt! 1 Sam. 15:24. 25. Wat maakte Judas, Matth. 27:3, 4, zoo benauwd als dit: de bezolding der zonde is de dood. Hoe rilde Felix, als hij dit hoorde! Hand. 24:25.

Maar al die indrukken zijn nog van den rechten slag niet, die kunnen in hunne benauwdheid nog van God wegloopen; maar als het recht op \'t hart valt, wat doet het dan? Ach Heere! zegt zulk een. wat moet ik doen, waarmede zal ik ü tegenkomen? Hoe zal ik mijn hoofd opheffen, als ik de wereld uit zal moeten gaan? Dan ondervindt hij de gestalte van een Job, hij valt voor den Richter neer en bidt llem om genade, Jol) 9:15. En hij roept uit: zoo Gij lust hebt om met mij te twisten, niet één uit duizend zal ik U kunnen antwoorden, Job 9:2, 3. Eu als die drieduizend: Mannen, broeders, wat moeten wij doen om zalig te worden! Hand. 2:37. Hij ondervindt die gestalte van degenen, die tot Johannes kwamen, hunne zonden belijdende, Matth. 3:(J. Daar het recht klemt, ach! zegt zulk een, treed met mij niet in \'t gericht, Ps. 143:2. Straf mij toch niet in uwen toorn; kastijd mij niet in uwe grimmigheid, Ps. 6:2. Heb ik gezondigd, gelijk ik het niet ontkennen kan, wat zal ik ü doen, o Menschenhoeder! Job 7 :20. Zulk eene ziel ligt in hare tranen, en zij loopt van God niet af, maar zij gaat naar God toe, en zij vraagt Hem om raad: is er geen balsem in Gilead, zegt ze, is er geen heelmeester aldaar? Jer. 8:22.

Wat doet nu God? O! Hij toont aan zulk eene verlegen ziel, dat er bij Hem uitkomsten zijn teg\'en den dood, Ps. 68:21. Bij Hem zijn uitkomsten tegen den lichamelijken, tegen den geestelijken, en tegen den eeuwigen dood.

Eerst. Tegen den tijdelijken dood; een mensch, als hij schijnt te gaan sterven, kan God hem doen leven. Als ze den lichamelijken dood op hunne lippen schijnen te hebben, Hij kan den dood voor een tyd doen vertrekken.

Ten tweede. Bij Hem zijn ook uitkomsten tegen den geestelijken dood; Hij kan zeggen: Ontwaakt, gij die slaapt, staat op uit de dooden, en Christus zal over u lichten, Ef. 5:14. Eu als Hi] de middelen gebruikt, kan God ze zoo zegenen, zoodat hij zeggen moet: Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft Hij ons levend gemaakt met Christus, Ef. 2:5.

Ten derde. Daar zijn bij Hem ook uitkomsten tegen den eeuwigen dood, Hos. 13:14, Ik zal ze van \'t geweld der hel verlossen: Ik zal ze vrijmaken van den dood; o! Ik zal maken, dat ze in \'t verderf niet nederdalen. Ik heb verzoening voor hen gevonden. Job 33:24.

Als God dan aan zulk eenen uitkomst geeft, dan is zulk een hart tevreden en gerust, dat eerst zoo neergebogen was; en zij spreken dan zichzelven wel eens aan, en zeggen: wat buigt gij u zoo neder, o mijne ziele, en wat zijt gij onrustig in mij; hoop op God, want ik zal Hem nog loven: Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts, en mijn God! Ps. 42:12.

-ocr page 90-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Geliefden! wij hebben zulke groote dingen te bezien. Wat voor dingen? Deze, hoe dat de bezoldiging der zonden de dood is. Dat wilde in \'t hart van den allergoddelooste wel; maar hij zocht vele vonden. Dan was \'t eens: doet God den mensch geen onrecht, dat Hij in zijne wet van hem eischt, wat hij niet doen kan? Dan weder; is God dan ook niet barmhartig? Dan was er alweder een ander soort, die er recht mede te werk gingen in den vijfden Zondag, die zeiden: Is er eenig middel om de straffen te ontgaan en wederom tot genade te komen? Daarop kwam de Heere, en die ontkleedde het geheele schepsel, en toonde, dat het al gebrokene bakken waren; maar bij Mij, zegt Hij, zijn uitkomsten tegen den dood. Daarop begint God, in \'t laatst van quot;den vijfden Zondag, te doen zien de voorwaarden van den Middelaar; niaar in den zesden Zondag ziet gij: 1. De redenen, waarom de Middelaar zulke voorwaarden moest hebben. 2. Wie Hij is, die zulke voorwaarden heeft. 3. Welke verzekering en gerustheid daarin voor ons te vinden is. En dan komt in \'t vervolg voor: wie is die Middelaar; en dat zal dan naakt ontdekt worden. Wij hebben dan nu drie zaken te bezien.

Eerst. De reden, waarom Hij zulke bepalingen en voorwaarden moest hebben.

Ten tweede. Wie die Persoon is, die zulke voorwaarden heeit.

Ten derde. Hoe vast en zeker wij daarop gaan kunnen.

Wat het eerste aangaat, de Middelaar moest een waarachtig mensch. zijn, geen spook of verschijnsel in eene menschelijke gedaante; het nioest geen verschijnsel zijn, als een voorspel van zijne menschwor-ding; men moest van Hem kunnen zeggen: een kind is ons geboren, Jes. 9:5. Hij moest een mensch uit een mensch zijn, gelijk anderen uitgenomen de zonde; Hij moest een zoodanig mensch zijn, waar men van zeggen kan: Tast mij aan, en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk gij ziet dat Ik heb. Luk. 24:39. Waarom moest Hij een waarachtig mensch zijn? vraagt de Onderwijzer, en hem wordt geantwoord: daarom, opdat Hij de Wet zou kunnen voldoen en volmaakt gehoorzamen. Was het dan daarom noodig, dat Hij een waarachtig mensch was? Ja.

Eerst. De eerste tafel van de wet eischte: God lief te hebben met al zijne krachten, met geheel zijn verstand, met al de vermogens van quot;zijne ziel. Is er nu wel iemand een waarachtig mensch, als die eene ziel en een lichaam heeft? Daar is anders geen schepsel dan de mensch, die zulk eene ziel en een lichaam heeft. Behalve dat: de Wet eischt liefde tot God, en hoe zult gij die anders betoonen, dan door uwe leden niet te stellen der zonde tot wapenen der ongerechtigheid, Rom. 6:13. Is er nu wel iemand, die de liefde Gods door zijne leden betoonen kan, als die inderdaad en in waarheid leden heeft? Het moest een mensch zijn, die de bedreigingen der Wet kon lijden, namelijk den tijdelijken en eeuwigen dood; den tijdelijken, bestaande in de scheiding van ziel en lichaam. Moest het een Middelaar zijn, die den dood sterven kon, zoo moest het een waarachtig

84

-ocr page 91-

OVER DEN VI. ZONDAG. Viuo, 16, 17, 18 en 19.

mensch zijn, zou anders ziel en lichaam door den dood kunnen gescheiden worden. Hij moest ook den eeuwigen dood kunnen ondergaan; eeuwige pijnen moest Hij lijden in lichaam en ziel. Hij moest een waarachtig mensch zijn; want 11 ij moest in lichaam en ziel den toorn Gods dragen. Zou Hij dat nu dragen in ziel en lichaam, zoo moest hij noodzakelijk ook een ziel en een lichaam hebben. Hij moest een waarachtig mensch zijn, omdat Hij de Losser van den mensch moest zijn. Hij was de Losser en ook de Verlosser, de Borg; en zoo moest Hij een waarachtig mensch zijn; uit één bloed heeft God het gansche geslacht der menschen gemaakt, Hand. 17:20. Waarom is do mensch de naaste van een mensch? Omdat zij uit één bloed gemaakt zijn.

Waarom moest de Middelaar nogal meer een mensch zijn? Omdat Hij de Hoogepriester moest zijn; en zoo moest Hij behoorlijk medelijden hebben met de zwakheden van den mensch, Hebr. 2:17, en 4:15. Hij is in alles verzocht geweest, evenals een mensch, uitgenomen de zonden. Dat is de eerste reden, waarom Hij een waarachtig mensch moest zijn. Hij moest de Avet volbrengen,\' de bedreigingen volbrengen; en zoo moest Hij de naastbestaande zijn, die de Losser was. Behalve dat, zoo eischte het de rechtvaardigheid Gods, dat de zonde in geen andere natuur gestraft moest worden, dan God gedreigd had; die natuur, die de zonden begaan had, moest gestraft worden: zou dan de Richter der gansche aarde geen recht doen? Gen. 18:25.

Ten tweede: Maar wij zeiden, dat Hij ook een rechtvaardig mensch moest zijn; wat is dat te zeggen? Dat is te zeggen, dat Hij geen zonden moest hebben, van binnen noch van buiten. Hij moest eene heilige ontvangenis en geboorte hebben, Hij moest heilig zijn in zijn leven, in zijne daden, in zijn lijden, in zijn dood: Hij moest de minste verdorvenheid niet hebben. Die reden geeft de Onderwijzer klaar, want, zegt hij: had Hij zelf zonden gehad; zoo kon Hij voor de zonden van anderen niet voldoen; even gelijk de FIoogepriester, die moest eerst voor zijne eigene zonden verzoening doen, en daarna voor de zonden van \'t gansche volk, naar de taal van Paulus, Hebr. 5:3. En daarom kon hij geen ware verzoening treffen: alleen zag het op deze verzoening door den Middelaar teweeggebracht. Bovendien zoo moest Hi] een rechtvaardig mensch zijn, omdat de offerhande onzondig moest zijn; zij kon anders Goeie geen liefelijke reuk geweest zijn. Nu is Christus\' offerhande van een liefelijke\'n reuk. Waarom? Omdat ze zonder zonden was: want Dien, die\'geen zonden gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, 2 Cor. 5:21. Ja, Hij \'moest staan voorde menschen in de zaken, die bij God te doen zijn, Hebr. 5:1. En zoo moest Hij een rechtvaardig mensch zijn, want iioe zou Hij anders met een heiligen God kunnen te doen hebben? do zonden\' zouden tusschen Hem en God zoowel eene scheiding gemaakt hebben, als tusschen God en ons, Jes. 59:2. De booze zal bij U niet verkeeren, de onzinnigen zullen voor uwe oogen niet bestaan, Gij haat alle werkers der ongerechtigheid; Gij zult de leugensprekers verdoen; van

85

-ocr page 92-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel, Ps. 5:5, 6, 7. Hij moest ook al verder een rechtvaardig mensch zijn, omdat Hij God met den mensch vereenigt, en had Hij zonden gehad, dan zou er wel gemeenschap kunnen geweest zijn tusschen Christus en Belial, 2 Cor. 6:15. Bedenkt er dit nog eens hij; Hij moest zonder zonden zijn, opdat Hij voor zijne schrikkelijke vijanden in de dagen zijns vleesches zou kunnen bidden; en opdat Hij hen zou kunnen liefhebben; opdat, als zij Hem zoo scholden. Hij echter de allerminste verdorvenheid niet zou vertoonen. Had hij verdorvenheid gehad, hoe zou zijn toorn wel zijn opgerezen tegen zulke schrikkelijke vijanden! Evenals een Eliza, Hij kon \'t niet dragen, als die kinderen riepen: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op, 2 Kon. 2:23, 24. En als een Jeremia en anderen, zij konden \'t niet dragen, dat zij zulke mannen van twist waren. De Heere Jezus moest zulk een schrikkelijk gewoel dragen, dat schelden en lasteren zou zijne verdorvenheid gaande gemaakt hebben. Dat is de tweede reden, waarom Hij een rechtvaardig mensch moest zijn, opdat noch God, noch duivel, noch vijand tegen Hem zou kunnen aanvallen of Hem beschuldigen.

Ten derde. Hij moest ook waarachtig God zijn, opdat men van het werk der verlossing niet zou hebben kunnen zeggen: God heeft het niet gewrocht. Onze hand is hoog geweest, zeiden de Joden; maar in \'t werk der verlossing moet men zeggen: onze Verlosser is de Heilige Israels, Jes. 49:7. In dien Heere Heere zijn gerechtigheden en sterkte, tot Hem zal men komen, Jes. 45:24. Opdat ze met Maria zouden zeggen: Mijne ziel maakt den Heere groot, en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker, Luc. 1:46, 47. Men moest kunnen zeggen: wij zijn verlost door den Heere, onzen God. Om wat reden moest toch de Middelaar de waarachtige God wezen? Dat is weer zoo zoet; dat is geschied om verscheidene redenen.

In de eerste plaats. Hij moest God zijn, opdat Hij de gekochten recht vrij zou maken. Was Hij geen God, Hij zou nooit iemand recht vrij hebben kunnen maken. Zoo een Engel of eenig ander schepsel ons verlost had, zoo hadden wij deszelfs eigendom moeten zijn; en dat was voor ons geen vrijheid geweest een slaaf van een ander te wezen. Maar dat is rechte vrijheid het eigendom van God te wezen, het eigendom van den Heere Jezus te wezen, o! Die koopt ons, en Hij maakt ons tot zijn eigendom. Hij roept ons tot vrijheid. Indien de Zoon u vrij gemaakt heeft, zoo zult\' gij waarlijk vrij zijn. Joh. 8 :36. Hij koopt u, en Hij maakt u tot den zijne. Derhalve zullen ze onder niemand, dan onder God staan. Het eigendom van een schepsel te wezen, is geen vrijheid, maar eene dienstbaarheid; \'tis een slaaf van \'t schepsel te wezen.

Ten tweede. Hij moest God zijn, opdat Hij aan de zijnen het eeuwige leven zou kunnen geven; indien Hij geen God was, zoo had Hij daar niet voor kunnen instaan. Hij moest eene vereenigende gemeenschap met God aan hen schenken, zoodat God hun deel was, zoodat ze konden zeggen: de Heere is mijn deel; Hij is mijn rots-

8G

-ocr page 93-

OVER DEN VI. ZONDAG. Vrag. If., 17, 18 en 19.

steen, en mijn deel in eeuwigheid, Ps. 73:26. Hier in zijn begin en voortgang, en hiernamaals volkomen. Dat kan niemand geven, dan die God is. Daarom wordt dat zoo bijeengevoegd: De/.e is de waarachtige God en het eeuwige leven, 1 .Joh. 5:20. Omdat die deel aan God heeft, die heeft ook het eeuwige leven in zijn begin, en hij zal het ook in zijne volmaking krijgen.

Ten derde. Hij moest God zijn, opdat Hij hen die goederen zou kunnen deelachtig maken, waardoor zij Gocl tot hun deel krijgen. Wie kan anders \'thart veranderen, den Geest geven? Daar is geen een gekochte, of Hij past aan hen den Geest toe, die gaat uit van den Vader en van den Zoon; en Hij maakt hun steenen hart week, hij schenkt hen met Hem alle dingen, zoodat men moet zeggen: Dit is de vinger Gods, de arm des Heeren wordt hier geopenbaard. Let er op, geliefden! \'tZijn zaken, dubbele aandacht waardig.

Ten vierde. De eere van \'t werk der verlossing en van \'t Middelaarsambt komt niemand anders toe dan den sterken God. Wat is die eere? Dit, dat men op Hem vertrouwen moet. Wij moeten ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op Hem alleen stellen. Men moet op Hem vertrouwen in nood en dood. Hem moet men de eere geven, dat wij zijne knechten en zijne dienstmaagden mogen zijn. Mag men dat wel aan een mensch doen? Vervloekt is de man, die op een mench vertrouwt, en vleesch tot zijn arm stelt, en wiens hart van den Heere afwijkt, Jer. 17:5. \'t Is afgoderij. Men mag niemand aanbidden dan God, Matth. 4:10. Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen. Nu moet de Middelaar aangebeden worden; en moet Hij aangebeden worden, zoo spreekt het van zelf, dat Hij God moet zijn, want de eer van aanbidding komt geen schepsel toe. Men moet ook in Hem gelooven. Daarom zegt de Heere Jezus: gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij, Joh. 14:1. Door het geloof zijn wij aan God en aan den Middelaar verbonden.

Ten vijfde en ten laatste. Hij moet God zijn, omdat Hij in dien eeuwigen raad van God voor ons zou kunnen spreken; en opdat wij in Hem tot God zouden kunnen genaken, Jer. 30:21. Wie zal met zijn hart tot God kunnen genaken, dan Die, wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid, Micha 5:1.

Nu hebben we ons vierde stuk te bezien, namelijk, dat de Middelaar is God en mensch in eenigheid zijns persoons. quot;t Zijn twee naturen, doch maar een persoon. Die twee naturen moesten niet in een gesmolten worden, noch zich ondereen vermengen; maar \'t moesten twee naturen ziju en blijven in eenigheid des persoons. \'t Moesten geen twee personen worden; maar twee naturen in eenigheid zijns persoons. Nu vraagt gij wel in uw hart: heeft dat ook zijne reden? Ja, en dat wel hierom, opdat wij maar een eenigen Middelaar zouden hebben. God wilde in \'t Oude Testament maar één 11 oogepriester hebben, om daarmede te toonen, dat er is een God en een Middelaar. Daar is maar één fundament, op \'t welk wij gebouwd moeten worden, daar is maar één naam onder den hemel gegeven, in

87

-ocr page 94-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

welken wij moeten zalig worden, Hand. 4:12. Een weg, waarheid en het leven. Joh. 14:6. Wat zou \'tzijn, was de Middelaar maar alleen God geweest? Dan had Hij niet kunnen gehoorzamen noch lijden, en was Hij alleen God geweest, dan had Hij in zijne volmaaKtheden moeten verminderd worden; en dat kan niet zijn, Hij is onveranderlijk volmaakt, zijne volmaaktheden kunnen niet verminderd worden, en was Hij alleen mensch geweest, en kunnen gehoorzamen, zoo had Hij het zware lijden niet kunnen dragen. Al had Hij volmaaktelijk kunnen gehoorzamen, zoo was zijn lijden van geen oneindige waarde geweest. Hieruit kunt gij dan begrijpen, aan de eene zijde, dat Hij niet alleen God, maar ook mensch moest zijn, opdat Hij zou kunnen gehoorzamen en lijden; en wederom aan de andere zijde, dat Hij niet alleen mensch, maar ook God moest zijn, opdat zijne Goddelijke natuur de menscholijke zou kunnen ondersteunen, en eene oneindige waardigheid aan \'tlijden toebrengen. Derhalve al waren de zonden van de uitverkorenen nog zoo groot, dat ze echter vanwege de waardigheid en heerlijkheid van den Middelaar altemaal zouden kunnen vergeven worden. Alle de zonden van al de uitverkorenen zijn, gelijk als wij onlangs zeiden, maar als een eenige kool vuur in eene geheele zee geworpen. Hoe gemakkelijk nu kan die aldaar uitgedoofd worden! Zoo wischt God ook onze zonden uit. Onderzoekt nu de Schriften, of al die voorwaarden niet zijn in den Middelaar, of die dingen zoo niet zijn, zoo kan daar het gewonde hart niet in berusten. Ja, God wordt zonder naspraak de God van zulk een verlegene. Geen verdoemde in de hel, noch goddelooze in de wereld, noch duivel in de hel kan dat tegenspreken. Die buiten ons zijn mogen zoo iets zeggen, maar \'tis alles niets. Daar hebt gij nu het eerste stuk.

Nu komt het verlegen hart en zegt: is er zulk een Middelaar? ach God! wie is \'tnu? ik ben nog niet uit mijne beklemdheid, wie zou het zijn? Nu komt de groote God, die liefelijk in genade is, en die zegt, kom aan, mijn schepseltje, daar is er een; en ik zal u Hem noemen, \'tis Jezus Christus, dien heb Ik u geschonken tot wijsheid en gerechtigheid, heiligmaking en eene volkomene verlossing. Als gij Hem ontmoet, gij zult Hem vinden als een heelmeester. Hij is als een balsem. Het is ook onze Heere. \'tls Jezus de Zaligmaker. De engel zeide: dat men zijnen naam zou heeten Jezus, Matth. 1 :21. Leest den Bijbel; die dien naam draagt, is het. \'tls Christus, de gezalfde tot Profeet, Priester en Koning. Hij is die Heere, dien gij zoekt, de Heere uit den hemel, 1 Cor. 15:47. \'t Is die, dien David, in den geest, zijnen Heere noemt, Ps. 110:1. \'tls de Heere Jezus Christus. Hoe komt Hij hun Heere te zijn? God heeft Hem aan hen gegeven, en Hij heeft hen verlost, als de stonde der minne daar was, en Hij heeft hen getrokken uit de macht der duisternis, en overgebracht tot zijn wonderbaar licht, 1 Petr. 2 :9. Toen zij verlost werden, kwamen zij over en zeiden: Gij zijt mijn Heere en mijn God, U verkies ik, dat getuig ik, zweer ik, en ik zal \'t bevestigen. Gij zijt mijn Heere en ik ben uw knecht en dienstmaagd. Een vrome zeide: wel ziel!

88

-ocr page 95-

OVER DEN VI. ZONDAG, Vrag. 16, 17, 18 en 19.

hoe krijgt gij dat? Dat heb Ik « gegeven, zeide God, uit den overvloed van mijne goedheid, gij zoudt het anders uw leven niet gekregen hebben. Vrouw! zeide de Heere Jezus tot de Samaritaansche, indien gjj de gave Gods kendet, en wie \'tis die tot u zegt: geef mij te drinken, zoo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben, Joh. 4:10. Heere! zegt zulk eene ziel, wat geeft Gij dan aan zoo eenen, als Gij hem dien Heere geeft V Dan geef Ik u, zegt God, wijsheid om Hem te gebruiken: dan zult gij \'t rechte verstand krijgen, als gij Hem recht gebruikt, dan zult gij een gezicht krijgen, hoe Ik God uw schepper geworden ben; wie, en wat Ik ben, die mij zoo kennen, daarin is bet eeuwige leven, behalve dat, zal ik u dan doen zien, wat in dien Heere te vinden is, namelijk een eeuwige rechte grond, om in mijn gericht te kunnen bestaan, anders hebt gij niet van noode. Zegt gij, ach Heere! ik zondig zoo. Wel, zegt God, Hij zal u ook tot rechtvaardigmaking wezen, al zoowel als Adam, had Hij staande gebleven, u tot volmaking zou zijn geweest, zal u de Middelaar wezen tot heiligmaking. Vallen zij, zij gebruiken Christus tot rechtvaardigmaking, Hom. 5:18, 19. Dan zegt een vrome: ach Heere! ik heb nog zooveel druk! Dat weet ik wel, zeide de Heere: maar ik zal u volmaken, volmaakt gelukkig maken, zoodat gij zult zeggen; nu is er niets onvolmaakts meer over van al de verlosten. Hij zal ze uit al hun druk verlossen. Even gelijk een mensch, die vol van ongelukken is geweest; doch het een en ander is genezen; eindelijk de vijf of zes die er nog overig waren, worden ook genezen, en zoo is alles genezen.

Nu hadden wij ten laatste dit te bezien, te weten, maakt men dat elkander niet maar zoo wat wijs in de gereformeerde kerk? Hoe weet gij dat? Is daar grond toe? Hoe komen wij daar achter, dat er zulk een Middelaar is? Dat zal niemand ons kunnen zeggen. De wijsheid der menschen en der engelen schiet hier te kort. Is \'t dan geen leugen? Neen, het zijn dingen, die volkomen zeker zijn, maar niemand kan ons de voorwaarden ontdekken, noch in den hemel, noch in de hel, wie die persoon is, die zulke voorwaarden heeft. Engelen en menschen, en al de geleerdheid der menschen schiet er in te kort, om het ons te ontdekken, dat het Jezus is, vleesch en bloed heeft het ons niet geopenbaard, Matth. 1G: 17. De wet dondert zonder troost, het geweten doet ons beven en benauwd zijn; de engelen in den hemel hebben \'t niet kunnen doen, het is ons door de veelvuldige wijsheid Gods bekendgemaakt geworden, Ef. 3:10. De onderwijzer zegt het zoo ordentelijk, waaruit wij het weten, waaruit weet gij dat? zegt hij, en hij antwoordt: uit het heilig Evangelie van God zelf, eerst geopenbaard in \'t Paradijs, enz.

Daar is een Evangelie der beloften, der schaduwen, der voorzegging en der vervulling. God heeft den mensch heerlijk geleid. Klimt daar eens met uwe gedachten naar boven, en ziet eens, wat ik u daar te binnen brengen zal, en beschouwt daarvoor den tijd, die onderhandeling in de eeuwigheid tusschen God den Vader, den Heere Jezus

89

-ocr page 96-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Christus en den Heiligen Geest, over die uitverkoren schepsels. Daar ziet gij dien eeuwigen raad der genade in \'thart van God den Vader, over die uitverkoren schepsels. Ik kan ze niet gelukkig maken, zeide Hii tegen den Zoon, zonder voorwaarde, daar moet wat hards ondergaan worden, en Ik stel U voor. Zoon! zeide de Vader. Wat antwoordt nu de Zoon daarop? Ik, zegt Hij, Ik kom, in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God, om uw welbehagen te doen, en uw wet is in \'t midden mijns ingewands, Ps. 40:8, 9. Wel! zij de Vader, Ik zal U loon geven, daar zal geen dag zijn, of al de uitverkorenen, die toegebracht zijn, zullen op hunne knieën voor U vallen in den hemel en op aarde, en U aanbidden en U verheerlijken; zij zullen uitroepen: Hem die op den troon zit en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid, üpeub. 5: 13. Gjj zult wol een weinig van uwe heerlijkheid verminderen moeten voor eenen korten tijd. Gij zult een weinig minder worden dan de engelen, vanwege het lijden des doods; doch Gij zult daarna met eer en heerlijkheid worden gekroond, Hebr. 2:9. Ik ben er mede tevreden, zeide de Zoon. Da,n zal Ik U, zeide de Vader, die heerlijkheid wedergeven, die Gij bij Mij hadt eer de wereld was. Joh. 17 : 5. Moet Gij ze al een beetje verbergen. Ik zal ze wederom heerlijk te voorschijn brengen; en Ik zal ü rechtvaardigen. Daarop komt de Geest van God en zegt: Ik zal U eene heilige natuur bereiden, en Ik zal het Woord gaan geven op de aarde; en Ik zal uitgaan van Vader en Zoon, en gaan werken in het hart van eiken uitverkorene op hun tijd, als ze moeten toegebracht worden, dan zal Ik hunne genegenheden gaan omzetten, en ze veranderen, en hen zoo brengen tot geloof en liefde. Daarop komt God en die gaat dat openbaren, eerst in \'t paradijs.

Nu moet gij komen tot ontdekking van dien raad. Dat deed God in den beginne zonder geschreven Woord. Waarom? Dat kon toen zoo gemakkelijk geschieden, omdat er toen uog zoovele vrome men-schen niet waren, en omdat die vrome vaderen toen langer leefden, en God hun menigvuldiglijk verscheen, en door hun lang leven zoo konden ze \'t aan hunne kinderen vertellen. Daar komt God eerst bij Adam en Eva, toen bij Henoch, toen bij Seth, toen bij Noach in de eerste en tweede wereld, toen bij Setn, daarna bij Abraham, daarna bij Izak en daarna bij Jakob. Toen geraakte dat volk onder den druk in een vreemd land; daar wil God dat ze door Mozes gered zullen worden, en toen kwam de H. Schrift in de wereld. Daar verordende God den ganschen godsdienst, die toen ook bestond in offeranden, schaduwen en voorzeggingen. Daar komt God zoo onder de Joden welker godsdienst toen ook in heerlijkheid was. Wij moeten die vaderen zoo klein niet achten. Die dit doen, doen dwaas. In vergelijking van dezen onzen godsdienst was hij wel minder in heerlijkheid, maar hij had echter een grooten uiterlijken glans, en daarom hadden de apostelen zooveel moeite om de Joden ervan af te trekken. Welke heerlijke plaatsen waren er, welke personen en zaken!

90

-ocr page 97-

OVER DEN VI. ZONDAG. Vrag. 16, 17, 18 en 19.

En zouden wij tot een verachten Jezus, tot eene geestelijke bediening overkomen, daar al dut heerlijke beslag weg is? zeiden ze; dat konden ze bijna niet doen. Daarom deed er een Paulus zooveel moeite toe in den brief aan de llebreën om er hen vanaf te krijgen. Wat was .\'t toch, dat deze bediening zooveel heerlijker maakte? \'t Was omdat Jezus er in was, en die was boven Mozes en boven Aiiron en boven Melchizedek. Dit is nu al dat beslag van dat onderscheid. Wel het was geen spel, geen praatjes; zij konden God en Christus in dat wereldlijk heiligdom zien, en zoo door al die stukken God verheerlijken. Wel meent gij dat de menschen toen zoo dwaas waren, of dat ze sliepen, of droomden? Neen; geenszins. Daar waren schrandere en godvruchtige zielen onder. Als ze daar des morgens en des avonds kwamen met hunne offeranden, meent gij, dat ze droomden of suizebolden? Zij zagen door al die schaduwen heen tot op den Heere Jezus. Zij zagen Hem daar in zwachtels liggen, en zij gaven goede redenen van zich. Wel, de Heere Jezus, zeiden ze, wordt ons daardoor afgeschaduwd. Daar kwam God eindelijk door zijne profeten; en die voorzegden den tijd, de plaats, de omstandigheden van de komst en geboorte van Christus, en wat Hem al ontmoeten zou. Die spraken van zijne namen, naturen, ambten, staten en weldaden. Daarop komt God, en die verandert eindelijk de belofte in de vervulling. Daar kwam de Heere Jezus, en zeide tot de sshaduwen; vliedt weg, gij hebt nu uitgediend; en Hij lokt hot verlegen hart naar Zich toe, God heeft in \'t laatste der dagen tot ons gesproken, door zijnen Zoon, Hebr. 1:1, en daar zal nu geen verandering meer komen, tot op het oordeel toe. Woord en Geest zullen in de kerk zijn, kaf en koren, strijd en druk tot op het oordeel toe. \'t Zal zijn een zichtbare en een onzichtbare kerk. Of wij al dit of dat zeggen, en dit is wel zoo overgezet, maar \'t kan ook zoo overgezet worden; daar zal geen andere waarheid komen, dan er in de Bijbel begrepen is. Hadden wij dat Woord niet, wij dwaalden gelijk als de Barbaren, en wij tastten als de blinden; en als wij een iegelijk op ons ziekbed lagen, zouden wij liggen woelen gelijk als de Heidenen, die geen hoop hebben.

Geliefden! ziet gij \'t wel? Dit is het eeuwig Evangelie, het Oude en het Nieuwe Testament; het begrijpt in zich denzelfden God, den-zelfden Middelaar; het spreekt van dezelfde geestelijke goederen van het genadeverbond. En anders wordt er op geen Gereformeerden predikstoel geleerd. Al de uitverkorenen, wedergeborenen, en in alle tijden, zullen op eene en dezelfde wijze zalig worden; zij zullen allen in Christus gelooven; de een in een Christus die te komen stond, en de ander in dienzelfden Christus, die gekomen is; die buiten de kerk anders leeren, missen het beeld der zaken zelve, en ontrusten degenen die in den Heere rusten.

Ziedaar, geliefden! Daar hebt gy den zesden Zondag kortelijk verklaard en aan uwe aandacht opengelegd.

Als wij nu nog een woord tot ons hart zouden spreken, zoo zet uw hart dan open.

91

-ocr page 98-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Moet ik en gij niet zeer verwonderd zijn over de grootheid Gods? Is \'t wel wonder, dat men zoo gaarne, die hier part en deel aan heeft, dat versje zingt uit Ps. 36:2?

Heer, uw goedheid en uw Woord waar Tot der lucht en den hemel klaar

Hen strekken naar ons wenschen;

Uw oordeel vast als een berg staat Uw recht diep als een afgrond gaat,

Gij behoedt vee en mensohen.

Hoe groot is uw goedheid eenpaar Hen, die onder uw vleug\'len haar

Te begeven gedinken!

Haar begeert\' vervult Gij met goed;

En aan uwer wellusten vloed

Voert Gij die, dat ze drinken.

God is \'t ons immers niet schuldig, en wij zijn \'t niet waardig? Hadden wij dat gedacht, dat God naar ons zou zien, daar wij opstandelingen waren? Als men eens zoo een koning in de wereld vond, die zijne opstandelingen een raiddel van redding aanwees, en dat hij hen bad en smeekte, dat zij dit middel toch wilden gebruiken en aannemen, en dat die opstandelingen aan hunne zijde er niet mede te doen wilden hebben, zou het niet de uiterste boosheid zijn, en zou \'t niet om te verwonderen zijn? Wel! nu komt die God, die geen mensch noodig had, en Hij wijst aan zijne zijde hun een middel van redding aan, en Hy wil hen helpen. Moet men dan niet verwonderd staan, dat wij aan onze zijde ons hart verharden, dat de zondaar zoo verkeerd is? Als er eens een gevangen man was, en de koning wilde hem genade geven, op voorwaarde, dat hij den genadebrief eens zou inzien, en de gevangen man wilde hem echter niet lezen, maar scheurde dien in stukken, zou men niet verbaasd moeten staan! Eveneens zoo gaat het met u, zondaar! Gij zijt weerspannig. Daar komt(xodmet de genade en Hij zegt: gij moet naar de hel gaan, of gij moet het lezen ; onderzoekt uwen staat of gij zult verloren gaan; zoo gij het niet doet, zoo doet gij eveneens als die gevangen man, die zegt: ik wil de genade niet lezen. Om u niet te verongelijken, zoo zullen wij u eenige teekenen geven, en legt er uzelven eens nevens.

Eerst. Zegt gij niet duidelijk in al uw doen, ik ken het niet, en ik wil \'t niet kennen? Als gij van uwen godsdienst wat zoudt moeten zeggen, zoudt gij er wel zooveel van weten, dat gij \'t een half kwartier uurs lang zoudt kunnen doen? \'tis of gij zeidet: mijn God, ik wil het niet kennen.

Ten tweede. Gij wilt er geen belijdenis af doen; en is dat dan niet de genade weggesmeten?

len derde. Die u de genade en het Woord prediken, haat gij die niet. Is het niet even zooveel alsof gij de genade uit des brengers hand nam, en zeide: ik haat er u om? Is \'tniet eveneens, alsof gij zeidet: ik haat u, omdat gij de vergeving predikt? Ja, alsof gij zeidet: Heere

92

-ocr page 99-

OVER DEN VI. ZONDAG. Vra». 16, 17, 18 en. li).

Jezus, ik liaat U? Is Hij u niet als een steen des aanstoots, en als een rots der ergernis? Niemand is er minder bij u geacht, dan de Heere Jezus. Gij moogt nog van dien zoeten klank van dat woord wat houden, maar de Persoon en de zaak bemint gij allen niet, die niet door Hem verlost zijl. Gij wilt niet gaarne van Hem hooren; en als gij er nog al zit (\'t is slecht genoeg!) dan wilt gij er uwe aandacht niet eens toe leenen; gij zijt benauwd, dat gij overtuigd en bekeerd zoudt worden; gi] denkt niet eens; ach God! laat ik zoo tegen IJ niet zondigen! En als gij nog al eens komt, hebt gij er geen achting voor. Of God u liefheeft, dat acht gij niet. 01 God in den hemel u bidt en smeekt, dat acht gij niet. Ik wil niet tot u komen, zegt gij. In al uw doen zijt gi] zoo gesteld. Wel arm schepseltje! Mogen wij u wel eens aanspreken? Arme zondaar! Gij zijt nog een vijand en eene vijandin van God. Wat beeldt gij u al in, als gij uzel-ven zoo aanstelt? Zult gij God winnen? Zult gij u tegen den Heere verharden en vrede hebben? Zal zijne hand zijne vijanden niet eens vinden? En zal zijne rechterhand zijne haters niet eens vinden? Hij kan u zoo haast wegnemen. Weet gij wel, dat het Hem licht valt u te dooden? Gij kunt zoo gemakkelijk geen mug dooddrukken, dan de Heere u dooden en vernielen kan. Heeft Hij er niet duizend middelen toe? Hij heeft dien adem, dien gij in uwe neus draagt, maar een oogenblik in te houden; Hij heeft u maar eene hartvang toe te zenden, en \'t is met u gedaan. Ziet het in een Rabsake en in zijn leger; ziet het in Egypte, in éenen nacht werd in elk huis een doode gevonden. Hij kan met u ook zoo doen. Wij moeten er nog een woordje bij doen.

Moet gij niet erkennen, zondaar! die en die dingen doe ik zoo, maar wat maak ik mij zeiven vervloekt! Ik heb zooveel genoegen, maar ik kom in Gods huis niet. Gij zit nu bij elkander, te redeneeren, \'t mag u nu nog zoo zoet schijnen, maar de tijd zal komen, dat zoo gij niet bekeerd wordt, gij zult moeten uitroepen en schreeuwen: Bergen valt op ons, en verbergt ons van \'t aangezicht Desgenen, die op den troon zit, en van den toorn des Lams, Openb. 6:16. Als gij voor den Richter der gansche aarde zult gesteld worden, dan zult gij uitschreeuwen: Wie is er, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er, die wonen kan bij een eeuwigen gloed? .les. 33:14. Waarom toch moest die rijke man zijne oogen anders in de vlammen opslaan, dan om zijn zorgeloos leven ? Luk. 16:24, 25. Mogen wij nog wel een woord tot uwe opwekking spreken?

Ach! dat gij quot;t nog wist, te dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient! Luk. 19:42. Ik zou tot u zeggen: daar staat nu de Middelaar; Hij is du volkomene, de waarachtige, de eenige, de noodige Middelaar; wij willen Hem u niet alleen voorstellen, maar Hij staat daar, en Hij Iaat u door ons bidden dat gij u met God zoudt laten verzoenen, 2 Cor. 5:20. Daar schreit Hij als over u, en Hij zal ook misschien haast afscheid van u nemen, wat zal u dat dan niet tot zonden gerekend worden, als gij Hem weigert aan te nemen, als gij

93

-ocr page 100-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Hem verwerpt; Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven, dat gij verwerpt; en dan kunt gij geen hoop hebben, en dan zijt gij in dien toestand als er Ef\'. 2:12 staat, te weten: Vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God en zonder Christus in de wereld. O! mocht het den duivelen gebeuren! O! mocht het den verdoemden in de hel gebeuren, wat u gebeurt! O! mocht het u gebeuren als gij in de hel zult zijn dat de vergeving u gepredikt werd, wat zouclt gij blijde zijn, en nu wilt gij niet hooren!

Wel! zult gij in uw hart licht denken, wat moet ik dan doen?

Eerst. Erkent ten minste, dat het uw schuld is, dat gij de genade niet gewild hebt. Zegt: ach Heere! ik ben al zoo oud en nog heb ik er geen deel aan. Gij en do predikanten hebben het mij ontdekt, dat ik het nog mis.

Ten tweede. Valt met gebeden en smeekingen voor den Heere neer, en bidt, dat de Heere u belieft te vergeven uwe onkunde en uwe achteloosheid, en al die zonden van uwe uitspanningen, die gij in den tijd van uwe onbekeerdheid gedaan hebt.

Ten derde. Wanhoopt niet, gij zijt nog niet dood. Het is met u nog niet in de hel. Daar is nog een heden van genade voor u. God kan u nog in uw hart grijpen; Hij zou het dezen dag kunnen gedaan hebben, of nog doen kunnen, als gij naar uw huis zult gaan, zoodat gij zoudt moeten zeggen: ach God! ik kan niet meer!

Nog eens. Komt dikwijls onder het gehoor; en als gij er naar toe gaat en er onder zit, zegt dan: ach God! mocht deze man, dit het middel, dit de stond van mijne verandering wezen! Mocht dit de stof zijn, waardoor mijn hart geraakt werd, en de tijd dat God zijn oog op mij wierp! Wilt gij zoo doen, de zegen Gods zal over u wezen, dat durven wij u beloven. Wilt gij niet? Gij zult ondervinden, dat het u bitter zal zijn.

Ach! zegt een verlegen hart, zou er voor mij nog hoop van redding wezen? Ja. Wij zullen er u eenige teekentjes van geven.

Eerst. Zoo een houdt niet veel van een zorgelooze gestalte. Die er deel aan heeft, zoekt niet zorgeloos te zijn. Is hij den eenen dag wat gerust, hij is den anderen dag zoo benauwd, hij kan het niet dragen, dat hij zoo stil is.

Ten tweede. Kan hij \'t niet dragen, dat hij zulk een hard hart heeft. Ach! zegt hij, ik ben zoo hard van hart. Waarom verstokt gij mijn hart, dat ik U niet vreeze? Jes. G3: 17. Dat is al dikwijls hun verborgene, stille, doch God bekende zuchting.

Ten derde. Ik heb liever, zeggen ze, dat Gij \'t mij nog zoo bang maakt, als dat ik zorgeloos zou zijn. Ik heb liever, dat Gij als hemel en aarde bet mij bang maakt, als hard en zorgeloos te zijn. Ik wil liever gejaagd en benauwd zijn. Waarom? Dat doet mij schreien en zuchten in stilte, en eenzame plaatsen verkiezen, waar ik liever op de borst mag kloppen, en zeggen: O God! wees mij arme zondaar en zondares genadig! Luk. 18:13.

Daar hebt gij al drie teekentjes; stilheid en gerustheid kunnen ze

94

-ocr page 101-

OVER DEN VI. ZONDAG. Vraq. 10, 17, 18 en 10.

niet dragen. Zij hadden liever, dat hun hart bang was, als zoo stil te zijn.

Ten vierde. Ach! het is hun zulk eene nare gedachte, als zy Jezus missen.

Ten vijfde. Daar zijn hen integendeel geen zoeter of troostelijker gedachten dan Hem te hebben, en in Hem te zijn.

Ten zesde. Daar rijst dan dat bidden uit: O Heere! geef mij Jezus; ik heb zelf geen gerechtigheid, wat zult Gij mij geven, als Gij mij Jezus niet geeft? Schenk Hein aan mij, o God! tot wijsheid, tot gerechtigheid en tot eene volkomene verlossing. Gij hebt mijne achting, Heere Jezus! en niemand anders dan Gij.

Ten zevende. Ik kan de verdorvenheid in mijn hart niet dragen, Heere, Heere! Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen? Rom. 7 : 24,

Nog eens. Ik ben nog niet volkomen verlost. Zoo Gij dat werk al in mij begonnen hebt, wat zijn er nog al verdorvenheden in mij! Ik doe het kwade nog wel, maar het smart mij tot aan mijn hart, van dien tijd af, van dat stondetje der minne af, lei ik de wapens daar voor u neder, Heere! in uwe mogendheid hoop ik ze nooit meer in de hand te nemen. O God! reken het mij niet toe, als ik iets als een vijand doe. Laat ik toch een oprecht kind van U wezen! Doe ik eens iets, wat een kind niet past, ik doe het met het hart niet.

Ja nog eens. Allen die het niet Jezus houden, zijn mijne vrienden. Al gingen ze onder kruisen, en al gingen de vijanden met kronen, zij kunnen het er niet mede houden, zij achten de smaadheden van Christus meer rijkdom dan al de schatten van Egypte. Zij houden het liever met dat volk, dat verdrukt wordt; ja, zij roemen ook in de verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons gegeven is. Kom. 5:3- 5.

Daar hebt gij zes of zeven teekenen. Legt er uw hart bij, zij zijn altemaal Schriftuurlijk. Vindt gij ze in uw hart, zoo is Hij u geschonken, Dien God in het Evangelie geopenbaard heeft. En daarop zult gij ook altemet in uw hart vinden dat gij zult moeten uitroepen: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde. Luk. 2:14. Eere zij God den Vader, die het middel in zijne wijsheid uitgevonden, en zijn Zoon aan mij gegeven heeft! Éere zij God den Zoon, die de harde voorwaarde volbracht, en mij met zijn\' bloed gekocht heeft! Eere zij den Heiligen Geest, die het Evangelie heeft laten beschrijven en verkondigen, en door hetzelve in mijn hart gewrocht heeft! Eere zij den Drieëenigen God! U, Drieëenig Wezen, aanbid ik; U erken ik, uit Uwe hand verwacht ik alles goeds. Ach! dat zij allen die ik ken U niet mij grootmaken, en alle geslachten en volken Uw naam loven!

Vindt gij het zoo in uw hart gesteld? Dankt dan God. Gij hadt dezelfde natuur als al de anderen, denzelfden staat als anderen, en dezelfde bediening. Hoe wonderlijk is het, dat dezelfde raenschen in

95

-ocr page 102-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ,

eene stad, die onder dezelfde bediening leven, de eenen de predikanten als engelen aanzien, omdat God door hen in hun hart werkt, en den anderen zijn ze als een duivel in hunne oogen. Dankt God, en zegt; ik ben liet niet waardig, niet meer dan anderen. Acht het Evangelie veel. Zijt veel met den Bijbel in uwe handen, op uw schoot, evenals de Kamerling, die hem las, hij zat er mede op zijn schoot. AVandelt alzoo waardiglijk het Evangelie. Als gij het met uw hart zult ge-looven, en met uw mond belijden, beleeft het dan ook.

Nog eens: Wandelt waardiglijk. God zal u dan nog al meer blijde tijdingen geven bij uw dood. Zoo ik en gij genade hebben, nooit zal er ons blijder tijding verkondigd zijn, als onze dood. Als God, de Richter, ons dat Evangelie zal verkondigd hebben, dan zal Hij ten laatste op de wolken komen, en ons nog al blijder tijding doen hooren, als Hij zal roepen: Komt nu gij gezegenden, beërft het Koninkrijk. Wij hebben dat hier zoo gaarne gehoord in de Kerk; maar wa zal dat dan zijn, als wij van den Richter zullen opgewekt worden; Dan zal Hij zeggen: Ik verkondig u en al het uitverkoren volk groote blijdschap. Gaat in de ruste van uwen Heere. Dan zult gij te boven zijn al uwe verdorvenheden: ellenden, verdriet, zuchtingen en treuringen zullen wegvlieden. Dan zullen de vrijgekochten des Heeren komen en binnen het hemelsche Zion juichen, en eeuwige blijdschap zal op hunne hoofden wezen. Amen.

90

-ocr page 103-

C A T E CIIIS MUS- P R E DIK A TIE.

Over den VII. Zondag. Vrag. 20. 21. 22. 23.

Zevende Zondag.

20. Vkaag. Worden clan alle menschen wederom door Christus zalig, alzoo zij door Adam zijn verdoemd geworden P

Antwoord. Neen zij; maar alleen degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd, en al zijne weldaden aannemen.

21. Vraag. Wat is een oprecht geloof?

Antwoord. Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik het al voor waarachtig houd, wat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een zeker vertrouwen, hetwelk de H. Geest, door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christus\' wil.

22. Vraag. Wat is dan een Christen noodig te gelooven?

Antwoord. Al wat ons in het Evangelie beloofd werd, hetwelk ons

de Artikelen onzes algemeenen en ongetwijfelden Christelijken ge-loofs, in eene hoofdsom leeren.

23. Vra ag. Hoe luiden die Artikelen?

Antwoord. Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. En in Jezus Christus, zijn cenlggeboren Zoon, onzen Heer e; die ontvangen is van den II. Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wedercmx opgestaan van den dooden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods en des Almachtigen Vaders, van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden. Ik geloof in den H. Geest. Ik geloof eene heilige, algemeene. Christelijke Kerk, gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden, wederopstanding des vleeschcs, en een eeuwig leven.

WIJ lezen, ] Petr. 4:18, Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en de zondaar verschijnen? De rechtvaardigen zullen zalig worden; zij zullen zekerlijk zalig worden, zij zullen allen zalig worden, zij zullen alleenIJ lezen, ] Petr. 4:18, Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en de zondaar verschijnen? De rechtvaardigen zullen zalig worden; zij zullen zekerlijk zalig worden, zij zullen allen zalig worden, zij zullen alleen

7

-ocr page 104-

08 CATECHISMUS-PREDIKATIE

zalig worden, zij zullen volkomenlijk zalig worden, en evenwel \'t zal moeielijk zijn, \'t zal nauwelijks zijn. Daar is arbeid en moeite aan verbonden. Petrus had dit den Zaligmaker hooren spreken. Luk. 13:24, Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg ik u, zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen. En Matth. 7:13, 14, zegt Hij: Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort, en breed is dé weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan. Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden. De geweldigen nemen hetzelve met geweld. Het moet met het zwaard in de vuist ingenomen worden. De gelieele wapenrusting Gods moet er toe worden aangedaan, Ef. 6 : 11—18. Als er eens eene vrijstad was, waarnaar duizenden op de been waren, om er in te komen langs een eng pad, en dat degenen, die er buiten bleven, onder een eeuwig verderf en jammer moesten blijven; ach! wat zouden wij elkander verdringen, en vertreden om daar binnen te komen!

Gi] zult zeggen; hoe komt het, dat er zooveel aan verbonden is, om \'behouden en zalig te worden? Dat is, omdat er zooveel tegenstand is; en omdat er zoovele booze en looze vijanden zijn, en omdat er zooveel verleiding van buiten, ja zulk een verdorven hart van binnen is. Rom. 7:21, zegt Paulus: ik vind deze wet in mij, dat, als ik het goede wil, dan ligt het kwaad mij bij; ja, zoovele verbergingen van Gods aangezicht zijn er; en zooveel druk en tegenheden, wanneer iemand zijn voet maar zet op den weg naar den hemel, en bovenal door al de klippen die er zijn, waartegen gewaakt moet worden, opdat men daar niet tegen de een of andere klip aanstoot en schipbreuk komt te lijden. Daarom moet men de goede streek houden, en men dient voorzichtig te wandelen. Op dat laatste moeten wij nog een weinig staan.

Wat zijn er al voor klippen, die men mijden moet?

Eerst. De klip van wanhoop. Ach! als men hoort prediken en als men leest in het Woord, daar zien wij het wezen Gods, dat zulke ontzaglijke eigenschappen heeft. Bezien wij daartegen eens onszelven met het geheele schepsel, hoe ellendig wij allen zijn; hoe lichtelijk zou men stooten en schipbreuk lijden op de klip van wanhoop, lis wij onze groote zonden en onze kleine genade bezien, en dat het in onszelven buiten hoop is, om ooit terecht te komen, daar geraakt een Kaïn aan verzeild, een Saul, een Judas en meer dergelijke lijden er schipbreuk op. .,

Ten tweede. De klip van zorgeloosheid. De mensch valt doorgaans tot het eene uiterste of tot het andere: tot wanhoop vallen er weinigen; maar tot zorgeloosheid zeer velen, die zeggen: beroer mij niet voor den tijd, gelijk die vermeende Samuel eens zeide: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt? zeide hij tegen Saul, 1 Sam. 28:15. Eii gelijk die weduwe te Zarfath, zeide: Man Gods, zegt ze tegen den profeet, wat heb ik met u te doen ? zijt gij bij mij gekomen, om mijne ongerechtigheid in gedachtenis te bren-

-ocr page 105-

OVER DEN VIL ZONDAG. Vrag. 20, 21, 22 on 23.

gen? 1 Kon. 17:18. Daar geraakt er menigeen aan zorgeloosheid verzeild; en zij blijven er aan vast, en gaan er zoo mede naar het eeuwige verderf.

Dan is er ten derde, de klip van algemeene genade. Die daarop verzeilen, gaan bezwangerd met de gedacliten, dat God een God is van alle menschen, en dat God niet alleen is een God der Joden, maar ook der Heidenen, die den dood des zondaars niet begeert, gelijk zij zeggen, maar zijn leven.

Ik doe er eene vierde klip bij. en dat is de klip van eigen kracht. O! zeggen dezulken, dat iemand niet zalig wordt, dat schort aan Gods genade niet, noch aan de verdiensten van Christus; Hij kan, en wil alle menschen volkomenlijk zalig maken; maar het ligt aan \'t gebruik van \'s menschen vrijen wil. O! als men maar wilde, wij zouden altemaal zalig worden. De Zaligmaker zegt het: Gij wilt niet tot Mij komen, zegt Hij, opdat gij het leven hebt in mijnen Naam, Joh. 5:40.

Ten vijfde. Is er de klip van een valsch geloof. O! de zondaar krijgt een gestadig begrip, dat hij gelooven moet, en daar gaat hij bouwen op een dood geloof in plaats van te bouwen op een levend geloof. Zijn geloof is een geloof met hetwelk hij verloren kan gaan. Jak. 2:2(3, Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood.

De Onderwijzer als een groot Schriftgeleerde zulks ziende, geeft een verstandig bericht aan degenen, die gaarne naar den hemel zouden gaan, en gaarne zouden zalig worden. Ziet gij die klip van wanhoop wel? zegt hij. Gij moet niet wanhopen met eene kwade, maar met eene goede wanhoop. Verslagen mensch, o! hier is uit-konist tegen den dood. Dan, zegt bij, ziet gij de klip van zorgeloosheid wel? Daar is niemand ten hemel binnengekomen, of hij kende kommer, zoodat hij moest uitschreeuwen, dat het zoo bitter was, dat het hem aan het hart raakte. Dan waarschuwt hij hen tegen de klip van algemeene genade. Dan tegen de krachten van den vrijen wil. Wij zijn krachteloos; wij kunnen niets doen, wij moeten \'t opgeven voor onszelven, en voor alle schepselen; en hij waarschuwt tegen do algemeene genade. In Adam zijn wij altemaal verdoemd; maar allen die in Adam verdoemd zijn, zullen uiet allen in Christus levend gemaakt worden. Dan gaat hij onderzoeken naar liet waarachtig oprecht geloof. Daar nu staat wat tegenover, en dat gaat hij als een verstandig man ook ontdekken. Daar staat tegenover het valsch go-loof. Die klip hebben we tegenwoordig te overdenken en aldus hebben wij heden te bezien.

Eerst. Dat alle menschen man voor man, en hoofd voor hoofd in Christus niet zullen zalig worden, gelijk ze man voor man, en hoofd voor hoofd in Adam zijn verdoemd geworden.

Ten tweede. Hebben wij te bezien wie er dan zullen zalig worden: te Aveten, alleen dezulken, die Jezus met een oprecht geloof aannemen en door het geloof Hem zijn ingelijfd, eu die zoo al zijne weldaden aan-

09

-ocr page 106-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

nemen. Bi] welke gelegenheid wij het valsch en het oprecht gelooi\' zullen moeten bezien.

Ten derde. Staat ons te bezien, wat een kind Gods al te gelooven heeft, waar de Onderwijzer dan een kort uittreksel geeft van de hoofdsom der zaken in de Artikelen van het geloof\' begrepen, die hij dan in \'t vervolg in deeltjes gaat verhandelen.

Eerst. Zeggen wij, dat alle raenschen niet zalig zullen worden in Christus, die in Adam zijn verdoemd geworden.

Ten tweede. Wie het oprecht gelooi\' heeft.

Ten derde. Wat eene oprechte ziel te gelooven heeft; en daar gaat de Onderwijzer den titel en hoofdsom der zaak hun kort voor oogen stellen, die\' wij altemaal, zoo God ons belieft gelegenheid te geven, als zoovele deeltjes en stukjes zullen moeten bezien.

Wat het eerste aangaat, alle raenschen zijn in Adam verdoerad. Dat lijdt geen tegenspraak; de Schrift is er klaar en vol van. De gansche wereld is voor God verdoemelijk, Rom. 3:19, en Rom. 5:12, Gelijk door één mensch de zonde in de wereld gekomen is, en dooide quot;zonde de dood, en alzoo de dood tot alle inenschen doorgegaan is, in welken wij allen gezondigd hebben. Dat is, gelijk wij allen in Adam gezondigd hebben, zoo zullen wij allen in Adam sterven; al wat dood heeten kan, komt over ons om der zonden wil, l Cor. 15:21. Wij hebben daar niets meer aan toe te voegen, dan dit: De bezoldiging der zonden is de dood, Rom. 6:23. De zonde kost den tijdelijken, den geestelijken, en den eeuwigen dood.

\' Daar nu zoo verdoemelijk voor God liggende, zoo spreekt de Onderwijzer van zalig te worden, tijdelijk, geestelijk en eeuwiglijk in den Heere Jezus; zal dat man voor man, en hoofd voor hoofd gebeuren? Neen.

Hij spreekt van eene zaligheid der menschen. Er wordt niet gevraagd naar eene zaligheid der duivelen. Waarom? Omdat sommigen nog meenden, dat de duivelen nog zalig zouden worden. Maar voor hen is er geen zaligheid, die is hun voor eeuwig ontzegd. Hij vraagt naar de zaligheid der raenschen die leven, niet naar de zaligheid der verdoemden, die reeds ontslapen zijn; want aan die is ook allo genade ontzegd, zoowel als aan de duivelen. Nadat ze gestorven zijn, is er geen genade meer voor hen. Het zijn dan menschen, welke leven op de aarde. Zullen die dan allen zalig worden?

Sommigen willen het denken, en die praten zoo, alsof de zondaar als hij duizend jaren in de hel geweest zal zijn, dan nog zou kunnen gered worden. Anderen praten van een vagevuur. Was dat waar, de goddeloozen sprongen wel op van vreugde, en zij zonden God danken, dat ze met een vijftig of zestig jaren de zonden te doen, met duizend jaren lijdens uit de hel verlost werden; maar die verloren is, blijft voor eeuwig verloren. De rook van hunne pijniging gaat op in alle eeuwigheid, Openb. 14:11. Dozen zullen gaan in de eeuwige pijn, Matth. 25:46. Eeuwige smaadheden zullen hen aangedaan worden. Zij zullen eeuwiglijk zondigen, en zij zullen ook

-ocr page 107-

OVER DEN VII. ZONDAG. Viug. 20, 21, 22 on 23.

een wiglij k lijden. Zij hebben nooit te denken aan eenige uitkomst. Muar nu is de vraag, of allen die leven, door Christus zalig zullen worden?

Om dat wel te begrijpen moet f,\'ij weten, dat de bedoeling van God den Vader en den Zoon over al de gevallen menschen in dien eeuwigen raad des vredes is geweest om sommigen weder te herstellen; maar niet allen. Als wij het stuk zoo voorstellen met te vragen: zullen alle menschen zalig worden? zoo doen wij dat, omdat de partijen geen verkiezing, noch verwerping erkennen: zij erkennen geen rechtvaardigheid Gods; en dit omdat ze de kracht van den vrijen wil durven drijven. Zoo doen wij niet. Wij erkennen eene vrijmachtige verkiezing en verwerping, lioin. 9:13. 2 Tim. 2:19, liet vaste fondament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen, die de zijnen zijn. Het geheele Woord is er vol van. Wat een onderscheid stelde God niet tusschen kinderen van gelijke dracht, tusschen Jakob en Ezau! Rom. 9:13. Jakob, zegt Hij, lieb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. Wat een onderscheid was er tusschen Kaïn en Abel! En hoe vrijmachtig is het! Wie kan tot Hem zeggen: wat doet Gij? Dan. 4:35. Zal ook het maaksel tot Dengene die het gemaakt heeft, zeggen: waarom hebt Gij mij alzoo gemaakt? Rom. 9:20. Dat is eveneens alsof een kind tegen zijn vader zeide: wat genereert gij? en tegen zijne moeder; wat baart gij? Jes. 45:10. Behalve dat God de Heere heeft aan zijn Zoon een loon gegeven, en dien bepaalt Hij, Joh. 17:9, Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt. Behalve dat de Zoon Gods schenkt de verwerving van de zaligheid niet dan aan zijn volk, aan zijne schapen, aan de bruid, de vrouw des Lams, aan zijne leden, zijne ranken. Behalve dat, de toepassing brengt de H. Geest niet verder, dan de verwerving gaat; Hij wederbaart niemand dan dengene waar de Zoon het voor verworven heeft; Hij werkt het geloof in niemand anders. Hij stelt niemand in dien staat, in die gestalte, en in dien vrij moedigen toegang tot God, als de gekochten, waar Christus het voor verworven heeft. Christus heeft voor niemand anders zijn bloed gestort, Hij heeft er niet één gebed voor, Joh. 17:9, Ik bid niet voor de wereld. Ja al de uitwerkingen van Christus\' dood, zijne rantsoeneering, voorbidding, rechtvaardige verzoening met God, vrede met God, het kan niet voor alle menschen zijn, man voor man en hoofd voor hoofd. Dat kunt gij klaar begrijpen; wat zou er dan anders een oordeel ten jongsten dage doen?

Ik weet de partijen hebben vele uitvluchten. Daar staat in de Schrift van allen, zeggen ze, 2 Cor. 5; 14, 15, De liefde van Christus dringt ons. Als die dit oordeelen, dat, indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar dien, die voor hen gestorven en opgewekt is. Doch de tekst geeft zijne eigene oplossing, te weten: \'t zijn al degenen, welke de liefde van Christus dringt om voor Hem te leven; die, en die alleen, ge-

101

-ocr page 108-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

nieten de vruchten van Christus\' dood; \'t zijn zulken, die niet meer zichzelven leven.

Ja maar, zeggen ze, God was de wereld in Christus met Zichzelven verzoenende, hun hunne zonden niet toerekenende, 2 Cor. 5: lü. De oplossing ligt al wederom in den tekst zelf. Namelijk, dat is die wereld, die God hare zonden niet zou toerekenen, en derhalve die verlost zijn; en daar de gezanten naar toe gezonden werden, om van Gods- en Christus wege te bidden, dat ze zich met God zouden laten verzoenen; en hoe menigeen is er in de wereld, daar dit niet aan geschiedt, die nooit onder eenig middel komen.

Ja, zeggen ze al verder, de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle menschen, Tit. 2:2. En dat is de liefde Gods tot alle mensehen. Maar dat is mis. Men kan wel liefde tot waarheid hebben, dat men daarom geen behagen in alle waarheid heeft. De liefde Gods is wel tot de menschen verschenen, maar daarom had God geen genoegen en geen liefde van welbehagen in alle menschen.

Daarop zeggen ze ons, uit 1 Cor. 15:22, Want gelijk ze allen in Adam sterven, zoo zuilen ze ook allen in Christus levend gemaakt worden, en Rom. 5:18, Gelijk door eene misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis; alzoo ook door eene rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaar-digmaking des levens. Maar dat zeggen wij ook, dat al degenen, die onder dat eene hoofd Adam behooren, sterven zullen; en die onder dat andere Hoofd, namelijk Christus, behooren, die allen zullen leven.

Daarop zeggen ze ons: Al wat iemand gelooven moet, dat is waarheid, en elkeen moet gelooven dat Christus voor hem gestorven is. Wij zeggen: elk moet die waarheid gelooven dat Christus voor zondaars gestorven is; voor sommige verlegenen, en dan moet hij daarna onderzoeken, of het ook voor hem is, elk moet niet gelooven, dat Christus voor hem gestorven is. Wil nu een goddeloos mensch zeggen : Ik geloof, dat Christus voor mij gestorven is; dat geloof is ijdel, het heeft geen schijn noch wezen. Is dat eene waarheid, gelijk het zekerlijk is, dat er zoo weinigen zalig worden; zoo ik en gij dat als eene waarheid gelooven, wat dienden wij dan te zeggen: Wie zal dan zalig worden? Wat moet ik doen om zalig te worden? Daar het geloof recht is, moet het dat in ons werken.

Nu ons tweede stuk, wie zal zalig worden? Al die het oprecht waarachtig geloof heeft. Joh. 3:36, Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid, Rom. 10:10. Zonder geloof is \'t onmogelijk God te behagen, Hebr. 11:6. De rechtvaardige zal uit het geloof leven, Rom. 1: 17. Die geloofd zal hebben zal zalig worden, Mark. 16:16. Maar waarom moet men het ware geloof hebben, en wat is daarvan de rede?

Eerst. Het ware geloof vereenigt ons met Christus.

102

-ocr page 109-

OVER DEN VII. ZONDAG. Vkag. 20, 21, 22, en 23.

Ten tweede. Het neemt den Middelaar en al zijne gaven en weldaden aan.

De eerste reden is, omdat hot ware geloof ons met den Heere Jezus vereenigt. Het legt dien geestelijken band tusschen den Heere en de ziel. liet lijft ons iu den Heere in. Hot maakt ons, dat wij één inet Christus zijn. Daardoor worden wij de steenen genaamd en Hij het fondament; wij de leden, H;j het Hoofd van het lichaam; Hij de wijnstok, wij de ranken; en meer zulke zoete afbeeldingen gebruikt de II. Geest om dit uit te drukken.

De tweede reden is: omdat wij door het geloof den Heere Jezus aannemen. Col. 2:6. Door het geloof woont Hij in onze harten, Ef. 3:17. Zoovelen Hem aangenomen hebben, grijpen zijne sterkte aan, Jes. 27:5. Het geloof wordt het oog genaamd, waarmede wij den Zoon Gods zien. Hand. 26:18; De voet om ons naar Hem toe te wenden, Jes. 45:22; De hand om zijne sterkte aan te grijpen, Jes. 27:5.

Nu zult gij zeggen, wat is dan het oprechte geloof? Wij vinden, dat er door het geloof in de H. Schrift verscheidene zaken verstaan worden. Somtijds wordt er de trouw Gods door verstaan; zoo zegt Paulus, Rom. 3:3, Zal ons ongeloof het geloof Gods te niet doen? Dan wordt er ook wel de trouw der menschen door verstaan. Er wordt ook wel door verstaan het Woord Gods, de prediking des geloofs. Hand. 6:7. Paulus zegt zoo in het verhaal zijner bekeering aan de Galaten, Gal. 1:23. Zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeido: degene die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte. Er wordt ook wel door verstaan het voorwerp des geloofs, namelijk de Heere Jezus Christus. Eer het geloot kwam, dat is, Jezus Christus, zoo waren wij onder de wet in bewaring gesteld. Gal. 3:23. Nog wordt er wel door verstaan de zaligmakende genadegiften Gods. Ef. 2 :8, Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, niet uit u, het is Gods gave. Onder de gaven des H. Geestes wordt ook het geloof geteld. Gal. 5:22.

Nu zult gij zeggen: Wat is dan het oprecht geloof naar de H. Schrift; is er dan een geloof, dat niet oprecht is? Ja, daar zijn er drieërlei, dat dit oprecht geloof niet is, en dat alleen niet genoeg is om een mensch gelukkig te maken. Wolk is dat geloof dan, dat niet oprecht is ?

Eerst. Er is een geloof, dat had in de eerste Christenkerk plaats, te weten: het geloof der wonderen, om wonderwerken te doen. Dat was dit, dat ik geloofde, dat God door mij aan een ander of door een ander aan mij een wonderwerk zou doen, en degenen die met ziekte of kwade geesten bevangen waren, genezen; dat ik geloofde dat God door mij aan een ander, of door een ander aan mij, op mijne smeeking dat doen zou. Dat iemand dat nu had, wat een beslag zou men er nu van maken! Dat er nu eens een predikant of eeu ander mensch was, die dat deed, wat een beslag zou men er van maken!

101?

-ocr page 110-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Als er iemand een wonder deed, zon men zeggen: die zal immers zeker zalig worden, en \'t zou echter mis zijn. Zou iemand, die dat geloof heeft, kunnen verloren gaan? Ja, 1 Cor. 13:2, wat is dat, zegt Paulus. Al ware het, dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets; zoo zou ik moeten verloren gaan, wil hij zeggen. Matth. 7:21, 22, daar zeiden ze:lleere, laat ons op onze kennis binnenkomen, en op onze bediening, dat wij in uwen naam gepredikt hebben, al hebben wij geen veranderd hart, en op de wonderen, die wij in uwen naam gedaan hebben. Neen, zegt God, daarop nooit; Ik heb u nooit gekend, daar gij uzel-ven voor kendet.

Ten tweede. Is er een geloof, hetwelk ons ook niet zalig zal maken; en dat noemen wij dit geloof, bij hetwelk men de waarheid in den Bijbel kent, en toestemt voor eene goddelijke waarheid, ofschoon men misschien in zijn leven geen eene gedachte ervan gehad heeft dat zo niet goddelijk is. De Bijbel, lieve menschen! denkt gij daarop binnen te komen. Wel, de duivelen gelooven ook en zij sidderen, Jak. 2:19. Als het hun te pas komt weten ze zelfs wel eene plaats uit de Schrift bij te brengen. Ziet dat bij Matth. 4: ü. Daar wist de duivel, bij den ileere Jezus zittende, een plaats uit Ps. 91:11, 12 bij te brengen. En zij weten ook overal tegen Gods kinderen wel iets bij te brengen, om ze te doen sidderen, bizonderlijk als iemand overtuigd is geworden. De apostel Paulus voor die voortreffelijke vergadering van do stad Gesarea, waarbij de koning Agrippa, van de Schriften sprekende, zeide: Gelooft gij, o koning Agrippa! de Schriften? Hij gaf den koning al goon tijd om zelf te antwoorden. Wat mag ik al vragen? wilde hij zeggen. Ik weet, zegt hij, dat gij ze gelooft! En Agrippa werd bijna bewogen om een Christen te worden; maar \'t ging weer over, Hand. 26:27, 28. O! zoo is \'t met den zondaar eveneens gesteld. Gij gelooft, zegt gij, zondaar, de Schrift! Wij weten dat gij ze gelooft; maar met dat geloof alleen komt niemand binnen.

Ten derde. Dan is er nog een derde soort, en die is zoo, dat, als iemand het ziet, al was \'t de Heere Jezus zelf, hij moest zeggen: vriend, gij zijt niet ver van \'t koninkrijk Gods, Mark. 12:34. P]n evenals van dien jongeling, waarvan gij leest, Mark. 10:17—22. De Heere Jezus beminde hem. Hij kreeg hem lief, omdat hij zoovele deugden had. Dat geloof nu wordt, Matth. 13:20, 21, gemeld een geloof te zijn voor een tijd. Kent gij dat geloof wel? Wij vreezen dat het meeste deel onder de Christenen daarmede bezet is. Kent gij \'t niet? \'t Heerscht in de kerk. Weet gij wat het is? Kort: het bestaat daarin.

Als zoo iemand onder de bediening van het Woord der genade komt, ach! zegt hij, dat is een aangenaam nieuws, lieve God! geen zondaar te oud, nog geen te groot, of Gij kunt er nog de God van worden? Is er nog uitkomst tegen den dood? Dat staat mij wel aan, Heere! ik ben niet verzadigd mot dat eenmaal te hooren, noch ook

104

-ocr page 111-

OVER DEN VIL ZONDAG. Vhao. 20, 21, 22 en 23.

met tweemaal; zelfs niet met honderdmalen: \'tis mij zoo lief! \'tis .als een, die wel speelt, ik zou er voor van mijne tafel opstaan, ik zou er mijn eten voor laten staan, om dat te komen hooren, zoo aangenaam is het mij.

2. Ik wil er kennis van gaan nemen, zegt hij, het koste wat Let kosten wil.

3. Als ik er kennis van gekregen heb, dat is dan nog niet genoeg; maar ik wil er belijdenis van gaan doen; en zij doen hunne belijdenis ook heel wel, en heel prompt in de wezenlijke stukken. Dan gaan ze nog al een trapje verder.

4. Ik wil dat ten minste fatsoenlijk gaan beleven, zeggen ze, foei! dat ik nu daartegen aan zou gaan leven! laat ik mijn fatsoen houden, en \'t grove begint er zoo wat af te raken. Ja, zij krijgen deugden, en die altemet zoo groot zijn, dat ze de vromen beschamen, zoodat de vromen moeten zeggen; Heere! kan dat zijn zonder genade, en ik ben zoo gebrekkig in mijne heiligmaking?

5. Zeggen ze: nu ben ik wel gesteld, nu twijfel ik niet meer, niemand zal me dat ontnemen. Hebt gij anders niet? Al was het een engel uit den hemel, zeggen ze, hij zal me niet doen twijfelen? Hebt gij anders niet? Gij gaat, zeggen wij, er echter mede naar de hel; met een droom des hemels vallen ze in de hel. Let er toch op, wij wilden wel dat gij het niet vergat zoolang als gij leefdet.

Eerst. Het aangenaam nieuws zoo te hooren staat mij wel aan.

Ten tweede. Zij komen \'t zoo gretig hooren. Ik wil dat gaan onderzoeken en er kennis van nemen, zeggen ze.

Ten derde. Ik kan het niet bij mij houden, zeggen ze, ik moet het belijden.

len vierde. Voegen ze er dit nog bij; ten minste, zeggen ze, wil ik het fatsoenlijk gaan beleven.

Ten vijfde. ben ik gerust, zeggen ze, het tegendeel komt er in mijn hart niet op.

Geliefden! onderzoekt nzelven nauw, of gij zulk een geloof hebt; beproeft uzelven. Wij kunnen dit niet wel voorbijgaan, of wij moeten u een klaar blijkje twee of drie geven, om dit stuk te bewijzen.

Eerst. Het tijdgeloot is doorgaans welgemoed; \'t is zeer effen, blijde en wel in zijn schik; \'t heeft geen verwisseling van gestalte, de eene maand en jaar is als de andere. Maar waar het ware geloof is, daar ligt men altemet eens op zipi bed en schreit, men heeft zooveel, als men houden kan, Ps. G: 7, Ik ben moede van mijn zuchten, ik doe mijn bed den ganschen nacht zwemmen, ik doornat mijne bedstede met mijne tranen. O! wat heeft hij verwisselingen van gestalten! Wat scheelt dikwijls de eene dag, ja ure van de andere!

Ten tweede. Het tijdgeloof heeft meer zin in \'t liefelijk, aangename en streelende uit het Woord, maar kwam de Heere Jezus eens met wat zwaars, waar de geheele zaak aanhangt, met het nare, dan zeiden ze: Deze rede is hard, wie kan dezelve hooren? gelijk velen van des Heilands discipelen zeiden, Joh. 6:60, en ze gingen weg. Moet het

105

-ocr page 112-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zoo zijn, wie kan dan zalig worden? Maar liet waar geloof zegt: o! mijn Heere! het nare uit het Woord van God sticht my zoowel als het liefelijke.

Ten derde. Als gij ze in de praktijk vindt, zij houden niet van al te nauwgezet te wezen, zij moeten naar het pleizier en genoegen van hun vleesch leven, zij weten het altijd wat te schikken, wat te nemen en wat te geven. Zijn zij bij de goddeloozen, of bij burgerlijke menschen, zij kunnen al zoowat mededoen; zijn ze bij de vromen, zij doen ook al mede. Maar waar \'t ware geloof is, o! die letten zoo op, om vooral den hemel gelijkvormig te wezen. Moet ik niet betoenen, zeggen ze, Heere Heere! dat ik uw beeld draag ? O! zij leven waardiglijk het Evangelie!

_ Ten vierde. Een onderzoekend Christen hebben ze niet gaarne bij zich; eene bediening, waar de stukken en deelen klaar worden opengelegd, die staat hun niet aan. Ik moet er een hebben, zeggen ze, waar ik ongemoeid zit; en zijn zij eens onder zulk een, zoo worden zij gemelijk: ik haat dezulken, zeggen ze, daar wordt niets goeds geprofeteerd, bij u kom ik niet meer. Maar waar \'t rechte geloof is, znlt gij ze zoo vinden, dat ze zeggen: ik wilde niet alleen, dat menschen, en mijn gemoed, en het Woord, maar dat Gij zelf Heere! mij onderzocht. Heb ik het niet recht? ontdek het mij. Gij zijt mijn getuige, dat ik het gaarne vast zou hebben. Dat is ook de reden, waarom er gevraagd wordt: wat is een oprecht geloof? omdat er zulken zijn, waar gij mede naar de hel kunt gaan.

Wat is nu, zult gij zeggen, \'t oprecht geloof. Dat hopen wij u klaar te zullen aantoonen. Dit is het in \'tkort: de Geest van God komt in \'t hart van den uitverkorenen zondaar. Hij brengt hem tot kennis van zijnen staat, tot kennis van God en Goddelijke dingen. Het eerste, wat God schiep in de eerste schepping, was \'t licht. Gen. 1 :3, het eerste nu in de herschepping is ook licht; \'tis een wonderlijk en een wonderbaarlijk licht, bij hetwelk zij krijgen te kennen al wat er in den raad van God is; dat wij niet alles zullen uitbreiden. De algenoegzaamheid Gods, Christus\' noodzakelijkheid, eigen onmacht, de diepte van zijne ellende, hunne onwaardigheid; \'t is alles zoo wonderlijk! Men ontmoet altemet een schamel menschje, die nauwelijks een kleed aan \'t lijf heeft, en gij hoort dien zoo vrijmoedig spreken van God, van zijn staat en bevinding, van de geestelijkheid van het Woord des levenden Gods, zoodat een geleerde er voor moet staan kijken, en zeggen: vanwaar heeft dit arme menschje dit, daar ze niet gestudeerd hebben? Wel denkt dan: al die kinderen worden van den Heere geleerd, Jes. 54:13, zij hebben de zalving van den Heilige, die hen alle dingen leert, 1 Joh. 2:27. Let er toch op, geliefden! Het zijn geen onverstandige menschen, al zijn ze gering, zij hebben al meer verstand dan al die letterknechten.

Het tweede in het oprecht geloof is: dan komt de vriendelijke, de machtige God, en die overreedt hun hart, zoodat ze met een vol

lOG

-ocr page 113-

OVER DEN Vir. ZONDAG. Viun. 20, 21, 22 en 23.

hart liet gansche Woord van God toestemmen. Allerliefste Heere! zeggen ze, waar ik het doorkeken heb, uw Woord is waarachtig; daar ligt zulk een glans en majesteit op, zoodat ik met heel mijn hart moet zeggen: God is God, en \'tis een getrouw Woord en aller aanneming waardig; daar is geen twijfel aan eenig stukje te slaan.

Gij zult zeggen: twijfelt dan het waar geloof nooit aan een eenig stuk van \'t Woord? Ach ja; maar als \'t in goede doen is, nooit; maar altemet als het in eene flauwte is, dan twijfelt het ook wel zwaar, Ps. 73:11, zegt die man: zou ei\' wel wetenschap zijn bij den Almachtige? Ik zou wel eens met God willen twisten en pleiten, zegt hij. Maar als zij dat ontmoeten, dat kost vleesch en bloed. Zij strijden er tegen en zij komen het onder Gods zegen weer te boven.

Het derde in \'t ware geloof is dit: Ach Heere! wat is de Bijbel mij een waardig boek! Daarin is de ontdekking van mijn eeuwig heil, zonder dat boek wist ik het niet: vleesch en bloed heeft het mij niet geopenbaard, maar uw Woord dat is mijn wegwijzer, \'t Is mijn raadsman, mijn opwekker, eene lamp voor mijnen voet, een licht voor mijn pad, Ps. 119:105. Ik gaf het niet voor de geheele wereld. Daarom wordt het zoo uitgedrukt. Het is een schat in een akker, het is die paarl van groote waarde.

Het vierde, is dit: dan komt de Geest en zet ze vast, en zegt: ziet gy wel, dat er zulk eene verzoening is? Ach! ja, zeggen ze, en ik heb zoo gezondigd, wat zal ik doen? En buiten dat middel der verzoening is het alles een gebroken bak, en ik mag \'t evenwel niet opgeven. Dan komt de Geest, die zegt: zoudt gij het wel willen hebben, dat Ik u verkwikte? Ach! ja Heere, zegt zulk eene ziel, ik kan het gemis niet langer dragen; en daar stelt hij den Middelaar klaar voor hunne oogen. Daar wordt hun hart onvulbaar en onlcsch-baar naar Hem. Als ze Jezus nog mist, ach! dat Gij mijne waart,zegt ze, en ik uwe, dan zou ik voldaan wezen. Wat wilt Gij dan dat Ik u doen zal? zegt de Heere. Hebt gij zulk een dorst naar Mij? hier ben Ik. Ik ben een kleed voor uwe naaktheid, eene spijs voor uwen honger, neemt Mij dan aan. Daar krijgen ze te vlieden en te wenden naar Jezus, en daar komen ze zoo al bevende tot den Heere en tot zijne goedheid. Zult Gij mij dan niet verlaten Heere! zeggen ze, ik zal mij dan naar U geduriglijk toewenden, \'t Is genoeg, zegt de Middelaar en de Geest in hun hart; en de Middelaar zegt: neemt Mij maar aan tot uw Koning, Priester en Profeet. Als ze dat afgehandeld heeft, dan zegt ze: ik neem U dan aan. Hoe stelt gij \'tnu? zegt de Heere, Ik weet niet anders, of ik sla mijne hand nu op geen ledige plaats. Ik weet niet anders, of ik neem U aan, zegt ze, omdat Gij \'t zoo waardig zijt, o! Gij schoonste aller menschen! o! Gij ge-wenschte Man! Gij zijt de wensch van mijn hart, al kreeg ik van mijn leven den kus van uwen mond niet, ik neem U evenwel aan; al moest ik met U in vlammen vuurs gaan, en door \'t water gaan, ik neem U aan, als uw knecht, zonder gedaante, met al de kruisen

107

-ocr page 114-

OATEOHISMUS-PEEDIKATIB

en wederwaardigheden, die er aan den Middelaar verbonden zijn; ik doe het zeer welberaden, \'t is niet onbezonnen. Mozes was veertig jaren oud, hij was geen jongeling, als hij verkoos met het volk Gods liever kwalijk gehandeld te worden, dan de vermakelijkheden van Egypte te hebben, Hebr. 11:25, 26. Ik neem U aan om niet, Ik wil geen wet en Evangelie paren. Dat is die geloovige onderhandeling.

Dan komt God, en die geeft een andere daad, en dat is het vertrouwen. Daar beginnen ze zich op den Middelaar neer te leggen, als op een rots. Zal ik nu wel beschaamd worden? zeggen ze. Mijn leven, dood, lichaam, ziel en oordeel, ik geef het al in uwe hand; maakt het met uwen knecht en met uwe dienstmaagd om uws Naams wil. Daarop zeggen ze: mij dunkt ik voel daar komt een steunen en leunen op den Heere, daar komt zulk eene kalmte. Vader! geven nu niet al de profeten getuigenis, dat, die in uwen Zoon gelooft, Gij zijne zonden vergeven zult? Ik geloof in uwen Zoon; hebt Gij ze mij dan ook vergeven? Lieve, Heere Jezus! zijt Gij dan ook niet voor mij gestorven? Geest van God! hebt Gij dan het geloof ook niet in mij gewrocht? Daar begint ze liefelijk te leunen op haren liefste, Hoogl. 8:5, en ze zegt: Ik ben mijns liefste en zijne genegenheid is tot mij, Hoogl. 7:10.

Daarop komt er nog eene andere daad. Heere! zegt ze, ik bied mijn dienst, mijne gehoorzaamheid, mijne liefde ü aan; ik heb niets beter om U te geven, dan mijzelven. Zoo Gij mij ergens in belieft te gebruiken, spreek Heere! en uwe dienstknecht en dienstmaagd hoo-ren. Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal? Gij zijt mijn Heere; ik moet mij voor U nederbuigen, Ps. 45:12. Dan begint ze verstandig te redeneeren naar het Woord; ik lees in het Woord voor wien Christus de Heere is; ik kan er niet van tusschen, of ik moet zeggen: Heere! Gij zijt de getuige dat ik zoo iemand ben. Dan komt de Geest en die zet er het zegel we! eens op. Die geeft ze kracht om te besluiten: nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, Ef. 1:13.

Daar volgt dan ook al verder eene grootmoedigheid op. De vriendin van den Heere is als het paard van Gods majesteit in den krijg. De Heere Jezus zegt: Mijne vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden in de wagens van Farao, Hoogl. 1:9. Niets, zeggen ze, zal ons nu scheiden van de liefde Gods in Christus, Rom. 8:35.

Dat is nu het oprecht geloof. Missen ik en gij dat, wij zullen niet zalig worden; zoo gij quot;t op die wijze niet ondervonden hebt, als gij sterft, maakt dan geen staat, dat gij ooit in den hemel komen zult. Maar ik zeg niet, dat gij \'t in uw leven niet krijgen zult. Dat weet ik niet, want het is mij niet bekend, en die het vandaag mist, kan het morgen nog wel krijgen.

Nu ons derde of laatste stuk. Wat moeten wij nu gelooven? Al wat ons in het Evangelie geopenbaard is, wier korte inhoud begrepen is in de 12 Artikelen des geloofs; hoe luiden die? vraagt de

108

-ocr page 115-

OVER DEN VII. ZONDAG. Vrau. 20, 21. 22 en 23.

onderwijzer. Daar dan kortelijk op geantwoord wordt; en dan van artikel tot artikel verhandeld, wier inhoud Goddelijk is, maar de orde niet.

Bij deze gelegenheid zon men een vraag kunnen voorstellen, te weten, of de Bijbel Gods Woord is? Wij zullen maar een eenige bewijsvoering daarvan opgeven, \'twelk y.oo voldoende is, dat gij er geen meer bij vannoode hebt. Wij zeggen dan, de Bijbel is er, en er is niet een eenig boek, of het heeft zijn schrijver. Al waart gij bij de wilde en woeste barbaren, en gij vondt daar dan een boek, gij zoudt moeten zeggen: dat boek moet een schrijver hebben. Zoo is \'t met den Bijbel ook gesteld, en daar kan geen ander schrijver van dat boek zijn, dan God alleen. De kwade engelen zouden \'t moeten gemaakt hebben, of de goede engelen; of de kwade menschen, of de goede menschen, daar kan anders geen maker van zijn. De kwade engelen hebben \'t niet gemaakt, die wilden wel, dat het er niet was. De goede engelen hebben \'t ook niet gemaakt, die kunnen \'t zelfs niet begrijpen. Zij waren begeerig om er in te zien, 1 Petr. 1:12. Zij zijn blijde als er uit den Bijbel iets aan hun bekend gemaakt wordt. De goede engelen hebben \'t dan niet gemaakt, noch ook de kwade, dat is, de duivelen niet. Ook hebben de goddeloozen \'t niet gemaakt. Stond het in hun macht, zij zouden den Bijbel wel verscheuren, en dien uit de wereld wegdoen. De vromen hebben den Bijbel ook niet gemaakt. Zij zeggen: ziet ons daar niet voor aan, alsof wij zeiden, dat de Schrift van eigen uitvinding was; neen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken, 2 1\'etr. 1:21. Wie is er dan nu nog overig die dat Goddelijk boek gemaakt kan hebben, dan God alleen? Dat is maar een bewijsgrond, welke gij altijd gebruiken moet, ja waar gij meteen door overreed moet worden. Ik wilde wel, zult gij zeggen, dat ik zulk een kort uittreksel uit dat Woord had. Daar heeft nu God voor gezorgd, en dat hebt gij in de 12 Artikelen des Geloofs. Die zijn geloofwaardig en Goddelijk in de stof, maar niet in de orde. Zij worden in het Woord wel niet zoo achtereen gevonden, maar God heeft door zijne voorzienigheid naarstige mannen verwekt, die al die leden zoo als een geheel lichaam samengesteld hebben; en al neemt gij ze uit elkander, gij moogt ze wel bekijken. Waarom?

1. Zij worden genaamd: de Artikelen onzes algemeenen en onge-twijfelden Christelijken geloofs; en zij leiden u tot heiligheid. Zij komen van één heiligen God. Er ligt een Goddelijke glans van heiligheid op.

2. Zij zijn algemeen. Sedert dat Adam verkwikt is geworden met die eerste belofte in \'t paradijs, zoo is er geen ander Evangelie gepredikt voor alle menschen, in alle tijden. Maar bizonder is dat Evangelie gepredikt in \'t Nieuwe Testament aan allerlei menschen zonder onderscheid, \'t Is ongetwijfeld. Het zijn dingen, die hunne volkqmene zekerheid hebben. Zij zijn trouw en waarachtig Goddelijk. Zij zijn ook Christelijk in hun inhoud. Zij houden ook de menschheid

109

-ocr page 116-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

van Christus in, Hij is er de groote inhoud van. Ziet, daar hebt gij zoo in \'t kort onze drie stukken.

Als gij dat nu alles gehoord hebt, moet gij dan niet zeggen: het zijn heerlijke zaken! Geliefden! ach! konden wij zeggen, dat ons leven er mede overeenkwam, dat ons leven naar onze belijdenis geschikt was. Die dan zeggen, dat ze zoo gemakkelijk zalig kunnen worden, dat is niet naar onzen godsdienst. Die daar zeggen; als ik ga sterven, zal ik maar met den Tollenaar op mijne borst slaan, en zeggen: o God! wees mij arme zondaar genadig! Luk. 18:13 en 1 Joh. 1:9. Indien wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons \'de zonden vergeve; zullen die menschen zoo binnenkomen? Waar heeft het dan een David geschort, die zijn bed doornatte met zijne tranen? Ps. 6:7, en een Petrus, die bitterlijk weende? Matth. 2ü : 75. Zijn dan de apostelen niet wijs geweest, dat ze martelaren werden; en zijn uwe voorouders niet wijs geweest, dat ze goed en bloed opgezet hebben voor den godsdienst? Is er nog een ander middel te wachten om zalig te worden? Het jaar is op weinige dagen meer na als XIV ten einde; zou in dit gansche jaar wel een plaatsje tot getuige kunnen wezen, dat gij in de eenzaamheid met God gewrocht hebt om zalig te worden? Hebt gij misschien zoo oud als gij zijt wel een uur met ernst daarover bezig geweest, om in den hemel te komen, en \'t geestelijk leven te hebben ? Ik betuig u voor God, slaat uw geweten niet op den mond. Hebt gij wel ooit een uurtje tot uw eeuwig behoud besteed, buiten dat gij eens in de kerk kwaamt, of dat gij misschien wel eens in een gezelschap van vromen geweest zijt? Ach! gij werkt zoo om de spijze die vergaat, maar niet om die blijft tot in het eeuwige leven. Uw leven is tegen uwe belijdenis aan. Gij, die zoo werkt, gij zult verloren gaan, die zoovele uren en plaatsen kunt vinden, waar gij moeite gedaan hebt, om in de hel te komen, gaat eens in uw gemoed. Hoe dikwijls hebt gij getwist, gespeeld, goddeloos geweest, u opgetooid voor de wereld, gedanst, gezongen, in de hitte van uwe verdorvenheden! Zondaar! doet zooveel moeite niet, om in de hel te komen, de weg is ruim gene eg. Doet gij zulk eene moeite om in de hel te gaan? Denkt gij dat ze gesloten zou zijn, eer gij er kwaamt, dat gij uzelven zoo haast? Een ander zegt: ik zal zeker zalig worden, dat stel ik vast. O! ik heb kennis, ik versta de grondtaal, ik versta mijn godsdienst, ik zou wel eene predikatie kunnen doen, gij moet mij niet rekenen onder de schare, die de wet niet weten. Meent gij daarop zalig te worden? Zoolang als gij geen kennis hebt, die met hitte van liefde gepaard gaat, zoo is ze maar eene toorts in uwe hand, om u naar de hel te lichten. En zegt gij: ik leef al wel. Wel leeft gij al beter, als die jongeling? Mark. 10:17 -22. Hij moest evenwel bedroefd weggaan. Eén ding ontbreekt u, zegt de Heere, en ontbreekt dat ééne, dan ontbreekt het alles: hij wilde zalig worden langs den weg van \'t verbond der werken, en dat kon niet zijn; en langs den weg van \'t verbond der genade kon noch wilde hij; dat ontbreekt u ook, zondaar! en ont-

110

-ocr page 117-

OVER DEN Vil. ZONDAG. Vbaö. 20, 21, 22 en 23.

breekt u dat, ach arme! al liadt gij dan meer deugden dan Gods kinderen, \'t kan u niet helpen. Hoe weinig worden er zalig! Beziet eens de gezelschapszalen met volk, een kamer vol gasten, eene kerk vol menschen. Al v,\\]n ze gedoopt, al gaan ze ten Avondmaal, hoe weinig vromen zult gij er onder vinden, waar het ware werk in is! Zouden wij niet moeten zeggen: \'t Is een klein hoopje, de goeder-tierenen ontbreken, Ps. 12:2. De rechtvaardige komt om, en er is niemand die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weg-geraapt wordt voor het kwaad, Jes. 57; 1. Daar waren in Sodom geen tien rechtvaardigen. De kinderen Israels op hun reis naar Kan aan, in \'t meerdere gedeelte van hen had God geen welgevallen. Wat komt de Heere dan in zijn zin, dat Hij zegt: velen geroepen, maar weinigen uitverkoren, Matth. 12:14. \'t ïs maar een klein kud-deke waar Hij \'t Koninkrijk aan belooft.

Iemand zal zeggen: ik heb het geloof, ik bouw niet op mijne deugden, maar ik heb het. geloof; gij zegt altijd: Christus moet niet gedeeld zijn; ik neem Hem in \'t geheel aan, wat zal er dan nog aan ontbreken? Hoort. Gij neemt Hem aan als Profeet, om wat wijsheid van Hem te hooren, en dan hetgeen aangenaam is; en als Priester, om voor al uwe zonden verzoening te doen; en als Koning, om u te vergeven, te bewaren en te beschermen, en eindelijk te kronen. Wat scheelt daaraan? zegt ij; het scheelt er alteraaal aan. Wilt gij Hem als Koning, om gekroond te worden, aannemen, en wilt gij zijne wetten niet hebben om daarnaar te leven, en u aan dezelve te onderwerpen? Strijdt gij tegen zijne zaak en wilt gij er niets voor lijden? Dan is ook de verzoening voor u niet. En wat is het, wat gij uitkiest, wat gij geleerd wilt worden? Hetgeen gij gaarne hoort, en dat gij de rest niet wilt? Ach Heere! mochten wij U tot verlegenheid brengen! Weet gij wie bet ware geloof heeft? Dat is niet aller, maar der uitverkorenen Gods.

Eerst. Die zulk een licht heeft, dat hij het van nature mist, die zoo zegt: ik heb het niet, en ik kan het niet krijgen.

Ten tweede. Die zoo gezegd heeft: ach! ik moet het evenwel hebben, dat maakt mij onrustig. Daarom te bidden is hun dagelijksch en vermakelijkste werk. Ik kan, zeggen ze, niet uit- of ingaan, of ik moet eerst om dat waarachtige goed bidden; zoudt Gij \'t mij wel geven, het geloof en een ander nart? Gi] kunt het tot uwe eer \'doen, weiger het mij niet, Heere! wijs mijn aangezicht toch niet af.

Ten derde. Als de Heere hun vraagt: wat ziet gij in mijn Zoon? Ach Heere! zeggen ze, zulk eene heerlijkheid is er in de geheele wereld niet. Hij is de schoonste aller menschenkinderen. Hij is zoo schoon, zoo lief, zoo genoegzaam; als de zon schijnt op den middag, dan schijnt ze al de sterren dood. Zoo ook, zeggen zij: wat is eer, rijkdom, als ik U mis! Ach gij zijt mij dierbaar!

Dan ten vierde. Zij kunnen niet slapen, of het is: ach! dat Gij mijne en ik Uwe was; mocht ik toch in U begrepen zijn, in U ge-

111

-ocr page 118-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

112

vonden worden! Ik wend het naar U toe. Tranen, bidden, gestalten, vertroostingen, kunnen mij alle niet helpen: ik moet U hebben. Ach! zijt Gij mij tot gerechtigheid, ot ik kan niet leven noch sterven. Laat ik Uw knecht en Uwe dienstmaagd zijn, Uwe o Zoon! Uwe o Vader! laat ik zoo altijd afhankeliik van ü leven. Kent_ gij dat? Heeft God u daarmede gezegend? Wel erkent het. Kent gij \'t niet? Ik hoop dat gij niet sterven zialt, voordat gij het hebt. Die, zeide ik, kan het niet ontkennen. Wel, de wandel door geloof, zal haast veranderen in aanschouwen. De tijd is kort. Gij zult den reisstaf haast daar nederzetten. Als \'t wandelen door geloof zal ophouden, dan zal de Heere u overbrengen in zijn prachtig hemelsch paleis; daar zal de zonde en moeite een einde hebben, en daar zal het dan wezen: verzadiging van vreugde en liefelijkheden aan Gods rechterhand eeuwiglijk en altoos. Amen.

-ocr page 119-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den Yin. Zondag. Vkag. 24. 25.

Achtste Zondag-.

24. Vraag. IIoc worden deze Artikelen verdeeld?

Antwoord. In drie deelen: het eerste is van God den Vader, en onze schepping. Het andere, van God den Zoon, en onze verlossing. Het derde, van God den H. Geest, en onze heiligmaking.

25. V kaag. Aangezien er maar één eenig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den II. Geest?

Antwoord. Omdat God Zich alzoo in zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidene Personen, de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn.

WIJ lozen, Hehr. 11:6, Die tot God komt moet gelooven da,t Hij is, en een belooner is dergenen die Hem zoeken. Hij moet gelooven dat God is, anders zou hij Hem niet willen dienen, erkennen, verheerlijken, gehoorzamen. Die dat nu zoo doet, die wil het gelooven dat God is, en een belooner is dergenen die Hem zoeken, anders zou hij Hem niet dienen, verheerlijken en gehoorzamen. Er zijn geenerlei menschen of zij stellen vast; er is een God. Dat er eenIJ lozen, Hehr. 11:6, Die tot God komt moet gelooven da,t Hij is, en een belooner is dergenen die Hem zoeken. Hij moet gelooven dat God is, anders zou hij Hem niet willen dienen, erkennen, verheerlijken, gehoorzamen. Die dat nu zoo doet, die wil het gelooven dat God is, en een belooner is dergenen die Hem zoeken, anders zou hij Hem niet dienen, verheerlijken en gehoorzamen. Er zijn geenerlei menschen of zij stellen vast; er is een God. Dat er een God is, weet elkeen. Paulus, als hij te Athene kwam, vond hij het vol godsdienst. Waar gij nog komt, znlt gij het er vol godsdienst vinden. Waarom? Omdat elkeen weet, dat er een God is, al had hij nooit geen Bijbel gezien of in zijne hand gehad.

Maar, ten tweede. Elkeen weet niet wie en wat God is. \'tNatunr-licht schiet daartoe te kort, dat kan de Schrift alleen ontdekken. Daarom spreekt Paulus van het geloof; men moet gelooven dat God is. Dat steunt op geen natuurlicht; maar daarmede geeft hij te kennen, dat het geloofd moet worden, op het gezag van den ontdekker. Om dat te gelooven daar komt het geloof bij te pas. Als men nu tot God komt, en gelooft dat God is, en men wil eens gaan zien wat en wie God is, dan moeten wij ons wel wachten, dat wij dat Wezen niet te na komen. Men komt niet te na aan de zon. Men komt niet te na aan een gloeienden oven. Het vuur verbrandde hen die te na kwamen. Dan. 3:22. Zoo mag ook geen schepsel te na komen aan dat Wezen. Daarom vindt gij, als er van God gesproken

-ocr page 120-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

wordt, dat Hij ig, en wat en wie Hij is; dat gij dat niet zult vinden in bet artikel van \'t natuurliclit, maar in \'t artikel van ons geloof. Daarom begint de onderwijzer dit stuk in de Artikelen van ons Geloof, dat God is, en wie en wat Hij is.

Wij hebben dezen 8sten Zondag te bezien, geliefden! Gij moogt er u wel wat toe inspannen? \'tls een groot, ontzaglijk en lief stuk.

Eerst. Hebben wij de verdeeling van de Artikelen van ons geloof.

Ten tweede. Moeten wij gaan zien, dat er een God is.

Ten derde. Wat God is.

Ten vierde. Wie God is.

Ten vijfde. Ons geloof.

Eerst. Zeggen wij, hebben wij onze 12 Artikelen, die, als het merg uit het geheele Woord, zijn een weinig te verdeelen, om ons geheugen te hulp te komen, en klaarheid aan de zaak te geven.

Ten tweede. Moeten wij tot het Goddelijke Wezen komen, en too-nen, dat God is.

Ten derde. Moeten wij zien wat God is.

Ten vierde. Wie die God is.

En dan, ten vijfde. Moeten wij zien, wat ons geloof is.

Eerst. Hebben\' wij de Artikelen van het heilig, algemeen, en ongetwijfeld Christelijk geloof te verdeelen. Gij zult zeggen: waar komt het zoo wel meest op aan? Ik antwoord: op die Artikelen. Zij worden Artikelen genoemd; waarom? Omdat het deeltjes en lidmaatjes zijn, die aan elkander vast verknocht zijn, die zoo te zamen één lichaam uitmaken. Zij maken met elkander \'t lichaam van do theologie of godgeleerdheid uit, gelijk de leden van ons lichaam samen één lichaam uitmaken. Zij zijn evenwel onderscheiden. Zij zijn wel van elkander vloeiende, de een uit de ander, en zoo werken ze met elkander; maar zij kunnen ontleed worden, en dan zult gij eene heerlijke bezigheid en wijsheid Gods in die allen vinden. Gjj hebt er de geheele Schrift als in één lichaam. Daar komt elk stukje als een lidje aan dat lichaam, het eene wel aan het andere, maar evenwel onderscheiden van elkander. Zij kunnen ontleed worden; en dat is eene loffelijke bezigheid. Het zijn Artikelen, die oud zijn. Even na den val, in die eerste troostbelofte aan Adam, zult gij ze al vinden, als gij het wel bekijkt. Wij zeggen, van even na den val zijn zij al geweest. Het zijn dan 12 artikelen, die al aan Adam verkondigd zijn. Gen 3:15. Eerst aan Adam, dan aan Abraham, dan aan Mozes. Zij zijn niet alleen oud, maar zij zijn Goddelijk en Schriftuurlijk. Wij wilden het de gemeente wel inscherpen, dat ze het eens zouden zien of ze in staat waren, om ze uit het Oude Testament te bewijzen. Gij moogt er uwen tijd wel aan besteden. Zij zijn Goddelijk, zij zijn geloofwaardig in de zaken, maar niet in de orde. Zij zijn niet van God zoo achtereen en tegelijk ontdekt, maar allengskens iets daarvan. Zij zijn onderscheiden van het gebed en van het gebod. In \'t gebod spreekt God tot de menschen, in \'t gebed spreken de menschen tot God; en in deze Artikelen spreken de menschen tot menschen, en

-ocr page 121-

OVER DEN VIII. ZONDAG. Vrao. 24 en 25.

ze doen zoo belijdenis aan elkander. Deze Artikelen nu worden verdeeld. De een doet het zus, en de ander zoo. (Daar wordt toch overal wijsheid in gesteld, als het maar verschilt). Weet gij wie het wel doen? Die het doen naar het Woord. Al dat andere gezwets is maar pochen- en zwetsen, en zij zullen nooit prompter noch beter verdeeld worden, dan dat de onderwijzer ze verdeeld heeft. Wel! zult gij zeggen, hoe verdeelt hij ze dan? Hij stelt eerst het Goddelijke \\Vezen, en dan de drie Personen naar het Woord van God: een Goddelijk Wezen en drie onderscheidene Personen. Dan zult gij vinden God den Vader in zijn werk en huishouding. In die zult gij\'vinden:

Eerst. Dat Mij is de Schepper, Onderhouder en Kegeerder van alles, len tweede, /uit gij Hem vinden als den eeuwigen Vader van den Heere Jezus Christus.

^.en ^er(:]e- /quot;It gij Hem vinden als der geloovigen Vader om Ohnstus\' wil geworden. Laat er u nooit iets anders van diets maken, dit is eenvoudig en schriftuurlijk. Daar is een God en drie onder-scheidene Personen. Dan is er de bedeeling der genade tusschen die diie Personen. Daarin komt dan God den Vader voor als Schepper, en zoo gelijk wij daar gezegd hebben.

Dan komt er de Zoon in voor in zijne bedeeling der genade: 1. In zijne namen. 2. In zijne naturen. 3. In zijne ambten. 4. In zijne staten. 5, In zijne weldaden.

Dan komt er de Geest van God in voor: 1. Als een Persoon. 2. Als een Goddelijk Persoon. 3. Als een onderscheiden Persoon van Vader en Zoon. 4. Komt Mij in zijne zaligmakende werking. Al wat gij nu daar buiten hoort, laat dat in uw hart geen wortelen schieten. Dat is wijsheid, en al het andere is maar dwaasheid. Al die ophef van die wijsheid, meent gij dat dit wijsheid is? Neen. Dit is Godde-lijk. Al die andere ophef van die wijsheid is maar menschelijke wijsheid. Let daar wel op.

Nu komt de onderwijzer en die zegt : wil ik het u eens zeggen, wat er in dezen Zondag geleerd wordt? Dat is nu het tweede, dat ik u leeren wil, en dat is: daar is een God. Dat lieve Wezen, als gij genade in uw hart hebt, zal uw hart er van opengaan, als gij liet maar hoort noemen. Maar hebt gij geen genade in uw hart, dan zult gij er voor schrikken, als gij het hoort noemen. Gij zult er voor beven. Waarom kunt gij er niet van spreken of hooren ? \'t Is alles verschrikkelijk, waar gij het beziet. Waarom spreken de vromen er zoo gaarne van? Al hun genoegen en rust is in God, in Hem is al hun genoegen, als er genade in \'t hart is.

Gij zult zeggen: Wat is God? Wie is God? Daar zijn wij zoo onmachtig toe, om dat tot de volmaaktheid voor onszelven te bevatten, en u te toonen, als dat wij onmachtig zijn om met onze oogeu de geheele zee te overzien; en als dat wij onmachtig zijn, om in een klem vaatje dien geheelen Oceaan te scheppen, of met onze vuisten de wateren des hemels te meten. Daar was eens een koning zoo belust om te weten, wat God was; en daar was een wijsgeer. Man,

-ocr page 122-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zeide liij, gij zijt zoo wijs, maar zeg mij eens: wat is God? Mijnheer koning, zeide de wijsgeer, geef mij een weinig tijd. Neem zooveel tijd als gij wilt, zeide de koning. Eenigen tijd daarna zeide de koning: wijsgeer! de tijd is om: wat is God? Ik weet het niet, zeide de wijsgeer, ik moet nieer tijd hebben. Neem dien, zeide de Koning. De tijd wederom verstreken zijnde, vraagde de koning alweder: wijsgeer! wat is God? Ach! zeide de wijsgeer, boe meer ik daarover denk, hoe minder ik het zeggen kan, en de man had gelijk. Hoe langer en gestadiger dat ik of gij in den zomer of winter m een heldere zonneschijn de zon staan te bekijken, onze oogen zouden allengs blinder worden. \'Zoo die koning tot ons zeide: wat is de zon ? Wij zouden moeten zeggen: hoe langer ik ze bezie, hoe donkerder mijne oogen worden: ik kan het niet zeggen, wat de zon is.

Toehoorders! gij zult mogelijk in uw hart zeggen: Wat is God? houdt ons toch niet langer op. Daar zullen wy u zoodanig op antwoorden, dat wij u . -n , i i

Eerst, Zullen toonen, dat er een God is. Als wij de Schrilt te hulp roepen, die zal ons Goddelijke namen ontdekken, die zien zullen op het Wezen Gods, op de drie Goddelijke Personen, op de bedeeling der genade, die elke Persoon heeft. Daar zijn namen in dat Woord, die het werk der natuur, het werk der genade, en de werken der heerlijkheid ontdekken. De Naam van God is toch wonderlijk en heerlijk! \'Dan eens de Heere, de Allerhoogste, de Richter der gansche aarde, de algenoegzame God, het steunsel van de gansclie Kerk, waar al zijne kinderen met hunne ziel op grondvesten, en duizend andere namen meer. _ •• • .

Ja! zult gij zeggen, die namen uit den Bijbel voldoen mij niet: gij moet mi] bewijzen, dat er een God is, buiten den Bijbel; al was er geen Bijbel. Komaan. De Bijbel met die Goddelijke namen zullen wij dan een weinig laten staan, en wij zullen echter zeggen: Daar is\'een God; en dat zullen wij bewijzen buiten den Bijbel.

Eerst. Uit het kennelijke Gods dat er in alle menschen is. Wat zegt gij daarvan? Dat isquot;nu zonder geschreven Woord of Wet, elkeen weet het, dat is elkeen diep in \'t hart ingedrukt, dat is onuitwisbaar, de karakters daarvan zijn in elks ziel ingedrukt, en al wat daartegen gewoeld wordt, helpt niet; niemand is meester om die gedachten van zich af te zetten, al zoo weinig als dat gij kunt zeggen: daar is geen zon. Niemand is die gedachte: daar is geen God, meester. Hij wordt een zot genaamd, die zegt: Daar is geen God, Bs. 14:1, De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God; dat is, hij wenschte wel dat het zoo was. Is er echter zoo iemand? Wel! dan heeft hij niet meer naam dan dat hij een zot is. Die daartegen woelt, is een mensch zonder eerbied; of \'het een koning, of het een raadsheer, of het een burgermeester, of het een regent, of dat het een bedelaar is. Ontmoet gij er zulk een, die zegt: daar is geen God, die heeft geen eerbied dan om zijns ambtshalve, en gedwongen. Meent gij dat wij een burgermeester achting zouden geven, die dat zeide: Dat er

116

-ocr page 123-

OVER DRN Vni. ZONDAG. Vrao. 21 en 25.

geen God is? Was het niet om zijns ambtshalve en gedwongen, als hij zeide: Daar is geen God, wie toch zou hem eenige achting toedragen. Ja, blijkt het niet, als ze dat zeggen, dat ze het doen uit goddeloosheid en tot goddeloosheid? Die dat zeggen, zijn niet anders dan ejjn goddelooze hoop schuim van menschen, die zulks maar doen, om te vrijer te zondigen. Altijd zult gij het zoo bevinden. Ja, het is een belachelijke dwaas, die zulks zegt. \'t Is al zoo dwaas, als dat iemand op den middag, ais de zon helder schijnt, zich in een donker hol zou gaan verschuilen, en zeggen: daar is geen zon, omdat ik ze niet zie; ja, het ligt in de natuur zoo diep ingedrukt, dat degene die dit loochent, zelden door bewijsredenen is te overtuigen, en daarom niet waardig dat men er met hem over redetwist, maar eer dat men hem van de hand wijze.

Ons tweede bewijs is: omdat alle menschen, als die duivelsche gedachten in hen opkomen, voor dat Wezen schrikken en beven; en zij zijn er over beschaamd, of het vromen of onvromen zijn. Wie dat het is, hij heelt dan geen moed meer.

Ten derde. Ja, gij zult een klaar blijkje daarvan vinden in de kleine kinderen die zelf nog niet spreken noch lezen kunnen. Op de knieën, en op den schoot van de moeders kunt gij ze een indruk geven van hemel en hel, van goed en kwaad. Daar gij ze andere dingen met alle moeite moet leeren en inscherpen, daar moet gij om hen dit in te drukken geen moeite altoos doen. Gij moet ze met alle moeite leeren lezen, enz. Maar hiertoe behoeft niemand moeite te doen. Gij hebt lichtelijk in uw leven niet gezien, wat ik gezien heb van een stom- en doofgeborene die wel dertig jaren oud was. Hij had zulk een grooten indruk van God, grooter dan iemand in de gemeente zich zou verbeelden. Een indruk van den Heere Jezus konden ze hem niet geven. Zijne ouders, die vroom waren, zochten op allerlei wijze, hoe ze hem een indruk van Christus zouden mogen geven; maar zij konden niet. Zij kochten zelfs een crucifix, om hem door dat middel iets te doen begrijpen, maar hij spuwde er tegen.

Wij weten het niet alleen uit het kennelijke Gods in elks hart, dat er een God is, maar eilieve, beschouwt eens al de schepselen. Zij zijn er niet vanzelf gekomen. Zal er wel een huis zonder bouwer zijn? of een boek zonder maker? Het allerminste werk heeft een maker; en zal er dan de hemel en de aarde zijn, en zullen die geen maker hebben? In Job 38:3—5, zegt de Heere\'tot Job: Kom als een man, gord nu uwe lendenen, waar waart gij, als Ik de aarde grondde? Want gij weet het: Waar waart gij als de morgensterren te zamen vroolijk zongen? Job 38:7. Zeg het mij eens. Maar dc man zweeg. En daar hebt gij nu al de schepselen. Daar is ook geen voortgang tot het oneindige; want als er een laatste is, zoo is er ook een eerste. Daar is geen omloop der schepselen, zoodat hetgeen over duizend jaren geweest is, nu wederom op het tooneel komt; wij hebben or nooit een ontmoet, die zeiden: voor duizend jaren heb ik nog eens op het tooneel geweest. Daar moet een God zijn; de nette

117

-ocr page 124-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

regeering van alles bewijst het overvloedig. Als gi] in een huis komt, waar \'t net opgeschikt is, waar \'t alles zoo helder en zindelijk is, zult gij wel zeggen; daar is geen hand aan dat huis en werk, die dat zoo alles onderhoudt? Als gij een horloge ziet, waarin al de radertjes zoo net loopen, en geen een stoot er tegen het andere, gij zult immers zeggen: ik zie den kunstenaar in dat werk uit die kunst. /00 ook; God hangt daar dat water, die wolken, zoo voor onze oogen; en zou er niemand zijne hand in dat werk hebben? Dat water, die sneeuw, die wind, ziet gij daar geen werkmeester in? Ziet gij er niet in zijne Goddelijke kunst en oneindige heerlijke wijsheid? Niets is er, ofquot; het is met de allergrootste ordentelijkheid beschikt. Beziet de getijden des jaars; zomer en winter, herfst en lente, dag en nacht ; zult gij er geen Goddelijke regeering in vinden? Daar wandelt Hij op de vleugelen des winds, die zijne opperzalen op de wateren zoldert, Ps. 104 ; 3. Wat zegt gij, als\'gij dat alles beziet? Moet gij niet zeggen: Wie weet niet uit alle dezen, dat de hand des Heeren dit doet, Job 12;9. Legt er eens de wonderen bij. Zegt gij: wij zien geen wonderen meer? Dan leeft gij wel zeer onopmerkzaam. Dat is door de gewoonte dat wij al die wonderen zoo gewoon zijn. Maar wij zeggen u, dat het minste, dat u ontmoet, een wonder is. Is het niet een wonder dat ik tot u spreek, en gij het hoort. Dat wonder der spraak kan niemand bevatten. Kunt gij het wel bevatten, hoe ik mijne gedachten aan u kan bekendmaken, door zoo eenig geluid te slaan? Bekijkt zoo ook eens dit; te weten, hoe gij met zulk een klein oog zooveel menschen zien kunt. _

Dan zijn er weer andere groote werken, die wij wonderen noemen, en dat is de pest. Daar moet men van zeggen, gelijk de Egyptische toovenaars zeiden: Dit is Gods vinger, Exod. 8: 19. Dat zoo onmiddellijk van God komt, dat is alzoo wel een wonder, als het stof in Egypte tot luizen werd. Ja, beziet eens die omkeering van huizen, landen en steden, de uitkomsten van oorlogen te water en te land; en dat dat alles zoo al stand houdt; beziet eens de regeering van de Kerk. Men zegt, dat een Turksche keizer, eenmaal zijne gedachten latende gaan over den staat en de gelegenheid dezer landen, en van welke machtige vijanden dezelve telkens aangetast werden, en echter staande bleven, daarover als in verwondering was opgetogen, zoodat de Turk uitriep: Dat die landen staande blijven is van God, anders is \'t onmogelijk.

Legt er nu eens het geweten bij, dat zal u zeggen, dat er een God is. Wat deed een Kaïn vluchten. Gen. 4:14. Een Adam en Eva vreezen en zich verbergen? Gen. lt;5:8. Wat deed een Farao met de tranen op de wangen zeggen: Ik heb gezondigd tegen den Heere, uwen God! Exod. 10:16. Wat deed een Saul in zijn eigen zwaard vallen, 1 Sam. 31:4. Een Judas naar den strop vlieden, Matth. 27:5. De stadhouder Felix bevreesd worden? Hand. 24:25. Doet al wat gij wilt, gij kunt dat niet weg krijgen. Het prangt u, het benauwt u, liét wroegt u. Gij moogt eens zeggen: er is geen God; maar gij doet

118

-ocr page 125-

OVER DEN Vin. ZONDAG, Vrao. 21 cn 25.

het met gespannen kaken. Gij moogt eens zeggen: wat geef\' ik om God; maar als gij eens naai- binnen gaat, moet gij wel eens zeggen: wat heeft God mij gedaan? Gij kunt zien, hoe gij het voor God zult maken. Ja, al zegt gij: dat zijn maar een deel vreesachtige menschen, kinderen en vrouwen, die zoo wat van een God praten. Wel, maar hoe komt het dan dat de allergrootste tirannen, de allergoddelooste menschen, bij donder en bliksem onder bedden gekropen, en allerlei schuilplaatsen gezocht hebben? Wij zien het in ons land, dondert het eens hard, de allerverhardste schrikt en beeft er voor. En als gij er al lang genoeg tegen gewoeld hebt, en gij zijt op \'t onverwachts in benauwdheid of pijn, dan is het: ach God! help mij toch. Wij hebben er van ons leven geweten, die, als ze in goeden sier waren, zeiden: er is geen God, en zij spotten er mede; maar die op het laatst moesten zeggen: de stroom was toen zoo, onze voorspoed lag er bij, wij wisten \'t wel, dat er een God was. Lang genoeg gewoeld hebbende, dan is \'t eindelijk: ach God! en die fielten, die tegen dat zalig Wezen zoo woelen, zullen doorgaans den naam Gods het meest misbruiken. Dat is doorgaans de gewoonte van zulk ruigt.

Nu zullen wij zoo allengskens weer van zelf tot de Schrift komen. Er zijn zoovele bewijzen buiten de Schrift, maar men ziet in den Bijbel geen een lettertje, of\' daar ligt een goddelijke glans op. Om kort hierin te zijn, geliefden! beziet gij de profetieën. God geeft zoovele getuigen van zijn wijze regeering, in dezelve te vervullen als er profeten zijn. Daar zijn nu de bewijzen dat er een God is.

Maar nu zult gij zeggen: Wat is God? Ja wel, geliefden! als wij daaraan komen, dan weten wij niet wat wij minst of wat wij meest, wat wij eerst of wat wij het laatst zeggen zullen. Wat is God? Hier is de allerwelsprekendste stom. Al hadden wij \'t verstand der engelen, al hadden wij duizend zielen in ons lijf, en al hadden wij duizend tongen, wij zouden naar waarde daar niet van kunnen spreken. Als wij wat zullen zeggen, dan moeten wij zeggen: ach God! in ons is geen geest meer. Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van

______*___ I •____ . l - l T V? . r r\\ 1 1 1 r» rn -i

viel ik ais aooci aan zime voeten. JJan moeten wn zecwen. mi hik-

JJamël zeide: Hoe kan de knecht van dezen mijnen lleere spreken met dien mijnen Heere? want wat mij aangaat, van nu af bestaat geene kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven, Dan. 10:17.

Gij zult zeggen, wij ontslaan u evenwel niet. Wat is God? Gij moet het ons zeggen. Wij zullen u eene schriftuurlijke beschrijving er van zoeken te geven, wat God is. Ach! God is een Wezeii dat geheel en al Wezen is; Hij is een geestelijk Wezen, dat van en door Zichzelven is; gij hebt in dat Wezen verrukkensmachtige volmaaktheden, die als parelen aan de goddelijke kroon zijn, die vol van god-delijken glans zijn. God is een Geest, die onmededeelbare en mededeelbare eigenschappen heeft. Daar mogen er zijn, die zeggen: gij moet geen volmaaktheden zeggen, wij verstaan er door eigenschappen en loffelijkheden. Als wij zeggen, dat God eigenschappen heeft

-ocr page 126-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

die onmededeelbaar zijn, dan verstaan wij er zulke door, daar geen de minste zweem van in \'t schepsel is. Dan, zeggen wij, heeft God ook nog zulke deugden, die meaedeelhaar zijn; en die, zeggen wij, zijn God zoo eigen, dat het Hem beliefd heeft daarvan een zweem en een voetstapje in \'t schepsel te laten zijn. Maar wij kunnen anders ook wel loffeliikheden zeggen, welnu dan eigenschappen, loffeliikheden.

Br zijn loffelijkheden, die dat Wezen zoo eigen zijn, dat er de minste zweem niet van in \'t schepsel is. Dan zipi er loffelijkheden, die dat Wezen zoo ei\'i\'en zijn, dat het Hem behaagd heeft een klein zweempje daarvan in \'t schepsel te laten zijn, zonder nochtans zijne deugden te verminderen, of het schepsel eenigszins te vergoden. Welke zijn de lolfelijkheden die dat Wezen zoo eigen zijn, dat er niets van in \'t schepsel te vinden is?

Zijne onafhankelijkheid. Dat Wezen is onafhankelijk in wezen en in werken. God hangt van niemand af, dan van Zich/,elven.

Nu zijne volmaaktheid. Wat is dat Wezen altijd even volmaakt! Hem kan niets gegeven noch iets afgenomen worden, tot vermeerdering of tot vermindering van zijne volmaaktheid.

Dan zijne algenoegzaamheid. God heeft buiten Zichzelven niets noch iemand van noode. Hij is in Zichzelven te kennen, te genieten, te lieven, algenoegzaam. Dat zijn eigenschappen, die God alleen eigen zijn.

Dan zijne eenvoudigheid. Wat is dat? Dat is, dat al de deugden Gods zijn Wezen uitmaken, en zijn Wezen maakt zijne deugden uit. Daarom zwoer Jozef bij de vreeze Jakobs, Gen. 31:42. Dat is, hij zwoer bij God zelf\', daarom staat er: God is liefde, 1 Joh. 4:8. Hij is de waarheid. God is licht, 1 Joh. 1 :5. Men zegt altemet van een mensch: hij is de lijdzaamheid zelve; maar dat is bij vergrooting.

Nog eens: Gods eeuwigheid. Hij bezit eene eeuwigheid van voren en van achteren. Er is geen zweem van eeuwigheid in \'t schepsel, er kan geen schepsel eeuwig zijn.

Zijne onveranderlijkheid. Dat kan al wederom in geen schepsel zijn. Dat is nochtans in God, Mal. 3:0, Ik, de Heere, word niet veranderd.

Zijn alomtegenwoordigheid. Daarvan is wederom geen zweem in \'t schepsel. Gods alwetendheid is een van de onmededeelbare eigenschappen, waarvan de minste zweem niet in \'t schepsel is. De mededeelbare eigenschappen zijn zulke, die God zoo eigen zijn, dat God er een zweem of gelijkenis van in \'t schepsel geeft, die het schepsel hebben kan, en nochtans een schepsel zijn kan en blijven. Als God den mensch schiep, zoo heeft Hij hem naar zijn beeld geschapen. Hij gaf\' hem zoo als een zweem van zijne deugden. Als God den mensch nu weder herschept, zoo herstelt Hij wederom eenige kennis in hem, hetwelk in God alwetendheid is, maar in ons niet.

Dan is er in den Goddelijken wil, rechtvaardigheid, heiligheid, lankmoedigheid, barmhartigheid, ontferming, genade, liefde en macht. Dat alles is in \'t verrukkensmachtige Wezen volmaakt. Doch het be-

120

-ocr page 127-

OVER DEN VUL ZONDAG. Vrao. 24 on 25.

haagt Hem, om er een zoo klein zweem van aan het schepsel te geven; zoo nochtans, dat God God blijft, en \'t schepsel, schepsel blijft, zonder daardoor vergood te worden.

Na ons vierde stuk. Wie is nu die God? Wij hebben u maar als in eenen duisteren spiegel, doen zien, dat er een God is; want wij kennen nog maar ten deele, wij zijn tot het volmaakte nog niet gekomen; maar nu hebben wij nog een verborgen stuk te bezien, en dat is: Hoe veel Goden zijn er?

Daar kan maar één God zijn. Daar kan maar één volmaakt en één onafhankelijk Wezen zijn. Zijn er twee, dan zijn \'t of dezelfde of het een bezit min en het andere bezit meer. \'t Is onmogelijk dat er twee Goden zouden zijn, of de een moet meer wezen dan de ander. Als er twee zijn, dan zal de een zeggen: ik ben zoowel volmaakt als gij, en dan zijn ze \'t geen van beiden. Zoo kan er dan maar een God wezen. Zoo spreekt ook de Schrift, Deut. 6 :4, De Heere, onze God, is een eenig Heere. Nu vinden wij in \'t Woord van God, dat er meer dan van een gemeld worden, aan welke worden toegeschreven: Goddelijke namen, Goddelijke eigenschappen. Goddelijke werken en Goddelijke eer. Dat wordt aan meer dan een toegeschreven, dat zult gij klaar vinden in \'t Woord.

Gij zult zeggen: mijn God! hier geraak ik in strikken en in engten; kan er meer dan één wezen, en is er evenwel maar één God? Hoe zal ik dat vatten? Weest niet al te haastig, wij zullen het u zoeken te toonen, zonder nochtans het Wezen Gods te na te komen. Weest niet te haastig om een oordeel te vellen, naar uw verdorven verstand; de waarachtige God heeft het in zijn Woord ontdekt, welke wij op de ontdekking moeten geloof geven.

Berst. Dat er eene meerderheid der Personen is; dat er meer dan één Goddelijk Persoon is.

Ten tweede. Dat er drie Goddelijke Personen zijn.

Ten derde. Dat zo onderscheiden zijn.

Ten vierde. Dat er maar een eenig Goddelijk Wezen is. Let er eens op. De waarachtige God heeft het getuigd en verzegeld, en het is ook zoo aangenomen als Hij het ontdekt heeft. 1. Dat er meer dan één Goddelijk Persoon is. 2. Dat er drie Goddelijke Personen zijn. 3. Dat ze onderscheiden zijn. 4. Dat ze te zamen één God zijn.

Wat het eerste aangaat, namelijk, dat er meer dan één Goddelijk Persoon is, bewijzen wij uit Gen. 1 :26, Laat ons menschen maken. Dat waren geen engelen, daar God tegen sprak, want de mensch is naar het beeld der engelen niet geschapen. Gen. 3:22, De mensch is geworden als onzer een. Gen. 11:7, Laat ons nederdalen en laat ons hunne spraak aldaar verwarren. Gen. 19 : 24, Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen, van den HEE1IE uit den hemel. Jes. 6:8, Wien zal Ik zenden, en wie zal ons henengaan? Daar hebt gy meer dan ééne Persoon. De grooten van de wereld kunnen zoo niet spreken.

Nu komen we nog nader en wij bewijzen zoo uit het Oude als uit

121

-ocr page 128-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

liet Nieuwe Testament, dat er drie Goddelijke Personen zijn. Ps. 33: 6, Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en dooiden Geest zijns monds al hun heir. Ps. 45:8, Daarom heeft U, o God! uw God gezalfd met vreugde-olie, boven uwe medegenooten. Jes. 61; 1, De Geest des Heeren HEEREN is op mij. Jes. 63; 9,10, In al hunne benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts heeft hen behouden; door zijne liefde en door zijne genade heeft Hij hen verlost, en Hij nam ze op en Hij droeg ze al de dagen vanouds. Maar zij zijn wederspannig geworden en hebben zijnen Heiligen Geest smart aangedaan. Hag. 2 :5, 6, Ik ben met u, spreekt de Heere der heirscharen. Met het Woord, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en mijnen Geest staande in het midden van u. In het Nieuwe Testament bewijzen wij \'t uit onzen doop. Christus1 doop, Christus\' gebed, Paulus1 zegenwensch. De genade van onzen Heere Jezus Christus, de liefde Gods des Vaders, de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen. 2 Cor. 13:13. Johannes zegt: Drie zijn er die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord, en de Heilige Geest, en deze drie zijn één, IJ oh. 5:7. Het zijn drie onderscheiden personen. De Vader is de Zoon niet, noch de Zoon de Vader niet, noch de Heilige Geest de Zoon of Vader niet. Zij zijn niet wat anders, maar een ander. De Vader heeft een ander werk dan de Zoon. De Vader genereert, de Zoon wordt gegenereerd. De Vader werkt van Zichzelven door den Zoon en door den Heiligen Geest, De Zoon werkt van den Vader door den Heiligen Geest. De Heilige Geest gaat uit van den Vader en van den Zoon, en werkt door Zichzelven. Zij zijn onderscheiden in namen. De eerste Persoon wordt genaamd Vader; de tweede: Zoon; de derde: Heilige Geest. In orde van bestaan is de Vader de eerste, de Zoon de tweede, de Heilige Geest de derde. Er is nochtans geen eerder noch later; zij zijn wel onderscheiden, maar niet verscheiden. Daarom vindt gij ze op sommige plaatsen door elkander. Paulus zegt in de bijgebrachte plaats, 2 Cor. 13:13, De genade van onzen Heere Jezus Christus, de liefde Gods des Vaders en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u. Daar vindt gij den Vader in \'t midden, en den Zoon eerst. En Openb. 1:4, Genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal, en van de zeven Geesten, die voor zijn troon zijn. En van Jezus Christus die de getrouwe getuige is. Daar hebt gij den Heiligen Geest in \'t midden, en den Zoon \'t laatst. Deze drie onderscheidene Personen zijn de eenige, de eeuwige en waarachtige God, een goddelijk Wezen en drie Personen, 1 Joh. 5: 7. En Joh. 10:30, Ik en de Vader zijn één.

De namen, die den eersten Persoon toekomen, de eigenschappen, de werken en de eer, die komen ook den tweeden en den derden Persoon toe. Zij zijn niet verscheiden, maar onderscheiden. Daar hebt gij de drie Personen, Vader, Zoon en Heiligen Geest, één goddelijk Wezen. Wij zeggen, wij belijden, wij gelooven dat, omdat God het in zijn Woord heeft geopenbaard. Wij zeggen: ach Heere! wij hebben dat

122

-ocr page 129-

OVER DEN VIII. ZONDAG. Vrag. 24 en 25.

ontzag en die eerbied voor U, dat wij U zoo aanbidden, aan U ons onderwerpen, die do diepten Gods kent. Wij gelooven, dat hetgeen God ontdekt, niet tegen, maar wel boven de rede gaat; niet tegen de rede strijdt, maar wel boven de rede is. Wij zeiden in den beginne met recht: wij hebben eerbied van noode om van zulke groote dingen te spreken en ze te hooren spreken. Dat lieve en zalige Wezen was ons niet geopenbaard, was er geen bedeeling der genade.

Nu komt het genadelicht, dat doet ons dat alles zien tot eer van God. Ach! daar was nooit ware blijdschap, zoo er geen Kerk was, waar een Drieëenig God in ontdekt wordt. Daar was nooit ware blijdschap, zoo er geen wedergeboorte was. Daar was nooit ware blijdschap, zoo er geen waren, die zalig zullen worden. Maar nu kan God iemand zalig maken tot zijne eer. Dat is nu ons stuk. Ach Heere! zeggen wij, dat gelooven wij alles, en verstaan wij het niet, wij buigen ons onder uwe openbaring. Ik dorst naar U; al mijn lust is in U; al mijn vertrouwen is op U.

Geliefden! nog een woord tot een stichtelijk slot.

Wat dacht gij als gij het hoordet? Moest gij niet zeggen in uw hart: ik ben beschaamd en schaamrood, dat ik zoo weinig kennis van die dingen heb? Ik vrees het niet van allen, maar ik vrees dat er velen onder u zijn, tegen welke ik eens zeide: zegt de 12 Artikelen eens op, er moeite toe zouden hebben. Ik weet niet, ot uwe kinderen het al niet gladder en beter zouden opzeggen dan gij. Ach! hoe schamel zou het u ter hand staan, dat gij eens eenige bewijzen moest geven, dat er een God is! Hebt gij in uw leven het aan uw eigen gemoed wel eens gaan bewijzen? Ik weet niet, hoeveel er wel zouden zijn, die verlegen zouden wezen, wanneer ik eens zeide: bewijst eens uit het Woord, dat er drie onderscheidene Personen zijn, en dat die één eenig Goddelijk Wezen uitmaken. Hoe schamel zou het u ter hand staan; en gij hebt dikwijls zooveel inbeelding, \'tls niet met praten, noch met inbeelding te doen, maar met zaken en stukken. Ach arme! dan zijn er die het weten dat er zulke middelen zijn om tot kennis te komen; maar zij spotten met de wijsheid, \'t Is niet goed, zeggen zij, dat men zulke neuswijze menschen wil wezen. Die verachten de Schrift; en anderen rusten op hunne kennis, en zi] zijn weltevreden, omdat ze wat kennis hebben; en een ander wederom is blijde op een deel valsche gronden, en daarop past hij zich de genade toe. De genade is toch voor alle menschen, zegt hij; God is barmhartig, de genade is voor allen, en bijgevolg voor mij ook; en zoo bedriegt hij zichzelven, want de genade is maar voor zeer weinigen; en voor die het zich zoo los inbeelden, \'tallerminst. Ach arme! God kan u nu wel in goeden doen en voorspoed laten wezen; maar de zaak kan haastelijk zulk een keer nemen.

Een ander zegt: ik acht God niet; zou Hij overal bij mij zijn? zou Hij zoo rechtvaardig zijn, zoo onverbiddelijk? Als ik goddeloos leef en sterf, dat acht ik niet, ik kan het niet helpen, het ligt in ons hart. Als gij zoo spreekt, dat gij uzelven geweld aandoet? en

123

-ocr page 130-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

als gij het niet aanneemt, dat er zulk een God is, gij zult het wel gelooven, als gij sterven zult; en als gij in de hel zult wezen, dan zal God u wel toonen, dat Hij de Alwetende, de Almachtige, de rechtvaardige en onveranderlijke God is.

Anderen verdriet het zoo, dat er zulk een God is; en die doen alle moeite, om het uit hun hart te krijgen. Als zij hooren prediken, zij durven niet luisteren; en deze zijn bezet met godloochenende en duivel-sche ingevingen en gedachten, en hebben ze eens moeten luisteren, dan wilden zij wel, dat ze er niet geweest waren. Daar worden zij dan geslingerd als de slang, die eene wond gekregen heeft, en hij is evenwel geschoten.

Gij zult zeggen in uw hart: zijt gijlieden, gij en uws gelijken, dan altijd vrij van godloochenende gedachten? Ach! neen. Maar weet gij wel, dat er een groot onderscheid is tusschen een goed Christen en een godloochenaar, tusschen een Christen en die vuile ruigte. Geliefden! laat het ons eens toe, dat wij het onderscheid aan u kortelijk voorstellen.

Eerst. Een godloochenaar komt er noodzakelijk en als door geweld toe, door \'t lezen van zulke boeken, door verkeeren met zulke men-schen, en door \'tstudeeren in de godloochening: zij zoeken er bewijsgronden voor. Maar in een vrome komen die gedachten dan op, wanneer de duivel zoo eens in hen komt gevlogen met zulke gedachten; zelfs dan, als ze in hunne gebeden zijn, als ze in de kerk zijn, in hunne allervroomste gedachten schiet hij zijne vergiftige pijlen uit.

Ten tweede. Een godloochenaar is er blijde over, als hij wat gevonden heeft om van God te rellen. O! dan is hij eerst recht blijde en verheugd. Maar een kind van God doet het zoo zeer, als er zulke gedachten in zijn zondig hart opkomen. Ik ben er bedroefd over tot mijne ziel toe, zegt hij, het kost mij vleesch en bloed, ja, zij worden er mager van.

Ten derde. Een godloochenaar is er hoovaardig en trotsch op, hij steekt zijn boofd omhoog. Maar een kind van God zegt, als hij er mede overvallen wordt, ach Heere! ik ben maar een groot beest bij ü, een monster. Ik heb geen menschenverstand, ik ben als een woudezel.

Ten vierde. Een goddelooze zoekt zulk een gezelschap, waar zij er elkander in stijven. Maar een kind van God die smoort het in zijn hart, hij zwijgt, en draagt het alleen. Ik zou mijn naaste, zegt hij, daar geen nut mede doen.

Ten vijfde. De goddeloozen doen het om te vrijer te zondigen. Maar een kind van God blijft vroom, teer en heilig. Ach God! zegt hij, ik ben het met den duivel en de zonden niet eens geworden.

Ten zesde. Een godloochenaar wil er niet van overtuigd worden. Maar een kind van God die zegt: Ach God! genees mij, laat er toch een middel komen, waardoor ik geholpen word. Wat zegt gij? Is er geen onderscheid tusschen een godloochenaar en een vrome? Zoo groot, als er is tusschen zomer en winter, leven en dood.

124

-ocr page 131-

OVER DEN VUL ZONDAG. Vrag. 24 en 26.

Nu wilde ik wel, dat wij elk dien God tot onzen God hadden. Ach! dat Hij mij en u aller deel was! Zegt gij; ik wilde het ook wel? Welaan, Hij is ons zoo noodig, wij mogen Hem niet missen, \'tis het beste deel, ja alle andere deelen zonder dat deel zijn vervloekt; en zij dienen u nergens toe, als gij er dit deel niet bij hebben wilt.

Wie heeft nu God tot zijn God? Weet gij wie?

Eerst. Die wel overtuigd is, dat hij van nature God tot zijn deel niet heeft, en die uitgeroepen heeft: ik mis dat deel van nature.

Ten tweede. Die zeggen kan: ik mag het niet missen, ik heb geen vrede, zoo ik het mis, ik kan het niet dragen; moet ik dat dragen. God te missen? Dat kan ik niet dragen!

Ten derde. Die naar dien God in eenzame plaatsen toeloopt, eu zegt: Heere! ik ben zoo ziek om Uwe gemeenschap, wat Gij mij geven zoudt, laat het üzelven zijn, en wal Gij mij zoudt laten missen, laat ik U niet missen. Kent gij dat, en dat niet eens, maar duizend malen, en nog duizende malen verdubbeld? Dat is altijd een artikel in hun gebed. O! zoo Gij mij üzelven niet geeft, zoo moet ik sterven. O! zeggen ze, dat is zulk een krachtig Woord: Ik God ben uw God. Duizendmalen buigen zo daarom hunne knieën. Ik dorst naar U, o! God, ik kan het zonder U niet stellen, ik kan zonder U niet leven noch sterven; geef toch Üzelven aan mij, weiger het mij toch niet eer dat ik heenga. Dan ach Heere! liever dan dat ik dat deel zou moeten missen, beschik over alles wat ik heb: over mijn leven, over mijn goed, laat ik het liever alles missen dan ü. Als hart en vleesch bezwijkt, als ik dan ü maar heb tot den rotssteen van mijn hart eu tot mijn deel in eeuwigheid, Ps. 73:26.

Ten vierde. Ach, laat er geen vervreemding tusschen mij en tl wezen! verberg uw aangezicht niet voor mij! laat ik zulke verdorvenheden niet hebben, waarom Gij het zoudt moeten doen.

Ten vijfde. Zegt zulk eene: \'t Is mij zoo goed nabij den lieere te wezen! I\'s. 73:26. Kan ik eens bidden, ga ik eens ten Avondmaal, lees ik eens in den Bijbel, dat ik toch zoo mag gevoelen, dat er niets in den weg is, dat ik Uw liefelijk wezen zoo zien mag, en dat ik mag zeggen: Gij zijt mij vriendelijk.

Ten zesde. Die zoo met God wandelen op den weg, in hunne gezelschappen, in hun beroep, en overal zoo afgekeerd van \'t schepsel, zoo toegekeerd tot God, geheel afhankelijk vau den Heere zoeken te wezen; Hem om raad vragen in alles wat hun ontmoet, geen kleine noch groote zaken beginnen zonder den Heere te kennen, en den mond des Heeren om raad te vragen; worden ze wakker of gaan ze slapen, de Heere is bij hen: en is het zoo niet, dan zijn ze bedroefd.

Ten zevende. Zij wandelen voor Gods aangezicht en zij zijn oprecht. De goddeloozen schelden hen altijd voor zulke geveinsden, maar zij zi]n het niet: hun goed en bloed en naam, ze zetten het alles op voor God, en voor zijne zaak, als ze er toe geroepen worden.

Dat zijn klare dingen. Vindt gij ze zoo in uw hart? Zegt dan rechtuit: De Heere is mijn deel. Zingt van blijdschap: Welzalig is

125

-ocr page 132-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

\'tvolk wiens God de Heere is, Ps. 33:12. En zegt: De snoeren zijn mij gevallen in eene liefelijke plaats; een schoon erfdeel is mij ten deel geworden, Ps. 16:6. En wacht dan vry, totdat uwe ziel meer van dat liefelijke Wezen zal kennen en genieten.

Wat zal het eens in den hemel zijn! Is \'thier in de Kerk zoo aangenaam van dat Wezen te spreken, wat zal het dan daar zijn, waar \'tgeen ten deele was, teniet zal gedaan wezen, en al \'t volmaakte zal wezen, daar God alles in allen is! Daar Hij ze altemaal zal overstroomen, totdat ze vol en verzadigd zijn, en in die oneindige zee der goddelijke algenoegzaamheid als verdrinken zullen. Die nu nog dit deel niet heeft, ach! dat ze \'tmochten krijgen! Daar \'t betwist wordt, mochten die toch geleerd worden te strijden; waar het duister is, de Heere kan het er haast licht maken. Die klaarheid hebben, dankt den Heere. Wie onderscheidt u? Geeft Hem de eer tot in alle eeuwigheid. Amen.

120

-ocr page 133-

C A T E C HIS M U S-P R E DIK A TIE.

Over «en IX. Zondag. Vrag. 26.

ISTegende Zondag.

20. ViuAG. Wat (/dooft gij met deze ivoorden: U geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Antwoord. Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde, met al dat er in is, uit niet geschapen heeft, die uok dezelve nog door zijnen eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt on regeert, om zijns Zoons Christus\' wil, mijn God en mijn Vader zij; op welken ik alzoo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal my met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keeren; want Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

WIJ lezen, Pred. 12:1, dat de wijste der koningen, Salomo, tegen den Jongeling zegt: Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, in dewelke gij zeggen zult: Ik heb geenen lust in dezelve. Doe het, wil hij zeggen, in de dagen van uwe jongelingschap, want gij zult misschien geen oude dagen krijgen ; en al kreegt gij ze al, zoo zijn ze echter met zeer vele ongemakken bezet: met kwellingen naar het lichaam en met zwakheden in de ziel, zwakheden in uw verstand, in uw wil, en in uw geheugen Daarom, jongeling, stel het niet uit. Is God niet uw Weldoener van uwe jeugd at aan? Vereer dan den Heere van uw goed, en van de eerstelingen uwer inkomsten, Spr. 3:9. 01 jongeling, hadt gij lichamelijke kwalen, gi] zoudt het niet uitstellen om naar genezing te zoeken. Naar de ziel nu hebt gij zulke kwalen, en gij zijt echter zoo verblind, dat gij ze niet ziet. Gij hebt het zoo lief, tequot; wandelen in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer oogen; doe het, wandel naar \'t vermaak van uwe oogen, maar weet, dat gij om al dezen zult komen voor het gericht. Gij zult daarover voor het oordeel moeten verschijnen, Pred. 11:9. Ik blijf er dan bij: Jongeling! Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap. Overdenk het wel, terwijl gij nog jong zijt.IJ lezen, Pred. 12:1, dat de wijste der koningen, Salomo, tegen den Jongeling zegt: Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, in dewelke gij zeggen zult: Ik heb geenen lust in dezelve. Doe het, wil hij zeggen, in de dagen van uwe jongelingschap, want gij zult misschien geen oude dagen krijgen ; en al kreegt gij ze al, zoo zijn ze echter met zeer vele ongemakken bezet: met kwellingen naar het lichaam en met zwakheden in de ziel, zwakheden in uw verstand, in uw wil, en in uw geheugen Daarom, jongeling, stel het niet uit. Is God niet uw Weldoener van uwe jeugd at aan? Vereer dan den Heere van uw goed, en van de eerstelingen uwer inkomsten, Spr. 3:9. 01 jongeling, hadt gij lichamelijke kwalen, gi] zoudt het niet uitstellen om naar genezing te zoeken. Naar de ziel nu hebt gij zulke kwalen, en gij zijt echter zoo verblind, dat gij ze niet ziet. Gij hebt het zoo lief, tequot; wandelen in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer oogen; doe het, wandel naar \'t vermaak van uwe oogen, maar weet, dat gij om al dezen zult komen voor het gericht. Gij zult daarover voor het oordeel moeten verschijnen, Pred. 11:9. Ik blijf er dan bij: Jongeling! Gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap. Overdenk het wel, terwijl gij nog jong zijt.

Wat doet zulk een dan, als hij aan zijnen Schepper denkt? Dan

-ocr page 134-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

denkt hi], dat er een God is. Dan gaat bij onderzoeken wie en wat God is. Dan vindt hij, dat God de Schepper is, die alles gemaakt heeft, en dat ook hij het maaksel is van Gods hand. Dan ziet hij er bij, dat hij niet is, zooals hij uit de hand van God is gekomen, maar dat hij door de zonden mismaakt is. Dan, dat God overal bij hem is, dat Hij de alwetende is, dat Hij kent en weet al wat hij doet, en nog zal doen, en dat hij eens zal moeten sterven, en hoe hij het dan maken zal.

Als een jongeling ingespannen is, en hij begint zoo aan zijnen Schepper te denken, dan zal hij er bij gaan denken: ik heb II, o mijn Schepper, tegen mij, zoolang, als ik U tot mijn Herschepper niet heb; en dan zal hij zoo aan zijn Schepper gedenken niet alleen als aan een Schepper, maar ook als aan een Herschepper en Verlosser, en dan daartoe komen, dat hij God moet kennen, als een Drieëenigen God. Daarom zegt de Prediker zeer wel: Gedenkt aan uwen Schepper.

\'t Is zulk een sieraad voor een jongeling: O! wat een sieraad was het voor Jerobeams kind, dat omtrent veertien jaren oud was, dat daar wat goeds in gevonden was, voor den Heere, den God Israels! 1 Kon. 14:13. Wat een sieraad was het voor een Obadja, dat hij tegen Elia kon zeggen: Ik vrees den Heere van mijne jonkheid at, 1 Kon. 18:12. Wat een sieraad was het voor dien jongeling, Mark. 10:19, 20, dat als de Heere Jezus hem de geboden van de tweede tafel der Wet optelde, hij zeggen kon: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af! Wat een sieraad was het voor Timo-theus, dat hij van kindsaf de heilige Schriften had geweten, die hem wijs konden maken tot zaligheid door het geloof enz.; en dat het geloof van zijne moeder en grootmoeder in hem woonde, 2 Tim. 1:5 en 3:15. Dat is nu des jongelings plicht.

Doch het is niet alleen de plicht eens jongelings, maar ook die van bejaarde en oude menschen. Ook die mogen dat ook niet voorbij. Daarom vinden wij, dat God in zijn Woord zooveel werks gemaakt heeft, om den mensch te onderwijzen van de Schepping en van de voorzienigheid. Wij hebben tegenwoordig te bezien den Maker van \'t heelal, en dan daarna, hoe wij in Hem gelooven zullen.

Daar zullen vele menschen met hunne kennis in de hel vallen. Kennis is niet genoeg om zalig te worden, zoo er geen geloof bijkomt, en zoo er de oefening aan ontbreekt. Dat niet alleen; maaier zullen ook vele onkundigen en die geen kennis hebben in de hel vallen. De Heere zal met vlammend vuur wraak doen, over degenen die Hem niet kennen, 2 Thess. 1:8. Geliefden! Wij hebben dan tegenwoordig te onderzoeken,

Eerst, Den oorsprong van de geheele wereld.

Ten tweede. Dat groote werk der Schepping te overdenken.

Ten derde. Moeten wij zien, wat het is, te gelooven in dien God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. 1. Hebben wij te bezien den oorsprong der wereld. 2. Dat God die gemaakt

128

-ocr page 135-

OVER DEN IX. ZONDAG. Viuo. 2(1.

heelt. 3. Wat het is, te gelooven, gelijk wij in de 12 Artikelen spreken: Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

Wat het eerste aangaat: Waar is de wereld vandaan gekomen? Wij zien wel. dat er dat werkstuk is. Maar gij kunt geen stuk werks zien, of gij moet ook om een werkmeester denken. Wij zien zoo al deze dingen; maar wie heelt ze gemaakt?

Daar waren er onder de oude Heidenen, die een onbekenden God dienden. Hand. 17:23. Dien onbekenden God dienden zij, omdat zij geen Bijbel hadden. Paulus zegt, Hom. 1:20, dat van de schepping der wereld af aan, door de schepselen wordt verstaan Gods eeuwige kracht en goddelijkheid. Daar was dan een zeker slag van menschen onder de oude Heidenen die zeiden: de wereld is van niet zijn tot zijn gebracht; daar is een eeuwig Wezen, die de wereld van niet zijn tot zijn gebracht heeft. Die kwamen zoover, als Paulus zegt, in onze zooeven aangehaalde plaats, Rom. 1:20: Die zeiden, dat er een begin aan de wereld was.

Dan was er nog een ander slag van menschen onder de oude Heidenen, die onderzoekers der eeuwen schenen te zijn; die zeiden: de wereld is van eeuwigheid; de wereld, zeiden ze, heelt geen begin, noch einde, die zeiden: \'t moet zoo alles noodzakelijk gebeuren wat er geschiedt; elkeen komt op het tooneel der wereld, naardat hij een deel en noodlot daarin moet ondergaan. Die rekenden, dat de wereld is als een horloge, dat nooit afloopt.

Dan waren er nog anderen, en die zeiden, dat dat niet kon zijn; die begonnen te denken: daar zijn zoo eenige vezeltjes in de lucht geweest, die bijgeval zijn samengeloopen, en daar is dit groote heelal uit voortgekomen. Dat is al zoo erg alsof ik zeide: er heeft daar een groote hoop steenen gelegen, en daar is dit gebouw bijgeval uit voortgekomen. Doch dat is onmogelijk, en al te dwaas om te denken. Dan zijn er nog eenige fielten van dat vuile en dwaze ruigte van godloochenaars, die zeggen: de natuur is God. Maar waarom zeggen zij dat? Daarom, omdat ze gaarne vrij zouden zondigen; dat spruit uit goddeloosheid en tot goddeloosheid. Dat dolle slag van menschen zeiden: daar is geen wet, geen straf, geen God: het is alles God wat er is. Zoo zot waren ze, dat ze zichzelven tot God maakten. Zoo blijft het ons dan nog overig te zeggen, waar de oorsprong van de wereld vandaan is.

Wat zegt er een goed Christen van met het licht der natuur en met het Woord Gods te zamen? Er is een goddelijk Wezen en drie onderscheidene Personen, denkt de Christen. De eerste Persoon is de Vader van den tweeden Persoon op eene onbegrijpelijke wijze; en Hij is ook de Vader van alle menschen in die betrekking, dat Hij de Schepper is van alle menschen. lt;les. 63:16, Gij zijt toch onze Vader, En Mal. 2:10, En hebben wij niet allen éénen Vader, en heeft niet één God ons geschapen? Dan is Hij ook de Vader van zijne kinderen om Christus\' wil geworden. Die God en Vader is de Almachtige,

9

129

-ocr page 136-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

alle dingen zijn Hem mogelijk; Hem is geen ding te wonderliik, Jer. 32:17. Hij vermag alle dingen, Job. 42:2. Zou er iets zijn, dat boven zijne quot;macht was? Hij is do Almachtige, dat is zijn eerenaam, zonder welken Hij geen God kan zijn.

Wij zeggen ook, dat er in dat goddelijk Wezen drie Personen zijn, dien \'allen drie dezelfde volmaaktheden worden toegeschreven. Den eersten Persoon, den Vader, wordt in \'t bizonder de Schepping toegeschreven; maar niet zoo, dat het met uitsluiting is van den Zoon en van den Heiligen Geest: want door t Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir, Ps. 33:6. Maar in \'t bizonder wordt aan den Vader, die de eerste is in orde van bestaan niet alleen, maar ook in orde van werken, de Schepping toegeschreven. De Zoon is de tweede en de Heilige Geest de derde. Dewijl nu het werk der Schepping het eerst voorkomt, zoo is dat de eerste Persoon bizonderlijk eigen. Als wij den oorsprong van de wereld zullen zoeken, zoo zullen wij ze moeten zoeken bij dat Goddelijk Wezen. De eerste Persoon in \'t bizonder wordt er zoo dikwijls in erkend en aangebeden. De Zaligmaker zeide eens: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen den wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard, Matth. 11:25. Paulus zegt: In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, Hand. 17 :28. Het is alles uit Hem en door Hem, Kom. 11:36. Nuquot;, die God schiep in den beginne hemel en aarde. Gen. 1 :1, en Jer. 10:11, De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zuilen vergaan. Hij rekt den hemel uit als een gordijn, Ps. 104:2. God heeft de hemel uitgebreid en de aarde geschapen, en Hij heeft de menschenkinderen daarop geschapen. De goden der Heidenen zijn ijdelheid; maar onze God heett de aarde gemaakt. Zoo spraken de Joelen in oude tijden, zoo hebben al de heiligen God erkend. Neb. 9:6, Gij zijt die Heere alleen, Gij hebt den hemel, den hemel der hemelen, én al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U. Dat is liu die God, dien wij erkennen bij het licht der natuur en bij het licht van het Woord Gods, die één in Wezen is, maar drie in Personen.

Bizonder wordt de Schepping den eersten Persoon toegeschreven, doch niet met uitsluiting van den tweeden. Joh. 1:1, In den beginne was het Woord. En Ps. 33:6, Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en (niet met uitsluiting van den derden Persoon) door den Geest zijns monds al hun heir. En Gen. 1:2, De Geest Gods zweefde op de wateren. Zoo zien wij dan dat God is de Maker en Formeerder van de wereld; Hij is Degene, die ze voortgebracht heeft op zijn geroep en gebod. Hij gebood en het was er. Hij roept de dingen die niet zijn alsof ze waren, Rom. 4 :17. Hij heelt ze voortgebracht door zijne Goddelijke kracht, en Hij heeft elk schepseltje zijn wezen, voorwaarden, fatsoen en staat gegeven, zonder dat eenig schepsel klagen kan.

-ocr page 137-

OVER DEN IX. ZONDAG. Vrag. 2G.

Nu hebben wij \'fc werk zelf te beschouwen. Dat troel dit groote heelal geschapen heeft, hebben wij een weinig te gaan onderzoeken en te overdenken. God noemt de daad een scheppen. Dan gaat Hij ordentelijk toonen wat Hij geschapen heeft. Dan in hoeveel tijd. Dan moeten wij zien wanneer. Dan eindelijk het einde dat God er mede voor had.

Als God van het formeeren van de wereld spreekt, zoo noemt Hij het scheppen. Wat wil dat woord scheppen zeggen? Dat woord wordt gebruikt, als God iets buitengewoons zal doen. Als een maagd zal zwanger worden, zegt God, Ik schep wat nieuws, Jer. 31 :22. Ziet een maagd zal zwanger worden, Jes. 7; 14. Als de aarde zich moet openen om Korach, Dathan en Abiram in de hel te doen zinken, zoo zegt God, dat Hij wat nieuws zou scheppen. Num. 16:30. Naar den stijl des Geestes is het ook zoo in de gewone voorzienigheid Gods. I\'s. 104:30, Zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks. God is in \'t onderhouden van de wereld als een gedurige Schepper. Gij zult dat woord ook zoo vinden, als God \'t genadewerk in iemand werkt. Ps. 51: 12, Schep in mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Ef. 2:10. Wij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken. Niet alleen dat, maar wij vinden, dat God dit woord gebruikt in \'t voortbrengen van iets van niet zijn tot iets zijn en uit eene onbekwame stof, die er niet toe geschikt scheen te zijn, om er zulke zaken uit te formeeren Wat was het waaruit God Adam schiep? Een klomp aarde; en uit een been, uit eene rib des mans formeerde God eene vrouw, \'t Was eene onbekwame stof. God wil dat scheppen noemen. Laat ons menschen maken, zegt God, naar ons beeld en naar onze gelijkenis. En God schiep den mensch naar zijn beeld; man en vrouw schiep Hij ze, Gen. 1 : 20, 27. 1

Ziedaar, dit is het woord, dat in dit stuk te pas komt: namelijk het voortbrengen van dit groote heelal is uit niet, en uit eene onbekwame stof.

Nu moeten wij zien hoe God op eiken dag bezig is geweest. Daar hebt gij dan den eersten dag van de wereld, met welken God een aanvang van de schepping der wereld maakte. Wat schiep God op den eersten dag ? Daarop schiep God twee of drie groote zaken.

Eerst. Dat wonderlijke stuk den hemel der hemelen, den derden hemel, dat huis van Christus Vader, daar zoovele woningen in zijn, Joh. 14:2. De schuur, waar God al zijne kinderen eens zal inzamelen; dat prachtige paleis, waarvan God de Kunstenaar en de Bouwmeester is, Hebr. 11:10. Dat huis, waarvan Paulus zegt, 2 Cor.5: 1, Wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen. Wat plaats moet dat zijn! Het is het allerwijdste en aanzienlijkste vertrek. God heeft geen plaats in de wereld geschapen, of Hij heeft er inwoners in geschapen; in

131

-ocr page 138-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

deze plaats zijn ook bewoners geschapen, en dat zijn krachtige helden, die zijn woord doen, Ps. 103; 20. Gij kunt dat begrijpen, dat die op den eersten dag geschapen zijn. Als God de aarde begon te grondvesten, zoo waren er die morgensterren die vrooliik zongen. Job 38; 7. Kort na den eersten dag vinden wij al gevallen engelen, die het aangezicht van Jezus1 Vader aanschouwd hadden, Matth. 18:10. Was het in het paradijs zoo heerlijk, gij kunt eens denken, hoe het in den hemel is, waar God zijne heerlijkheid vertoont, waar al die heilige engelen zijn.

Maar behalve die heeft God op den eersten dag ook gemaakt dien ruwen klomp, die grondstof, waaruit Hij het alles heeft voortgebracht door zijne kracht en wijsheid. De aarde, die was woest en ledig; \'t was als een gebouw, waartoe al de bouwstoffen onder elkander lagen. Niet alleen schiep God dien ruwen klomp, maar Hij schiep ook het licht rondom dien ruwen klomp, dat onderscheid maakte tusschen dag en nacht, al zoowel als nu de zon, maan en sterren doen. Dat zijn de drie hoofdwerken op den eersten dag.

Weet gi] nu wat onze God gemaakt heeft op den tweeden dag? Toen beliefde \'t Hem van dien ruwen klomp te gaan maken een uitspansel: toen is God als eene diepte en ruimte gaan maken. Op den tweeden dag, was dat het werk van zijne handen. Toen zeide God: Ik zal een scheiding gaan maken, daar die opperste zoldering boven zal zijn over dat uitspansel, de lucht, gelijk wij elkeen ondervinden, in welke de vogels en de menschen zich verkwikken. Op den tweeden dag maakte God de drijvende wolken, die wateren, die daar boven zijn, hing God daar als een kleed, en als eene zoldering onder zijnen troon: Die zijne opperzalen zoldert op de wateren, Ps. 104:3. Daar zijn de scbatkameren van de sneeuw; en de schatkameren van den hagel en regen zult gij daar vinden. Die wateren heeft God naar boven getrokken, waar Hij dan een uitspansel van maakte. Dat is het middelpunt van de bovenwerken.

Op den derden dag wilde God niet, dat de wateren de aarde zouden blijven bedekken. Daar doet Hij ze op zijn bevel in al die vaten loopen die Hij daartoe besteld had, Ps. 33:7, Toen zijn ze gevloden, en afgeloopen in al die vaten, die God daartoe beschikt had; die Hij daar quot;gesteld heeft, en als zoovele kommen verordend; en Hij heeft die afgronden met deuren en grendelen toegesloten, dat is te zeggen: door zijne goddelijke kracht alzoo bepaald, dat ze dat gezette, dat Hij hun gesteld heelt, niet kunnen overtreden. Hij heeft de zee het zand tot een paal gesteld. Daar heeft Hij die rotsen en klippen gesteld, waarop de golven gebroken worden, en zoo haar kracht verliezen, zoodat ze daar lieflijk spelen voor onze oogen, zoodat een mensch verwonderd moet zijn, als hij het aanschouwt. Toen heeft God het droge doen zien. De vergadering der wateren noemde Hij zee en het droge noemde Hij aarde. Die aarde heeft God toen ook doen versieren met allerlei schoon lieflijk sieraad, en met heerlijke

102

-ocr page 139-

OVER DEN IX. ZONDAG. Vraq. 26.

vruchten. In die aarde legde God ook alle schatten van zilver en goud, fonteinen en kostelijke sfceenen, hetwelk de menschen in alle gewesten daarna konden vinden en gebruiken.

Op den vierden dag schiep God de zon, de maan en de sterren. Toen heeft God een ordentelijker licht gegeven, liet schijnt, dat God het licht, dat op den eersten dag rondom dien rand van de aarde was, in een ronde kluw getrokken heeft in de zon, en die deelt haar licht mede aan de maan, opdat die haar licht aan de aarde zou me-dedeelen. Die lichten hebben haar gebruik gehad en zij hebben het nog. God kan ons haar licht doen missen als het Hem belieft. Daar is geen schepsel dat zich kan roeren of bewegen zonder zynen wil, zoo ook die niet. Wil Hij eens iemand onderrichten. Hij zendt daar eene ster in \'t oosten, die hun aanwijst waar Christus geboren was, Matth. 2:2. Wil Hij eens een volk straffen, dan zegt Hij: zon, sta stil te Gibeon en gij maan in \'t dal van Ajalon, Jos. iO: 12. Tot verwondering kan God ze duister doen worden. O! wij moeten niet denken dat God geen buitengewone dingen meer doen kan. Dan waarschuwt en dan straft Hij de menschen er eens mede. Maar wij moeten er niet mede doen gelijk de Heidenen, die uit den loop der sterren iemands dood, geluk of ongeluk voorzegden. Wij maken er ook een gewoon gebruik van. Als de hemel rood is, zeggen wij: \'t zal morgen schoon weder zijn. Als ze droevig rood is, morgen onweder, Matth. 16:3. Weten wij uit dat gewone wat te zeggen, wat zouden wij dan niet doen uit het buitengewone, en zeggen: Dit is de vinger Gods, als God een ongewoon teeken aan den hemel geeft. Hand. 2: 2, 3, daar hadden ze teekenen. Nu God geeft, dat door dit licht de aarde vruchtbaar wordt op haar gezetten tijd. Die lichten geven hunnen invloed op de aarde, tot verkwikking van vee en menschen. God stelt die lichten daar tot teekenen der tijden, om onderscheid te maken tusschen zomer en winter, dag en nacht. Daar wordt niets vreemds beschreven in den Bijbel; en er wordt ook niets vreemds buiten den Bijbel van ondervonden.

Op den vijfden dag schiep God daar in dien luchthemel de vogelen, en in de wateren de visschen. Daar krielt het als van visschen en vogelen, en daar houdt God zoo zijne hand aan. Er zwemt niet een vischje in \'t water, en er valt niet een vogeltje uit de lucht op de aarde zonder zijnen wil, Matth. 10:29.

Toen kwam God op den zesden dag en Hij schiep de dieren der aarde, tamme en wilde, kruipende en loopende dieren, waar dan eindelijk bijkwam dat hoofdstuk van al Gods werken, de mensch. Die bestond in ziel en lichaam; dien versierde Hij met zijn beeld, met zoo een zweem naar God. Dat beeld bestond in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Daar hebt gij nu eerst den oorsprong van de geheele wereld, dat is God. Ten tweede het werk zelf in zes dagen verdeeld.

Daarop volgde de goedkeuring en \'t genoegen Gods, dat Hij had in al zijne werken; waarin Hij toont, dat het naar zijn bestek was;

133

-ocr page 140-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

het was altemaal zeer goed en bekwaam tot zijn einde, en om dat uit te werken, zei God, waartoe Ik liet gesteld heb.

Dan komt God en die spreekt er zynen zegen over uit, dat is te zeggen; Ik zeg u mijnen zegen toe; Ik zal \'t met mijne zegenende hand maken, dat gij gezegend zijt. Daar hebt gij \'t einde van dit alles.

Nu is de vraag: wanneer is dat alles geschapen? Wij vinden in het Woord dat er iets van eeuwigheid was al voor den aanvang der stofjes der aarde, eer de bergen geboren waren, als er nog geen fonteinen waren zwaar van water, Spr. 8:24. Wij zegden: de wereld kan niet eeuwig zijn. Wij vinden dat de derde hemel is geweest van voor de grondlegging der aarde; maar van de eeuwigheid en van de volmaaktheid is er geen zweem in \'t schepsel. Ps. 90:2 wordt gezegd: van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gi] God. De eeuwige kracht en Goddelijkheid blijkt uit de schepselen, Rom. 1:20. Hot schepsel bestaat in minuten, uren, dagen, maanden, jaren. Zoo haast als er een toekomst is, zoo is er ook een verleden; ja, omdat er in \'tschepsel gevonden wordt een laatste oogenblikje te zijn, zoo spreekt het van zelfs, dat er ook een begin is geweest, en gevolglijk dat het schepsel niet van eeuwigheid kan zijn. Het schepsel dat indertijd is voortgebracht, daarin kan geen eeuwigheid plaats hebben. De Schriftuur zegt: In den beginne schiep God hemel en aarde. Gen. 1:1; zij hebben hun begin gehad, zegt het Woord. Toen begon de tijd, hij is geworden; en is hij in den beginne een schepsel geworden, zoo is hij niet van eeuwigheid. De wereld is ook niet zeer oud. De Joden zeiden dat ze tweeduizend jaren oud was, als ze rekenden voor de wet, tweeduizend jaren na de wet en tot op het rijk van den Messias. Maar zij was nog tot dien ouderdom niet gekomen, en \'t kan nog wel omtrent driehonderd jaren minder zijn. Iemand mocht denken: kon God de wereld niet eer geschapen hebben? Ja Hij; maar niet van eeuwigheid. Al had \'t God beliefd, zulks over twaalfduizend jaren te doen, of zelfs nog eerder. Hij zou \'t hebben kunnen doen. Of nu de wereld nog lang zal staan, eer dat het oordeel komt, weten wij niet, doch \'t schijnt niet volgens het Woord. Dat schijnt ons daarhenen te leiden, dat ze niet zeer oud zal worden, en dan zal God op dien dag en na dien dag het schepsel in een volmaakten toestand brengen: het een tot eene volmaakte heerlijkheid, en het ander tot eeuwige ellende.

Er is maar eene wereld. Wij moeten geen captie gebruiken, als wij dat zeggen. Gij zult zeggen: had God niet meer werelden kunnen scheppen? Wij zeggen: wie kan Gods macht bepalen? Hij had nog macht en wijsheid genoeg, om nog andere soorten van schepselen voort te brengen.

De wereld is groot en wijd; maar gelijk ze niet oneindig is in tijd, zoo is ze ook niet oneindig in uitbreiding. Als iets een lichaam is, bestaat dat in deelen; en in al die deelen hebt gij een einde, \'t Is eene tegenstrijdigheid dat gij een lichaam zonder einde zoudt heb-

134

-ocr page 141-

OVER DEN IX. ZONDAG. Viuo, 26.

ben. Ot God zegt, Jer. 40:12, Wie heeft de wateren met zijnen vuist gemeten? en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een wagen, en de heuvelen in eene weegschaal? En bij Job 11:8, ^41 is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen ? dieper dan de hel, wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is hare maat, en breeder dan de zee. Daarin belieft het Hem al de wijzen in te doen suffen, zij weten het einde niet, en de aarde wordt evenwel overal bewoond. Maar God weet de einden en palen van dezelve.

Op welken tijd nu van \'t jaar is de wereld geschapen? Het schijnt te zijn geweest ia den herfst, als dag en nacht even lang zijn. Het jaar der Joden begint met onzen herfst; de naam van die maand is riiisri, dat is, de maand des begins; die daarom zoo duidelijk genaamd werd, omdat er dan vele dingen gedaan moesten worden, en omdat hun Sabbatjaar dan ook begon. Het schijnt dat de wereld op dien tijd geschapen is, omdat dan de vruchten aan de boomen zijn, die tot des menschen gebruik meest dienden. Daar hebt gij den oorsprong der wereld met al de omstandigheden.

Nu ons laatste stuk: dat is \'t geloof daaromtrent; (van de voorzienigheid moet in den volgenden Zondag gesproken worden.) Wij zeggen: ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Dat slnit nu verscheidene dingen in.

Eerst. Dat ken ik, het is mij ontdekt in het Woord en door Gods Geest en genade, zegt een recht kind van God; ik heb er bewijs van gekregen, zegt hij, Hebr. 11:3. Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. Dat God de Schepper is, zien we uit het licht der natuur, en daarenboven ordentelijk uit het Woord, dat wij zoo gelooven en omhelzen.

Ten tweede. Sluit het in, dat ze het zoo goedkeuren en toestemmen; zij twijfelen er niet aan, maar zij verzegelen het dat God waarachtig is. Bij dat toestemmen komt een gerust zijn: ik ben zoo tevreden, zegt een kind van God; ik wil niet eene twijfelende gedachte hebben, ik wil ook niet wandelen in dingen, die mij te hoog en te wonderlijk zijn, Ps. 131:1; Gij zijt de trouwe en waarachtige getuige, de Amen, Openb. 3:14. Ik stem het toe en keur het goed.

Ten derde. Sluit het in, dat ze zeggen: Dien God en Vader verkies ik voor mijn God en Vader in Christus door de bewerkingen des H. Geestes; ach! die moet mijne zijn, daar raag ik niet tegen hebben, ik moet daarmede zoeken vereenigd te zijn.

Ten vierde. Sluit het in, zijn vertrouwen op Hem te stellen. Al wat er in dit jammerdal mij ontmoet, het moet mij alles ten beste keeren. Al wat mij overkomt, moet mij ten beste keeren. Gij moet weten, dat een vroom mensch zich erkent maar een vreemdeling te zijn op aarde: de aarde is maar een begin, een tranendal. In de hel is niets dan geween, in den hemel is niets dan blijdschap, en op de aarde is beide, blijdschap en tranen. Hier reizen ze door het dal der

-ocr page 142-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

tranen, hier moeten zij al dikwijls uitroepen; Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods, Rom. 7:24. Het uitnemendste van de beste dagen is niets dan moeite en verdriet, Ps. 90 :10. Ziet gij een kind van God, hij heeft vele tegenspoeden. Zij moeten dikwijls wel zeggen: Mijne bestraffingen zijn er alle morgens, Ps. 73:14. Dan is het eens in zijne kinderen, dan in zichzelven, dan wederom in iets anders. Wat is er al gebrek! Nu komt zulk een die gelooft, en hij vertrouwt al zijne zaken aan God. Laat over mij komen, zegt hij, wat Gij over mij bescheiden hebt, Heere! niets zal mij van ü scheiden, ik weet, dat Gij een eeuwigen raad hebt, en dat die bestaan moet, en dat Gij al uwe kinderen naar uwen raad leidt, dat hun niets vreemds overkomt. Als er dan wat bitters in dit jammerdal mij overkomt, dan zegt de duivel wel, en ik denk het ook wel eens: God heeft het evenwel zoo dikwijls ten kwade gedacht, en Hij doet het evenwel zoo dikwijls ten beste keeren; die goede vijgen, zeide God, heb Ik vooruit naar Babel beschikt hun ten goede, Jer. 24:5. Wij weten, zeide Paulus, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, Rom. 8:28. Wat doen nu mijne zwakheden en verdorvenheden, die ik heb? Zij doen mij eens schreien, belijden; zij doen mij naar Jezus vragen, de genade hoogachten, op mijne knieën komen, om eens te bidden en te danken; zij doen mij zoo letten op den handel Gods; zij maken mij zooals een wormpje, zoo dankbaar voor \'t minste; zij doen mij God erkennen voor zulk een vrijmachtigen en heiligen God, ja zij doen mij God schatten boven al wat in de wereld is. Als God zegt: Ben Ik u niet beter dan al wat er in de wereld is? Dan moet ik zeggen: Ik heb genoeg aan U, Heere! Dat is dat te gelooven. \'t Zal alles wel zijn, zooals Gij het met mij maakt. Gelijk die Sunamitische, waarvan gij leest, 2 Kon. 4:26. Als zij naar den profeet wilde gaan, zeide haar man: \'tis geen nieuwe maan, noch sabbat; \'t zal wel zijn, zeide ze. Zoo ook \'t zal alles wel zijn. Dan: Ik vertrouw op ü in alles wat mij ontmoet naar lichaam en ziel: ik zal geen gebrek hebben. David zegt, Ps. 37:25, Ik heb den rechtvaardige nooit gezien verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. Wat is dat te zeggen? Hebben de vromen dan nooit gebedeld? Ja; maar David had ze zoo nooit gezien, of als ze brood gezocht hebben, zij hebben het altijd gevonden. Uw brood zal u gegeven worden en uw water zal gewis zijn, Jes. 33:16. Hebben ze niet veel, zij krijgen evenwel zulk een vergenoegd hart, zij zijn zoo tevreden met hun klein deeltje. Een rijke zit dikwijls te zuchten van kommer en zorg, terwijl een geringe zit te zingen in zijn hutje. Hij slaapt, hij werkt, het gaat alles zoo wel. Hij ziet zoo de goede hand Gods in al zijn doen. Zij hebben dikwijls zulk een vroolijk hart, dat ze wel zingen en juichen zouden. Dat vertrouw ik, zeggen zo, dat God, mijn Vader voor mij zorgen zal. Hebben ze daar grond toe om er staat op te maken? Ja, ach! zij hebben zulke schoone gronden!

Eerst. Zeggen ze: Mijn Vader, mijn God, heeft mij het wezen ge-

136

-ocr page 143-

OVER DEN IX. ZONDAG. Veas. 26.

geven ; Hij laat geen beestje vergaan door gebrek, en zal Hij dan mij niet verzorgen, die de beestjes overtref? Het leven is meer dan hei. voedsel; zal Hij mij dan het meerdere geven en zou Hij mij het mindere weigeren ?

Ten tweede. Die God en Vader heeft al zjjne schepselen gemaakt, behalve tot zijne eer, ook tot mijn nut. De goddeloozen krijgen ze, maar \'t is tot een strik en tot hun verdert, om er door gemest te worden, gelijk de beesten tot den dag der slachting. Kinderen van God! de wereld is uwe ook meer als hunne, gij hebt er meer het recht toe gekregen. Dat gij door de zonden kwijt geworden waart, dat heeft Hij u wedergegeven. Zal God u dan een beetje geven, en zal Hij u niet geven dat genoeg is?

Ten derde. Behalve dat, zoo hebben ze tot een grond, dat ze zeggen kunnen; God heeft ons zijn Zoon gegeven, om Wiens wil Hij onze God geworden is; en hoe zal Hij ons dan niet met Hem alle dingen schenken? Rom. 8:32.

Ten vierde. Kunnen ze zeggen: God is onze Vader, en Hij is zoo rijk; Hij is het Wien de geheele aarde toebehoort, en al hare volheid; welke vader zal dan zijn kind laten vergaan? Hij zou er liever voor door \'t vuur loopen, als dat hij het zou laten vergaan; is nu God mijn Vader, zeggen ze, en zou Hij mij dan laten vergaan? Luk. 11 :11 zeide de Zaligmaker: wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven? of ook om een visch, zal hem voor een visch eeue slang geven? Indien dan gij, die boos zyt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader den H. Geest geven dengenen, die Hem bidden. Nog een grondje:

Ten vjjfde. Hij is een almachtig Vader; Hij heeft beide, wil en macht. Een koningskind zou altemet zijns vaders hart en wil voor zich hebben, en hij zou evenwel geen macht hebben, om te geven, wat hij wel wilde; maar mijn Vader, zegt zulk een, ontbreekt het nooit aan macht. Wil Hij uit den hemel manna doen regenen? Hij doet het. Wil Hij uit den rotssteen water doen komen? Hij doet het. Wil Hij de olie van de weduwe te Zarfath vloeibaar doen zijn? Hi] doet het, zoodat al de vaten vol worden. Moet een Elia aan \'de beek Krith schuilen? Hij beschikt hem brood door de raven. Moet een Jona in den visch zijn? Hij krijgt ook daar wat Hij noodig heeft, en hij kan er ook nog al eens in bidden. Mijn God! zeggen ze, weet het, dat ik er ben, en Hij weet, wat ik van noode heb. Dat is het geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en van aarde.

Als gij dat zoo hoort, zoo is de vraag: Is ons leven zoodanig? Lieve menschen! wat schelen ik en gij ervan.

Eerst. Wij hebben er dikwijls geen kennis van; wij weten niet, wat wij er van maken moeten. Gij, die lidmaten zijt, of geene, laat het evenwel op uwe kennis niet afgaan. Gij kunt met kennis verloren gaan. Weest ook niet zonder kennis; want dat is eene zonde die

137

-ocr page 144-

CATECHISMUS-PEEDIKATIE

groot genoog is, om u in de hel te werpen. God zal er u voor straffen; uwe ziel deugt niet, zegt God, als gi] ^een kennis hebt. De ziel zonder wetenschap is niet goed, zegt Salomo, Spr. 19:2. Als gü van het geloof in God den Vader hoordet, kendet gij er wel iets van? Kondt gij er wel iets van maken?

Ten tweede. Als gij uzelven beziet, vliegt gij niet veel meer in het schepsel, dan in deszelfs Maker? Als gij elkander hoort spreken, is het veel van den Schepper, of is het van \'t schepsel? Is het niet bijna altijd: dat had ik, dat was er, dat was zoo zoet, zoo goed, dat was zoo welgemaakt, zoo sierlijk, dat huis, die kleederen heb ik? is het geen teeken, dat gij eindigt in de gebrokene bakken, die geen water houden? Wij moeten er over beschaamd zijn, dat wij zooveel met het schepsel op hebben.

Ten derde. Moet gij niet beschaamd zijn, dat gij God zoo weinig dankt? Dat er een bedelaar was dien gij kleeddet, en gij zettet hem aan uwe tafel, en gij bracht hem tot volmaaktheid, en gij zettet hem in eene winkel, zoudt gij \'t wel kunnen harden, als hij ondankbaar was? Maar wat doen wij aan God? Heeft Hij ons niet gekleed? Wij kwamen naakt in de wereld: heeft Hij u niet verzorgd van alles goeds? Gaat eens alleen, en ziet eens of gij God ooit gedankt hebt met indruk. Hebt gij in uw loven de gestalte van Jakob wel gehad? Als hij al zijn goed eens overzag zoo zeide hij: Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan uw knecht gedaan hebt; ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden, Gen. 32:10. Hoe velen van onze voorouders zijn er naar deze landen komen sukkelen met eene male op den rug, en met een stok in de hand! Zij hadden niet anders dan hunne oprechtheid waar zij zich op terneder zetten; en bekijkt eens, hoe hunne familiën zijn uitgebroken. Ach, wij danken God niet! Ja, als wij er dit nog eens bijleggen, dat wij God tergen door het schepsel, dat Hij ons geeft, in onze lusten te misbruiken, halen wij zijne oordeelen niet over ons? Als iemand wat meer heeft, dan hij gewoon is, hij steekt terstond op. Krijgt eene familie wat meer dan zij gewoon is, wat is er een dartel misbruik van de schepselen in de zonde! Dat zij spreken konden, zij zouden, terwijl gij ze zoo on-waardiglijk geniet, zeggen: Ik onteer God door uw misbruik. Hoe menigeen is hier, die knort en mort, en altijd ongemakkelijk is, en \'t is te hunnen huize bijna nooit wel. Wat voor groote meesters zijn wij!

Dan, ten laatste. Wie is er, die dien God kiest? Die zegt: Ik heb aan \'t schepsel niet genoeg, deszelfs Maker moet mijn deel zijn. De geheele arme wereld, en \'t schepsel, dat daar henen vliegt, zullen u in \'t kort niet een speld waardig zijn. Dan zult gij moeten zeggen: staat daar, nu moet ik naar God; en gelijk ik naakt in de wereld gekomen ben, zoo moet ik er ook wederom naakt uitgaan. Staat daar al wat er is, ik heb nu niets van noode, als een doodkleedje, en eene doodkist. Doet er eens bij dat het schepsel u zoo ongaarne doet sterven. Van uwe liefste schepsels zult gij dan moeten scheiden.

138

-ocr page 145-

OVER DEN IX. ZONDAG. Vrag. 2(5.

Gij zult zeggen: Is er dan niemand, die wel gesteld is? Zijn er niet eenige teekentjes, waar men dat aan kennen kan? God geve dat er zijn, die wel gesteld zijn! Hoort: dezulken zijn wel gesteld. Gave God dat wij allen zoo bevonden werden.

Berst. Die in voor- of tegenspoed zulk een hoogachting voor God heelt, en die al het schepsel onder God stelt. Waaraan toont hij dat? Daaraan, dat er geen dag omgaat of begint, of hij vraagt zichzelven af, en hij zegt: Wat heeft mij wel \'tmeest gewogen van daag; is het God? Zi]t gij, Heere! mij de liefste en de eerste geweest?

_Ten tweede. Zulk een is zoo dorstende en begeerig naar God. Komt hij uit zijne kamer en uit zijn huis, gaat hij naar zijn werk, hij komt niet te huis, of het is terstond; ik dorst naar U, ik ben daar bij de gebrokene bakken geweest, gij wist dat ik liet doen moest, maar nu kom ik weder tot den Springader des levenden waters, weest Gij mijn God, mijn ziel dorst naar ü.

Ten derde. O! zulk een is zoo verlangende en uitziende! Ik kan, zegt hij, ^geen uitstel dragen, wanneer zult Gij tot mij komen? Ps. 101:2. Wanneer zult Gij mij de begeerte van mijn hart eens geven? Ik wilde wel, dat Gij mij haastelijk te hulpe kwaamt!

Ten vierde. Zulk een is zoo vergenoegd. Mij dunkt, zegt hij, dat als Gij mijn verzoenende God in Christus waart, ik zou zoo blijde zijn, dan zouden mij de snoeren in zoo eene liefelijke plaats gevallen zijn, Ps. 16:6. Ik zou zoo tevreden zijn. Daar zou mij niets anders lusten, ja al was mijn deel dan zoo ruim niet als van een ander, aan U zou ik genoeg hebben, al was ik maar een knecht of eene dienstmaagd, ja al ontviel mij mijn liefste schepsel. Al ontneemt Gij mij den lust van mijne oogen, ik denk, dat ik in U zoo tevreden zou kunnen zijn. Kent gij dit nu wel? Ja zoo een is daaraan te kennen. Als \'t hun donker is hun deel aan God, dan klagen zij zoo. Gij zijt zoo verre, Heere! zeggen ze, ik kan zoo niet met U verkee-ren, het placht anders te zijn. Dan kermen zij, schreien zij, en zuchten zij; Wereld! gjj zegt dikwijls, die zuchters! zij zuchten zoo. Maar dat zijn er dikwijls de redenen van dat zij schreien, dat zijn de redenen. Als het donker is, hoe kunnen ze dan blijde wezen? Als een kind buiten de deur van zijne ouders gestooten is, kan het dan wel blijde zijn? Al is het een kind of een hond die buiten gestooten is, zij zijn niet blijde.

Nog eens. Ach! zij zijn niet alleen zoo schreiende over het gemis van God, maar ook zoo zoekende. Zij geven het niet op, zij bidden, lezen, zij gaan te kerk, zij gaan bij de vromen in hunne gezelschappen, of zij Hem vinden mochten die hunne ziel liefheeft, ja zij zoeken altijd zulk een kinderlijk gedrag te hebben, zulk eene kinderlijke gehoorzaamheid, lielde en achting voor God. Ja zij ondervinden al dikwijls eens Vaders verhooring en ontferming in hunnen nood, en als God Zich verbergt, en hen als verlaat, dat is voor hen zoo zwaar, dat zij het niet dragen kunnen.

Legt u nu nevens die stukjes neder. Ik weet, dat gij er wel wat

139

-ocr page 146-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

140

van kunt onthouden. Meent gij, als gij van de schepping moet hoo-ren prediken, dat dat geen geestelijke stof is? Wel te weten. Welnu, die het zoo kent, en met de waarheid niet houdt, weest los van alles. Verheerlijkt Hem langs den weg van ontkenning. Is er iets onvolmaakts in het schepsel, zegt: dat is altoos in mijnen God niet. Verheerlijkt Hem langs den weg van verheffing. Zijn er eenige deugden of zoetigheid in \'tschepsel, zegt: dat is nog duizendmaal grooter in den Schepper. Verheerlijkt Hem langs den weg van verooiTaking, zegt: daar is geen schepsel of het moet van God zijn. Kortom. Doet wel, en ziet niet om. Laat elk praten die wil, en zoekt dan zoo uwe ziel te bevelen in de handen van uwen getrouwen Schepper met weldoen. Amen.

f

-ocr page 147-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den X. Zondag. Vrag. 27. 28.

Tiende Zondag.

27. Veaag. Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?

Antwooed. De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door

welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijne hand nog onderhoudt, en alzoo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet by geval, maar van zijne vaderlijke hand ons toekomen.

28. Vraag. Waartoe dient ons, dat wij weten, dat God alles geschapen heeft, en nog door Zijne voorzienigheid onderhoudt?

Antwoord. Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van zijne liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzoo in zijne hand zijn, dat zij, tegen zijnen wil, zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

WIJ lezen, Rom. 13:1. Daar is geen macht als van God. Dat heeft zijne waarheid, als gij aanmerkt al die regeeringen, die er in de wereld zijn. Gij zult in geen stad of dorp komen, of daar is iemand, die het bewind van zaken heeft. Een lichaam heeft een hoofd dat hetzelve regeert, een schip heeft een stuurman. Daar is niet een huis of dorp, of stad, waar niet een regent in is; of men zou moeten komen onder de wilde menschen, die daar naakt als bloode geitenkudden op de wereld omdolen. Anders zult gij nergens komen, daar niet een regent is. Zoo gij al menschen vindt, die geen Koning willen hebben, zij willen evenwel wel iemand over zich stellen, die hen regeert, en gij zult het vinden zelfs onder de wilden, die onder geen regeering willen zijn, dat zy evenwel toonen, dat zij onder de regeering Gods zijn. Ja in wat stad of land men komt, daar eene regeering is, men moet er van zeggen, hetgeen Christus eens tegen Pilatus zeide: Gy zoudt die macht niet hebben, indien zij u niet van boven gegeven was. Joh. 19:11. Zelfs die mindere regeerders zijn van de macht Gods. Vindt gij geen schip zonder stuurman, zoo zult gy ook geen wereld vinden, zonder de regeering Gods. Gij zult er in vinden dat God ze regeert. OveralIJ lezen, Rom. 13:1. Daar is geen macht als van God. Dat heeft zijne waarheid, als gij aanmerkt al die regeeringen, die er in de wereld zijn. Gij zult in geen stad of dorp komen, of daar is iemand, die het bewind van zaken heeft. Een lichaam heeft een hoofd dat hetzelve regeert, een schip heeft een stuurman. Daar is niet een huis of dorp, of stad, waar niet een regent in is; of men zou moeten komen onder de wilde menschen, die daar naakt als bloode geitenkudden op de wereld omdolen. Anders zult gij nergens komen, daar niet een regent is. Zoo gij al menschen vindt, die geen Koning willen hebben, zij willen evenwel wel iemand over zich stellen, die hen regeert, en gij zult het vinden zelfs onder de wilden, die onder geen regeering willen zijn, dat zy evenwel toonen, dat zij onder de regeering Gods zijn. Ja in wat stad of land men komt, daar eene regeering is, men moet er van zeggen, hetgeen Christus eens tegen Pilatus zeide: Gy zoudt die macht niet hebben, indien zij u niet van boven gegeven was. Joh. 19:11. Zelfs die mindere regeerders zijn van de macht Gods. Vindt gij geen schip zonder stuurman, zoo zult gy ook geen wereld vinden, zonder de regeering Gods. Gij zult er in vinden dat God ze regeert. Overal

-ocr page 148-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zult gij die regeering vinden; niet alleen in de schepping, maar ook in de onderhouding en besturing; en gij zult er in zien, dat God een Heere der Heeren is. Hij heeft zijne hand in alles. Hij doet het alles draaien en wenden naar zijnen wil. Hij regeert het heelal. Hij doet al de raderen draaien, \'t Is even als een man, die een horloge gemaakt heeft, als het gewicht wel gesteld is, het doet al de raderen omgaan; \'t is alles sierlijk wat er aan is, en het vertoont de kunst met den kunstenaar.

Evenzoo is het met de voorzienigheid Gods, die wij tegenwoordig te bezien hebben, gesteld; en daarin moeten wij zien:

Berst. Dat er zoo eene voorzienigheid is.

Ten tweede. Wat die voorzienigheid is.

Ten derde. Wat werkingen wij onder die voorzienigheid moeten hebben: Dat ze er is. 2. Wat dat ze is. 3. Wat werkingen dat wij onder dezelve moeten hebben.

Wat het eerste aangaat, de naam en de daad van de voorzienigheid is er. Op den berg des Heeren zal het voorzien worden. God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon, zeide Abraham, Gen. 22:8 en 14, als de jongeling Izak zoo verlegen was. Hij was wel meer gewoon te gaan bidden, en te offeren met zijnen Vader, maar nooit zonder lam. Hebr. 11:40 spreekt Paulus ook zoo. Alzoo God, zeide hij, wat beters over ons voorzien had.

Dat zijn de plaatsen, zult gij zeggen, die aantoonen dat er eene voorzienigheid is, maar welke zijn de zaken? Wentelt uwen weg op den Heere, staat er Ps. 37:5 en vertrouwt op Hem, Hij zal het maken. En wie toch van n kan met bezorgd te zijn eene el tot zijne lengte toedoen, Matth. 0:27. Zorgt God ook voor ossen? Hoeveel te meer voor u, gij kleingeloovigen, 1 Cor. 9:9. Weest in geen ding bezorgd, Fil. 4:0. Werpt al uwe bekommernissen op den Heere, want Hij zorgt voor u, 1 Petr. 5:7. is er nu de zaak niet van de goddelijke voorzienigheid? De geheele Schriftuur is er vol van. Kan er wel krachtiger van gesproken worden als er de Schrift van spreekt? Wat zijn er al geheele hoofdstukken en psalmen vol van? Wilt gij het aandachtig lezen, leest dan van het 35ste tot het laatste hoofdstuk in Job, daar zult gij er zoo hoogdravend en heerlijk van hooren spreken, dat gij zult moeten zeggen: wat verheven stijl is dat! En let dan op Ps. 8, 19, 65, 104 en 105, en vooral op Ps. 47. De geheele inhoud is vervuld met dat werk van de groote almacht te toonen.

Maar wilt gij den Bijbel niet hebben; is die u niet genoeg? Dan zouden wij tot u zeggen: Gaat naar de sprinkhanen, gaat naar de mieren, naar de konijnen, dat machtelooze volk, die zullen het u zeggen, dat er eene voorzienigheid is. Vraagt toch de beesten, de visschen, en elk een van die zal u leeren, en het gevogelte des hemels dat zal het u te kennen geven. Of spreekt tot de aarde, en zij zal het u leeren. ook zal het u de zee vertellen, wie weet niet uit al dezen dat de hand des HEEREN dit doet. Job 12:7—9. Dat is: de hand Gods regeert hen. Hoe komt het, dat er een visch is, die den profeet Jona

142

-ocr page 149-

OVER DEN X. ZONDAG. Vrao. 27 en 28.

inslikte, en die hem daarna weer uitspuwde op het droge? Joh. 1: 17. Hoe komt het, dat de winden onstuimig zijn, en dat ze wederom stil zijn? Wie is deze, zeiden ze van den Heere Jezus, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn? Mattli. 8:27. Gaat eens hij de zee, Jer. 5:22. Daar zult gij hooren: Zult Gij voor mijn aangezicht \'niet beven? Die der zee het zand tot eenen paal gesteld heeft, met eene eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon hare golven zich bewegen, zoo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zoo zullen zij toch daarover niet gaan.

Is dat nogal niet genoeg, zoo zeggen wij, gaat naar de gewetens, die zullen het u zeggen, dat zij eeue wet van God gekregen hebben, en dat alle meuschen dezelfde wet hebben, daar zij naar leven moeten, opdat zij ontzag voor God zouden hebben. Zoo zij het niet doen, zoo is hun hart zoo benauwd, dat zij zelfs de verworging kiezen boven het leven, om haar te stillen, evenals een Judas, Matth. 27:5.

Gelooft gij dat nog al niet ? Wat wilt gij dan gelooven ? Ziet dan de wonderen, dat zijn daden Gods, die buiten die gemeene voorzienigheid gaan. Gij kunt geen wonder zien, of het moet buiten dien gemeenen regel gaan. Ja altemet tegen dien regel Gods, en staat dan eens bij de Egyptische toovenaars, daar het stof tot luizen werd, die wisten zelfs^ te zeggen: Dit is de vinger Gods, Ex. 8:19. Gaat dan naar een Farao\'s wagen in de Schelfzee, en naar het gansche leger der Egyptenaren; God, zeggen de Egyptenaars, strijdt voorde kinderen fsi\'aëls tegen ons. Ex. 14:25. Daar zagen zij de wateren staan als een muur, en zij moesten bekennen, dat het Gods vinger was.

Wilt gij dat nog al niet gelooven? Bekijkt dan uwe kerk en uwen Bijbel eens. Hoe komt het, dat er die kerk en dat boek zoo blijven? Alle andere boeken die er in de wereld zijn geweest, zijn bijna vergaan, en alle godsdiensten zijn bijna vergaan; maar dat boek en deze godsdienst blijven. Wat is er al niet tegen gewoeld! maar het blijft. Hoe komt dat? Het is omdat de Heere regeert. De Koning is op den troon. Gij gelooft het zelfs wel, dat er zoo een God is die regeert. Dat blijkt daaruit, dat gij zoo ontsteld zijt, als gij er tegen woelt. Als gij begint te denken, dat er geen God is, zoo zijt gij beschaamd en verlegen. Wat doet gij al, arm wormpje! eindelijk moet gij het belijden voor God, dat gij gezondigd hebt. Ja is er een goddeïooze, die het wil doorzetten, dat er geen God is, hij wordt als een wilde os in zijn hok geslacht.

Wilt gij dat nog al niet gelooven? Staat dan onder den hoop profeten, en ziet de profetische boeken. Zoovele profeten en profetische boeken als er zijn, zoovele getuigen zult gij zien, dat er een God is, die quot;t heelal regeert; hoe kan het anders alles zoo net en zoo stipt geschieden, zoo \'t niet is door de wijsheid en door de macht Gods, die het alles regeert? Hij doet het alles komen door zijne hand, hetgeen Hij met zijnen mond gesproken beeft.

Gelooft gij dat ook al niet? Gaat, ziet dan die daad van God, dat Hij in het straffen van de zonden de zondige daad zelfs weet aan

143

-ocr page 150-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

te toonen. Hoereerders, dronkaards, die in die zonden leven, zij willen het niet weten; maar God toont het in de straf. Bii wien is wee? bij wien ach arme? bii wien gekijf? bij wien liet geklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der oogen? Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemeng-den drank na te zoeken, Spr. 23:29, 80. De bodomieten wilden het niet weten, dat zij zoo brandden in die zonden van onreinheid; maar God strafte ze met het vuur van den hemel en Hij verbrandde ze. Farao wilde \'t niet weten, dat hij kwaad deed, dat hij de kinderen Israels zoo drukte, als hij hunne zonen in \'t water liet verdrinken, maar God verdronk hem ook in \'t water, Exod. 14:28. De eerste wereld wilde \'t niet weten, dat ze zoo verdronken was in de zonden; maar God verdronk haar in het water. Gen. 7:21, 22. Gij ziet daar dikwijls menschen die een valschen eed gedaan hebben; wel de vloek Gods komt om hun goed en bloed. Dat zijn dingen, die van alle eeuwen af zoo gevonden worden. In \'t boek der liichteren hadt gij daar den koning Adoni-Bezek, die had zijn vermaak daarin, dat er zeventig koningen met afgehouwen duimen van hunne handen en van hunne voeten onder zijne tafel waren, opdat zij de brokjes, die hij wegwierp, zoo zouden oplezen, Richt. 1:7. \'t Was al een vrij vreemd gezicht; maar wat gebeurt er? Hij raakt ook gevangen, en datzelfde liet God hem tot eene straf aandoen; en toen bekende hij, dat het rechtvaardig was: zoo had ik zeventig koningen onder mijne tafel, zegt hij, maar gelijk als ik gedaan heb, alzoo heeft God mi] vergolden. Dat is buiten alle geschil en tegenspraak, dat er zoo eene Voorzienigheid is. Daar hebt gij den naam en de daad.

Nu moeten wij ons tweede stuk bezien, en dat bestaat daarin: wat is de Voorzienigheid? De Onderwijzer beschrijft ze levendig, en levendiger dan ze ooit beschreven zal worden; de beschrijving van den Onderwijzer is zoo voldoende, omdat ze zoo schriftmatig is. Zij is, zegt hij, de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde enz.

Gij zult al in uzelven denken: ik zou wel eens willen weten, welke de kracht Gods is, door welke Hij alle dingen regeert? Zij zeiden van Simon den too venaar. Hand. 7:9, 10, dat hij wat groots was, en zij noemden hem de groote kracht Gods; de arm Gods is hier ontbloot in de schepselen. Als gij er wat bij wilt staan kijken, zoo kunt gij er in zien zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, Rom. 1:20.

Gij ziet er ook eene almachtige kracht in. Hij vermag alles. Hij weet alles naar zijn raad uit te voeren, \'t Is eene almachtige kracht. Ik weet dat Gij alles vermoogt en dat geen van uwe gedachten kan afgesneden worden, zegt daarom Job, Job 42:2. Hij wil zeggen: ik weet, dat gij de gedachten van uw hart daarstelt; gi] hebt eene hand met macht. Zoo liet aan de kracht komt, zie, li ii is sterk. Job 9:19.

Niet alleen dat het eene kracht Gods is, en eene almachtige kracht, maar \'t is ook eene alomtegenwoordige kracht. Er is geen plaats, waar men die niet ziet; zij is niet alleen te zien in Kanaan, maar ook in

144

-ocr page 151-

OVER DEN X. ZONDAG. Vrag. 27 en 28.

Egypte en in Babel. Niet alleen in de landen, waar God gediend woidt, maar ook in die landen, waar de duivel gediend en geëerd wordt, liet is eene alomtegenwoordige kracht. En vervul Ik niet den hemel en de aarde, spreekt de Heere? Jer. 23:24. Bon Ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet een God van verre? Jer. 23:23. Aon er wel een eenig schepsel aan die regeering zich kunnen onttrekken? Neen.

Nu_ kunnen wij niet voorbij, of wij moeten zien, welke deelen die voorzienigheid heeft. En nu komen wij daar vanzelf toe. In hoe vele deelen bestaat de voorzienigheid ?

Eerst. In eene onderhouding van alle schepselen; sommigen bij getal en sommigen bij soorten.

Ten tweede. In een vóórwerking in al de schepselen.

len derde. In een medewerking met al de schepselen.

len vierde. In eene regeering en bestiering van alles. Dat is de voorzienigheid, die almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, waardoor Hij alle dingen regeert en bestiert. Hij werkt vóór. Hij werkt mede. Hij werkt na. \'t Is eene nauwe voorzienigheid; \'t is de almachtige kracht Gods, door welke Hij al zijne schepselen onderhoudt, draagt en regeert. Gij hebt het wel voor uwe oogen gezien, iioedanig eene moeder haar kind draagt, en hoedanig een zwak mensch op den arm genomen wordt van den sterke? Dat zijn zoo de gelij-kemssen om ^u een denkbeeld te geven van de voorzienigheid. Wat zouden wi] zijn, was er die voorzienigheid niet? Indien de Heere ons niet opnam en staande hield, wij zouden allen ternedervallen. Daarom zegt .lob: Dat het üod beliefde, dat lljj mij verbrijzelde; zijne hand losliet, en een einde met mij maakte,\'Job G: 9. Mozes dacht daar eens over, maar hij moest er van zeggen: Gij doet den mensch wederkeeren tot verbrijzeling, Ps. 90:3. Tot stof zouden wij weder-keeren, geliefden, als Gods voorzienigheid ons niet staande hield. Laat God zijne hand los, dan hebben wij uit. Hij geeft ons den staf des broods; Hij geeft, dat wij de lucht inademen; en zoo onderhoudt liod ons. Daarom staat er, Openb. 4:11, Door uwen wil zijn ze en zijn ze geschapen. En daarom zegt Paulus, Hebr. 1:3, Hij draagt alle dingen door het Woord zijner kracht. Wij zeiden, dat God sommigen onderhoudt bij getal, en sommigen bij soorten. Wat voor dingen draagt en onderhoudt God nu al bij getal?

De zon, de maan, de sterren, de engelen, en de zielen der men-scnen. iSooit is er van die allen een minder; er wordt er nooit een gemist, er is er nooit een minder. God vermeerdert de zielen der mensch en wel, maar nooit vermindert Hij ze. De sterren, de zon en de maan, Hij kent ze alle bij naam. Weet gij nu welke dingen God onderhoudt bij soorten? Daaronder moet gij rekenen het gedierte; zoo het viervoetige als de kruipende, vliegende en zwemmende dieren; kort, alles wat leeft en wemelt op de aarde, in de lucht en in de zee.

De tweede daad of het tweede deel van de voorzienigheid Gods is cle voorwerking. Hoe zouden al die raderen gaan en draaien, indien

10

145

-ocr page 152-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

God zijne hand niet aan \'t werk hield? Diezelfde God, die ons onderhoudt, die stolt ook elk schepseltje op zijn post. Doet gij dat, en gij dat, zegt de Heere, en weest gij daar, en gij hier. Tegen een ander zegt Hij: gij zult zoo werken, en gij wederom zoo; die zal de heer zijn en die de vrouw, die de dienstknecht en die de dienstmaagd; Hij stelt het alles aan \'t werk; even gelijk een ambachtsman, die knechts en jongens heeft: hij stelt ze altemaal aan \'t werk, en gelijk een veldoverste in \'t leger; niemand zou zich durven roeren, noch bewegen als hij het niet gebiedt; maar zegt hij: gaat zij gaan. Zoo doet God ook; zegt Hij tegen de zon, en de maan, en tegen de sterren : gaat op, of\' gaat onder, zij gehoorzamen de stem zijns woords.

Dat nu God vóórwerkt omtrent de dingen die redeloos en levenloos zijn, dat kan ik vatten, zult gij zeggen; maar omtrent de menschen die rede hebben, dat kan ik niet vatten.

\'t Is klaar te vatten. Ik en gij, en elk mensch moeten alle dagen wat doen; en wij doen niets dan naar dien raad; wij moeten eiken dag en uur zeggen: wij kennen Gods raad niet. Wij werken zelfs, en wij moeten zelfs wel zeggen, wij denken met eens om Gods raad. Maar wat doet God? Daar ligt iets in zijnen raad: het stondetje daar zijnde, dat die raad baren moet, zoo brengt God die zaken voor ons verstand en bevatting. Die zaken voor ons verstand komende, ach! daar keurt men ze als goed, als nuttig; men stelt het in t werk, en men volgt den wil Gods gewilliglijk en godvruchtiglijk met ons gansche hart. AVij doen \'t ten uiterste met ons genoegen, en God beschikt het alzoó, dat wij in de uitvoering van de zaken ook onzen wil en begeerte hebben. \'\\\\ i) bekomen ons einde met genoegen, en wij mee-nen, dat wij al groote meesters zijn. Dat is het wat Salomo zegt: Het hart der koningen is in de hand des Heeren en Hij neigt het als waterbeken werwaarts Hij wil. Spreuk. 21: 1. Dat is \'t wat Jer. 10:23 staat, \'t Is bij den mensch niet, dat hij zijnen weg weet, noch bij een man die wandelt, dat hij zijne gangen richte. Hoe wonderlijk isquot; het! Wij letten niet genoog op. Er staat daar een trotsche Haby-loniër, die zegt: Ik weet het niet waar ik naar toe wil gaan. Hij staat \'daar op een tweesprong. Wel! zegt God, gij .zult het uwe go-den vragen, en ik zal \'t zoo beschikken, dat ze in de ingewanden der beesten zulke teekenen zullen zien, dat de afgodische papen zullen zeggen; Koning! gij moet naar Babel gaan. Zoo was t ook met dien Assyriör; hoe pochte hij! Wel! zegt God, weet gij t niet, dat Ik u als een stok in mijne hand heb? En als Ik n als een stok zal gebruikt hebben, omdat gij er uzelven in verheft, en wreed zijt, dan zal Ik n ook, o stok! straffen, Jes. 10:15. Daar hebt gij de

vóórwerking. ,

Nu de derde daad of \'t derde deel van de voorzienigheid, die is de medewerking. Al werden wij door de onderhoudende kracht Gods bewaard, dan hebben wij nog van noode de invloeiende en medewerkende kracht Gods, om \'ons geduriglijk tot alles bekwaam te maken, te ondersteunen en staande te houden. AVij hebben des Heeren on-

140

-ocr page 153-

OVER DEN X. ZONDAG. Vrag. 27 en 28.

derhouding en bekwaammaking tot alles van noode. Als een mensch aan een werk komt, en hij mist die medewerking Gods, hij zon er dood bij kunnen neervallen. Dat wisten ze zelfs onder de Heidenen wel, dat ze die van noode hadden. Wel! zegt Paulus, zijt gij dan dwazen? Ziet gij niet, dat God n tot alles moet bekwaam maken? een \'van uwe poëten heelt het zelf gezegd: In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, Hand. 17 :28. Wij kunnen niets zondóir die bekwaammaking doen. jak. 4:13. Als gij wat wilt doen, zegt de apostel, zoo zegt niet: heden of morgen zullen wij naar zulk eene stad reizen; maar zegt: zoo God wil en wij leven. Gij zoudt in korten tijd dood kunnen zijn, wil hij zeggen. Daarom als wij iets doen zullen, moeten wij altijd zeggen: zoo het de Heere mij belieft toe te laten, en bekwaamheid daartoe te verleenen. Daar hebt gij de medewerking.

Nu zal het op de vierde daad of deel van de voorzienigheid aankomen, namelijk op de regeering en bestiering van alle dingen. Gij zult zeggen: geschiedt er dan niets bijgeval, aan de zijde van God? Neen het. Zoo er iets bijgeval geschiedde, zoo zou dit het werpen van het lot moeten zijn; en ook dat geschiedt niet bijgeval. Daarom staat er, Spr. lü: 33. Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het geheele beleid daarvan is van den Heere. Daar valt niet één haar van ons hoofd, noch een muschje op de aarde, zonder zijn wil, Matth. 10:29, 30. Zoo er iets bijgeval geschiedde, het zou moeten zijn, dat daar een Leviet en een priester voorbij een man kwam gegaan, die daar op den weg lag, en die in handen van de moordenaars gevallen was; zij hadden dat altoos niet gedacht, nochtans bestierde God het. Luk. 10:30—32. Bijgeval gaat er een houthakker uit: hij had niet gedacht een doodslag te zullen doen, nochtans, terwijl hij in zijn werk doende is, schiet de bijl van de steel, en treft zijn naaste, dien hij niet gehaat had, noch van gisteren, noch van eergisteren, dat hij stierf. Ik heb hem uwe hand doen ontmoeten, zegt God, Deut. 19:5. Daar geschiedt niets bijgeval. God, die de Almachtige en Alwetende is, bestiert alles. Nu als er dan niets bijgeval geschiedt, waaromtrent gaat Gods regeering en bestiering?

Eerst. Over loof en gras, zegt de onderwijzer. Hij doet het gras uit de aarde voortkomen, Ps. 104:14. Wat geeft God daar op de velden? Eene warande van aangenaam gras en groenten, Hij doet het alles uit de aarde voortkomen; Hij geeft de grazige weiden, waar die zeven koeien in gingen, die Farao zag; Hij maakt de weiden groen. Is er een vijgelooze vijgeboom, Hij doet hem verdorren. Is er een wonderboom van Jonas, die in één nacht opschiet en groot wordt. Hij doet hem in één nacht verdorren. Is er hagel en vuur met bloed vermengd op de aarde, zoodat het derde deel der hoornen verbrand wordt, wie doet het dan de Heere? Waarover gaat Gods regeering en bestiering nog meer?

Ten tweede. Ook over regen en droogte. Elia bad, dat het niet regenen zou, en het regende niet in drie jaar en zes maanden; Hij

147

-ocr page 154-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

bad wederom, dat het zou regenen, en de hemel gaf regen op zijn gebed, 1 Kon. 17:1 en 18:45. En Deut. 28:23 zegt God: en uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. God laat het somtijds regenen op het eene stuk lands, en op het andere niet. Waarover gaat Gods regeering en bestiering al verder?

Ten derde. Over vruchtbare en onvruchtbare jaren. Wil God zeven jaren overvloeds doen komen? Zij komen, Gen. 41:47 en 54. Wil Hij een honger in \'t land zenden? Die komt, gelijk in Egypte; zij verkochten al wat ze hadden om brood, spijs en drank. Hij geeft daar een raaf spijs, opdat hij het aan Eüa zou brengen, en Hij geeft hem water uit de beek Krith, 1 Kon. 17: (5. Als Hij wil doet Hij water uit den rotssteen voortkomen voor de kinderen Israels in de woestijn, en het manna uit den hemel regenen, Exod. 16 :15 en 17 :6. Waarover gaat Gods regeering en bestiering nogal meer?

Over gezondheid en krankheid. Moet een Hiskia krank worden, hij wordt krank; moet hij weer gezond worden, en binnen drie dagen naar den tempel gaan, hij wordt gezond en van zijne krankheid genezen, 2 Kon. 20:1—8. Petrus\' vrouws moeder met de koorts te bed liggende, wordt van den Heere genezen, Mark. 1 :30. God zendt de ziekte zoo zwaar en zoo lang als het Hem belieft. Waarover gaat de regeering en bestiering Gods nogal?

Over rijkdom en armoede. Dat de een minder en de ander meer in de wereld heeft, dat is van God. Kijken en armen ontmoeten elkander, de Heere heeft die beiden gemaakt, Spr. 22 :2. Een Job die den eenen dag de rijkste van \'t geheele Oosten is, die is den anderen dag de armste. God kan \'t wereldsch goed verminderen en vermeerderen zooals het Hem belieft; en de mensch ligt daar en rammelt en raast even alsof het door hem zelf bijkwam. Neen. God geeft de armoede, en God kan een arme ook wel haast rijk maken, en een rijke kan Hij wel haast arm maken.

Nu zult gij licht in uw hart denken: regeert God ook alle andere dingen? Ja, alle andere dingen regeert God ook. Hij regeert het redelijk schepsel, den mensch, in zijn inkomen in de wereld, in zijn verblijf op de wereld, en in zijn uitgang nit de wereld.

In zijn inkomen. Daar is een tijd, zegt God, voor u om geboren te worden. Ik loof U, zegt David, Ps. 139: 14, omdat ik op eene vreeselijke wijze, wonderbaarlijk gemaakt ben; en Job 10:10. Hebt Gij mi] niet als melk gegoten en als een kaas doen runnen? Lieve menschen! wie heeft de regeering over ons gehad als alleen God?

Hij regeert ook ons verblijf. Zoolang zult gij er blijven als het Hem behaagt. Als wij er ziju, regeert Hij, waar wij zullen zijn, en Hij bepaalt de plaats van \'onze woning, waar wij zullen zijn en hoelang. liet gebeurt alles, wat God besloten heeft. Al wat er over ons bescheiden is, brengt God over ons, in den loop van ons leven: niet minder noch meer. Daar wij misschien over twintig jaren van zouden gezegd hebben: dat zal mij nooit overkomen, en het komt

-ocr page 155-

OVER DEN X. ZONDAG. Vrao. 27 on 28.

ons echter al over. Zijn opzicht heeft onzen geest bewaard, in ons inkomen en verblijf op de wereld, in onze gezelschappen, en in onze eenzaamheid.

Dan regeert en bestiert God ook onzen uitgang uit de wereld. Daar- is een tijd om geboren te worden, maar ook een tijd om te sterven. Die maat zullen wij niet overtreden. God stelt elk zulk eene maat, en een getal der dagen, die hij niet overtreden zal.

Gij zult zeggen: Hoe kan dat zijn? Daar staat nochtans van de goddeloozen in den Bijbel: in de helft zijner dagen zal hij dien (zijn rijkdom) moeten verlaten en in zijn laatste een dwaas zijn, Jer. 17:11. Maar dat is te zeggen: zij leven zoo lang niet als ze gedacht hadden, of zoo lang, als ze wel hadden kunnen leven, waren ze zoo goddeloos niet geweest. En of er al mede staat: Weest niet al te goddeloos, noch weest niet al te dwaas: waarom zoudt gi] sterven buiten uw tijd, Pred. 7:17. Zoo is dat te zeggen: buiten den tijd dien hij zich had voorgesteld, evenals dien rijken man, waarvan gij leest. Luk. 12:19, 20. Hij had vele goederen, die opgelegd waren voor vele jaren, en zeide tot zijne ziel: eet, drinkt en wees vroolijk! Maar God zeide: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen. Maar hij had gedacht langer te zullen leven.

Maar regeert God ook de daden van de meuschen? Ach, ja! Hij regeert de goede en de kwade daden der menschen. Daarom wordt er gevraagd: gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? Klaagl. 3 : 38. Namelijk het goed van zegeningen, en het kwaad der straf. De goede deugden in zijne kinderen regeert God, en de kwade daden zoowel in de zondige, als in de vrome menschen.

Gjj zult mij gemakkelijk toestemmen, dat God het licht en de duisternis regeert. Gij zult mij lichtelijk toestemmen dat de regeering Gods gaat omtrent de goede dadeii der menschen; dat is waar, zult gij zeggen, wij hebben niet eene goede gedachte, of God moet ze werken. God geeft het willen en het werken naar zijn welbehagen, Fil. 2:13. God geeft zijnen kinderen een nieuw hart; Hij keurt hunne genade goed en brengt ze te voorschijn; Hij hangt ze daar als scliil-deri]en m de wereld op; Ik heb genoegen in u, zegt God. Mijn knecht Job, zeide de Heere, hij is oprecht en vroom, godvreezende en wijkende van het kwade, .lol) 1:1. God zei niet: Ik wijk van het kwade, maar mijn knecht Job doet dat.

Maar, zult gij zeggen, gaat de regeering en bestiering Gods ook omtrent de kwade daden des menschen? Wij zeggen: ja. Is er nu een vuil ruigte van godloochenaars, die zeggen dat God dan do oorzaak van de zonde is, wij zeggen: gansch niet. God is er de werkende oorzaak niet van. Is God de oorzaak van de zonde niet, dan zal het er evenwel op aankomen, hoe Hij zijne regeering heeft omtrent de zonden. Ach arme! zijt gij dan dwaas of blind, dat gij zoudt gelooven, dat God de oorzaak van de zonden zou zijn? Wel Hij is er alzoo rein van als de zon, die schijnt op een liefelijk bloemperk, dat zijn aangenamen reuk geeft, en op een mesthoop, die een

149

-ocr page 156-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

onaangename en walgelijke stank opwerpt; nu is het zeker, dat de stank in den mesthoop is, maar niet in de zon. Nu is Grod omtrent de daad der zonde werkzaam zoo vóór de daad der zonde als na de daad der zonde.

Hoe vóór de daad der zonde? Zoo, dat Hij ze somtijds belet, gelijk in Abimelech: Ik heb u belet, o koning, zegt God, van tegen Mij te zondigen. Gen. 20 :6. Zoo belieft het God ook wederom wel eens de zonde niet te beletten. Daarom staat er, Ps. 81:13, Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat ze wandelen in hunne raadslagen. ISliet alleen dat, maar het belieft God ook somtijds u in den voortgang der zonde niet te stuiten. Gij waart hardnekkig; al het licht dat gij hebt, dat doofdet gij uit, daarom liet God u voortgaan in de zonde. Niet alleen dat, maar God brengt den mensch altemet in eene goede plaats, daar het wel is, en Hij beproeft hem eens. Achan was in eene goede omstandigheid, maar de man misbruikte het, hij nam van het verbannene, Joz. 7:1. Is God daarom onrein? Achan werd in eene goede omstandigheid gesteld; maar hij was een mesthoop der zonde, en zoo misbruikte hij het. Zoo gaat het ook, daar komt een mensch onder de middelen der genade, die hem eene kracht Gods tot zaligheid konden zijn; maar omdat hij een mesthoop der zonden is, zoo misbruikt hij ze, en zij worden hem eene reuke des doods ten doode, 2 Cor. 2:10. Zal nu God de oorzaak van dat kwaad zijn? Het is aan een heilig mensch tot sterkte, dien is liet eene kracht Gods tot zaligheid. Neemt eens dat voorbeeld van Hiskia, 2 Kon. 20:12—14, De gezanten komen tot hem om van dat wonderteeken te spreken, en de koning Hiskia toonde hen al zijne schatten: zijn hart verhief zich. Doet God dat kwaad? Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht. Job 34:10. In de daad der zonde hoe werkt dan God daarin? Zoolang zal het duren, zegt God: tot hiertoe en niet verder. De mensch is de werkende oorzaak van de zonde; maar God zegt: in mijne voorzienigheid beschik ik het zoo, dat David kan zeggen: laat Simei vloeken, want de Heere toch tot Hem gezegd heeft: vloekt David, 2 Sam. 16:10. Dat is te zeggen, de wrok die hij in zijn hart had moest nu openbaar worden: de wrok, die hij zoo lang gedragen had, die moest nu voor den dag komen, nu de man voor zijn zoon Absalom vluchtende was.

Hoe is nu God omtrent de zonde werkzaam na de daad der zonde? O! zegt God, Ik doe het om mijne heerlijkheid te toonen, om mijne heiligheid en rechtvaardigheid te toonen, om mijne macht te toonen, en ook om mijne lankmoedigheid bekend te maken, dat Ik een booswicht zoo lang draag, ja om mijne kinderen te doen zien, wat ze zijn, hoe afhankelijk ze van Mij\'zijn, en dat ze gedurig kracht van Mij moeten afbidden, om hunne verdorvenheid te breken, opdat ze gedurig zouden komen bidden om vergeving, en beschaamd zijn over hun wangedrag. Dan doet God het ook, opdat Hij de booze schuldig zou stellen, en opdat Hij zou kunnen zeggen: heb Ik u niet altijd

160

-ocr page 157-

OVER DEN X. ZONDAG. Vrag. 27 en 28.

welgedaan? waarom hebt gij clan zoo tegen Mij gezondigd? opdat hun mond gestopt zou zijn, en zij zouden moeten zoggen: Gij hebt mij altijd goedgedaan, en Gij hebt mij nooit kwaadgedaan; Gij zijt rechtvaardig Heere, en elkeen uwer oordeelen is recht, Ps. 119:137. Als de Heere vragen zal; heb Ik u wel ooit op een kwaden weg gebracht? zullen zij moeten zeggen: neen, Heere, zoo Gij met ons in het gericht wilt \'treden en twisten, uit duizend niet één hebben wij te antwoorden, J ob 9: 2, 3.

Dat is onze godsdienst; die is zoo zuiver en Goddelijk, dat wij kunnen zeggen, met den Onderwijzer, tegen een godloochenaar, dat noch mensch, noch beest zich kan roeren, noch bewegen zonder den wil van God. Meent gij dat de duivel Gods kinderen kan ziften of vuistslagen geven, zonder den wil van God? Neen; maar God laat het wel eens toe om den duivel te beschamen, en om te toonen dat Hij dien sterkgewapende zijne vaten en wapenrustingen kan ontnemen, Luk. 11 :22.

Nu het derde stuk is: Wat werk daar voor ons in is, omtrent die voorzienigheid, hoe wij nu daarmede leven moeten.

Zoo wij ergens schuldig in zijn, zoo is het hierin. Gaat het ons nu eens gelijk het Naomi ging, dan is het: En noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan, Ruth 1 :20. Komt er tegenspoed, dan is het: het loopt mij alles tegen, ik ga achteruit. Raakt het eens aan onzen naam, eer, goed, faam, dan is hot: mijne bestraffingen zijn er alle morgens, Ps. 73:14. Gaat het ons wat tegen, wat moeten wij dan doen? Dewijl het God zoo belieft, weest geduldig ; het 1 comt van God, en zegt: het gaat mij naar den wil Gods, zooals Hij het wil, is \'tmij wel; ik ben \'t leem, en wat zal ik tegen den pottebakker doen: mag de pottebakker met zijn leem niet doen zooals hij wil? Rom. 9:21. Wil Hij u armer maken dan een ander, wil Hij een ander gezonder maken dan u, wil Hij een ander voorspoediger dan u doen zijn, zal daarom uw oog boos zijn op uw naaste? omdat Ik goed ben, zegt de Heere, Matth. 20:15. Wij moesten veel liever zeggen: belieft het U mij tegenspoed toe te zenden, ik zal mijn kruis dagelijks opnemen, en den Heere navolgen, volgens de les van Jezus, Luk. 9:23. Ik heb niets anders dan de hel verdiend, en \'t is Gods loutere goedheid en lankmoedigheid, dat ik er niet al lang in ben. Dat leert ons de voorzienigheid, te zwijgen voor Gods aangezicht, omdat God regeert. Legt uwe hand op den mond, omdat Hij het gedaan heeft. Geschiedt er iets dat God niet doet? Daar zitten wij al te malen, en elkanders hoofd warm te maken, en zeggen; het schort hieraan, het schort daaraan; maar ziet gjj niet, dat het alles van God afkomt, die uw leven en uw behoud in zijne hand heeft?

Ten tweede. Hoe moeten wij ons gedragen, als er voorspoed is, als het ons welgaat, als wij voor wind en stroom zeilen? dan hebben wij naam, vrienden, aanzienlijke en slechte, elkeen is dan onze vriend. Dan moeten wij dankbaar zijn, en zeggen; Heere! wat ben

151

-ocr page 158-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ik, dat Gij mij zoo geduriglijk weldoet? En dan: ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan uwen knecht gedaan hebt, Gen. 32:10. Ach! ik ben al te zondig en al te onwaardig! dat is buiten, boven, en tegen mijne verdiensten. Had ik mijn leven dat gedacht? Heere! wat zal ik Ü nu vergelden, dan dat ik voor uw aangezicht zal zoeken te leven? Heere! ik ben uw knecht en dienstmaagd, ik bied al mijne krachten tot uwen dienst aan.

Ja, ten derde. Daar komen wel zulke donkere tijden, zulke duistere gevallen; daar komt wel een werk dat zwaar is, en het is donker hoe de uitkomst daarvan zal zijn; \'t is eene zaak, waar men van zeggen moet: \'t is zoo hachelijk, ik ben zoo innerlijk bekommerd, wat kan mij nog al ontmoeten? Ik kan nog wel arm worden, ik kan nog wel mijn brood moeten gaan bedelen, \'t Begint er altemet zoo naar uit te zien. Daar leggen ze dan altemet op hun bed en zweten van benauwdheid: daar hangt zulk eene wolk over mijn hoofd, en als die plasregens, en die donderbuien nederstorten, wat zal ik dan gaan doen? Wat gedaan, als ons dat overkomt? In kommerlijke zaken een goed toevoorzicht op God te hebben, zegt de onderwijzer. Wat is dat te zeggen? Vast te stellen, dat er eene Goddelijke voorzienigheid is, en dan goede middelen in \'t werk te stellen, maar geen kwade. Job zegt: Ik vermocht niet (te zondigen) vanwege zijne hoogheid. Job 31:23. En Jozef zegt: Hoe zou ik een zoo groot kwaad doen, en zondigen tegen God, Gen. 39:9. Toen de knechten Davids zeiden: Ziet den dag, in welken de Heere tot u zegt: ziet. Ik geef uwen vijand in uwe hand, en gij zult hem doen gelijk als het goed zal zijn in uwe oogen; zoo zegt David: Dat late de Heere ver van mij zijn, dat ik mijne hand zou slaan aan den gezalfde des Heeren, 1 Sam. 24:5—7. Maar al wat uwe hand vindt om te doen, doet dat met al uwe macht, met vlijt en naarstigheid. Ruth\'s thuisblijven was weinig: zij hield zich bij do maagden van Boas, totdat de gersteoogst en tarweoogst voleindigd waren, Ruth 2:23. Als het er op aankomt, en zaken vereischen het, dan mag men er wel eens een nachtje aan-knoopen, en een uurtje met bidden doorbrengen, met Jakob: die bleet den nacht over in het veld al biddende, Gen. 32:13. Dan God te kennen in al zijne wegen; te zeggen: Heere! ik zal dat of dat gaan doen, zal dat mij wel gelukken? zal daar uw zegen op volgen? zoo niet, ik wilde het wel laten, als Gij er geen genoegen in hebt. Hebt gij een goeden vriend, die maar weinigen zi]n in de wereld, overleg het er eens mede; hebt gij eeu trouw mensch, stort uwe klachten eens in zijnen schoot uit; en als gij dat dan al gedaan hebt, geeft dan den uitslag aan God over, en zegt: Heere! ik heb al gedaan, wat ik kon, doet Gij nu, zooals het goed is in uwe oogen. Die vrome David deed zoo; hij zegt: heeft God geen lust aan David, ziet hier ben ik. Hij doe mij, zooals het in zijne oogen goed is; maar indien ik genade zal vinden in zijne oogen, zoo zal Hij mij wederhalen, en zal mij de ark Gods laten zien, mitsgaders zijne woning, 2 Sam. 15: 25, 26. Daar hebt gij nu onze drie zaken.

152

-ocr page 159-

OVER DEN X. ZONDAG. Vrag. 27 on 28.

Wat voor bewerkingen dienden wij daar nu onder gehad te hebben? Moeten ik en gij niet beschaamd staan? Daar zijn er nu, die gaan die Voorzienigheid loochenen, \'tls alles een noodlot en het geschiedt alles bijgeval, zeggen ze. Dan zijn er die misbruiken ze: een vuil yolk, die (rod de oorzaak van de zonden stellen te zijn. Dan zijn er, die beginnen er aan te twijfelen. Zou God zulke kleine dingen regeeren? zeggen ze, dat zou beneden de eer Gods zijn. Anderen twijfelen aan de macht en wetenschap Gods. Gods kinderen twijfelen somtijds ook al. Hoe zou het God weten? en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? Ps. 73:11. Dan zijn er weer anderen, die zouden het al wijzer regeeren; en moesten wij \'t regeeren, bet geraakte alles het onderste boven. Stond liet in uwe macht, al uwe vrienden, die gij hadt, zoudt gij weldoen, en al uwe vijanden zoudt gij kwaad doen, om uwe wraakzucht. Dan zijn er, die altijd knorren en morren, \'t is bij hen nooit ellen, \'t is altijd wat ongemakkelijks, Dan wil men geen kruis dragen, en Jezus navolgen; dan is het mur-mureeren, schreeuwen, tieren, klagen. Dan kent men geen dankbaarheid: Tien melaatschen worden er gereinigd, maar daar kwam er maar een om te danken. Luk. 17 : 12 18. Tien burgers in de stad goedgedaan, daar komt er een om te danken. Heeft men iets genoten, men dankt ergens een vriend, of men rookt zijne eigene netten. Dan eens duizend wenschen, was dat zoo, ol zoo! Dan worstelt men wel eens tegen den Heere aan, men valt voor God in. Dan stelt men eens geen goed toeyoorzicht op God, men wil het zelfs uitwerken; en men wordt eindelijk zoo verward, dat men op het laatst wel zou zeggen: ik wilde wel, dat ik dood was. Zoo is ons gedrag. In de vromen heerscht dat niet, maar in de onvromen heerscht het. Geliefden! hoort kortelijk nog een woord.

Eerst. God gaat met zijne voorzienigheid voort, of het ons lief ol leed is: of wij willen, ol dat wij niet willen volgen, wij moeten wel volgen.

Ten tweede. Wij zullen rekenschap moeten geven, wat wij omtrent de voorzienigheid Gods gedaan hebben.

Ten derde. Gij kunt het tegen God niet uithouden. Hij is de Almachtige; of gij wilt of niet, gij moet onder Mem buigen. Hij is ook de Alomtegenwoordige, gij kunt Hem niet ontloopen, in \'t kort znlt gij van alles beroofd worden, en als gij Hem niet over u hebt willen laten regeeren, dan zal uwe ziel in de bel zijn in eeuwig gewoel, in die plaats van eeuwig wee! en ach! en daar znlt gij eeuwig moeten beklagen uw wangedrag en onbuigzaamheid.

Wie gedraagt er zich nu wel omtrent de voorzienigheid?

Eerst. Die zich aan die gedachten zoo gewent, dat er zulk eene voorzienigheid is; die het God zoo van harte gunt, dat Hij het alles bestiert; die zegt: in uwe hand is het zoo wel, Heere! Zij gunnen het God zoo, dat Hij Koning is, dat Hij op den troon zit en regeert.

Ten tweede. Dien het zoo moeilijk valt, als hij niet gebogen is onder God; die dan zoo zegt: \'t is mij tot zulk een smart; hoe ben

153

-ocr page 160-

1B4 CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

ik zoo morrende, zoo onverloochend? hoe ben ik zoo hoogmoedig?

Ten derde. Dien het zulk een genoegen zou zijn, dat hij zoo stil was, en zegt: Heere! het zou mij tot zulk eene blijdschap en sterkte wezen, dat mijn wil in den uwe gesmolten was, dat ik kon zeggen: ik heb geen wil, die is gesmolten in den wil Gods.

Ten vierde. Die zich zoo schikt om zijn kruis te dragen; die leggen hunnen rug naar de roede. Ik heb het verdiend, zeggen ze; Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd, Mich. 7:9. \'t Is gelijk eene moeder die een kind heeft. Ach! zegt het kind, dat gij de roede gebruikt hebt aan mij, dat is de weg tot mijn behoud geweest.

Ten\' vijfde. Zij willen niet moedeloos zijn. (leen schepsel, zeggen ze, zal mij scheiden van de liefde Gods. Kon Paulus zeggen: niets zal ons scheiden van de liefde Gods, Hom. 8:39, geen duivel noch mensch, zeggen zij, zal mij scheiden van de liefde Gods, en van zijne voorzienigheid te aanbidden, en die lief te hebben. Al is die regeering alteniet wat bitter, het moet echter alles medewerken ten goede dengenen, die God liefhebben, en naar zijn voornemen geroepen zijn. Kom. 8:28.

Ten zesde. Die niet te veel vooruitloopen. Daar zijn dikwijls de allerverstandigste!! schuldig aan. Zij stellen zich een tijd en zaken voor, die dikwijls hun leven niet komen zullen. Men zegt dikwijls: zoover, en men kan het niet te boven komen. Dat zijn menschen, die zulk een natuurlijk doorzicht van zaken en veel ondervinding hebben, en dan gaan zij zaken aan zaken knoopen; maar \'t is niet altijd te prijzen. Men kwelt en pijnigt zichzelven dikwijls maar voor deii tijd, en als men dat al overlegd heeft, moet men eindelijk zeggen: ik ben maar een groot beest bij God, Ps. 73:22.

Weet gij wie nog? Ten zevende. Die op hun vleesch zoeken te passen. Zij bidden en worstelen er tegen. Dan is de minste zegen groot, en een zwaar kruis licht. Dan is het: Heere! doe met mij, wat U belieft, ik heb lang genoeg gewoeld, leid mij naar uw raad, al was het door schade en schande, als het maar mijn eigen schuld niet is; hier ben ik, ik ben geen voordeel noch eer waardig: en ze worden zoo klein als een wormpje.

Mocht dat uwe en mijne oefening in den loop onzes levens zijn, wat zou het gezegend zijn!

Nu, ik hoop dat God dit zegenen zal, aan mij, en aan ulieden, tot zijne eer om zijns Zoons wil. Amen.

-ocr page 161-

C A T ECU! S M ü S -P R E1) 1K A TIE.

Over den XL Zondag. Vkag. 29. en 30.

Elfde Zondag.

29. Vraag. Waarom wordt de Zoon van God, Jezus, dat is Zaligmaker genaamd ?

Antwoord. Omdat Hij ons zalig maakt, en van onze zonden verlost; daarbenevens, dat bij niemand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is.

30. Vraag. Gclooven dan die oolc aan den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart lij de heiligen, bij zichzelven, of ergens elders zoeken?

Antwoord. Neen zij; maar zij verloochenen met de daad den eenigen Zaligmaker Jezus, ofschoon zij Hem met den mond roemen; want van tweeën één, of Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, of die dezen Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hunne zaligheid van noode is.

WIJ lezen. Jak. 2:19, De duivelen gelooven bet ook (namelijk dat er een God is) en zij sidderen. Daar is niemand in de hel, noch iemand in den hemel, noch iemand op de aarde, die deze gedachten meester is. Dat er een God is, dat moet elk gelooven, al zijn het de verdoemde geesten, de duivelen; zij ondervinden het en weten dat er een God is. Bovendien zij stemmen het toe, al zouden zij er over wezen als een brieschende leeuw. Zij gaan nog al een trapje verder: zij kennen God, Hand. 19:14. Daar was die Joodsche overpriester Sceva, die zeven zonen had, die duivelbezweerders waren: hij had zeven duivelskinderen. Als ze de men-schen bezwoeren in den naam van Jezus, zoo sprong de booze geest op hen en riep, vers 15, Jezus ken ik, en Paulus weet ik, maar gijlieden wie zijt gij!IJ lezen. Jak. 2:19, De duivelen gelooven bet ook (namelijk dat er een God is) en zij sidderen. Daar is niemand in de hel, noch iemand in den hemel, noch iemand op de aarde, die deze gedachten meester is. Dat er een God is, dat moet elk gelooven, al zijn het de verdoemde geesten, de duivelen; zij ondervinden het en weten dat er een God is. Bovendien zij stemmen het toe, al zouden zij er over wezen als een brieschende leeuw. Zij gaan nog al een trapje verder: zij kennen God, Hand. 19:14. Daar was die Joodsche overpriester Sceva, die zeven zonen had, die duivelbezweerders waren: hij had zeven duivelskinderen. Als ze de men-schen bezwoeren in den naam van Jezus, zoo sprong de booze geest op hen en riep, vers 15, Jezus ken ik, en Paulus weet ik, maar gijlieden wie zijt gij!, De duivel die weet het wel, dat de Heere Jezus macht heeft om hem, al is hij die steikgewapende, te binden, en hem zijne vaten te ontrooven. Luk. 11 :21, 22. De duivelen weten het wel, dat de Heere Jezus macht over hen heeft, dat zij den menschen, noch den beesten geen kwaad kunnen doen, zonder zijn wil.

Wat nu de duivelen weten, dat moeten ook de menschen weten; die weten het altemaal wel, dat er een God is, die een Opperregeer-der is, dat weten ze altemaal; maar ze weten het altemaal niet, dat er een Zaligmaker is, daar zijn er bij duizenden, die zonder die kennis

-ocr page 162-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

leven, Ef\'. 2:12. Vreemdelingen van de verbonden der belofte, zonder God, zonder Christus in de wereld; geen hoop hebbende; en daar men van moet zeggen; \'t Is voor uwe oogen verborgen, dat tot uwen vrede dient, Luk, 19:42. Wanneer God aan een volk dat geluk schenkt, dat Hij ze doet kennen, dat er een drieëenig God is, die het alles regeert; dan doet Hij ze er ook wel de goddelijke genade bij kennen, die God in Christus schenkt aan een arm en verlegen volk. Met die gedachten kan elk bezwangerd gaan. Die dat nu weet, zal die niet zeggen: wie is die Middelaar? Dat er een rechtvaardig God is, kan niemand ontkennen, noch van zichzelven weg zetten. Is dat nu zoo? Kan God dan niet zeggen: de duivelen weten \'t, dat er een God is, en een Heere Jezus is? laten er die zich aan gelegen liggen, en zult gij het niet doen? Paulus zeide eens; Al had ik nog zoo gestudeerd, al had ik nog zulke groote openbaringen, al ben ik tot in den derden hemel opgetrokken; en al heb ik daar gehoord dingen, die een sterveling niet betamen uit te spreken; zoo heb ik nochtans niet voorgenomen iets te weten, dan Jezus Christus en dien gekruist, 1 Cor. 2; 2. Waarom? Ach! die kennis is zoo uitnemend, en het is zulk eene uitnemende wijsheid, ze is zoo uitermate zoet, die kennis gaat alle verstand te boven, het is eene hart innemende kennis, die in het hart zoo indruipt, als ze genoten wordt. Zoo moeten zij er van zeggen: die Naam is een uitgestorte olie, Hoogl. 1:3. Hij vernacht tusschen hare borsten, Hoogl. 1:13. Fil. 3:8, 9 zegt Paulus: ik reken alle dingen schade en drek om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus, mijnen Heere, opdat ik Christus moge gewinnen. Jes. 53:11 wordt gezegd: Door zijne kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken. Ach! als men Hem begint te kennen bij het licht des Geestes, men kan dan niet van Hem van daan gaan. Dan kan men geen eigengerechtigheid hebben. Daar is die Spruit, Jes. 4:2, die wonderlijk is, Jes. 9:5, de Heere onze gerechtigheid, Jer. 23: (i. Die Spruit der gerechtigheid, die de Heere aan David zou doen uitspruiten, Jer. 33:15. Die Koning, die re-geeren zou in gerechtigheid, Jes. 32:1. Die kennis is zoo nuttig. Dit is het eeuwige leven, dat ze U kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus dien gij gezonden hebt, Joh. 17:3. Het eeuwige leven bestaat er in. Dat zal ook een groot deel zijn van het eeuwige leven, Jezus te kennen.

Geliefden! gij denkt niet genoeg aan de andere eeuw. Dan zullen wij in die diepten Gods zien. Dan zullen wij die dierbaarheid kennen, dat Hij u en mij gekocht heeft. Ja, de kennis van den Heere Jezus is de weg en de voorsmaak van het eeuwige leven.

Wij hebben gezien, dat er een God is, en hoe dat dit in elk ingedrukt is; en het geloof\' heeft ons getoond, wie en wat die God is en wat Hij worden wil voor een verloren zondaar; en het is altemaal even verwonderlijk. Nu komen wij tot de kennis van den Middelaar, den Heere Jezus Christus. Onthoudt het toch: het genade- en werkverbond, dat is de inhoud van den geheelen Catechismus.

15G

-ocr page 163-

OVER DEN XI. ZONDAG. Veag. 29 en 30.

Nu moeten wij den Middelaar gaan beschouwen; en dien moeten wij zoo bezien.

Eerst. In zijne namen.

Ten tweede. In zijne naturen.

Ten derde. In zijne ambten.

Tén vierde. In zijne staten.

Ten vijfde. In zijne weldaden.

Wij beginnen dan hier met den naam. Hoe is zijn naam? Die is toch wonderlijk: het is een naam, die al de andere namen in zich bevat:

Eerst. Moeten wij van dien naam iets zeggen.

Ten tweede. Zullen wij u de zaak zelve toonen.

Ten derde. Zullen wij voor u openleggen der partijen gevoelens.

Ten vierde. Zullen wij u doen zien ons geloot\' in dien Heere. Dat zijn onze vier stukken. Let er toch op, \'t is het dubbel waardig. 1. Moeten wij den naam zien, hoe de Heere Jezus aan zoo een naam komt. 2. De zaak zelve van dien naam bezien. 3. Wat degenen, die buiten ons zijn, van dezen naam van gedachten zijn. 4. Wat ons geloof\' is.

Wat het eerste aangaat, de Zoon Gods heeft in de Artikelen van ons geloof vier namen; twee zijn er, die zijn Middelaarsambt betreffen, namelijk Jezus Christus, en één die op zijn goddelijk Wezen ziet, te weten, eeniggeboren Zoon Gods; en één, dewelke zijn eigendom en regeering over zijn volk en kerk uitdrukt, dat is, onze Heere.

In \'t Middelaarsambt te bedienen, vertoont Hij twee namen, te weten, Jezus en Christus; de een eeu Hebreeuwscbe en de ander een Grieksche naam; de een een Joodsche en de ander een Heidensche naam. Waarom dat? Omdat God voorhad den middelmuur des af-scbeidsels te verbreken. Hij zou geen Zaligmaker alleen van Joden y.ijn, maar ook van Heidenen. Evenwel is \'t zoo, dat de Hebreeuwscbe den voorrang heeft boven den Griekschen naam. Waarom dat? Om te toonen, dat God den Middelaar eerst den Joden ontdekt en geschonken heeft, en daarna den Grieken, Hom. 1:16 en 2:10.

Dien naam heeft Hij van geen mensch; Hij heeft dien noch van zijne moeder, noch van Jozef, maar van God, zijnen Vader. God zeide eens tegen Abraham: Uw naam zal niet meer Abram zijn, maar Abraham, Gen. 17:5. En tegen Sarai: Uw naam zal niet meer Sarai zijn, maar Sara, Gen. 17:15. En tegen Jakob: Uw naam zal voortaan met Jakob heoten, maar Israël, Gen. 32:28. Wie was er beter toe in staat, om Hem een naam te geven, dan God zijn Vader, die de alwetende was, en wist, wat naam er best met de zaak overeenkwam? In \'t stuk des Middelaars, geschiedde \'t alles naar het gezag van God den Vader. I3ij zijne geboorte komt daar een engel, die zeide op last van God: Gij zult zijnen naam heeten Jezus, Matth. 1 :21. Zijne moeder was eene godvruchtige maagd, en als Hij geboren was. Luk. 2:21, zoo geschiedde het, dat, als Hij besneden werd, zoo noemde zij zijnen naam Jezus, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was. \'t Was alles door goddelijk gezag. Hij

157

-ocr page 164-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zal Johannes heeten, sclireet Zacharias, Luk. 1 :60. Zoo zeide ook God de Vader: Jezus zal zjin naam wezen.

Deze naam is niet alleen van God, maar hij is ook den Heere Jezus alleen eigen. Daar zijn er wel meer geweest, die Jezus of Justus, Jozua of Heiland geheeten hebben, maar die hebben dien naam gedragen zonder de zaak te zijn; of zoo ze iets van de zaak hadden, zoo waren ze kleine voorbeelden van dezen grooten Heiland. Wij weten er drie, die dien naam Jezus gedragen hebben in het Oude Testament, namelijk: een prinselijke, een profetische en een hooge-priesterlijke Jezus.

De prinselijke was Jozua, Hebr. 4:8. Die heeft het volk Israels in de rust in Kanaiin ingebracht. O! hij was daarin zoo een klein voorbeeld van dezen Jezus, die zijn volk eens in het hemelsche Kanaiin, in de eeuwige rust zou inbrengen.

De profetische Jezus was de profeet Hosea, de zoon van Beëri, Hos. 1:1. Die leefde, toen \'t zoo vervallen was onder \'t volk Israels, en die moest zoo donderen onder het volk Gods. Ach! die man was daarin een klein voorbeeld van den Heere Jezus; die heeft ook als een profeet gestaan onder het vervallen volk. Wat was er een verval in godsdienst en zeden onder do Joden bij do komst van den Messias! Zij waren bijna alle apostaten en afvalligen geworden.

Dan was er die hoogepriesterlijke Jezus, Jozua of Jezna, de zoon van Jozadak, den hoogepriester, Ezra 3:2, 8. De Heere Jezus is die rechte Hoogepriester, die de gevangenen van den duivel redt, en ze weder terecht brengt. Hij heeft ook in den tempel verkeerd. Hij, die man, wiens naam is SPÈUITE, die zal uit zijne plaats spruiten, en Hij zal des Heeren tempel bouwen, ja. Hij zul den tempel des Hee-ren bouwen, Zach. G:12, 13.

Dien naam moeten wij met geen uiterlijken eerbied ontmoeten, met neigen, buigen, of den hoed af te nemen, als men dien maar hoort noemen. Dat woord, bestaande in twee lettergrepen, moeten wij geen eerbied aandoen; dat zegt een Lutheraan en een papist; en zij mee-nen daartoe een tekst te hebben, Fil. 2:9, 10, alwaar gezegd wordt: Opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Wat kunt gij klaarder hebben? zeggen zij; alle knie moet zich in den naam van Jezus buigen. Wij antwoorden daarop: weet gij wel waaruit die tekst genomen is? Hij is genomen uit Jes. 45:23, waaide Heere zegt: Ik heb gezworen bij Mij zeiven, er is een woord der gerechtigheid uit mijnen mond gegaan, en het zal niet wederkeeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong zal zweren. Doch dat is zoo te verstaan. Lutheraan en papist! dat alle knie zal gebogen worden voor den persoon, maar niet voor den naam; de persoon, daar hebben wij allo achting en eerbied voor in ons hart; maar voor die vijf letters, die \'t woord Jezus uitmaken, niet. Als wij Hem moeten aanbidden, van Hem preeken of spreken, dat willen wij gaarne met alle ontzag en eerbiedigheid doen, en wij zeggen: Gij zijt onze

158

-ocr page 165-

OVER DEN XI, ZONDAG. Viuo. 29 on 30.

Koning, Gij zijt onze Heiland. Die naam .lozus is een Goddelijke naam, die Hem alleen eigen is; maar dien naam willen wij geen uitwendige eer aandoen; maar den Persoon willen wij alle eer bewijzen, die wij kunnen.

Den naam dus bezien hebbende, zoo worden wij vanzelf geleid lot de zaak. Wat wil die naam Jezus zeggen, wat beduidt hij? Matth. 1:21, zegt de engel: Gij zult zipi naam heeten Jezus, want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden. Zoo beduidt het dan Zaligmaker, Behouder, Heiland. Het beduidt eenen, die een ongelukkige gelukkig kan maken; het beduidt eenen, die iemand van het grootste ongeluk tot het grootste geluk kan brengen. Wat is nu het ongeluk, waar Hij ze van bevrijdt, en wat is het geluk, waar Hij ze toe brengt? En op wat grond en wijze doet Hij dat?

Hier hebben wij een geheelen schoot vol zaken. Wat doet Jezus als Zaligmaker? Dit: dat Hij hen bevrijdt van al wat hen drukt, in den tijd en in de eeuwigheid. Spant er uzelven een weinig toe in, wij zullen maar van onszelven spreken, en daar zullen wij alle men-schen in begrijpen.

De zonde heeft u en mij ongelukkig gemaakt. Wat al kwaad zijn wi] door do zonde onderworpen! Hebt gij er wel ooit met ernst aan gedacht? Weet gij wel wat? Volgt het een weinig op met uwe gedachten, en gaat uwe ziel dan eens beschouwen; daar zult gij vinden in uw verstand, dat gij blind zijt omtrent God en Goddelijke dingen; let er eens op! met uwen wil wilt gij al wat kwaad is, en niets dat goed is. Wat is er eene verkeerdheid, verdraaidheid, en tegenstrijdigheid in? Let eens op uw geheugen. Dat kan maar onthouden \'tgeen wat onnut, wat ijdel en wat kwaad is; dat kan zij onthouden jaar en dag, maar het is als gesloten voor \'t goede. Komt gij in een gezelschap, waar eene vraag of een stuk van eene predikatie herhaald wordt, dan heeft men geen geheugen. Komt gij aan de hartstochten, die begeeren alles wat duivelsch is, alles wat aardsch en natuurlijk is. Daar ligt het alles overhoop, die zijn als toomelooze paarden. Ja, gaat een mensch eens in zijn gemoed, wat zonde hij daar begaan heeft, het gemoed zal op hem aanvallen, en hij zal naakt in zijne onschuld gebracht worden, onder een benauwend, schrikkend en beroerend werk van hot geweten. Zondaar! waarvan zijt gij anders zoo benauwd als gij eens alleen moet zijn, als dat gij leeft onder een benauwend gemoed. De zonde heeft mij en u gebracht onder de heerschappij des duivels. Wij zijn het met hem eens, wij zijn het eens met zijne zaak en met zijn volk. Daar worden wij gevangen gevoerd door een stroom van begeerlijkheden en eigen\' ontwerpen. Daar worden wij zoo verleid naar zijnen wil; wij zijn onder de heerschappij der zonden, en der verdorvenheden, die spelen den meester, die zitten op den troon van ons hart; wij zijn niet te stuiten of te matigen. Had God het niet verhinderd, o God! waartoe waren wij niet al gekomen! Wij zijn bovenmate zondigende, en daar liggen wij zoo vuil en leelijk voor God. Geen Naaman, noch Gehazi waren zoo

159

-ocr page 166-

CATEOHISMÜS-PEEDIKATIE

verrot of aangestoken door de melaatschlieid, als wij voor God zijn-Wat heeft de zonde al over ons gebracht? Al den zegen heeft ze in een vloek veranderd, en ons gebracht in een verloren staat. Wij zijn God, den hemel, de aarde, en alles kwijt. Wij zijn den zegen kwijt. Zij heeft ons ongelukkig gemaakt, en onder eene schuld gebracht, om eeuwige pijnen en smarten te moeten lijden, om aan de Goddelijke rechtvaardigheid te moeten voldoen. Dat is het wat den zondaar drukt en op zijn gemoed weegt; dat is het wat hem \'t hart prangt, als God hem zijn verloren staat begint te doen inzien; maar anders durft de zondaar dat niet aanraken, daar durft hij niet aan denken; hij kan, noch mag daar niet aankomen. Hij schrikt en beeft, om te denken aan zijn sterven en aan het oordeel. Bij mag daar niet van hooren, of\' het zou hem gaan, evenals het Nabal ging, toen hij hoorde, in wat gevaar hij geweest was. Zijn hart bestierf in het binnenste van hem, en hij werd als een steen, 1 Sam. 25:37. \'t Zou hem gaan evenals een Belsazar, als die vingers daar aan den wand schreven, zijne knieën stieten tegen elkander aan, zijn glans veranderde, en zijne gedachten verschrikten hem. Dan. 5:6. Dat er van avond eens iemand zeide: gij zult van dezen nacht sterven, zou het u wel beter gaan? Is dat nu niet een volstrekt ongeluk? Maar hebben ik en gij nu Jezus als onzen Zaligmaker, die zal ons dan weder terecht brengen, die zal een leven, dat geestelijk is, in onze ziel brengen, die zal ons verlichte oogen des verstands geven, Ef\'. 1:18. Die zal in onze ziel een goeden wil en heilige hartstochten brengen, zoodat wij er op zullen beginnen te passen, dat ze zoo niet als hollende paarden zijn. Daar geraken ze dan onder het bestuur van Geest en Woord. Daar komt dan het geweten in \'t huis van dien sterkgewapende, in \'t huis der zonden, en zegt; gij moet zoo niet heerschen, gij moet u aan zulk een stroo niet laten binden. Dan beginnen ze te zeggen: acli Heere! ik wil er van af.

Geliefden! wat staat nu dien verlosten te doen, nadat zij dien sterkgewapende ontweldigd zijn. Nu beginnen zij om te zien naar de ge-heele wapenrusting Gods, opdat zij kunnen staan tegen de listige omleidingen des duivels. Paulus beschrijft die wapenrusting heerlijk, Ef. 6:11—17. Die aangedaan hebbende, dan beginnen ze te strijden tegen hunne verdorvenheden, en tegen de listen en pijlen des duivels; de eenen worden van dag tot dag minder, en de anderen treffen zoo niet meer: en daar begint dan het werk van de heiligmaking. Dan worden ze zoo gemoed. Dan is zulk een vroolijk hart als een gedurige maaltijd. Ach Heere! zeggen ze, hoe ben ik dus? ik zou wel eens zingen en juichen? Zij zijn blijde in God, en de tranen rollen van blijdschap langs hun aangezicht. Meent gij, dat ze van droefheid schreien ? Ach! neen; maar zij zouden van blijdschap en vrede juichen. Zoo kan de Heere Jezus den vloek veranderen in een zegen. Ik ben schuldig geworden, zegt de Heere Jezus, opdat gij onschuldig zoudt wezen; Ik heb den toorn Gods gedragen, opdat gij er van bevrijd zoudt wezen; Ik heb alle verkwikkingen voor n verworven,

Kif)

-ocr page 167-

OVER DEN XI. ZONDAG. Vrao. 29 en 80.

opdat ik zou kunnen zeggen: God, dat aangename Wezen, is weer uw God geworden. Uw hart moet opengaan, als gij er aan denkt. Ach! zulk een kan zeggen: De snoeren zijn mij gevallen in eene liefelijke plaats; Ja, eene schoone erfenis is mij geworden, Ps. 16: G.

Zoo vergeeft God de Heere al de zonden volkomenlijk. Ja zelfs, aJs de menschen zondigen, met eerbiedigheid gesproken, zoo staat God de Heere als met medelijden bij hen, dat ze met zulke verdorvenheden te worstelen hebben. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vreezen, Ps. 103:13. Hij ziet uwe pogingen aan, die goed zijn. Daar zal vriendschap zijn, zegt de Heere, Ik zal zeggen: eet vrienden, drinkt, en wordt dronken; o liefste, Hoogl. 5:1. Hij zegt: Gij zijt mijne vriendin, mijne schoone, Hoogl. 4:1 en 6:4. En zij zeggen: Gij zijt mijn vriend, de heerlijkste, ja. Gij zijt veel schooner dan de menschen-kinderen, Ps. 45:3. Ja, Hij brengt ze daartoe, dat God hen doet gevoelen de zekerheid van zijne gunst aan hun hart; en Hij doet ze smaken de zekerheid van hunne zaligheid. Ja, Hij brengt ze tot dat geluk, dat ze bewaard worden in de kracht Gods, 1 Petr. 1:5. En al wordt de rechtvaardige nauwelijks zalig, 1 Petr. 4:18, daar zal er evenwel niet één buiten blijven. Hij bewaart ze, niemand zal ze uit zijne hand rukken. Joh. 10: 28.

Dan als Hij ze op het doodbed brengt, dan komt Hij hetgeen ten deele is, te volmaken. Gij moet sterven, zeide de Heere Jezus, mijne vriendinne, mijne schoone! nu zal ik u in de gemeenschap Gods leiden, en daar bevrijdt Hij ze van al hun kommer, daar ze hier in dit tranendal mede gegaan hebben. Hij verlost ze van al hunne pijnen en smarten. Zij hebben somtijds een lichaam dat zwak en ellendig is, dat niet mede wil in den dienst van God; daar bevrijdt Hij ze van, en neemt dat weg. Nu gaat Hij ze bevrijden van de zoude. Gij zult nooit zonde meer doen. Legt daar nu al uwe zonden aan de deur van de eeuwigheid. Nu verlos ik u van al uwe zonden. Uwe reis is ten einde. Al uwe tranen zal ik doen opdrogen. Zot uw reisstaf uit uwe hand, \'tis land! land! het Hemelsch vaderland.

Waar bevrijdt Hi] ze nog al van? Van al de aanvallen en aanvechtingen des duivels. Zij hebben hier dikwijls zulke schrikkelijke aanvechtingen; maar alsdan zal de duivel geen eenen pijl meer hebben, om op hen te schieten.

^ Waarvan bevrijdt Hij ze nog al verder? Van de verberging van Gods aangezicht. Zoolang als ze leefden, moesten ze altemet onder eene wolk gaan,_ maar dan zal \'t eeuwig klaar en helder zijn.

Weet^gij waar Hij ze nu al toebrengen zal? Daartoe, dat ze God Vader, Zoon en Heiligen Geest beter kennen zullen. Zij zullen den Pijbei ook beter kennen. Hier misten zij altemet eens, als zij dachten, dat moet zoo of zoo, hier of daardoor verstaan worden. Maar alsdan zullen ze den Bijbel in den grond zien, doorzien en verstaan. Zij zullen niet meer moeten zeggen: ik bid u, van wien zegt de Profeet dit of dat, van zichzelven of van een ander? Zoo men er beschaamd

n

101

-ocr page 168-

CATEOHISMUS-PREDIKATIK

kon zijn, men zou wegkruipen, dat men zoo rlikwijls gezegd lieeft; dat, of zoo is de zin van zoo eenen tekst; en daar zal het dan misschien geheel anders zijn. Dan zullen wij Gods geheele voorzienigheid kunnen kennen. Dan zullen wij al die valleien zien, daar God ons in geleid heeft, met goedkeuring. Dan zullen wij dat ondervinden en genieten, \'t Is mij goed nabi] God te wezen, Ps. 73:28. Dan zullen ze zeggen: was \'t op de wereld zoo schoon, in de binnenkameren van den Koning gebracht te worden, wat is \'t hier schoon: met den Heere Jezus te gaan hand aan hand; Hem te zien van oog aan oog en van aangezicht aan aangezicht! Dan zal Hij ons daartoe brengen, tot die groote schare van engelen en zaligen; en dan zal de Heere zeggen: haalt nu uw hart op om God te prijzen en eere te geven.

Wat dunkt u? is zoo een niet gelukkig in den tijd en in de eeuwigheid? Mag nu die Heere Jezus met recht niet de Zaligmaker genoemd worden? Hij is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Hebr. 12:2. Hij is\'het plechtanker der zaligheid; de beste en opperste van al de leidslieden.

Ziedaar geliefden! zulk een Zaligmaker is Jezus, die u bevrijdt van alles dat u drukken kan, in den tijd en in de eeuwigheid; en die u toebrengt al dat u verkwikken kan voor tijd en eeuwigheid.

Gij zult zeggen: is de Heere Jezus zulk een Zaligmaker? Hoe kan dat wezen? Hoe wordt Hij het? Hoe is Hij het?

Eerst. Door impetratie of verwerving:

Ten tweede. Door applicatie of toepassing.

Eerst. Hij heelt ze door verwerving verkregen, in oude tijden, door dien grooten Borgtocht, daar al Gods volk op zag. Zij konden zeggen: o Heere! wees Gij mijn borg, Jes. 38:14.

Ten tweede. Hij heeft ze verkregen door voldoening in der tijd aan de gerechtigheid\'Gods; voor al de uitverkorenen in \'t gemeen, en voor elk In \'t bizonder heelt Hij gedragen hetgeen zij schuldig waren eeuwig te dragen, toen God\' Hem stelde tot een betooning van zijne rechtvaardigheid, Rom. 3:25, en dat door te gehoorzamen, voor al de uitverkorenen en voor eiken uitverkorene in \'t bizonder. Daarom wordt er gezegd: door zijne kennis zal mijn knecht de rechtvaardige velen rechtvaardig maken\', want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen, Jes. 53:11. En door zijne gehoorzaamheid zullen er velen tot rechtvaardigen gesteld worden, Rom. 5 : 1!». Dit is de samenhang en aaneenschakeling van die zaken. Nu kunt gij \'t vatten.

Dan achtervolgt Hij die vergeving door eene krachtdadige applicatie of toepassing en voorbede. Mij is gegeven, zegt Hij, alle macht in hemel en op aarde. Matth. 28:18, dat is, over alle schepselen. Nu ga Ik henen om u plaats te bereiden bij mijnen Vader. Joh. 14:2. Eu als Ik u plaats zal bereid hebben, dan zal Ik niet rusten, voordat al de uitverkorenen binnen zijn; Ik zal wederom komen en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben, vs. 3. Zult gij dat \'doen allerliefste Heiland? Ja, zegt de Heere Jezus, dan zal Ik tegen mijnen Vader zeggen: Vader, Ik wil, dat waar

-ocr page 169-

OVER DEN XI. ZONDAG. Vrag. 29 en 30.

Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven liebt; opdat ze mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, Joh. 17:24. Al de opstandelingen zijn nu vernield, en onder mijne voeten verpletterd. Ilin dan zal 11 ij ui 1 c uitverkorenen binnen brengen en zeggen; Vader,_ die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en nie-nquot;n4\'-ult 11611 18 verloren gegaan, Joh. 17:12. Van al degenen, die •L 0. gegeven bobt, wordt er geen een gemist; zij zijn alteraaal binnen, /oo is de Heere Jezus de Zaligmaker op zulk een wettigen grond, op zulk eene goddelijke wijze, dat men altemaal verbaasd moet staan.

Dat is nu niet duister. Gij kunt het volgen met uwe gedachten, en met uw verstand bevatten. Gjj hebt nu al zoolang de christelijke klanken gehoord, zet er n nog een weinig voor neer. Zoo is Jezus de Zaligmaker door verkrijging of verwerving.

Lieve God! zult gij zeggen, hoe krijg ik er deel aan? Ik heb er lj0.9 r/. ,u^i noch lust toe. Hij heelt Zichzelven overgegeven, opdat \'Ml i een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Tit. 7.\'.. • even zoo breed, als de verwerving. Hoe brengt

Hy u en mij tot zulk een geluk, dat wij daar deel aan hebben? 0 Eerst. Hij brengt de bediening tot ons, of Hij brengt ons tot de bediening. Hij brengt de bediening tot de plaats waar de uitverkorenen zijn, of Hij brengt de uitverkorenen tot de plaats waar de be-dien 111 g is, en Mij brengt ze er onder. Onder de bediening zijnde, daar zijn ze voor het yischnet: en daar draagt Hij mij en u zoolang onder, als \'t Hem belieft; den een tien, den ander twintig of dertig jaien, iniu of meer, daar ze te kerk gaan; en zij gaan weer naar luns; zij hebben den Bijbel, zij hebben het christelijk onderricht tot-stondetje der minne komt. Als dat stondetje van Gods eeuwige liefde baren moet, dan komt de Heere en zegt: Hoe gaat gij daar zoo al naar de kerk en uit de kerk? Wel gij gaat als een dwaze en onwijze. Hoe leeft gij zoo? Wat, doe Ik u? Heb Ik n wel ooit kwaad gedaan? Heb Ik u niet gezegend? Betuigt tegen Mij. Wordt het geen tijd om 0111 te zien? En daar wordt zoo als tegen hen gesproken. Ach! zeggen ze, dat ik mijn leven niet heb willen weten, dat wil ik nu wel weten. Daar worden ze geraakt in hun gemoed. Ik kan zoo met meer leven, zeggen ze; ik moet anders leven, veranderd worden. Daar schreien, zuchten en belijden ze het uit, en \'t is geen wonder, want het raakt er alles overhoop. Maar het is geen nood: God zal ze wel terecht brengen. Daar geraken ze onder de vromen: daar krijgen ze achting voor, daar zijn y.e \'t allerliefst bij. Ach Heere! zeggen ze^ zou zoo een zondaar of zondares nog wel uwe worden? Dat \\s \'/A\\0r. begin van \'t werk, en God is getrouw, die bet goede werk, dat Hij begint, niet zal laten varen, maar dat voleindigen tot op den dag van Jezus Christus, lil. 1: 6. Hij zal het er wel houden. In plaats van t achteruit te laten gaan, zal II ij \'t vermeerderen. En schijnt het al eens wat achteruit te gaan, zulk een heeft echter geen rust. Vertragen zij wat, dat valt hen zoo bang. Dan komt die allerliefste Heere, en die werkt het gelooi in hun. Daar beginnen ze naar den

-ocr page 170-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Heere Jezus te vlieden. Daar ze te voren niet tot Hem spreken dorsten, daar durven ze nu hun gemoed tegen Hem ontlasten. Ach! zeggen ze, was ik in U, en Gi) in mij! Ach! dat ik in ü begrepen was! Daar naken ze tot God, \'en die brengt ze in stille onderhandeling des geloofs. En \'tis eveneens, alsof er een mensch bij stond, en tot hen sprak, en zeide: wel wat zult gij nu gaan doen om uzelven tevreden te stellen? Maar dan komt liet er op aan. Hebt gij dan nu niets met allen? zegt de Heere; gij waart te voren zoo rijk. Daar is nu zoo eene ziel beschaamd. Haal dat toch niet op, Heere! zeggen ze. Zij zouden wel zijn, als Petrus, hij werd bedroefd, als de Heere hem tot driemalen tóe aansprak. Achquot; Heere! zeggen ze, zwijg toch van mijne vorige dwaasheid en zotheid; ik ben nu zoo arm. Wilt gij Mij\' dan nu wel hebben? zegt de Heere. Ach Heere! zeggen ze, dat Gij mij maar wildet, hoe gaarne zou ik TJ willen! Wel geef dan uzelven aan Mij over, zegt de Heere, al is \'t u nog niet klaar of Ik de uwe ben. Ach! ja Heere, zegt ze, van ganscher harte. Zoudt gij dan uw vertrouwen wel op Mij willen stellen, al is het u donker of Ik uwe ben ? vraagt de Heere. Ach ja, Heere! ik kan maar sterven, zeggen ze. Gij zult niet sterven, zegt de Heere, Ik ben al veel gewilliger om u aan te nemen, dan gij, om Mij aan te nemen. En dat gaat zoo zijn gang totdat ze sterven. En als ze zullen gaan sterven, dan schuift God de gordijnen van \'t hemelsche paleis wel eens open, en Hij vervult ze met hemelsche aandoeningen; en \'t is min of meer of de\' hemel in hun hart daalde, en of ze alreeds met de dingen die boven zijn bezig waren, terwijl ze nog op het doodbed liggen.

Geliefden! dat is onzen Heere niet te wonderlijk; wij denken, dat de oude Jakob daar iets van kende, toen hij zichzelven uitstrekkende op zijn bed, zeide: Op uwe zaligheid wacht ik, Heere! Gen. 49:18. Toen\'voelde hij als den hemel in zijw hart. Wij denken, dat de oude Simeon er wat van kende, toen hij zeide: Nu laat Gij, Heere! uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien, Luk. 2:29, 30. Wij denken, en wij weten, dat Stefanus het voelde. Hand. 7:56, Ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods. Dat zeide hij niet alleen, maar sprak Hem zoo aanstonds aan, zeggende: Heere Jezus, ontvang mijnen geest, vs. 59. Dan zal Hij het ook toepassen op dat stondetje, als de ziel uit het lichaam gaat, en ook tegelijk in en na het oordeel.

Nu zeggen wij nog eens: mag die Jezus met recht geen Zaligmaker heeten? Dié zulke dingen doet, is die niet met recht de Zaligmaker? Ja, de volkomen Zaligmaker.

Wat zeggen nu die, die buiten ons zijn. De Socinianen, de Remonstranten, de Mennisten en de Papisten, als ze van Hem spreken? Dat moeten we ook zien, wat die er door verstaan.

Een Sociniaan, wat zegt die van den Zaligmaker Jezus? Die zegt: dat Hij een waarachtig mensch is geweest, maar geen God. Die mensch, zegt hij, heeft zeer klaar van goddelijke dingen gesproken

164

-ocr page 171-

OVER DEN XI. ZONDAG. Vrao. 29 en HO.

mot veel wonderen zijn spreken bevestigd, en had een ongelooflijk geduld in al dien smaad dien Hij gedragen heeft; ja, Hij is ook in waarheid gestorven. Dat alles, zegt de Sociniaan, heeft ffij gedaan. En wat heeft God, volgens zi)11 zeggen, nu aan Hem gedaan ? Die heeft Hem uit de dooden opgewekt, en in den hemel opgenomen; en zoo is Hij een Zaligmaker geworden, die den mensch den weg gewezen heeft. En als nu de zondaar zijn vrijen wil wel gebruiken wil, zoo moet hij dien zelfden weg gebruiken; en dat kan hij doen als hij wil, en zoo kan hij zalig worden. Dit is het halve, zoo niet het geheele Turksche gevoelen, omtrent den Goddelijken Zaligmaker Jezus.

Wij zeggen: wat goddeloozer gevoelen en menschen zijn dat! Dan heeft menig apostel en profeet meer gedaan dan de Heere Jezus. Hij heeft dat ook zelfs gezegd, dat ze meer krachten zouden doen dan Hij gedaan had. Ja, daar zijn er geweest, die ongelooflijke pijnen uitstonden; en zoo is dan de Heere Jezus minder dan een martelaar geweest.

De Remonstranten, die spreken ergens van eene wrekende gerechtigheid Gods. Christus, zeggen ze, heeft God in staat gesteld, om aan al de zondaars na den dag van Christus verkrijging der zaligheid, als Hij ze wilde hebben, de zaligheid te geven, zoodat nochtans de zaligheid volkomen zou gebleven zijn, al had Hij ze aan niemand toegepast. Zoodat Christus voor God wat verworven zou hebben, om de zondaars, op het gebruik van hunnen vrijen wil, in den hemel te nemen.

Daar nu voegen zich de Mennisten bij.

De Papisten zeggen: Hij is ons een Zaligmaker van vergeving, Christus heeft wat voldaan, en wij voldoen ook wat, door onze goede werken in dit leven, en na dit leven in \'t vagevuur. En is Hij u anders geen Zaligmaker? vragen wij. Ja, zeggen ze, Hij heeft wat verdiend en wij verdienen ook wat.\'Wij kunnen zelfs meer goede werken doen, dan wij moeten. Wij kunnen er aan anderen nog wel wat van overdoen. Zoo is Christus, zeggen wij, dan maar ton deele uw Zaligmaker, en gij zelf doet ook wat tot\'uwe zaligheid? Wel wat schrikkelijker dingen zijn dat! Doet gij wat en Christus wat? Dan is \'t niet vreemd dat eens oen papist zeido, ziende op een glas geschilderd aan de eene zijde Christus en aan do andere zijde Maria: ik weet niet, zeide hij in zijn bidden, waar ik mij keeren moet, tot het bloed van den Zoon, of tot do melk van de móeder. Maar daar kwam een ander, die zoo dwaas niet was, en zeide: gij zot, keer u tot God. Dat was er onder geschreven, en het was zeer wel gezegd: tfij zot, keer u tot God.

Wij zeggen: Papist, Christus moet een volkomen Zaligmaker we-zen, of Hij is geen Zaligmaker; gij moogt nu kiezen. Hij is er geen, of Hij is een volkomen Zaligmaker; en is Hij een volkomen Zaligmaker, gelijk Hij is, dan zeggen wij: weg melk der moedor. Maar is Hij geen volkomen Zaligmaker, zoo is Hij nog in \'t geheel nog ten deele geen Zaligmaker. En of gij Hem dan, ofschoon met den mond, roemt, zoo verloochent gij Hem met de werken; Christus\' Middelaars-

105

-ocr page 172-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ambt is niet verdeeld. Er is geen andere naam onder den hemel gegeven, in welken wij moeten zalig worden, Hand. 4:12. Er is geen andere Middelaar of Zaligmaker. Niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, namelijk Christus, 1 Cor. 3:11. Hieruit ziet gij nu, hoe net dat onze godsdienst met het Woord van God overeenkomt, en ons gemoed tot rust brengt, en hoe net dat die naam Jezus Zaligmaker met den aard der zaken overeenkomt. De papisten, en al degenen, die buiten ons zijn, spreken ook wel met den mond van een Zaligmaker, maar zij verloochenen Hem met hunne werken. Tit. 1:1(5, Zij belijden, dat zi] God kennen, en zij verloochenen Hem met hunne werken. Die den zondaar niet volmaakt gelukkig kan maken, die is geen Zaligmaker.

Daar is nu een geval en eene vraag uitgesproten, die is deze: kan een papist in zijn godsdienst zalig worden. Wij antwoorden:

Eerst. Zoo fiij in die leer blijft en sterft, en naar die leer leeft, zoo zeggen wij: neen, geen een, noch mispriester, noch monnik, noch leek. Volgens die leer, kan niemand zalig worden, omdat er geen ander Zaligmaker is, dan de Heere Jezus; en omdat zij Hem niet voor den eenigen en volkomenen Zaligmaker erkennen. Zoo er iemand iets toe doet, al was \'t de paus, zoo neemt het weg de volmaaktheid van Jezus\' Middelaarsambt. \'t Moet Jezus alleen en geheel zijn, die voor ons de zaligheid verdient en ze ons toepast. Buiten Jezus moeten zij vastelijk verloren gaan.

Een tweede vraag komt hieruit voort, namelijk: of er dan onder de papisten geen zijn, die zalig worden? Wij antwoorden vrij uit: ach! ja. Maar welke, en wat voor soort?

Eei\'st. Zulken gelijk als onze vaders, die zaten er onder, en zij hebben het betreurd. De antichrist heeft zich gesteld en verheven boven al wat God genoemd, of als God gediend wordt; alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zit, zichzelven vertoonende dat hij God is, 2 Thess. 2:4.

Ten tweede. Onze vaders en voorouders, die er onder leefden en gestorven zijn, die hebben het bezucht, en zij zipi evenwel binnen gekomen \'t Is hun gegaan, gelijk het ging ten tijde van Elia, daar waren er nog zeven duizend die hunne knieën niet gebogen hadden voor den Baal, 1 Kon. 19:18. Gij ziet hieruit, toehoorders, dat wij de leerstukken van onzen godsdienst zoo maar niet zeggen, maar dat wij ze volgens het Woord van God bewijzen.

Nog eens. Ten derde. Daar zijn er onder het pausdom, die de belijdenis bezweken is op hunne tong, daar ze evenwel in \'t hart levend gebleven is. Wij zouden niet durven zeggen, dat die niet zalig zijn geworden.

Ten vierde. Het gebeurt, dat harde papisten, bij de leer des paus-doms wel hardnekkig blijven tot op hun doodbed toe, maar die dan al die zotheden der papen wegwerpen, en alleen op den Heere Jezus steunen. Geliefden! die laten wij aan God over, wij willen ons over zulken tot geen rechter zetten. Men verhaalt, dat de zoon van een keurvorst van Saksen, ziek te bed liggende en eene Gereformeerde

166

-ocr page 173-

OVER DEN XI. ZONDAG. Vrao. 29 en 30.

huisvrouw hebbende, zijn vader hem kwam bezoeken. Ach! mijn kind, zeide de keurvorst, zie nu van alle dingen af, en ziet alleen op Jezus. Daar staat de vrouw van den zoon bij: wel, mijnheer vader, zeide zij, zegt gij dat tegen uwen zoon, waarom dan worden zulke dingen op de academie niet geleerd? Die dingen, zeide de oude vorst moet men maar tegen stervenden zeggen. Hij was nog niet verder verlicht. Let nu op hetgeen wij zeggen. Alle papisten gaan niet verloren. Daar zijn er wel, die hunne zotheden moede worden, die alleen op den Heere Jezus steunen; en die geven wij aan God over.

Nu komen wij tot ons vierde stuk, dat is ons geloof in dien Heere Jezus.

Eerst. Zeggen wij: ach! wij kennen Hem, wij hebben een klaar bevat en gezicht van den Heere Jezus.

Ten tweede. Allerliefste Heere Jezus! wij hebben zooveel met U op; wij keuren U goed en stemmen \'t toe, dat Gij zoo een Zaligmaker zijt; wij zeggen er amen op, en blijven er voor eeuwig bij.

Ten derde. Ach! wij hebben bij ons zeiven geen rust; wij zoeken \'t bij ons zeiven niet, noch bij anderen, noch bij onze deugden, tranen, noch gestalten. Neen, dat zijn mijne middelaars niet.

Ten vierde. Ach! wij zijn zoo bang om U; onze ziel verlangt en dorst naar U.

Ten vijfde. Ach! ik verkies U, ik vlucht naar U, ik worstel om TJ, ik wend \'t naar U toe, om behouden te worden. Ik neem U aan, ik vertrouw al mijne zaken U toe; die zijn in niemands hand beter te vertrouwen als in uwe hand. Liefste Heere Jezus! ik kleef U aan, den hemel geve, dat ik U niet mis. Dat is nu ons geloof in dien Heere Jezus.

Wat schoone en heerlijke dingen heeft God ons ontdekt! Laat ons heengaan en zien, zeiden de herders, het Woord, hetwelk ons de Heere heeft verkondigd. Luk. 2:15. Wij hopen, dat het ons zal gaan, gelijk David eens zeide, Ps. G2:12, God heeft een ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord, dat de sterkte Godes is. Toehoorders! hoe kunnen wij zoo onkundig zijn van zulke dingen? Daar zullen er zoowel met hunne onkunde in de hel vallen als met hunne geleerdheid. Toehoorders! kent gij het verbond der genade wel, en wie de Middelaar van dat verbond is? Waarom Hij Middelaar is, en wat Hij al gedaan heeft; gij zoudt mogelijk beter de daden van den een of van den anderen keizer kennen, als de daden van den Middelaar Jezus. Ach! hoe is Hij u zoo onbekend? En zijt gij er niet over bekommerd of gij er deel aan hebt? Gij zijt meer bekommerd wat gij eten of wat gij drinken zult, waarmede gij u kleeden zult, hoe die ziekte, en hoe dit of dat weer uit zal vallen: daar bekommert gij u dikwijls angstig over; maar zoudt gij wel eens zeggen: Ben ik het Heere? Als wij u vraagden: wie zal er door dien Middelaar zalig worden? Zoudt gij op die vraag wel wederom vragen, gelijk de discipelen: ben ik het Heere? toen de Heere zeide: dat een van hen Hem verraden zou, Matth. 26:21. Toehoorders! die daarover bekom-

107

-ocr page 174-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

merd zijn, dat zijn geen deugnieten, zij zijn niet gelijk zulke soldaten, die de kroon wel zonden willen van overwinning, maar zij hebben geen zin in den strijd. Als gij wat ongemak moet ondergaan, dan vergaat u de lust, hebt gij dan iets anders dan Jezus, waar gi] het naar toewendt? Zegt gij; ja, mijn Doop en Avondmaal, en ziet gij daar geen vlek of gebrek in? Dat is een zuurdeesem, die niet deugt. Die het altemet eens naar Jezus wendt, als het vuur eens wat na gebracht wordt; als hij eens ontdekt en beroerd wordt, of\' als hij op een ziekbed ligt: wilt gij dan van Jezus spreken? Ach! het moet een gestadig aankleven zijn. Anderen wederom die geven het op, die zeggen: \'t is buiten hoop voor mij. Of de Heere al niemand buiten sluit, en of Hij u niet buiten sluit: neen, zeggen ze, \'tis buiten hoop voor mij. Of Hij zweert geen lust in den dood des zondaars te hebben, of Hij u lokt, of Hij den grootsten zondaars zijne genade niet weigert, of wanhopend te zijn, den klem van de predikatiën, van bidden en lezen wegneemt, of het de genade verkleint, de zonde vergroot, of het haar wel aanzet tot een ruim leven, of ze er wel door den dood zoekt, dat helpt al niet: \'t is evenwel uit, \'tis buiten hoop, zeggen ze. Lieve menschen! dat deugt niet; onzen genadigen God en Heere moeten wij zulk eene smaadheid niet aandoen. Gij hebt misschien al overtuigingen en al een kenteekentje, dat Hij uwe is, en zult gij zeggen: \'t is buiten hoop. Doet dat uw leven niet.

Dan zijn er wederom anderen, die passen zich de genade al te los toe. Die zeggen: dat zal mi] niemand ontnemen. Hij is mijn Zaligmaker, daar zal mij niemand aan doen twijfelen. Wij vragen u: Hoe zijt gij aan uwe verzekering gekomen? Ik en gij, wij hebben ze van nature niet. Gij hebt ze ook niet gekregen al spelende en lachende, langs de straat loopende, en ijdel en dartel zijnde. Ach Heere! een kind Gods krijgt ze zoo gemakkelijk niet. Wat al angsten der wedergeboorte moeten zij uitstaan! wat al smaad en strijd! Hoe zelden krijgen ze de kussing van Gods mond, en hoe haast is het weder weg! Zij hebben zooveel als ze doen kunnen, om hun stuk vast te houden; en zoudt gij ze zoo gemakkelijk krijgen? Gij zoudt beter zeggen: de Zaligmaker als mijn Zaligmaker of als onze Zaligmaker. Hier hebben wij ons elk te onderzoeken, ik wenschte wel, dat ik tegen elk van u zeggen kon: heden is u geboren de Zaligmaker. Velen bedriegen zich; en die zichzelven bedriegen, zijn bezwaarlijk terecht te brengen. Weinig zullen er zalig worden. Als wij dat zoo met elkander overdenken, moeten wij elk in ons gemoed onszelven dan niet eens afvragen: wel, wiens Zaligmaker is Hij?

Eerst. Ach, het kwaad Aveegt zulk een zoo op zijn hart. Wat voor kwaad? Het kwaad der zonde en der straf. Hij kan niet wezen zonder belastheid. Ach! zij zijn zoo beschaamd en verlegen! Zij weten geen raad voor hunne verdorvenheid. Ach! zeggen ze, ik heb de hel verdiend en alle plagen Gods. Meent gij, dat een kind van God het kwaad der straf niet op het hart wegen moet? Ach ja! de hel en het oordeel wegen hen op het hart. Hoe was die vrome koning

1.68

-ocr page 175-

OVER DEN XI. ZONDAG. Viuq. 2!) en 30.

Hiskia over do zonde en over de straf bewogen! 2 Kon. 20:19. Hoe was Josia bewogen over de straf! 2 Kon. 23:19.

Ten tweede. Dan wordt de Middelaar kostelijker en dierbaarder dan alles wat er in de wereld is. Wat is eer, rijkdom, vermaak van de wereld, als ik Jezus mis? En wat is armoede, schande, droefheid, als fk Jezus geniet? Bezit ik het eerste, de zaligheid is daar niet in, maar alleen in Jezns. Doch mis ik het eerste, en bezit ik het laatste en Jezus, de zaligheid zal mij dan niet missen. Meent gij dat die gelukkig zijn, die eer en aanzien hebben! Legt het eens in de weegschaal. Wat weegt er het meest bij u? Is Jezus uw al? Weegt goed en bloed minder? Dan is Hij de uwe.

Ten derde. Is Hij uwe, dan zult gi] hiermede gaan en staan, slapen en waken, opstaan en werken met dien gestadigen zucht: Ach! dat Gij mijne en ik Uwe was! mijne ziel dorst naar God: zij schreeuwt naar Ü. Ondervindt gij dat zoo al opstaande, te slapen gaande, werkende? Legt u dat gestadig bij: Mijn Heiland, mijn Zaligmaker? ik moet in U zijn, daar is al mijn geluk in, buiten Ü is al mijn ongeluk? Wij verzekeren het u, dan is Hij de uwe.

Ten vierde. Zulk een, die geen rust kan hebben, voordat God tot zijne ziel zegt: Ik ben uw heil. Ei, zeg het eens tot mijne ziel, is het. Nathan had het tot David gezegd: de Heere heeft uwe zonden weggenomen, 2 Sam. 12:13. Maar het kon niet helpen; Heere! was het: Verheug gij de beenderen die^ij verbrijzeld hebt; schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Geef mij weder de vreugde uws heils, Ps. 51 :10, 12, 14. Daar ben ik ziek omdat God het eens getuigen zou in Christus, en zeggen: Ik ben uw God.

Ten laatste. Die hem draagt als een van zijn volk, als gekochten en verlosten Hem prijzen onder anderen, opdat, als ze vragen: wat is uw Liefste meer dan een andere Liefste ? dat ze dan kunnen zeggen: zulk een is mijn Liefste, ja zulk een is mijn Vriend.

Wat dunkt u er van? Zondaar! moet uw hart niet inkrimpen, en zeggen: Ach God, dat mis ik ? Wanhoopt evenwel nog niet. Dat gij nog mist, zal God u misschien in dit jaar, dit dagje, dit uurtje vaii uw leven nog wel geven. Geeft het niet op. Komt naarstig onder de middelen van genade, bidt om zijn zegen, en ziet, wat God geven zal.

En gij die zeggen kunt: ik durf de teekentjes van genade in mijn hart niet ontkennen; welgezegend zijt gij! laat ze u ook niet ontnemen. Wacht er u voor. Raakt gij ze wat kwijt, schrei en bid dat de Heere n die weder gelieve te geven. Geef God geen oorzaak van over u te klagen. Bedroef den Geest niet, zoek Hem vast te houden. Wel gij zijt gezegend, en gij zult gezegend blijven, en niemand zal uwen zegen van u wegnemen. En hebt gij het Lam hier zoo gevolgd, gij zult het dan ook namaals volgen, en eeuwige blijdschap zal op uw hoofd wezen. Ik hoop, dat de Heere al dit gezegde zal zegenen aan u en mij tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

10!)

-ocr page 176-

C A T E CII l S M U S - r R E DIK A TIE.

Over Den XII. Zondag Vrag. 31 en 32.

Twaalfde Zondag.

31. Vuaag. Waarom is Hij Christus, dat is, een Gezalfde genoemd?

Antwoord. Omdat Hij van God, den Vader, verordineerd is, en met

den Heiligen Geest gezalfd is, tot onzen hoogsten Profeet en Leeraar, die ons den verborgen raad en wil van God van onze verlossing vol-komenlijk geopenbaard heeft: en tot onzen eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige offerande zijns lichaams verlost heeft, en ons met zijne voorbidding steeds voortreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.

32. Vraag. Maar waarom wordt gij een Christen genoemd?

Antwoord. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus, en

alzoo zijner zalving deelachtig ben; opdat ik zijnen naam bekenne, en mij zeiven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrij en goed geweten, in dit leven, tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeere.

WIJ lezen, Rom. 3:29, Is God een God der Joden alleen? En is Hij het niet ook der Heidenen? Ja, ook der Heidenen. De Apostel antwoordt er op met zooveel vrijmoedigheid: ja ook der Heidenen, zegt hij.IJ lezen, Rom. 3:29, Is God een God der Joden alleen? En is Hij het niet ook der Heidenen? Ja, ook der Heidenen. De Apostel antwoordt er op met zooveel vrijmoedigheid: ja ook der Heidenen, zegt hij.

lleeft \'dat zijne waarheid, zult gij zeggen, zoowel in \'t Oude Testament, als in \'t Nieuwe? Ja. Daarom staat er. Gen. 9:27, God breide Jafeth uit, namelijk: Hij zou de Heidenen Hem ook laten aanbidden, en Hij wone in Sems tenten. God de Vader zeide tot zijn Zoon: Eisch van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot uw erfdeel, en de einden der aarde tot xnve bezitting, Ps. 2:8. En Jes. 49:6, Ik heb U ook gegeven ten lichte der Heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. Dat loon van de Joden alleen was niet groot genoeg, gij moet tot uw werkloon al een grooter loon hebben. Dat toont God ook in \'t Oude Testament, daar heeft Hij wel Heidenen en Heidinnen in \'t hart gegrepen: Een Uria, den Hethiet,

-ocr page 177-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

en een Jetliro, Mozes\' schoonvader; Paulus zou \'tanders niet hebben durven denken, te zeggen: ja, ook der Heidenen. God heeft er sommigen begunstigd in \'t Oude Testament, eene iüichab, Joz. 0:25, en eene Ruth, de Moabietische, die kwam onder de vleugelen van den God Israels toevlucht nemen, Ruth 2:12. Ja, God had het toegelaten, dat er uit de Heidenen Jodengenooten werden, als ze zich lieten besnijden, en de offeranden des tempels volbrachten. De Heere Jezus is naar het vleesch uit eene Heidin of twee voortgekomen. De Joden mochten wel zeggen: wij hebben tien deel en aan den Heere Jezus Christus; wij hebben er meer deel aan, dan gij Heidenen. De Heidenen konden zeggen: wij hebben er twee deelen aan; uit Rachab en uit Ruth, die twee Heidinnen. Paulus mocht het dan wel met vrijmoedigheid zeggen in \'t Nieuwe Testament: Is God een God der Joden alleen ? En is Hij \'t niet ook der Heidenen? Ja, ook der Heidenen.

Waaruit bleek het nog? De Heere ging onder de Heidenen ook prediken; Hij liet zijne dienstknechten niet alleen gaan tot de verloren schapen des huizes Israels, maar ook tot de Heidenen, Hand. 13:46, zeggen Paulus en Barnabas: Het was noodig, dat eerst tot u het woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keeren tot de Heidenen. De Heidenen kregen ook den Geest. Toen Petrus hoorde, Hand. 10:22, dat de Geest op Cornelius was gekomen, toen riep hij uit: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is, vs. 34. Het kon niet zijn, of de middelmuur des afscheidsels moest gebroken wezen; daarom nam God hem weg. God gaf den Heere Jezus ook een hebreeuwschen en een griekschen naam, een joodschen en een heidenschen naam, een die op de Joden, en een die op de Heidenen zag. Daarom vinden wij in onze Geloofsbelijdenis een griekschen naam, om aan te toonen, dat Hij een Zaligmaker is voor allerlei volkeren. Dien tweeden naam en de zaak zelve, hebben wij tegenwoordig te overleggen. De eerste naam is Jezus, dien hebben wij in den voorgaanden Zondag bezien. De tweede is Christus en dien moeten wij nu bezien. Daarin hebben wij nu te bezien.

Eerst. Hij draagt den naam van Christus.

Ten tweede. Waarom?

Ten derde. Zijn volk draagt den naam van Christenen.

Ten vierde. Waarom? En daarmede hebben wij dit stuk afgehandeld. 1. Staat ons te zien, dat Hij den naam van Christus draagt, dat is gezalfde. 2. De reden waarom? 3. Al zijne lidmaten dragen den naam van Christenen. 4. Waarom?

Wat het eerste aangaat: de Heere Jezus heeft niet alleen den naam van Jezus, dat is Zaligmaker, in \'t Oude Testament gedragen, maar ook dien van Messias, den Gezalfde. In de oude schriften is dat de naam, bij welken Hij bekend was bij de Joden en ook bij de Samaritanen. Zoo wordt er gezegd, Dan. 9: 25, tot op Messias, den Vorst,

Dat niet alleen; maar ook onder de Samaritanen was Hij zoo be-

171

-ocr page 178-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

kend. De Samaritaansche vrouw zeide vóór hare bekeering; Ik weet, dat de Messias komt, die genaamd wordt Christus; en als ze bekeerd was, zegt ze: Komt, ziet een raenscli, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: is deze niet de Christus? Joh. 4:25—29. Hij is in de oude Schriften zoo bekend geweest onder het volk Gods, en zelfs ook onder de Samaritanen.

Zgn er velen in de H. Schriften die gezalfden waren ? Ja, profeten, priesters, koningen; maar Christus is het bij uitnemendheid boven alle andere gezalfden, en boven al de gekroonde hoofden. Wij lezen, dat David van Saul zeide: Dat late de HEERë verre van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijnen heer, den gezalfde des HEEREN, dat ik mijne hand tegen hem uitsteken zou: want hij is de gezalfde des HEEREN, 1 Sam. 24:7. Daniël noemt Hem den Gezalfde, Dan. 9:25, tot op Messias, den Vorst. Dat kan daar op geen Kores zien, noch van denzelven gezegd worden; en dat bewijzen wij uit de bijgevoegde, meegaande en volgende dingen; want wat zegt hij? de heiligheid der heiligheden noemt hij Hem; dat kan geen Kores zip. Hij zou eene eeuwige gerechtigheid teweegbrengen. Hij zou het spijsoffer doen ophouden, daar zou een verwoester zijn over den gruwelijken vleugel; die het leest die merke daar op, want die omschrijving past op geen andere gezalfden. Wij vinden dikwijls in het Woord van koningen die gezalfd zijn, en dat Christus tot Koning gezalfd is, Ps. 2:6, 45:8, 133:2 en in vele andere plaatsen der H. Schrift leest gij liet, dat Christus gezalfd is, Jes. (31: 1, De Geest des Heeren HEEREN is op mij, omdat de HEERE mij gezalfd heeft.

Dat is nu de naam Christus, maar wat wil die zeggen? Dien draagt Hij vanwege zijne Middelaarsbediening en vanwege eenige ambten, die Hij heeft in dat werk. Dien draagt Hij vanwege de gaven des Geestes, waardoor Hij in staat gesteld is, om zijn Middelaars-werk uit te voeren. Dien draagt Hij vanwege die eeuwige heerlijkheid die Hij ontvangen heeft, na het uitvoeren van zijn Middelaarswerk. Hij is de Gezalfde wegens de verkiezing. Meent gij, dat Hij bijgeval en zonder voorverordineering er toe gekomen is, zonder voorkennis Gods! Ach! neen. Gij zijt mijn knecht, u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen, zegt God de Vader, Jes. 41:9. En 1 Petr. 1:20, zegt de apostel: Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil. Daardoor wordt Hij de Gezalfde genaamd; dat is de reden, dat Hij de Gezalfde van eeuwigheid genaamd wordt in de H. Schrift, Spreuk. 8:23, Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Daar behoort ook toe die raad des vredes, die onderhandeling tusschen den Drieëenigen God, om menschen gelukkig te maken tot eer van God. De Vader stelde het harde werk voor: de Zoon nam het aan, willigt het in; de II. Geest neemt op Zich het toe te passen. Als dat vastgesteld is, zoo gaat God het beloven, dat de Middellaar komen zal. Gen. 3:15, En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en

172

-ocr page 179-

OVER DEN XII. ZONDAG. Vrag. 31 on 32.

tusschen uw zaad en tusschen haar zaad, datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen. Hij schaduwt 11 em af; en opdat gij niet zoudt missen, maar het vast weten wie Hij is, zoo gaat Hij Hem net beschrijven; dat is de Steen, zegt God de Vader, waar al die karakters op staan, die gij dan in \'t Woord leest. Gij zoudt altemet denken: is het de rechte Messias wel; let op den Bijbel, daar zult gij vinden den netten tijd van zijne komst, gij zult de plaats vinden: al de merken Gods staan er op. Hij is in de wereld gekomen in de volheid des tijds. Hetgeen God in de eeuwigheid in zijn hart had, en in den tijd beloofde, wordt zoo net vervuld. Daar was het; Ziet het Lam Gods dat de zonde der wereld weg-neernt. Joh. 1:29. Hij is geworden uit eene vrouw. Daar ziet gij den Zaligmaker, dien de Vader geheiligd, en in de wereld gezonden heeft. Zegt gij, dat Ik God laster, zegt Hij, omdat Ik mijzelven Gods Zoon maak? Joh. 10:36. Opdat gij niet missen zoudt, zoo komt God uit den hemel met eene hoorbare stem, tot driemaal toe, en Hij getuigt het: de eerste maal waar duizenden van menschen bij waren, daar aan de Jordaan, als hij gedoopt werd, roepende uit den hemel: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb, Matth. 3:17, en gij zult aan Hem niet mis zijn; de tweede reis aan Petrus, Jakobus en Johannes op den berg, wanneer de stem uit de wolken kwam, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb, hoort Hem, Matth. 17:5. De derde reis was, Joh. 12:28, daar een schare van duizenden van menschen stond, daar riep God: Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken. En de schare, die daar stond en dit hoorde, zeide, dat er een donder-slag geschied was, vers 29. Daarom wordt Hij Christus genoemd, omdat God Hem de gaven en bekwaammaking gegeven heeft om zijn Middelaarswerk uit te voeren. Zijne menschelijke natuur was maar eene eindige en Hij moest geestelijke bekwaamheden hebben; en Hij kreeg ze ook. Hij was daartoe in de eeuwigheid met zijne Goddelijke natuur in eene overeenkomst met God den Vader gekomen. Daar lag dat in, dat Hij den Geest zonder mate over Hem zou uitstorten. Joh. 3:34. Bij ons is begin en einde, paal en mate; maar in Hem moest de volheid zijn.

Hij is Christus genaamd vanwege zijne bekwaammaking tot dat werk. Lieve menschen! als God een predikant of burger tot eene bediening roept, Hij vindt hem bekwaam, of Hij maakt hem bekwaam: Hij geeft hem er de gaven toe, al was het dan een koning Saul. Let er op! een burger moet wel eens zeggen: Heere! wat schenkt Gij mij al gaven die ik te voren niet had, toen ik de bediening niet had.

Nu komt God en die zegt tegen den Middelaar: Ik zal u in staat stellen om het Middelaarsambt te bedienen; en dat deed Hij langs drie trappen.

Eerst. Langs dien van zijne kindsheid.

Ten tweede. Toen Hij in do bediening kwam.

Ten derde. Toen Hij in de heerlijkheid inging.

173

-ocr page 180-

CATEOHISMUS-PREDIKATIR

Wat het eerste aangaat, van y.ijne kindsheid af gaf\' Hij Hem zulke gaven, dat elk verbaasd moest staan. Toen Hij twaalf jaren oud was, staat Hij daar in den tempel onder die wijze leeraren, en onderwijst en ondervraagt hen, Luk. 2:46. En Hij groeide zoo al op in wijsheid en in kennis, zoodat elkeen er den mond van vol had, dat het zulk een uitnemend jongeling was. Men zegt altemet als een kind zoo tien ot twaalf jaren oud is, en \'t is wat verstandig: daar zit een geest in, zegt men.

Ten tweede. Toen kwam God en Hij stortte zijnen Geest over-vloediglijk over Hem uit, als Hij gedoopt werd. Dat was de tijd, dat Hij zijne bediening aanvaardde.

Ten derde. Daarop deed Hij het, als Hij in de heerlijkheid inging, tot loon van zijnen arbeid, Ps. 45:8, Daarom heeft U, o God! uw God gezalfd (en geestelijke gaven gegeven) met vreugdeolie boven uwe medegenooten. Die medegenooten zijn dat nu juist engelen? Wij rekenen het al degenen, die ooit of ooit van God\' gaven gekregen hebben; en laten het nu nog zulke grooten zijn. Hij krijgt de grootste. Dat is de naam Christus.

Gij zult zeggen: welke bedieningen bezat Hij? drie.

Eerst. Voor den blinden en dwazen zondaar bezat hij wijsheid en was een Profeet om hem te leeren.

Ten tweede. Voor den vertegenen zondaar was Hij een Priester om verzoening te doen.

Ten derde. Voor den weerloozen zondaar was Hij een Koning om hem te beschermen en te bewaren.

Christus heeft drie ambten. Hij is de groots Profeet en Leeraar die al den raad Gods verkondigt, Hand 20:27. Was dat het niet, waar zouden wij er ooit achter gekomen zijn? De engelen konden dien niet weten, als door de ontdekking Gods, die aan de gemeente geschiedde. Nu komt deze Leeraar en zegt: wil Ik uw predikant zijn, om u wijsheid te leeren, om u toekomende dingen te voorzeggen? en mijne leer zal Ik bewijzen, dat ze de waarheid is. Dat kan deze Profeet doen. Men moet er van zeggen: wie is een Leeraar gelijk Gij? Job 36:22. Wie heeft er zooveel wijsheid, bekwaamheid, zachtheid ? Wiens leer heeft er zooveel kracht, aangenaamheid, genade, als die van onzen liefsten Heere Jezus? Gij wilt altemet weten, wie de beste predikant is: de Heere Jezus is de beste; met menschen kunt gij. altemet zoo mistasten. Maar weet gij wie de beste is? quot;t Is Jezus. Gij ziet Hem dikwijls allerminst, en gij vliegt in de mindere predikanten; maar Hij predikt \'t meest en krachtigst, en Hij is de aller-gezegendste. Aanmerkt dien Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis, hoe groot Hij is, zeide raulus, Hebr. 3:1. Uwe beste predikanten zijn altemaal nietmetal. Als zij alleen preeken, dan zijt gij dor en ledig. Maar als Hij er een woordje bijvoegt, dan gaat gij vervuld naar huis. En denkt wel van ons, ik wilde wel, dat ik u al weer hoorde; maar wij zijn altemaal niets. Paulus die plant, en Apollos die nat maakt, zijn allen niets, als God den wasdom niet

174

-ocr page 181-

OVER DEN XII. ZONDAG. Vraü. 81 en 32.

geeft, 1 Cor. 3:6, 7. Daar komt Jezus prediken bij dien dwazen en onkundigen zondaar. Wel! zegt Hij, zondaar! daar quot;is genade voor u, daar zijn uitkomsten tegen den dood, wat wilt gij hebben? Dan komt Hij, en Hij wordt hun een Profeet. Zoo gij in Mij gelooft, zegt Hij, zult gij leven; en gij zult gezegend zijn. Wij zulien nu zoozeer niét zien op de toekomende dingen te voorzeggen, en wat Hij al gedaan heeft als Profeet; wij zullen maar bij het geestelijke blijven. Zondaar! zegt Hij, gij kunt zalig worden. Ik verkondig het uj Ik zeg u: zalig zijn die en die, Ik zeg ook: rampzalig zijn die en die; sluit gij de deur van uw hart voor Mij toe? Wilt gij \'niet naar Mij hooren? Wee! Wee! Wee! dan, dan zult gij in uwe\'zonden sterven; en hoe zult gij het dan maken? Niet alleen dat, zondaar! maar wil Ik mijn zeggen goedmaken? Gij ziet Mij, en gij ziet zoovele duizenden van getuigen. Beziet hun leven en wandel, en beziet ook mijn leven en wandel. Ben Ik mijn Vader niet getrouw geweest, en quot;ben Ik niet gekroond geworden? Beziet mijn heiligen wandel. Ik heb het kruis verdragen en de schande veracht, Hebr. 12:2, en ziet hoe Ik er op gestorven ben, en die goede belijdenis beleden heb, onder Pontius 1 uatus. Hij is de hoogste en volmaaktste Leeraar.

Hij is ook de Priester. Als ik en gij hooren prediken met vrucht, dan gaat het schepsel weg. Als iemands hart gebroken eu overtuigd wordt, dan ziet hij, dat hij verloren is: hij gaat dan in eenzame plaatsen schreien. Dat ziet Hij, als de zondaar daar uitroept: wat raad? nu ben ik al mijne rust kwijt, nu moet ik verloren gaan wat zal ik gaan doen? Wat doet de Heere dan? Ik ben de Priester, zegt Hij. Ik kan u rust geven, met God verzoenen door mijn offer en voorbede. Weet gij het niet, arm schepseltje! wat een offer dat Ik heb om voor de zonde te betalen? Is die Fontein zijn bloed en offerande niet voor mij en u? Wat zullen wij dan doeii? Hij heeft ons verlost, niet met zilver of goud, maar met zijn dierbaar bloed, fjquot; Hij heeft zijn leven gesteld voor den zondaar, opdat

Hi] hem met God verzoenen zou. Wilt gij het opgeven, nu Ik als Profeet nupi werk aan u gedaan heb? zegtquot; Hij. Komt tot Mij en Ik ?j1.. u. nie^ uitwerpen. Joh. 6:37. Ik zal u vrede geven. Ach! zegt Hij, m plaats dat het met u gedaan is; Ik spreek zegeningen over u mt en niemand zal uwen zegen van u wegnemen. Ach! den vloek heb Ik weggenomen, en Ik heb dien in een zegen veranderd. In mijne apostelen heb Ik u de handen opgelegd en gezegend; en Ik heb gezegd, dat gij gezegende menschen zijt. Ach! Ik zal bij\'u zijn, waar gij ook zijt. Ik heb voor u gebeden, op de wereld en quot;ook aan t kruis; en nu bid Ik in den hemel ook voor u. Dat hebben wij u, toen wij spraken over Openb. 8, doen zien, hoe Hij daar de Voorbidder is, hoe Hij daar allerlei smeekingen doet, en hoe al zijne kinderen al hunne smeekingen op Hem leggen, als op dat gouden reukaltaar, zoodat er als een rook voor God opgaat van al de gebeden, en die maakt Hij bij God aangenaam, en er komen antwoorden, als stemmen en donderslagen, zoodat ze zelf moe-

175

-ocr page 182-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ten zeggen: dat ze een krachtig en duidelijk antwoord krijgen.

Wij zeiden, dat, als Jezus ziin werk als Profeet gedaan heeft, dat Hij dan komt als Priester. Meent gij dat Hij ze, als Hij ze overtuigd heeft, dan zal laten sterven? Neen, zondaar! dan is de Heere Jezus de Priester. Al is het, dat gij al bevende tot Hem gaat, al was het op uw sterfbed, dan vloeien zijne lippen nog van zegeningen. Nu is Hij een grooter Priester dan allen, die er ooit geweest zijn; zelfs is Hij boven Melchizedek.

Nu, Hij heeft zijn werk als Profeet, en als Priester, niet gedaan, of Hij doet het ook als Koning.

Wat doet Hij als Koning? Hij baalt de zijnen uit bet rijk des duivels. Hij ontrooft dien sterkgewapende zijne wapenrusting en vaten; en Hij gaat hun ontrust gemoed stillen. Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? zegt Hij. Houdt gij bet niet met Mij? Zijt gij besloten het alles uit te staan wat er uit te staan is bij Mij ? Wilt gij zoowel den naakten Jezus aan het kruis, als den verheerlijkten Jezus op Thabor? Hebt gij het wel doorkeken, of gij mijn dienstknecht of dienstmaagd zoudt willen wezen? Wilt gij Hem voor uw Heere hebben, en u voor Hem nederbuigen? Ps. 45; 12. Zegt gij: ik ben tot uwen dienst met al wat ik heb, of kan? Zoo wordt Hij Koning van eene ziel evenals van de gansche Kerk. Dat kunt gij dan verder met uwe gedachten uitbreiden.

Heere! mochten zij zeggen, daar komen zulke aanvallen! Ik zal u bewaren, zegt de Heere, en kracht geven; geen nood! laat het gaan zoo het wil. Ik zal u in mijne hand houden. Daar zal er geen een van mijne schapen verloren gaan, Joh. 17 : 12. Ik heb er mijn bloed voor uitgestort, zij kunnen niet van Mij afgaan. Zou de duivel of de wereld hen verslinden? Dat kan ook al niet wezen. Zegt gij: het zal alles tegen mij zijn. Dan zal Ik zeggen: tothiertoe en niet verder; houdt op. Al zouden ze in de hel geworpen worden. Houd op Farao! of gij zult in de hel geworpen worden, \'t Geschiedde ook zoo. Houdt op Paulus! zeide de Heere, en hij hield op. Is er een die niet wil ophouden? die wordt zoo in de hel gesmeten. Kinderen van God, wat voor wonderlijke dingen! Al werden de bergen verzet in het hart van de zee, Ps. 40:3, gij zult niet verloren gaan, zegt de Heere. Ik heb u in beide mijne handpalmen gegraveerd, Jes. 49 :16. De poorten der hel zullen u niet overweldigen, Matth. 16:18. \'tls opmerkelijk, dat zulk eene ziel zegt: Ik dien den Heere Jezus met een vrij en goed geweten. Dat zullen wij daarna nog met een weinig woorden uitbreiden. Daar hebt gij eerst den naam Christus, en dan ten tweede waarom Hij zoo genaamd wordt.

Nu het derde. /ij zijn Christenen. Dan zullen wij u ten vierde doen zien, waarom de lidmaten van dezen Koning Christenen heeten. Het allereerst werden zij zoo genoemd, Hand. 11 :16, in die groote stad Antiocbië. Te voren waren \'t broeders, discipelen. Zij waren toen met dien naam van Christenen bekend, zelfs in de hoven der koningen, onder de grooten en wereldlijken. Dat die bet wisten, blijkt

170

-ocr page 183-

OVER DEN XII, ZONDAG. Vkaq. 31 en 32.

uit Agrippa, Hand. 2G:28, die zeide tegen Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden; houd op, gevangen man, is dat prediken! gij beweegt mij bijna een Christen te worden; gij zoudt mijn geheele hart wel innemen, gevangen man!

Niet alleen was de naam Christen bekend in de hoven der koningen, maar zelfs tot onder de Heidenen, tot op de schavotten en in de gerichtsplaatsen. Indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen deele, 1 Petr. 4:16. Daar hebt gij den naam Christenen.

Maar waarom dragen zij nu dien naam? Daarna hebben ze zich-zelven andere namen gaan geven; maar zij benoemden zich ook zeer kwalijk, Calvinisten, Lutheranen, enz. Geliefden, wat is dit? Is dit wel gedaan, dat de gemeente en de lidmaten van Christus andere namen krijgen ? Als ze andere namen krijgen, is dat maar van de vijanden. Lutheranen en Calvinisten, dat zeiden de Papisten. De ware kerk heeft den naam van Christelijke Gereformeerde Kerk, om zich te onderscheiden van de valsche. Zij dragen ook den naam van de Chris-ten-Kerk; maar onze kerk heeft andere namen gekregen, om zich yan haar te onderscheiden, en als wij eenen anderen naam aannemen, is dat, niet omdat wij zulk of zulk eens mans gevoelen aannemen, en voor onfeilbaar houden, maar dat is, opdat de gedachtenis des rechtvaardigen tot zegening wezen zou. Spreuk. 10:7. Als er ouder de ware Christenen, zulke namen gegeven worden, aan den eene die, en aan de anderen die, Voetianen en Coccejanen, zoo is \'t niet dan ergerlijk voor al degenen die buiten ons zijn. Ik blijf dan bij de 32ste Vraag: Waarom wordt gij een Christen genoemd ? Dat moesten wij oplossen.

Eerst. Omdat Christus het Hoofd van de gemeente is; en zij zijn door \'t geloof Hem ingeplant. De gemeente wordt zelfs Christus genoemd, 1 Cor. 12:12, Want gelijk het licha am één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ééne lichaam vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzoo ook Christus.

Ten tweede. Christenen zijn ze, omdat de Heere Christus hun Leer-aar is. Doorgaans zult gij vinden, dat de discipelen zich naar hunnen meester laten noemen. Nu is Christus niet alleen hun Meester, hun Hoofd, maar Hij is hun Man en Bruidegom. Zij zijn de bruid, de vrouw des Lams, Openb. 21 :9. De vrouw moet naar den man hee-ten, zij moet zijn naam voeren. Zal Hij Christus heeten, zoo moeten zij Christenen heeten. Hij is hun Heere, zij zijn zijne knechten; en een knecht moet een kenteeken, de livrei en het zegel van zijnen heer dragen. Openb. 7:3, zegt de engel: En beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienstknechten on-zes Gods zullen verzegeld hebben. De naam, het zegel en kenteeken van den Heere stond op hun voorhoofd of rechterhand, die werd gedrukt op hun voorhoofd of hand.

Pen derde. Zij worden Christenen genoemd, omdat ze op eene christelijke wijze spreken, leven, lijden en sterven. Zij zijn onderscheiden van Joden en Heidenen, omdat ze de zalving, de gaven des Geestes,

177

12

-ocr page 184-

CATECHISMUS-PBEDIKATIE

die op den Heere Jezus Christus zonder mate zijn uitgegoten, mede deelachtig ziin geworden, 1 Joh. 2:20. Daar zitten ze zoo onder dat Hoofd, en daar druipt op elk lidmaatje ook wat van die zalving. Daar is die olie op het hoofd van Aiiron gegoten, die zoo langs den baard tot in de zoomen zijner kleederen, dat is, op de ledematen nederdaalde, lJs. 133:2. Maar daar zijn er, die willen in dien baard van Aaron ook al wat vinden. Doch wij zeggen: dat, zoo de Geest van het hoofd tot den baard nederdaalt en zoo op al de leden; al wat boven het hoofd is, dat is voor het hoofd; maar al wat beneden het hoofd is, dat is voor de leden, die hebben mede die zalving met al die geestelijke gaven, Ps. 68:19. De Geest der genade en der gebeden, des gèloofs, der liefde, des vredes en der cordaatheid druipt zoo van God af op dat hoofd, en zoo van dat hoofd tot op het uiterste lidmaatje; die krijgen ook hun deel, en zij hebben mede zoo eenige bedieningen; zij zijn mede op hunne wijze profeten, priesters en koningen; wel zoo niet gelijk als Christus, maar evenwel zoo, dat er een klein zweemptje naar Hem is Zij worden ook profeten genoemd. Uwe zonen en uwe dochteren zullen profeteeren, Joel 2 : 28, en 1 Petr. 2:9 worden zij genoemd een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, en\' Openb. 1:6, Koningen en priesters Gode.

Zij zijn ook mede op hunne wijze profeten: op eene geestelijke wijze. Wel, een profeet, wat was dat voor een man? Die had eene groote geleerdheid van God, en dat hebben zij ook. Zij worden van God geleerd, wat zonde is, wat genade is, wat wedergeboorte is, wat trouw, wat oprechtheid is; zij hebben ondervinding wat licht is, zij worden allen van den Heere geleerd van den kleinste af tot den grootste toe, Jer. 31:34. Wilt gij geleerde lieden zien? Dan moet gij een Christen zien. Al heeft iemand den naam van geleerdheid, dat is geen geleerdheid; dat is maar verkeerdheid. Die van God en Christus geleerd worden, en Christenen zijn, die worden nu bijna doorgaans voor fijmeiaars en onnoozele menschen gerekend; maar dat is omdat de anderen niet geleerd zijn; al die andere geleerdheid is maar verwaandheid van die vuile letterknechten.

Ten tweede. Dat niet alleen, dat ze van den Heere geleerd worden, maar zij verkeeren ook zeer nabij met den Heere; even gelijk de profeten deden.

Ten derde. Hetgeen de profeten van God geleerd hadden gingen ze ook anderen leeren. Zoo zitten deze ook onder hunne kinderen, vrienden en buren, en zij leeren de onkundigen; zij profeteeren, spreken, stichten. Zij leeren al sprekende van den Heere Jezus Christus, hoe hoog Hij verheven is; van de genade, van de zonde, van de heerlijkheid. Zij bidden, zij zingen. Hebben ze een lied, een psalm, zij zingen, zij bidden eens\'met elkander. Daar ligt de vader met de huis-genooten eens op de knieën, in de gezelschappen der vromen wekken ze eens iemand op, zij bidden, zij spreken, zij stichten.

Wat doen ze nog al? Zij gaan met hunnen goeden wandel hunne naasten voor en stichten ze daarmede, en zoo zoeken zij ze te win-

178

-ocr page 185-

OVER DEN XII. ZONDAG. Vrag. BI on 32.

nen en te overtuigen. O! zelfs met hunnen dood stichten ze nog. Zij worden wel niet uilen martelaren, noch tot het martelaarschap geroepen; maar zij moeten elk gereed en in staat daartoe zoeken te zijn. Sterven ze hun eigen dood, daar ligt dan dat schepseltje afgetrokken van alle schepselen. Zij willen wel sterven; zij zijn zoo blijde, dat ze hun kruis en de zonde ten einde zijn; zij spreken zoo, dat de omstanders zeggen: ik ben er van gesticht; het sterven van dat mensch, zeggen ze, zal ik mijn leven niet vergeten.

Maar zijn ze ook priesters? Ja; geestelijk staan ze daar als priesters in de dingen, die bij God te doen zijn, Hebr. 5:1. Daar staan ze altemet eens in de bres; zij bidden, zij spreken voor anderen; zij zegenen anderen, zij spreken zegeningen uit, en daar komen ze met een oiferandetje van een gebroken hart en een verslagen geest. Dan brengen ze eens een oiferandetje van een gebed, een aalmoes, een dankoffer en een lofoffer. Dan offeren ze eens de dooding van den ouden mensch. Zij hebben zoo hunne geestelijke offeranden, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.

Zijn ze ook koningen? zult gij zeggen. Ja, dat zijn ze in waarheid, al gingen ze met gescheurde kleederen; al liepen \'ze een rijken achterna om een stukje brood. Hoe zijn ze dan koningen? In hunne grootmoedigheid. Gij zult ze nergens voor zien staan; zij gaan door rivieren, door gewapende benden loopen ze door, de stalen bogen worden door hunne armen verbroken, Ps. 18:35. Als God zegt: lustig mijn kind! dan springen ze over een muur. Zij zouden dan geen geheele hel ontzien. Zij hebben zulk een voortreffelijken, zulk een prinselijken geest in zich. Zij zijn ook zoo rijk! Zij liebben zoovele schatten. Geen koning heeft zooveel, al was \'t een Salomo. Van hen kan gezegd worden: Alles is uwe; God, de hemel, de eeuwige zaligheid, alles is uwe. Zij hebben ook genade. Het Woord is hun. Al de beloften zijn hun. Hun erfdeel is uitermate groot. Zij hebben uitnemend veel goed. De geheele regeering Gods is hun. Zij hebben eene koninklijke heerschappij. Meent gij, dat ze zonder bewind zijn? De wereld mag hen overal uit houden, uit kerkelijke en burgerlijke regeering, zij zijn evenwel in regeering; zij hebben er zoo geen als de wereld, maar zulk een heerschappij als een Christen; die is grooter dan die van een koning. Daar is dikwijls een koning aan een kleine verdorvenheid vast, en hij kan er niet afkomen; maar de minste Christen is dikwijls de grootste verdorvenheid meester. Zij kunnen altemet over hunnen geest heerschen. Ik was mij zelf geen\' meester, zegt een wereldsch mensch; maar een Christen zegt: ik bezat mijne ziel in lijdzaamheid; die anderen regeeren veel, zegt hij, maar ik, ik regeer nog al meer dan een geheele wereld.

Dat niet alleen; maar daar ligt ook eene koninklijke majesteit op hen. Daar ligt op een koningsmantel zooveel majesteit niet, dan op een bedelaar, die vroom is. Op den knecht, die vroom is, ligt meer glans dan op den heer, die niet vroom is. Daar ligt zooveel glans op zulk een knecht, dat de heer zelfs moet omzien naar den knecht.

