K ^ 1 ^ ^ o i:tquc a.nic
/v\'N\'APP • -
1
Pi Voi
l y *7 4 ^ y-
/Zlt; C \'P/tfS\' A/7 /-V ƒV ^ /\'-\'zst^ c tïf /e^
/\'
/P\'s\'-z-y\'\'
sy ■— L ^7~
C^\'\'. lt;/y ■ ^ sr? 7 z
MENIGK MEDEDEELINÜEN OMTRENT 1)K HOEGINEEZEN VAN KOETEI.
DOOR
s. W. T II O M P.
n Koutoi bestaat een schriftuur, een zoogeiiaanulc //Salasila I Wis-/, i
«\'elk stuk van belang is voor de kennis der Hoegineesehe volkplanting
«lat njk Het is bekend dat dergelijke kolonies op vele plaatsen bestaan hebben en nog bestaan; die in Koetei is vooral merk «aanlig om de overeenkomst in bovengenoemde quot;.Salasila* vermeld. Zij behelst een odensiel\' en defensief verbond tussehen de kolo-mseerende vreemdebngen, zich tot een nagenoeg onafhankelijke \'•«pubhet constitueerende, en het Koeteisehe Sultanaat, dat hun ^ast-vnjhcd verleent. In .leze V(whouding is in den loop der tijden
\'X\':\'\' (h ]iUltsl;o \'quot;intig jaren, een grootc ommekeer gekomen\'
\\.,1 zullen gelegenheid hebben, dit straks na to gaan, wanneer wij
Vü01\'llaainste bestuursinstellingen , zooals die vroeger waren en
(■Hans uog zijn, beschouwen. Laten wij echter beginnen met in zijn
geheel het doeument weer te geven , waarop van buiten geschreven staat: 0
quot;l\'it geschrift is de kroniek van .Jni soerat salasilanja moela
dc oorspronkelijke vestiging der moela Boegis s masoq di Koetei
Boegmeezen te Koetei en van serta dianja meuaroh perdjandjian
hunne overeenkomst met de Koe- dengan kara.ljaan Koetei adanja .
teische Rei........:......
1 quot;Salnsilan; or bestaat in Kootoi .mg oon audore quot;SalasiJan, do ««cl.icdouta dor ooisto vorston van dat rijk inljoudondo.
5 quot;.,:\'CKi8quot; dit is do colloctiovo naam v„or do kolonisten van do
ztir:straat rr-: lt;,io 1,1 Kquot;otoi zijquot;oo,,tor ....... ^—.i.ot,„00,-0..-
doü al komstig van \\\\ adjo en slool.U voor oon klein doel va., Bono en Sop,,eng ■ et ls dan ook do quot;ab.ya.mna tftoe-WadJo,, of adat de.- Waüj-.voo.o,.. wolko .owol.nlj door do .itAoo-M oogiquot; van Kootei woidl gevoj.-d.
I (iS KKNIQE M K Dlquot;. DEK I gt;1 \\(i B M OMTRENT DB MOKCl IN Hi:\'/,!; \\ VAN KOETKI
Het stuk zelf luidt als volgt:
\'/Oorspronkelijk was men te Koetei lama gevestigd. Te dien tijde liepen Boegineezen te Koetei binnen om handel te drijven; één, twee prauwen kwamen en evenveel zeilden uit. Later vermeerderde dit aantal van lieverlede tot vier, vijf prauwen en zoo ging het voort. Van lieverlede toch vermeerderde het aantal prauwen, te Koetei binnenvallende, totdat men eindelijk een kampong stichtte, maar wanneer het hun ti jd was om naar hun land terug te keeren, keerden zij gezamenlijk terug, niet meer achterlatende dan ter bewaking hunner plaats,
Kn zoo gebeurde het op zekeren tijd, dat de vorst van Koetei zi jne mantri\'s verzamelde om over de handelwijze der Boegineezen te beraadslagen. De vorst van Koetei zeide toen tot zijne mautri\'s : quot;Staat het u aan en neemt gij genoegen met deze wijze, waarop de Boegineezen tegenover ons land handelen of staat u die niet aan en neemt gij er geen genoegen mede, zij zijn slechts op het goede en aangename van ons gesteld en het schijnt dat wanneenoiis eenige moeielijk-heid of leed overkomt, zij niet genegen zijn, daarin te deelen?quot;
Daarop zeiden de mantri\'s tot den vorst: \'/ons staat de handelwi jze der Boegineezen niet aan.quot;
Toen hernam de Vorst tot zijne mantri\'s: quot;als dat zoo is, dan is het beter dat wij die Boegineezen roepen opdat wij hen ondervragen.quot;
Dadelijk werden de Boegineezen geroepen en toen zij voor den Vorst en zijne mantri\'s verschenen waren, vraagden de voorname mantri\'s aan de Boegineezen aldus;
quot;Zegt, Poea\'s, wij vragen aan u allen, gij zijt immers gesteld op het goede van ons Koeteineezen en deelt gij in onzen voorspoed? Wanneer nu eenig leed ons overkomt, wilt gij dan ook daarin deelen of niet ?
1 Kootoi lama. Do eerste vorsten van Koebei korta negara (oigoulijke naam van het rijk) hielden verblijf te Koetei lama, nabij do Goenong Djaitan Lajer, niet ver van de monding der Mahakam rivier. Later werd de zetel van liet bestuur verschillende malen verlegd. Eerst werd hij overgebracht naar Pom ara ngan, gelegen aan do tritmonding der Djembajan rivier in do Mahakam, niet ver boven het tegenwoordige Samarinda; later ging men nogmaals terug naar Koetei lama doch voor korten tijd ; toon vestigde men zich aan do samenvloeiing van do Tengarong-rivier en do Mahakam, een eind hooger op dan Djembajan. Tengarong werd na eenige sterfgevallen verlaten en aan do overzijde, een weinig bene lenstrooms, Gresik opgezocht. Ook Gresik beviel niet op don den duur en keerde de vorst naar Tengarong terug, wolke plaats sedert do Residentie dor Sultans is gebleven. Dit verblijf is echter ook nog niet ongestoord geweest, daar Tengarong in 1844 gedurende eenigen
tijd verlaten en intusschen door onze marine verbrand is (7 April 1844).
EK NI (ïj\', MKI)l\';i)Hi;i,IN(ii;N ((M\'I\'KKN I\' l»i; HOKdlN\'KKZKN VAN KOKTKI. I (!!)
\'/Atsal bemioela orang lucinbikiu uogri di Koetei lama 1 kapada koetika itoclali orang Boegis inasoq benüaga di Koetei masoq satoe doewa prahoe di Koetei kaloewamja deinikian djoega kamoodiamija samingkin bei-tambali masoq lagi sampej arapat lima prahoe demikian itoclali ka-adaaimja samingkin bertainbab baujaknja prahoe masoq ili Koetei sampej dia memboewat satoe kampong tetapi bila sampej waqtoenja dia poelang poelang sama sekali sekadar tinggal njang inenoenggoeh itoc tempat sadja mendjadi kapada soewatoe tempo lladja di Koetei mengoernpoelkan sekalian mantri mantrinja bermoesjawarat inoepakat akan perboewatanuja orang Boegis maka berkatalah radja Koetei kapada sekalian mantri mantrinja apa kamoe soeka dan trima itoc perboewatanuja orang Boegis kapada negri kita ini njang demikian itoe oetawa tiada soeka tiada terima seperti itoe perboewatanuja tjoema dia menjoekaï kapada kita poenja kabaïkan dan kita poenja kasenangan sadja roepanja tatkala ada hal soewatoe apa apa kasoe-salian dan kasakitan kita tiadalah soeka toeroet maka mengatoer sembah sekalian mantri mautri kapada radja serta katanja tiada patik sekalian menjoekaï di atas perboewatanuja itoe orang Boegis maka berkata kombali itoe radja serta katanja kapada sekalian mantrimau -tl\'in ja djikalau demikian lebih baik kita panggil sekalian itoe Boegis sopaja kita tanja kapadanja maka di panggillah kapada inasa itoe djoega sekalian orang Boegis serta dianja poen datanglah sekalian orang Boegis menghadap kabawah hadlirat radja1 dan tauah 2 maka bertanjalah sekalian mantri mautri njang besarnja kapada itoe orang Boegis he s(!-kalian poea poea orang Boegis sekarang kita bertanja kapada sekalian kamoe soekakah sekalian kabaïkan karai orang Koetei dan toeroet kasenangan kami orang Koetei maka djikalau ada kadjahatan karai
1
liet Mnloiflcli bestuur \\aii Koetoi (in Borouw on vele andere Maleisol ie rijken vindt men hetzelfde terug) is samengesteld uit twee deelen: 1°. de Karadjaan bestaande uit a den Itadja - Vorst en h de leden der vorstelijke familie, moeren-deols Pangerans , die een soort van Adviseevend Uohaam ooustituoeron; 2quot;. de nTanaliM elders ook iiBcnoewan geheeten, bestaande uit a do mant™ (te Berouw hooten zij quot;Wadjirquot; , gewoonlijk zijn zij vier in getal), een soort van ministers, raadgevers van don Vorst, tevens overbrengers van zijn wil en b de penggawa\'s, mantris van don S\'\'quot; rang, eigenlijke volkshoofden, die de bevelen der mantris aan de onderdanen overbrengen en door dozen doon opvolgen.
Hoe absoluut hot gozag van don vorst ook sohijno en soms ook inderdaad zijn moge, overeenstemming van quot;Karadjaanquot; en quot;Tanahquot; wordt toch volgens den adat in alle zaken van eenig belang voreiseht. (De woorden Karadjaan en Tanah zijn nu.eielijk te vertalen.)
170 ben to r. m i: Dr.nF.KMvnK n omtii i; nt m. miRotNi;i;/.i;s v.vx Koirm.
Ilieroj) antwoordden de. lioogiiur.wüi dadelijk: «liet is niet doge woontc van ons Hoegiiieezen, alleen lust te hebbcu in liet goede van mensclien en plaatsen; wanneer wij gesteld zijn op den voorspoed van een volk, dan deden wij voorzeker ook als het in tegenspoed is,\'/ Toen pas sprak de quot;Karadjaan// van Koetei tot de ISoegineezen : //wanneer het niet oprechtheid is , dat gij aldus verklaart en spreekt, dan is het beter dat gij naar Imis gaat en bij overleg uit uw midden kiest, wie hoofd kan worden ; opdat gijlieden het gemakkelijk zult hebben; wanneer er iets verkeerds is gebeurd of als er eenig bevel is van Vorst of negori j, dan gaat dat slechts tot aan dat hoofd en is hij het, die de verschillende Boegineesche stammen, welke te Koetei zijn, verzamelt en doet beraadslagen.//
De Boegineezeu stemden dit toe en vraagden vergunning naar hunne woonplaats te gaan. Dadelijk daarop vergaderden zij om te beraadslagen over do bevelen van den Yorst, waarin zij toegestemd hadden. Staande die beraadslaging werd iemand gevonden , dien men tot hoofd aanstelde met den naam van Adoo.
Toen men met deze overlegging klaar was, bracht men dien Poea Adoe ter audiëntie bij den Vorst van Koetei. Deze sprak : //wanneer uw aller hart oprecht is in alles, zooals wij overlegd hebben, dan is het veel beter dat deze Adoe een vaste woonplaats maakt, zooals de adat, voor neg\'riën gebruikelijk, is.
Hierop antwoordde de Adoe tot den Vorst: //dit is ook mijn plan, maar ik heb geen middelen.\'/
//Welnu//, sprak de \'/Karadjaan//, //zoek maar Adoe in alle kampongs in het rijk van K oetei, wanneer gij gevonden hebt zooals n bevalt, dan zal ik u helpen in alles M\'at de adat verlangt.//
Dc Poea Adoe was hierover verheugd en zeide den//Karadjaan//van Koetei dank,
Daarop gingen de Boegineezeu naar huis, ieder naar zijn eigen kampong.
De Adoe ging zoeken en eensklaps vond hij iemand, die hein aanstond en die hij tot vrouw nam, waarop hij met zijne familie den volgenden dag bij den Vorst zijne opwachting maakte om de vrouw, die hij tot echtgenoote wenschte, voor te stellen.
