-ocr page 1-
-ocr page 2-

• -

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE ILIAS

VAN

HOMEROS

-ocr page 6-
-ocr page 7-

is «Lf

DE ILIAS

VAN

HOMEROS

VERTAALD

DOOR

Mr. C. YOSMAER

DERDE DUTJE

. /

i \'i

LEIDEN

A. W. SIJTHOFF

-ocr page 8-
-ocr page 9-

EERSTE ZANG. -

7

£—J\'mg ons den wrok, o ^odinne, van Peïeus\' zone Achilleus,

D\' onheilvollen, die rampen bij duizenden over d\' Achaiërs Bracht en ten Aides zond veel dappere zielen der helden,

Doch hunne lijken aan honden en allerlei roovende vogels 5. Gaf tot een prooi — want zóo kwam daar Zeus\' wil tot vervulling —

Sedert den dag dat het eerst zich door twist vijandig verdeelden Atreus\' zoon de regeerder des volks en de go dl ijk\' Achilleus. \\J

t) Wie van de goden dan dreef hen door twist elkaar te bestrijden\'/ Zei f j 6 Leto\'s en Zeus\' zoon was \'t; want deze, vertoornd op den koning,

ie. Wekte een doodlijke ziekte in \'t kamp, en de volken bezweken, UmJ

Wijl de Atreide met smaad diens priester bejegende, Chruses.

Deze nu was er gegaan naar de snelle galeien Achaia\'s,

Zoekend zijn dochter te lossen, en bracht onschatbaren losprijs Mee, met de handen den krans van den veraftreffenden Foibos i

15. Dragend op goudenen staf, en hij smeekte er al de Achaiërs,

Doch vooral de Atreiden, de twee hoofdleiders der volken:

— Atreus\' zonen, en allen, Achaiërs met stevige scheenplaat.

Mogen \'t u gunnen de goden, Olumpos\' verblijven bewonend,

Priamos\' stad te verwoesten en veilig te stevenen huiswaarts,

20. Doch mijne lieve, mijn kind, ontslaat ze en neemt u den losprijs,

Daarmee Zeus\' zoon eerend, den treffer van verre Apolloon.

Hieraan gaven te zaam wel d\' andre Achaiërs hun bijval,

Eere den priester te doen en te nemen den schittrenden losprijs.

Doch niet Atreus\' zoon Agamemnoon was het gevallig.

9. D. i. Apolloon.

%

I

1

-ocr page 10-

2

25. Maar hij verjoeg hem met smaad en hij sprak het geweldige

[machtwoord:

Laat ik u, grijsaard, nooit meer zien bij de holle galeien, \'t Zij dat gij hier blijft talmen, hetzij dat gij later terugkomt. Nutloos bleken u anders de krans van den god en uw scepter. Want nooit laat ik haar vrij, alvorens haar nadert de grijsheid 30. Ginds in mijn woning te Argos, van \'t land harer vaadren verwijderd. Waar zij den weefstoel drijve en dcele mijn nachtelijk rustbed. Ga en verbitter mij niet, zoo gij wilt dat gij levend terugkeert.

Alzoo sprak hij; verschrikt gaf d\' oude gehoor aan zijn uitspraak. Zwijgend ging hij naar \'t strand van het luid rondklotscnde zeenat. 35. Toen zich verwijdrend ter zij, zond d\'oude zijn vurige smeekbeê Op ten gebieder, den telg schoonlokkige Lcto\'s, Apolloon: — Wil mij verhooren, o gij met den zilveren boog, die door Chruse Zweeft en het heilige Killa, in Tenedos machtig als heerscher, Smintheus! Stichtte ik ooit voorheen u gevallig een godshuis, 40. Zoo ik ii ooit ontstak de met vet omwikkelde schenkels,

Vleesch van de stieren en rammen, vervul mij dit vurig verlangen:: Moog\' Vivv schot mijn tranen aan \'t heer der Achaiërs vergelden!

Alzoo sprak hij zijn beö, en verhoorde hem Foibos Apolloon. \'t Hart vol gramschap daalde hij neer van de kruin des Olumpos, 45. Over de schouders de boog en de sluitende koker met pijlen; Rammlend klonken de pijlen den toornenden god om de schouders, Spoedend in heftige vaart; als de nacht zoo was zijn verschijning. Daarop ver van de vloot stand houdende, zond hij zijn boogschot. Vreeselijk luidde \'t geklank dat de zilveren boog van zich uitgaf. 50. Eerst muilezels velde hij neer, en de schielijke honden,

Daarna tegen de mannen de schriklijke schoten verzendend.

Trof hij, en rustloos gloeiden de brandende mijten der dooden. \'t Was nu de negende dag dat de pijlen des gods door het

[krijgskamp

t Woedden; Achilleus riep op den tienden het heer tot den volksraad. 55. Dit toch wekt\' in zijn geest de godin blankarmige Hera,

Want naar de Danaërs ziende die sneuvelden, voelde zij deernis.

39. Bijnaam van den in Chruse vereerden Apolloon; hetzij als de akkers togen de veldmuizen heschuttende, hetzij van de stad Sminthè in Troas.

55. Ik volg zoo veel doenlijk Homeros\' schrijfwijs, — maar in Here, Athene, Holone, Ide heb ik den volleren klank der a in plaats van al die e\'s noodig, ook om te voorkomen dat zij als stomme e\'s worden uitgesproken.

-ocr page 11-

Toen zij zich hadden verzameld \'en waren vereend ter vergaadring, Sprak, uit de rijen naar voren getreên, snelvoetig\' Achilleus:

— Atreus\' zoon, thans zullen wij weer, rondzwervende, huiswaarts Stevenen, denk ik, indien wij den dood noch kunnen vermijden. Nu tegelijk met den krijg ook pest de Aehaiërs ter neer slaat. Doch, kom, vragen wij eerst eenen ziener om raad of een priester, \'t Zij eenen droomuitlegger, van Zeus toch komt ook het droombeeld; Deze verklaar\', waarom ons de toorn dus treft van Apolloon; Ook of misschien hem \'t verzuim van geloften of offers verbittert. Moge hij, weder van rammen en vlcklooze bokken den walingen r Eerst ontvangende, dan ons de redding verlecnen van \'t onheil.

Alzoo sprak hij en zette zich neer; toen rees uit hun midden Kalebas, Tbcstors joon, de voornaamste der vogelenwichlaars. Ziener van alles wat is, zijn zal en te voren geweest is,

Hij die naar Ilios mee aan de vloot der Aehaiërs tot leidsman Was met zijn schouwenden geest, als Apolloon Foibos liet ingaf. Deze nu sprak welmeenend hun toe en hij zei ter vergaadring:

— Gij, o Achilleus, goden geliefd! gij gelast mij te duiden Wat er Apolloon griefde, den veraftreffenden koning;

Ja, dit meld ik u wel; doch gij dan, luistert en zweert mij Allen, met woorden en handen in ernst mij te leencn uw bijstand. Want wel wacht ik den toorn van den man die het oppergezag voert Over \'t Argeiïsche volk, wien elk der Aehaiërs gehoorzaamt. Machtiger is toch een koning die toorn voedt tegen een mindre. Schoon hij een enkelen dag zijn drift al moge bedwingen.

Echter bewaart hij bestendig den wrok, tot hij eindelijk doel treft, Binnen zijn boezem; bedenkt dus wel of uw hand mij beveiligt. Toen antwoordde en zeide hem weer snelvoetig\' Achilleus:

— Wees goedsmoeds en verklaar \'t godsteeken gelijk gij het

| waarneemt.

Want bij Apolloon, dierbaar aan Zeus, en tot welken gij. Kalebas, Bidt, als gij godlijke teekens aan \'t heer van de Danaërs uitlegt, Niemand zal, zoolang ik leef en op aarde het licht zie,

Hier bij de holle galeien, aan u vijandig de hand slaan.

Wie van de Danaërs ook; al bcdocldet gij zelfs Agamemnoon, Hem, die zich roemt nu verre de hoogste te zijn der Aehaiërs. Daarop vatte hij moed, de vóortreflijke ziener, en zeide:

Niet om geloften of offers van runderen is hij verbitterd. Maar om des priesters wille, dewijl hem de vorst Agamemnoon

-ocr page 12-

4

95. Smaadde, zijn dochter hem niet ontsloeg en hij weigerde losprijs; Daarom straft ons de god en hij zal noch meer ons bestraffen. Want niet eerder verlost hij het volk van de smaadlijke krankheid, Eer gij den minnenden vader het meisje met schittrendc oogen Zonder een losprijs geeft en met heilige runderenoffers 100. Weder naar Chruse haar zendt; zoo zoudt gij met zoen hem

[vermurwen.

Alzoo sprak hij en zette zich neer; toen rees uit hun midden Atreus\' zone, de held, wijdheerschende vorst Agamemnoon, Smartvol; \'t somber bewolkte gemoed liep over van gramschap, D\' oogen geleken een vuur, dat in stralende vonkeling uitschoot. 105. \'t Eerst met een dreigenden blik zich tot Kalebas wendende,

[sprak hij;

— Ongeluksziener! gij zeidet mij nooit noch iets tot mijn voordeel. Altijd acht uw gemoed het een vreugd iets kwaads te voorspellen. Nooit ook hebt gij voor m ij iets nuttigs gezegd of bedreven. Nu weer, godlijke teekens den Danaërs duidend, verklaart gij \'t

uo. Zoo of de treffer van verre hun daarom rampen bereidde,

Wijl ik den losprijs thans voor het meisje van Ohruscs geboden Weigerde, daar ik haar verre verkies in mijn huis te behouden. Zeker, ik geef haar eerder dan Klutaimnestra de voorkeur, Vrouw mijner jeugd; want waarlijk zij doet niet ouder voor deze 115. Noch in gestalte of bouw, noch zelfs in verstand of den arbeid. Nochtans geef ik haar willig terug, als dit beter geacht wordt. Liever verlang ik het volk welvarend te zien dan in rampspoed. Doch men schaff\' mij terstond een geschenk, dat ik niet van

[d\' Argeiërs

D\' cenige zij die een gift ontbeer; dat paste toch geenszins. 130. Want wel ziet gij dit allen, dat zóo mijn geschenk voor mij heengaat. Toen antwoordde hem weer snelvoetige godlijk\' Achilleus:

— Atreus\' schittrcnde zoon, uitstekendste aller in hebzucht, Hoe toch zouden een gift u de dappre Achaiërs verleenen.

Want niets zien wij gebleven in aller bezit en gemeenschap,

125. Maar \'t werd alles gedeeld wat ons ooit in de steden ten buit viel. Onrecht waar\' het indien weer \'t volk het gedeelde te zaam bracht. Doch geef thans haar terug ten gevalle des gods; de Achaiërs Zullen \'t u zeker vergoeden, en drie- viervoudig, als eenmaal Zeus ons vergunt te verwoesten het stevig bevestigde Troja. iso. Toen antwoordde cn zei hem de machtige vorst Agamemnoon:

-ocr page 13-

5

— Denk, hoe dapper gij zijt, niet, godcngelijke Achilleus,

Mij te bedriegen, gij zult mij met list niet vangen of reednen. Wilt gij dan, zelf uw geschenk voor u houdende, zien dat ik dervend Hier blijf zitten; gij zoudt mij bevelen haar weder te geven\'? 185. Zij het, indien met een gift mij de dappre Aehaicrs vereeren. Kiezend hetgeen mij behage en iets dat in waarde haar opweegt. Weigren zij \'t echter te geven, dan zal ik het zelf voor mij nemen, \'t Zij üw eigen geschenk of van Ajas of wel van Odusseus Neem ik, en woedend van toorn wordt zeker degeen dien ik opzoek. mo. Haar dit kunnen wij alles te zaam ook later bespreken.

Op dan! sleept eene donkre galei naar den heiligen zoutplas. Brengt er de noodige roeiers te zaam, neemt runderenoffers Mee in het schip; ook \'t meisje bekoorlijk van wangen, Chruscïg, Voer het er heen; van de hoofden geleide u èen als gebieder, 145. Zij het Idomeneus, Ajas, of anders de godlijk\' Odusseus,

Gij ook, Peleus\' zoon, de geweldigste onder de mannen;

Worde de treffer van ver met die heilige offers bevredigd. Norsch op hem neerziend zeide hem toen snelvoetig\' Achilleus:

— O, gij in driestheid immer gehuld, steeds zinnend op voordeel, 150. Hoe is éen der Achaiërs uw woord noch willig gehoorzaam,

Zij het om tochten te doen of tot dapperen strijd met de mannen? Ik toch ben hier niet om de speerschachtdrillende Trojers Medegetogen ten strijde, en mij misdeden zij nooit iets.

Waut mij hebben zij nooit van mijn koeien geroofd of mijn paarden, 155. Niemand heeft er in Fthia\'s gebied, zwaarkluitig cn volkrijk. Vruchten der akkers verwoest, door te veel toch zijn wij gescheiden, \'t Schaduwrijke gebergt\' en het luid weerklinkende zeevlak; Maar li, schaamtlooze, zijn wij gevolgd, en ten üwen gerieve. Zoo Menclaos als ü, met uw hondsblik, wraak te verschaffen loo. Tegen de Trojers, en niets van dit al dat u let of bekommert. Ja zelfs dreigt gij mij thans van mijn eeregeschenk te bcrooven, Waar ik zoo veel om verdroeg, dat de zonen Achaia\'s mij schonken. Nooit ontvang ik een gift aan de uwe gelijk, als d\' Achaiërs Ergens een bloeiende stad in de Troïsche landen verwoestten, ifls. Nochtans hebben het meest in den moeizaam woelenden oorlog Wis m ij n handen verricht; maar kwam het er aan op vcrdceling. Was uw geschenk veel grooter, en ik, met het kleine tevreden, Keerde terug naar de schepen, wanneer ik van strijden vermoeid was. Doch nu ga ik naar Fthia terug, want verre verkies ik

-ocr page 14-

6

170. Huiswaarts weder te wenden de krommende boegen; ik denk ook, Smaadiijk bejegend, voor ü geen goed te vergaaren en rijkdom.

Toen antwoordde hem weder der volkeren vorst Agamemnoon: — Vlucht maar liever, indien uw gemoed het verlangt, en ik smeek u Niet dat gij hier om mij blijft; daar zijn ook anderen naast mij 175. Welke mij zullen vereeren, voornaamlijk de wijze Kronioon.

Want lï haat ik het meest van de Zeus ontstammende vorsten; Altijd was u de twist een genot, en gevechten en oorlog.

Zijt gij geweldig van kracht, met die gave beschonk u een godheid. Keer dan huiswaarts, gij, met uw schepen en al uw gezellen, 180. Ga Murmidonen gebiên, het bekommert mij niets wat gij voorneemt; Niets ook deert mij uw toorn, maar dit zij mijne bedreiging. Daar mij Apolloon Foibos berooft van de dochter van Chruses, Zal ik haar heen doen gaan met mijn schip en mijn eigen gezellen. Maar zelf haal ik Briseïs, het zacht schoonwangige meisje, 185. \'t Eeregeschenk dat gij kreegt, uit uw tent, dat gij duidlijk beseffet Hoe veel meerder dan gij, ik ben, en een ander zich wachte Ooit zich gelijke te wanen met mij, of mij tarte in \'t aanzicht.

Alzoo sprak hij. Verbittring beving den Peleide; in tweestrijd Wankte van binnen zijn hart in de harige borst en bepeinsde iüo. Nu of hij \'t snijdende lemmer, dat hing aan zijn heupe, ontblootend, Dezen uit éen zou drijven en Atrens\' zone ter neer slaan. Dan of hij in zou toornen zijn toorn en bedwingen zijn moedwil. Deze gedachten in hart en verstand overwegende, trok hij Reeds het geweldige zwaard uit de seheê; toen daalde Athena 195. Neer uit den hemel; haar zond de godin blankarmige Hera, Beiden gelijk liefhebbend in \'t hart en om beiden bekommerd. Achter hem stond zij en greep \'t blondkleurige haar des Peleiden, Zichtbaar voor hém alleen, van de andren bespeurde haar niemand. Schrik overviel den Peleide, hij wendde zich om en herkende 200. Pallas Athena terstond, hare oogen bestraalden hem vreeslijk. Doch toen sprak hij haar toe en hij zei de gevleugelde woorden: ■—■ Waartoe, dochter van Zeus, van den aigisvoerder, verschijnt gij ? Woudt gij den moedwil kennen van Atrens\' zoon Agamemnoon? Maar dit zeg ik u thans, en ik denk wis zal het gebeuren, 205. Deze vermetele trots zal spoedig hem kosten zijn leven.

Doch toen sprak de godin klaaroogige Pallas Athena: — \'k Ben van den hemel gedaald om uw toorn te bedaren;

[gehoorzaam.

-ocr page 15-

7

Want hier zond mij tot ü de godin blankarmige Hera,

Béiden gelijk liefhebbend in \'t hart en om beiden bekommerd, aio. Kom, en beteugel uw toorn, dat uw hand niet vatte liet slagzwaard. Wilt gij met smadende taal hem beleedigen, \'t zij u veroorloofd, Want dit zeg ik u aan en het zal eens wis tot vervulling Komen, dat driemaal schooner u vallen ten deel de geschenken Wegens den smaad u gedaan; dus luister en wees mij gehoorzaam. 215. Toen antwoordde en zeide haar weer snelvoetig\' Achilleus: — Godlijke, zeker het voegt dat uw uitspraak, worde gehoorzaamd. Schoon mij de toorn noch brandt in \'t gemoed, zóo is het toch beter: Gaarne verhooren (Je goden den man die hun woorden in acht neemt. Toen met de duchtige hand omklemmend den zilveren zwaardgreep, 220. Stak hij \'t geweldige zwaard weer op in de schede, gehoorzaam Volgend Athena\'s bevelen. Zij keerde terug ten Olumpos,

Waar met de andere goden de aigisvoerende Zeus woont.

Doch weer ving de Peleide nu aan met verguizende woorden Atrens\' zoon te bejeegnen en liet niet af van zijn gramschap: 225. — Dronkaard, gij met den blik van een hond, maar \'t hart van

[een hinde.

Noch om u kloek met het leger ten strijde te dossen in \'t harnas. Noch om in heimlijke lagen te gaan met de koenste Achaiërs, Hebt gij het hart, zóo iets toch schijnt n een doodelijk noodlot, \'t Is ook zeker verkieslijk in \'t brcede Achaïsche krijgskamp 2so. Elk zijn geschenken te rooven die waagt u te tarten met weerspraak. Volken verdervende vorst, nietswaardigen immers regeert gij. Anders, Atreide, het ware voor \'t laatst dat gij vierdet üw moedwil. Doch ik betuig u voorwaar, en met krachtigen cede bezweer ik \'t Hier bij dien scepter, zoo waar als hij\' nooit meer takken of blaadren 235. Voortbrengt, sinds men hem eens in het bergland sneed van den

[boomstam.

Nooit meer staat hij in bloei, want rondom sneed hem het koper Schors en gebladerte weg; thans hebben de zonen Achaia\'s Dezen in handen, de rechters bestemd ter bewaring der wetten Volgens bestelling van Zeus; dit zij u een groote bezwering; 240. Eenmaal zullen zij allen, Achaia\'s zonen, Achilleus

Weder verlangen, en blijft uwe hulp, al smart het u, vruchtloos, Wen zoo velen, gedood door den mannenverdelgenden Hektor, Vallen; gij rijt dan toornig uw boezem van éen in uw binnenst. Daar gij in \'t minst niet eerdet den dappersten man der Achaiërs.

-ocr page 16-

8

345. Alzoo sprak de Pcleide en wierp op de aarde zijn scepter, Kunstig met goudenc knoppen versierd, en hij zette zich neder. Atreus\' zoon zat toornig ter andere zijde; tot Nestor Rees, d\' overtuigend bespraakte en Pulos\' heldere raadsman, Wien van de lippen de taal zoetvloeiender stroomde dan honig. 350. Tweemaal had hij er reeds de geslachten der reedlijke menschen Heen zien bloeien, die vóór hem en mét hem in \'t heilige Pulos Waren geboren, gekweekt; nu heerschte hij over het derde.

Deze nu sprak welmeenend hun toe en hij zeidc de woorden: — Wee, wee! vreeslijke rampen genaken het land van Achaia. 355. Priamos ware het zeker, en Priamos\' zonen, tot blijdschap,

Grootlijks verheugde zich ook wel \'t hart van de andere Trojers, Zoo zij dit alles vernamen en hoe ge al twistende strijd voert. Gij, in den raad de voornaamsten der Danaërs, d\' eersten ten oorlog. Doch, wilt luistren; gij zijt toch beiden mijn jongren in leeftijd. 300. Want met geweldiger mannen, en sterkeren zelfs dan gij allen Heb ik te voren verkeerd, geen heeft er mij echter geminacht. Want zoodanigen zag ik er nooit noch zal ik er weerzien Zoo als Peirithoös was en als Druas, de herder der volken, Godlijke held Polufemos, Exadios mede en Kaineus;

2G5. Noch zoo als Aigeus\' zoon, de gelijke der eeuwigen, Theseus; \'t Waren de krachtigsten, dezen, der mannen die leefden op \'t aardrijk; Krachtigsten zijn zij geweest, met de krachtigsten voerden zij oorlog. Tegen de monsters der bergen, en hielden een vreeslijke slachting. Onder dezulken nu heb ik geleefd, daar komend van Pulos, 270. \'t Verre verwijderde land; zij noodigden zeiven mij derwaarts, \'k Heb er het mijne gedaan in den krijg, maar zekerlijk niemand Onder het levend geslacht zou thans met dezulken zich meten. Nochtans hoorden zij gaarne mijn raad, en zij volgden mijn woorden. Daarom, luistert ook gij, want \'t best is volgzaam te wezen. 375. Gij, hoe machtig gij zijt, ontweldig aan dezen de maagd niet; Laat hem behouden \'t geschenk dat de zonen Achaia\'s hem eenmaal Gaven, en, Peleus\' zoon, onthoud u van twist met den koning. Geen stafvoerenden vorst wien Zeus ooit cere verleende,

Viel ooit zulk eene eere ten deel, aan de zijne gelijkbaar. 380. Zijt gij in sterkte de meeste, u baarde een godlijke moeder; Toch is deze de hoogste, als meerdere mannen beheerschend.

268. Do Kentauren.

-ocr page 17-

9

Atreus\' zoon overmeester uw drift, en ik smeek het u dringend Toorn op Achilleus thans niet meer, die de krachtigste schutsmuur Tegen den schriklijken krijg mocht wezen voor a! de Aehaiërs. 285. Toen antwoordde hem weder de heerschende vorst Agamemnocn:

— Zekerlijk hebt gij, o grijze, dit alles gesproken met wijsheid. Maar die man wil boven de anderen allen gesteld zijn,

Allen verlangt hij te dwingen door kracht en op allen te heerschen, Ieder bevelen te geven, die niemand, meen ik, gehoorzaamt. 2U(). Zoo hem de eeuwige goden al maakten een held met de werpspies, Geven zij daarom ook hem verlof tot het spreken van schimptaal ? Doch in de rede hem vallend hervatte de godlijk\' Achilleus:

— Ja, wel was ik voorwaar onwaardig te noemen en bloodaard, Zoo ik gewillig in alles u toegaf, wat gij ook zeidet.

205. Anderen moogt gij dat alles gebièn, maar zeker aan mij niet Moet gij bevelen: ik denk noch niet naar uw last mij te voegen. Maar iets anders betuig ik u thans; gij, wees het gedachtig: \'k Zal dan niet met mijn handen u verder om \'t meisje bestrijden, U noch iemand anders, al nemen zij \'t eens mij vereerde. 300. Maar wat ik verder bezit in mijn snelle en donkere vaartuig, Daarvan zult gij mij niets mijns ondanks kunnen ontrooven; Welaan, waag en beproef het, opdat ook dezen het weten, Woldra stroomde dan zeker uw donkere bloed om mijn speerpunt. Zoo elkander bestrijdend met bits vijandige woorden, soó. Rezen zij op en ontbonden den raad bij de vloot der Aehaiërs. Weer naar zijn tenten terug en zijn welcvenredige schepen Ging de l\'elcide, verzeld van Menoitios\' zoon en hun makkers. Atreus\' zoon deed toen eene snelle galei naar den zeevloed Trekken en twintig roeiers bestemde hij; scheepte de rundreu, »1». \'t Offer des gods, en het meisje bekoorlijk van wangen, Chruseïs, Bracht hij er heen; het bestuur aanvaardde de schrandre Odusseus.

Dezen begonnen den tocht en bezeilden de vochtige meerbaan. Doch Agamemnoon gaf het bevel aan het volk zich te zuivren: Keiniging pleegden zij toen, en zij wierpen in zee de bevlekking, 315. Brachten Apolloon wijders, van smetteloos vee, hekatomben,

Offers van runders en geiten, aan \'t strand van den oogstloozcn

[zoutplas;

Dampend verhief zich ten hemel de geur in den dwadenden rookwalm. 307. Patrokloa,

-ocr page 18-

10

Hiermeê waren zij bezig in \'t heer; toch liet Agamemnoon Niet van zijn gramschap af en zijn dreigende woord aan Achilleus; 320. Maar tot Talthubios thans en Eurubatcs sprak hij de woorden, Saam als herauten hem volgend en wakker behulpzame dienaars:

— Gaat naar de tent, met u beiden, van Peleus\' zone Achilleus, Brengt mij, de hand aan haar leggend, Briseïs bekoorlijk van wangen; Mocht hij ze weigren te geven, dan kom ik om zelf haar te halen,

323. Onder een grooter geleide; verschriklijker zal hem dit wezen.

Alzoo sprekende zond hij ze heen, met dit dreigende machtwoord. Aarzelend volgden zij beiden het strand van den oogstloozen zoutplas. Waar zij de tenten en schepen van \'t heer Murmidonen bereikten. Dicht bij zijn donkrc galei en zijn tent, daar zagen zij zitten 330. Peleus\' zoon; doch deze verheugde zich niet bij hun aanblik. Beiden van vrees ontroerd en uit eerbied jegens den koning Bleven er staan, geen woord, geen vraag tot hem durvende richten. Maar hij bevroedde het wel in zijn geest en begon met de woorden:

— Heil u beiden, herauten, de boden van Zeus en de menschen, 335. Nadert; voorwaar niet gij zijt schuldigen, maar Agamemnoon,

Hij die u herwaarts zond om het meisje, Briseïs, te halen. Welaan, eedle Patroklos, geleid dan \'t meisje naar buiten.

Geef \'t hun om mede te voeren; ik echter, dat dezen \'t getuigen. Roep er de zalige goden bij aan, en de sterflijke menschen, 340. Zelfs dien grimmigen vorst, als in latere tijden er eenmaal Weer de behoefte aan mij ontstaat, om van doodelijk onheil D\'andren te redden....! hij woedt toch voort in verderflijken

[waanzin,

Maar zijn verstand kan niets doorzien, \'t zij achter- of voorwaarts, Hoe de Achaiërs alsnoch in den strijd bij de schepen te redden. 345. Alzoo sprak hij; Patroklos het woord zijns vrienden gehoorzaam Leidde nu buiten de tent \'t schoonwangige meisje Briseïs, Gaf het hun mee, en zij keerden terug naar de vloot der Achaiërs. Echter met onwil was het dat \'t meisje hen volgde. Achilleus Ver van zijn makkers op \'t strand van de valuwe zee zich verwijdrend, 350. Zat daar weenend ter zijde en tuurde naar \'t eindlooze meervlak. Smeekend verhief hij zijn handen en bad tot zijn dierbare moeder:

— Moeder, dewijl gij een leven mij gaaft kortstondig van duur slechts, Had de Olumpiër wel mij behooren te houden in aanzien,

Zeus boogdondrend in \'t zwerk; maar thans eert deze mij geenszins,

355. Immers door Atreus\' zoon, wijdheerschcnden vorst Agamemnoon,

-ocr page 19-

I

I

lien ik gehoond, en hij houdt het geschenk dat hij zelf van mij wegnam.

Weenende klaagde hij zoo; hem verhoorde zijn godlijke moeder, Toen zij in diepteu der zee bij don grijsaard toefde, haar vader. Plotseling rees zij, een nevel gelijk, uit den valuwen zeevloed, |is(iO. Zette zich nevens haar zoon die er, tranen vergietende, neerzat, Streelde hem zacht met de hand en hem roepende sprak zij de woorden: — Waarom weent gij, mijn kind? en vermeestert uw zinnen de

[droefheid ?

Spreek vrij, niets in het harte verheeld, dat wij heiden het weten. Diepe verzuchtingen slakend begon snelvoetig\' Achilleus: ||3C5. — \'t Is uw bekend; wat zal ik dit alles opnieuw u verhalen? Wij dan trokken naar Theba, Eëtioons heilige hoofdstad;

Deze verwoestten wij gansch en vervoerden\'t veroverde herwaarts; Alles verdeelden zij saam, als het paste, de zonen Achaia\'s, Schenkend aan Atreus\' telg \'t sehoonwangige meisje Chruseïs; H370. Chruses intusschen, de priester des treffers van verre Apolloon, Ging naar de snelle galeien der kopergedoste Aehaiërs,

Zoekend zijn dochter te lossen en bracht onsehatbaren losprijs Mee, met de handen den krans van den veraftreffenden Foibos j Dragend op goudenen staf, en hij smeekte er al de Aehaiërs, .1375- Doch vooral de Atreiden, de twee hoofdleiders der volken. Hieraan gaven te zaam wel d\' andre Aehaiërs hun bijval,

Eerc den priester te doen en te nemen den schittrenden losprijs, Doch niet Atreus\' zoon Agamemnoon was het gevallig.

Maar hij verjoeg hem niet smaad en hij sprak zijn geweldige

[machtwoord.

I 380. Wrokkende keerde de grijze terug; maar Foibos Apolloon

Leende gehoor aan zijn bede, dewijl hij hem grootelijks lief was. Tegen d\' Argeiërs verzond hij zijn doodelijk schot, en de volken Stierven bij hoopen; alom door het wijde Achaïsehe heerkamp Vlogen de pijlen des gods. Toen gaf ons een kundige wichlaar, i 3S5. Wel doorgrondend de teekens des treffers van verre, verklaring: Aanstonds gaf ik het eerst bet bevel om den god te verzoenen. Toen ontbrandde de toorn in het hart des Atreiden, en opstaand Sprak hij het. dreigende woord, dat voorwaar ook werklijk vervuld is. Want op het spoedende schip begeleiden de fiere Aehaiërs I 31)0. t Meisje naar Chruse terug, voor den god meevoerend de offers. Doch daar kwamen herauten die nu uit de tent mij zoo even t Meisje Briseïs haalden, \'t geschenk van de zonen Achaia\'s.

I

-ocr page 20-

12

O, neem, zoo gij \'t vermoget, uw edelen zoon in bescherming. Ga ten Olumpos omhoog, smeek Zeus bij hetgeen gij hem eertijds sus. Deedt ten genoegen, door woord of door daad hem het harte

[verheugend.

Want wel heb ik gehoord dat gij vaak in het huis van uw vader Zelf u beroemdet dat g\' eens van den donkerbewolkten Kronioon \'t Smadelijk onheil keerdet, de eenige onder de goden.

Toen er hem alle de andre Olumpische goden in kluisters 400. Zochten te slaan, zelfs Hera, Poseidoon, Pallas Athena.

Maar gij kwaamt, godin, en gij maaktet hem vrij van zijn ketens. Snel naar den hoogen Olumpos den honderdarmige roepend, Briarcóos bij de goden genoemd, bij de menschen Aigaioon; Immers in kracht gaat deze zijn eigenen vader te boven. 405. Deze dan plaatste zich trotsch op die eer aan de zijde Kronioons. Hém ontzagen de goden en geen die er waagde den aanslag. Wek dit opnieuw in zijn geest, zit naast hem en vat zijne knieën. Vraag of hij thans aan de Trojcrs zijn hulp zou willen verleenen, Maar het Achaïsche heer, bij de schepen beklemd om de zeebocht, 4io. Doodelijk treffe, opdat zij dan allen genieten hun koning! Zie ook Atreus\' zoon, wijdheerschende vorst Agamemnoon Dan zijn vergrijp, nu hij hoonde den besten van alle Achaiërs.

Toen antwoordde hem Thetis, de oogen van tranen verduisterd: — Wee mij, mijn kind, wat voedd\' ik u op, als een moeder van

[rampspoed ?

415. O, dat gij niet zoo weenend, gekrenkt daar zat bij de schepen, Daar d\' u beschorene tijd niet lang, maar luttel van duur is. Want kortstondiger beide en droeviger leeft gij dan iemand; Ach, tot dit jammerlijk lot, zóo schonk ik u \'t licht in mijn woning. Zeker, ik zal het verhalen aan Zeus zich in donder vermeiend, 420. Zelf ten besneeuwden Olumpos mij spoedende; mocht hij \'t verhooren ! Doch trek gij u terug bij de snelvoortglijdende schepen.

Toorn daar tegen d\' Achaiërs, onttrek u geheel aan den oorlog. Want naar Okeanos\' vloed ging Zeus, naar de eedl\' Aithiopers, Gister, om \'t maal te genieten; hem volgden dc goden gezaamlijk. 425. Doch na een twaalftal dagen, dan keert hij terug ten Olumpos; Dan ook bezoek ik terstond Zeus\' zale in koper gegrondvest, \'k Zal hem de knieën omvatten en wel, naar ik hoop, overreden.

404. Hij was eon zoon van Poseidoon.

-ocr page 21-

13

Alzoo sprekende zweefde zij weg en zij liet er hem achter \'t Hart vol bitteren toorn om zijn sierlijk gegordelde vrouwe, 30. Welke zij tegen zijn wil met geweld ontroofden. Odusseus Naderde Chruse inmiddels, het heilige offer geleidend.

Toen zij er binnen de baai met haar diepte van wateren kwamen, Streken zij \'t zeil en zij borgen het weg in het donkere vaartuig. Lieten, den stag loswerpend, den mast snel neer in den stander, [35. Dreven vervolgens bet schip al roeiende voort naar de legplaats, Wierpen de steenen cn sjorden van achter het schip met de kabels. Daarna gingen zij zelvcn van boord aan den zoom van bet zeestrand; Daar ontscheepten zij \'t offer des treffers van verre Apolloon; Cliruses\' dochter verliet ook \'t zeedoorklievende vaartuig; 40. Schrandre Odusseus leidde haar toen tot de plaats van het altaar, Voerde haar weer in de armen des dierbaren vaders, en zei hem;

— Chruses, der volkeren vorst Agamemnoon zond mij, bevelend Hier u te brengen uw kind, de geheiligde offers aan Foibos Wegens de Danaërs wijdend, om zóo te verzoenen den heerscher, Daar hij \'t Argeiïsche volk thans treft met bedroevende rampen.

Alzoo sprak hij cn gaf haar in \'s vaders handen; en vreugdvol Nam hij zijn dierbaar kind. Voor den god nu schaarden zij ijlings \'t Heilige offer in rijen bij \'t schoonvoltrokkene altaar,

Reinigden toen zich de handen cn namen de gerst voor de offers. 150. Luid bad Cliruses voor allen, zijn handen ten hoogen verheffend:

— Wil mij verhooren, 0 gij met den zilveren boog, die door Chruse Zweeft en het heilige Killa, in Tenedos machtig als heerscher! Wildet gij eenmaal reeds mijne vurige bede verhooren.

Daar gij mij eerc verleendet en straftet het volk der Achaiërs, Gun dan thans ook weder mij dezen mijn wensch te verhooren. Wil van de Danaërs nu wegnemen het smadelijk onheil.

Alzoo bad hij; verhooring verleende hem Foibos Apolloon. Toen zij nu hadden gebeden en gerst op de runders gesprenkeld, Bogen zij \'t Vee bij dc koppen naar achteren, slachtten en vilden \'t, 4(io. Hakten de schenkelstukken er af cn bedekten ze rondom

Dubbel met vet en belegden ze voorts met de verdere deelen. D\' oude verbrandde het toen op het hout, en het vonkelend druifsap 1\'lengde hij; jonglingcn stonden gereed aan zijn zij met den vijftand. Toen zij de schenkels verbrand en zij^geproefd de geweiden, Sneden zij d\' andere deelen en hechtten de stukken aan \'t braadspit, liricden het al zorgvuldig en trokken het weer van de spitten.

155.

■4RI

-ocr page 22-

14

Dean, als zij rustten van \'t werk en den maaltijd hadden geregeld, Aten z\' en niemands hart ontbeerde zijn deel van den maaltijd. Nu zij van spijzen e» drank naar begeerte des harten genoten, 470. Vuldeu de edele jongren de wijnmengvaten ten rand toe,

Gaven vervolgens de bekers naar pleehtig gebruik aan een ieder. Heel dien dag nu verzoenden zij allen den god met gezangen, \'t Heerlijke loflied zongen de eedle Acliaïsche jongren.

Prijzend den treffer van verre, en \'t was hem een vreugd liet te hooren. 475. Doch toen Helios zonk aan de kim en de schemering aantoog. Lagen zij neer bij de kabels aan \'t achtergedeelte des vaartuigs. Toen de ten ochtend geboren godin roosvingrige Eoos Lichtte, vertrokken zij weer naar het wijde Acliaïsche heerkamp. Gunstigen zeilwind zond hun de treffer vail verre Apolloon. 480. Eenigen richtten den mast en zij heeschen het blinkende zeildoek; Vol in het zeil blies d\' adem des winds en de purperen golfslag Klotste met dreunend geluid om de kiel van het zeilende vaartuig; Zoo doorsneed het de golven en eindigde verder zijn reisweg. Toen zij nu hadden bereikt \'t wijd strekkende kamp der Achaiërs, 486. Sleepte de manschap verder het donkere schip op het vastland . Hoog op het zand en zij legden de stevige stutten er onder. Daarna gingen zij allen uit éen naar hun schepen en tenten.

Doch steeds\' wrokkende zat bij zijn snelvoortglijdende schepen Peleus\' godlijke zoon, de van voeten gezwinde Achilleus. 490. Nimmer vertoefde hij thans in den mannenveveerenden raadskring, Noch in den oorlog, maar, hier blijvende, kwijnde zijn fier hart. Want hij verlangde met vuur naar den krijg en \'t gedruis van

[het slagveld.

Doch toen weder de Morgen verscheen op den twaalfden der dagen, Keerden terug ten Olumpos de altijd levende goden 495. Allen te zamen, en Zeus ging voor. Ook Thetis verzuimde

d\' Opdracht niet van haar zoon, maar rees uit den gol venden zeevloed Vroeg in den morgen, en steeg naar het hemelsche ru im ten Olumpos. Alomschouwenden Zeus ontwaarde zij, ver van de andren Zittend op d\' uitersten top van den kantigbekruinden Olumpos. r.oo. Daar nu zette zij naast hem zich neer en omklemde zijn knieën Vast met de linker en toen, met de rechter de kin hem omvattend Sprak zij, hem smeckende, dus tot den godlijken koning Kronioon: — Was ik u ooit, Zeus Vader, tot hulp in het midden der goden, Zij het met woorden of daad, voldoe dan dit mijn verlangen:

-ocr page 23-

15

Eer mijnen zoon, wien sneller dan anderen \'t leven vergaan moet; Nu toch heeft hem gesmaad de gebieder des volks Agamemnoon, Immers hij heeft zijn geschenk ontroofd, dat hij zelf van hem wegnam. Maar geef gij hem de eer, raadsehaffende Zeus van Olumpos, Breng aan de zijde der Trojers de kracht, tot opnieuw de Achaiërs Zullen vereeren mijn zoon en hem hoog weer stellen in aanzien.

Dus hare beo; geen woord sprak echter de wolkenbestuurder, Doch bleef zwijgen, en Thetis, die steeds hem de knieën omvatte. Klemde zich inniger vast en hernam al smeekende nochmaals;

— Geef mij een trouwe belofte, verleen mij eengunstigen hoofdwenk. Of — daar ge niets ontziet, zoo weiger opdat ik het wete

Hoe ik de minst ontziene godin moet wezen van allen.

Hevig bedrukt antwoordde de wolkenbesturende Zeus haar:

— Waarlijk, een heilloos werk, dat gij thans mij met Hera in

| tweedracht

Brengt, als zij mocht ontsteken mijn toorn, door verbitterde woorden; Nu al tergt ze mij steeds voor het oog van de eeuwige goden. Daar zij mij telkens verwijt in den krijg de Trojanen te helpen. Maar gij, keer thans weder terug, dat zij niet u bespeure,

Hera; het verdere zij mijne zorg, tot het alles vervuld zij. Welaan, \'k geef u een wenk met het hoofd, en dit doe u vertrouwen. Dit toch is van mijn wil bjj de goden het machtigste teeken. Onherroepelijk, nimmer bedriegelijk, nimmer gevolgloos,

Is toch alles indien met het hoofd ik gunstiglijk toewenk.

Alzoo sprekende wonk met de donkere brauwen Kronioon; Neerwaarts golfde in lokken \'t ambrosische haar van den koning Langs \'t onsterfijjke hoofd, en het schudde den grooten Olumpos.

Zoo overlegden zij samen en scheidden zich. Vlug zich verwijdrend Dook, van den heldren Olumpos gedaald, de godes in het zeediep. Weer naar zijn woonzaal toog nu Zeus: daar rezen de goden Allen gelijk van hun zetels, hun Vader ter eere, en niemand Wachtte hem zittend af, maar ieder verrees bij zijn aankomst. Zoo nam deze er plaats op zijn troon. Toch was het aan Hera Niet ontsnapt, maar zag zij te zamen met Zeus overleggend Zilvervoetige Thetis, de dochter des ouden der zeeën.

Aanstonds sprak toen Hera met bitsige taal tot Kronioon:

— Listige, wie van de goon heeft weer met u samen beraadslaagd ? Altijd hebt gij genoegen om ver van mijn oog u verwijdrend Heimelijk iets te beschikken, en nooit ook kunt gij besluiten

-ocr page 24-

IG

Mij welwillend te zeggen een woord van hetgeen gij beraamdet. Daarop gaf baar de Vader van menseben en goden ten antwoord: 545. — Hera, begeer en verlang toch niet al mijne besluiten Mede te weten, zij wogen u zwaar, al zijt ge mijn ega.

Doch wat voegelijk is dat gij boort, zal zekerlijk niemand Eer dan gij zelve vernemen, hetzij bij de goden of menseben; Maar wat er buiten de goden mijn geest zou willen beramen 550. Zoek gij dit alles te nauw niet na, noch vraag om verklaring. Daarop zeide hem weer de vorstin grootoogige Hera:

— Kronos\' verschriklijke zoon, welk woord ontvlood aan uw lippen! Waarlijk ik vorschte te voren naar niets, nooit deed ik u vragen. Maar zeer rustig beraamdet gij steeds zooveel gij verlangdet.

555. Doch nu kwelt er mijn zinnen de vrees, dat u soms overreedde Zilvervoetige Thetis, de dochter des ouden der zeeën.

Daar zij in d\' ochtend zat aan uw zij en omvatte nw knieën. Haar nu, denk ik, beloofde de wenk van uw hoofd, aan Achilleus Eere te doen, bij de schepen een tal van Achaicrs te treffen. 500. Daarop zeide haar weder de wolkenbestuurder Kronioon:

— Schriklijke! argwaan koestert gij steeds, steeds zien mij uwoogen. Nochtans zult gij in \'t minst niets kunnen verrichten en veeleer Steeds van mijn hart u vervreemden; en vreeslijker zal u dit wezen. Doch als geschiedt wat gij meent, dan is dit zóo mijn behagen.

505. Blijf dus zitten in stilte en wees aan mijn woorden gehoorzaam, Want geen god die u redde, zoovelen er zijn op Ölumpos, Wen ik genaderd u tref met mijn onweerstaanbare banden.

Alzoo sprak bij, en vreeze beving grootoogige Hera;

Zwijgend zat zij er neder, bet eigene harte bedwingend; 570. Dus ook zaten bedrukt daar alle de hcmelsche goden.

Doch nu brak er het zwijgen Hefaistos, de loflijke kunstnaar. Steeds voor zijn moeder van harte gezind, blankarmige Hera:

— \'t Zullen verdrietige zaken en gansch ondragelijk worden, Wen gij op zulk eene wijs gaat strijden om sterflijke menseben,

575. Tusscben de eeuwigen twist ontstekende; geenerlei blijdschap Geeft dan \'t heerlijke maal, als gestadig bet kwadere voordringt. Daarom raad ik mijn moeder, die zelve verstandig bet inziet, Stel Zeus Vader te vrede, opdat niet weder verbolgen Toorne de dierbare Vader, en niet ons verstore den maaltijd; 580. Immers, indien hij verkoos, de Olumpische bliksemenwerper.