17!)

-ocr page 186-

CATECHISM CIS-PREDIKATIE

als hij \'fc gelooft dat hij waarlijk vroom is. Zij zouden altemet zich wel tot aan de zool en planten van hunne voeten buigen. Altemet, als ze bezig zijn in de zonden, en daar komt iemand in die vroom is, en waarvan ze dat gelooven, zou elkeen wel zeggen: hier moeten wij afbreken. Zulk een ontzag ligt er op. Ik weet wel, dat gij \'twel ondervonden hebt, als gij branddet in uwe gezelschappen om te spelen, en als er een vrome in uw gezelschap was, durfdet gij niet; en zoo gij er evenwel doorbraakt, moest gij uw geweten eerst geweld aan doen. Ziet gij \'t wel? Zij doen alles zoo met een vrij en goed geweten. Zij dienen God met een vrij en goed geweten. De wereld lastert, als ze zeggen, dat ze het gedwongen doen. Ach, neen! zij dienen (iod met een vrij gemoed. Zij doen \'t, om te tooneu, dat ze waarlijk vrijgemaakt zijn van den Heere, Joh. 8:36.

\'t Was een vuile laster die ze den Christenen oplegden in die eerste Christentijden, toen zij hun nagaven, dat ze hunne kinderen slachtten, hun bloed dronken, zich op eene ongeoorloofde wijze vermengden, en ftlle vuile dingen bedreven. Doch de Heere bestelde \'t zoo, dat er geen wakkere mannen ontbraken, die aantoonden, dat de Christenen onschuldig, en de Heidenen lasteraars waren.

Wij zeiden, dat ze \'t doen om een goed geweten te bewaren. Zij hebben ook zulk een bevredigd en blank gemoed. Daarom moet men niet zeggen, dat het koppigheid is. Ach! mijn geweten is zoo ruim, zegt een Christen, ik zou niet vermogen anders te doen. Daar hebt gij ons vierde stuk.

Geliefden! wij hebben ook den naam van_ Christenen. Laat ons dan nu niet meer doen, dan eens zien, of wij een waar of geen waar Christen zijn.

\'t Kan al niet helpen, of wij groote en mooie namen hebben, wi] moeten zaken hebben. Waar zijn ze, die de zaken hebben? Ach! daar zijn er zoo weinigen! Men kan van iets den naam wel hebben, en de zaak missen. Men kan zoo nabij komen. Men kan eene goede opvoeding gehad hebben, een zacht humeur hebben. Men kan veel gelezen en veel nageleerd hebben; en men kan er al slinksche oogmerken in hebben. Men kan al vele deugden doen, en al veel vertoonen, maar men kan God met geen vertooningen ophouden. Men kan elkander al zoetelijk toepraten, maar het kan alles niet helpen voor God, die in den hemel woont. Wat zal \'t gruwelijk zijn, als wij den naam gehad hebben, en dat men voor geen waar Christen kan doorgaan! Wat zal \'t schrikkelijk zijn, den naam gehad te hebben onder de menschen, dat men \'leeft,\' als God zal zeggen, dat men dood is; en gelijk hi] eens van de Joden zeide, dat zij eene Synagoge des Satans waren! Kom aan, laat ons elkander niet langer ophouden, maar laat ons eens zien, of ik of gij een waar Christen zijn.

Waaraan kan men \'t weten?

Eerst. Een waar Christen is zulk een nederig mensch. Ach Heere! zeggen ze, wat ben ik, wat heb ik, wat kan ik? Zij zijn bij zichzel-ven zoo klein. Zij zijn zulke wormpjes. Zij kunnen niet veel doen.

180

-ocr page 187-

OVER DEN XII. ZONDAG. Vrao. fil on 82.

Zij hebben niet veel bekwaamheid, dat is in hun hart en mond bestorven: ik ben niets waardig. Die geen waar Christen is, die houdt niet van zoo nederig en altijd zoo klein te zijn. Dat kennen ze niet. Zij willen ook niet al te veel verkleind worden. Maar een waar Christen zult gij zoo klein vinden den geheelen Bijbel door. Daar \'t ware werk in is, dat werkt in hun de uiterste nederigheid. Die geringen, zei David tegen Michal, als zij hem bespotte, dat hij zich zoo vernederde, daar zal ik mede verheerlijkt worden, en ik zal mij nog al geringer aanstellen, 2 Sam. G ; 22.

Ten tweede. Als hier nu iemand zit, die al de kenteekens tegelijk zou willen hebben, die doet kwalijk. Ziet maar welke gij hebt, en ziet de andere te krijgen. Allerliefste Heere! hoe beschaamd maakt mij de zonde! zegt een waar Christen. Ach! hoe bange valt ze mij! dat is de Achan, die mij zoo beroert; ach, mijn verhard hart! Hoe raak ik van de zonde af! Die geen waar Christen is, die kent dat niet; hij is er voor God zelfs niet beschaamd over. Wat pijn hij kent, of kennen mag, hij kent geen pijn over de zonden.

Ten derde. Een waar Christen, ach! zegt hij, ik ben zoo bekommerd, of wel \'t werk Gods in mij is; of uw werk, Heere! wel in waarheid in mij is; en vindt hij wat, zal ik niet weer afvallen? zegt hij; zal ik ü niet tot oneer worden? zal ik anderen niet bedroeven? zal ik wel zalig worden? Maar de anderen nog wereldsche menschen en naam-christenen, ach, neen! zeggen die, ik stel dat vast; ik ben daar niet bekommerd over; al zouden ze \'t zichzelven opdringen, al zouden ze \'t zonder en tegen de teekenen vaststellen. Ik zal wel zalig worden, zeggen ze, dat stel ik vast.

Ten vierde. Zij kunnen zoo vereenigen met de ware Christenen. Maar de naam-christenen, als zij daarbij zijn, dat stuit hun. \'t Is altijd wat, zeggen ze, en ik weet niet wat het is; de menschen die spreken wel, zij ontstichten mij niet; hunne deugden zijn al wel en al sierlijk; maar als ik mijn hart onderzoek gaat het er zoo niet naar uit; maar de ware Christenen al heb ik ze mijn leven niet gezien, \'t is aanstonds: met u vereenig ik, met u kan ik praten; ach! gij zijt mijn vriend en vriendin. Maar de naam-christenen zeggen: ik mag niemand minder zien dan die fijmelaars; die fijmelaars! dat zijn de ware Chistenen niet, en die haat ik, die mag ik niet lijden, die bespot, en smaad, en laster ik; die veracht ik, die kan ik alle kwaad doen; ik zal ze drukken, vervolgen, waar ik maar kan.

Ten vijfde. De ware Christenen staan dikwijls en schreeuwen, ach! wat eene verandering voel ik: ik ga levendig te bed, en sta dor op; het eene gebed, de eene godsdienst, de eene samenspraak scheelt schrikkelijk veel van de andere, als wij prediken, dat scheelt schrikkelijk, de eene maal van de andere. Or men al zegt: laten wij het weer eens zoo doen gelijk toen, dat is onmogelijk: hetzelfde gebed kunt gij niet weer doen. Dat is een raar stuk als ze weer eens dezelfde uitdrukking krijgen; hoe ben ik dus? zeggen ze, nu is \'t wel, en toen was \'t dor, nu ben ik zoo week, toen was ik hard, toen was

181

-ocr page 188-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ik als een duivel, en nu ben ik als een engel. Maar die geen waar Christen is kan hetzelfde gebed wel doen. Ik ben niet verlegen, zeggen ze; die gaan altijd op dezelfde wijze te kerk en ten avondmaal. Zoo een is als een steen, als een doode en altijd eveneens.

Ten zesde. Een waar Christen die het ware Christendom in zijn hart heeft, \'t is zulk een oprecht mensch! Zij worden voor geveinsden gescholden, maar zij zijn vijanden van alle geveinsdheid. Het zijn de alleroprechtste menschen. Weet gij waar het aan blijkt, dat zij oprecht zijn? O! zij zijn er altijd zoo over bekommerd. Heb ik daar niet meer voor de menschen getoond, als ik bezat? zeggen ze. Zij onderzoeken zichzelven duizendmalen of hun staat goed is. Worden zij dit jaar in het leven gespaard, zij onderzoeken zichzelven, en al was het nog twintig jaren, zij zouden het alweer doen. Zij vragen het aan anderen: zou mijn staat wel goed zijn? zeggen ze; zijt gij ook zoo? hebt gij het mede zoo ondervonden? Zij willen niet bedrogen zijn. Zij bidden God dat Hij het hun belieft te ontdekken. Is er eenige verkeerdheid in mij? Heere! ontdek het mij toch, toets mij Heere! en proef mij, Ps. 139:23, 24. Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij, en ken mijne gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg. Alle onderzoekende bedieningen, waar valsche gronden ontdekt worden, waar onderscheidenlijk gepredikt wordt, daar moet ik wezen, zeggen ze; of ik mij alternet bedroog, opdat ik ontdekt zou worden. Zij schuwen het licht niet.

Wat zegt nu uw hart? Al die anderen wilden wel, dat er geen geestelijk prediken was, of dat zij het nooit hoorden. Zij zoeken maar zulke, waar de menschen over \'t hoofd gepredikt worden, waar zij zich met den letter maar ophouden. Of komen ze eens onder do anderen, als het dikwijls anders niet kan zijn, dan wringen ze zichzelven in duizend bochten, zij zouden wel gaan slapen. Ach! zeggen ze, ik wil niet overtuigd worden. Zij doen moeite om den klem van \'t Woord weg te krijgen, dat zijn maar fij meiaars, zeggen ze, en geveinsden. Zij zouden zulken gaan verachten. Dat onderscheidenlijk prediken, zeggen ze, houd ik niet voor goed, en hun gemoed krijgt altemet zulk een neep daardoor, dat ze geweld moeten doen, om het te gaan verdooven. Als men ze eens wat te na gekomen is, dan zijn ze bedroefd, dat er een traan uit hunne oogen gekomen is of dat ze maar eens effen gezien hebben.

Ten zevende. Gij zult ze zoo vinden, dat ze zeggen: allerliefste Heere! ik betuig Ü, ik ben er op gezet, ben ik niet bekeerd, ontdek het mij, overtuig mij, verander mij. Ik betuig dat ik U en uwe genade van noode heb. \'t Is er mij om te doen, zoo het niet begonnen is, begin het nog. Dan gedragen ze zich ook als een Christen, in de kerk niet alleen, maar ook in hun huis: in voor- en tegenspoed, in kruis en voorspoed. Zij zwijgen, zij spreken, waar ze het moeten doen. De anderen zeggen: \'t komt zoo nauw niet, dat zijn maar een deel kleinigheden.

1S2

-ocr page 189-

OVER DEN XII. ZONDAG, Vrag. 31 en 32.

In \'t bizonder een waar Christen, die spreekt en hoort gaarne van Christus. Weest gij mij, zeggen ze, de grootste, de liefste predikant. Die predikant zal blijven, als al de anderen, die mij hier lief zijn, weg zullen wezen. Weest gij mijn Priester, laat ik mijn hart in uwen schoot mogen ontlasten. Weest Gij mijn Koning, om mij te regeeren en té beschermen. Laat ik uw onderdaan zijn.

Nu hebt gij \'t gehoord, en nu vragen wij u, in welk beeld gij u \'t best vindt in den waren Christen of\' in den naam-christen ? Uitwendig lidmaat! begon uw hart u niet te kloppen? en waar lidmaat vondt gij u niet beter in het beeld van den waren Christen? Lieg niet, spreek ongeveinsd, vondt gij u in de prent van den waren Christen niet beter? Zegt gij ja, ik kan tegen de waarheid niet? Wel geeft God de eer, en wacht, totdat Hij u nog meer zal geven. Die Driester op den troon heeft eene geheele zee van zegeningen, en die zal niet ophouden, totdat Hij u den laatsten zegen zal gegeven hebben. Beërft den laatsten Priesterzegen, dien Hij n toe zal roepen: Komt gij, gezegenden mijns Vaders beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Gaat nu in de vreugde uws Heeren. Amen.

183

-ocr page 190-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XIII. Zondag. Vrag. 33 en 31.

Dertiende Zondag.

33. Vhaag. Waarom is Hij Gods ecniggéboren Zoon genaamd, zoo wij toch ook Gods hinderen zijn?

Antwookd. Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is; maar wij zijn om Zijnentwil, uit genade, tot kinderen Gods aangenomen.

34. Veaag. Waarom noemt gij Hem onsen Heere ?

Antwookd. Omdat Mij ons, met lijf en ziel, van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle geweld des duivels verlost, en ons aluoo Zich tot een eigendom gemaakt heeft.

WIJ lezen, Jer. 9:23, 24, Zoo zegt de Heere: Een wijze be-roeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid, een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom; maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, enz. Rijkdom, wijsheid en sterkte, het zijn al groote dingen; \'tis alles onder het mooie van de wereld. Als God iemand met rijkdom begiftigt, en niet met genade, zoo verheft hij zich; en het laatste gebeurt wel, zelfs al heeft iemand al genade. Dat zien wij in Hiskia, toen God hem niet bewaarde, hij was rijk; daar komen gezanten om hem te zien; daar verheft zich zijn hart, hij kon het niet inhouden: ziet, wat al schatten dat ik heb, zeide hij, 2 Kon. 20:13. Der jongelingen sieraad is hunne sterkte, en gij zult er bijna niet een vinden, of hij zal zich op zijne kracht verheffen. Simson, hoewel hij een Nazireër was, schijnt ook al verheffing des harten over zijne kracht gehad te hebben, Richt. 16:20. De wijsheid is wat groots. Daar studeeren sommigen toe, om dikwijls iets te verstaan, dat boven het bereik van hun verstand is; al zouden ze hunne gezondheid, ja hun leven daaraan wagen; en als ze wat bekomen, dan is het te nauwernood, zoo zij zich niet verheffen, en zoo zij zich niet opgeblazen maakt. Dan heeft men een koffer vol wind; men zou wel willen, dat elkeen ze langs de straat met den vinger nawees, en zeide: dat is een geleerd mensch. Als gij zoo zoudt willen roemen, dat deugt niet. Dat is uit God niet, dat behaagt GodIJ lezen, Jer. 9:23, 24, Zoo zegt de Heere: Een wijze be-roeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid, een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom; maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, enz. Rijkdom, wijsheid en sterkte, het zijn al groote dingen; \'tis alles onder het mooie van de wereld. Als God iemand met rijkdom begiftigt, en niet met genade, zoo verheft hij zich; en het laatste gebeurt wel, zelfs al heeft iemand al genade. Dat zien wij in Hiskia, toen God hem niet bewaarde, hij was rijk; daar komen gezanten om hem te zien; daar verheft zich zijn hart, hij kon het niet inhouden: ziet, wat al schatten dat ik heb, zeide hij, 2 Kon. 20:13. Der jongelingen sieraad is hunne sterkte, en gij zult er bijna niet een vinden, of hij zal zich op zijne kracht verheffen. Simson, hoewel hij een Nazireër was, schijnt ook al verheffing des harten over zijne kracht gehad te hebben, Richt. 16:20. De wijsheid is wat groots. Daar studeeren sommigen toe, om dikwijls iets te verstaan, dat boven het bereik van hun verstand is; al zouden ze hunne gezondheid, ja hun leven daaraan wagen; en als ze wat bekomen, dan is het te nauwernood, zoo zij zich niet verheffen, en zoo zij zich niet opgeblazen maakt. Dan heeft men een koffer vol wind; men zou wel willen, dat elkeen ze langs de straat met den vinger nawees, en zeide: dat is een geleerd mensch. Als gij zoo zoudt willen roemen, dat deugt niet. Dat is uit God niet, dat behaagt God

-ocr page 191-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

niet. Wat dan? Gij moet buiten uzelven in Christus door den Geest roemen, buiten die wijsheid, rijkdom en sterkte. Die roemt, roeme in den Heere, 1 Cor. 1:31. Welk is het allerkostelijkste schepsel dat er onder de zon is? De mensch. En wat is het kostelijkste in den raensch? De ziel. En wat is het kostelijkste in de ziel? is het niet het verstand? En wat is het kostelijkste in \'t verstand? is het niet de kennis van zaken? En welk is \'t kostelijkste in die kennis van zaken? is het niet de kennis Gods? Daar hebben wij geen woorden toe te gebruiken, om u daartoe uit te lokken. Als men daarvan spreekt, of hoort, dat neemt het hart in. Is die wijsheid niet het voornaamste. God in Christus te kennen, en hoe Hij een armen verloren zondaar tot zijne gemeenschap brengt? Naar die wijsheid moet al wakker gezocht worden, men moet tot die wijsheid zeggen: Gij zijt mijne zuster, en tot dat verstand: Gij zijt mi]n bloedvriend, Spr. 7:4. Welgelukzalig is hij, die wijsheid vindt, Spr. 3:13. Die wijsheid is als een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, Spr. 3:18. Wat wonder is het dan, dat Paulus al de wereldsche wijsheid zoo weinig achtte. Al was hij een langen tijd aan de voeten van Gamaliel geleerd, Hand. 22:3. Hij mocht hier of\' daar eens, als het eens te pas kwam, onder de Heidenen terloops er nog iets van gebruiken, maar daar onderhield hij zijn hurt niet mede. Al was hij in den derden hemel opgetrokken geweest, zoo zegt hij echter: Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus \'Christus, en dien gekruisigd, 1 Cor. 2:2. Dat overtrof het alles; al moest hij er schade om lijden, dat is mijn schat, zegt hij, dat ik in Hem gevonden mag worden, om voor God te bestaan. Als gij dat niet bestudeerd hebt, dan hebt gij aan at uwe wijsheid, niets anders, dan eene hand vol winds. Als iemand de wijsheid van Christus mist, dat is maar een onwijze. De Onderwijzer zag die wijsheid in het Woord. Hij geeft er een kort uittreksel van, en Hij zegt: spreekt daar gemeenzaam van aan den haard, in de huizen en vlekken met uwe kinderen.

Wij hebben het werkverbond zien afhandelen, en wij hebben een aanvang gemaakt van het genadeverbond, van de bediening van het genadeverbond, van den Middelaar van het genadeverbond, daar wij nog in bezig zijn; eu dan handelt de Onderwijzer van de zegelen van dat genadeverbond.

Eerst. Handelt Hij van de impetratie, of verwerving van de zaligheid.

Dan, ten tweede. Van de applicatie, of toepassing der zaligheid.

Dan komt Hij zoo, ten derde, tot de goederen en zegelen van het verbond.

Dan, ten vierde. Hoe dat die Bondgenooten den Heere danken.

Den Middelaar van \'t verbond zagen wij:

Eerst. In dien naam Jezus, Zaligmaker.

Daarna, ten tweede, in den naam van Christus, den Gezalfde, en hoe allen die tot Hem behoorden, tot die stal en kudde gebracht

185

-ocr page 192-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

worden, onder dien eenigen Herder, en naar Hem genoemd worden Christenen; en bi) die gelegenheid zagen wij ook, wat dat is, een Christen.

Nu hebben wij, ten derde, den Middelaar te beschouwen in zijnen derden naam, dewelke zijne Goddelijke natuur vertoont, en dan nog in een vierde, die zijne majesteit, en groot eigendom over zijne Kerk en kinderen vertoont.

Eerst. Hebben wij te bezien dien naam, welke zijne Goddelijke natuur en Wezen vertoont, en dan:

Ten tweede. Dien naam, die het eigendom over zijne kinderen en Kerk vertoont.

De een is eeniggeboren Zoon, en de ander onze Ileere. In dezen 13den Zondag hebben wij deze stukken te bezien.

Eerst. Hebben wij te bezien wie er al zonen Gods genoemd worden.

Ten tweede. Dat Christus de allerbeste van die allen is, en al de anderen ver overtreft.

Ten derde. Dat Hij de ware God is, met den Vader, en met den H. Geest.

Ten vierde. Dat Hij de Ileere van zijn volk is, en hoe.

En eindelijk, ten vijfde. Hoe dit in de belijdenis van ons geloot komt. Dat zijn onze zaken: 1. Wie er al kinderen Gods genaamd worden. 2. Hoe Jezus de Zone Gods is, en dat Hij de allerbesten overtreft. 3. Dat Hij in wezen met den Vader en den H. Geest God is. 4. Hoe dat Hij het eigendom van zijn volk is. 5. Dat het geen artikel van ons begrip, maar van ons geloof is, voorzoover het eene Goddelijke verborgenheid is, die wij op het gezag van den ontdekker gaarne aannemen.

Wat het eerste aangaat. Daar wordt van zonen Gods gemeld in den Bijbel. Wilt gij in de hemelen komen, daar zult gij er vinden, die duizendmaal duizenden engelen, die voor zijnen troon staan; die worden genoemd kinderen Gods, zonen, vlammen vuurs. Job 38:7, Waar waart gij, toen de morgensterren te zamen vroolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten? Waarom worden zij kinderen genoemd? Omdat God hun Vader is door de schepping, en Hij overlaadt en overstort ze met hemelsche zegeningen. Wilt gij naar de aarde gaan, daar vindt gij den volmaakten mensch, die krijgt dien naam van Zone Gods. Men moet nooit zeggen, dat God uit kracht van schepping geen Vader is; het tegendeel is waar, uit Luk. 3:38, waar gij de geslachtsrekening zult vinden van Christus, die komt tot op Adam, den zoon Gods. Hij is ook de zoon Gods geweest. Als Vader had God hem voortgehracht, en hem als een heer gesteld over het gansche schepsel. Behalve dat, de gansche natie der Joden zoo wordt genoemd, zoolang als ze een afgescheiden volk was van alle andere volkeren: Mijn zoon, mijn eerstgeborene is Israël, zegt God, Ex. 4:22. De aanneming tot kinderen stelt Paulus hare te zijn. Hom. 9:4. Waarom? Omdat God hen had aangenomen uit alle andere volkeren der aarde, opdat Hij hun als een Vader zou zijn, met

186

-ocr page 193-

OVER DEN XIII. ZONDAG. Vrao. 33 en 34

beding, dat zij zich als kinderen gedragen zonden. Wilt gij komen tot alle menschen zonder onderscheid; zulken dragen den naam van zonen Gods, die verheven zijn boven hunne broeders, dien geeft God uit dien hoofde den naam van goden, en kinderen des Ailerhoogsten; maar zij moeten er zich niet op verheffen, en opdat ze dat niet doen zouden, voegt er de Heere meteen bij: nochtans zult gij sterven als een mensch, zegt Hij; en Hij toont ook hunne fouten, Ps. 82:5,6. Wilt gij er nog zien zonder onderscheid die dien naam dragen; het zijn de bekeerde vrome menschen. O! die worden kinderen Gods genoemd, die zich afscheiden van do wereld. Dan zal Ik u tot een Vader zijn, zegt God, en gij znlt Mij tot zonen en dochteren wezen, 2 Cor. 6:18. Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden, 1 Joh. 3:1. Die menschjes krijgen dien naam, wegens dat ze van eeuwigheid tot zulk een staat geschikt zijn; zij krijgen dien naam, wegens de verandering van hun hart, dat ze het beeld Gods weder in zich hersteld gekregen hebben. Zij zijn kinderen Gods wegens eene genadige aanneming tot kinderen. God zegt tot hen: gij zijt mijn kind, en zij zeggen: Gij zijt mijn Vader; en zulks wegens eene geestelijke ver-bondmaking op hun knieën met den Heere. Daar worden ze dan ondertrouwd met den Heere, Hoz. 2:18, Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; en wegens het waar geloof, Gal. 3:9. En wegens het getuigenis des Geestes, dien vrijmoedigen Geest, die God hun geeft, door welken zij roepen: Abba, Vader! Rom. 8:15.

Wie wordt er nog al een Zone Gods genaamd? De Heere Jezus Christus in den 2den psalm vs. 7: Gij zijt mijn Zoon, en Spr. 30:4, Hoe is zijn naam en hoe is de naam zijns Zoons, zoo gij het weet? Dat is Hij, en niemand meer. In het Nieuwe Testament hebt gij het menigmaal.

Wij hebben gezien hoe al de anderen dien naam dragen; maar hoe draagt hem de Heere Jezus Christus? Zooals hem geen schepsel draagt. Hebr. 1:5, Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd; Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd? Hij draagt dien naam op de allereigenlijkste en krachtigste wijze die er wezen kan. Hij is het zoo niet, dat Hij \'t is door eene oneigenlijke geboorte, van niet zijn tot zijn overgegaan, en zoo van God is genaamd de Zone Gods, en dat Hij dan dat stuk onder de menschen getoond heeft. Hij is het zoo niet, dat menschen of engelen tot begrip van die diepten kunnen komen, \'s Menschen begrip is daar te eng toe. Wat zullen wij met ons verstand van die diepten maken? Moest David eens zeggen van zijne eigene geboorte: Ik loof U, omdat ik op eene heel vreeselijke wijze gemaakt ben, Ps. 139:14, en Job, die beschrijft zijne geboorte zeer sierlijk: Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen. Job 10:10. Maar wat zullen wij zeggen van dat verrukkelijk machtige?

Gij zult zeggen: gij moet er evenwel wat van zeggen; gij zijt daartoe hier niet gekomen, en wij ook niet, om daar niets van te

187

-ocr page 194-

OATEOHISMUS-PRBDIKA.TIE

hooren noch te spreken. Dat bekennen wij, wij moeten er wat van zeggen, naar onze menschelijke bekwaamheid. Wij kunnen liet u evenwel beter zeggen ontkennenderwijze, wat liet niet is, dan stel-lenderwijze, wat het is. Wij zullen u evenwel zeggen, wat God er in zijn Woord van zegt, en wat wij er niet van kunnen begrijpen, nemen wij aan door het geloof.

Een Sociniaan en een Remonstrant, wat zeggen die er van? Die zeggen, dat Hij de Zone Gods is, omdat Hij op eene wonderlijke wijze geboren is uit Maria, Luk. 1:35. En dat Hij de Zoon is, omdat God Hem uit de dooden opgewekt heeft; en omdat God Hem eene groote mate van heerlijkheid gegeven heeft op de aarde, en in den hemel, zonder nochtans, dat dat Zoonschap zijne Godheid insluit, en zonder dat er eene eeuwige geboorte plaats heeft. Dat kan men begrijpen, zeggen ze; en dat steunt daarop, omdat de natuurlijke kennis en de rede bij hen de meesteressen in het Woord van God moeten zi]n; en daar moet dan, al wat in \'t geheele Woord van God is, naar draaien. Maar wij hebben geleerd, dat de natuurlijke kennis en de rede, de dienaressen moeten zijn; en dankzeggen wij, is ze nog bedorven en onverstandig genoeg. Maar de Sociniaan en Remonstrant houdt van dat beginsel en van dien grond niet; Hij kan de Zoon Gods niet zijn, omdat Hij op eene wonderlijke wijze mensch geworden is. Maar wij zeggen: Hij was toen al de Zoon Gods, en Hij werd mensch. God zijnen Zoon gezonden hebbende, is Hij geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet. Gal. 4:4. Hij was er in het Oude Testament al; Hij verscheen menigmaal in een voorspel van zijne menschwording. Hij kan het niet zijn uit kracht van de opstanding uit de dooden. Daaruit bleek het dat Hij de Zoon was. Hand. 13:30, en Rom. 1:4, Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden, namelijk Jezus Christus, onzen Heere. Daar was een vinnige twist tusschen de Joden, alsof Hij God lasterde, als Hij gezegd had, dat God zijn eigen Vader was; zij zeiden, dat Hij Zichzelven Gode gelijk maakte, en dat Hij daarom sterven moest. De wet had daar niet tegen dat een lasteraar sterven moest: zoo Hij anders God gelasterd had, moest Hij sterven; maar God zeide: Ik zal er een blijk van geven, dat Hij God niet gelasterd heeft, in Hem op te wekken, uit de dooden. God kan Hem vanwege zijne heerlijke heiligheid niet opwekken, zoo hij God gelasterd had, Rom. 1:4, Hij is krachtelijk bewezen te zijn de Zoon Gods uit de opstanding uit de dooden.

Wij moeten ons verwonderen als er gereformeerde Godgeleerden opstaan, die zulke Remonstrantsche dingen stellen. Zoo ze niet de Kerk gevoelen, laat ze met do Kerk spreken, of laat ze anders henen wandelen. Als ze niet Sociniaansch willen schijnen, laten ze dan geen Sociniaansche bewijsgronden gebruiken. Derhalve zeggen wij, dat wij ons ten uiterste moeten verwonderen, dat er in de Kerk mannen opstaan, die zulke verkeerde dingen spreken. Dan moet men beginnen om te zien, of ze in hunne bewijsgronden de Drieëenheid en

188

-ocr page 195-

OVER DEN XIII. ZONDAG. Veag. 33 on 34.

het eenig Goddelijk Wezen wel bewaren, of ze er wel zuiver omtrent zijn. Onder Gods zegen hebben wij er tegen gestreden en getrinm-feerd. Wij moeten zeggen: Hij is geen Zoon, omdat Hi] ééns Wezens met den Vader is; Hij is geen Zoon, omdat Hij verordineerd is tot het Middelaarsambt; Hij is geen Zoon, omdat Hij volgens die verordineering in de wereld gezonden is; Hij is geen Zoon, omdat Hij God en mensch in één Persoon is; Hij is geen Zoon Gods, omdat de Vader Hem weer ontvangen heeft, en in heerlijkheid gesteld als Middelaar^ aan zijne rechterhand, om vandaar zijn volk en Kerk te regeeren. Zijn er dan zulken, die dat moeten ontdekken, dan zegt men tegen zulke mannen, dat ze zwijgen moeten, of zoo ze er tegenspreken, dat ze het in gevaar van hnnne bediening doen, en dat ze hunne uitzetting te wachten hebben. Wij zeggen: zoolang als ze in de Kerk zijn, dat ze dan met de Kerk spreken. Anderen, die \'t bewind hebben, zeggen: gij doet het in gevaar van uwe bediening; maar dat is eene zaak te verdooven, en dat is te zeggen, dat er wat schuilt, als men zegt ^ gij moet tegen zulken zwijgen. De Heere Jezus, zeggen wij, is de Zoon Gods naar zijne Goddelijke natuur, en Hij is de Middelaar naar beide; Hij is de Zoon Gods geweest, al was Hij nooit Middelaar geworden; en dat is gebleken, als God Hem opgewekt heeft uit de dooden, en in zijne menschwording.

Gij zult zeggen: wat zegt er de H. Schrift van, volgens de rechtzinnige leer, en volgens \'t gevoelen der Kerk Gods? Ps. 2:7, Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd; hetwelk Paulus op deii Heere Jezus Christus thuis brengt. 11 ebr. 1:5 en Spreuk. 8:22, 23, leest gij; De Heere bezat mij in het beginsel zijns wegs, voor zijne werken, van toen aan. Ik ben van eeuwigheid at gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was zijn voedsterling, enz. Dat gansche hoofdstuk van Spreuk. 8 ziet op Christus. Ik zal, zegt Hij, mijne liefhebbers doen beërven dat bestendig is, en zal al hunne schatkameren vervullen, vs. 21. Raad en het wezen zijn mijne; duurachtig goed, en gerechtigheid, vs. 14, Die tegen mij zondigt, doet zijne ziel geweld aan, vs.quot;^, enz. In den 2rtequot; Psalm hebt gij dat Woord „geborenquot;, in de Spreuken „gekregenquot;; alle beide zijn het zulke woorden, die in hunne kracht aan eene vrouw worden toegeschreven die een kind ter wereld brengt. Kan, staat er, ook een manspersoon baren? Jer. 30:6, en Gen. 4:1, Ik heb eenen man van den Heere verkregen; en wilt gij er dan nog bij hebben, Micha5:l, Gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een Heerscher zal zijn in Israël, wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid. Daar wordt van drieërlei uitgangen gesproken: een vanouds, een van de dagen der eeuwigheid, en een uit Bethlehem. Van eeuwigheid, dat is zijne eeuwige geboorte; vanouds dat is onder de belofte; en uit Bethlehem, dat is zijne menschwording en geboorte; Matth. 2:6, wordt dat op Christus thuis gebracht, en wij hebben geen een woord meer te zeggen, als de Zoon Gods zelf zegt, die \'t het aller-

189

-ocr page 196-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

best wist: Gelijk de Vader liet leven heeft in Zichzelven, zegt Hij, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zich-zelven, Joh. 5:26.

Ziedaar, geliefden! die tekst kan op den lleere Jezus als Middelaar niet zien. Vat gij \'t zoo op, dat zij daarop ziet, dan is het te zeggen: God de Vader heeft den Heere Jezus tot Middelaar gemaakt; uit welken hoofde dan zulk eene geboorte onbegrijpelijk is; en zoo is Christus dan de eigen Zoon Gods, de eenige en de geliefde Zoon, door eene eenige en eeuwige geboorte, en zoo wordt Hij genoemd het beeld des onzienlijken Gods, Coll. 1:15. Het afschijnsel van Gods heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner (des Vaders) zelfstandigheid; maar al de andere kinderen Gods zijn \'t om Zijnentwil geworden. Allen die anders spreken, hetzij Sociniaan of Remonstrant, die moeten of een meerderheid van Goden, öf drie Goden stellen. Nemen wij dat aan, dan is \'t met ons uit. Als wij een godsdienst hebben die wij bevatten kunnen, daar geen verborgenheden in zijn, dan zou ze niet veel waard zijn; maar wij hebben een godsdienst, die boven het bereik van al het bevat is, onder welken de hoogten zich verheffen onder de ontdekking Gods, die wij dan door \'t geloof oni-helzen moeten, en dat men met de rede niet kan bevatten. Als wij het stuk zoo opvatten, zal er de minste beweging in ons hart niet opkomen.

Ziedaar, zoo wordt Christus de Zoon Gods. Hij is \'t anders als al de anderen. Daar wordt niemand het zoo genoemd. Hij ia de natuurlijke Zoon Gods; Hij is erfgenaam des Vaders, gelijk een kind het is van zijnen vader in de volstrekte kracht, alzoo is Christus de Zoon Gods.

Ten tweede. Daar is niet alleen niemand, zoo de Zoon Gods, als Christus; want Hij is het naar zijn goddelijke natuur, en zoo is het niemand.

Ten derde. Om Christus\' wil worden al de vromen kinderen Gods. Niemand kreeg dat zoonschap anders. Daarom zond God zijnen Zoon, opdat Hij hen tot zijne kinderen zou kunnen aannemen. Hij is de Zoon niet, omdat Hij met den Vader en met den H. Geest waarachtig God is, daar komt zelfs een Remonstrant tegen in. Wij zeggen tegen een Remonstrant: wat wilt gij voor bewijzen hebben, om te toonen wie de waarachtige God is? Geeft ze eens op, en wij nemen op ons, om aan te toonen, dat dit alles in den Heere Jezus is; en dan zult gij immers niet één woord meer kunnen spreken; geeft het eens op, wat wordt er in iemand voreischt, die de waarachtige God is, en wij nemen \'t op ons om u te toonen, dat dit alles in Christus is; en ais gij niet wilt, dan zullen wij het doen, en ziet dan of het zoo niet is.

Eerst, Is dat niet een Goddelijk Persoon, die zulke namen draagt, die niemand dan God toebehooren?

Ten tweede. Is \'t niet een Goddelijk Persoon, die zulke volmaaktheden bezit, die niemand dan God bezit?

It

190

-ocr page 197-

OVER DEN XIII. ZONDAG. Vraö. 33 en 84.

Ten derde. Is dat niet een Goddelijk Persoon, die zulke daden doet, die niemand dan God doen kan, als zulk een die eene oneindige kracht heeft?

Ten vierde. Is dat niet de waarachtige God, een Goddelijk Persoon, dien zulk een eer wordt toegeschreven, die niemand dan God toekomt, en aan Hem alleen mag gegeven worden? Ik weet niet meer, zeggen wij, en gij ook niet. Nu nemen wij \'t op ons u te bewijzen, dat dit alteinaal in den Heere Jezus plaats heeft.

Wat het eerste aangaat. Zulke namen worden Hem toegeschreven, die God alleen eigen zijn; als daar is de naam Jehovah, Die is, Die was, en Die komen zal; Ik zal zijn, die Ik zijn zal, Exod. 8:14. Ik ben geweest, die Ik zijn zal. \'t Is onbegrijpelijk voor ons, van het Al wat te maken; de beste moet zeggen: \'t is onbegrijpelijk! zijn naam is toch wonderlijk, Richt. 13:18. Dien naam eigent God Zich zoo toe, dat Hij zegt: Ik ben de Heere, dat is mijn naam; en mijne eer zal Ik geen ander geven, noch mijnen lof den gesneden beelden, Jes. 42:8. Hij alleen kan zeggen: Ik zal zijn; Ik ben; Hij is geheel en al Wezen; Hij is altijd dezelfde. Niemand kan zeggen: Ik ben geweest wat ik altijd zal zijn. Gij kunt wel zeggen: Ik ben geweest, ik ben geboren, en in dat oogenblikje als gij zegt: Ik ben, kan God u wel niemendal doen worden. Met den naam als God de Almachtige, ben Ik Abraham, Dak en Jakob verschenen, zegt God, doch met mijnen naam HEERE (Jehovah), ben Ik hun niet bekend geweest, Exod. 6:2. Met den naam de Allerhoogste, ben Ik bekend geweest, zegt de Heere, over de gansche aarde; bij dien naam, zal ik aan Mijzelven gedenken. Hoz. 12:6, Heere is zijn gedenknaam.

_ De vraag is: Het schijnt nochtans, dat dien naam, die Gode alleen eigen is, een engel kreeg, hoe kan dat dan zijn? Want als die twee engelen daar bij Lot kwamen, zoo noemt Lot den engel zoo. Gen. 19 :1.

Wij antwoorden. Ja, daar was er een onder die drie, die de Heere Jezus was, die in een voorspel van zijn menschwording aan Lot verscheen.

Ja maar, zeggen ze, Paulus zegt dat het engelen waren; hij zegt: Vergeet de herbergzaamheid niet; want alzoo hebben sommigen onwetend engelen geherbergd, Hebr. 13:2. En als de Heere Jezus daaronder geweest was, dan zou hij wel gezegd hebben: sommigen hebben onwetend den Heere Jezus geherbergd.

Wij antwoorden: Paulus wilde dat niet zeggen, omdat de Heere Jezus niet meer op de aarde kwam, nadat Hij ten hemel opgevaren was.

Ja maar, zeggen ze, Exod. 17:15, daar noemt Mozes het altaar-dat hij gebouwd had: De Heere is mijne banier!

Wij antwoorden: gaat naar de Atheners, die zullen \'t beter weten, die een altaar hadden, waarop stond: den onbekenden God; zij wisten wel, dat dit dat altaar niet was, maar zij dienden op dat altaarden onbekenden God; zoo diende ook Mozes den Heere, die zijne banier was, op dat altaar.

Ja maar, zeggen ze, als Mozes de ark aansprak in \'t optrekken.

191

-ocr page 198-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zoo zeide hij: Sta op, HEERE! (Jehovah) en laat uwe yijanden verstrooid worden, en uwe haters van uw aangezicht vlieden! Num. 10:35. Daar noemt hij de ark zoo.

Wij zeggen: dan moet gij naar de Filistijnen gaan, die wisten het beter; die wisten \'t wel, dat God hoven die ark een teeken van zijne tegenwoordigheid ontdekte.

Dan zeggen ze, Ezech. 48:35, daar wordt de stad genoemd: DE HEERE IS ALDAAR.

Wel, zeggen wij, dat is de naam van dien Heere, die in de stad woont; is dat nu waar, gelijk het is, als wij nu dan maar kunnen vinden, dat hij den Heere Jezus wordt toegeschreven, Jer. 22:6, JEHOVA, ONZE GERECHTIGHEID, en op duizend andere plaatsen meer. Als Abraham zijn dag zag, is hij verblijd geweest. Joh. 8:56. De Heere deed vuur en zwavel van den Heere regenen uit den hemel over Sodom en Gomorra, Gen. 19:24. Wel, dit zeide Jesaja: Heilig, heilig, heilig, is de Heere der heirscharen! Jes. 6: 3, als hy Christus\' heerlijkheid zag. Wilt gij er den naam van God bij hebben. Ziet 1 Joh. 5:20, Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven. Hij wordt genoemd de sterke God, Jes. 9:5, en God bovenal te prijzen in der eeuwigheid, Rom. 9:5. De groote God zou hun een Heiland en Meester zenden, die hen zou verlossen, Jes. 19:20, en 35:4, Ziet, ulieder God, Hij zal komen en ulieden verlossen. Thomas zegt: Mijn Heere, en mijn God, Joh. 20:28,

Wij zeggen tegen een Sociniaan: begint gij al te vallen? Gij zult nog al meer vallen.

Ten tweede. Hem worden toegeschreven Goddelijke volmaaktheden. God heeft ze, Christus ook; en dat geschiedt zoo. De volmaaktheden Gods zijn het wezen Gods, en het wezen Gods zijn de volmaaktheden Gods; als gij dan God hoort zweren bij Zichzelven, of bij zijne heerlijkheid, dat is al hetzelfde. Die het wezen Gods heeft, die heeft de deugden Gods, en die de deugden Gods heeft, die heeft het wezen Gods. Van de alomtegenwoordigheid Gods, daarvan is geen zweem in het schepsel, zoo ook niet van de onveranderlijkheid en eenvoudigheid. Wji zijn vol veranderingen, maar de Heere niet; Hij blijft altijd dezelfde; Hij bezit eeuwigheid, alwetendheid. Hij heeft uitgangen vanouds, van de dagen der eeuwigheid, Micha 5:1. Hij is van den Vader van eeuwigheid voorgekend, van de grondlegging der wereld, 1 Petr. 1:20. Wij zeggen dan: die heerlijke eigenschappen komen Hem toe. De engelen wilden ze eens stelen en rooven. Adam beging rooverij, als hij God gelijk wilde zijn; maar de Zoon Gods niet, Fil. 2:6. 11 ij is in de gedaante van een mensch gevonden, vs. 8. Maar Hij heeft ook het Wezen Gods.

Ten derde. Hem worden werken toegeschreven, die niemand toekomen dan God alleen. De wereld te scheppen en te onderhouden, Avordt den Heere Jezus toegeschreven. Door \'t woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, Ps. 33:0. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God, Joh. 1:1. Mijn

192

-ocr page 199-

OVER DEN XIII. ZONDAG. Veag. 83 en 34.

Vader werkt tot nu toe, en 11c werk ook, Joh. 5:17. Daarenboven wonderen te doen, dooden op te wekken. Luk. 7:15 en Joh. 11:44. Harten te openen. Hand. 16:14, menschen te bekeeren. Hand. 9: (3, den vloek en toorn van God almachtig te dragen en ons daarvan te verlossen, Gal. 3:13. Al die werken worden den Zoon Gods, den Heere Jezus Christus toegeschreven.

Ten vierde. Hem komt ook eere toe, die niemand dan God toekomt; ergo is de Heere Jezus God. Hem komt toe de eer van aanbidding, Hebr. 1:6; de eer van in Hem te gelooven. Hand. 16:31; de eer van als Verlosser Hem te danken, 1 Tim. 1 : 12; de eer van in zijn naam gedoopt te worden, Matth. 28:19. Dat zijn eeren, die geen schepsel mag hebben; Hem te aanbidden is eene Goddelijke eer. De engel weerde dat zelfs van zich af: Zie toe, dat gij dat niet doet, zegt bij tegen Johannes, Openb. 19:10. God alleen zult gij aanbidden en dienen, Matth. 4:10. Engelen en menschen hebben den Heere Jezus aangebeden. Daar gaat niet een dag door, of al Gods kinderen aanbidden Hem op hunne knieën. Ja, van degenen, die onder de aarde zijn, is Hi) aangebeden. De duivelen aanbaden Hem, Mark. 5:12. Die eer van in Hem te gelooven, als God en mensch in één persoon, in zijn naam gedoopt te worden, zijn zoodanige eeren, welke aan een schepsel noch kunnen noch mogen bewezen worden. Niemand kan de beteekenende zaak geven dan God. Hij zal eeuwiglijk gedankt worden als de Verlosser. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid, 2 Petr. 3: 18. Voegt \'deze stukken eens alle vier bijeen. Een drievoudige snoer zal niet lichtelijk verbroken worden, maar een viervoudige is nog sterker; dat is als goud beproefd, komende uit het vuur, Openb. 3:18, en als zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal, Ps. 12: 7.

Nu hadden wij het laatste, ons vierde stuk te bezien, namelijk: dat Hij is onze Heere. Dat is een naam, waar Hij in \'t Oude en Nieuwe Testament klaar en duidelijk mede genoemd is geweest. Zoo leest gij, Ps. 110:1, De Heere heeft gesproken tot mijnen Heere. Mal. 3:1, En hij (namelijk Gods engel, die voor Gods aangezicht, den weg bereiden zou) zal snellijk tot zijn tempel komen, die Heere, dien gijlieden zoekt. Hij wordt genoemd: de Heere uit den hemel, 1 Gor. 15:47. Een Heere, Ef. 4:17, Ik zeg dan dit, en betuig het in den Heere. \'t Is een titel, dien Hij wel hebben wilde, dat ze Hem gaven. Gij heet Mij Meester en Heere, zegt Hij, en gij zegt wel, want Ik ben het. Joh. 13:13. \'t Is een titel, dien God\'wilde, dat men Hem geven zou. Alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid des Vaders, Pil\'. 2:2. Eerst hebben wij Hem gezien als God en Zone Gods, en nu moeten wij Hem zien als den Heere, voorzooveel Hij hier in aanmerking komt als de Middelaar des Nieuwen Testaments.

Hoe wordt Hij de Heere van mij en van u? De Heere is met die hooge titels niet opgenomen, dat men Hem alleen zoo maar noemen zou, en niet doen, wat Hij gebiedt. Beziet het in een heer en in eene

13

193

-ocr page 200-

194 CATECHISMUS-PREDIKATIE

vrouw; wanneer hun dienstknecht en dienstmaagd hun zoo maar zouden noemen, dat is hun niet genoeg. Als gij dat zoo in de natuur ziet, dan kunt gij \'t eenigszins begrijpen dat er meer toebehoort.

Hoe wordt Uij Heere? , in . xr

Eerst Door eene eeuwige gift des Vaders. ij hadden tegen Hem opgestaan, en Hi] zeide tot zijn Zoon: dat zun ze, die gi] redden zult; gij zult al de uitverkorenen redden, die heb Ik aan U geschonken- en Ik heb U aan hen geschonken tot hunnen Verlosser, opdat oii ze tot uwe onderdanen zondt maken. Zij waren uwe, zegt lly tegen den Vader, maar Gij hebt Mij dezelven gegeven. Joh. 17:0. Paulus zegt, Ef. 1 :4, öeliik Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vooi de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk ziin voor Tien. in de liefde. Dat zal uw loon zmi zei God, en t is Mii te gering dat Gij een weinig Joden zoudt hebben; maar ik zal U de menigte der zeeën geven, de Heidenen zullen daar als hede wolken komen aandrijven. .les. 49:6, Het is te gering, dat gij Mij een knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël: Ik heb u ook gegeven tot een licht der Heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde dei-aarde. Daar ziet Hij zijne gift, en Hij maakt ze Zich tot een eigendom.

Ten tweede. Door kooping. Daar is Hij de Heere van zun volk door kooping. Daar was eene bittere voorwaarde. Zijne ziel moest tot een schuldoffer gesteld worden, dan zou Hu zaad zien, Jes od; lü. Dat moept IIii ondergaan op zulk een tijd, als God t bepaalde. Daar komt Hij met lichaam en ziel, en koopt ze met met goud ot zilver, maar met zijn dierbaar bloed, 1 Petr. 1:18. Daar doet God lecht. Het recht heeft zijn genoegen. Daar voldoet de Borg, zoodat God zegt: daar is geenquot; opspraak van eemge mijner deugden; gij kunt naar dien sterk gewapende gaan, zij zijn de uwen, 11 ij heeft ze ge-vangen. Ik hel) \'t U toegelaten, zegt God tegen Hem, haalt ze van hein vandaan. Daar komt de Zoon, aan Wien ze geschonken zi]n en die ze zoo duur gekocht heeft, 1 Cor. G: 20. Die gaat naar dien sterk gewapende en hij zegt: laat ze los, zij zijn de uwen met meer. Daar komt het stondetje der minne, 111] grijpt ze in het hart. Hu verlost ze uit het geweld des duivels. Hebr. 2:14, en van onder de heerschappij des satans. Daar kan die sterk gewapende hen met meer in zijne macht houden. Hij haalt ze uit het rijk des duive.s; zi] worden overtuigd. Daar sta ik nu alleen, zeggen ze, ach Heei-e! ik kom naar U toe: ik wil \'t met den duivel niet meer eens zijn. Daar gaan hunne daden spreken. Zij gaan een anderen weg bewandelen. Ik heb gedaan, zeggen ze, wat ik niet geweten heb. Daar vallen ze voor den Heere neer. Zij kiezen Hem te dienen. Heere! zeggen ze, ik zal U dienen, ik wil üw knecht gaarne zijn, om voor L te leven. Zij gaven zichzelven eerst aan den Heere, en daarna aan ons door den wil Gods, zegt Paulus, 2 Cor. 8:5. En zoo maakt de Heere hen tot een schaapje van zijnen stal. Zij beginnen de stem van dien Herder te ken-nen, Hem te volgen; en zoo worden ze eene kudde van dien eenen Hei dei.

-ocr page 201-

OVER DEN XIII. BONDAG. Vraq. 33 en 34.

Nu ons laatste stukje is: wij gelooven in dien Eeniggeboren Zoon (jods, onzen Heere. Al hebben wij daar geen klare ontdekking van, al kunnen wij het niet begrijpen, zoo hebben wij de kennende daad des geloofs. Vleesch en bloed openbaart dat niet,quot; Matth. 1G:17, met ons -verdorven deel mogen wij dat vernikkensmachtige niet te na komen. Wij geven Gode geloof dat liet getuigenis, dat Hij van zijn Zoon getuigt, waarachtig is, Rom. 3:4. Wij staan hier af van ons vernuft, en wij willen niet wijs zijn boven hetgeen geschreven is, Rom. 12:3; zulke diepten Gods rekenen wij voor een artikel van ons geloof: wij nemen dat getuigenis aan en wij verzegelen daardoor dat God waarachtig is. Joh. 3:33. Daar is zooveel ontdekt in \'t Woord, fils wij ter zaligheid noodig hebben. Hoe eenvoudiger wij omtrent die diepten zijn, hoe aangenamer het God is. Daarom zeggen wij: ik geloot het; dat is, wij hebben niet alleen de kennende daad, maar ook de begeerende daad des geloofs, dat Gij mijn God moogt zijn; en daarenboven de verlangende daad. Ik schreeuw naar U. Ik heb geen uitstel noodig, ik kan het niet langer dragen. Dan, ik heb de vertrouwende daad op U, ik heb de heiligende daad, reinig mij toch!

Zijn dat nu niet betere en gezondere woorden, clan die ijdele klanken van die anderen, van Socinianen en Arminianen? Als wij het zoo opvatten, moet men dan niet zeggen: Uw Woord is kostelijker dan goud, zoeter dan honing?

Zijn nu al die dingen niet troostelijk en heerlijk? Waren wij nu zulke goede beleversl Ach! de raenschen laten zich wel gelegen zijn aan hunne eigene geboorten, maar niet aan de geboorte van den Heere Jezus. Zij zouden er niet veel van kunnen zeggen. Of het al in zulke tijden is, daar men van zou zeggen: dat ze allen van den Heere zullen geleerd worden, en allen den Heere zullen kennen: die onkunde is evenwel groot, \'t Zou hiermede gaan, gelijk het ging met Saul, toen David Goliath verslagen had: als hij den jongeling zag aankomen met het hoofd van den Filistijn in zijne hand, zoo zeide hij tot zijn krijgsoverste Abner: wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zoo waarlijk als uwe ziel leeft, o koning, ik weet niet, 1 Sam. 17:55—57. Als men eens zou zeggen: is er een God? wie is God? en wie is de Eeniggeboren Zoon Gods? ze zouden moeten zeggen: ik weet het niet.

In de tweede plaats. Waar komt het vandaan, dat de onkunde zoo groot is ? Hiervandaan: Men gaat met geen gebed naar de kerk. Of gij daar op uwe plaats wat prevelt achter uwen hoed of dekseltje dat gij hebt, wat is dat? Wie gaat er eens alleen en zegt: Heere! ontdek mijne oogen; wie buigt er zijne knieën en zegt: belieft het U, geef mij toch verlichte oogen des verstands. Gij oefent uzelven niet. Gij neemt bijna niet een stichtelijk boek in uwé hand. Gij leest het Woord bijna nooit. Weet gij waar het aan scheelt? Gij komt zelden te kerk. Gij doet geen moeite, om het te bewaren. Gij herkauwt het niet, en die wat wijsheid bekomen, \'t is dikwijls geen

195

-ocr page 202-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ware; en die maakt hen dan opgeblazen. En hoe velen zijn er die geen kinderen Gods zijn, maar het zijn kinderen der verderving, verloren kinderen, kinderen des toorns. Zijt gij geen kind Gods? Dan zijt gij een vervloekt kind: onheilige, ongodsdienstige, hoogmoedige we-reldsche wichten; zouden die kinderen Gods zijn? zou de ontferming Gods voor hen zijn? Zij zouden den Heere wegsmijten. Al wat naar de wereld zweemt, dat hebben zij lief. Wat doet gij om een kind Gods te worden? Niemendal. Gij zoekt het niet. Gij hebt altijd van dat volk wat kwaads te zeggen.

Ja, ten laatste. Gij zoekt niet alleen niet een kind Gods te worden, maar gij wilt liet niet zijn. Als God u eens vraagde, of gij zijn kind zoudt willen zijn? gij zoudt neen zeggen. Waarom? Gij houdt van dat alles niet. Moet ik juist zoo nederig, zoo klein zijn? zegt gij, daar houd ik niet van, op dien weg zijn al te veel kruisen, dat zou uw respect niet zijn. Dat zijn uwe uitvluchten en voorwendsels. Als gij uw hart rechtuit zoudt spreken, houdt gij meer van de zonde. Die hebt gij lief, daar kunt gij niet afstappen. quot;Wordt gij eens eng, benauwd, overtuigd, geprikkeld, dan komt er weer eens een voornemen, eene belofte, eene gedaante, een gebed, maar binnen weinig tijds hebt gij dat weer uitgebluscht. Gij zijt gelijk de aarde, die dikwijls den regen ontvangt, maar de uitslag is doornen, en ze is nabij de vervloeking. Gij smaakt en proeft de hemelsche gaven, maar daar komt niet van. Hoe menigen dienen dien onzaligen tiran, den doornbosch, in wiens dienst ellende, vloek en toorn is! \'t Is eveneens als degenen, die in de mijnen graven, zoolang, totdat zij er onder verstikken, bersten en smoren. Gij dient den duivel zoo trouw nacht en dag, \'t komt u altijd te pas; \'maar wat zal het einde zijn? De dood en Gods toorn. Hoe velen zeggen; geeft mij Jezus, en zij meenen er niemendal van, evenals eene hoofdsche betuiging; zij zeggen mede al: Heere! Heere! en komt Jezus en het (schepsel eens in tegenstand, honderd tegen een, zoo Christus den voorrang krijgt. Abraham of God tot één Vader te hebben was een en hetzelfde bij de Joden. Joh. 8:39—44, zeide de Heere Jezus: Gij zijt uit den vaderden duivel. Zijn ik of gij kinderen Gods, wij mogen onszelven, noch de vromen, noch onzen naaste niet bedriegen. Wat zal het helpen, als de Heere het masker aftrekken zal? Dan zouden wij naakt staan, en Hij zou zeggen: gij zijt mijne kinderen niet. Derhalve moeten ik en gi] belust zijn, om te weten, of er merkteekens zijn in het Woord, waar men het aan weten kan.

Het eerste van die merkteekenen is: Een kind van God draagt het beeld van God. \'tMag in de natuur waar zijn! dat een kind niet gelijkt naar zijne ouders, maar in de genade zult gij dat nooit zien. Dat beeld bestaat in kennis Gods, gerechtigheid en in een heiligen wandel.

Ten tweede. Ach! zij willen zulke deugden doen als God. \'tMagin de natuur waar zijn, dat een kind het werk van zijne ouders niet doen wil; degenen, die genade hebben, zijn navolgers Gods als geliefde kinderen, Ef. 5:1. Weest heilig, gelijk Hij die u geroepen heeft heilig

19G

-ocr page 203-

OVER DEN XIII. ZONDAG. Vrag. 83 en 84.

is, 1 Petr. 1:15. Doet aan de innerlijke beweging der barmhartigheid, Luc. 1 : 78.

Ten derde. Een kind Gods heeft zulk een liefde tot God in zijn hart. In de natuur mag er een kind zijn, dat zijnen vader haat gelijk een Absalom: maar die in de genade zijn, die hebben zulk een liefde tot God. God heeft de hoogste plaats in hun hart.

Ten vierde. Zij hebben zulk een liefde tot de vrome broeders. In de natuur mag de eene broeder den anderen doodslaan, gelijk een Kaïn aan zijnen broeder Abel deed; maar in de genade is dat niet te vinden. Hieruit weet gij, zegt Johannes, 1 Joh. 3:14, dat wij uit den dood in \'tleven zip overgegaan, dat wij de broederen liefhebben.

Ten vijfde. Zij haten, die den Heere haten. In de natuur mag \'t zijn. dat er zulk een deugniet van een kind is, die een afkeer van zijnen vader heeft en \'tmet deszelfs vijanden houdt; maar in de genade is dat nooit waar.

Ten zesde. Zij zijn hunnen Vader zoo gehoorzaam. In de natuur hoort men wel ouders klagen: deze mijn zoon is een wederspannige; maar in de genade zijn \'t gehoorzame kinderen: zij zijn blijde als ze tot genoegen van den Heere zijn. Een kind eert zijnen vader: dat is niet alleen een gebodene, maar eene ingeschrevene wet. Daar mag er in de natuur een gevonden worden die de gehoorzaamheid van de moeder veracht: maar in de genade of wedergeboorte zult gij dat nooit vinden.

Gij zult zeggen: ik wilde wel, dat ik eens wist, of Jezus mijn Heere is. Zoo Hij mijn of uwe is, dan zult gij dit kennen:

Eerst. Gij zult altemet eens opgetrokken geweest zijn in \'t beschouwen van die grootheden, die hij bezit als God, en dan zal er als geen geest meer in u zijn. Als dat Goddelijk Wezen in uwe gedachten komt, in dat schepsel is dan als geen geest meer.

Ten tweede. Dan zult gij wel eens staan in \'t gezicht van zijn groot bewind, hoe God hem tot eenen Heere gemaakt heeft, hoe\' Hij dat getoond heeft in de Joden buiten staat te stellen, hoe Hij \'t Anti-christische Beest buiten staat gesteld heeft, om zijne zaak ten onder te brengen.

Ten derde. Zult gij u onderwerpen in gehoorzaamheid aan zijnen gebiedenden wil; spreekt Heere! zult gij zeggen, uw knecht hoort, 1 Sam. 3:9. Hebt gij niet wel een stondetje gehad, dat gij Hem tot uwen Heere verkoost? Bedroeft den H. Geest niet, Ef. 4:30. Doorzoekt uw hart. En zijt gij kinderen Gods, \'t is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, 1 Joh. 3:2. \'t Zal wat anders zijn boven de verdorvenheden, boven den strijd, boven \'tzienelijke altijd bij den Heere te zijn. Daar zullen Gods kinderen genieten verzadiging van vreugde, en lieflijkheden aan Gods rechterhand eeuwiglijk en altoos. Daar zullen zij het Lam volgen, waar het ook henen gaat. Daar zullen zij gedrenkt worden uit de beken van Gods wellusten; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen. De Heere gunne dit aan mij en aan ulieden, tot zijne eer, om zijns Zoons wil! Amen.

197

-ocr page 204-

C A T E C HIS M US-PREDIKA TIE.

Over den XIV. Zondag. Vrag. 35 en 30.

Veertiende Zondag.

35. Vhaag. Wat is dat gezegd: die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de maagd Maria?

Antwoord. Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, ware menschelijke natuur, uit het vleesch en bloed der maagd Maria, door de werking des H. Geestes, aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, zijnen broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.

36. Vraag. Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus ?

Antwoord. Dat Hij onze Middelaar is, en met zijne onschuld en volkomen heiligheid, mijne zonden, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.

Wij lezen, Jes. 9:5. Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op zijn schouder, en men noemt zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst. Dat moet een wonderlijk kind zijn! Alle de eigenschappen schijnen tegen een kind aan te loopen. Zal iemand een kind en een Vader te gelijk wezen? Zal iemand in der tijd geboren worden, en van eeuwigheid zijn? Zal iemand als een zoon gegeven worden; en de sterke God zijn? \'tls alles even wonderlijk! Daar is geen begrip van te maken met de menschelijke rede, die nog buiten dat verdorven is. Men moet van dit kind wat anders denken, dan van alle andere kinderen; men moet er van denken, dat het te gelijk de kleinste en de grootste is; de Heidenen disputeerden er over wat er in de wereld tegelijk het kleinste en het grootste was. De Christenen kunnen die twist ten einde brengen, en zeggen; dat is niemand anders dan de Heere Jezus Christus. Naar zijne Goddelijke Natuur is hij God bovenal te prijzen in der eeuwigheid. Rom. 9:5. Maar naar zijne menschelijke natuur is hij een worm en geen Man geweest, Ps. 22:7. Men moet van Hem denken, dat Hij eene natuur heeft, bij welke Hij •zonder moeder is, dat is ten aanzien van zijne Goddelijke natuur; en dat Hij eene natuur heeft, bij welke Hij zonder Vader is, dat is ten aanzien van zijne menschelijke natuur; en zoo zult gij eenig begripij lezen, Jes. 9:5. Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op zijn schouder, en men noemt zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst. Dat moet een wonderlijk kind zijn! Alle de eigenschappen schijnen tegen een kind aan te loopen. Zal iemand een kind en een Vader te gelijk wezen? Zal iemand in der tijd geboren worden, en van eeuwigheid zijn? Zal iemand als een zoon gegeven worden; en de sterke God zijn? \'tls alles even wonderlijk! Daar is geen begrip van te maken met de menschelijke rede, die nog buiten dat verdorven is. Men moet van dit kind wat anders denken, dan van alle andere kinderen; men moet er van denken, dat het te gelijk de kleinste en de grootste is; de Heidenen disputeerden er over wat er in de wereld tegelijk het kleinste en het grootste was. De Christenen kunnen die twist ten einde brengen, en zeggen; dat is niemand anders dan de Heere Jezus Christus. Naar zijne Goddelijke Natuur is hij God bovenal te prijzen in der eeuwigheid. Rom. 9:5. Maar naar zijne menschelijke natuur is hij een worm en geen Man geweest, Ps. 22:7. Men moet van Hem denken, dat Hij eene natuur heeft, bij welke Hij •zonder moeder is, dat is ten aanzien van zijne Goddelijke natuur; en dat Hij eene natuur heeft, bij welke Hij zonder Vader is, dat is ten aanzien van zijne menschelijke natuur; en zoo zult gij eenig begrip

-ocr page 205-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

kunnen maken van dat wonderlijk kind. Wat was het niet een wonder, dat Aarons dorre staf bloeide in eenen nacht, en amandelen voortbracht! Wat een wonder was \'tniet, dat de rots water uitgaf! Wat was \'t niet een wonder, dat Sara, die negentig jaren oud was, baarde; en dat Elisabeth in haren ouderdom bevrucht werd! Maar dit wonder overtreft alle wonderen. Hij, die de waarachtige God is, dien de hemel noch de aarde kan omvangen, die wordt hier omvangen in \'t lichaam van Maria. De zon komt voort uit eene ster, de Schepper uit een schepsel, \'tls een wonderlijk kind! Dat deed Paulus van verwondering uitroepende zeggen: buiten allen twijfel de verborgenheid der Godzaligheid is groot, God is geopenbaard in \'t vleesch, 1 Tim. 3 :16.

Wij hebben van dit wonderlijk stuk, en van dit wonderlijk kind, met uwe aandacht een woord te spreken. Wij willen niet treden in dingen, die ons te boog en te wonderlijk zijn, Ps. 131: I ; dat laten wij voor den Geest Gods, die de diepten Gods onderzoekt, I Cor. 2 :10. Hoe weinig dat we er van weten, zoo zullen ons evenwel in dit verborgen stuk, vijf of zes klare stukken zich openbaren. Weet gij wel wat voor stukken ? Deze:

Eerst. Wie mensch geworden is.

Ten tweede. Waarom dat het de Zone Gods is, die mensch geworden is, de tweede Persoon in de aanbiddelijke Drieëenheid, en niet de Vader, of Geest, de eerste of derde Persoon.

Ten derde. Dat Hij waarachtig mensch geworden is.

Ten vierde. De wijze op welke Hij mensch geworden is.

Ten vijfde. De werkmeester van dat werk.

Ten zesde Het einde en het nut dat er voor de menschen in is. Eilieve, leent ons een aandachtig oor en hart, wij zullen het nog eens zeggen. 1. Wie er mensch is geworden. 2. Om wat reden het de tweede Persoon is, en niet de eerste of de derde Persoon. 3. Dat Hij waarachtig mensch geworden is. 4. De manier, op welke het geschied is. 5. De werkmeester. 6. Tot wat einde en nut- Ach God! moeten we er van zeggen; \'tis alles tot nut van de menschen. Eilieve! zoekt ons met uwe gedachten te volgen. Dat zijn dan onze zes stukken. In de allergrootste verborgenheden geeft God een klaar bescheid.

Wat het eerste aangaat: wie is er mensch geworden? Is \'t de Vader? Neen, die was de richter in de bedeeling der genade, en die heeft zijn Zoon geschonken. Is \'t de Heilige Geest? Neen, die had op Zich genomen in den raad des vredes, dat hij den Heere het lichaam toebereiden zou. Wie is \'t dan? Het is bepaaldelijk de tweede Persoon. De Vader had Hem het lichaam toebereid door den Heiligen Geest. Zoo is dan het Woord vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond. Joh. 1:14. Zoo heeft God zijnen Zoon gezonden, geworden uit eene vrouw, Gal. 4:4. Als wij \'t zoo vatten, dan komen er, die deze bedenking hebben: is God geopenbaard in \'t vleesch? zeggen ze, Ergo dan is het gansche Goddelijke wezen vleesch geworden. Dat is mis. Wij zeggen niet: de Godheid is geopenbaard in het vleesch; maar een Goddelijk Persoon, die waarachtig God was.

109

-ocr page 206-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Daar schijufc weer eene bedenking te komen, uit Joh. 14 van vs. 1—11. Daar zeiden de discipelen: Heere! toon ons den Vader en het is ons genoeg. Die Mij gezien heeft, zeide de Heere, die heeft den Vader gezien. Hieruit schijnt dan de vraag te rijzen: is de Vader ook vleesch? Neen, zeggen wij, maar dat is te zeggen, gij kunt met geen aandacht of opmerking Mij zien, of gij ziet aan alle kanten het werk van mijnen Vader, in de werken, die Ik doe; j^ij kunt met geen oplettendheid op Mij zien, of gij ziet, dat al de eigenschappen, die in Mij zijn, ook in mijnen Vader zijn; zoodat, als gij mijnen Vader in het vleesch kondt zien, gij zoudt denzelfden God-mensch zien, dien gij aan Mij ziet. Welk stuk is er nu behalve dat nog klaar?

Dit tweede stuk, namelijk: waarom de tweede Persoon mensch geworden is, en niet de eerste of de derde.

Gij zult zeggen: weet gij daar ook wat van te zeggen? Ik beken, dat als er geen openbaring van in \'t Woord was, wij zouden moeten zeggen: het is zoo het vrijmachtig believen en bestel van God, dat het de tweede is, en niet de derde of de eerste persoon. Maar als die raad des vredes ontdekt is, dan kunnen wij zeggen, wij gelooven dat het om vele redenen is, die zeer wel voegen.

Eerst. De Heere Jezus, de Zoon van God, is het Woord, door hetwelk de wereld geschapen is. Wat was er nu meer tot eer van God, als dat datzelfde Woord kwam om een verloren wereld tot zijne gemeenschap te brengen, en die te herscheppen? Ef. 2:10, Wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken.

Ten tweede. De Heere Jezus was het persoonlijke Woord Gods. Wat was er nu meer tot eer van God, dan dat dat persoonlijke Woord, ook het woord der genade kwam verkondigen?

Ten derde. Hij was het afschijnsel van Gods heerlijkheid, Hebr. 1: 3. Het beeld des onzienlijken Gods, Col. 1:15. Wat was er geschikter, dan dat Hij, die het beeld Gods was, dat zelve beeld, dat in den mensch door de zonde verloren was, weder herstelde? Op eene heerlijke wijze zoo maakt Hij dat de zondaar het beeld Gods, in Adam verloren,quot; in Hem weer hersteld krijgt.

Ten vierde. Hij was de natuurlijke Zoon van God. Wat was er meer tot eere van God, dan dat de natuurlijke Zoon den zondaar tot een kind der genade maakte, door aanneming? Gal. 4:5. Opdat Hij degenen die onder de Wet waren verlossen zoude, en opdat wij de aanneming tot kinderen door Hem verkrijgen zouden.

Ten laatste. De Zoon van God heeft de menschelijke natuur aangenomen. Wat was er meer tot eere van Gods liefde, dan dat Hij zijnen Zoon gegeven heeft? 1 Joh. 3:16. Hieraan hebben wij de liefde\' gekend, dat Hij zijn leven voor ons gesteld heeft. Daar hebt gij ons tweede stuk.

Gij zult zeggen; is het derde stuk ook zoo klaar; mogen wij er wel op vast gaan, dat de Zoon des levenden Gods, eene ware menschelijke natuur heeft aangenomen? Wat grond hebben wij om zulks te kunnen gelooven?

200

-ocr page 207-

OVER DEN XIV. ZONDAG. Vrag. 35 en 36.

In de eerste plaats. Het Woord Gods.

Ten tweede. Dat Hij al de eigenschappen bezeten heeft, die een waarachtig mensch zonder zonde bezitten kan. Hij is gelijk als de kinderen vleesch en bloed deelachtig geworden. Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is Hij (de Heere Jezils Christus) ook desgelijks derzelver deelachtig geworden, Hebr. 2:14. Dat is wat anders, als de taal van de Mennisten, die zeggen, dat de Zaligmaker door Maria doorgegaan is, even gelijk het water door eene goot loopt, al hoewel zij nu al wat wijzer beginnen te worden. Luk. 2:6 lezen wij, dat zij Hem heeft gedragen, dat zij bezwangerd was, dat de tijd van haar baren vervuld werd. Hij is den broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde, Hebr. 2 :17, dat is te zeggen; al wat een mensch heeft zonder zonden, dat was in Hem. Hij had een lichaam in tegenstelling van een spook of verschijnsel, zijn lichaam groeide, \'twas zichtbaar en tastbaar. Een geest heeft geen vleesch, noch been, gelijk gij ziet dat Ik heb, zeide Hij, Luk. 24:39. Hij heeft zijn lichaam opgeofferd. Zijn lichaam werd van \'t hout genomen, en \'t werd in \'t graf gelegd. Hij had eene ziel, die onderscheiden was van zijne Goddelijke natuur, Matth. 26:38. Mijne ziel is quot;geheel bedroefd tot den dood toe. Naar zijne Goddelijke natuur kan Hij niet bedroefd zijn. In zijne ziel had Hij de kracliten dei-ziel, een verstand, dat onderscheiden was van zijne Goddelijke alwetendheid, en een wil, die onderscheiden was vaii zijnen Goddelijken wil. Hij had verstand, dat onderscheiden was van zijne Goddelijke alwetendheid, Luk. 2:52. En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte, en in genade bij God en de menschen. Dat is zijne Goddelijke alwetendheid niet eigen, want die wist alle dingen. Hij had een wil onderscheiden van zijn Goddelijken wil. Dat toonde lïij wanneer HÜ zeide: Mijn Vader! mdien \'t mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil; maar gelijk Gij wilt, Matth. 26:39. Dat kon geen Goddelijken wil eigen zijn. Behalve dat; alles dat een mensch zonder zonde onderworpen is, dat had ook plaats in Hem. Hij was vermoeid, en zat te rusten bij de fontein. Joh. 4:6. Hem hongerde ten laatste, Matth. 4:2. Hij had dorst. Joh. 19:28. Hij had vaak en slaap noodig, Matth. 8:24. Hij had niets, waarop Hij zijn hoofd nederleggen zou, Matth. 8:20. Niet alleen dat, maar al\'hétgeen eene ziel zonder zonde hebben kan, dat bezat Hij ook. Blijdschap, droefheid, beroering, toorn, de Heere Jezus bezat dat alles. Dan was Hij eens bedroefd over de hardheid van hun hart, dat Hij in tranen vertoonde. Driemaal vindt gij Hem in tranen. Eens in den hof van Gethsemane. Eens voor de stad Jeruzalem, daar zooveel vromen in geweest waren, die verlangd hadden om zijnen dag te zien: Hij schreide over de hardigheid van hun hart, en\' dat ze niet wisten wat tot hun vrede diende, \'t was voor hunne oogen verborgen, Luk. 19:41. De derde reize was \'taan \'t graf van Lazarus, Joh. 11:35. Daar staat Hij bij \'t graf van Lazarus en weende, de tranen schoten Hem over zijne oogen, zoodat ze op de aarde vielen, ziet, zeiden de Joden, hoe

201

-ocr page 208-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

lief Hij hem had, vs. 36. Hij had ook toorn. Mark. 3:5, zag Hij ze rondom aan niet toorn, Hij stond daar in de vergadering. Ach! zeide Hij, wat /ijl; gij hard van hart. Hij is ook blijde en verheugd geweest, Luk. 10:21. Te dier ure verheugde Zich Jezus in den Geest, en zeide: Ik dank U, Vader, enz. Maar dewijl Hij een man vansmarte was, en gekomen was om \'t kruis te dragen, en de vreugde te verachten, zoo moest Hij niet veel vreugde hebben, omdat Hij lijden moest voor de zonden van zijn volk, dat zij eeuwig zouden moeten geleden hebben: Hij moest dien kelk in hunne plaats drinken. Maar als Hij in den staat van zijne verhooging komt, dan leest gij meer van zijne blijdschap; ziet dat Ps. 16:9. Daarom is mijn hart verblijd, en mijne eere verheugt zich.

Zie daar, geliefden, als dat alles hij elkander is, ia \'t dan niet klaar en zeker, dat Hij een waar mensch is? Hij is gekomen, etende en drinkende, en in de gedaante gevonden als een mensch, Fil. 2:8. En daar hebt gij nu 1. Wie er mensch geworden is. 2. Waarom de Zoon Gods mensen geworden is. 3. Of Hij een waarachtig mensch geworden is. Kunt gij nu nog iets bijbrengen, om te bewijzen dat Hij een mensch is? Wij niet. In deze verborgenheid geeft God nog wel iets dat dat klaar aantoont; maar dat is meer ontkennender wijze, als stellender wijze; stellender wijze is het zoo klaar niet.

Dat is het vierde, te weten hoe; op wat manier en wijze is Hij mensch geworden? Dat wil God ons doen gelooven, dat geeft Hij ons niet klaar te begrijpen. Dat is gelijk de brandende braambosch. Mo-zes zag wel, dat de braambosch brandde; maar hoe die brandde, dat was hem zoo klaar niet, Exod. 3:2, 3. Het water kwam wel uit den rotssteen; maar hoe dat geschiedde was verborgen. Num. 20:11. Hoe al de mirakelen of wonderwerken geschied zijn, daar wil God ons niet inleiden, met ons eindig verstand hebben wij daar geen bekwaamheid, noch vatbaarheid toe, om dat verborgene te begrijpen. Als God het hoe van een verborgen stuk openbaart, dan suffen wij altemaal, en wij hebben geen bekwaamheid om het te begrijpen. Maar het niet-hoe, dat geeft God klaar te verstaan. Hoe het is, dat is voor den mensch verborgen, maar hoe het niet is, dat hebben wij gezien, wanneer wij spraken uit Openb. 8:12, over het bazuinen des vierden Engels, want daar vonden wij in de vierde bazuin dit, dat er vertoond werd de ketterij van Nestorius, en de ketterij van Eutyches.

Eutyches zegt van de menschwording van Christus, dat ze geschied was door verandering van Godheid in menschheid, door vermenging van de Goddelijke in de menschelijke natuur, even gelijk water en bloed ondereen vermengd worden. Maar wij antwoorden daar dit tegen; dat de Goddelijke natuur van Christus onveranderlijk is; aan de Goddelijke natuur kunnen geen menschelijke eigenschappen gegeven worden; noch aan de menschelijke. Goddelijke eigenschappen; elke natuur in Christus heeft hare bizondere eigenschappen gehouden. Daarom heeft men onder ons altijd gehouden dat korte woord: Hij is gebleven, dat Hij was, dat is God, en geworden, dat

202

-ocr page 209-

OVER DEN XIV. ZONDAG. Vkag. 35 en 36.

Hij niet was, dat is mensch. Wij moeten elkander niet ophouden, met vele woorden of vele zaken overhoop te halen, om duistere zaken te verklaren; maar \'t is een schoon talent, die met weinig woorden duistere zaken licht kan maken. Hij is dan geen mensch geworden door verandering van zijne Godheid in zijne menschheid, ook niet door vermenging van die twee naturen in een.

Nu kwam Nestorius op, en wat zegt die? Het is geschied door scheiding van die twee naturen, zei Nestorius; Hij is mensch geworden en God gebleven, zoodanig dat Hij niet één persoon is; maar twee personen. Daar hebt gij nu dit Artikel tegen. God liet dit Artikel daartegen blazen als eene bazuin. Daar is maar één Middelaar Gods en der menschen, I Tim. 2:5. Daar is maar één naam onder den hemel gegeven, door welken wij moeten zalig worden. Hand. 4:12. Dat was evenals de Joden zeiden; die zeiden ook: daar zijn twee Messiassen. Maar wij zeggen; \'t is niet geschied door scheiding van die twee naturen. Daar is maar één Middelaar Gods, elke natuur is gebleven, maar ze zijn te zamen vereenigd, Hij is God en mensch in éénigheid des persoons. Het is één persoon; maar twee naturen.

De Socinianen, wat zeggen die er van ? Hij is niet uit Maria, zeggen ze; maar Hij heeft zijne menschheid uit den hemel gebracht.

De Mennisten schijnen daar in \'t allerbest met de Socinianen overeen te komen. Maar wij antwoorden er op, en wij zeggen; \'tis zoo niet, en het kan ook zoo niet zijn; want zoo Christus een mensche-lijk lichaam door schepping in den hemel gekregen had, dan waren de menschen op de aarde zijne naasten niet geweest, en dan was Hij het zaad Abrahams, Izaks en Jakobs, het zaad Davids niet geweest; dan had Hij ook onze Losser niet kunnen zijn. Hoe is Hij \'tdan geworden? Was \'t evenals in het Oude Testament, dat Hij voor éénen dag verscheen in eene menschelijke gedaante, evenals Hij bij Jozua kwam, en evenals Hij bij Jakob kwam? Neen, zoo is \'took niet geschied. Dat was maar in een voorspel van hetgeen wij prediken. Wat onderscheid was er dan tusschen? Dit. Al wat daaromtrent geschied is in \'t Oude Testament, dat was kort, en maar voor eenen tijd; maar dit is tot in alle eeuwigheid. Daar was \'tgeen personeele vereeniging; maar hier is \'t eene personeele vereeniging, en die tot in alle eeuwigheid zal duren. Nu kunt gij begrijpen dat allerdonkerste, wat het niet is. Ontkennenderwijze is dat klaar.

Maar gij zult zeggen: hoe is \'tdan geschied? Zegt het eens stel-lender wijze. Daar zullen wij u zooveel van zeggen, als er het Woord van zegt: in de gestalte Gods zijnde heeft Hij de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is den menschen gelijk geworden, Fil. 2:7, Hebr. 2:16, 17. Hij neemt geen natuur van eenen Engel aan. Waarom niet? Hij was de verlosser niet van de Engelen, maar Ilij neemt de natuur van de menschen aan, om menschen te verlossen. Zoodat degenen, die Hem zagen, als Hij op de wereld was, die zagen een Godmensch; eenen, die waarlijk God was, en die waarlijk mensch was. Als gij nu wilt hebben, dat wij er u meer van zeggen, dat is

203

-ocr page 210-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

even zooveel, alsof ik wilde hebben, dat gij mij zeidet, hoe de ver-eeniging van eene ziel met een lichaam is, die echter ons zoo eigen is, en elk een moet evenwel zeggen: ik kan dat niet zeggen. Is dat zoo? Wel dan moet gij van mi] niet eischen, dat ik zeg, hoe de goddelijke met de menschelijke natuur in Christus vereenigd is. Is er iets, dat ons eigen is, zoo is \'t de vereeniging van onze ziel met ons lichaam, en zoo ik eens zeide tot u: toont mij dien band, dien knoop eens tusschen uwe ziel en lichaam; gij zoudt zeggen; ik kan niet. Nu bid ik u, in al die duistere en verborgene dingen, past het daar niet zeer wel, dat wij tot God zeggen: mijn Heere! ik leg al de hoogten van mijn verstand, die zich verheffen, daar neer, en ik aanbid U ? Ik weet, dat wij geen moeite hebben, om u daartoe te brengen, dat gij zegt: Heere! gij zijt groot, ik kan zelfs de vereeniging van mijne ziel en lichaam niet begrijpen, hoezeer dat ik het ook ondervind, wat zou ik dan uwe wonderbaarlijke en bovennatuurlijke menschwording begrijpen! Dat is ons vierde stuk, en dat is het allerduisterste van alle.

Uit kracht nu van die vereeniging, wat gevolgen komen daaruit voort? Deze:

Eerst. Dat er eene mededeeling is van werken aan beide naturen, zoodat het werk, dat de eene natuur gedaan heeft, aan den geheelen persoon wordt toegeschreven.

Ten tweede. Eene mededeeling van eigenschappen.

Ten derde. Eene mededeeling van eer, en een mededeeling van gaven aan den geheelen persoon. Neem eens in \'t werk der verlossing, daar hebt gij de twee naturen van Christus, die elk haar werk gedaan hebben: de menschelijke natuur in \'tlijden en in de geboorte, de goddelijke in \'t ondersteunen en waardigheid toe te brengen. Nu zijn die beide naturen in \'t werk der zaligheid werkzaam geweest, als de Zaligmaker? Zoo moet men dan niet zeggen: de Goddelijke of de menschelijke natuur is de Zaligmaker, maar beide die naturen zijn de Zaligmaker. Hieruit volgt eene mededeeling van eigenschappen. De eigenschappen, die maar aan ééne natuur toekomen, worden wel aan beide toegeschreven. Dan wordt Hij eens genaamd: de Middelaar, dan eens de mensch Christus Jezus. Die mensch was, is ook God, Hij is van eeuwigheid geboren. Die eigenschappen worden den geheelen persoon toegeschreven, die maar aan ééne natuur eigen zijn. Hij is naar de ééne natuur sterfelijk. Hij is naar de andere natuur onsterfelijk.

Ten vierde. De gaven, die aan de menschelijke natuur gegeven zijn, worden den geheelen persoon toegeschreven. Hij kreeg den Geest met met mate; en zoo worden wederom de gaven van de Goddelijke natuur de menschelijke natuur toegeschreven; doch evenwel zoo, dat altijd die twee naturen onderscheiden blijven. De eere, die de Goddelijke natuur alleen toekomt, wordt den geheelen persoon toegeschreven, als daar is de eere van Hem te aanbidden, van op Hem te vertrouwen, van in zijnen naam te gelooven. De Middelaar werd aangebeden, omdat Hij was God en mensch in één persoon. Zoo moesten zij zijne

204

I ||

!

i ;

p!

[ l\' f

I • «

111

IB » r

I i

1 i

i

-ocr page 211-

OVER DEN XIV. ZONDAG. Vraq. 3B en 30.

menschelijke natuur aanbidden. Stefanus zeide: Heere Jezus, ontvang mijnen geest, Hand. 7:59. Heere! zeiden de Apostelen, vermeerder ons het geloof. Luk. 17 :5. Wij zouden zijne menschelijke natuur niet mogen aanbidden, was Hij geen God en mensch in een persoon.

Nu moeten wij zien, wie do werkmeester van dit werk is.

Dat is, eerst, het Goddelijke Wezen in \'t gemeen, Hand. 13:32. En wij verkondigen u de belofte, die tot de Vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons hunne kinderen, als Hij J ezus verwekt heeft.

Ten tweede. God de Vader in \'t bizonder. Vader, zeide do Heere Jezus, Gij hebt Mij het lichaam toebereid, Hebr. 10:5. Gij hebt Mij de ooren doorboord, Ps. 40 : 7.

Ten derde. In \'t bizonder de Zoon. Hij, die in de gestaltenis Gods zijnde, en het geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen, Fil. 2:6, 7.

Maar allermeest, ten vierde, is de werkende oorzaak daarvan geweest de Geest van God. Daarom zeide de Engel: de Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen, Luk. 1:35. Wat is de oorzaak geweest, dat Lazarus uit de dooden werd opgewekt? De kracht Gods. Wat is de oorzaak geweest, dat het water uit de rots kwam? De kracht Gods. Wat is do oorzaak, dat deze maagd zwanger wordt? De kracht Gods. God zeide door den mond des engels: die vrouw zal zwanger worden en een zoon baren. Als wij daar in de graven zullen liggen, en God met zijn stem zeggen zal: staat op, gij dooden, en komt ten oordeel, wat zal anders de oorzaak daarvan zijn, dan de stem met de kracht Gods? Zoo is \'t met dit ook gelegen. Hoe komt dan nu Maria hier in aanmerking? Li haren staat en hoedanigheden, in haar geslacht, en in hare betrekking, die ze op den Heere Jezus had.

In haren staat: zij was een maagd, zegt de Geest, die ondertrouwd was met Jozef. Dat zulke dingen waar zijn, blijkt: God zond den Engel tot eene maagd, die ondertrouwd was. Wij vinden, dat, als de engel de boodschap doet, zij dat erkent; hoe zal dat zijn, zegt zij, dewijl ik geen man bekend hebt. Hij zegt het: de Heilige Geest, zegt hij, zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen. De kracht Gods heeft op eene vreeselijke wijze den mensch geformeerd. Wie kan de kracht Gods bepalen? Wie kan zeggen: dat kan ze doen en niet meer? Dat ze een maagd was, geeft Jozef\' te kennen in zijne malingen, die hij had. Hij had in den zin haar heimelijk te verlaten. Maar wat doet God? Hij stuit het: doe het niet, zegt Hij, uwe bruid is geen oneerlijke. Hij wordt wakker; daar merkte hij, dat hij eene Goddelijke ontdekking had gehad. Hij overlegt dit in zijn hart en redeneert; hij neemt het nooit meer in zijn hart; hij blijft er bij. Hij gaat met haar naar Bethlehem om beschreven te worden. Luk. 2:4, 5. Bedenkt al zulke dingen eens, en legt er dan eens de ontdekking Gods bij, en de bitterheid der Joden. Wat voor vuile smaadnamen zij den Heere Jezus ook gegeven hebben,

205

-ocr page 212-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ze hebben Hem dit nooit verweten, noch zijne moeder voor eene onkuische gescholden; nochtans was het gemakkelijk te doen geweest, was er geen overredende kracht Gods geweest, die het belette. Zulk eene arme vrouw wordt geloofd. In de geheele wereld zon het nooit geloofd zijn geworden, zoo er geen overredende kracht Gods bij was geweest. Eene koningin in haar hof zou zoo niet geloofd worden; m geheele koninkrijken zou \'t geen ingang vinden, en zal dit ingang vinden in de geheele wereld zonder eene overredende kracht Gods?

Welke betrekking had nu de maagd Maria op het kind?

Eerst. Deze, dat llij haar kind was; Hij was haar vleesch en bloed deelachtig geworden. Welke betrekking had dat kind op Maria? Deze, dat zij zijne moeder was. Joh. 2:5, Zij zeide: Zoon, doe dat. En Luk. 2:48 zegt zij: Kind! ik en uw vader hebben u met angst gezocht, (zijnde, alzoo men meende de zoon van Jozef.)

Ten tweede. Hij was haar eerstgeboren Zoon. Luk. 2:7, Zij baarde haren eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe. Ziedaar, geliefden! is dat werk gewrocht.

Nu ons laatste stuk; dat bestaat hierin: tot wat einde is dat alles geschied, tot welk nut en voordeel voor ons? Daartoe, opdat de Schrift vervuld zou worden; God had het met zijnen mond gesproken, en zoo vervulde Hij het met zijne hand. De profetieën en de schaduwen moesten alle vervuld worden. Niet alleen moest Hij sterven en begraven worden naar de Schriften, maar ook geboren worden naar de Schriften. Hij moest het zaad der vrouw zijn; daar moest een rijsje en een wortel uit eene dorre aarde voortkomen, Jes. 53:2. Niet alleen dat, maar ook de beloften moesten waar worden. God had Abraham beloofd, dat Hij hem een zaad zou geven, in hetwelk alle geslachten der aarde zouden gezegend worden, Gen. 12:3. Pau-lus brengt dat. Gal. 3:10, op Christus thuis. Jakob was daar ook een erfgenaam van, en ook Izak. God zeide tegen Jakob: den zegen, dien Ik uwen vader beloofd heb, zal Ik doen komen. Jakob had twaalf zonen; en eer dat hij stierf, zoo zeide God, uit wien van die de Messias geboren zou worden; en Jakob zelf wijst het uit in den zegen-wensch, dien hij aan zijn zonen gaf. Juda, zegt hij, gij zijt het, u zullen uwe broeders loven. Gen. 49:8. Waarom? omdat de Messias uit hem zou voortkomen, en die zou niet komen, voordat de schepter van Juda zou geweken zijn: dan zou de Silo komen: de Koninklijke Troon, Kroon en Regeering zou tot Hem overgaan.

Nu gaat God het verder toonen, wat familie Hij verkiezen zou, en wat persoon, 2 Sam. 7:18, namelijk de familie van David; waarom de koning zoo nederig don Heere dankte: Wat ben ik, Heere, zegt hij, of wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt; Gij kent uwen knecht, Heere, Heere! en 1 Kron. 28:4, Nu heeft mij de Heere, de God Israels, verkoren uit mijns vaders gansche huis, enz. Zoo werd het alles stipt vervuld; en de Messias moest de Zoon van David zijn. De blinde, die daar bedelde op den weg, was daar wel

200

-ocr page 213-

OVER DEN XrV. ZONDAG. Vrag. 35 en 36.

van onderwezen: Heere Jezus! gij zone Davids, zei de hij, ontferm U mijner, Luk. 18 ; 39.

Is dit nu alles in Maria\'s Zoon vervuld. Ja. Zij was uit het huis en geslacht van David. Zij ging naar Bethlehem om beschreven to worden, en dat was, omdat zij uit het huis en geslacht van David en zoo uit Juda was. Het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is, flebr. 7: 14. David, als hij weer gehaald werd, daar hij vluchtende was geweest, zeide tegen den stam van Juda: Waarom zoudt gijlieden de laatsten zijn, om den koning weder te halen in zijn huis? Gij zijt mijne broederen, mijn been en mijn vleesch zijt gij, 2 Sam. 19:12. \'t Is dan openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; is Hi) nu uit Juda, zoo is Hij uit Jakob, en is Hij uit Jakob, zoo is Hij uit Izak, en is Hij uit Izak, zoo is \'t openbaar, dat Hij uit Abrahams zaad is naar de Schriften.

Nu moeten wij er nog bijvoegen deze vraag, te weten: wat is er ons aan gelegen? Wat nut is er in, dat Hij een mensch is; een mensch uit een mensch, en een mensch uit een maagd? Als de Middelaar alleen God was, dan zouden wij geen toegang tot Hem durven nemen, dan zouden wij niet gemeenzaam met Hem durven omgaan. Toen God op Sinaï onder donder en bliksem sprak, zeide geheel Israël tegen Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen hooren, en dat God niet met ons spreke, Exod. 20:19. Als hier een engel op dezen predikstoel stond, zoudt gij hem niet kunnen hooren, noch toegang tot hem hebben; maar tot den Middelaar hebben wij toegang. Daarom wordt er gezegd, 1 Tim. 2:5, Er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus. Door zijn bloed hebben wij vrijheid om in te gaan in \'t heiligdom; op eenen ver-schen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door zijn vleesch, Hebr. 10:19, 20.

Ten tweede. Dat nut is er in, dat Hij behoorlijk medelijden heeft met onze zwakheden, Hebr. 4:15. Hij is in alle dingen verzocht geweest evenals wij, uitgenomen de zonde, Hebr. 2:17. Hij weet wat armoede is, wat strijd des duivels is, wat lastering is. Dat nut is er dan in, dat wij kunnen zeggen: Heere, Heere! Gij weet hoe benauwd het is. Dat Hij een mensch is, daar is dat nut in voor ons, dat Hij als een mensen voor ons, de wet Gods volmaaktelijk heeft gehoorzaamd; de geboden van de eerste en tweede tafel der wet heeft Hij onderhouden. Niemand kan de Verlosser zijn, of hij moest een mensen wezen. Waarom? Om de wet Gods volmaaktelijk te kunnen onderhouden, met ziel en lichaam. Hij moest lijden al wat er te lijden was, en God en de menschen liefhebben. Daarom knoopt Paulus dat te zamen, Gal. 4:4, 5, Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijn Zoon gezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet. Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen door Hem verkrijgen zouden.

Ten derde. Er is nut in, dat Hij een mensch uit een mensch is;

207

-ocr page 214-

CATECHISMUS-PREDIK ATIE

want alzoo moest Hij onze broeder, onze naaste zijn, zou Hij onze Losser wezen. Hij was het tegenbeeld van de lossers in het Oude Testament. Wat het werk van de lossers was, is al te lang, om tegenwoordig hier uit te breiden. Als iemands vriend misgaan was en verstoken van zijn goed, zoo kwam de losser en loste het; als hij gevangen was, verloste hij hem uit het gevangenhuis; als zijn vriend bij toeval iemand dood geslagen had, loste hij hem; wanneer zijn vriend gestorven was, en eene vrouw nagelaten had zonder kinderen, dan kwam de losser en trouwde die vrouw en verwekte zijnen broeder zaad. Zoo is \'t hier ook. De Heere Jezus ziet de uitverkorenen. Die hebben alles verloren, hemel en aarde, hunne ziel, het leven, en zij zitten gevangen bij den duivel. Maar Hij redt hen; daarvandaan worden ze wederom vrij, en vrienden Gods; en Hij geeft hun weer het recht tot alles. Hij verlost ze uit de macht des duivels, uit de macht van dien menschenmoorder van den beginne, Joh. 8:44. Haar eerste man die is dood door de wet; daar komt Hij in ondertrouw met haar, en zoo verwekt Hij kinderen der genade, en zoo brengt Hij ze tot de heerlijkheid.

Wat nut is er in, ten vierde, dat Hij mensch uit eene maagd is?

Eerst. Dat Hij zonder zonde is.

Ten tweede. Dat Hij door zijne onzondige geboorte onze zondige geboorte bedekt.

Eerst. Dat nut, dat Hij zonder zonden was, en zoo niet geboren naar die algemeene wet der natuur, wast en vermenigvuldigt. Was Hij naar die wet geboren, dan was Hij niet zonder zonden; maar nu staat Hij niet onder \'t hoofd van \'t verbond der werken, en zoo kan Hem die eerste zonde van Adam niet worden toegerekend; vervolgens zoo heeft Hij noch toegerekende, noch erfzonde. Hij is den broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde.

Ten tweede. Dat nut, dat Hij door zijne heilige geboorte, onze onheilige geboorte bedekt. Wij zijn een adderengebroedsel, en zoo komen wij tor wereld; en Grod kan niemand het eeuwige leven toewijzen, dan die heilig is in natuur en daden. Wij zijn niet heilig, maar Christus is het in beide, in plaats van de uitverkorene zondaren. En zoo wordt zjjne heilige ontvangenis en geboorte de hunne. Al wat het zijne is, is \'t hunne. Voor onze onheilige natuur moest zoowel voldaan worden, als voor onze onheilige daden. Daar hebt gij onze zes stukken, die verborgene stukken! Nu moeten wij nog een weinig met onze gedachten stilstaan.

Wat is de wijsheid Gods wonderlijk! Daar is geen einde aan. Zij is ondoorgrondelijk. Is dat geen wijsheid Gods? Het geheele jaar door gaat zoo alles zijnen gang, en het gaat alles zoo ordentelijk, zonder dat er iemand zijne hand aanslaat. Wat is God een rechtvaardig en een heilig God, in \'t straffen van den zondaar, en wederom genadig in sommigen te sparen. Daar komt zijne wijsheid tusschen-beide; die vindt het middel uit, om sommigen genade te bewijzen; die vindt den Middelaar uit, die het doen zal. O! diepte des rijkdoms

208

-ocr page 215-

OVER DEN XIV. ZONDAG. Vrag. 85 en 30.

20!)

beide der wijsheid en der kennis Gods! Kom. 11 :33. Beziet de men-schen in \'fc Christendom, als ze eenen vriend hebben van aanzien of staat, wat een ophef dat zij er van maken. Zij hebben er den mond van vol. Wat waren Jozefs broeders niet vereerd, dat Jozef, hun broeder. Regeerder van Egypteland was. Als Paulus en Barnabas die wonderen te Icónium gedaan hadden, zoo kwamen de priesters van Jupiter en Mercurius, Heidensche afgoden, met ossen en kransen, en zij wilden dien twee mannen godsdienstige eer aandoen, en zij zeiden: de goden zijn den menschen gelijk geworden en tot ons nedergekomen. Hand. 14:11, 12. Wij kunnen dat in waarheid zeggen: de Zone Gods is den menschen gelijk geworden, en Hij heeft onder ons gewoond. Joh. 1:14. Gij moest niet denken, dat de Christenen daar alleen van spreken; de Heidenen zeiden het ook, doch \'twas in geen waarheid; maar te Icónium meenden ze \'t in waarheid; daarom sprongen Paulus en Barnabas onder de schare, en zeiden: wij prediken u, dat gij u van die ijdele dingen bekeeren zoudt, vs. 15. De Zone Gods is den menschen gelijk geworden! Als men daarvoor stilstaat, zoo moeten wij uitroepen: ach Heere! wat is uwe liefde oneindig groot! God kwam bij Abraham en zeide: Nu weet Ik, dat gij godvreezende zijt, en uwen zoon, uwen eenige van mij niet hebtquot; onthouden, en liij deed meer met zijne bereidwilligheid, als hij gedaan zou hebben met de daad, Gen. 22:16. Moest Israël niet zeggen tot Mozes: nu zien wij het, dat gij ons lief hebt, als hij tegen God zeide: Delg mij uit uw boek? Exod. 32:32. Wat moet het niet eene hoogte van liefde in David geweest hebben omtrent Absalom, dat, als hij gestorven was, hij uitriep: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik voor u gestorven ware, Absalom mijn zoon, mijn zoon! 2 Sam. 18:33. Wat was het eene liefde in Paulus, dat hij\'zeide: ik zoude zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, die mijn maagschap zijn naar het vleesch, Hom. 9:3. Wie kan daarbij? De Heere Jezus, als Hij twee dingen uitdrukken wilde, om er Zich over te verwonderen, zoo was het eene de hardigheid van des volks hart, en het andere de liefde Gods in \'t schenken van zijnen Zoon, Matth. 11:16. Waarbij, zegt de Zaligmaker, zal Ik dit geslacht vergelijken? Ik kan \'t niet uitdrukken, wil Hij zeggen, dat ze zoo verhard zijn. En Joh. 3:16. Zoo lief heeft God de wereld gehad. Hoe lief Heere Jezus? Zoo lief, ik kan \'tniet uitdrukken, dat het zoo hoog is, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, den waar-achtigen Zone Gods, den Vader even gelijk, geen een uit velen, geen vreemde, maar den eigen Zoon. Hierin bevestigt God zijne liefde jegens ons, zegt Paulus, Kom. 5:8, dat Christus voor ons\'gestorven is, als wij nog zondaars waren. En, (hoe wonderlijk is \'t!) Hij had geen mensch noodig. En als God het al gedaan heeft, wat geven wij Hem? wat ontvangt God van ons? Nietmetal. Als een mensch aaii een mensch wat doet, dan ontvangt hij dank daarvoor! Maar wat ontvangt God van ons? wat doen wij voor God? Daar komtdegroote Zone Gods, die verlaat den hemel, en Hij wordt minder dan de En-

14

-ocr page 216-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

gelen, Hebr. 2:9, Hy verlaat /.ijnen staat en heerliikheid, die Hij bij zijnen Vader had, en Hij neemt de gestaltenis van een dienstknecht aan. De menschelijke natuur heeft Hij aangenomen, geen engelen-natuur, geen natuur van een volmaakt mensch, evenals Adam was voor den val, geen koningsstaat heeft Hij aangenomen, maar dien eens knechts. Hij is gekomen in de gelijkheid des zondigen vleesches. Zich vertoonende in al de gevolgen van de zonde. Maar voor wien doet Hij het? Voor zulken, daar de Heere met recht van zoude gezegd hebben: Ik schaam Mij u te noemen. Waartoe kwam Hij? Om bespot, bespogen, gevloekt te worden, en om den toorn des Almachti-gen Gods te dragen. Men zou zeggen: de zondaar zal tot zulk eenen, de alleruiterste affectie en toegenegenheid hebben. Men zou zeggen, hoe is het mogelijk, dat wij er niet meer mede op hebben? Weet gij hoe dat mogelijk is?

Eerst. Men wordt het gewoon. Met alle rare dingen heeft men m \'t eerst veel op. Het regenen van \'tManna, wat hadden zo daar in \'t eerst niet mede op. Wat hadden ze niet op met de komst van Christus, en als Hij eerst kwam prediken, wat hadden ze er niet mede op. üij zijt het gewoon, gij hoort het gedurig prediken; gij hebt er geen aandacht meer onder.

Ten tweede. Anderen, omdat ze \'t gewoon zijn, hooren niet alleen als niet hoorende; maar zij zitten te slapen, en, zijn ze in hun eenzaamheid, \'t is bun gewoonte niet om er eens aan te denken.

Ten derde. Anderen smijten \'t weg, die zeggen: ik heb er toch geen deel aan, dat zal voor mij niet wezen, ik heb te schrikkelijk gezondigd. Is dat uw reden ? Zijt gij een al te schrikkelijk monster ? Dan hebt gij slechte redenen. Omdat gij zoo schrikkelijk gezondigd hebt, zoude het daarom voor u niet wezen? Zijt gij al een groot er zondaar, dan Manasse, en dan de moordenaar aan \'t kruis waren? Zijt gij al gruwelijker monster, dan die vrouw daar zeven duivelen uitgeworpen werden? Hebt gij al erger gezondigd dan de apostel Petrus? Hebt gij al erger gezondigd dan Paulus? Voor zulken was\'t evenwel, die hebben\'tal ondervonden dat het voor hen was. Waarom zou \'t dan voor u niet kunnen wezen? Geliefden! niemand ontvalle het hart. Weet gij voor wie dat is? \'t Is voor zulken, die zoo zeggen, dat ze zulke groote zondaars zijn. Ik ben gekomen, zegt de Heere, om de verlorenen te zoeken, om zondaars en niet om rechtvaardigen tot bekeering te roepen, voor arme zielen, zeide Hij, die zoo zeggen: hoe kom ik nog terecht, ik ben een van de voornaamsten? En hebt Gij mij dan niet van noode? Voor u ben Ik, die zoo zeggen: ik ben zoo zondig, ja die zeggen: ik beu een van de voornaamsten der zondaars, voor die zoo klagen, dat ze zoo zondig zijn in hun natuur, in hunne gedachten, in hunne bewegingen, in hunne woorden en daden. Dat kent gij niet, als \'tde Heere u niet deed zien. Dat is een teeken, dat de Heere de uwe is. Niet zoo haast zult gij zoo worden, ot in zulk een gestalte komen, of Hij is de uwe.

Nog eens, o! Hij is mensch geworden voor die, die het met den duivel en met de wereld niet eens zijn. Zijt gij nog een gevangene

210

-ocr page 217-

OVER DEN XIV. ZONDAG. Vbag. 85 en 8G.

van den duivel, dan zijt gij \'tnog met de zonden en met de wereld, en tnet de goddeloozen eens. Dan gaat gij van zonden tot zonden. Dan moogt gij \'t niet lijden, als gij er over gemoeid wordt. Maar als gi] \'t er niet eens mede zijt, hoe meer dat ik er over gemoeid wordt hoe liever, zegt gij dan. Gij zegt: ik zoek een ander leven, eenen anderen weg, een andere leiding. Daarvoor is de Zone Gods gekomen om voor die gebondenen vrijheid uit te roepen.

Dan als het werk dea duivels in u verbroken is, dan valt gij daar neer voor den Heere; maar als \'t niet verbroken is, moet diit alle dagen zijnen gang gaan, en de zonden gaan u zoo handig af, het staat u zoo wel te zondigen, al uwe leden hangen er naar. Maar als \'tin u verbroken is, dan doet het u zoo zeer, als gij de zonde eens mee doet, \'tis u zulk een pijn, ik kan zoo niet mee doen, is \'t dan. Dan is \'t: Heere! dat Gij nooit naar mij zaagt, \'t zou zoo rechtvaardig zijn. Waarom hebt Gij naar mij gezien? Wat zoudt Gij naar mij zien? zou ik wel Uwe en Gij wel mijne zijn? Al ben ik het niet waardig, jk. diende U evenwel te hebben. Ik lean U niet laten gaan, voordat Gi] mi] zegent, ik zal voor uwe voeten blijven liggen; ik kan maar sterven. Van U af te gaan, daar schrik en beef ik voor. Ach! help mij toch!

Aog eens. Ach! zeide zulk eeu, wat is de zaligheid groot, voor degenen, die er deel aan hebben! Zij zijn gelukkiger dan zij weten.

Wij zeggen: Wat zegt nu uw hart van zulke dingen?

Eerst, \'t Zal niet op wat praten, maar op het ondervinden aankomen Zegt gij, ach Heere! Gij zijt mijn getuige, dat ik zulk een groot zondaar m mijne oogen ben?

Ten tweede. Hebt gij voor God kunnen zeggen: Gij hebt het rijk des duivels in mij verbroken, ik ben aan de zonden zoo niet meer gebonden als voorheen?

Ten derde. Hoe dikwijls hebt gij gestaan in \'t gezicht, dat gij \'t niet waardig waart?

Ten vierde. Hebt gij niet wel gezegd: al ben ik \'tniet waardig, help mij echter in den Zoon uwer liefde?

Ten vijfde. Hoe dikwijls hebt gij er God om aangekleefd, en met Hem over geworsteld?

len zesde. Wat schattet gij ze gelukkig, die deel aan de zaligheid hadden! Zoo Hij uwe is, looft God. Laut de lof van God in uwen mond wezen; zoekt gemeenzaam met Hem te leven, en zegt: zulk een wormpje, zaagt Gij daar naar om? Zingt altemet een lied of een psalm. Maakt u gemeenzaam den lofzang van Maria, den lofzang van Zacharias, den lofzang van Simeon, denkt daaraan, leest ze, zingt ze altemet eens. Zegt: Eere zij God den Vader, die mi] verkoor, en zijnen Zoon schonk; Eere zij God den Zoon, die dat\'werk op Zich nam, en mij zoo duur kocht; Eere zij God den Heiligen Geest, die mij kwam overtuigen, en mijn hart opende. O! zegt zulk een, Zone Gods, Gij zijt waarachtig God, Gij zijt waarachtig mensch. Gij zijt waarachtig God en mensch in een persoon. U aanbid ik, U erken

2L1

-ocr page 218-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

212

ik, aan U beveel ik mij zeiven, al miin kommer leg ik op U; met mijn gansche hart stel ik mijn vertrouwen op U. \'t is een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Gij in de wereld gekomen zijt om zondaars zalig te maken niet alleen, maar ik hoop ook, om mij zalig te maken. Met deze mijne oogen hoop ik U eens te zien, en ik zal U evenwel eens zien, met deze mijne oogen en met geen vreemde. Meent gij, dat de Heere Jezus altijd zoo vreemd, en zoo verre zal zijn? Neen, in den hemel zullen wij Hem eens zien aangezicht aan aangezicht. Stefanns heeft er Hem gezien. Ik zie de hemelen geopend, zegt hij, en den Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods. Elk zal er Hem zien, die genade heeft en die geen genade heeft, zal Hem ook eens zien; en zij zullen wenschen, dat ze hun leven geen oogen gehad hadden, \'tzal een schrikkelijk gezicht wezen. Johannes zegt; wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Die genade heeft, zoo zult gij Hem zien. \'t Was geen wonder, dat Job begon te zeggen: mijne nieren verlangen zeer in mijnen schoot. Dan zal \'t schepsel, en al\' ons eigen, ons ontvallen, en zoo zullen wij altijd met dien Heere wezen. Amen.

-ocr page 219-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XV. Zondag. Vrag. 37. 38. 39.

Vijftiende Zondag.

37. V raag. Wat verstaat gij hij het ivoor deken: geleden ?

Antwoord. Dat Hij aan lichaam en ziel, den ganschen tijd zijns levens,

op de aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijke geslacht gedragen heeft: opdat Hij met zijn lijden, als met het eenige Zoenoffer, ons lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eemvig leven vervvierve.

38. Vraag. Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden ?

Antwoord. Opdat Hij, onschuldig, onder den wereldlijken rechter

veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.

39. Vraag. Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is getveest, dan of Hij met een anderen dood gestorven war et

Antwoord. Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft; want de dood des kruises van God vervloekt was.

WIJ lezen, Jes. 9:5, Men noemt zijnen naam Wonderlijk. De naam van den Messias zou toch wonderlijk zijn! De Heere Jezus verscheen eens aan Manoach en zijne vrouw, Richt.IJ lezen, Jes. 9:5, Men noemt zijnen naam Wonderlijk. De naam van den Messias zou toch wonderlijk zijn! De Heere Jezus verscheen eens aan Manoach en zijne vrouw, Richt. 13:18, Mijn naam, zeide Hij tot hen, is toch wonderlijk. Hij is wonderlijk geweest in al zijn quot;doen. Hij is wonderlijk geweest in zijn inkomen in de wereld, wonderlijk in zijn uitgang uit de wereld. Hij was wonderlijk in zijn inkomen in de wereld; daar geschiedde buiten allen twijfel een wonderlijk stuk. De verborgenheid der Godzaligheid is groot. God is geopenbaard in \'t vleesch, 1 Tim. 3:16. Die in den hemel donderde met de stem van zjjne hoogheid, die schreit in de kribbe. Die de sterren regeert, zuigt de borsten van zijne moeder. Hij, die de eeuwige God is, die is tegelijk een kleinkind.

Hij is wonderlijk niet alleen in zijn inkomen in de wereld, maar Hij is ook wonderlijk in zijn verblijf op de wereld. Hij was een wonderlijk mensch onder de menschen op de wereld. Hij was wonderlijk

-ocr page 220-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

in zijne woorden, en ook wonderlijk in zijne daden. In zijne woorden was Hij wonderlijk: de allergeleerdste rabbijnen, op allerlei zaken, die hun maar voorkwamen, dienzelven kon Hij onderrichting geven. Toen Hij nog maar twaalf jaren oud was, ontzetten zij zich allen over zijn verstand, Luk. 2:47. Dat zijn geen kunstig verdichte fabelen, het geschiedde openlijk. Meent gij, dat de menschen toen ook geen geheugen en oplettendheid hadden? Ja zekerlijk, zoowel als wij. Daar stond Hij en predikte op een schip, onder duizenden van menschen, zoodat ze begonnen uit te schreeuwen: Hij leert als machthebbende, Matth. 7:29. Meent gij, dat ze toen zoowel geen prediken verstonden als wij \'t nu verstaan? De Emmaüsgangers dien heugde \'t nog, hoe krachtig Hij in zijne woorden was: en was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende, zeggen zij. Luk. 24:32. Komen er vlugge geesten bij Hem, hoe stopt Hij ze den mond, zoodat de eene partij blijde was, dat Hij de andere zoo den mond stopte.

Hij was niet alleen wonderlijk in zijne taal, maar gelijk er kracht van zijn lippen uitging, zoo ook van zijne vingeren en van de zoomen zijner kleederen. Daar komt daar eene vrouw, die zegt: Kon ik maar den zoom van zijn kleed aanraken, zoo zal ik genezen worden; en \'t gebeurde zoo, Matth. 9:21.

Hij was ook wonderlijk krachtig in zijne werken. Geheel Israël schreeuwde daarover. Hij alleen deed meer wonderen, dan al de profeten, die er ooit geweest zijn, te zamen gedaan hebben.

Hij was wonderlijk in zijn vertrek uit de wereld. Daar hebt gij een samenloop van wonderen. In zijnen dood, daar wordt de zon verduisterd en geeft geen schijnsel; het voorhangsel des tempels scheurt in tweeën, van boven tot beneden; de aarde beeft; de steenrotsen scheuren; de graven worden geopend en velen van die daarin waren, zijn gezien in de heilige stad, Matth. 27:51, 52. Eer Hij vertrok uit de wereld, doet Hij op \'t laatst nog een wonder. Daar ontmoet Hij, o wonder! een mensch, die met Hem gerecht werd. Daar doet Hij een wonder aan, eer zijne ziel naar den hemel gaat. Daar toonde Hij, dat Hij voor de zondaars stierf, \'t Was een man, die als in den poel van de hel stond. Hij was niet in staat, om een voetval voor den wereldlijken rechter te doen; maar hij valt voor den Heere, den he-melschen Rechter, neer, en hij krijgt genade van den Richter van hemel en aarde. Hij leed voor de zondaars, opdat die zouden verkrijgen, genade, rechtvaardigheid en \'t eeuwige leven.

Dit wonder hebben wij een weinig te overdenken. Ach! dat wij met de bruid konden zeggen: Allerliefste Heere Jezus! Gij zijt mij een bundeltje mirre, dat tusschen mijne borsten vernacht, Hoogl. 1: 13. Laat ons er niet zoo maar eens ter vlucht, zoo eens ter loops van spreken, maar laten wij \'t gedurig overdenken. Wij doen kwalijk, dat wij er niet meer aan denken. Vrouw! als uw man veel voor u geleden had, gij zoudt het alle dagen vertellen. Kinderen! als uwe ouders veel voor u geleden hadden, gij zoudt daar gedurig van spre-

214

-ocr page 221-

OVER DEN XV. ZONDAG. Viiao. 37, 38 en 39.

ken. En zullen wij clan het lijden van den Heere Jezus vergeten?

Om ons dan die zaak gemeen te maken, zoo moeten wij zien.

Eerst. Wie geleden heeft.

Ten tweede. Waarin Hij geleden heeft.

Ten derde. Wat Hij geleden heeft.

Ten vierde. Moe godvruchtig en onschuldig Hij geleden lieeft.

Ten vijfde. Hoe lang Hij geleden heeft.

Ten zesde. Voor wien Hij geleden heeft.

En dan eindelijk, ten zevende. Onder wien Hij geleden heeft; en of dat meer in heeft, dat Hij onder een wereldlijken rechter geleden heeft, dan of Hij zijnen eigenen dood gestorven ware, en of de dood des kruises iets meer in had, dan een andere dood; dat is, ofschoon, al had Hij door het gerecht moeten lijden en sterven, het echter iets meer in had, dat Hij den kruisdood gestorven is, dan of Hein door het gerecht een andere dood was aangedaan geweest. W\'ij moeten dan zien: 1. Wie geleden heeft. 2. Wat Hij geleden heeft. 3. Waarin Hij geleden heeft. 4. Hoe godvruchtig en onschuldig. 5. Hoe lang. G. Voor wien. En dan 7. Onder wien.

Wie heeft er geleden? Waren quot;t engelen Gods? Engelen konden lijden, gelijk wij in de duivelen zien; zij sidderen voor God; maar zij kunnen geen menschelijke straf lijden. Zoo kunnen \'t die dan niet zijn. Zijn \'t dan de beesten, die geleden hebben. Daar mag een Jood zijn heil in stellen, maar daar had God geen behagen in, verder dan dat het schaduwen en voorbeelden zouden zijn van het ware en voldoende lijden des Middelaars. Zijn \'t dan eenige godvruchtige men-schen geweest, die geleden hebben? een Abraham, I/.ak, Jakob, Lot, Mozes, David, of diergelijken? Neen. Dat rantsoen was al te kostelijk, dan dat de eene mensch den anderen, de eene broeder den anderen zou hebben kunnen verlossen, Ps. 49:8, 9. \'t Is de Heere Jezus Christus die de waarachtige God is en het eeuwige leven. Joh. 5:20. Uit het zaad van David naar het vleesch, Kom. 1 :3. Maar God bovenal te prijzen in der eeuwigheid, Rom. 9:5. \'t Is de eigen Zoon van God, de eeniggeboren Zone Gods, de geliefde Zone Gods. Uit kracht van dat alles, kan men zeggen: God heeft zijne gemeente met zijn bloed gekocht. Hand. 20:28. Daar hebt gij dan nu wie er geleden heeft: \'t is de Heere Jezus Christus.

Nu, waarin heeft Hij geleden? Hij had twee naturen: eene, in welke Hij lijden kon, en eene, die geen lijden kon onderworpen zijn. Beide die naturen concludeerden te zamen. Hij had eene menschelijke en eene Goddelijke natuur; Hij had die beide in eenigheid zijns persoons. Zijne menschelijke natuur, waarin bestaat die? In lichaam en ziel. In beide had de zondaar gezondigd, en hij was waardig in beide de straf te dragen. De Middelaar had eene menschelijke natuur, die bestond in ziel en lichaam. Als Middelaar voor de zondaars, zoo heeft Hij in beide geleden. Om te voldoen aan de rechtvaardigheid Gods, heeft Hij de straf in beide gedragen. Van zjjn lichaamslijden spreken de Evangelisten zeer beweeglijk, en in den 22stel1 Psalm wordt

21B

-ocr page 222-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

u voor \'t oog zijn zielslijdeu als afgeschilderd. Daar spreekt liii zelf zoo klaar en duidelijk van, Matth. 26:38, Mijne ziel, zegt llij, is geheel bedroefd tot tien dood toe. Van die hevige droefheid, gat Hij blijken. Hij zweette groote druppelen bloeds, die op de aarde afliepen, Luk. 22:44. Dat bloedzweet gutste van zijn lichaam af. Hier moeten wij niet denken, gelijk de Socinianen doen, dat zijne ziel bedroefd is geweest uit medelijden van zijn lichaamslijden. In \'t hofje van Grethsemané had Hij geen lichaamslijden; ja, zijn lichaamslijden is verre het minste geweest, in vergelijking van zijn zielelijden.

Hij had ook eene natuur, die niet lijden kon, dat is zijne Goddelijke natuur. Die is geen verandering, noch lijden onderworpen. Dat is eene volmaakte natuur, die geen lijden kan ondergaan.

Heeft die natuur dan geen werk in \'t lijden gehad? In alle manieren, ja. Wat deed ze dan?

Eerst. Zij gaf aan de menschelijke natuur zooveel kracht, dat dezelve den toorn Gods kon uitstaan. Zonder dat die arm des Heeren Hem heil beschikt had, zoo had Hij moeten bezwijken. Wij lezen, Exod. 27:2, dat als God het brandoffer-altaar liet maken, Hij dezelve liet overtrekken met koper, opdat hij dien gloed van het vuur zou kunnen uitstaan. Zoo was \'t ook met den Heere Jezus; zijne menschelijke natuur had het niet kunnen uitstaan, zoo de Goddelijke natuur Hem de kracht daartoe niet gegeven had. Wat deed de Goddelijke natuur nog al?

Ten tweede. Zij gaf de waardigheid aan \'t lijden, \'t Is een groot onderscheid, of een arm mensch voor een misdadiger in \'t gevangenhuis gaat of een koning. Wie zal dien prijs kunnen schatten, dat het de Godmensch is geweest, die geleden heelt. Dat brengt eene uitnemende heerlijkheid, eene oneindige waardigheid aan het lijden toe, als \'t een groot persoon is die lijdt. Daarom wordt er gezegd: 1 Cor. 2:8, Den Heere der heerlijkheid hebben ze gekruist. Het bloed van Jezus Christus, des Zone Gods, reinigt ons van al onze zonden, 1 Joh. 1 :7. Dat korte lijden van Hem moest kunnen opwegen tegen een eeuwig lijden, dat de uitverkorenen anders eeuwig hadden moeten lijden. Dat woog het op.

Nog eens, ten derde. De Goddelijke natuur maakte den Middelaar wonderlijk schoon in \'t oog van al zijn volk. Was \'t het lijden van de menschelijke natuur alleen geweest, dan was het zoo schoon niet gemaakt; maar omdat het nu van den Godmensch is, zoo roepen ze uit: Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk, Hoogl. 5:16. \'t Is alles begeerlijk wat wij aan IJ zien, zeggen ze. Gij zijt blank en rood, Gij draagt de banieren boven tienduizenden, Hoogl. 5:10. U aanbidden wij, U erkennen wij, uit uwe hand wachten wij alleen ons eeuwig heil.

Dit begrijpende, zoo hebben wij u getoond wie geleden heeft, en in welke natuur, namelijk in zijne menschelijke natuur in ziel en lichaam beide. Wat deed de Goddelijke natuur? Die gaf kracht aan de menschelijke natuur, en eene oneindige waardigheid aan \'t lijden, en die lokt een arm hart naar zich toe. Was er de Goddelijke natuur

216

ft 1

Hf! ■I1!\'

i

l\'

it

-ocr page 223-

OVER DEN XV. ZONDAG. Vrag. 37, 38 on 30.

van Christus niet bn geweest, wij kwamen nooit binnen, wij vertrouwden nooit op Hem; maar nu zeggen ze: Heere! al de zaken van mijn lichaam en ziel geef ik in uwe hand.

Gij zult nu in uw hart denken: Wat is het dat Hij geleden heeft? Dat-is zoo veel. Is \'t meer dan van een Jakob, dien bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst? Gen. 31:40. Is \'t meer dan van een Abel, die door zijnen broeder vermoord werd? Gen. 4:8. Is \'t meer dan van een Jozef, die verkocht werd van zijne broeders? Gen. 37:28. Dat komt er niet eens bij te pas. Het was wel zwaar voor die drie, maar dat haalt niet bij \'t lijden van den Zaligmaker. Wat moest Hij dan lijden? Den toorn der menschen, den toorn der duivelen, en dan nog bovenal den toorn des Almachtigen Gods, tegen de zonde ontstoken. Hij moest lijden den toorn der menschen. Hoewel Hij het geheele land doorging, weldoende, en elk zegenende, zoo blaakten echter hunne aangezichten van gramschap. Hij kwam op den geesel der tong. Zij sloegen Hem met hunne vuisten; zij schopten Hem met hunne voeten; zij sleepten Hem met hunne handen; zij spogen Hem in zijn aangezicht. Daar was niemand ooit geweest, die al zijne zaken zoo wel gedaan had, en daarom waren ze als leeuwen en duivelen tegen Hem, uitgenomen eenige weinigen, die Hem volgden, dien Hij hunne harten geopend had; die zeiden: Tot wien zouden wij gaan. Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens. Joh. 6:68. Het geheele land was in beroering; dat konden ze niet dragen; zij rustten niet, voordat ze Hem van kant geholpen hadden; zij zeiden tot Hem, als tot Elia: zijt gij die beroerder Israels? Als zij niet meer bij Hem konden, dan smaadden ze Hem nog; zij schudden met hunnen kop; zij staken hunne tong uit; zij spogen hun uitbraaksel in zijn aangezicht. Het is niet pleizierig, als een ge-geheel land en stad in beweging en als in vuur en vlam is tegen één mensch; en als men nooit wel kan doen, en als men niet van pas kan preeken noch spreken. Jeremia was dat zulk een smart. De profeten bemoeiden zich wel eens om te zwijgen; maar hoe meer ze studeerden om te zwijgen, als God het niet wilde, dat ze zwijgen zouden, zoo spraken ze nog des te meer, en \'t Woord des Heeren werd als een brandend vuur in hunne beenderen, Jer. 20:9. Zoo was het met den Heere Jezus ook gesteld. Hij moest ook de gramschap van den duivel dragen. Die helsche geest valt Hem ook lastig. Die overste der wereld kwam ook. Al had hij niet aan Hem om Hem te overwinnen, hij had evenwel zooveel aan Hem, om Hem de verzenen te vermorzelen, en zocht Hem öf in zijn geloof te verzwakken, of tot zonden te brengen, en zoo het gansche werk der zaligheid in duigen te stooten. De duivel, die den eersten Adam aantastte, deed het ook den tweeden Adam. Het scheelt dien helschen geest niet, wien hij aanrandt. Hij zoekt den Vorst van \'t heir des Heeren te verslinden; en zoo zegt hij in zijn hart: ik wil niet strijden tegen klein noch groot, maar tegen den Zone Gods alleen. Zou God uw Vader zijn, zegt hij tegen Gods Zoon, en zou Hij U niet een stukje brood ge-

217

-ocr page 224-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

218

ven? Hoe kan dat zijn? En zoudt gij zijn Zoon zijn? Even gelijk hij tegen een kind Gods zegt: zoudt gij genade hebben, en zoudt gij zoovele ellenden lijden? Dan zocht hij Hem te brengen tot zelfmoord. Werp u zeiven nederwaarts, zegt hij, van de tinne des tempels, want er is geschreven, dat Hij zijn engelen van ü bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot, Matth. 4:6. Daar komt hij als een bedrieger en oplichter, en hij haalt uit de Schrift een tekst half aan. Dan komt hij: (o, schennis! de duivelen moeten voor den Heere sidderen) val voor mij neder, zegt hij, en aanbid mij, en Gij zult zulk een arm man niet zijn. Gij zijt een man, daar ik zulke gaven in zie. Wilt Gij mij ten dienste staan, ik zal U tot een man op de aarde maken. Dat was \'t nog niet alleen; maar bij dat alles volgt de toorn Gods, ontstoken tegen het gansche menschelijke geslacht. Een kind zegt; ik vraag nergens naar, als gij, mijn vader, maar welgemoed tegen mij zijt. Heeft liet buitenshuis eenige vrienden, of iemand die tegen hetzelve zijn, ik vraag er niet naar, vader, zegt het, als gi] maar wel tegen mij zijt. Maar hier had Jezus den toorn van zijnen Vader tegen Zich. Al de zonden, zeide de Vader, moeten voldaan zijn. Het gerecht kan geen Vader zijn, het gerecht kan geen vriendelijk gezicht vertoonen, voordat aan het recht voldaan is. Als de toorn Gods op Hem aankwam, zoo kwamen er tranen zonder lichaamslijden, bloed zonder geeselslagen. Dat kunt gij wel vatten. Als \'tmet een kind des huizes, van binnenshuis niet wel staat, dat drukt het kind. Toen Izak het mes zag, dat zijn vader in de hand had, om hem te slachten, was het of hij zeggen wilde: Gij, mijn vader, die mij zoo dikwijls getroeteld hebt, die zulk een hart voor mij had, zal ik nu door uwe handen moeten sterven? Dat was \'tallersmartelijkste dat Izak drukte. Zoo was \'t hier ook: wel, zeide de Heere Jezus, mijn God! mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? Matth. 27:46. verre zijnde van mijne hulpe, wil Hij zeggen. Is mijn Vader nu veranderd als in eenen wreede? Ik sta, maar Gij acht Mij niet; Ik roep, maar Gij antwoordt Mij niet, Ps. 22:3. Vader! indien \'t mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan, Matth. 26:39. Kan zeniet voorbijgaan? Niet mijn wil, maar uw wil geschiedde. Dat was schrikkelijk de toorn Gods. Wie kent de sterkte uws toorns, en uwe verbolgenheid, naardat Gij te vreezen zijt? Ps. 90:11. Lieve Heere! zoo ik of gij er deel aan hebben, zoo heeft IIij dat moeten lijden, dat ik en gij, in \'t missen Gods, eeuwiglijk hadden moeten ondergaan. Hij heeft gedragen den toorn Gods tegen mij en tegen al de uitverkorenen, uit alle talen, volken en natiën ontstoken. Daar werd Hij gebracht onder den toorn Gods. Als die zonden geëischt werden, zoo werd hij verdrukt, Jes. 53:7. God de Vader, als Hij het recht aan Hem gedaan had, en als een zwaard door zijne ziel had laten gaan, en dat Hij aan de Goddelijke rechtvaardigheid genoeg gedaan had, zoo gaf Hij Hem aan den zondaar tot eene verzoening. Het is niet wat gerings, wat Hij geleden heeft.

-ocr page 225-

OVER DEN XV. ZONDAG. Vrag, 87, 38 on 39.

219

Gij zult zoggen; hoe heeft Hij het kunnen uitstaan? Ging het godvruchtig toe en zonder zonden, als ze Hem scholden en raasden tegen Hem, daar Hij zoo vele weldadigheden aan hen bewees? Als men iets liiden moet, en men voelt, dat men schuld heeft, men zwijgt; maar als men zonder oorzaak lijdt, dan is dat kwalijk te verdragen. De Heere Jezus heeft geleden rechtvaardig zijnde voor de onrecht-vaardigen, onschuldig te zijnen opzichte. Dat heeft üod de Vader al geprofeteerd gehad. Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en llij is een Heiland, Zach. 9:9 en Jes. 53:11, Door zijne kennis zal mijn knecht de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, o! God heeft Hem zoo laten afbeelden door een onbevlekt, volkomen Lam, dat llij liet offeren. De Ileere Jezus heeft het ook geprofeteerd Ps. G9 :5. Dat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. Do engel Gods heeft het getuigd, dat Hij het Heilige Gods was. Luk. 1:35. Het Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. De duivelen zeiden: Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods, Mark. 1:24. Ja, gij zult Hem ook onnoozel en onschuldig in alles vinden. In \'t midden van zijne vijanden staande, dorst Hij hen tot getuigen roepen van zijne onschuld: Wie van u, zegt Hij, overtuigt mij van zonden? Joh. 8:46. Zoo er eenige zonde is, die ik bedreven heb, zegt het. Zoodanig een Hoogepriester betaamde ons, heilig, onnoozel. onbesmet, afgescheiden van de zondaren, Hebr. 7: 2G. Wilt gy bewijzen van zijne onschuld en onnoozelheid hebben ? Eilieve, let er dan eens op. Daar komt Judas, die Hem verraden heeft, gepraamd en gepriemd in zijn gemoed, in \'t midden van den Joodschen Kaad, daar zeventig van de aanzienlijkste personen waren; en zegt: ik kan \'tniet harden noch dragen, het moet alles er uit wat in mijn hart is, wat heb ik gedaan? Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar wat was \'t antwoord? zij zeiden, wat gaat ons dat aan? gij moogt toezien, Matth. 27:4, 5, Zondaar! zoo zal de duivel eveneens doen. Als gij zult uitschreeuwen over uw vloeken, zweren en goddeloos leven. Wat gaat mij dat aan, zal hij zeggen, gij moogt toegezien hebben. Niet alleen hebt gij Judas in de wroeging van zijn geweten, maar ook zelfs de Richter, die zeide op eene richterlüke wijze: Ach! die man is niet gelijk gijlieden zegt: Hij is onnoozel, ik vind geen schuld in Hem, Joh. 18:38. Gij moogt vele en zware beschuldigingen tegen Hem inbrengen, en ik mag mijn onderzoek stipt en gestrengelijk doen, ik moet evenwel zeggen: Hij is onschuldig. Dat zegt hij eenmaal, en hij herhaalt het tot vijf malen toe, en de vijfde maal laat hij een beker met water brengen, en hij wascht zijne handen, en zeide: ik ben onschuldig van \'t bloed des Rechtvaardigen. Wat kunt gy plechtiger hebben, dan dat iemand dat voor \'t gerichte, voor den geheelen samenloop doet. Daarop komt zijne vrouw, en die zendt eenen dienstknecht tot den rechter. Terwijl hij daar bezig is met den Heere te onderzoeken en te ondervragen, komt de knecht, en zegt: ik heb een boodschap van uwe vrouw, die zegt: en hebt toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel

-ocr page 226-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

geleden in mijnen droom om Zijnentwil, Matth. 27:19. En is het niet verhaald in \'t Woord wat zij geleden heeft, maar het is wel te denken, dat God \'t lichtelijk haar het laatste oordeel eens heelt doen voorkomen, en dat ze haar man daar zag staan met het bloed van zulk een rechtvaardige, en dat haar hart daarover in benauwdheid was.

Wilt gij er nog een hebben, die een getuige was van Christus\' onschuld. Daar hangt de eene moordenaar aan \'t kruis, hij spreekt zijnen makker aan, daar hij den moord licht mede gedaan had; vreest ij Grod nog niet, zeide hij, wij moeten sterven, maar wij lijden schul-ig, dat wij verdiend hebben; maar Deze hoeft niets gedaan, dat de dood waardig is; maar ik zoowel als gij, wij lijden schuldig, wil hij zeggen.

Wilt gij nog een getuige hebben? Daar komt een hoofdman over honderd, die bij de wacht moest wezen, als de voltrekking geschiedde, een Heidensch kapitein. Als hij het alles zag en hoorde, wat er gebeurde, zoo slaat hij zijne handen naar den hemel, en zegt: waarlijk, deze mensch was Gods Zoon. Matth. 27 : 54. Hoe godvruchtig heeft Hij geleden? Niet alleen in de zaal, maar ook op Golgotha. Hoe godvruchtig was Hij in de zaal? Als een lam dat ter slachting geleid wordt, alzoo deed Hij zijnen mond niet open, Jes. 53:7. In \'t rechthuis van Pilatus sprak Hij ook niet. De stadhouder verwonderde zich, hoe dat Hij zoo stil was. Spreekt dan recht uit, zeide hij, weet Gij niet, dat ik macht heb ü te kruisigen, en dat ik macht heb U los te laten, zult Gij dan mij niet zoeken tot vriend te houden? Toen sprak de Heiland, en om Pilatus in zijnen hoogmoed niet te laten voortgaan, zeide Hij: gij zoudt die macht niet hebben, tenzij ze u van boven gegeven was. Maar toen vreesde Pilatus nog meer. Hij wist wel, dat er geen macht is dan van God, Rom. 13:1.

Eerst. Hoe godvruchtig gedroeg Hij Zich als Hij gegeeseld werd, en als de doornenkroon Hem op \'thoofd gezet werd!

En hoe gedroeg Hij Zich aan \'tkruis? Dat is niet uit te drukken, hoe heerlijk dat Hij daar sprak.

Eerst. Haar noemt Hij zijne moeder als eene vreemde, en Hij behandelt haar als eene vreemde. Vrouw, zie uwen zoon, zeide Hij, om ze in geen moeite te brengen. Evenwel behandelt Hij haar als een lief kind; zoon, zeide Hij, tegen Johannes, zie uwe moeder; die Ik daar vrouw noemde, zorg er voor, wil Hij zeggen, Joh. 19:27.

Ten tweede. Hoe godzalig bad Hij, voor die Hem maar zochten van kant te helpen! Vader! zegt Hij, vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen.

Ten derde. Hoe godzalig gedroeg Hij Zich omtrent den eenen moordenaar! Nauwelijks had die gezegd: Heere gedenk mijner, als Gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn, of de Heere antwoordde hem, en zeide: heden zult gij met Mij in \'t Paradijs zijn. Luk. 23:43.

Ten vierde. Hoe godzalig dacht Hij. dat er nog iets uit de Schrift vervuld moest worden, uit Ps. 69:22. Zij heb mij gal tot mijne spijs gegeven, en in mijn dorst hebben zij Mij edik te drinken gegeven.

Daarop zegt Hi): Mij dorst. Joh. 19:28gt;

220

-ocr page 227-

OVER DEN XV. ZONDAG. Viug. 37, 38 en 39.

ld zoude worden, ten vijfde, zoo

waarom hebt Gij Mij verlaten?

Matth. 27:46.

Ten zesde. Hoe godzalig gedroeg Hij Zich omtrent zijnen Vader! Vader! zegt Hij, in uwe handen beveel Ik mijnen geest. Luk. 23:46.

Het zevende woordje was: Het is volbracht. Joh. 19:30, dreigementen, schaduwen en beloften, de eisch der wet; het is alles volbracht.

Zeer gerust, als Hij sterft, legt Hij zijn hoofd op zijne borst, en gaf den geest, Joh. 19:30. Zoo heeft Hij geleden onschuldig en godvruchtig, als een voorbeeld van godzaligheid.

Gij zult zeggen: duurde \'t lijden lang? Wij hebben altemet eene verdrukking van korte dagen. Onze lichte verdrukking die zeer haast voorbijgaat, zegt Paulus, 2 Gor. 4:17. Daar is eene uur der verdrukking, en als \'tlang duurt, dan zei de men: Ach, hoe lang! krijgt men eene bezoeking, die men al zijn leven moet dragen, \'t hart zucht wel eens, en zegt: Ach hoe lang! Daar was eene vrouw, die twaalf jaren krank was geweest, aan een toeval, en die al haar goed aan de medicijnmeesters gegeven had, en nog had ze haar krank lichaam, Mark. 5:25, 20. Eene vrouw, die twaalf jaren gemedicineerd had, wat heeft ze wel moeten zeggen: Ach, hoe lang! Daar was oen kranke aan \'t badwater, die achtendertig jaren daar gelegen had. Joh. 5:5. Hoe dikwijls heeft Hij moeten zeggen: Ach! hoe lang! Maar dit lijden des Zaligmakers was van het begin zijns levens tot het einde hier op aarde. Hij had eene arme moeder, daar Hij de ongemakken al van heeft moeten dragen, zijnde nog in het lichaam van zijne moeder. Daar was geen plaats in de herberg voor Hem, noch voor zijn moeder, toen Hij stond om ter wereld te komen. Luk. 2:7. Daar wordt Hg eindelijk in armoede geboren bij de heesten in een stal, en in eene beestenkribbe gelegd. Daar moest Hij al vluchten, als Hij nog maar een klein kind was. Het geschrei van zoo vele bedroefde moeders ging op naar den hemel, om Zijnentwil, zoodat zij weigerden zich te laten troosten, toen al de kindertjes, die nog geen twee jaar oud waren, werden gedood, Matth. 2:10. Behalve dat, in zijne opvoeding bij zijne ouders, was Hij in eenen armen toestand; en als Hij in de bediening van zijn Middelaarsambt kwam, had Hij den nijd der Farizeën. Hij werd vervolgd door de overpriesters, gescholden van elk een, en op het laatst van zijn leven door Judas verraden, van zijne Apostelen verlaten, verloochend door Petrus, mishandeld op allerlei wijze, totdat Hij ter dood gebracht is, zoodat Hij een man van smarte was al zijne dagen, en dat zonder verpozing of vermindering, het groeide al aan tot het einde toe.

Gij zult in uw hart denken: dat moest voor zeer goede vrienden zijn, daar Hij dat zoo voor geleden heeft; wat kan een vader voor zijn kind, een man voor zijne vrouw, wel lijden. Wat kan een Jakob voor zijne vrouw lijden, de hitte des daags en de koude des nachts. Wat kan een David wenschen voor Absalom te lijden? Absalom, mijn

221

-ocr page 228-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zoon! ach, dut ik voor u gestorven ware, zegt hij, 2 Sam. 18:33. Mozes vvenschte voor Israël uit Gods boek uitgedelgd te worden, Exod. 32:32. Paulus wenschte voor zijne broederen, die zijn maagschap zijn naar het vleesch verbannen quot;te zijn, Rom. 9:3. Mij liever, zegt hij, dan al het geheele volk Gods verbannen, Wat heeft David voor Michal gedaan? Hij moest zooveel voorhuiden der Filistijnen leveren, eer hij haar tot zijne huisvrouw mocht hebben, 1 Sam. 18: 25. Wat wordt er dikwijls veel geleden voor vrienden. Was dit ook zoo? Ach! neen, \'twas voor zijne vijanden, dat de Heere Jezus leed. Voor een rechtvaardige zal nauwelijks iemand sterven, want voor den goede zal mogelijk iemand nog bestaan te sterven, Rom. 5; 7. Daar eene republiek veel aangelegen is, zal somtijds een goed onderdaan nog wel onderstaan; en dat zult gij zelfs bij de Heidenen wel vinden, maar Christus is voor ons gestorven, als wij nog zondaars waren, Rom. 5:8. Die anders genoemd worden kinderen des toorns van nature, Ef. 2:3. Haters Gods, Rom. 1 :30, en al dat leelijk en monsterachtig is, dat zijn wij elk van nature. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Rom. 11:33. \'t Is onbegrijpelijk, voor ons, die Hij niet behoeft, daar Hij niets van ontvangt, als dat wij ons verwonderen en Hem liefhebben, voor zondaars, en niet voor rechtvaardigen? Dat woordje voor, wat is dat te zeggen?

Eerst. In haar plaats.

Ten tweede. Tot haar nut.

Ten derde. Om haar een voorbeeld van lijden na te laten. Het laatste nemen de Socinianen alleen aan. Maar wij zeggen ook in hunne plaats.

Eerst. Gelijk Adam gezondigd heeft in plaats van allen, gelijk David in plaats van Absalom wilde gestorven zijn; en gelijk het lam in plaats van de menschen geofferd werd. Gelijk een Borg treedt in plaats van de schuldenaren voor de schuld.

Ten tweede, \'t Is hun ten goede, ten nutte. Waartoe was het? Om mij en u van de eeuwige verdoemenis te bevrijden, en Gods genade, gerechtigheid, en dat eeuwige leven toe te Avijzen. Opdat zij genade zouden verkrijgen en gerechtigheid Gods zouden hebben, om haar in de gemeenschap Gods te brengen. Ik kan anders mijn leven geen druppel genade, geen eene overtuiging, geen bekeering, geen geloof, geen meerdere of mindere genade krijgen, zoo het door dit lijden van Christus niet is. God kan anders niemands God zijn, zoo wij daar geen deel aan hebben.

Dan in de derde plaats, \'tis hun tot een voorbeeld. Heeft de Herder geleden, de schapen zullen ook lijden. Col. 1:24. Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vleesch de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, enz. Daar zijn zulke overblijfselen des lijdens. In de wereld zult gij verdrukking hebben, Joh. 10:33. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen. Joh. 15:20. Maar zulke delicate menschen, als wij nu in ons land vinden, kunnen kwalijk een zuur gezicht verdragen om Christus\' wil.

222

-ocr page 229-

OVER DEN XV. ZONDAG. Vraq. 37, 38 en 39.

Christus is hun een voorbeeld, Hij heeft in hunne plaats geleden, maar wapen n met die gedachten, dat gij ook lijden zult. Maar indien \'t zoo is, en zoo gij tot lijden geroepen wordt, ziet dan toe, dat gij niet lijdt als een kwaaddoener, maar als een christen: lijdt geduldig, godvruchtig, biddende, als iemand u kwaad doet.

Ten laatste. Hebben wij te bezien, dat Hij onder een wereldlijken rechter gebracht is, en of dat iets meer in heeft, dat Hij onder\' een wereldlijken rechter geleden heeft, dan of Hij zijn eigen dood gestorven ware, zoo ook, of dat al mede iets meer in heeft, dat Hij den kruisdood gestorven is dan of Hij een anderen dood gestorven ware.

Hebben dan die twee omstandigheden ook waarlijk iets meer in? Ja. Dat Hij onder eenen wereldlijken rechter, een Heidenschen rechter geleden heeft, geeft te kennen, dat Hij de rechte Messias was. De schepter was van Juda geweken, en \'twas de rechte tijd dat de Silo kwam. Gen. 49:10. Ja Hij moest onder een wereldlijken rechter lijden, omdat de zaak blijkelijk moest behandeld worden, en opdat zijne onschuld bleek. Met veel praten achter af, ais \'t heimelijk geschiedt kan men achter \'t stuk niet komen, maar toen \'t publiek behandeld werd, zoo bleek zijne onschuld. De rechter van \'t uitverkoren geslacht was in den hemel, en zoo werd Hij in dien wereldlijken rechter gesteld, voor den Rechter der gansche aarde. De Heere is bij u in de zaak van \'t gericht, 2 Kron. 19; 6. En het gericht is Gods, Deut. 1:17. Daar wil die rechtvaardige Rechter zijn werk gedaan hebben. Opdat Ik al de uwen in mijn gericht zou vrijspreken, daarom wil Ik U gericht hebben. God richt daarom den Middelaar. In der waarheid zijn vergaderd tegen uw kind Jezus, welke Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met die Heidenen en de volkeren Israels. Om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zoude. Hand. 4 :27, 28. Daar worden wij om vrijgesproken in \'t goddelijk gericht.

Maar heeft dan ook de kruisdood iets meer in, dan of Christus een andere dood gestorven ware? vraagt de Onderwijzer. O ja! Daar moest niet een stukje aan dat lijden ontbreken. Dat gaf wederom te kennen, dat Hij de rechte Middelaar was. De Joden zouden Hem niet gekruisigd hebben, maar het moest nochtans wezen,\'t was noodzakelijk en \'t werd er vereischt. Waarom? zult gij zeggen. Hierom, zegt \'de Onderwijzer: Omdat de dood des kruises van God vervloekt was, en omdat Jezus door dien dood den vloek, die op ons lag, op Zich geladen heeft. Dat leest gij, Deut. 21:23. Want een opgehangene is Gode een vloek. Waren dan al de opgehangen en vervloekt? Is het dat te zeggen? Neen, maar dit, uit alle soorten van dooden, heeft God dien dood verkoren, dat die de vervloekte dood was. God had den dood van iemand te kruisigen, of op te hangen voor den vervloekten dood verkoren, en dien moest de Middelaar ondergaan. Zoo zijn wij dan verzekerd, dat door dien dood, de vloek, die op ons lag, op Hem geladen is geweest, en dat Hij dien heeft ondergaan, en alzoo den vloek van ons op Zich genomen heeft. Den dood door verbranden.

223

-ocr page 230-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

steenigen, onthoofden, of dergelijke, heeft God niet verkoren. Gal. 3:13. Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons. Want daar is geschreven: vervloekt is een iegelijk die aan \'t hout hangt. Anders kunt gij die laatste vraag niet wel verstaan. Maar dat is klaar, dat God dien dood verkoren heelt, om de vervloekte dood te wezen.

Dat Hij nu waarlijk gestorven is, dat is \'t vervolg van den anderen Zondag.

Wie heeft er zooveel geleden als de Heere Jezus Christus? Er mogen martelaren geweest zijn, die meer lichaamslijden geleden hebben, nochtans heeft de Heere Jezus meer geleden dan al de martelaren samen. Er zijn er onder de martelaren geweest, die met gloeiende tangen het vleesch werden uitgenepen, de tong uitgetrokken, op een rooster gebraden, levend in de aarde gedolven zijn; in de olie gekookt zijn, en evenwel heelt de Heere Jezus meer geleden dan zij. Zoo zeggen wij tegen een Sociniaau en Remonstrant: Hij heeft niet als een martelaar geleden, zijn lijden is zwaarder geweest; het zijne was in ziel en in lichaam beide; en Matth. 10:28 zegt Hij: En vreest niet voor degenen die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden, maar vreest veel meer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. Christus leed dan in ziel en lichaam beide. Maar de martelaren hadden dikwijls zulk een nabijheid Gods, dat ze zongen en dankten in de vlammen. Zij zeiden wel: \'tis of ik den hemel geopend zag. De martelaren leden ook niet tot voldoening van Gods gerechtigheid. Christus alleen leed tot voldoening van de Goddelijke gerechtigheid. Als gij \'t zoo opvat, dan is \'i veel zwaarder.

Gij zult zeggen: wat monsters zijn de Joden geweest; een man die zoo lieflijk was in zijn prediken; die hunne kinderen genas, die ze met zulk een ontferming aanzag als hun hongerde; hoe kunnen die monsters dat zoo gedaan hebben? Gij zoudt wel zeggen, gelijk er eens een koning van Frankrijk, Lodewijk de Heilige genaamd, zeide: was ik daarbij geweest, zei hij, met mijne dragonders, ik had ze den kop gebroken. Wel zonder! zijt gij zoo verwonderd over de wreedheid der Joden? Gij hebt nochtans dienzelfden aard, diezelfde aard zit in mij en in n van nature. Doet de Heere ons ook niet wel? Laat Hij niet zijn zon over ons opgaan? Laat Hij Zich wel onbetuigd aan ons, ons goeddoende van den hemel? Doet Hij zijn kinderen en \'tgeheele land en uwe familie daaronder gerekend niet wel ? En evenwel, komt er iemand prediken in den naam van Christus, en strijdt het wat tegen uwen zin en plannen, of tegen uw voordeel, gij zoudt ze ook wel kwaad doen. Gij weet wel, dat ze uw welzijn zoeken; maar gij zoudt ze ook wel kunnen vermoorden, ja kruisigen, en allerlei kwaad doen; ja, al kwam Christus zelf in deze stad prediken, en als Hij tegen de werelsche begeerlijkheid predikte, en Hij streek de burgerlijken, de kerkdijken en het gansche land zoo eens door, Hij zou diezelfde bittere bezoldiging krijgen. Hoe weet gij dat? zult gij zeggen. Hieruit: zoo iemand op den predikstoel eens trouw is, een ge-

224

-ocr page 231-

OVER DEN XV. ZONDAG. Vkaq. 87, 88 en 89.

heele stad en land gewaagt er van. Men zou ze wel ik weet niet wat doen, nien zou ze voorthelpen. Is er ergens een vroom mensch, die voor Gods zaak uitkomt, die wordt onderdrukt, tegengegaan, bestraft. Men durft wel zeggen: dat woord heeft hij tegen zijn leven gesproken. Laat ons dan liever zeggen: wat monsters zijn wij! Gods kinderen moeten er zich dikwijls over kwellen. Wij liggen \'zoo walgelijk in ons hloed; wij zijn allen van nature kinderen des toorns, Ef. 2 :quot;3. Geliefden! hoe meer wij dat beschouwen, hoe meer wij ons moeten verwonderen over de grondelooze liefde van den Heere, die zulke monsters tot zijn eigendom heeft willen maken, en daarvoor heeft willen zulk een vervloekten dood ondergaan. Zondaar! gaat u dat niet aan? Is de Heere voor ons niet gestorven? Wat zullen wij dan gaan doen, als wij zullen moeten sterven? Hij zweette groote druppelen bloeds, toen Hij den toorn Gods, toen Hij den toorn van den Kichter van hemel en aarde droeg. Wat zullen wij dan doen, als wij voor dienzelfden Richter zullen staan, en wij hebben geen deel aan het lijden van den Heere. Dan zullen wij ook geen Middelaar hebben, geen gerechtigheid, geen genade, geen eeuwig leven.

Gij zult zeggen: ik wilde wel eens weten, of ik er deel aan heb; maar hoe zal ik het beleggen, hoe kom ik er toe? Ach! hoe wildet gij er toe komen! Ga en beken, dat gij het niet hebt; belijd uwe zonden voor God. Gij wilt het er voor de menschen niet laten uitkomen, laat het er voor God eens uitkomen. Bezie Gods rechtvaardigheid eens, die kan u geen genade geven, of zij moet voldaan zijn. Veroordeel u zei ven voor den Heere en zeg: Heere! ik ben niet anders dan de hel waardig. Val op uwe knieën, en bid uwen Rechter om genade. Zeg: Heere! kan het wezen, geef mij toch pardon. Straf mij niet in uwen toorn, Heere! verdoem mij toch niet. Treed niet met mij in \'t gericht. Houd zoo aan, niet één dag, maar telkens, en als gij eens van deze stof hoort. Maar val gedurig voor dien Middelaar in, en zeg: Heere! zoo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen, Gij kunt mij helpen, en kruipt als een worm aan zijne voeten en zeg, Heere behoud mij, anders moet ik vergaan; maar kan \'t niet zijn, \'t zal rechtvaardig zijn, en dan moet ik eeuwig verloren gaan. Zoo\' Gij uwe hand van mij aftrekt, ga ik voor eeuwig verloren. Laat ik toch \'in U gevonden worden. Zoo Gij mij den schepter toereikt, ik zal er u eeuwiglijk voor danken. Weigert Gij \'t mij, ik zal niet een woord te zeggen hebben, als dat ik (J gerechtigheid zal moeten toeschrijven. Moet ik sterven en verloren gaan, ik zal moeten zeggen: heilig zijn uwe wegen en rechtvaardig uw richten; maar kan \'tzijn, versclioon en spaar mij toch. /ijt gij zoo al werkzaam geweest, dat gij zeidet: zou \'t wel voor mij zijn, dat de Heiland geleden heeft? Hoort, wilt gij een klaar teekentje drie of vier hebben, of gij deel hebt aan dat rantsoeneerend lijden van Christus? Daar zullen er geen van de uitverkorenen zijn, of zij zullen er op zijnen tijd deel aan krijgen.

Eerst. Heeft God u zulk een diep gezicht van zijne heiligheid en rechtvaardigheid gegeven, dat het Hem betaamde\'zoo te doen aan

la

225

-ocr page 232-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

den Middelaar, of dat anders Hij uw God niet kende zijn? Hebr. 2: 9. Opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zoude. Gij zult niet Paulus dan zoo gaarne zeggen: Het betaamde Hem, om welken alle dingen zijn. en door welken alle dingen zijn, dat Hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen, Hebr. 2; 10. Hebt gij dat nog niet gehad, \'t kan wel zijn, dat gij er van uw leven nog wel deel aan krijgen zult.

Ten tweede. Zoo een heeft veel geleden om de zonden. Wilt gij nn zeggen: ik heb niet veel geleden om de zonden, bijgevolg heb ik er geen deel aan? Waarin bestaat het, en wanneer lijdt men veel om de zonden? Gij meent dat het dat is, in zulke angsten uit te schreeuwen, en op de borst te slaan. Ach, neen! Maar dit is het: veel in zijne schaamte weg te zinken, kleinhartig te zijn, en te yree-zen: het\'zal niet gaan met mij, ik ben zoo neergebogen, ik leef onder de kastijding Gods, onder zijne slagen, en onder de verberging van Gods aangezicht; ik voel altemet pijlen des duivels. Kent gij dit niet? Dan beken ik, dat gij alsnog geen grond hebt om te zeggen, dat gij er deel aan hebt. Kent gij dat? Ach! ik ben zoo verlegen over de zonden! zoo gejaagd, zoo bedroefd, zoo neergebogen; ik vrees dat het met mij niet gaan zal, ik heb geen licht, ik word bestreden, \'t is aan alle kanten ontsteld. Dan begint gij er deel aan te krijgen, of gij hebt er alreeds deel aan.

Ten derde\' Die er deel aan hebben, ach! de Heere Jezus is hen zoo lief, zoo schoon; Gij zijt mij \'t eenige fondament, zeggen ze, ik kan op niemand anders zien, als \'t op U niet is. Ik kan op God den Vader niet zien, dan met verschrikking; op God den Heiligen Geest niet, dan met beven. Waart Gij er niet, ik was eeuwig verloren, Gij zijt mij noodig en kostelijk; ikquot; kan \'t niet zeggen, allerliefste Heere! hoe noodig ik ü heb; ik ben niet van U af te trekken; mijn hart schreeuwt naar U; moet ik zóó sterven? Ik zal zeggen: waar is de Heere Jezus, de Zoon van God?

Ten vierde. Gij zult op geen ding achten, maar ook wel wat willen lijden om zijne zaak. Gij zult zeggen: ik moet uw beeld gelijkvormig wezen, ik wil om Ü wel smaad en verdrukking lijden; ik moet dien drinkbeker drinken, dien Gij gedronken hebt, en met dien doop gedoopt worden, waarmede Gij gedoopt zijt; ik wil U wel getrouw zijn tot den dood.

Kunt gy nu denken: zoo is \'t in mij gesteld, wat is \'t groot! Hjj met eene doornenkroon, opdat gij de heerlijkheid zoudt hebben? Hij veroordeeld, opdat gij vrijgesproken zoudt worden; genade, gerechtigheid en het eeuwige léven verkrijgen zoudt? Hij van heidensche soldaten omringd, opdat gij van de engelen omringd zoudt worden? Ik hoop, dat God het mij én u geven zal. Amen.

226

-ocr page 233-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XVI. Zondag. Vraö. 40.41.42.43.44.

Zestiende Zondag.

40. Vraag. Waarom heeft Christus Zich tot in dm dood moeten vernederen ?

Antwoord. Daarom, dat vanwege do gorochtigheid en waarheid

Gods, niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood van den Zone Gods.

41. Vraag. Waarom is Hij hegraven geworden ï

Antwoord. Om daarmede te betuigen, dat Mij waarachtig gestorven is.

42. Vraag. Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven ?

Antwoord. Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving der zonden, en een ingang tot liet eeuwig leven.

43. Vraag. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en dood van Christus aan \'t kruis

Antwoord. Dat door zijne kracht onze oude mensch met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt; opdat de booze lusten des vlee-sches in ons niet meer regeeren, maar wij onszeiven Hem tot eene offerande der dankbaarheid opofferen.

44. Vraag. Waarom volgt daarna: Nedergedaald ter helle?

Antwoord. Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen verzekerd zij,

en mij ganschelijk vertrooste, dat mijn Heere Christus, door zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helsche kwalen, in welke Hij in zijn gansche lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helsche benauwdheid en pijn verlost heeft.

WIJ lezen, Ps. 90: 11, dat Mozes zegt; Wie kent de sterkte uvys toorns, en uwer verbolgenheid, naardat Gij te vreezen zijt? Men mocht zeggen: wel Mozes zijn er dan geen zware blijken van Gods toorn geweest, dat gij zulk eene vraag doet? Hebt gij niet wel gestaan tusschen de levende en de doode menschen. als er daar bij duizenden naast u neervielen? Hebt gij niet gestaan bijIJ lezen, Ps. 90: 11, dat Mozes zegt; Wie kent de sterkte uvys toorns, en uwer verbolgenheid, naardat Gij te vreezen zijt? Men mocht zeggen: wel Mozes zijn er dan geen zware blijken van Gods toorn geweest, dat gij zulk eene vraag doet? Hebt gij niet wel gestaan tusschen de levende en de doode menschen. als er daar bij duizenden naast u neervielen? Hebt gij niet gestaan bij

-ocr page 234-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Korach, Dathan en Abiram, als de aarde baren mond opende, en zr) levend ter helle voeren, zoodat van hun geschrei het leger Israels vluchtte? Hebt gi] niet gestaan met uw leger aan de Rooae Zee, als Farao en zijn heir daarin ging, en allen verdronken, en geheel Egypte zoo kermde? Man Gods! hebt gij dan zeil\'niet beschreven de omkeering van Sodora en Gomorra? Hebt gij dan zelf niet beschreven hoe de eerste wereld door het water vergaan is? Ja, dat had hij beschreven. Wel hoe vraagt hij dat dan zoo? Hij had het niet alleen beschreven, maar het meerendeels bijgewoond. Ik kan evenwel niet zeggen, zegt hij, zoo hoog is Gods toorn en niet hooger.

Wie kan zeggen: zoo hoog kan de wind maar klimmen, en niet hooger; zoo hoog kunnen de wateren maar komen, en niet hooger? Wie kan zeggen; zoo hoog kan God toornen en niet hooger? De toorn Gods is als een leeuw, die brult. Gods toorn wordt openbaar van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der men-schen, Rom. 1:18. Wie zal zeggen hoe hoog dat Hij is? Dat kunnen de goddeloozen niet doen; die leven en zij hebben geene banden tot hunnen dood toe, Ps. 73: 4. Dat kunnen de vromen niet zeggen. O! die klagen wel schrikkelijk in het Woord, maar zij kennen evenwel de sterkte van Gods toorn niet. Grimmigheid, zegt God tegen hen, is bij Mij niet, Jes. 27:4. God is met hen verzoend; Hij is hun vriend; Hij geeft hen dikwijs zooveel vrede; zij mogen tot Hem naderen, gelijk een kind tot zijnen vader doet. Daar is niemand die Gods toorn kent. Kennen de duivelen dien wel? Naar den eisch niet. Kennen de vervloekten dien wel? Zoo niet, dat ze zouden kunnen zeggen: nu kan God niet hooger toornen. Wie is er dan die dien toorn Gods kent? Is er niemand dien hem kent? Neen; niemand anders dan de Heere Jezus Christus; die heeft voldaan aan Gods rechtvaardigheid, en Gods toorn gedragen voor de uitverkorenen; en Hij heeft Zichzelven uit dat zware lijden gered, zoodat Hij er niet in gebleven is, en Hij heeft ook hun gered. Ik, zegt Hij, heb de pers alleen getreden, en daar was niemand van de volkeren met Mij, Jes. 63:3. Hoe lang werd Hij geperst? Totdat Hij alles volbracht had.

Geliefden! Dat hadden wij onder den zegen Gods een weinig te overdenken. Wij hebben in den vorigen Zondag zijne nederdaling in den staat van zijne vernedering gezien, langs den eersten trap, zijn lijden van zijne kribbe af aan tot aan het kruis toe. Nu moeten wij bezien. . .. 1 . ,

Eerst. Zijne nederdaling in den staat van zijne vernedering langs den tweeden trap, dat is: zijn dood aan \'t kruis.

Ten tweede. Den derden trap van zijne vernedering, namelijk zijne begrafenis; en tusschenbeide, eer wi] daaraan komen, moeten wij zien, of zijne genoegdoening aan de Goddelijke gerechtigheid wel volmaakt was. Eu middelerwijl staat ons te bezien het nut dat er in is, dat Hij gestorven is; en dan zullen wij zoo komen tot zijne begrafenis. ■ 1 • j

Eindelijk moeten wij bezien zijne nederkhmming in den vierden

228

-ocr page 235-

OVER DEN XVI. ZONDAG. Vrag. 40, 41, 42, 43 en 44. 229

trap van zijn Ujden, dat is: zijn nederdalen ter helle; en wat nut daarin is. Dat zijn de zaken, die wij te bezien hebben. 1. Zijne ne-derdaling langs den tweeden trap van zijne vernederipg in zijii dood. 2. Dan de nederdaling in zijne begrafenis, daar dan een tegenwerping tusschenbeide komt, te weten, of Hij volkomenlijk voor zijn volk voldaan heeft. 3. Dan zijne nederklinaming in den vierden trap, dat is, zijn nederdalen ter helle.

Wat het eerste aangaat: wij hoeren hier spreken van den dood, die schrikkelijk, vreeselijk en ijselijk is, en daar men als een afschrik van krijgt, als men er aan denkt. Wat is de dood? Ach! het is die koning der verschrikking. Daar komt er een, die van God gezonden wordt, en die maakt eene scheiding tusschen ziel en lichaam. Een mensch die daar leeft, daar komt een scheiding naar het bevel Gods, naar zijn eeuwigen raad; de ziel gaat uit het lichaam, en zij keert tot God die ze gegeven heeft, en \'t lichaam blijft daar liggen, dat is de dood. Heeft Christus dat ondergaan? Ja. Wanneer? Toen, als Hij tot zijn Vader zeide: Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest; en als Hij tegen den eenen moordenaar zeide: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn; latende zijn lichaam blijven hangen aan \'t kruis. Luk. 23:43. Zijne ziel scheidde van zijn lichaam, en die ging naar God; zijn lichaam scheidde ook van zijne ziel, en dat bleef daar dood aan \'t kruis.

Is er wel bewijs van, dat Hij waarlijk dood was? Ja.

Eerst. Bewijzen wij dat uit het onderzoek, dat de stadhouder deed op het verzoek van Jozef van Arimathea, die \'t lichaam van Jezus van hem begeerde; hij laat alle drie de gekruisten, den Heere Jezus Cliristus zoowel als de beide moordenaars, bekijken, of ze waarlijk dood waren; en daar wordt hun van den hoofdman die er \'t opzicht op gehad had, mededeeling gedaan dat Jezus al dood was, als ze er bij kwamen. Mark. 15:44, 45, maar de twee anderen braken ze nog de beenen. Joh. 19:32.

Tiet tweede blijk hetgeen wij hebben, dat Hij waarlijk dood was, zijn de wonderwerken die er geschiedden: er kwam duisternis over de gansche aarde; het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën; de dooden kwamen uit hunne graven; do aarde beefde. Daar staat elk verschrikt, en een hoofdman over honderd die daar bijstond, roept uit: Waarlijk, deze mensch was Gods Zoon, Mark. 15:39.

Ten derde. Dat Hij waarlijk gestorven is, dat toont zijne begrafenis. Men begraaft geen levenden, maar dooden. Toen ze wat twijfelden aan Paulus, waar niet veel onderscheid in was tusschen leven en dood, zoo leidden ze hem bij de hand. en zijn geest kwam weder in hem, en zij brachten hem tot Damaskus, Hand. 9:7, 8.

Ons vierde bewijs dat Hij waarlijk gestorven is, toonen ons de Sacramenten van \'t genadeverbond, de Doop en het Avondmaal. De Doop toont het ons klaar aan; en in \'t Avondmaal verkondigen wij den dood des Heeren, totdat Hij komt.

Gij zult in uw hart wel denken: Waarom moest dat zijn, dat de

-ocr page 236-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Heere Jezus juist sterven moest? Was het niet genoeg, dat Hij in \'t hofje van Öethsemané zoo bloed zweette, en dat Hij van \'t begin van zijne menschwording af zooveel geleden had? Neen; Hy moest sterven, en dat wel hierom.

Eerst. Dat was een stuk en deel van \'t contract of Raad des Vre-des tusschen den Vader en den Zoon; zijne ziel moest zich tot een schuldoffer stellen, wilde Hij zaad zien, Jes. 53:10. Dat had Hij vrijwillig op Zich genomen.

Ten tweede. Hij moest sterven, als gij let op de rechtvaardigheid van den grooten God. Zou Gods ziel Zich niet wreken aan den zondaar? En als Hij \'t aan den zondaar niet deed, zou Hij \'t dan niet doen aan Hem, die als Borg in de schuld trad voor den zondaar? Het betaamde God, dat Hij zulk eene betooning van zijne rechtvaardigheid gaf, Roin. 3 : 25, 26.

Ten derde. Hij moest sterven, omdat Hij bij testament de genade en de heerlijkheid aan de zijnen gemaakt had. Een testament nu is niet vast, dan bij den dood van den testamentmaker. Doch \'t moest zoo niet zijn, dat Hij op zijn bed door ziekte stierf; maar \'t moest een geweldige dood zijn.

Ten vierde. Hij moest sterven wegens de waarheid van Gods besluiten, dreigementen, schaduwen en voorzeggingen. 1. Hij stierf wegens de waarheid van Gods besluiten. Al wat Gods hand en raad te voren bepaald had dat geschieden zou, dat moest ook geschieden, Hand. 4:28. 2. Het geschiedde volgens de waarheid van de Goddelijke voorzeggingen, Hand. 13:27. Want die te Jeruzalem wonen, en hunne oversten, dezen niet kennende, hebben ook de stemmen dei-profeten, die op eiken sabbatdag gelezen worden, Hem veroordeelende, vervuld.

3. De waarheid van de schaduwen moest ook vervuld worden, Col. 2:11—14.

Dan moest de waarheid der dreigementen vervuld worden. God had den mensch den dood gedreigd, en Hij, die de Middelaar was, moest den dood ondergaan.

Daarbij dienden wij nu te zien, wat voor een dood dat Hij gestorven is. Hij is gestorven een bloedige dood, Hij is gestorven een geweldige dood. Hij is niet gestorven door ouderdom van jaren, of door afgeleefdheid; ook niet op een ziekbed; zelfs als Hij onder het kruishout bezweek, daar moest Hij niet sterven; maar zijn geest kwam weer in Hem, en zoo geraakte Hij aan de plaats van het gericht; maar het was een geweldige, een bloedige dood, dien Hij ondergaan moest. Het was ook geen onwillige dood; Hij had er niets tegen; Hij gaat zelfs naar zijne vijanden toe: Laat ons naar Jeruzalem gaan,quot; zegt Hij tegen zijn discipelen, ik moet gaan sterven. Luk. 18 : 31—33. Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen, dat geschreven is door de profeten. Want Hij zal den Heidenen overgeleverd worden, en Hi] zal bespot worden, en smadelijk gehandeld worden, en bespogen worden.

230

-ocr page 237-

OVER DEN XVI. ZONDAG. Vrag. 40, 41, 42, 43 en 44. 231

En Hem gregeeseld hebbende zullen zij Hem dooden, en ten derden dage zal Hij weder opstaan. Hij was ook uitermate gewillig om dien dood te ondergaan. Hoe gewillig was Jonathan, die zeide tegen zijn vader Saul: Ziet hier ben ik, moet ik sterven? 1 Sam. 14:43. De Heere Jezus zeide ook: Nu is mijne ure gekomen.

Behalve dat die dood gewillig was, zoo was \'t ook een vervloekte dood; Hij is gestorven opdat Hij den vloek weg zou nemen, Gal. 3: 13, Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons: want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aun het hout hangt, \'t Was ook een langzame dood. Hij stierf als van lid tot lid. De droppelen bloeds liepen langs zijn lichaam van boven tot beneden. Heeft iemand een vriend, die een kwartier-uurs lang sterit, men kan \'t als niet aanzien, noch lijden. Hoe wonderlijk is het alles! De Zaligmaker stierf niet, voordat Hij zijn geheels werk volbracht had. Al wat van Mij geschreven is. Vader, zegt Hij: het is volbracht. Joh. 19:30. Hij stierf ook een tijdige dood, namelijk des Vrijdags voor zonsondergang. Het manna werd op den sabbat niet gevonden. Zoo is de Heere Jezus dat ware Manna dat uit den hemel is nedergedaald. Hij stierf op het Paschafeest; daarom zegt de apostel Paulus ook: Ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus, 1 Cor. 5:7. Hij stierf zoo godvruchtig; zijn kruis was zijn predikstoel; Hij stierf met het gebed en als met eene predikatie in zijnen mond; heilige redenen waren op zijne lippen, \'t Was een schoon doodbed van Jakob, daar zijne kinderen rondom stonden, die hij zegende. Gen. 49. \'t Was een uitermate schoon doodbed van David, daar hij aan zijn zoon Salomo nog bevelen gaf, 1 Kon. 2. Maar dit is het allergodvruchtigste sterf bed waar gij ooit van gehoord hebt. Hoe stierf Hij?

Eerst. Met een hart vol van liefde tot zijne moeder. Hij zeide tot Johannes: Zie uwe moeder, dat is te zeggen: let op die vrouw, laat ze uwe moeder zijn. En dat zeggen van den Heere had ook zulk een ingang op Johannes; En van die ure aan, staat er, nam haar de discipel in zijn huis. Joh. 19:26, 27. Gij kunt eens denken, hoe dat die vrouw gesteld was.

Behalve dat, ten tweede. Hij bidt voor zijne vijanden. Zie eens, hoe ze woelen tegen Mij, Vader! maar vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen. Hij bad voor de overtreders, gelijk het voorzegd was, Jes. 53: 12.

Ten derde. Hij stiert zoo godvruchtig. Daar valt er aan het kruis een booswicht voor Hem in. Gij, zegt hij, wordt gerecht; maar Gij zijt de Koning van hemel en aarde; tot den richter kan ik niet meer spreken, maar mag ik nog wel een woord tot mijn Heere den Koning spreken? Ik bid U. mag het zijn, dat Gij aan Mij denkt, zoo ik hier langer hang dan Gij. Wel man, zegt Hij, het zal niet langer zijn dan vandaag; het gerecht doet recht aan u, maar Ik bewijs u genade.

Ten vierde. Daarop begint Hij te denken, dat er nog een woordje geschreven stond in den ü9sten Psalm vs. 22, dat volbracht moest

-ocr page 238-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

worden. Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven, staat er, en in mijn dorst hebben ze mij edik te drinken gegeven. De Heere Jezus daaraan gedenkende, zegt: Mij dorst; en als ze Hem een drank van gal met edik gemengd aangeboden hadden, zoo weigerde Hij dien te drinken. Joh. 19:28—30, en Matth. 27:34. En Hij voegt er bij: Nu is de Schrift vervuld.

Daarop komt Hij, ten vijlde, en Hij ziet eens naar binnen, en Hij zegt: er is niet een blijkje van uwe liefde in Mij, mijn Vader! niet een blijkje van uwe gunst. Dat moest ook blijken, dat het Hem zoo donker was als in de hel zelve; daarop roept Mij met eene groote stem: Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? Matth. 27:46. Daarop vinden wij dat zijne taal begint om te keeren.

Ten zesde. Het ging nu naar het einde, zijn recht was er. Vader! zegt Hij, Gij zijt in een contract met Mij, en Hij roept wederom met eene groote stem: Vader! in uwe handen beveel Ik mijnen geest, Luk. 23:46.

Dat nu alles gezegd hebbende, zoo begint Hij, ten zevende, te roepen: Het is volbracht; en het hoofd buigende gaf Hij den geest, Joh. 19:30.

Ziedaar, geliefden! dat is de dood van den Heere Jezus.

Als het nu alles volbracht was, wat van Hem geschreven was, zoo namen ze den Heere van het hout des kruises, en zij legden Hem in een graf. Hij is geboren naar de Schrift, gestorven naar de Schrift, begraven naar de Schrift, en ook opgewekt naar de Schrift.

Begraven, zult gij zeggen, naar de Schrift? Hoe zal zulk een lichaam begraven komen? Hoe zal zulk een patient in \'t graf komen, waar ze zoo op verbeten waren? daar zijne discipelen zoo vol vreeze waren? Het was immers niet te wachten, dat de oversten der Joden het zouden doen? Zou Pilatus het wel gedaan hebben? De apostelen deden \'t ten minste niet? Wat is God wonderlijk! De allervreesach-tigsten, de allerbeschroomdsten, de allerbevreesdsten in tijd van voorspoed. komen somtijds het allermeest uit in tijd van nood. Zoo ging het hier ook. Hier komen twee godvruchtige mannen van aanzien, die zijn den Heere getrouw, die hebben een hart vol liefde tot God. En het was geen wonder; God had het hart van dien man veranderd: het was Nikodemus, die een leeraar der Joden was. Joh. 3. Daar komt hij bij den Heere onwedergeboren, en hij komt er wedergeboren van daan. Hij toonde zijne liefde tot den Heere, als het er op aankwam; hij verwijdert zich niet in den raad; maar hij doet niet met hem mede, en hij bewilligde niet in des Heeren Jezus\' dood. De Heere Jezus moest wel sterven; maar al moest Hij ten aanzien van God sterven, zoo had evenwel Nikodemus geen vrijheid, om in den Jood-schen raad in zijn dood toe te stemmen. Daarbij komt Jozef van Arimathea een eerlijk raadsheer. Die komt ook wel in den raad, maar hij doet ook niet met hem mede. Die twee eerlijke lieden komen bijeen en zeggen: zou er voor ons geen raad zijn, om het lichaam van Jezus te krijgen? Zij overleggen het te zamen, en zij zeggen:

232

-ocr page 239-

OVER DEN XVI. ZONDAG. Vraq. 40, 41, 42, 43 en 44.

wat kan \'t Pilatus schaden ot baten ? Laat ons een verzoek doen en \'t onderstaan met beleefdheid. Daar gaan ze naar Pilatns toe, en zeggen: wilt gij ons dat lichaam geven ? schenk het ons toch, en wij zullen \'t wegnemen. Hoe wonderlijk is het, dat zij, die nachtdiscipelen van den ileere geweest waren, nu bij dag ais openlijk voor Hem uitkwamen! De allervreesachtigste Christenen, die in den voorspoed denken: ik zal afvallen: die komen dikwijls het allermeest uit in den tegenspoed, die in een tijd van vrede en als hut er niet op aankomt, zouden vlieden; maar als \'t er op aankomt, dan zeggen ze wel als de vrouw, de martelares, die aan den brandstaak stond: ik kan niet disputeeren voor mijn Ileere, maar laat ik er voor lijden, verbrandt mij. Maar menschen, die zoo denken: ach! ik zal niet kunnen bestaan in tijd van nood, zijn dan de voornaamste. Zoo was \'t met dezen ook zoo lang, totdat het er op aankwam. Zij waren zoo lang discipelen bij nacht, totdat het er op aankomt. In tijd van nood, zegt men, heeft iemand geen vrienden; maar hier was \'t geheel anders. De Heere Jezus had de grootsten van het land tot zijne vrienden. Wat doen nu die vrienden? Zij gaan naar Pilatus en zeggen: ei, schenk ons dat lichaam. Wat doet Pilatus? Hij vraagt het den Joden niet eens; maar tegen alle gewoonten aan, zoo zegt hij: daar is het, neemt het weg. Zulke lichamen wierp men daar maar op het galgenveld neer, en men gaf ze den vogelen des hemels te eten; en daar bleven dan de beenderen en bckkeneelen liggen, opdat die plaats vereeuwigd zou worden, dat het was een Golgotha, dat is, een hoofd-scheêlplaats.

Wat is de voorzienigheid Gods wonderlijk! Hoe! zal deze opge-hangene voor zonsondergang nog van het hout zijn? Ja. Deut.21:23 wordt dat belast, en Pilatus schonk hun dat lichaam. Wat doen nu die godvruchtige, eerlijke mannen met dat lichaam? Gij kunt eens denken hoe zij hetzelve gereinigd en met alle omzichtigheid behandeld hebben. Al had Hil nog zooveel wonden en striemen, hoe zij hun hart daarop gedrukt hebben. Nikodemus! wat hebt gij bereidquot;? Zoovele ponden gewicht aan specerijen? En wat gij? Jozef van Ari-mathea! Zooveel van het kostelijkste, fijnste lijnwaad? Zoovele specerijen, honderd ponden gewicht? En zulk kostelijk fijn lijnwaad? Hoe is dat zoo? Opdat vervuld zou worden wat van Hem voorzegd was: Hij is bij de rijken in zijnen dood geweest, Jes. 53:9. Hij is niet alleen bij de rijken in zijnen dood geweest, maar ook op het allerprachtigste. Al schijnt hier meer in dan in zijne geboorte, het behoort evenwel alles tot zijne vernedering; omdat ilij het alles bekomt door de milddadigheid van anderen. Het lichaam van Jezus dan gebalsemd en in fijn lijnwaad gewonden zijnde, brengen zij dat naar den hof des raad heers, die dicht bij de plaats was, waar Ilij gekruisigd was. Waarom dat? Al wederom opdat vervuld zou worden het zeggen van den profeet, Jes. 53:9, Men heeft zijn graf bij de goddeloozen gesteld. Die in zijne geboorte geen wieg had, en in zijn leven niets waar Hij zijn hoofd op neer kon leggen, die had ook in zijn dood geen graf. De

233

-ocr page 240-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

raadsheer had in zi]n hof \'/.ijn graf. Hoe zoet is dat! \'t Is zoo zoet, als iemand in zijn huis een teeken heeft, waardoor hij aan zijn dood kan denken. De raadsheer had in zijn hof zijn graf. Hoe dikwijls heeft hij wel gedacht; gij zult mij haast ontvangen, \'t Is zoo zoet als een vrome ziel zoo leeft, met zulke gedachten. In een hof was de eerste zonde begaan, in een hof had de Heere Jezus het zwaarste lijden geleden; en in dezen hof zou Hij als overwinnaar opstaan. Deze plant van naam werd daar gezaaid, en zou er welhaast heerlijk uit te voorschijn komen. Hij moest de graven een nieuwen naam geven. Hij werd in een nieuw graf gelegd, waar nooit iemand ingelegd was, opdat men niet zou kunnen zeggen, dat een ander in zijne plaats was opgestaan, of dat Hij door eens anders kracht was opgestaan, \'t Was een graf, dat uit een rots gehouwen was. Waarom? Omdat de Heere Jezus de ware rotssteen was; en opdat men niet zou kunnen zeggen, dat zijne discipelen Hem gestolen hadden. Moest dat zoo zijn? Moest Hij begraven worden? Ja. Waarom?

Eerst. Opdat het openlijk blijken zou, dat Hij waarlijk gestorven was. Men begraaft geen levenden, maar dooden.

Ten tweede. Opdat de profetieën, van Hem gedaan, vervuld zouden worden. Ps. 16:10, Gij zult mijne ziel in de hel, dat is, in het graf, niet verlaten. Jes. 53:8, Hij is afgesneden uit het land der levenden.

Ten derde. Opdat het voorbeeld van Jonas vervuld zou worden, en omdat Hij levend zelf gezegd had: Gelijk Jonas drie dagen en drie nachten in den buik van den wal visch geweest is, al zoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten zijn in het hart der aarde, Matth. 12:40.

Hier komt nu eene tegenwerping van de Socinianen, Papisten, en van den professor Roëll voor. De Synode van Zuid-Holland heeft nu verzocht, dat de professoren eene uitspraak zouden doen, over het gevoelen van Roëll, hetwelk zij gedaan hebben. Die uitspraak is in het Latijn, en die Latijn verstaan, moesten het lezen. Ja, het behoorde uit het Latijn in \'t Nederduitsch overgezet te worden, opdat elkeen het kon lezen. \') Als wij het lazen, zoo hebben wij God in ons hart gedankt, dat wij hem nooit meer bezwaard hebben dan wij moesten. Daar is de gemeente onze getuige van, dat wij altijd ons hart ontlast hebben. Wij moeten nu voor de gemeente betuigen, dat wij hem niet meer bezwaard hebben, dan die professoren hem bezwaren. Ik heb hem altijd in dit stuk Sociniaansch- en Remonstrantsch-gezind gerekend. Ik ben van dat gevoelen en ik smeek tot God. dat die Synode dat daar nu niet bij laten mag; dat ze niet alleen zullen zeg-

fen: ja, zoo is het; wij gelooven het; maar dat ze die adders in denen: ja, zoo is het; wij gelooven het; maar dat ze die adders in den

234

oezem der Kerk zullen gaan opzoeken en ontdekken. Zij moeten \'t niet alleen openlijk en bij getuigschrift bekendmaken, maar zij

*) Hetzelve is naderhand in \'t Nederduitsch vertaald geworden, onder den titel van \'t Kerkelijk Oordeel, enz. in 4to.

-ocr page 241-

OVER DEN XVI. ZONDAG. Vrag. 40, 41, 42, 43 en 44. 23B

moeten te^en zulke adders zegden: gij moet er uit, of gij moet terug. De Kerk zou verpest geworden zijn, had God bet niet gegeven, dat er nog ergens mannen waren gevonden, die in de bres stonden. Dan komt er licht nog al bij het gevoelen van de Papisten; eerst ontkende hij de voldoening van Christus; hij zegt, dat de dood der geloovigen nog was een straf van de zonden, en dus ontkent hij de volkomen voldoening van Christus. Dat is zijn gevoelen geweest, dat de dood der geloovigen een straf van de zonden is. Dat is ook het gevoelen van de Socinianen en Remonstranten. Daarbij komt deze tegenwerping, deze vraag, namelijk: zoo Christus voor ons voldaan heeft, waarom moeten wij dan nog sterven? De bewijsgrond is: zoo Christus voldaan heeft, zoo moesten wij niet sterven. Maar nu moeten wij den dood ondergaan. Ergo de voldoening van Christus is niet genoeg. Gij denkt dikwijls als wij zoo wat zeggen: zou er niet wel wat partijschap onder loopen? Wij zeggen: wij moeten sterven, en de vraag is, is dat wel? Is \'t geen straf van de zonden? Heeft Christus dan niet voldaan? Wij zeggen, ja; Christus heeft zoo voldaan, dat Hij genoeg voldaan heeft, zoodat wij niet behoefden te sterven, als \'t God niet beliefd had; wij behoefden alzoo min te sterven evenals Henoch en Elia.

Gij zult zeggen: dat is in het Oude Testament geweest. Wel, zooveel te krachtiger is de bewijsgrond; zooveel te meer kan God het nu doen. Wij bewijzen dat uit 1 Cor. 15:52, als het oordeel daar zal zijn, zoo zal de wereld zoo volkrijk zijn, als die nu is. Maar hoe zal \'t gaan met die menschen, die alsdan leven zullen? Zullen ze sterven? Neen; maar in een punt des tijds zullen ze (in hoedanigheid) veranderd worden, van sterfelijk onsterfelijk gemaakt worden. Die menschen zullen niet moeten sterven, zij zullen maar in gedaante veranderd worden. Een Sociniaan en Remonstrant zal zeggen: als de voldoening volkomen was, dan moesten wij niet sterven. Maar waarom belieft het God dat wij sterven ?

Eerst. Om u een indruk te geven, dat onze dood geen betaling voor de zonden is; maar dat het een slag, eene kastijding van eene vaderlijke hand is.

Ten tweede. Zegt God: ik heb den dood als een middel gesteld, opdat Ik u dan van de zonden verlossen zou; Ik wil eene strijdende Kerk op aarde hebben.

Ten derde. Ik geef\' u den dood, zegt God, als een middel om uwe ziel daardoor in den hemel te doen komen. Daar zal uwe ziel wachten naar uw lichaam, totdat Ik op de wolken zal komen, en dan zal Ik dat lichaam opwekken. Ik bid u, leert toch de zaken kennen. Die dit tegenspreken, wroeten aan de fondamenten van den godsdienst. Gij moest nooit kwaad zijn, als wij rechtuit spreken, en als wij u trachten te waarschuwen tegen de wolven, die in schaapskleederen in de schaapskooi van Christus zoeken in te sluipen. Wij blijven ons dan houden aan de leer van den Catechismus, en wij zeggen, met de XLII. Vraag en Antwoord, Onze dood is geen betaling voor onze

-ocr page 242-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zonden; maar alleen een afsterving der zonden, en een ingang tot het eeuwige leven.

Maar is er nuttigheid in dat wij sterven; waartoe dient het? Waartoe dient het dan dat wij ook sterven en begraven worden? Daar is groot nut in. Is er nut in, dat Christus gestorven en begraven is? Ja. Daardoor heeft Hij verdiend, dat de kracht der verdorvenheid in ii verbroken zal worden; IIij heeft den Geest van God verdiend, die zal komen, en dat in n werken; Hij zal dat in uw hart werken, dat gij de verdorvenheid als een doode zult aanzien, en dat gij er van zult zeggen, gelijk ze van hunne dooden zeiden: doet dien doode weg van voor mijn aangezicht; hoe lief dat ze u ook zouden mogen wezen, hoe lieve vrouw, bruidegom, bruid. Christus heeft door zijnen dood verdiend, dat de Geest dit in hen werken zal, dat ze den ouden mensch zullen dooden en begraven, en dat Hij in hen zal scheppen, dat ze in nieuwigheid des levens wandelen zulten, Rom. 6:4, en dat ze zichzelven ook zullen gaan offeren tot eene offerande des lofs, en der dankzegging, Hebr. 13:15; zoodat ze uitroepen: wat zal ik U vergelden, dat Gij mij verhoort, en dat Gij mij wedergeboren hebt, en tot de gemeenschap uws Zoons gebracht hebt, als ik voor U leven zal? Dat wil ik gaarne doen; het is mij leed, dat ik het niet eer en meer gedaan heb.

Nu de vierde trap van nederklinnning, die is: zijn nederdalen ter helle. Wij zullen u dat klaar zoeken te zeggen, naar den stijl des Woords, en naar het rechtzinnige gevoelen, zonder veel beslag te maken; want dat dient hier niet.

Dat nederdalen ter helle daar moet gij door verstaan zijn zielslij-den, zoo nochtans dat er het lichaam in medegedeeld heeit, en dat de Heere Jezus in ziel en lichaam heeft moeten dragen wat al de uitverkorenen eeuwiglijk in de hel hadden moeten dragen, zoo de Heere Jezus hen niet verlost had. Dat is het nederdalen ter helle: dat alles te lijden voor al zijn volk, dat zij eeuwiglijk verdiend hadden in de hel te lijden. Ps. 18:5, 6, Banden des doods hadden Mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij. Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij. En Ps. 22:13, 14, Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Zij hebben hunnen mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw. Dat zijn zoo al de uitdrukkingen. Ik en gij waren niets waardig, als bier alle pijnen te lijden, en hierna nog eeuwig in de hel te zinken. Het dwaze gevoelen, dat de Papisten hebben, van in eeu vagevuur of voorburg der vaderen te gaan, daar willen wij ons nu niet mede ophouden, dat is enkel dwaasheid, en van hunne priesters om voordeel verzonnen. Maar dit kunt gij vatttn: Hij heeft eeuwige pijnen geleden, omdat Hij God en mensch was. Kon Hij dat doen? Ja. Hij kon dragen, dat de verdoemden en de duivelen eeuwig zullen moeten lijden.

Gij zult zeggen: heeft de Heere Jezus dan in dat korte lijden alles gedragen, wat de uitverkorenen in de hel zouden hebben moeten

236

-ocr page 243-

OVER DEN XVI. ZONDAG. Vraö. 40, 41, 42, 43 en 44.

dragen? Ja, Hij heeft gedragen wat ik en gij in de hel hadden moeten dragen; daar zouden wij gedragen moeten hebben: droefheid, angst, verschrikking, van God gescheiden en verlaten te zijn. Kunt gij dat niet vatten naar het Woord? Hij heeft pijn in zijne ziel en pijn in zijn lichaam geleden. Zouden wij geen droefheid hebben, geen tranen schreien zoo wij in de hel waren? Ach! ja; daar is een handgewring, een ooggeween, een tandgeknars; daar is angst en schrik, zoodat het degenen, die daar zijn, als doet versmelten. Wij hadden eeuwig van God afgescheiden moeten leven, wij zouden nooit met blijdschap aan God hebben kunnen denken. Bedenkt dat alles eens. Heeft de Heere Jezus dat niet gedragen? Ach! Hij had zulk een droefheid. Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe, zeide Hij, Matth. 26::38. Dat was in de krachten van zijne ziel. Dat kunt gij bevatten. Behalve dat, zegt ilij tegen zijne discipelen: Nu is mijne ziel ontroerd, Joh. 12:27. Hoe word Ik geperst! zegt Hij. Hij was met schrik bevangen. Dit is er een bewijs van, dat Hij op de aarde kruipt als een worm, zoodat Hem het zweet werd ais groote druppelen bloeds die op de aarde afliepen, Luk. 22:44, en er een engel kwam die zijne ziel het goede boodschapte wegens den uitslag, en Hem versterkte. Luk. 22:43. Bij dien schrik zou er eene eeuwige verlating zijn, dat moest Hij dragen, alleen met dit onderscheid, dat Hij het droeg zonder murmureeren. Dat zeiden zelfs zijne vijanden. Hij heeft op God betrouwd, zeiden ze, dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil! want Hij heeft gezegd; Ik ben Gods Zoon, Matth. 27:43. Hij was heilig en zonder zonden. Als de duivel en al die boozen tegen Hem aankwamen, zoo was Hij heilig in al zijn lijden; Hij droeg zoo in korten tijd, dat Hij alles uitstond hetgeen dan de uitverkorenen eens eeuwiglijk hadden moeten lijden. Hij droeg den oneindigen toorn Gods; maar daar was ook bij Hem een oneindige kracht toe. Gij kunt het voelen dat dan de weegschaal gelijk hing.

Nu, zult gij zeggen, zie ik, waarom Hij dat alles dragen moest. Wat al zonden waren er, en zouden er nog zijn van zooveel duizenden uitverkorenen; als die geëischt werden, toen werd Hij verdrukt, Jes. 53:7. God deed ze op Hem aanloopen. Daarbij kwam, dat God in zijne volle rechtvaardigheid als een verterende \'gloed tegen Hem aankwam. Dan kunt gij die spreekwijze vatten, dat God zijn eenigen Zoon niet gespaard heeft, Rora. 8:32. En toen kwam ook de duivel en de overste van de wereld teyren Hem. Durfde hij het in de woestijn doen, hoeveel te meer nu? Hij randt den tweeden Adam aan. Hij vermorzelt de verzenen van het zaad der vrouw. Gen. 3:15. Zou de Heere Jezus niet wel mogen zeggen hebben tegen zijne discipelen: ziet ^ij dat bloedige zweet niet aan Mij? Luk. 22:44. En in dat alles had Hij geen licht ten aanzien van zijnen Vader; maar aan zijne zijde had Hi] licht, vanwege zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid.

Dat nu de Heere Jezus dat alles geleden heeft, steekt daar nut in? Ja, Gods kinderen geraken ook in aanvechting, zij krijgen zelfs vuistslagen des Satans, welke vurige pijlen worden er wel geschoten

237

-ocr page 244-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

in hunne ziel! Maar God voorziet het, dat ze zoo niet treffen. De Drieëenige God heeft in dit alles zijn oog op hen, zij zijn Hem dierbaar; maar dat is voor hen verborgen. Daaruit rijst verschrikking, zoodat zij zeggen: mijn God! het zijn vurige pijlen, welks vurig venijn mijnen geest uitbluscht. Ach God! mag ik van die vuistslagen des Satans niet ontheven worden! In uwe allerzwaarste aanvechtingen denkt er dan aan, wat de Heere Jezus ook heeft geleden. Denkt: wilde de duivel hebben, dat Hij Zichzelven vermoordde, Matth. 4: 6, mij komt dan niets vreemds over, hij heeft den Heere Jezus niet overwonnen; en ik zal ook in zijne kracht bewaard worden. Gij kunt er u tegen troosten dat het niet eeuwig duren zal. Waarom? Hier kost het vleesch en bloed, en \'t is een gruwel in uwe oogen. Ja, gij moet u troosten, dat de Heere Jezus u dit laat toekomen tot beproeving van uw geloof, van uwe liefde, en om uwen staat vast te maken, en om u nederigheid te leeren. De Heere weet wat u best is, wat plak en roede u noodig is. Zulks is u noodig, opdat gij klein zoudt zijn in uwe oogen. Ja, de Heere doet het daarom, wij hebben nooit meer liefde tot den Heere Jezus, als dan; dan is \'t: hebt gij zulke helsche benauwdheden moeten dragen, en zal ik dit sprankeitje niet dragen? Ziedaar geliefden, daar hebt gij den XVI Zondag.

Wat bewegingen zijn er m u geweest? Of zit gij als een stok en een blok? Wij vragen nog eens: wat nut deed het u? Gingt gij bij een Sociniaan en bij een Mennist te kerk, die zouden u zeer beweeglijk van \'t lijden van Christus spreken. Zij zouden zeggen, dat Hij als een martelaar geleden heeft. Gingt gij bij een Remonstrant te kerk, die zou zeggen dat het bloed van den Heere Jezus voor allen was, dat de toepassing alleen hangt aan hunnen vrijen wil. Gingt gij bij een Papist, die zoude u niet minder van \'t lijden van Christus spreken als wij. Maar hij zoude u er bij wijzen op een deel heiligen, en op een deel boetedoeningen te lijden in en na dit leven, om te voldoen; en op eenen Christus, die nog alle dagen geofferd wordt tus-schen de vingers van de Mispriesters. Gezegend zij God, dat wij van hen verlost zijn! Zondaar schrikt, dat gij nooit overtuigd zijt van de goddelijke rechtvaardigheid. Gij zegt zoo wel eens in \'talgemeen: God is rechtvaardig; maar hebt gij er nog wel ooit een zondig lustje om gelaten? Hebt gij er nog wel een zondig gezelschap om gelaten, of er nog wel een rechteroog om uitgestoken? Hebt gij er, opdat gij de rechtvaardigheid Gods niet zoudt moeten ondervinden, uzel-ven en alle schepselen wel om willen afgaan? Kost het u worstelen en strijden? Kondet gjj de zonden niet laten? Kondet gij ze niet te boven komen? Streedt gij er wel tegen? Zegt gij: neen, ik heb geen strijd, geen vernedering gevoeld ? Dan is het slecht, dan schrikt gij met recht voor de Goddelijke rechtvaardigheid. Zegt gij, \'t zal er zoo niet op aankomen? Staat dan eens een beetje bij den Heere Jezus, \'t Zal er al meer op aankomen dan gij denkt. Staat eens een weinig dicht bij het lijden van Christus; bizonderlijk op het laatste uur of vier. Wij zullen u de hoofdstukken noemen, daar gij \'tkunt lezen,

238

-ocr page 245-

OVER DEN XVI. ZONDAG. Vrag. 40, 41, 42, 43 en 44.

ziet eens bij Matth. 26 en 27, bij Luk. 23, bij Mark. 14 en bij Joh. 19. Houdt daar eens eene samenspraak met Hem, en zegt: Mijn God en mijn Heere! Gij zijt de Zone Gods, de sterke God, een vriend Gods, en ik ben een arme worm, een vijand en een vijandin van God, moest gi] zoo ontsteld zijn, daar uw arm u lieil beschikte? Hoe zal ik dan moeten woelen! Ach! zondaar! dat gij nog tot uwen Heere kwaamt! Doet God dat aan \'t groene hout, wat zal aan \'t dorre geschieden? Wat aan een slaaf? Doet God aan zijnen Zoon zoo, wat zal Hij aan mij doen? Misschien beeldt gij u in, dat Hij voor u gestorven is? Ik wilde wel, dat het waar was. Hoor: zoo het voor mij en u is, zoo zullen wij dit ondervinden, onderzoekt u dan hier op.

Eerst. Dan zult gij aan uwe lusten, aan de wereld, en aan de zonden gestorven zijn. Kunt gij betuigen voor God, dat dat uw pogen is? Hoe menigeen zegt er: mijn buik is mijn God! Zij kunnen van de wereld niet af, zij zijn er zoo aan vastgeklonken. En wat aangaat het goed van de wereld; zij hebben het \'tallengskens liever. Wij betuigen \'t u! zult gij dan nog zeggen: dat Hij voor u gestorven is? Het is niet waar, gij bedriegt uzelven gruwelijk, gij gaat met een leugen in uwe rechterhand verloren.

len tweede. Is de oude mensch in u wel gedood? Gij zult zeggen: kan iemand dan zonder zonden leven? Wel dat is niet den ouden mensch te dooden. Wat is het dan? Dit, den ouden mensch, die ver-dorvene natuur te kruisigen, die de heerschappij te benemen. Daar is er geen een, die deel heeft aan Christus\' dood, of hij heeft die heerschappij verbroken, of hij zoekt ten minste die heerschappij der zonden in hem te verbreken. Maar is u zonde een spel, eene zaak van weinig belang, pleit gij voor de zonden? \'t Is of men zoo iemand zijn leven benemen wil, die men daar van af wil brengen.

Ten derde. Is de oude mensch met Jezus wel begraven? Hebt gij wel gezegd hoe komt gij nog weg? Ik kan met u niet meer leveii. Gij moet uit mijn huis, gij moet uit mijn gezelschap. Oordeelt nu eens, wij overladen u niet met te veel zaken.

Ten vierde. Ach zondaar ! wat slaapt gij dan zoo in \'t uiterste gevaar, daar uw dood lichtelijk zoo nabij is. Zegt eens, gij naam- nabij-en mondchristen! is \'t dan geen tijd om te ontwaken? Wat is u, gij hardslapende? Zal de allerliefste grootste Heere u nog langer moeten verdragen? Zal Hij u niet aanspreken als vertreders van zijn bloed, die zoo geen acht geeft op zulke groote zaligheid? Zal\'Hij niet zeggen: Brengt deze mijne vijanden, die niet gewild hebben dat Ik koning over hen zoude zijn, en slaat ze voor mijne voeten dood?

Moeten er hier niet wel zitten, die misschien in kommer van hun hart zeggen: Ach Heere! is uw dood wel voor mij? Zijt gij voor mij in de hel gedaald? Die met zulk een gewicht zeggen; Ach God! wist ik het of het voor mij is! Hebt gij er geen deel aan, gij zult alzoo zeker verloren gaan, als gij mensclien zilt.

Wie zijn \'t dan, daar \'t volgens Gods Woord voor is?

Eerst. Het is voor zijn volk, voor zijne schapen. Hebt gij de eigen-

239

-ocr page 246-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

schappen van een schaap? Zijt gij bi] de weinigen? Is \'t gezelschap groot, daar gij mede gaat, of niet? Als gij in een gezelschap waart, daar honderd wereldsche menschen in waren, en daar waren maar een of twee vromen bij, waar zoudt gij u zeiven bijvoegen? Bij wien zoudt gij schuilen? Zoude het bij de vromen zijn, al zaten er maar twee? Zoudt gy de achtennegentig anderen laten varen? Zijt gij onder \'t kleine hoopje, onder \'t klein kuddeke? Zijt gij als de schaapjes, die naar de stem van hunnen herder hooren? Zijt gij vreedzaam, stil, lijdzaam, nuttig? Hun vleesch is tot spijs, hun wol tot kleeding, hun melk tot voedsel voor honger en dorst. Zij hebben geen hoornen om te stooten, geen tanden om te verscheuren, geen klauwen om te vertreden. Zij zijn zoo weerloos.

Ten tweede. Gij kunt er niet toe gekomen zijn, of gij zult angst geleden hebben, in of na de wedergeboorte; zoodat hemel en aarde u dikwijls al te nauw geweest zijn. Is \'t niet doorgaans, er zijn evenwel somtijds zulke stondetjes, dat gij moest zeggen: Ach Heere! wat was ik, ofschoon ik al een koning was, en ik had IJ niet, wal zou het mij baten?

Ten derde. Die zoo met hunne verdorvenheden zoeken te handelen, gelijk als de Joden met Christus deden. Zij riepen al: weg met dezen; zij bespotten Hem, zij lasterden Hem. Zoo ook: zij willen de verdorvenheid weg hebben, uit hunne gezelschappen, uit hun huis, van hunne tafel; overal willen ze het lichaam der zonden dooden; dat lichaam der zonde en des doods, wie zal mij daarvan verlossen! zeggen ze, Rom. 7 : 24.

Wij zullen u al wederom niet overladen. Dat zijn drie stukjes, en het zijn zoovele teekentjes, dat Jezus de uwe is, of dat Hij de uwe niet is. Logt er elk uw hart eens bij als in Gods tegenwoordigheid. 1. Zijt gij als een schaap? 2. Kent gij zielsangsten over de zonden? 3. Wil-det gij de zonden wel weg hebben uit uw huis en overal? Daar zijn er misschien die kunnen zeggen: ja. Wel gezegend zijt gi] en gij zult van God gezegend worden in eeuwigheid. Maar zegt gij neen? Wel schrikt dan. Wij zullen u dan den schrik Gods eens doen zien, of het er nog wat toe doen mocht, of de schrik Gods nog op uw hart kwam.

Zondaar en zondares! Gij zult sterven. Uwe oogen zullen eens stijf worden, uwe keel en borst zullen eens versmachten, uwe lippen zullen eens opkrimpen, en uwe adem zal uit u gaan. Gij zult sterven, en wie weet, hoe nabij het u is? Als gij dan geen genade hebt, dan zult gij ook geen ruim ziekbed hebben. Uw sterfbed zal dan niet ruim zijn. Gij moogt zorgeloos zijn, maar gij zult niet willen onderzocht worden naar uw geloof en wedergeboorte. Dan zal \'tzijn: Laat toch deze drinkbeker van mij voorbijgaan! Maar God zal u niet hooren. Daar zal dan de dood u overvallen als een schuldeischer.

Nog eens. Gij moet naar het graf; de aarde zal uw vervloekt lichaam moeten dragen en ontvangen. Hoevele vervloekte lichamen liggen er hier wel onder deze zerksteenen, die hun een last waren,

240

-ocr page 247-

OVER DEN XVI. ZONDAG. Vrau. 40, 41, 42, 43 en 44. 241

als ze op de aarde waren. Die zullen in de opstanding als eene vervloekte scheut opgeworpen worden. En als gij dan naar de ziel liggen zult in die helsche angsten, dan zult gij ondervinden, dat gij niet lijden zult als de Heere Jezus geleden heeft; dat was niet eeuwiglijk, dat wïis heilig, dat was kort; gij zult het eeuwiglijk moeten uitstaan in de hel. Daar telt men geen uren, dagen, maanden, noch jaren. Er is wel een begin aan van voren, maar geen einde zal er van achteren komen. O zondaar! ons hart moest beven, als wij denken moeten: dat is ons lot. Moeten ik en gij dat ondergaan? Dan is er geen beschrijven aan ons ongeluk: dan zijn onze ellenden onuitsprekelijk. Zegt gij: wat raad ? Meent gij \'t van harte, of\' meent gij \'t niet ? Is \'t hartelijk? Dan zullen wij u raad geven. Wij gelooven, dat de minsten het als eene waarheid zeggen. Maar onze raad is voor de oprechten, voor de overtuigden.

Eerst. Gelooft ten minste als eene waarheid, dat de Heere Jezus dit alles heeft moeten ondergaan; en dat gij het ook zult moeten oudergaan, zoo gij geen deel aan Hem hebt. Wat hebt gij daar niet wel overtuiging van gehad!

Ten tweede. Geeft het niet op, zoo gij \'t gelooft. Zoudt gij zeggen: dat is voor mij niet! Ik ben zulk een monster van een mensen! Als het u van harte leed is, zoo geeft het niet op. Al zijt gij een vloeker, al waart gij een godslasteraar, een ongodsdienstige, eene hoer, een overspeler, geeft het niet op. Het komt er niet op aan, wat zonden gij gedaan hebt, al zoudt gij moeten zeggen: ach God! ik ben zoo oud. Daar is niets aan gelegen, al waart gij grijs van ouderdom, al waart gij nabij het graf; Jezus is ook voor ouden en ook voor goddeloozen, zoowel als voor jongen en voor burgerlijken gestorven. Hij vraagt daar niet naar: Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, zegt Hij. Zijt gij een dronkaard? Kom naar Mij, Ik zal \'t u vergeven. Verlaat maar uwen weg. Ziet gij \'twel, dat de genade dan meest verheven wordt en op den troon geraakt? In zulke brand-staken, die voor de hel schenen bewaard te zijn, zou God dan het allermeest verheerlijkt worden.

Ten laatste. Komt naar Mij toe, zegt de Heere, en bidt om een ander hart. Gebruikt naarstig de middelen der genade. Is dat creen goede raad?

Maar gij, die moet zeggen: ik kan er niet uit, ik denk, dat Hij voor mij gestorven is; wel gij zijt gezegend, en gij zult gezegend bhjven tot in eeuwigheid. Is \'t voor mi] en voor u? Dan hebben mijne en uwe zonden Jezus een groot gedeelte van dat lijden aangedaan: wij hebben Hem aangedaan een groot gedeelte van die doornenkroon, van die geeselslagen op zijnen rug, van die nagelen in zijne handen en voeten, van die helsche benauwdheden in zijne ziel, van dat kermen over de verlating Gods; ach! wij hebben Hem dat aangedaan. Het is onze schuld, dat hebben wij Hem aangedaan door ons dartel leven. Belijdt het, en zegt: zoo zal ik met den ouden mensch ook gaan handelen. Ik heb geen vermaak meer in u. Ik zal

16

-ocr page 248-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

242

u alles doen, wat u smarten kan. En geraakt gij in aanvechting, gi] zult er niet om verloren gaan. Een kind van God heeft het altemet zoo bang. Wenscht er niet al te veel om, het is hun dikwijls zoo bang. Zegt nooit: was ik een kind Gods, dan zou ik meer stri]d hebben en meer aanvechtingen. Men is dikwijls nooit meer zondigende en venijniger als dan. Dat men dan uit zichzelven kon gaan, men zou het doen. Gij moet dan niet te veel eenzame plaatsen hebben. Zondert uzelven wel eens af; maar leert dit ook van den Heere Jezus: Hij ging weer naar zijne vrienden. Ik raad u, zijt gij in aanvechtingen, weest niet te eenzaam; gaat bij de vrienden des Heeren en hoort hen spreken. Is de stad u te nauw? Gij moogt er wel eens uitgaan. Staat eens op een hoek van een veld en schreeuwt het eens uit, Ps. 91, Van het einde des lands roep ik tot U. Maakt geen be-slag. Denkt: ach Heere! Gij weet, hoe ik er uit verlost zal worden. Troost u daarin dat gij uit de hel blijven zult. Zegt: Heere! ik wil wel wat dragen. Liefste Heere Jezus! Gij hebt zooveel gedragen./iet hoe lief Jezus u had! Moet gij Hem dan ook niet liefhebben^ Gy hebt niemand beter. Als gij in aanvechtingen zijt, kinderen van God! ziet dan op Hem. Klaagt gij over ongeloof, over uw zondig hart i Daar zal eens een einde aan komen. Gi] zult eens ontslagen worden, van uwe zondige lusten, van al uwe vijanden en van den dood; die zelf zal u medewerken ten goede, zoodat gij er op voor Gods troon zult komen, en uw lichaam daar latende, zoo zal het ook eens uit het stof der aarde worden opgewekt in uw lot. Dan. 12:2. Dat wensch ik, dat de Heere aan u en mij doen zal te zijner tijd, tot zijne eer, om zijns Zoons wil, en tot onze eeuwige blijdschap. Amen.

-ocr page 249-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XVII. Zondag. Vrag. 45.

Zeventiende Zondag.

45. Vraag. Wat nut ons de opstanding van Christus?

Antwookd. Ten eerste, heeft 111] door zijne opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijnen dood ons verworven had, kon deelachtig maken; ten andere, worden wij ook door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven; ten derde, is de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding.

WIJ lezen. Gen, 22:8 en 14, dat Abraham tegen zijn zoon Izak zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien: Op den berg des Heeren zal \'t voorzien worden. God brengt zijne kinderen dikwijls op zeer donkere wegen, in zaken, waar ze niet door kunnen zien. Geliefden! wij zullen u daarvan eens eenige voorbeeldjes aanhalen, waaruit gij dat klaar zult kunnen zien.IJ lezen. Gen, 22:8 en 14, dat Abraham tegen zijn zoon Izak zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien: Op den berg des Heeren zal \'t voorzien worden. God brengt zijne kinderen dikwijls op zeer donkere wegen, in zaken, waar ze niet door kunnen zien. Geliefden! wij zullen u daarvan eens eenige voorbeeldjes aanhalen, waaruit gij dat klaar zult kunnen zien.

Abraham, zeide God, ga, slacht uw eenig lief kind. Hij zag er niet door; maar hij vertrouwde op God, dat Hij machtig was, hem uit den dood weer te verwekken.

In wat een donkeren weg heeft God Jakob gebracht! Daar komt zijn broeder Ezau met vierhonderd gewapende mannen, om het alles te vermoorden en te slachten. Wat deed de nood? De man geraakt aan \'t bidden, aan \'t kermen; hij gaat naar God en hij zegt: hebt Gij \'t niet gezegd Heerei Heere! dat ik naar huis zou trekken? Het is geen lichtvaardig bedrijf. God voorzag het. Inplaats dat Ezau met het zwaard zou komen om zijn broeder dat in \'t hart te steken, zoo valt hij hem om den hals en hij kuste hem, Gen. 32: 6—12 en 33 :4.

Wat een donkere weg was \'tquot; voor Jozef? Hij werd diefachtig van zijn vader ontstolen door zijn eigen broeders, en verkocht naar Egypte. Hij komt in de boeien; daar geraakt hij eindelijk in \'t gevangenhuis. Daar zijnde, zoo wordt er een bevel vanwege den koning gezonden, en God verheft hem uit den druk.

Wat een zwaren weg ging God met Mozes in! Daar was zijne teere moeder, die hem drie maanden verborgen had, zij durfde hem niet langer houden. Daar gaat zij haar schoon en jong kind in een biezen kistje zetten, en op het water werpen, niets anders wetende of

-ocr page 250-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wachtende, of het zou daar, op de eene of op de andere wijze, aan zijn einde geraken. Zi} stelt zichzelve van verre, om te zien, wat ei- afkomen zal. Daar komt de prinses, dochter des konings, ziende het kind weenen, zoo wordt haar hart bewogen. Zij laat het uit het water halen, en opkweeken voor haar kind, llixod. 2 : 8,9. Duizenderlei zulke dingen zijn er in \'t Woord aangeteekend.

Geliefden! weet gi] welke nog de allerzwaarste en donkerste weg is, dien God nog ooit met iemand gehouden heeft? Dat is die van den Heiland; die zoo geleden heeft, de allerdiepste versmaadheden en angsten der hel, den dood des kruises; is gestorven, begraven, en nedergedaald ter hel. Hij is omringd gevyeest van honden en leeuwen, de goddeloozen waren rondom zijn graf, daar zat zijn volk met gesloten deuren en harten. Nu, meenden zij, was het uit, zij zaten bijeen te schreien. De een zeide: de stad is mij te nauw; mij ook, ^ei^e een ander, laat ons eens gaan wandelen, zeiden ze, als het de derde dag was. Wij hoopten, zeiden ze, dat Hij het was, die Israël zou verlossen; maar het is reeds de derde dag, en wy hebben Hem niet gezien, wat zal er nu van ons worden? zoo Hij niet opstaat, moeten wij allen verloren gaan, Luk. 24:21. Neen, zegt God, gij zult niet verloren gaan, en daar komt Hij, met zijn sterken arm, en Hij verwekt zijnen Zoon uit de dooden. Daar gaan ze aan den derden dag niet slapen, of zij hebben Hem hooren zeggen: vrede zij ulieden, wel vrienden! Ik ben het, en vreest niet. Luk. 24:36. Houdt het in gedachtenis, zegt Paulus, dat God Jezus opgewekt heeft uit de dooden, 2 nm. 2:8. Waarom dat? Opdat ze zouden leeren vertrouwen, dat God hun het licht zal doen zien in de allerdonkerste dagen. Ziet gij dat het op \'t eene oogenblik zoo donker is, dat men er niet door zien kan, op \'t andere oogenblik zoo keert de zaak geheel en al om, zóó, dat gij \'t noch verwacht, noch geloofd zoudt hebben. God toont dat Hij op zijnen tijd zijn kinderen verkwikken kan, als zij geen hulp of raad weten. Hierom vindt gij in onzen godsdienst, dat het zoo in gedachten gehouden wordt, dat de Heere Jezus is nedergedaald, langs vier trappen, tot de allerdiepste vernedering. Maar wacht wat. Wel haast keert de zaak om, en langs vier trappen komt Hij weer tot de hoogste eer. Wij moeten niet met de Joden twee Middelaars zoeken, een zoon Jozefs, die een lijdende Middelaar is, en een zoon Davids, die een heerschende Middelaar is. Wij zeggen naar het Woord, dat er maar één Middelaar is, die eerst uitermate zeer vernederd is geweest, en daarna uitermate verhoogd, die eerst op den weg uit de beek gedronken heeft, en daarna zijn hoofd heerlijk omhoog geheven heeft, Ps. 110:7. Al dat spreken van sommige predikanten uit de joodsche grollen, geeft somtijds zoo weinig pas op den predikstoel, dat het meer verveelt, dan sticht. Wij moeten dan:

Eerst. Zien wat het is: opgestaan.

Ten tweede. Door wien het is geschied, wie er de werkmeester van is.

Dan ten derde. Op wat tijd het is geschied.

244

-ocr page 251-

OVER DEN XVII. ZONDAG. Vrag, 45.

Ten vierde. De waarachtigheid der zaken.

Ten vijfde. De noodzakelijkheid die daar in stak.

En dan ten zesde. Het einde en de nuttigheid van de opstanding. Wilt gij aandachtig zijn, de zaken zullen \'t waard zijn. Wij hebben te bezien: 1. Den aard van de opstanding. 2. Den Werkmeester. 3. Den tijd. 4. De waarheid en zekerheid der zaak. 5. De noodzakelijkheid. 6. Het einde en de nuttigheid der Opstanding.

Wat het eerste aangaat: wat is opstaan? Als gij weet, wat het is te sterven, namelijk, eene scheiding van de ziel uit het lichaam voor eenen tijd, zoo zult gij wel haast vinden, wat opstanding beteekent, te weten, opstaan is eene wedervereeniging van die ziel met het lichaam, waarvan zij voor een tijd gescheiden was geweest. Dat is opstaan. Hier was het lichaam van den Zoon Gods in het grat, zijn ziel was in de handen van zijnen Vader. Dit lichaam van Gods Zoon dat lag daar, en \'t kon geen verderving zien, en \'t heeft er ook geen gezien, wegens de kortheid van den tijd. Hij was drie dagen in \'t graf. Korter mocht het niet zijn, opdat het bleek, dat Hij waarlijk gestorven was. Langer mocht het ook niet zijn, opdat Hij geen verderving zou zien. Lazarus was vier dagen in \'t graf, maar zijn lichaam begon al verderving te zien. Heere! hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen, zeide zijne zuster Martha, Joh. 11:39. God bewaarde dit lichaam door zijne kracht, opdat het geen verderf zoude zien. Daar komt bij, dat er zooveel specerijen bij waren, om het lichaam te bewaren. Zijne ziel had Hij gegeven in de hand van zijnen Vader. De Vader doet nu weer zijne quot;hand open, en Hij zendt die ziel wederom naar dat lichaam, om daarmede weder vereenigd te worden. De Apostel Paulus merkt dat aan, Hebr. 1:6, En als Hij wederom den Eerst-geboorne inbrengt in de wereld. Diezelfde Christus, dien ze vermoord hadden, wordt wederom levend. Hij staat op uit de dooden. Hij is dezelfde geweest, al was \'t dat sommigen Hem niet kenden, gelijk als de Emmaüsgangers, en de bedroefde Maria. Dat was niet dooide verandering van zijn lichaam, maar de Heere hield hun gezicht, dat ze Hem niet kenden. Als God op hun gezicht niet wrocht, dan kenden de Emmaüsgangers, Maria en Thomas Hem wel. Thomas! zeide de Heere, ziet gij die litteekens wel in mijne handen en zijde? Doch daar was evenwel eenige verandering over gekomen, te weten deze: dat Hij niet meer sterven kon. Hij zou niet meer gedood worden, Hij leefde nu tot in eeuwigheid, \'twas een geestelijk lichaam geworden, bekwaam tot geestelijke werking. Als Hij na zijne opstanding gegeten of gedronken heeft, zoo deed Hij het om te \'toonen, dat Hij het kon doen, maar niet, omdat Hij het noodig had; Hij deed het om de zwakheid van zijne kinderen \'en vrienden te hulp \'te komen. Ik heb een lichaam, zeide Hij, en \'tis hetzelfde lichaam, maar \'t is eenigszins veranderd. De ziel was dezelfde ook, doch zij was ook eenigs-zins anders geworden, zij kan nu niet meer aangroeien in wijsheid en verstand, gelijk als toen Hij op de wereld leefde. Gij kunt eens denken, of er nu niet meer wijsheid en blijdschap in zijne ziel was, toen

245

-ocr page 252-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ze in den hemel was geweest, en al zijn werk hier volbracht was, dat de Vader Heni had gegeven te doen, toen Hi] \'t begin van de verzadiging der vreugde had genoten, Ps. 16:11. Heeft llij al zijne heerlijkheid vertoond aan hen, die Hij tegenwoordig heeft aan des Vaders rechterhand, die Hij hun zal doen zien in den laatsten dag? Neen, Hij moest nog veertig dagen met hen verkeeren en omgaan. Dan zouden ze niet voor Hem hebben kunnen bestaan; alzoo min, als dat de kinderen Israels voor Mozes konden bestaan, toen het vel van zijn aangezicht zoo glinsterde, Exod. 34:29. De herders vreesden voor den heerlijken glans van een engel, en Mozes bedekte zijn aangezicht. Christus verborg zijn heerlijkheid, Hij vertoonde ze niet aan hen, dat zouden ze niet hebben kunnen dragen.

Ten tweede. Wie heeft nu dat werk gedaan? Die ziel, die in den hemel was, en dat lichaam, dat in \'t graf lag, wie heeft die twee wederom bijeen gebracht?

Eerst. Het wordt toegeschreven aan den Drieëenigen God. Zij hadden den Vorst des levens gedood. Hand. 3:15. Doch dezen had God verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, Hand. 5:31.

Ten tweede. Wordt dat werk toegeschreven aan God den Vader in \'t bizonder, en ook aan den Zoon en den Heiligen Geest. \'tWas het werk van den Vader, die heeft er zijne uitnemende groote sterkte en kracht in vertoond, Ef. 1:19, als Hij tot het lichaam zeide: leef! en tot de ziel: ga weer tot de aarde, naar dat lichaam, waar gij afgescheiden zijt. Ik vereenig U wederom daarmede.

Ten derde. De hand van den Zoon is er ook klaar in te zien, breekt dezen tempel af, zeide Hij, en in drie dagen zal Ik denzelven weder opbouwen. Joh. 2:19. Ik \'heb macht om mijn leven af te leggen. Ik heb macht om hetzelve wederom aan te nemen. Joh. 10 :18.

Sommigen nemen \'t in bedenking, of het het werk van den Heiligen Geest wel is. Maar \'t kan in geen bedenking komen, als gij daar wel op let, dat de werken Gods naar buiten alle drie de Personen gemeen zijn. Waarom zou het den Heiligen Geest niet toegeschreven worden? \'tls de Geest van Christus, Hij maakt de sterfelijke lichamen van Gods kinderen levend, liom. 8:ll. Hij komt daar in die dorre doodsbeenderen en wordt hun een Geest des levens, Ezech. 37:5. Gij zult plaatsen in den Bijbel vinden, die het bewijzen; zie maar 1 Petr. 3:18, 19, daar zegt dequot; apostel: opdat Hij ons tot God zou brengen, die wel gedood is in \'t vleesch, maar levend gemaakt door den Geest, in denwelken Hij ook henen gegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft. Sommigen verstaan daardoor de Goddelijke natuur van Christus; doch wij zijn van andere gedachten, en wi) denken, dat het andere alzoo klaar voorkomt, omdat die Geest, door welken Noach gepredikt heeft, diezelfde Geest is, die Gen. 6:3, niet meer met hen twisten zou. Diezelfde Geest heeft door Noach gepredikt aan die zielen, die in de hel waren ten tijde van Christus, \'t Is die Geest, dien Israël smarte aandeed, die in de eerste wereld ook smarte aangedaan is. \'t Is diezelfde Geest, door welken al de Profeten

240

-ocr page 253-

OVER DEN XVII. ZONDAG. Vrag. 45.

gesproken hebben. quot;Wil nu iemand zeggen, dat hij er zijne Goddeliike natuur door verstaat, dat mogen wij wel lijden, maar dan moeten zij ook lijden, dat wij onze gedachten vrijuit zeggen.

In \'t bizonder echter wordt het den Vader toegeschreven, omdat Hij in \'tcontract of raad des Vredes gezegd had: Ik zal U een onvergankelijk Priesterdom geven. Ik zal u geven de gewisse weldadigheden Davids, die getrouw zijn, Jes. 55:3. Dat kan niet zijn, of de Heere Jezus moest opstaan, als er een op Davids troon zou zitten, in welken zijn Koninkrijk vereeuwigd zou worden. Die Mij rechtvaardigt is nabij, wie zal met Mij twisten ?

Maar \'tzij dan, dat het den Vader of den Zoon wordt toegeschreven, het blijkt altoos dat Hij God is. Doet het de Zoon, zoo vertoont Hij de sterkte van Gods macht. Doet het de quot;Vader, zoo blijkt het, dat Hij zijn Zoon is, en God de Vader zijn eigen Vader. Zoo was dan ten einde dat getwist der Joden, die zeiden; dat Hij God lasterde, omdat Hij gezegd had: Ik ben Gods Zoon.

Nu ons derde stuk. Wanneer gebeurde liet? In \'t begin van \'tjaar. Het is haast zeventienhonderd jaren geleden. \'tWas omtrent het Paaschfeest, toen heeft het de Heere gedaan. Toen begon het jaar van het welbehagen des Heeren. Toen legde God de fondamenten van eene aangename ontmoeting, was er een hand vol koren op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zou ruischen als de Libanon, Ps. 72: 10. \'t Was op den eersten dag der week, die daarom genoemd werd: de dag des Heeren.

Sommigen willen, dat de Heere toen den sabbat der Joden begraven heeft. Waarom mogen wij dan niet zeggen: dat de Heere toen is opgestaan, om dien dag levend te maken en in te stellen tot den godsdienst, om dien te maken tot den dag des Heeren, gelijk er staat, Openb. I : 10, den dag des Heeren uws Gods; even gelijk van \'t Avondmaal,\'t wordt genoemd het Avondmaal des Heeren, omdat er de Heere de insteller van is, en zoo gelooven wij, dat die predikanten zooveel zonden doen, die dezen dag tegenspreken of ontheiligen, als dat ze in \'t Oude Testament den zevenden tegenspraken en ontheiligden.

\'tWas ook uitermate vroeg, toen \'t voorviel. Die Zon der gerechtigheid kwam, als de zon der natuur, vroeg in den dageraad voort. Waarom? Om te verlichten degenen, die m \'t duistere zaten. Luk. 1 :79. \'t Was op den derden dag na zijnen dood, een gedeelte genomen voor het geheel. Hierover is eene groote twist. De Heere had op Zich genomen te vervullen het voorbeeld van Jonas, dat, gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was geweest in het hart van den visch. Hij ook alzoo drie dagen en drie nachten zou zijn in het hart van de aarde, Matth. 12:40. De Heere zal gezorgd hebben, dat ook dit volbracht is. Jonas zal zekerlijk niet langer in \'t ingewand van den visch geweest zijn, dan Christus in \'t hart van de aarde, namelijk: drie dagen en drie nachten, een gedeelte genomen voor \'t geheel. De Heere had gezegd in zijn leven: Breekt dezen tempel af, en na drie dagen zal Ik denzelven weder opbouwen. Joh. 2:19; dat was

247

-ocr page 254-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

te zeggen, dat Hij zou sterven, en ten derden dage wederom opstaan. Als dat geen waarheid is, zoo is ijdel onze prediking, en ijdel uw geloof\', en dan ligt gij nog in uwe zonden, zegt Paulus, 1 Cor. 15:14, 17. Wat behoeven wij dan een predikant op den predikstoel te zien? Wat helpt het dan, of wij een lidmaat der Kerk zijn? Wat helpt het, of dat een artikel van onze belijdenis en van ons geloof is, dat Christus is opgestaan? Dan liggen wij altemaal in de hel, zoo dit geloof geen waarheid is.

Is \'t dan waarachtig, dat Christus is opgestaan? Ach! ja.

Eerst. Wij weten \'t door getuigen. Johannes zegt. Joh. 21:24, Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en wij weten, dat zijne getuigenis waarachtig is. \'t Is zeker en gewis, dat ze geschreven hebben hetgeen ze met hunne oogen gezien, en met hunne ooren gehoord hadden. Het wordt ook niet tegengesproken, al is \'t nog zoolang geleden. Wij bewijzen het uit het eenvoudig en eenparig verhaal van al de evangelisten. Daar mag een klein verschil in de woorden zijn, maar \'t is niet in de zaken. Het verschil is daarom, opdat de lezer niet zou denken, en de vijanden van Gods Woord zeggen, dat het een opgestemd complot was, gelijk dat van Ananias en !Saf-fira, die overeengekomen waren om te liegen, Hand. 5:3. \'t Verschil is ook daartoe, om de naarstigheid van den Christen op te wekken. Voor de rest komen al de verhalen in den grond overeen.

Als nu \'t lichaam van Jezus in \'t graf was gebracht, werden de Joden ontsteld, en zij geraakten in angst. Zij zeggen: wat nu gedaan? Zoo het eens gebeurde dat Hij op den derden dag niet meer in het graf was? Wij hebben \'t Hem hooren zeggen, dat Hij ten derden dage zou opstaan? Zoo zijne discipelen eens kwamen en Hem wegnamen bij nacht, zoo zouden ze zekerlijk zeggen: Hij is opgestaan; en dan was de laatste dwaling erger dan de eerste, Matth. 27 :64. Daarop gaan ze naar den rechter, naar Pilatus, en zij eischen zekerheid en verzekering van Christus\' lichaam. Wel! zegt Pilatus, verzekert het, gelijk als gijlieden het verstaat; neemt wacht, neemt soldaten, neemt al wat gij wilt; en daar is mijn zegel, verzegelt het graf. Zij doen \'t altemaal. Maar wat gebeurt er? \'s Morgens vroeg komt er een engel Gods van den hemel, wiens gedaante was als een bliksem, zijn kleed wit als sneeuw; daar geschiedde eene aardbeving. Daar wentelt die engel den steen van \'t graf af, en hij zit op denzelven. Daar komt de Heere er uit; Hij gaat heen uit de plaats des grafs. Daar worden de wachters als dooden; zij komen verschrikt naar de stad geloopen. Waar is nu het verschil? De eene evangelist zegt: als \'t nog duister was, gingen ze naar het graf; de andere zegt: als \'t begon te lichten ; een derde: als de zon opging. Dat is zoo overeen te brengen, even gelijk wij nog zouden spreken: als ze uit hunne huizen kwamen, was \'t nog duister; onderweg zijnde, begon het te lichten; aan de plaats des grafs gekomen zijnde, begon de zon hare stralen te schieten.

Ten tweede. Zij hebben Hem getast en gevoeld; met Hem gespro-

248

-ocr page 255-

OVER DEN XVII. ZONDAG. Vrag. 45.

ken, gegeten, met Hem gehandeld. Hij is vijfmaal op den eersten dag gezien, en zesmaal op de andere negenendertig dagen.

De eerste maal op den eersten dag, van die bedroefde vrouw Maria Magdalena, die daar aan quot;t graf stond en schreide. De Heere ontdekte Zien aan haar, terwijl zij Hem nog in \'t graf zoekende, en twee engelen ziende zitten, aan dezelve zeide, dat zij den Heere hadden weggenomen, en dat zij niet wist, waar men Hem gelegd had. Maria! zegt Hij, en zij zich omkeerende en Hem beginnende te kennen, zegt meteen: Rabbouni! dat is, Meester. Hare blijdschap nam al hare vorige droefheid weg, nu ze den Heere wedergevonden, en levend voor hare oogen zag, Joh. 20:11, 15, 16.

De tweede maal vertoonde Zich Jezus aan de Emmaüsgangers. Daar gaat Hij met hen sprekende over den weg; hun hart brandde als Hij hun de Schriften opende. Daar wordt Hij hun bekend, onder het breken van het brood, Luk. 24:30, 32.

De derde maal vertoonde Hij Zich aan Simon Petrus alleen; die was licht wat achteraf gebleven; Johannes was wat eerder in de stad gekomen. Daar wordt getuigd: de Heere is van Simon gezien, Luk.24:34.

De vierde maal wordt Hij gezien van de vrouwen, die van \'t graf naar de stad gingen; zij vallen daar aan zijne voeten.

De vijfde maal vertoonde Hij Zich aan de tien apostelen, waar Thomas niet bij was. Toen stond de Heere in \'t midden van hen, en zeide: Vrede zi] ulieden, Joh. 20:21, 24.

Nu de zesde maal, of de eerste maai na den eersten dag, geschiedde in de andere negenendertig dagen. Acht dagen daarna, zoo komt Hij onder de elf discipelen, en zeide tegen Thomas: weet gij het niet, dat Ik uwe ongeloovigheid en wat gij gezegd hebt, gehoord hebt? Kom nu, en geef Mij uwe hand, steek die in mijne zijde, en neem uwen vinger, en steek dien in de litteekenen der nagelen. Acli! zegt Thomas, mijn Heere en mijn God! Vergeef het mij, wil hij zeggen, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp. Joh. 20:28.

Na dezen, openbaarde Jezus Zichzelven wederom aan de zee van Tibérias, aan zeven discipelen die vischten; en dat was nu de tweede maal na den dag zijner opstanding, Joh. 21:1; waar Hij Petrus zoo in \'t hart greep, door hem driemaal te vragen: hebt gij Mij lief?

De derde maal vertoonde zich do Heere aan de twaalven, 1 Cor. 15 : 5.

Daarna is Hij ten vierden maal gezien, van meer dan vijfhonderd broederen op eenmaal, 1 Cor. 15:6.

Daarna is Hij ten vijfden maal gezien, van den apostel Jakobus alleen, 1 Cor. 15 : 7.

Dan is Hij eindelijk en ten laatste den zesden maal gezien op den olijfberg, als Hij ten hemel voer. Daar zagen ze Hem na, zoolang als ze konden. Daar voer Hij weg naar den hemel, Hand. 1 :9.

Kunt gij nu wel twijfelen aan zoo menigvuldige bewijzen, daar Hij zoo menigmaal Zichzelven vertoond heeft?

Ten derde. Het voornaamste bewijs is bet getuigenis van de engelen, die niet liegen kunnen, die volmaakt zijn. Meent gij, dat de men-

249

-ocr page 256-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

schen zot waren, dat ze niet wisten dat het engelen waren? Zij spraken er mee. Wat zoekt gij hier, zeiden ze, den levende bij dedooden? Luk. 24:5, Hij is hier niet. Hij is opgestaan; ziet de plaats, waar ze Hem gelegd hadden. Mark. IG: 6. Hij gaat u voor naar Galilea, Matth. 28:7.

Ten vierde. Daar komt bij het getuigenis van de soldaten. Gij kunt eens denken, wat een beroering dat er onder hen geweest is! Daar liepen ze verbaasd; daar komen ze in de stad, in de hoofdwacht; hunne ontroering konden ze niet verbergen; zij moesten getuigen wat zij gezien hadden. Zij zeggen: het is zoo gebeurd. Daarop zeide die vervloekte kerkeraad: (welke vervloekte kerkeraden kunt gij hebben!) zoudt gij dat staande houden? zeggen ze, zegt liever, dat ze Hem \'s nachts gestolen hebben, als gij sliept; wij zullen u geld geven, als gij liegen wilt. De soldaten waren beter dan zij. Wat zal ons geld helpen, zeggen ze, de stadhouder zou ons straffen, als hij het hoorde, dat wij geslapen hebben; wat kan ons dan geld helpen? Daar komen die vervloekte fielten: wij, zeggen ze, zullen den stadhouder tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt, Matth. 28:13, 14.

Gij zult zeggen: hoe weet gij het, dat het zoo gebeurd is? Zegt

fij, quot;hoe weet gij het? Het waren ontroerde menschen, en die spre-en dan alles uit wat ze weten. Maar behalve dat, Gods Geest is een alwetende Geest, die heeft het laten beschrijven. Weet gij hoe nog? Jozef van Arimathea en Nikodemus zijn buiten twijfel in den raad geweest, toen dat voorviel; die konden het zeggen. Behalve dat, zijn er misschien nog wel soldaten van bekeerd geworden, en daar helpt dan noch geld, noch leugen. Anderen mogen getuigen wat ze willen, zij zeggen de waarheid.ij, quot;hoe weet gij het? Het waren ontroerde menschen, en die spre-en dan alles uit wat ze weten. Maar behalve dat, Gods Geest is een alwetende Geest, die heeft het laten beschrijven. Weet gij hoe nog? Jozef van Arimathea en Nikodemus zijn buiten twijfel in den raad geweest, toen dat voorviel; die konden het zeggen. Behalve dat, zijn er misschien nog wel soldaten van bekeerd geworden, en daar helpt dan noch geld, noch leugen. Anderen mogen getuigen wat ze willen, zij zeggen de waarheid.

Doet er nog eens bij, dat, toen Christus stierf, er vele heiligen van de dooden opgestaan zijn, en in de heilige stad gegaan; die hebben buiten twijfel van dien Heere gesproken.

Ten vijfde. Wij bewijzen \'t ook uit de gevolgen. Daar komt de H. Geest, die wórdt uitgestort over alle vleesch; en dat Evangelie wordt gepredikt door de geheele wereld. Het getuigenis van Christus\' opstanding wordt velen bekend. Zijn er nog menschen, die dat ontkennen in de wereld? Ja, de Joden ontkennen het. Maar wij zeggen tegen de Joden: gijlieden hebt het lichaam van Jezus in uwe macht gehad; wel, waar is het dan gebleven? Bovendien zeggen wij: gij gelooft dat van het kind van de Sunamietische vrouw, 2 Kon. 4:35, en van het kind van die weduwe te Sarepta, 1 Kon. 17:22, en van dien man, die in \'t graf geworpen werd van Eliza, insgelijks weder levend werd, 2 Kon. 13:21, en gij hebt daar zooveel bewijs niet toe. Bovendien zoo zeggen wij tegen de Joden: hebt gij tegen de getuigen wel iets in te brengen? Zijn het geen eerlijke menschen, geen geloofbare lieden, waar geen erg, noch list in was, geweest? Zij waren godvruchtige menschen; zij genoten er geen voordeel bij, maar schade en vervolging. Zij waren zelfs ongeloovige menschen, eer ze genoegzame verzekering van de waarheid hadden; zij moesten zelfs

250

-ocr page 257-

OVER DEN XVIT. ZONDAG. Vrao. 45.

bijna teekenen zien; zij moesten den Heere zien eten, drinken, zij moesten Hem tasten en voelen, eer ze geloofden dat Hij \'t zelf was. \'t Is dan de volkomene waarheid.

Eindelijk. Wilt gij nog een bewijs hebben? Wat menschen zijn er, die bekeerd geworden zijn, die \'t niet geloofd hebben? Paulus en anderen, die het te voren loochendei1, hebben er, als zij bekeerd waren, voor geijverd in goeden gemoede. Wonnen ze niet veel met dat te getuigen? Zij werden er om vervolgd en geslagen; armoede, geese-ling en alle wederwaardigheden werden hun lot. Ja, als er een Heiden bekeerd werd, die er te voren mede spotte, die geloofde ?t naderhand met alle genoegen. Men zou zeggen; hoe kan \'t zijn? Al zocht men iemand nog zoo te overtuigen, al zocht men er nog zoo over te prediken en te spreken, als \'t buiten de Schrift was, niemand zou het gelooven. Maar het is alles naar de Schrift; daarin staat het, dat Hij is gestorven naar de Schrift, en dat Hij is begraven naar de Schrift, ja, dat Hij ook naar de Schrift is opgewekt uit de dooden.

Nu het vijfde stuk: namelijk de noodzakelijkheid der Opstanding. Moest dat zoo zijn dat Jezus\'zou opstaan uit de dooden? Ja. Moest de Christus niet alle deze dingen lijden, en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan ? Luk. 24; 46 en 1 Petr. 1:3. De waarheid der profetieën en al wat er van Hem voorzegd was, moest vervuld worden: die Heilige mocht geen verderving zien, Ps. 16:10. De smarten des doods ontbonden hebbende, was het niet mogelijk, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden. Hand. 2:24. lïij had beloofd dat Hij hun zou geven de gewisse weldadigheden Davids, Hand. 13:34; Christus moest uit de dooden opstaan: Hij moest de Heidenen hoeden, Ps. 2:8, 9. Daartoe was Hij gezalfd, zoo moest Hij ook uit de dooden opgewekt worden, Hand. 13:34. Het was David beloofd, dat zijn huis bestendig zou zijn en zijn Koninkrijk tot in der eeuwigheid, 2 Sam. 7 :16. Zou Hij dat nu doen, zoo moest Hij Christus opwekken uit de dooden; en Hem zoo geven de gewisse weldadigheden Davids. Daar kon geen eeuwig Koninkrijk zijn, of God moest zijnen Zoon uit de dooden verwekken. Nu zijn er voorbeelden. Wij weten \'t wel dat er velen voor den dag komen, met dat van Jozef, Hiskia, de twee reine vogelen die gebruikt werden om de plaag der melaatschheid te reinigen, waarvan gij leest. Lev. 14:4—7, en als ze het dan al gezegd hebben, dan moeten wij zeggen: wie weet of het waar is? Wij kunnen dat zoo ook al wel uitbreiden; maar kunnen ze wel zeggen: de Geest beduidt er door de opstanding van Christus ten derden dage uit de dooden? Als ze dat van Jozef uitbreiden, kunnen ze ons dat verzekeren, dat de Geest daarmede aantoont dat dat moet toegepast worden op den Heere Jezus? Hoe gaat het met een Hiskia? Die ging ten derden dage in den tempel. Maar kunnen ze wel zeggen: de Geest beduidt er door de opstanding van Christus ten derden dage uit de dooden? Dat kan niemand zeggen van eenig voorbeeld, als van dat van Jonas; en dat zeide de Heere Jezus zelf^ Matth. 12:40. Laat ons niet wijs zijn boven de mate en boven hetgeen geschreven

251

-ocr page 258-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

is. Laat ons niet trachten naar hooge dingen; maar ons voegen tot de nederigen, Rom. 12:16. Als gij voorbeelden neemt, zoo moeten het zulke zijn, die de Heere Jezus zelf\' gesteld heeft, gelijk gezegd is.

Waarin bestond nu de noodzakelijkheid der Opstanding? Hierin: dat ze den Vorst des levens hadden gedood; maar Hij had ook den dood overwonnen, en daarom zoo moest Hij ook over den dood door zijne opstanding triumfeeren: dien vijand moest Hij tot in zijne-laatste schuilhoeken vervolgen. Heeft Hij \'t ook niet gedaan? Ja. Hij heeft door den dood tenietgedaan dengene, die het geweld des doods had, dat is de duivel, Hebr. 2:14.

Het zesde of laatste is de nuttigheid der opstanding van Christus. Wat nut heeft nu die opstanding? Drie groote nuttigheden.

Eerst. Rechtvaardigmaking.

Ten tweede. Heiligmaking.

Ten derde. Heeriijkmaking.

Eerst. Wat het eerste aangaat. De zondaar voor God nu staande, kan zeggen: God heeft de quitantie van de schuld en straf der zonde gegeven aan deu Middelaar in de opstanding uit de dooden; Hij heeft Hem ontslagen uit het gevangenhuis. Gij zijt nu de Heere mijne gerechtigheid, kunnen ze zeggen, Gij hebt mijne zonden betaald. God de Vader heeft daar blijk van gegeven, als llij U heeft overgeleverd om onze zonden, en opgewekt tot onzer rechtvaardigmaking, Rom. 4:25. Dat is nu de kracht van de opstanding.

Ten tweede. Ik ben ook door U geheiligd. Nu moet ik in eene nieuwigheid des levens wandelen, Rom. 0:4. De zonden moet ik afsterven. Christus, opgewekt zijnde, is de verdienende, bewerkende en de voorbeeldige oorzaak van \'t geestelijke leven. Laat ik opgewekt worden, wat bewijsgrond is daarin? Mijn Heere is het Hoofd, laat ik dan als een lid van zijn lichaam heilig leven.

Ten derde. Allen, die onder den eersten Adam behoorden, zijn gestorven in den eersten, en allen die onder den tweeden Adam be-hooren, zullen door zijn dood leven. Hij is de eersteling dergenen die ontslapen zijn, 1 Cor. 15:20.

Zietdaar geliefden! Daar hebt gij onze zes zaken die wij te verhandelen hadden. Nu kortelijk nog een woord, tot een stichtelijk slot.

Wat een ongeluk ligt er op de joodsche natie! Zij hebben hun leven zulke groote zonden niet bedreven als tegen den Heere Jezus. Zij hebben ook hun leven zulke groote oordeelen niet ondergaan door de verstoktheid van hun hart. Zij hebben niet eene zucht in hun hart over die zware misdaad. Zij lasteren den Heere Jezus. Hunne ooren zijn zwaar, hun hart is gesloten, opdat het niet zie met zijne oogen, noch met zijn hart versta, Jes. G: 10. Daar moeten ze omzwerven, en als ballingen zijn op de aarde. Elkeen veracht ze, elkeen steekt de tong achter hen uit; zij worden als een bal uit het land van de eene mogendheid naar dat van de andere gekaatst. Hebben zij geld, men neemt het hen af; en hun kruis en verdrukking duurt zóó lang, dat ze moeten zeggen: Wij zien geen-teekens meer

252

-ocr page 259-

OVER DEN XVII. ZONDAG. Vbag. 45

van uitkomst, en wij weten niet meer hoe lang. \'t Was eens eene verdrukking van vierhonderd en dertig jaren in Egypte, eene van zeventig jaren in Babel; maar deze heeft er niet bij.

Gij zult zeggen: waarom teekent gij dit van de\'Joden zoo aan? Hierom, om u te doen zien, dat al hetgeen God aan hen doet, dat Hij dat ook aan ons zal doen. \'t Is hun overkomen, ons tot waarschuwing en tot een voorbeeld. Spreekt veel van zulke voorbeelden, opdat gij geen lust zoudt hebben aan hunne zonden. Heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, wij, die Heidenen geweest, en door zijne genade ingeente takken zijn, laat ons toezien, dat Hij ook mogelijk ons niet spare, Rom. 11:21.

Gij zult zeggen: wat reden hebt gij om te denken, dat God met ons lichtelijk zoo zal doen, gelijk als Hij met hen gedaan heeft? Om wat zonden is \'t hun overkomen? Als diezeive zonden in u zijn, die in hen waren, toen \'t hun overkwam; hebt gij dan ook dezelve oordeelen niet te wachten? Wat voor zonden zijn er in ons, zult gij zeggen?

Eerst. Onkunde van God en goddelijke dingen: onkunde van godsdienst. Zoo wfis \'t met de Joden eveneens gesteld. Zij hadden den sleutel der kennis weggenomen. Luk. 11:52. Lieve God! wat eene diepe onkunde is er onder ons! Waar gaat dat nog naar toe? Uw godsdienst zult gij kwijt worden, en dat lichtelijk al eerder dan gij denkt. Die snoevers op hun kennis, wat zijn ze laatdunkend! en nog is dat de waarachtige kennis niet. Daar zijn hier en daarnog menschen, die God nog spaart in het land der levenden, ware kenners en be-levers van den godsdienst, maar anderszins de meesten kennen de stukken van hunnen godsdienst niet. Als de Heere bij u was, zoude Hij niet moeten zeggen: O, onverstandigen en tragen van harte om te verstaan ? Luk. 24:25.

Onze tweede reden is deze: de Joden zijn takken, die afgebroken zijn, om hun ongeloof. Wil men nu van de opstanding van Christus spreken, men wordt niet geloofd. Of men al met een Thomas de litteekenen ziet, men wil het evenwel niet gelooven, of men zou Hem met een Stefanus op de wolken des hemels moeten zien.

Ten derde. Zij verwierpen den raad Gods tegen hun ziel. Is \'tmet ons ook zoo niet? Of God al zegt: Verlaat de slechtigheden en leeft. Spreuk. 9:6, wat helpt het? Of God uit den hemel met oordeelen twist, men kan evenwel niet besluiten om eene eenige zonde te laten. Of God en Christus zeggen: gij zult sterven, \'thelpt niet.

Ten vierde. Weet gij wat de Joden in zulk een ongeluk bracht? Het oprichten van hunne eigene gerechtigheid. Zij hadden eenige deugden waar ze op bouwden. Zij waren naar de\'wet, dachten ze, onberispelijk. Is het onder ons beter? Komt eens bij zieken of bij gezonden: ik ben nog al van den slechtsten niet, is het. Die zuurdeesem is er genoeg en maar al te zeer onder ons.

Ten vijfde. Zij hadden groote inbeelding. Zij waren wijs, zij waren Abrahams zaad. Zijn wij ook blind? zeiden ze. Zij zouden den Heere

253

-ocr page 260-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Jezus wel doodgeslagen hebben, toen Hij zeide: omdat gij zegt: wij zien, zoo blijft dan uwe zonde, Joh. 9:41. Zegt nu eens tegen iemand dat hij geen verstand heeft; hij zou u wel doodslaan. Dan heelt men die en die voorrechten. Maar met al dat snoeven van uwe voorrechten zult gij verloren gaan. Gods Geest leert dat niet.

Ten zesde. Onder de Joden was eene uitwendige gedaante, maar \'t hart ontbrak hun. Zij waren gelijk de witgepleisterde graven, die van buiten wel schoon zijn, maar van binnen zijn ze vol stank en doodsbeenderen, Matth. 2\'3:27. Is het met ons ook zoo niet? Wjj vreezen dat de oordeelen der Joden ons zullen overkomen. Heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, ziet toe, dat Hij ons ook mogelijk niet afbreke.

Wat is het een geluk deel aan Jezus te hebben! Gaat het dan de Kerk wel of kwalijk, zoo een vindt altijd troost in den Heere Jezus, en in zijne regeering, als \'t Hoofd van de Kerk, die zijn lichaam is. Weet gij wel, dat er in de Schrift staat, dat, indien iemand met Christus is opgewekt, hij ook zoeken moet, de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechterhand Gods; dat hij bedenken moet de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn ? Col. 3:1,2. Weet gij waaraan gij het kennen kunt?

Eerst. Hieraan kunt gij kennen of gij deel aan Christus hebt. Hebt gij zulk een begrip gehad, dat gij geestelijk dood waart? Ef. 2:5, zegt Paulus: Ach! Ook toen wij dood waren door de misdaden heeft Hij ons levend gemaakt met Christus. Toen, wil hij zeggen, waren wij zoo afkeerig van Christus: Hij had geen aandoening op ons hart. Zijt gij uw leven wel overtuigd geweest dat gij geestelijk dood waart ? Hoe leelijk is een geestelijk doode! Hij doet geen tegenweer tegen de zonde. Hoe leelijk is hij in zijn verstand, in zijn wil, in zijn keur! Hij doet geen tegenweer. Al brandt het huis, waar een doode inligt, hij blijft liggen; zoo is het eveneens gesteld met een geestelijk doode. Daar is geen beweging al staat hij op den kant van de hel, om bij den duivel te komen, hij weet er niet van.

Ten tweede. Zijt gij er wel ooit over ontsteld geweest? Hebt gij er wel ooit aan gedacht, wat het is: Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven? Fil. 2:12. O! die dat nog niet ondervonden heeft, kan zichzelven ook nog niet geruststellen, dat hij met Christus opgewekt is.

Ten derde. Hebt gij de versterking door den Geest Gods met kracht in den inwendigen mensch, Ef. 3:16, wel ooit ondervonden? Ach! zeide Paulus, Ik buig mijne knieën daarom tot den Vader van onzen Heere Christus, vs. 14. De Heere moet de sterkte van zijne kracht aan mij en u bewijzen, om mij en u levend te maken; die sterkte en kracht welke Hij gebruikt heeft om zijnen Zoon op te wekken uit de dooden. Nog eens.

Ten vierde. Kunt gij het bij de geestelijke dooden wel harden? Ach neen! Wilt gij liet wel weten, dat ze bij u veracht zijn? Beklaagt gij ze? Gaat gij ze met een goed voorbeeld voor? Kunnen zij

254

-ocr page 261-

OVER DEN XVn. ZONDAG. Vrag. 45.

u niet winnen; vloekers en ongodsdienstigen scheidt gij er uzelven vanaf?

Ten vijfde. Met de levenden kunt gij daarmede over den weg komen, al waren zij bedelaars, en gij een koning? De geestelijk levenden willen liever met het volk Gods verdrukt worden, dan al\' de schatten van de wereld te hebben, Hebr. 11; 25. Laat u niet ophouden, laat u met wezenlijke dingen leiden.

Ten zesde. Zoo gij geestelijk levend zijt, zult gij Jezus niet kunnen missen. Heere Jezus! zult gij zeggen. Gij zijt mijne gerechtigheid. Loopt gij wel met uw gansche hart naar llem toe in al uwe ontmoetingen ?

Ten zevende. Zegt gij altemet wel eens: Heere! zal dat doode kind, zal mijn doode vriend niet levend worden? Ach! dat Ismaël, ach! dat Absalom voor uw aangezicht leven mochten. Gen. 17:18 en 2 Sam. 18:33.

Ten achtste. Zijt gij onder het biddende volk? Bidt gij wel om vermeerdering van genade, van verzekering, van oprechtheid? O! dat zijn de gebeden van al Gods kinderen; en die dit niet kennen,kunnen zich nog onder dat getal niet rekenen.

Ten negende. Zoekt gij heilig te leven? De oude mensch, moet die in u niet gedood en gekruisigd worden, met al zijne bewegingen en begeerlijkheden; on moet de nieuwe mensch niet in u opstaan?

Ten tiende. Gaat gij zoeken en bedenken de dingen die boven zijn? Waarover gaan uwe gedachten wel \'tmeest? Is het over het wer\'eld-sche goed: over een goed huwelijk te doen, over eer, aanzien, hoe die te verkrijgen? Of is het om bij den Heere te zijn? Die het geestelijke leven heeft, hij geeft er overal teekentjes van.

Het eerste is. Bezit gij zulke dingen? Gezegend zijt gij dan. De Heere Jezus is u dan geschonken tot gerechtigheid. Dan\'kan God de Vader zeggen: om mijns Zoons wil spreek Ik u vrij. Hij is voor ons gestorven, kunt gij dan zeggen.

Ten tweede. De Heere zal het geestelijke leven in u voeden en aankweeken: Hij zal u niet weer terug laten keeren met den hond tot zijn uitbraaksel, en met de gewasschene zeug tot de wenteling in het slijk, 2 Petr. 2:22. Maar 11 ij zal u allengskens sterker en bekwamer maken, tot het uitvoeren van zijn wil, en tot het uitwerken van uws zelfs zaligheid.

Ten derde. Het graf zult gij met aangenaamheid aanschouwen. Gij zult het niet vreezen, het zal u eene aangename rustplaats wezen, als de Heere komt om u van hier te halen. Dan zult gij hier niet willen blijven. De dood zal een middeltje zijn, om u te brengen waar gij niet meer zondigen zult.

Ten laatste. Als de laatste bazuin geblazen zal worden, dan zal uwe ziel ook weder in uw lichaam trekken; en dat lichaam zal dan de onsterfelijkheid en onverderfelijkheid aandoen. \'tZal een geestelijk en verheerlijkt lichaam worden: Het verheerlijkte lichaam van Christus gelijkvormig, Fil. 3:21. Meent gij dat men maar alleen den

255

-ocr page 262-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

Heere Jezus in den Bijbel moet zoeken en in de boeken? Neen; Hij is te zien en te ontmoeten in den hemel. Daar zult gij eeuwig met Hem leven. Hij zal ook tot u zeggen: \'tls wel, dat gij in Mij geloofd hebt. Daar is dan de duivel en alles overwonnen. Daar zult gij dan de onverderfelijkheid aandoende, eeuwiglijk met Gods beeld verzadigd worden.

Wat dunkt u nu, is het niet verkwikkelijk? Zondaar! gij zult ook opgewekt worden; maar de Heere Jezus zal voor u als een leeuw die brult, zijn, om u te verpletteren, en in stukken te slaan; en zoo eeuwiglijk naar de hel te zenden. En al wildet gij dan nog zoozeer op uwe knieën kruipen en Hem om genade bidden, het zal u alles niet helpen. Nu dan, zoekt toch te ontvlieden den toekomenden toorn terwijl het heden is, en eer de deur der genade gesloten wordt. Ik hoop\', dat de Heere Zich over mij en u ontfermen zal, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

25G

-ocr page 263-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XVIII. Zondag. Vrag. 0—49.

Achttiende Zondag.

4G. Vraag. Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?

Antvv. Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt te oordeelen de levenden en de dooden.

47. Vraag. Is dan Christus niet hij ons tot aan het einde der tvereld, alzoo Hij ons heloofd heeft?

am l\'wooei). Christus is waarachtig mensch en waarachtig God. Naar zijne menschelijke natuur is Hij niet meer op aarde, maar naar zijne Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

48. Vraag. Maar zoo de mensehheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan die twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden ?

Antwoord. Ganschelijk niet: want mitsdien de Godheid onbegrijpelijk en overaltegenwoordig is, zoo moet volgen, dat zij we! buiten hare aangenomen mensehheid is, en nochtans ook in dezelve is, en persoonlijk met haar vereenigd blijft.

49. Vraag. Wat nut ons de Hemelvaart van Christus?

Antwoord. Ten eerste, dat Hij in den Hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is; ten andere, dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, en dat Hij, als het Hoofd ons, zijne lidmaten, ook tot Zich zal nemen; ten derde, dat Hij ons zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door wiens kracht wij zoeken wat daar boven is, waar Christus is zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.

WIJ lezen, Pred. 3:5, Daar is een tijd om te omhelzen, en een tijd van verre te zijn van omhelzen. Dat ziet men eiken dag, dat er een tijd is, dat men elkander met blijdschap ontmoet, en daar is een tijd, dat men elkander met droefheid ontmoet, en met droefheid van elkander scheidt, \'tls hier in deze wereld zoo al gaan en komen. Wij vinden een tijd, dat vader en moeder hunne kinderen op den schoot zetten, en er hunne liefde aan betoenen, en ze omhelzen; en dan is er weer een tijd van verre te zijn van omhelzen.IJ lezen, Pred. 3:5, Daar is een tijd om te omhelzen, en een tijd van verre te zijn van omhelzen. Dat ziet men eiken dag, dat er een tijd is, dat men elkander met blijdschap ontmoet, en daar is een tijd, dat men elkander met droefheid ontmoet, en met droefheid van elkander scheidt, \'tls hier in deze wereld zoo al gaan en komen. Wij vinden een tijd, dat vader en moeder hunne kinderen op den schoot zetten, en er hunne liefde aan betoenen, en ze omhelzen; en dan is er weer een tijd van verre te zijn van omhelzen.

17

-ocr page 264-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Wat was David blijde, dat hij Absalom zoo omhelzen kon; maar daar kwam een tijd, dat het verre was van ombelzen. Wat zijn de kinderen blijde, als ze hun vader en moeder met blijdschap ontmoeten mogen; maar daar komt ook een tijd, dat ze voor hun doodbed staan, evenals de kinderen van den ouden Jakob, Gen. 49:1 en 28, daar stonden ze voor zijn doodbed, om van hem gezegend te worden.

Zoo gaat het niet alleen met kinderen, maar ook met ouders; en zoo gaat het ook met man en vrouw. Abraham, hoe blijde was hij met zijne Sara! Daar kwam evenwel een tijd, dat hij zeide: dat ik mijne doode van voor mijn aangezicht begrave. Gen. 23:4. God zeide tegen den profeet Ezechiël des morgens: de lust van uwe oogen zal van u weggenomen worden, Ezech. 24 :16 en 18, en des avonds stierf zijne huisvrouw.

Evenzoo gaat het ook met leeraars en gemeenten. De apostel Paulus ondervond dat, dat er een tijd van omhelzen was. Zij vielen hem om den hals en kusten hem, Hand. 2,0:37. Dan ondervond hij, dat er een tijd van droefheid was: zij waren bedroefd, allermeest over dat woord, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden, vs. 38. Zoo gaat het ook met een meester en zijn leerling. Elia en Eliza, hoe omhelsden zij elkander, hoe liefhadden zij elkanders gezelschap! maar daar kwam een tijd, dat zij verre waren van te omhelzen: toen Eliza Elia naschreeuwde: mijn vader! mijn vader! wagenen Israels en zijne ruiteren, 2 Kon. 2 :12. \'t Gaat ook eveneens met goede vrienden. Daar was een tijd van omhelzen tusschen David en Jonathan; daar was zulk eene goede vriendschap tusschen hen beiden; maar daar was ook een tijd, dat ze verre waren van te omhelzen.

Gelijk het nu zoo is met ouders en kinderen, man en vrouw, leeraar en gemeente, meester en leerling; en gelijk het zoo is tusschen goede vrienden, zoo was het ook met Christus en zijne apostelen. Hij mocht er niet van spreken van weg te gaan, of hun hart werd ontroerd, Joh. 14:1. En als Hij vertrok uit hun midden, zagen zij Hem even sterk na. Was er geen wolk tusschenbeide gekomen, die het hun belette, zij zouden misschien hun leven niet meer naaide aarde gekeken hebben. Als iemand zulk een dierbaar pand verliest, dat hij zegt: dringt niet aan om mij te troosten; \'t kan evenwel zijn, dat er in verloop van tijd gewin bij zijn verlies is. Zoo was het met den Heere Jezus, die zeide: daar is nut in, dat Ik henenga, anderszins zal de Trooster, de Heilige Geest, niet tot u komen; maar als Ik heengegaan zal zijn, zal Ik Hem tot u zenden.

De Heere Jezus is een Goddelijk Persoon, Hij doet al het werk buiten den mensch; maar de Heilige Geest werkt in den mensch. Hij woont in al de geloovigen. Wij zouden met den Heere Jezus niet vereenigd kunnen worden, indien het de Geest niet deed. Ik ga u dan lichamelijk verlaten, zegt Hij, en Ik ga het werk boven voor u doen. Als dat begrepen werd, dan zouden wij dikwijls onze tranen sparen, en zeggen: God heeft wat beters over ons voorzien; in ons verlies zouden wij zeggen: ik heb het wel ten kwade gedacht, maar

258

-ocr page 265-

OVER DEN XVIII. ZONDAG. Vrag. 4C-49.

God heeft het ten goede gedacht. Verliest gij een predikant, een man, eene vrouw, gij zult God in hunne plaats hebben. Verliest gij een lief kind, geeft uwe liefde zooveel te meer aan God, en ziet daaruit dat uw verlies dikwijls een rijic verlies is, wat gij dacht een zwaar verlies te wezen. Dat ziet gij hier, als de Heere Jezus van hen zou weggenomen worden, dan, dachten ze, waren ze al verloren. Zij dachten dat het beter was, dat Hij op aarde gebleven was, en zij dachten niet eens, dat Hij dan de ware Middelaar niet was.

Geliefden, wij hebben tegenwoordig den tweeden trap van Christus\' verheffing te zien, waar wij in te bezien hebben:

Eerst. De natuur van Christus\' hemelvaart.

Ten tweede. De tegenwerpingen van de partijen.

Ten derde. De nuttigheid, die er voor de Kerk in is. Dat zijn de drie dingen die wij te overdenken hebben: 1. De natuur van de hemelvaart van Christus. 2. De tegenwerpingen van de partijen. 3. De nuttigheid die er voor hel volk Gods in is.

Wat aangaat het eerste. De hemelvaart van Christus, dat is de tweede trap van Christus\' verhooging, nadat Hij veertig dagen met zijne apostelen verkeerd had. Na zijne opstanding is Hij van den Olijfberg opgenomen in den hemel,\' en daar zal Hij blijven tot den laatsten dag, totdat Hij zal wederkomen om te oordeelen de levenden en de dooden. Christus is de tweede Persoon in \'t Goddelijk Wezen, dio God en mensch is in één Persoon. Naar zijne mensclielijke natuur kon Hij niet gezegd worden overal te zijn, maar naar zijne Goddelijke natuur is Hij overal. De hemel der hemelen kan U niet begrijpen, zeide Salomo,quot; hoeveel te minder dit huis dat ik gebouwd heb, 1 Kon. 8:27. De verandering van plaats is eigen aan zijne mensclielijke natuur. Die Persoon is het, die ten hemel gevaren is, die God en mensch is in één Persoon. In die veertig dagen dat Hij op de aarde geweest is na zijne opstanding, heeft Hij Zich lovend laten zien in vele gewisse kenteekens. Wij lezen. Luk. quot;2: 22, dat de Heere Jezus in den tempel gebracht werd, als de dagen der reiniging zijner moeder vervuld waren naar de wet van Mozes. Den veertigsten dag na zijne tweede geboorte, zijne opstanding uit de dooden, wordt Hij aan God vertoond in den tempel zonder handen gemaakt boven in den hemel. Wij lezen, dat Elia veertig dagen in de woestijn ging nadat God hem uit den slaap opgewekt quot;had, om eenig uitwendig teeken te zien, 1 Kon. 19:8. De Heere Jezus, veertig dagen, nadat Hij uit den slaap des doods opgewekt was, zoo gaat Hij naaiden Olijfberg. Hij was in die veertig dagen uitermate bezig, \'t Ging Hem evenals Elia met Eliza, ze spraken, totdat de vurige wagen kwam, en eene scheiding tusschen hen maakte, 2 Kon. 2:11. Zoo ging het met den Heere Jezus en zijne apostelen: Hij sprak met hen van de dingen van zijn Koninkrijk, hoewel Hij hun al zooveel gezegd had, dat Johannes zeide: indien \'t alles beschreven was, de wereld de beschrevene boeken niet zou kunnen bevatten. Joh. 21:25. Wij ge-looven, dat hij gehandeld heeft van al de dingen van zijn Koninkrijk,

259

-ocr page 266-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

en dat zij gezegd zullen hebben: nu handelt Gi] vrij uit met ons. Hij legde\' ze de handen op, en deed een gebed met hen, en zei de: gezegend zijt gijlieden in uwe personen en bedieningen, Luk. 24; 50,51, Als Hij hun de handen opgelegd had, zegende Hij hen, en als Hij hen gezegend had, scheidde Hij van hen, en werd opgenomen in den

hemel. .. , , .

Tot die hemelvaart behoort, dat wi] aanmerken de plaats, waar Hij vandaan voer. De plaats is Kanaan, \'tis de wereld, \'tis een berg; \'t is de Olijfberg waar het hofje van Gethsemané dichtbij was, en waar Hij met zyne discipelen verkeerd had, waar Hij zoo gestreden had, daar wordt hij nu gekroond, daar staat Hij ten laatste over het stof op, als een Overwinnaar over dood en hel, zoodat het is geweest: Ik verlaat de wereld en Ik vaar op tot mijnen Vader, en tot uwen Vader, tot mijnen God, en tot uwen God, Joh. 20:17-

Nu moeten wij zien de oorzaken; en wie er zijne hand in gehad heeft? Dat toont ons het Woord. God heeft er zijne hand in gehad. God heeft Hem uitermate zeer verhoogd, en heelt Hem eenen naam gegeven, die boven alle namen is, Fil. 2:9 en Hand. 5:31, zeiden de apostelen: Dezen heeft God door zijne rechterhand verhoogd tot eenen Vorst en Zaligmaker. Hij heeft Zichzelven ook opgeheven van de aarde hemelwaarts: Ik vaar op, zegt Hij, tot mijnen Vader en tot uwen Vader, Joh. 20:17, namelijk door zijne Goddelijke klacht, ge lijk Hij Zichzelven ook opgewekt heeft.

Daar komt ook in bedenking, of de wolk niet als een instrument gediend heeft tot Christus\' hemelvaart? God heeft niet laten beschrijven de wijze hoe Hij Henoch ten hemel opgenomen heeft, maar wel op welkequot; wijze Hij Elia heeft opgenomen, 2 Kon. 2:11, en 12. Van den Zaligmaker staat er: Daar kwam eene wolk en nam Hem weg. Hand. 1:9, Ps. 104:3 staat, dat God de wolken tot zijn wagen maakt, en dat Hij wandelt op de vleugelen des winds, om zijne groote majesteit te tooiien. Eene wolk diende den Heere op Sinaï, eene ster diende om Christus\' geboorteplaats aan te toonen. Daar kwam eene groote duisternis in zijn lijden.

Nu moeten wij in onze gedachten overleggen of t waarlijk zoo geschied is. Wij zeggen: gij gelooft dat altemaal van Henoch, en van Elia, omdat het God zegt; gij gelooft dat die in den laatsten dag leven en genade hebben, zonder sterven ten hemel zullen opgenomen worden; gij gelooft, dat allen die genade hebben, den Heere eens tegemoet zullen gevoerd worden in de wolk in de lucht; en dat wij zoo altijd met den Heere zullen wezen, 1 Thess. 4:17. Gij gelooft, dat er van den Zoon Gods gezegd wordt, dat God Ilem uitermate verhoogd heeft, en Hem eenen naam gegeven heeft boven alle namen, Fil. 2:9. Maar, zult gy zeggen, is er grond toe, buiten het gezegde

Gods? Ja. , , t-v i •• i

Eerst. Het getuigenis van al de elf apostelen. Dat gij en ik eens

met ons elven iets gezien hadden, wie zou het ons ontwringen kunnen? Wie zoude ons kunnen hinderen, dat wij het niet zouden ge-

2(50

-ocr page 267-

OVER DEN XVIII. ZONDAG. Vrao. 46-49.

looven en aannemen? Daar komt de Heere, als Hij van hen vertrekken zou, de elven staan bij Hem; yijne jongeren, zien het voor hnnne oogen aan; daar vaart Hij uit hun midden op; zij oogen Hem na; daar staat hun gezicht als stijf; zij zullen Hem zoolang nazien als ze kunnen; daar zien ze eene wolk die komt voor hun gezicht, die \'t hun verder belet Hem na te zien. Daar sprak Hij met ons, en zegende ons, getuigen ze; en zoo vaart Hij uit ons midden. Kunt gij vvel meer eiscnen om eene zaak te gelooven. Eén ooggetuige is meer, dan tien oorgetuigen.

Het tweede bewijs is. Daar komen uit den hemel twee mannen, twee engelen bij hen; die staan daar in die omstandigheid bij hen; zij spreken de apostelen aan; zij toonen dat zij ze kennen. Gij\'Galli-leesche mannen! zeggen ze, wat staat gij en ziet op naar den quot;hemel ? Deze Jezus die van u opgenomen is, zal alzoo komen gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henen varen. Hand. 1 :10,\' 11 . \'t Was of de wolk nog niet weg was; de engelen stemden \'t toe. Gij ziet Hem met uwe oogen henengaan, zeggen ze; maar gij zult Hem ook zien wederkomen. Wij zullen \'t ook zien; wij hopen, dat onze oogen ons tot geen smart zullen zijn. Hoe menigeen zal het tot smart zijn Hem dan te zien!

Ten derde. Gedenkt wat Stefanus zei. Men maakt staat op men-schen als zij sterven; ais zij iets getuigen, daar ze den dood op ondergaan; en Stefanus gesteenigd wordende, zei onder zijne laatste woorden; Ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des meiischen (den Heere Jezus) staande ter rechterhand Gods, Hand. 7:56. De Joden, die hem steenigden, zagen Hem niet. Die bij Paulus waren op den weg van Damaskus, zagen ook niet wat Paulus zag. Heeft God de kunst in de menschen gelegd dat zij verrekijkers kunnen maken, waardoor men verder kan zien dan alleen met de oogen, en zou God dat niet doen kunnen? Wie zal God mate stellen hoe ver Hij \'t gezicht van den eenen zal doen dragen boven dat van den anderen ? Liggen er zulke kunsten in den mensch, en zal God nog niet meer doen kunnen dan de menschen?

Het vierde bewijs is van Paulus: heb ik niet, zegt hij, Jezus Christus onzen Heere gezien? 1 Cor. 9:1. Wanneer? Al meer dan eens. Ik sprak met den Heere, toen ik bekeerd werd; Hij sprak mij aan op eene wonderlijke wijze. In den tempel beeft hij ^en Heere Jezus gezien en in den derden hemel. Ja, de Heere heeft al dikwijls bij hem gestaan, en zich aan Paulus vertoond. En Openb. 12:1, 2, 5, daar zag Johannes een wonderlijk gezicht, eene vrouw, die bekleed was met de zon, en de maan was onder hare voeten. Zij had eene kroon van twaalf sterren op haar hoofd; zij was zwanger en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. En zij baarde eenen mannelijken zoon. Wat beteekent die vrouw? De kerk.\' Zij was bekleed met de zon; wat is dat te zeggen? Dat beteekent den Heere Jezus, de Zon der gerechtigheid, \'t woord der genade, die quot;t licht van de wereld is. Zij had de maan onder hare voeten. Wat wil dat

261

-ocr page 268-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zeggen? Al \'t vergankelijke vertrad ze. Dat deden de eerste christenen ook; zij brachten \'t geld aan de voeten der apostelen, den naasten trap om vertreden te worden, Hand. 5:2. De vrouw zag de zichtbare dingen niet aan. Vader, moeder, zuster, broeder, zy wilde \'t ai verloochenen om met die zon bekleed te zijn. Daar was eene kroon van twaalf sterren op haar hoofd. En wat gaf dat te kennen:\' Dat waren de twaalf apostelen des Lams, die blonken daar als sterren. Zij was zwanger van de Goddelijke beloften en toezegging, dat de Middelaar in de wereld komen zou; zij schreeuwde ook om de vervulling. Zij riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. Elkeen verlangde om dien dag te zien; koningen en rechtvaardigen, zij verlangden naar de volheid des tijds. Zij zuchtte innerlijk: Ach! dat gij mij tot een broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! lloo^l. 8il. Die vrouw baarde eenen inanneli]ken zoon, die al de Heidenen zou hoeden met een ijzeren roede, \'t Was die held, dien zij baarde, dat mannelijke kind, gerechtigheid zou de gordel zijner lendenen zijn; ook zou de waarheid de gordel zijner lendenen zijn, Jes. 11:5. Dat mannelijke kind heeft moeten strijden tegen dien grooten, rooden draak, waarvan in het dci0 vers van dat 12de Hfdst. der Openb. gesproken wordt. Hij heeft den dood moeten ondergaan. De slang moest het zaad der vrouw de verzenen vermorzelen. Gen. 3:15. Maar toen dat mannelijke kind den draak vertreden en den kop vermorzeld had, is Hij opgenomen tot God in zijn troon, Openb. 12:5. Johannes zag dat mannelijke kind, dat tot Gfod en zijnen troon weggerukt werd.

Gij zult zeggen: dit zijn altemaal getuigen, die van zijne vrienden zijn.quot; Wel, waarom zou men op geen vrienden-getuigenis mogen staat maken? _ „ i .

Gij zult daarenboven zeggen: ik ben er op gezet, geeft een getuigenis zijner vijanden. Zijn er dan geen vijanden, die het getuigd hebben? Ja. De\'apostel Paulus, die driftige jongeling; was dat geen vijand als hij daar zoo driftig woedde tegen Christus? Die Christus beleden, hij quot;bond ze, hij geeselde ze. Maar wat gebeurt er in al dat gewoel ? l^oven den glans der zon zag ik den lleere, zegt hij; die sprak mij aan; die riep: Saul! Saul! wat vervolgt gij Mij? Ik vraagde: Wie zijt gij Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. Ik vraagde: Heere wat wilt gij dat ik doen zal. Hij zei \'t mij, Hand. 9:4, 5. Toen kon ik niet meer tegen de kracht van de waarheid woelen; ik moest bekennen, dat de Christenen gelijk hadden. Zoo zijn er duizenden Joden en Heidenen geweest, die het getuigd hebben, als ze bekeerd werden; Hand. 2:37, 41, stonden er daar drie duizend verslagenen en zij lieten zich doopen, daar ze te voren de grootste vijanden geweest waren. Bovendien God getuigde mede door teekenen én wonderen, Hebr. 2:4. Deze Heere Jezus, zei Petrus, stort dat uit, dat gij nn ziet en hoort. Zoo heeft God geheele landen en koninkrijken doen schudden, en beven, en verbaasd zijn. Zij hebben moeten overkomen, en zij hebben gezegd: wij zijn getuigen dat de

262

-ocr page 269-

OVER DEN XVIII. ZONDAG. Vkao. 46-49.

Heere zijne gaven over ons heeft uitgestort. Oproerige menscben heeft Hij bij Zich doen wonen, en zij zijn blijde als ze het moiren belijden en geloven; daar is mijn Heere, en Hij zal mij eens tot Zich nemen in heerlijkheid. Dat is de natuur van de hemelvaart. Jakob zei eens, toen luj de wagens zag, die Jozef\'gezonden had: \'t Is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog, Gen. 45:28. Wij moeten zeggen: ziet gij hier het evangelie prediken; ziet gii er menschen, die geest hebben; \'tis een bewijs, dat de Heere Jezus leeft; en dat de Heere Jezus als een held voorspoedig rijdt op het Woord der waarheid, Ps. 45:5.

Nu komen wij tot hot tweede stuk; en dat zijn de tegenwerpingen van de partijen. Een Papist spreekt van een hemelvaart van Maria; zij zeggen, dat haar graf is ledig gevonden na haren dood. Wij verwerpen dat zeggen, en wij zeggen ook, dat de Heere Jezus niet is ten hemel gevaren, nadat Hij gedoopt was, oin daar te gaan leeren wat Hij doen moest. De Geest der wijsheid was op Hem; Hij had dat niet \'van noode; maar dat is het gevoelen der Papisten; maar \'t zal daar zooveel niet op aankomen.

Maar dan zijn er nog anderen, namelijk de Lutheranen, die zeggen: 1. dat de hemelvaart van Christus bestaat in eene verdrijving, en in een onzichtbaar worden naar zijne menschelijke natuur. 2. Zeggen ze, dat de menschelijke natuur overal tegenwoordig is geworden. Er is eene geschiedenis van een groot hervormer, die wilde getroost worden met den hemel, niet met den lutheraanschen hemel, maar met den hemel der rechtzinnigen, met den hemel der hemelen. De Lutheranen hebben dat gevoelen moeten aannemen, omdat ze eene lichamelijke tegenwoordigheid in \'t Avondmaal stellen. Wij zeggen: de Heere Jezus wordt in \'t Avondmaal niet gezien of getast, zoo kan het dan ook niet zijn, dat Hij daar lichamelijk tegenwoordig is. Het is waar, zeggen zij, maar Hij is onzichtbaar geworden bij zijne hemelvaart. Hij is er lichamelijk tegenwoordig, zeggen ze, al ziet men Hem niet. Wij vragen een Lutheraan, hoe kan \'t dan zijn, dat Hij overaltegenwoordig is? En wij zeggen: \'t is eene dwaling, die regelrecht aanloopt tegen het Woord van God, en tegen de natuur van een lichaam. Een lichaam te hebben is dat niet zichtbaar en tastbaar te zijn? Een geest heeft geen vleesch noch been, gelijk gij ziet dat Ik heb, zeide de Heere Jezus, Luk. 24:39. \'t Is in de wereld nooit anders gezien, dan dat een lichaam zichtbaar en tastbaar is. Maar het strijdt daarenboven ook tegen het Woord van den Zaligmaker, die zeide: Ik verlaat de wereld en ga henen tot den Vader, Joh. 16:28. Hij was menigmaal op de eene plaats, en op de andere niet, zoo vóór quot;als na zijne opstanding. De armen, zegt Hij, hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen, maar Mij hett gij niet altijd, Matth. 26:11. Ik vaar op, zegt Hij op eene andere plaats, tot mijnen Vader en tot uwen Vader, tot mijnen God en tot uwen God, Joh. 20:17. Zoo was \'t ook na zijn opstanding; de naturen waren wel vereenigd, maar de menschelijke was niet overal-tegenwoordig. De engel zeide, Matth. 28:7, Hij gaat u voor naar

263

-ocr page 270-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Gralilea; Hij is hier niet. Dan was Hij eens bij Petrns, dan bij Maria, dan bij Jakobus, dan was Hij op den Olijfberg. Daarna gaat Hij plaatselijk de aarde verlaten en Hij stijgt door de lucht ten hemel. Gij zult vinden, dat Hij is opgevaren in de hoogte, Ps. G8:19, Hebr. 4 : 14. Hij is door de hemelen doorgegaan. Hij is hooger geworden dan de hemelen, Hebr. 7:27. Do hemelen moeten Hem omvangen tot den tijd der wederoprichting aller dingen. Hand. 3:21. Gij zult vinden, dat de engelen zeiden: Hand. 1:11, Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren.

Zij hebben eeue tegenwerping of twee, die de onderwijzer aanroert; te weten, is Christus dan niet bij ons overal waar Christenen zijn? Heeft Hij niet gezegd: Waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, ben Ik in \'t midden van hen? Matth. 18:20.

Wij zeggen daarop: Die plaatsen ontkennen wij niet, maar daarom besluiten wij niet: het is waar dat het lichaam\'van Christus overal is. Hij is in de binnenkameren en in de gezelschappen der Christenen; naar zijne Godheid, Majesteit, genade en Geest, zegt de onderwijzer, wijkt Hij nimmermeer van ons; maar naar zijne menschelijke natuur is Hij niet meer op aarde, maar blijft in den hemel. Met zijnen Geest werkt Hij in al zijne kinderen, en zoo werkt Hij ook in zijne dienaren, als zij u bidden vanwege Christus: laat u met God verzoenen, dat is, alsof Christus zelfs bade. Zijne menschelijke natuur die is dan en blijft in den hemel, die behoeft ook niet op de aarde te zijn; en zoo blijft Hij bij ons tot het doodbed toe, en tot op den laatsten dag van do wereld.

Nog eene tegenwerping maken ons de partijen, en die is deze. Is, zeggen ze, zijne Goddelijke met de menschelijke natuur niet vereenigd? Indien ja, dan moet Hij ook overaltegenwoordig zijn, of die naturen moeten vaneen gescheiden wezen.

Wij antwoorden. Wij geven elke natuur hare eigenschappen; de Goddelijke natuur heeft oneindige eigenschappen, en de menschelijke heeft eindige eigenschappen. De menschelijke natuur was in zijne geboorte en in de kribbe al vereenigd niet de Goddelijke natuur; zoo ook aan \'t kruis, in \'t graf en na zijne opstanding; die naturen blijven vereenigd; die eigenschappen, die elke natuur heeft, worden aan den geheelen Persoon toegeschreven uit kracht van die vereeniging. God heeft ons door zijn genadigen zegen en bijstand van zulke dwalingen verlost. Nu liggen ze wederom te werken, om de Lutheranen met ons te vereenigen; maar wat daar achter zit, zal de tijd leeren. Hoe zult gij dat uw leven gelooven kunnen, dat wij met hen zouden vereenigen, als zij dat stuk staande houden. Ik vrees, dat het alles maar te doen is, om al de formulieren van eenigheid weg te nemen. En dan zullen de Hisschoppelijken in Engeland zeggen: gij kunt met ons ook wel vereenigen, en dat zal misschien zijn, om wat vervolging te ontgaan. Dan zullen de Jezuieten en de Remonstranten zeggen: gij kunt met ons ook wel verecnigen. Maar dan moet de Dordsche

264

-ocr page 271-

OVER DEN XVIII. ZONDAG. Vrag. 46-49.

Synode weg; dan moeten al de vestingen, al uwe muren en verschansingen, die God u gegeven heeft, weg. Dan zult gij die alle zien onder den voet werpen. Daar schuilen verborgenheden onder, inzichten die schadelijk zijn, on verderfelijk kunnen uitvallen. Wij hopen, dat wij \'t mis mogen hebben in onze gedachten. Maar dit zeggen wij u tot waarschuwing: houdt toch uw godsdienst vast met handen en tanden. Houdt dien godsdienst vast, waar onze voorouders alles voor opgezet hebben, dan zult gij er nog wat aan hebben. Als gij eene vervolging ontgaat, wat zal het u baten, dat gij sterft, zonder op een schavot te komen, valsch in \'t hart, uwe ziel verloren, en zoo voor God te verschijnen?

Nu het laatste. Steekt er in dat alles nuttigheid voor het volk Gods ? Ja.

Eerst. De allerliefste Heere gaat daar in den hemel uwe zaak waarnemen voor den troon Gods.

Ten tweede, zegt Hij: Ik ben uw pand in den hemel, dat gij er ook met uw lichaam eens komen zult.

Ten derde, ik zal u vandaar mijnen Geest geven, dat Ik er u brengen zal; mijne menschelijke natuur is er u een pand. Hoe zult gij het weten? Mijn Geest, als die in u werkt, dat is een tegenpand, en die zal u aanzetten om te zoeken de dingen die boven zipi.

Eerst. Ach! zegt Hij, Ik zal daar gaan, om uwe zaak\'te doen. Ik heb mijn werk op aarde gedaan, in den hemel heb Ik ook wat te doen; Ik moet daar gaan vragen aan mijnen Vader; is het contract van den Raad des Vredes niet voldaan? Heb Ik uwen wil niet volbracht, Vader?

Ik ga eischen, dat al de uitverkorenen door mijnen Geest veranderd mogen worden. Mijn Vader! ga Ik zeggen, voor die en die is het stondetje der minne. Laat de Geest gaan in die Republiek, in die steden, in die dorpen. Dan, als er een veranderd is, komt Hij er mede voor zijnen Vader en zegt: daar heb Ik gewrocht; daar beii Ik voor Koning erkend en geloofd; daar stellen ze hun vertrouwen op Mij. Dan gaat Hij zijnen Vader bidden, dat Hij ze toch heiligen wil, opdat ze zoo allengskens heilig leven zouden. Dan zegt Hij: zij staan daar met verdorvenheden; doe ze niet naar hunne zonden, vergeld ze niet naar hunne ongerechtigheden; vergeef ze hunne zonden. Dan zegt Hij: mijn Vader! de duivel zal niet ophouden met ze te verzoeken; hij zal zien, hoe hij ze zal verslinden; maar laat het niet te hoog gaan. Dan zegt Hij: Vader! zij liggen daar op hunne knieën in \'t eenzame; hoor ze, antwoord ze, geef hun het goede; is hun gebed gemengd met zonden. Ik maak het aangenaam voor U; hoor ze om mijnentwil. Openb. 8:3, 4. Daar leest gij van dien engel, die het gouden wierookvat had, en aan wien veel reukwerks werd gegeven, opdat hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het altaar, dat voor den troon is; en de rook van dat reukwerk met de ebeden der heiligen gingen op van de hand des engels voor God; ie maakten ze aangenaam. Dan zegt Hij: mijn Vader! zij liggen

2(i5

-ocr page 272-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

daar op hun sterven, Ik wil, dat ze daar zijn, waar Ik ben, Joh. 17: 24. Dat is zoo de voorbidding van Christus.

Ten tweede. Daar verschijnt Hij met zijn eigen bloed in het heilige der heiligen. Vader! zegt Hij, Gij moet ze in den hemel nemen. Ik bezit de plaats voor hen allen. Die plaats is bereids in de verkiezing besteld, in de schepping geschapen, in Christus\' lijden verworven, en in zijne hemelvaart toebereid. Hij neemt ze in bij zijne hemelvaart, zoolang, totdat zijne verlosten tot de bezitting komen. Gelooft het, zegt 11 ij. Ik ben er, en gij zult er ook komen. Daarmede verkwikken Gods kinderen zich. Dat zullen wij u eenigszins zoeken uit te drukken met eene gelijkenis. Als er eens een groot koning eene geringe vrouw trouwde, en zij sukkelde wat op de reis in een vreemd land; zou ze niet zeggen: ik heb zulk een machtig man getrouwd, en daar zal ik haast bijkomen? Zou zij er zichzelve niet mede verkwikken? Zoo zou men \'t eenigszins kunnen uitdrukken.

Ten derde. Niet alleen is er dat nut in, dat Gods kinderen, na het vertrek van den Heere van de aarde, zijne voorbidding genieten in den hemel; maar de Heere Jezus bereidt er ook een plaats voor hen en zendt hun zijnen Geest vandaar. David gaf eens aan een iegelijk in Israël een bolle broods en een flesch wijn, als hij in zijn rijk kwam, 2 Sam. G: 19. De Heere Jezus geeft nog wat beters; Hij geeft den Geest der genade en der gebeden, den Geest der vertroosting en der heiligmaking, den Geest der verzekering; Hij geeft bijblijvende vertroosting. Zoo gij Geest in uw hart vindt, hoe zult gij \'t weten? Wordt gij aangezet, om te zoeken de dingen die boven zijn, zonder dat er iemand u in zou kunnen stuiten door al wat er is, geweld of voorspoed, vriend of vyand? Gods kinderen willen al naar boven langs den engen weg, zij zijn niet te stuiten door eenig gewoel; zij laten hunne handen niet slap worden; de zienlijke dingen, daar zit hun hart niet in; zij vergaderen zich geen schat, dien de dief stelen, of de mot verderven kan, maar zij zoeken voor zich een schat in den hemel; zij zoeken een ander goed, dan de lieden dezer wereld; zij hebben eene begeerte naar iets, dat oneindig is; eene begeerte, die niet te voldoen is, al boodt gij ze de geheele wereld. Do zonden en al het zienlijke, zult gij dan eens zoeken af te leggen, om bij den alleen zaligen God te zijn; het kost wat het wil. Dan zal in den dood en in de opstanding de geheele vergadering der uitverkorenen den Heere eens tegemoet gevoerd worden in de wolken en in de lucht, en zoo zullen zij altijd met den Heere wezen, 1 Thess. 4: 17.

Is \'t nu noodig, dat wij dat gelooven? Ja, de Schrift heeft het gezegd, Ps. 47:6, God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin; en Ps. G8:19, Gij zijt opgevaren in de hoogte, enz.; en Jes. 53:8, Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen. Het is hetzelfde woord, dat er gezegd wordt van Henoch, Gen. 5:42, God nam hem weg. Ja, zekerlijk was het noodig. De hoogepriester was geen hoogepriester, tenzij hij eenmaal des jaars inging in \'t heilige der heiligen. De Ark was geen ark, als ze niet in \'t heilige der hei-

206

-ocr page 273-

OVER DEN XVIII. ZONDAG. Vrao. 46-49.

ligen stond. De gouden kruik stond in \'t heilige der heiligen. Christus is van dat alles het tegenbeeld, waarom Hij ook afgescheiden van de zondaren moest wezen. Henoch was ten hemel gevaren onder de belofte. Elia onder de wet; zij waren schaduwen en voorbeelden van den Middelaar, dat Hij ten hemel varen zou onder \'t Evangelie.

Nu geloof ik, dat hier niemand is, of hij zegt in zijn hart: ach God, was ik daar! Bileam wist dat wel. Daarom zeide hij: mijne ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne, Num. 23:10. Ach! dat ik mocht sterven met de vromen! Zoo zegt gij ook; goddeloos wilde ik wel leven, als een Bileam, mocht ik dan evenwel maar in den hemel komen. Dat er een hel is, kan niemand uit zijn hart krijgen. Dat er een hemel is, ziet gij voor uwe oogen; die daar staat als een gegoten spiegel. Elk wil wel goddeloos leven, en als een vrome sterven; maar ik geef het in uw bedenken of uw wensch wel volbracht kan worden. Een waar lidmaat en een Christen te zijn, kan dat samengaan met dat uw hart zou zitten in uwe renten, in uwe hoven, in schatten, en in al uwe booze stukken? Ot God u laat smeeken, of Hij bidt, dreigt, u laat vóórprediken, gij zijt er niet van af te krijgen. Zit uw hart in den hemel niet, en in godvruchtig te wandelen, \'t is een teeken, dat gij in den hemel geen schat hebt. Dan hebt gij er geen Vader, geen Geest, geen Middelaar, geen vrienden. Ach! wat zit uw hart in de aarde en in de aardsche ijdelheden! Men keert den tekst van den Heere Jezus om, waar Hij zegt: Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, diequot; blijft tot in het eeuwige leven. Joh. ü:27. \'t Is of gij zeggen wilt: werkt om de spijs die vergaat, \'t Zeggen van Jezus: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden, Matth. G : 33, wordt als omgekeerd. Men zou bijna wel zeggen: zoekt het laatste. Maar is er wat te reizen, is er wat te zwerven, om winst, om aardsche goederen, om rijkdom, al was \'t dan nog zoo ver, en nog zoo gevaarlijk, al moest gij nog zoo bloedig werken, daar zijt gij toe te krijgen; maar om te werken, om in den hemel te komen, is bijna niemand te krijgen. Vraagt eens aan een rijke op zijn doodbed: zijt gij bekeerd? Dat, zegt hij, heb ik niet bedacht. Vraagt het aan een arm ambachtsman, die zal zeggen: ik heb er geen tijd toe gehad. Hoe zult gij dan in den hemel komen ? Gaat eens in uw hart. Doet gij in een geheel jaar wel iets met dien wensch, dat gij uwe zonden belijden mocht; dat gij gebracht mocht worden tot het onderzoek van uzelven, en dat gij in den Heere Jezus gevonden mocht worden. Maar zoudt gij in een geheel jaar wel eene week kunnen optellen, dat gij daartoe uw best deedt? Wordt gij niet geklemd, dat het slecht met u van binnen staat? Gij zijt dikwijls \'s morgens ten vijf ure al aan \'t werk, zonder bidden of lezen; en als gij eens daarvan overtuigd wordt, zoo zegt gij: ik zal het op een ander jaar beter maken.

Gij zult zeggen: gij beweegt mij bijna. Maar hoort eens. Als een heer \'s morgens zijnen knecht naar de stad zond, en hij werd hier en

267

-ocr page 274-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

daar wat. opgehouden, hij draalde, hij geraakte in een herberg, en verzuimde zoo zijn tijd; en hij wilde dan \'savonds gaan doen hetgeen hem belast was, zal hij de poort van het huis van zijn heer niet gesloten vinden ? Zoo ook als gij ontijdig zoeken zoudt in den hemel te komen, zult gij naar de hel moeten. Zijt gij zoo naarstig voor \'t lichaam, laat uwe naarstigheid u overtuigen dat uwe ziel die nog meer van noode heeft. Bestaat gij niet uit ziel en lichaam? \'tls waar, de ziel heeft geen aardsch voedsel noodig, de ziel eet of drinkt niet. Maar zij heeft geestelijk voedsel van noode. En zult gij dan al maar werken voor \'t lichaam, en uwe arme ziel laten verloren gaan? Is dat te veel, eens te bidden, te lezen, te leeren? Ach, hoe menige loopt er van den hemel af! Als \'t stuit, zal \'t aankomen; en hoe schrikkelijk zal \'t wezen, als wij ons zullen afgekeerd hebben van Hem, die uit den hemel is. Of wij al denken: de Heere Jezus is ons daar eene plaats gaan bereiden; Hij bidt niet voor de wereld; Hij zal u eene schrikkelijke plaats bereiden; en u doen hooren dat; gaat weg van Mij, gij vervloekten in \'t eeuwige vuur, Matth. 25:41. Al de dingen van de wereld hebben eene verbindende kracht; en hoe bitter is het u daarvan af te scheiden! Hoe noode verlaat men al zijn goed, als men gaat sterven! Hadt gij het hemelsche goed, hoe gaarne zoudt gij sterven! Wij verzoeken u: gaat naar den hemel, al was \'t van deze stonde af aan. Kan die stad u niet bekoren? Zij ligt daar als een gegoten spiegel voor uwe oogen. De zon, de maan, zi] stelen uw hart, en hoe schoon zal \'t dan eens zijn, waar God is! \'t Werk is er zoo schoon! God te lieven, nooit eene zonde te doen! De conditiën zijn er zoo schoon. In dat paradijs komt geen slang; daar zal geen een van uwe vijanden zijn. Duivel, dood, en hel, is daar tenietgedaan. \'t Gezelschap, \'t werk, de toestand; \'t is er alles zoo schoon! De Heere Jezus te zien, verheerlijkt als God en mensch, is geen geringe zaak. Gij zult Hem zien, zijn mond zal tot uwen mond spreken. Jozef zei eens: zegt mijnen vader dat ik leef, dat mijn mond tot uwen mond gesproken heeft. Gen. 45:12. Zoo zal \'t in den hemel ook zijn. In den hemel zal zijne verheerlijkte menschelijke natuur, met zijne Goddelijke natuur vereenigd, gezien worden.

Gij zult zeggen: Gij zoudt mij wel bekoren; maar den weg, dien engen weg! daar zie ik zoo tegen op.

Ik antwoord u: Hoe verder gij daarop komt, hoe ruimer dat hij wordt, en hoe liefelijker en heerlijker dat hij is. Hoe meer genade, hoe heerlijker dat ze is. Gij zult zeggen: wat is die enge weg dan?

Het is zichzelven eenzaam God over te geven; te zwi]gen; te danken; zijne liefde eens te betuigen voor God; zijnen afkeer van de zonden eens te betuigen; eens te zeggen: ik ben niet thuis, voordat ik in \'t hemelsch vaderland aanland; ik wil mijn kruis opnemen; leid mij Heere! door uwen Geest; bestier mij naar uwen raad, en neem mij dan eenmaal op in heerlijkheid. O! c^ie weg is zoo genoeglijk, hij is zoo gemakkelijk; eens te zeggen: God is het al, en wij niet met allen; eens te zeggen: ik ben uw knecht en dienstmaagd.

268

-ocr page 275-

OVER DEN XVIII. ZONDAG. Veag. 4G-49.

De breede weg daarentegen wordt allengskens moeielyker. Als gij in die gezelschappen zit, moet gij vloeken, drinken, zondigen. Hoe klopt uw nart, als gij God dikwijls niet gebeden hebt! Hoe prikkelt uw geweten, als gij de zonden gedaan hebt! Dan moet gij het gaan opgeven. De breede weg, hoe langer gij er op gaat, hoe hij erger, en ten laatste hopeloos wordt. Als dan op \'t doodbed een vrome, of een predikant u uwen plicht zou willen voorstellen, dan zoudt gij wel zeggen: laat hij weggaan, \'t is voor mij te laat; \'t is hopeloos. Wel, kiest dan nu den engen weg, en gaat naar den hemel. Gaat gij naar de hel den breeden weg op, dan sterft gij dikwijls voor uwen tijd, daar gij anders langer hadt kunnen leven.

Wel, zult gij zeggen: \'t zijn zulke geringe menschen waar ik mede zon moeten verkeeren.

Ik antwoord u: Ziet wel toe, wat gij zegt; zij zijn zoo gering niet, als gij u wel inbeeldt; \'t zijn koningen en priesters Gods en Christus, Openb. 20:6. \'t Is Gods uitverkoren volk, benaarstigt u, dat gij mede onder dat volk gerekend moogt worden; dat gij ook een lid van dat geestelijk lichaam, waarvan de lleere Jezus het Hoofd is, moogt uitmaken.

Zegt gij in uw hart: ik wilde wel, dat ik eens wist, of ik in den hemel zal komen?

Eerst. Hebt gij geest, dan zult gij naar Christus en naar den hemel toe willen; gij zult van don weg der bel af willen.

Ten tweede. Maakt gij gebruik van uwen Advocaat, als gij ten Avondmaal gaat; als gij in kruis zijt gevallen: waardeert gij Hem dan wel? Zocht gij zijne voorspraak dan wel? Zegt gij dan wel: O lleere Jezus! spreek bij uwen Vader voor mij? Gaat gij zoo naar den lleere al worstelende? Wordt gij zoo allengskens geworteld in den Heere, zoodat niemand u van Hem aftrekken kan? Zoo gij dat praktiseert, \'t is een teeken, dat gij in den hemel zult komen. Uw hart besterft als aan Hem, als iemand u van den Heere al wil trekken. Gij zijt niet af te zetten van te bedenken de dingen die boven zijn, al moest gij er de gunst uwer ouders om missen; al moest gij het er te minder om in de wereld hebben; al zei er iemand: ik zal er u om onterven. Ziet gij zooveel in den Heere, en in zijnen dienst? Ik hoop, dat gij er nog meer in zult zien; en dat gij, als de Heere komen zal, ruimte op uw doodbed zult hebben; en met Paulus, 2 Tim. 4:7, 8, zult kunnen zeggen: Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloot behouden: Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die zijne verschijning hebben liefgehad. Amen.

209

-ocr page 276-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XIX. Zondag. Vrag. 50—52.

ISTegentiende Zondag-

50. Vraag. Waarom wordt daartoe gezet: zittende ter rechterhand Gods?

Antwoord. Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij

Zichzelven daar bewijze als dat Hoofd zijner Christelijke Kerk, door hetwelk de Vader alle dingen regeert.

51. Vraag. Wat nuttigheid brengt ons nu deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?

Antwoord. Eerstelijk, dat Hij door zijnen H. Geest, in ons zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met zijne macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.

52. Vraag. Wat troost u de wederkomst van Christus, om te oordeelm de levenden en de dooden?

Antwoord. Dat ik in alle droefenis en vervolging, met opgerichten hoofde, even denzelfden, die Zich te voren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld, en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot eenen Rechter uit den hemel verwacht; die al zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij, met alle uitverkorenen, tot Zich in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

Wij lezen, Spr. 18 12, Nederigheid gaat voor de eer; en elders in diezelfde spreuken: De hoogmoed des mensclien zal hem vernederen, Spr. 29:23. Dat zult gij dikwijls zien, dat, als de hoogmoed iemands hart bekruipt, dan de val nabij is. Let op de engelen voor Gods troon; zij zijn daar bij God in heerlijkheid; maar komt er hoogmoed, die gaat voor den val; zij worden uit het paleis gestooten; en nu worden ze in de hel bewaard, met eeuwige ketenen der duisternis.ij lezen, Spr. 18 12, Nederigheid gaat voor de eer; en elders in diezelfde spreuken: De hoogmoed des mensclien zal hem vernederen, Spr. 29:23. Dat zult gij dikwijls zien, dat, als de hoogmoed iemands hart bekruipt, dan de val nabij is. Let op de engelen voor Gods troon; zij zijn daar bij God in heerlijkheid; maar komt er hoogmoed, die gaat voor den val; zij worden uit het paleis gestooten; en nu worden ze in de hel bewaard, met eeuwige ketenen der duisternis.

Gelijk het onder de engelen geschied is, zoo geschiedt het ook onder de menschen. De duivelen wilden Gode gelijk zijn; en zij wilden de menschen ook zoo hebben. Gen. 3:5. Als dat kwam, daar was de val meteen.

Gelijk gij dat ziet in de engelen en in Adam, zoo kunt gij het ook zien in een particulier Christen. Als zij hun hart verhellen, zoo is de verbreking nabij. Onder vijf of zes dingen, die de Heere haat, is

-ocr page 277-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

er dit een van, dat kunt gij in \'t Woord klaar zien, dat er zijne ziel een gruwel van heeft. Een hoogmoedig mensch is een gruwel bij God. Is daar een Farao die durft zeggen: Wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zon, om Israël te laten trekken? Ik ken den Heere niet, en zal ook Israël niet trekken laten. Ex. 5; 2. God doet hét hem zien; en Hij doet Farao verzinken in \'t hart van de zee, Ex. 14; 28. Is er een Hainan, die zich zoo verheft, zijn val staat voor de deur, Esth. 7:10. Ziet het in een Rabsake, 2 Kon. 19:35; en in een Herodes, Hand. 12:21—23. Zoo haast als er verheffing was, bezocht God ze met verbreking. In \'t leger van Rabsake werden er door een engel in éénen nacht geslagen, honderd vijfentachtigduizend; en een Herodes wordt van de wormen gegeten.

Gelijk nu de hoogmoed voor den val gaat, zoo gaat ook de nederigheid voor de eer. Ziet gij dat iemand nederig is, gij zult hem haast geëerd zien. O! daar zorgt God zoo voor, 2 Sam. ü : 20. Hoe is de koning van Israël verheerlijkt, zei Michal, die zich heden voor de oogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten heeft ontbloot, gelijk een van de ijdele lieden zich onbescbaamdelijk ontbloot. Maar wat gaf David hun ten antwoord? Ik zal mij, zegt hij, nog geringer houden, dan alzoo: voor het aangezicht des Ileeren, die mi] verkoren heeft voor uwen vader en voor zijn gansche huis, en die dienstknechten en die dienstmaagden, daar gij van zegt, daar zal ik mede verheerlijkt worden, vers 21, 22.

Is er een nederige Jakob, die zegt: Ik ben geringer, dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die gij aan nwen knecht gedaan hebt. Gen. 32:10. Wat verheft hem God! Is er een nederige Jozef, wat weet God de geringe uit het stof te verhoogen! Is dat ergens in waar, zoo is het waar in het hoofd van al de nederigen, den dierbaren Heere Jezus Christus, aan wien het alles begeerlijk is, wat aan Hem is, Hoogl. 5 :16.

Gij zult zeggen: Waaraan ziet gij dat? Is er iemand ooit van eenen lagen staat tot eenen hooge gebracht, zoo is \'t Gods Zoon. Wij hebben te voren gezien zijne nederdaling langs vier trappen, tot in de allerdiepste versmaadheid, zoodat men mag zeggen: er is geen

festalte, noch gedaante in Hem, dat wij Hem zouden begeerd hebben, es. 53:2. En dat is evenwel die Liefste, die alle andere overtreft. God heeft Hern uitermate verhoogd, Pil. 2:9. Hij is ook langs vier trappen verhoogd, en heerlijk opgeklommen. Gij hebt er twee van kunnen zien.estalte, noch gedaante in Hem, dat wij Hem zouden begeerd hebben, es. 53:2. En dat is evenwel die Liefste, die alle andere overtreft. God heeft Hern uitermate verhoogd, Pil. 2:9. Hij is ook langs vier trappen verhoogd, en heerlijk opgeklommen. Gij hebt er twee van kunnen zien.

De eerste was zijne heerlijke opstanding.

De tweede was: Nadat Hij veertig dagen verblijf had gehad op de aarde na zijne opstanding; zoo is Hij opgevaren \'ten hemel, in het gezicht van zijne jongeren, Hand. 1:9. Nu hebben wij gelegenheid om de twee laatste te bezien, namelijk den derden en den vierden trap. De derde is zijn zitten ter rechterhand Gods; en de vierde is zijne komst ten oordeel. Geliefden! zoo het u lust, zoo spant u een weinig in; gij dient het te doen. O! dat zulk een prediken u daarna

271

-ocr page 278-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

tot geen smarten zij! Ach! dat toch deze dag, en deze predikatie in de eeuwigheid geen nare overdenking in ons bare; maar dat wij met hlijdsciiap mogen zeggen: het heugt mij nog, dat ik dat toen geiioord heb; nu ondervind ik daar de nuttigheid van!

Wij hebben tegenwoordig te bezien; het zitten van den Heere Jezus ter rechterhand Gods des Almachtigen Vaders, en zyne wederkomst ten oordeel. Wij zullen niet veel verdeeling maken, om u niet te veel te overladen. Volgt ons zoo al stilletjes op met uwe gedachten; en als wij u voorgesteld hebben, wat wij te zeggen hebben, dan zult gij zien, dat er al de zaken van dezen Zondag in vervat zijn, als wij ze allemaal zullen opengelegd hebben.

De Heere Jezus is ten hemel gevaren. Daar is opgevolgd, dat Hij is gaan zitten aan Gods rechterhand. Gij zult mogelijk denken: is dan de hemelvaart van Christus, en het zitten aan Gods rechterhand, onderscheiden? Ja. Let eens.

Eerst. Hij is maar eens ten hemel gevaren; maar Hij zit altijd ter rechterhand Gods, totdat Hij het koninkrijk Gods zijnen Vader zal overgegeven hebben, 1 Cor. 15 : 24.

Ten tweede. De hemelvaart heeft Hij gemeen met de engelen, en de zielen der menschen; en met die menschen, die opstaan zullen in de opstanding ten laatsten dage. Maar het zitten ter rechterhand Gods heeft Hij met niemand gemeen. Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: zit aan mijne rechterhand? Hebr. 1:13.

Ten derde. De hemelvaart toont de plaats aan waar Hij is; en \'t zitten ter rechterhand het werk, dat Hij daar doet, en de heerlijkheid die Hij daar heeft; en hoe Hij daar tot nut van zijn volk voor \'t aangezicht van God verschijnt. Zoo kunt gij dan nu merken het onderscheid dat er is.

Gij zult zeggen: heeft God dan eene rechterhand? God is een Geest, en een Geest heeft geen vleesch noch beenen. Luk. 24:39, hoe kan Hem dan eene rechterhand worden toegeschreven? Wat zult gij daarop antwoorden? Dit, gelijk God een Geest is, en onzichtbaar is, zoo heeft Hij geen menschelnke leden. Gij weet evenwel, dat dien oneindigen Geest in het Woord op eene oneigenlijke wijze leden worden toegeschreven, om uit te drukken zijne eigenschappen en werken.

Nu zult gij in uw hart denken: wat wordt er dan beduid door Gods rechterhand, en wat voor rechterhanden zijn er wel van God bekend in het Woord ?

Er is in het Woord bekend eene rechterhand van zegening; eene rechterhand van liefde; eene rechterhand van ondersteuning en sterkte. Er is er een, die eene innige vriendschap en nabijheid beduidt; en dan is er nog eene rechterhand die de prent is van eer en aanzien en achting.

Er is er altemet eene van zegening. Gen. 48:14. Daar lag die oude Jakob, zijne linkerhand op het lioofd van Manasse, en zijne rechterhand op Efraïms hoofd. Christus, eer Hij ten hemel opvoer,

272

-ocr page 279-

OVER DEN XIX. ZONDAG. Vraq. 50-52.

leide zijne handen op zijne Apostelen, en Hij zegende ze. Hier is eene rechterhand van God, waardoor Hij Christus gezegend heeft. Hij is dat gezegende zaad Abrahams, in hetwelk alle geslachten der aarde gezegend zijn. Hand. 3:25. Spant u toch wat in, en let er op, van het eerste tot liet laatste; het zijn alle zulke heerlijke dingen.

Dan is er eene rechterhand van groote liefde en gemeenschap. Wat had God de Vader eene liefde tot zijnen Zoon! Als Hij Hem bezag zoo zegt Hij: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in denwelken Ik mijn welbehagen heb, Matth. 3:17. Beziet zijn lievend hart eens, Jes. 42:1, Ziet mijn knecht, zegt God, dien Ik ondersteun, mijn uitverkorene, in denwelken mijne ziel een welbehagen heeft. Ik was een voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, te aller tijd voor zijn aangezicht spelende. Spelende\' in de wereld zijns aard-rijks. Spr. 8:30, 31.

Nog eens. Br is eene rechterhand van nabijheid en van innige vriendschap. Zoo zeide de moeder van de twee quot;zonen van Zebedéüs: Heere! zeg dat deze mijne twee zonen zitten mogen, de een tot uwe rechter-, en de ander tot uwe linkerhand in uw Koninkrijk, Matth. 20:21. Nu de Heere Jezus is altijd nabij zijnen Vader, op zijnen troon en in \'t hart van zijnen Vader; in dó allernauwste gemeenzaamheid met zijnen Vader.

De rechterhand is ook een teeken van kracht en sterkte. Daarom zegt de bruid, Hoogl. 2:6. Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne rechterhand omhelze mij. God heeft eene rechterhand, waarmede Hij eene ziel ondersteunt. De Heere Jezus mocht zeggen, dat God Hem ondersteund had en nabij geweest was. Hij is nabij die mij rechtvaardigt, Jes. 50:8.

Ten laatste. Er is eene rechterhand van eer. Het hart der wijzen is tot zijne rechter-, maar het hart eens zots tot zijne linkerhand, Pred, 10:2. Salomo zeide, dat ze zijne moeder eene plaats bereiden zouden aan zijne rechterhand, 1 Kon. 2 :19.

Gij zult zeggen: wat is dat voor eene rechterhand, die aan God den Vader wordt toegeschreven; wat is die rechterhand van eer, en dat de Heere Jezus daaraan gezeten is?

Dat is te zeggen, dat de allergrootste heerlijkheid, die er in den hemel is, aan Hem als Middelaar gegeven wordt.

Gij zult zeggen: wat is die hoogste heerlijkheid, die Hij daar heeft ?

In de eerste plaats. Die heerlijkheid, die Hij in den beginne had, eer de wereld was. Joh. 17: 5. De glans van zijne Goddelijke natuur wordt nu niet meer onder zijne menschelijke natuur gehouden, noch bedekt. Het blijkt, dat Hij de waarachtige God is, gelijk Hij was, eer de wereld was. Behalve dat, zoo wordt Hij,

Ten tweede. Ook daar erkend de Middelaar te zijn tusschen God en een armen verlegen zondaar. Er is geen schepsel, zegt God, dat den zondaar eenen toegang kan geven tot God; maar Gij zijt de weg, de waarheid en het leven, voor elk kind van God, Joh. 14:6. Elk

18

273

-ocr page 280-

CATECHISMUS-PREDIKATIK

kind van God zegt ook: liefste Heere, Gii zijt de weg, de waarheid en liet leven, waardoor ik deel krijg aan dat zalige Wezen.

Ten derde. Behalve dat, stelt God Hem tot het Hoofd van al de leden, zoo in de strijdende als in de trinmfeerende kerk. Hij zal altijd als het Hoofd van de leden gerekend worden. Hij is daar in allen de eerste; zij zijn het lichaam; maar Gij zijt het, zegt God, onder wien zij gestaan hebben, en die hen tot zulk een geluk gebracht hebt.

Ten vierde. Dan geniet Hij die heerlijkheid, dat alle engelen en menschen Hem daar aanbidden. De duivelen sidderen voor Hem; de goddeloozen beven voor Hem; alle knie zal in zijnen naam gebogen worden en alle tong zal belijden dat Hij de Heere is, Fil. 2:10. Zij zullen den Zoon Gods aanbidden, die de Middelaar Gods en der menschen is, 1 Tim. 2; 5, in een persoon. De geheele wereld zal ontzag voor Hem hebben, en de duivelen zullen voor Hem sidderen.

Ten vijfde. Hij geniet die eer, dat de Vader zegt: beschikt over den Geest in die mate en orde als het noodig is; in gewone of in buitengewone werking te geven, zooveel het noodig is aan elk der uitverkorenen. Daar staat de Geest, en zegt: wien moet ik bewerken? Waar moet ik heengaan? Ik heb het op mij genomen dat ik het doen zou, dat ik zou heengaan, waar Gij mij heenzondt, om in uw volk te werken, opdat ze zouden veranderd worden, groeien en gesterkt worden; of het in de kerk is, of \'t in gezelschappen is, of \'t in hunne binnenkameren is; of ze met een Elia onder eenen jeneverboom zitten, 1 Kon. 19:4. Hij bewerkt ze dan eens om den Heere te loven; dan eens om te klagen; dan eens om te zoeken; dan eens om op te halen hunnen vorigen tijd. Wat heeft de Heere Jezus daar nogal voor heerlijkheid ?

Ten zesde. Dat Hij\' vandaar de gansche kerk regeert. Hij bemint haar niet alleen; maar Hij beschut en bewaart haar. Daar worden dikwijls zulke bloedige dingen tegen haar bedacht; maar daar zit Hij als Koning, en zegt: doet mijne gezalfden geen kwaad, Ps. 105:15. Doet ze geen moeite aan. Hij wendt zijne hand tot de kleinen, Zach. 13:7. Hij sterkt de zwakken. Zuchten ze. Hij kan dat niet lang hooren; Hij kent ze in hunne smart; Hij staat op quot;tot hunne hulp, Ps. 35:2. Wat doet Hij aan de vijanden? Daar ligt Hij er dan wel een uit daar de geheele spil op draaide. Wat doet God de Heere nog? Hij grijpt dikwijls Avel een van de allerslimsten in \'t hart. Wat doet Hij nog? Hij maakt dat hunne heimelijke raadslagen ontdekt worden; even gelijk Hij eens deed aan den profeet Eliza, dien Hij te kennen gaf de woorden, die de koning van Syrië in zijn binnenste slaapkamer sprak, 2 Kon. 5:8. In plaats dat ze gedrukt zouden worden, zoo doet Hij een mirakel. Hij beschut en bewaart ze in zijne kracht door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd, 1 Petr. 1:5.

Dat nu de Heere Jezus gezegd wordt daar te zitten, wat is dat? Dat is te zeggen, dat Hij als Koning op zijnen eeretroon zit. Daar te zitten, dat is als eene richterlijke gestalte; o! \'t is als eene rust,

274

-ocr page 281-

OVER DEN XIX. ZONDAG. Vrau. 50-52.

te kennen gevende, dat niemand Hem meer kan moeien of ontrusten Hi] is nu in zijne rust ingegaan.

Wat voor heerlijkheid heeft de Heere Jezus, ten zevende, nog gekregen? Deze: dat Hij zal wederkomen om te oordeelen.

Zouden daar de engelen Gods wol van weten? Zouden daar de duivelen wel van weten? Zouden daar alle menschen wel van weten? Ja.

Hoe weten het de goede engelen ? Zij zullen \'t u zelf zeggen, Hand. 1:11. Deze Jezus, zeggen daar de engelen, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijk gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren. Zij toonden, dat zé er goede kennis van hadden.

Maar weten het de kwade engelen de duivelen ook? Ja. Zij geloo-ven, dat er een God is, en zij sidderen. Jak. 2:19. Hebben ze daar dan redenen toe? Ja. Zij weten, dat er een oordeelstijd komen zal. Hoe weten zij dat ? Zij zeggen het zelf, Matth. 8: 29,quot; riepen ze tot den Zaligmaker: Jezus, Gij Zone Gods, wat hebben wij met U te doen? Zjit Gij hier gekomen, om ons te pijnigen voor den tijd?