Toen de //Karadjaan// hoorde, wie de Adoe tot ega wensehte, zweeg zij op zijne woorden, omdat die vrouw behoorde tot de familie, die van ovemuden tijd af gebruikt werd bij de Koeteische hofceremonién wanneer er een prins was, uit Vorstelijke ouders geboren, bestemd om den Vorst, namelijk den Sultan, op te volgen, Zoo\'n prins toch
EENIGE MBDKDKEM.VOKN lt;)\\ITK.KNT Dl: B0E(5I\\ KK/.BN\' VAV Kor.TCl. 171
kaïnoe soeka tljoegakah toe roet oetawa tiada maka meujalioetlah seka lian oraiig Boegis kapada masa itoo djoega tiada adat kapada kauii orang Boegis inenjoekaï di atas kabaïkau orang dan negri sadja bila kaïni inenjoekaï di atas sekalian kabaïkau orang negri temptoe kami toe roet djoega djikalau ada kadjaliatannja inaka bahroelali berkata karadjaan Koetci kapada sekalian itoe orang Boegis djikalau telab dengan sasoenggoehnja awa poenja pengakoean dan perkataan demi-kian itoe terlebih baik awa sekalian poelang serta awa moepakat pilib satoe orang dori pada awa sekalian njang boleb akan di per-boewat kapala sopaja senang awa tatkala ada hal sal ah sabaginja oetawa ada priutah deri pada radja dan negri sainpej kapada itoe kapala sadja inaka itoe kapala njang mengoempoelkan dan memoesj-awaratkan kapada sekalian bangsa Boegis njang ada di tanah Koetei inaka mengakoe sekalian orang Boegis serta bermohonlah poelang ka tempatnja sendiri lantas kapada wacjtoe itoe djoega dia orang ber-koetnpoel moesjawaratkan itoe sekalian titab radja njang soedah di akoeïnja maka di dalani itoe inoesjawaratan dapatlab satoe orang di djadikannja kapala bernama Adoe satelab selesejlab moepakatannja di bavvaiijalah itoe Pooa Adoe inengbadap kabawab iiadlirat Radja Koetei maka berkatalah karadjaan Koetei djika telah bersoenggoeb soenggoeb hatimoe sabagiinana njang telab kita moepakatkan terlebib baik mi Adoe bikin tempat katetapan seperti adat njang telab ter-pakej kapada negri maka mengatoer setnbah itoe Ailoe kabawab hadlirat karadjaan demikiau itoelab niat patik tetapi tiada inein-poenjaï daja dan ocpaja inendjadi kata karadjaan lie adoe tjari sadja olehmoe kapada sekalian kampong njang ada di dalani ini negri Koetei djika telab Adoe dapat sabagiinana njang Adoe soekaï akoelab njang menoeloeng diatas sekalian adatnja inendjadi soekalah batinja l\'oea Adoe serta menarima soekoer kapada karadjaan Koetei maka kombali sekalian orang lïocgis inasing masing poelang kakampongnja maka meiitjarilab itoii ,\\iloe tiba-tiba dapat satoe orang njang di soekaï dan di perboewat bininja serta kombali itoe Adoe kapada lain ha-rinja dengan sanak soedaranja inengbadap kabawab hadlirat karadjaan menjeinbalikan itoe prampoewan njang hendaq di perboewatnja bini maka satelab ili dengar oleli karadjaan itoe orang njang di kaben-daki oleli Adoe di perboewat bini terbantilah karadjaan deri pada perkataannja itoe Adoe oleli sebab itoe orang jirampoewan njang bendaci di perl)oe\\\\iitiija bini oleli Adoe itoe atsal katoeroenannja deri dlioeloe dhoeloo kalanja di pakej oleli adat karadjaan Koetei bila ada karadjaan mempoeiijaï Batara bapa llatoe iboe Soeri toseng kasoema
17:1 KKVinn Mi;i)i,ni;r.t,TN(;r.\\- omtim\'.nt di; hokcinkr/.cn v.v.n koktbt.
mocht iii(j( 1 de aarde betreden alvorens het feest «erau// gevierd was. Bij die gelegenheid werd dan de familie van die vrouw gebruikt; op haar hoofd werd eerst de voet gezet, dan pas werd deze gezet op het hoofd van een verslagene, daarna werd de kop van een levende, vervolgens die van een doode karbouw betreden, eindelijk werd een stuk ijzer betreden en pas dan mocht de voet op de aarde neergezet worden.
Om deze reden was het dat de «ivaradjaanquot; schoorvoetend op de woorden van tien Adoe antwoordde. Na eenigen tijd pas sprak de quot;Karadjaaiiquot; tot den Adoe: «Wat uw voornemen betreft, dit neem ik u niet kwalijk maar alleen is er verkeerd aan dat zij , die gij wenscht te huwen, degene is, die gebruikt wordt, wanneer de Vorst feest viert voor zijn zoon, die bestemd is, hem op te volgen; deze mag geen voet op de aarde zetten alvorens hij het hoofd van iemand der familie, waaruit gij een vrouw wilt nemen, betreden heeft. Misschien dat in later tijd geen ander dan uw vrouw over is en dan moet deze genomen worden om bij het bedoelde feest dienst te doen Daarom hindert het mij innerlijk, maar wanneer gij toch wilt en dit niet ten kwalijk duidt, dan kunt gij haar tot vrouw nemen
Hierop zeide de l\'oea Adoe: quot;3 a, Toewankoe, wat is er aan te doen ; want dit is nu eens de adat van de \'/Karadjaau\'/ van Koetei.
Aldus huwde de Adoe met de straks bedoelde vrouw.
I\'jenigen tijd nadat de Adoe getrouwd was , kwam het er toe dat rle Vorst het //erau bertidjak tanah\'/ feest vierde en men iemand van de familie, die daarbij moest dienen, zocht. Mr was echter niemand anders over dan degene, die door den Adoe tot vrouw was genomen.
Die vrouw nu werd geroepen en sprak de quot;Karadjaan//tot den Adoe: quot;//eg, Adoe, nu komt hetgeen ik u vroeger verteld heb uit en nu wordt uw vrouw gebruikt bij het «tidjak tanah.quot;
En de vrouw van den Poea Adoe werd gebruikt; haar hoofd werd betreden zooals adat is
1
Kon vol goud on koor 8tol ik mij voor, do Salasila Kootoi, waarin , ondor mcor, do oorsprong van hofc quot;tidjak fcanaliquot; bosprokon wordt, to bohandolon. Hier zij voldoonde, liot volgende daaromtrent te vormeidon. Wanneer den Vorst van Koetei een vermoedelijke troonopvolger geboren wordt uit een vorstelijke moeder (aldus anak gahara of kasoema), dan mag dit kind niet eerder op do aarde loopen (wel in huis op tien vloer of ook buiten op planken), dan na afloop van de plechtigheid, het quot;tidjak tanahn, die daarin bestaat dal het prinsje gedragen wordt over het hoofd van een levend menseh, een afgehouwen (gesneld) menschenhoofd, don kop van een levenden, dien van een geslachten karbouw , een stuk oud ijzer en een •stuk steen; met zijne voetjes moet hij die zes voorwerpen aanraken, aln het ware
EKNIGK MKUKDKKUN\'GKN O.MTltDN\'l\' UK BOEGI \\\' KKZKN VAX KOI\'.TKI 173
widjil iug tapa rainbesiiig mecloe itocslali di nainakan poetra kasoema bakal akau boewat mengganti djadi radja ijani Sultlian tiada boleh 1 menidjak tanali djikalau belom di kerdjakan pekerdjaau erau waqtoc itoe di pakej katoeroenaunja itou orang di tidjakan kapalanja dan baharoe di tidjakan kapala orang mati dan di tidjakan kapala karbo hidoep dan kapala karbo mati baharoe di tidjakan besi baharoe boleh menidjak tanali deri sebab itoelah inendjadi karadjaan lambat tnenja-hoet perkataan Adoe soedah sedeng lamanja baharoelah karadjaan mengandika kapada itoe Adoe he Adoe deri awa poenja inaqsoed tiadalah akoe menjalahi tetapi itoe sadja salahnja itoe orang njang hendaq awa perboewat bini itoelah orang njang terpakej tatkala ada pekerdjaan radja me-eraukan poetranja njang bakal inendjadi ganti karadjaan tiada boleh menidjak tanah sabelomnja menidjak kapada kapala orang katoeroenan njang hendaq awa perboewat bini itoe barangkali nanti kamoedian hari tiada ada lagi njang lainnja deri pada bini awa itoe mistilah awa poenja bini itoe di ainbil akan di pakej di dalaiu pekerdjaan bertidjak tanah maka deri itoelah ada sedikit sangkal di hatikoe tetapi djikalau ada awa soeka djoega tiada inendjadi akan ketjil hati kapada Adoe boleh Adoe perboewat bini maka Poea Adoe poenja pengatoeran seinbahnja kapada karadjaan seraja katanja ija toewankoe apa boleh boewat karana soedah ter-adat kapada karadjaan Koetei mendjatli di kawinkanlah Adoe itoe dengan prampoewan njang terseboet itoe tadi.
Mata berapa lamanja Adoe soedah kawin maka sampejlaii kapada inasa pekerdjaan Radja c.rau bertidjak tanah serta di tjarilah orang katoeroenan njang di pakej bertidjak tanah tiada ada njang lain hingga njang ada itoelah njang di perboewat bini oleh Adoe itoe djoega njang lagi maka di panggillah itoe bini maka berkatalah karadjaan kapada Adoe he Adoe sekarang sampejlah kapada perka-taankoe njang telah akoe rewajatkan kapada awa tatkala dhoeloenja maka sekarang di pakejlah bini awa boewat bertidjak tanah serta di pakejlah biui Poea Adoe di tidjak kapalanja sabagimana adat
betreden; pas daarna mag hij vrij op do aarde rondloopon. Deze formaliteit 1« uog steedH de rigueur.
Degenen, die bij voorkomende gelegenheden hun hooid moeten beschikbaarBtellen voor deze veinederende pleohtiglieid, zijn dezelfden , die van vroeger af hiertoe verplicht zijn geweest, en waaruit de Poea Adoe hot ongeluk had, zijne vrouw te kiezen. Zij behooren tot m\'ne familie, van oorsprong krijgsgevangenen; zij zijn steeds te /amen blijven wonen zooals zij nu ook nog doen in de kampong Kendal aan de monding der Tengaroug-rivier. Tegenover de verplichtingen, die op hen rusten , ■ enieten zij onl; privilegien.
171- KKNtOK MKDEDHKLlMiKN OMTKC.NT 1)1: liUKUlNKK\'/.KN VAN KOKTEI.
Toen het //erau/\'feest afgeloopen was, was het alsof de A doe berouw had en zioli schaamde dat het hoofd zijner vrouw bij het //tidjak tanah\'/ gediend liad, en de Adoe met vrouw en kinderen en de geheele familie pakten hun boeltje in en maakten de prauwen klaar om te vertrekken. Toen dezen gereed waren, vertrok de Poea Adoe en zeilde rechtstreeks naar Solok.
Toen hij te Solok was aangekomen, ging hij dadelijk met vrouw en kinderen en familie naar den wal om zich aan den Vorst van Solok over te geven. Deze gaf aan een mantri van hem bevel om bij de Boegineezen , die pas gekomen waren, te informeeren van waar zij oorspronkelijk kwamen, hoe hun woonplaats heette en wat do reden was dat zij zoo onverwachts zich kwamen overgeven. De mantri deed bij den Poea Adoe onderzoek, waarop deze zeide dat hij duizende malen smeekte om zijne schande te Koetei te bedekken; hij verhaalde waarom zij in den beginne te Koetei waren binnen-geloopen en wat het doel was geweest van hun verblijf aldaar. Verder vertelde hij alles wat met zijne vrouw gebeurd was, hoe haar hoofd gediend had bij het //tidjak tanah,// alles tot in de kleinste bijzonderheden toe deelde hij mede.