Stort hij ons neer van de zetels, bij is toch verre bet machtigst.

-ocr page 25-

17

Maar, kom, liever hem weder met zachtere woorden gewonueu. Dan wordt spoedig ons wel de Olumpier vriendlijk genegen.

Alzoo sprak hij en rees, en een beker met dubbele handvat Stelde hij dan in de hand van zijn dierbare moeder, haar zeggend: — Draag het geduldig, mijn moeder, bedaar, schoon droevig van

[hartzeer;

Maak dat ik hier voor mijn oogen u niet, al zijt gij mij dierbaar, Moet zien treffen, ik zou te vergeefs toch, hoe het mij aandeed. Snellen ter hulp; geen god biedt licht den Olumpiër weerstand. Want reeds, toen ik mij eens zoo ijverig weerde tot helpen, Wierp hij mij slingrend, gepakt bij mijn voet, van den hernel-

[schen drempel.

\'k Zweefde een dag lang voort; eerst tegen het dalen van \'t zonlicht Viel ik op Lemnos neer; ik behield maar nauwlijks den adem. Daar, bij het Sintiërsvolk, vond toen de gevallene redding.

Dus zijn verhaal; zacht loeg de godin blankarmige Hera; Dan, met een glimlach nam zij de kelk uit de hand van haar zone. Daarna schonk hij aan elk van de andere goden, van rechtsaf, \'l Streeleude nektarvocht, in de bekers geschept uit het mengvat. Hierop rees er een eindloos gelach bij de zalige goden.

Nu zij Hefaistos zagen de zaal rondgaande en dienend.

Zoo voleindden zij verder den dag tot het dalen des zonlichts. Spijzend, en niemands hart ontbeerde zijn deel in het gastmaal. Noch de verruklijke lier, die berust in de handen Apolloons, Waar het gezang van de Muzen in lieflijke wijzen op antwoordt.

Doch toen \'t glanzende schijnsel van Helios zonk aan de kimmen. Ging, zich ter ruste begevend, een ieder terug naar zijn woning, Welke de verregeroemde, aan weerszij manke Hefaistos Zelf met vernuftigen geest eens bouwde voor elk van de goden. Zeus ook zocht zijne sponde, d\' Olumpische bliksembestuurder, Waar hij van oudsher lag, als dé koestrende slaap op hem neerzeeg; Daarheen ging hij ter rust, met de goudengezetelde Hera.

-ocr page 26-

TWEEDE ZANG.

.Ajlc de andere goden en rossenbesturende mannen Sliepen den nacht ganscli door; — geen slaap gaf Zeus de ver-

[kwikking,

Maar zijne zinnen bepeinsden, op welk eene wijs hij Achilleus Eer zou geven en slaan bij hun schepen een tal van Achaiërs. 5. Deze gedachte nu scheen aan zijn geest de geschiktste te wezen, Zoo de bedrieglijke droom zich begaf naar den vorst Agamemnoon; Alzoo riep hij hem op en hij sprak de gevleugelde woorden:

— Spoed u,. bedrieglijke droom, naar de snelle Aehaïsche schepen. Ga er de veldtent binnen van Atreus\' zoon Agamemnoon,

10. Boodschap daar nauwkeurig en alles gelijk ik u aanzeg,

Geef hem den last dat hij snel \'t langlokkige volk der Achaiërs Roepe in \'t pantser; hij zou toch thans \'t breedstratige Troja Kunnen veroveren, wijl de Olumposbewonende goden Niet meer wcerszijds wanken van zin, daar \'t smeeken van Hera 15. Aller gemoed deed keeren en rampen de Trqjers bedreigen.

Zoo sprak Zeus, en de droom vlood heen, zijne woorden vernemend. Zwevend bereikte hij spoedig de snelle Aehaïsche schepen,

Waar hij tot Atreus\' zoon Agamemnoon ging; dien hij aantrof Rustende binnen zijn tent, en gedompeld in godlijke sluimring. 20. Over zijn hoofd heen boog hij, gelijk aan den zone van Neleus, Nestor, van d\' oudsten de hoogste in eer bij den vorst Agamemnoon; Dezen gelijkende zeide de godlijke droom hem de woorden:

— Slaapt gij, o zoon van den schrandren, den rossenbedwingen-

[den Atreus!

Gansch te verslapen den nacht voegt niet den besturenden raadsman.

-ocr page 27-

19

Welken de volken vertrouwen, dien zoo veel zorgen bemoeien. Let nu snel op mijn woorden, van Zeus toch bon ik een bode, Zeus die met zorg aan u denkt, schoon ver, en zich uwer

[erbarmd heeft. Deze gelast dat gij snel \'t langlokkige volk der Achaicrs Roept in het pantser; gij zoudt toch thans \'t brcedstratige Troja Kunnen veroveren, wijl de Olumposbewoncnde goden Niet meer weerszijde wanken van zin, daar \'t smeeken van Hera Aller gemoed deed keeren en rampen de Trojers bedreigen. Komend van Zeus; houd gij het nu vast in uw geest; uit uw heugnis Glippe het niet, zoodra de verkwikkende slaap van u heengaat.

Alzoo sprekende zweefde hij weg en verliet hem op \'t rustbed, Al in zijn geest overleggend wat toch niet zoude vervuld zijn. Want noch heden vermeende hij Priamos\' stad te verwinnen. Dwaas, die het niet doorzag welk werk Zeus dacht te verrichten. Want veel onheils noch en verzuchtingen zou hij hun geven, Trojers en Danaërs beiden, door middel des hevigen oorlogs. Nu ontwaakte hij, steeds omruischt door den godlijken stemklank. Daarop rees hij en deed om zijn leden bet lenige lijfkleed. Sierlijk en nieuw, en hij wierp daarover den plooienden mantel. Hechtte het sierlijke schoeisel zich onder de glanzige voeten. Wierp om den schouder het zwaard met de zilveren knoppen

| beslagen.

Eindelijk nam hij den staf zijner vaderen, nimmer verganklijk; Daarmee zocht hij de vloot der in koper gepantserd\' Achaicrs.

Godlijke Eoos rees nu omhoog naar den grooten Olumpos, Zeus en den anderen goden verkondigend \'t licht van den ochtend. Weldra gaf de Atreide den helderbespraakten herauten Last \'t langlokkige volk der Achaiërs te roepen ten volksraad. Dezen nu riepen hen op en het volk liep snel ter vergaadring. Echter belegde hij eerst eenen raad van de dappere grijsaards Naast de galeie van Nestor, den heerscher in Pulos geboren; Dezen, vergaard op zijn roep, ontvouwde hij\'t schrandere voorstel:

— Luistert, vrienden, er kwam mij een godlijke droom in den sluimer. Tijdens den heiligen nacht, en geheel aan den edelen Nestor Was hij verbazend gelijk in gedaante, in grootte en lichaam. Over mijn hoofd heen stond hij gebukt en hij zeide de woorden;

— Slaapt gij, o zoon van den schrandren, den rossenbedwingen-

|den Atreus?

-ocr page 28-

20

Gansch te verslapen den nacht voegt niet den besturenden raadsman, Welken de volken vertrouwen, dien zoo veel zorgen bemoeien. Let nu snel op mijn woorden, van Zeus toch ben ik een bode, Zeus die met zorg aan u denkt, schoon ver, en zich uwer erbarmd heeft, os. Deze gelast dat gij snel \'t langlokkige volk der Aehaiërs

Roept in het pantser; gij zoudt toch thans \'t breedstratige Troja Kunnen veroveren, wijl de Olumposbewonende goden Niet meer weerszijds wanken van zin, daar \'t smeeken van Hera Aller gemoed deed keeren en rampen de Trqjers bedreigen, 70. Komend van Zeus; houd gij het nu vast in nw geest. — Op

[die woorden

IJlde hij vliegend heen, en begaf mij de koestrende sluimer. Welnu, trachten wij thans de Aehaiërs te roepen in \'t pantser. Doch eerst zal ik, gelijk het behoort, hen beproeven met woorden, \'k Zal hun gelasten te vliên met de vloot veelriemige schepen, 75. Maar houdt gij met uw woorden aan iedere zijde hen tegen.

Alzoo sprak hij en zette zich neer; toen rees in hun midden Nestor, die toenmaals heerschte als vorst van het zandige Pulos.

Deze begon welwillend en zei den vergaderden mannen; — Vrienden, van Argos\' volk de bevelende vorsten en leiders, so. Ware die droom ons verhaald door een anderen man der Aehaiërs, Zeker, wij noemden \'t bedrog en wij hielden er liever ons buiten. Maar, nu zag hem degeen die den eersten zich roemt der Aehaiërs, Welaan, trachten wij dan de Aehaiërs te roepen in \'t pantser. Alzoo sprekende rees hij het eerst en verliet hij den raadskring. 85. D\' anderen rezen nu ook, aan den herder der volken gehoorzaam, Zij, stafvoerende vorsten. Het volk liep toen ter bijeenkomst, \'t Was als de scharen der dicht saamdringende hoopen van bijen, Welke, in telkens vernieuwend gezwerm, uitdringen ter rotskloof; Dicht als een druiftros vliegen zij toe op de bloemen der lente, on. Vliegen zij scharengewijs, hier henen en anderen derwaarts.

Dus ook ijlden de drommen des volks van de schepen en tenten Allen te hoop, aan den zoom van het breed uitloopende zeestrand. Saam ter vergaderingsplaats; als een vuurgloed blaakte en dreef hen Ossa, de bode van Zeus; zoo stroomden zij saam ter bijeenkomst. 95. Stormig bewoog zich de menigt\' en onder haar dreunde de aarde Toen er het volk ging zitten; het was een gewoel, tot hen luidkeels

94. Oasa = het Gerucht.

-ocr page 29-

21

Negen herauten bedwongen, gelastend dat allen het schreeuwen Staakten en gaven gehoor den van Zeus ontsprotenen vorsten.

Noode bedwong zich het volk en bezette in rijen de zitplaats, Stakend hun joelend geschreeuw; toen hief zich de vorst

[Agamemnoon,

Dragend den vorstlijken scepter, dien kunstig Hcfaistos gemaakt had. Dezen vereerde Hcfaistos den vorstlijken zone van Kronos;

Zeus nu gaf hem vervolgens den Argosdoodenden bode;

Deze, de vorstlijke Hermes, beschonk er den rossenhestuurder Pelops mede, en deze den herder der volkeren Atreus;

Atreus liet bij zijn dood hem den schapenbezittcr Thuestes;

Deze nu gaf hem te voeren den handen van vorst Agamemnoon, Argos geheel en een tal van dc eilandstreken regeerend.

Thans op dien scepter geleund, zei deze tot \'t volk der Argeiërs: — O mijne vrienden, gij helden der Danaërs, volgers van Arcs, Zeus, de geduchte, verstrikte mij nu in een groote verbijstring, D\'onbarmhartige, immers beloofde mij vroeger zijn hoofdwenk, llios, \'t krachtig bemuurde, verwoestende keerde ik huiswaarts. Maar hij beraamde mij thans een verderflijk bedrog, mij bevelend Roemloos henen te gaan, na zulk een verlies van mijn manschap. Wellicht schijnt het dan zóo den geweldigen Zeus te behagen. Hem die van menige stad toch neer deed storten de kruinen. Ja, noch neer zal slaan, want z ij n kracht is het geweldigst. Immers, het is ook schande, als later geslachten het hooren Hoe zoodanig een volk, zoo sterk als het heer der Achaiërs, Zoo te vergeefs blijft strijden dien strijd, en er mannen beoorloogt Minder in tal dan zij zeiven en noch geen einde zich voordoet. Nochtans, zoo wij verkozen, zoowel de Achaiërs als Trojers, Na een bezworen verdrag eene telling te houden van weerszij, Wen zich de Trojers vereenden, een ieder die heeft zijne haardstee. Doch wij dan de Achaiërs verdeelden in groepen van tienen. Voorts wij voor iedere tien ons een Trojer verkozen tot schenker. Menige schare van tien ontbeerde voorzeker zijn schenker. Zóo veel, zeg ik u, gaan de Achaïsche mannen in aantal Boven de Trojers, bewoners der stad; doch vele verbonduen Zijn er uit menige stad, speerwerpende mannen, gelegerd.

Welke met kracht mij verdrijven en steeds mijn begeerte verijdlen llios gansch te verwoesten, de volkrijk bloeiende burgstad. \'t Is reeds \'t negende jaar van den machtigen Zeus dat er heen vlood.

-ocr page 30-

22

135. Kceds is \'t hout van de schepen verrot, ontspant zich het touwwerk; Doch onze vrouwen intusschen en noch niet mondige kindren Zitten te huis in de zale, ons wachtende; maar voor ons zeiven Bleef noch vruchtloos de taak die ons herwaarts noopte te komen. Maar welaan, doet thans wat ik zeg, en gij allen gehoorzaamt, 140. Laten wij vluchten te scheep naar het dierbare land van de vaadren; Want nooit zullen wij toch \'t breedstratige Troja verwinnen.

Alzoo sprak hij en allen bewoog hij het hart in den boezem, Onder de menigte, vreemd aan hetgeen in den raad overlegd was. Woelig bewoog zich het volk, als de machtige golf van den zeevloed 145. Over d\' Ikarische zee, wanneer haar de Euros en No tos

Opjaagt, nedergestormd uit de wolken van Vader Kronioon. Zoo, wen Zefuros heftig beroert \'t wijdstrekkende graanveld. Stormend in woedende vaart en de aren der akkers ter neer buigt. Aldus trilde geheel de vergaderde menigte. Schreeuwend 150. Stormde zij voort naar de schepen, en onder de voeten verhief zich Opwaarts \'t stof; elk spoorde den andere aan om de bodems Meester te worden en buiten te sleepen naar \'t heilige zeenat; Geulen verdiepten zij voorts; hun geschreeuw, bij hun zucht naar

[den aftocht,

Kees in de lucht, en zij trokken de stutten van onder de schepen. 155. Toen waar\' ondanks \'t lot den Argeiërs verleend de terugkeer. Zoo niet Hera het woord thans hadde gericht tot Athena: Wee, ondwingbare dochter des Aigisvoerenden Vaders,

Zullen d\' Argeiërs dan zóo naar het dierbare land van hun vaadren Vluchtende keeren naar Argos op d\' eindlooze ruggen der golven; 160. Zouden zij Priamos gunnen den roem, en den Trojers haar laten, Helena, d\' Argische vrouwe, om welke zoo vele Achaiërs Stierven in Troja en ver van den dierbaren grond van hun vaadren V Kom, spoed thans naar het volk der in koper gepantserd\' Achaiërs, Ga met uw vriendlijke woorden tot iederen man, ze bedwingend 165. Niet naar de zee te versieepen de dubbelgehorende schepen. Alzoo sprak zij haar toe; de godin klaaroogde Athena Volgde haar woord; snel stormde zij neer van den top des Olumpos, Spoedde zich voort en bereikte de snelle Achaïsche schepen. Eedlen Odusseus vond zij, in doorzicht Zeus evenarend;

145. Euros en Notos, Oosten en Zuiden Wind. 147. Zefuros, Westewind.

-ocr page 31-

23

70. Werkeloos stond hij; het zwarte, van roeibank treflijke vaartuig Kaakte zijn hand niet aan; daar smart hem het harte vervulde. Dicht hem genaderd begon klaaroogige Pallas Athena; — Godlijke zoon van Laertes, in listen ervaren Odusseus,

Zult gij op die wijs dan naar het dierbare land van uw vaadrca 175. Huiswaarts vluchten, in haast veelriemige schepen beklimmend, Zult gij aan Priamos gunnen den roem, en den Trojers haar laten, Helena, d\' Argiscbe vrouwe, om welke zoo vele Achaiërs Stierven in Troja en ver van den dierbaren grond van hun vaadren? Welaan, ga thans liever naar \'t volk der Achaiërs, en draal niet, 180. Ga met uw vriendlij ke woorden tot iederen man, ze bedwingend Niet naar de zee te versieepen de dubbelgehorende schepen.

Alzoo sprak zij, en ras de godin aan haar spreken herkennend. Maakte hij spoed om te gaan, en hij wierp van zijn schouders

[den mantel,

Welken Eurubates greep, zijn heraut die hem steeds vergezelde. 185. Daarop snel toetredend op Atreus\' zoon Agamemnoon

Nam hij van dezen den staf\' van zijn vaderen, nimmer verganklijk. Daarmee spoedend ter vloot der in koper gedoste Achaiërs. ledoren koning en iedren aanzienlijken man dien hij aantrof. Hield hij met vriendlijke woorden terug, hun ter zijde getreden: i\'jo. — Hoe nu! geenszins past het u zóo te vertsagen als lafaard, Blijf zelf rustig en breng ook \'t overig volk tot bedaren.

Want noch weet gij het niet wat de geest des Atreiden beraamd

[heeft;

Wellicht stelt hij ze nu op de proefj dra straft hij d\' Achaiërs, Want niet allen vernamen hetgeen hij besprak in den raadskring. i(J5. Zorg dat hij niet in zijn toorn iets kwaads breng\' over d\' Achaiërs; Sterk toch blaakt het gemoed der van Zeus ontsprotene vorsten. Hém is d\' eere van Zeus, hém heeft de verstandige Zeus lief.

Wien hij er onder de mannen des volks luid schreeuwende aantrof. Gaf hij een slag met den scepter en maande hem aan met zijn

[woorden:

200. — Lastige! Houd u bedaard, leen \'t oor aan de woorden van andren Welke uw meerderen zijn; gij, onkrijgshaftig en krachtloos;

Noch in den oorlog wordt gij geteld, noch binnen den raadskring. Hier toch kunnen als vorst niet alle Achaiërs regeeren;

Geen veelhoofdig gezag is goed, een zij dc regeerder,

205. Eén zij vorst, wien het gunde de zoon van den listigen Kronos

-ocr page 32-

24

Scepter en wetten te houden, om koning te zijn van n allen.

Zoo ging deze door \'t leger, bevelende; weer ter vergaadring Stormden zij haastig terug en verlieten hun schepen en tenten. Tierend, als wen er de golf van het luid rondklotsende zeenat 210. Opbruist tegen de steilte der kust, en de volle\' oceaan loeit. Nu zat elk daar neder en hield zich bedaard op de zetels. Maar alleen noch schreeuwde de eindlooze zwetser Thersites, Hij steeds vaardig van geest met een vloed onpassende woorden, Dwaaslijk, om tegen de orde, de vorsten te tergen met schimptaal, 213. Waar het hem scheen dat er iets den Argeiërs belachelijk ware. \'t Was de afschuwlijkste man van degeen die naar Tlios trokken. Beide zijn beenen verdraaid, éen voet was mank, en de schouders Bogen naar voren gekromd op de borst; hierboven verhief zich quot;t Puntige hoofd en een schedel met dunne en wollige vlokken. 220. Steeds door Achilleus was hij het hevigst gehaat, en Odusseus, Hén toch smaadde hij steeds; thans schimpend op vorst Agamemnoon, Snauwde hij scherpe verwijten hem toe; doch \'t volk der Achaiërs Voelde geweldigen toorn en van harte verdroot het een ieder. Luidkeels schreeuwende, tergde hij nu met zijn schimp Agamemnoon: 225. — Atreus\' zoon! wat klaagt gij nu weer, wat zoudt gij begeeren ? Vol zijn alle uw tenten van koper, en vrouwen in aantal Zijn in uw tenten, uit allen verkorene, daar wij Achaiërs U ze het eerst toewezen, wanneer wij een veste verwonnen. Is \'t ook goud dat gij wilt, dat een rossenbedwingende Trojer Hier u uit Hios brenge, als prijs om zijn zoon te bevrijden. Welken ik soms zou vangen, ik zelf of een andre Achaiër?

Wilt gij een jeugdige vrouw om in minne u mee te vermeien. Welke gij hieldt voor u zelve? Voorwaar \'t is weinig betaamlijk D\'eerste te zijn en in rampen de zonen Achaia\'s te storten. O gij verwijfden, en eerder Achaïsche vrouwen, dan mannen, Keeren wij dan met de schepen naar huis, en vergunnen wii dezen Hier zich in Troja te mesten met al die geschenken; en hieruit Zie hij of al dan niet wij hem dienen tot eenigen bijstand. Hij die Achilleus mede, een man zóo verre zijn meerdre, Smaadde, dewijl hij bezit zijn geschenk, dat hij zelf van hem wegnam. Maar geen gal heeft zeker Achilleus\' borst, die dit uitstaat; Anders, Atreide, het ware voor \'t laatst dat gij vierdet uw moedwil.

Alzoo zeide Thersites, den herder des volks Agamemnoon Hooncnde; doch snel trad hem ter zij de verheven Odusseus.

230.

235.

240.

-ocr page 33-

25

145. Norscli sloeg deze den blik op hem neer en verweet hem met

[barschheid:

— O raaskaller Thersites, al zijt gij een klinkende spreker, Zwijg, wil niet alleen steeds hoonen de vorsten met schimptaal. Want ik betuig, daar is geen schepsel gemeener dan gij zijt, Onder de velen naar Troja met Atreus\' zonen getogen.

50. Daarom moest üw mond nooit over de koningen spreken.

Noch smaad over hen brengen, of heimlijk beramen den aftocht. Want niet duidelijk zien wij het noch hoe \'t staat te gebeuren, Noch of wij zonen Achaia\'s ten goede of kwade naar huis gaan. Doch nu blijft gij den herder des volks, den Atreid\' Agamemnoon 55. Daarom smaden, dewijl hem de helden der Danaërs ruimschoots Steeds met geschenken vereerden en lastert hem thans ter vergaadring. Maar ik betuig u voorwaar en gewisselijk zal het vervuld zijn. Zoo ik u weder betrap, zoo dwaas als daar even geschiedde. Moge Odusseus\' hoofd niet meer op zijn schouderen vaststaan, !go. Moge ik ook niet langer Telemachos\' vader genoemd zijn.

Zoo ik u dan niet grijp en van \'t lijf u de kleederen afruk. Mantel en ondergewaad die de schaamte verbergen en dekken; Huilende zal ik u dan naar de snelle galeien verjagen.

Voort, met de smaadlijkste slagen, u geeselend uit de vergaadring. 165. Alzoo sprak hij en sloeg hem zijn schouders en rug met den

[scepter.

Angstvol kromp hij in éen en zijn oog ontstroomde een traanvloed. Over zijn rug heen liep hem een bloedige striem die er opzwol Onder den goudenen scepter; hij zette zich neder, al bevend, Smartlijk getroffen, verslagen van blik en hij wischte zijn tranen. 70. D\' anderen, hoe ook bedrukt, toch lachten zij lustig om dezen; Zoo nu zeide de éen tot den andere, \'t naast aan zijn zijde:

— Waarlijk, Odusseus deed reeds veel uitmuntende daden,

Zoo door den treflijken raad dien hij geeft, als \'t bestier van

|den oorlog.

Maar nu deed hij gewis het voortreflijkste jegens d\' Argeicrs, 275. Daar hij den schimpenden zwetser belette het verdere spreken. Nu toch zal niet weder het drieste gemoed hem verleiden Nochmaals tegen de vorsten te smalen met schimpende woorden.

Alzoo sprak er het volk; en de stedenverdelger Odusseus Hees op zijn scepter geleund; aan zijn zij stond Pallas Athena ,280. Schijnbaar gelijk een heraut, en vermaande tot stilte de menigt\'.

-ocr page 34-

26

Zoo dat dc zonen Achaia\'s, de voorsten zoowel als de versten, \'t Woord goed mochten vernemen en wel overwegen den raadslag. Hij nu begon welwillend gezind en hij zei ter vergaadring: — Atrens\' zoon, nu willen, o vorst, de Achaiërs u waarlijk 285. Wel ten verachtlijksten maken van alle de reedlijke schepsels. Geenszins doen zij gestand aan hun woord, zoo stellig verzekerd. Toen zij naar herwaart togen van \'t rosaankweekende Argos, Dan eerst weer te vertrekken als \'t stevige Troja verwoest was. Want als de jeugdige kindren en weduwen klagen zij zuchtend 290. D\' éen aan den ander en smachten om huiswaarts weder te keeren. Zeker, het is een verdriet, mismoediglijk weder te keeren.

Zelfs klaagt iemand reeds, die een maand van zijn gade verwijderd Voert \'t veelriemige schip, zoo vaak hem de winterorkanen Werkloos houden beklemd, of de stormig bewogene zeevloed. 295. Doch thans is het voor óns in den negenden wentlenden jaarkring 8inds ons verblijf hier duurt; en ik laak ook niet de Achaiërs, Hier bij dc krommende boegen verzuchtende; schandelijk nochtans Blijft dat wij zóo lang toeven en keeren na ijdele poging.

Moed, mijne vrienden, en noch voor een wijle getoefd, dat het duidlijk 300. • Worde of Kalebas ons juist uitlegde de teekens, of onjuist.

Want noch staat het ons klaar voor den geest, en gij moogt

[mij gezaamlijk

Zijn ten getuigen, zoo velen de doodlijke Kéren er spaarden: \'t Is of het gisteren waar\', dat d\' Achaïsche schepen bij Aulis Werden vereenigd, verderf voor de Trojers en Priamos voerend, 305. Toen wij te zaam om de bronne geschaard, op de heilige altaars D\' eeuwigen hadden bereid volkomene offers van honderd.

Onder den schoonen plataan, waar \'t blinkende water bij opwelt, Daar kwam \'t machtige teeken: een draak, om de lendenen vuurrood. Afschuwwekkend, cn welken d\' Olumpiër zelf in het licht zond. 3io. Onder het altaar rijzend, verhief hij zich naast den plataanboom. Daarin zaten de jongen, eens muschjcs tccdcrc broedsel,

Hoog op den bovensten tak en zich onder de blaadren verschuilend. Acht, en de negende was er de moeder die allen gebroed had. Allen verslond er het monster, de klagelijk tsjielpende kleinen. 315. \'t Moedertje vloog er om heen, hare dierbare jongen bejammrend; Kronkelend greep bij ook deze, die kermde in \'t rond, bij een vleugel.

302. Kéren, Doodsgodinnen.

-ocr page 35-

27

Al/oo had hij ze allen, het kroost en de moeder verslonden, Doch nn werd hij ten teeken gesteld door den god die hem toezond, Daar hem tot steen deed worden de zoon van den listigen Kronos. 820. Wij nu stonden verbaasd op het zien van die grootsche gebeurtnis. Wijl zoo schriklijke teekens de offers der goden verzelden.

Maar onmidlijk verklaarde ons Kalchas het goddelijk teeken:

— Waarom staat gij verbaasd, langlokkige zonen Achaia\'s ? Zie, de bedachtzame Zeus heeft hier ons dit teeken gezonden. Laat en ten laatste vervuld, maar nimmer vergaat zijn vermaardheid; Even als deze de jongen van \'t muschje verslond en de moeder. Acht, en de negende Avas er de moeder die allen gebroed had. Aldus hebben wij ook daar zóo veel jaren te strijden.

Doch in het tiende verovert ons heer \'t breedstratige Troja.

ao. Zoo had deze gesproken, en thans komt wis de vervulling. Welaan, blijft dus allen, Achaiërs met stevige scheenplaat.

Blijft, tot de machtige veste van Priamos worde veroverd.

Alzoo sprak hij; een kreet der Argeiërs verrees, en de schepen Dreunden in \'t rond weergalmend het luide geschreeuw der Achaiërs, 35. Allen hun bijval schenkend aan \'t woord des verheven Odusseus. Daarop zeide hun ook de Gerenische wagenaar Nestor;

— Ja, als de kindren voorwaar zoo praat gij in deze vergaadring, Noch onmondig en niet met het oorlogswerk zich bemoeiend. Waarheen zullen dan gaan onze eeden en vaste verbonden?

140. Laat ze in vlammen verdwijnen, de raad en de zorgen der mannen, D\'offers van zuiveren wijn en de handslag waar wij opbouwden! Zoo toch twisten wij slechts met het woord, maar geenerlei uitkomst Weten wij ergens te vinden, ofschoon hier jaren vertoevend. Atreus\' zoon, voer gij, als voorheen standvastig beraden, |\'t5. Thans ook weer de Argeiërs ten strijd in den heftigen veldslag. Doch laat zulken vergaan, als een enkle of twee der Achaiërs Mochten ter zijde beramen, (voor hén toch geenerlei uitkomst). Eerder naar Argos te keeren en vóór dat zij weten of hierin D\' Aigisvoerende Zeus ons een leugen beloofde of waarheid. ||50. Want ik betuig dat ons eens toewonk de geduchte Kronioon, Dien dag, toen de Argeiërs de snclvoortglijdende schepen Hebben beklommen om dood en verderf aan de Trojers te brengen, Want rechts sloeg hij zijn bliksem, en gaf ons dit teeken van

[voorspoed.

Niemand dring\' dus verder om huiswaarts weder te keeren,

-ocr page 36-

28

395

355. Eer hij gerust zal hebben bij cene der vrouwen van Troja, Boete der nooden en zuchten, door Helena zelve geleden.

Doch als er éen zoo hevig verlangt naar zijn huis te vertrekken, Laat hij het grijpen, zijn donker, van roeibank treffelijk vaartuig. Zoo vóór d\' anderen vindend den dood en het duistere noodlot. 360. Doch gij, vorst, wil zelf het bedenken, en luistren naar anderen, \'t Geen ik u meê zal deelen, het zal geen nutteloos woord zijn. Schift, Agamemnoon, allen naar stammen en ook naar geslachten, Zóo dat geslacht bij geslachte en stam zich bij stamme vereenig; Wen gij dit zoo zult hebben gedaan en d\' Achaiërs het volgen, 365. Ziet gij het wie van de hoofden en wie van de volkeren bloodaards.

400.

4 15.

Wie er de dapperen zijn; dan strijdt toch elk voor de zijnen;

Ziet gij of godlijk besluit u verhindert de stad te verwoesten, Of — het gebrek van die mannen aan moed en aan kunde des oorlogs. Toen antwoordde en zei hem de heerschende vorst Agamemnoon: 370. — Waarlijk, o grijsaard, weder verwint g\'in den raad de Achaiërs; O, dat ik slechts, Zeus Vader, Athena en Foibos Apolloon,

Tien zoodanigen had tot mijn raadsliên onder d\' Achaiërs, Welras zou zich de stad van den vorstlijken Priamos buigen. Onder de handen der onzen gefnuikt en een prooi der verwoesting. 375. Doch veel leed zond Zeus mij, de Aigisvoerder Kronióon,

Daar hij my weder verwikkelt in ijdele twisten en tweedracht. Ik en Achilleus immers wij strijden ter zake van \'t meisje, Kampend met nijdige taal; doch d\' eerste begon ik de stoornis. Maar als wij eenmaal weder vereend overleggen, in waarheid 380. Blijft den Trojanen het kwaad niet uit, zelfs niet in het minste. Doch gaat nu aan het maal, om u voorts te bereiden ten oorlog. Elkeen scherpe met zorg zijne speer en bereidde zijn beuklaar. Goed ook voedere ieder zijn span snelvoetige rossen,

Goed onderzoek\' hij den wagen in \'t rond, aan het strijden gedachtig; 385. Wijden wij verder den dag aan de zorg voor den schriklijken oorlog. Want geen rustpoos komt er ons meer, zelfs niet in het minste. Voor dat de dalende nacht aan de driften der mannen een perk stelt; Druipen van zweet zal elks om de schouderen hangende draagband. Onder \'t beschuttende schild, en de hand klemt moede het speerhout.

356. Velen verklaren deze regels (ook in vers 590 wederkeerende) als de nooden en zuchten geleden ter wille van Helena. Aristarchos had wellicht geen ongelijk in deze zijne verklaring; ik volg echter de algemeen aange-nomene opvatting.

-ocr page 37-

29

390 Druipen van zweet zal \'t ros in het tuig van de glanzende strijdkar. Doch al wien ik bemerk dat begeert dan buiten het slagveld Hier bij de krommende boegen te staan, wis zal het vergeefs zijn Zoo hij zich vleit zich te redden voor honden en roovende vogels. Alzoo sprak hij ; \'t geschreeuw der Argeiërs verrees; als de golven 395. Slaande de steilte der kust, wen stormende Notos ze opdrijft Tegen de puntige klip dien nimmer de golven verlaten.

Iedere windvlaag prijs, of zij rijze van hier of van gindsher. Opstaand, repten zij voort, zich verspreidende tusschen de schepen. Vuur ontstaken zij, elk bij zijn tent, en zij namen bet vroegmaal. 40(i. Elk bracht dezen of genen der eeuwige goden zijn offer.

Biddend om levensbehoud uit den dood en het woeden van Ares. Doch de regeerder des volks Agamemnooi^ wijdde een runddier, Wel doormest, vijfjarig, den machtigen zone van Kronos. D\' achtbare grijsaards vroeg hij, van alle Achaiërs, ten maaltijd, 405. Nestor van allen het eerst en Idomeneus mede, den koning, Wijders het Ajas-paar en den telg uit den bloede van Tudeus, Voorts als den zesden den schrandren, als Zeus raadvollen Odusseus. Doch zelf kwam Menelaos, geducht in den woeligen strijdgalm, Immers hij was in zijn harte bewust van de moeiten zijns broeders, in. Zij nu stonden in \'t rond om den stier en zij namen het gerstmeel. Toen sprak biddend voor dezen de heerschende vorst Agamemnoon; — Zeus, roemruchtig en groot, zwartwolkige, Wonend in d\' ether. Moge de zon niet eerder omlaag en de schemering opgaan. Eer dat ik Priamos\' dak heb neer doen storten ter aarde,

415. Zwart van den rook, en de poorten verwoest met verdelgenden

[vuurgloed.

Eer dat ik Hektors pantser verscheur en het splijt om zijn schouders. Onder mijn koperen speer, en een tal van zijn vrienden in \'t ronde, Ncdergestort in het stof, met de tand deed bijten de aarde. Alzoo sprak hij; en toch de Kroniede verhoorde hem geenszins; |sio. \'t Offer aanvaardde hij wel, maar wekte verschriklijke nooden. Toen zij nu hadden gebeden en gerst op de runders gesprenkeld, Bogen zij \'t vee bij de koppen naar achteren, slachtten en vilden \'t, Hakten de schenkelstukken er af en bedekten ze rondom Dubbel met vet en belegden ze voorts met de verdere deelen. ♦25. Dezen verbrandden zij toen op gekloofde ontbladerde takken, Staken aan \'t spit de geweiden en hielden ze boven den vuurgloed; Toen zij de schenkels verbrand, dan hadden geproefd de geweiden,

-ocr page 38-

30

Sneden zij d\' andere deelen en hechtten de stukken aan \'t braadspit, Brieden het al zorgvuldig en trokken het weer van de spitten. 430. Dan, als zij rustten van \'t werk en den maaltijd hadden geregeld, Aten z\' en niemands hart ontbeerde zijn deel in den maaltijd.

Toen zij van spijzen en drank naar begeerte des harten genoten, Vatte het eerst er het woord de Gerenisehe wagenaar Nestor: — Atreus\' zoon, roemruchte, der volkeren vorst Agamemnoon, 435. Laten wij nu niet langer de uren verpraten en weder

Verder verschuiven het werk, dat de godheid immers ons opdraagt. Welaan, laat de herauten de kopergedoste Achaiërs Luid oproepen en saam doen stroomen het volk bij de schepen, Laten wij zeiven ons óok door het wijde Achaïsche heerkamp 410. Spoeden, ten einde te sneller te wekken den heftigen Ares.

Alzoo sprak hij; en vorst Agamemnoon volgde zijn oproep. Aanstonds gaf hij bevel aan zijn helderbespraakte herauten Samen te roepen ten krijg \'t langlokkige volk der Achaiërs. Dezen nu riepen hen op, en zij schaarden zich samen met snelheid. 445. Naast de Atreiden verdeelden de koningen godlijken oorsprongs IJvrig de scharen; en mede verscheen klaaroogde Athena Dragend de heerlijke aigis, de eeuwige, nimmer verganklijk. Waar zich van louteren goude een honderd kwasten om zwierden Sierlijk gevlochten en ieder op honderd rundren te schatten. 450. Daarmee stralend in \'t rond doorliep zij het heer der Achaiërs, Dreef ze tot voortgang aan en bij ieder verhief zij den strijdlust Weer in het hart, om op nieuw volhardend te kampen op \'t slagveld. Plotsling werd hun de krijg nu zoeter dan weder te keeren. Voerend hun holle galeien naar \'t dierbare land van de vaadren. 455. Zoo als het vratige vuur onmeetlijke wouden in gloed zet,

Boven op \'t hooge gebergt\' en de brand zich van verre verkondigt. Zoo rees ook bij hun tocht het geschitter van \'t vreeselijk koper Alom glanzend omhoog door den helderen ether ten hemel.

Zoo als de tallooze vluchten der luchtdoorklievende vogels, 4Co. Kranen of ganzen, of zwanen met lang uitstekende halzen.

Over de vruchtbare beemden van Asias, over Kallstros\'

Stroom, nu hier dan ginds voortiladderen, iier op hun vleugels. Dan luid neerwaarts strijken, en \'t veld weergalmt van hun kreten. Dus ook stroomde in scharen het volk van de schepen en tenten 405. Voort naar Skamandros\' vlakte; van onderen dreunde de aarde Schrikkelijk onder de voeten van \'t volk en het rossengetrappel;

-ocr page 39-

31

Zoo dan stonden zij daar op de bloemige wei des Skamandros, Duizenden, dicht als de bloemen en bladeren wassen in \'t voorjaar. Zoo als de tallooze scharen van vliegen in weemlende menigt\', 47(1 Welke gestadig in \'t rond omzwermen den stal van de herders, Wen in het lentegetijde de melk raim stroomt in de kuipen, Zoo stond talrijk \'t heer langlokkige zonen Achaia\'s Tegen de Trojers in \'t veld, vol vuur ze geheel te verdelgen. Even als herders de kudden der rondom weidende geiten 47rgt; Lichtelijk schiften wanneer zij zich samen vermengen op\'t weiveld. Dus ook scheidden de hoofden hun volk in verschillende benden, Thans zich ten strijd te begeven; in \'t midden de vorst Agamemnoon, \'t Hoofd en de oogen gelijk aan den bliksembeminnenden god Zeus, Arcs gelijkend van heupen, van borst de gestalte Poseidoons; 48o. Zoo als de stier in de heerden der runderen boven de andren Uitsteekt, onder de scharen van weidende koeien het rijzigst, Alzoo maakte nu Zeus dien dag den Atreid\' Agamemnoon Hoog uitmuntende boven de menigte, boven de helden.

Meldt het mij thans, gij Muzen, d\' Olumpische zalen bewonend, 485. Gij toch zijt godinnen, bij alles aanwezig en alwijs,

Wij, wij vernemen \'t gerucht alleen, niets weten wij zeiven — Wie heervoogden er waren der Danaërs, wie hun bestierders. Want nooit kon ik vermelden de namen der menigte zelve. Ook al waren mij zelfs tien tongen en monden geschonken, 4i). Ware mijn stem onwrikbaar en hadde ik koperen longen, Zoo gij, Olumpische Muzen, des Aigisvoerenden Vaders Dochtren, ons niet deed beugen de scharen naar Ilios opgaand. Zoo dan noem ik de hoofden der vloot en geheel hunne scheepsmacht, \'t Volk der Boiotiërs voerden Peneleoos, Leïtos mét hem, 495. Arkesilaos vervolgens en Klonios, ook Prothoënor.

Zij die in Huria woonden, in Aulis\' rotsige streken,

Schoinos en Skolos en voorts Eteónos\' gespletene bergstreek. Voorts Thespeia en Graia en \'t breede gewest Mukalessos,

Mede die liarma bewoonden, Eilesions land en Eruthrai; l\'i\'i. Mannen een Eicon, ook die in Peteon woonden en Hula,

\'t Volk in Okalea\'s vlek, en in Medeoons stevige burgvest, Kopai en ook Eutrésis en \'t duivenbezittende Thisbe,

Volk uit de stad Koroneia en \'t grasrijk land Haliartos,

Zij die Plataia bezaten en weidden de akkers van Glisas, bod. Ook die bezaten de stad van het stevig gebouwd Hupothebai,

-ocr page 40-

32

Nevens het heilig Onchestos, Poseidoons liefelijk boschland,

Voorts die het wijnrijk Arne tot woonplaats hadden, Mideia,

\'t Heilige Nisa en mede het verre verwijderd Anthedoon.

Dezen nu waren getogen met vijftig galeien; in elk schip 510. Waren er honderd en twintig der jonge Boiotisehe manschap.

Volk in Orchoraenos wonend, der Muniërs burg, en Aspledoon,

Voerden Askalafos aan en lalmenos, zonen van Ares Welke Astuoche baarde, die eens in de woning van Aktor,

Azeus\' zoon, noch schuchter en maagd naar de bovenvertrekken 515. Ging tot den machtigen Ares, die heimelijk toen haar omhelsd had.

Dertig gewelfde galeien vertrokken met dezen ten heertocht.

Schedios was met zijn broeder Epistrofos hoofd der Fokeërs,

Beiden de zoons van Ifitos, uit Naubolos\' machtigen stamboom;

Voorts Kuparissos\' bewoners en volk van het rotsige Puthoon, 52(i. Krisa\'s heilige streken, en Panopeus\' veste en Daulis,

Zij die bij Anemoreia benevens Huampolis woonden.

Zij wier woonstee ligt aan Kefisos\' geheiligde waatren.

Zij die Lilaia bezaten bij \'t bronnengebied des Kefisos,

Veertig donkere schepen vertrokken met dezen ten heertocht. 525. Kondgaand schaarden zij thans de gelederen dezer Fokeërs,

Welke zij links aan de zij der Boiotiërs brachten te wapen. m.

\'t Lokriesch hoofd was Ajas, de snelle, de zoon van Oïleus,

Kleiner, en niet zoo machtig als Ajas van Telamoon stammend,

Doch zeer kort van gestalte en enkel in \'t pantser van linnen, 530. Maar met de speren beroemd bij d\' Achaiërs en alle Hellenen.

Zij die Kalliaros, Kunos en Opoeis hadden tot woonstee, 57

Bessa en Skarfe en mede Augeiai\'s verruklijke landstreek,

Tarfe en Thronios\' land, omspoeld van Boagrios\' waatren;

Daarmee togen ten strijde op veertig donkere schepen 535. Lokriërs, d\' andere zijde van \'t heilig Euboia bewonend.

Zij die Euboia bezaten, d\' Abanten geweldig in strijdlust, ^

Chalkis, Eiretria\'s volk, Histiaia met welige druifteelt.

Mede Kerinthos aan zee en de rotsige veste van Dion,

Zij die Karustos bezaten en woonstee hadden in Stura,

540. Dezen geleidde ten strijd Elefénor, de kweekling van Ares;

Zoon van Chalkodoon was hij en vorst van de stoute Abanten; 5]

\'t Heer van zijn rappe Abanten, de haren gevlochten naar achter,

Volgde hem, sterk met de lans, vol vuur om de esschene schaften Vellend, het dekkende pantser om \'s vijands borst te verscheuren.

64.5,

560.

565.

560.

m

-ocr page 41-

33

645 Veertig donkere schepen verzeldeu hem hier op den heertocht. Dan die Athenai bezaten, de stevig gemetselde burgstad, \'t Land van Erechtheus, tier van gemoed, en dien vroeger Athena Dochter van Zeus opvoedde (hem baarde het vruchtbare aardrijk), Voorts in Athenai verborg in haar rijklijk begiftigden tempel, 56o. Waar hem met stieren en rammen de jongelingschap der Atheners Brengt de verzoenende offers op \'t feest van den wentlenden jaarkreits. Peteos\' zoon stond thans aan het hoofd van die scharen, Menestheus. Hém evenaarde er geen van het levend geslachte der menschen Zoo in het scharen van wagens als rondasdragende manschap. 565. Nestor slechts was dezen gelijk, als van ouderen leeftijd.

Vijftig donkere schepen verzelden hem hier op den heertocht.

Ajas voerde zijn schepen van Salamis mede, een twaalftal. Deze nu plaatste zijn volk nabij de Atheensche geleedren.

Zij nu die Argos bezaten en Tiruns krachtig van bolwerk, 560 Asine\'s haven en mede Hermione\'s krommende zeebocht,

Troizen, Eïonai ook, en het wijngaardrijk Epidauros,

Jonge Achaiërs mee, die Aigina en Mases bezaten.

Dezen geleidde ten krijg Diomedes geducht in den strijdgalm, Sthenelos mede, de zoon roemruchtigen Kapaneus dierbaar; 8C5. Dezen verzelde, als derde, Eurualos, goden gelijkend.