Gij zult in uw hart denken: weten er ook alle menschen van? Ja. Er is er geen een in de wereld, die er niet van weet. Hoe zoude een Felix anders zoo bevreesd geweest zijn, als Panlus van het oordeel predikte, had hij daar geen indruksel van gehad? Hand. 24:25. Die gevangen man zou anders op het hart van den Stadhouder zooveel niet vermocht hebben, had hij maar gepredikt van de matigheid, en van de rechtvaardigheid, en had hij niet geweten, dat hij over de onmatigheid en onrechtvaardigheid in \'t oordeel zou moeten komen. En Hand. 28:4, riepen de Barbaren: de wrake Gods laat dezen mensch niet leven. Zij toonden, dat zij indrukselen van een oordeel hadden; hunne gedachten beschuldigden en ontschuldigden hun, Rom. 2:15. Gij moogt elk zooveel doen als gij wilt, gij kunt dat niet weg krijgen, daar zijn al te klare blijken van.

Nog eens. Het kan ons niet onbekend zijn. Is het mij en u wel onbekend, hoe weten wij het? Wij hebben een gemoed dat het ons zegt. Ach! hoe klopt en benauwt óns gemoed ons, als wij het kwaad gedaan hebben! Het velt het vonnis; het toont ons, dat\' God is een alwetend en een rechtvaardig God. Ons hart veroordeelt ons; het daagt ons voor Gods gericht. Dat er zoo een dag zal zijn, toont ons de rechtvaardigheid van God den Heere. Men ziet het doorgaans in de wereld, dat het den goddeloozen wel gaat, en die God den Heere vreezen, hebben dikwijls allen tegenspoed. Zou dat nu recht bij God zijn, dat het zijne vijanden altijd wel bleef gaan, en zijne vrienden kwalijk? 2 Thess. 1:6, 7, Alzoo het recht bij God is verdrukking te vergelden dengenen die u verdrukken. En u die verdrukt wordt verkwikking met ons in de openbaring des Heeren Jezus van den hemel met de engelen zijner kracht, enz. De waarheid van God lijdt het ook niet, die zegt: Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel zal gaan, dat zij de vrucht hunner werken zullen eten. Wee den godde-looze, het zal hem kwalijk gaan; want de vergelding zijner handen

275

-ocr page 282-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zal hem geschieden, Jes. 3:10, 11. Daar is een gedenkboek voor zijn aangezicht, Mal. 3:16. Al worden de goddeloozen gebouwd, daar zal een tijd komen, dat men zal zien het onderscheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze, tnsschen dien, die God dient, en dien die Hem niet dient, Mal. 3 :15—18.

Nog eens. Wij weten het uit het Woord van het Oude en Nieuwe Testament.

Uit het Oude: Henoch, de zevende van Adam, heeft er al van geprofeteerd, zeggende: Ziet, ds Heere is gekomen met zijne vele duizenden heiligen; om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddeloozen onder hen, enz., in den zendbrief van Judas vers 14, 15. En Salomo zegt, Pred. 11:9. Weet dat God om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht. Jongeling, wil hij zeggen, neem uw vermaak en pleizier; haal uw hart op; maar weet dit, gij zult in \'t gericht moeten komen. Zoo ook Pred. 12:14, God zal ieder werk in \'t gericht brengen, met al dat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad. Daar hebt gij \'t bewijs uit het Oude Testament.

Het Nieuwe Testament is daar ook vol van. Ziet eens wat Paulus zegt tot die van Athene, Handel. 17:31. Daarom, zegt hij, dat Hij eenen dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardig-lijk zal oordeelen, door eenen man, dien 11 ij daartoe verordend heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij hem uit de doo-den opgewekt heeft. Zoo zegt diezelfde Paulus: Wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden, Hom. 14:10. En 2 Cor. 5:10, Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Ja laat het n niet vreemd zijn, dat er een oordeel komen zal. Er zijn er reeds drie vooraf gegaan. W;eet gij welke?

\' Eerst. In Adams val, toen God de geheele wereld verdoemelijk verklaard heeft, en onder den vloek gebracht. Wanneer is er nog een geweest?

Ten tweede. In den zondvloed waarop Petrus ziet, 2 I etr. 2:5 9, en 3:5—7. Want willens, is dit hun onbekend, zegt hij, dat door het Woord Gods de hemelen van overlang geweest zijn, en de aarde uit het water, en in het water bestaande; door welke de wereld die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. Maar de hemelen die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en ter verderving der goddelooze menschen. Gij ziet lichtelijk, dat dit zeggen van Petrus hierop uitkomt, dat gelijk God de eerste wereld, door water heeft doen vergaan, alzoo de tweede door vuur verteerd zal worden.

Weet gij welk het derde is? Dit, toen de toren te Babel gebouwd werd, daar God de spraak verwarde, en die volkeren verstrooide over de geheele aarde. Gen. 11:4. Daar er nu zoo drie voorafgegaan zijn,

276

-ocr page 283-

OVER DEN XIX. ZONDAG. Vbag. 50-52.

wie kan twijfelen dat God een vierde en laatste oordeel houden zal?

Ons laatste bewijs is dit. De overste van de wereld is geoordeeld. Dat er eens een hoop gauwdieven was, daar liet Hoofd van gegrepen en gestraft werd, zouden er de anderen wel aan kunnen twijfelen, zoo zij gegrepen werden, of\' ze ook gerecht zouden worden? Zoo ook: God heeft de duivelen gerecht, die tegen Hem gezondigd hadden; moet dat u dan niet doen denken: ik zal hetzelfde lot eens ondergaan moeten?

Daar is dan een gericht; maar wie zal de Richter zijn? Zal het een Mozes zijn? Zullen \'t de zeventig oudsten der kinderen Israels zijn? Zal \'t Salomo zijn, daar een ieder zoo voor vreesde? 1 Kon. 3:28. Zullen \'t van iedere stad hunne eigene magistraatspersonen zijn? Dan waren wij ongelukkig! Het zullen geen engelen zijn; geen Salomo; het zal zelfs God de Vader niet zijn, hoewel Hij de liichter van alles is. Hij heeft het gericht zijnen Zoon overgegeven, en \'t zoo gesteld, dat Hij het gericht zal houden voor \'t oog van de geheele wereld. Die Hij in de kerk gevonden heeft als gehoorzame onderdanen, zal Hij kronen, en zijne vijanden voor zijne voeten laten doodslaan, Luk. 19:27. De Vader oordeelt niemand, maar Hij heeft al het oordeel den Zoon overgegeven, Joh. 5:22. Ilij zal daar komen op de wolken des hemels in eene zichtbare gedaante. Hij heeft het gericht aan den Zoon overgegeven. O! gij hebt gestaan voor het gericht der menschen, en zij hebben u veroordeeld en benadeeld; maar nu zult Gij de Richter wezen van de onrechtvaardige richters. Verschijnt daar blinkende, dat is in mijn contract; Ik zal u het loon niet onthouden. Als gij uw volk geweid zult hebben met genade, dan zult gij de vijanden met eenen ijzeren schepter hoeden. Omdat Hij de Zoon des menschen is, zal de Richter moeten gezien worden. God geeft aan den Middelaar het oordeel over. Hij heeft een menschelijk lichaam; en zoo zal Hij kunnen gezien worden, tot zijns volks verkwikking en tot der goddeloozen verschrikking. Was God de Vader de Richter, die zou zich vertoonen als een verterend vuur, gelijk Hij Zich vertoonde op den berg Sinaï. Dan zou elkeen verschrikt zijn. Maar nu is de Richter niet alleen God, maar ook een meusch; en zoo zullen alle Gods kinderen vrijmoedigheid hebben om naar Hem toe te gaan, en te zeggen: Hij is onze broeder; Hij heeft geen zonden; en zoo hebben wij in Hem ook geen zonden; en claarom zoo zullen wij Hem gelijk zi]n. Als menschen het gericht houden, wat wordt er eene groote statie gemaakt! ziet dat Hand. 25:23, toen Festus met Agrippa en Bernice kwamen, om Paulus te hooren spreken. Wat was er een groot toestel, als Salomo het gericht zou houden! hij liet een bloot zwaard komen; doorsnijdt, zegt hij, dat levende kind in tweeën, en geeft de eene eene helft, en de andere eene helft; \'twas alles om \'t vreeselijkst, 1 Kon. 3:25. Hier is \'t ook alles om \'t vreeselijkst. Wat is dat hier een omkeer der zaken! In een stal geboren, in eene kribbe gelegd, met eene doornenkroon gekroond, aan \'t kruis gehecht te worden, totdat er striemen en bloed

277

-ocr page 284-

78 CATECHISMUS-PREDIKATIE

*

op zijnen rug waren, gegeeseld te worden; doorstoken te worden in zijne zijde; groote droppelen bloeds te zweten; wat krijgen de zaken hier eenen omkeer! Diezelfde Jezus, die dat alles had uitgestaan, dan Richter te zullen zijn, in den grootsten glans en heerlijkheid, en op eene wolk des hemels te komen om te oordeelen de levenden en de dooden! Salomo had eenen elpenbeenen troon; doch deze wolken-troon overtreft alle tronen van de wereld. Dan zal Hij van de wolken zijne wagens maken en rijden op de vleugelen des winds; dan zullen\'de fundamenten des hemels en der aarde bewogen worden. De wolken waren onder Hem, toen Hij de wet op Sinaï gaf, nu zullen de wolken Hem dienen, als Hij ten oordeel komen zal. Als Hij ten hemel voer, zoo nam eene wolk Hem weg van voor hunne oogen. Hand. 1: 9. Maar een wolk zal Hem wederbrengen. De wolk toont aan het ruime vertrek, daar de Richter komen zal om te richten.

Dat niet alleen, maar als Hij komt, zoo zal Hij met een teeken komen. Aan Kaïn had God een teeken gezet. Als de Zoon des men-schen komen zal, zal er ook een teeken zyn, dat van elkeen zal kunnen gezien worden, dat het de dag des oordeels is. Matth. 24:30. En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen. Gij zult zeggen: wat voor een teeken zal dat zijn. Dat beschrijft hetquot; Woord niet. Het ontbreekt God aan geen middelen; \'t zal zoo een teeken zijn, dat men niet zal behoeven te vragen: zou dit wel de laatste dag zijn? Als \'t eens een zwaar onweer is, zegt men: het is, alsof het de laatste dag was; maar dat zal dan klaar genoeg blijken. Hij zal niet alleen met het teeken van den Zoon des menschen komen, maar ook met de stem des Archangels, en met de bazuin Gods, 1 Thess. 4:15—17. Die zal in de wateren, en over de geheele aarde gehoord worden; en zoo zullen al de dooden, die ontslapen zijn, door zijne kracht opgewekt worden, 1 Oor. 15:51-—53. De hemelen zullen met een gedruisch voorbijgaan, de elementen zullen branden, 2 Petr. 3:10, en zijn als het gekraak van Gods hut. Job 36:29, en als de donder van zijne mogendheid, Job 20:14. Hoe zal elks hart dan beven! Dan zal \'t zoo zijn, dat God al wat branden kan in vlam zal zetten. Dan zal er eene schrikkelijke strafvoltrekking geschieden. Wat was het schrikkelijk, als het vuur van den hemel in Sodom viel! Gen. 19:24. Wat was het schrikkelijk in den oven, daar de drie Jongelingen in moesten! Dan. 3:19, 20. Maar wat zal \'t schrikkelijk zijn, als God het alles wat branden kan in vuur en vlam zal zetten! De Richter zal komen met zijne vele duizenden engelen, Judas vers 14, die krachtige helden, Ps. 103:20, die als vlammen vuurs zijn, Hebr. 1 :7. Daar was er eens eene menigte van op Sinaï, als God de wet gaf. Daar waren er ook eene menigte van in de velden van Bethlehem, als Christus geboren werd. Luk. 2:13. Daar was er een bij het graf des Heeren, die den steen afwentelde, waarvan de wachters vloden en verschrikten en als dooden werden, Matth. 28:4. Maar wat zal \'t vreeselijk zijn in dien doorluchtigen dag! De menschen die leven, zullen in een punt des tijds veran-

-ocr page 285-

OVER DEN XIX. ZONDAG. Vrag. 50-52.

derd worden, van sterfelijk, onsterfelijk worden, 1 Cor. 15:52, 53. De menschen die ontslapen zijn, zullen opstaan uit hunne graven. Uwe dooden zullen leven, zeide de profeet Jesaja, ook mijn dood lichaam; zij zullen opstaan, Jes. 26:19. Daar zult gij dan hebben eene groote menigte, die niemand tellen kan. Dan zal de Richter zijne engelen zenden, en zeggen: scheidt de vromen van de goddeloozen. Hier mogen er twee op een bed zijn; twee op een kruisbed; twee op eenen akker, de een aangenomen, en de ander verlaten; twee in eener moeders lijf, gelijk als een Ezau en Jakob; maar dan zal dat ophouden. Dan zal \'t zijn, gelijk een herder die door de menigte gaat, en de bokken van de schapen afscheidt; en als een landman, die het onkruid wegwerpt, maar de tarwe in zijne schuur verzamelt. Die beide brengen elk bij zijn soort; en zoo zullen de engelen ook doen. Na de scheiding zullen zij de goeden brengen tegenover des Richters rechterhand, en de goddeloozen tegenover des Richters linkerhand, Matth. 25:33. O schrik! O wonder! Elk zal daar niet alleen zoo staan; maar het zal er ook zoo vreeselijk zijn!

Wie nu zullen daar al voor Hem komen, als dat gericht zal gehouden worden ?

Duivelen en menschen. Moeten daar de duivelen ook komen? Ja, de duivelen ook; hoe zwaar zij het nu alreeds mogen hebben, zoo moeten ze dat gericht nog ondergaan.

Gij znlt lichtelijk denken in uw hart: waarover moeten de duivelen nog geoordeeld worden? Over drie zware stukken. Weet gij over welke?

Eerst. Daarover, dat ze de geheele wereld vermoord hebben door den val. Gen. 3 : 4—6.

Ten tweede. Dat ze den Zoon Gods hebben durven aanranden; den tweeden Adam hebben ze verzocht tot goddeloosheid, Matth. 4 : 9.

Ten derde. Dat ze de kerk Gods alle moeite hebben aangedaan. Drie zware stukken! Over hunnen eigen val zijn ze reeds gericht; toen zijn ze verwezen ten eeuwigen vure; maar over de andere drie zaken, die wij daar opgeteld hebben, moeten ze nog geoordeeld worden, als de tijd daar zal zijn. Dan zal hunne pijn vermeerderd worden.

Het proces met de duivelen geëindigd zjinde, zoo zal God het ook met de menschen aanvangen; vromen en onvromen, elkeen zal daar zijn proces opgemaakt worden. Daar zullen in het gericht komen hunne gedachten en de raadslagen van hun hart, 1 Cor. 4:5, hunne ijdele woorden, hun zot geklap, de trotsche woorden, de hoovaardige woorden; hunne daden, doen en laten; ach Heere! daar zal \'t alles in het gericht komen, wat wij bedreven hebben. Ach Heere! daar zullen dan de boeken geopend worden. Wat voor boeken? zult gij zeggen.

Het boek der verkiezing en der verwerping. Tegen de uitverkorenen zal God zeggen: uw naam is in dit boek des levens geschreven; en tegen de verworpenen zal Hij zeggen: uw naam is daar niet in geschreven; u heb Ik niet uitverkoren, maar verworpen; uw naam staat

279

-ocr page 286-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

op de rol des doods. Hij zal tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend, Matth. 7 :23. Als gij die en die zonden bedreeft ging mijn aangezicht niet met u mede. Arm wicht! Ik beschuldig u wegens sabbatsschending, en wegens dat gij geweigerd hebt de genade, die u is aangeboden, aan te nemen; Ik beschuldig u van zorgeloosheid. Kunt gij u nu verantwoorden, doet het.

Dan zal het boek des gewetens geopend worden, dat zal zoo wroe-gen, dat de goddeloozen zullen moeten zeggen: Heere! ik was onder uwe alziende oogen; ik heb niets te zeggen, ik kan nu mijn geweten op den mond niet kloppen. Al die daden heb ik gedaan: uwe sabba-ten heb ik geschonden, gevloekt, getuischt, geloot.

Dan zal God het boek van zijn Woord openen, den Bijbel. Hebt gij geen bediening der genademiddelen gehad? zal God zeggen. Wat voor talenten hebt gij al gehad? Hebt gij ze niet gehad, die u dat Woord opengeleid en verklaard hebben; leeraars van allerlei talenten? Dan zal God zeggen: Wat onrecht hebt gij in Mi] of in mijn Woord gevonden? Heb Ik u uw leven wel kwaad gedaan? Heb Ik u niet altijd goed gedaan? Waarmede heb Ik u vermoeid? Micha 6:6.

Dan zal ook geopend worden het boek der armen. Hebt gij geen godvreezenden gekend, zal God zeggen, die arm waren? Hoe steldet gij het daarmede? Hebt gij den naakten een kleedje gegeven? Matth. 25:36. Zoo zal de Richter ons oordeelen.

Ach zondaar! daar zult gij dan staan, gelijk als een patient. De rede uwer stem zal zich versteken. Als gij nog al iets zult willen zeggen, dan zult gij uzelven beklappen; gij zult uzelven bezwaren. Een van beiden: of\' gij zult verstommen, of gij zult het nog erger maken.

Dan zal de Richter het vonnis der vromen van vrijspreking, eerst uitspreken.

Eerst. Om te toonen dat Hij meer genegen is tot genade als tot recht, om zijne zachtmoedigheid te toonen.

Ten tweede. Opdat Gods kinderen met een ruim gemoed en onverschrokken gelaat, dat gansch vreeselijk gestel van zaken zouden kunnen aanzien.

Ten derde. Opdat de goddeloozen daar met des te meer ontroering zouden staan. Daar zullen ze dan zeggen: moet nu mijn knecht en mijne dienstmaagd die ik niet geacht heb, naar den hemel, en ik naar de hel gaan, daar ik met hen zoo gespot heb?

Dan zal de Richter tot zijne kinderen dat liefelijke vonnis uitspreken, en zeggen; Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld, Matth. 25:84. Gij zijt mijne gemeente, en Ik heb u verkregen met mijn bloed, Hand. 20:28. Gij hebt zoo dikwijls gemeend, dat gij verloren zoudt gaan. Komt nu en gaat in de eeuwige blijdschap en vreugde uws Heeren, Matth. 25:21.

Er wordt door de godgeleerden onderzocht, of de zondige daden

280

-ocr page 287-

OVER DEN XIX, ZONDAG. Vrag. 50-52.

van Gods kinderen in het oordeel gedacht zullen worden. Sommigen meenen ja, anderen zijn van gedachten van neen; elk denkt gelijk te hebben.

Die meenen, dat ze aldaar gedacht, en te voorschijn zullen gebracht worden, geven er deze redenen van.

Zij zeggen in de eerste plaats: zij zullen opgeteld worden tot eer van God. Gods woord, zeggen ze, zegt het. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdi\'age hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad, 2 Cor. 5:10.

Ten tweede. Het zal zijn tot verheffing van de genade Gods, zeggen ze; want er staat; uit genade zijt gij zalig geworden, Ef. 2 ; 8.

Ten derde schijnt het, dat de rechtvaardigheid van den Richter het vereischt, dat Hij zegge: eerst hetgeen tegen hen, daarna hetgeen voor hen is.

Ten vierde. Deze godgeleerden zijn van gedachten, dat de zondige daden, Gods kinderen dan niet meer zullen bedroeven; maar dat ze het gaarne zullen willen bekennen, dat ze uit genade zijn zalig geworden. Het zijn allemaal krachtige redenen voor hun gevoelen; maar anderen meenen echter van neen. Waarom?

Eerst. God heeft gezegd, dat Hij hunne ongerechtigheid niet gedenken wil; maar dat Hij ze zal werpen achter zijnen rug, Jes. 38 : 17. De Heere Jezus\' heeft er voor voldaan, die zegt, dat ze gezocht, maar niet gevonden zullen worden; Ik ken geen zonde meer in u, zegt God; in uw Hoofd zijt gij volmaakt.

Ten tweede. De vromen, zeggen ze, zullen niet geoordeeld worden naar de wet, maar naar het evangelie.

Ten derde. De Richter zelf is hun Advocaat.

Ja, ten vierde, zeggen ze: wij lezen er niets van, bij Matth. 25, daar wordt van hen geen eene zonde opgehaald; maar wel hunne deugden.

Ten laatste, zeggen ze, wij kunnen \'t bijna niet begrijpen, dat ze hunne zondige daden zonder schaamfeè zouden kunnen aanhooren; en behalve dat, hoe kan dat met den staat der heerlijkheid overeenkomen, dat al hunne zonden daar voor hun aangezicht gesteld zouden worden.

Gij zult nu zeggen; welk gevoelen van deze beide kiest gij? Wij weten \'t niet; dat zullen wij elkander kunnen zeggen, als wij daar in het oordeel zullen staan. De zonden zullen altoos de uitverkorenen buiten den hemel niet houden; al was \'t schoon, dat die opgehaald mochten worden.

Dan zal het vonnis uitgesproken worden tegen degenen, die aan de linkerhand des Richters zullen staan; en dat zal verschrikkelijk zijn. Gaat, zal er gezegd worden, weg van Mij, gij vervloekten in het eeuwige vuur, \'t welk den duivel en zijn engelen bereid is, Matth. 25:41. Ach! gij zijt vervloekt, niet alleen van uwe wieg af aan, maar ook van uws moeders lijf; in den raad van mijnen Vader zijt gij al

281

-ocr page 288-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

vervloekt geweest; ja, gij zijt vervloekt geweest in uw leven, in uw lezen, in uw bidden, in uw Avondmaal gaan, en in alles wat gij deedt; ja, gij zijt ook vervloekt geweest in uw sterven. Gij vervloekte! wat draalt gij hier langer, om van voor mijn aangezicht te vertrekken? Daar zullen zij dan staan gelijk als Haman bij Esther stond. Wat staat gij en draalt? zal de Richter zeggen: gaat weg van Mi]. Gij hebt zoo dikwijls in uw leven gezegd: wijk van ons, aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust, Job 21:14; maar nu zeg Ik tot u: gaat weg van Mij. Waar naar toe Heere? in het eeuwige vuur. Daarop zal de afgrond openbarsten. Gij hebt in uw leven zoo dikwijls gesidderd, als gi] aan den duivel dacht; maar gaat nu bij den duivel en bij al dat schrikkelijke gezelschap; dat is u bereid van voor de grondlegging der wereld; en gaat, ziet het nu eens, hoe kwaad en bitter het is, den Heere te verlaten; en dan zal de strafvoltrekking der goddeloozen geschieden. De vromen zullen het aanzien en zich verblijden, als zij de wrake Gods zien. Zij zullen zeggen: immers is er vrucht voor den rechtvaardige, immers is er een God, die op aarde recht doet, Ps. 58:12.

Als de Heere het vonnis gesproken zal hebben, zal Hij zijn engelen bevel geven. Er zal een gewemel zijn onder die menigte; zij zullen bevel krijgen om de vervloekten en verdoemden weg te drijven. Daarop zullen de engelen toeschieten, en ze regelrecht naar de hel drijven bij de duivelen, en er zal geen ter zijde gaan, noch achteruit keeren, noch vooruit vluchten aan wezen. Zi] zullen voortgedreven worden door het woord des Richters. Bij de duivelen komende, zoo zullen die zeggen: wij zijn zoo erg als gijlieden; gij moest naar ons niet gehoord hebben, zullen de duivelen zeggen; al hebben wij alle listen aangewend om u te verleiden, wij zullen nu al onze macht aanleggen om u te pijnigen. Dat is het slot van de zonden. Gij moogt de zonde wel zoo liefhebben! uw drinken, spelen, tuischen, een kluchtje in de grabbel te gooien, te loten! Het is hier alles wel: te eten, te drinken, zichzelven te vermaken. Zijt gij getroost er dat op te verwachten?

Gij die den Heere vreest, dan zult gij alleen overblijven, en dan zullen de engelen tot u zeggen: de Richter heeft ook uw vonnis uitgesproken: komt nu naar den hemel toe. Kwamen ze om Lazarus\' ziel van hier te halen en naar den hemel te brengen, zij zullen dan ook om al die vromen komen, en zij zullen zeggen: Vreest niet, maar gaat in de vreugde uws Heeren, Matth. 25:21. Wij zijn er zoolang begeerig naar geweest, om daarin te zien, hoe menscnen zalig zouden worden, maar nu zien wij het.

Dan, als ze binnen zijn, zal de Zoon Gods tot den Vader zeggen: nu zijn al de wederhoorigen gestraft, en de uitverkorenen veranderd. Daar is er geen een meer, daar wat aan te doen is. En dan zal God zijn alles in allen, en Hij zal Zich zoo mededeelen aan al de verheer-lykten; en zij zullen \'t altijd erkennen en zeggen: Heere Jezus, Gij zijt de oorzaak van onze eeuwige zaligheid; Gij hebt ons gekocht

282

-ocr page 289-

OVER DEN XIX. ZONDAG. Vrag. 50-52.

met uw bloed, Openb. 5:0. Gij zijt de verdienende oorzaak; dat wij dat genieten, is door U.

Wanneer zal nu dat gericht gehouden worden? Dat weten wij niet; dat kan ons geen mensch zeggen. Dit kunnen wij er van zeggen, dat het in de laatste tijden zal zijn, als er na dien tijd geen tijd meer wezen zal. Kindertjes, zegt de apostel, het is de laatste ure. Er is niet veel meer te vervullen in het Woord. PJr zijn maar drie of vier teekenen te vervullen. De republiek der Joden moest gesloopt worden; de vervolging door de Joden ophouden; het evangelie onder de Heidenen gepredikt worden; er moesten oorlogen en beroerten zijn; de Geest moest uitgestort worden over alle vleesch; de antichrist moest eene wonde krijgen, daar hij aan sterven zou. Beginnen wij \'t niet al klaar te zien, dat het genaakt? God zal onder de Joden nog beginnen te werken; die zullen beginnen te zeggen; wij worden nijdig op de Heidenen, die Christenen geworden zijn, dat zi) hot zoo met Christus houden.

Dat God zijne zaak en kerk nog eens heerlijk op de wereld zal doen zijn, daar spreken sommigen heel breed van. Wij zeggen: laat ons het werk van de heerlijke kerk gaan doen; en laten wij zoo de heerlijke kerk uitmaken, terwijl wij leven. Laten wij elk de hand aan \'t werk slaan. Laten wij ons niet ophouden met te zeggen, dat er dat en dat, dan en dan zal gebeuren. Hoe heerlijker dat de kerk op aarde wordt, hoe meer de Heere Jezus ons Hoofd in zijne ledematen verheerlijkt wordt. Dan moet er nog eens een verval zijn. In de wereld zullen de menschen dan zorgeloos worden, en dan zal de Richter komen als een dief in den nacht.

Geliefden? dat zijn onze stukken. Zijt gij ingespannen geweest, zoo hebben ze u moeten ter harte gaan. Hebt gij wel eens gedacht, in wat rang gij gesteld wenscht te worden? in dien der schapen, of in dien der bokken? Hoe zal \'t met mij en u gaan?

Eerst. Iemand zal zeggen; ik denk daar mijn leven niet aan. Zijt gij dan zoo zorgeloos? Ja, zegt gij; ik laat dat op God aankomen. Wel, hoe onzacht zult gij wakker gemaakt worden, evenals een Jona, die in den storm wel vast lag te slapen.

Een ander zal zeggen; Gij moogt prediken, zoo gij wilt, maar ik geloof het niet, ik geloof het alzoo weinig, als een leugenachtige tijding of een paapsch mirakel. Kunt gij die gedachten meester worden? Kunt gij denken, dat er geen oordeel zijn zal! Ja? Wel, dat gij \'t niet gelooft, spruit uit goddeloosheid; ja, \'t is niet alleen vruchteloos, maar ook goddeloos; het is tot uw eigen oneer. Zoudt gij het wel durven zeggen, dat gij \'t niet gelooft? Niemand zou achting voor u hebben. Weet gij raad met uw geweten, met zoo menige teksten uit het Woord, daar er zoovele algemeene en particuliere oordeelen al zijn gehouden? Weet gij raad in uwen dood? Of gelooft gij dat gij niet sterven zult? Gelooft gij, dat gij een beest zijt, dat

fij geen onsterfelijke ziel hebt, of gelooft gij dat dezelve alleen in loed bestaat, evenals die der onredelijke dieren? Als iemand u voorij geen onsterfelijke ziel hebt, of gelooft gij dat dezelve alleen in loed bestaat, evenals die der onredelijke dieren? Als iemand u voor

283

-ocr page 290-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

een beest uitmaakte, zoudt gi] niet gemelijk zijn; zoudt gij niet zeggen: ik ben een redelijk schepsel?

Anderen wederom zeggen: het duurt zoolang, alle dingen blijven zoo al, zoo als ze zijn; waar is de belofte zijner toekomst; want van dien dag, dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzoo gelijk van liet begin der schepping, 2 Fetr. 3:4. Geliefden! wij zouden verwonderd zijn, dat er spotters waren, had het Woord van God het zelf niet gezegd. En in alle geval blijft God wel boven zijnen ge-zetten tijd achter? Uitstel neemt de waarheid niet weg. Honderd en twintig jaren uitstel in de eerste wereld, nam de waarheid niet weg; de wateren kwamen. Dat zijn geen redenen om te zeggen, dat het niet eenmaal zijn zal.

Anderen denken: het zal daar zoo kwaad niet zijn, van God afgescheiden te zijn; ik ben er hier wel afgescheiden en ook van de vromen; zij zijn mij hier tot ballast. Weet gij hoe dat het is? Het is als een mensch die gezond is, hij weet van geen medicijnmeester; maar als hij ziek is, schreeuwt hij er om. Nu in uw leven wilt gij geen God noch vromen hebben; maar ligt er eens een koning op zijn ziekbed, daar wordt een Hoofdman met zijne vijftigen naar den profeet gezonden, 2 Kon. 1:2. Ligt er eene ziel in de hel, dan is het: laat Lazarus gaan om mijne broeders te waarschuwen. Luk. 16; 27, 28. Denkt gij: ik zal het er hebben als een ander? Maar als al de huizen in de stad eens in brand stonden, zou u dat verkwikken ? Dat gij daar in die vijf zalen met zieken waart, daar elk om \'t meest schreeuwde, zou u dat verkwikken? Denkt gij, dat gij er geen pijn zult hebben? God kan u hier zulk eene pijn doen hebben, dat gij nacht en dag schreeuwt; en wat zal \'t clan zijn? Zegt gij: patiënt; moet ik in de hel, ik heb evenwel de zonden zoo lief; ik wil het evenwel uithouden den duivel te dienen? Kiest gij dan den dood voor het leven, de hel voor den hemel? Wel, dan zult gij al te slecht betaald worden: voor eenen korten tijd de genieting der zonden te hebben, en eeuwig verloren en in de hel te moeten gaan.

Een ander zegt: ik denk, dat het mij wel zal gaan; ik beeld mij het goede in, ik hoop, ja. Denkt gij: ik ben een burgerlijk schepsel? Denk aan dien jongeling, Matth. 19:22, hij ging verloren. Zegt gij: ik houd van het prediken op de praktijk? Herodes hield er ook veel van, hij beterde zich nog al veel. Agrippa werd bewogen, en Felix werd bevreesd, Handel. 24:25. Zegt gij: ik kan zoo bidden? De Farizeën konden dat ook, zij konden zoo lang en op de straten bidden; zij gaven zooveel aalmoezen, Matth. Ü: 2, maar dat helpt al niet. Ach Heere! hoe zal \'t met ons gaan! Hoe schrikkelijk zal het daar zijn! Wij moeten voor den Ricliter komen; Hij zal ons met zijne oogen aanzien; wij zullen aangesproken worden; de boeken zullen geopend worden; de Richter zal ons elk rekenschap afvorderen; de overheid, wat kwaad zij geweerd hebben, wat goed zij bevorderd hebben. Gij werd zoo gaarne geëerd, zal God zeggen, hebt gij wel gezorgd, dat Ik geëerd werd? Daartoe had Ik u macht gegeven, op-

284

-ocr page 291-

OVER DEN XIX. ZONDAG. Vrag. BO-52.

dat gij voor mijne zaak zoudt zorgen. Predikanten! wat liadt gi] voor talenten? Hebt gij ze wel trouw en op winst aangelegd? Hebt gij de menschen wel gewaarschuwd? Hebt gij uw hart wel op de kudde gezet; de rechtvaardigen niet bedroefd; de goddeloozen niet gestijfd? Wie waren u de liefsten, of met wien hieldt gij het? De ouders zullen aangesproken worden, en afgevraagd: Hoe hebt gij u in uwe familie onder uwe kinderen gedragen? Waart gij hun een zoet, lief en aangenaam gezelschap ? Boogt gij uwe knieën voor hen tot Mij ? Hebt gij ze medegenomen onder uwe tranen, zuchtingen en gebeden? Hebt gij ze Mij opgedragen? Hebt gij ze indrukselen zoeken te geven, dat ze meer moesten hebben dan natuur? Gij zult er rekenschap van moeten geven van al uwen verzuimden tijd; van \'t misbruik des Avondmaals, van \'t bedroeven van den Geest, van uw weigeren op te merken, van uw geweten toe te schroeien. Ach Heere! hoe naar zal het zijn, als gij geen genade hebt! Weet gij, wie \'t het naarst zal hebben ?

Die, daar veel mest aan te kosten gelegd is. O, het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in dien dag, dan die veel wisten, en slechte denkers waren, Matth. 10:15. Die dienstknecht, die den wil des Heeren geweten en niet gedaan zal hebben, zal met dubbele slagen geslagen worden. Luk. 12 : 47.

Wie nog? Zulken, die anderen belet hebben, en zoeken te stuiten, en die Gods kinderen verdriet aangedaan hebben, omdat ze God vreesden. Daar staat dan de man tegen de vrouw op, de vrouw tegen den man, de ouders tegen de kinderen, de kinderen tegen de ouders. Ach God! zult gij dan moeten zeggen, ik wilde zelf niet ingaan; en als mijn kind, of vriend wilde ingaan, zoo belette ik het hem; ja, ik wendde alle listen aan, om ze van God af te trekken; wilde er iemand in mijn huis lezen of bidden, ik trok ze daar af en ik meende, dat ik zoo wel deed.

Wie nog? Zulken, die wel zoo overtuigd geweest zijn, maar het ging weer over.

Wie nog? Ach! de geveinsden, de huichelaars, die de huichelkap aantrokken.

Dan al de goddeloozen, overspelers, dronkaards. Zijn er hier geen voor Gods aangezicht? Gij hadt daar geen genade toe van doen, om dat te laten; om zulke zonden te laten.

Gi] zult in uw hart lichtelijk denken: ik vrees, dat ik het wezen zal, die buiten gesloten zal worden; ik vrees, dat mijne lamp zal uitgaan, dat er geen ware olie in is; hoort: weet gij wie geen nood heeft? Die: kent gij eens Jobs gestalte, ik zal mijnen Richter om genade bidden, zegt hij. Job 9:15. Heere, niets liever zoudt Gij mij kunnen geven, dan dat; weiger mij dat toch niet. Kent gij die gestalte: Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Menscheiihoeder? Job 7 :20. Ik kan u niet voldoen, zoo Gij lust hebt om met mij te twisten, niet een op duizend, zou ik u kunnen beantwoorden. Job 9:3. Ach, ik heb geene gerechtigheid; ik zal tot God zeggen: ver-

285

-ocr page 292-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

doem mij toch niet. Is dat zoo in uwen ganschen koers, niet maar zoo eens voor eene vlaag ? Ach! straf mij niet in uwen toorn, Ps. 6:2. Treed toch niet met mij in \'t gericht, Ps. 143:2. Vergeld mij niet naar mijne verdiensten: Zoo gij, Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere wie zal bestaan? Ps. 130:3. Heeft dat zulk eenen gesta-digen koers en werking in u? Ach! kent gij het, om als een tollenaar van verre te staan, en op uw borst te slaan, uitroepende: o God! wees mij arm zondaar genadig. Luk. 18:13. Kent gij dat uitroepen: wat moet ik doen om zalig te worden? Kent gij dat: mijne ziel kleeft u achter aan? Kent gij dit? Als een hert schreeuwt naar de wateren, zoo schreeuwt mijne ziel naar God, Ps. 42: 2. Ik kan niet zonder ü leven, ik kan U niet missen, Heere! wien heb ik nevens ü in den hemel; nevens U lust mij ook niets op de aarde, Ps. 73:25. Ik wil liever alles missen, en in ü, Heere Jezus! gevonden worden, als alles te genieten, en buiten U te zijn. Kent gij dat: Ik kan niet langer uw vijand of vijandin meer zijn; ik ben het zondigen moede; ik ben niets in de wereld zoo moede als de zonden; ik ben zoo bekommerd, Heere! geef mij toch eens licht in mijn hart; verwerp mij niet van uw aangezicht: zeg tot mijne ziel: Ik ben uw heil. Ach Heere! ik hoop, dat ik standvastig zal zijn; dat en dat is mij al overkomen; maar mijn voet is uit uw pad niet geweken; ik weet niet, dat ik ooit met opzet trouweloos aan uw verbond geweest ben ? Zulk een zal \'t wel gaan. Hebt gij der schapen gestalte; gij zult ook der schapen plaats en vonnis hebben; maar hebt gij der bokken gestalte; gi] zult ook der bokken plaats en vonnis hebben; of God mocht Zich nog over u ontfermen. Daartoe laat Hij prediken, opdat gij door den schrik des Heeren bewogen mocht worden tot bekeering, geloof, en gehoorzaamheid.

Geliefden! die van u bereids licht mochten hebben, zijt niet nijdig over het geluk der goddeloozen hier; het is hun alles, hier slechts een jaar tien of twintig mm of meer voorspoed te hebben; en wat is dat te vergelijken bij hiernamaals eeuwig ongelukkig te zijn? Dan zal een Farao wel wenschen, dat hij een Mozes geweest was en een Ezau, dat hij Jakob geweest was; en een Bileam, dat hij zijn ezel geweest was; en een Judas, dat hij een Petrus geweest was. Vromen! benijdt het den goddeloozen niet, zij hebben weinig genoeg, al hebben ze eenige jaren weelde.

Ten tweede. Houdt toch uwe bewijzen klaar voor de eeuwigheid, wanneer en waar en hoe gij bekeerd zijt. \'t Mocht eens stormen op het einde, als gij zult moeten overgaan. Daarom houdt uwe gton-detjes klaar, bij welke gij besluiten moet, dat het u daar wel zal gaan. Vraagt het dikwijls aan God, of \'t u daar wel zal gaan?

Nog eens. Hebt gij veel liefde tot degenen, die des Heeren zijn, al is \'t een arme naar de wereld; zoo weest blijmoedig. Zijt gij een heilige in uwen wandel; gij kunt niet te stipt zijn in uw leven. Waakt dan en verlangt naar de komst van den Heere. De kwaden zeggen: Ach! kwam die dag nooit! De goeden zeggen met de bruid:

28G

-ocr page 293-

OVER DEN XIX. ZONDAG. Vraö. 50- 62.

287

kom baastelijk, ei kom Heere Jezus! God heeft een tijd gesteld, op welken Hij komen zal. Heft dan uwe hoofden omhoog, want uwe verlossing is nabij; en dan zult gij met uw hoofd naar binnen gaan; dat zalige hoofd zal al de leden binnen brengen. Dan zal \'t zijn: al de vrienden binnen, en al de vijanden buiten, eeuw uit, eeuw in. Dien God hier genade gegeven heeft, zal Hij hierna in heerlijkheid bren-en. Dat is het lot der oprechten; ziet naar den vronie, en let op en oprechte, want bet emde van dien man zal vrede zijn. Dat wensen ik u, en ons allen. Amen.

-ocr page 294-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XX. Zondag. Vrag. 53.

Twintigste Zondag.

53. Vkaag. Wat gelooft yij van den II. Geest?

Antwoord. Eerstelijk, dat J lij te zamen met den Vader, en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten andere, dat Hij ook mij gegeven is, dat Hi] mij door een oprecht geloof, Christus, en al zijne weldaden deelachtig make; mij trooste, en bij mij eeuwiglijk blijve.

Wij lezen, 1 Joh. 5: 7. Drie zijn er die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn een. Gij zult zeggen: dat is een gemakkelijke plaats, die hebben wij al van jongst op gekend. Ja maar, ik weet niet, ot gij ze wel verstaat. Zij is van eenen grooten inhoud. Wat zegt de tekst? Die zegt, dat er drie personen zijn in \'t Woord bekend. Er zijn menigte van plaatsen, die dat aantoonen, als Ps. 45:8. Daarom heeft u, o God! uw God gezalfd. Ps. 33:6. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir, Hagg. 2:5, 6. Ik ben met u, spreekt de Heere der heir-scharen; met het Woord, in \'tvvelk Ik met u een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt; en mijn Geest, staande in het midden van u.ij lezen, 1 Joh. 5: 7. Drie zijn er die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn een. Gij zult zeggen: dat is een gemakkelijke plaats, die hebben wij al van jongst op gekend. Ja maar, ik weet niet, ot gij ze wel verstaat. Zij is van eenen grooten inhoud. Wat zegt de tekst? Die zegt, dat er drie personen zijn in \'t Woord bekend. Er zijn menigte van plaatsen, die dat aantoonen, als Ps. 45:8. Daarom heeft u, o God! uw God gezalfd. Ps. 33:6. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir, Hagg. 2:5, 6. Ik ben met u, spreekt de Heere der heir-scharen; met het Woord, in \'tvvelk Ik met u een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt; en mijn Geest, staande in het midden van u.

Wat zegt de tekst nog? Dat er drie in den hemel zijn, Ps. 11:4. De Heere is in het paleis zijnef heiligheid, des Heeren troon is de hemel.

Wat zegt de tekst nog? Dat elk persoon een getuige is. De Vader is een getuige. Job hief zijn hart in zijne onnoozelheid eens op, en zei: in den hemel is mijn getuige. Jol) 16:19. Hoe dikwijls doet het Paulus, 2 Cor. 1:23. Ik roep God aan tot een getuige over mijne ziel. De Zoon is een getuige, Openb. 1:2, en Openb. 3:14; daar wordt Hij de Amen, de trouwe, waarachtige Getuige genaamd, en Openb. 19:10. Het getuigenis van Jezus is de geest der profetie. De Geest is ook een getuige, Ps. 89:36—38. Ik heb gezworen bij mijne heiligheid en de getuige in den hemel is getrouw; daar wordt de H. Geest genaamd do getrouwe Getuige in den hemel. Zoo ook, Rom. 8:16, Dezelfde Geest getuigt met onzen Geest, dat wij kinderen Gods zijn.

-ocr page 295-

OVER DEN XX. ZONDAG. Vraag BB.

Wat getuigen nu die drie Personen? Dat ze één in wezen zijn; en zij getuigen ook wat ze worden willen voor een armen zondaar.

De Vader getuigt van den uitverkoren zondaar: Ach! zegt Hij, Ik heb eene verkiezing voor u, een eeuwig voornemen ten goede; Ik heb een Middelaar voor u, die aan mijne gerechtigheid voldoen zal; Ik heb een vaderlijk hart over u; mijne vriendschap, mijne liefde is voor u.

Wat getuigt de Zoon? Ik heb mijne Middelaarsbediening voor u; Ik heb aan \'s quot;Vaders gerechtigheid voor u voldaan, door lijden, ge-hoorzaamheid en voorbidding; mijne kracht en sterkte is voor u; mijne heiligheid en heerlijkheid is voor u; al wat Ik heb is voor n.

Wat getuigt de derde Persoon, de Heilige Geest? Al mijne hemel-sche gaven en werkingen zijn voor u; al wat de Vader en Zoon voor u heeft, dat zal Ik in u werken, en daar zal Ik u toe brengen. Dat getuigen nu die getuigen in den hemel onder de engelen; en daardoor raken ook die begeerig om in het werk der verlossing in te^ zien, 1 Petr. 1 :12. Wij wilden wel, dat wij \'t wisten, hoe dat is, zeiden de engelen. Zij getuigen het onder de geesten der volmaakte rechtvaardigen, die er den Heere hunne dankzegging over toebrengen. Zij getuigen het ook op de aarde in het Woord, en in de bediening van hetzelve, en in de harten : de Drieëenige God getuigt dat in de harten van zijne kinderen. Wij hooren zijn getuigenis, en wij weten dat zijn getuigenis waarachtig is: In den mond van twee\' of drie getuigen bestaat alle woord.

\'t Is eene groote vergenoeging en vermaak het getuigenis van den Drieëenigen God te mogen hooren in zijne kerk; maar nog meerdere vergenoeging is het in de harten van\' Gods kinderen, als Hij hen vreugde en blijdschap doet hooren, en als Hjj tot hunne ziel\'zegt: Ik ben uw heil, Ps. 35:3. Het is zoo vermakelijk om daaraan te denken, dat ze het hun leven niet willen vergeten het getuigenis van de drie Goddelijke personen.

Men getuigt en spreekt dikwijls van het getuigenis van den Vader en van den Zoon; maar als men aan den derden Persoon den II. Geest komt, \'t zij predikant, t zij lidmaat, daar spreekt men dikwijls niet veel van; en dat, daar wij in de dagen des Nieuwen Testaments zijn, daar de derde Persoon in plaats van den Tweede gekomen is. Waar komt het vandaan, dat predikanten on lidmaten zoo weinig van God den Heiligen Geest spreken? Dat is, omdat er zoo weinig van het binnenwerk in hen gevonden wordt. Als gij van God den Heiligen Geest spreekt, dan spreekt gij allermeest van God den Vader en den Zoon. Daarom komt onze zeer geleerde Onderwijzer, en zegt: Ik heb van den Vader en zijn werk, van den Zoon en zijn werk, en hoe dat gij er deel aan krijgt, gesproken, nu ga ik over, om de oeconomie of huishouding van God den Heiligen Geest te verhandelen, en dat doet Hij van den 20stou Zondag af tot het einde van den Catechismus toe; en daar toont Hij, wat dat het binnenwerk is in de bedeeling en toebrenging. Dan kómt Hij tot de dankbaarheid, dan

19

28!)

-ocr page 296-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

tot het bidden. Hier begint Hji deze stoffen te verbandelen, en dat duurt tot den 528ten Zondag tóe, zoodat gij niet moet denken, met den 20sten Zondag is het gedaan.

Wij beginnen dan heden onder Gods vriendelijke lankmoedigheid van God den Heiligen Geest, te spreken. Ach! mochten wij kunnen zeggen, hetgeen de Heere Jezus eens zeide, Matth. 18:20, Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben Ik in het midden van hen.

Om dit nu te verhandelen, moeten wij zien, waarom God de Heilige Geest een Geest, een H. Geest genoemd wordt; ook moeten wij zien, dat Hij een Persoon is, en meteen moeten wij zien, dat Hij een Goddelijk Persoon is; dan, dat Hij een onderscheiden Goddelijk Persoon is, onderscheiden van den Vader en van den Zoon; daarna moeten wij het binnenwerk zien, en meteen wat het zeggen wil: ik geloof in den Heiligen Geest.

Eerst. Moeten wij zien, wat wij door het woord Geest en Heilige Geest verstaan moeten.

Ten tweede. Kunt gij merken, dat Hij een zelfstandig Wezen is.

Ten derde. Moeten wij zien, dat Hij God is.

Ten vierde. Dat Hij onderscheiden is van de twee andere Personen.

Ten vijfde. Moeten wij zien het werk dat Hij doet in het hart van dezulken, daar God in zijn eeuwig voornemen het goede voor heeft vastgesteld.

Ten laatste. Staat ons te zien, wat het is in Hem te gelooven.

quot;Wat het eerste aangaat: deze Zondag is gericht tegen de oude ketters, tegen de Manicheën, tegen de Arianen, tegen de Socinianen, tegen de Remonstranten en tegen de Mennonisten. Als gij wilt weten, omtrent dit leerstuk, tegen wat partijen het verhandeld wordt, zoo zeggen wij u, dat het ingericht is tegen die wij u daar hebben opgenoemd. Wat beduidt het woord Geest in de Schrift, en wat beduiden de woorden Heilige Geest? Die beduiden de derde Goddelijke Persoon in de aanbiddelijke Drieëenheid en zijne gaven. Dat Hij zoo genaamd wordt, bewijzen wij uit Matth. 28:19; daar zegt de Heere Jezus tegen zijne discipelen: Gaat henen, onderwijst alle volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes. En 1 Joh. 6:7, daar kunt gij zien, dat er de Persoon door verstaan wordt. De gaven worden ook de Heilige Geest genoemd. Als ze van de gaven spraken, of die nog niet uitgestort waren, zoo zeide Paulus: Hebt gij den H. Geest ontvangen? Hand. 19:2. Hij sprak van de gaven, en hij noemt die den H. Geest. God heeft den Geest uitgestort, en dat waren de gaven. De partijen verstaan door den 11. Geest maar alleen de gaven of kracht Gods. Maar wij verstaan er door den derden Goddelijken Persoon.

Maar waarom wordt Hij Geest genaamd? en waarom Heilige Geest? Hij wordt Geest genoemd vanwege zijnen uitgang, en vanwege zijne manier van werken. Hij werkt door Zichzelven, vanwege zijnen uitgang. Hij gaat gelijk als de adem uit iemands mond. Joh. 20:22,

290

-ocr page 297-

OVER DEN XX. ZONDAG. Vraag 53.

Hij blies op hen, en zei: ontvangt; den Heiligen Geest. Hij is de adem des Almachtigen Gods, Job 33:4. Hij wordt Geest genoemd, vanwege zijne wijze van werken. Hij werkt als een wind, zoo vrijmachtig. Men weet niet waar, wanneer, of op wat manier Hij werken zal. Nog eens:

Zijn werk zelfs is geestelijk; het is iemand van zonden te overtuigen; geestelijk levend te maken.

llij wordt H. Geest genoemd. Om welke redenen? Is Hij dan heiliger dan de Vader of dan de Zoon? Neen; die worden ook heilig genoemd, Joh. 17:17. Heilige Vader, zegt de Heere Jezus, heilig ze in uwe waarheid. De Zoon wordt ook heilig genoemd. Daarom zeide de engel. Luk. 1 :35. Het heilige, dut uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Maar God de H. Geest wordt heilig genaamd wegens zijn werk, omdat Hij het werk der genade in het hart van Gods kinderen begint door overtuigingen; en Hij zet het door in heiligmaking, en eindigt het in heerlijkheid, 2 Thess. 2; 13, 14.

Wat zeggen nu partijen daartegen?

Neen, zeggen partijen, door den H. Geest moet gij den persoon niet verstaan; maar alleen zijne gaven. Wij zeggen: wi] zullen het u bewijzen, dat llij een Persoon is, die op Zichzelven bestaat op een wijze, die onuitsprekelijk is. Wij bewijzen het aldus, en wij vragen, of iemand, die verstand en wil heeft, en kracht om te werken, of dat geen persoon is? De H. Geest nu heeft dat alles, 1 Cor. 2:10. Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods, 1 Cor. 10:2. liin die verschijnt, is dat geen persoon? Hij is verschenen in de gedaante van een duif, Matth. 3:16. En Hand. 2:3, onder de gedaante van vurige tongen die op de apostelen zaten. Wij voelen Hem nog werken in ons: Hij getuigt, Hij troost, Hij overtuigt; kan dat wei iemand doen, die geen persoon\'is? Hij maakt levend uit den dood der zonden. De Geest van God werkt zoo, dat kunt gij zien uit de Schrift. Filippus wordt van de koets des kamerlings weggenomen, Hand. 8:39, 40, en hij werd te Azote gevonden; de Geest nam hem weg en de kamerling zag hem niet meer. Hij wordt in het Woord in dezelfde plaats en order met de twee andere Personen gezet, Matth. 28:19, en 1 Joh. 5:7, zonder eenig teekentje van onderscheid. Partijen, zeggen wij, verstaan er door eene gave, en anderen zeggen: Hij is eene kracht Gods; maar beneemt dat daarom, dat Hij een Persoon is? De Heere Jezus wordt ook eene gave genoemd. Joh\'. 4^:10. Vrouw, indien gij de gave Gods kendet, en wie het is, enz. Eene verstandige vrouw, zegt Salomo, is van den Heere, Spr. 19:14. Dat is eene gave van den Heere.

Anderen wederom zeggen: llij is de kracht Gods, iets dat in God is, wij weten \'t zelfs niet, wat wij er van maken zullen. Luk. 1 :35. Ik antwoord: De Heere Jezus wordt ook de kracht Gods genaamd, 1 Cor. 1:24. Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods. Simon

291

-ocr page 298-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

de toovenaar wordt ook de groote kracht Gods genoemd, Hand. 8:10.

Ja maar, zeggen ze, de bediening van \'t evangelie der vervulling noemt Paulus zoo, 2 Cor. 3, en dat verstaan wij er door. Paulus onderscheidt den Persoon van de bediening, als gij er maar opmerkt vers 17, al waar Hij zegt: De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is,\' aldaar is vrijheid. . tj-

Daar hebben wij nu al die reden weggenomen; en gezien, dat Hij

een persoon is. , , , . • tt--o

Nu zal er van zelfs in uwe gedachten komen, hoe groot is Ui] r Hij is God bovenal te prijzen in der eeuwigheid;^de waarachtige God, die eens wezens is met den Vader en met den Zoon.

Ja wel, zeggen ze, zoo gij dat bewijzen kunt, zult gij veel gewonnen hebben. Dat nu zullen wij klaar en ordentelijk doen.

Eerst. Hij draagt die namen, die God alleen eigen zijn. De Heere alleen leidde ze in de woestijn, Deut. 32 : 11, 12. Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, neemt ze en draagt ze op zijne vlerken. Zoo leidde hem de Heere alleen. Wie was die Heere? Jes. 63:14, daar staat het: De Geest Gods heeft ze geleid, gelijk een beest dat afgaat in de valleien, heeft de Geest des Heeren rust gegeven; zoo hebt Gij uw volk geleid, opdat Gij u eenen heerlijken naam zoudt maken. Wilt gij den naam van Heere hebben, ziet dan Jes. b:3, Jer. 31 :33, Hebr. 10:15, 10. Wilt gij den naam van God hebben, ziet dan Hand. 5:4. Wel! Ananias! wel Saffira! hoe hebt gij den duivel zoo in uwe harten laten varen? Wat hebt gij samen overeengestemd, dat gij den H. Geest liegen zoudt? gij hebt den mensch niet gelogen, maar Gode. Zoo ook 1 Cor. 3:16. En weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont? Bij dat alles zoo zult gij vinden, dat al de paarlen, die aan de Goddelijke kroon zijn, al die verrukkens-machtige volmaaktheden die het wezen Gods toebehooren, die alle heeft de H. Geest. Hij heeft eene oneindigheid in tijd, in plaats, in kennis, in vrijmacht, in sterkte en kracht.

Ten tweede. Hij is oneindig ten aanzien van plaats; wi] kunnen voor Hem niet vlieden, noch ons verbergen, Ps. 139:7, Waar zou ik henengaan voor uwen Geest? en waar zoude ik henenvlieden voor uw aangezicht? Ziet gij wel, dat gij u niet voor Hem verbergen kunt?

Hij heeft eene eeuwigheid van voren en van achteren; Hij heeft geen tijd. De Geest Gods zweefde op de wateren. Gen. 1:2.

Ten derde. Hij bezit eene oneindigheid van kennis en verstand; Hij is wijzer dan\' al de, wijzen, die er ooit geweest zijn. Hij doorzoekt de\' diepten Gods, 1 Cor. 2:10. Het boek Gods had zegelen, en had Hij ze niet opengebroken, het had voor ons verzegeld gebleven. Ik doorzoek het allerwijste, ik ontdek het, zegt de Geest.

Partijen zeggen: iets te onderzoeken is een teeken, dat men t niet weet. Wij antwoorden: Er wordt van God gezegd, dat Hij harten en nieren beproeft, Ps. 26 :2. Is dat dan te zeggen, dat Hij ze niet kent? Neen; maar \'t is te zeggen, dat Hij ze door en door kent. De Geest

292

-ocr page 299-

OVER DEN XX. ZONDAG. Vraas 53.

moet ons verlichte oogen des verstands en klaarheid geven, om in te zien in de verborgenheid des Heeren; Hij weet alle dingen. Is dat geen alwetendheid, dat Hij de heilige mannen duizenden jaren te voren dingen heeft laten beschrijven, die op den rechten tijd hunne nette vervulling gekregen hebben?

Ten vierde. Hij is oneindig in zijne vrijmachtige werkingen te openbaren. Deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, deelende een iegelijk in \'t bizonder, gelijk Mij wil, 1 Cor. 12:11. Hij wordt wel gezonden van den Vader en van den /oon, maar Hij werkt ook zeer vrijmachtig.

Ten vijfde. Hij is oneindig in sterkte. Zoo het aan de kracht komt, ziet Hij is sterk, Job 9:19. Al was het dat gij een duivel in uw hart hadt, Hij zou u kunnen stuiten in uwe kwade voornemens; al was uw hart een diamant, Hij doet het als was versmelten; de arm Grods wordt alsdan geopenbaard, Jes. 53:1. Al hadt gij er geheel uw leven tegen gestaan, dat de Geest in u werken zou. Hij doet het evenwel. Paulus had er geen zin in; hij had het zoo lang tegengestaan, maar de Geest houdt hem staande. Daar hebt gij de verruk-kensmachtige volmaaktheden.

Daarbij komt, dat Hem ook het werk Gods wordt toegeschreven. Het scheppen van de groote en kleine wereld, wordt den H. Geest toegeschreven. Door de kleine wereld verstaan wij den mensch. Daarom zegt Job, Job 33:4, De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. Door den Geest van Gods mond, is het geheele heir van de groote wereld geschapen. Zoo wordt er gezegd, Ps. 33:6, Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun he\'ir. De onderhouding van die beiden wordt Hem mede toegeschreven. Zendt gij uwen Geest uit, zoo worden ze geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks, Ps. 104:30. Hij werkt ookquot; wonderwerken en mirakelen. Als Mozes al die wonderwerken deed in Egypte, zoo moesten ze gedurig zeggen: dit is de vinger Gods. Krachten van gezondmaking werkt Hij; het is niet uit te drukken, mochten de apostelen zeggen, wat ons al gegeven wordt. Hij zal ook ons dood lichaam uit het graf opwekken. Rom. 8:11, En indien de Geest Desgenen, die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest, die\'in u woont. Uit de asch van den eersten tempel zal Hij een heerlijker tempel maken, als^de eerste was. Wilt gij aan de geestelijke werkingen komen, dat zijn alle teekenen en wonderen. Gij ziet geen een kind Gods, of \'t is al zulk een groot teeken en wonder, alsof gij Bileams ezelin zaagt spreken, die was nog geen vijand Gods; maar een zondaar vecht en strijdt tegen God. Daar wordt dan een doorn een denne-boom, en een distel een myrtenboom, Jes. 55:13. \'t Is gedaan, zeggen ze, als dat gebeurt. Ach ! zeggen ze, ik kan nu uw vijand niet meer zijn. Wat wilt Gij, dat ik doen zal, Heere? zegt Saulus, toen

293

-ocr page 300-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

de Heere hem op den weg naar Damaskus verscheen, Hand, 9:6. Hij overtuigt; Hij maakt de dooden levend; Hij geeft den blinden het gezicht; Hij geeft ze lust om voor God te leven, die van te voren geen lust hadden, ja zelfs tegen den lust streden; Hij maakt hun steenen hart tot een vleezen hart, Ezech. 11: 19.

Behalve dat, al de eere, die God toekomt, wordt Hem gegeven; en gij moet niet denken, dat gij Hem dan te groote eer geeft, als gij Hem Goddelijke eer geeft. Wat is dat dan voor eene eer? Eer van aanbidden, van in zijnen naam gedoopt te worden. Gij moogt Hem ook niet bedroeven, Et. 4:30. Gij kunt tegen Hem zondigen de onvergeeflijke zonde, Matth. 12:32.

Moeten wij Hem aanbidden? Dat is een groot dispuut, zeggen de Socinianen; kunt gij daarvan ons een gebod en een voorbeeld geven? Ja, Sociniaan! wij zullen u voorbeeld en gebod beide geven uit het Oude en Nieuwe Testament. Een voorbeeld in het Oude Testament hebt gy, Hoogl. 4: 1(3, Ontwaak, noordenwind! zegt de bruid, en kom, gij zuidenwind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien. Zij wenschte zoo hartelijk om den invloed van den H. Geest zonder bepaling; wilt gij ons hard of zacht leiden, als uw werk maar in ons hart is, wil zij zeggen. Ezech. 37: 9. Daar hebt gij dit gebod. Men-schenkind, profeteer tot den Geest; en dat is daar te zeggen: bid den Geest; namelijk: dat Hij wilde aankomen van de vier winden, en blazen in de dooden, opdat zij levend mochten worden. Dat nu dat profeteeren hetzelfde gezegd is als bidden, dat bewijzen wij uit 1 Oor. 11:4. Een iegelyk man, die bidt of profeteert, staat er. Meer zullen wij daar niet van zeggen.

In \'t Nieuwe Testament hebt gij ook dat voorbeeld en gebod. Is Hij direct aangebeden? Ja! 2 Oor. 13:13, De gemeenschap des H. Geestes zij met u allen. Amen. En Openb. 1:4—8. Is er een gebod, dat Hij moet aangebeden worden? Ja, Matth. 9:38, Bidt dan dien Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. En Hand. 13:2, Als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mi] af beiden Paulus en Barnabas. De predikanten werden altemet door den Geest verhinderd te prediken, daar ze meenden naar toe te gaan; ja, altemet kwam de Geest in de gedaante van een Macedonisch man en riep: kom over in Macedonië en help ons, Hand. 1G: 9.

Wij worden ook in zijnen naam gedoopt, en zoo moeten wij Hem onze gehoorzaamheid geven, en ons vertrouwen op Hem stellen; en dat mag men aan niemand doen, dan aan God. Gij kunt tegen Hem zoo zondigen, dat gij Hem bedroeft, Ef. 4:30. God wil niet, datzyne kinderen dat doen. Bluscht Hem dan niet uit. Gij hebt er zulk eene gewoonte van dat te doen. Is er iemand, die wat vurig is, daar komen er meteen wel tien om hem uit te blusschen; daar is altemet een kind Gods. dat zoo vurig is, zoodat ze \'t niet kunnen terughouden; en daar komen meteen die anderen en zeggen: gij moet u wat stil houden, \'t Is alsof ze de brandklok luiden om zulk een uit te

294

-ocr page 301-

OVER DEN XX. ZONDAG. Viuag 53.

blusschen. Gods Geest zegt: bluscht Mij niet uit, noch in nzelven, noch in een ander; doet uw best daartoe niet. Bedroeft Mij niet, gij y.ijt door Mij verzegeld; doet Mij geen smart aan, want dan zou Ik eveneens moeten zijn, als een vader die tegen zijn kind /.egt: gij bedroeft Mij. Dwingt Mij toch niet, dat Ik u weer bedroef; stelt u zoo niet aan, dat Ik zou moeten zeggen: gij zijt Mij tot smart; anders geef Ik u aan de kwellingen des duivels en aan uwe eigene driften over, en aan uw eigen verstand, en dan geraakt gij in een groot verstel van zaken.

Wij bewijzen nog daarenboven, dat de Heilige Geest God is, daaruit, omdat gij tegen Hem die onvergeeflijke zonde kunt zondigen, die zonde tot den dood, 1 Joh. 5: 1G, Hebr. 6:4. Het wordt in het Woord meermalen gemeld, dat er in eeuwigheid geen vergeving voor is.

Gij zult zeggen: Hoe komt dat, is Hij dan een grooter Persoon dan de Vader, en dan de Zoon? Zondigt men tegen den Vader, en tegen den Zoon, het is vergeeflijk; hoe is dat zoo, dat als men zondigt tegen den H. Geest, dat er dan geen vergeven meer aan is?

Kort. Als men tegen den Vader zondigt, zoo is er nog een Middelaar, en een Geest, om ons te overtuigen; en als gij tegen den Zoon zondigt, is er nog een Geest, om u te bewerken; maar als gij tegen den Geest die onvergeeflijke zonde zondigt, dan is er in eeuwig-beid geen middel om ons te overtuigen, of om ons te brengen tot versmelting des harten, tot weekheid, of\' tot bekeering. Dan werpt gij den Vader, en den Zoon, en alles weg.

Nu zijn er onder Gods kinderen die zeggen: die zonde heb ik begaan. Zij hebben altemet voor hunne bekeering groote en schrikkelijke zonden begaan, met verzwarende omstandigheden; en dan zegt de duivel: gij hebt de onvergeeflijke zonde begaan; en dat kost menige vleesch en bloed, en \'t doet hun zoo /.eer. Maar, om bet u met een woord te zeggen, hadt gij ze begaan, het zon u nooit berouwen; gij zoudt er nooit klopping in uw hart over hebben; gij zoudt er uw leven niet over ontsteld zijn; gij zoudt er blijde over zijn; gij zoudt niet wenschen, of gij hadt ze gedaan. Scheelt dat nu niet schrikkelijk veel van er over te schreien en te zuchten ? Zoo gij ze gedaan hebt, en dat gij er zulk een berouw over bebt, \'t is onmogelijk dat gij ze gedaan hebt. Wij hebben u drie mannen voor te stellen, waar gij \'took aan kunt weten, namelijk Judas, Petrus enPaulus; een van die drie heeft ze begaan, maar twee van die drie niet. Judas deed het wetens en willens, dat hij die zonde beging, en zijn Meester verloochende zonder drang; hij heeft wel berouw gehad, maar geen recht berouw, een wanhopend berouw, dat hem bet leven kostte; maar Petrus verloochende zijnen Heere ook wel wetens, maar niet willens; hij deed het uit vrees voor den dood; hij heeft ook een waar berouw getoond. Paulus, die zoo schrikkelijk woelde, dat hij er zijn vermaak in had de menschen te dwingen dat ze den naam van den Heere Jezus zouden lasteren, hij deed het willens, maar niet wetens. Had hij \'t geweten, hij had ook aan de onvergeeflijke zonde,

29B

-ocr page 302-

OATEOHISMÜS-PIIEDIKATIB

aan de zonde tegen den H. Geest vast geweest. Edoch, nu niet, en boven dit, zoo heeft Gods Geest hem tot een waar berouw gebracht. Dat is nu \'t onderscheid, en dat is zoo zwaar niet; leert het uwen kinderen, opdat zij \'t kennen en zich wachten zich daaraan te vergrijpen. Zietdaar dan, de H. Geest is God, eens wezens met den Vader en den Zoon; en nochtans is Hij onderscheiden van den Vader en van den Zoon. Zij zijn onderscheiden in naam; de eerste Persoon heet Vader, de tweede Zoon, de derde Heilige Geest. Zij zijn onderscheiden in werkingen: de Vader werkt van Zichzelven door den Zoon, en door den H. Geest; de Zoon werkt van den Vader door den H. Geest; de H. Geest werkt van den Vader en van den Zoon door Zichzelven. De Vader verkiest en straft; de Zoon lijdt en bidt; de H. Geest werkt in \'t hart van de uitverkorenen.

Nu 1 iomen wij vanzelf tot de binnenwerkingen, dat is dat andere stuk, daar de Onderwijzer van zegt: Ten andere, dat Hij ook Mij gegeven is. De persoon en zijne gaven worden gegeven van den Vader en den Zoon. Hij wordt aan mij gegeven en als Hij aan mij gegeven wordt, dan doet Hij zijn werk. En wat doet Hij clan? Ge-lielden! hier zal het op aankomen. Hij wordt mij gegeven. Het is een geschenk van den Vader en van den Zoon, Joh. 20:22, zegt de Heere Jezus: ontvangt den H. Geest. En, liom. 8:15, zegt Paulus: Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze, maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen. Is Hij mij gegeven, dan moet ik een uitverkoren vat wezen. Hebt gij den Geest van binnen in u, dan zijt gij een uitverkorene. Dat zal in eeuwigheid niet missen: heb ik en gij den Geest, dan zijn wij uitverkoren van den Vader, dan staat onze naam in het boek des levens. De Geest is niet aller, maar der uitverkorenen Gods. Daar is niet eene gave die zaligmakend is, in een verworpeling: het is de Geest der uitverkorenen. Gal, 4 : 6. De wereld kan Hem niet ontvangen, want zij ziet Hem niet, noch zij kent Hem niet. Joh. 14:17. Een verworpeling zal Hem ook niet ontvangen.

Gij hebt eene harde zaak begeerd, zeide Elia tegen Eliza, als hij twee deelen van zijnen geest begeerde, bij zijn wegvaren ten hemel, 2 Kon. 2:9, 10. En dat is ook eene harde vraag; te weten, of de Geest Gods ook niet wel aan verworpenen gegeven wordt? De Geest Gods wordt er wei aan gegeven, maar niet de Geest van Christus, die de Geest van het genadeverbond is. Is er dan nog een ander persoon, die aan hen gegeven wordt? Neen; maar diezelfde persoon heeft meer dan eene betrekking. Wat voor gaven geeft Hij aan de verworpenen ? Burgerlijke, kerkelijke, gemeene en politieke gaven. Daar zijn gemeene bewerkingen onder de bediening van het genadeverbond: wat voor burgerlijke gaven zijn er in schranderheid en gauwheid, om kunstige werken te maken, Exod. 31:1—6. Bezalëel en Aholiab kregen den Geest om allerlei kunstige werken te maken. Neemt eens. God wil iemand groot maken, en tot de regeering brengen. Hij vindt er of Hij maakt er hem toe bekwaam, 1 Sam.

296

-ocr page 303-

OVER DEN XX. ZONDAG. Vraao 53.

297

10:0. De Geest Gods werd vaardig over Saul, daarna week Hij van hein, en Hij werd aan David gegeven. Let eens op Sirason: hij werd somwijlen door den Geest in de woestijn gedreven, om groote dingen te doen, tot redding voor Gods volk, en nochtans daar kan men mede in de hel vallen. Die het eéne talent ontvangen had, kon ook al wat doen voor de Kerk; maar het was niet dan natuur. De Heere geeft wel groote gaven tot opbouw van zijne Kerk, en daar kan iemand mee verloren gaan. Dat ziet gij bij Matth. 7 :22, Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan? Eu de Heere zal echter zeggen: Ik heb u nooit gekend, namelijk, waar gij uzelven voor kendet, gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid werkt. Ziet gij het wel, men kan den Geest Gods krijgen. Onder de bediening van het genade-verbond wordt altemet zoo klaar en rechtuit gesproken, zoodat gij wel eens een neep in uw gemoed krijgt, zoodat gij wel moet zeggen: mijn God! ik vrees dat miju werk niet goed is. Wij hebben er van ons leven gezien, dien de tranen uit de oogen berstten; maar het was maar een morgenwolk: Zij begonnen met den Geest, maar eindigden met het vleesch. Meent gj], dat wij gelooven, dat gij altijd ongemoeid gaat? Daar komt wel eens een voornemen om anders te gaan leven: gij wordt altemet eens gemoeid ter gelegenheid van het Avondmaal. Wat had Bileam vele en groote gaven des Geestes! en Judas buiten twijfel ook, en ze gingen echter naar den duivel. Wij blijven er dan bij, het moet een uitverkorene zijn, daar de Geest van Christus in is. \'t Is met den vrome gelijk er Num. 14:24 staat, dat er een andere geest in Jozua en Kaleb was, als in de andere verspieders. Zoo was Daniël een man, in welken de geest der heilige goden was. Dan. 4 :8. Als het de Geest van Christus is, wat doet die dan ? Die komt op het stondetje der minne, in Gods eeuwigen raad bepaald, en die wordt hun geschonken. Zij zitten onder de bediening, zij komen er als eene Lydia, met een gesloten hart, en zij gaan er uit met een geopend hart. Zij zijn als die op den Pinksterdag: zij raken verslagen zij krijgen een nieuw leven; zij komen als een Nikodemus, een discipel bij nacht: zij gaan onbekeerd weg, en komen bekeerd weder, Joh. 3. Hij doet aan hen hetgeen Elia aan Eliza deed, hij wierp zijnen mantel op hem, en meteen verliet hij de runderen en volgde Elia na, 1 Kon. 19:20. Hij kan het er niet meer bij harden; wat heb ik u gedaan? zeide Elia; ik weet het wel, zeidè Eliza in zijn hart, en hij volgde hem. \'t Kan niet verborgen blijven. Gij gin\'gt zonder bidden, gij gingt niet te kerk, maar dan is liet: is dat prediken! is dat een hoofdstuk! staat die tekst in den Bijbel? Is dat werk Gods niet te kennen? Daar wordt gebeden; \'t is\'alles in rep en roer. In \'t eerst, al weet gij niet wat gij er van maken moet, het zal wel voor den dag komen. Uw verkeeren, uw gezelschap zal er wel wat leelijks van maken; maar God niet. \'t Is een nieuw leven. Gij wordt als een omgekeerd kleed. Waar gij te voren zoo mede ver-

-ocr page 304-

CATEOHISMUS-PREDIKATrE

298

maakt en opgenomen waart, hebt gi] nu een afkeer van; en dat schreeuwt gij uit. Als de Heere dan zoo in hen belieft te werken, ach, hoe aangenaam is het! \'t is hun altijd even lief. Zij kermen als ze het niet vinden. Dan komt de Greest en zegt: in goeden ge-moede: meent gij met uwe tranen en verbeteren in den hemel te komen? Ach Heere! zeggen ze, gij stuit mij. Wilt Gij van uwe zoete gestalte uwe Middelaars maken ? gij zult daarmee voor God niet kunnen bestaan. Daar raken ze hunne zoete gestalte en hunne weekheid kwijt, daar zinken ze weg. Daarop worden ze geleid in de Goddelijke rechtvaardigheid. Hij doet hun de hel zien, en wat zij waardig waren. Ach Heere! zeggen ze, hoe hebt Gij mij kunnen dragen? Maar zoo Gij evenwel lust hadt, oin mij te dooden, zoo zoudt Gij mij niet overtuigd hebben. Ik denk, dat het uw oogmerk niet is, mrj in de hel te werpen; maar uw oogmerk mij in de hel te werpen is, opdat ik er mijzelven inwerpen zou; en daar liggen ze altemet jaar en dag in, zoo, dat ze wel moeten zeggen: Heere hoe lang? het duurt jaar en dag, dat ik het niet eens opmaken kan, dat ik genade in uwe oogen gevonden heb. Ik wil niet hebben, zegt de Geest, dat gij het opgeeft. Zijt gij bekommerd om te zondigen? wees dan niet ongeloovig; weet Ik niet beter Gods meening dan gij? En daar leidt Hij hen dan tot den Heere Jezus. Ach! wilde Hij zoowel, zegt die ziel, mij hebben, als dat ik mij aan Hem wil overgeven, het was gedaan. Daarop ontdekt Hij hen, dat de Heere Jezus duizendmaal williger is, dan /ij. Hij komt zelf naar u toe, en Hij zendt Mij naar u, zegt de Geest. Ach Heere! zeggen ze, ik word overtuigd, dat Christus williger is dan ik. Daar dorst ze naar Hem, zij vliedt naar Hem, ik kan U niet missen, zegt ze; ik geloof, vermeerder en versterk mij het geloof. Daar maakt Hij ze vruchtbaar. Hij geeft hun levende oefeningen des geloofs. Daarop zegt de Geest; p-elooft gij wel dat al mijn werk in den Bijbel staat? en daar leidt Hij ze in al de waarheid. Ach Heere! zeggen ze, ik wist het niet, dat dit en dat in den Bijbel stond. In \'t slapen en waken valt hen het een en ander te binnen. Heere! zeggen ze, ik heb mijn leven mijn godsdienst zoo niet gekend; en daar leidt de Geest hen van de eeuwigheid tot de eeuwigheid. Wilt gij naar die waarheid nu uw werk richten? zegt hij, Ik zal geven dat uw werk in waarheid is; dien Bijbel krijgen ze zoo lief, zij misten ze niet om eene geheele wereld: zij willen liever alle boeken missen. Daarop komt de Geest en Hij troost ze. Hij geeft ze altemet eens eene troostelijke belofte, een Schrifttekst, tegen al hunne droefheid. God helpt hen door alles. Hun beginseltje is dikwijls zeer gering, maar hun laatste wordt vermeerderd. Weest kloek, zegt de Geest, ik geef den moeden kracht. Ach! de kruisen en tegenspoeden van Gods kinderen zijn altemet zoo vele! maar uit die alle redt hen de Heere, Ps. 34:20. Eindelijk geeft Hij hun zoete gestalten, gepaste Schriftteksten naar hunne omstandigheden; zoodat het min of meer is als eene stem Gods. Hij brengt ze tot groote bedaardheid. Daar is geen aardbeving of vuur; zij krijgen klaar te zien wan-

-ocr page 305-

OVER DEN XX. ZONDAG. Vraag 53.

neer hun werk begon, zij zien de teekentjes in de Schrift. Is dat genade? zeggen ze, dan kan ik er ook niet uit. Zij krijgen kracht van concludeeren, en \'t besluit op te maken. Dan geeft Hij hun wel een oogenblikje waarin ze zoete roering krijgen, \'t Is of ze den Heere hoorden zeggen: Ik heb u met eene eeuwige liefde lief. Uwe ongerechtigheden zullen in eeuwigheid niet gevonden of gedacht worden: \'t is alles vergeven; Ik zal u niet straffen. Daarop voelen ze zooveel kloekmoedigheid, blijdschap en verwondering; \'tis min of meer of ze den Heere met eene hoorbare stem hoorden zeggen: Gij zijt mijn kind. Ik heb u liet, Ik zal u eeuwig gelukkig maken. Ik ben uw God, de snoeren zijn u gevallen in een liefelijke plaats, Ps. 1G: G; en dat gaat altemet zoo sterk, dat de krachten van hun lichaam bet niet dragen kunnen, dat ze wel moeten bidden: Heere, houd toch wat op; ik kan het niet dragen. Dat is in de binnenkamer geleid te worden, gekust te worden met Gods mond. Dat is iets dat ik niet zeggen kan, noch iemand, als gij bet niet ondervindt. Dit alleen kan ik er van zeggen: die het genoten hebben, moeten zeggen, dat het in hen verwekte: blijdschap, verwondering, moed. Zij zullen het hun leven niet vergeten. Dan komt de Geest en zegt: Ik zal bij hen blijven, Ik ga niet weg. Ik mag met mijn troost wijken, maar Ik ga met mijne wezenlijke genade niet weg. Hebt gij troost gehad, gij snakt er weer naar, gij schat het hoog. Valt gij in zonden. Hij gaat evenwel niet geheel weg; Hij blijft bij u tot uw doodbed. Hij blijft met overtuigen, met geloofsoefeningen, met liefde tot den Heere, tot het doodbed; dat geloof ik; wel dierbare God Heilige Geest! ik geloof, dat Gij zulk een Persoon zijt, dat Gij van den Vader en van den Zoon gezonden zijt, en uitgaat; ik geloof dat uw werk in mij is, en ik ben er blijde mede, ik zal bet voor God zeggen: bekijk mijne overtuigingen,quot; bekijk mijne tranen, mijne liefde, mijn geloof, mijne hoop. Ik zal voor God zeggen: zijn dat de eerstelingetjes en de onderpanden van den hemel niet? Hebt Gij mij zoo niet verzegeld en vastgesteld en bevestigd? Ik wil niet zeggen, dat ik het begrijp, maar ik geloof het; en ik bid den Geest, dat Hij meer en meer over mij kome en mij overschaduwe. De kracht des Heiligen Geestes over-scbaduwe mij!

Nog een kort woord. Wat zegt gij? Kent gij den Geest? Wij vragen u onze eerste vraag: weet gij wel wat bet is, den Geest ontvangen te bebben? Kent gij geen Geest der genade en der gebeden? Kent gij geen Geest der rouwklagen? Ach God! ik hoop dat gij Hem dan nog moogt te kennen krijgen, eer gij sterft!

Wat doen velen? Zij paren den geest der bel met den Geest Gods te zamen. Des Zondags zijn ze vroom, en in de week zijn ze goddeloos; bij de goeden zijn ze vroom, en bij de kwaden goddeloos. Gij hebt er geen deel aan.

Een ander zal zeggen: ik ben wel geweest, waar ik den Geest een beetje voelde. Hij ontroerde mij, en ik dorst daar niet meer komen; \'t was er mij te eng, te nauw; geen bel was mij schrikkelijker; ik

299

-ocr page 306-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

kreeg roering; ik had aanleiding om er door te raken; maar ik deed het niet; had ik het opgevolgd, ik was er door geraakt.

Een ander zegt: Ach, wat zou ik doen met al die dingen van den Greest! ik was tevreden met gemeene gaven; ik kan eens bidden, wat spreken; ik kan al eens meedoen; ik kan eens schreien; ik dacht, dat ik al wat groots was. Maar wij zeggen u: gij zult er mee verloren gaan. Op andere tijden doet gij den Geest smart aan. Er wordt altemet gepredikt, dat gij het wel weet, dat gij er door geraakt zoudt worden; maar gij staat het tegen; gij gaat er niet.

Anderen komen zoo dicht bij die onvergeefelijke zonden als ze kunnen. Welke zijn de naaste trapjes van de onvergeefelijke zonden, van de zonde in den Heiligen Geest?

Eerst. Als men met het werk des H. Geestes gaat spotten en lachen. Gij kent altemet wel een mensch, die bitter bedroefd is; hij schreit bitter; hij kan \'t voor u niet verbergen; gij ziet het; en wat zegt gij? uwe tranen en uw bidden zegb gi], is loutere geveinsdheid, gÜ stelt het te boek voor een werk des duivels. Maar gij bezondigt u schrikkelijk.

Ten tweede. Anderen klimmen nog een trapje hooger, en die stellen het werk des Geestes te boek voor Geestdrijverij; doch het onderscheid tusschen die beide is al te groot. Gij kunt het terstond ge-Avaar worden. Het eerste maakt zulk eene ziel nederig, en het tweede maakt ze opgeblazen.

Ten derde. Anderen houden er het werk des Geestes met opzet uit; zij willen niet bekeerd zijn; als er van bekeeren gesproken wordt, achten zij het alles maar voor praatjes; wordt de man, de vrouw, of de kinderen bekeerd, zij kunnen er gemelijk om worden; al hadden zij ze te voren nog zoo liefgehad, zoo zeggen zij dan: ik wilde wel, dat die vonken in mijn huis niet aangestoken waren.

Ten vierde. Als gij zulken, daar de Geest in is, den weg zoo moeilijk gaat maken als gij kunt, en ze zooveel belet, als in uwe macht is. Willen ze hunnen tijd uitkoopen, dubbel werk doen, om eens te kerk te gaan; gij wilt het niet hebben. Dan zegt gij: ik zal ukrenken in uwen goeden naam, in uw beroep, al waar ik maar in kan of mag.

Doch die zonde komt het naast aan de zonde in den Heiligen Geest; van dat vuile ruigte van Atheïsten, die deugnieten, die de Godheid loochenen, die doen het willens en wetens, en bezondigen zich zeer zwaarlijk. Wacht u voor die zonden; zij zijn niet te vergeven in eeuwigheid. Wat een ongelukkig mensch is zulk een mensch. Waar gaat hij anders naar toe, dan daar hij zijn leven geenen Geest vinden zal, dan alleen die rampzalige geesten, om hem eeuwiglijk te kwellen en te pijnigen.

Gij zult zeggen: Wie is er dan, die den Geest heelt? Dat zullen wij u klaar trachten te zeggen.

Eerst. Ach! de Geest komt hun voor als het allerdierbaarste geschenk nevens Vader en Zoon; zij kennen eenen tijd in hun leven, dat ze moesten zeggen: ik heb niets liever, dan den\'Geest.

300

-ocr page 307-

OVER DEN XX. ZONDAG. Vraag 5!!.

Ten tweede. Zoo dat waar is, dat de Geest in zijn begin in u gekomen is, zoo is dat ook waar, dat daar Hij in het begin is, daar is Hij niet ledig; daar werkt Hij, schreien, bidden, hopen; zij betuigen eens hunne liefde; zij staan als een boom vol goede vruchten. Gal. 5:22. De vrucht des Geestes is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

Ten derde. Daar de Geest is, ach! daar kermt men, als men allen dag zijn werk niet vindt. Dan is het: ik heb vandaag geenen Geest gevoeld; het is zoo donker van binnen; ik ben in verlating; het is met mij niet wel; ik ben zoo hard; ik kan niet bidden. Zij zijn als gejaagd. Is er niet ergens eene openbaringtje van Gods liefde, zoo is het niet wel.

Ten vierde. Daar de Geest is, daar worstelen en bidden ze zoo om den Geest, Ps. 51 :14, Geef mij weder de vreugde uws lieils, en de vrijmoedige Geest ondersteune mij. Ontwaak, noordenwind! en kom, gij zuidenwind! doorwaai mijnen hof, dat zyne specerijen uitvloeien, H oogl. 4:16.

Ten vijfde. Daar Geest is, die houden uitermate veel van geestelijke bedieningen. Gaan ze daar eens ter kerk daar niets dan letter is, zij kunnen het er niet houden; dat is het inwendige koninkrijk niet, zeggen ze. Zoo een is zoo gaarne bij geestelijke menschen; dat zijn zulke paarlen in hunne oogen. Zij willen niet dat volk een lot hebben, al was het een bedelaarslot; al konden ze anders bij eenen koning verkeeren, die geen genade heeft; zij willen liever bij een bedelaar verkeeren, die genade heeft.

Ja! zal iemand zeggen, ik heb geenen troost. Het kan wel zijn; maar zonder troost sterven zij niet.

Ja! zal iemand zeggen, mijne heiligmaking is zoo slecht. Hebt gij er geen smart over? Een heilig volk is bedroefd over zijn gebrek. Een redentje. Dat gij eens een zindelijk, kuisch mensch zaagt schreien over eene vlek, die hij in zijn nieuw en net kleed had; zoudt gij niet moeten besluiten, dat het een kuisch mensch was? Als gij nu iemand over eene vlek in zijn kleed der heiligmaking zag staan schreien, zoudt gij niet moeten zeggen: dat is een kuisch en zindelijk mensch op het werk der heiligmaking? Wel, houdt moed, geliefden! waar dat is, daar is de Geest in zijn begin; het zijn eerstelingen van den hemel. Vindt gij Geest, gij vindt den hemel; vindt gij Geest, gij vindt zaligheid; en de Geest zal niet van u scheiden; maar Hij zal u vergezelschappen en leiden, niet alleen tot aan, tot in, maar tot over den dood; Hij zal bij u blijven tot in alle eeuwigheid, Amen.

301

-ocr page 308-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXL Zondag. Vrag. 54—56.

Eenentwintigste Zondag.

54. Veaag. Wat gelooft gij van de heilige, algemecne Christelijke Kcrlit

Antwoord. Dat de Zone Gods, uit het gansche menschelijk geslacht,

Zich eene Gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.

55. Vkaag. Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?

Antwoord. Eerstelijk, dat alle en elke geloovige als lidmaten aan

den Heere Christus, en aan,al zijne schatten en gaven gemeenschap hebben; ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven, ten nutte en tot zaligheid der andere lidmaten, gewillig en met vreugde aan te leggen.

56. Vkaag. Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

Antwoord. Dat God, om het genoegdoen van Christus wil, al mijne

zonden, ook mijn zondelijken aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gerichte Gods kome.

Daar komt, in het 3^° Hoofdstuk van Esther op het 8aar komt, in het 3^° Hoofdstuk van Esther op het 8B^e vers, een hoveling, die ingang had bij den koning. Heer koning! zegt hij, wat is er voor een volk in uw rijk! Wel, wat voor een volk Haman? zei de koning. Zulk een volk, zei hij, wiens wetten onderscheiden zijn van de wetten aller volkeren; ook doen ze de wet des konings niet. Is dat zoo? zei de koning; ja, heer koning, zegt hij! Wel, wat zal ik met dat volk doen Haman? Zoo het de koning goeddunkt mijnen raad te doen, zoo is dat volk wel weg te krijgen. Wel wat? zei de koning. Dit, dat men ze verdelgt en doodt. Sedert dat er eene kerk op de wereld geweest is, zoo zegt de duivel hetzelfde, en al zijne dienaars zeggen hetzelfde. Daar is een volk, zeggen zij, die doen met ons niet mee; zij loopen met ons den breeden weg niet op; het is niet oorbaar, dat men dezelve laat leven. Wat gedaan met dat volk? Dat uit te roeien, teniete doen. Hoe noemen

-ocr page 309-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

ze dat volk in de wereld? Sekte, pesten, aller uitvaagsel, en afschrap-sel. Het is een deel arm, gering volk, zeggen ze, dat overal tegengesproken wordt. Maar hoe noemt God en het Woord dat volk? De stad Gods, daar God heerlijke dingen van gesproken heeft, Ps. 87 :3. Ps. 48:3, worden ze genoemd de stad des grooten konings. De gemeente Gods, 1 Cor. 1:2. Zal nu de wereld dezulken kunnen uitroeien? Zij kunnen ze al zoo min uitroeien, als dat Haman de Joden kon verderven. God wil ze niet aangetast hebben, Ps. 105; 15. Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen profeten geen kwaad, Jer. 33:25, 26. Indien mijn verbond niet is van dag en nacht, indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb, zoo zal Ik ook het zaad Jakobs, en van mijnen knecht David verwerpen, dat is, alzoo min kunt gij mijn volk te niet maken. Het is wel waar, dat ze vele jaren gedrukt zijn, en veel tegenheden hebben; de poorten van de hel zijn tegen hen; zij moeten in de woestijn van de wereld door water en vuur; maar de Koning van de kerk zal hen wel staande houden. Wij hebben met elkander van deze kerk te spreken en te hooren. Tegenwoordig hebben Avij te zien:

Eerst. Ons geloof omtrent de kerk.

Ten tweede. Hoe zij deel hebben aan dien Middelaar van de kerk, en zoo aan God.

Ten derde. Hoe elk met pardon naar zijn huis gaat, en in het gericht, in het oordeel, zal vrijgesproken staan. Dat zijn onze drie stukken.

1. Wij moeten de kerk Gods bezien, daar de duivel en de wereld zooveel tegen heeft. 2. Wat een lief gezelschap er is, en wat eene gemeenschap, die ze met elkander hebben. 3. Hoe er niemand van hen zonder vergeving in zijn hart is, waarop hij voor God zal komen. Daarna: dat gezelschapje zal slapen ten aanzien van het lichaam; elk lidmaatje moet sterven. God zorgt voor zijn stofjes, en Hij zal ze eens heerlijk opwekken; en dan zal dat gezelschapje den Heere tegemoet gevoerd worden; en dan zullen ze gaan bij de duizendmaal tienduizenden, die God dienen.

Wat het eerste aangaat. Wat is de Kerk, wie is de Kerk ? Is dat de Kerk, de plaats waar wij te zamen komen? Ach neen! \'t is een gezelschap van uitverkorene menschen tot bet eeuwige leven, die krijgen in het stondetje der minne, de roeping en het geloof in den Heere Jezus. Dat werkt God in hen, door Woord en Geest. Dat heeft Hij gedaan van den beginne der wereld en Hij zal het doen tot het einde toe. Hij zal dat gezelschapje brengen tot de eenigheid des ge-loofs. Hij bewaart ze en beschermt ze.

Wat zegt nu dat gezelschapje, dat ze van die Kerk gelooven? Ik geloof, zeggen ze, dat er zulk eene Kerk is; en ik geloof, dat ik in die Kerk ben; en ik geloof, dat ik een levend lidmaat ben, en dat ik het eeuwig blijven zal. Laat ons uwe gedachten langs die stukken eens leiden.

Die Kerk is een gezelschap van menschen, in het meervoud; want

303

-ocr page 310-

OATBCHI3MUS-PREDIKATIE

één raensch kan geen kerk uitmaken, een eenig lidmaatje kan geen lichaam uitmaken, één schaap kan geen kudde uitmaken, één steen kan geen gebouw uitmaken, en zoo een eenig mensch geen kerk. \'tWas een misslag van Elia, dat hij zeide: Ik ben maar alleen overgebleven, 1 Kon. 19:10, 14. Dat is mis man! waart gij alleen overgebleven, dan zou er geen kerk geweest zijn. quot;t Is een gezelschap van menschen, niet van engelen; zij bezitten wel eene groote heerlijkheid, door onderwijzing, door schepping, en door mededeeling van groote gaven Gods, \'maar de menschen, die de kerk uitmaken, bezitten op eene andere wijze hun geluk, door kooping, roeping, trekking; zoo bezitten zij dat geluk.

Wie hehooren er nu tot die Kerk? Weet gij wie? De uitverkorenen alleen. Het zyn vaten der barmhartigheid, wier namen God heeft laten schrijven in het boek des levens; zij zijn het, die Hij aan zijnen Zoon gegeven heelt, \'t Vaste fondament Gods staat, en het heeft dezen zegel: de Heere kent degenen die de zijnen zijn, 2 Tim. 2:19. Die hier zitten en staan met elkander, zijn het niet allen. De uitverkorenen alleen hehooren er toe. Dan heeft God voor hen een ston-detje van minne. Daar komt een tijd, dat die tot dat gezelschap be-hoóren, van de zonden scheiden moeten. Zij worden geroepen, niet alleen uitwendig door het Woord, die roeping heeft elkeen, die onder \'t Woord leeft: bekeert u, waarom zoudt gij steryen. God heeft geen lust in den dood des zondaars, maar dat hij zich bekeere en leve, Ezech. 18:23 en 32. Maar zij hebben bij die uitwendige, ook inwendige roepingen, evenals Lydia: liaar hart werd geopend, dat ze acht gaf op hetgeen van Paulus gesproken werd. Hand. 1G: 14. Dan worden ze getrokken uit het rijk der duisternis, en overgezet in het Koninkrijk des Zoons zijner liefde. Col. 1:13. Zij kunnen het bij de zonden niet meer harden. Daar staan ze als een hulpelooze. Is er nu niemand, zeggen ze, die mij redden kan, die voor mijne schuld voldoen kan?

God, dat gezelschap zoo geroepen hebbende, zoo schenkt hij haar het geloof. Daar beginnen ze meteen uit te zien, naar het rantsoen en de eeuwige gerechtigheid van Gods Zoon. Zij kunnen het met hunne tranen en gestalten alleen niet harden. Zij beginnen te hijgen naar den Heere Jezus, om met Hem vereenigd te worden. Ach! zeggen ze, laat uw rantsoen en eeuwige gerechtigheid voor mij zijn; anders kan ik tot God niet komen. Ach! ik dorst, ik hijg naar U. Daarop komt dan de toevluchtnemende daad, dan de vertrouwende daad, dan de heiligende daad, dan de verzekerende daad des geloofs. \'t Is ook een gezelschap van heilige menschen. Zij leven als lichten in het midden van een krom en verdraaid geslacht, Fil. 2:15; als lichten in de wereld, evenals Jozef aan \'t hof van Farao en als Mozes aan \'t hof van Farao, en als Daniël aan \'t Perzische hof. Zij leven een leven, onderscheiden van alle menschen. De wereld zegt wel: Hoe kunt gij zoo eenzaam leven, doet met ons mede, wij zullen u liefhebben. Maar neen, zij zoeken onstraffelijk te leven, zij weten

304

-ocr page 311-

OVER DEN XXI. ZONDAG. Vrag. 54-56.

wel, dat de wereld hen voor geveinsden uitmaakt, maar daar schrikken ze niet voor; God is niijn getuige, zeggen ze, dat ik lust tot oprechtheid heb.

Welke middelen gebruikt God nu om hen te trekken? De prediking van het Woord, Wet en Evangelie. O! het nare uit den Bijbel, de ongelukkige toestand van een zondaar, als dat op het hart komt, wat heeft dat eene kracht! Dan laat God daar op het liefelijke prediken, hoe dat er genade is, dat het niet buiten hope voor hen is, dat het voor verlegenen is; dat wordt hun tot een vuur, en tot een hamer, die eene steenrots te morzelen slaat, Jer. 23:29 Het wordt hen als tot nagelen en prikkelen diep ingeslagen van de meesters der verzameling, die gegeven zijn van den eenigen Herder, Pred. 12:11. Dat Woord wordt hen als een vuur en als een zwaard dat ingaat tot in de binnenste verdeeling van hunne ziel, Hebr. 4:12. Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs; en is een oordeeler der gedachten, en der overleggingen des harten. En zoo op andere plaatsen meer; dat zijn scherpe pijlen. Predikant! zeggen sommigen, is het wel zoo scherp? Zeg liet mij. Ja, het is zoo scherp; en dat is dan zulk een schepseltje lief. \'t Is scherp, omdat het onderscheidenlijk voorgesteld wordt. Gij zegt: de genade is niet voor allen. Deze rede is hard, zeggen sommigen, wie kan dezelve hooren? Maar aan de anderen is het eene kracht Gods tot zaligheid. Zou dit het Woord alleen wel kunnen doen? Ach neen! Al hadt gij den aller-begaafsten predikant, die kan het niet doen. God gebruikt zijnen Geest daartoe; en die neemt het steenen hart weg, Ezech. 36:26. De Geest stelt ze in hunne naaktheid, zoodat ze zeggen: Ach Heere! wat heb ik gedaan, ik wordt zoo bekommerd! Wat moet ik doen? Is er voor mij nog vrede te krijgen? Ach! wat ben ik gelukkig, dat ik aan mijzelven ontdekt ben! Gij hadt mij nog al eenige jaren zoo kunnen laten gaan, en komt Gij nu ter elfder ure naar mij omzien? Een ander zegt wederom: Heere! ik ben nog zoo jong, belieft het U alreeds U over mij te ontfermen, en in mij te komen werken? De Heere zegt: daar staan twee wegen, kiest nu; en daar gaan ze de keuze voor eeuwig doen. Ach! Heere, zegt zulk eene ziel, ik zal uw knecht en dienstmaagd zijn; als Gij mij belieft bij te staan, zal ik uwe zaak getrouw zijn; ik scheid mijzelven metterdaad af van de kwaden, en ik ga over tot de goeden; en dan brengt God dat schepseltje tot de eenigheid des geloofs en der kennis des Zone Gods, tot een volkomenen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus, Ef. 4:13. Die zoo twistgierig zijn, dat is zulk een kwaad teeken. Die altijd wat nieuws, wat vreemds willen voortbrengen, dat is geen goed teeken. De gemeente Gods heeft die gewoonte niet, 1 Cor. 11:6. Zij zitten als de kinderen aan de tafel van hunne ouders, in eenigheid, om te gebruiken hetgeen daar is. Zij zijn gelijk eene kudde. Zij gaan allen op ééne weide eten; het gezonde voedsel, zeggen al

20

-ocr page 312-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

de vromen, daar hebben wij niet tegen, is er iemand twistgierig onder u, wij hebben die gewoonte niet, noch ook de gemeente Gods, 1 Cor. 11; 16. Is er iemand van Gods kinderen, die den Zaligmaker liefheeft, en die den Geest liefheeft, en die hoogachten in hun hart, wiizijn het met u eens, wij hebben er niet een woordje tegen.

Die vergadering, dat gezelschapje is er geweest van den beginne der wereld af, nadat God het eerste Evangelie gepredikt heeft, Gen. 3:15. Toen is er eene scheiding gekomen tusschen de Kaïnieten en de Abelieten, en die is zoo geraakt onder Joden en Heidenen, totdat de Koning kwam, en reed voorspoedig op het AVoord der waarheid, Ps. 45:5. Daar begon Hij toen te werken, onder Parthers, Meders, Elamieten en onder de allerschrikkelijkste barbaren en wilde men-schen. Daar was bet, de Filistijn en de Tyriër met den Moor, deze is aldaar geboren, Ps. 87; 4. I)aar ging God er ook vergaderen tot zijne kerk onder die wilden. Men zeide: God werkt in die stad, in dat dorp, in dat huis, in dat mensch; en zoo heeft God dat gezelschapje vergaderd uit het gansche menschelijke geslacht, van het begin der wereld af; en dat zal zoo zijn gang gaan, totdat Hij op de wolken zal komen.

Als dat nu zoo is, welke aanvallen hebben ze dan af\' te wachten; lioe gaat het dan met hen?

De Heere bewaart ze in zijne kracht, 1 Petr. 1 :5. Dat doet Hrj zoowel geheele koninkrijken, als elk lidmaatje, \'t Gaat er wel zoo, dat indien \'t mogelijk was, zij ook de uitverkorenen verleiden zouden, Matth. 24:24. Maar nu is het niet mogelijk. Mijn Vader, zeide de Heere Jezus, is meer dan allen, Joh. 10:29. Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in uwen Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, Joh. 17:12.

Dan beschermt Hij ze. Dat volk, wereld! zegt de Heere, zal u een lastige steen zijn. Maar tast mijne gezalfden niet aaneen doet mijnen profeten geen kwaad, Ps. 105:15. Doet gij het, mijn Vader zal u drukken. Leest al de kerkelijke historiën door, gij zult vinden, alle hand die tegen hen geweest is, is niet voorspoedig geweest, en alle instrument dat tegen hen bereid is, is niet gelukt, Jes. 54:17.

Is het dan zulk een sterk volk? mocht gij vragen. Ach neen; zij hebben geene andere wapenen als schreien en bidden. Zoo haast als ze bekeerd zijn, zijn er, die hen drukken en beschaamd maken; maar daar is een God\'in den hemel, die hen hoort. Al was het de allermachtigste tyran. God ruïneert hem. Gaat eens in Egypte, en ziet hoe het daar geruïneerd werd. Koning! zeiden zijne hovelingen tegen Farao: Weet gij het nog niet dat Egypte bedorven is, Exod. 10:7. Hebt gij een Haman, die hen zocht te ruïneeren, hij ruïneert zich-zelven én zijn geheele huis, Esth. 9:10. Een Rabsake die ruïneert zijn geheele leger, 2 Kon. 19:35. God beschermt ze tegen de aller-goddeloosten, en Hij bewaart ze als zijn oogappel. Die ulieden aanraakt, die raakt zijn oogappel aan, wordt er gezegd, Zach. 2:8.

-ocr page 313-

OVER DEN XXI. ZONDAG. Vrag. 64-56.

Doet?e geen kwaad, zegt God, want wat gij hen aandoet, dat doet gij IMij aan.

. Nquot; zeggen wij van die Kerk, dat er van dat gezelschapje een deel in den hemel is, en een deel op de aarde. Uit dat gezelschapje sterven er alle dagen. Wij gelooven, dat er uit dat gezelschapje zekerlijk wel eiken dag een naar boven gaat, zoo het er niet meer is. Dat is juist hier van deze stad niet. Dat gezelschap is veel ^rooter \'t is geheel de wereld door verspreid. Wordt er ergens eene lelie te veel onderdrukt, de Heere snijdt ze af. En al is het dat niet, zij sterven evenwel. Maar zoo haast als ze gestorven zijn, krijgen ze wandeling onder degenen, die voor God staan. Lazarus werd van de engelen gedragen in den schoot van Abraham, Luk. 1(3: 22. Zij worden van stonde aan tot hun Hootd, den Heere Jezus, opgenomen met hunne ziel. Zij hebben wel een begeerte om ontbonden te worden en inet Christus te zijn, Fil. 1 :23. Zij zuchten, om uit het aard-sche huis huns tabernakels uit te wonen, en bij den Heere in te wonen, 2 Cor. 5:1—4. Misschien zijn er hier wel,\'die, als ze op hun bed liggen, eens zuchten, en zeggen: Ach Heere! wanneer komt die dag, dat ik bij U zal wezen. De goddeloozen daarentegen zeggen; Ach, kom toch niet! Maar de vromen zeggen: Ach, Heere! is de strijd nog niet haast ten einde? Is het de tijd nog niet, dat Gij mij gaat inzamelen? Zal ik nog niet haast mogen zeggen: ik heb deii loop geëindigd, ik heb het geloof behouden, 2 Tim. 4:7. Er zal haast van u gezegd worden, hunne plaats is er niet meer op aarde, hunne plaats wordt ledig gevonden, in de kerk, en in hun huis; zij zijn er niet meer, maar hunne ziel is bij den Heere, en hun lichaam is in \'t graf. Hoe menigeen is er al weg, die gij gekend hebt? Hoe menig godzalig predikant? Hoe menig godzalig opziener? Hoe me-godzalige burgers zijn er, die God al binnen gehaald heeft!

Het is ook een gezelschapje dat triumfeert. Zij zijn ontslagen van al hunne vijanden, behalve van eenen, die moet nog te niet gedaan worden. En welk is die? De dood, die heeft nog een deel onder zijne klauwen; dat woord moet nog vervuld worden: De dood is verslonden tot overwinning, 1 Cor. 15:54. Dat is te zeggen, nu kunnen wij niet meer steryen. Dat is \'t gezelschapje, dat triumfeert, dat dit kan zeggen; dat zijn al de vromen die in den E^ere gestorven zijn; daar de Geest van roept: Zalig zijn de dooden die in den Heere\'sterven, van nu aan; zij rusten van hunnen arbeid, en hunne werken voleren hen na, Openb. 14:13.

Nu daar is ook een gezelschapje op aarde. De duivel gaat rondom li en, zoekende hen te verslinden, 1 Petr. 5 8. De wereld doet hun zoovele moeite aan. De inwonende zonde heeft zulk eene kracht op ben; zij hebben alle dagen te strijden in de oorlogen der menschen. Hoe strijdt men in een veldslag? Als er een slag geschieden zal, dan komt men bijeen en bidt voor hen. Maar in dezen oorlog geschiedt er alle dagen een veldslag; ik wil zoo niet leven, zegt de genade, als gij wilt hebben, verdorvenheid! Ik wil niet met u meedoen, zegt de

307

-ocr page 314-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

genade tegen de wereld; ik heb geen zin om uwen wil te doen, duivel! goddeloos en zorgeloos daarheen te gaan, en daarop den hemel te beloven; ik zal liever tegen u vechten, kampen en strijden.

Dat gezelschapje beeft wapenen; zij zijn niet als eene bloote geitenkudde. Kent gij ze wel? Ik weet niet of gij ze wel kent. Faulus noemt ze op, Ef. G; U—17. Hij geeft ze: , ,, ri

Eerst. Den helm der zaligheid, dat is de hoop, op hun hoofd, ik heb hoop op God, zeggen ze, ik zal niet wanhopen. Die hoop is hun zoo goed als een soldaat zijn helm. Ik mag niet wanhopen. God kan en wil mij helpen; breng mij dan niet tot moedeloosheid.

Ten tweede. Hij geeft ze het borstwapen der gerechtigheid. Zi] oefenen zich zei venquot; in een onergerlijk geweten; ik wil het kwade mijden en een navolger zijn van het goede. Geen soldaat is zoo gewapend met zijn borstwapen, als zij met dat borstwapen.

Ten derde. Dan komt de vijand en zegt: gij zijt werkheiligen; gil wilt niet uit genade zalig worden. Daarop geeft Hij hun het schild des geloofs, waardoor ze al de vurige pijlen des Boozen kunnen uit-blusschen; want het is er zoover vandaan, dat ze werkheiligen zouden zijn, dat ze integendeel zouden zeggen: Al onze gerechtigheid is als een wegwerpelijk kleed, Jes. 64 t 6. Maar ik heb, zeggen ze, de ge-rechtigheid van\' Christus door \'t geloot aangenomen. ,,

Daarop schiet de duivel, ten vierde, nog een anderen pi]l, en hi] zeo-t: Gij zijt geveinsden. Ach! zeggen ze, verre daar vandaan; neen, zijamp; doen den gordel der waarheid aan. De lendenen eens soldaats hebben zulk eene stijfheid niet door zijnen gordel, als zij door dien

^Dan,quot; ten vijfde, hebben ze in hunne hand het zwaard des Geestes, dat is,\'Gods Woord. Zij hebben overal den Bijbel voor zich. Die tekst, duivel! is voor mij, en\'zelfs tegen u, zeggen ze. Zij hebben met sterke

en listige vijanden te doen. . j

Ja, zegt de duivel en de wereld, ten zesde: gij hebt een vreemd beweegrad, dat u overal toe beweegt. God is mijn getuige, zeggen ze, ik doe het niet gedwongen, ik steek mijne voeten in de schoenen van de bereidwilligheid des Evangelies. , . . ,

Komen ze dan, ten laatste, nog te kort, dan is hun mond vervuld met allerlei bidden en smeekingen. Als gijlieden, duivel en wereld samen, te machtig zijt, dan zal ik naar God gaan, die gezegd bmfj: Roept Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen. Ps. 50:15. Dat is de strijdende Kerk. Daarin zijn nu de goeden en kwaden ondereen; en daaruit is het gesproten, dat men zegt, dat er is eene zichtbare en eene onzichtbare Kerk. De zichtbare bestaat in \'t koren en kaf ondereen; maar de onzichtbare, dat is het koien dat op den dorschvloer is. Die yereeniging met den Heere Jezus kan met geen oog des lichaams gezien worden; maar die gansclie verga-dering goeden en kwaden ondereen, kunt gij zien. Dat is nu de Keik des levenden Gods.

Nu zeggen wij:

308

-ocr page 315-

OVER DEN XXI. ZONDAG. Vrag. 54-56.

Eerst. Ik geloof dafc er zoo eene Kerk is.

Ten tweede. Ik geloof\', dat ik er in ben.

Ten derde. Ik geloof dat ik een levend lid ben.

Ten vierde. Ik geloof dat ik het eeuwig blijven zal. Ik geloof, dat er zoo een gezelschapje is, en dat ik er een van ben; dat het er ai-tijd zal zijn, en dat het eeuwig blijven zal.

Wat mogen nu de Papisten zeggen: gij Gereformeerden zijt een nieuwe Kerk, waar waart gijlieden voor de tijden van Luther en Calvin? Dat is altijd hun praat.

Wij zeggen: wij zijn er altijd geweest; maar onze Kerk is altijd zoo zichtbaar niet te zien geweest. Als het eens een schrikkelijk onweer was, van donder en bliksem, over eene stad, en er werd dan niemand op straat gezien; zou het niet dwaas zijn, dat iemand daaruit ging besluiten, dat er daarom geen burgers in die stad waren? Zoo is het ook met de kerk Gods in de vervolging gesteld geweest; zoo was ze in de woestijn, in holen en in spelonken te vinden. Het is er mede gegaan, gelijk als met de maan; als die bij ons niet schijnt, dan is het, alsof ze geheel en al weg is; zij is daarom niet weg; zij komt op haren gezetten tijd weder. Bovendien, zeggen wij: ziet eens of onze kerk onder u niet altoos geweest is. De antichrist zat in den tempel Gods, 2 Thess. 2:3, 4. God heeft onze voorouders bekeerd; en die hadden toen geen rust onder u; God zei tot hen: Gaat uit Babel, mijn volk, en zij gingen er nit. Gijlieden behoeft het ons niet te vragen waar de Kerk was; vraagt het uwe beulen; vraagt het uwe schavotten, en brandstapels; laten die spreken. Wat was het voor een volk, dat op de schavotten gebracht werd, dat aan de brandstaken en galgen als geritt werd; dat aan de takken van de boomen gehangen werd; waren het kwaaddoeners? Gaat, vraagt het aan die geheele scharen Waldenzen, aan die arme lieden. Welke trompetten hebt gjj wel opgestoken, om naar Bohemen te reizen, om het alles te vermoorden tot het minste kind in de wieg toe? Het waren zulken, daar gij van mocht zeggen, als gij haar zaagt, dat gij bij hen vondt, waarheid, nederigheid en Gods Woord. Dat wij in ons land niet vonden, dat vonden wij bij hen. Gaat eens in Piem\'ont, en ziet eens, hoe die duif daar zit te kirren tusschen de kloven der steenrotsen. Als de antichrist zich begon op te doen, zijn zij het ontweken, en in de kloven der steenrotsen, en in de valleien van Lucerna gevlucht; en zy zijn er tot op heden toe. Toen de Reformatie in Duitschland eerst begon door te breken, en het hun ter ooren kwam, zonden zij er Gedeputeerden naar toe, met hunne geloofsbelijdenis, met de artikelen des geloofs, om te zien, of de geloofsbelijdenis der Gereformeerden, met de hunne, in den grond der leer, overeenkwam; en toen zij die accoord bevonden, noemden zij de Gereformeerden hunne broeders, en men gaf over en weder elkander de hand van broederschap. Doch zij wilden nooit Gereformeerden genoemd worden. Zij zeiden: wij zijn geen Gereformeerden; wij hebben nooit Reformatie noodig gehad; maar wij zijn de Evangelische kerk; wij

309

-ocr page 316-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zijn nooit onder Rome geweest; wij hebben maar de waarheid behouden van de tijden der apostelen af tot heden toe. Geliefden! dit toont dan klaar aan, dat ons niemand behoeft te vragen: Waar de Gereformeerde Kerk geweest is, voor de tijden der Reformatie, of voor de tijden van Luther en Caivijn. Behalve dat: waar blijft een papist met Johannes llus, met Hieronymus van Praag, die de leer van den antichrist, met mond en pen, tegensprekende, door het pausdom, tegen het gegeven woord en trouw, levend aan de brand-staak zijn gezet? Waar blijft een papist met Wiclef en zijne navolgers in Engeland? Waar blijft hij met zoo vele andere vrome en deftige mannen, die van tijd tot tijd de leer van den antichrist openlijk hebben tegengesproken, en hun geloof, als waarachtige martelaars, met hun bloed bezegeld hebben?

Ten tweede. Nu moeten wij zien: Ben ik en gij in die waarachtige Kerk. Die buiten ons zijn, zouden wel zeggen, als Aiiron en Mirjam eens tegen Mozes zeiden: heeft de Heere alleen door u gesproken? heeft Hij ook niet door ons gesproken? Num. 12:2. Het is gelijk als met die twee hoeren die voor Salomo stonden; de eene zeide: Het levende kind is mijn kind, en het doode is het hare; en de andere zeide: Neen, maar het levende kind is het mijne, en het doode kind is het hare, 1 Kon. 3:16—22. De Socinianen schreeuwen: wij zijn de ware kerk. De Remonstranten, Papisten, Mennisten, roepen: wij zijn de ware kerk; en wij Gereformeerden zeggen: wij zijn de ware kerk. Hoe toch komen wij hier uit? Eveneens gelijk Salomo er uitkwam met het zwaard van het gericht, zoo komen wij ei uit met het zwaard van Gods Woord. Hij wees zoo net aan, welke van beiden het levende kind toekwam, dat men er niet meer aan kon twijfelen. Het Woord van God zal het ook zeer klaar uitwijzen, welke de ware kerk is. Daar gij Noach vondt, daar vondt gij de ark; daar gij den Hooge-pi\'iester vondt, daar vondt gij den tabernakel en het Heilige met het Heilige der Heiligen. Daar nu de zuivere verkondiging van het Woord is; daar de bediening van de Sacramenten naar de instelling van Christus is; en daar de kerkelijke tucht naar het Woord is; daar is de ware kerk. Om u niet te beladen met vele teekenen daarvan. Zoo zullen wij vier teekentjes van de ware kerk opgeven, waaraan gij kunt zien, welke zij is; en dan zullen wij u toonen, dat wij Gereformeerden, de ware kerk hebben.

Eerst. Daar is de ware kerk, daar God het meest verhoogd wordt.

Ten tweede. Daar is de ware kerk, daar de zondaar op het diepst vernederd wordt.

Ten derde. Daar moet gij de ware kerk vinden, daar die vernederde en verlegene zondaar het bondigst naar Gods Woord getroost wordt.

Ten vierde. Daar hebt gij de ware kerk, daar die getrooste zondaar wordt aangezet tot de allerinnigste godsvrucht. Als gij nu zoo eene vergadering vindt, denkt dan: Dat is de ware kerk.

Maar waar vindt gij dat nu? Vindt gij dat wel onder iemand an-

310

-ocr page 317-

OVER DEN XXI. ZONDAG. Viua. 54-56

ders, dan ondei\' ons? Neen. Gaat naar de Papisten, naar de Socinianen en naar alle andere secten, en doet daar eens onderzoek, of die God liet meest verhoogen. Ach neen! zij stellen hun vertrouwen op zich-zelven. Gij zult het nergens anders vinden, als onder de Joden, toen ze nog Gods volk waren; maar nadat er een deksel op hun hart gelegd is, vindt gij het daar ook al niet meer. Wie nu vernedert den mensch op het diepste? Elk is al wat in zijne oogen; maar wij Gereformeerden zeggen: Niet ons, o Heere! niet ons, maar uwen naam zij eer, enz. I\'s. 115:1. Wie troost dien vernederden en ver-legenen zondaar, zoo als wij hem troosten, namelijk met de vrye genade Gods in Christus? Wie zegt, zooals wij, bekeerd zijnde: Brengt vruchten voort, geloof en bekeering waardig, Matth. 3:8. Is dat nu niet naar het Woord? Wij meenen. Ja; zonder tegenspreken.

Ten derde, zegt zoo een: Ik geloof, dat ik een levend lidmaat ben. Dat is te zeggen, ik ben geen kaf maar ik ben een korentje, een goed tarwegraantje, een vat ter eere. \'t Is te zeggen: ik geloof, dat God mij genade gegeven heeft, zoodat ik zalig zal worden; dat God mij in den hemel zal nemen, als ik sterf. Ik leef; ik doe levende werken; ik gevoel het, dat ik een levend lidmaat ben; ik moet spijs hebben; ik ben ook in den strijd; ik heb het geloof; ik ben wedergeboren; God die heiligt mij; en ik geloof dat Hij mij zal bevestigen.

Ten vierde. Gelooft gij nu, dat gij eeuwig zulk een lidmaat blijven zult? Ach ja! ik kan niet afvallen; ik ben met het Hoofd, den Heere Jezus, vereenigd; het verbond staat vast; de Geest in zijne werkingen, dat zaad Gods zal in mij blijven; die zal maken, dat ik volharden zal tot het einde toe. Eens genade altijd genade.

Wat nu? Het is een goed gezelschap. Al die heiligen hebben gemeenschap met elkander. Wie is er al heilig? God in zijn Wezen; God in zijne Personen; de engelen; de zielen die boven zijn; de ge-loovige godvreezenden die op aarde zijn.

Den drieëenigen God hebben ze daar gemeenschap aan? Ja; de drieëenige God is uw deel; wij zijn uw volk, en de schapen uwer weide, Ps. 95:7. Ach Heere! zeggen ze: de snoeren zijn mij gevallen in eene liefelijke plaats, een schoon erfdeel is mij geworden, Ps. 16:0. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op Hem hopen, Klaagl. 3 : 24.

Zij hebben ook gemeenschap aan de engelen, die in den hemel zijn; Hebr. 12:22. Maar gij zijt gekomen tot den berg Zion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen. Zij doen aan geen anderen dienst als aan zulken, Hebr. 1 : 14. Zijn ze niet alle gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? En Openb. 19: 10, zegt de engel tegen Johannes: Zie toe, dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben.

Er zijn ook heiligen boven. Al de vromen boven en beneden, hebben gemeenschap aan eenen Heere Jezus, als aan hun Hoofd. Wij

311

-ocr page 318-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

denken daar niet genoeg aan. Zij hebben deel aan den oogst, wij aan de eerstelingen. Die zielen, die boven triomfeeren, wachten ons; zij staan daar en roepen voor den troon: Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen? Openb. G:1U; en wij zuchten ook om bij hen te zijn, 2 Cor. 5:4. Want ook wij, die in quot;dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.

Dan hebben wij nog gemeenschap met elkander. Dan ziet gij in dat gezelschap van de vromen; zij scheiden zich af van de burgerlijken, van de hoovaardigen, van de wereldlingen; vromen houden \'t bjj vromen; zij houden \'t met elkander; zij spreken met elkander; zij oefenen zoo eene broederschap; zij hebben de broederen lief; daar hebben zij hunne achting en hun hart voor; zij voegen zich bij die nederige; al was \'t nog zulk een geringe; met u, zeggen zij, zou ik de wereld doorgaan; ik wil wel een lot met u hebben. Zij houden \'t met het volk Gods; zij verkiezen liever met het volk Gods verdrukt te worden, dan al de schatten van de wereld te genieten; zij hebben de keuze van Mozes gedaan: Die achtte de versmaadheid van Christus meerder rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons, Hebr. 11:26. De wereld denkt, dat zij zot en dwaas zijn; maar zij zyn \'t niet. Laat ik verdrukt worden, zeggen zij, ik zal evenwel bij den ïïeere blijven, en ik zal zeggen: Heere, ik dank u, dat ik verdrukt ben, als ik maar \'t geluk mag hebben, om Uwe te zijn. Is nu de een wijzer, die gaat den anderen onderrichten, is er iemand onder hen een bidder, die hebben een gebed voor elkander. Zij geven ook elkander raad en daad. Is iemand in druk en kommer, zij spreken voor elkander; zij nemen de pen in de hand, en schrijven voor elkander; is iemand bedroefd en treurig van harte, zij zijn mee bedroefd; is iemand goedsmoeds, zij zijn blijde dat het hem wel gaat; krijgt een treurige een beetje troost, \'t zal er niet bij blijven, gij zult nog al meer krijgen, zeggen ze; zij gaan de zwakken sterken; de ongeregelden vermanen; de kleinmoedigen troosten; zij zijn wel eens zoo, dat ze niet weten, waar het hun vandaan komt, dat ze zoo geholpen worden. Zij spreken er eens voor op zijnen tijd. Dan zeggen ze wel eens: ik heb dat van u gehoord; maar ik zal toonen dat ik met u ben; en komt het eens zoo ver, dat anderen het zouden moeten opgeven en vergaan; dan zou het de plicht zijn, ons goed bijeen te brengen tot lichaamsonderhoud, gelijk zij deden aan de Apostelen; zij brachten hunne goederen aan de voeten der Apostelen, Hand 4:34, zij zeiden, wij hebben niets eigen; zij gaven \'t aan de opzieners; deelt er zoo ver van mede, zeiden ze, als gij toereiken kunt. Weet gij wat wij voor een middel daartoe hebben? Wij hebben eene diaconie, en als wij bijeenkomen, dan geven wij elk daar aan, naardat God ons gezegend heeft; en als dat niet kan toereiken, dan is \'t de plicht van elk Christen, die \'t vermogen

312

-ocr page 319-

OVER DEN XXI. ZONDAG. Vraq. 54-56.

heeft, om meer te geven; maar als \'t in een tijd van druk en ver-volging was, en zij konden niet langer bestaan; \'t zij dat ze geen nering hadden, of anderszins, zoodat ze uit het een en uit liet ander werden gezet, en alles afgenomen; dan zouden wij schuldig zijn, onze goederen te geven; dan hadden ze gemeenschap aan elkanders lichamelijke goederen; dan zouden wij er toe genoodzaakt zijn hun de milde hand toe te reiken, en al was \'t met al onze goederen by te springen; maar nu zijn wij daartoe niet genoodzaakt; wij geven in de gemeene beurs. Nu moet gij weer niet denken; ik mag anders niet geven; want is er ergens een gedrukte arme, gij moogt hem ook wel wat geven. Gij moet ook niet denken, als gij in die gemeene beurs geeft: hoe weinig ik ook geef, \'t is evenwel genoeg;; gij moet zien, of uwe hand niet meer bereiken kan, en als gij geeft, moet gij het met blijmoedigheid doen; gij moet met geen stuursch gezicht, maar met een blij gelaat geven; zoodat elkeen het zien kan, en zeggen: \'t is niet gedwongen.

Dan heeft dat gezelschap nog een goed, en dat is het groote pardon. Ach Heere! de Kerk, de leden van de Kerk, zij hebben zulke zonden, zooveel in getal, zulke groote en zware zonden! Mijn God! zeggen ze, ik ben zoo zondig! Wat is mij dat een last, te zwaar om te dragen! En wat dan ? Dan is \'t op een schreien, op een belijden; \'tkomt er alles uit voor God wat ze bedreven hebben. Ach Heere! vergeef het mij! zoo de gerechtigheid van den Heere Jezus niet voor mij is, dan ben ik verloren! Maar dat rantsoen is genoegzaam om voor al mijne zonden te betalen. Niet alleen heb ik zoovele zonden; maar wat heb ik een zondigen aard, een zondig hart! Ach Heere! gedenk er niet aan, om mij te straffen! Ach God! wat heb ik een zondigen aard! De zonde weegt mij niet alleen, maar ook die zondige aard, dat kwade dat mij zoo bijligt, die gedachten, die geneigdheid. Ik betuig dat ze in mij zijn, tegen mijnen wil en dank; tegen mijne beloften, verbond, eed. Éi, Heere! vergeef mij al die boosheden! laat de gerechtigheid van den Heere Jezus voor mij zijn, voor al mijne zonden en zondigen aard! Ei, liefste Heere! vergeef het mij, om de gerechtigheid van den Heere Jezus, dien ik door het geloof heb aangenomen!

Daarop komt God, en zegt: Zijt welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven, Matth. 9:2, en niet alleen uwe zonden, maar uw zondigen aard. Ik zal ze u niet alleen vergeven, maar er nooit meer aan gedenken. Menschen zeggen wel tegen menschen: ik vergeef het u wel, maar ik vergeet het nooit. God zegt: Ik vergeef het u niet alleen, maar Ik wil er ook niet meer aan denken ten kwade; Ik wil er niet meer aan denken. Zijt gij een vloeker geweest voor uwe bekeering; zijt gÜ een hoovaardige, een dronkaard geweest, een ongodsdienstige die uit de kerk bleef, een onkundige, een speler, een gierigaard, een verachter van Gods goedheid; Ik zal dat in \'t gericht tot uw nadeel niet ophalen. Heere! waarom dat? Om de gerechtigheid van den Heere Jezus, die Ik u uit genade geschonken heb; en die gij door

313

-ocr page 320-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

het geloof hebt aangenomen; Ik zal met u niet in \'t gericht treden. Daar is het pardon in uw hart, gaat daarmede heen en zijt welgemoed.

Die dat nu niet heeft, wel, moet hij niet schrikken te sterven? En die het hebben, zij vreezen niet; maar zij zeggen: Heere! ik kom met het pardon naar u toe, en ik kom zien, ol gij het mij uit genade belieft te vergeven.

Gij zult in uw hart zeggen; lieve Heere! lieve Heere! is er zulk een gezelschapje in de wereld? In welken hoek van de wereld zal ik het vinden naar het Woord? Zal ik het onder de predikanten vinden? Ach Heere, daar is het zoo zeldzaam! er zijn weinige bekeerde predikanten; sommigen onder dezelve zijn luiaards, vadsige optooiers, die dit gezelschap zouden haten en er vijand van zijn. Als zij van geveinsden spreken, dan meenen zij er dit gezelschapje mee. Zouden ze dan onder de aanzienlijken zijn? Gij ziet uwe roeping, broeders! dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke beschamen zou, 1 Cor. 1:26, 27. Daar mag ergens een Jozef van Arimathea zijn, en een Nicode-mus, maar het is geen groot getal, \'t Is er hier en daar één. Aan het hof van Achab hadt gij een Obadja, die zeide: Is het u niet aangezegd, dat ik honderd profeten met brood en water onderhouden heb in eene spelonk, telkens vijftig? 1 Kon. 18:13. Zoo ook; \'t is hier en daar eene vrouw, een man, een kind, het is geen groot getal. Waaronder zult gij ze dan vinden? Onder uiterlijke belijders vindt gij zooveel kaf en bijna niet een tarwegraantje. Daar zijn geheele hoopen uiterlijke belijders; en zijn ze niet zorgeloos en goddeloos? Zijn ze in de\' familiën? Lieve menschen! hoe weinig vrome ouders zijn er? Wat is \'t zeldzaam, als gij eene vrome grootmoeder of moeder vindt! Wat is \'t zeldzaam, als gij eens een vromen knecht of dienstmaagd vindt! Wat is \'t zeldzaam, als quot;gij in de kinderen genade vindt, gelijk als in een Tirnotheils! die van kinds al de heilige Schriften geweten had, die hem wijs konden maken tot zaligheid, 2 Tim. 3:15; en in \'t kind van Jerobeam, waarin wat goeds voor den Heere, den God Israels,

fevonden was, 1 Kon. 14:13. Hoe weinigen zijn er in den Bijbel ekend! Hoe weinigen zijn er, die den Bijbel veel gebruiken in de huisgezinnen! Hoe weinigen die met elkander bidden, elkander onderwijzen, en naar den hemel zoeken te brengen! Gij hoort den man wel zeggen: ik zou wel dag en nacht werken voor mijn huisgezin, om er de kost voor te winnen; maar wat doet hij voor de zielen van zijn huisgezin? Waar vindt gij er die voor de zielen van de hunnen zórgen? Wij weten \'t bijna niet. Zult gij ze bij de wegen vinden? Als gij nu \'eens bij de quot;wegen en uitloopplaatsen gingt, ze zouden vol gevonden worden, \'t Is er schrikkelijk gesteld! Gaat gij bij de grooten; hoe schrikkelijk is \'t er gesteld op den dag des Heeren! Gaat gij bij de gegoede burgers, die breken mee door; zij willen metevonden was, 1 Kon. 14:13. Hoe weinigen zijn er in den Bijbel ekend! Hoe weinigen zijn er, die den Bijbel veel gebruiken in de huisgezinnen! Hoe weinigen die met elkander bidden, elkander onderwijzen, en naar den hemel zoeken te brengen! Gij hoort den man wel zeggen: ik zou wel dag en nacht werken voor mijn huisgezin, om er de kost voor te winnen; maar wat doet hij voor de zielen van zijn huisgezin? Waar vindt gij er die voor de zielen van de hunnen zórgen? Wij weten \'t bijna niet. Zult gij ze bij de wegen vinden? Als gij nu \'eens bij de quot;wegen en uitloopplaatsen gingt, ze zouden vol gevonden worden, \'t Is er schrikkelijk gesteld! Gaat gij bij de grooten; hoe schrikkelijk is \'t er gesteld op den dag des Heeren! Gaat gij bij de gegoede burgers, die breken mee door; zij willen met

314

-ocr page 321-

OVER DEN XXI. ZONDAG. Viua. 54-56.

dat gezelschapje niet mee. \'t Zou wel kunnen zijn, dat God haast zou zeggen: Ik zal uwen kandelaar van zijne plaats wegnemen, Openb. 2: 5, of, Ik zal maken, dat het er zoo deerlijk gesteld is, dat gij niet zult weten of ze meer licht geeft; ja. Ik zal ze met dwaallicht omzetten. God zal al dat misbruik van zijnen dag en dienst thuis zoeken. Het schijnt, dat het met deze stad naar het laatste gaat, dat de waarheid zuiver en zonder dwalingen zal gepredikt worden. Gij zult het lichtelijk bedenken, als mijn mond door den dood zal gesloten zijn. Gij zult welhaast lichtelijk moeten zeggen: Ach God! waar ga ik ter kerk, daar ik recht de taal van uw Woord hoore! Ach God, het gezelschapje wordt zoo klein, en het wordt zoo slecht!

Gi) zult zeggen: ben ik en gij er een van? Hoort; wij zullen ons niet ophouden met vele woorden.

Eerst. Zijn ik en gij er een van, zoo zult gij er in nw hart zulk een kommer over hebben. Ik geloof niet, dat er ooit een onder dat gezelschapje gekomen is, of hij zal er in zijn hart kommer en zorg over hebben; en hij zal gezegd hebben: Ach Heere! zou ik er een van zijn? Daar zijn er zoovelen die er niet van 7,ijn, en die zoo naby komen, en ik ben het zoo onwaardig als anderen.

Ten tweede. Gij zult ondervinden, dat gij lust gekregen hebt om uwe verkiezing te onderzoeken. Gij moet daar niet altijd voor liggen schrikken, en zeggen: Ach God! als ik niet uitverkoren ben, is het alles vergeefs wat ik doe. Zoo doet gij in het natuurlijke niet. Hebt gij wel ooit gezegd: Ach, hoe vrijmachtig is die verkiezing! Zou ik wel een teekentje van de verkiezing hebben? Daar is er geen een, of die les uit 2 Petr. 1:10 is hem zoo aangenaam: Benaarstig u, om uwe roeping en verkiezing vast te maken.

Ten derde. Zoo ik en gij er een van zijn, zoo zullen wij een overgeven gevoeld hebben, door Woord en Geest, zoodat gij zult gezegd hebben : ik moet mede onder hen zijn. Ik ga tot hen over, en ik geef mij over aan hunnen Koning en aan hunnen Heer; met u houd ik het; getrokken zijnde, zult gij niet meer tegen den Heere zijn. De zondaar zegt altemet wel: Ik hoop mijn leven zoo niet te femelen; maar als hij getrokken is, dan is hij ook alzoo; als de overgang geschiedt, hoe is hij er over beschaamd! hij staat met tranen. Sedert dat ze gegrepen zijn, zeggen ze: ik zal \'t \'met U, en met uw Woord, en met uwe zaak houden.

Ten vierde. Hadt gij niet veel werk om nederig te zijn, en om uwe verdorvenheid te boven te komen? Wat was er niet al aan vast, om uw rechteroog uit te steken; uwe rechterhand en voet af te kappen! Hadt gij daar geen werk mede? Houdt gij het nu met de god-vreezenden? Wilt gij in niemand anders zijn gezelschap zijn? Houdt gij het met zulken, die \'t met God en zijne zaak houden?

Ten vijfde. Was er niet wat in u daar de wereld van zeide: Daarom acht ik u niet; waarom uw vader en uwe moeder zelfs tegen u opstonden; tenzij mogelijk, dat zij ook God vreesden. Dan was er eene dubbele liefde. Maar zeiden ze anders niet; dat alleen heb ik tegen

315

-ocr page 322-

OATECHISMÜS-PREDIKATIE

u? Het spijt mij dat gij zoo zijt, anders had ik u lief; maar nu gij zoo nauwgezet zijt, nu mag ik u niet lijden? Ja, heeft God dan niet wel gezegd, het\'is geen nood; gij zult mijne genade en liefde hebben; en zult gij aan Mij niet genoeg vinden? Moet gij niet zeggen; al had ik de geheele wereld, en ik vond geen toegang tot U, zoo sluit mijn hart?

Nog eens, ten zesde. Met wien wilt gij \'t gaan houden, met de vromen of met de onvromen ? Wie zijn uwe vrienden, de heiligen of de goddeloozen? Met wie houdt gij het, met die menschen, die naar den hemel gaan, met dat gezelscfiapje, of met de vijanden van den Heere? Of kunt gij die niet dragen?

Ten laatste. HeBt gij voor u zelf het pardon gekregen op dezelfde wijze, gelijk al Gods volk? Waart gij er over verwonderd en beschaamd voor God? Laagt gij op uwe knieën en schreidet gij om genade, en om den Heere Jezus, en om den invloed van Gods genade? Kreegt gij wat, erkendet gij het wel? Kwaamt gij met uw pardon voor God?

Onderzoekt u nu geliefden! Of men al veel woorden spreekt, wat zal het helpen? Ziet nu of gij tot de Kerk behoort of niet. Vromen! doet nu u zeiven geen kwaad, door van elkander te liegen en te achterklappen. Dat is eene groote lout, of \'t dan een predikant of lidmaat is. Men let meer op elkanders fouten, als op elkanders genade. Dat meer letten op elkanders verdorvenheden als op de genade, dat is schrikkelijk; en dat om elkander uit te dooven en uit te blusschen. Dat wij liever elkanders fouten bedekten, dan zou de wereld zooveel vat op ons niet hebben. Uw eigen volk spreekt kwaad van u, zegt de wereld. Uw eigen volk, zeide Pilatus tegen den Heere Jezus, heeft U aan mij overgeleverd. Joh. 18:35. Ik wil niet hebben dat gij de fouten geen fouten zult noemen; maar dat gij altijd liever op de deugden zoudt zien als op de fouten. Die toegebracht is, dat geluk heeft hij, gaat vast veilig naar boven; \'t mag door eene roode zee zijn, \'t mag een arm gerukt en geplukt volk zijn, met een gescheurd kleedje, die maken evenwel de Kerk uit. Die in deze heerlijke stad niet alleen geboren, maar ook wedergeboren zijn, ze zullen zeker uit deze, naar de andere stad gaan die fondamenten heeft. Als ze van hier scheiden, zal God zeggen: scheidt nu uit den strijd, en gaat nu in de vreugde uws Heeren. Dat wensch ik, dat aan ons, en u geschieden mag, tot eere van God, en om zijns Zoons wil. Amen.

316

-ocr page 323-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXII. Zondag, Vrag. 57 en 58,

Twee-en-twintigsto Zondag.

57. Vuaaö. Wat troost geeft u dc opstanding des vleesehes?

Antwoord. Dat niet alleen mijne ziel, na dit leven van stonde aan,

tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden; maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weder met mijne ziel vereenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

58. Vbaag. Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Antwoord. Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugd

in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomene zaligheid bezitten zal, welke geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens men-schenhart gekomen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

WIJ lezen, 2 Cor. 5, op het tiende vers: Wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, n aard at hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Daarvan hebben zelfs kennis de sidderende duivelen; daar weten de heerlijke engelen van; \'t is voor ons allen, die leven, niet verborgen. Daar is er geen een in de wereld, die dat getuigenis in zijn hart niet voelt; en daarbij vindt hij, dat het vreeselijk zal wezen.IJ lezen, 2 Cor. 5, op het tiende vers: Wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, n aard at hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Daarvan hebben zelfs kennis de sidderende duivelen; daar weten de heerlijke engelen van; \'t is voor ons allen, die leven, niet verborgen. Daar is er geen een in de wereld, die dat getuigenis in zijn hart niet voelt; en daarbij vindt hij, dat het vreeselijk zal wezen.

Hoe vreeselijk was het voor de eerste wereld! Daar klommen ze op de daken, op de boomen, op de bergen; het moest alles in den afgrond verzinken, wat buiten de ark was. Hoe vreeselijk was het in Sodom, als zij dat vuur en zwavel daar van den hemel op zich zagen regenen! Gen. 19:24. Hoe vreeselijk was het op Sinaï als ze daar die donderende stem hoorden, en die bliksemen zagen, Exod. 19:18 Hoe vreeselijk was het voor Israël als ze daar Korach, Dathan en Abiram en hare kinderen levend ter helle zagen zinken? Gansch Israël vlood voor hun geschrei. Num. 16:33, 34.

Maar hoe vreeselijk dat ook was, nog veel vreeselijker en verschrikkelijker zal het zijn, als wij voor \'t gericht zullen gesteld worden. Dan zullen de wolken scheuren; de wolken zullen Gods wagenen zijn, als wij gericht zullen worden. Dan zullen de sterren van den hemel vallen, de zon zal verduisterd worden, de elementen zullen

-ocr page 324-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

branden, de engelen zullen door de hemelen vliegen, om dat werk te doen, waar God ze toe gebruiken zal. Daar zullen de sidderende duivelen hun laatste recht ontvangen. Daar zal dan \'t aangezicht der goddeloozen betrokken zijn als een pot. Vromen en onvromen zullen daar hunne vonnissen ontvangen. Het zal vreeseljjk zijn, als de Rechter Zich zetten zal. Dan zal de aarde beroerd zijn, en zal de dooden opgeven die in haar zijn. Dan zal de zee verbaasd zijn, wegens al de lijken, die ze opgeven zal; en elk zal in zijn graf hooren de stem des Archangels en der bazuin Gods, 1 Thess. 4; 16. Zij zullen de krachtige stem des Almachtigen hooren, gelijk Lazarus ze in zijn graf hoorde, Joh. 11:43. Daar zullen de vaders en moeders hunne kinderen zien, en de kinderen hunne ouders; men legt toch \'t geslacht zoo meestal bijeen. Daar zal zulk een geluid, zulk eene beroering komen onder die dorre doodsbeenderen; elk been zal tot zijn been naderen in dat vreeselijke gericht, evenals gij leest, Bzech. 37:7.

Hoe zal het daar met de vromen staan? Die zullen in al dat vreeselijke onbeteuterd zijn; zij zullen zonder vrees daar staan, evenals een Daniël bij dien verschrikten Belsazar, Dan. 5; evenals een Esther bij een verschrikten Hainan, Esth. 7: (3, en evenals een Abigail die naast haren man Nabal lag, welks hart als een steen in zijn lijf bestorven was, 1 Sam. 25:37. Zoo zal het gaan met dat uitverkoren geslacht, met dat koninklijk priesterdom. Waarom? \'t Zal de dag van hunne kroning en van hunne ruste wezen, omdat dan hunne reis ten einde is, omdat ze dan uit hun vreemdelingschap overgaan in een land van eeuwige klaarheid en blijdschap.

Wi] hebben ulieden, volgens onze inleidende aanspraak, doen zien, hoe vreeselijk het gericht of laatste oordeel zal zijn, wanneer alle vleesch wederom zal opgewekt worden, sommigen tot eeuwige blijdschap, en anderen tot eeuwige smaad en afgrijzing. Dan. 12:2. Nu hebben wij voor, u verder in \'t stuk in te leiden; en dat zullen wij zoo doen:

Eerst. Dat wij u met uwe gedachten zullen brengen tot eens men-scben dood, en hoe zijne ziel het na den dood zal hebben.

Ten tweede. Hoe het na den dood met ons lichaam gaan zal.

Ten derde. Als ziel en lichaam weer vereenigd zijn, hoe het dan zal gaan.

Ten vierde. Wat dat insluit en zeggen wil: Dat geloof ik. Dat zijn de vier dingen die wij gaarne met u wilden verhandelen, en waartoe wij uwe aandacht verzoeken. 1. Onze gedachten bezighouden met ons leven, en dat wij allen zullen moeten sterven, en hoe het dan gaan zal met onze zielen. 2. Als wij gestorven zijn, hoe het met ons lichaam gaan zal. 3. Als ziel en lichaam weer vereenigd zijn, hoe het dan zal zijn. De vromen met dat ze opgewekt zijn, zullen aan het verheerlijkte\' lichaam Christi gelijkvormig zijn. Maar de goddeloozen zullen voor eeuwig verstooten zijn van Gods aangezicht, en van de heerlijkheid zijner sterkte. 4. Wat dat is, als wij zeggen: Ik geloot dat.

Wat het eerste aangaat. Wij zijn hier levend bij elkander; daar

318

-ocr page 325-

OVER DEN XXII. ZONDAG. Vrag. 57 en 58.

ligt een band, een nauwe knoop tusschen onze ziel en het lichaam dat God ons gegeven heeft; maar weet gij het wel, dat God onze dagen bestemd heeft, die wij niet overtreden zullen? Job 14:5. Daar raag een wereldsche rechter zijn, dio een vonnis velt ter dood; maar door het een of het ander dat er tusschenbeide komt, krijgt de ter dood veroordeelde vergiffenis. Hier ligt het vonnis des doods voor elk; maar daar zal mede voortgegaan worden. De een mag wat langer leven, en do ander wat korter; maar als het gezette stondetje daar komt zoo krijgt hij den bode des doods. Daar vat zulk een een koorts, een ongesteldheid, een pijn, of door eenig ander middel geraakt hij ziek te bed; het wordt erger, zoodat men begint te denken, dat zal hier niet wel gaan; hij vervalt van uur tot uur, zoodat hij begint te zeggen: Ik zal weggaan, en hij neemt zijn afscheid; vaarwel mijn man, mijn vriend, en, gaat het er christelijk toe, zij schreien, zij bidden eens voor hem. Eindelijk zegt men: zij, of hij, is heengegaan. Wat is dat? De scheiding van het redelijk deel uit het stoffelijke; de ziel gaat er uit, hetzij ten leven, hetzij ten verderve; dat wandelend, sprekend, levend stof dat wordt een dood, onbezield, stom stof.

Wat doen ze met dat doode lichaam? De bruidegom is niet meer begaan over zijne bruid, noch de bruid over haren bruidegom; de man is niet begaan over de lust van zijne oogen. Daar is het met Abraham: Laat ik dien doode wegdoen van voor mijn aangezicht, Gen. 23:4, zij worden in het graf gebracht, en daar wordt net gewormte zijne zusters en zijne broeders, die mesten zichzelven mede vet, totdat ze ook sterven en tot stof worden.

Waar gaat de ziel, de redelijke geest, naar toe? Van stonde aan als het eene vrome is, zoo keert die tot Jezus Christus haar Hoofd. Acbl daar heeft hij zoo naar verlangd. Ach! mocht ik dien eens zien, en daar bij wezen! Hij heeft er eene groote begeerte naar gehad. Meent gij, dat ze maar een Zaligmaker dienen, die in den Bijbel met letteren bekend is? Neen, zij dienen een Zaligmaker, die in Wezen is in den hemel, die God en mensch is. Dan gaan ze naar hun Hoofd. Het Hoofd dat vereenigt en regeert de leden; zoo doet de Heere Jezus ook. De leden van het lichaam hangen altemaal van het Hoofd af; zoo hangen zij ook van den Heere Jezus af. Zij gaan naar hun Hoofd, Col. 1 :18. Van stonde aan wanneer de ziel gescheiden is, zoo is het: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Luk. 23:43. Daar vervalt nu het slaperige gevoelen van de Socinianen en Mennisten, die meenen, dat de ziel gaat slapen, en het paapsch gevoelen vervalt al mede, op het afsterven, zoo in \'tOude als in \'t Nieuwe Testament. In \'t Oude ging de ziel, volgens hun gevoelen, in een voorburg der hel, en in \'t Nieuwe in het vagevuur. Doch wij zeggen: daar is hier niet anders dan hel of hemel te wachten; Luk. 16:22, 23, ging de een naar den schoot Abrahams, en de ander naar de hel. Van stonde aan zijn ze zalig met Stefanus, die uitriep: Heere Jezus, ontvang mijnen geest, Hand. 7:59; en Jakob riep uit: Op uwe zaligheid

319

-ocr page 326-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wacht ik Heere! Gen. 49:18. Zoo gaat het met den mensch. Die dood is, wordt op het stof bed des doods gelegd. Onze lichamen zullen misschien elk een begraafplaatsje krijgen, zooals het de Voorzienigheid beschikt; de een wat fraaier als de ander. Doch daar zal in dien dag der opstanding niet naar gevraagd worden, zoomin, als dat er gevraagd zal worden: heeft er ook een wapen boven uwe deur gehangen? of in de kerk boven of omtrent uw graf? Jes. 57:2, wordt gezegd: Hij zal ingaan in den vrede, zij zullen rusten op hunne slaapsteden, een iegelijk die in zijne oprechtheid gewandeld heeft. Lazarus onze vriend slaapt, zeide Christus, Joh. 11:11.

Als nu dat lichaam verteerd zal zijn, hoe zal het er dan mede gaan? Het zal opstaan door de kracht van Christus. Wordt dat onmogelijk gerekend? Ziet het in de natuur; de nacht versterft in den dag, de dag in den nacht, de winter in den zomer en de zomer in den winter. De boomen, die dor staan in den winter, in de lente spruiten ze weder uit, dan zegt men: de zomer komt aan. Gij hebt allen dag en nacht maar op uzelven te zien. Wie wekt u op? Gij zoudt het niet kunnen weren, als gij daar ligt en slaapt, al was het dat uw huis in vlam stond. Gij wordt opgewekt uit een korten dood. Het is zoo wonderlijk, als gij gaat slapen, en als gij weer opgewekt wordt; \'t is alsof gij uit den doode opgewekt werd. Neemt eens een kunstenaar, die de Scheikunde verstaat, hij heeft stofgoud in het slijk; maar door zijne kunst weet hij al de fijne deelen bijeen te krijgen, en hij maakt het tot een klomp gouds. Of neemt eens een horlogemaker, die een horloge uiteen gedaan hebbende, al de radertjes en spilletjes, en andere deeltjes van dat kunstig werkstuk onder elkander in een bak werpt; zal diezelfde horlogemaker geen raad weten, om zijn kunststuk weder ineen te zetten, en tot deszelfs vorige volmaaktheid te brengen? Denkt dan wat God zal kunnen doen! Ja gij kunt er niet aan twijfelen, als gij let op de schepping Gods. God spreekt maar en het is er; Hij gebiedt en het staat er, I\'s. 33:9. Bij God zijn alle dingen mogelijk, Matth. 19:26. Als gij daaraan twijfelt, dan moeten wij zeggen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods, Matth. 22 :29. Is zijne hand verkort? Of hij een doode terstond na deszelfs afsterven opwekt, of over duizend jaar; zou zijne almacht iets te wonderlijk zijn?

Gij zult zeggen: Is \'t wel waar? Ja \'t is waar; die vraag past onder geen Christenen. Als gij daar aankomt, komt dan voor den predikstoel, en zegt: Ontchristent mij. Wij zijn al meer verzekerd daarvan, dan dat gij \'s avonds, als gij naar bed gaat, verzekerd zijt, dat gij weer op zult staan, als het morgen is. Zegt gij wat verzekering hebt gij? Gods Woord zegt het ons, en is dat niet genoeg, dat God die eere heeft. Hij die niet liegen kan? Beide Testamenten, het Oude en het Nieuwe, zijn er mede vervuld, in duizende plaatsen die wij niet allen optellen zullen. Weet gij dat niet van het braambosch, als God daar zegt: Ik ben de God van Abraham, Izaak en Jakob? Exod. 3:0. Hunne zielen leefden wel; maar dat was niet

320

-ocr page 327-

OVER DEN XXir. ZONDAG. Vraö. 57 en 58.

genoeg, hun lichaam moest ook leven. Hij was de God van deu ge-neelen persoon. Wij vinden, dat Job er zoo levendig van spreekt, Job 19:25 27. Ik weet, mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijne huid, dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen; denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijne oogen zien zullen, en niet een vreemde. Zoo ook Jes. 26; 19. Uwe dooden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan. Ezech. 37, daar hebt gij \'t in die prent van die dorre doodsbeenderen. En Dan. 12:2, En vélen van die in \'t stof der aarde slapen, zullen opwaken. Het is de moeite waard, dat gij den Bijbel hierop in uwe hand neemt, en eens leest 1 Gor. 15, daar zult gij zien, dat de apostel de mogelijkheid en de waarheid der opstan-ding meldt, en de hoedanigheden van de lichamen, die opstaan zullen. Gij hebt in den Bijbel voorbeelden, zoo in \'t Oude als in \'t Nieuwe Testament, daar bijna niemand bij is geweest; en \'t is van de Jood-sche kerk geloofd. Ja, er zijn er wel, daar duizenden bij stonden. Denkt ook aan de Goddelijke rechtvaardigheid en barmhartigheid. De lichamen der goddeloozen zijn nog niet genoeg gestraft, noch de lichamen der vromen genoeg verheerlijkt. In dien dag der opstanding zullen de goddeloozen gestraft, en de\'vromen gekroond worden. Wij voegen er bij, dat de Geest van Christus in de vromen woont; eii Paulus zegt. Bom. 8:11, Indien de Geest Desgenen, die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken, door zijnen Geest, die in u woont. Salomo\'s eerste tempel lag in de asch; maar uit de asch van den eersten wist God eenen tweeden tempel te doen voortkomen, die veel heerlijker was dan de eerste. Zoo is het ook met den tempel van ons lichaam; die zal eerst in de asch gelegd worden, en daar zal God eenen tweeden tempel veel heerlijker dan den eersten uit maken. Bovendien zoo is de dood verslonden tot overwinning, 1 Cor. 15:54. Daar moet een tijd komen, dat er geen dood meer zijn zal; en wanneer zal dat zijn,quot; als in de opstanding? Daar zal dan geen vrees meer zijn, dat diequot;unie of ver-eeniging van ziel en lichaam weer gebroken zal worden.

Zoo wij nu vaststellen, dat er eene opstanding zal zijn, wat zal \'t voor een lichaam zijn, daar wij mede opstaan zullen? Dit, mijn lichaam. Het zal hetzelfde lichaam zijn, het zal geen ander zijn, als in hoedanigheden. Dit, mijn, en dat,\'uw lichaam. Hoe weet gij het, zult gij zeggen?

Eerst. Uit het woord opstaan. Wat is opstaan? stelt dat geen vallen vooraf? Kan men wel zeggen, dat iets opgestaan is, als het niet gevallen is?

Ten tweede. De geheele Bijbel is er vol van. Ik, Paulus zal opstaan. Ik, Job zal opstaan. Ja, Paulus zei: Ik moet onverderfelijkheid aandoen, 1 Cor. 15:53. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht; het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid, 1 Cor. 15:43. Mijne oogen, handen, voeten, mond, ja

21

821

-ocr page 328-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

alles wat wij hier met onze ziel hebben omgedragen moet weder opstaan. Letquot;op de voorbeelden: Was het niet hetzelfde kind van de weduwe te Zarfath dat opgewekt werd? 1 Kon. 17:22. Was het niet dezelfde zoon van de Sunamitische die opgewekt werd? 2 Kon. 4:35. Was het niet dezelfde soldaat die in \'t graf van Eliza geworpen was, die opstond? 2 Kon. 13:21. Was het niet hetzelfde zoontje, dat op de baar lag, dat Christus opwekte? Luk. 7:14, 15. Was het niet hetzelfde dochtertje van Jaïrus dat levend gemaakt werd? Luk. 8:54. Was het niet dezelfde Lazarus, die gestorven was, en bereids riekte, die weder levend werd gemaakt? Joh. 11:43,44. Was het niet dezelfde Dorcas die Petrus opwekte, daar de arme weduwen van zeiden: dat kleed heeft ze ons gemaakt? zij stonden er met tranen bij, en Petrus wekte ze op, Hand. 9:40. Waren het niet dezelfde lichamen der heiligen, die opstonden, als Christus aan het kruis den geest gaf? Matth. 27:52, 53. Was het niet dezelfde jongeling Euty-ches, die, als Paulus predikte, dood viel, en weder opgewekt werd? Hand. 20:10—12. Behalve dat, de justitie, de rechtvaardigheid Gods toont het. Als eene ziel, die goddeloos geleefd heeft, een nieuwge-schapen lichaam kreeg, en wanneer God dat ging straffen, dat nooit zonden gedaan had, zon dat wel rechtvaardig zijn? Neen; maar die ziel en lichaam, die samen gezondigd hebben, dat is \'t recht Gods, dat die samen de straffen dragen moeten. Zoo ook aan de andere zijde; zou \'t wel rechtvaardig zijn, dat de vromen een nieuw lichaam kregen, en dat dat verheerlijkt werd, dat nooit kruis uitgestaan had? Dat is rechtvaardigheid, dat hetzelfde lichaam, dat mogelijk aan een staak verbrand is voor den Heere en zijne zaak, of opgehangen is; dat datzelfde lichaam gekroond worde. Doet er bij de betrekking die zij hebben op den Heere Jezus. Hij is hun Hoofd, de tweede Adam. Sterven ze allen, die in den eersten Adam gezondigd hebben, en tot den eersten Adam behooren; dan moeten al dezelfde lichamen, als leden, die onder den tweeden Adam, him Hoofd behooren, ook weder opgewekt worden, 1 Cor. 15. Hij is het Hoofd; zij zijn de leden; het Hoofd leeft, de leden moeten ook leven. Dat leerde Hij aan al zijne leden. Ik leef, zeide Christus, en gij zult leven, Joh. 14:19. Ja, Hij is de eersteling, zoo moet de massa ook volgen. Hij is de eerstgeborene onder vele broederen. Hom. 8:29.

ïlet zullen nu wel dezelfde lichamen zijn; maar daar zal een groote verandering over komen; al de zondige en onzondige zwakheden zullen er af wezen.

Eerst. Wat aanbelangt de onzondige zwakheden: Wij zullen niet meer moeten eten, drinken, of slapen; het zal zonder die natuurlijke, onzondige zwakheden zijn. Kan God eenen Mozes, en eenen Elia, en anderen, veertig dagen zonder spijze laten leven; en zou Hij het hun niet eemviglijk kunnen doen?

Ten tweede. De zondige zwakheden zullen ophouden. Niemand zal moeten zeggen: Als ik het goede wil, zoo ligt het kwade mij bij, Rom. 7:21. Houd uwen knecht terug van trotschheid, Ps. 14:19.

322

-ocr page 329-

OVER DEN XXII. ZONDAG. Vrag. 57 en 58.

Zij zullen niet moeten zeggen: Wij allen zijn als een onreine, Jes. 64:0. Ach, neen! Ja, de zwakheden, die door de kastijding Gods komen, zullen daar ophouden. De allergezondste wordt hier wel eens ziek; maar dat zal daar zoo niet zijn. Daar zal geen kind roepen: Mijn hoofd, mijn hoofd! 2 Kon. 4:1!». Daar zal geen koning Hiskia krank worden tot stervens toe, 2 Kon. 20:1. Daar zal geen koning Asa naar de medicijnmeesters loopen, 2 Kron. 1(3:12. Daar zal geen weduwe meer schreeuwen: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en hij was den Heere zeer vreezende, 2 Kon. 4:1.

Dat lichaam zal ook onsterfelijk zijn; \'t zal vlug en vol glans zijn. Zij zullen vaardig zijn. Zij zullen den engelen gelijk zijn. Levende quot;en zwevende voor den \'troon\' Gods, Matth. 22:30.

Nu zijn er verscheidene soorten van lichamen. Daar zijn er, die in de zee leven, onder de aarde; daar zijn hemelsche lichamen, zon, maan en sterren. Zoo zullen wij ook lichamen krijgen, die in den hemel zullen kunnen leven; gelijk Henoch, Elia en de Heere Jezus; die zijn door de wolken, en door de lucht henen gegaan. Zij zullen veel heerlijker zijn, dan dat van Mozes, niettegenstaande er zulk een glans op lag. Ex. 34:29, ja, veel heerlijker dan dat van Stefanus, dat als van een engel was. Hand. G : 15. Wat een heerlijk lichaam had Adam voor den val, dewijl er na den val nog zulke schoonen waren, die het hart van het volk stalen, als een Absalom, Jobs dochters, David en anderen ! Zij zullen het verheerlijkte lichaam van Christus gelijkvormig zijn, Fil. 3:21. Johannes zag den Heere Jezus eens, Openb. 1:17, maar ik viel op mijn aangezicht, zegt hij. Mochten wij Hem nu zien, wij stierven! Maar dan zullen wij er in staat toe zijn. Er zal een glans op liggen, meer dan quot;wanneer de zon opgaat in hare kracht, Kicht. 5:31. Nu hebben wij gezien, hoedanig ze zuilen opgewekt worden.

Nu moesten wij eens gaan zien, wie er opgewekt zullen worden? Het zullen zijn: vromen en onvromen; rechtvaardigen en onrechtvaar-digen; zoowel Kaïn als Abel, zoowel Ismaël als Izak; alle beide die moordenaars, die met Christus gekruist zijn. O! zeide Paulus, ik vertrouw op God, die de dooden opwekt, 2 Cor. 1 :9. Openb. 20:12,13, Ik zag de dooden, klein en groot, zeide Johannes, de zee, de dood en de hel, gaven de dooden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld een iegelijk naar hunne werken. Alleen degenen, die leven zullen, zegt Paulus door Gods Geest, (want de aarde zal alsdan zoo volkrijk zijn als nu), die zullen in één punt des tijds veranderd worden, 1 Cor. 15: 51, 52. Gij gelooft immers dat Henoch en Elia niet gestorven zijn? maar daar is in één punt des tijds zulk eene verandering over \'hen gekomen, alsof ze gestorven waren. Zoo zal \'t met al die menschen zijn, die dan leven zullen, \'t Zal zijn tot der vromen geluk, en tot der goddeloozen verschrikking. Het zal geschieden door Christus\' kracht als God, als Middelaar, als Richter; het zal de stem van den almachtigen God zijn; die zal als God roepen, gelijk Hij eertijds tot Lazarus deed: Kom uit! Joh. 11:43. Als Middelaar zal Hijquot; tot de

323

-ocr page 330-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

vromen zeggen; Komt uit, er is wat goeds voor u; Ik ben gezonden om u eeuwige vertroosting te geven; Ik ben uw Middelaar; dat Ik u opwek, dat is op mijn waardig rantsoen gegrond. Als Richter derhalve, heeft de Vader Mij zulk eene kracht gegeven, dat elk op mijn opontbod zal opstaan. Dat strijdt niet tegen den Bijbel; het strijdt ook niet tegen de volmaaktheden Gods. Kende Hij uwen on-get\'ormeerden klomp, eer gij in de wereld waart, zal Hij dan uwe stofjes niet kennen als gij zoolang in de wereld geweest zijt? Zou het nu niet goddeloos zijn, dat gij er aan twijfeldet? Gij zoudt uw gemoed verkrachten moeten. Al wildet gij daaraan twijfelen, gij zijt er geen meester van. Daar hebt gij de opstanding uit de dooden.

Daar moet nu een eeuwig leven op volgen. Dat zal wonderlijk groot en onbegrijpelijk zijn. Wij lezen er dikwijls van in de H. Schrift. Kom. 6:23. De quot;genadegifte Gods is het eeuwige leven. De Godzaligheid heeft de beloften van dit en het toekomende leven, 1 Tim. 4:8. Zij grijpen naar \'t eeuwige leven. Wat zal dat dan wezen? Dat moet giquot;) uit de eerstelingen en de beginsels zien. Hier dan, uit hetgeen de ziel genieten zal. Dan, uit hetgeen de ziel en lichaam tegelijk zullen hebben. Ei, weest op dit stuk een beetje aandachtig; zoo gij verloren zult moeten gaan, zult gij wel wenschen, dat gij dit uurtje aandachtig geweest waart. Gij zult mogelijk in uw hart wel zeggen: Predikant! gij weet er niet veel \'van af. Al meer als gij mogelijk wel meent. Al is \'t\'nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, 1 Joh. 3:2; daar is evenwel veel van geopenbaard. Laten wij u eens tot het gezicht brengen, wat de ziel alleen zal genieten, zelfs hier, en dan. En dan daarna, wat ziel en lichaam beide zullen genieten.

Wereld! dat gij van \'t eeuwige leven niet veel weet, is geen wonder. Als gij bij de vromen verkeerdet, dan zoudt gij er meer van weten, uit de eerstelingen en onderpanden, die gij in hen zoudt zien. Zij hebben de eerstelingen van den oogst in hun hart; de onderpanden van den hemel. De hemel daalt altemet in hunne ziel. Hoe? In die opklaring van hun verstand, dat ze zoo hemelsch in hunne bo-vattingen en overleggingen zijn. Zij stijgen met den arend altemet eens naar boven. Welk een schat heb ik daar! zeggen ze; den Heere Jezus aan de rechterhand Gods! wat al Godzaligen zijn daar, waarmede ik verkeerd heb, en daar ik mee gesproken heb! Zij overdenken eens, hoe zij er toe gekomen zijn. De Heere openbaart Zich altemet eens aan hen; Hij zegt: Ik lien uw God. O! die ziel is altemet zoo overreed, dat ze er niet meer aan twijfelen kan, al was het, dat gij er haar om dooden wildet; zij kunnen niet twijfelen, omdat ze in de nabijheid Gods leven; God kust hen met de kussen van zijn mond, Hoogl. 1:2. Hij voert hen in het wijnhuis, Hoogl. 2:4, en in de binnenkamer, Hoogl. 1:4, en 3:4. Hij getuigt door zijnen Geest, dat ze zijne kinderen zijn, Rom. 8:16. Hij troetelt ze; Hij geeft ze troost, kalmte, vrede; Hij doet ze wegsmelten in liefde tot den Heere; Hij heiligt ze, zoodat ze zoeken heilig te zijn, gelijk God heilig is, 1 Petr. 1:15, zij zinken weg in liefde en nederigheid; zij leven nabij God;

324

-ocr page 331-

OVER DEN XXII. ZONDAG. Vrao. 57 on 58.

zij hebben het getuigenis van zijnen Geest; zij leiden eenen heiligen wandel; zij hebben eene levende en welgegronde hoof», zoodat zij blijde kunnen zijn in de allergrootste verdrukkingen. Hoe komt datV Het is, dat er van den hemel wat in hun hart is.

Hoe is het nu voor de ziel, nadat ze gestorven zijn, als ze voor den troon Gods komt? Hoe zou het zijn? Zij zullen er eene groote kennis hebben van den drieëenigen God. Al dat hier ten deele en verkeerd bevat was, zal daar volmaakt zijn. Daar zal het vat vol loopen. Dan in den wil. Zij voelen geen beweging tot zonde, zoodat ze als wel zullen zeggen: Heb ik mijne eigene ziel wel? heb ik mijn eigen hart wel, dat mij dikwijls zoo kwelde en zoo helde naar de zonden? Zij zullen er zijn vol van verwondering, van liefde, van blijdschap, van nederigheid, en van dankbaarheid. Heere! zullen ze zeggen, hoe hebt Gij met zulk een hellewicht kunnen leven. Hoe waart Gij zoo goed, dat Gij met mij kondt leven? Zoo zal \'t gaan. Lieve Middelaar! zullen ze zeggen, hebt Gij mij gekocht met uw bloed, mij verlost? Daar zal als geen geest meer in hen zijn, en zij zullen altijd even frisch zijn in hunne geestelijke bevattingen. Daar zal niet eene beweging of ontroering zi]n, die zondig is; geen kommer, geen droefheid, geen vrees; niets anders dan eene bedaarde kalmte, eene altoos zichzelf gelijkvormig zijnde rust. Zij zullen daar het werk der heerlijkheid zien.quot; Zij zullen van gedaante veranderd worden, 2 Cor. 3:18. Zij zullen den engelen gelijk zijn, zoodat ze zuilen zeggen; Ik ben verzadigd naar mijn eene deel, dat is naar de ziel; en naar mijn ander deel, dat is het lichaam, wacht ik het ook. Ach! hoewel ben ik in den hemel aangekomen! ik wacht, dat Gij aan miju ander deel ook eene groote heerlijkheid zult geven.

Geliefden! als die knoop gelegd zal zijn, tusschen lichaam en ziel, dan zullen ze liet eeuwige leven volmaakt genieten. Dan zullen de engelen hen voeren door de wolken in de lucht, en zoo zullen ze altijd met den Heere wezen, 1 Thess. 4:17.

Daar komende, zal het alles vergroot worden, \'t Zal vergroot worden vanwege de plaats der heerlijkheid. Hier hebben ze altemet een arm hutje, daar zullen ze in \'t \'Paradijs Gods zijn. \'t Zal vergroot worden wegens het gezelschap; zij zullen zijn in quot;het gezelschap des Drieëenigen Gods; in het gezelschap van quot;den Heere Jezus; Dien zullen ze in eene zichtbare gedaante zien, als God en mensch in één persoon, zij zullen zijn in \'t gezelschap van den Vader en van den Geest. Ik God, ben uw God, zal Hij zeggen, en Hij zal de uwe wezen. Hoe zoet was dat hier! Zij mochten er wol vaii zeggen: \'tls mij goed nabij God te wezen, Ps. 73:28. Dan zeiden ze; Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelst, Jes. 38:17. O! Geest van God! zullen ze zeggen, ik erken U mijn Leidsman te zijn tot over den dood; Gij hebt mij in den hemel binnengebracht. Heere Jezus! Gij zeidet, dat óij mij geen wees zoudt laten. Joh. 14:18; zij zullen zijn in het gezelschap der engelen, en van alle vromen, Adam, Mozes, Êlia, David en andere groote mannen, die in de Kerk geweest zijn. Daar zullen ze zijn bij

325

-ocr page 332-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

die duizenden van Gods kinderen, patriarchen, apostelen, vromen, die hen hier gesticht hebben, in \'t gezelschap, dat hen hier verkwikt heeft. Is er een predikant, die \'t middel is geweest van uwe verandering, dien gij zoo lief\'hadt, daar zult gij bij zijn. Gij waart hier altemet zoo bekommerd, dat gij meer liefde tot het middel, dan tot den Heere Jezus hadt, dan zal het anders blijken; elk zal zijne kroon voor de voeten Gods leggen en zeggen: Eere zü God en het Lam, wegens het groote werk aan mij gedaan.

Een goddelooze zegt: wel, wat zullen ze daar eeuwig doen? God Drieëenig kennen zonder duisternis; zij zullen God kennen in \'twerk der natuur, in \'t werk van zijne voorzienigheid, in zijn wezen, in zijne personen, in zijne volmaaktheden; zij zullen zoo ver kunnen zien in de Goddelijke dingen, zij zullen Hem dienen zonder zonden. Dat geslacht zal kunnen zeggen: Nu is de minste zonde niet in ons. Zij zullen Hem verheerlijken zonder moede te worden. Men wordt hier moede van prediken, van hooren, van zingen; Mozes\' handen werden moede van bidden: Aaron en Ur moesten ze ondersteunen; maar daar zullen ze altijd even vaardig wezen, zij zullen nooit versleten krachten hebben; en dat zal zoo duren tot in eeuwigheid, eeuw uit, eeuw in: alle vrienden binnen, alle vijanden buiten. Daar zullen ze zichzelven verlustigen in den Almachtige, verkwikt zijnde in het groote goed, dat wij hier niet begrijpen kunnen, en dat nog niet geopenbaard is. Wat hebben wij het dikwijls gezongen: o! hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor die U vreezen! Ps. 31:20. Zij zullen zoo blijde zijn in dat zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid, 2 Cor. 4 :17. Daarin is eene groote breedte, lengte, diepte en hoogte van Goddelijke liefde te zien, Ef. 3:18, zoodat gij er in wegzinken moet. Daar zullen ze elkander aanzien met blijdschap: man, vrouw, kinderen, elk zal zeggen: heeft God er u ook gebracht? heeft Hij zich over u ontfermd ? Gij kunt eens denken wat eene liefde en vereeniging daar zal zijn. Zij zullen niet nijdig en hoovaardig zijn tegen elkander, maar zij zullen elkander opwekken tot den lof van God, en zij zullen ophalen wat God al aan hen gedaan heeft. Meent gij, dat er in den hemel niets zal zijn tot verkwikking voor het lichaam? Ach ja! zoowel als hier, maar op eene gansch andere wijze.

Nu het vierde stuk, namelijk: Ik geloof dat. Weet gij wat dat te zeggen is?

Eerst. Heere! ik geef U de eer; ik erken, dat Gij God zijt, en dat dit eene Goddelijke waarheid, en geen fabel is. Gij hebt het ontdekt, en ik ga op het gezag des Ontdekkers vast.

Ten tweede. Ik zucht en verlang er naar. Ach, zou het mijn geluk wel wezen! zou ik dat mogen hebben! mijn hart trekt er naar, ik wilde wel, dat ik zoo mocht wezen!

Ten derde. Ach! dat ik U voor mijn deel in Christus mocht hebben! Mij dunkt. Gij hebt mij zoo bewrocht, dat ik het mag denken.

Ten vierde. Ik wacht het met lijdzaamheid. Daar zijn er wel, die

32 G

-ocr page 333-

OVER DEN XXII. ZONDAG. Vrag. 57 en 58.

wegens hunne ellende wenschen, dat ze dood waren; dat is juist zoo wel niet gewenscht.

Ten vijfde. Zij willen alles uitstaan wat er uit te staan is, al was het op schavotten, in kruis en armoede. Gij blijft, en zijt, zeggen ze, evenwel mijn God; zij willen gaarne alles uitstaan, om dat te ge-meten.

Dit zijn onze vier dingen; ili 1 1 \' \' 1 1 11i —-11

zijn. Hebt gij het niet willen

gewild hebt, wat hebt gij in uw hart gedacht ? Gij zult zeggen: daar zult gij niet achter komen, wat ik heb laten opklimmen in mijnen geest; maar ik weet dat niet, of wij er niet wel wat achter zullen komen.

Eerst. Dacht gij er niet wat atheïstisch omtrent? Hadt gij er niet vele verzinselen onder, om het alles krachteloos te maken? Gij zult in uw hart zeggen: daar ben ik al jaar en dag schuldig aan geweest, dat ik die gedachten van dood, opstanding en eeuwig leven uit mijn hart gesteld heb. Wel, is dat zoo, dan hebben wij een woord twee of drie aan u te zeggen.

Eerst. Weet gij wel, dat gij vruchteloos arbeidt, het blijft evenwel in \'t diepst van uw hart. Wij moeten u eene vraag doen: kunt gij de gedachten van den dood wel weg doen? Gij zijt misschien frisch, kloek en sterk, uwe melkvaten zijn vol melk, ,ïob 21 :24; maar kunt gij die gedachten wel weg krijgen?

\'Nog een woord, ten tweede. Spruit het niet uit goddeloosheid, en tot goddeloosheid, dat gij zulke gedachten in uw binnenste voedt?

Ten derde. Nog een woord. Weet gij wel, dat gij u daardoor in gevaar stelt, dat God die dingen, die u nog een prikkel geweest zijn, zal wegnemen? dat Hij allen klem van u zal wegnemen, en dat gij zoo doende zult zondigen tot den dood?

Ten vierde. Weet gij wel, dat gij een snood mensch zijt? Voor zoo eenen heeft niemand eenige eerbied, als om zijn ambts wil en in elk geval gedwongen. Hebt gij het niet willen gelooven, doet geen moeite om het langer tegen te gaan. God zal er u evenwel toe brengen tot uwe smart.

Een ander zegt: ik ben daar niet schuldig aan. Waarom? Ik doe niet anders dan den breeden weg oploopen, tuischen, spelen, drinken. Denkt gij, dat gij te kort zult komen, om in de hel te komen? Gij behoeft u zoo niet te haasten. Daar wordt in ons land zulk eenen haast gemaakt om verloren te gaan. Weet gij niet, dat er eene wolk van oorlog groeit? Wilt gij het er dan opzetten om ten gronde te gaan? Wi) hebben altijd het middelslag moeten prijzen, zoolang als wij hier predikant geweest zijn; wij dacliten, dat daar de zegen Gods nog wel het meest onder was; maar wij beginnen nu wat te veranderen; het schijnt of God nu meest onder de grooten, en onder de kleinen met zijnen Geest begint te werken; en de burgers, die eenigszins met middelen gezegend zijn, zitten te tuischen en te spelen in de herberg; en de vrouwen en kinderen zitten thuis te zuchten

327

-ocr page 334-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

en te schreien; en den vrienden gaat er als het hart over uit, dat ze het hooren. Dezen morgen hoorden wij van een van Gods dienstknechten, dat wij te voren nog niet gehoord hadden, namelijk: dat ze daar zitten loterijen op te richten. Hebt gij geen huizen meer om daar te eten en te drinken? Dan zou er haast eene andere gedaante gezien worden; de fatsoenlijkste burgers worden wilder, en wij zien nu altemet met blijdschap onder de aanzienlijken Gods Geest werken, en onder de armen, hier een dienstknecht, en daar eene dienstmaagd, die genade krijgen. Doet uw best zoo niet om in de hel te komen. Hebt gij dan geen liefde meer voor uwe vrouwen, kinderen, vrienden en ouders? Kan u niets stuiten, dat gij zoo baldadig wordt? Moeten de klachten uit de huisgezinnen langs de straten gehoord worden? Wij hopen dat wij niet sterven zullen, of dat wij zullen zien, dat God ook wederom in \'t middelslag werkt. Gij die van den Heere gezegend zijt met tijdelijke middelen, moet gij dartelheden gaan^ doen? Doet liever macht en geweld om in den hemel te komen. Zegt: ik en mijn huis wij zullen den Heere dienen, Jos. 24:15. Zegt: ik wil liever met mijne ouders, vrienden, en met mijn geheele huis naar den hemel gaan, als op de tuisch-, speel-, sluip- en vretbank zitten.

Anderen zullen zeggen: Daar ben ik ook buiten; maar ik ben zorgeloos; altijd goedsmoeds; ik weet van geene droefheid. Ik vraag u, als gi] onder het Woord komt, gaat er niet eens eene rilling en eene verandering door uw hart? Is het niet als een scherpsnijdend zwaard? Hoe maakt gij het dan? Dan verzet ik het, zult gij zeggen, door in mijne wellusten voort te gaan; door eten en drinken gaat de benauwdheid mijns harten wat weg; en kan ik het niet verzetten, ik verzeker mij evenwel den hemel. Ach Heere! hoe inenigen verzekeren zich den hemel zonder grond! Het is al: mijn man en mijne vrouw zaliger; en het stroo ligt dikwijls voor de deur en de ziel in de hel; en dat is evenwel in de monden van de menschen bestorven. Zeg eens! Wanneer werdt gij dan verzekerd? Hoe kreegt gij het? Op bidden, worstelen, strijden, tranen, donkerheid? Gij moogt het u zeiven beloven; maar God zal het niet bevestigen. Het zullen zandgronden worden, Matth. 7:26. Wilt gij den rechten grond weten? Wij zullen daarmede zoeken te eindigen.

Eerst. Dan zult gij kennen hetgeen Paulus zeide, Ef. 2:5. Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft Hij ons levend gemaakt met Christus. Toen gingt gij u scheiden van de dooden en gij kwaamt onder de levenden verkeeren.

Ten tweede. Is Christus uw Hoofd? Zoudt gij dat wel durven zeggen, dat die heilige Jezus uw Hoofd is? Zoekt gij dan ook zoo als uw Hoofd te leven? Of dient gij de wereld in het toppunt? Dan zult gij de dingen van Christus en zijn volk gaan verachten.

Ten derde. Hebt gij uw leven begonnen, eene liemelsche vreugde in uw hart te gevoelen; zoodat gij over het genadewerk God gedankt hebt, al was het maar met een eenig traantje?

328

-ocr page 335-

OVER DEN XXII. ZONDAG. Vrag. 57 en 58.

Hebt gij God wel gedankt, dat gij nog niet grootelijks gevallen zijt?

Ten vierde. Voelt gij eene zucht en trek naar den hemel? Zoudt gil wel zeggen: Kom haastolijk, Hoere Jezus! Opeub. 22 : 20. De anderen zeggen: kom nog niet; maar zij zeggen: Ach! ik wilde wel, dat Gij kwaamt! Ach! mocht ik bij uwe kinderen in den hemel zijn! Ik zucht daar naar, ik zie daarnaar uit. Ach God! ik kan het niet harden, ik verlang om er bij te zijn!

Ten vijfde. Zij laten zich aan het aardsche \'t minst gelegen liggen. Of ik daar wat min of meer van heb, zeggen ze, laat dat maar zijn, zooals het God belieft; als ik maar heb om over den weg te komen, al moest ik dan arm worden, dan zal ik het brood der liefde eten, en niet der luiheid: zij zoeken de dingen die boven zijn. Col. 3 :1. ^ Nog eens. Ten zesde. Die het genieten zal, hij kan niet verre van God leven. Dat is hem zoo naar, als hij moet zeggen met de bruid, Hoogl. 3:1, Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Hij is zoo blijde, als hij kan zeggen: Ach! mijn Heere, verheft Gij over mij \'t licht uws aanschijns, Ps. 4: 7.

Ten zevende. Zij maken daar hun meeste werk van, om er te komen; zij bidden, zij lezen, of er op \'t laatst nog een storm mocht komen.

Nog een teekentje, ten achtste. Als er twee schalen voor u stonden en in de eene was God en Jezus, en in de andere de duivel en de wereld, wat zou er \'t meest bij u wegen? Is het God? zoekt gij Dien te dienen en te behagen, of is het de wereld en de zonde? Zijt gij nog onder de heerschappij des duivels? Wat zegt gij? Hebt gij de keuze nog nooit gedaan? Slaap niet, vóórdat gij het gedaan hebt. Laat uw gemoed u behandelen: het zal u zoo trouw behandelen.

Kinderen Gods! moet gij niet zeggen: wat geef ik om de wereld, als ik God heb; al ging ik mijn leven van hier niet naar huis. Wat zegt uw hart? Zegt het: ik mis het?

Ten eerste. Dan zeggen wij u den dood aan, en wie weet hoe haast! Op de plaats der dooden, waar gij op zit, zal \'t lichtelijk wel haast ledig zijn voor een ander.

Ten tweede. Keert deze f)?810 Vraag van den Onderwijzer dan om. Dan is het: wat schrik schept gij uit de opstanding des vleesches? En het antwoord zal moeten zijn: Dat niet alleen mijne ziel na dit leven van stonden aan tot haar hoofd, den duivel, zal nederzinken, maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijne ziel vereenigd zal worden, om Hem eeuwig lijk te smaden. Dan moet gij ook de 588te Vraag van den Onderwijzer omkeeren; en vragen: \'Wat schrik schept gij uit het artikel van het eeuwige leven? En het antwoord zal hierop uit moeten komen: Dat nademaal ik de beginsels van de eeuwige smarten der hel in mijn hart gevoel, in die neepen en angsten, en in die knaging van mijn gemoed; dat ik dan na dit leven, volkomen rampzaligheid zal hebben, die geen oog gezien, noch geen oor gehoord

829

-ocr page 336-

330 CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

heeft, noch in het hart des menschen is opgeklommen; en dat om God daar eeuwiglijk te lasteren, en mijzelven te vervloeken.

Vromen! houdt moed; uw hart schrikke niet! Zondaar! raakt het u nog niet? Is het nog geen tijd, om om te zien? Kinderen Gods! gaat uwen weg zoo maar voort; de Heere zal u versterken; God zal met den goeden wezen. Moet gij sterven; troost u te^en uwen eigenen dood, en tegen den dood van uwe vrome vrienden. Iloe lief hadt gij elkander hier! Maar wat zal het daar eens zijn! Troost u tegen het graf; dat zal een zacht rustbed wezen. Wij sluiten met dat woord van Paulus, 1 Thess. 4:17, 18, zoo zullen \\vü altijd met den Heere wezen. Vertroost elkander met deze woorden. De Heere gunne dat u en mij, tot Zijne eer, om Zjjns Zoons wil. Amen.

-ocr page 337-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXIIL Zondag. Veag. 59—61.

Drie-en-twintigste Zondag.

59. Vbaag. Maar wat laat het u nu, dat gij dit alles gelooft?

Antwooud. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een

erfgenaam des eeuwigen levens.

60. Vraag. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God ?

Antwoord. Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus; alzoo, dat, al is het, dat mij mijn geweten beklaagt, dat ik tegen al de geboden van God zwaarlijk gezondigd, en geen derzelver gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige mijner verdienste, uit louter genade, mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, even als bad ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik ook al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zooverre ik zulk eene weldaad met een geloovig hart aanneem.

61. Vraag. Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig Zijt ?

Antwoord. Niet, dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof, Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijne gerechtigheid voor God is, en dat ik dezelve niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan.

Wij lezen Filipp. 2:12. Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven. Het is een groot woord, een groot werk, en een groote last, die ons elk van God bevolen wordt, om dien, in den naam van God, uit te voeren. Niets kan ons meer daartoe aanmoedigen, als dat wij denken;ij lezen Filipp. 2:12. Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven. Het is een groot woord, een groot werk, en een groote last, die ons elk van God bevolen wordt, om dien, in den naam van God, uit te voeren. Niets kan ons meer daartoe aanmoedigen, als dat wij denken;

Eerst. Dat het mogelijk is.

Ten tweede. Ik kan daar geen schande door hebben.

Ten derde. Dat het geen vruchteloos werk is.

Het is niet onmogelijk om in den hemel te komen; om tot den staat der genade en der heerlijkheid te komen. Uij den mensch, zegt

-ocr page 338-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

God, is \'t wel onmogelijk; maar bij Mij niet. Wij zijn er niet toe bekwaam om uit of van onszelven iets goeds te doen of te denken, maar al onze bekwaamheid is uit God, 2 Cor. 3:5. Het is dan niet onmogelijk aan de zijde van God: Hetgeen bij de menschen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God, Luk. 18:27.

Als een mensch daartoe ingespannen raakt, zoo gaat hij dat;

Eerst. Beginnen. En wat ondervindt hij dan wel haast? Dan ondervindt hij, dat God dat goede werk in hem voleindt. Het goede werk in u\' begonnen zal Hij voleindigen tot op den dag van Jezus Christus, Filipp. 1:6. Dat wist Nehemia als hij zeide: Wij de knechten des Allerhoogsten Gods zullen ons opmaken om te bouwen, en God zal het ons doen gelukken, Neh. 2:20. Dat ondervindt een overtuigde ook; ik zal mij opmaken, zegt hij, en God zal het mij doen gelukken.

Niet alleen moet ik, ten tweede, aan dat werk beginnen, maar ik moet er volstandig in zijn, zou ik er anders door raken; ik moet niets ontzien, al was het quot;dat ik er schade door zou moeten lijden. Wil iemand naar den hemel, er is voor hem geen grooter sieraad. Dan begint hij een heerlijke te worden in den lande, daar elk zin in krijgt. Al zijn liet goddeloozen, zij mogen ze met den mond verachten; maar in hun hart schatten ze hun hoog. O! die gelooft, hij zal niet te schande worden, in eeuwigheid. De Heere zal hem vergelijken bij een voorzichtig mensch, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; wat stormwinden er komen het huis blijft staande, Matth. 7 :24. Het is zulk een volk daar men van zeggen moet: de rechtvaardige is overtreffelijker dan zijnen naaste, Spr. 12:26.

Ten derde. Wilt gij naar den hemel, en hebt gij het begonnen; blijft volstandig, gij zult geen vergeefsch werk doen. Ach neen! Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: zoekt Mij tevergeefs, zegt God, Jes. 45:19. De goedheid Gods lijdt het niet, dat iemand aan dat werk zijn hand zou slaan, of Hij zal \'t hem duizendvoudig vergelden. Zoo dan, mijne geliefde broeders! zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren, als die weet, dat uwen arbeid niet ijdel is in den Heere, 1 Cor. 15:58. Het mocht een kind van God eens losselijk ontvallen: Ik heb tevergeefsch mijn hart gezuiverd, en mijne handen in onschuld gewasschen, Ps. 73:13; als hij zoo spreekt zoo moet hij eindelijk voor God belijden: Dat hij maar een groot beest is bij God, Ps. 73:22. De blinde wereld mag zeggen dat het tevergeefsch is God te dienen; al het volk van God oordee-len dat niet; maar die zijn van het oordeel des Onderwijzers, dat hij die 59st0 vraag behandelt. Maar wat baat het u nu, dat gij dit al gelooft? Ja, het is niet tevergeefsch het werk des geloofs, en de arbeid der liefde; de Onderwijzer vraagt het aan een voor allen, of het niet tevergeefsch is God te dienen? Daar antwoordt er een, gelijk of ze allen antwoorden, en bij zegt: Het is niet tevergeefsch. De Onderwijzer treedt onder de Christenen, gelijk Paulus eens deed onder de J oden, laat ik u eens eene vraag doen: welk is het voordeel

832

-ocr page 339-

OVER DEN XXIII. ZONDAG. Vrag. 59-G1.

der Joden? of\' welk is de nuttigheid van de besnijdenis? En daar wordt op geantwoord: groot in alle manieren. Dit is wel liet voornaamste voordeel: dat hun de woorden Gods zijn toebetrouvvd, Rom. 3:2. Kom. 9, telt hij nog al meer nuttigheden op. Do Onderwijzer wil zeggen: Christenvolk! wat voor een zeldzaam volk zijt gij ? Ik zie, er schiet niet veel bij u over; altemet moet gij wel op de milddadigheid van anderen leven. Gij hebt dikwijls aan voedsel en deksel gebrek. Ik zie als er genade in uw hart komt, dat elk tegen u opstaat; de man staat op tegen de vrouw, en de vrouw tegen den man; een vader staat op tegen zijnen zoon, een zoon tegen zijnen vader; eene moeder staat tegen haar kind op, een kind tegen deszelfs moeder. Ik zag ook dat gij werdt gegrepen; ik zag er onder u, die naar de gevangenhuizen gebracht werden, en dat waren Christenen; ik trapte eens bij u over, om deze vraag aan u te doen: of alle menschen zouden zalig worden? Gij antwoorddet mij: Neen. Daarop zeidet gij mij: wie zalig zouden worden, namelijk die allen, die in Christus geloofden; die Christus door het ware geloof aannemen, in den Zondag. Daarop zagen wij eenige stukken van de voorwerpen des geloofs dat gij belijdt, en zoo zijn wij gekomen tot de eeuwigheid. Bij de wereld zijt gij \'t uitvaagsel aller menschen; maar wat gewin is er, in dat alles te gelooven met het zaligmakend geloof\'? Wat baat het? Dat zal ik u zeggen, wordt er geantwoord. Dit baat het: dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben. Wel! zijt gij dan geen zondaar meer? Ach Ja! Hoe is dan nu een zondig mensch rechtvaardig voor God? Daar doet hij verklaring van in do 608to Vraag. Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus. Hoe komt het geloof hier te pas? Dat zegt hij in de 61ste Vraag, en verder wat het is, dat te gelooven. Dat zijn onze vier zaken.

Eerst. Is er een bizonder nut in, dat te gelooven? Ja.

Ten tweede. Hoe wordt do mensch gerechtvaardigd voor God? Alleen door een oprecht geloof\' in Jezus Christus.

Ten derde. Het geloof is een wonderstuk; hoe komt het hier te pas? Dat zal Hij zeggen.

Ton vierde. Dat geloof\' ik.

Wat het eerste aangaat, hier is eene bedenking: 1. Of men God mag dienen om inzicht en loon. 2. Of er geen gewin in \'t geloof is. 3. Of men loon verwachten mag?

De eerste bedenking is: of\' men God mag dienen met inzicht van eenige vergelding, tijdelijke, geestelijke of eeuwige? Ik antwoord :

Eerst. God is het zoo waardig van ons allen gediend te worden, al was er geen hemel tot belooning, noch een hel tot straf. Dat zijn wij schuldig te doen; wij zijn schuldig eeuwig te erkennen, dat Hij waardig is van ons allen gediend te worden, van ons allen te ontvangen alle eer, alle liefde, allen dienst. Dat moeten wij op aarde erkennen, al was er geen andore reden, als onze afhankelijkheid van God. Jer. 10:7, Wie zou U niet vreezen, Gij Koning der Heidenen?

333

-ocr page 340-

CATEOHISMUS-PEEDIKATIE

want het komt U toe. Pred. 12:13, Vreest God en houdt zijne geboden, want dit betaamt alle menschen.

Ten tweede. Al is God het waardig van ons gediend en geliefd te worden, zoo belieft het God echter in den overvloed van zi]ne goedheid tot zijne kinderen van loon te spreken. In het houden van Gods geboden is groote loon, Ps. 19:12. Ik zal het niet onder Mij laten, zegt de Heere. Wie is er ook onder u, die de deuren om niet toesluit? en gij steekt het vuur niet aan op mijn altaar om niet. Mal. 1 :10. Zegt den rechtvaardige het zal hem wei gaan, Jes. 3:10. En in \'t Nieuwe Testament is het al dezelfde boodschap, \'t Is:l Tim. 4:8, De Godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens.

Ten derde. God moedigt elk mensch onder zijne kinderen aan, uit hoofde van de goede vergelding, die Hij aan hen doet, voor hun ge-brekkelijken dienst. Is er genade in uw hart, en geeft gij aan een van mijne dienstknechten, al was het maar een dronk koud water, Ik zal het u rükelijk vergelden, zegt de Heere, omdat het mijne dienstknechten zijn, Mark. 9:41. Rijkdom en eer is bij mij, duur-achtig goed, en gerechtigheid, Spr. 8:18. Zoo versterkte Hij ook Aza.

Ten vierde. Daar is loon naar werk, Jer. 31:16. Uw arbeid zal niet ijdel wezen. 1 Cor. 15:58. God heeft er nooit ongenoegen in gehad, dat zijne kinderen daar het oog op geslagen hebben, dat ze het gedaan hebben, blijkt uit Ps. 34:10, Vreest den Heere, gij zijne heiligen! want die Hem vreezen hebben geen gebrek. God nam het niet kwalijk van Mozes, die zag op de vergelding des loons, Hebr. 11:26. Nam God het van Paulus wel kwalijk? als hij zeide, Rom. 8:18, Ik houd het daarvoor, dat het lijdon dezes tegenwoordigen tijds, niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Paulus als een onderwijzer zeide: Wij zien de zienlijke dingen niet aan, want die zijn tijdelijk 2 Cor. 4:18. Wij behoeven daar niet over te dwarlen, of een kind Gods, God dienen mag om loon; zoo gij gewillig zijt, en hoort, zegt God, gij zult het goede dezes lands eten, anders zult gij van het zwaard gegeten worden, Jes. 1:19, 20.

Ons vijfde antwoord is: Als een kind Gods dat doet, dat hij op het nut ziet, zoo dient hij God evenwel, ook om de waardigheid die Hij heeft, \'t Is Gode tot heerlijkheid, en tot zijn geluk, 2 Thess. 1:12, Opdat de naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus. Hij zal komen en wonderbaar aan zijne heiligen zijn, en zich verheerlijken in al zijne heiligen. Dat begrepen hebbende, zullen wij zien, dat hetgeen aan onze zijde tot nut is, dat is ook Gode tot heerlijkheid.

Tweede bedenking. Nu moeten wij zien: Is er dan nut in, om dat alles te gelooven? Ach arme! zult gij denken, zij zijn dikwijls zoo arm. Evenwel is er nut in. Waarom? In hunne armoede hebben zij dikwijls zulk een edelmoedigen geest; zij leven onder?de stralen en invloeden van het licht van Gods aangezicht. Als zij maar voedsel

834

-ocr page 341-

OVER DEN XXIII. ZONDAG. Vras. 59- 61.

en deksel hebben, hoe gering het ook is, het is hun zeer wel. Het goed van de wereld doet hen niet veel aan. Een schotel groen moes is hun al beter dan al het vette van de wereld. Bovendien in hun weinigje proeven ze \'s Vaders liefde. Mijn weinigje in uwe liefde is beter, zeggen ze, dan de overvloed veler goddeloozen, Ps. 37:16. Ziet eens een gezelschap van vromen, waar dikwijls niet veel opgedischt wordt, en ziet een gezelschap van goddeloozen, waar het alles opgedischt wordt; het een eet tot lof van God, en het andere lastert God in \'t misbruiken van zijnen Naam. O! krijgt iemand genade, dat overtreft het alles. Daar zegt God tegen: nacht en dag staat de poort des hemels voor n open, om al uwe begeerten gedurig aan Mij bekend te maken, en uw hart uit te gieten. Als zij zich den ge-heelen dag nauwgezet gedragen hebben, wat een vrede hebben ze! Door dien vrede Gods worden ze als buiten zichzelven gebracht, en de Geest doet hen van gedaante veranderen, als ze daar staan te schreien voor den Heere om zijne gemeenschap, en zeggen: Hoe lang nog, o Heere! wanneer,zult Gij tot mij komen? Ps. 101:2. Laat Ik u eens omhelzen, en spreekt tot mijn hart van vrede; laat Ik eens spreken zooals gij \'t gaarne hoort, zegt de Heere. Gaan ze naar de eeuwigheid, leggen ze hun lichaampje daar neer in \'tstof? Daar is het oog van God, die ziet en Hij zorgt voor die stofjes. Dat kunnen wij nu om de kortheid des tijds niet uitbreiden.

Derde bedenking. Wat voor nut is er nog al in? Dit: dat ik voor God in Christus rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens. Hab. 2:4, De rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Hom. 10 :10, Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid. Gal. 3:24. Wij worden gerechtvaardigd uit het geloof. Kom. 3:24, Wij worden om niet gerechtvaardigd, uit zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Kom. 5:1, Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. Rom. 3:28, Wij besluiten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der Wet.

Hier dalen wij nu vanzelf gemakkelijk af tot ons tweede stuk, dat wij zeggen: Wat is dat dan, gerechtvaardigd voor God te worden? Hoe wordt de mensch gerechtvaardigd voor God? Hoe gaat dat wel toe? Kinderen Gods, spant u wat in, het zal uwe aandacht welwaard zijn; wij zullen het ordentelijk zoeken voor te stellen.

Het rechtvaardigen is eene rechterlijke daad van God, waardoor Hij den uitverkoren zondaar, die in zichzelven wel goddeloos, doch nu een arme, verlegene, belaste en beladene ziel is, vrijspreekt van schuld, vloek en straf, en hem verklaart tot een erfgenaam des eeuwigen levens; en hem zoodanig zijne zonde vergeeft, even alsof hij nooit zonden begaan, maar alle gerechtigheid Gods volbracht had. In wien en om wien doet God dit? Om de dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid en gerechtigheid van Christus, zonder eenige mijner verdiensten uit loutere genade. Zulk een lijder, zooals wij hem daar beschreven hebben, wordt vrijgesproken door den Richter, om

335

-ocr page 342-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

de gerechtigheid van Christus, voor zooverre Hij ze door het geloof heeft aangenomen. Zulk een lijder gaat gerechtvaardigd naar zijn huis, en naar de eeuwigheid, even alsof hij nooit zonde gehad had.

Over het woord rechtvaardigmaking en over de zaak, hebben wij beiden verschil. Over het woord hebben wij verschil met de papisten. Wij noemen de rechtvaardigmaking eene richterlijke daad, maar naar het paapsche gevoelen is het dit: namelijk, dat (iod een onrechtvaardige, een goddelooze rechtvaardigt door de verandering van zijne onheilige natuur in eene heilige natuur; zoodat zij er geen richterlijke daad in zien. Wij zeggen: wij zien er die richterlijke daad wel in; en wij bewijzen het:

Eerst. Omdat\' het woord, rechtvaardigen, doorgaans door rechters gebruikt wordt, üeut. 25:1, Wanneer er tusschen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zoo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen. En Spr. 17:15, Wie den goddelooze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, is den Heere een gruwel.

Ons tweede blijk is klaar. Gij zult vinden, dat iemand God gerechtigheid toeschrijven zal: Gij zijt rein in uw spreken en rechtvaardig in uw richten, Ps. 51: G. Dat kan niet dan op die wijze verklaard worden.

Nog eens, ten derde. Den Heere Jezus wordt eene rechtvaardigheid toegeschreven: Hij is gerechtvaardigd in den geest, 1 Tim. 3:16. God, noch Jezus, kunnen niet meer gerechtvaardigd worden; God is de volmaakte Heilige; van den Heere Jezus staat er, Jes. 50:8, Hij is nabij die Mij rechtvaardigt. Wie zal Mij verdoemen? Eens ieders recht is van den Heere, Spr. 29: 2G.

Nog eens, ten vierde. Rechtvaardigen, wordt gesteld tegenover verdoemen en beschuldigen. Rom. 8:33, Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt?

Ten vijfde. Het zijn altemaal spreekwijzen van een rechter: de schuld te vergeven, uit te wisschen, achter den rug te werpen, niet te gedenken; het zijn altemaal spreekwijzen aan \'t gerecht ontleend.

Ten zesde. Het zijn spreekwijzen bij de menschen gebruikelijk. Als de rechter niet straft, maar vrijspreekt, is het eene richterlijke daad. Zoo moet dan hier het gericht gespannen worden. Als gij het in zijne grootte zult zien, dan moeten wij zien, hoe God de Richter over allen is; de Richter der gansche aarde, Gen. 18:25. Die komt daar voor het oog van den mensch, als gij de rechtvaardigmaking beziet. Ps, 143:2, Treed niet in het gericht met uwen knecht. Laat ons dan bij den gerichtshandel blijven, en uwe gedachten langs den-zelven leiden.

Daar hebt gij dan in de eerste plaats den Richter, die vertoont God; God de Vader komt in de huishouding van de genade voor als de Richter; \'t is alles op het majestueuste, heerlijkste en verschrikkelijkste; \'t is er alles om het ontzaglijkste. Waar een richter is, die

-ocr page 343-

OVER DEN XXIII. ZONDAG. Vrao. 59-61.

gericht zal houden, en daar die Richter komt, wie zou niet beven P Maar wie zal niet beven die in dit gericht komt, als gij aanmerkt, wie de Richter is; namelijk, de groote God; het is de alomtegenwoordige; Ik was er bij zegt Hij tegen den patiënt, als gij de misdaad begingt; Hij is de Heilige en de Rechtvaardige; en zou mijne ziel /jicli niet wreken aan zulk een volk als dit is, zegt Hij, Jer 5\'-9 Het is uwe boosheid, zegt de richter, dat het zoo bitter is, dat quot;het tot aan het hart gaat, Jer. 4:18. Het is de Almachtige; hoe groot of sterk een vijand het is, of\' wat voorspraak hij heeft. Hij kan ze vermalen, Jes. 41:15. Het is de Waarachtige; Hij heeft hét doodvonnis uitgesproken over de zonden; en dat is al vaster, dan de wet der rerzen en der Meden, die niet weerroepen kan worden. Dan. G: 1(3 Het is een Richter, die onveranderlijk is in zijne besluiten, quot;wezen bedreigingen. Het is ook een Richter, die daar verschijnt, met beminnelijke volmaaktheden; die algenoegzaamheden heeft; die de diepten Gods weet. Bekijkt het nu eens, hou die eigenschappen met elkander zullei vereenigd worden tot eer van God. Zijne wijsheid komt en vindt het middel uit; zijne goedheid en liefde geeft het middel De luchter staat m een contract en in een verbond met den Middelaar die daar tusschenbeide komt. Die Middelaar kan tot den richter zeggen: Ik heb verzoening gevonden. Job 33:24. De richter betuigt, dat lii] geenen lust heeft in den dood des goddeloozen, Ezech. 33:11. Voor den Richter nu staat de patient, als een uitverkoren vat- als een gegevene aan den Middelaar; als een, die begrepen is in den He^re Jezus; m \'t contract en rantsoen van den Middelaar. i • i, tw,ee.de-, De patient, in zonden geboren, die komt hiér als een Kind des duivels voor, uit den vader den duivel, met groote verdorvenheden in zijn hart; zij zijn uitermate zondig, de een min, en de ander meer zedigheid vertoonende; maar elk staat daar, als oen quot;odde-ooze, geboeid met de ketenen der zonden, in alle banden des duivels Ui] is wel een arme patient; maar daar God evenwei een oogenblikje van minne voor heeft, om hem uit zijne zorgeloosheid wakker te maken, en hem over zijne zonden tot weekheid te brengen Daar komt hem een oogenblikje over, op den eenen of\'op den anderen tijd van zijn leven, dat hij in zijn hart geraakt wordt, en voor God op zijne knieën valt, en zegt: Ach! mag ik U, mijn Richter, niet om genade bidden. Ach! het wordt hem zoo bang, en daar gaat hem hier een zwaard door zijne ziel. Gij hebt geenen anderen richter noo-dig, Heere! zegt zulk eene ziel, dan mijn eigen gemoed, om mij in de nel te werpen. J

Ten derde. Moeten wij zien: God zegt wel: Ik heb geen an-komenetUlgen n00dlg dan UW ^eiuoed; maar Hij doet de getuigen

Daar komt de duivel, onder de toelating van God, hen bespringen en die brengt ze tot moedeloosheid. Wilt gij van genade spreken? zegt hij; wel, gij zijt een vloeker, een speler, een tuischer, een ijdel dartel, wereldsch wicht; ik heb er nooit een gehoorzamer gehad dan u;

337

-ocr page 344-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zoudt gi] om genade bidden? Wel, uwe zonden zijn al te groot. Hij zou dien patient wel verscheuren, kon hü maar.

Daarbij komt de wet, en zegt: ik eisch, dat gi] met gedaan hebt; ik belast u in den naam van God, gij hebt mij overtreden. Nu vloek en dreig ik u; naar deze wet zult gij sterven.

Daarbij komt hun gezelschap. Wat zie ik in u ? zegt dat gezelschap, wilt gijquot; naar den hemel gaan ? Ik was mijn leven zoo goddeloos niet geweest, hadt gij mi] niet verleid. Zelf hebt gij niet willen ingaan, en mij hebt gij belet en verleid, Matth. 23:13. En wilt gi] nu om genade gaan bidden? Het zal wat wezen!

Daarop komt het gemoed, en zegt: Ach God! dat moet ik bekennen en ik moet zeggen, dat ik geen van al uwe geboden gehouden heb; maar dat ik ze altemaal zwaarlijk overtreden heb; en ik moet bekennen, dat ik nog steeds tot alle boosheid geneigd ben; dat onderschrijf ik van harte, dat ik gezondigd heb, tegen de woeling en klopping van mijn gemoed; ik heb niet in een van uwe geboden overtreden; maar\'ik ben schuldig aan alle. O God! wie kan zijne afdwalingen verstaan! Ps. 19:13. En niettegenstaande dat alles, zoo ben ik nog steeds tot alle boosheid geneigd. 0 God! als ik het goede wil, zoo ligt het kwade mij bij, Rom. 7:21. Ik ben zoo dikwijls tot hinken gereed, Ps. 38:18. Wat zal er van komen!

Zulk een patient, daar zoo voor den Richter staande, met zulke

getuigen, en hijzelf het moetende opgeven, zoo komt de Zoon vanetuigen, en hijzelf het moetende opgeven, zoo komt de Zoon van

od, de Advocaat, die in een contract met den Vader den Richter is; in wiens borgtocht en voldoening de Vader rusten kon; wiens gewilligheid tot genoegen des Vaders is; als het oogenblik daar was, dat de Vader zei; Gij zult den bitteren kelk drinken, toen gal Hij genoegen aan zijnen Vader, zoodat Gods rechtvaardigheid als uitge-bluscht werd. Die geen zonden gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem 2 Cor. 5:21. De Middelaar aan het contract voldoende, door lijden en dood, door eene volmaakte gehoorzaamheid: Door dien eene zijn velen tot rechtvaardigen gesteld, Rom. 5:19. De Richter, zijnde voldaan aan zijne gerechtigheid, waarheid, heiligheid, zoo was het gansche contract voldaan, zoodat Hij moest zeggen: Het is volbracht, Joh. 19:30. Al wat Gij Mij te doen gegeven hebt, heb Ik gedaan. Daarop komt de Middelaar bij den patient, en zegt: Ik heb voor u het contract volbracht en gij zijt Mij geschonken; de Vader heeft u aan Mij gegeven; Ik ben uw Middelaar, de Algenoegzame, Barmhartige en vol van medelijden; Ik raad het u, wend u naar Mij toe. Daarbij komt de Geest\'. Onder de bediening treedt de Geest Gods ook in; niet alleen de Geest der overtuiging, maar der verandering, waardoor hij het verloren beeld Gods herstelt, en hij wordt hun ook een Geest des geloofs, 2 Cor. 3:18; Ps. 116:10; Gal. 5:5; 1 Oor. 12:9. Daar gaan ze dan het geloof oefenen; Hij verwekt geloofsoefe-ningen in hen. Wat is dat? Ach! dat is dat kermen, dat zuchten, dat worstelen! Ach, mocht ik in Jezus zijn! Dat wenscht een die het

338

-ocr page 345-

over den xxiii. zondag. vrag. 59-61. 389

fwf nieï,hf\\ quot;ooit om in den Heere Jezus te zijn; maar de (Teest werkt in hen dat aankleven, en dat hoogschatten van den Heere Jezus, en emdelyk het aannemen. In \'t eerste heeft die ziel hare hand met durven uitsteken; maar nu grijpt ze Mem aan o-ewillio-oprecht; en zulks duizendmaal, en met al die hartelijkheid, die aan\' zijn dienst vast is. /ij neemt den Heere zoo harteliik lan Daar spruit dan bliidschap uit Wat doet nu zulk eene ziel, zulk een arme

deï^chter /iif /quot;1\'quot; eZUquot; ^S^epen heeÜ? Die komt dan tot aui Iticnter. Zijt gi) nu mijn Vader met? zegt ze; ziit trii nu niet

niet mi] verzoend? Liefste Heere Jezus! zijt gij mijn Middelaar niet-is mini geloof met goed; heb ik U niet oprecht aangenomen? Richter van hemel en aarde, ik verzoek U, verbeef het mii -il wit il-bedreven heb; spreek een, van vrede lot mfne rie. Sen St S de profeten getuigenis, dat een iegelijk die in den Zoon gelooft, ver-gevuig van zonden, en het eeuwige leven zal hebben? Hand. 10:43 Daarop komt de Richter, en zegt: zoo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die m Christus Jezus zijn, Rom. 8:1. Uwe zonden zi)n u met alleen vergeven, maar Ik schenk u een recht tot het eeuwige leven; gij zult met alleen het eeuwige leven ontvangen maar

«PJ\'t ??k naar lieTnTiel Oquot; ^ »een verdfeSm Dal HpÏi Heere zegt ze. Uwe gerechtigheid is als een wegwerpelijk kleed, zegt de Heere, Jes. 64:6, dat weet ik Heere! zegt ze• ilf liëb geene gerechtigheid. Ik vergeef het u dan alles uit loutere\'genade zegt de Heere. Dat hebt gij m den volgenden Zondag. Daar komen

nU wr™0011111/ Sun vcrlt;heVstl\'n te l\'!ls; \'iet wordt hun vergeven uit loutere genade, alleen om de gerechtigheid van Christus\' wil

V,,0 p W,0r] ni\\ gerechtigheid van Christus de hunne? Aan do ™ de Gods door toerekening, door de lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid van Christus. Wi] zijn in Hem volmaakt. Dat dat den zon-Tof prekend wordt, is niet ongelijmd. Levi werd wat toegerekend,

25 13 • ,en z«n Seslacht werd wat toegerekend. Num.

quot;•).Jd namelijk, het verbond des eeuwigen pnesterdoms Adams bon delingen werd wat toegerekend. Gen. 3:17 19. Dat is geen be-giip buiten den bijbel. Wat grond heeft dan die toerekening

», de ™ l-ïlicl»..»

TT ^weede grond is die nauwe vereeniging, die er is tusschen dat Hoofd en de zijnen; evenals Adam met de zijnen in eene nauwe vereeniging was. Hij is \'t Hoofd, zij zijn de leden. Zij zijn SVeest met Hem. Ai] zijn de ranken, Hij is de wijnstok.

Hoe wordt nu die gerechtigheid van Ch\'ristus de hunne aan hunne in pn D0T he waarachtig, levend geloof. Moe komt het geloof hier ui aanmerking? Dat kunt gij zien in de 61«^ Vraag. Komt het er zoo m aanmerking, dat ze om dat geloof gerechtvaardigd worden?

Knn V i fquot;\' fT\\ 0m\' Verd,ens1tün van Christus door het geloof. Komt het geloof hier te pas in plaats van eene volmaakte gehoorzaamheid? Zoo wilden het de Remonstranten en de Socinianen gaarne

-ocr page 346-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

hebben. Hoe is \'t dan? Als een geschenk en werk Gods. Ach Heere! zeggen ze, Gij hebt mij gegeven te gelooven. Hoe komt het er nog te pas? Als een middel,\' dat de aangebodene genade omhelst; als eene hand, die de genade aangrijpt; als een mond, die zegt: Ach! dat gi] mijne en ik uwe was; als een oog, door hetwelk zij den Heere Jezus aanschouwt; als een voet, door welken zij naar Hem toegaat. Dat is \'t rechtzinnige gevoelen naar het Woord. Nu zoo vrijgesproken zijnde, en dat zoo volkomen alsof zij nooit zonden begaan had, maar alle gerechtigheid Gods volbracht had, zijn zij door \'t geloof met Hem vereenigd; en nu zegt de Richter: Ik spreek u vrij. Daarop komt de Geest, en die wordt hun een witte keursteen, Openb. 2 -. 17. Hij doet ze smaken de zekerheid van hunne zaligheid, Ps. 51:6, en Hij heelt bun verbrijzelden geest. Die van het geloof zal spreken, dient er ondervinding van te hebben. Die disputeeren over \'t geloof, die doen dat doorgaans of uit onkunde, of uit haat tegen het werk Gods, of uit een beginsel van dwalingen; en als \'t daar uit komt, zal God het ontdekken; en dat is ook de goedheid Gods. Dat is het geloof in \'t stuk van de rechtvaardigmaking. Daarop komt dan de Geest, en Hij wordt hun niet alleen een witte keursteen, en geeft hun eenen nieuwen naam, maar Hij brengt ze tot juichen, en Hij werkt in hen de heiligende daad, enquot; dan maakt Hij ze dankbaar. Heere! zeggen ze, wat zal ik U vergelden; en zij worden zoo klein, zoo godvruchtig, en zoo nederig. Duivel! zegt zulk eene ziel, gij hebt niet meer aan mij; en de wet zegt: ik ben u maar een regel, naar welken gi] uw leven richten moet; tot hun vorig gezelschap zegt ze: God ontfermt zich diens Hij wil, Hom. 9:18; ik was te voren ook zoo als gy; en het geweten zegt: spreekt de Richter u vrij, ik spreek ri ook vrij. Dat is de rechtvaardigmaking, waarop wij naar de eeuwigheid moeten gaan.

Nu ons vierde stuk. Wat is dat nu te zeggen, dat zulk eene ziel zegt: Ik geloof dat? . .

Eerst, ik heb daar kennis van, ik ben er niet onkundig in.

Ten tweede. Ik erken dat; daar ligt een glans van Goddelijkheid op, en ik verwerp al wat daartegenover is; hier ligt een glans van onfeilbaarheid op.

Ten derde. Ik zucht en verlang daarnaar, om zulke wezenlyke zaken te ondervinden.

Ten vierde. Door de goedheid Gods zoo meen ik het, of als een kleingeloovige: God kan, zoo Hij wil; of als een die wat verder gekomen is: God kan en wil; of nog verder: God kan en wil en heeft het gedaan.

Ten laatste. Ik wacht, dat God bij mijn dood het alles vergeven zal, en als ik aan zijne rechterhand zal staan, dat Hij dan zeggen zal: Ga nu in in de vreugde uws Heeren, Matth. 25:21. Daar hebt gij onze vier stukken. Gij moet niet denken, als er die uitdrukking staat: even alsof ik geen zonden gehad had, ja, alle gerechtigheid Gods volbracht had; dat het dan schande is, dat een kind Gods

340

-ocr page 347-

OVER DEN XXIII. ZONDAG. Vkag. 59-61.

treurende en beschaamd over zijne zonden voor God komt, want:

Lerst. De zonden zijn wel in de eeuwigheid vergeven, in zooverre het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast blijve; maar zij worden in den tijd begaan, en dan eerst dadelijk vergeven.

1 en tweede. Daar is niemand, die deel heeft aan de vergeving der zonden, zoo hij niet over zijne zonden geschreid heeft. Daar moet eene droefheid naar God over zijn, die eene onberouwelijke bekeering\' tot zaligheid werkt, 2 Cor. 7:10.

Ten derde. God heeft gewild, dat in de kerk de belijdenis der zon-den zou zijn; Hij wil, dat ze zullen kennen, wat zij bedreven hebben. Zijn dat dan arme, zwakke schepsels? zult gij zeggen. Ja; en gij hebt uw leven geen genade gehad, zoo gij het iiiet kent. God heeft zoo die orde gesteld tot op de eeuwigheid toe.

Wat zegt uw hart? Wjj spraken u zooeven aan, en wij zeiden: wat zijt gij voor een patiënt? Vromen! wat zegt gij, is liet geluk van Gods kinderen niet groot? Dat nut is er in God te dienen. Maar hun geluk bestaat niet in het vermaak van de wereld te genieten; hoewel, dat hebben ze ook wel, als het onzondig is. Wereld! gij mist als gij denkt dat er geen nuttigheid is in God te dienen. De God-zaligheid is een groot gewin, en heeft de beloften van dit en van het toekomende leven, 1 Tim. 4:8. Gij doolt, als gij meent, dat het alles maar m het uitwendige bestaat; daar is allerlei nut in: lichamelijk, geestelijk, en eeuwig nut. Ja, daar is geen een vrome in de stad,\' of hij brengt zijn zegen mede, daar is geen een vrome in het land, of hij brengt er zijn zegen in. Daar komt een Laban bij een Jakob, die zeide: ik heb merkbaar gezien, dat God mij om uwentwil gezegend heeft, Gen. 30:27. Let eens op een Jozef, de zegen Gods was in alles waar hi) was: in \'t huis van Potifar, en in \'t hof van Farao, en in alles, wat Jozef ter hand nam, Gen. 39:5. Let eens op een Lot in oodom. God zou ze alteraaal gespaard hebben, waren er maar tien rechtvaardigen geweest. Gen. 18 :32. Dat volk is als het kurk, waar het geheele land op drijft: \'t is het steunsel en de zegen van de wereld. Waren er hier geen vromen in dit land, wij waren al lang altemaal het onderste boven gekeerd geweest. Ziet dan naar het rechte nut, wereld! hoe zijt gij zoo onkundig? Moest gij eens eene beschrijving van dit stuk geven, wat zoudt gij er van zeggen? Hoe schamel zou het u ter hand staan! en dat in een tijd in welken de aarde vol kennis des Heeren^ zou zijn; en dat, daar het zoo menigmaal zoo klaar en onderscheiden gehoord wordt: \'tis zulk eene onkunde, waar God met vlammend vuur wraak over doen zal, 2 Thess 1:8. Wereld!

zijt gij zoo gerust, en dat zonder geloof en zonder godvruchtigen wandel, ja zonder bekeering? Hoe kunt gij zoo dwaas zijn, dat gij u inbeeldt, dat gij vrijgesproken zult worden? Uwe dagen korten; binnen misschien al weg moeten. Gij durft met geen blijdschap aan God denken, hoe kunt gij dan aan den hemel denken? Of gi) moet denken: die is voor mij gesloten. En denkt gij aan de hel, gij moet denken: die is voor mij open. Konden wij u eens aan

341

-ocr page 348-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

dien gloeienden poel van de hel brongen, en u daar doen hooren, dat gekerm van duivelen en verworpenen! Konden wij u dat doen hooren, daar zou eene doodsrilling over uw hart gaan; konden wij u dat doen hooren, uw hart zou u ontgaan. Kondt gij aan dat Tofeth, aan dat hol der ellende en des eeuwigen jammers al dat gekerm eens hooren over den verzuimden tijd, en u een gezicht geven van al die wanhoop, uw hart zou beven; al uw moed zou u tegelijk ontvallen, en het klamme zweet zou u aan alle kanten uitbreken.

Gij zult zeggen: wat moet ik dan doen? Komt oprechtelijk aan, wij zullen u raad geven.

Eerst. Opgeven moet gij het nooit. Bij uzelven en bg het schepsel moet gij het altijd opgeven, maar by God en Christus nooit. Die biedt ons zijn rantsoen aan. Die gaat daar door de rijen heen, en Hij biedt zijne gerechtigheid aan. De Geest werkt nog het geloof, de Geest is nog van de bediening niet gescheiden, daar wordt nog al-temet de een of de ander in \'t hart geraakt. De Vader, de Richter is nog te verbidden. Het rantsoen van Christus is er nog. Het vonnis is nog niet uitgevoerd. Zeg: lieve God! kan het zijn, treed niet in het gericht met mij. Kom met uwe tranen en gebeden, en zegt: lieve God! zoo Gij mij den schepter van uwe gunst belieft toe te reiken, ik zal het eeuwiglijk erkennen; maar belieft het ü, uw vergramd aangezicht aan zulk een booswicht te toonen, ik zal U gerechtigheid toeschrijven, al moest ik verloren gaan; maar, kan het zijn, straf mij toch niet in uwen toorn, Ps. G:2; verdoem mij niet, werp mij niet van uw aangezicht, Fs. 51:13; ik zal voor uw aangezicht blijven liggen, kom ik om, zoo kom ik om, Esth. 4:10; ik zal zien, wat God geven zal. Hebt gij kommer over dat stuk, dat is een goed teeken. Daar gingen eens twee menschen naar den tempel. Luk 18: 10—14; die er kommer over had, ging gerechtvaardigd naar zijn huis, en die er geen kommer over had, ging ongerechtvaardigd naar zijn huis. Die gerechtvaardigd is, zal dit ondervinden. Gij zult ondervinden, die eenvoudige tollenaarsgestalte. Ach God! zegt hij, wees mij arme zondaar genadig! Wat had hij het bang! hij sloeg op zijn borst, en stond van verre, en durfde zijne oogen niet opheffen naar den hemel: daar staat hy verlegen, beschaamd. De een kent dit in een minderen, en de ander in een meerderen trap.

Ten tweede. Zijt gij ziek om den Heere Jezus? zeg: geef mij toch uwe gerechtigheid, ol ik ben dood; daar is mij geen schrikkelijker gedachte, dan U te missen, en niet in U gevonden te worden.

Ten derde. Hebt gij zulk eene liefde voor hen, die God vreezen? Hebt gij Gods weg en zijn volk lief?

\'Ten vierde. Zeg: Ach Heere! de vijand zit van binnen! wat be-drijf ik zonden! wat ben ik dikwijls weg! Daar is een gestadig ongenoegen en schreien over. Hebt gij die dingen? Gij zult gerechtvaardigd naar uw huis en naar de eeuwigheid gaan. Die dingen zullen u bijblijven, dat gij uw geloof zult toonen uit uwe werken;

342

-ocr page 349-

OVER DEN XXIII. ZONDAG. Veaq. 59-61.

gij zult ziek zijn om \'fc rantsoen van Christus, gij zult zuchten over uwe overblijvende verdorvenbeden.

Ja, zal iemand zeggen, ik heb zoolang gezondigd, en zoo schrikkelijk gezondigd, ik vrees, dat ik het niet vinden zal. Daar is niets aan gelegen, wat gij geweest zijt: God heeft vrijwillig lief\'. Denkt altijd, dat de gerechtigheid Gods door den Heere Jezus veel beter voldaan is, alsof gij eeuwig in de bel hadt moeten voldoen; ja een geloof, al is het een zwak geloof, is ook echter een geloof; eene zwakke hand grijpt ook aan, een zwak oog ziet ook. Weest dan zoo bedroefd niet; wat buigt gij u zoo neder, hoop op God, Ps. 42:6; vreest zoo voor den uitslag niet: uw einde zal vrede zijn. Al moest gij in een storm henengaan, de storm zal u uwe genade niet benemen. God zal u niet oordeelen naar het laatste oogenblikje, maar naar den ganschen koers van uw leven, sedert uwe bekeering. Gij moet in Christus voor God komen. Komt gij in Hem niet, en moet gij met God alleen te doen hebben, dan zal de uitslag schrikkelijk zijn; maar komt gij in den Heere Jezus, dan zal Hij zeggen: mijn zoon, mijn dochter, zijt wel gemoed, uwe zonden zijn u vergeven, Matth. 9: 2. De Heere gunne dit aan mij en aan u, tot zijne eer, en om zijns Zoons wil. Amen.

843

-ocr page 350-

CATECniSMUS-PREDIKATIB.

Over den XXIV. Zondag. Vrag. 62—64.

Vier-en-twintigste Zondag.

62. Vraag. Maar waarom hunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God, of een stuk derzélve zijn?

Antwoord. Daarom, dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gansch volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkmatig zijn moet; en dat ook onze beste werken in dit leven, alle onvolkomen, en met zonden bevlekt zijn.

63. Vraag. Hoe? verdienen onze goede werken niet, welke nochtans God in dit, en in het toekomende leven wil heloonen?

Antwoord. Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

64. Vraag. Maar maakt deze leer geen zorgelooze en goddelooze menschen ?

Antwoord. Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zoo wie Christus

door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

WIJ lezen, 1 Cor. 1:30, dat de Heere Jezus Christus ons van Gode geworden is: wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en verlossing. De apostel meldt daarvan twee groote weldaden van het genadeverbond.IJ lezen, 1 Cor. 1:30, dat de Heere Jezus Christus ons van Gode geworden is: wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en verlossing. De apostel meldt daarvan twee groote weldaden van het genadeverbond. De rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn waarlijk twee groote weldaden, die God aan zijn volk geeft. Hoe goddeloos waart gij van te voren, zegt hij tot de Corinthiers, 1 Cor. 6:10, maar nu, zegt hij, vers 11, zijt gij afge-wasschen, geheiligd en gerechtvaardigd in den naam van den Heeren Jezus, en door den Geest onzes Gods. Dien Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en dien Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft liij ook verheerlijkt, Rom. 8:30. De heerlijkmaking is eene volmaking van de heiligmaking, en de heiligmaking is de heerlijkmaking in haar begin. Daarom staat er, Ps. 45:14, des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig. Het is waarachtig, dat, waar

Èij de rechtvaardigmaking vindt, gij ook de heiligmaking zult vinden.ij de rechtvaardigmaking vindt, gij ook de heiligmaking zult vinden.

\'ie twee weldaden zijn wel van elkander onderscheiden, maar niet afgescheiden. De rechtvaardigmaking is eene rechterlijke daad van God den Vader; maar de heiligmaking is een hartvernieuwende daad van God den Heiligen Geest in de huishouding der genade, dewelke

-ocr page 351-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

toepast de verworvene zaligheid. De rechtvaardigmaking geschiedt buiten den zondaar, in de vierschaar van den grooten God, rechtvaardigende den zondaar in, en door het bloed van Christus; de heiligmaking geschiedt binnen den zondaar, als God de Heilige Geest Hem een nieuw hart geeft. Dan zegt Hij: Ik zal u een nieuw hart

Seven, en zal een nieuwen Geest geven in het binnenste van u; eneven, en zal een nieuwen Geest geven in het binnenste van u; en

i zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, en zal u een vleezen hart geven. En Ik zal mijn (leest geven in het binnenste van u, en Ik zal maken dat gij in mijne inzettingen zult wandelen, en mjjne rechten zult bewaren en doeii, Ezech. 3G : 2G, 27. üe rechtvaardigmaking ziet op de schuld, die de zondaar bedreven heeft, dewelke de Rechter uitdelgt en vergeeft; de heiligmaking ziet op de smet, op die kracht der verdorvenheid, nadat de Geest het hart veranderd heelt, met welke eene ziel, nadat ze genade ontvangen heeft, nog worstelt, Rom. 7:23, 24. De rechtvaardigmaking geschiedt in eene daad van God; de heiligmaking in vele bewerkingen, zoodat de mensch voortgaat van deugd tot deugd, Ps. 84:8. Hij wascht allengs-kens op, totdat hij voor den troon Gods eens vlekkeloos gesteld zal worden.

Al zijn nu de rechtvaardigmaking en heiligmaking beide eene weldaad van \'t genadeverbond, en al zijn ze onderscheiden van elkander, zoo zijn ze nochtans nooit van elkander afgescheiden. Daar gij de rechtvaardigmaking vindt, zult gij ook de heiligmaking vinden. Dat is onmogelijk, als een mensch vergeving van zijne misdaden heelt, dat hij dan nog vijand zou kunnen blijven. Hij blijft geen vijand meer, maar hij zegt: bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt, I s. 130:4.

De Christelijke Onderwijzer gaat ook zulks krachtig toonen. Hij heeft de leer van de rechtvaardigmaking zuiver naar het Woord voorgesteld in den vorigen Zondag. Nu gaat Hij die leer zuiveren, en verbeteren van alle dwalingen. Hij gaat toonen, welke partijen daartegen zijn; en Hij laat ze zeggen, wat ze tegen ons hebben. Hij gaat ook toonen hoe ze overeenkomen.

Eerst. Hij zegt in dezen Zondag, met wien wij te doen hebben in \'t stuk van de rechtvaardigmaking: wie er in \'dat stuk dwalen, en wat hunne dwalingen zijn.

Ten tweede, toont Hij ons gevoelen omtrent dat stuk, daarin bestaande, dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt door eigen gerechtigheid, noch in \'t geheel, noch ten deele. Wij spreken van geen gerechtigheid dan van Christus\' gerechtigheid.

Ten derde, toont Hij, wat de partijen tegen ons zeggen.

Ten vierde, wederlegt Hij hunne lasteringen, met welke zij ons lasteren, even alsof wij zoo de rechtvaardigmaking leerende, de men-schen zorgeloos en goddeloos maakten.

1. Zullen wij dan zien wie er van ons verschillen, en waarin. 2. Moeten wi] toonen, dat hun gevoelen de waarheid niet kan zijn. 3. Staat ons te zien, wat ze tegen ons inbrengen, en hoe dat is op te lossen.

845

-ocr page 352-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

4. Zeggen wij: gij bekladt ons, wij protesteeren voor God en voor de geheele wereld; en wij zeggen, d.at gij ons lastert, als gij zegt: dat onze leer de menschen goddeloos en zorgeloos maakt.

Wat het eerste aangaat: al de menschen die buiten ons zijn, dolen in dit stuk, behalve de Lutherschen; ja zelfs in onze Kerk zijn ook dolingen in dit stuk. Wie zijn ze die buiten ons zijn? De Heidenen, de Joden, de Mohammedanen, de Pelagianen, zoo heele als halve, de Papisten, en in onze Kerk zijn er ook al eenigen, die omtrent dit stnk dwalen.

De Heidenen dwalen er in; zij meenen, dat ze gelukkig kunnen worden door het licht der natuur te volgen; in zoo eenige deugden te betrachten, in .zulk een goed geweten te hebben; zij meenen, dat alles goed gemaakt wordt, als zi] alles, wat zij doen, maar met een oprecht hart doen; als zij hunne daden zoo doen, dan meenen ze gelukkig te zijn.

Wat zegt een vleeschelijke Jood? Die begreep het zoo, dat er menschen waren, die meer goede werken dan kwade deden, en dat er waren, die meer kwade werken dan goede hadden, en dat er wederom ook zulken waren, wier goede en kwade werken gelijk waren. Die meer goede werken dan kwade hadden, die waren volmaakt rechtvaardig; maar die meer kwade dan goede hadden, waren volmaakt goddeloos: die evenveel kwade en goede werken hadden, werden zalig. Hoe? Door het onderhouden van de wet der ceremoniën, door het slachten der beesten, door welke God hen met Zich verzoende. Als zij dan buiten de stad waren, en niet konden olFeren, dan namen ze jaarlijks een haan voor een man, en eene hen voor eene vrouw, die ze dan opofferden, en die hen dan met God verzoenden; en zij rekenden, dat dat dan genoeg was. Tegen die beide hadden wij wat; tegen \'t heidensche en dan ook tegen het joodsche gevoelen; en wij zeggen tegen het heidensche: Door \'t licht der natuur alleen kan niemand zalig worden. Tegen het joodsche zeggen wij: \'t Is mis, dat iemand meer goede dan kwade werken heeft; en wij moeten verwonderd zijn, dat gij in de schaduw en in den letter meer uw heil zoekt, dan in \'t beeld der zaak zelve. Hier dolen ook de Mohammedanen, die met hunne uitwendige wasschingen alles willen goed maken, en met hun Mohammed. Wij zeggen; Die uitwendige dingen mogen het vleesch reinigen, maar zij kunnen den Geest niet reinigen; en zulk een verleidend leeraar als Mohammed is geweest, kan geen wetten geven tegen de leer van God.

De Pelagianen zeggen: dat ik een menscli ben, dat ben ik van God; maar dat ik zalig kan worden, dat ben ik van mijzelf. Zij hebben geen Christus noodig. Zi] wisten drie wegen om in den hemel te komen: een die zwaar was, een die wat lichter was, en een die do allerlichtste was.

Een die wat zwaar was, wat was dat voor een weg? Dat was de weg, dien ze door het licht der natuur volgden en zoo zalig werden, als namelijk niets te doen tegen een eerlijk gemoed. Zoo meenden

346

-ocr page 353-

OVER DEN XXIV. ZONDAG. Vbao. 62-64.

de Heidenen ook buiten Christus, buiten den Bijbel, en buiten het verbond der genade in den hemel te komen.

Dan was er een weg die lichter was; dat was dat ze naar de wet Gods stipt leefden, gelijk wij in de Schrift lezen van de Joden. De jongeling zeide: al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af. Mark. 10:10. Zij leefden stipt.

Dan, was er een weg, die de allergemakkelijkste was; en dat was: dat ze naar het liefelijk Evangelie leefden, waar Christus zegt, dat ze zichzelven verloochenen zouden, hun kruis opnemen en Hem navolgen, Mark. 10:21, en dan zou God hunne zonden vergeven, om die gebrekkelijke werken. God zou hunne werken, die gebrekkelijk zijn, aanzien, maar genoegdoening voor de zonden, daar hebben \'zy geen gedachten toe.

De nalve Pelagianen zeggen: Dat ik een mensch ben, is van God; dat ik kan zalig worden, is ook van God; maar dat ik zalig word, dat heb ik van mijzelf. Daar voegen zich bij de Socinianen en de Remonstranten.

De Remonstranten zeggen; wij worden zalig door ons geloof, dat God zooveel rekent alsof\' wij voldaan hadden.

Dit zoo begrepen zijnde, en deze kinderen Enaks en Goliaths bezien hebbende, zoo hebben er zich nog opgedaan de Papisten, daar ij weer zoo vele soorten onder hebt. Zij hebben allen gedoold, in e goede werken geheel of ten deele op te richten. Op zijn best zeggen ze: daar zijn doodzonden, die niet zonder voldoening kunnen vergeven worden; daar is ook geen vergeving, zeggen ze, voor degenen die sterven vóór den Doop, maar er zijn zonden na den Doop, die vergeven worden; en daar voldoet Christus ten deele voor, en wij zelve ten deele, door in dit leven kastijding en boetedoeningen te lijden, en na dit leven voor een tijd in het vagevuur te gaan; en daardoor krijgen zij, zoo zij meenen, de vergeving der zonden en een recht ten eeuwigen leven. Wij worden zalig, zeggen ze, ten deele door Christus\' verdiensten, en ten deele door onze eigene. Zij komen zoo verre, dat ze zeggen: daar zijn menschen, die meer goede werken doen, dan ze moeten doen; en dan heeft de Paus die schatten in zijne schatkist; en hij verkoopt ze dan voor goed geld aan anderen.\' Daar zijn er, zeggen ze, die godvruchtig leven, en die vele verdiensten hebben; daar zijn deugden voor de bekeering, en daar verdienen zij mede, dat God hen bekeeren zal. Dat niet alleen, maar zij verdienen ook daardoor, dat Hij de bekeering gemakkelijk maken zal. Dan hebben ze verdiensten, die eene evenwaardigheid zijn; dat zijn de goede werken, die na de bekeering gedaan worden. En wat verdienen die groote zegeningen in dit leven! en zij maken dat de dood hun gemakkelijk is, en dat ze in het vagevuur niet lang blijven moeten, maar dat \'ze er haastelijk uitkomen.

Heeft onze kerk ook hare dolingen niet in dat stuk? Ach ja! Wij zeiden zooeven dat elk paapsch in zijn hart was; bizonder zit het in \'t liart van de burgerlijken, en in \'t hart van al de goddeloozen;

347

-ocr page 354-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zij zijn rijk en verrijkt in hunne oogen, en hebben geen dings gebrek, Openb. 3:17. Zouden zij op hunne knieën voor God liggen, en bedelen om genade! dat zouden ze zich schamen te bedelen, en werken kunnen ze niet. Daar zijn er in die leer eenigen onder ons die wijfelaars zijn, zooals een Vlak en zijns gelijken; die begrepen, dat de rechtvaardigmaking geschiedt, als een mensch het geloof oefende en heilig leefde. En is dat uwe gerechtigheid? Wij zeggen geen geloof, geen heilig leven, is onze gerechtigheid; daar is er geen andere, dan die de Heere Jezus heeft, die in alle deelen de wet Gods gelijk is. Wij zeggen: dat is de rechtvaardigmaking niet, dat er een zou zijn in \'t besluit Gods, de gerechtigheid van Christus; en een die door het geloof dat besluit inwilligt. Daar hebt gij nu de partijen. Wij zeggen al zulke gevoelens glad af, en naar het gevoelen der Gereformeerden is dit de rechtvaardigmaking, te weten: dat de gerechtigheid van Christus door \'t geloof aangenomen zijnde. God daarom al de zijnen vrijspreekt van de schuld en straf der zonden, om de verdiensten van Christus alleen. En dan rekenen wij het geloof niet dan een werk; maar als eene hand, oog, voet, mond, dewelke wij gebruiken als middelen, om tot den Heere Jezus te gaan.

Ten tweede. Gij zult zeggen: wat is ons gevoelen? Dit: dat de werken noch geheel, noch ten deele verdienen. Onze bewijzen zijn deze redenen.

Eerst. Het Woord zegt het ons klaar. Wij besluiten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder de werken der Avet, Rom. 3:28. Uit genade zijt gij zalig geworden, Ef. 2:8. Wij worden om niet gerechtvaardigd door het geloof, Rom. 3:24. Alleenlijk degenen die gelooven zullen zalig worden. Daarom staat er, Mark. 5:36, Gelooft alleenlijk. Die anders zoeken, zijn mis. Gal. 2: 16, Wetende dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof in Jezus Christus.

Ten tweede. Wij bewijzen \'t niet alleen uit zulke klare plaatsen; maar wij worden gerechtvaardigd uit kracht van \'t genadeverbond, en niet uit kracht van \'t werkverbond. In \'t genadeverbond is \'t werk der gerechtigheid niet. Uit genade zijt gij zalig geworden en niet uit u, Ef. 2:5. Job zeide: Ik zal mijnen Rechter om genade bidden. Job 9:15. En treed niet in \'t gericht met uwen knecht, want niemand, die leeft, zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn, Ps. 143:2. De genadegiften Gods zijn het eeuwige leven, Rom. 6:23. Indien iemand gerechtvaardigd wordt uit genade, zoo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer; en indien het uit de werken is, zoo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer. Is het uit genade, dan kan het uit de werken niet zijn; maar is het uit de werken, dan kan het geen genade zijn, volgens de redeneering van Paulus, Rom, 11 :6.

Ten derde. Wij zeggen: dat de werken noch geheel, noch ten deele onze gerechtigheid kunnen zijn voor God, omdat God eene andere gerechtigheid stelt. Wat stelt Hij voor eene gerechtigheid ? De Heere

348

-ocr page 355-

OVER DEN XXIV. ZONDAG. Vrag. 62-G4.

onze gerechtigheid, Jer. 23 :G; 1 Cor. 1:30. Hij is ons tot rechtvaardigheid geworden. Fil. 3:9, Niet hebbende niijne rechtvaardigheid. Zoo moet ik dan die gerechtigheid hebben, die in Christus is; ik moet in Christus gevonden worden. Door de gehoorzaamheid van dien éénen, zullen velen tot rechtvaardigen gesteld worden, llom. 5:19. Dan. 9: 19, O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, en vertrek het niet! Om uws zelfs wil, o mijn God!

Ten vierde. Daarom kunnen de goede werken niet voldoen, omdat in Gods gericht geen gerechtigheid bestaan kan, als die in alle dee-len volmaakt is, en in alle stukken de wet Gods gelijkmatig. Dat dit zoo is, blijkt hieruit. Adam bestond voor den val, toen hij nog volmaakt was, en de engelen bestonden eer ze gevallen waren; maar met dat Adam en de engelen gevallen waren, zoo konden ze niet meer bestaan. Maar het blijkt, dat. do Heere Jezus bestaat. Matth. 22:37, zegt de Heere Jezus: Gij zult liefhebben den Heere uwen God, met geheel uw hart, met geheel uwe ziel, en met al uwe krachten. Daar kan dan geen gerechtigheid bestaan, als die volmaakt is.

Ten vijfde. Onze gerechtigheid is onvolmaakt. Beschouw eens de burgerlijken, de vromen, de goddeloozen. Moet gij van allen niet zeggen, dat ze niet volmaakt zi)n? De beste zegt met Paulus: Ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, Fil. 3:12. Let eens op de werken, zelfs van de uitverkorenen voor hun bekeering. Moet men niet zeggen: zij zijn volmaakt goddeloos? Daar liggen ze in de zonden te wentelen, als eene zeug in het slijk. Wat is dan hun gerechtigheid? Zou dat zijn: eens te liegen, eens te lasteren, goddeloos te zijn, te tuischen, te spelen; zou dat zijn: elkander alle kwaad te doen, Gods zaak tegen te staan? Het gebed zelfs van den zondaar is zonde. Maar zelfs na de bekeering, wat zijn ze dan nog met zonden besmet! De allervroomsten zondigen nog gedurig, al hun gerechtigheid is als een wegwerpelijk kleed, Jes. 64 :G. Er is geen mensch die goed doet en niet zondigt, Pred. 7:20. Wie kan -zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijne zonden, Spr. 20:9. Er moet zelfs verzoening gedaan worden over de ongerechtigheid van de allerheiligste dingen, van bidden, preeken, en over alles wat wij doen. Wij staan noch zitten hier niet zonder zonden. Zijn wij dan vóór en na de bekeering onvolmaakt? Ja.

Ten zesde. Al het goede, wat wij nog doen, zijn wij schuldig te doen. Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten, en wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen. Luk. 17 :10. Gij zijt het volmaak-telijk schuldig. Kan er nu wel tusschen het loonquot;, dat God geeft, en onzen arbeid, eenige evenredigheid zijn in het bestaan van menschen? Is er wel evenredigheid tusschen het loon, en den arbeid? Maar wat evenredigheid is er tusschen den hemel en onze gerechtigheid? Of daar al wat goeds gedaan wordt, dat kan den naam van geen verdiensten dragen. Wat evenredigheid was er, tusschen den arbeid van een uurtje werkens in den wijngaard en den penning. Voor degenen die elf uren

349

-ocr page 356-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

gewerkt hadden, was er meer evenredigheid tusschen het loon van een penning en den arbeid, Matth. 20.

Ten zevende. Zeggen wij; wat ziin uwe goede werken? Den Gereformeerden, die gij ketters noemt, alle kwaad te doen? hen te dooden en te vervolgen? Processiën en bedevaarten te doen? Stillekens wat te prevelen? te liegen en te lasteren? Daar zullen zij, zoo zij denken, den hemel mede verdienen, en een grooten trap van eer in den hemel voor hebben.

Eindelijk. Uwe eigene voorvechters hebben het zelfs moeten bekennen, dat de werken niet verdienden. Armyn, een geheel foliant daarover beschreven hebbende, dat de goede werken verdienden, zoo zegt hij op het einde: als ik rechtuit zal spreken, is het beter van de verdiensten van onze goede werken af te zien, dan daarop te steunen, om de onzekerheid van de verdiensten, en het gevaar dat er in is, en de ij dele eer, die er in ligt. En zoo zegt hij ook in zijn laatste Testament deze woorden; \'t Is het allerbest van zijne eigene deugden af te zien, en alleen te steunen op de gerechtigheid van den Heere Jezus, \'t Is eene opmerkelijke historie, die Luther voorkwam, toen het in Saksen nog paapsch was. De oude hertog van Saksen, wiens zoon Johannes, getrouwd was met de dochter van Filippus, landgraaf van Hessen Cassel, ging zijn zoon, geheel ziek zijnde, bezoeken. De vrouw van den jongen vorst weende zeer, zoodat het hart van den ouden heer week werd. Terwijl zij maar met hun drieën alleen in de kamer waren, zeide de oude hertog; mijn zeer geliefd kind! ik zou u raden, dat gij zoudt afzien van alle eigene gerechtigheid, en alleen steunen op de verdiensten van den Heere Jezus. De bedroefde vorstin dit hoorende, zeide tot haar ouden vader; Heer vader! waarom worden die dingen op de scholen en academiën niet geleerd, en waarom worden ze niet openbaar op de predikstoel gezegd? Kind! antwoordde de oude vorst, die dingen moet men maar tot stervenden zeggen. Geliefden! het komt er eindelijk uit. God heeft het daarna laten prediken op den predikstoel, en laten leeren in de scholen en academiën bij eene wonderlijke gelegenheid.

In het jaar 1517, zond de paus den kardinaal Cajetanus in Duitsch-land met brieven, of zoogenaamde brevetten van vollen aflaat over allerlei zonden; en deze kardinaal zond wederom met volmacht zekeren monnik in Saksen, die maakte aldaar een groot ravot; hij reisde van de eene plaats naar de andere, om aflaten te verkoopen. Hij kon al de zonden vergeven; en dat predikte hij openlijk op den predikstoel. Niemand behoefde bang te zijn, wat schelmstukken hij ook begaan had; als hij maar geld gaf; en terwijl ze het geld telden, zou God hun de zonden vergeven. Dat niet alleen, dat men vollen aflaat, en vergiflenis konde krijgen van de voorledene zonden, maar zelfs werd die aangeboden voor zonden, die nog niet begaan waren. Ja, wat meer is, de aflaatsbrieven werden openlijk in de kroegen en herbergen, in alle drinkwinkels verdobbeld. Dit verdroot allen oprechten, en zulks konden ze niet verdragen. God verwekte Luthers

350

-ocr page 357-

OVER DEN XXIV. ZONDAG. Vrag. 62-64.

hart; daai* ontstond het uiterste ongenoegen in. Nog in dat zelfde jaar 1517, gaat hij het rechtzinnige gevoelen van de rechtvaardig-makmg in 95 stellingen opstellen; en hij plakte het aan de kerkdeur. Dat werd op de Academiën verhandeld, en gepredikt op den predikstoel. Daar werd het toen op den predikstoel, en in de scholen en Academiën geleerd, hetgeen de oude hertog, waarvan wij boven gesproken hebben, tot zijnen zoon zeide. De Lutherschen zijn zuiver in dat stuk. Wij konden met hen vereenigd gebleven zijn; maar om eenige andere voorname dwalingen, hebben wij gezegd^ dat wij niet bij hen konden blijven; en wij zijn, en blijven ook om dezelve totnogtoe van hen inderdaad afgescheiden.

Ten derde. Gij zult zeggen: hebben partijen niet wat voor hen? Ja; zij hebben ons ook al wat tegengeworpen.

Eerst. God heeft het gezegd, zeggen ze, dat Hij de goede werken beloonen wil, in dit en in het toekomende leven.

Ten tweede. De kwade werken, zeggen ze, verdienen wel, zouden dan de goede niet verdienen?

Ten derde. Openb. 22:11, staat: Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde, en die heilig is, dat hi] nog geheiligd worde.

Ten vierde, zeggen ze: wij hebben de Schrift tegen u; Jak. 2:23. En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend; en hij is een vriend Gods genaamd geweest. Ziet gij dan nu niet dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof? Wij besluiten dan, zeggen ze, dat de mensch niet alleen door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.

Eerst. Zeggen ze, de goede werken worden beloond. Wij antwoorden: Gods Woord spreekt van loon uit genade; maar niet van loon naar schuld. Rom. 4:16. Daarom is zij (de beloftenis) uit het geloof, opdat zij naar genade zij. De man in den wijngaard, die ter eerster ure ging, kreeg een loon naar schuld; maar quot;die ter elfder ure ging, was er verhouding tusschen den arbeid en het loon? Het was een loon naar genade. Hoe menigmaal geeft een vader zijnen zoon een loon, en een mensch aan een mensch, dat niet naar schuld is.

1 en tweede. Wat aangaat, dat de kwade werken zouden verdienen, zeggen wij: die zijn volmaakt kwaad; de goede zijn onvolmaakt goed. Volmaakt goede werken had Adam voor den val; die zou door de wet der werken gerechtvaardigd geworden zijn, had hij zoo gebleven. En aangaande den tekst, uit Openb. 22:11.\' Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde; dat is te zeggen: dat hij nog meer blijken geve van zijne rechtvaardigmaking; en hoe zal hij ze geven als door de heiligmaking. Dat andere, van Jak. 2:28, dat is eene uitdrukking, die gesteld wordt tegen Rom. 3:28. Wij besluiten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet. Wij worden om niet gerechtvaardigd, niet uit de werken. Daarom

3B1

-ocr page 358-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wordt Paulus tegen Jakobus gesteld. Wij moeten evenwel bekennen, dat het niet strijdt. Paulus had te doen met menschen, die door hunne goede werken zalig wilden worden; en Jakobus niet dezulken, die het al met het geloof\' wilden goed maken. Paulus had zulken voor, die geen geloof wilden oefenen; daarom zegt hij: wij weten dat de mensch door \'t geloof\' gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet; en Jakobus had met zulken te doen, die \'t alles met het geloof wilden goed maken, en daarom zegt hij: hot is wel door het geloof, maar gij moet uw geloof\' toonen uit uwe werken. Het geloot moet getoond worden uit de vruchten; en zoo brengt hij hun een voorbeeld te binnen, namelijk, dat van Abraham, dat hij niet alleen door het geloof\' voor God gerechtvaardigd is; maar ook voor de menschen, daarin, dat hij izüak, zijnen zoon geofferd heeft, en daarin aan God gehoorzaamheid betoonde; en dat hij niet alleen door de werken gerechtvaardigd is, blijkt; want hij was te voren al voor God gerechtvaardigd, voor het offeren van zijnen zoon; hij bad het zegel der besnijdenis ontvangen, tot een zegel der rechtvaardigheid des geloof\'s, die hem in de voorhuid was toegerekend, Kom. 4:11.

Niet alleen is Abraham door het geloof\' gerechtvaardigd, maar voor de geheele wereld heeft hij het laten blijken, in het oefenen van goede werken, als vruchten van zijn geloof; ik zal u niet alleen rechtvaardigen zegt God, maar gij zult het toonen in \'t oefenen van uwe goede werken.

In de vierde plaats. Onze leer, zeggen wij, is zuiver. Nu hebt gij \'t wel fraai gemaakt, zegt een papist, verdienen de werken niet? Welnu; dan zorgeloos en goddeloos gaan leven. Wij antwoorden, dat wij betuigen voor God den Heere, en voor de geheele wereld, dat wi) geen part, noch deel daaraan hebben in onze leer; wij zeggen: Zegt het den goddeloozen en het zal hem kwalijk gaan, Jes. 3:11. Wee! den genisten te Sion en den zekeren op den berg van Samaria, Amos 6 : 1. Onder de uwen zijn ook wel zorgeloozen en goddeloozen. Wij zoeken de goddelooze wereld te stuiten; wij verfoeien de zorgeloosheid; wij zoeken de goddeloozen te bestraffen en wakker te maken. Wij zeggen: leest al onze boeken, onze belijdenisschriften. Catechismussen, zoo gij er eene eenige passage in vindt, waardoor de menschen zorgeloos en goddeloos gemaakt zouden worden, zoo zullen wij het u gewonnen geven. Het is er zoo ver van af, zeggen wij, dat gij zelf zorgeloos en goddeloos moet zijn, die ons daarmede belastert. Kom. 2:20-23.

In de vijfde plaats, zeggen wij: Het is dezelfde klad, die ze op Paulus\' leer wierpen. Kom. 3:4, 5. Dat zij verre, zegt hij, dat komt in onze gedachten niet. Komt nu diezelfde laster op onze leer, die voortijds op Paulus\' leer gekomen is, moeten wij dan niet gerust zijn, dat het dezelfde leer is.

Ten laatste, zeggen wij: Het is onmogelijk, dat iemand, die genade heeft, en in Christus gerechtvaardigd is, dat die niet zoude voortbrengen vruchten der bekeering waardig, vruchten der dankbaarheid.

352

-ocr page 359-

OVER DEN XXIV. ZONDAG. Vraö. 62-64 353

?afR eeMn; amp;oede boom wel kwade vruchten voortbrengen? Matth / . .18. Niemand kan gerechtvaardigd ziin of hii mopf Lr, • zijn hart hebben; en het geloof moet l\'üj in zijn hart hebben Daar

ZeS SelfS|fel00fS \'\' wA dat hart gereinigd\'

gy- daar blijven nog zoo vele zonden? Wij antwoorden- Wel\'

hl^V10g- T\' en/at Zal 1,ier 5500 bliivequot; diren iTdeS\'eenen

niindei, en 111 den anderen meer; maar dat zult gij terstond zien zoo

?,e o\\ in quot;w\'11a.1\'t ls\' /Ü zullen in uw\'oog zoo gruw\'eliik ■ jn, gy zult er benauwdheid en droefheid over kennen; gij zult dit kennen; zij benauwen mi zoo! ik heb geene vrijmoedigheid om tot den Heere Jezus te gaan, noch om te bidden. Z j zijn !oo benauwd over de schuld van de zonden als over de stra£ Ik kan de zSnden

defo^t^zijif agen; wat zoudi:n ze dan dragen zorgeloos en god-

Nog eens. Die het geloof hebben, zouden die goddeloos ziin? lief kan met zijn; het geloof vereenigt zich met den Heere Jezus /li

bTscbeT ^ oea8/0^ic^ dan\'Tenrbedachtla^^areens\' bescheiden; aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten: nieuwe en

n,nrin. n ■■ 1quot; xl, n. , , .ffquot; eueie vrucnten: nieuwe

oude; O mijn hefste! die heb ik voor U weggelegd Hoos?) 7- li

Nog eens. Zij hebben vele weldaden van G^Toftvangen en zouden

ze dan goddeloos even? Zij zijn uitverkorenen van E Vader t

zi]n gekochten met het bloed des Zoons, geroepenen in der tijd geliefden

des Heeren. Zij zijn door den Geest getrokken uit tk sinkken S

waVzal 11 TTZi,quot;e \'Ti \' en heerschappi|; moeten ze nu niet zeggen-wat zal ik U vergelden, dat Gij mii nept dat (tü mü ;P r

naar de hel, en Gij stuittet mij; ik Was blind en Gii ilebt P

geopend; it had 4,. hard l,A, e„ öjj hebt het week gemaakt Kent

g» dal met begm,,en? Zou .ulk L,. „el langer e» .quot;fand C!

nen blijven? liet is lang genoeg de zonde gedaan, hetwelk mii niet

gebaat heeft, maar schrikkelijk smart; en zouden ze die naar hunne

r/\'SKdquot; kebt gij m°e

len eerste. VVat zegt nu uw gemoed? Moet gij niet zegcen ten

^TnnvePnVeJef 0ndeiquot; 0»kquot;»dig zijt omtrent dit stuk? Wi

gt ooven dat er eene diepe onwetendheid hier omtrent in \'t hart zit Wij gelooven, dat er weinigen ziin, die de dwalingen in die leer .m,-Ln0^Ur\'de zal u verdoemen. Zoo God over

Bene ziel zonder undig in, dan

eenige onkunde met vlammend vuur wraak doén zï 2 Thes\'s 1 zoo zal het over de onkunde omtrent dit stuk zijn- l4i - \' \'

: 2-. ^ k **\' «*

weet gij op het ziekW met God niet om ^ ZJaf, % d5 kent, dan weet gij met God om te gaan; dan komt gij ah een arme misdadige, en gij doet een gulhartige belijdenis voor God en jrii betuigt met schaamte, dat uwe zonden u van harte leed zijn; gij gaat

\'23

-ocr page 360-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

naar den Heere Jezus, en gij zoekt met Hem tot den Richter te komen. Wij zeiden zoo even\': zoekt toch dit stuk te kennen. Hebt gij predikanten, die u dat stuk zuiver prediken, acht ze veel. Zoo gij het niet kent, zoo zult gij op uw doodbed in onbesuisde gestalten geraken.

Ten tweede. Zijt gy er onkundig in, zoekt het te verbeteren. Die goddeloos leven, \'en hier zit. hoe kunt gij zulk een zin in de zonde hebben; in eens te vloeken, te spelen, goddeloos te zijn ; is dat zoo vermakelijk? Het schijnt evenwel zoo vermakelijk te zijn. Gij kunt de menschen niet van \'de zonden afkrijgen, al is het, dat ze met hun eene been al in het graf gaan; zij tuischen, spelen, zij zijn ongodsdienstig. Deze stad is goddeloos op den dag des Heeren. Men tuischt, men speelt, de Koetsen rijden, de paarden vliegen, de wagens vliegen; het is schrikkelijk als men \'t hoort. Zoo gij zoo moet sterven, gij zult er in de helquot; over uitschreeuwen, dat gij geen acht gegeven hebt op zulk eene groote zaligheid. Moeten de Papisten en Remonstranten niet zeggen; kijk eens wat eene leer dat moet zijn, daar zulk een leven geleid wórdt. Kan het alles niet helpen? Hoe menige is er onder ons, die het paapsche gevoelen in zijn hart heeft? ik niet, zult gij zeggen; wel man! waar zult gij ons nog al voor uitmaken? Waar is uw vliegen naar toe? Als gij in engte zijt, dan is het; ik heb \'s morgens en \'s avonds gebeden; ik ben van de slechtsten niet; ik ben geen vloeker, er is niemand, die wat op mij te zeggen heeft.

Ten derde. Gij kunt niet dragen, dat de zondaar zoo geschud wordt, en zoo in zijn\'niet gezet wordt, en in zijne diepe armoede; gij wilt het niet hooren. Gal. 6; 3, Indien iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.

Ten vierde. Dat het Paapsch gevoelen in uw hart is, blijkt: Gij past uw leven het uzelven niet toe, als de zondaar in zijn niet zoo gesteld wordt; zoo gij het nog al met uwen mond eens belijdt, het heeft geen indruk. .. . ,

Ten vijfde. Gij zijt uw leven niet eens alleen, om belijdenis te doen van uwe zonden voor God; het was met David geheel anders gesteld, Ps. 51.

Ten zesde. In uwe deugden ziet gij geen leelijkheid; men hoort u over uwe zonden niet klagen, noch ook over uw gebrek.

Ten zevende. Gij hebt zoo haast deugden genoeg, Mark. 10:20. Gij hebt zoo haast genoeg gedaan; maar die niet Paapsch in zijn hart is, die zegt: Ach! dat mijne wegen gericht waren om uwe inzettingen te bewaren! Ps. 119:5.

Ten achtsten. Die Paapsch in zijn hart is, die is als de Parizeen; zij zouden God wel danken, dat ze zoo zijn, en dat ze niet zijn als andere menschen; maar die niet paapsch in zijn hart is, hoe meer genade hoe heiliger dat ze leven; hoe nederiger dat ze zijn; zij zijn altijd zoo klein; zij zijn de minsten der heiligen. Toetst nu uw gemoed eens.

Dan zijn \'er quot;die waarlijk gerust zijn; gij zult ze tot geen kommer brengen.quot; Die er hen toebrengen wil, die wordt hun vijand. Ik ben wel in mijn schik, zeggen ze, ik geloof in den Heere Jezus; en in dat vertrouwen zal ik mij vermaken. Maar wat zijn hunne gronden,

354

-ocr page 361-

OVER DEN XXIV. ZONDAG. Vraö. 62—G4.

waar ze zoo genist op zijn? Ik heb deel, zeggen ze, aan de gerechtigheid van Christus, aan het geloof en aan de heiligmaking. Zij bewijzen het ook; zij zijn godsdienstig; zij lezen altemet een hoofdstuk; zij bidden met hunne familie; of zij bidden \'s morgens en \'s avonds een formuliergebed, en zij wordenquot; uitwendig gezegend of ze hebben zoo eenige wijsheid of gaven, waardoor ze een naam krflgen, zelfs onder de vromen. Maar geliefden! wij smeeken u let er toch op! hebt gij anders niet? Gij zult voor God\' niet bestaan kunnen. Dat bed zal te kort zijn, en dat deksel te smal. God zal 11 op uwe eigene gerechtigheid niet laten binnenkomen. En hoe zult gu het maken, als uwe valsche gronden, die gij gesteld hebt, u zuilen ontvallen ? Gij zult uwe zonden niet kunnen ontkennen; want God is alwetend, en uw geweten zal het weten; het gezelschap zal het weten, dat met u meegedaan heeft; zon, maan, sterren, de schepselen zullen het weten, die bij u waren. Dan zult gij willen liegen tegen den Heere; maar het zal niet helpen: Hij is de\'Alwetende. Dan zult gij in dit leven willen blijven, als gij eens ziek wordt; maar God de Heere zal zeggen: keert dien looper om, hij is uitgeloopen, en wat dan gedaan? Ach Heere! dan zult gij wanhopig zijn, en dikwijls in een oogenblik weg. Daar schiet God dan de pijl quot;des doods in den benauwden borst, zoodat ze zeggen: ach! ik beu gekwetst; daar worden zij dan afgemaaid met de zeis des doods. Dan is het: ach God! ach God! ik heb niet willen zuchten in mijn leven, maar nu zal ik het eeuwig moeten doen; ik dacht, dat mijii zuchttijd uit was, maar nu komt die eerst aan! Voor Gods volk is\'dan de zuchttijd uit; maar voor mij komt ze nu eerst aan.

Wel! zal iemand zeggen, mijn hart is zoo bekommerd; ik vrees dat dit mijn deel zal zijn; zou ik wel van God gerechtvaardigd zijn? Weet gij, waar gij het aan kennen kunt?

Eerst. Zoo gij belastheid kent over uwe zonden. Gij weet wel wat het in de wereld is, ergens over belast te zijn; maar\'dit is nog wat anders. Zij gaan krom en neergebogen over de zonden, Ps. 158:5, Als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden. Gij zult de eer niet hebben van Gods aangezicht in gerechtigheid te aanschouwen zoo gij die genade niet gehad hebt, dat gij met uwe zonden belast gevveest zijt. De zonden van uwe jonkheid, de zonden van uwe mannelijke jaren, en de zonden van uwen ouden dag, de zonden van uw beroep, de zonden van uwe nering, die zullen zoo op uw hart wegen zoodat gij zult uitroepen: Dat drukt mij. Ach! gij en ik zullen dat kennen!

Ten tweede. Hebt gij dan in dien last gekregen te staan als de tollenaar? Hij sloeg op zijn borst, en stond van verre in het portaal, en hij durfde zijne oogen niet opslaan, vanwege dien last en benauwdheid, die hem op zijn hart drukten, zoo riep hij uit: o God! wees mij zondaar genadig! Luk. 18:13.

Ten derde. Kent gij dat: Ach! ik zal vlieden naar den Heere Jezus, en in mijne belastheid zal ik kermende voor zijne voeten blijven liggen, met mijne tranen en gebeden; ik zal zeggen\': ach Heere Jezus!

355

-ocr page 362-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

met uwe gerechtigheid zou ik alleen voor God kunnen bestaan, dat i erken ik; ach hoe naar is het, zoo ik ze mis! Ach! hoe lief is het, zoo ik ze bezit. Ach! groote Middelaar! dat ik toch met U voor God mag komen. Ach! ben ik in uw waardig rantsoen? Geef mij Jezus, Heere! of ik ben dood.

Ten vierde. Hebt gi] uw leven voor den Heere Jezus, God wel kunnen danken, met verwondering en liefde, dat er zulk een Middelaar Gods en der menschen was?

Ten vijfde. Wildet gij uw geloof uit uwe werken gaan toonen, zonder nochtans een werkheilige te zijn? De wereld lastert Gods kinderen, dat ze maar werkheiligen zijn. Gij moet zoo vele goede werken doen, alsof gij er door zalig moest worden, en nochtans zeggen voor God: ik heb geen gerechtigheid, maar ik moet als een arme bedelaar voor u komen, ik heb geen penning noch penningske waarde: ik moet koopen zonder geld en zonder prijs. Daar is niets, dat Gods kinderen minder achten, dan hunne goede werken om te bestaan voor God. Zegt de Heere eens: Hoe hebt gij de naakten gekleed, de hongerigen gespijsd? Matth. 25:35. Waar hebben wij dat en dat gedaan? zeiden zé, ik weet het niet Heere? Ik weet het wel, zegt de Heere: voorzooveel gij het aan een van de minste mijner leden gedaan hebt, zoo hebt gij dat aan Mij gedaan, Matth. 25 :40. Daarom staat er, als op hun grafzerk, Openb. 14:13, Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, van nu aan; hunne werken volgen hen na; namelijk, als een bewijs, dat ze in den Heere Jezus gestorven zijn, en ook geleefd hebben.

Geliefden! als uwe werken vruchten des Geestes Gods zijn, dan zullen ze u niet zorgeloos maken. Zorgeloos zult gij dan nooit worden. De duivel wil dat iemand wijsmaken, als hij van overtuiging tot geloof gebracht wordt, dat hij dan zorgeloos wordt. Maar \'t is niet waar. \'t Is onmogelijk, dat iemand in een koers van zorgeloosheid zou leven, die vele vruchten des geloofs voortbrengt, en die dan nog klaagt over de doodigheid en hardigheid van zijn hart. Ja maar! zal iemand zeggen, het schort mij aan mijne kleine heiligmaking. Wildet gij gaarne standvastig zijn en onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren? 1 Cor! 15:58. Ik ook; maar daar zal altijd een worstelen zijn, Rom. 7 :21, Als ik het goede wil, zoo ligt het kwade mij bij. Ach Heere! hoe ben ik dan altijd met dat lichaam der zonden zoo bezet? Is uwe heiligmaking klein, begeert het vleesch tegen den geest; zoekt in Jezus die groote heiligmaking te hebben; zegt: ach Heere! zoo ik die genade heb, dat ik in den Heere Jezus ben, dan ben ik niet alleen schuld en straf kwijt, maar in Hem ben ik dan volmaakt. Dan zult gij eene gerechtigheid hebben op uw doodbed en in het oordeel, zoödat de Heere zal zeggen: Ik vergeef het u allemaal, alleen om de gerechtigheid van Christus\' wil; in Hem zijt gij volmaakt. De Heere zegene zijn Woord aan ons, en aan uliedeh, tot zijne eer, om zijns Zoons wil, Amen.

356

-ocr page 363-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXV. Zondag. Vrag. 65—68.

Vijf-en-twintigste Zondag.

65. Vkaag. Aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al zijner weldaden deelachtig maalct, vamvaar komt dan zulk gelooft

Antwoord. Van den H. Geest, die het geloof in onze harten werkt, door de verkondiging des H. Evangelies, en hetzelve sterkt door het gebruik der Sacramenten.

66. Veaao. Wat zijn de Sacramenten?

Antwooud. De Sacramenten zijn heilige, zichtbare waarteekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons, door het gebruiken derzelver, de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve, en ver-zegele: namelijk dat Hij ons, vanwege het eenige slachtoffer van Christus, aan \'t kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.

67. Vraag. Zijn dan beide, het Woord en de Sacramenten, daarhenen gericht, of daartoe verordend, dat ze ons geloof op de offerande van Jezus Christus, aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzend

Antwoged. Ja zij toch, want de H. Geest leert ons in het Evangelie en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomen zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is.

68. Vkaag. Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het Nieuive Verhond of Testament ingezet?

Antwoord. Twee; namelijk den H, Doop en het H. Avondmaal.

WIJ lezen, 2 Petr. 1:1, dat de apostel Petrus schreef aan menschen, dien hij den eerenaam gaf, dat zij even dierbaar geloof hadden verkregen met hem. Hij noemt het geloof een dierbaar stuk. Is dat waar? en waarom noemt hij het zoo?IJ lezen, 2 Petr. 1:1, dat de apostel Petrus schreef aan menschen, dien hij den eerenaam gaf, dat zij even dierbaar geloof hadden verkregen met hem. Hij noemt het geloof een dierbaar stuk. Is dat waar? en waarom noemt hij het zoo?

Eerst. Omdat het geloof een stuk is, dat zeldzaam is, dat maar in weinig menschen gezien wordt, liet is het geloof der uitverkorenen Gods, Tit. 1; 1, Het geloof is niet aller, 2 Thess. 3:2. Ziet gij een ezelschap van menschen bijeen, gij zult er niet velen onder zieii, die at geloof\' hebben.

-ocr page 364-

OATEOHISMUS-PEEDIKATIE

Ten tweede, \'t Is dierbaar, omdat degenen, die het bezitten, door het bezitten zulke kostelijke menschen voor God zijn. \'t Is altemet wel een arme naar de wereld die het bezit; maar zij zijn evenwel kostelijk bij God. 1 Petr. 2:9, noemt God hen een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, die uit de duisternis geroepen zijn. \'t Zijn menschen, die heiligen van hooge plaatsen zijn. Dan. 7 :18. Ze zijn geacht bij God, bij engelen en bij vromen. God zegt er van. Gen. 18:32, als Ik er tien vond, Ik zou er de gansche stad van Sodom om sparen.

Ten derde. Daarom is het dierbaar: \'t komt in geen menschen, als waar het met zulk een duren prijs voor verdiend is, 1 Oor. 6:20, Gij zijt duur gekocht. Waarmede zljt gij gekocht? Met een rantsoen van een oneindige waardij, met het bloed van Hem, die God is bovenal te prijzen in der eeuwigheid, Rom. 9:5. Daar kan geen dierbaarder noch kostelijker stuk wezen dan dat, waar zulk een rer-soon voor lijden moest.

Ten vierde. Daarom is het geloof dierbaar: het heeft zulke dierbare zaken tot zijn voorwerp. Het heeft tot zijn voorwerp den Drie-ëenigen God, het Woord, het Genadeverbond met al deszelfs weldaden en goederen.

Ja, ten vijfde. Het maakt dezulken zoo dierbaar en gelukkig; God wordt hun God. De zonden worden hun vergeven. Zulk een schepsel gaat naar den hemel, en bij zijn dood zoo krijgt hij het einde van zijn geloof, de zaligheid der zielen, 1 Petr. 1:9.

Ten zesde, \'t Is dierbaar dat geloof, als gij den Werkmeester daarvan beziet. Wie is er de Werkmeester van? Kan het geen engel of een mensch doen? Ach neen! De Drieëenige God is er werkzaam in geweest, en wel bizonder God de Heilige Geest. Ja, het is dierbaar; waar het is, is ook de zorg Gods, om het te bewaren, om het wasdom te doen hebben, om het ondersteuning te geven. God geeft wel geen teeken uit den hemel noch hoorbare stem, maar wel geeft God aan zulken, ware teekenen en zegelen van zijne genade, zoodat gij ze met uwe oogen kunt zien, en met uwe handen tasten. Van dat alles hebben wij nu te bezien:

Eerst. Wie de Werkmeester is van dat geloof.

Ten tweede. Sacramenten, die ware, zichtbare teekenen en zegelen zijn van de onzichtbare genade Gods in hen.

Ten derde. Hoe de Sacramenten en \'t Woord overeenkomen.

Ten vierde. Hoeveel Sacramenten er ingesteld zijn. Dat zijn onze vier zaken.

1. Zeggen wij, van wien komt dat geloof, waar de onderwijzer in den vorigen Zondag van gesproken heeft? 2. De Sacranienten zijn tot sterkte. 3. Hoe komen de Sacramenten en \'t Woord overeen, om een verlegen zondaar naar den Heere Jezus te drijven? 4. Hoeveel Sacramenten zijn er.

Wat het eerste aangaat, de onderwijzer vraagt naar dat geloof van waar dat was? \'tls alsof hij zeggen wilde: ik vraag u niet naar een

358

-ocr page 365-

OVER DEN XXV. ZONDAG. Vraö. 65-68.

geloof, dat in inbeeldingen bestaat; dat veel voorgeeft, daar is een geloof der wonderen, een historisch geloof en een tijdgeloof; maar geen van drieën maakt u Christus en zijne weldaden deelachtig.

Het geloof der wonderen heeft in vorige tijden plaats gehad; maar nu zoo niet meer.

Het historisch geloof heeft in alle tijden plaats, als ze hoeren prediken. Daarom zeide Paulus, tegen Agrippa; Gelooft gij, o Koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft. Hand. 26:27. En als gij den menschen vraagt naar het tijdgeloof, — van dat slag zijn de meesten, dat zijn nabij- en mond-Christenen, — zij hebben dikwijls bewegingen, die groot zijn. Gij beweegt mij bijna, zeide Agrippa tegen Paulus, een Christen te worden. Handel. 26:28. Paulus had zoo gaarne die koninklijke ziel in \'tnet gekregen; maar hij kwam echter maar nabij, en nabij is evenwel ver af.

Dat geloof meen ik niet, zegt de Onderwijzer; maar dat meen ik, dat ons deel aan den Heere Jezus doet hebben tot rechtvaardigma-king en heiligmaking, naar het vruchtbaarmakend, heiligmakend, en zaligmakend geloof, dat de hand, voet, en mond is, om de gemeenschap van den lleere Jezus en van al zijne goederen te verkrijgen. Christen! zegt hij, hoe raakt gij tot dat geluk? Hadt gij \'t door uwe grootmoeder of moeder? gaven zij het u? Ach! neen, de allervroomste is daar handeloos toe, zijn eigen kind is hem zoo na, hij kan \'them niet geven, hoe na dat Ismaël ook Abraham was, hij kon \'t hem niet geven; hoe na Absalom ook David was, hij kon \'t hem niet geven. Hoe kreegt gij het dan, zegt de Onderwijzer; dat wilde ik wel eens weten; was er ergens een predikant in de wereld, die dit geloof wat smakelijk voordeed, zoodat er een vonkje van in uw hart begon te werken? Ach neen! wij moeten zeggen, gelijk er, Jes. 53:1, staat: Wie heeft onze prediking gelooft, en aan wie is de arm des Heeren geopenbaard? Zoo er iets van Gods hand is, zoo is het dit. Planters en natmakers zijn hier niets, 1 Cor. 3:7 en Kom. 10. Kunt gij het met geld koopen, schepsel? xich neen! ik had niet veel om te geven; die geld hebben, krijgen het \'t minst. Jak. 2:5. De armen dezer wereld heeft God uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks. Gij ziet uwe roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze dezer wereld heeft God uitverkoren, opdat hij de wijzen beschamen zou, 1 Cor. 1:26, 27. Hoe kreegt gij het dan; kreegt gij het vanzelf niet? Neen, ook niet, zegt het schepsel; ik beu niet bekwaam om het mijzelven te geven, evenmin als een Moorman zijne huid veranderen kan, of een luipaard zijne vlekken, Jer. 13:23. Ik heb er zelfs van nature geen lust noch trek toe; al waren er, die wenschten, dat ik het had, ik wenschte het zelfs niet; ik kreeg bet van God, die kwam en gaf het willen en het werken, Fil. 2:13. Hij gaf mij er om te bidden; Hij gaf mij het beginseltje van het geloof, zoodat wij moeten zeggen: het is niet uit ons, het is Gods gave, Pil. 1: 29; Ef. 2:8, \'t Is u gegeven te gelooven in den naam van Christus.

359

-ocr page 366-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Dat niet alleen, maar God bewaarde het. De duivel bestreed het wel, als ik wilde gelooven. Luk. 22:31, 32, zegt de Zaligmaker: Simon! de satan heett ulieden zeer gezocht te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude. Zoo ging het mij ook, het werd raij betwist. Nooit wordt eene ziel meer bestreden, dan dat ze wil gaan geloof oefenen in den Heere Jezus. Ik heb hem (namelijk Timothéus) gezonden, zegt Paulus, om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zoude verzocht hebben, en onze arbeid ijdel zou wezen, 1 Thess. 3:5.

Dat niet alleen, maar ik kreeg ook vastigheid, de Heere vermeerderde mij het geloof, Luk. 17: 5. Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen, die Ziine zijn, 2 Tim. 2:19.

Dat niet alleen, maar allengskens heeft de Heere het doen groeien; ik ben door \'s Heeren goedheid zoover gebracht, dat ik kan zeggen: Ik weet in wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hi] machtig is, mijn pand bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag, 2 Tim. 1:12.

Hoe ging het toe, Christen, als gij het geloof kreegt, en hoe, eer gij het kreegt? hebben er alle drie de Goddelijke personen omtrent werkzaam geweest? Acli ja! God de Vader verkoor er mij toe, om indertijd een geloovige te worden; de Heere Jezus, de Zoon verwierf het voor mij, de H. Geest bracht het in mijn hart; de derde Persoon in het bizonder is er de Werkmeester van, die daarom genoemd wordt: de Geest des geloots, 2 Cor. 4 :13. En Gal. 5 : 22 wordt gezegd; De vrucht des Geestes is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Den eenen wordt door den Geest gegeven het woord der wijs-heid, en den anderen het geloof door dienzelfden Geest, 1 Cor. 12:9. Het wordt gewrocht in dezen en in genen. De Geest kwam in de dorre doodsbeenderen, Ezech. 37 : 9.

Maar Christen! als nu de Geest aan \'thart komt werken, wat neemt Hij dan wel voor middelen?

Het geschiedt niet altijd in een gevangenhuis, gelijk als met den stokbewaarder, Hand. 1G:27. Noch ook altijd op een boom, als met Zachéus, Luk. 19:5. Ook niet altijd op den weg, als met den Kamerling, Hand. 8:28, als hij daar over den weg reisde met den Bijbel op zijnen koets en schoot; de Geest komt bij het lezen, bij het samen-spreken, bij het prediken. 13ij het lezen kwam de Geest, Hand. 17:11, want die van Beréa kregen het geloof, als zij de Schrift lazen, en waren edeler dan die van Thessalonica, als ze dagelijks de Schriften onderzochten of die dingen alzoo waren. Bij het spreken over de Schrift, kwam de Geest, Luk. 24:32. De Emmaüsgangers zeiden: En was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende. Bij het prediken komt de Geest: Bom. 10:17, Zoo is dan het geloof uit het gehoor. En Hand. 16 :14, opende God het hart van Lydia onder het prediken van Paulus.

Als nu de Geest dat middel gebruikt, neemt Hij dan zachte dingen?

360

-ocr page 367-

OVER DEN XXV. ZONDAG. Vrao. 65-68.

Neen; maar Hij neemt het geheele Woord, het nare en het liefelijke. O! het is zulk een dwaas mensch, die zegt: ik wil zachte dingen gepredikt hebben. Gij moet mij zoo maar koeltjes en ongeraakt laten. /00 wil God niet; Die wil altemet eens een hard woord tot u gesproken hebben. Als gij het altijd liefelijk wilt hebben, dat is een teeken van het tijd^eloof; dat is er de rechte goedkeuring van: het ware geloof zegt: Wij dan, wetende den schrik des Ileeren, bewegen de menschen tot het geloof, 2 Cor. 5:11. Een predikant is nuttig als hij, wanneer het noodig is, het nare en het liefelijke weet te predilien, als hij wel wil wonden, maar dan op zijn tijd balsem in de wonde weet te gieten.

Gij zult zeggen: Wat doet dan de Geest, als Hij het geloof werkt? Hij wondt hem; Hij maakt zijn steenen hart week; dat hij te voren niet kon of wilde verstaan, doet Hij hem verstaan; dan brengt Hij den zondaar daartoe, dat hij zijne schuld en strafwaardigheid ziet; dat hij ziet wat een monster hij in de zouden is. Weet gij, of eenig schepsel raad, zegt God, om aan de rechtvaardigheid Gods te voldoen? Ach! neen ik, lleere! zegt zulk eene ziel. En weet gij wel, dat gij God mist? Ach, ja Heere! zegt ze. Weet gij wel, dat in de gemeenschap Gods uw heil is, en zoo gij Mij mist, dat gij verloren zult gaan? Ach, ja Heere! zegt ze, dau ben ik verdoemd. Daarop komt de Geest, en die brengt ze tot het gezicht van den Borg. Daar aan ze Hem bezien in zijnen naam, natuur, ambten, staten, weiaden. Daarop gaan ze dan zien of ze er geen deel aan krijgen kunnen.

Dan zeggen ze: lleere God! Wat is dit, dat Gij naar mij komt omzien, naar zulk eene ziel? Blijde ben ik, dat er een Borg is; dat Gij zulk een middel hebt uitgevonden! ik keur dat middel goed; Gij zijt die eenige naam, die alleen behouden en zaligmaken kan. Daarop zeggen ze: Ach God! had ik U! Ach, Heere Jezus! waart Gij mijn Middelaar! Dan zijn ze hongerig en dorstig naar Hem; dan grijpen zij moed, als God zegt: hongerigen en dorstigen komt naar Mij toe, en gij zult verzadigd worden, Matth. 5: (5. Daarop zeggen ze: Heere Jezus! ik kan U niet missen; ik sta van verre als de tollenaar. Luk. 18:13. Daar komt dikwijls wel niet een woordje uit, en altemet krijgen ze wel eens een beetje vrijmoedigheid. Mag ik U bidden, wees gij toch mijn Heiland, zeggen ze. Daarop komt de Geest en vraagt: of ze niet gelooven, dat de Heere Jezus williger is om hen te helpen, dan zij zelf zijn, om door Hem geholpen te worden? Ja Heere! zeggen ze, want Gij komt mij eerst voor; Gij biedt Uzelven mij aan; Gij trekt mij naar U toe; Gij zijt williger, als dat ik wil; ma}? ik IJ voor mij dan wel aannemen? zeggen ze. Ja, zegt de Heere. Wel, dan neem ik U aan, zegt die ziel, tot het eenige fondament van mijne zaligheid; ik geef mijzelven aan U over: mijn lichaam, ziel en zaligheid, geef ik in uwe hand. Wij moesten dat een weinig klaar zeggen. Dat is het, wat ik en gij niet missen mogen, of wij vallen in de hel. Al wie die bewerking voor zijn dood niet heeft, is verloren. Wij willen ons aan de woorden niet hinden, maar

361

-ocr page 368-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

aan de zaken. Ik geloof, dat gij niet zalig zult worden, zoo gij het niet ondervindt. Wy zeggen het nog eens: wy willen ons niet binden aan de woorden, maar aan de zaken; over acht dagen zou ik het wel niet geheele andere woorden kunnen zeggen als nu, doch \'t zal echter altijd op een en hetzelfde uitkomen.

Dat geloof is nu niet altijd even sterk; het is zeer moeilijk te ge-looven. Waarom is \'t zoo moeilijk?

Eerst. Omdat ze zulke onbegrijpelijke dingen moeten gelooven.

Ten tweede. God slaat zulke wonderlijke wegen met hen in. Zij gaan gebukt, bestreden, neergebogen onder de kruisen. Is dat, zeggen ze, om naar den hemel te gaan? De Heere gaat een weg met mij in, dat ik er eer schijnt van af te gaan; hoe kan ik gelooven? Zi] beginnen altemet zwakgeloovigen te worden; zij krijgen ziekten, flauwten, moedeloosheden, zoodat ze altemet moeten zeggen: waar is mijn geloof? En zoodat de Heere moet zeggen: O! onverstandigen en tragen van hart om te gelooven! Luk. 21:25 Ik zal niet gelooven, zeide Thomas; hij moest het zien. Joh. 20:25. Daarop komt de Heere, die weet, dat zijne kinderen zwak zijn, en die geeft hun ondersteuning, de Sacramenten tot sterkte. Dan neemt Hij de lammertjes in zijnen schoot, en Hij leidt de zogenden zachtjes, Jes. 40:11. In de eerste christentijden was op den beker van het Avondmaal gesneden, een herder met een lammetje op zijn schoot of schouder. Zoo doet de Heere; Hij neemt zijne zwakke kindertjes op zijn schoot, en als ze niet meer mede kunnen gaan, dan draagt Hij ze op zijne schouders. Het Avondmaal, zegt de Heere, is een Sacrament om u te verkwikken. Ik wil u niet alleen genade geven en laten hooren prediken; maar Ik wil u mijne Sacramenten geven, Ik wil u aan het badwater des doops brengen, en daarna u aan mijn tafel zetten, en zoo wijzen op het eenige slachtoffer van mijn Zoon, eenmaal aan het kruis geschied.

Sacramenten wat zijn dat? De Onderwijzer zegt het naakt en klaar, namelijk, zegt hij, het zijn teekenen, heilige teekenen, zichtbare teekenen van God ingesteld; het zijn teekenen en zegelen van de eenige offerande van Jezus Christus, eenmaal aan het kruis geschied, voor de uitverkorene zondaars en zondaressen.

Wij zullen ons daar niet veel mede ophouden, dat het woord Sacramenten in den Hijbei niet staat, maar wij zullen tot de zaak zelve overgaan. Een Sacrament is een teeken van het verbond, Gen. 17:9. Teekenen kunt gij zien, voelen en tasten, en tot alle Sacramenten behooren zulke teekenen. Daarom zeggen wij tegen een papist: die eigenschappen van een Sacrament mist gij; het uwe kan geen Sacrament zijn, omdat er dat niet in is. Ziet het in \'t Sacrament van het verbond der werken, daar hadt gij den boom des levens in het paradijs.

Het zijn wel heilige teekenen, maar zij maken den mensch niet heiliger, zeggen wij tegen de Lutherianen. De Doop en \'t Avondmaal maken den mensch niet heilig; maar wij zeggen: net moeten heilige

362

-ocr page 369-

OVER DEN XXV. ZONDAG. Vrag, 65-G8.

en vrome menschen zijn, die dezelve gebruiken en aanraken. Zij beduiden heiligheid, zij zijn tot een heilig gebruik.

Zij zijn ook zichtbare teekenen, zij komen voor onze oogen en zinnen; en zoo worden ze onderscheiden van het prediken van het Woord; dat zijn hoorbare dingen, die komen voor ons gehoor. Voorts zijn de Sacramenten, teekenen, die van God ingesteld zijn. Daar mag het niemand doen, die geen God is, vanwege de eer des Heeren. Waarom dat? Omdat het anderszins menschen-ordeningen zijn, en tevergeefs eeren zij Mij, zegt God, leerende loeringen die geboden en inzettingen van menschen zijn, Matth. 15:9. Niemand kan ook de beteekende zaak geven, dan God alleen; en de bondeling moet zich aan dien God opdragen. Mogen wij het dan aan geen menschen doen? Neen.

Wij komen nog een trapje verder, en dat is de verzekering. Wij zeggen: dat het ware teekenen en panden zijn, om ons daardoor te verzekeren. Socinianen, Remonstranten, Mennisten, willen dat niet zeggen; maar zij zeggen, dat het een teeken is van welken godsdienst gij zijt. Wij vreezen of er in de Gereformeerde Kerk zulke vonken ook al niet beginnen te smeulen. Wij zeggen dan;

Eerst, \'t Is geen teeken van welken godsdienst gij zijt, maar het zijn ware teekenen en zegelen van God ingesteld. God noemt ze zoo, Rom. 4:11, Abraham heeft het teeken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs.

Ten tweede. In \'t verbond der werken hadt gij zelfs zegelen, daar hadt gij het Paradijs, dat verzekerde hun den hemel, en den boom des levens verzekerde hun het eeuwige leven, indien ze den tijd der beproeving hadden uitgehouden. In eene naburige stad van ons vaderland, is over zulke dingen al een ravot geweest; wat daar nog van komen zal, weet God. Nu ons bewijs daartoe is, dat dat het Paradijs beteekende, den derden hemel. Luk. 23:43, zeide Christus tot den eenen moordenaar: Heden zult gij met Mij in het paradys zijn; en zou dat dan tegen den volmaakten mensch ook zoo niet zijn geweest ?

Ten derde. Daar zijn zegelen in alle beloften; waar God een teeken geeft, daar is ook een zegel, al was het geen verbond; daar is de boog, zeide God tegen Noach, aan de lucht, zoo dikwijls als gij dien ziet, zal die een zegel zijn, dat de vloed der wateren niet meer over de geheele aarde zal gaan. Daar hadt gij Gideons vlies; Heere! zegt hij, mag mijn vlies wel droogte hebben, en de geheele aarde dauw? Heere! zegt hij wederom, mag de geheele aarde wel dauw hebben, en mijn vlies droogte? Richt. 6:34—40.

Ten vierde. Het teeken wordt een zegel genoemd, om de verandering van spreekwijze: omdat het teeken den naam wel krijgt van de beteekende zaak. Waarom is dat, als om de verzekering die er in is? Dat is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt, zeide de Heere Jezus van het brood. En als Hij den beker gaf, zeide Hij: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u

363

-ocr page 370-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

vergoten wordt; \'twelk Paulus verklarende zegt: dat is de gemeenschap van Christus\' bloed, 1 Cor. 10:16. Daar ziet gij dat Christus den naam aan het teeken geeft van de beteekende zaak. Bekeert u, zeide Petrus, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden. Hand. 2:38. Dat zult gij in de volgende Zondagen vinden.

Waarom wordt nu de Doop het bad der wedergeboorte genoemd? God doet het niet zonder groote oorzaken; namelijk, omdat er verzekering in is. Dat is nooit te wederleggen. Men kan wel uitvluchten zoeken, en wat praten, maar dat is het niet. Als iemand volwassen was in de genade, zoo zou men moeten zeggen, dat liet wat verzekerd aan die genade hebben, dat ze deel hebben aan de eenige slacht-offerande van Christus aan het kruis geschied. Het verzekert uw deel aan het eeuwige leven, als gij een waar geloovige zijt. Daar hebt gij dan het Avondmaal. Zoo waarlijk als gij dat brood eet, en dien drinkbeker drinkt, zoo hebt gij deel aan de eenige slachtofferande van Christus, en daardoor de vergeving der zonden. Daartoe stelt de Heere het in, opdat wij geen bloote aanschouwers zouden zijn; maar dat wij door het teeken zouden doordringen tot de beteekende zaak. Dat zijn sacramenten.

Wat doet nu een publiek zegel? Het bevestigt en verzekert eene zaak. Als gij genade hebt, zoo verzekert het uw deel aan de beteekende zaak. Dat is het koninkrijk der hemelen te openen en te sluiten, door de verkondiging van het Woord, en door \'t bedienen van de Sacramenten.

Daarop komt nu de Onderwijzer tot het derde stuk. Gij hebt de vastigheid in \'t Woord en nergens anders te vinden; het Woord zal u nergens anders wijzen dan de Sacramenten, tot het eenige slachtoffer Jezus Christus. Daar wijst u het Woord der beloften, en der ceremoniën naar toe; daar wijst u het Woord der profetieën, en der vervulling naar toe; waartoe wijst het u anders, als tot dien eenigen naam, tot de deugden van dien Middelaar, als tot het eenige fondament onzer zaligheid? Dat zaad der vrouw, daarvan staat al in het begin in de rol des boeks geschreven. Gen. 3 : 15. In het Oude Testament hadden ze een lammetje, dat zag op den Heere Jezus, dat ware Lam dat geslacht is van voor de grondlegging der wereld, Openb. 13: 8. Komt gij in de rol der profetieën, daar vindt gij dat de Heere Jezus zijne ziel tot een schuldoffer gesteld heeft, Jes. 53:10. Leest gij het Nieuwe Testament, daar ziet gij dat Hij u al naar Hem toe wil hebben; dat Hij u naar Hem toe wil trekken. Geli]k als de bruid, Hoogl. 1:4, van Hem verzocht en gebeden had: Trek mij, en wij zullen U naloopen. Niet naar uwe tranen, noch deugden, noen

festalten. Tot wien wilt gij anders gaan. Hij alleen heeft de woorden es eeuwigen levens? Joh. 6:68. Daar hebt gij het Woord en de Sacramenten die samen overeenkomen. Maar in liet verzegelen is er onderscheid. De Sacramenten verzegelen eenen geloovige; en \'t Woord maakt onder Gods zegen eenen geloovige; het Woord is voor allen;estalten. Tot wien wilt gij anders gaan. Hij alleen heeft de woorden es eeuwigen levens? Joh. 6:68. Daar hebt gij het Woord en de Sacramenten die samen overeenkomen. Maar in liet verzegelen is er onderscheid. De Sacramenten verzegelen eenen geloovige; en \'t Woord maakt onder Gods zegen eenen geloovige; het Woord is voor allen;

364

-ocr page 371-

OVER DEN XXV. ZONDAG. Vrag. G5-68.

de Sacramenten alleen voor de Bondelingen; liet Woord is voor allen, die in de kerk komen; de Sacramenten zijn alleen voor de- Bondelingen; het Woord is volstrekt noodzakelijk; de Sacramenten kunnen door vervolgingen of anderszins gemist worden; maar het Woord niet; de menschen uit de kerk blijvende, worden boos en hard. De Sacramenten zijn hetzelfde, zoo inquot; \'t Oude als in \'t Nieuwe Testament; het versciiil is maar in eenige uitwendigheden; maar in de zaak zijn ze hetzelfde. De Sacramenten van het Oude Testament, worden den geloovigen van het Nieuwe Testament toegeschreven. Ziet dat van \'t Sacrament der Besnijdenis, Col. 2:11. Daarom zegt Pau-lus; In welken gij ook besneden zijt met eene Besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus. Het Pascha wordt ons ook toegeschreven, 1 Cor. 5:7, Want ook ons Pascha is voor ons eslacht, namelijk, Christus. Ons wordt de beteekende zaak der acramenten van het Oude Testament toegeschreven, en wederom aan de geloovigen van het Oude Testament de beteekende zaak der Sacramenten van het Nieuwe Testament. Gij kunt eens denken, hoe vast degenen gaan, die zoo vermetel spreken tot verkleining van de vaders van \'tOude Testament. Leest gij niet, 1 Cor. 10:1—4? Daar zegt diezelfde Apostel: En ik wil niet, broeders! dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; en allen denzelfden geestelijken drank gedronken\'hebben: want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Daar hebt gij klaar, dat zij de beteekende zaak van de beide Sacramenten van het Nieuwe Testament, den Doop zoowel als \'t Avondmaal, evenals wij, deelachtig zijn geweest. Wij gelooven dan dat groote onderscheid niet; het is dezelfde Middelaar van hetzelfde Verbond; het zijn dezelfde beteekende goederen van de Sacramenten; het is dezelfde weg om zalig te worden; zij zijn op dezelfde wijze zalig geworden, gelijk als wij. Hand. 15:11, Maar wi] gelooven, door de genade van den lleere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze ook als zij. Men moet geen te lage gedachten van die vaders maken, zij waren in geen dorre woestijn of eenen put zonder water. De Sacramenten, zoowel die van het Oude, als die van het Nieuwe Testament, wijzen u alle op Jezus, als op den eenigen Middelaar.

Hoe vele Sacramenten nu heeft God in het Oude Testament gegeven? Twee gewone, namelijk de Besnijdenis en \'t Pascha.

Eerst. De Besnijdenis. Gij zijt een verdorven schepsel, zegt God, met erfzonden besmet, dat verderf in u moet afgesneden en uitgetrokken worden; daar moet bloed gestort worden, dat waardiger is, dan dat van een mensch. Zoo gij die geestelijke besnijdenis hebt, zoo gaat zulk een bondeling naar den hemel. Het Paaschlammetje, dat geslacht werd, zag op den Heere Jezus; en die daarvan aten, gingen naar Kanaiin; de ware bondelingen gingen naar den he-

86B

-ocr page 372-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

mei. Dan waren er nog vi)f buitengewone Sacramenten; namelijk

Eerst. Het gaan door do Roode Zee.

Ten tweede. Het regenen van het Manna.

Ten derde. Het water uit de steenrots, dat volgde.

Ten vierde. De staf Aarons die bloeide.

Ten vijfde. De koperen slang; en die allen zagen ook op Christus.

Nu komt de Heere in de bedeeling der genade, in het Nieuwe Testament; en daar moest de geheele bediening veranderd worden; en zoo moesten dan ook vervolgens de Sacramenten veranderd worden. Het was eene nieuwe bediening van hetzelfde verbond. Dat geschiedde zonder nochtans van zulke dingen te melden, daar de papisten van droomen; namelijk, van een Vormsel; van een laatste Oliesel; van de Oorbiecht; van de priesterlijke Order, en van hot Huwelijk. Het Concilie van Trente is daar niet in te gelooven; dat zegt, dat die vijf nieuwe Sacramenten bij de twee andere, namelijk, den Doop en het Avondmaal, door Christus zelf ingesteld, moeten worden gevoegd; en dat al degenen, die die vijf nieuwe Sacramenten niet aannemen als Goddelijke, verdoemd zijn. Doch wij zeggen: dat die vijf nieuwe niet van God ingesteld zijn geweest; maar tot hun eigen intrest daar bij verzonnen zijn. Onze twee, namelijk den H. Doop en het H. Avondmaal, heeft Christus zelf ingesteld, en Hij heeft ze met al zijne apostelen gebruikt,

Nu volgt er: wat is de Doop en het Avondmaal?

Geliefden! God heeft ons twee Sacramenten gegeven, tot teekenen en zegelen van ons geloof; daar zijn er echter velen onder ons, die tot hunne jaren van onderscheid zijn gekomen, en die nochtans tot-nutoe geen belijdenis doen van hun geloof, noch leeren om die belijdenis te doen. Schaamt u voor God. In het paradijs had Adam twee Sacramenten. Daar was een boom en een verbod, dat ze er niet van mochten eten, en ze wilden er echter van eten. Nu zijn er ook twee Sacramenten gegeven, en daar is een gebod gegeven om te eten en te drinken: neemt en eet; en drinkt allen daar uit; en dat is nu te veel geworden. Wat God te zamen gevoegd heeft, moet gij dat zoowel niet gebruiken. Doop en Avondmaal, als dat het de Heere Jezus gebruikt heeft? Zegt gij, ik zal er niet om verloren gaan; ik ben gedoopt, al ga ik niet ten Avondmaal, ik zal er niet om verloren gaan. Ik zal u dat niet nazeggen; en ik geloof het zeker dat gij er om verloren zult gaan, omdat gij het door onachtzaamheid, en door ongehoorzaamheid verzuimt. Gij zult dat niet zeggen, wanneer gij het eens zult voelen, dat gij er om verloren gaat. Als wij huis ot hof op onzen naam zullen krijgen, of als wij testamenten zullen maken, dan zijn er dikwijls geen verzekeringen genoeg te vinden, om er ons op gerust te stellen. Men zoekt zijn testament zoo vast en zeker te maken, dat er geen nadenken aan is. Is het niet verkeerd, dat u het zwaarste, het lichtste weegt? Wie had het zijn leven geloofd, dat de Sacramenten onder ons zouden gebruikt geweest zijn, om bij te vloeken! De menschen vloeken niet alleen bij donder, weerlicht.

3GG

-ocr page 373-

OVER DEN XXV. ZONDAG. Vrag. GB-68.

lichaam, ziel en zaligheid; maar ook bij God, en bij de Heilige Sacramenten; dat is zoo als een dagelijksch stopwoord; zij moeten zoo vloeken bij al hetgeen zij niet weten. Hoe menig Christen is er die gedoopt zijnde, zegt: nn ben ik verzekerd, dat ik genade heb! Hoort: duizend gedoopten, en die ten Avondmaal gegaan zijn, liggen in de hel; en nog duizenden zullen er in komen, lloe menigen liggen er, die zichzelven een oordeel gegeten en gedronken hebben! Weet gij het dan niet, dat de Sacramenten niet aan allen verzekerd zijn? Zij verzekeren niemand, dan daar de Geest het geloot ingewrocht heeft.

Nog eens. Wie beleeft de Sacramenten? Daar is zelfs geen kennis, noch uiterlijke zedigheid. Gaat gij eens langs de straat; zijt gij in schuiten, of op wagens; het is min of meer, alsof gij onder de verdoemden waart, van al het vloeken, en vanwege de zedeloosheid eu spotten en \'t verachten van al wat heilig en goddelijk is. Wij hebben het ongeluk, dat het in de kerk zoo gesteld is, dat elk zegtquot;: Predikt wat nieuws, dat ik u gemakkelijk hooren kan; en laat ik maar zoo gerust weer henen gaan, zoo als ik gekomen ben. Dat is een zwaar oordeel, dat men niet wil gemoeid worden, maar zoo te willen doodslapen. Is dit een tijd om zacht te prediken, zoo verwaand en zoo onkundig als nu de menschen zijn; zulke misbruikers als ze van de zeden zijn, zoo te strijden tegen God? Wij mogen onze ziel niet schuldig maken, E/.ech. B en 33. En daar wilt gij ons echter toe hebben. God wil dat wij uwe slapende geweten wakker maken; en ach! of het God beliefde u de bekeering ten leven te geven!

Dan zijn er die zeggen: ik heb genade en geloof. Wel, God geve dat het waar is! Maar ziet gij het valsch geloof niet voor het ware aan? Hebt gij zoo al grond, om het te gelooven? Onthoudt het toch dat wij in het begin zeiden, dat er een historisch en een tijdgeloot is. Het tijdgeloof kan het bij de dooden houden. Gij moet het mij, zegt het tijdgeloof, niet te nauw stellen. Ik moet altijd zijn zooals de zwaluwen aan de kerk; ik moet af en aan kunnen vliegen, als ik wil; ik schik mij naar het gezelschap, en naar de zaak en omstandigheden, waar ik in ben; ik wil zoo op mijne opiniën niet staan; ik ben bij de vromen vroom, en bij de goddeloozen goddeloos; ik wil geen strenge trekken; ik wil niet te diep noch te ver van den kant af; ik wil mij uit smaad en druk houden. Hebt gij zulk een geloof? Dat is een dood geloof, het zal u uw leven ni den hemel niet brengen.

Wie heeft dan het waar geloof? zult gij zeggen. Weet gij wie? Dat is klaar voor het minste kind Gods, dat genade heeft.

Eerst. Zulk een is zoo bekommerd of hij het ware geloof wel heeft; of hij het tijdgeloof niet heeft, of\' het historisch geloof; of het niet maar eene letterkennis is, die hij heeft; ja met dien kommer kan een kind Gods gaan, zoo lang als hij leeft. Mist gij dien kommer, zoo wacht u te zeggen, dat gi) het ware geloof hebt.

Ten tweede. Zulk een is zoo arm. Ach! zegt hij, ik weet den Heere nergens anders op te wijzen als op zijn Zoon.quot; Ach Heere! ik heb

307

-ocr page 374-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

geen geld om te koopen; ik lieb mi] op niemand te wijzen, dan op uwe genade in uwen Zoon; niet op mijn schreien, noch op mijn teederen wandel.

Ten derde. Daar gaat wat om in zulk een hart, dat het ware geloof heeft: angst, schreien, strijd; zij komen er zoo licht niet aan; zij kennen plaatsen en stonden van schreien, worstelen en strijd. Gij zult het geloof nergens vinden, dan in een gebroken hart, en in een verslagen geest: waar verbrijzeling des geestes is, daar is het geloof.

Ten vierde. De Geest rust niet, of hij wil ze allen naar Jezus hebben. Niet ééne predikatie, niet één gebed, niet ééne samenspraak is er, of het is al: gaat van uzelven uit; schat Jezus hoog; begint gij uwen liefste nog niet te waardeeren? Daarop beginnen zij te zeggen: liefste Heere Jezus! Gij zijt mij meer dan al dat er in de geheele wereld is.

Nog eens, ten vijfde. Zij beminnen den Bijbel zoo; zij beminnen de middelen der genade zoo; die eerste aangename ontdekking, die God hun deed, die heugen zij zoo. Toen werd ik gesterkt, gevoed, gekweekt, tot staan en tot vastigheid gebracht, zeggen ze. De naam van die stad was: de Heere is aldaar, Ezech. 48:35. Zij verlangen om weer te hooren prediken. Ach! dat wrocht uw Geest, zeggen ze; ik kan de zondige wegen in mijn hart niet dragen; ik wil ze er buiten hebben; de ondeugd moet uit mijn hart. Kom. 7:23, Ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet myns gemoeds, en mij gevangen neemt, onder de wet der zonde, die in mijne leden is. Mijne vijanden zitten van binnen; het geloof reinigt het hart; maar ik ga onder mijne verdorvenheden gebukt. Vindt gy dat, gebruikt dan de Sacramenten tot een zegel voor u. Loopt niet altijd om en om. Dan komen ze wel eens weer, en gij kunt zien, dat ze de hand des geloofs uitsteken; gij kunt zien, dat hun aangezicht zoodanig niet meer is. Kent gij zulk een geloof? Dat moet gij hebben, of zoo gij het mist, dan mist gij God en den hemel, en al uwe vrijmoedigheid en den zegen; en gij hebt geen zegen, ot ze is vervloekt. De vromen moeten hartelijk zeggen: ik vind het zoo, mijne ziel kleeft den Heere achteraan; wat zal ik zoo neergebogen zijn? God geeft mij zijnen eed, zijn Woord, zijne Sacramenten; wat wilt gij nog meer hehben? dat Hij met een hoorbare stem uit den hemel roept: gij zijt mijn kind? Verwacht dat niet; en wacht u dat gij den duivel meer geloof zoudt geven dan God. Is er wel iets onredelijker, dan dat men een eerlijk man in zijn aangezicht zegt: gij liegt? Hoe moet God het dan opnemen van degenen, die zijne getuigenis niet aannemen? Het gebeurt wel, dat als gij \'t minst denkt, dat gy moet zeggen: houdt op Heere! ik kan al de liefde niet dragen; ik heb mij te vernederen over mijn ongeloof, hardigheid, en haastigheid; maar als God uwe ziel liefelijk kwam omhelzen, gaf u dat geen troost, geene vergenoeging; moest gij niet van schaamte als wegzinken, en als van liefde versmelten?

Gij zult zeggen: gij dringt mij. Ach! was ik een bondeling van \'t gênadeverbond! quot;Wilt gij het weten, of gij er al bereids een bondeling van zijt?

368

-ocr page 375-

OVER DEN XXV. ZONDAG. Vrag. 65-08.

Eerst. God zal u tot besef gebracht hebben, in uw leven, van al wat u gelukkig kan maken; gij krijgt dit te bezien: God moet ik hebben, zijn Beeld, zijn Geest, zijn Zoon, zijn Woord, zijne Sacramenten; en van mijne zijde kan ik niets doen, om die tot mijn eeuwig welzijn te verkrijgen.

Ten tweede. Zult gij m de uiterste verwondering gesteld worden, dat zulk een God met den armen zondigen mensen in een verbond komt; met zulke vervloekten als wij zijn. Wij zeiden in ons eerste gebed, dat wij niet waardig waren, met onzen adem de lucht in te halen, of\' dat eenig schepsel naar ons zou omzien, ik laat staan God. Dan zeggen zij: Heere! zult Gij naar mij zien! en zij gaan het eens optellen; ik ben zulk, en zulk een zondig schepsel, zeggen zij, zulk een wanschepsel!

Ten derde. Zeggen ze: ik zie alle heil in het genadeverbond, \'tis in alles wel geordineerd. God de Vader in Christus door den Geest zoo mijn God te worden! De Vader verkiest mij, de Zoon verlost mij, de Geest bracht mij tot Christus en tot den Vader, ik heb geen andere sterkte als in God; al de voorwaarden, die God maakt, staan mij zoo wel aan: overtuigingen, geloof, bekeerd te worden, zichzelf te verloochenen; ik wil langs geen anderen weg zalig worden.

Ten vierde. Zeggen ze: Heere! ik kom dan in het verbond, daar is mijn hart en hand, ik neem er de teekenen op: ik zweer U trouw. Kent gij die dingen? Zegt gij ja, wel God zal uw God zijn en blijven; die zoo geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, en \'t Avondmaal zal gebruikt hebben, zal ook zalig worden; meer kunt gij niet begeeren, als hier tijdelijk en hiernamaals eeuwig gelukkig te zijn, deel aan God te hebben, al uwe zonden vergeven te krijgen, Jezus tot uwen Middelaar te hebben, en den Geest in uw hart; al uwe strikken verbroken te zien, en met David te kunnen zeggen: mijne ziel is den strik ontkomen, Ps. 124:7.

Wel geliefden! Beproeft u nu als gij uit de kerk komt. Wilt gij weer dit en dat gaan verhandelen, dat is zooveel als niets. Denktquot;: o God! wat heb ik daar gehoord? Wat zegen heb ik genoten? Bracht het mij naar U? Waar vond ik mij zondig? Waar heb ik mij vernederd? Als gij zoo handelt, zult gij een ruim doodbed hebben, en gij zult met een Paulus kunnen zeggen: Ik heb den goeden strijd gestreden, die is nu uit; ik heb het geloof behouden, mijn pad is ten einde, ik lig hier nu op mijn doodbed, op dit of dat schavot, als op een doodbed, en voorts is mij nu weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij do Heere, de rechtvaardige Richter, in dien dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen die zijne verschijning nebben liefgehad, 2 Tim. 4:7, 8; en nu, bij het einde van mijn geloof zoo komt de zaligheid der ziel, 1 Petr. 1:9; en in de opstanding zal het wezen voor ziel en lichaam beide. Dat gunne en geve God aan mij en aan ulieden, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

309

24

-ocr page 376-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXVI. Zondag. Vrag. 69—71.

Zes-en-twintigste Zondag.

69. Vüaag. Hoe wordt gij in den heiligen Doop vermaand en verzekerd, dat de eenigc offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede Icomt ?

Antwoord. Alzoo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet, en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest van de onreinigheid mijner ziel, dat is, van al mijne zonden, gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des vleesches pleegt weg te nemen, gewasschen ben.

70. Vraag. Wat is dat, met het Hoed en den Geest van Christus ge-wassehen ie zijn?

Antwoord. Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben, om het bloed van Christus, hetwelk Hij in zijn offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft. Daarna ook, door den H. Geest vernieuwd, en tot lidmaten van Christus geheiligd zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven, en in een Godzalig on-straffelijk leven wandelen.

71. Vraag. Waar heeft ons Christus toegezegd, dat Hij ons zoo zelcerlijk met zijn bloed en Geest wasschen wil, als wij met het Doopwater gewasschen worden?

Antwoord. In de inzetting des Doops, welke aldus luidt:

Gaat dan heen, onderwijst alle volleen, dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des TL Geestcs. En: die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hébben, die zal verdoemd worden. Deze belofte wordt ook verhaald, waar de Schrift den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden noemt.

WIJ lezen, Ezech. 9:4, dat God de Heere, tegen dien man met des schrijvers inktkoker, zeide, dat hij zon henengaan, en teekenen \'de lieden, die zuchten over de gruwelen des lands. En Openb.IJ lezen, Ezech. 9:4, dat God de Heere, tegen dien man met des schrijvers inktkoker, zeide, dat hij zon henengaan, en teekenen \'de lieden, die zuchten over de gruwelen des lands. En Openb. 7:3, wordt gezegd: En beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de hoornen, totdat wij de dienstknechten onzes

-ocr page 377-

CATECHISMUS-PREDIKATIE, ENZ.

Gods zullen verTegeld hebben aan hunne voorhoofden. ïeekent mijne Knechten, zegt God, geeft ze een merk en een zegel, en Openb. 14:1 is het al hetzelfde. Daar staat het Lam op den berg Zion, en met Hem honderd vier-en-veertig duizend, hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. Zoo merkt Hij zijne kinderen en volk. Uod stelt een teeken aan die lieden: het zijnquot;gemerkte men-schen. Weet gi] waarmede God ze teekent?

Eerst. Hij teekent ze in de eeuwigheid; in de verkiezing Gods staan ze geteekend; hunne namen zijn geteekend en geschreven in de hemelen, m liet boek des levens. Luk. 10:20. Het vaste fondament Gods staat, en het heeft dezen zegel: De Heere kent degenen die Zijne zun, 2 lira. 2:19. Zij zijn ook gemerkt in den tijd. Waarmede merkt God ze in den tijd?

Eerst. Met zijn Geest, die Hij op die verkiezende laat volgen.

len tweede. Hij legt het merk van \'t kruis op hen; zijn volk en zijne kinderen zullen kruisen moeten dragen.

Ten derde. Merkt lit) hen met de Sacramenten; Hi] merkt hen met zijn Geest, die wordt hun een Geest des levens en der wedergeboorte. Hij merkt ze met zijn beeld. Col. 3:9, 10; en Ef. 4:24. Door dat beeld Gods zijn ze onderscheiden van anderen, Spr. 12:26 De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste. De Geest zet niet alleen zijn beeld op hen, maar na de ontvangene genade wordt Hij hen tot een zegel, Ef\'. 1:13, In welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden; en zoo begint de lleere tot hunne ziel te zeggen: Ik ben uw heil. Hij getuigt met hunnen geest, dat ze kinderen. Gods zijn, lioni. 8:16 en iJs. 35:3, zoodat zij met nederiere vrijmoedigheid het beginnen uit te spreken: De Heere is mijn deel ?.eft Kïaagl. 3:24. De snoeren zijn mij gevallen\'in eene

liefelijke plaats, Ps. 16 :6.

Ten vierde. Komt God en die zet het merk van lijden op hen. Zoo iemand Godzalig wil leven, het kan niet zijn zonder lijden. God heeft geen een kind zonder kruis: Hij heeft maar één kind zonder zonden. In de wereld, is het, zult gij verdrukking hebben. Joh. 16: 33. Zij moeten liet beeld van Gods Zoon gelijkvormig worden Rom 8 * 29 Zij moeten zeggen, gelijk Paulus, Gal. 6:17, Ik draag de litteekens des 14eeren Jezus in mi)n lichaam. In de profetie van Zacharia, daar ontmoet gij zulk een waar kind Gods, met wonden en slagen. Waar had hij ze gekregen? In het huis zijner liefhebbers, Zach. 13:6. God merkt zijne kinderen met dat merk, met de zegelen van \'t genade-verbond, gelijk Hij de kinderen Israels deed: Hij liet hen al hunne posten van de deuren met bloed bestrijken, opdat er de slaande engel voorbij zou gaan, Exod. 12:23. Zoo doet God aan al zijne kinderen. Hij zegt: mijne rechtvaardigheid zal u niet dooden, Ik vind het bloed des Lams aan uwe ziel. Hij verzegelt zijne kinderen door den Doop, dat Hij ze eens rechtvaardig zal maken, heilig maken, en eens eeuwig zal zalig maken.

Gjj kunt wel merken, waartoe wij dit zeggen: \'t is om bij dat

871

-ocr page 378-

372 CATECHISMUS-PREDIKATIE

laatste wat te blijven staan, dat ik en gij ontvangen hebben in onze ionkheid, en daar wij zoo onkundig van zijn, dat het eene schande is. Wii gelooven, dat zoo wij, nu wij oud geworden ran, eens van onzen Doop zouden moeten spreken, wij in geen stuk van onzen godsdienst zoo onkundig zouden zijn; en dat, daar er zoovele grove dwalingen in zijn. Ik mag er evenwel niet onkundig in zijn, ook gi] niet Niet alleen mag ik er niet onkundig in zijn als predikant, maar ook als een goed lidmaat. Zegt gij; de predikanten hebben het goed zeggen, die kunnen er wel veel van weten! Zi] moeten het met veel moeiten opzamelen, en gij kunt het weten door eens te hooren. Als wij er dan van spreken, zoo moeten wij er dit van zeggen.

Eerst. Wij moeten den Doop kennen in zijn naam.

Ten tweede. Wij moeten dien kennen in zijn oorsprong.

Ten derde Wij moeten weten, wat het teeken is, wat de beteekende zaken zijn; en daarenboven de overeenkomst van het teeken met de beteekende zaak, en deszelfs verzegeling.

Ten vierde Wij moeten ook weten, waar de Heere ons zulke dingen in zijn Woord ternederstelt. Als wij er iets van zouden zeggen, zoo moeten wij er dit van zeggen, en \'tis niet moeil# om het te onthouden, als gij wilt, kunt gij wel. Maar wat is het? Weinig oplettendheid. De een heeft te veel gegeten, de ander te veel gedronken; zij zetten zichzelven tot slapen; t is met om te veiant-

W Wii\' moeten dan in de eerste plaats, den naam Doop weten In de H. Schrift wordt er gesproken van menschen, die zichzelven doo-pen, met den Doop der tranen. Dan van een Doop des vuurs, dat is met den Heiligen Geest. Dan van een, daar ons de tyrannen mede doopen, dat is de martelaarsdoop. Dan van een, die de vraag is van een goed geweten tot God, 1 Petr. 3:21; en dan van een die de predikant verricht, dat is die met water, de waterdoop.

Daar is een Doop, waar de menschen zichzelven mede doopen, dat is, als iemand overtuigd wordt over zip verloren staaj; daar komen tranen, evenals bij Petrus, hy weende bitterlijk, Matth. 2G.7o, en als bij die vrouw, zij doornatte Christus voeten met hare tranen, Luk 7:38; en Ps. (3:7, daar lag de man te bed en schreide; hr) doornatte zijne bedstede met zijne tranen; het was een man, die een leeuwenhart had, en hij schreide als een kind. Ach, die kunnen ik

en gij niet missen! „ n i L t-\\ j. • i„

De tweede Doop is, waar de Geest ons mede doopt. Dat is die, als het, stondetje der overtuiging komt, zoo kri)gen ze den beest; zi] worden overtuigd en veranderd zij krijgen genade; dat is met den Heiligen Geest en met vuur gedoopt te worden, Matth. 3.11. Uien Doop kunnen ik of gij niet missen, of wij gaan verloren.

De derde Doop is, daar de tyrannen ons mede doopen, te weten degenen die den Geest hebben. Daar komen vervolgingen in de kerk, en wilt gij Jezus niet verloochenen, zoo moet gi) sterven. Dat is de Doop des bloeds.