Daarna bracht de mantri dit over aan den Vorst, er bijvoegende dat zij verklaard hadden van geslachte tot geslachte onderdanen van den Vorst van Solok te zullen blijven als hunne schande maar uit-gewischt werd. Dit zeggen van den Poea Adoe, door den mantri aan den Vorst medegedeeld, werd door dezen in overleg met zijne mantri\'s en onderdanen goedgekeurd en vond inen het gepast, dien Poea Adoe te helpen en zijne schande te bedekken.
Daarop werden bevelen aan de mantri\'s gegeven om de onderdanen op te roepen en zich klaar te maken om Koetei aan te vallen. Toen men met de wapening gereed was, zeilde de geheele vloot uit naar Koetei. Eenigen tijd later kwam men hier aan en word dadelijk van de wapenen gebruik gemaakt. Het geheele land van Koetei ontstelde dat de Soloksehe vijanden aangevallen hadden, loen was het dat Koetei met Solok oorlog voerde.
Na eenige dagen strijdens verloren de Solokkers den krijg eu vluchtten zij naar hun land terug; er waren echter ook, die buit en krijgsgevangenen maakten ; van daar dat er tot heden nog menscheu van Koeteische afkomst te Solok zijn.
Daar staat geschreven, dat, toen Koetei Kerta Negara oorlog gevoerd had met Solok, de -/Karadjaan// van Koetei met de mantri\'s, penggawa\'s en onderdanen overlegde om gezamenlijk van Koetei lama
EEN 10JJ MHDKUKI.r.lNC K.N OMTttK.NT DU UUEfilN ICE/.KN VAN KOKTKI. 175
tolah solascjlali deri pada pekeixljaan erau radja itoe adalah itoe Adoe roepa roepa meiijesal serta ma-ambil maloe. oleh sebab di pakej ber-tidjak tanali kapala bininja itoe tadi maka berkeineslah itoe Adoe deiigan anak bininja dengan sekalian koelawarganja bersijap prahoe boewat kaloewar telah soedah sijap prahoenja kaloewarlab Poea Adoe troes belajar ka Soeloe telah sainpej di Socloe lantas dia naik dengan sekalian anak bininja dan koelawarganja menjeralikan dirinja kapada radja Soeloe maka radja Soeloe meinerintahkan kapada mantrinja memeriksa kapada orang Boegis njang baharoe datang itoe deri mana atsal datang dan apa nama negrinja dan a])a sebabnja mendjadi sa-koenjoeug koenjoeng datang menjerahkan dirinja maka di periksa oleh mantri kapada Poea Adoe maka sembahnja Poea Adoe kapada mantri sahingga dengan beriboe riboe harep minta toetoepkan kaïnaloean di Koetei maka di tjaritakanlali deri atsal berinoelanja masoq di Koet ei dan pri halnja di priksa maqsoednja tinggal di Koetei maka sekalian pri lial ichoewal bininja di pakej bertidjak tanah kapala bininja bingga habislah sekalian lial itoe di tjaritakan maka sasoedahnja itoe di sembahkanlab oleh mantri kapada radjauja serta di sembah-kannja djoega perpengakoeannja bersatoeroentimoeroennja mendjadi hambarajat kapada radja Soeloe atsal di toetoepkan kamaloean maka perkataan Poea Adoe itoe njang di sembahkan oleh mantri kapada radja di perkenankan radja dengan inoepakatannja mantri dan isi negri sapatoetnja djoega di toeloeng dan di toetoepi kamaloeannja itoe 1\'oea Adoe maka kaloearlah printah kapada sekalian mantri mantri boewat menggerahkan sekalian rajat IxM\'sijap pergi mehinggar ka Koetei.
\'l\'elali soedah sijaplah sekalian alat peparangan berlajerlah sekalian augkatan itoe ka Koetei.
Telab beberapa lamanja sampejlah ka Koetei lantas sekalian alat itoe melanggar di negri Koetei maka terkedjoetlah sekalian djadjahan negri Koetei akan moesoeh Soeloe datang melanggar maka koetika itoe berpranglah Koetei dengan Soeloe beberapa hari prang maka kala itoe Soeloe serta lari kaloewar komhali ka negrinja tetapi ada djoega njang mendapat rampasan dan tawanan itoelah sebabnja djadi ada bangsa Koetei di negri Soeloe sampej sekarang ini.
Alkisah terseboet perkataan Koetei Ktuta Negara sasoedahnja ber-prang dengan Soeloe itoe bermoepakatlah karadjaan Koetei dengan segala mantri mantri penggawanja dan sekalian hamba rajatnja akan
I 7(i KKNlfiK MGDKDBEUNOKX OMTIUAT DK BOKfilNKKZKX VAN KOETBI.
naar Pemaraugan Djembajaii te verhuizen en daar een negri te stichten. Dit gedaan zijnde, verhuisde men van Koetei lama naar Peinarangan. Nadat men eenigen tijd te Peinarangan gevestigd was geweest, kwamen er wederom, evenals dit vroeger de gewoonte was, Boegineezen handel drijven.
Alsnu verzamelde de quot;Karadjaaiiquot; de mantri\'s om er over te beraadslagen dat de Boegineezen een handelplaats hadden opgericht, deze. heette Samarinda.
Ratoe Peinarangan liet daarop zijne mantri\'s de Boegineezen roepen om voor hem te verschijnen, en toen dezen verschenen waren, sprak hij:
//Zegt, Boegineezen, VVadjoreezen , liet hindert mij zeer te zien dat gij eeno vestiging voor den handel te Koetei gemaakt hebt, maar dat er geen hoofd is, dat op bet liei\' en leed, op alles wat u overkomt kan toezien.quot;
Hierop zeiden de Boegineezen eerbiediglijk tot Ratoe Peinarangan : //Wij vragen duizendmaal verschooning, maar van vroeger af was reeds ons verlangen te doen zooals Uwe Hoogheid zeide; wij hadden echter Uwe Hoogheid nog geen toestemming gevraagd, doch wanneer Uwe Hoogheid nu toestemming geeft, kunnen wij iemand tot hoofd aanstellen.// llatoe Peinarangan antwoordde hierop:// (iaat naar huis, Wadjoreezen , en beraadslaagt en overlegt, wien gij Adoe wilt maken; verschijnt pas daarna weder voor de //Karadjaan// en //Tanah//.
Toen de Boegineezen Ratoe Peinarangan aldus hoorden spreken, gingen zij naar huis om te beraadslagen en te overleggen. Zij vonden iemand genaamd Anachoda Lateer]ji; hij werd Adoe gemaakt en deze Poea Adoe naai Peinarangan gebracht om vóór de //Karadjaan// en //Tanah// zijne opwachting te maken.
Nadat de Boegineezen van Koetei en de mantri\'s in de receptiezaal bijeengekomen waren, kwam Ratoe Peinarangan buiten en besteeg zijn troon; vervolgens zeide hij tot de Boegineezen: //Wadjoreezen, hebt gij iemand gevonden voor Adoe?//
De Boegineezen antwoordden: //Om deze reden verschijnen wij allen voor Uwe Hoogheid; deze Anachoda Latoedji is het, dien wij overeengekomen zijn, Matowa, dat is Poea Adoe, te maken.//
1 Dit moet goweent zijn Koetoi\'s twaalfde Vorst Pangoran Dipatti Toewa Ing Martapoora, oolv genaamd Paugeran Djembajau of de dertiende Vorst Pangeran
KF.NiriU M KÜKT»\' l\'.I.I X() K X OMTRUVT Dl\', UOEGtN f.KZKN VAN KOKTKI. 177
berpindali dcri Koetci lama ka Peinarangan Djembajan mcmboewat negri di sitoe sasoedahnja maka berpindahlali negri di Koetei lama ka Pemarangan soedah beberapa lamanja tetaplah negri di Pemarangan maka kapada inasa itoc poela rnasoq orang Boegis sabagimana adat njang dahoeloekala berniaga di Koetei maka mengoempoelkanlah sekalian mantri manti\'i oleh karadjaan boewat inoesjawarat halnja orang Boegis soedah memboewat tempat perhantian berdagang itoelah bernarna Samarinda maka mengandikalab 1 Eatoe Pemarangan me-njoeroeh kapada sekalian mantri mantri memanggii sekalian orang Boegis menghadap kabawah hadlirat Flatoe Pemarangan serta meng-liadaplah sekalian orang orang Boegis kapada karadjaan maka llatoe Pemarangan mengandika he Boegis tiloe Wadjo sangatlah soesah hatikoe melihat angkau sekalian soedah memboewat tempat pemon-dokan berniaga di Koetei tetapi tiada ada satoe kapala njang boleh melihat sekalian djahat dan baik di atas sekalian hal hal angkau maka mengatoer sevnbah sekalian orang Boegis kabawah hadlirat llatoe Pemarangan memohonkan ampon beriboe-riboe ampon patik sekalian njang diperhamba di bawah kaoes karadjaan sadahoeloenja mcmang ada patik sekalian berhadjet seperti pengandika di bawah kaoes itoe tetapi olehnja belom memohonkan idzin kabawah hadlirat andika sekarang djikalau di bri idzin bolehlah patik sekalian mendirikan kapala maka mengandikalah llatoe Pemarangan he tfloe Wadjo kom-balilah angkau sekalian kateinpatinoe itoe bermoesjawarat dan moepakat siapa siapa njang angkau moepakatkan memljadi Adoe baharoelah angkau sekalian kombali menghadap kapada karadjaan dan tanah.
Telah sekalian orang Boegis mendengar titah Ratoe Pemarangan demikian itoe kombalilah sekalian orang Boegis bermoesjawarat dan bermoepakat maka dapatlah satoe orang bernama Anachoda Latoedji itoelah di perboewat Adoe maka di bawalah itoe Poea Adoe menghadap karadjaan dan tanah di Pemarangan.
Satelah soedah terhimpoen sekalian Boegis Koetei dan mantri mantri sekaliannja di penghadapan maka kaloewarlah llatoe Pemarangan doedoeq bertahta karadjaan serta mengandika kapada sekalian orang Boegis he taoe Wadjo telah adakah angkau mendapat orang njang angkau djadikan Adoe maka di persembahkan oleh sekalian orang Boegis inilah mendjadi patik sekalian menghadap kabawah hadlirat inilah Anachoda Latoedji nainanja njang patik sekalian
Anom Pandji Mendapa hig Martapnora, na zijn dood genoemd Merohom Pemarangan (Do tegenwoordige Sultan in de Vorst).
y)»\' Volgi\'. I. W»
17\'S ElOXtGF, MKl)KDKKLIXdl\'A\' OMTttKNT DK BÜWMNKKZKX VAX KOKTIM:
Daarop sprak Ratoe Poinamuyaii: //Zeg, Matowa Adoc, misschteu hebt gij dezelfde plannen als de Adoe tijdens wij nog te Koetei lama waren.// De Poea Adoe antwoordde: //Toewankoc, ik met kinderen, kleinkinderen en verdei\'e familie wij verschijnen juist voor Uwe Majesteit omdat wij een eed voor Uwe voeten wenschen al\' te leggen.
Mogen onze nakomelingen worden gelijk een plant, die niet uitbot, gelijk een plant zonder pas ontloken blaren, gelijk een plant, waarop zich geen vogeltje meer neerlaat, als wij ooit booze gedachten koesteren jegens de \'/Karadjaan// en quot;Tanah•/ van Ixoetei.
Hierop antwoordde Ratoe Pemarangan: //VVadjoreezen, indien gi j aldus belooft, dan zijnde Koeteineezen de rechterhand , de Doegineezen de linkerhand van de //Karadjaan// van koetei.
//Toewankoe//, hernam de Poea Adoe,// als ik nog een spreekwoord mag gebruiken?// quot;Dat rnoogt gij,// zeide Ratoe Pemarangan //al wat gij wenscht te zeggen moogt gij uitspreken.// //Welnu dan Poeang,// vervolgde de Poea Adoe , //al raakt ons de dunne bladnerf van een kokospalm , wanneer wij er niet gewoon aan zijn, zoo zullen wij, uwe slaven de Wadjoreezen, daarvan ontstellen, maar al valt een hoofdlegger (balk onder de kapspanten in een Boegineesche woning) op ons, wanneer wij daaraan gewoon zijn, zoo ontstellen wij niet, Poeang.// Hierop antwoordden de mantri\'s van Koetei: //Ook met ons is het alzoo gesteld// en sprak Sri Padoeka Ratoe Pemarangan: //Indien gij soms de gewoonten van Koetei niet meer kunt dragen, de monding der Koeteirivier wordt immers niet gesloten.//
1 Dc Boegiueosohe tekst van hot hier en verder in deze Salasila voorkomende in niet overal even duidelijk. Vermoedelijk is de beteekenis echter, zooals in de vertaling is weergegeven.