Zoon van den koning, gesproten uit Talaos\' stamme, Mekisteus. Doch hun te zamen gebood Diomedes geducht in den strijdgalm; Tachtig donkere schepen verzelden hen hier op den heertocht. Zij die Mukenai bezaten, de stevig gemetselde burgvest, 670. Ook het vermogend Korinthos en \'t stevig gebouwde Kleonai, Dan die Orneiai bewoonden alsook Araithurea\'s beemden, Sikuoon voorts waar vroeger Adrestos het eerst geregeerd had, Ook Huperesia\'s volk, die de rotsige stad Gonoëssa Hielden bezet en Pel line, en rondom Aigion woonden, 575. Gansch Aigialos\' kusten en rondom \'t ruime Helieka,

Dezen met honderd galeien bestuurde de vorst Agamemnoon, Atreus\' zoon, dien \'t grootste en beste gedeelte der volken Volgde; te midden van dezen, gedost in het blinkende koper. Praalde hij trotsch in zijn roem, als van alle de helden het schittrendst, B8o. Daar hij d\' aanzienlijkste was en zijn volkeren verre het talrijkst. Zij die bezaten het holle in bergen gevat Lakedaimoon,

Paris en Sparta, en Messe, de duivenvoedende zeestad.

Zij die Bruseiai bewoonden en mede het schooue Augeiai,

-ocr page 42-

34

\'t Volk van Amuklai, de mannen uit Helos, de stad aan het zeestrand, 585. Zij die in Laas zich vestten, en rondom Oitulos woonden.

Dezen gebood Menelaos, zijn broeder, gedacht in den strijdgalm. Zestig galeien te zaam, doch hield zijne legers gescheiden;

Zelf doorschreed hij de rijen, vertrouwend op eigene kloekheid, Allen vermanend ten strijd; want heftig verlangde zijn boezem 590. \'t Lijden en zuchten te wreken die Heiena\'s harte beklemden. Volken die Pulos bewoonden en \'t liefelijk oord van Arene, Thruon, Alfeios\' voorde, en \'t stevig betimmerde Aipu, Kuparisseïs\' bewoners en mannen van Amfigeneia,

Pteleon, Helos, de mannen van Dorion, \'t oord waar de Muzen 595. Deden verstommen de zangen van Thamuris, Thrakië\'s dichter, Daar van Oichalia\'s vest, vorst Eurutos\' zetel, gekomen.

Pralend had hij gesnoefd liet van ieder te winnen in zangkunst, Zelfs van de Muzen, de dochters van d\' aigisvoerenden god Zeus. Doch zij hadden in toorn hem verblind en beroofd van de godsgaaf, 600. \'t Zangerig lied, en zij deden de kunst hem vergeten der cither. Nestor voerde hen aan, de Gerenische wagenbestuurder.

Negentig holle galeien verzelden hem hier op den heertocht . Zij die Arkadië hadden aan \'t steile gebergte Kulléne,

Dicht bij Aiputos\' graf, in den krijg onstuimig van aandrang, cos. \'t Volk dat in Feneos was, en Orchomenos bloeiend in schaapsteelt. Ripe en Statia, \'t volk van het frisch doorwaaide Enispe, Zij die in Tegea hadden hun woon en Mantinea\'s lustoord. Zij die Strumfélos bezaten, in \'t rond van Parrhasië woonden. Dezen geleidde de heerscher, Ankaios\' zoon Agapenor, oio. Zestig galeien te zaam, en in elk schip toog er een aantal

Volks uit Arkadië mede, verstandig in \'t werk van den oorlog; Daar Agamemnoon zelf, de gebieder der volken, hun schepen Treil ijk van roeibank gaf, om de donkere zee te bevaren; Zoo deed Atreus\' zoon, want vreemd was dezen het zeevak. oiö. Zij die Bouprasion voorts en het heilige Elis bewoonden,

\'t Land zoo verre Hurmine en Mursinos liggend aan \'t uiteind. Voorts de Olenische rots en Alision samen bevatten;

Daarbij hadden er vier het bevel, en bij iederen veldheer Tien vlugzeilende schepen, bemand met een tal van Epeiërs; oao. Aktor\'s kleinzoons beiden, Amfimaehos Kteatos\' afkomst,

Thalpios voorts, ontsjfttoten uit Eurutos, waren hun hoofden; Vorst Amarunkeus\' zoon heldhafte Diores ten derde.

-ocr page 43-

35

\'t Vierde gedeelte bestuurde de godlijke held Poluxeinos,

Zoon van Agasthenes, telg uit het vorstlijk geslacht van Augeias. 025. Wijders Doulichions mannen en \'t volk der gewijd\' Echinaden, D\' eilandgroep ver over de zee en de kusten van Elis,

Hoofd van hun heer was Meges, in moed de gelijke van Ares; Dezen gewan Zeus\' gunstling, de wagenbesturende Fuleus,

Toen, op zijn vader vergramd, hij voorheen naar Douliehion uitweek, cao. Veertig donkere schepen verzelden hem hier op den heertocht. Doch \'t stoutmoedige heer Kefalleniërs voerde Odusseus, Mannen van Ithaka\'s grond, die bij Neritos\' ruischend gebladert\' Woonden en meê Krokuleia en \'t ruw\' Aigilipische rotsland, Zij die Zakunthos bezaten, en Samos in t ronde bevolkten, 035. Zij die het kustland hadden en \'t daarvóór liggende eiland. Dezen geleidde de schrandre, als Zeus doorziende Odusseus; Voerend een twaalftal schepen, met rood aan de boegen beschilderd.

Thoas Andraimoons telg was hoofd van het volk der Aitolers, Welke om Pleuroon woonden en Olenos nevens Pulene,

640, Ook in het kustland Chalkis en Kaludoons rotsige landstreek. Want reeds waren de zoons niet meer van den dapperen Oineus, Noch hij zelf; ook stierf blondlokkige held Meleagros.

Zoo dus werd hem vertrouwd te gebieden aan alle Aitolers. Veertig donkere schepen verzelden nu dezen ten heertocht. 045. Kretische manschap leidde Idomeneus, lotlijke speerheid.

Scharen die Knosos bewoonden en \'t vast ommuurde Gortuna, Volken van Luktos, Milétos en \'t schitterend witte Lukastos, Faistos en Rhutios mede, de volkrijk bloeiende steden,

Voorts noch andere volken der honderd steden van Kreta. 050. Dezen nu voerde ten strijde Idomeneus; lotlijke speerheid,

Saam met Meriones, forsch als de mannenverdelgende Ares. Veertig donkere schepen verzelden nu dezen ten heertocht.

Zoon uit den stam van Herakles, Tlepolemos, groot en geweldig, Voerde de negen galeien van llhodos en leidde als veldheer 655. Mannen om Rhodos gevestigd, in drie volksstammen gerangschikt, Lindos, en voorts lalusos, en \'t schitterend witte Kameiros. Dezen nu voerde ten strijde Tlepolemos, lotlijke speerheid,

Zoon dien aan Astuocheia de kracht van Herakles verwekt had. Toen van den stroom, den Sellcïs, hij deze uit Efure meênam, Na veel steden te hebben verwoest van de godlijke jongren. Toen in de sierlijke woning, de jonge Tlepolemos opwies,

600.

-ocr page 44-

36

Had hij terstond zich vergrepen, den eigenen oom van zijn vader Doodend, den grij zenden oude, Likumnios, stammend van Ares. Ijlings bouwde hij sehepen, en manschap zaamlend in aantal 605. Vluchtte hij over de zee, daar wraak hem bedreigde der andren, Zonen en kleinzoons, spruiten der godlij ke kracht van Herakles. Eindlijk geraakte hij, dolend en kommer verdurend, op Rhodos. Daar nu gingen zij wonen in drieën verdeeld naar geslachten. Lief aan het harte van Zeus, die regeert bij de goden en menschen 070. Godlijke rijkdom vloeide hun toe uit de hand van Kronioon. Nireus voerde van Sume zijn drie juistmatige schepen,

Nireus, telg uit Aglaia en koning Charopos stammend,

Nireus, schoonste der mannen naar Ilios\' veste getogen Onder het Danacrsvolk, na d\' onvolprezen Achilleus,

075. Maar niet dapper ten strijd, en gevolgd door een luttele manschap. Zij die Nisiiros bezaten, in Krapathos woonden en Kasos, Kos, Eurüpulos\' stad en de eilandgroep der Kaludnai;

Dezen geboden Feidippos en Antifos beiden als veldheer,

Zonen van Thessalos, vorst wiens vader Herakles geweest was. 080. Dertig gewelfde galeien verzelden hen hier op den heertocht. Nu ook alle de mannen \'t Pelasgische Argos bewonend. Zij die de landen bezaten van Alope, Alos en Trachis,

Mannen uit Fthia, en Hellas beroemd door bekoorlijke vrouwen, \'t Zij Murmidonen genoemd, of Hellenen en mede Achaiërs, 085. Dezen bestuurde als hoofd, met hun vijftig galeien, Achilleus. Maar thans dachten zij niet aan den gruwzaam klinkenden oorlog. Geen toch was er die dezen in vaste geleedren ten strijd bracht. Immers hij lag bij zijn schepen, de godlijke, snelle Achilleus, Toornend wegens het meisje, de sierlijk gelokte Briseïs, 690. Welke hij na veel moeite als buit zich verwierf in Lurnessos, Toen hij Lurnessos geheel en de muren van Thebe verwoest had. Voorts daar Munes gedood en Epistrofos vlug met de werpspies. Beiden de zoons van Euénos den vorst van Selepias stammend; Treurende lag hij, om haar, doch weldra zou hij herrijzen. 095. Zij die in Fulake woonden en Purasos\' bloemige landstreek, Heilige hof van Demeter, en Itoon moeder van lammren, Antroons zeekust wijders en Pteleos\' weelderig grasveld.

Dezen bestuurde als leider de strijdbare Protesilaos Tijdens zijn leven, hem droeg thans echter dè donkere aard-

[schoot.

-ocr page 45-

37

7nn, Ginds bleef z\' achter, zijn vrouw, hare wangen verscheurend in

[rouwklacht,

Half voltooid zijne woning: hem sloeg een Dardanische krijgsman, Toen hij van \'t scheepsboord sprong vóór alle de andre Achaiërs. Wel bleef \'t volk niet zonder beheer, maar miste den leidsman. Doch hen bestuurde Podarkes, geducht als een jonger van Ares, 705. Zoon des vermogenden herders, Ifiklos, van Fulakos stammend; Hij was d\' eigene broeder des dapperen Protcsilaos,

Jonger van leeftijd echter; de oudere zoon en de sterkste Was held Protesilaos, aan Ares gelijk; en een veldheer Misten zijn volken dus niet, maar treurden om d\' edelen krijgsman. 710. Veertig donkere schepen verzelden nu dezen ten heertocht.

Voorts die in Ferai woonden, bij Boibe\'s krommende zeebocht, Boibo en Glafurai ook, en het stevig gebouwd\' laolkos; Elf galeien van dezen bestuurde de zoon van Admetos Vorst Eumélos, gebaard door de godlijke onder de vrouwen, 715. Schoone Alkestis, de schoonste te midden van Pelias\' dochters.

Doch die Methóne bevolkten, Thaumakia\'s streken bewoonden, \'t Zij Meliboia bezaten en \'t rotsige land vau Olizoon,

Dezen gebood Filoktetes, ervaren bestuurder van \'t boogschot, Zeven galeien en elke met vijftig gezellen als roeiers,

720. Allen ter dege bekwaam met den boog in den heftigen veldslag. Maar nu, hevige kwalen verdurende, lag hij op \'t eiland t Heilige Lemnos, en daar door de zonen Achaia\'s gelaten. Krank door de vreeslijke wond van der slange verderHijke beten; Jammerend lag hij er neer: doch eerlang zouden d\' Argeiërs 725. Wis bij hun scheepsvloot weder den vorst Filoktetes gedenken. Wel bleef \'t volk niet zonder beheer, maar miste den leidsman; Medoon echter gebood hun, de bastaardzoon van Oïleus,

Welken den steden verwoester, Oïleus, Rh ene gebaard had. Volken die woonden in Trikke, en \'t rotsige land van Ithome, 7ao. Ook in Oichalia\'s stad, waar Eurutos voerde den scepter,

Dezen bestuurden te velde Asklepios\' zonen, het tweetal Treflijke artsen, de éen Podaleirios d\' ander Machaoon.

Dertig gewelfde galeien verzelden hen beiden ten heertocht.

Volk in Ormenion wonend en nevens de bron Hupereia, 735. Zij die Asterion hadden en Titanos\' blinkende hoogten,

Voerde Eurupulos aan, de voortretiijke zoon van Euaimoon, Veertig donkere schepen verzelden hem hier op den heertocht.

-ocr page 46-

38

Zij die Argissa bezaten en woonden in \'t land van Gnrtone, Leefden in Orthe, Elone en \'t glanzend wit Oloössoon, 740. Dezen geleidde te velde de strijdbare held Polupoites,

Zoon van iJeirithoös, d\'eedlen, van Zeus ontleenend zijn afkomst. Dezen Peirithoös was hij nit Hippodameia geboren,

Dien dag toen hij de straf voltrok aan de harige monsters, Welke uit Pelion drijvend hij joeg naar het land der Aithiekers; 745. Niet alleen, doch saam met Leonteus stammend van Ares,

Zoon van den moedigen strijder, Korónos, geboren van Kaineus. Veertig donkere schepen verzelden hem hier op den heertocht.

Gonnens voerde uit Knfos zijn tweeëntwintig galeien,

Voerend een schaar Eniëners, Peraibers blakend van strijdlust, 750. Ook die hun woningen stelden in \'t wintersch gure Dodona, \'t Zij aan den lieflijken stroom Titaresios bouwden de akkers. Waar die rivier ten Peneios beweegt \'t schoonvlietende water. Echter vermengt liij zich niet met het zilveren nat des Peneios, Maar drijft boven het vlak der rivier als het sap der olijven, 755. Want aan den Stux ontspruit hij, den stroom van de vreeslijke eeden. Prothoös stond aan het hoofd der Magnesiërs, zoon van

[Tenthredoon;

Stammen die langs den Peneios, bij Pelions ruischend gebladert Woonden, bij dezen gebood held Prothoös, vlug in het strijdperk; Veertig donkere schepen verzelden hem hier op den heertocht. 760. Dezen nu waren de leiders der Danaërs, waren hun vorsten. Doch wie onder hen waren de treflijksten, meld het mij. Muze, Zoo van de strijders als paarden, de beide Atreiden verzeilend.

Ver het voortreffelijkst waren de merries des vorsten Admetos, Onder Eumclos\' bestuur, vlugvoetige, rasch als de vogels, 765. Eender van jaren en haar, en van ruggen gelijk naar het paslood. Welke Apolloon kweekte, de god die den zilveren boog voert, Merriën beide, en beide de draagsters van Ares\' verschrikking. Zoo stond onder de mannen het hoogst Telamonios Ajas,

Tijdens Achilleus\' wrok, want die was ver het voortreflijkst, 770. Mede de paarden die voerden den smetloozen zone van Peleus. Maar bij de krommende boegen der zeedoorklievende schepen Lag hij cn wrokte hij steeds op den herder des volks Agamemnoon Atreus\' zoon, en zijn benden vermaakten zich verder op\'t zeestrand

743. De Kentauren.

-ocr page 47-

39

\'t Zij met het werpen der schijf, met den boog of het drillen

[der jachtspies.

775. Maar nu stonden de paarden, bij iederen wagen behoorend,

Lutus te kauwen cn cppe uit drassige sorapen gesproten ;

Lagen met zorg overdekt, in de tenten geborgen, de wagens Ieder der hoofden behoorend; beroofd van hun dapperen veldheer Dwaalden zij zeiven nu rond door het kamp en zij staakten

[het krijgswerk.

780. \'t Heir toog op, als een vuur dat de velden verschroeit en

[als afweidt.

Onder hen zuchtte de aard\' of er Zeus luid donderend voortschreedt, Wen hij, in \'t rond van Tufoios, in gramschap Arima\'s bodem Geeselt, waar men zegt, dat de rustplaats ligt van Tufoios.

Alzoo zuchtte de aarde er onder de voeten van \'t krijgsvolk 785. Tijgend ten kamp, en zij trokken met snelheid over de vlakte. Doch naar de Trqjers begaf zich de windsnel ijlende Iris,

Bode des stormenden Zeus, en verkondde de treurige mare. Dezen nu hielden een raad bij de poorte van Priamos\' woning. Allen te zamen gekomen, de jongen zoowel als de grijsaards. 7\'jn. Dicht hun genaderd begon vlugvoetige Iris haar toespraak; Gansch in haar spreken gelijkend op Priamos\' zone Polites, Thans als een spie van de Trqjers, de vaart zijner voeten vertrouwend, Zittend ten top van het graf van den grijsaard vorst Aisuetes, Loerend wanneer de Achaiërs de schepen verlieten voor \'t slagveld. 795. Dezen gelijkende sprak snelvoetige Iris de woorden:

— Grijsaard, immer vermaken u weer onnutte gesprekken.

Even als vroeger in vree, — en er naakt oneindige oorlog. Zeker, ik woonde er veel reeds bij van de strijden der mannen, Maar noch nooit aanschouwd\' ik een volk zoodanig en talrijk. 800. Want, als de blaadren der boomen voorwaar en het zand van den oever Trekken zij over de vlakte om dicht aan de veste te strijden. Hektor, aan ü, vóór allen bevele ik, wat gij te doen hebt.

Vele verbondenen zijn er in Priamos\' machtige burgstad. Ook van verschillende talen der verre verspreide geslachten, 805. Dezen geleide nu ieder die over dezulken bevel voert.

Voer gij d\' anderen buiten en orden de burgers ten krijgstocht.

Alzoo sprak zij, en Hektor het woord der godinne herkennend. Hief de vergadering op; snel stormden zij voort naar hun wapens; Alom werden de poorten geopend en drong er het volk uit.

-ocr page 48-

40

810. Strijders te voet en op wagens; er rees een geweldig gekletter. Voor aan dc veste verheft zich een steile en rijzige heuvel, Zijwaarts, boven do vlakte, en rondom ligt hij genaakbaar,

Hier door het volk Batieia genoemd, maar onder de goden Is hij bekend als hel teeken gewijd aan de vlugge Murine, sis. Daar nu scheidden de Trojers en andre verbondene volken.

Troja\'s mannen bestuurde de held met den golvenden helmbos Hektor Priamos\' zoon, en de meeste en dapperste krijgers Stonden met dezen gewapend en schudden verlangend de speren, \'t Heer van de Dardancrs voerde de dappere zoon van Anchises, 820. Held Aineias, de zoon Afrodite verwekt door Anchises,

Toen in de passen der Ida de godlijke minde den stervling.

Niet alleen was deze hun hoofd, ook de \'zonen Antenors,

Akamas nevens zijn broeder Archclochos, kenners van\'t strijdperk. Zij die Zeleia bewonen omlaag aan dc voeten der Ida, 825. Rijk in bezitting en drinkend het donkere nat des Aisépos, Trojers van stam, hen geleidde de dappere zoon van Lukaoon, Pandaros, voerend den boog door Apolloon zeiven geschonken.

\'t Volk dat bezat Adresteia, de burgergemeente Apaisos, Voorts Pitueia bezat en het steile gebergte Tereia,

830. Voerden Adrestos te veld en Amfios in \'t pantser van lijnwaad, Beiden de zonen van Merops, den vorst van Perkote; de toekomst Schouwende beter dan d\' andren, vergunde hij niet dat zijn zonen Trokken ten moordenden krijg, maar nochtans volgden zij geenszins \'s Vaders woorden; hen dreven de Keren van \'t donkere sterflot. 835 Zij die in \'t rond van Perkóte en Praktion weidden de velden, Sestos en mede Abüdos en \'t heilig Arisbe bezaten.

Regelde Asios, zone van Hurtakos, leider der mannen,

Asios, Hurtakos\' zoon, wiens groote en rossige paarden Hier van Arisbe hem hadden gevoerd, van den stroom des Selléïs. 8io. Kloeke Hippothoös leidde met speren bedreven Pelasgen,

Stammen gevest in Larisa, het land van den hobligen aardkluit. Nevens Hippothoös bracht hen ten strijd heldhafte Pulaios Zoon des Pelasgischen Lethos, van Teutamos\' stamme geboortig. Akamas voerde, en mee held Peiroös, benden der Thrakers 845. Welken de krachtige strooming des Hellespontos ten grens is.

\'t Volk der Kikóners, gezwind met de speren, bestuurde Eufemos Welken Troizcnos gewan, uit den stam van den godlijken Keas. \'t Volk met gekronkelden boog, de Paioniërs, voerde Puraichmes

-ocr page 49-

41

Verre van Amndon lier, waar breed zich do Axios voortstuwt, 850. D\' Axiosstroom, die de aarde besproeit met het helderste water, \'t lieer Paflagoniërs leidde Pulaimenes, dapper van inborst. Zoon van het Eneterland, waar vrij rondweiden de muilen, Ook die Kutóros bezaten en Sesamos\' velden bebouwden.

Mede die langs do rivier den Parthenios maakten hun woning, 855. Kroomna, Aigialos hadden en ook \'t Eruthinische bergland. Wijders, met Odios voerde Epistrofos hier Halizouen Verre van Alube komend, het land waar \'t zilver uit voortwast.

Chromis geleidde de Musers met Ennomos, vogelenwichlaar; Schoon hij door vogels zich niet onttrok aan het sombere sterflot, 860. Daar hij, geveld door de hand van den rassche van voeten Achilleus, Stierf in den stroom, waar deze ook anderen Trojers den dood gaf.

Saam met Askanios, goden gelijk, bracht Forkus de Frugers Ver uit Askanië her, en zij haakten naar \'t hevige slagveld. Mesthles bestuurde ten strijde, met Antifos saam, de Meoners, 805. Beiden Talaimenes\' zonen, verwekt bij Gugaia do stroomnimf; Dezen geleidden Meoners, gevest aan den voet van den Tmolos.

Nastcs geleidde de benden der Kariërs, vreemden van tongval. Welke Miletos bewonen, belommerde bergen der Fthircrs, Ook des Meanders oevers en Mukala\'s luchtige hoogten; 870. Saam met Amfimaehos voerde hen Nastes ten strijde naar herwaart, Nomioons edele telgen, Amfimaehos even als Nastes;

Deze, met siersels van goud, als een meisje, ten strijde getogen. Dwaze, dit kon van zijn hoofd niet wenden het jammerlijk onheil; Daar hij, geveld door de hand van den snelle, den zone van Pelcus, 875. Stierf in den stroom, en zijn goud werd buit van den dappren

[Achilleus.

Voorts, met Sarpedoon, voerde de Lukiërs d\' edele Glaukos, Verre uit Lukië her, van den slingerend stroomenden Xanthos.

*

-ocr page 50-

gt;/

DERDE ZAM.

T

.L oen zij er stonden geschaard, elk onder zijn legerbestuurders, Rukten de Trojers vooruit met gedruis en geschreeuw, als der vogels, Zoo als het hemelgewelf weerklinkt van het schreeuwen dér kranen, Wen zij, het wintergetij ontvlucht en den eindloozen regen, 5. Over Okeanos\' golven al schreeuwende reppen de vleugels,

\'t Kleine geslacht der Pugmaien verderf toebrengend en doodslag. Daar zij een heilloozen strijd aanbrengen in \'t krieken des morgens. Maar\'stil trokken daarginds de Achaiërs in blakenden strijdlust. Moedig besloten van hart elkander te helpen op \'t slagveld. 10. Zoo, wen Notos een mist om de kruinen verbreidt van de bergen, Niet bij de herders geliefd, maar beter dan nacht voor den roóver, Waar slechts \'t oog kan zien zoo ver als de worp van een keisteen, Dus rees onder hun voeten een dichte en dwarlende stofwolk Toen zij in aantocht waren; zij repten zich voort op de vlakte. 15. Toen zij in \'t- voorwaarts gaan elkaar nu waren genaderd. Trad bij de Trojers naar voren de godlijke held Alexandres, Dragend zijn krommenden boog en een pantervel om de schouders, Mede zijn zwaard; twee lansen met koper beslagen aan \'t uiteind Zwaaide hij, dagend ten strijde de dappersten aller Argeiers 20. Thans te gemoet hem te streven in heftig woedenden tweekamp.

Doch zoodra Menelaos de strijdbare held hem in \'t oog kreeg Voor zijne manschap uit, met geweldige schreden zich reppend, — Zoo als een leeuw zich verheugt, als zich kostlijke buit aan hem

[voordoet,

Wen hij verhongerd een hert met zijn volle gewei of een geitbok 25. Vindt, en ze gulzig verslindt, al zouden hem zeiven vervolgen

-ocr page 51-

43

Windsnel loopende lionden en mannen in krachtige jonkheid — Dus Menelaos\' vreugde, den godlijken held Alexandras Thans voor zijn oogen te zien; nu dacht hij den booze te straffen. Aanstonds sprong hij, zijn wapens ter hand, op den grond uit

[zijn strijdkar.

30. Maar zoodra Alexandres, de godlijke, dezen bespeurd had

Schitterend onder de voorsten, vertsaagde het hart in zijn boezem. Binnen den drom van zijn volk ontweek hij het vreeselijk noodlot. Zooals een man die met schrik ontvlucht, als hij plotsling een slang ziet Tusschen des bergdals kloven; een rilling bevangt zijne leden, 35. Ijlings vlucht hij terug en de bleekheid dekt zijne wanden, Dus ook borg hij zich weer in de rijen der fiere Trojanen, Godlijke held Alexandres, bevreesd voor den zone van Atreus. Doch hem bemerkende gispte hem Hektor met smadende woorden;

— Ongeluks-l\'aris, in schijn slechts kloek, een verleider en wijfsgek; ■to. Zagen wij nooit u geboren of dood alvorens gij huwdet.

Zeker, dit wilde ik liever, verkieselijk ware dat immers,

Beter dan zoo ecne schande te zijn en voor andren verachtlijk. Ja, wel lachen zij zeker, de welig gelokte Achaiërs,

Eerst een geducht voorvechter u wanende, wegens uw schoonheid, 45. Uiterlijk, doch in uw hart woont kracht noch eenige weerstand. Bracht gij, die bloodaard zijnde, uw zeedoorklievende schepen Over de opene zee, aan het hoofd van getrouwe gezellen.

Hebt gij bij vreemden te gast, ontvoerd een bekoorlijke vrouwe Ver uit verwijderd geweest, de verwante van dappere mannen, 50. Bittere smart voor uw vader, uw stad en geheel uwen volksstam, Wel onzen vijand vreugd, maar schande u zeiven verwekkend? Moest gij hem niet weerstaan, Menelaos den gunstling van Ares? \'t Leerde u welk eenen held gij de bloeiende gade geroofd hebt. Doch dan baatte u cither zoo min als \'t geschenk Afrodite\'s, 55. Deze gestalte, die lokken, wanneer in liet stof gij er neerlaagt. Maar laf zijn de Trojanen; of anders omkleedde u zeker Lang reeds \'t stcenen gewaad, om liet eindeloos leed dat gij stichttet. Doch antwoordende zeide de godlijke held Alexandres:

— Hektor, dewijl gij met recht mij berispt, niet erger dan recht is, 60. Want uw gemoed kent steeds als de bijl geen zwichten of buigen,

D\'aks die het hout doorklieft, als een man er met kunstigen arbeid

57. Dooi- steeniging.

-ocr page 52-

44

Balken van hakt voor een schip, en die meerdert de kracht van

[zijn armzwaai.

Zoo kent ook geen vrees het gemoed dat u woont in den boezem. Maak ze mij niet ten verwijt, Afrodite\'s beminlijke gaven, 65. Niet zoo verwerpelijk toch zijn cerende gaven der goden.

Welke zij zeiven verleenen en niemand krijgt naar verkiezing. Doch thans, zoo gij verlangt dat ik trekke ter strijde of tweekamp. Heet dan d\' andren te rusten, de Trojers en allen Achaicrs,

Doch laat hier in het midden mij saam met den held Menclaos 70. Kampend om Helena slechten den strijd en om alle de schatten; Wie van ons beiden verwint en er blijke de sterkste te wezen. Neem\' vrij alle de schatten en voere de vrouw naar zijn woning. Voorts, dat gij andren in vree, met bezworen verdragen en

[vriendschap

Ploegt \'t zwaarkluitige Troja, en zij, dat zij varen naar Argos, 75. \'t llossengewest, en Achaia, het land der bevallige vrouwen.

Alzoo sprak hij en Hektor verheugden die moedige woorden. Toen, zich in \'t midden begevend, bedwong hij de rijen der Trojers, Strekkend, bij \'t midden gevat, zijne speer; en zij hielden zich rustig. Nochtans spanden hun bogen de welig gelokte Achaicrs, so. Dreigönd, en hielden de speren geveld, en zij wierpen met steenen. Maar luid schreeuwde,tot dezen der volkeren vorst Agamemnoon:

— Houdt op, mannen van Argos, en werpt niet, jonge Achaiërs; Want daar wenkt om te spreken de helmboswuivende Hektor.

Alzoo sprak hij; zij staakten den strijd en zij hielden zich aanstonds 85. Rustig, en Hektor riep in het midden der strijders aan weerszij;

— Hoort nu, Trojers mijn woord, en Achaiërs met stevige scheen plaat. Hoort wat u zegt Alexandres, van al onze strijden de oorzaak. Laten de andere Trojers, zoo zegt hij, en alle Achaiërs

\'t Sierlijke wapengerei neerleggen op \'t vruchtbare aardrijk, 90. Doch hier wil hij in \'t midden met dapperen held Menelaos

Kampend om Helena slechten den strijd en om alle de schatten. Wie van hen beiden verwint en er blijke de sterkste te wezen. Neem vrij alle de schatten en voere de vrouw naar zijn woning. Doch dat wij anderen sluiten bezworen verdragen en vriendschap. 95. Alzoo sprak hij; en rustig bewaarden de andren het zwijgen. Daarop zeide hun thans Menelaos geducht in den strijdgalm:

— Hoort nu mede mijn woord; want niemand pijnigt de kommer Meer dan mij zeiven; ik denk, nu zullen Argeiers en Trojers

-ocr page 53-

45

Eerlang scheiden in vree, na \'t lijden van velerlei onheil Wegens mijn veete om \'t kwaad waarmede begon Alexandros. Laat dan, wien van ons beiden de doud moog\' treffen en \'t noodlot, Sterven; gij anderen echter, gij moet u ten spoedigste scheiden. Brengt twee schapen, het éene een wit ram, \'t ander een zwart ooi, \'t Ooi voor de aarde, het ram voor de zon; Zeus offren w\' een ander. Koept vorst Priamos dan, en hij sluite de heiige verbintnis.

Zelf\', want Priamos\' zonen, zij zijn te vermetel en trouwloos. Niemand schende de eeden aan Zeus door verwatenen moedwil. Want steeds wanken de zinnen der mannen van jeugdiger leeftijd, Is er een grijsaard echter, dan ziet hij naar achter en voorwaarts Hoe er gedaan moog\' worden wat ieder het nuttigste zijn zal.

Alzoo sprak hij, en vreugde vervulde Achaiërs en Trqjers, Daar zij het eind nu hoopten te zien van den droevigen oorlog. Nu dreef ieder zijn span in \'t gelid, sprong snel uit den wagen. Deed van het lijf zich de rusting en legde ze neer op de aarde, Naast elkaar, want klein was tusschen hen beiden de ruimte.

Hektor zond naar de stad toen twee der herauten, met opdracht Spoedig de schapen te halen en Priamos\' komst te verzoeken. Ook aan Talthubios toen, zijn heraut, gaf vorst Agamemnoon Last naar de holle galeien te gaan en een schaap er te halen; Zonder verzuim volbracht hij den last van den vorst Agamemnoon.

Nu ging Iris \'t bericht blankarmige Helena melden.

Paris\' zuster gelijkend, de vrouw van den zone Antenors;

Haar toch huwde de vorst Helikaoon, telg van Antenor,

Schoone Laodike, d\' eerste van Priamos\' dochters in schoonheid. Helena vond zij ter zale; een groot doek stond zij te weven. Dubbel en purpergekleurd, er in wevende menigen kampstrijd, Rossenbedwingende Trqjers en kopergedoste Achaiërs,

Al wat door Ares\' geweld zij ten haren gevalle verduurden. Dicht tot haar naderend zeide haar toen vlugvoetige Iris: — Kom ginds, lieflijke vrouw, om het vreemde bedrijf te aanschouwen.

Zie, rostemmende Trqjers en kopergedoste Achaiërs,

Dezen, die eerst elkaar met den tranenverwekkenden Arcs Hebben bestookt op de vlakte, begeerig ten heilloozen oorlog, Zwijgend rusten zij nu, — wijl \'t strijden geraakte tot stilstand — Leunend op \'t schild, in den grond steekt naast hen het rijzige

[lanshout.

-ocr page 54-

46

Doch nu zal Alexandres en strijdbare held Menelaos Saam met de rijzige speren om u gaan voeren den tweekamp; Hij, die de zege behaalt, die noemt u zijn lieflijke huisvrouw. Alzoo sprak de godin en zij stortte een teeder verlangen uo. Binnen haar hart naar den eersten gemaal, hare stad en haar ouders. Vlug in de plooien zich hullend van \'t zilverig heldere lijnwaad, Snelde zij heen uit de zaal en een traan ontvloeide haar zachtkens; Niet alleen, haar verzelde een tweetal dienende maagden, Klumene, schoon, grootoogig, en Aithre de dochter van Pittheus. 145. Weldra kwamen zij toen aan de plaats van de Skaiïsche vestpoort. Samen om Priamos henen, en Panthoos nevens Thumoites, Lampos en Klutios mede en Ares\' telg Hiketaoon,

Zaten Oukalegoou daar en Antenor, het schrandere tweetal; Zij de bejaarden des volks, op de Skaiïsche poorte vergaderd, 150. Grijsaards, thans wel rustend van strijd, maar binnen den raadskring Uvrig en kloek, aan de krekels gelijkende, welke in bossehen Tusschen de takken gezeten hun stem zoet klinkend verheffen. Aldus zaten er saam op den toren de vorsten der Trojers.

Toen zij nu Helena zagen hun naderend boven den toren, 155. Zeiden zij fluisterend zacht elkander de vluchtige woorden:

— Niemand wrake \'t voorwaar, dat Trojaan en Achaiër in \'t pantser Zóo lang zóo veel jammren om zulk eene vrouwe verduren; Gansch d\' onsterflijken vrouwen der goden gelijkt zij van aanzicht. Maar zelfs zóo, hoe schoon ze ook zij, dat zij weer met de schepen

160. Ga, en zij verder ons niet en den kinderen blijve ten rampspoed. Alzoo spraken zij daar, doch Priamos zeide haar roepend:

— Kom, mijn geliefd kind, nader en zit hier dicht aan mijn zijde. Kom uwen eersten gemaal, uw verwanten aanschouwen en vrienden. Neen, geen schuldige zijt ge voor m ij; schuld hebben de goden

165. Welke die bronne van tranen, den krijg der Achaiërs, mij zonden. Wil mij den naam ook noemen van gindschen geweldigen krijgsreus. Wie die Achaïsche man mag zijn, zoo trcflijk en rijzig.

Zeker, er zijn ook andren, een hoofd vast grooter dan deze. Maar zóo schoon als dien éene aanschouwden mijn oogen er nergens, 170. Noch zoo fier van gestalt\', want vorstelijk is hij van aanschijn. Toen zei Helena weder, de godlijke onder de vrouwen;

— Vreeze en eerbied draag ik u toe, schoonvader mij dierbaar. Had een geweldige dood mij geveld, alvorens ik herwaarts Volgde uw zone, verlatend mijn vrouwenvertrek en verwanten.

-ocr page 55-

47

175. \'t Jeugdige kind, mijn gespelen, mij lief en gelijken van leeftijd. Maar \'t mocht zoo niet wezen, en daarom kwijn ik in tranen. Doch nu zal ik u zeggen hetgeen gij verlangdet te weten: DtU is Atreus\' zoon wijdheerschende vorst Agamemnoon,

Beide, een edele koning en sterk in het zwaaien der lansen; 180. Eerst was deze mijn zwager; mij schaamtlooze — was het

[helaas eens.

Alzoo sprak zij, en dezen bewonderend zeide de grijsaard:

— Zalige Atreus\' zoon, van het lot en de goden begunstigd, U toch dient er een tal van Achaïsche jongren gehoorzaam. Voormaals ben ik getogen naar Frugië\'s weelderig wijnland,

185. \'k Zag veel Frugische mannen, bedwingers der lenige rossen. Volken van Otreus zag ik en godengelij kenden Mugdoon,

Welke er waren gelegerd ter zij van Sangarios\' oevers.

Ook i k werd toen mede geteld tot hun trouwe verbondnen. Destijds toen d\' Amazonen, als mannen geducht, er verschenen: 190. Maar zoo talrijk waren zij niet als de dappre Achaiërs.

Toen hij Odusseus mede er zag, vroeg weder de grijsaard:

— Zie eens, noem ook dezen, mijn kind, hoe deze genaamd is ? Zeker een hoofd wel kleiner dan Atreus\' zoon Agamemnoon, Maar veel breeder van borst en van schouderen schijnt hij te wezen.

195. Al zijne wapenen liggen er neer op de voedende aarde.

Doch zelf, zoo als een ram doorloopt hij de rijen der mannen, Zoo schijnt deze mij toe, als de ram in zijn welige wolvacht. Welke de weidende kudde doorloopt van de heldere schapen. Toen zei Helena weder, de Zeus outsprotene dochter: 200. — \'t Is van Laërtes de zoon, de in vindingen rijke Odusseus, Hij, die te midden der rotsen van \'t steènige Ithaka opwies. Allerlei listig bedrog en vernuftige vindingen kennend.

\'t Woord tot haar richtende zeide haar thans de ervaren Antenor:

— Vrouwe, een waar woord was het gewis dat gij daar tot ons zeidet; 205. Want reeds eenmaal kwam hij naar hier, de verheven Odusseus,

Uwenthalve gezonden, met strijdbaren held Menelaos.

Gastvrij heb ik hen toen in mijn huis onthaald en geherbergd. Beider gestalte en schrandre bedenkingen leerde ik kennen. Toen zij zich hadden vervoegd bij de samen vergaderde Trojers, Won Menelaos het wel als hij stond, door de breedte der schouders, Doch als zij zaten vertoonde Odusseus waardiger aanzien.

Toen zij vervolgens voor allen hun raad uitsponnen eu reednen.

210,

-ocr page 56-

48

Toen sprak daar MencUios op snelle en keruige wijze,

Kort maar duidlijk en luid; geen man is \'t kwistig met woorden, 215. Noch omslachtig van rede, ofschoon toch jonger van leeftijd. Toen er Odusseus echter, de schranderberadene, oprees,

Stond hij en zag stil vóór zich, de oogen ter aarde gevestigd, Voor- noch rugwaarts wees hij of zwaaide hij ooit met zijn scepter; Maar stijf hield hij hem vast en geleek \'t onkundigste wezen, 220. Iemand, zou men zeggen, van weinig verstand en een grompot. Doch zoodra hij met kracht uit de borst deed rijzen zijn stemklank. Toen zijne woorden er vlogen als \'s winters de vlokken der

[sneeuwvlaag,

Dan wedijverde vast geen andere mensch met Odusseus.

Zoo dan Odusseus ziende, bevreemdde ons niet zijne houding. 225. Ajas bespeurende, zcide en vroeg haar ten derde de grijsaard:

— Wie is gene Achaiër, voortreüijk en kloek van gestaltnis, Boven het volk uitstekend met hoofd en geweldige schouders?

Godlijke Helena zcide, de vrouw met deu slependen kleedzoom:

— Dat is vreeslijke Ajas, voor alle Achaiërs een schutsmuur. 230. Gene ter andere zijde, Idomeneus, onder zijn Kreters

Fier als een godheid staande, omringd van de Kretische hoofden. Strijdbare held Menelaos bewees vaak dezen het gastrecht Ginds in ons huis, als ter reize hij kwam van het Kretische eiland. Doch wel zie ik nu allen, de ovrige dappre Achaiërs, 235. Welke ik noch zou kennen en allen bij name u noemen;

Maar twee kan ik er toch niet zien, heervoerders der volken. Kastor bedwinger van \'t ros en den sterke van vuist, Poludeukes, Beiden mijn broeders, van cene, mijn eigene moeder geboren. Waren zij hier niet mede gevolgd uit ons schoon Lakedaimoon? 240. Dan wel, volgden zij meê op de zeedoorklievende schepen.

Doch onthouden zich beiden ten strijde te gaan met de mannen. Duchtend de vele verwijten en smaad, die mij immer ten deel zijn?

Alzoo sprak zij; intusschen het levenverwekkende aardrijk Dekte hen reeds daar ginds, in hun vaderlijk land Lakedaimoon. 245, Binnen de veste intusschen vervoerden herauten \'t verbondspand, D\' eeuwgen gewijd, twee schapen en wijn, de verheugende veldvrucht. Goed in de huiden van geiten bewaard, en een schitterend mengvat Droeg de heraut er, Idaios, benevens de goudene bekers. Naderend spoorde nu deze den grijsaard aan met de toespraak: 260. — Zoon van Laomedoon, op; u roepen de vorsten der volken.

-ocr page 57-

49

Rossenbedwingende Trojers en kopergedoste Achaiërs,

Ginds naar de vlakte te dalen en \'t heilig verdrag te bezweren. Want nu gaan Alexandres en strijdbare held Menelaos Saam met hun rijzige speren den strijd om de vrouwe beslechten. 255. Hem die de zege behaalt, dien volgen de vrouw en de schatten, Voorts wij anderen, sluitend bezworen verbonden en vriendschap. Drijven in \'t kluitige Troja den ploeg; zij varen naar Argos \'t Rossengewest en Achaia het land der bevallige vrouwen.

Alzoo sprak hij ; verschrikt gaf toen aan zijn volgers de grijsaard Last zijne rossen te tuigen; zij volgden terstond zijn bevelen. Toen steeg Priamos op en hij strekte de leidsels naar achter; Naast bem besteeg Anteuor de sierlijke kar; en zij dreven Saam door de Skaiïschc poort naar de vlakte de schielijke merries.

Doch in het midden der Trojers en \'t volk der Achaiërs gekomen. Stegen zij af van den wagen en traden op \'t voedende aardrijk, Tusschen Achaiërs en Trojers in \'t midden en langs hunne rijen. Spoedig begon er het werk de bestuurder des volks Agamemnoon, Schrandre Odusseus meê; dan voerden de eedle herauten Daar \'t bondsoffer der goden bij éen, en den wijn in het mengvat sw Mengden zij saam, en begoten de handen der vorsten met water. Atreus\' zoon toen snel met de hand uitrukkend het lemmer. Steeds aan zijn zijde bevest bij de stevige schede van \'t slagzwaard. Sneed van de koppen der schapen het haar; de herauten verdeelden\'t Onder de edele vorsten der Trojers alsmeê der Achaiërs. 275. Toen bad luid de Atreide voor allen zijn handen verheffend: — O Zeus Vader, van d\'Ida regeerende, machtig en roemvol. Helios mede, die alles aanschouwt, alomme ons aanhoort. Gij ook, stroomen en aarde, en gij die er onder het aardrijk Richt d\'ontslapene menschen, wanneer zij bezwoeren een meineed, Weest ons thans ten getuigen en wachters der heiige verbintnis; Vindt wellicht Menelaos den dood , als hem treft Alexandres,

Laat dan dezen bezitten met Helena alle de schatten;

Doch wij keeren terug op de zeedoorklievende schepen.

Maar als de blonde Atreide verwint en verslaat Alexandres, Helena moeten de Trojers met alle de schatten ons afstaan. Ook den Argeiers een boete, als voegzaam blijke, betalen.

Zulk een als ook noch gelde bij laatre geslachten der menschen. Maar als mij Priamos dan en de zonen van Priamos weigren Zulk eene boete te geven, indien Alexandres gedood is,

2fiO.

20

280.

i

285

-ocr page 58-

50

■ 200. Zal ik opnieuw het gevecht voortzetten ter zake der boete,

Hier volhardend zoolang tot ik treffe het doel van den oorlog.

Alzoo sprak hij en sneed met het gruwzaam koper de schapen Diep door de keel, en hij legde ze lillende neer op de aarde, Slakend den adem, daar \'t koper de kracht hun benam van het leven; 295, Daarna vulden zij bekers met wijn, dien zij schepten uit \'t mengvat, Plengden, en hieven hun bede ten altijd levenden goden. Zoo sprak deze of gene in \'t heer der Achaiërs en Trojers:

— Zeus, roemruchtige, groote, en andere eeuwige goden,

Zij die met schendige daad \'t eerst breken de heiige verbintnis,— 300. Mogen zich hier op de aard, als die wijn, uitstorten hun hersens, Hunne en mee van hun kindren, en dwinge een ander hun vrouwen.