-ocr page 379-

OVER DEN XXVIII. ZONDAG. Vrag. 69-71. 373

Maar dan is er nog een, die de vierde is, dat is de allergeestelijkste en wonderlijkste Doop; dat is de doop die de vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus uit den doode, 1 Petr. 3:21. Als ze alleen zijn, dan zegt God: wilt gij Mij uw hart geven, en met een goed geweten voor Mij leven? Ach ja Heere! zeggen ze, ik geef mijn woord. Hand. 24: 1G,\' Hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de menschen. Mijn Heere! zeggen ze, mag ik ook wel wat vragen ? Als ik dan smaad, kruis en vervolging zal hebben, om der vreeze Gods wil, zult Gij mij dan helpen en bijstaan? Ja zegt God: Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten, Ps. 94:14, mijne goedheid duldt het niet, dat iemand om mijnentwil zou lijden, en dat Ik hem niet bij zou staan. Zoo gij dien Doop nog niet gehad hebt, zoo hebt gij er nog geen, die u gelukkig kan maken.

De vijfde is, waarmede de predikant ons doopt, en dat is de waterdoop. De eerste is, waar wij onszelven mede doopen. De tweede, waar de Geest mede doopt. De derde, waar de tyrannen mede doopen; daar zijn wij, door Gods goedheid nog vrij van, van dien Doop des bloeds, en God beware er ons nog verder voor. De vierde is, de Doop die de vraag van een goed geweten tot God is. De vijfde Doop is, die de predikanten aan ons bedienen. Dat is het eerste Sacrament van het genadeverbond in \'t Nieuwe Testament.

Dit zoo begrepen hebbende, zoo moeten wij u in de zaak zelve inleiden; en zoo moeten wij u doen zien, dat het uit den hemel is, en dat het niet van menschen is ingesteld, zelfs toen, als Johannes de Dooper het bediend heeft. Plet is gekomen in plaats van de besnijdenis onder de Joden; en het is geworden het algemeene Sacrament der Kerk onder de Joden, en onder de Heidenen die Christenen werden, Matth. 28:19, Gaat henen onderwijst alle volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

Nu moeten wij u ook klaar aan uw gemoed doen zien, dat het uiterlijk teeken, water is.

Gij zult zeggen, wat voor water? Klaar, zuiver water. Hoe moet het nu bediend worden, door indompeling of door besprenging? De kracht daarvan hangt niet aan de veelheid of geringheid van het water. Of Naaman al zeide: Zijn niet Abana en Pharpar, de rivieren van Damascus beter dan alle wateren Israels, 2 Kon. 5:12, het kon niet helpen, hij moest naar de Jordaan gaan. Het teeken is niet anders, als eenvoudig zuiver water, fonteinwater of ander water, dat is hetzelfde. Daar moet ook geen zout of speeksel in zijn, gelijk de papisten zeggen. Johannes kwam daar vele wateren waren, \'en daar doopte hij. Zoo zeide de Kamerling tot Filippus: ziedaar water, wat verhindert mij gedoopt te worden. Hand. 8: 3G. \'t Teeken is dan niet als zuiver water. Wij willen het juist niet bemorst hebben, het moet water zijn, dat wij gebruiken om onze onreine lichamen zuiver mede te maken. God zegt: neemt zuiver water.

-ocr page 380-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Hoe moet het nu bediend worden? Moet het kind er geheel en al ingedompeld worden, of is het genoeg, als men er eenige druppelen op sprengt? Wij antwoorden: als ze de volwassene menschen geheel en al indompelden, gelijk het onder de eerste Christenen geschiedde, dan zeiden ze: zoo wordt de oude mensch begraven, ik wil niet langer in de zonden blijven leven; en als ze er dan uitgehaald werden, zeiden ze: Ik ben geheel en al rein, ik betuig voor God dat ik in een nieuw leven zal gaan wandelen.

Wanneer is dan de besprenging in de Kerk eerst opgekomen, en bij welke gelegenheid? Dat weten wij zoo net niet; maar wij denken, dat zoodra de indompeling is begonnen nagelaten te worden, dat toen de besprenging bediend is. Gij zult licht denken, waarom is de indompeling gelaten? Misschien om het gevaar dat er in was voor een kind, en dat het vaderlijk en moederlijke hart misschien te teer was over de kinderen, en misschien ook om het misbruik van de Ouden, evenals het gegaan is met de liefdemaaltijden.

Gij zult in uw hart denken: is de besprenging al zoo oud, dan mogen wij het wel doen. Ach ja! en ze is gegrond in het Woord.

Eerst. Ziet gij dat 2 Kon. 3:11, daar goot de knecht water op de handen van zijn heer.

Ten tweede. In het Oude Testament zult gij het in de voorbeelden vinden; 1 Cor. 10:1, 2, daar zegt Paulus, dat ze allen in Mozes waren gedoopt in de wolk, en in de zee. De zee maakte zoo wat druppels, waar ze mede besprengd werden, en dat noemt de apostel daar den Doop. Dat leest gij Exod. 14:22.

Ten derde. Niet alleen hebt gij het in de voorbeelden, maar de beteekende zaak werd ook zoo genoemd, 1 Petr. 1:2. Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; en Ezech. 36:25, Ik zal rein water op u sprengen. Mag nu de genade onder besprenging voorkomen, en mag er het teeken niet onder voorkomen ?

Ten vierde. Het woord wasschen aan eene plaats, wordt genomen voor \'t geheele lichaam te wasschen; die de voeten gewasschen is, is geheel en al rein; het is er mede gelijk als met de besnijdenis, de geheele mensch moest niet besneden worden. Zoo ook het hoofd besprengd zijnde, wordt het gerekend alsof het geheele lichaam besprengd was. De kracht van \'t Sacrament hangt niet aan de veelheid van \'t water. In hot Avondmaal gebruikt men maar een brokje brood en een teugje wijn, en echter wordt daarmede een geheel Avondmaal bedoeld. Zoo ook of er eene geheele rivier, of eenige druppelen op den doopeling gesmeten worden, dat is al hetzelfde. Wij mogen \'t dan doen als het al zoo oud is. De apostelen hebben het buiten twijfel ook gedaan, toen die drie duizend op dien eenen dag bekeerd en gedoopt werden. Hand. 2:41, het kan anders in geen een da^g geschied zijn; en toen heeft, naar alle gedachten, de besprenging al plaats gehad. Ook als ze den Doop wel \'s nachts bediend hebben, en

374.

-ocr page 381-

OVER DEN XXVI. ZONDAG. Viuo. 69-71.

als er geheele huisgezinnen werden gedoopt, is \'t /.eer waarschijnlijk, dat hetzelfde door besprenging zal geschied zijn. Ja, indien het iemand nog deed door indompeling, als \'t in de kerk plaats had, wij zouden er geen een woord tegenspreken. Zelfs in Moscoviën doen \'ze het nu nog, daar \'t nog kouder is als hier te lande. Gods woord verhindert niet, dat men er warm of lauw water toe zou gebruiken; wij zouden ook daar geene zwarigheid in vinden. Wij zeggen dan, in onze kerk wordt het door besprenging bediend.

Nu weet gij welk dat het teeken is, opdat als uwe kinderen u vragen: wat hebt gij daar voor een dienst, Exod. 12:26, gij het hun zoudt kunnen zeggen. Gij kunt er niet onkundig in zijn, als gij een opmerkend lidmaat zijt, die aandachtiff zit in het bedienen van den Doop.

Nu zult gij met uwe gedachten zeggen: wat wil dat zeggen? Weet gij wat het zeggen wil? Dit. Dat als de kinderen daar zoo gedoopt worden met water, dat dan te kennen geeft.

Eerst. Dat het een onrein, vuil. leelijk en stinkend schepsel is; het mag bij zijn vader en bij zijne moeder nog zulk een lief kind zijn, bij God is het zoo niet; \'t heeft de kanker; \'t is vol wonden en etterbuilen in zijne ziel; \'t is een Moorman en een adderen gebroed-sel; \'t is melaatsch. Dat is een mensch van nature.

Ten tweede. Maar dan komt God en zegt: die druppelen kunnen uwe ziel niet raken; zij kunnen het verstand niet raken. Dat water heiligt het kind niet; het geeft de genade niet.

Ten derde. Hier is eene beteekende zaak, en wat is dat? Het waardige bloed van den Middelaar; dat eenige en waardige rantsoen; het bloed dat de Heere Jezus gestort heeft, om ellendige vuile zielen te reinigen en zalig te maken. 1 Joh. 1:7. Het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde. Ziet door het teeken naar de fontein die tegen de zonde en onreinheid geopend is, Zach. 13:1. Het beduidt ook Christus\' Geest, den derden persoon in het Goddelijk Wezen, die de Geest des genadeverbonds is; die wordt door dit water verbeeld. Die Geest, die de zielen wasschen en heiligen moet, doet alles aan eene vuile ziel, gelijk het water aan een vuil lichaam doet. De Geest dient de verkrijging, en de toepassing van de zaligheid aan de ziel toe. Dit kunt gij gemakkelijk vatten, ft geloof dat het u niet nroeielijk is te begrijpen, dat het water den doo-peling niet kan reinigen. Ik kom onder dat water voor, zegt de GeesL De bewerkingen van den Geest alleen kunnen dat vuile schepsel reinigen.

Gij zult in uwe gedachten denken, zijn wij dan allen zoo vuil, en zoo onrein; en waarin bestaat dat ?

Eerst. Zijn wij het door schuld.

Ten tweede. Zijn wij het in onzen aard.

Ten derde. Daar moet op volgen, zoo wij niet genezen worden, de eeuwige verdoemenis. Laat ons u eens in het stuk inleiden.

Wat het eerste aangaat. Heeft een kind, dat gedoopt wordt, schuld?

375

-ocr page 382-

CATEOHISMUS-PREDIKATIE

Ja. Het heeffc eene toegerekende erfscbuld, door Adams zonde; waardoor wij in \'t opgroeien, zoo wij niet genezen worden, zoo schrikkelijk vuil en onrein zyn. Wij zijn even als een patiënt, die voor het gericht staat, en die door zijne eigene schuld zich heeft strafbaar gemaakt. Zulk een kind heeft een aangeborene erfzonde, waardoor het onmachtig is tot eenig goed.

Ten tweede. De doopeling heeft eene vuiligheid der natuur, waardoor zijn verstand, zijn wil, en al zijne hartstochten, zijn spreken, zwijgen, doen en laten, besmet zijn. En uit dien hoofde is dat schepseltje verdoemelijk, zoo de genade het niet voorkomt; maar is \'t een uitverkoren kind; dan is er het bloed van Christus voor; dan aanvaard ik dat kind voor mijn kind, zegt God; en de Geest zegt: Ik aanvaard, dat Ik dat schepseltje een ander hart zal geven; ik zal het heiligen en reinigen. Ik ben tevreden zegt God, dan is er niets dat mij kan verhinderen, dat Ik het niet in genade zou aannemen. Het gevolg daarvan is, valt het eens, het zal daarom niet weggeworpen worden; het gevolg is, die Doop verzekert en verzegelt hun, dat ze deel hebben aan do eenige offerande van Christus; die is hun ten goede.

Is er nu verzekering in den Doop? Ja. Wij verzekeren wat aan God; en God verzekert wat aan ons. In alle verbonden zijn twee deelen begrepen, en zoo worden wij verplicht en vermaand tot eene nieuwe gehoorzaamheid, zooals er in \'t formulier des Doops vermeld wordt.

Wat verzekert God aan een uitverkorenen doopeling? De predikanten kunnen de verkiezing niet weten; de vader noch moeder van een kind, dat gedoopt wordt, weten ze ook niet; maar God zegt:

Eerst. Zoo waarlijk als die druppelen waters op u gesprengd worden, zoo zult gij een oogenblikje in uw leven hebben, dat Ik mijnen Geest op u zal doen komen; en die zal u veranderen, uw steenen nart zal een vleezen hart worden, Ezech. 36:26. Gij zult niet sterven, zonder wedergeboorte.

Ten tweede. Zoo verzeker Ik u, zoo waarlijk als gij met die droppelen besprengd wordt, dat gij ook alzoo deel hebt aan de rechtvaar-digmaking, en dat in den Heere Jezus zoo zekerlijk uwe zonden vergeven zijn. Als gij met tranen en boete door geloofsoefeningen tot Mij zult komen, zoo zal Ik zeggen, dat het u is vergeven en kwijt gescholden.

Ten derde. Zegt God; Ik ken u, al kent gij uzelven niet, of al kent u niemand; maar Ik beloof het. Ik zal u mijnen Geest geven; gij zult het met den meesten hoop niet houden; maar gij zult teer en Godzalig leven.

Ten vierde. Zegt God: Mijn uitverkoren kind! schoon gij eens al vroeg uw vader en moeder, die voor u zorgen, mocht verliezen; of gij er zulke hebt, die noch voor u, noch voor zichzelven zorgen: Ik Vader, Zoon, en H. Geest, de Drieëenige God, verzekere u, dat Ik voor u zorgen zal, zoolang als gij er zijt; Ik neem vaders en moeders

376

-ocr page 383-

OVER DEN XXVI. ZONDAG. Vrag. 69-71.

plaats in; Ik zal het alles ten beste doen keeren; Ik zal u zooveel goeds doen, meer als vader en moeder u kunnen doen.

Ten vijfde. Ik verzeker u, dat gij zoo zekerlijk eens voor mijnen troon zult staan. Als gij ontslapen zult zijn in het geloot\', zoo zult gij eens eeuwiglijk zalig zijn. Zijn dat geen groote dingen?

Wat verzekeren wij nu daartegen aan God? Ik weet Ileere! zeggen wij, dat in alle verbonden twee deelen zijn; ik ben van mijnentwege verplicht, om in een nieuw Grodzulig leven te wandelen; ik verzeker, dat ik U zal zoeken te erkennen, te dienen, te lieven; en ik betuig, dat ik dankbaar aan U zul wezen; ik zal de wereld verzaken, en mijne oude natuur zoeken te dooden; en kom ik somtijds door zwakheid in zonden te vallen, ik zal daarom aan de genade Gods niet vertwijfelen, noch in mijne zonden blijven liggen; ik weet, dat het verbond Gods eeuwig en onveranderlijk is; eens genade, altijd genade. Wij geven dat nu elk aan uw gemoed, om het te overdenken en te betrachten. Maar gij wilt het al aan de zijde Gods hebben. Hoe redeneert gij zoo verkeerdelijk? Moet God het alles doen, en moet gij Hem maar haten, en alle smart aandoen? In alle verbonden zijn twee deelen; gij zijt mede een overeenkomende partij, zoowel als God. Wel! zegt God: zou Ik u verzekeren, dat gij niet in de hel zult komen, of\' niet verloren zoudt gaan; en zoudt gij er niet eens om worstelen, of\' verlegen zijn? Dat zou slecht zijn; dat past niet. Vat gij het nu? Zegt gij: Ja, ik wilde wel, dat ik het zoo niet vattequot;? Dat is slecht. Vervelen wij u, als wij u klaar de waarheid zeggen?

Nu moeten wij gaan zien, waar dat te vinden is? Waar belooft God dat? Waar Hij \'tbelast heeft, dat men zou doopen in den naam van Vader, van Zoon en van H. Geest; wat is dat anders te zeggen, dan dat de Drieëenige God, en elke Persoon in \'t bizonder, zijne gunst belooft? Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden. Mark. 16: 1G. Zoo spreekt de Heere, die niet liegen kan. Hand. 22: 1G, daar wordt de Doop de afwassching der zonden genoemd. Daarom draagt het teeken den naam van de beteekende zaak. Tit. 3:5, Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. Doch dat is de stof, die in den volgenden Zondag verhandeld zal worden.

Geliefden! daar hebt gij dan nu den 2G3ten Zondag schriftmatig en nauwgezet voor u opengelegd. Gij kunt er niet van tusschen, of gij moet zeggen: mijn God! zoo moet ik het nakomen.

Nu is er nog een vraag twee of drie te doen.

De eerste is: wie mag den Doop bedienen? Ik zeg, hetgeen de Ileere Jezus gezegd heeft, die, welke Hij henenzond om te leeren, Matth. 28:19. Dat karakter heeft Hij aan zijne dienaars gegeven; en aan niemand anders, als aan degenen, die gezondene predikanten zijn. Daarom mag ook een proponent niet doopen, die is nog niet gezonden. Gij staat daar op mijne markt, zegt de Heere, gaat heen, en

377

-ocr page 384-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

leert, en doopt elk lidmaat. Al was \'t een koning, die mag niet doo-pen. Zou het een magistraatspersoon niet uitermate kwalijk nemen, als een burger het werk van een stadsbode ging verrichten? Zoo vallen dan ook omver de dwalingen van do papisten, die zeggen: dat het eene vrouw, eene vroedvrouw ook mag doen. Die tekst uit Exod. 4:24, 25, welke de papisten bijbrengen voor hun gevoelen, zoo zij meenen, namelijk van Zippora die haren zoon besneed, is hier niet toepasselijk; ook deed zij dat buiten eenig gebod; en dat is een voorbeeld, dat niet moet gevolgd worden.

De tweede vraag is: moet men doopen in den naam van Vader, Zoon en H. Geest, of maar in den naam van Jezus alleen? Wij antwoorden: Er moet gedoopt worden in den naam van Vader, Zoon en H. Geest. Wij vinden wel, dat de Apostelen het tegenovergestelde gedaan hebben in hunne praktijk; die hebben wel gedoopt in den naam van Christus; maar als men in den naam van een Gezallde doopt, zoo wijst men aan en doopt men ook in den naam van Hem, die Hem gezalfd heeft, en van den Heiligen Geest, waar Hij mede

fezalfd was; en \'t schijnt, dat de Apostelen dat alleen maar aan de oden deden, omdat die Christus niet erkennen wilden; \'t schijnt ook, dat ze het aan de Heidenen in den naam van Vader, Zoon en H. Geest deden, omdat die kwestie onder de Heidenen was, of er wel zulk een God was, en drie onderscheidene Personen. Is er een predikant, die het niet in den naam van den Drieëenigen God wil doen, van eiken Persoon in quot;t bizonder, maar het alleen in den naam van Christus doet, die heeft geen goed hart. Wij zeggen: het is u belast in den naam van Vader, Zoon en H. Geest. Is er een, die het anders doet, die doet het met geen goed liart.ezalfd was; en \'t schijnt, dat de Apostelen dat alleen maar aan de oden deden, omdat die Christus niet erkennen wilden; \'t schijnt ook, dat ze het aan de Heidenen in den naam van Vader, Zoon en H. Geest deden, omdat die kwestie onder de Heidenen was, of er wel zulk een God was, en drie onderscheidene Personen. Is er een predikant, die het niet in den naam van den Drieëenigen God wil doen, van eiken Persoon in quot;t bizonder, maar het alleen in den naam van Christus doet, die heeft geen goed hart. Wij zeggen: het is u belast in den naam van Vader, Zoon en H. Geest. Is er een, die het anders doet, die doet het met geen goed liart.

Nog een vraag, ten derde, en die is omtrent het formulier des Doops; te weten, mag elk gerust op die vraag antwoorden: gelooft gij dat de kinderen in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten der gemeente behooren gedoopt te worden? Daarop zegt een vader en moeder: ik weet dat niet. Weet gij het niet? Wel, wij zijn nu hier om u te onderrichten. Er zijn leeraars geweest, die meenden dat een predikant voor zulken, eemge verandering zou mogen maken in de lezing van het formulier des Doops, op deze wijze: Gelooft gij niet, dat de kinderen die in Christus geheiligd zijn, als lidmaten der gemeente behooren gedoopt te zijn? doch die verandering zou niet zi]n, omdat zij zwarigheid voor hen maakten in het formulier, maar alleen voor zulke zwakke Christenen, die zwarigheid maken om daar ja op te antwoorden; doch het is beter bij de letter van het formulier gebleven.

De tweede reden is, om den zwakken Christenen geen aanstoot te geven, opdat ze zooveel te gemakkelijker zouden kunnen antwoorden, die vader, moeder en allen die voor het kind antwoorden moeten. Die geene verandering maken, het is al zoowel, als die de verandering maken; wij vinden er voor ons geweten geene zwarigheid in. Gij belijdt in die vraag twee hoofdvragen of hoofdstukken van uwen godsdienst.

378

-ocr page 385-

OVER DEN XXVI. ZONDAG. Vrag. 69-71.

De eerste is: Of gij niet gelooft, dat al de kinderen, die onder Adam behooren, de vervloeking en de verdoemenis onderworpen zijn?

De tweede: Of gij niet belijdt, dat al de kinderen die onder Christus behooren, geheiligd zijn in Christus? Let maar op de vraag waar gij belijdenis van doet, ot wij niet allen in Adam gevallen zijn en of allen die onder Christus behooren, niet geheiligd zijn. Kom. 5 :12, en 1 Cor. 15:22. Nu kunt gij het begrijpen, onthoudt het voor geheel uw leven. Nu behoeft gij geene zwarigheid meer over die vragen te hebben. Wij hebben \'t wel gezien, dat er waren, die openlijk uitspraken: wij durven daar niet op antwoorden.

Ziedaar Geliefden, is onze zaak. Wat zegt nu uw hart? Moet gij niet zeggen: het staat niet wel niet ons. Ik geloof dat er zoovele vaders, moeders en getuigen zijn, die \'t al zoo min verstaan, als het onnoozele schaapje dat gedoopt staat te worden. Als de kinderen als ze twaalf jaren oud waren, eens zeiden: wat moet ik door den Doop verstaan? Wat hebt gij aan mij moeten doen, en wat moet ik aan God doen? Gij zoudt verstommen, en gij wilt dikwijls zooveel rammelen en rellen over het preeken. Ik geloof, dat gij overtuigd moet zijn, dat wij de waarheid zeggen, en gy zoudt het nog niet willen weten, ik weet niet, of gij van dezen namiddag het nog wel hebt willen leeren. Waarom? Het zou te veel klem geven; het zou u zulke steken in uw gemoed geven. Ik heb mijn leven geen stad gezien, daar zoo weggeloopen wordt, als de Doop bediend wordt. Gij wilt het niet eens hooren of zien, en dat somtijds om wissewasjes, of zaken van weinig belang te gaan verrichten. In de week gaat gij bij menigten weg eer dat dit Sacrament bediend wordt, waar het u past uzelven daarnevens te leggen en attent te zijn, als het formulier des Doops gelezen wordt. Hoe menigen achten den Doop klein. Was het de mode niet in het land, zij deden het niet; was het nalaten geen schande, zij deden het niet. Anderen wederom, die nemen het te hoog. Nu is God, zeggen ze, de God van mijn kind. Uwe redeneering deugt niet; de beloften zijn zoo breed niet; daar gaan er zoowel met den Doop verloren als zonder; hoevele gedoopten liggen er in de hel! Hand. 8:20,21. Anderen dringen door het teeken niet tot de beteekende zaak. Dat is geen Jood die het in \'t openbaar is; maar die het in \'t verborgen is, die is niet de liesnijdenis die het in \'t openbaar is, maar die het in \'t verborgen is; en hier zal het ons allen schorten. Wie beleeft zijnen Doop? Wie wandelt er naar zijnen Doop? Daar moesten wij een beetje bij stil staan, ik en gij. Weet gij wel, dat ik en gij eene verplichting hebben om God te dienen? Weet gij wel, dat wij eer alle schepselen moeten afgaan en varen laten, als dat wij God zouden varen laten?

Eerst. Zeggen wij: dat hebben mijne en uwe ouders beloofd; wilt gij dan uwe ouders tot leugenaars maken ?

Ten tweede. Hoe dikwijls hebben uwe ouders er u toe vermaand, en gebeden? \'t Was alsof ze niet gerust konden sterven. Als gij voor hun doodbed stondt, \'t was al gedurig: Vreest toch God!

379

-ocr page 386-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Ten derde. Heeft de bediening, heeft het voorbeeld van andere vromen u niet gewaarschuwd, dat gij niet wel leefdet?

Ten vierde. Hebt gij berouw van uwen Doop? Zegt gij: was het niet geschied, het zou niet geschieden. Wel dat hebt gij in uw leven niet laten blijken, gij doet het tegendeel, gij zendt uwe kinderen zelfs ook naar den Doop; gij hebt het tegendeel gedaan, toen gij belijdenis deedt, zoo zeidet gij: ik erken dat dit de eenige weg ten hemel is, ja ik verkies hem.

Ten vijfde. Wij zeggen: zoo hier iemand is, die berouw daarvan heeft, dat hij gedoopt is, wel komt voor het doopbekken, en zweert uwen Doop af; zegt: ik houd mij aan mijnen Doop niet, schrapt er mijn naam uit, ik wil er mij niet aan houden.

En gij die nog nooit uwen Doop hebt zoeken te beleven, wordt het nog geen tijd daartoe? Gij zijt al zoo oud. Misschien zult gij niet veel tijd meer hebben; wilt gij nog uw plicht gaan volbrengen, het is misschien nog tijd; of is de zonde u zoo lief, dat gij er om verloren wilt gaan, om den duivel te dienen?

Nog eens. Kunt gij tegen uwen eed doen, tegen uw gemoed, tegen het betamelijke?

Nog eens.quot; Wat zal \'t beklagen helpen als het te laat is? als gij dan olie zult willen koopen, als de Bruidegom binnengegaan en de deur gesloten is? Matth. 25:10, als de deur gesloten is, en als gij in eeuwigheid geen olie voor uwe lamp meer zult kunnen krijgen?

Misschien zijn er hier die zeggen: wij zijn aandachtig geweest, maar onze kommer is, of wij deel hebben aan de beteekende zaak. Daar zullen wij ook eens een beetje bij stilstaan.

Is het met mij en u zoo niet geweest? Wij hebben ons leven niet gedeugd. Wilt gij weten of het voor ons is? Wij zullen het u zeggen.

Eerst. Nooit heeft er iemand aan de beteekende zaak deel, zonder kommer of verslagenheid, zonder kermen en wroegen. Wat was de vraag? Ach God! is het bloed en is de Geest van Christus voor mij? Heb ik er deel aan ? Zal ik er deel aan hebben ? Zal ik het wel ooit ondervinden, of heb ik het al? Dat is het eerste.

Ten tweede. Zoo ik en gij het wel hebben, liefste God 1 zoowel in het Avondmaal als in den Doop, zoo kan ik met de teekenen niet tevreden zijn; ik dring met mijn hart door het teeken tot in de beteekende zaak, tot het rantsoen en den Geest van Christus, tot dien springader des levenden waters; daar heb ik genoeg aan, laat ik daarmede besproeid worden en laat ik dat voelen aan mijn hart!

Ten derde. Wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd, verheerlijkt te worden, is zulkeen zoo groot; daar verwonderen zij zich zoo over. Ik ben het zoo onwaardig, zeggen ze; zij smelten weg en zijn zoo klein in hunne oogen, zij verwonderen zich over de vrijmacht Gods.

Ten vierde. Allerliefste Heere! zeggen ze, heb ik den Geest des levens ondervonden, als water, om mij te verkwikken en te wasschen? Zijt gij door den Geest, de werken \'des vleesches in u gaan dooden? Zyt gij gaan toonen, dat gy er een afkeer van hebt?

380

-ocr page 387-

OVER DEN XXVI. ZONDAG. Vbaq. 69-71.

Ten vijfde. Hebt gij den Geest in u ondervonden in zijne werkingen, als vuur en als licht? Wat doet het vuur? Het doet het hardste metaal smelten. Wat doet het vuur nog? \'tWil al naar boven. Zoo doet de Geest ook: Hij doet het hardste hart smelten; de Geest wil ook de ziel naar boven hebben, met al hare begeerten, verlangen en geloof. Wat doet vuur nog al? \'t Eene huis in brand staande, steekt het het andere aan, en zoo verwekt het meer brand. Zoo is het met den Geest: komt die in een huis, die brand loopt voort, het eene kind Gods zoekt weer het andere aan te steken. De brand is dikwijls niet te blusschen, noch te stuiten. Zoo is het met den Geest ook, die kan niet gestuit worden.

Ten zesde. Kent gij dien Doop der tranen? Ja, over verlies van man, vrouw of kind, kunt gij wel een groot misbaar maken, maar over uw verloren toestand, treurt gij daar wel over? Ja kent gij dat; al worden wij er niet toe geroepen, tot het martelaarschap, zijt gij er wel toe bereid? Hebt gij God wel zoo lief? Zegt gij: Heere! zoo ik er toe geroepen werd, volbreng dan uwe kracht in mijne zwakheid; mij dunkt, als Gij er mij toe riept, ik zou niet weigeren te sterven.

Nog eens: Hebt gij een rechten zucht en lust om rein en heilig te zijn? Ben ik de overeenkomende partij, dan moet ik Godzalig leven. Neemt die teekens eens, en ziet eens, of gij wel heilig wilt zijn.

Gij zult zeggen: ik wilde wel, dat gij mij eens eenige teekentjes gaf, of ik heilig ben. Dat zullen wij doen:

Eerst. Hebt gij eenen algemeenen afkeer van alle zonden? Gij liefhebbers des Heeren haat het kwade, Ps. 97:10; Rom. 12:9, Hebt een afkeer van het booze, en hangt het goede aan.

Ten tweede. Hebt gij eene algemeene liefde tot alle deugd? Zoekt gij te betrachten al wat eerlijk, liefelijk en welluidend is? Hangt het goede aan, Kom. 12:9. Het kwade dat ik niet wil doe ik, zeide Paulus, Kom. 7 :19.

Ten derde. Weet gij wat het is, te strijden en te kermen tegen uwe inwonende zonden? Kom. 7:18, Ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch geen goed woont. Zegt gij: ik kan het niet,\'ik wil het niét; kunt gij niet zeggen: Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen? Rom. 7:24.

Ten vierde. Kent gij dan dat kermen over het vallen in zonden? En zegt gij wel, nadat de Heere u zijnen Geest heeft wedergegeven: Ach Heere! ik heb zulk een berouw?

Ten vijfde. Bestaat het in dat opstaan uit het vallen. Wilt gij in de zonden niet blijven liggen?

Ten zesde. Zucht gij om teer, heilig en Godzalig te leven?

Nog eens, ten zevende. Hebt gij een hartelijken lust om voort te gaan? Fil. 3:12, Ik jaag naar de heiligmaking, of ik haar ook grijpen mocht.

Wat zegt gij nu? Wij weten, dat het niet duister is, wij willen u niet te zeer oezwaren; legt er uw gemoed eens bij. Wilt gij niet?

381

-ocr page 388-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

382

Wij kunnen het niet helpen. Vindt gij de teekens? Wij zeggen dan, al is het dat gij uit zwakheid in zonden valt, zoo zal God u weer in genade aannemen. Ps. 137:5, Indien Ik u vergeet, o! Jeruzalem, zoo vergeet mijne rechterhand zichzelve. Het kruis en de zonden zal God hier eindigen, en dan zal het zijn: u gereinigd hebbende door het bad des waters door het Woord, \'eene maagd zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks, om eeuwig God te verheerlijken, over zijne liefde aan ons bewezen in onze jonkheid; en die tot meer jaren gekomen zijn, over zijne liefde in onze meerderjarigheid; en die tot den ouden dag gekomen is, over de liefde en zorg van onze jonkheid tot den ouden dag. Wij zullen het daar nu bij laten, en ik hoop, dat de Heere dit gesprokene zal zegenen, aan ons en aan ulieden, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

-ocr page 389-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XX VII. Zondag, Vrag. 72—74.

Zeven-en-twintigste Zondag.

72. Vraag. Is dan het uiterlijk waterhad de afwassching der zonden zelve ?

Antwoord. Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest, reinigt ons van alle zonden.

73. Vraag. Waarom noemt dan de II. Geest, den Doop, het had der wedergeboorte en de afwassching der zonden?

Antwoord. God spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmede te leeren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzoo ook onze zonden door dat bloed en den Geest van Jezus Christus weggenomen worden; maar veelmeer, dat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteeken wil verzekeren, dat wij zoo waarachtig van onze zonden geestelijk gewas-schen zijn, als wij uitwendig met water gewasschen worden.

74. Vraag. Zal men oolc de jonge kinderen doopen ?

Antwoord. Ja, want mitsdien zij zoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen zijn, en dat hen door Christus\' bloed de verlossing van de zonden en de H. Geest, die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten ook zij door den Doop, als door het teeken des verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd, en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond, de Doop ingezet is.

WIJ lezen, in de profetie van Hoséa in het 14IJ lezen, in de profetie van Hoséa in het 14de hoofdstuk in vers 4: Immers zal een wees bij U ontfermd worden. Daar zijn vierderlei slag van menschen, die eene groote ontferming bij God vinden, als namelijk:

Eerst. Len vreemdeling.

Ten tweede. Eene weduwe.

Ten derde. Weezen.

Ten vierde. Kleine kindertjes.

-ocr page 390-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Wat het eerste aangaat, God ontfermt zich over een vreemdeling; daarom gaf Hij zoovele wetten, waarin Hij voor hen gezorgd wil hebben. Gij kent het gemoed des vreemdelings, zegt God, Exod. 23:9. Gij zijt Mij vreemdelingen geweest in Egypteland; doet ze geen kwaad; leest uwen akker niet te veel af; is er nog wat op, het zal voor den vreemdeling wezen.

Ten tweede. God ontfermt zich grootelijks over de weduwen. Weduwen, zegt God, die wil Ik niet verdrukt hebben, Deut. 27:19 en Zach. 7:10, Het gezucht der weduwen komt tot Mij. Daar mogen in alle vierscharen tranen der verdrukten liggen; maar wacht u dat gij de weduwen niet verdrukt: Ik ben haar man als zij tot Mij roepen; Ik zal ze helpen als zij op Mij vertrouwen.

Ten derde. Ontfermt God Zich ook over weezen: een heele wees of een halve wees, zal ook bij Mij ontfermd worden, zegt God.

Dan heeft God eene groote ontferming over een klein kind; en dat is het vierde, dat God een teeder hart heeft over een onnoozel klein kind. God is niet als een Farao met eene ongehoorde wreedheid aangedaan: die liet al de zoontjes der Hebreen in de rivier werpen, Exod. 1:22. Hij is niet als een Herodes, die de moeders te Ram a deed weenen, door te Bethlehem al de jonge zonen, die beneden de twee jaar oud waren, te laten vermoorden. Neen, God is zeer teeder omtrent de kindertjes, al waren het zelfs de kindertjes der Nineviten, daar er honderd en twintigduizend van waren. Ik zou de stad niet sparen, zeide God, daar er zoovele zijn, die geen onderscheid weten tusschen hunne rechter- en linkerhand? Jona 4:11. AI was het bij de Barbaren, gij zult eene teederheid omtrent de kindertjes vinden. Het hart der prinses van Egypte schreeuwde al meer, dan het hart van den jongen Mozes, die in \'t biezen kistje op het water lag; haal er mij eene, zegt ze tegen die er van verre bijstond, die het jonkske opkweekt. God heeft eene teedere voorzienigheid over een kind, al was het een Ismaël, die daar weggeworpen lag om te stikken van dorst; Hij riep de moeder en wees ze eene fontein aan, opdat ze zichzelve en \'t kind verkwikken zou. Geliefden! gij kunt wel merken waar wij wezen willen. Zal God zulk een hart voor de kinderen hebben, en zullen de gezanten van de Kerk het niet hebben? Zouden die besluiten, dat zij van jongsaf niet op den Heere moeten geworpen worden, gelijk een jonge Samuël? Welke moeder kan tevreden zijn, of ze haar kind al op haren schoot heeft, en aan hare borst drukt, als het in den schoot van de Kerk niet zou zijn? Daarom vindt gij dat onze Kerk zulke dingen verdedigt, \'t Hart van die vrouw ontstak\'over haar kind, als Salomo het in stukken wilde doen houwen. Zion ontsteekt ook over de kinderen, \'t Is droevig, als de wateren van Massa en Meriba, wateren worden van verbittering, \'t Is droevig, dat men de Kerk beroert, omdat men den onnoozelen kindertjes het water wil geven. En \'t is droevig, dat men uit het water halen wil hetgeen er niet in is.

Wij moeten onze overdenking hebben over den waterdoop. De

884

-ocr page 391-

OVER DEN XXVII. ZONDAG. Vraö. 72-74.

partijen, de dwaalgeesten bleven hier staan. Eerst was de rechtvaar-digmaking in \'t zuivere en in \'t klare gesteld. De partijen zeiden: hoe maakt gij het nu met den Doop en met het Avondmaal? Daar hebben wij de Papisten, Lutheranen en Mennisten tegen ons. De Gereformeerden hebben met verscheidene ketters te strijden. Sommigen nemen de Drieëenheid weg; anderen het bloed van Christus; anderen den Geest. Hier in den Doop hebben wij te strijden met de Papisten, die vinden heel veel in den Doop. Lutheranen moeten zeggen: dat Christus onder, in en met het brood des Avondmaals is gemengd; en zoo onder, in en met het water des Doops. De zaligheid, zeggen ze, gaat er mede gepaard. De Mennisten hebben een wederdoop. De dingen van de Lutheranen, Papisten en Mennisten, hebben wij hier een weinig te bezien omtrent den Doop. Wat zegt een Papist?

Eerst. Zonder Doop kan niemand zalig sterven, zegt hij; zonder Doop gaan de kinderen bij hen naar een voorburg der kinderen.

Ten tweede. De Doop, zeggen zij, moet bediend worden, al was het dat er geen priester bij de hand was, al is het dan door een ander; als zi) maar gedoopt zijn, en zij komen te sterven, danzjjn ze zekerlijk zalig.

Een Lutheraan gaat ook te ver; die zegt: de genade gaat met den Doop gepaard; zij is er mede vermengd; zij wordt er aan beloofd; en bjjgevolg gedoopt zijnde en stervende\', zoo zijn ze zalig; want de zaligheid gaat met den Doop gepaard. In de verhandeling van den vorigen Zondag, hebt gij het gevoelen der Gereformeerden kunnen hooren. \'t Is het eerste Sacrament van \'t verbond der genade, dat anders ook wel genoemd wordt de besprenging met het bloed van Christus. Daaruit hebt gij der partijen en ook ons gevoelen over het Sacrament des Doops, kunnen verstaan.

Nu blijft ons nog over, dat wij tegen de Papisten zeggen: de Doop werkt de genade niet; en tegen een Lutheraan: zij gaat er niet altijd mede gepaard. Hunne bewijsredenen voor u nederleggende, moeten wij die wederleggen.

Eerst zeggen wij: De Besnijdenis maakte niemand zalig, noch gaf zij niemand de genade. Dat moet u klaar blijken in Israël, in Ezau en in al die goddelooze Joden, Jes. 9:12—16: De Heidenen hadden de voorhuid des lichaams, maar Israël, zegt God, had de voorhuid des harten. Rom. 2:29, Dat is de besnijdenis niet, die in het openbaar in \'t vleesch geschiedt; maar die in \'t verborgen in \'t hart geschiedt, en de besnijdenis des harten genoemd wordt. Gelijk het met de besnijdenis stond, zoo staat het met den Doop. Petrus\'zeide eens, 1 Petr. 3:21, Waarvan het tegenbeeld de Doop ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuilheid des lichaams; maar die eene vraag is van een goed geweten tot God. De Besnijdenis werkt geen genade, noch de Doop.

Ons tweede bewijs is: Omdat wij vinden in het Oude Testament, dat er zijn geweest die al genade hadden voor de Besnijdenis. Zijn er zulken ? Ach ja. Abraham kreeg de genade wel vijlentwintig jaren

25

885

-ocr page 392-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

te voren, eer hij besneden werd; hij was vijfenzeventig jaren oud, als hij geroepen werd, en hij was bijna honderd jaren oud, toen hij besneden werd. De besnijdenis was hem een zegel tot rechtvaardigheid des geloofs, Rom. 4:11. Van Jeremia en anderen, zegt God: Van de baarmoeder af heb Ik u geheiligd, Jer. 1:5.

In \'t Nieuwe Testament werkt daar de Doop de genade? Geenszins. Aan vvien was de genade al gewrocht, eer hij nog gedoopt werd? Aan de Kamerling, Hand. 8:29—37. Man! gelooft gij? zeide Fihp-pus, nu mag ik u doopen. En Hand. 10:44 47, komt ietrus in een huis waar een gezelschap bijeen was; zij kregen de buitengewone quot;•aven des Geestes; zij hadden al genade. Kan ook iemand het water weren, zeide Petrus, \'dat dezen niet gedoopt zouden worden, welken den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij? Het blijkt dan klaar uit zulke teksten, en gij kunt dat voelen. De Doop werkt de genade niet; gelijk ook de Besnijdenis die niet werkt.

Ten derde. De Doop kan de genade niet werken, omdat wij vinden, dat er gedoopten en besnedenen zonder genade geweest zijn. Ezau, Ismaël, Absalom en anderen, zijn gestorven in de zonden, ofschoon zij besneden zijn geweest. Zijn er ook gedoopten zonder genade? Ja.\' Ziet Hand. 8:13, daar werd Simon de toovenaar gedoopt; nochtans zegt Petrus daarna tegen hem, dat hij was een gansch bittere gal en eene samenknooping van ongerechtigheid, vs. 23. Zoodat de Doop ook daar de genade niet wrocht. • • j

Ons vierde bewijs, dat de Doop de genade niet werkt, is: iemand kan zalig worden zonder besneden te zijn; zoo was het met het kind van David, dat stierf vóór den zevenden dag, 2 Sam. 12:18. Ja, al die in de woestijn geleefd hebben en gestorven zijn, waren ook niet besneden, en die zijn ook niet allen verloren. Daar staat wel, dat God in \'t meerendeél van hen geen welgevallen had. Joz. 5:7, werden ze besneden, die niet besneden waren in de woestijn. Zoo ook zonder Doop komen er wel in den hemel. Ziet dat bij den mooi denaar aan \'t kruis: hij had daar loopen moorden, hij had geen opvoeding gehad, en nochtans zeide Christus: Heden zult. gij met Mij in \'t paradijs zijn, Luk. 23:43. Dat kunt gij dan voelen. De Doop werkt de genade met, anders zouden het de dienstknechten Gods, de leeraars, kunnen werken; die zouden een mensch van zijne zonden kunnen wasschen; maar hi] die plant is niets, noch zi] die nat maken, 1 Cor. 3:7. God moetquot; den wasdom geven.

Ten vijfde. Het uiterlijke teeken kan \'t niet doen, de beteekende zaak moét het doen. Daar komt er een die met den Heiligen Geest doopt, Matth. 3:11, zeide Johannes, Hij zal u met den Heiligen Geest\'en met vuur doopen; dat is: met de beteekende zaak doopen.

Ten zesde. Geboortevlekken des lichaams, waar iemand mede geboren wordt, kunnen door geen medicijnen afgewasschen worden. Wij zijn in zonden geboren, en in ongerechtigheid ter wereld gebracht, Ps. 51:7; en zou natuurlijk water dat afwasschen? \'t Woord leidt ons tot twee andere fonteinen, namelijk tot het bloed en den Geest

386

-ocr page 393-

OVER DEN XXVII. ZONDAG. Vrag. 72-74.

van Christus, Zach. 13:1, en 1 Cor. 6:11, de eene tot rechtvaardig-making, en de andere tot heiligmaking. Bovendien, Papisten en Lutheranen! staat het zoo met den Doop, dat ze zeker zalig zijn, en dat de genade er mede gepaard gaat? Beziet dan eens uwe gedoop-ten; de een is een vloeker, de ander een drinker; zij schijnen eerder den geest der hel te hebben, dan den Geest Gods. Bij de Lutherschen gaat de genade er mede gepaard; en bij de Papisten werkt ze de genade; maar beziet uw volk eens, al waren het uwe heilige pausen, zij zijn zoo vrij van heiligheid als de onheilige Ezau. Daar triumfeert de waarheid weer boven den leugen.

Houd op, zegt de partij, het Woord spreekt gelijk als wij; daarvan komt die vraag: Waarom noemt God den Doop het bad der wedergeboorte of de afwassching der zonden zelve? Hand. 22:16, Laat u doopen en uwe zonden afwasschen. Ef. 5:26, Opdat hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord. En Tit. 3:5, wordt de Doop het bad der wedergeboorte en de vernieuwing des Heiligen Geestes genoemd. Gij Gereformeerden, zegt een Papist, zegt altijd, dat gij zulk een eerbied voor het Woord hebt en nochtans wilt gij \'t hier niet aannemen.

Ik antwoord: Papist, gij brengt de plaats niet ter snee; gij wilt ze bijbrengen, dat het genadewerk er mede gepaard gaat; maar Hand. 22:16, wordt dat niet gemeend; het wordt daar tegen een man gezegd, die al genade had; derhalve, zeggen wij, als gij teksten aanhaalt, zoo moet gij beter oppassen.

Hoe maakt gij het met EL 5:26. zeggen ze; daar staat immers: Gij wordt geheiligd door het bad des waters en door het Woord? God uit den hemel wil toonen, dat de Heere Jezus Zichzelven heeft overgegeven, opdat Hij Zichzelven een eigen volk zou heiligen, ijverig in goede werken. Tit. 2:14. Als ze dan gereinigd zijn, dan willen ze meteen naar het Woord; als ze deel aan den Heere Jezus gekregen hebben, dan willen ze naar de Sacramenten, om daar van God gezegend en geheiligd te worden.

Tit. 3:5, daar wordt de Doop het bad der wedergeboorte en der vernieuwing des Heiligen Geestes genoemd. Dat is daar niet anders te zeggen, dan hetgeen Mark. 16:16, staat: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; en dan, hetgeen de Zaligmaker zegt. Joh. 3:3, Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien. En in allen geval, zeiden wij, wilt gij het ons ontkennen, en zeggen, dat de Doop zoo genoemd wordtquot;: het bad der wedergeboorte en der afwassching van de zonden; laat het dan zoo zijn dat hij ons reinigt, en de vernieuwing des Geestes genoemd wordt; maar dan zeggen wij: welke reden heeft God, dat Hij het zoo noemt? Hij doet het om twee groote oorzaken.

Eerst. Het is eene sacramenteele spreekwijze, dat is een eigenschap in een Sacrament, dat het teeken den naam draagt van de beteekende zaak. De Besnijdenis wordt het verbond genoemd en \'t pascha de doortocht. Dit is mijn lichaam, zeide de Heere Jezus van het teeken.

887

-ocr page 394-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

en zoo draagt het teeken den naam van de beteekende zaak. Dat het badwater het bad der wedergeboorte genoemd wordt, is geen wonder; want de overeenkomst is groot van \'t teeken met de beteekende zaak.

Eerst. Water komt uit den hemel. De genade en Geest van den Heere Jezus komen uit den hemel. .

Ten tweede. Het water reinigt. De Geest en \'t bloed van Ghnstus reinigt de onreine ziel.

Ten derde. Water kan men niet missen. Het bloed en den Geest van Christus kan men ook niet missen tot zaligheid.

Ten vierde. Water moet door eene hand toegepast worden. De genade moet ook toegepast worden aan een hart, die dat noodig heeft. Nu zegt de Onderwijzer in de tweede plaats. Het heeft niet alleen die reden, te weten: de overeenkomst van het teeken met de beteekende zaak, maar ook die: dat er verzegeling is in een Sacrament. Wat zegt God tot elk waar bondeling die genade in zijn Zoon gevonden heeft? Dit zegt Hij: zoo waarlijk als gij gedoopt wordt, zijn uwe zonden vergeven, en zoo waarlijk zult gij eens rein, heilig en zonder smet of rimpel, voor mijn troon gesteld worden. Van een kind kunt gij dat niet weten; maar van een volwassene wordt gezegd, evenals in \'t Avondmaal gezegd wordt: Zoo waarlijk als gij van dit brood eet en van den drinkbeker des Heeren drinkt, is God uw God. Zoo ook in den Doop: uwe zonden zijn afgewasschen en vergeven door het bloed van Christus. Daar hebt gij dat gewichtige stuk; die \'t vat die vatte het; die ooren heeft die hoore.

Nu bleven ons overig de Mennisten, een ander volk; die zijn ook uit de Papisten uitgegaan; die verhieven zichzelven en zeiden: daar is geen genade buiten de gemeenschap der Mennisten. Daardoor kwamen twee zaken op. 1. Allen die tot de Mennisten kwamen, uit een andere gezindte, ofschoon ze in den naam van den Drieëenigen God gedoopt waren, moesten wederom gedoopt worden. Daarvandaan hebben zi] den naam gekregen van Vvederdoopers. 2. Omdat ze een god-vruchtigen wandel vertoonen moesten, zoo kon de Doop aan geen kind bediend worden. Een Lutheraan zegt: genade en zaligheid gaan met den Doop gepaard. Een Papist zegt: al de kinderen die gedoopt zijn, zijn zekerlijk zalig. Een Mennist zegt: een kind mag niet gedoopt worden, of \'t moet in het opwassen toonen, dat het leeft als een Christen. Tegen die twee zaken der Mennisten hebben wij ons te

wapenen. . L , ri

Met onderscheid moeten wij handelen in \'t eerste stuk. /00 er eens iemand overkwam tot de Gereformeerden, uit de Socinianen, of uit de Remonstranten, waar de Doop niet geschiedt in den naam des Drieëenigen Gods, dien zouden wij wederdoopen; omdat de Doop, die niet geschiedt in den naam van den Drieëenigen God, niet wettig is; want zoodanig een Doop geschiedt niet naar de instelling van Jezus Christus, Matth. 28 :19.

Ten tweede. Kwam er iemand van de Papisten tot ons over y dien zouden wij niet wederdoopen; maar wij zouden hem zijne dwalingen

388

-ocr page 395-

OVER DEN XXVII. ZONDAG. Vras. 72 -74:.

ontleeren en ontnenien. Even gelijk een mensch, die een ongeluk krijgt; hij moet niet wederom geboren worden, om dat ongeluk kwijt te zijn, of gelijk een mensch die verkeerd gegaan of\' gereden is, niet wederom moet leeren gaan; maar hij moet het maar verbeteren; en een mensch die kwalijk getrouwd is, moet niet nog eens trouwen; maar hij moet verbeteren \'t geen er kwalijk in zijn trouw was. Zoo ook moet een Papist van zijn ongeluk genezen en verbeterd worden. Den wedei\'doop staan wij niet toe, of \'t zou van een Sociniaan moeten zijn, omdat die God den Vader en den Heiligen Geest niet in den Doop erkennen. In welk een gevaar zijn wij dan, als de generatie des Zoons en de uitgang des Heiligen Geestes geloochend worden! zoo raken wij de Dneëenheid kwijt, en meteen den geheelen godsdienst. De Mennisten zeggen: wij nebben geen ongelijk dat wij we-derdoopen, en zij brengen ons bij Hand. 19, van \'t lquot;\'0 tot het 9d0 vers. Daar zijn twaalf discipelen te Et\'eze; Paulus komt er bij; en naar zijne gewone godsvrucht getoond te hebben, zoo vraagt hij hun, hij neemt ze onder de hand: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen? zegt hij; dat is: hebt gij al buitengewone gaven ontvangen, toen gij geloofd hebt en genade gekregen hebt? Neen, zeggen ze, wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heilige Geest is. Zi]t gij dan niet gedoopt? vraagt hij. Ja, zeiden ze, wij zijn gedoopt in den Doop van Johannes. Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den Doop der bekeering, zeggende tot het volk, dat zij gelooven zouden in dengenen, die na hem kwam, dat is in Christus Jezus; maar Paulus lag hun de handen op, en zij kregen de buitengewone gaven des Geestes. Het blijkt klaar uit dezen tekst, dat Paulus hen niet gedoopt heeft; maar nog klaarder blijkt het uit 1 Cor. 1 :14—16, Ik heb niemand van u gedoopt, zegt hij, dan Crispus en Gajus, en \'t huisgezin van Stefanus, voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb. Paulus was echter zoo vergeetachtig niet, dat hij \'t niet zou geweten hebben, dat hij die discipelen te Efeze gedoopt had.

Ja maar! zeggen ze. Hand. 16:33, werd de stokwaarder en zijn geheele huis gedoopt, wie heeft dat gedaan? Paulus niet, maar wel Silas, die daar toentertijd ook gevangen was.

Nu komt dan de kinderdoop hier in overweging, en dien moeten wij verdedigen en goedmaken tegen de partijen, die ons dien tegenspreken; en in dat stuk hebben wij voornamelijk te doen met de Mennisten. Wat doet gij, zegt de Mennist, dat gi] de onnoozele kindertjes doopt? Gij hebt er geen uitdrukkelijk gebod toe. Wij zeggen:

Eerst. Hebt gij wel een uitdrukkelijk gebod in den geheelen bijbel, dat vrouwen ten Avondmaal moeten gaan? God zegt ook niet: doopt uwe kinderen als ze vijf-en-twintig of dertig jaren oud zijn. Hij zegt ook niet: laat u ten tweeden male doopen, door een bisschop, gelijk de Papisten doen, die dat het Sacrament des Vormsels noemen. Wij zeggen; Mennist! er is geen een uitdrukkelijk gebod van al uwe dingen in \'t doopen.

Ten tweede. Wij zeggen; er zijn geheele huisgezinnen gedoopt, en

389

-ocr page 396-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

behooren daar de kinderen niet mede toe ? Ziet dat 1 Cor. 1:16, en op andere plaatsen meer.

In de derde plaats. De kinderen verstaan het niet, zeggen ze. Wij antwoorden: in \'t Oude Testament verstonden ze de Besnijdenis ook niet; het onverstand van het kind neemt de zaak niet weg. Zij kunnen in een oogenblik niet wijs zijn. Gij zult ze het inprenten zegt God, als gij met hen aan den haard zit, en als gij met hen over den weg gaat; als ze u vragen: wat zijn dat voor\' dingen? Deut. 4: 10. Zoo ook voedt ze op in de gezonde leer en in de vreeze des Heeren.

Nog eens. De Heere Jezus werd gedoopt toen Hij dertig jaren oud was; en gij Mennisten wacht niet, totdat gij dertig jaren oud zijt. De Heere Jezus werd besneden toen Hij acht dagen oud was; Abraham nochtans werd eerst besneden, toen hij negen-en-negentig jaren oud was. Hebben ook Izak en Ismaël daar wel naar gewacht? Een zoontje van acht dagen oud zal u besneden worden, zegt God, Gen. 17; 12. Wat hebben wij tot verdediging voor den Kinderdoop?

Eerst. Dat de Doop gekomen is in plaats van de Besnijdenis. In \'t Oude Testament wilde God de kinderen besneden hebben, en in \'t Nieuwe wil Hij ze gedoopt hebben. In \'t Oude, zegt God, heb Ik de Besnijdenis ingesteld; en in \'t Nieuwe stel Ik den Doop voor de kinderen in de plaats.

Ten tweede. De kinderen van \'t Nieuwe Testament moeten niet ongelukkiger zijn dan die van \'tOude; zij moeten eer gelukkiger wezen: alzoo God wat beters over ons voorzien had, Hebr. 11:40. Zouden onze arme schapen ongelukkiger wezen ? Zij behoorden eer gelukkiger te wezen, daar God grootere, breedere en klaardere genade beloofd heeft.

Ten derde. De genade wordt toegezegd ook aan de kinderen in al de geslachten van de wereld. Abrahams zaad was een kind van acht dagen oud, toen \'t besneden werd; en echter rustte de belofte aan Abraham gedaan, op dat kleine kind.

Ten vierde. De genade wordt aan de kinderen in \'t bizonder toegezegd. Hand. 2:39, ü komt de belofte toe, en uwen kinderen.

Dat ziet op de volwassenen, zegt een Mennist. Doch wij vragen een Mennist: Hoe weet gij dat? Een kind is een kind; derhalve is \'t aan de kleine kinderen ook dat de belofte gedaan is. Doet er bij, dat de Heere Jezus, Matth. 19:14, 15, de kinderen de handen opleide. De ouders kwamen daar met hunne kleine kinderkens, opdat de Heere Jezus hun de handen zou opleggen en zegenen. De Apostelen wilden \'t verhinderen, en zeiden: zoudt gij den Meester moeien over zulke kleine kinderen? Maar de Heere Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het koninkrijk der hemelen. Bovendien, de kinderen van de geloovigen zijn onderscheiden van die der ongeloovigen; zij zijn heilig; zij zijn geen kinderen, die zoo maar in \'t wild groeien; maar zij worden opgevoed in de vreeze des Heeren, dat de wereld, dat de barbaren, en dat de ongeloovigen niet doen.

390

-ocr page 397-

OVER DEN XXVII. ZONDAG. Vrag. 72-74.

Nog eens. De kinderen behooren de gemeente toe. Als in \'t Oude Testament de gemeente vergaderde, kwamen ook de moeders met de kinderen die de borsten zo^en, om hen voor het aangezicht des Hee-ren te stellen, Joël 2:16, Verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen. En Deut. 29: 29.

Nog eens. Daar zijn kinderen in het Oude en Nieuwe Testament waar God de genade in legt, van de baarmoeder af aan; kan dan iemand liet water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden? Hand. 10:47. Timotheüs had al vroeg de genade; en waarom zou men zulk een den Doop weigeren, waar God van der jeugd af aan het zaad Gods in legt? Hand. 2:41, zij werden door den Doop der gemeente toegevoegd. Daar hebt gij de gansche zaak der Papisten, Mennisten, en Lutheranen, en tevens ons gevoelen zuiver en klaar voorgesteld.

Als wij nu onzen Doop bezien, moet de geheele gemeente niet overtuigd staan? Predikanten, ik, en elkeen, lezen wij het Formulier des Doops, \'t is zonder hart, zonder eerbied, zonder aandacht; en de gemeente hoort het oneerbiedig aan. De predikanten brabbelen het daar wat heen. De toehoorders zijn eveneens of ze dan wel wat mochten lachen en praten, en alsof ze zichzelven eens uitspannen mochten. Wij hebben het ons leven zoo niet gezien, in wat plaats wij verkeerd, gewoond of het Evangelie bediend hebben, dat men dan uit de kerk gaat om naar huis, ja zelfs om naar een koffiehuis te gaan. Eveneens alsof ons de Doop niet aanging, daar dezelve een teeken en zegel van Gods genadeverbond is, voor ons en voor onze kinderen; en waar de jonge kinderen, behoorende tot de gemeente, dezelve door den Doop als worden ingelijfd.

Nog eens. Wij hebben allen schuld, en het is schande, dat wij, terwijl dat teeken en zegel des genadeverbonds aan de jonge kinderen bediend wordt, ons zoo lauw en onverschillig gedragen; want zelfs wie bidt het korte of het lange gebed mede, uit het Formulier des Doops? \'t Is eene groote gewoonte geworden, dat men in \'t korte gebed zulk eene snoeverij maakt. Zij zoeken er maar hunne eigene eer in. O! wij hebben zulk een nadrukkelijk gebed, waar de geheele gemeente medebidt; maar in \'t korte gebed zulk eene snoeverij te maken, gelijk doorgaans geschiedt, is schrikkelijk voor God en schandelijk voor allen, die buiten ons zijn. Weest dan toch met eerbied aangedaan, als het lange gebed gebeden wordt. Als gij of ik gedoopt werden, is er lichtelijk wel iemand geweest, die nu al in den hemel is, die zijn hart voor ons tot God ophief, \'t Is zoo goed, als wij het lange gebed zullen gaan doen, dat men zegt: Laat ons met eerbied, den naam des Heeren over dit kind of over deze kinderen, aanroepen. En zijt gij wel eerbiedig onder het lezen van zulk een nadrukkelijk Formulier? Hoe zondig zijn wij omtrent den Doop! Als gij de ouders beziet, daar zijn er hier vele tegenwoordig die kinderen hebben. Ouders! hoe maakt gij het al?

Eerst. Zijt gij al weltevreden, als het kind maar gedoopt is? O! dan is men in zijn schik; nu is mijn kind gedoopt, zegt men, als

391

-ocr page 398-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

men tehuis komt: nu is het genoeg. Als men eens in de stad ouders vond, die vijf of zes kinderen hadden, die niet gedoopt waren, wat zou dat door de stad klinken! en echter zijn ze zoo lauw en ongevoelig, als het Sacrament des Doops aan hunne kinderen bediend wordt. Anderen zijn al maar tevreden, als ze maar gedoopt zijn.

Ten tweede. Kan men wel zeggen, dat gij bekommerd zijt over de genade uwer kinderen? Als de moeder zwanger is, zijt gij dan wel bekommerd of het een zaad Gods is, of dat het voor den duivel en de hel zal wezen? Zegt gij, moeder, wel eens: mijn God! hetgeen ik draag zal in zonden ontvangen en in ongerechtigheid ter wereld gebracht worden ? Ps. 51; 7. Als het geboren is, neemt gij het dan wel eens in uwe armen, en doopt gij het wel met liefdetranen? Zegt gij wel eens: dit kind, dat ik aan U opdraag, Heere! is mijn kind door de geboorte; maar ik draag het aan U op, Ps. 22:11, Op U ben ik geworpen, van de baarmoeder af, van den buik mijner moeder aan, zijt Gij mijn God. Hebt gij worstelingen Gods over het kind geworsteld? Gij hebt misschien, gelijk David, wel geworsteld, als het kind ziek was, dat het gezond mocht worden; maar ligt gij wel eens op de aarde, en zegt gij wel eens: mijn kind is ziek naar de ziel? Hebt gij wel gesmeekt tot God? Houdt gij wel aan? en zegt gij: ik kan niet gerust zijn, of ik moet een zegen hebben: het moet een gezegend zaad zijn? Bij het opgroeien, waar zorgt gij dan voor? Voor kleederen, dat het mag leeren lezen, schrijven; dat het een ambacht mag leeren, of eene bediening mag hebben: een goed handwerk mag doen ? \'t Zal wel door de wereld raken; maar raakt het er wel uit? Dan zijt gij bezorgd over de wellevendheid van dat kind. \'tls niet genoeg de kinderen te laten gaan in een school, waar men een complimentsdag houdt; \'t is daar beter, waar men een catechiseer-namiddag heeft; maar dan zal men ze dikwijls tehuis houden, en op den complimentsdag niet. Is het niet gruwelijk?

Nog eens. Hoe zijn de ouders verplicht hun kinderen intepren-ten, dat ze genade moeten hebben! Ik weet niet, of gij er wel van durft reppen, omdat gij denken moet, dat gij ze zelfs mist. Daarom durft gij er niet van spreken, dat ze van kindsbeen af den Heere moeten leeren vreezen. De schoot en de borst van de moeder moet de beste school zijn. De moeders hebben er het grootste deel aan. De vaders moeten de familie bijeen roepen, en zijn de moeders klagende, zij moeten zien, of zij door hun gezag het te boven kunnen komen. Zoo deed de moeder en grootmoeder van Timotheüs. Daardoor gebeurde het in de eerste Christenkerk, dat de ouders met hunne kinderen naar de vlammen liepen, om de kroon van \'t martelaarschap te behalen. Zoo heeft God gewrocht in de eerste Christenkerk. Ouders! doet uw plicht, gij hebt het voor God en de gelieele gemeente beloofd; maar misschien geeft gij ze een kwaad voorbeeld. Ja, zouden er hier niet zijn die, als uwe kinderen naar den hemel willen, hen dan verachtten ? \'t Zijn verschovelingen. Gij wilt zelf niet ingaan, en gij verhindert uwen kinderen het ingaan.

392

-ocr page 399-

OVER DEN XXVir. ZONDAG. Vraö. 72-74,

Wat nu dengenen, die over den Doop als getuigen staan, aangaat; gij zoudt hun mogelijk uw goed niet toebetrouwen, en gij betrouwt hun de zielen uwer kinderen toe. Zij zijn dikwijls botte\'en domme menschen, die niet eens de plechtigheid weten\'of bevatten, die zij bijwonen, of\'wat ze daar beloven; en gij doet het dikwijls maar om de statie, en om de gift, die gij indertijd daarvan verwacht. En aangaande den vrienden en buren; men bezoekt het kind, men wenscht het zegen, \'t is zoo een complimentje. De getuigen spreken het kind licht hun leven niet eens aan, hetgeen ze nochtans met buiging hunner lichamen beloofd hebben. Geliefden! wie weet wat een bittere ontmoeting dat zal wezen, als ouders, getuigen en kinderen, elkander zullen ontmoeten in \'t oordeel? Als vrome ouders hunne goddelooze kinderen zullen ontmoeten, en zeggen: getuigt tegen mij, wat ik u gedaan heb; heb ik u niet onder mijn gebed en vermaning genomen? Heb ik u niet naar Gods huis gebracht? Was ik u niet als een getrouwe vader en moeder? Als zij zullen zeggen: ik ben rein van uw bloed, en als die kinderen daarop zullen moeten zeggen: ja, gij zijt rein; welk eene ontmoeting zal dat zijn! En welk eene ontmoeting zal het ook zijn van goddelooze ouders en kinderen, als die kinderen tegen de ouders zullen zeggen: ik was niet wijzer, gij behoordet mij met geen kwaad voorbeeld voorgegaan te hebben; gij moest mij onder uw gebed genomen hebben; maar gij hebt mij voorgegaan in de zouden; ik had zalig kunnen worden, hadt gij uw plicht aan mij gedaan; maar gij hebt uw plicht verzuimd, en nu moeten wij samen naar de hel. \'t Zal zwaar zijn; ik kan het zoo ordentelijk in al zijne omstandigheden, zooals het\' geschieden zal, niet zeggen of\' bepalen. Maar hoe bitter zal dat niet zijn, als een Godzalig kind zal zeggen, tegen zijne ouders: mijn lieve vader en moeder! betuigt het voor God, heb ik u kwaad gedaan? Heb ik mij misdragen? Is het mij niet leed geweest? Hoe menigmaal schreide ik om u? En nu moet gij verloren gaan. Denkt er eens bij, wat eene heugelijke ontmoeting het zal zijn, als vrome ouders van hunne kinderen zullen zeggen: gij waart gezeggelijk; en als die kinderen zullen kunnen zeggen: God heeft de opvoeding gezegend. Vader en moeder! zonder u, en zonder Gods zegen, wat was ik geweest? Ik bedank u voor uw gebed, voor uwe liefde, voor uwe bestraffing; ik kan niet anders dan het goede van uwe opvoeding getuigen; gij hebt mij teeder opgekweekt, gij hebt de zonden niet in mij kunnen verdragen. Een vroom kind zegt: ik weet niet, waar ik God het meest voor zal danken, voor de kussen of voor de roede van mijne ouders; mag ik nu, mijn vader en mijne moeder, met u bij God gaan, daar gij mij zoo dikwijls indrukken van gegeven hebt? Nu moogt gij zeggen, gelijk het Hoofd der Kerk eens zeide: ziet ik en de kinderen, die mij de Heere gegeven heeft, Jes. 8: 18, zij zijn mijne kroon en blijdschap.

Geliefden! wekt uw hart op om trouw te zijn. Kinderen, die Godzalige ouders hebt, dankt God, en hebt ze lief als uw oogappel, als uw eigjn hart en ziel. Zegt gij: wij zijn gedoopt, hoe is het nu met

393

-ocr page 400-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

ons? De Doop werkt de genade niet, zij gaat er niet zeker mede gepaard. Gaat nu eens in uw hart, ik en gij zijt gedoopt, maar hebt gij wat meer gekregen? Heeft God wat in u gewrocht? Drie dingen zult gij dan ondervinden.

Eerst. Gij zult de onreinheid en de leelijkheid van uw hart in het opgroeien van uwe jaren zien. Dat 4ae vers van den 518ten Psalm: Reinig mij van mijne leelijke, stinkende misdaden, zult gij uw leven niet lezen noch zingen, of gij zult in uw hart bewogen zijn. Dat walgelijk liggen in uw bloed, dat wentelen met de gewasschene zeug in het slijk, Ezech. 16:5; en dat wederkeeren met den hond tot zijn uitbraaksel, 2 Petr. 2 :22, zal u zoo ter harte gaan.

Ten tweede. Dat moet u van den Heere Jezus niet afhouden. Kunt gij door het teeken tot de beteekende zaak komen? O! wat zult gij dan gelukkig zijn! \'t Water kan u niet helpen; de Heere Jezus moet u wasschen in zijn bloed. Gingt gij naar die tweede fontein, naar den Geest Gods? Zeidet gij: ach! hoe kom ik mijne verdorvenheid te boven? Ach Heere! breek de kracht van mi]n zondig hart! Strijdt gij er tegen? Zoekt gij het allengskens te boven te komen? Wasch mij Heere! demp de zonde en den zondigen aard in mij, smoor ze mijn God! de zonde moet uit mijn hart. De oude mensch met zijne bewegingen en begeerlijkheden moet gekruisigd worden en sterven. Ik kan zoo niet langer leven! Schreit en zucht gij dat uit voor God ?

Ten derde. Hebt gij lust om uw doop te beleven? Wilt gij geen meineedige zijn? \'t Is zoo redelijk, zoo heerlijk! Gij hebt het God beloofd. God heeft u beloofd, dat Hij uw Vader, en Jezus uw Middelaar, en de Geest uw Trooster in eeuwigheid zouden zijn. Gij moogt nu in de zonden niet blijven liggen, noch aan de genade vertwijfelen. Vindt gij die drie teekens? Zoo waarachtig is God dan uw God. In alle verbonden zijn twee deelen; weest gij getrouw in uwe beloften, en God zal niet\' rusten, voordat Hij u onder de gemeente der uitverkorenen in de eeuwigheid zal gebracht hebben. Dat gunne de Heere u en mij, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

394

-ocr page 401-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXVIII. Zondag. Vrag. 75—77.

Aohtentwintigste Zondag.

75. Vbaao. Hoe wordt gij in \'t H. Avondmaal vermaand en verzekerd, dat gij aan de eenige offerande van Christus, aan H kruis volbracht, en aan al zijn goed gemeenschap hebt ?

Antwoobd. Alzoo, dat Christus mij en allen geloovigen, tot zijne gedachtenis, van dit gebroken brood te eten, en van dezen drinkbeker te drinken, bevolen heeft, en daarbij ook belooft: Eerstelijk, dat zijn lichaam zoo zeker voor mij aan \'t kruis geofferd en gebroken, en zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met oogen zie, dat het brood des Heeren voor mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt. En ten andere, dat Hij zelf mijne ziel met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed, zoo zeker tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik dat brood en den drinkbeker des Heeren (als zekere waartee-kenen des lichaams en bleeds van Christus) uit des dienaars hand ontvang en mondelijk geniet.

76. Vkaag. Wat is dat te zeggen, het gekruisigde lichaam van Christies te eten, en zijn vergoten bloed te drinken?

Antwoobd. Het is niet alleen met een geloovig hart het gansche lijden en sterven van Christus aan te nemen, en daardoor vergeving van zonden, en het eeuwige leven verkrijgen; maar ook daarbenevens, door den H. Geest, die te zamen in Christus en in ons woont, alzoo met zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer vereenigd te worden, dat wij, al is het dat Christus in den hemel is, en wij op aarde zijn, nochtans vleesch van zijn vleesch, en been van zijne beenen zijn, en dat wij van éénen Geest (als leden van één lichaam door ééne ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden.

77. Vraag. Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de geloovigen alzoo zeker viet zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als ze van dit gebroken brood eten, en van dezen drinkbeker drinken ?

Antwoobd. In de inzetting des Avondnmals, welke aldus luidt:

Onze Heere Jezus, in den nacht, in welken Hij verraden werd, nam het brood; en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is

-ocr page 402-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

mijn lichaam, dat voor u gebrohcn wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker muit drinken, zoo verkondigt den dood des Heer en, totdat Hij komt.

Deze toezegging wordt ook herhaald, door den heiligen apostel Paulus, waar hij spreekt, 1 Cor. 10:16, 17; De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap aan hei lichaam van Christus? Want één brood is het, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.

HET is opmerkelijk hetgeen wij lezen bij den apostel Jakobus, in zijnen brief aan het lET is opmerkelijk hetgeen wij lezen bij den apostel Jakobus, in zijnen brief aan het l8te Hfdst. vers 17, Alle goede gave, en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende. God de Heere wordt hier de Vader der lichten, en Hij wordt ook de Vader van zijn volk genoemd, in het Oude en Nieuwe Testament, Jes. 63:16, Gij zijt toch onze Vader; Abraham weet van ons niet, Israël kent ons met; Gij, o Heere! zijt onze Vader, onze Verlosser vanouds af is uw naam. In \'t Nieuwe Testament is \'t al wederom dezelfde taal, 2 Cor. 6:17, 18, Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan, hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen: en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mi] tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.

Wanneer wordt nu iemand een vader genoemd in volle kracht? Dan, als hij kinderen verkregen heeft, en zich omtrent die kinderen als een vader gedraagt. Wat heeft God al kinderen, die tot Hem komen! Christus zei eens: gij zult niemand uwen vader noemen op de aarde: want één is uw Vader, namelijk die in de hemelen is, Matth. 23:9. Ik heb u naar mijn wil gebaard, zegt God, door het woord der waarheid, opdat gij zoudt zijn als eerstelingen mijner schepselen. Jak. 1:18. Gij zijt niet uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren. Joh. 1:18. Men noemt iemand vader niet alleen door teling en \'t verkrijgen van kinderen, maar ook door zijn vaderlijk gedrag. Zoo is het met den grooten God ook.

Eerst. Wat toont Hij een vaderlijk gedrag omtrent zijne kinderen, nadat Hij ze geteeld heeft door het Woord! Als een kind vol struikeling en ellende is, wat vindt het ontferming bij zijnen vader! Zoo is \'t met een kind van God ook. Ps. 103:13, Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vreezen. Mal. 3:17. Ik zal ze verschoonen, zegt God, gelijk een man zijn zoon verschoont, die hem dient.

396

-ocr page 403-

OVER DEN XXVIII. ZONDAG. Vrao. 75-77.

Ten tweede. Een vader is ook een kastijder omtrent zijne kinderen. O! hij houdt de roede niet terug, maar hij bezoekt ze vroefj met kastijdingen. Zoo doet God ook: want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geeselt eenen iegelijken zoon, dien Hij aanneemt, Hehr. 12:6. Hebben zijne kinderen zich misgrepen, en kastijden de vaders des vleesches hunne kinderen in zulk een geval, de Vader der geesten doet ook zoo.

Ten derde. Een vader kastijdt niet altijd: een vader kust zijn kind wel eens. Zoo is het met dezen hemelschen Vader ook gelegen. Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon? is hij Mij niet een troetelkind? zeide God tot Efraïm, Jer. 31:20. Hij neemt ze wel eens op zijn arm, en Hij omhelst hunne ziel liefelijk, Jes. 38:17.

Ten vierde. Een vader stoot zijn kind niet buiten de deur, maar hij neemt het onder zijn dak. Zoo doet God ook met zijne kinderen: Ik zal u binnen mijne muren een naam en eene plaats geven, zegt God, Jes. 56:5. Daarom worden zij genoemd medeburgers der heiligen, en huisgenooten Gods, Efez. 2:19. Toen de verloren zoon naar zijnen vader kwam, nam hij hem in zijn huis, Luk. 15:19.

Ten vijfde. Een vader laat zijn kind niet naakt en bloot loopen; maar hij verzorgt het van voedsel en deksel. Zoo doet de groote God ook omtrent zijne kinderen. Hij laat ze niet naakt naar de eeuwigheid loopen. Hij bedekt ze met de kleederen des heils: de mantel der gerechtigheid wordt hun omgedaan, Jes. 61:10. Hij geeft ze ook heilige sieraden, Ps. 110:3.

Ten zesde. Die een vaderlijk gedrag omtrent zijn kind heeft, mag wel lijden, dat, zijn kind eens bidt en schreit; dat het eens kermt; dat het zijn gebrek eens vertoont. Als een kind zijnen vader om brood bidt, zal hij hem een steen geven? Als het om een visch bidt, zal hij hem een slang geven? Of zoo het ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven? Luk. 11:11, 12. Deze Vader heeft ook zoo gaarne, dat zijne kinderen bidden en schreien, en zoo hun gebrek aan Hem vertoonen. En wanneer zij geestelijk gebrek lijden, zal Hij hun zijnen Geest niet geven, als zij Hem daarom bidden? Luk. 11:13.

Ten zevende. Hoe zorgt een vader voor zijne familie dat zij den kost, voedsel en deksel nebben! Wat dekt hij hun dikwijls de tafel, en wat discht hij er verschillend voedsel op, dat hij hun voorzet, opdat hij zijne kinderen verkwikken, verblijden en vroolijk zou doen zijn! Maar wat doet deze hemelsche Vader niet boven alle aardsche vaders! Hij richt zijn kinderen de tafel toe, voor hun aangezicht tegenover hunne tegenpartijders, Ps. 23: 5. Kom, laat Ik u eens verkwikken, zegt God; laat Ik u eens onthalen; eet, vrienden, drinkt, en wordt dronken, o liefste, Hoogl. 5: 1. Mijne gunstgenooten, zegt de Heere, hier heb Ik wat, om u te doen smaken en zien dat Ik goed ben, Ps. 34:9.

Dit alles ligt in dezen 288ton Zondag opgesloten. O! de Heere had zoo gezorgd voor de kleederen van zijne kinderen in den Doop, daar

397

-ocr page 404-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ging Hij ze wasschen en afspoelen van hunne verdorvenheden; en nu, zegt God, zal Ik u nog eene schoone spijstafel uittrekken; en daar zal Ik opzetten al wat uwe ziel verkwikken, versterken, voeden, en verzadigen kan.

Geliefden! wilt gji nu verder uzelven een weinig inspannen; het zal u niet kunnen vervelen, dit vaderlijk onthaal te overdenken.

Wij hebben dan in dezen Zondag te bezien.

Eerst. Wat namen dit Sacrament des H. Avondmaals in het Woord heeft.

Ten tweede. Hebben wij het teek en met de beteekende zaak te bezien; en benevens de overeenkomst tusschen die beide.

Ten derde. Hebben wij te bezien den Insteller. Wij zullen ons niet zoeken op te houden, noch u te overladen met te veel zaken; maar, 1. Zullen wij zien wat schoone namen deze tafel draagt. 2. Zullen wij de zaak zelve bezien. 3. Zullen wij zien wie de Insteller van dit schoone Avondmaal is.

Wat het eerste aangaat. Geliefden, daar ligt u en mij veel aangelegen, dat wij de namen weten, waar dit tweede Sacrament van \'t ge-nadeverbond in de U. Schrift mede genoemd wordt. Welke zijn die namen; hoe noemt het de Geest in het Woord? De breking des broods. Hand. 2:4(5. Waarom? Omdat die daad aan het brood geschiedt; het brood wordt niet geheel gegeven, maar het wordt gebroken. Het brood, dat wij breken, zegt Paulus, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus? 1 Cor. 10:16.

Wie hebben daar nu recht op? Die alleen hebben er recht op, die gemeenschap hebben aan de beteekende zaak. 1 Cor. 10:21, wordt het genoemd de tafel des Heeren. Gij kunt niet deelachtig zijn der tafel des Heeren, en der tafel der duivelen. Gij kunt het niet tegelijk gebruiken, wil de apostel zeggen.

Dan noemt de H. Geest het met dien naam, die meest gebruikelijk is; het Nachtmaal of Avondmaal des Heeren, 1 Cor. 11:20, 21. Dat is niet des Heeren Avondmaal eten, zegt de apostel tot de Corin-thiërs. De eene komt er hongerig en de andere komt er dronken; doch dat is niet des Heeren Avondmaal eten, zegt hij.

Hoe komt het nu dat het den Geest belieft, dat een maal te noemen, en wel een Avondmaal of Nachtmaal? En wat is daar de reden van, dat het niet des Vaders, ook niet des H. Geestes, maar des Heeren Jezus\' Nachtmaal genoemd wordt? Daar is niets in, of gij moet het in al zijne stukken en deelen met aandacht bekijken. Waarom dan noemt de H. Geest het een maal?

Eerst. Omdat er ten tijde der eerste Christenen een maaltijd gehouden werd bij het gebruik van het Avondmaal. Daar kwamen ze bij elkander te gast, rijk en arm, elk bracht wat mede. Zij zeiden: laat ons voor het aangezicht van God eens samen eten; en zoo toonden ze hunne eenheid, vrede en hunne broederlijke liefde. \'tWas uitermate stichtelijk. Had het zoo kunnen blijven zonder wanorde, het was zeer goed geweest. Maar de beste dingen worden misbruikt, en

398

-ocr page 405-

OVER DEN XXVIII. ZONDAG. Vkag. 75-77.

zoo ging het ook hier, zooals wij boven gezien hebben, uit 1 Cor. 11. En zoo is het eten om het misbruik eindelijk achtergebleven.

Ten tweede. Het wordt een maal genoemd, omdat wij er alles in vinden, wat in een groot maal te vinden en te zoeken is. Wat een groote aanlegger is er van dit maal! Is er een groote Ahasvéros die een groot maal aanlegt, een Belsazar, een Nebucadnezar, wat zyn zulke wormjes bij God te vergelijken! De Koning bereidt zijn Zoon eene bruiloft, Matth. 22:2. De Heere Jezus Christus is de aanlegger van dit maal. In alle maaltijden hebt gij eene tafel; maar hier, al is er geen maal, zoo hebt gij echter eene tafel. De bediening van het Woord is de tafel, waar alles opgezet wordt. Gods dienstknechten zetten daar voor elk wat op, dat hij noodig heeft.

Maar wat hebt gij al voor gerechten op deze tafel?

De verzoening met God. De vergeving der zonden. De verandering van het hart, heiligmaking, blijdschap, sterkte. Gij hebt er voorsmaken van den hemel, bestaande in den vrede des gemoeds, die alle verstand te boven gaat, Fil. 4:7. Gij hebt er ook dienaren, die God zendt, om te noodigen; gij hebt er de boodschappers van goede tijdingen. Dwingt ze om in te komen, zegt de Heere, legt al uwe kracht aan hen ten koste; weest listig, om ze met bedrog te vangen, dwingt ze door liefdedwang, met kracht van redenen, overtuigt ze, dwingt ze, om in te komen. Luk, 14:23; daar komen eindelijk de gasten. Wat zijn het voor gasten? Het zijn niet vele rijken, niet vele edelen, 1 Cor. 1:2G; daar mag er altemet hier en daar een onder loopen, maar dat is dan een kind Gods dat eene dubbele portie heeft. Dat kind heeft wat vooruit boven vele andere kinderen, anders is het doorgaans een arm en veracht volk, een treurig en ongerust volk: het zijn doorgaans bekommerden. Tot wien worden de dienaren uitgezonden? Tot zulken, die daar zoo verlegen uitroepen: hoe kom ik in de gemeenschap Gods!

Waarom noemt de Geest het nu een Nachtmaal?

Omdat wij, als het de nood vereischt, het ook, al was het bij nacht, gebruiken moeten. Hand. 20:7, daar strekte Paulus zijne reden uit tot den middernacht, zij zaten tot in de vensters, en zoo namen ze den dienst Gods waar bij nacht. Wij moeten het ook doen, indien God er ons toe riep; wij moeten zijne liefde vermelden al was het bij nacht.

Het wordt genoemd het Nachtmaal des Heeren Jezus. Waaróm dat?

Hij is er de Insteller van. Hij stelde het in, den laatsten nacht van zijn leven, \'t Gaf zijne groote liefde te kennen. Hij kon nog niet scheiden: laat ik u een pand van mijne liefde geven, zegt Hij, door alle eeuwen heen, opdat gij het met elkander gedenken moogt, wat, en hoe groot mijne liefde tot u geweest is. Het geeft te kennen:

Eerst. Dewijl ik van de wereld niet wil gaan, zonder het Avondmaal te gebruiken; mensch! wie gij zijt, ziet gij wel. dat gij ook van de wereld niet moogt gaan, voor dat gij \'t Avondmaal recht gebruikt hebt?

Ten tweede. Het geeft te kennen, dat de Heere Jezus in \'t werk

39!)

-ocr page 406-

CATEOHISMUS-PBEDIKATIE

des Heeren bezig was, zelfs bij nacht. Zoo ziin de vromen in den ouden tijd ook al geweest. Ziet het in een Jakob, in David, in Hiskia en in anderen. De Heere Jezus was bezig in het werk des Heeren tot in het hofje van Gethsemane, in den laatsten nacht, als Hi] verraden werd, tot aan liet kruis; tot op het laatste toe was Hij bezig in de dingen zijns Vaders, waarin Hij van zijne jeugd af aan bezig was geweest. Luk. 2: 49.

Gij zult mogelijk denken: Is dat wel, dat de H. Geest in het Woord dat zoo uitdrukt? Waarom zegt de H. Geest niet het Avondmaal des Vaders of des H. Geestes? waarom zegt de H. Geest dat de Heere Jezus er de Insteller van was?

Dat wordt hierom gezegd, omdat Hij, de Heere Jezus, daar wordt genoten en gebruikt. Men geniet daar den Vader noch den H. Geest niet buiten Christus. De Heere Jezus Christus, is het, die ons verzoent met den Vader. Gij kunt het werk des Vaders noch des H. Geestes niet krijsen, of het moet in Hem zijn. Het wordt het Nachtmaal van den Heere Jezus genoemd, omdat Hij er de Insteller van is. Men moet daar in het bizonder om Hem denken. Wij werken niet genoeg met den Heere Jezus: wij werken al met den Vader en met den H. Geest, en dat is mis; wij moeten met den Heere Jezus werken, en dan zullen wij tot den Vader kunnen gaan. Daar hebt gij de namen van het tweede Sacrament des Genadeverbonds, van het H. Avondmaal; en dat is ons eerste stuk.

Van de namen komen wij tot de zaak zelve. Daarin hebben wij te bezien, het teeken en de ontdekking daaromtrent. Bij het teeken hebt gij daden en woorden, en bij de beteekende zaak, woorden en daden; en dan hebt gij de wederzijdsche verzegelingen aan de zijde Gods, en aan de hunne. Gij hebt het teeken, en daar hebt gij daden en woorden bij; en de beteekende zaak met woorden en daden, en de verzegeling, zoowel aan Gods zijde, als aan de zyde van den bondeling. Aan de tafel komende, zegt zulk eene ziel: Mijn Heere! wat zijn teekenen? Ach Heere! wat zie ik daar? Toen de Israëlieten eerst het manna zagen, zeiden ze: wat is dit? Exod. 16:31, en zij noemden het man. Wat zijn dat voor rechten en inzettingen? en wat is dat voor een dienst? zouden ze vragen, Exod. 12:26. Zoo is het ook hier: wat beduidt dat brood en die wijn? Waarom geeft God brood en wijn, en waarom geen zilver of goud? Het rantsoen van Christus wordt wel onder de benaming van zilver of goud voorgesteld, en het evangelie der genade onder allerlei kostelijke schatten. In \'t Oude Testament was een lammetje, dat ze moesten eten; maar wat doet de Heere hier, zult gij zeggen, met een stukje brood en met een dronkje wijn ? Is dat niet te klein ? zult gij zeggen. Daar zijn zoete en gewichtige redenen van te geven.

Eerst. Daar moest nu geen paaschlammetje meer zijn: Want indien het bloed der stieren en bokken, en de asch der jonge koe, be-sprengende de onreinen, hen heiligde tot reinigheid des vleesches: hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door den eeuwigen

400

-ocr page 407-

OVER DEN XXVIII. ZONDAG. Vrag. 75-77.

Geest Zichzelven Gode onstraffelijk geofferd lieeft, uw peweten reini-

Sen van doode werken, om den levenden God te dienen? Hebr. 0: 13,14.en van doode werken, om den levenden God te dienen? Hebr. 0: 13,14.

\'at beeld had uitgediend nu het waarachtige Lara gekomen was. Waarom moest het geen goud of zilver zijn ? 01 om hen te leeren dat ze niet verlost waren met zilver of goud, maar met het dierbaar bloed van Christus, als eens onhestraffelijken en onbevlekten Lams, 1 Petr. 1:18, 19. Ja, opdat niemand zich vergapen zou aan die kostelijkheden van de wereld. Zoo doen ze in het Anti-christendom. Daar ziet gij, dat men altemet met brood nog wel afgoderij kan begaan; wat zou het dan zijn, als het kostelijkheden van de wereld waren?

Ten tweede. De Heere neemt zulke dingen, die in zichzelven wel kostelijk, doch voor een geringen prijs te bekomen zijn; anders hadden wij het in alle tijden niet kunnen gebruiken. Moest elk daar met een stukje goud, of met een parel, of met eenige andere zaak van groote waarde komen, dat zou elkeen niet hebben kunnen doen. Zoo heeft de Heere het dan gedaan, opdat wij het in alle tijden zouden kunnen gebruiken. In de allergrootste en bitterste vervolgingen, was er altijd nog wel een stukje brood en een dronkje wijn te bekomen. Maar behalve dat, is er wel iets kostelijker dan brood? Gij kunt zilver en goud missen, maar brood kunt gij niet missen. Dat kunt gij zien in de Egyptenaren: zij verkochten eerst al wat zij hadden voor brood, en eindelijk, toen zij niets meer hadden, en echter geen brood konden missen, verkochten ze zichzelven voor brood, Gen. 47 :18—20. Brood is \'f alleraangenaamste en verkwikkelijkste van alle voedsel. Alle heerlijkheden wordt men eindelijk moede, maar brood niet.

De beteekende zaak is ook \'t alleraangenaamste voor eene hongerige ziel. Omtrent dat teeken deed de Heere daden, en Hij sprak woorden. Hij doet vier daden aan het brood, en drie aan den beker; en dan spreekt Hij woorden, gebiedende en uitleggende.

Aan het brood doet Hij vier daden, naar de wijze der Joden, die het Pascha bedienden; dat wij nu niet zullen uitbreiden.

Eerst. Hij neemt het brood in zijne hand.

Ten tweede. Hij dankt; dat is. Hij bidt; (bidden is ook danken.) Hij kon ook zeggen: Ik wist dat God Mij altijd hoorde, Joh. 11:42. Het is een kort gebed met eene dankzegging,quot;

Ten derde. Hij breekt het aan stukken. Niet alleen breekt Hij het: maar.

Ten vierde. Hij geeft elk een stuk. Hij legt het elk voor; of Hij geeft ze het in hunne hand. De Joden zeggen: den bedroefden steekt Hij \'t in den mond. Daar hebt gij de vier daden, die de Heere Jezus aan het brood bedreef.

Wat deed Hij nu omtrent den beker.

Den beker neemt Hij; Hij dankt, en Hij geeft hem. Aan den beker doet Hij eene daad minder, dan aan \'t brood; evenals het nog in sommige kerken geschiedt; alwaar het werk der Diakenen is, den beker in te schenken. Dat lieten ze de dienaren doen. De Heere

ao

401

-ocr page 408-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Jezus schijnt die wijze van doen ook te hebben verkoren, en op datzelfde spoor zooal te volgen. Daarop gaat Hij woorden spreken: gebiedende en uitleggende woorden. Gebiedende, omtrent het brood; Neemt, eet, doet dat tot mijner gedachtenis; omtrent den drinkbeker zeet Hij: drinkt allen daaruit. Daar wordt aangemerkt, dat als de Heere zeide; drinkt allen daaruit, dat ze hem toen onder elkander gedeeld hebben. , TT , ... ,

Bij die gebiedende woorden, gebruikte de Heere ook uitleggende woorden; Dat brood, zegt Hij, is mijn lichaam dat voor u gegeven

wordt. Luk. 22; 19. , tt i j -n a

Omtrent den beker, gebruikte de Heere al mede uitleggende wooi-den Die drinkbeker, zegt Hij, is mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor u vergoten wordt, tot vergeving der zonden. De daden die de Heere Jezus deed, zijn de daden die nu de leeraars, de predikanten doen; en de daden, die de discipelen deden, doen nu

de comniunicanten. . . ^ i j o

Ziedaar geliefden is bet teeken. Maar wat schuilt daar nu onder r1 Wat beduidt het? Wat is de beteekende zaak? Onder dat scharlaken snoer, aan \'t venster van de hoer Rachab, waarvan gij leest, Joz. 2-21 schuilde redding. Wat er onder den dauw op t vlies van m-dêon\'en droogte op de aarde, en wederom dauw op de aarde, en droogte op zijn vlies, schuilde, was Gideon bekend, namelijk dat bod Israël daarmede een teeken gaf, dat Hij ze door de hand van Gideon zou verlossen, uit de hand der Midiameten, Richt. 6:36—40. Zoo ook de Heere Jezus zegt; mijne voldoening, door gehoorzaamheid en lijden, schuilt hier onder. Bij die breking van dit brood, en bij

het instorten van den wijn, wordt, u vertoond die breking van mijn

lichaam, en \'t vergieten van miin bloed, lim niet alleen ziet gi] daaruit wat daardoor verworven is, maar ook bij het geven, wordt u aangewezen de krachtige toepassing, en die zalige toegang door Mn tot God. Gij nu, die deze teekenen recht gebruikt, laat ik u, zegt de Heere eens tot in de binnenkameren leiden, daar gn u op geen tee-kenen\' meer vergapen zult; maar gij zult u verlustigen in den Heere, als gij aan mijne tafel zult zitten, in het Koninkri]k nnpis Vaders. Zoo dan geliefden! waar moeten wij wezen? Waar moet ik en g^i door dat teeken heen? Wil ik er n eens door heen leiden? Weest eens

wat oplettend. ______, , , i i. i

Ik zie dat het brood uit het midden van het brood wordt opgeheven gezegend, gebroken, en omgedeeld; daar komt elk, en hij steekt zijne baud uit, en elk krijirt een stukje brood kosteloos; ik zie er daar die vroom, stil en aandachtig zoeken te wezen; ik zie ze daar met hun velen, en met zulk oen eenigheid en vrede stil zitten; ik zie dat ze opstaan. God danken, en naar hunne huizen gaan; wat wil

^Eerst! Alf gij dit brood ziet nemen uit het midden van het brood, denkt er dan om, dat de Zone Gods ook een vrucht uit de aarde was; dat Hij was een mensch uit een mensch, het zaad der vrouw

402

-ocr page 409-

OVER DEN XXVIII. ZONDAG. Vrag, 75 77.

uit het midden zijner broederen, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde, Gen. 3:15. Deut. 18:15, en Hebr. 4:15.

Ten tweede. Als dat brood wordt opgeheven, denkt dan hoe God de Vader zijnen Zoon heeft verheven aan het hout des kruises, tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid, en tot eene verzoening door het geloof, Rom. 3:25. Denkt dat Jezus het ware tegenbeeld van de koperen slang is, welke Mozes in de woestijn had opgericht, en waarop al degenen, die gebeten waren van de slangen, zien moesten, wilden zij genezen worden. Num. 21:9. Hier hebt gij ook het ware en eenige middel tegen de zonden. Gij hebt er het iam Gods, dat do zonden der wereld wegneemt, Joh. 1:29.

Nu dat brood, dat wordt ook gebroken. Als gij dat ziet, denkt dan aan al het lijden van den Zaligmaker. Gaat eens van den Raad des vredes af, tot de eerste belofte en verder; gaat dan door al de schaduwen en voorzeggingen. Gaat zoo met uwe gedachten en beziet den Heiland eens, in al zijn lijden, van zijn krib af, tot aan zijn kruis toe. Gaat eens in \'t hofje van Gethsémané, en in \'t rechthuis van Pilatus; in de zaal van den hoogepriester; gaat eens op Golgotha; ziet zijne tranen; ziet zijn zweet, dat groote druppelen bloeds werd_; hoort zijne sterke roepingen; ziet zijn schreien tot God; zoo is Hij verbroken en verbrijzeld om uwe zonden; om uwe zonden, belaste! om uwe zonden, verlegene! bekommerde! radelooze! om uwe zonden is Hij zoo behandeld: om uwe zonden, die gij zoo lichtelijk begaan hebt; die gij als spel rekendet, en als eene lichte zaak. Ziet eens wat het Hem gekost heeft!

Als gij nu ziet, dat Gods knechten elk liet brood aanbieden, brengt u dan te binnen, of gij den Heere Jezus Christus niet van noode hebt. Denkt, dat_ Hij u aanspreekt en vraagt, of gij lust hebt, om in Christus uw heil te zoeken. Ik ken u niet, zegt de dienstknecht, de predikant; mijn Heere kent u; ik moet op zijn last u het brood toereiken; maar ziet wat gij te doen hebt! Daartoe stelt Hij proeven, om uzelven te beproeven. Zalig zijn de treurigen, Matth. 5:\' 6. Zijt gij een treurige? Dan komt de Heere naar u vragen. O! allen gij dorstigen, zegt Hij, komt tot de wateren, Jes. 55:1. Zoo iemand dorst, die koine tot Mij en drinke. Joh. 7:37. Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud beproefd, komende uit het vuur, Openb. 3 :18. En dan \'gaat de dienaar u van alles afleiden, van kenteekens, van tranen, van gestalten; de Heere Jezus Christus, zegt hij, is het eenige fondament van uwe zaligheid. Wilt gij Hem wel aannemen? Kom dan, communicant, neem den Heere Jezus aan, op al de voorwaarden, op welke Hij u wordt aangeboden. Het is alles om niet; Hij zal u uit genade zalig maken. Hebt gij de kosten al overrekend? Wilt gij Hem aannemen met al het hatelijke, en met al het liefelijke, dat er aan zijnen dienst vast is? Neem dan het stukje brood en eet het; zet uwen mond aan den kelk en drink er in stilte wat uit. Zeg: liefste Heere! zooveel als ik mijzelf ken, ik wil U wel hebben; wees Gij mijn Heiland; maak het voor mij goed bij God; ik zal U niet laten gaan; ik neem

-ocr page 410-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

U aan. Daar nemen Hem de kleingeloovigen aan, zoowel als die reeds verder gekomen en verzekerd zijn.

Hoe nemen Hem de kleingeloovigen aan? O! die meenen Hem zoo wel! Zij zeggen: Heere Jezus! Gij kunt mij helpen, als Gij maar wilt; ik twijfel aan uwe macht niet; maar aan uwen wil. Die wat verder gekomen is, meent Hem ook zoo wel. Gij kunt. o mijn Heiland, zegt hij, en Gij wilt mij helpen. Gij zijt williger dan ik; ik kan niet willen, zonder U; Gij hebt mij willig gemaakt. God kan en Hij wil mij helpen, zeggen ook de sterken. Die meenen Hem zoo, dat ze zeggen: Ik weet in wien ik geloofd heb, 2 Tim. 1:12, Mijn liefste is mijne, en ik ben de zijne, Hoogl. 6:3. Dat is dat aannemen. Zij gaan hartelijk eten en drinken. Hetgeen het natuurlijk eten voor het lichaam is, dat is dit geestelijk eten voor de ziel. Zij zoeken zoo op te steigeren tot in de liefde Gods. Ach Heere! zeggen ze, ik weet niet wat ik eerst of laatst, minst of meest in U beschouw. Zullen ze proeven de zaligheid van den Heere, zij krijgen zulk een moed in hun hart, dat ze niets vreezen. Al was het. dat mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vreezen, zeggen ze, Ps. 27:3. Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou niet vreezen, Ps. 23:4. Als het hun wel gaat, dan zitten ze zoo stil en zoo vreedzaam; de een bidt daar eens, de ander dankt er eens; en dat gaat al met zulk een eenigheid des geloofs; zij hebben éénen Heere, één geloof, en éénen Doop, ook éénen Heiland, Efez. 4:5. De een zegt tot den andere: ik kan niet anders dan gij zalig worden. Zi) deelen zoo met elkander; zij hebben deel aan hetzelfde rantsoen van den Middelaar. Zij hebben ééne hoop, en zoo zoeken ze in liefde te leven. De een gaat naar zijn plaats al biddende, de ander al dankende; en zij gaan welgemoed naar hun huis en roepen uit: Wat zal ik den Heere vergelden voor al zijne weldaden aan mij bewezen? Ps. 116:12. Als God tot hen zegt: Hebt gij Mij lief. ziel? Heere! zeggen zij met Petrus, Joh. 21:17, Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik ü liefheb. Heere! zeggen ze, laat nu uw aangezicht met mij mede gaan, Exod. gt;33: 15. Daar is mijne hand en mijn hart, eens voor al, voor eeuwig; doe er mee, wat U belieft, en ik hoop het met U en met uwe zaak te houden, zoolang als ik leef; alleenlijk onder dat beding, als Gij mij genade en kracht zult believen te geven. Laat ik dan, Heere, mijn God! op den weg der zonden toch niet dwalen. Zoo geeft zulk eene ziel zichzelven geheel en al aan den Heere over, en zoo laat Zich ook de Heere niet onbetuigd aan hen.

Nu hebben wij de wederzijdsche verzegeling te bezien. Die gaat wederom alle verstand te boven. Daar komt de Heere, en die zegt:

Eerst. Mijn kind! zegt God, bij het gebruik van het teeken, verzegel Ik u de allernauwste vereeniging tusschen u en Hem. Dat Hij u een stukje van zijn vleesch te eten, en een gedeelte van zijn bloed te drinken gegeven had, zoudt gij niet zeggen: ik heb van zijn vleesch gegeten en van zijn bloed gedronken ? Dat brood en die wijn zijn in de plaats van zijn vleesch en bloed; en \'tis even zoo veel,

404

-ocr page 411-

OVER DEN XXVIII. ZONDAG. Vrao, 75—77.

alsof gij zijn vleesch gegeten en zijn bloed gedronken hadt. Zoo zijt gij dan nu één Geest niet Hem, één rankje in den wijnstok.

Ten tweede zegt God: mijn kind! die zoo gebroken en verlepen over de zonden zijt, geloof het, die zulk een lust heeft om voor Mij te leven, zoo waarlijk als gij dat brood ontvangt, hebt gij ook deel aan de vergeving der zonden; Ik wil er niet meer aan gedenken. Gij zegt zoo al: ik ben niet verzekerd, omdat gij de onmiddellijke verzekering mist; maar gij weet niet, wat gij zegt. üe onmiddellijke kunt gij missen. Als gij dit brood met een gebroken hart en een verslagen geest gebruikt, zoo waarlijk hebt gij deel aan de beteekende zaak, en aan de vergeving der zonden. Zegt dan niet: ik ben niet verzekerd, het is onwaar; God verzekert u als een bondeling door het Sacrament; al mist gij die onmiddellijke verzekering, gij hebt de Sacra-menteele verzekering.

Dan komt God, ten derde, en zegt: Mijn kind! als gij brood en wijn op uwen weg naar de eeuwigheid hebt, dan hebt gij niet te klagen; Ik verzeker u, dat Ik u naar uw lichaam ook wel zal doen, en naar de ziel genoegzame genade geven, om uw pad ten einde te geraken; Ik verzeker u, dat, zoo waarlijk als gij hier aan deze tafel zit, gij ook eens zult zitten aan dien maaltijd der heerlijkheid. God geeft daar aan \'t Avondmaal zijn zegel, dat gij ook zoo eens boven zult aanzitten, en zijn aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, als gij zult opwaken, Ps. 17:15. Dan zult gij met zijn beeld verzadigd zijn.

Wat is nu het zegel aan onze zijde?

Eerst. Daar komt een recht bondeling en zegt: Heere! bij het gebruik van dit teeken kom ik niet liegen; maar ik betuig, dat ik U in Christus oprecht zal zoeken te dienen. Mi]n lust zal wel meer zijn dan mijne kracht, maar ik zal evenwel oprecht zoeken te wezen.

Ten tweede. Ik kom U betuigen, dat ik in eeuwigheid uwen dood niet vergeten zal; maar ik zal dien verkondigen, totdat mijn dood komt. Jezus\' rantsoen en zijne uitnemende liefde zal ik melden meer dan den wijn, Hoogl. 1:2. Zijne liefde te gedenken, zal mij zijn als een bundeltje mirre, dat tusschen mijne borsten vernacht, Hoogl. 1: 13.

Ten derde. Zoo verklaar ik, dat ik waardig ben zoo verbroken te worden, als uw Zoon verbroken is, zoo ik trouweloos zal zijn.

Ten vierde. Zoo betuig ik, dat, gelijk wij allen hier in zulk een eenigheid aanzitten, ik zoo verlang, om eens boven te zijn. Daar aan die tafel is de menigte één hart en één ziel. Daarvan kwam die heilige, kuische kus, welk kuisch gebruik lang in de kerk gebleven is, maar door de onheiligheid en onkuischheid der lippen en des harten, zoo is die ook nagelaten. Die kus was een teeken van broederlijke liefde. Daar hebt gij nu het innige van het Avondmaal.

Gij zult in uw hart lichtelijk zeggen: gij zegt zooveel, maar is dat wel Schriftuurlijk; waar wordt het beloofd? In de instelling van het heilig Avondmaal, door den Heere Jezus zelf, en in Paulus\' woorden, 1 Cor. 11. Het is eene gemeenschap met het lichaam en het bloed van

406

-ocr page 412-

CATEOHISMÜS-PREDIK A TIE

Christus. Maar wat dunkt u, liebt gij het kunnen volgen? Of hebt gij er niet op willen letten? Zoo \'t laatste waar is, dat is dan voor uwe rekening. Dat is nu weer weg, en het is de vraag, of\' gij het uw leven weer zoo hoort. Wat dienden wij elk op te letten! Daar komt de Heere Jezus, die de slechten raadt en noodigt. Hij zegt tot de slechten: hoelang zult gij de slechtigheid beminnen? bpr. 1:22. Verlaat de slechtigheid en leeft, Spr. 9: G. Waarom zijt gij zoo naarstig in de wereld? Om wat voor uw lichaam te doen; en doet gij niets voor uwe ziel? Gij zijt evenals een vader, die twee kinderen heeft; al zijne zorg is voor het eene kind, en het ander laat hij van honger en gebrek sterven. Is dat niet vreeselijk? Al uw werken is voor uw ellendig lichaam, en uwe kostelijke ziel laat gij sterven. De Heere Jezus draagt u tien, twintig, dertig, veertig, ja vijftig jaren in uwe onkunde, en wilt gij nog niet opmerken? Hij wil u verzegelen van Gods gunst door Woord en Geest, en \'t is of dat u niet aanging. In uwe praktijk, hoe slecht laat gij het daar liggen! ^ij springt er mede om, alsof het een ding was, dat onverschillig is. Anderen zijn als Naaman de Syriër. Zou ik zoo juist moeten leven? Anderen geven een beletje voor, als de predikanten tot noodiging aan het Nachtmaal omgaan. Zij versteken zichzelven, of zij laten zich loochenen. Wij weten, dat wij de waarheid zeggen, en gijlieden weet het ook wel.

Wij moeten elkander nog wat nader aan het hart komen.

Wij gelooven, dat wij spreken tegen menschen, die nog geen belijdenis gedaan hebben, tegen die alreeds belijdenis gedaan hebben, en nog zeer zondig zijn, en ook tegen dezulken, die deel hebben aan de beteekende zaak, en er zoo over geslingerd zijn. Wij zullen ulieden alle drie zoeken aan te spreken.

Zitten er hier niet, die nog geen belijdenis gedaan hebben, en die al bereids achttien, twintig, ja twee-en-twintig jaren, en zelfs daarboven, oud zijn? Wat scheelt er bij u toch aan, die reeds die jaren bereikt hebt, én nog geen belijdenis doet? Waarom doet gij het niet? De een zal zeggen: ik heb geen kennis. Maar zult gij zoo oud zijn en zeggen, dat gij geen kennis hebt? Hoe durft gij het met uwe lippen uitspreken? Weet gij wel, dat eene ziel zonder wetenschap niet goed is, Spr. 19:2. Heeft de predikant, die in uwe wijk is, u niet willen onderwijzen ? Hebt gij onder zulke onderscheiden preeken geen kennis kunnen krijgen?

Een ander zal zeggen: Het komt bij mij op geen twjee-en-twintig jaren aan, ik ben al veertig, ja al vijftig jaren oud, ik ben al oud \'en grijs. En zijt gij nog zoo bot? quot;Wilt gij zoo blijven? Weet gij dan niet dat, als Abraham negen-en-negentig jaren oud was, hij toen het Sacrament der Besnijdenis eerst gebruikte? Wel oude! verontschuldig n dan daar niet mede. Zoo gij het doet, staat de vloek op uw voorhoofd; op uwe grijsheid staat de vloek. Als er eens iemand was, die in zijn testament u veel geld vermaakt had, en gij kondt het niet lezen, al waart gij oud, gij zoudt nog gaan leeren lezen, om het

406

-ocr page 413-

OVER DEN XXVIII. ZONDAG. Viug. 75-77.

te weten; en zoo gij dat al niet deedt, zoudt gij naar een vertrouwden vriend gaan, en zeggen: lees dat testament eens voor mij. Gij kunt da.ir geen uitvlucht tegen hebben. Wij hebben er van ons leven ouden gehad, die nabij de eeuwigheid waren, om ze te onderwijzen; en God overtuigde hun nog. \'t Mocht u ook gebeuren, begint dan maar werk.

Ja, zal een ander zeggen, daar schort het mij niet; het schort mij aan mijne jonkheid, ik wil zoo vroeg in \'t Verbond niet komen. Ach arme! Is God te dienen u een last? Wel, gij zijt al vroeger in het Verbond gekomen, en wilt gij dat nu scheuren? God wil vroeg gediend zijn. Hoe zult gij tot God durven komen, als gij oud zijt? Hebt gij niet al lang genoeg den duivel en de wereld gediend? Bovendien, gij zult misschien uw leven niet oud worden. God zal u misschien vroeg uit de wereld halen.

Het schort mij daar niet, zegt een derde. Ik heb zooveel bezigheid in de wereld, zooveel te doen: ik heb geen tijd. Kent gij er geen, die al zoo weinig tijd hebben, die misschien al meer belet hebben, en gekomen zijnde in het Verbond, zich daarvan bedanken? Wilt gij dan in de bezigheid van de wereld smoren? Hoort dan een schrikkelijk woord, uit Luk. 14:24. Daar verontschuldigden zij zich ook zoo: de een zeide: ik heb eene vrouw getrouwd, een ander had andere beletsels. Maar wat zeide de tleere? Dat ze geen van hen allen zijn avondmaal smaken zullen.

Anderen wederom zullen zeggen: Predikant! maak zulk een beslag niet, ik zal nog wel eens komen. Wanneer? Als gij op uw ziekbed ligt? Als God zal zeggen: uw uurglas is uitgeloopen. Zult gij dan komen als het te laat is?

Een ander zegt: daar schort het mij ook al niet. Waar schort het u dan? Wel, zij zijn niet allen zalig die ten avondmaal gaan. Zij zijn ook niet allen zalig die ter kerk komen, bidden en lezen.

Een ander wederom zegt: zij zijn niet allen verloren, die niet ten avondmaal gaan. Gij zegt dat zoo ruim; maar ik zou dat zoo ruim niet durven zeggen, daar er de gelegenheid en het aanbod is; ik zou eer durven zeggen, dat ze naar de hel gaan. Hoe? Zoudt gij op een schavot den Heere moeten belijden, of als gij Hem niet beleedt naar de hel moeten; en zoudt gij in een vrijen staat der Kerk zijnde, het niet doen, en niet in de hel vallen? Ik vrees dat het uwe beurt zal zijn.

Ach! zegt een ander, en die leert zoo een goed woord napraten, ik ben het niet waardig aan \'t Avondmaal te gaan. Zoo dat uit een recht beginsel komt, houdt dan moed, het mocht een begin van het werk zijn.

Ja, zegt een ander, al dringt gij het mij nog zoo op, gij zult er mij niet toe krijgen. Ik weet, dat wie onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, 1 Cor. 11:28; gij kunt er uw oordeel verzwaren. Ik antwoord u: kunt gij met vloeken en ongodsdienstig te zijn, ook uw oordeel niet verzwaren? Ach ja! die

407

-ocr page 414-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zich onttrekt, daar heeft de Heere geen welgevallen aan. Wij zullen u maar een tekst op uw hart zoeken te leggen, en dat is deze, Joh. 3:36, Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien; maar de toom Gods blijft op hem.

Ja, zegt een ander, gij krijgt er mij niet toe; ik zon dan zoo precies moeten leven. Wilt gij niet precies leven, dan moet gij naar de hel.

Ach! zegt een ander, ik ben toch niet in staat om ten avondmaal te kunnen gaan. Weet gij wel, wat dat gij dan zegt? Ach! gij zegt: ik ben niet bekeerd, ik heb geene droefheid over mijne zonden, geen geloof in den Heere Jezus, geen liefde tot God. Is dat zoo? Hoe zult gij dan in staat zijn, om voor God te komen? Hoe zijt gij dan in staat, om te sterven?

Dat moesten wij zeggen tot degenen, die nog geen belijdenis gedaan hebben. Wij staan hier niet voor niet, als zulke stoften gepredikt worden. Laten wij u eens opwekken. Steekt u niet meer weg. Als de predikant omgaat, laat u aanspreken. Zoo God een zware zaak gezegd had, zoudt gij die niet moeten doen? 2 Kon. 5:13. Zoo Hij gezegd had: gij zult alle negen weken een beker met gal en alsem drinken, zoudt gij het niet moeten doen? Mag de Heere Jezus niet zeggen: Ik heb het bittere gedronken, en zoudt gij vrij gaan?

Een ander zegt: Ik heb belijdenis gedaan, predikant, gij hebt gelijk, ik beu er door. Hoe zijt gij er door geraakt? Door verkeerde inzichten? Er moest getrouwd worden, of gij werdt misschien daartoe gedwongen van uwe ouders of vrienden. Wat gij daartegen worsteldet, gij moest het evenwel doen. Maar wat bewoog u ? \'t Was om uw uiterlijk fatsoen te houden. Hadt gij wel bekwaamheid, om uwe belijdenis te doen? Verstondt gij uw godsdienst wel? Verstondt gij de zaken? Verstaat gij ze nog wel? Moest gij er eens wat van spreken, hoe Schamel zou het u ter hand staan! Hoe slecht zou het u afgaan!

Dan is er nog zulk eene soort van avondmaalgangers, die tegen den tijd des avondmaals zich onthouden van zulke en zulke zonden. Hier zitten wellicht lidmaten, die maar weinig onder \'t middel komen. Ik weet niet hoe de grooten aan \'t avondmaal durven komen, die zoo weinig onder de middelen komen? En gij, die spelers zijt, meent gij, dat het alleen maar zulken zijn, die valsche spelers zijn, welken het avondmaal verboden is? Neen, het zijn ook zulken, die om vermaak spelen, societeiten houden, die loten inleggen. Hoe durft gij uwe hand uitsteken? \'tls tegen het formulier aan.

En hoe durft gij komen hoereerders, overspelers? Zegt gij: ik zal mij voor \'t avondmaal wat bedwingen, de zonden wat schuwen; en voorts zal ik dat zoo weer zijn gang laten gaan ? Gij eet en drinkt onwaardiglijk; gij onderscheidt het lichaam des Heeren niet; gij gaat ten avondmaal op uwe verdoemenis. Ja gij, die lidmaten zijt, en zoo vrijmoedig tegen uw keur aankomt, hoe zult gij het maken? Hoe

408

-ocr page 415-

OVER DEN XXVm. ZONDAG. Vraö. 75-77.

zal dat afloopen? En dat, daar het zoo gezegd wordt: die onwaar-diglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, 1 Cor. 11:29.

Ja, zegt een ander, ik leef\' in twist, ik blijf er af; en is dat niet beter? \'tls alle beide kwaad; gij moogt in geen twist leven. Zegt gij: mijn hart kan zoo niet breken? Wel, zult gij uzelven zoo in uwe verdorvenheden toegeven, dat gij er om zult zeggen: ik kan voor God niet komen?

Ja, zegt een ander, ik ga niet; wisten de opzieners, wat ik gedaan heb, zij zouden mij er wel doen afblijven; maar ik ken mijzelven. Wel toehoorders, is er iemand die overvallen is, door eenigemisdaad; als gij er uzelven over vernederd hebt, zoo moogt lt;,\'ij in nederigheid tot God wel uwe toevlucht nemen. Zegt gij: om mijn geweten te stillen, zal ik er wat afblijven, nadat ik in zonden gevallen ben; en ik zal \'t zoo allengskens trachten uit te wisschen? Gij zult uw geweten nooit beter of eerder stillen, dan u voor God te verootmoedigen; met het er alles voor den lleere te laten uitkomen, en met uwe toevlucht te nemen tot den Heere Jezus. O! dan zal zijne genade u genoeg wezen; want zijne kracht zal in uwe zwakheid volbracht worden, 2 Cor. 12:9. Maar dat ook moet u van \'t avondmaal niet afhouden.

Nu is er nog eene soort van lidmaten, dat de beste soort is. Daar is het dikwijls zulk een dag van beroering voor. Ik durf niet komen, zeggen ze. Waarom niet? Ik heb geen genade; en er mag toch niemand gaan, dan die genade heeft. Gij hebt gelijk in die zaak, dat er anders niemand gaan mag; maar in de andere zaak hebt gij ongelijk, namelijk, dat gij geen genade hebt. De genade kan wel klein en voor u verborgen zijn, en dat gij daarom genade hebt; hadt gij geene genade, dan zoudt gij er geen kommer over hebben.

Ja, zegt een ander, ik ben \'t onwaardig, zulk een doode hond als ik ben, zal die verschijnen aan de tafel van zulk een grooten Koning? Ik antwoord u: Waart gij zoo waardig in uwe oogen, dat was zoo goed niet als nu gij uzelven onwaardig kent; maar gaat naar den Heere Jezus toe, die is \'t waardig, en zijne verdiensten zullen u waardig maken. Zegt gij: ik vrees, dat ik weer een oordeel zal eten? Zoo vraag ik u: wanneer eet iemand zich een oordeel?

Eerst. Dan, als gij er zonder beproeving en zonder toetsing komt.

Ten tweede. Als men er met een lichaam komt, dat zoo zeer opgeschikt en naar den zwier van de wereld en der zonde, ijdel opgetooid is.

Ten derde. Als men met het teeken tevreden is, zonder aangedaan te zijn van de beteekende zaak.

Ten vierde. Als men begint te denken: nu ben ik zalig, nu ik het teeken heb, al ben ik de beteekende zaak niet deelachtig; dan gaat zulk een met een leugen in zijne rechterhand verloren.

Ten vijfde. Als gij het niet wilt beleven; als gij God en den Mammon tegelijk wilt dienen.

Ten zesde. Als gij er uwe zonden mede wilt gaan bedekken.

Vromen! scheelt dat niet schrikkelijk veel van u? Gaat gij er zon-

409

-ocr page 416-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

der beproeving? Doet gij er tooisels en ijdele sieraden voor aan? 7Ajt gij met Eet teeken tevreden? Zijt gij tevreden, al mist gij de beteekende zaak? Gaat gij er uwe zonden mede bedekken? Wilt gij het niet beleven? Dat scheelt immers geweldig! Wel ware geloovigen, gelooft gij niet, dat de duivel allermeest brult, als Gods volk geestelijke gemeenschap zal oefenen?

Ja, zal een ander zeggen: Ach Heere! ik ben mijne zoete gestalte kwijt; ik kan niet lezen, niet bidden; ik kan niet eens meer ingespannen geraken. Toen ik nog leerde, om mijne belijdenis te doen; ik en gÜ zelf en anderen dachten, dat het werk Gods in mij was. Wel, zeggen wij: Versterkt het overige, dat sterven zou, Openb. 3:2, uw klagen, dat hebt gij nog over.

Ja maar, zegt een ander, ik ben zoo ver vervallen; hoe menigen neep van mijn gemoed heb ik wel uitgebluscht! Hoe menigmaal heb ik den Geest bedroefd, en weggeloopen van \'t middel, dat mij moest ophelpen! Ja, gij zijt te beklagen; maar richt Aveder op de slappe handen en trage knieën.

Eerst. Vraag ik u: wordt gij dan beter, met er af te blijven? Wordt gij dan heiliger en teederder door het nalaten? Ik denk, neen. Zijt gij over uw verval niet verlegen en beschaamd?

Een tweede vraag is: kent gij uzelven niet, als een onwaardige voor God, die maar waardig is van Hem verbannen te worden ?

Ten derde. Kunt gij van God wel afblijven? Kunt gij uw lezen en bidden wel laten?

Ten vierde. Schat gij den Deere Jezus niet boven alles? Dorst gij niet naar Hem? Weeklaagt gij niet over uw onheilig gedrag? Zoudt gij niet gaan? Waarom steekt gij uwe hand niet uit? Wel, goede dingen zijn nog bij u; gaat naar den Heere; komt naar het Avondmaal; beproeft uzelven; en legt u voor den Heere neer. Waar gaat uw hart en waar gaan uwe smeekingen naar toe? Is \'tniet: Ach was ik inden Heere Jezus! kunt gij het niet dragen, als gij ver van Hem af zijt? Is dat al uwe blijdschap, als gij nabij God zijt? Wel eet en drinkt; neemt het teeken; eet voor Gods aangezicht. God is geen harde Heer; Hij heeft wel recht en macht om u weg te stooten; maar Hij is er veel te goed voor. Hij zegt zelf: ziet Ik sta aan uwe deur, en Ik klop; zoo iemand mijne stem zal hooren en de deur opendoen. Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem Avondmaal houden en hij met Mij, Openb. 3:20. Doe mij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte! Hoogl. 5:2. En dat was als de bruid in zulk eene zondige doodigheid was. Wij kunnen u de onbegrijpelijke liefde Gods niet uitdrukken. Hij zegt tot zijne kinderen, gelijk een vader: Ik zal u naar het lichaam rijkelijk zegenen, en ook naar de ziel u weldoen; totdat Ik u daar gebracht zal hebben, waar geen kenteekens meer noodig zijn; maar waar gij God volmaaktelijk zult dienen, in heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Dat gunne ons de Heere, mi] en u, tot zyne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

410

-ocr page 417-

C A T E C HIS M ü S - P R B D1K A T1E.

Over den XXIX. Zondag. Vrag. 78, 79.

ISTegen-en-twintigste Zondag.

78. Veaao. Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijke lichaam en Hoed van Christus?

Antwoord. Neen; maar gelijkerwijs het water in den Doop, niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwassching der zonden zelve is, (waarvan het alleen een Goddelijk waarteeken en verzekering is) alzoo wordt ook het brood in het Avondmaal niet het lichaam van Christus zelve, hoewel het, naar den aard en de eigenschap der Sacramenten, het lichaam van Christus Jezus genoemd wordt.

79. Vkaag. Waarom noemt dan Christus het brood zijn lichaam, en den drinkbeker zijn bloed, of het Nieuwe Verbond in zijn bloed; en Paulus: de gemeenschap aan het lichaam en bloed van Christus?

Antwookd. Christus spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmede te leeren, dat, gelijk brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzoo ook zijn gekruisigd lichaam en ziju vergoten bloed de waarachtige spijs en drank is, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden; maar veelmeer, otn ons door deze zichtbare teekenen en panden te verzekeren, dat wij zoo waarachtig zijn waar lichaam en bloed, door de werking des H. Geestes, deelachtig worden, als wij deze heilige waarteekenen met den lichamelijken mond tot zijne gedachtenis ontvangen, en dat al zijn lijden en gehoorzaamheid, zoo zekerlijk onze eigen zijn, als hadden wij zeiven in ons eigen persoon alles geleden, en Gode voor onze zonden genoeg gedaan.

WIJ lezen, 2 Tim. 2:24, dat de apostel Paulus, onder de hoedanigheden die er vereischt worden in een predikant, zegt, dat hij ook zijn moet: bekwaam om te leeren.IJ lezen, 2 Tim. 2:24, dat de apostel Paulus, onder de hoedanigheden die er vereischt worden in een predikant, zegt, dat hij ook zijn moet: bekwaam om te leeren.

Daar worden vier dingen in een predikant vereischt.

Eerst. Hij moet voorzien zijn met kennis van Goddelijke waarheden. Daar moet hij naar graven als naar verborgene schatten, Spr. 2:4. Hij moet met een Apollos machtig in de Schriften zijn, Hand. 18:24.

Ten tweede. Hij moet gemoedsgestalten verhandelen, daarin moet

-ocr page 418-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

hij bedreven zijn, Jes. 50:4, om met de moeden een woord ter rechtertijd te spreken; hij moet het verlorene terecht zoeken te brengen.

Ten derde. Hij moet afgericht zijn tegen de dwalingen. Hij moet de verschillen in den grond verstaan. Paulns was afgericht tegen dat kankerwoord van Hymenens en Filétus, waarvan gij leest, 2 Tim. 2:17. Die waren van de waarheid afgeweken, zeggende, dat de opstanding aireede geschied was, vs. 18. En dat was Paulus niet onbekend. De vrede moet nooit gekocht worden ten koste van de waarheid. Als het dat zou moeten kosten, liever oorlog dan vrede.

Ten vierde. Hij moet de wedersprekers den mond zoeken te stoppen. Een predikant mag ook wel eens vriendelijk zijn. Hij moet niet altijd twisten. De apostel Paulus was een schoon redetwister; werd er getwist over de rechtvaardigmaking, hij heeft het in zijn brief aan de Romeinen getoond, dat hij er bekwaam toe was, om de wedersprekers den mond te stoppen. Do apostel Jacobus, als deAnti-nomianen opkwamen, die de vruchten van het geloof af wilden hebben, zeide: dan is uw geloof dood. Jak. 2:17, Alzoo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.

Een predikant moet niet alleen een herder, bouwer, akkerman; maar hij moet ook een goed soldaat en krijgsman zijn. De Heere Jezus was daar ook in bedreven. Als er zulke predikanten zijn, dan mag de gemeente wel blijde zijn. Als er predikanten zijn die zeggen: proeft de waarheid, hebt ze lief, kust ze en omhelst ze, dan heeft de gemeente redenen om zich te verblijden. Zij onderscheiden den leugen van de waarheid: zij zijn dan herders, bouwers, akkerlieden; maar ook soldaten en krijgslieden. Geliefden, in dezen Zondag hebben wij drie of vier zaken te bezien.

Eerst. Het gevoelen van de partijen; en bij die gelegenheid hebben wij eenc vraag te doen aan de Papisten.

Ten tweede. Ons gevoelen, of wel dat van de Gereformeerde Kerk, te bevestigen.

Ten derde. Staan ons de tegenwerpingen op te lossen.

Eerst. Hebben wij te bezien het gevoelen van de partijen; en welke zijn die? Die zijn de Papisten en de Lutheranen. De Papisten drijven eene transsubstantiatie, en de Lutheranen eene consubstantiatie.

Welke is de transsubstantiatie? Dit: Als de priester die vijf woorden spreekt: want dat is mijn lichaam, dan, zeggen ze, wordt dat brood wezenlijk veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Zij doen er een woord bij, namelijk het woord: want; en dan wordt dut brood en die wijn wezenlijk veranderd in het lichaam en bloed van den Heere Jezus Christus.

Maar hebben ze altijd dat gevoelen gehad? Neen, in het achthonderdste jaar na Christus\' geboorte toen hebben ze er nog niet van geweten; maar in het negenhonderdste jaar begonnen ze er van te mompelen, en in het jaar duizend en dertig heeft dat gevoelen kracht gekregen; want toen begonnen ook de missen gedaan te wor-

412

-ocr page 419-

OVER DEN XXIX. ZONDAG. Vbaq. 78, 79.

den voor levenden en dooden, zont in het doopwater gemengd, de asch belezen, klokken gedoopt, de doode lichamen met brandende toortsen of kaarsen begraven, de reliquien geëerd en aangebeden, de vasten van veertig dagen, zelfs tot mager wordens toe, onderhonden, en de bedevaarten ingesteld te worden. Al die bijgeloovigheden hebben geen anderen oorsprong gehad, dan eene diepe onwetendheid van het stuk der rechtvaardigmaking des zondaars voor God. Doch meest van allen is ook toen eerst gedreven, door de geestelijken te Cantelberg, het versiersel der transsubstantiatie, een hersenschim en uitvindsel van Odo, bisschop van Cantelberg, en kort daarna in de Kerk ingevoerd. En in het jaar vijftienhonderd vijf-en-veertig tot vijftienhonderd zestig, heeft het Concilie van Trente, onder den paus Paulns den derden, gezeten; daar werd gesteld, dat al wie dat niet geloofde vervloekt was, beide in den tijd en in de eeuwigheid. Daar begonnen ze toen over dat stuk te redetwisten. De Dominicanen, navolgers van zekeren Dominions, doorgaans St. Dominicus genoemd, zeiden: dat uit brood en wijn, Christus\' vleesch en bloed gemaakt werd door God, en dat het echter bleef onder de gedaante van brood en wijn. De Franciscanen zeiden: dan is het geen transsubstantiatie. De anderen zeiden dat het brood en wijn bleef. De reuk en de smaak van het brood en den wijn blijven, zeiden ze; maar daar komt een engel, die brengt het bloed en het vleesch van Christus in de plaats. Daarop zeiden de Franciscanen, dan kan er niet gezegd worden: want dat is mijn lichaam, als brood en wijn blijven, en een engel uit den hemel daarin het lichaam van Christus bracht. Zij konden het verschil niet vereffenen, maar zij zeiden: wij zullen het voor vastgesteld houden, doch wij zullen het niet zeggen, hoe het is. Daarna stelden ze dat vast in het Concilie van Trente.

Gij zult in uw hart denken: hoe komen de Papisten tot zulk een gevoelen? Hierdoor:

Eerst. God heelt onder ben gezonden eene kracht der dwaling, zoodat zij den leugen boven de waarheid lief gekregen hebben, 2 Thess. 2:11.

Ten tweede. God geeft ze geen oogen om te zien, evenals Hij Israël deed, Deut. 32:28, die gingen door raadslagen verloren, en er was geen verstand in hen.

Ten derde. Hij 1 aat den duivel los om hen de zinnen te betoove-ren, dat zij de waarheid niet zouden gehoorzaam zijn, Gal. 3:1. Ja, God laat het toe, dat ze het Avondmaal gebruiken, en de menschen hebben er geen troost van. Zij gaan de teekens verheffen boven de beteekende zaak; zij gaan de teekens aanbidden.

Ten laatste. God doet het daarom: De Heere Jezus had duidelijk gezegd: Dit is mijn lichaam, en de drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed; dat laat Hij hen gaan misbruiken.

De Lutheranen drijven de consubstantiatie; die zeggen: dat Christus\' lichaam en bloed in en onder dat brood vermengd zijn; evenals het water in een sponsje; zoo nochtans dat brood brood en wijn wijn blijven. Hoe komen ze tot dat gevoelen?

413

-ocr page 420-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Eerst. Uit het verkeerde begrip dat ze hebben van de Hemelvaart van Christus. Wat zeggen ze van de Hemelvaart? Dat Hij onzichtbaar is geworden. Zijn lichaam, zeggen ze, is overaltegenvvoordig geworden.

Ten tweede. De Lutheranen zijn mede goed Paapsch geweest; zij konden op stel en sprong zulke veranderingen niet maken, gelijk als de eerste Christenen hadden; zij konden alle plechtigheden zoo niet eensklaps nalaten, zij konden het God zoo alles niet op eenmaal toevertrouwen.

Ten derde. Het komt daarvandaan, dat ze de woorden van Christus hadden; de Heere heeit het gezegd, zeiden ze: dit is mijn lichaam.

Nu zult gij denken: waarin verschillen ze? en waarin komen ze overeen met de Papisten? Hierin. De Papisten zeggen: dat Christus nog dagelijks geofferd wordt. De Lutheranen zeggen dat niet; die zeggen: dat Hij niet meer geofferd wordt, maar dat Hij overal tegenwoordig geworden is. De Papisten aanbidden het brood, of liever \'t schuim van brood, den ouwel; de Lutheranen aanbidden het brood niet.

Waarin komen ze nu te zamen overeen? Hierin. De Papist zegt, dat Christus daar lichamelijk tegenwoordig is, doch niet zichtbaar. De Lutheraan zegt dat ook. De Papist zegt: dat al wie deel heeft aan de teekenen, die heeft ook deel aan de schatten en gaven van Christus. De Lntheranen zouden ook wel zoover komen, dat ze dan deel hebben aan de gaven en genade van Christus. Gij hebt dit zoo dikwijls hooren prediken, en gij zult het lichtelijk nog niet verstaan; gij moogt een bewijsje of twee kennen, maar het rechte stuk verstaat gij mogelijk nog niet. \'t Was te wenschen, dat al de lidmaten hun werk daarvan maakten, tot overtuiging van degenen die buiten ons zijn.

Wat is nu ons gevoelen in dezen en in den voorleden Zondag? Gij hebt het kunnen hooren; ons gevoelen is:

Ten eerste. Dat de Sacramenten zichtbare teekenen en zegelen zijn van de onzichtbare genade. Gij zult zeggen: maken wij dan geen verandering? Ja; maar zulk eene niet. Wat voor eene verandering maken wij? Deze namelijk: dat het brood en den wijn, door de instelling Gods, teekenen en zegelen van de genade Gods worden. Ons brood in onze huizen en op onze tafel is dat niet, wat het brood in het Nachtmaal is. \'t Is daar een teeken en een zegel van de genade Gods.

Ten tweede. Wegens het gebruik, wordt net afgezonderd tot een heilig gebruik; het goud van een trouwring is geen gewoon goud, gelijk het andere goud, dat in een winkel verkocht wordt: het wordt afgezonderd om den trouw te bevestigen. Zoo is het ook met het brood en den wijn in \'t Avondmaal: die zijn een zegel en bevestiging van de trouw Gods aan ons.

Ten derde. Het brood en de wijn in \'t Avondmaal is zoo kostelijk, dat er geen kostelijker is; het is er mede gelijk met het snoer van Rachab binnen Jericho, daar was zulk een kostelijk snoer niet binnen Jericho als dat. Waarom? Het verzekerde haar, dat zij ge-

414

-ocr page 421-

OVER DEN XXIX. ZONDAG. Vrag. 78, 79.

spaard zou worden, \'t Is als het bloed aan de posten van de huizen der kinderen Israels: daar was geen kosteliiker bloed in geheel Egypte. Waarom? Het verzekerde hun net leven. VVij zeggen: 1. \'t Is een tee-ken. 2. Het wordt afgezonderd tot een heilig gebruik. 3. Daar is zulk een kostelijk brood en wijn in de wereld niet. Als gij dat brood en dien beker in uwe hand krijgt, het verzekert de ware bondelingen van de gunst Gods.

Nu hadden wij, bij deze gelegenheid, eene vraag te doen aan de Papisten; en die bestaat hierin, dat wij zeggen: Wel! Papist, dewijl de Heere Jezus het Avondmaal heeft ingesteld onder twee gedaanten, te_ weten die van brood en wijn, waarom toch hebt gijlieden den wijn in het Avondmaal afgeschaft voor de zoogenaamde leeken?

Hierop antwoordt een Papist, dat zulks niet is geschied, zonder groote oorzaak, en wel door de machtiging en het gezag van een geheel Concilie: te weten in het tweede Concilie van Constans, vergaderd van het jaar veertienhonderd veertien tot veertienhonderd achttien, gedurende welk Concilie de martelaars Johannes tins en Hiero-nimus van Praag ten vure gedoemd en aan de brandstaak verbrand zijn. Geliefden! het is schrikkelijk wanneer men de redenen leest, die de roomsche geestelijken, in het begin van de besluiten van dat Concilie, geven. Daar zeggen zij aldus: Alhoewel Jezus Christus, zijne apostelen en de eerste Christenkerk het Avondmaal hebben ingesteld onder de beide gedaanten van brood en wijn; nochtans wij, vergaderd in den naam des Heiligen Geestes, enz. En zij schaffen aldaar den beker af voor de leeken.

Nu vragen wij een Papist, wat redenen heeft toch het Concilie daartoe gehad?

Daarop antwoordt hij, en zegt;

Eerst. Omdat het meer dan eens gebeurd was, dat oude lieden die van ouderdom beefden en suften, het waardige bloed van den Heere Jezus, onder \'t gebruiken, uit den beker tegen den grond hadden gestort; in hetwelk, als onbehoorlijk en eene groote zonde zijnde, het Concilie heeft willen voorzien, en daarom wijselijk en voorzichtiglijk den beker had afgeschaft, en in de plaats van dien, aan de leeken heeft voorgeschreven den zoogenaamden spoelingbeker.

Ten tweede. Zegt een Papist: Wel, in alle gevallen de beker, waarin het bloed van Christus is, is voor de leeken onnoodig, want daar is geen lichaam zonder bloed. Wij antwoorden;

Eerst. Zeggen wij: Het is schrikkelijk, dat het Concilie de stoutheid heeft durven hebben, van verandering te maken in de inzetting van Jezus Christus, en aldus van God zelf; en zulks omtrent het bloed. Dat ging ook, toen dat besluit stond gemaakt te worden, tot eene wet en in de Kerk ingevoerd te worden, zoo gemakkelijk niet toe. De Pransche, Engelsche, Hoogduitsche en andere prelaten, stelden zich in het begin daar heftig tegen, betoonende met kracht van redenen de onbehoorlijkheid der zaak, en de roekeloosheid van dat besluit. Doch eindelijk haalden de Italianen, Spanjaarden, Portugeezen

415

-ocr page 422-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

en hunne aanhangers, gesterkt door het gezag van het roomsche opperhoofd, dat over; \'t besluit ging door, en wordt tot heden toe, als eene wet en regel, onder het pausdom gebruikt.

Waarom is het eene verandering omtrent het wezenlijkste van het Sacrament, zult gi] zeggen? Hierom; omdat er bijna nergens in den geheelen bijbel, zoo in \'t Oude als in \'t Nieuwe Testament, van vergeving der zonden gesproken wordt, of daar wordt doorgaans ook gesproken van bloed. In het Oude Testament ging de hoogepriester eenmaal des jaars in \'t heilige der heiligen, om verzoening te doen over zijne en de zonden van het volk; doch niet zonder bloed, volgens de taal van Paulus, Hebr. 9:7. Zoo ook in het Nieuwe Testament, zult gij bijna nooit vinden, dat er gesproken wordt van de vergeving der zonden, of gij vindt tegelijk, dat er melding wordt gemaakt van bloed. Ziet dat in de woorden van de Heere Jezus zelve, Matth. 26:28, Want dit is mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden. Ja wat meer is, de Zaligmaker hangt er het genot des eeuwigen levens aan. Zoo zegt Hij, Joh. G: 54, Die mijn vleesch eet. en mijn bloed drinkt die heeft het eeuwige leven; en vers 56: Die mjjn vleesch eet, en mijn bloed drinkt, die blijft in Mij en Ik in hem. Ja, van hoe waardigen prijs de apostelen het bloed des Zaligmakers hebben geschat, blijkt uit hunne brieven. Zoo zegt de apostel Paulus, Rom. 3:25, Tot eene verzoening door het geloof in zijn bloed, en. Kom. 5:9, Zijnde nu gerechtvaardigd door zijn bloed; en wederom, Ef. 1:7, In welken wij hebben, de verlossing door zijn bloed. Zoo ook Petrus, l Petr. 1:2, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus, en vers 19, maar door het dierbaar bloed van Jezus Christus; en met nadruk de apostel Johannes, hfdst. 1:7, En het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonden. Let wel dat geen van drieën eenig gewag maken van het lichaam of vleesch van Jezus Christus, maar alleen van het bloed; en echter heeft dat goddeloos Concilie kunnen goedvinden, om tegen het uitdrukkelijk gebod Gods, den beker, en dus het bloed van Jezus Christus den leeken of gemeenen man te ontrooven.

Geliefden! wat zegt een Papist daarop ? \'t Is onnoodig, zegt hij, den beker den leeken te geven, want daar is geen lichaam zonder bloed.

Wij antwoorden in de tweede plaats, en wij vragen den Papist: Wist de Heere Jezus dan ook niet, dat er geen lichaam zonder bloed is? Zegt gij ja? Wij vragen u dan, of het u, of dat Concilie, als_onderdanen, past de wetten en inzettingen van den Heere, den eenigen Wetgever die behouden en verderven kan. Jak. 4:12, naar uwe zinnelijkheid te veranderen, en het wezenlijkste gedeelte daarvan af te schaffen? Ach neen! Wat heeft dan uw Concilie gedaan, Papist? Dit, dat zij door het afschaffen van den beker bij \'t Avondmaal, tegen de uitdrulikelijke instelling van Jezus Christus, en het gebruik zijner apostelen, vele duizenden hebben beroofd, en nog dagelijks berooven,

416

-ocr page 423-

OVER DEN XXIX. ZONDAG. Vrag. 78, 79.

van een der voornaamste zeefden hunner zaligheid, en dat on haar past, hetgeen gezegd wordt, Openb. 22:19, Indien iemand afdoet van de_ woorden des hoeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.

Nu ons tweede stuk. Dat zijn de bewijsgronden tegen het Paapsch ot Luthersche gevoelen, aangaande de lichamelijke tegenwoordigheid van den Heere Jezus Christus in het Avondmaal, \'t Zal al overeenkomen met de transsubstantiatie en de consubstantiatie; wij ze-^en tegeii de transsubstantiatie der Papisten, en tegen de consubstantiatie der Lutheranen:

Eerst. Uw gevoelen. Papist en Lutheraan, kan geen waarheid zijn • want het strijdt tegen de natuur van alle Sacramenten van het verbond der genade, en van het verbond der werken. In alle Sacramenten is een teeken, en eene heteekende zaak, en eene overeenkomst tus-scnen het teeken en de beteekende zaak, en de verzegelingquot; derzei ven. Dat kunt gij zien in het paradijs in den boom des levens, in de vijf buitengewone Sacramenten van \'t Oude Testament, in de twee ge-wone. Zij hebben altemaal een teeken en eene beteekende zaak. 0

Ten tweede. Het strijdt tegen den Doop. Die is ook een Sacra-crament van \'t verbond der genade. Wat vindt gij daar, bloed? Neen maar water. Wat zegt een Papist zelf, ofschoon zij er nog wat onnutte zuivering bijvoegen. Ja, zeggen ze, de Doop wordt zoo niet genoemd, (ji] zi]t mis, zeggen wij; de Doop wordt genoemd: het bad der wedergeboorte en der vernieuwing des H. Geestes, Tit. 3:5. En gij nioet toestaan, dat dit Sacrament water blijft.

Ten derde. Zeggen wij: uw gevoelen deugt niet; het strijdt tegen de instelling van Christus. 11 ij zit daar met zijne apostelen aan de taiel; Hij nam brood en wijn dat daar voorhanden was; Hij geeft zyn lichaam niet te eten, noch zijn bloed te drinken; maar alleenlijk brood en wijn, Matth. 2G : 26—28.

niT.eI1 vier(ie. Het strijdt tegen het verhaal van de instelling van Christus,_ 1 Cor. 11:23. Wat doet Paulus, als hij het herhaalt? Hij doet gelijk als Jezus het ingesteld had; hij noemt hot brood en wijn voor het eten, onder het eten, en na het eten des Avondmaals. Voor het eten, zegt hij: De mensch beproeve zichzelven en ete alzoo van het brood, vs. 28. Onder het eten: Het brood, dat wij breken, is dat niet de gemeenschap des lichaams van Christus? De wijn dien wij drinken, is dat met de gemeenschap des bloeds van Christus ? 1 Cor. 10: lö\'. Na het eten: Zoo zijn wij allen, zegt hij, eens broods deelachtig, vs. 17.

417

1 en vijlde. Het gevoelen van de Papisten en Lutheranen strijdt tegen het oogmerk van Christus. Doet dit, zegt Hij, tot mijner gedachtenis. Men gedenkt iemand die afwezig, maar niet die er tegenwoordig Is. De apostel Paulus zeide: Verkondigt den dood des Hee-ren, totdat Hij komt. Doet dat, wilde de Heere Jezus zeggen, totdat Ik op de wolken komen zal. Laat Ik n een bundeltje mirre zijn, dat tusschen uwe borsten vernacht, Hoog]. 1:13.

■J7

-ocr page 424-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Ten zesde. Het strijdt tegen verscheidene artikelen van ons geloof; tegen de menschwording van Christus, tegen den (lood van Christus, tegen de hemelvaart en tegen de opstanding van Christus.

Eerst. Het strijdt tegen de menschwording. Hi] heelt zijn vleesch en bloed uit Maria aangenomen, en niet uit den ouwel van het paap-

sche avondmaal. m i n 4- u-

Ten tweede. Het strijdt ook tegen den dood van Christus. l)a,t lUl gestorven is, dat is Hij der zonden eenmaal gestorven, Kom. o: lü. Die ware Hoogepriester is eenmaal door zijn eigen bloed ingegaan in het heilige der heiligen, Hebr. 9:12. Hij heeft Zichzelven eenmaal Gode onstraffeliik opgeofferd, Hebr. 9:14.

Ten derde. Het strijdt ook tegen de hemelvaart van Christus. 111] heeft plaatselijk de wereld verlaten, en is hooger dan de hemelen geworden, Hebr. 7:26. Maar zoo niet, dat Hij overal tegenwoordig geworden is. Hij zal in den hemel blijven, totdat Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden. Daar zit Hij aan des Vaders

rechterhand. , .. m • l

Ten vierde. Het strijdt almede tegen de opstanding van Umstus. Als er waren, die niet konden gelooven dat Hij het was, zoo zegt Hij- ziet mijne handen en mijne voeten, want Ik ben het zelf; tast Mij\'aan en\'ziet Mij, dat Ik het ben. Luk. 24:39. Hij was maar op eéne plaats tegelijk\'; Hij ontkwam uit hun gezicht.

Ten vijfde. Maar het strijdt ook tegen de uiterlijke zinnen, het strijdt tegen ons gezicht, reuk, smaak en gevoel. Wij zien, wij ruiken, wij smaken noch wij gevoelen niets anders dan brood.

.la maar, Gereformeerden! zeggen zij, gij redeneert te veel; de na: tuurlijke rede schiet hier tekort: dit is een punt van t geloot. Wij redeneeren niet te veel. Wij redeneeren niet dan omtrent lichamelijke dingen, en waar wij omtrent redeneeren mogen. Hier zou men mogen zeggen: Ik zal niet gelooven, voordat ik tast en voel.

Ten zesde. Wij zeggen: \'t is onmogelijk. Kan er zulk een groot lichaam zijn in zulk een kleinen omtrek, als de ouwel is, zonder gezien te worden? Of kan een lichaam dat bepaald is, overal zijn!\' Dat strijdt tegen den aard en natuur van een bepaald lichaam, en tegen de begrippen, die God daarvan in ons gelegd heeft. Nu, omdat ei 111 God geen tegenstrijdige wil is, zoo volgt ook, dat al hetgeen wij tegenstrijdig vinden, niet met de waarheid gepaard kan giwn-

Nog eens. Daar komen onoplosbare vragen uit voort. Wat beknabbelt de muis, zoo zij eens bijgeval aan een geheiligden ouwel mocht knabbelen? Wat beschimmelt er, als er eens eene geheiligde hostie mocht beschimmelen? Waar zat liet vergif in de hostie, toen er zelfs pausen mede vergeven zijn? Zat dat in het lichaam en bloed van Christus? Zegt gij ja. Papist! zoo houdt gij iets gruwelijks staande. Zegt gij neen, zoo is dan uwe geheiligde hostie brood gebleven, zelfs na de zoogenaamde heiliging. ,

Ten laatste. Het leidt 11 tot afgoden]. Gij doet het maar 0111 de mis te bewijzen en vele menschen als blinde leidslieden naar de

418

-ocr page 425-

OVER DEN XXIX. ZONDAG. Vras. 78, 79.

hel te lichten. Daar is nu het pnapsch gevoelen tegengesproken.

Nu hebben wij in de derde plaats te bezien eenige oplossingen van hunne tegenwerpingen. Hebben de Papisten en Lutheranen niets bij te brengen?

Ja, zeggen ze, de Heere zegt: Dat is mijn lichaam; en zult gij dat tegenspreken ? Let ook eens wat Hij zegt van den beker, daar zegt Hij van: Dit is het bloed des Nieuwen Testaments. Daarom ontstelen ze den beker aan de gemeente, opdat ze er niet over malen zouden, en zeggen: spreekt Christus oneigenlijk van den beker, dan doet Hij het van het brood ook.

Wij antwoorden: Christus spreekt eene taal, gebruikelijk onder alle menschen. Wilt gij Jezus leeren, hoe Hij spreken zal als Hij zegt: Ik ben de wijnstok? Joh, 15:1; Ik ben de deur? Joh. 10: 7, 9. Hy zegt ook: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden, tenzij dat gij het vleesch des Zoons des menschen eet, en zijn bloed drinkt, zoo \'hebt gij geen leven in uzelven. Die mijn vleesch eet, en mijn bloed drinkt die heeft het eeuwige leven. Joh. 6:53, 54. En vs. 41, Ik ben het Brood dat uit den hemel nedergedaald is. Bovendien, de Heere Jezus spreekt eene taal in den bijbel alle eeuwen door gebruikelijk. Jozef zeide aldus: die zeven magere koeien zijn zeven jaren van hongersnood; die zeven vette koeien zijn zeven jaren van overvloed, Gen. 41:26, 27. Nu waren het geen jaren, maar het beteekende jaren. Zoo zult gij^ ook al dezelfde taal vinden, Dan. 4:21, 22. Die boom zijt Gij, o Koning! En wederom. Dan. 2:38, Dat gouden hoofd zijt Gij, o Koning! Dat is niet alleen in alle eeuwen gebruikelijk, maar \'tis ook dezelfde en natuurlijke taal, in alle Sacramenten gebruikelijk; de Besnijdenis werd het verbond genoemd, het Pascha de doorgang. De Besnijdenis was echter het verbond zelf niet, noch het Pascha de doorgang zelf, maar een teeken en zegel van het verbond en van den doorgang. De Heere spreekt zoo niet zonder grooten oorzaak, zegt onze Onderwijzer; Hij doet het om de overeenkomst te toonen, die er is tusschen het teeken en de beteekende zaak en de verzegeling derzelven. Zoo waarachtig, zegt God, als gij dit met een waarachtig geloof en gebroken hart gebruikt, zoo waarachtig ben Ik uw God.

De overeenkomst tusschen het brood en den wijn, met Christus bloed en Geest, zullen wij nu niet uitbreiden. Brood pleegt het lichaam te voeden; dit voedt de ziel.

Maar is die spreekwijze niet hard, dat Christus zoo voor ons geleden heeft, als hadden wij zelf in eigen persoon geleden, en voor onze zonden betaald? Neen, want die onder Adam behooren, \'t is of ze in eigen persoon die zonde van Adam gezondigd hadden. Zoo is het ook met degenen die onder Christus behooren. Christus is de Borg van allen; en al wat de Borg doet, \'t is of ze het zelf in persoon deden. Zoo moest Onusimus vrij geraken, Fil. vers 10—16. En Benjamin door zijnen broeder Juda die borg voor hem was, Gen. 43:9. 2 Cor. 5:21, zegt Paulus: Die geen zonden gekend heeft, heeft God

419

-ocr page 426-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zonde voor ons gemaakt. Hij is ons van Gode geworden tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking\' en eene volkornene verlossing, 1 Cor. 1:30. Daarvan noemt hij zijne bruid: zijne vriendin, zijne schoone, zijne volmaakte, Hoogl. 5:2.

quot;Zij hebben nog eene tegenwerping, en dat is: God is almachtig, zegt een Papist, gelooft gij dat zoo wel niet, als wij? is God dan wel iets te wonderlijk? Jer. 32:27.

Wij antwoorden: God doet met zijne macht niets, dat tegen de waarheid is. God doet geene tegenstrijdige dingen; dat een en hetzelfde tegelijk bloed en water zou zijn, tegelijk vleesch en brood, vuur en water zijn tegenstrijdige dingen. De almacht van God werpt zijne deugden niet weg. Wij weten dat God uit de steenrots water kan doen voortkomen, Num. 20:11. En dat Hij het water in wijn kan doen veranderen. Joh. 2:9. Maar dan is \'t geen water meer, veel minder water en wijn tegelijk.

Ja maar, zeggen ze, gij schoeit op den leest der Socinianen; gij redeneert te veel. i 1

Wij antwoorden: wij redeneeren niet, dan naar het Woord van God. Wij stellen de rede onder liet Woord; als wij \'tniet begrijpen kunnen, dan omhelzen wij het door het geloof; wij redeneeren niet, dan waar wij in mogen \'redeneeren, te weten in lichamelijke dingen, en waar ons onze zinnen tegelijk met de rede niet kunnen bedriegen. Daar hebt gij onze drie stukken, zoo kort als wij konden, naar onze bekwaamheid\' en de kortheid des tijds, afgehandeld.

Wat gebruik moeten wij nu daarvan maken? Mogen wij wel medelijden met de Papisten hebben? Ja. Eu waarom? Het zijn menschen, zij hebben eene leering die niet goed, noch overeenkomstig het ■\\Voord is. Wij hebben wel medelijden met de Mohammedanen, die leeren een val\'schen Mohammed; wy hebben wel medelijden met de Heidenen, die vele goden dienen. Waarom moeten wij medelijden met hen hebben? Daar hangen zulke zware oordeelen over hun hoofd. De fiolen van Gods gramschap zullen over hen worden uitgegoten, Openb. 8. De Zaligmaker, als Hij Jeruzalem genaakte, zoo weende Hij, Luk. 19:41. Er zijn predikanten die zulk een beslag van den Antichrist maken; zij zonden beter doen met wat meer voor hen te bidden. Hoe menige\' Papist weet niet beter! Het gebeurde eens in de duistere eeuwen dat het Nieuwe Testament in hun land kwam; zij zeiden, dat er een kettershoek in hun land gekomen was, dat ze niet mochten lezen. Toen velen van hen het Nieuwe Testament eerst zagen, meenden zij, dat Luther het gemaakt had. De leidslieden zijn blind, zij zullen met hunne blinde lidmaten te zamen in de gracht vallen, Matth. 15 : 14.

Wat moeten wij dan voor de Papisten doen?

Eerst. Wij moeten er voor bidden. Ach ja! gij bidt dikwijls wel voor de Heidenen, dat de volheid der Heidenen mag ingaan, en zoo geheel Israël zalig worden, Rem. 11 :25, 2G.

Ja, ten tweede. Gij moet er voor bidden, opdat de verdrukten ver-

420

-ocr page 427-

OVER DEN XXIX. ZONDAG. Vrag. 78, 79.

lichting zouden hebben; bidt om hunne bekeering of, zoo ze niet te bekeeren zijn, bidt dan om hunnen val. Zij doen de verdrukten zoo zuchten. Doet het dan om uwer broederen wil, opdat die gered zouden mogen worden.

Hebben wij dan, in de eerste plaats, geen reden om te danken, dat wij niet Paapsch zijn? Onze stad is in vorige tijden geheel en al Paapsch geweest. De geheele provincie van Zeeland, heeft onder liet juk des pausdoms gezucht; en hebben wij dan geen reden om God te danken, dat wij er van ontslagen zijn? Dat God gezegd heeft: Gaat uit Babel mijn volk?

Ten tweede. Wij zijn \'t niet waardiger als de anderen; wij liggen mede walgelijk in ons bloed, Ezech. 16:5. Wij allen zijn als een onreine, en onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, Jes. 64:6. Gij zult met hunne oordeelen geen gemeenschap hebben: gaat uit van haar, mijn volk! opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt, Openb. 18:4. Als gij met hare zonden geene gemeenschap hebt, is \'t even als met Lot in Sodom. God heeft ons zoovele weldaden bewezen, als Hij aan Israël gedaan heeft; \'t was licht in het land Gozen, toen geheel Egypte in duisternis zat, Exod. 10:23.

Wat voor middelen heeft God gebruikt om ons te redden? Hoe is \'t gebeurd, dat wij uit het pausdom, en uit het Antichristische Babel gekomen zijn?

Door de reformatie, die in andere landen wel vijftig jaren eerder dan hier geweest is. In Duitschland, Zwitserland, Frankrijk en Italië. Onze lieve broederen beschikten hunne leer naar deze landen toe. De Papisten zeiden, dat er zoovele wateren niet waren te Genève, als er ketterijen waren.

Weet gij hoe nog? Door een troep van een deel dartele menschen, die op hun tooneel hadden: het geloof, de bekeering, de verandering des menschen, de standvastigheid, de lijdzaamheid; dat brachten ze alles op den stoel der spotters. Die menschen, die rederijkers genoemd werden, en die somtijds eenige berijmde stukken én stoffen uit de Heilige Schrift in het publiek vertoonden, kregen bewerkingen van God; zy zeiden: O God! mochten wij dat eens openlijk belijden, \'t geen wij nu onder dit dekkleed van rederijke spelen vertoonen; en zoo brak de waarheid zoo nu en dan, zoo hier en daar, al door die duistere wolken heen; de verstandigen zagen dat eerste flikkerlicht, die eerste vonken der waarheid, en zij maakten er gebruik van, tot overtuiging der pauselijke geestelijken.

Weet gij hoe nog? Door de kruistochten die uit deze landen naar Bohemen geschiedden. De Papen wilden \'t er alles vermoorden. Wat deden de burgers ? Zij gingen een kruistocht aanvangen, totdat zij ver in Bohemen kwamen. Daar viel \'t geheel anders uit. Zij zagen dat het menschen waren, die vriendelijk en lijdzaam waren. Daardoor kwamen de bijbels en catechismussen in deze landen, die ze van tevoren nooit hadden mogen zien. Daar komen ze mede naar huis. Zij

421

-ocr page 428-

CATEOHISMÜS-PREDIKAÏIE ENZ.

konden die menschen geen kwaad doen. God zeide: doet die menschen geen kwaad, even gelijk Hij tegen Laban zeide, Gen. 31:24. De waarheid die hun zoo langen tijd onthouden was, brachten ze naar deze landen toe.

Hoe is de reformatie nog al verder opgekomen? Door ijverige menschen, die God verwekt heeft; die nergens naar vraagden, naar galg noch rad. God had Luther en Calvyn in al de wetenschappen der Papisten laten opkweeken, gelyk die jongelingen aan \'t hof van Babel waren opgekweekt; waarvan gij leest Dan. 1:3,4. God gaf als een gloed in hunne harten, zoodat ze met een geheel groot getal als met het Lam op den berg stonden, Openb. 14:1.

Dan is de waarheid hier nog gekomen door de kunst van drukken. Toen hebben ze bijbels laten drukken in onze moedertaal, met geleerde aanteekeningen daarbij. Gij leest die niet genoeg. Gij hebt dikwijls predikanten die er niet veel achting voor hebben. Die liggen dan en schelden, even alsof wij de aanteekeningen hooger dan den bijbel zelf achten. Ach neen! maar wij zeggen, dat het menschen waren, die tot in de pit en kern van de waarheid indrongen.

Hoe is de reformatie nog al verder doorgebroken? Door zoovele martelaren. Hun bloed is het zaad van de Kerk geweest. Daar zijn er zelfs in deze stad menigten gedood.

Verder is het werk der reformatie geschied door Gods Geest, \'t Zou al niet kunnen helpen, schoon het geschiedde door teekenen en wonderen, als het door Gods Geest niet geschiedde.

Zoover zullen wij het nu laten; de kortheid des tijds verbiedt ons deze stof verder te prediken. Gij kunt, tehuis gekomen zijnde, al die zaken wat verder overdenken, en met erkentenis en hoogachting den Heere loven en danken dat het Hem behaagd heeft het licht op den kandelaar te stellen, en totnogtoe getrouwe arbeiders in zijn oogst uit te stooten; Hem biddende dat Hij zijne Kerk verder wil beschermen tegen al derzelver vijanden, en ze doen worden een lof op aarde; dat de Koning, de Heere Jezus Christus, al verder mag rijden in zijne heerlijkheid, op het woord der waarheid en der rechtvaardige zachtmoedigheid, en dat zijne rechterhand Hem nog vreeselijke dingen leere, Ps. 45; 5; dat Hij zijne Kerk nog eens doe rijden op de hoogten der aarde, Jes. 58:14, totdat Hij dezelve hierboven eens zal stellen zonder vlek of rimpel, Ef. 5:27; om ze het Lam te doen volgen, waar Het ook henengaat, Openb. 14:4. De Heere zegene dit alles aan ons en aan ulieden, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

•122

-ocr page 429-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXX. Zondag. Vrag. 80—82.

Dertigste Zondag.

80. Vkaag. Welk onderscheid is er tussehen het Avondmaal des Hecren, en de Paapsche mis?

Antwookd. Het Avondmaal des Heeren betuigt ons, dat. wij volkomen vergeving aller zonden hebben, door de eenige offerande van Jezus Christus, die Hij zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door den H. Geest Christus worden ingelijfd, die nu naar zijne menschelijke natuur niet op de aarde, maar in den hemel is, ter rechterhand Gods, zijns Vaders, en daar van ons wil aangebeden zijn. Maar de mis leert, dat de levenden en de dooden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, hetzij dat Christus nog dagelijks voor dezelven van de Mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelyk onder het gestalte van het brood en den wijn is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden. En alzoo is de Mis in den grond anders niet dan eene verloochening der eenige offerande en bet lijden van Jezus Christus, en eene vervloekte afgoderij.

81. Vraag. Voor wie is het Avondmaal des Hecren ingesteld?

Antwoord. Voor degenen die zichzelven vanwege hunne zonden mishagen, en nochtans vertrouwen, dat dezelve hun om Christus\' wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden en sterven bedekt is, en ook begeeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te verbeteren. Maar de geveinsden, en die zich niet met een waar hart tot God bekeeren, die eten en drinken zichzelven een oordeel.

82. Veaag. Zal men ooh tot dit Avondmaal laten Icomen, die zich met hunne belcentenis en leven als ongeloovige en goddelooze mensehen aanstellen ?

Antwookd. Neen; want alzoo wordt het verbond Gods ontheiligd, en zijn toorn over de gansche gemeente verwekt. Daarom is de Christelijke Kerk schuldig, naar de ordening van Christus en van zijne apostelen, denzulken (totdat zij betering huns levens bewijzen) dooide sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.

-ocr page 430-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

WIJ lezen, 1 Cor. 3:20, 21, dat de apostel zegt: Niemand dan roeme, want alles is uwe. De gemeente van Coriathe roemde zoo; de een zeide; Ik ben van Paulus; de ander: Ik ben van Apollos; nog een ander: Ik ben van Cefas. Die roem is ijdel; gij moet niet roemen op menschen. Gij moet niet roemen dat gij door zulk of zoo een veranderd zijt; dan zoudt gij vleeschelijk zijn. Evenwel mogen wij zeggen, dat al wat de predikanten zijn, dat zijn ze voor u: Paulus, Cetas, Apollos; en dan roemt gij op geen menschen, als gij zegt: de predikanten zijn de onzen. Waarin toch zijn ze der gemeente goed? In hunne talenten en gaven; of het dan een stamelende Mozes is, of een welsprekende Aaron; of het een Barnabas, een zoon der vertroosting is. Hand. 4:36; of dat het een Boanerges, een zoon des donders is, Mark. 3:17, hunne gaven behooren niemand anders toe, dan der gemeente. De apostel zeide eens. Hom. 1:11, Ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige geestelijke gaven mocht mededeelen. De Zaligmaker vroeg eens: wat winst hebt gij gedaan met uw eene talent? Het is er aldus mede gelegen met een leeraar, zijn bidden is der gemeente goed. Is het een man van verstand, het is der gemeente goed; is het een, die machtig in de Schriften is, als Apollos, God geeft hem die talenten tot nut voor de gemeente.IJ lezen, 1 Cor. 3:20, 21, dat de apostel zegt: Niemand dan roeme, want alles is uwe. De gemeente van Coriathe roemde zoo; de een zeide; Ik ben van Paulus; de ander: Ik ben van Apollos; nog een ander: Ik ben van Cefas. Die roem is ijdel; gij moet niet roemen op menschen. Gij moet niet roemen dat gij door zulk of zoo een veranderd zijt; dan zoudt gij vleeschelijk zijn. Evenwel mogen wij zeggen, dat al wat de predikanten zijn, dat zijn ze voor u: Paulus, Cetas, Apollos; en dan roemt gij op geen menschen, als gij zegt: de predikanten zijn de onzen. Waarin toch zijn ze der gemeente goed? In hunne talenten en gaven; of het dan een stamelende Mozes is, of een welsprekende Aaron; of het een Barnabas, een zoon der vertroosting is. Hand. 4:36; of dat het een Boanerges, een zoon des donders is, Mark. 3:17, hunne gaven behooren niemand anders toe, dan der gemeente. De apostel zeide eens. Hom. 1:11, Ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige geestelijke gaven mocht mededeelen. De Zaligmaker vroeg eens: wat winst hebt gij gedaan met uw eene talent? Het is er aldus mede gelegen met een leeraar, zijn bidden is der gemeente goed. Is het een man van verstand, het is der gemeente goed; is het een, die machtig in de Schriften is, als Apollos, God geeft hem die talenten tot nut voor de gemeente.

Niet alleen hunne gaven, maar ook hun wandel is der gemeente goed. Zij moeten stichtelijk leven, opdat ze der gemeente tot voorgangers wezen zouden. Weest mijne navolgers, zeide Paulus, gelijkerwijze ook ik in Christus, 1 Cor. ] 1:1. En Matth. 5 :14, zeide de Zaligmaker tot zijne apostelen: Gij zijt het licht der wereld; eene stad op een berg liggende kan niet verborgen zijn.

Niet alleen zijn hunne gaven en hun wandel der gemeente goed, maar ook hun \'tijd, als ze gezondheid en bekwaamheid hebben. Zoo zeide de apostel tegen Timotheüs, 2 Tim. 4:2, Predik het Woord, houdt aan tijdig en ontijdig. Daarom zijn de predikanten, als wachters op de muren. Zoo zegt God tot den profeet Ezechiël, hfdst. 3:17, Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels. Zij zijn ook bezig zelfs by nacht, als de nood het vereischt. Hand. 20:7, Strekte Paulus zijne rede uit tot den middernacht.

Niet alleen hun tijd, maar ook al hunne kracht en gezondheid die zij hebben, is der gemeente goed. Epafroditus verstond het ook zoo, Filipp. 2: 25—27, hij ontzag zich niet om bij de Filippensers te komen, schoon hij onlangs krank en nabij den dooi geweest was. Timotheüs had misschien de tering. Hij had menigvuldige zwakheden, Tim. 5:23.

Dat niet alleen, maar een predikant moet ook altemet voor de gemeente eene tegenpartij zijn voor hare vijanden. Zij moeten weten met het zwaard des Geestes, \'twelk is Gods Woord, om te gaan, Ef. 6:17. Zij moeten in den geestelijken strijd gaan. Dat ze de kunst om te strijden hebben, is ook der gemeente goed. De dwaalgeesten moeten zij weten op te zoeken; de valschen moeten ze hunne dwalingen ontdekken volgens het gebruik der Schrift. Al de schrift is niet alleen

424

-ocr page 431-

OVER DEN XXX. ZONDAG. Viua. 80—82.

van God ingegeven, maar ze is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is, 2 Tim. 3:16.

De predikanten zijn der gemeente goed ook in de toepassing van de zaak. Zij moeten niet maar in \'t wilde spreken, en maken dat men de dwalingen weet; maar zij moeten ook weten met eene ziel om te gaan, en elk zijn bescheiden deel inwendig te geven. O! zij moeten zeggen: onderzoekt uzelven, 2 Cor. 13:5.

Daar zijn al zoovele dingen afgehandeld, zegt de Onderwijzer, legt er u nu eens nevens, en ziet wat deel gij daaraan hebt. Als hij dat gedaan heeft, dan gaat hij de ergerlijken in leer en leven buiten houden totdat ze zich bekeeren. De Christelijke Onderwijzer vat de zaak wel terecht op. Gij zult vinden, dat hij \'t ook zoo vat in die drie laatste stukjes. Mijne vrienden, zegt hij: ik moet het zwaard in de hand nemen voor de gemeente, om de waarheid te verdedigen; en hij behandelt het stuk wijselijk. Nu bij het avondmaal geeft hij

groeven, en hij eindigt niet, zonder toepassing daarop te maken.roeven, en hij eindigt niet, zonder toepassing daarop te maken.

aarop zegt hij: wij hebben de sleutelen gekregen, om de gemeente te zuiveren, en de ketters buiten te sluiten. Wij hebben tegenwoordig te bezien:

Eerst. Het onderscheid dat er is tusschen het Nachtmaal des Bee-ren, en de Paapsche mis.

Ten tweede. Of een die ten avondmaal gaat geene beproeving noo-dig heeft.

Ten derde. Hebben wij te bezien, de kenteekens van een die de rechte bruiloftskleederen aan heeft, om op dezen grooten maaltijd waardiglijk te verschijnen.

Ten vierde. Komt er als in het verschiet bij, hoe hij de ergerlijke behandelt.

1. Zeggen wij, hebben wij te bezien het onderscheid dat er is, tusschen het avondmaal des Heeren, en de Paapsche mis. 2. Moeten wij onderzoeken, of een, die ten avondmaal gaat geene beproeving noodig heeft. 3. De kenteekens van een recht avondmaalganger. 4. Moeten wij bezien, hoe van terzijde de ergerlijken behandeld worden, dat dan in den volgenden Zondag afgehandeld zal worden. Dat zijn onze vier zaken.

In de eerste plaats dan hebt gij hier het Nachtmaal des Heeren, en de Paapsche mis. Wat zeggen wij, Gereformeerden, van het nachtmaal? Dat het is het tweede Sacrament van het Nieuwe Testament of Verbond, in hetwelk onder de gedaante van brood en wijn, de vergeving der zonden door Christus\' verdiensten, vertoont en verzegeld wordt aan elk recht bondgenoot. Wat zeggen nu de Papisten van hunne mis? Dat het is eene uiterlijke zoenofferande, in welke de Heere Jezus Christus onder de gedaante van brood en wijn, door hunne zoogenaamde priesters alle dagen wordt opgeofferd, en dat voor de zonden van levenden en dooden. Het is, zeggen zij, eene ware offerande van den Heere Jezus, die alle dagen tot een zoenoffer

425

-ocr page 432-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wordt geofferd, tusschen de vingers van die zoogenaamde priesters, en dat voor de zonden van levenden en dooden. Wat is het verschil groot, al zeiden wij er niet een woord bij! Waarin verschilt het nu?

Eerst. Het avondmaal heeft den Heere Jezus tot deszelfs Insteller; de Paapsche mis heeft tot haren insteller dien mensch der zonden, waarvan gij leest, 2 Thess. 2:3. De Heere Jezus heeft geen mis ingesteld, maar wel het Avondmaal.

Het tweede verschil is in den naam. Hefc avondmaal is een Schriftuurlijke naam, maar de mis niet. (reen een Papist heeft in zijn leven de mis in den bijbel gevonden. Wij zeggen dat hot avondmaal een Schriftuurlijke naam is. Het wordt genoemd: de breking des broods, Hand. 2:42; de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus, 1 Cor. 10:16; de tafel des Heeren, 1 Cor. 10:21; het nachtmaal of het avondmaal, 1 Cor. 11:25.

Ten derde. Het verschilt in bedienaars. De bedienaars van het avondmaal zijn Schriftuurlijk. Het is en wordt bediend van profeten, evangelisten, apostelen, herders en leeraars, die God ooit daartoe gesteld heeft, en nog stellen zal, Ef. 4 :11. De dienaars van de mis zijn niet Schriftuurlijk; zij zijn zoogenaamde priesters. Is daar ook grond voor, dat de Papisten hunne leeraars, priesters noemen? Neen. Wij zeggen: wij kennen in \'tNieuwe Testament geen priesters; want of zij zouden het moeten wezen naar de ordening van Melchizédek; en dat zullen de Papisten niet durven zeggen, dat hunne priesters naar die ordening zijn; zoo is er maar één geweest, en dat is Christus. Naar de ordening van Ailron zijn ze het ook niet, omdat dat priesterdom langen tijd heeft uitgediend en opgehouden, Hebr. 7 :23, 24. Nu geestelijke priesters, dat zijn vromen. Godzaligen, die genade hebben; dat zijn zij ook niet. Dan zijn er nog hemelsche priesters, en dat zijn al die verheerlijkten, die van God gemaakt zijn tot koningen en priesters Gode, Openb. 1: G. Dat zijn zij altoos niet. Ook zijn er geen priesters in de Schrift bekend, die den Heere Jezus offeren zouden, noch in deze, noch in de toekomende eeuw. Zoo zijn dan de roomsche priesters geen ware, maar alleen zoogenaamde, of valsche en Antichristische priesters.

Ten vierde. Het verschilt hierin; ons nachtmaal, zeggen wij, is een Sacrament van \'t genadeverbond; en is de mis nu eene ware en zichtbare offerande, dan verschilt ze hemelsbreed met het nachtmaal. Een Sacrament of eene offerande scheelt dat niet veel? Een Sacrament geeft God tot een teeken en een zegel aan zijn volk; maar eene offerande is iets, dat de menschen aan God geven, met betuiging van hun geloof. Is dat verschil nu niet groot, tusschen een Sacrament en eene offerande? Het verschilt zoo veel als het Oosten van het Westen.

Ten vijfde. De mis wijst u op offeranden, die dagelijks geofferd moeten worden; maar het avondmaal wijst u op de eenige offerande van Christus aan het kruis geschied; Hebr. 10:14, Want met eene offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt, degenen die geheiligd

426

-ocr page 433-

OVER DEN XXX. ZONDAG. Vraö. 80-82.

worden. In de mis, zeggen ze: Christus wordt alle dagen geofferd; alle dagen sterft Hij, Hij moet alle dagen dat offer ondergaan.

Ten zesde. In het avondmaal wordt gij onderwezen om te verkondigen den dood des Heeren totdat Hij komt, l Cor. 11:2(5. Gij moet gedenken aan Hem, die in don hemel is. Hij bereidt en bezit in den hemel eene plaats voor de zijnen. Maar in de mis is Christus, tusschen de vingeren van den mispriester. O! zeggen wij, wij kennen zoo geen Christus, die van de papen wordt uitgedeeld, in dien maaltijd; maar wij zeggen, dat wij in \'t avondmaal kennen een teeken en eene be-teekende zaak. De mis kent maar Christus, en geen teeken.

Ten zevende. In \'t avondmaal wordt ons verzekerd de vergeving der zonden, voor een verlegen en verslagen schepseltje, om de eenige offerande van Christus aan \'t kruis geschied, Hebr. 10; 10.

Ten achtste. Het avondmaal zegt dat er na den dood geene vergeving is; maar de mis zegt, dat de Heere Jezus nog geofferd wordt tot vergeving der zonden, zoowel voor de dooden als voor de levenden.

Ten negende. Het avondmaal zegt, dat de Heere Jezus in den hemel is, en daar aanbidden wij Hem; maar in de mis aanbidden ze Hem in de gedaante van brood en wijn. Daar hebt gij het onderscheid, dat zoo groot is, als er tusschen de waarheid en de leugen is; zoo groot, als tusschen den afgodendienst en den rechten godsdienst; zoo groot, als tusschen den hemel en de aarde. Behalve dat ze in de mis eene vreemde taal gebruiken, zoodat het eveneens is, alsof er wonderlijke dingen gesproken werden, en zulks tegen de uitdrukkelijke vermaning van den apostel Paulus, 1 Cor. 14:6—9. In ons avondmaal wordt eene taal gesproken, die allen, zoowel toehoorders als leeraars, verstaan kunnen; \'t is er alles eenvoudig, daar gaat men altijd eenvoudig en eerbiedig te werk.

Wat besluit maakt nu de Onderwijzer van de mis? Zij is, zegt hij, in den grond niet anders dan eene verloochening van de eenige offerande van Christus eenmaal aan \'t kruis geschied, en eene vervloekte afgoderij.

Gij zult zeggen: loochenen dan de Papisten de offerande van Christus? Neen; maar zij loochenen ze in den grond, omdat ze met die eene offerande niet tevreden zijn; maar zij herhalen die nog alle dagen, met Hem alle dagen nog te offeren; daar het eene ronde waarheid is, die geen tegenspreken kan lijden, te weten: heeft Christus met eene offerande voldaan? dan moet er geene herhaling meer zijn; de Heere Jezus heeft met eene offerande in eeuwigheid volmaakt allen die geheiligd worden, Hebr. 10:14; er moet geen gedurig offeren meer zijn.

Dat is het niet alleen, wat de Onderwijzer zegt: dat de mis in den grond niet anders is, dan eene verloochening van do eenige offerande van Christus, eenmaal aan het kruis geschied; maar wat zegt hrj er nog daarenboven van? Dit, te weten: dat ze is eene vervloekte afgoderij. Is dat waar? Ja, zekerlijk, en in alle opzichten. Waarom? Omdat ze aanbidden hetgeen wat geen God is; zij houden dat brood

427

-ocr page 434-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

voor hun God. De Papisten zeggen hierop: Wel, bidt gijlieden Christus dan ook niet aan in \'t avondmaal? Wij zeggen, ja; maar onder die gedaanten niet; dat is, zeggen wij, eene vervloekte afgoderij; want gijlieden doet het tegen zeer veel licht, zoo tegen \'t licht der natuur, als tegen dat der hchrif\'t; \'t is zoo monsterachtig, dat het onder de Heidenen niet genoemd wordt, dat hetgeen men eerst aanbidt, men dat zelf naderhand gaat opeten, om er niet nog iets ergers, en hetgeen echter waarachtig is, van te zeggen. Geliefden! wij kunnen niet nalaten u omtrent dit stuk iets opmerkelijks te verhalen. Te weten: Men heeft voor eenige jaren, gedurende de regeering van dezen tegenwoordigen keurvorst van Paltz, getracht het aldaar zoover te brengen, dat dsze 80 vragen, door de Gereformeerden in den Paltz uit hunnen, die ook is onze Heidelbergsche Catechismus, zou worden geschrapt, of ten minste eenigszins in bewoording worden veranderd; met bedreiging, dat, tenzij zulks geschiede, de keurvorst, die in dit stuk voor geen afgodendienaar waande te willen doorgaan, Heidelberg, de gewone residentiestad der Paltzsche keurvorsten, zou verlaten, en elders zijne residentie gaan houden. Doch de Gereformeerden gaven daarop ten antwoord: dat zulks niet in hunne macht stond; want dat, zoo zij in hun Catechismus eenige verandering maakten, de overige Gereformeerden hun niet zouden willen erkennen voor hunne broeders. En dit was dan ook vervolgens van dien uitslag, dat de keurvorst, door de oorblazing der Jezuïeten, Heidelberg verliet, en zijne residentie, van dien tijd af tot nu toe, te Manheim heeft blijven houden.

Nu gaat de Onderwijzer over tot een ander stuk. Nu heb ik geredetwist; maar mijne toepassing moet ook uwe zijn, zegt hij.

Nu hebt gij het stuk klaar kunnen zien; maar hoe moet gij uzel-ven nu beproeven? Meent gij omdat gij Gereformeerd zijt, en omdat gij de waarheid hebt, gij u daarom niet beproeven moet? Dat ligt ook op ons hart. Gij zoudt zeggen, dat wij geen trouwe predikanten waren, als wij niet zeiden; gij moet uzelven beproeven.

Gij zult zeggen: maar waaraan moet een Christen zichzelven beproeven? Legt er uw hart eens bij. Gij gaat zooal ten avondmaal, maar beproeft uzelven eens, of gij \'t wel waardig zijt, daar te gaan. Hier wil de natuur niet aan; alle onderzoek en proeve heeft eene soort van ontroering in zich. Ach, moeder! zeide Jakob, zou ik aldus om den zegen gaan? Zoo mijn vader mij betast, zoo zou ik een vloek over mij halen. Gen. 27 :11, 12.

Geliefden! spant u wat in; wij zullen u \'t stuk klaar voor oogen trachten te leggen.

Wilt gij ten Avondmaal gaan, doet het niet lichtvaardig; een mensch die geveinsd is, heeft niet gaarne dat hij oprechtelijk onderzocht wordt; een die vele schulden heeft, heeft niet gaarne, dat zijne schulden onderzocht worden. Dat is dan het eerste blijkje van genade, als gij gaarne onderzocht wordt. Ach Heere! die niet gaarne onderzocht wordt, bedriegt zichzelven; maar als gij gaarne onder-

428

-ocr page 435-

OVER DEN XXX. ZONDAG. Vbag. 80-82.

zocht wordt, dan is het: Ach, Heere! ik wilde mijzelven niet gaarne bedriegen; wilt Gij mij eens onderzoeken; laat ik mijzelven niet verleidend Hebt gij dat? zoo denkt, dat God in u is beginnen te werken; maar zijt gij zulk een, die schuw van onderzoek zijt; komt men aan het toepassen, aan de kenteekens, wordt gij in \'t nauw gezet, dan wringt gij uzelven in duizend bochten. Gij wordt kwaad op degenen die u eens onderzoeken willen. Zijt gij schuw van onderzoek; dat is__het grootste teeken, dat gij nog in den natuurstaat zijt. Maar zijt gij een mensch, die begeerig is naar onderzoek; dat is een teeken, dat er eenig werk Gods in uw hart is.

Zegt gij: ik ben zoo bekommerd of\' ik wel recht heb zoo ten Avondmaal te gaan? Dat is een goed teeken. Het is een teeken, dat de Heere u klein en nederig in uwe oogen maakt. Moeten wij ons dan niet beproeven of wij er toe in staat zijn? Dat is de vraag, of er eene beproeving noodig is, wij zullen het u met ordentelijke redenen zeggen.

Berst. Let eens op zoovele plaatsen in de H. Schrift, die dit op het hart leggen. Het is ook de praktijk geweest van al de vromen. Wat zegt de H. Schrift? Onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? 2 Cor. 13:5. En 2 Petr. 1: 10, Benaarstigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken. Zef. 2:1, Doorzoek u zelf nauw, ja doorzoek nauw. Let eens hoe de vromen deden, Klaagl. 3:40, Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken; dat is, het hart op zijne wegen te zetten, Hagg. 1:5, 7. Ja, maar inzonderheid met betrekking op het Avondmaal. De tekst, uit Hagg. 1: 5, 7, is met betrekking op onzen staat; maar op het Avondmaal past dit: De mensch beproeve zichzelven en ete alzoo van het brood, 1 Cor. 11:28. Daar is bijna geen eene zaak, waar het ons duidelijker van gelast wordt.

Ten tweede. Als wij een groot werk moeten doen in het natuurlijke, zoo bereiden, zoo schikken wij er ons toe. Moeten wij een groot gebouw bouwen, wat schikken wij er ons toe, en wat overrekenen wij de kosten, of wij \'t wel zullen kunnen uitvoeren! Wat beschikt eeii landman niet, die zijn akker bezaaien zal! Wat beschikt een man al niet, die ter zee zal gaan varen! Wat heeft hij al te bereiden! Luk. 14:18—20, zeide de een: Ik heb een akker gekocht en het is noodig dat ik uitga, en hem bezie. Een ander zeide: Ik heb vijf jok ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven. Een derde: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. Is dat zoo, en zult gij het alleen dan in het geestelijke niet doen? In zulk een

froot werk, als wij ons verklaren moeten, of wij deel aan den Heere ezus hebben, of niet?root werk, als wij ons verklaren moeten, of wij deel aan den Heere ezus hebben, of niet?

Ten derde. Wiet alleen dat, maar Salomo zegt ook: Als gij aangezeten zult zijn, om met een heerscher te eten, zoo zult gij scherpe-lijk letten op degenen die voor uw aangezicht is, Spr. 23: 1. En zult gij het niet doen als gij bij God moet aanzitten? Als een arme bij

429

-ocr page 436-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

een rijke moet gaan, hoe overlegt hij het hoe hij er zich gedragen zal!

Ten vierde. In alle verbondshandelingen wil \'God dat wij ons bereiden. Staat daar een Mozes voor den berg, heilig het volk, zegt God, laat ze niet naderen, laten ze zich heiligen, Exod. 19. Wanneer Jakob in een verbond met God kwam, Gen.35, hoe bereidde hij er zich toe! Als men zichzelven verklaren zal of men God wil dienen, heeft dat geene voorbereiding van noode?

Ten vijfde. Moet het geschieden, omdat God de onbereiden schrikkelijk straffen wil. Als iemand zijne hand uitstak om oubedachtelijk de heilige dingen aan te raken, welke oordeelen zijn er wel op gevolgd! Wat een oordeel kwam er over Aiiron\'s twee zonen, Nadab en Abihu toen ze vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren in hunne wierookvaten brachten, en door het vuur uit den hemel verteerd werden, waarvan gij leest. Lev. 10:1, 2. Wat een oordeel kwam er over dien van Beth-Semes die in de ark gekeken hadden! Wat werden er menigten geslagen! vijftig duizend en zeventig mannen moesten het met den dood bekoopen, 1 Sam. 6:19, üza, als de runderen struikelden, sloeg zijne handen aan de ark, en God sloeg hem met den dood over die onbedachtzaamheid, 1 Kron. 13:10. God wil de heilige dingen met eerbied behandeld hebben. Zoo ook de onbereiden en oneerbiedi-gen kunnen zichzelven een oordeel eten.

Ten zesde. God heeft tot de Sacramenten van het Oude Testament ook voorbereidingen geëischt; daar moest voor de Besnijdenis acht dagen gewacht worden. Het kind moest naar het vleesch in staat zijn, om het te kunnen dragen, en de ouders moesten onderwijl met bidden en smeekingen bezig zijn voor het kind. Het Paasch-lammetje als het tien dagen was, moest opgezet worden tot den veertienden dag toe. Er wordt verhaald dat sommigen dat lammetje aan de sponden van hun bed zetten, opdat zij er gedurig aan zouden denken. Al het zuurdeeg moesten ze uit hunne huizen wegdoen. Zoo ook 1 Oor. 5:7, Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit. opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Wij moeten ons zuiveren niet alleen van den ouden zuurdeeg, maar van den zuurdeeg van boosheid en onreinheid. Als iemand onrein was in de eerste maand, dan moest hij het Paaschlam eten in de tweede maand, Num. 9:10, 11; ja zij mochten in den tempel niet komen, of ze moesten hun voet bewaren; en zal men dan ten avondmaal mogen gaan, zonder zijn hart en handen te bewaren?

Ja, ten laatste. Niemand mag het avondmaal gebruiken dan die genade heeft.

Niettegenstaande dat dit nog zoo klaar gezegd wordt, zoo is er evenwel eene drift onder de belijders om er aan te gaan. Wij zeggen het u vrijmoedig aan, dat er niemand mag aan gaan, of hij moet ware genade hebben. Dat is niet moeilijk om te bewijzen. Is het niet een Sacrament van \'t genadeverbond ? Zal nu het Sacrament een zegel van de genade zijn, waar geen genade is? Al zeiden wij anders niet, dat is genoeg; niemand is een bondeling van \'t genadeverbond of hij

430

-ocr page 437-

OVER DEN XXX. ZONDAG. Vrag. 80-82.

moet genade hebben. Het is een Sacrament van voeding en versterking in liet geestelijk leven; zoo moet er dan een geestelijk leven zijn. Zelfs geen predikant, of wie het ook zou mogen wezen mag er gaan, die geen genade bezit.

Zal iemand nu zeggen: Ach Heere! het is mij zoo donker, ik weet het niet, of ik wel genade heb. Dat kan een predikant en elk lidmaat ook overkomen; want gij moet er wel op letton, wij zeggen niet, dat gij verzekerd moet zijn, (verzekering kan men missen, en echter genade hebben) het kan zoo donker en bestreden zijn, en evenwel mag men er dan wel gaan.

Gij zult zeggen in uw hart: hoe raak ik er uit? Wij hebben al dikwijls gezien, dat de menschen meenden, als ze belijdenis gedaan hadden, dat ze dan ten avondmaal moesten gaan; doch belijdenis moet elk doen, maar elk mag niet ten avondmaal gaan. Niemand mag er gaan, dan die genade heeft. Wat moet gij dan in uzelven vinden, om waardig en met vertrouwen ten avondmaal te mogen gaan?

Berst. Eene hartelijke droefheid over onze zonden, dat wij er God zoo door vertoornd hebben.

Ten tweede. Het oprecht geloof in den Heere Jezus.

Ten derde. Eene hartelijke lust om voor God te gaan loven.

Wat het eerste aangaat, het moet u zoo hartelijk zeer doen, dat gij zoo schrikkelijk gezondigd hebt.

Dan, ten tweede, moet gij gevoelen dat gij in uwe verlegenheid naar den Heere Jezus geloopen zijt, om Hem door het ware geloof aan te nemen.

Dan, ten derde. Heere, ik ben de zouden zoo moede! Laat ik mijn overigen leeftijd voor God gaan leven. Gevoelt gij de kracht niet van die waarheden, en moet gij meteen daar geen toestemming aan geven dat het zoo wezen moet?

Zegt gij, ik wilde wel, dat gij het mij een weinig nader toonde, hoe zulk eene ziel gesteld is: 1. Die een mishagen van de zonden heeft. 2. Die het geloof in den Heere Jezus oefent. En dan, 3. Die een hartelijken lust beeft om voor God te leven. Komaan, wij zullen het u kort en eenvoudig toonen.

Eerst. Als gij een mishagen in de zonde hebt, dan zult gij zulk een heiligen kommer over de zonden kennen, dat gij zooveel én zoo zwaar gezondigd hebt; gij zult gaan onderzoeken, waar en met wien heb ik de zonden afgedaan? O God! ik ben zoo bekommerd, \'t is zulk een groot getal, \'t is een schuld tot aan den hemel toe. Wat bekommert hun hart zoo? Dit. Zou dat wel met genade kunnen bestaan? Zou zulk een wel genade hebben?

Ten tweede. Liefste Heere! ik zie, het kan er mee bestaan; maar ik ben zoo bekommerd of ik wel genade heb.

Ten derde. Ach Heere! ik heb zulk een zondig hart, zal ik niet misschien uwe kinderen nog smart aandoen, uwen Geest bedroeven, en den ongeregelden den mond openen? Kent gij het, \'tis een teeken dat het oprecht is.

Nog eens, ten vierde. Voelt gij hartkloppingen over de zonden, zegt

431

-ocr page 438-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

gij: mijn hart klopt zoo over de zonde; de zonden, die wij niet zouden geclacht hebben zonde te zijn; klopt ons hart er over? \'tls dan: wat laeb ik gedaan dat ik zoo gezondigd heb? En wee onzer dat wij zoo gezondigd hebben! Klaagl. 5:16.

Dan, ten vijfde. Zij zijn zoo teer en week over de zonde, hun hart smelt en lijdt er over, zij schreien; hunne ziel druipt weg van treurigheid. Jakob weende en bad, David doornatte zijne bedstede met zijne tranen, Ps. 6:7. Dat is dat mishagen over de zonden, zoo teer en week te zijn. Ach! zeide Josia, mijn hart is zoo week, 2 Kon. 22:19. Petrus liep langs de straat en weende bitterlijk, Matth. 26:75. Een kind Gods weet wel wat het is al schreiende langs de huizen te loopen. Kent gij het niet, dan moet gij het niet zeggen.

Dan, ten zesde. Dat heilige mishagen in de zonden te hebben. Ach Heere! ik ken niets in de wereld waar ik zulk een mishagen in heb dan in de zonden. Slijk, bloed, speeksel is zoo walgelijk niet, als de zonden.

Nog eens, ten zevende. Waar dat mishagen is, daar zoekt men alle zondige gelegenheden te ontgaan, en is men er evenwel in, dan zet men eene wacht aan zijn hart, aan zijn mond, aan zijne gedachten, en zij zenden een uitschietend gebed op tot God. Zijn ze er wel afgekomen, dan zijn ze verlegen en dankbaar, als ze tehuis komen. Dat is het genadewerk; niemand mag ten avondmaal gaan, die dat niet vindt.

Nu zult gij denken: zegt ons nu eens, hoe zulk een is, die het geloof in den Heere Jezus oefent. Al schreit gij u tot water, en gij kwaamt tot den Heere Jezus niet, zoo is het alles niets. Al liept gij van kamer in kamer, het zal alles niets helpen. Zoo iemand die Goddelijke droefheid heeft, hij kan van God niet afblijven. Ik zal, zegt hij, mijn Rechter om genade bidden. Job 9:15. Heere! kunt Gij mij niet vergeven? Gij kunt immers menigvuldig vergeven? Jes. 55; 7. Zij zien den Rechter in zijne verschrikkelijke heiligheid, en zij zijn een arm onheilig mensch. Naar uwe heiligheid en rechtvaardigheid, Heere! zeggen ze, zoo moet ik den dood sterven; maar allerliefste Heere! zeggen ze, mag ik nog wel eens een woordje spreken, evenals Abraham eens deed voor die van Sodom, Gen. 18:27, Is er dan geen middel om tot genade te komen? en zij zoeken den Heere als te vatten op zijn Woord. Wat is die tweede Persoon in het Goddelijk Wezen, zeggen ze, die Borg, die naam van Middelaar, van Menschen-hoeder, van Zaligmaker te zeggen? Zij geraken achter het stuk. Hij is de Losser, zeggen ze, die ook mij verlossen kan tot eer van God. \'t Is Jezus! Wat is hier de beteekende zaak? Daar geraken ze tot in den raad des vredes. U kan ik niet missen, Heere Jezus! zeggen ze; ü kende ik niet; maar God heeft U aan mij geopenbaard. Daar beginnen ze geloofsoefeningen te krijgen; zij schreien, zij worstelen, zij klagen, zij kleven den Heere achteraan, zij vlieden tot Hem. Wel mijne ziel! zeggen ze, mij dunkt Hij biedt Zichzelven mij aan! Wel Heere! zeggen ze, dat Gij mij wildet aannemen, ik wil ü wel aan-

432

-ocr page 439-

OVER DEN XXX. ZONDAG. Vrag. 80-82. 433

nemen! Wel! zegt de IIcere, mijn wil gaat voor den uwe, arme wicli-ten! Zoudt gij het willen, Heere! zeggen ze. Dan beginnen ze de aangebodene verlossing aan te grijpen. Ik grijp U aan Heere Jezus! zeS?gen zei met al het hatelijke en liefelijke dat er aan uwen dienst vast is; laat er komen wat wil, ik zal het wagen; en \'tis geen wagen, \'t is zeker gaan. Al uwe zonden, zegt de Heere, die gij uw leven lang begaan hebt, en al uwe zwakheden, die gij nog hebt en hebben zult, gelooft het, dat Ik ze bedekken zal voor het aangezicht van Grod. Ik geloof het ook, liefste Heere! zeggen ze, dat Gij ze bedekken zult door uwe oneindige menschenliefde.

Dat is het tweede, dat aannemen van den Heere Jezus. Hebt gij dat, gaat dan ten avondmaal, wij willen u er dan niet van afschrikken; maar wij zouden u er liever met de hand naar toe leiden.

JSIu het derde. Daar komt die lieve Onderwijzer, en zegt: Weet gij, wat ge nog meer moet hebben? Gij moet zulk een lust hebben om voor God te leven. Gij kent immers uw lust, waarheen trekt uw hart? Hebt gij niet op uwe knieën gelegen, alle andere heeren afgezworen, en Hem alleen trouw gezworen? Weet gij den grond en den vloer nog niet wel, waar uwe tranen liggen, die\' er de getuigen van zijn? Weet gij de plaats niet, waar gij uwe hand uitstaakt om ze als in de hand des Pleeren te leggen? Kent gij die daad en dat papier niet, op welke gij schreeft: ik bon des Heeren? Jes. 44:5. Legt uw eed niet ergens? Wat is uw lust? God te dienen en op te passen? Moet gij niet zeggen: ja, dan leef ik, ik heb meer lust dan kracht; had ik zooveel kracht als lust, wat zou het mij lief zijn? Nehemia zeide eens: wij zijn knechten, die lust hebben om uwen naam te vreezen, Neh. 1 :11.

Als gij dan nu zoo den dienst Gods bekeken hebt, hebt gij in den geheelen bijbel wel iets gevonden, waar gij iets tegen hebt? Aclr neen! maar \'t is alles zoo goed. Hebt gij niet al dikwijls gezongen: Ach, of mijne wegen gericht waren, om uwe inzettingen te bewaren, Ps. 119:5. Wij willen u niet verwarren; wij hebben gezegd: dat er beproeving moet wezen; wij zeiden: gij moet zien, of gij ware genade hebt. Dit moet er zijn, droefheid over zonden, toevlucht nemen tot den Heere Jezus en een lust om voor God te leven. Als gij dat vindt, dan zoo in uw schik te wezen, en als in uw element.\' Zegt gij: Dan leef ik! Vindt gij die dingen? Dan moogt gij ten avondmaal gaan.

Zegt gij: daar kunnen zoo vele geveinsden zijn! Dat is waar. Maar hoe zal ik het weten? Die zullen in de leer en in het leven ontdekt worden. Wat is een geveinsde? Dat is een die van buiten meer vertoont, dan hij van binnen bezit, en dat om maar een goeden naam te hebben, Maar wat baat het iemand, die ten avondmaal gaat als een geveinsde? Dat hij van zijne plaats niet ging, als schreiende, en hij zat er al schreiende, en met uitschietende verzuchtingen; en hij vertoonde eene gedaante, alsof hij God liefhad en vreesde; wat zou hij er aan hebben, en wat zou hij er bij winnen, als hij hot niet bezat?

\' j

-ocr page 440-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Zij gaan dikwijls zoo eerbiedig, zij zullen kwalijk eens zonder bidden gaan. Gij doet wel; maar laat bet oprecht zijn; zijn kan zonder schijn niet wezen; maar daar kan wel schijn zonder zijn wezen. Onthoudt dat geheel uw leven; en dan behoeft gij zoo bekommerd niet te zijn, als gij eens benauwd zijt. Al werdt gij eens week, zoodat anderen het zagen, en al zeiden zij dan: dat is een huichelaar; als gij het er niet om doet, zoo is het goed. En als het schijn alleen is, dan zegt de Heere tot zulk een, gelijk Nabal tot David\'s knechten zeide: Wie is David, dat ik hem mijn brood geven zou? 1 Sam. 25:10, 11. Zou ik het brood der kinderen voor de honden werpen? Onderscheidt zoo de geestelijke dingen van het avondmaal. Daar kunnen schijnvrieoden wezen, die nochtans verraders zijn. Vriend! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus? zeide de Heere Jezus tegen Judas, toen hij in schijn van vriendschap kwam om Hem te verraden. Luk. 22:48.

Geliefden! neemt gij dat alles als op uwe tanden, gelijk men zegt. Daar wordt in het Formulier zoo nadrukkelijk en duidelijk gelezen, wie niet, en wie immers ten avondmaal gaan mag; en zult gij u aan dat alles niet eens bekreunen? Al moet gij in uw hart zeggen: ik ben aan dat en dat schuldig; al moet gij zeggen: ik heb geen droefheid over mijne zonden, ik heb geen geloof in den Heere Jezus, ik ken geen geioofsoefeningen, ik ken die lust niet, om voor God te leven; gaat gij er evenwel ? Dan zegt God: mijn verbond wordt ontheiligd ; het is\' of Ik de Verbonds-God van een hoereerder was, hetisot Ik een God Avas die lust had in zondaars en zondaressen, het is of ik de Verbonds-God was van een gierigaard en ongodsdienstige, \'t is of Ik een God van de goddeloozen en van de hellewichten was. Dan ontheiligt gij zijn verbond, en dan wordt zijn toorn tegen de gansche gemeente ontstoken. De geheeie gemeente geraakt dan ais in slaap en in vervreemding en verharding. Dan komen er ook lichamelijke oordeelen bij, 1 Cor. 11 :30. \'t Is eene zonde om welke de Heere ons zou bezoeken met allerlei plagen en straffen. Daarom zijn er onder u vele kranken en zwakken, en velen slapen, 1 Cor. 11:30; dat is sterven.

Zegt gij nu: dat is wel volgens het Woord gepredikt, maar gij zult er mij evenwel niet afhouden. Ik antwoord u: Dat weet ik wel dat ik dit niet doen kan, en die er allerminst in staat toe zijn, die gaan er het allermeest. Dat er zulken zijn, die er niet mogen komen, maar die er van afgeweerd moeten worden, is klaar, en daartoe heeft de Heere macht gegeven om ze te weren. Die macht is aan de gemeente gegeven, en die is eigenlijk aan ons, predikanten, niet gegeven. Omdat God nu een God van orde is, en alles met orde doet, zoo begiftigt Hij sommigen in de gemeente met eenige schoone bekwaamheden, en daar vraagt dan de gemeente aan: wilt gij ons een bedienaar des Woords zijn? Die macht die God ons gegeven heeft, die zullen wij dan aan u geven, opdat gij ze gebruikt voor die onbesuisde avondmaalgangers. Daar zoeken ze dan toe de voorzichtigste, de god-vreezendste. Daar gaan ze dat dan doen in de vreeze Gods, en zij

434

-ocr page 441-

OVER DEN XXX. ZONDAG. Vrag. 80-82. 435

zeefgen; wij zijn onder Gods zegen bijeen om acht op u te geven; wij zeggen tot u, gij ongeregelden, dat gij n van \'t avondmaal onthouden zult. Gij, die in leven en in leer ergerlijk zijt, gij zult er afblijven. Als er nu opzieners zijn, die voor de kudde niet zorgen, ach God! hoe zal het dan gaan, als zij de gemeente doen zuchten! Zoo liggen de zaken van uwe Kerk. Daar komen dan de sleutelen des hemelrijks te pas. Dat zult gij zien in de afsnijding en in de uitwerping; en dit is de stof voor cïen volgenden Zondag.

Geliefden! laat ons toe, dat wij nog een woordje spreken.

Daar ligt nu de mis, die groote Diana der Papisten, over welke zij de geheele wereld in oproer stellen. En lag ze maar alleen onder de Papisten! Maar zij ligt ook onder ons. In ons gereformeerd land, en in onze stad, wordt die mis, indien niet dagelijks, ten minste wekelijks bediend. Niet alleen in onze stad, maar ook op andere eilanden van Zeeland, ten platten lande, \'t Is schrikkelijk; en onze Overheden hebben het zoowel beleden als wij, dat de mis eene verloochening van de eenige offerande en het lijden van Jezus Christus en eene vervloekte afgoderij is. Hoe kan een regent zijn gemoed stillen, die zulks toelaat dat openbaar geschiedt? Hoe kan hij eenige liefde tot den Heere Jezus hebben, en dat dulden in zijne stad? En zulks geschiedt echter, waar regenten zijn, die niet alleen belijdenis doen van onzen godsdienst; maar het geschiedt tegen elk verbod aan. Wat zit er achter, dat ze dat zoo lijden, en dat ze dit zoo ongestraft mogen doen, en dat, daar zoovele zaken tegen liggen? Wat liggen er verzoeken van zoovele collegiën! en echter dat is en dat blijft er. Ach! dat er zulke regenten waren, als Gideon, die de haag en het bosch Baitls omhakte. Richt. 6:25. Ach! vond men ze eens als Aza, die de afgoden uitroeide, en zijne eigene moeder afzette, dat ze geen koningin meer was, omdat ze een afgrijselijken afgod in een bosch had, 1 Kon. 15:18. Vond men zulke regenten eens, die dat hartelijk deden hetgeen Jehu eens deed. Daar komt hij dien god-vruchtigen Jonadab tegen; hij spreekt hem aan: is uw hart recht gelijk mijn hart recht met uw hart is ? Geef uwe hand, zegt hij; en Jonadab zeide: het is, ja het is, geef uwe hand, en hij gaf zijne \'hand, en deed hem tot zich op den wagen klimmen, en hij zeide: ga met mij en zie mijnen ijver aan voor den Heere. De man doet het, en daar zag hij, hoe hij al de priesteren Baals doodde, en zoo al de afgodendienaars uitroeide, 2 Kon. 10:15—25. Wij wenschten, dat onze regenten door den Geest van God aangedaan werden, om ook voor zijne zaak te ijveren. En gij, geliefden! trekt nooit een juk aan met een Papist van de mannelijke of van de vrouwelijke sekse; dat is te zeggen, Gereformeerden! trouwt nooit met iemand van den paapschen godsdienst. Denkt, zoo gij daarmede trouwt, hij of zij, mijn man of mijne vrouw is een ketter, en mijne kinderen gaan naar de hel. Doet het uw leven niet. Dit, voor zoover de mis aangaat. Nu nog een woord betreffende de voorbereiding ten avondmaal.

Geliefden! bereidt gij uzelven wel behoorlijk tot het nachtmaal des

11 !\'*!i|}

■i

a..

-ocr page 442-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Heeren, en is daar ook al geen verval in? Hoe slordig gaat dat dik-wrjls toe! zelfs komt gij den meesten tijd in de voorbereiding niet. Gij zult zeggen: het verval is in de predikanten, dat ze niet hartelijk zijn. \'t Kan ook wel waar zijn, zij zouden misschien hartelijker zijn, als gij er meer kwaamt, als gij eens een uurtje uit uw beroep nam^ en daaraan ten koste legde, óij moet niet alles op ons schuiven. Zijt gijlieden traag, meent niet, dat uwe predikanten engelen zijn, en dat ze ook niet eens traag kunnen worden; ja, God geeft dat wel eens als een oordeel.

Maar als gij u dan al bereidt, zijt gij dan wel tijdig op? Hoe bereidt gij u? Uw zelven opschikken, uwe beste kleederen aan doen; dat zijn dikwijls al uwe bereidseien. Gij vindt de rechte gronden niet. Waar is uwe droefheid over uwe zonden; waar is uw geloof in den Heere Jezus en uw lust om voor God te leven?

Gij zult zeggen: houdt ons niet langer op, wie is er naar den eisch een goed avondmaalganger?

Eerst. Dat is een die veel van onderzoek houdt, van graven en verdiepen, van toetsen en overleggen, Klaagl. 8:40, Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken. Zij gaan eens herdenken wanneer het werk begon; waar zij hunnen voet vastgezet hebben; hoe \'t al voortgegaan is. Van hunne eerste overtuiging af onderzoeken ze hunnen staat en gestalte.

Ten tweede. Die altijd zoo denkt. Ach! ik heb met een alwetenden God te doen, Hebr. 4:13, Alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen, met welken wij te doen hebben. Heere! gij kent mijnen staat en gestalte en mijne gronden en ondervindingen.

\'Ten derde. Die zich den Heere vertegenwoordigt, dat hij door de rijen heengaat, en voor elkeen stilstaat, en zegt tot een iegelijk: waarvoor geeft gij uzelven op? Kent gij dat? Die dan in nederigheid zeggen, voor een onwaardige, Heere! voor een verbrijzelde, voor een belaste; voor eene, die zijne ziel niet in \'t leven kan behouden buiten U; die in de hel zou moeten vallen, zoo Gij uwe hand ter hulp niet uitsteekt. Doet en zegt aldus, ot iets dergelijks, want wij willen u juist aan geen woorden binden.

Ten vierde. Die zoo zegt: liefste Heere Jezus! ik ben ziek om ü, geen naarder gedachten ken ik, als dat ik zou moeten denken, dat ik Ü misse; maar geen liever overdenkingen heb ik, als dat ik kan denken, dat ik U geniet, wat baat zilver of goud, gezondheid of ander goed, als ik U zou moeten missen!

Ten vijfde. Die zooveel werk heeft met zijn hart. Daar doet niemand in de wereld hun meer werk aan, als hun iuirt. De verdorvenheid die in ons woont, en waar Paulus zoo over klaagt, Rom. 7, die doet mij zooveel werk aan; ik heb evenwel zulk een innig voornemen, om te blijven worstelen, zoolang als ik leef. Weet gij wie een goed Avondmaalganger is? Die altemet zulke gestalten van overstelpingen kent; dan eens van kommer, dan eens van verkwikking; dan zijn ze eens in bedaarde bedachtzaamheid, dan eens in verwondering, dan eens in

436

-ocr page 443-

OVER DEN XXX. ZONDAG. Vjuq. 80-82.

aanbidding; \'t zijn zulken, die altemet zware stormer. gehad hebben, en dan weer eens stilte. Daar hebt gij nu onze vier stukken.

Wij zeiden dat eens predikants toepassend talent der gemeente goed was; zijn leven, zijne krachten, zijn onderscheiden talent, en dan hoe noodig de proef was; dan, hoe er quot;met de ongeregelden moet gehandeld worden; en zoo kwamen wij tot het slot onzer rede. Wij zeiden: beproeft uzelven.

Zegt gij: zijn er dan geen goede avondmaalgangers? Wij zeggen: wij hopen ja; dat zijn zulken, die veel van onderzoek houden; die hun hart voor God open leggen, die hun hart in de tegenwoordigheid van den Heere uitstorten; die zich durven stellen voor het aangezicht des Heeren, die tusschen de rijen gaat, en vraagt; waarvoor moet ik U aanzien? die ziek zijn naar de gemeenschap Gods, en strijden tegen hunne verdorvenheden. Die zoo gesteld is, gaat vrij ten avondmaal. Zoo gij u dan onttrekt, dan heeft Gods ziel geen welgevallen aan u. Gaat gij er dan niet aan, dan loopt gij naar uw verderf, Hebr. 4:16. Zegt liever: wij zijn niet van degenen die zich onttrekken, maar die gelooyen ten eeuwigen leven. Dan durven wij u verzekeren, dat, hebt gij hier avondmaal gehouden, gij ook boven in den hemel eenmaal voor eeuwig niet al Gods kinderen en gunstgenooten zult aanzitten aan de bruiloft des Lams, en aldaar genieten verzadiging van vreugde en lieflijkheden aan Gods rechterhand, altoos en ceuwighjk, Ps. 16:11. Nu dat wensch ik, dat de Heere mij en u geve, tot zijne eer, om zijns Zoons wil, Amen.

437

-ocr page 444-

GATE C HLS MUS-PREDIKATIE.

Over den XXXI. Zondag. Vrag. 83—85.

Een-en-dertigst© Zondag.

83. Veaag. Wat zijn de sleutelen des hemelrijks ?

Antwoord. De verkondiging van het H. Evangelie, en de Christelijke ban, of uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den geloovigen opengedaan en den onge-loovigen toegesloten wordt.

84. Vkaag. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het II. Evangelie ontsloten en toegesloten?

Antwoord. Alzoo, als achtervolgens het bevel van Christus, aan allen en aan een iegelijk geloovige verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun (zoo dikwijls zij de beloften van het evangelie, met een waar geloof aannemen,) waarachtiglijk al hunne zonden door God, om de verdiensten van Christus, vergeven zijn. Daarentegen aan alle ongeloo-vigen, en die zich niet van harte bekeeren, verkondigd en betuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang zij zich niet bekeeren, naar welk getuigenis des Evangelies, God, beide in dit en in het toekomende leven oordeelen wil.

85. Vkaag. Hoe ivordt dat hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Ghristelijken han?

Antwoord. Alzoo, als achtervolgens het bevel van Christus, degenen die onder den christelijken naam, onchristelijke leer of leven » voeren, nadat zij menigmaal broederlijk vermaand zijnde, van hunne dwalingen en schandelijk leven niet afstaan willen, der gemeente (of dengenen die van de gemeente daartoe verordend zijn) aangebracht worden; en zoo zij naar de vermaning niet vragen, door henlieden door het verbieden der Sacramenten uit de Christelijke gemeente en van God zeiven uit het rijk van Christus gesloten worden, en wederom als lidmaten van Christus, en zijner gemeente aangenomen, zoo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen.

WIJ lezen, 1 Cor. 14:33, dat God de Heere geen God is van verwarring, maar van vrede. God de Heere wil, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden, 1 Cor. 14:40. WaarIJ lezen, 1 Cor. 14:33, dat God de Heere geen God is van verwarring, maar van vrede. God de Heere wil, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden, 1 Cor. 14:40. Waar

-ocr page 445-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

houdt God al orde in? In den derden hemel, in den sterrenhemel, in den luchthemel, onder de vogelen; en op de aarde, onder de men-schen en onder de beesten.

God houdt orde in den derden hemel. Staan die geesten tegen Hem op. Hij ontzegt ze alle genade, en verwerpt ze door zijne rechtvaardigheid. God houdt orde onder die geesten, die voor Hem staan. Duizendmaal duizenden dienen Hem, en tienduizendmaal tienduizenden staan voor Hem, Dan. 7 :10. Daar is geen wanorde onder, zij allen zijn zijne knechten en dienaars die zijn Woord doen, Ps. 103: 21.

In den sterrenhemel zijn de sterren, de zon en de maan; en daaronder is de allergrootste ordentelijkheid en geschiktheid, elk doet zijn werk, zij hebben hunne invloeden; en God gebiedt over elk zijnen zegen.

Daarenboven houdt God ook orde in de lucht. De wolken, de winden, de donder, de bliksem; het zijn allen, zijne wagenen, zijne boden, en zijne knechten. Onder dat gansche hemelheir is de allergrootste ordentelijkheid.

Maar wat eene ordentelijkheid is er onder de vogelen des hemels! De kraan, de zwaluw, de ooievaar, de tortelduif; zij allen nemen den tijd hunner aankomst waar; zij weten den tijd van hunne aankomst, en van hun vertrek, Jer. 8; 7. God overtuigt er de menschen door. De raven, zulke wilde en woeste vogelen, als God ze orde geeft, zij doen zijn bevel. Gaat naar den profeet, zegt God, en brengt hem brood en vleesch, zoolang totdat het regent, of dat Ik het u anders gebiede, 1 Kon. 17:4.

Wat eene orde houdt God ook onder de beesten der aarde! Hoe ordentelijk gingen ze allen naar de ark toe! Wilde en tamme dieren, zelts de allerwoeste, gingen vanzelf in de ark. Gen. 7 :16.

Wat eene orde houdt God onder de menschen! Hij wil niet, dat de wereld eene spelonk van moordenaren zijn zal, daarom stelt Hij overheden en machten: aan u, zegt God, geef Ik het zwaard, gebruikt het wel, om de kwaden te straffen, en de goeden te beschermen, Ivoni. 13:4. En als gij in \'t regeeren u niet wel kwijt, zoo zal Ik het van uwe hand eischen, zegt Ood.

In het kerkelijke moet ook alles ordentelijk zijn: of moet de kerk alleen als een huis zonder deur zijn? Ach neen! de kerk moet zijn ais een goed huis, waar deuren en grendels aan zijn; en daar \'talles ordentelijk toegaat, \'t Is de stad Gods. De wachters staan aan de poorten, die geheel den dag en geheel den nacht waken, die uit de keel roepen en niet inhouden, om Jakob zijne zonden en Israël zijne ongerechtigheden bekend te maken, Jes. 58:1. Die waken, opdat het er alles ordentelijk zoude gaan. Zij sluiten het koninkrijk voor al degenen, die vijanden zijn in leer en leven; en zij openen de stad voor de vrienden voor alle ware geloovigen.

Eens predikants bediening is eene zware bediening. Zij moeten verloren gaan, als er iemand door hunne trouweloosheid verloren gaat. Ezech. 3: 18 en 33 :8.

439

-ocr page 446-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Geliefden! wij hebben eene stof onder lianden, en als wij daar aan denken, zoo moeten wij beven. Als wij er over moeten spreken, zoo moeten wij beven, gij moet er over beven, als gy ze hoort. Evenwel door Gods goedheid weten wij niet, dat wij iemand moedwillig hebben verloren laten gaan. Wij zullen u dan tegenwoordig doen zien:

Eerst. De sleutelen van \'t Koninkrijk van Christus.

Ten tweede. Het gebruik van dezelven.

Ten derde. De oudheid daarvan. Dat zijn onze drie stukken; en ze zijn van de uiterste aangelegenheid. 1. Zeggen wij, zullen wij u doen zien de sleutelen van \'t Koninkrijk in genade en heerlijkheid.

2. Dan, hebben wij te bezien het gebruik van dezelven, dat is, hoe de predikanten er mede moeten verkeeren in de gemeente Gods. Dan,

3. Zullen wij u doen zien dat ze oud, noodig, en van de grootste aangelegenheid en kracht zijn.

Wiit het eerste aangaat, gij moet u niet verbeelden dat die sleutelen van goud of zilver, ijzer of hout zijn. Het rijk is geestelijk en hemelsch, en de sleutelen zijn het ook. Als gij ziet, dat iemand een sleutel heeft van een huis of stad, zoo moet gij denken, zulk een heeft daar een ambt of bediening. Ziet gij een mensch, die een sleutel heeft daar hij de deur van een huis mede open kan doen; dan moet men denken, hij heeft daar eigendom of bewind. Als gij iemand een sleutel van een huis, of kas, of kistje ziet hebben, zoo moet gij u zeiven verbeelden, dat zulk een daar bediende is, of dat hij er eigendom aan heeft. Gaat gij in den Burgerstaat, en ziet gij, dat iemand met een sleutel in \'t gevangenhuis gaat, zoo moet gij denken, zulk een heeft daar eene bediening, Jes. 22 :19—23. Daar vindt gij dat God zegt: Ik zal Sebna van zijnen staat afstooten, en ik zal den sleutel des huizes Davids leggen op den schouder van mijnen knecht Eljakim. De kanseliers van de koningshoven hadden eenen geborduurden sleutel op hunne schouders, of zij droegen er een aan hunne zijde. Zoo is \'took in de Kerk niet minder. Als gij de kerkdijken ziet, die hebben ook eenen sleutel, dewelke verbeeldt de macht die ze in de kerk hebben. Onder de Joden, als er een student gepromoveerd werd, zoo leidden zij den bijbel voor hem, en zij zeiden tot hem; lees, onderzoek, overdenk dien nacht en dag. Dan gaven ze hem een memorieboekje en zeide: al wat gij hoort of leest, dat opmerkelijk is, teeken dat naarstig aan. Daarop gaven ze hem een sleutel, en zeiden, nu hebt gij macht, om het hemelrijk te sluiten en te ontsluiten. In \'t begin van de Christenkerk als iemand predikant werd, gaven ze hem de hand van gemeenschap, (van broederschap,) Gal. 2:9. Dan gaven ze ook den predikanten een staf, en zeiden: gij zijt nu onze herder, daarom weidt de kudde Gods, stelt er uw hart op. Dan gaven ze hem nog daarenboven een ring, en zij zeiden: Man! gij zijt met de gemeente getrouwd. Dat is alles zoet en heerlijk. God neemt uit al die prenten eene, en dat is de sleutel. Ik zal u macht geven, zegt God, over de kudde, en dat doet

440

-ocr page 447-

OVER DEN XXXI. ZONDAG. Vrag. 83-85.

Hij onder dien naam van sleutelen. De Heere Jezus zeide, toen Hij de opperste macht had gekregen van den Vader, na zijnen kruisdood, opstanding en hemelvaart: Ik heb de sleutelen van hel en dood, Openb. 1:18. Johannes zag er zoo een, die de sleutelen en den keten had van hel en dood, Matth. 10:17, en 18:18, Joh. 20:2!}.

Gij zult zeggen: schikt gij ze niet te veel op; hoe vele sleutelen hebben ze? twee. Welke zijn die? Een sleutel van kennis of de predikatie des Woords; en een sleutel der tucht of der discipline.

Gij zult vragen, die eerste sleutel is die wel Schriftuurlijk? Ja. Luk. 11:52. Zij hebben den sleutel der kennis weggenomen; zelf willen ze niet ingaan, en zij beletten anderen in te gaan. Zij houden niet van wetprediken of te donderen op den predikstoel. Waarom niet ? Omdat ze zelf niet trouw zijn; zij willen zelf niet ingaan. Geen droeviger schepsels zijn er dan zulke predikanten. Zij missen zelf de genade, en zij staan daar en schreeuwen, en zeggen: de menschen moeten genade hebben, zij moeten bekeerd worden, en zoo haast krijgen zij de genade niet, of zij haten ze, en zij zijn er zelfs vijanden van. Dat is den sleutel der kennis weg te nemen. Met dat ze genade krijgen, worden ze hun vijand, en zij maken ze zelf den weg zoo moeielijk, als zij kunnen. Dat zijn zulken, die de harten van de vromen bedroeven, en de goddeloozeu stijven.

De tweede sleutel, welke is die? Dat is de ban of de straf. Die sleutel der tucht moet nu zoo niet gebruikt worden, als in \'t Oude Testament, daar zij zelfs de macht hadden om den schuldige met den dood te straffen. Wat is de ban? Dat is het verbieden van de Sacramenten Gods. De hooge straf is het afsnijden van de gemeente. Wij hebben liet aan deze plaats eens met beving van ons hart moeten doen. Wij hadden het ons leven niet gezien. Al onze medebroeders in de andere plaatsen deden \'t mede. Dat wordt in het Woord genoemd: snijdt hem af, teekent hem, geeft hem over aan den satan, \'t Is vree-seïijk op een schavot te sterven; maar nog schrikkelijker is het, de kerkelijke tucht te ondergaan, te moeten hooren die schrikkelijke woorden: houdt hem voor een heiden en een tollenaar. Daar hebt gij de sleutelen des hemelrijks.

Nu moeten wij het gebruik zien; en hoe geschiedt dat?

De eerste sleutel is de sleutel der kennis, dat is de verkondiging des Woords. Daar moeten wij in zien:

Eerst. Wie dien bedienen moet.

Ten tweede. Hoe zulk een gesteld moet zijn.

Ten derde. Aan wien het staat te prediken.

Wat het eerste aangaat, de vraag is: Staat het aan eene vrouw? gelijk wij al beleefd hebben, dat er zulke leeraressen waren; maar God heeft ze als weggeblazen. Daar zullen wij nu niet breed van spreken. Het staat leelijk voor eene vrouw, 1 Cor. 14:35. En het staat niet minder slecht, dat een man aan de voeten eener vrouw zit, om alle dwalingen te leeren.

Mag ook een burger wel voor predikant spelen? Ach! neen. Wel

441

-ocr page 448-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

maar! zeggen ze, ik ben bekwaam daartoe. Zij weten naar het hart te spreken en te stichten. Zulk een heeft zich duur te wachten. Wij zullen liet u in een voorbeeld geven. Daar zijn misschien wel een vijftig burgers in de stad, die zoowel zouden kunnen regeeren als de regenten. Maar daar is eene orde en schikking, daar zijn eeden en verbonden. Of iemand al zegt: ik ben bekwaam om burgemeester te zijn, of om een stadsbode, of een stadsuitroeper te zijn; hebben ze daarom de vrijheid om die bediening waar te nemen? Of nu iemand zegt: ik kan zoowel stichten als een predikant, hij heeft alzoo minder macht, om het te doen, als een particulier burger om een regent, stadsbode, of uitroeper te zijn.

Van de oefeningen hebben wij onlangs breed gesproken, daar melden wij nu niet meer van; stichten moogt gij; gevallen van \'t gemoed oplossen, eens bidden, dat staat u vrij te doen; doch \'tprediken staat u niet vrij, gij hebt er geene zending toe.

Wie zijn ze dan, die die sleutelen des hemelrijks gebruiken mogen? Dat zijn zulken, die God noemt gezanten van Christus wege, opzieners, ouderlingen, dienaars van Jezus Christus, planters, natmakers; die het openlijk betuigen kunnen, dat ze in den naam Gods gezonden zijn. Maar hoe moet dan zulk een predikant zijn?

Eerst. Hij moet eene goede kennis hebben in het Woord. Sommigen hebben geen kennis, veel minder hebben zij verstand, om zielen te behandelen, of gevallen van \'t gemoed op te lossen. Zij moeten machtig in de Schriften zijn. Een predikant moet ook bestendig zijn; hij moet niet zeggen: nu is \'t wat, en dan weer, \'t is niet met al, hij moet onwankelbaar zijn, hij moet niet alleen bekwaam zijn om te leeren, maar hij moet ook een goed getuigenis hebben bij degenen die buiten zijn, die tot de kerk niet behooren; hij moet donderende van stem zijn, bliksemende van bestraffing en wandel; hij moet oprecht en godvruchtig zijn. Gij moet denken, dat hij een mensch is, van gelijke beweging als gijlieden zijt; zij moeten ook zeggen: wij struikelen allen in velen. Jak. 3:2. Hij moet ook geëxamineerd zijn, 1 Tim. G: 12. Zij moeten de goede belijdenis doen voor vele getuigen. Die daar zitten, moeten oordeelen. De geesten moeten den geesten der profeten onderworpen zijn; zij moeten niet in den dienst gekomen zijn door kuiperijen of kabalen. Meent gij dat het niet veel te zeggen is, ten aanhoore van duizenden van menschen gevraagd te worden: gevoelt gij niet in uw hart, dat gij van God en van de gansche gemeente geroepen zijt? Lieve Heere! zij worden voortgesleept van groot en klein; zij hebben neefjes en nichtjes daar ze ingang hebben, zij zoeken bij dezelve ingang en gunst, zoodat ze voor de geheele gemeente liegen, dat zij van God en van de geheele gemeente geroepen zijn. En dan zeggen zij nog, dat ze dat in hun hart gevoelen! Maar dat is een gelukkig predikant, die dat in waarheid zeggen kan, in nederigheid en met tranen. Ach ! ja, dat gevoel ik. En de dienst van zulk een is den heiligen ook aangenaam, ziju dienst is den heiligen als een bliksem en als een schrik. Waarom? Als ze op zijne

442

-ocr page 449-

OVER DEN XXXI. ZONDAG. Viuq. 83-86. 443

beroeping wat weten te zeggen, dan hebben ze sluwheid genoeg. Daar hangt wat aan, een predikant te zijn; en dat zoo openlijk te kunnen zeggen!

Daar is dan eene roeping noodig. Atlron werd geroepen. De Heere Jezus had eene roeping; Hij kon zeggen: Ik neem uit Mijzelf die eer niet aan. De apostelen waren geroepen, \'t is een teeken van een valsch leeraar, niet geroepen te zijn, .Ier. 23:25, Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd, zeiden ze; doch de Heere spreekt er zijne oordeelen over uit, van het 30ste tot het 328t0 vers, omdat Hij zo niet gezonden had. Paulus zeide, Rom. 10:15. Hoe zullen ze prediken, indien zij niet gezonden worden. Hij wil zeggen: wat onbeschaamder mensch is dat, die predikt in Gods naam, daar hij geen zending van God ontvangen heelt!

Wat moeten nu de dienaars des Goddelijken Woords doen, als ze den hemel openen? Zij moeten niet maar wat geschiedenissen vertellen, en zeggen: ik kan die en die talen, dit en dat weet ik; maar zij moeten zeggen: het komt op genade en zaligheid aan, op natuur, of genade. Daar is er niet een, of het is zijn werk, dat hij zijn hart op de kudde gaat stellen. Zij moeten niet gaan vertoonen hoe velerlei talen ze weten; die zwijgers weten altemet meer dan zij. Daar komen geheele gemeenten ter kerk, en zij missen het rechte voedsel voor hunne ziel. Zij worden opgehouden met wat praatjes en vertelseltjes, en daarmede willen zulke predikanten toonen, alsof zij zoo geleerd waren. Het past een predikant niet, dikwijls een kwartieruurs of anderhalf te spreken over dingen, daar geen voedsel of wezen in is, en zoo gaat de tijd al door. Dan hebben ze kwalijk geen tijd meer om te bidden, of om op het wezenlijke wat te blijven staan, de tijd is weg. Dat zijn predikanten, die zichzelven prediken. Daar komen dienstknechten en dienstmaagden, die niet veel gelegenheid hebben, om in de kerk te komen; zij kunnen er niet veel gaan, zij hebben dikwijls geen tyd, om te lezen, of te bidden; en als ze dan eens in de kerk komen, dan wordt er niet een woordje gesproken dat op hun hart weegt. Hoe droevig is dat! daar zitten ze, en snakken om een woordje te hooren. Zulke predikanten sluiten noch hemel noch hel. Hoe bedroefd is dat! zij wekken niemand eens op. Als dat op de dorpen zoo is, daar er maar een is, hoe droevig is het! \'t Is te vreezen. geliefden! dat het in de steden ook zoo worden zal, doch wij hopen, dat God zorgen zal, dat gij er geene ondervinding van zult krijgen.

Wat moet een predikant doen, die eerst het rijk der genade en dan der heerlijkheid opent? Hij moet niet alleen voor vromen, en ook niet alleen voor goddeloozen prediken. Wat is dat te zeggen? Is dat te zeggen dat hij de zonden vergeven moet? Neen. Is \'t dan te zeggen, dat hij een hartenkenner moet zijn? Neen, ook niet. God zal maar zeggen: zijt gij wel trouw geweest? Moeten ze verzekering geven, en vergeving van zonden? Neen, dat houdt God voor zichzelven. Maar hij moet niet vergeten de liefde en genade Gods te pre-

-ocr page 450-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

diken, die in Christus is; het heil, dat er voor een goddelooze te krijgen is, dat er geen te oud noch te groot zondaar is, dat er genade voor den allergoddelooste is. Kan hij \'t niet beweging van zijn gemoed doen, \'t is maar te beter. Wij wilden wel, dat wij \'t dikvvijls zoo deden, even als de Zaligmaker, als Hij nabij Jeruzalem kwam, zoo stond Hij met tranen in zijne oogen, en zoo ontfermde Hij zich over haar. Luk. 19:41. Dan moeten ze eens zeggen; zoo gij geen genade krijgt, of die aireede bezit, moet gij verloren gaan. Dan gaan ze hun den ganschen raad Gods openleggen. Zij prediken van de verkiezing en van de verwerping, van den eeuwigen raad en van de besluiten Gods, van het genadeverbond, al de gevallen des gemoeds gaan ze ophalen. Als een predikant schraal is, dat schort maar aan de schraalheid van zijn hart; want er is overvloed van stof in eiken Zondag, die er in deze stad en gemeente gepredikt wordt. Dan nemen zij teksten, en zij prediken dan hier en dan daar tegen; daar komen uitverkorenen onder, God zegent het Woord, hun hart wordt geraakt, zij willen tot den Heere overgaan. Dan komt zulk een predikant en die richt er zijne predikatie naar, naar de gestalte en den staat van dezen mensch; en daar begint er een heilige groei te komen, onder Gods zegen; zij beginnen te gelooven, zij vereenigen zich met den Heere Jezus. Daar beginnen ze vruchten te dragen. Dan komt de predikant, en zegt: die die kenteekens heeft, die dat geloof bezit, die zoo klein is, de hemel is voor u; gij zult zalig worden, het goede werk in u begonnen, zal God voleindigen; uw beginseltje is wel gering, maar uw laatste zal vermeerderd worden. Worden ze geroepen voor het ziekbed, of staan ze op den predikstoel, dan zeggen ze: ik zou niet durven zeggen, als gij stierft, dat gij niet in den Heere Jezus zoudt zijn, of dat gij geen genade zoudt hebben. Ja, zij gaan verder, en zeggen: vreest den dood niet, de hemel is voor li open, de Drieëenige God is uw deel in eeuwigheid. Dat is den hemel te openen.

Wat is nu den hemel te sluiten, en de hel te openen? Daar prediken zij het nare van de hel, de oordeelen Gods, van verloren te gaan, van den staat der verwerping; zegt den goddelooze, het zal hem kwalijk gaan, Jes. 3:11, en zij toonen, wie de niet bekeerden zijn, en dat zulken kinderen des toorns zijn. Dat zoeken ze te doen met indruk, deftigheid, ernst, en daar vliegen altemet de goddeloozen tegen op. \'t Is met opzet, zeggen ze tegen de vromen en predikanten, wij willen ons niet bekeeren; moet ik veranderd worden, dan wil ik liever verloren gaan. Ik heb mijn oude leven al te lief, dan dat ik mij zou bekeeren. Daar komt dan een predikant voor \'t ziekbed, en die zegt: ik vind niet een teekentje van genade in u, en gij zult stervende zoo verloren gaan, en dat moet hij doen, zonder aanneming des persoons. O! zeide de Heere Jezus, gij zult in uwe zonden sterven, uwe zonde blijft, Joh. 9:41. Ezechiël zeide tot den koning, zonder bewimpeling: o gij onheilig, goddeloos vorst, wiens dag komen zal, Ezech. 21:25. Nathan zeide tot David: gij zijt die man, 2 Sam. 12 :7,

444

-ocr page 451-

OVER DEN XXXI. ZONDAG, Vraö. 83-85.

445

en nu moet gij kiezen, zeide de profeet, een van de drie plagen. Heere! wat is dat naar, en wat zal elk niet moeten vergeven worden, dat hij zoo trouw niet is. Zoo te zeggen, in plaats van de teekentjes van de genade, zoo zie ik het tegendeel. Maar daar staan wij met men-schenvrees, en wij zijn niet trouw aan onzen Koning. Men gaat altemet naar eene vergadering al biddende, dat wij toch niet ontrouw mochten handelen, en wij zijn evenwel ontrouw. Het is zoo niet, als het wel past. Hebben ze zich eens gekweten, ach! hoe blijde zijn ze! Is een predikant op stoel eens in zulk eene gemoedsgestalte, dat zijn hart gaande wordt, dat hij \'t alles zoekt op \'t hart te drukken, dan is het; wat zegt hij \'t ongezouten! Wij willen hem niet meer hooren. \'t Is droevig in een land en stad als het zoo toegaat. Gedurende den tijd van onzen dienst hebben wij het wel geproefd, en ach! was \'t nog maar gedaan! Dan verkleint men de predikanten, dan is het: altijd verdoemt hij ons. Maar zoudt gij dan wel gaarne hebben, dat wij onze zielen schuldig maakten? Zoudt gij het een stadsbode wel kwalijk nemen, als hij zijne boodschap trouw aan u deed? Als er eens brand was, zoudt gij het dan wel kwalijk nemen, als er iemand van de straat af kwam, en u kwam waarschuwen ? En zijn wij alleen zoo ongelukkig, dat wij u niet mogen waarschuwen? Maalais wij dat doen, dan is \'talles in roering; als wij de hel eens openen, en u als de vlammen van den jammerpoel doen zien, dan worden wij uw vijand, als wij dat doen. Is \'t niet droevig? Als er \'s nachts iemand u waarschuwde, dat uw huis in den brand stond, gij zoudt het hem niet kwalijk nemen. Maar zoo doen wij naar de ziel. Wij sluiten dan voor zulken den hemel, doch met eenig onderscheid als ten tijde der apostelen, die zeiden; als gijlieden en mijn geest te zamen vergaderd zijt, zullen wij zulken den satan overgeven, 1 Oor. 5; 4, 5. Een predikant kan \'t nu niet alleen doen, maar predikanten en gemeente te zamen kunnen het doen. Hoe droevig is dat, als de ouderlingen en diakenen zich meester maken. Nu die predikanten, ouderlingen en diakenen zijn in gebreken; maar zij moeten weten, dat ze moeten waken tegen de zonden en ergernissen in de leer, en in \'t openbaar tegen de zonden in leer en leven. Ik heb tegen u, dat gij de leer van Izébel laat leeren, zegt God. Dan prees God die gemeente, die de werken der Nikolaïten haatte; die Hij haatte, dat zijn onze Atheïsten. Dan moeten ze ook waken tegen alle zulke zonden in den wandel, daar God den hemel voor sluit. Die staan in uw formulier van \'t avondmaal; de ongehoorzamen, zegt God, teekent ze. Het moeten menschen zijn, die lidmaten zijn, door Doop en avondmaal. Die buiten zijn, oordeelt God. Men moet het doen met alle deernis en medelijden, met vriendelijkheid, zoo /.acht als wij kunnen, niet naar vooroordeel, noch toegenegenheid, \'t Moet geschieden naar den regel, dien de Heere Jezus gegeven heeft. Zij doen het zoo noode; zij wilden wel, dat ze \'t niet doen moesten. Zij doen \'t zonder aanneming des persoons; als een regent een speler, vloeker, hoereerder, of overspeler is, moeten zij hem zoowel getrouw behandelen als een gering

-ocr page 452-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

burger, dien moeten ze niet meer \'t vel over den nek halen, gij moet het den grooten zoowel doen als den kleinen, \'t Is opmerkelijk, wat die godvruchtige leeraar, de bisschop Ambrosias aan den keizer Theodosius, deed. Hji had zeven duizend burgers te Antiochië door zijn krijgsvolk om den hals laten brengen, omdat ze hem weigerden de schattingen, die hij had opgesteld, te betalen, en zelfs zijn standbeeld smaadheid hadden aangedaan. De keizer meende te Milaan in de kerk te komen. Doch de bisschop zeide, dat hem niet toekwam aan het avondmaal te gaan, gebruikende zelfs deze harde woorden: Ga weg, gij bloedhond, en hij deed hem uit de kerk gaan, omdat hij zooveel onschuldig bloed had laten vergieten. Ook kwam hij in geen achttien maanden ter kerk, en bracht dien ganschen tijd door in tranen en gebeden van berouw. Een zijner hovelingen in dien tijd bij hem komende, sprak hem aldus aan; hoe schreit gij zoo, machtigste keizer? Waarop hij antwoordde: zou ik niet schreien, daar de hemel voor geen bedelaar gesloten is, en de kerk is voor mij gesloten. Als nu de tijd van zijne straf ten einde was, en dat hij wederom zou aangenomen worden, zoo viel hij met zijn aangezicht op de aarde. De woorden, waarmede hij zijn berouw betoonde, waren deze, uit Ps. 119:25: Mijne ziel kleeft aan \'t stof, maak mij levend naar uw Woord. Hendrik IV, die eerst alleenlijk koning van Navarre, en daarna ook van Frankrijk werd, was van godsdienst veranderd, en van Gereformeerd, Paapsch geworden zijnde, zoo kwam Lofel tot hem en zeide: mijnheer koning, gij hebt u schuldig gemaakt voor den Eeere, zoo gij u niet vernedert, zal het u kwalijk gaan. Daar kwam een hoveling tot hem, die zeide: mijnheer koning, die vernedering benadeelt de eer van uwe kroon en koninkrijk. Doch de koning antwoordde: gelijk iemand niet te stout mag zijn tegen den Heere, zoo kan hij niet te ootmoedig zijn voor den Heere. Ziet gij \'t wel, zoo moet men doen, zoo tot ootmoed verwekken. Hoe gaat dat toe?

Eerst. Zij nemen kennis van de fouten. Zij laten zich wel onderrichten van de fouten, evenals Jozua deed. Achan, geef het mij toch te kennen wat gij gedaan hebt! zegt hij, Joz. 7:19. Kan de kerk niet oordeelen? Matth. 22:11, kwam de vriend zonder bruiloftskleed ook al in.

Ten tweede. Dan moeten ze zeggen; dat is uwe fout; eerst zegt men het hem alleen in stilte, dan, als hij zich niet laat gezeggen, zegt men het onder twee of drie getuigen. Als hij zich nog niet laat gezeggen, dan brengt men hem bij de gemeente aan. Is de fout zoo, dat hij openbare ergernis gegeven heeft, dan moet het in \'t openbaar behandeld worden. Als dat ook al niet helpt, dan wordt hi] afgesneden. Dat is dan de uitslag, dat hij aan den satan wordt overgegeven. Daar zijn twee rijken op de wereld, zeggen ze dan, en wij moeten openlijk verklaren, dat gij niet behoort tot het rijk van Christus. Dat doen ze zoo, dat ze hem de Sacramenten verbieden zoolang, totdat hij zich vernedert. Daar wordt niet anders beoogd in het verderf des vleesches, dan dat de Geest mag behouden worden, dat ze mogen

446

-ocr page 453-

OVER DEN XXXI. ZONDAG. Vrao. 83-85.

beschaamd, tot belijdenis van hunne zonden gebracht worden en zich zoo weer bekeeren, opdat ze zouden mogen zeggen: daar is het verloren schaap, de verloren penning weer gevonden. Daar komen ze dan weder in het huis des Heeren, en men zegt: het avondmaal is weer voor u. Daar hebt gij het tweede stuk.

Nu het derde stuk. Zijn de sleutelen des hemelrijks oud of jong? Zij zijn zoo oud als de Kerk Gods zelve is; zij zijn van God zelf eerst in het Paradijs gebruikt, eerst aan Adam,quot; daarna aan Kaïn, daarna aan al degenen die zich misdragen hebben. Van toen aan begon men den naam des Heeren aan te roepen, Gen. 4 :26. Zij zijn gebruikt van dat er een openbare godsdienst is geweest. Zij zijn gebruikt geweest ten tijde van David en de apostelen, sedert God gezegd heeft: het zaad der vrouw zal den kop der slang vermorzelen. Gen. 3:15. God heeft den sleutel der tucht gebruikt: eerst aan de engelen, daarna aan Adam, toen aan Kaïn, aan Cham, zelfs aan de eigene zuster van Mozes, aan Mirjam, als zij tegen Mozes opstond. Num. 12:10. God heeft toen dien sleutel gesteld onder de Levieten en onder de priesters. Is er een koning, die otteren wil, hij wordt melaatsch, zij stooten den koning weg; hij werd met melaatschheid gestraft, 2 Kron. 26:16—21. Ja, de Joden hebben drieërlei afsnijding. Te weten: de eerste was eene afsnijding uit de synagoge, de tweede was een Anathema, dat is eene vervloeking, de derde was een Maranatha, eene bizondere en allerhoogste vervloeking. Dat is van Christus en van de apostelen zoo niet gebruikt.

^ Maar is het wel noodlg, zult gij zeggen, zoodanige sleutelen in de Kerk te gebruiken? Ja; want gelijk het noodig is, dat aan ieder huis eene deur is, aan eene weide een hek of haag, aan eene stad een poort is. zoo is het ook noodig, dat er in de Kerk Gods zulke sleutelen zijn, en het is hierom noodig, opdat het verbond Gods niet ontheiligd worde, en zijn toorn tegen de gansche gemeente ontstoken. Houdt ze er af, zegt God, al die goddelooze en onbekeerde menschen. \'t Is ook noodig om Gods kinderen aan te moedigen, zij zouden anders wel onder het kaf begraven worden. Ja! zeggen ze, wij zullen daarom uit den hemel niet blijven. Zacht wat! Weet gij niet, dat daar zulk eene kracht in is, dat God er naar oordeelen zal? Heeft dat geen kracht, als een regent door een stadsbode iets laat aanzeggen? Heeft dat geen kracht, als een cipier iemand in het gevangenhuis sluit? \'t Is eveneens alsof gij zeidet: sluit gij mij uit de stad van voren, ik zal er van achteren weer inkomen. Ach Heere! wij doen het naar \'t Woord niet.

Daar hebben wij nu dat ontzaglijke stuk gehoord en gesproken van datgeen, waartegen vele predikanten zoo opzien om het te prediken. Maar het is geen wonder, vermits zij zoo schuldig zijn. Het is niet maar een praatje, en te zeggen: ik ïaeb mede helpen beroepen, ik heb mijn stem gegeven aan zulk een. En dat geschiedt dikwijls meer uit kuiperij, dan dat er gelet wordt op de talenten of bekwaamheden van zulk\' een predikant, en dan, dat men acht geeft

447

-ocr page 454-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

op zijne leer en leven; daar men behoorde te zien en naarstiglijk te vernemen, of hij in staat is om de kudde te weiden, om den jongelingen in de genade melk, en den volwassenen vaste spijs, en zoo aan een iegelijk zijn bekwaam voedsel en bescheiden deei te geven en op te disschen. O! die dingen werden in de eerste Christenkerk geheel anders behandeld. Doch nu het gehoor der gemeente doorgaans kittelachtig geworden is, tracht men ook al naar leeraars, die zoo wat naar den mond kunnen praten, en kussens onder de armen weten te leggen. God zal het van hunne hand eischen.

Wat zegt nu uw hart? In dat stuk van den godsdienst is de gemeente mede schuldig. De predikanten, die misschien niet veel studee-ren, en niet veel verstand hebben om zielen te behandelen, staan melaatsch. Wat doen ze? Zij dorsten naar eene plaats. Ach! had ik eene plaats, een beroep, zeggen ze. En hebben ze er eene, zij hebben dikwijls al zoo weinig medelijden bij het behandelen van de zielen, als een geneesheer bij het behandelen der lichamen. Is er eene ziel geraakt onder hunnen dienst, sommigen vallen hem wel tegen; zij rekenen het werk Gods voor het werk des duivels.

Geliefden, daar komt nog bij, dat predikanten dikwijls maar stu-deeren om den naam van geleerd te hebben. Wij rekenen dat als een van de heerschende zonden onder de predikanten. Hebben ze wat wijsheid bekomen, dan dorsten zij naar groote plaatsen. Zij hebben nergens rust. Dan worden ze hoovaardig, of krijgen ze die plaats niet, die ze wel gaarne hadden, dan hangt hun het hoofd, dan is al hun moed uitgebluscht.

Het gebeurt ook wel, dat, als de predikanten groote en aanzienlijke plaatsen hebben, zij dan de gunst van de grooten zoeken; zij worden hunne tafelvrienden, zij zetten hunne voeten onder de tafels der grooten, die daar zoo mede ingenomen zijn, even alsof hun nu de hemel niet missen kon. Opzieners zijn ook al schuldig. Om de gunst van dezen of genen groote, maken ze ook verkiezing, en bezondigen hun geweten. Is er iets te doen aan of bij de grooten, dan laten ze de anderen alleen staan, en zij halen hunne schouders eens op; dan zorgen zij niet voor de gemeente, dat die goed voedsel hebben, zij maken niet dat ze trouwe, wijze, godvruchtige predikanten hebben. Worden ze beroepen, zij zorgen niet, dat er zulken in hunne plaats komen.

Hoe staat het onder de gemeente? Daar hoort men de taal van Kaïn, daar is het: ben ik mijns broeders hoeder? Gen. 4:9. Ik wil niemand verklikken. Dan geven ze dat dien naam, men moet geen aanbrenger wezen; omdat degene die aanbrengen zou, zelf schuldig is, en die schuldig is, wil niet aangesproken zijn. Ja, de predikanten zijn het met de grooten eens. Die komen nauwelijks in de kerk, of zoo zij er komen, maken ze verkiezing. Is er een, dien zij niet lijden mogen, die moet dan aanhouden. De grooten nemen hun gemak en vermaak. Zijn er dan een, twee of meer predikanten, waar zij het bij kunnen houden, daar vliegen ze dan naar toe. Tegen de anderen is

448

-ocr page 455-

OVER DEN XXXI. ZONDAG. Vrag. 83-85.

het: ik haat u, omdat gij niets goeds profeteert, 1 Kon. 22:8. Daarop beginnen de kleinen met de grooten mee te doen. Moet men hun de Sacramenten eens verbieden, dan zijn ze kwaad en gestoord, zij zijn niet beschaamd, zij willen liever jaar en dag van het avondmaal des Heeren afblijven, dan dat ze tot verootmoediging zouden keeren of beschaamd zijn.

Anderen beelden zichzelven altijd het goede in; \'t zal wel gaan, zeg-

fen ze; voor hun ziel, of voor de eeuwigheid maken ze geen zwarig-eid. Lieve God! bedriegt u niet! zoo de hemel voor u of voor mij open is, weet gij wat wij dan moeten ondervinden? Dit,en ze; voor hun ziel, of voor de eeuwigheid maken ze geen zwarig-eid. Lieve God! bedriegt u niet! zoo de hemel voor u of voor mij open is, weet gij wat wij dan moeten ondervinden? Dit,

Eerst. Ik en gij moeten ondervonden hebben, zoo goed te keuren dien weg, dien God houdt om menschen uit de hel te trekken. Hij verandert het hart. Hij opent het oog en het oor. Hij maakt verlegen en verslagen. Hij doet hun zien, dat zij een verloren schepsel zijn. Kent gij zulk eene manier van doen in God? Heeft God u al verlegen gemaakt over verloren te gaan, of behouden te worden? Kent gij tranen, berouw en kermen? Kent gij zulke dingen niet, gij zult uw leven in den hemel niet komen.

Ten tweede. Ik en gij moeten ondervonden hebben: Ach! ik word zoo klein, zoo versmolten! Hebt Gij mij verkoren, mij wedergeboren en veranderd, weigert Gij mij uwe genade in Christus niet? Hebt Gij mij van eeuwigheid uit zoo vele duizenden voor den uwe gekend?Mi], zulk een kreupele, blinde, goddelooze? Waar komt dat van daan, menschlievende God? Kent gij die verwondering over den rijkdom van Gods genade, dat God dat aan u gewrocht heeft?

Ten derde. Ach! hebt gij zulk eene liefde tot God en den Heere Jezus, tot het Woord en tot de dienaars, die u naar het Woord trouw behandelen, waar gij zegen onder hebt? Hebt gij zulk eene liefde tot al de vromen, die u trouw behandelen naar het\' Woord?

Ten vierde. Kent gij zulk eene zichtbare verandering? Gij verkeert met uw gezelschap niet als te voren, gij gaat niet te kerk, gij bidt niet als te voren. Zijn de uitgangen van uw hart niet naar den Heere? Ach! hoe menigen kennen dat niet! die dertig, veertig, vijftig en meer jaren blijven, die zij te voren waren, of zoo zij veranderen, worden ze allengskens harder en boozer. Hier zijn vier keuteekenen. Wij zullen u niet bezwaren; hebt gij ze ondervonden, de hemel is voor u open.

Berst. Kunt gij zeggen, de orde, die God houdt, om menschen zalig te maken, is zoo goed.

Ten tweede. Maakt het u zoo klein. Gij zegt: Heere! hebt Gij op mij gezien, die zoo lang den duivel gediend, en mijn geweten zoo dikwijls op den mond geklopt heb?

Ten derde. Voelt gij zulk een trek tot God en den Heere Jezus, en tobden Geest? Gij voelt zulk eene begeerte om te bidden, te lezen. Als gij God niet vindt, dan loopt gij om en om, gij zijt gejaagd. Gij begeeft u zeiven onder zulke bedieningen, waar God zegen geeft. Gij hebt zulk eene liefde tot allen, die naar den hemel gaan.

Ten vierde. Komt er zulk eene verandering in u, en al zegt uw

449

29

-ocr page 456-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

gezelschap, wat schort u? Gij zijt het niet ons niet eens, gij geeft er niet om, al is \'t, dat ze u verachten, gü zegt: God vergoedt het alles.

Zijt gij zoo, dan mag ik zeggen: de hemel is voor u open, en uwe zonden zijn u vergeven: God is met u, de hel is voor u gesloten, de Heere zal u voor eeuwig in zijne gemeenschap inlaten.

Wat dunkt u nu, als de predikanten dat zoo zeggen, is het niet eveneens, alsof het God zeide? Als een stadsbode u wat komt aanzeggen, gij verwerpt hem niet. Wij zijn van des Heeren wege gezonden. Ziet gij wel, dat wij in den beginne niet tevergeefs zeiden, dat een predikantsbediening eene gevaarlijke bediening is? \'t Is ook eene schoone bediening; zi] is gevaarlijk, omdat zij het bloed dei-zielen op zich laden als zij niet trouw zijn. Daar zeide eens iemand; schrijft dat op elk boek, of schrijft het in uw verstand en hart. Zoo zeggen wij ook; de predikanten die hun plicht niet waarnemen, maken zich schuldig aan het bloed der zielen. Zij maken zich schuldig zelfs dan, als zij de vromen vleien, en de burgerlijken niet waarschuwen. God zal \'tvan hunne handen eischen. Ziet gij wel, eene gemeente stuift altemet daar tegen op, maar men is zoo trouw niet als men wel moest zijn. Vergt het ons dan nooit ontrouw te zijn. Waarom zouden wij met u verloren gaan? Wij kunnen betuigen dat, gedurende den ganschen tijd dat wij uw predikant geweest zijn, wij niet anders hebben aangehouden, dan een herder achter God betaamt. Uwen doo-delijken dag hebben wij nooit begeerd, Jer. 17:16. Uw haat of on-guiist hebben wij niet verdiend, noch die gevreesd. De gunst van grooten hebben wij nooit gezocht, \'t Is gevaarlijk en moeilijk, \'t is een strijden, jageii, vechten, \'tis een hatelijke dienst. Gij wordt gehaat, bespot. Dan is \'t eens: gij zijt een beroerder, ik haat u, hebt gij mij gevonden, mijn vijand? Weet gij wat veel helpt? De gebeden dei-vromen, Gods zegen, en het loon verzoet het alles, niet het lichamelijke, maar die vrede, stilte en blijdschap. Hebben ze er velen gerechtvaardigd, zij zullen ook blinken als de sterren aan \'t uitspansel. Dan. 12:3. \'tls een vruchtbaar loon. Wij blijven dan bij hetgeen wij in \'t begin zeiden: wij wilden wel, dat wij u altemaal in den hemel zagen. En dat gunne \'en geve ons God, om zijns Zoons wil. Amen.

450

-ocr page 457-

C A T E CIIIS M U S -P R E DIK A TIE.

Over den XXXII. Zondag. Vhag. SC, 87.

Twee-en-dertigste Zondag.

8G. Vraag. Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder eenige onzer verdienste, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten ivij dan nog goede iverhen doen?

Antwoord. Daarom, dat Christus, nadat .Hij ons met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door zijnen H. Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij met ons gansche leven Gode dankbaarheid voor zijne weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen worde: daarna ook, dat elk bij zichzelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onzen godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.

87. Vraag. Kunnen dan die niet zalig worden, die in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet hekeeren?

Antwoord. In geenerlei wijze, want de H. Schrift zegt: dat geen onkuische, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, roover, noch dergelijken, het rijk van God beërven zal.

DE Apostel Paulus, beschrijvende den godsdienst, zegt: dat die is eene kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is. Tit. 1:1. Daar komen ons in onzen godsdienst drie zaken voor, te weten: kennis, geloof en praktijk. Daar komt ons bizonderlijk in voor.E Apostel Paulus, beschrijvende den godsdienst, zegt: dat die is eene kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is. Tit. 1:1. Daar komen ons in onzen godsdienst drie zaken voor, te weten: kennis, geloof en praktijk. Daar komt ons bizonderlijk in voor.

Eerst. Kennis. Den waarachtigen God, Vader, Zoon én Heiligen Geest te kennen. Joh. 17: 3. Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. De kennis is een goed van \'t genadeverbond. Zij zullen mij allen kennen van hun kleinsten af tot hun grootsten toe, Jer. 81 :34. En die kennis zou niet klein wezen. De gansche aarde zou vol kennis des Heeren wezen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken, Jes. 11:9. Zij zouden allen den Heere kennen, de kleinen en de grooten; ja, al hunne kinderen zouden zelfs van den Heere geleerd zijn, Jes. 54:13. De kennis is het voornaamste bij Salomo. Welgelukzalig is de mensch, zegt hij, die wijsheid vindt en de mensch die verstandigheid voortbrengt. Want hun koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en hunne inkomst dan het uitgegraven goud, Spr. 3:13, 14. Hij wil, dat men tot de wijsheid zegt : Gij zijt mijne zuster, dat

-ocr page 458-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

men bet verstand onzen bloedvriend noemt, Spr. 7 :4. Zoo ziet gij dan liieruit wel, dat de vromen groote kennis hebben. Geeft het den vromen dan niet na, dat zij geen wijsheid hebben, zij zijn de aller-■wiisten, zij hebben de zalving van den Heilige, die hun alle dingen leert en zoo weten ze alle dingen, 1 Joh. 2:20. Paulus stond er zoo naar\' als hij alle dingen schade en drek rekende om de uitnemendheid\'der kennis van Jezus Christus zijns Heeren. Filipp. 3:8.

Ten tweede, \'t Komt in den godsdienst niet alleen aan op kennis, maar ook op het zaligmakend geloof. Wat was toch de kennis, als er dat zeldzame, dat noodige niet bij kwam ? \'t Is het geloof der uitverkorenen. Tit 1:1; dat niet aller is, 2 Thes. 3: 2. Het is eene gave hods, M. 2-8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloot, en dat niet uit u, het is Gods gave, Filipp. 1:29, dat geloof is een recht-vaardigmakend, vruchtbaarmakend, en heihgmakend geloot. Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, Joh. 3:10. Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden, Mark. 10:16. ..

Maar ten derde. Wat is kennis en wat is geloof als gi] met godvruchtig leeft? Vindt gij een mensch die het geloof heeft, hij moet het uit zijne werken toonen. Toon mij uw geloof uit uwe werken, en ik zal li uit mijne werken mijn geloof toonen. Jak. 2 :18. De praktijk is de ziel van de kennis, een godzalig hart moet werkzaam wezen niet alleen met zijne hersens, maar met zijn ganschen wandel. Uit zijn drie stukken, quot;waar God in zijn Woord, en Paulus m zipie brieven en de Onderwijzer hier zoo op aandringen, dat zijn de prikkelen en de nagelen, die\' diep ingeslagen worden van de meesters der ver-zam elingen, Pred. 12:11. Mist gij het eene of het andere, dan mist gij de geheele zaak, mist gij het eene, gi] mist het andere ook. lot dat derde stuk van onzen godsdienst gaat het tijdgeloot mee, maar dan verdwijnt bet als gij aan dat derde stuk komt. Maar \'t rechtzinnig geloof gaat in alle\'drie de stukken mee, hoewel er ook al onder zijn die het eene willen weg hebben, die de verlossing alleen maar willen hebben, zonder kennis van ellenden, en met de dankzegging zal quot;t dan gaan zooals het mag. Daarom komt de christelijke Onder-wiizer tot bet derde stuk, dat een kind Gods zoo lief is als het eerste en bet tweede. Wij zullen het niet alles afhandelen, alleen zullen wij maar onzen Zondag een weinig beschouwen, en daarin zullen

Avij zien: , , , . ,

Eerst. De gelegenheid, en hoe dat er deze vraag m komt: waarom

moeten wij nog goede werken doen? , .

Ten tweede. Moeten wij zien, wat de geesteli]ke dankbaarheid is, zij wordt dikwijls zoo niet getoond, als \'t wel moest wezen. \' Ten derde. l5e noodzaak om goede werken te doen.

Ten vierde. Het ongeluk van de goddeloozen. Wij moeten bezien. 1. De gelegenheid van deze vraag. 2. De natuur van de geestelijke dankbaarheid. 3. De noodzaak tot goede werken. 4. Het ongeluk van de goddeloozen zoo zij zich niet bekeeren. i

Wat het eerste aangaat, de gelegenheid, bij welke de Onderwijzer

452

-ocr page 459-

OVER DEN XXXII. ZONDAG. Vrag. 86, 87.

deze vraag doet, is, omdat hij altijd in \'t geheugen eenige zaken wil gehouden hebben. Welke zaken? Deze;

Eerst. Ach! denkt aan uwen ellendigen, naren toestand. Wat nog? Toen gij nog geen verlossing hadt, zoo was er evenwel hoop voor u. Wat nog? Denkt daaraan, dat de Verlosser kwam, en die had verdiensten voor u, u ten goede, en Hij heeft in uw hart willen prenten, dat zij, die verlost worden, geen verdiensten hebben, en evenwel zalig worden, doch uit genade. Et\'. 2:8, Uit genade zijt gij zalig geworden, niet uit u.

Ten tweede. De gelegenheid is, dat partijen een kwaad gevolg trokken uit onze leer; \'tis al op genade te leven, zeiden zij, waar gij van spreekt; wat behoeft men dan van de dankbaarheid te spreken? Verblijdt u dan maar in uw geloof, en leelt zooals gij \'t verstaat. Maar wat zegt Faulus, Rom. 6:1, 2, Wat zullen wij dan zeggen, zegt hij, zullen wij in de zonde blijven liggen, opdat de genade te meerder worde; dat zij verre, zegt hij, hij wil zeggen: laat dat in uw hart geen plaats hebben.

Ten derde. Hij neemt die gelegenheid waar, om te toonen, dat wet en Evangelie met tegen elkander strijden. Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre, maar wij bevestigen de wet, zegt dezelfde apostel, Rom. 3:31. En Gal. 3, bijna \'t geheele hoofdstuk door, doelt de apostel daarop, alsof hij zeggen wilde: wij geven de wet plaats, voor de verlossing van den mensch, om hem te overtuigen, en na de verlossing om hem naar dien regel te doen wandelen, en dat met alle gewilligheid van het gemoed.

Nog eens. Ten vierde. Om een indruk te geven, dat de verdiensten van de goede werken verschillen. Waar verdiensten zijn, zijn altijd goede werken, maar waar goede werken zyn, zijn niet altijd verdiensten. Dat is het onderscheid.

Ten laatste. Om ons volk te beschamen, als hunne praktijk tegen hun geloof en godsdienst aanloopt. Om uw gedrag wordt dan de naam Gods (de leer van de genade) gelasterd, Rom. 2:24. Dit gezien hebbende zoo wil de Onderwijzer

In de tweede plaats beschouwd hebben, de geestelijke dankbaarheid.

Hebt gij er uw leven wel over gedacht, wat dat is ? Ach! niet velen bezitten dat stuk! Als gij dat stuk bezit, dan begint er al in uw hart gewrocht te worden. Hoe bewerkt God zulk eene ziel, als Hij haar geestelijk dankbaar maakt? Dan begint het hart bewrocht te worden om een zeker voorwerp te beschouwen, en dat is de groote God; daar speelt in hunne gedachten dat beminnelijke, heerlijke Wezen. Wat ziet gij daarin?

Eerst. Eene allergrootste volmaaktheid, zaligheid, algenoegzaamheid ! Wat nog? Dat Hij niets noodig heeft. Hij was volmaakt gelukzalig eer er eenig schepseltje was, en toen \'t er was, zoo was Hij in Zich zeiven volmaakt. Als er het schepsel is, ontvangt hij er niet van hoe vroom het ook is, en hoe goddeloos het ook is; het beneemt Hem niets. De duivelen benemen God zijn geluk niet. De engelen geven

463

-ocr page 460-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

\'t Hem niet. Als zulk eene ziel bezig is in \'t eenzame; lieve God! ze^fc ze, wat zijt Gij groot! Daar woelt en raast de geheele wereld, en die kan God quot;z^n volmaakt geluk niet benemen.

Ten tweede. Bewerkt God dat schepseltje om zichzelven te beschouwen. Ziet eens, zegt Hij, wat gij voor een zijt. Als ze dat met ernst en naar waarheid la-ijgèn te zien, dan moeten ze zeggen: ik ben zoo gering, en zoo slecht als een dropje aan den emmer, en als een stofje aan de weegschaal, Jes. 40:15, een wormpje of een made, een onreine, die leemen hutten bewoont, welks grondslag in het stof is. Job 4:19, ik ben geen beziens waardig, een gering grasje; ik ben onwaardig ooit eenige gunst van U bewezen te worden; het minste droppeltje van uwe zegening ben ik niet waardig, en als Gij mij al eenig goed bewijst, wat eene ondankbare ben ik!

Als God hun dat heeft doen zien: ik ben zoo slecht, en gij Heere! zoo volmaakt, ik ben zoo onwaardig; dan komt God en die bewerkt hen en zegt: Hebt gij nooit iets goeds van Mij gekregen? Heb Ik u nooit iets goeds gedaan, zoodat gij moet zeggen in \'t eenzame: groote God! Gij hebt mij goed gedaan zooveel in getal, zoo verscheiden in soort; Gij hebt mij zulke groote weldaden bewezen, zoodat ik moet zeggen, dat ik het niet naar waardij kan schatten. Mijne en uwe zonden zijn zoo groot, dat wij het getal daarvan niet weten. Zoo is \'t ook met al Gods weldaden, die zijn zoovelen, dat wij ze niet tellen kunnen, Ps. 71 :15, Mijn mond zal uwe gerechtigheden vertellen, den ganschen dag uw heil, hoewel ik de getallen niet weet. En Ps. 139:18, Zou ik ze tellen? harer is meer, dan des zands; er is geen tellen aan. Behalve dat, ik kan mijne,^ noch gij uwe zonden in orde verhalen, zoo verscheiden zijn ze. Zoo verscheiden zijn ook de zegeningen, dat wij ze in geen orde kunnen brengen; wij kunnen niet zeggen: dat is de eerste, dat is de tweede, en dat de derde weldaad; wij moeten er van zeggen: zou ik ze in orde verhalen, dat kunnen wij niet doen, dat is onmogelijk, en dat hebben wij alte-maal zeer wel en zeer dikwijls ondervonden.

Als nu zulk eene geestelijk dankbare ziel die weldaden beziet, zoo neemt zij ze in hare hand, en zij weegt ze in de weegschaal van hare gedachten, en zij zegt: dat is zooveel, en dat is zooveel waard, en zij roept uit: Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid o God! Ps. 36:8, en vers 6, O Heere! uwe goedertierenheid is tot in de hemelen. En Et. 3:19, O liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. \'tls eene diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! /ij moeten er van uitroepen: lloe ondoorgrondelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen! Hom. 11:33.

Nu komt God de Heere en die zegt: mensch! hebt gij nu niet eens lust, om uit zulk eene zee van weldaden dezelve evenwel een beetje te gaan regelen? Wilt gij ze niet eens in orde brengen zooveel als gij kunt; en die zoo elk in zijn soort eens gaan bezien? Er zijn groote weldaden aan u bewezen in de natuur, groote in \'t burgerlijke, en groote in \'t kerkelijke; en dan zijn er nog groote in \'t geestelijke,

454

-ocr page 461-

OVER DEN XXXII. ZONDAG. Vrao. 86, 87.

en wat hebt gij nog eeuwige zegeningen te verwachten. Ei, volgt het zoo een beetje met uwe gedachten na, laat ons uwe gedachten zoo wat leiden. Brengt ze eens tot de natuurlijke weldaden. Moet gij daar niet zeggen: moest ik mee al een schepseltje wezen, Heere? Als het U nog al beliefde mij een schepseltje van U te maken, waarom was ik geen onredelijk dier? Waarom geen worm of eenig ander verachtelijk schepseltje? Waarom moest ik juist een redelijk dier, een mensch zijn, het hoofdstuk van Gods werken? O Heere! zult gij moeten uitroepen, dat is uwe vrijmachtige goedheid, uw vrijmachtige wil en welbehagen, dat ik een mensch ben. Maar als ik nu al een mensch was, lieve Heere! waarom hebt Gij mij dan een lichaam gegeven zonder wezenlijk gebrek? De een is kreupel, de ander is blind, de ander is doof geboren; waarom hebt Gij mijn lichaam, goede God! in zulk eene goede geschiktheid gesteld? En als Gij mij zulk eeu gezond en welgeschapen lichaam gaaft, waarom beliefde het U mij dan nog zulk eene ziel te geven, met kracht en vermogen, om recht werkzaam te zijn? Waarom heb ik mijn volkomen verstand, daar anderen van kloek verstand berooid zijn? Wat leefde ik in veel gevaar in mijne jeugd! Had mijne moeder of mijn vader moeten doen, wat Gij Heere gedaan hebt; zij hadden mij zoo niet kunnen bewaren. Als ik hun opzicht niet had, dan had ik het opzicht van mijn God en Maker, dan kon Hij mij bewaren.

Dan komen ze tot de burgerlijke weldaden. Allerliefste Heere ! zeggen ze, ik word allengskens groot. Uwe lankmoedige vriendelijkheid was daar ook in, dat ik in dit en dat onderwezen werd, daar mijn lust naar strekte; ik geraakte eindelijk in een beroep, in eene nering of handwerk, of andere manier van kostwinning en bestaan. Sommigen kunnen zeggen: ik geraakte in staat en aanzien; en anderen: ik kan gemakkelijker aan den kost komen dan anderen; ik geraakte getrouwd, of ik bleef ongetrouwd; daar ik mijne hand aansloeg, \'twas alles gezegend; ik woon in een land dat als een Kanaan is, waar de winkels vol zijn, waar de eene voorraad na den andere uitgeleverd wordt, Ps. 144: 13. Ik woon in een land, waar de grendelen van de poorten sterk zijn. Gij hebt deszelfs inwoners vrede gegeven; daar is geene bejegening van eenig kwaad, zoo voor den inkomende, als voor den uitgaande. Daar is geen vijand ver of nabij.

Dan komen ze tot de kerkelijke weldaden. Ach God! zeggen ze, ik werd geboren in den schoot der Kerk; ik ben uit zulke ouders, die hun kind niet konden zien, of zij dachten: laat ons een jeugd-verbond voor hetzelve maken; zij hebben hun kind niet kunnen zien, of zij zuchtten tot den Heere, hoe goddeloos dat ze waren, zoo zeiden ze, laat ons kind een kind van God wezen! Die dikwijls niet veel bidden, zeggen evenwel: laten wij ons kind door het gebed aan God opdragen. Aan de andere kant zijt gij van vrome ouders, van vaders of moeders zijde, of wel van beide zijden ; laat ons kind, zeggen ze, niet voor den duivel, of voor de wereld zijn, maar laat het een zaad voor den Heere wezen. Als \'t nog in zijns moeders ingewanden was.

455

-ocr page 462-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

4B6

of nog nauwelijks ter wereld gebracht, zoo hebben ze den Heere al lastig gevallen voor het kind, dat het toch des Heeren kind mocht zijn. Dan groeide \'t allengskens op. Is \'t eene vrome opvoeding geweest, dan groeide \'t op, onder vele tranen en gebeden; is \'t een goddelooze geweest, dan is \'t droevig. Gij zijt misschien niet altijd zoo vroom geweest. Hoe gedroeg de Ileere Zich omtrent u? Hij laat de boom nog een jaar of eenige jaren sta.an, daar anderen als een Ananias en Saffira schielijk sterven. Liet God ons staande blijven in \'t kerkelijke, heeft Hij u de zuivere verkondiging van zijn Woord gegeven, of kwam er ergens een, die dwalingen in den kop had, daar stonden er wel tien tegen op, om hem te ontdekken. Behalve dat, in de Kerk, waar gij woondet en verkeerdet, hoe menige mannen van allerlei bekwaamheid heeft God er gezonden? In deze stad wat hebben er al geweest van allerlei talenten en bekwaamheden, om in uw hart te sluipen, en dat voor God en zijn Woord in te nemen! Of gij het niet wildet hooren, of gij ze verwenschtet, zij bleven al aanhouden\'; of gij dacht: ik wilde wel, dat het zoo niet was, of gij kwaamt of niet, het was evenwel tot uw last, tot uwe verantwoording. Eindelijk kwam het zoo ver, dat gij zeidet: ik zal belijdenis doen; gij kreegt eenige kennis, gij deedt belijdenis, gij werdt toegelaten tot het avondmaal; sommigen kregen eene bediening in de kerk, anderen eene predikantsplaats, en dat wel ongedacht en onverwacht; zij kregen talenten, zoodat God zeide: doet er winst mede; ja onder de liediening zijnde, kregen sommigen eene ontroering en wroeging in hun hart; daar werd bun het vuur zoo na aan hunne voeten gelegd, dat ze moesten zeggen: Ach God! ik moet veranderd worden van gemoed! Dat is zoo in \'t algemeen, maar dan komt God met geestelijk werk, zoodat ze beginnen te zeggen: Heere! wat is al het andere zonder dat! Zoo gij en ik niet kunnen zeggen, dat onze namen geschreven zijn in \'t boek des levens, zoo is onze staat ongelukkig en eeuwig rampzalig; maar zijn onze namen ingeschreven, niemand zal er ons dan uitrukken. Daar was een contract tusschen God den Vader en den Heere Jezus, dat moest volbracht worden; zij kregen zoo hun loop, totdat het kwartiertje en totdat quot;t oogenblikje, in Gods raad bepaald en vastgesteld; daar was het schepseltje en \'t middel dat God er toe wilde gebruiken, moesten er beide wezen; en die tijd daar zijnde, naar zijn raad, zoo riep God ze uit duizenden; daar trok en riep Hij ze met kracht; hoe boos dat hart ook tegen God was, daar was \'t dan; nu kan ik niet meer, Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal. Hand. 9:6, en daar beschikte God dan deze en gene, die zich alteraet verbond in hunne smart; Hij zond altemet den een en den ander naar u toe, die met u deden, evenals een wondheeler, die een verband op de wond legt; zoo komt God met de eene en met de andere bewerking, en legt het op het hart dat verwond is, als een verband van een wondheeler, tot genezing. Maar altemet moet Ik een scherp verband doen, zegt God; doch laat Ik het maar doen, het moet zoo wezen; en dan komt God en die legt een ver-

-ocr page 463-

OVER DEN XXXII. ZONDAG. Vrag, 80-87.

band aan oen belaste, eene moedgevende bewerking. Komt herwaarts tot Mij, allen die belast en beladen zijt, en Ik zal u rust geven, Matth. 11:28. Dan geeft God hun ook wel eens eene bewerking van bidden. Als zulk een denkt: zou ik nog wel terecht komen? Dan doet God bun den Heere Jezus zien in zijne schoonheid, dan brengt Hij hun tot een gezicht van hunne zonden; Hij doet ze er bij zien hoevele duizende overtredingen Hij bedekt met den mantel der gerechtigheid van den Heere Jezus. Daar geraakt dat schepseltje als geheel in zwijm; dan geraakt het in begeerte tot de nabijheid Gods, tot de volle verzekerdheid des geloofs, en dat Hij het eens zou doen smaken de zekerheid van hunne zaligheid, Ps. 5: G. Zij verkrijgen \'t wel eens zoo, dat ze als opgenomen worden. Zij krijgen wel zulken, die ze niet noemen kunnen, die alle verstand te boven gaan, die zeldzame uurtjes, die uitnemende oogenblikjes, doch die van zoo korten duur zijn. Zij geraken wel weer in zulke gevallen, zoodat ze wel doodig en traag worden en in zonden komen te vallen; doch de Heere trekt daarom zijne hand niet van hen; maar naardat ze de zonden begaan, en ook beleden hebben, zoo neemt God ze weer in genade aan. Dat hebben wij gezien iu Petrus, als hij zoo bitterlijk weende. Luk. 22: 62, wat kost hem zijne afdwaling! De Heere bracht hem terecht, Hij doet even als een herder, die het afgedwaalde schaap gaat zoeken.

Eindelijk brengt God hen tot die gedachten van de eeuwige weldaden, die ze te verwachten hebben, dat groote goed, de zaligheid dei-zielen met den dood, en na de opstanding voor ziel en lichaam beide. Als ze die beschouwen, dan zeggen ze er van: Heere! mijne nieren verlangen zeer in mijn schoot. Job 19:27. Ach, was ik bij den Heere! dat is mij verre het beste.

Bedenkt het nu eens. Is dit niet een eerlijke staat? Zegt gij nu: zijn die weldaden aan mij zoo bewezen? Indien gij het zoo vindt, moet gij niet zeggen: Ach Heere! hoe verwonderd ben ik! maar Heere! ik moet eene vraag doen, belieft het ü, antwoord mij: wat zijn de redenen waar al die weldaden uit vloeien? Aan de eene zijde de vrijmachtige genade Gods, ïit. 3:5 Ps. 136, waar tot zesentwintig malen toe, geen andere grond gelegd wordt, dan de goedertierenheid van den Heere; aan de andere zijde de verzoening, die de Heere Jezus door lijden en gehoorzaamheid teweeggebracht heeft. Hij moest het bittere proeven, opdat gij verkwikking genieten zoudt. Hij, die rijk was, is om onzentwil arm geworden, 2 Cor. 8 : 9. Daarop komt God en die werkt nederigheid in hen. Ik ben te gering en te snood dan al deze uwe trouw en weldadigheid. Gen. 32:10; en Luk. 15:21, Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden. Hij werkt ook blijdschap. Loof den Heere, mijne ziel, vergeet geen van al zijne weldaden, Ps. 103:1, 2; en 100:2, Dient den Heere met blijdschap; eu Ps. 92:5, Gij hebt mij verblijd, Heere! met uwe daden, ik zal juichen over de werken uwer handen. Daar beginnen ze in liefde tot God uitgaande te zijn; zij kunnen eenvoudig met David zeggen, Ps. 116:1, ik heb den Heere lief; Ps. 18:2, Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijne

457

-ocr page 464-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

sterkte. Joh. 21 ; 17, Heere, Gij weet alle dingen, Gi] weet, dat ik U liefheb. Dan willen ze dat gaan heugen. Dat vergeet ik mijn leven niet, zegt zulk eene dankbare ziel, die natuurlijke zegeningen, die burgerlijke, die geestelijke en die eeuwige, die ik nog wacht; zij heugt het zoolang als zij leeft. Ik kan er niet van zwijgen, zeggen ze. Komen ze bij hunne vrienden, en zelfs al was het bij hunne vijanden, bij hunne huisgenooten en bekenden. God heeft dat aan mij gedaan, zeggen ze, Ps. 66:16, Komt, hoort toe, o gij allen, die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijne ziel gedaan heeft; Ps. 44:2. Onze vaders hebben het ons verteld. Zij nemen hunne kinderen eens bij zich, zij vertellen het, en zeggen: dat, en dat, heeft God aan mij gedaan. Dan beginnen ze zooveel lust te krijgen om God te dienen. Nu moet al mijn leven gericht zijn, zeggen ze, om te toonen, dat ik een goede boom ben. Dat is de natuur van de dankbaarheid, die gij en ik zouden eischen.

Gij zult licht zeggen: ik weet er niet van, zoo te danken. Is u dat onbekend? Dat is een slecht teeken. Kent gij die dankbaarheid niet? \'t Is een teeken, dat gij niet veel deel hebt aan de verlossing.

Nu hebben wij ons derde stuk te bezien, en dat is de noodzakelijkheid van de goede werken, al verdienen ze niet. Al verdient Christus alleen, al worden wij uit genade zalig, al is het, dat, als wij alles gedaan hebben wat ons bevolen is, wij nog onnutte dienstknechten zijn, want wij hebben dan maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen. Luk. 17: 10; evenwel zijn ze noodig, al verdienen ze niets. Waarom zijn ze noodig? zult gij zeggen.

Eerst. Let eens op; de Onderwijzer zegt: de Heere Jezus heeft ons gekocht met zijn bloed; wat zullen wij Hem nu gaan vergelden? Zullen wij nog langer zondig gaan leven, daar Hij voor ons gestorven is? Hij is voor u ter helle nedergedaald, en zult gij niet naar den hemel quot;zoeken te gaan? Hij heeft Zichzelven overgegeven, opdat Hij Zicbzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Tit. 2:14. Hij heeft u met zijn bloed gekocht, opdat gij Hem verheerlijken zoudt.

Ten tweede. Beziet eens wat God de Heilige Geest aan u gedaan heeft. Hij heeft u naar het beeld Gods vernieuwd. Heeft Hij zijn beeld dan in u vernieuwd en hersteld, opdat gij den duivel dienen zoudt? Is het niet, opdat gij den ouden mensen zoudt afleggen en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is, Ef- 4 : 22, 24, rechtvaardig, matig, en heilig leven zoudt? En zoudt gij nu nog goddeloos willen gaan leven, en het beeld des duivels vertoonen?

De derde reden is: omdat God het gebiedt. Als vader of moeder iets gelast, zal men dat niet doen? Als een magistraat iets belast, moet men dat niet nakomen? Micha 6:8, Wat eischt de Heere van ons, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en dat_ wij ootmoedig met Hem wandelen zouden? Dit is de wil Gods, uwe heiligmaking, 1 Thess. 4:3. Hij ontslaat niemand van dat gebod, noch

458

-ocr page 465-

OVER DEN XXXII. ZONDAG. Vrag. 86, 87.

koning noch bedelaar; \'t is een onveranderlijk gebod; \'t is zoo onveranderlijk, dat het nooit herroepen kan worden; \'tis al vaster, dan de wet der Perzen en Meden, Dan. G: 9. Als God van dien eisch afging, dan zou Hij tegen zijne natuur spreken, en Zichzelven verloochenen.

Ten vierde. Wij moeten goede werken doen, anders kunnen wij niet toonen, dat wij dankbaar //yn. Als wij weldaden genoten, en wij gingen er tegen aan, dat zou een teeken van hardnekkige ondankbaarheid zijn. De Zaligmaker eischt niet anders. Joh. 5:14, Ziet, gij zijt gezond geworden en zondigt niet meer. Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, zeide God, maar zij hebben tegen Mij overtreden, Jes. 1:2. Wat is meer te doen aan mijnen wijngaard, hetwelk ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, (dat was billijk) en hij heeft stinkende druiven voortgebracht, (dat was schrikkelijk) Jes. 5:4.

Ten vijfde. Gij moet goede werken doen, opdat gij God eer geven zoudt. Len kind, dat wel leeft, is tot eer van zijne ouders; een Christen die wel leeft is tot eer van God. Matth. 5:10. Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. De Heere Jezus zeide: hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij vele vruchten draagt, en gij zult mijne discipelen zijn, Joh. 15:8. Dat een akker vele vruchten draagt, is dat niet tot eer van den landman? Zegt men niet: die man heeft zijn akker goed gedaan? Zoo is \'t met ons ook. Dienen wij den Heere, Hij wordt door ons grootgemaakt.

Ten zesde. Wij moeten goede werken doen, opdat wij verzekerd van ons geloof zouden wezen. Daar is zeer veel aan gelegen. Leeft gij niet vroom, gy kunt niet verzekerd zijn; leeft gij slordig, God zal het donker in uwe ziel maken. Wat maakt den boom goed dan de vrucht? De boom wordt uit de vrucht gekend, Jak, 2:18. Matth. 7 : 20-

Ten zevende. Hoe zult gij anders uwen naaste stichten, overtuigen, winnen? Woont gij in eene goddelooze buurt, en hooren ze u eens bidden; het is zoo dikwijls een klop in hun gemoed, zoodat ze moeten zeggen: mijn gebuur bidt, en ik vloek; hij gaat naar den hemel, en ik naar de hel. Het geeft hun zoo menige neep in hun gemoed. Woont gij in eene straat, waar \'t zeer goddeloos is, en gaat gij naar de kerk, het is hun zoo dikwijls een steek in hun hart. Al willen ze kwaad van u spreken, gij hebt hun geweten voor n. Ik loop, zeggen ze, wel geheele weken langs de straat en ik zeg: mijn gebuur verzuimt zijn beroep, als hij eens naar de kerk gaat: en hoe dikwijls verzuim ik het, als ik in een zondig gezelschap ga! Daardoor wint dan altemet de geloovige vrouw den ongeloovigen man, of de geloovige man de ongeloovige vrouw, 1 Cor. 7:14. Door uwen goeden wandel kunt gij er dikwijls, zonder een woord te spreken, wel een winnen, zoodat, als ze eens ziek worden, dan is het: roept nu mijn vromen gebuur eens in, anders is hij er doorgaans te veel; maar

459

-ocr page 466-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zijn ze ziek, dan is het: haalt dien vrome; laat die, en die vrome, nu met mij eens spreken.

Ten laatste. Al verdienen wij niets door de goedo werken; zonder goede werken, zonder heiligmaking1, hebt gij geen heerlijkmaking te wachten. Christus en de goede werken gaan te zamen, Hebr. 12 :12—14.

Nu moeten wij zien, en dat is ons vierde stuk, het ongeluk van de goddeloozen. Zullen die niet zalig worden die geen goede werken doen? Neen, of daar moet groote genade tusschenbeide komen. De vromen doen ze ook van nature niet; maar daar komt groote genade tusschenbeide. Maar blijft iemand goddeloos leven, dan kunnen zij niet zalig worden; die geen goede werken doen, kunnen niet zalig worden in geenerlei wijze, maar die goddeloos wil blijven, gaat naaide hel. Weet gij wie zij zijn die niet zalig zullen worden, zoo ze niet bekeerd worden? Deze:

Eerst. Openbare goddeloozen, die goddeloos leven, zulke menschen, die vloeken, zweren, en ongodsdienstig leven. Zij misbruiken den Sabbat, die Gods naam ontheiligen, vloekers, spelers, die in zichtbare, vuile vlekken leven, en elk besmetten. Men kan altemet weinig onderscheid zien tusschen het doodsbeen van een mensch, of van een beest. Zoo is het ook, men kan altemet kwalijk onderscheid zien tusschen een Christenmensch, of een beest. Die zullen het koninkrijk Gods niet beërven; 1 Cor. 6:10. En dwaalt niet, noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards; geen lasteraars, geen roovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. De bijl ligt aan den wortel der boomen; alle boom, die geene goede vrucht voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden. Luk. 3:9.

Ten tweede. Wie zullen er nog al niet zalig worden? De burgerlijken, die zelfs zoo onopsprakehjk zijn. Zullen die ook al verloren gaan? Ja. Ziet dat in den jongeling. Mark. 10:17—22. Evenals die jongeling komen ze dicht bi], maar zij komen evenwel niet binnen.

Ten derde. Wie nog? De geveinsden, dewelke aan \'t hart ondeugend zijn. In hunne gedaante willen ze zich goed vertoonen, maar ze zijn den wit gepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon, maar van binnen vol doodsbeenderen en onreinigheid zijn, Matth. 23:27. Zij zuchten, zij schreien, men zou denken, dat het alles wel met hen was, zij zijn buiten godvruchtig, maar van binnen vol stinkende gruwelen.

Ten vierde. Weet gij wie nog? Zulken, die wederkeeren, waar men van moet zeggen: gij waart voor tien of twintig jaren beter dan nu. Die volhardt tot het einde toe, zal zalig worden, Matth. 24:13. Gevolglijk die niet volhardt, zal niet zalig worden. De ranken die buiten den wijnstok zijn, zullen buiten geworpen worden. Joh. 15:6.

Ten vijfde. Weet gij wie nog? Haters van de vromen. Zoo gij de vromen baat, gij gaat naar de hel, gij zult niet zalig worden. Joh. 15: 18, 10. Indien u de wereld haat, zoo weet, dat ze Mij eer dan u gehaat heeft.

460

-ocr page 467-

OVER DEN XXXII. ZONDAG. Vrab. 86-87.

Ten zesde. Weet gii wie nog? Die naar het vleesch leven. Die znllen sterven, Kom. 8:13. Want indien gij naar het vleesch leeft zoo zult gij sterven. De werken des vleesch es nu zijn, dat men den naam heeft, dat men leeft, en men is dood, Openb. 3:1. Ziet het in de dwaze maagden, Matth. 25.

Ten zevende. Weet gij wie nog al niet zalig worden? Die niet wedergeboren worden, Joh. 3:5. Zooals ze in hun natuur leven, zouden zij het in den hemel niet kunnen harden. Rom. 8:7. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God. Wat gemeenschap zou dan de duisternis met het licht kunnen hebben, of Christus met Belial ? 2 Cor. 6 :15.

Voor de natuur, die onbekeerd is, is het in \'t zwart te gaan. God te dienen. Ja zelfs in gezelschappen van vromen te zijn, is als de dood voor hen. Als goddelooze kinderen met hun vrome ouders naar het gezelschap van vromen moeten gaan, dan hangt hun het hoofd. En wat zou nu zulk een in den hemel doen?

Nog eens. Een onbekeerde is tot den Heere Jezus niet gebracht, hij gaat nog op den breeden weg. Het kan niet anders wezen, of die zoo leeft, zal ook zulk een uitgang hebben. Die goddeloos leeft, zal een goddeloozen uitslag hebben, \'t Is even alsof een landman in den zaaitijd onkruid zaaide, in den maaitijd zal hij dan ook niet dan onkruid maaien. Zou een mensch al maar de zonden bedrijven, en in den hemel komen? Dat zou zijn, eveneens alsof een landman onkruid gezaaid had, en hij wilde, de oogst daar zijnde, tarwe maaien.

Nu komt de Onderwijzer, en hij neemt bij die gelegenheid het stuk van de bekeering op; en daar gaat hij van spreken, en daarop zeide hij welke de ware bekeering is, en welke de valsche is, en dat doet hij zeer wel en bescheiden.

Dan mogen ze zeggen: gij hebt zoo van de goede werken gesproken, en dat er zoo vele vlekken zijn; maar wat moeten wij voor goede werken houden? Dan neemt hij bij die gelegenheid de geheele wet van God onder handen, en die verklaart hij. Wilt gij den weg naar den hemel zien ? zegt hij, deze is de weg. Als hij dan de wet ten einde is, zoo zegt hij: Ach Heere! is er nu wel een mensch, die dat kan doen, die de wet kan houden? Ach! neen. Geen een. Wat dan? Daarop komt hij tot die heerlijke stof van\'t bidden. Dan leidt hij de menschen naar God. God, zegt hij, heeft zulk een einde voor met die wet zoo scherpelijk te laten prediken, opdat, als wij ons gebrek en onze naaktheid zien, dat wij dan naar den Heere Jezus zouden vlieden. Hij wil ons tot bidden hebben. Daarop komt hij tot dat bizonder heerlijk stuk, het gebed, dat ons de Heere Jezus zelf heeft gegeven. Gij hebt in uw leven geen boek of traktaatje gelezen, welker inhoud zoo vol geest, klem en klaarheid is, als onze Catechismus. Zulk een traktaatje is er in de wereld niet. Neemt het, kust het, omhelst het, legt het in uw hart weg. Daar ontbreekt niets in van het geestelijke, \'t is alles zoo geestelijk! \'t is maar een kort traktaatje, maar wij zeggen de waarheid, gij hebt er uw leven geen stich-

461

-ocr page 468-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

teliiker gelezen. Staat voor eiken Zondag wat stil. Al deedt gi] elke week niets anders, dan dat gij voor eiken Zondag, die er gepreekt moet worden, wat stil stondt, gij zoudt allengskens daar bedreven in worden. Daar zou nooit iemand vat aan u hebben; de dmvel of

niemand. ,, ip i i

Daar hebt gij nu bet stuk van de dankbaarheid, in deszelts geneele

beloop. Ik wilde wel, dat gii elk rechtuit met uzelyen handeldet. Hebt gij geen weldaden van God ontvangen? Hebt gij niet met al gekregen! Is Hij u een harde Heere? Is Hij u eene woestijn, een dor land? Betuigt\' het tegen den Heere, Micha 6:3. Gaat eens in het eenzame. Legt uwen boezem eens voor God open. Heeft God geen weldaden aan u bewezen? , , , •• i ,

Misschien zult gij zeggen: Ach, ja! zoovele. Hoe hebt gi] het er mede gemaakt? Zijt gij als een graf? Wildet gij al de zegeningen niet gaan begraven en wegstoppen, opdat ze niemand zag? Moet God niet van u zeggen, even als van Israël: Haast vergeten zi] mi]ne daden, Ps. 106:21. Israël heeft zijnen Maker vergeten, Hoz. 8:14. Hebt\'gij ook zoo den Heere gaan vergeten? Zou men op uw hoofd niet moeten schrijven, hetgeen ze op Israël deden; De kinderen Israëls deden geene weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gide\'on, naar al hetgeen hij bij Israël gedaan had, Richt. 8: 3o. Zij vergaten, hetgeen Gidéon aan hen gedaan had; zij vergolden het den man noch zijn huis. Of hebt gij ze gaan verderven? Daar valt zoo menige zoete druppel neer op de doornen, en in de woestijn, maar het is terstond weg. Hoe menige zoete zegen druipt er op u neder? Maar wat doet gij er mede? Gaat gij het tot zonden gebruiken? Zal de Heere u móeten zeggen: Als nu Jeschurun vet werd, zoo sloeg hi] achteruit, Deut. 32:15. Als gij wat meer in de wereld werdt, sloegt gij dan mede achteruit? Zult gij dit den Heere vergelden, gij dwaas en onwijs volk? Deut. 32:6. Behalve dat, hoe ging het met al de zegeningen, die gij kreegt? Was God bij u de zegenaar wel? Gij hadt misschien wel ergens een vriend, wiens dorpel gij overliept; daar gij wat voor opgezeten hebt; wiens fouten gij deugden moest heeten; daar gij voor moest bukken en opzitten, alsof hij uw God was; daar gaaft gij uw gemoed voor ten beste; daar hadt gij dan al den zegen van; en dan moest God achter staan. Dikwijls kent gij het niet. Anderen wederom wijten \'t hun eigen verstand. Dat die en die niet hebben, dat ik heb, zeggen ze, is, omdat ze zoo naarstig en zoo verstandig niet zijn als ik. Die rooken hunne eigene netten, en maken een pop van hun eigen vernuft. Als gij van de dankbaarheid hoordet, moest gij niet zeggen, dat er vele zulken zijn, die de leer van de dankbaarheid* tegenspreken? Hebt gij uw leven in uwe stad daarover niet een groot geravot gezien en gehoord; gij zult het misschien nog wel zien,B dat er maar predikanten zullen zijn, die de theorie kennen, en zich daar maar mede zullen ophouden, maar met de praktijk niet. Bij de heidenen was het bekend, dat niemand wijs was, die niet vroom was. Rekent gij zulke menschen wijs die niet godvruchtig

462

-ocr page 469-

OVER DEN XXXII. ZONDAG. Vrag. 80, 87.

y-ijn ? Die niet vroom zijn, zijn dwazen; zij kennen de rechte en ware wijsheid niet.

Gij zult ligt zeggen: dat is waar, ik heb u begrepen, ik weet niet wat wij elkander nog al zullen wijsmaken; Salomo zegt, Spr. 3:7, Vreest den Heerc en wijkt van het kwade. Dat is het beginsel van alle wijsheid, en \'t beginsel van alle wijsheid is de rechte dankbaarheid. Niet die dankbaarheid van de Parizeen. Hoe menige Jood is er met zijn dankoffer naar de hel gegaan! Hoe menige Christen zal er met zijne dankzegging in de hel vallen! Hoe menige Christen leeft er onstichtelijk, zoodat men benauwd is, om in zijn gezelschap te zijn; en dat men blijde is, als men er uit is! Hoe weinigen zijn er, die er eenigen zoeken te winnen, die het met den duivel houden! Zij zouden ze eer van den Heere aftrekken. Dan beelden zij zich nog al in verlost te zijn!

Daar is dan onderzoek noodig of ik en gij verlost zijn; al hadden wij alle weldaden zonder dat, het kan ons niet helpen.

Waar is het aan te kennen?

Eerst. Die verlost is. Ach God! hij heeft zoo getreurd, en hij treurt nog zoo dikwijls, over zijn ellendigen toestand. Ik lig, zegt zoo een, onder uw toorn, onder den vloek, onder de kracht der zonden, onder de heerschappy des duivels; ik ga naar de hel, mijn God! ik ben uw schepsel, maar ik was beter nooit geboren, dan dat ik niet wedergeboren zou worden. Ach God! had ik liever mijn leven geen schepsel geweest, dan dat ik niet wedergeboren zou worden!

ïen tweede. Gij zult zoo bekommerd geweest zijn of gij uw leven wel verlost zult worden. Dien kommer toonen ze met bidden, zuchten, klagen en tranen; zij zijn verslagen in het hart. Zij roepen uit: wat moet ik doen om zalig te worden? Hand. 16:30. Bedenkt u, is het u niet zwaar geweest die verlossing te missen? Zegt de waarheid; is \'t u niet wei met eenig gewicht op uw hart gekomen?

ïen derde. Ach! kent gij een Verlosser? En \'twerk der verlossing schattet gij dat hoog voor u? Zeidet gij tot den A^erlosser: ik zal aan uwe voeten blijven liggen, kom ik om, zoo kom ik om? Esth. 4:10.

Ten vierde. Bemindet gij de praktijk der godzaligheid? Hebt gij die lief? Zegt gij: zonder praktijk en deugd is \'t alles niets? Die de praktijk der godzaligheid liefheeft, hoe is die gesteld?

Eerst. Hij heeft de bediening zoo lief, die op de praktijk staat.

Ten tweede. Hij bemint lieden van de praktijk; dat zijn de men-schen, waar hij \'t meest van houdt.

Ten derde. Hij heeft een generalen afkeer van de zonden.

Ten vierde. Hij heeft eene algemeene lust tot de deugd.

Ten vijfde. Hij heeft zoovele kloppingen en wroegingen als hij de zonden doet.

Ten zesde. Hij treurt over de inwonende zonden.

Ten zevende. Hij staat naar groei in de heiligmaking.

Ten achtste. Hij zoekt weer op te staan, als hij gevallen is.

463

-ocr page 470-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

Ten negende. Hij mijdt en vliedt alle zondige gelegenheden en gezelschappen.

Wat denkt gij nu in uw hart; zijt gij verlost, zondaar? Mist gi] dat? Zoolang gij onbekeerd zijt, zoo mist gij het; en dan moeten wij zeggen: 1. Gij zijt onder den vloek, onder de heerschappij des duivels, gij gaat naar de hel. 2. Gij zijt tot nog toe genadeloos, en wat ellendige staat is dat! \'t Is de naaste aan die der duivelen en der verdoemden. 3. Zoo hebt gij dan geen goede werken! Dan zijt gij een kwade boom, die staat, om uitgeworpen te worden. 4. Gij leeft niet tot eere van God, en dan zal Hij u eindelijk ook versmaden, 1 Sam. 2 :30, Die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden. Daarenboven uit dit alles kunt gij verzekerd zijn, dat gij nog in de natuur zijt. Bovendien, gij sticht uwen naasten \'niet, maar gij ontsticht hein. Gij wint niemand en gij wilt van niemand gewonnen worden, \'tis of uw geheele huis in beroering is, als er iemand van de uwen bekeerd wordt. Hij krijgt alles tegen zich. Ja, wij kondigen u aan, dat gij niet zalig zult worden, gij zult zekerlijk móeten verloren gaan, of God mocht nog bekeering voor u hebben. Geeft het evenwel niet op. Maar gelooft ook niet licht-vaardiglijk dat gij zalig zult worden. Gij zoudt altemet een leugen gelooveii, en met een leugen in uwe rechterhand verloren gaan, Jes. 44:20. Zoekt dan den Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. Jes. 55:6.

Vromen! die quot;de teekenen vindt, daar is ook al gebrek bij u. De vromen stichten ook weinig, \'t Is raar als gij een vrome twee of drie ziet, die tot stichting zijn. Zij zoeken dikwijls maar zichzelven te stichten. Kunt gij uwe kinderen, vrienden, huisgenooten, zoo naar de hel zien gaan? Schaamt uzelven voor den Heere. Dankt God voor al zijne zegeningen aan u bewezen. Wekt de gave op, die God u gegeven heeft. Van eiken zegen die God u heeft gegeven, heeft Hij gezegd: doet er handel mede. Vromen, al hebt gij gebrek, als gij maar die heilige schaamte blijft honden, troost u daarmede. Gij zult door verdiensten niet zalig worden, \'t Zal door de genade Gods zijn, en door de verdiensten van Christus. Daar hebt gij het stuk van den Zondag.

Wat dunkt u nu, moeten wij allen niet met schaamte naar huis gaan, en bidden, dat God ons onze ondankbaarheid vergeven, en al onze zonden bedekken wil met den mantel van Christus gerechtigheid; en dat Hij ons believe te verschoonen om zijne krachtdadige voorbede? Wij zullen toch altijd moeten zeggen, dat het uit genade is, dat wij zijn zalig geworden. In den hemel zullen wij dat tot in eeuwigheid erkennen moeten, dat het vrije genade is. Wij zullen moeten zeggen, uit Openb. 5 :12, Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en de rijkdom, de wijsheid en eer, heerlijkheid en dankzegging. Nu ik hoop dat de Heere dit gesprokene zegenen zal aan ons allen. Amen.

464

-ocr page 471-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXXIII. Zondag. Vrag. 88—91.

Drie-en-dertigste Zondag.

88. ViiAA(i. In hoeveel stiücken bestaat de waarachtige bekeering des menschen ?

Antwoord. In twee stukken: in de afsterving van den ouden, en in de opstanding van den nieuwen mensch.

89. VüAAo. Wat is de afsterving van den ouden mensch?

Antwoord. Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze

zonden vertoornd hebben, en dezelve hoe langer hoe meer haten en vlieden.

90. Vkaag. Wat is de opstanding van den nieuwen mensch ?

Antwooud. Het is eene hartelijke vreugd in God door Christus, en

een lust en liefde om naar den wil Gods, in alle goede werken te leven.

91. Vkaag. Maar wat zijn goede wcrlcen?

Antwooud. Alleen die uit een waar geloof, naar de wet Gods, Hem ter eere geschieden, en niet, die op ons goeddunken of menschen-inzettingen gegrond zijn.

HET is opmerkelijk, dat wij lezen, Jer. 13:23, Zal ook een Moorman zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. Een mensch moet dat dikwijls op zijn hart hebben : ik moet wat doen en ik kan niets doen. Hij moetquot; willen goed denken, willen, spreken en doen, maar hij kan niet. Hij moet goed denken, hij moet de gedachten die nietig en ijdel zijn quot;niet bij nem laten vernachten. Jer. 4:14, Hoe lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten? Gen. 8:21. Hetge-dichtsel van \'s menschen hart is boos van zijn jeugd aan. Als de gedachten op den loop zijn in het kwade, dan zult gij ze vinden als een onbesuisde en ongedachtzanie. Uit het hart komen voort: booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen, Matth. 15 :19.ET is opmerkelijk, dat wij lezen, Jer. 13:23, Zal ook een Moorman zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. Een mensch moet dat dikwijls op zijn hart hebben : ik moet wat doen en ik kan niets doen. Hij moetquot; willen goed denken, willen, spreken en doen, maar hij kan niet. Hij moet goed denken, hij moet de gedachten die nietig en ijdel zijn quot;niet bij nem laten vernachten. Jer. 4:14, Hoe lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten? Gen. 8:21. Hetge-dichtsel van \'s menschen hart is boos van zijn jeugd aan. Als de gedachten op den loop zijn in het kwade, dan zult gij ze vinden als een onbesuisde en ongedachtzanie. Uit het hart komen voort: booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen, Matth. 15 :19.

Hij kan niet alleen niets goeds denken, maar ten tweede, hij kan niets goeds willen. Hij moet naar den hemel willen gaan, hij quot;moet vroom willen zijn, maar hij kan niet. Fil. 2 :13, Het is God, die in

30

-ocr page 472-

C ATECHISMU S-PREDIK ATIE

u werkt beide liet willen en het werken, naar zijn welbehagen. Het willen heeft hij niet, het moet in hem gewrocht worden.

Hij heeft niet alleen het goed denken en het goed willen, maar, ten derde, hij kan ook niets goeds spreken. Hij moet spreken al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is en al wat wel luidt, Fil. 4 :8. Dat past op zijn ton» te wezen. Daar diende eene goede rede in zijn hart te wezen, Ps. 45:2, reden, die met zont gesprengd zijn, dewelke stichting te kennen geven, maar hij kan niet. Hunne keel is als een geopend graf, met hunne tong vleien zij, Ps. 5:10. Zij spreken bedrog. Hun hart is vol vervloeking en bitterheid, Rom. 3:14. Zij moeten het goede spreken, maar zij kunnen niet. Zij zetten de leugen voort, in plaats van de waarheid met hunne naasten te spreken.

Ten vierde. Zij moeten het goede doen, maar zij kunnen niet. Het betaamt allen m\'enschen God te vreezen, Pred. 12:13, God te verheerlijken, dankbaar aan God te wezen, zijne naasten te stichten, zich-zeiven te verzekeren van zijn geloof en van zijne genade; maar daar moet hij van zeggen, wie is tot deze dingen bekwaam? 2 Cor. 2:16. En raakt iemand aan \'t werk, dan moet hij zeggen: God doet het, die werkt in ons het willen en het werken naar zijn welbehagen, Fil. 2 :12. .

De mensch kan van nature niets goeds willen, denken, spreken, doen; en hij moet het echter doen, of hij moet in de hel vallen. Hoe zal dat nu zijn? Dat is een raadsel voor de natuur. God alleen kan dat veranderen. Die kan hem een hart geven om het goede te willen; Hij kan hem goede gedachten geven; Hij kan hem het goede te willen en te doen geven. Wanneer doet Hij dat? Als Hij de bekeering ten leven geeft aan zulk een monster, dan brengt Hij hem van den zondeweg af, en Hij stelt hem op den hemelweg. Dan begint hij eenigszins het goede te willen denken, spreken en doen. Alles wat slecht is gaat hij uitroeien, en al wat Goddelijk is wil hij in zich hebben, en hij is blijde dat hij zoo is. Hier is het: maakt den boom goed en zijiie vrucht goed, in plaats van: laat ons den boom en zijne vrucht verderven, Jer. 11:19: of maakt den boom kwaad, en zijne vrucht kwaad: want uit de vrucht wordt de boom gekend, Mattk 12:33. Leest men ook druiven van doornen of vijgen van distelen ? Matth. 7:16. Hier moet het hart door God omgekeerd worden. Dan gaat dat schepsel godzalig leven; en alle deugd en goede werken, in den vorigen Zondag gemeld, gaat hij betrachten. Die ze niet betrachten, maar goddeloos en onbekeerd blijven, gaan naar de hel, die moeten verloren gaan.

Daarop gaat de Onderwijzer van de bekeering spreken. Zij mochten zeggen: Moeten wij dan verloren gaan, als wij die waarachtige bekeering missen? Is er dan eene valsche bekeering, en welke is de ware bekeering? Daar zitten er hier wellicht, waarin het werk nog levend is. Daar is er geen een, die het bezit, of hij zal zeggen: Is dat de bekeering? Wel, God is mijn getuige of ik het niet bezit!

460

-ocr page 473-

OVER DEN XXXIII. ZONDAG. Viuö. 88-91. 4(57

Geliefden! Om u dezen Zondag wel te doen zien, hebben wij te bezien:

Eerst. Den naam van de bekeering.

Ten tweede. De zaak zelve.

Ten derde. De vruchten van de bekeering. 1. Moeten wij zien den naam, dien de bekeering in het Woord draagt. 2. Waarin de bekeering bestaat. 3. De vruchten der bekeering, welke zijn de goede werken.

Wat het eerste aangaat. De namen van de bekeering in de H. Schrift, zijn vele. Het is een wonderlijk stuk, dat met geen een zinnebeeld kan afgebeeld worden. Dan zegt er de Schrift eens van, dat het is het kwade te laten en het goede te doen, .Tes. 1 :16, 17; Zoo wordt er gezegd, Jes.^55:7, De goddelooze verlate zijn weg, en de onge-rechtige man zijne gedachten; en hij bekeere zich tot den Heere. Weet gij hoe_ de bekeering voorkomt in de H. Schrift?

Eerst. Het is eene omwending van den mensch. De vrouw van Loth keerde zich om, als ze uit Sodom ging. Gen. 19:2(3. O! die bekeerd worden hebben ook eene omkeering. In den val zette de mensch God zijn rug toe, en hij zette het aangezicht naar den duivel. In de bekeering is er eene tegenstrijdige omwending; daar komt een wind uit een anderen hoek; do wind van Gods Geest zet den mensch om. Zoo gaat het als God den mensch bekeert; Hij zet hem met den rug en met den nek naar de hel, en met het aangezicht naaiden hemel.

Ten tweede. De bekeering is een wederkeeren van een, die wegge-loopen is. Daar komt liet verloren kind wederkeeren, Luk. 15:24. Die lang met den duivel verkeerd heeft, die wordt alteniet eens aangesproken door zijn eigen gemoed, door God, door de oordeelen, door zegeningen, door vrome menschen. Zijt gij een kind van dien man? zeggen ze, en God zegent het dikwijls. Ach Heere! zeggen ze, het is als eene vlamme vuurs, als de hel, die voor mijne oogen schittert. Zij keeren weêr.

Niet alleen is er eene omwending en een wederkeeren, maar, ten derde, de bekeering kan niet geschieden, of zij komen er door tot hun verstand. Zij komen tot zichzelven. Het is\' er mee als met een Nebukadnezar: als er zeven tijden over hem voorbijgegaan waren, zoo kwam hij tot zichzelven, zijn verstand kwam weder in hem, Dan. 4:34—36. Zoo gaat het. Als zij tien, twintig of dertig jaren hebben af- en omgedoold, zoo beginnen ze weder te keeren. Het kan niet wezen, of zij komen dadelijk en gewillig af van den kwaden weg, en over op den goeden weg, met een verfoeien van den vorigen weg en wandel. Als iemand bekeerd wordt, dat kan niet zijn, of daar komt hij, dat God hem een nieuw hart en een nieuwen geest geeft, Ezech. 36:26. Als God iemand verandert, zoo wordt zulk een een geheel ander mensch, zoodat men van hem zeggen moet: is dit Naomi? Ruth 1:19. Zoo is het hier ook mede gelegen, dat men zegt: is dat die zorgelooze? Ls dat die goddelooze? \'t Kan niet anders zijn, of de kracht van dien naam is een ontwaken uit den slaap, een opstaan

-ocr page 474-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

uit de dooden, als Christus over hem begint te lichten, Efez. 5:14. Dat is nu de naam en het woord, bekeeren, te zeggen.

Maar, ten tweede. Wat is de zaak zelf? De bekeering moeten wij in al hare deelen bezien. De Onderwijzer wil geen valscne bekeering voor de ware doen passeeren. Waarin, zegt hij in de 88at0 vraag, bestaat de waarachtige bekeering? Gij zult mogelijk in uw hart wel denken: is er dan eene valsche, die niet goed is? Ja, en met dat te vragen, geeft hij te kennen, dat er eene is die niet goed is; eene valsche, eene geveinsde, eene uit wereldsche inzichten, als van schade, schande of straf; eene ontijdige, die geveinsd is, die maar eene vertooning heeft, gelijk die van een Achab, en van de Nine-vieten. Zij hebben dikwijls menigen neep in hun gemoed; zij vallen dikwijls wel eens in tranen voor den Heere neer.

Niét alleen is er eene valsche, maar er is ook eene wanhopige bekeering; en die is van zulken, die schreien, die schreeuwen met een Judas. Zij maken meer beslag dan de ware bekeerden. Judas maakte meer beslag dan Petrus. Hij riep in den raad en schreeuwde het uit. Dat is eene bekeering dewelke dit in haar einde heeft, \'t geen wij lezen Jer. 18:12, Doch zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken van zijn boos hart.

Nog eens. Daar is \'er eene uit wereldsche inzichten, straffen en slagen. De Ninivieten beefden veertig dagen lang. Jona 3. Farao stond zoo dikwijls met tranen in zijne oogen, en zeide: ik en mijn volk zijn goddeloos, Exod. 9 : 27.

Dan is er eene ontijdige bekeering, die komt op als ze gaan sterven, die hebben tot quot;de elfde ure ledig op de markt gestaan; die zullen dan zoeken in te gaan, maar niet kunnen, Luk. 13:24. Als God hen doodde, zoo begonnen zij Hem te zoeken, Ps. 78:34, Als Hij hen doodde, zoo vraagden zij naar Hem; en keerden weder, en zochten God vroeg. De Onderwijzer, die een bedreven man in \'t stuk was, zegt: wat is de waarachtige bekeering? Die ware bekeering nu is der uitverkorenen of wedergeborenen. Die ware bekeering is eene bekeering der uitverkorenen op het oogenblikje van God bepaald; daar doet de mensch niets toe, hij werkt er altemet tegen aan; daar doet de genade Gods het alles. Dan wordt het steenen hart een vleezen hart, die wederspannige ijzeren nek en zenuw wordt afgesneden, Jes. 48:4. En Hand. 9:6, daar hadt gij de bekeering der uitverkorenen in Saulus, die een Paulus wordt. Zij leven daar zoo heen, totdat God met kracht komt werken; dan is er eene bekeering der wedergeborenen. De bekeering der uitverkorenen is eerst, die komen van den weg der zonden af, oprecht, dadelijk en hartelijk; en zij komen over op den weg der deugd, oprecht, dadelijk en hartelijk. Daar zijn ze niet in te stuiten, al was net, dat er een schavot voor hen bereid stond.

Dan is er eene gedurige bekeering. Wat is dat? Dat zijn die zuchten en dat kermen over de zonden, en over hunne kleine heiligmaking, die wil ik voortzetten, zeggen ze, in uwe vreeze, Heere!

408

-ocr page 475-

OVER DEN XXXm. ZONDAG. Vraö. 88-91.

Dan is er eene, dat een opstaan is uit zware vallen. Daar is ook eene dagelijksche bekeering. Ach Heere! wat vromen leven er, die zich eiken dag niet moeten bekeeren? Jak. 3:2, Wij struikelen allen in velen. Wij weten niet, hoe dikwijls elk dagelijks wel zondigt: wij laten ons daar niet genoeg aan gelegen liggen, dat een Christen zoo dagelijks al vallende en opstaande naar den hemel gaat. Ja daar is eene bekeering der wedergeborenen; en die is, als God zijne hand wat aftrekt, zoodat ze zwaar vallen, liet zijn geen gemeene struikelingen meer, maar zij beginnen in zulke schandelijke dingen te komen. Ziet het in David, Ps. 51; en in de bruid, lloogl. 5:3—5, \'t worden al zware zonden. Ziet het in Petrus in zijne verloochening van den Zaligmaker; is dat niet eene zware zonde?

Dan is er ook nog eene worstelende bekeering, daar heeft strijd plaats. Zij willen niet struikelen, en zij doen liet echter wel; en dat zoodat ze hebben te worstelen, het vleesch begeert tegen den Geest, Gal. 5 : 17, Kom. 7. Hij wordt tot dit en dat getrokken; maar hij doet niet mee, de genade blijft evenwel. Amalek was wel eens de sterkste, maar dan ook was wederom Israël de sterkste, Exod. 17: 11. De bekeering der uitverkorenen, wedergeborenen, is eene daad die waarachtig is, zij heeft geen omslag. Waarin bestaat nu de eerste die der uitverkorenen; en waarin bestaat die dor wedergeborenen? Zij bestaat in dat, wat de Onderwijzer zegt, daar is een oude en een nieuwe mensch; de oude mensch sterlt, hij neemt af; maar de nieuwe mensch staat op. Doet hij dat niet? Kent gij dat niet? Dan bekeert gij u niet. Daar is een oude mensch, en wat is dat? Ls het een zoon van Enak? Is het een Goliath? Neen, het is geen lichamelijk mensch. Dat is wel bekend wat kinderen Enaks waren. Wat is dan de oude mensch? Het is die verdorven aard des menschen. Door de zonden zijn ze geworden een adderengebroedsel. Wij zouden te voren niet veranderd willen zijn. Door de zonden zijn wij onbekwaam geworden tot eenige goede genegenheid, tot verandering; maar wij zijn maar geneigd God en onze naasten te haten. Het wordt een mensch genoemd, omdat die verdorvenheid zich verspreidt over den geheelen mensch; over de ziel, over het lichaam, en zoo over den geheelen mensch. Dat kunnen wij nu uiet allemaal uitbreiden. Het wordt zoo genoemd, Col. 3:9, 10; Ef. 4:22. \'t Is een oude mensch, waarom? Daar bereikt niemand meer dagen. Hij is gekomen na den val, zoo haast was de mensch niet gevallen of die oude mensch werd geboren. Het wordt een oude mensch genoemd, omdat elkeen er mee in de wereld komt. Job 14:4, Wie zal eenen reine geven uit een onreine? niet één. Ps. 51:7, Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen. En hij blijft tot het doodbed toe, in de verworpene in kracht; maar in de wedergeborene in kwellen. Die oude mensch blijft tot het doodbed toe; die oude mensch vertoont zich tot het doodbed toe. Hij spant met de vijanden Gods te zamen. Het is een oude mensch, in tegenstelling van den nieuwen. Hij mag zoo oud ziju als hij wil, hij moet evenwel sterven. Hij mag

469

-ocr page 476-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

nog zoo tegen God in de wapens staan, hij moet evenwel verzwakken in Gods kinderen.

Wat is de nieuwe mensch? Dat is dio veranderde natuur, die verborgen mensch des harten. Met mijn gemoed dien ik de wet Gods, zeide Paulus, Kom. 7:16—23. Ben kind van God heeft dien nieuwen mensch, en niemand anders. Die zijn anders in hunne begeerten, in hunnen trek, in hunne oogmerken, /ij zien God, de wereld, de zouden, den hemel, de hel anders aan dan voorheen. Tevoren wisten ze het wel, dat er een God was, dat er de wereld, de zonden, de hemel en de hel waren; maar nu weten ze het heel anders; God, de wereld, de zonde, komen hen nu heel anders te voren, dan voorheen. Dat is de nieuwe mensch. Waarom wordt hij een nieuwe mensch genoemd? Omdat hij in plaats van den ouden mensch komt. Zij zijn nu een nieuw schepsel in Christus geworden; het oude is voorbijgegaan, ziet het is alles nieuw geworden, 2 Cor. 5:17. De nieuwe mensch is voortreffelijker, uitnemender, raarder, dan de oude.

Wat is nu de opstanding van den nieuwen mensch, en de afsterving van den ouden mensch? De afsterving van den ouden mensch is dit. Daar komt de groote God, naar zijn eeuwig voornemen, de uitverkorenen met zijnen Geest en genade bezoeken. Die naar de hel liepen, die een kwaad hart tegen God hadden en naar het verderf liepen; die beginnen zelf tot Hem te komen, en Hem te kennen. Wij zijn menschen, die onszelven van nature niet kennen. Wij kennen van nature God in zijn genadewerk niet. Wü kennen onszelven niet. Maar dan begint zoo een tot zichzelven te komen, en hij beschouwt God en zichzelven met aandacht. Onder de zegeningen van God ben ik verdarteld, zegt hi], onder de slagen verachterd; een vijand van God en zijne wet; ik wil de zonde doen, met wat al verzwarende omstandigheden heb ik ze gedaan en in wat plaatsen? Daar staan ze als die arme tollenaar, hij had wel al zijn leven in \'t tolhuis gezeten, maar hy was zoo gemoed geweest, maar daar stond hij toen zoo verslagen, en sloeg op zijne borst. Luk. 18:13. Efraïm, in de .kennis van zichzelven werd hij beschaamd, en sloeg op zijne heup, Jer. 31:19. Daar wist hij te voren niet van.