- Bepadja moet, zooals l)r. Matthes beweert, een klein vogeltje beduiden , volgens den Inlander oorspronkelijk een groote vogel met zeer lange veer en , die men , ten strijde trekkende, tussehen twee gouden hoornen boven op een krijgsmuts aanbracht; bepadja komt ook in deze beteekenis in andere Boegineesohe contracten voor.
8 Lóli botcekuiit volgens Ur. .Matthes geen quot;lidin , dat in het Jjocgineesch i»adidi n
kk-vltu: jikdkl)ki:UNIii;\\ om\'l\'ui\'.vl\' dj: itnkd i n ki;/,i:\\ van koktci. i 7\'.)
inoepakatkaii iiiciuljadi Mutovva ijaui Poca Allot; maka bcrkatalah Riituo F\'eiiiaraiiü\'au he Matowa Ailoe, barangkali sa ma niatinoe qeugau Allot\' koetika wac^oc zamaii cli Koetci lama inaka iiiciijahoutlah l\'oea Aitoe ija Toewankor inilah sebal) patik sekalian bcrauak tjuctjoc dan kinlangwarga incughadap kabawah hadlirat ujang mahamoelia oleh hendaq incnjeinbahkaii 1 soempali patik sekalian kabawah kaoes ija \'l\'oewankoi; ta tjókko ta tjoliï ta iiatjókeiigibiipadja^adimiKiiinkiuakko \'augkakï pouawa-nawa madja ri ai\'adjauge anrange tanao ri Koete.
Maka menjahoetlah Ratoc Pcmarangaii hc tfioe Wadjo djikalau dcinikian pengakoeaiimoe taiigan kanan oraiig Koetci kapada ka-radjaan koetei tangau kiri orang ISougis kapada karadjaan Koetei.
Maka meiigatoei1 sembah l\'oea Adoe ija Toewangkoe djikalau boleh patik meiigatoei\'kan soewatoe perkataan kabawah kaoes maka kata llatoe Pemarangan bolehlah apa njaug lieudaq Adoe boleh katakan maka sembah l\'oea Adoe o Poeang moêua koêwa 3 loli nakko taiuya na-pobiyasaki atatta towadjo \'\'\' nakadja-kang moêna koêwa bara nakko biyasaua moêwa ta nakadja-kang Poêwang.
Maka menjahoet sekalian mautri mantri Ivoetei moêua ikang rnako moetö Maka menjahoet poela Sri Padoeka Ratoe Pemaraugan: moêua paugadaiTaag Koête moêua uakko ta moêle na powawai tauri soêloé babana Koête
Adapoeu •r\' artinja soempahuja Boegis ta-tjokko ta-tjóllf ta-na-Ijtikêngi bepadja adimoeunkf uakko augkaki pouawa-mlwa madja ri arudjaugc aurange tauae ri Ivoête bahasa melajoetija tiada hidoep berpoetjoek dan tiada boleh di tinggiri dan di hiugkapi oleh sekaliau hewau binatang njaug terbang itoelah artinja adapoeu artinja loli itoe ijaitoe oedjoeng lidi adapoeu artinja bilra itoe ijaitoe boedjoerau roemah dan artinja miski bagimana oedjoeng lidi besar uja di keuakau kapada dia orang meudjadi terkedjoet miskipoen bagimana boedjoerau roemah besarnja misalnja di djatohkau kapada dia orang kapau biasanja djoega tiada dia terkedjoet dan menjahoet poela orang mantri Koetei ijaitoe peujahoetauuja moêua ikaug inako moeto artinja kapada bahasa melajoe miski kami sekalian demikian
iw. Naar de verklaring in tie Salasila zelf moet echter hier met loli hebmaleische ••lidin , norf van liet blad van een kokospalm, bedoeld zijn.
1 Nakadjakang moet naar de verklaring in do Salasila het maleisohe terkedjoet ~ ontsteld, beteekenen; volgens Dr. Matthes bet. \'t Boeg. naka lja-kang: het stort ons in het verderf, en tdkallakang: wij schrikken, wij ontstellen.
amp; Hier ,#on straks volgen verklaringen van hot Boegineesoh , om herhalingen to ontgaan worden deze verklaringen niet vertaald.
180 EKN1GK MEUBDKBUNOKN OMTRENT DE BOEG1NEEZEN VAN KOKTEI.
De verdere verklaring van den Poea Adoe, diens kinderen, kleinkinderen en stamgenooten luidt,: //Zoo gij ons roept, zullen wi j antwoorden, zoo gij ons uitnoodigt, zullen wij gaan, zoo één van beiden dwaalt, zal de ander hem hieraan indachtig maken, zoo één van beiden valt, zal de ander hem oprichten; men menge zich niet in elkanders zaken , pluize niet iemands feilen uit; adja siyalang oio be-teekent: wanneer de //Karadjaan// of //Tanah//bij gemeen overleg een bevel geeft aan een mantri of iemand anders, en een andere mantri wil zich met die opdracht bemoeien, dan mag dit volstrekt niet, tenzij met medeweten van dengene, die beveelt of van wien het bevel uitgaat.
adja siyoti alabböng beteekent: spreekt geen kwaad, iemands verkeerdheden daardoor uitbrengende; dit staat gelijk met hem in het ongeluk te storten. (NB. otf alabböng bet. lett. uit een gat uitpeuteren.)
Dit is de overeenkomst en de //gelofte (verklaring) van do Boegi-neezen tegenover de //Karadjaan// van Koetei, na overleg met alle Boegineesche stammen, die zich in het rijk van Koetei ophouden,
KKKUiK M K UK DEK MNGI: .V OMTKKNT lgt;E BOWUXKE\'/.KN VAN KOKTKI. I S |
ifroc iljocga maka mcngandika poela Sri Padocka llatoe Peinaningaii moéna pangadarrang Koete moena nakko ta mooie iiapowAwai tauri-soolóe babAua Koctc artinja kapada bahasa melajoe miski adat Koetei iljikaian awa tiada Imlc.li pi koel tiada tei\'toetoep koeala Koetei.
hagi per igakoeannja Poea Adoe serta sekaliau anak tjoetjoenja dan bangsauja milngolli kisawa matainpa kilao artinja bahasa melajoe borscroe kami menjalioet incrnanggil pergi inaltloc, sipakainga niarabba sipatókkong artinja .djikalan loepa octawa hilap beringatan djikalau i\'ebali di bangoenkan adja siijalang oio adja siyotf alabböug artinja kapada bahasa melajoe udja siijalang oio djikalau satoe mantri atau lainnja di printah oleh karadjaan oetawa tanah njang soedah ber-moepakat maka satoe mantri atau lain orang heudaq mentjampoeri di atas itou priutahan itoc tiada boloh sekali djikalau tiada dengan sapengatahoean njang meinerintah oetawa njang poenja printah artinja adja syóti alabbong artinja kapada bahasa melajoe djangan ompat inengompat nieuimboelkan kadjahatan kapada sasoewatoe orang dan seperti memasoqan orang di dalam kadjahatan maka inilah perdjan-djiannja serta pengakoeannja orang Boegis dengan karadjaan Koetei soedah dengan moepakatannja sekalian bangsa Boegis njang ad a tinggal di tanah karadjaan Koetei,
lien der
1S:J t\'.KXlGK MBDKDKEIjIN\'0KN OMTIIKNT Dl: BOEGISKBZKN VAN KOKTK1.
Één der voonmiunstc zaken, welke uit bovenstaande /\'Salaëlaquot; blijden , is de verhoudiug van den President der Boegineesclie republiek , den Poea Adoe, tot Koetei\'s Vorst, den Sultan. Immers wij lezen; // Ratoe Pamarangan antwoordde hierop : (iaat naar huis, AVadjoreezen , (üi beraadslaagt en overlegt wien gij Adoe wilt maken, en verschijnt eerst daarna weder voor de //Karadjaanquot; en quot;ianah.quot; J oen de 15oegi-ueezeu llatoe Pemai\'angan aldus hoorden spreken, gingen zij naar huis om te beraadslagen en te overleggen. Zij vonden iemand, genaamd Anachoda Latoedji, bij werd Adoe gemaakt, en deze loea Adoe naar Pemarangan gebracht om vóór de//Karadjaan//en//Tanah\'/
zijne opwachting te maken.quot;
Deze weinige woorden geven de verhouding van den Poea Adoe tot den Sultan, zooals die oorspronkelijk was, voldoende aan. O een aanstelling toch vanwege den Vorst, maar geheel vrije verkiezing door de Boegineezen , enkel onder nadere goedkeuring van het Maleisch bestuur; dit had dus wel het recht iemand te weigeren, niet te benoemen.
Volgens de oorspronkelijke instellingen , die langen tijd m stand zijn gebleven, vergaderden telken male, dat de betrekking van Adoe vacant was, de «kapala manang\'/ Me Samarinda en verkozen iemand tot die hooge waardigheid. Die quot;kapala manangquot; waren de eigenlijke volkshoofden, chefs van voorname talrijke families, onder wier hoede zich nieuw aangekomen emigranten hadden gesteld; men had er verscheidene te Samarinda; meerendeels hadden zij veel invloed. De quot;kapala manangquot; waren in hunne keuze geheel vrij; de betrekking toch van Adoe was niet erfelijk ; gewoonlijk nam men daarvoor iemand , die bemiddeld en van voorname afkomst was en goede relaties had; wie gekozen werd, mocht niet bedanken.
Hadden de quot;kapala manangquot; eene keuze gedaan, zoo gaven zij hiervan aarr de «Karadjaanquot; en quot;Tanahquot; te Tengarong kennis, in geval men hier met die keuze genoegen nam, verhieven de Boegineezen den gekozene te Samarinda tot Adoe, die daarop naar leng-aroiig ging\' om bij den Vorst zijne opwachting te maken. Was de, uitslag der verkiezing door de quot;kapala manangquot; niet ten genoegen der quot;Karadjaanquot;; dan moest er eene herkiezing plaats hebben, totdat de vereischte goedkeuring koude verworven woidon.
Zooals begrijpelijk is in een land , waar politieke leiding , bestuur, administratie en jurisprudentie niet geseheiden waren, had de Loea.
i Mftnangbotookout: allcu; kapala mftimug = volkshoofdoii.
HKXIQK MKDKDKKI.INOKN OMÏIIKNT l)i: BOKOlXK^/.liN VAN KOKTKl. 1 So
Adoe ecu /.eer veelxijdigeu eu lioogst belangrijken werkkring. Des-iiiettcgenstaaude was zijne macht , lioe groot ook , vrij beperkt door dat liem ninuncr de bevoegdlicid was gelaten, alleen te handelen oi te berechten. I miners moest hij steeds te rade gaan en ui overeenstemming handelen met twee hem door de quot;kapala manang// toegevoegde assessoren, zoogenaamde quot;taoe-abêyo/\' en «taoe-ataoe (letterlijk vertaald; menschen aan de linker- en rechterzijde).
Waren de Poea Adoe en zijne twee bijzitters het omtrent eene zaak niet eens, was er niet wat men noemde 1 //saina-iyoquot; ol 2 \'/malêboe tallóquot; dan moesten (llt;\' «kapala manangquot; beslissen. Deze vergaderden trouwens ook wel als zij met de uitspraken van den Poea Adoe en zijne twee raden niet tevreden waren, in dergelijke vergaderingen trachtte dan de Poea Adoe //sama-iyo\'/ te verkrijgen; gelukte dit door van weerszijden wat toe te geven, zoo voorkwam men hierdoor vele moeielijkheden , want in het tegenovergestelde geval nam de Adoe, ten einde raad, zijn quot;songkoquot; (een (ij 11 van rotan gevlochten mutsje, teeken zijner waardigheid) af en verwisselde het tegen een
hoofddoek (de gewone dracht).