Aldus baden zij; echter, Kronioon hoorde het geenszins. Daarop zeide hun weer vorst Priamos, Dardanos\' nazaat;

— Hoort mij, Trojanen en gij, o Achaiërs met stevige scheenplaat, 305. Huiswaarts wensch ik te keeren naar Ilios\' windrige hoogten,

Want ondragelijk is \'t mij te zien met mijn eigene oogen Hoe de mij dierbare zoon met den held Menelaos den strijd voert. Zeus toch weet alleen met de andere eeuwige goden Wien van hen beiden het einde des doods door de Moira beschikt is. 310. Al zoo sprekende legde de godlijke held zijne schapen

Neer in den wagen, besteeg hem en strekte naar achter de leidsels; Naast hem besteeg dan mede Antenor den sierlijken wagen. Beiden hernamen vervolgens naar Ilios weer den terugtocht. Hektor Priamos\' zone inmiddels en d\'eedle Odusseus 315. Maten de ruimte nu eerst, en zij legden voor ieder de loten

Neer in den koperen helm en zij schudden ze om, ter beslissing Wien het vergund waar\' d\'eerste te slingren de koperen werpspies, \'t Volk deed toen zijn gebeden, de handen ten goden verheffend; Zoo sprak deze of gene in \'t heer der Achaiërs en Trojers: 320. — O Zeus Vader, van d\'Ida regeerende, machtig en roemvol. Wie van de twee ons te zamen met al deezquot; strijden bezwaard heeft, Doe hém nedergeveld in de woning van Aïdes ingaan;

Doch óns mogen herleven de trouwe verbonden en vriendschap. Dus hunne bede; de groote en helmboswuivende Hektor 325. Schudde, het oog afwendend; het lot ontsprong er van Paris. D\'anderen zetten zich neer in gelederen, waar van een ieder Stonden de trapplende rossen en rustte het blinkende krijgstuig. Toen omhulde zijn schouders met al zijne schittrende wapens

-ocr page 59-

51

Paris de godlijke held, schoonlokkige Helena\'s ega.

330. Eerst omgaf hij zijn beenen met rondom dekkende scheenplaat, Schoon en met zilveren gesp vast sluitende over de enkels. Daarna nam hij het pantser zijns eigenen broeders Lukaoon, Hechtte het vast om zijn borst en hij paste het goed om de leden. Over zijn schouderen wierp hij het zwaard met de zilveren knoppen, 335. \'t Koperen zwaard, met den grooten en samengeslagenen beuklaar; Zette op \'t krachtige hoofd den voortreflijk gekoperden stnjdhelm Wuivend van manen; verschriklijk bewoog zich van boven de haarbos. Eindlijk de krachtige speer, wel passend den greep van zijn vuisten. Dus ook doste zijn wapens de strijdbare held Menelaos. 340. Toen zij zich, elk bij de zijnen, ten kampstrijd hadden gewapend. Traden zij voort in het midden der Trojers en \'t volk der Achaiërs, Grimmig en dreigend van blik: ontzetting beving die het zagen, Trojers bedwingers van \'t ros en Achaiërs met stevige scheenplaat. Thans, dicht voor elkaar op de plaats der gemetene ruimte, 345. Zwaaiden zij wild hunne speren, met wrok elkander beschouwend, \'t Eerst wierp toen Alexandras de speer ver strekkend van schaduw. Trof den Atreide en raakte het rondom welvende schildvlak. Nochtans scheurde het koper dit niet, maar schampte de speerpunt Weg van het krachtige schild; op zijn beurt nu zwaaide het wapen 350. Atreus\' zoon Menelaos, tot Zeus zijne bede verheffend:

— Vorstlijke Zeus, o gun dat ik straffe dien \'.t eerst mij gekrenkt heeft. Held Alexandras, en sla hem ter neer hier onder mijn handen. Zoo dat een ieder zich wacht, tot in late geslachten der menschen, Kampen te storten op hém die als gastheer bood zijne vriendschap. 355. Alzoo sprak hij en hief \'t ver schaduwwerpende speerhout, Wierp het en raakte den zone van Priamós \'t welvende schildvlak. Dwars door het blinkende schild vloog d\' onweerstaanbare werpspies. Drong in haar vaart zelfs heen door het kunstig beslagene pantser; Vóór aan het zachte des buiks doorvlijmde het koper den lijfrok. 3G0. Doch zich ter zij afwendend vermeed hij het donkere sterflot. Atreus\' zoon nu trekkend het zwaard met de zilveren knoppen. Hief het en raakte den bos van den helm, doch tegen den helmtop Spatte in drie, vier stukken het zwaard en het zonk uit zijn vuistgreep. Atreus\' zoon weeklaagde, het oog naar den machtigen hemel: 305. — O Zeus Vader, gij zijt de verderflijkste onder de goden; Zeker, ik dacht Alexandras vergelding te geven der boosheid, Doch nu brijzelde gansch in mijn handen het zwaard, eu de werpspies

-ocr page 60-

52

Zwierde mij nutloos weg uit de vuist en zij velde den man niet. Hierop sprong hij vooruit en hem grijpend den harigen helmbos »7°. Trok hij hem neder en sleepte hem voort naar de dappre Achaiërs. Knellend neep om zijn hals de met stiksels bearbeide keelriem, Welke hem onder de kin, om den helm te bevestigen, vastzat. Nu wis had hij hem medegesleept en tot eeuwigen krijgsroem. Zoo daar scherp toeziende de dochter van Zeus Afrodite ^5- Niet deed scheuren den riem van de huid des verslagenen runddiers. Daarom volgde de helm nu ledig den krachtigen vuistgreep. Maar toen wierp hem de held den Achaiërs met stevige scheenplaat Slingerend toe, en hem grepen terstond zijn getrouwe gezellen. Doch weer stormde hij tegen hem los, hem verlangend te vellen 88°. Onder zijn koperen speer; Afrodite bevrijdde hem echter Lichtelijk, zij de godinue, verborg hem met donkere nevels, Droeg hem en zette hem neer in de geurende zaal van zijn woning, Helena ging zij terstond dan herwaarts roepen, haar vindend Boven de tinnen der poort, met een aantal vrouwen uit Troja. 385. Heiena\'s leenig gewaad toen grijpende, trok Afrodite

Snel haar bij \'t kleed, in haar spraak als de wollebereidster zich

[voordoend,

D\'Oude, die, toen zij bewoonde haar vroeger gewest Lakedaimoon, Sierlijke wollen bereidde, en welke zij teederlijk liefhad;

Deze gelijkende zei haar de hooge godin Afrodite : 390. _ Kom thans mee, Alexaudros verzoekt dat gij keert naar uw

[woning;

Daar in de slaapzaal toeft hij, op \'t kunstig besnedene rustbed, Glanzend van licbaamsscboou en gewaad, en hij scheen u voorzeker Niet of hij kwam uit den strijd, maar eer als een man die ten dansrei Gaat, of die pas met den dans ophoudende, rustig er neerzit. 396. Alzoo sprak zij en bracht in haar borst het gemoed in beroering. Maar zoodra zij bespeurde den prachtigen hals der godinne, \'t Minnelijk schoon van den boezem, den vonklenden gloed van

[de oogen.

Was zij aanvanklijk verbaasd, doch uitte vervolgens de woorden: — Schriklijke, waarom zoekt gij mij hiermee dus te verdwazen? 400. Zult gij mij eerst weer ergens in volkrijk bloeiende steden Voeren van Frugic\'s landen of wel van Meonië\'s lustoord, Zoo bij de reedlijke menschen gij daar ook hebt eenen gunstling? Wijl Menelaos de zege op held Alexandres behalend

-ocr page 61-

53

Mij, de verfoeilijke vrouw, naar zijn woning verlangde te voeren, 405. Zoekt gij mij daarom weder, bedrieglijke listen verzinnend? Ga, zit zelf aan zijn zijde, de wegen der goden verlatend,

Wend voortaan nooit weder uw voeten terug ten Olumpos,

Maar blijf steeds zijn gezelle, verzorg hem en deel in zijn kommer. Licht dan zal hij tot vrouw, wellicht zijn slavinne u maken. 410. Maar ginds zal ik u niet, — want zeker dit ware berisplijk — Volgen, zijn sponde bereidend; mij zullen de Troïsche vrouwen Allen er dra om bespotten; en reeds is eindloos mijn hartzeer. Toornend zeide haar toen de godin Afrodite ten antwoord:

— Terg mij, vermetele, niet, tot ik hevig verbolgen u loslaat, 415. Bitter u hatend, gelijk ik tot heden u inniglijk liefhad.

\'k Zou dan tusschen de volken verderflijke veeten verwekken, Trojers en Danaërs beiden; uw lot zou gruwelijk wezen.

Alzoo sprak zij; verschrikt was Helena, dochter Kronioons. Toen, met het schitterend helder gewaad zich omhullende, ging zij 420. Zwijgend, van geene der vrouwen bespeurd, de godin tot geleidster. Toen zij nu hadden bereikt Alexandros\' prachtige woning. Sloegen de dienstbare maagden de handen met spoed aan den

[arbeid;

d\' Edele vrouw ging op naar de rijzig gezolderde slaapzaal;

Daar nam toen Afrodite, den glimlach lievend, een zetel.

Zette dien vóór Alexandros, dat Helena over hem neerzat; Helena zeeg er in neder, des Aigisvoerenden dochter,

D\'oogen ter zijde gewend, en zij zeide haar gade berispend: —- Zóo van den strijd dan keert gij; ik wist er u liever gesneuveld. Zwichtend den krachtigen man, die mijn vorige gade geweest is. Eertijds snoefdet gij immers den strijdbaren held Menelaos Verre te boven te gaan door uw kracht, door uw vuisten en

[werpspies;

Ga thans weer uitdagen den strijdbaren held Menelaos Samen te voeren den kamp; maar neen, ik vermane u veeleer Verder te staken den strijd, blondlokkigen held Menelaos 435. Niet weer tegen te streven ten kamp, niet zinneloos nochmaals \'t Wapen te voeren, opdat niet ras u bedwinge zijn werpspies. Doch toen zeide haar Paris en gaf daartegen ten antwoord:

— Krenk mij, o vrouw, het gemoed niet weder met zware verwijten. Nu toch won Menelaos het wel met da hulp van Athena,

440. Doch eens tref ik hóm, want óns ook helpen er goden.

425

430.

-ocr page 62-

54

Maar kom, laten wij liefde genieten te zamen op \'t rustbed, Want noch nimmer bedwelmde de min zoo hevig mijn zinnen. Zelfs niet toen ik het eerst, uit het liefelijk schoon Lakedaimoon Zeilde, n daar ontroovend, met zeedoorklievende schepen, 445. Toen ik in liefde verzonk in uw armen op Kranaë\'s eiland. Zoo zeer min ik u thans en bevangt mij het zoete verlangen.

Alzoo sprak hij en legde zich neer; en hem volgde zijn gade. Beiden nu legden zich neer op het sierlijk besnedene rustbed, Maar als een wild dier ijlde er Atreus\' zoon door de scharen, 450. Spiedend in \'t rond of hij speurde den godlijken held Alexandras. Niemand onder de Trojers intusschen of eedle verbondnen Wist Alexandres te wijzen aan strijdbaren held Menelaos. Wis zou geen hem uit liefde, indien zij hem zagen, verbergen. Immers hij was bij hen allen gehaat als het duistere noodlot. 455. Toen sprak weer tot hen allen der volkeren vorst Agamemnoon: —- Hoort mijne woorden, Trojanen en Dardaners, ook de verbondnen, Zeker, de zege behoort aan den strijdbaren held Menelaos, Levert ons Helena dus, de Argeiïsche vrouw, en de schatten; Geeft ook wijders de boete gelijk het behoort tot vergoeding, 4cn. Zulk een als ook noch gelde bij laatre geslachten der menschen. Zoo sprak Atreus\' zoon; de Achaiërs betoonden hem bijval.

-ocr page 63-

VIERDE ZANG.

O

JLV ondom Zeus nu zaten vergaderd op \'t gouden bevloersel Samen de goden, terwijl in hun midden de vorstlijke Hebe Nektar schonk; en zij brachten den dronk elkander om beurten Toe met de goudene schalen, beneden op Ilios neerziend. Dra zocht Kronos\' zoon nu Hera gevoelig te kwetsen Beide door grievende woorden en zijdelings doelende wenken: — Twee godinnen verleenen nu wel Menelaos haar bijstand, Hera van Argos benevens Athena Alalkomeneïs,

Maar zy vermaken zich beiden, ter zijde gezeten, met toezien. Doch dien andere blijft lachlievende vrouw Afrodite Immer als helpster ter zij, de godinnen des doods van hem werend. Nu ook heeft zij hem weder gered als hij meende te sterven. Toch was zeker de zege den strijdbaren held Menelaos.

Laten wij echter bespreken op welk eene wijze dit gaan zal, \'t Zij dat wij \'t heilloos strijden en \'t ijsselijk woelen van \'t slagveld Zullen hernieuwen, hetzij weer vriendschap onder hen wekken. Doch als dit wellicht allen u lief mocht zijn en gevallig,

Blijve bewoond en behouden des konings Priamos veste.

Maar dan voer\' Menelaos de Argische Helena huiswaarts.

Zoo sprak Zeus; doch beiden, Athena en Hera, al morrend. Zaten zij naast elkander en zinden op kwaad voor de Trojers. Nochtans bleef Athenaia het zwijgen bewaren en zei niets, Wrokkend op Zeus haren vader, van felle verbittring bevangen. Hera\'s gemoed hield echter den toorn niet in, nu zij aanving;

-ocr page 64-

56

35. — Kronos\' geweldige zoon, welk stout woord hebt gij gesproken! Hoe toch wilt gij mijn moeite nu vruchteloos maken, en ijdel \'t Zweet van mijn rusteloos werk? Moe zijn mijne rossen van \'t jagen Wen ik het volk saamdrijve, tot Priamos\' ramp eu der zijnen. Doe gij :t; maar nooit stemmen wij toe, wij andere goden. 30. Hevig verstoord zei Zeus haar, de wolkenbestuurder, ten antwoord:

— Schriklijke! wat misdeden u Priamos, Priamos\' zonen.

Daar ge zoo rusteloos haakt en verlangt om aan gansche verwoesting Ilios over te geven, de stevig gemetselde burgstad?

Kondt gij, er binnen gesneld in de poort en de rijzige muren, 35. Priamos levend verslinden en Priamos\' zonen te gader,

Al de Trojanen, misschien dan ware uw woede verzadigd. Doe zoo wen gij \'t begeert, maar moge die twist in de toekomst Niet tot een voorwerp worden van tweedracht tusschen ons beiden. Maar dit zeg ik u verder, en wil in uw geest het bewaren, 40. Zoo het mij ook eens lust in mijn wrevel een stad te verwoesten, Zulk eene stad waar mannen u dierbaar zagen het leven.

Weet dat gij dan niet keeret mijn toorn, doch \'t handelen vrij laat. U toch gunde ik \'t willig, ofschoon onwillig van harte.

Want van de onder de zon en den starrendragenden hemel 45. Bloeiende steden, bevolkt door de aardebewonende menschen, Is er mij geene zoo zeer als het heilige Ilios dierbaar,

Priamos ook en het volk des met lansen bedrevenen konings; Daar het mijn altaar nooit ontbrak aan zijn deel van het feestmaal. Noch plengoffers en walm; want rechtens behoort ons die eergaaf. so. ïoen antwoordde de hooge godin grootoogige Hera:

— Welaan, dierbaar is mij een drietal steden bij uitstek,

Argos en Sparta en \'t breed in zijn straten gebouwde Mukene, Dezen, verwoest ze, indien zij uw hart zoo zijn tot een afschuw. Dezen verdedig ik tegen u niet, noch zal u verhindren;

55. Want al zou ik het weigren en duldde ik niet haar verwoesting, \'t Weigeren richt niets uit, want gij zijt verre het machtigst. Nochtans pastte het ook niet mijn werk steeds te verijdlen; Ook ik ben godin, van het zelfde geslachte als gjj zijt.

Ook ik ben ontstamd aan den listigen Kronos, aanzienlijkst oo. Beide, als d\' eerste geboren en wijl ik uw gade genoemd word. Gade van li, den regeerder van al d\' onsterflijke goden.

Doch welaan, dat wij dus elkaar toegeven van weerszij,

U doe ik het en gij doe \'t mij, en de andere goden

-ocr page 65-

57

Zullen dit volgen. Beveel nu straks dat Athena zich heenspoed os. Onder het schriklijk gewoel van den strijd der Achaiërs en Trojers. Laat zij beproeven dat \'t eerst de Trojanen in strijd met de eeden Tegen d\' Achaiërs, zoo fier op hun roem, de verdelging beginnen.

Alzoo sprak zij; dit volgde de Vader der menschen en goden. Aanstonds sprak tot Athena hij nu de gevleugelde woorden: 70. — Spoed u terstond naar het leger en onder Achaiërs en Trojers, Ga er beproeven dat \'t eerst de Trojanen in strijd met de eeden Tegen d\' Achaiërs, zoo fier op hun roem, de verdelging beginnen.

Alzoo sprekende dreef bij de reeds ontvlamde Athena.

Ijlings stormde zij heen naar omlaag van de kruin des Olumpos. 75, Zoo, als de zoon van den sluwen en listigen Kronos een star zendt, \'t Zij voor de schippers ten teeken, hetzij voor het kamp van de legers. Glanzend van licht en haar sprankels verspreiden zich ver in den

[omtrek;

Zoo streek Pallas Athena geijld naar omlaag op het aardrijk, Tusschen de legers op \'t veld; ontzetting vervulde die \'t zagen, go. Troïsche temmers van \'t ros en Achaiërs met stevige scheenplaat. Zoo dan zeide, dit ziende, de éene ten anderen buurman:

— Vast zal d\' ijslijke kamp en het vreeselijk woelen des slagvelds Weder beginnen, of Zeus brengt vriendschap tusschen ons beiden, Zeus, die voor \'t menschlijk geslacht voert \'t hooge beleid van

[den oorlog.

85. Zoo sprak deze en gene in \'t heer der Achaiërs en Trojers. Tusschen de rijen der Trojers verscheen zjj, in mannengestaltnis, Onder den schijn van den strijder Laodokos, zoon van Antenor, D\'edelen Pandaros zoekend in \'t rond of zij ergens hem zien mocht. Dezen, Lukaoon\'s telg, den voortreflijken, krachtigen vond zij 90. Staande te midden der rijen van rondasvoerende volken,

Welke hem herwaarts waren gevolgd van den stroom des Aisepos. Dicht tot hem naderend sprak zij hem toe de gevleugelde woorden:

— Wilt gij mijn last opvolgen, ervarene zoon van Lukaoon? Waagdet gij wel Menelaos een vluchtigen pijl te verzenden,

95. Zeker verwierft gij bij allen in Troja u dank en beroemdheid, Maar vóór allen het meest bij den vorstlijken held Alexandres. Heerlijke giften verkreegt ge het eerst wel zeker van dezen, Zoo hij den dapperen zone van Atreus zag, Menelaos, Nedergeveld door uw pijl en gedragen ter treurige houtmijt, loo. Doch welaan richt ijlings uw boog naar den tieren Atreide,

-ocr page 66-

58

Doe een gelofte, aan Foibos den Lukiër groot door zijn boogschot Heerlijke offers te wijden, de eerste geboorte der schapen, Wen gij te huis weer komt in de heilige vest van Zeleia.

Alzoo sprak Athenaia; den dwaas overreedden haar woorden, los. Aanstonds nam hij den boog, van de horens des dartelen steenboks Kunstig bewerkt, en dien zelf hij van onderen trof in de borstkas. Toen hij zijn sprong zou doen van de rots. Hem verholen bespiedend Trof hij hem vóór in de borst; van de rotspunt bonsde hij ruglings. Zestien palmen omhoog, van den kop af, wiessen de horens, uo. Dezen bereidde en voegde de hoornenbewerkende kunstnaar, Gladde het alles en stelde aan \'t einde een gouden bekroonsel. Zorgvol zette hij nu zijnen boog om te spannen, hem krommend Tegen den grond. Toen hielden zijn dappere makkers hun schilden Vóór hem, dat niet toesprongen de dappere zonen Achaia\'s 118. Eer dat hij trof Menelaos den dapperen zone van Atreus.

Toen ontsloot hij het deksel des kokers en nam er een pijl uit, Nimmer geschoten, gevederd, en drager van donkere smarten. Schielijk den vlijmenden pijl juist stellende tegen de boogpees. Deed hij gelofte, aan Foibos den Lukiër groot door zijn boogschot 120. Heerlijke oflers te wijden, de eerste geboorte der schapen, Wen hij te huis weer kwam in de heilige vest van Zeleia. Samen de keep van den pijl en de boogpees vattende, trok hij Zoo dat de pees zijne borst en het ijzer bereikte den boogrand. Na dat hij zoo uitrekte den grooten en krommenden strijdboog, 125. Snorde de boog, klonk luide de pees, en de hupplende pijl vloog Vlijmend gepunt, vol drift om te vallen te midden der drommen.

Doch niet ii, Menelaos, vergaten de zalige goden,

D\'eeuwigen, maar vooral Zeus\' krijgsbuitvoerende dochter,

Welke zich vóór u plaatsend het doodelijk schot van u afdreef. 130. Zij toch weerde den pijl van uw lichaam af, als een moeder

Weert eene vlieg van haar kind, als het rust in een lieflijken sluimer. Want zelf dreef zij hem waar zich de goudene spangen des gordels Saam aansluiten en waar ook dubbel beschutte het pantser. Daar, in den sluitenden gordel verborg zich de puntige pijlspits. 135. Wel doorboorde de pijl er den sierlijk bearbèiden gordel,

Drong in zijn vaart ook heen door het kunstig bcslagene pantser, Zelfs door den band, ter beschutting van \'t lijf en een muur voor

jde pijlen,

-ocr page 67-

59

Welke hem \'t beste beschutte, en daar zelfs boorde de spits door. Zoo nu kraste de pijl slechts d\' opperste huid van het lichaam; 140. Maar onmiddellijk vloot uit de wonde een donkere bloedstroom. Zoo, als een Karische vrouw of Meonische, kunstig met purper Verft het ivoor, dat tot sier van het hoofdstel dient voor de paarden; Binnen de woonzaal ligt het en wordt door de wagenbestuurders Vurig begeerd, maar \'t ligt er en blijft, kleinood voor een koning, 145. Beide, het paard tot een sier en den wagenbestuurder ter eere. Zoo, Menelaos, beverfde het donkere bloed uwe dijen,

Smette uw krachtige scheenen en lager de sierlijke enkels. Hevige schrik ontroerde der volkeren vorst Agamemnoon,

Toen hij het donkere bloed aan de wond ontvloeiend bemerkte. 150. Zelf ook was ontroerd strijdhaftige held Menelaos.

Maar als hij zag dat de haak en de snoer van de spitse er uitstak. Toen hernieuwde zijn moed zich en keerde terug in zijn harte. Doch zwaar zuchtende sprak tot de zijnen de vorst Agamemnoon, Steeds Menelaos\' hand omklemd, en bij aller verzuchting: 155. — Dierbare broeder, zoo sloot ik \'t verbond dus ü ten verderve, Toen ik u zond alleen de Trojanen voor óns te bestrijden.

Daar u de Trojers verwondden, en braken de heiige verbintnis; Maar niet vruchtloos zij het verbond en het bloed van de lammren, \'t Plengen van zuiveren wijn, en de handslag, waar wij op bouwden. 160. Want zoo niet terstond de Olumpiër \'t einde vervuld heeft. Zal hij het later vervullen, en vreeselijk zullen zij \'t boeten. Zoo met hun eigene hoofden, als ook met hun vrouwen en kindren. Dat toch zie ik gewis in mijn geest en gemoedsovertuiging,

Eens zal komen de dag dat het heilige Ilios neerstort, 165. Priamos zelf en het volk des met lansen bedrevenen konings. Zeus toch, Kronos\' zoon, hoogzeetlend, den ether bewonend. Zal zelf tegen hen schudden zijn donker omnevelde aigis, Toornig om zulk een bedrog. Dit blijft niet zonder vervulling. Doch mij zal het om ü, Menelaos, een vreeslijke smart zijn 170. Zoo gij bezweekt en vervuldet de mate uw leven beschoren.

\'k Ging dan met smaad overladen terug naar het dorstige Argos! Dra toch zouden d\' Achaiërs gedenken aan \'t land van hun vaadren; Priamos ook en den Trojers, hun lieten wij dan tot hun glorie d\'Argische Helena hier; maar d\' aarde verteert uwe beendren 175. Zoo gij in Troja ligt, na onvoleindigden arbeid.

Zekerlijk spreekt dan éen van de stout overmoedige Trojers

-ocr page 68-

60

Springende boven de terp met het graf van den held Menelaos:

— Laat Agamemnoon zoo volvoeren bij alles zijn gramschap. Zoo als hij thans te vergeefs hier voerde het heer der Achaiërs,

180. Want nu toog hij naar huis en het dierbare land van zijn vaadren, Voerend zijn ledige schepen, den held Menelaos verlatend.

Alzoo spreken zij eens; — dan barste de aard voor mij open! Doch, hem bemoedigend, sprak blondlokkige held Menelaos:

— Wees goedsmoeds en verwek geen vrees bij het volk der Achaiërs, 185. Niet ter gevaarlijke plaats stak \'t puntige wapen; van voren

Weerde de sierlijke gordel het af en van onder de lijfrok,

Verder de onderste riem, door de koperbewerkers beslagen.

Toen antwoordende zeide de heerscbende vorst Agamemnoon;

— O, dat het zóo mocht zijn, Menelaos, mijn dierbare broeder; i\'JQ. Doch dat een arts onderzoeke de wond en er heclende middlen

Legge, ten einde verlichting te geven der nijpende smarten.

Toen tot den eedlen heraut, tot Talthubios, sprak iiij de woorden:

— Ga, o Talthubios, roep dat zich hierheen spoede Machaoon, Zoon van den edelen arts Asklepios voerend zijn afkomst;

195. Kome hij hier Menelaos, den strijdbaren zone van Atreus,

Zien, door bet wapen gewond van een schutter ervaren in \'t boogschot, Trojer of Lukiër; dezen tot roem, maar smart voor de onzen.

Alzoo sprak hij, en snel volbracht de heraut zijn bevelen.

Deze doorkruiste het heer der in koper gedoste Achaiërs, 200. Dappren Machaoon zoekend met spiedende blikken; hij vond hem Staande te midden der forsehe met schilden gewapende drommen, Volkeren hier liem gevolgd uit het paardraskweekende Trike. Dicht tot hem naderend sprak hij hem toe de gevleugelde woorden:

— Op, Asklepios\' zoon, Agamemnoon roept u, de koning,

205. Kom, om te zien naar den held, Menelaos, den vorst der Achaiërs, Daar hij een wond ontving van een schutter ervaren in \'t boogschot, Trojer of Lukiër; dezen tot roem, maar smart voor de onzen.

Alzoo sprak hij en roerde bij dezen het hart in den boezem. Snel doorliepen zij \'t heer en het wijde Achaïsche krijgskamp. 210. Toen zij nu kwamen ter plaats, waar d\'cdele blonde Atreide

Stond, de gewonde, terwijl hem de dapperste mannen omringden, Waar in bun midden hij stond, de den goden gelijkende krijgsheld. Trok er de arts onmidlijk den pijl uit den sluitenden gordel; Doch bij het trekken verbogen de puntige haken naar binnen. 213. Toen ontgespte hij haastig den sierlijken gordel, en \'t pantser,

-ocr page 69-

61

220.

Eindlyk den band om de heup, door de koperbewerkers beslagen. Na dat hij schouwde de wond, waar \'t puntige wapen in doordrong. Zoog hij het bloed daaruit en verbond ze met stillende middlen, Welke uit vriendelijke gunst eens Cheiroon schonk aan zijn vader.

Nu zij hun zorg daar wijdden den held in den strijd, Menelaos, Drong \'t schildvoerende heer van de Trqjers zich weder naar voren; Ook de Achaiërs, hun wapens hervattende, haakten naar \'t strijdperk, Nu ook zoudt ge hem niet zien dommelen, held Agamemnoon, Noch zich van vreeze verschuilen of weigren te tijgen ten oorlog; Maar vol ijver zich spoeden naar \'t mannenvereerende slagveld. Rossen verliet hij en wagen van koopren versieringen blinkend, \'t Snuivende tweespan hield de geleider ter zij in bewaring, Dappre Eurumedoon, stammend van Peiraos\' zoon Ptolemaios. Dezen gelastte hij streng dicht naast hem te zijn, als vermoeidheid Soms zijne leden beving, door het rusteloos ordnen der legers; Daarop ging hij te voet door de scharen der strijdbare mannen. Wie hij er ijverig zag bij de Danaërs vlug met hun paarden Wekte hij levendig op met zijn woord, in hun midden vertoevend;

— Op, Argeiërs, en weest niet traag met den moedigen afweer. Hun die de eeden verbraken verleent Zeus nimmer zijn bijstand, Maar die het eerst misdreven in strijd met de heiige verbintnis, Dien, ja, zullen de gieren verslinden het teedere lichaam;

Doch wij nemen en voeren te scheep hunne dierbare vrouwen Heen, en het jeugdige kroost, zoodra wij de veste vermeestren.

Zoo hij er zag die zich traag onthielden van d\'ijslijken oorlog. Strafte hij dezen geducht hen met toornige woorden berispend:

— Schaamt gij, Argeiërs, u niet, pijlwerpers van verre, gij lafaards? Waarom blijft gij er staan, zoo suffig als\'jeugdige hinden.

Welke vermoeid van het rennen op onafzienbare velden

245. Roerloos staan en er leeft geen kracht noch moed in hun lichaam ? Dus ook staat gij te suffen en neemt geen deel aan het strijden. Toeft gij zoo lang tot dc Trqjers ons naderen, waar wij de schepen, Sierlijk van stevens, trokken op \'t strand van den valuwen zeevloed. Wachtend of wellicht Zeus zijne hand noch over u uitstrekt?

Zoo doorging hij gebiedend en ordnend dc rijen der mannen. Onder de Kreters begaf hij zich toen en hun woelende manschap. Welke, geschaard om den dappren Idomeneus, gorden het pantser; Voor aan hun spits was fiere Idomeneus, sterk als een ever, D\'achtergelederen voerde Meriones aan in den veldslag.

225.

230,

235,

210.

250.

-ocr page 70-

62

255. Vreugde gevoelde hem ziende der volkeren vorst Agamemnoon; Dus, met een vriendelijk woord tot Idomeneus, sprak hij tot dezen:

— U, o Idomeneus, eersten der Danacrs snel met de rossen Eere ik hoog, in den krijg zoowel als in anderen arbeid, Ook aan het feestelijk maal als de edelsten onder d\' Argeiërs

200. Mengen den vonklenden wijn, eene hulde den ouden, in\'t mengvat, Want waar andere mannen der weliggelokte Achaiërs Drinken \'t bescheidene deel, staat immer gevuld uwe drinkschaal. Even als mijne, gereed voor een dronk, als liet harte het ingeeft. Maar thans, op naar den strijd, zoo kloek als gij roemdet te wezen. 205. Toen antwoordde hem weder Idomeneus, koning der Kreters:

— Atreus\' zoon, wis zal ik u steeds een betrouwbare makker Blijven, gelijk ik gezegd en verzekerd u heb van den aanvang; Maar drijf anderen aan van de weliggelokte Achaiërs,

Zoo dat wij spoedig beginnen den strijd, nu de Trojers de eeden 270. Schonden; gewis wordt dood en ellende hun deel in de toekomst, Daar zij het eerst misdreven in strijd met de heiige verbintnis.

Alzoo sprak hij, en verder begaf zich verheugd Agamemnoon. Toen, door \'t gedrang van de mannen, bezocht hij de Ajaxen beiden, Ieder in \'t wapen gedost en omringd door een wolk van hun voetvolk. 275. Zoo, wanneer van een hoogte de hoeder der geiten een nevel Over de zee ziet zweven, door Zefuros\' adem gedreven;

Zwarter dan pek noch schijnt hij den man die van verre hem aanziet. Over de zee heenglijdend, beladen met hevigen stormwind. Angstvol ziet hij het aan en beveiligt zijn vee in de rotskloof. 280. Aldus trokken met beide de Ajaxen d\'edele jongren

Op ten verderflijken krijg, zich bewegend in dichte geleedren, Donker, een vreeslijke ruigte van schilden en puntige speren. Toen hij er dezen bespeurde gevoelde de vorst Agamemnoon Vreugd in zijn harte en riep hij hun toe de gevleugelde woorden: 285. — Ajaxen, beiden, bevelend de kopergedoste Achaiërs,

\'k Heb ü niets te gebiên, onvoegzaam ware mijn aandrang;

Zelf toch spoort gij met kracht uwe mannen om dapper te strijden. Waarlijk, bij Zeus onzen Vader, Athena en Foibos Apolloon, Mocht zoo wakkere kracht zich verheften in aller gemoedren, 290. Weidia zoude de veste des konings Priamos vallen,

Onder de handen der onzen bezwijkend en ledig geplunderd.

Alzoo sprekend verliet hij hen daar en begaf zich tot andren. Toen ontmoette by Nestor, den helderen spreker uit Pulos,

-ocr page 71-

63

Waar hij zijn eigene makkers ten strijd rangschikte en aandreef. 295. D\'edele Pelagos was er en Chromios nevens Alastor,

Haimoon mede, flo. heerscher, en Bias de herder der volken. Vooraan werden de rijders geplaatst met hun paarden en strijdkar, Achter, in grooten getale de dappere scharen van \'t voetvolk. Vaste omheining van \'t heer, en hij plaatste in \'t midden de bloodaards, 300. Aldus zelfs onwillig gedreven te strijden uit nooddwang.

Eerst gaf Nestor bevel aan het heer strijdwagens, vermanend Goed te bedwingen hun paarden en niet in een hoop te verwarren:

— Niemand moet op zijn krachten vertrouwend en handige rijkunst Haken, de anderen vóór, alleen met de Trojcrs te strijden,

.\'ios. Niemand blijv\' ook achter, dan wordt gij te eerder bedwingbaar. Maar alwie van zijn wagen den wagen bereikt van den vijand Strekke de speer vooruit, want zóo is verre het beste.

Aldus hebben de vaadren de steden en muren vermeesterd,

Zulk een verstandig beleid bij den moed van hun harten bewarend, aio. Aldus dreef hen de grijze in \'t strijden ervaren van oudsher. Toen hij ook dezen bespeurde gevoelde de vorst Agamemnoon Vreugd in zijn harte en riep hij hem toe de gevleugelde woorden:

— Mochten, o grijsaard, even zoo sterk als de moed in uw boezem Ook zich uw knieën betoonen en even zoo vast uwe kracht zijn,

315. Maar van de grijsheid treft u de last die aan allen gemeen is; Mocht haar een ander bezitten en gij bij de jongren behooren. Daarop zeide hem weer de Gerenische wagenaar Nestor:

— Atreus\' zoon, ja zelf ook zoude ik even zoo krachtvol Wenschen te wezen als toen ik den held Ereuthalioon neersloeg.

320. Maar d\' onsterflijken geven den mensch niet alles gelijklijk.

Was ik een jongling toen, thans wordt mijn gezelle de grijsheid. Nochtans zal ik ook zóo noch oorlogswagens geleiden.

Beide met raad en met woord; want dat is d\'eere der grijsaards; Maar het behandlen der lans is \'t werk van de jongren, die later 325. Werden geboren dan ik en hun kracht noch kunnen vertrouwen. Alzoo sprak hij; en verder begaf zich verheugd de Atreide. Peteoos\' vurigen telg, rpsgeeslenden rijder Menestheus,

Vond hij er staan omringd door Atheners geducht in den strijdgalm. Doch naast dezen bevond zich de vindingrijke Odusseus, 330. Rondom welken de nimmer bedwingbare schaar Kefalleners

Stond, want noch niet hoorde hun volk het rumoer van den veldslag. Wijl eerst kortlings weer elkaar aanvielen de drommen

-ocr page 72-

64

Rossenbcdwingende Trojers en Danaërs. Dus op hun standplaats Bleven zij wachten totdat eene andere bende Achaiërs aas. Voorwaarts rukkend de Trojers besprong en begon met den aanval. Daarom toen hen bespeurde der volkeren vorst Agamemnoon, Trof hen zijn toornige taal en hij sprak de gevleugelde woorden;

— O gij, Peteoos\' zoon, gij telg van den godlijken koning. Gij ook, slim in bedrog uitmuntende, zinnend op voordeel,

340. Hoe toch staat gij van vreeze bevangen en wachtend op andren? \'t Paste u beiden voorwaar in de voorste geleedren der strijders Wakker te staan en naar voren te stormen in \'t heetst van het slagveld, Want ook wordt gij de eersten geroepen te gast aan mijn maaltijd, Wen wij, mannen Achaia\'s, bereiden een maal voor de eedlen. ;u5. Dan is \'t vreugde te spijzen \'t geroosterde vleesch en de bekers Vol zoet streelenden wijns te genieten zoo lang het u lief is. Doch nu zaagt gij met vreugde dat zelfs tien benden Achaiërs U voorgingen ten strijd met het vreeslijk moordende koper. Norsch op hem neerziend zeide de vindingrijke Odusseus: aso, — Welk eene taal ontsnapte den wal uwer tanden, Atreide!

Hoe toch zoudt gij beweren, dat w ij ons verwijdren van \'t strijdperk ? Waar wij ten heftigen kamp met de rossenbedwingende Trojers Snellen, dan zult gij het zien als gij wilt en de zaak u aan \'t hart gaat, Hoe zich Telemachos\' vader dan mengt in de voorste geleedren 355. Tegen de rossenbedwingers; gij praat daar ijdel gebazel.

Doch met een glimlach zei hem de heerschende vorst Agamemnoon, Toen hij zijn gramschap zag en terwijl hij zijn woorden terugnam:

— Godlijke zoon van Laërtes, in vindingen rijke Odusseus, U, voortreflijke, doe ik verwijt noch geef ik bevelen,

360. Immers het is mij bekend hoe zeer het gemoed in uw binnenst Goede gezindheid voedt; want \'t zelfde beraamt gij wat ik denk. Doch welaan, dat wij \'t later vereffenen; zoo er een boos woord Straks ontsnapte, de goden zij mogen dat alles te niet doen. Alzoo sprekend verliet hij hen daar en begaf zich tot andren. 365. Tudeus\' moedigen zoon ontmoette hij thans, Diomedes,

Staande, gereed met zijn span, op zijn stevig getimmerden wagen; Sthenelos Kapaneus\' zoon stond daar ook reeds aan zijn zijde. Toen er hem zoo ontwaarde der volkeren vorst Agamemnoon, Trof hij hem ook met verwijten en sprak de gevleugelde woorden: .!70 — Wee, gij, zoon van den dappren, den rossenbedwingenden Tudeus, Waarom staat gij te weiflen en tuurt naar de paden des oorlogs ?

-ocr page 73-

65

Tudeus was \'t geen lust zich op zulk cene wijs te verschuilen, Maar vóór al zijne makkers den kamp te bestaan met den vijand; Alzoo zeiden dcgccn c\'ie zijn daden aanschouwden, ik zelf toch »75. Zag noch kende hem ooit; hém roemen zij boven de andren.

Eens had deze Mukenai in vrede bezocht en als gastvriend Raam met den godlijken held Poluneikes, om volk te verzaamlen. Daar, optijgend ten krijg naar de heilige muren van Thebe, Vroegen zij dringend van dezen hun dappere benden tot bijstand. »80. Gene verleenden \'t hun gaarn en bewilligden \'t geen er gevraagd werd, Maar Zeus wendde het af, noodlottige teekens vertoonend.

Toen zij er zoo heentrekkend een eind weegs waren gevorderd, Langs den Asópos, met biezen begroeid, en zijn grazige oevers Zond het Achaïsche heer daar Tudeus henen met kondschap. 385. Hij nu ging en hij vond er een tal van Kadmeërs vergaderd. Spijzende binnen \'t paleis van den machtigen held Eteokles. Schoon hij een vreemdling was, daar vreesde de wagenbestuurder Tudeus niet, alleen in het midden van vele Kadmeërs,

Maar tot den wedstrijd daagde hij elk en in alles verwon hij sflo. Lichtelijk, zoo veel gaf hem de machtige helpster Athena.

Doch de vertoornde Kadmeërs, de vurige drijvers der rossen. Legden hem toen hij vertrok een gevaarlijke lage door vijftig Jeugdige mannen, verborgen geplaatst; hen geleidde een tweetal, Maioon Haimoons telg, onsterfljjken goden gelijkend,

395. Nevens Autofonos\' zoon, Polufontes, ervaren ten oorlog.

Tudeus echter bezorgde ook dezen een smadelijk noodlot,

Velde hen allen en éen maar zond hij terug naar zijn woonplaats. Maioon zond hij terug, op den wenk van de goden vertrouwend. Zóo was Tudeus eens, de Aitoliër, maar hij verwekte ■400. Toch eenen zoon, wel minder in moed, maar grooter in woorden. Alzoo sprak hij; de held Diomedes bewaarde het zwijgen. Eerbiedvol ontziende \'t verwijt van den achtbaren koning.

Doch toen gaf hem de zoon van den loflijken Kapaneus \'t antwoord: — Spreek geen leugens, Atreide, terwijl u het ware bekend is. 405. Ons toch strekt het tot roem veel sterker te zijn dan de vaadren. Wij die de vest innamen van \'t zevenpoortige Thebe,

Schoon wij in kleiner getale de muren van Ares bestormden. Daar wij de teekens der goden en Zeus\' hulp durfden betrouwen;

380. Nam.; do bewoners vau Mukenai.

s

-ocr page 74-

66

Doch onze vaderen gingen te grond door hun eigene misdaad; 41«. Daarom moet gij aan hén niet schenken een zelfde vereering. Grimmig hem aanziend zeide de machtige held Diomedes; — Vriend, wees rustig en zwijg; geef liever gehoor aan mijn

[woorden.

Ik toch wrake het niet in den herder des volks Agamemnoon, Nu hij ten strijcl wil wekken d\'Achaiörs met stevige scheenplaat. lis. Want wel valt hem de eere ten deel, wen eens de Achaiërs Zullen vernielen de Trojers en \'t heilige llios nemen.

Maar ook vreeslijke smart als de neerlaag treft de Achaiërs. Doch welaan, en gedenken wij óok aan een dapperen afweer. Alzoo sprak hij en sprong met zijn wapengerei uit den wagen. 420. Schriklijk dreunde en klonk om de borst van den koning het koper. Onder dien sprong, en met vrees zou\'t zeker den stoutste vervullen.

Zoo, wanneer aan den luid weergalmenden oever de golven Steigeren, d\'een op de ander gestuwd, als ze Zefuros voortjaagt; Eerst noch scharen zij saam zich in d\' opene zee, en vervolgens 425. Brekend op \'t zeestrand, bruisen zij luid en zij stijgen, zich krullend, Hoog om de rotsen in \'t ronde, en spuwen het ziltige zeeschuim. Zoo nu rukten de drommen der Danaërs, samen zich dringend. Steeds naar het slagveld voort, elk hoofd aan de zijnen bevelend; Doch stil zwegen de mannen, (en niemand zoude vermoeden 430. Welk een geducht krijgsleger met stem in de borsten er optrok), Stil ontzag voor hun vorsten gevoelende; iedere heerschaar Blonk in haar schittrend gerei waarmede zij togen ten veldslag. Maar de Trojanen, gelijk in den stal eens vermogenden landheers Schapen bij duizenden staan, wier uier de heldere melk geeft, 436. Eindeloos blatend terwijl haar de stem van de lammeren toeklinkt. Zoo weerklonk der Trojanen getier door de breede geleedren; Want niet eenerlei roep noch kreet was onder die allen; Mengeling was er vau taal, en de mannen uit velerlei landstreek. Hier dreef Ares hen aan, daarginds klaaroogde Athena, 440. \'Vreeze en Schrik, en de nooit in haar woeden verzadigde Tweedracht, Zuster en medgezelline des mannenverdelgenden Arcs —

Welke, ofschoon eerst klein, allengs zich verheft en vervolgens Reikt met het boofd tot den hemel en zet haren voet op het aardrijk; Deze nu deed in hun midden gelijke verbittering rijzen, 445. Rondgaand onder de drommen, het wee van de strijders vermeerdrend. Toen nu de stormende mannen op éen punt mengden hun scharen.