Daarbij ziet hij God zoo goeddadig en alwetend. Ik mag de zonden nog zoo heimelijk gedaan hebben, zeggen zij. God zag ze evenwel met zijne alziende oogen.

Dan beschouwen ze God nog in zijne alomtegenwoordigheid. Waar ik ben. Gij zijt bij mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Ps. 139:2.

Dan begint hij God te kennen in zijne rechtvaardigheid. Wat zijt Gij verschrikkelijk voor den zondaar, Heere! zoo Gij naar uw recht met mij deedt. Gij hadt geen getuige van noode, om uwe gerechtigheid toe te schrijven, dan mijn eigen gemoed.

Dan beschouwen ze God in zijne heiligheid. Bezien ze zichzelven, zoo zien ze, dat zij onder Gods toorn zijn, onder wetsvloek, onder de heerschappij des duivels, onder de kracht der zonden. Ik ga naar de

470

-ocr page 477-

OVER DEN XXXIir. ZONDAG. Vrag. 88-91.

hel, zeggen ze, als ik zoo moet blijven, dan was \'t mij beter nooit geboren en geen schepsel te zijn.

Daarop geraken ze heilig verslagen voor God, daar komt verlegenheid, dewelke zich vertoont in zuchten, klagen, tranen, nitschreemveu, wat moet ik doen? Daar valt als een alarm op het hart, zij komen tot eene heilige verslagenheid, dewelke zich vertoont in eene vraag: wat zullen wi] doen ? Hand. 2 : 37, 9 : G, en 16 :30, Lieve Heere! wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

Daar komt bij het afsterven van den ouden mensch, eene innige smart en droefheid naar God, die van God komt, die God aankleeït, die niet te stillen is, of zij moet bij God zijn. Zij vertoont zich in kommer des harten, in weekheid des gemoeds, 2 Cor. 7:10, Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid.

Bij dat alles komt er nog eene wanhoop, geen kwade, maar eene goede en heilige wanhoop. Zij wanhopen aan aller schepselen kracht; zij wanhopen aan eigen kracht, om zichzelven te kunnen helpen, of redden; zij wanhopen aan eigene waardigheid; zij wanhopen aan aller schepselen waardigheid. Niets buiten ü, Heere! zeggen ze, kan mij helpen; wat zal ik doen, o God! ik ben een verloren man ol vrouw, jongeling of maagd. Hierbij komt dan deze wensch: Ach! kwam de tijd weerom, dien ik zoo zondig heb doorgebracht! Hoe ben ik zoo geweest, zoo dwaas! Daar beginnen ze te walgen \\an hun vorig leven, als van een walgelijken drank, Ezech. 20 : 43. Zij beginnen zichzelven te veroordeelen. Daar roepen zij uit: Lieve God! ik ben niet waardig uw kind genaamd te worden. Luk, 15:19. Zoo veroordeelen zij zichzelven.

Na dat alles begint er een voornemen te komen om de zonden te laten. Nu zeggen ze: ik ben de zonden moede, ik wil ze niet meer doen, al moest ik verloren gaan. Ik wil God dienen; blijf ik de zonden doen, zoo moet ik zekerlijk sterven. Daar ontvlieden ze alle gelegenheden van de zonden. Wie weet, zeggen ze. God mocht zich nog over mij ontfermen; het is voor mij verborgen. Ik scheid mij dan af van de wereld; mijn vleesch zal ik niet meer ter wille zijn, nog den duivel, dien ik zoolang opgepast heb; ik kan zoo niet meer leven, ik moet God en Christus leven. Dat is het sterven en dooden van den ouden mensch. De kracht wordt verbroken, hij heeft zooveel macht niet meer dan te voren, hij wordt allengskens zwakker, hij sterft zoo allengskens.

Wat is nu de opstanding van den nieuwen mensch? Dit:

Eerst. Zulk eene ziel hoort, dat er genade Gods in Christus is, zelfs voor de allergrootste der zondaren, voor de allergoddelooste. Wel, wat wordt daar gepredikt, zegt ze; wat lees ik daar in den bijbel? Staat dat daar? zegt ze; ja zij kan het als niet gelooven. Zon er, zegt ze, voor zulk een monster bekeering zijn, voor een, die zulke stinkende misdaden heeft? Dat had ik niet gedacht Heero! zegt zij, dat Gij dat alles zoudt vergeven. En na de bekeering verblijdt ze zich over de boodschap.

471

-ocr page 478-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

heid nemen. Daar vliedt ze naar den Heere Jezus. God kan en wil mij gelukkig maken in den Zoon zijner liefde, zegt ze. Daar gaat ze naar den Zoon Gods. Ach, Heere Jezus! zegt ze, wilt Gij mij helpen? Daar schreit ze om Hem tot haar deel te hebben; zij schreit en hon-

fert om Hem. Ik kan niet van ü af, zegt ze; ik ben vast besloten ij U te blijven; die op U ziet kan alleen genezen worden; Gij zijt toch een ontfermer. Geen gebetene van de slang kon gretiger naaide koperen slang vlieden, om die aan te zien en daardoor genezen te worden, dan zij naar den Heere Jezus vlieden. Jezus is toch het Hoog-vertrek van al degenen, wier zonden op het hart wegen en weten, dat Hjj alleen hen helpen kan.ert om Hem. Ik kan niet van ü af, zegt ze; ik ben vast besloten ij U te blijven; die op U ziet kan alleen genezen worden; Gij zijt toch een ontfermer. Geen gebetene van de slang kon gretiger naaide koperen slang vlieden, om die aan te zien en daardoor genezen te worden, dan zij naar den Heere Jezus vlieden. Jezus is toch het Hoog-vertrek van al degenen, wier zonden op het hart wegen en weten, dat Hjj alleen hen helpen kan.

Als zij dan beginnen den Heere Jezus te zien, zoo slingeren ze zich om en om Hem. Of ik al schrei, zeggen ze, en nog zooveel deugd betracht, God kan mij niet helpen dan in den Heere Jezus. Zoo ik in U niet gevonden word, zoo ik in dat eeuwige contract niet begrepen ben, zoo ik geen deel heb aan uwe gehoorzaamheid, lijden, sterven, voorbede en verdiensten, zoo ben ik verloren. Geen duif kon gretiger naar de ark vlieden, dan zulk eene ziel naar den Heere Jezus. Gij zult de ziel gedurig bij den Heere Jezus vinden.

Het derde stuk is: nu ben ik niet gerust, voordat ik door den Heere Jezus geholpen wordt, ik heb geen vrede, als ik niet mag zeggen: De Heere is mjjn deel, Ps. 73:2(3. De snoeren zijn mij gevallen in eene liefelijke plaats, ja eene schoone erfenis is mij geworden, Ps. 16:6. Zalig is net volk, wiens God de Heere is, Ps. 33:12. Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid, Ps. 73:26.

Ten vierde. Het belieft God dat ze wel een weinig dichter komen. Daar komt dan wel eene hartelijke vreugde in Christus, zoodat, als zij altemet alleen zijn, als zij denken, dat niemand hen ziet, gij zoudt ze zien opspringen en huppelen. Het kindeke sprong op van vreugde in haren buik. Luk. 1:44. Hun hart springt ook op van vreugde. Zulk een arm schepseltje, zeggen ze, ben ik terecht gebracht? Ik ben zeer vrooljjk in den Heere, zeggen ze, Jes. 61:10. Zij juichen, zij zingen, zij danken, zij hebben meer vreugde in hun hart dan ten ijlde dat der goddeloozen koren en most vermenigvuldigd wordt, Ps. 4:8, Al is er geen rund in den stal, nochtans springen ze op van vreugde in den Heere, Hab. 3: 17, 18.

Nog eens. Ten vijfde. Daar komt zulk eene liefde in hun hart tot God en tot den Heere Jezus. De Heere behoeft hen niet te vragen, gelijk de Heere Jezus eens aan Petrus vroeg: hebt gij Mij lief? Joh. 21:15—18. Zij zouden zoo eenvoudig zeggen: Heere! Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb; Gij weet, dat ik U schat bovenal; Gij weet dat ik naar U dorst, ik heb ü lief met eene liefde, die sterker is dan de dood, met een ijver, die hard is als het graf, wier kolen vurige kolen zijn, vlammen des Heeren; vele wateren zouden

472

moet ik mijne toevlucht

-ocr page 479-

OVER DEN XXXm, ZONDAG. Viug. 88-91.

deze liefde niet uitblusschen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken, Hoogl. 8:6, 7; zij staan daar zoo voor den Heere, vervuld met die liefde in hun hart. Wat druk gij hen ook zoudt aandoen, het zou die liefde niet kunnen uitblusschen; wat presentatie van hoogheid gi] aan hen deedt, zij zouden het alles ten eenenmale verachten, lioin. 8:38, 39, Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere. Zij staan daar zoo vervuld met vruchten der gerechtigheid. Hoe zouden anders Gods kinderen liet alles doorgeraakt zijn? Niets zal hen dan scheiden van die liefde Gods.

Dan hebben ze in zich een hartelijken lust, om voor God te leven. Was hunne kracht naar hunnen lust, wat zouden zij zichzelven niet geheel en al daaraan overgeven om voor God te leven! Maar dat is zoo niet; daar is meer lust dan kracht. Daarvan is het altijd: Ach, mijne heiligmaking is zoo klein! Ach, dat mijne wegen gericht waren om uwe inzettingen te bewaren! Ps. 119:5.

Eindelijk en ten laatste, zij dragen vruchten; Fil. 1:11, vervuld met vruchten der gerechtigheid, die tot heerlijkheid en prjjs van God zijn. Zij hebben drieërlei vruchtjes. 1. Inwendige. 2. Vruchten der lippen. 3. Daden. De inwendige zijn de goede gedachten en bewegingen in hen. Uitwendige, zijn de goede redenen, die op hunne tong en lippen zijn. Dan zijn er daden, die zijn de goede werken. Daar staan ze zooals een boom in \'t paradijs Gods, welbeladen met allerlei edele vruchten. Daar hebt gij de ware bekeering. Daar is wel schijn zonder zijn, maar zijn is nooit zonder schijn. Dat moet gij altijd wel onthouden. Jak. 2:18, wordt gezegd: toon mij uw geloof uit uwe werken.

Wat zijn nu goede werken? Dat is ons derde stuk.

Maar geliefden! bij welke gelegenheid doet de Onderwijzer deze vraag? Bij deze: omdat er zulken waren opgestaan, te weten Socinianen en anderen, die zeggen, dat de deugden der heidenen goede werken zijn. Wie nog? De Papisten, die zeggen, dat goede werken zijn, die op menscheninzettingen of op ons eigen goeddunken gegrond zijn. Dat is het gevoelen der Socinianen, der Papisten en der Remonstranten. Deze dan geen goede werken zijnde, welke zijn dan goede werken? Deze, die gedaan worden uit het geloof, naar de wet Gods, en tot Gods eer geschieden. Verstaat gij dat wel, wat het is, uit het geloof? Naar de wet Gods, verstaat gij beter; tot eer van God, verstaat gij ook beter. Maar uit het geloof, wat is dat? Zoudt gij daar wel iets van weten te maken in uwe gedachten? Wij zullen het u ordentelijk zeggen.

Eerst, liet is dit, dat onze goede daad uit een begenadigd hart komt. Als gij niet veranderd zijt, al bidt gij dan, al geeft gij aalmoezen, al wat gij doet, \'t is maar als een zondaar. Wij zullen u maar eens twee menschen bij elkander stellen, die beiden een werk

■J|

t

ill i

f

473

iii(

-ocr page 480-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

doen: Kaïn en Abel komen beide offeren, het eene offer kwam voort uit een begenadigden grond, en het andere niet. Abels offer behaagde God, maar dat van Kaïn niet.

Ten tweede. Dat zijn goede werken uit het geloof, dat ik geen daad doe, noch een woord spreek, of dat ik het Woord voor mij heb, dat ik het Woord heb voor mijne daden, wandel en leven. Ziet dan altijd in alles wat gij doet, den Bijbel voor u te hebben, niet te twijfelen; liever die daad, die gij doen zoudt, te laten, zoo gij er aan twijfelt. Weet gij wat nog uit het geloof is?

Ten derde. De daad niet te doen in eigen kracht, maar in afhanging van Gods invloed. In mij is geen kracht; altijd in uwe gedachten te houden, het zeggen van den Heere Jezus, Joh. 15:5, Zonder Mij kunt gij niets doen.

Weet gij, ten vierde, wat in het geloof is? Dit, dat gij altijd bidt om verschooning, dat gij altijd zegt: Heere! verschoon mij, wat is het gebrekkig al wat ik doe! al mijne gerechtigheid is als een weg-werpelijk kleed, Jes. G4 :0. O God! Gij die goed zijt, doet nog verzoening over de ongerechtigheid, zelfs van de heilige dingen! Ne-hemia bad zoo om verzoening, Neh. 9:32.

Nog eens, ten vijfde, het is zijne daden te doen met inzicht op Christus\' gerechtigheid en voorbede, dat Hij het gebrekkige werk vervulle. Dat is een goed werk dat uit het geloof geschiedt; dat zoo voortkomt uit een begenadigden grond. Hebt gij een begenadigd hart, hebt gij den Bijbel voor u, doet gij ze niet in eigen kracht, bidt gij om verzoening over uwe beste werken? Zegt gij: Heere, ziet op Christus\' voorbede en gerechtigheid!

Wat is het nu goede werken te doen naar de wet Gods? Dat is die te doen naar volmaakte voorbeelden en naar het gebod Gods te leven. Daar zoeken ze dan God en Christus na te volgen. De engelen en hemelingen, de allervolmaaktsten onder de menschen, stellen ze zich voor tot een regel van navolging.

Dan moeten de goede werken ook geschieden tot Gods eer; dat is, alles moet niet tot onze, maar tot Gods eer geschieden. Zoo wij sterk zijn, daarvan hebt Gij alleen de eer, Ps. 89:8, in rijm; onze schild is van den Heere, Ps. \'89:19. Daar hebt gij de zaak, dat is de opstanding van den nieuwen mensch, en de afsterving van den ouden mensch.

Geliefden! gij hebt dit nu gehoord, maar hoe waart gij onder dit gehoor? Ach Heere! ik vrees dat er hier zitten, die zorgeloos zijn, die zeggen: ik bekommer mij niet, ik laat dat op God aankomen. En gaat gij zoo onbekeerd en gerust henen, of gij het al hadt, en of gij het niet noodig hadt? \'t Is of gij valsche getuigen Gods waart. Gelooft het, gij kunt uwe oogen en handen missen, maar de bekeering kunt gij niet missen. De bekeering is het, waar alle andere genaden op volgen. Zorgeloozen en genisten! wij moeten tot n zeggen: Wat is u gij hard slapende? Jona 1:6. Daar is een geest des diepen slaaps over u uitgegoten, Rom. 11:8. Gij wilt niet ongerust zijn. Als iemand een lidmaat is, \'tis of dat al genoeg is; al mist hij het stuk

474

-ocr page 481-

OVER DEN XXXIII. ZONDAG. Vbaö. 88-91.

van de bekeering, \'fc is of dat niet meer bekeken mag worden. Als er zulke regels in de Kerk komen, dat die minder noodig gerekend wordt, eene geheele gemeente wordt dan bedorven. Daar is sedert Adams val dien regel gehouden; zonder bekeering of heiligmaking zal niemand God zien, Hebr. 12:14.

Ach! zegt er een, predikant, dring zoo niet aan, ik wil toch niet hooren. \'tis wel, dan zijn wij ook rein van uw bloed.

Een ander zegt: ik denk er uiet om, of het is als hij er eens ernstig van heeft hooren prediken, of als er eens eenige plagen of bezoekingen zijn; of dat hij op een ziekbed ligt. O! iioe schreeuwt die zieke dan: proef mij alleenlijk ditmaal; dan is het: laat mij leven, en ik zal mij niet meer tot afwijken begeven! Ps. 8U: 19. Ik geloof dat ik er hier wel voor mijne oogen heb, die dat kennen, zoodat degenen die u behandelde, moest zeggen: zoo dat mensch opkomt, ik verwacht er wat goeds van; en zijn ze opgekomen, hoe slecht laten ze het liggen. Is de zieke opgestaan, al de beloften blijven ziek te bed \'iggen. \'

Anderen daar moet men van zeggen: zij waren voorheen beter dan nu. Hoe menige zoete roering en wat eene eenvoudigheid was er in u! Wat aangename gaven van bidden en spreken hadt gij! Maar nu zijt gij er beschaamd over, dat gij zoo geschreid en u zoo aangesteld hebt. Hoe bitter zal u dat bekomen!

Anderen zeggen: als ik maar van de bekeering hoor, zoo wring ik mij in duizend bochten. Wat steken geeft het mij in mijn hart! .la, het is wel zoo, dat de tranen uit uwe oogen barsten; men ziet het aan u voor uw nederzien. Maar ach, Heere! daar komt niets van, het is maar eene predikatie-ziekte die welhaast weer over is, \'t is zaad op steenachtige plaatsen geworpen, waarvan gij leest, Matth. 13:5, (J, \'t gaat wel terstond op, maar het heeft geen aarde; en als de zon van aardsche ijdelheden en wereldsche vermaken opgaat, zoo wordt het verbrand; en omdat het geen wortel heeft, zoo verdort het. Gij zijt als een dood lichaam, dat daar in de zee ligt te drijven en door de baren wordt voortgedreven; men zou zeggen, dat liet een levend mensch was, die daar aan komt zwemmen, en, is het aan land gedreven, daar is geen leven meer in. Zoo is het ook. \'tls altemet eene Zondagsche bewerking; maar als dat over is, dan zegt men: ik zou ziek worden, ik kan zoo benauwd niet leven.

Een ander zegt: ik hoop het beste, ik denk dat ik bekeerd ben. Wel, dat geve God. Geliefden! daar moeten wij nog een weinigje op staan, om te zien wat wij van onszelven kunnen oordeelen. Als ik eens voor uw ziekbed kwam, zou ik u al meteen niet moeten vragen, als ik u recht behandelde, zijt gij al bekeerd? Waar, wanneer, hoe ging het toe? En ik geloof, dat gij het ook van mij zoo zoudt verwachten. Wij zijn nu op geen ziekbed, maar wij zijn hier voor den Heere, en wij vragen u nu eens voor God af: Zijt gij bekeerd? Antwoordt nu ook; wij zullen u eenige dingen afvragen en teekenen stellen, waaraan gij zult kunnen zien, of gij bekeerd zijt. Wij vragen u dan:

475

-ocr page 482-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Eerst. Heeft de zonde u ooit gedrukt of geperst? Uwe natuur-zondeu, de oude mensch, hebben die u tranen in de oogen verwekt, zuchtingen in uwe borst veroorzaakt? Zijn ze u nooit als een pak en last te zwaar geworden om te dragen ? Zegt gij: Ach God! ik kan niet langer? Zondaar! de zonden zijn u geen pak, maar spel; gij rekent ze eene lichte zaak.

Ten tweede. Hebt gij een tijd gekend, dat alles wat maar naar hoovaardij en wereldsche ijdelheden smaakte, u verveelde? Kunt gij zeggen: daar weet ik wel wat af? Hieldt gij het aan de nederige kant, toen uw gemoed eerst geraakt werd? Toen kon er zooveel niet door als nu; daarom zijt gij nu niet beter. Kunt gij dat zeggen: Ik, zulk een monster! waar ik de zonden mede gedaan heb, zou ik daar nu mede pronken ? Zoo worden de bekeerden nederig.

Zondaar! daar weet gij niet van; hoe wereldscher bij u hoe beter! Hoe meer gij een wereldling gelijkt, hoe liever gij het hebt. Anderen die u zoo niet gelijk zijn, veracht gij. Al uw zeggen is: Het bestaat daar niet in, daar zoo teer in te zijn, dat is het wezenlijkste niet. Ik antwoord u: daar bestaat het ook al in.

Nog eens, ten derde. Zijt gij tot belijdenis gekomen, tot zulk eene ronde, tot zulk eene gulhartige, tot zulk eene gewillige, in zijne ge-heele zwaarte, en in al zijne omstandigheden? Dat gij te voren niet zoudt hebben willen weten, daar valt gij nu voor God in, en gij maakt Hem uwe overtredingen bekend. Al weet gij wel, dat God het weet. God wil echter hebben, dat gij het ook weet. Maar, ach zondaar! daar zijt gij niet toe te krijgen.

Ten vierde. Zaagt gij de leelijkheid wel in de zonden? Wat eene ongeschiktheid is er in, wat voor leelijke misdaden zijn het! \'tis een opstand, \'t is een tegenkanten; daar kan niets leelijker zijn in de geheele wereld. De zonde is eene pest, eene melaatschheidsplaag. Gij zondaar, kent het niet!

Ten vijfde. Ging uw hart open, als gij van genade iioordet prediken en spreken? Zondaar! daar zult gij misschien het meest van kennen, daar zult gij misschien wel ja op kunnen zeggen, maar het is evenwel het rechte niet. Gij wilt maar vergeving hebben en anders niet.

Nog eens, ten zesde. Hebt gij uw leven wel blijde geweest, dat gij treuren moest? Was het u aangenaam, dat gij over de zonden moest en kondt treuren? Dat is vreemd, zondaar! den bekeerden is het treuren eene aangename en waardige gestalte; \'t is hun niet teveel, al liggen ze op hun bed, en zij doornatten hunne bedsteden met hunne tranen, Ps. 6:7; het zijn zoete aangename tranen; dat is niet te melden. Bij den een is dat wat minder, en bij den ander wat meer. De tranen zipi hunne spijs, Ps. 42:4. Zondaar! gij kent dat niet, daar is zulk eene aangenaamheid in.

Dan nog eens, ten zevende. Als gij hoordet dat er een Middelaar was, die ook u aangeboden werd, liept gij er naar toe? Wierpt gij uzelven op Hem? Waart gij besloten aan zijne voeten te blijven lig-

476

-ocr page 483-

OVER DEN XXXIII. ZONDAG. Vraq. 88-91.

gen, en alle kwaad te haten en te vlieden ? Als er eene gelegenheid van zondigen was, biult gij wel ora bewaard te worden ? Als gij er in waart, zat gij er al biddende? Als gij er wel afgekomen waart, danktet gij\'r1 Zondaar! dat kent gij niet.

Nog eens, ten achtste. Hebt gij een innigen lust tot heiligheid, en liefde tot alle goede werken, en tot liet goede? Zocht gij iemand mede te nemen uit uw huis en geslacht? Te voren kondt gij de vromen in uw huis niet zien, toen gij naar de hel gingt, maar nu is het; ik kan alleen naar den hemel niet gaan, gaat toch met mij mede, vader, moeder, man, vrouw, vriend, buren, naasten, gaat mede naar den hemel. Vindt gij dat in u? Met is een teeken, dat gij de ware en niet de valsche bekeering hebt, hoewel God op de valsche bekeering nog al veel goeds geeft; ziet dat in de Ninevieten en in Achab, als zij zich vernederden, Jona 8:7—10, en 1 Kon. 21 :27—29. Waarom doet God dat? Om zijne lankmoedigheid te doen zien, en om er u door aan te moedigen. Doet God dat op de valsche, wat zal Hij dan op de ware bekeering doen! Ik blijf dan bij de vraag: Zijt gi) bekeerd ? Ue hemel staat voor u open. Zoo niet, zoo valt gij in de nel.

Ach! zegt gij, dringt mij zoo niet aan. Ik antwoord u: wij mogen het niet nalaten. De drieëenige God gebiedt het ons. God de Vader wil liet hebben, de Zoon bindt het op uw hart, de Heilige Geest gebiedt het, uw geweten eischt het, die zegt zoo dikwijls: Ach! mocht gij eens anders leven! de bediening des Woords dringt er u toe. Hoe vele predikanten hebt gij van uw leven wel gehad die daar op aangedrongen hebben, al was het maar een natuurlijke predikant, al wilde hij zelf de bekeering niet! Hoe menig stichtelijk traktaat hebt gij gehad en gelezen, dat daarop aangedrongen heeit! Denkt eens op uwe vrienden, wat hebben die or wel op aangedrongen ! Gij hebt misschien, immers sommigen onder u, wel een vromen vader, moeder of vriend gehad. Konden zij wel sterven of zeiden ze niet: vrees toch God ? Hebben zij u wel niet eens alleen genomen, en ernstig er over aangesproken? De engelen zijn er voor; die zijn blijde als er een zondaar zich bekeert, Luk. 15:10. Uwe vrome ouders, hoe blijde zouden die zijn als zij u, tegen hunne gedachten, in den hemel vonden! Die zullen dan zeggen: heeft God dat gedaan? Dat is tegen onze gedachten en verwachtingen aan geschied. Denkt eens wat eene blijdschap dat voor uwe ouders zal zijn, dien gij in uw leven tot smart waart.

Zult gij u nog niet gedrongen gevoelen, om veranderd te worden? Wordt gij niet bekeerd, zoo zijt gij vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld, Ef. 2: 12. Gij zijt vreemdelingen van \'t genadeverbond en gij hebt geen hoop, dat gij eenig heil te verwachten hebt. Ja, gij zijt een erfgenaam van al de vloeken. Gij leeft nu gerust, maar hoe ongerust zult gij misschien sterven!

Zegt echter niet: het is te ver gekomen; geeft het niet op, de

477

-ocr page 484-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

ïïeere is sterker dan die sterk gewapende: Hij zou het u wel eens onverwachts doen.

Vromen! aan wie God liet gedaan heeft, die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis en overgebracht tot het Koninkrijk des Zoons zijner liefde, Col. 1 :13. Wat zullen wij den Heere vergelden, voor die weldaad? Gij, die mede te voren zoo goddeloos waart, heeft God ons uit den hoop gered, wat zullen wij anders doen, dan in verwondering voor God wegzinken, en zoo zoeken te leven, dat wij allen goede vruchten voortbrengen en leven in de afhanging van des Heeren invloeden? Wat zullen wij anders doen, dan Hem smeeken en bidden tegen onze verdorvenheid, jagende naar de volmaaktheid. Die het geluk zal hebben om bij den Heere te komen, wat zal dat niet groot zijn! Is de genade zoo groot! wat zal dan de heerlijkheid zijn! Is dat zoo groot, hier onvolmaakt God te dienen, wat zal het eens zijn Hem volmaakt te dienen! Mozes zeide eens: Och, of al het volk des Heeren profeten waren, Num. 11:29. Mogen wij nu niet zeggen: Och, of wij altemaal bekeerde menschen waren! Nu, wij wenschen, dat God dit gepredikte, over de bekeering, daartoe zal believen te zegenen, aan ons en aan ulieden, tot zijne eer, om zijns Zoons wil, Amen.

478

-ocr page 485-

C A T E C HIS MUS- P R E DIK A TIE.

Over den XXXIV. Zondag. Vrag. 92 95.

Vier-en-dertigste Zondag.

92. Vbaag. Hoe, luidt dc wet des Ticeren?

Ant woord. God sprak al deze woorden:

Exod. 20:2—17. Deut. 5:6—21.

Ik hen de Ucerc, mv God, die tc uit Egyptdand, uit het diensthuis, uitgeleid heh.

1. Gij mtt geen andere goden voor mijn aangezicht hehhen.

2. Gij ztdt ii geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken, van hetgeen hoven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet huigen, noch hen dienen: want Ik, de Heere, uw God, hen een ijverig God, die dc misdaad der vaderen hezock aan dc kinderen, aan het derde en aan het vierde lid der genen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden der genen, die Mij lief hehhen, en mijne geboden onderhonden.

3. Gij zidt den Naam des Heer en, mes Gods, niet ijdellijk gebruiken: ivant de Heere zal niet onschuldig houden, die zijnen Naam ijdellijk gebruikt.

4. Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat des IIcc-ren, uws Gods; dan zidt gij geen werk doen, gij, noch mv zoon, noch mve dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is; want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, dc zee en alles ivat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage: daarom zegende de Heere den sabbatdag, en heiligde denzelven

5. \'Eert uwen vader en uwe moeder, opdat moe dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere, uw God, geeft.

6. Gij zidt niet doodslaan.

7. Gij zidt niet echtbreken.

8. Gij zult niet stelen.

9. Gij zidt geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.

10. Gij zult niet begecren uws naasten huis; gij zult niet begeercn uws

-ocr page 486-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

naasten vrouiv, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat ims naasten is.

93. Vkaag. Hoe worden deze tien geboden verdeeld?

Antwoord. In twee tafelen: waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere, wat wij onzen naaste schuldig zijn. *

94. Vraag. Wat gebiedt God in het eerste gebod?

Antwoord. Dat ik, zoo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, tooverij, waarzegging, bijgeloof, aanroeping der heiligen, of andere schepselen, mijde en vliede; en den eenigen waren God recht leere kennen. Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid, mij aan Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte. Hem van ganscher harte liefhebbe, vreeze en eere; alzoo dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen zijnen wil doe.

95. Vraag. Wat is afgoderij?

Antwoord. Afgoderij is, in de plaats van den eenigen waren God, die zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem iets anders te versieren of te hebben, waarop de mensch zijn vertrouwen zet.

WIJ lezen, Rom. 3:81. Doen wij de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet. Dat was al vroeg te doen, als de genade in het Nieuwe Testament gepredikt werd, door het geloof in Christus, dat zij het met het geloof al goed gemaakt wilden hebben. Daar hebben de dienaars zich tegen gesteld.IJ lezen, Rom. 3:81. Doen wij de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet. Dat was al vroeg te doen, als de genade in het Nieuwe Testament gepredikt werd, door het geloof in Christus, dat zij het met het geloof al goed gemaakt wilden hebben. Daar hebben de dienaars zich tegen gesteld. Dat de onzen leerden goede werken voor te staan tot noodzakelijk gebruik, opdat ze niet onvruchtbaar zijn, in plaats van de wet teniet te doen door het geloof; want van zulken zeiden ze, dat ze waren als de witgepleisterde graven, die van buiten schoon schijnen, maar van binnen vol stank en onreinheid zyn, Matth. 23:27. Die de wet scheiden van het geloof, zij waren als een lichaam zonder ziel. Jakobus zegt, Hoofdst. 2 : 2G, Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood. Die zonder wet is, is als een huis zonder spiegel. Het geloof zegt: Indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie. God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is, Openb. 22:19. \'t Geloof zegt: zoo zij naar dezen regel niet wandelen, het zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben, Jes. 8:20. De wet is zonder het geloof niet, en \'t geloof is zonder de wet niet. Daarom vinden wij dat er in onzen Catechismus tweemaal van de wet gehandeld wordt. De eerste maal, is in den 2don Zondag, en de tweede maal in den 34st011 Zondag. Als de mensch tot zichzelven gebracht is, dan heeft hij de wet van noode,

480

-ocr page 487-

OVER DEN XXXIV. ZONDAG. Vrag. 92-95. 481

om daar naar te wandelen. Nadat de wet gewond heeft, komt de Geest en Hij legt er het verband op, Jer. 3G:!!, en Ezech. 36:26. De Geest maakt, dat gij met al uwen lust daarnaar leeft en wandelt. Derhalve, zoo lief als gij hebt overtuigd te worden, zoo lief moet gij hebben verlost te worden, of \'t is alles ijdel. Zoo lief als gij overtui-

ging door de wet hebt, zoo lief moet gij de verlossing hebben door hnstus. Daarom vinden wij, dat die generale predikant zoo spreekt tot de bizondere predikanten, en zij weer tot de gemeente. Hij gaat de wet van \'t begin af\' geheel verhandelen. Laat ik u eens leeren, zegt hij, hoe de zaken al zijn. Hij leidt er ons zoo met de hand naar toe. Zij is, zegt hij, als eene vurige kool, die de zonden er uit wil branden, en ook zoo verwekt ze in ons een brand van liefde, tot God en onze naasten.ing door de wet hebt, zoo lief moet gij de verlossing hebben door hnstus. Daarom vinden wij, dat die generale predikant zoo spreekt tot de bizondere predikanten, en zij weer tot de gemeente. Hij gaat de wet van \'t begin af\' geheel verhandelen. Laat ik u eens leeren, zegt hij, hoe de zaken al zijn. Hij leidt er ons zoo met de hand naar toe. Zij is, zegt hij, als eene vurige kool, die de zonden er uit wil branden, en ook zoo verwekt ze in ons een brand van liefde, tot God en onze naasten.

Wij zullen tegenwoordig uwe gedachten zoo zoeken te leiden, dat wij,

Eerst. Van de wet wat zullen zeggen.

Ten tweede. Zullen wij spreken van de verdeeling der wet.

Ten derde. Zullen wij spreken over de voorrede.

Ten vierde. Zullen wij iets zeggen van \'t eerste gebod. Wij zullen deze orde houden, dat wij, 1. Over de wet een weinig spreken. 2. Over de verdeeling van de wet. 3. Over de voorrede, en dan, 4. Over het verbod en \'t gebod; de verbodene zonden en de gebodene deugden in \'t eerste gebod.

Wat het eerste aangaat: Het woord wet, als gij dat in \'t Latijn noemt, zoo beduidt het: lezen. Het komt af van verbinden. Daar liggen verbonden tusschen overheden en onderdanen. In het Grieksch is het te zeggen: elk het zijne te geven; in \'t Hebreeuwsch komt het af van onderwijzen, omdat elk hierin onderwezen wordt, hoe zijn gedrag moet zijn omtrent God, omtrent zichzelf, omtrent zijne naasten en omtrent het einde van de wet.

Wat is wet? Daar is een hoogere en daar zijn minderen, die aan dien hoogere zijn verbonden, om zijn wil te doen. Daarop dringt die hoogere aan met beloften en bedreigingen. Onze God is een hoogere, en de minderen staan allemaal onder Hem. Hij heeft verscheidene wetten. Daar zendt Hij zijn bevel onder al zijne schepselen, die in de zee, en die op de aarde zijn. De zon, maan en sterren, zij doen allemaal zijn Woord. De duivelen zelfs zijn zijn bevel onderworpen. Raak Jobs leven niet aan, zeide God, Job 1:12. Dan zegt Hij eens: zwijgt geesten. Luk. 4:35. Dan wil Hij, dat ze naar den afgrond gaan. Zij doen het, Openb. 20:2. Hij geeft zijn wil te kennen in den hemel, in dat prachtige paleis, onder die krachtige helden, en zij doen zijn wil en Woord, Ps. 103:20. God gaf eene wet in den staat der volmaaktheid, die is door de zonden krachteloos geworden. Dat was eene wet die ten leven was, indien onze eerste voorouders staande gebleven waren. In den onvolmaakten staat laat God die wet blijven. Die wet is in elk mensch, hoe wild en onbeschaafd hij ook wezen mag, Kom. 2:14, De Heidenen, de wet niet hebbende, doen nochtans van

31

-ocr page 488-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

nature de dingen die der wet zijn. Zij voelen dat dit billijk en rede-liik is. Die wet heeft God opgehelderd onder Israël, als Hij ze aan hen gaf op Sinaï in geschrift; en Hij zal ze laten blijven tot den laatsten dag toe. Naar die wet zal elk geoordeeld worden; hetzij Jood, hetzij Griek, Heiden of Barbaar. Daar was onder het volk van Israël nog eene andere wet of twee, die God niet heeft laten blijven; en dat was, dat God hun koning in den staat en in de Kerk zou wezen, zoolang als zij God in erkentenis namen. De wet van den staat en de wet der ceremoniën, die den Joden verstrekten tot een regel en richtsnoer om daarnaar te leven.

De wet der zeden, hoe wordt die genoemd? Eene vurige wet, de tien woorden, de tafelen des verbonds, de wet der werken. Die wet heeft God tot haren wetgever, en in \'t bizonder den Zoon van God, Hand. 7:38. De hemelsche dienaars van die wet zijn de engelen. De aardsche is Mozes. Ik stond te dier tijd om n des Heeren Woord aan te zeggen, zegt hij. Dent. 5:5. De tijd was twee duizend vijfhonderd en vijftien jareii, na de schepping der wereld; veertien honderd en vierenzeventig jaren, voor de geboorte van Christus; zeven honderd en tien jaren na de roeping van Abraham uit Ur der Ghal-deën; vijftig dagen na den uittocht der kinderen Israëls uit Egypte. Nadat zij zich geheiligd hadden, gaf God hun die wet met eene hoorbare stem, die lazen ze als \'t ware van zijn hoog paleis. God heeft ze gesproken met eene hoorbare stem, Exod. 20, en Deut. 5, in het midden van donder en bliksem.

Wat \'t tweede aangaat: Hoe wordt nu die wet verdeeld? Met weinige woorden; daar wordt niet veel omslag gemaakt. In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar uw gebod is zeer wijd, zegt David, Ps. 119:96, maar \'t is ook zeer kort. De wet wordt in èèn woord vervuld, namelijk in \'twoord; liefde. Ja ook in twee, daar zijn toch twee voorwerpen waar de liefde omtrent gaan moet, dat is God, het hoogste voorwerp, en dan de naasten; onze naasten door natuur, en dan nog nader door genade. Deze verdeeling is gegrond niet alleen in de zaak, maar ook in \'t Woord, Deut. 4:13, en Exod. 34:1. De Zaligmaker, Matth. 22 :37—4G, toont het ook klaar.

Dan hebt gij die verdeeling van den apostel Paulus, Ef. 6:1—10, waar hij die groote verdeeling doet van de eerste tafel; en de tweede begint van \'t eerste gebod met eene belofte.

Het werk was in \'t eerst, Gods werk, en het geschrift was ook Gods geschrift zelve, in de tafelen gegraveerd. Ex. 32:16. Maar hoe ging het met die tafelen? Zij zijn verbroken. Zij werden in den ijver van dien knecht des Heeren, van Mozes, verbroken, aan den voet van den berg, Ex. 32:19, om te toonen, dat de schuld aan de zijde des volks was.

Wat doet God, laat Hij het nu daarbij blijven? Neen; maar Hij zegt tegen Mozes: Gij hebt gezien hoe \'t werk geweest is; maakt gij twee andere tafelen; clien te beschrijven zal Ik doen, dat zoudt gij niet kunnen doen. De zondaar breekt al af, maar God heelt liet weer.

482

-ocr page 489-

OVER DEN XXXIV. ZONDAG. Vraq. 92-95. 483

Zondaar! als gij maar met berouw naar Mij wilt komen, zal Ik u vergeven. Dat nu geeft te kennen dat, als de zondaar overtreedt, dit de kracht van de wet niet beneemt; dat woord wet blijft in zijne kracht. Ik wil u mijne goedheid toonen, niettegenstaande gij overtreden hebt, keer nochtans weder tot Mij, zegt God.

Nu moesten wij wat verder treden. Daar zijn eenige regelen, die wij voor u neder moesten leggen in \'t verklaren van de wet, die van elk predikant en lidmaat moeten waargenomen worden.

Eerst. De wet is geestelijk, (predikant en lidmaat moeten niet tevreden zijn met het uitwendige,) zij treedt tot binnen in het gedicht-sel van onze gedachten. De wet is geestelijk, Rom. 7:14. Zij wil u niet maar van buiten heilig hebben, maar zij spreekt ook van gedachten en bewegingen, en dat die zondig zijn. En zij wil die ook heilig hebben.

Eene tweede regel is: De geboden van de tweede tafel moeten wijken voor de geboden van de eerste tafel. Als dat in tegenstand konit, vader ol moeder, of God, zoo moet God voorgaan.

De derde regel is: Dat om de omstandigheden de geboden van de eerste tafel somtijds wijken moeten voor de geboden van de tweede tafel. Dan moet men denken: God wil barmhartigheid, maar niet offerande, Matth. 9:13. Neemt eens, vader of moeder kunnen ziek zijn, zoodat ze uwe hulp van noode hebben, en gij wilt dan naar de kerk gaan, dat past niet; dan wil God, dat gij barmhartigheid hebt, dat gij de ellendigen helpt; dat is ook godsdienst.

De vierde regel is: Als God een hoofddeugd gebiedt, dat Hij dan de tegenovergestelde hoofdzonde verbiedt; en als God eene hoofdzonde verbiedt, dat Hij dan de tegenovergestelde hoofddeugd gebiedt. Als gij dat waarneemt, dan zult gij niet kunnen zeggen: wat wil die predikant van mij hebben ? Ik ben geen hoer, noch diel, noch dronkaard; maar dan zult gij moeten zeggen: Wie zou de afdwalingen verstaan? Ps. 19:13.

De vijfde regel is: Dat de wet niet alleen verbiedt grove en mindere zonden, maar al wat daartoe aanleiding geeft. Als gij dat begrijpt, dan zult gij een verbond maken met uwe oogen, gelijk Job zegt! hfdst. 31:1, Gij zult een verbond maken met uwe ooren, met uwe voeten, met uwe handen; en dan zult gij klaarheid in het prediken van de wet vinden, en gij zult zien, dat gij een Moorman zijt, en beschaamd zijn over al uwe vlekken.

De zesde regel, die wij moeten aanmerken, is: Dat de wet het verbond der werken niet is; de wet was dit met den volmaakten mensch wel. maar met den onvol maakten mensch niet. De wet heeft door de zonde hare kracht verloren, Rom. 8:3. De mensch kan aan de heiligheid en rechtvaardigheid Gods niet voldoen.

De zevende regel is: De wet is ook het verbond der genade niet. Dat zullen wij u ook klaar doen zien:

Eerst. De wet zal plaats in den hemel hebben, want de liefde blijft, 1 Oor. 13:13, daar nochtans de aanbieding van liet verbond der genade zal uitgediend hebben.

-ocr page 490-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Ten tweede. De wet heeft plaats gehad, als er nog geen verbond der genade plaats had, te weten vóór den val. ... ,

Ten derde. De wet kan het verbond der genade niet zijn, want zij is zelfs geschreven in \'t hart van de Heidenen, en die zijn vreemdelingen van de verbonden der belofte, Ef. 2:12. De wet staat in het hart van hen die het verbond der genade niet kennen.

Ten vierde. De wet eischt en dreigt, zij vloekt, zij snijdt, zij kerit, zij kan goen kracht g6VGn. Die de wet in hun hart hadden, daar zegt God van, dat Hij had gegeven, dat ze geen oogen hadden om te zien, noch ooren om te hooren, noch harten om op te merken,

Jer. 5:21. , , i j j

Ten vijfde. De wet kent geen Christus, maar het verbond der genade brengt u tot Christus. , , ,

Ten zesde. De apostel zegt duidelijk door (jods (reest, dat geen vleesch uit de werken der wet zal gerechtvaardigd worden. Gal. 2; 16 en Rom. 3:20. Is het door genade, zoo is het niet meer uit de werken, Kom. 11 :6. Daar hebt gij het klaar; het kan niet wezen, dat ze het verbond der genade is, en het kan niet wezen, dat ze het verbond der werken is.

Nu hadden wij, in de derde plaats, de voorrede te bezien: Ik ben de Heere uw God. Daarvan moet gij denken: dat is geen gebod, maar de voorrede van de wet. Waartoe is dier*

Eerst. Dat is naar de wijze der grooten.

Ten tweede. Om aandacht te verwekken.

Ten derde. Omdat daarin gronden van verplichting liggen. Wat aangaat het eerste. Het is naar de wijze der grooten. Daarom is er een bevel van mij gesteld, zeide Nebukadnezar, Dan. 4:6. De keizer Augustus liet een gebod uitgaan, dat de geheele wereld zou beschreven worden. Luk. 2:1. , 1 , ,

Ten tweede. Deedt God het om aandacht te verwekken; het was alsof Hij zeggen wilde: Hoort, Ik, de Heere uw God, Ik ben het die spreekt: Hoort gij hemelen, en neem ter oore, gij aarde, want de Heere spreekt, Jes. 1:2. En wie zal zijne aandacht weigeren, als God spreekt, als hij ziet dat het een Wezen is, dat heilig is, waaraan hij schuldig is naar Deszelfs spreken te doen?

\'Ten derde. God stelt er die voorrede aan, als gronden van schuld of verplichting, waardoor Hij ons verbindt om naar die wet te leven. Ik ben de Heere, Ik bon God, Ik ben uw God, Ik heb u uit het diensthuis uitgeleid. Ik ben de Heere, de Jehova, Heere is mijn naam, Jes. 42:8; Ik ben alleen de Allerhoogste. Ben Ik een Heere, waar is mijne vreeze, Mal. 1:6. Wat noemt gij Mij Heere, als Gij niet doet, wat ïk u gebied? Ik ben God, dat volmaakte Wezen, dat verrukkens-machtige Wezen. Geen mensch leeft er, of hij heeft daar een indruk van, hij heeft een indruk dat er een God is. Hoor Israël, de Heere onze God is een eenig Heere! üeut. 6:4. Ik bon de Heere uw God, Israël! voor al mijne verbondelingen, waar Ik het verbond der genade mede opgericht heb, na den val, in Adam. Naderhand heb Ik dat

484

-ocr page 491-

OVER DEN XXXIV. ZONDAG. Vraq. 92-96.

vervolgd in Abraham, als Ik zeide, daf; zijn zaad zou zijn als het zand der zee, en als de sterren des hemels, Gen. 22:17. Ik beu de Heere uw God, Israël! wij staan te zamen in een verbond. Gij hebt Mij verkoren, maar Ik heb u eerst verkoren, Ezech. 1(J:(3. Ik verkoos u in uw geringen toestand. Ik versierde u, Ik zeide: Ik zal mijn oog op u stellen ten goede, Jer. 24:6, en gij verkoost Mij. Al wat bij of omtrent ons is, zeidet gij, is daar getuige van, Deut. 4:2(3; en .los. 24:22, Gij hebt Mij verkoren om Mij te dienen. Al zeide Ik, gij zult Mij niet kunnen dienen, want Ik ben een heilig God, Jos. 24:19, Gi] zeidet nochtans, laat het zoo zijn, ik zal alles doen wat Gij eischt. Gij hebt uw woord gegeven. Daar ligt uwe verbintenis.

Nog eens, Israël! Gi] hebt onder u een uitverkoren geslacht; daar heb Ik tegen gezegd: al wat Ik heb, en ben, en kan, dat zal Ik u geven. Ik zal u geven, al wat gij tot het leven, tot de zaligheid en tot de gelukzaligheid noodig hebt, 2 Petr. 1:3. Lieve Heere! begonnen zulken te zeggen: uwe wet is zoo scherp, sla zoo niet. Ik heb voor, zegt God, als Ik u verslagen heb door mijne wet, en u gebracht tot ontsteltenis over al uwe zonden, tegen mijne wet, u zoo te bewerken, dat gij zult zeggen: is er dan geen genade voor zulken? En dan zal Ik u brengen tot het einde van de wet: den Heere Jezus, die voor een iegelijk is, die in Hem gelooft. Joh. 3:36. En dan zult gij die wet gaan gebruiken, als een regel om daarnaar te leven. Mijne kinderen! zegt God, wat hebt gij nu tegen de wet, wat moogt gij zoo tegen het wetprediken zijn? Gij moest zeggen: \'t is die oude goede wet, laat ik naar dezelve wandelen.

Een vierde grond van gehoorzaamheid is: Ik heb u uit het diensthuis uitgeleid. Mijne kinderen heb Ik uit het diensthuis der zonde uitgeleid, dat al vrij wat erger is, dan het Egyptische diensthuis. Israël! gij weet, hoe gij zat als daar de moeders met hunne kinderen naar het water moesten, en hunne zuigelingen evenals honden in den stroom moesten werpen, om te verdrinken. Heugt het n niet meer? \'t Is maar vijftig dagen geleden, dat gij uit dat land zijt getogen. Gij behoeft het Mozes, noch Jozua dank te wijten. Ik de Heere, heb u er uitgeleid, door eene sterke hand, door een uitgestrekten arm, en door vele teekenen en wonderen. Is dat geen grond van verplichting, om mijne wet te gehoorzamen? En nu, uitverkoren geslacht! wat zijt gij aan Mij schuldig? Ik heb u verlost van de tyrannie des duivels, \'t Was geen kind van u, dat gij in de rivier moest werpen, maar uzelven in de hel; nu zult gij naar die wet leven.

Nu, het vierde is de Schriftuurlijke verklaring van het eerste gebod van die goddelijke wet. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

Zijn er anderen, is er meer dan een allervolmaaktst Wezen? Neen, maar wel andere versierden, die de menschen daarvoor houden. 1 Oor. 8:4, Wij weten dat de afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één. \'t Zijn geen goden. Gij zult zulke dingen niet voor mijn aangezicht hebben, dat is in mijne tegenwoordigheid; of

48B

w ■

; Wï ■ ül

:t\' \'i 1

-ocr page 492-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

het op de straat is, of dat het in uw tempel is, of in bosschen, of in binnenkamers; Ik ben alomtegenwoordig: Vervul ik niet den hemel en de aarde, spreekt de Heere, Jer. 23:24. Gij zult geen God hebben, dan Mij. Laban zeide tegen Jakob; gij zult geene vrouwen nemen boven mijne dochteren. Gen. 31:50. \'Zoo ook: Gij zult geen God hebben boven Mij, behalve dit Goddelijke Wezen. Sommigen nemen het zoo, alsof God ook met deze woorden zeggen wilde: Als Ik mijn Zoon zenden zal, houdt Hem voor geen vreemden God; zoo gij het doet, weet, dat gij het onder mijn oog zult doen. Ik zal het zien en zoeken, want alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen, met welken wij te doen hebben, Ilebr. 4:13. Dat is zoo korte-lijk de zin van het eerste gebod.

Wat ligt daar nu in begrepen, wat voor zonden in \'t verbod, en wat voor deugden in \'t gebod? in \'t verbod alle tooverij, waarzeggerij, bijgeloof, waar dan bijkomt eigenwillige godsdienst, aanroeping der heiligen en zelfs Godloochening.

Tooverij! wat is dat voor praat, zult gij wellicht in uw hart denken; is er tooverij? Wel vraagt dan of er een bijbel is. Wat is het met den duivel samentespannen, om iets te doen, dat boven de macht der menschen is, om wat grootsch te schijnen ? Geliefden! men zou dit stuk, niettegenstaande er zoo menigvuldige plaatsen in de Heilige Schrilt van worden gevonden, die zonder verdraaiing, niet wel ergens anders toe kunnen tehuisgebracht worden, echter almede niet willen gelooven, tenminste, men zou het nog al meer beknibbelen, tenware er onder de Joden ware geweest een uitdrukkelijk gebod: De too-veres zult gij niet laten leven, Exod. 22:18. Nu, omdat het een uitdrukkelijk gebod en wet was, dat is een klaar en duidelijk bevel, dat iedereen verstond en begreep, zoo moet het ook eene onwrikbare waarheid zijn, dat er too veressen onder de Joden, of onder de Heidenen, hunne naburen rondom, geweest zijn; want eene wet die duidelijk en klaar is, kan geen straf stellen op eene misdaad die versierd en onmogelijk is, maar wel op zulk eene, die er reeds is, of staat te wezen. De tooveres dan, zegt God, zult gij niet laten leven. In het Oude Testament hadt gij de toovenaars, waarvan gij leest, Exod. 7 en 8. Ook waren er Egyptische toovenaars in Babel, Dan. 2:2. In het Nieuwe Testament daar hadt gij een Simon den toovenaar, die meende dat de gave Gods voor geld te koop was, Hand. 8:19. Gij hadt er een Elymas den toovenaar, die de apostelen wederstond, zoekende den stadhouder van het geloof af te keeren. Hand. 13 :8. Hun oordeel is in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer, Openb. 21:8.

Is er dan ook waarzeggerij? zult gij zeggen; en wat is dat? Die willen den profeet spelen, zij willen wat verborgens ontdekken; die voorzeggen wat uit de vlucht der vogelen. De koning Saul ging naaide profetes te Endor; zij zeide: gij weet dat zij, die waarzeggerij plegen, sterven moeten. Neen, zegt de koning, gij zult niet sterven, doe mij maar opkomen, dien ik u zeg, 1 Sam. 28:10. Ziet ook eens

486

-ocr page 493-

OVER DEN XXXIV. ZONDAG. Vrag. 92-95. 487

als gij zult tehuis gekomen zijn, Deut. 28, Lev. 19 en 20. Die dat doet, zeide God, ik zal er mijn aangezicht tegen zetten.

Wat is nu superstitie of bijgeloof? Dat is van kleine dingen groote te maken en te wachten, dat doorgaans vergezeld gaat met eigen-willigen godsdienst. Zoo was er bijgeloof en eigenwillige godsdienst bij Micha: Nu weet ik, dat God mij zal weldoen, zeide hij, omdat ik dien leviet tot een priester heb. Richt. 17 :13. Zoo was het al vóór den val. Als de duivel Eva verleidde, zeide hij: Gij zult als God gelijk zijn. Gen. 3: 5.

Daar komt nu bij aanroeping der heiligen. Men moet wel eerbied hebben voor de heiligen, maar het moet niet te veel, ook niet te weinig zijn. Als ze in den zin hadden de apostelen te aanbidden, zoo scheurden zij hunne kleederen. Hand. 14:14. Wel Johannes! zeide de engel, zie toe, dat gij mij niet aanbidt, zie toe, dat gij dat niet doet, ik ben uw mededienstknecht en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben. Aanbidt God, Openb. 19:10. De reden is, Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet, Jes. 63 :10. Dan verbiedt God de afgoderij; de groote gelijk de Heidenen hadden, die dienden den Baal, den Moloch, den Astharoth, en al zulke verfoeiselen en drekgoden. Dan is er een mindere afgoderij van anderen, die hinken op twee gedachten, die geven God wat, en dat andere, dat zij als een God houden, ook wat.

Nog eens. Daar zijn er, die een afgod in hun hart zoeken. Man of vrouw, of kind, als God het van hen neemt, laat het een scherpen schorpioen-steek in hun hart.

Dan is er nog Godloochening. Die ontkennen het Goddelijke Wezen en de Goddelijke eigenschappen. Anderen smelten dat Wezen met het schepsel ineen: daarom worden die voor Deïsten, en de eersten voor Atheïsten uitgemaakt.

Dan zijn er grove Atheisterüen. Die zich hieraan schuldig maken, die zeggen: daar is geen God, Ps. 14:1. Maar al studeeren ze er nog zoo op, het staat in hunne macht niet, om het nevens zich neer te zetten.

Nu de deugden, welke zijn die? De kennis Gods; wie God is, wat God is, hoe lief zijne genade is, hoe schrikkelijk zijn toorn is, en wat Hij worden wil voor een arm schepsel, dat al zijn vertrouwen op God stelt. Wentelt uwen weg op den Heere, Ps. 37: t). Laat liever elk schepsel varen, dan dat gij God ongehoorzaam zoudt wezen, of in \'t minst van God zoudt afgaan. Als gij dat begrip hebt, dat gij alleen God dienen moet, dan zult gij door de roede ootmoedig en nederig worden, Micha 6:9, Hoort de roede en wie ze besteld heeft. Weest met ootmoedigheid bekleed, 1 Petr. 5:5. Den nederigen geeft Hij zijne genade. Jak. 4:6. Dan wordt de vreeze Gods geboden, niet gelijk een Kaïn, of als die, welke uit vrees zeide: Ik ken u, dat gij een hard mensch zijt, Matth. 25:24.

Dan de liefde tot God den Heere, Judas vers 21. Dan te hopen op den levenden God, Ps. 38:16. Opgeven nooit, al donderde de wet

-ocr page 494-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

nog zoo. Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God, Ps. 43:5. Wanhoop niet met eene kwade wanhoop, die de zonden vergroot, en de genade Gods verkleint.

Dan te zeggen: Heere! ik bied U mijn dienst aan, wat wilt Gij dat ik doen zal. Hand. 9:6, in uwe kracht en in afhanging van uwen invloed. De Onderwijzer dringt het aan, en zegt: zoo lief als gij uwe ziel en zaligheid hebt, moet gij dat mijden en vlieden. Vraag 94: liever alle schepselen af te gaan en varen laten, dan iets tegen zijn wil doen. Oordeelt zelf, zeide Petrus voor den geheelen raad, of het recht is voor God, ulieden meer te gehoorzamen dan God, Hand. 4:19.

Wat zegt nu uw hart? Laat ons nog een woord tot een stichtelijk slot voor uw hart spreken.

Eerst. Vragen wij u, gij menschen, allen die hier zijt, zoudt gij de wet der tien geboden wel kunnen opzeggen. Denkt er eens aan, als gij alleen zijt, rust niet, voordat gij ze van buiten kent. Dat uwe kinderen u eens vraagden: wat is dat voor eene wet? Zou het u niet schamel ter hand staan, als gij ze moest onderrichten?

Ten tweede. Is de wet u niet wat vreemds? Hos. 8:12 klaagt God daarover. Ik schrijf hun, zegt God, de voortreffelijkheden mijner wet voor, maar die zijn geacht als wat vreemds, \'tis of God eene wet buiten zijn gebied gaf.

Een derde zegt: ik heb de wet hooren prediken; maar wie kan dat dragen?

Ten vierde. Menigen hooren de wet prediken in al hunnen omslag. Die zeggen: dat zijn wetezels, beroerders, vijanden; en die zeggen: spreekt tot ons zachte dingen, schouwt onze bedriegerijen, Jes. 30:10. Dat is al oud, zeggen zij. Een bedroefde eeuw! waar de duivel zoo op den troon zit, daar het als Laïs is, Jes. 10:30; die weigeren wakker gemaakt te worden, daar men zijne tong niet eens mag leenen, om iemand uit zijne zorgeloosheid wakker te maken, of zi] zouden u wel toesnauwen: wat heb ik met u te doen, zijt gij gekomen om mij te pijnigen voor den tijd? Matth. 8:29. Men zou gerust in de stad leven, maar daar is zoo iets op stoel dat ons ontrust. Is het niet droevig? Is het niet droevig, dat men Jakob zijne zonden, en Israël zijne overtreding niet eens mag bekendmaken? De wet is een geestelijke spiegel. Daar is geen een mensch, of hij heeft wel een spiegel in zijn huis, \'t zij groot of klein; en hij ziet er eiken dag wel eens m; maar hebt gij (-lien bekeken die niemand vleit, die elk zijne vlekken ontdekt? Acii! menigen hebben de stoutheid niet om te zeggen wat zij van God gelooven, veel minder wat zij er van denken.

Een ander zegt: ik wil geen God; een ander: ik wil een vermaak-God hebben; een ander: mijn buik is mijn God, Fil. 3:19. Anderen zeggen: Ik heb in tijd van nood vrienden, politieken en anderen, die houd ik voor mijn God. Een ander is zulk een, die geen God noch menschen ontziet, gelijk die goddelooze rechter, waarvan gij leest, Luk. 18:4. Een ander zegt, dat zijn geld zijn God is. Een ander

488

-ocr page 495-

OVER DEN XXXIV. ZONDAG. Vrag. f)2-95.

heeft er een in zijn hart; en als God dien afgod wegneemt, dan schreit en 1 \' 1 quot;

genade hebben? Ik weet dat

genade m _ samengaan. Maar de genade

laat ze niet stil zijn; zij wil de verdorvenheid minder hebben. Do oude mensch moet eerst gekruisigd en gedood worden, zou de nieuwe mensch opstaan, zouden wij komen aan de heiligheid en aan de deugd om God recht te kennen; al onze zaken zoo in zijne hand te geven, te zeggen: mijn wil moet zijn wil zijn, ik moet wijken voor God. Wat is de genade en de heiligmaking klein!

Zondaar! laat ons toe, dat wij u nog met een woordje aanspreken. Gij zijt bedrogen, zondaar! zoo gij meent, dat er geen God is. Gij zult het dan eens ondervinden als het te laat is. Zondaar! hoe zult gij het maken, die andere goden dient? Gij wilt uw eigen heer zijn en gij zijt een zotte slaaf van de zonde. Gij zult verbroken worden, gelijk de koperen slang, en \'t gouden kalf; en wat zult gij dan meer hebben? Waar de Heere is, daar zal dan de knecht ook wezen, en waar is dat? In de hel.

Zondaar! Mogen wij nog een hartelijk woord tot u spreken? God is uw God niet, maar Hij is uw hater. Hij strijdt tegen u. Ach! schrikt, zelfs dan, als Hij u uwen zin geeft. Gij zoudt net niet ge-looven, gij misbruikt alles wat God u geeft; \'t is u alles tot een valstrik.

Nog eens. God heeft een ander volk voor zijn aangezicht. De god-deloozen zullen voor zijn aangezicht niet bestaan. Hij haat alle werkers der ongerechtigheid; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel, Ps. 5:7. Daar is een uitverkoren geslacht, een heilig volk, een verkregen volk, 1 Petr. 2:9, waarvan God zegt: mijn lust is aan hen, Jes. 62 :4.

Nog eens. Gij zijt in een diensthuis, erger dan Israël in Egypte was. Als gij al trouw gediend hebt, krijgt gij nog slagen. Dan steekt Hij uwe oogen uit, dat gij niet ziet; en zijne slagen zijn zwaarder dan de Egyptische, en zoolang als gij niet terecht gebracht zijt, zoo zijt gij nog een vervloekte op de wereld, in al uwe zegeningen, op uw doodbed, en als gij zoo sterft, tot in eeuwigheid. Dan zal God zeggen: ziet nu dien vervloekte.

Iemand zal zeggen: ik wilde wel, dat ik eens wist, of God mijn God is. Hieraan kunt gij \'t weten.

Eerst. Kent gij een diensthuis der zonde? Viel het u moeielijk en zwaar? Werdt gij het moede?

Ten tweede. Kwam God u in het oog en in het hart? Leidde Hij er u uit? Werd Hij u te sterk? Zeidet gij tegen uw lief gezelschap: ik kan niet meer met u mede doen. God\'doet het?

Ten derde. Wilden wij u wel eens vragen: Als gij alles wat u lief en waard is nevens God, in eene weegschaal laagt, wat woog er dan het zwaarst, man, vrouw, kind? Of zeidet gij: Heere! van alles wat mij lief en waard is, wil ik afscheiden, om (J te gemeten? Wien

489

-ocr page 496-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde, Ps. 73:25. Wat kan het mij alles helpen, als ik God mis?

Ten vierde. Zucht gi] nog om uwe afgoden; om de zonden verbroken te krijgen in uw hart, huis, kerk, stad en land? gelijk gij leest, Eüech. 9 :1—4.

Ten vijfde. Deedt gij alle moeiten om ze er uit te krijgen, door schreien, bidden, lezen, waken, vasten? Zeidet gij: Heere! breek toch in mij de kracht der verdorvenheid?

Ten zesde. Als God en menschen in tegenstand kwamen, zeidet gij dan: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gaf, zoo vermocht ik niet het bevel des Heeren mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot, Num. 22: 18. Eerier alle schepselen laten varen, dan iets tegen zijn wil te doen.

Ten laatste. Zijt gij met God tevreden, al was het, dat er geen rund in de stalling was, noch vrucht aan den wijnstok, en dat het werk des olijfbooms liegen zou? Hab. 3:17. Als gij arm zijt, en u alles tegen ioopt, zijt gij dan nog vergenoegd met God, en is Hij de Rotssteen van uw hart? Dan is God uw God, en gij zijt zijn dienstknecht of dienstmaagd. De verdiensten van Christus zullen wel maken, dat gij wichtig zijt. Dat geve de Heere aan ons elk. Hij zegene dit gesprokene aan ons, tot zijne eer, om zijns Zoons wil! Amen.

490

-ocr page 497-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXXV. Zondag. Vrag. 96—98.

Vijf-en-dortigste Zonday.

96. ViiAAü. Wat eischt God in het tweede gebod?

Antwoord. Dat wij God in geenerlei wijze afbeelden, noch op een andere wijze vereeren, dan Hij in zijn Woord bevolen heett.

97. Vkaag. Mag men dan gansehelyk geene heelden maken?

Antwooud. God kan, noch mag in geenerlei wijze afgebeeld worden;

maar de schepselen, al is het dat zij kunnen afgebeeld worden, zoo verbiedt toch God hunne beeltenis te maken en te hebben, om die te vereeren, of God daardoor te dienen.

98. Vkaag. Maar zou men de heelden in de kerken, als hoeken der leekcn, niet mogen lijden?

Antwoord. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die zijne Christenen niet door stomme beelden, maar door de levendige verkondiging zijns Woords wil onderwezen hebben.

DE Zaligmaker zeide eens zeer wel, Matth. 4 :10, Den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Dat is buiten alle tegenspraak, dat er een God is; het kennelijke Gods is in aller menschen harten openbaar. Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, Rom. 1 : 19, 20. \'t Is ook buiten twijfel, dat er maar één God is. Heide, het Oude en het Nieuwe Testament toonen dat klaar aan. Zoo wordt er gezegd, Deut. 6:4, De Heere, onze God, is een eeuig Heere. 1 Cor. 8:4, Wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. Is er maar die eene God, zoo kan een mensch lichtelijk bevatten, dat die God alleen waardig is gediend te worden. Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen, zegt onze tekst, Matth. 4:10; en Jes. 42:8, Ik ben de Heere, dat is mi]n naam, en mijne eer zal Ik geen anderen geven, noch mijn lof den gesnedenen beelden. Het lied dat de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen zongen, waar wij van lezen in de Openbaring van Johannes, Hfdst. 5:12, 13, is: Het lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen, de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. En allequot; schepsel dat in den hemel is.E Zaligmaker zeide eens zeer wel, Matth. 4 :10, Den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Dat is buiten alle tegenspraak, dat er een God is; het kennelijke Gods is in aller menschen harten openbaar. Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, Rom. 1 : 19, 20. \'t Is ook buiten twijfel, dat er maar één God is. Heide, het Oude en het Nieuwe Testament toonen dat klaar aan. Zoo wordt er gezegd, Deut. 6:4, De Heere, onze God, is een eeuig Heere. 1 Cor. 8:4, Wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. Is er maar die eene God, zoo kan een mensch lichtelijk bevatten, dat die God alleen waardig is gediend te worden. Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen, zegt onze tekst, Matth. 4:10; en Jes. 42:8, Ik ben de Heere, dat is mi]n naam, en mijne eer zal Ik geen anderen geven, noch mijn lof den gesnedenen beelden. Het lied dat de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen zongen, waar wij van lezen in de Openbaring van Johannes, Hfdst. 5:12, 13, is: Het lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen, de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. En allequot; schepsel dat in den hemel is.

-ocr page 498-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

en op de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid!

Dat is dan waar, dat er een God is, en dat die God gediend moet worden; maar het is niet evenveel hoe. Ten eerste. Het mag naar onzen zin of eigen voorschrift niet wezen, naar onze eigene verzinsels, of gedachten uit ons hart. Als wij het uit ons hart verzinnen, dan zou het kunnen gaan, gelijk het dien heidenschen volkeren ging, die de koning van Babel in de steden van Juda en van de kinderen Israels had doen wonen, 2 Kon. 17:24—29. Die arme menschen dienden God niet, zoo beschikte God het, dat er leeuwen tegen hen op kwamen. Toen zeiden die menschen tot den koning: wij kunnen het in dit land niet houden, want daar houden zich leeuwen op. Wat waren de redenen. Wij weten de wijze van den God dezes lands niet, zeggen ze. Toen zond de koning priesters, die leerden hun de wijze, hoe God gediend wilde worden.

Niet alleen is het te zien in die heidensche menschen; maar als gij, ten tweede, op het Woord let, zoo verbiedt God het, en 11 ij zegt, dat Hij niet gediend wil worden, naar eigen goeddunken. Col. 2 :18. God heeft het gestraft in degenen, die een dag verzonnen uit hun eigen hart. Dan zegt God, tevergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen, die quot; ™ ^ 15:9. Jes. 1: 12.

ie heett zulks, zect, (ind. van uwe hand ffeeischtr1

In de derde plaats. Het blijkt, dat het niet evenveel is, hoe dat God gediend wordt; \'t blijkt uit de bedreigingen. God wil naar den regel van de wet en van het Evangelie gediend worden. Al was het een engel uit den hemel, zegt Paulus, die u een ander Evangelie verkondigde, die zij vervloekt. Gal. 1:8. Daar mag niets van af- noch van toegedaan worden. Als een mensch daar bij of af doet, zoo zal God zijnen naam uitdelgen uit het boek des levens, Openb. 22:19. Daarom geeft God dit tweede gebod aan alle volkeren; in \'twelk Hij elk op het hart drukt en leert, dat God op zijne wijze en manier gediend wil worden. Als eens een dienstknecht zijn heer ging dienen naar zijn eigen zin en wijze, en niet naar het voorschrift van zijnen heer, lioe kwalijk zou het door zijn heer genomen worden; als eens eene dienstmaagd niet den zin van hare vrouw, maar haren eigenen zin deed, hoe kwalijk zou die vrouw het opnemen! Als wij zouden zeggen: ik zal zoo en zoo doen naar mijn zin, en niet naar den zin van God, dat zou God niet aangenaam zijn.

In het eerste gebod toonde God, dat er één God is, en dat Hij alleen gediend moet worden. In het tweede gebod toont God, dat Hij in geest en waarheid gediend wil worden, en dat alle eigen zin, die tegen het Woord is, moet buiten staan.

Om dit tweede gebod wel te verhandelen zoo hebben wij te bezien:

Eerst. Het gebod zelf.

Ten tweede. De hoofdzonde, die er verboden wordt.

492

-ocr page 499-

OVER DEN XXXV. ZONDAG. Vras. 90-98.

Ten derde. Hebben wij de uitvluchten van de partijen op te lossen en te beantwoorden. 1. Zeggen wij, moeten wij het gebod van woord tot woord bezien. 2. De hoofdzonde bezien, welke er in verboden wordt, te weten: den beeldendienst. 3. Moeten wij zien dat het deksel van de partijen te smal is.

Wat het eerste aangaat, God de Heere komt en Hij heeft aan zijn volk, dat daaronder aan den voet van den berg staat, aan die duizenden menschen, aan die oversten over duizend, aan de politieken, en aan al het volk, wat te zeggen. Hij spreekt ze allemaal eens aan, man en vrouw, ouders en kinderen: Gij, zegt Hij, zult geen beelden noch eenige gelijkenis maken, gelijk ze onder de Heidenen doen. Het kennelijke Gods was er wel in. Zij hadden ook hunne godsdienstigheid. Te Athene hadden ze zoo allerhande heiligdommen, en, om niet te missen, hadden zij nog een altaar waarop geschreven stond: Den onbekenden God, Hand. 17:2!3. Daarvan hadden ze wel een indruk, maar zij wisten niet wat zij er van maken moesten. De Heidenen kregen mede lust tot het zondige leven. Zij hadden wel geen bijbel, maar wat deden zij? Zij gingen de eeuwige waarheden, die in hen waren, verkrachten; en zoo gingen ze de heerlijkheid des onverderlelijken Gods veranderen in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk schepsel, Rom. 1:23. Zij gingen God dienen onder de gedaante van visschen, vogelen en viervoetige dieren. Wij vinden heidenen, die wijzer schenen te zijn: die dienden de zon, maan en sterren, die hielden zij tot hunnen god, ol eigenlijk tot middelaars, voorsprekers of tolken, tnsschen hen en den oppersten God; want zoo wijs waren zij al wel, dat zij wisten, dat er ten minste dan een opperste God moest wezen. De Perzen aanbaden de zon, waar God nochtans gezegd had: het heir des hemels zult gij niet aanbidden, Deut. 17:3. Job betuigt zijne onnoozelheid omtrent die afgoderij. Job 31 :26—28, Zoo ik het licht aangezien had, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande; en mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijne hand mijn mond gekust heeft: Dat ware ook een misdaad bij den Hechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben. Hij wil zeggen, dat, als hij de zon aanschouwde, hij zijne hand nooit aan zijn mond gebracht, en die niet eerbiedig gekust had; want omdat zij de zon niet kussen konden vermits zij daar te ver af waren, zoo kusten ze hunne hand tot teeken van eerbied, en dat was zooveel te zeggen, alsof zij de zon zelve kusten. Maar Job zeide, dat is mijn God niet: hij wist altewei dat God alleen gediend moest worden. God zeide eens tegen den profeet Ezechiël: Ziet gij wel, dat daar mannen staan, die zich buigen naar het Oosten voor de zon, dat is, die dat schepsel godsdienstige eer bewijzen? Ezech. 8:16.

Dan waren er, die viervoetige dieren eerden als hunnen God. Zoo hadden de Sefarvieten Adramélech tot hunnen God, 2 Kon. 17:31. En zoo leest gij, 2 Kon. 19:37, dat als Sanherib, de koning van Assyrië in het huis (dat is de tempel) van Nisroch zijnen God zich

493

-ocr page 500-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

nederboog, dat hij van Adramélech en Sarézer zijne zonen, met het zwaard verslagen werd. De een diende God onder de gedaante van een hond, anderen onder die van het water, gelijk de Égyptenaren; en de Filistijnen hadden hunnen God Dagon, die was half mensch en half visch.

Anderen als de oude Duitschers, dienden onder menigerlei soort van goden, ook de rivier den Rijn. Onder de Égyptenaren hadden ze opgerichte en geheelde steenen, waarop eenige figuren van vogels, visschen, en zelfs van monsters of wanschepsels stonden, met hunne bijgevoegde karakters, inhoudende de verborgenheden of mysteriën van hunnen godsdienst, daar God nochtans gezegd had: gij zult ulieden geen afgoden maken, geen opgerichten, noch gebeelden steen om u daarvoor te buigen. Lev. 26:1. God verwyt het hun dat ze het gedaan hadden, door Stefanus, die haalt het op dat ze hout en steen tot hunnen God gemaakt hadden, om zich daarvoor te buigen, en eene godsdienstige eer daaraan te geven, Hand. 7; 41. God is er anders niet tegen, dat men tegen oen mensch eene burgerlijke beleefdheid heeft: dat is te prijzen, de hemelsche menschen moeten ook bescheiden en beleefd zi]n. De Christenen hebben ook geen beleefdheid geweigerd aan hunne overheden. Als de roomsche keizers, die zulk een tyrannie aanrichtten, ergens hunne beeltenis deden oprichten, hetgeen zij geëerd wilden hebben, alsof zij er zelf in persoon tegenwoordig waren; de Christenen hebben het nooit geweigerd, doch zij wilden daaraan geen godsdienstige eer bewijzen, maar wel eene burgerlijke beleefdheid, hoewel het een harde zaak was, aan een ongevoelig en onbezield beeld zoodanige eer te moeten bewijzen, die nauwelijks de persoon zelve toekwam. Geliefden! wij kunnen niet nalaten u te verhalen eene aanmerkelijke historie, die dienen zal om u te doen zien wat eene harde zaak het altijd geweest is, eerbewij-zingen te moeten geven aan beelden, of aan ziilke dingen, die (ie personen, welke geëerd of gediend moest worden, zelf niet waren.

Toen Zwitserland nog onder de heerschappij der hertogen van Oostenrijk stond, gebeurde het, dat aldaar een hoovaardig en onbeschoft landvoogd was, die niet tevreden zijnde, dat zijn persoon dooide Zwitsers de behoorlijke eerbewijzing werd aangedaan, of om die eenvoudige lieden te kwellen, zijne trotschheid zoover liet gaan, dat hij zijn hoed op een spies stelde, en er een wachter bij zette, met uitdrukkelijk bevel, dat elk voorbijganger dien hoed de eer zou bewijzen, die men gewoon was den landvoogd in persoon aan te doen. Nu was daar een eenvoudig landman, Willem Teil genaamd, die de edelmoedigheid had, dat hij weigerde dien hoed te groeten. Hij nam zijn hoed daar niet voor af, noch boog zich voor den hoed des land-voogds, die op de spies stond. De wachter, die daar bij stond, klaagt hem aan. Dit den landvoogd ter oore gekomen zijnde, en vernemende dat die man een goed boogschutter was, deed hij hem voor zich komen, en vonniste hem om een appel, die op het hoofd van zijn eenig zoontje gesteld was, daarvan af te schieten. Schoot hij er den

494

-ocr page 501-

OVER DEN XXXV. ZONDAG. Vrag. 96-98.

appel af, zonder het kind te treffen, dan zou hij vrij zijn. Daar wordt het kind gebonden. De vader komt met twee pijlen in zijne hand, in zijn hart God biddende, dat Hij zijne hand beliefde te besturen, dat het kind niet geraakt mocht worden. Hij doet het schot, ea mikt zoo wel, dat hij den appel van zijn zoontjes hoofd afschiet, zonder dat het kind gekwetst wordt. Toen vroeg de landvoogd hem, wat hij met dien tweeden pijl had voorgehad. De man gaf ten antwoord: die tweede pijl was, om, zoo ik mijn kind getroffen had, u daarmede het hart te doorboren. En die moedige daad van den landman wordt aangeteekend te zijn geweest de eerste oorzaak, dat de Zwitsers het on verdragelij k Oostenrijksche juk van hunne schouders hebben afgeschud, en zich na vele bloedige veldslagen, eindelijk in vrijheid gevochten hebben.

Zoo ging het ook toe, ten tijde der eerste Christenkerk, onder de heidensche keizers. Als het er op aankwam om godsdienstige eer te bewijzen aan eenige beelden, afgoden, of den persoon des keizers zelf, dat wilden ze niet doen. Toen het eerste beest, do heidensche keizers, woedde, zoo mochten al degenen, die dat weigerden in geen gilden komen, ook mochten zij niet aan de publieke watervaten komen, om water te scheppen, of zij moesten een teeken hebben. En wat was dat voor een teeken? Zij moesten wierook nemen om de afgoden te offeren. Zoo is het nog gesteld onder de roomschen. Of gij moet de beelden eeren, of gij moet uw leven laten. Liever dan dat de Christenen dat zouden doen, zoo verloren ze hun leven. God zegt: Gij zult het niet doen. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen, zegt God. Onder de regeering van keizer Julianus, die doorgaans genoemd wordt de apostaat of afvallige, omdat hij van Christen, heiden geworden was, was een geheel regiment Christenen. De afgodische priesters hitsten hen daartoe op. Zij zeiden tegen de Christen-soldaten: gij moet sterven, zoo gij niet offert. De Christenen stonden daarover eerst zeer verslagen, en hun overste zeide: Wij hebben den keizer altijd trouw gediend, maar wij willen ook God bovenal trouw dienen; moeten wij sterven, wat raad? Des keizers hart werd daardoor bewogen, zoodat hij zeide: Gij zult niet allen sterven, maar de tiende man van u zal sterven, eii negen van de tien zullen blijven leven. Zij antwoordden allen tegelijk: daar zal niemand van ons blijven leven, en hun overste wilde ook niet vrij-gaan. De Wetgever zegt: gij zult geen andere goden dienen. Gij zult ze geen van de minste godsdienstige eer aandoen of bewijzen, gij zult geen andere goden maken, of opsieren, of oppronken, of omdragen, of hun eenige kracht toeschrijven die ze niet hebben. Ja, de Wetgever gaat het aandringen. Ik ben de Heere, de Allerhoogste over de gansche aarde. God is maar één God. Ben ik maar alleen God en zoudt gij beeltenissen maken, om Mij door dezelve te dienen: Ik ben de Heere uwe God. Wij zijn in een onderling verbond met elkander; gij hebt het beloofd, dat gij u als een volk van mij zult aanstellen, en dat gij geen andere goden dienen zult. Drie zaken

495

-ocr page 502-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

lijden geen metgezel, een koning op zijn troon, een man in zijn huwelijk, en God in zijne Goddelijke regeering. Is er een man, die ziet, dat zijne vrouw hoereert, zijn bloed geraakt aan \'t zieden, zijn hart wordt jaloersch, hij heeft eene grimmigheid, die nergens mede te stillen is; hij zou zijne vrouw wel op een eed brengen en een vloekwater doen drinken, waarvan gij leest, Num. 5. Zoo, zegt God, is mijn toorn ook. Wanneer gij beelden maakt, als gij ze maakt zoo begaat gij afgoderij; Ik verklaar u, dat gij een hater van Mij zijt, als gij dat doet.

\'Een Papist zegt, dat wij God haten als wij zijn beeltenis niet vereeren met Goddelijke eer, daar zij nochtans naters van God zijn. Als een man zijne vrouw overspel zag bedrijven, zou hij niet zeggen: gij haat mij? Hij dringt het aan. Zou een man van zijne kuische vrouw niet zeggen, dat ze liem liefhad? God acht ook de zijnen liefhebbers te zijn, die zijn gebod doen, alhoewel wij het niet volmaakt doen. Hij dringt het nader aan, en zegt: zoo gij het doet, Ik zal bezoeking \'doen over de misdaad der vaderen aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid, dat is, tot in het derde en vierde geslacht.

Gij zult zeggen: bezoekt God dan de misdaden van de ouders aan de kinderen? Ja, het gebeurt wel in de wereldlijke rechtspleging, dat, als er een geheel roofnest is, een moordenaarskuil, het gerecht het geheel uitroeit. Het leeuwenwelp, en het jong van een adder worden zoowel gedood als de oude leeuw en adder; omdat er diezelfde aard in zit. Zoo komt God als een Rechter; Hij vindt zulke zondige kinderen; Ik zal ze, zegt Hij, tot in het derde en vierde lid uitroeien. Dat zien wij in de eerste wereld. De zondvloed nam zoowel de kinderen als de ouders weg, Gen. 7:23. Wij zien het in Sodom en Go-morra, de kinderen kwamen mede om in die algemeene verbranding. Gen. 19:25. de kinderen van Korach, Dathan en Abiram, gaan zoowel naar de hel als zij. Num. 16:32, 33. Let eens op de Amalekieten, 1 Sam. 15:3. Zij werden met het zwaard gedood zoolang daarna, totdat het land ontbloot was van zijne inwoners. Dat doe Ik, zegt God.

Maar geliefden! Over de bedreiging valt zwarigheid. Hoe kan het wezen, zult gij wellicht zeggen, dat God zelfs aan de kinderkens bezocht de misdaden der ouders? Daar er Dent. 24:16, en 2 Kon. 14:6, staat: De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijne zonde gedood worden, en Ezech. 18:4, De ziel die zondigt zal sterven, en vers 20, van datzelfde 18ae Hfdst., De ziel die zondigt, die sterven. Do zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons: de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hen zijn, en de goddeloosheid der goddeloozen zal op hen zijn. Hoe, zult gij zeggen, komt dit overeen met het tweede gebod? Ja.

Eerst. In het tweede gebod spreekt God naar zijn recht, en

496

-ocr page 503-

OVER DEN XXXV. ZONDAG. Vrag. 90-9fi.

Deut. 24, 2 Kon. 14, en Ezeoh. 18, spreekt God naar zijne barmhartigheid.

Ten tweede. Als de kinderen dezelfde wegen ingaan van de ouders, is het dan niet rechtvaardig, dat God ze dan ook straft? Ja.

Ten derde. Kan God de ouders wel ergens beter in straffen, dan in hunne kinderen? De kinderen zijn hunner ouderen goed; zij zijn als stukken van de ingewanden hunner ouders. Davids zonde van\' overspel werd gestraft in \'t kind, dat daaruit was voortgesproten, 2 Sara. 12:14. Als God het niet doet, zoo handelt Hij naar zijne genade en barmhartigheid. God wilde bij Ezech. 18, de Joden dat spreekwoord uit hunnen mond nemen: De vaders, zeiden zij aldaar vers 2, hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden.

Daar is nog eene zwarigheid over dit gebod. Te weten: dit is een gebod met eene belofte, en wij lezen dat Paulus zegt, Ef. 6:2, Eert uwen vader en uwe moeder, hetwelk liet eerste gebod is met eene belofte; hoe komt dan nu in dit tweede gebod eene belofte? Wij antwoorden: Het gebod: Eert uwen vader en uwe moeder, is het eerste in de tweede tafel der wet, en is het eerste met eene particuliere belofte,_ doch dit is een gebod met eene belofte in de eerste tafel der wet, dit is eene algemeene belofte; maar dat andere is eene bizon-dere belofte, behoorende tot dat gebod. Die God haten, dat is algemeen, daar zal Hij bezoeking over doen; van die Hem liefhebben is \'t ook algemeen: Hij zal ze barmhartigheid bewijzen tot in duizende geslachten. Dat is in \'t algemeen bedreigd aan ai de overtreders van al de geboden. De Wetgever dringt het aan met eene belofte en zegt: Ik zal barmhartigheid doen.

Barmhartigheid, wat is dat? Dat is bijvoorbeeld: men ziet een ellendige, en men heeft medelijden daarmede, men krijgt hera eenigs-zins lief, men toont eene helpende hand; men redt hem. Dit moet op eene Gode betamelijke wijze verstaan worden. De Heere ziet de men-schenkinderen, Hij ziet de kinderen van de vromen, dan krijgt Hij ze lief, Hij toont zijne liefde, en Hij legt zijne kracht die Hij heeft om hen te helpen, aan hen ten koste. Ik zal barmhartigheid bewijzen, zegt God, tot in duizende geslachten. Ps. 103:17, De goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen, en zijne gerechtigheid aan kindskinderen. En Kom. 9, het geheele Hfdst. door. De Joden zijn vrienden, om der vaderen wil; om Davids zijn knechts wil deed Hij Israël wel.

Hoe ontfermt Zich nu God, en hoe doet Hij barmhartigheid aan de kinderen? Zoo, als Hij de oordeelen van hen wegneemt, of die matigt, en hen bekeert, om en op de gebeden der ouders, en Hij stelt hen in de zegeningen, het gaat hun wel, zij geraken onder eene gezegende bediening, daar ze verkwikt worden; en zoo gedenkt God aan hen tot in het duizendste geslacht.

Nu de hoofdzonde, die hier verboden wordt, is geen beeltenis maken, noch van God, noch van de engelen, noch van de heiligen, om God door dezelve te dienen en te eeren. Beeltenissen van God of

32

407

-ocr page 504-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

engelen of heiligen te maken om God daardoor te willen dienen, of dien te dienen als een God, is dan ongeoorloofd.

Een papist zegt, ja; de Lutherschen almede zeggen: beelden mag men hebben, maar niet om te aanbidden, maar om die te gebruiken als boeken der leeken, om de onwetenden daardoor te onderwijzen, gelijk door eene historie, die ze dan zien, opdat ze er aan zouden gedenken en \'t overleggen. Men mag wel hebben de afbeelding van zulke eenige historiën, gelijk van Christus\' geboorte, hemelvaart, kruisiging, opstanding, enz. En dat is dan zooveel als oen boek, waar zij dat dan in zien, en zoo elkander daardoor onderwijzen en leeren. Wat zeggen wij daarop? Wij zegden: Men mag geen beelden van God noch Christus, noch engel, noch heilige maken of hebben, om God daardoor te eeren, noch om daardoor te leeren. De Onderwijzer zegt, wij mogen ganschelijk geen beelden maken. Onze redenen zijn; dat wij quot;er in geenerlei wijze mogen maken.

Eerst. De uitdrukkelijke wil van God. Hij heeft het bekendgemaakt, Ex. 20:4. Daar roept Hij het in \'t openbaar, en als van de puie des hemels, uit. En Deut. 5:8 herhaalt Hij zijn gebod: gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken. In de profeten en in de wet herhaalt God het nader. Ziet het I\'s. 97; 7, Beschaamd moeten wezen allen die de beelden dienen. En Jes. 40:19, zegt God: de werkman giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe. Zoo ook Jes. 44:10 Wie formeert eenen god, en giet een beeld, dat geen nut doet!, Ja, de Heere belacht die beeldenmakers, die Hem trachten te verbeelden. Ziet dat bij Jes. 40:25 Bij wien dan, zegt God, zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige. En Deut. 4. van het 12ao tot het 17a« vers, daar\'hebt gij het op vers 15 tot 18: Wacht u dan wel voor uwe zielen, (want \'gij hebt geene gelijkenis gezien, ten dage als de Heere op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak) opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van eenig beeld, de gedaante van man of vrouw. De gedaante van eenig beest, dat op de aarde, is; de gedaante van eenigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt. De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van eenigen visch, die in het water onder de aarde is. Gij zult geen gelijkenis maken zegt God, want gij hebt geen gedaante gezien als Ik uit het midden des vuurs tot u sprak: wacht u dan, zegt God, voor uwe zielen, dat gij geen gelijkenis maakt, de gelijkenis eens vogels die in de lucht vliegt, of van eenig kruipend gedierte, doet het niet zoo lief als gij uwe eigene zaligheid hebt.

Ten tweede. Ik verbied het niet alleen van eenige beesten, maar (zoo nauw bepaalde God dat gebod) zegt Hij, Ik verbied u ook eeni-gerhande beelden te maken, zelfs geen gebeelden steen. Ziet dat Lev. 26:1, Gij zult ulieden geene afgoden maken, noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij stellen, noch gebeelden steen om u daarvoor te buigen: want Ik ben de Heere uw God, Deut. 27:15. Al wie een gegoten beeld, een opgerichten steen of iets dergelijks

498

-ocr page 505-

OVER DEN XXXV. ZONDAG. Vrag. 96-98.

\'t werk van \'smenschen handen heeft, die zij vervloekt, zegt God; en al het volk zeide er amen op. Ja, zoo nauwkeurig heeft God in don beeldendienst willen voorzien, dat Hij beval, ten dage nis de kinderen Israels over de Jordaan en in \'t land Kanaan zouden gaan, zij een altaar zouden oprichten, en daarop schrijven de woorden dei-wet, die wel uitdrukkende, en dat er zes stammen zouden staan over den vloek op den berg Ebal, en zes over den zegen op den berg Gerizim, en het stuk van afgoderij en beeldendienst staat aldaar aan \'t hoofd van dien vloek met deze woorden aangeteekend; Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des Hee-ren, een werk van des werkmeesters handen zal maken en zetten in \'t verborgen, en al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. Wij zeggen: Papisten! wat maakt gij daarvan: geheel Israël moest er amen op zeggen.

Ten derde. Beeltenissen te maken om Hem daardoor te eeren, rekent God voor afgoderij. Ex. 32:17. Daar eerden ze God door het kalf, dat zij opgericht hadden; zij zeiden: dat zijn uwe goden, Israël! En Hand. 7:41 zeide Stefan us: zij brachten offerande tot den afgod. Wij zeggen dan tot de Papisten: het is de grootste afgoderij, die er in de wereld wezen kan.

Ten vierde. God de Heere straft schrikkelijk den beeldendienst, den afgodendienst. Hij straft ze met lichamelijke, geestelijke en eeuwige straffen. Laat iemand beelden eeren, met wat schrikkelijke straffen straft God het! Verkozen zij nieuwe goden, dan was er krijg in de poort, /iet dat in \'t Boek der Ivichteren, dan kregen ze eens de nederlaag; dan verkocht God hen in de hand van den Cuschan Rischataïm, Richt, 3:8. God strafte hen met neringloosheid, en eindelijk verwoestte Hij er een land en volk om. \'t Wordt alles omgekeerd, Openb. 17:4. Ze wordt gestraft met geestelijke oordeelen. Al hunne boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, Hos. 9:15. Dan gaat Gods liefde van zulk een volk weg, gelijk die van een man, als het hart van zijne vrouw naar een ander man uitgaat, dan trekt hij ook zijn hart van haar af. Zoo doet God ook. Hij trekt zijn hart dan van hen af, en Hij neemt zijn Woord van hen weg, Amos 8:11, God bedreigt hen die afgoderij bedrijven! Ik zal u eenen honger zenden, zegt God, niet eenen honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hooren de woorden des Heeren. Dat kunt gij zien onder het Pausdom, daar hebben ze niet eene zuivere predikatie meer; God geeft ze over aan een verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen, alle goddeloosheid en ontucht, schandelijke en sodomitische zonden worden daar bedreven; zoo dat ze op geen Christendom meer gelijken. Zij worden aan zichzelven overgegeven, om dingen te doen die niet betamen, die niet gehoord, noch gemeld mogen worden. Dan straft God hen met een geest des diepen slaaps; zij tieren, zij razen, zij eten, zij drinken, elk zal zalig worden. Dat zijn de geestelijke straffen. Dan zal God ze nog straffen met eeuwige straffen, met eene straf van berooving. Waarvan zullen ze beroofd worden? Van den

499

-ocr page 506-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

hemel. Gij zult zeggen: zal een papist dan niet in den hemel komen? Ik antwoord u: naar hun godsdienst niet. Wat God onder hen doet, als ze op een doodbed liggen, sommigen van hen van dat alles afleidende, en alleen tot den lleere Jezus doende vlieden, om alleen in Hem hunne zaligheid te zoeken en te vinden, dat staat in zijn vri] welbehagen; maar anders, blijvende bij hun godsdienst en zoo stervende, stelt Hij ze in de hel. Buiten zullen zijn de honden, en de afgodendienaars, Openb. 22 :15.

\'t Is dan ongeoorloofd gelijkenissen van God te maken. En welke gelijkenis zullen wij van God maken of Hem toepassen? Jes. 40:18. Hij^ die een ontoegankelijk licht bewoont, dat geen mensch gezien heeft, noch zien kan, 1 Tim. 6:16. Een Geest heeft geen vleesch, noch been, Luk. 24:39.

Ten laatste. Van de onnuttigheid van den beeldendienst, levert God in zijn Woord verscheidene bewijsgronden. Zij zijn van eene slechte stóf. \'tls ergens een stuk van een boom, daar maakt de beeldhouwer een beeld van, en de smid zet het vast met houvasten, en de stukken die er afgekapt zijn, legt hij bij het vuur, en hij kookt er zijne spijze over; is dat niet een schoone god? zegt de profeet; een stuk Van een boom afgekapt zijnde, dat de beeldsnijder tot een beeld maakt, de smid vast zet, en dat eeren ze als een God! Jes. 44.

Geliefden! een Papist kan ons niet ten laste leggen, dat wij in dit stuk hunnen godsdienst lasteren, want het is de taal van God zelf, bij den profeet, Jes. 44:13—18. Opmerkelijk zijn de woorden aldaar van vs. 16—18, Zijne helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vleesch; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelven en hij zegt: Hei! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien! Het overige nu daarvan maakt hij tot eenen god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neder, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god! De regen, staat er vs. 14, maakt dien (god) groot. Is het geen god van een boom, dan is het van eenige bergstof, goud of zilver. Een deel menschen die daar in de mijnen graven, brengen dat stofgoud tot hen, en zij maken dat stof tot hun god; en zoo verkwisten ze het goud, en ze maken er een beeld van dat ze voor een god houden. Dat gaan ze dan versieren en opschikken, en niemand van hen brengt het in zijn hart; en daar is noch kennis, noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken; ik heb vleesch daarbij gebraden, en heb het gegeten, en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken? Zou ik nederknielen voor datgene wat van een boom gekomen is? Jes. 40:19. Maar als gij ze wel beziet, zoo hebben ze ooren, maar zij hooren niet, oogen hebben zij, maar zij zien niet; een neus, maar zij rieken niet; een mond, maar zij spreken niet; voeten, maar kunnen niet gaan; handen, maar die werken niet. Dat die ze maken hun gelijk worden, en al wie op hen

500

-ocr page 507-

OVER DEN XXXV. BONDAG. Vraq. 96-98.

vertrouwt, Ps. 115:4—8. Zij kunnen die hun aanroepen niet helpen.

God verbiedt dan scherpelijk te hebben en te eeren de beelden, gemaakt naar de gelijkenis van eenig schepsel in hemel of\' op aarde. Gaat dan niet naar de paapsche landen, om hunne goden te zien, als ze worden omgedragen, gelijk er dikwijls vele menschen naar die steden in Vlaanderen en Brabant gaan, om de ommegangen aldaar te zien. \'t Is eene zonde tegen dit tweede gebod.

Maar wat zijn het toch voor goden? Komt de vijand, zij leggen ze op de bulten van de kemelen, of op hunne paarden, en voeren ze zoo weg. In tijd van nood kunnen ze nietmetal doen. 1 Kon. 18:26, daar schreeuwden ze allen: O, Baiil, antwoord ons; zij wilden zeggen: Help ons, onze god! maar daar was geen stem noch opmerking. De zaken zijn zoo klaar, men zou zeggen: hoe kunnen de menschen er toe komen. Hebben ze nog al iets tot hunne verschooning? Ja. Zij hebben wel degelijk wat; zij houden het volk blind, en die wat verstandiger zijn, bedriegen zij met het onderscheid dat zij maken in den dienst en het eeren hunner beelden: met hunne zoogenaamde onderscheidingen. Zij onderscheiden dan tusschen Latria, Dulia en Hyperdulia. Latria, zeggen ze, is de dienst, waarmede wij God alleen vereeren, en niet de beelden. Dulia en Hyperdulia, is de dienst en eer die den beelden en zoogenaamde heiligen wordt aangedaan. Doch wij antwoorden daarop, dat het onderscheid der woorden niets doet tot de zaak zelve; want dat zij den beelden Goddelijke eer aandoen, blijkt daaruit, dat het kruis, dat zij gedurende hun vasten onder het altaar hadden gelegd, op hun witten Donderdag of Vrijdag daar vandaan halende deze woorden in het Latijn spreken, zeggende: zietdaar het hout des kruises, komt laat ons het aanbidden. En welke heiligen, re li (ju i en, kruisen, Agnus Dei, of andere zaken het zijn, voor welke zij niet nederknielen, en die aanbidden, en aldus Goddelijke eer aan dezelve bewijzen! Dat niet alleen, maar zij schrappen dit tweede gebod uit de wet, en zoo loopen ze vliegend in den vloek. God heeft gezegd: vervloekt is hij die zulks doet, Deut. 27 :15, 26; 4:2; 12 : 32 en Openb. 22 :19.

Maar, zal een Papist zeggen, wij hebben en wij doen ook naar de wet der tien geboden. Doet gij dat Papist, zeggen wij; waar zijn dan uwe tien geboden? Daar hebben ze wat op gevonden. Toen gingen ze het tiende gebod in tweeën klieven; daar hadden ze weer tien geboden. Doch wij zeggen, dat het tiende gebod niets meer is, dan een eenig gebod. Bom. 7 :7, zegt Paulus: Ik had niet geweten de begeerlijkheid zonde te zijn, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeeren. Daar ziet de apostel op het tiende gebod in al des-zelfs leden en deelen, vermits er in geen van de voorgaande geboden van begeeren gesproken, maar het tiende gebod enkel en alleen tegen allerlei begeerlijkheden gegeven wordt. Ja, het eene lid of deel van het tiende gebod, wordt in de eene plaats wel eens voor het andere gezet, en in de andere plaats wederom na; in de eene plaats zegt God: gij zult niet begeeren uws naasten huis; gij zult niet begeeren

501

-ocr page 508-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

uws naasten vrouw, enz. Exod. 20:17; en in de andere plaats, te weten Deut. 5:21, ze^t Hij: Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, en zult u niet laten gelusten uws naasten huis; om te toonen Jat het wel verschillende voorwerpen zijn, maar het begeeren omtrent dezelve een en hetzelfde is, het is maar een veelheid van voorwerpen. Waren er zoovele geboden in het tiende gebod, als er voorwerpen in zijn, dan zouden er wel vijf of zes geboden wezen.

Daarop zeggen de papisten weer: Het tweede en het eerste gebod is een en hetzelfde. Maar wij zeggen, dat het twee onderscheidene geboden zijn; want men kan tegen het eene zondigen, zonder tegen het andere te zondigen. Men kan tegen het eerste gebod zondigen, zonder tegen het tweede te zondigen. Een Atheïst, en degenen die drie goden drijven, zondigen tegen het eerste, zonder nochtans tegen het tweede te zondigen. Die nu den beeldendienst hebben, zondigen tegen het tweede gebod, zonder nochtans tegen het eerste te zondigen.

Omdat nu de papisten geen raad weten om ons in dit stuk te wederleggen, zoo gaan ze ons vervloeken. Dan hebben ze hunne schrikkelijke vloeken. Die onder u dat kostelijke traktaatje hebben van Witsius, dat genaamd wordt; „Twist des Heeren met zijnen wijngaard,quot;\' leest het eens, als gij tehuis gekomen zijt, en ziet daar eens op blz. 88 en 89 hunne vreeselijke vloeken, waarmede zij ons vervloeken; hoe zij daar tot den Drieëenigen God roepen, en zweren bij den duivel en bij al zijne trawanten, dat Hij ons toch geen rust laten zou in onzen godsdienst; in onzen kerk- en in onzen huisgodsdienst. Daar vervloeken ze ons met alles wat schrikkelijk is. Zij wenschen ons toe, dat wij door de wilde beesten mogen gedood en verslonden worden, door den honger omkomen, en door het vuur van den hemel verbrand worden; en dat wij mogen gedrukt worden in alles, waar wij in kunnen gedrukt worden. Wij kunnen dat nooit lezen noch zeggen, dan met de uiterste siddering. Als zij dat gedaan hebben, dan nemen ze twee brandende kaarsen, die blusschen ze tegelijk uit, en wenschen ons toe, dat de duivel mag komen, en het licht van onze oogen uitblusschen, waar ze dan allen tegelijk op zeggen: Amen, amen. Zij hielden zulk een dag, op welken zij ons allen, die de beelden niet eerden, gingen vervloeken.

Gij zult zeggen; heb oen ze niets voor zich, dat ze ons tegenwerpen? Ja.

Eerst. Zij zeggen: God heeft in het Oude Testament gelast eene koperen slang te maken, en dat ze die zouden aanzien om van de beten der slangen verlost te worden.

Wij antwoorden: het is wat anders, eene schaduw, die den Heere Jezus verbeeldt, of eene beeldtenis van God te maken, en dat aan te hidden, en God daardoor te dienen. Als het volk Israels afgoderij met die koperen slangen begon te doen, zoo deed de koning Hiskia ze verbrijzelen, 2 Kon. 18: 4.

Nog eens. Het tweede gebod, zeggen ze, raakt de Joden meest.

502

-ocr page 509-

OVER DEN XXXV. ZONDAG. Vrag. 96-98.

Neen, zeggen wij, het is een gebod uit de wet der zeden; het is het tweede gebod uit de eerste tafel, door den vinger Gods geschreven. Hoe dikwijls is het in het Woord: Kinderkens! bewaart uzelven van de afgoden. 1 Joh. 5:21. De apostelen belastten het aan al de gemeenten, dat ze zich voor de afgoden en van de dingen die door de afgoden besmet zijn, wildon onthouden, Hand. 15:19, 20.

Hunne derde tegenwerping is: is het dan niet geoorloofd eenig beeld of schilderij te hebben? Wij zeggen, ja; de schilderkunst en de snijkunst in \'t burgerlijke mag wezen, eene munt op een penning of iets dergelijks. De Heere Jezus sprak niet tegen de munt op deu penning des keizers, noch tegen deszelfs beeld of opschrift, Matth. 22:20, maar dan niet, als het uit trotschheid, of om onkuischheid te verwekken is, wat onder de Christenen almede zoodanig plaats heeft, dat men zich dikwijls schamen moet als men het ziet. Dat is schrikkelijk, beelden te maken om tot onkuischheid te verwekken, of om dikwijls een ander te smaden. Maar als het gedaan wordt, niet om iemand te smaden, of tot onkuischheid te verwekken, dan is het zoowel eene kunst, die beoefend mag worden, als alle andere eerlijke kunsten.

Dan zeggen de papisten nog daarenboven: Wel Gereformeerden! gijlieden wilt zoo wijs zijn, maar gijlieden maakt zelf beelden van God in uwe hersenen, als gij God aanspreekt als een groot Koning en dergelijke.

Wij zeggen, de namen van koning, held en dergelijke zijn Schriftuurlijke benamingen, die God de Heere Zichzelven geeft, en ons niet tot zonde kan worden gerekend God daarmede aan te spreken, dewijl ons de Schrift zoo voorgaat. Voor het overige hoe zuiverder wij ons in hefc gebed gedragen, hoe beter. Daar is niet beter, dan dat men God aanspreekt onder zijne volmaaktheden: zoo eenige eigenschappen Gods in het gebed te noemen, is mogelijk wel het allerbest, zonder God ergens bij te vergelijken dat niet schriftmatig is; anders hebben ze in die dingen al wat gelijk. Gij zult geen gelijkenis maken, zegt God.

Nog, zeggen de papisten, vertoont de Heere Zichzelven onder afbeeldingen; Dan. 7:9, vertoont God de Vader Zich als een Oude van dagen. De Heere Jezus heeft Zichzelven vertoond in zyne men-schelijke natuur; de Heilige Geest daalde neder als eene duif, Matth. 3 : 16.

Wij zeggen daarop: Oude van dagen, is, volgens den grondtekst, bestendige van dagen, Eu dat de Heere Jezus Zichzelven vertoonde in zijne menschelijke natuur, dat was noodig; en dat de H. Geest in de gedaante van eene duif nederdaalde, daarom wil Hij niet, dat wij dat zullen nadoen.

De Lutheranen zeggen: Gereformeerden! gij hebt gelijk, maar wij willen evenwel de beelden niet wegdoen, niet om ze te aanbidden; maar wij houden ze als boeken, om de kleinwetenden daardoor te leeren. Daar komt een arm mensch iu de kerk, die dikwijls niet lezen

503

-ocr page 510-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

kan, hij ziet die schilderijen, hij zal ten minste vragen, wat is dat? en zoo zullen zij hem tot onderwijzers zyn. Wij zeggen; God laat dat niet toe, maakt gij beelden en zet gij ze in de kerk. God zegt er van: het is een zwijgende steen, het is een leugenleeraar, zij zi]n bot en onvernuftig, zij weten niets, daar is geen geest in \'t midden van hetzelve, Hab. 2 :19.

Ten laatste. Zeggen wij: wij moeten niet wijzer willen zijn dan God, die zijne Christenen niet door stomme beelden, maar door de levendige verkondiging zijns Woords wil onderwezen hebben. Onderzoekt de Schriften, die zijn het die van Mij getuigen, zegt de Heere Jezus, Joh. 5:39. Zij hebben Mozes en de profeten dat ze die hooren, Luk. 1(3:29.

De Lutheranen en Papisten hebben nog eene tegenwerping, gijlieden zeggen ze, als gij den hemel aanziet, de zon, maan en sterren, zoo verheerlijkt gij ook God, op het gezicht dier dingen; waarom mogen wij dan geen beelden hebben? Wij zeggen: dat doen wij op Gods uitdrukkelijk bevel. Dat heeft God belast. Die heeft gezegd: Heft uwe oogen omhoog, en ziet wie al deze dingen geschapen heeft, Jes. 40:26. Daar hebben wij onze drie stukjes over deze vragen verhandeld.

Gij zult zeggen, is daar nu niets voor ons in? Ach ja! daarin hebben wij een groot gebrek, dat als deze en andere stoffen, waar wij over handelen moeten tegen die buiten ons zijn, gepredikt worden; dat wij daii zeggen, omdat het minder geestelijk is: daar is niets voor mij in. Wat is er dan voor ons in?

Eerst. Ziet eens wat eene zuivere Schriftuurlijke religie wij hebben; het wordt alles onderzocht en doorzocht, en getoetst aan het Woord Gods; wij kunnen er van zeggen: mijn Heere! het komt alles overeen met uw\' Woord. Ja, wenscht en zoekt naar dien regel te wandelen. Dit is het, dat onze voorouders hebben kunnen verdedigen, en zij waren daarom geen oproermakers, waar men hen echter voor uitkreet, maar daar schorten het hun niet, schoon zij hen te lasten legden, dat zij tegen den koning opstonden, toen zij nog onder het pausdom zateii. Maar zij zeiden: wij kunnen met geen gerust geweten leven of sterven, noch kunnen wij bij God komen, zoo wij bij u blijven. Wij zouden nog onder den Antichrist zijn, hadden zij ons niet gedwongen; maar zij sprongen op eene vreeselijke wijze om met onze voorouders, zij zouden anders naar geen verandering gestaan hebben. Maar zij moesten den afgod dienen, of zij moesten het afgodendom laten varen. Wilden ze hunnen ijver toonen voor den Heere en voor zijne wet, dat was eene misdaad van Staat geworden. Daar kwam dan de Inquisitie achter, gelijk nu nog in Spanje, Italië en Portugal geschiedt, zij werden levend aan de brandpaal gezet. Wilden zy daar nog toonen, dat zij een geloof hadden naar het Woord, en hunne religie verdedigen, men sloeg daar geen acht op; maar men twistten met hen als de takkenbosschen en houtstapels al reeds in brand gestoken waren. Daarvan zijn wij door Gods genade

504

-ocr page 511-

OVER DEN XXXV. ZONDAG. Vrag. 96-98.

in ons land verlost; maar het is zulk een gruwelijk kwaad dat wij papisten in ons land hebben. God heeft ons er uit willen hebben, en wij laten ze er wederom in. Wij dienden zoo wijs te zijn, als de Egyptenaars waren. Komt aan, zeggen ze, laat ons wijselijk tegen het zelve (\'t volk Israels) handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er eenige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke, Ex. 1:10, Wij moesten ook op dat volk wat meer letten. Zij beginnen zeer te vermenigvuldigen. Wij behoorden te zijn als de Filistijnen; zij zeiden tot Achis, dat hij David zoude laten gaan. Want waarmede, zeggen zij, zoude deze zich bij zijnen heer aangenaam maken, is het niet met de hoofden dezer mannen? 1 Sam. 29: 4. Anders zal het zoo gaan, dat men ten laatste zal moeten zeggen: ik weet geen raad dat ze zoo vermenigvuldigen. Zij zullen ons nog overmeesteren. Als wij zoo zondigden tegen de plakkaten van de Overheden, wij zouden zoo vrij niet gaan. Vraagt gij mij: wat scheelt daaraan, dat ze dat zoo vrij mogen doen? Ik antwoord: dat weet ik niet. Weet gij het, ik weet het niet. Ik weet dat men zegt, dat ze onder belooning van den officier dienst doen. Wordt er geld gegeven en getrokken, die daad en het geld dat getrokken wordt, zijn beiden vervloekt.

Ten tweede. Is er voor ons nog niet wat anders in? Ja. Denkt eens hoe God ons gered heeft, als die tijd daar was, dat God zeide: trekt nit Babel. Daar verwekte Hij belden die wonderen deden. In het jaar vijftienhonderd zes-en-zestig, in die beeldenstorm in onze provincie en bijna door geheel Nederland, geraakten op een tijd, en meest op één dag, de beelden weg. Men wist niet hoe het begon, het werd niet gestraft; \'t kon niet gestuit worden. Ziet dat bij den historieschrijver Emmanuel van Meteren. Hier, te Middelburg, zaten op den 24sten van de maand Augustus in het jaar vijftienhonderd zes-en-zestig, eenentwintig gevangenen op \'s Gravenstein. De wet was al twee dagen vergaderd geweest, om te besluiten wat ze zouden doen, doch tevergeefs. Toen gingen de burgers naar die van de wet, en zeiden: gij zult die eenentwintig menschen los laten, en wij verzoeken openlijk, het Woord te mogen prediken. Op zulk eene wijze heeft God liet hier gedaan, hetwelk wij niet vergeten mogen. Onze voorouders dienen tot overtuiging van alle regenten. Hoe kunnen ze tegen hunne plakkaten zoo zien zondigen! Dat is geen gezag, dat zij tegen hunne publieke plakkaten aan, zoo laten zondigen. Ach, dat er Gideons opstonden, die den Basil afhieuwen! Ach, dat er Jehu\'s waren in hunnen ijver! Dat er zulke regenten kwamen, die dat deden! Dat er een officier was, die tot de regenten zeide: laat ons ijveren voor den Heere! Ik denk dat dit huis Baills haast weg zou zijn. \'t Zou ons tot genoegen wezen, als wij durven spreken.

Ten derde. Is er niets in voor de leeraars? Ja, die wederleggen ze dikwijls niet genoeg. Men heeft schuld. Men houdt niet aan in het verzoeken; \'tis al niet een, daar is niet te verkrijgen. Wij weten wel andere dingen te verkrijgen. Wij sterken elkanders handen niet ge-

505

-ocr page 512-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

noeg. De gemeenten wekken de opzieners niet genoeg op. Zij slaan de handen niet genoeg ineen. Het hengt mij, dat er een politiek was, die daar lof over had; die zeide, dat de papisten die er waren, zonden blijven, maar dat er geen meer van buiten zou mogen inkomen, dat men geen paapsche meid of knecht meer zou aannemen, oi dat men er geen meer in eenige gilden nemen zou; dat die er waren, er in zouden blijven, maar dat men er geen meer zou innemen. Als dat geschiedde, zouden ze als de sneeuw versmelten en ons land zou het niet eens voelen. Toen was er ook een groot alarm onder dat volk. Zoo de regenten dat beliefden te doen, in weinige jaren was hunne kracht verbroken. Wij willen niet hebben dat er vervolging tegen hen wordt ondernomen, maar alleen dat er geen meer van buiten inkomen; geen nieuwe leerjongens of leermeisjes, of knechts aangenomen worden, die paapsch zijn, en hetgeen wij altijd gezegd hebben is dit, dat onze voorvaders zeiden, altoos geen geestelijken. Dat placht ook niet te zijn, dan op ban en boete, ja op verbeuring van hun leven, en nu ziet men ze zoo openlijk langs de straat gaan. Hebben wij de hoofdzonde niet, wat hebben wij de hartzonde!

Wat smeedt dikwijls iemand eene religie in zijn eigen hoofd en zin, of hij valt daar of daar op, buiten en tegen het Woord! De een zegt: men moet niet bedroefd over zijne zonden zijn; men moet niet bidden tegen het gebod, anderen zijn geveinsden vol schijn en geen wezen. Zij zijn zoo vroom evenals de beelden der papisten. Gij zoudt er door tot vroomheid verwekt worden. Zij zuchten, zij steunen.

Anderen rusten op hun gedane werk. Een hoofdstuk te lezen, vragen te leeren; zij meenen daarmede in den hemel te komen. Die dingen zijn goed; maar om er mede in den hemel te komen, dat kan niet zijn.

Anderen, als ze moeten gaan bidden, zijn blijde dat er belet komt; en dat, als ze met hun huis of alleen moeten bidden.

Anderen die zouden zich liever laten branden, dan de beelden te eeren, en zij zijn zelfs zulke leelijke zondaars, dat, als gij ze ziet, men moet zeggen: \'t is een wereldsch wicht. Zij volgen den optooi en den zwier van de wereld.

Anderen verbeelden de dooden. Zij zitten en slapen in de kerk; en zoo vertoonen ze een dood beeld te zijn.

Dan zijn er aardsche beelden, zij dragen het beeld des aardschen afgods, zij bedenken niets dan aardsche dingen, Fil. 3:19.

Dan zijn er onkundigen, onrechtvaardigen in hunnen handel, en on-heiligen in hunnen wandel, zij dragen het beeld des duivels en zijn slaven van de zonde. Die scliets van het nieuwe beeld moeten wij hebben, Ef. 4:24, Col. 3:10. Die dat heeft, is den Heere Jezus gelijkvormig in nederigheid, lijdzaamheid en in vertrouwen op zijnen Vader. Wij moeten van gedaante veranderd worden, van heerlijkheid tot heerlijkheid als door des Heeren Geest, 2 Cor. 3:18. Wij moeten den heelde van Gods Zoon gelijkvormig worden, Rom. 8:29. Daar is voor u wat in, hebt gij God lief. Gij zijt dikwijls zoo bekommerd

506

-ocr page 513-

OVER DEN XXXV. ZONDAG. Vrag, 96-98.

hoe het met uwe kinderen zal gaan! Tot in het derde en vierde geslacht zal God ze niet alleen weldoen, maar ook tot in het duizendste geslacht. Gij zult misschien hunne bekeering niet zien; maar God, naar zijne goede hand over hen, zal \'t hun schenken.

Kinderen die vrome ouders hebt, wat moest gij ze niet eeren, liefhebben, gehoorzamen 1 Wat hebben ze u in het natuurlijke verzorgd, en in \'t geestelijke met u gebeden en geschreid voor Gods troon, bij de hand genomen, op den schoot gezet; zij gaven u al vroeg zulke indrukken, dat gij wel dacht: Ach, was ik mede vroom! Zijt gij ze kwijt, dankt God dat gij ze gehad hebt. llebt gij God liel\'V tot in duizend geslachten zal Hij u wel doen. Hebt gij vrome ouders? Als gij ze zoo gebruikt, dat is naar den inhoud van het tweede gebod; dan hebt gij nog een beeld te wachten, waar David van zegt, Ps. 17:15, Maar ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwaken. Dan zal ik met uw beeld verzadigd zijn, zegt hij. Wat dat zal zijn, zal eerst recht gekend en genoten worden, in en na den dag der opstanding.

Wat dunkt u, geliefden! is er nu geen geestelijke stof in, tot stichting, overtuiging, opwekking, dankzegging, en vervroolijking? Onthoudt u van het verkeer met de papisten; trekt geen juk aan met de ongeloovigen, weest uw leven niet nieuwsgierig om de beelden te gaan zien. Ja, als gij dat doet, veroordeelt gij het doen van uwe voorouders. God wil gediend zijn in geest en iu waarheid. Joh. 4:24. Wij eindigen met 1 Petr. 5:10, 11, De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, dezelve volmake, be-vestige, versterke en fondeere ulieden. Hem zij de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.

507

-ocr page 514-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over deh XXXVI. Zondag. Veao. 99, 100.

Zes-en-dertigste Zondag-

99. Vkaag. Wat wil het derde gebod?

Antwoord. Dat wij niet alleen met vloeken, of met een valschen eed, maar ook met onnoodig zweren, den naam Gods niet lasteren, noch misbruiken; noch ons met ons stilzwijgen en toezien, zulker schrikke-lijker zonden deelachtig maken: en in \'t algemeen, dat wij den heiligen naam Gods anders niet dan met vreeze en eerbied gebruiken, opdat Hij door ons recht bekend, aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen worde.

100. Vraag. Is het dan zoo groote zonde, Gods naam met meren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over hen vertoornt, die, zooveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden ?

Antwoord. Ja, gewisselijk; want er is geen grooter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering zyus naams, waarom Ui] ook dezelve met den dood te straffen bevolen heeft.

WIJ lezen,IJ lezen, 1 Sam. 2:30, Die Mij eeren, zal Ik eeren; maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden. /00 ik en gij veel voor God hebben, zoo zal God veel voor ons hebben. Is God te eeren bij ons groot. God zal ons ook groot maken. Al had daarom eene geheele wereld geen zin in ons, die ^God vreezen en eeren, daarin heeft God zin. Is er een Abel die God vreest, hij spreekt nog nadat hij gestorven is, Hebr. 11:4. Waarin eerde hi] God? In zijn geloof in God; Door het geloof heeft hij eene meerdere offerande geofferd dan Kaïn. Is er een Jozef die God vreest, hij spreekt nog nadat hij gestorven is. Waarom? Ach God! zegt hij, ik heb zulk eene achting voor U; zou ik zulk een groot kwaad doen, en zoo zondigen tegen God! Gen. 39:9. Hij stond voor den koning Farao, die hem die eer wilde geven, dat hij droomen kon uitleggen; het is buiten mij, zegt hij. God zal des konings welstand aanzeggen. Gen. 41:16. Toen hij God zoo eerde, werd hij ook van God geëerd, die der hovelingen en ook des konings hai\'t in zijne hand had, bpr. 21:1. En God neigde ze tot hem, zoodat hij gesteld werd tot regeei^ der over gansch Egypteland. Mozes en Aaron spreken nog, nadat zij gestorven zijn. Zij eerden God voor Farao, zij werden ook uitermate

-ocr page 515-

CATECHISMUS-PR RDIKATIE ENZ.

zeer verhoogd. Om hier niet meer van op te halen, hoewel er de Bijbel vol van is, zoo is \'took eene waarheid: Eert iemand God niet, dan zorgt God niet voor hem, noch in zijn leven, noch in zijn sterven, noch na zijn dood; hij verrot al terwijl hij nog leeft. Al was \'t een koning, hij heeft geen eerbied, en als hij nog eenige eerbied krijgt, zoo is het maar gedwongen. Is er een mensch, hoe groot of rijk hij is, en eert hij God in den hemel niet, dat schepsel verdwijnt. Is er een groote Nebukadnezar, die macht had over leven en dood; wien hij wilde, dien doodde hij, en wien hij wilde behield hij in \'t leven, Dan. 5:19; eert hij God niet. God stelt hem bij de beesten, Dan. 4:33. is er een Bélsazar, en eert hij God niet, daar komen vingers als van een \'s menschen hand aan de kalk van den wand, in \'t koninklijk paleis, die hem daar vonnissen. Wat was de reden? Gij, o koning! hebt den God des hemels de eer niet gegeven, Dan. 5 : 5. Is er een Herodes in een koninklijk gewaad, in een koninklijken staat met eene welsprekende tong, die door eene sierlijke rede, die hij tot het volk deed, hun hart zoo innam, dat ze hem toeschreeuwden: de stem Gods, niet eens menschens; zij gaven hem te veel eer, en hij liet het zich aanleunen; maar God zond een engel, die hem een slag geeft, die hij niet te boven kon komen: van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest. Hand. 12:23.

Geliefden! daartoe geeft ons het derde gebod aanleiding. Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken, zegt God. Integendeel zult gij dien naam van God eeren. Gij zult er voor ijveren: gij zult hem in zijne grootheid ontzien. Is er iemand, die hem misbruikt, en een ander heeft macht om het te weren, en hij doet het niet. God zal hem straffen. God vertoornt Zich schrikkelijk over de onteering van zijnen naam.

Geliefden, het is zeker dat ik en gij dat moeten aanmerken, dat wij allen God eer moeten geven. En wij hebben met uwe aandacht tegenwoordig te spreken, over de eer van Gods naam in het derde gebod; daarin hebben wij te bezien:

Eerst. Wat er van den naam Gods is. Hij doet er ook een verbod omtrent: Gij zult dien niet ijdellijk gebruiken.

Ten tweede. Welke hoofdzonden daarin begrepen zijn.

Ten derde. Den tegengestelden eisch.

Ten vierde. De klem met een schrikkelijk dreigement: God zal niet onschuldig houden die zijnen naam ijdellijk gebruikt. Dat zijn onze vier zaken. Wij zullen deze heerlijke stof naar ons vermogen u zoeken voor te stellen; wij zullen het niet kunnen doen, zooals wij het wel wilden, maar wij zullen het doen, zooals wij kunnen.

Wij hebben den naam Gods, dien zult gij niet ijdellijk gebruiken, en wat daar al onder begrepen is, te bezien. Dan, wat wil God van zijne bondgenooten ? En dan, hoe klemt Hij het op onze harten, voor den-gene, die dien ijdellijk gebruikt! Ik zal ze, zegt God, niet onschuldig houden. Wat dan het eerste, namelijk den naam van God aangaat;

509

-ocr page 516-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wat is dat ? Om niet breed te zijn, \'tis al daterenen, waarin men God kan eeren en onteeren, achten en verachten. Het zijn de titels die God draagt. Heere, God der heirscharen. Dan onteert gij Gods naam, als gij die titels in uwen mond neemt tot oneer van God.

Behalve dat, zoo verstaan wij er door Gods volmaaktheden en eigenschappen. Dan onteert gij zijnen naam, als gij Hem niet wilt kennen als alwetend, overaltegenwoordig, rechtvaardig, heilig; dan toont gij dat gij geen achting voor God hebt, als gij Hem daar niet voor erkent.

Nog eens. Behalve dat, zoo onteert gij Gods naam in den godsdienst, als gij dat Woord, dat gij achten moest, veracht; gij moest het eerbiedig aanhooren, omdat de groote God daar in het midden staat, die dat Woord spreekt.

Gij onteert ook Gods naam, als gij dien gebruikt zonder noodzaak.

Behalve dat, Gods naam wordt onteerd in zijne geboden, als Hij last geeft en zegt: doet dat; en gij doet het niet.

Dan wordt Gods naam ook onteerd in de gebeden, als men dien daarin niet eerbiedig noemt, en dien te dikwijls gebruikt.

Dan wordt Gods naam geëerd in alle dingen: als bijvoorbeeld in de voorzienigheid Gods te erkennen. En kent gij de grootheden Gods niet in zijne voorzienigheid, gij misbruikt zijnen naam. Dat is de naam van God te eeren of te onteeren in zyne werken van de voorzienigheid. in zijne eigenschappen, in het gebed, in zijne geboden, in den godsdienst dien niet ijdellijk of tevergeefs zonder noodzaak te gebruiken, zonder eerbiedige gedachten daarvan, en zonder achting voor dat Wezen te hebben. Als men tot Hem of van Hem spreekt, en men gebruikt zijnen naam lichtvaardig of ijdellijk, daarin wordt God grootelijks onteert.

Wanneer wordt Gods naam wel ijdellijk gebruikt? Dan, als iemand in zijne gewone gesprekken dien naam zoo langs zijne tong laat rollen. Is iemand een vloeker, een zweerder, het is een die den naam van God ijdellijk gebruikt. Zulk een was Rabsake en Saul. Hun gewoon dagelijksch woord was: zoo waai\'achtig als de Heere leeft. Hoe-velen van degenen die hier zitten, doen het misschien alle dagen. Maar wij vragen n: klopt uw hart daar niet over, als wij zeiden dat gij het dagelijks doende, u ook dagelijks schrikkelijk bezondigt in \'t misbruiken van den naam Gods?

Ten tweede. Dan gebruikt gij den naam Gods ijdellijk, als gij dien zoo onbedacht noemt, al was het zelfs in een zaak van gewicht. Zoo zegt Salomo, Pred. 5:1, Weest niet te snel met uwen mond en uw hart, en haast niet een woord voor te brengen voor Gods aangezicht. Dat was eene groote fout in Jeftha: hij was te haastig in zijn spreken geweest, toen hij in zijn tocht tegen de kinderen Amnions den Heere die belofte deed, zeggende: Indien Gij de kinderen Ammons gan-schelijk in mijne hand zult geven, zoo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet zal uitgaan, als ik met vrede van de kinderen Ammons wederkom, dat zal des Heeren zijn, en ik zal

510

-ocr page 517-

OVER DEN XXXVI. ZONDAG. Vrag. 99, 100. 611

het offeren ten brandoffer; daar had hij berouw van, toen zijne dochter hem tegenkwam, Richt. 11:30, 31.

Ten derde. Dan gebruikt gij den naam Gods ijdellijk, als gij het doet om uwe leugens waar te doen schijnen, of, om aan uw zeggen gezag te geven. Dat is dien naam te misbruiken, als gij het doet om uwe woorden klem te geven, en ze ingang te doen hebben. Dat was de zonde van dien ouden profeet, 1 Kon. 13:18. Hij moest Gods naam misbruiken, om des mans hart te klemmen.

Ten vierde. Dan gebruikt gij den naam Gods ijdellijk, als gij geroepen wordt voor quot;t gerecht, en als u daar een eed afgeëischt wordt, dien eed te licht doet; als gij uwe vingers lichtvaardig opsteekt, en alzoo ijdellijk en lichtvaardig, ja valschelijk zweert. Daar wordt in het bizonder op gezien in de woorden van dit gebod. Als de rechter tegen u zegt: kunt gij daar op Gods naam aanroepen? en gij zegt ja, en gij doet het, maar gij doet het lichtvaardig, gij doet het valsch, zoo bezondigt gij uzelven schrikkelijk: gij haalt Gods oordeel over u. O! als de glans van God op uw nart kwam, gij zoudt zijnen naam niet misbruiken; maar gij doet het dikwijls zoo ijdel en lichtvaardig, als gij dien naam gebruikt. Gij moet zien, dat gij die artikels kent van den eed, en of gij een voornemen hebt om zoo te doen. Maar zoo al maar te zeggen: ik zal het doen, zonder eens te zien of wij wel trouw in onzen eed voor Gods aangezicht zullen zijn, of wij dien eed wel zullen kunnen houden, dat is evenals met degenen, die quot;onder den pauselijken stoel staan; zij zweren al maar, dat ze het zullen nakomen, en zij weten dat ze het in hun hart niet hebben om het te doen. Dan komt een regent en zegt: ik kan anders niet regent worden, een ambtenaar zegt: ik kan anders mijne betrekking niet krijgen, een gedaagde voor het gerecht zegt: ik kan daar mijzelven mede helpen. En zult gij daarom uwe ziel en zaligheid verzweren? Welke zipi nu de hoofdzonden die in dit gebod verboden worden. Die zijn:

Eerst. Het lasteren.

Ten tweede. Het vloeken.

Ten derde. Het lichtvaardig zweren.

Ten vierde. Het valsch zweren.

Ten vijfde. Het zwijgen en toezien als dat gedaan wordt; het toelaten. Zijt een weinig ingespannen, wij zullen van elk stuk spreken zooveel als ons de tijd zal toelaten.

Wat het eerste aangaat. God te lasteren is hier verboden. Ach Heere! ons hart moot schrikken als wij aan dat gruwelstuk denken. Zal. ■ iemand gevonden worden, die dat waardige Wezen versmaadt? Vinden wij wel zulke voorbeelden in het Woord? Ja, Lev. 24, van het 10ae vers tot het einde van dit hoofdstuk. Te weten: daar was een jongeling van zulke ongelijke ouders, dat zijne moeder eene Is-raëlietische vrouw was, doch zijn vader een Egyptenaar. Die jongeling twistte met een Israëlietischen man in het leger, en lasterde den NAAM. Hij werd in de gevangenis geleid, terwijl aan God raad ge-

-ocr page 518-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

vraagd werd, welke straf hij daarvoor stond te lijden; en naar den mond Gods werd hij gesteenigdquot;.

Wat is nu lasteren? Het is een ontkennen van de grootheden Gods. Wanneer lastert den goddelooze, God? als hij zegt: dat God hem niet ziet, en het kwaad vergeet! Ps. 10:4, en 14:1. Dat is lasteren, als men aan een mensch toeschrijft, wat God alleen toekomt. Dat is de zonde van de Atheïsten; die zeggen, dat zij God zijn, dat zij een deel van God zijn; zij vermengen het schepsel met den Schepper. Dat is God te lasteren; als er iemand in de wereld de zonde tegen den Heiligen Geest doet, zoo is \'t met dat vuile ruigte van godloochenaars gelegen. Dat is ook al lasteren, als men kwalijk spreekt van de bewerking van Gods kinderen. De natuurlijke predikanten maken somtijds daar als eene gewoonte van, om de vromen te lasteren. Daar zijn geen slimmer dan natuurlijke predikanten, om de vromen te lasteren; zij spreken van geveinsden, en dan meenen zij de vromen, de teere vromen. Zij lasteren het werk van den Geest in hen; hun bidden, hunne teerheid noemen zij een werk des duivels; zij spreken zoo van het werk des Geestes,quot; alsof het een werk des duivels was. O, God te lasteren, dat is ook de bedienaars van het Woord te lasteren en te smaden! Dat is almede lasteren: een bondgenoot te zijn van de teekenen des verbonds, en dat niet te beleven. Daardoor zeggen anderen die buiten ons zijn: uwe leer brengt bet mede zorgeloos en goddeloos te zijn, 2 Petr.\'2:12, Rom. 2:24. Door welke den weg der waarheid gelasterd wordt. Zij lasteren het vertrouwen van Gods kinderen. Dat gebeurde den Zaligmaker: Hij heeft op God vertrouwt, zeiden ze: Dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil, Matth. 27:43.

Ten tweede. Onder het misbruiken van Gods naam is ook vloeken. Men wordt dikwijls toornig en wraakgierig, men kan zijne naasten niet verdragen, men heeft geen macht om hun kwaad te doen; dan vloekt men ze; en \'t is: God straffe u. Dan vloekt men bij den duivel: die hale u, zegt men. Dan vloekt men bij den donder: die slaat u, zegt men. De vromen hebben ook gevloekt, zichzelven vervloekt uit groote ellende die hun overkwam. Zoo vervloekte Job zijn geboortedag. Job 3:3; Petrus deed het uit kommer, als hij in de zaal des hoogepriesters was, Matth. 26 : 74 ; maar de goddeloozen doen \'t zonder reden, en zijn er niet eens over ontsteld, zij doen \'t zonder oorzaak; dikwijls om iets kwaads dat hun is aangedaan, en den meesten tijd uit gewoonte.

Dan, ten derde, hebt gij het lichtvaardig zweren. Laat uw woord zijn ja, ja; neen, neen: wat boven deze is, is uit den booze, Matth. 5:37; zweert niet lichtvaardig; God zeide, Zach. 5: 3. De vloek zal uitgaan over het gansche land: want een iegelijk die valschelijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek uitgeroeid worden. Lev. 19:12, Gij zult niet valschelijk zweren bij mijnen naam.

De laatste hoofdzonde is het zwijgen. Als een rechter weet, dat iemand Gods naam misbruikt en gelasterd heeft, en hij straft het

512

-ocr page 519-

OVER DEN XXXVI. ZONDAG. Vrao. 99, 100.

niet; of de kerkelijken weten \'t, en zij straffen het niet; of een burgerlijk raensch weet het, en hij ontdekt het niet, maar verzwijgt het, zoo gebruikt hij Gods naam ijdellijk. Lev. 5:1. Heeft iemand eene stem des vloeks gehoord, waarvan hij getuige is, \'t zij dat hij het gezien of geweten heeft: indien hij het niet te kennen geeft, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen. Daarom zegt Salomo, Spr. 29:24, Die met een dief deelt, die haat zijne ziel; hij hoort een vloek en hij geeft het niet te kennen. Ziet gij een dief, en gij deelt er mede, hoort gij een vloek, en gij geeft het niet te kennen, God zal het over u bezoeken.

Gij zult lichtelijk in uw hart denken: eene dienstmaagd, die hare vrouw hoort vloeken, moet die dat gaan aandienen? Als het lasteren is, ja; maar anders is het vloeken, Gods naam ijdel te gebruiken, dat moet ze niet gaan aandienen. Als \'t wezen kan, moet ze haar vrouw daarover aanspreken, en kan het niet zijn, dan moet ze zich gevoelig daarover toonen. Maar als het helpen kan, en als zij denkt, dat het ingang zou kunnen vinden, dan moet ze eerbiedig, nederig, en met fatsoenlijke woorden zeggen: mijne vrouw! of de dienstknecht, mijnheer! gij zoudt niet gaarne hebben, als ik uwen naam hoorde lasteren, of misbruiken, als die in mijne tegenwoordigheid onteerd werd, dat ik zwijgen zou; maar nu kan ik ook niet zwijgen, nu gij Gods naam onteerd hebt, gebruikende dien ijdellijk. Dat kunnen wij allemaal voelen, dat het zoo past; wij hebben allemaal schuld aan dit gebod, zelfs de predikanten. Men moet dikwijls bij de grooten gaan, als men iets aan hen te verzoeken heeft. Daar rollen zulke woorden uit hun mond, dat gij niet weet, wat gij zeggen moet. Komt gij bij de burgerlijken, daar is het ook alzoo. De richters, die dat zien, en \'t zoo al zijn gang laten gaan. God zal hun Rechter wezen, dewijl God hun macht gegeven heeft om het te straffen. Zij moeten \'t zoo niet in alle vaten gieten. Eli was een richter, die het straffen moest, en hij strafte \'t in zijne kinderen niet; maar God heeft hem gericht, zoodat al wie het hoorde zijne beide ooren daarvan klonken, 1 Sam. 2:12, en 22—36.

Daar zijn dan nog vele andere zonden onder begrepen, die men moet laten, als tuisen en, loten en dergelijke. Leest daar eens over het traktaatje geschreven door Brakel, en ook van het particulier en publiek loten. Leest het eens over het derde gebod. Al wie van u dat traktaat niet heeft, dat hij het vrij koopt, spaart er liever wat voor uit uwen mond, zoo uw hart geen steen is. zoo zult gij zeggen: ik kom in een verbond met God, dat ik mijn leven niet in de loterij zal spelen. Wij willen er nu niet meer toe zeggen, wilt gij het niet laten, maar in de zonden voortgaan, zoekt evenwel geen verkeerde uitvluchten. \'t Is geen middel om rijk te worden, en verkrijgt gij er wat door, gij kunt er God niet voor danken.

De predikanten kunnen al mede schrikkelijk zijn in het misbruik van Gods naam. Daar is altemet een predikant, die ergens beroepen wordt; het wordt er doorgehaald met geweld, of hij bekwaam is of

513

33

-ocr page 520-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

niet. Gekomen zijnde, wordt hem uit het Formulier afgevraagd: Ot hij niet gevoelt m zijn hart, dat hij van God en van de gemeente geroepen is? Daar antwoordt hij op, ja, daar ze dikwijls ganschelijk tegen den zin der gemeente komen. /00 komen sommigen op stoel, dan is het: dat beduidt dat, en dat meent de Geest daarmede zoo, dat moet zoo verstaan worden, het is de meening des Geestes aldus, en het verschilt er dikwijls zooveel af, als het Oosten van \'t Westen. Geliefden ! wij meenen, dat wij zulke predikanten wel eens aldus zouden mogen antwoorden:

Eerst. Zeggen wij: dezulken zullen niet veel nederige vrijmoedigheid vinden.

Ten tweede. Zulken zullen niet veel zegen op hun dienst hebben.

Ten derde. Zij hebben het gebed van de vromen niet voor zich. Judas had het gebed van de vromen niet voor zich, maar Petrus wel, Hand. 12 : 5, De gemeente was den ganschen nacht in roering om voor hem te bidden. Maar de gemeente treurt onder zulken. Ouderlingen en diakenen bezondigen zich ook. Als de gemeente spreken kon, als zijlieden zeggen, dat ze gevoelen, dat ze van God en de gemeente geroepen zijn, zij zouden zeggen, dat ze hen niet geroepen hadden.

Dan zondigt men ook tegen dit gebod, als men Schriftuurplaatsen in zyn mond neemt, om ze als voor loopjes te gebruiken, of die gebruikt, om een ander daardoor te lasteren. God zal u niet onschuldig houden.

Dan zijn er ook nog die ongezonde gezondheden te drinken, en die santees te drinken, om elkander den drank daardoor in het lijf te krijgen, met ongedekten hoofde, zoodanig, dat ze dikwijls suizelen met ongedekten hoofde.

Verder misbruikt men Gods naam ook al hierin, als men in het zingen zonder eerbied is, in het bidden half slapende, in doop en avondmaal trouweloos.

Dan zijn er predikanten, die Gods naam misbruiken, die hun best doen om menschen te bewegen, en tot ontroering te brengen, dikwijls alleen om hun eigen naam, en niet om God eere te geven; en dat is dikwijls al de zegen, dien ze hebben, dien ze op hunne bediening te wachten hebben.

Nu ons derde stuk; wat eischt God nu in dit gebod? Wat eischt Hij, dan dat gij ootmoedig zoudt wandelen, Deut. 10:12. Als ik en gij in goddelijke dingen bezig zijn, dan moeten wij eerbiedig zijn. Zoo deed Abraham; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, zegt hij, hoewel ik maar stof en asch ben. Gen. 18:27; mag ik spreken, zegt hij, tot den God van den hemel en van de aarde? Jes. 6:5, zegt de profeet: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is, want mijne oogen hebben den Heere der heir-scharen gezien. Ja Eglon, als Ehud tot hem kwam, en zeide, dat hij Gods Woord aan hem had, stond op van zijn stoel, Richt. 3:20. God eischt uwe Helde, Hij eischt uw hart, en dat gij zijnen naam

514

-ocr page 521-

OVER DEN XXXVI. ZONDAG. Vrag, 09. ino.

belijden znlt; die mijnen naam zal belijden voor de menschen, zeide de Heere Jezus, dien zal Ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is, dat is, Ik zal voor hem spreken in het oordeel, Matth. 10:32.

Nog eens. God eischt, dat gij overal wel van Hem spreekt, Gods deugden verkondigt. Verheerlijkt God in lichaam en in ziel, welke beide Godes zijn, 1 Oor. 6:20. VVeest dikwijls in het eenzame. Samuel was onder de aanroepers van Gods naam. Zef. 3:9 zouden zij allen den Heere aanroepen en Hem dienen met een eenparigen schouder. Ja, altemet eens te ijveren voor den Heere, evenals Elia die de Baiil-pHesters doodde, 1 Kon. 18:40. Ziet mijnen ijver aan voor den Heere, zeide Jehu, 2 Kon. 10; 1G. En Mozes \'zeide,\' Exod. 32: 27, Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup, en een iegelijk doode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!

Nu is er nog over te verhandelen, dat men bij dien naam oerbie-diglijk moet zweren. Doch dat is de stof van den volgenden Zondag.

Nu nog met een woord ons vierde of laatste stuk, te weten: de klem van de^ zaak, die is: God zal ze niet onschuldig houden, die zijnen naam ijdellijk gebruiken. Waarvoor zal Hij ze niet onschuldig houden ?

Eerst. Voor het gericht in de wereld.

Ten tweede. In het geweten.

Ten derde. Voor zware oordeelen.

Ten vierde. In de eeuwigheid, als ze ontslapen zullen zijn.

Eerst. Hij zal ze niet onschuldig houden in de vierschaar van de wereld, voor de rechters der aarde. Lev. 24:14, zegt God: brengt den vloeker uit tot buiten het leger, daarna zal hem do geheele vergadering steenigen. Gij moet weten, dat God er de rechters toe stelt. Doen ze het niet. Hij zal het van hunne hand eischen.

Ten tweede. Voor de vierschaar van hun geweten, zal Hij ze niet onschuldig houden. Vloekt en zweert iemand, voor zijn gemoed zal hij niet onschuldig zijn. Ziet dat in Simei: hoe kwam bij kruipen! hij was zoo gejaagd; Heer Koning, zegt hij, reken het mij niet toe, 2 ham. 19:19. Pred. 7:9, Zijt niet haastig in uwen geest om te toornen: want de toorn rust in den boezem der dwazen. Uw hart heeft immers dikwijls bekend, dat gij anderen gevloekt hebt. O! als gij Gods naam misbruikt, weet gij \'dan wel raad met uw geweten ? Beschuldigen uwe gedachten u niet? Veroordeelt uw hart u niet?

len derde. God, door zijne voorzienigheid, brengt schrikkelijke oordeelen over zulken. \'t Wordt aangeteekend in de historiën, dat er gedurende den Spaanschen oorlog een Spanjaard was, die vreeselijk vloekte. Maar wat gebeurt er? Daar komt er een, die schiet zijn musket af in zijne eenvoudigheid, en treft dien vloeker in zijne tong. God beschikte het door zijne rechtvaardigheid, dat een ander vloeker, namelijk Arius, al zijne ingewanden door den stoelgang afging. Ju liaan de afvallige, als hij met oen pijl getroffen word in zijn hart, zoo neemt hij eene hand vol bloeds, en werpt het naar don\' hemel, met

515

-ocr page 522-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

een verbolgen stem uitroepende: Gi] hebt het gewonnen, Gij Ga-lileër! De apostel Johannes, ging met zijne discipelen in de badstoof, en daar twee ketters, Ebion en Cerintnus, vindende, zeide hij: laat ons van hier vlieden, opdat wij met de ketters niet omkomen; en zoo als hij met de zijnen even vertrokken was, stortte dat gebouw in, waar zij onder doocï bleven. Dat zijn historiën buiten het Woord; maar \'t Woord zelf is er ook vol van. De kinderen van Eli stierven op één dag, 1 Sam. 4:2. Ailrons twee zonen werden op één dag door het vuur van den hemel gedood. Lev. 10:2. Een hoofdman met zijne soldaten werden tot tweemaal toe door het vuur van den hemel verteerd, 2 Kon. 1:10, 11. Twee-en-veertig kinderen werden van de beeren verscheurd, die met den profeet Eliza gespot hadden, 2 Kon. 2:24. Geliefden! wilt gij voorbeelden hebben, de bijbel is er overal vol van, gij zult het overal vinden.

Ten vierde. Belieft het God niet, dat het een rechter straft; vindt geen voorzienigheid Gods hen; zwijgt het geweten; in de eeuwigheid zal hij, die Gods naam ijdellijk gebruikt, gevonden worden: geen lasteraar zal het koninkrijk Gods beërven, 1 Cor. (5:10.

Gij zult zeggen: zijn het dan zulke groote zonden? Ja het. Waarom? Omdat er geen grooter Wezen is, waar men tegen zondigen kan. Waarom is het nog al zulk eene zonde? Omdat het zoo onnatuurlijk is. Is het niet onnatuurlijk, als eene dochter hare moeder lastert, en een jonkman zijnen vader? Daar is geen zonde, waar men zoo weinig aanleiding toe heeft. Gij zult alle aanleiding in het schepsel en in den bijbel vinden, om God te eeren. Elk schepseltje eert God. Ziet de vogelen hoe zij God eeren met hunne stem. Gij moet onwillig zijn, die dat niet gelooft. Dronkenschap, onkuischheid, daar zou eenig vermaak in kunnen zijn, en de verdorvene natuur eenige aanleiding toe kunnen geven; doch tot vloeken en zweren is geen aanleiding altoos: daar is geen gewin noch voordeel in deze zonde. Als gij het derde gebod misbruikt, misbruikt gij al de geboden. Vraagt gij naar de eer van God niet, wat vraagt ge ook naar den dag des Heeren, naar uwe ouders te gehoorzamen, en zoo vervolgens naar al de andere geboden? Dat is te voelen en te tasten. Hiermede zullen wij onze vier stukjes voor afgehandeld houden.

Is dit eene zonde, die onder ons in zwang gaat ? Ach ja, en maar al te veel, zoodat men schrikt, als men er aan denkt. Zij gaat in zwang bij ouders, kinderen, bij dienstknechten, dienstmaagden, ja zelfs kinderen die nog geen gebed kunnen bidden, die kunnen al vloeken spreken. Zijt gij op schuiten, op wagens, op wegen in Holland, Zeeland en door gansch Nederland, \'t is of gij in de hel leefdet. Elk heeft vloeken, nieuwe en oude. Ach! dat de grooten hunne macht gebruikten! Eilieve! wat hebben wij er toch aan, aan al dat God onteeren? Zouden het de regenten, de predikanten, de ouders wel gaarne hebben, als zij zeiven onteerd of gevloekt werden? Zal men dan God alleen niet eeren moeten? Moet men God eeuwig eeren, en zal men het nu niet doen?

616

-ocr page 523-

OVER DEN XXXVI. ZONDAG. Vrao. 99, 100.

Iemand zal zeggen, of gij dat al zegt, dewijl het nu zoo lang en zoo dikwijls al geschied is, is er dan nu wel genade voor zulk een vloeker? Ach! ja, als hij zich maar bekeert. Manasse kreeg genade; hij, die dat gebod zoo overtreden had, voordat hij bekeerd was. Hij lasterde niet alleen, maar hij dwong anderen daartoe. Alle zonde en lastering zal den mensch vergeven worden, maar de zonden tegen den Heiligen Geest niet, Matth. 12:31. Maar die vloekers en zweer-ders zullen het zwaar te verantwoorden hebben.

Ja maar, zegt een kind van God, wat heb ik God onteerd door mijne lasterlijke gedachten. Ivost het u geen tranen, zweet, vleesch en bloed, zuchtingen en worstelingen? Gij ontmoet niemand, die God vreest of\' zijne zonden kosten hem verdriet en worstelingen: hij wordt er verdrietig onder. God zal er u eens van verlossen. Asat zeide, Ps. 73, Zouden Gods wegen wel recht zijn? Maar op \'t laatst komt Hij, en toont dat ze recht waren; toen was ik, zegt hij, maar een groot beest bij God, vs. 22. Een natuurlijk mensch, ik neem het zoo erg niet, zegt hij, en \'t is schrikkelijk, \'t Is dat ik het zoo gewoon ben, zeggen ze. Kunt gij dat zoo bij God goedmaken? Zegt gij: ik kan anders geen klem aan mijne woorden geven? Zal dan Gods gebod geen klem op u hebben? Zal uw woord klem moeten hebben, omdat gij Gods gebod misbruikt? Zegt gij: als ik zoo leefde, ik zou bestraft worden, en den toorn van menschen moeten dragen; of als ik anderen bestrafte, ik zou hunnen toorn moeten dragen. Is het niet beter den toorn van menschen dan van een rechtvaardigen en wreken-den God te dragen?

Wie eert er nu God in zulke schrikkelijke dagen, als wij beleven?

Eerst. Dien het zoo zeer doet, als God onteerd wordt; dien het smart, dat zulke zonden zoo de overhand hebben.

Ten tweede. Ach! dat is een eerder van God, die, als hij in een gezelschap is, zijn tijd nooit beter besteed vindt, dan dat hij ergens tot eer van God in is geweest: in woorden of daden. Dan is hij in zjjn schik, en rekent zijn tijd wel besteed.

Ten derde. Die zoo in zijn schik is, als hij in geen verzoeking komt, en als hij er echter in komt, o! zegt hij: Laat ik uwen naam toch niet aantasten, Spr. 30:9, en wordt hij bewaard, o! dan is hij zoo in zijn schik. Hij juicht van vreugde en blijdschap.

Ten vierde. Hij eert God. Al werd er zijn naam door onteerd, hij zou blijde zijn. Hij wil gaarne zijnen naam ten beste geven; laat elk doen, zegt hij, wat hij wil, als God maar groot wordt. Zijt gij zulk een schepsel? Dan zal God u ook eeren; Hij zal uwen naam ophouden, als zij u kwaad willen doen. God zal zeggen: houdt er de hand af; en het zal hun niet gelukken. God zal van hen zeggen: zoo zal men dien man doen, tot wiens eer de Koning een welbehagen heeft, Esth. 6:6. Als de anderen versmaad zullen worden, zult gij eeuwig verheerlijkt worden, en de kroon van heerlijkheid op uw hoofd hebben. In den hemel is het vol van den lof Gods, in de hel vol vloeken. Kiest nu. Door Gods goedheid verkiezen wij de verheer-

517

-ocr page 524-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

lijking Gods. Zoo gij God verheerlijkt, Hij zal met u zijn, en gij zult er eeuwig dankbaar voor zijn. Zoo gij groote gedachten van God liebt, het moet niet in u vallen Hem te onteeren. Denkt echter niet, dat komt van mijzelf. Verheft u daar niet op. Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? Wie onderscheidt u? 1 Cor. 4:7. Wie heeft het n gegeven? quot;t Is de gave Gods. Wilt gij zoo leven, dan zal er niet van u moeten gezegd worden: Dezen waren niet om mijnen naam te vermelden.

Geliefden! zoo hebben wij weer, tot lof van God gesproken; ik hoop, dat het eene goede plaats in ons hart zal liebben, en dat God het gesprokene zal zegenen, tot zijne eer aan ulieden, om zijns Zoons wil, Amen.

518

-ocr page 525-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXXVll. Zondag. Vrag. 101, 102.

Zeven-en-dortigste Zondag.

101. Vkaag. Mag men oolc godzaliylijh hij den naam van God eenen eed meren?

Antwoord. Ja, als liet de overheid van hare onderdanen, of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten zaligheid: want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in \'t Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.

102. Vraag. Mag men oolc bij da heiligen of hij eenigc andere schepselen eenen eed zweren?

Antwoord. Neen; want een rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffen, indien ik valschelijk zweer, welke eer aan geen schepsel toebehoort.

WIJ lezen, Ps. 14:1, De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Wat onderneemt dat schepsel oen zwaar stuk! Het is een stuk, dat hij nooit goed kan maken. Het is een stuk, dat hem nooit gerust kan stellen. Het is een stuk, dat buiten zijne macht is, om, zoolang als hij leeft, te kunnen gelooven. Welke bewijsgronden hij ook mag verzonnen hebben, nog verzint, of verzinnen zal; hij kan dat uit zijn hart niet krijgen: Er is een God. Die dwaas is zulk een schepsel, dat er komt een onverwacht toeval, dan hoort gij hem schreeuwen: Ach God! \'tls zulk een, die allermeest schrikt voor God. Wat nu? Zulk een schepsel, die dat zegt, doet goddeloos, \'t Is een Belials stuk. Het spruit bij hem voort uit goddeloosheid, en \'t leidt hem tot goddeloosheid. Hebt gij uw leven zulk een dwaas schepsel gezien? Hij deed het, omdat hi] dat nauwgezette, die teere vreeze Gods niet kon dragen. Hij doet het om te zondigen. Zulk een dwaas onderneemt een stuk, dat hem zijn eerbied beneemt. Zijn ge-heelen goeden naam wordt hij er door kwijt. Al was \'t een koning, heeft iemand eerbied voor hem, het is gedwongen, of om zijn ambt dat hij bedient.IJ lezen, Ps. 14:1, De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Wat onderneemt dat schepsel oen zwaar stuk! Het is een stuk, dat hij nooit goed kan maken. Het is een stuk, dat hem nooit gerust kan stellen. Het is een stuk, dat buiten zijne macht is, om, zoolang als hij leeft, te kunnen gelooven. Welke bewijsgronden hij ook mag verzonnen hebben, nog verzint, of verzinnen zal; hij kan dat uit zijn hart niet krijgen: Er is een God. Die dwaas is zulk een schepsel, dat er komt een onverwacht toeval, dan hoort gij hem schreeuwen: Ach God! \'tls zulk een, die allermeest schrikt voor God. Wat nu? Zulk een schepsel, die dat zegt, doet goddeloos, \'t Is een Belials stuk. Het spruit bij hem voort uit goddeloosheid, en \'t leidt hem tot goddeloosheid. Hebt gij uw leven zulk een dwaas schepsel gezien? Hij deed het, omdat hi] dat nauwgezette, die teere vreeze Gods niet kon dragen. Hij doet het om te zondigen. Zulk een dwaas onderneemt een stuk, dat hem zijn eerbied beneemt. Zijn ge-heelen goeden naam wordt hij er door kwijt. Al was \'t een koning, heeft iemand eerbied voor hem, het is gedwongen, of om zijn ambt dat hij bedient.

Wat doet dat dwaas schepsel? Het stelt zich in \'t uiterste gevaar, dat God hem zal overgeven aan een verkeerden zin, en om te vallen

i %

-ocr page 526-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

in allerlei zonden, als God dien toom en prikkel van zijn gemoed zal wegnemen, en hem laten wandelen in zijne wegen, totdat hij eindelijk zal moeten zeggen: nu ben ik voor eeuwig vervloekt, ik heb het in mijn leven niet willen gelooven, dat er een God was, maar nu moet ik het voor eeuwig tot mijn smart ondervinden. Als God dien prikkel van \'t gemoed wegneemt, dan is er geen zonde te groot, of men zou ze kunnen bedrijven, al was \'t vloeken, waar of valsch zweren. God teekent zulken in zijn Woord aan, voor gekken en dwazen. Maar integendeel een wijze zegt: Er is een God. De wijze Athe-niënsers. Hand. 17:23, die vele goden dienden, voelden wel iets anders, dan al die goden. Zij wisten wel, dat er nog een andere God was, daarom hadden zij een altaar, waarop geschreven stond: Den onbekenden God. Een wijze beroeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom; maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij Mij kent, dat Ik de Heere ben, Jer. 9:23, 24.

Wat doet zulk een schepseltje! Ach mijn God! zegt het, Gij alleen zijt God; ik mag in mijn hart geen anderen God hebben dan U. Ik mag U niet naar mijn zin dienen, uw zin moet mijn regel wezen; ik moet met den uitersten eerbied aangedaan zijn, als ik van U, of tot ü spreek; bizonder als ik den eed doe. Ach God! zegt dat schepsel, mijn hart is bereid, om U openbaar te dienen! Dat is bij de wijzen te vinden; de anderen zijn dwaze ketters. Zoo komt God en die zendt zijne knechten, die bij het volk aanhouden met bidden en onderwijzen, en in Gods naam te spreken, dat ze toch dien God zouden dienen, gelijk de Onderwijzer in de wet doet. In het eerste gebod wordt ons geleerd, dat wij dien God dienen moeten. In \'t tweede: gij moogt God niet naar uwen zin dienen. In \'t derde gebod is het: Ach! misbruikt Gods naam niet; weest nooit een vloeker of zweerder. In \'t vierde wordt ons geboden: neemt naarstig den tijd van den godsdienst waar; gedenkt den Sabbatdag, dien God ingesteld heeft, om Hem te dienen en te kennen, dat gij dien heiligt. Weest geestelijk werkzaam op dien dag, onder inwachting van Gods zegen, dien llij beloofd heeft aan de heiligers van zijn dag. Tegenwoordig hebben wij over het tweede deel van \'t derde gebod te spreken, het eerste is verhandeld.

Het eerste waar wij over te handelen hebben, is de eed.

Ten tweede. Zullen wij zien, of die geoorloofd is.

Ten derde. Zullen wij u aantoonen, wanneer er een eed gedaan moet worden.

Ten vierde. Moeten wij de tegenwerpingen oplossen van degenen, die zeggen: dat men niet zweren mag.

Ten vijfde. Moeten wij eens kortelijk onderzoeken, of men wel bij het schepsel zweren mag. 1. Wat is de eed? 2. Is die geoorloofd\'r\' 3. Wanneer? 4. Zijn er geen menschen, die meer redenen hebben, om te bewijzen dat de eed ongeoorloofd is dan wij, die zeggen, dat hij geoorloofd is? 5. Mag men wel bij eenig mensch of schepsel zweren ?

520

-ocr page 527-

OVER DEN XXXVII. ZONDAG. Vrag. 101, 102.

Wat het eerste aangaat; in de H. Schrift wordt door zweren wel verstaan de gansche godsdienst. Daar zouden vijf steden in het midden van Egypteland zijn, sprekende de sprake Kanaüns, en zwerende den Heere der heirscharen, Jes. 19:18. Waarom geeft de gansche godsdienst een eed te kennen? Hierom,

Eerst. Daar kan niemand goed in de religie zijn, of hy moet een gedoopte en een avondmaalganger zijn; en dat kan men niet doen, zonder eed.

Ten tweede. Een eed te doen, is statelijk God tot een getuige te stellen. Het wordt zoo genoemd, 2 Cor. 1 :23, Ik roep God aan tot een getuige over mijne ziel. Jes. 65: Ui, Die zweren zal op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid. Deut. G: 13, Eu gij zult bij mijnen naam zweren. En Jes. 45:23, Dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.

Geliefden! als wij u dezen eed zullen aantoonen, zoo moet gij letten,

Eerst. Dat er in den eed een gebed is; en zoo heeft de eed iets met het bidden eigen. Moet gij dan statelijk zweren, zoo moet gij het met eerbied, met een groot ontzag en oplettendheid doen, aandachtig lettende op God, op de zaak en op uwe hartsgestalte, Pred. 5:1, Weest niet te snel met uwen mond. Ziet dan en let op, laat uw woord niet onaandachtig zijn.

Ten tweede. Gij zult in den eed vinden, dat God geëerd wordt wegens eenige groote volmaaktheden. Daar wordt God geëerd: 1. In zijne alwetendheid. 2. In zijne alomtegenwoordigheid. 3. In zijne almacht. 4. In zijne waarheid. 5. In zijne rechtvaardigheid.

God wordt er geëerd in zijne alwetendheid. Dat wisten die van Ruben, Joz. 22:21, 22. De Heere, de God der goden weet het, Israël zal \'t ook weten. Men eert God, dat Hij \'t verborgene kent waar geen mensch achter komen kan.

Men eert God in zijne alomtegenwoordigheid: mijn Heere! Gij zijt aan deze plaats, hoe vreeselijk is deze plaats. Gen. 28:1(3, 17. De hemel en de aarde kan U niet begrijpen, 1 Kon. 8: 27. Gij zijt een God van verre en ook van nabij, Jer. 23:23. Gij omringt mij in mijn nederzitten, en in mijn opstaan, Ps. 139:2, 3. In mijn uit- eii ingaan, komt uwe alomtegenwoordigheid voor mijne oogen.

Dan wordt God er in geëerd wegens zijne waarheid: Ik weet, dat Gij een God zijt, die lust hebt tot waarheid in het binnenste, Ps. 51: 8. Ik weet, dat Gij lust hebt tot menschen, die de waarheid spreken; dat Gij de leugensprekers zult verdoen, Ps. 5:7, Gij hebt een afkeer van de leugen, van eene valsche tong en van een valsch hart. Ik weet, dat Gij U altijd aan de zijde van de waarheid voegt; of ik al valsch handel, ik mag nog zulk een aanzien of macht hebben, al was ik nog zoo groot, zoo kunt Gij mij te niet maken en verderven; en al was ik nog zoo klein, zoo kunt Gij mij zegenen; al was ik nog zoo rijk, zoo kunt Gij mij straffen; in uwe hand staat mijn leven en dood.

Nog eens. God wordt er geëerd, wegens zijne heiligheid. Een

521

-ocr page 528-

CATECHISMÜS-PREDIKA TIE

mensch kan Grod niet zien, zoo lii] de waarheid niet spreekt. Van den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel, Ps. 5:7; dat zal Hij zoeken en vinden.

God wordt er geëerd wegens zijne rechtvaardigheid. Ik weet dat, zoo ik valsch zweer, de wraak er op volgen zal. Ach! zeide de stam Rubens, houd ons niet in het leven, zoo wij het valschelijk gedaan hebben; en de anderen zeiden: de Heere zij getuige, Joz. 22:22, en 34. Oordeelt nu, daar komt een die zweert en zegt: Heere, daar word ik geroepen; \'t is een duister stuk, ik kan er niet uit; ik word wettig geroepen om van de waarheid te getuigen, de trouw te bevestigen. Dan zegt zulk een: mijn God! ik leg eene verklaring af. Gij zijt de getuige. Gij zult van die waarheid eene getuigenis geven, 2 Cor. 1:23, Ik roep God tot een getuige aan. Ik hoop dat God getuigenis geven zal, op de eene of de andere wijze; en zoo doen ze hunne verklaring voor God. In \'t Oude Testament was het gebruikelijk, dat ze het deden door \'t opsteken van hunne hand; zij legden hunne hand op hunne heup, of zij staken ze naar boven. In onzen tijd is het de gewoonte, dat men de twee voorste vingers van zijne rechterhand opsteekt. In \'t Oude Testament geschiedde het zichtbaar, en in onzen tijd ook. In \'t Oude Testament was het formulier des eeds: Zoo waarachtig als de Heere leeft; of, zoo doe mij de Heere, en Hij doet er zoo toe; in onzen tijd is het formulier: zoo waarlijk helpe mij God almachtig.

Wat zegt nu zoo een als hij zweert? Met de woorden: zoo waarlijk helpe mij God almachtig? Hij wil dit zeggen: Heere! ik bid U, toon uwe alwetendheid, uwe alomtegenwoordigheid, uwe heiligheid, uwe rechtvaardigheid, in mij voorbeeldig te straffen, indien ik lieg, tijdelijk en eeuwig, in ziel en lichaam; zoo ik lieg, straf mij dan voor \'t oog van de geheele wereld, tot een blijk, dat ik valschelijk gezworen heb, maar indien ik de waarheid spreek, geef dan een blijk, dat Gij zulk een God zijt in mij te zegenen voor de geheele wereld. Dat is de eed. Daar zitten er hier velen, die dien wel gedaan hebben. Kent gij den eed? Hebt gij denzelven op die wijze gedaan? Oordeelt er over.

Het tweede stuk volgt nu van zelf; te weten: de vraag is, is de eedzwering oorbaar? Hier vindt gij Mennisten en Socinianen, die zouden zeggen: neen; maar die gaan te ver. Maar wat zeggen de meeste Christenen en de Onderwijzer naar het Woord? Die zeggen, zonder schroom: ja. Zoo mag men godzalig zweren. Dit heeft bewijs noodig; en wij bewijzen het aldus:

Eerst. Het is een stuk van onze natuurlijke religie; \'t is in het hart van elk mensch ingedrukt. Daar is geen volk, bij \'t welk de eed de toevlucht niet is, en waar dezelve niet een einde is van tegenspreken. Wij zeggen dan: de eed is uit dien hoofde geoorloofd. God heeft die indrukken in het hart van elk mensch gesteld, in alle donkere gevallen is de eed altijd de toevlucht geweest. Turken, Heidenen, Papisten, ware Christenen, zij verbinden elkander met den eed.

Het tweede blijk is, omdat God den eed zelf belast heeft. Ex. 22:

522

-ocr page 529-

OVER DEN XXXVII. ZONDAG. Vhag. 101, 102.

11, Des Heeren eed zal tusschen hen beiden zijn. En Num. 5, Dan zal de priester die vrouw met den eed der vervloeking beëedigen. Is er eene duistere zaak tusschen menschen en menschen, de eed des Heeren zal tusschen die beiden zijn, Dent. G: 13, en gij zult bij mijnen naam zweren. Zijn dat nu ceremoniëele geboden, die in de wet dei-natuur, en in elks hart zijn ingedrukt?

Een derde blijk is het voorbeeld Gods. God heeft gezworen bij Zichzelven, bij zijne heerlijkheid, bij zijne heiligheid. Dan zwoer Hij eens bij Jakobs heerlijkheid, Amos 8:7; dan eens bij zijne heiligheid, Ps. 89:36. Wat is dat te zeggen? Dit, Ik zal niet heilig zijn, ik zal niet heerlijk zijn, zoo Ik het niet doe. Hebr. 6:13, Zweert God bij Zichzelven, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren. Hij heeft gezworen aan den lleere Jezus. Hij heeft gezworen aan Abraham. Zelfs heeft Hij gezworen aan goddelooze menschen. Wat voor een eed heeft God aan den Heere Jezus gezworen? Hij zwoer Hem dat Hij alleen de Middelaar zou zijn. Hi] heeft gezworen aan Abraham, aan David, aan de goddeloozen, dat Hij hunnen dood niet begeerde, Ezech. 33:11. Aan de gansche kerk, Jes. 44, en 55, dat Hij hun God tot in eeuwigheid zou zijn. Wij vinden dat een engel gezworen heeft, Openb. 10:ö; daar stond hij met zijn eenen voet op de aarde, en met zijn andere op de zee; hij hief\' zijne hand op naaiden hemel, en zwoer bij Dien, die leeft in alle eeuwigheid, dat er geen tijd meer zal zijn.

Het vierde blijk, dat een waarachtige eed is geoorloofd, is, dat de godzaligen hetzelve hebben gedaan in \'t Oude en Nieuwe Testament. Abraham deed den eed aan Abimelech, Gen. 21:23. Izailk en Jakob hebben het gedaan, Gen. 31: 53. De apostel Paulus, Rom. 1:9, Want God is mijn getuige; 1 Thess. 2:5, God, zegt hij, is getuige; 2 Cor. 11:11, Is \'t omdat ik u niet liefheb? God weet het. Daar doet hij als een eed. Het blijkt uit de voorzeggingen dat eeden in \'t Nieuwe Testament wezen zouden: Alle knie zal Mij gebogen worden, en alle tong zal Mij zweren, zegt God, Jes. 45:23.

Nog een blijk door het handschrift van Paulus: hij zeide, dat de eed geschieden moest bij iemand die meerder is, Hebr. 6:13. Ja, de eed is een bevestiging, en een einde van alle tegenspraak.

Nu ons derde stuk. Is de eed geoorloofd, zoo zult gij in uw hart denken; mag men dan geduriglijk zweren? Neen. Wanneer mag men dan een eed doen? Dan, als de Overheid het van hare onderdanen vordert, en als de nood het vereischt. Daar schort het den Mennisten; zij kennen geen Overheid die hen regeeren moet; er moeten geen regenten zijn, zegt een Mennist; en dat hebben ze gezegd, omdat er onder hen oproerige hoofden waren, die zelf meester wilden zijn. Nu, wij zeggen: daar zijn machten en zij zijn er van God gesteld, Rom. 13:4, zij zijn Gods dienaressen die het zwaard dragen. Wij zeggen: als de Overheid het van hare onderdanen op eene wettige wjize vordert, dan mogen wij het doen. Overheden en onderdanen staan tot elkander in betrekking. En Overheden en onderdanen moe-

B23

-ocr page 530-

CATECHISMUS -PREDIKATIE

ten elkander zweren. Als eenigen uit de aanzienlijksten des volks verkozen worden tot regenten van eene stad of plaats, zoo zweren zij, dat zij hunne onderdanen zullen regeeren en handhaven, naar zulke wetten, als daar plaats hebben; en de onderdanen moeten hun zweren, dat zij zich naar die wetten als gehoorzame onderdanen zullen gedragen, en als er iets is dat tot nadeel van zulk eene stad of republiek zou kunnen strekken, dat zij het hun zullen aandienen, en het is elk zijn plicht, zich trouw naar dien eed te gedragen; zoo wordt de Overlieid groot geacht van hare onderdanen, en de onderdanen geliefd van hunne Overheid. Is er nu iemand die gaarne op het kussen zou zitten, hij moet zweren; is er iemand die gaarne een ambt zou hebben, hij moet zweren; de eed wordt hem afgeëischt. Abimélech eischte den eed van Abraham, Gen. 21:23. Achab van al zijne onderdanen, dat ze Elia niet gezien hadden, 1 Kon. 18:10. Abraham eischte den eed van zijn knecht Eliëzer, dat hij voor zijn zoon Izailk eene vrouw uit zijns vaders huis zou nemen, en die knecht deed het. Gen. 24:9. Ezra deed de oversten, de priesters, de Levieten en gansch Israël zweren, dat ze naar dat woord zouden doen, Ezra 10:5. En Neh. 5:12, zwoeren de priesters mede.

Nu, de eed moet op eene behoorlijke wijze gedaan worden, niet lichtvaardig; en hij moet gedaan worden in een gewichtig stuk, als de nood het vordert. Wanneer is het noodig?

Als onze eigen naam of die van onzen naaste lijdt; als wij er niet uit kunnen, zonder eene ronde of groote betuiging te doen, evenals Job eens zeide: Ook nu, zie, in den hemel is mijn getuige en mijn getuige in de hoogten. Job 10:19. Zoo ik het gedaan heb, mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af! Job 31:22. Wanneer nog? Als Gods naam onteerd wordt. Dan was Paulus als een vuur; dan zegt hij: ik lieg niet, God is mijn getuige. Als er duistere dingen zijn, men kan er niet uit door men-schenkunst of wetenschap, dan zal er de eed Gods wezen. De eed mag geschieden in het aangaan van verbonden, tusschen particuliere menschen, als tusschen man en vrouw; de eene vriend mag het aan den andere doen, potentaten aan potentaten, volkeren aan volkeren. Ooit mag de eed geschieden in het verbondmaken met God, in den doop, in het avondmaal, na een ziekbed, als iemand overtuigd wordt, als hij krijgt door te breken, nadat iemand genade in Gods oogen gevonden quot;heeft. Dan schrijft hij wol eens met zijne hand: ik ben des Heeren, Jes. 44: 5, hij zet zijn handteekening; ik ben uw knecht en uwe dienstmaagd, zeggen\' ze, en gij zijt mijn Heere en mijn God, dien ik eeren en dienen zal. Als de eed zoo geëischt wordt, dan kan men dien met veel vrijmoedigheid doen; maar het moet gedaan worden met eerbied, met eene heilige vreeze, met aandacht, met liefde voor God en voor de waarheid moet het geschieden. Hier kan geen Mennist verbergen, dat hij geen regenten wil hebben.

Nu dienden wij ons vierde stuk te bezien. Hebben partijen daar niet wat tegen te zeggen. Ja. Waarin bestaat dat?

524

-ocr page 531-

OVER DEN XXXVII. ZONDAG. Vrag. 101, 102.

Zij zegden: Gereformeerden! gij doet tegen het Woord, dat gijlieden een eed doet, waar zoo vele redenen tegen zijn. Maar wij zeggen, dat wij daar geen redenen tegen kunnen vinden; ten minste niet in het Woord. De Mennisten meenen echter redenen te hebben; en welke zijn die?

Eerst. Zeggen ze, het groote misbruik. Wij antwoorden: Neemt dan het misbruik, het goede gebruik weg? Hoe menige slordige bidder is er wel; zal daarom het geheele gebed weg moeten? Neen.

Ja maar, ten tweede, zeggen ze, er zijn plaatsen in het Woord, Jak. 5:12 en Matth. 5:34. Ja, de apostel Jakobus zegt: zweert gan-sehelijk niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw ja zij ja, en het neen, neen, opdat gij in geen oordeel valt; en Matth. 5:37, Zegt de lleere Jezus zelf: zweert gan-schelijk niet, maar laat uw woord zijn: ja, ja; neen, neen; wat boven dezen is, dat is uit den booze. Ziet gij wel, zeggen de Mennisten, dat die teksten voor ons zijn? Wij zeggen daarop: zulke eeden mogen wij niet doen, gelijk de Joden en eenige lichtvaardige menschen. Maar, Mennist, gij dwaalt echter, dat men niet zweren mag. Wij zijn het eens met den Heere Jezus en met den apostel. Zij zwoeren bij al wat schepsel is, en dat mag men niet doen. Gij moogt bij niemand zweren, dan alleen bij God.

Ten derde. Ja maar, zeggen ze, dat is maar een uitvlucht, Matth. 5:37, Al wat boven ja en neen is, dat is uit den booze, en is de eed niet boven ja en neen? En nu verklaart de Heere Jezus, dat dit uit den duivel is, al wat boven ja en neen is. Wij antwoorden: dat zegt de Heere Jezus niet, maar Hij wil in de gewone gesprekken alleen ja en neen gebruikt hebben; Hij wil, dat wij recht eenvoudig zullen zijn en de waarheid spreken; gijlieden zegt dat, om den eed te ontloopen, maar gij komt zeiven boven ja en neen, als gij genoodzaakt zijt voor den rechter te verschijnen, en aldaar met ware woorden in\'plaats van eeden, der waarheid getuigenis te geven, als gij zeggen moet: ik zal geen man noch eene vrouw van waarheid zijn, indien het zoo niet is; of, zoo ik dit of dat niet gedaan heb of doen zal. Dat is boven ja en neen. Maar daarenboven heeft de Heere Jezus het zelf gedaan, dat Hij boven ja en neen gegaan is, als Hij zeide: Amen, amen; voorwaar, voorwaar; en in alle geval Mennisten, meent gij, dat wij van andere gedachten zijn omtrent den eed? De beste eed is uit den booze, wi] zijn daar niet tegen; als de eed er niet was, daar zou geen eed gekomen zijn. Waarom is er de eed? Aan den eenen kant om het ongeloof der menschen, en aan den andere om de bedriegerijen des duivels. Als God aan een mensch zweert, doet Hij het om het ongeloof te hulp te komen. Kent gij den eersten valschen zweerder wel? Het is de duivel, als hij zeide: God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. Gen. 3 : 5.

Geliefden, gezien hebbende de krachteloosheid van de tegenwerping.

525

-ocr page 532-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zoo komen wij tot bet vijfde stuk, en dat is: of wij wel bij een beilige of bij eenig ander schepsel mogen zworen. Daar komen de Papisten, die hebben zulk een ophef van de heiligen. Nu is de vraag, of wij bij een mensch, bij een heilige, of engel, wel zweren mogen? Wij antwoorden kort en zeggen: Noen. Waarom?

God verbiedt het in zijn Woord, dat ze den naam van andere goden niet in hunnen mond zouden nemen, of dat hunne ziel zou uitgeroeid worden, Joz. 23:7, 11, 12, 15, 16, Wacht u voor uwe ziel: gedenkt niet aan den naam hunner goden, noch doet er bij zweren, noch dient ze, noch buigt u voor ben.

Wel, zeggen de Papisten, dat waren afgoden, wij zweren niet bi] de afgoden, maar bij de heiligen. Maar wij zeggen:

Eerst. Dat is hetzelfde of \'t een heilige of engel is; dat helpt niet.

Ten tweede. De beschrijving en bepaling van den eed komt geen mensch, of eenig ander schepsel toe; want een mensch is niet alwetend, niet alomtegenwoordig, niet almachtig; hij kan geen getuigenis geven van donkere zaken, of de overtreders en meineedigen straffen. Die eer komt niemand toe, dan God.

Ten derde. God wil al degenen, die bij iets anders zweren, straffen. Wee! die daar zweren bij de schuld van Samaria, Amos 8:14. Die zweren bij den Heere der heirscharen en bij Malcbam, Zef. 1:5. God dondert er een wee over uit. Daar hebt gij het derde gebod, zooals het in den 37ston Zondag in zijne wezenlijke stukken verhandeld wordt.

Wat zeiden de Heidenen van de eerste Christenen, als ze hen beschreven? Zij zeiden: het zijn geen vloekers, geen drinkers, geen achterklappers, noch die zich met eens anders doen bemoeien. Zij zweren niet. Dat is een Christen: hij vloekt, noch zweert. Zou men het nu wel kunnen zeggen? Legt er nog wel wat van de aanspraak in uw hart over \'t zingen van den 15aen Psalm ? Zijt gij zulke burgers van Sion? Gaat gij bij grooten. zij hebben dikwijls niet vele kwaliteiten die er vereischt worden tot hunne ambten, waarvoor zij den eed gedaan hebben. Wij zeggen: kent gij den eed wel? Legt dien eens voor u, van artikel tot artikel. Hebt gij wel macht om dien uit te voeren? Is \'t al genoeg maar op het kussen te komen? Als elk regent van ons vaderland zijne vingers opsteekt, en zweert dat hij de gereformeerde religie zal toegedaan zijn, den onderdanen in hunne voorrechten zal toegedaan zijn en beschermen; dat bij recht en gerechtigheid zal zoeken te doen, zonder naar iemand te zien, dan naar God; en dat bij zal zoeken te zorgen, dat niemand door hem ontrust of belemmerd zij, komt hij dien eed wel stipt na? Komt gij bij de ambtenaren in hunne bediening, zijn zij er toe in staat? Zij doen den eed, en daar moet een klerk komen om het ambt te bedienen. Gaat gij naar de militie, daar is het al hetzelfde. Al komen ze nog al hun eed na, wat wordt die lichtvaardig gedaan! \'t is of niemand een ridder kan zijn, of hij moet een vloeker en zweerder wezen. David was zulk een held, maar hij vloekte niet. Cornelius was Godvreezend,

526

-ocr page 533-

OVER DEN XXXVII. ZONDAG. Vraö. 101, 102.

maar hij vloekte niet, Hand. 10:2. Gaat gij naar de predikanten, die beloven: zij zullen hun hart op de kudde zetten, zij zullen hunne talenten naarstig aanleggen, de vromen niet bedroeven, noch kwaad doen; Gods Geest niet bedroeven, waar blijven ze met hun gemoed? Zij doeu dikwijls het tegendeel, in hunne talenten te begraven, de vromen tegen te vallen. Gaat gij tusschen man en vrouw, wat liggen daar verbondbreuken! die breken ligt het verbond, waar ze God tot een getuige toe aangeroepen hebben. Gaat gij bij de dienstboden, wie weet, wat daar dikwijls heimelijk geschiedt, dat niet achterhaald wordt! zij doen genoegzaam een eed als zij den huurpenning ontvangen. Gehazi, ging mijn hart niet mee, zeide de profeet Eliza, 2 Kon. 5: 2G, was het tijd om dat zilver te nemen ? Komt gij bij den Doop der kinderen, daar hebt gij ouders en getuigen. Wat getuigen ze al niot dat ze hunnen plicht zullen doen! Weet gij wel, dat gij een eed gedaan hebt? Gaat gij bij uwe avondmaalsverbondenen, hoe deerlijk is het daar gesteld! Dan is het: ik zal den Heere dienen; de bekers, de schotels, de tafels, zijn getuigen; en gij doet niets minder, dan dat; gij eet en drinkt uzelven een oordeel. Gaat eens bij uwe vasten- en biddagseeden, daar is \'t alles schandelijk uitgevallen. Het heugt mij die droevige jaren van 1672 en 1673, hoe statelijk werden de biddagen en bedestonden gehouden! Maar nu, de biddagen zijn tergdagen geworden. Ja om uit smartelijke ongelegenheden hersteld te zijn; o God! zoo Gij mij helpt, is \'t dan, ik zal U dienen. Zijn er hier zulken niet? Heugt het u niot, dat gij uw woord afgelegd hebt? Helpt het alles niet? Hebt gij God daar niet tot getuige aangeroepen? Zou men u toen niet in uwe tranen gewasschen hebben? Maar toen gij gezond of gered geworden zijt, hebt gij God laten varen.

Vromen! klopt uw hart ook niet? Ik heb het gezworen, en zal \'t bevestigen, dat ik zal houden de rechten uwer gerechtigheid, Ps. 119:106. Die in verval is, daar wordt hij eens opgewekt, of aangesproken door liefde des harten. Willen de goddeloozen kwalijk doen, vromen doet gijlieden het niet. Dat nu zoo zijnde, namelijk zulk een verval, wat nu gedaan? Dat er hier eens een was, die ontdekt werd, die zeide: ik heb den eed misbruikt, ik heb U aangebeden, dat Gij mij in het verderf storten zoudt, als ik den eed verachtte. Als er zoo een was, is daar genade voor? Ach ja! als hij weerkeerde van zijne vorige afkeerigheid, en met bittere tranen zijne vorige zonden be-schreide. Al waren dan uwe zonden als karmozijn en als scharlaken; herstelt hetgeen kwalijk geschied is, vliedt naar den Heere Jezus, vertrouwt op den Middelaar, geeft u aan zijn Geest te bewerken, al moest gij door de hel gesleept worden, uwe uitkomst zal evenwel gezegend zijn.

Zouden wij nu spreken van de kamers van \'t Oost en West, wie zondigt daar fl\'el \'t meest, die den eed vordert, of die ze doet? De eedzwering wordt daar zoo ruim gedaan, en dat gaat daarop naar Oost-Indië; de eed is niet gedaan, of hij wordt niet gedaan, of waar

527

-ocr page 534-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

men den eed aan doet, weten wel, wat hij of de zijnen er voor getrokken hebben, of zullen trekken. Wij willen de goeden niet bena-deelen; maar is het niet schrikkelijk, als men zegt; dat moet die, en die moet zooveel geven. Wat zijn die schepen geballast met valsche eeden! Hetgeen gij met meineed wint, erft niet tot op het derde kind. Gij moogt er mee winnen, zoo gij wilt, men ziet dat zulke familien uitsterven. Zegt gij: wie zal er anders bestaan? Wel het is beter uw brood te bedelen, dan door valsche eeden rijk te worden.

Geliefden! als wij het zoo alles verhandelen, moet uw hart niet schrikken? Wij zeggen het nog eens; wat is ons land geballast met valsche eeden! Zegt gij: het is geen nood, wij zijn er vast in, waar wij in wezen willen? Wel zult gij, die den eed veracht, ontkomen? Ezech. 17 :16. Jer. 5:2. En of zij al zeggen, zoo waarachtig als de Heere leeft; zoo zweren zij toch valschelijk, en vers 9, Zou mijne ziel zich niet wreken, aan zulk een volk als dit is, en Jer. 5:7, Uwe kinderen verlaten Mij en zweren bij dien, die geen god zijn. Zach. 5:4, daar komt de vloekrol van twintig ellen gevlogen in het huis van den dief, en in \'t huis desgenen die valschelijk zweert, en ze zal dat huis verteren; tot de steenen en tot de balken toe, eer zal ze er niet uitgaan. Geliefden! de Heidenen wisten het te zeggen wat de meineed was. Zij noemden het een naamloos kind dat handen- en voetenloos was, en met snelle vaart uit do hoogte der lucht neergeploft werd ter aarde op dengene, dien God meineedig vindt. Dat naamloos kind, waren al de oordeelen, die komen met een snelle vaart en dadelijk tot dengene, dien God meineedig vindt.

Nog een woordje. Moet gij een eed doen, doet het eerbiedig en oprecht. Die het niet moet doen, is van de ongelukkigsten niet; die zonder een eed gedaan te hebben ten grave daalt, is er niet kwalijk aan. Gij kunt in omstandigheden komen, dat gij het zult moeten doen; mijdt het zoolang gij kunt.

Een eed moet ik en gij gedaan hebben eer wij sterven, zullen wij ooit gelukkig zijn, en dat is een verbondseed tusschen God en de ziel. Hoe gaat dat toe? Dat zullen wij u zoeken te zeggen, en daarmede eindigen. Een mensch levende in de wereld, krijgt zegeningen en slagen; hij leeft onder eene bediening; daar krijgt hij altemet een klop op zijn hart; daar begint hij te zeggen: Mijn leven deugt niet, ik ben bi] de vloekers, bij de drinkers, bij de tuischers, dat is geen leven; ik ben een schuldige, ik zie anderen, die leven anders, die bidden oprecht, gemoedelijk, belijdende hunne zonden; zij loopennaar de genade in Christus, zij zijn beter dan ik ben. God brengt hen tot die hoogte, dat ze besluit moeten nemen; zij moeten kiezen: ik moet kiezen, zeggen ze, mijn oude leven, of het andere. Zij gaan in hunne binnenkamer, wat niemand weet, dan zij en God; daar hebben ze zoo eenige artikels opgesteld. Die zijn het, zeggen ze, die het met den duivel en de wereld houden: houd ik het daarmee, dan kan ik gunst vinden; als ik eens vloek, eens lach, goddeloos ben, dan zal ik bij zulken een naam hebben, en zoo gezien zijn. Maar integendeel

528

-ocr page 535-

OVER DEN XXXVII. ZONDAG. Vrab. 101, 102.

stellen zij zich de artikels eens voor van degenen, die lezen, bidden, godvreezend te kerk gaan, met de vromen verkeeren. Daar gaan ze kiezen. Tegen de wereld zeggen ze: wilt gij weten met wien ik het houd? Uw gezelschap zeg ik op. Dan gaan ze de kosten overrekenen, en zien dat er een schavot en brandstaak staat, bij een eeuwig geluk Wat is nu uwe verklaring, zeggen ze? In de\'vreeze Gods aan de artikels van de zijde Gods, houd ik het: ik roep U Heere tot een getuige; Gij hebt mijne ziel overreed, ik kies U te dienen, zoo van harte, zoo gewillig, met zulk eene blijdschap; al moest ik om Uwentwil in een gevangenhuis gaan, al kwam de geheele wereld en duizend rampen mij tegen, om mij kwaad te doen, of al wilden zij mij kronen; ben ik de uwe, allerliefste Heere! genade, kracht en invloed zal ik van U verwachten, en vertrouwen, dat Gij het mij zult geven. Na het plechtige verbondmaken, zeggen zij: weg duivel en wereldsch gezelschap, en al wat mij hindert. U, Heere! en al uwe kinderen heb ik lief. Ach! sterk mij; ach! bewaar mij van den booze.

Op die of dergelijke wijze moet ik\' en gij den eed aan God gedaan hebben, en dan zal God met de goeden wezen. VVeest oprecht, gemoedelijk, zegt: God is mijn getuige, dat ik niet lieg, Uom. 9:1. Hebt gij dat gedaan, dankt den Heere, dat Hij u te sterk geworden is. Dan behoeft gij niet te vreezen, dat gij aan de artikels van den duivel vast züt.

Kinderen Gods! hoopt op God, Hij zal zijne kinderen helpen ten einde toe. üit het zien van genade, hebt gij\' te wachten, dat gij geleid zult worden in de heerlijkheid. Amen.

529

34

-ocr page 536-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Ovee den nn will. Zondag. Vuaag 103.

Acht-en-dertigste Zondag.

103. Vüaag. Wat gebiedt God in het vierde gebod?

Antwoord. Eerstelijk, dat de kerkdienst of liet predikambt en de scholen onderhouden worden, en dat ik, inzonderheid op den sabbat, dat is, op den rustdag, tot de gemeente van God naarstig kome, \'om Gods Woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken, God, denHeere openlijk aan te roepen, en den armen christelijke handreiking te doen. Ten andere, dat ik al de dagen mijns levens van mijne booze werken viere, den Heere door zijnen Geest in mij werken late, en alzoo den eeuwigen sabbat in dit leven aanvange.

WIJ lezen, Ef. 5:16 Den tijd uitkoopende, terwijl de dagen boos zijn. De apostel wil, dat men zijn tijd zal uitkoopen, want daar is een groot werk te doen, Filipp. 2:12 De zaligheid uit te werken, is daar geen tijd toe vannoode? De apostel wil den tijd niet verkwist hebben. Gij moet naarstig letten op den tijd. Daar zijn zoo eenige stonden, die wij allerminst verzuimen mogen, die allermeest moeten waargenomen worden.IJ lezen, Ef. 5:16 Den tijd uitkoopende, terwijl de dagen boos zijn. De apostel wil, dat men zijn tijd zal uitkoopen, want daar is een groot werk te doen, Filipp. 2:12 De zaligheid uit te werken, is daar geen tijd toe vannoode? De apostel wil den tijd niet verkwist hebben. Gij moet naarstig letten op den tijd. Daar zijn zoo eenige stonden, die wij allerminst verzuimen mogen, die allermeest moeten waargenomen worden.

Eerst. Die gezette tijd om eiken dag te bidden, plechtig zijne knieën te buigen in de eenzaamheid, en, die een huisgezin hebben, met elkander; Ps. 55:18 \'s Avonds en \'s morgens en \'s middags zal ik klagen, en getier maken, en Hij zal mijne stem hooren. Daniël hield zijne plechtige gebeden. Hij bad op drie tijden daags, al zou hij er iii den kuil der leeuwen om geworpen worden. Dan. 6:14. En Hand. 10:9 daar was Petrus op het dak geklommen om te bidden.

Dan, ten tweede, is er nog een tijd, die wel moet waargenomen worden, en dat is, als er vast- en bededagen komen, in de plaats waar wij verkeeren. Onze plaats moet dan niet ledig gevonden worden. Dan is het Joël 2: 1G Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens en die de borsten zuigen; en 2 Kron. 29 daar moesten vergaderd worden, de Overheden, de kerkelijken, de vaders met hunne kinderen, de moeders met de zuigelingen; zij moesten allen roepen tot den Heere.

Dan, ten derde, zijn er ook dagen van de Sacramenten, die wel moeten waargenomen worden.

-ocr page 537-

CATECHISMUS-PREDIKATIE, ENZ.

Dien tijd, dien God in het Oude Testament gesteld had, moesten zij wel waarnemen. Dat zult gij vinden, Gen. 17: 10 waar God tot Abraham zegt: Al wat mannelijk is, zal vi besneden worden, en vs. 12 Len zoontje van acht dagen, zeide God, zal u besneden worden; dat zou een bondeling wezen; en vs. 14 dreigt God zijne straf, zeggende, wiens voorhuidsvleesch niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit hare volkeren uitgeroeid worden. Als God het Pascha gaf, Bxod. 12:6 op den veertienden dag van die maand zult gij dat houden, zeide God, en als iemand onrein was, of dat hij verhinderd was, dat hij het in de eerste maand niet had kunnen houden, dan moest hij het op den veertienden dag van de tweede maand houden; hij mocht daar geen tijd toe nemen die hem lustte, maar dien, die van God daartoe besteld was.

In het Nieuwe Testament moet ook de behoorlijke tijd waargenomen worden, om de Sacramenten te ontvangen. Hoewel die tijd van God zoo juist niet bepaald is.

Ten vierde. De tijd, uur en dag van de genade moet mede wel waargenomen worden, 2 Cor. 6:1, 2. Verzuimt die nooit in den tijd van uw leven, die ure van genade, het uurtje van overtuiging, de middelen der genade; als gij daarna kwaamt, als gij ze verzuimd hadt, mocht er tot u gezegd worden: nu is er na dezen tijd geen plaats van berouw voor u.

Ten vijfde en ten laatste. Moet gij wel waarnemen dien gazetten tijd van den gewonen godsdienst, dien God bepaald heelt tot eene heilige samenroeping; die moet wel waargenomen worden. Hoe kwalijk neemt God het, als dat niet geschiedt! De beesten zouden u overtuigen, zegt God. De kraan, de zwaluw, de ooievaar, de tortelduif, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar mijn volk weet het recht des Heeren niet, Jer. 8:7. Een zaaier, wat neemt hij zijn tijd waar in den ploegtijd! Als een landman in den zaaitijd wilde slapen, dan zou hij niet te maaien hebben. Zoo moet het met een Christen en met een vroom mensch ook gaan: hij moet den tijd van den godsdienst, dien God bepaald heeft, waarnemen. Een koopman, hoe past hij op zijn marktdag! Een schipper, wat verneemt hij, en hoe past hij op het getij! Wat is het bedroefd dat er over den tijd van den godsdienst zoo getwist wordt! Geliefden! wij hebben den\'gezet-ten tijd te toon en, gedenkt er aan, dat gij dien dag waarneemt.

Eerst. Zullen wij de woorden van het gebod levendig voor uwe oogen brengen.

Ten tweede. De oudheid van het gebod u aantoonen.

Ten derde. De eeuwigdurendheid van hetzelve trachten te bewijzen.

Pen vierde. Zullen wij voor u openleggen de verandering van den zevenden in den eersten dag der week, door de goddelijke macht.

Ten vijfde. De plichten u klaar en schriftuurlijk toonen, die er in dit gebod vereischt worden. 1. Zullen wij den zin van het gebod opgeven. 2. De oudheid daarvan doen zien. 3. De eeuwigdurendheid bewijzen. 4. De goddelijke verandering van den zevenden in den eersten dag der

531

-ocr page 538-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

week aantoonen. 5. De plichten aanwijzen wat wij op dien dag te verrichten hebben.

Wat het eerste aangaat; wij willen nn niet ophalen al die sabbatten die er in het Woord gemeld zijn. Wat was dit voor een dag? Het was een dag, die tot den godsdienst geschikt moest worden; \'t was een sabbat der ruste, dien God gehouden wilde hebben tot zijne eer.

Daar is een sabbat van Gad, de zevende dag, op welken Hij rustte van al zijn werk. Gen. 2:2. Daar zijn ook verscheidene sabbatten der Joden bekend. Alle vijftig jaren moest het land rusten, Lev. 25; 11. Dan mochten zij niet zaaien; \'t was bet jubeljaar. Alle zeven jaren hadden ze ook een sabbat, dan moest het land ook rusten. Zij mochten noch ploegen noch zaaien. Lev. 25:4, 5 en Exod. 23:11. Dan hadden ze hunne sabbatten der nieuwe maan, waar Paulus van spreekt. Col. 2:16. En dan hadden ze een sabbat der gansche week, op het jaarfeest, Lev. 23:15. Daar was ook een sabbat bij hen, dien ze hielden eiken zevenden dag der week, dat is deze, waar in ons vierde gebod van gesproken wordt. In het Nieuwe Testament hebt gij den sabbat van den Heere Jezus Christus in \'t graf. Hij rustte in het graf, en Hij rust nog in den hemel in de heerlijkheid; doch liij blijft evenwel den Voorbidder. Daar is een rust in het Nieuwe Testament van al die lasten, die zwaar waren om te dragen, en welke Paulus zegt, dat noch de vaders, noch zij zeiven hebben kunnen dragen. Hand. 15:10. Daar is nog eene rust voor Gods kinderen van hunne zonden. Daar is er ook nog eene in het graf op hunne slaapsteden, Jes. 57 ; 2. En daar is eene rust in den hemel.

In het vierde gebod zegt God: gedenkt den sabbatdag; wat gaf dat te kennen? Dat is te zeggen.

Eerst. tSchikt u tegen dien tijd. Denkt er aan in de zes dagen van uw beroep. Daar komt een zevende dag. Wat moet gij zoo wroeten en werken; bereidt uzelven tegen dien dag.

Ten tweede. Denkt er aan, als aan iets, dat al wat oud was, en misschien al wat in onbruik geraakt, en toen ter tijd al wat overtreden was. Bewaar uwen voet eer gij tot het huis Gods ingaat, Pred. 4:17; maar als gij te zamen komt, komt er niet ledig, Exod. 23:15. Als gij een hart liebt, geeft dan wat, verdubbelt uwe aalmoezen. En wat dan? Denkt er zoo aan dat gij dien heiligt. Dien dag kan men, eigenlijk gesproken, noch heiliger, noch onheiliger maken. Wat is het dan te zeggen?

\'t Is te zeggen: denkt er zoo aan, dat gij al die heilige dingen betracht, die Ik wil dat gij betracht; komt\'dan bij elkander. En wat dan? Zingt een psalm, een lied op den sabbat, Ps. 92:1 Roept Mij met elkander aan. En wat dan? Loopt Mij aan als een waterstroom. Mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden, Jes. 56:7. En wat dan? Komt, waar gepredikt wordt; waar men het volk verstand van zaken geeft; waar de predikatiën geschieden, in den tempel of synagoge, Hand. 13:15. De wet van Mozes werd op eiken dag des Heeren in de synagoge gelezen. En wat dan? Als gij daar onder die

532

-ocr page 539-

OVER DEN XXXVIII. ZONDAG. Vraaö 103 538

uitwendige middelen zijt, ziet er door heen, tot op het geestelijke, waar het zijn opzicht op heeft en zegt: Heere, dat heb ik lief: Ëèn ding heb ik van den Heere begeerd en dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in zijnen tempel, Ps. 27:4. Wat dan? Geeft aalmoezen aan de armen; gij zult niet ledig voor mijn aangezicht komen, zegt de Heere, Ex. 23\'; 15. De armen onder u zult gij niet verlaten. Doet aan hen naardat gij van God gezegend zijt, naar dien staat waarin gij gesteld zijt. De Heere Jezus was eens in den tempel, en Hij zag de offerkist\'staan voor de armen; daar wierpen de rijken en de quot;armen wat in. De Heere Jezus prees de gift van die arme weduwe, die alles daarin wierp wat zij had: al haar leeftocht staat er. Luk. 8:43. Dan zegt de Heere, gij zult een zegen leggen op het volk; gij zult niet alleen met uweiï mond tot het volk spreken, priesters! maar \'t volk zal blijven, totdat gij een zegen op hen gelegd hebt. Zoo goddeloos mochten zij niet zijn, gelijk in deze stad; men loopt weg eer dat men den zégen ontvangen heeft. Dan moet hot volk biddend staan en zeggen: Heere laat toch dien zegen op mij rusten, die uwe knechten over mij uitspreken.

/es dagen moet men arbeiden. Hier beoogt de Wetgever zoozeer niet den naarstigen arbeid; dat komt in een volgend gebod; maar gij zult uw huisgezin hebben, waarin gij vroeg en laat moet bezig zijn en arbeiden; doet met macht al wat uwe hand vindt om te doen, in^ eenige eerlijke bezigheid; weest er naarstig in, en wacht dan op mijnen zegen. Maar als gij nu zouclt denken: ik wil den zevenden dag ook hebben, dat zou niet redelijk zijn. Zou God nu niet mogen zeggen: is één dag voor Mij te veel ? Wél, als Ik er u maar één gegeven had, wat hadt gij te zeggen gehad? Als Ik de helft geëischt had, zoudt gij wel kunnen tegenspreken? En nu eisch Ik er maar één; is dat nog te veel? En zijn zes dagen niet genoeg voor uw gebruik? En al het nut en voordeel van dien eenen dag dat is nog voor u; maar al de verwondering is voor God; al de inkomst van dien dag is voor ons; maar de eer en lof is voor God.

Nu zegt de Wetgever: Gij zult geen werk doen. Welk werk niet, en wat al? Dat niet, wat den godsdienst belet; ot \'t dan in of buitenshuis is, langs straat te loopen, te reizen, te koopen, te verkoo-pen, marktwerk; al was het in den oogst; zij moesten rusten, al regende t nog zoo; zij moesten het God toevertrouwen. Dat heeft God ook uitdrukkelijk verboden; gij zult geen werk doen, zegt God. Vaders en moeders mochten denken: ik zal het mijn kind laten doen. Neen, zegt God: gij, noch uw zoon, noch uwe dochter. Zoo zij die nog spaarden, mochten ze denken: ik zal het mijn knecht of dienstmaagd laten doen. Neen, zegt God, noch uwe dienstknecht noch uwe dienstmaagd. Hunne zielen moet gij zoo kostelijk rekenen als uwe eigen _ en als uwer kinderen zielen. Ja, mochten de Joden denken: wij zullen Heidenen nemen, die vallen zoo vies niet; daar maakt God hier ook melding van. Noch de vreemdeling, die in uwe

-ocr page 540-

534 CATECHISMUS-PREDIKATIE

poorten is, zegt God. En misschien beoogt hij er wel in, dat hy die ook binnen zijn huis en binnen zijne muren, eene plaats en eenen naam zou geven, Jes. 56:5; die zullen het ook niet doen, zegt God. Het vee wilde God ook niet te veel opgelegd hebben: noch uw vee, zegt God. Hier in onze stad hebt gij al dat geravot van koetsen en rijtuigen in te spannen; daar moeten de dienstknechten, de dienstmaagden, het vee, bezig zijn. Wat moeten zij al werk doen!

Gij zult in uw hart licht zeggen: Mag men dan altoos geen werk doen? Ja. Welk werk mag men doen? Het werk der liefde: zieken oppassen, goed doen aan mensch of beest; oorlogswerk mochten ze doen: zij moesten op den sabbatdag rondom Jericho gaan, Joz. 6:15. Aangaande het kerkwerk: de priesters hadden op den sabbatdag hun meeste werk in den tempel. Zij moesten de trompetten blazen, offeren; maar het was geoorloofd, om den dienst van God zijn gang te doen gaan, dat men zijn eten mocht bereiden, wat noo-dig was. De Heere Jezus at ook op den sabbatdag. Nehemia, die groote sabbathouder, wat werd er eiken dag en ook op den sabbatdag al voor hem bereid! Hen half uur ol een uur te gaan, een sab-batsreize naar de synagoge of den tempel te doen, was geoorloold; zij mochten wel een uur of twee ver gaan naar den godsdienst; maar niet uit wereldsche inzichten. 2 Kon. 4:23 zeide de man van. die bedroefde vrouw, die haren zoon verloren had: Waarom gaat gij heden tot hem? het is geen nieuwe maan, noch sabbat.

Nu dringt God dat gebod aan. Waarmede? Ik heb in zes dagen den hemel en de aarde gemaakt, zegt God, en den zevenden dag heb Ik gerust, dien geheiligd en gezegend. Hoe klaar is het! Dit gebied Ik u, zegt God; Ik heb zes dagen gearbeid, gij zult ook zoo doen. Ik heb gerust den zevenden dag, en gij zult het ook doen. Ik heb dien zevenden dag geheiligd: wat is dat? Ik heb dien tot den godsdienst geschikt; Ik heb den sabbat toen ingesteld; Ik heb dien gezegend; Ik heb het gesproken bij Mijzelven, dat het een gezegende dag zou zijn; hoe de wereld was, zonder of met zonden. Daar hebt gij nu den inhoud van het vierde gebod.

Nu ten tweede; de vraag is: hoe oud is de sabbat? Wanneer heeft God dat gedaan, dat Hij denzelven geheiligd en gezegend heeft ?

Dat kunt gij voelen, dat God ons wijst op de schepping. Zoo haast als God zes dagen gearbeid had, heeft ilij den zevenden dag gerust, dien gezegend en geheiligd, en toen heeft Hij den sabbat ingesteld. Al kwam iemand uit Uarbarije, en als uit eene onbekende wereld, die \'t zijn leven niet gehoord had, dat er eenige twist over was; als hij dit las. Gen. 2:2, 3 zou het hem niet veraangenamen aan zijn gemoed, dat God daar toen dien sabbat ingesteld heeft, waar hier in \'t vierde gebod van gesproken wordt?

Dan zijn er die zeggen: de rust Gods, waarvan aldaar gesproken wordt, die is de rust Gods, en die is onnavolgelijk, en dat is daar geen gebod. . _ ^ n

Wij zeggen daarop: die dingen zijn weinig waard. De schepping

\'i

it 1

li

-ocr page 541-

OVER DEN XXXVIII. ZONDAG. Vraag 103.

is ook niet na te volgen; de rust ook niet, zooals ze in God plaats had; de zes dagen werkens al mede niet, en die schepping en heiliging Gods ook al niet.

Dan zeggen ze: het is geen gebod.

Wij vragen, eerst: Wat is liet dan? Het is nochtans ingedrukt in \'t hart des menschen na den val. Wat is het anders, dan hetgeen God in het vierde gebod bekrachtigt?

Neemt dit, ten tweede, daar eens bij, hetgeen gij leest Exod. 16: 10—20, en vers 20—32. Als het manna regende, daar geschieden twee overtredingen zoo zij meenden; zij houden over van den eenen tot den anderen dag; daar wiesen wormen in; anderen wilden op den sabbat het manna vergaderen, maar zij vonden niets. Daar komen ze klagen tegen Mozes, zij zeiden: daar zijn er die het van den eenen tot den anderen dag hebben overgehouden, dat werd niet verschoond; God strafte het. Dan klaagden ze nog, dat het volk op onzen Vrijdag, \'twelk hun Zaterdag was, een dubbel deel vergaderd hadden. Wel, zeide Mozes, het volk doet wel, het is morgen sabbat, zoodat die daar niet eerst werd ingesteld; maar zij wisten het wel, dat ze op den sabbat geen werk mochten doen; en toen wiesen er geen wormen in.

In de derde plaats: dat de sabbat zoo oud is, dat geeft geen opspraak, maar \'t is klaar, als gij Hebr. 3 en 4 leest, daar spreekt Paulus van een ruste Gods, daar God van gezworen had, dat de ongeloovige Israëlieten niet zouden ingaan, en dan spreekt hij van eene rust daar ze ingegaan waren, dat is de rust des sabbats, daar waren ze allemaal ingegaan. Ja God, als Hij zijne werken volbracht had, heeft gerust op den zevenden dag. Dan was er nog eene rust in Kanaan, en dan nog eene, als ze in eeuwigheid zullen rusten, daar zullen de ongeloovigen niet inkomen.

Ons vierde bewijs is uit de woorden van \'t vierde gebod zelf. God zegt niet: gij zult rusten, omdat Ik het manna op den zevenden dag niet geregend heb. Maar daar wordt het vast gesteld, dat de sabbat er al vroeger moest geweest zijn. Zij rustten zonder dat het hun iemand gebood, naar het gebod van de wet: Gij zult geen werk doen; want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, en Hij rustte ten zevenden dage.

Ons vijfde bewijs is: waar vandaan komen al die onderscheidingen van die zeven dagen, die wij vinden. Laban zeide tegen Jakob: vervul de week van deze; dat is, blijft nog zeven andere jaren, want die dagweek beteekende eene jaarweek, dat is zeven jaren. Dat zult gij vinden, Gen. 29:27. Zoo ziet gij dan, dat de sabbat is geweest voor Mozes\' tijden. Ja, de sabbat is zoo oud, als de wereld zelve, uitgenomen de zes dagen der schepping daar afgerekend. Zou men nu zeggen, dat strijdt tegen Adams volmaaktheid? Dat doet het niet, al was Adam volmaakt gebleven, zoo had de wereld volkrijk geworden, en zij zouden \'t aardrijk hebben moeten beplanten en bebouwen; zij zouden een naarstigen arbeid gehad hebben, alleen met dat ou-

535

-ocr page 542-

CATECHISM IJS-PREDIKATIE

derscheid, dat het na den val met meer kommer, tegenspoed en verdriet geschiedt, en dat zou dan geen plaats hebben; maar die volmaakte mensch zou zes dagen hebben moeten arbeiden, en op den zevenden dag zou hij van zijn arbeid gerust hebben, en de heerlijkheden en volmaaktheden Gods beschouwd hebben; volmaaktheid strijdt tegen geen rust; in den hemel zal rust en tevens volmaaktheid zijn.

Ja, zeggen zij, als God toen den sabbat al had ingesteld, zou men er dan niet van lezen, dat zij dien gehouden hebben? Wij lezen er genoeg van, dat God dien ingesteld heeft, al was \'t nu al, dat zij dien overtreden hadden, zou hij er daarom niet zijn geweest? Daarenboven Mozes heeft alles niet beschreven, wat er in de wereld geschied is. Wij lezen er in den tijd van de Richteren niets van; zouden ze daarom denzelven niet gehouden hebben? Wij lezen in den tiid der apostelen niet, dat zij het gebed des Heeren gebeden hebben. Mozes had dat niet voor, om alles te beschrijven, wat er in de wereld gebeurde. Wij lezen, Gen. 4:2G Toen begon men den naam des Heeren aan te roepen. Is dat daarom te zeggen, dat het niet eer geschied was? Hoe dikwijls leest gij van den godsdienst der vaderen, in hunne huizen, in bosschen, en in velden.

Dan zeggen ze nog: de wet is door Mozes gegeven. En zou ze daarom vóór Mozes niet geweest zijn? Ach ja, de wet is al vóór Mozes geweest.

Dan zeggen ze ten laatste. W\'aarom staat gijlieden daar zoo op, dat de sabbat. Gen. 2 al is ingesteld geweest? Dat zouden wij met eene wedervraag kunnen beantwoorden, en zeggen: waarom staat gij daar zoo op, dat de sabbat, Ex. 1G eerst is ingesteld? Wij zeggen, zou er in den staat der volmaaktheid geen sabbat geweest zijn, na den val dan nog minder; maar is er de sabbat al vóór den val ge-geweest, nu kunnen wij nog minder zonder zijn.

Nu wordt er eene derde vraag gedaan. Is de sabbat eeuwigdurend? Is dat gebod zedelijk? Wij antwoorden er op: De sabbat is van eene eeuwigdurende kracht, ten aanzien van de zaak; maar de tijd hangt aan het believen Gods; de tijd vloeit uit de natuur Gods niet, maaide zaak; dat is de eeuwigdurendheid, die wij zeggen dat er in is.

Zegt gij, dan moeten wy den zevenden dag houden, en dat doen wij niet? Wij zeggen: Als \'t God belieft dien dag anders te bepalen, dan mag \'t zijn. Het zedelijke dat er in is, is, dat God op zekeren tijd, die het Hem belielt te bepalen, moet gediend worden van ons.

Daarenboven zeggen zij; Gij moet het ons ten goede houden. Wij vragen u, is er dan niets ceremonieels in dat gebod? Ik weet niet wat gij al vragen moogt; verstaat gij door \'t ceremoniëele, dat er geen sabbat in \'t Nieuwe Testament moest zijn? Of verstaat gij er door, dat die dag ziet op de rust van Christus in \'t graf? Dan zijn er geen in. Dan is er niet in, als gij er door verstaat, het aflichten van dat juk der schaduwen. Maar vraagt gij: zijn er dan geen cere-

536

-ocr page 543-

OVER DEN XXXVin. ZONDAG. Vraag 103.

moniën in geweest? Wij zeggen: ach ja! Die dag is zoover ceremonieel, dat Grod er een anderen dag toe had kunnen nemen, gelijk het blijkt dat God den zevenden dag, op welken er zoovele ceremoniën waren, veranderd heeft in den eersten dag.

quot;Wat is nu de eeuwigdurendheid van dat gebod? Lot er eens op, gij zult het moeten toestemmen.

Eerst. Dat ik en gü elk God moeten dienen.

Ten tweede. Elk is het verplicht, die een huisgezin heeft, mot zijn huis en kinderen hot alle dagen te doen.

Ten derde. Elk is het verplicht in \'t openbaar te doen.

Ten vierde. Terwijl God ons zes dagen geeft, om ons beroep waar te nemen, zoo wil Hij, dat wij ons daarvan aftrekken, om op zekeren dag, dien God daartoe bepaalt. Hem te dienen. Dan moeten wij bijeenkomen, en al ons werk laten staan. Dat is het zedelijke; dat zou een heiden zelf zeggen. Ons bewijs is.

Eerst. De redelijkheid en de betamelijkheid. Hoe redelijk en betamelijk is het, dat al onze huisgenooten eiken dag God dienen! En dewijl wij zooveel aftrek hebben, dat wij dan te zamen komen op zekeren tijd. Dat is redelijk en goddelijk; al wat daartegen gezegd wordt, is ongeschikt en onDotamelijk.

Ten tweede. Zeggen wij, dat het vierde gebod in zijn wezen geen ceremonieel gebod is. Hebt gij wel uw leven gezien, dat er een ceremonieel gebod in steenen tafelen is ingedrukt, en met Gods vinger beschreven in de eerste tafel van de wet, en dat dit in de ark dei-getuigenis gelegd werd ? Waar is er eenig ceremonieel gebod, waar dat aan gedaan wordt.

Ten derde. Waar blijft gij dan met de tien geboden, waar Christus van gezegd heeft; Eer zal hemel en aarde voorbijgaan, eer er een jota of tittel van de wet zal voorbij gaan, Matth. 5:18 en zal nu het grootste gebod uit de wet weg moeten? Matth. 5 spreekt Christus van geen ceremonieel gebod; die moesten alteraaal voorbij gaan, Col. 2:14. Zij zijn maar schaduwen van het wezenlijke geweest.

Nog eens. Een vierde blijk dat de sabbat eeuwigdurend is, is, dat God dien brengt tot vóór den val, als er geen ceremoniën plaats hadden.

Ten laatste. Omdat al de predikanten zoo gaarne hun handteekening zetten. Geen een kan er predikant worden, of hij moet zijn handteekening zetten onder den Catechismus, en onder de Formulieren van eenigheid. Wat zegt nu de Onderwijzer, wat God gebiedt als het sabbat is? Dat men dan naarstig tot de gemeente moet komen, en dan het werk, dat men op den sabbat doen moet, dat dit zonder tegenspreken verricht wordt, ten bewijze dat men oprecht is. Zegt men dan; de sabbat is een teeken, wij zoggen: het is waar. Ja, die is een teeken dat God hun heil is, en Hij is een waarteeken van tegenwoordige en verledene tijden, dat Ik hen heiligen zal, zegt God, en geheiligd hebbe; hij is een teeken, dat, als gij te zamen komt, dat Ik de kasteelen van don duivel omver zal werpen.

Dan komt er nog eene tegenwerping. Dan moesten wij, zegt men.

537

-ocr page 544-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

den zevenden dag altijd gehouden en dien niet veranderd hebben. God heeft den zevenden dag ingesteld; maar den eersten niet, en wij gelooven, ja naar Gods Woord, dat Hij dien veranderd heeft, en daartoe den eersten dag heeft ingesteld. Dat de sabbat veranderd is van den zevenden in den eersten dag, is niet van menschen ingesteld zeggen wij, die verandering is van God den Heere. Dat zal al een groot stuk zijn, en wel zoo, dat het zich veraangenaamt aan uw gemoed en geweten.

Eerst. Zeggen wij: waar, of wat gij daarvan leest, gij vindt geen menschelijk gezag, wat oudheden er voor den dag gehaald worden, daar is geen algemeene of particuliere synode, geen concilie waarin het geschied is, die verandering heeft geen mensch tot haren auteur, bijgevolg dan moet het God zijn, die er de Auteur en lusteller van is.

Ten tweede. Zijn er menschen bekend, die omtrent dien dag eene voorname zorg gedragen hebben; zoo is het met Nehemia, maar die heeft echter die verandering niet gemaakt. Heeft Constantijn de Groote het gedaan? Hij zorgde maar voor de heiliging van dien dag; maar hij heeft dien niet ingesteld. Wij hebben in ons leven nog van geen mensen gehoord, wie er de auteur van zou geweest zijn.

Ten derde. De sabbat wordt genoemd; de dag des Heeren, Openb. 1:10. Hoe zou hij aan dien naam komen van den dag des Heeren? Ik weet geen andere reden, dan gelijk van den zevenden dag, omdat hy van den Heere is ingesteld. Gelyk het avondmaal, het avondmaal des Heeren wordt genoemd, 1 Cor. 11:20, omdat het de Heere had ingesteld. Dat argument heeft zulk een kracht, dat er weinig tegen te zeggen valt. Wilt gij dat nu gaan ontvluchten en gaan twijfelen, of die dag den naam van des Heeren dag wel draagt? Met niet een grond kunt gij op dien dag dien naam afnemen.

Ten vierde. Johannes in zijne verdrukking, wat doet hij? Hij heeft zijne vroomheid op dien dag. Daar kwam God met zijne buitengewone bewerking, evenals onze verdrukte broeders, zij zoeken op dien dag in den Geest te zijn, hun hart tot God op te heffen. Meent gij, dat Johannes een ander slag van mensch was, dan wij nu zijn ? Hij wandelde daar aan het strand. Mijn hart, Heere! zeide hij, hef ik naar U op, wetende dat hij God in den Geest kon dienen, en dat alle plaatsen, harten en handen tot Hem konden opgeheven worden, 1 Tim. 2 : 8.

Ten vijfde. Waar vandaan was dit zoo bekend? Op eiken eersten dag der week, zegt Paulus, 1 Cor. 16:2 legge een iegelijk een schat weg; gelijk wij nu doen, naardat wij welvaren gekregen hebben, zoo deden die ook. Dat de gemeenten toen op den eersten dag samen kwamen, kan niemand tegenspreken. Hand. 20:7. Daar kwamen de Christenen op den eersten dag bijeen; tot in den nacht toe predikte Paulus, het was er zoo vol, dat zij tot in de vensters zaten, gelijk er die jongeling Eutyches uit een venster doodviel. De Heere Jezus op dienzelfden dag van zijne opwekking kwam in het midden van hen, en hij stelde dien dag in, en zeven dagen daarna kwam de Heere

538

-ocr page 545-

OVER DEN XXXVIII. ZONDAG. Vraaö 103.

al wederom bij hen, toen zij vergaderd waren op denzelfden dag. Joh. 20:19, 26 daar zult gij vinden dat er staat: na acht dagen, doch dat is te zeggen op den zevenden dag, want de Joden rekenen altijd den dag, waarop de tijd hunner rekening begint, mede onder de volgende, die het getal van hunner rekening uitmaken. Wij weten dan zeer wel, waar die dag vandaan komt, het voorbeeld van Christus is al den Christenen eene wet geworden.

Ten zesde. Zoo de zevende dag door goen goddelijke gezag veranderd is in den eersten dag, hoe is het mogelijk, dat er Joden tot het Christendom zijn overgekomen? Zij wisten immers, hoe gestreng God het gestraft had, als die dag niet gehouden werd, en zij kwamen over als lammeren, zonder dat het houden des sabbats op den eersten, in plaats van den zevenden dag, hen eenigszins tegen de borst was. Dat was anderszins alleen genoeg geweest, om hen tegen het Christendom te doen woelen.

Nog eens. Neemt een zevende argument hiervan; wij hebben van ons leven menschen, die zonden van het niet waarnemen des sabbat-dags hooren beklagen, en wat al zonden er al uit het sabbatschenden voortkwamen, die nochtans onder geen predikatiën gingen. Dat hebben die menschen dan niet van het hooren zeggen; zulken, die zoo goddeloos leven, dat zij dikwijls van de honderd malen niet eens in de kerk kwamen!

Let nog eens op. Als een uitverkorene overtuigd wordt, wat schreeuwt hij uit dat bij dien dag, uit kracht van liet vierde gebod, niet gehouden heeft, dat hij God in zijne kamer, in zijn huis, en niet zijn huis op zijnen dag niet gediend heeft! Als iemand bekeerd is, welk een trek heeft hij terstond naar dien dag! Die dag des Heeren is zijne verlustigingsdag. Het is hem een blij werk, en dat zult gij ook zoo in de allersterkste geloovigen vinden; en is dat alles niet met al? Gelooft gij het nog niet, daar wij zooveel argumenten hebben?

Ik kan er niet tegen, zult gij zeggen, maar wij hebben nog twee, of drie plaatsen, die uw zeggen schijnen omver te stooten; hoe zult gij het dan daarmee maken. De eene is, Rom. 14:5, G. De andere, Gal. 4 :10, en dan Col. 2 :1(3, 17.

quot;Wat aangaat Rom. 14:5, 6 daar zegt de apostel: De een acht wel den eenen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere, en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den lie ere. Maar is dat van don dag des Heeren, waar de apostel van spreekt? Over den dag des Heeren, daar was geen twist over, over den eersten dag der week; maar over zijn oude ceremoniën hadden zij twist. In den dag des Heeren kwamen zij overeen, maar hot waren die feestdagen waar zij verschil over hadden: anders hadden de sterken zich van de zwakken moeten afscheiden. De sterken scheidden daar ten eerste af; maar de zwakken konden dat zoo terstond niet doen. Dat was dan niet van den eersten dag der week waar Paulus van spreekt.

539

-ocr page 546-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Gal. 4:10 Gij onderhoudt dagen en maanden en tijden en jaren; en vs. 11 Ik vrees voor u, dat ik niet eenigszins tevergeefs aan u gearbeid heb. Maar wat willen die woorden zeggen? Dat is al wederom de dag des Heeren niet, waarvan de apostel hier spreekt. Wat dan? In het 3de vers noemt hij het: het zipi de eerste beginselen van de wereld. Zou Paulus zeggen, dat hij tevergeefs onder hen gearbeid had, over het onderhouden van den eersten dag der week? Daartoe was hij een al te ijverig apostel.

Aangaande de plaats nu, uit Coll. 2:16, 17 Dat u dan niemand oordeele, in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten; welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Wat wil toch die plaats zeggen, dat men den sabbat niet moet houden uit kracht van het vierde gebod? Geenszins. Welke zijn dan de sabbatten en feestdagen welke de apostel hier in \'t oog heeft? Dat zijn zulke sabbatdagen die Paulus daarna verklaart, schaduwen van het lichaam te zijn, en welke hij alvorens genoemd had, feestdagen of dagen der nieuwe maan. De eerste dag der week is geen schaduw van Christus. Dat is eenvoudig naar het Woord ons gevoelen over het vierde gebod.

Nu ons vijfde stuk. Wat wil God dat wij doen zullen op dien dag? Daar gaat de Onderwijzer het ons voorschrijven; en hij komt tot de regenten: zorgt dat er in uwe stad de zuivere bediening des Woords is, zegt hij; wacht u dat gij den Leviet niet verlaat al uwe dagen in uw land, Deut. 12:19. De Heere Jezus heeft in de bediening gegeven sommigen tot apostelen, sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars, Efez. 4:11. Zorgt er voor. Waarvoor?

Eerst. Zorgt dat het volk gelegenheid heeft om predikatiën te hooren, die zuiver en scherpsnijdenden ziju; zorgt dat er zulken zijn, die zoowel den een als den ander durven behandelen. Gij koningen en vorsten, handelt verstandigljjk, Ps. 2: 10.

Ten tweede. Zorgt dat door wulpschheid de godsdienst niet gehinderd wordt; zorgt dat die niet ontheiligd wordt, door er zelf niet te komen, door eigen overtreding; zorgt voor de scholen, meerdere en mindere, hoogere en lagere in onze landen, maakt dat ze er zijn, en dat er bekwame mannen zijn, om uwe jeugd en jongelingen te onderwijzen en die jeugd te oefenen in allerlei wetenschappen. In het Oude Testament waren de zonen der profeten; dat waren de studenten: daar waren er die leerden en die geleerd werden. Farao liet Mozes voor zich opkweeken. Nebukadnezar had eenige jongelingen die hij liet onderwijzen in de boeken en spraak der Chaldeën, Dan. 1:4. Laat het der Kerk nooit aan mannen ontbreken, bekwaam om de jongelingen te onderrichten; zorgt dat er zulke akademiën zijn, waar ze onderwezen worden; maakt, dat er leeraars zijn, die het Woord recht snijden, die toonen dat ze hun hart op de kudde stellen, wetende dat de zielen van hunne hand zullen geëischt worden, zoo zij niet trouw zijn; zorgt, dat er zulken zijn, die ook toe-

540

-ocr page 547-

OVER DEN XXXVIII. ZONDAG. Veaao 108,

passen en maar niet alleen uitleggingen hebben; laat het znlken zijn, die den zondaar ontdokken en van zijne valsohe gronden afbrengen, en ware gronden zoeken te geven; die in liet prediken bestraffen, vermanen, wederleggen, troosten, bestieren, allerlei gebruiken geven; laten bet zulken zijn, die den ganschen raad Gods verkondigen.

Wat moet nu de gemeente doen? Hand. 20:9 daar was het zoo vol dat ze tot in de vensters zaten; hun tehuis blijven moet weinig zijn, of het moet noodig zijn; en zoo, dat gij tusschen God en uw hart voelt dat gjj er vrijheid toe hebt; gedenkt den sabbatdag, bereidt uzelven, valt op uwe knieën met uwe kinderen. Daar moet geen predikant een voet op stoel zetten, of bij moet eerst bidden. Geen mensch moet naar de kerk gaan, of hij moet zeggen; lleere! zoo ben ik gesteld; en met David: ontdek mijne oogen dat ik mag aanschouwen de wonderen van uwe wet, Ps. 119:18. Zijt gij nog onbekeerd? Ach, dat deze ure het stondetje der minne, het stondetje van mijne verandering mocht wezen. Zijt gij donker, doodig, bestreden; ach! mocht ik met uwe werpschoö\'el en met uwe wan eens verschud worden, Jes. 30:24. Dan het boek niet op den schoot leggen, als er gezongen wordt, maar zingt met hart en stem. In het gebed moet men niet hall weg zijn, maar ingespannen, letten op God, op onszelven, op de zaken, op de pleitreden. Dan onder de predikatie den Geest Gods in ons laten werken, daar niet tegen opstuiven. God opende onder het prediken het hart van Lydia, Hand. 10:14. Zeg: Ontwaak noordenwind, en kom gij zuidenwind! doorwaai den hof van mijn hart, Hoogl. 4:16. Heere, werk in mijn gemoed, zoo het U belieft. Dan moeten wij elkander opwekken, die traag zijn, mede slepen en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot den huize van den God Jakobs, opdat Hij ons leere van zijne wegen, en dat wij wandelen in zijne paden, Jes. 2:3. Dan, als de sabbat zoo is doorgebracht, dan in ons huis, onder onze huisgenooten stil bidden en danken, overdenken en herkauwen hetgeen wij gehoord hebben. Dan niet uit rijden gaan, loopen of wandelen, op singels en wandelplaatsen, geen hoofjes gaan zien, of andere vermaken nemen, neen; dan moeten de wegen zoo niet krielen van menschen, tenzij dat gij er dit gingt doen, wat gij anders tehuis doet. Dan moeten wij ophouden met zondigen, ons voor God nederwerpen en uitroepen: Ach Heere! laat ik nu de knoopen losmaken en de banden ontdoen van het juk der ongerechtigheid, Jes. 58:6. En dan zoo den eeuwigen sabbat gaan aanvangen.

Gij zult zeggen, wat is dat? Dit. Verbeeldt uzelven eens de geheele Kerk in de geheele wereld; welk eene afbeelding is ze van den hemel! Bedenkt eens als door het geheele land de huizen gesloten zijn, en dat men zoo samen God dient, wat is dat een beeld van den hemel! Alle wereldsch beroep staat stil. Dan, als men zoo tc zamen eens bidt, zingt, dankt, wat is hot een beeld van den hemel! Daar aanbidden, zingen, danken ze ook. Daar zingen ze het nieuwe lied ter eero van het Lam: Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met

541

-ocr page 548-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

uw bloed, en Gij hebt ons Gode gemaakt tot koningen en priesters; en wil zullen als koningen heerschen, Openb. 5:9, 10. Daar zeggen ze: Hem, die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eere, en de heerliikheid, en de kracht in alle eeuwigheid, Openb. 5 :13.

Wat zegt gij nu, is daar wat tegen te hebben? Nu nog een woord

tot een stichtelijk slot. , i , j

Is het niet bedroefd, dat er zoo getwist wordt over het onderhouden van den sabbat uit kracht van het vierde gebod ? Moet men God niet dienen op zekeren tijd, naar eene Goddelijke orde? Wat is er in al dat getwist anders, dan: , , , -i i

Eerst. Dat de godsvrucht benadeeld wordt en de losheid van leven bevorderd? Wat wint men er mede, als het moet geschieden tegen het gemoed, tegen ons handschrift? Men moet ten minste op iemands handschrift staat kunnen maken.

In de tweede plaats. Dat wint men er mede, dat men van dien dag, die de dag des Heeren is, een koopdag maakt. Ach arme! de een wil koopen, en de ander wil verkoopen, en het kan beiden niet gedijen, omdat het tegen Gods gebod is; is dat niet schrikkelijk? Gij zult maar eenige weinige vrome familiën vinden in de stad, Wciai gij op den rustdag niet geriefd zult worden, en dan zou men die wel scheldwoorden en lasteringen toewerpen. Gij, die verkoopt, gij moogt het wel doen, daar is een schoon gewin in! Gi] ontvangt uw geld m een doorgeboorden buidel, Hagg. 1:6. De vloek is er in. Daar zitten wij bij elkander en vergaan; elk wil volgen. Ach! het ging beter in ons land, als die dag nauwgezetter werd waargenomen, als de predikanten zonen des donders waren, en de gemeente toevloeide als schapen tot de weiden! Maar hoe gaat het mi? Uit pleiziermaken, uit wandelen; de sabbat en rustdag is een bezoekdag geworden, zi] zitten meer bij hunne vleeschpqtten, in brasserijen en dronkenschap; zij houden van geen preeken, \'tis een dag van opschik, een dronkaard zit bij zijn drank, \'t is een gesnipperde dag. Zij kunnen niet uit hun bed, quot;\'t is een zuip- en eetdag, en komen zij dan nog al eens in de kerk, dan zitten ze te kraken en op te rispen, hunne vette sappen stinken hun ten vollen monde uit; \'tis een ravotdag, een verlofdag, \'tis hun uitgangsdag, evenals die der kinderen; koets en paarden moeten rollen, de jachten en schepen moeten varen, dat moet er al op af, en, op zijn best genomen, zoo is het een verdrietige dag; \'tis of dan de zon stil stond ; hunne ezels op stal, en de schepen aan den wal en de beesten in de weide houden zulk een goeden sabbat als zij. \'Dan wordt liet een duivels-dag, als het geen dag des Heeren is. Gij weet, dat wij de waarheid zeggen. Dan is het een kijf- en een hoereerdag. De kroegen zitten vol; dan raakt het aan een vechten, doodslaan, en dergelijke gruwelen, \'t Is een dag waarin men in Gezelschapszalen zit, waar alles verhandeld wordt. Wij vreezen, onze laren gaan ver, en wij zijn de sterksten niet, en anderen van onze medebroeders ook niet; wij vreezen, zeggen wij, dat God nog zeggen zal: rust totdat het land aan zijne sabbatten een welgevallen zal heb-

542

-ocr page 549-

OVER DEN XXXVIII. ZONDAG. Vraag 103.

ben, Lev. 26:34. Wij vreezen, dat uwe predikanten zullen rusten, dat gij ze niet meer op stoel zult zien, en dat gij uwe regenten op het raadhuis niet meer zult zien, en dat gij nog zult moeten hooren dat bittere woord: Ik heb gezworen dat zij in mijne ruste niet zullen ingaan, Ps. 95:11. Wij vreezen, dat gij in de hel zult vallen, en dan zult gij in eeuwigheid niet rusten, dan zult gij liggen beklagen het misbruik dat gij van den sabbatdag, van den dag des Heeren in uw leven gemaakt hebt. Moeten wij zoovele woorden gebruiken, om te bewijzen dat er zulk een dag is? Is het niet een teeken, dat gij wederspannig en traag geworden zijt?

Nu zou iemand wel denken: Is er in het Nieuwe Testament nog een sabbat? Ach ja! Van den Heere is dit gebod. Is de kerk u dan zulk een lastig huis, dat huis, dat het beste is van al de huizen die er zijn? Al de huizen met elkander zijn zooveel niet waard, als ééne kerk.

Zondaar! waart gij hier geweest, toen gij op de bierbank zat, gij waart licht bekeerd. Toen gij langs de wegen gingt, de kerk voorbij, en gij zeidet: laat ons wijn halen en sterken drank zuipen, waart gij toen hier geweest, en toen gij te gast giugt terwijl het de tijd van den godsdienst was; gij waart lichtelijk bekeerd, en met een zegen naar uw huis wedergekeerd. O! \'t is er zoo liefelijk in dat huis des Heeren, daar werkt de Geest. Zes dagen werkt gij; en is een voor Gtod u nocr te veel? Als gij rechtuit zoudt spreken, zoudt gij ja moeten zeggen. Wee u, zondaar! zoo gij op dien weg voortgaat. Wij raden, wij bidden u neemt toch uwen godsdienst naarstig waar. De plicht van Overheden zelve is den godsdienst waar te nemen. Zij moeten hunne plaats in de kerk zoo niet ledig laten. Zeggen ze: gij zijt geen predikant naar onzen zin? dat kan wel wezen; en wij zouden licht beter naar hunnen zin worden, zaten ze er maar wat meer. Dat hangt van ons niet af, noch ook van hen. God moet het werk doen; hunne achting zoeken wij niet, en hunne verachting verdienen wij niet. De grooten laten dikwijls eens de poort sluiten, als er wat nood is, voor acht of tien dagen, daarmede moet het niet gedaan zijn; de officier moet er op letten, en de kroegen en kotten uitroeien. Maar hoe kort duurt het! Der leeraren plicht is het, zelf op te komen, niet uit den godsdienst te blijven, goede voorbeelden te geven, te zoeken dicht bij hunne huizen te blijven. Die moeten zoowel bekeerd worden als gij; zij hebben den Geest in zijne werking zoo noodig als gij. Wij moeten het volk niet maar willen bewerken. Wij zijn mede deerlijke verloren schepsels, zoowel als gij. Onze bediening kan ons in eeuwigheid niet in den hemel helpen. Gij moet geen te groote, ook geen te kleine gedachten van uwe predikanten hebben. Wij moeten zeggen: Heere! ben ik wel tot uwe eer geweest? of menschen, of iemand een weinig onvergenoegd was, dat scheelt mij zooveel niet; heb ik wel aangedrongen, zooveel als een herder achter God betaamt? kon ik \'t maar zoo doen en zeggen: Heere! is mijne gemeente in deze geheele week wel eens bewrocht geweest?

543

-ocr page 550-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Laat deze zevende dag hunne gezegendste dag zijn; zij hebben zooveel zorg en kommer in de week, dat ze haast met een uurtje uit kunnen breken tot hunne stichting; mochten ze nu op den dag des Heeren wat gesticht worden! En denken dan: Ach Ileere! heb ik wel gezorgd dat ze een voedseltje gehad hebben voor hunne ziel? Zouden ze over mij moeten klagen, als zij van avond stierven?

Ouders!\'zoekt gij uw kindertjes zulk een indruk te geven van den dienst van God? Als de hoofden dat willen doen, dan moeten de anderen er weer niet tegen zijn. Hoe stichtelijk is het, \'s morgens zoo alleen en te zamen God te bidden, en dan den geheelen dag zoo heen te gaan in zijne vreeze! en des avonds, men legt zich wederom voor God neer, men gaat zoo rusten in de armen van God. Die opvoeding kleeft dan zoo aan. Hoe wordt anders de naam van God, van kind tot kind voortgeplant?

Meesters! gijlieden moet ook al letten op de taal en het gedrag van uwe schoolkinderen. Gij moet ze Gods vreeze inplanten. Maar wat doen de meesten? Zij zoeken maar te zorgen, dat ze goed leeren lezen en schrijven, of vorderen in hetgeen waarin zij door hen onderwezen worden, en dan is \'t al wel. Maar als gij er uwe knieën mee buigt, en hun Gods vreeze zoekt in te planten, dan zullen ze u nog zegenen na uw dood, en bij uw graf staan weenen van liefde.

Geliefden! als wij recht dien dag des Heeren zouden houden, weet gij wat wij dan doen moesten? \'sZaterdags moet men tijdig zijn werk staken, dan des Zondagsmorgens niet lang liggen; maar tijdig opstaan, lezen, bidden, elk voor zichzelven, en met elkander; niet te lang zich thuis ophouden, maar vroeg in den godsdienst komen. De Heere Jezus was vroeg in den tempel. Joh. 8:2, de zon begon hare stralen pas te schieten op de aarde; niet lang een ander beletten in \'tzitten of staan; zich voorbereiden om te bidden, zijnde in stilheid, moet men zijn hart tot God opheffen; God manen op zijne beloften, onder het prediken eerbiedig bidden, en zeggen: Heere! open toch mijn hart; ik ben hier voor uw aangezicht, voor uwe pijlen, voor \'t vischnet; ik lig hier tor neder voor \'t zwaard des Konings: rijd o Koning! voorspoediglijk op het woord der waarheid, Ps. 45:5; bij elkander blijven, psalmen zingen in den geest. Wordt er iets gezongen, dat mi voor mij niet is, dan is \'t voor een ander; en op een anderen tijd zal \'t eens voor mij zijn. Dan God eens danken. Gij moet u dat niet schamen als er eens een traantje bij moet komen; als \'t oprecht is laat dan de goddelooze zich zijn assurant voorhoofd schamen. Doet zoo gelijk de kinderen in eene familie doen, zij omsingelen de ouders, omsingelt ook zoo den Heere; zegt: ik kan U niet laten gaan, voordat Gij mij zegent. Gen. 32:26.

Dan eindelijk, moet de zegen geloovig en eerbiedig gesproken en ontvangen worden, geloovende dat God het beloofd heeft. Dan moeten wij dien hartelijk toewenschen, en zoo zullen wij allengskens den eeuwigen sabbat aanvangen. Dan zullen wij zeggen, daar ligt nu al ons werk, en zetten al de goederen daarneer. Daar liggen de klee-

544

-ocr page 551-

OVER DEN XXXVIII. ZONDAG. Vraag 103.

646

deren, daar ligt het al, wij vangen de reis aan naar de zalige en eindelooze eeuwigheid; wij gaan rusten op onze slaapstede, een iegelijk, die in zijne oprechtheid gewandeld heeft, Jes. 57:2. Daar rusten de vermoeiden van kracht. Job 3:17. Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven van nu aan, zij rusten van hunnen arbeid en hunne werken volgen hen na, Openb. 14; 13. Dat mogen ze wel op hunne grafzerken schrijven: Zalig die dooden! Wij hopen, dat wij elkander na onzen dood en opstanding eens eeuwiglijk ontmoeten mogen, waar rouw, noch gekrijt, noch moeite meer zijn zal, Openb. 21:4; maar waar het Lam, dat in het midden des troons is, ons zal weiden tot de levende fonteinen der wateren, en waar God alle tranen van onze oogen zal afwisschen, Openb. 7:17. De Heere geve ons dat uit genade, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

-ocr page 552-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XXXIX. Zondag. Vraag 104.

ISTegen-en-dertigste Zondag.

104. Vkaag. Wat wil God in het vijfde gchod?

Antwoord. Dat ik mijn vader en mijne moeder, en allen, die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunne goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hunne zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het God belieft ons door hunne hand te regeeren.

WIJ lezen, Jer. 30:9 Maar zij zullen dienen den Heere hunnen God en hunnen koning David, dien Ik hun verwekken zal. Daar zien wij uit, dat Gods volk den Heere hunnen God zou dienen en David hunnen koning. Wie is die David die daar bedoeld wordt? Het is de Heere Jezus Christus, de Zoon van den levenden God. 11 oe menigmaal draagt Hij den naam van David in het Woord, dewijl er zeer vele zoete overeenkomsten zijn tusschen David en den Heere Jezus Christus! Om die niet allen op te halen, zullen wij er maar eenige noemen.IJ lezen, Jer. 30:9 Maar zij zullen dienen den Heere hunnen God en hunnen koning David, dien Ik hun verwekken zal. Daar zien wij uit, dat Gods volk den Heere hunnen God zou dienen en David hunnen koning. Wie is die David die daar bedoeld wordt? Het is de Heere Jezus Christus, de Zoon van den levenden God. 11 oe menigmaal draagt Hij den naam van David in het Woord, dewijl er zeer vele zoete overeenkomsten zijn tusschen David en den Heere Jezus Christus! Om die niet allen op te halen, zullen wij er maar eenige noemen.

Eerst. David was uit een aanzienlijken stam en geslacht; hij was niet, zooals Saul, uit den stam van Benjamin, maar uit dien van Juda. Zoo is het met den Heere Jezus ook. Hebr. 7 :14, Het is openbaar dat onze Heere uit Juda gesproten is. Daarom wordt Hij ook genoemd: de Zone Davids, Matth. 1:1. Mark. 10:47.

Ten tweede. David was een uitermate schoon man, 1 Sam. 16:12. Hij. was een jongeling roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien; hij had de blos van eene roos, en do blankheid eener lelie. De Heere Jezus is ook blank en rood, Hoogl. 5:10. Hij is die roos van Saron, die lelie der dalen, Hoogl. 2:1.

Ten derde. David was zeer bemind van den Heere, de apostel teekent aan. Hand. 13:22 dat hij een man was naar Gods hart; maar de Heere Jezus, die rechte David, wat was Hij bemind van zijnen Vader! Daarom noemt Hem God de Vader, Matth. 3:17 Deze is\' mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelken Ik een welbehagen heb.

Ten vierde. David was niet alleen zeer bemind, maar hij was ook een zeer geplaagd man, toen hij op de wereld verkeerde. De koning Saul vervolgde hem als eene eenige vloo, 1 Sam. 24:15. Hij verjaagde hem als een veldhoen op de bergen, 1 Sam. 2G: 20. Absalom, zijn

-ocr page 553-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

eigen zoon, stond tegen hom op en jaagde hem uit zijn rijk, 2 Sam. 15:14. Simei vloekte hem, 2 Sam. l(i: 7, 8. Ziba bracht hem kwaad gerucht aan, 2 Sam. 1G:1—4. De Heere Jezus was ook zoo uitermate geplaagd. De Joden zeiden: wij achtten Hem dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was, Jes. 53:4. Hij had geen rust van zijne kribbe af, tot aan zijn kruis toe.

Eindelijk. David was een kind dat veel liefde tot zijne ouders had. Als om zijnentwil hen het land te bang was, zoo neemt hij zijne ouders met zich mede naar den koning der Moabieten; hij zegt tot hem; mag mijn vader en mijne moeder wel bij u uit- en ingaan, totdat ik weet, wat God met mij doen zal ? 1 Sam. 22:3. De Heere Jezus, die rechte David, toen Hem het land te nauw was, als Hij aan het hout des kruises hing, zoo ziet Hij zijne moeder; Hij zag die bedroefde oude vrouw aan, die toen al wat jaren kon tellen; Hij zag haar aan. Hij wist dat er een zwaard door hare ziel ging, en Hij zag zijn lieven discipel aan; Hij durfde zijne moeder niet noemen, maar Hij zeide tegen Johannes: Daar staat eene bedroefde vrouw, zorg er voor, alsof\' zij uwe moeder was; en Hij zeide tot zijne moeder: Vrouw, dat zal uw zoon wezen, die zal voor u zorgen. Joh. 19:26,27. Gelijk Hij zoo een voorbeeld heeft gegeven aan de kinderen, zoo heeft Hij ook eene wet gegeven. Hij heeft die levende woorden op Sinaï zelf gepredikt: Hand. 7:38. Eert uwen Vader en uwe moeder, opdat het u wel ga in het land, dat u de Heere, uw God geven zal.

De Onderwijzer, de eerste tafel afgehandeld hebbende, namelijk de liefde tot God, zoo gaat hij aautoonen, waarin de liefde tot den naaste bestaat: water en vuur kunnen zich niet ondereen vermengen, maar de liefde tot God en den naaste vloeit vanzelf te zamen.

De Heere, gesproken hebbende van do liefde tot God, zoo begint Hij van de liefde des naasten, en wel van die ons het allernaast zijn; en Hij zegt: weet gij, hoe gij uzelven daaromtrent gedragen moet? De ouders zijn de eerste; daaromtrent moet gij u gedragen met een minzaam gedrag, en dan zal Ik u zegenen.

Geliefden! wij hebben dan tegenwoordig te bezien.

Eerst. Wie vader en moeder zijn.

Ten tweede. De les daaromtrent van God gegeven: Eert ze, zegt God.

Ten derde. Den aandrang van dat gebod. 1. Wie is vader en moeder? 2. De les aan de kinderen in dit gebod, en die is: Eert vader en moeder. 3. Den aandrang, kan het gebod niet in, laat mijne liefde ingaan.

Wat het eerste aangaat: Vader en moeder, wie moeten wij daardoor verstaan?

Eerst. In de politie en burgerstaat de regenten, die worden genoemd voedsterheeren, en hunne vrouwen zoogvrouwen, Jes. 49:23. En zij worden zoo genoemd vanwege hunne autoriteit en gezag, en vanwege dat ze een vaderlijk gedrag omtrent hunne onderdanen moeten hebben; anders zouden ze niet genoemd worden vaders, maar onderdrukkers van de onderdanen. 1 Sam. 24:12 Zie toch mijn va-

547

-ocr page 554-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

dor, zeide David tegen den koning Saul, ja zie de slip uws mantels in mijne hand.

Ten tweede. In het burgerlijke worden vaders genoemd, de heeren en vrouwen waar de dienstboden onder staan. Maar dan moeten zij een vaderlijk en een moederlijk gedrag toonen, en die dienstboden moeten ook een kinderlijk gedrag toonen. 2 Kon. 5:13 zeiden de knechten van Naaman, den Syriër: Mijn vader, zoo die profeet tot u eene groote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben ? Hij moest al een goed gedrag getoond hebben.

Ten derde. In het burgerlijke, zijn vaders en moeders voogden en voogdessen. Daar is een kind, dat zijne ouders verliest, en die ouders laten het kind eenig goed na; dat kind moet onder voogden staan. Dat vinden wij zoo in den burgerstaat, dat die zijn als vader en moeder; Esth. 2:7 en 4 daar was Mordechai, die Esther of Ha-dassa de dochter zijns ooms had opgevoed; voor en na de verheffing deed zij al wat hij haar gelastte, /oo zeide Boas tegen Ruth, hfdst. 2:8, Hoort gij niet, mijne dochter? Ga niet, om in een ander veld op te lezen, ook zult gij van hier niet weggaan.

Ten vierde. In den burgerstaat zijn vaders en moeders die meesters en meesteressen in hoogere en lagere scholen zijn; allen die iemand iets leeren, zijn in dat opzicht vaders en moeders. Gij zult het zoo vinden. Gen. 4:21 Daar wordt Jubal genoemd de vader van allen, die harpen en orgelen handelden, dat is, hij was de meester en al de anderen die ze handelden waren zijne leerlingen. Wij vinden van de school van Abel Beth Maacha, 2 Sam. 20:15 —19. Gij vindt dat Debora eene moeder in Israël was, Richt. 5:7. Gij vindt van de zonen der profeten, dat is, de leerlingen der profeten, 2 Kon. 2:3. En kinderen der profeten, 2 Kon. 2:15. Zoo zeide Eliza tegen Elia: mijn vader, 2 Kon. 2:12.

Ten vijfde. In het burgerlijke zijn vaders en moeders, oude lieden, zoowel mannen als vrouwen, wegens hunne jaren en statelijk gedrag. Lev. 19:32 Voor het grauwe haar zult gij opstaan. Paulus zeide tegen Timotheüs: bestraf een ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders; de oude vrouwen als moeders, 1 Tim. 5:1, 2.

Nu, in het kerkelijke en geestelijke zijn vaders. Maar wie is de vader geweest van den mensen in den staat der volmaaktheid? God. Adam wordt genoemd, de zoon van God, Luk. 3:38. In den staat der zonden is de duivel onze vader. Joh, 8:44 Gij zijt uit den vader den duivel, wiens werken gij doet, zeide de ileere Jezus. In den staat der genade wordt God weer de Vader over sommigen door den Geest, den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader, Kom. 8:15. Dan, als dat gebeurt, mag een duivelskind wederom God zijnen Vader noemen. Hij wordt aangeroepen als een Vader, die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, 1 l\'etr. 1:17. Dan heeft God dien kinderen ook eene moeder beschikt, en d.at is het Jeruzalem dat boven is, dat

548

-ocr page 555-

OVER DEN XXXIX. ZONDAG. Vraag 104.

vrij is, hetwelk ons aller moeder is, Gal. 4:26. Het zaad is het Woord Gods. Gij zijt wedergeboren, niet uit vergankelijk zaad, maar door het eeuwigdurende Woord Gods, 1 1\'etr. 1 :23. Dat Woord prediken zijne knechten, die daarom ook vaders genoemd worden en God maakt het vruchtbaar; Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zeide Paulus, zoo hebt gij toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld, 1 Cor. 4:15. Ach, zondaar! zijt gij nog zonder God, zoo is de duivel uw vader; en kinderen Gods! zoo gij genade gekregen hebt, gij zijt uit zulk een grooten dood en nood verlost.

Nu in het natuurlijke: wie is daar vader en moeder?

Eerst. Die man en vrouw, die door het verbond des huwelijks te zamengevoegd zijn en aan welken God een zoon of dochter of meer kinderen verleend heeft. Dat zijn de naaste vaders en moeders,

Ten tweede. Dan schoonvaders en schoonmoeders. Als iemand in een huwelijk treedt, dan wordt hij die dochter of zoons vader of moeder; zoo was Jethro, Mozes\' schoonvader, Exod. 3:1.

Nog eens, ten derde. Dan zijn er stiefvaders en stiefmoeders. Het belieft God liet zoo te schikken: de man verliest zijne vrouw, of do vrouw verliest haren man; zij, of hij blijft met een kind of kinderen over; zij trouwen wederom met een ander tot hunnen echtgenoot; het schijnt wel een leelijke naam te zijn onder de Christenen, maar het is een sierlijke naam. Daar is een stut uit het huis weggenomen door den dood, zoodat het huis wankelt; maar daar komt een tweede, en die zet er zijne zorg en liefde onder, en zoo stijft hij het bouwvallige huis; zij zijn tot eer, hulp en ondersteuning. Rom. 7:2 De man is aan de vrouw gebonden, en de vrouw aan den man zoolang zij leven; maar is de man gestorven zoo is de vrouw ontslagen van de wet des mans, maar daarna, als een van beiden dood is, zoo is de levende van die wet ontslagen; dan is die wet gebroken, en zij worden wel weer eens anderen.

Nog eens. Grootvaders en grootmoeders zijn ook vaders en moeders. Gen. 48:5 zeide Jakob tegen Jozef: Efraïm en Manasse zijn mijne; zij zullen mijne zijn. Job zeide, hfdst. 29:8 De jongens zagen mij, en verstaken zich, wegens de achting die ze voor mij hadden. Zoo worden de nakomelingen kinderen genoemd tot in het derde en vierde geslacht. Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet meer, Klaagl. 5:7. En Rom. 9:5, Welke zijn de vaders, en uit welken Christus is, zoo veel het vleesch aangaat. Onze vaders hebben op U vertrouwd en Gij hebt ze uitgeholpen, Ps. 22:5.

Gij zult nu zeggen: Wie meent God nu in dit gebod? Allemaal, behalve den vader den duivel. Die in de politie en burgerstaat, die in het kerkelijke en in het natuurlijke, vader, moeder, grootvader en grootmoeder.

Gij zult zeggen: Hoe komt het dat de man hier vóór de vrouw staat; is dan de man meer dan de vrouw met betrekking op de kinderen? Ik antwoord: Heeft God niet den man tot hoofd van de

549

-ocr page 556-

CATECHISM ÜS-PREDIKATIE

vrouw gesteld? Heeft God niet Adam eerst gemaakt en daarna Eva? 1 Tim. 2:13. Maar heeft dat met eenig onderscheid zijne betrekking op de kinderen? Neen. Zal God tegen den man zeggen, dat hij bij de vrouw als bij het zwakkere vat moet wonen en haar eeren, 1 Petr. 3:7; en zou Hij dat tegen de kinderen niet zeggen? Zouden zij die moeder niet eeren, die hen met zooveel benauwdheid gedragen en met zoo menigen zucht tor wereld gebracht heeft? Die hen gezoogd heeft en gekweekt, en veelmeer over de kinderen gewaakt en genachtbraakt heeft? Het belieft God ook wel de moeder vóór den vader te zetten, Lev. 19:3, opdat zij de moeders om de zwakheid en gebreken, die zij in hen zien, niet zouden verachten. God zet ze wel voor, omdat ze hen niet klein zouden achten wegens de meerdere familiaarheid die ze met hen hebben, buiten de mannen. God zet ze niet alleen voor, maar Salomo rekende het een stuk van zulk een gewicht, dat hij hem voor een zot uitscheldt die haar veracht. Spr. 15:20, Maar een zot mensch veracht zijne moeder.

Nu ons tweede stuk; wat wil nu de groote Wetgever dat wij doen zullen ? Bewijst uwen vaders en uwen moeders, zegt Hij, alle eer, liefde, gehoorzaamheid, onderwerpt u hunnen straf, bewijst ze alle trouw, hebt met hunne gebreken geduld, verdedigt hunne eer.

Wat het eerste aangaat, gij zult hun eerbied en eer geven; wat is dat? Dat is: gij zult voor niemand zooveel achting hebben, dan voor hen; gij zult voor een koning zooveel achting niet hebben, dan voor hen. Ouders wegen het alles over. Dat is geen geboden wet alleen, maar ook eene ingeschreven wet. Mal. 1: G Een zoon zal den vader eeren; die achting vloeit natuurlijk, men geeft hun allen eerbied en ontzag; hoe groot een kind is, het schaamt zich niet, zijnen vader en zijne moeder te eeren. 1 Kon. 2:19, 20, ziet gij het in Bathséba, hoewel haar kind grooter was dan zij, deed hij haar een stoel zetten aan zijne rechterhand. Absalom, al was hij nog zoo goddeloos, toen hij van Gesur kwam, geraakt hij in zijns vaders gezicht, hij boog zichzelven met bet aangezicht ter aarde, 2 Sam. 14 :33. Dat bestaat in alle beleefdheid te bewijzen, als men tot hen spreekt, hunnen naam te noemen. Mijn vader, zeide Izaak, waar is het lam ten brandoffer? Gen. 22:7. Niet tot en van hen spreken, zonder hen te noemen. Ik was mijns vaders zoon, zeide Salomo. Eert ouders; als zij iets van ons begeeren, dat men dan als voor hen vliegt, en niet traag is, om hetzelve te doen, maar als Samuel te zeggen: spreek Heere, want uw knecht hoort, 1 Sam. 3:10.

Nog eens. Als ouders spreken, daar niet in te vallen, maar te wachten, totdat zij uitgesproken hebben. Job 29 :9, De oversten hielden de woorden in, en leidden de hand op hunnen mond. En vs. 21, Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijnen raad. Als een oor mij hoorde, zoo hield het mij gelukzalig, zegt hij in vs. 11.

Nog eens. Dan eert men zijne ouders, als men zulk een goed welvaren heeft, dat ouders mogen zeggen: dat kind is mijn kroon. Als een kind zich wel gedraagt, geen koning heelt zulk eene kroon van eer op zijn hoofd.

550

-ocr page 557-

OVER DEN XXXIX. ZONDAG. Vraag 104.

Niet alleen eer, maar ten tweede, ik wil hebben dat gij uwen ouders ook alle liefde toedraagt, wil het gebod zeggen. Gij moet uwen naaste wel liefhebben en zoudt gij dan uwe ouders niet liefhebben; wat is nu die liefde, is dat maar zoo een beleefdheidsliefde? Neen. Maar zij sluit dit in: Ten eerste, .als men afwezig is, dat men naar zij,110 ouders verlangt. Die guit Absalom kreeg alteniet nog eenige liefde in zijn ondeugend hart: Laat mij het aangezicht des konings zien, is er dan nog eene misdaad in mij, zoo doode hij mij, zegt hij, 2 Sam. 14: 32.

Ten tweede. Als wij afwezig zijn, zoo wij gelegenheid hebben, om er naar te vernemen, te vragen naar hunnen welstand. Zoo deed Jozef; gij kunt eens denken hoe zijn hart gesteld was, als hij zijne broeders zag. Hij leidde het stuk zoo, dat zij moesten zeggen: wij hebben nog eenen vader, hij leeft nog, Gen. 42 :13.

Ten derde. Bestaat de liefde in al het goede in ons hart en gebed hun toe te wenschen. Dat is zulk een dauw op het hart van ouders. Als Jakob eerst hoorde dat Jozef nog leefde, en dat hij regeerder was van gansch Egypteland, bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. Maar toen hij de wagenen zag en alles wat Jozef voor hem bereid had, zoo werd Jakob\'s geest levend; \'t is genoeg, zegt hij, mijn zoon Jozef leeft nog, ik zal gaan en hem zien, eer ik sterf! Gen. 45:26—28.

Ten laatste. God zegent altemet een kind meer, dan deszelfs ouders. Daarin bestaat dan de liefde, dat men wedervergelding doet. De kinderen zijn gezegend met tijdelijke middelen, en vader of moeder integendeel vervallen; dan is bet der kinderen plicht dat zij hunne ouders van het hunne wat mededeelen. \'t Is goddeloos, als men zegt: een vader of eene moeder kan beter zeven kinderen onderhouden, dan zeven kinderen een vader of eene moeder. Zoo deed David, zoo deed de Heere Jezus. Zoo iemand zijn broeder of zuster naakt zou zien en gebrek hebben aan dagelijksch voedsel; en zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd en hem niet geven zou de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat? Jak. 2:15, 16. Ja, wie het goede der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? 1 Joh. 3:17. Daarom wil Paulus, 2 Cor. 8:14 dat de overvloed van den een diene om te vervullen het gebrek van den ander, opdat er eene broederlijke gelijkheid worde. Ziet iemand zijne ouders gebrek hebben, en geeft hi] hun niet hetgeen zij noodig hebben, hoe blijkt de natuurlijke liefde? De natuur leert het den beesten, de rede den Heidenen. Toen Home in brand stond, lag de vader van een zekeren jonkman ziek te bed; hij gaat door den brand heen, en neemt zijn ouden vader van het bed op zijne schouders en draagt hem door den brand weg. Daar was te Athene een oud man, die eene misdaad bij den rechter begaan had. Hij werd veroordeeld om van honger en dorst te sterven. De man houdt het langer uit dan hij naar den loop der natuur leven kon. De rechter geeft den

551

-ocr page 558-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

cipier last om te onderzoeken, wat er geschiedde. De oude man had eene dochter die een zuigend kind bad, en die dochter kwam eiken dag bij haren vader, zij werd wel onderzocht, of zij ook eenige spijs of voedsel onder hare kleederen verborgen, bij haren vader bracht; doch daar werd niets bij haar gevonden. De cipier daarop lettende wat er gebeurde, zoo ziet hij, dat als ze bij haren vader kwam, dat ze haren boezem opende en den ouden man de borst gaf. De cipier gaat naar de rechters en maakt dat bekend. De rechters dat hoorende, werden daardoor zoo bewogen, dat zij den ouden man vrij lieten. Dat is die teedere liefde en zorg voor de ouders te hebben, in hunne ongelegenheden. Men moet niet zeggen, gelijk de goddelooze Joden; Het is korban, dat is eene gave, zoo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, Mark. 7 :11.

Nu ten derde. Denzelven alle trouw te bewijzen met mond, handen hart. Met don mond niet te gaan liegen van de ouders. Dat was de monsterachtige daad van Absalom; het is een goed man mijn vader, zeide hij, maar hij is in zijn richten goddeloos. Uwe zaken zijn goed en recht; maar gij hebt geen verhoorder van des konings wege, zegt hij, 2 Sam. 15:3. En Matth. 21:28, 29 zegt de vader: Zoon! ga heen, werkt heden in mijnen wijngaard. Ik wil niet, zeide de zoon, maar berouw hebbende ging hij heen. De andere zeide: Ik ga heen; maar hij ging uiet, vs. 30.

Dan, moet een kind ook trouw in de hand zijn; dat is, dat het kind het goed van zijne ouders ziende, zijne hand niet uitsteekt en het goed van zijne ouders steelt, denkende, het zal toch \'t mijne worden. Spr. 28:24, Wie zijnen vader of zijne moeder berooft,\' en zegt: Het is geene overtreding, die is des verdervenden mans gezel. Dat was de fout van Micha. Zijne moeder vloekte om de duizend zilverlingen, die hij genomen had; maar hij gaf ze weder, en als zij het hoorde, was zij er over ontsteld. Zij wilde ze niet terug hebben: Ik meen het niet, zeide ze, liicht. 17 :3.

Dan, alle trouw in het hart voor hen hebben; als zij in nood zijn hen niet verlaten, tot het laatste van hun leven toe. Ruth was hare schoonmoeder Naomi getrouw. De dood alleen zal scheiding maken tusschen u en mij, zeide ze; uw volk is mijn volk, uw God is mijn God, Ruth 1:16. Wilt gij het eens van een paar menschen zien, ziet het dan in Jonathan en zijn vader Saul. Hoewel Saul met de spies naar hem wierp; waar Saul sterft, daar sterft Jonathan ook, 1 Sam. 31:2—4. Die liefelijken in hun leven, waren ook niet gescheiden in hunnen dood; op de bergen van Gilboa lagen zij dood, 2 Sam. 1:21—23.

Niet alleen moet men den ouders alle trouw, maar ook alle gehoorzaamheid bewijzen. Dat zijn verdorven tijden, als vader of moeder licht geacht worden; het is een teeken van vroomheid als een kind gehoorzaam is; Ef. 6:1 Gij kinderen, zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere: want dat is recht. Als ze iets belasten, dat terstond te doen. Als zij zeggen: ga, te gaan; en zoo zij zeggen: kom, te

552

-ocr page 559-

OVER DEN XXXIX. ZONDAG. Vraag. 104.

653

komen, evenals de dienstknecht deed van dien hoofdman, waarvan gij leest, Matth. 8:9. Zoo deed ook Jakob, als zijn vader zeide; Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuëi, den vader uwer moeder, en neem u van daar eene vrouw, van de dochteren van Laban, ging hij. Gen. 28:2. Isaï zeide tot David: Neem toch voor uwe broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien brooden, en breng ze ter loops in het leger tot uwe broederen, en verneem naar den welstand van uwe broeders, 1 Sam. 17:17, 18; en de jongeling liep terstond naar het leger; en hoewel zijne broeders het niet zeer wel opnamen, hij doet het evenwel. In \'t leeren van een ambacht gewillig zijn om dat te leeren, wat de ouders verkiezen. Dat kunt gij al mede zien in David; hij was met kennis van zijn vader een herder. Dat zijne broeders in het leger waren, dat blijkt al mede met kennis van hunnen vader te zijn geweest. Hoe blijkt het? Hij zendt een geschenk aan de oversten van het leger, en geroost koren en brooden aan Davids broeders, 1 Sara. 17: 17, 18. Zelfs moet een kind gehoorzaam zijn in het dragen van zijne kleederen; het moet niet anders gekleed willen gaan dan de ouders willen. Ziet dat in Ezau, zijne moeder Uebekka had zijne kleederen in bewaring, Gen. 27:15. Dat niet alleen, maar ook moeten de ouderen altijd, en in \'t opgroeien van jaar tot jaar gehoorzaamd worden, zelfs in \'t huwelijk, niet te trouwen tegen der ouderen zin. Simson kende er zijn vader en moeder in; hij ging naar Timnath en zag aldaar eene vrouw die hem beviel, en zeide tot zijne ouders: Neem mij die tot eene vrouw, Kicht. 14:1—3. Uebekka wilde eene vrouw voor haren zoon Jakob hebben, van baars vaders huis. Gen. 27:46. Abraham voor Izak, Gen. 24:3. Maar als de ouders van hen iets willen, dat strijdt tegen het gebod van God, dan mogen ze wel zeggen: oordeelt zelf, wien moet men meer gehoorzaam zijn: God of den menschen. Hand. 4:19. Het gebod van de tweede tafel, moet dat niet wijken voor de geboden van de eerste tafel? Weest uwen ouders gehoorzaam, zegt raulus, in den Heere, Ef. 6:1. Men moet hun onderdanig zijn in zich-zelven hun straf te onderwerpen. Het kind maakt het niet altijd wel, het maakt de ouders wel eens verdrietig, dan moeten de ouders de roede niet sparen. Maar gij zult u evenwel niet verheffen, zegt God, tegen uw kind, om het te dooden. Dat deed Saul: hij wierp de spies naar Jonathan, 1 Sara. 20:33. Gij zult, als gij ze met de roede slaat, hen evenwel niet dooden, maar gij moet ze behoorlijk kastijden. Als gij dat niet behoorlijk doet, dan hebt gij er geen liefde voor. Het moest Eli zoo bitter opbreken, dat hij zijne zonen niet eens zuur had aangezien, 1 Sam. 3:13. David had ook Adonia niet bedroefd van zijne dagen, 1 Kon. 1:6; doch dat bekwam Adonia naderhand zeer kwalijk, 1 Kon. 2:25. Meent gij dat het in den bijbel tevergeefs staat: Wij hebben de vaders des vleesches tot kastij-ders gehad en wij ontzagen hen? Hebr. 12:9. En daaruit maakt de apostel een bewijsgrond op: zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? zegt hij. Wie vader en moe-

-ocr page 560-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

der, volgens het gebod, gehoorzaam zijn, die doen daardoor blijken, dat zij kinderen Gods zijn.

Wij moeten met hnnne gebreken geduld hebben. Oude lieden worden tweemaal kindsch, zegt bet spreekwoord, en het is niet ten eenenmale ongegrond. De krachten van ziel en lichaam nemen af. En zelfs al zijn een man en eene vrouw nog in hunne fleur, men mag echter met hunne gebreken niet te koop gaan; al waren het hooge gebreken, men moet er geduld mede hebben. Maar zooveel te meer moet een kind zeggen: Ach, Heere! zou ik tegen mijne ouders oprijzen! ik heb mede gebreken; ik wil niet zijn alsquot; die vervloekte Cham, die zich eerst verlustigde in de naaktheid van zijnen vader te bezien, en hem toen ging bespotten, Gen. 9:22. Wij moeten niet zijn als een Absalom, maar als een Jonathan; hij zeide tegen David: mijn vader meent het zoo niet, 1 Sam. 20:2. Wij moeten dan doen, evenals Sem en Jafeth deden: die namen een kleed en gingen achterwaarts en bedekten de naaktheid huns vaders; en de oude man dat bemerkende, zegende hen; maar Cham vervloekte hij met een profe-tischen vloek, Gen. 9 : 23—20.

Dan moeten wij hunne eer beschermen. Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zoodanig zijn de zonen der jeugd, Ps. 127 : 4. Daarom worden zij ook vergeleken bij olijfplanten. Ps. 128:3 Uwe kinderen als olijfplanten rondom uwe tafel. De olijven zijn tot voeding en genezing, tot verheuging en tot versiering, hunne kinderen zijn als olie tot onderhoud in al hunne gebreken; in droefheid zijn de kinderen tot blijdschap; in hunne verslagenheid tot heeling. In het verachten van de ouders moeten de kinderen de eer van de ouders ophouden, dan moeten zij hun nog alle eer en liefde toebrengen in den hoogsten trap. Dat is het tweede stuk.

Nu het derde stuk is die aandrang welken God bij dit gebod voegt. Het zal u wel gaan en gij zult lang leven. Wat klem is dat voorde kinderen?

Eerst. Uwe ouders zijn uw eigen vleesch en bloed.

Ten tweede. Zij zijn u de naasten naast God; zij zijn het, van welken gij het leven gekregen hebt.

Ten derde. Uwe ouders zijn hooger dan gij.

Ten vierde. Het belieft God, u door hunne hand te laten regeeren, en alle ziel zij der machten, over haar gesteld, onderworpen: want er is geen macht dan van God, Kom. 13:1.

Ten vijfde. Het is God aangenaam; Hij zal het u beloonen, en u zegenen; dat heeft Hij gedaan al de eeuwen van de wereld door. Paulus herhaalt het, Éf. 0:1, en hij breidt het uit: Kinderen, zegt hij, gij zult lang leven in al de landen; gij zult in goeden ouderdom ten grave gaan; gij zult lang leven, onder uwen wijnstok en vijgeboom.

Gij zult mogelijk in uw hart vragen: Is dan het lang leven zulk een zegen, dat God er dit gebod mede aandringt? Ja. Waarom?

Eerst. Het lang leven werd een zegen gerekend in het landKanaan,

554

-ocr page 561-

OVER DEN XXXIX. ZONDAG. Vraag. 104.

omdat dit het hemelsch Kanailn verbeeldde, en aan degenen, die God vreesden, verzekerde.

Ten tweede. De Joden zeiden, dat dit eene belofte was, dat de Heere Jezus in bet vleescb gezien zou worden in bet land Kanailn; en daar verlangde elk naar.

Maar is er tegen die belofte niet wat in te brengen? zult gij zeggen. Gij zult zeggen; ik beb er wat tegen in te brengen. Ik ook.

Eerst. Is het lang leven dan zulk een zegen?

Ten tweede. Leven de beste kinderen bet langst?

Ten derde. Hoe zegt dan Paulus, dat dit bet eerste gebod is niet eene belofte, Ef. 6:1, 2; daar in het tweede gebod van de wet ook eene belofte is?

Wat het eerste aangaat, namelijk: is het dan zulk een zegen lang te leven? plachten zij te zeggen: lang te leven is lang gepijnigd te worden. Zoo is het voor degenen die niet leven in Gods gunst. Dat wist de duivel wel, daarom zeide hij: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal bij geven voor zijn leven, Job 2:4. Hiskia kirde en piepte om verlenging van zijn leven, 2 Kon. 20:2, 3.

Ten tweede. Het leven in Gods gunst is een zegen. Spreuk. 16:31 De grijsheid is eene sierlijke kroon. Der jongelingen sieraad is hunne kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid. Spreuk. 20:29. David stierf oud en der dagen zat, 1 Kron. 23:1; evenwel was bij vol moeite en verdriet. Een mensch van eene vrouw geboren is kort van dagen, en zat van onrust. Job 14:1. AI wordt de zondaar honderd jaren oud, en hij verhardt zijn nek, zoo is hij vervloekt, Jes. 65:20, als zijn leven in Gods toorn is; maar is het een leven in Gods gunst, dan is het een zegen; als gij om die twee redenen denkt, zoo kunt gij zien, dat het leven in het Oude Testament een zegen was.

Nog eens. Den beste gaat het wel eens kwalijk. Ziet het in een Jozef; in David, bet beste kind van Isaï. Het beste kind van Jero-beam sterft, 1 Kon. 14:13, 17.

Gij zult zeggen: hoe is het dan waar, dat het lang leven een zegen is ?

In de eerste plaats. Onder die voorwaarde, als het tot eer van God is.

In de tweede plaats. Eenige weinige voorbeelden breken geen wet. Wordt er een vroeg weggenomen, daar blijven er wel tien in \'t leven.

In de derde plaats. Een kind van tegenspoed blijft dat niet altijd; daarna wordt het wel eens dubbel gezegend. Ziet bet in een Jozef, David en Job; hun laatste werd dubbel gezegend. Neemt God eens een van de besten vroeg weg, zoo zeggen wij: God heeft niet gewild, dat hij door de wereld besmet zou worden.

Nog eens. Het kan niet zijn of een kind van God dat in de wereld leeft, ja de besten, hebben al wat te lijden om hunne vroomheid; ziet het in een Jozef en Daniël. Dan neemt God zulk een wel weg, en zegt: Ik wil niet dat gij veel kruis zult hebben. Hij neemt dat kind tot Zich. De Heere Jezus laat zulke kinderkens tot Zich komen en ontvangt ze in het koninkrijk der hemelen.

Nog eens. God doet het, opdat ze een voorbode zonden wezen op

555

-ocr page 562-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

de wereld, dat er hier niet veel goeds te wachten is. God neemt zulk een kind weg voor den dag des kwaads, en Hij geeft het een beter land, gezelschap en goed, dan dat het in honderd jaren levens op de wereld zou genoten hebben. Daar hebt gij nu eene korte en schriftuurlijke verklaring van dit gebod. 1. Wie vader en moeder zijn. 2. De plicht der kinderen daaromtrent. 3. De beloften Gods in het nakomen van dat gebod. Paulus zegt, dit is het eerste gebod met eene belofte. Hoe kan dat zijn, daar bij het tweede gebod van de eerste tafel ook eene belofte is?

Eerst. Het is het eerste gebod met eene belofte van de tweede tafel. Paulus zegt niet, het is het eerste gebod met eene belofte van de gansche wet.

Ten tweede. Het is het eerste gebod met zulk eene speciale belofte; het tweede gebod heeft eene algemeene belofte.

Ten derde. Het is het eerste gebod met eene belofte, waar geen dreigement bij is, daar het tweede gebod ook een schrikkelijk dreigement had. Dat zijn onze drie stukken.

Geliefden! Wat moeten wij nu uit dit alles leeren? Dit: dat wij zoo moesten leven, zooals onze belijdenis is. Zoo moest het gedrag der regenten en onderdanen zijn jegens elkander, zoo moest het gedrag zipi van de predikanten en lidmaten; zoo moest het gedrag zijn der kinderen, jegens hunne natuurlijke ouders, en der ouders jegens hunne kinderen. Waar kunnen de regenten zich blijven gedragen, gelijk vader en moeder betaamt, zoo zij niet zorgen voor de gemeenten, dat er teedere godsvrucht zij; dat er waarheid en godvruchtigheid zij, en eene bediening die naar binnen wil, die de menschen noodigt naar den hemel, of afleidt van den weg naar de hel? Zij moeten zelf godsdienstig zijn, en zoo de gemeenten voorgaan en tot een goed voorbeeld zijn voor hunne onderdanen, die hunne kinderen zijn; zij moeten een voorbeeldig leven leiden: niet vloeken, niet zuipen, niet dobbelen of spelen; hunne onderdanen niet te veel bezwaren, maar, indien het mogelijk is, dezelve verlichten; de schapen zijn de wol schuldig, maar zij zijn de huid niet schuldig. Dan, de onderdanen moeten den koning eeren en vreezen; zij moeten niet vleien of pluimstrijken; nooit den regenten toeschrijven wat ze niet hebben. De onderdanen staan met de regenten en de regenten met de onderdanen in een verbond. De predikanten moeten ook trouw zijn, omtrent de kudde, Ezech. 3:18 en 33:8, Ik zal hun bloed van uwe hand eischen, zegt God, zoo gij zwijgt en de goddeloozen niet waarschuwt. De vromen moeten zij niet bedroeven; die altijd voor geveinsden uit te maken deugt niet. Daar zijn geen grooter geveinsden dan onwedergeborenen; al zeggen ze, wij zijn oprecht. Ja, oprecht goddeloos zijn ze.

Nog eens. Zij moeten zich over de goeden ontfermen. God zelve eeren en vreezen, en de gemeente niet doen zuchten. Zij moeten in de gemeenten zoeken den heiligen aangenaam te wezen.

De gemeenten moeten ook hare predikanten niet doen zuchten;

556

-ocr page 563-

OVER DEN XXXIX. ZONDAG. Vraag. 104.

maar die moeten hare gebeden voor hen hebben, als ze uit en in de kerk gaan, in het doen van hunne huisbezoekingen, en in hun bin-nenkameren. Als de predikanten zouden moeten zuchten over de gemeenten, dat zou voor de gemeenten niet goed zijn. De gemeente moet hare voorgangeren gehoorzaam en onderdanig zijn, omdat ze voor hare zielen waken, als zij rekenschap zullen geven; opdat zi] dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is niet nuttig, Hebr. 13; 17. Dan kunnen ze ook na den dood van hare predikanten nog stichting van hun einde hebben, gelijk Paulus zegt: Gedenkt uwen voorgangcren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling, ilebr. 13; 7.

Ouders, gedraagt u mede wel jegens uwe kinderen; voedt ze christelijk op; zorgt voor hunne onsterfelijke zielen; gij zorgt wel dat zij voedsel en dekking hebben, maar gij zorgt somtijds zoo weinig dat zij genade mochten hebben. Gij zorgt dat zij een stuk brood hebben; maar gij zorgt niet, dat zij een kruimpje genade mochten hebben. Als de kinderen tot hun verstand komen, dan wordt er gezorgd voor een goed gedrag; maar er moet gezorgd worden, dat zij uit- en inwendig voor God opgekweekt worden. Als gij uw kind ziet, denkt dan eens; Mijn kind! gij moet om mijnentwil verloren gaan; onder Gods voorzienigheid heb ik u als een duivelskind in de wereld gebracht; mijn hart blaakt over u; ik zal mijn best doen, om u te be-keeren, en een kind Gods te doen worden; ik hoop en bid. God zal de middelen daartoe zegenen. Verwekt uwe kinderen niet tot toorn met altijd te zeggen: \'t is slecht al wat gij doet; met te zeggen, dat het nooit wel gedaan is al wat zij doen; vooral geelt hun geen kwaad voorbeeld; zijt niet zulke vaders of moeders, die zouden moeten zeggen: ik vloek meer voor mijn kind, dan dat ik er voor bid. Neemt ze mede naar Gods huis. Gij zult het in eeuwigheid niet kunnen verantwoorden, als gij het niet meer doet. Wij hebben in ons leven geen gemeente gezien, waar de kinderen zoo weinig ter kerk komen. Tot die de borsten zuigen, brachten ze in vorige tijden naar Gods huis, op biddagen, avondmaalsdagen, sabbatdagen. Waar zouden wij nu de grootmoeders Loïs en de moeders Eunice vinden, die Timotheüs had? 2 Tim. 1 :5, een klein jongske zou deze opschrijven. Abraham had onderwezenen van zijn huis. Gen. 14:14. Zoo ook die groote vorst Jozua: Ik en mijn huis, zegt hij, wij zullen den Heere dienen, Joz. 24:15. Gij moogt wel zorgen, om hun nog wat goed na te laten; daar is het Woord ook niet tegen, dat de ouders schatten vergaderen voor de kinderen. Maar daar zorgen de meesten meer voor, dan om hun het koninkrijk der hemelen in te prenten, en hun schatten na te laten in den hemel, waar ze noch mot, noch roest verderft, Matth. 6 : 20.

Kinderen! uwe ouders moeten niet alleen hun plicht doen, maar gij ook; gij moet ze den nek niet toekeeren. Dan wilt gij dikwijls niet hooren naar hunne vermaningen. De kinderen willen al anders

557

-ocr page 564-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

558

clan de ouders; als va] nog jong zijn, worden ze op den schoot gezet; maar als zij oud zijn, trappen ze de ouders wel eens op het hart; zij doen hunne grauwe haren niet droefenis ten grave dalen. Zulk een goddelooze jongeling was Absalom, die zijn vader niet eerde. Moet elk kind zijne hand in zijnen boezem stekende, al heeft het zelf al niet grootelijks uitgespat, niet uitroepen: o God ! gedenk niet der zonden mijner jonkheid! Ps. 25:7. Ach, wij moeten er ons elk over vernederen, en zoo naar den Heere Jezus toevlieden. Dat is het oogmerk Gods, waarom Hij de wet laat prediken, opdat wij zouden zeggen: Ach God! ik heb mijne ouders veracht, vergeef het mij. Laten wij u eens eenen tekst aanwijzen, en leg er uw hart eens bij, met ootmoedigheid. Het is zulk een schrikkelijk vonnis! Deut. 27:16 Vervloekt zij, die zijn vader of zijne moeder veracht, en al het volk zal zeggen: Amen. Ziet er nog een, Spr. 30:17, Het oog dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken; en des arends jongen zullen het eten. Een wijs philosoof zeide eens, toen hij eenige misdadigers op het schavot zag: Vraagt het hun zeiven hoe zij tot zulke misdaden gekomen zijn, zij zullen u meest allen antwoorden: Het is, omdat ik mijne ouders niet gehoorzaamd heb. Wilt gij nog een voorbeeld hebben? Neemt dan Deut. 21:18—21. Daar zult gij zien, hoe \'t is, als do kinderen zich niet wel gedragen. Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is, en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet hooren zal, zoo zullen zijn vader en zijne moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad, en tot de poort zijner plaats. En zij zullen zeggen tot de oudsten zijner stad: Deze, onze zoon, is afwijkende en wederspannig, bij is onzer stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en zuiper. Dan zullen alle lieden zijner stad hem met steenen overwerpen, dat hij sterve; en gij zult het booze uit het midden van u weg doen; dat het gansch Israël hoore en vreeze. Meent gij dat die wet uitgediend heeft? Neen; dat heeft nog plaats, dat een wederspannig kind, zoo de ouders klachtig vallen, gestraft wordt. De oude Romeinen hadden daartegen vele wetten en straffen, doch zij hadden geene wet gemaakt tegen zulke monsters van kinderen, die zich door eene onnatuurlijke ingeving zoo ver lieten vervoeren, dat zij de handen zelfs aan hunne ouders legden, en die van het leven beroofden; waarom niet? zult gij zeggen. Omdat zij geloofden, dat die duivelsche boosheid in geen kind kon vallen. Geschiedde het echter, dat er zulk een overgegeven booswicht gevonden werd, wat deden zij met hem? Zij staken hem in een lederen zak, met een haan, een aap en een adder, en zoo smeten ze hem in de zee. Ach! hoe menig kind onder ons zou ook straf moeten lijden, zoo do zucht der ouders niet dikwijls hunner kinderen misdaden verzweeg! Hoe menig kind onder ons zou zijn vader en zijne moeder wel gebrek laten lijden! Men verhaalt, dat er eens een rijke zoon was, die een vader had, die arm was; hij gaf

-ocr page 565-

OVER DEN XXXIX. ZONDAG. Vraag 104.

hem een deel slechte kost te eten, en hij liet achteraf voor zichzel-ven lekkernijen bereiden. Maar toen hij er naar toekwam, waren die lekkere spijzen in slangen veranderd, en op des zoons aankomst schoot een van de grootsten toe, en zette zicli vast aan zijnen mond, dien hij aan zijne lippen moest onderhonden al de dagen zijns levens. Dat is een voorbeeld buiten bet Woord. Maar in het. Woord hebt gij eenen Absalom; hij jaagt zijn vader van den troon. Hoe smart dat dien goeden ouden man! en wat stort hij er niet bittere tranen over! Maar wat verwekte God over den jongeling? Daar komt hij met een snellen muilezel onder zijn lijf gereden, om alles in zijn leger, dat geslagen was, te beschikken; doch God beschikte het zoo, dat hij onder een boom rijdende met zijn lang haar in de takken verwarde; zijn muilezel was zijn schavot, de boom zijn galg, zijn haar de strop, en zijns vaders veldoverste zijn beul. Ja, de krijgsoverste stak hem drie pijlen in zijn hart, 2 Sam. 18:9—14.

Gij kinderen, eert dan vader en moeder; het is Gods gebod, met zijn mond gesproken, met zijn vinger geschreven in de steenen tafelen van de eeuwigdurende wet; \'t is een gebod met eene belofte. Hoe genoeglijk is het, als ouders die vroom zijn, met vrome kinderen voor God komen! Ziet hier ben ik Heere, en de kinderen die Gij mij gegeven hebt, Jes. 8:18. Gij hebt ze mij tweemaal gegeven, eens in de natuur en eens in de genade. Hier ben ik en het kind, wij zullen U eeuwiglij k verheerlijken.

Vaders, die goddelooze kinderen hebben, en voor het gericht niet durven klagen; voor Gods gericht zullen ze eens vrij klagen; en daar zal de straf vrij erger zijn, dan die der Romeinen was. Zij zullen van God naar het eeuwige vuur verwezen worden. 1 Sam. 2:30, Die Mij eeren zal Ik eeren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden. Amen.

559

-ocr page 566-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XL. Zondag. Vrag. 105-107.

Veertigste Zondag.

105. Vraag. Wat eischt God in het zesde gchod?

Antwookd. Dat ik mijnen naaste, noch met gedachten, noch met woorden of eenig gelaat, veel minder met de daad, door mijzelven of door anderen onteere, hate, kwetse of doode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge, ook mijzelven niet kwetse, of moedwillig in eenig gevaar hegeve, waarom ook de Overheid liet zwaard draagt, om den doodslag te weren.

106. Vkaao. Maar dit gchod schijnt alleen van het doodslaan te sprelcen ?

Antwookd. God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den

wortel van den doodslag, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid haat, en zulks alles voor een doodslag houdt.

107. Vkaag. Maar is dat genoeg, dat wij onzen naaste, gelijlc gezegd is, niet doodcnl

Antwookd. Neen; want God, verbiedende den nijd, baat en toorn, gebiedt dat wij onzen naaste liefhebben als onszelven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijne schade, zooveel als ons mogelijk is, afkeeren, en ook aan onze vijanden goed doen.

WI.J lezen. Job 2:4 Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. Dat was de taal van dien helschen geest, die zijn beginsel niet bewaard, maar zijn eigen woonstede verlaten heeft, Jud. vs. 6. Die in de waarheid niet staande gebleven is, en van een engel een duivel geworden is, die een menschenmoorder van den beginne is. Joh. 8:44. Die zeide dat zoo vrijmoedig tegen den alwetenden God: dat den mensch onder de zon niets zoo lief was, dan zijn leven; en het is waar. Als deEgypte-naren in gevaar van sterven waren, door den honger, zoo komen zij tot Jozef en geven hun geld voor brood, opdat ze leven mochten. Toen zij geen geld meer hadden, zeiden ze: ons geld is op, neem nu onze beesten voor brood; toen ze geen beesten meer hadden, gaven zij hunne akkers, en als die mede verteerd waren, zoo kwamen ze tot Jozef, en zeiden: wij kunnen het voor mijnen heer niet verbergen.I.J lezen. Job 2:4 Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. Dat was de taal van dien helschen geest, die zijn beginsel niet bewaard, maar zijn eigen woonstede verlaten heeft, Jud. vs. 6. Die in de waarheid niet staande gebleven is, en van een engel een duivel geworden is, die een menschenmoorder van den beginne is. Joh. 8:44. Die zeide dat zoo vrijmoedig tegen den alwetenden God: dat den mensch onder de zon niets zoo lief was, dan zijn leven; en het is waar. Als deEgypte-naren in gevaar van sterven waren, door den honger, zoo komen zij tot Jozef en geven hun geld voor brood, opdat ze leven mochten. Toen zij geen geld meer hadden, zeiden ze: ons geld is op, neem nu onze beesten voor brood; toen ze geen beesten meer hadden, gaven zij hunne akkers, en als die mede verteerd waren, zoo kwamen ze tot Jozef, en zeiden: wij kunnen het voor mijnen heer niet verbergen.

-ocr page 567-

CATECIITSMÜS-PREDIKATIE ENZ.

dewijl ons geld op is, en onze beesten, en onze akkers in uwe bezitting gekomen zijn; maar neem onze personen nn in uwe bezitting voor brood, in de plaats van geld; en .lozef deed zoo, en behield hen, ^onder Gods zegen, in het leven. Dat alles zult gij vinden, Gen. 47:15—26. Let eens wat de Gibeonieten deden, als fsraöl het land der Kanailnieten innam; zij beraadslaagden samen en zeiden; wat zullen wij doen? waar dat volk komt, slaan zij alles dood; de inwoners des lands moeten allemaal sterven: zij \'zijn allemaal van God ter dood gevonnist. Daar hebben ze een list en bedriegen het volk van Israël. Daar komen ze naar hen toe, even alsof ze uit zeer verre landen kwamen, gelijk de zuider-koningin, de koningin van Scheba, die tot Salomo kwam. Daar komen de Gibeonieten met versleten kleederen, met oude versieten schoenen, met beschimmeld brood, met oude verscheurde lederen wijnzakken. Zij zeiden: Dit brood was\' yersch, en de kleederen waren nieuw, als wij uit ons land kwamen. Gibeonieten! waartoe al dat beslag? \'t Was om met Israël een verbond te maken, om daardoor hun leven te behouden; en de kinderen Israëls maakten dat verbond met hen. Maar als het bedrog uitlekte en zij aan Israël bekend werden, zoo konden de regenten het volk bijna niet stillen. Wij kunnen ze niet dooden, zeiden zij, om den eed dien wij hun gezworen hebben. Doet nu met ons, zeiden de Gibeonieten, wat u belieft; en Israël nam hen tot houthakkers en waterputters, tot den dienst van het huis Gods, en daar waren zij wel mede tevreden; dat leest gij Joz. 9. Ja, als iemand zijn leven schijnt te verliezen, al was het een vorst en koning, hij zal zijn leven als in zijne hand nemen, om hetzelve te behouden. Let eens\' op wat Esther deed. Daar staan de plakkaten aangeplakt, al wat maar Jood heet moest uitgeroeid worden. Zij zat op den troon; zij scheen wel geen gevaar te hebben, maar zij was mede van Joodsche afkomst, uit het zaad van Israël. Wat gedaan? Zoo gij geen verzoek doet zeide Mordechai, aangaande het leven nws volks\', zoo zult gij en uw huis omkomen. Maar, zegt zij tegen Mordechai: Gij wilt hebben, dat ik tot den koning ga, en dat, daar ik in deze dertig dagen niet geroepen ben; gij begeert eene harde zaak; als ik geen genade in zipie oogen vind, zoo ben ik een kind des doods; als de koning mij zijne gratie niet bewijst, zoo is het met mij gedaan; ik zal echter wel \'tot den koning gaan en een voetval doen, kom ik dan om, zoo kom ik om, Esth. 4.

Blijkt het dan nu niet met waarheid uit dat gezegde, dat huid voor huid, en al wat iemand heeft, dat hij dit zal geven voor zijn leven? Daar valt niet één musch op de aarde, noch een haar van ons hoofd, zonder den wil des Hemelschen Vaders, Matth. 10:29, 30; en zou dan een mensch zijn leven verliezen zonder zijnen wil? O neen. Dat staat te zijner beschikking. Hij heeft eene wet gegeven om het te behouden, en Hij alleen kan het verderven: Hij alleen is het, die ons leven behouden of verderven kan; wij hebben geen macht over ons leven. Dat is alleen tenvolle waai- in den Zoon

501

30

-ocr page 568-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

van God, Joh. 10:18. Ik heb macht, zegt Hij, om mijn leven af te leggen, en om hetzelve wederom te nemen. Dat hangt aan geene beschikking van een tyran, dat moet God doen. Die belast elk dat men niet zal doodslaan.

Geliefden! wij hebben het zesde gebod te overdenken, volgens de schriftmatige verklaring van den Onderwijzer; en daarin hebben wij te bezien:

Eerst. Den geoorloofden doodslag.

Ten tweede. Den ongeoorloofden doodslag.

Ten derde. Den wortel van den doodslag.

Ten vierde. De schoone plant die God in ons hart wil hebben. 1. Moeten wij bezien den geoorloofden doodslag. 2. Den ongeoorloofden doodslag. 3. Zullen wij trachten te ontdekken de wortels, waar die doodslag uit voortkomt. 4. Zullen wy u doen zien, wat God gebiedt dat er in ons hart zal plaats hebben.

Wat het eerste aangaat: dooden ziet op iets wat leven heeft, dat men dit zoo behandelt, dat het \'t leven verliest en kwijt raakt. Daar is leven in kruiden, planten, boomen, beesten en menschen. Het leven van de kruiden en planten, mag men dat zoo wel behandelen, dat het zichzelve en zijn aangenamen groei verliest? Mag men dien aangenamen groei wel verhinderen? O ja. Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten, zegt God, behalve van dien eenen. Gen. 2:16, 17. Dequot; Heère quot; Jezus ging naar den vijgeloozen vijgeboom, maar Hij vond er geen vrucht aan; van u, zegt Hij, kome geen vrucht meer in der eeuwigheid, en de boom verdorde, Matth. 21:19. Als gij door den akker en door het gezaaide gaat, gij moogt er iets van gebruiken. De koningen worden ook van het veld gediend. De vraag is of men een beest wel zoo mag behandelen dat het zijn leven verliest? Wij zeggen ja. God, als de mensch gezondigd had, slacht Hij beesten, en trekt hun rokken aan van die vellen; en God stelde ook orde om beesten te offeren, zooals gij dat doorgaans in het boek Leviticus, meest het geheels boek door, leest. God gaf ook een Sacrament; het Paaschlammetje moest geslacht worden, en dat moesten ze eten met hun geheele huis, en als het voor hen te veel was, dan moesten ze dat met hunne buren eten, Exod. 12:3, 4; daar moest niets van overblijven. De Heere Jezus zeide ook: bereidt het Paaschfeest, Ik heb grootelijks begeerd, dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijd. Luk. 22:15.

Maar in liet dooden van beesten, zijn echter eenige dingen op te merken, die niet moeten overtreden worden, of het dooden van het vee wordt zondig; te weten, het moet niet overdadig geschieden, met geen wreedheid of dartelheid, het moet ook niet uit grootschheid geschieden, ook niet ontijdig, als God ons roept tot vasten en tot geween, Jes. 22:13. Dat er\' dan blijdschap zou zijn in schapen te kelen, in runderen te slachten; in een rouwdag, als men dan overdadig zou zijn, dat verbiedt God.

Doet het ook met geen wreedheid, opdat het stomme vee niet zegge.

502

-ocr page 569-

OVKR DEN XL. ZONDAG. Vrao. 105-107.

met Bileams ezelin: wat lieb ik u gedaan, dat gij mij zoo behandelt? Num. 22:28. Doet het ook niet in trotschheid of in spel. De koningen en grooten der aarde, hebben dikwijls of alteniet tot spel en vermaak van het gansche hof, het beèstengevecht van leeuwen, beeren, tijgers, of andere wreede dieren; daar hitsten zij die beesten, of andere dieren tegen dezelve dan op, dat ze zich móeten doodvechten. Zij stoken het aan, en de kleinen willen het navolgen, die hebben hunne hanen- en hondengevechten; maar zij toonen daarmede, dat zij erger zijn dan die beesten zelve, die ze aanhitsen. Ziedaar, geliefden, dat moet niet geschieden.

Het moet ook niet overdadig geschieden, zoodat men met een Nabal een koninklijk maal zou aanrichten, 1 Sam. 25:36. Wij moeten het schepsel door het misbruik niet doen zuchten, Rom. 8:22.

De vraag nu is of men een mensch wel zoo trakteeren mag, dat door onze behandeling de ziel van \'t lichaam scheidt? Wij antwoorden ja, somtijds wel, te weten:

Eerst. Het mag geschieden door de Overheid aan een misdadiger.

Ten tweede. Het mag geschieden in den oorlog.

Ten derde. Is het niet strafbaar, als het niet mot opzet geschiedt.

Ten vierde. Mag het geschieden, als men er toe genoodzaakt wordt, om zijn eigen leven te beschermen; dan is het geoorloofd.

Ten eerste. Is er een misdadiger, heeft hij misdaad bij den rechter begaan, dat hij menschenbloed vergoten heeft, dan komt de Overheid, die hem gevangen zet, en over hem strafvoltrekking doet; ten aanschouwen van duizenden menschen wordt hij ter dood gebracht, en daar durft niemand zijn mond tegen opendoen, of zich tot zijn ontzet verroeren. Waarom? Zij hebben allen een indruk, dat God het zwaard aan de Overheid gegeven heeft, om de kwaden te straffen. Kom. 13:4.

Behalve dat, het mag geschieden, ten tweede, in een wettigen oorlog. Die mag verklaard worden; maar daarin is veel nauwgezetheid te gebruiken, en wel naar om te zien. Wat is een wettige oorlog? Om het u bij eene gelijkenis te zeggen: daar leeft een volk samen, het heeft vrijheid, het heeft zijn godsdienst, het begeert niemands goed; zijne naburen worden gaande, en zij komen overeen, om zulk een volk te ontrusten, en hetzelve zijne\' vrijheid en godsdienst te ontnemen. Dan moet men samenspannen, om den keizer te geven wat des keizers is, en Grode wat Gods is, Rom. 13: G, en Matth. 22:21. Dat is, dan moet men gewilliglijk de onkosten tot zulk een oorlog dragen, waarmede lijf en goed,\' vrijheid en godsdienst beschermd moeten worden. En als dan die mensch die van een woel-achtigen geest is, niet wil wijken, dan moet men zeggen: de vijand rondom uw land. Dan is het een wettige en geoorloofde doodslag. God heeft zulks zelf gelast, en zoodanigen oorlog ook wel bekroond met zijne tegenwoordigheid. De Vorst van het heir des Heeren heeft dan altemet de twijfelende balans wonderlijk doen omslaan ten goede van zijn volk, zoodat Hij er een tien deed verjagen. Maar Hij heeft

5CB

-ocr page 570-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ook wel aan zijn volk de nederlaag gegeven, om hen te vernederen.

Ten derde. Is het geoorloofd als iemand in zijne eenvoudigheid gaat, en daar komt een moedwillige, die hem het leven wil benemen. Het schepseltje wijkt, het roept, het schreeuwt, het zoekt te ontgaan; eindelijk wordt het in eene plaats gedreven waar geen wijken meer is, dan mag hij zijn leven beschermen, en zijn lijf verweren, zelfs met zijn tegenpartijder te dooden. Dat eischt God zelfs van een beest, dat het zich zal beschermen. Gelijk gij ziet dat het den beesten ingeschapen is, hoe schichtig zij ook zijn, als het op het leven aankomt verweren zij zich, en beschermen hun leven. De Joden moesten voor hun leven staan, tegen allen die op hen aanvielen. En dat schepsel heeft ook geen knaging te hebben. Dat kunt gij merken in David, in dat geval van Abner; uwe handen, zegt hi], waren niet gebonden, noch uwe voeten in koperen boeien gedaan; maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid, 2 Sara. 3; 34. Dat is bij God, noch bij den rechter een misdaad.

Daar wordt nu bijgevoegd, ten vierde, een ongelukkige doodslag. Dat is bijvoorbeeld: hien mensch is daar in zijn beroep bezig, neemt eens, hij is doende met hout te hakken; en bijgeval komt daar zijn naaste, die wat bij hem staan blijft, of hij gaat voorbij terwijl hij bezig is met dat hout te klieven, en het gebeurt, dat de bijl van zijn steel afschiet, en het zijn naaste treft, dien hij van gisteren of van eergisteren niet gehaat heeft, zoodat hij daarvan sterft; dat is bijgeval, zegt God, Ik heb dat zoo beschikt, en daartoe zult gij de vrijsteden hebben, opdat zulke doodslagers daar heenvlieden. Ziet datzelfde geval in het Woord, Deut. 19:5.

Hier wordt nog bijgebracht, dat een moeder haar kind kan dood liggen, zoodat het zijn leven verliest; haar moederlijk hart bloedt er over, dat is niet strafbaar, 1 Kon. 3. Die moeder aan welke dit geval geschied was, durfde wel voor de justitie komen; zulk een doodslag is een ongelukkige en een smartelijke doodslag, maar die is nochtans niet strafbaar.

Derhalve hebben wij ons tweede stuk, den ongeoorloofden doodslag te bezien, en die kan zelfs bij de regenten zijn. Gij zult zeggen: Kunnen de regenten een ongeoorloofden doodslag begaan? .la zij, en wel vreeselijk. Al kunnen menschenhanden het van hen niet eischen, God zal het evenwel van hen eischen. Wanneer en in welk geval doen zij dat?

Eerst. Dan begaan zij dien ongeoorloofden doodslag, als zij ty-rannen zijn, die het door onderdrukking doen, evenals Farao ; hij gebood dat men al de knechtjes der Hebreen moest dooden, Exod. 1:16; en gelijk Herodes, Matth. 2:16, die al de kindertjes te Bethlehem, van twee jaren oud en daaronder, liet vermoorden, \'t Was schrikkelijk, al geschiedde het op gezag van den koning, \'t Was de daad van een tyran en bloedhond. En die wreedaard maakte zich ook door die daad en door onmenschelijke bedrijven zoozeer gehaat,

5G4

-ocr page 571-

OVER DEN XL. ZONDAG. Vrag, 105-107.

dat zelfs de Romeinsche keizer Augustus, schoon hij een heiden was, placht te zeggen; Ik was liever Herodes\' varken dan zijn zoon.

Nog eens. Ten tweede. Dan, als het uit begeerte geschiedt, tot de bezitting van een onderdaan. 1 Kon. 21, daar kostte het Naboth dien oprechten Jizreëlieter zijn leven, dat hij een wijngaard had, waarin de koning zin had, en hij werd door hot aanraden van Izébel gedood. Doch (jod strafte het zoo, dat de honden haar ook hebben moeten eten, 2 Kon. 9:35, 3ü, en dat ze \'s konings bloed geslobberd hebben, zooals het geronnen lag in den bak van zijn wagen, 1 Kon. 22:48. Zoo als ze het doen om een eereambt. Zoo deed Jehu het uit eerzucht tegen liet luiis van Achab; hij voerde het bevel zoo getrouw uit, hij wilde op den troon in deszelfs plaats gesteld worden. Daarom zeide God er van, dat de bloedschulden van het huis Achabs zouden komen over het huis van Jehu, Hos. 1 :4.

Dan is de doodslag ongeoorloofd, als men om de religie iemand ter dood brengt. Dan. 3 en 6, omdat ze den Heere getrouw waren, moesten ze in den kuil der leeuwen en in den brandenden oven geworpen worden. Paulns blies moord en vervolging tegen de belijders van den naam Jezus, Hand. 9:1; zij doodden Jakobus met het zwaard, en wilden het Petrus ook doen. Hand. 12:2, 3.

Dan is het almede een soort van ongeoorloofden doodslag, als men degenen, die van \'s Heerenwege hun plicht doen, door verdrietelijkheid hun leven moede maakt. Laat deze gespijsd worden met brood, en met water der bedruktheid, 1 Kon. 22:27. Ja zelfs zoo dat men de handen aan hun leven slaat. Izébel wilde het aan Elia doen, 1 Kon. 19:2. Herodes deed bet aan Johannes, Mark. 6:27. Hadt gij hem dan niet meer lief Herodes? Meen, om trouw aan de menschen te zijn, werd hij ontrouw aan God. De Zaligmaker stond daar voor Jeruzalem, en weende, omdat ze do profeten gedood en gosteenigd hadden, die Hij tot hen gezonden had. Doen ze het niet dadelijk, zij doen het zoo, dat ze al kwijnende heengaan.

Dan is de doodslag nog ongeoorloofd, als die zonder noodzaak geschiedt, zoodat ze het altemet uit strafheid doen. Eene republiek kan wel te trotsch worden. Als dat gebeurt, dan hebt gij wel ongeoorloofde oorlogen. In het boek der liichteren, in het \'l9d0, 20sto en 218te hoofdstuk, hoe schrikkelijk bekwam het dien stam van i?en-jamin, in \'t vergieten van zooveel onschuldig bloed! zoodat bijna een geheele stam werd uitgedelgd.

De Overheid kan zich ook schuldig maken in het vonnis te wijzigen, als ze het doen om iemand te behagen, of misschien uit wraakgierigheid, of uit eerzucht, of wanneer ze niet kundig genoeg zijn van de zaken, of het niet naarstig genoeg doorzien. Zij geven een vonnis des doods, en de zaak is niet genoeg doorzien.

Dat is ook al eene ongeoorloofde doodslag, dat ze van hoogerhand op de schepen dien last geven: Als gij het niet langer houden kunt, steekt dan het schip in den brand, en laat het zoo met man en muis in de lucht vliegen. Daar is geen regent in de wereld, die daartoe macht heeft.

6G5

-ocr page 572-

CAT ICOHISMUS-PREDIKATIE

Dan is er ook nog een ongeoorloofde doodslag, en dat is die van onszelven, de zelfmoord.

Grij zult zeggen: zijn er zulke menschen, die ziclizelven daaraan schuldig maken? Ja; daar zijn er, die het metterdaad doen, door scherp, vuur, vergif, water of iets dergelijks. Door scherp. Zoo viel Saul in zijn eigen zwaard, en sterft zoo in zijne ongerechtigheid, 2 Sam. 31 :4. Achitofel had eenig ongenoegen gekregen, zij hadden geen eerbied genoeg aan het hof van Absalom voor hem, zij hadden zijnen raad verworpen: hij gaat heen en verhangt ziclizelven, 2 Sam. 17:23. Daar is Judas, die een hel in zijn gemoed had: hij gaat in een verborgene plaats, en verhangt ziclizelven, Matth. 27:5. Zoo zien wij dan dat menschen hunne hand aan hun eigen leven slaan.

Dat niet alleen, maar dan zijn er ook verzoekingen toe om het te doen, in zulken die overtuigd zijn. Dan zegt de duivel: Gij hebt zoo vele zonden begaan, en God is zulk een verschrikkelijk God; daarbij komt, dat zulk een somtijds zoo weinig licht heeft: hij is zoo benauwd, dat hij niet weet waar zich te keeren; dan zegt de menschen-moorder van den beginne: Eindigt uw leven; dan zult gij van die benauwdheid ontslagen zijn. Doet dat toch niet. Wij hebben het nooit gelezen in \'t Woord, zoover wij weten, dat een uitverkorene dat gedaan heeft. Wij hebben wel gelezen, dat zij er toe verzocht werden, maar God heeft het altijd belet. Ziet dat in den stokbewaarder. Daar kwam het ook al na; daar stond hij niet het zwaard op zijne borst, en dat zou, zoo het scheen, er doorgegaan hebben, had Paulus niet geroepen: Doe uzelven geen kwaad, wij zijn allen hier, Hand. 16:28. En zoo, inplaats dat de man zijn hart zou doorstoken hebben, zoo stak God zijn hart van de zonde af. Zoo gaat het. God brengt ze terecht, en Hij geeft ze licht. Wij geven altijd dien raad; loopt liever met Petrus tot tranen, dan met Judas tot den strop. Als gij uzelven het leven beneemt, meent gij dat uwe benauwdheid dan geëindigd zal zijn? Neen; die zal dan eerst beginnen.

Dat is ook ongeoorloofd, dat men ziclizelven kwetst, evenals de Baaispriesters, die bloed lieten, 1 Kon. 18:28. Daar heeft God geen heiligheid in gesteld. God wil dat niet. Wie heeft zulks van uwe handen geëischt? zegt God.

Niet minder moet men ziclizelven ook wachten, van niet te willen eten, van zich dood te hongeren; wanneer men daar op een ziekbed ligt, en men doet ziclizelven geweld aan, met ziclizelven uit te willen hongeren; dan kan men ook dien doodslag begaan.

Eveneens kan men dien doodslag begaan, met ziclizelven moedwillig in gevaar te begeven. Daar te hoog te klimmen, of ginder te diep te zwemmen, is eene moedwillige verzoeking. Dat heeft ook plaats, wanneer nieuwsgierige menschen, bijvoorbeeld, al te na bij den vijand willen komen, zoodat het waarschijnlijk is, dat ze zich-zelvenj door het gevaar te zoeken, het leven zullen benemen. Want het spreek woord is al oud en waar, dat, die het gevaar zoekt, daarin vergaan zal. Wij moeten daarin het voorbeeld van Petrus navolgen.

500

-ocr page 573-

OVER DEN XL. ZONDAG. Vbaq. 105—107.

ills hij op het water zou gaan; mag ik liet wel doen Ileere ? zegt hij: gebied mij dan tot U te komen, Matth. 14:;28. Matth. 4:7, zeide de Zaligmaker tegen den duivel: den Heere uwen God zult gij niet verzoeken.

Men kan ook dien ongeoorloofden doodslag begaan, door een goddeloos en ongebonden leven te leiden. Men kan het niet alleen met scherp, met vuur, vergif en water doen, maar ook wel met de zonde van dronkenschap. Daarom zegt Salomo wel terecht: Hij wien is wee? Bij wien gekijf? Bij wien het geklag? Bij wien wonden zonder oorzaak? Bij wien de roodheid der oogen? Bij degenen die bij den wijn vertoeven, Spr. 23:29, 30. Bij wien zijn weeën? Bij wien zijn wonden zonder oorzaak? Als bij dien, die bij den wijn vertoeft. Zoo ook door overspel en hoererijen: de pijl doorschiet hun den lever, Spr. 7 :23. En God doet ze kwijnende gaan, hunne dagen brengen ze niet op de helft, naar dat ze volgens den gewonen loop der natuur zouden hebben kunnen leveu. Zij sterven niet op hun tijd, tenminste niet op dien tijd, dien zij zichzelven hadden voorgesteld, of dien zij zouden kunnen bereikt hebben.

Nog eens. Dat is mede ongeoorloofd, als een magistraat last geeft om gehecle forten of schepen in brand te steken. Daar lezen wi) oen schrikkelijk voorbeeld van, 1 Kon. 16 :18, van dien Zimri. Hij doodde den koning zijnen heer, en ging op deszelfs troon zitten. Doch omdat hij kwaad deed in de oogen des Heeren, zoo beschikte God het zoo, dat Omri de krijgsoverste eene verbintenis maakte, zichzelven voor koning deed verkiezen, en Zimri in zijne stad belegerde; die, ziende dat de stad ingenomen was, in het paleis van het huis des konings ging, en zichzelven daar insluitende, het in brand steekt, brengende alzoo zichzelven jammerlijk om het leven.

Men kan ook doodslag naar de ziel doen. Dat geschiedt op deze wijze: Men komt niet te kerk, men is geen lidmaat, men wil het niet worden, men staat alle overtuiging tegen, men gaat voort in de zonden, dat is zichzelf te dooden; en dat is ongeoorloofd.

Maar gewoonlijk begaat men den doodslag aan een ander. Zoo viel Kaïn op zijn broeder Abel aan. Gen. 4:8. Mozes sloeg den Egyptenaar, Exod. 2 :12. Wat zullen wij zeggen van die onbarmhartige moeders, die hunne kinderen doodden en kookten. Den eenen dag hadden zij het eene kind gekookt en gegeten, en waren afgesproken, dat zij des anderen daags het andere kind mede kooken en eten zouden. Doch toen het eene kind nu gegeten was, wilde de moeder van het andere kind den anderen dag haar kind niet dooden. Dat gaf oorzaak tot grooten twist. Daar gaan ze naar den koning Achab, om aan hem hun beklag te doen. En die vrouw, wier kind gedood en gegeten was, schreeuwde uit: Help mij, heer koning! Maar die goddelooze koning Achab gaf haar ten antwoord: De Heere helpt u niet, waarvan zou ik u helpen? Van den dorschvloer of van de wijnpers? Zou ik u wijn of brood geven, wil hij zeggen, ik heb het zelf kwalijk? Maar evenwel, zegt hij, wat is er te doen? Dat is er ge-

507

-ocr page 574-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

scliied, zeide de vrouw. Toen scheurde hij zijne kleederen, en zwoer bij God, dat het hoofd van den proleet Eliza niet op hem zou blijven staan. Dat geschiedde in de belegering van Samaria, waarvan gij leest, 2 Kon. G : 25—31.

Anderen begaan dien doodslag, als zij, als onkuische boeven samenspannen, om eene vrucht te dooden.

Anderen wederom begaan dien, door er een ander toe te gebruiken, om iemand zijn leven te benemen. Zoo deed Absalom aan Amnon zijnen broeder. Hij zeide tegen zijne knechten: Als Amnons hart vroolijk is van den wijn, en ik tot ulieden zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult gij hem dooden; en vreest niet: is het niet, omdat ik het u geboden heb ? Laat liet op mij aankomen, wil hij zeggen, 2 Sam. 13 :28.

Men kan ook een ander doodslaan, die onschuldig is, met hem aan te klagen. Zoo deed Doëg. Daar gaat hij naar Saul, en klaagt David en Achimelech, den hoogepriester aan, waar vijfentachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen, om gedood werden. Achimelech, zeide Saul, gij moet den dood sterven, gij en het gansche huis uws vaders, 1 Sam. 22:9—18. Zoo deed ook David: Hij zond den Hethiter met een brief naar het leger, en liet hem door het zwaard des vijands dooden, 2 Sam. 11:17. Zoo deden de Joden, die hitsten den heiden-schen rechter Pilatus op, om den Heere Jezus te dooden, Joh. 19:12.

Dat is ook al een soort van doodslag, als iemand zulke woorden spreekt, waardoor een anders toorn wordt opgehitst. Het zou niet veel gescheeld hebben, of David had zich schuldig gemaakt aan een doodslag aan Nabal, 1 Sam. 25:22. Ja, daaruit komen wel geheele oorlogen voort.

Dan kan men ook doodslag begaan door \'t gelaat; wanneer men in zijn gelaat zulke gesten en gebaren vertoont, dat men zijn naaste veracht en bespot. Dat is mede eene hoofdzonde tegen dit gebod, dat men zoo schertsend van iemand spreekt, gelijk de Joden van den Heere Jezus deden: is deze niet de timmerman, de zoon van Maria ? zeiden ze, als tot minachting. Mark. 6:3. Ja, het gelaat van iemand kan zoo zijn, dat de doodslag, die in \'t hart is, op het aangezicht ligt. Kaïn, zeide God: Waarom zijt gij ontstoken; en waarom is uw aangezicht vervallen? Gen. 4:6. Zoo was het met Jozefs broeders; elk zag hem aan als een brieschende leeuw, zij konden hem niet vredelijk toespreken; volgde daar als de doodslag niet op? Gen. 37 :20. Sloeg Kaïn zijn broeder Abel niet dood? Gen. 4:8. Werd de Heere Jezus door toedoen der Joden niet gedood?

Nu hebben wij gezien den doodslag die geoorloofd is, en ook die niet geoorloofd is. Maar, zult gij zeggen, is er anders niet in dit gebod te bezien? Ja.

Nu hebben wij, ton derde, die moorddadige gestalte van ons hart te bezien: haat, toorn, wraakgierigheid, nijd. Wie kan er voor nijdigheid bestaan? Nijd is de broeder van de geldgierigheid. Men kan niet lijden, dat Gods oog goed is omtrent onze naasten. Daaruit komt voort trotschheid, hoovaardigheid. De nijd wil het alles voor zich

5G8

-ocr page 575-

OVER DEN XL. ZONDAG. Vkag. 105-107,

hebben, hij kan zijn naasten niet verdragen; hij wilde wel, dat hij nooit zijn naasten zag, die \'t beter heeft dan hij. Dat zijn de vruchten van het vleesch. Gal. 5:21. Nijd valt zelfs in de vromen, maalais de nijd in den vrome is, dan wijkt Gods Geest; Gods Geest heeft geen lust tot nijdigheid. Jak. 4:5. Waar de nijd woont, is verwarring en alle booze handel, Jak. 3:16. Door nijd geraakt men tot doodslag. Wat deed Abel zijn loven verliezen anders dan door nijd? Pilatus wist dat de Joden den lleere Jezus uit nijdigheid overgeleverd hadden, Matth. 27:18.

Dan is er ook in ons hart de wortel van haat. Men verbergt dien wel en hij schiet wortels in ons; maar hij is uitermate gauw, als hij eens eene gelegenheid heeft afgezien. Laat hem vloeken, zeide David van Simeï, 2 Sam. 16:10. Absalom haatte Aranon, ter oorzake dat hij zijne zuster Thamar verkracht had, 2 Sant. 13:22. Hij spreekt met zijn broeder goed noch kwaad; maar hij legt er twee volle jaren op toe; en toen kostte het Amnon nog zijn leven.

Dan is er nog een booze wortel in ons hart, en dat is de toorn. Wat is dat? Dat is eene korte razernij; dan zijt gij voor een korten tijd dol. De toorn is niet wel te beschrijven; zij is beter te voelen. Al de hartstochten raken gaande; de sprankelen vunrs vliegen als uit de oogen; men haalt de neus op; het aangezicht is als bloed, of bleek; de leden beven. Als gij uzelf dan in eenen schilderij zaagt, gij zoudt er van schrikken. O! de zon ga niet onder over uwe toornigheid, Ef. 4:26. De toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet, zegt de apostel Jakobus, Hfdst. 1:20; en zoo spreekt Paulus: \'t. zijn werken des vleesches, Gal. 5 :19. Vervloekt is hunne toorn, zeide Jakob, want zij is heftig, in hunnen toorn hebben zij de mannen dood geslagen, en in hunnen moedwil hebben zij de ossen weggerukt. Gen. 49:6, 7.

Dan de wraakgierigheid: deze is een verlangen om zich te wreken over eene ware of ingebeelde beleediging. De wraakgierigheid, als zij te lang moet gaan, eer zij zichzelven wreken kan, zou wel op Gods troon willen gaan zitten, om het aangedaan ongelijk te wreken. Dan gaat gij op Gods troon zitten; als gij dan eene gelegenheid hebt en zegt: nu zal ik het eens terdege vergelden. En wreekt uzelven niet beminden! zegt Paulus, maar geeft den toorn plaats. Kom. 12:19. Doet u iemand ongelijk, gij moet het verdragen en vergeten, zoo gij kunt. Al stond het in het vermogen van uwe hand, zoo moet gij het niet wreken. Ik vermocht niet, zeide Job, vanwege zijne Hoogheid, Job 31:23. Dat zijn de wortels van den doodslag. Wie te onrecht op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn dooiden grooten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur, Matth. 5:22. Een iegelijk die zijnen broeder haat is een doodslager, 1 Joh. 3:15.