Men noemde dit» miïiakkoe, hetwelk beteekent: «ontslagaanbiedenquot;. Daarop moesten de quot;kapala manang« met de «tóoc abêyoquot; en «taoc-ataoequot; overleggen of zij het- gevraagde ontslag zouden aannemen. Soms trok de Adoe op hun verzoek zijn inalakkoe in en aanvaardde bij op nieuw zijne betrekking; soms echter werd het imllakkoeaangenomen en de Adoe daardoor wat men noemde: lêssó gt;. In dat geval werd de Toengkoe Imam van Samarinda, anders het uitsluitend hoold der godsdienst, de tijdelijke plaatsvervanger, en kreeg hij zoolang
de //songkoquot; van den Adoe.
quot;Hoe in geval van vacature, zooals bij dood of lêssóquot; van den Adoe, verder gehandeld werd, is boven vermeld.
Tot de voornaamste bezigheden van den Adoe behoorde de rechtspraak over de lioegineezeu ; hij en zijne, raadslieden waren hierbij aan
geen andere controle dan aan die van de quot;kapala inAnangquot; onderworpen; zelfs de doodstrlf konden zij uitspreken en voltrekken.
De meest voorkomende niisdrijven , waarop destijds te Samarinda de doodstraf stond, waren Iquot;. diefstal voor een waarde boven de ,/ I,
1
Sftma tyo bntoukont letterlijk: te zamen quot;jir zowicti; van daw: tciestemmon.
1SL BENIGE MEDE DEELINGEN OMTIIENT DE HOEGI.N\'EEZHN VAN KOETEI.
wanneer het gestolene in handen van den dief werd gevonden, 2°. overspel, waarbij overspeler en overspeelster gelijk gestraft werden, 3quot;. verzet van een slaaf tegen zijn meester.
In deze gevallen werd de doodstraf voltrokken door verdrinken van den veroordeelde door lieden van den Poea Adoe; men noemde dit //laboc/; de terechtstelling vond altijd plaats in de groote Mahakam-rivier vóór Samarinda op de wijze, zooals door H. vou Bewail iu zijn dagboek dd. 38 Maart 1817 is medegedeeld (Indisch Archief eerste jaargang deel i bladzijde 91.)
Behalve deze doodstraf kende de adat te Samarinda (trouwens ook onder de Koeteinezen) het mate iialêdjii têdong 1, Wie op heeter daad betrapt werd van inbraak te plegen , mocht door hem die liet zag gedood worden; eveneens mocht men dit doen met degenen, die \'s nachts een bewoond erf binnendrongen. Dergelijke afmaking van delinquenten was gewettigd door de adat en werd genoemd : «mate nalêdja têdongquot;.
Dc inkomsten van den Adoe waren de volgende:
1quot;. Voor elk vaartuig, dat op de helling gebracht werd, moest _/\' 8.— betaald worden. (Tot goed verstaan hiervan diene dat de, te Samarinda thuis behoorende, vaartuigen gewoonlijk eens per jaar een reis over zee maakten; deze duurde meestal verscheidene maanden, en na afloop daarvan werd het vaartuig afgetuigd, op het droge gebracht en onder een afdak bewaard tot deu volgenden gunstigen moesson.)
2°. Van elk vaartuig, dat binnenliep, moest de djoeragan \'/mangamp;ntard\'/, dat was: geschenken brengen ter waarde van J\' 20 tot f 30.—; soms ook werd dit bedrag aan contanten gegeven.
3°. Voor elk huis, dat te Samarinda gebouwd werd van meer dan talloe-aratang 2 (drie dwarsleggers), moest ƒ 8.— betaald worden.
3o. De Poea Adoe had twee quot;pernoc 2 (volgelingen of oppassers), die door de //kapala-manang\'/ bezoldigd werden; eens per week mochten die \'/pernoc/ de tuinen langs gaan om voor den Adoe betel met hetgeen daarbij behoorde , in te zamelen.
1
Mate naledja têdong beteokont; quot;door een buft\'ol vertreden en dientengevolge gestorven\'»; wordt overdrachtelijk gebruikt van iemand, die dooi1 eigen schuld zijn leven verliest, zoodat er van schadevergoeding of vergelding geen sprake is. Inliet Maleisch gebruikt men dezelfde uitdrukking: nmati bertidjak kerbon , echter ook wel: quot;mati sia siaquot; letterlijk: ndooden om nietquot;, hetwelk gelijke strekking heeft.
2
quot;Peruoen wellicht verminking van quot;perannoengquot; lelt.: quot;vertrouwelingquot; en van daar gewoonlijk gebruikt voor een: quot;omroeper,quot;
EENIGK JIUDKDUELINGH.N OMTRENT DE BOEGINEEKEX VAN KOET 101. 185
Zooals dc oorspronkelijke inrichting van hot bestuur over de lioegineezen, gelijk die boven vermeld is, was, had liet Koeteische Sultanaat ai zeer weinig over die talrijke kolonie van vreemdelingen te zeggen. Feitelijk waren dezen geheel onafhankelijk. Daar bovendien hunne hoofdvestiging Samarinda lager aan de rivier gelegen was dan Tengarong , de zetel van het Sultausbestuur, waren zij in veel voordeeliger conditie dan dit, en konden zij liet zelfs dwingen door den op- en afvoer, speciaal van zout, te beletten.
Verzet van de Boegiueezen tegen den Sultan is dan ook tallooze malen voorgevallen; een enkelen keer zelfs werd de vorst verjaagd, en kostte het hem vrij wat moeite, in zijne residentie terug te keereu. De zware palissadeering, die nog om liet vorstelijk verblijf van den Sultan te Tengarong bestaat, dc massa lilla\'s en kanonnen, die, thans verwaarloosd, overal in den omtrek van dien kraton verspreid liggen, herinneren aan dc gevaren, die eens niet alleen van de Dajaks bovenstrooms maar ook en zelfs nog meer van de Boegiueezen benedenstrooms dreigden.
Een der meest gercede aanleidingen tot vredebreuk tusschen de Boegiueezen en Koeteineezen was gelegen in het hellen der in- en uitvoerrechten. Toen Samarinda door de uitbreiding der Boegineesche kolonie een belangrijke handelplaats geworden was, had de quot;Kara-djaaii\'/ het noodig geoordeeld, hier de rechten door een ambtenaar te doen innen, die den titel droeg van Sebaudar. Al was deze eerlijk cn te goeder trouw, hetgeen natuurlijk lang niet altijd het geval was, reden tot klagen en tot ontevredenheid hadden de hooghartige Boegiueezen immer genoeg. Dc Sebaudar stond daartegenover meermalen vrij geïsoleerd en zwak, en konden des Sultans belangen dan ook dikwerf niet behoorlijk behartigd worden.
Maar berokkenden de Boegiueezen eenerzijds aan het Sultanaat veel moeielijkheden, anderzijds bewezen zij het ook veelvuldige en groote diensten. Geen oorlog toch, geen gewapend optreden van den vorst, \'t zij tegen Dajaks, \'t zij tegen zeeroovers, of dc krachtigste steun kwam van dc dappere Boegiueezen. Intusschen in het verleenen van hulp waren allen lang niet even bereidwillig; velen toch gaven aan de bevelen van //kapala niauang\'/ en Adoc slechts aarzelend gehoor, terwijl maar enkelen zich op den voorgrond stelden en steeds gereed waren, des Sultans belangen, waar mogelijk, te behartigen.
Aan degenen, die hierin uitmuntten, werden tot belooning door deu Sultan titels toegekend; de laagste was: quot;pauglhnaquot;, daarop volgde: \'/anregoeroe// en de hoogste was: «kapitan\'/. liet was ecu
18() ÜKMCiK JlKDKDirKLlNCIKN OMTIil-N i\' UK l«)i;(llNi;i;ZKN VAN koktbi.
gioutc oer, dergelijkun titel te verkrijgen, en men ging dan ook niet tot de schenking over, of de bevoorrechte moest in de messigit een eed van trouw aan het Koeteisch Vorstenhuis afleggen
De \'/panglinia\'s\'/, //anregoeroe s» en //kapitan\'s» vormden een waren adelstand, en de instelling van dezen is ontegenzeggelijk een daad van groot politiek beleid geweest. Die adellijken toch, waartoe natuurlijk de machtigste Boegineezen werden gekozen als in staat de meeste hulp tc verleenen, kregen rechtstreeks bevelen van den Sultan ; zij stonden daardoor boven hunne andere landgenooten , aan wie vorstelijke besluiten door de quot;kapaia inAnang// werden medegedeeld, die ze zeiven indirect door den Poea Adoe ontvingen. De verhouding \\an de adellijken tot den Sultan was trouwens ook anders dan die van de Boegineesche hooiden tot den Vorst, omdat de eersten , zooals boven gezegd is, een eed aflegden , en dit noch van den Poca Adoe noch van de «kapaia manang// verlangd werd.
Het vormen van een bevoorrechten stand onder de Boegineezen heeft aanleiding gegeven tot eindelooze twisten, doordat de kapitan s enz. zich steeds plaatsten tegenover den Adoe en de quot;kapaia mamp;nang;quot; maar juist door die twisten is de kracht dei Boegineesche Republiek gebroken, en heeft deze daardoor hare onafhankelijkheid kunnen verliezen.
liet is leerzaam na Ut gaan, hoe dit onder hel. bcstnur van den tegenwoordigen Sultan van Koetei heeft plaats gehad.
Mohammad Soleiinan was reeds lang op den troon , en nog werd schier dagelijks de rust te Samarinda verstoord. Talrijk waren de misdaden, die gepleegd werden, en van behoorli jk recht doen, was bijna geen sprake , want meestal werd gemoord of gestolen door volgelingen van machtige Boegineezen en op last van dezen; en wilden de wettige hoofden den delinquent vervolgen , zoo verzetten de betrokken familiehoofden zich hiertegen, en liep telkens een goeddeel der bevolking te wapen. Werd een enkelen keer recht gedaan , dan geschiedde dit zoo kort en zoo ruw mogelijk, en werd daardoor weder de kiem gelegd voor nadere verwikkeling. Bovendien was de toestand ddar ook in een ander opzicht van lieverlede onhoudbaar geworden. Koetei toch had een contract met het Uouvernement van Neder-landseh-lndie aangegaan, waarin onder meer overeengekomen was, dat men inenschenroof en handel in nienschen niet zoude dulden, in- en uitvoer van slaven zoude weren, en zonder toestemming van den Vertegenwoordiger van dat (Ion vernemen t geen doodvonnis ten uitvoer zou leggen. Aan deze bepalingen stoorden de Boegineezen
EEKIG-B ArEDKDKKLIXOKN UMTItKNT 1)K BOBtilXKllZEX VAN KOKTV.I. IS?
van Samarinda zich niet licl allcnniuste; wel zal zulks op zicli zeil vrij onverschillig geweest zijn aan tie Koetcischo Rcgeering, die zelve ook nimmer erg stipt geweest is in de nakoming van het bedoelde contract, maar de openlijke wijze, waarop de, Hoegineezen de eens aangenomen verbodsbepalingen overtraden, moest te eenigerlijd moeie-lijkheden met het (iouvernement doen vreezen.
De //Karadjaaiiquot; begreep, dat alleen verbetering mogelijk was wanneer er een vertegenwoordiger van den Vorst zoo niet boven, dan toch naast den Poea Adoo te Samarinda optrad. Van lieverlede was dit, wat te voren ondenkbaar zou zijn geweest, mogelijk geworden doordat de Sultan in de Benedenlanden niet meer zoo weerloos was als voorheen. Veel macht en invloed had hij gekregen door zijn meerder en minder ibrmeele huwelijken met liocgincesche vrouwen, en vooral door de quot;kapitanV, //anregoeroe\'s\'/ en «panglima\'s//, die op Zijne, hand waren en op wie Hij meerendeels konde rekenen. De Sebandar, als belast met de inning der rechten, waaruit voortdurend twisten ontstonden, was echter niet geschikt, om tevens als vertegenwoordiger van den Sultan naast den Poea Adoe krachtig op te treden. Van damp;1r dat de Sultan een speciaal persoon als hoofd van de politie tevens //Wakil^ \' van de /\'Kaïadjaanquot; te Samarinda aanstelde.