-ocr page 75-

67

Botsten de scbilden te zaam, en de speren en driften der krijgers Sterk in het koperen pantser; de schilden met welvenden navel Stootten de éen op den ander; er steeg een geweldig gedruis op. 450. Daar trof samen \'t gejammer en \'t vreugdegeroep van de mannen, Dood ontvangend of doodend, en \'t bloed vloot over het aardrijk.

Aldus, wen twee strooraen, des winters gezwollen en bergaf Stortend, het bruisende water vermengen in \'t dal dat hen saambrengt. Beiden der zwellende bron ontstroomd naar de holte des bekkens; 455. Welke de herder van ver hoort bulderen tusschen de bergen. Zoo was \'t schreeuwen en zwoegen der mannen, zich menglend

[op \'t slagveld.

\'t Was Antilochos \'t eerst die een krijgsman onder de Trojers Velde, een kloek voorvechter, Thalusios\' zoon Echepolos.

Hém nu trof hij het eerst den van manen omwapperden helmkam; 460. Dwars door het voorhoofd heen en tot binnen het been van den schedel Boorde de koperen spits; en het duister bedekte zijn ooglecn. Bonzend stortte hij neer, als een toren, in \'t woeden des slagvelds. Snel greep toen Elefenor de dappere zoon van Chalkodoon, Hoofd van de stoute Abanten, een voet des gevallenen krijgsmans, 405. Sleepte hem buiten der schoten bereik, vol vuur om ten spoedigst \'t Wapengerei hem te nemen; een poos slechts duurde zijn ijver; Want als de dappre Agenor hem zag, den gesneuvelde slecpend, Dreef hij zijn koperen wapen hem juist in de zijde die bloot kwam Achter zijn schild bij het. bukken, en slaakte zijn zwijmende leden. 470. Zoo ontvlood hem de geest. Doch rondom dezen verhief zich Tusschen Achaiërs en Trojers een hevige strijd; en als wolven Woedden zij d\' éen op den ander en drongen zij strijder op strijder.

Ajas Telamoons telg sloeg toen Anthemibons nazaat,

Pas in zijn bloeiende jeugd, Simoeisios, welken zijn moeder 475. Eens van de Ida gekomen aan Simoeis\' oevers het licht schonk. Toen zij, om \'t vee te bewaken, naar ginds bare ouders gevolgd was. Daarom noemden zij \'t kind Simoeisios. Doch aan zijn oudren Loonde hij \'t pleeggeld niet, want slechts kortstondige leeftijd Was hem gegund, die bezweek door de speer van den strijdbaren Ajas. 480. Want als hij voorwaarts drong trof deze hem rechts in de borstkas Dicht bij den tepel; en \'t koper der speer ging dwars door

[den schouder.

Zoo zonk deze ter aarde in \'t stof, als een rijzige popel.

Hoog in den vochtigen bodem gegroeid van het sompige weiland.

-ocr page 76-

68

Effen van stam, doch enkel van boven met takken bewassen; 485. Welken de wagenbewerker bekakt met het glimmende ijzer,

Wen hij een velg moet krommen, bestemd voor den sierlijken wagen; Daarna ligt hij geveld om te droogen aan d\' oever des waters. Zóo Anthemioons telg Simoeisios, toen hem zijn krijgstuig Ajas nam; doch thans wierp Antifos, lenig van pantser, 49n. Priamos\' zoon, in \'t gewoel met zijn puntige speer op hem mikkend; Hem wel miste de worp, maar d\' edelen vriend van Odnsseus, Leukos, trof hij de lies, toen deze het lijk naar zich toe trok. Over het lichaam viel hij, dat zoo ontglipte zijn handen.

Toen ontstak om zijn dood in geweldige woede Odnsseus; 496. Onder de voorsten gesneld met het schitterend koper gewapend, Stond hij nu dicht aan zijn zijde en zwierde zijn blinkende werpspies. Spiedend in \'t rond met den blik; de Trojanen vermeden dan wijkend \'t Vliegende schot van dien man; want nooit was ij del zijn speerworp. Immers zijn wapen verwondde Demokoöon, Priamos\' basterd, 500. Dezen ter hulpe gesneld van zijn merriënstal in Abndos.

Gram om den dood zijns vriends doorboorde hij dezen het slaapbecn Fel met zijn speer, en de slaap doordrong tot de andere zijde \'t Puntige koper; zijn oogen bedekte de donkere schaduw. Bonzend dreunde zijn val en zijn wapens omkletterden \'t lichaam. 505. Deinzend weken de voorsten terug met den schittrenden Hektor; Maar luid schreeuwden d\'Argeiërs, den dooden hun wapenen roovend; Noch meer drongen zij door. Doch\'t wekte den toorn van Apolloon, Toen hij \'t van Pergamos zag en den Trojers vermanende toeriep: — Op, rostemmende Trojers, en doet niet onder in strijdlust 5io. Tegen d\' Argeiërs, uit steen noch yzer bestaat hun het lichaam. Tegen de worpen bestand van het lijfdoorborende koper.

Immers Achilleus, zoon der godin schoonlokkige Thetis,

Strijdt niet mee, maar kropt bij zijn schepen de bittere gramschap. Alzoo riep uit de stad de geweldige god. De Achaiërs sis. Dreef Zeus\' dochter Athena, verheerlijkte Tritogeneia,

Rondgaand onder de scharen en wekkend wie traag in den strijd was.

Nu trof \'t stervenslot Amarunkeus\' zone, Diores.

D\'enkel van \'t scheenbeen rechts trof dezen een puntige keisteen,

515. Tritogeneia. — aan Tritons stroomen geboren. Bijnaam van Athena. Zij is in tie Ilias wel Zeus\' innig verwante dochter, maar noch niet de uit zijn hoofd geborene.

-ocr page 77-

69

Groot als de hand kan vatten, gezwaaid door het hoofd van de

[Thrakers,

520. Peiroös, Imbrases\' zoon, hier overgekomen van Ainos.

Beide de peezen en knokken verplette de vreeslijke keisteen Gansehelijk; ruglings stortte hij neer in het stof en verhief noch Beide de handen omhoog, tot zijn vrienden, terwijl hij den adem Uitblies; Peiroös toen, die hem trof, sprong toe en zijn speerpunt 525. Dreef liij in \'t lijf bij den navel, dat over de aarde zijn darmen Werden gestort, en zijn oogen bedekte het doodelijk duister. Doch bij zijn aanval trof hem de speer des Aitoliërs Thoas Voor in de borst bij den tepel; hem drong in de longen het koper. Thoas sprong op hem toe en hij trok de geweldige speerschacht 530. Weer uit zijn borst; toen nam hij het snijdende zwaard uit de schede. Hieuw dan dwars er hem meê door den buik en benam hem den adem. Niet van zijn wapengerei ontdeed hij hem, want hem omringend Stonden zijn Thrakische makkers met borstelig haar, hunne speer-

[schacht

Drillend, en schoon hij zoo kloek en voortreffelijk was en zoo roemrijk, 535. Drongen zij toch hem terug, en hij deinsde bevangen van siddring. Aldus lagen zij beiden in \'t stof neer, d\' éen bij den ander, Beiden de Thrakische vorst en de vorst der in \'t koperen pantser Strijdend\' Epeërs, en naast hem bezweken er velen in \'t ronde. Daar vond vast geen man die er doorging \'t werk te berispen, 540, Zoo hij van worp noch bouw door het vlijmende koper getroffen, Tusschen \'t gewoel kon gaan en als Pallas Athena hem veilig Leidd\' aan de hand en den storm afweerde van \'t vliegende werptuig. Want veel Trojers en tal van Achaiërs zonken op dien dag Daar voorover in \'t stof, zuo naast elkander gesneuveld.

k

-ocr page 78-

VIJFDE ZANG.

u schonk Pallas Athena aan Tudeus\' zoon Diomedes Vurige krachten cn moed, dat hij boven de andre Argeiërs Schitterend uit mocht steken en heerlijken roem zich verwerven, \'t Schild en den helm omstraalde een onuitbluschbare vuurgloed, \'t Blinkend gesternte gelijk dat den herfsttijd opent en \'t helderst Glanst in het rond als het rijst uit het bad van Okeanos\' waatren. Zulk eenen gloed ontstak zij den held om het hoofd en de schouders, Nu zij hem dreef naar het midden en \'t dichtste gewoel van de strijders.

Onder de Trojers bevond zich een man van vermogen en aanzien, Dares, Hefaistos\' priester, een tweetal zonen bezittend,

lederen strijd wel kennend, de broeders Idaios en Fegeus.

Dezen nu vielen hem aan, voordringende buiten hun rijen. Beiden te zaam op den wagen; te voet streed toen Diomedes. Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd Slingerde Fegeus \'t eerst zijne speer ver strekkend van schaduw. Links vloog over den schouder van Tudeus\' zone de speerpunt. Maar trof niet; doch thans zond ook Diomedes zijn werpspies. Niet te vergeefs ontsnelde het wapen der hand van den werper. Maar trof \'t midden der borst, en hij tuimelde neer van de strijdkar. Snel ontsnapte Idaios, den sierlijken wagen verlatend.

Daar hem het hart ontbrak te beschutten het lijk van zijn broeder. Geenszins ware hij zelf ontvlucht aan het donkere noodlot.

Maar toen rukte Hefaistos hem weg, hem in duister verborgen Reddend, dat niet van de smart overstelpt mocht wezen de grijsaard. Doch zijne strijdkar voerde de zoon van den moedigen Tudeus Weg en gelaste zijn makkers ze ginds bij de schepen te bergen.

-ocr page 79-

71

Toen nu de dappere Trojers bemerkten de zonen van Dares, Dezen ter vlucht ontweken, den andre gedood bij zijn wagen, Werd elks barte geschokt. Toen greep kiaaroogde Atbena Ares\' handen en sprak den geweldige toe niet de woorden: — Ares, o Ares, gij slachter van volk, tnuurslooper, van bloed rood, Zouden wij niet aan de Trojers en \'t heer der Achaiërs bet slagveld Laten, aan wie Zeus Vader den roem ook moge verleenen?

Doch dat wij wijken van hier, om den wrevel van Zeus te vermijden.

Alzoo sprekende nam zij den vurigen Ares van \'t slagveld Mede en zette hem neer bij den heuvligen zoom des Skamandros. Deinzend weken de Trojers den Danaërs, iedere veldheer Velde een man; eerst stootte der volkeren vorst Agamemnoon Reuzigen Odios neer van zijn kar, \'t Halizonische krijgshoofd. Want hem verwondde de speer in den rug, als hij wendde tot vluchten. Juist in het midden der schouders en drong hem tot voor in de borstkas. Bonzend dreunde zijn val en zijn wapens omkletterden \'t lichaam.

Onder Idomeneus\' hand viel Faistos, die stamde van Boros Meoons telg, en die kwam uit zijn land, \'t zwaarkluitige Tarné. Toen hij zijn wagen besteeg, daar boorde de loflyke speerheid Eedle Idomeneus dezen zijn lanspunt rechts in den schouder; Tuimlend viel hij er af en hem dekte het schrikkelijk duister, \'t Wapengerei ontnamen aan dezen Idomeneus\' vrienden.

Toen viel Strofios\' zoon, Skamandrios, vurig ter wildjacht. Daar hem van Atreus\' zoon Menelaos de puntige werpspies Raakte, den dapperen jager, wien Artemis zelve geleerd had Alle gedierte te treffen, gevoed door het wond der gebergten. Doch nu baatte hem zelfs geen Artemis vlug met het pijlschot. Noch vertreffende kunst, waarin hij te voren zoo uitblonk. Hem trof Atreus\' zoon Menelaos, beroemd door zijn speerworp, Toen hij er vóór hem uit wcgvlood, in den rug met zijn werpspies Tusschen de schouders, en gansch door zijn borst heen boorde de

[speerpunt.

Voorwaarts stortte hij neer en zijn wapens omkletterden \'t lichaam. Voorts door Meriones sneefde Feréklos, geboren van Tektoon

59, Tektoon, zoon van Harmonides — namen met beteekenis: Tektoon is kunstenaar en in Harmonides ligt de beteekenis van same nvo e gen, bo u-wen. Mythiesch tot eigennamen geworden eigenschappen. Alzoo een kunstenaarsgeslacht, dat natuurlijk alles van Pallas Athena heeft, zoo als de geneeskundigen tot Asklepios\' stam worden opgevoerd.

-ocr page 80-

72

60. Telg uit Harmonides\' stam, wiens handen tot allerlei kunstwerk Waren bekwaam; want hooglijk beminde hem Pallas Athena. Ook had deze gebouwd Alexandros\' zwevende schepen,

D\'eerste beginners van \'t kwaad, die hem zeiven met alle Trojanen Werden ten onheil, daar hij den raad niet vatte der godspraak. 65. Toen nu Meriones dezen in \'t vluchten vervolgd en bereikt had. Trof hij hem achter in \'t lijf en de speerpunt drong in het lichaam Gansch tot de andere zij in de blaas en van onder in \'t schaambeen. Jammerend boog hij de knie en de dood omhulde zijn oogleên. Toen sloeg Meges Pedaios Antenor\'s zone ter neder. 70. Schoon hij een basterd was, toch had hem de eedle Theano

Zoo als haar eigene kindren verpleegd om haar man te behagen. Dezen vervolgde nu Meges, beroemd door de speer, en hem naadrend Trof hij met \'t puntige wapen den man aan het hoofd bij het

|nekbeen;

\'t Koper, van onder de tong doorsnijdende, drong tot de tanden; 75. Tuimelend viel hij in \'t stof en hij beet op het ijzige koper. Dan, door Euaimoons zone Eurupulos sneefde Hupsenor Godlijke telg van den held Dolopioon stammend; een priester Was hij, Skamandros gewijd, en vereerd door het volk als een godheid. Hém nu trof in den schouder de schittrende zoon van Euaimoon; 80. Toen hij den recht voor hem uit ontvliedende binnen bereik had. Hieuw hij, met \'t zwaard toespringend, zijn krachtigen arm van

[het lichaam ;

Bloedend stortte de arm op den grond; doch over zijn oogleên Heerschte de purperen dood en de macht der geweldige Moira. Aldus weerden zich allen in \'t vreeselijk woeden des slagvelds: 85. Moeielijk was het te zien waar Tudeus\' zoon bij behoorde,

\'t Zij of hij streed bij de Trojers of wel aan de zij der Achaiërs, Zoo als hij stoof door de vlakte, gelijk aan een zwellenden berg-

[stroom.

Vol van het wintergetij, die de dammen verbreekt in zijn snelheid. Geen kunstmatige dammen vermogen te keeren dien aandrang, 90. Geen omwalling houdt hem terug van het bloeiende bouwland. Wild in zijn plotslinge vaart, als met kracht Zeus\'regen er instort; Dan valt onder zijn woeden der jongeren kostlijke arbeid. Zoo ook warden dooreen de gedrongen geleedren der Trojers

91. Zeus\' regen, overblijfsel der voorstelling van Zeus als hemel- en wolkgod.

-ocr page 81-

73

Zwichtend voor Tudcus\' zoon, cn zij deinsden in spijt van hun aantal. \'J5. Docli toen daar hem bespeurde de sehittrende zoon vau Lukaoon, Zoo als hij woedde op \'t veld en de drommen verward voor zich

[uitjoeg,

Spande hij, Tudcus\' zoon in het oog, den gekronkclden strijdboog, Doeld\' op den stormenden strijder en raakte hem rechts bij den

[schouder

Tusschcn des pantsers voeg, dat de puntige pijl er door heen vloog. 100. Rechtdoor vlijmde de spils eu met bloed werd \'t pantser bezoedeld. Luid weerklonk het geschreeuw van den schittrenden zoon van

[Lukaoon:

— Op! dringt voorwaarts, Trojers, gij, dappere drijvers der paarden. Want nu trof het den besten van alle Achaicrs, en geenszins Zal hij het krachtige schot lang dragen, vermoed ik, als waarlijk

105. Hier Zeus\' vorstlijke zoon mij uit Lukië zond naar het slagveld. Aldus praalde zijn woord; toch velde hem\'t vliegende schot niet; Doch het gewoel ontweek hij en vóór zijne paarden en strijdkar Stilstaand, sprak hij de woorden tot Sthenelos, Kapaneus\' zone;

— Haastig, mijn trouwe gezel, kom, Sthenelos, snel van uw wagen, no. Kom, dat gij aanstonds trekt uit mijn schouder de vlijmende pijlspits.

Alzoo sprak Diomedes, en Sthenelos sprong van den wagen Naast hem en haalde geheel door den schouder de vluchtige pijl-

schacht ;

Spattend stroomde het bloed door het vlechtwerk heen van den lijfrok. Daarop zeide en bad Diomedes, geducht in den strijdgalm: us. — Hoor mij geweldige dochter des Aigisvoercnden Vaders, Zoo als gij eens goedgunstig gezind mijnen vader nabij waart. Onder het woeden des krijgs, wees mij ook gunstig, Athena; Geef dat ik treffe den man en hij koom in \'t bereik van mijn werpspies, Hij die het eerst mij verwond en met pralende woorden gesnoefd heeft, 120. Niet lang zou ik den glans meer zién van het stralende zonlicht. Aldus zeide hij biddend en Pallas Athena verhoorde \'t.

Licht van beweging schiep zij zijn leden, zijn voeten en armen; Toen dicht naderend, zeide zij snel de gevleugelde woorden:

— Vat weer moed, Diomedes, om tegen de Trojers te strijden.

95. Pandaim

112. Door den weerhaak kon de pijl niet terug; daarom haalde Sthenelos hem geheel door de wond heen.

-ocr page 82-

74

125. Want ook in i\'iw borst deed ik de kracht van uw vader verrijzen, Stout als bij Tudeus zeiven, den zwaaier van \'t schild op de strijdkar, \'k Nam van uw oogen de wolk ook weg, die ze vroeger bedekte, Zoo dat gij goed moogt zieu, wanneer het een god of eenmensch zij. Dus, als misschien hier thans u een god mocht komen beproeven, 130. Wees op uw hoede, bestrijd dan geen onsterflijke goden;

Naamlijk de anderen, maar als de dochter van Zeus, Afrodite, Soms in het strijden zich mengt, tref haar met het puntige koper.

Na dit bevel ontvlood klaaroogige Pallas Athena,

Maar de Tudeide begaf zich terstond aan de spitse der strijders. 135. Had hij te voren de Trojers bestookt, vol Wakenden kamplust. Drievoud sterkere drift ontvlamde hem nu; als een woudleeuw. Welken de herder, op \'t veld zijne wollige schapen bewakend. Licht slechts trof als hij sprong in het perk, maar niet overmeestert; Daarmee wekt hij te feller zijn moed, doch keert zijnen aanval 140. Nu niet langer en schuilt in den stal, en het weerlooze vee vlucht. Dezen dan liggen er dicht op den ander gedrongen ter neder, Doch \'t fel woedende dier ontspringt uit de hooge omwalling. Zoo drong onder de Trojers de vurige held Diomedes.

\'t Waren Astunoös nu die hij sloeg en den heerscher Hupeiroon, us. Genen de borst bij den tepel geraakt door de koperen werpspies, Dezen het schoudergewricht door een houw met het machtige

[slagzwaard,

Zóo dat geheel van den hals en den rug het den schouder hem

[afsneed.

Dezen verliet hij en ging Poluïdos bestrijden en Abas,

Beiden Eurudamas\' zonen, des droomverklarenden grijsaards. 150. Niet goed had hun de grijze de droomen verklaard bij het heengaan. Daar hen de held Diomedes beroofde van leven en krijgstuig. Xanthos en Thoöon volgde hij toen, twee zonen van Fainops, Zonen der grijsheid beiden, en d\' oude verkwijnend in droefheid Won geen anderen zoon, om te blijven in \'t vaderlijk erfgoed. 155. Pelden benam hij de wapens en roofde hun \'t liefelijk leven. Doch het geweeklaag liet hij, en treurigen kommer, den vader. Wijl hij hun, levend gekeerd uit den strijd, niet weder het welkom Toe mocht roepen; zijn have verdeelden zijn verre verwanten. Daarna trof hij de zonen van Priamos Dardanos\' nazaat, 160. Chromios, daar een wagen berijdende saam met Echeinmoon.

Zoo als een leeuw die een kudde van runders bespringt of een vaarkoe,

-ocr page 83-

75

Weidend in \'t boschrijk land, en het vleesch van de nekken hun

[afscheurt,

Zoo sloeg Tudeus\' zoon met geweld ze ter neer van de strijdkar, Vruchteloos weerstand biedend; van \'t wapengerei hen beroovend 1C5. Gaf hij zijn makkers hun wagen om ginds naar de schepen te voeren. Doch toen zag hem Aineias de rijen der mannen uitéén slaan; Snel doorliep hij de strijders te midden van \'t lansengewarrel. Rondom spiedende waar hij den godlijken Pandaros zien mocht. Weldra vond hij den sterken voortreflijken zoon van Lukaoon, 170. Trad op hem toe, stond vóór hem, en zei hem vermanend de

[woorden:

— Pandaros, waar toch zijn zij, uw boog en uw vliegende pijlen ? Waar uw roem, dien u hier geen man zou kunnen betwisten. Zoo als in Lukië geen zich beroemt uw meerdrc te wezen? Kom, en uw handen verheffend tot Zeus, doe vliegen uw pijlschot 175. Tegen den man die zoo raast en den Trojers zoo velerlei onheil Toebracht, daar hij een tal, en den dappersten, knakte de knieën. Zoo \'t geen god soms is, die den Trojers betoont zijne gramschap Wegens de offers vertoornd; want zwaar is toorn van een godheid. Dezen ten antwoord zeide de schittrende zoon van Lukaoon: 180, — O Aineias, bestuurder der Trojers in \'t koperen pantser, Deze gelijkt mij geheel aan den vurigen zone van Tudeus,

Want ik herken hem aan \'t schild en den helm met de gaten

[der voorklep.

Ook aan zijn rossen; en toch, nauw weet ik of \'t is eene godheid. Is hij het wel, dien ik noemde, de zoon des geweldigen Tudeus, 185. Buiten de hulp van een god woedt deze zoo niet; aan zijn zijde Staat er een godheid wis, die de schouders zich hullend in nevel, Zelfs aan een snellenden pijl, reeds treffend, een anderen loop gaf, Want reeds zond ik een schot en ik wondde hem rechts in den schouder, Zoo dat de schicht hem geheel doorboorde de voeg van het pantser. 190. \'k Dacht hem te hebben gestort in het rijk waar heerscht Aïdoneus; Nochtans veld\' ik hem niet; vast deed dit de wrok van een godheid. Paarden en strijdkar mis ik om mede te rijden in \'t slagveld. Doch in Lukaoons huis staan elf van mijn sierlijke wagens Nieuw door den wagenbewerker gevoegd en getuigd, en bekleedsels 195. Hangen er over; er staat naast lederen wagen een tweespan

Paarden in rust en gevoederd met heldere gerst en met speltgraan. Wel had, toen ik vertrok, mij de speerheid, grijze Lukaoon,

-ocr page 84-

76

Menige malen vermaand in de stevig betimmerde woning;

Want hij gebood het mij wel dat ik voerde mijn paarden en wagens 200. Wen ik de Trojers geleidde in \'t hevige woelen des veldslags, Maar ik verzuimde zijn woord, —toch ware dit verre het raadzaamst—-Sparend mijn rossen, opdat het hun niet mocht falen aan voeding Zoo ons belegering trof; want altijd aten zij ruimschoots.

Daarom liet ik ze achter, te voet mij naar Ilios spoedend, 205. Slechts op mijn boog mij verlatend; en toch die baatte mij geenszins. Want reeds doelde op twee van de dapperste helden mijn boogschot, Tudeus\' zoon reeds trof ik en Atreus\' zoon, en van beiden Stortte ik waarlijk het bloed, doch wekte te feller hun strijdlust. Onder een boos lot nam ik den krommenden boog van den nagel 210. Dien onzaligen dag, toen \'k ging naar het liefelijk Troja, Troïsche scharen geleidend, ter wille des godlijken Hektors. Zoo ik terug mocht keeren en weder met eigene oogen Zien mijn gewest, mijne vrouw, en mijn rijzig gezolderde woning, Moge terstond mij een vreemde het hoofd van de schouderen afslaan, 215. Zoo ik met eigene hand dien boog niet brijzei en heenwerp Prijs aan het gloeiende vuur; helaas mij verzelde een onding.

Daarop echter hervatte Aineias de Troïsche veldheer: —- Spreek niet zulk eene taal; dat zal niet eerder verandren Eer wij, met paarden en wagen gerust, dien man te gemoet gaan, 320. Eer wij te zamen hem hebben beproefd met het tuig van den oorlog. Kom dan, stijg aan mijn zij op mijn wagen, opdat gij het zien moogt Wat ze beteeknen die paarden, herkomstig van Tros, en geoefend \'t Zij tot vervolgen, hetzij om ter vlucht op de vlakte te rennen. Zoo ook zullen zij weer in de veste ons redden, als wellicht 236. Zeus wil eere vcrleenen aan Tudeus\' zoon Diomedes.

Maar welaan, neem gij nu de zweep en de blinkende leidsels. Houd ze, indien ik den wagen verlaat om te staan in het strijdperk, Of — sta g ij hem te weer, en aan m ij dan de zorg voor de paarden. Doch daartegen hervatte de schittrende zoon van Lukaoon: 230. — Houd gij de leidsels zelf, Aineias, en stuur uwe rossen. Williger zullen zij toch in de hand des gewonen bestuurders Trekken den wagen indien ons tot vlucht soms dwingt Diomedes. Laten zij schuw en verward niet weigeren buiten het slagveld Weer ons te voeren, dewijl zij de stem niet hooren des meesters,

226. Zweep — eigenlijk een lange staf zonder slag.

-ocr page 85-

79

VK^\'

Gansch doorbrak hij de holte en brijzelde beide de peezen, Rondom scheurde de huid door den kantigen steen, en de held zonk Nedergczakt op zijn knie en gesteund met de krachtige handpalm 310. Tegen den grond; en het duister des nachts omiioersde zijn oogleên. Zoo waar\' zeker gesneuveld der volkeren koning Aineias,

Zag \'t niet spoedig de dochter van Zeus, Afrodite, zijn moeder, Welke hem baarde als zoon van den runderenherder Anchises. Over den dierbaren zoon hare armen van lichtende blankheid sis. Strekkende, hield zij de plooien van \'t glanzend gewaad als een

[schutsmuur

Over hem heen, dat de speren der Danaërs vlug met hun rossen Niet doorboorden zijn borst en hem niet ontnamen het leven. Zoo onttrok de godin haren dierbaren zoon aan het strijdperk. Kapaneus\' zone intusschen verzuimde nu niet de bevelen 320. Welke hem gaf Diomedes, geducht in den woeligcn strijdgalm. Zijwaarts rukte hij nu zijne enkelhoevige merries Buiten \'t gewoel, en hij bond aan den rand van den wagen de leidsels; Snel naar Aineias\' span glansharige merriën ijlend.

Dreef hij ze weg van de Trojers naar \'t heer der gepantserd\' Achaiërs, «25. Waar hij ze gaf aan zijn makker Deïpulos, \'t meeste hem dierbaar Onder zijns leeftijds mannen, en gansch eenstemmig van denkwijs, Ginds naar de welvende schepen ze henen te voeren: de krijgsheld Sprong toen weer op zijn wagen en vatte de glanzige leidsels, Haastig naar Tudeus\' zone zijn merriën krachtig van hoeven 330. Jagende; deze vervolgde met \'t wondende koper haar zoekend Kupris, dewijl hij haar kende als zwakke godinne en geenszins Eéne van zulke godinnen die \'t strijden der mannen besturen, Geen Athenaia en niet eene stedenbestormstèr Enuo.

Toen in het dichte gedrang haar de zoon van den dapperen Tudeus mb. Nauwer vervolgde, bereikte en vellend zijn speer op haar toestiet, Trof hij haar boven de palm van de teedere band met zijn speerpunt. Aanstonds kwetste het wapen de huid en het voer door de plooien Heen van \'t ambrosiesch gewaad dat de-Charitcn zeiven haar

\'quot;1 weefden,

\'t Kaakte haar dicht bij de pols. \'t Onsterfelijk bloed der godes vloot, :i40 Goddelijk vocht, als er vloeit door de aadren der zalige goden.

330. Kupris: deze naam van Afrodite komt in dezen zang vaak, maar anders in de Ilias niet voor.

-ocr page 86-

76

Menige malen vermaand in de stevig betimmerde woning;

Want hij gebood liet mij wel dat ik voerde mijn paarden en wagens 200. Wen ik de Trojers geleidde in \'t hevige woelen des veldslags, Maar ik verzuimde zijn woord, — toch ware dit verre het raadzaamst— Sparend mijn rossen, opdat het hun niet mocht falen aan voeding Zoo ons belegering trof; want altijd aten zij ruimschoots.

Daarom liet ik ze achter, te voet mij naar Ilios spoedend, 205. Slechts op mijn boog mij verlatend; en toch die baatte mij geenszins. Want reeds doelde op twee van de dapperste helden mijn boogschot, Tudeus\' zoon reeds trof ik en Atreus\' zoon, en van beiden Stortte ik waarlijk het bloed, doch wekte te feller hun strijdlust. Onder een boos lot nam ik den krommenden boog van den nagel 210. Dien onzaligen dag, toen \'k ging naar het liefelijk Troja, Troïsche scharen geleidend, ter wille des godlijken Hektors. Zoo ik terug mocht keeren en weder met eigene oogen Zien mijn gewest, mijne vrouw, en myn rijzig gezolderde woning. Moge terstond mij een vreemde het hoofd van de schouderen afslaan, 215. Zoo ik met eigene hand dien boog niet brijzei en heenwerp Prijs aan het gloeiende vuur; helaas mij verzelde een onding.

Daarop echter hervatte Aineias de Troïsche veldheer: — Spreek niet zulk eene taal; dat zal niet eerder verandren Eer wij, met paarden en wagen gerust, dien man te gemoet gaan, 220. Eer wij te zamen hem hebben beproefd met het tuig van den oorlog. Kom dan, stijg aan mijn zij op mijn wagen, opdat gij het zien moogt Wat ze beteeknen die paarden, herkomstig van Tros, en geoefend \'t Zij tot vervolgen, hetzij om ter vlucht op de vlakte te rennen. Zoo ook zullen zij weer in de veste ons redden, als wellicht 225. Zeus wil eere vcrleenen aan Tudeus\' zoon Diomedes.

Maar welaan, neem gij nu de zweep en de blinkende leidsels, Houd ze, indien ik den wagen verlaat om te staan in het strijdperk, Of — sta g ij hem te weer, en aan m ij dan de zorg voor de paarden. Doch daartegen hervatte de schittrende zoon van Lukaoon; 230. — Houd gij de leidsels zelf, Aineias, en stuur uwe rossen. Williger zullen zij toch in de hand des gewonen bestuurders Trekken den wagen indien ons tot vlucht soms dwingt Diomedes. Laten zij schuw en verward niet weigeren buiten het slagveld Weer ons te voeren, dewijl zij de stem niet hooren des meesters,

226. Zweep —

eigenlijk een lange staf zonder slag.

-ocr page 87-

79

vK\'n\'\'

Gansch doorbrak hij de holte en brijzelde beide de peezen, Rondom scheurde de huid door den kantigen steen, en de held zonk Nedergezakt op zijn knie en gesteund met de krachtige handpalm 310. Tegen den grond; en bet duister des nachts omlioersde zijn oogleen. Zoo waar\' zeker gesneuveld der volkeren koning Aineias,

Zag \'t niet spoedig de dochter van Zeus, Afrodite, zijn moeder, Welke hem baarde als zoon van den nmderenherder Anchises. Over den dierbaren zoon hare armen van lichtende blankheid 315. Strekkende, hield zij de plooien van \'t glanzend gewaad als een

[schutsmuur

Over hem heen, dat de speren der Danaërs vlug met hun rossen Niet doorboorden zijn borst en hem niet ontnamen het leven. Zoo onttrok de godin haren dierbaren zoon aan het strijdperk. Kapaneus\' zone intusschen verzuimde nu niet de bevelen 320. Welke hem gaf Diomedes, geducht in den woeligen strijdgahn. Zijwaarts rukte hij nu zijne enkelhoevige merries Buiten \'t gewoel, en hij bond aan den rand van den wagen de leidsels; Snel naar Aineias\' span glansharige merriën ijlend,

Dreef hij ze weg van de Trojers naar \'t heer der gepantserd\' Achaiërs, 325. Waar hij ze gaf aan zijn makker Deïpulos, \'t meeste hem dierbaar Onder zijns leeftijds mannen, en gansch eenstemmig van denkwijs, Ginds naar de welvende schepen ze henen te voeren: de krijgsheld Sprong toen weer op zijn wagen en vatte de glanzige leidsels. Haastig naar Tudeus\' zone zijn merriën krachtig van hoeven 330. Jagende; deze vervolgde met \'t wondende koper haar zoekend Kupris, dewijl hij haar kende als zwakke godinne en geenszins Eéne van zulke godinnen die \'t strijden der mannen besturen. Geen Athenaia en niet eene stedenbestormster Enuo.

Toen in het dichte gedrang haar de zoon van den dapperen Tudeus 335. Nauwer vervolgde, bereikte en vellend zijn speer op haar toestiet, Trof hij haar boven de palm van de teedere hand met zijn speerpunt. Aanstonds kwetste het wapen de huid en het voer door de plooien Heen van \'t ambrosiesch gewaad dat de - Chariten zei ven haar

quot;\'[weefden,

\'t Kaakte haar dicht bij de pols. \'t Onsterfelijk bloed der godes vloot, 34o. Goddelijk vocht, als er vloeit door de aadren der zalige goden.

330. Kupris: deze naam van Afrodite komt in dezen zang vaak, maar anders in de Ilias niet voor.

-ocr page 88-

80

Want geen graanvrucbt etend of drinkend het purperen druifnat, Zijn ze ook bloedloos en worden zij dus onsterflijk geheeten. Toen, met een lievigen kreet wierp Kupris haar zoon uit de handen. Doch nu greep hem en hulde hem reddende Foibos Apolloon ;\'45. Dicht in een donkere wolk, dat de Danaërs vlug met hun rossen Niet hem de borst doorboorden en zouden berooven van\'t leven. Luid riep toen Diomedes, geducht in den woelenden strijdgalm: —Wijk, Zeus\' dochter, terug van het woeden des krijgs en de slachting. Is \'t niet meer dan genoeg, dat gij krachtlooze vrouwen ten val brengt ? 350. Zoo gij u echter opnieuw in den krijg wilt mengen, dan, meen ik. Zal u de krijg doen siddren, al hoort gij van verre hem noemen.

Alzoo sprak hij; verward ontweek zij en \'t kwelde haar smartlijk. Iris met luchtigen voet ontvoerde haar toen van het slagveld, Onder haar pijnen gebukt en bezoedeld aan \'t heerlijke lichaam. «BB. Links van het slagveld vond zij vervolgens den vurigen Arcs Zitten; op nevelen rustten zijn lans en de vluchtige rossen.

Hier voor haar dierbaren broeder bedrukt op de knieën zich

[werpend,

Vroeg zij hem smeekend zijn rossen gesierd met den goudenen

[hoofdband:

— Dierbare hoeder, betoon mij uw hulp en verleen mij uw rossen, 3fio. Laat ten Olumpos mij gaan, alwaar d\' onsterflijken zeetien.

Smartelijk kwelt mij de wond, die een sterfelijk wezen mij toebracht, Tudeus\' zoon, die ten strijd zelfs Zeus zou tarten, den Vader.

Toen zij dit sprak, gaf Ares de paarden met goudenen hoofdband. Zij nu steeg op den wagen, met droevige smart in den boezem; 305. Dan, aan haar zij steeg Iris en greep met de handen de leidsels, \'t Span met de zweep aandrijvend, en \'t vloog aan den prikkel

[gehoorzaam.

Spoedig bereikten zij \'t huis van de eeuwigen, steilen Olumpos. Iris met luchtigen voet bracht toen hare paarden tot stilstaan. Maakte ze los van den wagen en gaf hun \'t ambrosische voedsel. 370. Daar zonk toen de godin Afrodite haar moeder Dione

Droef in den schoot, eu met vuur sloot deze haar kind in de armen. Streelde ze zacht met de hand, liefkoozend, en zei haar de woorden:

— Wie heeft zoo u behandeld, mijn kind, wie onder de goden Tastte u roekloos aan, als begingt gij een openlijk misdrijf?

375. Daarop zei de godinne, de glimlachlievende Kupris;

— Tudeus\' roeklooze zoon, die heeft mij verwond, Diomedes,

-ocr page 89-

81

Wijl ik mijn dierbaren zoon aan den strijd ontrukte en wegdroeg-, Mijn Aineias, mij verre van alle de andren het dierbaarst.

Niet meer tusscben Aebaiers en Trojers beweegt zich de oorlog, 380. Danacrs tarten ten strijd nu reeds onsterflijken zeiven.

Toen antwoordde Dione, de heerlijke onder godinnen:

— Moed, mijne dochter, verhef weer \'t hart, hoe diep gij gekrenkt zijt; Want zoo velen der onzen, d\' Olumpische zalen bewonend.

Hadden om menschen te lijden, met kwaad elkander vervolgend. 385. Zoo leed Ares, terwijl Efialtes en Otos, de reuzen,

Beiden Alóeus\' zonen, hem bonden met krachtige kluisters.

Dertien maanden gevangen, geboeid in het koperen vaatwerk. Was hij er zeker bezweken, de nooit te verzadigen strijder. Had, stiefmoeder van dezen, de schittrende Eëriboia 390. Hermes het niet doen weten, die Ares dan heimelijk wegstal.

Toen reeds kwijnden zijn. krachten, gedrukt door de wichtige

[kluisters.

Hera, zij duldde het ook, toen Amfitruoons krachtige zoon haar Hechts in den boezem verwondde met drievoud snijdende pijlspits; Toen had z\' ook voorwaar ondraaglijke smarten te lijden. 395. Zoo droeg Aïdes zelf, de geweldige, \'t vliegende pijlschot

Toen hem de zelfde, de zoon van den Aigisvoerder, ter neer wierp Onder de lijken in Pulos en smartlijken kwellingen prijs gaf.

Maar dan steeg hij ter woning van Zeus en ten grooten Olumpos . Treurig van hart en van pijn doorvlijmd, want \'t vluchtige pijlschot 400. Drong door zijn kraehtigen schouder en jammer vervulde zijn

[boezem,

Doch Paieoon legd\' op de wond smartstillende kruiden Welke hem heelden, dewijl geen sterfelijk leven zijn deel was. Stout en verschrikkelijk was hij en driest in het plegen van gruwlen, Hij wiens boogschot kwelde de goden d\'Olumpos bewonend. 405. Zulk eenen dreef ook Zeus\' klaaroogige dochter Athena

Tegen u aan; dien dwaas, want Tudeus\' zoon overwoog niet Hoe niet lang meer leeft alwie onsterflijken aantast,

Hoe hem zijn kinderen niet aan zijn knieën met „vaderquot; begroeten, Zoo hij te huis weer keert van den strijd en de vreeslijke slachting. 4io Daarom zij Diomedes bedacht, dat, geducht als hij zijn moog\'.

392. Amfitruoons zoon ia Horakles, eigenlijk Zcus\' zoon (zoo als luj ook 390 genoemd wordt) bij Amfitruoons vrouw.

o

-ocr page 90-

80

Want geen graanvrucht etend of drinkend het purperen druifnat, Zijn ze ook bloedloos en worden zij dus onsterflijk geheeten. Toen, met een hevigen kreet wierp Kupris haar zoon uit de banden. Doch nu greep hem en hulde hem reddende Foibos Apolloon «45. Dicht in een donkere wolk, dat de Danaers vlug met hun rossen Niet bem de borst doorboorden en zouden berooven van \'t leven. Luid riep toen Diomedes, geducht in den woelenden strijdgalm: —Wijk, Zeus\' dochter, terug van het woeden des krijgs en de slachting. Is \'t niet meer dan genoeg, dat gij kracbtlooze vrouwen ten val brengt ? 350. Zoo gij u echter opnieuw in den krijg wilt mengen, dan, meen ik, Zal u de krijg doen siddren, al hoort gij van verre hem noemen.

Alzoo sprak hij; verward ontweck zij en \'t kwelde haar smartlijk. Iris met lucbtigen voet ontvoerde haar toen van het slagveld, Onder haar pijnen gebukt en bezoedeld aan \'t heerlijke lichaam. 355- Links van het slagveld vond zij vervolgens den vurigen Arcs Zitten; op nevelen rustten zijn lans en de vluchtige rossen.

Hier voor haar dierbaren broeder bedrukt op de knieën zich

[werpend,

Vroeg zij hem smeekend zijn rossen gesierd met den goudenen

[hoofdband:

— Dierbare boeder, betoon mij uw hulp en verleen mij uw rossen, 3fi0. Laat ten Olumpos mij ga^n, alwaar d\' onsterflijken zeetien.

Smartelijk kwelt mij de wond, die een sterfelijk wezen mij toebracht, Tudeus\' zoon, die ten strijd zelfs Zeus zou tarten, den Vader.

Toen zij dit sprak, gaf Ares de paarden met goudenen hoofdband. Zij nu steeg op den wagen, met droevige smart in den boezem; 305. Dan, aan haar zij steeg Iris en greep met de handen de leidsels, \'t Span met de zweep aandrijvend, en \'t vloog aan den prikkel

[gehoorzaam.

Spoedig bereikten zij \'t huis van de eeuwigen, steilen Olumpos. Iris met lucbtigen voet bracht toen hare paarden tot stilstaan, Maakte ze los van den wagen en gaf hun \'t ambrosische voedsel. 370. Daar zonk toen de godin Afrodite haar moeder Dione

Droef in den schoot, eu met vuur sloot deze haar kind in de armen, Streelde ze zacht met de hand, liefkoozend, en zei haar de woorden:

— Wie heeft zóo u behandeld, mijn kind, wie onder de goden Tastte u roekloos aan, als begingt gij een openlijk misdryf?

375. Daarop zei de godinne, de glimlachlievende Kupris:

— Tudeus\' roeklooze zoon, die heeft mij verwond, Diomedes,

-ocr page 91-

81

Wijl ik mijn dierbaren zoon aan den strijd ontrukte en wegdroeg, Mijn Aineias, mij verre van alle de andren het dierbaarst.

Niet meer tussehen Achaiërs en Trojers beweegt zich de oorlog, 380. Danaërs tarten ten strijd nu reeds onsterflijken zeiven.

Toen antwoordde Dione, de heerlijke onder godinnen:

— Moed, mijne dochter, verhef weer \'t hart, hoe diepgij gekrenkt zijt; Want zoo velen der onzen, d\' Olumpische zalen bewonend,

Hadden om mensehen te lijden, met kwaad elkander vervolgend, :i85. Zoo leed Ares, terwijl Efialtes en Otos, de reuzen.

Beiden Alóeus\' zonen, hem bonden met krachtige kluisters.

Dertien maanden gevangen, geboeid in het koperen vaatwerk. Was hij er zeker bezweken, de nooit te verzadigen strijder. Had, stiefmoeder van dezen, de schittrende Eëriboia S90. Hermes het niet doen weten, die Ares dan heimelijk wegstal.

Toen reeds kwijnden zijn. krachten, gedrukt door de wichtige

[klwisters.

Hera, zij duldde het ook, toen Amfitruoons krachtige zoon haar Rechts in den boezem verwondde met drievoud snijdende pijlspits; Toen had z\' ook voorwaar ondraaglijke smarten te lijden.

395. Zoo droeg Aides zelf, de geweldige, \'t vliegende pijlschot

Toen hem de zelfde, de zoon van den Aigisvoerder, ter neer wierp Onder de lijken in Pulos en smartlijken kwellingen prijs gaf.

Maar dan steeg hij ter woning van Zeus en ten grooten Olumpos . Treurig van hart en van pijn doorvlijmd, want \'t vluchtige pijlschot -ion. Drong door zijn krachtigen schouder en jammer vervulde zijn

[boezem.

Doch Paieoon legd\' op de wond smartstillende kruiden Welke hem heelden, dewijl geen sterfelijk leven zijn deel was. Stout en verschrikkelijk was hij en driest in het plegen van gruwlen, Hij wiens boogschot kwelde de goden d\'Olumpos bewonend, tos. Zulk eenen dreef ook Zeus\' klaaroogige dochter Athena

Tegen u aan; dien dwaas, want Tudeus\' zoon overwoog niet Hoe niet lang meer leeft alwie onsterflijken aantast,

Hoe hem zijn kinderen niet aan zijn knieën met „vaderquot; begroeten, Zoo hij te huis weer keert van den strijd en de vreeslijke slachting. 4io. Daarom zij Diomedes bedacht, dat, geducht als hij zijn moog\'.