Als God nu den grond gezuiverd heeft, zoo wil Hij ze met edele vruchten beplanten. En wat zijn dat voor vruchten? Liefde, geduld.

5G9

-ocr page 576-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

vrede, barmhartigheid, zaclitmoedigheid; zyne vijanden wel te doen. Ik wil er liefde in hebben, zegt God; dat gij elkander zoo handelt, gelijk gij wildet dat met u gehandeld werd; als gij verdrukt en haat, zoudt gij wel zoo behandeld willen worden, als gy dan uwen naaste doet? De liefde is de vervulling der wet, Rom. 13:10, en 1 Cor. 13. Zoudt gij maar liefhebben die u lief hebben, wat loon hebt gij? Matth. 5:46. Wij lezen dat geloof en hoop te niet zullen gedaan worden; \'t zal alles vergaan, behalve de liefde; die blijft, 1 Cor. 13:13.

Dan wil God in ons geduld hebben. Zegt tegen uwe naasten: ik heb zwakheden en gij ook, als ik er vertoon, draagt ze, en overziet ze in mij, en ik zal \'t in u ook doen. Een ander moet mij dragen, laat ik dan wat in een ander dragen. Zeg niet: ik word schuldig gerekend om een woord, ik zal hun ook zoo doen; dat is mis. Ef. 4:32. Zijt tegen elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander. Zijt niet als die elkander verklagen. Laat ons van onszelven klagen. Laat er geen twisten zijn, geen verschillen, of verwijderingen in het hart, geen afkeerigheden; maar die zalige vreedzaamheid. Jaagt den vrede na met allen, Hebr. 12:14. Zooveel in u is, houdt vrede met alle raenschen, Rom. 12:18. Daar zijn er altemet, waar gij geen vrede mede houden kunt. Daarom zegt God: zooveel in u is. Betracht de zachtmoedigheid; dat is het kleed van Gods kinderen. Wij moeten niet licht toornig zijn, maar zooals een vlak strand, als een zacht kussen; dat breekt een steen, en het vlak strand breekt het geweld der baren. Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, zegt Salomo, Spr. 15:1, en een zachte tong breekt het gebeente, zegt hij, Spr. 25:15. Leert van Mij, zegt de Zaligmaker, dat Ik zachtmoedig ben, Matth. 11:29. Mozes was de zachtmoedigste mensch van de geheele wereld. Num. 12:3. Gij zult in de wereld ergens wel ellendigen ontmoeten, verstijft er uw hart niet voor. Zoo gij gezegend zijt met tijdeljjke goederen, geeft er wat van; zoo niet, geeft hun goede woorden. Geeft ze goede woorden; en, kunt gij, ook eene gift; zegt niet, gaat heen en wordt warm. Jak. 2:16. Wie vrienden heeft, die heeft zich vriendelijk te houden. Men kan het, \'t is waar, altemet niet doen; maar doet zooveel gij kunt, met woorden en daden, naar ziel en lichaam. Ligt uws naasten vee in den gracht, laat hot uwe staan, en komt, helpt uws naasten vee uit den gracht trekken. Dat nam Jonathan waar, toen hij bij Saul wa.s. Hoe zorgde hij voor David! Michal deed dat aan David. Als gij alleen maar groet, die u groeten, wel, doen de barbaren niet hetzelfde? Toen ze daar aan dat barbaarsche eiland Melite kwamen, waren zij zeer vriendelijk tegen Paulus en zijne metgezellen. Hand. 28 : 2. Uw vijand, die u kwaad doet, heeft wel ongelijk; maar zegent hen die u vloeken, vergeldt niemand schelden voor schelden, bidt voor die u geweld aandoen, en u vervolgen, Matth. 5:44. Zegt gij: wie kan zoo leven? Kunt gij zoo niet leven, dan kunt gij niet zalig worden. Langs den engen weg moet men ten hemel. Zoo uw vijand hongert, spijst hem.

570

-ocr page 577-

OVER DEN XL. ZONDAG. Vrao. 105-107.

zoo hem dorst, geeft hem te drinken, dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoepen, Kom. 12:20. Wat is dat te zeggen? Gij zult hem zoo heet maken, of gij vurige kolen op zijn hoofd iegdet. Geliefden! zoo deden de eerste Christenen onder de Heidenen. God zond de pestilentie onder hen, en hij beschikte \'t zoo, dat die plaag door niemand geholpen kon worden. Waar niemand bij de besmette zieken durfde komen, daar gingen die eerste Christenen naar hen toe, en hielpen hen. Wel, zeiden ze, zult gijlieden dat doen, wij hebben uwen vader en uwe moeder vermoord, en zult gijlieden ons helpen? En God wrocht krachtig door dat middel in hunne harten, en zoo werd het Evangelie al voortgeplant. Daar hebt gij nu onze vier stukken. 1. Den geoorloofden doodslag. 2. Den ongeoorloofden doodslag. 3. De moorddadige gestalte van ons hart. 4. De eerlijke gestalte die God in ons hart hebben wil.

Gij zult denken in uw hart: wat voor eene toepassing zult gij nu daarop maken? is hier ook al een stichtelijk slot op te maken? Ach ja! Ons land, ons land, zinkt onder al de bloedschulden! Wilt gij het eens zien? Ziet dan al die ongewroken doodslagen, pardonbrieven, aan zulken die in papieren harnassen moeten gaan, om vrij te zijn. Geen machten kunnen dat doen. Wat zijn er al vrijsteden in ons land! En zijn dat vrijsteden voor onnoozelen ? Die daar maar binnen kan komen, is het gevaar ontkomen. Zonden dat geen bloedschulden zijn? Denkt gij die vaart op Oost-Indië, wat heeit het al bloed gekost! Daar komen de particuliere en de kustschepen, die ontmoeten elkander; opdat de rijkgeladen schepen van de kooplieden geen schade zouden lijden, wat doen ze? Zjj schieten elkander in den grond en zoo doen ze krijgsbloed aan hunnen gordel in een tijd van vrede. En dan komen ze nog al thuis met vlaggen en wimpels. Wat al duellen geschieden er voor \'t punt van eer, en daar weet men voorslaags, dat er de een toe moet leggen, of de andere, of beiden te gelijk. Daar blijft men dikwijls beiden dood. De plakkaten daartegen helpen niet. Dan geeft men dikwijls pardon aan degenen, die het niet hebben mogen, of men heeft geen dienaars genoeg om de doodslagers te achterhalen, en zoo blijven de bloedschulden al op het land liggen. Dan al dat dooden van de vrucht, door hoeren en boeven. Dan als de visitatiën geschieden, die het doen moeten, worden gecorrompeerd, omdat die schuldig is, vrienden in \'t spel heeft, of, dat die \'t moeten laten doen, zelt schuldig zijn. Doch dat alles ligt voor den Heere open. Want alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen met welken wij te doen hebben, Hebr. 4:13.

Zegt gij nu nog: waar komt het vandaan, dat de Staat zoo zinkt? Hierom treurt het land; bloedschulden geraken aan bloedschulden, en daarover heeft de Heere een twist met ons, Hos. 2:1. Als wij zouden komen tot al die zonden, waardoor de doodslag wel geschiedt; de een springt zich dood; de ander danst zich dood; de ander hoereert zich dood; een ander zuipt zich dood. Komen wij aan de moorddadige gestalte van het hart, nijdigheid, haat; men mag elk-

571

-ocr page 578-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ander niet zien of lijden, al zijn het de naaste vrienden. Toorn, men is dikwijls erger dan de beesten tegen elkander zijn. Klopt uw hart niet; moet gi] niet zeggen: Ach ja! ik heb een wrok tegen iemand gevat, dien ik wel wreken wilde? Maar, waar is die goede gestalte, elkander te verdragen in liefde en vrede; in zachtmoedigheid met elkander te leven? Die is als balling geworden, men zou liever dezen regel hebben en houden: \'t is beter boos, dan zot. Daar komen dan uit voort: vechten, tieren, slaan, doodslaan.

Geliefden! die geen lust hebben tot zulk een leven, wij zullen u een raad drie of vier geven.

Eerst. Komt weinig in de gezelschappen, weest van de stillen in den lande; zijt dicht bij uwe dingen, en dicht bij uw huis, en leeft dicht bij God. Dat niet alleen, maar.

Ten tweede. Raden wij u: speelt nooit; komt nooit waar tuische-rijen en dobbelspelen zijn. Als gij dat doet, dan ligt gij open voor alle zonden, hoe menigeen heeft er zijn leven om gelaten!

Ten derde. Raden wij u: komt op geen gezelschappen van brasse-rijen of dronkenschappen.

Ten vierde. Komt nooit in gezelschappen van onkuischheid, daar uit komen voort vechten, doodslaan. Wij raden u, bidt God, dat Hij de deugd zelf in u plante, en ze u leeren wil, u temmen en intoo-men wil; zegt: Heere plant al die deugden in mijn hart; laat ik ze liefhebben, ik moet ze goedkeuren. Dan zult gij zoo licht tot die zonden niet komen. Die zoo leeft, komt hij dan thuis, hij heeft zooveel vrede, en vindt een toegang tot God, en zijn hart knaagt hem niet.

Geliefden! wij weten, dat gij ons gelijk moet geven. Ach! dat wij allemaal zulk een hart hadden, om de deugd te betrachten! Ach mochten de regenten meer oplettend zijn! Wat geeft God hun macht om het bloedvergieten te weeren! \'tls een vonnis, die God uitspreekt: Gij zult niet doodslaan. Zoo gij het niet wreekt, zegt God, Ik zal het bloed op uwen kop doen wederkeeren. Ja, wij weten dat gij die eer hebt, regenten! om de bloedschulden te weeren; wij erkennen dat gij ze hebt; wij zeggen dan: allen die hier zitten of staan, rijk of arm, jong of oud, wij zeggen u van Godswege den dood aan. Hoe schrikkelijk is het als men naar een gevangenhuis gaat en men zegt daar iemand den dood aan. Geliefden, wij zeggen u allemaal den dood aan. Wilt gij weten, wie het eerst van ons allen zal sterven ? Die er misschien het minst om denkt. Weest dan toch bereid; want op die ure, als gij er \'t minst om denkt, zal de Zoon des menschen komen. Cijfert vri] uit, als gij wilt, nog zooveel levens te kunnen hebben, zou God niet kunnen zeggen: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uwe ziel van u wegnemen? Luk. 12:20. Wat al boden krijgen wij elk al. Den eene breekt zijn gezicht; den andere vervalt zijn gehoor, bij den derde beginnen de maalsters stil te staan, omdat ze minder geworden zijn; die door de vensters zien, worden verduisterd; de twee deuren naar de straat worden gesloten; de sprinkhanen wor-

572

-ocr page 579-

OVER DEN XL. ZONDAG. Vraö. 105-107.

den zichzelven een last; men begint voor de hoogten te vreezen; men staat op op de stem des vogelkens. De kroon van grijsheid wordt gezien, als zooveel uitspruitende veldbloempjes. De amandelboom bloeit en zoo gaat de mensch naar zijn eeuwig huis. Pred. 12:3—5. Hij sterft. Mocht ik en gij toch wel sterven! Farao zou den dood van Mozes wel hebben willen sterven; Herodes zou het uiteinde van Johannes wel gaarne willen hebben. Bileam zou wel een liileams leven willen leiden, maar hij had gaarne het uiteinde van een godzalige gehad. De menschen willen goddeloos leven, doch der vromen einde wilden ze wel hebben. Maar dwaalt toch niet. God laat Zich niet bespotten, want zoo wat een mensch zaait, dat zal hij maaien. Gal. 6:7. Als een landman onkruid zaaide, en in den oogst goede tarwe wilde maaien; zou men niet zeggen: gij dwaas, wat gij zaait zult gij dat niet maaien? Zoo ook, gij zaait goddeloosheid en ondeugd; wel, gij zult ook de vruchten daarvan maaien. Zoudt gij wat op de deugd volgt willen maaien? dat zou tegen het Woord zijn. Als gij gaat sterven, zoudt gij het eeuwig zalig leven wel willen maaien. Wilt gij der vromen sterfbed, dan moet gij der vromen leven willen leiden. Wie zal het wel hebben in den dood?

Eerst. Zulken, die in hun leven een nieuw hart gekregen hebben. Het komt altijd op de wedergeboorte aan. Zoo de naam, en de zaak der wedergeboorte u tot een last is, voorwaar gij hebt er geen deel aan. Die dat bezit, kan zeggen: ik was dood in zonden en misdaden, maar Gij hebt mij levend gemaakt, mijn steenen hart is vleesch geworden. Zou ook een vijand van God in den hemel kunnen komen!

Ten tweede. Dan leert God zulk een van zijne gestalte afzien, en naar den Heere Jezus toegaan. Daar is anders geen weg om tot de gemeenschap van God te komen. Daar wil zulk een zijn rechteroog uitsteken, zijn rechterhand en voet afkappen en zoo dooden de leden, die op aarde zijn.

Ten derde. Zoo een doet het zeer, dat liij zulk een lichaam der zonden heeft.

Ten vierde. Die naar den hemel gaan, heeft hij zoo lief. De oprechten in den lande, gaan hem zoo ter harte, en hi] wil met hen gaan.

Nog eens. Wat kruis er ook komt, ach God! zeggen ze, al beliefde het U mij nog meer toe te zenden, ik ben het waard, ik wil het dragen; en komt er voorspoed, dan zeggen ze met Jakob: ik ben te gering en te snood, dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw die Gij aan uwen knecht gedaan hebt. Gen. 32:10. Dan,Heere! leer mij toch mijne dagen tellen, Ps. 90: 12; ik ben al zoo ver, het zal niet lang meer aanloopen, den reisstaf zal ik haast neerzetten, en boven het kruis en het schepsel zijn; ik hoop haast buiten mijn ongeloof te zijn, en buiten al mijne verdorvenheden, en boven de verberging van uw aangezicht. Kent gij dat? Kent gij het niet, maakt er geen staat op. Acli! die het kent, gij zult ingaan in den vrede en rusten op het stof bed des doods.

Gij, onvromen, zult ook eens moeten rusten, totdat gij zult opge-

573

-ocr page 580-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

574

wekt Avorden tot versmaadheid en eeuwig afgrijzen, Dan. 12:2. Willen wij eens bij den Heere leven, dan moet hier Jezus\' zaak en eer de onze zijn. Zoo gij in vereeniging met Jezus leeft, dan zult gij den Heere sterven. Dan zal er op uw graf en zerk gezet worden: Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, Openb. 14:13. Maar gij, zondaar, op uw graf zal staan: rampzalig van nu aan; en gij zult eeuwige onrust hebben over uwen arbeid. Ach Heere! wat is het schrikkelijk, als gij weg moet gaan, en gij nog onbekeerd en zorgeloos zijt! Dan zult gij zijn, als een die op een raast slaapt, en die er door den storm afgerukt en in de zee geworpen wordt. Hoe schrikkelijk was het voor Jona uit den slaap opgewekt en in de zee geworpen te worden! En hoe schrikkelijk is het dan te gaan naar God, die niet met u bevredigd is! Daar te gaan om te ontvangen dat nare vonnis; ga weg van My, gij vervloekte. Maar hebt gij genade, dan gaat gij naar den Drieëenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, om te ontvangen, wat Hij voor u heeft weggelegd. Het geestelijk leven hier, was niet genoeg, maar dat wordt achtervolgd met een eeuwig leven daarboven. Dat gunne ons de Drieëenige God, om zijns Zoons wil, amen.

-ocr page 581-

CATECHISMU S-P R E DIK A TIE.

Over den XLI. Zondag. Vuag. 108 en 109.

Een-en-veertigste Zondag.

108. Vraag. Wat leert ons het zevende gebod?

Antwookd. Dat alle onkuischheid van God vervloekt is; en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuisch en tuchtelijk leven moeten, hetzij in den heiligen huwelijken staat, ot buiten denzelveu.

109. Vraag. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan ecldhreJcen, en dergelijke schanden ?

Antwoord. Dewijl ons lichaam en onze ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zoo wil Hij, dat wij die beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alle onkuische daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten, en wat den mensch daartoe trekken kan.

WIJ lezen, Matth. 4 :10, Den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Daar zijn drie zaken in de wereld die geen metgezellen lijden: God in zijn dienst, een koning in y.ijn rijk en een man in zijn huwelijk. God in zijn dienst lijdt geen metgezel: Wie kan Hem gelijk zijn? Hij heeft geen metgezel. Hij kan er ook geen verdragen. Daar is geen mensch, die een metgezel zou kunnen verzinnen, die Hem gelijk zou zijn. Jozua 24:15, Kiest wien gij dienen wilt. De andere góden der \'Heidenen zijn afgoden; wilt gij die dienen? Wat wilt gij dan met den Heere doen ? Ik en mijn huis, zegt hij, wij zullen dén Heere dienen. Elia zeide; wat hinkt gij op twee gedachten? Is Baill God, zoo dient hem; maar is de Heere God, zoo dient Hem, 1 Kon. 18:21. Matth. 6:24, zegt de Heere Jezus: Niemand kan twee heeren dienen; want öf hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet\' God dienen en den Mammon.IJ lezen, Matth. 4 :10, Den Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Daar zijn drie zaken in de wereld die geen metgezellen lijden: God in zijn dienst, een koning in y.ijn rijk en een man in zijn huwelijk. God in zijn dienst lijdt geen metgezel: Wie kan Hem gelijk zijn? Hij heeft geen metgezel. Hij kan er ook geen verdragen. Daar is geen mensch, die een metgezel zou kunnen verzinnen, die Hem gelijk zou zijn. Jozua 24:15, Kiest wien gij dienen wilt. De andere góden der \'Heidenen zijn afgoden; wilt gij die dienen? Wat wilt gij dan met den Heere doen ? Ik en mijn huis, zegt hij, wij zullen dén Heere dienen. Elia zeide; wat hinkt gij op twee gedachten? Is Baill God, zoo dient hem; maar is de Heere God, zoo dient Hem, 1 Kon. 18:21. Matth. 6:24, zegt de Heere Jezus: Niemand kan twee heeren dienen; want öf hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet\' God dienen en den Mammon.

Gelijk God geen metgezel in zijnen dienst kan dragen, zoo kan ook^ geen koning een metgezel in zijn rijk dragen. Als God David tot koning had laten zalven, wat was Saul in de weer om het te verhinderen! 1 Sam. 18:17, 25. Als David koning was en Absalom hem van den troon wilde stooten, wat richtte .loab eene veldslag tegen hem aan! 2 Sam. 18: (3, 7. Als Adonia koning wilde zijn, in plaats van Salomo, wat was de moeder van Salomo en de profeet in de weer, om het te verhinderen! 1 Kon, 1:11—13.

-ocr page 582-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Is het nu zoo met God den Heere. dat Hij geen metgezellen lijdt, is het zoo met een koning in zijn rijk, het is ook zoo met een man, met betrekking tot zijne vrouw, en met eene vrouw met betrekking tot haren man. Die lijden ook geen metgezellen. In het verbond des huwelijks is de man aan de vrouw, en de vrouw aan den man verbonden, zoolang zij leven. Dit is zulk eene waarheid, dat waar gij komt onder de Christenen, ja zelfs de geheele wereld door, gij er overal indrukselen van zult vinden, dat man en vrouw maar één moeten zijn. God die de natuurlijke Theologie heeft gegeven, heeft het ook bij geschrift op Sinaï getoond; daar heeft Hij er die kennisgeving van gedaan, omtrent dat laatste stuk. Gij zult geen overspel doen man, zegt God: gij zult geen metgezel hebben, behalve uwe vrouw.

Aan dat gebod zijn wij onder Gods goedheid gekomen; wij zijn elk aan dat gebod schuldig, en misschien wel allerschuldigst. W ij zijn ook misschien wel het allerschuwst om er van te hooren. Laten wij ons zetten onder de verhandeling in de tegenwoordigheid van God. Wij zullen u dan gaan toonen.

Eerst. Dat het huwelijk geoorloofd is.

Ten tweede. Dat er eenige daden zijn, die er tegen aanloopen, die God verbiedt.

Ten derde. Dat er mindere daden zijn, die er ook aanleiding toe geven, die God ook verbiedt.

Ten vierde. De deugd die God gebiedt.

Ten vijfde. Den aandrang van dit gebod. Dat zijn vijf gewichtige stukken,quot; elk op zichzelven, en allen met elkander onze aandacht en overweging dubbel waardig. 1. Zeggen wij: dat er huwelijken in de wereld zijn, dat geoorloofd is onder allerlei soort van menschen. 2. Hebben wij te bezien dat er daden zijn, die tegen het huwelijk aanloopen, die God verbiedt. 3. Zijn er mindere dingen, die ook verboden worden. 4. Deugden die geboden worden. 5. Den aandrang van dat gebod.

Wat het eerste aangaat. Het huwelijk wat is dat? Dat is als twee vrije menschen, die elkander niet anders bestaan, dan naasten, met elkander overeenkomen, om in een verbond des huwelijks te treden, om elkander houw en getrouw te zijn. Zij verzoeken elkander, zij bewilligen om het verbond aan te gaan; voor God beloven ze elkander houw en getrouw te zijn tot den dood toe. Mal. 2:14. Daar staat het in de Schrift, dat God tot een getuige is aangeroepen. Nu is de vraag, of het huwelijk geoorloofd, en of het onzondig is. Wij antwoorden, ja. Het is onzondig en \'t is geoorloofd. Wij bewijzen het hieruit: Vóór den val heeft God hot zelf ingesteld. De man had geene vrouw, maar God schiep er hem eene, en Hij brengt haar met zijne hand tot hem. Adam haar ziende, zoo zegt hij: Deze is been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch, men zal haar manninne heeten, omdat ze uit den man genomen is. Gen. 2:23. Die twee, zegt God, zullen tot één vleesch zipi. Gen. 2:24. De Heere Jezus zeide:

570

-ocr page 583-

OVER DEN XLI. ZONDAG. Vrag. 108 en 109.

Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen; en die twee zullen tot één vleescli zijn, alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleescli, Mark, 10:\'7, 8. Dat anders niet wezen mag, (want kinderen mogen hunne ouders niet verlaten) dat zal evenwel geschieden; en het zal met genoegen wezen van den vader en van de moeder.

Nog eens. God heeft er zijn zegen over beloofd, toen Hij dat heeft uitgesproken vóór den val: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, Gen. 1 :28. Na den val is het ook geoorloofd geweest. Gen. 9:1 daar zegt God tot Noach en zijne zonen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde; en Salomo zegt: Eene verstandige huisvrouw is van den Heere, Spr. 19:14. Ja, Gods voorzienigheid is er in, in den een den ander te doen ontmoeten. Gen. 24:12 ziet gij dat in Abrahams knecht Eliëzer, die uitgezonden was om eene vrouw voor Izaak. Meere! zegt hij, doe haar mij toch heden ontmoeten. Ja, de Heere Jezus heeft het liuwelijk vereercl met zijne tegenwoordigheid. Joh. 2. Hij deed er een wonder. Waartoe deed Hij dat wonder? Opdat de getrouwden, als zij hun huwelijksbed eerlijk houden, zouden vertrouwen, dat als zij in ongelegenheid quot;waren. God h en dan redden zou. De vuile natuur zou er mede lachen; maar dat is de reden, opdat degenen die getrouwd zijn, den bijstand Gods zouden kunnen verwachten in hunne ongelegenheden.

Eindelijk is het huwelijk, opdat de een den ander helpen zou, in alle dingen die billijk zijn; het is, opdat ze hunne kinderen, die ze krijgen, tot Gods eer zouden opbrengen, en zoo hunne zaligheid zouden zoeken uit te werken; het is, opdat God grootgemaakt zou worden om hunne kinderen op te kweeken in de kennis en vreeze Gods. Die trouwt, doet wel, zegt Paulus, maar die niet trouwt, doet beter, 1 Cor. 7:38; te weten, als hij zich kan onthouden.

De vraag is nu, of het huwelijk onder alle menschen mag geschieden, ook onder geestelijke personen; of het den leeraars ook geoorloofd is. Wij antwoorden, ja. Het is hun zoowel geoorloofd als anderen. Hebr. 13:4 Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt. Hoe menige godzalige lieden vinden wij in het Oude Testament, die getrouwd waren en kinderen hadden! Ziet het in Mozes, Aaron, in Samuel die ook kinderen had, hoewel ze zijne voetstappen niet volgden. David en meer anderen waren getrouwd en hadden kinderen, 2 Sam. 3:2—5. De apostelen waren ook getrouwd. De apostel Paulus zeide, dat hij ook de macht had om te trouwen, als hij wilde, 1 Cor. 9:5. Wij bewijzen het nog uit een argument dat Gods Geest geeft; ! Tini. 4:1—8, daar zegt Paulus door Gods Geest, dat er in de laatste tijden eene leering der duivelen zou zijn. En wat was dat ? Dat was, dat de geestelijken niet zouden mogen trouwen. Waarom drijven de papen dat, dat ze niet huwen mogen? Omdat ze onder geen wereldlijk hoofd zouden geraken. Als zij trouwden en kinderen kregen, dan zouden hunne kinderen met hun aandeel moeten weggaan. Dan zou de paus op het laatst

577

37

-ocr page 584-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

conventen zonder goed hebben. Ongetrouwd te blijven en te trouwen, het is beide geoorlooid, ziet dat in het breede, 1 Cor. 7:8, 9.

Nu zijn er daden, die tegen het huwelijk strijden; en wat is dat? Dat is:

Eerst. Onnatuurlijke daden, die schrikkelijk zijn om te noemen, die wij ook niet noemen zullen. Oneerlijke dingen, Rom. 1:26, 27 die onder de Heidenen plaats hadden, Gen. 19. Sodomitisclie zonden, die tot God in den hemel schreeuwden; die daarom op het huis van dien man aanvielen, om zulke onnoemelijke zonden te bedrijven, waarvan gij leest. Gen. 19:5 en Richt. 19:22. Onder die gruwzame zonde is ook, dat mannen en vrouwen bij een beest liggen, dat God vervloekt heeft, Deut. 27 : 21.

Behalve dat, zoo komt er nog iets, dat bloedschande genoemd wordt; dat is, wanneer twee te na in den bloede, met elkander in den huwelijken staat treden, of buiten den huwelijken staat zich samen vermengen. Dat is de zonde die Lot beging, die man, die zijne rechtvaardige ziel zoo kwelde, in Sodom, over anderen, 2 Petr. 2:8. O! gij kunt uzelven kwellen over de zonden in anderen, en daarna nog zelf die zonden begaan: gij kunt er zelf invallen; hij viel schrikkelijk in dezelve, of dergelijke zonden. Jakob zeide van Ruben: Gij zult de voortreffelijkste niet zijn, want gij hebt uws vaders leger beklommen, Gen, 49:4. Dat was de zonde van Amnon, die hij met zijne zuster Thamar beging, 2 Sam. 13:14. Dat was de zonde van dien man, waar Paulus van zeide, dat hij diende leed te dragen, 1 Cor. 5:2. En Lev. 18, waar ze in alle trappen wordt voorgesteld.

Dan is er de zonde van overspel, die een getrouwde met een andere getrouwde begaat. Als het een getrouwde met eene ongetrouwde is, dan is het een enkel overspel; maar als het een getrouwde met eene getrouwde is, dan is het een dubbel overspel. Dat van David en Bathseba was een dubbel overspel, maar dat van Abraham met 11 agar was een enkel overspel, \'t Strijdt tegen de instelling van den grooten God. God wilde deze met den dood gestraft hebben. Lev. 20:10. \'t Is eene meineedigheid. In elk overspel is een valsche eed gedaan.

Daar volgt nu eene tweede daad bij, die God verbiedt. Niet alleen verbiedt Hij het overspel, maar ook de veelheid der vrouwen. Dat is, als iemand zich met meer dan ééne vrouw of man vermengt; dat is een gedurig overspel; het is wel waar, dat God het in de vromen gedragen heeft, doch al is dat zoo, zoo neemt dit daarom de zonde niet weg in de daad. God heeft het getoond, dat het Hem niet behaagde; het is van den beginne alzoo niet geweest, zegt de Zaligmaker, Matth. 19:8. God heeft niet meer dan twee menschen geschapen, man en vrouw. Men heeft gezien, dat God die huisgezinnen zwaar bezocht heeft; daar hadt gij het krakeel en den twist onder de kinderen, dan hadt gij den opstand van de vrouwen tegen de mannen, ja, daaruit kwamen moorden voort; dan, dat de vrouwen den mannen het hart neigden achter andere goden, zooals dat blijkt in

578

-ocr page 585-

OVER DEN XLI. ZONDAG. Vrag. 108 en 109.

Salomo, 1 Kon. 11:4. Bij die veelheid komt ook de scheiding, dat (jod almede verbiedt. Daarom staat er, Matth. 19: G dat de Heere Jezus zeide; wat God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet. Zijn hier menschen die gescheiden zijn? Geen Overheid heeft daar macht toe, buiten het geval van wederzijdsche onkuischheid, of moedwillige verlating. Wil de ongeloovige met een geloovige getrouwd zijnde, scheiden, dat hij scheide; wil hij er niet bijblijven, dat hij daarvan afga. Zoo iemand scheidt, als het niet uit oorzaak van hoererij is, die doet overspel, Matth. 19:9. Al dat scheiden van die huwelijken is de dood in ons land. De politie moest liever middelen gebruiken, om zulken door straften vereenigd te doen blijven.

Dan is er nog eene daad, en dat is: als de ondertrouwden, in den tijd van den ondertrouw, eer ze nog getrouwd zijn, samenkomen.

Nog eene zondige daad is er die verboden wordt, dat is: als on-getrouwden samenkomen, of getrouwden en ongetrouwden, een of meer, als in een hoerenhuis, Deut. 23:17, 18. God toonde, dat zulks een gruwel was, als degenen, die dat weren kunnen, het niet doen.

Behalve de hoererij, zoo vindt gij, dat, als een man met iemand gaat huishouden en hij ligt bij haar, dat noemt men dan eene huishoudster; naar het oude rechtzinnige gevoelen van ons land, weet gij wat die er van gemaakt hebben ? eene concubine, dat is, die leven in eene gedurige hoererij. Uier geldt, hetgeen Paulus zegt 1 Cor. 7 :9, Die zich niet onthouden kan, dat hij trouwe; het is beter te trouwen dan te branden. Dat was de zonde van de Samaritaansche vrouw; de Heere Jezus sprak haar aan: roep uwen man, zegt Hij; ik heb geen man, zegt ze; gij hebt de waarheid gezegd, zegt de Heere Jezus, want dien gij nu hebt, is uw man niet, Joh. 4:16—18. Zij viel in voor den Heere en werd beschaamd.

Bij die zondige daden, komen ook onkuische tochten. Gen. 38:9; met uwe bewegingen kunt gij zelfs zondigheden bedrijven. De apostel noemt ze schandelijke bewegingen. Col. 3:5. En \'die daad voor het verbond des huwelijks onder de ondertrouwden bijeen te komen, is ook eene daad, strijdende tegen dit gebod. Ja, zoo eens zulk een ondertrouwde bruidegom kwam te sterven, en de bruid werd zwanger bevonden, zou ze niet voor eene hoer en haar kind voor een bastaard gehouden worden? Dat er onderscheid is tusschen belofte en trouwen, toont God in zijn Woord. Al sterft zulk een bruidegom niet, het maakt dikwijls gruwelijke huishoudens, en daaruit ontstaan gruwelijke verwijtingen; God spreekt van een kind, dat zich verloofd heeft, met of buiten weten van de ouders. Daar spreekt Hij van trouwen. Jozef en Maria waren in ondertrouw, maar zij hadden zich heiliglijk bewaard in den tijd van hunnen ondertrouw.

Nu kan elk eens in zijn hart gaan, en zien of\' uwe daden u vrijspreken.

Daarop komt de Wetgever, en Hij verbiedt ook de gedachten of lusten en al wat daar toe aanleiding geven kan. Wij kunnen zondigen tegen dit gebod, met gebaren, woorden, gedachten, lusten en

579

-ocr page 586-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

al wat den mensch daartoe trekken kan. Daar zijn oogen vol overspel, zegt God, 2 Petrus 2:14. Die eene vrouw aanziet om ze te begeeren, heeft alreeds overspel in zijn hart met haar begaan, zegt de Heere Jezus, Matth. 5:28. Door liet oog en oor komt de vijand in, door het oog verwekt men zichzelven of anderen tot onkuische tochten. Door het lonken van de oogen wordt de wellust gaande gemaakt, en niet alleen met de oogen, maar ook met de handen en met de voeten. Ezech 23 en 16: 25 En hebt met uwe beenen ge-gerd voor een ieder die voorbijging, en hebt uwe hoererijen vermenigvuldigd. En Jes. \'5:1G, Zij gaan alsof hun de voeten gebonden waren, al trippelende.

Niet alleen met de oogen en voeten, maar ook met de banden, door aan te grijpen en te kussen met hare brandende lippen, Spr. 7 :13.

Dan met de quot;kleeding en sieraden aan de leden, die God en de natuur wil dat men dekken zal, te ontdekken, om te toonen haar boerachtig hart, dat in haren boezem ligt, dat hoeren versiersel. Gij weet wel, wat wij zeggen willen. Maar als het vrouwvolk het uit armoede deed, dat ze zoo naakt gingen, wij zouden ze eene handreiking doen om zich te dekken; maar het komt uit eene boosheid van het gemoed, uit een geilen en dartelen lust voort, \'t Is schande, men durft voor een eerbaar gemoed zijne oogen bijna niet opslaan. Wat zouden de jutfers van onzen tijd quot;van een hoerenversiersel maken? Zij zouden moeten zeggen: ik heb het aan mijn lijl.

Zoo gij daar al vrij van zijt, dan zijn er nog de gedachten en lusten die uit het hart voortkomen, booze gedachten. Dat is dat branden in de zonden, die wandelaar, die David overkwam, 2 Sam. 11:4. David wilde zijne tochten en lusten voldoen, dien wandelaar wilde hij aan zijn huis onthalen.

Dan \'zijn er onreine woorden, want toch uit den overvloed des harten spreekt de mond. De tong is dikwijls vol onreinheid, zij zingen onreine liedjes, zij lezen onreine boeken, en vermaken zich in zot en oneerbaar geklap: kwade samensprekingen bederven goede zeden. Zijt gij daar vrij van ? Zijt gij dan ook vrij van al wat daartoe aanleiding geven kan? Daar zijn mindere dingen. Wat kan den mensch tot onkuischheid trekken? Èilieve bedenkt het eens: brasserijen, dronkenschap. Zoo iemand te veel wijn gebruikt, zoo zal hij met zijne oogen naar vreemde vrouwen zien, Spr. 23: 33. Hij zal zijne natuur aansteken in brand van onkuischheid, die niet te verzadigen is, Rom. 13:13. In brasserijen en dronkenschap moet gij niet ver-keeren, dat geeft aanleiding tot ontuchtigheden.

Behalve dat, geven de danspartijen almede niet weinig oorzaak tot ontuchtigheid. Dat lichtvaardig huppelen, o gruwel! \'t is of de jongelingen en de jongedochters niet mede mochten, die van de eerste of tweede rang zijn, zoo zij meenen, als zij niet hadden leeren dansen; en zij zijn misschien wel van den eersten of tweeden rang van onderen opgeteld. Zij schamen zich niet hunne kinderen te laten leeren dansen, al zouden hunne leden er door verwrongen worden,

580

-ocr page 587-

OVER DEN XLI. ZONDAG. Vraq. 108 en 109.

al zouden zij daardoor met verwrongen leden langs de huizen en langs de straten moeten gaan. Sommigen denken, als dat de danspartijen Dina de dochter van Jakob hare kuischheid heeft gekost. Het dansen kostte Johannes den Dooper zijn hoofd. Dat dartele wicht dansende voor Herodes verkreeg het hoofd van Johannes den Dooper, Matth. 14:10. De beschaafde Heidenen zijn wijzer geweest. Zal men dansen? zeiden zij. Hij moet dronken of zot zijn, zeiden zij, die het doet.

Wat geeft er nog al aanleiding toe? Naar komediën te gaan, in spellen te loopen, dat men des nachts in de spellen is. Eerst is de aanleiding in het spel zelf en dan in het naar huis toe gaan. Gij zult lang wachten, eer een komediant u stichten zal; gij zult lang wachten, eer gij in eene komedie naar den hemel geleid wordt; gij wordt er eer door naar de hel geleid, en was er dat niet in de komediën, zij waren koud en nietmetal. Daar moest tegen zulke dingen gewaakt worden, die een vijand van God en zijn dienst zijn.

Dan, de ledigheid brengt ook een mensch tot onkuischheid. Wat zijn er al menschen die ledig zijn! Neemt de ledigheid weg, zeide een Heiden, en gij zult de onkuischheid wegnemen. De ledigheid is des duivels oorkussen. Als de weduwen ledig bij de huizen omgingen, zoo werden zij weelderig, en Paulus vermaande hun dat ze liever zouden trouwen, 1 Cor. 7:9. Hij toont de reden, het was dezelfde reden van Davids val, 2 Sam. 2. Die krijgsman diende bijna altijd wel in \'t leger geweest te zijn. Hij was ledig, daar ziet hij Bathseba, en toen moest zijn lust voldaan worden.

Behalve dat, geeft daar ook al aanleiding toe, het verkeer met onkuisch gezelschap. Zulke gezelschappen doen iemand dolen. Is er een gezelschap dat onkuisch is, in \'t gezicht, in de tong, in spraak, daden, of hart; gij zult er verleid worden. Blijft er dan vandaan, gaat liever met wijzen om, dan zult gij wijs worden; maar die dei-zotten metgezel is, zal verleid worden. Toen die jongeling in \'t gezelschap van die hoer kwam, toen was hij haast getroffen: de pijl doorsneed hem zijn lever, Spr. 7 :23.

Wat geeft er nog aanleiding toe? Dat man en vrouw zich te lang van elkander scheiden, 1 Cor. 7:5, al was \'t in godsdienstige oefeningen, het mag niet zijn, opdat de duivel op u geen voordeel krijge.

Nog eens. Daar geeft ook aanleiding toe die ongelijke huwelijken, jongelieden te laten trouwen met zulken, die al te oud zijn. De jongen krijgen dan altemet een afkeer van de ouden, daardoor komt onmin, verkoeling, haat en afkeer. Zij vervreemden van elkander, dat verwekt onkuischheid, onkuische lusten.

Dat twisten en knorren tusschen man en vrouw geeft er ook aanleiding toe; die huistwisten, als ze nooit elkander wederzijdsch genoegen geven kunnen, die verwekken vermindering van liefde, en afkeer; de vrede gaat daardoor weg en dan gaat men naar vreemde vrouwen omzien.

Bij de daden, gebaren, lusten, komt verder nog al wat daartoe trekken kan.

581

-ocr page 588-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Dit verboden zijnde wat is hier nu geboden? De Wetgever eischfc wat anders. Ach! van alle menschen eischt Hij schaamte; dat eerbare rood, die blos in het aangezicht. Het is zoo slecht schaamteloos te zijn; als ons iemand sterk aanziet, dan het oog niet eens te laten neervallen, zoodat er een eerbare schaamte gezien wordt; anders is \'t als een hoerenvoorhoofd te hebben. Daar is geen grooter sieraad dan de schaamte; de schaamte overtreft alles. Hebt gij natuurlijke schoonheid als Rebekka en als Jobs dochters. Gen. 24:16, Job 42:15 zij is bij de schaamte niet te vergelijken. Wie komt ons daar in \'t veld tegemoet, zeide Rebekka, Eliezer zeide: Dat is mijnheer. Zij wist wat er gaande was en bedekte zich met haren sluier, en viel van den kemel af. Gen. 24:64,65. De apostel Paulus zegt: als gij u versieren wilt, weet gij waarmede gij dat doet? Met matigheid en met schaamte. De matigheid is \'t eerste wat God gebiedt, en dan die stille schaamte, waar de eerbare vrouwen zich mede moeten versieren, 1 Tim. 2:9; zulk een leven stil en gerust, eerbaar en godzalig; behalve dat: matig in spijs en drank. Der vrouwen sieraad bestaat niet in kleederen, in het omhangen van goud en zilver, maar in de matigheid en eerbaarheid. In \'t gebruik der spijzen moet men ook matig zijn, niet maar zichzelven te voeden, zooals bi] Jeremia staat: men moet niet zijn als welgevoederde hengsten, Jer. 5:8. Men moet niet maar leven om te leven, en om zoo te eten dat hunne oogen uit hunnen vetten kop puilen; maar men moet matig zijn in spijs en drank; men moet zich \'t verstand noch de gezondheid niet berooven door \'t gulzig eten en drinken; maar wij moeten onze ziel in kuischheid bezitten en niet in hoererijen, Hoz. 4:11. De dronkenschap neemt onze gezondheid, onzen eerbied en al weg. Wat is toch een dronkaard? Hij ligt open voor alle zonden. Dan in de kleederen, die moeten nederig zijn, 1 Tim. 2:9. De menschen zeggen: \'tkomt daar niet op aan op dat uitwendige. Doch zij weten niet wat zij zeggen, Jes. 3: 18—24; wat daar staat heeft zoowel nu kracht, als toen. 1 Petr. 3:4—6, daar toont God der vrouwen sieraad, den stillen verborgen mensch des harten, een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. Een Christen is een wachter en zal die niet matig zijn ? Hij is een looper en zal die zich niet onthouden van al wat hem hinderen kan? 1 Cor. 9:24. Een Christen getuigt, dai, hij wacht op de komst van zijn Heere, en zou dit dan wel fraai zijn, dat, als een knecht zijn heer verwacht, hij dan ging zitten eten?

Wat nog? God vordert van ons, dat wij kuisch zullen zijn in dadeH, in gebaren, in woorden, bij alle gelegenheden die er zijn, hatende zelfs den rok, die van het vleesch bevlekt is, Judas vers 23. Rein van harte te wezen, welke de zaligheid wordt beloofd, en dat zij God zullen zien, Matth. 5:8. Zich te reinigen van alle besmettingen des vleesches en des geestes, 2 Cor. 7:1. Het hart te behoeden boven al wat te bewaren is, Spr. 4: 23. Bewaar uzelven rein, zeide Paulus tegen Titnotheüs, 1 Tim. 5:22. En zoo zegt God tegen ons allen.

Het laatste, waar God mede aandringt en toeklemt, is: behoedt

582

-ocr page 589-

OVER DEN XLI. ZONDAG. Vraq. 108 en 100.

583

uzelven niet alleen voor de ondeugd, maar betracht de deugd. Ach! hoevele menschen zijn er, die dat gebod niet overtreden! Ach inensch! wie gij zijt, zie toch toe, dat gij dit gebod niet overtreedt. Uwe lichamen zijn zoowel tempelen van den H. Geest, als uwe zielen, 1 Tim. 3:16. Gods Geest speelt misschien hier op den tempel van Salomo, en dat een recht Christen een afbeeldsel is van Salomo\'s tempel. Hoe vele duizenden zijn daar aan bezig geweest om te bouwen, en \'t gereedschap te maken! Paulus zegt, 1 Cor. 4:15. Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zoo hebt gij toch niet vele vaders. De tempel stak uit boven al de huizen te Jeruzalem een kind Gods is overtreffeiijker dan zijne naasten, Spr. 12:26. Zij zijn eene woonstede Gods in den Geest, Ef. 2:22. Zij zijn een geestelijke tempel, 1 lJetr. 2:5. In den tempel was het voorhof, het heilige, het heilige der heilige. Zoo heeft een Christen een lichaam en eene ziel; zijn lichaam is het voorhof, zijn lichaam met zijne vijf zinnen zijn als het voorhof; maar het heilige is de ziel met al de krachten derzelve; en \'t heilige der heiligen is eens Christens hart. De tempel was uitermate rein en schoon; een Christen moet schoon van binnen zijn. Onze verdorvenheden moeten wij die niet verfoeien en zeggen: zouden wij tempelen des H. Geestes zijn? Heere! reinigt ons dan van alle ongerechtigheid, laat ik uw huis toch tot geen hoerenhuis maken. Wie den tempel Gods schendt, dien zal God schenden, 1 Cor. 3:17. God zal wijken, en wee hen als God van hen zal geweken zijn, Hoz. 9:12. Gij zijt geroepen, opdat gij ijverig zoudt zijn in goede werken. Tit. 2:14 Gij zijt geroepen om in ware heiligmaking te leven; maar niet om als hoeren en boeven te leven, en zoo te overtreden en te zondigen tegen Gods gebod, tegen uw eigen lichaam en tegen den Heere Jezus. Zult gij de leden van Christus nemen, en die maken tot leden van eene hoer? Zult gij een lid van Christus zijn, en uzelven schuldig maken aan zulke misdaden? 1 Cor. 6: 15. Het is eene zonde tegen God den Vader, tegen zijn wil en gebod. Dit is de wil van God, uwe heiligmaking, en dat gij uw vat bezitten zoudt in heiligmaking en eer, 1 Tim. 4:3, 4. Bovendien is alle onkuischheid van God vervloekt. Kan dat alles u niet afschrikken? Laat het dit dan doen, dat het onder die vloeken is, waarop al het volk moest zeggen; Amen, Deut. 27 :15—26. Of gij in of buiten den huwelijken staat zijt, dat is Gods wil, gij moet niet leven, gelijk die zichzelven vervloekt maken. Dan geeft God u aan uzelven over; dan vervalt gij tot afgoderij, hoererij en moorden; ja God zal u dan bewaren tot het oordeel van dien grooten dag. Overlegt het eens, gij die in onreinheid wandelt, wat is dat voor een klein vermaak, en wat een schrikkelijke belooning eeuwig in do hel te moeten branden! \'t Staat van Jeftha zoo aangeteekend, Richt. 11 : l, Jeftha nu de Gilea-diet was een strijdbaar held; maar hij was een hoerekind. Geen bastaard zal in de vergadering des Heeren komen, zegt God, zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des Heeren niet komen, Deut. 23:2. Die in hoererijen leven, zij gaan als verrottende langs de straat.

-ocr page 590-

CATEOHISMUS-PBEDIKATIE

of ze al raeenen in hunne jonge jaren, dat ze \'twel zullen uithouden. Ja, de pijl doorsnijdt hunne lever, Spr. 7 :23. God oordeelt ze hier, en hierna.maals zullen ze het koninkrijk Gods niet beërven, 1 Cor. 0:10, ten ware dat zij invielen en zich bekeerden, wat ook nog wel gebeurt, als God hun doet zien hunne leelijke vuile zonden; hun in dezelve een mishagen doen hebben, en naar den Heere Jezus doen vlieden, om zich te reinigen in de fontein die geopend is voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid, Zach. 13:1.

Gij zult zeggen, die slag viel zoo op mijn hart. Wie is er niet schuldig aan dit gebod? De een min of de ander meer. Is het in dit of dat jaar niet, \'t is in een ander jaar. Wie kan zijne afdwalingen verstaan? Ps. 19:13. Gij zult zeggen: als iemand tot de daad komt, is er dan nog genade voor zulk een, is er dan nog uitkomst? Ja. Maar wij zeggen het niet, opdat gij er op zoudt gaan zondigen. Ach ja! daar is voor zoo een nog genade te krijgen; 1 Cor. 6:11, daar zegt de apostel het door Gods Geest duidelijk: Dit waart gij sommigen: overspelers enz. maar gij zijt afgewasschen, maar gij zi]t geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den naam van den Heere Jezus Christus en door den Geest onzes Gods. \'t Was die gegaan, evenals de man, die bloedschande begaan had. \'t Was zulk een bedroefde! Hij moest te hulp gekomen worden. Trekt uw hart van dien man niet af, zegt Paulus; zijt gij over mij bekommerd, meent gij, dat ik het hem niet vergeve? Ach ja! gaat, bezoekt hem, troost hem, opdat hij niet door al te overvloedige droefheid verslonden worde, 1 Cor. 5:1, en 2 Cor. 2:7. De tucht was aan hem geoefend, tot behouding van den geest, 1 Cor. 5:5. Ziet het in David, hij viel in overspel, en hij lag er al lang in. Daarna komt het op zijn hart, hy belijdt het voor God en menschen en bad om vergiffenis; en hij kreeg vergiffenis. 2 Sam. 12:13, De Heere heeft uwe zonden weggenomen, gij zult niet sterven, zegt de profeet. Wij prediken dit niet om te zeggen, dat iemand, die in die zonde gevallen is, nooit tot genade kan komen. Eer iemand genade heeft kan hij er invallen, en ook als hij genade heeft; maar wie hij is, hij moet er over invallen; daarover schreien en belijden; en zijn toevlucht tot Gods genade in Christus nemen. Men moet niet zeggen, zooals de farizeën zeiden: hier is eene vrouw, op de daad zelve gegrepen. Joh. 8:4. Zij zouden het gaarne gezien hebben, dat de Heere haar verdoemde; maar Hij deed het niet. Deze, indien Hij een profeet ware, zeide de farizeër die den Heere Jezus te gast genood had, zou wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt: want zij is eene zondares. Doch de Heere Jezus, willende toonen dat Hij het wist, riep Simon en zeide: Simon! Ik heb u wat te zeggen. Meester! zeg het, antwoordde hij. Toen zeide de Heere: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig. En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dozen

684

-ocr page 591-

OVER DEN XLI. ZONDAG. Vrag. 108 en 109.

585

zal hem meer liefhebben? En Simon antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijt gescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld, Luk. 7:39—43. En vs. 47 zegt de Heere: Hare zonden zijn haar vergeven, die vele waren: want zij heeft veel liefgehad. Ach! mochten de overtredingen zoo vele niet zijn! Moesten de overspelige vrouwen hier de wateren der jaloezie eens drinken, waarvan gij leest Num. 5, en dat God dan een tee-ken deed aan, allen die schuldig zijn, hoe vele vrouwen zou men langs de straat zien gaan, die schuldig waren! Moesten de mannen het doen, hoe menigeen zou er ontdekt worden schuldig te zijn! Hoe komt het, dat er zooveel onkuischheid is? Wat scheelt er aan? \'t Is of het geheele land een hoerenhuis geworden is; \'t is of er een geest van hoererij uitgestort is. Wat scheelt er aan? Ach! men kan geen prediking van de wet verdragen; dat onderscheidene kan men niet meer hooren; het wordt als wat vreemds geacht. Zulke leeraars, die getrouw zoeken te zijn en met het donderen van Gods wet, den mensch zoeken af te schrikken van zulke hooggaande en God tergende zonden, dat zijn bij u weetnieten, en dan zegt men, dat is geen geleerd prediken; die spiegel van Gods wet moet weggesmeten worden, het is al: handel mij zachtjes, de breuk moet nu al op het lichtst genezen worden, men moet nu Evangelisch prediken; maar het is omdat het wet-prediken u te veel beroert; zulke getrouwe leeraars wenschte men wel dat al naar het graf waren; maar verlangt daar zoo niet naar, gij zult die mogelijk eerder kwijt zijn dan gij denkt, en gij mogelijk wel een tijd beleven, dat gij het koude gebeente van uwe oude getrouwe en gestorven leeraars met heete tranen zult beschreien. Waar komt het nog vandaan? Het komt daar vandaan: er wordt geen straf geoefend. Men loopt al maar naar den rechter, daar schreit men en men komt in lof en bod. Werd het naar het Woord van God gestraft, al dat loopen zou haast ophouden. Zijn er geen bordeelhuizen? Die kotten worden gedragen in de achteraf-plaatsen. Ik weet dat er zijn, die zeggen: het is de plicht van den officier, die weg te doen. \'t Is waar; maar het is ook hun plicht om er naar te zien. Num. 25: 8, daar gaat openlijk eene hoer en een boef in den hoerenwinkel; Pinehas gaat hen achterna en doorsteekt hen beiden, \'t Scheelt daaraan, dat die bordeelhuizen en hoerenkotten in die achterafplaatsen van onze stad. niet uitgeroeid worden. Waar scheelt het nog? Geliefden! weet gij waar het scheelt? \'t Scheelt aan dat scheiden van de huwelijken, zonder groote reden. Zij komen los bijeen, en scheiden ook los vaneen. Wij hebben ons leven in het Woord niet gelezen, dat iemand macht heeft, om hetgeen God te zamen gevoegd heeft, te scheiden; dat scheide geen mensch, Matth. 19: G. Het komt van die verschillende en ongelijke huwelijken. Zij vragen er niet naar, man of vrouw, van welke jaren zij zijn, of van welk humeur. Daardoor geraakt dan vervreemding tusschen beiden. Het komt van al te groote ledigheid, dat de menschen met hun tijd geen raad weten. Dan raken ze aan het zuipen, aan het spelen, aan

-ocr page 592-

B86 CATECHISMUS-PREDIKATIE

vuile en onreine gesprekken; daaruit worden de lusten geboren; het laatste volgt doorgaans op het eerste, \'t Scheelt daaraan, dat er zoovele coraediën zijn, dat dulden en toelaten van die spellen, \'t Scheelt daaraan, dat ouders dikwijls geen goed voorbeeld aan hunne kinderen geven. Zij zijn geen goede voorbeelden; zij kweeken hunne kinderen niet op in de vreeze Gods.

Geliefden! mocht het eens een anderen keer in ons land nemen! \'t Zijn dingen, waardoor de vloek in ons lanc\' komt; waarom God een vloek geeft, en den zegen met den bezem des verderfs uit het land wegvaagt. Zou God Zich niet wreken aan zulk een volk! Hij zou dan geen God blijven, \'t Is slecht genoeg in Nederland, dat God voor God erkend wordt. Men smijt alle bewijsgronden weg; het zaad der boosheid zit in ons hart.

Gij zult zeggen, om die wet te onderhouden en ook dit, wat raad? wat\'zullen wij doen om onze verdorvenheid onder te honden? Weet gij wat gij doet ?

quot;Eerst. De alomtegenwoordigheid Gods in uw hart prenten. Zult gij voor Mij wel iets verbergen? zegt de Heere, dat Ik het niet zou zien? Jer. 23:24; was Ik een mensch, ja, dan zoudt gij in mijne tegenwoordigheid de zonde kunnen doen, dat Ik het niet zag. Maar dat zult gij voor God niet kunnen doen. Daar was eens een die tot onkuischheid verzocht werd, en hij scheen in het eerst het te zullen inwilligen: hij was het meer gewend, maar God had hem naderhand in het hart gegrepen, hij was veranderd. De vrouw bracht hem in een vertrek; hg zeide: is er geen heimelijker? kunnen wij hier niet gezien worden? Ja, zegt ze, daar is een heimelijker, en zij bracht hem er in; is er nog niet een heimelijker? zegt hij? zij ging naar een ander; hij bleef daar al hij, is er geen verborgener. Zij zeide: hier kunnen wij onmogelijk van iemand gezien worden. Wel, zegt hij, kan God ons niet zien? Dat was het dat een klem op haar hart gaf, en waardoor zij tot inkeer kwam en genade kreeg. O! zegt hij, ik ben dezelfde niet meer, gij hebt u door die zonde vervloekt gemaakt, en ik ook, en God heeft Zich mijner ontfermd. En God raakte haar mede in het hart. Denkt, om niet te zondigen, dat gij onder het alziend oog, en onder de alaanteekenende hand van uod zijt. Denkt altijd: daar is niets, noch iemand, onzichtbaar voor Hem, Hebr. 4:13. God is aan deze plaats. Wilt gij nog een middel hebben tegen uwe verdorvenheden ?

Denkt, ten tweede, aan de schrikkelijke nasmart. Het vermaak dat er in de zonde is, is licht en kort; maar de nasmarten zijn langdurig en zwaar. Daar werd er eens eene tot onkuischheid verzocht; maar zij weigerde het. De manspersoon hield aan, doch zij bleef weigeren; hij blijft echter hardnekkig aanhouden. Ik zal het niet doen, zegt zij, of gij moet mij ook in eene zaak ter wille zijn. Wat is dat? zegt hij. Daar staat eene brandende kaars, zegt zy, houd uwen vinger een halfuur in die kaars. Wie, aegt hij, heeft ooit van iemand zulks gevorderd? Daar klemde zij hem mede. Zoudt gij

i

, , ;

ü

i

: r

Rif lil

-ocr page 593-

OVER DEN XLI. ZONDAG. Vrag. 108 en 109.

geen halfuur de smart van dat klein vlammetje lijden om mij? zegt ze, en zou ik liclit om u de smarten van de eeuwige vlam in de liel moeten uitstaan? Als wij ons met zulke gedachten wapenden, wij zouden wel vrij zijn van zulke overtredingen.

Ten derde. Dikwijls te bidden: schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij eenen vasten Geest, Ps. 51 :12.

Ten vierde. Een verbond maken met onze oogen, gelijk Job deed. Job 31:1.

Ten vijfde. Bidden, dat God onze oogen afwende, dat wij geenijdel-heid zien, Ps. 119 :37.

Ten zesde. Den minsten lust en beweging, die wij in ons hart voelen, zoeken te onderdrukken; in het eenzame en verborgene treuren; over de zondige beweging van ons hart tegen dit gebod treuren, dikwijls er over zeggen, gelijk Hom. 7:24, ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen.

Nog eens. Mijden de ledigheid.

Nog eens. Mijden het kwaad gezelschap: kwade samensprekingen bederven goede zeden, 1 Oor. 15 :33.

Nog eens. Verkeert bij goede en eerlijke godvreezende menschen. Als gij u zoo gedraagt, ach! de Heere zou u zegenen en bewaren, en u in staat doen zijn, om een goed onderdaan van den Staat en een goed lid van de Kerk te zijn. Zoo God de belijdenis en de schaamte op het aangezicht zag, Hij zou Zich niet verbergen; om de struikelingen zou Hij u niet verlaten, maar zijn liefelijk aangezicht over u laten schijnen, en zeggen: \'t is wel dat het in uw hart gekomen is, u te vernederen. Zult gij u zoo aanstellen? Dan zult gij eindelijk als eene reine maagd voor God gesteld worden. En hij zal zeggen: deze zijn maagden, die zich niet bevlekt hebben, Openb. 14:4. Hebt gij gezondigd, neemt uwen toevlucht altijd tot Jezus; belijdt het voor Hem. Gij zult eindelijk moeten zeggen: mijne nieren hebben mij onderwezen, Ps. 16: 7. Hij heeft dit gebod volmaakt onderhouden, opdat Gods kinderen deel zouden hebben aan de volmaakte gehoorzaamheid van Hem, en zoo in Hem volmaakt zouden zijn.

Kinderen van God! dat moet gij uw leven niet vergeten, dat gij in elk gebod de volmaakte gehoorzaamheid van Christus hebt. Jaagt dan den vrede na en de heiligmaking, zonder welken niemand God zien zal, Hebr. 12:14. Laten wij onszelven oefenen om alle besmetting des vleesches en des geestes te ontvlieden, 2 Cor. 7:1, totdat wij eens rein voor zijn aangezicht zullen gesteld worden. Amen.

587

-ocr page 594-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XLIL Zondag. Veag. 110 en 111.

Twee-en-veertlgste Zondag.

110. Vraag. Wat verbiedt God in het achtste gebod?

Antwookd. God verbiedt niet alleen het stelen en rooven, hetwelk de Overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij, alle booze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed aan ons denken te brengen, hetzij met geweld of met schijn van recht, als met onrecht gewicht, elle, mate, waar, munt, woeker, of door eenig middel van God verboden: daartoe ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting zijner gaven.

111. Vkaag. Maar wat gebiedt u God in dit gebod?

Antwoord. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, be-vordere, met hem alzoo handele, als ik wilde, dat men met mij han-dele; daartoe ook, dat ik getrouw arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge.

WIJ lezen. Gen. 3:17—19 dat God tegen den mensch na den val zeide: Het aardrijk zij om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen; en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt: want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeeren. God had tot den mensch gezegd: Gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeeren. Hij zeide: ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Gen. 2:17. Hij gaf den mensch evenwel uitstel na den val; nadat de mensch sterfelijk was, zoo gai Hij hem nog uitstel. Hij zeide tot den mensch: Ik wil u het schepsel niet onthouden; maar \'t zal u evenwel niet gaan als voor den val; gij zult de aarde moeten beploegen en bezaaien; \'t zal niet zonder moeite of zweet toegaan. De tranen en het zweet zullen u altemet eens uitbarsten; ja, altemet zal \'t een bloedige arbeid zijn. Ik wil niemand ledig zien, zeide God; 2 Thess. 3:10, Die niet werkt dat hij niet ete. Wilt gij uw brood eten, werkt er voor. Wederom voorzeg ik u, dat, als gij arbeidt en naarstig bezig zijt, zoo zal \'t niet altijd voorspoedig gaan; \'t zal u wel eens gaan evenals Jakob: Ik ben geweest, zegt hij, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nachtIJ lezen. Gen. 3:17—19 dat God tegen den mensch na den val zeide: Het aardrijk zij om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen; en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt: want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeeren. God had tot den mensch gezegd: Gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeeren. Hij zeide: ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Gen. 2:17. Hij gaf den mensch evenwel uitstel na den val; nadat de mensch sterfelijk was, zoo gai Hij hem nog uitstel. Hij zeide tot den mensch: Ik wil u het schepsel niet onthouden; maar \'t zal u evenwel niet gaan als voor den val; gij zult de aarde moeten beploegen en bezaaien; \'t zal niet zonder moeite of zweet toegaan. De tranen en het zweet zullen u altemet eens uitbarsten; ja, altemet zal \'t een bloedige arbeid zijn. Ik wil niemand ledig zien, zeide God; 2 Thess. 3:10, Die niet werkt dat hij niet ete. Wilt gij uw brood eten, werkt er voor. Wederom voorzeg ik u, dat, als gij arbeidt en naarstig bezig zijt, zoo zal \'t niet altijd voorspoedig gaan; \'t zal u wel eens gaan evenals Jakob: Ik ben geweest, zegt hij, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht

-ocr page 595-

CATECHISMUS-PREDIKATIE, ENZ.

de vorst, en dat miin slaap van mijne oogen week, Gen. 31:40. Al zijt gij naarstig, het gaat echter wel eens zoo, dat gij moet zeggen, gelijk Joh zeide: Een mensch van eene vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust, Job 14:1; en gelijk Mozes schrijft, Ps. 90:10, Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet: want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. De mensch krijgt wel een uitstelbrief, van zeventig of tachtig jaren; maar het uitnemendste van die, de allerbeste dag is moeite en verdriet. Als nu een mensch naarstig is, en God zegent het, gelijk op de naarstigheid doorgaans de zegen komt; als er nu van onze winst wat overschiet, want toch de zegen des Heeren maakt rijk, en Hij voegt er geene smart bij, Spr. 10:22, zou het dan niet smartelijk zijn, als er diefachtige handen waren die dat stalen? Dan zouden wij smart op smart hebben, en wij zouden ons nauwelijks kunnen onthouden, als Micha\'s moeder, tóen zij vloekte over de duizend zilverlingen die gestolen waren; al was het haar eigen kind die ze gestolen had, Richt. 17:2, 3. God beschikt het zoo, dat de dieverij overal zonde gerekend wordt, \'t Is wonderlijk geschikt, dat elk zulk eenen indruk daarvan heeft, dat hij het niet doen mag, en dat dieverij overal bij de Justitie strafbaar is. Waar wij verkeeren in de wereld, zij zullen overal zeggen: Gij moogt niet stelen.

God had in het zesde gebod niet gewild, dat de wereld een spelonk van moordenaars zou zijn; in het zevende had Hij niet gewild, dat de wereld een hoerenhuis, een onkuisch bordeel zou zijn; en in het achtste gebod, zorgt God dat de wereld geen spelonk der dieven zou wezen. Daarom zegt de Wetgever, in het achtste gebod: Gij zult niet stelen. Wij hebben dan in dat achtste gebod te bezien.

Eerst. De wijze bestelling van God, dat elk zijn eigen goed heeft.

Ten tweede. De grove dieverijen.

Ten derde. De mindere dieverijen.

Ten vierde. De wortels, die daartoe aanleiding geven.

Ten vijfde. De deugden, die hier geboden worden. Dat zijn onze vijf zaken waar wij op te letten hehben. 1. God stelt vast dat elkeen zyn eigen goed heeft, 2. Hij verbiedt de grove dieverij. 3. Ook de mindere dieverij. 4. Moeten wij letten op de wortels die daartoe aanleiding geven. 5. Dat de Wetgever eenige heerlijke deugden gebiedt.

Wat het eerste aangaat; de Mennisten, als zij eerst hunnen kop opstaken, meenden, daar moest eene gemeenschap van goederen plaats hebben. Maar zij zijn nu zelf al wijzer geworden. Wij zeggen neen; die gemeenschap van goederen deugt niet, en is niet volgens Gods instelling, maar elk moet zijn eigen goed hebben. Als \'t in tijd van nood is, dan hebben wij er ook niet tegen, dat men de goederen te zamen legt, en zoo eene beurs uitmaakt, en er met elkander van leeft, zoolang als het toereiken kan. Hand. 2:44, 45, en 5:2, deden zij zoo, in den tijd der apostelen; daar brachten ze al wat ze hadden bij-

B80

-ocr page 596-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

een, en zjj zeiden: laat ons met elkander daar zoolang van leven, als wij kunnen; wij zullen eens te zamen in den hemel moeten komen; laten wij dan op den weg naar den hemel, met elkander van onze goederenquot;, zoo ver zien te komen, als wij reiken kunnen, \'t Is heerlijk; maar als \'t geen tijd van nood is, dan moet men dat niet doen.\' God heeft het zoo beschikt, dat elk mensch zijn eigen goed zal hebben. De hemel is des Heeren, maar de aarde heelt Hij den menschenkinderen gegeven. Ps. 50:12, zegt God: Mijne is de wereld en hare volheid. De aarde is des Heeren met al wat daar op is, Ps. 24:1; maar Hij voedt elk met het brood zijns bescheiden deels, Spr. 30:8. Den eene eene groote en den andere eene mindere portie. Spr. 22:2, Rijken en armen ontmoeten elkander, de Heere heeft hen allen gemaakt ; God geeft het den mensch als zijn eigen. Naboth zeide tot den koning Achab: Dat late de Heere verre van mij zijn, dat ik i; de erve mijner vaderen geven zoude, 1 Kon. 21 :3. De koning moest het zelf bekennen. En 2 Sam. 12:3, daar hadt gij des armen mans eenig ooilam; het was des armen mans eigen goed.

Nog eens. \'tls zijn eigen; maar wij moeten zorgen, dat wij \'t elk rechtvaardig bezitten mogen. Dat is zulk een sieraad als wij tegen onze wederpartijen kunnen zeggen, \'t geen Jakob tegen Laban zeide: gij hebt het nu alles betast, zegt hij, wat ik heb, \'t is alles door uwe handen en voorbij uwe oogen gegaan, kom, legt het hier voorde oogen van mijne en uwe broederen, dat gij van het uwe bij mij gevonden hebt; al wat gij gevonden hebt, is bij mij gestolen; ik zal \'t zooveel dubbel weergeven als gij \'t zelf begeert. En Laban moest zeggen: ik heb nietmetal gevonden, dan dat ik moet beschaamd staan, dat ik u beschuldigd heb. Gen. 31:36, 37. \'t Is schoon als wij kunnen zeggen, \'t geen Samuël eens zeide, als hij zijn dienst neerlegde: Gij wilt een koning over u hebben; maar ik roep u nu allemaal tot getuigen, wiens os of ezel heb ik gestolen? Zegt het, betuigt het voor God, wien heb ik verdrukt? Zij moesten allemaal verklaring aan dien ouden man geven: gij hebt ons niet verongelijkt, 1 Sam. 12: 2—4.

Nu zegt God: Dieven, houdt uwe hand van uws naasten goed af, steelt niet. Hier hebben wij verscheidene dieverijen.

Daar is er onder andere eene, ten tweede, die grof en schrikkelijk is. Wat is die grove dieverij? Deze, dat een mensch een beest steelt, dat een mensch steelt: huisgoederen, landgoederen, armgoederen, roof\' met een dief deelt.

Eerst. Kunnen wij grove dieverij begaan met een mensch te stelen. Dat soort van dieverij wordt begaan in den slavenhandel; die een mensch steelt, zegt Gód, zal zekerlijk gedood worden, Exod. 21:16. Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen een handel van gemaakt. Ach! mochten die menschen, die zoo verkocht, vervoerd, en dikwijls daarom vermoord worden, eens spreken, zouden ze niet zeggen, als eertijds Jozef: Ik ben diefelijk ontstolen uit mijn land. Gen. 40:15.

B90

-ocr page 597-

OVER DEN XLIL ZONDAG. Vrag. 110 en 111.

Dat is ook menschendieverij, als bijvoorbeeld een bedelaar een kind steelt, om er mee te gaan bedelen; en zij doen dat kind een gebrek aan, om er de menschen tot medelijden door te verwekken.

Dat is mede menschendieverij, als de kloosterpapen de kinderen weten te verleiden, die veel goed hebben, of schoon van gedaante zijn, opdat ze in \'t klooster zouden komen.

Dat is almede menschendieverij, als iemand eens anders dochter schaakt, wegneemt, of verleidt tegen den zin der ouders, en ze beslaapt. Gij ontsteelt den ouders hun beste pand. Zoo is \'t ook, dat eene dochter ook aan een jonkman kan doen, hem verleiden door haar onkuisch gedrag, Spr. 13. Wat vloeken liggen er gemeenlijk op zulke huwelijken, die tegen den zin der ouders geschieden.

Dan is er, ten tweede, veedieverij, te weten: dat men een os, een schaap, een paard, of dergelijk steelt, 2 Sam. 12:4. Des armen mans eenig ooilam werd gestolen; dat wordt daar voorgesteld onder eene gelijkenis; doch \'tkan ook wezenlijk zoo geschieden! Zoo gij iemands beest steelt, zegt God, gij zult het vier of vijf dubbel wedergeven, Exod. 22:1.

Dat is ook al veedieverij, als men op wateren die verpacht zijn, gaat visschen. Als men in de besloten vijvers van de buitenplaatsen, hofsteden of lusthuizen gaat visschen, en in de duinen, die verpacht zijn, gaat jagen, tot schade en verkleining van die het gepacht hebben, en tot vergrooting van zichzelven.

Dan is er, ten derde, huisdieverij. Dat is, wanneer men goud, zilver, kleederen of huisraad steelt. Dan is er nog eene dieverij, als men zijn vee zendt in den akker van zijnen naaste, om dien \'af te eten, en dat men de vruchten van zijns naasten land, akker, of boo-men afplukt. Dat is de dieverij van quot;goud, zilver, kleederen, vruchten, \'t wordt allemaal gestraft van de Overheid.

Dat wordt nu verzwaard, als het met geweld is, door inbreking. \'t Wordt verzwaard als het \'s nachts geschiedt. Als gij het ontijdig doet; God zegt er van: als gij een dief vindt in het doorgraven; want gij weet niet wat hij in den zin heeft, of hij om te moorden of om te stelen komt; al slaat gij hem dood, het zal u geen bloedschuld zijn, Exod. 22 : 2.

Dan is er, ten vierde, landdieverij, waar zooveel geschreeuw in deze stad van geweest is. Wat is dat? Dit. Bijvoorbeeld, daar zijn burgers, die in eene societeit met elkander leven, zij nemen eenige uit hen, en stellen een verdrag op, en zeggen, naar zulke en zulke vrijheden willen wij geregeerd worden. Is daar ook landdieverij in te begaan; waarin bestaat die? zult gij zeggen. Daarin, dat als\'de onderdanen, de burgers en ingezetenen van een land, regenten verkiezen, en eenige voorrechten en vrijheden bedingen, dat die van de regenten moeten nagekomen worden; of zoo zij dat niet doen, dat zij dan eene diefstal begaan. Zij stellen eenigen tot regenten, uit het midden van hen, en zeggen : zulke vrijheden zullen wij hebben, en op zulke voorrechten zult gij ons regeeren. Gaan ze dat nu te buiten, dan

591

-ocr page 598-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zijn ze landdieven. Daar kan geen een regent op het kussen komen, ot\' hij moet zweren, dat hij de goederen, die de burgers te zamen opbrengen, zal zoeken te vermeerderen, waar bij maar kan; en niet verminderen. Ze moeten niet doen als Due d\'Alba: ik zal, zeide deze, die Francijnen, die kweektuinen van oproer, in stukken snijden, en dan die o\'verbeerde schepselen een breidel in den bek wringen; en ronduit zeggen: ik vraag naar die societeit niet. Zij moeten niet zeggen: de kas is onze. Als die societeit opbrengt wat regenten noo-dig heliben om baar te regeeren, en die regenten slaan dan hunne handen aan die gemeene en landmiddelen, om die naar hen te trekken, dat is landdieverij. Dan brengen de burgers al maar op, en zij trekken quot;t naar zich, in plaats van het te gebruiken waar net noo-dig is. Dat is ook landdieverij: als regenten somtijds vrienden hebben, die ze moeten voorthelpen, en meer bedienden stellen dan er wezen moeten, of als er noodig zijn; maakt dat ook geen argwaan? Dat is ook landdieverij, als regenten de commissie die ze hebben, langer uitrekken dan zij moesten. Of zijn er commissien die aanbesteed worden, en zij komen overeen met degenen die ze aanbesteed worden, mits dat zè er dit of dat voor zullen hebben; die dat doen zijn metgezellen der dieven. Zij zijn als avondwolven; \'t scheelt hun niet, hoe zij den roof deelen. Hare vorsten, zegt God, zijn brullende leeuwen inquot; het midden van haar; hare rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen, Zef. 3:3. Zij zijn metgezellen der dieven.

Dat is almede landdieverij, wanneer de regenten alleen daarop uit zijn, om hun vrienden de quot;ambten te geven, of die aan zulken te geven, die er niet toe in staat zijn om ze te bedienen; en zulks al zou er het land schade door lijden.

Dan is er almede landdieverij in de militie. Hoofden op te geven die niet in \'slands dienst zijn; quot;te veel manschappen op te geven en een deel schaduwen van soldaten, voor ware, dienstdoende koppen te boek te laten stellen. Als dat geschiedt spannen de kapiteins samen, en steken \'t geld in hun zak, dat brave regenten niet zouden dulden, zoo zij \'t wisten, maar hetgeen hun dikwijls onbekend blijft; en als de nood aan den man komt, tot schade van \'t land ondervonden wordt.

Dan is \'t ook almede een soort van landdieverij, als de beambten dikwijls eene groote som gelds moeten geven voor hun ambt, dat in \'slands kas niet komt. Wat doen ze om \'t in te krijgen? Komen er onnoozelen, die doen ze dikwijls tweemaal geld geven. Zij weten de briefjes zoo te schrijven, dat, als de menschen het al betaald hebben, zij het nog eens moeten doen.

Nog een ander soort van landdieverij is er, te weten: als de bedienden van \'s lands kantoren weigeren, de ordonnantiën, waarop de lieden die geld aan \'t land te goed hebben betaling verzoeken, te voldoen. Wat heeft men wel niet geschreeuwd over dat ordonnantie-geld ! Als de eigenaars om geld kwamen, dan was er, zoo men zeide, dikwijls geen geld in kas; maar als ze de ordonnantiën aan hen ver-

B92

-ocr page 599-

OVER DEN XLII, ZONDAG. Vrag. 110 on 111.

kochten, dan was er terstond geld, zoo haast als ze in hunne handen waren; maar waren ze in de handen van de eigenaars, dan was er geen geld.

Bij de landdieverij komt kerkdieverij.

Gij zult zeggen, kan men die ook al bestelen? Ach ja! Dan wordt die bestolen, als de ontvangers, die dan dikwijls bankroet spelen, te kort komen, en hetgeen ze voor de kerk ontvangen hadden zoek gemaakt hebben; ze kunnen het geld van de armen, dat ze onder zich hadden, niet wedergeven.

Dat is ook al kerkdieverij, predikantsbedieningen te verkoopen, en dat men dengenen, die onder den kerkeraad zijn, ouderlingen en diakenen, uit menschengunst, of vrees, hunne stem doet geven aan dezen of genen, dien men gaarne met dat beroep zou willen begunstigen, \'tls simonie, \'t is een soort van handel drijven met hetgeen God buiten hun bereik gesteld heeft. Hand. 8:18—20. \'t Is zoo goddeloos in ons land geworden, dat men schrikt het te zeggen. \\\\ ie had dat ooit gelooid, dat in eene Gereformeerde Kerk een paapsch ambachtsheer of ambachtsvrouw de macht zou hebben, zich dat recht van de Kerk aan te matigen, om het wettig beroep van een predikant te verwerpen! Wie had dat zijn leven van onze Kerk geloofd, dat een paapsch ambachtsheer of vrouw een Gereformeerd predikant kan verwerpen, naardat het hun lust, een te weigeren en af te keuren, die wettig geroepen is!

Nog eens. Daar moeten opzieners zijn van dolhuizen, gasthuizen, armhuizen, daar moeten diakenen over zijn. Als zulke opzieners of diakenen, dan zichzelven van die goederen weten te bedienen, is dat niet gruwelijk? Dat was de zonde van Judas; hij scheen zulk eene zorg voor de armen te hebben; maar hij was een dief. Achan stal van het verbannene, Joz. 7:1.

Dan is er ook rooverij, hetzij ter zee of te land. Gij zult uws naasten goed niet rooven, zegt God, Lev. G:2. Is het ter zee, dan is het zeerooverij, en is het te land, dan is het struikrooverij; als men zijne handen aan verbodene goederen slaat, zoo wordt men een roover.

Eindelijk. Wie met een dief deelt, die haat zijne ziel, Spr. 29:24, en die is ook de straf onderworpen. Een dief is straf onderworpen; \'t is overal leelijk, schandelijk, en het wordt voor zonden gerekend. Men jouwt over een dief. Job 30:5. Als men een dief vindt, men jouwt er over. Dat niemand van u lijde als een dief of kwaaddoener, 1 Petr. 4:15. Bij de goddelijke wetten werd een dief zeer gestraft, sommigen met den dood, maar sommigen moesten het vier of vijfvoudig wedergeven, Exod. 22:1. Als de magistraat het niet straft, doet God het. \'t Is menigmaal om te verwonderen, hoe groote fa-miliën of geslachten, die gegoede burgers waren, tot armoede vervallen. God straft hen; Hij zendt de vloekrol in het huis van den dief, Zach. 5:4, die de balken en steenen, de zolders en de wanden verteert; God zegt er van: de dief zal het Koninkrijk Gods niet beërven.

as

593

-ocr page 600-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

De roovers zullen het ook niet beërven. 1 Cor. 6:10. Noch dief, noch gierigaard, noch roover, zullen het Koninkrijk Gods beërven, tenzij dat ze zich tot God bekeeren. Daar hebt gij nu de grove dieverij, die de Overheid straft.

Dan is er nog eéne dieverij, ten derde, onder schijn van recht. Wat wil dat zeggen? Dat is zijns naasten goed naar zich te trekken, al is er nog zoo weinig schijn van recht in. Dat wordt eene overweldiging genaamd. De apostel Jakobus zegt: En overweldigen u niet de rijken, mijne broeders? Jak. 2:0. Dat deed Achab: door geweld kreeg hij Naboths wijngaard, 1 Kon. 21:15. Dat is een vertreder van zijnen broeder, 1 Tliess. 4: G. Zulke loopjes hebben de rijken altemet. De armen moeten geld van ben hebben; zij weigeren het hun, en zeggen: Gij kunt het met recht halen. Zij maken het den armen moede. Zij houden het uit met daarover te procedeeren, en zoo doen zij den armen lieden geweld aan. Zij weten, dat de armen niet volgen kunnen, en dat zij dusdoende het eindelijk zullen moeten opgeven. Daar zijn altemetquot; armen, die zeggen: ik moet dat ^eld van u hebben, betaal mij; ik zal het u niet betalen, zeggen ze. Zij maken uitvluchten; heb ik dat gehad? zeggen zij, en ze loochenen hetgeen hun geleverd is, of zij zeggen: haal het met recht; de armen moeten het missen, wat goddelooze dingen zijn; en dat, waar zij zeer wel weten, dat de armen het niet kunnen doen. Daar wordt dan geen recht gedaan, het wordt uitgesteld, zoodat de arme wel gelijk heeft, maar hij kan het tegen hen niet uithouden. O! daar roept God een wee over uit, Jes. 10:1, 2, Wee dengenen, die onrechte inzettingen inzetten, en den schrijvers die moeite voorschrijven; om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen mijns volks te rooven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de weezen mogen plunderen. En Spr. 29: 7, De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen.

Dan is er nog eene dieverij onder schijn van recht. Gij zoudt het van buiten niet zeggen: gij zoudt het ook niet kunnen bewijzen. Onder schijn van recht, zult gij zeggen, hoe is dat? Door el, gewicht, maat, waren, en alle andere booze aanslagen.

Met de el. Daar komt een kooper, en hij wil iets koopen. De el die elkeen het zijne toemeet, geeft haar ware maat niet. Zij weten door een kunstigen trek er wat van af te doen, door de waren uit te rekken, of door de vingers te laten schieten: en zoo meten zij wat niet recht is. . . , .

Dan door gewicht. Men heeft tweeërlei gewicht, een dat zwaar is, om in te koopen, en een lichter, om te verkoopen, of een zwaar of licht over en weer, naardat het te pas komt. Daardoor komt het, dat het kleedje en deksel van den arme hem niet dekt en te kort is, en door het niet geven van de maat, kan hij zijne behoefte niet krijgen. Had hij datgene dat hem toekomt, hij had met vroolijk-heid gegeten en zich zelf gekleed tot verwarmens toe.

Nog eens. In het gewicht, Lev. 19:36, Gij zult eene rechte wage

594

-ocr page 601-

OVER DEN XLII. ZONDAG. Vrao. 110 en 111.

hebben, rechte weegsteenen, eene rechte efa, en een rechte hin. In de publieke weegplaatsen en in \'t particulier, zult gij geen bedrie-geli]ke weegschalen hebben, dat is den Heere een gruwel, Spr. 11 ; 1.

In de waren; wat doet men daar voor dieverij in? \'t is slechter waar dan men weet, of dan men gekocht heeft. Men weet ze een schijn te geven alsof ze goed was, of men weet de goede waar te verachten, opdat men ze goedkoop zou hebben, en de slechte waar te prijzen, opdat men ze duur verkoopen zou, en ze zoo hoog te loven, dat arme menschen er niet naar bieden kunnen. Anderen verachten de goede waar: \'t is kwaad, \'t is kwaad zal de kooper zeggen, opdat hij het goedkoop zou krijgen, en als hij het heeft, beroemt hij er zich over, Spr. 20 :14.

Dan monopolie te doen; dat is, eene waar alleen op te koopen, en die in te houden, opdat niemand ze zou kunnen krijgen dan van hem, en dat zoo duur als hij wil. Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk, Spr. 11:2G. Menschen, die zoo eenerlei waar alleen in hunne macht zoeken te hebben, begaan diefstal door dat te doen.

De goede waren te vervalschen, opdat ze slechts een goeden schijn zouden hebben, en dan die vervalschte waren voor goede te verkoopen, dat is ook stelen.

Dan in de munt, daar kan men ook stelen. Men heeft het al gezien, dat er muntmeesters hebben moeten vluchten, waar de hand van de grooten dan mede achter is. Zij weten het geld van eene mindere waarde te maken. Ja, zelfs de burgerij kan zichzelven daar schuldig in maken; als een goede som gelds uitgegeven moet worden, en zij weten, dat er een stuk twee of drie onder zijn, die valsch zijn, dat meii dan zegt: ik zal er dat maar onder laten loopen, en zoo nemen ze dikwijls de geheele winst weg.

Dan op woeker te nemen, dat is eene bijtende winst, die dengene, die ze betalen moet, doet zuchten. God wil geen overwinst genomen hebben. Van de heidenen mochten zij winst nemen, maar van hunne broederen niet. God wil dat nu wel zonder onderscheid gedaan hebben. Als men iemands geld gebruikt, dan moet men winst geven; maar woeker wil God nooit genomen hebben. Die lombarden, waar alles te pand gebracht wordt, zij zijn een gruwel; deksel, kleederen, en al wat somtijds een gering mensch bezit, wordt daar dikwijls gebracht, om den bongerigen buik te stillen; en daar is een overmaat in de winst. Als ze het anders nog zouden kunnen gebruiken, zoo is het verteerd. Niet minder schrikkelijk en goddeloos is bet, wanneer men te pand neemt, datgene, waarmede iemand den kost voor zichzelven en voor zijn huisgezin winnen moet. Daar komt een ambachtsman met zijn gereedschapje, waar hij den kost mede won, een bijl, een spade, een zaag, of iets dergelijks, en de nood dwingt hem om dat te verpanden of te verkoopen. God zegt, Deut. 2-1 :6, Men zal beide molensteenen, immers den bovensten molensteen niet te pand nemen: want hij neemt de ziel te pand. Als ze den bovensten nog maar hebben, die kunnen ze ergens tegen een barden grond

B95

-ocr page 602-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zetten, en er dan nog den kost mede winnen. Wat die lombarden aangaat, het is u bekend, geliefden, dat wij daaromtrent in onzen tijd ons gemoed hebben zoeken te ontlasten en aangetoond, wat zij zijn, en tot hoever zij zonden mogen gaan met het nemen van winst; waarom wij voor het tegenwoordige daar niet meer van zullen spreken.

Geliefden! dan is er nog een soort van stelen, en dat geschiedt onder schijn van recht; wat de Onderwijzer in deze woorden voorstelt; alle\' booze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed gedenken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, enz. Hij wil dit zeggen: Ken ik al de handelingen der dieven? Daar zijn nog vele booze stukken en aanslagen. Welke zijn er nog wel, die in het oog loopen ? Loterijen, dobbelen, spelen. De menschen ontstelen het zichzelven en hunnen vrouwen en kinderen, of vrienden. Die winnen of verliezen, zij ontstelen het zichzelven, of hun naasten. Dat is niet alleen eene zonde tegen het derde, maar ook tegen het achtste gebod.

Ja, nog eens. Contracten te breken, bij welke men verbonden is, gelijk Laoan omtrent Jakob deed. Gij helit mijn loon, zegt Jakob, wel tienmalen veranderd. Tenware de God mijns vaders, de God Abrahams en de vreeze Izaaks bij mij geweest ware, zekerlijk gij zoudt mij nu ledig weggezonden hebben! Gen. 31:41, 42.

Dan, het loon van de arbeidslieden te onthouden, en hunnen dienst te willen hebben, en het niet te willen betalen. Ziet dat Jak. 5:4, Ziet, het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren van den Heere Sebaóth.

Anderen willen het loon wel hebben, maar den arbeid niet doen. Meent gij dat het alleen aan de rijken schort? Dat is ook stelen, dat futselen en lanterfanten; dezulken zullen altoos schatplichtig zijn; hun leven zullen zij hunne armoede niet te boven komen. Zij staan altijd onder dienstbaarheid.

Anderen zijn lui en ledig, en leven zoo op de milddadigheid van anderen. Dat zijn bedelaars. God wilde niet, dat er bedelaars onder zijn oud volk wezen zouden; Deut. 15:4, Alleenlijk omdat er geen bedelaar onder u zal zijn. Zij moesten elkander onderhouden.

Behalve dat, niet te zorgen voor hetgeen ons is toevertrouwd, is almede een soort van diefstal. Vuile bankroetiers doen dat. Dan gaan ze van hun naasten leenen, als ze zien dat ze te kort schieten; I\'s. 37; 21, De goddelooze ontleent en geeft niet weder. Daar bedriegen ze dikwijls bekenden en nablocd-vrienden mede, die zij weten dat ze liet hun niet weigeren kunnen, of ze zouden eene groote verwarring in hunne familie brengen. Dat weten die deugnieten wel, en zij brengen er hunne vrienden door in de uiterste ongelegenheid.

Behalve dat, het verlorene te helpen zoeken en weder te geven; wil men geen diefstal begaan. Waar is dat te vinden? zult gij zeggen; ziet dat Deut. 22:1—4, Gij zult het uwe verlaten, om uws naasten goed te gaan zoeken; en gevonden hebbende, zult gij het

696

-ocr page 603-

OVER DEN XLII. ZONDAG. Vrag. 110 en 111.

in alle manieren wedergeven. Weet uw naaste het niet, gij zult het bewaren, totdat hij er om komt. Dat was de les, die Jakob zijnen kinderen gaf: hebt gij geld gevonden in uwe zakken, zegt hij, brengt het weder, het is misschien een feil. Daarom gingen ze met dubbel geld in hunne hand weder naar Egypte, Gen. 43:12. Al vertrouwt gij mij het goed toe, zeide Paulus, ik wil evenwel getuigen hebben die meegaan; 2 Cor. 8:19, daar hadden zij zulk eene groote collecte edaan. Laten er getuigen mee gaan, zeide de apostel, opdat ik in en grooten overvloed uiet gelasterd worde. Hij wilde zich zeiven al dat goed niet alleen toevertrouwd hebben, om alle laster te ontgaan. Ziet dat op vs. 19, 20 van datzelfde hoofdstuk.

Zoo hebben wij dan gezien de grove dieverij, en de heimelijke dieverij. Maar waaruit spruiten die nu? Ten vierde. Uit verkwisting van goed, en uit gierigheid. Dat zijn de beide wortels van den diefstal. Hoe? zult gij zeggen. Op deze wijze:

Eerst. Die verkwistend willen leven, zij moeten meer knechten en dienstmaagden houden, dan een ander; zij moeten kostelijk eten en drinken, en prachtig gekleed gaan, en dat kunnen zij niet\'uitvoeren; dan beginnen zij hunne handen ten onrechte uit te steken. Ziet gij een verkwister, gij ziet een dief, hetzij door geweld of door schijn van recht, zegt de Onderwijzer. Spr. 23quot;: 20, 21, En zijt niet oncler de wijnzuipers, noch onder de vleeschvreters, want een zuiper en vraat zal arm worden. Die vleeschvreters en wijndrinkers worden eerst arm, en daarna worden zij dieven. Die zulke figuren in de wereld maken, worden gemeenlijk arm en berooid, en dan weten zij van hun bekenden of\' burgers, die geld van hen moeten hebben, zeer veel af\' te trekken, en dat onder een schijn van recht.

De tweede wortel van diefstal is de gierigheid. Wat is gierigheid? Dat is haast te noemen, het is die heblust in het hart om dat te verkrijgen waartoe men lust heeft, door recht of onrecht, en dat verkregen hebbende, hetzelve met allerlei middelen, geoorloofde of ongeoorloofde, vast te houden. Die heblust is zoo mooi in het oog, het staat zoo fraai, en het geeft zooveel genoegen, zoo zij denken, rijk te zijn; en om dat te verkrijgen, beginnen zij gierig te worden. Behalve dat, zij wilden wel, dat zij prachtige kleederen en huissieraden hadden; zij zouden, om dien lust te verzadigen, wel huis aan huis, en akker aan akker willen hebben, en dat kan altijd zoo niet volgen door recht. Dan scheelt het hen niet, zij willen evenwel rijk worden, al zou het nog zoo gaan, en al zou het doov onrecht zijn; daarom houden zij hetgeen zij verkregen hebben zoo vast, dat ze zichzelven, noch een ander goed kunnen doen. Dan zijn ze niet nuttig, dan als zij dood zijn; en geven zij eens een weinig, dan willen zij hebben, dat de dankbaarheid zoo groot zij, meer dan de gave verdient^ Zij weten het zoo uit te nieten, hetgeen zij gedaan hebben, dat zij het tienmaal grooter maken, en zij wilden wel, dat eene ge-heele stad het wist; \'t is tegen elkeen: Dat en dat heb ik gedaan. Uit de gierigheid spruit ook een wortel van afgoderij. Dan is het

597

-ocr page 604-

508 CATECHISMUS-PREDIKATIE

eld hun God, zij kunnen zichzelvon, noch hunne naaste wel doen.

ij kunnen van hun goed niet scheiden. Moeten ze van hun goed af, door den dood, dan breekt hun het klamme zweet uit.

Ten vijfde. Moeten wij nu zien de deugden die hier geboden worden. Wat gebiedt God in dit gebod?

Eerst. Doet gerechtigheid, steelt niet al zoudt gij gebrek lijden; al zoudt gij bedelen; gerechtigheid is beter dan onerande, 1 Sam. 15:22. Wat eischt God van u, dan dat gij recht en gerechtigheid zoudt plegen, een iegelijk met zijn naaste, Micha 0:8.

Ten tweede. Weest naarstig in uw goddelijk beroep, waarin gij gesteld zijt. Den ezel, als hij niet gelost werd, wilde God den nek gebroken hebben, Bxod. 34:20, om zijne traagheid. Een luiaard is walgelijk voor God en menschen, de luiaard is als rook den oogen, en als edik den tanden, Spr. 10:20. De luiaard is als eene deur die op hare herren draait, Spr. 26: 14. Een luiaard, moet hij iets doen, daar is altijd een leeuw op den weg, Spr. 22 :13. Als hij werken moet, \'t is of hij sterven zou. Moet hij wat doen, \'t is of hij door de doornen moet, Spr. 15:19. Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens al nederliggende; zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar en uw gebrek als een gewapend man, Spr. 6; 10, 11. Een naarstige is bij elkeen aangenaam, maar van een luiaard walgt elkeen. Om den winter zal de luiaard niet ploegen, daarom zal hij bedelen in den oogst, Spr. 20:4 en 23: 21. De luiaard zal verscheurde kleederen dragen. Al de schepselen gaan den mensch voor, om hem tot naarstigheid aan te zetten.

Ten derde. Gebiedt God de matigheid. God wil hebben, dat wij matig zyn in het eten, drinken, kleeden. De zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle menschen, en onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en wereldsche begeerlijkheden verzakende, matiglijk, rechtvaardiglijk en godzaliglijk zouden leven in deze tegenwoordige wereld. Tit. 2 :11, 12.

Ten vierde. Eischt God, dat wij vergenoegd zouden zijn, met hetgeen Hij ons belieft te geven. Weest vergenoegd met het tegenwoordige. Uw wandel zij zonder geldgierigheid, Hebr. 13:5. Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn, 1 Tim. 6:8. Ik heb geleerd vergenoegd te zijn, zeide Paulus, in hetgeen ik ben, Kil. 4:11.

Nog eens. God eischt van ons, dat wij den armen Christelijke handreiking zullen doen, zegt de Onderwijzer. Israël mocht zijne land-vruchten niet gansch afoogsten: zij moesten er wat aanlaten voor de armen, Lev. 19:9, 10. Job zeide, ik heb mijne bete niet alleen gegeten. Job 31:17. De weduwen en weezen hebben er hun deel van gehad, zegt hij, en hunne lendenen hebben mij gezegend als ze warm geworden zijn, van de wol van mijne schapen, en van de vellen van mijne beesten, vs. 20. \'t Is te zeggen, ik heb wat te eten, en wat te kleeden gegeven. Hij had ze juist aan zijne tafel niet gezet. Zoo ook, in \'t algemeen moeten wij elkanders nut zoeken. God zeide: Wat

-ocr page 605-

OVER DEN XLII. ZONDAG. Vrag. 110 en 111.

gij wilt dat u de menschen doen, doet gij hun ook alzoo, Mattli. 7:12.

Zijn er geen zonden in dit achtste gebod, die hare daders noemen? Noemt uw gemoed u niet? Laat het eens spreken. Mocht liet gemoed van velen, die hier zijn spreken! Mocht het gemoed van meer en minder gegoeden, van dienstknechten en dienstmaagden, van kinderen, oude en jonge lieden, eens spreken, wat zou het al zeggen! Wat zegt uw gebuur, wat zeggen de burgers die met u te doen hebben, of onder u staan? Wij beschuldigen n niet; maar beschuldigt u niet ergens eene arme weduwe of Avees? Wel, gij moet het juist uit geen predikantsmond willen hooren. Laten de weduwen, de weezen, laat uw gemoed spreken. Wat dacht gij, als wij u dit predikten? Dacht gij: Ze zijn al dood, waarvan ik gestolen heb? Laat het goed spreken. Als gij de deur van uwe kast opende, kwam er niet iets in uw oog, waarvan gij dacht: daar ben ik niet recht aangekomen? Als gij uwe papieren, uwe obligatiën, uw huis, uw hof, uwe spijs op uwe tafel, en hetgeen daarop gebruikt wordt, ziet; spreekt het u altemet niet eens aan? Bedenkt uzelven eens. Moet gij niet denken en zeggen: is het stelen zulk eene zonde? Is het zoo ongeoorloofd, dat God het straiten zal? Iloe komt het, dat er zoo velen toekomen, onder grooten en kleinen? Zijn er redenen toe? Ja; wij zullen er u eenige noemen, die gij zult moeten toestemmen.

De eerste reden is. De menschen hebben het geld al te lief: het geld heeft meer ingang dan God. Gij hebt het zoo liet, dat gij het schat tot boven al wat er is. Wie het geld liefheeft, wordt het geld niet zat. Dan stelt gij het goud tot uwen God. Gij acht het meer dan God.

Wat nog? Gelegenheid maakt den dief. De grooten zitten aan het roer; daar kan niemand tegen op. De kleinen doen met de grooten mee, ze zullen er wat voor opzitten; en die geven, om rijk te worden, elk het zijne niet. De grooten zijn hunne patroons, welke ze navolgen. Dienstboden zeggen: Nu heb ik gelegenheid, nu zal ik het doen. De schilden der aarde, zegt God, (\'tis een schande!) beminnen het woord: Geest, Hos. 4:18. Zoo ging het met een Gehazi, 2 Kon. 5:20, 21. Nu heb ik gelegenheid, dacht hij, nu zal ik wat zien te krijgen. Zoo was het met Judas, nu zal het wel bedekt blijven, Joh. 12:6. Achan stal de gouden tong; niemand zal het weten, dacht hij, ik zal ze in mijne tent begraven, Joz. 7:21.

Nog eens. Het komt van de hoovaardij. Men wil niemand boven zich zien. Eene dienstmaagd, een dienstknecht en de meeste geringe lieden kunnen zooveel niet winnen: eens burger winst is zoo veel niet; dan weten ze te stelen.

Nog eens. Het komt van al die hrasserijen. Men heeft eiken dag gasten, of men is te gast. Daar moeten alle lekkernijen opgedischt worden, en dat is zoo gemakkelijk niet te winnen: dan moet men stelen.

Nog eens. Daar komt bij, niet te werken, mooi gekleed te gaan, evenals een Onesimus: hij wilde zijn heer niet meer dienen, toen

599

-ocr page 606-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ging hij zijn lieer bestelen als Gehazi, het scheen, hij wilde dion trouwen profeet Eliza zoo niet meer ten dienste staan, daarom gaat hij goederen van Nailman den Syriër nemen.

Nog eens. Het komt door om te gaan met menschen die diefachtig zijn. Dan deelt gij allicht met een dief\', als gij zulk een metgezel der dieven wordt. Moet gij het in uw gemoed niet toestemmen, dat dit de oorzaken zijn?

Wat nu gedaan? Zou hier niet iemand zijn, die zeggen zou: Ach God! mijn hart klopt mij, als ik mijn goed, dat ik zoo gewonnen heb, aanzie? Maar wat zal ik doen?

Eerst. Rekent het op, hoeveel het kan uitmaken. Zoo deed Micha aan zijne moeder. De duizend en honderd zilverlingen, waar gij om gevloekt hebt, dat geld is bij mij; ik heb dat genomen, zegt hij. Richt. 17:2.

Ten tweede. Geeft het weer, gelijk Micha deed, al mocht hij ze houden; zegt ook: neen, ik wil het niet houden al mocht ik ze houden. Elke reize, als gij het ziet, vervloekt het u. Zoudt gij dat wel gaarne gedurig brandende op uw hart hebben? Gij zijt een vervloekte, zoo gij het niet wedergeeft.

Een tweede zal zeggen: \'t is al zoo lang geleden, al zoo vele jaren; \'t is al vergeten, en zou ik dat nu weer gaan geven! Wij antwoorden: een dag is bij den Heere als duizend jaar, Ps. f)0:4. Wat helpt dat bij God, of het lang geleden is; hoe langer het lijdt, hoe langer dat uwe zonde blijft; en komt gij er in te sterven, zoo blijft uwe straf eeuwig.

Een derde zegt: Niemand weet het, of zal het ooit weten. Ik antwoord: God weet het, en dat is genoeg. Ja, uw gemoed weet het, en het zal nooit rusten, eer gij dat gekweten hebt.

Anderen zeggen: \'t Zal zijn leven niet uitkomen, \'t is al te wel bestoken, en zou ik het weergeven, dan zou het tot mijne schande uitkomen. Ik antwoord, uitkomen? Wel, het zal uitkomen tot uwe eeuwige schande.

Anderen zeggen: ik wilde wel, dat ik het niet gedaan had, ik zucht er over. Maar daarmede is het niet verbeterd of genezen.

Anderen zeggen: God weet, wie hier schuldig is, ik heb er over

feschreid. Ik antwoord: Die zijne overtredingen bekent en Iaat, zal armhartigheid verkrijgen, Spr. 28:13.eschreid. Ik antwoord: Die zijne overtredingen bekent en Iaat, zal armhartigheid verkrijgen, Spr. 28:13.

Anderen zeggen: Moest ik het alles wedergeven, het is er zoo grof toegegaan; dan zou ik arm zijn, als ik moest doen als een Zacheiis, Luk. 19:8. Ik antwoord: Uefc is beter arm, dan een dief te zijn.

Anderen zeggen: Predikant, gij moogt preeken zoo gij wilt, ik heb geen nood. Wel, vervloekt moet gij wezen met zulk eene praat. Daar zal eene lange vloekrol van in uw huis komen, die zal de balken, de wanden en de steenen van het huis verteren. Zal het geen nood zijn, onthoudt dan de teksten, die wij u noemen zullen: Jer. 17:10, Ik, de Heere, doorgrond het hart, en proefde nieren: en dat, om een iegelijk te geven naar zijne wegen, naar de vrucht zijner handelingen.

coo

-ocr page 607-

OVER DEN XLII. ZONDAG. Vraö. 110 on 111, 601

Jer. 12:13, Wee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en y.ijne opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en hem zijn arbeidsloon niet geeft. Hab. 2:8, 9, Omdat gij vele Heidenen beroofd hebt, zoo zullen alle overgeblevene volkeren u berooven; om liet bloed der menscheu en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzeive. Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads, /ach. 5:4, Ik breng dezen vloek voort,quot; spreekt de lleere der heirscharen, dat hij kome in het huis van den dief, en in het huis desgenen die bij mijnen naam val-schelijk zweert; en hij zal in het midden zijns huizes overnachten, en hij zal het verteren, met zijne houten en zijne steenen. Leest dat vrij met aandacht, en schrikt er voor.

Gij zult zeggen: Ik ben zoo benauwd, is er wel genade voor zulk een? Ik heb er in mijn leven gekend, die om eene zaak van weinig belang hun leven wel zouden benomen hebben, ten ware God het niet belet had. Als er iemands gemoed over klopt, en zegt: Is er wel genade voor mij? Wij moeten zeggen: Ja. Zacheüs was een dief en werd bekeerd. God vergaf het hem. Hebt gij het voor God bekend en beleden, zoo is er genade voor u te wachten.

Ja wel! zal iemand zeggen, ik bad er tegen, ik waakte er over, ik schreide er over; en ik vind dat die verdorvenheid evenwel in mij zit; ik vind dat de genegenheid tot stelen in mij is; welke raad daartegen? Welk middel zou ik daartegen kunnen gebruiken?

Dit: de alwetendheid van God en de vreeze Gods op uw hart te drukken. Zeg: ik vermag niet te zondigen vanwege uwe hoogheid. Job 31:23. God is bij u als gij het doet. Ging mijn aangezicht niet mede, als gij die zonde deedt? zou de Heere vragen met den profeet Eliza, 2 Kon. 5:26. Gij zoudt het om een mensch niet durven doen, als ze het zagen; en gij laat het om God niet!

Ja, zult gij zeggen, ik word zoo arm; alles gaat achteruit; het gelukt niet, al wat ik doe; of ik nog zoo mijn best doe, het gaat mij niet wel. Wel, leeft liever arm, dan dat gij stelen zoudt; gaat naar de diakonie en zegt: help mij. De armen zijn niet altijd schuldig aan luiheid of verkwisting. Armen, wentelt uwen weg op den Heere, Ps. 37:5. Het belieft God zijne kinderen ook door diakenen te laten onderhouden. Zou ik niet stil moeten zijn, als het God beliefde mij door diakenen te laten onderhouden?

Gij zult zeggen: gij hebt geen nood. Ik antwoord u: ik kan er al licht zoo gemakkelijk toekomen als de allerarmste. Het is niet gemakkelijk, \'t is waar, het is bitter, maar werkt zoo lang gij kunt; en als gij niet meer kunt, dat gij dan zoudt zeggen: het is schande, dit is niet waar. \'t Is bitter, het is niet zoet, maar schande is het niet. God beschikt zoowel de armen als de rijken; daarvoor zijn de diakenen, en die moeten dan ook nauwgezet zijn in \'t geven; daarom komen wij overeen, om het onze aan hen te geven voor u. Wij vertrouwen het hun toe. Die het u dan met verwi]tingen geven, zijn dwa-

-ocr page 608-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

602

zen; en die zal God misschien wel wat anders toezenden. Zijt gij arm en hebt gij genade; is dat niet beter, dan goederen te bezitten? Is God mij en u wel half zooveel schuldig? Al zijt gij arm, als gij genade in uw hart hebt, kunt gij het alles te boven komen. Denkt aan hetgeen wij in \'t voorgebed zeiden, in den grootsten rijkdom kan men God missen; maar die er God bij heeft, \'t is schoon; het is eene dubbele erfenis; maar die in de grootste armoede God tot zijn deel heeft, dat is ook schoon, \'t Is van al het geklap en gesnap, daardoor moet men tot armoede vervallen, \'t Is of er geen eerlijke armen konden wezen; maar het is omdat er zulke schrikkelijke ongevallen zijn. Daarom zegt men: ik wilde wel dat dit wet-prediken al uit was. Maar als dat weg is, mogen wij ook wel opkramen met onze religie. Als dat de predikanten te veel wordt, dan kennen ze niet, welke middelen God meest gezegend heeft tot bekeering. Denkt aan de wet van Mozes; laat zij u een regel zijn naar welke gij wandelt. Hebt gij goed of niet, gij moogt niet stelen. Heeft de duivel uw eene en heste goed gestolen, ziet het weer te krijgen. Gods gunst, de Heere Jezus, kan het u weer geven. Schat bekeering, schat geloof boven alles. Bij het uitwendige goed kunt gij niet blijven wonen; gij zult er van moeten scheiden. Wij zijn naakt in de wereld gekomen, wij zullen er naakt weer uit moeten gaan, gelijk wij er ingekomen zijn. Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zipie gerechtigheid, en de andere dingen zullen u toegeworpen worden, Matth. (5:33. Zoekt uwe zaligheid uit te werken, Fil. 2:12, en God zal dan voor de andere dingen wel zorgen. Zoekt niet de spijze die vergaat, maar die, die blijft tot in het eeuwige leven, Joh. G; 27. Dat wensch ik, dat God mij en u zal geven, tot zijne eer, en om zijns Zoons wil. Amen.

-ocr page 609-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XLIIL Zondag. Vraag 112.

Drie-en-veertigste Zondag.

112. Veaag. Wat wil het negende gebod?

Antwookd. Dat ik tegen niemand valsche getuigenis geve, niemand zyne woorden verkeere, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand liclitelijk en onverhoord oordeele, of helpe verdoemen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigene werken des duivels, vermij de, tenzii ik den /.waren toorn Gods op mij laden wil: alsook, dat ik in het gericht, en alle andere handelingen, de waarheid liefhehhe, oprechtelijk spreke en bekenne; ook mijns naasten eer en goed gerucht, naar mijn vermogen, voorsta en hevordere.

WIJ lezen 1 Petr. 3:10, En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uwen goeden wandel in Christus lasteren. Daaruit zien wij, dat de apostel op het hart van de geloovigen lag: Hebt toch altijd een goed geweten.IJ lezen 1 Petr. 3:10, En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uwen goeden wandel in Christus lasteren. Daaruit zien wij, dat de apostel op het hart van de geloovigen lag: Hebt toch altijd een goed geweten.

Wat is het geweten? Dat is het hart, het binnenste. Wij weten elk wel, wat het geweten is. Het is dat, wat ons beschuldigt als wij kwaad gedaan hebben, en ons benauwdheid baart, en dat ons ont-schuldigt en ruimte baart, als wij het goede gedaan hebben, Rqm. 2:15. Het is die lamp des Heeren, die de binnenkameren des buiks doorzoekt. Spreuk. 20:27, zonder welke dat niemand is. Beziet gij eene kerk, eene markt, eene wereld vol volk, elkeen heeft die lamp in zijn hart en binnenste. Gaat gij bij de Barbaren, bij de Heidenen, en bij de allerwoeste volkeren, en ook te gelijk bij de allerbeschaafdste, gij zult niemand zonder geweten vinden. Gij moogt menschen vinden zonder oogen, of met één oog, of zonder handen, of met ééne hand, of kreupel van moeders lijf; maar gij zult niemand zonder geweten vinden. Staat dan naar een goed geweten, zegt de apostel.

Wat is nu een goed geweten? Dat is een sprekend, teer geweten, geen toegeschroeid geweten. Gij moet het niet op den mond kloppen als het spreekt, als het u waarschuwt en zegt: weet gij wel, dat gij kwaad gedaan hebt, of, dat goede nog moet doen? Dayid had zulk een goed geweten. Gij hebt daar zoo na aan den koning geweest, om de slip van zijn mantel af te snijden, zegt hij in zichzel-

-ocr page 610-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ven, had God uwe liand losgelaten, gij mocht hem den hals wel afgesneden hebben; zijn hart sloeg hem er over, 1 Sam. 24:6. Toen hi) uit hoogmoed het volk van Israël had doen tellen, werd de profeet Gad van God tot hem gezonden, die zeide: Ziet gij wel, hoe hoovaardig gij geweest zijt, in het tellen van het volk? Zijn hart klopte hem er over; Mil is zeer bange, zeide hij tegen den profeet, 2 Sam. 24 :14.

Een goed geweten is een sprekend geweten, dat ons veroordeelt als wij kwaad gedaan hebben, en als wij geen kwaad gedaan hebben, ruimte, stilte en kalmte baart. Dat is een goed geweten, als uwe gedachten u ontschuldigen; en een kwaad geweten is het, als uwe gedachten u beschuldigen, Rom. 2:15.

Niet alleen is het een sprekend, een verontschuldigend, een ruimte barend geweten; maar een goed geweten is ook een oprecht geweten. Wordt u iets opgeticht, o! als het dan kan zeggen, ais Jakob tegen Laban, en Samuël tegen de kinderen Israels zeide. Gen. 31: 3G—42, en 1 Sara. 12:3. Zoo elkeen tot getuige roepen; als het zoo zegt; Kleeft mij een Belials stuk aan? ontdek het mij. Job wilde, dat zijne tegenpartij een boek tegen hem schreef: Zou ik het niet op mijn schouder dragen, ik zoude het op mij binden als een kroon, zegt hij. Job 31:35, 3G.

Waarom wordt het een goed geweten genoemd? Omdat het zulk een kostelijk pand is, dat ons zoo bewaart van zondigen. Wat is er beter dan een goede naam? Wat is het goed van de wereld, goud, zilver, zoo gij dit goed niet hebt? Een goed geweten kunt gij behouden; maar een goeden naam kunt gij niet altijd behouden. Hoe komt dat? Omdat er zoovele tongen zijn, die van den duivel aangestoken zijn. Jak. 3:6, De tong is een wereld van ongerechtigheden; en vs. 8, De tong is niet te temmen. Een leeuw en een beer is nog te temmen, maar de tong niet. Laat praten wat en wie wil, laat het alles zijn gang gaan; de apostel Petrus zegt in onze tekstwoorden: is het daar ruim? is het daar sprekend? laat het dan gaan zoo het wil, dan gaat men door goed en kwaad gerucht, dan is men geen ding bewust. Die mij oordeelt, zeide Paulus, is de Heere, 1 Cor. 4:4. Hierin oefen ik mij, zegt hij, om in alles een goed geweten te hebben, Hand. 24:16. Dat is mijne bezigheid, dat is mijn werk waarmede ik mij ophoud; ja, ik hen zoover gekomen, dat ik kan zeggen: Mannen broeders, ik heb met een goed geweten voor God gewandeld. Hand. 23:1. Mijn roem is, zeide Paulus, het getuigenis van een goed geweten, 2 Cor. 1:12. Paulus! een goed geweten hebt gij kunnen houden; maar hebt gij wel een goeden naam kunnen houden? Neen; Paulus en Petrus konden beiden dien niet houden, hoe onberispelijk zij ook waren. De Heere Jezus zelf kon dien niet houden. Die zeide: gij onteert Mij, maar Ik eer mijnen Vader, Joh. 8:49. Maar het hielp niet, Hij moest evenwel de vuilste lasteringen ondergaan. Hij werd gescholden voor een vraat en wijnzuiper, voor een vriend van tollenaren en zondaren, Matth. II: 19. Zou nu de

604

-ocr page 611-

OVER DEN XLin. ZONDAG. Vraag 112.

discipel meer zijn, dan zijn Meester? of de dienstknecht dan zijn Heer? Joh. 13:10. God wilde daarvoor gezorgd hebben, Hij legt het elk op het hart. Gij zult daar afblijven; gij zult van uw naasten geen valsche getuigenis geven, zegt Hij.

Geliefden! wij hebben in dezen Zondag te verhandelen:

Eerst. De woorden van het gebod.

Ten tweede. De zonden tegen dit gebod.

Ten derde. Den aandrang op het gebod.

Ten vierde. De deugden die in dit gebod geboden worden. Ik weet niet, of wij misschien aan een van al de tien geboden wel zooveel schuld hebben, als aan dit negende gebod. Wij hebben dan te letten: 1. Op de woorden van het gebod. 2. Op do zonden tegen dit gebod. 3. Op den aandrang en reden, waarom God dit verbiedt. 4. üp de deugden die God gebiedt die betracht moeten worden.

Wat het eerste aangaat: hier hebt gij den naaste, en daar gebiedt God van, dat men geen valsch getuigenis tegen hem zal geven. Uw naasten, zijn dat uwe bloedvrienden, of goede vrienden waar gij mede verkeert, en die bij u in een goed blaadje staan? Zoo hadden de Joden het begrepen. Zij zeiden dat men de Joden, hunne vrienden, lief moest hebben, maar dat men de Heidenen, hunne vijanden, haten moest. Maar zij hadden dat van den Heere niet geleerd. Lev. 19: 11—18. De Heere Jezus toont het ook. In de eerste tafel van de wet had Hij gesproken van de liefde tot God, maar in de tweede tafel spreekt Hij ook van de liefde tot den naaste. Hij toont het ook in die gelijkenis van dien man, die in de handen van de moordenaars gevallen was, en daar zeer gewond op den weg lag, waar een Leviet en priester van tegenover voorbij gingen; maar een Samaritaan bewees barmhartigheid aan hem. Luk. 10:33. Doet ook zoo, zegt de Heere.

Wie zyn nu de naasten? Uit éénen bloede heeft God het gansche geslacht der menschen gemaakt. Hand. 17:26. Hebben wij niet allen éénen Vader en heeft niet één God ons geschapen? Mal. 2:10. Zijn wij niet allen naar één beeld geschapen? Gelijken wij niet altemaal elkander in de zonde? Zijn wij niet vleesch van elkanders vleesch, en been van elkanders been? Zijn wij niet van één vleesch en bloed? Wie is nu de naasten? Alle menschen zonder onderscheid. Mozes, twee twistende mannen ziende, zeide: Waarom slaat gjj uwen naaste? Exod. 2:13. In de samenlevingen raakt onzen naaste in moeite, in handen van de justitie en in geweld dat hem wordt aangedaan; daar wordt hem ongelegenheid aangedaan; daar zijnde, wordt hij beschuldigt; daar is bewijs noodig, als het voor het gerecht getrokken wordt, daar het hier naast op ziet; dan moeten wij niet tegen ons gemoed getuigen, uit een kwaden grond, ook niet tot een kwaad einde of oogmerk, en dat men zou denken: nu kan ik het betaald zetten, ik heb de wraak jaar en dag in mijn hart gehad; dat is daar dan voor den rechter bezworen, het wordt onder eede gehoord; spreek dan tegen uw gemoed en tegen de waarheid niet, geeft geen valsch

(!05

-ocr page 612-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

getuigenis uit een verkeerden grond, of tot een verkeerd oogmerk; maar laat bij u eenvoudigheid gevonden worden. Daar hebt gij het eerste, namelijk de woorden des gebods.

Nu moeten wij, ten tweede, de zonden zien, van den Wetgever verboden. Dat zijn deze: daar is valschheid in het hart, en valscnheid in \'t gelaat, en valschheid in het oor, en valschheid in de tong.

Daar is valschheid in het hart, kwade voornemens, verdenking, liggen er in \'t hart. Zoo was het met Eli omtrent Hanna, 1 Sam. 1:14, Hoe lang, zegt hij, zult gij u dronken aanstellen? Doe uw wijn van u? Hij zag haar voor dronken aan. Ach! zeide de vrouw, gij steekt mij in mijn gemoed; ziet mij niet voor eene dwaze aan, voor een dochter Belials, ik ben eene vrouw bitterlijk bedroefd van geest, ik heb mijne ziel voor God uitgegoten, ik heb noch wijn noch sterken drank gedronken, vs. 15. David smarte het, dat er zulk eene valschheid in het hart van zijne broederen zat, wanneer zij tot hem zeiden: wij kennen uwe vermetelheid, en de boosheid uws harten wel, want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt, 1 Sam. 17:28. Wat heb ik gedaan, zeide David, vs. 29, is daar geen oorzaak?

Dan is er ook eene valschheid in het oor. Dat is, dat men een valsch verhaal kan aanhooren en dat gelooft. Dat was de fout van David. Daar komt Mefiboseths knecht bij hem, en bracht een valsch gerucht van hem bij David, hij doet een valsch verhaal. David hoort en gelooft het, doch die knecht loog van dien kreupelen Mefiboseth, waar de koning zulk eene weldaad aan gedaan had, zoo dat hij zeggen moest: wat is uw knecht, een doode hond? Hij had in den tijd, dat de koning weg was, en voor zijnen zoon Absalom vluchtte, zijn baard niet laten scheeren van droefheid. Ziet dat, 2 Sam. 15 en 16.

Dan zijn er, die vrienden zijn in den schijn en gedaante, maar niet in \'t wezen; in het hart zijn ze een duivel, zij vertoonen vroomheid in het aangezicht, en de duivel heerscht in het hart.

Dan is er veinzerij. Dat was ook Davids fout, hij maakte zich gek, als hij bij den koning Achis kwam, hij liet de zever in zijn baard loopen, en stelde zich gek aan, 1 Sam. 21 :13.

Dan is er eene valschheid in de tong. Spr. 2Ü: 28, Eene valsche tong haat degenen, die zij verbrijzelt. Ps. 120:2. O Heere! red mijne ziel van de valsche lippen, van de bedriegelijke tong. Daar is wel eene valsche tong in \'t gericht, of in het gesprek, en gemeenen omgang. Daar komt daar in het gericht een aanklager, en een die aangeklaagd wordt, dan zijn er die getuigen, daar zijn ook rechtsgeleerden, daar is de rechter. Die alle kunnen valsch getuigenis geven.

Een aanklager kan valsch getuigenis geven, door van een man of van al zijn volk te zeggen, dat hebt gü gedaan. Zoo deed Haman van Mordechai en van al de Joden, Estb. 3:8. Zoo deed Izebel van dien goeden Naboth, 1 Kon. 21:9—14. Zoo deden de Schriftgeleerden en Farizeën van den Heere Jezus Christus, Matth. 27:12.

Bij de rechters is er ook eene valschheid in het gericht. Zoo was

600

-ocr page 613-

OVER DEN XLIII. ZONDAG. Vraag 112. 607

er valschheid bij Pilatus, die, toen hij den Heere Jezus onschuldig vond, hem echter veroordeelde, Mattli. 27: 24—26.

Bij den aangeklaagde is er ook wel valschheid, hy is misschien boven zijne partij, hij zal het in proces brengen, en hij zal zoo zijne partij verduren, of door groote stoutheid zal hij het heeten liegen. Dat was het wat Kain deed, als God zeide: waar is uw broeder? Ik weet het niet, zegt hij, ben ik mijns broeders hoeder? Gen. 4:9. Daarom zeide Jozua tegen Achan, Jos. 7:19, Geef God de eere, en doe voor Hem belijdenis.

Dij de aangeklaagden komt altemet de getuige, die zetten hunne hand bij den goddelooze, om een getuige met geweld te zijn. Zij krijgen gezag, zi] kunnen er gewin door krijgen. Zoo deden die twee getuigen tegen dien onnoozelen Naboth, bij moest er zijn leven door verliezen, 1 Kon. 21:9—14.

Daar komen bij rechtsgeleerden, daar komt een onnoozel man, die geeft hun zijne zaken te kennen. Zij stooten den man voor het hoofd, zij willen hem niet dienen, schoon dat hij recht heeft, maar zij zien meer gewin in zijne partij te dienen. Wat doen ze? Zij zoeken die kwade zaak goed te doen schijnen. Jes. 5:20, Wee dengenen, die het kwade goed heeten, en het goede kwaad; die het licht tot de duisternis stellen, en duisternis tot licht. En door eene listige gauwigheid, weten ze het licht van den rechtvaardige af te wenden; over zulke advocaten, roept God een wee uit! Spr. 24:24, Die tot den goddelooze zegt: gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volkeren vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn. Die hen een schat vergaderen door eene valsche tong, dat is eene voortgedreven ijdelheid dergenen die den dood zoeken, zegt Salomo, Spr. 21:6. Gij zult weinige rechtsgeleerden vinden, die veel goed nalaten; God straft ze doorgaans zoo, dat het in \'t derde en vierde lid niet komt. Het goed van die familien komt dikwijls tot het derde kind niet.

Daar is \'ook wel valschheid bij den rechter, die moet zitten om recht te richten, en het recht komt er verkeerd uit. Het is alsem, waar anders het recht zoet is. Als het recht verkeerd uitkomt, is het bitter. Daar zit die rechter en die zegt; vriend! om uwentwil zal ik het zoo wijzen, ik heb het geschenk lief, dat verblindt mijne oogen. Zij onderzoeken niet, zij zijn te lui, of te bot. Meent gij dat de rijken, en aanzienlijken altijd wijs zijn? Job 29:12, Ik bevrijdde den ellendige die riep, en den wees, die geen helper had. Het geschil dat hij niet wist, dat onderzocht hij. Josafat zeide, de verschrikkingen des Hee-ren zij op ulieden, 2 Kron. 19:7. Hij den Heere is geen ontvangen van geschenken. Men houdt het gericht niet den mensch maar Gode, 2 Kron. 19:6. Och neen! kwam dat de rechters op het hart, dat zij den Heere voor elk vonnis rekenschap zullen moeten geven, en dat de tranen der onderdrukten door het gericht, die op de steenen en planken zijn neergedropen, eenmaal tegen hen getuigen zullen!

Maar nil is er niet alleen valschheid in het gericht, maar daar is ook eene valsche tong in het gesprek, en in het verkeer met elkander,

-ocr page 614-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

in den omgang met menschen. Daartoe behoeft niet altijd eene vierschaar te zijn. De tong spreekt valsch van hare naasten, in de woorden te verkeeren, in achterklap te spreken.

Daar is valschheid in dat aan te hooren, en in dat onverhoord ver-oordeelen, en bedriegelijk in onzen handel te zijn, te zwijgen als wij onze naasten moesten verdedigen, hunne woorden te verkeeren, en die een anderen draai te geven; dat kunt gij niet doen, of gij moet er hij, of af doen, zoodat de geheele zaak in een geheel anderen zin wordt opgenomen. Zoo deden ze van den Heere Jezus. Dit is die tempel, waar onze vaders zes-en-veertig jaren over gebouwd hebben, en Gij, zult Gij dien afbreken, en in drie dagen weer opbouwen? Joh. 2:20. Zij geven het een geheel anderen zin. Hij had het niet gezegd van dien tempel, maar van den tempel zijns lichaams. Hij had gezegd, vermoord Mij maar, breng Mij maar om, maar binnen drie dagen zal Ik door mijne eigene kracht weer opstaan, Joh. 2 :19,20. Zoo deed de duivel, hij verdraaide het Woord; Matth. 4:5, had hij den Heere Jezus op de tinne des tempels. Gij hebt een tekst voor u, zegt hij, Ps. 91 :11, Werp uzelven nederwaarts, zeide die guit, want daar staat geschreven, dat Hij zijne engelen bevelen zal, dat ze ü op de handen zullen dragen, en hij liet er af, op mijne wegen. Dit was Gods weg niet, de duivel verkeerde de schrift, net was een valsch getuigenis.

Daar is een valsch getuigenis, niet alleen in \'t verkeeren van iemands woorden, maar ook in \'toorblazen. \'t Wordt oorblazen genoemd, omdat ze het zoo stil doen, zoo visselen. /Jj doen het zoo behendig, zij zorgen zoo wel, dat die, waarvan zij het doen, daar niet achter komen mag. Lev. 19:16, Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uwe volkeren. Zoo van huis tot huis het kwade van uw naaste te gaan vertellen, en zoo zijn goeden naam en eer te kwetsen, dat is eene bijtende slang onder de menschen, onder vroom en onvroom, onder regenten, predikanten, kerkdijken, dienstbaren en vrijen: \'t is eene slang die bij een iegelijk steekt, en die onzes naasten rust verstoort. Men zegt eene onwaarheid van zijn naaste. Zoo deed Potifar\'s vrouw van Jozef; zij zeide: die Hebreenwsche knecht is ingekomen om met ons te spotten, hij heelt mij willen onteeren, zegt ze, en zij loog: zij had het zelve in haar hart. Gen. 39:14. Ja, dat men iets vertelt en men maakt dat onze naaste daardoor minder geliefd wordt. Op het laatst zegt men: ik weet het wel met zulk een volle zekerheid niet. Zeg het niet voort. Doet die verkeerdheid van uwe lippen ver weg; al zulke duivelsche streken.

Wanneer zondigt men nog tegen dit gebod? Als men verdenkingen voor waarheid vertelt. Zoo deden de knechten van Hanun, als David zond om naar zijnen welstand te vragen; eert David uwen vader, zeiden ze, heeft hij niet gezonden om het land te verspieden? Zij mishandelden de gezanten van David, en daardoor geraakte net gansche rijk overhoop, 2 ham. 10. Dat is achterklap, als men het kwade van zijne naasten vertelt, al is het de waarheid. Het is lang geleden, het zou vergeten gebleven zijn. Of men vertelt eene deugd, maar men

008

-ocr page 615-

OVER DEN XLIH. ZONDAG. Vraag 112.

voegt er een woord van veracMing bij: men doet er maar een bij, waardoor men al bet andere wegneemt. Die woorden des oorblazers dalen tot in het binnenste des buiks, Spr. 18:8. De woorden des oorblazers zijn als dergenen die geslagen zijn, Spr. 2G: 22. Of men hoort een ander die het doot, en men verhindert het niet. Het gaat tot in het binnenste. De vromen hebben bier ook groote schuld, \'t Is als ze bijeenkomen: Hebt gij dat wel gehoord? De een vertelt, de ander hoort het aan; in den een is het achterklap, en in den ander is het nieuwsgierigheid. Die toonen hunne begeerte tot den achterklap; de een doet eene vraag, de ander voegt er nog wat bij, inzonderheid als het een mensch van aanzien is. Dat is achterklap, dat vuile, dat zoo zeer doet, als het van ons geschiedt. Het is eene zonde, die een teeken is van de gruwelijkste tijden van de wereld. Als wij teekenen zouden moeten zoeken, dat de wereld op een einde gaat, zou men ze overal wel kunnen vinden. Men wil al teekenen hebben, en waar ze klaar zijn, zoekt men ze niet.

Behalve de achterklap, zoo is er laster, en dat is nog slimmer; de achterklap geschiedt heimelijk, maar de laster wordt in iemands aangezicht gedaan. Zoo deed Simei aan David: Ga uit, gij man des bloeds, riep hij, 2 Sam. 16:7. Dan zijn er die het al lachende doen in iemands aangezicht. Zij doen het met bedekte woorden, en met duivelsche streken. Dat geschiedt ook wel door paskwillen, die moet gij uw leven niet lezen. Dat is de fout, dat ze gelezen worden. Daarin kunt gij elkeen zoo vuil uitmaken, als de duivel. Heeft den een tegen den ander eene zaak, dat ze voor den dag kome; als ze dat deden, zou het blijken, dat het dikwijls een deel deugnieten zijn, en een deel opgeraapte leugens.

Behalve dat, zoo hebt gij allerlei leugens. Legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk tegen zijnen naaste, Ef. 4:25. Liegt niet tegen elkander. Col. 3:9. Spr. 30:8, IJdelheid en leugentaal doe verre van mij. Dat was hot gebed van Salomo, dat hij eiken dag bad: IJdelheid en leugentaal doe verre van mij. Dat te bidden, is niet kinderlijk. De Christenen denken, dat dit maar een kinderlijk gebed is; het is een gebed dat den ouden zoowel past als den kinderen. Salomo was geen kind als hij dat bad, hij was wel terdege een oud, wijs, vroom en begenadigd man, de beminde Gods. Leugentaal, dat zijn allerlei leugens. Daar zijn schadelijke leugens, die iemand schade kunnen doen, 1 Kon. 13:18. Die oude profeet zeide tot den man Gods: ik ben ook een profeet, en een engel heeft tot mij gesproken door het Woord des Heeren, dat gij weer zoudt keeren.

Dan zijn er tijdingleugens. Dat zijn die maren, waardoor men eene zaak vergroot. 2 Sam. 13:30, daar liep de mare, dat al de zonen des konings dood waren, en Amnon alleen was maar dood. Men kan ze niet alleen vergrooten, maar ook verkleinen. Zoo deed Ahimailz. Hij wist wel dat Absalom dood was; vroegen hem wat er was? hij zeide: Ik zag een groot rumoer, maar ik weet niet wat; en hij loog, 2 Sam. 18:29.

G09

-ocr page 616-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Dan zijn er profijtleugens, om voordeel en gewin, al zou men er zijnen naaste schade en schande mede aandoen.

Dan zijn er leugens om bestwil. Dat was de zonde van Abraham en Izaak, als zo te Gerar kwamen met Sara en Rebekka hunne vrouwen. Zij vreesden voor hun leven, en logen om bestwil, Gen. 20:2 en 26:7. Gehazi, om schande te ontgaan loog hij: hij had iets genomen! 2 Kon. 5:23—25, waarom hem de melaatschheid van Naaman ook aankleefde.

Dan zijn er nog profijtleugens: in de negotie te liegen, over en weer; te zeggen: ik kan het niet minder geven. De vroedvrouwen in Egypte logen ook; ze vreesden God; God zegende hen niet om de leugen, maar omdat ze God gehoorzaam waren, Exod. 1:21.

Dan zijn er leugens om een groeten naam te hebben. Die liegen om wat groots te schijnen; die zeggen: zulke dingen heb ik gedaan, zoo ver gereisd, zooveel gezien, zooveel gelezen.

Dan zijn er tvvijfelzinnige woorden en ook dubbelzinnige, die dubbelzinnig kunnen opgevat worden; ze doen het om hun naaste te misleiden. Zoo deed ook de duivel. Gij zult als God gelijk zijn, kennende het goede en het kwade, Gen. 3:5, zegt hij; hij had er een oogmerk in; zij zouden God zóó gelijk zijn, en zóó goed en kwaad kennen, dat ze zouden kennen het goede waar zij uit gevallen waren, en het kwade waar ze in gevallen waren. Zij dachten dat ze, als God goed en kwaad zouden gekend hebben, maar zij leerden kennen het goede, Avaar zij uit gevallen waren, en het kwade, dat ze genoten.

Zoo zijn er ook bedrogleugens, die met een schoon gelaat komen. Zoo deden Simeon en Levi, en zoo bedrogen ze Sichem en zijn vader Hemor, met al de inwoners der stad, opdat ze hunnen toorn ondervinden zouden, als zij in de smart waren. Gen. 34:13. Dat zijn be-drogleugens.

Dan zijn er pluimstrijkers en vleiers leugens. Matth. 22 :16, Meester! zeiden de Farizeën, wij weten dat Gij den weg Gods in der waarheid leert, en den persoon des menschen niet aanziet, en naar niemand vraagt. Ze dachten wat uit Christus te halen, met hunne vleiende lippen, waarop ze Hem konden vatten. De Heere snijde af alle vleiende lippen, Ps. 12:4. Men gaat altemet bij iemand en men gaat hem goedsmoeds zitten prijzen, opdat hij zijne zwakheid zou uitlaten; met zulk eene beleefdheid zoekt men het er uit te krijgen, daar men weet, dat iemand zwak is. Zoo deed Laban; ik zal u Kachel geven, zegt hij tegen Jakob; en als het er op aankwam, gaf hij hem Lea, Gen. 29:23; dat is bedrog. Daar zijn nog andere bedrogleugens, als bijvoorbeeld: iemand kwaden raad te geven, kwansuis, alsof men nog zulk eene liefde voor hem had. In den mond schijnt men een engel, en in het hart is men een duivel. Zoo deed Tobia en al de vijanden aan Nehemia. Kom maar eens op het dorp, zegt hij, en laten wij daar eens met elkander overleggen wat wi] doen zullen. Ach God! zegt hij: zij dachten mij kwaad te doen, Neh. 6:1, 2. Dat is iemand een strik te spannen.

G10

Ji f

I

•iit;

j

tl

m

I

I

-ocr page 617-

OVER DEN XLIII. ZONDAG. Vraag 112. (ill

Dan is er nog dat onverhoord veroordeelen. Daar komt eene schendtong, die iets tot iemands last weet in te brengen; men stemt liet terstond toe, men gelooft laet. Oordeelt ook onze wet den mensch, zeide Nicodemus, tenzij dat ze eerst van hem gehoord heeft en verstaat, wat hij doet? Joh. 7:51. Dat was de fout van dien vromen Juda; ze zeiden tegen hem: Thamar, uwe schoondochter, heeft eene zware fout en feil begaan, zij heeft gehoereerd. 13reng ze hervoor, opdat ze verbrand worde, zegt hij. Daar komt ze tot haren zweer; ziet, zegt ze, wiens snoer, staf en zegelring dit is. Daarop zegt hij: zij is rechtvaardiger dan ik, Gen. 38:24—26.

Ten laatste. Zondigt gij met zwijgen. Spr. 31:8, Open uwen mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen die omkomen zouden. Het geschil, zeide Job, dat ik niet wist, onderzocht ik. Job 29:10. Hoe sprak Jonathan voor David! 1 Sam. 20:29—32. Mijn Vader, zeide Jonathan, is wel iemand in uw rijk zoo getrouw als uw kind David? En Benhadads knechten, hoe getrouw waren zij voor hunnen Heer! 1 Kon. 20:32. Maar in plaats van voor iemand te spreken als hij gelasterd wordt, haalt men zijne schouders op; dan is er niemand te huis.

Ten derde. Daarop komt nu God met zijne hooge autoriteit, die het verbiedt. Wilt gij, zegt Hij, Mij ongehoorzaam zijn? Hebt gij geen liefde voor den Wetgever? Is het niet betamelijk? Past het allen menschen niet? Zijt gij hooger dan Ik, dat gij mijn gebod achter uw rug zoudt werpen? Doe dan wat gij wilt, dan doet gij het eigen werk des duivels, die is de eerste leugenaar; de eerste leugen is uit den duivel; lastert gij iemand, zoo zijt gij een smeder en aanstoker van de leugen. Uw tong wordt door de hel aangestoken. Als gij de leugen liefhebt en die doet, denkt dan, dat gij door de hel wórdt aangestoken.

Nog eens. Kan de autoriteit van den Wetgever het niet doen? Laat het dan de redelijkheid van het gebod doen, anders zult gij den zwaren toorn Gods op u laden; en wie kent de sterkte zijns to\'orns en zijne verbolgenheid, naar dat Hij te vreezen is? Ps. 90 i ll. Lieve Heere! als God drukt, dat verteert ziel en lichaam. God straft hen met lichamelijke, geestelijke en eeuwige oordeelen, die tegen dit negende gebod zondigen.

Bezoekt God ze met lichamelijke bezoekingen? Ja. Weet gij wel hoe? Zij zijn al hun eerbied kwijt. Zij worden maar een deel snappers en snapsters, bedriegers en leugenaars genoemd, al was het, dat zij u bij de Heidenen zagen; gij zoudt een volk zijn, dat bij niemand achting had; God zeide, dat de justitie er tegen waken zou. Zoo er een wrevelige getuige is, de rechter zal \'t wel onderzoeken, Deut. 19:16—20; en is het de waarheid niet, zoo zult gij aan hem doen, zooals hij zijnen broeder dacht te doen. Worden zulken gestraft? Ja. Lichamelijk komt de toorn Gods op hen. Wat doet God? Weet gij niet, dat God eene voorzienigheid heeft? Zijne voorzienigheid beschikt, dat, hetgeen die achterklapper en lasteraar van zijn naaste kwalijk gesproken heeft, en dacht, dat hem zou overkomen, dit op zijn

-ocr page 618-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

eigen kop druipt. Gij kunt het zien in Daniël, en degenen die hem aangeklaagd hadden, llij kwam onbeschadigd van onder de leeuwen, en zij, met hunne vrouwen en kinderen werden vermorzeld, zoohaast ze in den kuil geworpen waren, Dan. 6; 24, 25. De jongelingen in den oven, het vuur heerschte over hunne kleederen niet, maar als zij, die hen beschuldigd hadden, daarin kwamen, werden zij terstond verteerd, Dan. 3:22—27. Achterklapper! uw naam zal ook gelasterd worden. Gij zult aangezien worden als een, die zich met eens anders doen bemoeit.

Geestelijk straft God ze ook. Van den man des bloeds en des be-drogs heeft de Heere een gruwel, Ps. 5:7. Zijt gij een achterklapper, gij zult niet nabij God leven. De kenteekenen van uwe genade zullen u duister wezen. Gij zult niet met ruimte ten avondmaal gaan. Het zijn de teekenen van de Zionieten niet. Ps. 15:1—3, Wie zal wonen op den berg uwer heiligheid? Die met zijne tong niet achterklapt. AVat zit gij kwaad en relt van uwen broeder? Ps. 50:19, 20. Uwen mond slaat gij in het kwade, en uwe tong koppelt bedrog. Gij zit, gij spreekt tegen uwen broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.

Dan straft God het nog eeuwiglijk; kunt gij dat te boven komen? Wat zult gij doen, als God zal zeggen: De leugensprekers zal ik verdoen, Ps. 5:7. Hun deel van al die leugenaars zal zijn in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer, Openb. 21:8. Het deel van de lasteraars is in de hel. Zult gij dat kunnen dragen, zoo eeuwig uwe tong te moeten kauwen, omdat gij ze niet hebt willen laten temmen, van God noch van uw gemoed?

Nu, ten vierde, zijn er deugden, die geboden worden; dat zijn nu de drangredenen. Maar welke zijn nu de deugden, in dit gebod geboden?

Eerst. In \'t gericht, gerechtigheid en waarheid te spreken. Waarheid te spreken en gerechtigheid te doen, dat moet de rechter doen, dat moeten de gedaagden doen, dat moet degene die daagt, de getuige, de rechtsgeleerde, en voorts allen andere doen. Daarom staat er: ziet om naar waarachtige mannen, Exod. 18:21.

Ten tweede. Buiten het gericht moet men de waarheid liefhebben; Zach. 8:16, Hebt de waarheid en de trouw lief. Daar moet gij liefde en achting voor hebben in uw hart. Al wat waarachtig, al wat eerlijk is, al wat welluidt, bedenkt en spreekt dat, Fil. 4:8. Als de vreeze Gods in uwe harten gekomen is, dan zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, Spr. 2:10, 11. En uit den overvloed van het hart, zal de mond spreken. Legt af de leugen en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijnen naaste, Ef. 4:25. God is altijd aan de zijde van de waarheid. Een mensch, die altijd de waarheid spreekt, dat is hem een sierlijke kroon. Zit er iemand als een achterklapper, hij ontstelt er zich niet over; is men in een gezelschap waar een ander iemand wat in de ooren visselt, hij bekreunt zich daar niet over. Als een mensch zoo in oprechtheid leeft, dan is hij moedig als een jonge leeuw, zegt Salomo, Spr. 28:1. Als gij zoo werkt, als gij u

G12

-ocr page 619-

OVER DEN XLIII. ZONDAG. Vraag 112,

aan de waarheid houdt, al spotte dan elk met u, het is beter een onnoozele te zijn, dan een assurante. Is iemand zedig, dan helpt God hem; tegen dezulken zegt Hij; Ik zal u recht voortbrengen als den middag, I\'s. 37:6. Weest maar stil, als gij de waarheid doet en lief\' hebt, is het een teeken dat gij een waar lid der Kerk zijt, dat gij genade in uw hart hebt, dat gij in den hemel komen zult. Weet gij wat nog? Als iemand kwaad van n spreekt, wilt het niet hooren, liever dan het te verdedigen; een zacht antwoord verdrijft den toorn, Spr. 15:1. Een stuursch aangezicht stilt zulk een verdorven tong van die achterklappers. Zegt: wat gij al moogt zeggen, ziet op uzelven! En hooren wij iets van onze naasten, die moesten wij verdedigen zooveel wij kunnen.

Gij zult zeggen: Moeten wij dan de fouten, deugden heeten? Neen; de liefde is niet ongeschikt, zij is niet partijdig oordeelende; onze eigene eer te verdedigen, hoe minder hoe beter. Laten ze allen spreken die willen, die het allerverdraagzaamst is, die is er best aan; maar anders, als de eer van God last lijdt, dan mogen wij wel eene zedige en nederige verantwoording doen. Hand. 2. Wij weten wel hoe verdorven wij zijn, het kwade ligt ons zoo bij. Ze zeiden tegen don Heere Jezus: Gi) hebt den duivel. Joh. 8:48, 49. Hij zeide: Ik heb den duivel niet, maar Ik eer mijnen Vader. Doch gij onteert Hem. Heb Ik kwaad gesproken, overtuigt Mij van het kwade; maar heb Ik wol gesproken, waarom slaat gij Mij dan? Joh. 18:23. De Heere Jezus kon dat zeggen; Hij had geen zondige genegenheden. Ik zeg altijd, spreken zal den zwijger niet verbeteren. Verdraagt maar. God zal voor u zorgen; dat zijn de deugden, die in dit gebod geboden worden. En daarmede hebt gij onze vier stukken.

Waar blijven ik en gij met ons gemoed? Nemen wij dat gebod wel als een spiegel in onze handen? Wat zegt uw hart? Moet het niet kloppen? Veroordeelt en beschuldigt het u niet? Hebt gij misschien nog niet een half uur te voren tegen dit gebod gezondigd, eer gij naar de kerk kwaamt? En gij zult er licht kwalijk uit zijn, of gij zult het nog doen. Zitten er hier misschien wel in de kerk, die gij met uw oog zoudt kunnen opteekenen, waar uw naam zoo schandelijk door geschonden is; zou men niet wel van de vromen moeten zeggen: het is, of gij anders niet te doen hadt, dan de gebreken van elkander op te halen?

Vromen! ik bid u, doet het niet. Gij verliest er zooveel door. Gij verliest er elkanders gebed door. Gij weet niet hoe zeer gij elkander doet. Gij doet elkander in \'t eenzame voor God schreien. Gij stijft de goddeloozen. Ben ik een Jood? zeide Pilatus, uw eigen volk heeft U aan mij overgeleverd. Joh. 18:35. Het zijn als scherpe scheermessen als gij elkander zoo smaadt. Weest liever elkander getrouw tot den dood.

Wereld! wat doet gij, dat gij de vromen lastert? Smaakt het u zoo wel, als gij wat op uw rug krijgt? Gij verleidt elkander. Laat elk leven in zijne oprechtheid. Wat hebt gij met elkander te doen?

613

-ocr page 620-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Die niet raet elkander uitstaande hebt, moeit elkander toch niet. (iaat liever met elkander naar den hemel.

Ach! zegt uw hart licht: waaruit komt het? Ik voel dat ik er zoo genegen toe ben! Ik geloof dat het waar is, dat gij er genegen toe zijt. Willen wij het eens zeggen, waar het vandaan komt?

Eerst, (jij zoudt gaarne groot zijn, boven uwe naasten. Het komt uit nijdigheid. God zegent uw naasten. Hij houdt hun naam op, dat ziet gij niet gaarne. Weet gij waar het nog vandaan komt?

Ten tweede. Van zoo nieuwsgierig te zijn. Gij wilt alles weten wat er om gaat, en hoe het met elkeen staat, \'t Is, of dat de mode van onze stad is geworden, onder de burgers te vragen: is er niet iets nieuws? En als gij \'t hoort, dan deert het u, of gij kittelt er uzelven over, en gij zet den prater aan. Wat nog?

Ten derde. Wraakgierigheid. Daar is u een onrecht aangedaan, gij kunt het niet beter wreken, dan met uwen naaste in zijn naam te lasteren, ja, gij kunt er iemand genoegen mede geven, en er u aangenaam over maken, gij kunt er gewin door krijgen, de schoorsteen moet er van rooken. Vervloekt zijn zulke dingen, waar het zoo gaat. Gij zijt zoo listig, gij weet het zoo te besteken, dat het niemand weten zal, het zal niet uitkomen als gy het gedaan hebt. Zal er u dan de hoogheid Gods niet van afschrikken? Zegt gij; ik heb het wel gedaan, maar het is lang geleden niemand zal het weten; het is al vergeten ? Bij God is \'t niet vergeten, al weet gij het te pleis-steren; bij God is één dag als duizend jaren. Zegt gij: \'t zal niet uitkomen? Ja, tot uwe eeuwige schande, zal God het uitbrengen. Gij moogt het zoo behendig doen, als de duivel zelf, God zal het uitbrengen in den dag des oordeels. Hij zal zeggen: waar is nu uwe booze tong, waarmede gij mijn volk gedrukt en gelasterd hebt?

Misschien zal hier iemand in zijn hart zeggen: Ach God! mnn hart klopt mij; maar ik weet niet, of er van de tien wel één hier is, die goedwillig is. Zegt gij, het doet mij zeer, is er wel vergeving voor? Ik geloof, dat wij allemaal schuldig zijn aan de zonden van dit gebod. Zulke zonden en verdorvenheden moeten ons drijven naaiden Heere Jezus, Die volmaakt was in zijne tong, hart en daden, en zoo de wet volmaakt onderhouden heeft. Wij moeten tot Hem gaan, en zoo door Hem tot God, om vergeving. Daartoe wordt ons de wet zoo onderscheiden gepredikt, opdat wij onze zonden onderscheidenlijk belijden zouden; en wie zoo zijne zonden belijdt en laat, zal barmhartigheid geschieden.

Ten vierde. Daar is nog een fontein waar liet uitspruit, namelijk uit al die bezoekjes. Die fontein is \'t, waarop het zeggen van Paulus past: kwade samensprekingen bederven goede zeden, 1 Cor. 15:33.

Daar hebt gij de zonden van het negende gebod op den troon. Doch scheidt er uzelven van af. Ons land is er als door vergiftigd, rijken en armen doen het. Daar relt men dat gruwelijk is. Houdt u liever als een stille in den lande; vreest God, en denkt om onze inleidingstof. Hebt altijd een goed geweten, laat dan alles loopen zoo

-ocr page 621-

OVER DEN XLin. ZONDAG. Vraag 112. G15

\'t loopt. Als gij God behaagt, het is al behaagd; maar als gij God mishaagt, weest dan ontsteld. Wilt gij vrij zijn, zwijgt veel, spreekt niet veel; de zot laat zijn ganschen geest uit; in de veelheid dei-woorden is de overtreding, Spr. 10:19. Die klappers overtreden veel.

.Nog eens. Bedenkt eiken dag, wat gij gesproken hebt, als gij in gezelschappen geweest zijt. Denkt dan; wat heb ik daar gedaan ? Wapent u met Gods alwetenheid, met Gods alomtegenwoordigheid. Zegt gedurig: Ach Heers! Laat de redenen mijns monds, en de overlegging mijns harten, ü toch welbehagelijk zijn, Ps. 19 :15. Gaat uw leven niet uit en in, of doet als David: doe een breidel in mijnen mond, Heere, zegt hij: laat ik mijne wegen bewaren, Ps. 39:2. Gaat uw leven niet uit, dan met het gebed van dien heiligen man in uw hart. Ps. 141:3, Zet een wacht voor mijn mond, behoed de deuren van mijne lippen.

Geliefden! gij weet het niet, hoe groot het prediken van de wet is, of gij moet genade in uw hart hebben. Dan zult gij uzelven voor God open leggen, in al uwe zonden, en zeggen: Ach, Heere Jezus! U heb ik noodig, in uwe volmaakte gehoorzaamheid en lijden. Het smart mij zoo, dat ik uwe geboden zoo heb overtreden, maar Heere, vergeef het mij toch. Laat ons elk zoo in oprechtheid met God zoeken te verkeeren, om ons leven te richten naar zijne wet en Woord, tot zijn eer, om zijns Zoons wil. Amen.

-ocr page 622-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XLIV. Zondag. Veag. 113—115.

Vier-en-veertigst© Zondag.

113. Vraag. Wat eischt van ons het tiende gebod?

Antwoord. Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod van God in ons hart nimmermeer kome; maar dat wij, ten allen tijde van ganscher harte, aller zonden vijand zijn, en lust tot aller gerechtigheid hebben.

114. Vraag. Maar hunnen degenen, die tot God helceerd zijn, deze geboden volkomen houden?

Antwoord. Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zoolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods beginnen te leven.

115. Vraag. Waarom taat ons dan God alzoo scherpelijlc de tien geboden prediken, zoo toch niemand dezelve in dit leven houden lean?

Antwoord. Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leeren kennen, en des te begeeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, dat wij zonder onderlaten ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij langs zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

WIJ lezen, 1 Sam. 10:7, De mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart aan. Dat is eene wonderlijke geschiedenis! Daar komen de zonen van Isaï voorbij. Eliab, de eerste, had zulk een schoone gestalte en gedaante, dat Samuel in zijn hart zeide: deze heeft God verkoren; maar God zeide in zijn binnenste: neen. De mensch ziet aan, wat voor oogen is, maaide Heere ziet het hart aan. Wat sluit dat in zich?IJ lezen, 1 Sam. 10:7, De mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart aan. Dat is eene wonderlijke geschiedenis! Daar komen de zonen van Isaï voorbij. Eliab, de eerste, had zulk een schoone gestalte en gedaante, dat Samuel in zijn hart zeide: deze heeft God verkoren; maar God zeide in zijn binnenste: neen. De mensch ziet aan, wat voor oogen is, maaide Heere ziet het hart aan. Wat sluit dat in zich?

Eerst. Dat God verder ziet dan een mensch zien kan. Hebt Gij vlee-schelijke oogen? ziet Gij gelijk een mensch ziet? staat er van God in het boek van Job, hfdst. 10:4, Neen, God heeft geen vleeschelijke noch menschelijke oogen, nochtans kan Hij verder zien dan een mensch.

-ocr page 623-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

De oude Eli zag Hanna\'s lippen, maar hij kon haar hart niet zien. Daarom oordeelde hij ook verkeerd van haar, I Sam. 1:12—14. God heeft vensteren in eens menschen hart; Hij ziet tot in de borst; het is alles naakt en geopend voor de oogen Desgenen, met welken wij te doen hebben, lïebr. 4:13. 1 Kon. 8:39, Gij alleen kent het hart van alle kinderen der menschen. 1 Joh. 3:20, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.

Ten tweede. Sluit het in, dat Hij ziet naar de oprechtheid in het binnenste. Veel uitwendig beslag en geen hart, dat is een witgepleisterd graf, van binnen stinkende, maar van buiten schoon, Matth. 23:27. Veel schijn van buiten en weinig zijn van binnen, dat is den Heere niet aangenaam. Hij heeft lust tot waarheid in het binnenste, Ps. 51:8. Hij heeft lust tot waarheid; Hij ziet de Nathanaëls in wier geesten geen bedrog is, die Israëlieten, Joh. 1:48. Eu Ps. 32:2, Welgelukzalig is de mensch, dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

Ten derde. Het geeft te kennen, dat een mensch, al had hij nog zulke eigenschappen, hoe groot van aanzien hij is, daardoor niet aangenaam is bij den Heere; bij Hem is geen aanneming des persoons. Hand. 10:34. Wat moogt gij een Eliab zoo verheffen, Samuel! zeide God; dat vindt bij Mij geen ingang, zeide God, de grootheid van gestalte. De groote lieden zijn ijdelheid, de kleine leugen, alle te zamen in eene weegschaal opgewogen, zijn ze minder dan niet en ijdelheid, gelijk er gezegd wordt, Ps. 62:10. Bij God is geen aanneming des persoons; Hij kent de rijken niet voor de armen. Daar mag er in uwe synagoge of kerk een komen, met een sierlijk kleed en met een gouden ring, dat gij hem daarom achten zoudt boven anderen, dit is bij God zoo niet, zegt Jakobus, hfdst. 2:2.

Ten vierde. Geeft het te kennen, dat God let op het inwendige, op de welgesteldheid van het hart, op de bewegingen, lusten, en de gedachten van den mensch, of die tegen, of naar het gebod Gods zijn. Het eene rad doet het andere gaan. God ziet op de eerste begeerlijkheid, op de gedachten, lusten, op de beweging tot zonden. Komt daar iemand bidden in de kerk, God ziet zoozeer niet, hoe de voeten staan, hoe de oogen draaien, hoe de handen zijn; maar Hij ziet meest op het hart, op die bewerkingen. Dat zult gij vinden, Spr. 4:23, Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. Pred. 4:17 is het: Bewaar uwen voet, ais gij tot het huis Gods ingaat. Spr. 23:26, Mijn zoon, geef Mij uw hart.

Geliefden! gij kunt het zien, dat wij het laatste bedoelen. God ziet het hart aan; Hij ziet wat daar omgaat, tegen zijne heilige wet en gebod. Om het wel te verhandelen, zoo hebben wij te bezien:

Eerst. De zonden in dit gebod verboden.

Ten tweede. De deugden die er geboden worden.

Ten derde. Een groot geval, eene vraag, te weten: of iemand volmaakt kan leven?

617

-ocr page 624-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Ten vierde. Een tweede geval van het geweten, daarin bestaande, dat, indien men de wet niet volmaakt kan onderhonden, waartoe God die wet dan zoo scherp laat prediken? Dat zijn onze vier dingen: 1. De zonden, die in dit gebod verboden worden. 2. De deugden die er geboden worden. 3. Een geval van het geweten, eene vraag: is er niemand onder u of\' in de geheele wereld, die dat gebod volmaakt kan onderhouden? 4. Nog een geval van het geweten, te weten: als er niemand is, die het volmaakt kan onderhonden, waarom God het dan zoo scherp laat prediken? Dat kunt gij voelen, dat dit de zaken zijn, die wij in dezen Zondag te bezien hebben.

Wat het eerste aangaat. Hier zijn zonden verboden, te weten: het begeeren. Dat is niet gezegd, trek naar iets te hebben, lust of\' begeerte. Dat is het niet, gij moet het zoo algemeen niet verstaan. Zoo lang iemand leeft, kan hij niet zonder begeerte, lust of trek zijn, of hij zou geheel ziek moeten zijn; dan is een mensch wel zoo, dat hij van alles walgt. De schepsels zijn begeerlijk. De Heere Jezus begeerde grootelijks het Pascha te eten niet zijne discipelen. Luk. 22 :15. Daar is eene natuurlijke begeerte tot natuurlijke dingen. Daar is ook eene geestelijke begeerte tot geestelijke dingen, en daar zijn eeuwige begeerten, tot de eeuwige dingen. Dan is er nog eene vierde begeerte, en dat is tot zondige dingen.

Ten eerste. Daar is eene natuurlijke begeerte tot natuurlijke dingen, tot spijs, drank, kleederen, die is ons ingeboren. Daar ligt een arme Lazarus aan de deur van den rijke; hij bedelde om de kruimpjes, hij begeerde de kruimpjes, die van de tafel des rijken vielen, Luk. 16:21. Die begeerte is goed en wel. De Heere Jezus zit daar bij de fontein Jakobs, Joh. 4;ü—-30; daar komt Hij met eene Samaritaansche vrouw in gesprek: Hij begeerde een dronkje water van haar. Zij zeide: hoe begeert Gij, die een Jood zijt, van mij te drinken? Ja, Hij dorstte; aan het kruis riep Hij: Mij dorst, Joh. 19: 28.

Ten tweede. Is er eene begeerte tot geestelijke dingen. Zij beginnen te zien, dat ze genade moeten hebben. Zij worden overtuigd, zij krijgen eene begeerte naar genade, naar geloof, en naar al wat geestelijk is; vele koningen en profeten hadden eene begeerte om Christus\' dag te zien, maar ze hebben hem niet gezien, dan door het geloof. En zoo begeerde Abraham zijn dag te zien, en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Joh. 8: 56.

Ten derde. Behalve die twee begeerten, zoo zijn er eeuwige begeerten. Men zegt, dat het hier alles zoo gebrekkelijk is, \'t is er zoo zondig, men wordt oud, zwak; men wordt de zonde moede, men krijgt eene begeerte om ontbonden te worden, en met Christus te zijn. Fillip. 1: 23. Men zegt: wat doe ik langer hier? Zij zuchten, verlangende met de woonstede, die uit den hemel is, overkleed te zijn, 2 Cor. 5:2.

Ten vierde. Dan is er eene zondige begeerte, waarvan God in zijne wet spreekt. Die zondige begeerte kan zondig zijn, als ze gaat tot verkeerde voorwerpen; als gij eene vrouw, huis of akker begeert, dat is geen zonde; maar als uwe begeerte tot eens anders huis, vrouw

618

-ocr page 625-

OVER DEN XLIV. ZONDAG. Viuu. 113-115.

of akker gaat, dat is zonde. De lust van eens anders oogen, mag de onze niet zijn. Den wijngaard van Naboth mocht Achab niet hebben. Dat men eene begeerte naar spijze heeft, dat is wel; maar als ze te driftig is, dan is net zonde; als men ze moet hebben, \'t kost wat het kost, al zou men zichzelven schade doen, evenals Ezau. Laat mij toch slorpen van dat roode, dat roede daar, zegt hij; hij moest het hebben, al kostte het hem zijne eerstgeboorte. Gen. 25:30—33. Rachel mocht wel kinderen begeeren, maar niet van baron man. Hij begreep het ook zeer wel: ben ik in de plaats van God? zegt hij. Gen. 30:2. Zoo onverzadelijk te zijn, iets te begeeren, het te moeten hebben, het kost wat het wil, dat is zonde.

Dan is er eene inwendige zonde tegen dit gebod: die is inwendig in het hart. Men denkt op zonde, men neemt voor ze te doen, men stemt het toe, men bedenkt middelen om het uit te voeren, en de tijd daar zijnde, doet men het. Dat is eene zonde, die onder de Heidenen zelfs voor zonde gehouden werd. Die begeerlijkheid in het hart ontvangen zijnde, baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood, Jak. 1:15.

Dan is er nog eene zondige begeerlijkheid tegen dit gebod. Men maalt op zijns naasten huis, vrouw, goed. Men neemt het wel niet, maar men verbeeldt zich, alsof men inderdaad met de bezitting bezig was. Dat is die opwellende begeerlijkheid: al die zondige opwellingen, die nooit tot eene daad zullen komen. Dat is die welke hier in het bijzonder gemeend wordt.

Hierover disputeeren de Joden, Mennisten en Papisten. De Joden, als dat zonde was, zouden dau door hunne deugden niet in den hemel kunnen komen. Dan zouden de Papisten door hun volmaakt leven niet in den hemel kunnen komen; en de Mennisten, die ook eene halve farizeesche volmaaktheid bezitten, liggen almede in dit gasthuis krank. Wil de natuurlijke mensch daarmee niet aan? Neen; zij overdenken eene zonde, zij hebben geene middelen om ze uit te voeren; zij zouden het wel kunnen uitvoeren, maar zij willen niet; maar ze vermaken zich in die gedachten. De Onderwijzer, zeggen wij daarom gedurig, geeft eene zeer schriltmatige verklaring, dat de minste lust of gedachte, die er in ons hart tegen eenig gebod Gods komt, zonde is. De beweging en de gedachte zijn zonde. Wat geeft dat te kennen? Dat geeft te kennen, dat onze geheele natuur zonde is; Gen. 8:21, Het gedichtsel van \'s menschen hart is boos van zijne jeugd aan. \'t Wordt genoemd: booze, schandelijke en kwade bewegingen. Dat zulke namen draagt, is dit geen zonde? \'t Wordt genoemd: schandelijke begeerlijkheden. Col. 3:5. Begeerlijkheden der wereld, Tit. 2 :12. Dwaze en schadelijke begeerlijkheden, 1 Tim. 6 : 9. Begeerlijkheden der jonkheid, 2 Tim. 2 :22. Begeerlijkheden die gekruist moeten worden. Gal. 5:24; liet zijn leden die gedood moeten worden. Col. 8:5. Ik wist niet, zegt Paulus, dat de begeerlijkheid zonde was; maar komende aan liet tiende gebod, daar zag ik, dat de bewegingen zonden waren. Hom. 7: 7. Hij noemt die begeerlijkheid

fil!)

-ocr page 626-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wel twaalfmalen kwaad, zonden, Kom. 7. Hoe minder dafc wij daarvan bijbrengen uit het Woord, als het maar klaar is, hoe minder hoe beter. Dat kimt gij nu vatten.

Maar wat verbiedt God nog al? Zwervende, ijdele gedachten, in het bidden, lezen, hooren; die dikwijls zoo zot zijn, dat men er over beschaamd zou moeten zijn, als iemand ze wist ; Jer. 4:14, Hoelang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten? Doet ze weg, zegt God, haat al die kwade ranken.

Nog eens. Al die bewegingen, \'t wil zeggen; het komt wel niet tot de daad; al is het, dat ze onze toestemming niet hebben, de wortel der zonde is er evenwel. Gij hebt zooveel, als gij uwe bewegingen inhouden kunt. Die van Christus zgn, hebben het vleesch gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Gal. 5:24.

Nog eens. Dat zondige en ijdele in slapen en droomèn. Wy leeren onzen kinderen bidden, dat zelfs onze slaap mocht geheiligd worden, dat die niet onordentelijk zij. Het is heerlijk. Het droomen komt uit veel bezigheden, en ook uit een onheilig hart.

Behalve dit: dat onvergenoegd zijn, altijd te klagen, \'t Is nooit wel, \'t moest altijd anders zijn. Zij moeten zoo treurig, zoo droevig niet geleid worden; een ander wordt altijd beter geleid. Wij denken niet eens, dat de Heere een souverein God is; wij zondigen als dwazen.

Weet gij wat voor eene zonde hier nog verboden wordt, zondaar? Dat gij den Geest niet zoudt tegenstaan. Zelfs zijn er vromen, die den Geest bedroeven en smoren. Als het hun kwalijk gaat, dan spreken ze, als het hun wel gaat, dan zwijgen ze. Vromen, bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, Ef. 4:30. Goddeloozen, staat Hem ook niet tegen.

Wat nog, wat verbiedt God nog? Dit: als anderen hunne oude ranken vertellen, zitten ze er bij; /,ij stellen er zulk een behagen in, ja, zij kunnen er zich zoo in vermaken, ze wenschen, dat zij er bij geweest waren. Ja, als zij zeiven hun jong leven vertellen en ophalen, hebben zij er zulk een smaak in. Ja, ze wilden wel, dat zij weer jong waren, om te meer zonden te kunnen doen.

Ten tweede. Nu moeten wij de deugden zien, die de Wetgever eischt. Welke zijn die? Dat ik zal staan naar eene veranderde natuur; dat ik zeg: hoe vuil is mijne natuur, hoe onrein! Dat kwade, die oude mensch moet weg, en de nieuwe mensch moet aangedaan worden; ik moet een geheel ander hart krijgen: zoudt Gij het mij wel willen geven, Heere? Dat is het.

Eerst. Trekt den ouden mensch uit, staat naar eene veranderde natuur, tracht naar een nieuw hart.

Ten tweede. Als gij een ander hart gekregen hebt, zoekt dan zuiver en heilig in uw hart en beweging te zijn, dan zult gij een goeden schat in uw hart hebben; en uit dien goeden schat zult gij voortbrengen en bedenken, al wat eerlijk, liefelijk en rein is, Luk. 6; 45. Zoo daar eenige lof of eenige deugd is, gij zult ze betrachten, Fil. 4 ; 8. Zoekt zoo in alle goed geweten te leven en te wandelen. Hand. 23 ; 1.

620

-ocr page 627-

OVER DEN XLIV. ZONDAG. Vraö. 113-115.

Ten tierde. Dat gij allerlei zonden, te allen tijd, van harte vijandig zoudt zijn. Daar is geen zonde, die men niet moet haten. Alle valsche pad heb ik gehaat, Ps. 119:128. Haat zelfs die zonden, die de wereld rekent voor kleinigheden. Zoo noemen zij ze; zij zien zoo nauw niet. üe zonde begint doorgaans met kleinigheden, en van die kleine zonden komt grooter kwaad. Eerst komt men tot eene kleine, en daarna tot schrikkelijk groote zouden. Diua begon met eene kleine zonde, zij ging in liare dartelheid de dochteren des lands bezien. Daarna kwam ze tot oukuischheid. Daardoor kwam zulk eene schrikkelijke moord, Gen. 34. Amnon kwam eerst tot oukuischheid, en daarna tot nog grooter kwaad, 2 Sam. 13. Kan die helsche slang er haar kop maar in krijgen, de rest zal wel volgen. Door een klein lek moet een geheel schip verzinken. Een klein wormpje in den wortel van den boom, doet den geheelen boom kwijnen. Voor de kleine zonden is de lleere Jezus ook gestorven. De kleine zonden zijn gelijk het zand: het zand is ook klein, maar als er veel zand bijeen is, dan is het een geheele berg. Zooals die zaken in \'t natuurlijke zijn, zoo zijn ze ook in \'t geestelijke. De kleine zonden zijn als het zand, als er vele bijeen zyn, zoo zijn ze schrikkelijk wichtig op het hart.

Dat niet alleen, maar alle deugd moeten wij zoeken te betrachten. Hij betracht geen deugd, die de eene en de andere niet wil betrachten. Ik heb al uwe geboden in alles voor recht gehouden, maar alle valsche pad heb ik gehaat, zegt daarom David, I\'s. 119:128. ik heb uwe getuigenissen genomen tot eene eeuwige erve, want ze zijn mijns harten vroolijkheid, Ps. 119:111. Ik heb den weg der waarheid uitverkoren. Ik heb ze mij voorgesteld om te doen. Dat is het nu wat de Wetgever eischt: Betracht elk alle deugd naar uw vermogen, naar het uiterste van uwe bekwaamheid.

Nu komt de Onderwijzer tot het derde stuk, tot een groot geval van geweten, dat hij oppert, te weten, iemand zal zeggen: Mijn God! moet ik zoo wezen? Is er eenig mensch, die deze wet zoo houden kan? Daarop antwoordt hij klaar en onderscheidenlijk. Hier zal een kind van God liever met Ezra zeggen: Mijn God! ik ben beschaamd en schaamrood, Ezra 9:0. En met een tollenaar, op zijn borst slaan en zeggen; Ik durf mijne oogen niet opheffen naar den hemel, Heere, zijt mij, arme zondaar genadig, Luk. 18 :13. Ze staan als een Paulus: Heere! zegt hij, wat wilt Gij dat ik doen zal? Hand. 9:6. Ik heb geen rechtvaardigheid, Fil. 3:9. Dat willen ze liever doen, dan met dien jongeling zeggen: al die geboden heb ik onderhouden van mijne jonkheid af, Matth. 19:20. Ook niet als die Farizeër, die daar kwam rnet al zijne deugden voor God, Luk. 18:11, 12. Hij liep als over van deugden, hij dankte den Heere, dat hij niet was als anderen.

Om dat klaar te toonen, zoo moeten wij u doen zien, wat het is volmaakt te zijn. Is het de volmaaktheid, die hier gemeend wordt?

Eerst. Oprecht te wezen? Neen het, hoewel dat dit, naar den stijl des Geestes, ook wel volmaakt heet. Job was een oprecht man. Job 1:1. \'tls te zeggen een volmaakt man. Gen. 17:1, zeide God tot

C21

-ocr page 628-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Abrahaiu; wandel voor mijn aangezicht en zijfc oprecht. Zulken zijn er onder de heiligen, in wier geest geen bedrog is. Dat zeide de Heere Jezus van Nathanaël, Joh. 1:48.

Ten tweede. Dan is er eene volmaaktheid, bekend door vergelijking. De een is verder gekomen in zijn geloof, hoop, liefde, dan de ander. Een man is volmaakt in vergelijking van een kind. Een, die reeds door en volleerd is, is volmaakt in vergelijking van een discipel, die eerst begint; die verder gekomen is, is volmaakter dan die eerst begint. Pil. 3:12, 15, 17, Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons naar dien zeiven regel wandelen. Is bet lichaam van een groot mensch niet volmaakt, als gij het vergelijkt bij een pasgeboren kind ?

Dan is er nog eene volmaaktheid, die de Onderwijzer in het oog heeft; en dat is eene volmaaktheid der deeleu, dat men zulk een lust heeft om naar al de geboden Gods te willen leven, geen gebod uitgezonderd, en dat met ziel en lichaam, zoo God te dienen. Is er zulk eene volmaaktheid? Ja het. Zoo waren Zacharias en Elizabeth; zij waren beide rechtvaardig voor God. Zij wandelden in al de geboden en rechten des Heeren onberispelijk. Luk. 1 ; (i. David zeide: Ach! of mijne wegen gericht waren, om uwe inzettingen te bewaren, Ps. 119:5.

Dan is er nog eene volmaaktheid door toerekening, en die is in bun Hoofd. Door de toegerekende gerechtigheid en heiligheid van Christus, zijn ze volmaakt, Hoogl. 5:2, mijne duive, mijne volmaakte! Wij zijn in Hem volmaakt, Col. 2:10.

Maar dat is ook die niet, die hier gemeend wordt; maar dit is de vraag, of er een mensch in do wereld is, die de wet volmaakt kan onderhouden, zonder den minsten zondigen lust of gedachten te hebben, om eenig gebod te overtreden ? Wij antwoorden, neen, de allerheiligsten zijn onvolmaakt. Wij bewijzen het hier uit. Daar is niet een mensch die leeft, welke zeggen kan: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijne zonde! Spr. 20:9: 1 Kon. 8:4G, wat mensch leeft er die goed doet en niet zondigt? Wij struikelen allen in vele, Jak. 3: 2. En zoo wij de openbare zonden niet doen, zoo doen wij de verborgene. Ps. 19:13, Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen. Wie kan een reine geven uit een onreine? Niet een, Job 14:4. Wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed, Jes. 64:6.

Nog eens. De allerheiligsten hebben hunne zonden gehad. Henoch wandelde met God, Gen. 5:22; maar hij moest geloof oefenen, tot een bewijs, dat hij zonde had, eer hij het getuigenis kreeg, dat bij God behaagde, lleor. 11:5. Abel moest offeren tot een bewijs, dat hij zonde had. Gen. 4:4, Abraham en Noach wandelden voor en met God, maar ze moesten offeren tot een blijk, dat ze zonden hadden. Lot, die vrome, David, die een man naar Gods hart was, en Mozes, hunne zonden staan in het Woord aangeteekend; en Petrus en Paulus, boe hebben ze in bun leven over de zonden gekermd! Ze moesten zoo smeeken om vergiffenis. Een Daniël, boort hem: Dan. 9:19. O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het en vertrek

fi22

f

Ij!,

I li

I ! I | 1

Ui

J

!!

f

II

iin

; i I i li

-ocr page 629-

OVER DEN XLIV. ZONDAG. Vrag. 113-115.

het niet! Om uws zelfs wil, o mijn God! Hoe leerde de Heere Jezus zijn apostelen en discipelen om vergiffenis bidden in het gebed des lleeren! De gansche Kerk belijdt: Wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Jes. G4:6. Behalve dat, de geest begeert tegen het vleesch, en het vleesch tegen den geest. Gal. 5:17. Als ik het goede wil, zeide Paulus, zoo ligt het kwade mij bij, Kom. 7 :21. Niemand, die er ooit geleefd heeft, is onzondig geweest, dan de Heere Jezus alleen; Die heeft geen zonde

Sïkend. Wie van u, zeide Hij, overtuigt Mij van zonden? Joh. 8:46.ïkend. Wie van u, zeide Hij, overtuigt Mij van zonden? Joh. 8:46.

e geesten der volmaakte rechtvaardigen hebben geen zonde. Die binnen dat hernelsch paleis zijn, hebben nooit geen zonden gedaan, of alle zonden afgelegd. Indien iemand zonder zonde was, dan had hij de genade Gods, noch de gerechtigheid van Christus van noodè, dan was Christus tevergeefs gestorven, Gal. 2; 21. Dan hadden wij roem bij God, dan werden wij gerechtvaardigd, niet door de wet des geloofs, maar door die der werken.

De Onderwijzer komt verder, en zegt: de allerheiligsten hebben maar een klein beginsel van de gehoorzaamheid. Wat is dat te zeggen?

Eerst. De wet eischt volmaaktheid, en het is met hen zooals met een fondament. Men legt er het eerste steentje aan. De wet eischt meer. In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar uw gebod is zeer wijd, Ps. 119:96. Alle deugd in haar begin, wat verschilt zij niet nog veel van de volmaaktheid! Als iemand is zooals een klein kindje, het heeft al de ledemaatjes wel, gelijk een volwassen mensch, maar hoe moet het nog groeien eer het een man is! Zoo ook, al die kleine deugden, dat, wij kennen ten deele, wij profeteeren ten deele, wij zien als door een spiegel, 1 Cor. 13:9, 12, is, bij het volmaakte, dat er in den hemel zal zijn, niet bezienswaardig, \'t Is gering bij datgene waar Paulus zoo naar jaagde, Fil. 3; 14.

Nog eens. De Onderwijzer zegt: gij hebt een ernstig voornemen, om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods te leven. Zij hebben zulk een voornemen om tot de volmaaktheid te komen, zij jagen er naar, Fil.\' 3:14. Met een voornemen des harten zoeken ze bij den Heere te blijven. Hand. 11:23. \'tls opzet, zeggen ze, het is Gods gebod. Dat moet ik doen. Zij zeggen als Nehemia, wij zijn knechten, die lust hebben om uwen naam te vreezen, Neb. 1 :11. Gij zult ze er niet afkrijgen, al wildet gij hun uw huis vol zilver en goud geven. Al moesten zij er om in den oven. Dan. 3:21; en bij de leeuwen. Dan. 6:17. Zij bidden dagelijks om daarin toe te nemen; ach! bij het spoor der gerechtigheid willen zij zich voegen, en daarin wandelen. Schep in mij een rein hart, o God! zegt David, Ps. 51 :12. Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen, en uwe wet is in het midden mijns ingewands, Ps. 40:9. Leer mij uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God; uw goede Geest geleide mij in een effen land, Ps. 143:10. Wij zeiden in de aanspraak, dat wij alle dagen niet moesten uit- of ingaan, of wij moesten bidden: Vereenig mijn hart tot de vreeze uws naams; leer mij uwen weg, cn ik zal in

023

-ocr page 630-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

uwe waarheid wandelen, Fs. 86:11. Leer en bestier mij naar uw Woord, Ps. 25; 5, en dat is het, wat een kind van God dagelijks bidden, en zonder ophouden, altoos te betrachten heeft.

Nu komt de Onderwijzer tot ons vierde stuk. iemand mocht zeggen: Terwijl het zoo is, wint gij mijne toestemming; maar ik ben verwonderdquot;, dat God de Heere zijn wet scherp laat prediken, zoo er toch niemand is, die in dit leven dezelve volmaakt kan onderhouden. Is er zelfs geen ongerijmdheid in? Moet men niet zeggen, dat de Heere onrechtvaardig is, dat Hij in zijne wet van ons eisclit, wat wij niet doen kunnen? Moeten wij niet zeggen: Heere! Gij hebt ons vermoeid? Als God zeide: wat onrecht hebt gij in Mij gevonden? Zoudt gij wel niet mogen zeggen: Heere! dat Gij uwe wet zoo scherp laat prediken? Geliefden! zoo zou het vleesch, de zondige natuur, spreken; maar als wij recht en naar waarheid willen spreken, dan kunnen wij zoo niet spreken. De Onderwijzer zal u naar het Woord, de zaak zeggen, hij zal u zeggen, hoe heilig God er in is, om die wet zoo scherp te laten prediken. Wij hebben ons leven in den bijbel anders niet gezien, en wanneer gij den bijbel maar open slaat, zoo komt gij aan de wet en de profetenquot;. Wat mag dan een Mennist en Sociniaan spreken, dat er geen wet is, dat er eene nieuwe wet is, dat het geloot in plaats van de wet is, dat de oude wet weg is? Doen wij de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet, zeide Paulus, Rom. 3:31. Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal daar niet een jota noch titel van de wet voorbij gaan, totdat het alles zal zijn geschied, Matth. 5:18. De Heere Jezus predikte de wet. Mark. 10:19. Al de geboden van de wet staan in het Nieuwe Testament, 1 Tim, 1:5—9; daar zal licht een verstandige wel de tien geboden vinden, anders zijn ze het geheele Nieuwe Testament door verspreid. Het prediken van de wet is ten allen tijde een gezegend middel geweest, en dat zal zoo zijn tot het einde toe.

Maar is dat waar, en laat God ze dan zoo schrikkelijk scherp prediken? Ja. Hoe scherp? Zoo, dat God zegt, wie een gebod overtreedt, die overtreedt ze allen; zoo scherp, dat Hij zegt, dat Hij niet alleen zal straffen de hoofdzonden, maar ook de mindere zonden, en dat Hij die ook verbiedt. God gebiedt hoofddeugden en mindere deugden zoo scherp, dat Hij zegt: gij zult er niet toe, of af doen, of Ik zal van uwen zegen afdoen, Deut. 12:32. Gij zult de wet houden, zeide God, op straffe van eeuwig verloren te gaan. Zoo gij niet leeft, zooals Ik beveel, zoo gaat gij naar de hel. Zoo scherp laat God de wet prediken!

Wat schrikkelijker donderslag is dat! Zoo scherp laat God ze prediken, waar ze niemand houden kan, bekeerd of onbekeerd! Ja. Daarin zijn nu zulke schoone oogmerken en einden tegen de verworpenenquot;. Daar zitten er misschien hier wel. God weet het, wier namen op de rol des doods geschreven staan, die tot in eeuwigheid verloren zullen moeten gaan. Maar weet gij, waarom dat God het u zoo scherp laat prediken?

G24

-ocr page 631-

OVER DEN XLIV. ZONDAG. Vraq. 113-115. 625

Eerst. Opdat gi] God niet zoudt kunnen beschuldigen, dat gij den weg niet geweten hebt, dien gij bewandelen moest. Hij heeft u laten hooren: Dit is de weg, wandel in denzelven, Jes. 30:21.

Ja, ten tweede. Waarom nog? Opdat gij zoudt moeten erkennen, dat Gods eisch billijk is, omdat hetgene wat God in zijn wet en Woord schrijft, met uw geweten overeenkomt. Waarom? Opdat uwe mond gestopt zou en gij voor God verdoemelijk. Rom. 3:19.

Als gij naar de hel zult moeten gaan, zoo zult gij moeten zeggen: God is rechtvaardig, ik daarentegen ben goddeloos, Exod. 9:27; ik heb met mijne onmacht gespeeld, en ik heb mijn vermaak in al hetgeen wat strijdt tegen de onderhouding van de\'goddelijke wet; nu is God rechtvaardig; nu is mijn mond gestopt; het is God niet te wijten, die is onschuldig. Daar zult gij dan staan om God eere te geven. Als Hij u in de hel zal werpen, zal uw geweten zeggen: hadt gij toch de zonde niet gedaan, maar hadt gij het heilige gebod Gods gedaan! Dan zult gij moeten uitroepen: God is rechtvaardig, ik daarentegen ben goddeloos; ik was wel onmachtig, maar ik heb er mede gespeeld; ik heb Gods kracht niet gaan zoeken, en ik heb mijzelven die gaven moedwillig beroofd.

Nog eens. Daar zitten hier misschien ook wel uitverkorenen. Dat middeltje was hen zoo dierbaar; het schrikkelijke van de wet, en de slagen en oordeelen maakten, dat zij tot staan gebracht werden. Het bracht u tot nadenken, zoodat gij begont te denken: ben ik zulk een monster? Hoe geraaktet gij tot tranen? Hoe kwam het, dat de Heere Jezus u ooit begeerlijk werd, zoodat gij moest zeggen: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt mijn ziel naar God, Ps. 42:2. God liet u de wet prediken, opdat de Heere Jezus u dierbaar zou zijn, eu opdat gij zoudt schreien om zijne gerechtigheid. Kent gij er niet wat van? Moet gij niet zeggen, ja?

Vromen! weet gij waarom God u nog die wet zoo scherp laat prediken? Ach! het is, opdat gij, als God en Christus u verlost heeft, en gij wedergeboren en geloovig geworden zijt, zoudt zien, wat eene verplichting er op u ligt, om te zeggen: dat is mijn regel, mijn richtsnoer, naar hetwelk ik leven moet, en het is het pad, dat ik te bewandelen heb; hoe lief heb ik dat gebod! het betaamt mij en allen menschen dat te houden; en opdat gij, wedergeboren zijnde, en gedurig zondigende, uw hart zoudt leeren kennen, opdat gij zoudt waken, en zoeken te wandelen als lichten in een krom en verdraaid geslacht. Pil. 2:15. God laat nu zijne wet zoo scherp prediken. 1. Om de verworpenen. 2. Om de uitverkorenen. 3. Om de wedergeborenen. Ziedaar, toehoorders, zullen de geloovigen nu wel tot die voorgestelde volkomenheid in dit leven geraken? Neen, maar zekerlijk na dit leven, als ze den geest zullen gegeven hebben. Van dat stondetje af aan, zullen zij al hunne verdorvenheden hebben neergelegd, en dan zullen ze tot in eeuwigheid geen verdorvenheid in hun hart meer voelen. Dan zullen ze God volmaakt dienen zonder zonden. Dat zijn onze vier zaken. Wij hebben het u klaar zoeken aan te toonen; en wij gelooven.

-ocr page 632-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

dat, als gij aandachtig hebt willen zijn, gij ons hebt kunnen verstaan. Wij gelooven, dat gij het altemaal hebt moeten toestemmen.

Daar is de wet nu weer gepredikt. De lijst van de zonden en vloeken is u klaar en ordentelijk aangetoond en voor oogen gelegd, naar de Schrift. Maar wat vrucht heeft het op u gedaanIs er wel eene zonde door bij u ontdekt, die gij beleden en betreurd hebt? Hebt gij wel tegen eenige zonde gaan strijden? Heeft het in u wel verwekt dien honger naar de gerechtigheid van Christus, over welken de Zaligmaker uitroept, dat zij zalig zijn? Matth. 5:6. Wrocht het in u, wake, vreeze? Neemt gij omtrent dit tiende gebod wel eens voor, uzelven nauw, ja nauw te doorzoeken, eer het besluit bare? Zef. 2: 1, 2. Hebt gij niet beschaamd moeten staan? Wat al lusten zijn er in ons tegen de geboden Gods! Niet alleen zondigen wij tegen de minste, maar ook tegen de meeste geboden. Wat zondigt men met zwijgen! Wat zijn er al zondige gedachten, kwade bewegingen! Wat zondigt men in den godsdienst en buiten den godsdienst; bij dag, bij nacht, in ons beroep, en daar buiten! Wat is er al onvergenoegdheid in ons! Kan God het wel één dag op een jaar goed met ons maken? Dan zondigen wij eens tegen de goedheid Gods, dan eens tegen de oordeelen. Worden wij ergens door beroerd, dan gaan wij ons pleisteren met looze kalk, Ezech. 13:10. Wij genezen de breuk op het lichtst, Jer. 6:14, Men legt er die breede pleister op, en zegt; Niemand kan volmaakt zijn; hadden wij geen zonden, wij hadden geen Christus, geen Zaligmaker van noode. Wie strijdt er tegen de zonden? Wat smoort men den Geest in zijn werk! Wat klopt men het geweten dikwijls op den mond! Vromen en onvromen! wij moeten dat op ons hart leggen, wat verdooft men dikwijls het geweten! Wat ziet men op de zonden van de vromen! men ziet de zonden der vromen, en ziet zijn eigen balk niet. Die is zulk een, en zoo, en ik niet. Men zegt niet: ik ben zulk een; en zoo maakt men de splinters in eens anders oog tot een balk, en den balk in ons eigen oog merken wij niet, Matth. 7:3—5. Wat haalt men de oude ranken op, zoodat men denkt: het is jammer dat ik geen meerder tijd van leven heb! Wat stuift men op tegen het wet-prediken! Doet dien spiegel maar weg; preekt zoo scherp niet, zegt men. Ik weet niet wat sommige predikanten er mede voor hebben, dat zij het wet-prediken verwerpen. Wat scheelt er? Is het de eeuwigdurende wet niet? Is ze in \'t Nieuwe Testament zoo scherp niet gepreekt als in\'tOude? Zij is er al veel scherper gepreekt dan in \'t Oude. Leest het maar. Daar hebt gij de Boanerges, de donderzonen. De Heere Jezus Christus heeft de wet gepredikt, zooals wij straks uit Mark. 10:19 aangetoond hebben. Wat riep Hij dikwijls uit: Wee! wee! wee u! Ik weet niet wat eenige predikanten daarmede voor mogen hebben, als ze zeggen, dat de wet in \'t Nieuwe Testament zoo scherp niet gepreekt moet worden. Zij is in quot;t Nieuwe Testament al veel ver-vaarlijker gepreekt dan in \'t Oude. In \'t Oude Testament waren licha-meli]ke plagen; maar in \'t Nieuwe Testament zijn geestelijke plagen.

626

-ocr page 633-

OVER DEN XLIV. ZONDAG. Vrag. 113-115.

Ik weet dat wel, uit Hebr. 12:18—24, Dat wij niet zijn gekomen tot dien tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, enz. Maar tot den berg Zion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelsch Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen enz.; dat is tob de bediening van het genadeverbond. Maar weet dit er bjj : dat, tegen hoe grooter genade wij zondigen, hoe grooter straf wij zullen te wachten hebben. Weest ook zoo dwaas niet, toehoorders! verstaat het mede, \'t is daar al niet mede te doen, als sommige predikanten zeggen: men moot nu maar op de fluit spelen. Wie dat zeggen, weten niet wat zij zeggen. Tegen de grootste liefde Gods te zondigen, is de grootste misdaad; en daar zullen de grootste straffen op volgen. Gaat maar naar uw eigen huis; hebt gij een kind, waarvan gij veel werk maakt, en vele kosten aan doet, en het spat uit, gij zult het zevenvoudig kastijden. Wilt gij des Heeren wet niet doen, (laat ons zoo niet droomen, noch onszel-ven in slaap laten zingen, door die ijdele deuntjes) wij zullen dan zoo onzacht wakker gemaakt worden, als God het op ons hart zal drukken, dat wij tegen zoo groote genade gezondigd hebben.

Ja, zegt misschien iemand, hoe gelukkig was Adam, en hoe ongelukkig zijn wij, en hij is evenwel gevallen! Was Adam gelukkiger, of, zijn wij gelukkiger? Waarin was hij gelukkiger? Hij was inwendig zonder zonden; daar was geen inwendige beweging tot zonden binnen in hem, maar van buiten kon hij verzocht worden. Hij was geen ziekte, zwakheid, noch dood onderworpen, zoolang hij staande bleef. Hij woonde op eene schoone wereld; in het heerlijke paradijs. Maar waarin zijn nu Gods kinderen gelukkiger dan Adam was? Hierin: zij bezitten een onveranderlijk geluk; zij hebben de vastheid van hunnen staat en goed in hun eigen hand niet. Zij worden in de kracht Gods bewaard, 1 Petr. 1:5. Als zij zondigen, vallen zij daarom niet uit de gunst van God; maar God verbergt Zich wel eens om de zonden; maar dan komt de Drieëenige God al wederom in hen wonen. Waarom belieft het God den Heere, dat zijne kinderen hier zoo onvolmaakt zijn? Wat zijn daarvan wel de meeste redenen? Daartoe heeft God heilige redenen. Wilt gij die eens zien, zij zijn dubbel waardig dat gij ze eens overweegt en op uw hart drukt.

Eerst. God wil onderscheid stellen, tusschen den hemel en de aarde, tusschen de strijdende en de triumfeerende Kerk, tusschen de woestijn van de wereld en het hemelsche Kanaan.

Ten tweede. Hij wil u doen verlangen naar de volmaaktheid, op-dat gij niet zoudt zeggen: \'t is goed hier te zijn, en hier tabernakelen zoudt wenschen te maken. Matth. 17:4.

Ten derde. Hij wil den Heere Jezus hun lief doen zijn, die wordt hun dierbaar.

Ten vierde. De Heere wil, dat zijne kinderen zich oefenen in allerlei Christelijke deugden: in lijdzaamheid, zachtmoedigheid, nederigheid.

Ten vijfde. De lleere wil hun toonen, zoolang zij leven, dat het genade is, zoo zij in den hemel komen. Uit genade zijt gij zalig ge-

G27

-ocr page 634-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

worden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave, Ef. 2:8. Ja, de Heere wil hen doen zwijgen in de beschikking van de onvolmaaktheid zijner kinderen.

Gij zult zeggen : Mag ik daar dan wel in verloochend zijn, en mag ik het omtrent de zonde ook niet zijn; want het is toch Gods beschikking?

Wij antwoorden u met onderscheid. Omtrent de zonden verloochend te zijn, als gij dat hadt, dan hadt gij eene duiyelsche verloochening; wij mogen wel verloochend zijn in de beschikking; ja, wij_ moeten daaromtrent zwijgen, en zeggen: Allerliefste Heere, wij zien uwe gangen in het heiligdom, Ps. 08:25. Maar, dat men omtrent de zonden verloochend en tevreden is, dat zou duivelsch zijn; maar over de beschikking stil te zijn, dat is redelijk en Christelijk; doch de zonde zelve moet altijd het voorwerp van onzen haat, onze belijdenis en strijd wezen, strijdende tegen de zonden.

Nu hebben wij nog eene vraag, en die is deze; Wat moeten wij waarnemen, en wat staat ons te zien in al die onvolmaaktheid? ik antwoord u: in al die onvolmaaktheid moeten wij zien, waar liet wel werkt. En waar is dat?

Eerst. Daar werkt het wel, als het u uwe schuld doet zien, uwe groote, leelijke en stinkende misdaden.

Ten tweede. Waar het tot belijdenis komt.

Ten derde. Waar het er u over verslagen doet worden, zoo doet uitroepen: ik kan met zulk een pak niet leven. Wat moet ik doen? Zoo ik er niet van verlost word, zink ik in de hel.

Ten vierde. Als het u tot tranen brengt. O! zulken zult gij al dikwijls met bekreten wangen zien. Komen de tranen op de wangen niet, dan is evenwel het oog vol tranen. Gij zult hun hart week zien.

Nog eens. Zij schreeuwen zoo uit: ach, ik moet den Heere Jezus, dien waren Medicijnmeester hebben, of\' ik ga verloren!

Nog eens. Zij hebben zulk een werk met hun hart. Slapen ze of waken ze, nergens hebben ze meer moeite mede dan met dat inwonende kwaad.

Nog eens. Zij lieven de praktikale bediening en de lieden van praktijk.

Nog eens. Zij bidden God dikwijls, dat Hij zijne wet in hun hart wil schrijven.

Daar zijn nu zoovele kenteekenen, legt er u eens nevens. Is het zoo met u, hebt dan goeden moed, gij zult wel tot de voorgestelde volkomenheid geraken. Dan zal ai uwe onvolmaakte genade en verdorvenheid ophouden, als gij tot het volmaakte zult gekomen zijn. Hoe schoon zal \'t wezen, zoo \'ik en gij het geluk zullen hebben, om in den hemel te komen! Hoe rein zullen wi] daar zijn! Wij zullen daar in geen zonden meer vallen; die zullen daar ophouden. Daar zal geen inwoner zeggen: ik ben ziek. Het volk, dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben, Jes. 33:24. Nu dat wensch ik, dat de Heere te zijner tijd aan mij en u schenken wil, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

C28

-ocr page 635-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XLV. Zondag. Vrag. 116—119.

Vijf-en-veertigste Zondag.

110. Vbaag. Waarom is het yehecl den Christenen van noode?

Antwoord. Daarom, dat hetzelve het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert; en dat God zijne genade en den H. Geest alleen aan hen geven wil, die Hem, met hartelijke zuchten, zonder ophouden, daarom bidden, en daarvoor danken.

117. Vraag. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Godc aangenaam is, en van Hem verhoord ivordt?

Antwoord. Eerstelijk, dat wij alleen den eenigen, waren God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen: ten andere, dat wij onzen nood en onze ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen: ten derde, dat wij dezen vasten grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus\' wil, zekerlijk wil verhooren, gelijk Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

118. Vraag. Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?

Antwoord. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke deHeere

Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.

119. Vraag. Hoe luidt dat gebed ?

Antwoord. Onze Vader, die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk home; Uiv wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; Geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Utvc is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eemvigheid. Amen.

WIJ lezen, Ps. 73:28, Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen. Weet gij wel, wat voor een mensch dat is, die nabij God is?IJ lezen, Ps. 73:28, Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen. Weet gij wel, wat voor een mensch dat is, die nabij God is?

Eerst. Het is zulk een mensch, welke God den Heere verkiest. Gij kunt die keuze niet doen, of gij moet geheel dicht bij God wezen. Asaf zag eens den voorspoed der goddeloozen; dat ging met hen in

-ocr page 636-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

het eerst al vrij wel; maar toen zag hij ook den tegenspoed der vromen, en dat net doorgaans zoo kwalijk ging; en God stelde hem tusschen die beide, en zeide: Kies nu. Ik moet een weinig tijds hebben, zeide de man. Waartoe Asaf? Om ze beide te bezien in hun uiteinde. Sterven de goddeloozen. God zal hun beeld verachten, Ps. 73:20; maar de vromen, als God ze eerst zal geleid hebben door zijn raad, zal Hij ze daarna opnemen in heerlijkheid, Ps. 73:24. Wat kiest gij nu, man? Wel Heere! zegt hij, ik doe eene Mozes-keuze; die verkoos liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte. Gij kunt dat niet doen, of gij moet geheel dicht bij God wezen; want hij zag op de vergelding des loons, Hebr. Ü^S, 2G.

Ten tweede. Dat is een mensch, die nabij God is, wiens gedachten zoo vervuld zijn met God, met al Gods wegen en handelingen, die Hij over hen houdt. Als gij hun eens zoudt vragen: waar zijt gij met uwe gedachten? Ach! zouden ze zeggen, als ik rechtuit zou spreken, ik ben bij God met mijne gedachten; ik was daar bezig met een stukje uit het Woord, of\' eene eigenschap van God te overdenken. Zoo zijn ze slapende en wakende bi] den Heere. Worden ze wakker, zij zoeken dat hun Liefste als een bundeltje mirre tusschen hunne borsten vernacht, Hoogl. I : 13, en zij zoeken te zeggen: Heere! als ik wakker word, zoo ben ik nog bij ü, Ps. 139:18.

Ten derde. Dat is een mensch die naby God is, die zoo zegt: Ach! ik kan tegen God niet zondigen: ik doe zoo gaarne wat U behaagt, Heere! Ach Heere! naarmate mijne verdorvenheden sterk zijn, zoo wijkt Gij; maar naarmate de nieuwe mensch krachtig in mij is, zoo leef ik dicht bij U. Dan is het met mij, gelijk met een Henoch, hij wandelde met God, Gen. 5:22. Ach Heere! dat klinkt altijd in mijn hart, wat er in uw Woord staat. Wat eiscbt de Heere uw God van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en oot-moediglijk te wandelen met uwen God? Micha 6:8.

Ten vierde. Dat is een mensch die nabij God is: hij heeft zooveel ondervinding van Gods goedheid en vriendelijkheid, dat hij alteraet moet zeggen, als Hiskia: Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, Jes. 38:17. Ik zal dan zoo zoetjes voortgaan al mijne dagen, vs. 15; ik zal voortgaan van deugd tot deugd, en van kracht tot kracht, totdat ik eenmaal voor God zal verschijnen in Zion, Ps. 84:8. O! \'t is zulk een, die altemet gekust wordt met de kus van Gods mond, Hoogl. 1 :2. Hij komt tot zulk eene ziel wel eens zeggen: Ik ben uw heil, Ps. 35:3. En ook, gij hebt genade gevonden in mijne oogen. Gen. 6: 8.

Ten laatste. Een mensch die naby God is, is een bidder; hij naakt dikwijls in den gebede tot God, en God naakt ook tot hem. Gij kunt niet bidden, of gij moet u den Heere vertegenwoordigen. Als een mensch aan een mensch een verzoekschrift in zijne hand geeft, dan is hij nabij hem. Zoo ook als een mensch bidt, dan is hij nabij

030

-ocr page 637-

OVER DEN XLV. ZONDAG. Viuo, 116-119.

God, hij dringt door tot in den hemel; hij komt met zijne gedachten tot voor den troon Gods, hij gaat tot den Heere Jezus, en dan zoo door Hem tot God, en zegt: Vader, hoor mij om uws Zoons wil; en dan gaan ze vertrouwen naar het Woord, dat ze een goed antwoord zullen krijgen.

in dezen Zondag hebben wij te bezien het gebed. Wat is bidden? Dat is, iets verzoeken of begeeren van een ander, die de zaak, om welke wij bidden, machtig is ons te doen erlangen; en zulks met vertrouwen van verhooring. In dat bidden dan, geliefden! hebben wij te bezien:

Eerst. Wat bidden is.

Ten tweede. De noodzaak van het bidden.

Ten derde. Hoedanig een bidder gesteld moet zijn voor, in en na het gebed.

Ten vierde. De zaken, om welke hij bidden moet.

Ten vijfde. Dan het volmaakte Formulier in hetwelk alles begrepen is, wat wij bidden moeten. Wij hebben te bezien, zeggen wij: 1. Wat bidden is. 2. De noodzakelijkheid des gebeds. 3. Hoedanig een bidder gesteld moet zijn. 4. Om welke zaak er gebeden moet worden. 5. Welk het allervolmaaktste Formulier des gebeds is. Als wij die vijf zaken zullen overpeinsd hebben, dan zullen wij achter den XLV. Zondag zijn.

Wat het eerste aangaat. Wat is bidden? Naar het Woord, is bidden de geheele godsdienst. Gen. 4:26, Toen begon men den naam des Heeren aan te roepen. En de Zaligmaker zegt, Mattb. 21 :13, Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden. Waarom is bidden de gansche godsdienst? Omdat in den godsdienst geliandeld wordt van drie voorname stukken, te weten: van de kennis van onze ellende, van de verlossing uit onze ellende en van de dankbaarheid voor die verlossing. Kunt gij nu wel bidden, dat er die drie dingen niet inkomen in bet gebed ?

Eerst. Komt men daar niet als een ellendige voor God? Zoekt men in \'t gebed, in den Heere Jezus, de verlossing niet? En zegt men niet: Heere! als Gij mij die schenkt, ik zal ü dankbaar zijn? Ik betuig, dat ik het erkennen zal, zoo de Heere mij belieft te hoeren?

Ten tweede. In \'t bidden komt de Drieëenige God ons voor in de bedoeling der genade; elke Persoon in \'t bizonder. Daar komt ons de Vader voor als de Gever der genade in den Zoon. De Zoon als de verwerver, en de Heilige Geest is het, die het gebed formeert in ons binnenste.

Nog eens, ten derde. In den godsdienst wordt er niets meer geoefend dan geloof, liefde, hoop. In \'t bidden, daar betuigen wij ons geloovig uitzien en wachten op den Heere; desgelijks ook onze liefde. Ach! zegt men, ik kan zonder U niet leven; en ik heb eene hoop en verwachting, dat Gij mij tot uwe gemeenschap zult brengen.

Ten vierde. Doet er bij, dat er geen godsdienst is, als het gebed weg is. Job 15:4. In \'t bidden looft men Gods deugden. Wat is godsdienst anders dan de deugden Gods te verkondigen?

031

-ocr page 638-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

032

Wat wordt er nu door het gebed in \'t bizonder uitgedrukt? Het is die uitloozing van het hart van een verlegen mensch voor den troon van God, in het bloed van Christus, door den Heiligen Geest. Let er eens op wat bidden is. Wij zullen ons met de verscheidene gebeden, die er zijn, nu niet ophouden. Daar komt een schepseltje, een mensch; hi] ziet zichzelf in zijn gebrek, hij mist iets, daar is ergens eene nood of\' eene gelegenheid; hij ziet en beschouwt die zaak; hij ziet, dat hij ze niet wel missen kan, dat ze hem nuttig en noodig zijn, ik mag ze niet missen, zegt hij; hij zit bij zichzelf eens neer, en zegt: hoe kom ik er aan? Ik verga van honger en gebrek, Luk. 15:17; ik ben jammerlijk, arm, blind en naakt, Openb. 3:17; ik ben de man, of de vrouw, net schepseltje, dat ellende gezien heeft, Klaagl. 3:1; ik zal vergaan, zoo het niet voorkomen wordt: ik zie allerlei nooden en zaken, die ik mis; ik ben in zulke ongelegenheden; bezie ik mijn man, mijne vrouw, mijn kind, mijne familie, de Kerk, mijn geslacht, mijn maagschap; Heere! wat is er niet al, dat er ontbreekt! En ik zie zulke schoone zaken tegenover dat gebrek staan; mijn kind vreest God niet, mijn man, mijne vrouw, vreest God niet; zij vloeken, zij zweren, zij bedrijven allerhande goddeloosheid; mijne zuster, mijn vriend gaan naar de hel. Heere! wat drukt er mij al! het land, de Kerk, ik sta in duizend verlegenheden, gebreken en nooden; ik zie al uit, ik kijk ter rechter- en ter linkerhand, of er niet een schepseltje is, in hemel of op aarde, om mij te helpen; maar als ik ze allen beschouw, moet ik zeggen: de hulpe is in u niet; het zijn allen gebroken bakken, die geen water houden. Daar ziet zulk eene ziel dat hoogwaardige, heerlijke Wezen Gods, dat zalige, volmaakte, algenoegzame Wezen, dat nooit verlegen valt, om te kunnen helpen, en die al ons doen kent, overal bij ons is. Zij, dat Wezen ziende, is dat verschrikkelijk, en het zou haar verteren; maar, zegt ze: ik ben een Christen, en daar is een Christus, waar dat Wezen Zichzelven in kan verheerlijken, en al mijne nooden overvloediglijk vervullen. Daarop wordt ze gaande gemaakt, om het stuk zelf voor te stellen. Heere! zegt ze: ik word zoo vurig, ik mag niet weggezonden worden, laat er geen wolk zijn tusschen U en mij, die mi]ne tranen zouden verhinderen tot U te komen; ik verzoek, dat ik eens mag bidden; mag ik mijn request wel eens opstellen? En daar heeft ze dan zulke uitdrukkingen in, die zoo geweldig en zoo sterk zijn; en dat gaat dikwijls met zulke sterke bewegingen, dat, die het hooren, versteld moeten staan, en zeggen: Is dat niet een ongeleerd mensch? Vanwaar komt dat? Daar stellen ze dan hunne nooden op, zij stellen hunne zaken in orde; evenals met een leger, wordt het in slagorde gesteld; daar volgt zoo al het een op het ander, en het eene wordt zoo al van het andere afgeleid, en het een volgt uit het ander. Dan beginnen ze het met pleitredenen aan te dringen. Daar staan ze zoo voor den troon van God, en zuchten eens; daar komt een traan langs de wangen rollen. Die zich anders zouden schamen te schreien, schamen het zich dan niet: ze schreien gelijk een kind. David, die zulk

-ocr page 639-

OVER DEN XLV. ZONDAG. Vrag. 116-119.

een leeuwenhart had, schreide, Ps. 6:7, Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den ganschen nacht zwemmen; ik doornat mijne bedstede met mijne tranen. L\'aulus zeide, Hand. 20:19, Ik dien God in ootmoedigheid en met vele tranen. Job 7:4, zeide Job: ik word zat van woelingen tot aan den schemertjid, en hfdst. 30:20, Ik schrei tot U.

Daarbij komen zoovele woorden. Ik heb zulk eene begeerte, zeggen ze, daar is eene zaak, die zoo schoon is. Naar dat nu de waarschijnlijkheid is om ze te verkrijgen, en naar dat het geval is, komen er zulke uitdrukkingen in het gebed, dat ze beginnen te denken: Waarom wil ik dat zoo? Is er mijne eigene eer in? is er iets eigens in, eigenliefde? Is het, opdat ik mij aangenaam zou maken bij de menschen? Is bet tot mijn gemak, winst, voordeel? Zij staan eens stil, en onderzoeken het. Dat onderzocht hebbende, en hun hart getuigenis gevende, dat ze geheel andere einden hebben, zoo zeggen ze: het is tot Gods eer; en dat ze gaarne tot nut van anderen zouden zijn. Ach! zeggen ze, dat Gij dan uwe zegenende hand opende! Het zal tot uwen lof zijn.

Dat vastgesteld zijnde, dat zij goede en goddelijke oogmerken hebben, zoo komen zij eenvoudiglijk naar God; ik mag naar niemand anders gaan, zeggen ze, afgoderij mag God niet lijden, engelen noch menschen, hebben die hoedanigheden om mij te helpen. L)en Heere uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen, Matth. 4; 10. Zoo wenden zij zich dan naar dat majestueuze Wezen, dat waardig is, dat alle knie zich voor Hem buige, en alle tong Hem belijde. Gij hebt genoeg, zeggen ze, voor Uzelven, want Gij zijt de Algenoegzame, en (J ij hebt genoeg om engelen en menschen te vervullen, en ook al mijn gebrek. Bij U is eene oneindige volheid. Dat majestueuze Wezen moet ik wat inzien. Daar ligt uwe alwetenheid. Ik spreek niet tegen een die noch mij, noch mijne nooden kent. Daar ligt uwe alomtegenwoordigheid. Gij staat hier bij mij. Gij zijt hier voor mijn aangezicht, en ik ben voor uw aangezicht. Daar is uwe groote macht, door welke U niets te wonderlijk is. Daar is uwe goedheid en vriendelijkheid, die mij uitlokte naar U toe.

Nu zijn ze zoo ver, dat ze hunne oogmerken begrepen hebben en wat hen uitgelokt heeft. Dan gaan ze zeggen: dat en dat ligt er op mijn hart; dan komen ze zoo naar God als met hun volle hart, en zij gieten het uit, zij storten het uit: Uit de diepte van mijne benauwdheid, zeggen ze, roep ik tot U, Ps. 130:1 en Ps. 42:2. Als een hert schreeuwt naar de wateren, zoo schreeuwt mijne ziel naar God; en dergelijke uitdrukkingen meer uit het Woord.

Tot God komende, zegt God: hoe durft gij zoo spreken ? Ziet gij dan mijne heilige rechtvaardigheid niet? en weet gij niet welk een hart en welke gedachten gij hebt, en wat al zonden ? Ziet gij niet, dat uwe schuld groot geworden is tot aan den hemel? Ach, God! zeggen ze, ja ik weet het, ik ben het niet waardig, dat ik genade van U zou krijgen, ik ben het niet waardig mijne oogen tot U op te hellen; in mijzelven ben ik maar des doods enquot;der verdoemenis waardig. Wel, hoe

633

-ocr page 640-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

verstout gij u dan zoo, zegt Grod, vreest gij niet, dat er een vuur van Mij zal uitgaan om u te verteren, in uzelven tot Mij naderende? Ja, Heere! zeggen zij. Wel! hoe durft gij dat dan bestaan? zegt God. Ach! zeggen zij, Gij geeft mij immers vrijmoedigheid als ik tot U nader in den Heere Jezus Christus? Hij is de weg om door Hem tot Grod te gaan. Hij heeft mij belast, en gezegd: als gij tot mijn Vader gaat, gebruikt mijn naam; zegt tot mijn Vader, dat Ik er u last toe geef; ach! zie dan toch op mij in zijne verdiensten en voorbede! Zegt: zoo Heere! kan ik daarop niet m den hemel komen, op dat eenig en eeuwig rantsoen uws /oons? Hij heeft eene eeuwige gerechtigheid teweeggebracht, ik heb nietmetal. Hij heeft het verdiend, dat Gij mij hooren zult, en als ik zoo met Mem kom, dan zult Gij mij geen verschrikkelijk Wezen zijn; Hij heeft het gezegd, dat, al wat in zijn naam van U gebeden wordt, Gij dat geven zult. Dat is nu de vrijmoedigheid, die ik heb, dat al wat ik in den naam van den Heere Jezus Christus bid, ü dat behagen zal. O God! lioor mij dan, en verhoor mij.

Daarop komt de bidder dan, en zegt; Ik kan in mijzelven mijne ziel niet in het leven houden, zoo Gij het niet doet. Daarop komen er zulke uitdrukkingen, die zulke zaken in zich bevatten, als hen drukken. Het is iets natuurlijks, of van God, of van zichzelven, en daar is dan de Geest van God, die hunne zwakheden te hulp komt, Eom. 8:20.

Wat doet de Geest? Die leert ze, hun gebrek zien. Hij maakt ze daarover aangedaan te zijn. Hij geeft ze hunne nooden te kennen. Hij geelt ze er een bewogen hart over. Hij geeft ze woorden, zaken, aandrang, bewegingen. Hij zelve stelt het request in. O! de Geest zelf komt hunne zwakheden te hulp. Wat moogt gij dan zoo zeggen: ik kan niet bidden! God de Heilige Geest zelve bidt met onuitsprekelijke zuchtingen in en voor u, Rom. 8:26. En het is wonderlijk in hun gebed; in het eerst worden ze dikwijls wonderlijk aangedaan, en een ■weinig daarna worden ze wel dorder. Doch scheidt er niet om uit. Al zijt gij in het eerst vurig, en daarna dor. Het gebeurt wel, dat ze zoo gesloten zijn, dat er noch woord, noch zucht kan uitkomen. Dat gebeurt hun wel, als zij bij menschen zijn, en het gebeurt hun ook ■wel bij God. Dan ook geljeurt het wel, dat zij in den beginne dor zijn, en zij daarna zooveel invloed krijgen, dat ze moeten zeggen: ■waar komt het mij vandaan? Het is de Geest Gods, door welken zij t rij gen te roepen: Abba Vader, Rom. 8:15. Het gaat er mee, zooals als in het natuurlijke. Daar komt men bij een groot en aanzienlijk inensch, waar men wat aan te verzoeken heeft. Als gij er vandaan lioint, moet gij dikwijls zeggen: mijn mond was zoo gesloten, ik wist niet wat ik spreken zou; en op een anderen tijd moet men wel eens zeggen: ik wist niet waar mij al de woorden en zaken, die ik voort-quot;bracht, vandaan kwamen. Bidden! het is een werk van een wedergeboren mensch. Het offer des goddeloozen is den lleere een gruwel, maar dat der oprechten is zijn welgevallen, Spr. 15 :8. Een onwederge-

634

-ocr page 641-

OVER DEN XLV. ZONDAG. Viug, 116-119.

borene zegt: ach! dat is een donderslag op mijn hart; een mensch kan evenwei zonder bidden niet leven: nochtans hoort God de zondaars niet, Joh. 9:31; zijn gebed is een gruwel bij God, Spr. 28:9. Het is tot zonden. O schrik! Hij mag het evenwel niet nalaten.

Ziedaar, geliefden! Nu komt eene ziel en zegt: Heere! de zaak die ik begeer, zoo Gij ze mij geeft, ik betuig, dat ik er ü voor danken zal. De zaak, die ze begeert, is zij genegen te zoeken, zoolang ze leeft. Ps. 27:4, Een ding heb ik van den lleere begeerd, dat zal ik zoeken. Zij noemt de zaak. Dan is het eens: delg mijne overtredingen uit, verdoem mij niet, wees in Christus met mij verzoend.

Dan leert de Geest hun ook de pleitkunst. Is het in uwen raad, lleere! zeggen ze, dat Gij mij, hetgeen ik begeer, geven zult? Kijkt eens, of er niet wat voor mij in uw besluit ligt. Ligt er voor mij niet wat in uwe beloften? Gij zijt immers de waarheid? Kan het dan tot uwe eer niet zijn? Heb ik niet wel meer wat ondervonden van uwe goedheid? Doe het weer eens, lleere! Ach lleere! ik zal dan zoo blijde mijn pad loopen; ik zal uw knecht wezen, ik zal mij de ooren laten doorboren. En dat gaat dikwijls met inmengsels van vele tranen. Daarbij komen allerlei smeekingen, en daar komt dan ook wel bij, dat ze jammerlijk schreien, zoodat hun aangezicht bemodderd is van weenen. Belieft het U mij te hooren, zoo hoor mij toch om het rantsoen, dat Gij gesteld hebt om uvvs lieven Zoons wil, en ik zal uw knecht en uwe dienstmaagd wezen; en wat zal ik U vergelden? Hoe zal ik U ontmoeten? Wat zal ik U doen, dan U eeuwig dienen en loven? Dat is bidden. Wat denkt gij nu, gij allen die dikwijls alzoo zegt: ik kan niet bidden? Kunt gij het niet?

Ten tweede. Is dat bidden nu noodig; is er iets, dat aanleiding tot zulke gedachten geeft, om zulk eene vraag te doen? Ja. Twee dingen geven daartoe aanleiding.

Eerst. Dat er een eeuwig besluit is.

Ten tweede. Dat God onze nooden kent. Wat behoeven wij dan te bidden? Zal God om mijn gebed iets in zijn besluit veranderen? Ach neen! dat staat vast. Daar is een besluit bij God: Hij werkt alles naar den raad van zijnen wil, Ef. 1:2. Gij moet, noch moogt ook niet bidden, dat God iets van zijn besluit veranderen zou, dat zou een goddeloos bidden zijn. Dan zoudt gij bidden, dat God geen God zou zijn; want een veranderlijk God, is geen God. Gij moogt niet bidden, dat God één titteltje van zijn besluit veranderen zou.

Nog eens. Gij moet bidden, dat gij een onderworpen hart moogt hebben onder de besluiten Gods over u, en zeggen: Niet mijne, maar uw wil geschiede; gelijk de Heere Jezus zelf bad, Matth. 26:42. Gij moet bidden, dat gij er genoegen in moogt hebben, en aanbidden als het besluit baart, en dat God haast om het daar te stellen, wat er in zijnen raad besloten is. Laat ik het weten, laat uw besluit baren. Is er een mensch hier, die zegt: wat behoef ik te bidden, God weet het beter dan ik, wat ik van noode heb? Dwaalt niet. Gij moet God niet onder die stellen, die het niet weten; want Hij alleen kent

035

-ocr page 642-

CATECHISMÜS-PEEDIKATIE

het hart van alle kinderen der menschen, 1 Kon. 8:39, Weet gij, waarom gii Hem aanbidden moet?

Eerst. Hij wil, dat gij het ook weet; Hij wil het uit uwen mond hooren, wat gij van noode hebt, anders zegt Hij, als Openb. 3:17, Gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Men wil het uit den mond eens kinds en bedelaars ook hooren, al weet men het wel wat ze hebben willen.

Ten tweede. De Heere stelt Zich altemet zoo vreemd aan, alsof Hij \'t niet wist. Gij houdt U als doof\', zeide Job; Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet. Job 30; 20. Zoo deed Israël in Egypte; \'t was of God hen niet kende; zij schreeuwden, zij schreiden tot God; toen dacht God aan zijn verbond met hen, Exod. 2:24, en Hij zag op hen.

Ten derde. Ik zal niet eer tot u komen, zegt God. Hos. 5:15, Ik zal henengaan en keeren weder tot mijne plaats, totdat zij zichzel-ven schuldig kennen, en mijn aangezicht zoeken. Hoe lang Heere? Totdat gij u schuldig kent en Mij zoekt, zegt de Heere. Ziet, daar is dan de zwarigheid uit het hart weg, waartoe zou ik bidden; God weet het beter dan ik? Eu zoo blijft de noodzaak om te bidden ontegenzeggelijk. Wat noodzaak is er nu?

Eerst. Het is Gods eisch. Zal nu een knecht en eene dienstmaagd zeggen: wat noodzaak is dat, als hun heer iets van hen eischt, of hun iets belast. Zal een kneclat zeggen: waarom belast gij mij dat? Klopt, zegt de Heere, roept, schreit, heb Ik het u niet geboden? Gij kunt geen kwaad doen, als gij het gebod van dien eenigen Wetgever opvolgt.

Ten tweede. Bidden is noodzakelijk; het is het wapen van een Christen. Vraagt een soldaat eens: waarom zijn uwe wapenen zoo noodig? Alzoo noodig is ook het gebed.

Ten derde. Het is noodig, omdat God er in verheerlijkt wordt. Daar verheerlijkt men God in al zijne volmaaktheden. Daar verheerlijkt men God in zijn Wezen, in de huishouding van de drie Personen. Er is geen genadegave in \'t verbond der genade bekend, die in het gebed niet aangeroerd wordt, tot Gods heerlijkheid.

De vierde vraag is: Waarom moeten wij bidden? Waarom schreeuwt een bedelaar? Het is om een stukje brood. Vraagt den bidder, waarom hij bidt; het is om zaken, die hij zoo noodig heeft. Ik heb zulk een gebrek, zegt hij; ik ben zoo ledig, zegt hij, zulk een ledig vat. Ik moet van God geholpen worden; ik moet bet eischen; \'t is zoo noodig, het bidden. Jak. 1: 5, wilt gij lang leven, wilt gij wijs zijn, doet uwen mond maar open, eischt het; God wil niets geven, dan op bidden. Krijgt gij het niet gemakkelijk genoeg, als gij het op bidden krijgt? Opent uwen mond, en Ik zal hem vervullen, zegt God, Ps. 81:11. Is dat nog to veel, eens tot God te spreken?

Ten laatste, \'t Is noodig, omdat God zijnen Geest niet geven wil, dan aan degenen, die Hem, zonder ophouden, dag en nacht daarom bidden. Hebt gij in \'t natuurlijke wat van noode, hoe zult gij het krijgen? God wil het niet geven, dan op bidden. Zoo in \'tgeestelijke

630

-ocr page 643-

OVER DEN XLV. ZONDAG. Vraq. 116-119,

ook; Ik zal het hun doen, maar Ik wil er om aangebeden zijn, Ezech. 36:26. Gij krijgt geen Geest, of gij moet bidden.

Gij znlt zeggen: is dat waar, hoe krijgen dan de eerst bekeerden den Geest, hoe raken ze bekeerd; want zij bidden er niet om? Gij moet onderscheid maken tusschen de eerste beginselen van den Geest, en tusschen den Geest in zijn voortgang. Natuurlijke menschen bidden niet om den Geest; zij kennen Hem niet; maar in den voortgang, als iemand veranderd is, in vermeerdering en trappen krijgt Hem niemand, dan die er om bidt. Een kind Gods zou gaarne\'groeien; hij wilde wel, dat het wateren der zwemming werden, Ezech. 47:5, bidt er om, zegt God. Luk. 11 :13, zeide de Zaligmaker: Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal de Hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?

Ten derde. Nu moeten wij zien, de hoedanigheden van het gebed. Hoe moet een bidder gesteld zijn, om te bidden? Er was eene secte onder de Joden, die Esseën heette; die zaten bijna een geheel uur stil, eer ze tot het gebed kwamen, om zichzelven quot;tot aandacht en in eene zoete gestalte te brengen. Men moet daar zoo maar niet invallen; waar men zoo even te voren ydel is geweest, gevloekt en gezondigd heeft, en dat men dan zoo tot God zou gaan spreken, dat is een gruwel. Eerst moet men zijn hart bereiden, hart en handen tot God opheffen. Ps. 57:8, 9, Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen. Waak op, mijne eer! waak op, gij luit en harp! Ps. 56:9. Eer dat wij er aankomen, weet gij hoe wij gesteld dienden te wezen? Wij moeten het op het volmaaktste stellen. En het is altijd zoo niet; wij en gij moeten dat tot onze schaamte zeggen. Hoe moeten wij vóór \'t bidden gesteld zijn?

Eerst. Moeten wij ons ontledigen van ons beroep, en alle zwervende gedachten, die ons verstrooien en beletten, ver van ons doen. Wij moeten er tegen zeggen: blijft daar eens zoo lang staan, totdat ik zal aangebeden hebben, Gen. 22:5, opdat de eerbied niet gestoord worde. Daarom wilde God, dat men in zijne binnenkamer zou gaan, dat er het beroep niet in kome, en de deur sluiten, Matth. 6:6. Laten alle dingen zoo wat uit het hart. Abraham zeide tot zijne jongens: Blijft gi] hier staan, totdat wij zullen aangebeden hebben. Zoo dienden wij ook te zeggen tot onze bezigheid: blijf voor de deur van mijne kamer liggen, opdat ik geen tijd met u te zoek breng, als ik tot God moet spreken.

Ten tweede. Dienden wij een kleine en ootmoedige gestalte te hebben, als Abraham. Ik heb mij onderwonden om te spreken tot den Heere, hoewel ik maar stof en asch ben. Gen. 18:27. Ik, zulk een worm, en Gij, zulk een hoog en verheven God! Uwe toorn ontsteke niet, dat ik alleen ditmaal tot u spreke, vs. 30. Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, Jes. 6:5. Die ootmoed is den Heere zoo aangenaam. Wat eischt de Heere, dan dat gij ootmoedig wandelt voor uwen God? Micha 6:8.

637

-ocr page 644-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Ten derde. Wij moeten ook lust hebben, tot de oefening van het gebed. Men moet er niet toe geperst worden, om en om loopen, en wenschen als die tijd daar is, dat er dan iets was, dat ons belette; dat er eenig voorval kwam, dat er ons in verhinderde. Wij moeten onszelven zoeken gaande te maken, en zeggen: Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is zijnen heiligen naam! Ps. 103:1.

Ten vierde. Onze onbekwaamheid ziende, moeten wij zeggen: ach Heere, geef ons uwen bijstand; geef ons uwen Geest, die ons te hulp komt, om deze oefening te houden. De ouden zeiden: het gebed is van God. Hij, die bidt, moet zoo afgetrokken y.ijn van alles, en klein en nietig zyn in zijne oogen; en in zijn bidden moet hij opzien naar den Heere, en zeggen: Wie is tot deze dingen bekwaam? 2 Cor. 2 :16.

In \'t gebed, hoe moet men dan gesteld zijn?

Eerst. Uitermate oplettend en ingespannen; gelijk een schutter die den pijl op den boog heeft, hoe uitermate ingespannen is hij met zijn gezicht, om te zien waar de pijl heenvliegt! O, zoo is het ook ais men op de knieën is! Wees niet te snel met uwen mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht, Pred. 5: 1. Dan moet men nauwkeurig en aandachtig letten op God; op ons zeiven; op de zaken, die men voordragende is; op de middelen, die wij gebruiken willen, om de zaak te verkrijgen; op de pleitreden. Er zeide eens iemand zeer zoet: Als wij tot den Heere spreken, dan moeten wij wezen, alsof er niemand dan God en wij in de wereld waren.

Ten tweede. Moeten wij vurig en ernstig zijn. De bidder moet geen trage handen noch slappe knieën opheffen. Het bestaat juist niet in het luid roepen; het bestaat ook niet in \'t schreien; maar als men vurig is, dan is er schreien ook bij; maar men kan wel schreien als men niet vurig is, en gij kunt ook wel stil zijn en vurig tevens. Het bestaat ook in een aanhouden en een doordringen door alle beletsels heen; door alle ongeloovige beletsels en opwellingen. Als er zulke beletsels op \'t hart liggen, die van God aftrekken en verstrooid maken, dan is de bidder niet, die hij wezen moet. God zal u dan niet hooren. Maar daar moet men doordringen, en zeggen: gaat achter mij, satan! en zoo al voortgaan, al zou men sterven. Daar komen ook altemet sterke roepingen en tranen, naardat de ziel vrij is, en dat ze kan denken: daar zal niemand zich aan stooten.

Ten derde. Moet men oprecht zijn; ons hart moet op onze tong wezen. Men moet niet tweetongig or tweehartig zijn voor God; maar men moet kunnen zeggen: de woorden die ik voor U gesproken heb, leggen het allerinnigste van mijn hart open. Dat is in geest en in waarheid te bidden. Joh. 4:23; dat men zoo uit den grond van zijn hart bidt, en niet zoo als Augustinus vóór zijne bekeering bad; hij had menige overtuigingen, dat hij bekeerd moest worden, zoo bad hij ook wel om bekeering, maar hij zeide er altijd heimelijk bij: nog niet, Heere! Dat is dan niet in geest en waarheid. Maar dat is in

638

-ocr page 645-

OVER DEN XLV, ZONDAG. Vraq. 116-119.

iïeest en waarheid, als men kan zeggen: Heere! ik betuig, dafc ik dan voldaan zou wezen, als Gij mij gaan, hetgeen ik begeerde; als Gij mij zulk een gunstig antwoord gaaft.

Ten vierde. Dan moet het geschieden in het geloof; hetwelk het middel is om de begeerde zaak te verkrijgen. Ik geloof, dat ik in den Heere Jezus Gode aangenaam ben; ik geloof, dat Hij het doen zal, al belieft Hij \'t nog niet te doen. Ik zal uitzien naar den Heere en wachten op den God mijns heils, Micha 7:7. Ik zal wachten; ik zal vaststaan en zien hot heil des Heeren aan, Exod. 14:13.

Onder het bidden moet men sterk aanhouden. Ik zal U niet laten gaan, zeide Jakob, voordat Gij mij zegent. Gen. 32:26. Men moet ook bidden zonder ophouden, 1 The ss. 5:17. Moet men dan anders niet doen dan bidden? Neen, dat kan niet zijn; een soldaat kan niet altijd vechten, men kan ook niet altijd bidden. Gij zult zeggen: wat is dat, zonder ophouden ?

Dat is, eerst, te bidden in alle gelegenheden, en bij alle omstandigheden.

Ten tweede. Dat gij n altijd in zulk een gestalte moet houden, om, als er iets voorvalt, altijd te kunnen bidden, zooals de priesters; zij moesten \'t vuur altijd brandende houden, oai, als er iemand kwam om te offeren, gereed te zijn. Het is te zeggen, dikwijls, gedurig, bij alle voorvallen te bidden; evenals een schutter, die eens mis geschoten heeft, hij doet het al gedurig weer; hij tracht te raken, zooals de Kananeesche vrouw, Matth. 15:27; zijquot; hield aan; en van Jakob wordt gezegd, Hos. 12:5, Te Bethel vondquot; hij Hem, en aldaar sprak Hij met ons. Daar smeekte Hij, en hij overmocht; laat Mij gaan, zeide de man, neen, niet laten gaan, zeide hij; de dag komt aan den hemel; het kan niet helpen, ik moet eeii zegen hebben. Gen. 32:26. Mozes! zeide God, moet mijn aangezicht dan met u gaan, om u gerust te stellen? Ex. 33:14. Ja, Heere! zegt hij. Wij moeten dag en nacht bidden, en doen gelijk die weduwe; ze maakte het den rechter moede. Hij zeide: ik zal recht doen, ik kan dat gedurig gehengel, dat moeilijk vallen, niet verdragen. Luk. 18:5. Ik zeg u dat, zegt de Heere Jezus, opdat gij zoudt aanhouden.

Als gij nu gebeden hebt, is het dan al wel? Het zou in de natuur niet wel zijn, als men een request had overgegeven, en men liet het dan daar zoo maar bij blijven. Zou het wel zijn, dat een bedelaar had aangeklopt, en een verzoek deed, en het \'daarbij liet blijven? Ach, neen; hij wacht totdat gij hem wat geeft. Als men nu gebeden heeft, wat moet men dan doen ?

Eerst. Dan moet men eerst gaan zien, of er niet een antwoord is. Dat en dit, Heere! ligt er voor uwen troon, maar nu zal ik gaan hooren, wat God spreken zal, Ps. 85:9; welk antwoord Hij geven zal op mijn gebed. Dan heeft zulk eene ziel nauw op te letten.

Ten tweede. Dan moet men daarop letten, welke middelen men gebruiken moet, om de begeerde zaak te verkrijgen. Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen

639

-ocr page 646-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheden des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in zijnen tempel, Ps. 27:4. Men moet bij den biddenden mond eene werkende hand voegen: dat is recht.

Ten derde. Men moet het ook aan de vrijmachtige vrijstelling van God overlaten, en zien, wat Hij zal believen te doen.

Eindelijk. Moeten wij het in een godvruchtig gedrag toonen, dat wij gebeden hebben. Als men een request had gegeven, zou liet dan al wel zijn, als men kwalijk van hen ging spreken, die onze bede, in dat request vervat, moeten geven, en ons verhooren ? Zoo is het ook: als men gebeden heeft, zou men dan terstond gaan loopen vloeken, drinken, en andere zonden doen ? Die gebeden heeft, moet geen geveinsdheid toonen; maar zijn gedrag moet stil en eerbiedig wezen; hij moet stichtelijk in zijn ganschen levensloop zijn, en het moet in hem levendig blijven, hetgeen hij gebeden heeft. Als wij dat zoeken te doen, wij mogen dan nog zoovele verdorvenheden vinden, het zal ons van den Heere niet afhouden; maar gedurig zullen wij er naar toe gedreven worden.

Ten vierde. Nu, wat moeten wij bidden? Om lichamelijke en geestelijke dingen, en ook om eeuwige. Als men daaromtrent met dwar-lingen voor den dag komt, het is tegen het Woord, en alleszins tegen het Formulier, dat de Heere Jezus ons zelf heeft leeren bidden. Hij heeft ons om drie zaken leeren bidden, te weten: om lichamelijke, geestelijke en eeuwige. Men vindt tegenwoordig menschen, die al wijzer \'willen zijn dan de Heere Jezus zelf; zij willen niet dat men om \'t lichamelijke zal bidden, daar nochtans de Heere ons in dit gebed een algemeen voorschrift van bidden heeft gegeven, en niemand dat beter kon doen, omdat Hij best wist wat wij noodig hadden. Zou men om \'t lichamelijke niet bidden? Kunnen wij onszelven dan wel één dag doen bestaan? Job was den eenen dag de rijkste van het geheele Oosten, en den anderen dag de armste van de geheele wereld. Salomo zeide: Voed mij met het brood mijns bescheiden deels. Spreuk. 30:8. Hiskia kirde om gezondheid, Jes. 38:14. Jakob zeide: Als Gij mij brood om te eten, en kleederen om aan te trekken zult gegeven hebben, dan zal de Heere mij tot een God zijn. Gen. 28 :20,21.

Dan, om geestelijke nooden. Wij moeten niet in de lichamelijke eindigen; maar dan moet het zijn: Ach! bekeer mij; ach! wees met mij verzoend; ach! verdoem mij niet; laat ik begrepen zijn in het rantsoen van den Heere Jezus, dien eenigen naam; geef, dat ik mag gelooven; wek mijne doodigheid eens op; als ik traag ben, wek mij weer eens op.

Dan, om de eeuwige nooddruft, om de zaligheid. Daar bad Jakob om; Gen. 49:18, Op uwe zaligheid wacht ik, Heere! En Paulus, Fil. 1:23, Ik heb eene begeerte om ontbonden te worden, en met Christus te zijn. Zoo ook Job, hfdst. 19:27, Mijne nieren verlangen zeer in mijnen schoot; en dergelijken. Dat zijn de zaken, die wi] bidden moeten.

640

-ocr page 647-

OVER DEN XLV. ZONDAG. Vraö. 116-119.

Ten vijfde. Hoe weet gij dat, zult gij zeggen, waar heeft God dat geboden? In \'t gebed zegt Hij: Bidt aldus. Hoe luidt nu dat gebed? Onze Vader, die in de hemelen zijt, enz., Matth. 6:9. Dat schoone gebed is \'t vervolg; dat is eene volgende stof van eene verdere verhandeling.

Wat zijn er schoone zaken in dat gebed! Wij zullen daar nu niet van spreken; maar laten dat daar, totdat het van stuk tot stuk zal verhandeld worden.

Wat zijn er, in plaats van bidders, lasteraars, die zeggen, dat er geen aanbiddenswaardige God is! Die zeggen: God doet geen goed, en Hij doet geen kwaad, Zef. 1 :12. Maar, zegt God, die Mij smaden zullen licht geacht worden, 1 Sam. 2:30. Hoe menigen zijn er onder de Christenen geweest, die tegensprekers van dat gebed waren! Zij namen het_bijna alles weg: vergeving der zonden, lichamelijke dingen tegen Christus\' last, de gestalten van het bidden; ze namén het zoo alles weg. Men moet, zeiden ze, niet week of verlegen zijn. Men mag er van zeggen: zij vernietigen de vreeze, en nemen \'t gebed weg.

Gij zult zeggen: wij zijn daar niet schuldig aan. Wij zeiden in onze aanspraak, dat er niets meer in onze oefening was, dan het gebed. Tot de goddeloozen en tot de kleine kindertjes incluis bidden. Er zijn vele bidders, gelyk Nebucadnezar; nadat zeven tijden, zegt hij, over mij voorbij gegaan waren, kwam mijn verstand weder in mij en ik aanbad den God des hemels. Dan. 4 :34. Zoo zijn er, die ook al eenige dagen kunnen tellen. Er was eens een groot prins in Turkije, met een zeer groot leger, en \'t werd verbroken; hij kreeg de nederlaag en eene doodelijke wonde in zijne borst. Toen barstte hij uit in deze woorden: O, almachtige God! ik betuig, dat Gij rechtvaardig zijt, ik ben geen een dag zonder bidden uitgegaan, dan alleen dezen en nu ben ik gekwetst, dat ik sterven moet; ik bid U, vergeef het mij. Geliefden, wat zal zulk een Turksche prins in het oordeel tegen ons opstaan! Hoe menige slordige bidder is er! Zij hebben hun Formulier-gebed, dat ze van jongs af geleerd hebben bij hunne ouders; zij verstaan het niet; zij zijn als het dochtertje.vaii Herodias: wat zal ik eischen? zegt ze, Mark. 6:24. Hoe menige beschaamde bidder is er! Daar zyn menschen, zij durven dikwijls voor koningen spreken; maar zij zouden haast geen gebed durven doen. Bij man en vrouw moest immers in dit stuk geen schaamte zijn? Zij gaan elk alleen; zij hebben dikwijls vele woorden over zich, en als ze tot den Heere zouden spreken, dan durven ze niet. Man en vrouw hebben alles gemeen, behalve het gebed; zij zijn in nergens voor elkander beschaamd dan alleen in \'t gebed. Daarvandaan komt dat alléén bidden; elk kruipt in een hoek; dan prevelt men daar elk wat in een hoekje. In \'t bidden is men dikwijls geheel of half weg, van den vaak, en dus weten ze niet, wat ze bidden. Vaders, moeders en kinderen, zij hebben alles gemeen, behalve de huisoefening. Hoe bitter is dat! Ik en mijn huis, wij zullen den Heere dienen, zeide Jozua, Joz. 24:15. Ik en mijne maagden zullen vasten, zeide Esther,

G41

-ocr page 648-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Esther 4; 16. Izak bad in de tegenwoordigheid van Rebekka, Gen. 25:21. Was er in de huizen zooveel stichting, zouden de ouders niet veel meer eerbied, liefde en achting bij de kinderen hebben? En daarna, als ze groot geworden waren, zonden ze zeggen: zoo hebben mijne ouders gedaan, ik wil ook zoo doen. Gij weet niet, wat een zegen gij in uw huis hebt, vaders en moeders, als gij met uw huis God vreest; en zoo in hunne tegenwoordigheid spreekt van uwe y,iels-gestalte. Als gij zoo te zamen tot God gingt, het zou een middel zijn, dat uwe kinderen u zouden gehoorzamen, uwe dienstboden eerbied voor u zouden hebben. Zij zouden zeggen: mijne ouders vreezen God. en mijn volk vreest God, en daarom wil ik hun gehoorzamen en dienen. Wat toch zult gij ontvangen, als gij niet bidt?

Gij zult zeggen: gij zeidet daar zoo even, dat der goddeloozen gebed hun\'tot zonde is; hoe is dat? Het is geen zonde, dat zij bidden; maar \'t is zonde, omdat ze om geen bekeering bidden, en omdat ze in de zonden voortvaren; \'t is al om koren en most dat ze huilen, en niet om Gods gunst, niet om Geest, noch om genade; ze zouden ze zelfs niet willen hebben. O, onwedergeboren mensch! gij moet bidden; \'t is beter gebrekkelijk gedaan, dan in \'t geheel nagelaten. Gij mocht altemet een talentje hebben, ziet toe, dat gij het niet begraaft. Als gij bidt, gij krijgt altemet wat. Wie weet, op welken tijd, en door welk middel, gij de genade zult krijgen!

Ja! zal een ander zeggen, gij dringt zoo aan; maar ik ben geen kind Gods, en daarom heb ik geen antwoord te wachten. Is het uwe begeerte niet, dat Jezus uw Heiland mocht zijn; en wenscht gij niet een heiligen wandel, en dat gij hoe geestelijker, hoe godvreezender, hoe liever mocht wezen? Zegt gij ja? wel, zegt het dan niet dat gij niet wedergeboren zijt; \'t is onmogelijk, dat heeft de natuur niet.

Ja, zult gij zeggen, of ik al bid, ik val evenwel gedurig weer in zonden. Heeft God het dan ergens beloofd, dat gij niet meer zondigen zult? Moeten wij zevenmaal daags vergeven, en zal God het niet zeventig maal zevenmaal doen? God zal er ons niet om verdoemen, als het met geen opzet geschiedt.

Ja, zult gij zeggen. God zal mij niet hooren. Hij hoort mij niet. Kunt gij dat zoo al gerust zeggen, dat God u niet antwoordt? Hebt gij er wel op gelet? Zijt gij in geen nooden geweest, waaruit gij gered zijt? Hebt gij wel \'iets \'gesmeekt dat goede zaken waren, die God u niet gegeven lieeft? Zegt gij ja. God antwoordt mij niet? Is het zoo, komt u dan wel iets vreemds over? Hebben de besten van Gods kinderen het niet wel ondervonden, en heeft God er geen heilige redenen toe, dat Hij niet alleen de gebeden niet hoort, maar zelfs afslaat? Dan hoort God eerst, als Hij niet geeft, wat zij bidden, maar Hij geeft wat beters. Het was zulk een heerlijk zeggen van Augus-tinus: God hoort en verhoort ons altijd als wij bidden, zegt hij, ja Hij geeft ons hetgeen wij van Hem bidden; en zoo Hij ons dat niet geeft, waar wij om bidden, zoo geeft Hij ons nog iets beters.

Ten tweede. Als Hij kracht geeft, om \'t gebrek te kunnen dragen.

042

-ocr page 649-

OVER DEN XLV. ZONDAG. Vrag. 116—119. (ids

van hetgeen zij gaarne hadden, als Hij hun inwendig ondersteunt, als Hij zegt: Mijne genade is u genoeg, 2 Cor. 12:9. Laat de duivel u slaan, Paulus!

Ten derde. Als ze zouden staan om het op te geven, dat Hij ze gedurig nieuwen aandrang geeft om aan te houden. Dat ze er niet uit kunnen scheiden, is een teeken, dat God in den zin heeft u wat te geven. Als men tegen een bedelaar zegt: kom binnen een dag of twee weer, dan denkt hij, dat gij hem wat geven zult.

Ja, ten vierde. Als dan God vermeerdering van licht in den ziels-staat geeft, als het bidden n dagelijks een vermakelijk werk wordt. In \'t eerst mag het wat moeilijk zijn, maar het wordt allengskens gemakkelijker, zoodat gij wel een geheelen dag zoudt willen bidden, al gaande langs de straat, met de handen aan \'t werk en \'t hart in den hemel. Dat is niet geveinsd. Terwijl Nehemia den koning den beker op de hand zette, bad hij God, Neh. 2:4. Gideon, hoorende de soldaten den droom vertellen, aanbad God; hij dankte God, dat hij zijn weg voorspoedig gemaakt had, Richt. 7 :15. Wat eene eer is het ais gij met den Koning moogt spreken! Wat een vermaak is het, als het wel gaat! Het gebeurt u wel, dat gij eene buitengewone ontmoeting krijgt, dat heugt u dan al uw leven; dat plaatsje vergeet gij nooit. Met gebeurt wel, dat de Geest u aanport en opwekt om eens te bidden, zoodat gij zegt: ach! was ik thuis; o God, dat ik eens met ü spreken mocht! laat ik door mijn werk niet afgeleid worden! Dan thuis komende gaat het dikwijls zoo wel. Bidt, houdt aan, als gij wat hebben wilt. Hebt gij wat van noode, wel, doet ten minste uwen mond open; en als gij wat ontvangt, weest tot eer van God; dankt Hem, vergeet het niet. Het is of God u zoo arm hield, gij dankt Hem bijna niet. Dankt God in alles, 1 Thess. 5:18. Laat ons bidden, smeeken, danken, en zoo het hemelwerk hier in dit leven aanvangen. De Heere verwaardige er u en mij toe, om zijns Zoons wil. Amen.

(

-ocr page 650-

CATECIIISMÜS-PREDJKATIB.

Over den XLVI. Zondag. Vkag. 120 en 121.

Zes-en-veertigsto Zondag.

120. Vkaag. Waarom heeft Christus ons geboden, God alzoo aan te spreken: Onze Vader ?

Antwookd. Opdat Hij van stonden aan, in liet beginsel onzes gebeds in ons de kinderlijke vreeze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond van ons gebed ziju: namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal, hetgeen wij van Hem met een recht geloof\' bidden, dan onze vaders ons aardsche dingen ontzeggen.

121. Vraag. Waarom wordt hier toegedaan: die in de hemelen zijt?

Anïwooed. Opdat wij van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch

gedenken, en van zijne almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.

WIJ lezen, Luk.IJ lezen, Luk. 11:1, dat een der discipelen van den Heere Jezus tot Hem zeide; Heere! leer ons bidden. Daar is geen kind Gods, of hij zoekt vier dingen van God te leeren.

Welke zijn die vier dingen?

Eerst. Wèl te sterven.

Ten tweede. Wèl te leven.

Ten derde. Wèl te lijden.

Ten vierde. Wèl te bidden.

Wat aangaat het eerste: de sterfkunst wèl geleerd te hebben, is eene groote kunst. Wij moeten allen sterven, \'t Is den mensch gezet eenmaal te sterven, Hebr. 9:27. Maar die wel wil sterven, die bidt dikwijls van God den Heere, hetgeen Ps. 39:5 staat: Heere, maak mij hekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik weet, hoe vergankelijk ik zij. En Ps. 90:12, Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. Elk telt zijne dagen wel eens, maar zoo\' niet, dat hij er een wijs hart door bekomt; hij telt ze zoo niet, dat hij zoekt een bekeerde, een geloovige, een godvruchtige te wezen. Zij oefenen zich in de kunst van sterven, zij zoeken den Heere te leven, en dan steryen zij ook den Heere. Zulken mogen zeggen: ik vrees geen dood, ik heb eene begeerte om ontbonden te zijn, en met Christus te zijn; want dat is verre het beste.

-ocr page 651-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

Filip. 1:23. Ach Heere! zeggen ze, hoe dikwijls heb ik naar U uitgekeken, en verlangd.

De tweede kunst is wèl te leven. Ach! wij moeten hier zoo leven, dat wij wèl leven. Daar komt het op aan. lloe dikwijls buigen ze hunne knieën daartoe. Ps. 27:11, ach, mijn God! zeggen ze, leer mij uwen weg, en leidt mij in het rechte pad. Ps. 8ö:ll, Vereenig mijn hart tot de vreeze uws naams. Ach! dat mijne wegen gericht waren, om uwe inzettingen te bewaren, Ps. 119:5.

De derde kunst is wèl te lijden. De menschen moeten al ver gekomen zijn, als zij die kunst verstaan. Groote heiligen merkten dat zoo aan. Jer. 12:7, Ik heb mijn huis verlaten, ik heb mijne erfenis laten varen, ik heb de beminde mijner ziel in de hand barer vijanden gegeven. Zij konden zich altemet zoo naar het kruis niet schikken. Asaf, Ps. 73, kon er zich niet naar schikken, \'tls eene groote kunst als iemand gescholden wordt, te zegenen; en als iemand vloekt, er voor te bidden. Dat zien wij in Stefanus: als ze hem steenigden: Heere! reken hun deze zonde niet toe, zegt hij, Hand. 7 : GO.

De vierde kunst is wèl te bidden. Rom. 8:2(3, Wij weten niet wat wij bidden zullen zooals het behoort. Moet iemand bi] een magistraatspersoon, of bij een koning gaan, hoe verlegen is hij om er tegen te spreken; en hoe blijde zon hij zijn, als er een ander kwam, die zijn verzoek opstelde, opdat hij in geen ongenade aan \'t hof\' of bij den magistraatspersoon mocht komen! Ach! wat heeft een mensch al schikkingen, als hij zijn woord niet wèl doen kan, en wat is hij dan in zijn schik, als een ander bet hem eens opstelt en te hulp komt! Hoe was Mozes in zijn schik, als Aaron en Hur hem ondersteunden! Exod. 17 :12. Wat was de Thekoïetische, 2 Sam. 14: 3, in haar schik, dat Joab haar de wooi\'den zoo in den mond lag, om tot den koning te spreken! Ja, wat was Hathseba in haar schik, als ze Adonia tot koning hadden opgeworpen! zij wist niet, hoe zij den koning aanspreken zou; toen lag Nathan de woorden in haren mond, en zeide: als gij nog bezig zijt met spreken, zoo zal ik inkomen en de woorden uit uwen mond nemen, en het vervolgen, 1 Kon. 1 :11—14.

Is dat zoo aan \'t hof van de wereld, welk hof is er grooter dan dat van den hemel? Wij zouden niet weten hoe wij het beginnen zouden, als wij tot God naderden, om tot Hem te spreken, zoo er niet iemand was, die het request opstelde. Ik ben het, zegt de Heere Jezus, die altijd gehoord wordt, dat heb Ik met mijn hloed ondertee-kend; daar is mijne voorbede op gegrond, en bij den Koning zal Ik het ook voortzetten en zeggen: mijn Vader, zij loopen U aan om dit of dat, Ik heb hun geleerd, wat zij bidden zullen; zij zijn in eene goede gestalte, zij bidden in mijnen naam. Gij kunt ze niet afslaan. Hij legt ze zoo de woorden in hun mond en hart. Wij hebben eenige woorden in \'t gebed en in de aanspraak gesproken, legt ze in uw hai\'t weg. Daar zijn predikanten en anderen, die over dit gebed zich met zulke dingen opbonden, dat de schapen hunne stem dikwijls niet kennen. Die in \'t bidden mist, dat is een groot gemis. In een

645

-ocr page 652-

046 OATECHISMUS-PREDIKATIE

request te missen, dan heeft men te wachten, dat men niet aangenaam zal zijn bij die, waarvan men verzoekt. Wij zullen Schriftuurlijk, klaar en geestelijk daarover zoeken te spreken, als het God belieft ons daartoe zijne genade en bijstand te geven.

Geliefden! wij hebben dan in het gebed des Heeren of Onze Vader, te bezien.

Eerst. Dat daar is, een Vader van Gods volk.

Ten tweede. Waarom Hij hun Vader is.

Ten derde. Waarom de Heere Jezus ons dien Vader niet leert aanspreken met een anderen naam. Bijvoorbeeld met dien van Rechter der gansche aarde, of dergelijke?

Ten vierde. Waarom Hij ons doet zeggen: Onze Vader, en niet, mijn Vader?

Ten vijfde. Waarom Hij er ons doet bijvoegen: die in de hemelen zijt? Dat zijn onze vijf stukken: 1. Daar is een Vader van Gods volk. 2. Hoe wordt Hij hun Vader? 3. Waarom doet de Heere Jezus ons God aanspreken met dien lieven naam van Vader? en waarom met geen anderen titel van God? 4. Waarom doet Hij ons zeggen: Onze Vader, en Avaarom niet: mijn Vader. 5. Waarom doet Hij er ons bijvoegen: die in de hemelen zijt?

Wat het eerste aangaat: daar zijn drie goddelijke Personen. De eerste is de Vader, de Fontein en oorzaak van alle tijdelijke, geeste-lüke en eeuwige goederen. Van dien Vader vloeit alle goed af. De Heere Jezus wil zeggen: de eerste Persoon is de Gever van alles. De eerste Persoon is de geheele Godheid vertoonende; Hij is het, dien Ik dien, en ook genoegen gegeven heb; om Mijnentwil komt u alle

foeds toe De Geest werkt de goede gestalte in u. Mijne kinderen, enkt aan den eersten Persoon. Wordt de gansche Drieëenheid nooit met het woord van Vader genoemd? Ja eens: Jak. 1:17, Alle goede gaven en volmaakte giften komen van boven van den Vader der lichten. Wordt de Heere Jezus in \'t Woord nooit Vader genoemd? Ja, ook eens: Jes. 9:5, Vader der eeuwigheid.oeds toe De Geest werkt de goede gestalte in u. Mijne kinderen, enkt aan den eersten Persoon. Wordt de gansche Drieëenheid nooit met het woord van Vader genoemd? Ja eens: Jak. 1:17, Alle goede gaven en volmaakte giften komen van boven van den Vader der lichten. Wordt de Heere Jezus in \'t Woord nooit Vader genoemd? Ja, ook eens: Jes. 9:5, Vader der eeuwigheid.

Ten tweede. Zegt de Heere Jezus: wil Ik u leiden tot mijnen en uwen Vader? tot de Fontein van alle goed? Hem wordt in \'tbizonder die naam toegeschreven. Ik en de Geest doen een ander werk. De eerste Persoon doet Vaders werk. In \'t Nieuwe Testament wordt Hij Vader genaamd, Matth. 11:25, 26, Ik dank U Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen den wijzen en verstandi-gen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard. Ja Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor Ü. Ef. 3:14, Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus.

De eerste Persoon is dan Vader. Dat moet reden hebben. Hoe merkt gij God den Vader aan als Vader vóór den val, en hoe na den val, in den staat der genade?

Vóór den val door schepping; dat vindt gij Luk. 3:38, daar wordt Adam genaamd: de zoon Gods. Daar eindigt het geslachtsregister der

-ocr page 653-

OVER DEN XLVI. ZONDAG. Vraö. 120 on 121.

menschen. Uit eenen bloede heeft God hefc ^ansche geslacht der men-schen gemaakt, Hand. 17:26. Hebben wi) niet allen éénen Vader, Mal. 2:10. Na den val moet gij aanmerken, dat God de Vader was van \'t gansche Israël; die gansche natie daar heeft God zoo in een nauw verbond mede willen komen, zooals een Vader. Hij handelt met hen zooals een vader. Want Ik ben Israël, zeide God, tot eenen Vader, en Efraïm is mijn eerstgeborene, Jer. 31:9. Gij zult Mij ten eerstgeborenen zoon zijn. Welker is de aanneming tot kinderen, hunner zijn de verbonden, en de wetgevingen, en de dienst, en de beloftenissen. Rom. 9:4. Hoe was dat zoo? Omdat God als een Vader aan die geheele natie deed, en haar als een Vader behandelde. Maar zij moesten zich dan ook als kinderen gedragen; anders zeide God: Hefc zijn mijne kinderen niet, de schandvlek is hunner, Deut. 32:5. Het zijn leugenachtige kinderen, Jes. 30:9. Maar dat Israël is vervallen.

Hoe is nu God de Vader, na den val van iemand, in den staat der

fenade, Israël noemde God wel zijn Vader, en de meesten waren uivelskinderen; maar hoe is God de Vader van een kind van God in genade?enade, Israël noemde God wel zijn Vader, en de meesten waren uivelskinderen; maar hoe is God de Vader van een kind van God in genade?

Eerst. Door eene eeuwige voor-verordineering. Ef. 1:5, Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus. Gij staat bij Mij bekend, zegt God, waartoe Ik u aannemen zal. Daar zal een stondetje komen, in mijnen raad bekend, dat gij mijn kind zult worden.

Ten fcweede. Hij wordfc hun Vader door herschepping. Daar komt hefc beeld Gods weer in hen; zij krijgen een nieuw hart. God is de Vader van den Heere Jezus Christus, door eene eeuwige geboorte, door die eeuwige geboorte is Hij het Wezen Gods deelachtig; maaide uitverkorenen worden kinderen door de wedergeboorte, en zoo worden zij ook op hunne wijze der goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4.

Ten derde. Zegt God: toen ben Ik u onder het gezelschap van die geestelijke familie gaan aannemen. Ach! hiertoe heb Ik u geroepen, opdat gij mijn kind zoudt zijn. Gij laagt daar walgelijk op hefc veld, Ezech. 16:5, en Ik heb u in mi]n huisgezin gebracht. Ik nam u aan tot mijn kind, gelijk Esther van Mordechai werd aangenomen, Esth. 2:7; en gelijk Mozes tot een kind van Farao\'s dochter werd aangenomen, Exod. 2 : 9.

Ten vierde. Uw kindschap is gegrond op die nauwe vereeniging, door het geloof met den Heere Jezus. Gij zijt vereenigd met den Persoon, met zijne gaven, met zijne genade. Gal. 3:26. Wij allen zijn kinderen Gods door hefc geloof.

Nog eens. Ten vijfde. Op de verbondmaking zijn ze kinderen Gods. Als ze bekeerd en aangenomen zijn fcofc een kind, en door \'fc geloof mefc den Heere Jezus vereenigd zijn, zoo zijn ze in een nauw verbond mefc Hem gekomen; gelijk een bruidegom mefc zijne bruid, en gelijk een man mefc zijne vrouw, Hos. 2:18. Zoo zeggen wij, dafc

647

-ocr page 654-

648 CATECHISMUS-PREDIKATIE

God de Vader is van zijn volk. Dat is nu geen vreemde taal, waar de zaak in het hart niet vreemd is. Het verbond van eenen bruidegom met eene bruid kan niet vaster zijn, dan dit verbond dat eene ziel met God maakt. Ach! zeide Rebekka, ik zal met dien man trekken, Gen. 24:58. Zoo zeggen ze ook: ik zal met God trekken. Zoo wordt God hun Vader. Dan is het: hoor, o dochter! vergeet uw volk en uws vaders huis, Ps. 45:11. God doet met hen net zoo, zooals een man met zijne vrouw doet: Hij leidt ze uit het huis van hare ouders in zijn huis. Zoo doet God ook; en dan lt;*eeft Hij ze eene geestelijke gestalte, zoodat ze beginnen te roepen: Auba Vader, Kom. 8:15. Vóór het trouwen zou eene vrouw tegen haar mans moeder en vader, geen vader en moeder durven zeggen; maar na het trouwen dan komt het er uit: anders zou ze het met geen waarheid, en niet tot hare eer gezegd hebben. En zoo krijgen ze dan ook vrijmoedigheid om tot God, Vader te zeggen. Legt er uw hart eens bij. Is het u zoo gebeurd? De voor-verordineering kunt gij niet weten; maar is de herschepping u gebeurd? Heeft God u in zijne familie verwelkomd? Zijt gij door \'t geloof met den Ideere Je7,us vereenigd? Is er ergens een plaatsje waar gij het verbond gingt maken? Kreegt gij eindelijk invloeiing om te zeggen: Ach Vader?

Nu het derde stuk. Zijn er geen grooter titels om God aan te spreken? Lieve Heere! waarom zegt Gij, dat wij Vader zouden zeggen? Waarom doet Gij ons niet zeggen: Heere der heerlijkheid? Richter der gansche aarde? Den onzienlijken, den onsterfelijken, den onverderfelijken, den alleenwijzen God; Gij bewoont een ontoegankelijk licht. Gij zijt een verterend vuur, een eeuwige gloed; bij U is eene vreeselijke majesteit, en dergelijke? Waarom zegt Gij niet, dat wij God onder die benamingen zouden aanspreken?

Eerst. Die andere namen zouden Gods kinderen te veel doen schrikken en beven. Moesten wij liichter zeggen, dan zou men moeten denken: ik ben uw patient, en sta zoo door ü gerecht te Avorden; hoe durf ik dan met U verkeeren? Was het, Heere der heirscharen, dan zou men kunnen verschrikt zijn, zoodat men zou denken: God kan om mijner zonden wil, zijne heirscharen gebruiken om mij te straffen. Was het, Heere der heerlijkheid, dan zou men door den glans zoo verslagen kunnen zijn, dat men de taal van Jesaja zou moeten gebruiken: wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, Jes. 6:5. Maar het is Vader. Dat doet de Heere Jezus, opdat Hij, in \'t beginsel onzes gebeds, eene kinderlijke vrijmoedigheid in ons verwekken zou: want welk kind zal er voor zijnen vader schromen, al was het een verloren zoon; toen hij terecht kwam, durfde hy naar zijnen vader gaan. Luk. 15:18. Zoo wil de Heere Jezus zeggen: komt als een kind, gij moogt wel. Hij wil het wel hebben, dat gij zoo spreekt. Ik doe het, opdat uwe vrijmoedigheid niet weg zou gaan, zegt Hij.

Ten tweede. Waarom leert Hij hun nog al meer Vader zeggen? Opdat ze altijd gedenken zouden aan de genade, die God hun gegeven

\' IR

SI

I ii

♦ ___

-ocr page 655-

OVER DEN XLVI. ZONDAG. Vrau. 120 en 121.

heeft, toen ze een kind werden. Als gij rijk zijt, denkt gij er dikwijls aan, door wien gij het geworden zijt, wie u rijk gemaakt heeft. Als gij een ambt gekregen hebt, denkt gij er dikwijls aan, van wien gij het gekregen hebt. Vergeet dan ook die weldaad niet, dat God Zich over u ontfermd heeft, zooals een vader over zijn kind, Ps. 103:13. Zeg, Heere! daar wil ik al de dagen mijns levens aan gedenken, dat ik uw kind geworden ben.

Ten derde. Doet het de Heere Jezus, om in ons een kinderlijk gedrag te verwekken. Zondt gij üod uwen Vader noemen, en zoudt gij een vijandig gedrag vertoonen? Ik wacht mij van zulk een kind, dat geen kinderlijk gedrag heeft. Neemt dien naam van Vader niet in uwen mond, of hebt een kinderlijk gedrag; hebt liefde, gehoorzaamheid, onderwerping. Als gij dat niet vertoont, zoo is Hij uw Vader niet.

Ten vierde. Doet het de Heere Jezus om een vertrouwen in ons te verwekken, dat, als wij God aanspreken. Hij dan een Vaders gedrag jegens ons zal toonen. Gij moogt niet anders wachten, als gij een kinderlijk gedrag hebt. Ps. 103: 13, Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vreezen. Luk. 11:11, 13, Wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven? Of ook om een visch, zal hem voor een visch eene slang geven ? Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden. Gij zijt maar boos. Hij liefelijk; zal llij u dan niet helpen? Ja. Jes. 49:15, Kan ook eene vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch u niet vergeten! Zoo er zulk eene barbaarsche moeder was, zoo zal Ik u niet vergeten, zegt de Heere. Gij moet een Vaders gedrag van God verwachten; en daarom moet gij uw vertrouwen op Mij zetten, zegt God. Gij moet zulk een goei toevoor-zicht op God hebben.

Het vierde stuk. Waarom leert de Heere Jezus ons zeggen: Onze Vader, waarom zeggen ik en gij niet: mijn Vader? Om drie redenen.

Eerst. Om ons geloof uit te drukken.

Ten tweede. Om onze liefde te vertoonen.

Ten derde. Om onze gemeenschap der heiligen te vertoonen.

Eei\'st. Om ons geloof uit te drukken. Ik leg voor U op mijne knieën, Heere! Ik geloof, dat Gij mijn Vader zijt, en ik uw kind geworden ben. Al Gods kinderen passen zich dat toe; zij beginnen te zeggen: ik ben geen kind des toorns meer. Gij hebt mij zulke bewerkingen gegeven, dat ik veranderd ben; Gij hebt mij tot uw kind aangenomen, geloovig gemaakt, in een verbond gebracht; ik geloof, dat Gij mijn Vader zijt; of, zij zeggen; ik geloof, dat Gij onze Vader zijt; en of ze dan te zamen, of afzonderlijk zijn, zij zeggen onze, met uitsluiting van alle anderen.

Ten tweede. Zij geven hunne liefde te kennen. Als nu een kind

G40

-ocr page 656-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zijne liefde te kennen geeft, zoo zegt het niet alleen vader, onze vader, mijn vader, maar met dat te zeggen drukt het zijne liefde uit. Gen. 22:7, daar gaat Izaks liefde uit tot Abraham zijn vader. Mijn vader, zegt hij, waar is het lam ten brandoifer? Als de koning Joas bij den zieken profeet Eliza kwam, zoo viel hij op zijn aangezicht, en riep: mijn vader! mijn vader! 2 Kon. 13:14. Als nu een kind van God zijne liefde gaande is tot God, spreekt het zoo.

Ten derde. Drukken zij er hunne gemeenschap der heiligen, door uit. Meent gij dat een kind Gods hoovaardig is? Ach, neen! Al was het een bedelaar, of een dienstbare, of een knecht, of eene dienstmaagd, of een vriend, of bekende die God vreest, onze Vader, zeggen ze. Een kind Gods, al is het dat het alleen is, zoo weet het een gezelschapje van al de heiligen te verkrijgen. Zij zeggen: Heere! ik lig hier op mijne knieën; en zij sluiten zoo al de heiligen ineen; en het is of zij uit één mond galmden, en zoo dezen galm naar den hemel lieten gaan: wij willen de broederlijke liefde houden, wij willen de gemeenschap der heiligen houden. Verscheidenheid van plaats, maakt geen scheiding in \'t hart; afstand van plaats, maakt geen afstand van gemeenschap. Eene vrouw kan eene man in Oost-Indië hebben, maar zij hebben evenwel gemeenschap aan elkander.

üe Heere Jezus brengt zijne kinderen nog al hooger op, dat is ons vijfde stuk. Hij doet er hen bijvoegen: die in de hemelen zijt. Waarom wil de Heere dat?

Eerst. Om hen op te leiden wat. een grooten en majestueuzen Vader zij hebben. Zijne woning is in den derden hemel; om onze gedachten van de aarde af te trekken; opdat wij niets aardsch van die hemelsche majesteit zouden denken; opdat wij zouden leeren zoeken en bedenken de dingen die boven zijn. Col. 3:1, 2, en opdat Hij in rlen bekeerde eene godvruchtige en kinderlijke gestalte verwekken zou. Als ik eens op de wereld zeide: ik heb een vader, die een koning op een troon is, zou men niet meteen aan zyne majesteit denken? Zoo wil de Heere Jezus hebben, dat zulke geringen. God hunnen Vader noemende, aan zijne majesteit zullen denken. Hij is in den hemel, in die heerlijke plaats. Wat een sieraad moet er zijn! Wat moet dat een groot Vader zijn! Beziet Hem onder den hemel, wat een sieraad en majesteit Hij daar vertoont; en dat is niet bezienswaardig, bij hetgeen God in de heerlijkheid doet. Hij woont in den derden hemel. Meent gij, dat God daar geen werken vertoont? Wij, die er zullen komen, zullen er met onze lichamen moeten zijn; en zal God daar geen heerlijke werken doen zien? Zal God in \'t gevangenhuis van een deel slaven, ergens een deel duivelskinderen, zulk eene heerlijkheid vertoonen, en zou Hij het daar niet doen, waar de Heere Jezus is, waar al de engelen zijn, waar al zijne uitverkoren kinderen zullen zijn? Daar wonderwerken gezien zullen worden. Geliefden! wilt gij van Gods heerlijkheid wat zien, bekijkt Hem dan eens in de zee; in de lucht, daar dondert het, ginds bliksemt het; daar hangt de zon, ginds dnizende sterren; \'t zijn alle schepselen

650

-ocr page 657-

OVER DEN XLTI, ZONDAG. Vhao. 120 en 121.

van zijne hand, tot zijne heerlijkheid; en wat hier is, is niet bezienswaardig bij dat, hetwelk in zijne heilige woning is.

Ten tweede. Leert de Heere Jezus er ons bijvoegen: die in de hemelen zijt, hierom: het was te slecht, dat wij elkander ophielden, gelijk het oude volk, met den tempel waarin de ark was, waar \'t heilige en \'t heilige der heiligen in was; waar God zijne heerlijkheid vertoonde, en dat wij niet verder zouden gaan. De tempel was er toen nog; maar daar was geen ark, en daar waren geen inwoners in. \'t Zal haast alles verwoest worden, wil de Heere Jezus zeggen. Wat is nu van al dat verhaal van sommige predikanten, van die Joodsche dingen, dat God tusschen de Cherubijnen woonde! Het is wel waar; maar die God, die in den hemel woonde, gal\' daar een teeken van zijn heerlijkheid op de aarde. 1 Kon. 8:39, Hoor uit den hemel, zeide Salomo, de vaste plaats uwer woning. Klaagl. 3:41. Laat ons ons hart, mitsgaders onze handen tot God in den hemel opheffen. Zij waren zoo zot niet, dat ze zonden denken, dat God in den tempel woonde, die met handen gemaakt was. De hemel der hemelen kan U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb, zeide Salomo, 1 Kon. 8:27. De Heere Jezus wilde, dat ze van het mindere tot het meerdere zouden opklimmen. Ten tijde van Christus kenden ze dat al; dat zijn de ware aanbidders, die God in geest en waarheid aanbidden, Joh. 4:24. In het hemelsch Jeruzalem wordt geen tempel noch ark gezien, want de Heere, de almachtige God, is hun tempel, en het Lam, Openb. 21:22. De vromen onder de Joden in het Oude Testament, verheerlijkten God in den hemel zoowel als zij, zij zeiden ook: onze Vader die in de hemelen zijt. Ik wil hebben, zeide de Heere Jezus, dat gij met uwe gedachten daar naar toe klimt, zonder eenige aardsche gedachten te maken. Vader, zult gij zeggen, die in de hemelen zijt. Mijne kinderen, wil Hij zeggen. Ik wil u hemelsch doen worden; gij hebt toch geen blijvende plaats: want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende, Hebr. 13:14. Bedenkt de dingen die boven zijn. Col. 3:2. Zet uwe reis naar den hemel voort. Er zijn menschen, die bijna denken, dat er geen hemel is. Dan zijn er, die bijna denken, dat er geen hel is. Hoe droevig is het! Zoudt gij er aan twijfelen of er een hemel is, daar gij eiken dag die onderste zoldering, dat firmament, ziet? Weest immers zoo dwaas in het geestelijke niet! Door de zonden is die hemel gesloten; maar door mijn verdiensten, zegt de Heere Jezus, is die voor al de uitverkorenen geopend. Heft er uw hart dan dikwijls naar toe.

Ten derde. Ik wil eene behoorlijke gestalte in uw hart verwekken. Welke gestalte, Heere?

Eerst. Verwondering.

Ten tweede. Het hoogste respect.

Ten derde. Nederigheid.

Ten vierde. Vertrouwen; zulk een vrijmoedig, stil vertrouwen.

Eerst. Ik wil uwe aandacht met verwondering en opmerking op-

fiBl

-ocr page 658-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wekken. Wanneer gij dit gebed bidt, wanneer gij zegt: onze Vader, denkt dan: Zijt Gij Vader van zulke arme wormen? Heb ik dan zulk een groot Vader? Wat zeide David? Is dat licht in ulieder oogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en veracht man ben? 1 Sam. 18:23. Is na God, de Vader van zulke wormen, die altemet niet weten, waar ze hun hoofd op nederleggen zullen? Zijt Gij de Vader van zulken, die op galeien en in gevangenhuizen zitten, en op de schavotten hun hals ontbloot worden, om van den scherprechter den slag te ontvangen ? Kunnen die zeggen: Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods genaamd worden? 1 Joh. 3:1. Kunnen die zeggen: Geliefden! nu zijn wij kinderen Gods, maar het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, vs. 2. Ben ik en gij een kind, wat geluk is dat!

Ten tweede. Ik wil het uiterste respect in u verwekken. Als Absalom in \'s konings kamer mocht komen, hoe boog hij zich! 2 Sam. 14:33. Zoo wilde ik ook wel in uw hart verwekken bet uiterste respect. Weest als een kind in uw gedrag, taal en leven. Is het niet droevig gesteld, als een vader tegen zijn kind zegt: Foei! mijn kind, gij zijt mij tot een schandvlek? Is het niet droevig, als God moet zeggen: gji eert Mij niet? Wat dunkt u, gij die hier zijt, en zoo dikwijls vloekt en zweert, moet God niet zeggen: gij zijt Mij tot een schandvlek! Zult gij mijnen naam aantasten? Die niet wil doen naar den zin van God; maar het rechte tegendeel doet; ik weet, dat zoo gij vader waart van zulke kinderen, gij zoudt het in uw kind niet dragen. Legt het dan nu op uw hart. De Heere Jezus wil, dat wij vrijmoedig Vader zeggen; maar de vrijmoedigheid moet daarom den eerbied niet benadeelen.

Ten derde. Hij wil dat wij nederig zijn. De nederigheid moet de metgezellin wezen van de vrijmoedigheid. Weest niet te snel met uwen mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht, Pred. 5:1. Jaagt uzelven niet te veel in \'t bidden, houdt liever eens stil. Ik heb van mijn leven vromen gezien, die met bidden als in verwondering stonden; en zoo wilden ze eene groote vroomheid vertoonen. Doet zoo niet; als gij stil staat, onderzoekt uw gemoed, of er geen zuurdeeg onder loopt.

Ten vierde. Ik wil, zegt de Heere Jezus, in u verwekken een grond van vertromven. Wat zal die Vader u weigeren? Hij heeft macht en wil; al zijne schepselen staan onder Hem. Is God uw Vader, die in de hemelen is; zijne macht, wijsheid, liefde, is niet te bepalen. Ik wilde, dat gij daar een indruk van hadt. Hebt gij wat van noode? Hij spreekt maar, al was het tot de raven, en zij moeten u ten dienste staan. Een mensch behoeft weinig; hij is met zulk een kleintje tevreden. Die in de hemelen woont, zal Die u eenig ding ontzeggen? Als Hij wil. Hij kan u helpen, en wie zal \'t verhinderen? Niemand. Hij bestiert alles tot in der koningen hoven. Hij doet alles wat Hem lust. Stelt dan een vast vertrouwen op God, Hij is groot. Als Hij voor u is, wie zal tegen u zijn? Wie zal quot;t beletten? Niets zal u dan

652

-ocr page 659-

OVER DEN XLVI. ZONDAG. Vrag. 120 en 121.

schaden. Al waren er duizenden tegen u, God zal ze te morselen trappen, \'t Is dikwijls zoo ver met u gekomen, dat gy als in eene straat zijt, waar eene koets met vier paarden op hol is. Daar komt eene wonderlijke voorzienigheid Gods; eer ze bij u zijn, worden ze gestuit, en gij wordt niet vertrapt. God zegt tot uwe vijanden: staat stil, houdt er uwe handen af. Doet ze geen kwaad, Ps. 105:15, en het is gedaan. Bekijkt Mordechai, en al Gods volk in \'t Oude en Nieuwe Testament. God helpt onze vaders, moesten ze zeggen, en niemand kan het beletten; alles staat onder zijn gebied.

Voor onze toepassing zullen wij eene vraag drie of vier doen; eene, waar al wat gerammel over gemaakt wordt, en de andere, waar dikwijls de vromen over bezwaard zijn.

Eerst. Hebben de geloovigen van het Oude Testament, God als Vader aangesproken?

Ten tweede. Mag een onwedergeborene dit wel bidden?

De derde is. Mag een wedergeborene dit altijd bidden?

De vierde. Hoe zal het blijken dat God mijn Vader is?

Geliefden! wilt gij ons op de eerste vraag uwe aandacht geven, zoo behoeft gij uw leven niet te wankelen. De vromen in \'t Oude Testament, zeggen wij, hebben God zoowel als Vader aangesproken, als de vromen van \'t Nieuwe Testament doen. Zit hier wel iemand, die zou denken van neen? Wat mag er al over de lippen komen! Wij gelooven, ja:

Eerst. Omdat God het zoo duidelijk zegt, dat ze zijne kinderen waren. Gal. 4:3. Een klein kind is zoowel een kind als een volwassen kind. Kinderen die onder de voogden staan, zijn zoowel kinderen als die ontslagen zijn van hunne voogdij.

Ten tweede. Zij kunnen geen kinderen zijn, of de grond moet altijd dezelfde wezen. Gij kunt geen kind Gods zijn, of gij zijt er van alle eeuwigheid toe verordineerd; gij zijt er toe herschapen, toe aangenomen; zij hebben allen het geloof, zij zijn allen in een nauw verbond met den Heere. Zijn zij kinderen geweest, zoo zijn ze het op denzelfden grond, als die van \'t Nieuwe Testament.

Ten derde. Zij waren erfgenamen. Erfgenamen èn van genade èn van heerlijkheid. Gij kunt dat alles niet tegenspreken.

Ten vierde. God uit den hemel zelfs zeide: Is Efraim Mij niet een dierbare zoon; is hij Mij niet een troetelkind? Jer. 31:20. En dat zeide God zelfs, toen hij in de angsten der wedergeboorte stond. In datzelfde 31atu hoofdstuk, vindt gij zulke nadrukkelijke teksten, die gij God in \'t Nieuwe Testament zoo niet hoort spreken tot zijne kinderen. Zoo ook Jer. 3:4, Zult gij niet van nu aan tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd! Ja, Jes. 63:16, riepen ze: Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet: Gij, o Heere! zijt onze Vader, onze Verlosser, van ouds af is uw naam. Gij moet het vatten, als gij wilt, het kan anders niet wezen. Ja, al vroeger, eer er nog een volk Israels bekend was, vinden wij een man, die zoo vol vrijmoedigheid

653

-ocr page 660-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

daarvan sprak. Job 34:36, Mijn Vader! laat Job beproefd worden tot het einde toe. Het is Elihu, die dat daar zegt, eer er kinderen Israels bekend waren vóór Mozes\' tijd, die buiten hunne gemeenschap leefden. Zoo ziet gij dan, dat die gansche stelling niets waardig is. Het is geen zaak, noch bewijs. Worden zij kinderen op dezelfde wijze, zoo wil God ook dat zij Hem als Vader aanspreken; en zij doen het ook, zelfs een man vóór Israels tijden heeft het gedaan. Zijn ze kinderen, zoo zijn ze ook erfgenamen van tijd en eeuwigheid. Dat zijn nu zoo de samenspraken onder ons geworden, en daar verslijt men den tijd mee. Maar vraagt liever elkander, of gij zelf grond hebt, om God, uwen Vader te noemen. Gij ontsticht elkander maar, en gij verwijdert elkanders gemoed. Daar liggen nu onze zes gronden: bekijkt ze eens, en plant ze in uwe harten.

Eene tweede vraag. Wij zouden met de tweede vraag begonnen zijn; doch de eerste moest dienen tot een fondament om er de tweede op te doen. Nu, de tweede bestaat hierin, namelijk: mogen de onvromen dit gebed wel bidden? Dat is een zwaar stuk. Wij zullen het echter tot uw genoegen trachten te beantwoorden.

Eerst. Zij moeten bidden, dat is de eisch van God.

Ten tweede. Een onvrome kan niet wèl bidden; hij is een zondaar door en door. De blindgeborene bad oogen genoeg om dat te zien, dat God de zondaars niet hoort. Joh. 9:31. Spreuk. 15:8, Het offer des goddeloozen is den Heere een gruwel.

Ten derde. Omdat hij niet wèl kan bidden, zoo mag hij evenwel het bidden niet nalaten. Hij kan niet wèl den bijbel lezen, hij kan niet wèl ter kerk gaan. Moet hij echter die beide zaken nalaten, omdat hij ze niet wèl doet?

Ja, zult gij zeggen, gij zijt nog tot het stuk niet. Mogen ze wel Vader zeggen? Ja. Zij mogen God hun Vader noemen.

Eerst. Omdat Hij hen geschapen heeft, volmaakt in hun hoofd. Zoo ben ik uw zoon en uw kind, kunnen zij zeggen.

Ten tweede. Zoo: Ach! wat zijt Gij mij als een Vader der lichten geweest! Alle weldaden doet Gij op mij nederdalen; uw gedrag is zoo vaderlijk geweest, het heeft zelfs dat van alle aardsche vaders overtroffen.

Ten derde. O! zoo mogen ze het niet doen, als verzoend in Christus. O! dat zijt gij nog niet zondaar! gij moogt het niet doen als een kind Gods.

Ten vierde. Zoo kunnen en mogen zij het doen, al wenschende. Ach! mocht ik mede die genade hebben, om heb eens te mogen zeggen, als een kind Gods! Door dat gedurig aanhouden mocht hij dien zegen verkrijgen. Hij doet het uit kracht van schepping. Gij zijt mij als een Vacler der lichten geweest door al uwe weldaden; Gij zijt nog mijn Vader niet door genade: maar ach! waart Gij het! Beliefde het U, mijn Vader te zijn. Door het gedurig aanhouden, mocht gij het verkrijgen.

De derde vraag is. Mag een kind Gods dit altijd wel bidden? Daar moeten wij een weinig onderscheidenlijk op antwoorden.

G54

-ocr page 661-

OVER DEN XLVI. ZONDAG. Vrao. 120 en 121.

Eerst. Ik en gij kunnen xijn kind zijn in \'t begin van onze bewerkingen, en dat wij \'t niet weten. Paulus was het al, toen hij alleen ging om te bidden; maar hij wist het niet.

Ten tweede. Gij kunt een kind zijn en twijfelen, en zeggen: Ik vrees dat het zoo niet is. Ziet het in Asaf\' en Heman, Ps. 73 en 88, hoe twijfelden ze! eti zij waren evenwel rechte kinderen.

Ten derde. Iemand kan een kind zijn en door zijne groote doodig-heid kan hij in verval zijn, en hij kan in aanvechting wezen, en zoo in eene groote donkerheid geraken, ja, hij kan in zulk een staat komen, dat hij moet zeggen; ik moet het tegendeel besluiten, ik moet zeggen: Ach God! hoe zou ik mij onder de kinderen zetten! ik zou het besluit wel anders moeten opmaken; ik vrees dat ik een kind ben dat tot toorn gesteld is; was ik Gods kind, zou ik dan zoo twijfelen? zou ik dan zoo zwaar vallen? God slaat zulke tegenovergestelde wegen met mij in, mag ik dan nog zeggen: Onze Vader? Ja. Al hebt gij er geen vrijmoedigheid toe, dat leert u het voorbeeld van den verloren zoon. Luk. 15. llad hij zich niet zwaar misdragen? lagen er niet zware kastijdingen en slagen op hem? Maar als hij hem vader zal noemen, zoo zegt hij; Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden, vs. 18, 19; hij kwam in de alleruiterste verootmoediging. Doet ook zoo. Hoe doet gij het? Valt gij al bevende voor den Heere neer? Zegt gij: Heere! wat hebt Gij al aan mij gedaan! geef mij toch een kinderlijk hart! En vertoont gij dan zulk een kinderlijk gedrag?

Nog eens. Zoo moogt gij zeggen: ik hoop, dat ik uw kind ben, al heb ik geen licht genoeg om het te weten; ik hoop, dat Gy mijn Vader zijt, en dat ik uw kind ben.

Geliefden! kunt gij het nu niet bevatten, dat het zoo is? Hebt gij er geen hoop op ? Zegt gij niet wel: Heere! zult Gij niet eens tot mij komen ?

Nu de vierde vraag. Waaraan zou men het kunnen weten, of iemand een kind Gods was?

Toehoorders! onderzoekt gij uzelven altemet wel eens? Wilt gij het klaar zien? Wij zullen er u aanleiding toe geven.

Eerst. Gebeurt het in \'t natuurlijke wel, dat een kind niets naar zijn vader, of naar zijne moeder gelijkt. Zoo het in \'t natuurlijke gebeurt, als men zegt: daar is niet een trekje van vader of moeder in, in \'t geestelijke gebeurt het niet. Het beeld Gods zult gij er in zien en tasten. Als gij in den bijbel het gedrag ziet dat God houdt onder de vromen en goddeloozen, en als gij dan uw gedrag ziet, lijkt het er niet wat naar? Zijt gij mede lankmoedig, zachtmoedig? Doet gij mede uwen vijanden goed? Voelt gij zoo trekjes in u, om zoo te zijn en te doen, gelijk God doet? Zoekt gij zoo te leven, gelijk uw Vader die in de hemelen is?

Ten tweede. Zoo ik en gij een kind zijn, acht gij die als uwe broeders en zusters, waar gij bet beeld Gods in vindt? Hebt gij daar een liefdragend hart voor? Zijt gij zoo eens met al Gods kinderen? Kunt gij ze goed doen, deedt gij het niet met geheel uw hart? Al waar gij

G55

-ocr page 662-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

het beeld Gods in ziet, gaat daar uwe liefde met geheel uw hart naar uit? Al was het te voren uw grootste vijand geweest, gij krijgt hem liet.

Ten derde. Gij eert uwen Vader: spreekt van mi]nen God toch niet kwalijk, zegt gij, dat kan ik niet dragen. Als ik en gij in een gezelschap waren, waar onze lieve vader of moeder gescholden werden, zoudt gij niet zeggen: doet dat niet, zij hebben er geen schuld aan; zoudt gij dan in een gezelschap niet durven zeggen: spreekt van God niet kwalijk? Kan iemand dat wel kwalijk nemen, als er iemand tegen God zondigde, als gij in nederigheid zeidet: doet het niet, ik heb er zulk eene achting voor, en Hij is u ook zooveel eere waard?

Ten vierde. Gij zult zulk een afkeer hebben van de bastaarden. Als er iemand in eene familie kwam, die een bastaard was, en hij zeide: uw vader is mijn vader, zoudt gij er niet een afkeer van hebben? Als nu een goddelooze zeide: uw Vader is mijn Vader, zoudt gij niet zeggen: Gij zijt een bastaard, gij liegt? Zou ik niet haten Heere, die U haten! Ps. 139:21.

^ Ten vijfde. Zoekt gij voor uwen Vader zoo gehoorzaam te leven? Zegt gij; Wat wilt Gij, Heere dat ik doen zal? Eiken dag ben ik in zulke of zulke omstandigheden, hoe moet ik mij er in gedragen? Maak mij uw wil bekend, hoe zal ik mijn gang schikken en richten? Ach! wil mijne voetstappen naar uw Woord richten! Wat zegt gij, gaat het niet in uw gemoed? Moet gij er niet eens voor stilstaan?

Dan, ten zesde. Zoekt gij u aan zijne roede te onderwerpen? Zult gij den Vader der geesten niet onderworpen zijn, en leven? Hebr. 12:9. Hebt gij de roede van uwe ouders niet wel moeten ondergaan? en als er nu een rakje in den wind komt, zult gij dan niet bij uzelven zeggen: hoort de roede en wie ze besteld heeft? Micha 6:9.

Ten laatste. Een kind heeft zulk een verlangen naar zijne ouders: zij vragen er naar, zij spreken er van, zij verlangen er naar. Geliefden! verlangt gij ook naar God? Of zegt gij: Zou ik uit de wereld moeten? van alles ontkleed moeten worden? dat lust mij niet? Een kind Gods wil gaarne zijne tent en alles verlaten, en het hier alles laten staan, om naar dat huis van zijnen Vader te gaan, waar zoovele woningen in zijn, Joh. 14:2.

Zietdaar, op zulk eene wijze moet gij het gebed des Heeren leeren verstaan; of wilt gij wijzer wezen dan al uwe predikanten, die u met geen letters voeden? Zoo is het onder Gods volk; zoo spreken ze uit éénen mond, en al wie daarvan verschillen, daar kunnen ze niet mede vereenigen. Wij hebben u eenige proeven voor uw hart gegeven: onderzoekt uw gemoed, beproeft uzelven, legt uzelven daar eens nevens. De teekenen zijn klaar genoeg, die wij tot onze toepassing en stichting gehad hebben. Zijn wij nu allemaal kinderen Gods? Gingen wij allen zoo naar ons huis als kinderen Gods, wat een zegen zou dat zijn! Wij zullen eindigen en bidden, dat God al dit gezegde belieft te zegenen aan ons en aan ulieden, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

656

-ocr page 663-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XLVII. Zondag. Vraag 122.

Zeven-en-veertigste Zondag.

122. Vraag. Wdhc is da eerste lede?

Antwoord. Uw Naam worde geheiligd; dat is: Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen, en U in al uwe werken, in welke uwe almacht, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen: daarna ook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzoo schikken en richten, dat uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

WIJ lezen. Mal. 1 :0, Een zoon zal den vader eeren, en een knecht zijnen heer. Dat is eene ingeborene of ingeschapene wet onder allerlei menschen en volkeren. Bij wat voor volkeren gij komt: een kind moet zijn vader eeren, en een knecht zijn heer. Dat wacht elk in \'t burgerlijke, hoeveel te meer is het dan de plicht van een waar kind Gods! Elk wacht, dat zijn knecht en zijn kind hem eert. God heeft het in de wet der natuur gesteld; Exod. 20:12, Eert uwen vader en uwe moeder. Het is een groote vlek voor een kind, als hij hot niet doet. liet moet een bedorveling zijn, die de gehoorzaamheid van den vader zou verachten, en de gehoorzaamheid van de moeder zou bespotten. De wraak Gods zou waken over hem. Is er een Cham die den vloed ontkomen is, en spot hij met zijns vaders val. God laat hem vervloeken, en met eene profetie voorzeggen, wat zijn nakomelingen zou overkomen. Is er een Absalom, die van zijn vader het leven gekregen had, naast God, door de geboorte, en eene teedere opvoeding van zijn vader genoten had, en die daarna, als hij zich zoo schrikkelijk misdragen had, nog pardon van hem kreeg, die zijn vader verdrijft uit al wat hij bezit, de wraak Gods laat hem niet leven: zijn snel beest, waar hi] op zat, was zijn schavot, de boom zijn galg, de takken zijne boeien, zijn haar de strop, de veldoverste van zijns vaders leger was zijn scherprechter, die steekt hem drie pijlen in zijn hart, 2 Sam. 18:9—-14. \'t Is een sieraad als een kind zijn vader en zijne moeder eert. Wat een sieraad was het voor Izak als zijn vader zeide: ik ga offeren, dat hij hem met zulk een respect aansprak. Mijn vader, zegt hij, waar is het lam ton brandoffer? Gen. 22:7. Wat een sieraadIJ lezen. Mal. 1 :0, Een zoon zal den vader eeren, en een knecht zijnen heer. Dat is eene ingeborene of ingeschapene wet onder allerlei menschen en volkeren. Bij wat voor volkeren gij komt: een kind moet zijn vader eeren, en een knecht zijn heer. Dat wacht elk in \'t burgerlijke, hoeveel te meer is het dan de plicht van een waar kind Gods! Elk wacht, dat zijn knecht en zijn kind hem eert. God heeft het in de wet der natuur gesteld; Exod. 20:12, Eert uwen vader en uwe moeder. Het is een groote vlek voor een kind, als hij hot niet doet. liet moet een bedorveling zijn, die de gehoorzaamheid van den vader zou verachten, en de gehoorzaamheid van de moeder zou bespotten. De wraak Gods zou waken over hem. Is er een Cham die den vloed ontkomen is, en spot hij met zijns vaders val. God laat hem vervloeken, en met eene profetie voorzeggen, wat zijn nakomelingen zou overkomen. Is er een Absalom, die van zijn vader het leven gekregen had, naast God, door de geboorte, en eene teedere opvoeding van zijn vader genoten had, en die daarna, als hij zich zoo schrikkelijk misdragen had, nog pardon van hem kreeg, die zijn vader verdrijft uit al wat hij bezit, de wraak Gods laat hem niet leven: zijn snel beest, waar hi] op zat, was zijn schavot, de boom zijn galg, de takken zijne boeien, zijn haar de strop, de veldoverste van zijns vaders leger was zijn scherprechter, die steekt hem drie pijlen in zijn hart, 2 Sam. 18:9—-14. \'t Is een sieraad als een kind zijn vader en zijne moeder eert. Wat een sieraad was het voor Izak als zijn vader zeide: ik ga offeren, dat hij hem met zulk een respect aansprak. Mijn vader, zegt hij, waar is het lam ton brandoffer? Gen. 22:7. Wat een sieraad

12

-ocr page 664-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

was het in Jozef, zoo haast bad hij geen gelegenheid, of hij zeide: Is het wel met uwen vader, den oude, leeft hij nog? Gen. 43:27. Wat een sieraad was het in hem als zijn vader naar Egypte kwam; hij stuurt hem wagenen, paarden, en al wat hij van noode had; en als hij nu hoorde, dat zijn vader nabij gekomen was_, zoo trekt hij uit, hem tegemoet. Gen. \'45:27 en 4G:29. Wat een sieraad was het in Salomo, 1 Kon. 2:19, als zijne moeder tot hem kwam, hij liet haar eenen stoel zetten aan zijne rechterhand.

Nu moeten wij zien hoe redelijk het is, dat een zoon zijn vader eert. \'t Is een sieraad. Onder alle volkeren is het schandelijk als het kind daarin mankeert. Klimt dan eens met uwe gedachten op tot God. Daar wil Ik u hebben, zegt de Heere; eert een kind zijn vader, en ben Ik uw Vader, en zult gij Mij niet eeren, zult gij tot miin roem niet zijn ? Moet mijn naam gelasterd worden door uw slecht gedrag? Immers zoo Ik uw Vader ben, moet Ik verwachten dat gij Mij alle respect en eer zult toebrengen. Zoudt gij het niet doen! Wel, indien gij tot eenen Vader aanroept üengene, die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zoo wandelt in vreeze den tijd uwer inwoning, 1 Petr. 1 :17. De Zaligmaker geeft daar zulke indrukken van. Hij was de Wetgever van dat gebod op Sinaï; Hij predikte het zeer krachtig op Golgotha, daar was Hij er de leermeester en beoefenaar van; 11 ij gaf die Wet op Sinaï, Hij beoefende ze op Golgotha, als Hij tot zijne moeder zeide, toen er een zwaard door hare ziel ging: Vrouw, zie uw zoon. Iaat dat uw zoon zijn; en tot Johannes: Daar staat die bedroefde vrouw, laat dat uwe moeder zijn. Joh. 19:2G, 27. Dit is het, wat Hij indrukt in zijne hemelsche kinderen, die genade gevonden hebben in Gods oogen. Als gij bidt, zoo zegt: Onze Vader die in de hemelen 7.\\it. Laat ik U verheerlijken: uw naam worde geheiligd. Om deze bede wel te bezien, zoo Iet met mij:

Eerst. Op de zoete orde.

Ten tweede. Wat het inheeft, Gods naam te heiligen. _

Ten derde. Wat de inhoud van die smeeking is. Dat zijn onze drie stukken: 1. De zoete orde, die de Heere Jezus houdt in dit gebed. 2. Wat dat zeggen wil: uw naam worde geheiligd. 3. Wat wij smee-ken, als wij zeggen: uw naam worde geheiligd.

Wat het eerste aangaat: wij lezen, 2 Sam. 23:5, van een verbond dat in alles wel geordineerd en bewaard is, waarvan David zegt: Voorzeker is (daarin) al mijn heil, en alle lust; maar wij mogen van dit gebed ook wel zeggen, dat er al onze lust in moet zijn. Waarom? Om deze redenen:

Eerst. Is er eene zeer eerbiedige aanspraak, gelijk een kind tot zijnen Vilder spreekt, en een knecht tot zijnen heer, en onderdanen tot hunne Overheid. Die eerbiedige aanspraak bestaat in de woorden: Onze Vader die in de hemelen zijt.

Ten tweede. Daar zijn zulke hemelsche stoffen in, zulke heerlijke

(gt;58

-ocr page 665-

OVER DEN XLVII. ZONDAG. Vraag 122.

pleitredenen en aandrang1, op welke de verhooring verwacht mag worden. Wij vinden er ook eene sierlijke orde in, te weten: dat de Heere Jezus in de bedestukken niet vergeet hun den Drieëenigen God te laten aanbidden. Hij doet den bidder zijn gebed richten tot den Vader in de aanspraak, in de eerste bede, en in de vierde bede; tot den Zoon, in de tweede bede, en in de vijfde bede; tot den Heiligen Geest, in de derde bede, en in de zesde bode. Wonderlijk wijs heeft de Heere Jezus het geschikt! Hij doet ze hun gebed richten tot de drie getuigen die in den hemel zijn: tot den Vader in de voorrede, eerste en vierde bede; tot den Zoon in de tweede en vijfde bede, als tot den Koning van zijne Kerk, in wiens gerechtigheid vergeving is; tot den Heiligen Geest in de derde en zesde bede, als die de wet in \'t hart schrijft, en hen leidt op een effen pad. \'t Is uitermate sierlijk en heerlijk! In de drie eerste beden geeft Hij ze een indruk van den kinderplicht, en in de drie andere van het Vader-gedrag.

Van den kinderplicht in de drie eerste beden. Hij leidt ze tot het respect van dien Vader die in de hemelen is; welk kind zal er zijn, wiens vader een koninkrijk heeft, en dat niet zal bidden, dat \'dit koninkrijk bloeiende mag zijn? Wat kind is er, wiens plicht het is te gehoorzamen, en zich te onderwerpen aan den besluitenden en gebiedenden wil van zijnen vader, die dat niet zal trachten na te komen? De Heere vertoont in de drie laatste, het gedrag dat vaders houden. Wat zorgt een vader niet al naar het lichaam voor zijn kind! Wat vader is er, die niet wat overziet in zijn kind, de schulden en misdaden vergeeft? Wat vader is er die zijn kind niet waarschuwt voor achterlagen, voor strikken die hem benauwen zouden. Derhalve begint de Zoon Gods met de verheerlijking van zijnen Vader. Ik zoek mijne eer niet, zegt Hij, Ik eer mijnen Vader; maar gij onteert Mij, Joh. 8:49, 54. Mogen wij wel niet zeggen: Liefste Heere Jezus! waarom doet Gij ons daarmede beginnen?

Eerst. Omdat God de Allerhoogste is. De eere Gods moet ons oogwit zijn in alle dingen. Hij heeft zulk een eer vertoond in alles te scheppen; Hij heeft alles gemaakt om Zijns zelfs wil, Spr. 16:4, den hemel, de aarde, de zee, de hel, Is God niet meer, dan het schepsel? Wat eene groote eer bezit Hij! Hem komt alle eer toe.

Ten tweede. Omdat Hij de minste onteering niet dragen kan. Al onteerde Hem zijn liefste kind, het zou er een slag over krijgen. Mozes had God niet verheerlijkt voor de oogen van \'t volk. Hij had God niet geheiligd. Ik zal u nu in \'t land Kanaan niet brengen, zeide God. Ja, als wij God meest verheerlijken, dat is ons ook de meeste eer. Dat drukte Mozes zoo uit als hij zeide: delg mij uit uw boek, liever dan dat uw naam onder do Heidenen ontheiligd zou worden, dat ze zouden zeggen: omdat de Heere hen niet in Kanaan hoeft kunnen brengen, daarom hoeft Hij ze in de woestijn gedood, Exod, 32 :32. Zoo vatte ook Paulus het. Kom 9: 3, Ik zou zelve wel wenschen verbannen te zijn van Christus, zegt hij, dan dat uw naam

G59

-ocr page 666-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

ontheiligd zou worden door mijne broederen. De Zaligmaker heeft dit gebed in zulk eene orde geschikt, dat Hij in \'t begin met dat ze hunne knieën maar buigen, zijnen kinderen leert bidden, dat:

Ten tweede. Gods naam mocht geheiligd worden. Wat is dat? Hier hebt gij een naam en die moet geheiligd worden, zegt de Heere Jezus. Als wij van den naam van God spreken, zoo moeten wij dien Oneindige niet te na bepalen. Wij kunnen dat groote Wezen in weinige letters niet omvatten. De hemel, ja de hemel der hemelen kan Hem niet begrijpen, 1 Kon. 8:27. Gelijk God onbegrijpelijk is voor ons, zoo is Hij ook onuitsprekelijk. Adam, die al den schepselen een naam gaf, bleef er wel af, dat hij God een naam zou gegeven hebben. Nochtans mogen wij spreken van den naam Gods, zoodanig als het den Heere belieft. Zich in zijn Woord uit te drukken.

Met wat voor namen belieft het God Zich uit te drukken in zijn Woord? Ik zal zijn, die Ik zijn zal, Exod. 3:14. Ik ben de eerste en de laatste. Opent. 2 :8. Ik ben altijd dezelfde. Ik ben wat Ik geweest ben, Ik ben geheel en al Wezen; Ik ben het, die al wat wezen heeft, het wezen gegeven heb, al wat ooit wezen hebben moet, zal Ik het wezen geven. Dan zijn er namen die de goddelijke Personen uitdrukken: Vader, Zoon en Heilige Geest; dan die de bedeeling der genade uitdrukken. De Vader wordt genoemd: Schepper, Richter. De Heilige Geest: Trooster. Dan zijn er namen die zijne verrukkings-machtige volmaaktheden uitdrukken, Exod. 34:6, 7. Ik houd den schuldige geenszins onschuldig. Ik ben genadig en barmhartig, lankmoedig en al dergelijke eigenschappen. Dan zijn er namen in \'t Woord door welke God den godsdienst gaat uitdrukken. Zoo staat er Gen. 4:2G, Toen begon men den naam des Heeren aan te roepen. De Heidenen noemden hunnen godsdienst naar hunne goden. De Joden noemden hunnen godsdienst naar hunnen God. Zach. 14:9, De naam Gods zal een zijn over de gansche aarde. Dat doen de Christenen ook. Door den naam Gods moet gij verstaan, al datgene waardoor God kan geëerd of onteerd worden; zijne eigenschappen, al zijne werken in welke Hij Zich in \'t Woord bekendmaakt, en door welke Hij zich in de wereld bekendmaakt.

Die naam moet nu geheiligd worden. Zullen wij dien naam heiligen? Wij, die van onze beste werken moeten zeggen dat ze onrein en onvolkomen zijn: Wij allen zijn als een onreine, Jes. 64:6, en zullen wij God heiligen,-Die de heiligheid zelf is; Die niet onheilig noch heiliger gemaakt kan worden? Wien geen heiligheid van eenig mensch toegebracht kan worden? Job 22:2. Wat vraagt God er naar of wij goddeloos zijn of dat wij vroom zijn; wij benemen of geven Hem er niets mede.quot; Wat wordt er dan door het woord heiligen verstaan in de Schrift? De dag wordt geheiligd; de vaten, de kleederen der afzondering tot den heiligen dienst worden geheiligd; de arme verloren zondaar wordt geheiligd.

Maar, zal iemand zeggen, was \'t niet beter, dat de Heere Jezus had leeren bidden: Vader, die in de hemelen zijt, heilig ons? Neen,

600

-ocr page 667-

OVER DEN XLVII. ZONDAG. Vraag 122.

In deze bede ligt allermeest opgesloten, heilig ons. Grods naam wordt allermeest geheiligd in de heiligheid, die Ili] aan zijne uitverkorene vaten geeft. Heiligen, dat is, iemand die onheilig is, heilig te maken; iets af te zonderen tot een heilig gebruik; en iets dat heilig is daarvoor te roemen, te prijzen en te verklaren. Iets dat onheilig is, heilig te maken, 1 Cor. 6:11, Dit waart gij sommigen; maar gij zijt aigewasschen, maar gij zijt gerechtvaardigd, maar gij zijt geheiligd, in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods. Zij waren gruwelijk, maar zij werden geheiligd. Zoo bad do Zaligmaker: Heilig ze m uwe waarheid, .loh. 17:17. Zoo bad Paulus: De God des vredes zelve heilige u geheel en al, 1 Thess. 5:23. Dan beduidt het in de Schrift: van het gemeen iets af te zonderen tot een heilig gebruik. Zoo is het brood in \'t avondmaal, \'t water in den doop. De kleederen der priesters en al dat gereedschap tot dien heiligen dienst waren mede geheiligd. De dag des sabbats wordt geheiligd. Hier beduidt het iets, dat heilig is daarvoor te erkennen, te

Erijzen, te roemen. Heiligt God den Heere in uw hart, 1 Fetr. 3: 15.rijzen, te roemen. Heiligt God den Heere in uw hart, 1 Fetr. 3: 15.

ev. 1U: 3, Ik zal geheiligd worden in degenen, die tot Mij naderen. Nu zal het u welhaast klaarder vallen, wat het heiligen van Gods naam is. Gij moet weten. God heiligt zijnen naam. Wanneer?

Eerst. In \'t scheppen van alle dingen. Hij heeft alles zóó gemaakt, dat engelen en menschen aan alle plaatsen van zijne heerschappij Hem eere moeten toebrengen. In al zijne schepselen wordt gezien zijne almacht en eeuwigheid, zijne kunst en wijsheid, zijne goedheid. Daar staan die eigenschappen Gods, als zoovele parelen in een gouden ring, als zoovele blinkende steenen. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap, Ps. 19:2, 3. Als een kind Gods zoo al die schepsels ziet, zoo wordt zijn hart wel eens gaande, zoodat hij begint te zeggen: Heere! Gij zijt groot en uwe grootheid is ondoorgrondelijk, Ps. 145:3. Zij spreken met de aarde, met de visschen der zee, met de vogelen des hemels; elk van die zal de eere van üod groot maken, JoTd 12:8.

Ten tweede. Verheerlijkt God Zich als iemand God niet dienen wil, dat Hij dan merkelijke oordeelen uitstort, zoodat men moet zeggen: door de oordeelen wordt de toorn Gods van den hemel geopenbaard. Bom. 1:18. Ik zal van Faraü verheerlijkt worden, zegt God, Exod. 14:17, Hij meent ulieden kwaad te doen; maar Ik zal voor de oogen van allen verheerlijkt worden, zoodat ze niet alleen zullen moeten schreeuwen: dit is de vinger Gods, maar dit is de hooge hand Gods. God strijdt voor Israël tegen Farao, dies beven voor Hem de volkeren, 2 Kron. 20:29. Daar staat een Felix, Hand. 24:25, en rilt en beeft.

Niet alleen verheerlijkt God Zich in oordeelen uit te storten, maar ook in \'t genadewerk. Daar blinken al die deugden klaar in uit. De Onderwijzer telt ze klaar op. Daarom zeide de Zaligmaker, als Hij stond om zijn werk te volmaken: Vader! verheerlijk uwen Zoon, op-

661

-ocr page 668-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

dat ook uw Zoon U verheerliike, Joh. 17:1, Daar kwam eene stem: Ik lieb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem nog verheerlijken, Joh. 12: 28. Daar komt een geheele zwerm engelen, Luk. 2: 14, die roepen uit: Eere zij God in de hoogste hemelen. Al was het dat zij geen deel aan \'t werk der verlossing hadden; zij zeiden: Hoe is nu de Koning verheerlijkt in dit kind! üod wordt verheerlijkt door de engelen. Zi] juichten\'als God de aarde grondvestte. Joh 38:7. Jes. 6:2, bedekken ze met twee vleugelen hun aangezicht. Mijn God! willen ze zeggen, Gij zijt boven ons begrip! Zy bedekten met twee hunne voeten. O God! quot;willen ze zeggen, onze heiligheid is bij de uwe niet bezienswaardig. Ze vliegen met twee vleugelen; daarmede willen ze te kennen geven: in onze heilige sieraden staan wij ten dienste van God, en van al degenen, die verheerlijkt zijn, en nog zullen worden. En hebben de verheerlijkten een tijd lang de kronen op hun hoofd gehad, leggen zij ze voor de voeten van den Heere neder, uitroepende: Welken roem zullen wij U voor uwe vrije genade, aan ons bewezen, geven, dan dat wij U zullen danken eeuwiglijk en altoos.

Nu is het dat de Zaligmaker meest ziet op Gods kinderen, dat die den naam van God zouden heiligen. Hoe geschiedt dat? Dat doen ze;

Eerst. Met hun verstand.

Ten tweede. Met hunne tong.

Ten derde. Met hunne daden.

Ten vierde. Met hunne gebaren. Let eens op:

Eerst. Zij heiligen God den Heere met hun verstand. Liggen ze op hun leger, of zijn ze in hunne kamer of in een eenzaam plaatsje, al was het in een schuurtje of op het veld, daar wandelen ze eens met hunne gedachten naar boven, en ze zetten hun gering verstand op dat Wezen, op zijne werken, op zijne titels, op zijne groote ge-richten; en daar beginnen ze te zeggen: Heere! een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom, noch een sterke in zijne sterkheid, noch een wijze in quot;zijne wijsheid, maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij ü kenne, Jer. 9:23, 24. Dat hij wete, wie Gij zijt. Wat Gij worden wilt voor een armen, verloren zondaar, voor een arm schepseltje in Christus; hoe licht dat uw last is, dat uw juk niet zwaar is. Hoz. 6:3, Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den Heere te kennen.

Dan komen ze tot zijn volmaakt Wezen. Daar zijn ze niet ai te krijgen. Allerliefste Heere! zeggen ze, ik weet niet wat ik het meest of minst in U beschouwen ztü; ik weet niet waar ik het meest of minst mij over verwonderen zal. Als ik mij al over U verwonder, zoo moet ik uitroepen: Gij zijt groot, en ik begrijp het niet. Job 36:20. Mijn klein vaatje is quot;te quot;eng, ik verlies mij zelf in uwe verrukkings-machtige volmaaktheden. Ga ik tot de wegen Gods, kom ik tot de voorzienigheid, \'t is alles zoo verwonderlijk! Beschouw ik uwe re-geering, die Gij houdt over land en Kerk, de ontmoeting uwer kinderen, den druk, de blijdschap der vromen, de blijdschap en voorspoed der goddeloozen; daar zie ik eene Naomi, die zegt: Noemt mij Mara:

002

-ocr page 669-

OVER DEN XLVII. ZONDAG. Vraag 122.

Avant de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan, Ruth 1: 20. Een ander komt met een psalm; een ander zegt: Ik ben de man, die ellende gezien heeft, Klaagt. 3:1; een ander vertelt zijnen kinderen wat God al aan hem gedaan lieeft.

Dan in \'t bizonder beginnen ze met hun verstand te denken op de volmaaktheden van dat Wezen, die den Onderwijzer optelt, te weten; op zijne almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, waarheid, en al waarin God nog verheerlijkt kan worden. De Onderwijzer telt zes volmaaktheden op, zes wezenlijke volmaaktheden, die vromen en onvromen meest in \'t oog loopen.

Eerst. De almachtigheid van God. Dat gaat, zeiden de drie jongelingen op de almachtigheid van God in den brandenden oven. Dan. 3:17. Dat gaat, zeide Daniël, op de almachtigheid van God ouder de leeuwen, Dan. 6:17. Job zegt, hfdst. 42:2, Ik weet, dat Gij alles vermoogt. De Heere Jezus zeide: Vader! alle dingen zijn U mogelijk, Mark. 14:36. Jozafat zeide: In uwe hand is kracht en sterkte,2 Kron. 20:6. Dat gaat op de almacht van God af; Gij zult doen, boven dat wij bidden of denken kunnen, Ef. 3:20. Gijlieden, amechtige Joden, zeiden ze, wat zult gijlieden doen? God zal het ons doen gelukken; in den Heere zullen wij het doen, zeide Nehemia, hfdst. 2:20 en 4:2.

Niet alleen beschouwen zo zijne almacht; maar dan komen ze, ten tweede, tot zijne wijsheid. Uwe wijsheid is het, Heere, door welke Gij alles doorziet. Gij ziet tot in het hart; Gij proeft de nieren. Er iquot;s geen schepsel onzichtbaar voor U, maar alle dingen zijn voor U naakt en geopend, Hebr. 4:13. Ach! zeggen ze, de vijanden mogen \'t nog zoo wel besteken en ons lagen leggen; maar God zal ze ons bekend maken. Zeide de koning van Syrië eens: waar scheelt het, wie is de verrader in mijn rijk? Daar komt een van de kamerlingen die zich verkloekte en zeide: Daar scheelt het niet; uwe hovelingen doen het u niet; maar er is een profeet in Israël, die zegt, wat de koning in zijne binnenste slaapkamer spreekt, 2 Ivon. 6:12. Gods kinderen zeggen: Ach, Heere! er is geen doorgronding aan uw verstand, Jes. 40:28. God weet de rechtvaardigen uit de bezoeking te bewaren, 2 Petr. 2:9, als het op het hoogste is. Hij weet middelen om ze uit de verdrukking te redden; Hi] zal niet toelaten, dat de vijanden hun altijd verdrukken.

Dan melden ze, ten derde, met hun verstand de goedheid Gods. Gij zijt geen hard God, zeggen zo, maar vriendelijk; geen wreede. Gij zijt wonderlijk goed. Gij hebt al uwe schepselen goed gemaakt; Gij hebt er zooveel goedheid ingelegd, dat men kan smaken en zien, hoe goed God is, Ps. 34:9. Niemand is goed dan één, namelijk God, zeide de Heere Jezus, Matth. 19:17. Immers is God Israël goed, Ps. 73:1. Klaagl. 3:25, De Heere is goed dengenen, die Hem verwachten. Een mensch denkt dikwijls ten kwade, maar God ten goede, Gen. 50:20. Hij doet alles medewerken ten goede dengenen, die Hem liefhebben, Kom. 8:28. De koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij, zeide Nehemia, hfdst. 2:8.

663

-ocr page 670-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Dan verheerlijken ze God, ten vierde, in zijne gerechtigheid. Een zondaar mag denken dat God niet rechtvaardig is, als Hij wraak oefent over de goddeloozen; maar God is rechtvaardig in zijne geboden, in zijne regeering, in zijne rechtspleging. Het is al overvloeiende van gerechtigheid. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij, Deut. 32:4.

Dan melden ze ook, ten vijfde, zijne waarheid. Jer. 10:10, Onze God is de waarheid. Heeft ooit iemand eenig feil aan Hem gevonden? Leest in \'t boek des Heeren, niets zal er aan feilen, Jes. 34:16. God is geen man dat Hij liegen zou. Num. 28:19. Onze Heere is een God, die niet liegen kan. Hij is ook de onveranderlijke. Hoe zouden ze anders dien God zoeken? God dienen, als ze Hem zoo niet kenden ?,

Ja, ten zesde, zij melden ook zijne barmhartigheid. Daar ontfermt Hij Zich gelijk een vader over zijn kind, Ps. 103:13. Ja, nog groo-ter is God in zijne ontferming. Weet gij, die boos zijt, uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal God het doen, Luk. 11:13. Gij hebt de lijdzaamheid van Job gehoord, en zijn einde gezien, en gi] hebt gehoord, dat de Heere een Ontfermer is, Jak. 5:11.

quot; Ten tweede. Als ze nu bij anderen komen, honden ze dat in ? Is het genoeg, dat ze God zoo kennen, en dat ze Hem met hun verstand zoo beschouwen? Neen het. Dat kunt gij tasten en voelen. Zij moeten niet alleen dat groote Wezen recht kennen, maar als ze hij anderen zijn, komt het er uit; zij kunnen er niet van zwijgen; \'t komt er alles uit, dat zij zulk een God dienen. Er was een Israëlitisch dochtertje bij Naaman, den Syriër. Zij kon niet zwijgen. Daar is een profeet, zegt ze, als mijn heer daar bij was, hij zou wel genezen Avorden, 2 Kon. 5:3. Ach! zij gaan dan spreken tot roem van den Heere. Een kind van God spreekt tot roem van den Heere. Zijn ze ergens, zij eeren God. Gij kunt het terstond hooren aan het een of ander hemelsch propoost. Komen ze bij anderen, het is: laat ons te zamen zijnen naam verhoogen, Ps. 34:4. Zij wekken er hunne kinderen, hunne vrienden, hunne buren toe op. Indien hunne tong zweeg, hun geweten zou spreken tot lof van den Heere. Loof den Heere, mijne ziel! zeggen ze, Ps. 103:1. Het doet hun zoo zeer, als ze eens gezwegen hebben, waar zij moesten spreken.

Nog eens. Ten derde, dan gaan ze de deugden Gods verkondigen; niet alleen met hunne tong, maar met een nederig, godvruchtig gedrag. Zij zoeken zoo voorzichtig, wijs, bescheiden al hunne gangen te richten,\' zoodat men er van zegt: dat mensch zoekt zijn gedrag zóó te richten, dat Gods naam door hem geheiligd wordt. Als de wereld zulken ziet, in hunne lijdzaamheid, in het kruis, en in hun vertrouwen, in het donkere; dan moeten zij zeggen: Die menschen dienen God beter dan wij. Als ze hun stichtelijken wandel zien, hunne wijsheid, nederigheid, godsvrucht; dan wordt hun Vader verheerlijkt, terwijl zij vele vruchten dragen. Joh. 15:8.

Ten laatste. Verheerlijken ze God in hunne eerbiedige gebaren, die

GG4

-ocr page 671-

OVER DEN XLVII. ZONDAG. Vraag 122.

niet zoozeer uitwendig en voor \'t oog van de menschen zijn; maar als ze in het verborgen zijn, dan mogen zij zich wel wat anders aanstellen dan bij de menschen; dan behoeven zij zooveel niet op de gebaren te zien; dan gaan ze wel eens vrijmoedig met God om, hoewel het altijd betamelijk is; dan gaan ze hunne liefde wel eens voor den Heere uitdrukken. Als de wereld hen hoorde, zij zouden wel denken, dat het niet eerbiedig genoeg was; doch zij dragen den Heere den schuldigen eerbied altoos toe. Dan kruipen ze wel eens als een worm langs den grond, dan liggen ze eens op hun aangezicht voor God, dan liggen ze wel eens op hun rug. Dan wringen ze wel eens hunne handen, dan bedekken ze wel eens met hunne handen hun aangezicht, dan slaan ze wel eens met hunne handen op de borst. Luk. 18:13, dan slaan ze wel eens met hunne handen op hun heup, Jer. 31:19, dan schreien ze eens. Zoo ze dan in een gezelschap moeten komen, zoo drogen ze met haast hunne tranen af; maar zijn ze in het eenzame, daar is het vrijer; dan buigen ze zich wel voor God. Moest een Abraham zich driemaal buigen voor de zonen Heths, hoeveel te meer zij dan voor den Heere\'t\' Dat is niet uit te drukken die gebaren, of ze moeten ondervonden worden. Altemet huppelen ze eens van blijdschap, als de blijdschap des Heer en hunne sterkte, Neh. 8:11, gevonden wordt.

Ten derde. Wat smeeken ze nu als ze dat zeggen: Vader in den hemel, en: uw naam worde geheiligd?

Eerst. Ach Heere! zeggen ze, mijn hart is gezet op zulke zaken, mijn hart is daar begeeng naar. Jes. 2G: 8, Tot uwen naam en tot uwer gedachtenis is de begeerte onzer ziel. Laat de liefhebbers uws heils geduriglijk zeggen: de Heere zij grootgemaakt! Ps. 40:17. Ach Heere! laat elk uwe grootheid zien, aan alle plaatsen van uwe heerschappij. Ps. 57:12, Verhef U boven de hemelen, o God! Uwe eer zij over de gansche aarde.