De eerste functionnaris was een Pandjerees, Intje Miril, iemand in wien de Sultan veel vertrouwen stelde; het bleek echter al spoedig, dat deze lang niet tegen de groote moeielijklieden, die hem wachtten van de zijde der Boegineezen , speciaal van den Poea Adoe, die zijne macht en aanzien bedreigd zag, opgewassen was. Xa zevenmaanden van twist en oneenigheid moest lutje Miril dan ook ontslagen worden.
Tntusschen was te Samarinda een handelaar van Borneo\'s Westkust binnen geloopen. Deze behoorde tot het Pontianaksehe Vorsten huis en had dus zoowel Arabisch als Boegineesch bloed in zijne aderen. Deze omstandigheid en daarbij de geheele persoonlijkheid van den man, deden den Sultan besluiten, hem uit te noodigen, als zijn Vertegenwoordiger te Samarinda op te treden, welk verzoek na lang aarzelen aangenomen werd.
Die vreemde; handelaar, toen na korte kennismaking door den Vorst als quot;Wakilquot; te Samarinda aangesteld, is de tegenwoordige Pangeran Bandahara, van wien Carl Bock in zijn «Reis in Oost en Zuid Borneo// zegt; «welk hoog personagie als des Sultans Minister van
1 Wakil vertogen vvoordiger.
188 l.KMfa; MKOKUKEUNUKN ÜJITRI NT DJ; HOHtilNEKiiKN VAN KOKTEJ.
Buitenlaiidsclie Zaken, als Gouvuruuur van de, plaats, Dii\'cctoui-van \'Politic, (Uiz, enz. optreedt; hij is een sluwe vos van Arabische ai-komst cn van niets minder al\'lcccrig dan van omkoopcrij op gvoote ol\' kleine schaal.quot;
Toen l\'angcran liandahara als hooi\'d der politie te Samarinda optrad, ondervond hij ook al dadelijk grootc tegenwerking ja zidls vijandelijkheid van de zijde van den Poea Adoe, gesteund door de groote meerderheid der Boegineezen. in alles gingen dezen hun eigen gang, cn, niet tevreden met de oorspronkelijke grenzen, hadden zij d ezel ven zoo ver overschreden dat zij zich met alleilei zaken van niet-Boegincesche v reemdelingen cn Koeteincczen bemoeiden, van welke twee categoriën zich langzamerhand een groot aantal te Samarinda had gevestigd.
Aanvankelijk trachtte Pangeran Bandahara den Poea Adoe duidelijk tc maken, tot hoever de bevoegdheden van dezen zich uitstrekten, en hem te overreden, zich binnen de perken te houden, door den Sultan gesteld. Toen de Adoe zich evenwel niet het alleimmst aan deze mondelinge vertoogen stoorde, lokte Bandahara van den Sultan eenc verordening uit, waarbij eenige verbodsbepalingen betrcHende den Poea Adoe schriftelijk werden vastgesteld. De zeven artikelen van deze schriftuur luiden nis volgt:
Artikel een. Perkara satoe.
Poea Adoe mag geen dieven , Poea Adoe tida bolch mem die reeds opgevat zijn, dooden, boenoch pentjoeri njang soedah noch de doodstraf toepassen op tertangkap atawa kasalahan njang andere misdrijven. lam tiada boleh sekali kali Poea
Adoe melakoekan itoe hoekoeman. Artikel twee. Perkara doewa.
Poea Adoe mag geen klachten Poea Adoe tiada boleh trima van Koeteineezen, in welke zaak pengadoean orang negri apa apa ook, aannemen. (\',ioega perkara.
Artikel drie. Perkara tiga.
poea Adoe mag geen menschen, Poea Adoe tiada boleh mena-die van andere landen gevlucht rima orang njang lari deri lain zijn , noch Koeteineezen toelaten, negri atawa orang di dalam negri. Artikel vier. Perkara ampat.
Poea Adoe mag geen lieden, Poea Adoe tiada bolch meroc-die zich tegenover de quot;Karadjaan// mahi orang njang salah kapada of //Tanah// vergrepen hebben, tanah atawa kapada karadjaan. huisvesten.
F.EMOF. MKI1F.DKRI.IXOEN OMTIIF.NÏ DE BOEOIMERZF.N VAN KOETEt. 1 80
|
Artikol vijf. Poea Adoe mag geen toestemming geven aan lieden , die rijstvelden oi\' andere aanplantingen wensehen aan te leggen, dan met medeweten van onzen vertegenwoordiger. Artikel zes. Poea Adoe mag geen schulden van anderen invorderen, als dit niet bekend is aan onzen vertegenwoordiger te Samarinda. Artikel zeven. Poea Adoe mag zich niet mengen in zaken van niet-Boegineezen. |
Perkara lima. Poea Adoe tiada boleh maïdzini kapada orang orang njang soeka bekerdja ladang padi oetawa ber-tanam tanaman njang lain me-lainkan dengan sapengatahoean wakil kita. Perkara anam. Poea Adoe tiada boleh mena-gihkan pioetangan orang djikalau tiada trang kapada wakil kita di Samarinda. Perkara toedjoeh. Poea Adoe tiada boleh tjampoer di atas hal hal orang lain deri bangsa boegis. |
De toenmalige Poea Adoe nam met deze verordening van den Sultan geen genoegen , en nam zijn ontslag (lêssó).
Niet lang daarna (de vacature van Poea Adoe was nog niet vervuld) gebeurde het, dat een vaartuig van Paré Paré (Celebes) te Samarinda binnenkwam, waarop gedurende den overtocht iemand gestorven was. De djoeragan gaf bij aankomst van dit voorval kennis aan Pangeran Bandahara, die daarop iemand naar de prauw zond, om namens hem de /aak te onderzoeken en de goederen van den overledene in bewaring te; nemen. Nog vóór deze persoon hier aankwam, was echter de kofter van den overledene reeds weggehaald door een voornaam Boeginees, Daëng Mattero, in overleg met den Poea Adoe lêssó.
Deze aanmatiging van gezag tegenover Pangeran Bandahara gaf aanleiding tot ernstige oncenigheid, die zoo hoog liep, dat de Boegineezen , zich beroepende op de woorden van Ratoe Pemarangan, in de Salasila vermeld: //Indien gij soms de gewoonten van Koetei niet meer kunt dragen, de monding der Koeteirivier wordt immers niet gesloten// den Sultan deden weten, dat zij allen het land zouden verlaten.
Pangeran Bandahara, begrijpende, dat het eene. loutere bedreiging was, ried den Sultan aan, de Boegineezen stil hun gang te laten gaan en geen concessies te doen. Dit had het gewenschte gevolg. De Boegineezen zagen van hun voornemen af en gingen gezamenlijk
l\'JÜ JSKNIGK .MKDKDKliUMilON Ü.MTUKST ÜD BOIOOINKK/.KN VAN KOKTBI.
onder leiding van zekeren Adji Poetih, een man, door geboorte en 1\'ainilierelaties op de kust van groot aanzien in de Koeteiselie beneden-landen, naar Tengarong, waar zij op nieuw trouw aan den Sultan beloofden en verklaarden te zullen berusten in diens inmenging in de Boegineesche zaken. Hiertegenover werd gratie verleend aan Daéng Mattero, dien de Sultan had willen strafl\'en voor zijne aanmatiging van gezag in bovenvermelde: quaestie, ook omdat liij altijd de lioofd-inan was geweest van liet verzet in Samarinda tegen den vertegenwoordiger van den Vorst; hij legde in de messigit van Tengarong een eed van trouw af.
De Sultan , gebruik makende van bet gunstige oogenblik , verklaarde de herhaalde moeielijkbeden te Samarinda te moeten toeschrijven aan de instelling van den Poea Adoe, en sehalte daarom deze booge betrekking ai; de bestaande vaeature mocht niet vervuld worden. Ook hierin berustten do Boegineezen.
Intusschen brak de Sultan niet dadelijk geheel met het denkbeeld van een hoofd over de Boegineezen, en er werd dan ook op zijn last door de quot;kapala manangquot; iemand gekozen en door Hem (Sultan) aangesteld, die onder Pangeran Bandabara als zoodanig zoude optreden. Hij kreeg den titel van //Penggawaquot;, een naam naar de begrippen van bet volk veel minder aanzienlijk dan dien van Poea Adoe.
Doch zelfs in rang, in naam, in macht besnoeid, was een algemeen hoofd der Boegineezen naast een vertegenwoordiger der //Kara-djaarw in de Benedenlanden onbestaanbaar. Dit bleek al spoedig bij gelegenheid van een amokpartij te Samarinda. Pangeran Bandabara was zelf daarheen gegaan en had den amok maker doen arresteeren , waarna hij aan de quot;dotja\'squot; (bedienden der messigit) last gal, het lijk van den verslagene te begraven. Den volgenden dag vernam bij evenwel, dat de dotja\'s zijn last niet hadden opgevolgd, daar zij van den penggawa contraorder ontvangen ou hiernaar geluisteid hadden.
Om voor goed aan het geharrewar een einde te maken, ontsloeg de Sultan den Penggawa en deelde Hij den quot;kapala manangquot; mede, dat zijn vertegenwoordiger, Pangeran Bandabara, voortaan als hoofd der Boegineezen zoude optreden. Sedert is dit ook zoo gebleven.
Was de intrekking van de Adoe-waardigheid reeds de genadeslag voor de onafhankelijke Boegineesche republiek, later is de Sultan op raad van Bandabara nog verder gegaan en heelt bij langzamerhand de door de bevolking gekozen //kapala manangquot; niet meer doen herkiezen, doch vervangen door quot;panglima\'squot;, quot;anregoeroe\'squot; en
ki.nkik mi;iii;iirr.i.imil.n omtüknt dk uoiuiinki\'zi.v van Kor.TKr. IUI
quot;kapitaii\'squot;, dour lieden al zoo, op wie. Hij koude; i\'eke.neii, die, aan Hem trouw hadden gezworen en niet aan liet volk hunne opkomst hadden te danken. Ook dit is geleidelijk gesehied. Het Europeesch bestuur te Koetei heeft zelfs niets daarvan bespeurd, evenmin als van de beeiiidiging van het Adoe-bestuur en den totalen ommekeer in de verhouding van de Buegineezen tot den Sultan, liet is steeds m do veronderstelling gebleven, dat nog waar was, wat tevoren ook werkelijk het geval is geweest, namelijk, dat de vertegenwoordiger van het Nedcrlandsch-Imlisch (louvernement te Koetei zijne veiligheid te danken had aan de, vijandsehap tusschen het Ivoeteiseh Sultanaat en de Hoegincesche republiek, tusschen welke beiden hij geplaatst was. Tegenwoordig bestaat geen Boegmeesche republiek meei in Koetei, vijandsehap en rivaliteit van het aanzienlijke en machtige (lehecJ der Hoegineezen is niet meer denkbaar (individueel verzet van onkelen blijft natuurlijk buiten besehouwing), omdat Koeteinees en Boeginees politiek één zijn geworden, één bestuur hebben, en de Boeginees geeft wat des Vorsten is, eu doet wat des onderdaans is.
Ontstond op dit oogenblik eenige spanning in de verhouding tusschen den Sultan van Koetei en het Nederlandseh-Indisch Gouvernement (iets wat niet te hopen maar ook niet waarschijnlijk is), en moesten de. Boegineezen partij kiezen, geen twijtel ol zij zonden met hun Vorst meegaan en tegen ons optreden. Moe geheel anders jaren geleden, toen stellig en zeker het omgekeerde het geval zoude, zijn geweest.