392. Amfitruoons zoon is Horaldos, eigenlijk Zcus\' zoon (zoo als hij ook 390 genoemd wordt) bij Amfitruoons vrouw.

o

-ocr page 92-

82

Niet er een andere sterker dan gij met hem kome te strijden, Zoo dat Adrestos\' dochter, verstandige Aigialeia,

Jammrend geschrikt uit den sluimer en wekkend\'t gezin hares huizes, Niet naar den man van haar jeugd lang smachte, den besten Achaiër, 415. d\'Edele vrouw van den held, Diomcdes den rossenbedwinger.

Alzoo sprak zij en wischte haar wonde met beide de handen. Spoedig genas hare hand en bedaarde de smartlijke kwelling. Doch toen Athena en Hera bemerkten hetgeen haar geschied was, Gingen zij Kronos\' zoon aanzetten met spottende woorden. 420. Zoo dan sprak de godin, klaaroogige Pallas Athena:

— Zoudt gij verstoord op mij zijn, Zeus Vader, om \'t geen ik

[u toespreek?

Vast heeft Kupris er eene verlokt van \'t Achaïsche vrouwvolk Mee naar de Trojers te gaan, zoo hevig bemint zij ze immers; Zoo, eene sierlijk gekleede Achaïsche vleiend en strookend, 425. Kreeg hare teedere hand eene schram van de goudene gesptong. Toen zij dit sprak glimlachte de Vader der menschen en goden. Riep Afrodite de gulden godin dan tot zich en zei haar:

— IJ niet is het gegeven, mijn dierbare dochter, het krijgswerk; Maar wijd gij uwe zorg aan de lieflijke werken der echtvreugd,

430- \'t Andere worde aan Ares den sterke betrouwd en Athena. Zoo nu bespraken er dezen te zaam zoodanige zaken.

Maar Diomedes, geducht in den strijdgalm, drong naar Aineias, Schoon hij het zag, hoe zelf met zijn handen hem dekte Apolloon. Doch hem beving geen schroom voor den machtigen god, en begeerig 435. Zocht hij Aineias\' dood en den buit van zijn heerlijke wapens. Driemaal viel hij hem aan, met den vurigen wil hem te dooden, Driemaal stootte met kracht op het blinkende schild hem Apolloon. Maar nu hij nochmaals stormde, in sterkte gelijk aan een godheid, Klonk hem het dreigende woord van den treffer van verre Apolloon: 44,0. — Wacht u, Tudeus\' zoon, ontwijk mijne hand en verlang niet Goden gelijk u te wanen, dewijl niet eender van afkomst Zijn d\'onsterflijke goden en \'t aardebewandlende menschdom.

Alzoo sprak hij; en even gedeinst ontweek Diomedes,

Zoekend den toorn te vermijden des treffers van verre Apolloon. 445. Ver van de woeling Aineias vervoerende bracht hem Apolloon Weg naar zijn tempel, gebouwd waar Pergamos\' heilige vest rijst. Daar nu verpleegden hem Leto en Artemis fier met het pijlschot Binnen het heiligst vertrek en herstelden zijn bloeiende krachten.

-ocr page 93-

83

Doch nu maakte de god met den zilveren boog eene beeltnis 450. Gansch aan Aineias gelijk, als bekleed met zijn eigene wapens, \'t Was om dit beeld nu heen dat de Trojers en dappre Achaiërs Woest elkander bestookten, de borsten beschut door de beuklaars Rond en met huiden bekleed en de zwaaiend bewogene rondas. Foibos Apolloon sprak nu tot Ares den woedenden strijder: 455, — Ares, o Ares, gij slachter van volk, muurslooper, van bloed

[rood,

Zoudt gij dien man nu niet van het slagveld willen verwijdren, Tudeus\' zone, die thans wel Zeus zou durven bestrijden?

Want eerst gaf hij aan Kupris een schampende wond aan de

[handpalm.

Daarna ging hij mij zeiven te lijf met de kracht van een demon. 460, Alzoo sprekend hernam hij zijn zetel op Pergamos\' hoogten. Ares bezielde de Trojers opnieuw, de gelederen doorgaand, Akamas\' wezen gelijkend, den dapperen Thrakischen veldheer. Priamos\' godlijke zonen vermanende klonk hun zijn roepstem:

— Zonen van Priamos, telgen des Zeus ontstammenden konings, 4fi5, Hoe lang geeft gij het volk noch prijs aan de hand der Achaiërs ?

Wellicht noch tot zij strijden tot dicht bij de stevige vestpoort? Ginds toch ligt hij, de man dien wij hoog, als den godlijken Hektor, Eeren, Aineias, de zoon des verhevenen vorsten Anchises. Op dus! d\' edelen makker gered uit het woelen der slachting! 470. Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust. Schamper berispte intusschen Sarpedoon godlijken Hektor:

— Hektor, waarheen vlood nu de moed die u vroeger bezielde? Immers, gij roemdet de stad te beveiligen zonder verbondnen. Zonder het volk, alleen met uw eigene broeders en zwagers.

475. Daarvan kan ik er thans geen enkele zien of bespeuren.

Maar, als de honden verschrikt voor een leeuw, zoo schuilen zij

[angstvol.

Doch wij strijden, ofschoon alleen als verbondenen meedoend. Immers ik zelf kwam mede van ver als verbondene herwaarts. Lukië toch ligt ver bij den dwarrelend stroomenden Xanthos; Waar ik mijn lieflijke gade verliet en mijn jeugdige kindren. Ook veel schatten, voor elk die ze moet ontbeeren begeerlijk. Echter beziel ik ten strijde mijn Lukiërs; zelf in het strijdperk Wenschend te vinden mijn man; toch zijn hier geenerlei zaken Welke mij ooit een Achaiër geroofd noch henen gevoerd heeft.

4S0

-ocr page 94-

84

485. Doch gij blijft daar stil, eu gij wekt ook niet door vermaning D\'anderen op om te staan en met moed te beschermen de vrouwen. O! dat gij niet, als in banden gekneld van het grijpende slagtouw, Wellicht \'s vijands mannen tot prooi moogt worden en krijgsbuit; Spoedig verwoesten zij toch uwe stad zoo bloeiend en volkrijk. 490. Doch ü past het dit alles bij nacht en bij dag te bedenken,

Hoe gij de hoofden van \'t heer dat uit verre gewesten te hulp toog Smeekt standvastig te zijn, en de scherpe verwijtingen nalaat.

Dus Sarpedoons taal en zijn woord stak \'t harte van Hektor. Aanstonds toen met zijn wapens ter aard\' uit den wagen gesprongen, 495. Ging hij de puntige speren verheffend en zwaaiend door \'t krijgsheer, Allen ten strijd aandrijvend, en wekte den gruwzamen veldslag. Daarop keerden de drommen en stelden zich tegen d\' Achaiërs. Maar dicht samengeschaard stond \'t heer der Argeiërs en weck niet. Zoo als de adem des winds jaagt \'t kaf door den heiligen dorschvloer *00. Onder het schudden der wan, als de blonde Demeter de graanvrucht Zuiverend scheidt van het kaf, dat verstuift voor den blazenden

[luchtstroom;

Dan hoopt \'t witte gestuit zich van onderen saam op den bodem; Aldus werden d\' Achaiërs bedekt en als wit door de stofwolk Onder de voeten der rossen ten koperen hemel gedwarreld, 505. Toen zich hernieuwde \'t gewoel; weer zwenkten de drijvers den

[wagen;

D\' aanval zetten zij door met geweld; maar heftige Ares Hulde, de Trojers beschermend, het slagveld gansch in een nachtfloers. Overal ging hij in \'t rond, volvoerend wat Foibos Apolloon, God met het goudene zwaard, aan hem opdroeg, toen hij hem aandreef 510. \'t Hart van de Trojers te wekken ten strijd, daar hij Pallas Athena Had zien gaan, hare hulp aan het heer van de Danaërs brengend. Nu deed Foibos Aineias des tempels binnenste sehatzaal Uitgaan, sterkte verleenend aan \'t hart van den herder der volken. Thans stond weder Aineias zijn makkers ter zijde; en blijdschap 515- Gaf het hun, toen zij hem levend er zagen in krachtigen welstand, \'t Hart vol wakkeren moed; doch elk onthield zich van vragen; Dit toch liet hun het werk niet toe dat er wekten Apolloon, Arcs de menschenverdelger en d\' immer begeerige Eris.

Doch thans dreef Diomedes, het Ajaspaar en Odusseus 520. Mede hun Danaërs aan tot den strijd; maar reeds uit hen zeiven Vreesden zij noch het geweld noch\'t stormen der strijdende Trojers,

-ocr page 95-

85

Maar pal hielden zij Bland, aan de wolken gelijk die Kronioon Onder \'t bedaren des winds op de kruinen der bergen te rust legt, Koerloos, als Boreas\' kracht noch slaapt, en der andere winden, 52». Stormende winden, die later de schaduwwerpende nevels Onder hun luide gebulder verstrooien met blazenden adem. Zoo stond tegen de Trojers het heer der Achaiërs en week niet. Maar de Atreide vermaande met gloed, de gelederen doorgaand: — Weest nu mannen, mijn vrienden, en sterkt u het harte met

[strijdlust,

53(i. Wcest elkander tot eer in den heftigwoelenden veldslag,

Want van een volk dat zich eert zijn mcerdren gered dan gevallen. Maar van de vluchtenden komt noch roem noch eenige redding, Alzoo sprak hij en wierp zijne speer, en den voorsten der mannen. Vriend van den eedlen Aineias, Deïkoöon, wondde zijn speer worp, 535. Pergasos\' zoon, dien de Trojers als Priamos\' telgen vereerden. Toen hij zich ijlings vóór aan de spits van de strijders gesteld had. Dezen nu trof met de speer op zijn beukelaar vorst Agamemnoon, Maar \'t schild weerde de speer niet af en het puntige koper Drong tot het binnenste, diep in den buik, doorklievend den gordel. 510. Bonzend dreunde zijn val en zijn wapens omkletterden \'t lichaam. Doch thans velde Aineias der Danaërs dapperste manschap, Krethoon nevens zijn broeder Orsilochos, zoons van Diokles. Deze, hun vader, bewoonde het stevig gemetselde Fere,

Kijk aan degoedren des levens, terwijl zijn geslacht van den stroomgod 545. Stamde, Alfeios, die breed doorstroomt de gewesten van Pulos. Deze gewan zich ten zone Orsilochos, koning van velen,

Wijders gewan ook deze Orsilochos d\'eedlen Diokles,

Wien toen werden geboren de tweelingbroederen, Krethoon Nevens Orsilochos, beiden ervaren in lederen kampstrijd. 550. Dezen nu waren in \'t prille der jeugd op de zwarte galeien Argos\' leger gevolgd naar het veulenskweekende Troja,

Zoekend voor Atreus\' zoons, Menelaos en vorst Agamemnoon, Roem te verwerven; hen beiden bedekte het doodelijk duister. Zoo als een tweetal leeuwen in. \'t hooge gebergte, als welpen 555. Onder de moeder gevoed in het diepst van het bosch en het struikhout: Saam nu rooven zij buit van de runders en \'t bloeiende wolvce, Plundren de perken der herders, zoo lang tot zij zelve bezwijken Onder de handen der menschen, gedood door het vlijmende koper. Dus ook werden zij beiden geveld door de hand van Aineias,

-ocr page 96-

86

560. Stortten zij neer, in hun val twee rijzige dennen gelijkend.

Deernis wekte hun dood in het hart van den held Menelaos; Midden in \'t voorste gevecht, in het blinkende koper gewapend Drong hij en zwaaide de speer; hem prikkelde Ares den strijdlust, Wijl hij beraamde hem hier door de hand van Aineias te dooden. 505. Toen hem Antilochos speurde, de zoon van den dapperen Nestor, Ging hij te midden der voorsten, bezorgd dat den voikerenherder Eenige ramp mocht treffen en vruchtloos maakte hun arbeid. Beiden verhieven zij reeds in hun handen de puntige lansen Tegen den ander geveld, en begeerig ten vurigen tweekamp; 570. Echter, Antilochos bleef steeds dicht bij den herder der volken. Doch thans deinsde Aineias terug, hoe kloek hij ten strijd waar\'. Toen hij er beide die mannen bezag, elkander ten schutsweer. Zij nu sleepten intusschen de dooden naar \'t heer der Achaicrs Waar z\'aan der makkers hand toewierpen het jammerlijk tweetal; 575. Doch zelf streefden zij weer naar het voorste gewoel van den

[veldslag.

Daar overweldigden beiden Pulaimenes, Arcs gelijkend,

Vorst van een heir Paiiagonen, dc dappren met schilden gewapend. Atreus\' zoon Menelaos, de loflijke held met de speren,

Kaakte hem staand op zijn wagen en wondde hem voor in den

[schouder;

580. Dappre Antilochos trof diens wagenbestuurder en makker Mudoon, edelen zoon van Atumnios, toen hij de rossen Wendde; zijn elboog wondde in \'t midden een kei, en de leidsels, Blinkend van elpen beslag, ontvielen in \'t stof aan zijn handen. Toen, hem bestormende, hieuw hem Antilochos over het slaapbeen. 585. D\'adem vlood en hij viel uit den sierlijk bearbeiden wagen

Hals over kop in het stof neerstortend op schedel en schouder. Zoo dan bleef hij een pooze, dewijl hij in mulligan zandgrond Viel, tot hem gansch in het stof deed storten een ruk van de paarden, Welke Antilochos zweepte en joeg naar liet heer der Achaicrs. 590. Doch in der scharen gewoel hen bespeurende, stormde nu Hektor Tegen hen los met geschreeuw, en hem volgden de drommen der Trojers Moedig en sterk; hen bestierde met Ares de grootsche Enuo, Zij wier handen beschikken het woeste getier van de slachting; Ares de reuzige speer rondzwaaiend met beide zijn vuisten, 595. Waarde om Hektor heen, dan voor, dan weder hem volgend.

Dezen bespeurde met schrik Diomedes geducht in den strijdgalm.

-ocr page 97-

87

Zoo als een man, die betreedt wijd strekkende velden, besluitloos Staat aan den oever der snelle rivier die zijn wateren zeewaarts Stuwt, als hij \'t schuimend geruisch daar ziet, op zijn schreden

| terugkeert,

coo. Zoo trok Tudeus\' zoon zich terug en bij sprak tot zijn krijgsvolk; — Vrienden, verbaast het ons noch als wij zien in den godlijken

[Hektor

Zulk eenen held in het zwaaien der speer en geweldigen krijgsman ? Hem helpt steeds van de goden er éen, die het lot van hem afweert. Nu ook hoedde liem Arcs, een sterflijken strijder gelijkend, cos. Daarom, laten wij, \'t oog op de Trojers naar achter gevestigd, Wijken en rechtstreeks niet met de goden verlangen te kampen.

Zoo sprak deze; intusschen beklemden de Trojers hen nauwer. Hektor sloeg twee mannen ter neer, in het strijden ervaren. Saam een wagen berijdend, Anchialos nevens Menestbcs. oio. Deernis wekte hun val bij den held Telamonios Ajas.

Dichter hen naderend, stond hij en zwaaiend de blinkende werpspies Trof hij Amfios, den zone van Selagos, wonend in Paisos,

Rijk in verschillende have en vruchtbare velden. Het noodlot Dreef hem om Priamos hier en zijn zonen te leenen zijn bijstand. gis. Ajas Telamoons zoon nu raakte hem dicht bij den gordel,

Zóo dat hem onder in \'t lijf bleef steken de rijzige werpspies. Dreunend bonsde zijn val; toen ijlde de schittrende Ajas \'t Wapengerei hem te rooven; de Trojers wierpen hun speren Puntig en flikkrend in \'t rond, en het schild weerstond er een aantal. Toen, met zijn hiel op het lijk, ontrukte hij \'t koperen wapen; Maar hij vermocht niet verder den doode de sierlijke rusting Ook van zijn schouders te trekken, benard door het vliegende

[werptuig.

Daar hij den aandrang vreesde der fel omsinglcndc Trojers, Nu zij, de speren gereed, hem in menigte dapper bedreigden. Ja, hoe groot en geweldig hij was, hoe treflijk en roemrijk.

Zelfs tot den aftocht dwongen; hij deinsde bevangen van siddring.

Aldus ijverden dezen met moed in den woelenden veldslag, \'t Machtige lot nu noopte Tlepolemos, zoon van Herakles,

Groot van gestalte, ten strijd met den godengelijken Sarpedoon. 630. Toen zij in stormenden loop elkaar dicht waren genaderd,

D\'eene de kleinzoon, d\'andre de zoon van den Wolkenverzaandaar. Sprak Tlepolemos eerst, tot den andere richtend zijn woorden:

620,

025.

-ocr page 98-

88

— Wat, o Sarpedoon, heerscher in Lulde, heeft u genoodzaakt Hier vol vreeze te komen; een man onkundig in \'t krijgswerk? (.;s5, Valsehelijk wordt gij gehecten des aigisvoerenden Zeus\' zoon. Wijl er u veel ontbreekt van den moed dier andere mannen, Onder de oudre geslachten van Zeus ontleenend hun afkomst. Anders was naar de sage Herakles\' machtige grootheid.

Mijns kloekmoedigen vaders, een leeuw van geweldigen krijgsaard, C40. Toen hij voorheen hier kwam, om Laomedoons paarden te eischen. Slechts van een zestal schepen en weinige mannen verzelschapt, Ilios\' vest ontvolkte en eenzaam maakte zijn straten.

Maar gij zijt lafhartig van aard, en uw volken bezwijken; Geenszins dunkt het mij zal het den Trojcrs tot eenige hulp zijn 645. Zoo gij van Lulde kwaamt, al waart gij een dapperder krijgsman, Doch, door mijn handen geveld, naar de poorten van Aides afdaalt.

Toen antwoordde hem weder de Lukische heerscher Sarpedoon: — Zeker, Tlcpolemos, deze verwoestte het heilige Troja,

Maar door des edelen helden Laomedoon eigene dwaasheid, 050. Daar hij met smaadlijke woorden den man ontving die hem weldeed. Zonder de paarden te geven, het doel van zijn moeizamen reistocht. Maar hier, zeg ik u, worden de dood en het sombere sterflot U uit mijn handen ten deel, en gij zult, door mijn speer overweldigd Mij hier laten de eer, rosdvvingenden Aïdes \'t leven.

655. Dus Sarpedoons woorden; Tlepolemos echter verhief reeds D\'esschene schacht; te gelijk ontvlogen de rijzige speren Daar aan hun hand; toen trof Sarpedoons wapen den vijand Voor in den hals, dat van achter de smartende spitse er uitdrong; Over zijn oogleen breidde de donkere nacht zijne schaduw. 660. Maar Tlepolemos\' speer, Sarpedoon links aan het dijbeen

Treffende, drong recht door met het fel voortstrevende koper Gansch door \'t gebeent; Zeus echter zijn vader verhoedde zijn

[uiteind.

Daarop droegen zijn makkers den godlijken strijder Sarpedoon Buiten het slagveld weg, maar \'t slepende hout van de werpspies 665 Drukte hem zwaar, wijl geen in der ijle het zag of bedacht had D\'esschene speer, dat hij zelf kon gaan, uit de dij hem te rukken; Zoo veel moeite verschafte het werk aan zijn helpende makkers.

Doch Tlepolemos droegen d\'Achaicrs met stevige scheenplaat Hunnerzijds uit den slag; maar d\'edele strijder Odusseus, 670. Steeds onwrikbaar, zag het, en woede vervulde zijn boezem.

-ocr page 99-

89

Dus overwoog hij in hart en in geest, zich een wjjle bedenkend, \'t Zij nu eerst te vervolgen den zoon des geweldigen Dondraars, \'t Zij noch meerdere mannen van Lukic\'s volken te dooden.

Maar dit legde het lot niet weg voor den grooten Odussens, Ms. Zeus\' roemruehtigen zoon te verslaan met liet puntige koper. Tegen de Lukiërs echter verhoogde Athena zijn strijdkracht; Koiranos doodde hij daar, en Alastor en Chromios trof hij,

Ilalios voorts en Alkandros, en Prutanis nevens Noëmoon.

Noch meer Lukiërs had hij gedood, de verheven Odusseus, «so. Zoo niet snel hem bespeurde de helmboswuivende Hektor.

Onder de schaar voorvechters in \'t blinkende koper gewapend. Trad hij, d\'Achaicrs ten schrik; maar vreugde vervulde Sarpedoon Zeus\' zoon, toen hij verscheen, en hij zeide met jammrende woorden: — Laat mij, o Priamos\' zoon, niet hier tot een roof der Achaiërs 685. Liggen, en kom mij te hulp; ontvliede mij later het leven

Binnen nw stad daarginds; wijl mij toch nimmer vergund wordt Huiswaarts wedergekeerd in het dierbare land van mijn vaadren Daar mijne lieflijke vrouw en mijn jeugdigen zoon te verheugen.

Aldus sprak hij: hem zeide de helmboswuivende Hektor Niets, maar spoedde voorbij, zich bemoeiende hoe hij het spoedigst Argos\' drommen terug zou slaan en er velen ter dood bracht.

Maar den verhevenen held Sarpedoon legden zijn makkers Onder den prachtigen eik, aan den Aigisvoerder geheiligd. D\'esschene speerschacht trok hem nu daar uit de wonde des dijbeens 61)4. Pelagoon d\'edele held, en hem lief als de trouwste der vrienden. Toen ontzonk hem de adem en duister bedekte zijn ooglecn; Doch weer aamde hij op, en de koelende wind van het Noorden, Over hem wuivende, schonk weer kracht aan den hijgenden boezem. Echter, door Arcs bekneld en den kopergepantserden Hektor, ipl? Waren d\' Argeiërs noch naar de donkere schepen geweken, 1 Noch naar voren gestreefd in den strijd, maar trokken zich allengs Kugwaarts, toen zij vernamen dat Ares de Trojers ter zij stond.

Wien ontroofde het eerst, wien verder zijn wapens en rusting Hektor Priamos\' zoon vergezeld van den koperen Ares?

Teuthras den godengelijke, den rossenbestuurder Orestes, Wijders Oinómaos, voorts den Aitoliër Trechos den speerheid, Helenos Oinops\' zoon, en Oresbios, lenig van gordel.

Wonend in Hule, met zorg zijne rijke bezittingen hoedend, Tegen het meer van Kefisis geleund, naast wien hunne woonstee

-ocr page 100-

90

710. Andre Boiotiërs hadden, de vruchtbare gouwen bezittend.

Doch toen daar de godin blankarmige Hera bespeurde Al die mannen van Argos, geveld in de vreeslijke slachting, Sprak zij gewend tot Athena terstond de gevleugelde woorden; — Wee, ondwingbare dochter des aigisvoerders Kronioon, 715. IJdel gewis was \'t woord, dat wij eens Menelaos beloofden \'t Stevige Ilios ganschlijk verwoestende zoude hij heengaan. Zoo wij den machtigen Ares vergunnen dit hevige woeden. Kom dus, laten wij zelf ook zinnen op krachtigen weerstand. Zoo sprak Hera; haar volgde bereid klaaroogdc Athena. 720. Hera begon met de paarden te tuigen in \'t goudene hoofdstel. Zij d\'eerwaarde godin, ontsproten den machtigen Kronos. Weerzijds stak aan den wagen dan Hebe de koperen wielen Cirkelrond, achtspakig, om d\'ijzeren as zich bewegend;

Daaraan zitten de gouden en stevige velgen, en rondom 725. Loopt er een koperen band, vast sluitend, een wonder van schoonheid! Weerzijds zijn om de as ronddraaiende naven van zilver, \'t Voertuig rust met den bak op de gouden en zilveren riemen. Twee rondloopende stangen omgeven den wagen, en vooraan Strekt zich de zilveren dissel; op dezen nu bond zij aan\'t uiteind 730. \'t Gouden en sierlijke juk, om hetwelk zij de riemen dan heenwierp Blinkend van gouden versiersel; en toen drong Hera in \'t juktuig \'t Span snelvoetige paarden en haakte naar \'t stormige slagveld.

Doch Athenaia, de dochter van Zeus den bestuurder der aigis. Liet aan des vaders drempel het fijne gewaad van de schouders 736. Glijden, het kleurige kleed, van haar eigene handen bearbeid. Toen in het pantser zich hullend des wolkenbestuurders Kronioon Rustte zij verder zich toe tot den tranenverwekkenden oorlog. Over haar schouderen wierp zij de aigis met zwierende kwasten. Vreeslijk, aan alle de zijden in\'t rond omkransd met verschrikking; 740. Daar op troonde de strijd, en verwering en felle vervolging.

Daar stond \'t hoofd van de Gorgo geheeld, het verschrikkelijk

[monster.

Vreeslijk en ijzig, het toeken des aigisvoerenden Vaders.

Verder bedekte zij \'t hoofd met den helm, vierkammig omfladderd, Gouden, versierd met de strijders van honderd steden, als beeld-

[werk.

745. Haastig den vlammenden wagen bestijgende, greep zij de werpspies Groot, veerkrachtig en zwaar, waarmee zij de scharen der helden

-ocr page 101-

91

Dwingt, als zij tegen hen toornt, zij telg des geweldigen Vaders. Hera nu noopte de paarden tot spoed met den knellenden zweepstaf. Thans ontsloot zich van zelve des hemels poort, die de Horen 750. Hoedden, belast met de zorg om aan \'t hemelgeweJf en d\'Olumpos Donkere wolken te spreiden of \'t nevelenfloers te verwijdren. Daar door dreven zij thans hare rossen gespoord door den prikkel. Kronos\' zoon, alleen van de andere goden verwijderd,

Vonden zij hoog op den top van den kantig bekruinden Olumpos. 755. Daar weerhield de godin, blankarmige Hera, de paarden,

liiclitend tot Zeus hare vraag, den verhevenen zone van Kronos: — Zal, Zeus Vader, dit werk van geweld niet wekken uw wrevel, Daar nu Ares verdelgt dit voortreflijke volk der Aehaiërs,

Driest, doch tegen de orde, mij zelve tot smarte? en Kupris 7Co. Kan met Apolloon saam zich gerustlijk verheugen, den woestling Vrij tot zijn werk aanvuren, die niets eerbiedigt dat recht is. Zoudet gij wel, Zeus Vader, vertoornd op mij zijn, als ik Ares Onder geweldige slagen misschien doe ruimen het strijdperk? Toen antwoordde en zeide de wolkenbestuurder Kronioon: 765. — Welaan, zend op hem af Athenaia, de schenkster van krijgsbuit. Haar die het hevigst hem pleegt met haar kwellende slagen te

[treffen.

Zoo sprak Zeus; de godin blankarmige Hera zijn woorden Volgende, zweepte de rossen dan voort; en zij vlogen gehoorzaam Tusschen het aardrijk door en het starrengewelf van den hemel. 770. Zoo ver heen als in \'t neevlig verschiet het gezicht van een

[man reikt

Boven den uitkijk zittend, het oog naar het, purperen zeevlak, Zoo ver reiken de sprongen der brieschende paarden van goden. Doch nu zij kwamen bij Trqja\'s gewest en het dubbele stroombed Waar zich des Simoeis\' golven vereenen met die des Skamandros, 775. Bracht zij haar rossen tot staan, de godin blankarmige Hera, Maakte ze los van den wagen, en rondom spreidde zij nevels; Simoeis deed er hun toen ontspruiten \'t ambrosische voeder.

Zij nu gingen, in tred twee schuchtere duiven gelijkend, \'t Hart van verlangen bewogen om Argos\' mannen te helpen; ïso. Maar als zij kwamen ter plaats waar verre de meesten en kloeksten Stonden om held Diomedes, den machtigen wagenbestuurder, Samengeschaard, en gelijkend op bloedig verslindende leeuwen \'t Zij aan de everzwijnen gelijk, zoo toomeloos krachtig.

-ocr page 102-

92

Hield zij er stand, dc godin blankarmigc Hora, en schrccuwdc 785. Stentor gelijkend, den dappre, geducht door zijn koperen stemklank. Hem wiens kreet weerklinkt als van vijftig andere mannen: — Schande! Argeicrs, gij boozen, ofschoon nitwendig zootrefiijk; Zoo lang noch in het strijden zich mengde de godlijk\' Achilleus, Waagden de Trojers het nooit uit de poort der Dardanische vesting 7U0. Buiten op \'t veld zich te toonen, uit schrik voor zijn vreeslijken

[speerworp

Doch nu strijden zij ver van de stad bij de holle galeien.

Aldus sprekende deed zij bij ieder herleven den kamplust. Doch Athcnaia begaf zich met spoed naar den zone van Tudeus. ü\'edelen koning vond zij, ter zij van zijn paarden en strijdkar, T\'JS. Bezig zijn wonde te koelen, geslagen door Pandaros\' pijlspits. Want hem benauwde het zweet door den breeden en drukkenden

[draagband

Zwaar van het welvende schild; en de arm was moede en krachtloos. Dus ontbond hij de riemen en wischte den donkeren bloedstroom. Doch tot hem sprak de godin, met de hand op het juk van zijn

[rossen:

8oo. — Weinig gelijkt op don vader de zoon ontsproten aan Tudeus; Klein was Tudeus slechts van gestaltenis, — echter een krijgs-

[man.

Schoon ik hem eenmaal zelfs niet wilde vergunnen te strijden Schittrend in al zijnen moed, als hij heentoog zonder d\'Achaiërs, Kondschap brengend te Thebe, te midden der vele Kadmeërs, 805. Wijl ik hem last gaf rustig het maal in hun woning te deelen; Echter behield hij als vroeger, zijn eigenen dapperen krijgsaard. Daar hij dc jeugd uitdaagde, verwinnend in iederen wedstrijd. Lichtelijk, zulk eene kracht gaf dezen mijn machtige bijstand. Trouwens, ik sta u mede beschermend ter zij en bewaak u, 810. U ook maan ik en roep ik ten wakkeren strijd met de Trojers. Maar uwe leden verslapte misschien d\'afmattende arbeid, Of ontmoedigend stremt u dc vrees; wis toont gij u voortaan Tudeus\' telg niet meer, van dien zone des strijdbaren Oineus. Toen antwoordde haar weer dc geweldige held Diomedes: 815. — Ja, ik herken u godin, gij dochter des Aigisbestuurders;

Vrij dus durf ik u zeggen en zonder u iets te verhelen.

Geen ontmoedigend vreezen bevangt mij het harte, of traagheid. Maar noftkben ik \'t bevel, mij te voren gegeven, gedachtig.

-ocr page 103-

93

Want gij vergundet mij niet met de zalige goden te strijden, 820. Naamlijk de anderen, rnaar als de dochter van Zeus, Afrodite, Kwam in den strijd, haar mocht ik verwonden met \'t puntige

[koper.

Daarom week ik nu zelf uit den strijd en gelastte den andren, Argos mannen, zich allen naar herwaart samen te trekken.

Want ik bespeurde, dat Ares den slag aanvoerende rondwaart. 825. Daarop sprak de godin klaaroogige Pallas Athena:

— Tudeus\' zoon Diomedes, in welken mijn harte zijn vreugd heeft, Wees gij dan niet langer voor Ares bevreesd en voor niemand Onder de eeuwige goden, zoo machtig verschijnt u mijn bijstand. Kom, en op Ares het eerst d\' eenhoevige paarden gedreven, 830. Dan, dichtbij hem geraakt, geen vrees voor den vurigen Ares, Woest, \'t voleindigde kwaad, nu d\' een dan d\'andcre helpend. Hem die mij vroeger en Hera met vaste beloften betuigd had. Tegen de Trojers te strijden en \'t heer der Argeiërs te steunen, Doch in de rijen der Trojers zich schaart, nu d\' andreu vergetend. 835. Aldus sprekende, dreef zij, terwijl hare hand hem terugdrong, Sthenelos weg van den wagen, en ijlings sprong hij ter aarde. Zelve besteeg zij den wagen ter zij van den held Diomedes, Vurig ten strijd; luid kraakte de eiken as van de strijdkar Onder het wicht der gevreesde godin en den dappersten krijger. 840. Pallas Athena nu vatte de zweep en de teugels en aanstonds Jaagde zij Ares het eerst te gemoet \'t eenhoevige tweespan. Deze nu roofde de wapens van reuzigen Perifas\' lichaam, Dappersten held der Aitolers, Ochesios\' lotlijke afkomst, \'t Krijgstuig roofde hem Ares, de bloedige; maar Athenaia 845. Dekte met Aïdes helm zich, voor Ares\' oog haar verbergend. Toen nu de moordende Arcs, den held Diomedes in \'t oog kreeg. Liet hij er Perifas liggen, in \'t stof, dien reuzigen krijgsman. Eerst den verslagenen held ontnemend den adem des levens. Doch dan zocht hij met drift Diomedes den rossenbedwinger. 850. Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd.

Strekte zich Ares naar voren en over het juk en de teugels Ver met zijn koperen speer, vol vuur hem het leven te rooven; Maar snel greep ze zijn speer, de godin klaaroogde Athena,

845. Den onssiohtbaarmakende helm van Aïilns vindt men terug in de Ger-maansche sage, de Tarnkappe of\' nevelhelm.

-ocr page 104-

94

Stootte ze weg van den wagen en vruchteloos viel zij ter zijde. 855. Daarna wierp op zijn beurt Diomedes, geducht in den strijdgalm, \'t Puntig gekoperde wapen; dit dreef nu Pallas Athena Tegen het weeke des buiks, bij den band dien hij gordde om

[\'t middel.

Daarin trof hij en wondde, de blinkende huid hem verscheurend. Toen onttrok hij de speer aan de wond, en de koperen Ares 860. Brulde zoo luid als negen- of tienmaal duizenden mannen

Schreeuwen op \'t oorlogsveld, die zich menglen in stormenden aanval. Siddering maakte zich meester van alle Achaiërs en Trojers, Vreeze beving ze, zoo luid was \'t brullen des Moedigen Ares. Zoo als een donkere wolk uit de pakkende nevelen opstijgt, 865. Wen zich in drukkende hitte verheffen de loeiende stormen. Zoo scheen Ares\' verdwijnen aan Tudeus\' zoon Diomedes,

Toen hij in wolken gehuld in de ruimte des hemels omhoog voer. Ijlings ging hij ten zetel der goden, den steilen Olumpos,

Zette bij Kronos\' zoon hij zich neer, in het harte bekommerd, 870. Wees \'t onsterfelijk bloed uit de wonde gestroomd, en in weeklacht Wild uitbarstende sprak hij tot Zeus de gevleugelde woorden:

— Wekt, Zeus Vader, het zien van die gruwelen niet uwen wrevel? Altijd hebben wij goden het sehriklijkste immers te dulden, D\'een door des anders bedrijf als wij gunst aan de menschenbetoonen.

875. U valt aller bestrijding ten deel door uw zinlooze dochter, D\' onheilvolle, die steeds op vermetele daden bedacht is.

Maar wy andere goden, zoo velen d\'Olumpos bewonen.

Moeten u nochtans volgen, door ri wordt ieder bedwongen.

Doch nooit maakt gij haar iets ten verwijt door uw woorden of daden, 880. Alles vergunt gij aan haar, de verderflijke, wijl zij uw kind is. Zij ook is het die thans den vermetelen zone van Tudeus Wekte om zelfs in den strijd onsterflijke goden te treffen.

Kupris trof hij het eerst, hare hand bij den wortel verwondend, Daarna ging hij mij zeiven te lijf met de kracht van een demon. 885. Maar mijne vluchtige voeten bevrijdden mij; zekerlijk lang noch Had ik er anders gelegen te midden der droevige lijken,

\'t Zij dat ik levend mijn krachten verloor door de slagen van \'t koper. Norsch zag Zeus op hem neer, de beheerscher der wolken, en zeide:

— Gij steeds wisslend van aard, zit hier niet naast mij te kreunen, 890. Want ii haat ik het meest van de goden d\'Olumpos bewonend.

Altijd is u de twist een genot, en gevechten en oorlog.

-ocr page 105-

95

Gij hebt d\'aard van uw moeder, de toomlooze, nooit te vermurwen, Hera; ik zelf toch kan haar met moeite door woorden betoomen. Haar ingevingen hebt gij, vermoed ik, dit lijden te danken. Nochtans wil ik u niet door de smart noch langer gekweld zien, Want mijn stam ontsproot gij, bij mij ontving u de moeder. Had u een ander der goden geteeld, o verdervende woestaard. Zeker gij laagt reeds lang ver onder de Ouranionen.

Alzoo sprak hij en gaf aan Paiéoon last hem te heelen.

Deze nu legde hem toen op de wond smartstillende kruiden. Dra hem genezend, dewijl geen sterfelijk leven zijn deel was. Even als snel door het sap van de vijg sneeuwheldere melk stremt, Eerst noch vloeiende, maar dra stollende onder het roeren. Dus ook heelde hij spoedig de wond van den heftigen Ares. Daarop baadde hem Hebe en gaf hem bevallige kleedren.

Naast Zeus zette hij toen zich ter neer in zijn glans zich verheugend.

Doch nu keerden terug in het huis van den grooten Kronioon, d\' Argische Hera te zaam met de Alalkomeensche Athena,

Daar zij den moordenden Ares, den mannenverdelger, bedwongen.

-ocr page 106-

ZESDE ZANG.

T

_L lians bleef slechts den Achaiërs en Trojers het schrikke-

[lijk slagveld.

Steeds meer drong zich de strijd nu hier dan ginds naar de vlakte Toen zij om beurt elkaar met de koperen speren bestookten, Tusschen de Simoeisoevers en \'t stroomende water des Xanthos.

Nu brak Telamoons zoon held Ajas, die schuts der Achaiërs, \'t Eerst de Trojaansche geleedren en schiep weer licht voor zijn

[vrienden,

Toen bij den strijder versloeg die de dapperste heette der Thrakers, Akamas, zoon van Eussoros, den grooten geweldigen krijgsheld. Dezen nu trof hij het eerst den van manen omfladderden helmkam, Wondde hem vóór in het hoofd, en de koperen punt zijner werpspies Drong gansch door in \'t gebeente, en nacht omhulde zijn oogleên. Daarna sloeg Diomedes, geducht in den woelenden strijdgalm, Axulos, Teuthras\' zoon, die het stevig Arisbe bewoonde,

Rijk aan de goedren des levens, en zeer bij de menschen in aanzien. Want gastvrijheid bood hij aan elk, in zijn huis aan den heerweg. Doch geen enkle van dezen verdreef hem het droevige doodslot, Thans hem ten schutsmuur strekkend; zij beiden verloren het leven. Hij tegelijk met zijn makker Kalesios, toen op zijn strijdkar Voerend de teugels; en beiden verzonken zij onder de aarde.

Kloeke Eurualos velde Ofeltios neder en Dresos;

Daarna zocht hij Aisepos en Pedasos, welke de stroomnimf Abarbarea eens aan den eedlen Boukolioon baarde.

Deze Boukolioon was van Laomedoons edelen stamboom, D\'oudste in jaren, en heimlijk ter wereld gebracht door de moeder.

-ocr page 107-

97

\'t Wolvee weidende, had hij de minne genoten der stroomnimf; Zoo ontving zij en schonk aan een tweetal knapen het leven. -Heulen gebroeders verwoestte Eurualos, zoon van Mekisteus, \'t Blinkende lijf en de kracht, en hij trok van hun schouders het

[krijgstuig.

Ook Astualos viel door den vurigen held Polupoites;

Onder de koperen speer van Odusseus zwichtte Pidutes,

Hier uit Perkote gekomen; door Teukros de held Aretaoon. Dan, door de blinkende speer van Antilochos, zone van Nestor, Sneefde Abléros, en doodde de volkerenvorst Agamemnoon Elatos; deze nu woonde in Pedasos, steil aan den bergstroom Satnioeis zich verheffend; en Leitos velde den vluchtling Fulakos; \'t krijgstuig roofde Eurupulos daar aan Melanthos.

Daarna greep Menelaos, geducht in den woeligen strijdgalm. Levend Adrestos, dewijl daar schuw door de vlakte zijn paarden Renden en eindlijk, verward in een struik tamariske, den wagen Vóór aan den dissel verbraken; en los ontvloden zij hollend Stadwaarts, even als andre verschrikt voorthollende paarden.

Doch zelf zoo uit den bak van den wagen ter neder getuimeld. Viel hij bij \'t wiel voorover in \'t stof. Daar stond aan zijn zijde Atreus\' zoon Menelaos, de rijzige lans in de vuisten.

Snel met de armen zijn knieën omklemmende smeekte Adrestos:

— Laat mij het leven, Atreide, en neem u een schittrenden losprijs; Velerlei kostbare schatten bewaart mijn vermogende vader. Ruimschoots koper en goud, ook ijzer met moeite gehamerd. Daarmee schenkt u mijn vader gewis onschatbaren losprijs.

Zoo hij verneemt dat ik hier bij de vloot der Achaiërs gered bleef.

Alzoo sprak hij hem toe en bewoog hem het hart in den boezem; Ja, reeds was hi) op \'t punt aan zyn makker hem over te geven, Dezen gelastend hem dan naar d\' Achaïsche schepen te brengen; Doch Agamemnoon snelde er toe, met het woord van berisping:

— O Menelaos, mijn waarde, wat ijvert gij toch voor die lieden Zoo teerhartig? Bedreven de Trojers zoo heerlijke daden Jegens uw huis? Dat er geen ontvliede het doodelijk uiteind. Geen ontkome ons zwaard; ook \'t mannelijk kroost dat de moeder Draagt in den scboot, zelfs dat niet worde gered, en op eenmaal Mogen in Ilios allen vergaan, meedoogenloos, spoorloos.

Alzoo sprekende, keerde de held het gemoed van zijn broeder; Immers hij raadde hem goed; dus stiet hij den eedlen Adrestos

-ocr page 108-

ZESDE ZANG.

T

J_ hans bleef slechts den Achaiërs en Trojers het schrikke-

[lijk slagveld.

Steeds meer drong zich de strijd nu hier dan ginds naar de vlakte Toen zij om beurt elkaar met de koperen speren bestookten, Tusschen de Simoeisoevers en \'t stroomende water des Xanthos. 5. Nu brak Telamoons zoon held Ajas, die schuts der Achaiërs, \'t Eerst de Trqjaansche geleedren en schiep weer licht voor zijn

[vrienden,

Toen hij den strijder versloeg die de dapperste heette der Thrakers, Akamas, zoon van Eussoros, den groeten geweldigen krijgsheld. Dezen nu trof hij het eerst den van manen omfladderden helmkam, io. Wondde hem vóór in het hoofd, en de koperen punt zijner werpspies Drong gansch door in \'t gebeente, en nacht omhulde zijn oogleên. Daarna sloeg Diomedes, geducht in den woelenden strijdgalm, Axulos, Teuthras\' zoon, die het stevig Arisbe bewoonde.

Rijk aan de goedren des levens, en zeer bij de menschen in aanzien, 15. Want gastvrijheid bood hij aan elk, in zijn huis aan den heerweg. Doch geen enkle van dezen verdreef hem het droevige doodslot. Thans hem ten schutsmuur strekkend; zij beiden verloren het leven. Hij tegelijk met zijn makker Kalesios, toen op zijn strijdkar Voerend de teugels; en beiden verzonken zij onder de aarde. 20. Kloeke Eurualos velde Ofeltios neder en Dresos;

Daarna zocht hij Aisepos en Pedasos, welke de strooniniraf Abarbarea eens aan den eedlen Boukolioon baarde.

Deze Boukolioon was van Laomedoons edelen stamboom, D\'oudste in jaren, en heimlijk ter wereld gebracht door de moeder.

-ocr page 109-

97

\'t Wolvec weidende, had hij de minne genoten der stroomnimf; Zoo ontving zij en schonk aan een tweetal knapen het leven. Heiden gebroeders verwoestte Eurualos, zoon van Mekisteus, t Blinkende lijf en de kracht, en hij trok van hun schouders het

[krijgstuig.

Ook Astualos viel door den vurigen held Polupoites;

Onder de koperen speer van Odusseus zwichtte Pidutes,

Hier uit Perkote gekomen; door Teukros de held Aretaoon. Dan, door de blinkende speer van Antilochos, zone van Nestor, Sneefde Abléros, en doodde de volkerenvorst Agamemnoon Elatos; deze nu woonde in Pedasos, steil aan den bergstroom Satniocis zich verheffend ■ en Leïtos velde den vluchtling Fulakos; \'t krijgstuig roofde Eurupulos daar aan Melanthos.