Ten tweede. Allerliefste God! maak mij niet zalig dan langs eenen weg, die allermeest tot uwe eer is. Verheerlijk uwen naam aan mij. Ik wil anders niet in den hemel komen, noch zalig worden, dan in den Heere Jezus, in welken al uwe deugden eer krijgen. Vader in de hemelen, verlicht Gij de oogen van mijn verstand; een zondaar weet wel, dat er een God en een Zaligmaker is, door onderwijzing van het Woord; maar laat ik bij het onderwijs van het Woord ook verlicht worden, laat ik U kennen door liet licht van Woord en Geest; laat ik door uwen Geest zien, wat Gij zijt; ik ben zoo traag in mijne tong om uwen lof te vertellen: Open mijne lippen, zoo zal ik uwen lof vertellen, Ps. 51:17; laat ik doorbreken, laat ik niet tot verdonkering van uwe eer zijn; niemand kan mij dat kwalijk nemen, spot de wereld daarmede, zij hebben er geen redenen toe.

Nog eens. Ten derde: Uw goede Geest geleide mij in een effen land, Ps. 143:10. Laat mijn wandel stichtelijk zijn, overtuig ze door mijnen wandel, zoodat ze moeten zeggen: Daar is niets op nun wandel te zeggen, hij is eerlijk; wij zouden zoo niet doen.

6G5

-ocr page 672-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Ten vierde. Acli Heere! zeggen ze, bewaar mij voor schrikkelijke vallen, waar uw naam door onteerd zou worden. 0 God! bewaar mij. Daar hebben Gods kinderen niet éene belofte toe, niet meer dan een Noach, David, Salomo of Petrus hadden. God heeft dat nooit beloofd. Daarom wandelen zij in vreeze, 1 Petr. 1:17, wetende wat voor een hart zij hebben, met wat vijand zij te doen hebben, wat pijlen hij schiet, /ij weten, dat ze tot hinken gereed zijn. Ps. 38:18. Zij weten, hoe bitter het valt, als ze gevallen zijn, eer ze de troostelijke nabijheid Gods weer krijgen. Wat viel het een David en Petrus bitter, eer ze die weer hadden! Dat is de eerste bede.

Nu hebt gij die eerste bede zoo dikwijls hooren prediken, wie weet hoe weinig gij er nog van weet!

Nu moeten wij nog een woord tot een stichtelijk slot hebben. Dat bidt gij nu allen, en dat hebt gij van der jeugd af gebeden. Wij hebben u eene vraag te doen: Hebt gij Gods naam wel verheerlijkt? Hebt gij er geen gelegenheid, geen stof toe? Kunt gij het niet doen in uw huisgezin, met uwe kinderen, vrienden, buren, gezelschappen? Klopt uw hart niet? Moet gij niet zeggen: mijn God, mijn hart veroordeelt mij, ik doe het niet, ik ben stom, ik zie de wereld; die spreken wel alles, maar ik ben stom? Dit bidden niet alleen particulieren, maar opzieners, predikanten, ouderlingen en diakenen. Gij zijt er meer toe verplicht dan particulieren; gij moet opzicht hebben over de kudde. Heiligt gij Gods naam wel? Aanzienlijken! zoudt gij niet moeten beschaamd staan, als een particulier Christen het meer doet, dan gij? Zijt gij den heiligen wel aangenaam?

Gij zult zeggen: Predikanten, handelt gij ook alzoo? Dat is waar, zij hebben er meer gelegenheid toe dan een particulier Christen. Ouderlingen en diakenen hebben er ook meer gelegenheid toe, maar predikanten nog meer. Wat eene heerlijke bediening hebt gij! wat eene studie, wat eene vrijmoedigheid! Zij hebben dikwijls groote ondervinding. Zou altemet een predikant niet beschaamd moeten staan, als hij in een gezelschap is, waar particulieren dikwijls eerst beginnen ? Zijn particulieren in hunne winkels, wat kwijten ze dikwijls hun gemoed, zoodat ze predikanten beschamen! Wat eene schande zal het voor een predikant zijn, als God zal zeggen: zwijg van hem, hij was niet om mijnen naam te vermelden, Amos G: 10. Hoe troosteloos zal het dan zijn! Matth. 25:11, daar stonden ze en schreeuwden: Heere! Heere! doe ons open, laat ons op onze bediening binnenkomen. Uwe bediening zal u in den hemel niet brengen.

Wat hebben er de overheden geen gelegenheid toe om de ontheiliging te weren, de ontheiligers te straffen, en de heiligers van Gods naam te beloonen, aan te moedigen en te ondersteunen! Wat een glans is het voor hen, als zij God eeren! Maar wat een onsieraad, als zij Gods naam ontheiligen! Zouden ze wel gaarne zien, dat hun naam onteerd werd? O! wat voor schrikkelijke straffen zijn er voor de ontheiligers; maar wat een loon voor die Hem heiligen! Als gij God ontheiligt, die Mij versmaden, zegt Hij, zullen licht geacht wor-

66G

-ocr page 673-

OVER DEN XLVII. ZONDAG. Vraag 122.

den, I Sam. 2:30. Al was het een koning Nebukadnezar, of een Beltsazar: gij hebt den God des hemels geen eere gegeven, zeide Daniël, hoewel gij al die dingen geweten hebt, Dan. 5:23. De groote lieden zijn ijdelheid, de kleinen lengen, Ps. G2:10.

Zegt gij: ja, ik zou bespot worden als ik God heiligde, zij zouden mij uit de gezelschappen werpen? Ei neen. Zij zullen niet. Nicodemus en Jozef van Arimathéa werden niet uitgeworpen, omdat ze alleen stonden. Wat zouden ze tegen u doen? Die met u zijn, zijn meer, dan die tegen u zijn. Wie zijn er voor u? De Drieëenige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, de vromen, uw eigen gemoed, de bijbel. Wie zijn er tegen? De goddeloozen, de duivel, uw verdorven vleesch, uw gezelschap, dat gij verlaten moet.

Gij zult zeggen: gij stoot ze altemaal voor het hoofd, dan moeten wij moedeloos worden; is er dan niemand die God eert? Ach God! waar zijn de heiligers, en de verheerlijkers van uwen naam? Is er niemand? Is er niet één teekentje, waar men aan kan weten, dat men Gods naam heiligt? Ja, wij zullen er eenige stellen.

Eerst. Dan heiligt gij Gods naam, als gij uw tijd niet beter rekent doorgebracht te hebben, dan als gij tot eer van God geweest zijt. Waart gij in een gezelschap, of in geen gezelschap, nergens rekent gij uw ti]d beter mede besteed, als dan.

Ten tweede. Als het u zeer doet, dat gij Gods naam niet geëerd hebt. Als gij llem niet hebt kunnen eeren, dan klopt uw hart; dan zegt gij: Heere, dat is niet wel, ik heb gezwegen, waar ik moest gesproken nebben, ik heb mhzelven meer geëerd dan ü.

Ten derde. Als het u zoo bitter zeer doet, als gij gevallen zijt, dat God daardoor onteerd wordt. Als gij langs de straat gaande zoo benauwd zijt, als de lippen maar opengaan, omdat het u zulk een doodsteek is, dat God daardoor zoo onteerd wordt. Als ik een eerlijken vader had, en ik was in een gezelschap, waar hij gescholden werd, zou het mij niet een steek in mijn hart zijn? Zoo was het met Hiskia, Jes. 37:4. Mijn God! zegt hij, wat steekt mij dat in mijn hart, dat liabsake ü zoo lastert.

Ten vierde. Dan heiligt gij Gods naam, als gij uw eigen naam voor Gods naam zoo ten beste geeft. Wat scheelt mij eer, aanzien, als ik maar in Christus ben, en als God maar geëerd wordt! Dan acht ik op geen ding. Yindt gij het zoo bij uzelven gesteld? Wel! gij zult gezegend zijn; God zal uw naam ophouden. Hij zal u kronen met goedertierenheid, en gij zult nog leven, nadat gij gestorven zijt.

Laat ons niet scheiden, geliefden! of laat ik mijn hart nog eens uitspreken in zegeningen u toe te wenschen. Ik heb het zoo menige jaren gedaan, het is vandaag over veertien dagen net negenentwintig jaren, dat ik uw predikant ben geweest. Laat ons, of het voor het laatst was, ons hart nog eens uitspreken.

Menschen, die niet bekeerd zijn! wij weten niet, of wij u niet iets zullen toewenschen, dat gij niet gaarne hebt. Gij denkt licht al in uw hart, houd uwen mond dan maar toe. Doch dat laat mijn beroep

667

-ocr page 674-

CATEOHISMUS-PKEDIKATIE

en uw plicht niet toe. Is hier een onbekeerde, gelijk er naar allen schijn wel zijn, is er een onbekeerde, die nog geen lidmaat is? Ik wensch, dat gij in dit jaar zult moeten zeggen; Ach Heere! ik kan het niet langer harden, of ik moet mijne belijdenis gaan doen; ik ben er begeerig toe. Zoo gij iemand hebben wilt, om u te onderwijzen, kiest er een uit van ons: ik bied onzen dienst aan, uit .aller naam. Gij moet het doen, ik wensch, dat gij zult moeten zeggen: Ach Heere! ik heb als een groot beest geleefd. Wat heb ik gedaan?

En gij, die een onbekeerd lidmaat zijt, en al jaar en dag geweest zijt, ik wensch, dat gij zult moeten zeggen: Mijne belijdenis maakt mij niet bekwaam, om ten avondmaal te gaan. Weet gij wat ik u toewensch? Gij hebt zoo dikwijls uzelven een oordeel gegeten, ik wensch u toe, dat er ergens een mensch geboren mag zijn, en in den dienst van God zijn, of daar nog in komen, dien God als een pijl zal gebruiken, om u quot;het hart te raken, zoodat gij niet meer als een zor-gelooze of goddelooze zult gaan, maar als een bekeerde. Zegt gij, dien wensch wil ik van u niet hebben, ik wensch, dat ik dat niet zal ondervinden? Ei, zegt dat niet. Zegt liever, God geve, dat dit Avoord in mij waarachtig worde!

Is hier iemand, een overtuigde, (daar gaat toch geen één jaar door, of door de goedheid Gods wordt de een of de ander gekwetst en overtuigd). Ik wensch u toe, dat God u niet vele harde dagen geve, dat uwe zonden niet al te veel in het licht van uw aangezicht gesteld mogen worden, opdat uw geest in u niet overstelpt worde. Ik wensch u toe, dat God uit den hemel het goede werk, dat Hij in u begonnen heeft, Filipp. 1:6, zachtjesquot; voor den dag zal laten komen, zoodat gij zult moeten zeggen, eer er een jaar ten einde is: ik moet beginnen te denken, dat het God is, die in mij werkt, ik heb \'tmijn leven niet durven denken. En kinderen Gods, die het niet durft ontkennen, dat God in u werkt, die uwe geloofsoefeningen en zoete gestalten niet durft ontkennen, weest er blijde over, en dankbaar voor. Maar zegt gij: ik leg eiken Zondag weer omver? Die zoo met uw gestalten werkt, gi] denkt om den Heere Jezus niet veel. En u wensen ik toe, dat gij moogt leeren geloof oefenen.

Gij zult zeggen, wat is dat? Dat is naar den Heere Jezus te schreien, om Hem te worstelen, naar Hem te vlieden, Hem aan te kleven. Hem vast te houden en niet te laten gaan, u op Hem te werpen, en met Esther te zeggen, hfdst. 4: 1G, Kom ik om, zoo kom ik om. Ik hoop, dat, eer een jaar ten einde zal zijn, gij zoo door geloofsoefeningen met den Heere Jezus zult kunnen verkeeren.

En gij, die vroom zijt, maar die klaagt dat gij uw leven niet verzekerd zijt, ik hoop, dat gij onderscheid zult leeren maken, dat gij zoo wel met geloof als met verzekering kunt binnenkomen. Als gij in het geloof sterft, dan zult gij met al die vaders binnenkomen, waarvan gij leest, Hebr. 11:39. Deze allen hebben door het geloof getuigenis gehad, en zij zijn er ook in gestorven. Ik hoop, dat God het u te bevatten zal geven, dat geloof geen verzekering is; en dan

668

-ocr page 675-

OVER DEN XLVII. ZONDAG. Vraaö 122. 669

hoop ik, dat God u zal doen zien, dat gij misschien de verzekering al jaar en dag gehad hebt. Hebt gij uw leven niet eenige verblijding gehad, ergens m een psalm te lezen of te zingen, aan een avondmaal, of in een gezelschapje, of in uwe eenzaamheid ? Hebt gij niet wel eene verwondering, of eene optrekking gevoeld, dat het wat stil was ? Was dat verzekering, zult gij zeggen? Ja. Dat was al gevoelige verzekering.

En gij vromen! die de gevoelige verzekering zelden of menigmaal genoten hebt, en die nu in het warre of in het donker zijt, ik hoop, dat dit het laatste jaar van uwe donkerheid zal zijn, en \'dat gij nog zult mogen zingen: blijdschap komt na veel smarten allen oprechten harten. Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vroolijkheid voor de oprechten van hart, Ps. 97 :11. En dat gij zult kunnen zeggen: Dat is de stem mijns Liefsten, en dat is de stem van mijnen Vriend, Hoogl. 2:8. Ik vond Hem, Dien mijne ziel liefheeft, ik hield Hem vast, Hoogl. 3:4.

En kinderen Gods, die het nog zoowel stellen kunt, gaat, heiligt gij Gods naam. Ik wensch u veel vrijmoedigheid toe; maar dat gij u moogt wachten voor den geest der hoovaardij. Smijt niemand tegen den grond, doet zooals anderen aan u deden. Anderen zijn zoo bang om Gods gunst, als gij te voren waart. Gaat, helpt ze, eii wij wenschen u veel genade toe.

Vromen en onvromen te zamen! Ik hoop, dat gij in dit jaar niet vele smartelijke dagen in uwe familie hebben moogt, God geve, dat het u gunstig zij. Ik hoop, dat God u niet vele bittere kelken op uwe hand zal zetten. Ik wensch, dat in alles waar gij uwe hand aanslaat, de goede hand Gods dat zal zegenen. Ik hoop, dat\' de zegen Gods u rijk zal maken, zoodat gij geene smart moogt hebben in al uw voornemen. Kent God in al uwe wegen, zoo zal Hij uwe paden recht maken, Spr. 3: G.

Ouders! ik wensch u toe, dat uwe kinderen u tot eene kroon zullen zijn. Ik hoop, dat God den ouders hunne kinderen nog schenken zal. Ik wensch, dat gij ze in de vreeze Gods zult opkweeken. Draagt ze op uw hart, neemt ze in uw gebed, gaat er mede alleen, valt er mede op uwe knieën. Gij weet niet hoe het hun nog aankleven zal, al hun leven.

Dat is de wensch van ons hart, dat \'zipi woorden waar wij in nederigheid van kunnen zeggen, dat ze het innigste van ons hart open leggen. Zilver of goud hebben wij niet om u altemaal te verrijken. Gods gunst kunnen wij u niet geven, maar wij smeeken, dat Hij ze u geve. De Heere zegene u en Hij behoede u, do Heere doe zijn aanschijn over u lichten, en Hij zij u genadig; de Heere wende zijn vriendelijk aanschijn tot u, en Hi) geve u vrede, hier zijn tijdelijken en geestelijken, en hiernamaals zijn eeuwigen vrede, met eeuwige heerlijkheid, blijdschap en heiligheid voor zijnen troon. Ik wensen, dat als ik eens weg zal zijn, en gij mede, wij dan elkander voor Gods troon vinden zullen, om Hem daar te zamen tot in alle eeuwigheid te danken en groot te maken, voor al het goede, dat wij hier van Hem genoten hebben. De Heere doe zoo! Amen, ja Amen.

-ocr page 676-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XLVIII. Zondag. Vraag 128.

Acht-en-veertigste Zondag.

123. Vraag. Welke is de tweede bede?

Antwoord. Uw koninkrijk kome; dat is: Regeer ons alzoo door uw Woord en uwen Geest, dat wij ons langs zoo meer U onderwerpen ; bewaar en vermeerder uwe Kerk, verstoor de werken des duivels, en alle geweld, hetwelk zich tegen ü verheft; mitsgaders alle booze raadslagen, die tegen uw heilig Woord bedacht worden, totdat de volkomenheid uws rijks toekome, waarin Gij alles zult zijnin allen.

T T TV lezen. Spreuk. 14:28, In de menigte des volks is des \\/\\/ konings heerlijkheid; maar in gebrek aan volk is eens vor-\' \' st;eu verstoring. Eens konings heerlijkheid bestaat niet in zijne zijden kleederen, gouden kroon, juweelen, of kostelijke steenen; maar er is eene heerlijkheid die bestaat in drie of vier zaken, en als hij die bezit, zoo bezit hij eene majestueusheid. Welke is die heerlijkheid?

Het eerste is zulk eene deftigheid. Toen Nebukadnezar dat kwijt was, werd hij bij de beesten verstooten. Dan. 4:33. Daar schrikte Saul zoo voor, dat zijn glans van hem zou weggenomen worden, als Satnuël van hem weg ging: Eer mij toch, zegt hy, voor de oudsten mijns volks, 1 Sam. 15: 30.

Ten tweede. Bestaat eens konings heerlijkheid in de veelheid der onderdanen. 2 Kron. 14:9 kwam Zerah de Moor, met een leger van duizendmaal duizend en driehonderd wagens. Ahasvéros regeerde over honderd zeven en twintig landschappen, Esther 1 :1.

Ten derde. Bestaat zij daarin, dat hij een vermeerderaar van zijn rijk is. Daar staat van het huis van Saul, dat het ging en zwakker werd, en van het huis van David, dat het ging en sterker werd, 2 Sam. 3:1.

Ten laatste. Bestaat zijne heerlijkheid daarin, dat zijne onderdanen alles voor hem opzetten, goed en bloed. Zij durven zulk een groot vertrouwen op hun koning zetten. Zij geven hun hart, tong, hand en beurs, en al wat zij hebben ten dienste van hunnen koning.

-ocr page 677-

CATECHISMUS-PREDIKATIE, ENZ.

Zulk eene majesteit en glans is er in Zions Koning, den Heere Jezus Christus, ook.

Eerst. Als gij aan den glans komt, zoo moet elk voor Hem neervallen en zeggen: Gij zijt groot, en wij begrijpen het niet, Job36:2G. O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is uw naam over de ganscheaarde! Gij, die uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen, Ps. 8:2. Dan heeft Hij eene macht die Hij vertoont in hemel en op aarde, zoodat de duivelen zelfs voor Hein sidderen. Jak. 2:19.

Ten tweede. Komt gij aan de onderdanen, dat is eene schaar, die niemand tellen kan, Openb. 7:9. Zij zijn in zulk een menigte, als het zand aan den oever der zee, en als de sterren des hemels. Gen. 22 :17.

Ten derde. Komt gij daaraan, dat Hij een vermeerderaar van zijn rijk is, dat is Hij bovenal. Ps. 72:8, Hij heerscht van zee tot zee, en van de rivieren tot aan de einden der aarde, ilij gaat uit overwinnende, opdat Hij overwon, Openb. (i: 2. Door mijnen dood, zegt Hij, heb Ik verworven, dat gij mi]n onderdaan zoudt zijn.

Ten laatste. Zijne onderdanen zetten ook alles voor Hem op. Hadden ze duizend harten en levens, zij gaven ze aan Hem; zij /.i]n Hem getrouw tot den dood; zij leenen gaarne hunne tong, hun hand, en al hunne krachten, aan hunnen Koning.

Dit alles vindt gij in de tweede bede, in zulke korte woorden; inzonderheid vindt gij er in, hoe de Koning een vermeerderaar van zijn Rijk is, en hoe elk overwonnene alle dagen zijne knieën buigt, en zegt: heersch toch over mij en al het mijne; ik ben blijde, dat ik inv onderdaan ben. De zaak zoover gezien hebbende, moeten wij bezien het Koninkrijk; dan hoe dat toekomt, en dan, wrat elk onderdaan smeekt, als hij zegt: Uw koninkrijk toekome. Gij weet dikwijls niet, wat gij bidt, als gij deze bede bidt. Wij zullen het u zeggen, als het God belieft, in dit stondetje.

VVy moeten dan eerst zien, het Koninkrijk.

Ten tweede. De toekomst.

Ten derde. De bede.

Wat het eerste aangaat: Wat voor rijken zijn er in de heilige Schrift bekend? Daar is een rijk Gods bekend, 1 Kron. 22:10. God zet de koningen af en Hij bevestigt de koningen. Dan. 2:21. Gij hebt wel gehoord, dat er een Antichristisch rijk is, dat zich verheft tegen al wat God genaamd wordt, 2 Thess. 2:4. Het laat zich als een God aanbidden, Openb. 17. Gij hebt het wel gehoord, en gij weet het dat er een rijk van den duivel is, Col. 1:13. Het rijk der duisternis, daar is de regeering zoo streng, zij mogen bidden noch lezen; onder die regeering moeten ze onnatuurlijke dingen doen; zij hebben er nooit kwaad genoeg gedaan, gij moogt er geen goed doen; of doet gij goed, dan moet gij er een kwaad einde in voor hebben, en dan deugt al het goed niet. Apollo is er koning. Gij moet met uw geweten lachen, gij moet niet treuren maar lachen. Zijt gij onder dat rijk? Zoo gij niet bekeerd wordt, zoo zult gij met uwen koning ongelukkig zipi. Ps. 10:16, daar leest gij van Gods Koninkrijk.

(!71

-ocr page 678-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Gij zult zeggen: wat voor rjiken en regeering heeft God al?

Eerst. God heeft er een over alle scnepselen, zonder betrekking op deugd of zonden, zonder betrekking op loon of straf.

Dan heeft God, ten tweede, eene regeering met kastijding: dat is liet rijk van gerechtigheid.

Dan, ten derde, heeft God er een van genade, waar Hij alleen regeert met ontferming.

Dan, ten vierde, heeft God er een, waar Hij regeert, waar al de vrienden binnen, en al de vijanden buiten zijn. Dat is het rijk der heerlijkheid.

Eerst. Onze God heeft eene regeering, zonder betrekking op deugd of ondeugd. Daardoor beheert Hij al de schepselen, die Hij met zijne hand gemaakt heeft; zon, maan, sterren, visscben, vogelen, er is niemand die zich die heerschappij onttrekken kan. Daar zegt God tegen dat schepsel: gij zult dat doen, en tegen een ander: gij zult dit doen. God gebiedt den visch, Jonas in te zwelgen en hem weder uit te s m, en zij doen zijn bevel. De winden en wateren gehoor-

ïen tweede. Heeft God eene rechtvaardige regeering, waar Hij zijn haters vergeldt, en zijne kinderen kastijdt, als ze zich misdragen hebben; daar straft Hij zijne vijanden als een Rechter, en Hij kastijdt zijne kinderen als een Vader, als ze tegen Hem gezondigd hebben; in plaats van eens rechters slag, is het eens vaders roede, liebr. 12:6, Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij. en Hij geeselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt. Gelijk een vader een kind kastijdt zoo doet God ook; Ik kan de zonden, zegt God, niet in u dragen, altoos dan niet, als het door eenigen toeleg is; uwe dagelijksche struikelingen, zwakheden en overvallen zal Ik voorbijgaan; maar als er eenige toeleg is, dan zal Ik het u doen gevoelen. God heeft eene regeering van recht over zijne vijanden. Nebukadnezar mocht zeggen, als Daniël den droom had uitgelegd: Nu weet ik, dat ulieder God een God der goden is. Als de droomen uitgelegd waren, zoo prees de koning den God van Daniël, en als de jongelingen in den oven niet verbrand waren, zoo prees hij den God van Sadrach, Mesach en Abednego, Dan. 2: 47 en 3 :28. Daarna, als God zijne gerechtigheid aan zijn persoon getoond had. Dan. 4:34, 35, zoo prees hij den eeuwig Levende; niemand, zegt hij, kan zijne hand afslaan, of tot Hem zeggen: Wat doet Gij? Ach! dan moeten de goddeloozen wel invallen en zeggen: God is rechtvaardig. Worden ze niet bekeerd in dat rijk, dan is de hel en het verderf voor hen. Al zul-ken moeten voor God sidderen; ja, de duivelen zelfs regeert God. Dat blijkt in Job. AI wat Job heeft, zij in uwe hand, zeide God tegen den duivel. Job 1:12. En in Paulus: maakt, door uwe vuistslagen, dat hij niet hoovaardig wordt; maar laat hij niet te neerslachtig worden, 2 Cor. 12:7. Slaat hem met vuisten, maar laat het niet te hoog gaan.

Ten derde. Dan heeft God een rijk der ge.nade. Ps. 2: 6, Ik toch

072

-ocr page 679-

OVER DEN XLVIII. ZONDAG. Vraag 123.

heb mijnen Koning gezalfd over Zion. Dat is die Melchizedek, die Koning des vredes, Hebr. 7: 2, Luk. 1:33. Hij heeft liet rijk van zijnen vader David gekregen, dat zal eindigen.

Ten vierde. In het rijk der heerlijkheid, waar de engelen en de zielen, die in het geloof\' ontslapen zijn in leven en zweven voor den troon, Hem aanbiddende en heerlijkheid geven. Ps. 11:4, De Heere is in het paleis van zijne heiligheid. De Heere is in den hemel.

Gij zult in uwe gedachten denken, in de tweede bede. wat voor een koninkrijk wordt daarin beoogd. Het koninkrijk van Gods macht en van zijne justitie is er niet uitgesloten; maar \'t wordt er minder beoogt. De regeering over de schepselen maakt dat rijk voorspoedig; zoodat ze dat woord van Jozef moeten gebruiken: gij hebt het wel ten kwade gedacht, maar God heeft het ten goede gedacht. Gen. 50:20. Ik heb ze naar het land der Ghaldeën ten goede beschikt, Jer. 24:5. Wij weten, dat die God liefhebben, alle dingen moeten medewerken ten goede, Rom. 8:28. Ja, de regeering van de justitie mag er niet uitgesloten worden, dewijl uit het rijk des duivels het rijk der genade wordt opgericht; en dat rijk dient om het rijk der genade te beschermen, en er voor ten goede te werken.

Gij zult zeggen: wat voor een rijk is het waar de Heere Jezus hierop ziet, als Hij zegt, dat gij bidden zoudt: uw rijk toekome?

Meest wordt er gezien op het rijk der genade, \'dat God na den val heeft opgericht, en ten einde zal loopen in \'t rijk der heerlijkheid, in die heerschappij over al die uitverkorenen in eeuwigheid.

Wat is nu het rijk der genade? Niet anders dan die heerschappij, die de Heere Jezus in \'t hart van elke uitverkorene houdt, door het Woord en den Geest. Dat rijk is er geweest in \'t Oude zoowel als in \'t Nieuwe Testament. In \'t Oude Verbond had de Koning zijn rijk van genade; daar schoot Hij zijne pijlen die troffen in \'t hart. Die vaten der barmhartigheid kwamen uit de natuur tot den genadestaat over, Ps. 45:6. In de oude bediening wrocht God ook door Woord en Geest. Zij hadden de sacramenten, het ware geloof in hun hart, en dan door \'t werk des Geestes verbrak Hij in hen de werken des duivels, en zoo richtte Hij het geestelijk koninkrijk in hen op.

Het was niet minder in den nieuwen tijd. Als Hij \'t daar begon op te richten zoo vervulde Hij de beloften aan hunne vaderen gedaan, Hand. 13:32. Die bediening kwam met meerdere blijheid voor den dag. Johannes riep: Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, Mattb. 3:2. Dat is: het staat alles om vervuld te worden, waar de koningen, profeten en rechtvaardigen zoo naar verlangd hebben. Daar is Hij nu, die Messias; wilt gij er deel aan hebben, zoo moet gij voor Hem onder zijne regeering leven.

Dat rijk had tweeërlei aanzien: een uitwendig en een inwendig aanzien.

Het uitwendig aanzien wordt met een ander woord genoemd: een vischnet, Matth. 13:47, waar goede en kwade visschen in zijn. Dat zichtbare rijk wordt met een ander woord genoemd: een dorschvloer,

43

-ocr page 680-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Luk. 3:17, waar kaf en koren op is; een akker, waar tarwe en onkruid op is, Matfch. 13:24.

Het inwendig aanzien wordt met een ander woord het onzichtbare, genoemd, en zoo wordt het vergeleken bij een besloten hof, een besloten wel, eene verzegelde fontein, Hoogl. 4: 12. Den verborgen mensch, 1 Petr. 3:4. De besnijdenis des harten, Rom. 2:29.

Dat koninkrijk der genade, zoo in zijn inwendig en uitwendig aanzien beschouwd hebbende, moeten wij zien Wien het wordt toegeschreven. \'t Wordt God toegeschreven, \'t Wordt genaamd: uw koninkrijk. Koningen willen in dat rijk alteinet al te veel regeeren, zij zijn maar medeleden in dat rijk. Als ze dat vatten, dan zouden ze de kroon geheel en al zetten op het hoofd van Jozua, den Zoon van Jozadak, dat is de Heere Jezus. Dan zouden ze verstandig handelen en zich laten tuchtigen, Ps. 11:10. Dan zouden ze blijde zijn, dat ze zijne onderdanen waren. Dan zouden ze al de genade, die ze van Hem mochten gekregen hebben, ten dienste van den Koning besteden. Dau zou dat verhevene van hen gezegd worden, Jes. 49; 23, Koningen zullen uwe voedsterheeren en hunne vorstinnen uwe zoogvrouwen zijn. Een voedsterheer en eene zoogvrouw zijn geen meester, maar ze doen zoo veel goeds als ze kunnen. Het is ook uw koninkrijk, en niet dat van de leeraars en opzieners. Dat zou gelijken naar een klauw van het beest, Openb. 17:14; die de heerschappij over het erfdeel des Heeren gebruiken, 1 Petr. 5:3. Die zijn een klauw van het beest.

Het is ook het koninkrijk, dat God aan zijn Zoon geschonken heeft, waar Hij in werkt door Woord, Geest en genade, en zoo hen de vijandschap uit het hart rukt, zoodat ze al bevende tot Hem komen,quot; Hoz. 11:10, en de wapenen voor Hem nederleggende, zeggen: de Heere is onze Koning, de Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, Jes. 33:22. Het is Jezus\' koninkrijk, totdat Hij het zijnen Vader zal wedergeven. Is dat nu zulk een verachtelijk volk? Het is zoo verachtelijk, dat God het een koninkrijk noemt. Het is een koninkrijk dat alle andere koninkrijken van de wereld overtreft; het is de allerwijste en machtigste Koning, dien de onderdanen hebben die in Zions stad leven. God neemt hun het sfeenen hart weg, en Hij geeft hun een vleezen hart, Ezech. 36:26. Dan krijgen ze oogen en een mond, en een hart vol liefde voor God. Dan hebben ze alles ten beste voor God. Dan worden zij onderscheiden van de wereld; daardoor zijn ze voortreffelijker dan hunne naasten. Spreuk. 12:26. \'t Zijn de beste en grootste verbondelingen. Die Koning met de onderdanen maken een vast verbond; zij komen in een verbond met den drieëenigen God; in dit verbond, dat in alles zoo wel geordineerd is, 2 Sam. 23:5, dat alzoo min gebroken zal worden, dan dat van den dag en den nacht.

Wat zegt nu de Koning tot hen? Al het mijne is het uwe, zegt Hij; en als Ik in de wereld niet meer voor u heb, om u te verkwikken, dan zal Ik Mijzelven aan u geven, om u eeuwig te verkwikken.

C74

-ocr page 681-

OVER DEN XLVIII. ZONDAG. Vraag 128.

Wat doen zij in dat verbond? Ik bon des Heeren, zeggen ze, dat schrijven ze, dat zweren ze, Jes. 44:5. Daar is mijn hart, zeggen ze; m alle dezen, zeggen zij, maak ik een vast verbond; ik zal er mijn leven geen berouw over hebben van de opdracht mijner ziel aan ü. Dan is er een wederzijdsche verzegeling: God verzegelt hen, dat Hij voor hen zorgen zal; en zij verzegelen God, dat zij voor Hem leven zullen. Wat heb Ik u, dienaars van het verbond, gegeven! zegt God. Hoe menige voortreffelijke hoogepriesters! Hoe menige profeten ! Hoe menige apostelen! Hoe menig begaafd schepsel in deze en in gene gemeenten, mannen met talenten, gaven en bekwaamheden! Hoe menige voorname leeraars staan er het werk te doen! Dan zal Ik u nog vorsten en grooten beschikken, die « groot voordeel zullen toebrengen. Gij zult de borsten der koningen zuigen, Jes. 60:16. De schilden der aarde zullen wezen tot uwe bescherming, Ps. 47:10.

Daar is in dat rijk straf en loon; een ijzeren schepter om de onge-hoorzamen te vermorzelen en aan stukken te slaan, Ps. 2:9; en dan is er genade om de treurigen te troosten. Wilt gij pardon hebben, zegt de Koning, Ik heb het voor u verdiend, niet genoegen van mijn Vader.

Geliefden! dit nu zoo bezien hebbende, dat zichtbare en onzichtbare koninkrijk, zoo zult gij ons met uwe gedachten toeroepen, en zeggen:

Ten tweede. Hoe komt dat nu toe, en wanneer is dit al toe gekomen? Geliefden! dit is al eene waardige vraag om er onze memorie mede te vervullen. Het is langs verscheidene trappen toegekomen in \'t uitwendig aanzien; en \'t komt langs verscheidene trappen toe in \'t inwendig aanzien. Hoe is \'t uitwendig toegekomen?

Eerst. Als God de beloften is gaan vervullen, wanneer Hij aan de Joodsche bediening de belofte Ja en Amen maakte. Toenquot; werd er gepredikt: heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld. Luk. 4:21. Als God zeide: al de schaduwen zijn weg, de Middelaar is gekomen, bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, Matth. 3 :2.

Ten tweede. Het is toen toegekomen, als God onder de Joden ging werken, zoodat er vele duizenden overkwamen. Zij verlieten het Jodendom, en kwamen tot het Christendom over. Het bleef voor hunne oogen niet verborgen, wat tot hunnen vrede diende. Drieduizend werden er op één dag bekeerd. Hand. 2:41. Daarna was het: ziet hoe vele duizenden van Joden er gelooven! Hand. 21:20. Zij wiessen in het geloof. God deed dagelijks toe tot degenen, die zalig werden. Hand. 2:47. \'t Was zelfs in de koninklijke hoven bekend, dat zij Christenen waren. De koning Agrippa zeide tegen Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden, Hand. 26:28. Zij leden als een Christen, 1 Petr. 4 :16.

Ten derde, \'t Kwam toe als de Heere Jezus zeide: de dag der wrake is gekomen, als Hij zijne vijanden is gaan verdelgen, en dat Hij zoo zijne eer en heerlijkheid heeft doen zien. Toen is dat vervuld: waar zijn deze mijne vijanden, die niet gewild hebben, dat Ik Koning

(575

-ocr page 682-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

over hen zoude zijn? Brengt ze hier en slaat ze voor mijne voeten dood, Luk. 19: 27.

Ten vierde. Toen is het toegekomen, als God de Joden buiten staat gesteld heeft, om aan zijne zaak eenig kwaad te doen; en dat Hij nun een deksel op hun hart gaf, en ging werken onder de Heidenen, en toen Paulus zeide: Dat ik van Jeruzalem af, en rondom tot Hly-ricum toe het Evangelie verkondigd heb, Rom. 15:19. Dan was er een Macedonisch man, die riep: kom over en help ons. Hand. 16:9. Dan was het woord des Heeren ruchtbaar geworden in Macedonië en Achaje, Kom. 15:26. Die zuurdeesem moest het gansche deeg doorzuren. Dat mosterdzaadje werd tot een grooten boom, duizenden van Heidenen kwamen er van hun afgodischen dienst af.

Ten vijfde. Dan is het toegekomen, als God zeide, dat Hij den satan haast onder hunne voeten verpletteren zou. Kom. 16:20. Dat is te zeggen, dat Hij het Heidendom buiten staat zou stellen om dat rijk kwaad te doen. Omtrent driehonderd jaren lang deden ze alle kwaad, maar toen kwam God, en zeide: Ik zal den duivel haast onder mijne voeten vertreden. Openb. 12:10, is dat vervuld geworden, daar zij uitriepen: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods, en de macht van zijnen Christus. De regenten kwamen over tot het Christendom. De sloten der afgodische tempels werden verbroken, en de tempels voor de Christenen geopend, de Christelijke Keligie werd de Religie van Staat. Toen werd het eerste beest als vertreden, toen is het rijk Gods toegekomen.

Ten zesde. Als ze onder de genegenheid en de gunste Gods bloei hadden. Zij hadden wel te worstelen met ketters, maar God liet ze het altemaal te boven komen. Maar toen zij dat lastige pak van weelde niet wel dragen konden, zoo zijn ze onder de tirannie gekomen wel duizend jaren lang. Het rijk van den antichrist wilde het alles vermoorden, omdat ze de waarheid wilden vasthouden. Toen is den Heere al dat schreeuwen moede geworden, hoe lang wreekt Gij ons bloed niet? Openb. 6:10.

\'t Is toegekomen, ten zevende, Openb. 14:8. Als er geroepen werd door een engel, die door de lucht vloog, met het eeuwig Evangelie; zij is gevallen, zij is gevallen, het groote Babyion. Toen moesten ze zeggen: de reformatie wint het, daar kon \'tniemand beletten, al zoo min, als dat ze het dien engel konden beletten door de lucht te vliegen. Daar hebben wij nog de gezegende vruchten van. Wie belet het ons, dat wij hier vergaderd zijn, en tot u spreken? Voorheen werd het belet, nu niet. Wie belet\'het ons, dat wij den bijbel in onze huizen hebben, en bij het brood onzes bescheiden deels stichtelijke boeken? Dat rijk zal nog toekomen als God dat woeden van het beest beletten zal. Het woedt nog schrikkelijk, maar God zal het eens verhinderen. God de Heere zal door zijne macht het beest van zijnen troon schoppen, en het zoo beschikken, dat elk zal zeggen: zijt gij die heilige vader? gij zijt de mensch der zonde, de zoon des verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, 2 Thess. 2 : 4, God zal dat doen komen. Openb. 18:2, de tweede

67«

-ocr page 683-

OVER DEN XLVIII. ZONDAG. Vraag 123.

val van dat beest, als God de Joden zal toebrengen. Dan zal liet rijk Gods toekomen; dan zullen ze komen toevloeien, en dan zal de volheid der Heidenen ingaan, en geheel Israël zalig worden, Hom. 11 :25. Dan zal het toekomen als de Koning zal zeggen; laat Ik u in mijnen hemel brengen en u vermaken. Dat is de wensch van alle onderdanen: Kom haastelijk, Heere Jezus, ja kom haastelijk. Amen. Openb. 22:20.

Wat hadden wij daar nu aan, als wij al die stonden zoo bezagen? Wij vinden, dat vele knechten daar hun werk van maken, om uit dien put zonder water te schreeuwen. Is dat genoeg? Neen, maar het komt toe in het inwendig aanzien. Maar daar zullen zij niet aankomen, omdat zij er zeiven niet in zijn, anders zouden zij er somtijds wel wat van zeggen; maar daarom blijven zij er af. Hoe komt liet rijk Gods toe naar den inwendigen stand?

Eerst. Brengt God dat uitverkoren schepseltje, waar een rechte en zuivere bediening is, of Hij brengt de rechte bediening, waar dat schepseltje is. Daar verdraagt Hij dat schepsel, tien, twintig, dertig jaren, min of meer; eindelijk, het besluit moet baren; het stondetje der minne komt; daar zijn ze in de kerk; laat Ik u eens behandelen, zegt God, en wat zegt God dan al? Wel, dient de zonden immers niet langer, springt, danst, speelt, kijft, pronkt en praalt zoo niet langer, dat is het werk Gods niet, maar het werk des duivels, het mag uw verdorven zinnen nog zoo zoet voorkomen, het zal u zoo zuur opbreken, bedwingt uw vleesch, zorgt zoo niet voor uwe begeerlijkheden, het zal uw ziel zoo mat maken ten dage van doodelijke krankheden, als dat woord komt: Kind, gedenk, dat gij het goede gehad hebt in uw leven, en nu lijdt gij smarten. Luk. Ui: 25, en als dat woord komt: gij dwaas! in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen, Luk. 12:20, en zooveel vreugde als gij gehad hebt, zooveel pijn zult gij hebben. Vergaapt u aan den dienst der wereld niet; zij is eene toovenares, zij mag een gouden beker hebben, maar zij is een verraderes en moordenares van uwe ziel, wreed adderenvergif is onder hare tong, Rom. 3:13. Zondaar! dient den duivel niet langer, al die rampzalige duizenden van zotte lusten, als gij in de gevangenis zult gekomen zijn, zullen die uitvoerders van uw wraak zipi, om u te pijnigen, te belachen en te bespotten zonder ontferming. Hebt gij eenige vrees voor de hel, eenige zorg voor het toekomende, eenige liefde tot uwe behoudenis, wilt gij heil-zamen raad plaats geven; smijt af uwe noodelooze pracht, scheidt uit met zondigen, zegt den duivel en der wereld uwen dienst op, doet het heden en draalt niet; geeft Mij uw hart, Spr. 23:26, geeft Mij uwe hand, komt eens in uwe binnenkamer, valt op uwe kniëen, en zegt: Heere! ik ben uw knecht en uwe dienstmaagd, Ps. 116:16. Dan komt God onder zulke bewegelijke woorden, onder die of dergelijken (wij kunnen den Geest in zijn werk niet bepalen) en Hij bewerkt hun verstand, zoodat ze beginnen nadenken te krijgen, zij beginnen den Heere en zijn werk te verkiezen: U wil ik dienen, zeggen ze. Hij bewerkt hunne droefheid die naar God is, 2 Cor. 7:10. Ach! hoe zeer doet het mij, zeggen ze, dat ik zoo gezondigd heb. O wee nu onzer, dat

G77

-ocr page 684-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

wy zoo gezondigd hebben, Klaagl. 5:16. 7A] zijn er beschaamd en verlegen over. Uan komen ze met tranen op de wangen op hunne knieën, en zij zeggen: Heere! zoudt Gij mij wel genade willen geven? Het wordt hun ernst; de woorden worden zaken. Dan geven ze hun hart aan God. Wat zult Gij er mede doen, Heere? Heiligen, zegt God, genezen, verkwikken, troosten. Ik zal mijn sierlijk beeld in u leggen. Zijt gij daarmede tevreden? Hebt gij de kosten overrekend, hebt gij niets uit te bedingen? Niets dan genade en krachten, Heere! zeggen ze, en ik hoop uw knecht en uwe dienstmaagd te zijn. Zult gij dan uw kracht in mijne zwakheid niet volbrengen? 2 Cor. 12:!). Dat zal Ik doen, zegt de Heere, laat het maar op Mij aankomen. Maar zoudt gij dan Avel alles voor Mij willen doen? Als het de wil Gods zoo wil, zoo zal ik trouw zijn tot den dood, zeggen ze. Daarop krijgen ze zulk een ruimte en blijdschap, dat ze meenen dat ze al geholpen zijn. Ik, de Heere Jezus, zal met u zijn, de Geest van God zal met u zijn. Ik, Vader, zal met u zijn. Daar wordt dan de duivel van den troon geworpen. Breek af, zeggen ze, in mij, al wat tegen uw wil is, en bouw op in mij, al wat tot uw genoegen is. Dat is het inwendig toekomen; dan wordt Lydia\'s hart geopend. Hand. 10:14, Col. 1 :13. Dat moet u overkomen, al waart gij een predikant, ja, al waart gij een koning. Dan zijt gij maar een onderdaan van den duivel, als gij met het uitwendig aanzien alleen tevreden zijt. De Heere zal tot u zeggen: Ik ken u niet, waar gij u voor kent, gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid! Luk. 13 : 27.

Nog eens. Ten tweede. Als een kind Gods lang gesukkeld heeft, en de pijlen van zijn vijand heeft uitgestaan; dan krijgt hij groei en aanwas in kennis, in geloof en in liefde tot God. Dan komt er altemet eenige blijdschap en verzekering. Dan kust de Heere hen met de kussen van zijn mond, Hoogl. 1:2. Hij zegt tot hunne ziel: Ik ben uw heil, Ps. 35:3. Daar komt aanwas, licht; zij worden oprecht, standvastig, daar komt vermeerdering van genade in hun hart.

Ten derde, \'t Komt toe inwendig; als God zegt: gaat naar boven, en geniet de gemeenschap Gods, voor zooverre het uwe ziel in het afgescheidene van uw lichaam dragen kan.

Pen vierde. Als uwe lichamen met uwe zielen weder zullen ver-eenigd zijn, dan zal de Heere Jezus het koninkrijk Gods zijnen Vader overgeven, 1 Cor. 15:24. Daar durven vele predikanten niet aankomen; en zij moeten het zoo wel hebben, als de minste lidmaat.

Wat bidden wij nu als wij bidden: uw koninkrijk toekome? Dat is ons derde stuk. Dan bidden wij dit: Ach, allerliefste Heere! geef ons overal de zuivere leer, vervul al uwe beloften aan uw volk, en uwe dreigementen aan uwe vijanden; die bedekt zyu, doe ze openbaar worden. Ontdek de vossen die den wijngaard bederven, Hoogl. 2:15; ontdek ze, die in schaapskleederen komen, en van binnen grijpende wolven zijn, Matth. 7:15. Heere! Iaat er eene groote deur geopend worden voor de rechte leer, laat in het plaatsje waar ik leef, altijd de zuivere bediening wezen!

G78

-ocr page 685-

OVER DEN XLVIII. ZONDAG. Vraag. 123.

Nog eens. Ik smeek, dat ik en mijne naasten mogen getrokken worden, zoodat wij voor U nedervallen. Laat ons van onder de bediening niet gaan, vóórdat wij kunnen zeggen, dat wij getrokken zijn uit de macht der duisternis, en overgebracht tot uw wonderbaarlijk licht, 1 Petr. 2:9. Ik bid U niet alleen, dat mijne huisgenooten en geslachten mogen getrokken worden, maar ik bid ü om de vermeerdering van mime genade.

Nog eens. Ik smeek U, vermeerder in mij uwe genade, de liefde en de hoop, het verlangen naar den hemel. Is het hier zoo goed, \'t zal daar nog beter zijn. Dat bidden ze alle dagen: Ach! mocht over de geheele wereld uw Woord recht gepredikt worden. Laat uw Woord, geest en leven zijn. Mocht ik en de mijnen in mijn leven in het hart gegrepen worden! Mocht de genade in mij vermeerderd worden! Laat het wateren der zwemming worden, Ezech. 47:5. Ach mocht ik naar boven gaan!

Wat dunkt u, geliefden! dat is de bede, dat is uwe belijdenis. Scheelt er uwe praktijk niet veel van? Loopt er uwe praktijk niet vlak tegen aan? Moeit gij u wel met de zaak Gods? Bloeit het rijk des duivels niet meer in en onder u, dan het rijk van Christus? Wij hebben u niet veel op te houden, de geheele zaak is naar binnen. Ach! heeft het koninkrijk Gods al geweld op u gedaan? Van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe, wordt het koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve in met geweld, Matth. 11:12. Het koninkrijk Gods moet eerst tot u komen. Wanneer heeft het u ooit geweld aangedaan, dan als er zulk een werk in u kwam, dat ik noch gij werken kunnen, en dat niemand in u werken kan? Zouden velen hier niet wel moeten zeggen: ik wil niet dat Deze Koning over mij zij? Luk. 19:27. Zoudt gij voor den Heere Jezus wel een lustje willen verlaten? Zoudt gij er uw dobbelen, spelen, hoovaardij wel om willen verlaten? Ja, krijgt gij er zelfs geen weerzin in, omdat er op u zoo aangedrongen wordt? Al /.iet gij dat er u pardon wordt aangeboden, gij zegt: houdt op, ik heb er geen lust in. Wordt gij zelfs niet onder de bediening verhard? Die van buiten komen, zouden ze niet moeten zeggen: Is dat dezelfde stad ? Als het Woord geen goed doet, zoo doet het kwaad; als het u niet vermurwt, zoo wordt gij er onder verhard. Dan hebt gij anders geen vrucht, dan een duivelsche vrucht; want in ons land is bijna geen zonde meer; \'t is alles geoorloofd. Gij stijft elkander in de zonden; gij zoudt het beter omkeeren, en zeggen: duivel! uw rijk toekome, en, Heere Jezus! uw rijk worde afgebroken; ja, mochten wij het rechtuit zeggen, wij zouden moeten zeggen, dat gij erger wordt. Als er iemand van uwe kinderen in uw huis bekeerd wordt, gij zegt wel: ik wilde wel, dat het nooit gebeurde. Gij wilt zelf niet ingaan, en anderen belet gij het ingaan, Matth. 23:13. Weet gij wel, dat gij dan een onderdaan van den duivel zijt? Daar zijn twee rijken in (le wereld, een duivelsrijk, waar niet dan alle schande in is, en een rijk van den Heere Jezus, waar alle eer in is. Gij zult zeggen: waaraan kan ik

079

-ocr page 686-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

weten, dat ik nog in \'t rijk des duivels ben, of dat ik in \'fc rijk van den Heere Jezus overgebracht ben? Als gij in \'t rijk des duivels zijt, dan zult gij die drie dingen kennen, die wij u daar gemeld hebben. Gij zult niet willen hebben dat Jezus Koning over u zal zijn; gij zult een weerzin krijgen in zijn dienst, gij wordt er nog godde-loozer onder; gij zult niet gaarne zien, dat er van uwe beste vrienden bekeerd worden; gij zijt het met den duivel en met de wereld eens. Gij ziet elkander met zooveel liefde aan. Ach! gij dient den duivel zoo trouw nacht en dag, hardnekkig, zonder schaamte! Gij doet zonden bij zonden, gij zijt niet te stuiten.

Gij zult zeggen: wie is er nu in \'t rijk van den Heere Jezus?

Eerst. Zulk een komt er langs den gewonen weg in, dien de Heere altijd gehouden heeft: langs den weg van ontdekking en overtuiging. God heeft altijd dien weg ingeslagen; \'t is de allergezegendste weg. Saul! Saul! wat vervolgt gij Mij ? Hand. 9:4. Hij spreekt harde taal tot vi, het valt u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Man, zegt de Geest, Ik zal u overtuigen van zonden. Wie het in \'t eerste niet krijgt zal daarom juist zonder niet sterven, die krijgen het dan op \'t laatst; maar meest houdt God die orde, dat Hij het in \'teerste werkt. Hoe zoudt gij anders weten den rijkdom van Gods genade? Heeft God niet meer gewrocht in de Kerk, als de predikanten de menschen zochten te ontdekken, als het geweten zijn werk deed? en als het daar niet bij bleef, maar zij zochten het vermeerderd te krijgen, zij zochten tot daden van geloof, liefde, voorzichtigheid te komen. Was het niet gezegend, als de predikanten het geweten zochten te roeren, en als zij, die geroerd hadden, zochten dat het bleef, en vermeerderd werd? Dat, als het vermeerderd werd, dat ze dan blijde waren, en bedroefd, als het verminderde? Als het verduisterd werd, zochten zij het opgehelderd te krijgen. Zij gingen door daden van honger en dorst naar den Heere Jezus. Die overtuiging eindigde in daden van oprechtheid, liefde, heiligmaking.

Ten tweede. Dan zijt gij een onderdaan in dat rijk, als gij in een eenzame plaats gezegd hebt: Ik zweer mijn ouden dienst af\', ik ben het wereldsche en zondige leven moede, ik zie met deernis, medelijden en ontferming aan, waar ik zonde mede gedaan heb, en ik ben blijde dat ik mij daarvan afscheiden kan.

Ten derde. Hebt gij in eene eenzame plaats den Heere Jezus uwen dienst aangezegd? liet smart my dat ik het niet eer gedaan heb, ik ben blijde, dat ik mij aan U heb overgegeven.

Ten vierde. Ik ben hartelijk bedroefd als de Kerk vervalt. Zij bedroeven zich over de verbreking Jozefs. Kent gij wat het is, daar kommer over te hebben?

Ten vijfde. Zijt gij zoo blijde als die wijnstok bloeit, de granaatappelboom uitbot? Hoogl. 7:12; als de Koning voorspoedig rijdt op het woord der waarheid ? Ps. 45:5.

Ten zesde. Houdt gij het met het volk van dat koninkrijk? Zegt gij: liefste Heere Jezus! nw volk is mijn volk? Wat zegt gij, kent

G80

-ocr page 687-

OVER DEN XLVIII. ZONDAG. Vraag. 123.

G81

gij dat: ik ben zoo verwonderd, dat God naar mij heeft omgezien, die Hem zoo vijandig was? Zoekt gij volk te werven voor den Koning? Zoekt gij uw kind, uw man, uwe vrouw, uw vriend, degenen die u zoo na in den bloede zijn? Zegt gij wel: Acb God! laten zij mij ook na in de genade zijn? Zijt gij zoo gesteld, de hemel zal u niet missen. De Heere zal u van de strijdende Kerk in de triumfeerende overnemen. Daar komen ze wel niet allen gelijk in, maar evenwel komen ze er allen in, totdat de volkomenheid des rijks zal gekomen zijn, totdat het laatste uitverkoren schepseltje in dat Zion zal binnen zijn. Als de laatste bekeerde, de laatste bewerking zal hebben, dan zal de Heere Jezus op de wolken komen, en alle oog zal Hem zien. Het oog der vromen zal Hem niet tot smart zien, maar de godde-loozen zullen Hem tot smart zien. Ach! dat de Heere kwam, en dat het koninkrijk merkelijk aanwies, en dat wij den Heere mochten danken voor zijne genade, hier in den tijd, en hiernamaals eeuwiglijk in de volzalige heerlijkheid! Amen.

-ocr page 688-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den XLIX. Zondag. Vraag 124.

ISTegen-en-veertigste Zondag.

124. Vraag. Wellce is de derde bede?

Antwookd. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde; dat is: Greef, dat wij en alle mensclien, onzen eigen wil verzaken, en uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroep zoo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de Engelen in den hemel doen.

WIJ lezen, Matth. 12:25, dat de Zaligmaker zeide: Eenieder koninkrijk dat tegen zichzelve verdeeld is, wordt verwoest. Verdeeldheid baart verbreking. In dat huis of in die stad waar verdeeldheid is, daar is verwarring en alle booze handel. Jak. 3: 1G. Hebt gij een huisvader en eene huismoeder, die met hunne kinderen in twist leven; gebeurt het, dat de man tegen de vrouw en de vrouw tegen den man opstaat, de schoondochter tegen hare schoonmoeder, kan dat huis wel bestaan? Ligt de verbreking niet gedurig voor de deur? Gaat eens in eene stad waar de regenten met de onderdanen niet eensgezind zijn, kan die stad bestaan? Gaat daar dan niet vuur uit van Abimelech, dat de burgers van Sichem verteert, of vuur uit van de burgers van Sichem, dat Abimelech verteert? Richt. 9:20. Worden ze niet wederzijds verteerd? Bestaat een koninkrijk wel, dat verdeeld is? Dan. 2:33, Dat beeld was ten deele van ijzer, en ten deele van modderig leem; \'t was een verdeeld koninkrijk dat nabij de verbreking was. Wanneer het koninkrijk van Saul verdeeld werd, zoo gingen die van het huis van Saul, en werden zwakker, en die van het huis van David gingen, en werden sterker, 2 Sam. 3:1.IJ lezen, Matth. 12:25, dat de Zaligmaker zeide: Eenieder koninkrijk dat tegen zichzelve verdeeld is, wordt verwoest. Verdeeldheid baart verbreking. In dat huis of in die stad waar verdeeldheid is, daar is verwarring en alle booze handel. Jak. 3: 1G. Hebt gij een huisvader en eene huismoeder, die met hunne kinderen in twist leven; gebeurt het, dat de man tegen de vrouw en de vrouw tegen den man opstaat, de schoondochter tegen hare schoonmoeder, kan dat huis wel bestaan? Ligt de verbreking niet gedurig voor de deur? Gaat eens in eene stad waar de regenten met de onderdanen niet eensgezind zijn, kan die stad bestaan? Gaat daar dan niet vuur uit van Abimelech, dat de burgers van Sichem verteert, of vuur uit van de burgers van Sichem, dat Abimelech verteert? Richt. 9:20. Worden ze niet wederzijds verteerd? Bestaat een koninkrijk wel, dat verdeeld is? Dan. 2:33, Dat beeld was ten deele van ijzer, en ten deele van modderig leem; \'t was een verdeeld koninkrijk dat nabij de verbreking was. Wanneer het koninkrijk van Saul verdeeld werd, zoo gingen die van het huis van Saul, en werden zwakker, en die van het huis van David gingen, en werden sterker, 2 Sam. 3:1.

Zoo is het in \'t geestelijke ook; komen er overtuigden in het rijk des duivels, komt de Koning van Zion in hen werken, schiet Hij zijne pijlen in hun hart, I\'s. 45:6, dan wordt dat koninkrijk des duivels \'verbroken. Met als ze beginnen te schreien, op de borst te slaan, te schreeuwen: zijt mij genadig, o God! dan wordt hem dat vaatje ontroofd. Zoo is het in \'t rijk der genade. Wanneer het verdeeld is, zoo bestaat het niet; de onderdanen moeten zoo willen als hun Koning wil, wetende dat altijd de wil des Konings heilig, wijs en goed is. Dat moet hunne eer zijn, den zin des Konings te doen.

-ocr page 689-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

Zij mogen niet hinken op twee gedachten, 1 Kon. 18:21, en met schoone woorden zeggen: Heere! Heere! doe ons open, Matth. 25:11. Zij kunnen geen twee heeren dienen, want of zij zouden den een liefhebben en den anderen verachten. Luk. 1(J: 13. Zij moeten den Koning alleen dienen. Hij moet opgepast worden. Vindt gij dan in uw hart verdorvenheden, zegt: Acli Heere! ik ben tot hinken gereed, Ps. 38:18, Als ik het goede wil, zoo ligt het kwade my bij. Hom. 7:21. Ik ben onmachtig om mijne verdorvenheden te boven te komen. Wat moeten ze dan doen? Voor hun Koning op de knieën vallen, belijdende hunne schuld, ziende dat er groote beloften zijn, die God aan zulken gedaan heeft. Komt iemand met belijdenis en tranen over zijne schuld, Grod heeft beloofd, dat Hij ze zal vergeven. Gij hebt zulk een beloofd, dat Gij uwe wet in zijn hart zult schrijven. Waar ik gebrek in heb, God zal naar zijnen rijkdom al mijn nooddruft vervullen. Zoo komt de Heere Jezus, van de tweede bede gesproken hebbende, zoo leert Hij hun deze bede bidden: geef dat ik weinig verdorvenheden mag hebben, en vele genaden. Gij ziet wel, waar wij heen willen in het overdenken van de derde bede. \'t Is een schoon Christen, die ze wel betracht.

Om het u wel te doen zien, zoo let hierop, dat God een wil heeft. Dan moet gij daarop letten, wat de vromen bidden. Ach! dat hij geschieden mocht. Dan moet gij letten op de nadere uitbreiding. Dat zijn onze drie stukken, waar dan nog bi] zullen komen eenige zware gevallen van het geweten en wonderlijke vragen van het gemoed, die allen even wijs, godvruchtig en geestelijk zijn. Dat stukje zal onze toepassing zijn.

Lerst. Hebben wij dan te bezien den wil, die er in God is.

Ten tweede. Hoe elk onderdaan zegt; Ach, dat die wil geschiede!

Ten derde. De uitbreiding; gelijk in den hemel, alzoo op de aarde. Dan,

Ten vierde. Een geestelijk stukje tot toepassing.

Wat het eerste aangaat: de wil in God is het believen, het behagen, de begeerte die God heeft, wordt vastgesteld. God is in den hemel en Hij doet al wat Hem behaagt, IJs. 115:3. Daar is een wil in een Geest; God is een geestelijk Wezen. Gij kunt God niet begrijpen, of gij moet begrijpen, dat Hij een wil heeft. Die een Geest maar als eene gedachte begrijpen, zijn dwaas.

Nu weten wij, dat God een wil heeft niet alleen uit zijn geestelijk Wezen, maar uit zijne koninklijke waardigheden. Daar kan niemand een koning zijn of hij moet zijn wil en welbehagen hebben. Daar staat van David; des konings woord had de overhand, 2 Sam. 24:4. Als wij nu den wil in God bezien dan zien wij, dat Hij alle dingen werkt naar den raad van zijn wil, Ef. 1 :11. Dien wil Gods te betrachten, dat is onze heiligmaking. Wij moeten het buiten twijfel stellen dat er willen in God zijn. Daar is wel maar één wil in God, maar God spreekt in de Schrift naar de klare bevatting der men-schen; en zoo vinden wij, dat wij spreken moeten van een geopen-baarden, en van een verborgen wil Gods.

083

-ocr page 690-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Die verborgen wil is \'fc bestek dat God Zichzelven geeft, waarnaar Hij werkt. Dat zijn de besluiten en raadslagen van zijn hart, die niet ontdekt worden dan door voorzeggingen, beloften, profetieën en eindelijk door dadelijke uitvoeringen. Zal Ik voor Abraham verbergen, zeide God eens, wat Ik doe? Gen. 18:17. De groote openbaring van Gods raad was de openbaring van Johannes. De Schrift noemt het, Zef. 2:2, het besluit; \'t is het besluit van Gods raad.

Dan hebt gij den geopenbaarden wil Gods, dat is de ontdekking van zijn raad en believen. Deut. 29; 29, De verborgen dingen zijn voor den Heere onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen. Gij moet in uwe gedachten niet denken: zijn er dan twee willen in God, die verscheiden en tegenstrijdig zijn tegen elkander? Dat is onmogelijk; daar is maar één wil in God. Hij doet het al in eene eenvoudige daad. Tegenstrijdig kan het niet zijn. Dat zou gruwelijk en onvolmaakt zijn in dat volmaakte Wezen, liet zijn onderscheidene willen. Naar het begrip van ons eindig verstand, zoo moeten wij zeggen: de wil van Gods gebod is niet altijd een teeken dat God het besloten heeft. Gen. 22:2, zeide God tot Abraham: offer Mij uwen zoon Izak, dien gij liefhebt. God had het niet besloten; llij gebood het hem om eene andere reden.

Ten tweede. De wil van Gods besluit gaat over alles, zelfs over de haren van ons hoofd: daar valt niet één musch op de aarde zonder den wil des hemelschen Vaders, Matth. 10:29. De wil van Gods gebod gaat niet over alles, de wil des besluits gaat over goede en kwade dingen. Het besluit ging over het verraad van Judas. De wil des gebods gaat maar over goede dingen. Het besluit gaat altijd zijn gang, of er de duivelen, of koningen, of menschen, tegen zijn. Jes. 46:10, Mijn raad zal bestaan. De wil van het gebod daar zijn wij wel tegen. Jonas wilde naar Ninevé niet gaan, en hij overtreedt den wil des gebods. Het besluit is de regel waar God zelf naar werkt, dat is zijn onveranderlijke wil. De wil des gebods is de regel Avaar God de menschen aan bindt, om daarnaar te spreken, te wandelen, te doen, te denken. Tegen den wil des besluits kan een mensch doen, en nochtans kan het naar den wil des gebods zijn; maar iemand kan tegen den wil des gebods zondigen, en naar den wil des besluits doen, en schelmstukken begaan. Dat kunt gij zien in Judas, Herodes, Pontius Pilatus. Zij deden hetgeen Gods hand en raad te voren bepaald hadden dat geschieden zou, Hand. 4:28, en zij begingen gruwelen.

In den wil van het gebod toont God, dat Hij gebiedt wat wij doen of laten moeten; wat wij gelooven moeten; wat, hoe, wanneer wij God gehoorzamen moeten; om welke zaken wij bidden moeten.

Nu komt er in bedenking van welken wil er in deze bede gesproken wordt. Daar zijn er sommigen, die meenen, de wil van het besluit kan \'t niet zijn; en dat om deze redenen:

Eerst. Omdat wij bidden dat die wil geschiede, waaromtrent de engelen werkzaam zijn.

684

-ocr page 691-

OVER DEN XLIX. ZONDAG. Vraaö 124,

Ten tweede. Waaromtrent de menschen bezig zijn.

Ten derde. Omdat de wil van liet besluit onveranderlijk is. Het besluit zal bestaan of de mensch daaromtrent bidt, of niet. Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al mijn welbehagen doen, Jes. 4G: 10. Zoo schijnt het dan alles vruchtelooste zijn? Wij antwoorden, dat zulke gedachten vreemd zijn. Als die wortels in ons beginnen te schieten, zoo vreezen wij, dat het uit een beginsel des duivels is. Wij zeggen, dat de wil van bet besluit wel terdege hier in aanmerking komt, om deze redenen:

De eerste reden is: Een onderdaan moet zooveel lust hebben in het believen van zijn koning, dat hij in zijn hart heeft, als in hetgeen hij toont in woorden en werken; gelijk ze David naschreeuwden: God zegene u in uw bestek! God geve u al uwe begeerte! De koning leve! Moet een onderdaan genoegen nemen in \'t believen van een koning op aarde? Moot een wormpje dat op aarde genieten? Hoe past het ons dan, dat respect te toonen voor den Koning van hemel en aarde! al is \'t verborgen moeten wij zeggen: Uw raad zal bestaan.

De tweede reden is deze: Omdat God in zijn Woord wel zware stukken besluit, waarvan ontdekking geschiedt. Neemt eens den val van den antichrist, de bekeering der Joden, de volheid van Joden en Heidenen; zullen wij dan niet bidden: Heere, laat uw Woord waar worden? Openb. 22:17, 21. En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! Ja kom, Heere Jezus! Kom haastig-lijk. Amen.

In de derde plaats hebben wij dezen grond: Omdat God de Heere in zijn Woord terneergesteld heeft, een weg van redding tot bet baren van zijne besluiten. Hij heeft wel het besluit vastgesteld, maar ook het einde en de middelen. God zegt: tnijn besluit zal Ik doen; maar gij zult er Mij om bidden en smeeken. Ik zal het doen, Ezech. 36:37, maar Ik wil er om aangebeden zijn. Ps. 32:6, Hierom was het; omdat op schuldbekentenis, schuldvergiffenis volgt, zullen U alle heiligen aanbidden. Daarom, zeide Salomo, heb ik in mijn hart gevonden dit gebed te bidden.

Ten vierde. Als het baart zoo hebben wij zulk een onvergenoegd hart; wij willen ons vleesch niet onder uwen wil buigen, die alleen goed is; neem toch van ons weg vleesch en bloed, dat zich U niet onderwerpen wil.

Dat zoo klaar voorgesteld zijnde, zoo vallen al de onderdanen, Zions kinderen en huisgenooten op hun knieën, en dat is als een gedurige rookpilaar, die opgaat. Zij zeggen:

Ten tweede. O Koning! uw wil geschiede. Dat zoo zijnde zoo kan het niet anders wezen, of de gedachten moeten van zelf vallen op deze twee zaken.

Eerst. Wat Zions onderdanen smeeken, mot betrekking op den wil van het besluit.

Ten tweede. Wat zij smeeken, met betrekking op den wil van het gebod.

685

-ocr page 692-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Hoe is een Zions onderdaan bezig, omtrent de besluiten Gods in zijne smeekingen?

Eerst. Ik erken, dat Gij de souvereiniteit hebt over al uwe onderdanen; de vrijmachtigheid is uwe; Gij hebt over elk schepseltje, als het er nog niet was, beschikt. Ps. 115:3, God is in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Gij hebt geen andere reden te geven van uw doen, dan te zeggen: zoo is mijn behagen, mijn wil, mijn believen. Mag ik met het mijne niet doen wat ik wil? Matth. 20:15. 1 Cor. 12:11, Dit alles werkt een en dezelfde Geest, deelende een iegelijk mede gelijk Hij wil. Gij doet naar uwen souvereinen wil met het schepsel. Toen de koning uit den droom kwam, zeide hij: Heere! Gij doet met al het heir des hemels, wat U belieft. Dan. 4:35. Hij had een beesten hart gehad; de oefening van verstand had hij niet kunnen bezigen. Heere! zegt hij, nu ben ik weer tot mijn verstand. Wilt gij een schoon voorbeeld hebben, dan moet gij lezen Jerem. 18 van \'t l8te vers af. Wat zegt de Heere tegen den profeet? Ga eens in de pottebakkerij. De man gaat. Als hij in de pottebakkerij was, geschiedde daar het Woord Gods tot hem. Ziet gij wel wat die man doet? hij heeft daar een stuk leem op de schijven; hij heeft er een stuk werks gemaakt; het deugt niet; hij duwt het weer ineen, en maakt er een ander van. Menschenkind, of man, zegt God, op het 6d0 vers, zal Ik ulieden niet kunnen doen als deze pottebakker? Kan die man dat doen, en mag Ik met het mijne niet doen wat Ik wil? Die pottebakker is nog de maker van dat leem niet, daar God onze Schepper is. Kom. 9:21, daar neemt Paulus die gelijkenis: Of heeft, zegt hij, de pottebakker geen macht over het leem, om uit den zelfden klomp te maken het eene, een vat ter eere, en het andere, ter oneere? Zal die dat kunnen doen, en zal God het niet kunnen doen? Dat is het eerste. Mijn Heere! Gij werkt vrijmachtig, zeggen Zions onderdanen; wij hebben er niets tegen te zeggen, welk bestek en schikking Gij ook maken moogt.

Ten tweede. Zeggen ze: Allerliefste Heere! ik weet uw bestek en schikking omtrent mij niet; ik keur het evenwel goed, al weet ik het niet. Hebt gij er uw leven wel op gelet? Waar hebt gij al gezworven? Waar hebt gij gewoond? Hebt gij wel gedacht op het besluit Gods? Zoo zeide Eli: Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in zijne oogen, 1 Sam. 3:18. Zoo zeide David, 2 Sam. 15:26, Maar indien Hij alzoo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik. Hij doe mij, zooals het in zijne oogen goed is. Job zeide: Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is, Job 23:14. Ik keur het goed, het kan niet beter of niet wijzer zijn. Ja, Hiskia zeide: Het Woord des Heeren, dat gij gesproken hebt, is goed, Jes. 39:8. Het was evenwel zulk een bittere post. Maar zal Ik den drinkbeker niet drinken, dien Mij de Heere te drinken gegeven heeft? Joh. 18:11.

In de derde plaats. Dewijl zij weten, dat God middelen gebruikt tot uitvoering van zijne besluiten, zoo bidden zij, dat God ze belieft in \'t werk te stellen. Al ware het, dat Gij er mij zelfs toe gebruiken

G86

-ocr page 693-

OVER DEN XLIX, ZONDAG. Vraag 124. C87

zoudt; Heere! laat uw Woord waar worden! Zegt Gij: wien zal Ik zenden? Jes. G: 8. Zend mij, Heere! Mij geschiede naar uw Woord, zei de Maria, Luk. 1:38.

Ten vierde. Begint mijn vleesch zich daartegen te verheffen, als uw besluit openbaar wordt; begint het geen genoegen daarin te hebben; heb ik een wederstrevend hart; is het veel neergebogen; is het te haastig om uwe hulp? Wil het dan zulk of zulk eene figuur hebben? maak mij als aarde onder den ploeger.

Wat bidden wij nu omtrent den wil van Gods gebod? Wederom drie of vier zaken.

Eerst. Erkennen ze in \'t eenzame en in \'t openbaar voor God en menschen, dat niemand beter recht heeft om over hen te gebieden dan God. Ik erken ü als den eeuwigen Wetgever. Wie zou U niet vreezen, want het komt U toe, Jer. 10: 7. Vreest God, en houdt zijne geboden, want dit betaamt allen menschen, Pred. 12:13. Uw gebied strekt zich over de geheele aarde, over de wateren, visschen, vogelen, wilde beesten, over zon, maan en sterren, en ook over alle menschen uit. Hij is de eenige Wetgever, die behouden en verderven kan, Jak. 4:12. Ik erken U als mijn Wetgever; ik sta onder U als een knecht onder zijn heer, en als eene dienstmaagd onder hare vrouw.

Ten tweede. Allerliefste Heere! ik heb den bijbel gelezen en doorlezen; ik heb er eens bij stilgestaan bij de geboden die er in zijn, om IJ lief te hebben, te gelooven, te gehoorzamen; ik heb ze eens onderzocht, maar ik heb er van moeten zeggen; dat ze altemaal heilig, wijs, goed, en ten goede zijn. Kom. 7:22, Ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch. Daar kan niets beter geboden worden, en die er naar doet, kan niets beter doen. Men moet er van zeggen: in uw Woord is er niets te verwenschen of te berispen, alles is volmaakt. Ps. 39:8, De wet des Heeren is volmaakt.

Ten derde. Het is te zeggen, ik heb er zulk een lust toe gekregen, om God te vreezen, en zijn gebod te houden, want dit betaamt toch allen menschen, Pred. 12:13; ik heb er zulk een trek toe. Ach! of mijne wegen gericht waren, om uwe inzettingen te bewaren, Ps. 119:5. Ach! dat mijn leven gansch en geheel gericht was naar uwe wet, door uwe genade, dat ik niet afviel hier of daar. Ps. 5:13, Gij zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedertierenheid kronen, als met een rondas. Dan werd ik bevrijd voor schande en schade; wij zijn knechten, die lust hebben om uwen naam te vreezen, Neb. 1:11. Allerliefste Heere! mijn lust is meer dan mijne kracht, had ik zooveel kracht; om voor God te leven als ik lust heb! Daar ontbreekt het mij aan. Ik smeek U, Heere! dat Gij mij kracht belieft te geven, schrijf\' toch uwe wet in mijn hart, laat ik toch nooit eenige zaak in goddeloosheid doen. Kom. 7; 22, Ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch. Ach! uw goede Geest geleide mij in een effen land, Ps. 143:10.

Nu ons derde stuk, dat is de nadere uitbreiding: uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde. Dit dient ook wel begrepen te worden.

-ocr page 694-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Daar yijn verscheidene hemelen, en verscheidene schepselen in de hemelen, te weten: daar is het uitspansel, waar de zon, maan, sterren in zijn, en de hemel van de lucht, en dan is er de derde hemel.

In den hemel van de lucht daar zijn de vogelen, die doen den wil van God. De Heere zegt tot den raaf: ga, spijs Elia, en hij doet het, 1 Kon. 17 :4.

Dan is er die hemel waar de zon, maan en sterren in zijn; die doen ook zijn wil. Zegt God: zon, sta stil te Gibeon, en gij maan in het dal van Ajalon, Joz. 10:12, het geschiedt. Zegt Hij; zon, ga achteruit, ga op en onder, zij doet het.

Dan is er de derde hemel, daar zijn de engelen Gods, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, die hebben dit ook moeten bidden, zoodat wij hier in \'t bizonder daardoor moeten verstaan de engelen, dewijl die voorbeelden zijn geweest van de volmaakte rechtvaardigen. De engelen, die God dienen; Hij maakt zijne engelen geesten, en zijne dienaars vlammen vuurs, Hebr. 1 :7. Het zijn krachtige helden, die gehoorzamen de stem zijns Woords, Ps. 103:20. Daar moeten wij u twee dingen over toonen, die Schriftuurlijk zijn. Hoe zijn ze werkzaam omtrent den wil van Gods besluiten, en hoe, omtrent den wil des gebods?

Weet gij wel hoe ze werkzaam zijn omtrent den wil van het besluit?

Eerst. Als vaardige verkondigers.

Ten tweede. Als snelle uitvoerders, als God ze gebruiken wil, om zijnen raad uit te voeren.

Ten derde. Als stille berusters in de uitvoering van Gods raad.

Eerst. Zijn ze vaardige en willige verkondigers van Gods raad. Als God iets ontdekken wil, waar Hij de engelen toe wil gebruiken, zijn zij gereed om te gaan. Zegt God tot een engel: ga naar Manoachs vrouw, en zeg, dat ze zwanger worden zal. Richt. 13:3, hij doet het; ga naar Daniël, zeg hem, dat zeventig weken bestemd zijn tot op Messias den Vorst, Dan. 9:25; ga, spreek dien jongeling aan, Zach. 7 :2—4; ga, boodschap die maagd dat ze zwanger worden zal, Luk. 1:28—31, hij gaat meteen. Zegt God: ga,» ontdek dat en dat, zij doen het. Zij zijn niet alleen vaardige verkondigers, maar

Ten tweede. Ook snelle uitvoerders. Gelijk God menschen gebruikt om iets uit te voeren, zoo gebruikt Hij ook engelen. God zeide tegen den engel, Jes. 37 :36, daar ligt het leger van de Assyriërs, ga, sla daar in éénen nacht zoovele menschen dood. Wordt daar een Herodes toegeschreeuwd: de stem Gods en niet eens menschen. Hand. 12:23, daar wordt een engel gezonden, die hem met wormen slaat.

Ten derde. Zij zijn stille berusters, zij zwijgen, zij hebben er nooit iets tegen. Als God zijne vijanden ten goede richt voor zijne kinderen, zijn zi] er over verblijd. Ik hoorde eene stem der engelen als van vele wateren, zeide Johannes, die uitriep: Gij zijt rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt, Openb. 16:5. Heeft God de vijanden gericht, en is er wat goeds voor de kerk, dan is er eene stem der engelen, als van vele wateren,

G88

-ocr page 695-

OVER DEN XLIX, ZONDAG. Vraag 124. G89

die uitroepen: Halleluja! Openb. 19:1, 3, 4, G. God heeft Zich gewroken aan zijne vijanden. Zulke gasten hebben het niet wel begrepen, die zeggen, dat de engelen omtrent den wil van Gods besluit niet werkzaam zijn; zij zijn op drieërlei wijze werkzaam daaromtrent.

Hoe zijn zij nu werkzaam omtrent het gebod Gods?

Dat is weer klaar; het is zoo klaar als het andere.

Eerst. Met hen allen doen ze het gebod Gods. Elke engel doet het gebod Gods. Onder die duizendmaal duizenden is sedert den val van de engelen, nooit een meer gevallen.

Ten tweede. Zij doen het in alles. Is er in den hemel of op de aarde wat te doen, zij gehoorzamen, zij gaan het doen. Moeten ze met de jongelingen in den oven, en met Daniël bij de leeuwen, zij doen het. Dan. 3: 25 en G: 23.

Ten derde. Zijn ze met den allergrootsten eerbied werkzaam. Hebr. 12:28, zeide Panlus: met eerbied en godvruchtigheid. Jes. 6:2, daar staan ze, met twee vleugelen bedekken zij hunne aangezichten, met twee hunne voeten, met twee vliegen ze. Zij zijn niet alleen met den allergrootsten eerbied aangedaan, maar ze zijn zoo gewillig en standvastig; ja, ze gehoorzamen God met hen allen zoo, zonder ooit zonde tegen Ilem te doen. Ze zijn in den hoogsten trap volmaakt. Al wat in den hemel is, heeft nooit zonde gehad, of alle zonden afgelegd. De geesten der volmaakte rechtvaardigen hebben alle zonden afgelegd. De engelen hebben nooit zonden gehad en zi) zullen er nooit hebben. Nu moeten wij zien, hoe wij ons te gedragen hebben omtrent den wil des besluits.

Eerst. Liefste Heere! wilt Gij iets ontdekken van uwen raad, ik bid, dat ik een vaardige verkondiger daarvan mag wezen; en zoo Gij,

Ten tweede. Mij tot de uitvoering belieft te gebruiken, zoo bid ik, dat ik een prompte uitvoerder mag zijn.

Ten derde. Als Gij ze uitvoert, dat ik dan een stil beruster mag wezen. Immers is mijne ziel stil tot God, van Hem is mijn heil, Ps. G2:2. .1 »

Nu omtrent het gebod, wat bidden wij daaromtrent?

Eerst. Dat wij dien geboden niet alleen mogen gehoorzamen, maar dat wij het mogen doen met ons allen. Ik wude wel, dat er niemand in de stad, noch in mijn huis, noch onder mijne vrienden of\' bekenden was, die U niet vreesde; ik wilde wel dat allen die in mijn huis, in mijn geslacht, in de gemeente, en op de gansche aarde zjin, U aanbaden. Ach, dat Ismaël mocht leven voor uw aangezicht! Gen. 17:18. Ach, dat Absalom mede God vreezen mocht! Heere, Ach, dat al de zondaars bekeerd werden! Ik wenschte wel van God, zeide Paulus, tegen den koning Agrippa, dat gij en allen die mij hoort waart als ik, uitgenomen deze banden. Hand. 2G: 29. Hot bedroefde van het Koninkrijk, wensch ik u niet toe, wilde hij zeggen, maar het wezenlijke wel.

Ten tweede. Bidden wij, dat wij niets mogen hebben tegen eenig gebod Gods in het groot, noch in het klein, tegen het gemakkelijke,

41

-ocr page 696-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

zure, noch zoete; maar geef, dat Avij gehoorzamen mogen al de geboden. Ik heb al uwe geboden, in alles, voor recht gehouden, maar alle valsche pad heb ik gehaat, Ps. 119:128.

Ten derde. Ach! geef dat ik mede zooveel hoogachting voor II mag hebben, dat ik mij voor U buig met allen eerbied en godsvrucht. Ik vestig mijn verstand om met alle gewilligheid ü te gehoorzamen, al was net, dat ik er om op een schavot moest komen. Laat ik U toch gehoorzaam zijn tot den dood!

Hier komen nu zware gevallen. De engelen doen den wil Gods volmaakt. Kunnen wij het ook zoo doen? Mogen wij dat dan wel bidden? Dat zal onze toepassing zijn. Let er op, het zal u te pas kunnen komen in den ganschen loop van uw leven.

Dewijl de engelen den wil van Gods gebod volmaakt doen, mogen wij wel bidden om dien mede zoo te doen? Dat is het eerste geval; of ik bidden mag om volmaaktheid te hebben op aarde. Gij weet dat onze religie naar het Woord zegt, dat de allerbesten in dit leven onvolkomen en met zonden bevlekt zijn. Wij moeten allen zeggen: wie is de man, die kan zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijne zonde? Spr. 20:9. Wij zullen met verdorvenheden en inwonende zonden bezet zijn, zoolang wij leven. Het vleesch begeert tegen den geest, Gal. 5:17. En die zullen tegen elkander strijden, totdat wij dood zijn. Wij weten dat onze religie naar het Woord zegt, dat het Gocls beschikking is, dat er niet één eenig mensch volmaakt zal zijn, maar dat elk onvolmaakt zal zijn.

Daarenboven vinden wij, dat wij om volmaakt te zijn, niet mogen bidden in het geloof, ook niet in den naam van Christus, en ook niet naar den wil van God.

Wel! zult gij zeggen: als gij zulke stellingen hebt, daar loopt deze bede direct tegen aan.

Geliefden! in de eerste plaats, moet gij niet al te haastig zijn; onze stelling is waarachtig: gij kunt het niet bidden naar den staat van een kind Gods in de genade. Evenwel de Heere Jezus leert het ons bidden, en dat wel met die uitbreiding.

Ten tweede. Het kan niet kwalijk zijn.

Ten derde. Het moet goed zijn. Spant u wat in.

Eerst. De bidder mag in zijn gebed toonen, dat hij de volmaaktheid bemint. Ach Heere! zeggen ze, ik heb ze lief. AVel, hoe schoon moet het wezen eens volmaakt te zijn!

Ten tweede. Ik mag volmaakte geesten tot voorbeelden stellen in mijn gebed. Den volmaakten vader, den volmaakten Jezus, den volmaakten Geest, de volmaakte engelen, die mag ik tot voorbeelden stellen. Daar doe ik niet kwalijk aan.

Ten derde. Ik mag naar de volmaaktheid jagen. Ik jaag daarnaar, zeide Paulus, Fil. 3:12.

Ten vierde. Mag ik tot God vrijmoedig zeggen: Heere, breng mij er zoo dicht bij, als het naar uw \'bestek in den genadestaat mogelijk is. Laat ik zoo weinig verdorvenheden hebben, als het mogelijk is.

690

-ocr page 697-

OVER DEN XLIX. ZONDAG. Vraag 124.

Ten vijfde. Liefste Heere! ik zie wel, dat ik niet volmaakt kan zijn in dit leven. Ach! ontbind mij, neem mij bij U. Filip. 1; 23, Ik heb eene begeerte om ontbonden te zijn. Dat is het eerste geval, ik mag de volmaaktheid beschouwen, zij is mij beminnelijk; ik mag voorbeelden voor mij stellen, ik mag smeeken om zoo nabij te komen, als \'t mogelijk is, ik mag jagen en zuchten om in den hemel te komen.

Nu het tweede geval van geweten, eene vraag van \'t gemoed; dit is een zwaar stuk. Dewijl elk kind Gods onvolmaakt leven zal, moet men dan omtrent de zonden niet verloochend zijn? Moet men dan niet zeggen als men zondigt: de wil des Heeren \'geschiede? Ik antwoord :

Eerst. De beschikking Gods bestelt, dat geen van zijne kinderen hier volmaakt zullen zijn, maar onvolmaakt; dat moet elk kind Gods als wijs, en heilig, en goed rekenen; dat moeten ze prijzen, loven, beminnen.

Een tweede antwoord is, dat een kind van God ook prijzen moet de heilige reden, die God heeft, waarom Hij zijne kinderen onvolmaakt doet zijn. Waarom doet Hij het? Opdat Hij hen altemet eens zou doen verlangen naar den hemel, opdat ze den hemel zouden schatten boven de aarde, opdat Hij hemel en aarde onderscheiden zou, opdat het hun zooveel te grooter zou zijn, als ze binnen znllen komen, opdat er ook tusschen liet werk- en het genadeverbond onderscheid zou wezen.

Ten derde. Die onvolmaaktheid moet altijd een last zijn. Omtrent de zonde mogen wij niet verloochend zijn, die moet altijd het voorwerp van onzen haat en droefheid wezen. Die vuile ruigte van atheïsten hebben dat niet onderscheiden; die zeggen, hoe zwaar iemand ook zondigen mag, het heeft geen nood, gij doet naar het besluit Gods. Het bekruipt ook altemet een vrome, dat hij zegt: men moet verloochend daarin zijn. Dat is duivelsch, als men zegt: ik ben stil en tevreden, als ik de zonde doe; dat is van den duivel.

Daar komt een derde geval, (het wordt nog al zwaarder). De vraag is voor een man of vrouw, ouders of kinderen, nabestaanden, bloedverwantschap, of ik in den wil van God berusten moet? Of mijn man, vrouw, kind, vriend, voor eeuwig verloren gaan, of ik daarin berusten moet?

Het antwoord is, eerst: zoolang als uw man, vrouw, kind of vriend, leven, kunt gij geen vaste gedachten maken dat zij verloren zullen aan. Daar zijn geen kenteekenen van de verwerping, als het eene is e zonde tegen den Heiligen Geest, en dan een onbekeerlijk, goddeloos leven, tot den laatsten snik van zijn leven toe.

Gij moogt zeggen: gij gaat op den breeden weg, zoo gij zoo blijft, wat zal die eeuwige uitslag nog eens zijn? Vandaag of morgen zoudt gij naar de hel kunnen gaan, zoo gij niet in uw hart gegrepen wordt, is het met u gedaan, dan zijt gij verloren.

Ten tweede. Gij moogt wel denken, als gij zoo blijft, zoo gaat gij naar de hel. Dat is niet alleen geoorloofd, maar gij moet werken, om

091

-ocr page 698-

CATECHISMUS-PEEDIKATIE

ze uit het vuur te trekken, te overtuigen, \'t Mag u niet onverschillig zijn.

Ten derde. Als gij uw plicht gedaan hebt, en uw vriend sterft, en gij hebt geen blij kj es van zijne verandering, zoodat gij moet denken, hij of zij is in de hel gevallen, zoo het zoo gebeurt, moogt gij wel bedroefd zijn, en dat zooveel te meer, als zij u nader bestaan. Ach! mijn zoon Absalom, zeide David, mijn hart breekt er over, zoo van de takken van den boom in de hel te vallen! mijn zoon Absalom, mijn zoon! mijn zoon! 2 Sam. 18:33. De Heere Jezus, Luk. 19:41, weende, als Hij Jeruzalem genaakte. Ach! dat gij wist, zegt Hij, wat tot uwen vrede dient. Gij moogt er bedroefd over wezen.

Ten vierde. Dewijl de gedachten van eeuwig verloren te gaan niet anders dan tot verschrikking zijn, en groote droefheid verwekken, zoo is het reden, dat wij op het laatst moeten zwijgen. De gedachten van den eeuwigen uitgang laat God verminderen, zulk een zedigheid wil God wel hebben. Gij zoudt zoo niet leven kunnen. God neemt het geheugen daarvan weg door de bezigheid en den tijd, zoodat men op het laatste moet denken: hoe kan \'t zijn dat het zoo slyt?

Daar is nog al een geval, (het groeit nog al aan).

De vraag is, of ik moet berusten in den wil van God, als het Hem belieft, dat ik in de hel val, en of ik moet zeggen: de wil des Hee-ren geschiede ?

Ik antwoord. Eerst. Het is u belast uw best te doen om zalig te worden. Strijdt, werkt, zoekt in het koninkrijk Gods in te gaan. Bekeert u, zegt God.

Ten tweede. Dat is onmogelijk, dat ons dat onverschillig zou kunnen zijn. Verloren te gaan kan ons niet anders voorkomen, dan als voor eeuwig ongelukkig te zijn, behouden te worden, als voor eeuwig gelukkig te zijn, en heeft ooit iemand zijn eigen vleesch gehaat? Ef. 5:29. Gij kunt dat niet zeggen door de natuur der zaken, het is onmogelijk.

Ten derde. Iemand kan zoover in de liefde Gods komen, dat hij zegt: ik zou gaarne gelukkig zijn, maar kan liet niet zijn tot uw eer, dan wil ik niet, ik wil niet behouden zijn, dan tot uw eer. Maar dat is onmogelijk, dat iemand zulk een liefde tot God zou hebben en dan nog verloren gaan? En in alle geval, God beliefde het zoo, dat ik en gij moesten verloren gaan, zouden wij niet moeten zeggen: bij U, o Heere is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten? Dan 9:7. Ik en de geheele wereld zijn voor God verdoemelijk, Rom. 3:19. Gij zijt rein in Uw spreken, en rechtvaardig in Uw richten, Ps. 51:6. Dat kunt gij alles vatten.

Daar is nog een geval, en dat is dit: ik doe naar het besluit Gods, en dat is dan immers geen zonde? Daar verschoonen ze zich mede, dat zegt de atheïstische ruigte ook: ik heb gedaan gelijk het wezen moet, zeggen ze; dat is duivelsch. Dat is zoo in deze stad ingekropen geweest, maar wij hebben het gesmoord onder Gods zegen; wij wenschten, dat het in de naburige eilanden ook zoo gesmoord was. Dan moclit Judas wel van den strop gebleven zijn, hij behoefde dan

692

-ocr page 699-

OVER DEN XLIX. ZONDAG. Vraaö 124.

niet uitgeschreeuwd te hebben: ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed, Matth. 27:4. Dan had Petrus zoo niet behoeven te kermen, toen hij zijnen Heere verloochend had, Matth. 26: 75. God zal in \'t oordeel niet vragen: hebt gij geleefd naar mijn besluit, maar hebt gij naar mijn gebod geleefd? Üet besluit, zal God zeggen, was mijn regel, waarnaar Ik werkte; maar mijn gebod was uw regel, waarnaar gij werken moest.

Daar is nog een geval uit kracht van deze derde bede, en dat bestaat hierin, te weten: mag ik niet stilzitten in \'t geestelijke, de wil Gods zal toch evenwel geschieden? Dat zegt een atheïst en een luie Christen. Heeft God mij verkoren, zegt hij, om zalig te worden, dan zal ik het ook worden; maar heeft God mij verworpen, dan zal het tocli alles niet helpen wat ik doe.

Wij antwoorden: Gij redeneert zoo in het geestelijke, maar niet in het wereldlijke. Gij weet wel, dat het dwaas zou zijn, als een landman niet ploegde of zaaide; gij weet wel, dat hij dan niet maaien zal in den oogst. Als iemand ziek te bed ligt, hij zegt niet: ik wil geen middelen gebruiken, heeft God besloten dat ik op zal komen, dan zal ik wel opkomen, zonder middelen te gebruiken. Gaat gjj niet naar de middelen? Heeft God besloten, dat gij nog twintig jaren leven zult, waarom gaat gij eten en drinken, gij zult immers wel leven zonder spijs of drank. Zoo ook heeft God besloten, dat gij in den hemel zult komen. Hij heeft er ook bij besloten, dat gij u be-keeren zult, dat gü de middelen zult gebruiken; bij het einde stelt God ook de middelen vast. \'t Is al zoo zot alsof een landman onkruid zaaide, en hij wilde in den oogst goede tarwe maaien.

Wij moeten nog eene vraag doen. Wie kwijt zichzelven omtrent deze derde bede?

Eerst. Ach! die, wiens hart het zulk eene last is, zoo onverloochend te zijn. Ach Heere! het past mij niet, dat mijn praktijk zoo aanloopt tegen mijn bidden en tegen mijn religie, dat doet mij zoo zeer.

len tweede. Als er iets te oordeelen is over Gods besluiten en geboden, dat men dan niet veel te rade gaat met vleesch en bloed, met natuurlijke menschen, of met zijn eigen verdorven hart. Gal. 1: 1G, Ik ging niet terstond te rade met vleesch en bloed, zeide Paulus. Ga achter mij satan. Mark. 8:33. Dan is het: mijne ziel zwijgt Gode, Ps. 62:6.

Ten derde. Die zoo vindt, dat altemet den eenen dag zijne verdorvenheid wint, en den anderen dag de genade, dan is Amalek eens de sterkste, en dan Israël weer de sterkste, Exod. 17:11. Wat scheelde het veel met Petrus in den hof van Cajafas, en voor den raad? Hand. 5:29. In den hof van Cajafas was zijne verdorvenheid de sterkste, en voor den raad kon hij niet zwijgen. Oordeelt zelfs of wij God niet meer moeten gehoorzaam zijn, dan den menschen, zegt hij.

Ten vierde. Die zulk een innig genoegen heeft, als zijn wil in den wil van God verslonden is, in den wil van God den Vader, en in den

f!93

-ocr page 700-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

wil van den Heiland. Ik ben met ü vereenigd, ik ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, Gral. 2; 20. Ik leef niet meer.

Nog eens. Die zoo dikwijls aan den hemel denken, aan die patroons, hoe ze daar leven en zweven, en die met innerlijke en onuitsprekelijke zuchtingen tot God zeggen: Heere! naar de Schrift heb ik eene verwachting, dat ik er komen zal. Laat ik dan mijn leven van nu af aan daarnaar schikken.

Ten laatste. Die altemet zuchten: Ach! ik wilde wel, dat ik al bij den Heere was! wegens hunne onvolmaaktheid, en dat ze het hier gedurig in \'t minst zelfs zoo verbrodden. Ach, mocht ik bij U zijn.

Kinderen van God, als gij iets onder de hand neemt, weest niet al te nieuwsgierig, en ontrust uzelven niet te veel. God zal zijn besluit op zijn stondetje doen baren. Maakt uzelven geen smart voor den tyd. Éindelijk, als gij met God iets onderneemt, geeft het in zijne hand. Hebt gij een goeden vriend, vraagt hem raad. Vraagt God raad, die is nog de allerbeste Vriend. Gebruikt goede middelen. Als gij dat doet, moogt gij het ten kwade denken, maar God zal het ten goede doen uitvallen. Geliefden! weest toch altijd gedachtig, dat, moet gij in donkere wegen, gij niet al te moedeloos zijt: God zal op de donkerste wegen het groote licht geven.

Tot besluit geven wij u dien raad. Moet gij een bitteren kelk drinken, weigert het niet. Moet gij een kruisje ondergaan, weest stil; zoudt gij het goede van uwen Vader ontvangen en het kwade niet? Job 2:l0. Zult gij den beker niet drinken, dien Hij u te drinken geeft? Zwijgt Gode. Aaron zweeg stil. Lev. 10:3. Zegt gij: ja het is zoo hard; wel, het is evenwel de wil van viw hemelschen Vader, het belieft Hem zoo. Hij zal u niet opleggen boven uw vermogen, 1 Cor. 10:13. Hij zal het ergens mede verzoeten. Hij zal wat zoets in den bitteren kelk doen. Een uurtje in den hemel zal het alles verzoeten, en zal \'t u alles doen vergeten.

Ja! zegt gij, de goddeloozen zijn zoo voorspoedig. Bengd het hun niet: \'t is ook al der goddeloozen goed dat ze hebben, Ps. 73. Zoudt gij wel met hen ruilen willen? Ik weet, dat gij zult zeggen: Neen, ik zou niet met hen ruilen willen. Nu, God zal met de goeden zijn. Houdt u mannelijk en zijt sterk. Het goede werk, dat in u begonnen is, zal God voleinden, Filipp. 1:6. Gij hebt zoo dikwijls gewenscht: ach, mocht ik tot dien staat der volmaaktheid komen! Wel, de Heere gunne het mij en u, elk op zijn tyd, tot zijne eer, en om zijns Zoons wil. Amen.

694

-ocr page 701-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den Ij. Zondag. Vraag 125.

Vijftigste Zondag.

125. Vbaao. Wellcc is dc vierde bede ?

Antwoord. Geef ons heden ons dagelijksch brood, dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor bekennen, dat gij de eenige oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg, noch arbeid, noch uwe gaven, zonder uwen zegen, ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken, en op U alleen stellen.

WIJ lezen, Fil. 4:11, 12, dat de apostel Paulus zegt: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. Ik weet ook overvloed te hebben, en ik heb geleerd gebrek te lijden. Als gij zulk een mensch ontmoet, dat is er een onder de zeldzaamste en sierlijkste schepselen. Zulks is niet alleen zeldzaam en sierlijk, maar ook noodig. Hoe hoog de staat der engelen vóór den val was, zij waren echter niet vergenoegd, zij verlieten hun beginsel, gelijk er gezegd wordt in den Zendbrief van Judas vs. 6. Onze eerste voorouders, die volmaakt van God geschapen waren, en in den lusthof gesteld, niet tevreden zijnde met al die schoone vruchten, die er in den hof waren; maaide verboden vrucht begeerende, zoo zijn ze verdorven geworden, en wij zijn in hen uitermate zeer verdorven geworden. Elk mensch erft den verdorven aard en natuur, zoodat het hart van elk mensch is geworden als het graf, dat nooit verzadigd is. Elk is begeerig om rijk, aanzienlijk, en weelderig te worden. Nooit hebben ze genoeg. Zij zouden wel zeggen als de dochter des bloedzuigers: geeft, geeft. De geheele aarde kan hun aardsch hart niet vervullen. Mogen wij dan niet zeggen, dat het zeldzaam is, een uit velen, en dat het een sieraad is, als gi] er zulk een ontmoet, die vergenoegd is ? De godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging, 1 Tim. 6:6. De apostel was zeer versierd met zulke gaven. Zijn geloof en inwendige staat, hoe was het daarmee? Hij was als een pilaar, als de bergen Zions, altijd had hij goeden moed, hij had den geest der vreesachtigheid niet. Ten aanzien van zijn lichamelijken toestand, zoo was hij als een riet, dat zich buigt naardat de wind waait; hij kon zich overal naar voegen. Hij had geleerd gebrek te lijden. Beliefde het God hem een goeden, voor-spoedigen wind te laten ontmoeten, hij had geleerd vergenoegd teIJ lezen, Fil. 4:11, 12, dat de apostel Paulus zegt: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. Ik weet ook overvloed te hebben, en ik heb geleerd gebrek te lijden. Als gij zulk een mensch ontmoet, dat is er een onder de zeldzaamste en sierlijkste schepselen. Zulks is niet alleen zeldzaam en sierlijk, maar ook noodig. Hoe hoog de staat der engelen vóór den val was, zij waren echter niet vergenoegd, zij verlieten hun beginsel, gelijk er gezegd wordt in den Zendbrief van Judas vs. 6. Onze eerste voorouders, die volmaakt van God geschapen waren, en in den lusthof gesteld, niet tevreden zijnde met al die schoone vruchten, die er in den hof waren; maaide verboden vrucht begeerende, zoo zijn ze verdorven geworden, en wij zijn in hen uitermate zeer verdorven geworden. Elk mensch erft den verdorven aard en natuur, zoodat het hart van elk mensch is geworden als het graf, dat nooit verzadigd is. Elk is begeerig om rijk, aanzienlijk, en weelderig te worden. Nooit hebben ze genoeg. Zij zouden wel zeggen als de dochter des bloedzuigers: geeft, geeft. De geheele aarde kan hun aardsch hart niet vervullen. Mogen wij dan niet zeggen, dat het zeldzaam is, een uit velen, en dat het een sieraad is, als gi] er zulk een ontmoet, die vergenoegd is ? De godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging, 1 Tim. 6:6. De apostel was zeer versierd met zulke gaven. Zijn geloof en inwendige staat, hoe was het daarmee? Hij was als een pilaar, als de bergen Zions, altijd had hij goeden moed, hij had den geest der vreesachtigheid niet. Ten aanzien van zijn lichamelijken toestand, zoo was hij als een riet, dat zich buigt naardat de wind waait; hij kon zich overal naar voegen. Hij had geleerd gebrek te lijden. Beliefde het God hem een goeden, voor-spoedigen wind te laten ontmoeten, hij had geleerd vergenoegd te

-ocr page 702-

690 CATECHISMUS-PREDIKATIE

zijn. Als gij er zulk een ontmoet, is het een sierlijk schepsel. Maria was zulk eene vergenoegde. De Heere Jezus prees dat in haar. Doch Maria, zegt Hij, heeft het beste deel uitverkoren. Luk. 10:42. Het is niet goed als een Martha te zijn, die zich bekommerde over vele zaken. De Heere Jezus zeide tot haar: gij bekommert n met vele zaken, vs. 41, maar één ding is noodig. Let eens op het gebod Gods, Hebr. 13:5, Uw wandel zij zonder geldgierigheid, en zijt vergenoegd met het tegenwoordige. Let op de beloften. Ps. 14:6, De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vreezen, wat my een mensch zal doen. Ik zal u niet begeven, noch Ik zal u niet verlaten, Ps. 94 :14. Let op den eeuwigen raad van Grod, daar zal u niet minder of meer ontmoeten dan daarin vastgesteld is. Dat zal u overkomen wat er in dien raad is. Wat kunt gij tegen God doen? De apostel Paulus had het geleerd. Het is geen werk van de natuur. Had hij het in de school of academie geleerd? Neen, hij mocht gezeten hebben aan de voeten van Gamaliel, Hand. 22:3. Vergenoegd te zijn in hetgeen hij was, dat had hij in een andere school geleerd. Hoe hadt gij het dan geleerd, Paulus? Hij had het door het licht van bet Woord, en door opmerking geleerd; hij zag een Job die zegt: Naakt ben ik in de wereld gekomen, naakt zal ik er weer uitgaan, Job 1:21. Wat voor een slot maakte hij daarop? Dit: als ik voedsel en deksel heb, zoo zal ik tevreden zijn, want wij hebben niets in de wereld gebracht, wij zullen er ook niets uitdragen, 1 Tim. 6:7, 8. Waar had hij het nog geleerd? Aan de voeten van Jezus. Hoe? Daarin, als hij het gebod las, dat de Heere Jezus gegeven heeft. Joh. 6:27, Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven. Matth. 6:33, Zoekt eerst het Koninkrijk Gods. WTaar had hij het nog geleerd? In het voorbeeld van den Heere Jezus, dat Hij zoo tevreden was, al had Hy minder dan de vossen, en dan de vogelen des hemels, die hadden nog een hol en nest, maar de Zoon des menschen had niets, waar Hij zijn hoofd op nederleggen kon. Luk. 9:58. Waar bad hij het nog geleerd? In het onze Vader, het gebed des Heeren, dat de Heere Jezus al zijn kinderen geleerd heeft, als Hij over den lichamelijken toestand sprekende, het hun leert doen met weinige woorden, en dat dan nog zulken, die de soberheid en de matigheid uitdrukken, als Hij daar elk schepseltje voor Zich op de knieën doet vallen, en zeggen: geef mij eiken dag brood tot mijne behoefte. Zij bidden het niet voor een maand of jaar. Zoo moet een christen ook betuigen, zooals Paulus deed: ik heb het gekregen. Zij hebben die vergenoegdheid van zichzelven niet, het wordt hun geleerd in deze vierde bede, daar wij dit in te bezien hebben.

Eerst. Hoe het komt, dat de Heere Jezus den bidder hier eerst leert bidden om brood, en waarom niet eerst om de vergeving der zonden, en om de bewaring.

Ten tweede. Wat wij door dit brood verstaan, wat wij van God verzoeken.

Ten derde. Hoe noodig het is, dat de apostelen dat gebeden heb-

-ocr page 703-

OVER DEN L. ZONDAG. Vraag 125.

ben, en dat het elkeen bidden moet. 1. Waarom wij eerst om brood, daarna om rechtvaardigmaking, heiligmaking on standvastigheid bidden. 2. Wat wij door dit brood verstaan moeten. 3. Hoe noodig de apostelen dat te smeeken hadden, en ook wij, elk onzer.

Wat het eerste aangaat, zoo komt er in bedenking of de vijfde en zesde bede niet noodiger zijn, en of wij dan die niet liever eerst moesten bidden? Hoe komt het, dat dan de vierde bede vóór de vijfde en zesde gaat? Hoe komt het, dat de Heere Jezus niet zegt: zoekt eerst het koninkrijk Gods? Matth. (5;83, waar Hij zegt: werkt niet zoozeer om de spijze die vergaat? Joh. 6:27. Hoe quot;komt het, dat Hij hier eerst leert bidden om brood, en dan om rechtvaardigmaking, en dan om heiligmaking en bewaring, en standvastigheid?

Eerst. De Zaligmaker wil den bidder een indruk geven, dat Uod een koninkrijk der natuur heeft, zoowel als een koninkrijk der genade, en dat Gods voorzienigheid over dat koninkrijk gaat, voor het rijk der genade. Maar in \'t bizonder.

Ten tweede. Zoo wil de Heere Jezus hun de vergankelijke dingen, de slechte eerst doen zien. Waarom? Opdat ze dies te begeeriger zouden worden naar wat anders, opdat ze zouden zeggen: mijn God, het is al ijdelheid der ijdelheden! 1 red. 1 :2. Hebt Gij niet nog eenen anderen zegen voor mij? Hebt Gij maar dien éénen zegen? Gelijk Ezau tot zijnen vader Jakob zeide. Gen. 27:34—36.

Ten derde. De Heere Jezus doet het daarom, omdat Hij wel wist, hoe zijne kinderen te moede waren omtrent het lichamelijke, als het hun tegenloopt; Hij wil hunne zwakheden te hulp komen, Hij wist wat pijlen dat hunne vijanden menigmaal schieten. Hij had al gezorgd voor hunne ziel. Gij moogt omtrent uw lichaam, en uw beroep wel eens bezig zijn, als het noodig is, bovendien, gij moet weten, in de drie eerste beden was er al gezorgd voor het Koninkrijk en de gerechtigheid, de Heere had al voor de ziel gezorgd eer Hij voor het lichaam zorgde.

Dit begrepen hebbende, die steen des aanstoots weg zijnde, zoo zeggen wij, dat in de vierde bede eerst voor lichamelijk brood gezorgd wordt, en daarna in de vijfde en zesde bede zorgt de Heere voor de ziel van zijne kinderen. Zoo komen wij dan tot het

Tweede stuk, te weten: wat wij door dit brood verstaan moeten? Er is verscheiden brood bekend, als:

Eerst. Het brood van het Woord Gods, Amos 8:11, Ik zal ze een honger geven, niet naar brood, een dorst, niet naar water, maar om te hooren de woorden des levenden Gods.

Ten tweede. Niet alleen dat, maar daar is nog een geestelijk brood bekend, en dat is de Heere Jezus, als iemand bij zichzelven ledig is, en hij heeft honger om vervuld te worden met zijne gerechtigheid. 11 ij is het brood voor de hongerige zielen. Joh. 6:35. Ik ben het brood des levens, versterkt n daarmede. Is er iemand, die honger heeft om zalig te worden, daar is in mij brood te vinden, 1 Cor. 1 :24, Matth. 5:6. Zalig zijn de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

G97

-ocr page 704-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Dan is er, ten derde, het brood van het Sacrament. Dat uitwendig teeken is een zegel van de inwendige genade, Hand. 2:42. Ze waren volhardende in de breking des broods.

Dan, ten vierde, wordt er door brood verstaan het tijdelijke onderhoud, dat wij zoo in den loop van ons leven noodig hebben.

Nu zult gij in uwe gedachten zeggen: wat voor brood moet ik hier nemen, het brood van het Woord, het geestelijke brood, den Heere Jezus, het Sacramenteele brood? De Heere Jezus is het brood voor eene hongerige ziel, moet ik dat hebben? Neen, dat kunt gij klaar zien, dat het dat al niet is, Zulken, die dat zeggen, hebben dikwijls meer, dan ze uitwendig begeeren. Zij krijgen het dikwijls dubbel en viervoudig. Als zulken het dagelijksch onderhoud eens moesten missen, wat zouden ze er niet bekommerd over zijn? Dat er het lichamelijk brood door verstaan wordt, bewijzen wij:

Eerst. Al de vromen hebben er om gebeden. Wat deed een Jakob? Heere? zegt hij, ais Gij mij brood om te eten zult gegeven hebben, en kleederen om aan te trekken, dan zal ik weten, dat Gij mij tot een God zijt, Gen. 28:20.

In de tweede plaats. Het is de belofte Gods. Ik weet, zegt God, dat gij alle dingen behoeft, Hoz. 2:20, 21. Maar Ik wil er om gebeden hébben. De hemel zal de aarde verhooren, en de aarde zal het koren en de most verhooren, het koren en de most zal Jizreël verhooren.

Ten derde. De Heere Jezus heeft ook geleden voor de lichamen van Gods volk, gelijk Hij voor de ziel geleden heeft, 1 Cor. G: 20, Gij zijt duur gekocht, zoo verheerlijkt dan God in uw lichamen en in uwen geest, welke beide Godes zijn.

Ten vierde. Het is een volmaakt gebed. Als dat zoo is, dan moet er alles in wezen wat tot het geluk van den mensch behoort, en is in de vierde bede het lichamelijk brood niet, dan is het nergens in het geheele gebed te vinden.

Ten vijfde. Als wij er het lichamelijk brood door verstaan, zoo komen wij overeen niet de Schriftmatige verklaring van den Onderwijzer, waar al de predikanten hun handteekening onder zetten: zij mogen anders geen predikant worden. En als ze zich daaraan niet houden, zoo mogen ze het ook niet blijven. Het is tegen hun eed en handschrift. Wij zeggen: als gij er u niet aan wilt houden, houd dan de hand van \'t papier, blijf dan van den stoel en ook uit de bediening, als gij tegen uw handteekening wilt aandoen, als gij er u niet aan houdt.

Ten zesde. Om het geestelijk brood is er al gebeden in de tweede bede, om het Woord, om den Heere Jezus, om de genade des Geestes, om het brood van \'t Sacrament.

Nog eens. In \'t lichamelijk brood blinkt op eene bizondere wijze de voorzienigheid Gods uit. God vertoont er veel van zijne deugden in, opdat wij in al onze nooden ons vertrouwen op God stellen, en van alle schepselen zouden afzien, en God vreezen. Gelijk wij in het inwendige niet gered kunnen worden, zoo ook uitwendig niet, dan van God. Gods zegen kan men niet missen, alzoo min in \'t uitwendige

698

-ocr page 705-

OVER DEN L. ZONDAG. Vraao 125.

als in \'t inwendige. Dewijl hier door deze bede het uitwendige beduid wordt, zoo moeten wij zien wat het is, wat wü door dit brood verstaan moeten.

Koren, Ps. 104:14, 15, Doende het brood uit de aarde voortkomen, en den wijn, die het hart des menschen verheugt. Niet alleen koren, maar toebereid koren tot brood. De lleere Jezus nam de brooden en Hij brak ze. Luk. 22:19. Dat niet alleen, maar onder brood wordt verstaan, al wat wij meer tot ons welwezen naar het lichaam noodig hebben, zelfs tot onderhouding van onzen staat, al was het een koning. Spr. 30:8, Voed mij met het brood mijns bescheiden deels. Ja, ook om gastmalen te houden. Gen. 31:54. Daar noodigde Jakob zijn schoonvader Laban, om brood te eten, en hij had ook tot dien maaltijd rundvee geslacht. Onder brood dan wordt begrepen allerlei voedsel en deksel: al wat men hebben moet op den weg naar de eeuwigheid en naar den hemel.

Waarom wordt alles wat de mensch naar het lichaam noodig heelt onder den naam van brood vertoond?

Eerst. Brood is het alleraangenaamste voedsel, zoolang een mensch met zijn stok en staf wandelt naar de doodkist. Brood is ook algemeen. De koning zeil wordt van het veld gediend, Pred. 5:8. \'t Is noodig voor een iegelijk. Al hadt gij de beste spijs, en gij hadt geen brood, gij zoudt er van walgen, en bij vergaan. Brood had de sterke Simson, en de rijke Salomo zoowel van noode als de arme Lazarus.

Ten tweede. Maar in \'t bizonder leert ons de Heere Jezus om brood bidden, opdat wij klein zonden zijn en geen groote dingen zoeken. Brood is het deel van een gevangen man, van een bedelaar en van een hondje. De Heere Jezus leert ons niet alleen bidden om brood, maar om dagelijksch brood. Wat is dat te zeggen?

Berst. Allerliefste Heere! ik kan het niet lang missen. Ik heb het alle dagen noodig, gelijk Israël in de woestijn allen dag Manna kreeg, gelijk de raaf Elia brood bracht, 1 Kon. 17: Ü. Die soldaat lag flauw op den weg, 1 Sam. 30:11, doordat hij in eenige dagen geen brood gegeten had. Israël zeide: Heere! zult Gij ons van dorst in deze woestijn laten sterven? Exod. 17:3. God doet het, omdat Hij alle dagen wil aangebeden zijn. Gij zoudt anders niet eens bidden en danken, maar zoo daarhenen loopen. Ik wil uwe stem dagelijks hooren, zegt de Heere. Ik doe gelijk een vader en moeder: ze weten het wel wat het kind behoeft, maar zij willen hebben, dat ze het van hen eischen; volhardt in den gebede. Bom. 12:12; bidt zonder ophouden, 1 Thess. 5:17. Nacht en dag roepen de uitverkorenen. Moeten wij dat in \'t geestelijke doen, in \'t lichamelijke ook.

Ten tweede. De Heere doet het, opdat wij aan geen lang leven zouden denken. Predikanten, lidmaten, regenten, gij kunt uzelven boven geen éénen dag leven beloven. Zegt niet: ziel, gij hebt vele goederen opgedaan voor vele jaren. Luk. 12:19. En hebt toch geen gezicht van vele dagen, \'t is te weten of gij het morgen noodig liebt. Wat den een gebeurt kan den ander ook gebeuren. Sommigen

090

-ocr page 706-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

hebben een ziekbed, en sommigen niet; de een heeft een korter ziekbed en de ander een langer. Zorgt niet veel voor den dag van morgen.

Nog eens. Wij bidden om dagelijksch brood. God wil ons een indruk geven hoe gemakkelijk het Hem valt ons leven te benemen; Hij heeft maar te veel vorst, of regen, of droogte te geven, en zoo neemt Hij ons voedsel weg; of Hi] heeft maar oordeelen te geven dat wij zouden eten en niet verzadigd worden. Ik doe het, zegt de Heere, opdat gij weten zondt, dat gij dagelijks van Mij afhangt.

Niet alleen leert de Heere Jezus ons bidden om dagelijksch brood; want al hadden wij dat, en het was het onze niet, wat zou het helpen? Zoo zeggen wij er dan bij: Heere, laat het ons brood zijn. Wat geeft dat ons te kennen? Dit:

Eerst. Heere God, geef dat ik geen dief mag wezen, geef dat ik mijn goed niet onrechtvaardig bezit, geef dat ik m den loop van mijn leven mag kunnen zeggen; Het is het mijne, dat ik of door erfenis, of gift, of koop verkregen heb, of door arbeiden gewonnen heb; dat niemand er eenige vordering op kan maken; geef dat mijn gemoed mij niet klopt, als ik het gebruik, geef dat, als ik eens mijn kast en kist open, als ik eens eene vraag zou doen: wiens is het, dat gij bezit, het mijne of eens anders? dat goed dan niet antwoorden mag: Ik ben bij u gestolen.

In de tweede plaats. Ach Heere! ik zou niet gaarne arm zijn, noch op de milddadigheid van anderen leven! Kan net zijn, verhoed het, dat is toch doorgaans het brood der bedruktheid, dat men dikwijls met verwijting en harde woorden krijgt, ja, dat ze met stille tranen bedruipen moeten. Die mij dat zouden geven, zeggen dikwijls als een Nabal: Wie is David, dat ik hem mijn brood en water zou geven, 1 Sam. 25:10, 11. Ik smeek het af, laat ik op de milddadigheid van anderen niet leven!

Ten derde. Het drukt uit de groote liefde, die wij elk tot onzen naaste hebben moeten. Leven wi) in eene familie, wij zeggen: laat het onze familie welgaan, laat het werk van onze handen gezegend zijn. Job 1: 10. Laat uw zegen zijn over ons geheele geslacht, over de geheele stad, over al het volk, hetzij dat wij weg zijn, of nog bij elkander zijn; en zoo laten wij onze lielde voor God uit, die wi] tot onze naasten hebben. Heere! ik heb liefde voor de armen. Laat ik het vermogen hebben om hun eene handreiking te doen, laat ik met Job kunnen zeggen: Ik heb mijn bete alleen niet gegeten. Job 31:17. Als Gij mi] zegent, bewaar mij dan, dat ik er geen slecht, maar een

Joed gebruik van maak. Hunne lendenen hebben mij gezegend, zeide ob, als zij warm geworden zijn van de vellen mijner kudde. Job 31:20. Zij gaan eens alleen die armen, zij danken God, zij zeggen: zegen toch die familie, als ze zich zoo vrienden maken van den on-rechtvaardigen Mammon, Luk. 1G: 9. Zij bidden, dat zoo zij niet bekeerd zijn, zij nog bekeerd mochten worden. Heere! laten zij mede in den hemel komen, zeggen ze; en God verhoort dikwijls wel do smeekingen van de arme vromen.oed gebruik van maak. Hunne lendenen hebben mij gezegend, zeide ob, als zij warm geworden zijn van de vellen mijner kudde. Job 31:20. Zij gaan eens alleen die armen, zij danken God, zij zeggen: zegen toch die familie, als ze zich zoo vrienden maken van den on-rechtvaardigen Mammon, Luk. 1G: 9. Zij bidden, dat zoo zij niet bekeerd zijn, zij nog bekeerd mochten worden. Heere! laten zij mede in den hemel komen, zeggen ze; en God verhoort dikwijls wel do smeekingen van de arme vromen.

700

-ocr page 707-

OVER DEN L. ZONDAG. Vraag 125.

Ons brood, wat geeft dat nog te kennen? Dat wij zoo met elkander en met de geheele stad te zamen komen. Wat kracnt doet dat op het hart van een vader en moeder, die veel kinderen hebben, als daar al die kinderen te zamen komen smeeken, en des morgens en des avonds komen smeeken om hetgeen zij begeeren! Wat moet het eene kracht op het hart van den Heere doen, als wij zoo allen te zamen des morgens en des avonds, zoo dikwijls als wij dit gebed bidden, Hem omsingelen om het goede van God af te bidden, als het met indruk geschiedt!

Nu moeten wij zien wat on/.e bede is. Farao zeide: gaat naar Jozef, Gen. 41:55. De vrouw gaat naar den man, de kinderen naar de ouders, de armen gaan naar de rijken, en wij allen gaan naar God, armen en rijken. De natuur leert het den beesten, de reden den Heidenen, de Schriftuur den Christenen, de genade, Gods kinderen. De jonge raven roepen tot God als ze honger hebben, Fs. 147 :9. De jonge leeuwen als ze verhongerd zijn, Job 89:1. De kudden zijn bedwelmd, omdat er geen jong gras is, Joël 1:18. De koning van Ninevé zeide, laat mensen en beest sterk tot God roepen, Jona 3:8.

De reden leert het den Heidenen. Zij zien het, dat God Zich niet onbetuigd laat, maar dat Hij goed doet van den hemel, Hand. 14:17. En Hand. 17:25, Wij leven uit en in uw hand.

Niet alleen dit, maar de genade en de Schrift leeren het een christen en een kind Gods. Moet een Elia om regen bidden, hij doet het. Jak. 5:18, Salomo, 1 Kon. 8:35, 36, Hecre, zegt hij, als de hemel zal gesloten zijn dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij in deze plaats bidden, hoor ons dan, en geef het ons.

Ons dagelijksch brood wat is dat? Heere! Gij zijt er de Eigenaar van, al het vee op duizend bergen is uwe, Fs. 50:i0, 8:7—9, en 24:1. Gij hebt de vrijstelling daarover. Gij geeft uit uwe volheid al wat U belieft, en Gij laat het elk aanzien. De geringen verheft Gij uit het stof, en Gij doet de aanzienlijken in \'t stof nederdalen. Gij doet in uwe voorzienige regeering al wat D belieft. Gij doet het niet om onze waardigheid, of omdat wij ü eenigen dienst doen kunnen. Wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal Hem weder vergolden worden. Kom. 11:35. Wij moeten doen gelijk een bedelaar. Wat erkent hij de gaven van de rijken! God is het die u alles doet genieten. Heere! zeggen wij, geef dat ik vlijtig mag zijn. De hand des vlijtigen maakt God rijk, Spr. 10:4. Het geeft te kennen dat wij naarstig moeten zijn. Die niet werkt zal niet eten, 2 Thess. 3:10. En al werkt gij nog zooveel, als het zonder zegen is, zoo zal het niet baten. Al was het nog zulk een naarstig mensch, zoodat er het geheele land, en eene geheele stad van waagde, het kan niet helpen. Tevergeefs waken de wachters, zoo de Heere de stad niet bewaart, Fs. 127:1. Het geeft te kennen, dat wij geen vertrouwen op eenig schepsel kunnen stellen, ook op ons zeiven niet. Het zijn alle gebroken bakken en rietstaven, die ons door de hand zullen boren. Men denkt dikwijls: ik heb zulke vrienden, maar deze of gene sterft dikwijls, en daar is al uwe verwachting vergaan. Heziet gij de groote lieden, die zijn leugen, de kleine

701

-ocr page 708-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

iidelheid, te zamen in een weegschaal opgewogen, zijn zii minder dan niet en ijdelheid, Ps. 62:10.

Nog eens. Ach! liet geeft te kennen, dat wij ons vertrouwen alleen op God zonden stellen, niemand hooger schatten dan God, geen zaak beginnen, voortzetten noch eindigen, dan met God. Als wij alles gedaan hebben, dan zeggen: Beere! al mijne verwachting is van IJ, ik heb de middelen gebruikt, doet Gij nu wat U belieft. Kent Hem in al uwe wegen, en Hij zal uwe paden recht maken, Spr. 3:6.

Nog eens. Zeggen. Alle goede gaven en volmaakte giften, komen van boven van den Vader der lichten, Jak. 1:17. Geef, dat als ik wat ontvang, dat ik het dankelijk erkennen mag, niet misbruiken, maar uwe deugden vertellen. Dat is: geef het ons.

Hoe geeft God het nu, wat doet Hij dan? Let eens op.

Eerst. Als God de weken en gezette tijden van den oogst bewaart, volgens zijn verbond met Noach: Zaaiingen en maaiingen zullen voortaan iiiet opbonden. Gen. 8:22. Het mag over sommige landen ophouden, maar het zal in de wereld niet ophouden, dat zal zijn gang zoo blijven honden.

Dan geeft\' Hij het, ten tweede. Als Hij het gezaaide doet uitspruiten. Hij zegent rijkelijk het veldgewas, öod doet gelijk in den (j58t0u Psalm staat. Hij laat u daar eens wandelen door de velden, weiden en boomgaarden, het staat alles zoo schoon, zoodat men moet zeggen; daar wordt een schoone oogst verwacht, wij verwachten een aange-namen zegen. Daar heeft nu elk geen deel aan, maar als elk zijn beroep in de vreeze Gods gedaan neeft, zoo krijgt hi] er al deel aan. God geeft gezondheid om ons beroep waar te nemen; Hij geeft dat elk er zijn deel dan af krijgt, elk wint wat geld over, om er van te koopen hetgeen hij noodig heeft. Daar komt dan een burger en een zeeman bij den landman, en zij koopen hetgeen zij noodig hebben. De landman komt bij den burger, bij den werkman, en zoo krijgt hij door de kunst van den werkman een kleedje, of hetgeen hij in zijn huis noodig heeft. Dan als de werkman wat overgewonnen heeft, hi] koopt spijze om van te leven, en zoo leeft de een bij den ander, en zoo krijgen wij ons onderhoud. God geeft ons gezondheid en brood. Als wij geen gezondheid hebben, dan walgen wij van de allerbegeerlijkste spijze.

Behalve dat. God geeft het ons, als Hij ons een hart geeft om het te gebruiken. De rijke vrek doet zijne ziel gebrek hebben, hij krimpt van koude, hij vergaat van dorst en honger, het zijn arme rijken of rijke armen, zegt Salomo, Pred. 4 en 5. Dat is een groot kwaad, zeide de koning.

Wanneer geeft God het ons nog? Dan als wij in ons deel een verborgen zegen hebben. Men eet tot verzadigings worden toe, men kleedt zich tot verwarming; Hagg. 1:6, Gij eet, maar niet tot verzadiging, gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe, gij kleedt u, maar niet tot uwe verwarming, en die loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel. Daar is ergens een, die het verkwist, de vloek van God verteert het. God blaast in hetgeen Hij ons gegeven heeft.

Dan geeft God brood, als Hij rust geeft in den Staat, en in al de

702

-ocr page 709-

OVER DEN L. ZONDAG. Vraag 125.

familiën. Al hadt gij een gemesten os, en geen rust, wat zoudt gij er aan hebben? Dan is een schotel moes beter. Is iemand arm en heeft hij twist, dan is het bij den schotel moes ook zoo, Spr. 15:17. Als er twist is tusschen man en vrouw, gij hebt dan geen verkwikking. Of gij veel of weinig hebt, als God in de politie en familiën vrede geeft, dan is het zoet, en al hadt gij eene tafel vol spijze, en gij zit te twisten, dan hebt gij uw loon al weg, dun zijt gij te toornig op elkander. Dan hebt gij geen lust tot de spijze, en gij zoekt maar van elkander weg te zijn.

De Heere Jezus zegt: geef ons dat brood heden. Allerliefste Heere! terwijl ik met het tegenwoordige vergenoegd moest zijn, geef het, dat ik het in een geheiligd en gezegend recht mag hebben, uit kracht van de verdiensten van Christus. Als ik maar genade in mijn hart raag hebben, als ik maar het geloof en de bekeering mag hebben, uwen Geest, al was ik dan nog zoo arm, het weinige, dat een rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed der goddeloozen, Ps. 37: 1G. De zegen des Heeren maakt rijk, en Hij voegt er geen smart bij, Spr. 10:22. De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat, Matth. 4:4. Oi\' het vet of mager is, als het maar uit de hand van een Vader komt, dan kan het zoo genoten worden, dat de tranen van dankzegging en verwondering langs de wangen loopen.

Nu ons laatste of derde stuk. De apostelen, en elk een heeft dat noodig te bidden. De apostelen, wat beleefden zij benauwde tijden! 3. moesten henengaan, zonder male, of zonder buidel, Luk. 10:4. Zij leefden in de allerhevigste vervolging onder Joden en Heidenen, zi] werden uit de Synagoge geworpen, zij hadden allen tegenloop, zij mochten in geen gilden zyn, Heere! baden ze, zorg toch voor ons. Paulus en Silas werden in de gevangenis geworpen, waar zij nauwelijks een stukje brood kregen. De stokbewaarder wordt bekeerd, hij zette ze aan zijne tafel. Hand. 10:23—34. Wij moesten toen geleefd hebben, en in de vervolging geweest zijn. Als wij er toen eens van hadden mogen prediken, ik meen, dat gij dan wel zoudt hebben willen bidden om dagelijksch brood. Paulus zeide: wij lijden honger, wij lijden dorst, naaktheid, 1 Cor. 4: 11. Maar niets zal ons scheiden van de liefde Gods, Kom. 8 : 85—39. De ouders van Barsillaï vluchtten in de woestyn, zij smeekten God in den hemel om spijze; God neigde eenigen hunne harten naar die spelonk, die als van de jagers gejaagd waren, die hen daar onderhielden. Als wij allen in zulke omstandigheden waren, dan zouden wij deze vierde bede wel willen bidden. Onder de Heidenen mochten de eerste Christenen zelfs tot de publieke watervaten of drinkvaten niet komen, daar mochten zij geen water uitscheppen, of zij moesten eerst wat wierook offeren. God beware ons voor vervolging, maar ik meen, dat wij de vierde bede dan in onzen mond wel zouden hebben.

Ziedaar, dat is de bede. Nu nog een woordje van toepassing.

Geliefden, leven wij nu zoo, gelijk als wij bidden? Is ons leven naar

703

-ocr page 710-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

704

ons bidden gericht? Wi] kunnen dikwijls niet lijden, dat er iemand grooter is dan wij. Is er ergens een aanslag te doen om rijk te worden, al was liet met krenking van ons gemoed, wij slaan dien weg in, al was het, dat wij stelen moesten, en er dan nog om liegen gelijk Gehazi, al was het, dat het ons tot zandsteentjes in onzen mond zoude zijn. Leven de menschen gelijk zij bidden? (xeheele jaren werken zij voor het lichaam. Daar is geen reis te gevaarlijk._ Is het niet al voor het lichaam dat gij in de aarde vroet, totdat gij zelf in de aarde valt? Anderen gaan lui en ledig. Ledig gaan zij, zeideFarao van Israël, Exod. 5; 8. Daar zijn zoo van die ledigen, die een smaad op het Christendom brengen. Dan trekken ze nog de gedaante van godsvrucht aan, ze loopen naar de kerk. Onderzoekt u allen, of gij geen schuld hebt, of gij tusschen God en uw gemoed wel kunt zeggen: Ik heb al gedaan wat ik heb gekund. Als gij al gedaan hebt wat gij kunt, dan moogt gij wel in de kerk gaan. Dan legt gij geen smaad op het Christendom. Als de diakenen dan zeggen: wij willen u niet geven, bij gaat te kerk, die moeten ook wel toezien. Daar moeten zij vertroosting krijgen in de kerk. Komt uw bidden wel met uw praktijk overeen? Als God u brood geeft, en gij kunt er wat bij, dat gij het dan gaat verkwisten. Men ziet niet een burger, of zoodra hij gezegend wordt met tijdelijke goederen, dan gaat hij pret maken, wereldsch, dartel leven, dan spatten zij uit. Zegent God u daartoe, opdat gij het tot zijne oneer misbruiken zoudt? Ach! hoe menigeen bidt dit, die zegt, dat hij zulke liefde heeft tot de eerlijke armen, en als ze eens bij hen komen, om wat te hebben, die ze dan niets geven, dan goede woorden, of geeft hij een stukje, het is zoo klein, en zoo schraal, en met zulke bittere woorden, dat de tranen er op vallen. Vromen zijn hier al zoo schuldig in. Sommigen vreezen altijd dat ze nog te kort zullen komen, ik vrees, dat ik nog zoo lang zal leven, dat ik nog tot de armoede zal vervallen. Wel, vertrouwt God. Heeft God het niet wel gedaan, zoolang als gij geleefd hebt? Dan kunt gij God nooit eens danken. Gij gaat al stervende in uwe schoenen. Wie weet hoe weinig gij van nóode hebt! Anderen, die veel hebben, het is of er die niet om bidden moeten. Wij hopen dat de grooten zich hier niet in bezondigen zullen. Sommigen spotten met bidden. Die voor koningen durven spreken, durven niet één woord tot die opperste Majesteit spreken. Staat er een knecht achter hen, als er gebeden moet worden, dien zouden ze dan wel doen bidden. Of zit er een kind mede aan de tafel, dat doen ze wel bidden, daar ze anders de kinderen zouden doen zwijgen. En spreken ze altemet een gebed uit, het is zoo on-noozel; ze kunnen kwalijk een gebed aan elkander binden. Gij zult doorgaans drie vloeken vinden op de tafel der rijken. De eene is, dat als de spijs op tafel komt, zij er geen lust of honger toe hebben: ze zijn blijde\' als de tafel weer weg is genomen, als ze mogen gaan drinken en niet de kaart spelen. Daar liggen schrikkelijke vloeken op hunne tafel. De tweede is, dat gij niet naast hen moogt zitten, of hen te na komen, of zij zouden wel schreeuwen van pijn. De derde

-ocr page 711-

OVER DEN L. ZONDAG. Vraag 125.

is: kunnen ze de spijze gebruiken, is ze hun gezegend, dat ze hun wel bekomt, dan zijn ze als welgevoederde hengsten, dan raken eindelijk wel eens al de humeuren te zamen gaande, zoodat ze schielijk als in een oogenblik weg zijn. Derhalve is er een geval, eene vraag, te weten: moeten de rijken wel om dagelijksch brood bidden, zij hebben bet, en zullen het misschien wel blijven houden? Doch wij antwoorden daarop met de Schrift: Job was den eenen dag de machtigste van het geheele Oosten, en den anderen dag de armste. Die in het karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen den drek, die lekkernijen aten, versmachten op de straten, Klaagl. 4:5. Moeten ze dan niet bidden om den zegen Gods?

Daar komt nog een geval, te weten dit: Wat moet een vrome, eerlijke arme doen?

Eerst zeggen wij: \'t zal niet eeuwig duren.

Ten tweede. Is God niet getrouw, dat Hij u brood geeft? \'t Mag wat schaarsch zijn, maar gij zult echter van geen honger sterven. Lijdt er iemand honger of gebrek onder de vromen? Zegt het, komt voor den dag, daar zullen er wel zijn, die u geven zullen. Vrome armen! God geeft u licht, gezondheid en zegen in \'t kleine; als het in uw keus stond, gij zoudt niet willen ruilen voor den staat der grootste rijken; gij hebt dikwijls zulk eene tevredenheid in uwen staat, dat, al wilden ze u rijk maken, gij het niet zoudt willen wezen. Vromen! onderzoekt uzelven altijd, zijt naarstig, laat de wereld u niet kunnen lasteren: de genade is eene vriendin van naarstigheid. Dat is de fout van de vromen, zij willen niet naar de diakenen gaan; dan vallen zij den burgers lastig. Wij geven daarom in de algemeene beurs, het is \'t uwe, \'t is het onze niet meer; weest beleefd, nederig: de genade is eene vriendin van beleefdheid en nederigheid. De diakenen zijn de rentmeesters van de algemeene beurs. Gij kunt zeggen: het is het mijne; onderzoekt u voor God: leeft gij in tegenspoed, en hebt gij uw best gedaan, uwe behoefte kunt gij daar vervuld krijgen.

Gij zult in uw hart denken: het is zoo hard! Ik weet het wel, dat het voor het vleesch hard is. Als gij een eerlijke arme zijt, behoeft gij u niet te schamen. Werkt eerst zoo lang als gij kunt, en ga er dan naar toe. Als zij het u dan weigeren, daar moeten zij zich over schamen.

Nog een woord. Zoekt meer dan het lichamelijke brood, \'tls alles zoo vergankelijk, zoo verleidend. Menigeen was zoo goddeloos niet, had hij zoo veel niet. Het doet u zoo noode sterven, als gij van die poppen af moet. Wat doet het uwe borst zuchten, als u uwe poppen benomen worden! Hoe ongaarne staat gij dat toe! ja, als er zelfs maar iets afgenomen wordt. Naakt zult gij immers uit de wereld moeten gaan ? in een arm, klein grafje, geheel ontkleed. Dan zult gij met God alleen te doen moeten hebben, met God, die de Rechter over allen is. Als gij dan geen genade hebt, overdenkt het eens, hoe smartelijk het zal zijn, dat gij zooveel werk om de gunst van God niet gemaakt hebt, dan om eer en goed! Waart gij naar Gods huis gegaan, gij waart misschien onder den zegen van God een veranderd mensch

45

705

-ocr page 712-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

geworden. Gij kunt het werk der genade niet missen; gij zult in den hemel niet komen, als gij het geloof in den Heere Jezus mist. Gij kunt er wel inkomen, al zijt gij een arme bedelaar evenals Lazarus. Wij betuigen u, God zal u niet vragen, wat mensch gij in de wereld geweest zijt, van wat goed, staat of aanzien. Al het goed van de wereld is \'niet één speld waard: wat baat liet een mensch of hij de geheele wereld won, en hij leed schade aan zijne ziel? Matth. 16: 26. Ja, gelooft het, gij zult uzelven vervloeken, als gij zooveel goed gehad hebt, en als gij daar uw heil in gezocht hebt. Gij weet, hoe haast gij er af kunt gerukt worden. Dat heeft God verleden week getoond, toen Hij een predikant, die hier stond, op het alleronverwachtst heeft weggerukt van de gemeente, van zijne vrouw en kinderen. Hij is voor den troon in heerlijkheid, en zoo zal liet misschien met ons ook haast gaan, dat God zal zeggen: zwijgt. Wij houden van dat prijzen niet. Dat is het beste pri]zen, dat wij van elkander zeggen kunnen: ik geloof, dat hij voor den troon Gods is. Ik voor mij houd niet van de rouw- ofquot; lijkpredikatiën, als men maar in de heerlijkheid is, als men dat van elkander kan denken, als men sterft, en ook als men nog leeft; dat is de lof van alle zaken.

Wij zullen nu nog een woordje tot raad geven.

Hebt God toch lief bovenal; onderzoekt uzelven dikwijls, of gij uitverkoren zijt; dat zal u verkwikken als gij sterft. Leeft oprecht, hebt gij verdorvenheden, gij moet er tegen worstelen. Zoekt de kracht van uwe verdorvenheid verbroken te krijgen. Vertrouwt den Heere uwe zaken toe; Hij is een rijke Vader, en zal die zijn kind niet verzorgen? Zal Hij het van honger laten sterven? Zal God u zijn Zoon schenken, en zal Hij u met Hem niet alle dingen schenken? Rom. 8:32. Staat altijd onder God. Wij zullen niet allen op één dag sterven, wij zijn niet allen op één dag geboren. Gemeente en predikant zullen eens moeten sclieiden. Bedenkt dat eiken dag. Spreekt daar eiken dag van, dat zal eene goede voorbereiding zijn. Wilt gij er niet over spreken, doet bet in uw gebed. Zegt: Heere, Gij kunt haast eene scheiding maken. Vervul Gij toch de plaats! Maak het u familiaar. Alsdan het afscheid komt, zal het u gemakkelijker komen. Wij en ons gelijken zullen er misschien ook niet lang zijn. Gij hebt niet anders te wachten. Die mond zal ook haast sluiten. Zoo wij u nog eenigszins aangenaam zijn, laat onze raad u behagen. Mogen\' wij dan op net laatst geen ingang meer bij u vinden ? Zoekt u los te maken. Gij hebt al zoo vele predikanten gehad. Erkent Gods goedheid, die gij zoo lang genoten hebt. Stelt het aan het believen Gods, of Hij ze nog laat, of niet. Weigert ze niet, als Hij ze belieft weg te nemen. Maakt u los van ons. Hebt elkander lief. Gij zult dan elkander nog duizendmaal liever krijgen, als gij in den hemel zult zijn, in die stad, die fundamenten heeft, Hebr. 11:10. Ik hoop en wensch, dat God mij en u daar zal brengen op onzen tijd, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

706

-ocr page 713-

CATECHISMUS-PREDIKATIE.

Over den LI. Zondag. Vraag 126. Een-en-vijftigste Zondag.

Vraag. Welke is de vijfde lede?

Antwoord. En vergeef ons onze schalden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; dat is: Wil aan ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om het bloed van Christus\' wil niet toerekenen, alzoo wij ook het getuigenis uwer genade in ons bevinden, dat ons gansche voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven.

WIJ lezen, 1 Cor. 7:28—31, dat de apostel wilde, dat de Christenen de wereld zouden gebruiken, als niet misbruikende. Wij moeten allen op de wereld leven en zijn, zoolang het God belieft. Maar weet gij waarvoor gij de wereld en al \'t goed van de wereld aan moet zien? Zij is maar eene gedaante, die voorbijgaat, het is een schepsel; denkt, dat gij maar als in eene gedaante leeft, gebruikt het dan als niet gebruikende; wordt het u ontnomen, wat moogt gij u over een nietig ding zoo ontstellen! En wilt gij er evenwel wat van gebruiken, misbruikt het niet.IJ lezen, 1 Cor. 7:28—31, dat de apostel wilde, dat de Christenen de wereld zouden gebruiken, als niet misbruikende. Wij moeten allen op de wereld leven en zijn, zoolang het God belieft. Maar weet gij waarvoor gij de wereld en al \'t goed van de wereld aan moet zien? Zij is maar eene gedaante, die voorbijgaat, het is een schepsel; denkt, dat gij maar als in eene gedaante leeft, gebruikt het dan als niet gebruikende; wordt het u ontnomen, wat moogt gij u over een nietig ding zoo ontstellen! En wilt gij er evenwel wat van gebruiken, misbruikt het niet.

Weet gij, wanneer gij het misbruikt?

Eerst. Dan, als gij de dingen tot zonden gebruikt. God geeft u altemet een schepsel of eenig goed, en gij gaat het misbruiken. Dan doet gij het schepsel zuchten, om van die dienstbaarheid, en van dat misbruik ontslagen te zijn, Rom. 8:19, 20.

Ten tweede. Dan is het misbruik nog grooter, als gij het tot zonden gaat gebruiken, en tot zorgeloosheid; als gij zegt: mijne ziel! eet, drink, gij hebt goederen opgelegd voor vele jaren. Luk. 12:19. Gij hebt een liuis alles goeds vol, leef nu maar zorgeloos.

Ten derde. Dan misbruikt gij het schepsel, als gij u zoo in de wereld zonder ophouden bezighoudt, \'s morgens, en \'s avonds, dat gij tijd noch lust hebt, om aan God te denken, noch om uwe knieën eens te buigen met uwe huisgenooten, maar dat gij zegt: ik moet gedurig alweer voort, en bezig zijn voor \'t lichaam. Dat heeft God nooit van uwe handen geëischt. Gij moogt wel naarstig zijn om voor uw lichaamstoestand te zorgen, maar nooit zóó, dat gij lust noch tijd hebt, om voor uwe ziel te zorgen.

Nog eens. Ten vierde. Dan misbruikt gij het, als de wereldsche

-ocr page 714-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

dingen u meer wegen dan de geestelijke. Ik weet wel, dat ik het u klaar genoeg kan zeggen; wilt gij er uzelven bijleggen, gij kunt het doen.

Gij zult zeggen: moet men dan de wereldsche dingen niet gebruiken? Dat is de vraag niet; gij moet ze wel gebruiken, maar niet misbruiken. Laten de wereldsche dingen u het zwaarste noch het meeste wegen, totdat gij naar de aarde en naar het graf zoudt gaan. De apostel zeide. Col. 3:1, Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Ik wil niet, dat gij zonder gedachten zijt aan de wereldsche dingen, maar dat moet uw al, noch uw geheel zijn, waar gij aan denkt. Gods kinderen moeten zijn zooals die twee vogels, bekijkt die eens, den arend en de duif\'.

Wat is de aard van den arend? Naar boven te stijgen; hij vliegt meest in de hoogte; gij zult hem zelden op de aarde vinden, maar meest in de hoogte, buiten het bereik van het gezicht. Hoe zoet is dat! Zoo moeten Gods kinderen ook doen. Maar de arend kan in de hoogte evenwel den kost niet krijgen, welk een lust hij in de hoogte ook heeft; hij valt op den top van een berg of steenrots, en daar ziet hij van verre de spijs, ergens een aas van een mensch of beest. Hij vliegt er naar toe. Job 9; 2G. Die door het gerecht omgebracht zijn, des arends jongen zullen ze eten, Spr. 30:17. Waar het doode lichaam is, zullen de arenden vergaderd worden, Matth. 24:28. Zoo is het met Gods kinderen ook. Die moeten als een arend wezen; zij moeten ook voor den kost, voor hun bescheiden deel zorgen; maar niet te lang. Dan moeten zij weer naar boven vliegen.

Onder de vogelen is ook een raar diertje, de duif, die is ook meest in de hoogte. Wat doet dat diertje? Het komt wel eens met zijn voet op de aarde, maar als het eenige graantjes gepikt heeft, dan vliegt het weer naar boven.

Zoo wil God het ook hebben. God wil, dat wij zullen bedenken de dingen die boven zijn. Col. 3:2, Zoo niet, dat men voor het lichaam niet zorgen zou, maar terwijl men in \'t lichaam woont, moet men ook eene naarstige hand hebben. Als men dan den kost gekregen heeft, wat dan? Dan moet men weer naar boven.

Dat zult gij zoo vinden in dit heerlijk gebed. In de drie eerste beden beoogt de Zaligmaker de verheerlijking van God. Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. Dat is: dat wij Gods naam moeten heiligen, een gehoorzame onderdaan in zijn rijk zijn, en den wil Gods moeten betrachten. Daar komt dan die ziel wat uit de hoogte in de vierde bede, en Hij doet ze eens neervallen op de aarde: geef ons heden ons dagelijksch brood, zegt ze. En dan gaat ze weer naar de hoogte in de vijfde bede: en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En in de zesde bede: leid ons niet in verzoeking; maar verlos ons van den booze. En zij eindigt met eene heerlijke pleit-

708

-ocr page 715-

OVER DEN LI. ZONDAG. Vraag 12fi.

rede en besluit: Want Uwe is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid; en zij besluit met het woord: amen. Daarheen wilden wij wezen. Zoo de wereld te gebruiken, als niet misbruikende. Als zij een korten tijd voor het lichaam gezorgd hebben, zooveel het noodig is, dan weer naar boven.

In deze vijfde bede hebben wij drie of vier stukken te bezien.

Eerst. De samenvoeging of samenhang van de vijfde met de vierde bede, door het woordje: en.

Ten tweede. Het pardon, dat de ziel afbedelt.

Ten derde. Den aandrang in de woorden: gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.

Ten vierde. Hoe gepast de Heere Jezus die bede gaf te bidden. 1. Zeggen wij: hoe de vijfde en vierde bede door dat woordje: en, aaneenhangen. 2. Hoe de ziel ziek is om pardon. 3. Hoe zij dat aandringt, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren. 4. Hoe wel de Heere Jezus dat tot elk zegt: bidt dat altoos, in alle eeuwen.

Wat het eerste aangaat: bier hebt gij het woordje: en. Als gij uwen kinderen het Onze Vader leert bidden, vergeet toch niet dien samenhang te maken, dien de Zaligmaker ons geleerd heeft. Kunt gij het Onze Vader wel terdege bidden? Als gij het bidt, neemt dan eens Matth. 6 voor u. Aan een woordje en aan een lettergreepje hangen ge-heele bergen van zaken. Wat wil de Zaligmaker ons indrukken, doordat woordje: en?

Eerst. Eindigt niet, met voor uw lichaam te bidden, en dat gij zoudt zeggen: nu is het genoeg, nu ben ik voldaan, nu heb ik niet meer te begeeren. Neen, maar daar is nog wat anders te bidden, na het dagelijksch brood; wat baat het leven, eer, gunst, vermaak van de wereld, als ik geen pardon heb ? Wat kan het een misdadiger baten, of hij een koninklijk gerecht kreeg, en hij moest binnen een uur sterven? Zoo ook: wat baat dagelijksch brood, als er geen pardon komt? Wat baatte het Haman, dat hij met den koning ten maaltijd ging, daar hij van den maaltijd naar de galg gaan moest? Esther 7:10.

Ten tweede. De Heere Jezus zelf heeft het samengevoegd, en wij mogen niet scheiden, wat Hij te zamen gevoegd heeft. Hij heeft samengevoegd de zorg voor \'t lichaam en voor de ziel. Gij bestaat uit ziel en lichaam; gij hebt een deel dat brood tot onderhoud noodig heeft, en een ander deel, dat dit noodig heeft.

Ten derde. Uw dagelijksch brood kunt gij zoo haast kwijt zijn. Let eens op Naomi: zij zwierf daar uit haar land; maar leeg kwam ze weerom; zij was als uitgemergeld van honger, zij was al haar goed kwijt, Ruth 1:21. Zegt dan: O God! ik besta uit twee deelen; met het lichamelijke alleen kunt Gij mij geen vergenoeging doen; ik diende pardon te hebben; het lichamelijke kan zich vleugelen maken als een arend, geef mij een beter goed daarbij.

Het tweede stuk, waar de ziel in dit gebed om smeekt, is: Ach, Heere! ik ben zoo ziek om genade; een wereldling is ziek om brood, maar een godvruchtige om pardon; vergeef ons, zeggen ze, onze schulden.

700

-ocr page 716-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Wat zijn de schulden niet machtig vele! Moeten wij niet zeggen: het zijn onze schulden? Zij spreken in \'t getal van vele. Ik en gij weten het getal niet; het zijn schulden of zonden, begaan in den natuurstaat, en in den genadestaat. Wie kan zijne afdwalingen verstaan? Ps. 19:13. Wij zijn nergens gezeten, of wij maken schulden. Zij zijn meer dan de haren van ons hoofd, I\'s. 40:13. Er mag tot ons wel gezegd worden: bij ulieden zijn schulden tegen den Heere, uwen God, 2 Kron. 28:10. Niet één op duizend kunnen wij beantwoorden, Job 9:3. Het is een schuld tot aan den hemel gewassen, Ezra 9:6. Wat zijn ze verscheiden! De eene schuld is de andere niet; de eene is zwarter dan de andere; de eene is zoo leelijk niet als de andere; de eene is zichtbaarder dan de andere; de eene is verborgener dan de andere. Er zijn zonden van \'t hart, zonden van den mond, zonden van den wandel. Dan is er eene schuld, die eene boosheid is, die ons steeds aankleeft, en dat is altemaal uitermate zeer schriftuurlijk. Kom. 7:18, Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen

foed woont. Wij moeten onszelven niet kennen, als wij niet weten at er niets goeds in ons woont; als wij het goede willen, dat het kwade ons bijligt. Het zijn niet alleen onze zonden, maar ze moeten met recht den naam van schulden dragen. 1. Omdat wij in gebreken blijven. 2. Wij worden des doods schuldig. 3. Wij geraken erdoor in den toestand van een schuldenaar; wij blijven in gebreken van doen of laten, spreken of zwijgen; en voorwaar, al waren wij volmaakt gehoorzaam, dat wij niet zijn, zoo blijven wij schuldenaars. Luk. 17:10, Als gij zult gedaan hebben, al wat u bevolen is, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten, wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen. Wij zijn die gehoorzaamheid schuldig gebleven; wij hebben de wet overtreden, en ons gedragen alsof er geen God was; wij hebben zijne Majesteit gekwetst, en onszelven als tot God gemaakt; en zoo hebben wij bij onszelven eene groote schuld begaan, en hebben ons schuldig gemaakt aan ondragelijke straffen; en dat voor eeuwig, zoowel als de duivelen en de verdoemden in de hel. Door dat alles geraakt de zondaar in zulk eene gestalte en toestand als een schuldenaar.oed woont. Wij moeten onszelven niet kennen, als wij niet weten at er niets goeds in ons woont; als wij het goede willen, dat het kwade ons bijligt. Het zijn niet alleen onze zonden, maar ze moeten met recht den naam van schulden dragen. 1. Omdat wij in gebreken blijven. 2. Wij worden des doods schuldig. 3. Wij geraken erdoor in den toestand van een schuldenaar; wij blijven in gebreken van doen of laten, spreken of zwijgen; en voorwaar, al waren wij volmaakt gehoorzaam, dat wij niet zijn, zoo blijven wij schuldenaars. Luk. 17:10, Als gij zult gedaan hebben, al wat u bevolen is, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechten, wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen. Wij zijn die gehoorzaamheid schuldig gebleven; wij hebben de wet overtreden, en ons gedragen alsof er geen God was; wij hebben zijne Majesteit gekwetst, en onszelven als tot God gemaakt; en zoo hebben wij bij onszelven eene groote schuld begaan, en hebben ons schuldig gemaakt aan ondragelijke straffen; en dat voor eeuwig, zoowel als de duivelen en de verdoemden in de hel. Door dat alles geraakt de zondaar in zulk eene gestalte en toestand als een schuldenaar.

In welke gestalte en toestand is een schuldenaar? Let er eens op: hij is in dezen toestand:

Eerst. Hij is zoo beschaamd, als hij zijn schuldheer tegenkomt. Zulk eene arme ziel is voor den Heere ook zoo beschaamd, dat ze zooveel aan Hem schuldig is; zij staat eveneens als Ezra, en als de tollenaar, die van verre stond, Ezra 8:22 en Luk. 18:13.

Ten tweede. Zoo een is zoo verlegen, om zijne schuld te betalen. Zulk eene arme ziel ook. Ach, Heere! zegt zij, ik kan ze niet betalen! ik heb niet om te geven tot lossing voor mijne ziel. Mattb. 16: 26, Wat zal hij geven tot lossing zijner ziel!

Ten derde. Hi] is zoo benauwd, dat al zijn goed zal aangeslagen worden, en dat er uitspraak over hem gedaan zal worden. Daar roept er eene weduwe, 2 Kon. 4:1: De schuldheer is gekomen, om mijne

710

-ocr page 717-

OVER DEN LI. ZONDAG. Vraaq 12G.

beide kinderen tot knechten te nemen! Zoo is het met eene arme ziel ook. Ach, Heere! zegt ze, ik ben zoo benauwd, dat Gij mijne handen en voeten zult laten binden, en mij in de buitenste duisternis zult laten werpen, Matth. 22:13.

Ten vierde. Zulk een zou wel man en maagd opmaken, opdat ze voor hem bij den rechter zouden spreken, om een weinig afslag van de schuld; hij zoekt alle middelen om zich te redden; hl] kan slapen, noch gerust zijn. O! zulk een arme zondaar zegt ook: heb ik gezondigd, wat zal ik doen, o Menschenhoeder! Job 7 :20.

Wat doet een schuldenaar nog? Hij belijdt, dat hij het schuldig is. Hij neemt zijn toevlucht tot hem, wien hij \'t schuldig is, en hij belijdt en bekent zijne schuld. Zoo doet eene arme ziel mede: zij belijdt hare zonden. Mijne zonden maak ik U bekend, en mijne ongerechtigheid bedek ik niet, Ps. 32:5. Zoo is het, ik heb zoo gezondigd!

Nog eens. Hij doet een voetval. Ei, wil het mij vergeven, dan ben ik een behouden mensch! Zoo komt een arme ziel ook: Ik zal mijn Rechter om genade bidden. Job 9:15. Ei, scheld het mij kwijt, door uwe groote goedheid en barmhartigheid!

Geliefden! daar hebt gij den toestand van zulk eene ziel, en daarom worden de zonden, schulden genoemd. Daarop valt dat hart voor God neer, en zegt: Kom ik om, zoo kom ik om, Esth. 4:1(3, en het komt als met het koord en met den strop om den hals, en zegt: Ach, God! hoe zwaar valt mij de zonde! En gij zult ze vinden in de eenzame, doch God bekende plaatsen, eu daar zitten ze te treuren, uitroepende: Ach! vergeef het mij, scheld het mij kwijt, ik wil pauselijke, noch joodsche, noch sociniaansche vergeving hebben, noch ik wil vergeving door menschen hebben, maar de vergeving Gods. Wie kan de zonden vergeven, dan één, namelijk God ? Luk. 5:21. Ik wil geen pauselijke vergeving hebben, geen aflaatbrief, die niet meer waard is, dan om in stukken gescheurd te worden: die godslasterlijk is, Matth. 15:9. Ik wil geen joodsche hebben, dio zochten het in \'t bloed der stieren en der kalveren; maar dat kan het geweten niet reinigen, Hebr. 9:13 en 10:4. Ik wil geen sociniaansche hebben, zonder voldoening aan de goddelijke gerechtigheid. Ik wil geen menschelijke voldoening hebben. Of een predikant al zegt: God heeft uwe zonden weggenomen, gij zult niet sterven, 2 Sam. 12:13, daar kan ik niet gerust op zijn. Het is de bedienende macht wel, die God hem gegeven heeft, dat hij ze zou gebruiken op voorwaarde; maar dat kan mij niet gerust stellen, dat is niet genoeg, ik wil geen particuliere hebben, .als de naaste zegt: ik vergeef het u; maar dat is nog niet genoeg, want de mensch kan wel vergeven wat God niet vergeeft. Toen de Heere Jezus Christus het zijnen kruisigers vergaf, bad Hij: Vader, vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen, Luk. 23:34; Hand. 7:00, Stefanus vergaf het zijnen steenigers wel, maar God had het daarom niet gedaan. En zoo komt zulk eene ziel tot God en zegt: vergeef het mij. Dat heeft vele namen in het Woord. Het wordt genoemd: uitdelgen, Ps. 51 :3; Achter zijn rug te werpen, Jes. 38:17 ;

711

-ocr page 718-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Niet toe te rekenen, Ps. 32:2; Vergeven, Job 7:21; Dempen, Mich. 7:19; Gezocht en niet gevonden te worden, Jer. 50:20.

Wat is dat nu, als God de zonden vergeeft, en wat bidt zulk eene dan? Het is dat genadige vonnis Gods, om een uitverkorene, ver-legene over zijne zonden, om het lijden en gehoorzaamheid van den lleere Jezus Christus, en van Hem door \'t geloof aangenomen, zijne zonden te vergeven, kwijt te schelden, en hem rust te geven, voor tijd en eeuwigheid. Hij zegt: gij zult sterven noch verloren gaan in eeuwigheid. Let er eens op, \'t is een uitverkoren schepseltje, wien God de zonden vergeeft: \'t is dikwijls zulk een groot zondaar, dat men er over verbaasd moest staan. Paulus was de voornaamste der zondaren, 1 Tim. 1:15. Hij was evenwel een uitverkoren vat. Zy leven zoolang in de zonden als het God belieft. Zij worden dikwnls gierig in de zonden; daar komt niet één gezelschap, waar ze maar bij kunnen zijn, of zij gaan er. Dan leven ze als zij de zonden doen: zij vermaken er zich in. Maar zij kunnen niet altijd zoo blijven, daar is een stondetje in Gods raad, op \'twelk ze gestuit moeten worden. Daar is in Gods raad een middeltje bepaald, waardoor \'t geschieden moet, daar is een oogenblikje, waarop het geschiedt; maar dan kunnen ze niet meer, dan worden ze overtuigd, dan druipen ze uit hun vorig gezelschap weg, zij zijn dezelfden niet meer; ik kan zoo ijdel, zoo goddeloos niet meer zijn, zeggen ze tegen hun gezelschap, hoe kunt gij zoo zijn! ik heb u wel tot de zonde aangezet, maar nu wilde ik er u wel van afbrengen; en zij gaan naar hun huis, verlegen, met tranen; zij zijn ontsteld en zij hebben geen rust. Ik wil mij liever, zeggen ze, van mijn vorig gezelschap afhouden: de weg, dien ik te voren ging, maakt mij zoo benauwd. Daar liggen ze in hunne tranen. Het is zulk een schepseltje al maar om genade, ontferming en vergeving te doen. Dat betuigen ze voor den Heere, en daarop willen ze wachten. Ik bid niet, zeggen ze, dat Gij mijne zonden voor geen zonden zoudt houden. Groote Rechter! ik weet, dat Gij ze mij niet vergeven zult, zonder ze grootelijks te straften; maar doe het in mij niet, straf mij niet in uwen toorn, Ps. G: 2. Ik zal tot God zeggen: verdoem mij niet, Job 10:2. Groote Rechter! laat ik in het verderf niet nederdalen. Job 33:24. Treed niet met mij in \'t gericht, Ps. 143:2. Wel, zou ik dat kunnen doen? zegt God. Dat heb ik in uw Woord ontdekt gevonden, Heere! zeggen ze: daar is de Middelaar, en Die heeft eene gerechtigheid; Hij heeft voor Zichzelven niet moeten betalen, Hij is ook niet voor allen, ik weet, dat Hij maar voor sommigen is; allerliefste Heere! is Hij dan voor geen verlegenen, ontstelden, treurigen, die Hem aangegrepen hebben. Hem aankleven, op Hem zoeken te vertrouwen ? Geven niet al de profeten getuigenis, dat, wie in Christus gelooft, vergeving der zonden zal hebben? Hand. 10:43. Ik heb het naar Hem toegewend, ik heb Hem aangenomen, ik heb geen gerechtigheid, ik zoek in Christus gevonden te worden, Fil. 3:9, en zoo in zijne gerechtigheid voor U te bestaan. Zal dat dan tot uwe oneer wezen, als Gij mij pardon geeft? Om Christus\' wil zoek ik

712

-ocr page 719-

OVER DEN LI, ZONDAG. Vraao 126.

kwijtgescholden te worden, die eene volmaakte gehoorzaamheid heeft. Dien, die geen zonden gekend heeft, heeft Uod zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, 2 Cor. 5:21. Die is ons van God geworden tot wijsheid, gerechtigheid, en tot volkomen verlossing, 1 Cor. 1:30. Daar begint ze te pleiten, met Christus in den arm van haar geloof. Doe het, om Zijnentwil. O Heere, hoor! o lleere, merk op! o Heere, vergeef om des Heeren wil! Dan. 9:19. Laat ik dat genadige vonnis en vrijspreking van ongerechtigheid eens mogen hooren. Kom. 8:1, Zoo is er dan geen verdoemenis meer, voor degenen, die in Christus Jezus zijn! Laat ik in leven en in sterven uwe gunst genieten, in tijd en in eeuwigheid; schenk mij uwe genade, dewijl ik een arme zondaar ben. Kom. 3:24. De werken zijn hier uitgesloten: uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; niet uit de werken, opdat niemand roeme, Ef. 2:8, 0. Om Christus\' wil bid ik om vergeving en genade; in zijne gerechtigheid zoek ik gevonden te worden, Kil. 3:9.

Dan zoeken ze verder de verzekering te hebben van Gods gunst. Is het pardon in den hemel vast, laat ik het ook eens aan mijn hart weten. Geef mij de zekerheid te smaken mijner zaligheid door uwe genade, geef mij de vreugde uws heils, Ps. 51:14. Delg mijne overtreding uit, doe mij vreugde en blijdschap hooren, Ps. 51:3—10. Dat een mensch uitdelgt is niet genoeg. Nathan, als een bode Gods had gezegd: De Heere heeft ook uwe zonden weggenomen, gij zult niet sterven, 2 Sam. 12:13. Gij zult niet sterven; wat schort u dan man, is dat niet genoeg? Ja, zegt hij, ik heb de verzekering van binnen niet; van buiten zegt het wel een onfeilbaar profeet, maar ik heb ze evenwel van binnen niet.

Ten laatste. Zij rusten niet, voordat ze een zeer gemeenzamen omgang met God hebben, \'tls er eveneens mede gelegen, als met David en Absalom; Absalora had broedermoord begaan; daar vlucht hij; de koning had het in zijne gedachten niet om hem te dooden; hij moest evenwel van \'t hof: hij vluchtte naar Gerar; daarna komt hij weer, maar dat was hem niet genoeg, hij kon het niet harden, dat hij bij den koning niet komen mocht; ik kan zoo niet blijven leven, zegt hij, was ik dan liever te Gerar gebleven, of laat mijn vader mi] liever dooden. Ik moet mijn vader zien, zegt hij. Daar komt hij bij den koning in de kamer, en de koning kuste hem. Toen was het eerst wel. Eveneens handelt God; niet, dat Hij de zonden niet straft; ach, ja! God verbergt zijn aangezicht, Jes. 59:2, en dat duurt dik-Avijls jaar en dag, totdat ze beginnen te zeggen: ik kan zoo niet langer leven: Heere! dood mij liever; en als zij wel allermoedeloost zijn, dan komt God en Hij is nabij hen, en Hi) geeft ze een blijkje van zijne gunst. Dat is de vergeving der zonden. Is dat nu niet een heerlijk stuk?

Als zij nu om het pardon gesmeekt hebben, dan gaan ze (en dat is ons derde stuk) tot den naderen aandrang. Hoe willen zij het vergeven hebben? Zoo; gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.

713

-ocr page 720-

CATECHISMUS-PEEDIKATIE

Wij hebben licht elk wel een schuldenaar, wien wij de schulden vergeren. Dan zeggen ze: Heere! vergeef mij mijne schulden, zooals ik ze mijnen schuldenaren vergeef. Dat is een stuk, waar onze gedachten nog wel wat over ingespannen mogen zijn. Daar kunnen drieërlei schuldenaren door verstaan worden.

Eerst. Zulk een, waar iemand borg voor is. Daar is iemand, die aan een ander eenig geld schuldig is: daar komt er een die spreekt ei-voor. Zoo deed Paulus. Hij was borg voor Onesimus bij zijn heer Filemon; ik sta in zijne plaats, zeide Paulus: reken het mij toe, ik zal het betalen, hij kan het niet doen, Filem. vs. 18. Dat moet men juist niet vergeven, dat is men niet gehouden. Gij moogt de schuld wel op eene bescheidene wijze invorderen, maar gij moet het met lankmoedigheid en met zachtmoedigheid doen; uwen schuldenaar een weinig tijd en uitstel geven; gij moogt hem wel alles toestaan uit billijkheid, wat gij kunt; en dat moet u niet vreemd zijn, Matth. 18:24—30, daar kwam er een, wiens schulden eerst van zijn lieer waren kwijtgescholden, die greep zijn schuldenaar bij de keel en wierp hem in \'t gevangen huis; maar de Heere sprak het tegen. Gij moet liever billijkheid gebruiken.

Ten tweede. Daar zijn schuldenaars, die het zijn aan de geheele samenleving, aan de geheele maatschappij, zooals daar is een dief\', een moordenaar en dergelijke, waaromtrent de overheid waken moet; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs, zegt Paulus, liom. 13:4. Daar is geen overheid zoo hoog geplaatst, die dat vergeven mag, zonder het te straffen. Een moord mag niet verzoend worden dan met het bloed desgenen, die bloed vergoten, en den moord bedreven heeft. Zoo zij dat niet straffen, God zal dat bloed van hunne handen eischen: zij zullen daar rekenschap van moeten doen voor den troon van God.

Ten derde. In den omgang of samenleving hebt gij er, waar gij juist geen geld van eischen kunt, waar gij niets mede uitstaande hebt door handelingen; maar iemand heeft uw goeden naam gelasterd, hij is een achterklapper ; die schuldenaren worden voornamelijk beoogd, die u in het particuliere leven verongelijken, lasteren. Nu zeggen wij in dit gebed: vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Waar durven wij nu onze hoofden bergen? Vergeven! Wel, dat is uit. Het vergeven! wel, daar is het droevig mede gesteld: dat is balling geworden onder ons. Al wildet gij nog zoo tusschen twee beleedigden als bemiddelaar optreden, daar is geen vergeving te krijgen; en dat bidt zoo al: gelijk wij vergeven onzen schuldenaren; en\' dat betuigt al voor God. Wat zou dat worden, deed God zoo eens met ons! Al zijn het dikwijls de naasten in den bloede, men wil niet verzoenen. Wat is dat, den schuldenaren te vergeven?

Eerst. Ik voel ontsteltenis, noch haat, noch blijvende gramschap meer; al kom ik hem tegen, ik ben niet meer ontsteld.

Ten tweede. Ik voel geen wortel van wraakgierigheid in mijn hart, ik kan niet zeggen, dat, al was het nog zoo lang geleden, ik hem

714

-ocr page 721-

OVER DEN LI. ZONDAG. Vraaö 120.

zou kunnen goed doen, maar ik kan zeggen: ik zoek liet niet te wreken.

Ten derde. Als zulk een in ongelegenheid is, die u ongelijk gedaan heeft, zich daar niet over te verblijden, en zeggen; Heah! wij hebben hem verslonden, Ps. 35 : 25.

Ten vierde. Is het te zeggen; den schuldenaren niet alleen geen kwaad toe te wenschen, maar als er gelegenheid is, hun goed te doen. Als het beest van onzen naaste in de gracht ligt, het onze te verlaten, en het zijne er uit te helpen. Hebt uwe vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld aandoen, en die u vervolgen, Matth. 5:44. Dat doende zult lt;jij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen. Hom. 12: 20. Dat kan ik niet dragen, zal hij zeggen; en zijne liefde zal ontsteken jegens u. Ja, zoo moeten wij wezen, dat wij (iod bidden, als wij die gestalte zoo niet hebben, dat wij zeggen: Heere! die gestalte is mij zoo lief, geef ze mij toch; roei den wortel van de verdorvenheid uit mijn hart, en vergeef het mijnen naaste: ik kan het hem niet vergeven; maar vergeef Gij het hem: reken het hem niet toe, dat hij zoo tegen mij is. Evenals Stefanus deed; Heere! zegt hij, reken hun deze zonde niet toe. Hand. 7 : GO. En de Heere Jezus zelve zeide. Luk. 23:32, Vader! vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen. Ik wilde wel, dat wij ons daar eens bij leiden.

Daarop dringen wij nu op pardon aan; en wij zoggen: o God! doe het niet, vergeef Gij het mij niet, als ik het mijnen naaste niet vergeef. Daar moeten wij elk onze toestemming toe geven, dat de zaak zoo ligt.

Daarop komt de Heere Jezus Christus en zegt, als gij pardon zult afbedelen, zoo zult gij zeggen: Vader, vergeef het mi), gelijk ik het mijnen schuldenaren vergeef. Wat wil de Heere Jezus daarmee zeggen? Dat er eene evengelijkheid is tusschen \'t vergeven van God en net onze? Of wil Hij zeggen, dat onze vergeving de verdienende oorzaak is van de vergeving van God? Verre is het daar van daan. Daar is eene groote ongelijkheid tusschen de vergeving Gods en de onze omtrent onzen evennaaste. God vergeeft zoo, dat Hij het doet aan den-gene, dien Hij nooit ongelijk gedaan heeft; en wij daarentegen, wij hebben somtijds zelfs wel vergeving van onzen naaste van noode.

God vergeeft den zondaar niet zonder voldoening; maar wij moeten het doen, al was er geen voldoening; God vergeeft en Hij doet er ons goed bij. Hij schenkt er ons zijne gunst bij, waar onze vergeving dikwijls den naaste geen goed bijbrengt.

Gij zult denken: wat wil de Heere Jezus Christus ons dan leeren? Leert Hij ons, dat onze vergeving de verdienende oorzaak is van de vergeving Gods? Gij kunt wel denken, dat er niets meer zou misstaan, daii dat een patiënt, die om vergeving bidt, van verdiensten zou spreken. Wat leert de Heere ons dan? Hoe dringen wij\'t dan aan?

Eerst. Zeggen wij: Groote God! als ik gewillig ben om mijnen naaste te vergeven, zoo vooronderstel ik, dat Gij het mij ook zult

715

-ocr page 722-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

doen. Weet ik, die boos ben, goede gaven te geven, hoeveel te meer zult Gij het doen, Luk. 11:13.

Ten tweede. Vader! raag ik het niet als een teek en van mjine genade rekenen, dat ik, als een uitverkorene, bevind aangedaan te hebben de innerlijke beweging der barmhartigheid en der goedertierenheid? Ik vergeef mijnen naaste de misdaad. Is dat niet een blijkje, dat ik ook op vergeving van U te hopen heb? Ais iemand tegen iemand eenige klachten heeft, en hij vergeeft het hem, is dat niet een teekentje van de genade, en dat Gij mij nog niet aan de verdorvenheid hebt overgegeven, maar dat ik nog vertoon, geloof en liefde? Mag ik dat niet als een teekentje van uwe vergeving aanmerken ?

Ja. Nog eens. Ten derde. Daar is een hartelijk voornemen in mij om het mijn naaste te vergeven; ik weet, dat het mijn plicht is; ik worstel er om. Boven dat, zoo weet ik, dat God niet vergeeft, als ik het ook niet doe. Ef. 4; 25, 26, Want wij zijn elkanders leden. De zon ga niet onder over uwe toornigheid. Matth. 18:22, Tot zeventigmaal zevenmaal moet men zijn broeder vergeven.

Ten vierde. Is dat nu maar voor een tijd? Ach! neen het; maar het moet gebeden worden in alle tijden. De Heere Jezus wist, dat in alle eeuwen de menschen gestruikeld hadden, en struikelen zouden; Hij wist wel, dat de beste onvolmaakt was. Welk mensch leeft er, die goed doet, en niet zondigt? 1 Kon. 8:4G; de besten moeten zeggen: Ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vleesch, geen goed woont, llom. 7:18. Zij hadden vergeving noodig; nu, zoo goed als ooit, en ooit zoo goecl als nu, tot den dag des oordeels toe. Als gij het wel opmerken wilt, zoo is het klaar genoeg. Deze bede wordt te zamen gevoegd met de voorgaande; zoolang gij dagelijksch brood van noode hebt, hebt gij ook vergeving noodig tot op het oordeel toe; ja, zoo lang als wij zullen moeten vergeven onzen schuldenaren. Hoe klaar en duidelijk zijn de zaken!

Ziedaar, geliefden! hebt gij onze vier stukken. Als wij daar ons hart elk eens bij zullen leggen, wat is er een verschil tusschen ons bidden en onze praktijk! Wat heelt men in deze stad daarover al beweging gezien in alle hoeken! Wat een rumoer is er geweest, alsof men maar twee of drie jaren daarom had moeten bidden; zoo lang maar, als Christus in zijne bediening op de aarde was. Het zijn menschen van moeilijke gedachten, die zoo spreken; en zij toonen, dat zij hunne religie niet verstaan. Doch die gesprekken zijn nu voor het meerendeel verdwenen. Maar hoe is het nu met ons? Wij zijn een menigte van zondige menschen. Gij en ik, welk mensch leeft er, die zeggen kan: ik heb geen schuld hierin? Wat moeten wij inkrimpen, ik en gij; wij hebben eene schuld, die gewassen is tot aan den hemel. Wie kan zijne afdwalingen verstaan ? TPs. 19:13. Zoo God met ons naar zijn recht handelde, zoo zou Hij met ons moeten doen, evenals met de duivelen. Zoo God ons naar recht en naar zijn Woord handelde, buiten den Middelaar, zoo zou Hij ons verteren. Hoe zou-

716

-ocr page 723-

OVER DEN LI. ZONDAG. Vraaq 12G.

717

den wij het dan maken? Ach, God! wat zijn wij zondige menschen! Dan zou God ons geen Vader wezen. Zoo het werk Gods in onze harten was, al waren wij dan altemaal .als de tollenaar, \'t was niet te verwonderen. Ach! denkt niet: God weet het niet; vlei u daarmede niet; Hij kent ons door en door tot in het binnenste toe. Vlei u niet niet te zeggen: het is zoo lang geleden, het is al vergeten, dat ik gezondigd heb. Een dag is bij den Heere als duizend jaren, en duizend jaren als één dag, 2 Petr. 3:8. Vlei u niet niet te zeggen: het is zoo wel bestoken, \'t zal niet uitkomen. God zal het uitbrengen tot uwe eeuwige schande. Zoo gij niet invalt voor Hem, Hij zal het voor de wereld bekendmaken, aan engelen, duivelen, menschen. 1 Cor. 4:9, Want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den menschen. Denkt niet: het zal geen nood doen; Gods heilige natuur kan niet ééne zonde ongestraft vergeven. Denkt niet: God is barmhartig; het zal niet helpen; daar is voor mij noch voor u barmhartigheid, zoo zijne rechtvaardigheid geen genoegen gedaan wordt. Zegt dan niet als David: Laat ik in de handen des fleeren vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele, 2 Sara. 24:14, of gij moet wezen als David. Die gemeene barmhartigheid, waardoor God u van den hemel goed doet, kan u niet helpen. Zegt niet: ik gelool dat God liet mij vergeven heeft, op losse gronden. Waar en wanneer heeft God het u vergeven? Hoe is het geschied? Dat moet gij weten. Hoe hebt gij de kwitantie gekregen ? Zou uw hart, dat voor den Heere wel kunnen zeggen, op dat plaatsje, en op die wijze, kreeg ik het? Het diende echter zoo te zijn, of gij moet zwijgen en niet zeggen, dat gij het bezit. Gij hebt het nog nooit bezeten, zoo gij nog nooit met tranen een verbond met God gemaakt hebt. Gelooft ons, of liever ons niet, maar Gods Woord: wij zullen de zonden voor onzen dood moeten beschreien, ik en gij, of wij zullen ze eeuwig moeten beschreien. Spot dan niet met iemand, die hier zucht en schreit. Hier is het de tijd, of gij zult het eeuwig moeten doen. Zullen wij nu zoo aandringen: gelijk ik vergeef mijnen schuldenaren? Kent gij er geen, wien gij het vergeven moest, en \'t nog niet gedaan hebt? Dienden wij elk zoo niet te zijn, dat wij zeiden: Alwetende God! weet ik geen mensch in de geheele wereld, wien ik het wel vergelden zou? Laat ik het hem vergeven! Ik moet die vergeving hebben en gij ook, of wij zijn eeuwig ongelukkig. Daar waren er eens twee, die elkander hierover onderhielden; de een zeide: hoe maakt gij het met die bede? ik weet, dat gij eene partij hebt. Hoe zou ik het maken, zeide de ander, God zij geloofd, daar zijn nog andere gebeden. Maar, zegt hij, gij hebt ook eene partij, hoe maakt gij het? Ik bid het Onze Vader, zeide deze, maar de vijfde bede sla ik altijd over. Wat dunkt u daarvan, toehoorders? bidt gij ook een ander gebed, of slaat gij de vijfde bede ook over? Of bidt gij het evenwel, en vergeeft gij niet? Wel, dan doet gij direct tegen uw bidden aan; en dan bidt gij, dat God uwe zonden niet zou vergeven, gelijk gij uwen naaste die niet vergeeft; maar dat God u straffen wil en eeuwig

-ocr page 724-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

verderven. Is dat niet schrikkelijk en gruwelijk ? Het is zooveel, alsof gij zeggen wildet: vergeef het mij mijn leven ook niet. Is dat niet een treurig Christendom? En dat is geen bloot zeggen. Het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht van zaken. Ik en gij moeten in de vergeving zin hebben, of wij hebben er geen te wachten.

Geliefden! wat zijn wij ongelukkige Christenen, hebben wij geen pardon! Maar wat zijn wij gelukkig, zoo wij deel hebben aan \'t pardon! Wat zijn wij ongelukkig! Moeten onze zonden in ons gestraft worden, en moeten wij dan nog verloren gaan, dan kan ons ongeluk nooit uitgedacht en uitgesproken worden. Hoort eens eenvoudig. Laat ons ons hart bij deze dingen neerleggen, en zien of wij ze ondervinden, en zoo deel aan de vergeving hebben.

Eerst. Kunt gij dat zeggen: Ach, Heere! de zonde is mij zulk een pak, en zij zijn al zoo oud; jaar en dag begaan tegen mijn broeder, zuster, vriend, tegen God. Üe Heere brengt zulken hunne zonden zoo al te binnen. Mijn zondige aard, Heere! hoe weegt mij die! Lieve Heere! wat ben ik een zondig mensch! De zonde valt mij zoo zwaar; ik moet er om naar de hel, zoo Gij ze mij niet belieft te vergeven! Ach! ik kan zoo niet leven! Als de zonde zoo altijd in \'t licht van mijn aangezicht staat, dan zou ik mijne handen wel aan mijn leven slaan; dan is hemel en aarde mij te bang; dan is mijn huis en de geheele stad mij te bang; ik moet op een open veld gaan om het eens uit te schreeuwen.

Ten tweede. Wie deel aan de vergeving hebben, hun hart smelt zoo in zoovele tranen en weekheden. Evenals David, hij doornatte zijne bedstede met zijne tranen, Ps. (3: 7. Dan zult gij het wel weten, hoe \'t met Petrus stond, als hij naar buiten ging en bitterlijk weende, Matth. 26:75. Dan zult gij den toestand wel kennen van die drieduizend verslagenen, die uitriepen: Wat zullen wij doen, mannen broeders! Hand. 2:37. Dan zult gij wel kennen de schaamte van een Ezra, hfdst. 9:6, en de veroordeeling van den verloren zoon, dat uitroepen: Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden. Luk. 15: 19. Dan zult gij de gestalte van een Paulus wel kennen, als hij uitriep: Van welke (zondaren) ik de voornaamste ben, 1 Tim. 1:15, en waarom hij zichzelven voor een ontijdig geborene kent, 1 Cor. 15 :8. Gij zult de gestalte van die arme zondares in het Evangelie wel kennen, wier zonden haar vergeven waren, omdat zij veel had liefgehad. Luk. 7:47. Gij zult dat zeggen van David wel kennen: Mij is zeer bange, 2 Sam! 24:14, Kent gij dat? Gij zult uw leven anders geen vergeving gekregen hebben. Kent gij dat woord, 1 Petr. 2:7. O, de Heere Jezus is mij zoo dierbaar geworden! Is Hij u de Springader des levenden waters geworden, de wensch der Heidenen? Tot Hem zal men immers komen en toevloeien; Hij is die Fontein, die geopend is, tegen de zonden en tegen de onreinheid, Zach. 13:1. Naar Hem toeloopende, wat zijn ze wonderlijk in hun schik! Niet hebbende hunne gerechtigheid, die geene is; maar die door het geloof in Jezus is, Fil. 3 :9.

718

-ocr page 725-

Il:|J;

li

OVER DEN LI. ZONDAG. Vraag 12Ö.

Nog eens. Ten derde. Dan zult gij dit kennen: gy zult in geen vijandschap, noch vervreemding kunnen leven. Ik wil in de zonde niet leven, zeggen ze; henen uit, zeggen ze tegen de zonde; en in allen deze maken ze een vast verbond, en zij komen in den eed en in den vloek, dat ze tegen de zonden strijden zullen, onder beding van Geest en kracht.

Dan, ten vierde, oefenen zij zich vast in eene gedurige vergeving van hun naaste; zij zeggen niet: hoe menigmaal zal ik mijn broeder vergeven? Niet alleen zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal, Matth. 18:22; zoo dikwijls als ze zondigen tegen huns gelijken, als God en Christus het hun vergeeft.

Wat zegt nu uw hart? Die vier stukken zijn klaar; kent gij ze, dan kunt gij met vrijmoedigheid het pardon verwachten, dat het zal uitgesproken worden op uw doodbed. En in \'t oordeel hebt gij dan te wachten den witten keursteen, Openb. 2:17. Dan zal hetquot; zijn: Wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven, Matth. 9:2. Kent gij er geen, wien de zonden vergeven zijn? Bileam wist dat wel; God, zegt hij, aanschouwt niet de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël, Num. 23:21. Waarom ziet God ze in hen niet? De Heere Jezus bedekt ze; zij zijn in Christus gevonden, en zoo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, Rom. 8:1. Als God iemand rechtvaardigt voor de men-schen, dan zegt Hij: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? Rom. 8:33, 34. Meent gij, dat die tekst niet volbracht zal worden? Ja, volkomenlijk, in de tegenwoordigheid van engelen en duivelen. Wie is het, die beschuldigingen inbrengt tegen u? God is het, die rechtvaardig maakt. Christus is voor u gestorven, ja, wat meer is. Hij is ook opgewekt, ja, wat nog meer is, Hij bidt voor ons, Rom. 8:33, 34. Als dat mag zijn, is het clan niet wel? Wij hopen, dat wij eens het geluk zullen hebben, om te mogen zeggen en zingen:

Al mijn misdaden en mijn zonden

Waren zeer groot en zwaar.

Maar uw goedheid niet om doorgronden Vergaf\' die al voorwaar.

Amen, ja, Amen.

719

iiM

li

*

-ocr page 726-

CATECHISMUS-PEEDIKATIE.

Over den LIL Zondag. Vrag. 127—129.

Twee-on-vijftigste Zondag.

127. Vbaag. Welke is de zesde lede?

Antwoord. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze: dat is: Dewijl wij van onszelven zoo zwak zijn, dat wij niet één oogenblik kunnen bestaan, en daartoe onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch niet ophouden ons aan te vechten; wil ons toch behouden en sterken door de kracht van uwen H. Geest, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten eenen-male de overhand behouden.

128. Vbaag. Hoe hcsluit gij mv gebed?

Antwoord. Want Uwe is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid; dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, den wil en het vermogen hebt, om ons alles goeds te geven, en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar uw heilige Naam eeuwig geprezen worde.

129. Vraag. Wat beduidt het tvoord, Amen?

Antwoord. Amen, dat is te zeggen: het zal waar en zeker zijn, want mijn gebed veel zekerder van God verhoord is, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer.

WIJ lezen, Deut. 20, op het 3IJ lezen, Deut. 20, op het 3d0 en 8ste vers, dat, wanneer Gods volk stond om het land Kanailn binnen te treden, er een priester als een uitroeper door het leger ging, die zeide: Hoor Israël, gijlieden zijt heden na aan den stryd tegen uwe vijanden: uw hart worde niet week, vreest en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht. En in het 88te vers: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat het hart zyner broederen niet smelte, gelijk zijn hart. God wilde geen week of moedeloos soldaat in den strijd hebben; maar Hij wilde moedige menschen hebben.

Tusschen den lichamelijken en geestelijken strijd is een nauwe band en eene groote overeenkomst. God wilde in den lichamelijken strijd geen week of moedeloos soldaat hebben; zoo wil Hij dien in den

-ocr page 727-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ,

geestelijken strijd ook niet hebben. In den lichamelijken strijd wilde od, dat ze naar huis zouden gaan die bevreesd waren; maar in den geestelijken strijd wil God dat niet; maar daar wordt hun toegeroepen: zijt kloek, geeft den moed niet verloren, houdt u mannelijk en zijt sterk, 1 Oor. 10:13; grijpt naar \'t eeuwige leven. Strijdt óm in te gaan door de enge poort. Luk. 13: 24. Uaar wordt hun toegeroepen: zijt standvastig, onbeweeglijk, 1 Cor. 15:58. Daar wordt hun toegeroepen: uw hart en handen worden traag noch ontroerd. Joh. 14:1. Schrikt niet voor de vijanden, wat Ik tot u zeg, dat zeg Ik tot allen: waakt. Mark. 13:37. Een slapenden soldaat kan men licht doodschieten; daar wordt hun toegeroepen: zijt nuchteren en waakt, 1 Petr. 5 : 9. Ziet, hoe gij voorzichtig wandelt, Ef. 5 :15. Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten, Ilebr. 13:5. Daar wordt hun toegeroepen: die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn, 2 Kon. G: 1G. Als er nu evenwel iemand was, wiens hart wankelde, wat doet dan de lleere Jezus? Hij zegt: waakt en bidt, opdat gij in gjeen verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak, Matth. 2G: 41. Gij meent het wel, maar gij zijteestelijken strijd ook niet hebben. In den lichamelijken strijd wilde od, dat ze naar huis zouden gaan die bevreesd waren; maar in den geestelijken strijd wil God dat niet; maar daar wordt hun toegeroepen: zijt kloek, geeft den moed niet verloren, houdt u mannelijk en zijt sterk, 1 Oor. 10:13; grijpt naar \'t eeuwige leven. Strijdt óm in te gaan door de enge poort. Luk. 13: 24. Uaar wordt hun toegeroepen: zijt standvastig, onbeweeglijk, 1 Cor. 15:58. Daar wordt hun toegeroepen: uw hart en handen worden traag noch ontroerd. Joh. 14:1. Schrikt niet voor de vijanden, wat Ik tot u zeg, dat zeg Ik tot allen: waakt. Mark. 13:37. Een slapenden soldaat kan men licht doodschieten; daar wordt hun toegeroepen: zijt nuchteren en waakt, 1 Petr. 5 : 9. Ziet, hoe gij voorzichtig wandelt, Ef. 5 :15. Ik zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten, Ilebr. 13:5. Daar wordt hun toegeroepen: die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn, 2 Kon. G: 1G. Als er nu evenwel iemand was, wiens hart wankelde, wat doet dan de lleere Jezus? Hij zegt: waakt en bidt, opdat gij in gjeen verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak, Matth. 2G: 41. Gij meent het wel, maar gij zijt zóó zwak, dat gij niet kunt. Ei! bidt, dat gij in geen verzoeking geleid moogt worden. Wat Hij op \'t laatst van zijn leven zeide, dat had Hij hun al vroeg belast, Matth. G en Luk. 9. Daar heeft Hij zijnen kinderen geleerd dat gebed te besluiten met deze bede: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

In deze zesde bede hebben wij dan te bezien:

Eerst. De verbinding en samenvoeging van deze zesde bede met de vijfde bede, door dat woordje: en.

Ten tweede. Den zwaren strijd, die er is tusschen de onderdanen van den Heere Jezus en de onderdanen des duivels.

Ten derde. De ootmoedige smeeking, het verzoek van elk onderdaan des Heeren: leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

Ten vierde. Den aandrang, bestaande in een krachtige pleitrede: want Uwe is dat Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid.

Ten vijfde en ten laatste. Het besluit met dat woordje: amen; nu ben ik weltevreden en gerust: ik geloof, dat Gij het doen zult. Daar, dat zijn onze vijf zaken. 1. De verbinding en tezamenvoeging van deze zesde aan de vijfde bede. 2. De schrikkelijke oorlog tusschen de onderdanen van den Zone Gods, en die des duivels. 3. De ootmoedige smeeking. 4. De pleitrede. 5. Het vertrouwen; zoo dunkt mij, zoo gevoel ik het aan mijn hart, ik zal mijne vijanden te boven komen: God zal mijne smeeking verhooren, en mij mijn wensch geven.

Wat het eerste aangaat, zoo moeten wi] zien, dat de samenvoeging van de zesde bede aan de vijfde niet tevergeefs is. Iemand mocht denken: mijne zonden zijn al vergeven; wat is er dan aan gelegen of ik in verzoeking geraak, waardoor ik in zonden zou vallen; \'tis toch al vergeven. Spreekt zoo niet, want:

do

721

-ocr page 728-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

Eerst. Al is het in den raad Gods waarheid, dat gij pardon hebt, zoo wil de Heere u leeren, dat de duivel uwe parti] zal blijven. Als u gevraagd vverdt, of gij het met hem eens waart? zoudt gij niet zeggen: Ach, neen! daar schrik ik voor. Zou ik niet haten die U haten? Vs. 139:21.

Ten tweede. Als gij gerechtvaardigd zijt, hebt gij dan niet meer van noode? De Zaligmaker wil u leeren; gij moet ook deel hebben aan de heiligmaking. Indien Ik uw Vader oen, zult gij Mij dan ook niet vreezen ? Mal. 1:6. Moet gij dan niet zeggen: Zoo Gi) Heere de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan? Ps. 130:3. Ach! schepseltje, zegt de Heere, gij moogt niet denken, dat gij deel hebt aan de rechtvaardigmaking, zoo er de heiligmaking niet op volgt.

Ten derde. Heeft God u de zonden vergeven, en zult gij dan nog in vijandschap blijven leven, en het met de vijanden houden, die u weer in andere zonden zullen doen vallen? Zi] zullen u wel uit de genade niet doen uitvallen, maar zij zullen u uwe vrijmoedigheid en blijdschap benemen. Valt dan op uwe knieën, en zegt: Heere! leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den booze. Dat is de verbinding.

Nu hebben wij, ten tweede, den zwaren en schrikkelijken oorlog te bezien. De wereldsche historiën spreken dikwijls van zware strijden; maar de bijbel spreekt nog van den grootsten, namelijk den geestelijke. Deze geestelijken oorlog overtreft alle anderen. Dat is de allergrootste oorlog. Hier moet men vechten tegen leeuwen, tegen adders, tegen duivels, \'t Is niet te doen om een stuk land, of om geld, maar om de ziel; en als gij die verliest, dan zijt gij eeuwig ongelukkig; en die tegen de vijanden zich moeten inspannen, zijn een deel zwakke, ongeachte lieden, en die tegelijk zoo genegen zijn tot hunne vijanden. Om u dat levendig voor oogen te brengen, zoo laat ons uwe gedachten eens leiden op deze wijze:

God heeft den hemel, de aarde, de zee, en de hel gemaakt. Overal heeft Hij inwoners gesteld, behalve in de hel, die zijn gevangenhuis is. In den hemel had God zijne duizend maal duizende en tienduizend maal tienduizende engelen. Dun. 7 :10. Deze geesten had God verheven boven al de schepselen Gods. Daar waren er eenigen onder, die begonnen zich te verheffen; zij waren met het beginsel van wijsheid en heiligheid, dat God hun gegeven had, niet tevreden. Daar

faan ze tezamen beraadslagen, of ze het zoo ver niet zouden kunnen rengen als God; en, zeiden ze, wij zullen er wel toekomen: wij willen liever deze woning, den hemel, missen, dan dat wij dit niet ondernemen zouden. Dit mishaagde God grootelijks; de Koning der Koningen ziet het. Toen zeide Hij tegen hen: Weg, uit mijne woning; nu stel ik ulieden in de plaats van mijn gevangenhnis, daar zult gij het voorwerp van mijne rechtvaardigheid zijn; Ik ontzeg u alle genade. De Koning plaatste ze in de gevangenis tot het oordeel van den grooten dag, Jud. vs. 6; maar Hij wil ze ook toelaten de wereld altemet eens te doorwandelen, Job 1:7, opdat ze zich nog meeraan ze tezamen beraadslagen, of ze het zoo ver niet zouden kunnen rengen als God; en, zeiden ze, wij zullen er wel toekomen: wij willen liever deze woning, den hemel, missen, dan dat wij dit niet ondernemen zouden. Dit mishaagde God grootelijks; de Koning der Koningen ziet het. Toen zeide Hij tegen hen: Weg, uit mijne woning; nu stel ik ulieden in de plaats van mijn gevangenhnis, daar zult gij het voorwerp van mijne rechtvaardigheid zijn; Ik ontzeg u alle genade. De Koning plaatste ze in de gevangenis tot het oordeel van den grooten dag, Jud. vs. 6; maar Hij wil ze ook toelaten de wereld altemet eens te doorwandelen, Job 1:7, opdat ze zich nog meer

722

-ocr page 729-

OVER DEN LIL ZONDAG. Vrag. 127-129.

723

zouden bezondigen, opdat ze in \'t oordeel van den grooten dag te zwaarder straf zouden hebben. Daar in \'t doorwandelen van de wereld, zien ze een paar menschen, die in vrede leven. Daar beleggen ze hoe ze dat paar menschen aanranden zullen, of ze het met hun allen zullen doen, of een tegelijk. Daar handelen zij listig. Daar komt er een alleen hen aanranden. Die volmaakte mensch had misschien daarvan geen kennis, dat er gevallen geesten waren, üie verzoekingen hebben succes. Hij wint den eersten Adam; dat heeft hij den tweeden Adam nooit kunnen doen. Die te voren in zulk eene vriendschap met God leefde, denkt hij nu aan God, zoo maakt hij misbaar. Kom, zegt de duivel, laat ons tezamendoen, elk in zijn soort om tegen Grod te strijden; laat ons eens zien, of wij God niet zouden kunnen winnen. Daar maken do menschen den duivel, dien doombosch, koning over zich. God de Heere dit merkende, en het al lang te voren gezien hebbende, heeft Zich over sommigen ontfermd; Hij heeft in zijnen raad vastgesteld, dat Hij sommigen verkiezen zou, en tot vaten\' der eere stellen. Daar heeft God de vader eene onderhandeling met den Zoon, en met den Heiligen Geest. De Vader zeide: Ik wil Mij aan sommigen van die gevallen menschen verheerlijken, door hen te verkiezen en genade te geven. De Zoon zeide: Ik neem op Mij de uitverkorenen te redden. De Vader zeide: Ik beloof het, dat Ik ze dan aan U tot uwe onderdanen geven zal. Ik ben daarmede tevreden, zeide de Zoon, of ze arm of rijk, edel of onedel zijn, daar vraag Ik niet naar. Daarop komt de Geest, en zegt: Dat zal Ik ontdekken, daar zal Ik ontdekking van geven aan de duivelen en menschen. Daarop gaf de Heere dienaars naar zijn raad. Dat was ook in Gods raad, waar die en die werken zal. Daar roepen ze pardon, al hebt gij groote lastering begaan, daar is pardon, zoo gij n maar wilt vernederen en bekeeren. Daarop komt de Heere en Hij grijpt ze in \'t hart, Hij wordt ze te machtig. Hij maakt ze week. Hij bekeert ze en geeft ze het geloof. Daar beginnen ze te zeggen: Ach God! wat heb ik gedaan! Ik kan het niet langer met den duivel en met mij-zelven houden. Zon ik genade gevonden hebben in uwe oogen, Drie-eenige God? Dat is wonderlijk in mijne oogen! En hoe eer hoe liever gaan ze in een verborgen plaatsje en maken een verbond met

44.: ö. ik kan liet in \'t luns vanden sterktrewapende niet tiouden.

zeggen ze. Daar komen ze over tot den Zoon des levenden Gods, die de overwinning Israels is, 1 Sam. 15 :29. Daar komen ze over tot den dienst van God. Zij bidden, zij danken, zij houden den Heere vast, zij zeggen: ik kan U niet laten gaan, vóórdat Gij mij zegent. Gen. 32:26. Heere! zeggen ze, hebt Gij mij, goddelooze, geringe, ongeachte uit zoo vele duizenden, uitverkoren ? Ik smelt voor U in liefde, verwondering en dankzegging. Heere! bewaar mij nu in uwe kracht; afval is gruwelijk, de dood alleen zal scheiding maken, zeggen lieve vrienden; maar die zal hier de beste vereeniging verwekken. Op zulk eene wijze is de een eens biddende, de ander dankende, de derde vol

-ocr page 730-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

liefde en een vierde is eens moedeloos. Wat doen Gods knechten? Die staan hen bij, die zeggen: wij kennen de diepte van den satan; zijne listen zijn ons niet onbekend, of door studie, of door ondervinding; zij geven hun raad en daad, zij zeggen: de vromen zullen altemet eens voor u bidden, opdat wij u zouden onderrichten, wat gij moet doen in dezen strijd. Gij moogt ons alteniet wel eens aanspreken in dezen geestelijken strijd. Heeft de Koning daar ook wapenen? Ja Hij, Ef\'. 6:14—18, daar staan ze van \'t hoofd tot do voeten in de wapenen. Hunne lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende de borstwapenen der gerechtigheid, en de voeten geschoeid hebbende met de bereidwilligheid van het Evangelie des vredes. Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloof\'s, met welke zij al de vurige pijlen des boozen kunnen uitblusschen; en genomen hebbende den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord; met alle bidding en smeeking, biddende ten allen tijde in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeeking voor al de heiligen. Zij worden bekwaamd en geoefend in \'t gebruik van die wapenen. Vreest niet, zegt God, mijn oog zal op u zijn, Ik zal u raad geven, Ps. 32:8, mijne goede hand zal u behoeden. Daar staat die Koning met zijn leger. Daar komt de Koning op den berg Zions, met zijne lammetjes. Gaat dat hier zóó toe? zegt de duivel en de wereld. Daar komt duivel en wereld met hunne honderdduizenden, tegen dat leger van den Koning aan; zij zijn al-temaal als Goliaths, als kinderen Enaks. Dan komt de duivel, dan komt de wereld, dan het hart; elk is als een reus, en wij zijn maar als sprinkhanen in hunne oogen; dan komt de duivel eens als een engel des lichts, dan als een satan, als een engel des verderfs, als die harige bok, en als de draak, die vergrimd was op die vrouw, Openb. 12:17. Als gij God wilt vreezen, meent gij, dat de duivel u ongemoeid zal laten? Hij doorwandelt de aarde, Job 1:7. En hij gaat rondom u als een brieschende leeuw, 1 Petr. 5 : 8. Wel arm mensch! zegt hij, gij leest zoo, gij wilt zoo onderzoeken, maar laat dat voor de predikanten. Daar wil hij u het oog verblinden: hij is een vriend van onkunde, hij mag niet lijden, dat een mensch tot licht komt. Dan zegt hij: wat, moogt gij denken dat er een God is! Ps. 10:4 en 14:1. Is dat een God ! wel. Hij doet zijnen vijanden goed, \'t gaat hun dikwijls zoo wel, die Hem niet vreezen; en die Hem vreezen, hebben zooveel tegenspoed. Dan zegt hij: zou Gods Woord de waarheid zijn? Let er op, wat voor onbegrijpelijke leerstukken er in zijn, wat voor schrikkelijke geboden, wat voor tegenstrijdige geboden! Dan: Wat, zoudt gij eene ziel hebben! \'t is maar bloed, \'t is maar uw adem. Dan: Wat, zou er eene hel of hemel zijn! Schoone fabels! \'tis al maar om u van mij af te tronen. Wat voor donkerheden hebt gij naar uwe ziel! Hoe kommerlijk hebt gij het naar \'t uitwendige! Die God vreezen, zij staan gedurig en schreien: het zijn menschen van een slechten staat.

Kan hij u God niet doen smaden, zoo zegt hij: gij hebt vele deugden; gij hebt wel eens geschreid, wees nu gerust; denk nu, dat gij

724

-ocr page 731-

OVER DEN LIL ZONDAG. Vrao. 127-129.

725

bekeerd zijt. Dan zegt hij eens: gij moet bekeerd zijn, maar \'tis nog tijd genoeg; gij zijt nog jong, gi) hebt de wereld nog niet eens doorkeken; al doet gij de zonden nog wat. God is gaarne vergevende. En dan, als gij ond zijt, zegt hij: nu zijt gij te oud, nu is God zoo rechtvaardig. Als gij u dan wilt gaan bekeeren, dan haalt hij de sluizen van de afgronden wel eens open, en hij doet ze beven door al het verschrikkelijke. Dan werpt hij schrikkelijke gedachten in hen, vurige pijlen; ik zal u niet met vrede laten, zegt hij, of gij alleen, of bij menschen zijt, tot op uw doodbed toe; ik zal u uw leven zoo moede maken, dat gij de verworging zult kiezen boven het leven. Maar God bewaart ze in zijne kracht, 1 Petr. 1:5. Dan zegt hij: ik heb alles in mijne hand; daar is er niet één, ot hij is mijn knecht; ik zal het alles tegen u gebruiken; wie God vreezen, ik zal het er alles tegen laten gebruiken. Wat zijn er groote onderdanen in mijn rijk! Ik kan tegen u gebruiken uw naaste en liefste vrienden, altemet uw eigen man of vrouw, zoodat gij uwe lippen voor hen bewaren moet; dan uw eigen kinderen, uwe knechten en dienstboden. Dan stelt hij hun eens voor de geheele wereld; al \'t mooie en fraaie kunt gij verkrijgen; wilt gij stelen, liegen, dartel zijn; voegt u maar naar allen man, gij zult zoo arm niet zijn. Gehazi! gij kunt al veel krijgen, lieg maar eens; gij zoudt ook wel wat goed willen hebben, dan moet gij voor mij neervallen en mij aanbidden, Matth. 4 :0. Gij moet doen gelijk de menigte, leeft naar de mode, naar \'t fatsoen en den zwier van de wereld. Steekt op in den tooi. Zij doen \'t ook wel, zjj vervallen er toe, en kijken al eens stilletjes om, of niemand \'t ziet; en zoo bedroeven ze Gods kinderen. Zij komen wel zóó ver, dat zij zelfs anderen verachten, die niet meedoen, en zoo maken zij, dat vrome ouders geen raad met hunne kinderen weten. Daarbij komt de onvoorzichtigheid van sommige predikanten; want dan zeggen ze: de predikanten en hun huisgezin doen mee; elk, zeggen ze, moet naar zijn staat gaan; er moet onderscheid zijn. Dan zeggen anderen: ik moet mee doen, want ik kan het doen. Dan is het eens: in een nederig kleed is wel een hoovaardig hart. Dat is waar, maar ik heb nog mijn leven geen nederig hart onder een hoovaardig kleed gezien. Dan is het: Wel! ik volg maar de menigte. Dan komt de verdorvenheid van binnen, die heeft altemet geen lust tot het goede. Daar is het hart tot hinken gereed. Dan laten ze wel eens het bidden na. Ach! wat gaat er al om! Die vijand is altijd bij ons, die is binnen in ons, die houdt gemeenschap met de vijanden van buiten, die komt niet, of hij wint altijd wat; het is wat raars, als er eens niet een lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons zich opdoet. De vijanden, waar wij tegen te strijden hebben, zijn onverzoenlijk; zij zullen ons geen rust laten tot op ons doodbed toe. Daardoor geraakt nu een kind Gods in zulk een verstel van zaken, dat zij zeggen: Mijn God! Gij zoudt rechtvaardig zijn, als Gij mij tot een spiegel van uwe rechtvaardigheid steldet; ik beu van binnen zoo slecht, en van buiten heb ik zulke vjjanden!

-ocr page 732-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

.N ii het derde is: Ik val met tranen op mijne knieën, en zeg: Ach! wat Middelaar heb ik, die mij zulk een gepast gebed geleerd heeft! Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. God de Ileere verzoekt nooit iemand dat hij zonde zou doen; een goede vader verzoekt zijn kind niet tot vloeken of hoereeren, veel minder doet God het. Verre zy God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht. Job 34:10. Zal een koning ons verzoeken tot zonden? Dat moet dan een goeden zin hebben. Hoe leidt God iemand in verzoeking?

Eerst. Zoo, dat Hij den vijand macht geeft om dat schepseltje aan te randen. In het paradijs liet God den duivel los om den mensch aan te randen. 1 Kon. 22:20—22, liet God den duivel toe de profeten van Achab te verleiden: ik zal Achab overreden, zegt hij, ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijne profeten. Op de eene plaats staat, dat de satan David aanporde om het volk te tellen, 1 Ivron. 21: l, en op de andere plaats staat, dat God David aanporde om het volk te tellen, 2 Sam. 24:1. God deed het als de Regeerder van David, en de duivel deed het als vijand van David. Wij vinden in den profeet Jeremia dat, hetgeen de valsche profeten gedaan hadden, gezegd wordt van God gedaan te zijn. Jerem. 4:10, Waarlijk, Gij hebt dit volk en Jeruzalem grootelijks bedrogen, zeggende : Gijlieden zult vrede hebben, daar het zwaard tot aan de ziel raakt.

Ten tweede. Als God iemand van zijne kinderen door zijne voorzienigheid in zulke gelegenheden brengt, waar ze zondigen. Achab komt waar de gouden tong is, en hij bezondigde zich schrikkelijk, Joz. 7:21. Gods Zoon komt in de woestijn, Matth. 4:1. Dat was eene schoone gelegenheid om verzocht te worden van den duivel.

Ten derde. Dan: als God geeu genoegzame genade geeft, noch zijne oppermacht vertoont; en dat doet Hij, öf om hen te kastijden, of om hun te doen zien, hoe ze van God afhangen. Ziet dat in Hiskia, 2 Kron. 32:31, trok God zijn hand af van Hiskia, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.

Nu smeekt een kind Gods; Eerst. Ach! laat den duivel niet los, om mij aan te randen! laat ik in zulke gelegenheden niet komen, waar ik verzocht zou kunnen worden; of indien ik er in moet komen, ach. God! bewaar mij; trek uwe hand niet van mij af!

Ten tweede. Leert Hij hun daarbij voegen: bewaar mij, of, verlos mij van den booze!

\'Wie is de booze? Dat is de duivel. Hij heeft zichzelven veel kwaad gedaan, hij doet anderen veel kwaad, en hij zoekt God zooveel kwaad te doen, zoodat hij niet anders is dan geheel en al boos; hij is blijde als hij aan de zaak van God maar kwaad kan doen. Laat ik tot den dag van het groote oordeel bewaard worden, om nog meer straf te verwachten, zegt hij, als ik God en menschen maar kwaad kan doen!

Hoe doet nu God, als Hij ons verlost van den booze?

Eerst. Dan ontdekt Hij waar liet kwaad is. Gij hunkert om dit of

726

-ocr page 733-

OVER DEN LIL ZONDAG. Vkaq. 127-129.

dat te doen; gi] wilt hier en daar gaan, dit en dat zien, waar veel kwaad is; dan geeft God u de achterlaag te kennen. Hij zegt: gij zult daar gevangen en verstrikt worden! \'t Is er eveneens mee, als met den koning van Syrië, die zeide: Wie van n allen is de verklikker aan mi]n hof? De koning van Israël wist zelfs al wat hij in het verborgen deed. Doch een zijner hovelingen antwoordde kloekhartig, en zeide: De koning zegge dat niet, dat er iemand een verklikker is, maar Eliza de profeet, die in Israël is, geeft den koning van Israël te kennen de woorden, die gij in uwe binnenste slaapkamer spreekt. Ik wilde wel, zegt hij, dat ik dien man zag! Daar zendt hij er een troep menschen naar toe. Daar was de knecht van den profeet in de uiterste benauwdheid. Zij zaten op een berg, doch die was vol vurige wagenen en paarden rondom Eliza. Maar de knecht zag dat niet. Doch de profeet Eli/.a bad God, dat Hij de oogen van den knecht wilde openen. En toen de knecht dat ook zag, zeide de profeet: vrees niet, het zal alles wel afloopen, zeide hij; en toen was die knecht ook gerust. Daar gaan ze naar dien troep menschen toe, en God slaat dat volk, op het gebed van den profeet, met verblindheid; zie dat 2 Kon. G:ll—18. Zoo verlost God zijn volk. Verkeer met die of die niet, zegt Hij, het zou u kwaad doen.

Ten tweede. Dan verlost God ze, als de duivel is begonnen hen te doen vallen, als ze al in \'t begin klopping voelen. Zij stonden anders om verder te vervallen, maar God stuit ze.

Ten derde. Als de duivel iemand aanport tot zonden, dat hij dan uwe knoopen niet kan ontbinden. Gij gaat er argumenten tegen maken, zoodat hij begint te futselen. Gij geraakt uit zijne handen, zoodat hij op \'t laatst moet zeggen: wij moeten quot;t opgeven totdat wij eens eene betere gelegenheid zullen hebben, als wi) u weer eens zwak vinden. Dan zijt gij ervan ontslagen. Gij moet niet modereeren in de zaak van God. Laten ze u een kwaden naam geven; dat is geen kunst, eene goede zaak een kwaden naam te geven. Doch lasteren verandert geen goede zaak in eene kwade.

. Hij verlost ze eindelijk van den booze, als Hij ze naar den hemel brengt. Wat doet de ziel? Ach God! zegt ze, ik heb geen kracht, help Gij mij; doe mij onderstand; laat ik een goeden uitslag hebben, dat ik als een vogeltje ontkomen mag uit den strik des vogelvangers; zoodat ik mag zeggen: de strik is gebroken, mijne ziel is ontkomen, Ps. 124 : 7.

Ten vierde. Nu hebben wij de pleitrede, het argument, dat ze bij den Heere gebruiken, om hun verzoek en bede nader aan te dringen. Zij willen dit zeggen:

Eerst. Drieëenige, zalige God! het is niet dat ik kom bidden, omdat Gij geen macht genoeg hebt; maar ik kom bidden, om U te eeren in uwe macht; die zal niet duren dertig of veei\'tig jaren, gelijk de macht van een aardsch vorst of koning, maar eeuwiglijk. Ach! drieëenige God! Uwe is het koninkrijk. Den Vader heb ik aangesproken, dal Hij zijn naam in genade aan mij zou heiligen; en tot den Zoon

727

-ocr page 734-

CATECHISMUS-PREDIKATIE

heb ik gezegd: dat zijn koninkrijk mocht toekomen; den Geest van God heb ik aangesproken en verzocht, dat Hij mijn hart zou regee-ren, en dat Hij mij gena,de beliefde te geven, om te regeeren over duivel, wereld en over mijn eigen hart? Lieve Heere! welke koning zal de oproermakers laten nestelen? Ik bid dan, bescherm uwen troon, uwe zaak, uwe onderdanen.

Ten tweede. Gij hebt kracht. Zoo het aan de kracht komt, ziet. Hij is sterk, Job 9:10. Gij weet de godzaligen uit de verzoeking te bewaren; Gij hebt eene almacht; Gij kunt al de werken des duivels verbreken, en al zijne raadslagen tenietmaken. Gij hebt ookquot; heerlijkheid; uwe eer wordt nergens meer door gekrenkt, dan door de zonden van uw volk; zij wordt nergens grooter door, dan door de heiligmaking; U zal alleen de eere zijn; dan zal ik zeggen: dat heeft mijn God, mijn Vader, mijn Geest, quot;mijn Middelaar gedaan; die eer zal duren tot in eeuwigheid.

Ten vijfde. Nu besluiten zij hun gebed en zeggen: amen. Dat is:

Eerst. Mij dunkt, zeggen ze, dat ik het amen in mijn hart voel; Gij geeft mij ruimte, kalmte, blijdschap. Amen: Ik heb kennis van datgene wat ik gebeden heb. Hoe zal ik amen zeggen op een gebed in eene onbekende taal?

Ten tweede. Amen. Ach! ik heb er zulk een wensch toe, om het te verkrijgen wat ik gebeden heb!

Ten derde. Ik geloof niet alleen, dat Gij kunt, maar dat Gij \'twilt en zult geven.

Ten vierde. Ik geef het in uwe hand, ik wacht het.

Daar hebt gij den laatsten Zondag van dat heerlijke en liefelijke gebed, dat zoo dikwijls en zoo onverdrietelijk gebeden wordt.

Nu nog een woord tot een hartelijk slot.quot;

Laat ons nu eens elk tot ons hart gaan, laat ons eens zien, hoe \'t daar gesteld is.

Eerst. Hoe menigeen zit er hier die zijn vijand niet kent. Abner rekende Joab voor zijn vriend, en hij werd van hem doodgestoken. Amnon rekende Absalom voor zijn vriend, en die liet hem vermoorden. De verdorvenheid, de wer(11 1 1 quot; 11 11

vrienden? Het zal u zoo bitter

vallen, als zn u den doodsteek ireven

3

zullen! Als uw geweten eens ws

nadeloozen! Hoe bang zal \'t u dan vallen, als gij naar de hel zult moeten gaan! Hoe menigeen is er hier, die zijn vriend voor vijand rekent! Is er ergens een oprecht mensch, die n eens aanspreektquot;, gij kunt hem niet dragen.

Ten tweede. Die niet mede loopt tot overdadigheid, groot en klein, leeraar en lidmaat, die mag niet meedoen. Is er iemand die u eens aanspreekt, daar zoudt gij Avel tegen uitvallen. En wat kwaad doen ze u, dan dat ze eens voor u bidden ? Maar gij zoudt er wel tegen oprijzen.

Ten derde. Daar zitten er hier wel, die misschien een ander hebben zoeken te verleiden. Gij verzoekt misschien wel iemand tot zon-

728

-ocr page 735-

OVER DEN Lil. ZONDAG. Vrag. 127-129.

den; gij spant strikken om ze te vangen; gij verzoekt misschien uw man, uwe vrouw, uwen kinderen om mede naar de hel te gaan, om mede zondige daden te doen.

Ten vierde. Dan zijn er, die zooveel kracht hebben; ze kunnen alle boeken lezen; die steunen op hun hart; zij zullen zich wel bewaren. Zoo was \'t met Petrus ook gesteld. Heere! al moest ik ook met U sterven, zoo zal ik ü geenszins verloochenen, zeide hij, Matth. 2ü: 35. Maar hoe groot was die verandering in hem, toen hij buiten de zaal des hoogepriesters zat, en den Heere tot driemalen toe verloochende! Matth. 26:70, 72, 74. Anderen werpen zichzelf in verzoeking, evenals Dina; anderen blijven in de verzoeking. Petrus bleet\' staan, totdat hij er toe lag, toen droop hij heen naar buiten, en weende bitterlijk, Matth. 26:75. Anderen zouden van den dienst des duivels niet verlost willen worden. Daar zijn er, die nooit om den genadestaat gedacht hebben. Ik beroep mij op uw eigen hart: is het huis niet in vrede? Moogt gij het wel lijden, dat gij onrustig gemaakt wordt? Zondaar! weet gij wel tegen wien gij vecht? Tegen een almachtigen God, Die het nog zoo wel met u meent om u te redden. Weet gij, met wien gij vrede hebt? Met den duivel, dien afvalligen en hel-schen geest.

Ten vijlde. Grij moogt uw leven denken, noch om bekeering, noch om te bidden, oi\' als gij eens bidt, \'t is half slapende, zoodat gij niet weet, wat gij bidt. Gij zult den slag zekerlijk verliezen. God zal eindelijk den doodpyl zenden, zoodat gij zult zeggen: Ach! was ik onder de banier van Christus!

Hoe zult gij het maken, die door de Libertijnen en Atheïsten wordt weggesleept in die plaats van eeuwig wee en ach! waar gij het voorwerp van de rechtvaardige justitie Gods zult zijn? Ach! konden wij u overreden, dat er nog eenigen heilzamen raad bij u plaats had. Maar, zegt gij: ik kan niet, en ik wil niet. Ik wil niet, dat durft gij zoo niet zeggen; maar ik kan niet, zegt gij, en dat is maar eene verschooning van uwe luiheid. Het schort u niet aan het: ik kan niet, maar aan het: ik wil niet. Zoudt gij, als gij wildet, niet meer kunnen doen? Zoudt gij ten minste niet meer onder de middelen kunnen komen waar God zegen geeft? Zoudt gij niet meer uwe knieën kunnen buigen en de middelen gebruiken ? Het goede werk kunt gij zelf niet werken, maar de middelen kunt gij gebruiken, daar belooft God zijn zegen op. Zeg dan niet: dit of dat valt er voor; maar zeg liever: ik bebolwerk mijzelven, en ik zoek uitvluchten: en als er nog iemand bewrocht wordt, dan zoudt gij hem nog wel allen hinder doen. Gij wilt zelf niet ingaan, en gij verhindert hen, die ingaan willen, Matth. 23: 13.

Vromen hebben hierin ook schuld. Gij hoort zoo naar de inwerpingen van den satan. Als iemand u lasterde, zoudt gij zeggen: het is misschien niet alles waar; maar nu God gelasterd wordt, gelooft gij.

Ten tweede. Gij hoort niet naar degenen, die u met redenen troosten.

729

-ocr page 736-

CATECHISMUS-PREDIKATIE ENZ.

Ten derde. Gij pleit voor den Baill; en dat noemt gij wijsheid, als gij argumenten hebt om mv stuk staande te houden.

Eindelijk wordt gij moedeloos; uwe lichamelijke en geestelijke oefeningen staan als stil: ten avondmaal gaan, bidden, lezen, gij kunt het bijna niet verrichten.

Ja! zeggen de vromen, ik heb het zoo hard niet als anderen, en daarom is \'t werk met mij niet recht. Wenscht daar nooit om: leidt God u vriendelijk, dankt Hem hartelijk; belieft het Hem u van den booze te bewaren, dankt Hem.

Wie van de vromen bidt deze bede wel?

Eerst. Die altijd zulk een helder licht heeft, dat er maar twee rijken zijn: eene stad Gods, en eene stad des duivels.

Ten tweede. Die zoo overlegt: waar hoor ik onder? Ben ik nog in de stad des duivels? of behoor ik al in de stad Gods?

Ach! Ten derde, ik reken ze zoo gelukkig, die in de stad Gods zijn; en zoo ongelukkig, die er niet in zijn. Ben ik er in, wat ben ik dan gelukkig; maar ben ik er uiet in, wat ben ik dan ongelukkig!

Ten vierde. Ik voel het in mijn hart, dat ik het met het volk in de stad Gods zou houden; daar zou ik de wereld mede uitgaan.

Ten vijfde. Ik heb niets anders te wachten, dan dat er strikken voor mij kunnen en zullen gespannen worden, zoo God mijn Vriend, en de duivel en de wereld mijne vijanden zijn. Die misschien allerverst in de kennis en in de genade gekomen zijn, zullen den meesten strijd hebben.

Ten zesde. Die zoo nederig en afhangend van den Heere is. Ik ben zoo klein, zeggen ze; ik heb geen kracht, geen verstand, geen voorzichtigheid ; ik kan niet één oogenblik bestaan zonder uwen invloed; en die zoo al biddende, God kent in al zijne wegen, niet gemaakt; zij verbergen het, dat het niemand ziet, al stonden er twintig, ja honderd bi].

Ten laatste. Die zoo zegt: ik zie \'t dat de rechtvaardige nauwlijks zalig wordt, 1 Petr. 4 :18; ik wil evenwel mee achter den Heere gaan.

Wat zegt nu uw hart? Ligt het zoo in uw gemoed? Wel, God zal met u zijn, en geen duivel zal u kunnen verpletteren. Die met u zijn, zijn meer dan die tegen u zijn. Onze inleiding herhalen wij: hebt goeden moed; zijt niet verslagen, gij moet sterven of winnen. God zal met de goeden zijn. Hij is altijd met eene goede zaak. Wie of wat zal dan tegen u zijn? Hebt gij God, gij hebt liet al. Als gij dien machtigen Heerlijke hebt, dan zal n niets ontbreken. Het vrome volk zal \'t altijd winnen met zijn schreien, zuchten en bidden. De Heere zag op Israël en Hij kende ze. Het zal zoo gaan tot den laatsten dag toe. Onderzoekt nu uw hart; kijkt in welk leger gij behoort. Wij hopen, dat wij het zoo klaar gezegd hebben, dat gij het besluit zult kunnen opmaken. De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundeere ulieden. Hem zij de heerlijkheid, en de kracht, in alle eeuwigheid! Amen.

730

-ocr page 737-

KORT BEGRIP

VAN DEN

IIEIDELBERGSGHEN CATECHISMUS

VERVAT IN

V PREDIKATIËN.

EERSTE PREDIKATIE.

Over Zondag I—VI.

uit psalm 130:3, 4.

Zoo (jij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat, lieere! wie zal bestaan? Maar hij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

WIJ lezen, Rom. 1; 16, dat de apostel Paulus zeide: Ik schaam mij het Evangelie van Christus niet: want het is eene kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek. De apostel wist wel, dat het Evangelie den Joden eene ergernis was, en den Grieken eene dwaasheid; hij wist wel, dat ze van het Evangelie van Christus zeiden, dat het \'t zwakke, en het dwaze Gods was; hij was zoo dwaas niet, of hij wist wel, dat de knechten van den Heere Jezus, komende met het Evangelie, de leer der genade en der zaligheid, als ze dat prediken, dat het de natuurlijke mensch niet begreep, 1 Cor. 2:14, De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; zij zijn hem een dwaasheid, hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden moeten worden. De apostel wist wel, als hij met dat Evangelie kwam, dat ze zouden zeggen; Gij raast, uwe groote geleerdheid brengt u tot razernij. Hand. 26:24. Nochtans, niettegenstaande dat alles, bij behoeft zich dat niet te schamen, daarvan te preeken, en te spreken.IJ lezen, Rom. 1; 16, dat de apostel Paulus zeide: Ik schaam mij het Evangelie van Christus niet: want het is eene kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft, eerst den Jood en ook den Griek. De apostel wist wel, dat het Evangelie den Joden eene ergernis was, en den Grieken eene dwaasheid; hij wist wel, dat ze van het Evangelie van Christus zeiden, dat het \'t zwakke, en het dwaze Gods was; hij was zoo dwaas niet, of hij wist wel, dat de knechten van den Heere Jezus, komende met het Evangelie, de leer der genade en der zaligheid, als ze dat prediken, dat het de natuurlijke mensch niet begreep, 1 Cor. 2:14, De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; zij zijn hem een dwaasheid, hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden moeten worden. De apostel wist wel, als hij met dat Evangelie kwam, dat ze zouden zeggen; Gij raast, uwe groote geleerdheid brengt u tot razernij. Hand. 26:24. Nochtans, niettegenstaande dat alles, bij behoeft zich dat niet te schamen, daarvan te preeken, en te spreken.

De religie, die Paulus predikte, en die wij prediken, is een en dezelfde, en hij, noch wij behoeven het ons te schamen. Waarom?

-ocr page 738-

EERSTE PREDIKATIE

Omdat ze zoo vol is van wijsheid en grooten glans, en daar is zulk een glans van goddelijkheid in, zoodat elk zeggen moet; zij is van God. Waarom dat? Omdat er zulke dingen in zi]n, die geen oog gezien heeft, en geen oor gehoord, noch in het hart des menschen is opgeklommen, wat God bereid heeft voor diegenen, die Hem liefhebben, 1 Oor. 2:9.

Behalve dat al, zoo is er zooveel verkwikking en troost in dien godsdienst. Dat Évangelie, al was het, dat ze nog zooveel droefheid hadden van hunne wieg af, tot hun graf toe, konden zij den troost en de verkwikking niet uitspreken. Ps. 94:19, Als mijne gedachten van binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. Derhalve, zoo moeten Avij zien naar een weg om tot die verkwikking te komen, dien ze noodig hebben.

Dien weg, dien wij noodig hebben om tot troost te komen, gaat de Onderwijzer klaar voor onze oogen leggen. Wilt gij mij vragen, vraagt; en ik zal u antwoorden, om niet. achter te houden van den ganschen raad van God, dat ik u dien zou ontdekken. Hand. 20:20.

Geliefden! wij hebben dan zulke dingen tegenwoordig te verhandelen, die wij ons nooit mogen, noch behoeven te schamen. In ons leven behoeven wij het ons niet te schamen, in ons sterven behoeven wij het ons niet te schamen, en in de opstanding; en als wij in den hemel zullen wezen, zoo zal de troost, die ons het Evangelie gegeven heeft, ons verkwikken.

Welk is nu die eenige troost, beide in leven en in sterven?

Eerst. Dat ik, die deel heb aan het Evangelie, van mijzelven verlost ben. Ik ben geen slaaf van mijzelven meer, ik maak geen afgod van mijzelven meer; te voren deed ik dat. O! als ik mijzelven een last ben, dat is de staat van den verloren zoon, toen hij weerkwam; maar zijns zelfs te zijn, dat is de staat van den verloren zoon, toen hij wegging. ,

Ten tweede. Ik ben eens anders geworden, en dat is mrjn troost, ik ben des Zaligmakers eigen geworden, Matth. 1:21, Gij zult zijn naam heeten Jezus, want 11 ij zal zijn volk zalig maken van al hunne zonden. Hij is de volkomen Zaligmaker, Hebr. 7:25. Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken. Daar is ook geen andere Zaligmaker, Hand. 4:12, Daar is ook geen andere naam ouder den hemel den menschen gegeven, waarin wij moeten zalig worden, dan in den naam Jezus.

Behalve dat, zoo is Hij ook de Gezalfde. Wij hebben zulk een Leeraar aan Hem! Hij onderwijst ons van binnen. Jes. 48:17, Ik beu de Heere uwe God, die u leert wat nut is.

Hij is ook de Priester, die de verzoening getroffen heeft. Hij bad: Vader I laat dezen in het verderf niet nederdalen. Ik heb verzoening voor hen gevonden. Job 33:24.

Hij is ook de Koning, onder wiens regeering wij zoo heilig zijn; Hij is een zachtmoedig en goedertieren Koning, en Hij bewaart mij krachtdadig, en beschermt mij zóó, dat zelfs de poorten van de hel mij niet zullen overweldigen, Matth. 16:18.

732

-ocr page 739-

OVER ZONDAG I-VI.

Bovendien, zoo is de Heere Jezus Christus zulk een getrouwe Zaligmaker, dat Hij de zijnen in geen nood verlaat, noch in het water, noch in het vuur, de rivieren zelfs verdrinken hen niet, Hoogl. 8:7. Het gaat huu gelijk Petrus, toen hij begon te zinken, gaf hem de Heere Jezus zijne hand, zoodat hij niet verdronk, Matth. 14:31. Ja, ik heb zulk een last, dat mij tot zulk een smart is. Ik draag een pak, waar ik onder gehukt ga, en dat is de zonde; dat ik zulk een zondig schepsel ben, daar ga ik onder gebogen, en ik zou daar als onder hebben moeten bezwijken, maar de Heere heeft er mij van verlost, zoodat ik kan zeggen, dat ik verkregen heb de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, Ef. 1 : 7. Ach! ik was zulk een slaaf van de zonde; ik was een gevangene van den duivel; ik zat in het huis van dien sterkgewapende, maar Hij trok er mij uit, Matth. 12:29. Hii zeide: wilt gij met My gaan? het met mij gaan houden, en met iiiijne zaak? Wilt gij besluiten? Ik zal het dan alles voor u maken. Ik zal u onder de schaduw mijner hand bedekken, Jes. 49:2. Als gij alles voor Mij opzet, al kwamen daar leeuwen tegen u, zij zullen u niet doen terugkeeren. Zij kunnen zeggen: het staat in mijne macht niet terug te keeren, mijn Koning zal mij bewaren in zijne kracht, 1 Petr. 1:5. Hij zal tot in eeuwigheid bij my zijn. Dat is mijne verkwikking en troost, als ik eenig kruis heb, of iets onderneem, dat ik zoo onder zijne nauwe voorzienigheid leef. Ik zucht geen zucht, of ik schrei geen traan, noch valt er niet één haar van mijn hoofd, zonder zijne voorzienigheid, die over mij is. Zulk een nauw toevoorzicht houdt de Heere over al mijn doen. Hij telt al mijn treden; mijne tranen vergadert Hij in zijne flesch, Ps. 50:9. Al wat mij bejegent, het werkt mij al ten goede. Kom. 8 : 28. De menschen dachten die het ten kwade, de duivel dacht die het ten kwade? God dacht het ten goede! Als de tegenheden altemet te hoog gingen, dan werd ik van God wel verblijd en onthaald op de verzekering des Geestes; Hij nam mij altemet eens alleen, en Hij overstroomde mijn hart met zijne bewerkingen, ik werd met de kussen van Gods mond gekust, Hoogl. 1 :2, zoodat ik mocht zeggen: Gij zijt de mijne en ik de uwe. Als God zeide: is er nu wel iets te zwaar, om voor zulk een God te doen? Ik moest zeggen: Neen Heere! ik ben zoo volvaardig om dien God van harte te dienen; met Hem loop ik door eene bende, ik zou met Hem over een muur springen, Ps. 18: MO. Vraagt gij mij nu, wat mijne verkwikking is? Dat is mijne verkwikking, dat schaam ik mij niet te zeggen, dat geeft mij troost op mijn sterfbed, dat maakt mij het leven zoet.

Zij mochten zeggen: hoe zult gij doen als gij sterft? Daar gaan gevangenhuizen open voor den Heere, ja, daar worden moordschavotten en brandstaken opgericht, ja, daar staat er een met een zwaard om u te onthalzen: schaamt gij het u dan nog niet? Neen, zegt zulk eene ziel, daar roem ik in. Wij roemen in de verdrukking. Kom. 5:3; en in de hoop op God, Kom. 5:2. Zit ik in \'t gevangenhuis, dan ben ik vervuld met den lof van God, Hand. lü: 25. Dan kunnen

783

-ocr page 740-

EERSTE PREDIKATIE.

ze zeggen met Paulus: wat doet gij mij moeite aan, ik ben bereid, niet alleen om gebonden te worden, maar om te sterven, voor den naam van den tleere Jezus, Hand. 21:13. Gelijk het onlangs in de stad Thoorn in Polen gezien is. Hun werd pardon aangeboden, als ze van godsdienst badden willen veranderen, als ze hunne religie hadden willen afstaan. Doch een tweede burgemeester gaf hun ten antwoord: wat gij mij voorlegt, mijn besluit vandaag is, als dat van gisteren, en dat van morgen zal zijn als dat van heden. En zoo sprak ook de eerste burgemeester, en dien werden het hoofd afgeslagen. Hoe! zegt zulk eene ziel, zijt gij daar zoo over verwonderd? Meent gij, dat dit te veel is! Wel, daar is verkwikking zelfs in den dood. Jakob zeide: Op uwe zaligheid wacht ik, Heere! Gen. 49:18. Ik zie de hemelen geopend, zeide Stefanus, Hand. 7:56. Sterven is mij gewin, zeide Paulus, Fillip. 1 :21. Ik heb daar niet tegen. Nu schaam ik mij dat Evangelie van Christus niet.

Gelijk ik mij dat Evangelie niet schaam, zoo schaam ik mij don weg ook niet. Schaamt gij u den weg niet, om tot dat geluk te komen? Ach, neen! Wel, wat weg is het dan, dien God houdt om een mensch tot dien troost te brengen ?

Eerst. Hier zijne diepe ellende te kennen: benauwd over zijne zonde te zijn.

Ten tweede. Brengt God u tot dat, waar geen mensch u toe brengen kan, tot het gezicht van den Middelaar, tot het waarachtig geloof.

Dan, ten derde, brengt Hij u tot zulke gestalten, dat gij llem verkiest te dienen. Dat zijn de middelen, die behoef ik mij niet te schamen, zij zijn voldoende, dat is de oude weg, Jer. G: 16. Ik wilde, dat elk met mij meedeed.

Is dat nu zulk een geluk, dat een mensch eerst in zijne ellende wegzinkt? Ja; was het dat niet, dan vroeg ik nooit naar God, noch naar den Middelaar. Die gezond zijn, zoeken geen medicijnmeester, die meenen dat zij hem niet noodig hebben, Matth. 9:12. Mijne ellende is schrikkelijk groot, \'t Is een groot ongeluk; en daar brengt God mij in, dat ik het zie; Hij brengt mij in dat gezicht. En wat is liet? Ach! ik ben zulk een zondaar!

Dan komt er nog bij, dat ik mijzelven zoo vervloekt gemaakt heb. Ik ben strafbaar voor den Heere, ik zou wel huilen over de ellende, waarin ik ben. Daar komt bij, dat ik zoo onmachtig ben om mijzelven uit die ellende te verlossen. Dat is het wat mijn ongeluk verzwaart, dat ik daar zoo onkundig van ben, en dat ik het niet heb willen weten. Ik wilde zoo maar heen leven.

Maar hoe komt gij nu tot dat besef? Schaamt gij u dat middel ook niet? Neen, God gaf het mij, het is een middel uit den hemel.

Wat was dat voor een middel? Die groote wet, die een spiegel is van ons leven. Die niemand vleit. Staat er een koning of een bedelaar voor, zij geeft elk zijne beschuldiging, ze tijgt het op, ik heb ii bevonden, zegt ze, een overtreder te zijn, ik bewijs het met uw geweten, dat zal zeggen op welke plaats, op welken tijd, en welke zonde

734

-ocr page 741-

OVER ZONDAG I-VI.

gij begingt; die en die, zegt ze. Ik bewijs bet met uw gezelschap waar gij in waart: de steenen, en de muren, en de balken van die plaats, waar gij de zonde deedt, zullen tegen u getuigen zijn. Ziet gij uwe vlekken wel? zegt de wet. Welke gedachten bebt gij gehad; wat eene beweging hebt gij gehad; hoe schrikkelijk! Welke daden hebt gij gedaan! Is er wel een eenig gebod van mij, dat gij niet geschonden hebt? De wet is zoo Groddelijk, zij helpt het allesquot; in vuur en vlam, zij verwekt een alarm in \'t gemoed, zij snijdt, zij kerft, zij zegt: aan de rechter- en aan de linkerhand moet ik u vervloeken, waar gij zijt. Wilt gij het eens kort zien, boe schuldig gij zijt? Let dan op\' mijn eisch; dat is liefde tot God, van het begin tot het einde van uw leven toe; met uw geheele hart, ziel, en al uwe krachten, uwe naasten lief te hebben, daar vriendelijk mede te verkeeren; gij moet ze liefhebben als uzelven. Die wet wordt in één woord vervuld, namelijk liefde. Hom. 13:10. Zij heeft twee voorwerpen: God en den naaste. Spreek nu ronduit: bemint gij God en uw medemensch wel? Slaat uw geweten niet als gij dat zoudt zeggen? moet gij niet als gij rechtuit en naar waarheid zoudt antwoorden, zeggen, dat gij God en uw naaste haat? Moet gij dat niet onderschrijven, dat gij van nature genegen zijt God en uw naaste te haten? Geeft gij daar niet zoovele blijken van in dien afkeer, dien gij hebt van zijnen dienst, dat gij het niet lijden moogt, dat God zulk een heilig, alwetend, rechtvaardig God is? Zoudt gij in uw hart wel niet zeggen, als de dwaas: daar is geen God, Ps. 14:1. Als gij wordt aangezet tot zijnen dienst, zoudt gij wel niet zeggen: Wijk van mij: aan de kennis van uwe wegen heb ik geen lust? Job 2l: 14. Mijn naaste mag ik ook niet lijden, al was het iemand die begeerte tot mij toonde, ik haat hem, omdat hij beter is dan ik. Zooals Kaïn, hij haatte zijn broeder Abel. Zijn hart trekt nochtans naar u, zeide God; en daarom sloeg hij hem dood, Gen. 4: 7, 1 Joh. 3:12. Een mensch ziet van nature niet gaarne, dat het zijn naaste wel gaat. De een is \'t voorwerp van de nijdigheid van den ander; in clen afkeer van elkander too-nen ze hunne hatelijkheid; hatelijk zijnde en eikander hatende. Tit. 3:3. Dat is mijn element, dan ben ik als een visch in \'t water; het is geen aanwendsel, of dat de een het van den ander geleerd heeft, maar dat is onze aard, gelijk het de aard van een slang is, te vergiftigen. Als iemand dat ontkennen wil, bij kan niet; als iemand het met zijn mond wil doen, zijn hart zou zeggen dat hij de waarheid niet spreekt.

Nu komt iemand en hij verwondert zich, en zegt: dat moet zijn oorsprong hebben, waar komt dat vandaan? Kreegt gij dat van God? Neen. Heeft Hij u dan niet gemaakt? Ja; God schiep den mensch, man en vrouw schiep Hij ze. Heeft Hij dan al die schepsels gemaakt? Ja. Gen. 1. Hoe kwam het altemaal uit de hand van God? Uitermate goed, vs. 31; het voldeed Gods oogmerk en einde, en de mensch was het beste schepsel van alles. God schiep hem naar zijn beeld. Gen. 1:27. Had hij dan een zweem naar het Goddelijke? ja.

735

-ocr page 742-

EERSTE PREDIKATIE.

Hoe was dat schepsel, eer het zoo verdorven werd? \'t Was een voornaam, heerlijk schepsel; naar \'t lichaam waren ze wonderlijk schoon; zij waren geen zwakheid, verderf of ziekte onderworpen: in hunne ziel waren ze wonderlijk vlug. Zij hadden een onsterfelijken geest. Wat was er in hunne ziel? Daanu hadden ze een groot begrip van God en goddelijke dingen; in hun hart hadden ze zulk eene heiligheid, dat daar geen de minste verdorvenheid in plaats had; in hunne daden waren ze rechtvaardig en onberispelijk; zij waren zoo, dat ze van den Heere niet alleen konden eischen, maar \'het recht ten leven konden vorderen, als zij den tijd der beproeving hadden uitgestaan. Wat hadden zij nog meer? Mensch! zeide God, Ik heb alles om u geschapen: Heersch over alles; ja, zij zouden niet gestorven zijn, hadden zij niet gezondigd. Dat blijkt uit het dreigement vóór \'t bedrijf der zonde, en uit de uitvoering na het bedrijf\' der zonde. Wie heeft dan de schuld? Heeft God er geen hand in gehad? Durft gij dat wel ontkennen? Neen. Op eene heilige wijze heeft God daar zijne hand in gehad. God h eeft van eeuwigheid besloten, dat de mensch viillen zou. Hij heeft het geweten. Hij heeft den mensch wel volmaakt geschapen, doch echter zóó, dat hij vallen kon; Hij heeft al de menschen onder één hoofd gesteld, zoodat, als dat hoofd zondigde, zoo viel het gansche menschelijk geslacht. God heeft den duivel toegelaten den mensch te bespringen; God gaf\' den mensch een gebod ter beproeving van zijne gehoorzaamheid, en liet den vijand los. En het beliefde Hem niet, den val te beletten: en God had er zijne eer in voor, in \'t werk der verlossing door Christus; zoo heeft God er Zich omtrent gedragen; Hij heeft voorgehad Zich te verheerlijken over sommigen van die gevallene schepselen. Hij ontfermt Zich dien Hij wil, en Hij verhardt dien Hij wil, Rom. 9:18.

Wie heeft er nog zijne hand in gehad? De duivel kwam op eene listige wijze, onder de gedaante van een listig dier; hij kwam bij de vrouw, daar ze alleen was, en die lichtelijk maar het gebod van haren man ontvangen had; en hij sprak ze aan, niet omtrent de wet der natuur, maar omtrent het proefgebod. Ziet eens hoe boos hij zich gedroeg. Is het wel zoo, zegt hij, dat God dat geboden heeft? Hij trok het gebod in twijfel, hij nam het dreigement weg; gij zult niet sterven, zegt hij; hij doet er eene belofte bij; gij zult God gelijk zijn, kennende goed en kwaad, zegt hij; hij stelt het niet lang uit, heden, vandaag zal dat zoo zijn, zoo gij er van eet, zegt hij; en hij deed er een eed bij; God weet het, zegt hij. Gen. 3:4, 5. \'t Was eene groote listigheid en stoutheid.

Wie had er toen nog zijne hand in? Ik, zegt de mensch. Ik zocht God niet; hij wist misschien niet, dat er een duivel was, dat er gevallene engelen waren. Ik moest het God gaan vragen hebben: ik was gemeenzaam genoeg met den Heere, en de Heere met mij, ik hing niet af van den mond Gods: ik nam, ik at, en ik overtrad.

Hoe voeldet gij u toen? Ik voelde eene geheele verandering in mij; ik voelde een geheelen omkeer. Waaraan? Ach! ik was zoo be-

730

-ocr page 743-

i?

OVER ZONDAG I-VI. 737

schaamd. Waaraan nog? Ik was zoo verschrikt en ontroerd, als ik aan God dacht. Waaraan nog? Ik voelde zulk eene verandering ten kwade; ik kon niet blijde zijn, als ik aan God dacht. Waarom? Ik ging zijne eigenschappen loochenen: zijne alwetendheid, zijne overalomtegenwoordigheid; ik sidderde en beefde voor God. Ik wilde mij verbergen, door mijne natuurlijke verdorvenheid, die in mij gekomen was. Toen kwam God, en zeide: Hoe! Ik had u geschappn om Mij te dienen, te loven, hebt gij dan overtreden? Ja, zeide ik, dat toonen mijne verdorvenheden genoeg.

lloe ging het toen? Ik schoof het op den duivel en zou het ten laatste wel op God zelf gelegd hebben. De vrouw, die Gij mij gegeven hebt. Gen. 3:12, heeft mij bedrogen, zeide ik.

Daar had God nu zijne hand in, als Richter. Man, zegt Hij, in het zweet van uw aangezicht zult gij uw brood eten. Vrouw, met smart zult gij kinderen baren. Slang,\' op uw buik zult gij gaan, stof zult gij eten. En gij duivel, daar zal een zaad zijn, dat Ik uit deze vrouw verwekken zal, dat zal u den kop vermorzelen, die zal zijn volk hebben, Gen. 3:14—19. Zoo ben ik aan die natuur gekomen. Dat schaam ik mij niet te zeggen.

Maar wat raakt dat u, wat gaat dat u aan? Zoo, dat ik onder dat hoofd als een lid sta. Valt nu een hoofd, al de leden vallen ook. Viel dat hoofd, ik ook; Rom. 5:19, Door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch zijn velen tot zondaars gesteld geworden. 1 Oor. 15:45, daar wordt Christus tegenover Adam gesteld. Door dien val hebben wij nu toegerekende erfzonde, en aanklevende verdorvenheid. Adam gewon een zoon, naar zijn beeld en gelijkenis, Gen. 5:3. \'t Gedichtsel van \'s menschen hart is ten allen dage alleenlijk boos. Gen. 8:21. Wie kan een reine geven uit een onreine? Niet een, Job 14:4. Wij allen zijn in zonden ontvangen en geboreu, Ps. 51:7. En van den buik af overtreders, Jes. 48:8. Kinderen des toorns van nature. Ef. 2:3.

Gij zult zeggen in uw hart: ik moet u nog eene vraag doen. Hoe kan die verdorvenheid van den eenen mensch tot den anderen overgaan? Hoe gaat dat over? Wordt er een mensch geboren, hij is mede ellendig.

Wij zullen het u kort zeggen.

Eerst. God is de Formeerder van het lichaam.

Ten tweede. Hij is het ook van den geest.

Ten derde. Hij doet Richterswerk: Hij straft dat schepsel met de berooving van zijii beeld, en laat er des duivels beeld in zetten.

Ten vierde. Htj legt den knoop van vereeniging tusschen ziel en lichaam, en die beiden steken elkander aan tot zoude. Hij is de Formeerder van \'t lichaam; Hij is de Vader der geesten, Hebr. 12:9. Hij doet Richterswerk, Hij berooft dat schepsel van zijn beeld, en zet er als rechtvaardig Richter des duivels beeld in. Hij vereenigt dat lichaam met die ziel, en die beide steken elkander in brand om de zonde te doen. lt;

47

-ocr page 744-

EERSTE PREDIKATIE

Gij zult zeggen in uw hart: laat ik mij gaan bekeeren. Zoo ongelukkig zijn wi], dat wij onbekwaam zijn tot eenig goed. Kan een rank buiten den wijnstok vruchten dragen ? Joh. 15:4. Kan een Moorman zijne huid veranderen? Jer. 13:23. Kan een blinde zien? Een kreupele wandelen? Kan een doode leven? Kan een kwade boom goede vruchten voortbrengen? Matth. 7:17.

Gij zult denken: is er dan niemand, die het werken kan? Ja; wij zijn onbekwaam tot eenig goed, tenzij wij door den Geest Gods wedergeboren worden. De derde Persoon in \'t Goddelijk Wezen is het. Dien ik en gij moeten hebben in ons leven. Als gij het wilt begrijpen: uit dien gevallen hoop, ontfermt Zich God, wien Hij wil, Rom. 9:18. Daar is geen één woord tegen in te brengen. Als er eens een prins in de vergadering van vijftig misdadigers kwam, die allen den dood schuldig waren, en hij pardonneerde er tien, kunnen die veertig anderen er wel tegen inkomen ? Zij zijn allen vijftig den dood schuldig. Zoo doet God, Hij gaat door den hoop zondaars, en Hij zegt tegen sommigen: mijn hart rommelt over u, Ik schrijf uw naam op ten leven. Ik zie er niet naar, of gij het waard zijt, al is het dat gij walgelijk zijt in uw bloed, Ezech. 16:5. Al zijt gij zwart, Hoogl. 1:6. Mijn ingewand rommelt over u; Ik zal u genade bewijzen in den loop van uw leven, gij zult sommigen wel eenige jaren leven eer Ik het doe, Ik zal het allen niet op één tijd des levens doen. Sommigen zal Ik genade geven met dat ze in de wereld komen. Ik zal bij de verdorvenheid ook genade leggen, en dat zal zich in \'t opgroeien openbaren. Dan komt de Heere bij sonimigen in hun jongelingschap, van tien tot vijfentwintig jaren, en Hjj raakt hunne harten.

Dan komt de Heere tot anderen in hun mannelijke jaren, van het vijfentwintigste tot het vijftigste, en Hij zegt: gij zult den duivel dienen, zoo of zoo lang; gij zijt mijn vijand met uwe daden, maar gij zult mijn vriend worden; ja, sommigen zelfs wel als het den laat-sten dag van hun negenenveertigste jaar is. Dan zal Ik u nog levend maken, zooals den stokbewaarder. Ja, sommigen zijn uitverkoren en zij moeten altemet zestig jaren de zonden doen, ja altemet zeventig jaar den duivel dienen. Abraham was vijfenzeventig jaren toen God hem riep. Sara vijfenzestig als God haar liet hart veranderde. Ja, men moet altemet de zonde en den duivel dienen tot op het doodbed toe, zooals de moordenaar: toen viel hij neer voor den Heere, en hij kreeg vergiffenis op dienzelfden dag, Luk. 23:43. Als zulken wedergeboren worden, gaan zij naar den hemel.

Wat doet de Heere, als Hij iemand wederbaart? Hij herstelt zijn verloren beeld in hen; Hij geeft ze weer een begrip van de goddelijke dingen. Hij geeft ze eene heiligheid in hun nart, eene rechtvaardigheid in hunnen wandel. Dat is de wedergeboorte: het verloren beeld herstelt; Hij doet het door het krachtige werk van zijnen Geest; Hij geeft ze eene heldere bevatting wat God is, eene heiligheid in hun gemoed; zij kunnen de zonde niet dragen; eene rechtvaardigheid in hunnen wandel. Col. 3:9, 10; Ef. 4:24. Als dat stondetje daar

788

-ocr page 745-

OVER ZONDAG I-VT.

is, dan trekt hun hart in liefde naar den Heere; dan krijgen ze eene begeerte om dat Woord te hooren; dan is het: ik heb nooit zoo hooren preeken! Is dat preeken! Al is \'t dikwijls dezelfde predikant en dezelfde predikatie, die zij meer gehoord hebben. Dan opent God hun hart; dan wenschen zij terwijl ze in de kerk zitten, was ik al eens thuis alleen om te bidden; de man, vrouw, kinderen, dienstboden, denken dat het zal gaan als te voren, spotten met de predikatie; daar staan ze te kijken; daar gaat de moeder, vader, zuster of broeder alleen, zij hooren een geluid; daar wordt gebeden, gezucht; zij smelten voor den Heere, zoovele jaren, zeggen zij, heb ik de zonde gedaan, zoo goddeloos heb ik geleefd; dat komt him alles te binnen, zoo schandelijk ben ik geweest, hoe zal dat nog met mij afloopen? Ik ben zoo benauwd! En altemet is \'t weer eens: ik ben zoo verkwikt. Daar komen ze bidden; de formulieren vallen uit hunne hand, zij bidden uit hun hart; te voren wisten zij niet wat bidden was; daar gaan zij alleen, met zulk eene hartelijke liefde, verkiezen zij den Heere, zij verbinden zich aan den Heere; laat komen wat wil, zeggen zij, ik kom van den kwaden weg af, ik kom over op den goeden weg, en daar wil ik op blijven, en niemand zal mij stuiten. Voorwaar! voorwaar! dat moeten wij elk hebben, of wij kunnen in het koninkrijk Gods niet ingaan. Joh\'. 3:5. Zonder dat, quot;zoudt gij in den hemel niet willen zijn. Gij zoudt het daar niet kunnen harden. Gij wilt allen in den hemel zijn, en als gij niet wedergeboren zijt, het zou er u zoo bang vallen, gij zoudt liet er niet kunnen houden.

Als dat stondetje daar is, dan gebruikt God wel zulke wonderlijke middelen. Manasse werd, toen dat stondetje kwam, van den troon geschopt, en in \'t gevangenhuis geketend; en dat was \'t middel, 2 Kron. 33:12, 13. Als het stondetje van de Samaritaansche vrouw kwam, moest zij water komen putten, toen de Heere Jezus daar zat. Joh. 4:7. Zaccheüs moet met eene nieuwsgierigheid in zijn hart komen. Daar moet een boom staan, waar hij in klimt, als\' de Heere daar voorbij kwam, en hem aansprak. Luk.\'19. Als het stondetje van den moordenaar kwam, moest hij van de justitie gegrepen worden, hij moest in dezelfde zitting zijn, waar de Heere Jezus veroordeeld werd, hij moet het alles aanzien, en met den Heere gekruisigd worden. Het stondetje^van den stokbewaarder komt. Wat doet God? Hij ziet in een gezicht een Macedonisch man, die roept: Kom over en help ons. Hand. 16:9. Te Filippi komende, daar moet Lydia\'s hart geopend worden. Hand. 16:14. Daar worden ze gegeeseld. Het stondetje van den cipier kwam. Daar raken zij in \'t gevangenhuis. God bewerkt hen zóó, dat zij \'t niet harden kunnen; zij zingen Gode lof; de gevangenen luisteren. Hoe zal die slapende cipier hooren? Daar komt eene aardbeving; hij wilde zichzelven het leven benemen; zij roepen: doe uzelven geen kwaad. Daar komt hij naar die gevangenen, en valt voor hen neer, uitroepende: Wat moet ik doen om zalig te worden? Ik heb mijn leven, wilde hij zeggen, zulk een volk niet gevangen

789

-ocr page 746-

EERSTE PREDIKATIE

gehad. Onesimus moest een dief worden; hij vlucht; hij zoekt Pau-lus; hij vindt hem; hij wordt veranderd.

Ziedaar, geliefden! wij bekennen hartelijk, dat het niet te boven te komen is, zonder verandering des harten. Nu stuift het hart van den zondaar misschien opwaarts; schaamt u er over.

Eischt God dan, wat wij niet doen kunnen? Wil God na den val, dat wij Hem zoo liefhebben, dan vóór den val? Ja, God wil na den val, dat wij Hem liefhebben met geheel onze ziel, met al onze krachten, en oiize naasten als ons zeiven. Al kunt gij niet, al zijt gij onmachtig, God zegt: ik toon mijn recht, dat is zoo rechtvaardig. Waarom? Wij hebben het kunnen doen. God had ons de bekwaamheid gegeven, en wij hebben naar den duivel geluisterd, en zoo hebben wij ons zeiven moedwillig van die gave beroofd. Wij zullen het u met eene menschelijke uitdrukking doen verstaan. Als een schuld-eischer eischt van een schuldenaar, hetgeen hij schuldig is, al heeft hij niet om te betalen, is dat niet billijk? Zoo nu een schuldige bij God zegt: ik ben onmachtig, gij moogt het laten, zal God zeggen, goddeloos te zijn; gij hebt macht gehad, en hebt het moedwillig verzuimd. Kan een heer niet eischen van zijn knecht gediend te worden, al heeft hij zich door dronkenschap onbekwaam gemaakt? God doet ons geen onrecht, als Hij in zijne wet van ons eischt, wat wij niet doen kunnen.

Is God niet tevreden met eischen? Laat Hij het daar niet bij? Neen, maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk, beiden over de aangebo-rene en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel straffen. Hij straft de zonde schrikkelijk. Daar vindt gij aangeborene, en dadelijke of werkelijke zonden.

Straft \'God ook de aangeboren of erfzonde? Ja. Als gij een adde-rengebroedsel vondt, zoudt gij de jongen zoowel niet dooden als den oude, om hunnen vergiftigen aard? Is \'t dan ongerijmd dat God een jong kind des duivels in de hel werpt, zoowel als de oude zondaars? Ziet het in de eerste wereld, in Sodom, Gen. 19: 25; in de vergadering van Korach met de zijnen. Num. 16:32. Wij zien het nog dat de dood overgaat tot degenen, die niet gezondigd hebben, in de gelijkheid der overtreding van Adam, Rom. 5:14; dat zijn de kleine kinderen.

God straft de zonde met lichamelijke, geestelijke en eeuwige straffen.

Lichamelijke: gij gaat door geen eene stad, of gij ziet dat ze een gasthuis isquot; vol ellende. Daar komt er u een tegen met ziekte, met kwelling, met tegenspoeden; het gelukt mij niet, al wat ik onderneem. God maakt den hemel koper, de aarde ijzer, Lev. 26:19. Daar komt eindelijk de dood, daar zijn vreeselijke ruïnen. Dat zal zoo duren totdat God de wereld zal doen vergaan.

Dan zijn er geestelijke straffen in de ziel. Die worden niet veel gerekend, maar zij zijn de zwaarste. Waarmede straft de Heere ze? Daar, met zotheid in \'t verstand; in hun hart een steen; zij zijn verhard en zorgeloos, en blijde, dat ze zoo ongelukkig zijn; zij gaan

740

-ocr page 747-

OVER ZONDAG I-VI.

jaar en dapr onder de middelen der genade, en God laat ze zooals ze zijn. Het Woord is hun een reuk des doods ten doode, 2 Oor. 2:16. Al is het de beste predikant, hun hart wordt maar dik en vet gemaakt, of God geeft ze over aan dwalingen, of Hij neemt de vromen weg, of Hij neemt die talenten weg, die hen altemet eens deden schudden en beven; of\' Hij neemt hunne vrome ouders of vrienden weg; of Hij neemt hun den kandelaar weg; en was \'t dat nog maar al!

Maar dan komen de eeuwige straffen: eerst naar de ziel, en dan naar ziel en lichaam beide. Ach! wat missen zij, als ze sterven, al hunne poppen en afgodjes! Gij sterft zoo rijk, als gij geboren wordt. Hoe wordt gij geboren? Arm en naakt. Hoe sterft gij? Arm en naakt. Gij neemt niets mede; gij zijt zoo rijk bij uwen dood, als toen gij in de wereld kwaamt. Gij mist al uwe poppen. Gij zult missen al uw gezelschap, waarmede gij de zonde gedaan hebt. Gij zult missen uwe zorgeloosheid, de middelen der genade, uwe atheïstische gedachten, al uwe valsche gronden, het drijft al weg. Ach, Heere! daar zult gij met God alleen te doen hebben, daar zult gij krijgen te begrijpen hoe gelukkig gij op de wereld waart; gij zult in uwe memorie krijgen het goede dat gi) genoten hebt, en wat u al heeft mogen gebeuren, en hoe vruchteloos het alles geweest is. Dan zal uw geweten zeggen: gij hebt niet willen hooren, gij zijt tijdig genoeg ge-waarschuwd; dan na de opstanding zult gij pijn hebben over uw geheele lichaam en ook in uwe ziel. De zielepijn is de allerzwaarste; als het lichaam neergebogen is, dan kan het nog opgericht worden, maar als de ziel neergebogen is, een neergebogen geest, wie kan dien oprichten ? Een neergebogen lichaam kan men nog verkwikken; maar eeuwig zal de ziel wegdruipen van treurigheid. Kondet gij uzelven met uwe tanden bijten, gij zoudt liet doen. Kondet gij uw eigen vleesch opeten, gij zoudt het doen, maar het zal u niet gegund worden.

Het gezelschap zal daar ook schrikkelijk zijn: duivelen en verdoemden. De plaats is almede schrikkelijk; het zal daar nooit dag zijn, gij zult in eeuwigheid niet slapen, niet eten of drinken tot uwe verkwikking. Het is geen verzinsel, gy voelt de sprankelen hier wel, terwijl gij leeft. Dat viel een koning zóó bang, dat hij in zijn eigen zwaard viel. Dat zal zoo eeuwig, eeuwig zijn. Dan zult gij uzelven vervloeken, omdat gij niet hebt willen gelooven, al hadt gij de sprankelen gevoeld.

Ja wel! zult gij zeggen, wat Boanerges, wat donderzoon is dat! Ja wel, ik kan zoo niet leven, met zulk een God in mijne gedachten; wel, wel! gij moogt dat zoo wel eens uithalen, gij moogt het in \'t preeken wel eens bezien; maar is God ook niet barmhartig? Daar leggen zij die breede pleister op hunne ziel. Ach, ja! zeggen wij. Hij is barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Heeft Hij dan geen medelijden? Ja; maar niet met allen, alleen met de vaten der barmhartigheid, die Hij tot zijne heerlijkheid bereid heeft.

Heeft Hij geen barmhartigheid met de zondaars? Ja, en zij bestaat

741

-ocr page 748-

EERSTE PREDIKATIE

daarin, dat Hij de vaten des toorns zoovele jaren draagt, al misbruiken ze ziine zegeningen, al is het, dat ze zijne wet onder de voeten trappen. God is zeer barmhartig. Hij is de Vader aller barmhartigheid. Maar zondaar! vlei u daarmede niet; Hij is ook rechtvaardig. Neemt de gelijkenis van een officier, die een gevangen man heeft, die eene moord gedaan heeft; het is een zacht officier, hij schreit met den man, zoo bewogen is hij over zijn ongeluk; maar, zegt hij, mijne barmhartigheid kan u niet helpen, daar moet gerechtigheid zijn, al ben ik zoo, man, gij moet sterven. Zoo ook zondaar! üod is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; gij moet sterven! Zou mijne ziel Zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? Jer. 5 : 29. I k kan mijzelven niet verloochenen. Kan \'t vuur zonder branden zijn? Al de zonden, die ik en gij gedaan hebben, naar het recht Gods, zoo moeten ze gestraft worden in mij en in u. Wat lust zou Ik hebben, zegt God, als Ik de zonden ongestraft vergeven kan, dat Ik de eerste wereld zou hebben laten verdrinken, Sodom en Gomorra verbranden, mijne kinderen kastijden, mijn eigen geliefden Zoon doen sterven, was de rechtvaardigheid mijn Wezen niet geweest?

Als wij nu zoover zijn, wat nu gedaan? Naar huis gaan en zeggen : ik heb den predikant het al hooren verdoemen en in de hel werpen, zichzelven en ons allen? Zult gij zeggen: nu geef ik het op, nu zal ik mijn hart op gaan halen in de zonden, zoolang als ik leef, wanhopen met eene kwade wanhoop? Doet dat niet. Eene kwade wanhoop vergroot de zonde en verkleint de genade; en zij neemt al de kracht weg van de middelen der genade; zij zet ons aan, om van God af te loopen, en zij doet ons wandelen op den breeden weg.

Doch zij zeggen: het is buiten hoop; Jer. 1G: 12, Laat ons wandelen naar het goeddunken van ons hart. Evenwel is er eene wanhoop die goed is, en welke is die? Ach, Heere! ik ben niet waardig dat Gij mij helpt; geen schepsel is het waardig; ik, noch eenig schepsel kan aan uwe rechtvaardigheid voldoen. Kregen wij dat begrip, dan zouden wij vandaag gezegend naar huis gaan. ik ben \'t niet waardig, dat Gij mij helpt. Geen schepsel is het, om wiens wil ik geholpen kan worden.

Nu, als gij dan zegt: ik word zoo verslagen in mijn hart, wat moet ik doen? Is er eenig middel om de straf te ontgaan? Ik weet niet wat ik moet doen, Heere! Gij zijt wijzer dan ik ben. Hebt Gij in uwe schatten niet iets, waarmede Gij mij verkwikken kunt, aleer ik sterf? Ik val op mijne knieën, Heere! geef mij raad!

Daarop komt God, en zegt: mensch! Ik sta op mijn eisch; daar moet alles geleden en alles gedaan worden, wat mijne rechtvaardigheid vordert; mijne rechtvaardigheid moet gij genoegen geven, door uzelven of door een ander.

Daarop, zegt hij: Heere! door mijzelven kan ik niet. Weet gij dan een ander? zegt God. Daar zal ik mij eens op bedenken, zegt hij. Zouden engelen het niet kunnen doen? Neen; dat zijn schepsels, en die kunnen niet lijden. Zouden beesten het kunnen doen? Neen; die

712

-ocr page 749-

OVER ZONDAG I-VI.

zijn nog minder dan een mensch. Heere! zou mijn geld het kunnen doen? eer en aanzien? Ach neen! al had ik de gelieele wereld, ik moet het alles verlaten. Engelen, beesten, al mijn goed, noch ik zelf, kan het niet doen. Moet ik het dan opgeven? Ik wil evenwel blijven vragen: weet mijn Heere een ander, al is het voor mijne oogen verborgen? Ik zal u zeggen, zegt God, wat gij in Hem zoudt moeten vinden. Hij zon moeten zijn een waarachtig mensch, en een rechtvaardig mensch; waarachtig God; waarachtig God en mensch, in eenigheid des Persoons. Ach Heere! zoo een is bij de menschen niet te vinden. Dat is niet bekend bij den mensch. Vleesch en bloed heeft dat niet geopenbaard, Matth. IG:17. lieere! als Gi] zóó ver met mij gaat, laat er dan het hooge woord nog eens uitkomen. Wie is het? \'t Is mijn Zoon, zegt God, in welken Ik een welbehagen heb, Matth. 3:17. \'t Is Jezus Christus. Daarop zegt hij; mijn Heere, en mijn God! daar ligt eene zwarigheid op mijn hart; is het wel rechtvaardig als God een onnoozele voor een schuldige straft? De Remonstranten gaan hier wat ver in. Is het wel rechtvaardig? Ja. De Middelaar was God en mensch in één Persoon. Hij zegt: Ik neem de schuld op Mij, en Ik zal genoegen geven aan de goddelijke rechtvaardigheid. Ik heb macht om mijn leven af te leggen. Joh. 10:18; en als Ik gestorven ben voor den zondaar, zoo heb Ik macht om Mijzelven weder op te wekken; en, wat nog grooter is. Ik heb macht om den zondaar te verbeteren. Ik ben voldaan zegt hij; Heere Jezus! ik zie dat Gij aan de heiligheid en rechtvaardigheid Gods genoegen geven kunt.

Daarop komt hij, en zegt: Heere! wij hebben allen gezondigd. Hom. 3:23. Is dat de bedoeling van den Vader, dat de Zoon voor allen de zaligheid zou verwerven, en dat de Geest die aan allen zou toepassen, en ze allen tot het bezit brengen van de zaligheid? Neen, neen! dat doet God maar aan hen, die zijne leden zijn, aan \'t uitverkoren geslacht, aan de vaten der barmhartigheid, aan de geloovigen, aan de godzaligen; die alleen hebben deel aan dat blijde nieuws, dat in het Evangelie ontdekt wordt. Zoover dachten wij het heden te brengen.

Wat zegt nu uw hart? Doet God niet veel aan ons? Hoe menige vromen zijn er in de wereld, die God zouden danken voor zulk een uurtje, die op de galeien zitten, en in de gevangenhuizen, dat hun het Woord eens recht gesneden werd! Hoe menige kandelaar is er met dwaling bezet. Hoe menige is er, waar het licht der genade niet schijnt. Hoor! God doet zooveel goed aan ons, dat wij \'t Hem iu eeuwigheid niet vergelden zullen. Hoe staat het onder ons? Hebt gij al belijdenis gedaan? De een zal zeggen: ik ben te oud, de ander: ik ben te bot, ik kan niet lezen of schrijven; een ander: ik wil onder dien band niet, ik stel het nog wat uit. Maar misschien zult gij in dien tijd van uitstel sterven. Zijt gij te oud om naar den hemel te gaan ?

Een ander zal zeggen: ik heb te veel te doen, ik heb een lastig huishouden. Daar zijn er nog al lastiger, die het evenwel doen. Hoor! wij bieden u onzeu dienst aan, zoolang wij kunnen; dat is de goed-

-ocr page 750-

EERSTE PREDIKATIE OVER ZONDAG I-VI.

heid Grods, daar is geen jaloezie onder uwe leeraars; als gij God maar vreeamp;t, zijn ze tevreden.

Tegen anderen zeggen wij: gij hebt belijdenis gedaan; maar brengt bet ii eens te binnen, hoe gij toen waart, en hoe gij nu zijt. Onderhoudt gij het? Moet gij niet zeggen, dat gij toen meer geoefend waart dan nu? Is het niet droevig! Toen hadt gij zoete kennis, tranen, bewegingen; gij gingt eens bidden. Was het niet in uw hart Grode getrouw te zijn? Heugt het u hoe gij toen waart; en weet gij hoe gij nu zijt? Moet gij er niet over beschaamd worden. Wij bidden u, blijft in het gezicht van uwe schaamte en in uw verlies niet staan; maar zondert u altemet eens een uurtje af op uwe knieën, anders zult gij benauwd leven. Zegt: Ach God! toen ik mijne belijdenis deed, was ik beter dan nu. Waarom heb ik dan mijne eerste liefde verlaten? of heb ik U mijn leven niet liefgehad? Zoo gij in \'t weinige den Heere getrouw blijft, over veel zal Hij u zetten, Matth. 25:21, 23.

Gij zult zeggen: wat gij daar over die G Zondagen gepreekt hebt, heb ik daar deel aan, of derf ik het nog altemaal?

Eerst. Zoo gij het genadedeel hebt, zoo hebt gij er deel aan. Zijt gij uw leven bedroefd geweest? Waar liep uwe treurigheid naar toe? Waar zon God u genoegen mede geven? Zeidet gij niet: Ach! dat ik aan mijzelven gestorven was, aan de wereld, en aan de zonde! Liefste Heere! Ach, dat ik U tot mijn deel had! Ligt het zoo bij U? Zonder troost zult gij niet sterven.

Ten tweede. Hebt gij wel iets tegen den weg, dien God houdt? Is het nare u zoo lief niet als het liefelijke? Doet het nare u zooveel goed niet, als het liefelijke? De kennis van uwe ellende, hebt gij u daar wel van te misdanken? Zoo wilden wij u dan na de verlossing hebben, en zoo na de dankbaarheid. Bekijkt den weg eens, dien üod houdt. Verveelt hij u wel?

Ten derde. Hebt gij in uwe schaamte gestaan, over uwen val, over uwe booze natuur, over uwe onmacht, over uwen wil? Zoudt gij geen stondetje vinden, waar God in uw hart gewrocht heeft? Ziet eens, hebt gij voor God niet dikwijls gestaan, dat gij zeidet: moet ik in de hel vallen, \'t zal rechtvaardig zijn? Hebt gij in eenzame plaatsen met tranen gestaan, en gezegd: Heere! bij U zijn uitkomsten tegen den dood, Ps. 68:21, Ik ben van nature\'dood; laat er voor mi] uitkomst wezen?

Hebt gij nu in deze predikatie iets meegedeeld, legt het op uw hart. Ziet eens wat uw deel was. Kunt gij zeggen: ik heb een deel in uwe genade? Dan zult gij er Hem voor danken. Ik ben er dikwijls over verwonderd geweest, als men zulk een groot stuk van de religie neemt, om te overdenken, wat men dan wel stof\' heelt om er blijde over te zijn. En wat zullen wij dan blijde zijn, als wij elkander eens in den hemel zullen ontmoeten! Dat wensch ik, dat de Heere aan mij en aan u geven wil, om zijns Zoons wil. Amen.

744

-ocr page 751-

TWEEDE PREDIKATIE.

Over Zondag VII—XVII.

UIT DEUT. G : G.

1\'hi deze woorden, die He u heden gebied, zullen in uw hart zijn.

WIJ lezen, 1 Cor. 2:2, dat de grootste van al de apostelen zeide: Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en dien gekruisigd. Al was hij in den derden hemel opgetrokken geweest, 2 Cor. 12:4, hij hield zich daar niet te veel mede op; maar, hij hield zich meest op met die dingen, die in de kerk den Christenen tot voedsel mochten wezen.IJ lezen, 1 Cor. 2:2, dat de grootste van al de apostelen zeide: Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en dien gekruisigd. Al was hij in den derden hemel opgetrokken geweest, 2 Cor. 12:4, hij hield zich daar niet te veel mede op; maar, hij hield zich meest op met die dingen, die in de kerk den Christenen tot voedsel mochten wezen.

Als hij zich ophield met Christus den gekruiste, wat beschouwde hij dan van Christus? Dan beschouwde hij, wie Christus de gekruiste was, en door wat middel men deel aan Hem kreeg; wat er gedaan moest worden, om door Hem gelukkig gemaakt te worden, voor wien Hij was, en voor wien Hij niet was. Hij is niet voor alle menschen, maar voor eenigen, die van God daartoe uitverkoren waren, en die de Vader aan den Zoon gegeven heeft. Joh. 17 :6, Vader, zij waren de uwen, en Gij hebt Mij dezelven gegeven.

Dan beschouwde hij het rantsoen, de betaling, hoe waardig dat was. Het was geen goud, of zilver, of iets dergelijks, maar het was het dierbaar bloed van het onbestralfelijke en onbevlekte Lam, 1 Petr. 1 :18, 19.

Dan beschouwde hij door wat middel Jezus Christus die verzoening verworven had, en hoe Hij ze toepast, en door wat middel zij gemeenschap aan dien Gekruiste kregen, namelijk, door het geloof.

Wij hebben met de gemeente de 6 eerste Zondagen afgehandeld. Nu moesten wij Christus in al zijne schoonheid toonen. Van den 7dou tot den 17don Zondag, zullen wij u dat zoeken open te leggen, dewijl wij ook niet gaarne u iets anders zouden toonen, dan Jezus Christus, en dien gekruisigd.

Voor wie is Christus? Is Hij voor elkeen in de kerk? Voor elk een in de wereld? Dat zult gij wegwerpen. Maar zullen ze dan niet allen door Christus zalig worden, die belijdenis doen, en die een burgerlijken wandel leiden? Als dat waar is, dan is er in de Kerk geen kaf, Matth. 3:12. Dan zijn er geen dwaze maagden, Matth. 25:2. Dan zijn er geen bokken die aan de linkerhand zullen gesteld worden, Matth. 25 : 33. En die zijn er altijd in de kerk geweest, en zij zullen er altijd zijn. Hij is dan niet voor allen, \'t Is maar een klein

-ocr page 752-

TWEEDE PREDIKATIE

kuddeken, Luk. 12:32. Hij is voor zijne gemeente, voor zijne leden, voor zijne schapen. Matth. 7:22, 23, die wilden er mede onder zijn; Heere! Heero! zeiden ze, doe ons open; maar de Heere zeide: Ik heb u nooit gekend. Als Hij voor allen was, dan behoefde men niet te strijden om in te gaan door de enge poort, Luk. 13:24. Het Woord spreekt van allen, en zelfs van zulken, die door den Heere gekocht zijn, cn Hem daarna gingen verloochenen, en van de geheele wereld. Als er van allen staat, moet gij daardoor verstaan: uit alle geslachten. En als er van de geheele wereld staat, dat zijn zulken, die uit de wereld zijn uitverkoren; en die wereld, die in den Zoon gelooft. En als gi] van die leest, die van den Heere gekocht waren, en Hem daarna verloochenden, 2 Petr. 2, daar vindt gij wat dat voor menschen zijn; het zijn zulken, die mede al schenen gekocht te zijn, maar die als de bonden hunne maag ledigmaken, en weerkeeren tot hetgeen ze uitgebraakt hebben; ze gaven voor een Christelijken naam, maar zij keeren weer tot hunne vorige goddeloosheid.

Voor wie is de Heere Jezus de gekruiste dan? Alleen voor degenen, die het ware geloof hebben. Daar is vierderlei geloof.

Eerst. Daar is een geloof der mirakelen; dat is, dat ik geloof dat door mij, of door een ander, aan mij of aan een ander, een wonderwerk geschieden zal.

Ten tweede. Dan is er, een historisch geloof.

Ten derde. Dan is er, een tijdgeloof.

En eindelijk, is er een waar zaligmakend geloof. Nu vallen de drie eerste af, en het vierde alleen houdt stand, dat blijft.

Het geloof der mirakelen dat niemand zalig maakt, dat hebt gij, 1 Cor. 13:2, Al was het dat ik al het geloof had, zegt de apostel, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets. Wat zou men nu een beslag van een predikant maken, als hij eens een mirakel kon doen! En wat is dat? Judas gaat er mede naar de hel.

Het historisch geloof is: dat ik Gods Woord, voor een ware historie houd, zonder de minste aandoening. Kan dat alleen iemand zalig maken? Ach neen! \'t is erger dan de duivel, die gelooft en hij siddert, Jak. 2:19. Lezen ze het, of hooren ze het, \'t is als zulk eene bloote historie. Of ze één hoofdstuk, of dat ze er zes hooren of lezen, of ze ééne predikatie of zes predikatiën hooren, de zaken doen hun niet aan.

Nu het derde geloof is het tijdgeloof. Daar komen wel bewegingen en tranen, zoodat ze het uitschreeuwen, Matth. 13:5. Het zaad viel op de steenachtige aarde. Dat zijn zulken, die het Woord met blijdschap ontvangen, gelijk Ezechiëls toehoorders; ze gaan uit de kerk, die man, zeggen ze, heeft het wel gemaakt. Gij beweegt mij bijna een Christen te worden. Hand. 26:28. Wij kunnen het niet voorbij, of wij moeten u eerst kort de natuur van het tijdgeloof toonen.

Eerst. Ze komen in de kerk, daar hooren ze het Evangelie prediken; dat God de God van een zondaar wil zijn, niet te oud, niet te groot, dat is hun een aangenaam nieuws.

74G

-ocr page 753-

OVER ZONDAG VII-XVII.

Ten tweede. Dat bekijken ze eens. Zij willen niet bot zijn. Zij nemen er kennis van. Zij gaan leeren.

Ten derde. Zij gaan burgerlijk leven. Ze worden een burgerlijk lidmaat. Wij bopen dat wij u niet bezwaren zullen, maar ik vrees dat de meeste lidmaten maar tijdgeloovigen zijn.

Gij zult zeggen: zoudt gij dat wel kunnen ontdekken? Ja; als zij eens vervolgingen moesten ondergaan, als ze op schavotten moesten komen, dan zouden ze afvallen. Matth. 13:13, Als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had; is het verdord. Nu zijn die ontdekt, die op schavotten komen; maar wij zullen er misschien niet opkomen. Waaraan zijn ze dan te kennen ?

Eerst. Zij zijn doorgaans zoo hoog gevoelig, ze hebben zulke hooge gedachten van zichzelven.

Ten tweede. Zij zijn zoo gerust, zij worden niet gaarne gemoeid. Zij houden niet veel van ontdekt te worden.

Ten derde. Zij houden van geen nauw leven. Den weg naar den hemel moet gij zoo nauw niet stellen. Dan zouden ze n haten.

Ten vierde. Zij hebben niet veel angst of strijd, het gaat alles zoo gemakkelijk.

Nu komen wij aan het vierde soort van geloof, en daar zult gij het verschil zien. Dat is het rare dat er in de Kerk gevonden wordt. Het geloof is niet aller, maar alleen der uitverkorenen, 2 Thess. 3:2. Wij zullen daar ook niet veel omslag van maken, maar het kort zeggen waarin het bestaat. Het bestaat hierin: Zij zijn zoo verslagen over hun verloren staat, ze schreien, ze weten er niet uit te komen; ik ga naar de hel, zeggen ze; ik vrees, dat God mij in zijne rechtvaardigheid verdoemen en veroordeelen zal. Daar hebt gij die ver-oordeelende daad, Daarop springen hun de tranen uit de oo\'gen; daar hebt gij de kermende daad. Daarop komen ze smeeken: zoudt Gij wel op mij willen zien, Heere? Daar hebt gij de vragende daad. Zoudt Gij dan op mij willen zien, Heere? Ja, zegt de Heere, daar is een Middelaar; en wat is hij gelukkig, die daar deel aan heeft! Wilt gij er wel deel aan hebben? zegt de Heere. Ach! liefste Heere! Ja, zou ik niet willen? Wel, ik dorst naar Hem, ik ben niette stillen, zonder zijne gerechtigheid. God kan mijne zonden, zonder dien, niet vergeven. Ik ben ook, zonder dien, niet tevreden te stellen. Ik heb U zoo van noode. Ik kies U oprechtelijk. Daarop komt de onderzoekende daad. Hebt gij het geloof? zegt de Heere; bekijkt ze eens altemaal in het Woord wie het geloof gehad hebben, deden ze ook zoo, als gij? Ja Heere! niet één anders. Daarop komt de vertrouwende daad: ze vertrouwen op den Heere Jezus in leven en in sterven. Durft gij daarop voor mijn rechterstoel komen? zegt de Heere. Ach! Ja, nu de Heere Jezus mij zoo geschonken is, niet alleen tot wijsheid, maar ook tot gerechtigheid, en tot een volkomene verlossing, 1 Cor. 1 :30. Daarop begint er kalmte en stilte te komen, en dat is de verzekerende daad; doe mij geen moeite aan, zegt ze, nu ik den Heere zoo aangegrepen heb, ik zal er by blijven. Daarop komt de heiligende daad:

747

-ocr page 754-

TWEEDE PREDIKATIE

ik heb U te lief, dan dat ik tegen U zondigen zou; Gij zult al de liefde en de lust van mijne ziel zijn; laat er nu komen wat wil, zuur of zoet, niets zal mij van U scheiden. Hebben ik en gij dat, wij zullen zekerlijk zalig worden. Wie daar ondervinding van heeft, werpt uwe hoop niet weg. De Heere zal met u liefelijk verkeeren. Dat wordt nu in het Woord ontdekt.

Gij zult zeggen: ik wilde wel dat gij eens een kort uittreksel van liet Woord gaaft. Dat doet de Onderwijzer in den 88ton Zondag, waar Hij u een uittreksel van het geheele Woord mededeelt, in de artikelen van \'t geloof. Die artikelen zijn oud, zij zijn goddelijk in stof, maar niet in orde; zij zijn onderscheiden van \'t gebed en van de wet. In \'t gebed spreken wij tot God; in de wet spreekt God tot ons; in de artikelen spreken menschen tot menschen, die aan elkander belijdenis doen van hun geloof. De artikelen zijn een kort begrip van den gelieelen bijbel. Velen liggen de menschen op te houden, met hetgeen de moeite niet waardig is om hunne aandacht aan te leenen. Wij wilden wel, dat zij zich ophielden met wezenlijke dingen in den bijbel. Waar komt het in den bijbel op aan? Op bet beschouwen van den Vader, den Zoon, en den Heiligen Geest, elke Persoon in zijne werking, en in de huishouding van de genade. Daar wordt gesproken van den Vader, hoe Hij dit groote al gemaakt heeft, en er nog omtrent werkzaam is, en hoe Hij de Vader van Christus is, en der geloovigen Vader, om Christus\' wil. Van den Zoon wordt er gesproken van zijne namen, naturen, ambten, staten, weldaden. Van den Heiligen Geest wordt er gesproken, dat Hij is een Persoon, een goddelijk Persoon, een onderscheiden Persoon van den Vader en van den Zoon; en dan van zijne groote zaligmakende werkingen. Welke zijn die? Dat Hij den uitverkoren zondaar weder-baart; dien wedergeborene geeft Hij het geloof; die Hij \'t geloof gegeven heeft, leid Hij in de waarheid; die Hij in de waarheid leid, troost Hij; en die Hij troost, daar blijft Hij eeuwig bij; Hij blijft bij hen tot den laatsten snik van hun leven. Dat is zoo de korte inhoud van den gelieelen bijbel.

Nu komt de bijbel, en zegt: daar is een God, dat lief, zalig Wezen. Uw hart moet opengaan, als gij er maar aan denkt. Zonder aan God te denken kan niemand leven. Elk moet er wel aan denken, of Hij wil of niet.

Dat er een God is, bewijzen wij uit het geweten, uit al de schepselen, uit den bijbel, ja zelfs uit de kleine kinderen; want hoe zoudt gij ze anders een indruk kunnen geven van hemel en hel, van goed en kwaad, zoo zij dien indruk in hun hart niet vonden. Ja, zelfs een Heiden weet het. Een stom en doof geborene heeft een indruk van een God, en is er iemand die zegt: daar is geen God, God zegt er van: het zijn gekken en dwazen, Ps. 14:1. Die daarvoor durven uitkomen, al was \'t een koning of een regent van een geheele stad of land, hij heeft geen goeden naam. Daar kan \'t niemand zeggen of denken, of zijn hart klopt. Dat Wezen is uitermate groot. Het is een geest die

748

-ocr page 755-

OVEE ZONDAG VII-XVII.

oneindig is, die onmededeelbare en mededeelbare eigenschappen heeft. De onmededeelbare zijn zulk en, waarvan niet de minste zweem in het schepsel te vinden is, als oneindig, eenwig, alwetend, eenvoudig, volmaakt, onafhankelijk. Daarvan is geen sprankel in \'t schepsel te vinden. De mededeelbare zijn; rechtvaardigheid, goedheid, genade, barmhartigheid, lankmoedigheid, vrijmacht, sterkte; daar is zulk een sprankeitje van in \'t schepsel te zien. Als God zijn beeld in iemand herstelt, dan krijgt hij er nog grooter sprankeitjes van.

Dat groote, zalige, verrukkingsmachtige Wezen zóó gezien hebbende, moeten wij nu niet zeggen: Ach Heere! hoe gelukkig zou ik zijn, als die God, mijn Vriend was! als Hij voor mij was! Dat zou grooter geluk zijn, dan menschen of engelen denken kunnen, Ps. 33:12, Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is; het volk dat Hij Zich ten erve verkoren heeft! Daar is maar één God. Daar kan er geen meer zijn, of daar zouden meerdere of mindere volmaaktheden in moeten zijn. Waren er mindere in, dan was Hij geen God; waren er meerdere in den een dan in den ander, dan was hij die de minste bezat, geen God. Daar is één God en drie Personen. Hoe komen wij aan dat begrip van drie Personen? De ongeschapen Wijsheid heeft het ons geopenbaard. Derhalve ik, met mijne geschapen wijsheid, kan dat niet begrijpen; ik moet het gelooven, dewijl God boven mijn begrip is. Zoo is het dan mijn plicht, dat ik mij aan Hem onderwerp.

Het Woord spreekt van meer dan één Persoon, en op andere

Elaatsen, uitdrukkelijk van drie. Zoo wordt er gezegd. Gen. 1:26, aat ons menschen maken. Gen. 11 : 7, Laat ons nedervaren en hunne spraak verwarren. Gen. 19:24, Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen van den Heere uit den hemel. Jes. 6:8, Wien zal Ik zenden, en wie zal ons henengaan? Daar hebt gij er meer dan één.laatsen, uitdrukkelijk van drie. Zoo wordt er gezegd. Gen. 1:26, aat ons menschen maken. Gen. 11 : 7, Laat ons nedervaren en hunne spraak verwarren. Gen. 19:24, Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra regenen van den Heere uit den hemel. Jes. 6:8, Wien zal Ik zenden, en wie zal ons henengaan? Daar hebt gij er meer dan één.

Dan zijn er plaatsen, die uitdrukkelijk van drie spreken, zoo in het Oude als in \'t Nieuwe Testament. Wij vinden dat in \'t Oude Testament op zeer vele plaatsen, als namelijk: Ps. 33:6, Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir. Ps. 45:8, Daarom heeft ü, o God! uw God gezalfd met vreugde-olie, boven uwe medegenooten. En Jes. 61:1, De Geest des Heeren Heeren is op Mij.

Wij zullen er maar eenige noemen in \'t Nieuwe Testament. Daar hebt gij Christus\' doop, onzen doop, Christus\' gebed, Paulus\' zegenwensen 1 Cor. 1:3, Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. Die drie maken echter maar één goddelijk Wezen uit. Deut. 6:4, Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een eenig Heere. 1 Joh. 5:7, Want drie zijn er die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. Joh. 10:30, Ik en de Vader zijn één. Die Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien, Joh. 14:9. Dat is even zooveel, alsof de Heere Jezus zeide: Ziet gij Mij, gij ziet den Vader en den Heiligen Geest; die Mij ziet, ziet het gansche goddelijk Wezen. Het zijn drie onder-

749

i Iffi

Jl

I I:

i

ilftii

mm i ; jvr ;

jéi

-ocr page 756-

TWEEDE PREDIKATIE

scheiden Personen. Men mag niet zeggen: die Persoon is wat anders; maar wel, een ander.

Zij \'/.iin onderscheiden in vele zaken; en wel in \'t bizonder, ora bij onsquot; stiik te blijven, zijn ze onderscheiden in werkingen. De eerste Persoon is de Schepper van alles; Hij heeft zijne hand in alle dingen ten goede van zijne kerk en kinderen te regeeren. De tweede Persoon is de Zoon, die verwerft de zaligheid. De derde Persoon in dat goddelijke Wezen is de Heilige Geest, wiens werk het is de zaligheid, door den Zoon verworven, aan Gods kinderen toe te passen.

Nu moeten wij zien dat de Vader de oorsprong is van de geheele wereld. Als gij het alles beziet, den hemel, de lucht, de aarde, do zee, de beesten, de menschen; Ik heb die allen gemaakt, zegt God. Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate. Job 28; 25. En Jes. 40:12, Wie heeft de wateren met zijne vuist gemeten? en van de hemelen met de span de maat genomen? Ik spreek, en het is er; Ik gebied, en het staat er, zegt God, Ps. 33:9. Ik was er niet lang mede bezig; in zes dagen heb Ik al dat heerlijke werk gemaakt. Rijdt, of gaat, of staat gij, \'t is op mijnen grond; vaart gi], \'t is in mijn water; en dat gaat God onderscheidenlijk toonen, wat Hij op één dag gemaakt heeft, in het eerste hoofdstuk van den bijbel; en toen Hij het gemaakt had, ging Hij het eens bekijken, en het was altemaal goed en bekwaam tot het werk, waartoe het gemaakt was, namelijk: om God te verheerlijken. Toen ging God aanwijzen wat elks werk zou zijn. De zon, de maan, de sterren, de wateren, de aarde, den mensch. God heeft het alles zoo gemaakt; niemand heeft er zijne hand in gehad dan God.

Dat nu zoo geschapen zijnde. Iaat God het niet varen, maar Hij houdt er zijne hand aan door zijne voorzienigheid. Daar moeten koningen, en alle schepselen voor buigen. Weet gij, waar die voorzienigheid in bestaat? In vier deelen, te weten: in eene voorwerking, medewerking, bestiering of onderhouding, en eene achtervolgende werking.

Wat het eerste aangaat, waardoor bestaat de hemel, de aarde, de zee? daar wordt nooit iets aan gerepareerd. Wat voor stormen zijn er! en echter hoe blijft het staande! Hij draagt alle dingen door het Woord zijner kracht, Mebr. 1:3. Neb. i): G, Gij zijt die Heere alleen. Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zee en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend.

Ten tweede. Behalve dat Ik voorwerk, zoo werkt evenwel elk met het uiterste genoegen mede. Een mensch, hoe groot hij is, werkt met het uiterste genoegen. Daar is een stondetje dat het besluit baren moet. AI was het een koning. Ik werk zóó in het hart, dat zij met het uiterste genoegen het niet alleen uitvoeren, maar ook niet trotschheid van hun hart. Wie zal mij dwingen? zeggen ze; en ach arme! zij bedenken niet, dat het bij een mensch niet is zijn gang te richten, Jer. 10:23. De Assyriër, zegt God, hij is de roede mijns

750

-ocr page 757-

OVER ZONDAG VII-XVII.

t.oorns, en mijne grimmigheid is een stok in hunne hand, Jes. 10:5. Ezech. 21:19, zegt God, Ik zal \'t beschikken, dat de koning van Babel naar Jeruzalem zal trekken.

Ten derde. Ik vloei in al uwe werken in, en Ik werk mede; Ik heb een invloed op al uw werk, gelijk de zon op de planten en kruiden. Dat wisten zelfs de Heidenen; zoodat wij altijd moeten zeggen: als God wil, en wij leven. Jak. 4:15. Ik bestier het alles: den nacht en den dag, den zomer en den winter. Jes. 40: 2G, Heft uwe hoofden op omhoog, en ziet, wie al deze dingen geschapen heeft; ja, is er een oordeel of een zegen, \'tis alles van Mij; Ik verhoog deze, en Ik verneder gene; Ik zet de koningen af, en Ik bevestig de koningen. Dan. 2:21. Zijn er goede, zijn er slechte predikanten die gezegend of ongezegend zijn. Ik heb er mijne hand in; Ik regeer in de kerk, in de Christenen met mijne bewerkingen en genade. Krijgt gij vermeerdering van genade, \'t is al van Mij. Blijft dan toch aan\'t sciiepsel niet hangen; Ik regeer zelfs de goddeloozen in mijne rechtvaardigheid tot mijne heerlijkheid, zoodat gij er over verstomd zult zijn.

Wat zal er u, in mijne voorzienigheid, al ontmoeten? Kruisen, zoodat gij zult moeten zeggen: God doet mij noemen, Mara. Hoe moet gij u dan gedragen? Geduldig. Daar zullen ook voorspoeden en zegeningen komen, daar zal haast niet één dag zijn, of er zal een zegeningetje wezen. Hoe moet gij dan zijn? Dankbaar; zegt gij wel met Jakob: Ik ben te gering, dan al deze uwe trouw? Gen. 32:10. Werdt gij er verlegen over? Daar zal u wel een donker wegje ontmoeten; wat dan? Wacht dan op mijnen invloed, hebt een goed toeverzicht op Mij, Ik zal het maken: wentelt uwen weg op den Heere, Ps. 37 :5. Die Vader, is de eeuwige Vader van den Heere Jezus Christus. Als er predikanten op stoel komen, die dat loochenen, denkt dan, dat ze alle drie de Personen loochenen, denkt dan, dat ze de geheele Godheid loochenen. Dan wordt het tijd om zulken te laten zitten, en om op de wacht te staan; het deugt niet, die zoo spreken. Wat zegt het Woord ervan? Ps. 2:7, Heden heb Ik U gegenereerd. Spr. 8:22—25, De Heere bezat mij in het beginsel zijns wegs, vóór zijne werken, van toen aan. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; Aleer de bergen ingevest waren, vóór de heuvelen was Ik geboren. God noemt Hem in het Woord zijn eigen Kind, zijn eenig Kind, zijn geliefd Kind. Gelijk Ik het leven heb in Mij-zelven, zoo geef Ik U ook het leven te hebben in üzelven. 11 ij heeft dezelfde goddelijke natuur; Hij is het afschijnsel van Gods heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, Hebr. 1:3.

Nu zegt het Woord, dat die Vader van Christus, ook de Vader van al de zijnen is om Christus\' wil. Op welken grond?

Eerst. Hij herstelt het beeld Gods in hen door de wedergeboorte.

Ten tweede. Dan wordt Hij nog hun Vader door de genadige aanneming tot kinderen.

751

-ocr page 758-

TWEEDE PREDIKATIE

Ten derde. Dan werd Hij hun Vader, omdat ze met Christus door het geloof vereenigd waren.

Nog eens. Ten vierde. Omdat ze in een verbond des huwelijks met zijnen Zoon gekomen waren. Toen zijt gij mijn zoon en dochter geworden. Toen gij uwe ziel aan mijn Zoon overgaaft, werdt gij mijn kind, ja, toen gij het geloof gingt oefenen, toen kreegt gij aan mijn Zoon deel. Ach, God! wat eene groote liefde is dat, kinderen Gods genaamd te worden, 1 Joh. 3:1. Ik ben uw Vader, daar mag u ontmoeten wat wil, op uw zestig of zeventig-jarigen leeftijd, zult gij in alles moeten zeggen, dat Ik zoo vriendelijk met u gehandeld heb, en gij zult in uw zestig of zeventig-jarigen leeftijd een kinderlijk gedrag toonen. Gij zult Mij liefhebben, en eeren, en u aan Mij onderwerpen, Mij gehoorzamen evenals een kind aan zijne ouders doet. Daarop zegt de ziel: Ach! liefste Heere Jezus, hoe moet ik U kennen? Ben ik een kind om U geworden? Laat ik nu eens zien wat het Woord al van U spreekt; en daar gaat ze Hem bezien in zijne namen; dat Hij den naam draagt van Jezus, van Christus, Hij is de eeniggeboren Zoon Gods, en de Heere van zijne Kerk. Jezus, \'dat is te zeggen Zaligmaker. Daar is geen andere naam onder den hemel den menschen gegeven, Hand. 4:12. Hij kan volkomenlijk gelukkig maken, Hebr. 7:25. Wat doet Hij dan? Hetgeen de Vader door den engel zeide, Matth. 1: 21, Hij zal zijn volk zalig maken van al hunne zonden. Dan zijn ze gelukkig, Hij verlost ze van de goddelijke rechtvaardigheid, van Gods toorn, van de schrikken van liet geweten, van den vloek der wet, van de heerschappij des duivels, van de vreeze des doods, van de vreeze van verloren te zullen gaan, van den kommer hoe ze voor het gericht zullen bestaan. Maar als Zaligmaker is dat nog niet genoeg hen van al dat kwaad te verlossen, maar dan wil Hij ze nog tot eeuwig geluk brengen. In mijne gerechtigheid en heiligheid zult gij voor God kunnen bestaan; Ik zal u in staat stellen om tot God te naderen. God zal u al dikwijls een genadig bezoek geven, en gij zult niet verschrikt zijn als gij naar God gaat. Al wat u ontmoet, gij zult er mede naar Hem gaan, en Hij zal u helpen, ja, die God zult gij tot uw deel hebben. Mijne wijsheid, zal God zeggen, is om u te bestieren; mijne goedheid, om u te verkwikken; mijne kracht; om u te helpen, mijne rechtvaardigheid, om vergelding te doen aan uwe vijanden. O God! zult gij moeten uitroepen, wat zijn mij de snoeren gevallen in liefelijke plaatsen! Ps. 10:G. Als ik alle dingen mis, als ik dan U maar heb. Ps. 73:26, Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid. Dat is zalig te zijn. Heere Jezus! hebt Gij dat alles verdiend? Ja, Ik heb voldaan door gehoorzaamheid en lijden, en \'t is ook gegrond op mijne voorbidding. Ik kan zeggen: Vader, Gij moet met dat volk zoo handelen. Hoe Komt dat nu in \'t hart? Ik zal u den bijbel geven, zegt de Heere, en goede predikanten. Onder die geestelijke bediening zullen mijne pijlen u in het hart treffen, Ps. 45 : C; zoodat gij bekeerd zult worden. Gij zult niet bekeerd zijn, of gij zult naar

752

-ocr page 759-

OVER ZONDAG VII-XVII.

het geloof zoeken; en zoo zult \'gij u die zaken toepassen door bet geloof. Daar krijgt gij dan geloofsoefeningen om naar den Heere Jezus te dorsten en te hongeren, te schreeuwen, Matth. 5:5. Dan is het: ik kan geen uitstel dragen, de geest, dien Gij gemaakt hebt, zou voor uvv aangezicht overstelpt worden. Hoe zijn ze dan? Daar komt eene heilige blijdschap en moed, Hij past het zoo toe, dat ze altemet op een ziekbed of anders zijn, alsoi ze al in den hemel zijn, of ze niet meer op de aarde waren. Sterven ze, dan krijgen ze het einde van hun geloof, de zaligheid der ziel, 1 Petr. 1:9, en in de opstanding genieten ze het naar ziel en lichaam beide.

Dit nu gezien hebbende, liefste Heere! zoo moeten wij ook zien, hoe Hij de Christus is. Daartoe is Hij van God den Vader gezalfd. Gij vindt niet alleen in den Bijbel den naam van Jezus, maar ook dien van Christus. Wij hebben gevonden den Messias, den Gezalfde, Joh. 1:42. Waarom hebt Gij dien naam, liefste Heere Jezus? God heeft er Mij toe voorgekend, opdat Ik de Middelaar zou zijn; Ik ben er van eeuwigheid toe geschikt; 1 Petr. 1:20, van vóór\'de grondlegging der wereld, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou, Ef. 1:4. Hetgeen de Vader in zijn hart had, heeft Hij ook bekendgemaakt, beloofd en afgeschaduwd. Nu willen ze de menschen met de schaduwen ophouden. Wij niet; wij willen vergeten hetgeen achter is, Fil. 3:14. Het is niet alleen afgeschaduwd, maar in de profetieën voorzegd. In de profetieën staat het, dat Hij: Profeet, Priester en Koning zou zijn; waar Hij komen zou, wanneer Hij komen zou, en wat znn werk zijn zou. Als gij er op let, zult gij dat zoo overal vinden. God heeft uit den hemel Hem daartoe uitgeroepen, Matth. 3:17 en 17:5, Deze is mijn geliefde Zoon, hoort Hem! Hij wilde ze allen naar Hem toe hebben; Ik ben de Christus, zegt Hij, de geheele Geest van God rust op Mij. De geheele derde Persoon is aan den Zoon gegeven. Wij deelen van de druppeltjes mede; Hij heeft zooveel Geest gekregen, als Hij tot zijn Profetisch, Priesterlijk en Koninklijk ambt van noode had.

Die Middelaar Gods en der menschen gaat als Profeet de diepten Gods prediken, en Hij laat ze leeren door zijne dienaren. Den ge-heelen raad Gods, Hand. 20:27, gaat Hij laten verkondigen. Hij houdt niets achter. Dat niet alleen, maar als Profeet gaat Hij het goede voorzeggen voor degenen, die in den Zoon gelooven, en het kwade voor degenen, die Hem ongehoorzaam zijn. Den onbekeerden profeteert Hij niets goeds over. Daar hebt gij die groote openbaring van Gods raad. De Openbaring van Johannes is een profetie van Christus. Hij bevestigt zijne leer met een heilig leven; Hij doet wonderen; Hij weigert niet te sterven.

Als Priester neeft Hij Zichzelven geofferd. Geen Izak, geen paasch-lam, maar de God-mensch, Emmanuel, de Elschaddai stelde zijn leven voor zijne schapen. Joh. 10:11. Gij weet altemet niet, wat gij bidden zult; Hij weet hoe gij te moede zijt; Hij is uw voorspraak; Hij heeft nog nooit van met één, het proces verloren, zelfs met van het

75^

-ocr page 760-

TWEEDE PREDIKATIE

allerzwaarst bestreden kind Gods. Simon, Simon! de satan heelt u begeerd te mogen ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, Luk. 22:31, 32. Waar zou ik en gij bliiven, zoo er de voorbidding van Christus niet was ? Dan als Priester, zoo zegent Hij. De vensters van den hemel doet Hij open in de Kerk. Dat genade-wijnhuis is geheel en al vol zegen. Ik zal tot u komen, aan alle plaatsen, waar gij in mijn naam vergaderd zijt, Matth. 18:20. Daar is zelfs niet één zondaar, of hij krijgt wel een zegen; als gij er maar aandachtig op let, al was \'t maar een bedwingende zegen! Dan doet Hij den zegen spreken door zijne knechten; maar gij let er niet op; Ik zal met u gaan en u achtervolgen, en krachtdadig bewaren.

Dan als Koning regeer Ik u zoo goedertieren. Mijne wetten zijn zoo billijk, mijn behoeding en bescherming is zoo krachtdadig, mijne regeering is zoo goedertieren; kunt gij er wel over klagen? Zijn ze niet uitnemend goed? Mijne wetten zijn altemaal zoo bi 1 lijk. Kunt gij wel klagen, dat Ik krachteloos ben, in u te bewaren in mijne kracht? Niemand zal u uit mijne hand rukken, Ik ben meer dan al uwe vijanden. Lieve Heere! mogen wij wel mededeelen van uwe zalving, en zoo naar U, Christenen genaamd worden ? Hand. 11:26. Het werd door de geheele wereld bekend, dat ze Christenen naar Christus heeten. Waarom dragen ze dien naam? Omdat er een droppeltje van het Hoofd op de leden nederdaalt, Ps. 133:2. Zij krijgen ook den Geest, doch in een minderen trap als hun Hoofd, en zoo zijn ze dan ook op hunne wijze profeten. Zij krijgen wel groote verlichtingen. Krijgen ze ook niet te prediken en te leeren? Ja, zij staan niet stil, als zij over iemand wat te zeggen hebben. Zij zingen een psalm, zij spreken stichtelijk met hun huisgezin en met alle menschen, zij zoeken eerlijk te wandelen, zoodat elk moet zeggen: dat mensch overtuigt mij met zijn leven; zij profeteeren. Moeten ze in hun dood als martelaars sterven, dan moeten de vijanden zelfs zeggen: zijn dat patiënten die om hunne misdaad gerecht wor-dpn? zij leven beter dan wij; en zoo wordt het bloed der martelaren het zaad der Kerk. Als ze gerecht werden, zoo zeiden de omstanders: als wij hun vonnis hooren lezen, wij hooren er niet in dat ze gestolen hebben, of dat ze oproer verwekt, of iemand vermoord hebben. Het is maar alleen omdat ze God dienen, en zij kussen den brandstaak, zij zingen, zij bidden; zij zijn beter dan wij. Dan begonnen ze te zeggen; Ach God! wij moeten niet wel zijn, of wij moeten zoo zijn. Geheele familiën werden er bekeerd. Paulus zeide: door mijne banden zijn alle broeders bevestigd geworden; zij krijgen er zulk een vertrouwen door; door mijne banden is het Evangelie bevorderd, Filip. 1:14, dat is te zeggen: ik ging eens toonen waarom ik met zulke ketens gebonden was, als ik voor den rechter stond, het gansche hof zeide: wat een patiënt is dat! en ze gingen de waarheid Gods onderzoeken. En als ze den natuurlijken dood sterven, hoe stichtelijk zyn ze! het is, alsof gij voor het sterfbed van den

754

-ocr page 761-

OVER ZONDAG VII-XVII.

ouden Jakob stondt; de laatste les aan hunne kinderen is: vreest toch God.

Zij zijn ook priesters, zij hebben hunne offeranden: het slachtoffer van den ouden mensch, \'t reukwerk der gebeden; dan het offer van kloekmoedigheid, dan een offer van aalmoezen, dan een dankoffer; zij bidden met bun huisgezin, met de gemeente, alleen: zij hebben hunne zegenwenschen, zij wenschen elkander alles goeds toé; zij zijn tot een zegen in hun huis en in de kerk.

Zij zijn ook koningen, al grooter dan de koningen van de wereld. Daar ligt een koninklijke glans op hen, zij vloeken niet, zij spelen niet, zij hoereeren niet. Wat een volk is\'dat! zeiden de Heidenen, het is een schoon volk! zij zijn zoo moedig, zij heerschen over hunnen geest. Daar is niemand rijker dan een Christen, zij hebben zulke schatten; de bijbel is hun schat. Als die anders niet te krijgen was, zij zouden er eene geheele wereld voor geven. Het minste droppeltje genade is meer waard, dan eene geheele wereld. Zij hebben God tot hun deel, en zoo hebben ze het al. Zij hebben deel aan de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Allerliefste Heere! Gij zijt ook Gods eenig géboren Zoon, waarachtig God. Geliefden! hier mogen wij wel met Paulus uitroepen, Hebr. 7:4, Aanmerkt hoe groot Deze is! God boven al, li om. 9:5.

Zoudt gij dat wel kunnen bewijzen, waarom Hij God genaamd wordt ? Omdat Hem worden toegeschreven: goddelijke namen, eigenschappen, werken en eer.

i Draagt Hij goddelijke namen? Ja, Hij wordt genoemd Jehova, Heere, Ps. 110:1, De Heere heeft gesproken tot mijnen Heere. En Dan. 9:17, Doe uw aangezicht lichten over uw heiligdom om des Heeren wil.

Worden Hem ook goddelijke eigenschappen toegeschreven? Ja, al de paarlen aan de goddelijke kroon worden Hem ook toegeschreven: Alwetendheid, eeuwigheid, onafhankelijkheid, almachtigheid. Lieve Heere Jezus! wat al grootheden zijn er\'in U! Mochten wij er bij zeggen: Lieve Heere Jezus! met dat ik bekeerd was, heb ik in ü geloofd, en ik heb U liefgehad.

Goddelijke werken worden Hem mede toegeschreven, als namelijk het werk der schepping. Daarom wordt er gezegd, Ps. 33: (3. Door hot Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir. Daarenboven, wat heeft Hij al wonderwerken gedaan !

Ja, Hem komt ook goddelijke eer toe. Daarom zegt Hij, Joh. 14:1. Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. Wij worden in zijnen naam gedoopt. Hij wordt aangebeden, alle tong zal Hem belijden, en alle knie zal in zijnen naam buigen. Pil. 2:10. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige leven, 1 Joh. 5:20. Allerliefste Heere! Gij zijt ook een mensch geboren ter rechter tijd. Als die zeventig weken van Daniël vervuld waren, Dan. 9:26, De eerste tempel moest weg zijn, de tweede moest veel heerlijker zjjn. De hut Davids moest vervallen zijn, Amos 9:11. Uit den afgehouwen tronk van Isaï, moest er een rijsje voortkomen, Jes. 11:1. Die steen, uit dien Joodschen berg, moest

755

-ocr page 762-

TWEEDE PREDIKATIE

zonder handen afgehouwen worden, Dan. 2:34. Hij is geboren ter rechter plaats, namelijk te Bethlehem, Micha 5:1. Uit het rechte volk. \'tls openbaar dat onze Heere uit Juda gesproten is, Hebr. 7 :14; en zoo uit Jakob, uit Izak, uit David, uit het huis van David, uit eene maagd, Jes. 7:14; en dat alles naar het Woord. Hij had een lichaam ou eene ziel; al wat in een mensch is, (uitgenomen dat zondig is) vindt gij in Hem: eten, drinken, slapen, toorn, droefheid, blijdschap; doch alles zonder zonde. Na zijne opstanding zeide Hij: Tast Mij, want een geest heeft vleesch noch been, gelijk gij ziet dat Ik heb. Luk. 24:39. Hij is als de kinderen, vleesch en bloed deelachtig geworden, Hebr. 2:14. Hij is de Middelaar Gods en der menschen, 1 Tim. 2:5. Hij was een mensch zonder zonde. Hij had eene heilige ontvangenis eii geboorte. Hij was heilig in zijn spreken, in zijne daden, in zijn lijden; Hij was heilig in zijn natuur. Hij had geen erfzonde. De Heilige Geest quot;zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zalu overschaduwen, zeide de engel. Luk. 1:35. Hij was het Hoofd van het genadeverbond, die gesteld werd tegenover het hoofd van het verbond der werken, zoodat Hij niet behoorde onder het hoofd van het verbond der werken, en zoo had Hij geen erfzonde, en derhalve geen aangebo-rene noch inklevende zonde; Hij was heilig in zijne ontvangenis en geboorte, en zoo bedekt Hij mijne en uwe onheilige ontvangenis en geboorte. Hij was uit eene maagd, en onzondig in al zijne daden, zoodat Hem nooit iemand kon lasteren, of zeggen, dat booze stuk heeft Hij bedreven; Hij was heilig in zijn spreken, zijn gehemelte is enkel zoetigheid; Hoogl. 5 :16. Hij was zóó heilig, dat de duivelen zelfs moesten zeggen: Gij zijt de heilige Gods, mijne knechten mogen U gescholden hebben, maar quot;wij weten wel dat Gij het heilige Gods zijt. Mark. 1 :24.

Daarop komt nu de Zone Gods, en die gaat de zaligheid verwerven. Langs vier trappen is Hij nedergedaald, tot in de allerdiepste vernedering, en Hij gaat ze langs vier trappen toepassen. Langs vier trappen is Hij opgeklommen tot de alleruiterste verhooging.

Hoe de Zoon Gods de zaligheid begint te verwerven door zijn bitter lijden, dat hebt gij in den i r/1011 en lGaen Zondag. Gij zijt in de schuld getrapt, zegt de Vader, Gij hebt het werk der verlossing op ü genomen, om aan mijne gerechtigheid te voldoen en te betalen, nu eisch Ik het van U. Hier ben ik. Vader! zegt Hij, Ps. 40:8, 9, Zie Ik kom, in de rol des hoeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen, en uw wet is in het midden mijns inge-wands. Uwen wil doe Ik gaarne.

Daar moesten wij nu zien, zijne alleruiterste smart, van zijne kribbe tot aan zijn kruis. Hij worclt geboren als een Kind van geen waarde, zxjne ouders konden geen herberg vinden, die nochtans zóó vroom waren dat ze, op het gebod des keizers, zulk eene moeilijke reis ondernamen. Luk. 2:4, 5. Daar wordt Hij geboren in een stal, in eene kribbe der beesten neergelegd. Luk. 2:7. Om zijnentwil worden de kindertjes te Bethlehem gedood, Matth. 2:16. Zijne ouders vlieden met Hem naar Egypte. Het is evenwel een groot Kind. Men

756

-ocr page 763-

OVER ZONDAG Vil—XVII.

757

noemt zijnen naam: Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst, Jes. 9:5. Daar groeit Hij op in aangenaamheid en wijsheid, Luk. 1: 80, en 2 ; 52. Het Kind is zijn ouders onderdanig. Luk. 2:51. En zoo leert Hij al den kinderen door zijn eigen voorbeeld. Hij volbrengt ze zelf. Zijne ouders waren godvreezende lieden; zij gaan naar het feest. Hij blijft daar. Onderweg missen zij Hem, zij keeren weer, om Hem te zoeken; daar vinden zij Hem in den tempel, bezig om de allergeleerdste mannen te onderwijzen. Luk. 2: 4ü. Zoodat elk geleerde zeide: wat een Kind is dit! Mijn Kind, zeide Maria, hoe hebt Gij zóó gedaan? Wel, wist gij dan niet, zeide Hij, dat Ik in het werk van mijnen Vader moest bezig zijn? Luk. 2:49. Ik zeg het u nu, het zal u misschien al meer gebeuren. Zoo gaat Hij al voort tot zijne dertig jaren toe. Daar gaat Hij naar Johannes, gij doopt er zoo velen, zegt Hij, doop Mij ook. Wel, zegt Johannes, ml] is noodig van U gedoopt te worden; gij verstaat liet niet, zeide Jezus, zoo betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen; en Johannes doopte Hem, Matth. 3: 12—15. Daarop komt God en Die opent den hemel, daar daalt de Heilige Geest op Hem neder, en daar was de stem des Vaders: Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in Denwelken Ik mijn welbehagen heb. Matth. 3:17. Dat geschiedde ten aanzien van duizende menschen. Daar treedt Hij in zijnen openbaren dienst. Daar gaat Hij al rondom prediken, maar Hij deed Jeruzalem niet veel aan, maar Hij ging in andere vlekken. Het was er als een landouw des doods. Maar als Hij begon te prediken, kwam het al uitgeloopen, zij maken eene schare van duizende menschen, die Hem volgden. Daar doet Hij groote teekenen en wonderen. Daar komen ze onder zijne predikatiën, met zieken, blinden, allerlei ellendigen, en die niet konden komen, die dragen en sleepen ze naar Hem toe, en Hij genas ze meest allen naar ziel en lichaam. Wat was zijn loon? Hoe meer goed Hij deed, hoe boozer de anderen werden. Daar gaan zij aan het schelden en aan het lasteren, het gaat zóó ver, zij slaan de handen aan Hem. Daar was er een onder zijne vrienden, die zijn brood met Hem gegeten had, waar Hij heimelijk mede raadpleegde over het koninkrijk, die zeide: ik zal de leidsman wezen. De Heere zegt: daar is een slecht man onder ulieden; Hij komt nader, en zegt: het is een verrader, het is een duivel; Hij gaat verder: gij zijt het, zegt Hij, Matth. 2G: 21—25. Hij vatte het ook op, hij stond op in zijne verwoedheid, en zeide in zijn\' hart: zegt Gij, dat ik een verrader ben, ik zal dat toonen. Hij gaat naar den Joodschen Raad en zegt: gij zijt zoo begaan, om Hem te krijgen, wat zult gij mij geven, ik zal Hem u overleveren, Matth. 2(3:15. Zij geven hem een geringen prijs. Zij geven hem lakeien. Daar gaat hij als leidsman van de bende; hij komt in de plaats waar zijn Meester was, hij kust Hem, dat was het teeken, dat hij hun gegeven had. De Heere zeide: vriend, verraadt gij Mij met een kus? Luk.22:48. Hij had een goddelijke alwetendheid. Dat heeft den verrader Judas door het hart gestoken. Daar gaat hij weer naar den Raad, en zegt: ik moet mij ontlasten; die dertig penningen smijt hij daar neer. Dan zal ik raad

-ocr page 764-

TWEEDE PREDIKATIE

weten, zegt hij, weet gij geen raad en bij gaat en verhangt zichzelven, Matth. 27 : 5. Daar was toen dat Lam onder de wolven. Nog een smartelijk geval gebeurt er terwijl Hij in het rechthuis van Pilatus was. Daar wierp llij zijn oog op Petrus, en zeide: kent gij dienmensch niet ? Wat wilde Hij daarmee zeggen met hem zoo aan te zien: ben Ik uw Zaligmaker nu niet meer? Verloochent gij Mij zoo in koelen gemoede? wil llij zeggen. Dat gezicht doorsneed ook Petrus het hart, maar op eene geheel andere wijze als Judas, want Petrus viel als in wanhoop van droefheid, doch het was eene goede wanhoop; eene droefheid die naar God is, en die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt, 1 Cor. 7:10. Daarom ging hij naar buiten, niet naar den strop, maar naar de tranen, hij schreide zijn hart uit, en kreeg vergiffenis, Matth. 26:75. Doch Judas verviel in eene kwade wanhoop, hij liep naar den strop en verhing zich, Matth. 27:5. Daar springen ze nu met den Heere om. Zij willen hebben, dat Hij zal zeggen of Hij Gods Zoon is. Ik ben het, zegt Hij: gij zult Mij zien komen op de wolken. Daarop scheurt de hoogepriester zijne kleederen, wat hebben wij, zegt hi], nog voor getuigenis van noode, gij hebt zijne godslastering gehoord, Matth. 2(3 :Ü4, 65. Daar zijn ze het allen eens, om Hem te dooden. Zij roepen het uit vs. 66: Hij is des doods schuldig. Behalve echter twee vrome lieden. Jozef van Arimathéa en Nicodemus, die hebben het vonnis des doods niet geveld.