De groot»\', verandering in den politieken toestand van de Boegineezen te Samurinda, heelt Koetei aan Pangeran Bandahara te danken, want hij is het geweest, die den Sultan genoopt heeft, de maatregelen te nemen , waardoor er thans een meer geordende en in menig opzicht beter stand van zaken is ingetreden. Eerbied en bewondering verdient die man in hooge mate voor den moed , het beleid en de volharding, waarmee hij voor den Vorst, die hem in dienst had genomen, gewerkt heelt. Want gemakkelijk is zijn taak niet geweest. Bedreigd toch was zijn leven van de zijde der Boegineezen, die te recht in hem den bewerker van het verlies hunner onat hankelijkheid zagen , tegengewerkt en belasterd van de zijde der Koeteineesche prinsen en hoofden, die zijne verheffing tot mantri met loede oogen aanzagen als strijdig met de adat (welke zegt dat een vreemdeling geen mantri mag worden), en later zeiven gaarne in zijn plaats tot ( jouverneur der Benedenlanden waren aangesteld. \\u nog wordt in de omgeving van den Sultan Pangeran Bandahara ineermalen minachtend «Si Arab//
102 EKNIQK MRDKDKF.M N\'C! KN ÜMTIIKVl\' DK l«)F.fiINKi;Zi:\\ VAN KOKTKT.
genoemd, en steeds tegen hem gekuipt. lino laag en hoe hoog hij al in de schatting van zijn Vorst gedaald en gestegen is geweest, kan hieruit bli jken dat hij reeds eens naar Tengarong is opgeroepen, beschuldigd van een zamenzwering tegen den Sultan te hebben gesmeed, en dat hij bij andere gelegenheden reeds meermalen is aangezocht van de zijde van den Sultan om één der Koeteische prinsessen tot vrouw te nemen. Maar Pangeran Bandahara is zich steeds gelijk gebleven, zich daarbij op een afstand houdende; van huwelijken met prinsessen heeft hij nimmer iets willen weten, doch wel heeft hij van den beginne af een traktement van vijfhonderd gulden \'s maands, buiten den Sultan om (uit de opbrengst van pachten of in- en uitvoerrechten) te betalen , bedongen, hetgeen hem voor tal van onaangenaamheden met zijn Vorst, die moeielijk van eens bewaarde gelden kan scheiden , gevrijwaard heeft.
Onder de Boegineezen heeft Pangeran Bandahara een grooten invloed ; hij heeft dien gekregen door zijne vrouwen te kiezen uit de voornaamste families, door zich overigens te omringen van invloedrijke personen; op de machtigste hoofden van Samarinda , in de eerste plaats op Kapitan Moeda, kan hij thans volkomen staat maken.
Door dien invloed is het Pangeran Bandahara mogelijk geweest, ook na de wijziging hunner politieke instellingen, nog andere groote veranderingen onder de Boegineezen tot stand te brengen. Ik heb hierbij voornamelijk op het oog. dat door hem een einde is gemaakt aan den eeredienst der quot;bissoeV/, waaruit veel verkeerdheden voortvloeiden en die een\' bron was van ongeregeldheden. Te voren hadden deze priesters en priesteressen, bekend uit de mededeelingen van Dr. Matthes, een machtigen invloed op het bestaan der Boegineezen van Samarinda, en grepen zij diep in het geheele volksleven in. Geen Boeginees van naam toch die niet zijn of haar //dewataquot; (hemelsche echtgenoot) had; niemand, dien iets van gewicht in zijn leven overkwam, zonder inmenging der bissoe\'s. De bissoefeesten te Samarinda bij geboorte, huwelijk, veldarbeid, ziekten, ja bij alle mogelijke gelegenheden waren dan ook algemeen. Maar juist daarom waren zij de oorzaak van eene schromelijke geldverkwisting, die, niet evenredig zijnde aan de verdiensten, tot tal van kwade praktijken voerde, en van eene ergerlijke ongebondenheid, die onder een lichtgeraakt , opvliegend en daarbij altijd gewapend volk, tallooze malen tot moord en doodslag aanleiding gaf. Die heidensche gebruiken, hoewel in gewijzigden vorm ook aan het hof van Koetei in zwang (hetgeen thans uog het geval is), moesten een geloovig Mohamedaan,
r.KNIOK MKDKDKfii.lNUKN\' OMTKKXT DK BOEOlNEEZES VAN KOETRI. I W5
zooals Pangeran Bandahara steeds geweest is, een gruwel zijn. In den aanvang, zoolang hij nog niet inachtig genoeg was, heeft hij zieh echter met de sociale hervormingen onder de Boegineezen niet ingelaten; hij heeft gewacht tot hij voldoende sterk was om krachtig te kunnen optreden, maar heeft toen ook niet langer geaarzeld. Thans bestaat te Samarinda geen eeredienst der bissoe\'s meer; een enkele quot;palakka// (legerstede der dewata) wordt nog slechts als rariteit aan-getroflen; de weinige bissoe\'s, welke nog overgebleven zijn, doen alleen dienst als quasi-geneeskundigen. Wie weet, hoe inlanders aan overoude gebruiken gehecht zijn, vooral als dezen zoo veel genoegens meebrengen als de bissoefeesten inhielden, kan begrijpen, welk een moeite en volharding noodig geweest zijn om in dezen te zegevieren.
Aan nog andere verkeerdheden is in Samarinda door lïandahara een einde gemaakt, zooals aan het dragen van wapenen; te voren liep iedereen buitenshuis altijd met ontbloote pieken, met vuurwapenen, met mandau\'s (slagzwaarden); dit altijd gereed zijn tot vechten was reeds op zich zelf herhaaldelijk oorzaak van moordpartijen; maar wat nog erger was, was dat daardoor geschillen van weinig omvang steeds zulke groote proporties aannamen. Thans mag niet anders gedragen worden dan de kris en nog wel bedekt dooide sarong.
Ook is Samarinda zeer ten goede gekomen, dat de personen van rang, die een\' bron van inkomsten vonden in het stelen en moven hunner slaven , welke zij in het uitvoeren hunner misdrijven hielpen , van lieverlede vervangen zijn door menschen van beter gehalte.
Dank zij dezen verschillenden verbeteringen, door Bandahara tot stand gebracht, laten tegenwoordig de rust en orde in de Boegi-neesche kolonie van Samarinda weinig te wenschen over. Waar vroeger soms meer dan eens per week het bloed vloeide, komen thans amok-partiien slechts bij groote zeldzaamheid voor; van belangrijke diefstallen, inbraken, roovmjen hoort men evenmin veelvuldig, liet bewijs van den veranderden toestand kan iedereen, die Samarinda bezoekt, zien, want nog slechts weinige huizen zijn van zware omheiningen voorzien; wel vindt men die nog om enkele groote oude woningen, maar zij zijn vervallen en toonen dat men het onderhoud niet meer noodig heeft geacht.
Zijn er, zooals uit het bovenstaande blijkt, door den loop der tijden in sommige opzichten radicale verbeteringen onder de Boegineezen daargesteld, ten aanzien van slavernij en pandelingschap kan niet hetzelfde gezegd worden. Dit kan ons trouwens weinig be-5« Volgr. I. 13
19-4 EENIGG MK DE DEE LIN tl K N (JM\'l\'ltE.N\'l\' ÜJJ BUKOIN KKZ£\\ VAN KOETEÏ.
vreemden; want in liet tusschen het rijk van Koetei eu lu;fc iNecler-landsch-liitlisch Gouvernement gesloten contract zijn die twee instellingen niet verboden geworden, vigeeren dezen mitsdien onder de Koeteineezen nog steeds; wat wonder dat door of namens den bultan bij de Boegineezen nimmer aangedrongen is, daarvan afstand te doen. Reeds is het eenc groote verbetering, dat langzamerhand de invoer van slaven te Samarinda belangrijk verminderd, zoo niet geheel opgehouden is.
Ten gevolge van dezen belemmerden invoer vindt men bij de Boegineezen van Koetei dan ook nog alleen de zoogenaamde erfslaven (Boegineesch = ata manu); dit zijn slaven van geboorte, die uitsluitend in een1 zelfde familie blijven, waar zij tot de erfgoederen behooren en waarvan zij het onvervreembaar eigendom zijn. Zij kunnen zich nimmer vrijkoopen, noch door anderen vrijgekocht worden. Hunne meesters kunnen hen echter vrij verklaren; van de erfslavin , die door haar meester tot vrouw ol bijzit genomen wordt, houdt daardoor per se de slavernij op.
In onveranderden toestand kan de erfslaaf niet door zijn meester verkocht worden. Wil een meester zijn erfslaaf te gelde maken, hetgeen hij alleen in uitersten nood mag doen, dan is hij verplicht, hem als slaaf\' vrij te verklaren, en hem als pandeling met een schuld van hoogstens _/\'160 over te doen; wordt een hoogere som als schuld o]) het hoofd van den erfslaaf gesteld, zoo wordt deze deswegens door den Sultan geheel vrij verklaard.
De nieuwe meester krijgt dus den gewezen erfslaaf als pandeling (tftoe-mdnginrang-oeloe), waarover straks nader zal gesproken worden.
Wat de erfslaven nog betreft, zoo is hun leven over het algemeen niet slecht; natuurlijk zijn de meesters niet allen van één gehalte, en vindt men onder hen ook, die ruw en hardvochtig zijn, maar meerendeels is de behandeling goed, deelen zij in klceding en voeding gelijk op met de andere leden der familie, van welke zij dikwerf de vertrouwden zijn. (Jok vindt men er, die hunne eigen middelen van bestaan hebben, \'t zij dat zij uit visschen gaan, \'t zij dat zij zich met cultuur van rijst en andere gewassen bezig houden; hunne dienstbaarheid bestaat dan daarin, dat /.i j hi j feestelijke gelegenheden van hun meester, zooals bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen enz., komen helpen.
De bepalingen, die wijders ten opzichte der erfslaven vigeeren , zijn meestal aan den Islam ontleend; slechts hier en daar heeft de adat dan wel de Sultan afwijkingen tot stand gebracht. Een vrij
kkmgr, MEDKi)r.i:i,iN(ii\'.N om\'fbi:\\t m; i)()i:(iiNi:i;/,i;\\\' \\ \\n kokti:i. IU5
man nuur mot cou slavin slechts trouwen in vier jrcvallen «. wanneei\' hij niet in staat is, de sueniahan (bruidschat) eener vrije vrouw te he kóst i gen, h. wanneer hij nog niet met eene andere vrije vrouw gehuwfl is, r. wanneer hij lijdende is aan eene huidziekte, zoodat geen vrije vrouw hem wil hebben, d. wanneer hij geen vrije vrouw kan onderhouden.
Vroeger volgden de kinderen uit het huwelijk eener slavin met een vrijen man den stand der moeder; de Sultan heeft echter verklaard dat dergelijke kinderen vrij zijn.
Huwelijken tusschen slaven en vrije vrouwen zijn verboden. Een meester kan echter zi jn slaaf herdoopen in pandeling met de maximumschuld van /160,— en daarna met één zijner vrije onderhoorigen doen huwen.
Is het aantal slaven onder de Boegineezen reeds niet onbelangrijk, nog veel aanzienlijker echter is het aantal pandelingen (taoe ma-nginrang). Arbeiders (in den incest uitgebreiden zin te verstaan), die werken tegen dagelijksch of maandelijksch loon vindt men bijna niet; wie werkkrachten noodig heeft, neemt pandelingen. Wol is de arbeid van dezen over het algemeen duur voor den werkgever, onvoordeelig voor den werknemer , toch past het stelsel geheel in de inlandsche huishouding en zal hot daarom dan ook niet spoedig daaruit gemist kunnen worden. In velo (rouvornomcntslandon , waar hot pandeling-schap nog onder tal van vormen, al is hot ook clandestien, voorkomt, vindt men hiervan de bevestiging.
Men heeft onder de Hoegiaeezen verschillende soorten van pandelingen, zij heeten allen: //taoe manginrang;// bij velen heeft het pandelingschap het karakteristieke: //verlies of belemmering der persoonlijke vrijheid ten gevolge van schulden// verloren.
Een soort pandelingschap, welke weinig meer voorkomt, ontstaat door wat de Koeteineezen noemen: //bagilaba// letterlijk: winst doelen. Vroeger gebeurde dikwerf, dat iemand geld van een ander leende om daarmee handel te drijven, met de overeenkomst dat men winst en verlies samen zoude doelen. Word verloren, dan moest do geldschieter eerst: //peboengkariiquot; (dat is bijpassen), zoo noodig tot drie maal toe. Waren do zaken dan nog niet in orde, zoo kon do geldschieter sluiting van rekening verlangen; dan werd uitgemaakt, hoeveel totaal verloren was, dat bediag gelijk gedeeld en voor do eene helft de geldleener gedebiteerd. Voor dit debet (oetang bagilaba) kon hij pandeling worden bij den geldschieter, daarbij voor dezen zoo lang het werk doende, bij overeenkomst te bepalen, tot zijn schuld aan-
196 EENIGE MEDEUEELINGEN OMTllEXT DE BÜHGUVEEZEN VAN KÜETEI.
gezuiverd was. Stierf hij voor de aanzuivering, dan verviel toch de schuld, als de overeenkomst gedurende het leven getrouw was nagekomen.