Daarna greep Menelaos, geducht in den woeligen strijdgalm, Levend Adrestos, dewijl daar schuw door de vlakte zijn paarden Kenden en eindlijk, verward in een struik tamariske, den wagen Vóór aan den dissel verbraken; en los ontvloden zij hollend Stadwaarts, even als andre verschrikt voorthollende paarden.

Doch zelf zoo uit den bak van den wagen ter neder getuimeld. Viel hij bij \'t wiel voorover in \'t stof. Daar stond aan zijn zijde Atreus\' zoon Menelaos, de rijzige lans in de vuisten.

Snel met de armen zijn knieën omklemmende smeekte Adrestos:

— Laat mij het leven, Atreide, en neem u een sehittrenden losprijs; Velerlei kostbare schatten bewaart mijn vermogende vader, Ruimschoots koper en goud, ook ijzer met moeite gehamerd. Daarmee sehenkt u mijn vader gewis onsehatbaren losprijs.

Zoo hij verneemt dat ik hier bij de vloot der Achaiërs gered bleef.

Alzoo sprak hij hem toe en bewoog hem het hart in den boezem; Ja, reeds was hij op \'t punt aan zijn makker hem over te geven, Dezen gelastend hem dan naar d\' Achaïsche schepen te brengen; Doch Agamemnoon snelde er toe, met het woord van berisping:

— O Menelaos, mijn waarde, wat ijvert gij toch voor die lieden Zoo teerhartig? Bedreven de Trojers zoo heerlijke daden Jegens uw huis? Dat er geen ontvliede het doodelijk uiteind. Geen ontkome ons zwaard; ook \'t mannelijk kroost dat demoeder Draagt in den schoot, zelfs dat niet worde gered, en op eenmaal Mogen in Ilios allen vergaan, meedoogenloos, spoorloos.

Alzoo sprekende, keerde de held het gemoed van zijn broeder; Immers hij raadde hem goed; dus stiet hij den eedlen Adrestos

-ocr page 110-

98

Weer met de hand van zich af, en de heerschende vorst Agamemnoon Dreef hem de speer in den buik, en hij zonk. Toen trapte d\'Atreide os. Tegen zijn borst met den hiel en hij rukte de speer uit het lichaam. Nestor echter gebood met geweldige stem den Argeiërs:

— O mijne vrienden, gij helden der Danacrs, volgers van Arcs, Niemand blijv\' nu achter, de hand uitstrekkend naar krijgsbuit. Ziende wie \'t meest mocht rooven, om mee naar de schepen te voeren.

70. Neen, maar mannen gedood, en gij kunt daarna in gerustheid Al de gesneuvelden hier op de vlakte berooven van \'t krijgstuig.

Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den krijgsmoed. Weldra zouden d\'Achaiërs, van strijdlust blakend, de Trojers Weder naar Ilios hebben gejaagd, voor hen zwichtend in onmacht, 75. Zoo daar niet tot Aineias en Hektor gekomen hun toesprak Helenos Priamos\' zoon, de voortreflijke vogelenwichlaar:

— Gij, o Aineias en Hektor, op li toch rusten de zorgen Meer dan op alle Trojanen en Lukiërs, immers de besten

Zijt gij voor iedere taak, in het strijden zoowel als beramen — so. Houdt hier stand, en bedwingt voor de poorte het wijkende krijgsvolk. Gaat de gelederen rond, dat ze niet aan het vluchten geslagen Storten in d\' armen der vrouwen en worden ten spot van den vijand. Maar als gij alle geleedren ten strijd zult hebben bemoedigd, Zullen wij zelf hier blijvend, den kamp met de Danacrs voeren, 85. Mat en gedrukt als wij zijn, want vreesclijk drijft ons de nooddwang. Maar gij. Hektor, ijl naar de stad; spreek daar onze moeder D\'uwe en mijne; en laat zij de achtbare vrouwen verzaamlen Binnen den tempel van Zeus\' klaaroogige dochter Athcna Boven den burg, en de deur ontsluiten der heilige woning. 90. Laat zij het grootste gewaad en hetgeen zij er acht het bevalligst, \'t Welk zij ter kamer bewaart, dat haar zelve het meeste geliefd is. Daar in den schoot neerleggen der hcerlijkgelokte Athena; Doe zij er dan de gelofte haar twaalf eenjarige koeien.

Nooit noch onder het juk, in haar tempel te wijden, haar deernis 95. Smeekend voor Ilios\' veste, de vrouwen en zuigende kindren. Zoo zij ons Tudeus\' zoon van bet heilige Ilios afweert. Machtigen zwaaier der lans en geweldigen boó der verschrikking, Welken ik waarlijk betuig de geduchtste te zijn der Achaiërs: Zoo zelfs vreesden wij nooit voor den legerbestuurder Achilleus, ion. Welken men nochtans zegt een godinne tot moeder te hebben; Maar met geweld woedt deze, in kracht is geen hem gelijkbaar.

-ocr page 111-

99

Alzoo sprak hij en Hektor behartigde \'t woord van zijn broeder. Aanstonds sprong hij ter aard van den wagen met al zijne wapens. Kondom \'t heer doorkruisend en zwaaiend zijn puntige speren, los. Vuurde hij aan tot den strijd en bezielde den vreeslijken veldslag. Nochmaals wendde zijn volk zich ten kamp en het stond de Achaiërs. Argos\' volk week deinzend terug, en zij staakten de slachting; \'t Scheen dat een eeuwige god uit het starrengewelf van den hemel Kwam, den Trojanen tot hulp; zoo keerden zij weer tot den aanval, no. Hektor gebood nu weer met geweldige stem aan de Trojers:

— Moedige Trojers, en gij alom roemruchte vcrbondnen,

Weest nu mannen, mijn vrienden, gedenkt aan den kraehtigen

[weerstand.

Nu ik naar Ilios ga om ten raad van de achtbare grijsaards Zelf te verkonden mijn woord, en gelaste aan al onze vrouwen us. Smeekend de goden te naadren en rijklijke offers te bieden. Alzoo sprekende ging hij, de helmboswuivende Hektor;

Tegen zijn hals sloeg klapprend en tegen zijn enkels van onder \'t Donkere vel dat den rand omgaf van den welvenden beuklaar. Thans trad Glaukos de zoon van Hippolochos midden in \'t strijdperk, 120. Even als Tudeus\' zoon vol vuur om te zamen te kampen.

Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd.

Sprak Diomedes hem toe, de geweldige held in den strijdgalm:

— Wie toch, edele, zijt gij vau \'t sterflijk geslachte des menschdoms ? Want nooit heb ik u hier in den mannenvereerenden kampstrijd

125. Vroeger gezien, maar nu, voor d\'anderen streeft gij naar voren. Rustig en stout, en gij blijft en verwacht mijne rijzige werpspies; Wie mijn geweld weerstaat is \'t kind van beklaaglijke ouders. Maar als gij daalt van den hemel en een van de eeuwigen zijn mocht. Niet met de hemelsche goden vermat ik mij weder te strijden. 130. Want ook Druas\' zoon, de geweldige held Lukoörgos,

Moest dra sterven, dewijl hij de hemelsche goden getergd had. Toen hij de voedsters eens van den razenden god Dionusos Dreef door het heilig gebergte Nuseïon; waar zij den loofstaf Wierpen ter aard, toen fel haar de menschenverdelger Lukourgos 135. Sloeg met zijn runderenprikkel; en zelfs ontvlood Dionusos, Duikende onder de golven der zee, waar Thetis hem hulde Onder het kleed v.an haar schoot, zoo vreesde hij \'s helden bedreiging. Doch dra volgde de straf der in rust welzalige goden.

Kronos\' zoon ontnam hem het licht van de oogen, en kort slechts

-ocr page 112-

100

140. Leefde hij meer, want allen den eeuwigen was hij ten afschuw. Dus ook wensehte ik zelf geen kamp met do zalige goden. Doch als gij sterveling zijt, van \'t geslacht dat zich voedt met

|dc veldvrucht,

Treedt dan vóór, dat gij spoedig het eind des verderfs te gemoet gaat. Daarop zei hem de zoon van Hippolochos, d\'edele Glaukos: 145. — Tudeus\' dappere telg, hoe vraagt gij mij toch naar mijn afkomst? Zoo als der bladeren groei, zoo zijn de geslachten der menschen; Schudden de winden de blaadren ter neer op de aarde, een nieuw loof Spruit aan het bottende hout, als het lentegetijde terugkomt. Zoo wast \'t éene geslacht van de stervlingen, welkt er het ander. 150. Doch als gij \'t ook wilt weten, verneem het, opdat gij mijn afkomst Wel moogt weten, die trouwens aan velen der menschen bekend i.s. Efure ligt in de bocht van het paardenweidende Argos,

Waar eens Sisufos leefde, de listigste onder de menschen, Sisufos, Aiolos\' telg; die verwekte ten zone zich Glaukos, 155. Glaukos vervolgens gewan den voortreflijken Bellcrofontes;

D\' eeuwigen hadden het schoone en mannelijk krachtige aanzien Dezen verleend; in zijn hart nu broedde hem Proitos een onheil. Toen hij hem dreef uit het land, want ver was deze het machtigst Onder het Argische volk; Zeus toch onderwierp het zijn scepter, ino. Dezen begeerde Anteia, de heerlijke gade van Proitos,

Blakend naar \'t heimlijk genot van zijn min; toch poogde zij vruchtloos D\'edelgezinde te winnen, den schranderen Bellerofontes;

Doch toen sprak zij bedrieglijk, met list, tot den vorstlijken Proitos: — Treffe de dood u, o Proitos, of doodt zelf Bellerofontes, 1G5. Daar hij zich tegen mijn zin met mij wilde vereenen in minlust. Alzoo sprak zij; in toorn ontvlamde de vorst dit vernemend; Zelf hem te dooden vermeed hij; in \'t hart weerhield hem de eerbied; Echter, naar Lukië zond hij hem heen, met verderflijke teekens, Doodlijk van zin, op de twee saamsluitende plankjes gegriffeld, 170. Zoo dat Anteia\'s vader, dit ziende, hem zoude vermoorden.

Maar hij aanvaarde de reis in de veilige hoede der goden.

Toen hij in Lukië kwam, bij den golvenden stroom van den Xanthos, Eerde hem hartlijk de heerscher van Lukië\'s wijde-gewesten. Negen dagen als gast, er hem negen der runderen slachtend.

152. Efure —• Korinthos.

167. Namelijk do vrees om den gastvriend zult\' te dooden.

-ocr page 113-

101

its. Doch als den tienden der dagen verrees roosviiigrige Eoos,

Vroeg hij den gast om bericht en verzocht hem het teeken te toonen \'t Geen hij hem mee zou brengen door Proitosgegeven, zijn schoonzoon. Toen hij \'t verderflijke teeken bezag, hem van dezen gezonden, Gaf\' hij hem eerst het bevel de Chimaira te dooden, het monster, iso. \'t Was van een godlijken aard, geen wezen vanmenschljjken oorsprong. Vóór als een leeuw, en van achter een draak, eene geit in het midden; Vlammenden vuurgloed blies het met kracht uit den schriklijken adem. Deze nu doodde de held, op de teekens der goden vertrouwend. Verder bestreed hij de stammen der Solumers, krachtig en roemrijk, )S5. \'t Geen hij het hevigste noemde, hem ooit te bestrijden gegeven. Wijders versloeg hij de vrouwen van manlijken aard, d\'Amazonen. Maar hem bereidde de vorst bij zijn weerkomst weder een valstrik. Lukië\'s dappersten koos hij en zond ze opdat zij hem heimlijk Zouden belagen met list; maar geen die zijn woning terugzag; 190. Want hij verdelgde ze allen, de vleklooze Bellerofontes.

Doch toen d\' andre erkende den held in zijn godlijken oorsprong, llield hij hem daar en hij gaf hem zijn eigene dochter tot huisvrouw, Deed hem ter helft ook deelen in al zijne vorstlijke rechten. Ook gaf Lukië\'s volk hem een eigen voortreffelijk erfgoed, 11,r)- Schoon om met hout te beplanten en zaailand goed ter bebouwing. Drie nakoomlingen schonk aan den schranderen Bellerofontes Deze zijn gade, Isandros, Hippolochos, Laodameia.

Laodameia, van Zeus d\' alwijzen beramer geliefkoosd,

Schonk hem den godlijken telg, den in \'t koper gedosten Sarpedoon. ~on- Toen ook Bellerofontes verviel in der eeuwigen ongunst,

Doolde hij eenzaam rond door de vlakke Aleïsche velden SmartliJk zijn harte verterend en ver van dè paden der menschen. Ares, de nimmer van strijden verzadigde, doodde Isandros Toen hij het roemrijk volk van de Solumers heftig bekampte: 205. Haar trof Artemis, drijvend het span met de goudene teugels. Doch va» Hippolochos ben ik de zoon, en beroem mij die afkomst. Herwaarts zond hij mij heen en hij drukte mij streng op het harte Altijd d\' eerste te zijn, uitstekende boven de andreu,

Nooit het geslacht mijner vaadren tot schande te zijn, die in aanzien 310- d\' Eersten in Efure waren en Lukië\'s wijde gewesten.

\'k Durf mij beroemen tot zulk een geslacht, zulk bloed te behooren.

205. Haar = Laodameia.

-ocr page 114-

102

Alzoo sprak hij, en vreugde vervulde den held Diomedes;

Ijlings stak hij de speer in den grond van het voedende aardrijk, Gluukos den volkerenherder met vriendlijke woorden begroetend: 215. - - Zie, dan zijt gij van ouds uit de tijden der vaadren mijn gastvriend. Oineus toch heeft eens den voortreflijken Bellerofontes Binnen zijn huis ontvangen en twintig dagen geherbergd.

D\' eene vereerde den ander ten pand veel schoone geschenken, Oineus bood hem een gordel met schitterend purperen siersel, 220. Hém gaf Bellerofontes een beker van goud en met hengsels,

Maar dien liet ik, ten strijd optrekkende, t\' huis in mijn woning. Tudeus heug ik mij niet, als een zuigeling liet hij mij achter, Toen in de veste van Thebe het heer der Achaiërs gedood werd. Alzoo ben ik voor u in de landen van Argos een gastvriend, 225. Doch mijn gastvriend zijt gij in Lukië, wen ik er heenga.

Laten wij dus in \'t gewoel elkanders lansen vermijden;

Trojers zijn er genoeg te verslaan en vermaarde verbondnen. Zoo ik er tref die de god mij vergunt en mijn voeten bereiken; Vele Achaiërs voor li om er, wien gij vermoogt, te vernielen. 230. Ruilen wij echter van wapens, en mogen de anderen mede

Zien dat wij vrienden ons toonen naar oud voorvaderlijk gastrecht.

Alzoo sprekende, sprongen zij beiden ter aard van den wagen. Legden hun handen in éen eU verbonden zich plechtig in vriendschap. Zoo werd Glaukos\' geest door den zone van Kronos verbijsterd, , 235. Daar hij met Tudeus\' zoon Diomedes verruilde zijn wapens.

Gouden voor koopren, een waarde van honderd rundren voor negen.

Toen nu Hektor kwam bij den eik en de Skaiïsche vestpoort. Werd hij bestormd en omringd van de Troïsche vrouwen en dochters. Vragend naar \'t lot van haar zonen en broeders en andre genooten, 240. \'t Lot van haar mannen; — aan ieder gelastte hij toen tot de goden Beden te doen; doch leed was velen der vrouwen beschoren. Toen hij de deure bereikte van Priamos\' heerlijke woning. Sierlijk van hallen voorzien met de gladde behouwene wanden — Vijftig kamers bevatte het huis, van geslepenen bergsteen, 245. Naast elkander in rijen gebouwd; daar sliepen ter nachtrust Priamos\' zonen, te zaam met de vrouwen hun wettige gaden. Voorts aan de andere zij van den hof de vertrekken der dochters Twaalf in getal, overdekt en gemaakt van geslepenen bergsteen. Naast elkander in rijen gebouwd; daar sliepen ter nachtrust 250. Priamos\' schoonzoons, saam met de vrouwen hun wettige gaden

-ocr page 115-

103

Spoedde hem hier te gemoet zijne vriendelijkzorgende moeder, Welke Laodike daar begeleidde, de schoonste der dochters. Hektor riep zij en zeide, terwijl zij hem greep bij de handen:

— Waarom kwaamt gij, mijn zone, verlatend den schriklijken oorlog? 255. Zeker benauwen ons zeer de verderflijke zonen Achaia\'s,

Woedend in \'t rond van de veste, en noopte het hart u om herwaarts Komend, van llios\' hoogte uw handen tot Zeus te verheffen.

Maar wacht, laat ik u brengen den wijn zoet geurend als honig, Waar gij het eerst Zeus Vader ter eer en aan alle de goden 200. Mee moogt plengen, en voorts dat een dronk u een lafenis aanbreng\', Wijn toch geeft weer kracht aan den man in vermoeienden arbeid, Zoo zich vermoeiend, als gij, om uw magen en volk te behoeden. Doch toen zei haar de groote, de helmboswuivende Hektor:

— Geen hartstreelenden wijn mij gebracht, eerwaardige moeder, 2C5. Koof mij de spierkracht niet, noch breek mij den moed en den

[weerstand.

Zonder gereinigde handen te plengen aan Zeus van het druifnat Schroom ik, het past toch niet dat ten donkerbewolkten Kronioon Offert degeen wien het bloed en het vuilnis de handen bezoedelt. Maar ga gij naar het huis van de krijgsbuitschenkster Athena, 270. Ga er met reukwerk heen, en verzamel de achtbare vrouwen, Breng er het grootste gewaad en hetgeen er u schijnt het bekoorlijkst Daar in de kamer bewaard, dat u zelf ook \'t meeste geliefd is. Leg het er neer op de knieën der heerlijkgelokte Athena, Doe haar vervolgens gelofte haar twaalf eenjarige koeien, 275. Nooit noch onder het juk, in haar tempel te wijden, haar deernis Smeekend voor llios\' veste, de vrouwen en zuigende kindren, Zoo zij ons Tudeus\' zoon van het heilige\' llios afweert. Machtigen zwaaier der lans en geweldigen boo der verschrikking. Welaan, ga naar het huis van de krijgsbuitschenkster Athena. 2so. Ik zal Paris bezoeken en zien hem te wekken tot handlen.

Moge hij toch naar mijn woord dan luisteren. Sperre zich d\' aarde Hier voor hem op. Hem verwekte d\' Olumpiër allen ten rampspoed Trojers en Priamos zeiven, den eedlc, en al zijnen telgen. Ja, wanneer ik hem zag in de diepten van Aïdes zinkend, 285. \'k Zou dan meenen mijn geest had alle ellenden vergeten.

Alzoo sprak hij; — het huis intredende gaf zij den maagden Last, en zij riepen er saam in de veste de achtbare vrouwen. Zelf dan daalde zij neder en ging naar de geurende slaapzaal

-ocr page 116-

V

104

Waar dc versierde gewaden, het werk van Sidonischc vrouwen, 2üo. Werden bewaard, en die vroeger de godlijke held Alexandres Zelf uit Sidonië bracht, bij zijn tocht op de ruimten der zeeön * Toen hij er Helena voerde, de dochter van edelen stamboom. Hekabe koos er een uit en zij droeg het Athena ten offer, \'t Grootste gewaad dat zij vond en het schoonste in rijke versiersels; aas. Schitterend blonk \'t als een ster, en het onderste lag het van alle. Hiermee ging zij, verzeld van een aantal achtbare vrouwen.

Toen zij Athena\'s tempel op \'t hooge der veste bereikten.

Deed haar de deuren er open Theano bekoorlijk van wangen. Kisses\' dochter, de gade des rossenbedwingers Antenor,

300. Zij door de Trojers gesteld tot een tempelwachtster Athena\'s. Allen verhieven zij thans tot Athena de handen ter weeklacht, \'t Kleed toen nemende legde Theano bekoorlijk van wangen Daar op de knieën het neder der heerlijkgelokte Athena,

Deed de gelofte en bad tot de dochter des grooten Kronioons: 305. — Hooge Athena, behoedster der stad, o roem der godinnen, Breek Diomedes\' speer, en bewerk dat hij zelf op het aanzicht Nedergestort in het stof, daar ligg\' voor de Skaiïsche vestpoort. Offerend zullen wij hier dan twaalf eenjarige koeien.

Nooit noch onder het juk, in uw tempel u wijden, uw deernis 3io. Smeekend voor Ilios\' veste,, de vrouwen en zuigende kindren. Alzoo sprak zij haar bec; maar doof bleef Pallas Athena.

Zoo dan smeekten zij daar tot de dochter des grooten Kronioons. Hektor inmiddels bezocht Alexandres\' prachtige woning.

Welke hij zelf er zich bouwde, met mannen, de besten die toenmaals 315. Onder de kunstnaars waren in Troja\'s kluitigc landstreek.

Dezen nu bouwden de zaal, en het vrouwenvertrek en den voorhof. Dicht bij de woning van Hektor en Priamos boven den rotsburg. Daarheen spoedde zich Hektor, de held naar het harte Ki-onioons, Dragend zijn lans in de hand, elf elboogsmaten in lengte, 320. Blinkend van koperen spits, waar \'t gouden beslag zich om beenwond. Binnen het vrouwenvertrek nu vond hij hem, \'t heerlijke krijgstuig Naziend, pantser en schild, en den krommenden boog onderzoekend. d\'Argische Helena zat er omringd van haar dienende vrouwen, \'t Werk van haar maagden bestierend bij \'t maken van kunstige

[weefsels.

325. Toen hij hem zag sprak Hektor hem toe met berispende woorden: — Booze, het is niet schoon in uw hart zoo grimmig te wrokken.

-ocr page 117-

105

\'t Heer van ons volk neemt af, om de stad en de steile omwalling Kampend; en enkel om 11 ontgloeide het woelen en strijden Hier om cfe stad; gij zelf, gij zoudt het een ander verwijten ;i3». Zoo gij er soms een zaagt ontwijken den ijslijken oorlog.

Hijs dus snel, dat het vuur niet spoedig verwoeste de bergstad. Doch hem ten antwoord zeide de godlijke held Alexandres:

— Hektor, dewijl gij te recht mij berispt, niet meer dan gepast is. Daarom wil ik \'t u zeggen; verneem het en wil naar mij hooren,

ans. Geenszins bleef ik uit wrok noch gramschap tegen de Trojers Zitten in \'t vrouwenvertrek, maar wilde verzinken in droefheid. Doch nu sprak mijne gade mij toe met haar teedere woorden. Zoekend ten strijd mij te wekken, en dit is zeker het beste, Zoo het mij schijnt; want zege bekroont afwisslend de mannen. 340. Welaan, blijf eene wijle, opdat ik mij kleede in \'t krijgstuig. Wilt gij het, ga, en ik volg u, en denk dat ik spoedig u inhaal.

Alzoo sprak hij hem toe, maar Hektor bewaarde het zwijgen. Helena echter hernam met haar liefelijk luidende woorden:

— Zwager van mij, de geschuwde, de schaamtlooze stichtster van

[onheil,

345. Ach had liever dien dag waarop mijne moeder mij \'t licht schonk, d\' Adem des ruwen orkaans mij henengevoerd naar de bergen. Voort mij gezweept naar de baren der wild rondklotsende zeeën. Zoo dat een golf mij verzwolg, alvorens dit alles geschied waar\'. Doch nu de goden aldus ons die rampen te voren beschikten, 350. Zou ik verlangen als gade een beteren man te bezitten,

Eenen die voelde het schimpen en al de verachting der menschen. Geen volhardende kracht woont nu in zijn geest en ook latei-Zal hij ze missen; hij zal, naar ik meen, er de\'vruchten van oogsten. Maar kom, treed thans binnen en neem uwe rust op dien zetel, 355. Zwager, dewijl uw gemoed wel \'t zwaarst met de zorgen belast is. Zoo om mij, schaamtlooze, zelve, als \'t geen misdreef Alexandres, Twee aan wie Zeus deed torschen een jammerlijk lot, en die eenmaal Worden berucht in de zangen der namaals levende menschen. Daarop zei haar de groote, de helmboswuivende Hektor; :!()(). — Noodig mij niet om te zitten, o Helena, schoon ge mij lief hebt Luister ik niet, want hevig begeert mijn gemoed aan de Trojers Redding te brengen, dewijl zij mijn weerkomst smachtend verlangen.

Letterlijk noemt Helena zich xiotr, hond.

-ocr page 118-

106

Maar wek g ij hem nu op, en hij reppe zich ook en met snelheid Dat hij mij binnen de muren der stad noch haastelijk inhaal. 305. Want thans spoed ik mij eerst naar mijn huis; noch wil ik er eenmaal Zien het gezin, mijne dierbare vrouw en het staamlende knaapjen. Immers weet ik het niet of ik daar noch ooit tot hen weder Keer, of dat thans mij de goden verslaan door de hand der Achaiers. Alzoo sprekende ging hij, de helmboswuivende Hektor. 370. Weldra had hij bereikt zijne stevig gemetselde woning.

Maar blankarmige, schoone Andromache vond hij er echter Niet in de zaal; met het kind en haar sierlijk gekleede geleidster Toefde zij noch op den toren, in tranen en jammer gedompeld. Hektor zijn edele vrouw niet vindende binnen haar kamer, 375. Trad op den drempel der zale en vroeg aan de dienende maagden: — Komt toch! haastig, gij maagden, en deelt het mij mede naar

[waarheid.

Waar blankarmige, schoone Andromache ging uit de woonzaal i \'t Zij tot haar eg a\'s zusters of d\'edele vrouwen der zwagers, \'t Zij naar Athena\'s huis, waar d\' andere vrouwen van Troja 380. Gingen, de sierlijk gelokten, de felle godin te verzoenen?

Daarop gaf hem bericht zijne nijvre verzorgster des huizes: — Hektor, daar gij zoo ernstig gebiedt u te melden de waarheid. Niet tot haar ega\'s zusters of d\' edele vrouwen der zwagers.

Niet naar Athena\'s huis, waar d\' andere vrouwen van Troja 385. Gingen, de sierlijk gelokten, de felle godin te verzoenen.

Doch naar den rijzigen toren begaf zij zich, toen zij gehoord had Hoe de Trojanen bezwijken, de macht der Achaiërs het veld wint. Plotseling heeft zij, door vreeze gejaagd, zich gespoed naar den

[walmuur.

Zoo als een razende scheen zij ; den zuigeling draagt haar de voedster. 390. Alzoo sprak de verzorgster van \'t huis; voort spoedde zich Hektor Haastig terug op zijn weg, door de dichte bebouwing der straten. Toen hij de machtige stad doorkruisende, dicht bij de muren Kwam aan de Skaiïsche poort, die den uitweg geeft naar de vlakte. Vloog hem Andromache daar te gemoet, zijn bewogene gade, 395. d\' Eedle vermogende vrouwe, des lieren Eëtioons dochter.

Deze Ectioon woonde in \'t dal aan den voet van den Plakos, \'t Lommrig gebergte, in Thebe, Kilikische volken regeerend; Zijn kind was zij, de gade des kopergepantserden Hektors. Ijlings kwam zij haar man te gemoet; haar verzelde de voedster.

-ocr page 119-

107

too. Tegen haar boezem het knaapje, den teederen zuigeling, dragend, Hektors eenigen zoon, eene heldere starre gelijkend;

^Hektor gaf hem den naam van Skamandrios, anderen noemden Dezen Astiianax, wijl slechts Hektor Ilïos\' heil was^,

Toen hij het kind daar zag, aanschouwde hij \'t stil met een glimlach. 405. Maar dicht stond aan zijn zijde Andromache, tranen vergietend, Drukte hem teeder de handen, terwijl zij de woorden hem toesprak: — Schriklijke man, uw moed wordt noch uw verderf, en erbarming Hebt gij met \'t jeugdige kind noch mij, rampzalige vrouwe, Spoedig uw weduw; want dra zullen d\' Achaiërs u dooden, 410. Allen ten aanval stormend; het ware mij zeker het wenschlijkst. Zoo ik u derf, te verzinken in d\' aard\'\', geen andre vertroosting Blijft er mij over, wanneer gij bereikt zult hebben uw noodlot: Enkel verdriet! Mij leeft geen vader en lieflijke moeder.

Leven benam aan mijn vader de godlijk verheven Achilleus, 415. Toen hij de bloeiende stad der Kilikiërs won en verwoestte,] Thebe, van rijzige poorten omgord; en Eëtioon sloeg hij.

Echter zijn wapenen nam hij hem niet, weerhouden door eerbied. Maar hij verbrandde den doode met al zijne schittrende wapens, Kichtte een teeken er op, en de dochters des Aigisbestuurders, 420. Nimfen der bergen, beplantten het graf in het ronde met olmen. Ook mijne zeven gebroeders, die woonden in \'t huis onzer ouders. Allen op een dag zonken zij neder in Aïdes diepten.

Allen versloeg de gezwinde van voet, de verheven Achilleus, Daar bij hun heldere schapen en zwaar sleepvoetende rundren. 425. Ook mijne moeder, die heerschte in \'t dal van den lommrigen Plakos, Voerde hij hier eerst mede met al wat hem verder ten buit viel. Maar ontsloeg haar terstond, ontvangend een kostbaren losprijs. v^Doch tot haar vader gekeerd heeft Artemis\' boog haar verslagen. Hektor, thans zijt gij me ten vader en achtbare moeder, 130. Ook tot een broeder, en tevens mijn krachtvol bloeiende echtvriend! Ach, heb thans ontferming en blijf hier boven den toren,

.Maak toch niet uw kind tot een wees en uw vrouwe tot weduw! \'gt;tcl bij den vijgboom \'t heer, op de plaats waar^ïiios\' veste \'t Best toegankelijk is en de walmuur licht te bestijgen. 435. Driewerf waagden zij reeds er den storm te beproeven, de stoutsten. Onder het Ajas-paar en den grootschen Idomeneus strijdend. Onder de beide Atreiden en d\' edelen zone van Tudeus;

Wellicht spelde het toen hun een kenner van godhjke teekens.

-ocr page 120-

]08

Thans is \'t eigene moed wellicht die hen prikkelt en aandrijft. 44,0. ^ Daarop zei haar de groote, de helmboswuivende Hektor:

— Vrouwe, dit alles bekommert mij ook; maar toch de verachting Ducht ik te zeer van de Trojers en vrouwen metslependen kleedzoom, Zoo ik mij laag van den strijd onthoud en verwijder van \'t slagveld.

Niet zoo spreekt ook mijn hart, want \'k leerde een eedle te wezen, 445. Altijd onder de voorsten te strijden aan \'t hoofd van de Trojers, \'s Vaders glanzenden roem handhavend zoowel als den mijne.

Want dit zie ik gewis in mijn geest en gemoedsovertuiging.

Eens zal komen de dag, dat het heilige Ilios neerstort,

Priamos zelf en het volk des met lansen bedrevenen konings. 450. Echter mij smart niet zóo al \'t latere leed van de Trojers,

Noch dat van Hekabe zelve, of \'s konings Priamos noodlot.

Noch van mijn eigene broeders, die, schoon zoo edel en talrijk.

Vast wel storten in \'t stof, overmand door de grimmige strijders, — Zóo als het leed dat u wacht,/als een kopergedoste Achaiër 455. ü ontvoert, droef weenend, beroofd van het licht uwer vrijheid. Zoo gij naar Argos geleid, voor een andere werkt aan den weefstoel,

\'t Zij uit de bronne Messeïs lietzij Hupereia het water Draagt, onwillig van hart, maar zwichtende onder den nooddwang. Wellicht zegt5dan een er, u ziende in tranen gedompeld:

460. Zie, \'t is Hektors vrouw, van den Trojer die strijdende uitblonk Onder de rossenbedwingers ten dage van llios\' worstling.

Zóo spreekt een daar zeker en versch weer rijst u de zielsmart Zulk eenen man ontberend, die were de dagen der knechtschap.

Doch mij moge verbergen de heuvelig rijzende aardhoop 465. Eer ik uw klagen verneem als gij jammerend medegesleurd wordt. Zoo sprak d\' edele Hektor en strekte naar \'t kindje zijn armen,

Maar snel drong zich het knaapje terug, voor zijn vader beangstigd. Schreiend en tegen den boezem der sierlijk gegordelde voedster, Bang voor het koper en \'t golvend den helmkam dekkende paardhaar, 470. Ziende den schriklijken bos neergolvend van boven den helmtop. Dit ontlokte een lach aan den vader en d\' edele moeder.

Hektor de schittrende nam van zijn hoofd nu haastig den strijdhelm. Zette hem neer op den grond, en hij blonk er in stralende vonkling.

Toen zijn geliefd kind kussend en zacht op zijn handen het wiegend * 475. Sprak hij, zijn bede tot Zeus en de andere goden verheffend: — Zeus, en gij andere goden, o laat het geschieden dat dit kind, Mijn zoon, even als ik, eens uitblink\' onder de Trojers,

-ocr page 121-

109

Even geweldig van kracht en in Ilios heersche als koning.

Moog\' \'t eens worden gezegd, zelfs gaat hij den vader te boven,quot; 480. Wen hij van \'t slagveld komt; en hij brenge een bloedigen krijgsbuit _Mco van eens vijands lijk, eu verheuge zich \'t hart van zijn moeder!

Alzoo sprekende, legde hij weer zijner dierbare vrouwe \'t Kind in den arm, en zij droeg het in \'t geurende kleed van

[haar boezem,

Lachend met tranen in \'t oog, en haar gade, bewogen van deernis, 485- Streelde haar teeder de wang met de hand; dan zei hij haar weder: — Arme, o wees in uw hart niet al te bezwaard door uw kommer; Buiten het lot zal toch geen man mij ten Aides zenden;

Maar wat het noodlot schikt kan geen van de menschen vermijden, D\'edele noch de gemeene, die eenmaal trad in het leven. \'wo- Doch keer thans naar uw huis en verzorg er uw eigenen arbeid. Weefsel en spinrok; geef uw bevel dat de dienende maagden Vlijtig haar werk volbrengen; de oorlog past aan de mannen. Allen, mij zeiven het meest, die in llios werden geboren.

Alzoo sprekende vatte de schittrendc Hektor zijn strijdlielm 495- Golvend van manen omwuifd, en zijn vrouw ging talmende huiswaarts Telkens het hoofd weer wendend en hevige tranen vergietend. Weldra was zij ter plaats waar Hektors, des mannen verdelgers. Sierlijke woonhuis was, en zij vond daar binnen een aantal Dienende vrouwen; bij dezen verwekte zij droevige weeklacht. r\'f)0 Zoo rees noch bij zijn leven het jammergeklaag in zijn woning. Daar zij hem nooit meer dachten te zien, weerkeerend van \'t slagveld, ^Veilig gered uit \'t geweld en de schriklijke hand der Achaiërs.

Paris draalde nu niet in de zalen met rijzige zoldring, — Maar in zijn heerlijke wapens gedost, gansch blinkend van koper, 505- Spoedde hij snel door de stad, op zijn ijlende voeten vertrouwend. Zoo als een paard in den stal, aan de krib overvloedig gevoederd. Wild zijne banden verscheurt en met stampende hoeven in\'t veld rent. Waar het gewoonlijk zich baadt in het heerlijk vloeiende stroomnat; Trotsch, hoog draagt het den kop, en zijn manen in\'t ronde geslingerd 51 Wapperen langs zijne schoften; en fier op zijn bloeiende schoonheid Voeren zijn voeten hem snel naar de weiden en perken der paarden; Zoo trad Priamos\' zoon daar voort langs Pergamos\' hoogten.

Paris, der stralende zonne gelijk, in zijn blinkenden krijgsdos. Juichend van moed; snel droegen zijn voeten hem; zóo dat hij weldra quot;,5\' Hektor, zijn broeder, bereikte, den godlijke, toen hij gereed stond

-ocr page 122-

110

Weer te verlaten de plaats van \'t vertrouwlijk gesprek met zijn gade. Toen zei \'t eerst tot zijn broeder de godlijke beid Alexandres:

— Waarde, te lang reeds doe ik, terwijl gij u spoeddet, u wachten. Talmend en niet als behoorde mij spoedende, zoo als gij zeidet.

520. Daarop zeide hem weder de belmboswuivende Hektor:

— Beste, u mag geen man, als hij handelt naar billijk en recht is, Gispen in \'t oorlogswerk, want krachtvol zijt gij van inborst. Doch soms zijt gij tot dralen geneigd en verzuim, en met droefheid Vult dit mij dan het gemoed, als ik boor dat zij over u smalen

525. Onder de Trojers, bezwaard door den last dien zij dragen door

[üw schuld.

Maar kom, laten wij gaan, dit schikken wij later, als eenmaal Zeus ons gelieft te vergunnen, den eeuwigen hetnelschen goden Weer in de zaal onzes huizes te wijden den beker der vrijheid. Zoo wij uit Troja verdrijven d\'Achaiërs met stevige scheenplaat.

-ocr page 123-

ZEVENDE ZANG.

sprekende spoedde de schittrende Hektor de poort uit, Waar Alexandras, zijn broeder, hem ook vergezelde; en beiden Waren vervuld van begeerte den strijd te beginnen op\'t slagveld. Zoo als den schippers een god op hun vurig verlangen den zeilwind Schenkt, als zij moeizaam werken met riemen geschaafd van den

[pijnboom,

Slaande de golven der zee, en hun leden bezwijken van matheid; Aldus schenen zij beiden den vurig verlangenden Trojers.

Weldra velden zij, d\' éene Menesthios, Arne bewonend.

Zoon ontstamd aan den vorst Areïthoös, zwaaier der strijdknots. Dezen gebaard door zijn vrouw, grootoogige Filomedousa.

Doch met zijn puntige lans trof Hektor Eïoneus\' nekbeen Onder den koperen rand van den helm, en verlamde zijn leden. Glaukos Hippolochos\' zoon, heervoerder der Lukische mannen. Trof met zijn speer in \'t gewoel van de strijders Ifinoös\' schouder, Dexias\' zoon, toen deze zich wierp op den schielijken wagen. Alzoo viel hij ter aard uit de kar en zijn leden bezweken.

Doch toen daar de godin, klaaroogige Pallas Athena Argos\' volk zag sneven te midden der hevige slachting.

Daalde z\' in vliegende vaart van de toppen des hoogen Olumpos Neer naar het heilige Troja; haar ging, het van Pergamos ziende. Haastig Apolloon tegen, den Trojers de zege bestemmend.

Zoo bij den eik elkaar ontmoetende stonden zij beiden.

Aanstonds zei haar het eerst Zeus\' zoon de gebieder Apolloon: — Dochter des machtigen Zeus, hoe komt gij, zoo vurig begeerend. Uier van Olumpos gedaald? hoe drijft u het hart zoo geweldig?

-ocr page 124-

112

Is t om den Danaërs thans te vcrlcencn de wisslondo zege? TJ toch deert in het minst niet \'t lot van de vallende Trojers. Doch als gij luisteren wilt naar mijn woord, en dit ware het heilzaamst, Laten wij thans doen staken den krijg en de bloedige slachting; lieden althans; doch later hernieuw men \'t strijden, tot eenmaal Ilios\' uiteind komt; wijl \'t zoo aan uw harten tot vreugd is, II, godinnen, geheel die veste ten onder te brengen.

Daarop sprak de godin klaaroogige Pallas Athena:

— \'t Zij zoo, Treffer van ver; want d\' eigen bedenkingen koestrend. Daalde ik snel van Olumpos naar \'t volk der Achaiërs en Trojers. Doch welaan, boe meent gij den strijd van de mannen te staken ?

Daarop zeide haar weer Zeus\' zoon de gebieder Apolloon:

— Laten wij krachtig bij Hektor den rossenbedwinger den strijdlust Wekken, opdat alleen hij een Danaër tarte ten tweekamp,

Zoo dat zij dan elkander bestrijden met vreeslijken doodslag; Licht dat misschien de Achaiërs bekleed met de koperen scheenplaat Toornig er éen opwekken ten strijd met den godlijken Hektor.

Alzoo sprak hij; zijn wensch volbracht klaaroogde Athena. Helenos, Priamos\' zoon, nu vernam in zijn geeste den raadslag Zoo als het beiden den goden, te zaam overleggend, behaagd had. Snel dan trad bij naar Hektor en zeide, hem naadrend, de woorden;

— Hektor Priamos\' zoon; in beleid Zeus zelvcn gelijkend,

Zoudt gij mijn raad niet volgen; ik ben toch waarlijk uw broeder Doe dan de anderen rusten, de Trojers en alle Achaiërs,

Doch roep zelf tot den strijd die de dapperste is der Achaiërs, Tart hem om nu elkaar te bestrijden met vreeslijken doodslag. Want \'t is niet uw beschikking te sterven en \'t eind te bereiken. Zoo toch heb ik de stem van de eeuwige goden vernomen.

Alzoo sprak hij, en Hektor verheugde zich toen hij het hoorde. Dan in het midden getreden, bedwong hij de rijen der Trojers, \'t Midden der speerschacht houdend, en allen betoonden zich rustig. Ook Agamemnoon stilde d\' Achaiërs met stevige scheenplaat. Beiden, Apolloon nu, met den zilveren boog, en Athena Zetten zich neer in gedaante gelijk geitroovende vogels.

Boven den eik, Zeus Vader den Aigisvoerder geheiligd.

Over de strijders verheugd. Nu zaten de dichte geleedren Saam als een spichtige menigt\' van schilden en helmen en lansen. Zoo als het vlak van de zee door het krullen der golven beroerd wordt Wen daar Zefuros pas zich verheft en de zee zich verdonkert,

-ocr page 125-

113

os. Dns ook zaten de legers er neer van Achaiërs en Trojers Over de vlakte. Tot beiden begon toen Hektor te spreken:

— Hoort mjj, Trojanen en mede Achaiërs met stevige scheenplaat, Laat ik n -zeggen hetgeen het gemoed mij gebiedt in den boezem. Zeus in den hooge gezeteld bekrachtigde niet onze bonden,

7« Maar heeft over ons beiden besloten een jammerlijk onheil,

\'t Zij tot gij Troja verovert, de veste met krachtige torens,

\'t Zij zelf\' wordt overmand bij de zeedoorklievende schepen. Onder de uwen behooren de dappersten aller Achaiërs;

Wien van dezulken het hart thans aanspoort mij te bekampen, 75. Laat hij als voorste van allen bestrijden den godlijken Hektor. Doch dit wil ik bedingen, en worde ons Zeus ten getuige: Mocht mij deze verslaan met de machtige spits van het koper. Dat hij mijn krijgstuig neme en voer\' naar de holle galeien, Echter mijn lichaam geef\' hij terug, dat het lijk in mijn woonstee so. Worde ten vure gegeven door Ilios\' mannen en vrouwen.

Maar mocht ik hem verslaan, en den roem mij schenken Apolloon, Laat mij zijn wapens als buit naar het heilige Tlios brengen, Waar ik ze hang voor den tempel des Treffers van verre, Apolloon, Maar \'t lijk zal ik u ginds, bij de schepen voortreflijk van roeibank, ss Geven, opdat het begravend, de welig gelokte Achaiërs Maken een heuvel van aarde bij Hellespontos ter heugnis.

Moge er een dan zeggen der latergeborene menschen,

Wea op de donkere zee \'t veelriemige schip er hem langs voert. Zie de gedenkterp daar eens gesneuvelden helden der oudheid, Een die zich werend met moed, door den schittrenden Hektor geveld is. Eenmaal spreken zij zoo en mijn roem zal nimmer verwelken.

Alzoo luidde zijn taal; doch allen bewaarden het zwijgen, \'t Weigeren schaamde zich elk, maar vrees weerhield de aanvaarding. Eindelijk rees Menelaos; met bitteren smaad hun verwijtend \'J5. Sprak hij hun toe, en zijn hart gaf lucht aan de zware verzuchting:

— Wee mij, pralers, en eerder Achaïsche vrouwen dan mannen, Dit zal waarlijk een schande en onuitwischbarc smaad zijn. Zoo geen enkele man van de Danaërs Hektor het hoofd biedt. Doch dat gij allen te zamen tot water en aarde vergaan moogt,

l*w Hier zóo neder te zitten, zoo zielloos laf en zoo roemloos.

Zelf dan zal ik mij gorden ten strijd; want boven berust toch \'t Eind van de zege geheel in de hand van de eeuwige goden.

Alzoo sprekende dekte hij \'t lijf met de sierlijke wapens.