Maar wat nu? zij konden Hem niet ter dood brengen: de schepter was van Juda geweken. Gen. 49:10. Ze konden het niet uitvoeren. Daar gaan ze naar den rechter Pilatus. Deze, zeiden ze, moet gij eens terdege doen sterven: Hij is een oproermaker, Hij werpt Zich op tot koning. Hij weigert den keizer schatting te geven. Luk. 23:2. Pilatus gaat bij den Patiënt alleen; is dat waarheid? zegt hij. Daar vond hij \'t geheel anders. Hij had gezegd: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Joh. 18:36quot;; en gedurig: mijnen vrede geef Ik u, mijnen vrede laat Ik u. Joh. 14:27, Geeft den keizer wat des keizers is,quot; Matth. 22 :21. Ik vind geen schuld in dezen mensch, zegt Pilatus, ik zal Hem naar Herodes zenden. Daar waren ze mede tevreden, zij dachten: misschien zal die Hem dooden. Dat is mijn wensch, zeide Herodes; Hij zal wel een wonderteeken doen, ik zal vermaakt worden met een quot;mirakel. Daar komt hij in met zijn geheele gezelschap, en de Heere Jezus spreekt niet één woord. Luk. 23:8, 9. Daar bespotten ze Hem, en zonden Hem weer naar Pilatus. Toen zegt Pilatus: ik heb er een, om een doodslag gegrepen; \'t is de gewoonte, dat ik er u een loslaat op het feest; wien wilt gij, dien doodslager, of Jezus? Matth. 27:17. Gij moet Jezus dooden, zeiden ze; ik zal het niet doen, zegt hij, maar ik zal Hem geeselen en loslaten. Zoo laat hij Hem terdege tracteeren, dat bij eiken slag het bloed er uitsprong. Daarbij komen de moedwillige krijgsknechten; die namen eene gevlochten doornenkroon, en sloegen die met een rietstok in zijn hoofd, Matth. 27:30. Zoo brengt Pilatus Hem voor; is Hij nog niet genoeg getracteerd? zegt hij. Neen, zeiden ze. Hij moet dood zijn, Hij

758

-ocr page 765-

OVER ZONDAG VII-XVII.

moet sterven, en wij kunnen het niet doen. Ik geef Hem aan u over, zegt hij, doet gij het. Wel, zoo gij liet niet doet, zeiden ze, gij zult des keizers vriend niet zijn, wij zullen u aanklagen: indien gij Dezen loslaat, zoo zijt gij des keizers vriend niet. Joh. 19:12. Daar lag hij er toe; zijne vrouw zond ook nog een lakei, en zeide: ik heb een schrikkelijken nacht gehad, en ik voel, dat het om dat Schepsel is, bezondig u er niet tegen. Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden in den droom veel geleden om Zijnentwil, Matth. 27 :19. E indelijk zeiden ze: wat legt gij en talmt naar uitstel; zijn bloed kome over ons en over onze kinderen, Matth. 27:25. Gij zult onschuldig zijn, laat het aan ons gezocht worden, \'t Wordt ook gezocht: gij ziet niet één jood, of\' gij ziet het bloed van dien Rechtvaardige op hen. Wiens benauwdheid zij zagen. Daar ging dat Lam om geslacht te worden met het kruis op zijn rug, en dat, waar Hij zoo bezweken was, door al het bloeden en waken. Daar kwam Simon van Gyrene, die moeite voor den Heere had zoeken te ontgaan, en hij geraakte in tiendubbele moeite. Zij doen hem het kruis helpen dragen, Matth. 27 :32. Daar komen ze op de plaats, waar Hij gerecht moest worden. Daar richten ze het kruis op, daar werd die Vorst des levens aangeklonken. Daar spreekt Hij zoo godvruchtig. Zijne zeven laatste woorden, wat zijn ze opmerkelijk!

Eerst. Ach zoon! zegt Hij tegen Johannes, zie op die vrouw, neem ze tot uwe moeder, Joh. 19:27. Daar zorgde Hij zoo feeder voor zijne eigen moeder.

Ten tweede. Ik zie ze zoo woelen; Vader, zegt Hij, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Luk. 23:34.

Ten derde. Daar komt een moordenaar, die als in de hel stond te vallen. Hij had niet langer moeten wachten. Wat een geluk is dat voor mij, dat ik juist in diezelfde vierschaar ben geweest! denkt hij. Heere! zegt hij, gedenk mijner, als Gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn. En wat kreeg hij een troostelijk antwoord! Heden, zegt de Heere Jezus, zult gij met Mij in het Paradijs zijn, Luk. 23:43. Zondaar! laat het daar niet op aankomen. Daar is in \'tWoord maar één voorbeeld van zulk eene bekeering, en dat is, omdat gij het er niet op zoudt laten aankomen; doch daar is er ook één, opdat gij niet zoudt wanhopen. Wanhoopt niet met eene kwade wanhoop; wat gij nog niet hebt, kunt gij nog krijgen, als het stondetje der minne, in Gods raad bepaald, daar zal zijn, en als het besluit baren zal.

Daar moest nog iets uit de Schrift vervuld worden; daarop zegt Hij, ten vierde: Mij dorst. Joh. 19:28.

Ten vijfde. Zegt Hij uit Ps. 22:2, Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten ?\'Matth. 27:46.

Ten zesde. Hij zeide, voelende dat het einde van zijn bitter lijden aanstaande was, en dat het nu vervuld zou worden, dat de slang Hem de verzenen zou vermorzelen. Gen. 3: 15. Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest. Luk. 23:46.

Eindelijk, en ten zevende, riep Hij uit: het is volbracht. Hij legde

759

-ocr page 766-

TWEEDE PREDIKATIE

zijn hoofd op zijn hart, en gaf den geest. Daar was het alles in rep en roer. Hemel, aarde, tempel. De zon gaf\' haar schijnsel niet; het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden; de aarde beefde; de graven werden geopend, Matth. 27:51, 52. Daar stond een Uomeinsch kapitein, die de strafvoltrekking bijgewoond had, die riep uit: waarlijk. Deze was Gods Zoon, Matth. 27:54. En \'twas geen wonder, want zulke teekenen werden in de natuur niet gezien. Geliefden! wij kunnen niet nalaten bij deze gelegenheid u twee zaken te zeggen, die in de geschiedenissen op dit wonderlijk sterven van den Heere Jezus worden verhaald. Het eerste is, dat een filosoof in Griekenland, ziende deze buitengewone verduistering der zon, uitriep: Of de wereld vergaat, öf de God der natuur is in nood! Het andere: dat op dien tijd een schip door den Archipel naar Italië zeilende, waarop zich een zeker persoon bevond, die Thamus ge-heeten werd, dat schip omtrent het eiland Naxos komende, eene stem van dat eiland gehoord werd, roepende: Thamus, Thamus! Toen nu die Thamus boven kwam, en vroeg, waarom men hem riep, werd er geantwoord: De groote Pan is dood; welke woorden niet zoodra gesproken waren, of daar werd een ijselijk geloei en geluid op dat eiland gehoord; en men wil, dat zelfs het verhaal van dat voorval aan den keizer Tiberius te Rome gedaan zou zijn. En het is zeer opmerkelijk, dat alle historieschrijvers bijna eenparig getuigen, dat, sedert den dood van den Zaligmaker, al de heidensche orakelen hebben opgehouden. En het had zijne reden, want de Heere Jezus deed door zijn dood teniet dengene, die \'t geweld des doods had, dat is de duivel, Hebr. 2:14, de werkmeester van die orakelen.

Wat gebeurde er nu voorts, nadat de Zaligmaker gestorven was? Daar komen die twee, die in zijn leven discipelen bij nacht waren; die gaan nu bij dag naar den rechter. Hoe is dat zoo? Zij vreezen nu niet, als er de gelegenheid was, zoo waren ze als een vuur; zij zeiden tegen Pilatus: geef ons dat lichaam. Daar zendt hij soldaten om te onderzoeken, of Hij waarlijk gestorven was, en nadat hij van de zaak onderricht was, gaf hij hun het lichaam over. Gij kunt eens denken, hoe zij dat lichaam gewasschen hebben en met tranen behandeld. Ze leggen het in fijn lijnwaad. Mark. 15:43—4(3, en koopen honderd pond gewicht aan balsem. En zoo was Hij bij de rijken in zijn dood, Jes. 53:9. Hij werd als een loutere rijke gedaan. Daar gaan ze naar het hof van den raadsheer. Mijn graf\' is voor U, zegt hij; dat bedje, dat ik voor mij gemaakt heb, daar zal ik U op laten rusten. Had Hij anders niet geleden, dan was het maar als een martelaar; maar Hij heeft ook helsche pijnen geleden in \'t hofje, zoodat er droppelen bloeds in plaats van zweet kwamen. Kunt gi] niet één uurtje met Mij waken? Matth. 26:40, zegt Hij tegen zijne discipelen, gij zoudt beter met Mij bidden, dan slapen. Daar ligt Hij op de aarde, en zegt: Ik ben een worm en geen man, uit Ps. 22:7. Ik word zeer gedrukt, zegt Hij. Als al de zonden van al de uitverkorenen op Hem kwamen, zegt Hij: Vader, indien het mogelijk is,

7 GO

-ocr page 767-

OVER ZONDAG VII-XVII.

laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch Ik heb genoegen in uwen wil, Matth. 2G: 39. Ëiertoe ben Ik gekomen, Mij geschiede naar uw Woord; Ik ben zoo benauwd buiten banden! Daar kwam de oneindige toorn Gods op Hem aan. AI de zonden der uitverkorenen; en wat heeft elk er duizende! Hij moest den vloek dragen. Hij was verlaten van zijnen Vader, als Hij het meeste licht van noode had; Hij was de sterke God, Jes. 9; 5; zijn arm beschikte Hem heil, Ps. 98:1. Zijn Vader zond een engel om Hem te versterken. Luk. 22:43. üie hield Hem het loon voor, en de kortheid van het lijden. De duivel, de overste dezer wereld, mag brullen, zegt Hij, maar hij heeft aan U niets. Joh. 14:30. Hij mag U kwellen, maar hij zal U niet winnen. Dat was alles, opdat zijne lieve kinderen van die vurige pijlen des satans vrij zouden zijn. Gij meent altemet dat gij het zoo zwaar hebt; maar uw Middelaar heeft het zwaarste geleden. En Hij moest het lijden, opdat gij zoudt kunnen uitroepen: Zoo is er dan nu geen verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn, Rom. 8:1.

Gij zult nu in uw hart zeggen: zal ik en gij door Hem zalig worden, is Hij mijn en uw deel? Gelooft gij, dat ze niet allen in den hemel zullen komen? Geeft gij uzelven geen rust, vóórdat gij kunt zeggen: dat gij aan Hem doel hebt? Hebt gij het ware geloof? Hoor! wilt gij weten of ik en gij het zullen zijn? Let dan hier op:

Eerst. Is Jezus u liefst en meest noodig? Toont gij dat in uw spreken en bidden ? Zegt gij: God in den hemel! geef mij liever geen duit goed, dan U te moeten missen?

Ten tweede. Zegt gij: ach Heere! mijne ziel dorst naar U, Ps. 63:2. Ik kan het zonder U niet houden, ik wilde zoo gaarne in U gevonden worden ?

Ten derde. Zijt gij er zoo bekommerd over? Zegt gij: ik wilde wel dat Gij het mij eens zeidet! Beschik mij eens een middeltje of wegje, dat ik het weten en voelen mag?

Ten vierde. Liefste Jezus! mij dunkt, ik heb U lief, boven al wat in de wereld is: ik zou het alles om U laten varen, en U aankleven. Vindt gij die vier teekentjes in uwe ziel, al moest gij dan met onvolmaaktheden worstelen en strijden. God zal evenwel uw God zijn, Jezus uw Zaligmaker. Ziet, dat\' is onze Vriend, onze Liefste. Wat zegt gij? Is het kwalijk gekozen? Als gij in \'tgericht zult staan, van alles verlaten, dan zal Hij u vrijspreken. Met Hem te houden, daar is zegen op te wachten. Is dat niet eene heerlijke religie? Weest dan niet schraal in de kennis van uwe religie. Wilt gij zoo met ons henengaan, wij willen dan met u gaan. En dan zullen wij eens eeuwig te zamen bij den Heere zijn, 1 Thess. 4:17. Ik hoop, dat dit gezegde aan ons en u gezegend mag zijn, tot Gods eer, om zijns Zoons wil. Amen.

761

-ocr page 768-

DERDE PREDIKATIE.

Over Zondag XVII—XXIV.

UIT 1 PETR. 1:21.

Bic door Ilcm gelooft in God, ivéllce Hem opgeivékt heeft uit de dooden, en Rem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.

WIJ lezen, Pred. 3:5, Er is een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen. Gaat in de huisgezinnen der menschen, daar zult gij dat zien; gaat onder goede vrienden, daar zult gi] het zien; gaat in de gemeente, daar zult gij het zien; gaat onder leeraren en discipelen, gij zult het zien. Gaat in de huisgezinnen; er is een tijd, dat de vrouw den man, de man de vrouw, de ouders de kinderen, en de kinderen de ouders omhelzen. En daar is een tijd die verre is van omhelzen, te weten, als zij elkander den laatsten afscheidskus geven, als de ouders de kinderen God aanbevelen.IJ lezen, Pred. 3:5, Er is een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen. Gaat in de huisgezinnen der menschen, daar zult gij dat zien; gaat onder goede vrienden, daar zult gi] het zien; gaat in de gemeente, daar zult gij het zien; gaat onder leeraren en discipelen, gij zult het zien. Gaat in de huisgezinnen; er is een tijd, dat de vrouw den man, de man de vrouw, de ouders de kinderen, en de kinderen de ouders omhelzen. En daar is een tijd die verre is van omhelzen, te weten, als zij elkander den laatsten afscheidskus geven, als de ouders de kinderen God aanbevelen.

Zoo ging het met Abraham en Sara, zoo ging het met Jakob en Rachel, en met zyne gansche familie, Gen. 49, zoo gaat het onder goede vrienden. Men zegt: ik heb niemand zoo gevonden als u, mijn hart hangt aan u; gij vindt evenwel een tijd van scheiden, 1 Sam. 20:41, ziet gij dat in Jonathan en David. David maakte het schreien gansch veel. En na Jonathans dood: Uwe liefde, zegt hij, is mij wonderlijker geweest, dan de liefde der vrouwen; ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan, 2 Sam. 1: 2G.

Gaat eens in de kerk, in de gemeente, daar is ook een tijd dat ze huime leeraars omhelzen, en zeggen: gij hebt wel gedaan, dat gij tot ons gekomen zijt. Hand. 10:33. Maar daar is ook een tijd, dat ze verre zijn van omhelzen, zoodat, als men zou willen omhelzen, men \'t zou moeten doen, zooals de gemeente Paulus deed. Hand. 20:37, 38, Zij hingen aan zijn hals, allermeest bedroefd zijnde over dat woord, dat ze zijn aangezicht niet meer zien zouden.

Daar is een tijd van omhelzen tusschen leeraars en discipelen. Zoo ging het met Eliza, als Elia den mantel op hem wierp, gaat hij blijde mee; maar daar was een tijd die verre was van omhelzen, als hij van hem weggenomen werd. De zonen der profeten zeggen: Weet gij wel, dat de Heere heden uw heer van u wegnemen zal ? Hij zegt: Ik weet het, 2 Kon. 2:5. Zwijgt, zegt hij, ik mag er niet van hooren; Ik weet het, dat de Heere mijnen heer wegnemen zal.

Zoo ging het niet den Heere Jezus en de apostelen. Toen Hij hen

-ocr page 769-

DERDE PREDIKATIE OVER ZONDAG XVII-XXIV.

in \'t hart greep, konden zij niet van Hem at\'. Die bruiloftskinderen treurden toen niet, maar daar was een tijd, die verre was van omhelzen, toen was hun hart gesloten. Ais 11 ij van weggaan sprak, dat konden zij niet dragen, Joh. 14. Wat was zijne laatste afscneidspre-dikatie niet gericht, om hunne onstuimigheid te stillen! Laat uw hart zoo niet ontroerd zijn, zegt Hij, wacht, totdat Ik verhoogd zal zijn, dan zal Ik u allen tot Mij trekken. Zeiden ze: wij wilden U nu wel volgen! Neen, zegt Hij, maar gij zult Mij hiernamaals volgen. Die Mij gevolgd zijt door de wedergeboorte, gij zult zitten op tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels, Matth. 19:28.

Geliefden! wij hebben dit voorstel gericht, om te komen tot onze stof, die wij met uwe aandacht in dit uur te bezien hebben. Wij hebben bij die gelegenheid, als er leerlingen door belijdenis zouden overkomen, de gewoonte, om eenige Zondagen met u te verhandelen. Do eerste maal begonnen wij van den eersten en kwamen tot den zevenden; de tweede maal kwamen wij van den achtsten tot den zestienden, en nu zullen wij van den zeventienden tot den vierentwintigsten of vijfentwintigsten Zondag zoeken te komen.

Daar was een tijd geweest van omhelzen, als de Heere Jezus geboren was, maar verre van omhelzen, toen Hij gestorven was. De Heere onze God had Hem laten nederklimmen langs vier trap-pen, en Hij heeft Hem ook laten opklimmen langs vier trappen, als Hij Hem heeft opgewekt uit de dooden, en Hem verder heerlijkheid gegeven heeft.

Daar ligt de Heere Jezus in het graf; die Heilige God ligt in de aarde, volgens Ps. 16:10. Wat doet God op den eersten dag der week, den derden van zijn lijden en begrafenis ? Met het aanbreken van den dag, komt daar een blinkende bode, die nederdaalt; hij daalt zichtbaar neder voor allen, die daarbij waren. Daar geschiedde eene aardbeving; daar komt die held, en neemt dien steen, die zoo zwaar op het hart van de vrouwen lag, en hij rolde hem daar henen. Hij had niet in den zin om gauw henen te gaan. Als hij de deur van \'t graf geopend had, zoo gaat hij zitten op den steen, en waarom? Eensdeels opdat de wachters dit alles zien zouden, en verschrikt worden, Matth. 28:2—4. Zij hadden den Heere Jezus in zijne versmaad-heid gezien, hier zagen ze nu wat anders. Zij waren zulk een gezicht niet gewend, ja, hij deed het, om hen als den dood op het lijf te jagen. Een engel sloeg eens vijfentachtig duizend menschen in het leger van Sanherib, den koning van Assyrië, 2 Kon. 10:35, hier doet hi] hun allen levendig dit aanzien. Anderdeels deed hij het, wetende dat er ook vrienden en vriendinnen van den Heere zouden komen, want ook hunne namen zijn in de hemelen bekend. Daar wordt er niet één in \'t hart gegrepen, of er is blijdschap over in den hemel, Luk. 15: 7. Hij zit daar om aan hen een getuige te zijn, dat die plaats ledig was, dat het een plaats der dooden was, en dat de Heere was opgestaan. Hij zeide: wilt gij in de spelonk gaan, gij kunt het zien.

De engel des Heeren zegt dit niet alleen tegen die vijanden, maar

7G3

-ocr page 770-

DERDE PREDIKATIE

er komen daar een paar vrienden, Petrus en Johannes. Gaat, zegt hij, naar uwe medebroeders, en getuigt hun hetgeen gij gezien hebt, dat het graf ledig is. Er waren een paar engelen in het graf. Daar komt Maria aan het graf, die wil niet weggaan. Daar komt de liefste Zoon van God, en zegt: Vrouw, is \'t dan geen kennis meer? Hoe stelt gij u zoo aan? Hoe schreit gij zoo? Maria! Rabbouni, zegt ze, mnn hart bezwijkt, en zij zou Hem wel toegeschoten hebben, maar cle Heere verhindert dat: Raak Mij niet aan, zegt Hij, want Ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ga, zegt Hij, naar mijne bedroefde broeders en zeg, dat Ik leef. Zij doet zoo, Joh. 20:15—17. Daarop vinden Hem eenige vrouwen; Hij groet ze, zij zien Hem; haar hart gaat open; zij vatten Hem aan zij110 voeten, en houden Hem staande. Daar liggen ze op haar aangezicht voor Hem, met al hare liefde. Dat verbiedt Hij ze, dat ze Hem niet zouden aanraken. Daarop ontmoet de Heere Petrus. Hoe die gesteld was, kunt

ëij denken. Van dat gesprek en die onderhandeling vinden wij niets, ia ar op gaat Hij weer verder heen. Daar zijn er twee zeer bedroefd, die gaan naar Emmaus. Daar komt een derde man bij, dat was de Heere Jezus. Zij kenden Hem niet, voordat Hij aan het vlek en binnen bij hen was.\' Daar werd Hij aan hen bekend, en Hij ontkwam uit hun gezicht. Daarop komt Hij, als \'t avond was, bij al zijne apostelen. Vrede zij u, zegt Hij, Luk. 24. Daar was Thomas niet bij, en als ze \'t hem boodschapten, wilde hij \'t niet gelooven. Daarop komt de Zoon van God acht dagen daarna, en Hij zegt: Thomas, hoe hebt gij u zoo aangesteld? Wilt gij uwe hand nu eens steken in mijne zijde, en uwe vingeren in de teekenen der nagelen? Ach! neen ik, Heere! zegt hij, nu geloof ik. Daarna waren er zeven apostelen die vischten, aan de zee van Tiberias, waar Petrus en Johannes bij waren, en nog vijf anderen. Daar wandelt de Heere aan het strand, en Hij beschikt hun spijze binnen boord, en spijze aan het strand. Als zequot; binnen boord dat gewaar werden, zoo zeide Johannes tegen Petrus: het is de Heere; daar springt hij in de zee en zwemt naar land. Als zijne medebroeders daar ook waren, zoo neemt de Heere Petrus eens onder handen, en Hij zegt: hoe staat het met uwe liefde? Is er nog liefde in uw hart? Het scheen, dat gij daar zoo driftig waart; hebt gij Mij liever dan dezen? Dat durfde hij niet zeggen; maar hij zeide: Ja, Heere! ik heb U lief. Zijn hart smolt, als de Heere hem dat tot driemalen toe vraagde; hij zag, waar Hij heen wilde. Joh. 21. Daarna vertoonde Hij Zich aan zijne apostelen op een berg in Galilea, daarna aan Jakobus alleen, daarna aan meer dan vijfhonderd broederen, op eenmaal. De meesten leefden nog in Paulns\' tijd, 1 Cor. 15:6. Daarna op den Olijfberg, waar zijne apostelen altemaal bijstaan, als Hij de wereld verlaten zou, Hand. 1:9. Ziedaar, Jonas is uitgespuwd door den visch; de Heere Jezus uit het hart van de aarde, volgens de Schrift, Ps. 16:10 en Matth. 12:40. Gelijk Hij niet lang bleef in het graf, zoo bleef Hij ook niet lang op de aarde, en evenwel lang genoeg om met hen te spreken over de dingen van zijnij denken. Van dat gesprek en die onderhandeling vinden wij niets, ia ar op gaat Hij weer verder heen. Daar zijn er twee zeer bedroefd, die gaan naar Emmaus. Daar komt een derde man bij, dat was de Heere Jezus. Zij kenden Hem niet, voordat Hij aan het vlek en binnen bij hen was.\' Daar werd Hij aan hen bekend, en Hij ontkwam uit hun gezicht. Daarop komt Hij, als \'t avond was, bij al zijne apostelen. Vrede zij u, zegt Hij, Luk. 24. Daar was Thomas niet bij, en als ze \'t hem boodschapten, wilde hij \'t niet gelooven. Daarop komt de Zoon van God acht dagen daarna, en Hij zegt: Thomas, hoe hebt gij u zoo aangesteld? Wilt gij uwe hand nu eens steken in mijne zijde, en uwe vingeren in de teekenen der nagelen? Ach! neen ik, Heere! zegt hij, nu geloof ik. Daarna waren er zeven apostelen die vischten, aan de zee van Tiberias, waar Petrus en Johannes bij waren, en nog vijf anderen. Daar wandelt de Heere aan het strand, en Hij beschikt hun spijze binnen boord, en spijze aan het strand. Als zequot; binnen boord dat gewaar werden, zoo zeide Johannes tegen Petrus: het is de Heere; daar springt hij in de zee en zwemt naar land. Als zijne medebroeders daar ook waren, zoo neemt de Heere Petrus eens onder handen, en Hij zegt: hoe staat het met uwe liefde? Is er nog liefde in uw hart? Het scheen, dat gij daar zoo driftig waart; hebt gij Mij liever dan dezen? Dat durfde hij niet zeggen; maar hij zeide: Ja, Heere! ik heb U lief. Zijn hart smolt, als de Heere hem dat tot driemalen toe vraagde; hij zag, waar Hij heen wilde. Joh. 21. Daarna vertoonde Hij Zich aan zijne apostelen op een berg in Galilea, daarna aan Jakobus alleen, daarna aan meer dan vijfhonderd broederen, op eenmaal. De meesten leefden nog in Paulns\' tijd, 1 Cor. 15:6. Daarna op den Olijfberg, waar zijne apostelen altemaal bijstaan, als Hij de wereld verlaten zou, Hand. 1:9. Ziedaar, Jonas is uitgespuwd door den visch; de Heere Jezus uit het hart van de aarde, volgens de Schrift, Ps. 16:10 en Matth. 12:40. Gelijk Hij niet lang bleef in het graf, zoo bleef Hij ook niet lang op de aarde, en evenwel lang genoeg om met hen te spreken over de dingen van zijn

764

-ocr page 771-

OVER ZONDAG XVII-XXIV.

koninkrijk, Luk. 24. Mozes was veertig dagen en veertig1 nachten op den berg; de Heere Jezus was veertig dagen op de wereld na zijn opstanding, Hand. 1:3. De Heere Jezus was veertig dagen oud, als Hij in den tempel den Vader werd voorgesteld; nu zou Hij in den hemelschen tempel gaan. Het ging met de apostelen als met Eliza en Elia. Die predikatie, die de Heere op den berg d^ed, wordt niet verhaald; er wordt maar gezegd, dat Hij met hen sprak van de dingen van zijn koninkrijk, en dat de Geest zou komen in zijne plaats. Blijft in de stad, zegt Hij, Mij kunt gij niet houden. Ik inoet weg, laat ons naar buiten gaan; en Hij leidde hun de handen op, en zegende hen. Luk. 24:50. Ik zal met mijnen zegen bij n zijn, tot aan de voleindiging der wereld; Ik zal u mijnen Geest in mijne plaats geven. Meent gij als Jk weg ben, dat Ik u dan niet zegenen zal? Ach, ja! Daarop steigt Hij naar boven, evenals Elia, maar zonder vurige wagen en paarden. Zij raken hun Heere kwijt, zij kijken Hem achterna, met al hunne liefde, zoolang als ze kunnen; hun gezicht staat als bestorven naar boven, totdat er eene wolk kwam, die hun \'t gezicht benam.

Daar zoo staan kijkende, komen er een paar engelen in de plaats van hun Heere, die spreken hen aan en zeggen: Gij galilésche mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel?\' Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem hebt zien henenvaren.

Nu is Hij in den hemel; daar is Hij gezien van Stefanus. Hand. 7:55, 56; van Paulus meer dan eenmaal; te weten, op den weg van Damaskus, Hand. 9 en 2 Cor. 12, als hij was opgetrokken in den derden hemel, en nog eens binnen boord, als hij schipbreuk leed, Hand. 27 :23.

Dat Hij in den hemel is, blijkt, Hij heeft van daar zijnen Geest gezonden. Toen Jakob de wagens en paarden zag, die Jozef hem zond, zeide hij: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog, ik zal henen gaan en hem zien, eer ik sterve. Gen. 45:28. Geliefden! zoo deed de Heere Jezus ook; op het Pinksterfeest gaf Hij een blijk, dat Hij ten hemel gevaren was, in het uitstorten van al die gewone en buitengewone gaven des Geestes, Hij geeft van daar zooveel Geest, als ik en gij hebben moeten. Zooveel Geest, als ik en gij hebben, is als zoo vele blijken, dat Jezus ten hemel gevaren is. Hij is als de groote Hooge-priester door de hemelen doorgegaan, Hebr. 4:14, in net heilige der heiligen, daar is Hij dat verborgen Manna. Hij is opgevaren in de hoogte, volgens Ps. 08:19. De Heere kwam boven, om die heerlijkheid te ontvangen, die de Vader Hem beloofd had en die Hij bezeten had van vóór de grondlegging der wereld. Joh. 17 :5. God heeft Hem uit de dooden opgewekt, en heeft Hem heerlijkheid gegeven, 1 Petr. 1:21. Daar is Hij als de Hoogepriester, en zegent van daar zijn volk.

Dat niet alleen, maar Hij is er ook de Voorbidder bij den Vader. Vader, zegt Hij, mijn contract is voldaan. Ik heb den bitteren kelk gedronken. Gij hebt Mij verhoogd, bewijst Mij nu het loon. Daarop

765

-ocr page 772-

DERDE PREDIKATIE

komt Hij bij ziinen Vader met het boek der verkiezing, die en die, zegt Hij, is uitverkoren; laten ze tot geloof\' gebracht worden, het zijn mijne schapen, laten ze ook toegebracht worden, Joh. 10:10. Daar komt Hij als die groote Voorbidder, en zegt; laat het werk des Geestes gebracht worden in het hart van den uitverkorene. Ik gebied, zegt de Vader, dat deze en die niet alleen geboren, maar ook wedergeboren zal worden. Daar krijgt dan de Vador een nieuwen zoon en eene nieuwe dochter; de Zoon een nieuwen onderdaan, de H. Geest een nieuwen tempel. Daar is dan blijdschap over in den hemel, Luk. 15; 7. Vader, zegt Hij, de duivel zoekt ze te bestrijden, te ziften en te schudden, bewaar ze van den booze.

Dan zegt Hij: Vader, ziet Gij niet, hoe gaarne zij U dienen zouden? Ei, maak ze er bekwaam toe, laten ze er door raken, heilig ze in uwe waarheid. Joh. 17 ; 17. Vader, zij hebben struikelingen en zwakheden, het is geen heerschende zonde. Hom. 8:20, Ik spreek voor hen, het is geen opzet, verschoon ze om mijnentwil, 1 Joh. 2:1,2.

Dan zegt Hij: Vader, zij zouden bidden, en zij kunnen niet, hun hart en hun krop is zoo vol, de nood gaat boven de woorden; laat Ik het eens zeggen: dat en dat begeeren ze, al kunnen ze het zoo niet uitdrukken, en al spreken zij die eigen woorden niet. Gij kunt ze niet afslaan, hoor ze om mijnentwil, en doe ze boven hetgeen ze bidden of denken kunnen, Ef. 3: 20.

Dan neemt Hij kennis wie er ziek en zwak is, en wie er op zijn sterven, op het doodbed ligt; dan zegt Hij: Vader! zij moeten boven komen, zij hebben gedaan, het is uit met hen, zij moeten vertrekken, zij zuchten om ontbonden te zijn, en met Mij te zijn, Fiüp. 1 :23. Ik wil, dat waar Ik ben, ook die zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij mijne en uwe heerlijkheid mogen aanschouwen, Joh. 17:24. Dat isquot; de heerlijkheid, die Hij daar geniet, dat Hij de krachtige Voorbidder-is. Die eer geniet Hij daar, dat Hij de Middelaar is. Dan geniet llij die eer dat God zegt, komt, zet ü aan mijne rechterhand, laat Ik U verhoogen, en een naam geven, boven alle namen, Fil. 2:9, boven engelen, boven Adam, boven de hoogepriesters, boven al wat in den hemel en op de aarde is; Ik heb U gesteld, zegt God, boven machten, Icrachten, tronen, heerschappijen, het zal 11 alles onderdanig wezen.

Weet gij wat heerlijkheid Hij daar nog geniet? Ik verklaar, zegt God, dat Gij mijn eeni\'ggeboren Zoon zijt. Ik heb U van eeuwigheid gegenereerd, dat is het, waar de engelen begeerig naar geweest zijn om in te zien, 1 Petr. 1:12. Nu breng ik Hem hier voor u, aanbidt Hem, Hebr. 1:6, en geeft Hem heerlijkheid. Dat doen al de hemellingen, al de geesten der volmaakte rechtvaardigen, die leggen al hunne kronen voor de voeten van het Lam neder, Openb. 4:10. Gij Abraham, vador aller geloovigen, aanbidt Hem, en geeft Hem heerlijkheid. Gij Adam, gij Henoch, al gij profeten, apostelen, geeft Hem eer en heerlijkheid. Gij duivelen in de hel, siddert voor Hem, allo genade is u ontzegd. Gij raenschen groot en klein. Ik geef Hem alle macht, in hemel en op\' aarde, Matth. 28:18, Col. 1:18. Daar kreeg Hij die

TOG

-ocr page 773-

OVER ZONDAG XVH-XXIV.

heerlijkheid aan \'s Vaders rechterhand, dat Hij het bewind kreeg over de geheele aarde, over de geheele kerk, over klein en groot. Men-schen mogen met al hunne wijsheid het besturen, beleggen, en al hunne zaken regeeren willen, maar daar is een opperste Regent boven hen. Als ze het alles wel, zoo zij meenen, bestoken hebben, dan bestiert Hij het, dat elk verbaasd moest staan over de schikking van zaken; elk zegt, zoo en zoo zal het gaan, maar dan komt de Heere en die herschikt maar de eene of andere zaak, en daarmee is het alles overhoop, de riem der geweldigen wordt verslapt. Job. 12:21, de raadsheeren voert Hij beroofd weg, Job 12 : 17, den getrouwen beneemt Hij de spraak. Job 12:20. Die eer geniet Hij daar van de zending des Geestes. Wie heeft recht om den Geest te zenden, dan de Middelaar? Het is de Geest van Christus, Kom. 8:9, dewelke van den Vader en van den Zoon uitgaat. Die eer geniet Hij daar, dat Hij de Rechter over allen zal zijn; Ik zal het daar niet bij laten, zegt de Vader, bij die heerlijkheid, die Gij in den hemel geniet, en die Gij uit den hemel op de aarde vertoont, en in de hel. Gij zult eens gezien worden op de wolken. Gij zult aan mijne rechterhand zitten, totdat Ik al uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten, Hebr. 1 :13. Dat kan Ik niet doen, of\' Ik moet U ten gerichte doen komen in dat groote oordeel, dat er gehouden zal worden over de geheele wereld.

Gij zult zeggen: wie weet of het waar is? Dat is alzoo zeker, als dat ik en gij menschen zijn. Er zijn al drie algemeene oordeelen voorat gegaan; wie kan twijfelen dat God ook niet het vierde zal laten komen. Zou het onmogelijk zijn?

Het eerst. In den val. Toen werd de geheele wereld voor God verdoemelijk, Rom. 3:10.

Het tweede. In den zondvloed. Toen werd het alles door de wateren verdorven, behalve acht menschen, en zoo vele schepselen, als het God beliefde in de ark te laten behouden, Gen. 7.

Het derde was. Gen. 11, in het bouwen van Babels toorn, als God hunne spraak verwarde, en zoo de menschen over de geheele aarde verstrooide. Behalve dat, zoo kunt gij het zien in zoovele merkelijke oordeelen, als God gehouden heeft. Boven dat, zoo ziet gij het zwaard aan des rechters heup. Ja, bekijkt eens de goede engelen, die duivelen geworden zijn. De duivelen zeiven weten het, goede en kwade engelen hebben er kennis van, en alle menschen weten het.

Weten het ook de kwade engelen? Ja, zij zeiden tegen den Heere Jezus: Zijt Gij gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? Matth. 8: 29. Zij worden tot het oordeel van den grooten dag bewaard, Jud. vs. G.

Weten ook de goede engelen er van? Ja, deze Jezus, zeggen ze. Hand. 1:2, zal alzoo komen, gelijk gij Hein hebt zien henen varen.

Weten er ook alle menschen van? Ja, zelfs de barbaren. Zij kenden de wraak van God, Hand. 28 : i. Wat deed I\'elix beven voor het gericht, als Paulus predikte van het oordeel? Hand. 24:25. Te Athene zeide Paulus, dat God zulk eenen dag gesteld heeft, en een man door

-ocr page 774-

DERDE PREDIKATIE

welken Hij de wereld reclitvaardig zou oordeelen, Hand. 17:31. Sprak hij van liet oordeel, dat had indruk, maar sprak hij van de opstanding, daar spotten ze mee. Hunne gedachten beschuldigden of verontschuldigden hen, Rom. 2:15. Henoch, de zevende van Adam, had er al van gesproken, zooals er staat in den zendbrief Judas vs. 14. Salomo zeide: jongeling! hoe leeft gij zoo pleizierig? Denk, dat gij om al dezen in het gericht zult moeten komen, Pred. 11:9, God zal alle dingen in het gericht doen komen; de rechtvaardigen en god-deloozen zal God oordeelen, Pred. 12; 14. Gij kunt voelen, dat het oordeel komen zal; als gij er nu een spotter van vindt, dat is er een krachtig bewijs van, 2 Petr. 3:3. In het laatste der dagen zullen er spotters opstaan. Het Nieuwe Testament is er geheel en al mede vervuld.

Zal Jezus de Rechter zijn? Ja. Ik wil niemand oordeelen, zegt God, maar Ik zal in mijne tent Eén verwekken, die vaardig zal zijn ten gerichte, Hij zal het houden, omdat Hij de Zoon des menschen is. Joh. 5:27, opclat het oog van alle menschen den Rechter zou kunnen zien, Openb. 1:7. Als de Zoon des menschen, zoo was Hij onder de wet, maar de Rechter over allen, Hebr. 12:23. Als de Zoon des menschen was Hij onrechtvaardig veroordeeld; maar Gij kunt nu ook die oordeelen.

, Hij zal komen met een grooten glans. Elk een zal het zien. Zijn de engelen zoo groot, hoe groot zal dan de Rechter wezen! Hij zal komen met de stem des Archangels, met een groot geroep, 1 Thess. 4:16. De elementen zullen branden. De Heere zal het alles in vuur zetten. Het teeken van den Zoon des menschen zal gezien worden, Matth. 24:30. De menschen zeggen als het onweer is, het is of het de laatste dag was. Dat zal zóó klaar zijn voor het oog van een iegelijk, dat men dat niet zal behoeven te vragen. Dan zal Hij zijne engelen uitzenden, zij zullen ze kennen, wie de zijnen zijn, wie de verlosten zijn. Zij zijn gedienstige geesten, uitgezonden tot den dienst dergenen, die de zaligheid beërven zullen, Hebr. 1:14. Zij zullen al de bokken bijeen stellen, Matth. 25 : 33, de onwedergeborenen, den schijn-van den zijn-Christen scheiden, het kaf van het koren. Zij zullen er allen moeten komen; duivelen en menschen. De duivelen moeten nog geoordeeld worden (behalve over hunnen val) dat zij de geheele wereld verleid en vermoord hebben, en om de aanvallen, die hij den Zone Gods heeft aangedaan. Hij zocht het dien Overste van de geheele wereld moeilijk te maken. Dan moeten de duivelen ook geoordeeld worden over al hetgeen zij Gods volk hebben aangedaan; al dien druk.

Dan zullen al de regenten en predikanten, rijken en armen, groot en klein, in dat gericht komen. Daar zal elk geoordeeld worden over doen en laten; ik zal het u ordentelijk voor oogen stellen, wordt er gezegd, Ps. 50:21. Wat is uw doen geweest\'r1 zal God zeggen; uwe woorden, daden? Welk gebruik hebt gij gemaakt van mijne voorzienigheid? Hoe hebt gij mijne zegeningen gebruikt? God zal \'t boek van zijne voorzienigheid openen. Hoe hebt gij het er mede gemaakt ? zal God zeggen.

768

-ocr page 775-

OVER ZONDAG XVII-XXIV.

Dan zal Hij \'fc boek der Schrift, den bijbel, openen, en vragen: Was die bij u geacht? Hoe stond het? Kondt gij gemakkelijk uit de kerk blijven? tiingt gij rinkelrooien en vliegen langs straten en wegen, met wagens, koets en paarden?

Dan zal Hij \'t boek van de verkiezing openen. Bekijkt het, zal Hij tegen de onbekeerden zeggen, uw naam is er niet in.\' En \'t boek van de verwerping; daar is uw naam in, zal Hij zeggen. Wat eene oneer hebt gij in uw leven Mij aangedaan! Hoe hebt gij geleefd, weet Ik het niet?

Dan zal Hij komen met liet boek van het geweten. Hoe staat het van binnen? zal er gevraagd worden. Hebt gij er raad mede creweten op de wereld?

Dan zal het boek van de armen geopend worden. Kent gij er genen, die God^ vreesden, die arm waren ? Wat hebt gij er mede gedaan ? Matth. 25. Heere! ons hart moet koud worden.

Dan zal de Heere Jezus dat vonnis uitspreken: gaat weg van Mij, gij vervloekten, Matth. 25 : 41. Hier zi]t gij gewend zulke goede woordjes te hebben, maar daar zal het quot;zijn: gaat weg van Mij, Ik wil niet één woord van u hooren, niet ééne traan van u zien:\'gaat naar het eeuwige vuur. Gij zeidet: is er vuur in de hel? gaat, ziet het nu, gaat bij den duivel, dat kunt gij niet ontkennen, dat die er is. Gaat er nu naar toe, dien gij zoo dikwijls in den mond hadt: het was duivel hier, en duivel daar. Waar nu de heer is, zullen de knechten en de dienstmaagden ook wezen.

Aan den anderen kant zal Hij zeggen: mijne kinderen! gij durfdet altemet aan dien dag niet denken; maar komt nu bij Mij, gij zijt de gezegenden mijns Vaders, Matth. 25:34. Gij hebt\' zoo dikwijls in de wereld op den hemel staat gemaakt, gaat er nu in; en daar zal Hij dan het werk der liefde ophalen. Zij zullen het zelf vergeten hebben, maar de Heere zal \'t hun indachtig maken.

De uitvoering zal ook prompt zijn: de eenen zullen de engelen aan de duivelen overgeven, en de anderen zullen ze naar den hemel brengen. Voert ze Mij tegemoet, zal de Heere zeggen, in de wolken en in de lucht, 1 Thess. 4:17. Wij zullen den Heere zien, met deze onze oogen, zoo ik en gij niet bekeerd zijn, zoo zullen ons onze oogen eens tot smart zijn. Ik verkondig den een, zal de Rechter zeggen, geen vermindering van pijn. en geen hoop van uitkomst; en aan de gezegenden geen vermindering van vreugde, noch vrees van daar te zuilen moeten uitgaan. Zoo heeft God Hem heerlijkheid gegeven; zoo zullen wij elk voor onszelven goede rekenschap moeten geven.

Nu komt een goed Christen, en zegt: wij zullen niet alleen kennen; maar wij zullen vervolgen te kennen, gelijk Hosea 0:3. Wij hebben den Vader en den Zoon leeren kennen; maar waar is de Heilige Geest in zijne huishouding? Nu de Heere Jezus de wereld verlaten heeft, leven wij in de huishouding des Geestes; het zijn zoo al mooie woorden: \'t is de bediening des Geestes; wij hopen, dat wij geen be-

769

■19

-ocr page 776-

DERDE PREDIKATIK

dienaars van de letter, maar van den Geest mogen zjin. Sommige predikanten spreken er dikwijls zoo van en zij zijn nergens meer vijand van, dan van den Geest en van zijn werk. Wie wordt er meest vergeten? Wien hebben wij \'t meest noodig? Waarom zijn er zoo vele predikanten vijanden van den Geest en zijn werk? Als ik in de natuur ben, zal ik\'van den Geest niet houden: natuur is vijand van geestelijk werk, daar wordt veel van den Vader gesproken als Rechter, van den Zoon als Middelaar; de Vader doet voor de uitverkorenen het werk als Rechter, en de Zoon voldoet aan den Vader het werk voor de uitverkorenen: Hij lijdt en gehoorzaamt Hem; maar hoe geraak ik nu tot genade? Öan kan ik nog een kind des duivels zijn. Dan komt de Geest en Hij doet het werk in de uitverkorene wedergeborenen; Hij is de Geest wegens zijn bestaan, en wegens zijn uitgang van den Vader en den Zoon, en wegens zijn geestelijk werk. Hij is de Heilige Geest; daar ontslaat Hij niemand van; Hij wil dat wij heilig zullen zijn; niemand moet Hem verkleinen. Hij is God; Ik zal de hand aan u houden, zegt Hij, totdat gij volmaakt heilig zult zijn. Hij is een zelfstandig Persoon; Hij is de derde Persoon in het rijk der\' genade. In \'t Wezen Gods wordt Hij onder de Personen gesteld. Hi) heeft personeele namen, en Hij doet personeele werken. Hij wordt genaamd Geest, Heilige Geest; Hij doet personeele werken. De Geest voerde Filippus weg, Hand. 8:39. Hij is verschenen in de gedaante van eene duif, en in de gedaante van vurige tongen. Als een Persoon wordt Hem verstand en wil toegeschreven. De Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods, 1 Cor. 2:10, De wind blaast waarheen hij wil, Joh. 3:8, zoo ook de Geest. Hij is een onderscheiden Persoon van Vader en Zoon. Een ander is de Vader, een ander is de Zoon, een ander is de Heilige Geest, en niet wat anders. Hij is God, de waarachtige God: \'tis de Heere Jehova, Hebr. 10 :15, Jer. 31 :31. Hij is God, gij hebt den mensch niet gelogen maar Gode, Hand. 5:4, namelijk den Heiligen Geest. Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt? 1 Cor. 3:16; uwe lichamen zijn tempelen des Heiligen Geestes, 1 Cor. 6:19. Al de parels aan het volmaakte Wezen Gods worden Hem toegeschreven; al de profeten hebben door Hem gesproken, 1 Petr. 1 :11. Hij onderzoekt al de diepten Gods, 1 Cor. 2:10. Hij is alomtegenwoordig. Hij is in de binnenkamer, in het veld, op het water, in de kerk, op de straat; Hij omringt ons zitten en opstaan, wij kunnen Hem niet ontvlieden, Ps. 139:2, 3, 7, 8. Waar twee of drie in zijnen naam vergaderd zijn, daar is Hij in het midden, Matth. 18:20. Hij wandelt tusschen de gouden kandelaren, Openb. 2:1. Hij is eeuwig. De Geest Gods zweefde op de wateren der schepping, Gen. 1:2. De Middelaar is met den eeuwigen Geest gezalfd, Spr. 8:23. Hij is vrijmachtig en almachtig. Hij neemt het steenen hart weg, en Hij geeft een nieuw hart, Ezech. 36:26. Zoo wordt er gezegd, Ps. 33:6, Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir.

Hem worden toegeschreven: goddelijke werken, het werk der schep-

770

-ocr page 777-

OVER ZONDAG XVIl-XXIV.

ping en der onderhouding; Hij vernieuwt liet gelaat des aardrijks, 1 s. 104:40. Hij doet wonderen. Hij maakt de dooden levend, Ezech. 37:10. Dooden zielen geeft Hij het loven.

Goddelijke eer wordt Hem ook toegeschreven. Daar is niet één kind Gods, dat Hem niet aanbidt, dat in Hem niet gelooft. Waarom gelooven ze dat het werk Gods in hen is? Omdat de Geest hun daarvan verzekert. Daarom zegt Paulus, Rom. 8:16, Dezelve Geest getuigt met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn. De Geest wordt aangebeden. Kom noordenwind, en gij zuidenwind, zeggen ze, doorwaait mijnen hot, dat zijne specerijen (dat zijn godvruchtige daden, goede werken) uitvloeien, Hoogl. 4:16; werkt maar in mij, hard of zacht, als het maar waar werk in mij is. Profeteer tot den Geest, zeide God; Ezech. 37:9, dat is, bid den Geest aan.

In \'t Nieuwe Testament is Hij ook aangebeden. De gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen, amen, 2 Cor. 13:13. Genade en vrede zij u van de zeven Geesten, die voor den troon zijn, Openb. 1 :4. Hij moet aangebeden worden; Matth. 9:38, Bidt den Heere des oogstes. Hand. 13:2, ze deden het; de Geest zeide: zondert Mij af, beide Paulus en Barnabas.

Die Geest daar kan men tegen zondigen de zonde tot den dood, 1 Joh. 5:16. Niet omdat Hij meerder is dan de Vader en de Zoon, maar hierom: Zondigt men tegen den Vader, dan is er nog een Geest om ons te overtuigen, en een Middelaar om ons te verzoenen. Zondigt men tegen den Zoon, dan is er nog een Heilige Geest, die \'t geloof in ons werkt. Maar zondigt men tegen den Geest, dan verwerpt gij den Vader, den Middelaar, en den Geest alle drie; dan werpt gjj het alles weg. Ach! kinderen van God! gij zijt zoo bekommerd of gij die zonde begaan hebt. Maar gelooft het, dan zoudt gij er geen kommer over hebben. Gij kent ze niet. Die ze begaan heeft, is blijde: zij doen het uit haat; maar gij zijt er zoo bekommerd over; zijt gij in zulk een toestand, gij hebt ze nooit begaan. Dan zoudt gij er geen bekommernis over hebben, maar gij zoudt blijde zijn, dat gij zijne touwen vaneen gescheurd hadt, en zijn juk van nwen hals verbroken hadt.

Nu is er een gezelschapje in de wereld, dat God vergadert door Woord en Geest, dat noemen wij de kerk. Geliefden! wat is de kerk? Behooren er de engelen toe? Neen, noch tot de strijdende, noch tot de triumfeerende Kerk; zij zijn mededienstknechten, ze zijn niet gekocht met het bloed des Heeren, zij zijn niet geroepen door Gods Geest: die maken de kerk niet uit. Het zijn evenwel zalige en heer-lijke geesten. Wie maken dan de kerk uit? De uitverkorenen van Adams tijden af, tot de voleindiging der wereld. Het zijn menschen, \'tis niet maar één mensch. Elia zeide eens: ik ben alleen overgebleven, 1 Kon. 19:10. Maar cle kerk bestaat nooit uit één mensch; één steen kan geen gebouw uitmaken, één schaap kan geen geheele kudde uitmaken. Velen in getal, maken de kerk uit. Zij worden geroepen uit den hoop goddeloozen. Hoort, hoort, zegt God, verlaat uwe

771

-ocr page 778-

DERDE PREDIKATIE

slechtigheden en leeft, Spr. 9:6. Zij hooren niet alleen met hun uitwendig oor, maar met liet hart. \'t Is: Saul! Saul! wat vervolgt gij Mij! Hand. 9:4—6. Zij zeggen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? \'t Is of ze iemand boorden zeggen: weest welgemoed. Ze worden tot geloof gebracht. Dan komt de Geest, en zegt: gij moet naar den Heere Jezus. Wat ligt gij en schreit en zucht; \'t zijn wel goede dingen, maar gij moet den Middelaar hebben; dat is de Middelaar niet. Zij worden geroepen tot de gemeenschap van den Drieëenigen God, en\' tot genade en heerlijkheid, tot al de goederen van \'t genade-verbond.

Dat gezelschap wil de Geest toebrengen, door \'t Woord uitwendig, en door de inwendige werking des Geestes, Hand. 2 : 41 en Jes. 59 :21. Toen het in den tijd was van de reformatie, werden er geheele landen en steden geboren; God wrocht krachtig te Antiochië, te Fi-lippi, te Colosse; zij braken door, dat gezelschapje. Zjj blijven niet altijd bijeen, zij gaan sterven. Daar is niet één dag, of daar sterven er. God verzamelt zoo al de leden in de triumfeerende kerk. Als ze sterven, zegt God: Komt naar Mij toe, van stonde aan zijt gij zalig. Ik zal u in vrede laten henengaan, komt naar mijn paleis toe. Ik geloof dat er geen één dag is, of daar komen er tot dat gezelschapje over. De Heere overtuigt ze; Hij trekt ze zoo, dat ze moeten overkomen. Gij moet niet denken, dat wij dat gezelschapje maar uitmaken.

Dat gezelschapje blijft altijd op de aarde, \'t is van zee tot zee, zoolang als de zon en de maan er zullen zijn, Ps. 72: 5, 7, 8. Sterft er een, daar wordt er weer een geboren. Dat noemen wij de strijdende kerk. Die is zichtbaar en onzichtbaar. De zichtbare, daar is Kaf en koren in: goeden en kwaden, bekeerden en onbekeerden. De onzichtbare, dat is die waar God in werkt. Al werd er een nevens u bekeerd, gij zoudt het dikwijls niet zien; zoo stilletjes kan God het hart openen.

Die kerk heeft te strijden met den duivel. Ik zal het u zoo bang maken, zegt hij, als ik kan. Dan zegt hij: gij zijt te oud; dan, gij zijt te jong om u te bekeeren, gij zijt te bot. Dan, gij zult het nog wel eens doen. Dan, de weg is zoo vol kruisen, gij zult zoo gesmaad worden, dat volk heeft nergens ingang. Dan zegt hij: \'t is gemakkelijk zich te bekeeren. Dan, \'t is moeilijk God te dienen; dan, gij zult het nog eens in uw leven doen. Dan, hoe kunt gij zoo armelijk leven? Liegt, bedriegt, dan zult gij aangenaam worden als gij de zonde doet. Dan komt de wereld, die goddelooze hoop, al was het vader en moeder, ze staan tegen hun kind op. Wilt gy God vreezen? Gij zult het niet uithouden.

Nu komt de Koning die zegt: staat, houdt u mannelijk, 1 Cor. 16:13. Wat is een soldaat zonder wapenen? Hij geeft ze wapenen, Efez. 6:17. Op hun hoofd geeft Hij ze den helm der zaligheid: de hoop. Opgeven! nooit, zeggen ze tegen den vyand; zij oefenen zich in een onergerlijk geweten. Hand. 24:16.

772

-ocr page 779-

OVER ZONDAG XVII-XSIV.

Dan zegt de vijand: gii zijt een werkheilige. Zij antwoorden; ik zoek door het geloof in Christus in den hemel te komen. Dan zegt hij; gij zijt een geveinsde. Neen, zeggen ze, in heb den gordel der waarheid aangedaan. Hij zegt, \'t is maar praat. Och, neen! zeggen ze, ik^ wil standvastig en onbeweeglijk zijn, 1 Cor. 15:58. God weet het. Komt hij met disputeeren, dan heliben ze den bijbel in hunne hand, het zwaard des Geestes, en ze zeggen; dat staat in \'t Woord niet geschreven, en dat staat er zoo niet geschreven. Dan zegt hij; gij doet het uit inzichten, \'t Is niet waar, zeggen ze, ik doe het met een goed geweten, \'t is geen gedwongen spel, ik steek zoo vrijwillig mijne voeten in de schoenen van de bereidwilligheid des Evangelies, Eiez. 6; 15. Ik zal u wel vinden, zegt hij; ik zal al doen, wat ik kan. Wel! zeggen ze, raak ik onder den voet, ik zal tot God schreeuwen, op mijne knieën zal ik het nog winnen. Zoo! zegt de Koning, houdt u mannelijk, wijkt niet, gij hebt geen wapenen van achteren: gij moet sterven of winnen. Ik ben ook gereed, Heere! zeggen ze, getrouw tot den dood te zijn. Maar, zeggen ze, mijn God! ben ik wel in de rechte kerk? Dat is de rechte, zegt God, waar Ik het meest verheerlijkt word, de zondaar diepst vernederd, de verlegen zondaar op het bondigst getroost wordt in Christus, en waar die getrooste aan-

Sjezet wordt tot do teederste godzaligheid. Zonder bekeering en hei-igmaking, zal niemand God zien, Hebr. 12: 14.jezet wordt tot do teederste godzaligheid. Zonder bekeering en hei-igmaking, zal niemand God zien, Hebr. 12: 14.

Vraagt nu elk als gij zulk eene religie vindt, of dat de rechte Kerk met is? of ze niet ja zullen moeten zeggen. Zeggen ze; waar komt gij vandaan? gij zijt er nog zoo onlangs geweest? wat wilt gij al uitrichten? O dwazen! zeggen wij, wij zi]n onder n geweest. Dat de Egyptenaren eens gezegd hadden tegen de kinderen Israels: waar zijt gij heden geweest, als ze eerst in Kanaan kwamen? Onder u, zouden ze geantwoord hebben. Wij zeggen; vraagt het uwen beulen, uwen gevangen huizen en uwen schavotten, die zullen het u zeggen.

Zij gelooven, dat ze niet alleen een uitwendig, maar een inwendig lidmaat zijn, en dat ze het eeuwig zullen blijven. De dood van Christus en zijne voorbede is voor hen, tot op hun doodbed toe. Die kerk is rijk. Zij hebben eene gemeenschap der heiligen. Met wie? Met God, met de engelen, met de zalige zielen daarboven, met de vromen op aarde; ze scheiden zich van de bokken: schapen bij schapen; zij dra-

fen elkanders zwakheden, zij hebben gemeenschap aan elkanders ruisen en zegeningen.en elkanders zwakheden, zij hebben gemeenschap aan elkanders ruisen en zegeningen.

Dan komt elk met zijn pak van zonden voor God. Wat heb ik tegen U misdaan! Zij belijden, ze schreien, ze vallen voor de voeten van den Heere neer. Dood mij niet, en verwerp mij niet van uw aangezicht; ik zie op uwe genade in Christus, ik heb zottelijk gedaan, ik bid om vergiffenis^ \'t Is wel, zegt God, Ik vergeef het quot;u alles. Ik heb eeuwige ontferming, gij zult eiken dag wel struikelen, maar Ik zal Mij als een Vader over u ontfermen, I\'s. 103; 13. Ik zal Mijzelf over uwe struikelingen ontfermen.

Daar ligt het pak: het hart krijgt rust. Heere! ik ga sterven; dat

773

-ocr page 780-

DERDE PREDIKATIE

is waar; gij zult niet altijd blijven; als gij sterft, Ik zal u uitwijzen naar uwe ziel, en uw licliaam zal Ik ergens een stof bedje geven; uw stofjes zal Ik tellen; Ik heb u geschapen, en bet wezen gegeven, zou Ik liet u niet weer kunnen geven? Gij ziet het in zoo vele afbeeldingen in de natuur: de nacht versterft in den dag, de dag in den nacht; de slaap is eene kleine afbeelding van den dood en opstanding; de slaap is de dauw tot verkwikking voor de natuur. Ik wil niet alleen hebben, dat gij de mogelijkheid kent, maar ook de zekerheid; zou Ik de God van uwe ziel zijn, en ook niet van uw lichaam? Exod. 3:15 en Matth. 22 : 32. Uw doode lichaam zal leven, Jes. 26 :19. Heere! Gij zult mij misschien een ander lichaam geven ? Dat lijdt mijne rechtvaardigheid niet, dat het lichaam, dat Mij gediend heeft, dat Ik dat in het graf zou laten, en een ander scheppen, dat Mij niet gediend had, en dat verheerlijken; gij zult leven; dat sterfelijke, zal onsterfelijkheid aandoen, en dat verderfelijke, onverderfelijkheid, 1 Cor. 15:54. De voorbeelden zijn klaar. Uw hoofd leeft, zoo zal dan ook het lichaam leven, als de laatste vijand, de dood, teniet zal gedaan en verslonden zijn, 1 Cor. 15:26. Dan zal er geen dood meer zijn, Openb. 21:4, noch in den hemel, noch in de hel; gij zult dan iiiet meer schreien over den dood van uw man, vrouw, kind of vriend; gij zult het onsterfelijke, geestelijke en verheerlijkte lichaam van Cfiristus gelijkvormig wezen, Fil. 3:21, in den tiemel; en het zal eeuw uit eeuw in zijn: alle vrienden binnen, en alle vijanden buiten; gij zult aanzitten in \'t koninkrijk, Matth. 8:11. Daar zult gij God kennen, zonder duisternis; dienen, zonder zonde; verheerlijken, zonder moede worden, en dat in eene altijd levende zelfs gelijkvormige rust en licht; \'t is hier dikwijls jammer dat de kerk moet uitgaan; Mozes\' handen werden moede en zwaar, Exod. 17 :12. Docb de uwe zullen gesterkt worden door den machtigen Jakobs, Gen. 49 : 24.

Wat is daar nu aan gelegen, wat behoeven wij dat alles te geloo-ven, wat baat het u, dat gij dat gelooft? Wilt gij dan geen voordeel hebben? God is waard om zijns zelfs wil gediend te worden, maar Hij is zoo goed. Hij wil het ook beloonen; Hij wil ook wel hebben dat wij zien op de vergelding des loons, Hebr. 11 :20. Daar is groote vrucht. Om het alles niet op te halen, uwe rechtvaardigmaking. Als gij uwe ellende en verlossing gelooft, wat vrucht is er dan? De goddelijke vrijspraken van al uwe schuld, en Hij zal u een erfgenaam van het eeuwige leven maken, dat zal Hij u richterlijk toewijzen voor de geheele wereld, en in uw hart zal dat richterlijk geschieden. Mijn kind! zegt God, gij zult niet sterven. Ik zal u een erfgenaam des eeuwigen levens maken.

Dit laatste stuk, vromen, moeten wij klaar in uw hart leggen, het is niet alleen een stuk van de staande of vallende kerk, maar ook van een staande en vallende ziel. De Heere komt als Rechter de vierschaar in ons gemoed spannen, en trapt binnen in het hart. Wat zijt gij voor een? zegt Hij. De zondaar zegt: och Heere! Gij zijt mij

774

-ocr page 781-

OVEft ZONDAG XVII-XXIV.

een verterend vuur, Gij staat voor mij met al uwe verschrikkelijke eigenschappen, Gij zijt mij een eeuwige gloed, ik kan aan U niet denken, dan met verschrikking. De Rechter zegt: Ik ben ook genadig. Ik vergeef\' ook, Ik wil uw doodelijken dag niet. Daar beginnen ze overtuigd te worden, zij zijn goddeloozen, doch uitverkorenen. Gij kunt mij slaan, Heere! zeggen ze, wat zult Gij met mij doen? Daar is geen uitkomst. Daar komen Jan de beschuldigers. De Hechter, zegt de duivel, kan u niet sparen; de wet zegt: naar deze wet moet gij sterven, het gezelschap zegt: wij zouden zoo goddeloos niet geweest zijn, hadt gij ons niet verleid, hun hart zelf zegt: gij hebt geen van allen Gods geboden gehouden, gij zijt gedurig tot hinken gereed. Ps. 38: 18. Hoort gij wel wat voor zware beschuldigingen! zegt God. Daar komt de advokaat die zegt: Vader, weet Gij wel dat bij mijn contract voor deze voldaan is, hier is verzoening voor deze. Ik hel:» genoegen in U, zegt de Rechter; dit maakt Hij bekend aan dat hart. Mij gaat naar dat hart; wilt gij in Mij gelooven? zegt Hij, u aan Mij overgeven, Ik zal het voor u uitvoeren; en dat kunnen zij niet gelooven. Dan komt de Geest, en zegt: Ik zou het probeeren, gij zult er

feen feil in vinden, geeft u aan Hem over, ziet de voorbeelden in e belasten en gesmoltenen. Hij houdt zoo al aan, totdat ze zeggen: ach ja! opgeven wil ik niet, ik geef mij aan Hem over, ik vertrouw mijne zaken aan Hem toe. Gelooft gij nu? zegt God. Ach! ja, zegt de ziel, en ze gaat naar God; ik heb Jezus aangenomen, zegt ze: kunt Gij mij nu slaan? Ach neen, zegt de Heere. O Heere, hoor! 0 lleere, vergeef! Dan. 9:19. Ik werp mijne smeekingen niet neder op mijne gerechtigheid, die geene is, maar op uwe barmhartigheid; ik ben door net geloof met Jezus vereenigd, nu ben ik in Hem begrepen en bekleed met den mantel van zijne gerechtigheid. Jes. (gt;1:10. Daarop spreekt de Heere ze vrij. Dan moeten de vijanden weg. De duivel wordt van zijn vat beroofd, de wet is voldaan, de goddeloozen willen niet met hen te doen hebben, het geweten is stil. Daar komt de Geest dan nog wel, en die getuigt ze het. Hij verkwikt ze. Hij wordt hun een witte keursteen, üpenb. 2:17. Hij verzekert ze door redekaveling of gevoel. Zij danken God niet alleen door Christus Jezus, maar ook voor Christus Jezus, ze smelt in nederigheid; ik ben daar te gering toe, zegt ze, ik ben het niet waard, het is genade zonder eenige mijner verdiensten, ik heb een halve noch heele gerechtigheid, het is alleen uit vrije genade, door het geloof. Het is mij van God geschonken.een feil in vinden, geeft u aan Hem over, ziet de voorbeelden in e belasten en gesmoltenen. Hij houdt zoo al aan, totdat ze zeggen: ach ja! opgeven wil ik niet, ik geef mij aan Hem over, ik vertrouw mijne zaken aan Hem toe. Gelooft gij nu? zegt God. Ach! ja, zegt de ziel, en ze gaat naar God; ik heb Jezus aangenomen, zegt ze: kunt Gij mij nu slaan? Ach neen, zegt de Heere. O Heere, hoor! 0 lleere, vergeef! Dan. 9:19. Ik werp mijne smeekingen niet neder op mijne gerechtigheid, die geene is, maar op uwe barmhartigheid; ik ben door net geloof met Jezus vereenigd, nu ben ik in Hem begrepen en bekleed met den mantel van zijne gerechtigheid. Jes. (gt;1:10. Daarop spreekt de Heere ze vrij. Dan moeten de vijanden weg. De duivel wordt van zijn vat beroofd, de wet is voldaan, de goddeloozen willen niet met hen te doen hebben, het geweten is stil. Daar komt de Geest dan nog wel, en die getuigt ze het. Hij verkwikt ze. Hij wordt hun een witte keursteen, üpenb. 2:17. Hij verzekert ze door redekaveling of gevoel. Zij danken God niet alleen door Christus Jezus, maar ook voor Christus Jezus, ze smelt in nederigheid; ik ben daar te gering toe, zegt ze, ik ben het niet waard, het is genade zonder eenige mijner verdiensten, ik heb een halve noch heele gerechtigheid, het is alleen uit vrije genade, door het geloof. Het is mij van God geschonken.

Hoe staat het met uw werk? Dat is onvolmaakt goed, en verdient niets; de zonde verdient, die is volmaakt kwaad, \'t Is een geschenk Gods, ik kan er niet mede verdienen; \'tis eene vrucht en blijk van mijn geloof, \'t Is geen loon naar schuld, maar uit genade. Paulus sprak van eene rechtvaardigmaking voor God zonder de werken, Rom. 3 :28. En Jakobus van eene voor de menschen. Jak. 2 : 26. Daar gaven de werken blijk van, dat zijn zoo eenige schatten, die God in uwen schoot heeft laten werpen. Is er nog iemand, die geen belijdenis ge-

775

-ocr page 782-

DERDE PREDIKATIE OVER ZONDAG XVII-XXIV.

776

daan heeft, hoe kunt gij het goed maken? Het Woord profeteert niets goeds over u. Die ze gedaan hebben, hoe staat het met u? Zoudt gij ze nog wel kunnen doen? Toen waart gij altemet geen week of gij waart beroerd, nu loopt het dikwijls wel een jaar aan, eer gij roering krijgt. Zegt gij: ach! wat heb ik verloren ? Blijft in dat gezicht niet staan, herstelt het, houdt aan, gij zult winnen. Ach! wat al parels zijn er in onze religie in elk stuk! Houdt ze vast. Dat is nu zoo van dén 17den tot den 248ten Zondag. Wij zeiden zoo even, dat er menschen op de markt wat kochten, en eer ze tehuis waren, was het gestolen. Weest zoo onachtzaam niet; als gij hier al wat kocht, dat gij het zoudt laten stelen, eer gij tehuis waart; neemt het mee, en ik wensch, dat God het aan een iegelijk zegenen zal, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

-ocr page 783-

VIERDE PREDIKATIE.

Over Zondag XXV —XXX1L

UIT MATTH. 10; 32, 83.

Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensehen, dien zal Ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is. Maar zoo ivie Mij verloochend zal hebben voor de mensehen, dien zal Ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen is.

WIJ lezen in den 35IJ lezen in den 358ton psalm op het Bquot;10 vs.: Zeg tot mijne ziel: Ik ben uw Heil. De man bad zoo ootmoedig om verzekering van Gods gunst, dat hij in staat van zaligheid gebracht mocht worden, om in eene eeuwige gemeenschap met God te leven.

Daar is drieërlei verzekering. Daar is er eene door redekaveling, eene door gevoel, en dan is er eene sacramenteele verzekering.

Eerst. Daar is eene verzekering door redekaveling, dat is deze: iemand leest of hoort het Woord; daar liggen klare teekenen van genade. De Geest zegt in dat Woord: Zalig zijn ze die treuren; zalig zijn de hongerigen en dorstigen; zalig zijn de armen van geest, Matth. 5:3—6. Dat gelooft eene ziel, zij leeft; belasten en beladenen, komt tot Mij, Matth. 11:28. Daar begint in dat hart een verstandig redeneeren te komen; zij leggen zich nevens dat Woord, en zeggen: ik ben zulk eene. Daar vindt ze de sluitreden naar het Woord; dan moet ik mede zalig wezen, zegt ze.

Dan komt er eene tweede verzekering; dat is die verzekering door gevoelige blijdschap des Geestes. God komt werken; daar komt een uurtje, daar krijgt ze een helder begrip van de waarheid, van de goederen van het genadeverbond, daar krijgt ze een helder begrip van. God brengt ze tot redeneeren; de beroeringen van haar hart houden op; zij geraakt tot stilte; de donkerheden houden op. Daar komt de Geest en werkt in hen de verzekering met kracht, en zegt: wil Ik u eens doen zien de dingen, die u van God geschonken zijn ? Wil Ik het u eens getuigen, dat gij des Heeren zijt? Wil Ik u eens kussen, eens verzegelen, eens troetelen? O! daar wordt zulk eene ziel verblijd, en zij raakt als Elia in het suizen van eene zachte stilte, 1 Kon. 19:12. De zuidenwind is bezig met haren hof te doorwaaien, Hoogl. 4:16. Daar begint dat schepseltje dronken te worden van de vettigheden van Gods hnis, Ps. 36:9, daar zegt ze: Heere! ik begin

-ocr page 784-

VIERDE PREDIKATIE

te proeven en te smaken, dat Gij goed zijt, nu zal ik het mijn leven niet meer wegwerpen, noch ontkennen dat ik genade heb; ziel! dat is gedaan, zegt ze.

Dan komt er eene derde verzekering, en dat doet God aan hen in het openbaar, voor \'t oog van een iegelijk, in de gemeente. Dat is eene sacramenteele verzekering. Geschiedt die nu aan een iegelijk, waar de Sacramenten aan bediend worden? Als gij dat zoudt denken, dan zoudt gij mis zijn; maar zoo dikwijls iemand het avondmaal recht krijgt te gebruiken, op eene rechte wijze, zoo zegt God: Ik verzeker u, dat Ik uw God ben, dat Ik met u verzoend ben, en dat gij in Christus met Mij in mijne gemeenschap leven zult. Die Sacramenten zijn net eveneens als liet bloed aan de posten der deuren van de kinderen Israels in Egypte, Exod. 12:7; zij zijn net eveneens als het snoer aan het venster van de hoer Rachab, Joz. 2:18; zoo lang als zij dit snoer aan het venster zag, was zij verzekerd, dat zij niet sterven zou. Wij hebben bij die gelegenheid, als de een en de ander belijdenis moest doen, en wij den een of den ander de belijdenis moesten afnemen, dit zoover verhandeld. De eerste maal hadden wij van den eersten Zondag tot den zevenden; daarna van den zevenden tot den zeventienden; daarna zijn wij gekomen van den zeventienden tot den vierentwintigsten Zondag ingesloten; nu voor de vierde reis zullen wij zoeken van den vierentwintigsten tot den twee-endertigsten Zondag voor u open te leggen, en zien, wat daarin begrepen is tot onze verkwikking en ondersteuning op onzen weg naar de eeuwigheid.

Daar lag nu de rechtvaardigmaking van een zondaar voor God, door de verlossing in Christus Jezus, van hen door \'t geloof aangenomen. Wij zeggen: door \'t geloof. Door welk geloof? Het recht-vaardigmakende, dat alleen der uitverkorenen is, Tit. 1:1; dat vruchtbaarmakend geloof, dat niet aller is, 2 Thess. 3:2. Wat heeft dat voor een Auteur en Werkmeester? Van wien hebben wij dat? Wie heeft het in ons gewrocht? Wie heeft daar zijne hand in? Zijn het onze vrome ouders? Zijn \'t onze predikanten? Is \'t door onze goede opvoeding ? Heeft onze natuur het ons gegeven ? Ach, neen! het komt van den derden Persoon in \'t Goddelijk Wezen, den Heiligen Geest; die neemt een hamer en slaat onze verharde harten te morzel, Jer. 23:29. Den een of den anderen tekst, gebruikt Hij als een pijl, die hen treft. Daar liggen ze dan gewond, die gewaande, ingebeelde gelukkigen; daar beginnen ze te schreeuwen en te zeggen: hoe ben ik dus? Dan komt de Geest: Ik wil, zegt Hij, geen wanhopig werk hebben; maar als het hoog genoeg is, dan giet Hij balsem in de wonde, en zij beginnen te gelooven. Onder de vruchten des Geestes, Gal. 5:22, is ook het geloof. 1 Cor. 12:13, Wij zijn allen tot éénen Geest gebracht. Dat geloof zal niemand vinden, of hij zal het altemot in vijf trappen werkzaam vinden, eer hij in den hemel is. Do hoogste trap is het geloof van verzekering, dat zulk een kan zeggen: Ik weet in Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij mach-

778

-ocr page 785-

OVER ZONDAG XXV-XXXII.

tig is, mijn pand, bi] Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag, 2 Tim. 1:12.

De tweede trap is bet geloof van boop; bet niet al weg te werpen, maar te gelooven op hoop tegen boop. Kom. 4:18. Ik weet, dat God machtig is bet te doen.

Dan brengt God ze wel eens tot den derden trap, en dat is het geloof van de alleruiterste hoogachting voor Gods gemeenschap. Zoo ze iets eenvoudig zeggen kunnen, zoo is het dit; Ik heb niemand nevens U in den hemel, er lust mij ook niets nevens U op de aarde, Ps. 73:25. Ik ben niet waardig, zeide die hoofdman, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, Matth. 8:8.

Dan de vierde trap is bet aanklevend geloof; ik kan U niet missen. Ik kan U niet laten gaan, voordat Gij mij zegent, Gen. 32:20. Ps. 03:9, Mijne ziel kleeft U achteraan. Matth. 15:27, O! die goede vrouw! zij kleefde den Heere zoo aan.

Het vijfde trapje is bet klein of zwak geloof, dat zijn die gekrookte rietjes, die glimmende vlaswiekjes; zij schijnen altemet een beetje te wezen, en altemet schijnt bet geheel en al met hen gedaan te zijn. Wat zijn er al geestelijke dingen in onze religie! legt er uw hart toch bij.

Als nu iemand het geloof beeft, allerliefste God! zal hij zeggen: waaraan zal ik bet kennen, of ik een sterk of zwak geloovige ben? Dan zijt gij een sterk geloovige:

Eerst. Als gij zulk een dagelijkscben, gezetten honger en dorst hebt naar de gerechtigheid van Christus; die zoo zeggen: Ach! ik heb ze niet, maar ik moet ze hebben, wat zal ik doen om ze te verkrijgen? Ik ben gelijk een hert, dat schreeuwt naar de wateren, Ps. 42:2. O God! mijne ziel dorst naar U.

Ten tweede. Zij zijn zoo gezet, op een gezetten koers van een god-vruchtigen wandel! Zij leiden zulk een eenparig gedrag; altijd zoeken zij dezelfden te zijn in een heiligen en godvruchtigen wandel. Zij zijn vervuld met vruchten der gerechtigheid, Fii. 1:11, zij zetten zulk een vasten tred.

Ten derde. Zult gij bij ben vinden zulk eene edelmoedigheid. God is mijn licht, zeggen ze, voor wien zou ik vreezen? Ps. 27:1, ik vrees niet. Spreuk. 28:1, De rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw.

Ten vierde. Zult gij ze zóó vinden, dat ze roemen in bet kruis, en in de verdrukking. Kom. 5:3. Komen ze in zwarigheid, dat komen ze met God ook al door en te boven.

Wie zijn nu die zwakken?

Eerst. Die zoo klein zijn in hunne kennis, zegt hun dezelfde waarheid; met andere woorden: zij kunnen het niet verstaan. Als gij bun dezelfde zaken met andere woorden zegt, dan zijn ze meteen bet spoor bijster. Zeide de Heere Jezus tot zijne discipelen: Wacht u voor de leer der Parizeen en der Schriftgeleerden, dat verstonden ze wel; maar zegt Hij: Wacht u voor den zuurdeesem der Schriftgeleerden en Parizeen, dan meenden ze, dat Hij hun van den zuurdeesem des broods sprak, Matth. 10 :12.

779

-ocr page 786-

VIERDE PREDIKATIE

Ten tweede. Zij zijn zoo zwak in hun toestemmen. Zij kunnen dikwijls liet geheele Woord niet toestemmen; zij staan er wel eens tegen op, zij hebben er wel strijd over. Waarover? Over de eigenschappen Gods, Ps. 73 ; 13.

Ten derde. Ze zijn zoo zwak in hun aannemen. Zij willen Grod wel aannemen; zij zeggen, dat zij williger zijn daartoe, dan God om hen aan te nemen; en God is nochtans williger. Zij nemen God wel aan, maar is er ergens een schepseltje, een bedgenoot, of een kind, dat kunnen zij zonder God niet stellen. Zij nemen God wel aan, maar zij durven niet zeggen, dat de Heere hen aangenomen heeft. Ach, was ik maar zoo gelukkig! zeggen zij; zij zijn klein in hunne kennis, in hun toestemmen, en m hun aannemen. Maar hoe zijn zij in hun vertrouwen? Ik wil wel vertrouwen, zeggen zij, maar ik kan niet, ik kan niet gelooven; of, zeggen zij, ik geloof! \'t is meteen; Kom mijn ongeloof te hulp, Mark. 9:24. Ja, zij vertrouwen, als er veel waarschijnlijkheid van redding en van een goeden uitslag is, zullen zij eens vertrouwen, dan willen zij God binden aan tijd, plaats en middelen. Die koninklijke hoveling zeide: Kom af, Heere, eer mijn kind sterft. Joh. 4:49. l)e discipelen wekten den Heere op; zij zeiden. Hij moet wakker zijn om ons te helpen. Martha zeide; Heere! waart Gi] hier geweest, mijn broeder was niet gestorven. Joh. 11; 21. Evenals of de Heere niet helpen kon, of\' Hij moest er tegenwoordig zijn.

Nog eens. Zij vertrouwen God het meerdere toe, hunne ziel, maar het mindere, hun lichaam niet. Zij kunnen God hun zielstoestand in zijne hand geven, maar hun lichaamstoestand niet.

Wat doet God nu, als zijne kinderen zoo zwak zijn, zulke gekrookte rietjes? Hij gaat ze sterken. Hij zet er een pilaar en steunsel onder, Hij sterkt ze door het Woord, door het gebed, en door de Sacramenten. Hij neemt een steunseltje van het Woord; Hij zegt tegen een zwakke, lees het eens, ga eens naar den godsdienst, en het gebeurt. Hij komt in de kerk, altemet in eene onbekende, of altemet in eene bekende plaats. Daar staat er een en spreekt, eveneens als of hij hun hart kende. Die brengt hun geheelen staat klaar voor oogen, en hy begint naar het Woord te zeggen: allen die zóó gesteld zijn, hebben genade. Daar schiet hun de krop vol. Is dat waar, zeggen zij, dan heb ik genade; en zij gaan gesterkt naar hun huis, zij gaan gehartigd van onder de bediening. Daar is mij gezegd, al wat mij ooit ontmoet is, zeggen zij. Men zegt altemet; ik vond mijn hart onder dat prediken. Dat is nu wat men zeggen kan: Ik ben verkwikt naar huis gegaan.

Dan komt God en zegt; schepseltje! wat ben Ik u? Hoe zijt gij dus? Wel, zoek mijn aangezicht eens, loop Mij eens aan. Zij zien er tegen op; zij zouden \'twel willen ontvlieden. Eindelijk, zoo komen ze er toe. De Heere heeft al een zegen voor hen bereid. Daar raakt hun hart open en daar komen zoovele zaken, beweegredenen en tranen. Heere! zeggen ze, denkt Gij aan mij? Ik gaf het op; ik was als kwaad tegen U, en zijt Gij zoo goed?

780

-ocr page 787-

OVER ZONDAG XXV-XXXII.

Dau komt God, en die wil ze versterken door de Sacramenten. Daar willen ze dikwijls van atloopen; Ik noodig u, zegt God; Hij prikkelt ze van binnen aan. Daar is er niet één die genade heeft, of hij zal dat alles ondervonden hebben. Gij dacht uw leven niet te gaan; ja, daar komt een geruisch in uw hart, gij wordt van God geroerd, gij doet het, gij gebruikt ze gewillig. Daar menigen dachten: ik zal er den dood halen als ik er ga, kwamen zij er gesticht af; zij kregen een vrijmoedigen toegang.

De Sacramenten, dat er die zijn, dat kunt gij niet wel vatten, of gij moet zien dat er verbonden zijn. God heeft een verbond opgericht met den volmaakten mensch, en één in Christus met den gevallen zondaar. Daar is er één opgericht met den volmaakten mensch, dat is het verbond der werken. Daarvan was de inhoud: dat hij God volmaakt moest dienen, en dat hij dan in den hemel zou komen.

Daar waren Sacramenten van dat verbond, die waren, de boom des levens, en het Paradijs. Zoo dikwijls als gij die ziet, zeide God, en gij staande blijft, zoo verzeker Ik u, dat gij eeuwig bij Mij zult leven.

Dan is er nog een verbond, en dat is het verbond der genade. Dat heeft God opgericht in Christus na den val. Dat kunt gij nu weer niet begrijpen, of gij moet met uwe gedachten opklimmen tot de eeuwige verkiezing. Daar is eene verkiezing. God heeft sommige menschen uitverkoren met naam en toenaam. De verkiezing is vast en onveranderlijk. God zeide in zijne eeuwigheid: die en die menschen zullen op die plaats, en op dien tijd geboren worden, dat zullen mijne vaten der barmhartigheid zijn, hun namen zijn geschreven in het boek des levens; Luk. 10:20, hunne namen zijn geschreven in de hemelen.

Nu zult gij zeggen, wat teekentjes zijn er van de verkiezing? Zal ik mijn leven niet sterven?

Eerst. Zulken worden in den tijd van God krachtig geroepen.

Ten tweede. Zij worden tot het geloof\' gebracht.

Ten derde. Zij krijgen een haat en afkeer van de zonden.

Ten vierde. Zij worden gebracht tot jagen naar de heiligmaking.

Ten vijfde. Altemet wordt hun het getuigenis van Gods Geest gegeven. Dat is de verkiezing. Gij wilt altijd weten, of gij verkoren zijt; die uitverkoren zijn, daar heeft de Drieëenige God over gehandeld in de eeuwigheid. Daar komt de Vader als Rechter, en zegt: de mensch moet gestraft worden, mijne rechtvaardigheid, heiligheid, en waarheid kan anders niet genoeg gedaan worden. Wien zal Ik zenden? en wie zal ons henen gaan? Jes. 6:8. Daar komt de Heere Jezus, en zegt: zend Mij, Heere! Ik trap in de schuld; de straf zal Ik dragen en het loon zal Ik wachten. Daar komt de Geest, en zegt: Ik zal daar het Woord vol van maken, en dan zal Ik op het stondetje van God bepaald, van den Vader, en van den Middelaar uitgaan en in het hart van dat uitverkoren schepseltje komen werken; Ik zal de verandering beginnen, Ik zal het werk voortzetten, en bij hen blijven niet alleen, totdat ze sterven, maar ook tot in alle eeuwigheid.

Daarop komt de groote God, en zegt: nu kom Ik een verbond

781

-ocr page 788-

VIERDE PREDIKATIE

der genade oprichten in mijn Zoon, door den Geest, met den armen zondaar. Zondaar! wilt gij Mij tot uwen God hebben? Uitverkoren schepseltje! Ik zal uwe zonden vergeven, u vrede beschikken, u bevrijden van dood, hel, zonde, en van de heerschappij des duivels, dat bied ik u aan, alleen op die voorwaarde, dat gij u zult moeten bekee-ren. Gij zoudt het geloof moeten hebben, gij zoudt Mij moeten liefhebben\', daar zou u niets te veel voor Mij moeten wezen! Daarop zegt de bondeling: Heere! ik heb geen kracht, om dat alles in mij-zelven te werken. Dat is waar, zegt God, maar de voorwaarden zijn ook goederen, die Ik u geven zal. Hebt gij er nu iets tegen? zegt de Heere. Neen Heere, zegt dat schepseltje, o! ik kan niets schooner wenschen, ik schrijf met mijne hand, dat ik des Heeren ben, Jes. 44:5. Daar hebt gij nu God die dat verbond opricht, dat in alles wel geordineerd is; die geeft ook Sacramenten.

Wat zijn Sacramenten? Het zijn heilige en zichtbare teekenen en zegelen van de onzichtbare genade Gods in het hart van den honde-ling. Kom. 4; 11. En hij, te weten Abraham, heeft het teeken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs. Die Sacramenten gaf God als zegelen van het verbond der genade in het Oude Testament, en Hij geeft ze ook als zegelen van dat verbond in het Nieuwe Testament.

In het Oude Testament hadden zij twee gewone Sacramenten, te weten, de Besnijdenis en het Pascha. De besnijdenis, wat was daar voor eene beduiding in ?

Eerst. Ach! uw verdorven, oude mensch moet afgesneden worden, gij moet besneden worden aan het hart. Deut. 30: ü.

Ten tweede. Dat zal ook met smart geschieden, als Ik u eene snede in het hart zal geven.

Ten derde. Daar zou bloed komen, om wiens wil uw hart afge-wasschen wordt, en dat is het bloed des Lams.

Ten vierde. Gelijk de kinderen Israels door de besnijdenis onderscheiden waren van alle volken, zoo uok wie deze besnijdenis hebben, zijn Mij een volk des eigendoms. Mal. 3:17. Het is een volk, dat naaiden hemel gaat, onder liet geleide van Mij.

Daarop komt God en Hij geeft het Paaschlammetje, en Hij toont dat de Heere Jezus het onbestraffelijke, onbevlekte Lam was, 1 Petr. 1:19, 1 Cor. 5 :7. Die omstandigheid zullen wij niet uitbreiden; dat is Christus, waar wij, zittende aan de verbondstafel, door het geloof deel aan hebben, even zooals zij aan het Lammetje hadden.

God, bij verloop van tijden, gaf nog vijf buitengewone Sacramenten. Daar staat Israël voor de zee, ze wisten er niet door te gaan; God doet ze er doorgaan. Daar worden ze allen in Mozes en in de zee gedoopt. Daar haat gij den doop, 1 Cor. 10:1, 2.

Dan hadden zij geen brood in de woestijn, en ze hadden het niet te wachten; maar daar komt God, en die geeft ze het Manna, Joh. 6:31, 35. Dat zag op den Zoon van God; door geen menschelijke kunst of kracht was het bereid.

782

-ocr page 789-

OVER ZONDAG XXV—XXXII.

Dan hadden zij geen water, en zij hadden het niet te wachten. Dat is weer de Zoon van God, 1 Cor. 10:4. De rotssteen, daar kwam water uit, dat volgde. De rotssteen is Christus.

Daar wisten ze onder de priesters niet, wie de hoogepriester zou zijn, maar de staf van dien stam die bloeien zal, die zal het zijn. Num. 17 : 8. Dat is weer Christus. Hij moet sterven, en binnen drie dagen weer vruchten dragen, evenals Ailrons staf. Hij moet weer leven.

Dan geraken ze in de woestijn, daar komen slangen die hen bijten, zij hadden moeten sterven; maar daar krijgen ze de koperen slang, waar elk gebetene op zien moest, die dan werd genezen. Dat is weer Christus, Joh. 3; 14. Daar begint God zijn verbond der genade op te richten onder de bediening van het Nieuwe Testament. Hij geeft zijn volk eene nieuwe bediening. Gij moet niet zeggen een ander verbond, maar eene nieuwe bediening van datzelfde verbond. God heeft er maar van afgeschaft al wat Hem beliefde. In die nieuwe bediening van datzelfde verbond, komt God met den doop, en dan wil God hebben, dat al de gedoopten komen leeren en hunne belijdenis doen. God legge het op het hart van allen die hier zijn, en gedoopt zijn, en nog geen belijdenis gedaan hebben. Het eerste Sacrament, de doop, geeft God u als een spoor, opdat gij in den tijd van uw leven tot het tweede Sacrament bet heilig avondmaal zoudt zoeken over te gaan. Wilt gij nu zeggen, ik zal wel in den hemel komen, al ben ik geen lidmaat? Ik zou u dat niet durven nazeggen. Die in de gelegenheid leeft, gij moogt toezien. Is het uw moedwillig verzuim? Of zegt gij: ik heb geen tijd? Gij moet er tijd toe hebben. Ik zal u dat nooit nazeggen, als gij geen lidmaat wordt door moedwillig verzuim, dat gij dan in de hel niet zult komen. De Sacramenten van het genade-verbond in het Nieuwe Testament zijn eerst de doop, en dan het avondmaal. De doop, dat schoone en wonderlijke Sacrament van het verbond der genade, in het Nieuwe Testament, waar ik en gij niet genoeg aandenken, dat is in de kerk.

Daar zijn verscheidene doopen bekend.

Eerst. Een doop des vuurs of des Geestes; dat is gelijk de regen valt op het een of andere stukje land, zoo komt ook de Geest in zijne geestelijke gaven en genade, dien God van boven uit op zijn uitverkoren volk giet. De geest der genade, des lichts, des gelools, en dei-liefde, de Geest des levens en de geest der kloekmoedigheid. Wordt gy met den Geest gedoopt, dan zult gij ook met vuur gedoopt worden. Die na mij komt, zeide Johannes, die zal u met den H. Geest en met vuur doopen, Matth. 3:11.

Dan komt er een tweede doop, en dat is die met tranen. Daar

Êaan ze schreien in nederigheid, in liefde, ziet het in die zondares,aan ze schreien in nederigheid, in liefde, ziet het in die zondares,

uk. 7 :38, en in Petrus, Matth. 2G: 75. Dat is de tranendoop, zulk een smeltende gestalte.

Ten derde. Zoo is er een doop, die eene vraag is van een goed geweten tot God. Daar zijn ze in hunne kamer, als zij het verbond met God maken. Hem de hand geven. Meent gij het mensch, zegt God:

783

-ocr page 790-

VIERDE PREDIKATIE

Zult pij het in alle goed geweten zoeken te houden? Ach, Heere! zegt hi], mocht ik het zweren, ik zou het doen, Ps. 119:106. Heere ! zeggen ze, mag ik ü ook wel wat vragen? Als ik het doe, zult Gij dan mijn God zijn? Als ik om des gewetens wil lijd, zult Gij mij dan te hulp komen? Ja, zult Gij mij niet begeven, noch verlaten? Ilebr. 13:6. Zult Gij mij een Helper zijn? Dan zal ik niet vreezen, wat mij een mensch zal doen. Dat kan Ik doen, ze^t God; mijn Zoon is uit de dooden opgewekt, nu kan Ik het u alles toepassen, wat gij hebben moet.

Dan komt er een vierde doop, en die is de doop des bloeds. Daar bieden ze hun goed en hun bloed den Heere aan. Moet ik voor uwen naam sterven, ik kan maar met den doop des bloeds gedoopt worden. Matth. 20:22, Kunt gij met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt word? Zij zeiden: wij kunnen.

Eindelijk is er de waterdoop, die heeft God tot zijn Auteur, water tot zijn element. Die heeft tot zijne bediening indompeling of be-sprenging, tot zijne beduiding het bloed en den Geest van Christus, waar hunne onreine natuur in gereinigd en genezen wordt. Johannes doopte; hij had God tot zijn Insteller. Do doop van Johannes, zeide de Heere Jezus, is die uit den hemel, of uit de menschen? Maar ze durfden Hem niet antwoorden, Mark. 11:30. De Heere Jezus is er zelf mede gedoopt, want zoo betaamde het Hem alle gerechtigheid der goddelijke wet te vervullen, Matth. 3:15. Daarna heeft Hij ze zelf ingesteld, Matth. 28:19, Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Hij heeft hem zelf ondergaan, Matth. 3:16, Hij heelt der Kerk geen lasten opgelegd, die Hij zelf niet aanraken wilde.

De doop werd bediend door water. Daar hadden zij hunne rivieren toe. In de eerste Christenkerk deden zij het door indompeling, maar ook wel door besprenging. Als ze ingedompeld werden, zeiden zij: wij sterven der wereld; de dood en hel werd door hen begraven. Waren ze onder het water, zij stonden weer op, om hunne geestelijke opstanding te toonen. Daar werd getoond, dat de Geest hen zou reinigen en zuiveren. Dat vertoonde ook, dat zij een heilige liefde hadden. Dat is nu weg, zoowel als de liefdemaaltijden, 1 Cor. 2:21,22. Door de verdorvenheid en \'t misbruik is dat achtergebleven. Nu heeft de besprenging plaats; die is gebleven van toen af, tot nu toe. Ze besprengden als ze het bij nacht deden, en dan, als er zoo -velen waren, dat ze hem aan allen door indompeling niet bedienen konden. Dan is liet ook door besprenging geschied, als ze met hunne voeten in \'t water gingen staan. Zoo schijnt Johannes het aan Christus gedaan te hebben. De kracht hangt niet aan de veelheid of weinigheid van het water, maar aan de beteekenende zaak, aan het bloed en den Geest van Christus. Ezech. 36:25, Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden. Zoo heeft God willen toonen, dat die bediening Hem behaagde. Wat wil dat zeggen? Gij zijt vuil en onrein die gedoopt wordt; gij hebt water noodig. Die de beteekenende zaak

784

-ocr page 791-

OVER ZONDAG XXV-XXXII.

toegepast wordt, gij zult rein worden. Die daar gebracht wordt, is een onreine met erfzonde en verdorvenheden. In de natuur zijnde, zoo zijn wij uitermate vuil en onrein voor God; wij hebben water noodig om ons te reinigen. Daar is eene Fontein geopend, Zach. 13:1. Dat is de Geest in zijne bewerkingen. Die met dat water besprengd wordt, zal zijne zonden en verdorvenheden allengskens te boven komen. En gij zult eens volmaakt voor God gesteld worden zonder vlek of rimpel, Efez. 5 : 27.

Verzegelt dat nu de doop aan al de kinderen? Neen. Wat wordt er dan verzegeld bij den doop?

Eerst. Dat onder de kinderen, die daar gedoopt worden, die uitverkoren zijn, en van God aan Christus gegeven, en door den Heere Jezus Christus gekocht zijn: dat ze zoo zekerlijk zullen veranderd worden in den loop van hun leven, als zij daar dat uiterlijk water ontvangen hebben.

Ten tweede. Zoo zeker zult gij ook gerechtvaardigd worden door het bloed en den Geest van Christus, en zoo zekerlijk zullen uwe zonden vergeven worden om het bloed van Christus\' wil.

Ten derde. Zoo zekerlijk als gij den doop ontvangt, zoo zal Ik met mijnen Geest in u wonen, en u heiligen; gij zult de zonde niet kunnen doen; gij moogt eens verrukt worden, maar het zal uw opzet niet zijn.

Ten vierde. Hier wordt de Drieëenige God aangeroepen; Ik ben uw getuige niet alleen, maar Ik verzeker u, dat Ik voor u zorgen zal; sterft uw vader of uwe moeder, Ik, God, Vader, zal uw Vader zijn; Ik God, Zoon zal uw Verlosser wezen; Ik, God, H. Geest zal in u wonen. Hoe benauwd is dikwijls een vader of moeder over hun kind! Maar denkt dat de goddelijke zorg over hen zal wezen.

Ten vijfde. Zoo verzeker Ik u dat, zoo zekerlijk als gij gedoopt wordt, dat gij zoo zekerlijk ook eens in den hemel volmaakt voor Mij zult staan zonder vlek of rimpel, Efez. 5:27.

JNu kunt gij zien, dat er geen zwarigheid te maken is, om op de vraag te antwoorden, als er gevraagd wordt: of wij gelooven, dat al de kinderen, die in Adam begrepen zijn, verdoemd zijn, en al wie onder Christus behooren, zalig zullen worden? Gij doet maar belijdenis van eene hoofdvraag, 1 Cor. 15:22 en Uom. 5. Gij belijdt vs. 19, dat gij gelooft dat al wie onder Adam behooren, der verdoemenis onderworpen zijn, en dat al wie in Christus begrepen zijn, in Mem zullen loven.

Dezen doop gaat God nu laten bedienen aan de kinderen, en ook wel aan volwassenen, die hem in hunne kindsheid niet ontvangen hebben; maar anders aan de kindertjes. U komt de belofte toe, en uwen kinderen, Hand. 2:39. Luk. 18.\' Daar komen de godvruchtige ouders met hunne kinderen naar den Heere Jezus. Tot wat einde?

Eerst. Om ze aan Hem op te dragen. Hij neemt ze in zijne armen, en Hij drukt ze als aan zijn hart. Derzulken, zegt Hij, is het koninkrijk Gods, Luk. 18:15, 16. Daar moet mijn rijk uitkomen.

785

60

-ocr page 792-

VIERDE PREDIKATIE

Nog eens. Ten tweede. De kindertjes hebben altemet den Geest van der jeugd af. Kan ook iemand het water weren, dat zulken niet zonden gedoopt worden, die zoowel den Geest ontvangen hebben als wij ? Hand. 10 : 47.

Nog eens. Ten derde. Zij behooren tot de gemeente. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de ïdnderkens en die de borsten zuigen, Joël 2:16. Zij stonden met hunne vrouwen en met hunne kindertjes en met de gansche gemeente voor het aangezicht des Heeren, Deut. 29:11. De kinderen werden besneden in den ouden tijd, en de doop is in de plaats der besnijdenis gekomen. Zoo worden ze in de nieuwe bediening gedoopt. De kindereu van de nieuwe bediening moeten niet ongelukkiger zijn, dan die van de oude. Zij moeten eer gelukkiger zijn. De Heere Jezus geeft een uitdrukkelijk en bepaald gebod: Matth. 28:19, Gaat, doopt alle volkeren ; daar zijn de kinderen onder begrepen. Daarom wordt er gezegd : twee volkeren zijn in uwen buik. Gen. 25:23. V oorbeelden zijn er; daar zijn geheele huisgezinnen gedoopt.

Nn zullen wij het stuk daar neerleggen, en ons met partijen niet ophouden.

God wilde een avondmaal hebben, dat zoovele namen draagt in het Woord, maar allermeest het avondmaal of nachtmaal des Heeren genoemd wordt, 1 Cor. 11:20. Waarom wordt het \'t nachtmaal des Heeren genoemd? Omdat het van den Heere is ingesteld in den laat-sten nacht, toen Hij sterven zou. Dat deed Hij niet alleen in den laatsten nacht van zijn leven, maar Hij toonde zijne groote liefde. Hij wilde geen afscheid van hen nemen, of Hij wilde in de kerk dat pand nalaten; ja, Hij doet het, om te toonen, hoe naarstig Hij was. Tot in \'t laatst van zijn leven was Ilij bezig in den dienst van God; ja, Hij wilde al de Christenen opwekken, dat ze eerst het avondmaal recht gebruikt moesten hebben.

In \'t avondmaal vinden wij het teeken, en de beteekenende zaak, en de geestelijke bewerkingen.

Het teeken is brood en wijn. Men zou zeggen: brood en wijn, wel, daar is niets geringer. Waarom nam Hi] geen Paaschlammetje? Hebr. 10:4, 5. Dewijl Christus gestorven was, zoo moest er geen offer meer wezen. Hij neemt brood en wijn; Hij wil u van het teeken doen opklimmen tot de beteekenende zaak, opdat, als het wat anders was, gij daar geen afgod van maken zoudt, gelijk de kinderen Israels deden van de koperen slang, 2 Kon. 18:4. Brood en wijn is echter niet eens zoo gering; in Egypte verkochten ze er alles om wat ze hadden. Gen. 47:20. God wilde hebben, dat het in alle stonden en tijden zou kunnen gebruikt worden. Daar is altijd lichtelijk een bete broods en een teugje wijn te krijgen. De Heere deed er ook eenige dingen omtrent, die aanmerkings waardig zijn. Hij neemt. Hij dankt. Hij breekt en Hij geeft het. Hij sprak; neemt, zegt Hij, eet en drinkt. Dat brood, zegt Hij, is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt, de drinkbeker is mijn bloed: \'tis de drinkbeker van het Nieuwe

780

-ocr page 793-

OVER ZONDAG XXV-XXXII,

Testament, dat voor u en voor velen vergoten wordt, Mark. 14: 22—24.

In het avondmaal hebt gij de voldoening van Christus aan zijnen Vader in al hetgeen Hij beloofd had in den raad des vredes. Het avondmaal is anders niet, dan Jezus in zijne lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid. Vromen! gij ziet de lijdelijke wel, maar de dadelijke zoo niet. De lijdelijke, wel, daar kunt gij nog wel eens over bewogen worden; maar de dadelijke gehoorzaamheid ziet gij zoo niet. Daarvandaan zit gij zoo en wankelt, omdat gij Christus deelt in \'t avondmaal. In het avondmaal is zijne gehoorzaamheid zoowel als zijn lijden. Zoo gij daar op ziet, in Hem is geen zonde: in Hem zijt\'gij\' volmaakt, Col. 2:10; in Mij zijt gij mijne schoone, mijne diiive, quot;mijne volmaakte, Hoogl. 5 :2; dan is er geen gebrek in u. Daar is voldaan voor uwe schuld. Hij heeft gehoorzaamd voor uwe schuld.

Aan de tafel zijnde, (als gij wilt weten, hoe het toegaat als gij er zijt) moeten ze zeggen: Mijn Heere! wat is dat? ik zie daar brood. Gij hebt ander brood. De Heere Jezus is het brood, dat uit den hemel is nedergedaald, Joh. 6:51. Het brood dat ik zie, wordt uit het midden van het brood genomen. De Middelaar ook, die is uit de men-schen genomen. Het brood wordt opgeheven. De Middelaar wordt gesteld tot eene betooning van Gods rechtvaardigheid, Rom. 3:25, 26. Daar wordt een zegen over uitgesproken: Christus is het gezegende, en zegenende zaad Abrahams, Gal. 3:16. Daar wordt het brood gebroken, en de drank wordt ingeschonken. Ziet gij Mij daar wel in, zegt de Heere Jezus, en wat Ik voor u heb moeten dragen? Ik heb gedragen geestelijke verlatingen, Ik heb gedragen te moeten missen, dien band van vriendschap, die er was tusschen Mij en mijnen Vader; om uwentwil is die band gebroken, die er was tusschen mijne ziel en mijn lichaam. Let eens op, zegt de Heere, bedenkt het eens, en ziet hoe noodig gij Mij hebt. Denkt aan het lijden van Christus.

Dan, dat brood wordt niet alleen aan stukken gebroken, maar het wordt ergens iemand aangeboden; wat is dit? Zoo ga ik ergens naar den een of den ander toe. Hebt gij honger naar Mij, die hier aan de tafel zit? Steekt uwe hand maar uit; zoo srij Mij wilt, hier ben Ik.

Heere! ik zie, dat de menschen hunne handen uitsteken, en zij nemen den beker en zetten dien aan hunne lippen, wat is dat? Dat zijn ziels-geloofsoefeningen, die daar zeggen: ik kom bij U om te koopen wijn en melk, Jes. 55: 1. Ach Heere! Gij y.ijt mij die eenige naam, een sterke toren.

Wel, de menschen zitten daar, en eten en drinken; wat is dat Heere? Gelijk er in den wijn en in \'t gebroken brood, een zoete smaak en verkwikking is, zoo ben Ik voor eene ziel, die door het geloof met Mij omgaat. Daar is een verkwikkelijke sterkte in. Ik proef er de zoetigheid in van \'t genadeverbond.

Heere! krijg ik het brood en den wijn voor niet? \'t wordt mij voor niet gegeven; wat is dat? Zoo schenk Ik Mijzelven om niet aan u, uit enkel genade, niet uit de werken.

787

-ocr page 794-

VIERDE PREDIKATIE

Heere! zij zitten daar zoo wel gesteld en in vreedzaamheid; wat wil dat zeggen? Alzoo zal die vreedzame gemeente zijn, die zullen zoo als één lichaam zijn.

Staan ze op? wat doen ze dan Heere! Dan zegt elkeen: laat uw aangezicht met mij medegaan, Exod. 33:14; leid mij nu naar uwen raad, Ps. 73:24, ga toch met mij naar mijn huis; blijf bij mij.

Die avondmaalsgasten zijn, welke gestalten bezitten ze wel? Daar zijn ze nederig voor God\'. Ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, Matth. 8:8. Ik ben een doode hond, Heere! ik ben te gering; ga uit van mij, ik ben een zondig mensch. Luk. 5:8. Hoe vreeselijk is deze plaats, het is een huis Gods, Gen. 28:17. Dan een verwonderende gestalte. O! hoe dierbaar zijn uwe goedertierenheden o, God! Ps. 36:8. Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, Ps. 8:5.

Hoe zitten ze er nog? Biddende en smeekende. God zegt tegen elk: zeg het maar, al wat er op uw hart ligt. Wat bidt gij, wat begeert gij van Mij? Al zijn het lichamelijke zaken, die moogt gij ook al voor Mij brengen: gij moogt er wel eens om bidden. Dan is het eens: O God! laat ik eeiis ondervinden, dat Gij mijn deel zijt! Ik geloof, kom mijne ongeloovigheid te hulp. Mark. 9:24; vermeerder mijn geloof. Luk. 17:5. Wek mijne liefde eens op, en zoo allerlei gebeden zult gij er vinden. Daar zit eene ziel aan de tafel! die zegt: Heere! ik betuig het voor U, dat ik oprecht ben, ik weet niet beter, zooveel als ik mijzelven ken; is het zoo niet, ontdek het mij, daar is mijn hart, ik geef U mijne lippen niet, de gedaante niet; ik weet niet beter, of het is mijn hart.

Daar zitten ze aan de tafel en danken: Heere, ik dank U, wat zal ik U vergelden voor al uwe weldaden! Ps. 116:12. Zij zijn niet altijd in treurige gestalten, zij zijn altemet vroolijk. Waar schort het ons, dat wij zulke gestalten niet meer bezitten? Gij verstaat het geheimzinnige niet van het avondmaal, gij let niet op de gestalten en \'t gedrag, dat gij daar hebben moet. Die zoo zegt: ik heb aan de tafel nietmetal, scheelt het daar niet aan, dat gij niet genoeg bedreven zijt?

Heere! zult gij zeggen, ik zie, dat de geheele gemeente zich bereidt om te gaan; mag dan elk het avondmaal gebruiken? Neen. Mag elk belijdenis doen? .la. Stelt de belijdenis en \'t burgerlijke leven iemand in staat om ten avondmaal te gaan? Ach, neen! Het is een Sacrament van \'t genadeverbond, en wat zal \'t verzegelen? Waar niet als natuur is, kan geen genade het verzegelen. Dat is eenvoudig, het geestelijk leven kan in een dooden zondaar niet gevoed noch gesterkt worden; daar heeft eene beproeving plaats, en als er elk gaan mocht, was die niet noodig. Was al het goud goed goud, zoo was er geen proefsteen noodig. Daar moet onderscheid gemaakt worden tus-schen het geestelijke van \'t lichaam en \'t bloed des Heeren. Aan het avondmaal moet men een bruiloftskleed aan hebben. En hebt gij dan geene droefheid over zonde, geen geloof in den Heere Jezus, geen

788

-ocr page 795-

OVER ZONDAG XXV-XXXII.

lust om voor God te leven? Dan mag er niemand gaan die dat mist. Mag er dan niemand gaan dan die verzekerd is? Dat wordt niet gezegd; die niet verzekerd is, raag ook wel gaan; die bestreden is, in eenige gevallen en donkerheden is, en in verlating ligt, een klein-geloovige, die evenwel genade heeft, mag en moet er gaan.

Gij zult zeggen: hoe zal ik het weten? hoe zal ik mij beproeven? Daar zijn zulke drie gronden, die zullen het kunnen bewijzen; die drie gronden zullen nergens zijn, waar geen genade is; zij zullen overal zijn, zelfs in de allerdonkersten, die maar genade hebben.

Eerst. Is er zulk eene hartelijke droefheid over de zonde, \'t Is met een beslag te doen; maar \'t is te tasten en te voelen. Zijn de zonen u tot een last? Zijt gij er over benauwd? Zijt gij er in uwe schaamte over? Zijt gij er bekommerd over? 2 Oor. 7:1, Onderzoekt en reinigt uzelven.

Ten tweede. Zegt gij: \'t is mij leed. Wat heb ik tegen U gezondigd! zijt gij er bekommerd over tot aan uwe ziel? Als dat zoo is, kunt gij dan bij uzelven niet blijven? moet gij gaan zien of gij gered kunt worden!

Ten derde. Zegt gij, liefste Heere Jezus! waart Gij mijn Middelaar, ik mag geen gebrek hebben aan uwe lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid.

Daarop komt de Heere, en zegt: zoudt gij Mij wel willen hebben? Mij wel willen aannemen? zegt gij: ik ben besloten op genade en ongenade aan uwe voeten te blijven liggen? Dat is zoo eenvoudig. Weet gij daar niet af? Hebt gij\'zulk een dorst naar Mij? zegt gij: U begeer ik met mijn hart, ik vertrouw mijne ziel U toe, ik ga op uwe verdiensten naar den hemel, en naar de heerlijkheid; ik vertrouw in mijnen dood, en in het oordeel op U, dat Gij mij niet zult verlaten? Vindt gij in uw hart eene begeerte om Mij\'te dienen? en

Saat gij van de zonde af? Meent gij den Heere oprecht? Zegt gij: £ en mijn huis, wij zullen den Heere\'dienen, Joz. 24:15. Anderen mogen dienen wie ze willen, ik verkies God te dienen! Dat zijn eoja-voudig die drie gronden, legt ze in uw hart weg. Zonder verzekering moogt gij ten avondmaal gaan. God onderscheidt dezulken met klare gronden. Zijt gij bedroefd over uwe zonden? Begeert gij Jezus? Kiest gij Hem te dienen? Zegt gij: ja. Gij zijt mijn getuige? Daarop moogt ij gaan. De geveinsden, goddeloozen, ergerlijken in leer en leven, aartoe geeft de Heere macht aan die het opzicht hébben. Gij zult zorgen, en ook die preeken; gij zult zorgen, dat die niet aan \'t avondmaal komen. Voor mijne kinderen zult gij den hemel openzetten, en voor de goddeloozen toesluiten; zoo gij liet niet doet, Ik zal het van uwe hand eischen. In dat gevaar sta ik en al de predikanten, en de ouderlingen moeten nevens de predikanten zorgen, opdat Gods verbond niet wordt ontheiligd, en zijn toorn over de gemeente niet wordt aangestoken, \'t Is niet eens, om zoo driftig te wezen, om ouderling te zijn, een kerkelijke te worden: \'t is zulk een pluimpje niet eens; daar moet strengheid gebruikt worden, tot verderf desaat gij van de zonde af? Meent gij den Heere oprecht? Zegt gij: £ en mijn huis, wij zullen den Heere\'dienen, Joz. 24:15. Anderen mogen dienen wie ze willen, ik verkies God te dienen! Dat zijn eoja-voudig die drie gronden, legt ze in uw hart weg. Zonder verzekering moogt gij ten avondmaal gaan. God onderscheidt dezulken met klare gronden. Zijt gij bedroefd over uwe zonden? Begeert gij Jezus? Kiest gij Hem te dienen? Zegt gij: ja. Gij zijt mijn getuige? Daarop moogt ij gaan. De geveinsden, goddeloozen, ergerlijken in leer en leven, aartoe geeft de Heere macht aan die het opzicht hébben. Gij zult zorgen, en ook die preeken; gij zult zorgen, dat die niet aan \'t avondmaal komen. Voor mijne kinderen zult gij den hemel openzetten, en voor de goddeloozen toesluiten; zoo gij liet niet doet, Ik zal het van uwe hand eischen. In dat gevaar sta ik en al de predikanten, en de ouderlingen moeten nevens de predikanten zorgen, opdat Gods verbond niet wordt ontheiligd, en zijn toorn over de gemeente niet wordt aangestoken, \'t Is niet eens, om zoo driftig te wezen, om ouderling te zijn, een kerkelijke te worden: \'t is zulk een pluimpje niet eens; daar moet strengheid gebruikt worden, tot verderf des

789

-ocr page 796-

VIERDE PREDIKATIE OVER ZONDAG XXV-XXXII.

vleesches, opdat de geest mag behouden worden, 1 Cor. 5:5. Daar moet hard en straf gepredikt worden, om door den schrik des Heeren de menschen te bewegen, 2 Cor. 5:11. Liefelijk om ons te sterken.

Daar hebt gij nu tot aan den 32sten Zondag de stukken naar het Woord.

Mogen wij nu nog wel een woord twee of drie tot toepassing zeggen?

Dat is de oude religie, bekijkt het of de nieuwe zoo is. Die zich ophouden met tijdvakken, en met den antichrist, tasten het hartelijke en het versterkende vun de religie niet aan. Legt dat eens nevens uwe geestelijke, oude religie, en ziet eens boe die voedt; de onde religie zoekt het geloof in \'t hart te zetten, gelijk die nieuwe maar zoekt die wijsheid in het hoofd te zetten, die u maar naar de wereld doet loopeii. Die oude religie, dat is door Gods goedheid mijne religie, op welke ik hoop voor God te komen, in welke ik wensch te leven en te sterven, en voor God te komen in de eeuwigheid. Is het de uwe ook? Dankt God voor dat goede. Dankt God voor de bediening en voor dat boekje, den Catechismus. Die is op het Woord gegrond, liet is een heerlijk boekje. Het heeft er al velen gesticht die in den hemel zijn. Het sticht er nog velen, die op de aarde zijn. Met dat gij predikanten vindt, die met dat boekje niet willen te doen hebben, maar u wat anders voorzeggen, die de teksten willen verklaren, ziet om, daar is gevaar.

Zijt gij een lidmaat? Wanneer zijt gij het geworden? Hoe waart gij toen? Hoe zijt gij nu? Waart gij toen niet in zoete kennis en gaven? Waart gij toen beter dan nu? Schaamt u. Blijft er niet in staan. Herstelt het, of anders zult gij in het donkere en in verberging leven. Wij raden u, weest altijd meest bekommerd over de geestelijke stukken van uwe religie, of gij daar deel aan hebt. Al kondet gij uwe religie op uwen duim, al wist gij die nog zoo net op te schikken, en gij hadt die stukken niet, de wedergeboorte, het geloof, de liefde, de godsvrucht, de verbondraaking met God, zoo hadt gij er niets aan. Ziet dan of gij \'t bezit. Met welk een doop zijt gü gedoopt? Met den doop des waters? of met meer? Beproeft u oi gij ten avondmaal moogt gaan. Als gij u beproeft, hoe vindt gij het? Als gij zoo leefdèt, dan maaktet gij u gemeenzaam met den bijbel, en den bijbel met u; en laat dan komen wat wil, en gaan zoo het wil, en dan zal \'t openbaar worden, dat gij een schat in nzelven hebt. Ziet nu of dat stichtelijk gerecht van dezen morgen n aangenaam en zoet is geweest. En ik hoop, dat God het aan ons elk zegenen zal, tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

790

-ocr page 797-

VIJFDE PREDIKATIE.

Over Zondag XXXIII—LIL

uit jak. 2 :14.

Wat nuttigheid is het, mijne hroeders! indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de iverlcen niet; lean dat geloof hem zalig maken ?

WIJ lezen, 1 Cor. 13:1—3, dat de apostel groote dingen optelt. Al was het, zegt hij, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de gave der profetie had, en al had ik al de wetenschap, en al had ik het geloof, zoodat ik bergen kon verzetten, en al gaf ik al mijne goederen tot onderhoud van de armen, en al was het, dat ik mijn lichaam overgaf om verbrand te worden, en ik had de liefde niet, zoo ware ik niets. Het zijn altemaal groote dingen.IJ lezen, 1 Cor. 13:1—3, dat de apostel groote dingen optelt. Al was het, zegt hij, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de gave der profetie had, en al had ik al de wetenschap, en al had ik het geloof, zoodat ik bergen kon verzetten, en al gaf ik al mijne goederen tot onderhoud van de armen, en al was het, dat ik mijn lichaam overgaf om verbrand te worden, en ik had de liefde niet, zoo ware ik niets. Het zijn altemaal groote dingen.

Iemand zal zeggen, zouden er zulke dingen kunnen zijn, waar geen genade is? Dat toont de apostel klaar en duidelijk. Als ik de liefde niet had, zegt hij, zoo was ik maar als een luidende schel, en een klinkend metaal. Al had iemand nog zooveel kennis, en hij oefende dat niet, zoo is het alles niets. Wat had een Bileam groote kennis! Al was \'t dat hij nog zulke groote gaven van kennis had, zoo had hij evenwel het loon der ongerechtigheid lief, 2 Petr. 2:15. Wat hadden de Baillspriesters een ijver, zij sneden zichzelven met messen, zoodat ze bloed lieten, 1 Kon. 18:28. Beziet die profeten en leeraars eens, Matth. 7:22, 23, Heere! Heere! hebben wij niet in uwen naam gepredikt, duivelen uitgeworpen, en vele krachten gedaan ? Wat moesten zij hooren? Ik heb u nooit voor de mijnen gekend. Wat had die Farizeër aan zijn aalmoes geven? Luk. 18:12, 13. Nietmetal. God wilde hem niet eens aanzien. Al had iemand nog zooveel sieraden. God de Heere wil hem niet eens aanzien, als zijne belijdenis tegen zijne praktijk aanloopt. Wat doet die jongeling? Luk. 18:22, 23. Hij wilde door 7,ijne werken zalig worden; maar één ding ontbrak hem, hij moest bedroefd henengaan. Wat scheelde die Farizeër van den tollenaar? Hij wilde het ook door zijne werken hebben, maar hij moest bedroefd henengaan. Zoodat, zal iemand zalig worden, hij moet wezen, zooals in onzen tekst staat: Wat nuttigheid is het, mijne broeders! indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet; kan dat geloof hem zalig maken?

Wij zagen een gedeelte van onze religie in de verhandeling van den vijf en twintigsten tot den twee en dertigsten Zondag. Nu zijn wij

-ocr page 798-

VIJFDE PREDIKATIE

ekomen aan de praktijk van een Christen, te weten, de dankbaar-eid. Zoover gaat de mond-Christen en een uiterlijk belijder mede; maar als gij aan de praktijk komt, dan gaan ze terug, dan gaan ze weg. God, zeggen ze, zou mij in den hemel moeten nemen, al leef ik zou nauw niet. Maar de rechte Christen zegt: Wat zal ik den Heere vergelden voor al zijne weldaden? Ps. 116:12. Zij willen dat derde stuk niet scheiden van die twee eerste stukken.

Geliefden! wij zijn tegenwoordig voornemens om van den drie en dertigsten tot den twee en vijftigsten Zondag eene verklaring van de stukken te geven.

De ziel was tot geloof gebracht: wat zal ik U nu vergelden? zegt ze. Dankbaarheid, zegt God, dat eisch Ik van u.

Wat is dat, te danken; hoe is zulk eene ziel werkzaam?

Ach, Heere! zegt ze, wat zijt Gij voor een God! Wat doet Gij al aan mij ? Gij hadt mij niet noodig. Ben ik goddeloos, ik kan U niet benadeelen. Gij zoudt üzelven aan mij kunnen verheerlijken in mij te straffen, en in mij terneder te storten in het eeuwig verderf. Dan komt ze tot zichzelven. Wie ben ik? zegt ze, een arm, gering schepseltje, een zondig schepsel, een vijand en eene vijandin van U; van nature een ondankbare, die dikwijls uwe weldaden en zegeningen misbruikt heeft; ik moet belijden dat ik onder al uwe zegeningen mij niet wel gedragen heb. Wat heeft God in den hemel, al goed gedaan, aan zulk een arm schepsel! Ik heb al zoo vele jaren geleefd; moest ik al uwe weldaden ophalen, van mijn eersten leeftijd af, ik zou het niet kunnen doen; ik weet de getallen niet, ik zou ze niet in order kunnen brengen, Ps. 40 :ö en 71:15. Het lust mij evenwel al de weldaden Gods, tot zekere hoofdzaken te brengen, en zoo brengt ze die tot natuurlijke, tot burgerlijke, tot kerkelijke, tot geestelijke en tot eeuwige.

Zij brengt ze eerst tot natuurlijke. Waarom moest ik een mensch zijn? Als ik al een schepsel was, waarom was ik niet een ander verachtelijk schepsel? Dan had ik nooit tegen U opgestaan. Niet alleen dat, maar waarom moest ik eene gezonde ziel en een gezond lichaam hebben? Ik zag anderen die waren kreupel geboren, anderen blind, anderen doof, anderen stom geboren; waarom ben ik vrij van al die gebreken? Was ik dat meer waardig, dan mijne naasten? Behalve dat, wat zorgdet Gij in \'t natuurlijke voor mij! Ik had mijne lieve ouders niet altijd bij mij, ik bracht mijzelven wel in het alleruiterste gevaar. Hadden zij het gezien, zij hadden er over geschreeuwd; en nochtans, goede God! Gi] hebt mg bewaard. Het heugt mij in welk

fevaar Gij mij bewaard hebt. Ik had anders licht verdronken, of ver-rand geworden; ik had alle ongemakken kunnen krijgen. Dat merkte Job zoo aan, tot eer van God: Uw opzicht heeft mijnen geest bewaard, Job 10:12.evaar Gij mij bewaard hebt. Ik had anders licht verdronken, of ver-rand geworden; ik had alle ongemakken kunnen krijgen. Dat merkte Job zoo aan, tot eer van God: Uw opzicht heeft mijnen geest bewaard, Job 10:12.

Dan komt ze, ten tweede, tot het burgerlijke. Heere! Gij hebt mij in een goed land gelieven te stellen, in een land vloeiende van melk en honig; waar de eene voorraad was bij den ander, en dat in zoo-

792

-ocr page 799-

OVER ZONDAG XXXIII-Lil.

veel veiligheid; Gij hebt mij door uwe voorzienigheid afgezonderd, tot dit of dat beroep; ik had er zoo haast mijne hand niet aangeslagen, of uw zegen was er in te zien. Gij hebt mij door uwe voorzienigheid, eene plaats tot mijne woning bepaald. Als het zoo al voortging, hebt Gij in uwe voorzienigheid gezorgd, dat ik in echte banden ben gekomen; getrouwd of ongetrouwd zijnde, uw zegen is over mijn hoofd geweest. Ik heb wel kruis gehad, maar ik heh ook weldaden van God genoten. Uw zegen is over mijn huis geweest, over mijne vrouw, over mijne kinderen; zoo kort of zoo lang, hebt Gij mij zoons en dochters gegeven. Gij maaktet het alles zoo voorspoedig.

Dan komt ze, ten derde, om te verhalen de kerkelijke weldaden. Allerliefste Heere! zegt ze, ik werd geboren in een land waar ik den waren godsdienst had; in een land, waar zoodra ik geboren was, en de borst van mijne moeder kon krijgen, zoo zorgde ze dat ik naar de kerk gebracht werd. Daar lagen onderwijl de tranen en gebeden van mijne ouders; ik kreeg daarop het Sacrament des doops, dat den bondeling zoo veel verzegelt. Had ik goddelooze ouders, God bewaarde my dat ik niet mede deed. Had ik vrome ouders, die namen mij onder hun gebed en tranen. Zij leerden mij den weg naar den hemel kennen. Als zij stierven, \'t was: Ach! ga toch naar God, vrees den Heere! Daar kwam ik in mijne plaats en stad, waar de deuren van den tempel open gingen. Daar kwam ik ouder het gehoor, daar had ik allerlei talenten; de eene wrocht meer op dit, en de andere meer op het hart van geene. Ik vond er die ook ingang op mijn hart hadden. Allerliefste Heere! ik begon de waarheid te kennen, en te zien; ik deed er ook belijdenis van, ik werd tot een lidmaat der Kerk aangenomen, ik zeide, dat ik God zou dienen.

Bij dat, kwamen, ten vierde, de geestelijke weldaden. Ik ging uit mijn huis naar een gezelschap of vergadering daar God tegenwoordig was. Daar werd ik overtuigd, ik kwam er wel gemoedigd in, maar de Heere hield mij staande, en zeide; tot hiertoe en niet verder, gij zult nu niet langer mijn vijand of vijandin wezen. Daar begon ik naar God om te zien, en God naar mij. Daar kreeg ik een toegang tot God. Ik zeide: hoe ben ik dus? Ik kreeg het geloof, ik kreeg te worstelen, God gaf mij te bidden, te spreken, ik kon niet langer zwijgen; ik zeide: ik moet tot uwen lof uitkomen, ik voelde dat er licht in mijn hart kwam, ik had het mijn leven niet gedacht, ik kreeg te redeneeren, ik had het mijn leven niet geloofd, dat ik te stuiten zou zijn geweest, in de kracht van mijne verdorvenheid, maar Gij, o Heere! hebt mij gered, en er kracht tegen geschonken.

Ik begon te denken, ten vijfde, wat moeten de eeuwige weldaden wezen! Ik ben al zoo oud, ik zal licht haast in de eeuwigheid zijn. Daar doet God hun dan eens bezien dat groote goed dat voor hen is weggelegd, als Hij hen eens onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Hem zal stellen, Col. 1:22.

Als ze dat zoo begonnen heeft te beschouwen, dan komt ze, en zegt: ik voel Heere, dat ik deel heb aan al die weldaden. Daarop zegt ze met

793

-ocr page 800-

VIJFDE PREDIKATIE

Jacob, ik ben te gering dan al deze uwe trouw en weldadigheden, Gen. 32:10. Daarop smelt ze weg, en zegt: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch. Luk. 5:8. Behalve dat, Heere! zegt ze, Gij maakt mij zoo blijde met uwe daden, Ps. 92:5. Ik heb U zoo lief over al uwe goedheden, dat ik het niet kan uitdrukken, Ps. 18:2, Ik heb U hartelijk lief, Heere mijn sterkte. Mijn liefde is zoo groot tot U, en zoo gaande, dat ik moet zeggen: ik heb mijne ouders zoo lief niet als U, ik heb niemand nevens tl in den hemel, daar lust mij ook niets nevens U op de aarde, Ps. 73:25. Dan in den Ps. 78; 7, ik bewaar uwe woorden en uwe daden in mijn hart. Wat hebt Gij niet al aan mij gedaan! denkt aan dienzelven dag. Bij dat ze met hunne memorie zoo bezig is, zoo begint ze ook met hare tong, ze is niet gestaan of gezeten, of ze meldt het wat God aan haar gedaan heeft, hoe goed, hoe genadig, hoe trouw, hoe lief God aan haar geweest is. Ze spreekt er van met hare kinderen, met hare huisgenooten, met hare buren, met hare bekenden en onbekenden. Dan begint ze daar haar geheele leven naar te richten. Laat nu elk doen, zegt ze, wat hij wil, hier moet anders geleefd worden! zij zoeken vruchten te dragen; daar staan ze als een versierde boom te groeien en te groenen.

Nu mochten de vijanden zeggen: het is niet noodig zoo godvruchtig te leven, gij kunt den hemel daarmede niet verdienen, want Christus heeft dien voor ü verdiend. Dat is een argument uit de hel! Zij maken het alles met het geloof goed, anders, zeggen ze, zoo zijt gij een werkheilige. Daar antwoorden wij op: Ga achter mij, satan! gij verzint niet de dingen die des Geestes Gods zijn, Mark. 8:33. Wij staan toe dat Jezus het alles verdiend heeft, maar zou ik daarom niet vroom mogen zijn, en God vreezen? Wilt gij weten welke reden ik heb:

Eerst. Ach! daar ligt het gebod van mijn Koning, van mijn Heere, van mijn Verlosser; het is de goddelijke wil, IThess. 4:3. Daar wordt niemand van ontslagen, noch predikant, noch lidmaat.

Ten tweede. Ik moet het doen, omdat God mijn Weldoener is, dien kan ik niets geven dan dankbaarheid. Daar wil hij nog vermaak in scheppen; dat zijn de ketens van hun hals, waarmede zij het hart van den Heere stelen, Hoog). 4:9. Dat zijn als de parelsnoeren aan haren hals, Hoogl. 1 :10, \'t Is om mijne liefde uit te drukken. Is Hij zoo goed, en zou ik Hem stank voor dank vergelden. De Heere wacht het, dat ik goede druiven voort zou brengen, daar Hij mij geplant heeft op een vetten heuvel, Jes. 5:1,2. En zou ik dan stinkende drniven voortbrengen ?

Ten derde. Zou ik niet vroom zijn? Zou ik tot oneer van God zijn? Wel, mijns Vaders naam, zou dan om mijnentwil gelasterd worden. Kom. 2:24. En ik kan dat niet dragen.

Ten vierde. Als ik niet vroom ben, zoo ben ik niet tot stichting; maar is iemand in een vroom gezelschap, waar tot lof van God gesproken wordt, zoo is hij nog tot stichting.

Nog eens. Ten vijfde. Ik moet vroom zijn, om tot overtuiging van

794

-ocr page 801-

OVER ZONDAG XXXIII-LII,

de goddeloozen te wezen. Als een goddeloos gebuur, naast een vrome woont, en hij hoort den vrome bidden, lezen, zingen, hij ziet hem naar (rods huis gaan, hij ziet dat hij naarstig en trouw in zijn beroep is, dat geeft in zijne ziel wel eene prikkeling. Zij zouden het wel willen verachten, maar het geeft een gedurigen slag op hun hart, zij moeten in hun hart zeggen: ze zijn rechtvaardiger dan ik. Hetgeen Saul eens zeide van David, 1 Sam. 24; 18.

Ten zesde en ten laatste. Dat zijn mijne vruchten en bewijzen van mijn geestelijk leven; ik moet mijn geloof toonen uit mijne werken, ik laat mij veel gelegen aan de zekerheid van mijn staat. Jak. 2:18. Zoo komen de goede werken in de dankbaarheid te pas.

Nu komt er nog eene inwerping in het hart, en die bestaat hierin: Is dat zoo noodig, dat men anders in den hemel niet kan komen? Ja, zonder godsvrucht kan noch predikant noch lidmaat in den hemel komen. Zonder een godzalig, oprecht leven, kan niemand in den hemel komen. De Schrift heeft zoo eenige menschen daar ze van zegt, dat ze er niet in zullen komen. Wat voor menschen zijn dat waar de Schrift dat van zegt?

Zulken die als schuim leven op de wereld.

Wie nog? De burgerlijken. Dat zijn haters van de vromen. Ach! die zullen buiten blijven.

Wie nog? Die vele talenten en bekwaamheden hebben, maar ze breken niet door tot genade. Ze komen aan de poort, maar ze moeten buiten blijven, evenzoo als menschen, die van eene verre reis komen, ze zijn in het gezicht der stad, en daar moeten ze dikwijls nog vergaan. Wat is dat treurig!

Wie nog? Die geen acht geven op zoo groote zaligheid; de onkundigen, die hun best niet willen doen, maar anders onkundigen waar genade in het hart is, die botten, zijn dikwijls de besten. Dan geeft de goddelijke beschikking dat ze kennis hebben van het wezenlijkste. Wij hebben van ons leven gezien, in den loop van onzen dienst, zij konden hunne belijdenis voor de menschen niet fatsoenlijk uitspreken; en wij hebben gezien, dat ze de wezenlijke dingen kenden, zij kenden hunnen ellendigen toestand, dat zij niet hadden, dat ze het in Jezus alles zochten, en zeiden: Gij overtreft het al. Zij zijn in de heiligmaking dikwijls de beste, den teersten voor God den Heere. Als nu iemand vroom is, en hij is onkundig, en hij zou denken, ik moet om mijne onkunde verloren gaan? Neen, dat is mis.

Wie zullen er nog buiten blijven? De geveinsden, de ongehoorzamen, de ongeloovigen, die zullen in den hemel niet komen.

Iemand mocht denken: al die zoo gesteld is, kan die niet zalig worden? Neen, tenzij zij zich tot God bekeeren, ik en gij moeten verloren gaan, zoo wij geen bekeering krijgen.

Daar is eene eerste en eene tweede bekeering.

De eerste daar doet de mensch nietmetal toe, hij doet er dikwijls veel tegen. De eerste is die der uitverkorenen, hij leefde zóó, dat hij geen gedachten had, om aan de bekcering te denkeu, hij spotte er

795

-ocr page 802-

VIJFDE PREDIKATIE

mede, hij zou wel gezegd hebben tegen de bekeerden; ik hoop mij zeiven zoo niet te zien. Hij was evenwel slapende en wakende, en in zijne goddeloosheid levende. Daar komt een stondetje der minne, een stondetje in Gods gunst, dat wordt rijp, dat het besluit moet baren. Daar worden al de woorden zaken. Zij komen in de kerk. Daar komt het Woord waar het wezen moet. Daar gaat het hun als een Zaccheüs; kom haastelijk af, zegt de Heere Jezus, Luk. 19:5. Het gaat hun als die drie duizend, zij gingen verslagen naar huis. Hand. 2:37. Het gaat hun gelijk als eene Lydia, nooit heb ik zoo hooren preeken, zeide ze, als die man preekt, en God opende haar het hart, Hand. 16:14. Het gaat er mee als met een Paulus, toen kon hij niet meer, Hand. 9:6. Hij kon niet één voet meer voortzetten, op zijn ouden zondigen weg, hij ligt tegen de aarde in zijne tranen, uitroepende: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal! Als dat komt, dan zult gij ergens in een hoek waar te voren nooit een bidder was, een bidder vinden, waar te voren geen schreier noch belijder was, zult gij er een vinden. Ach God! zeggen ze, hoe hebt Gij mij zoo kunnen dragen! Hoe zijt Gij zoo lankmoedig over mij geweest! Hoe hebt Gij mij kunnen zien, ik ben verwonderd, dat Gij mij niet tot een voorbeeld van uwe wraak gesteld hebt. O Heere! ik ben zoo verschrikt, dat ik zoo dicht bij de hel geweest ben. Ach! had ik toch zoo niet geleefd, het doet mij zoo zeer. Ach Heere! zoudt Gij nog wel op mij zien, op zulk eene wijze. Ach! ik ben zoo beschaamd! Heere! hoe oud ben ik, hoe lang heb ik de zonde en den duivel gediend! Nu de Heere dat zoo ziende, dat ze dikwijls zouden overstelpt worden, zoo komt Hij ze te hulp met een geneesmiddel. Daarop komen ze dan van den kwaden weg af, en ze verklaren voor God en de geheele wereld, dat er hen niemand weer op zal krijgen, zoo lang ze leven. Zij komen over op den goeden weg, ze geven don Heere hun hart, en daar zoo liggende op hunne knieën voor God, in verbondsmaking, zeggen ze tot den Heere: zult Gij mij nu helpen? Ja, zegt de Heere, laat het maar op Mij aankomen-

Dan is er de tweede bekeering, en dat is die, dat ze uit dagelijk-sche struikelingen en vallen zoeken op te staan. Ik en gij, en elke vrome, hoe dikwijls vallen wij! Maar zoeken wij wel weer op te staan? Zij komen met tranen, en belijdenis hunner zonden naar God, naar den Heere Jezus. Zijn er zware verdorvenheden, zij walgen er van. Hebben ze doodigheid in hun hart, ze schrikken er van. Is er vervreemding in hunne ziel, is er een dag, een week, dat ze de nabijheid Gods niet voelen, of er hun niet veel aangelegen laten liggen, zij schrikken er van. Wat is dat, mijne ziel, zeggen ze, het is of ik er mij niet aan gelegen liet liggen, kan ik het nu zoo stellen? Als zulk een bekeerd is in de tweede bekeering, lieve Heere! zegt hij, hoe blijde ben ik! ik wil ü danken, ik kan het niet uitdrukken, hoe groot het mij is, ik heb zulk een lust om U te dienen. Behalve dat, ach! mijne natuurzonde die mij allermeest bijligt, daar zal ik het tegen zetten, zij heeft mij zoo dikwijls kwaad gedaan. Allerliefste Heere!

796

-ocr page 803-

OVER, ZONDAG XXXIII-LIT. 797

ik meen het oprecht, ik zal er over zoeken te treuren, en er tegen zoeken te strijden; wel, help mij toch, en ik zal voor uw aangezicht leven, ik zal zulk een vasten tred zoeken te zetten, niemand zal er mij van afzetten, zij mogen met mij disputeeren en mij bang maken, maar het kan al niet helpen, Ruths gestalte is de mijne, die kleefde hare schoonmoeder achteraan, Ruth 1 :14. Maar Orpa niet, die scheidde zich van hare moeder af. Ik ben niet af te zetten, wetende dat bekeering en heiligmaking de weg is, om God te zien.

Als iemand nu bekeerd is, die geeft er ook de blijken van in de goede vruchten.

Waarin toonen zij die? In hunne gedachten, op hunne lippen, in hun leven en wandel.

Hoe velerlei goede werken zijn er?

Eerst. Inwendige.

Ten tweede. Uitwendige.

De inwendige, dat zijn de goede bewegingen en gedachten. De uitwendige zijn, die op hunne lippen en in hunnen wandel gezien worden. De lippen der rechtvaardigen voeden er velen, Spr. 10:21. Dan zijn er in \'t leven en in den wandel, in hun verkeer onder do men-schen, in den godsdienst, in het beroep en overal.

Ja maar, zegt de vijand, gij ziet voor goede werken aan, de zulk en die er geen zijn. Dat verhoede God, zeggen wij. Ik reken het geen goed werk, of ik moet er in vinden, dat het uit het geloof geschiedt, naar een goeden regel, naar goede voorbeelden; en ik moet er in vinden, een goed einde, of oogmerk, als ik dat vind, dan reken ik het goed, ik moet de deugd voor geen goede deugd rekenen.

Eerst. Of ik moet ze uit het geloof doen, ik moet ze doen als een bekeerde en vereenigde met den Heere Jezus. Van nature sta ik in den wilden olijfboom buiten Jezus, zulk een draagt altemet wel vele goede vruchten; maar is hij niet in den vetten olijfboom door bekeering en geloof, zoo zijn al zijne deugden maar stinkende natuur-deugden, blinkende zonden; maar zoo haast als iemand van den wilden olijfboom in den vetten is overgebracht, en met den Heere Jezus, door bekeering en geloof vereenigd is, al was het nog zulk eene wilde enting, wordt hij in dien goeden boom ingelaten, hij draagt dezelfde vruchten, van den goeden boom. Al deedt gij nog zooveel goed, en gij waart niet bekeerd, en door het geloof met Jezus vereenigd, zoo zijn het maar blinkende zonden, stinkende deugden; maar zijt gij bekeerd, dan zijt gij afgenomen van den natuurstaat, dan hebt gij deel aan den Heere Jezus en zijne gerechtigheid, zoo kunnen dan uwe goede werken tot heerlijkheid van God zijn.

Ten tweede. Uit het geloof begrijpt dit in zich. Als ik geloof, dat ik zonder den invloed des Heeren niets doen kan; en als ik zeg, help mij toch eiken dag, ik wil eiken morgen een verbond met U maken, maar ik kan zonder U niets doen, ik geloof dat Gij mij helpen zult, dat Gij mij invloed geven zult.

Ten derde. Wat is nog uit het geloof te doen? Dit. Heere! door

-ocr page 804-

VIJFDE PREDIKATIE

uwe groote goedheid, zie ik mijn gebrek in niijne werken, ik blijf er niet bijstaan, ik ga met al mijn gebrek naar den Heere Jezus. Hij moet het maken, dat het bij óod aangenaam is. Als eene ziel zoo te werk gaat, reken ik geen werk van mij goed dan in Christus, die kan mijn gebrekkig werk aangenaam maken.

Nu zegt ze, ik moet een goeden regel hebben, ik moet het Woord tot mijn regel hebben, ik moet altijd teksten voor mij hebben, de voorbeelden van vromen moet ik voor mij hebben, ik moet kunnen zeggen: die vromen hebben ook zoo gewandeld. Wat zegt gij, als uw werk daarnaar gelijkt, naar het Woord, naar het voorbeeld van vromen, van engelen, moet dit dan niet een goed werk zijn?

Ten vierde. Nu moet ik mijn oogmerk ondertasten. Wat oogmerk hebt gij? Gij zijt zoo listig, mijne ziel! de duivel, uwe vijand, is ook zoo listig, is er ergens een mensch, dien gij er door behagen wilt? Neen. Wat heeft er overwicht bij u? Zegt gij: die en die doet zoo, ik wil ook zoo doen? Dit stuk luistert nauw. Wilt gij het ontveinzen of verbloemen? Het eigen is ons altemet maar al te dicht bij. Dat zegt ze zoo ongeveinsd voor den Heere, ze zouden het voor menschen dikwijls niet willen weten, maar voor God willen ze het wel weten. Ach Heere! zeggen ze, daar en daar was er wat van mijn eigen in, daar en daar was een smetje, daar had ik uw eer niet voor, ik ben beschaamd voor uw aangezicht, dat ik zoo dikwijls mijn eigen beoog. Wij moeten elkander niet opschikken, wij hebben trotsche harten genoeg, wi£ vliegen genoeg in ons eigen, dat doet zoowel predikant, als lidmaat.

Dan komt ze daarop, en zegt: liefste Heere! na onderzoek van mijn gemoed, het eigen is er uit, mij dunkt, het is gedaan, Gij zijt het dien ik dienen, lieven en eeren wil; ik wilde wel, dat elk in de stad, en in mijn huis, U diende, vreesde, en groot maakte.

Wat zegt gij? Kunt gij dat in nederigheid zeggen? Ja Heere! zoo is het. Denkt\' gij niet, dat dit werk zal blijven? al wat gij dan nu doet, dat het tot eere van God is? Waar hot waarlijk goed is, daar is zulk een zucht bij. Men kan zeggen: Ach Heere! mijne vroomheid is niet bezienswaardig, mijne heiligmaking is zoo klein, mijn vijand speelt er ook onder, ik zie hoe onvolmaakt ik ben: ik scheel veel van wat ik wezen moest. De vromen moeten belijden en verklaren, dat ze de wet Gods niet volmaakt kunnen onderhouden; zij hebben nog maar een klein beginseltje van de gehoorzaamheid

Bij die gelegenheid komen wij tot de gansche wet, die een heldere spiegel is voor \'t gemoed; zij vleit noch streelt iemand; of het een koning, dan of het een bedelaar is. Die wet hangt God daarop voor onze oogen. Daar gaan ze de gansche wet doorwandelen, door de eischen, geboden, verboden, deugden, en zij staan voor elk wat stil. Zij zeggen in het eerste gebod. God roept uit den hemel: gij zult nevens Mij geen God hebben. Legt daar uw hart bij neer; geen bedgenoot, geen kind, gij zult lust noch begeerte hebben om ze boven Mij te zetten; laat ze niet zijn als zoovele afgoden. Ach Heere, wat is er al, dat wij niet kwijt willen zijn!

798

-ocr page 805-

OVER ZONDAG XXXIII-LII.

Dan komt God in het tweede gebod, en zegt: Ik versta niet, dat gij Mij eeren zult door iets dat buiten Mij is, dat gij Mij zoudt dienen naar uw eigen begrip of menschelijke vonden; maar Ik wil gediend zijn zuiver naar mijn Woord. Daarop beginnen zij weer te zeggen: Ach lleere! ik heb dikwijls meer ontzag voor menschen, dan voor U. Hoe dikwijls heb ik het schepsel gevreesd, en gezondigd om deszelfs toorn te ontgaan! Hoe dikwijls heb ik zonde gedaan, om eens schepsels gunst te genieten! Ik lieb U zoo naar uwe wijze niet gediend, ik heb ü naar den eisch zoo niet gediend.

Daarop komt God in het derde gebod, en zegt: mijn naam wil Ik niet misbruikt hebben in uwe dagelijksche gesprekken. Daarin gaat men zich ook grootelijks te buiten: in \'t spreken, bidden, denken. Ach Heere! wie moet er niet schuldig staan, over die vurige wond! Ik zal u niet onschuldig houden, zegt God, zoo gij mijn naam ijdellijk gebruikt. God zegt: zoo gij Mij ooit tot een getuige moet aanroepen in den eed, het zal altijd met den uitersten eerbied zijn; Ik zal bezoeking doen over dengene die valschelijk zweert; hij zal plagen hebben, die zichtbaar zyn, zoodat elk zal kunnen zeggen, dat het daar vandaan komt.

God zegt: Ik heb godsdienst in de wereld belast in het vierde gebod; Ik heb er eenmaal een tijd toe bepaald, van de schepping der wereld af; den zevenden dag der week; Ik heb het andermaal belast en bepaald van den zevenden dag, tot den eersten dag dei-week; neemt dien dag in mijnen dienst waar. Komt naarstig tot het gehoor, doet sabbatsplichten op den sabbatdag, en ziet, of gij niet gezegend zult zijn, aan alle plaatsen waar gij te zamen komt, Ik zal tot u komen en u zegenen, Matth. 18:20, Blijft niet in uw huis, gaat nergens dan in mijn huis, verlaat dat niet: houdt den sabbat vlijtig.

Dan komt God in het vijlde gebod, en zegt: ziet in de politie, in de kerk en in de familiën, hoe gij met eer de een den ander voorgaat, en dat de minderen omtrent de meerderen, en de meerderen omtrent de minderen zich toch wel gedragen.

Ik versta, zegt God, in het zesde gebod, dat gij elkander niet kwetst of doodt; Ik wil zelfs geen wortel van den doodslag in u hebben.

In het zevende gebod, zegt God: Ik wil, dat elk zijn vat bezitte in eerbaarheid en heiligmaking, niet in vuile of zondige bewegingen. Maakt een verbond met uwe oogen, met uwe handen, voeten en hart, Job 31:1, Ik heb een verbond gemaakt met mijn oog, hoe zou ik dan acht geven op eene maagd?

In het achtste gebod zegt God: Ik wil dat gij, met hetgeen Ik u gegeven heb, tevreden zijt, en dat gij niet naar eens anders goed omziet, om het naar u toe te trekken, door geweld of door schijn van recht.

In het negende gebod, zegt God: hoedt u wie gij zijt, schendt elkanders naam niet. Het is zoo schrikkelijk dat Jakobus er van zegt: Jak. 3:6. Spreekt geen valsche getuigenis, in of buiten het gericlit.

799

-ocr page 806-

VIJFDE PREDIKATIE

In het tiende gebod, zegt God: dat de begeerlijkheid zonde is; de inwonende zonde wil Ik uit uw hart hebben. Hom. 7:7, Want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeeren.

Daar staan wij nu voor God, elk met onze overtredingen tegen zulke tien geboden. De vromen zeiven moeten bekennen, dat ze niet een, maar al de tien geboden overtreden hebben, met het onwedergeboren deel.

Iemand zal zeggen: moet ik dat volmaakt houden? Is er ooit iemand geweest, die dat heeft kunnen doen? De allerbeste, die al heel ver gekomen is, kan dat niet doen. Het blijk daarvan, is in de vromen. Wat voor vlekken staan er in den bijbel van hen aangeteekond! Wat voor belijdenissen vindt gij! Wij allen zijn als een onreine, en onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed, Jes. 64 :6. Wat voorbiddingen vindt gij! O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op, en doe het, vertrek het niet, Dan 9:19. Ach! vergeef ons onze schulden! Wat een strijd. Gal. 5:17. Wat eene belijdenis! Ik deed belijdenis van mijne overtredingen, Pa. 32:5. Met wat eene belijdenis van hunne overtredingen zult gij ze ontmoeten! Zij moeten zeggen tegen anderen: ik ben een mensen van gelijke bewegingen als gij. Hand. 14:15. Ik ben ook een zondig mensch, moet de allerbesten zeggen. Luk. 5 :8. Dat is tot hunne verkwikking dat de volkomenheid hier niet is, maar dat zij die te wachten hebben boven in den hemel.

Nu zegt de duivel en het verdorven hart, wat is het dan noodig, die wet zoo scherp te laten prediken, zoo toch niemand in dit leven dezelve kan onderliouden? Daar heeft God drie bondige redenen toe.

Eerst. Opdat de vromen hun zondigen aard, hoe langer hoe meer zouden leeren kennen, opdat ze zouden zeggen, daar zijn zonden en verdorvenheden in mij, zoo vele booze vonden. Gij zoudt het niet geweten hebben, ten ware de wet gezegd had, dat en dat woont in 11,110111.7 :7.

Ten tweede. Opdat gij te begeeriger naar den Heere Jezus zoudt zijn. Hoe meer ongevallen wij hebben, hoe begeeriger wij naar balsem zijn. Die deze ongevallen kent, ziet uit naar dien balsem van Gilead, en naar dien Heelmeester aldaar, Jer. 8:22, opdat Hij al uwe gebreken, door zijne volmaakte gehoorzaamheid bedekken en genezen zou. Dat doet de Heere Jezus eiken dag ook door zijne voorbede.

Ten derde. Zegt God: Mijne kinderen, het is niet buiten hoop voor u; na dit leven kunt gij het verkrijgen. En zoo wil Hij ze aan het gebed gewennen. Gij moet bidden dat gij dagelijks moogt toenemen m de heiligmaking, en zoo daalt de Onderwijzer zoetelijk neder tot het gebed, in den 458ten Zondag, tot die liefelijke oefening. Waar geen gebed is, daar is geen Christen. Het gebed is het, waar de wereld zoo tegen opziet, waar de vromen altemet zoo tegen opzien. Het moet ons gedurig werk zijn. Bidden, wat is dat? Daar komt een, die dit of dat pak op zijn hart heeft, die in deze of in gene omstandigheid gesteld is, hij breidt zijne handen uit, hij beft zijn hart eens op tot God, hij buigt zijne knieën, hij spreekt het uit wat er op

800

-ocr page 807-

OVER ZONDAG XXXIII-LII,

zijn hart ligt. Hij verbeeldt zich de eigenschappen Gods, hij verbeeldt zich Gods alomtegenwoordigheid, de alwetendheid, de waarheid Gods; hi] neemt pleitredenen, hij dringt ze aan. Ach! hoe gelukkig zou ik zijn, als ik het verkreeg! Ik zou er U voor zoeken te verheerlijken, ik kan geen uitstel lijden, ik diende het te hebben, ik ben anders\' niet bekwaam tot dit of dat, hoe blij zou ik zijn, als Gij het mij gaaft! In deze liefde-oefening breidt ze zoo alles iiit. Daar komen wel eens tranen uit de oogen, zij kloppen op hun hart, zij slaan hunne oogen wel eens naar boven, als begeerig zijnde om de gift te ontvangen, zii liggen op hunne knieën. Is dat te\' veel? Zij liggen plat neer op den grond, met hun aangezicht naar boven. Is\'dat te veel, dat ze op hun rug liggen met hun aangezicht naar boven? Zij liggen met hun aangezicht op den grond. Zij steken zoo hun neus in \'t stof. Zij zoeken den Heere des morgens. Kent gij de morgenzoetigheden\'? Kent gij ook de middag- en avondzoetigheden? Kent gij de nachtzoetigheden? God zoo te eeren door gebeden in den aandachtigen nacht? Kent gij dat niet, als gij wakker wordt, meteen naar den Drieëenigen God om te zien? Zoo bij Hem te wezen, met uw schreien, met uw bidden, met uwe blijdschap, liefde, verwondering, met uwe droefheid, met uw aankleven? Kent gij wel, wat het is, werkende te bidden, zoo dat gij den geheel en dag van den Heere niet af te scheiden zijt? ü zoo gedurig in staat te houden om te kunnen bidden? God zal u zooveel te meer zegenen, bij alle gelegenheden zoo uw hart tot God op te heffen, al was het onder menschen en in uwe bezigheid. Maar gij moet er de minste mienen niet van toonen, liever tegenovergestelde mienen toonen.

Dan zijn er gebeden dat de vader of moeder het huisgezin bijeen roept. Daar liggen ze en worstelen met allen die in het huis zijn, zoo-dat gij uw leven geen goed genoten hebt, of gij gaat ook naar Hem, om Hem te danken, de man of de vrouw, met \'het gansche huis. Wij yreezen dat er in ons land tegenwoordig veel gebrek aan is. Het is zoo lief lt;als ouders en kinderen daar zoo met elkander liggen voor God, het is om het hart te stelen. Het geeft zulk eene achting en liefde tot elkander. Dan denkt men den geheelen dag; ik zal van avond weer voor God moeten komen. Dan is het, van dezen morgen hebben wij daar zoo gebeden. Zij zoeken zich te bewaren van niet te zondigen. De huisgenooten willen dan dikwijls mee naar den hemel gaan; Ach Heere! zeggen ze, ik voel ook eene begeerte om alleen te gaan; zij volgen het op, en zij vinden dat de Heere dikwijls al een zegen bereid heeft. Zij hebben hunne gezette spraak met God alleen. Als wij dien koers niet houden, zoo zijn wij altemaal van den weg.

Als zij er nu aankomen om te bidden, wat doen ze? Ach Heere! zeggen ze, laat ik alle wereldsche dingen uit mijn hart doen. Met Abraham naderen ze tot God. Dan doen ze ook gelijk Abraham eens deed: ik ben te gering om tot U te spreken, zeide hij, ik ben maar stof en asch, laat uw toorn niet tegen mij ontsteken. Gen. 18:27.

Cl

801

-ocr page 808-

VIJFDE PREDIKATIE

Zij zien ook tegen liet bidden niet op, het is hen geen last. Mijn hart, zeggen ze is bereid, Ps. 57:8. Dan zeggen ze: Heere! ik ben niet altijd bekwaam. Een wereldling kan altijd bidden zoolang en zoo dikwijls als hij wil, maar ik niet. Heere, leer Gij mij bidden, ik kan niet bidden zoolang als ik wil, geef mij het gebed, en de gepaste gestalte.

Dan onder het bidden zijn ze zeer oplettend, lettende op Grod, op zich-zelven, op de bewegingen van hun hart, op de zaken, op den aandrang, op hunne uitdrukkingen. Zij zoeken zoo te zijn, alsof er niemand dan zij in de wereld waren.

Niet alleen zijn ze zeer eerbiedig maar ook ijverig, ik mag mij niet laten afzetten. Dan komen er wel sterke roepingen en tranen, Hebr. 5 : 7. Als ze vrij zijn, en al zijn ze niet vrij, als hun hart in vlam is, dat ze moeten\' schreien. Al was het dan in de kerk. Gij moogt wel eens schreien en spreken dat het gehoord wordt, als gij het maar niet doet om gehoord te worden. De wereld vloekt wel, de goddeloozen zijn onbeschaamd, om hunne goddeloosheid te doen; en zoudt gij God niet mogen dienen, dat ze het hoorden of\' zagen? Maar kunt gij het stil doen zonder veel geroep, het is ook wel; maar anders, gij behoeft het niet te smoren. Wat geeft gij om de menschen, als gij maar van uwe oprechtheid verzekerd zijt. Al waart gij dan in de kerk dat gij te schreien kreegt, zoudt gij gaan bidden, dat het op mocht houden. Dat zou zeer kwalijk gedaan zijn. ik ben blijde als God het mij ^eeft, en ik ben er dankbaar voor. Dan zijn ze niet af te zetten. Gelijk een kind dat daar aan zijns moeders schoot staat, houdt ook zoo aan.

Dan bidden ze in den naam van den Heere Jezus. Hebt gij een gebed waar Jezus niet in komt, dan hebt gij niet veel te wachten.

Dan bidden ze in vertrouwen dat God hun zal geven hetgeen zij gebeden hebben. En dan, als ze gebeden hebben, wat zal ik voor een antwoord krijgen ? zeggen ze. Zijn er nog geen gebeden, die nog niet beantwoord zijn? Ik weet niet, of gij niet zult moeten zeggen: ik heb van Hem, mijne begeerte en meer verkregen Ps. 6:10, in rijm. Moet gij niet zeggen: ik weet er bijna geen die onbeantwoord üijn gebleven?

Dan goede middelen gaanquot; gebruiken; God niet te bepalen aan de middelen, tijd of wijze van antwoorden. Laat God begaan, wilt stil wezen. Hij zal alles op zijn tijd schoon maken. Gebeden hebbende, houdt u stil én godvruchtig. Blijft den geheelen dag in een eenparig godvruchtig gedrag.

Wat zegt gij nu? Zou dat niet wel wezen, als gij zoo deedt? Zegt gij nu; ik kan niet bidden? Daar komt de liefste Heere Jezus, en zegt: wil Ik het u leeren? Daar zal Ik u allerlei zaken geven, in een kort en bondig gebed. Daar geeft Hij hun het gebed des Ileeren, dat allervolmaaktste gebed. Daar zegt liij: zeg Vader, Onze Vader, laat ik mij als een kind gedragen.

Vader, die in de hemelen zijt. Laat ik niets aardsch van U gedenken.

Zeg: uw naam worde geheiligd. Laat ik toch tot eere van uwen naam zijn! Heilig hem in genade in mij.

802

-ocr page 809-

OVER ZONDAG XXXI1I-LII.

Uw koninkrijk toekome; laat ik en meer anderen een onderdaan wezen, Iaat ik tot het rijk der heerlijkheid gebracht worden.

Vader! geef\', dat ik U vlijtig oppas, den wil van uw gebod gaarne doe, en aan den wil van uw besluit mij onderwerp, zwijg over de uitvoering van uwen raad.

Dan, in de vierde bede: Gij zult zorgen voor mijn lichaam. Ik bid, dat ik mijn eigen brood mag eten. liet is zoo droevig op de milddadigheid van een ander te moeten leven. Geef mij gezondheid om mijnen kost te winnen, en een hart als Gij mij iets gegeven hebt, om het te gebruiken. Geef mij toch hetgeen ik tot myn lichaamstoestand noodig heb.

In de viifde bede, zorgt de Heere voor hunne rechtvaardigmaking.

En in de zesde bede, voor de heiligmaking. Weest niet bevreesd, hangt van uwen Vader af. Hij kan doen boven hetffeen mi bidden of\' denken kunt.

Dan klemt hij het toe, en zegt; Want Uwe is dat koninkrijk. Gij zijt mijn Koning van oude tijden af. De kracht; Gij kunt inij geven alles wat ik noodig heb, en weren al wat mij hindert. De heerlijkheid: Vader! Gij zult er U in verheerlijken. Ja ik hoop het eens eeuwig te doen.

Als gij dat zoo alles gebeden hebt, zeg dan: Amen, ik wensch dat Gij aan mij denkt, ik verlang er naar, ik vertrouw op uwe toezegging. Als ik mijne bede verkregen heb, zal ik U eeuwig ten dienste staan.

Daar hebt gij nu onze religie, van den 333teu tot den 528ten Zondag.

Drie deelen van de wereld zitten in de duisternis. Ee\'n deel maar heeft licht, üe Joden hebben een deksel op hun hart. Dan hebt gij de religie ouder de Christenen met vele dwalingen bezet. Daar is maar een klein deeltje van, waar het licht op den kandelaar is. Bij de verdrukten zijn ze het kwijt. Daar leven ze in tranen, omdat ze het licht op den kandelaar niet hebben. Daar hooren ze schelden, en tieren van het wild gedierte des velds.

Wat doet God aan ons? Is er wel iets in den raad Gods, dat u niet gepredikt wordt? Betuigt het tegen ons. Is er wel één stuk onaangeroerd? Wat al gevallen van \'t gemoed worden opgelost? Wordt de huishouding van den Geest u niet bekend gemaakt? Zouden er wel steden of\' dorpen zijn, waar van de huishouding des Geestes zooveel gevonden wordt? Wat doet God u, dat gij Hem niet dienen wilt? Hoe pleizierig is liet! Hoe noodig is het! Ik zal u geven, zegt God, wat Ik eisch; en als gij zondigt, en gij komt met waar berouw. Ik zal het u vergeven. Al wat gij tegen Mij gedaan hebt, zal Ik u kwijtschelden, en wacht dan, dat Ik u genadig zij. Maar laat Ik niet langer wachten.

Hoe menige overtuigingen en roepingen krijgt gij wel, zondaar! als gij van onder de bediening naar huis gaat! Vromen, wat al verkwikking hebt gij! Gij hebt wel eens benauwdheid en angst, maar ook wel eens troost; wat heeft God al aan u gedaan? Moest ik en

803

-ocr page 810-

VIJFDE PREDIKATIE, ENZ.

gij verloren gaan onder zulke middelen? Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker wezen, Matth. 11:22; en uwen naam zult gij dan tot eene vervloeking nalaten, Jes. 05:15. Vromen! overlegt het, of wij niet mogen danken, dat wij er zooveel van houden van de kennis van onze ellende, en dan uit te zien naar verlossing, en dan zoo dankbaar en godvruchtig voor God te leven. Kan dat nu niet dienen tot onze stichting?

Wij hebben dit in vijf malen afgehandeld; of wij het weer doen zullen, weet ik niet; maar zoo wij het beleven, zullen wij, bij zulke gelegenheden, het onderhanden nemen.

Nu, ik hoop dat de Heere, die meer kan doen dan wij bidden of wenschen kunnen, dit aan een iegelijk van ons zal zegenen; en dat Hij ons eens voor Zich zal stellen onberispelijk en onbeschuldiglijk. Col. 1 :22; als Hij ons het Lam zal laten volgen waar het ook henen gaat, Openb. 14:4; en als het Lam ons leiden zal tot de levende fonteinen der wateren, en God alle tranen van onze oogen zal af-wisschen, Openb. 7:17. De Heere gunne ons dit tot zijne eer, om zijns Zoons wil. Amen.

804

-ocr page 811-

BLADWIJZER DER TEKSTEN,

door dewelke eenig licht in dit boek wordt bijgezet.

Hfdst.

Bladz.

Hfdst.

Bladz.

Genesis.

Jesaja.

III

17-

-19.

588, 589

VI

2.

662

XIX

: 1.

191

IX

5,

198, Jeremia.

199, 213,

214

XXII

= 8,

14. Exodus.

243, 244

XLV

7.

277

IV

24,

25,

378

IX

■23,

24.

184,

185

XVII

15,

Niimori.

191

XIII XVII

23. 11.

465,

466 149

X

35.

192

XXX

9.

546,

517

Dcuteronomium.

Ezechiël,

XX

3, 8.

720, 721

VIII

16.

493

XXI

23.

223, 224

IX

4.

370,

371

XXIV

16.

496

XVIII

4.

496

Richteren,

XVIII

20.

73,

496

XIII

18.

I Samuel.

213, 214

XXXVII XL VIII

9,

35,

294 192

II

30.

508, 509

Daniël

XVI

7.

2 Koningen.

616—618

VII IX

9, 25.

503 171

XIV

(i.

Esther.

496

VI

7,

Hosóa,

24

, 25

III

8.

302, 303

XIV

4,

383,

384

Job.

Amos.

II

4.

560, 562

III

6,

37

, 38

XIV XXXI

1.

2G-

-28.

11, 13 493, 494

V

1,

IViicha,

189

XXXI

17,

20.

598

Malcachi.

Psalm.

I:

6,

658

XIV

1.

519, 520

657,

XXXV

3.

777, 778

III

16.

Mattholis,

B03

XXXVI1

25.

136

XLV

8.

174

IV

10,

491,

493, 575,

576

Lxvm

21.

83, 84

V

34,

37,

525,

526

LXXIll:

28.

629, 630

XII

25,

682,

683

XO:

11.

227, 228

XVI11

20.

264,

265

XIV

28.

Spreuken,

670, 671

XXIV XXV:

30. 41,

78 281

XVIII

12.

270, 271

Lukas,

XXIX

23.

idem.

I:

35,

291

Prediker.

II:

10.

66

67

III

5.

257, 259,

762, 763

XI

1,

644,

646

VII

17,

149 ;

XI

52.

441

VII

29,

50, 52 i

Johannes,

XII

1.

127, 128 1

XIV:

7—

11.

200

-ocr page 812-

BLADWIJZER DER TEKSTEN, ENZ.

Ilfdst.

Bladz.

Ilfdst.

Bladz.

Handelingen.

Efeze.

497, 498

II

39.

390

VI:

2.

XIX

1-9.

389, 390

VI:

14-17.

308, 309

XXII

16.

387

Filippensen.

158

Romeinen.

II:

9, 10.

I;

4.

188

II

12.

331, 332

I:

16.

731, 732

IV:

11, 12.

695-697

I:

32.

82, 84

Colossenscn.

IU:

28.

3B1

II.

16, 17.

540

III:

29.

170, 171

1 Thessaloniconsen.

III:

31,

480, 481

V

17.

630

V:

7.

222, 223

2 Timothells.

V

18,

102, 103

II

24.

411, 412

VI

23.

82-84

Tilus.

vni

28.

136

I

1.

451, 452

XII

20.

B71, B72

II

11.

102

XIII

1.

141, 142

III

5.

387

XIV

B, 6.

539, B40

Hebreen.

1 Corinthe.

XI

6.

113, 114

I

30.

344, 345

XIII

2.

191

II

2.

745

Jakobus.

II

10.

292

I

17.

396—398

III

16.

583

II

19.

155, 156

III

20, 21.

424, 425

II

23.

851, 352

VII

21.

16

V

12.

525, 526

VII

28-31.

707, 708

1 Petrus.

XTII

1-3.

790, 791

III

16.

603—605

XIV

33, 40.

438, 439

III

18, 19.

246

2 Corinthe.

IV

18.

97—99

III

6.

292

2 Petrus.

V

10.

317, 318

I

1.

357, 858

V

14, IB, 19.

101, 102

1 Johannes.

XV

22.

idem.

V

7.

288-290

Galaten.

Openbaringen.

IV

: 10, 11.

540

VII

: 3.

870, 371

Efeze.

XII

1, 2, 5.

261

V

: 16.

530, 531

XIV

1,

871, 872

V

26.

387, 388

XXII

11.

851

806

-ocr page 813-

DER VOORNAAMSTE

ZAKEN,

REGISTER

WELKE IN DIT BOEK VOORKOMEN.

A.

Aanbidden. Do Heilige Geest wordt ^ aangebeden; dit wordt bewezen. 294, 295 Aangeboren zonde, straft God, 740; zie

ook Erf zonden.

Aanklager, hoe die een valscli getuigenis kan geven. 606 Aanklagers in de rechtvaardigma-

king; zie Rechtvaardigmaking. Aanroeping der heiligen; men moet veel achting hebben voor de heiligen, maar ook niet al te veel. 487 Aanzien, de Heere ziet het hart aan.

616—618

Aarde, is van God op den derden dag versierd en vruchtbaar gemaakt.

182

Adam is het hoofd van alle menschen, 41, 42. Met hem en door hem zijn wij allen verdorven geworden, 44. Zijn eten en ongehoorzaamheid is onze erfzonde, gelijk Christus\' gerechtigheid den uitverkorenen toegerekend wordt, 44, 4B. Hoe Adams zonde de onze wordt, 54 Waarin Adam vóór den val gelukkiger was dan wij; en waarin nu de geloovigen gelukkiger zijn dan Adam toen was. 627

Advocaat, zie Rechtvaardigmaldng. Advocaten, zie Rechtsgeleerden. Atqoderij is de mis der papen.

427, 428

Afgoderij, deze wordt onderscheiden in eene groote en kleinere. 487

Afgoderij der Heidenen en andere volkeren. 493, 494 Afsterven van een leeraar, wat gebruik men hiervan te maken heeft.

705, 706

Afsterving van den ouden mensch;

zie Bekeering.

Achterklap, welk eene zonde. G08 Achtervolgende werking in de voorzienigheid; zie Voorzienigheid. Algemeene genade is de derde klip tegen de zaligheid. 98

Algenoegzaamheid Gods. 120

Allerheiligsten hebben maar een klein beginsel der gehoorzaamheid; zie Begeeren.

Almacht, zie Almachtigheid.

Almachtige kracht Gods; zie Voorzienigheid.

Almachtigheid Gods, hoe oen kind van God, deze beschouwende, Gods naam heiligt. G62

Alomtegenwoordige kracht Gods; zie

Voorzienigheid.

Alomtegenwoordigheid Gods, 120. Deze o)5 zijn hart te drukken is een middel om voor onkuischheid bewaard te worden, 586, 587. Ook een middel om niet te zondigen.

614

Altaar te Athene, daarop stond „den onbekenden God,quot; wat dit te kennen gaf. 191 Alwetendheid Gods, 120, is ook een middel om voor dieverij bewaard te worden; zie Stelen. Ambachtsheeren en ambachtsvrouwen


-ocr page 814-

y

808

(Paapsche) matigen zich het recht aan, om in de Gereformeerde Kerk een wettig beroepen leeraar te verwerpen ; is zeer schandelijk. 593,694 Ambrosius {de Bisschop), wat hij doed aan den keizer Theodosius. 446,447 Amen, wat dit zeggen wil. 728 Ambten van Christus, zijn drie; zie Christus. Deze worden kort beschouwd. 7B3, 754 —— der geloovigen kort beschouwd.

754, 756

Arbeiden zes dagen, wordt geboden in het vierde gebod, en wat daar mede beoogd wordt. 532, 533 Arend, een schoon zinnebeeld van een Christen. 708

Arius, zijn uitgang. BIB

Armen, christelijke handreiking te doen; zie Stelen.

--dieverij; zie Stelen.

—— vrome, wat hen te doen staat om hun brood te hebben, raad tot verkwikking in hun sterven.

705, 706

Armoede, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid. Armyn, zijne getuigenissen van de goede werken. 850

Artikelen (de XII) des Geloofs zijn een uittreksel van Gods Woord; waarom genaamd Algemeen, 109, 110 Waarom artikelen genaamd 114 Hun oudheid, 114,11B. Zijn goddelijk en schriftuurlijk in de zaak en niet in de order: zij zijn onderscheiden van het gebed en van \'t gebod, derzelver verdeeling,115.Dezen worden kort voorgesteld. 748 Atheïsten de dwaasten aller menschen, 16. Onderscheid tusschen die en een waar Christen, 124, 126. Zij begaan de zonde in den H. Geest,

en waarom. 800

Athëisterij, wat zonde, grove en mindere. 487

Ateistische gedachten, daar is niemand vrij van. 125 Athene (te) spijzigde eene dochter haar vader in de gevangenis met haar zog. 551 Atheniensers, hadden een indruk van den waren God. 493

Augustinus, wat deze getuigt van de religie, 14; zijn gebed, 27; dezelve aangehaald. 642

Autheur dor zonde is niet God, en wat men hun behoorde te doen, die dat stellen. 60

Avondmaal (II.) het tweede Sacrament van het Nieuwe Testament, derzelver verscheidene benaming in het Woord, 397, 398. Waarom een avondmaal genaamd, en wat voor gerechten er op die tafel zijn; waarom een nachtmaal genaamd, en wat dit te kennen geeft; waarom een avondmaal des Hee-ren, 899, 400. Waarom er de Heere Jezus de Insteller van is; wat men daarin moet aanmerken; de uiterlijke teokenen zijn brood en wijn, en waarom de Heere Jezus deze, en niet goud of zilver gebruikt heeft, 400, 401. De daden van Christus omtrent brood en wijn, 401. De woorden die Hij gebruikt heeft, zijn gebiedende en uitleggende, 40i, 402. De betee-kenende zaak is Christus\' lichaam en bloed, 402. Al de betrachting omtrent brood en wijn geestelijk overgebracht, 402—404. Wat God van zijn zijde de ziel verzekert en verzegelt, 404, 406. Wat de ziel van haar zijde den Heere belooft, 405. In \'t gemeen worden sommigen overtuigd, 406. In \'t bizonder zul-ken, die geen belijdenis gedaan hebben, en hun tegenzeggen opgelost, 406—408. Ook die hun belijdenis gedaan hebben, maar die niet ten avondmaal gaan; en hunne tegenwerpingen opgelost, 408, 409. Eenige zwarigheden van het beste slag van lidmaten opgelost. 409, 410. Ook die, welke zeggen: ik zal mijzelven een oordeel eten; welke menschen zichzelven een oordeel eten, 410. Nog meer zwarigheden van bekommerden opgelost en hen bemoedigd. 410

Avondmaal, met welke partijen wij hier te doen hebben, 412. Welke de transubstantiatie is, 412, 418. Wanneer dit gevoelen eerst be-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 815-

gonnen ia, en wie het versierd heeft; wat disputen hierover geweest zijn, tusschen de Dominicanen en do Franciscanen; en wat het Concilie van Trente hierover besloten heeft, 413. Hoe de Papisten tot dit gevoelen gekomen zijn, 413, 414. De consubstantiatie der Lutheranen, waar die aan dit gevoelen gekomen zijn; waarin de Lutheranen hier verschillen, en waarin zij met deze overeenkomen, 414. Het gevoelen van de Gereformeerde Kerk in dit stuk, 414, 415. Het Concilie van Constans, besluit den gemeenen man den beker te onthouden, en om welke redenen, 415, 41(). Onze redenen daar tegen, 41G, 417. De tegenwerpingen der Papisten wederlegd, 417. Do transubstantiatie der Papisten, en de consubstantiatie der Lutheranen wederlegd, 417—419. En hunne tegenwerpingen opgelost. Hoe wij ons omtrent de Papisten te gedragen hebben, 420. Waarvoor wij God te danken hebben, 420, 421. Welke de middelen tot reformatie in deze landen zijn geweest, 421, 422. Een woord van opwekking tot onzen plicht. 422

Avondmaal, het onderscheid, tusschen het Avondmaal des Heeren en de Paapsche mis aangewezen, 425—■ 427. De mis is eene verloochening van de offerande van Christus aan het kruis, 427. Ook eene vervloekte afgoderij, 427, 428. Eer men aan \'t h. avondmaal komt, moet men zichzolve beproeven, 428—430. Niemand mag ten avondmaal gaan, of hij moet genade hebben. Een donkere ziel mag ten avondmaal gaan, 430. Ook dezulken die een ware droefheid over hunne zonden hebben, en waarin die bestaat, 431, 432. Hier moet ook geloof in don Heere Jezus plaats hebben; en waarin dit gelegen is, 432, 433. En een lust om God te dienen, en waarin die gelegen is, 433. Hy-pocryten of geveinsden mogen niet naderen, 433, 434. Een ernstig

809

woord tegen zorgelooze avond-maalgangers, 434. Hoe men met de zoodanigen handelen moet, 434, 435. Een ernstig woord betrekkelijk de mis, deze wordt gedaan in ons land; een ernstig woord tegen de regenten, 435. Vermaning aan de Gereformeerden, om met geen Papisten te trouwen, 435, 436. Wie zichzelven wel bereidt, 436, 437. Een korte herhaling van \'t verhandelde: een opwekkend woord; ook een woord van vertroosting, 437. Het gansche stuk van \'t avondmaal kort herhaald. 786—790

It.

IJadivater, waarom een bad der \' Wedergeboorte genaamd. 387 Ban, zie Sleutelen.

Bankroet te gaan is stelen; zie Stelen. Barmhartig is God, en op welk een wijze. 61, 62

-—, God is wel barmhartig, maar

Hij is ook rechtvaardig. Barmhartigheid Gods in het algemeen beschreven, en hoe God barmhartigheid doet aan de kinderen van vromen. 497 -—, hoe een Christen deze deugd Gods beschouwende, Gods naam heiligt. 664, 665, 741, 742 ---■, een geboden deugd; zie Doodslaan.

Barsillai, hoe die gespijzigd werd. 703 Bedelaars mochten onder Gods volk niet wezen. 596

Bedden, als men anders kan, is

dieverij; zie Stelen.

Beeld, beschrijving daarvan in \'t gemeen, 39. Wezenlijk beeld, wie, 39, 40. Authoriteit beeld, is de man van de vrouw; geestelijk beeld, waarnaar do mensch geschapen is; het onderwerp; het beeld zelf; de gevolgen van dat beeld, 40, 41. Dat beeld heeft de mensch gehad; dit wordt bewezen; een zwarigheid opgelost van de partijen. 41

--en gelijkenis verbiedt God te

maken, 493. Beelden der Heidenen

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 816-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

810

en andere volkeren, wien zij godsdienstige eer bewezen hebben, 493, 494 De oude Christenen hebben altijd geweigerd godsdienstige eer aan beeld en gelijkenis te doen, 494—496. Hoe de Wetgever dit gebod aandringt; een tegenwerping van de Papisten opgelost, 49ü. De misdaden der vaderen bezoekt God aan de kinderen, 496, 497. De zwarigheden hier tegen ingebracht, worden opgelost, 497. Hoe dit gebod een belofte heeft, niettegenstaande de apostel aan het vijfde gebod de eerste belofte toeeigent. 497, 498. God doet barmhartigheid aan degenen die Hem liefhebben; hoe God barmhartigheid bewijst aan de kinderen; de hoofd-zonden in dit verbod verboden, is, het maken van beeld en gelijkenis van God, van de engelen en van de heiligen. De Papisten en Lutheranen willen de beelden, als boeken der leeken, in de kerk gebruiken, 498. Deze worden wederlegd, 499—B02. Verscheidene tegenwerpingen van de partijen opgelost, 502, 503. Zij vervloeken hen die de beelden niet willen eeren, 503. Al de tegenwerpingen van de partijen worden opgelost, 503—505. Hieruit leeren wij de zuiverheid van onze religie; en den billijken uitgang van onze vaderen uit het Pausdom, 505, 506. De Papisten vermenigvuldigen zoo in ons land, en dat is een groot kwaad; beeldenstorm in het jaar 1566; ook in deze stad, 506. De plicht Aran de regenten en de leeraars; wat een goede politiek, om het Pausdom te beteugelen, voorheen zeide, 506. Velen worden hier overtuigd, 506, 507. Plichten van de kinderen voorgesteld, die vrome ouders hebben, of gehad hebben, 507. Nog een woord van opwekking aan een iegelijk. 507

Beeldendienst, zie Beeld.

Beesten gevecht is ongeoorloofd. 562

--(bij) te leggen; zie Echtbreken.

--, wanneer men die doodt, waarvoor men zich wachten moet; zie Doodslaan.

Begeer en, welk een begeerte hier niet verboden wordt. Daar is een natuurlijke, 617; een geestelijke, 618. Eene begeerte naar eeuwige dingen; eene zondige begeerte, 618. De eerste opwellende begeerte is zonde; dit wordt tegen do partijen staande gehouden, 619. De zonden hier meer verboden, zijn ijdele gedachten, zondige bewegingen, zondige droomen, onvergenoegd zijn, den H. Geest te bedroeven, 620. Behagen te hebben in zondige vertellingen; de deugden hier geboden, zijn: te staan naar een veranderde natuur; heilige beweging, der zonden te allen tijd een vijand te zijn, 621. En alle deugden zoeken te betrachten, 621, 622. Of iemand de Wet kan onderhouden,

622. Het woord volmaakt beschouwd, 622, 623. Niemand kan de wet volmaakt onderhouden,

623. De allerheiligsten hebben maar een klein beginsel der gehoorzaamheid, en evenwel een ernstig voornemen om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods te leven, 623. Waarom God de wet zoo scherp laat prediken, wordt aangewezen, betrekkelijk de uitverkorenen en bekeerden, 623—625. Een ernstig woord, 625. De wet moet nu nog gepredikt worden, 626. Waarin Adam vóór den val gelukkiger was, dan wij; en waarin de geloovigen nu gelukkiger zijn dan Adam vóór den val, 627. Waarom God zijn kinderen hier met onvolmaaktheid laat worstelen, 627. Of men wel verloochend omtrent de zonde ïnag wezen, 628. Welke mens ch en omtrent hunne onvolmaaktheid wel gesteld zijn, 628. Een woord van besluit. 628

Beginsel van de eeuwige vreugde, hebben de geloovigen; zie Leven.

—— der gehoorzaamheid, hebben de allerheiligsten; zie Begeeren.

Begraven, Christus is begraven ge-


-ocr page 817-

worden; do omstandigheden die vooraf zijn gegaan, 232. De personen, die zulks gedaan hebben en de plaats waar, 232, 233. De redenen waarom Hij begraven is geworden, 233. Ben konteeken of men hieraan deel heeft. 239

Behagen te hebben in zondige vertellingen; zie Begeeren.

Beker in \'t avondmaal, van de pries-teren den leeken onthouden; zie Avondmaal.

--, wat daar vanouds op stond. 362

Bekeering, de noodzakelijkheid daarvan om niet in de hel te vallen, 341. Raad daar toe gegeven, 342. Uitvluchten daaromtrent weggenomen; is tweeërlei: welke de valsche is; eene radeloosheid; eene wereldsche bekeering, 468. Ook eene ontijdige 468, 469. Hier wordt gehandeld van de ware bekeering. Deze is der uitverkorenen en der wedergeborenen : eene gedurige, eene worstelende bekeering; de ware bekeering bestaat in de afsterving van den ouden, en in de opstanding van den nieuwen menschj 469. Welke de oude mensch met en al is; en waarom een oude mensch genaamd; wat de nieuwe mensch is; en waarom een mensch, en een nieuwe mensch genaamd, 470. Waarin de afsterving van den ouden mensch gelegen is, 470—472. Waarin de opstanding van den nieuwen mensch gelegen is, 472, 473. Zulk een betracht goede werken, 473, 474. Verscheidenen worden hier overtuigd, 474, 476. Kenteeke-nen of men bekeerd is; ook eenige vragen voorgesteld, ter ontdekking-van een natuurlijk mensch; opwekking tot bekeei\'ing, 476, 477. Het ongeluk van onbekeerden, 477, 478. De verplichting van ware vromen en hun geluk. 478. De eerste en tweede bekeering kort herhaald. 795, 796

Belnoaatnmaking van Christus tot Middelaar; zie Christus.

Belijdenis der zonden is de verordening Gods in de Kerk. 340, 341

811

Belijdenis, uitvluchten dergenen die nog geen belijdenis gedaan hebben, aangehaald, en wederlegd, 406—408 Traagheid der menschen in \'t doen der belijdenis; die hunne belijdenis niet en al gedaan hebben worden overtuigd. 743, 744

Beproeven moet men zichzelven, eer men ten avondmaal komt; zie Avondmaal.

Beroemen (zich te) waar omtrent niet en al mag geschieden. 184, 185

Beschermd, wordt de Kerk; zie Kerk.

Beschuldigers in de rechtvaardigma-king; zie Ecchtvaardigmaking.

Besluit Gods, als wij dat doen of wij dan wel zondigen. 693

--wil des besluits; zie Wil Oods.

Besnijdenis en \'t Pascha, gewone Sacramenten van \'t Oude Testament, 365. Deze worden kort beschouwd, 782, 783; zie verder Sacrament.

Bezoldiging der zonde is de dood, daar heeft een iegelijk indruk van, en welken hier de rechte indrukken van hebben, en wat zulken te doen staat. 82—85

Besprenging met water in den doop; zie Doop.

Betalen, Jezus heeft voor al de zonden van zijn volk volkomenlijk betaald ; zie Troost.

Bevels (ml des); zie 11\'t/ Gods.

Bewaren, Jezus bewaart de zijnen zeer nauw; zie Troost.

——, de Kerk .wordt bewaard; zie Kerk.

Beweging (zondige en heilige)] zie Begeeren.

Bezoekjes, wat hieruit wel voortkomt.

613, 614

Bidden in \'t gemeen beschreven, wat het woord beteekent, 630, en waarom de godsdienst bidden genaamd wordt, 630, 631. Wat bidden in \'t bizonder uitdrukt, 631, 632. Welke de goede oogmerken in \'t gebed zijn, 633. Wat de bidder in zijn gebed in God beschouwt, en wat hen in God uitlokt, 633. Hoe de ziel tot God in Christus nadert, niettegenstaande God hei-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 818-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

812

Hg en rechtvaardig is, 634, 635. Hoe de H. Geest de ziel leert bidden, 635. Niettegenstaande God alles besloten heeft en Hij de nooden van de zijnen kent, is het gebed noodzakelijk, 636, 637. Hoe de bidder moet gesteld zijn vóór 637, 638, en onder \'t gebed, 638, 639. Te bidden zonder ophouden, wat dit zegt, 639. Hoe iemand moot gesteld zijn na het gebed, 639, 640. De mensoh moet bidden om lichamelijke, geestelijke en eeuwige zaken, 640, 641. De gegrondheid hiervan, 641. Velen worden hier overtuigd, 642, 643. Eenige zwarigheden opgelost, 643. Een woord van opwekking. 643 Bidden (wel te), bidt een Christen van God. 643

Bidden en smeeken. 308

Bloed en geest van Christus, de overeenkomst met water. 888

--, noodzakelijk tot vergeving van

zonden. 415, 416

Bloedig was Christus\' dood; zie Dood

van Christus.

Bloedschande] zie Echtbreken. Bloedschulden die op het land liggen;

zie Doodslaan.

Boeken zijn verscheiden, waarnaar de menschen zullen geoordeeld worden. 280, 767, 768

—•— der leeken, dus willen de Papisten en Lutheranen de beelden m de Kerk hebben aangemerkt. 498 Bondeling van \'t genade-verbond;

kenteekenen daarvan. 368, 369 Boos heeft de duivel gehandeld in

den val van Adam; zie Val. Boosheid en verkeerdheid der menschen komt niet van God, maar uit den val onzer eerste voorouders; en die raakt ons allen. 38, 39 Booze, wie dat is, hoe God doet als Hij ons daarvan verlost, en wanneer dat dit voornamelijk geschiedt; zie Verzoeking.

Borstwapen der gerechtigheid, wat,

308

Brasserijen, een oorzaak van dieverij ;

zie Stelen en Echtbreken.

Brood, waarom do Heere Jezus zijn kinderen daarom doet bidden, voor de reohtvaardigmaking en heiligmaking, 696. Hoe het woord brood al genomen wordt in de Schrift en hoe hot in \'t gebed verstaan wordt, 697. Redenen waarom wij hier lichamelijk brood moeten verstaan, 697, 698. Wat het woord brood in een lichamelijken zin al beteekent, 698. Waarom dit brood genaamd wordt, 699, 700. Waarom dagelijksch brood, 700. Waarom ons brood, 700, 701. Wat de bidder bidt, als hij zegt: geef ons, 701, 702. En wanneer God brood geeft, 702, 703. Wat de bidder bidt, als hij zegt: geef ons heden; waarom de apostelen deze bede moesten bidden; en wij ook, 703. Verscheiden worden hier bestraft, 704, 705. Wat een arme vrome te betrachten heeft, 705. Wat elks plicht is, 706. Een woord van raad, wegens het afsterven van een leeraar. 706 Brood in liet avondmaal; zie Avondmaal.

Burgerlijke weldaden. 792

Bijbel, is van een Goddelijken oorsprong, dit wordt bewezen. Bijgeloof, beschreven en bewezen,

486, 487

C.

Plajetanus (Kardinaal) wordt door den Paus met brieven van volle aflaat naar Duitschland gezonden; en wat daarop voorviel. 850 Calvyn (Joh.) aangehaald. 422 Catechismus, handelt alleen van de twee verbonden van God met den mensoh. 25 --en bijbels, hoe die in deze landen gekomen zijn. 422

--, deze wordt zeer geroemd. 462

Ceremonieel, of er niet iets in den sabbat ceremonieels is; zie Sabbat. Christenen, waar die naam aan de geloovigen gegeven is; en hoe bekend deze naam was, 176. Zij hebben ook andere namen gekregen, maar dit is niet welgedaan, 176, 177. Christenen werden zij


-ocr page 819-

genaamd, omdat Christus hun Hoofd en Leeraar is, 177. Zij zijn de zalving van Christus deelachtig, 177, 178. Zij zijn profeten, en waarom dus genaamd, 178, 179. Priesters, en waarin hun Priesterschap gelegen is, 179. Zij zijn koningen, en waarom dus genaamd, 179,180. Hoe de Christenen van ouds gelasterd zijn; een ernstig woord in \'t gemeen, 180, 181. Kenteekenen, waaraan men weten kan, of\' men een waar, of maar een nabij-Ohristen is, 181—183. Elk wordt tot zelfonderzoek opgewekt. 183 Christenen, waarom dus genaamd.

754, 755

Christus, Messias, Gezalfde; aldus was Hij in het Oude Testament bekend bij de Joden en Samaritanen; onder het Oude Testament werden gezalfd: profeten, priesters en koningen; doch de Christus overtreft die allen; deze naam ziet op zijn voorverordineering tot zijn Middelaars-werk, dus is Hij ook geopenbaard, 172, 173; en op zijn be-kwaammaking naar zijn mensohe-lijke natuur om Middelaar te zijn. Hij is bekwaam gemaakt in zijn kindsheid, toen Hij in de bediening kwam, en toen Hij in li eerlijkheid inging, 173. Zijne ambten zijn drie: Profeet, Priester en Koning; en waarom, 174, 175. Wat Hij doet als Profeet: Hij overtreft alle andere profeten; en waarin Hij zijne leer bevestigt, 176. Wat Hij doet als Priester: offeren, bidden en zegenen; Hij overtreft alle andere priesters, 175. Wat Hij doet als Koning omtrent zijn volk.

176, 177

Christus, waarom de Middelaar dus genaamd wordt. 753

Comediën; zie Echtbreken.

Concilie van Cons tans (tweede) ontneemt den gemeenen man den beker,415. Wat een schrikkelijke daad zulks is, 415, 416. Waarvan zij de leeken door die daad berooven. 417

--van Trente, daarin is do tran-

substantiatie vastgesteld. 413

813

Coneuhinschap; zie Echtbreken. Conditiën van den Middelaar; zie

Middelaar.

Conseientie, daaruit blijkt een Godheid, 118, 119. Wat deze is; elk heeft een geweten, 603, 604. Een goed geweten, en wat deze is. 604, 605 Cons tans (Concilie van)] zie Concilie. Constantijn de Groote heeft den dag des Sabbats niet veranderd. 538 Consubstantiatie der Lutheranen ; zie Avondmaal.

--en transuhstantiatie; waarin zij

overeenkomen; en waarin deze verschillen. 414

Contract, tusschen God en den Middelaar Jezus, is voldaan door zijn lijden en dood. 339

Contracten te breken is een soort van

dieverij; zie Stelen.

Croesus (Koning) vroeg raad aan de goden om zalig te worden. 27 Croisades of\' Kruistochten, oorzaak dat deze landen van onder \'t juk des Pansdoms zijn gekomen. 421

1).

Tïadelijke zonden; zie Straffen.

Daden des menschen zoowel goede als kwade, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voordenigheid.

--van Christus in het avondmaal;

zie Avondmaal.

— hoe een Christen daardoor Gods

naam heiligt; zie Naam Gods. Dagelijksch brood; zie Brood.

Dagon, welk een afgod der Phili-stijnen. 494

Dankbaarheid, de gelegenheid bij welke onze Onderwijzer dit stuk behandelt, 452, 453. Hoe de Heere iemand bewerkt tot dankbaarheid, 453, 454. Bij welke weldaden God zijn volk stil houdt; bij welke natuurlijke, 454, 455; burgerlijke, 455; kerkelijke, 455, 456; geestelijke, 456, 457; eeuwige, 457. En welke gestalte de beschouwing van deze weldaden in de ziel veroorzaakt. 458, 459. Goede werken zijn noodzakelijk, 459, 460. Die geen goede werken doen, zullen

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 820-

814

niet zalig worden, en welke deze zijn, 460, 461. Waar de Onderwijzer in \'t vervolg van handelt, 461,462. Versclieidenen worden hier overtuigd, 462, 463. Kenteekenen, of men door den Heere Jezus verlost is, 463, 464. Kenteeken, of wij de praktijk beminnen; het ongeluk van de zoodanigen, die nog niet verlost zijn, 464. Een woord tot de godzaligen, 464. Hoe eene dankbare ziel werkzaam is omtrent Gods weldaden, die God aan haar schenkt. 792, 793

Danserijen geven aanleiding tot overspel; zie Echtbreken.

David, tussohen David en den Messias zijn vele overeenkomsten.

B46, B47

Deïsten, wie dat zijn. 487

Devoot mensch, wie zulk een is. 13 Dienaars aan de bondtafel. 398, 399 Dienst Gods, is voor den natuurling in \'t zwart te gaan. 461

Diepte en ruimte, op den tweeden dag geschapen. 132

Dierbaar, waarom dus het geloof genaamd wordt. 357, 358 Dieren, van allerlei soort, beeft God op den zesden dag geschapen. 133 Dieverij-, zie Stelen.

Dingen (alk) werken den geloovige

mede ten goede; zie Troost. Dobbelen; zie Stelen.

Dominicanen en Franciscanen, dispuut over de transubstantiatie. 413 Dood van Christus in \'t gemeen beschreven, 228. Dat Christus waarlijk gestorven is, wordt bewezen, 228, 229. De noodzakelijkheid van zijn dood wordt aangetoond, 230, 231. Zijn dood was bloedig, gewillig, vervloekt, langzaam en tijdig, 231. Godvruchtig, 231, 232. Bewijzen van zijne godsvrucht. 231, 232. Zoo Christus voor zijn volk gestorven is, hoe het dan komt dat zij nog moeten sterven; deze zwarigheid van partijen wordt opgelost 234, 235. Redenen waarom de geloovigen nog moeten sterven, 235. De nuttigheid van Christus\' dood en begrafenis, 236, 237. Een ernstig woord tot do onbekeerden, 238, 239. Kenteeken of men aan Christus\' dood deel heeft; het ongeluk van een onbekeerde, 239—241. Middelen en raad aan overtuigden, 241, 242. Een woord voor Gods kinderen. 242 Dood (lichamelijke), moeten alle men-schen ondergaan; het lichaam wordt begraven, 319. De ziel van een geloovige wordt tot Christus, haar Hoofd, opgenomen. 319, 320 ---daarover gaat Gods voorzienigheid ; zie Voorzienigheid.

--- der geloovigen of hun sterven;

zie Dood van Christus.

Doodbed, handeling van den Heere Jezus met zijn volk, als zij daarop liggen. 161

Doodslaan, waarop de doodslag ziet, de geoorloofde doodslag omtrent de kruiden, planten; enz., 562. Ook omtrent de beesten. 562. Waarvoor men zich wachten moet bij het dooden van beesten, 563. Den geoorloofden doodslag omtrent menschen; deze geschiedt van de Overheden omtrent menschen die misdaad hebben, 563. Ook in een wettigen oorlog; wat een wettige oorlog is, 563, 564. Hij geschiedt ook bij geval, 564. Ook ter bescherming van ons leven, 564. Den ongeoorloofden doodslag; deze kan geschieden van de Overheden; in welke gevallen, 564, 565. Hij geschiedt ook van den mensch, omtrent zichzelven door zelfmoord, 566. Daartoe verzoekt de duivel wel de eerst overtuigden; doch God redt hen, 566, 567. Ook geschiedt deze door zichzelven te kwetsen; door zich dood te hongeren; zich moedwillig in gevaar te begeven, 567. Ook door een goddeloos leven, 567, 568. Ook geschiedt den ongeoorloofden doodslag door forten en schepen in brand te steken. Wanneer men zich naar de ziel doodt. Wanneer men anderen doodslaat óf door ons zeiven, óf door anderen, 567, 568. Ook geschiedt het

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 821-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

815

door gelaat; den wortel van don doodslag beschouwd; als: de nijd, BOB; haat, toorn, wraakgierigheid, 569. De deugden in dit gebod geboden, zijn: liefde, 570; geduld, vrede, barmliartigheid, zaohtmoe-dighoid, 570; zijn vijanden wel te doen, 570, 571. Do bloedschulden, die op het land rusten, worden opgehaald, 571; en andere zonden togen dit gebod strijdende, 571, 572. Raad aan do dezulken, die geen lust hebben aan zulk een zondig loven, 572. Een ieder wordt gewaarschuwd dat hij sterven zal, 572, 573. Kenteekenen, welke men-schen gelukkig zullen sterven, 578. Een ernstig woord tot de onbe-koorden. 574

Doop, daar is verschillende doop; een doop der tranen, een doop mot vuur, een doop dor tyrannen of des bloeds, een doop, die een vraag is van een goed gowoton tot God, de watordoop, 372, 873. De waterdoop is uit den hemol; hot uiterlijke teaken is water, en wel zuiver water; de volwassen monsohen werden voortijds daar ingedompeld; wanneer de bospren-ging in do Kerk is gekomen, on waarom, 374. De gegrondheid van do hesprenging aangewezen, 374, 876. Wat dit doopwater beteekont, 875. Een kind dat gedoopt wordt is onrein van nature, 875, 876. De doop heeft ook een verzekerende kracht; wat God aan den doopoling verzekert, 376. Wat de doopoling aan God belooft. 377. Waar God dit belooft, 377, Wie niet en wie wel den doop mag bedienen, 877, 378. In Wiens naam gedoopt moet worden, 378. Of men ook veranderingen moot maken in hot doops-fonnulier; gelooft gij, dat de kindoren in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten der gemeente behooren gedoopt te wezen ? 378, 379. Hoe wij die woorden te verstaan hebben, 879. Verscheidenen worden hier overtuigt, 880, 381. Opwekking om den doop wél te beleven, 381. Kenteekenen of men deel heeft aan de beteekenende zaak, 381, 382. Kenteekenen of men heilig is, 382. Een woord van opwekking om ons zeiven te beproeven. 883

Doop, welke hier de partijen zijn: wat de Papisten en Lutheranen van den waterdoop zoggen: de waterdoop werkt do genade niet; ook gaat ze er niet altijd mede gepaard, dat wordt bewezen; en de tegenwerpingen van de partijen worden opgelost, 884—888. Wat de Mennisten van den waterdoop stellen, 388, 389. Als de doop bediend is, raag men niet wederdoo-pen; do tegenwerpingen van de partijen worden opgelost, 388, 889. De tegenwerpingen der Mennisten tegen den kinderdoop, opgelost, 390. Bewijzen, dat de kinderen moeten gedoopt worden, 390, 891. Verscheidenen worden hier overtuigd, 391, 392. Kenteekenen of men genade ontvangen heeft. 392 , 398 —— en alle zaken daartoe behoo-rende, worden kort herhaald.

783— 785

Drieëenigheid, drie personen zijn er in het Goddelijk Wezen, 748, 749. Deze zijn één, en van de anderen onderscheiden. 749

--- Gods; zie God.

Drinkbeker in \'t avondmaal; zie

Avondmaal.

Droefheid over zondon, waarin gelegen ; hoe zulk eene ziel gestold is; deze mag ten avondmaal gaan.

431, 482

Droge, is van God op den derden

dag geschapen.

Droogte, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voordenigheid. Droomen (zondige)\', zie Begeeren. Drukken van don bijbel, is een middel van reformatie hier ten lande

geweest. 422 Due (/■\' Albn, en zijn zeggen. 592 Duelleeren is ongeoorloofd. 571 DuiLsehers, welk een afgod zij hadden. 494

Duistere wegen, daaruit redt God zijn


-ocr page 822-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

816

volk; in vele voorbeelden getoond.

24.3, 244

Duive, een zoet zinnebeeld van een waar Christen. 708

Duivel, boe liij den eersten mensch verleid heeft. 786, 736

Duivden kunnen voor den mensch niet voldoen aan Gods gerechtigheid; zie Gerechtigheid Gods.

--zullen geoordeeld worden; en

waarover; zie Oordeel.

Dulia, welk een dienst de Papisten hierdoor verstaan. 501

Divaas, die in zijn hart zegt: daar is geen God; dit wordt een weinig uitgebreid. 520, 621

E.

T^ed, die is als een gebed; in den eed erkent men Gods alwetendheid, 521. Overalomtegenwoordig-heid, 521, 622. Waarheid, heiligheid, rechtvaardigheid; hoe men van ouds zwoer, en hoe nu heden ten dage; welke woorden men van ouds en nu in den eed gebruikt, 522. Zoo waarlijk helpe mij God almachtig, wat een die zweert, met deze woorden te kennen geeft, 522, 623. Dat men godzaliglijk bij den naam Gods een eed mag zweren, wordt tegen de partijen staande gehouden, 523. Als de Overheid een eed vordert van hare onderdanen, mag men zworen, 623. Ook als de nood het vordert, 624. De tegenwerpingen van de partijen opgelost, 524, 625. Men mag niet zweren bij do heiligen of\' bij andere schepselen; dit wordt tegen de Papisten staande gehouden, 625, 526. Versoheidenen worden hier overtuigd, 620, 627. De oordeelen Gods over do valsche eeden, 628. Welk een eed wij moeten gedaan hebben, zullen wij eeuwig gelukkig wezen. ö28,529 Eedzweren] zie Eed.

Eeniggeboren Zoon Gods-, zie Zoon. Eenvoudigheid Gods. 120

Eere, die men als God, aan den Middelaar moet geven. 86, 87 —— (godsdienstige), hebben altijd do

Christenen geweigerd, aan de beelden der Heidenen en anderen.

494, 495

Eere, die Mij eeren, zal Ik eeren; maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden; dit wordt getoond in voorbeelden. 508, 609 —— Een zoon zal den vader eeren.

657, 668

--(goddelijke) wordt aan Gods Zoon

toegekend; zie Godheid van Christus.

--en heerlijkheid, die Jezus als

Middelaar bij den Vader geniet; zie Rechterhand Gods.

--(goddelijke) wordt aan den H.

Geest toegekend; zie Geest. -—- is een plicht der kinderen tot hunne ouders; zie Vader.

--te beschermen is een plicht

van de kinderen, betrekkelijk hunnen ouders; zie Vader.

Eeuwig leven; zie Leven. Eeuwigdurendheid van den sabbat;

zie Sabbat.

Eeuwige straffen. 67—69, 740, 741

--sabbat, hoe men dien in dit

leven moet aanvangen; zie Sabbat.

■--weldaden. 793

Eeuwigheid, hoe de Heidenen die hebben afgebeeld. 60 •—— Gods, 120. Welk een pleitreden voor een Christen. 727 Echtbreken, wat een huwelijk is, 576, 577. Is geoorloofd, 577. Ook den leeraren, 577, 678. De zonden die tegen het huwelijk strijden, zijn: de zonden van Sodom, bij beesten te liggen, bloedschande,

578. Overspel, enkele en dubbele, 678, 679. Veel vrouwen te hebben; echtscheiding; eer het huwelijk voltrokken is, zich met elkander vleeschelijk te vermengen; ook als ongetrouwden te zamen komen; of getrouwden bij ongetrouwden;

579. Hoererijen, concubinschap, 579, 680. Onkuische tochten. Hoe men tegen dit gebod zondigen kan, met zijne oogen, handen, voeten en kussingen, 580. Kleederen, 680. Met onreine woorden, bras-serijen, dronkenschap, danserijen, 581. Komedie zien spelen, in spe-


-ocr page 823-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

817

len te gaan, 581. Ledigheid, on-kuisch gezelschap, als getrouwden, te langen tijd van elkander af zijn, ongelijke huwelijken, huistwisten, 681. Welke deugden hier geboden zijn; als: schaamte, 582; matigheid; kuisch te leven, 582. Zijn lichaam voor een tempel des H. Q-eestes te houden; welke de overeenkomsten zijn, tusaohen Sa-lomo\'s tempel en een Christen, 583. De zonden van onkuisch-heid bestraft, 683, 681. Of iemand wel genade kan krijgen, die die zonde begaan heeft; of een, die genade heeft, wel in die zonde kan vallen, 684, 585. Waar het vandaan komt, dat deze zonde zoo algemeen in ons land is, 686. Middelen om voor die zonden bewaard te worden, 586, 587. Verplichting voor Gods kinderen. 687 Echtscheiding-, zie Echtbreken. Eigenkracht, is de vierde klip tegen de zaligheid. 99

Eigenschappen Gods, onmededeelbare en mededeelbare opgenoemd. 748

--Gods; zie God.

--Gods, worden den H. Geest toegekend ; zie Geest.

Eisch Gods, is een volmaakte gehoorzaamheid; deze kan de mensch voldoen vóór, en niet na den val; zelfs kunnen de godzaligen dezen eisch niet volmaakt volbrengen. 52 — — Gods van den mensch, bestaat in genoegdoening aan zijn wet, 742 Onmacht des zondaars daartoe, door zichzelven; hoedanig hij wezen moet, die aan den eisch Gods voldoen zal, 743. Wie daar deel aan hebben. 744

Ellende des menschen, bestaat in: zonde, straf, onkunde, af keerigheid van de kennis der ellende, 26. Do noodzakelijkheid van de kennis der ellende, bij de Heidenen zelfs bekend, deze moet niet alleen beschouwend, maar bevindelijk zijn, 27. Het middel om zijne ellende te kennen, is de zedelijke wet; en hoe, 30, 31. De ellendekennis is het middel, dat de Heere gebruikt om den zondaar tot troost te brengen, 33. Verseheidenen worden hier overtuigd, 33, 34. Hoe zulk een gesteld is die zijne ellende recht kent, 34, 36. Dit wordt kort herhaald. 734, 736 Ellende\', zie Troost.

El, hoe men daarmede steelt; zie Stelen.

Ende, de kracht van dit woordje in de vijfde bede; zie Schulden.

■--hoe dit woordje voorkomt in de

zesde bede. \' 722

Enge en breede weg, voorgesteld, 268,

269

Engelen zijn op den eersten dag geschapen, 131. Schijnen met den naam van God genaamd te worden ; dit wordt verklaard, en de tegenwerping opgelost, 191. Zij zullen met den Rechter verschijnen; en ook hun werk, 78, 7\'9. Zij zullen in het laatste oordeel bevel krijgen om de verdoemden naar de hel te voeren, 281; en de uitverkorenen naar den hemel, 282; en hen te voeren door de wolken in de lucht, om altijd bij den Heere te zijn, 325. Zij zijn dienaars der wet, 481. Hoe zij werkzaam zijn omtrent den wil van Gods besluiten, en des gebods, 688, 689. Eene zwarigheid opgelost, 689. Wat eenigen onder de engelen beraadslaagd hebben; worden van den Koning der Koningen uit hunne woonstede verjaagd, en in de gevangenis geplaatst, wat Hij hun echter toelaat, 723. Hun list om het eerste men-schenpaar te verleiden, gevolg en voortgang daarvan, 724. Aanvallen der kwade engelen, op verscheidene wijze, 725, 726. Het middel daartegen, 726. Zij zijn geen leden van de Kerk, 727. Zij kunnen voor den mensch aan Gods gerechtigheid niet voldoen; zie Gerechtiqheid Gods.

Erfzonde, beschouwt in haren aard, 55. Welke deze is en hoe die overgaat van de ouders tot de kinderen, 44, 45. Deze straft God. 740 Ernstig voornemen hebben de ge-


03

-ocr page 824-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

818

loovigen, om naar al do geboden Gods te leven; zie Begecren.

Esseën, zekere seote onder de Joden: lioe die zich bereiden tot liet gebed. 637 Evangelie beschreven, onderscheiden; en niemand dan God heeft dit ontdekt ten nutte van verbrokenen, 67. Daar is vierderlei Evangelie, 89—91. Hoe Paulus dit Evangelie zich niet schaamde. 731, 732 Eutiches, zijn gevoelen omtrent de menschwording van Christus. 203 Executie, ten jongste dage. 769

F.

2\'jlondament,\'jlondament, gelegd in de eerste belofte.

44

Franciscanen en Dominicanen, hun dispuut over de transubstantiatie. 412

O.

/basten aan de bruilofts-tafel. 399 ^ Gaven en talenten, kan iemand hebben zonder genade. 791, 792

--des Geestes, worden ook aan de

verworpelingen medegedeeld; zie Geest.

Gaven, de H. Geest is niet maar een gave, maar ook een Persoon; zie Geest

Gebed, wat dat is; wat daarin te bezien staat, 630. Als dat weg is, is er geen godsdienst meer, 631. Wat het in \'t bijzonder is. 632

—— des Heeren, noodzakelijkheid daarvan, 635. Hoedanigheden des gebeds; en hoe een bidder moet gesteld zijn, 637. Vele tegensprekers van \'t gebed zijn er geweest. 568. Het gebed kortelijk beschouwd, en iedere bede in \'t bijzonder. 659, 800—804

--zie Bidden.

Gebod, het eerste en tweede, zijn twee onderscheiden geboden, 502. Het tiende mag men niet in tweeën verdeelen; dit wordt staande gehouden tegen de Papisten. 501, 502 Geboorte van den mensch, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid.

Gebreken zijn zelfs in de allerheiligsten geweest. 622 --der Ouders, daar moeten de kinderen geduld mede hebben; zie Vader. Gedaagde in de reehtvaardigmaking ; zie Reehtvaardigmaking.

--; zie Aangeklaagde.

Gedachten (ijdele); zie Begecren. Gedenken in de dagen der jongelingschap aan zijnen Schepper; waarin gelegen. 127, 128

--aan den sabbat, wat dit zegt;

zie Sabbat.

Geduld; zie Voorzienigheid.

--moeten de kinderen hebben met

de gebreken hunner ouders; zie Vader.

--is eene geboden deugd; zie

Doodslaan.

Geest (de Heilige), hoe Deze voorkomt in de Schrift, 115. Welke onze partijen in dit stuk zijn. Het woord Greest, beteekent de derde Persoon in de H. Drieëenheid, 290, 291. Ook zijne gaven; waarom de derde Persoon Geest, en Heilige Geest genaamd wordt, 291. De Geest is een Persoon: dit wordt bewezen; en de tegenwerpingen van de partijen opgelost 291, 292. Hij is een goddelijk Persoon, en dat blijkt uit zijne goddelijke namen,

292, 293. goddelijke eigenschappen,

293, goddelijke werken, 293, 294. goddelijke eer, 294, 295. Men kan tegen Hem onvergeeflijk zondigen,

295. En waarom die zonde onvergeeflijk, 295,296. Welke die zonde is,

296. De H. Geest is een onderscheiden Persoon van Vader en Zoon, 296. Deze, en zijne gaven worden de uitverkorenen gegeven, 296. De onbekeerden ontvangen ook den Geest, maar niet den Geest als den Geest van Christus; ook zijne gaven, maar niet de zaligmakende, maar burgerlijke, kerkelijke en gemeene gaven. 297, 298. Hoe de Geest werkt in de uitverkorenen; en wat het zegt in Hem te gelooven, 298, 299. Ver-


-ocr page 825-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN,

SI!)

scheidenen worden hier overtuigd; ook zij, die de naaste trappen van de zonden in den H. Geest begaan hebben, 298, 299. Hun ongeluk aangewezen, 800, Kenteeken of men den H. Geest ontvangen heeft, 300, 301. Eenige zwarigheden van bekommerden opgelost, en hen bemoedigd, 301. Dit alles wordt kort herhaald. 770, 771

Oeest (Heilige), hoe die den geloovigen leert bidden; zie Bidden.

--te bedroeven,\' zie Becjeeren.

——G-ods, heeft voornamelijk gewerkt in de Reformatie. 422

Geestelijke straffen. 56, 57, 740.

--weldaden. 793, 794

Geheel al, is door God geschapen j zie : Schepping.

Gehoorzaamheid, te bewijzen aan do ! ouders, is de plicht der kinderen; zie Vader.

--daar hebben de allerheiligsten

maar een klein beginsel van; zie Begeeren.

Geldeed te gaan boven zijn staat, een

oorzaak van dieverij; zie Stelen. Geld lief te hebben, is een oorzaak

van dieverij; zie Stelen.

Geloof, waarom iemand het ware geloof moet hebben, 102. Het woord geloof, heeft verscheidene beteeke-nissen, 102, 103. Het geloof dei-mirakelen beschouwd, en hierdoor kan men niet zalig worden; het historisch geloof aangetoond, en hierdoor kan men ook niet zalig worden, 103, 104. Het, tijdgeloof beschouwd, 104, 105. Het onderscheid tusschen \'t tijdgeloof en \'t zaligmakend geloof, 105, 100. Hot oprecht geloof, waar in gelegen, 106—108. Wat een Christen noodig te gelooven heeft, 108, 109. Do goddelijkheid van den bijbel aangewezen, 109. De korte inhoud, zijn de twaalf Artikelen onzes algeme\'e-nen ongetwijfelden Christelijken ge-loofs, waarom dus genaamd, 109, 110. Zul ken, die zeggen: ik heb het ; geloof, en zij hebben het niet, worden ontdekt. 111. Kenteekenen van : \'t oprecht geloof. 111, 112

| Geloof heeft nut en baat, 335; ook dat een uitverkorene voor God in i Christus rechtvaardig is. 335, 336 —— waarom dierbaar genaamd, 357,

368

mirakel geloof, heeft voorheen plaats gehad; het historisch geloof heeft altijd plaats; het tijdgeloof wordt in de meeste menschen gevonden; het zaligmakend geloof komt niet van onze ouders; ook niet van de leeraars, 359. Ook kunnen wij het door geen geld of goed verkrijgen, 359, 360. Ook kan de mensch dat geloof zichzelven niet geven, maar God schenkt het; Hij bewaart en vermeerdert hot, en doet het groeien. De Drieëeni-ge God is daar de Werkmeester van, 360; inzonderheid God de H. Geest, 360, 361. De middelen waardoor God do H. Geest \'t gelooi werkt, 361. En op welke wijze, 361, 362. Het geloof is niet altijd even sterk: het is moeilijk te gelooven, 362. Het zwak geloof versterkt God de H. Geest, door de Sacramenten, 362, 363. Velen missen het geloof; kenteeken of men hetzelve heeft, 367—369. Het zaligmakende geloof behoort tot de religie, 452. Plet geloof is vierderlei, 746. Het zaligmakend geloof, wie daarvan de Werkmeester niet is; de H. Geest, werkt dat, 778, 779. Vijf trappen van \'t geloof beschouwd; een sterk geloof voorgesteld, 77!). Een zwak geloof voorgesteld, 779, 780. Hoe de Heere dat zwak geloof versterkt. 780, 781 Geluk (\'s Menschen) is, zijne ellende te kennen. \' 733, 734

Gelijk, hoo dit woord te verstaan;

zie Schulden.

Gelijkenis; zie Beeld.

Gemeenschap der heiligen, wie al heilig is. De geloovigen hebben gemeenschap met den Drieëenigen God; met de engelen, 811. Het de gezaligde ziel, 311, 312. Gemeenschap hebben zij ook met elkander; en waar deze gemeenschap al in gelegen is; ook in de


-ocr page 826-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

820

mededeeling van goederen aan elkander, in tijd van nood. 812, 313 Gemeenschap der heiligen, kort beschouwd. 773 —— van goederen buiten nood, moet

er niet zijn; zie Stelen.

Gemeente Gods] zie Kerk.

Gemis {straf van het)] zie Straffen. Genade, passen sommigen zichzelven al te los toe, 168, 169. Kan door geen storm worden weggenomen, 343. Zal tot in eeuwigheid in den hemel erkend worden. 4(i4

Genade-verbond, wat er onder deszelfs bediening wel eens aan den verworpene gebeurt; en wat aan den uitverkoren. 297

Genade-werk, boe God daardoor zijn

naam heiligt; zie Name Gods. Geneigd is de menscb van nature, om God en zijn naasten te haten; zie Haten.

Geoorloofde doodslag; zie Doodslaan. Geopenbaarde wil Gods ; zie Wil Gods. Gerecht, die God op zijn bond-tafel opdischt. 398 Gerechtigheid Gods, eischt genoegdoening voor de zonde; is drieërlei: de geboden, de regeering, de straffen of oordeelen, 70. Deze vloeien uit Gods wezen; dit wordt staande gehouden tegen de Socinianen en anderen, 70—72. Aan deze gerechtigheid Gods moet nu voldaan worden, door onszelven of andoren; dat bet door een ander kan geschieden, wordt bewezen tegen de Socinianen en Remonstranten; en hun tegenwerpingen opgelost, 72, 73. De mensch kan voor zichzelven niet voldoen, 74. Ook niet de eene mensch voor den anderen, 74, 75. Ook niet de engelen, de duivelen; ook niet de geesten der volmaakt rechtvaardigen ; ook geen andere dingen, 75. Ook geen vromen voor een onvromen, 76. Wie al, namelijk de Middelaar Jezus, 75, 76. Hoe Christus\' gerechtigheid de onze wordt. 339 —— hoe een Christen, deze beschouwende, Gods naam heiligt. 663 --Christus, wordt van den gerechtvaardigden zondaar door het geloof aangenomen; zie Reehtvaardig-making.

Gerechtigheid, wordt den geloovigen toegerekend; \'AeRechtvaardigmaking.

--moet men uitoefenen; zie Stelen.

Gericht-, zie Oordeel.

Gericht, wordt Gode en niet den mensch gehouden. 606 --, hoe daarin een valsche getuigenis door verscheidenen kan begaan worden; zie Valsche getuigenis. Geroepen, worden de leden van de kerk,

uitwendig en inwendig; zie Kerk. Gezalfde, zie Christus.

Gesneden beeld, zie Beeld.

Gesten, hoe een Christen daardoor Gods naam heiligt; zie Naam Gods. Getuigen zijn de drie goddelijke Personen; en hoe een ieder van hun getuigt. 288—290

——, hoe die een valsche getuigenis kunnen geven. 608

--in de rechtvaardigmaking; zie

Rech tv aardigmaking.

Getuigenis, zie Valsche getuigenis. Gevaar, zich moedwillig in gevaar te begeven, is een doodslag; zie Doodslaan.

Geval, niets geschiedt er bij geval aan Gods zijde, maar wel aan de zijde van den mensch; zie Voorzienigheid.

--, wanneer iemand bij geval een

ander doodslaat, hij is niet strafbaar; zie Doodslaan.

Geveinsde menschen, welke zoodani-gen zijn. 433, 434

Geven, wanneer God ons het brood

geeft; zie Brood.

Gevoel {straffen van), zie Straffen. Geweld, hoe de rijken daardoor dieverij begaan; zie Stelen.

Gewicht, boe hiermede dieverij wordt

begaan; zie Stelen.

Gewillig was de dood van Christus;

zie Dood van Christus.

Gezalfde-, zie Christus.

Gezelschap ionkuisch), geeft aanleiding

tot overspel; zie Echtbreken. Gezondheid, daarover gaat Gods voorzienigheid ; zie Voorzienigheid. Gibionieten, en hun bedrog om hun leven te behouden. 561


-ocr page 827-

Gierigheid, wat zonden; zie Stelen.

God en Mensch moest de Middelaar zijn, 87, 88; zie verder Middelaar.

--dat er een God is, weten alle

mensclien, maar niet wie, en wat God is, 113, 114. God kunnen wij niet volmaakt bevatten; wat een filosoof omtrent dit stuk zeide, toen hem gevraagd werd: wat is God, 116. Dat er een God is wordt bewezen buiten den bijbel, 117—119. Ook blijkt dit uit hot Woord. God kunnen wij niet volmaakt begrijpen; een beschrijving van God: de eigenschappen, volmaaktheden, deugden, loffelijkheden Gods onderscheiden, 120. De onmededeelbare eigenschappen, onafhankelijkheid, volmaaktheid, algenoegzaamheid, eenvoudigheid, eeuwigheid, onveranderlijkheid, alomtegenwoordigheid, alwetendheid; de mededeelbare eigenschappen opgenoemd, 120. God is maar één in wezen; daar is meer dan een Goddelijk Persoon, 121. Daar zijn drie Goddelijke Personen, 121, 122. En dezen zijn onderscheiden van de anderen ; en waarin drie, en nochtans één in wezen, 122. Dit stuk wordt door een Christen geloofd, 123. Velen worden hier overtuigd, 123, 124. Ook zonderling de atheïsten; het onderscheid tusschen een atheïst en een Christen. 124, 125. Kentee-kenen waaraan men weten kan of God onze God is, 125, 126. Een woord tot besluit, 126. Dat er een God is, weten de duivel en alle menschen; maar alle menschen weten niet dat er een Jezus is, en deze kennis is zoo heilzaam, 165—157. God is een God, niet alleen der Joden maar ook der Heidenen, 170, 171. God is in aanwezen, dat ligt in \'t hart van elk mensch, 358. En die God is maar één in wezen, 368, 359; en waardig om gediend te worden, 368. Hoe God niet en wol wil gediend worden, 358, 369. God is in aanwezen; zijne eigenschappen, zoo onmede-deelbaar als mededeelbare, opge-

821

noemd; daar is maar één God. 748 God is de Middelaar, zulks wordt kort aangewezen. 766

Goddelijk wezen, zie God.

Goden, geen andere goden zult gij voor mijn aangezicht hebben, wat dit zegt, 486, 486. Verscheidenen worden hier overtuigd, 488, 489. Hun ongeluk aangewezen, 489. Kenteekenen of wij deel hebben aan God, 489, 490

Godheid van Christus, wordt bewezen, uit zijne goddelijke namen, 190— 192, volmaaktheden, werken, 192. en Eer, 192, 193. Hij wordt Heere genaamd; en waarom, 193, 194. Kenteekenen of Jezus onze Heere is. ^ 197, 198

godloochenaars, waarom zij zulks doen;

verliezen hunne eigen achting. 620 Godsdienst der Heidenen. 493

Godsdienstige eer, weigerden de eerste Christenen aan de Romeinsche keizers. 494 Godsdiensttijd of sabbat, daarover wordt droevig getwist. 531, 642 Godzaligheid, wie deze beminnen. 463 Godzaliglijk, mag men bij den naam

Gods een eed zweren; zie Eed. Goed heeft God den mensch geschapen; zie Mensch.

Goede werken, schoon de goede werken niet verdienen, nochtans zijn ze noodzakelijk, en waarom 468— 460, 793, 794. Die geen goede werken doen, zullen niet zalig worden ; en welke dezen zijn, 458, 469, 793, 794. Wat goede werken zijn, 795. En hoe die geschieden moeten, namelijk in het geloof, naar een goeden regel, 797; en met een goed oogmerk. 797, 798

Goeds te denken, te willen, te spreken en te doen, is des menschen plicht; doch hiertoe is hij van nature onbekwaam, maar door de bekeering maakt God hem er bekwaam toe. 465—467 Gordel der waarheid, wat. 309 Goud, zilver en andere goederen, kunnen niet tot voldoening aan Gods gerechtigheid gegeven worden voor den mensch. 74

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 828-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

822

Gras, daarover gaat Gods voorzie-nigheid; zie Voorzienigheid.

II.

JTaat is de wortel van den dood--* \' slag; zie Doodslaan.

Handen, hiermede kan men overspel

bedrijven; zie Echtbreken.

Haten, de mensoh is van nature geneigd God en zijn naaste te haten.

81, 32, 735, 786 Harte, ziet de Hcove aan, wat dit zegt. 588, 590

Heden, waarom wij ons brood voor

heden bidden; zie Brood.

Heere of Jehova, deze naam is God alleen eigen; zie Jehova.

--deze naam wordt den Zoon Gods

toegekend en waarom, kenteeken of Hij onze Heere is; zie Godheid van Christus.

Heerlijkheid van een koning, waarin gelegen. 670, 671.

--Gods, welk een pleitreden voor

een Christen. 727

--van Christus, aan de rechterhand

Gods zijns Vaders; zie Zitten. Heerlijkmaking, is een vrucht van de opstanding van Christus; zie Opstanding.

Heidenen, meenen zalig te worden zonder genade. 67

--en Joden, daar is God een God

voor. 170, 171

--hun gevoelen in de rechtvaar-

digmaking. 346 --welke afgoden zij gediend hebben. 493 Heiliging des Sabbats; zie Sabbat.

--Gods Naam; zie Naam Gods.

--Geest; zie Geest.

--te kennen; zie Sacrament.

Heiligmaking en rech tvaa/rdigmaking zijn twee groote weldaden van \'t genade-verbond, 344. Zijn wel onderscheiden, maar nooit van elkander gescheiden. 345

--is Jezus voor de zijnen; zie

Middelaar.

--is een vrucht van Christus\' opstanding; zie Opstanding van Christus. Hel, wie het daar \'t allerzwaarst in

zullen hebben, 62, 68. Vermaningen daar tegen, 64. Raad daar tegen, 64. Deze is zijn gevangenhuis, 722, 723 Helm der zaligheid. 307

Hemel der Hemelen, is op den eersten dag geschapen. 131

Hemel, wensen van elkeen om daar in te komen, schoon de praktijk daartegen strijdt, dat met een voorbeeld wordt opgehelderd, 268, 264. Kenteekenen of iemand daarin komen zal. 269

Hemelen, hoeveel; zie Wil Gods. Hemelingen, zijn geen geringe men-schen. 269

Hemelvaart van Christus, de persoon die ten hemel is gevaren is Christus, 258. De tijd wanneer, het was veertig dagen na zijne opstanding; en wat Hij in dien tijd gedaan heeft, 258, 259. De plaats van waar, in het algemeen en in \'t bizonder aangewezen; aan wien de Hemelvaart toegekend wordt, 259. Het middel waardoor Hij opvoer, was een wolk, 260, 261. Christus is waarlijk ten hemel gevaren, 261—263. Maria is niet ten hemel gevaren; ook niet de Heere Jezus even na zijn doop, om in den hemel onderwezen te worden, 263. Christus is door zijn hemelvaart naar zijne menschelijke natuur niet overalomtegenwoordig geworden, dit wordt tegen de Lutheranen beweerd, en hunne tegenwerpingen opgelost, 263—265. Welke nuttigheden de godzaligen uit deze hemelvaart ontvangen, 265—267. Het is ook noodig dat wij dit leerstuk gelooven, 266. Zulken, die niet naar den hemel zoeken te gaan, worden ontdekt, 267, 268. Opwekkingen aan dezen, 268. Hunne zwarigheden worden weggeruimd, 269. Kenteekenen, welke menschen in den hemel zullen komen. 269 Hemelvaart van Christus in \'t kort beschouwd. 765, 766

Hendrik de Vierde, Koning van Erank-rijk, eerst van Navarre, wordt van Gereformeerd, Paapsch; en wat Losel hem daarop heeft te gemoet


-ocr page 829-

gevoerd, en \'s konings antwoord aan een opgeblazen hoveling. 446 Hertog van Saksen, zijne betuiging aan zijn zieken zoon, nopens de eigengerechtigheid. 3Bü, 3B1 Historisch geloof, kort beschouwd. 74G --; zie Geloof.

Hoedanigheden van den Middelaar. 76,

743

Hoererijen •, zie Echtbreken.

Hongeren, zichzelven dood te hongeren, is een doodslag; zie Doodslaan. Hoogmoed, komt voor den val. 270, 271 Hopen, eene deugd in \'t eerste gebod geboden. 487, 488

Hoo vaar dij spruit uit gierigheid, en is een oorzaak van dieverij; zie Stelen. Huisdieverij; zie Stelen.

Huistwisten\', zie Echtbreken. Hus (Johannes), aangehaald, 310 Wanneer verbrand. 415

Huwelijken {ongelijke), zijn somtijds een oorzaak van onkuisohheid; zie Echtbreken.

——; zie Echtbreken.

Hyperdulia, welk een dienst de Papisten hierdoor verstaan. 500 Hypocryt, welk eene. 433, 434

J.

Tan of Johannes Hus; zie Hus. quot;Jannes en Jambres, de tegenstanders van Mozes, 2 Tim. 3 : 8. Voorbeelden dergonen die zich spiegelen in valsche spiegels der leer. 34 Jehova, deze naam wordt God alleen toegekend; dit wordt staande gehouden tegen de vijanden, en hunne tegenwerpingen opgelost, 191, 192. Ook wordt deze naam aan den Heere Jezus toegekend. .192, 193. Jezus is het Hoofd der uitverkorenen.

42

--, vier namen draagt de Middelaar in de Geloofs-artikelen. Die tot zijn Middelaars-ambt behooren zijn twee; de naam Jezus is een Hebreeuwsohe, en de naam Christus een Grieksche naam; en waarom Hij deze draagt, 151, 158. De naam Jezus is den Middelaar van God gegeven, op eene bijzondere

823

wijze, aan Hem alleen eigen; anderen hebben ook dezen naam gedragen, 158, 159. Den naam, als naam, moet geen eerbied bewezen worden; dit wordt togen de partijen beweerd, en hunne tegenwerpingen opgelost. Wat de naam Jezus beteekent, en Hij, als Zalig-ligmaker, de zijnen verlost; namelijk, van de zonden, en hoe ongelukkig de zonde den mensch maakt, 159, 160. Wat zulk een verloste te doen staat. De zonden worden hun volkomen vergeven,

160, 161. Zij worden verlost van alle onheilen des lichaams, van de aanvechtingen des duivels, van verberging van Gods aangezicht,

161. En wat de ziel dan na den tijd zal genieten, 161, 162. Hij maakt de zijnen zalig door verwerving en door toepassingen, 163. En hoe zij hieraan deel krijgen, 163, 164. Van de zaligheid genieten Gods kinderen op hun doodbed wel eens de voorsmaak; wat de Socinianen van dezen Zaligmaker zeggen; en hen weder-legd, 164, 165. Wat de Remonstranten en Mennisten van den Middelaar zeggen, en hen wederlegd; 165. Wat de Papisten van Jezus zeggen; en hen wederlegd, 166, 167. Welke Papisten niet en wel zalig worden, 166, 167. Hoe het geloof van een Cln-isten, omtrent dezen Zaligmaker, werkzaam is, 167. Velen worden hier ontdekt, 167—169. Kenteekenen, of men aan dezen Middelaar deel heeft, 169, Wie deze missen, middelen voorgesteld, en de geloovigen tot hun plicht opgewekt. 169

Jezus, waarom de Zone Gods dus genaamd wordt, in \'t kort beschouwd. 753

--Christus en dien gekruist te

prediken, wat dat in heeft. 731

—— verlost de zijnen; zie Troost.

Indompelen in het water, van ouds in den doop gebruikt; zie Doop.

Joden en Heidenen, daar is God de God van. 170, 171

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 830-

824

Joden, hebben nooit den Zaligmaker voor een onecht Kind gehouden, noch zijne moeder voor eene on-kuische, 205. Zij zochten twee Middelaars, 244. Hun gevoelen in \'t stuk der rechtvaardigmaking.

846

Joodsche natie, ongeluk dat daar opligt, tot onze waarschuwing; en waarom. 2B2—554 Juliaan {de keizer), wilde den tienden soldaat der Christenen doen sterven, omdat zij weigerden den afgoden te offeren. 495 --zijn uiteinde. 515

K.

TTeizer der Turken, wat hij van ons land getuigde. 118

Kennelijke Gods, daaruit blijkt de aanwezenheid Gods. 11G

Kennis Oods, ia niet genoeg om zalig te worden, daartoe wordt vereischt; geloof en praktijk. 129

--is een stof van roem. 184, 185

--behoort tot de religie. 452, 453

—— een deugd in het eerste gebod geboden. 487

--van zonde, ellende, verlossing

en dankbaarheid zijn middelen om aan den waren troost deel te krijgen; zie Troost.

Ken uzelven, wat de Heidenen van die spreuk zeiden, 27. Noodzakelijkheid van die spreuk, niet alleen in bespiegeling, maar voornamelijk in toepassing en praktijk; de ware gestalten dergenen die zichzelven recht kennen. 85

Kerk, daarin zullen zijn: Woord en Geest, kaf en koren, strijd en druk, tot op het laatste toe, 91. Of de Kerk nog eens heerlijk zal zijn op deze wereld, 191. Deze zal niet kunnen uitgeroeid worden van deze aarde, 802, 808. Wat wij al door de Kerk te verstaan hebben, 803, 804. De Kerk is een gezelschap van menschen; de uitverkorenen zijn leden van de ware Kerk, en dezen worden uitwendig en inwendig geroepen, 304. Aan hen wordt het geloof geschonken, 305. De middelen waardoor zij tot de Kerk komen, zijn: Woord en Geest, 305, 306. Zulk eene Kerk is er altijd geweest, 806. Deze wordt bewaard, 306, 307, beschermd, en hare vijanden ruineert God, 307. Daar is een triumpheerende Kerk, 807, 808. Waarover deze triumfeert; daar is ook eene strijdende Kerk, 308. Derzelver wapenen, 308, 309. Daar is zulk eene Kerk altijd geweest; de tegenwerpingen van de Papisten worden opgelost, 309, 310. Waaide ware Kerk is, en kenteekenen daarvan, 310. Bij de Gereformeerden is de ware Kerk, 310, 311. Een Christen is een levend lidmaat hiervan, en hij zal het ook eeuwig blijven, 311. Vragen voorgesteld, waar de ware Kerk te vinden, 814. Kenteekenen of men lid van dezelve is, 315, 81(). Opwekking tot zelfonderzoek; plichten voor de vi-omen, 316. Een woord tot troost, 816. De Kerk door de geheele wereld, is een prent van den hemel, 541. Al de zaken kortelijk herhaald.

771-773

Kerkdieverij; zie Stelen.

Kerkelijke weldaden. 793

Keurvorst van Saksen, welke raad hij aan zijn zoon gaf op zijn ziekbed.

166

Kinderen, die vroeg sterven, hoe ouders daaromtrent moeten werkzaam zijn. 55

--misdaden der ouders worden

aan dezelven gestraft, 496,497. Hoe zulks te verstaan zij. ^ 497 ——jong zijnde, worden op den schoot gezet, doch trappen, oud geworden zijnde, de ouders wel eens op het hart; vloek der kinderen die de ouders verachten; opmerkelijk zeggen van een wijs Filosoof daaromtrent, opmerkelijke voorbeelden daaromtrent; blijdschap der ouders die vrome kinderen hebben. 558, 559

--zijn verplicht hunne ouders te

eeren, zulks is een ingeschapen wet, 657. Maar voornamelijk in

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 831-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

825

een kind van God; zijne ouders te eeren, ia een sieraad voor de kinderen onder alle volkeren, 658. De Heere Jezus is een wonderlijk Kind. 198

Kinderen Gods, derzelven plichten, zoo van dankbaarheid jegens God, als jegens zijn naasten. 115. Kenteeke-nen welke kinderen Gods zijn, 196. Wat een kind van God zoekt te leeren, 644, 645. Waaraan men kan weten of men een kind van God is. 655, 656

Kleeding (onreine)] zie Echtbreken. Kleine kinderen, daar ontfermt Zich de Heere over. 384, 385

Kleinste en grootste te gelijk, twist daarover onder de Heidenen; zulks is alleen in den Heere Jezus, en hoe. 198, 199

Klippen, die men mijden moet, om geen ziels-schipbreuk te lijden. 98, 99 Knechten Qods, worden geteekend in den tijd en in de eeuwigheid, en waar mede. 370, 371

Koning, het koninklijk ambt van Christus, kort beschouwd, 754. Ook dat van een Christen. 755

Koninklijk ambt van Christus] zie Christus.

— — van een Christen; zie Christenen. Koninkrijk, van welke rijken Gods Woord spreekt, 671, 672. Welke koninkrijken Gods eigen zijn, 672, 673. Van welk koninkrijk hier inzonderheid gesproken wordt; wat het koninkrijk der genade is, 673, En dit heeft al plaats gehad onder het Oude Testament, 673, 674; inzonderheid in het Nieuwe Testament. De uitwendige en inwendige gedaante hiervan, 674. Waarom genaamd; uw koninkrijk, 674, 675. Hoe het komt, ten aanzien van de uitwendige gedaante, 676, 677; ten aanzien van de inwendige gedaante, 677, 678. Wat een bidder bidt, als hij bidt om de komst van dit koninkrijk, 678, 679. Een ernstig woord tegen elkeen, 679. Kenteekenen of men nog in des duivels rijk is, 679, 680. Kenteekenen of men in \'t rijk der genade is, 680, 681. Een woord van troost. 681

Koninkrijk (Uwe is hef), wat een pleitrede dit is. 727 Koopen en verkoopen op den Sabbat is niet geoorloofd, heeft ook geen zegen. 542 Kostelijkste in den mensch, is de kennis Gods. 184, 186 Kracht Gods, welk een pleitrede voor een Christen. 727

--de Heilige Geest is niet maar

een kracht Gods; maar ook een goddelijk Persoon; zie Geest.

--; zie Voorzienigheid Gods.

Krankheid, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid. Kruisdood, waarom Christus deze heeft ondergaan, 223, 224; en wie hieraan deel hebben. 225—227 Kruisvaarden, is een middel van de reformatie geweest in deze landen. 421 Kissen {onreine); zie Echtbreken. Kwaad der straf, is van God en niet \'t kwaad der zonde. 37, 88

Kwetsen, zichzelven te kwetsen, behoort tot zichzelven te dooden; zie Doodslaan.

ïi.

Tanddieverij; zie Stelen.

,J Lang leven, welk een zegen; zio Vader.

Langzaam was Christus\' dood; zie

.Dood van Christies.

Lasteren, welk eene zonde. 608, 609

---zie Naam Gods.

Latvia, welk een dienst de Papisten hierdoor verstaan. 501

Ljcdigheid; zie Echtbreken.

Leeraar; zie Predikant.

---is \'tgeoorloofd te trouwen; zie

Echtbreken.

Leiden in verzoeking; zie Verzoeking. Leugen, een soort van valsch getuigenis ; velerhande soorten van leugens; wat hij denken moet die de leugens liefheeft. 608—610 Leven van den mensch, is kort en vol van onrust. 11, 12 --{geestelijk), wie dat bezit; kenteekenen daarvan. 255


-ocr page 832-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

826

Leven (eeuwige), volgt op de opstanding; waarin het bestaan zal; wat de ziel 1 liervan geniet aan deze zijde van de eeuwigheid, 323, 824. Wat de ziel zal genieten nadat ze van het lichaam zal gescheiden zijn, 324, 825. Dit eeuwig leven zal heerlijk zijn, uit aanmerking van de plaats en het gezelschap, 825, 326, en door hetgeen zij aldaar zullen ondervinden, 826. Wat het zegt; ik geloof zulk een eeuwig leven, 826, 827. Verscheidenen worden hier overtuigd, 327, 828. Kenteeken of men na den tijd gelukkig zal wezen, 328, 829. Het ongeluk van de onbekeer-den, 329, Een woord tot troost voor Gods kinderen. 830

——, is den mensoh zeer dierbaar,

560—562

--, {wèl te) bidt een Christen van

God. 645 --, voor Jezus te leven, daar worden de geloovigen willig en bereid toe gemaakt; zie Troost.

Lichaam, hoe het met \'t lichaam van een mensch gaat na den dood, 319 En hoe het er namaals mede gaan zal, 320. Hetzelfde lichaam opstaan, en geen ander, 821. Doch daar zal verandering in komen, en welke; en deszelfs heerlijkheid,

322

--en ziel, zullen eeuwig gestraft

worden; zie Straf.

Lichamelijk Brood; zie Brood. Lichamelijke straffen der zonden. 56, 740 Licht, is op den eersten dag geschapen, 181 Liefde tot God, waarin gelegen, en hoe wij God moeten liefhebben, 29 30, Waarom het eerste en het grootste gebod genaamd, 31, Deze is een deugd in het eerste gebod geboden. 487

--tot de naasten, waarin gelegen;

en hoe wij hen moeten liefhebben, 30, 31. Dit tweede gebod is het eerste gelijk. 31 Liefde, een geboden deugd; zie Doodslaan.

--Gods en des naasten, eischt do

wet, 784

Liefde der kinderen tot hunne ouders;

zie Vader.

Liegen\', zie Leugen.

Lichtvaardig zweren; zie Naam Gods. Loffelijkheden Gods; zie God. Lombarden; zie Stelen.

Loof, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid.

Loon, of men God wel dienen mag om loon. God is waardig om gediend te worden, al was er geen loon; God spreekt van loon tot zijn volk, moedigt hen hierdoor aan, 834, en ook dit loon, strekt tot heerlijkheid Gods. 335

•--van de arbeidslieden in te houden, is stelen; zie Stelen.

Losel; zie Hendrik.

Lossers, onder den ouden dag, hun werk, dit wordt op Christus toegepast.

Loterijen; zie Naam Gods.

Louis (St.,) koning van Frankrijk, wat deze getuigt van de Joden, die Christus gekruist hebben. 224 Lucht, op den tweeden dag geschapen. 138 Luiheid, is dieverij; zie Stelen.

Luther aangehaald, 850, 851, 422 Lutheranen,zijn rechtzinnig in het stuk van de rechtvaardigmaking. 345 Lijden van Christus, wie niet geleden heeft; de Middelaar heeft geleden,

215, 216. Hij heeft geleden, in zijne menschelijke natuur, in lichaam en ziel, 216. Wat zijne goddelijke natuur in het lijden heeft gedaan,

216, 217. Wat Hij geleden heeft, den toorn van menschen, 217, 218; van den duivel, 218; en van zijn Vader, 218, 219. Onschuldig heeft Hij geleden, 219, 220; en zeer godvruchtig, 220. Zijn lijden heeft geduurd van het begin tot aan het einde van zijn leven, 221. De personen voor wie Hij geleden heeft, 221, 222. Wat het woordeke, voor, hier beteekent, 222, 228. Waarom Christus onder den wereldlijken rechter heeft moeten lijden, 223. Waarom Hij den kruisdood heeft ondergaan, 223, 224. Jezus\' lijden overtrof het lijden van een marte-


-ocr page 833-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

827

laar, 224. Wij hobhen dezelfdohooze natuur, die in de Joden was, die Christus ter dood gebracht hebben, 224, 225. Middelen om aan het lijden van Christus deel te krijgen, 224, 225. Kenteekenen, of men daar reeds deel aan heeft, 225, 226. De gelukstaat van de geloovigen, 22(). Het gansche lijden van Christus, kort beschouwd. 756—761

Lijden {toil tc) bidt een Christen van God af. 645

M.

l/Taagd Maria; zie Menschwording van

Christus.

Maal; zie Avondmaal.

Maat, wanneer men daarmede steelt;

zie Stelen.

Macht, alle macht of regeering is van God. 141, 142

Maan, door God op den vierden dag geschapen; en van welk een gebruik. 132, 133 Manheim, de residentiestad van den keurvorst van den Paltz. 428 Manna, een buitengewoon Sacrament.

366

Maria {de Maagd); zie Menschwording

van Christus.

Martelaren,zijn middelen geweest voor de reformatie in deze landen. 422 Matigheid; zie Stelen en .Echtbreken. Mededeelbare eigenschappen; zie God. Medewerkingen met alle schepselen;

zie Voorzienigheid.

Meerderheid, of boven zijne naasten te willen zijn, wat zonde. 614

Meineedighcid, wat daarmede gewonnen is, erft niet over; \'t land is daarmede geballast. 527, 528 Mennisten, hebben den naam van We-derdoopers; en waarom, 388. Toen zij eerst te voorschijn kwamen, dreven een gemeenschap van goederen, doch zijn nu wijzer. 589 Mensch, beschreven; hoe God den eersten mensch geschapen heeft; en wie de eerste menschen geweest zijn; dezen zijn van God goed geschapen. 39

Mensch, is door God goed en naar zijn beeld geschapen. 735

—— is op den zesden dag geschapen; zie Schepping.

--•, oude en nieuwe mensch; zie

Bekeering.

Menschendieverij; zie Stelen. Menschwording van Christus; wie mensch geworden is, niet God de Vader, of de H. Geest, maar de Zone Gods; het gansche goddelijk Wezen is geen mensch geworden, de tegenwerpingen van de partijen worden opgelost, 199, 200 Waarom de Zone Gods mensch is geworden, en niet de Vader, of de H. Geest, 200, 201. Hij heeft de ware menschelijke natuur aangenomen, 201, 202. Hoe Christus mensch is geworden; hoe niet, kunnen wij wel begrijpen; maar hoe wel, dat is eene verborgenheid,

202. 203. Eutyches\' en Nestorius\' gevoelen opgehaald en wederlegd,

203. Als mede ook der Socinianen en Mennisten, 203, 204. Wat de Schrift van het hoe zegt; uit kracht van de vereeniging, van Christus\' goddelijke met de menschelijke natuur, komen deze gevolgen,

204. Eene mededeeling van eigenschappen, werken, eeren en gaven, 204. Wie de oorzaak van zijne menschheid is, 205. Hoe Maria hier voorkomt als eene maagd; dat zij eene maagd was, wordt bewezen, 205. Jezus was haar Kind, en zij zijne moeder, 206. Hij was haar eerstgeboren Zoon; tot wat einde Hij mensch is geworden, om de profetiën en de beloften te vervullen; uit welken stam en familie Hij geboren is, 206. Dit is alles in Maria\'s Zoon vervuld, 207, De nuttigheden, die de geloovigen hieruit trekken, zijn; de vrijmoedige toegang tot Hem, en dat Hij medelijden heeft met hunne zwakheden, 207. Dat Hij hun Losser is; het werk der oud lossers kort opgehaald en op Christus overgebracht, 208. Dat Hij zonder zonden is, en met zijne heilige ge-


-ocr page 834-

828

boorte, onze onheilige geboorte bedekt; Gods wijsheid en liefde wordt hierin geroemd, 208—209. Welke de redenen zijn, waarom de menschen met dit leerstuk niet meer op hebben, 210, Kenteeke-nen, of men aan de mensohwor-ding van Christus deel heeft, 210, 211. Plichten voor Gods kinderen, 211, 212. De inenschwording van Christus, kort herhaald, 7B5, 756 Merken, Gods kinderen zijn gemerkt,

870, 371.

Messias; zie Christus.

Metgezel, welke personen geen metgezel lijden. 496, B75, 576 Middelaar, hoedanig een Persoon deze is, 75, 76. Drieërlei Middelaars aangemerkt en op Christus overgebracht ; de voorwaarden van den Middelaar; Hij moet zijn: waarachtig mensch, rechtvaardig mensch; waarachtig God, God eu mensch in eenigheid des Persoons, 76, 84—88. Wie deze Middelaar is, 88. En hoe van God aan zijn volk gegeven, tot wijsheid, rechtvaardig-making, heiligmaking en een volkomen verlossing, 88, 89. Wie die Middelaar is, kan ons de natuur niet ontdekken, 89; maar het Evangelie. Daar is een Evangelie der belofte, der schaduw, der voorzegging en der vervulling, 89—92. Een woord van ontdekking, 92—94. Opwekkingen aan zulken, 94. Middelen om gered te worden, 94, 95. Ken-teekenen, wie aan dozen Middelaar deel hebben, 95, 96. Plichten voor Gods kinderen, 96. Een woord van troost. 96 Middelen, om aan den eenigen troost deel te krijgen. 784 Mirakelgeloof, kort beschouwd. 746 --; zie Oeloof.

Mirakelen zijn er velen, waaruit de godheid blijkt. 117, 118

Misbruiken, wanneer men de wereld misbruikt. 707, 708

Misdaden der vaderen, bezoekt God aan de kinderen. 496, 497

Misdadiger, mag en moet met den dood gestraft worden; zie Doodslaan.

Mishagen over de zonden te hebben, is eene goede eigenschap in een avorulmaalganger. 431, 432

Mis (Paapsche); zie A vondmaal.

Moeder, kan haar kind doodliggen, en onschuldig zijn. 564

Monopolie, wat zonde; zie Stelen.

Moreel, of de Sabbat moreel is; zie Sabbat.

Munt, daardoor kan men dieverij begaan; zie Stelen.

N.

aasten, wio onze naasten zijn. 605,

Nabij God te zijn, welke menschen,

629, 630

Nachtmaal; zie Avondmaal.

Namen (goddelijke), worden ook aan den Zone Gods gegeven; zie Godheid van Christus.

— — des Middelaars; zie Jezus.

--{goddelijke^} worden ook aan den

H. Geest toegeschreven; zie Geest.

--Gods, wat wij hier al door te

verstaan hebben, 510. Hoe die al ijdel gebruikt wordt, 510, 511. De hoofdzonden in dit gebod verboden, zijn, lasteren; wanneer iemand zulks God doet, 511, 512. Vloeken, wat vloeken is; de vromen hebben ook wel gevloekt, echter met onderscheid van de goddeloozen. Lichtvaardig en valsch zweren; zwijgen en toezien, zijn ook groote zonden; eene bedenking opgelost, 512, 513. Loterijen zijn hier ook verboden, 518. Predikanten kunnen ook Gods naam misbruiken, 513, 514. En hoe Gods naam in meer andere opzichten misbruikt wordt. Welke deugden God hier geboden heeft, 515, 516. Die Gods naam misbruiken, zal God niet onschuldig houden, voor de wereldlijke vierschaar, in hun geweten; schrikkelijke oordeelen doet God den zulken ondervinden, 516. De schrikkelijkheid van deze zonde aangewezen ; het vloeken en zweren zijn gemeene zonden in het land, 516. Twee bekommeringen worden op-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 835-

gelost, 516, 517. Kenteekenen, wio Gods naam eeren, 517. Nog een ernstig woord tot een besluit. 518 Namen Gods te heiligen, waarom de Heere Jezus zijnen kinderen daarom eerst doet bidden, 650, 661). De namen Gods moeten wij niet te na bepalen, 660. Wat wij door Gods namen te verstaan hebben, 660, 661. Die naam moet geheiligd worden; hoe het woord heiligen al gebruikt wordt, 661. Hoe God zelf zijne namen heiligt, door het werk der schepping, 661, 662; ook door zijne oordeelen, en in het genadewerk, 662. Hoe een kind van God, Gods naam heiligt met zijn verstand; beschouwende God, zijn wezen, zijn almacht. 662; wijsheid, goed-heid, gerechtigheid, waarheid, 663; barmhartigheid, 664. Hoe een Christen Gods naam heiligt met zijne tong, daden, 664, en gebaren, 664, 665. Wat een kind van God met deze bede van God afbidt, 665. Een woord van toeëigening tot elkeen, 666. Een uitvlucht beantwoord, 666, 667. Kenteekenen, of wij Gods naam heiligen, 667. Zegenwensch aan onbekeerden, overtuigden, en ware bekeerden, een ieder naar zijne gestalte; een zegenwensch voor allen in \'t gemeen. 667—669

Natuur des Menschen, is verdorven door den val, en hoe. 44

——■, noch goddelijke, noch mensche-lijke natuur van Jezus Christus is onze Zaligmaker ; maar wel die beiden te gelijk, en zoo wordt Hij ook van ons aangebeden. 204

Natuurlijke weldaden. 792, 793

Naxos, eiland in den Archipel; en wat daar gebeurde ten tijde van Christus\' dood. 760 Naarstigheid, wat deugd; zie Stelen. Nederdaling van Christus ter helle, waarin dat bestaat, 227, 228. Een vraag daaromtrent beantwoord; wij hebben hier Christus\' zielelijden door te vei-staan, 236. Christus heeft zulk een zwaar lijden ondergaan, 236, 237. De nuttigheden, die hier een geloovige van trekt, 237, 238. Ken-829

teekenen of men hieraan deel heeft.

239,240

Nederigheid, gaat voor de eer, 271, 272. Is de vrucht der beschouwing van God en zijne weldaden. 457

Nestorius, zijn gevoelen, aangaande de menschwordmg van Christus. 203 Nieuwjaars-zegenwensch, 48, 49; zie

ook verder Zegenwensch.

Nieuwe Kerk, lasterlijk voorgeven der Papisten, als ware de Gereformeerden eene nieuwe Kerk, wordt wederlegd. 309, 310

Nieuwe mensch; zie Bekeering. Nieuivsgierigheid, oorzaak van valsche getuigenis. 609

--wat zonde. 559

Nijd, wat zonde; zie Doodslaan. Nooddruft, is geestelijke, lichamelijke en eeuwige. \' 640, 641

O.

/Occasie tot ongerechtigheid, een oor-

zaak van dieverij; zie Stelen. Odo, bisschop van Cantelberg, heeft de transubstantiatie verzonnen.

413

Omhelzen, en verre te zijn van omhelzen, zulk een tijd is er. 257—259 Onafhankelijkheid Gods. 121

Onbekivaam, is de mensch ten goede.

45, 46, 738

Onderhouding van alle schepselen; zie

Voorzienigheid.

Onderscheid tusschen het Avondmaal des Heeren en de Paapsche mis; zie Avondmaal.

Onderzoeken, men moet zichzelven onderzoeken eer men ten avondmaal gaat; zie Avondmaal. Oneindigheid van God den H. Geest, kan men onderscheidenlijk aanmerken.

292

Ongelukkige doodslag is niet strafbaar;

zie Doodslaan.

Ongeoorloofde doodslag-, zie Doodslaan. Onkuisch gezelschap-, zie Echtbreken. Onkuische tochten-, zie Echtbreken. Onkunde, waarom die zoo groot is. 195

--en afkeerigheid is een deel van

onze ellende; zie Ellende. Onmachtig is de mensch om zich-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 836-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

830

zeiven ten goede to verandoren; zie Onbekwaam.

Onmededeelbare eigenschappen; zie God. Onmogelijke dingen, die den mensch altijd volstrekt onmogelijk zijn geweest, eischt God niet; maar dingen, die den menscli onmogelijk zijn door toeval. 52, 53

Onnatuurlijke daden, strijden tegen

het huwelijk; zie Echtbreken. Onrecht, doet God den menscli niet, als Hij van hem eischt in zijn wet wat hij niet doen kan; dit wordt opgeklaard, door voorboel-den onder de menschen. 53, 739, 740 Onreinheid, door den doop af te was-schen, waarin het bestaat. 375 Ons brood\', zie Brood.

Onschuldig houden (niet),zie Nam en Gods. Ontfermen, God ontfermt Zich over de vreemdelingen, weduwen, weezen, en kleine kinderen. 384

Onvergeeflijke zonden, of zonden tegen

den H. Geest; zie Geest. Onvergenoegd te zijn\', zie Begeeren. Onvolmaaktheid der heiligen, reden waarom God zijn kinderen dus doet zijn, 625—627, 691, zie verder Begeeren.

Onvruchtbare jaren, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid.

Oogen, die onkuisch zijn; zie Echtbreken. Oorblazen, welk eene zonde. 696 Oordeel (\'t laatste), dat er zulk een oordeel zal zijn, weten de goede en de kwade engelen, 275. Ook alle menschen, 275. Ook wordt het bewezen uit het Woord, 276, Daar zijn reeds drie oordee-len vooraf gegaan, 276. De overste der wereld is reeds geoordeeld, 277. Wie niet en wel hier rechter zal zijn, waarom de Middelaar hier Rechter zal zijn, dit zal Gods kinderen vrijmoedig doen zijn, 277. Het is eene groote verandering in den Rechter, 277, 278. Hij zal op de wolken verschijnen; het teelten dat vooraf zal gaan; dat gehoord zal worden; dit oordeel zal schrikkelijk zijn, 278. De engelen zullen hier tegenwoordig zijn, 278.

Do menschen zullen onderscheiden worden; do duivelen zullen geoordeeld worden, en waarover, 279. Ook zullen alle menschen geoordeeld worden, en waarover, 279,

280. Het zal geschieden, volgens het boek der verkiezing, het geweten, des Woords, der armen; het vonnis zal eerst over de vromen uitgesproken worden, 280. En hun vonnis zal liefelijk wezen,

281. Onderzoek, of de zonden der geloovigen in het oordeel, zullen gedacht worden in het oordeel, 281, 282. Het vonnis der godde-loozen, 282; en dit zal door de engelen uitgevoerd worden, 283, Het vonnis der vromen zal ook aanstonds door de engelen uitgevoerd worden; wat de Zoon dan tot den Vader zal zeggen; wanneer dat oordeel zal gehouden worden; of men nog een heerlijken Kerkstaat te wachten heeft, 284. Velen worden hier overtuigd; hunne valsche gronden weggenomen; een ieder zal dan rekenschap moeten geven, 284. Welke menschen het \'t naarst in het oordeel zullen hebben, 284, 285. Welken niet buiten zullen gesloten worden, 286, 286. Plichten voor Gods kinderen.

286, 287

Oordeel {\'t laatste) met al zijne omstandigheden, zal zeer verschrikkelijk zijn voor de goddeloozen; maar niet voor de vromen. 317,318

--kort herhaald. 766—769

--- wanneer men zichzelven een

oordeel eet en drinkt in \'t avondmaal. 410 Oordeelen, hoe God zijn naam daardoor heiligt. 661 Oorlog {wettige), welke deze is, mag gevoerd worden, en den doodslag die daarin geschiedt, is geoorloofd ; zie Doodslaan.

—— {geestelijke)\', zie Verzoeking.

Oost- en West-Indische Kamers, hoe ruim de eed aldaar gedaan wordt.

527

Ootmoedigheid, eene deugd in \'t eerste gebod geboden. 487


-ocr page 837-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

831

Openharen, Christus heeft na zijne opstanding zich aan verscheidenen geopenbaard. 249, 250

Openen {het hemelrijk); zie Sleutelen.

Oprecht geloof-, zie Geloof.

Opstanding van Christus, het woord opstanding kort beschouwd; waarom Christus niet eerder, en waarom niet later is opgestaan; de natuur van zijne opstanding, 245. Hoe zijn lichaam en zijne ziel was na zijne opstanding; deze opstanding wordt toegekend aan den Drieëenigen God, aan den Vader, aan den Zoon, 246, aan den H. Geest, 246, 247. Waarom het den Vader wordt toegeschreven; wanneer Christus is opgestaan, omtrent zeventienhonderd jaar geleden, op het Paaschfeest, 247. Op den eersten dag der week; wat wij hieruit te leeren hebben,

247, 248. \'s Morgens vroeg, waarom; op den derden dag, waarom,

248. Christus is waarlijk opgestaan, 248—251. De noodzakelijkheid hiervan, voor de geloovigen, is de rechtvaardigmaking, heiligmaking en heerlijkmaking. Het ongeluk van

. de Joden beschouwd, 252. Dezelfde straffen van de Joden hebben wij ook te wachten, omdat bij ons dezelfde zonden zijn, 252—254. Ken-teekenen, of men aan de opstanding van Christus deel heeft, 254, 255. Het geluk van des Heeren volk, 255, 256. De opstanding van Christus kort beschouwd. 703—765

Opstanding des vleesches, deze is mogelijk, opgehelderd met vele zaken, 320, 321. Ja, volkomen zeker; bewijzen uit het Woord, 320, 321. De dooden zullen met dezelfde lichamen opstaan, 321, 322. En die lichamen zullen heerlijke hoedanigheden bezitten, 322, 323. Alle menschen zullen opstaan zonder oiulerscheid; die dan nog leven, zullen veranderd worden. Door Christus\' kracht zullen de dooden opgewekt worden, als God, als Middelaar, als Rechter, 323. Dit leerstuk kort herhaald. 773, 774

Opstanding van den nieuwen mensch;

zie Bekeering.

Orde, God is een God van orde in

vele opzichten. 438, 439

--in het Onze Vader. 658

Oude mensch\', zie Bekeering.

Ouderdom (gewoonlijke). 11, 12

Over alomtegenwoordig, is Christus niet naar zijne menschelijke natuur geworden, door zijn hemelvaart i zie Hemelvaart.

Overspel, zoo enkele als dubbele, strijdt tegen het huwelijk; zie Echtbreken. Overtreding van Adam, het beleid Gods daarin, 42. Ook dat van den duivel. 43

1\'.

TMtz (keurvorst van den) heeft zijne re-sidentie van den Paltz naar Manheim doen veranderen, ter oorzake dat do Gereformeerden de tachtigste vraag in den Catechismus niet wilden uitdoen, of veranderen. 427, 428 Papist, of die wel in zijn religie kan zalig worden, en of er onder de Papisten wel zalig zullen worden ; en wolken die zijn. 166, 167

Papisten, hoe en op welke wijze zij de Gereformeerden vervloeken, 502. Zijn een groot kwaad in ons land, 605. Wat men daarvoor doen moet. 420

Pascha, kort beschouwd. 783

—— zie Sacrament.

Paskwillen, is een soort van valsche

getuigenis; zie Valsche getuigenis. Paulus, (Paus) III, het Concilie van Trente onder zijn opzicht gezeten, daar is de transubstantiatie vastgesteld. 413 Pelagianen, heele en halve; hun gevoelen in \'t stuk van de rechtvaardigmaking. 347 Persianen, aanbaden de zon. 493 Personen in het goddelijk wezen, meer dan een, wordt bewezen, 121. En wel dat er drie zijn, zoo uit het Oude als uit het Nieuwe Testament, 122, 123. Een goddelijk persoon is de H. Geest; zie Geest.


-ocr page 838-

882

Philippus, Landgraaf van Hessenkas-sel, aangehaald. 8B0

Philistijnen, welk een afgod zij gediend hebben. 494 Philosoof (Heidensch), zijne vraag omtrent het wetten maken. 52

--in Griekenland, wat hij zeide

toen Christus leed. 760

Pleitkunst, leert de H. Geest aan de rechte bidders. 634

Pluimstrijken, een soort van valsohe

getuigenis; zie Valsche getuigenis. Praag, {Hieronymus van), wanneer verbrand. 415 —— aangehaald.

Praktijk, kenteeken wie deze beminnen, 463. En deze behoort tot de religie. 4B2, 463

Predikanten, sommigen maken weinig gewag van de getuigenis des H. Geestes; en waarom, 289. Welke hoedanigheden zij dienen te bezitten, om hun ambt waar te nemen, 411, 412, 441, 442. Zij zijn der gemeente goed, in welk opzicht wordt aangewezen, 423, 424. In do eerste Christenkerk werd hun gegeven een sleutel, een ring; en wat dat beduidde, 441. Heer-schende zonden onder dezelven, wanneer zij tafelvrienden van de grooten worden, 448. Natuurlijke predikanten, maken dikwijls eene gewoonte de vromen te lasteren; geen slimmer lasteraren van de vromen, dan de natuurlijke predikanten; droevige gevolgen daarvan, Bil. Wanneer zij Gods naam misbruiken, 513, Wat zij daardoor op zich halen, 613, 614. Anderen maken zich aan het derde gebod schuldig, 614. Het zeggen van sommige predikanten dat de wet zoo scherp niet moet gepredikt worden; wederlegd. 626, 627 Predikants-bediening, is een zware bediening. 440 Prediken, laat God de wet, en dat

wel scherpelijk; zie Begeeren. Prelaten, welke in \'t Concilie van Constans voor de afschaffing des bekers zijn geweest in \'t H. avondmaal, en welken niet. 416

Priesterambt van Christus, kort vertoond. _ 763, 754 --van een Christen, kort vertoond.

754

— — zie Christenen.

Priesters, van welken men leest in \'t Woord; waaruit het blijkt dat de papen geen ware priesters zijn.

426, 427

Prodigaal leven-, zie Stelen.

Profeet, het profetische ambt van Christus, kort vertoond, 763; zie Christus.

---het profetisch ambt van een Christen kort vertoond, 764; zie Christenen. Profeten, hebben den tijd, de plaatsen, en omstandigheden der geboorte van Christus voorzien; en gesproken van zijne namen, naturen, ambten, staten en weldaden. 91

K.

\'jDaad (de eemvige), wordt genaamd de verkiezing, verklaring daarvan. 87

---des vredes, tusschen de drie

goddelijke Personen in \'t goddelijk Wezen; ontdekking daarvan in den beginne, zonder geschreven woorden; en waarom. 89, 90 Reformatie, middelen hoe in deze landen gekomen, 421, 422. Vóór deze, is de Kerk er geweest. 308 —310 Regeering over alle schepselen; zie

Voorzienigheid.

Regen, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid. Regenten en onderdanen, staan te za-men in een contract. 666

Regiment, Christensoldaten weigerden den afgod te offeren; wilden liever allen sterven. 496

Recht Gods, is dat, die de zonden moet doen sterven, dat dit elk klemt, door voorbeelden aangewezen; wat er gebeurt waar dat recht op \'t hart valt, 82. En wat God aan zulk eene ziel bewijst. 83

Rechterhand Gods, de hemelvaart van Christus is onderscheiden van zijn zitten aan de rechterhand Gods; God heeft eigenlijk geen rechter-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 839-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

833

hand, 273. God wordenmensclielijko leden toegeschreven; daar is een rechterhand in het Woord Gods toegeëigend, van zegeningen, van liefde, nabiiheid, 273; van kracht en sterkte, 273; van eer, 273; de eer en heerlijkheid, iie de Middelaar aan de rechterhand van zijn Vader geniet, 273, 274. Wat het zitten aan de rechterhand Gods te kennen geeft. 275

Rechtsgeleerden, kunnen valsche getuigenissen geven.\' 606, 607. Rechtvaardig mensch moet de Middelaar zijn; en waarom. 85, 86 Rechtvaardigen zullen allen, alleen en volkomen zalig worden. 97, 98 Rechtvaardigheid Gods, moet voldaan worden; doch daar is het geheele schepsel onbekwaam toe. 742, 743 Rechtvaardigmaking beschreven; God rechtvaardigt, om de dadelijke en lijdende gehoorzaamheid en gerechtigheid van Christus; de uitverkoren zondaar wordt gerechtvaardigd, 835. De rechtvaardigmaking, is niet eene verandering van \'s menschen gemoed; maar eene rechterlijke daad, dit wordt bewezen tegen de Papisten, 335, 336. Al wat in een rechtbank plaats heeft, heeft hier ook plaats; hier is een Rechter, God de Vader; Deze wordt voorgesteld in zijne heerlijke hoedanigheden, 336, 387. De patiënt, of de gedaagde, beschouwd ; de getuigen, de aanklagers, of de beschuldigers, zijn: de duivel, de wet, het gezelschap, het gemoed, of het geweten, 337. De voorspraken, of de Advocaat en zijn werk, beschouwd; de H. Geest en zijn werk beschouwd in de rechtvaardigmaking, en hoe dan zulk een bewrochte zondaar werkt door het geloof, 838. Wat nu God de Vader, als Rechter doet, vergevende hunne zonden om Ohi-is-tus\' gerechtigheid, 838, 889. Deze gerechtigheid wordt hun toegerekend, en dat is niet ongerijmd. De gronden van deze toerekening, 889. De gerechtigheid van Christus wordt door het geloof aangenomen; en hoe het geloof in de rechtvaardigmaking niet en wel te pas komt, 839, 840. Wat een Christen te kennen geeft, als hij zegt: ik geloof, 340. Daar is groote nuttigheid in God te dienen, voor zich-zelven en voor anderen, 341. Ongeluk van zulken, die aan dit leerstuk in de bevinding geen deel hebben, 341, 842. Raad aan zoo-danigen; kenteekenen of het wèl met ons staat, 842. Eene zwarigheid van eene bekommerde ziel opgelost en haar bemoedigd, 842, 348. De rechtvaardigmaking en de heiligmaking, zijn twee weldaden van het verbond der genade; verschillend van, en gepaard gaande met elkander, 344, 845. Wie in het stuk van de rechtvaardigmaking al dwalen, hun gevoelen opgehaald, als de Heidenen. 346; de Joden, 846; Mohammedanen, Pelagianen; dezen hebben een drieërlei weg om zalig te worden uitgevonden: de halve Pelagianen, Remonstranten en Socinianen, 847; de Papisten, 847, 348. Het gevoelen van Vlak; het gevoelen van de Gereformeerde Kerk, 348. Onze goede werken kunnen onze gerechtigheid noch geheel, noch ten deele zijn, 848—351. De tegenwerpingen van de Papisten opgelost, 861, 352. Onze leer maakt geen zorgelooze, of goddelooze menschen, 353; maar integendeel, een gerechtvaardigde zoekt heilig te leven, 853, 854. Hier worden overtuigd, onkundigen,854; goddeloozen, die paapsch in hun hart zijn; en welken die zijn, 854; ook worden de zorgeloozen ontdekt, 354, 355. Kenteekenen of men een gerechtvaardigde is, 355, 356. Eene zwarigheid van een bekommerde opgelost en bemoedigd, 856. De rechtvaardigmaking kort beschouwd. 774—776 Rechtvaardigmaking, is een vrucht van Christus\' opstanding; zie Opstanding van Christus.

--, is Jezus voor de zijnen; zie

Middelaar.


63

-ocr page 840-

834

Religie beschreven, drie hoedanigheden van de ware religie, 14. Vele dwalende religiën voorgesteld, IB. Tot de religie behooren kennis, het zaligmakend geloof, en een goede wandel. 451, 4B2 Rederijkers, zijn middelen geweest van de reformatie in deze landen. 421 Rechter {wereldlijke), waarom Christus daaronder heeft moeten lijden.

223

--, hoe die een valsohe getuigenis

kan geven. 606, 607

--in de rechtvaardigmaking; zie

Rechtvaardigmaking.

--ten jongsten dage; zie Oordeelen.

Rechterlijke daad, in de rechtvaardigmaking ; zie Rechtvaardigmaking. Roël {de Professor), zijn gevoelen, dat de dood der geloovigen een straf van de zonde is; dat gevoelen is ook der Socinianen en Remonstranten. 234 Romeinen {de oude), hadden geen wet tegen de kinderen, die hunne handen aan hunne ouders sloegen; en waarom niet. B58, 569 Roode zee, een buitengewoon Sacrament. 336 Rome, verlost een kind zijn vader uit de vlam des vuurs. 551 Romve klomp, is op den eersten dag geschapen. 132 Rooverij; zie Stelen.

Rijkdom, geen stof van roem. 170,171 — — daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid.

Rijken\', zie Koninkrijk.

H.

tfabbat, daar is een Sabbat van ^ God; daar zijn er verscheidene van de Joden; in het Nieuwe Testament is er een Sabbat van Christus; een Sabbat van Gods kinderen, 532. Gedenk den Sabbatdag, wat dit zegt, 532, 533. Dat gij dien heiligt, hoe zij dezen dag moesten doorbrengen, 533. Zes dagen zult gij arbeiden, hoe deze woorden moeten verstaan worden, 533. Op den zevenden dag zult gij geen werk doen, wat voor werk zij niet mochten doen, en wie zulks niet mochten doen, 533. Welke werken immers op don Sabbat mochten gedaan worden, 533. Hoe de Heere dit gebod aandringt, 534. De Sabbat is zoo haast ingesteld, toen God zes dagen gearbeid had, 534, 535. En de tegenwei-pingen opgelost, 535, 536. Do Sabbat is eeuwigdurend ten opzichte van de zaak, en niet ten opzichte van den tijd; eene zwarigheid opgelost; of er ook iets ceremonieels in dit gebod is^ wordt onderzocht, 536. Welke het eeuwigdurende is in den Sabbat, 536. Dat do Sabbat eeuwigdurend is, wordt bewezen, en eenige zwarigheden worden opgelost, 537. De Sabbat is veranderd van den zevenden dag op den (iersten, door een goddelijk gezag, 538, 539. De tegenwerpingen worden opgelost, 539, 540. Wat werk er verricht moet worden; waarvoor de regenten mooten zorgen, 540, 541. Welke plichten de gemeente op dien dag te verrichten heeft, 541, 542. En dus moet men den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvangen, 542. Velen worden hier bestraft, 542, 543. Den zondaar zijn ongeluk aangewezen, 543. De plichten van de regenten aangetoond, 543, 544. Ook die van leeraars, ouders en mees-sters, 544. Plichten, die wij allen te betrachten hebben voor en op den Sabbatdag, 544. Een woord van vertroosting voor de rechte Sabbathouders. 545

Sacrament beschreven, daartoe behoort een teeken, dit wordt tegen de Papisten staande gehouden; heilige teekenen, waarom dus niet en wel genaamd; ook zijn het zichtbare teekenen, van God ingesteld, 362. Zij strekken tot verzekering en verzegeling, 362, 363. Wat de Socinianen, Remonstranten en Mennisten daar van maken; dat de Sacramenten zegelen zijn, wordt bewezen, 363. Het Woord en

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 841-

de Sacramenten, wijzen op Christus\' slachtoffer; het onderscheid, tusschen het Woord en de Sacramenten, 364. De Sacramenten van liet Oude Testament zijn dezelfden met die van liet Nieuwe Testament in wezen, maar onderscheiden in omstandigheden, 364, 365. De gewone Sacramenten van het Oude Testament, zijn: de Besnijdenis en het Pascha; die worden kort beschouwd: de buitengewone zijn: de Roode Zee, het manna, het water uit de steenrots, de staf van Aaron, 366; de koperen slang. Onder het Nieuwe Testament zijn er twee: de H. doop en het H. avondmaal; de vijf paapsche Sacramenten worden verworpen, 366. Verscheidenen worden hier overtuigd, 366, 367. Kenteekenen of men een bondeling van \'t genade-verbond is, 869. Een woord van opwekking, 369. Dit leerstuk wordt kort herhaald. 782, 783

Schamen, Paulus schaamde zich het Evangelie niet. 731, 732

Schaamte, welk eene deugd; zie Echtbreken.

Schapen en hokken, hun rang in het laatste oordeel; noodzakelijkheid om te denken in welk een rang wij zullen gesteld worden; en uitvluchten der zorgeloozen daartegen. 284, 285

Schepper\', zie Schepping.

Schepping, verschillende gedachten over den oorsprong der wereld, zoo van Heidenen als van anderen, opgehaald, 129. Wat een Christen hiervan zegt; het scheppen is bijzonder eigen aan den Vader, den eersten Persoon, 129, doch niet met uitsluiting van den Zoon en den H. Geest, 130. Het woord scheppen in derzelver verschillende betee-kenissen; en hoe het hier genomen moet worden, 130,131. HetHeelal is uit niet, en uit een onbekwame stof geschapen. Op den eersten dag heeft God den hemel der hemelen geschapen, de engelen, de ruwe klomp, het eerste licht. Op den

835

tweeden dag: het uitspansel, de diepte, do ruimte en de lucht, 181; drijvende wolken. Op den derden dag maakte God het droge, en de zeeën; de aarde versierde Hij en maakte dat zij vruchtbaar was. 132. Op den vierden dag: de zon, do maan en sterren; hun werking, en wat gebruik wij van dezelven te maken hebben, 133. Op den vijfden dag de vogelen, de visschen van allerlei soort. Op den zesden dag de dieren van allerlei soort, ook den mensch; deze bestaat uit twee deelen, ziel en lichaam, en is naar Gods beeld geschapen; Gods genoegen over het geschapene, en zijn zegen over hetzelve, 183. Wanneer God alles_ geschapen heeft; het schepsel is niet van eeuwigheid; de wereld, hoelang deze geweest is en zijn zal, 134. Er is maar eene wereld, deze is wijd en groot, doch eindig, 134. En wanneer geschapen, 135. Hoe het geloof eens Christens omtrent dit stuk werkzaam is, ook in een hartelijk vertrouwen, 135, 136. En daar hebben zij grond voor, 137. .Verscheidenen worden hier overtuigd, 137—189. Kenteekenen welken aan God als Schepper deel hebben, 139. Plichten die zulke menschen te betrachten hebben, 140; dit wordt kort herhaald. 750, 751 Schepping, hoe God daardoor zijnen naam heiligt. 660,\' 661

Schepselen, daarin blinkt de godheid ( uit. 117

Scherp laat God de wet prediken,

en waarom; zie Begeeren.

Schild des Geloofs, wat. 808

Schoenen, van de bereidwilligheid des Evangelies, wat. 808

Schulden, waarom de Zaligmaker deze bede met het woordje en, hecht aan de voorgaande 709. De zondenschulden zijn velen, 710. Waarom do zondenschulden genaamd worden, 710, 711. Overeenkomst met een schuldenaar in het geestelijke, en een schuldenaar in

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 842-

83(5

het lichamelijke, 711. Op welk eene vergeving hier den bidder al het oog heeft, 711. De verschillende spreekwijzen, waardoor de vergeving der zonden wordt uitgedrukt; de vergeving beschreven, en wat de bidder bidt als hij smeekt om vergeving, 712—713. Schuldenaren zijn verscheidenen, welke hier niet en wel moeten bedoeld worden, 714. Wat het zegt: zijnen schuldenaren te vergeven, 71B. Hoe het woordje gelijk niet en wel verstaan moet worden, 715, 716. Hoelang wij deze bede moeten bidden, 716. Velen worden hier overtuigd en hunne uitvluchten opgelost. 717. Kenteekenen of ons de zonden vergeven zijn, 718, 719. Een ieder wordt voor het stuk geroepen. 719

Schuldenaren •, zie Schulden.

Sententie\', zie Oordeel.

Sefarvietcn, welk een afgod zij dienden. 493 Sieraad der vromen, waarin het bestaat. B82 Sieraden aan de leden, geven aanleiding tot overspel; zie Echtbreken. Simonie, wat zonden. 593 Slang heeft de duivel gebruikt om den eersten mensch te verleiden.43

--(koperen), een buitengewoon

Sacrament. 366

Sleutelen, deze zijn geen eigenlijke, waarvan sleutelen in het burgerlijke zinnebeelden zijn, 440, 441. En in \'t kerkelijke; de sleutelen der Kerk zijn twee, een sleutel der kennis, en deze ia Schriftuurlijk, 441. Sleutel der straf of den ban; deze moet zoo niet geoefend worden, als wel in \'t Oude Testament, zij is zeer schrikkelijk, 441, 442. De sleutel der kennis, of de verkondiging van het H. Evangelie, van wien dien niet en wel mag gebruikt worden, 442. Welke hoedanigheden een predikant moet bezitten om het Woord te verkondigen, 443. Hoe een leeraar door deze sleutel het koninkrijk opent, 444. Hoe het hemelrijk gesloten, en do hel geopend wordt 444—446. Op welke wijs dit moet geschieden, 446. Deze sleutelen zijn zeer oud, 447. Zij zijn zeer noodig, 447. Verscheidene leeraars worden hier overtuigd, 447, 448; ook de groeten, 448, 449. Kenteekenen, of voor ons den hemel open is, of zijn zal, 449. Nog een ernstig woord. 450

Sluiten (het hemelrijk;) zie Sleutelen. Socinianen, hun gevoelen omtrent Gods gerechtigheid voorgesteld, en wederlegd, 71—73. Hun gevoelen wegens de menschwording van Christus wederlegd, 202, 203. Ook omtrent den dood der geloo-vigen; en ook die van de Remonstranten. 234 Sodomitische zonden\', zie Echtbreken. Spelen, een zonde; zie Stelen.

Spel; zie Echtbreken.

Spiegels (valsche) in de leer, en welke die zijn. 34

Spoelingbeker, door de Papisten den leeken toegestaan. 416

Stad, de Heere is aldaar, wat \'t be-teekent. 192

Staf van Aiiron, een buitengewoon Sacrament. _ 366

Stelen, elk mensch heeft zijn eigen goed, hetgeen tegen de Mennisten beweerd wordt, 689. Wij moeten zorgen dat wij het rechtvaardig bezitten, 590. Menschendieverij, veedieverij, 590. Huisdieverij, 591, 592. Landdieverij, hoe die al begaan wordt door regenten, en anderen, 592. Kerk- en armendie-verij; wie zich daaraan al kunnen schuldig maken, 593. Zee-en struik-rooverij, de straf van deze zonden, 593. De dieverij onder schijn van recht; dit geschiedt mot geweld, 594. Ook met de el, gewicht, waren en maat, 594. Ook door monopolie, 595. Met de munt, met woeker, lombardon, 595. Ook geschiedt de dieverij, door allerlei booze stukken en aanslagen, als door: loterijen, dobbelen, spelen, 596. Contracten te breken, loon van de

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 843-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

837

arbeidslieden niet te betalen, luiheid, bedelen, bankroet te gaan,

596. Het verlorene niet op te zoeken en weder te geven, B9G, B97. De wortels van de zonden van dieverij, zijn: verkwisting, verkwistend leven, gierigheid; deze zonden worden beschreven en nader uitgebreid; uit de gierigheid spruit afgoderij,

597. De deugden hier geboden, zijn: gerechtigheid te oefenen,

598. naarstigheid, zich te wachten voor luiheid, matigheid, vergenoegd te zijn, den armen Christelijke handreiking te doen, 698; een ernstig woord tot elk mensch; de oorzaken van dieverij zijn: het geld lief te hebben, gelegenheid tot ongerechtigheid, hoovaardij, brasserijen, 599; gekleed te gaan boven zijn stand, 599, 600; met diefachtige menschen om te gaan, middelen om zich te ontdoen van hetgeen men gestolen heeft. Verschillende tegenwerpingen van zulken, die gestolen hebben, beantwoord. 600. De oordeelen Gods worden hun voorgehouden, 600, 601. Daar is genade voor zulken, dien die zonden recht betreuren en zich bekeeren, 601. Middelen om voor dieverij bewaard te worden, als daar is de alwetendheid Gods, en meer anderen, 601. Een woord van vertroosting aan arme vromen; nog een ernstig woord tot een besluit. 602

Steenrots, een buitengewoon Sacrament. 366 Sterflcunst, bidt een Christen van God.

644, 645

Sterk Geloof; zie Geloof.

Sterkte, geen stof van roem. 184, 185 Sterren, door God op den vierden dag geschapen. 138

Sterven {wèl te); zie Sterfkunst.

Stom en doof geboren {een mensch) wat indrukken deze van God had. 117 Straffen, God straft de zonden, dit wordt bewezen uit het Woord en uit de voorbeelden, 54. En dit neemt Gods lankmoedigheid niet weg, 55. God straft de aangeboren of erfzonde, ook de dadelijke zonden, 55. De straffen worden onderscheiden, de lichamelijke, 56; de geestelijke. 57; de eeuwige, 57, 58. Zijnde een straf van gemis; wat een rampzalige al missen zal, 58. Een straf van gevoel in ziel en lichaam, 58, 59; en dat God de zonden zoo straft, is volgens zijne rechtvaardigheid, 60. Eene zwarigheid opgelost, hoe God de zonden van een eindig schepsel met eeuwige straffen straft, 60, 61. Niettegenstaande God barmhartig is, zoo wil Hij de zonden evenwel straffen, 61. Dit alles moet nu strekken, om tot den waren troost te geraken,62. De ellende van den zondaar, in zijne verzwarende omstandigheden voorgesteld, 62, 63. Welke menschen de zwaarste straffen in de hel zullen hebben, 63. Eenige zaken ter bedenking aan dezulken voorgesteld, 63. Middelen ter redding, 64. Plichten voor de godzaligen, 65; alles kort herhaald.

740, 741

Straffen, die God brengt over de beeldendienaars. 499

--- is een deel van onze ellende;

zie Ellende.

Struikrooverij; zie Stelen.

Strijd, vele zijn do overeenkomsten, tusschen den lichamelijken en den geestelijken strijd. God wekt de zijnen tot den strijd op. 720, 721 Strijdende Kerk-, zie Kerk.

Student, als deze onder de Joden gepromoveerd werd, wat men aan hem gaf en tot hem zeide. 440 Suspitiën\', zie Bijgeloof.

—— (kwade), welk eene zonde. 606

T.

rnnfel in \'t tweede Sacrament. 398

Tafelen van de ivet; zie Wet. Teeken, dat voor hot laatste oordeel zal gaan. 277, 282 Teekenen, krijgen den naam van do beteekenende zaak. 863 ---- Gods kinderen zijn geteekend.

370, 371


-ocr page 844-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

838

Tcelcenen in don H. doop en \'t H. avondmaal; zie Doop en Avondmaal. —— zijn de Sacramenten; zie Sacramenten.

Teil {Willem), grondlegger van de Zwitsersche vrijheid. 494

Tempelen des II. G-eestes, waarom de lichamen der geloovigen dus genaamd worden. B88 Thamus; zie Naxos.

Theodosius {de keizer,) hoe hij behandeld is van den bisschop Am-brosius; en hoe de keizer zich vernederde. 445, 446

Thisry, welk een maand bij de Joden. Toezien-, zie Naam Gods.

Tong {valsché), in den omgang. 606 —— hoe een Christen daardoor Gods

naam heiligt; zie Naam Gods. Toorn Gods, die is sterk. 227, 228 —— de wortel van den doodslag;

zie Doodslaan.

Tooverij, beschreven en aangewezen.

486

Transubstantiatie; zie Avondmaal. Trappen van Jezus\' verhooging. 245

--van vernedering; zie Lijden

van Christus.

--tot de zonden in den H. Geest;

zie Geest.

Trente {Concilie van); zie Concilie. Treurigen, waardoor zij niet en wel kunnen vertroost worden. 12, 13 Triumfeerende Kerk] zie Kerk.

Troost van een Christen, bestaat hierin, dat hij niet meer zichzelven is, 15, 16; maar Jezus eigen, 16,17. De gronden hiervan: Hij is het eigendom van een getrouwen Zaligmaker, 17. Van Christus den Gezalfde, 18. Jezus heeft hen met lijf en ziel gekocht, en voor al hunne zonden volkomenlijk betaald; van het geweld des duivels verlost; Hij bewaart hen nauw, 18. En het moet hun alles medewerken ten goede, 19. Zij moeten den Heere danken, dat zij in velerlei verzoeking geleid worden; Hij verzekert hun het eeuwige leven, en maakt hen van harte gewillig en bereid om voor Hem te leven, 19, 20. De middelen om aan dezen troost deel te krijgen, zijn: kennis van ellende, 20; verlossing en dankbaarheid. Onze religie is de beste; verschei-denen worden hier overtuigd, 20,21. Eenige gemoedelijke vragen voorgesteld, 21, 22. Het ongeluk van zulken, die geen deel hebben aan dozen troost, 22. Gods volk, dat klaagt dat het niet verzekerd is, bemoedigd, 22, 23. Dit wordt kort herhaald. 732—734

Tromv, zijn ouders te bewijzen; zie Vader.

Tuischen en loten, en dergelijke is Gods naam misbruiken. 513

Turksche keizer, zijn gebed. 641

Tijd, welken tijd wij wel dienen waar te nemen. 530, 531

— — is er om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen.

257, 258, 762, 763

---Geloof] zie Geloof.

Tijdig was Christus\' dood; zie Dood van Christus.

U.

JTitkomsten, zijn bij den Heere tegen \'■ een drieërlei dood. 82, 83

Uitkoopen, welke tijden dienen uitgekocht te worden. 530, 531 Uitspansel, is op den tweeden dag geschapen. 132

Uitverkorenen, zullen op alle tijden op een en dezelfde wijze zalig worden. 91, 92

V.

\'XTadcr, God Vader, hoe Deze voor-\' komt in het Woord, in zijne werkende huishouding, 115. Schoone gronden van een kind Gods, om God zijn Vader te noemen, 136, 137. Wat daartoe vereischt wordt, 137, 138. Kenteekenen van een, die daartoe wol gesteld is, 139. Wanneer iemand in volle kracht zoo genaamd wordt, dit wordt op den Heere overgebracht, 396, 397. Hoe het woord Vader al gebruikt wordt in het Woord, 646. Hoe


-ocr page 845-

do eerste Persoon in de Heilige Drieëenheid Vader genaamd wordt; Vader genaamd vóór den val, lioe na den val met betrekking op Israël, 640,647. Waarom Hij Vader, genaamd wordt in de genade 647. Waarom de Heere Jezus ons God dus leert aan te spreken met dezen naam, 648, 649. Waarom Onze Vader, 649. Waarom er de Heere Jezus bij doet; Die in de hemelen zijt, 6B1, 652. De geloo-vigen van het Oude Testament, hebben God als hun Vader aangesproken, 653, 654. In welk een zin een onbekeerde. God niet en wel zijn Vader mag noemen, 654. Een geloovige mag God altijd, als zijn Vader aanbidden, 654, 655. Kenteekenen, of wij kinderen van God zijn. 655, 656

Vader (eeuwige), is de eerste Persoon van den tweede; ook is Hij de Vader van de geloovigen; en om wat reden dus genaamd. 752 —— en moeder, wie wij hierdoor in \'t burgerlijke te verstaan hebben; en waarom dus genaamd, 548. Vaders in het kerkelijke; vóór den val was God de Vader van den mensch; na den val is het de duivel; en door de wedergeboorte is het God, en de leeraren die God in de wedergeboorte gebruikt, 548. Vaders en moeders in \'t natuurlijke, 549. Welke vaders en moeders hier te verstaan zijn. Waarom in dit gebod de vader voor de moeder geplaatst wordt; en dan eens de moeder voor den vader, 549. Wat het zegt dezen te eeren, 549, 550. Hen lief te hebben ; en waarin dit gelegen is, 55p,

551. Trouw te bewijzen, en waarin al gelegen, 551, 552. Ook den ouders te gehoorzamen, en op welke wijze,

552, 553. Mot hunne gebreken moeten do kinderen geduld hebben ; en waarin gelegen, 554. En de eer der ouders te beschermen. Hoe God dit gebod aandringt met een lang leven; en welk een zegen hot leven in Kanailn was, 554,

839

555. Wanneer het lang leven oen zegen is, 555. Al neemt God vrome kinderen vroeg weg, echter is hot zegen, 555, 556. In welken zin het vijfde gebod het oei-sto is mot eene belofte, 556. Volon worden hier overtuigd en bestraft: regenton, 556, leeraars, 556, 557, ouders, 557, 558; ook de kindoren, on hunne zware oordeelen aangewezen. B59 Val van Adam, gaat alle monschon aan, 42. Hoe God daaromtrent werkzaam is geweest, 43. Hoe listig on boos do duivel met den mensch in deze gehandeld heeft, 43, 44. Men hoeft zich niet to verwonderen over den val. Deze was zoor groot. Welke zonden hier al in voorkomen; daar is do natuur verdorven geworden; de Rechter straft die zonden verschillend, en die val gaat ons aan, 44. Dit wordt alles kort herhaald. 735—737 —— der engelen. 723 Valsche getuigenissen mag mon niet geven tegen zijn naasten. Wie onze naasten zijn, 605, 606. Tegen dezen mag men geen valsche getuigenis geven in het gericht. De zonden in dit verbod verboden, zijn: kwade gedachten, een valsch verhaal geloof geven, 606. Vrienden in schijn maar niet in wezen, 606. Voinzing. Wie al een woordelijk valsche getuigenis geeft in het gericht, de aanklager, de rechter, de aangeklaagde, do getuigen, 607, do rechtsgeleerden, 607, 608. Hoe de rechter in het bijzonder valsch getuigenis begaat in \'t gericht; hoe men een valsch getuigenis geeft buiten het gericht; en dat geschiedt door het verkeeren van iemands woorden. 608; oorblazon, achterklap, 609, laster, 609; leugen, on deze zijn verscheiden, 610; iemand onverhoord veroordeelen, 611; zwijgen, den aandrang van dit gebod, 611. God straft de zonden van dit gebod met lichamelijke, 611, 612, geestelijke en

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 846-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

840

eeuwige straf, 612. De deugden hier geboden, zijn: de waarheid in en buiten het gericht te spreken, 612, 613. Een ernstig woord tot elk; een vermaning aan do vromen om zich voor deze zonden te wachten, 613. Eene afmaning aan de wereld, 613. Oorzaken waar deze zonden van daan komen, als, boven zijn naasten te willen zijn, wraakgierigheid; of er wel genade is voor zulken, die tegen dit gebod gezondigd hebben. Nog een oorzaak van die zonden, namelijk: bezoekjes, 614. Wat hier te betrachten is; ook Gods alomtegenwoordigheid zich voor te stellen, het besluit. 615

Valsch verhaal te gelooven, welk een zonde. 606

--zweren\', zie Naam Gods.

Veedieverij\', zie Stelen.

Veelwijverijzie Echtbreken.

Veertig dagen, waarom de Heere Jezus na zijne opstanding zoo lang op de aarde bleef. 765

Veinzing, welk eene zonde. 607 Verandering tot de genade, wanneer de meesten veranderd worden; zeldzaam, wanneer ze geschiedt op het laatst van des menschen leven,

47. Wordt genaamd wedergeboorte,

48. Teekenen daarvan. 48, 49 Verbond der werken, omstandig beschouwd, 40, 41. Herhaald. 781

--is niet de wet; zie Wet.

—— der genade, voorgesteld. 782 Verbonden, zijn tweeërlei; het verbond der werken en het verbond dei-genade ; waarin deze overeenkomen en verschillen, 24, 25. Deze leer is de inhoud van don Heidelberg-schen Catechismus. 25

Verborgene wil\', zie Wil Gods. Verdeeldheid, baart verbreking. 682,

683

Verdoemd, zijn alle menschen in Adam. 99, 100

Verdorvenheden of zwakheden, werken mede ten goede. 136

Verdorvenheid, hoe die van den eenen mensch tot den andere ovei-gaat.

quot; 738

Vereenigen, vereenigd zijn Christus\' twee naturen; nochtans is Hij naar zijne menschelijke natuur niet over-alomtegenwoordig, daar zijne goddelijke natuur is. 264 Verecniging van Christus\' goddelijke met zijne menschelijke natuur; zie Menschwording van Christus. Vergenoegd te zijn, welk eene schoone deugd; en van wien Paulus dit geleerd had. 695, 696 --zie Stelen.

Vergeven, voor de zonden in den H. Geest daar is geen vergeving voor, en waarom niet; zie Geest. Vergeving der zonden schenkt God aan de leden van de ware Kerk; zij belijden dezelve eerst, 313, en dan vergeeft God die, om zijns Zoons wil. 313, 314

--kort beschouwd. 773

Verheerlijking Gods, door een kind Gods, langs drieërlei wegen. 139,

140

Verlceeren van iemands woorden, welk een zonde. 607

Verkiezing en verwerping is er, 101. Deze wordt kort beschouwd, 738; derzelver kenteekenen, 781

Verkondiging des H. Evangelies; zie

Sleutelen.

Verkwisting\', zie Stelen.

Verloochenen, de mis is eene verloochening van Christus\' offerande aan het kruis. 427

Verloochend, of men wel verloochend omtrent de zonden moet zijn; zie Begccren.

Verloren te gaan, of men daaromtrent verloochend moet wezen,

419

\'i Verlorenen moet men opzoeken,

anders steelt men; zie Stelen. Verlossen, Jezus verlost de zijnen van het geweld des duivels; zie Troost.

--- van den booze; zie Verzoeking.

Verlossing in \'t algemeen beschreven; verschillende, in \'t lichamelijke en geestelijke hier bedoeld; eenige eigenschappen hiervan gemeld. Die verlost worden, zijn niet de gevallen engelen, 68. Ook niet menschen die in hunne zonden ge-


-ocr page 847-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

841

storven zijn; maar de levenden, Joden en Heidenen. Ook niet deze allen, 69. Welke dezen immers zijn die aan de verlossing deel krijgen, 69—71. Waarom er geen verlossing voor de duivelen zal zijn, 77. Waarom niet voor de verdoemden, 78. Kenteekenen of men deel aan deze verlossing heeft, 78, 79. Het ongeluk van een onbekeerde en het geluk van een bekeerde voorgesteld, 80. De Verlosser zal Zich eens heerlijk vertoonen, aan zijne verlosten, naar den tijd, 80, 81. Kenteekenen wie verlost zijn, 463,

464

Verlosten van zonden, wat dien te doen staan, 160. Waaraan te kennen, 463, 464

Vermaning en zegenivcnsch der aanstaande verjaring van des auteurs negen-en-twintigjarigen dienst te Middelburg. 667—669

Veroordeelen {onverhoord), wat zonden.

611

Verstand, hoe een Christen daardoor

Gods naam heiligt; zie Naam Gods. \\ Vertellingen {zondige), daarin behagen }

te hebben; zie Begeeren.

Vertrouwen, een deugd in het eerste gebod geboden. 487

Vervloeken, doen de Papisten, degenen, die de beelden niet willen eeren. 503 Vervloekt was Christus\' dood; zie

Dood van Christus.

Vervloekte afgoderij is de mis dei-papen. 427, 428

Verzegelingen en de verzekering in den H. doop wederzijds, welke, 376. In \'t H. avondmaal, 404. Die bewezen wordt, 405. Van de zaligheid, en de gronden daarvan, 5l0, 511; van zijn aandeel aan denHeere God, is drieërlei. 777, 778

Verzekeren, Jezus verzekert den zijnen het eeuwige leven; zie Troost.

--, zie Verzegelen.

Verzoeking, het woord in de zesde bede beschouwd, 722. De geestelijke oorlog voorgesteld, 722—725. De Heere verzoekt de zijnen niet tot zonden, 726. Wanneer de Heere de zijnen in verzoeking leidt, 726.

Wien wij door den booze te verstaan hebben, en waarom dus genaamd; wanneer de Heere de zijnen van den booze verlost, 727, De pleitrede waarmede dit gebed wordt aangedrongen: want Uwe is het koninkrijk, en de kracht, en do heerlijkheid, tot in eeuwigheid, 728. Amen; wat do bidder daarmede te kennen geeft, 728. Verscheidenen worden hier overtuigd, 728, 729. De vromen worden bestraft, 729. Wie die bede wel bidden, 730. Elk wordt voor het stuk geroepen ter zelfbeproeving. 730 Viervoetig gedierte, door sommigen voor een god geëerd. 493 Visschen van allerlei soort, heeft God op den vijfden dag geschapen. 133 Vlak, zijn gevoelen omtrent de recht-vaardigmaking. 348 Vloeken, die de rijken doorgaans op hun tafel hebben. 704

--, zie Naam Qods.

Vloekers, van God zwaar gestraft, 515, 516; kunnen genade krijgen, 617. Dat waren de eerste Christenen niet. 517 Voeten, die onkuisch zijn; zie Eeht-hrelcen.

Vogelen van allerlei soort, heeft God op den vijfden dag geschapen. 133 Voldoening, God vergeeft de zonden niet zonder voldoening; wij moeten vergeven zonder voldoening.

715

Volmaakt, hoedanig wij volmaakt gerekend worden. 622

Volmaaktheid, hoe velerlei die is, en welke in het onderhouden van Gods geboden moet verstaan worden. 621, 622 - Gods. 120 Vonden der menschcn, zijn vele om zich zelf te verontschuldigen over de zonden. 51, 52 Voor, verschillende beteekenissen van dit woordje. 222, 223 Voorbidding van Christus, aan de rechterhand van zijn Vader, waarin al gelegen, kort beschouwd. 765, 766 Voorrede van de wet; zie Wet.


-ocr page 848-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

842

Voorspraken in de reclitvaardigma-king; zie Rechtvaardigmaking.

Voorver ordineering van Christus tot Middelaar; zie Christus.

Voorwaarden of eigenschappen van den Middelaar. 7G

Voorwerkingen in de voorzienigheid; zie Voorzienigheid Oods.

Voorzienigheid Gods, hoe werkzaam omtrent den val, 42, 43. Daar is eene voorzienigheid, dat wordt met vele bewijzen aangetoond, 142—144. De voorzienigheid is eene kracht Gods, eene almachtige kracht, eene alomtegenwoordige kracht Gods, 144. De deelen van de voorzienigheid, de onderhouding van alle schepselen, 145. Sommigen in getal, anderen in hun soort; de voorwerking in alle schepselen aangewezen, 146. Ook in de redelijke schepselen, 146. De medewerking, 14G, 147. De regeering Gods over alles, zoodat er aan Gods zijde geen dingen bij geval geschieden, maar wel bij den menseh; de regeering gaat over loof en gras, over regen en droogte, 147. Over vruchtbare en onvruchtbare jaren, 148. Gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede; ook over des menschen geboorte, over zijne woonplaats, 148. Zijn dood of sterven; eenige zwarigheden worden opgelost. God regeert ook do daden van de menschen, niet alleen de goede; maar ook de kwade of de zonden, 149. Echter is God de oorzaak niet van de zonden, 149, 1BO. Hoe Gods voorzienigheid over de zonden gaat eer zij geschiedt, 150; en nadat dezelve geschied is, 150, 151. Hoe wij met dit leerstuk te werken hebben, 151, 152. Verscheidenen worden hier overtuigd, 153. Hun ongeluk aangewezen, 153. Welke menschen zich omtrent de voorzienigheid Gods wel gedragen, 154. Dit leerstuk wordt kort herhaald. 750, 751

Vrede, een geboden deugd; zie Doodslaan-

Vreemdeling, daar ontfermt God Zich over. 884

Vreeze Gods, eene deugd in het eerste gebod geboden. 487

Vromen zijn hot behoud van\'tlaud.341

--kunnen aan Gods gerechtigheid

niet voldoen voor anderen; zie Gerechtigheid Gods.

Vruchtbare jaren, daarover gaat Gods

voorzienigheid; zie Voorzienigheid. Vruchten van de geloovigen, zijn drieërlei. 473

Vrijsteden in ons land. 571

Vijanden wel te doen, een geboden

deugd; zie Doodslaan.

Vijfde gebod, hoe dit eerste gebod is met eene belofte; zie Vader.

H.

TXTaar Christen, en deszelfs kentee-\'\' kenen; zie Christenen.

--geloof, kenteekenen wie dat

heeft. 367, 368

Waarachtig mensch, moest de Middelaar zijn, en waarom, 84, 85; zie Middelaar.

--God moest de Middelaar zijn,

en waarom, 85—87; zie Middelaar. Ware Kerk; zie Kerk.

Wereld, deszelfs oorsprong, 128, 129. Hoe lang deze bestaan heeft en nog zal bestaan. Er is maar ééne wereld; deze is wijd en groot doch eindig, 134. Op welken tijd deze geschapen is, 134, 135. En deze mogen wij gebruiken, maar niet misbi\'uikon. 707, 708

Waarheid Oods, hoe een Christen deze beschouwende, Gods naam heiligt.

663

--moet men spreken in en buiten

het gericht; zie Valsche getuigenis. Waarzeggerij, deze zonde wordt beschreven en aangewezen. 486 Waldenzen in de valeien van Lucerna, hoe door den Antichrist vervolgd, zenden gezanten naar Duitschland, in \'t begin der reformatie, met hunne Geloofs-artikelen, zijn wel protestanten maar geen Gereformeerden. 309 Wanhoop, is de eerste klip tegen de


-ocr page 849-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN,

843

zaligheid, 98. Is zeer verderfelijk; niemand moet daarom wanhopen, of het opguven, 342, 343. Daar is eene tweeërlei wanhoop, een goede, en een kwade. 742

Wapenen, van de strijdende Kerk;

zie Kerk;

Waren, hoe men hiermede steelt; zie Stelen.

Water, moet in den doop gebruikt

worden, dat zuiver is; zie Doop. Water doop; zie Doop.

Wederdoop, mag niot geschieden, als die al eens verricht is; zio Doopen.

Wedergeboorte, hoe deze genaamd wordt in het Oude en Nieuwe Testament, 46. Is omstandig bepaald in den vrederaad, 46, 47. De tijd wanneer Gods Geest deze werkt, is verscliillend, 47. De wedergeboorte zelve beschouwd, 47. Het Woord Gods is het middel dat de Geest hiertoe gebruikt; ver-scheidenen hebben verkeerde begrippen van de wedergeboorte, 48. Kenteeken hiervan, 48. Een nieuwjaars zegenwensch, 48, 49. Dit leerstuk wordt kort herhaald. 738, 739 Weduwe, daar ontfermt God Zich over. 384

Weezen, daar ontfermt God Zich over.

384

Weg (engen) naar den hemel, daar ziet elk tegen op; en die wordt ruimer, naarmate men daarop vordert. 268

Wegen, die God met zijne kinderen houdt, zijn dikwijls zeer donker; bewezen door voorbeelden, 243, 244; doch met niemand donkerder dan met den Heere Jezus. 244 Weldaden, die God aan zijn volk bewijst, zijn verscheiden; de natuurlijke, 454, 455; burgerlijke, 455; kerkelijke, 455, 456; geestelijke, 456; de eeuwige, 457. En welke gestalte de ziel door het beschouwen van die weldaden ondervindt, 457, 458. Dit wordt kor-telijk herhaald. 792—794

Werkeloos, of iemand in het geestelijke wel zoo wezen mag. 693

Werken (goede) kunnen niet verdienen; zie Rech tvaardigmaking.

--zie Goede werken.

--die niet en wel op den Sabbat

mogen gedaan worden; zie Sabbat.

--zijn zelfs zaligheid; zie Zaligheid.

--(goddelijke) worden aan denZone

Gods toegekend; zie Godheid van Christus.

--worden aan den H. Geest toegekend; zie Geest.

Wet, God heeft drieërlei wetten aan Israël gegeven, eene burgerlijke wet, en welke deze was; en hoe Israël daar zijne ellendigheid uit kon leeren kennen, 28. De ceremoniëele wet, en hoe Israël daar zijne ellendigheid uit kon leeren kennen; de wet der zeden, wanneer, waaien onder welke teekenen, in wiens tegenwoordigheid God deze wet gegeven heeft; hoe deze is verdeeld in twee tafelen; de inhoud van iedere tafel, 29. De liefde tot God, 29. De liefde tot den naaste, 29, 30. Hoe men uit de wet zijne ellende kent, 30, 31. Deze wet kan de mensch nu niet onderhouden; en wat hier de partijen van zeggen, 31. Do wet doet het geloof niet teniet, 480, 481. Het woord wet in het Latijn, Grieksch, 481, en Hebreeuwsch beschouwd,

481. Alle schepselen zijn Gods wet onderworpen; de wet der natuur is naderhand op Sinaï opgehelderd ; de burgerlijke wet, de wet der ceremoniën en de wet der zeden, hare benamingen; de Wetgever, de dienaren, de tijd en do wijze op welke God die gaf, 481,

482. Hoe deze verdeeld wordt; deze wet beeft God eerst in twee tafelen beschreven; en deze zijn door Mozes verbroken ; God gebiedt hem twee anderen te maken, en beschrijft die wederom, en wat dat te kennen geeft, 482. Regelen om de wet te verstaan en te verklaren, 483. De wet is het verbond dor werken niet, ook niet bet verbond der genade, 484.


-ocr page 850-

844

Waarom de Heere een voorrede voor de wet stelt, en welke de gronden van verplichtingen hierin voor Israël liggen opgewonden, 484, 48B. Het eerste gebod kort verklaard, 485, 486. De zonden in dit verbod verboden voorgesteld, 486, 487. Eenige deugden hier geboden, opgehaald, 487, 488. Ver-scheidenen worden hier overtuigd,

488, 489. Hun ongeluk voorgesteld,

489. Kenteekenen, of God onze God is. 83, 34

Wet, is een middel om onze ellende te leeren kennen, en deze eisoht liefde Gods en des naasten. 734, 735 —— Gods, in \'t algemeen en ieder gebod in \'t bijzonder, kortelijk beschouwd, 799. Niemand kan de wet houden, 800. En om welke reden de Heere die nog scherpelijk laat prediken. 800, 801 --kan de mensch niet onderhouden ; zie Begecren.

Wet, moet nu nog scherp gepredikt worden; zie Begecren.

--der natuur, is liefde tot God

en don naaste. 41 --en Evangelie, zijn niet strijdig.

\' 453

--en geloof kunnen niet gescheiden worden. 481 Wiclef (Joh-), aangehaald. 310 Wil Gods, Wat deze in God is, 682, 683 God heeft een wil, 683. Welke do verborgene en de geopenbaarde wil is; deze is maar een in God, en strijdt niet tegen elkander, 684. Het onderscheid, tusschen den wil van Gods besluit en dien van zijn bevel, 684, 685. Van welk een wil in deze bede gesproken wordt; sommige geleerden sluiten den wil des besluits hier uit, en om welke reden, 685. Anderen wederom niet, en hunne bewijzen, 685. Hier omtrent bidt de bidder dat die geschiede; wat hij bidt, betrekkelijk den verborgen wil, 685, 686. Wat, betrekkelijk den geopenbaarde, 686, 687. Daar zijn verscheidene hemelen, en daarin wordt Gods wil gedaan; in den derden hemel zijn de engelen, en dezen doen Gods wil, 688. Hoe de engelen werkzaam zijn, omtrent den wil van Gods besluit, 688. En hoe omtrent den wil des gebods, 688, 689. Wat een Christen bidt, omtrent den wil van Gods besluit, 689. En wat omtrent den geopenbaarden wil, als hij bidt dat die geschieden mag, 689, 690. Of wij mogen bidden, om den wil Gods volmaakt te doen, gelijk de engelen dien doen, 690. Óf men omtrent de onvolmaaktheid en zonden moet verloochend zijn; of men in Gods wil moet berusten, wanneer wi] merken dat van onze naasten zijn verloren gegaan, 691. Ook omtrent mij zeiven; of iemand doende naaiden wil des besluits wel zondigt; of ik niet stil mag zitten in het geestelijke, omdat Gods wil evenwel geschiedt, 692. Welke, omtrent den wil Gods, zich wel gedragen, 693, 694. Plichten voor de vromen. 694

Witsius (H.), nopens het vervloeken van hen, die de beelden niet willen eeren, aangehaald. 502 Woeker, dit stuk wordt nader beschouwd; zie Stelen.

Wolken, hebben Christus gediend in zijn hemelvaart; zie Hemelvaart van Christus.

--(drijvende), zijn op den tweeden

dag geschapen. 132 —- daar zal de Rechter op verschijnen. 78 Wonderen, die bij het sterven van Christus zijn voorgevallen. 760 Wonderlijk Kind is Christus, 198, 199 --waarom dus de Zone Gods genaamd wordt. 213, 214 Woonplaats van den mensch, daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid.

Woord en Sacramenten, waarin deze overeenkomen en verschillen; zie Sacrament.

Woorden in \'t H. avondmaal; zie Avondmaal.

--(onreine); zie Echtbreken.

Wraakgierigheid, welk eene zonde. 614

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 851-

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.

845

Wraakgierigheid, de wortel van den doodslag; zie Doodslaan.

Wijsheid, geen stof van roem. 184, 186

—— Gods, hoe een Christen deze beschouwende, Gods naam heiligt.

663

--is Jezus voor de zijnen; zie Middelaar.

1.1.

del, mag Gods naam niet gebruikt worden; zie Naam Gods.

IJdele gedachten\', zie Begeeren.

Z.

Zachtmoedigheid, eene geboden deugd; zie Doodslaan.

Zalig, de duivelen zullen niet zalig worden; ook niet de verdoemden; ook niet alle menschen, 100, 101, 781, 732. Vele tegenwerpingen worden opgelost, 101, 102. Maar die het ware geloof hebben, zullen zalig worden, 102. Die denken, dat men zoo gemakkelijk kan zalig worden, worden ontdekt, 110, 111. Daar is veel werk aan vast om zalig te worden, 97, 98. Welke menschen niet zalig zullen worden. 460, 46 L

Zaligen in den hemel, kunnen niet voldoen aan Gods gerechtigheid. 75

Zaligheid [zijn zelfs) te bewerken, wat den mensch daartoe moet aanmoedigen, 381, 332. Wanneer men zijn zelfs zaligheid bewerkt. 332

— — (eeuwige)] zie Leven.

Zaligmakend Geloof; zie Geloof.

Zaligmaker\', zie Jezus.

Zamenkomst, of vleeschelijke vermenging\', zie Echtbreken.

Zeerooverij\', zie Stelen.

Zeeën, op den derden dag door God gemaakt. _ 132

Zegelen, waren zelfs in het verbond der werken, en zijn ook in allo beloften, 363. Wat een zegel doet.

364

--zijn de Sacramenten; zie Sacrament.

Zeqenwemeh op nieuwjaar. 48, 49,

667-669

Zelfmoord\', zie Doodslaan.

Zeven laatste woorden van Christus.

759, 760

Zevende dag, is veranderd in den eersten, door een Goddelijk gezag; zie Sabbat.

Ziel, heeft geen aardsch, maar geestelijk voedsel noodig, 268. Hoe het met dezelve zal gaan na den dood, 319. Hoe het met dezelve zal zijn, als zij voor Gods troon komt. 325, 326 --en lichaam, zullen eeuwig gestraft worden; zie Straf.

Zichtbare teekenen\', zie Sacrament. Zitten aan Gods rechterhand; zie

Rechterhand Gods.

—— aan de rechterhand Gods, welk eene heerlijkheid van Christus dit is. 766

Zondaars, zijn alle menschen, 744. Welken deel aan de genade hebben.

744

Zonde en hare straf, is tijdelijk, geestelijk en eeuwig; en waarin die bestaan, 56. Derzelver bezoldiging is de dood, 84. Hoe ongelukkig deze den mensch maakt, 159, 160. Zonde tot den dood, daar is geen vergeving voor, 69. Zonde van de geloovigen, of die in hot oordeel zullen opgehaald worden, de redenen voor en tegen voorgesteld, 281, 282. Zonden der vaderen, straft God aan de kinderen, 496. 497. Waarom God zijn volk met de zonden laat worstelen, en wie met hunne zonden wel werken, 627, 628. Of men omtrent de zonden moet verloochend wezen. 691 Zonde, daar heeft Jezus voor voldaan;

zie Troost.

—— moet men kennen; zie Troost.

---is oen deel van onze ellende;

zie Ellende.

--van een eindig schepsel, zal

God eeuwig straffen; en dat is volgens zijn lichtvaardig oordeel; zie Straf.

--daarover gaat Gods voorzienigheid; zie Voorzienigheid.

--in den H. Geest; zie Geest.

--vijand te zijn; zie Begeeren.


-ocr page 852-

846

Zonde waarom schulden genaamd; zie Schulden.

Zon, Van God op den vierden dag geschapen, tot welk een gebruik.

133

Zone Gods, deze naam wordt gegeven aan do engelen, en waarom, 180, 187. Ook aan den eersten mensch; aan de Joodsche natie; aan de Overheden; aan de geloovigen, en waarom. Ook wordt deze naam gegeven aan den Heere Jezus, en waarom, 187. Deze draagt Hij op oen voortreffelijke wijs; hoe niet. Wij kunnen deze verborgenheid niet begrijpen, 187. Het gevoelen der Socinianen en Remonstranten omtrent het Zoonschap van Christus opgehaald en wederlegd, 188. Verwondering over sommige Gereformeerde godgeleerden. Hoe Hij geen Zoon is, en hoe wel, 188 189. Wat er de Schrift van zegt, 189. Christus is de Zone Gods op eene andere wijze dan anderen, 190. Hoe het geloof nu werkzaam is, omtrent dit leerstuk; onkundigen worden hier overtuigd, 195. Waar deze onkunde vandaan komt, 195, 19G. Velen zijn geen kinderen van God, 196. Kenteekenen of men een kind van God is. 197

Zorgelooze en goddelooze menschen, maakt de leer van de rechtvaar-digmaking niet; zie Rechtvaardig-maldng.

Zorgeloosheid, is de tweede klip tegen de zaligheid. 98

Zuid-Hollandsche Synode, en haar verzoek nopens het gevoelen van Professor Roël over den dood der geloovigen. 284

Zwaard des Geestes, wat. 308

Zwak geloof; zie Geloof.

Zwakheden\', zie Verdorvenheden. Zweren, waarom de godsdienst dus genaamd wordt, 521; zie ook Naam Gods.

Zweet, in \'t zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten; dit wordt bewezen. 588, 589 Zwitserland, hoe ontheven van de heerschappij der Hertogen van Oostenrijk. 489 Zwijgen, wat zonde. 612 --zie Naam Gods.

REGISTER DER VOORNAAMSTE ZAKEN.


-ocr page 853-
-ocr page 854-
-ocr page 855-
-ocr page 856-
-ocr page 857-