Gewoonlijk echter leende een kapitalist niet dan ouder het beding dat de vrouw van den leener de overeenkomst goedkeurde, hetwelk meebracht dat zij en de kinderen c. q. voor de aanzuivering der schuld mede aansprakelijk zouden zijn. In dit geval konde na vaststelling van de //oetang bagilabaquot; de geheele familie pandeling worden om tot den dood der ouders voor den geldschieter te werken.
Het mocht echter ook, dat zij na vaststelling van de //oetang bagi laba// niet feitelijk pandeling werden, doch enkel beloofden, zoo spoedig mogelijk hun schuld te betalen. Dan ging echter het restant schuld van den vader niet bij zijn dood te niet, doch werd voor gelijke deelen over de erfgenamen omgeslagen ; dit heette //latjarima (wellicht: silfibo-lima);// deze schuld bleef op de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen rusten, elk voor zich bleel daardoor pandeling totdat hij zijn schuld aangezuiverd had. Zij waren tot geen werk voor hun meester verplicht, zij droegen enkel den naam van pandeling, en bestond er tegen hen eene vordering, die hen steeds deed bloot staan aan minder aangename aanmaning.
Een tweede soort van pandelingsehap is tegenwoordig meer algemeen, en ontstaat ook uit het leenen van kapitaal, om daarmee zaken te doen, \'t zij handel te drijven, \'t zij, hetgeen heel veel voorkomt, om boschproducten op te koopen. Maar terwijl straks overeengekomen werd: //bagilaba// (deelen van winst en verlies); wordt bij deze leeningen enkel bedongen, dat de geldleener de hoofdsom met een bepaalde rente of zeker surplus zal retourneeren.
Bij deze verbindtenissen wordt zelden .de goedkeuring der vrouw verlangd. Zij geschieden meestal op echt Boegineesche wijze zonder getuigen, zonder schriftelijk bewijs; de mondelinge afspraak en dat nog wel onder vier oogen is voldoende. Het bewijst in zeker opzicht voor een volk, dat het de gewoonte heeft, op dergelijke primitieve wijze (soms belangrijke) verbintenissen aan te gaan.
Heeft nu de alzoo verbonden schuldenaar tegenspoed , zoodat hij zijne verplichtingen tegenover den geldschieter niet behoorlijk kan nakomen, dan wordt hij pandeling (taoe-manginrang tappa), als zoodanig is hij verplicht op aanwijzing van den schuldeischer werk te verrichten, uit welks opbrengst de schuld kan worden voldaan. Dit werk bestaat altijd in het zoeken van boschproducten; de schuld-
EENKiK 1IEDEDEEL1NGEX OMTRKXi\' UK BOEOINKKKEN VAN KOKTKJ. 197
cischer moet zijn pandeling liiertoc in staat stellen, door hem rijst, droge visch, tabak enz. te goeder rekening voor te schieten.
Een derde soort pandelingen zijn de boven reeds genoemde «taoe manginrang oeloe,// oorspronkelijke wata inana//(erfslaven), waarvan de slavernij in pandelingschap is omgezet. Hun schuld , zooals gezegd is, mag de ƒ160.— niet te boven gaan. Door het afbetalen daarvan worden zij geheel vrij. Men vindt verscheidene van hen bij Chineezen te Samarinda werkzaam tegen korting op hun schuld van f 5.— per maand. Ook treft men deze categorie bij voorname inlanders aan , die onderhoorigen of volgelingen bij feesten en in andere buitengewone omstandigheden noodig hebben. Zij leven dan geheel op zich zelf, voorzien in hun eigen onderhoud , maar moeten hun meester helpen , wanneer die hunne diensten noodig heeft. Het gebeurt wel, dat zulke menschen uit vrije verkiezing pandeling blijven, niettegenstaande zij van lieverlede door eigen arbeid in goeden doen zijn gekomen,
Een vierde soort pandelingschap eindelijk ontstaat door geld te leenen, om schulden te betalen, of als men anderszins in geldnood verkeert b. v., hetgeen dikwijls gebeurt, doordat men de middelen mist een nabestaande een behoorlijke begrafenis te geven. He voorwaarden , waarop in zulke omstandigheden geld geleend wordt, is zeer verschillend; soms behoudt de schuldenaar zijne vrijheid , en verbindt zich, zijne schuld af te doen met leveringen van padi, van ijzerhout of iets anders; soms ook verbindt hij zijn persoon om of gedurende een bepaalden tijd bij den geldschieter te werken of een bepaald werk te verrichten.
Met uitzondering van het geval van «oetang bagilaba\'/ is het grondbeginsel van pandelingschap, dat dit met den dood van den schuldenaar eindigt, en dat\', zoo lang de schuldenaar zicli nog niet van zijne verplichtingen gekweten heeft, alleen deze in zijne vrijheid mag belemmerd worden. Bovendien staat het vast, dat pandelingen niet verhandeld mogen worden, zonder dat men lien zelf daarin kent en zij de overdracht goedkeuren; dit is één der voornaamste punten van onderscheid tusschen slaven en pandelingen. Er komen echter ontzaglijk veel overtredingen van de bepalingen van het pandeling-schap voor; nu eens worden kinderen voor de schulden der ouders aangehouden, soms te geli jk met, soms na den dood van dezen; dan weder worden pandelingen door den eenen schuldeischer aan den anderen overgedragen, alsof het slaven gold, en niet zelden wordt de schuld gedurende het pandelingschap hoe langer hoe grootcr. Wel
196 BENIGE MEUHDEELINGEN OMTRENT DE BOEÖIXEEZEX VAN KUETEI.
gezuiverd was. Stierf hij voor de aanzuivering, dan verviel toch de schuld, als de overeenkomst gedurende het leven getrouw was nagekomen.
Gewoonlijk echter leende een kapitalist niet dan onder liet beding dat de vrouw van den leener de overeenkomst goedkeurde, hetwelk meebracht dat zij en de kinderen c. q. voor de aanzuivering dei-schuld mede aansprakelijk zouden zijn. In dit geval konde na vaststelling van de «oetaug bagilabaquot; de geheele familie pandeling worden om tot den dood der ouders voor den geldschieter te werken.
Het mocht echter ook, dat zij na vaststelling van de «oetang bagi laba\'/ niet feitelijk pandeling werden, doch enkel beloofden, zoo spoedig mogelijk hun schuld te betalen. Dan ging echter liet restant schuld van den vader niet bij zijn dood te niet, doch werd voor gelijke deelen over de erfgenamen omgeslagen; dit heette //latjarima (wellicht; silabo-luna);// deze schuld bleef op de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen rusten, elk voor zich bleef daardoor pandeling totdat hij zijn schuld aangezuiverd had. Zij waren tot geen werk voor hun meester verplicht, zij droegen enkel den naam van pandeling, en bestond er tegen hen eene vordering, die hen steeds deed bloot staan aan minder aangenaine aanmaning.
Een tweede soort van pandelingschap is tegenwoordig meer algemeen, en ontstaat ook uit het leenen van kapitaal, om daarmee zaken te doen, \'t zij handel te drijven , \'t zij, hetgeen heel veel voorkomt, om boschproducten op te koopen. Maar terwijl straks overeengekomen werd: \'/bagilabaquot; (deelen van winst en verlies); wordt bij deze. leeningen enkel bedongen, dat de geldleener de hoofdsom met een bepaalde rente of zeker surplus zal retourneeren.
Bij deze verbindtenissen wordt zelden .de goedkeuring der vrouw verlangd. Zij geschieden meestal op echt Boegineesche wijze zonder getuigen, zonder schriftelijk bewijs; de mondelinge afspraak en dat nog wel onder vier oogen is voldoende. Het bewijst in zeker opzicht voor een volk, dat het de gewoonte heeft, op dergelijke primitieve wijze (soms belangrijke) verbintenissen aan te gaan.
Heeft nu de alzoo verbonden schuldenaar tegenspoed , zoodat hij zijne verplichtingen tegenover den geldschieter niet behoorlijk kan nakomen, dan wordt hij pandeling (taoe-manginrang tappa), als zoodanig is hij verplicht op aanwijzing van den schuldeische-r werk te verrichten, uit welks opbrengst de schuld kan worden voldaan. Dit werk bestaat altijd in het zoeken van boschproducten; de schuld-
EENIRK JIEÜKDi;KLINGEN OMTRKNT UK BOBOINKKKKN VAN KOKTKI. 197
eischer moet zijn pandeling hiertoe in staat stellen, door hem rijst, droge visch, tabak enz. te goeder rekening voor te schieten.
Een derde soort pandelingen zijn de boven reeds genoemde «tfux-munginrang oeloe,quot; oorspronkelijke quot;ata manaquot; (erfslaven), waarvan de slavernij in pandelingschap is omgezet. Hun schuld , zooals gezegd is, mag de ƒ 160.— niet te boven gaan. Door het afbetalen daarvan worden zij geheel vrij. Men vindt verscheidene van hen bij Chineezen te Samarinda werkzaam tegen korting op hun schuld van ƒ 5.— per maand. Ook treft men deze categorie bij voorname inlanders aan , die onderhoorigen of volgelingen bij feesten en in andere buitengewone omstandigheden noodig hebben. Zij leven dan geheel op zich zelf, voorzien in hun eigen onderhoud , maar moeten hun meester helpen , wanneer die hunne diensten noodig heeft. Het gebeurt wel, dat zulke menschen uit vrije verkiezing pandeling blijven, niettegenstaande zij van lieverlede door eigen arbeid in goeden doen zijn gekomen.
Een vierde soort pandelingschap eindelijk ontstaat door geld te leenen, om schulden te betalen, of als men anderszins in geldnood verkeert b. v., hetgeen dikwijls gebeurt, doordat men de middelen mist een nabestaande een behoorlijke begrafenis te geven. De voorwaarden , waarop in zulke omstandigheden geld geleend wordt, is zeer verschillend; soms behoudt de schuldenaar zijne vrijheid, en verbindt zich, zijne schuld af te. doen met leveringen van padi, van ijzerhout of iets anders; soms ook verbindt hij zijn persoon om of gedurende een bepaalden tijd bij den geldschieter te werken of een bepaald werk te verrichten.
Met uitzondering van het geval van quot;oetang bagilaba\'/ is liet grondbeginsel van pandelingschap, dat dit met den dood van den schuldenaar eindigt, en dat\', zoo lang de schuldenaar zich nog niet van zijne verplichtingen gekweten heeft, alleen deze in zijne vrijheid mag belemmerd worden. Bovendien staat het vast, dat pandelingen niet verhandeld mogen worden, zonder dat men hen zelf daarin kent en zij de overdracht goedkeuren; dit is één der voornaamste punten van onderscheid tusschen slaven en pandelingen. Er komen echter ontzaglijk veel overtredingen van de bepalingen van het pandeling-schap voor; nu eens worden kinderen voor de schulden der ouders aangehouden, soms te gelijk met, soms na den dood van dezen; dan weder worden pandelingen door den eenen schuldeischer aan den anderen overgedragen, alsof het slaven gold, en niet zelden vrordt de schuld gedurende het pandelingschap hoe langer hoe grooter. Wel
1 IIS BBN-IOB MKOiaiBIOMNGEN OMTIMAT DU BOKODfBCTKN VAN KOKTKT.
heet het, .lat tegen fee overtredingen rccht krij^u is, n^r claar de, schuldenaar (klager) altijd de mmderc., \'sclmldc^lu;l i J klaagde) altijd de meerdere is, aoo is dat te krijgen \'W\'\' \'
vor te zoeken. Kr staat tegenover, dat de kwade prakt,dei „andeigen ook «eer talrijk zijn; zij zijn gewoonlyk gereeder m
het aangaan , dan in het nakomen hunner verbintenissen.