8

-ocr page 126-

114

Toen zou wel, Menelaos, u treffen het einde des levens 105. Onder de vuisten van Hektor, voorzeker de sterkste gebleken. Zoo niet snel opspringend, d\' Achaïsche vorsten u grepen, Zoo niet Atreus\' zoon, wijdheerschende vorst Agamemnoon Schielijk de rechter u vatte en zoo tot u zeide de woorden:

— Roekloos is het gezegd, Menelaos, o godlijke; geenszins

uo. Past u \'t gedachtlooze woord; maar, schoon het u smarte, bedwing u. Waag wedijverend niet met een sterkeren man u in tweekamp, Hektor Priamos\' zoon, ook anderen mannen ten schrikbeeld. Immers Achilleus vreest in het maunenvereerende strijdperk Zelf voor zijn naadring, en toch overtreft hij u verre in krachten, lis. Daarom ga gij zitten te midden der schaar van uw vrienden. Hém toch zullen d\' Achaiërs ten kamp wel zenden een ander. Schoon hij de vrees niet kent, schoon nimmer verzadigd van \'t slagveld. Nochtans zou hij met vreugd wel buigen de knieën, indien hij Thans uit den doodlijken strijd ontkwam en den vreeslijken doodslag. 120. Alzoo zeide de held en bekeerde den geest van zijn broeder, Want zijne taal was passend; hij volgde zijn raad, en zijn makkers Namen vervolgens verheugd weer \'t wapengerei van zijn schouders. Toen rees Nestor te midden van Argos\' mannen en zeide:

— Wee, wat drukkende smart overkomt aan het land van Achaia! 125. Hoe zou Peleus treuren, de grijze bestuurder der rossen,

Hij, bij het volk Murmidonen de treflijkste spreker en raadsman. Hij die voorheen in zijn huis er een vreugde in vond mij te vragen Over \'t geslacht en de telgen van alle de helden van Argos, Zoo hij vernam dat zij allen te saam thans siddren voor Hektor, lao. Zeker verhief hij zijn handen en smeekte de goden, het leven Mocht uit de leden hem zinken en dalen naar Aides\' woning. O! dat ik zelf thans noch, Zeus Vader, Athena, Apolloon, Krachtvol bloeide, als toen bij des Keladoons ruischendc waatren \'t Heer van de Puliërs streed met Arkadiërs stout in den speerkamp, las. Dicht aan de wallen van Feia, eu waar de lardanos voortstroomt! Daar stond vuor aan hun spits Ereuthalioon, godengelijkend.

Fier om zijn schoudren de wapens van vorst Areïthoös dragend. Held Areïthoös, verre berucht als de man met de strijdknots, Zoo als de mannen hem noemden en sierlijk gegordelde vrouwen, uo. Wijl hij den boog niet voerde ten strijd, noch rijzige werpspies. Maar met een ijzeren knots de gelederen brijzelend doorbrak. Dezen versloeg Lukoörgos met list, doch niet door zijn sterkte.

-ocr page 127-

115

Tusschen een engte des wegs, alwaar hem de ijzeren strijdknots Tegen den dood niets baatte, dewijl Lukoörgos hem voorkwam 145. \'t Lijf met de speer doorborend, en ruglings viel hij ter aarde, \'t Krijgstuig nam hij hem toen, het geschenk van den koperen Ares. Voortaan droeg hij ook zelf iu het woelen van Ares die wapens. Daarna toen iu zijn huis Lukoörgos bereikte de grijsheid.

Schonk hij en liet hij zijn vriend Ereuthalioon voeren dit krijgstuig. 150. Dan diens wapenen rijk, riep deze de stoutsten ten kampstrijd. Sidderend echter en vreezend bestond geen enkle het waagstuk. Maar \'t stoutmoedige hart dreef mij om den strijd te aanvaarden. Al te vermetel; ik was van hen allen de jongste in leeftijd. Zoo dan streed ik met dezen, en schonk mij Athena den krijgsroem. 155. Dezen geweldigen man, dien dapperste, heb ik verslagen. Zoo lag daar de geduchte, zich wijd uitstrekkend, ter neder. Ware ik jeugdig als toen en mijn kracht onwrikbaar als eertijds. Weldra vond hij zijn man, die Hektor met wuivenden helmbos. Maar hoe velen gij zijt, de gcduchtsten van alle Achaiërs, iöo. Niemand uwer verlangt vrijwillig te strijden met Hektor.

Zoo klonk \'souden verwijt; onmiddellijk rezen er negen. D\'eerste van allen verhief zich der volkeren vorst Agamemnoon, Mede verrees Diomedes, de sterke, gesproten uit ïudeus;

Tevens de Ajaxen beiden, bekleed met geweldige weerkracht; 105. Verder Idomeneus zelf, en zijn wapengezel in het strijdperk Kloeke Meriones, Ares den mannenverdelger gelijkend; Ook Eurupulos rees er, de schittrende zoon van Euaimoon; Thoas Andraimoons telg, en de godlijk verheven Odusseus.

Dezen verlangden nu allen den strijd met den godlijken Hektor. 170. Daarop zeide hun weer de Gerenische wagenaar Nestor:

— Laat door het lot dan slissen op wien van u allen de kans valt, Die schenkt vreugde aan elk der Achaiërs met stevige scheenplaat. Vreugde erlangt ook \'t eigen gemoed, als hij veilig behouden Keert uit verwoestenden strijd en de gruwzaam woelende slachting.

^5. Alzoo sprak hij, en ieder zijn lot van een teeken voorziende. Wierp het bijeen in den helm des Atreiden, den vorst Agamemnoon. \'t Volk deed toen zijn gebeden, de handen ten goden verheffend. Alzoo spraken zij, d\' oogen gericht naar den maatloozen hemel:

— Geef, Zeus Vader, aan Ajas het lot of den zone van Tudeus, J80- \'t Zij aan den koning zeiven van \'t schattenbezittend Mukene.

Alzoo luidde hun beê; de Gerenische wagenaar Nestor

-ocr page 128-

110

Schudde den helm, en het lot ontsprong dat door allen gewenscht was, Ajas\' teeken; van rechts aanvangende ging de heraut rond Onder de scharen en toonde het al den Achaïschen helden. 185. Beurtlings weigerde elk die zijn teeken er niet in herkende.

Toeu hij de rij dan volgend het teeken vertoonde en voorhield Hém die het merkte en wierp in den lielra, aan den schittrenden Ajas, Strekte hij d\' opene hand; en hem gaf de heraut het, hem naadrend. Spoedig herkende hij \'t lot aan het merk, en verheugde zijn hart zich. 190. Vóór zijne voeten ter aarde het werpende, sprak hij de woorden:

— Vrienden, het lot is mijn, en ik zelf voel vreugd in het harte. Want ik vertrouw in den kamp te verwinnen den godlijken Hektor. Doch, welaan, en terwijl ik ten strijd aangorde de wapens.

Zendt uw gebeden tot Zeus, den van Kronos gesprotenen koning,

195. Zwijgend en stil bij u zeiven, opdat geen Trojer het hoore. Of, ook luid, want toch geen vreeze gevoel ik voor iemand. Tegen mijn wil toch zal met geweld geen man mij verdrijven Noch met vernuftig beleid, want geen zoo nietige domoor Hoop ik in Salamis\' landen geboren te zijn en getogen. 200. Dus zijne taal, en zij baden tot Zeus, den regeerder Kronioon. Zoo dan spraken zij, d\' oogen gericht naar den maatloozen hemel:

— O Zeus Vader, van d\' Ida besturend, verheven en roemvol. Gun het aan Ajas de zege en schittrenden roem te behalen. Maar gaat Hektor toch u aan \'t hart en bekommert u deze,

205. Wil dan beiden gelijk toedeelen de kracht en den krijgsroem. Alzoo spraken zij; Ajas omgordde het blinkende koper. Dan, als het lichaam gansch in den dos van zijn wapens gehuld was. Stormde hij voort, in zijn vaart den geweldigen Ares gelijkend, Wen hij ten oorlog trekt naar de strijdenden, welke Kronioon 2io. Drijft elkaar te bekampen door\'t woeden der doodende tweedracht. Zoo vloog Ajas naar voren, Achaia\'s geweldige schutsmuur; \'t Barsche gelaat glimlachte, terwijl hij met machtige schreden Repte de voeten en schudde de speer ver strekkend van schaduw. Vreugde vervulde dan ook de Argeiërs terwijl ze \'t aanschouwden. 215. Maar bij de Trojers bekroop elks leden een vreeslijke siddring; Ja zelfs Hektor voelde het hart in zijn binnenste bonzen.

Maar geen kans meer bleef hem tot wijken of weder te koeren

212, 213. Dien glimlach en die stappen vinden wij bij de strijders op vazen en in het Aiginetischo beeldwerk.

-ocr page 129-

117

*

Onder de scharen der sijnen, dewijl hij ze daagde ten tweekamp. Dicht drong Ajas vooruit, als een bolwerk voerend zijn beuklaar, 220. Stevig van zeven huiden en koperbeslag, dat hem kunstvol Tuchios maakte, de beste der lederbereiders in Hule.

Deze bereidde hem \'t schild, veerkrachtig, vervaardigd van zeven Huiden van krachtige stieren, ten achtste beslagen met koper. Daarmee dekkend zijn borst, stond toen Telamonios Ajas 225. Dicht voor Hektor, en zeide met zelfvertrouwende stoutheid:

— Hektor, gij moogt nu zien, alleen hier tegen mij éenen, Hoe bij de Danaërs noch veel dapperen worden gevonden, Buiten Achilleus zeiven, dien leeuw ontembaar ten doodslag. Maar bij de krommende snebben der zeedoorklievende schepen

230. Ligt die, vol van zijn wrok op den herder des volks Agamemnoon. Doch ook wij zijn zulken die wagen u tegen te treden.

Ja, en in aantal; maar, welaan, en begin met den kampstrijd. Daarop zei hem de groote, de helmboswuivende Hektor:

— Ajas, godlijke zone van Telamoon, heerscher der volken,

235. Wil niet zóo mij beproeven, een machteloos kind in mij wanend. Ja, eene vrouw, die geheel onwetende is in het krijgswerk.

Want goed ben ik bekend met gevechten en mannenverdelging, \'k Weet ook \'t lederen schild zoo goed met de rechter als linker Zwaaiend te wenden, hetgeen mij ten strijd onwrikbare kracht geeft. 2io \'k Weet met de vliegende rossen te stormen te midden der strijders. Ook in het vechtperk ken ik de dansen des vreeslijken Ares. Doch \'k wil tegen een man zoo als g ij niet werpen mijn wapen Heimlijk belagende, maar gansch openlijk, — mocht het u treffen. Alzoo sprak hij, en slingrend zijn lans ver strekkend van schaduw, 245. Wierp hij en \'t krachtige schild met de zeven bekleedende huiden Trof hij op \'t bovenste deel, de gekoperde achtste bedekking. Zes van de lagen doorboorde, ze splijtend, het toomlooze koper, Doch in de zevende huid bleef \'t vast. Toen slingerde weder Ajas de godlijke held zijne speer ver strekkend van schaduw, Welke hij Priamos\' zoon in den glad rondwelvenden beuklaar Dreef; door het blinkende schild vloog d\'onweerstaanbare werpspies.

250.

3

298. Er staat letterlijk ter rechter en linker: ik waagde opzettelijk deze vertaling (die mjj op eene berisping te staan kwam) omdat eene vaasaf\'beel-ding mij trof, waarop juist Hektor zijn schild aan den rechterarm voert. Ook P. van Limburg Brouwer was, als ik nu zie, deze opvatting toegedaan.

-ocr page 130-

118

Drong in haar vaart zelfs been door het kunstig beslagene pantser; Vóór aan liet zachte des buiks doorvlijmde het wapen den lijfrok; Doch zich ter zij afwendend, vermeed hij het donkere doodslot. 255. Beiden de rijzige speer met de band uitrukkend, bestormden Thans elkander, gelijkend aan bloedigverslindende leeuwen. Everzwijnen gelijk, wier kracht niet weet van bezwijken.

Priamos\' zoon trof toen met zijn speer in het midden des beuklaars, Nochtans scheurde het koper hem niet, maar schampte de speerpunt. 2()0. Ajas echter doorstak, toespringend, het schild, en de werpspies Boorde er gansch doorheen en bedwong den geweldigen aanval. Schampend sneed zij den hals en het bloed spoot donker te voorschijn. Maar noch wilde hij strijden, de helmboswuivende Hektor; Rugwaarts wijkende, greep hij met machtige hand eenen keisteen 205. Daar op de vlakte gelegen, een donkeren, kantigen steenklomp: Daarmee raakte hij Ajas den zevenhuidigen beuklaar Vlak op het midden des navels en rondom schalde het koper. Ajas weder een steen van een noch veel grooteren omvang Kapende, zwierde hem voort, en hij spande zijn kracht op het uiterst. 270. Inwaarts deukte hij \'t schild door den worp van het blok, als

[een maalsteen,

Kneusde hem beide zijn knieën, en ruglings viel hij ter neder. Dicht van zijn schild omklemd, doch aanstonds hief hem Apolloon. Nu ook hadden zij lijf aan lijf met de zwaarden gestreden. Zoo daar niet de herauten, de boden van Zeus en der menschen, 275. Hier van de Trojers en ginds van de kopergedoste Achaiërs, Kwamen, Idaios en mede Talthubios, beiden beleidvol.

Dezen nu strekten hun staf dwars tusschen de twee; en Idaios Zeide dit woord, de heraut uitstekend in schranderen raadslag:

— Strijdt niet langer, mijn zonen, en voert niet verder den tweekamp, 280. Immers gij beiden, gij zijt aan den wolkenverzaamlenden Zeus lief,

Beiden geducht met de speer, dit zagen wij allen genoegzaam. Heeds is \'t nacht; \'t is goed dat de nacht ook worde gehoorzaamd. Ajas Telamoons zoon gaf daarop dezen ten antwoord:

Dit te verkondigen moet gij, Idaios, aan Hektor gelasten, 285. Hij toch was het die alle de dappersten daagde ten kampstrijd, Deze beginne en gaarn zal \'k volgen indien hij mij voorgaat. Daarop zei hem de groote, de helmboswuivende Hektor:

— Ajas, dewijl u een god toekende de kracht en de grootheid. Ook het verstand en de beste Achaiër te zijn in den speerworp,

-ocr page 131-

119

Laten wij dan voor een poos doen rusten den strijd en den doodslag, Heden; wij zullen op morgen hervatten den strijd; tot een godheid Eindlijk ons scheide en geve den éen of den ander verwinning. Reeds is \'t nacht; \'t is goed dat de nacht ook worde gehoorzaamd. Ga bij de schepen het harte van alle Achaicrs verheugen,

Maar vooral bij uw vrienden en makkers, zoo velen u volgen. Zelf naar de machtige veste van Priamos keerend, den koning, Zal ik verblijden de Trojers en vrouwen met slepende kleedren. Welke ten mijnen gevalle zich biddend vereenden in \'t godshuis. Welaan, laten wij d\' éen aan den ander vereerende giften Schenken, opdat soms éen der Achaiërs of Trojers betuige:

Niet slechts kampten zij samen in levenverdelgende strijden.

Maar ook scheidden zij weer, zich in vriendschap samen verbindend.

Alzoo sprak hij en schonk hem zijn zwaard met de zilveren knoppen, \'t Welk hij hem bood met de schede en zuiver gesnedenen draagriem; Ajas gaf hem zijn gordel van purper versierselen schittrend. Zoo daar scheidend, begaf zich de éen naar het heer der Achaiërs Weder, de ander te midden der scharen vau Trojers; en blijdschap Gaf het hun, toen zij hem levend, in welstand zagen voorbijgaan. Veilig aan Ajas\' geweld ontkomen en machtige handen. Stadwaarts voerden zij dan dien \'t hopeloos scheen dat gered wierd. Doch bij de anderen leidden d\' Achaiërs met stevige scheenplaat Ajas ten godlijken vorst, om de zege verheugd, Agamenmoon. Toen zij zich nu in de tent des Atreiden te zamen bevonden Offerde allen ter eere der volkeren vorst Agamenmoon Kronos\' geweldigen zone een stier, vijfjarig en krachtvol.

\'t Kund onttogen zij \'t vel en bereidden en schikten dit alles; Sneden \'t behendig in stukken en spietsten het Vleesch aan het braadspit, Brieden het al zorgvuldig en trokken het weer van de spitten. Toen, als zij rusten van \'t werk en den maaltijd hadden geregeld. Spijsden z\' en niemands hart ontbeerde zijn deel in den maaltijd. Doch de Atreide, de held wijdhcerschende vorst Agamenmoon, Deelde aan Ajas als ceregeschenk gansch \'t bovenste rugstuk. Nu zij van spijzen en drank naar begeerte des harten genoten. Gaf hun de grijsaard \'t eerst in beraad zijn verstandigen voorslag. Nestor, te voren en steeds hun gebleken de zekerste raadsman; Deze nu sprak welmeenend hun toe en hij zeide de woorden: — Atreus\' zoon en gij andren, gij dapperen aller Achaiërs; Ja, reeds viel er een tal langlokkige zonen Achaia\'s,

-ocr page 132-

120

Zij wier purperen bloed om de oevers des snellen Skamandros 330. Stroomde door Ares\' geweld, en wier zielen ten Aides daalden, \'t Is dus noodig dat morgen de strijd der Achaiërs gestaakt wordt. Herwaarts zullen wij samen vereend dan de lijken met wagens Voeren, met rundren en muilen, en zullen de dooden verbranden Even ter zij van de schepen, opdat wij hun assche den kindren 335. Huiswaarts brengen, wanneer wij naar\' t land onzer vaadren teruggaan. Over de houtmijt strooien wij \'t zand, uit de vlakte ten grafterp Rijzende, éen voor hen allen, en daarnaast bouwen wij ijlings Torens en wallen omhoog, voor de vloot en ons zeiven tot schutsweer. Daarin zullen wij poorten vervaardigen, stevig getimmerd, 340, Zoo dat door dezen den wagens en paarden verblijve een doorgang. Buiten en dicht aan den muur ontgraven wij diep eene walgracht. Welke er rondom gaand, ons beschutte voor wagens en voetvolk. Zoo dat ons niet overvalle de strijd der vermetele Trojers.

Alzoo sprak hij, en allen betoonden de vorsten hun bijval. 345. Ook bij de Trojers vereende op \'t hooge der stad zich de volksraad. Vol onstuimigen drang, voor de poorten van Priamos\' woning. Schrandre Antcnor begon er tot dezen te richten zijn toespraak:

— Hoort, mijne vrienden, Trojanen en Dardaners, ook de verbondnen; Laat ik u zeggen hetgeen het gemoed mij gebiedt in den boezem.

350. Welaan, laat ons den zonen van Atreus nevens de schatten d\' Argische Helena geven om mede te voeren: wij kampen Thans toch trouwloos in strijd met bezworen verbonden, en daarom Wacht ik ook geenerlei bate, tenzij zóo worde gehandeld. Zoo sprak deze en zette zich neer; waarop in hun midden 355. Held Alexandros verrees, schoonlokkige Heiena\'s gade,

Doch hem ten antwoord gaf en hem zei de gevleugelde woorden:

— Geenszins is mij gevallig, Antenor, het woord dat gij zeidet; Anderen raad dan een zulkcn, en beteren, weet gij te geven. Maar als gij werkelijk dit waarachtig en ernstig gemeend hebt,

360. Zeker, dan hebben de goden u zeiven beroofd van de zinnen. Doch nu spreek ook i k tot de rossenbedwingende Trojers, Ronduit deel ik het mede: die vrouw, nooit zal ik haar afstaan, Al wat ik echter van schatten naar huis meevoerde uit Argos Wil ik geheel weergeven en meer van het mijne er toedoen. 365. Alzoo sprekend hernam hij zijn plaats; toen rees in hun midden Priamos, telg uit de zonen van Dardanos, godlijk van wijsheid; Deze begon welmeeuend en sprak aldus ter vergaadring:

-ocr page 133-

121

— Hoort naar mijn woorden, gij Trojers en Dardancrs, ook de

[verbondnen,

Laat ik u zeggen hetgeen het gemoed mij gebiedt in den boezem. 370. Neemt door de stad nu allen uw avondmaal, als gewoonlijk,

Zorgt voor het stellen van wachten en elkeen houde zich waakzaam. Morgen begeve Idaios zich vroeg naar de holle galeien,

Meldend aan Atreus\' zoons, Menelaos en vorst Agamemnoon Wat Alexandres zeide, om wien onze twisten verrezen; 375. \'t Raadzame voorstel doe hij hem ook, of zij zouden geneigd zijn \'t Gruwzaam strijden te staken, zoo lang wij de dooden verbranden. Later hervatten wij weder den krijg, zoo lang tot een godheid Weder ons scheide en geve den éen of den ander verwinning. Alzoo sprak hij, en allen \'t bevel vol ijver gehoorzaam, 380. Nuttigden scharengewijs door het leger hun maal voor den avond, \'s Morgens begaf zich Idaios dan vroeg naar de holle galeien; Daar, in den volksraad vond hij de Danaërs, Ares\' gezellen. Naast Agamemnoons schip, aan den achtersteven vergaderd. Waar nu de helderbespraakte heraut in hun midden hun toesprak: 385. — Atreus\' zoon, en gij andren, aanzienlijksten aller Achaiërs, Priamos heeft mij gezonden en d\' andere edele Trojers Hier te verkonden, indien het u lief mocht wezen en welkom. Wat Alexandros zeide, om wien onze twisten verrezen.

Alle de schatten, zoo vele naar Troja\'s gewest Alexandros 390. Bracht in zijn holle galeien — o waar\' hij te voren gestorven — Wil hij geheel weergeven en meer van het zijne er toedoen. Maar nooit zal hij den held Menelaos de vrouw zijner jonkheid Geven, dit heeft hij verklaard, hoe zeer hem de Trojers het raden. Ook dit woord u te zeggen gelastte de raad, of gij toestemt ü\'JB. \'t Gruwzaam strijden te staken, zoo lang wij de dooden verbranden. Later hervatten wij weder den krijg, zoo lang tot een godheid Weder ons scheide en geve den éeri of den ander verwinning.

Alzoo sprak hij en allen bewaarden in stilte het zwijgen. Eindelijk sprak toen toch Diomedes geducht in den strijdgalm: too. — Niemand neme de schatten en al wat ons biedt Alexandros, Ook niet Helena; immers gij weet het, de zwakste van geest zelfs, Hoe den Trojanen de tijd reeds nadert des uitersten onheils.

Alzoo sprak hij, en luid klonk \'t juichen der zonen Achaia\'s, \'t Woord van den rossenbedwinger den held Diomedes bewondrend. W5. Daarna sprak tot Idaios de heerschende vorst Agamemnoon;

-ocr page 134-

122

— Zelf nu hoort gij, Idaios, \'t besluit van de zonen Achaia\'s, Wat zij ten antwoord geven; en dus ook is \'t mij gevallig.

Doch wat de dooden betreft, het verbranden, dat weiger ik geenszins. Want geen karig verzuim mag jegens de lijken der dooden 4io. Worden begaan, en met spoed in hun dood doorliet vuur hen bevredigd. Zeus dan hoore de eeden, de dondrende gade van Hera.

Alzoo quot;sprekende hief hij zijn scepter tot alle de goden,

Doch naar de heilige veste van Ilios keerde Idaios.

Trojers en Dardanoszoneu bevonden zich noch in den volksraad, 415. Allen te zamen vergaderd, verbeidend Idaios\' terugkomst.

Deze nu kwam daar weder en gaf hun bericht van zijn boodschap, Staande in \'t midden des volks; snel togen zij nu aan den arbeid. Dezen aan \'t voeren der dooden, en anderen brachten het brandhout. Ook de Argeiërs verlieten hun schepen met stevige roeibank 420. Snel, om de dooden te voeren en anderen brachten het brandhout. Helios wierp zoo even zijn stralen omlaag op de akkers. Pas uit het zachte gegolf van den diepen Okeanos opwaart Stijgend ten hemelgewelf. Thans kwamen zij samen van weerszij. Moeielijk viel het hun daar te herkennen hun eigene dooden. 435. Maar de met bloed overdekte gevallenen wasschend met water. Tilden zij dezen op wagens, do bitterste tranen vergietend.

Doch geen weeklacht duldde dc machtige Priamos; zwijgend Legden zij, treurig te moede, hun dooden te zaam op de houtmijt,, Lieten het vuur zc verbranden, en keerden naar \'t heilige Troja. 430. Ginder vervoerden er ook de Achaiërs met stevige scheenplaat Treurig te moede hun dooden en legden zc saam op dc houtmijt. Lieten het vuur ze verbranden, en keerden terug naar de schepen.

Eoos scheen noch niet, en er hing noch duistere schecmring. Toen om de vuurmijt reeds een verkorene schaar der Achaiërs 435. Werkte cn rondom deze het zand uit de vlakte ten grafterp

Stapelde, éene voor allen; zij bouwden er nevens een muurwerk, Voorts ook rijzige torens, der vloot en hun zeiven tot schutsweer; Daarin maakten zij voorts goed sluitende, stevige poorten,

Welke den wagens en paarden er konden verschaffen een doorgang. 440 Buiten en nevens den muur ontgroeven zij diep eene walgracht. Breed, wijdstrekkend, cn sloegen in \'t zand spitspuntige palen.

Zoo dan ijverde daar \'t langlokkige volk der Achaiërs.

Doch op hun zetels in \'t rond om den bliksemvoerder Kronioon Zagen dc goden verbaasd op het machtige werk der Achaiërs.

-ocr page 135-

123

Hó. Zoo nu begon tot hen sprekend de aard rij kschudder Poseidoon: — O Zens vader, of ergens een mensch op het eindlooze aardrijk Ooit onsterflijken noch zal moeien met plannen en raadslag?

Ziet gij het niet, hoe daar \'t langlokkige volk der Achaiërs Bouwde een muur voor zijn schepen en leidde een gracht er om henen, 450. Doch aan de goden verzuimde te bieden de feestlijke offers? Die muur blijft hun tot roem, zoo verre het licht van den dng straalt. Maar zoo zal men vergeten den muur, dien ik zelf met Apolloon Moeizaam eens om de stad voor den dappren Laomedoon optrok. Zeer ontstemd antwoordde de wolkenverzaamlende Zeus hem: ■155. Hoe nu! Schudder der aard, wijdheerschende, welk ecne meening! Had noch onder de goden een ander die vreeze gekoesterd,

Verre uw mindere zijnde in sterkte van handen en kloekheid. Neen, steeds zal het u strekken tot roem, zoo verre het licht straalt. Kom! zoo waarlijk, wanneer \'t langlokkige volk der Achaiërs 400. Weg zal zijn met zijn schepen naar \'t dierbare land zijner vaadren, Stort hem ter neer, dien muur, en verspreid hem geheel in den zeevloed. Doe dan weder het zand overdekken de breedte des oevers Zoo dat er worde vernield de geweldige bouw der Achaiërs. Zoo nu bespraken er dezen te zaam zoodanige zaken. 465. Helios zeeg nu neer en gereed was \'t werk der Achaiërs.

Runderen slachtten zij toen bij hun tenten en spijsden ten avond. Wijn aanvoerende kwam er een aantal schepen uit Lemnos Hier hun gestuurd door den zoon van lesoon stammend, Eunéos, Welken Hupsipule baarde den volkcrenherder lësoon.

470. Echter aan Atrens\' zoons, Menelaos en vorst Agamemnoon, Stuurde hij edeler drank afzonderlijk, duizend der wijnmaat. Alzoo kochten zij wijn, \'t langlokkige volk der Achaiërs,

Dezen voor koper en genen voor schitterend ijzer, en andren Weder voor huiden van ossen, en andren voor levende runders, 475. Andren voor slaven in ruil; en zij maakten een rijkelijk feestmaal. Gansch dien nacht door vierden de welig gelokte Achaiërs \'t Heerlijke maal; in de veste de Trojcrs en medeverbondnen; Maar ook gansch dien nacht zat Zeus hun verderf te beramen. Dreunend metschriklijken donder; en bleeke verschrikkingbeving hen. Over de aarde vergoten zij wijn uit hun bekers, en niemand Waagde een dronk, alvorens te plengen den grootschcn Kronioon. \'t Rustbed zochten zij toen en genoten dc gave der nachtrust.

480

-ocr page 136-

ACHTSTE ZANG.

.l /oos rees in het kleed van saffraangeel over liet aardrijk. Zeus, de in donder verheugde, belegde een raad van de goden Boven de rijzigste punt van den kantigbekruinden Olumpos.

Daar sprak deze hun toe en de eeuwigen luisterden allen: — Hoort mijne woorden, gij goden en alle godinnen gezaanilijk, Laat ik u zeggen hetgeen het gemoed mij gebiedt in den boezem. Geen onsterflijke vrouwe en geen van de manlijke goden Trachte mijn woord te verijdlen, en veeleer moet gij uw bijval Allen verleenen, opdat ik dit werk voleindig ten spoedigst.

Wien ik ook zien zal, pogend afzonderlijk buiten de goden \'t Zij naar de Trojers te gaan of de Danaërs, hulpe verleenend. Smadelijk zal hij getroffen ten hoogen Olumpos teruggaan; Zoo ik hem grijpende niet in het Tartarosduister hem neerstort. Ver, waar onder de aarde zich opent het diepst van den afgrond. Waar zich de ijzeren poort en de koperen drempel bevinden. Onder den Aides even zoo ver als de hemel van \'t aardrijk. Dan ontwaart gij hoe ver ik de krachtigste ben van u allen. Doch welaan en beproeft het, gij goden, dat allen het aanzien. Hecht eenen keten van goud, aan des hemels gewelven bevestigd. Gaat dan saam er aan hangen, gij goden en alle godinnen. Nochtans zoudt gij ter aard niet trekken uit \'t hooge des hemels Zeus den verheven regeerder, met hoe veel kracht gij u weerdet. Doch als het mij dan ook mocht lusten in ernst hem te trekken, Trok ik u allen omhoog met de aarde er by en de zeeën, \'k Zou dan den keten geslingerd om \'t rotsige hoofd des Olumpos Daar vastbinden, dat \'t al in het luchtruim zwevende ophing.

-ocr page 137-

125

Zoo ver ben ik boven de eeuwigen, boven de mensciien.

Alzoo sprak hij, en allen bewaarden verstommend bet zwijgen, Ganscli door zijn taal ontzet, want vrccsclijk klonk zijne toespraak. Eindiijk begon de godin klaaroogige Pallas Athena:

— O gij. Vader van allen, Kronioon, hoogste der heerschers. Wij ook zien nu wel, dat uw kracht niet is te bedwingen. Deernis verwekken ons echter de speerschachtwerpend\' Achaiërs, Daar zij de booze beschikking vervullende, zeker bezwijken. Echter wij zullen ons dan, naar uw wil, onthouden van \'t strijden, llaad slechts zullen wij bieden den Danaërs, welke hun bate. Zoo dat cr toch niet allen vergaan, door uw heftige gramschap.

Haar toelachende zeide de wolkenverzaamlende god Zeus:

— Stil maar, Tritogeneia, mijn kind, thans zeg ik het geenszins Ernstig gemeend in het harte; ik wil goedgunstig u wezen.

Alzoo sprak hij en spande in \'t juk van den wagen zijn rossen Kopergehoefd, snelvliegend, omwapperd van goudene manen. Hulde hij zelf zijne leden in \'t goud en hij vatte den zweepstaf, Sierlijk met goud doorwerkt, en vervolgens besteeg hij zijn wagen. Zweepende joeg hij de paarden vooruit; en zij vlogen gehoorzaam, \'t Ruim door tusschen de aarde en \'t starrengewelf van den hemel, \'t Bronrijk oord van de Ida bereikte hij, moeder van \'t boschwild, Gargaroons top, waar stond zijn omheining en geurende altaar. Daar weerhield hij zijn rossen, de Vader der menschen en goden, Maakte ze los van den wagen, hen dicht omhullend in nevels. Hoven de bergkruin zat hij dan neer in zijn roem zich verheugend, \'t Oog naar de Troïsche veste gewend en de vloot der Achaiërs.

Dezen nu namen hun maal, \'t langlokkige volk der Achaiërs, Haastig in al hunne tenten en hulden zich straks in het pantser. Ginds door de stad heen greep ook \'t heer der Trojanen de wapens, Minder in tal, maar toch vol vuur om te strijden op \'t slagveld, Daar hen de noodzaak dwong, om het heil hunner kindren en vrouwen. Toen ontsloot men de poort en het volk liep stormend naar buiten. Strijders te voet en op wagens; \'t gedruisch klonk luid in het luchtruim.

Toen nu de stormende mannen op een punt mengden hun scharen. Botsten de schilden te zaam en de speren en driften der krijgers Sterk in het koperen pantser; de schilden met welvenden navel Stootten de éen op den ander; \'t gedruisch klonk luid in het luchtruim. Daar trof saam het gejammer en vreugdegeschreeuw van de mannen, Doodontvangend of doodend en \'t bloed vloot over het aardrijk.

-ocr page 138-

120

Zoo lang Eoos wijlde en opsteeg \'t heilige daglicht,

Wondde van weerszij \'t wapen met kracht en de strijders bezweken. Doch toen Helios stijgend het midden des hemels bereikt had, Strekte de Vader zijn hand naar omhoog met de goudene weegschaal. Legde er in twee teekens van \'t langneerstrekkende sterflot, Zoo rosdwingenden Trojers als kopergedosten Achaiërs,

Vatte het midden en woog, en het oordeel trof de Achaiërs. \'t Lot der Achaiërs zonk naar het alom voedende aardrijk,

\'t Lot van de Trojers verhief zich omhoog naar de ruimte des hemels. Vreesdijk donderde Zeus toen boven de Ida, zijn vuurstraal Slaande in \'t heer der Achaiërs, en dezen de teekenen ziende Waren van vrees ontzet en de vale verschrikking beving hen. Langer te blijven vermat zich Idómeneus, noch Agamemnoon, Geen van de Ajaxen hield meer stand, de gezellen van Arcs; Nestor bleef alleen, hij sclmtsweer aller Achaiërs,

Maar slechts noode, een pijl toch wondde hem éen van zijn paarden, Daar Alexandres het trof, schoonlokkige Heiena\'s gade,

Boven aan \'t voorhoofd, waar bij de paarden de manen beginnen. Wassende vóór aan den kop, waar doodelijkst is de verwonding, \'t Steigerde onder de pijn, en het schot drong diep in de hersens; Wild om het koper zich wringend, verwarde het d\' andere paarden. Toen zich de grijze verhief om gezwind met zijn lemmer het by paard Los van de strengen te snijden, bereikten intusschen hem Hektors Schielijke rossen in \'t woelen des strijds, hunnen wakkeren menner Hektor voerend; en thans was zeker de grijze gesneuveld Zoo niet scherp toezag Diomedes geducht in den strijdgalm. Vreeselijk klonk zijn geschreeuw, tot Odusscus roepend om bijstand:

— Godlijke zoon van Laërtes, in listen ervaren Odusscus,

Hoe ontvlucht gij, en keert gij den rug als een laffe in \'t strijdperk? Laat er u geen, bij uw vlucht, met zijn speer doorboren de schouders. Blijf, dat wij hier van den grijze verdrijven den vurigen woestaard.

Alzoo sprak hij; intusschen de hevigbeproefde Odusscus Hoorde hem niet, maar stormde voorbij naar de vloot der Achaiërs. Toen wierp Tudeus\' zoon alleen zich te midden der voorsten. Daar tot den grijze, den zone van Neleus naderend, stond hij Voor zijne paarden, en riep hem, en sprak de gevleugelde woorden:

— Grijsaard, waarlijk te heftig beklemt u het jongere krijgsvolk, U ontzonken dè krachten, de wichtige ouderdom drukt u.

Ook uwen dienaar faalt nu de kracht, loom zijn uwe rossen.

-ocr page 139-

127

Maar welaan, stijg snel op den wagen van mij, dat gij zien moogt Wat ze vermogen die paarden, herkomstig van Tros en geoefend Over de vlakte te rennen, tot snelle vervolging of vluchten, Welke ik pas ontnam aan Aineias, den held der verschrikking. D\'uwen verzorge uw volk; naar de rossenbedwingende Trojcrs Zullen wij saam dan drijven mijn span, zoo moge ook Hektor Zien of ook m ij in de vuist kan woeden de trillende speerschacht.

Alzoo luidde zijn roep; de Gerenische wagenaar Nestor Volgde zijn raad; zijne paarden verzorgden vervolgens zijn makkers, Stbenelos, d\' edele held, en Eurumedoon, vurig in \'t strijdperk. D\' anderen stegen te saam op den wagen van vorst Diomedes. Nestor greep nu zelf in zijn handen de blinkende teugels. Zweepte de paarden, en spoedig bereikten zij Hektor van dichtbij. Dezen, hun tegengesneld, zond Tudeus\' zoon zijne werpspies; Hektor miste hij, maar diens wagenbesturenden dienaar Trof hij, Eniopeus, zoon van den moedigen strijder Thebaios; Hem, die de teugels bestierde, doorstak hij de borst bij den tepel. Ruglings stortte hij neer van de kar, en de vluchtige rossen Deinsden terug, en terstond ontvloden hem krachten en adem. Bittere smart trof Hektor \'t gemoed, om zijn wagenbestuurder. Doch clan liet hij hem daar, hoe zeer zijnen makker betreurend. Liggen en zag in het rond naar een wakkeren menner; de paarden Misten des drijvers bestuur slechts kort, want dadelijk vond liij Ifitos\' wakkeren zoon Archeptolemos; dezen beval hij Snel op zijn wagen te stijgen en gaf hem de teugels in handen.

Toen zou \'t onheil naken en onherstelbare uitslag,

Waren z\' in Ilios\' veste beklemd als de schapen in \'t schutperk. Zoo niet scherp er op lette de Vader van niienschen en goden. Sclirikkelijk donderend zond hij des bliksems glanzenden vuurstraal. Neerslaand tegen den grond vóór \'t span van den vorst Diomedes. Vreeselijk lichtte het vuur uit de brandende zwavel gestegen. Angstvol krompen de paarden zich tegen den wagen, en Nestor Liet aan zijn hand ontglippen de blinkend beslagene teugels. Vrceze beving zijn gemoed, en hij sprak tot den zone van Tudeus: — Kom, Diomedes, gevlucht met de enkelhoevige rossen.

Want ontwaart gij het niet, dat u Zeus niet geeft de verwinning? Immers Kronioon Zeus kroont Hektor thans met den krijgsroem. Heden ten minste; liij zal hem aan óns weer morgen verleenen. Zoo hij het wil; geen mensch toch kan Zeus\' ordening stuiten.

-ocr page 140-

128

Ook de voortreflijkstc niet, want hij is verre het machtigst. 145. Daarop zeide hem weer Diomedes geducht in den strijdgalm:

— Zekerlijk hebt gij, o grijze, dit alles gesproken met wijsheid, Maar in mijn hart en mijn ziel rijst zulk eene bittere droefheid, Want vast zegt eens Hektor te midden van \'t volk der Trojanen: Tndeus\' zoon is bloode voor mij ontvlucht naar zijn schepen.

150. Zoo zal deze nu pralen; — mij grijp\' dan \'t splijtende aardrijk. Doch hem ten antwoord sprak de Gerenische wagenaar Nestor:

— Wee mij, welk eene taal, gij zoon van den schittrenden Tudeus; Immers indien al Hektor u bloodaard noemde en krachtloos, Geenszins vindt hij geloof bij de Trojcrs en Dardanionen,

155. Noch bij de vrouwen der dappre het rondas zwaaiende Trojcrs, Zij, wier bloeiende gaden in \'t stof deed zinken uw speerworp.

Alzoo sprekende, joeg hij ter vlucht d\' eenhoevige rossen Weder terug in \'t gewoel; en te midden van schriklijke kreten Wierpen de Trojers en Hektor hen na met het vliegende moordtuig, ifio. Luid riep Hektor hem toe, de geduchte omwuifd van zijn helmbos:

— Tudeus\' zoon, u eerden de Danaërs snel met de rossen Hoog door de eerplaats, giften van vleesch, veelvuldige bekers. Doch nu zal men u smaden; gij zijt nu geworden als\'t vrouwvolk. Voort! lafhartige deern: nooit zult gij, tot wijken mij dwingend,

ir,5. Muren en poorten bestijgen van Ilios, noch onze vrouwen

Voeren als buit op uw schepen; ik breng u te voren het onheil.

Alzoo sprak hij, en twijfel bewoog het gemoed des Tudeiden, Of hij zijn span zou wenden en strijdend hem zou te gemoet gaan. Driemaal zon en bedacht hij in geest en gemoede besluitloos, 170. Driemaal donderde echter van Ida\'s gebergten Kronioon,

Troja\'s volk tot een teeken der altijd wankendc zege.

Hektor intusschen gelastte met klinkende stem aan de Trojcrs:

— Trojers en Lukiërs, telgen van Dardanos, strijders van dichtbij, VVeest thans mannen, mijn vrienden, gedenkt aan den krachtigen

[weerstand.

176. Immers ik zie dat de wenk van Kronioon gunstig mij toewees Zege en heerlijken roem, maar jammerlijk leed den Achaiërs, Dwazen, die moeizaam juist daar hebben verzonnen dat muurwerk. Krachtloos, gansch onnut, en dat niet zal keeren mijn aanval. Vlug toch zullen mijn rossen hun sprong doen over die groeve. 180. Maar wanneer het geschiedt dat ik kom bij de holle galeien. Laat men zorgen zich dan het verwoestende vuur te herinren.

-ocr page 141-

129

Waar ik den brand mee werp in de vloot, en ze allen vernietig, Argos\' volk, bij de schepen, in warring gebracht door den vuurwalm. Alzoo sprak hij en riep met vermanende stem tot zijn paarden:

— Xanthos en gij Podargos, en Aithoon, godlijke Lampos,

Loont de verpleging mij thans, die u steeds met getrouwe verzorging Mijne Andromache wijdde, des grooten Eëtioons dochter.

Want steeds gaf zij u \'t eerst van de harteverkwikkende tarwe. Mengde u wijn, om te drinken, wanneer u het hart er toe aandreef. Eerder dan mij, die zich toch mag noemen haar bloeienden gade. Maar snelt thans ter vervolging en rept u, opdat wij vermeestren \'t tSchild dat aan Nestor behoort, welks roem thans reikt tot den hemel, Ganschelijk zijnde van goud, zoo \'t schild als de grepen der handvat; Ook Diomedes, den dwinger van \'t ros, van zijn schouderen rukken \'t Sierlijk beslagene pantser, gemaakt door Hefaistos den kunstnaar. Mochten wij dezen vermeestren, dan iioop ik dat wis de Achaiërs Noch in dien eigenen nacht hunne snelle galeien bestijgen.

Zoo klonk pralend zijn woord; maar toornig bewoog op haar zetel Hera, de hooge gebiedster, en schokte den grooten Olumpos. Daarop luidde haar woord tot den machtigen god Poseidaoon:

— Wee, gij schudder van d\' aard, wijdheerschende, rijst in uw boezem Geenerlei deernis thans met de Danaërs, prijs aan verdelging? U toch brengen zij offers naar Helike steeds en naar Aigai,

Vele en lieflijke gaven; o schenk gij dezen de zege!

Immers indien wij het wilden, zoo velen de Danaërs bijstaan, Trqja\'s volk te verdrijven en Zeus d\' alziende te stuiten. Treurend zoude hij zitten en eenzaam ginds op de Ida.

Doch tot haar zeide verstoord de geweldige schudder des aardrijks:

— Hera, vermetel van taal, welk stout woord hebt gij gesproken! Mijn wil zou het gewis niet zijn dat wij tegen Kronioon Streden, wij anderen, immers hij is ons verre het machtigst.

Zoo nu bespraken er dezen te zaam zoodanige zaken.

Daar, bij de vloot, op de ruimte begrensd door de gracht en het

[muurwerk.

Was het er vol van de wagens en rondasdragende strijders, Saraengehoopt, wijl, snel als de stormende Ares, hen voortdrong Hektor Priamos\' zoon, toen Zeus hem verleende den krygsroem. Wis ook had hij de schepen verbrand met den zengenden vuurgloed. Zoo niet godlijke Hera bezielde den geest Agamemnoons,

Zelf reeds ijvrig aan \'t werk, om met spoed de Achaiërs te drijven.

D

-ocr page 142-

130

220. Aanstonds ijlde hij toen langs tenten en vloot der Achaicrs, Heffend met stevige hand zijnen grooten en purperen mantel. Boven Odusseus\' donker en breed zich welvende vaartuig Stond hij, dat lag in het midden, om luide te roepen naar weerszij. Hier naar de zijde der tenten des zonen van Telamoon, Ajas, 225. Ginds naar Aehilleus\' kant, die hun vvelevenredige schepen

Stelden aan d\' uiterste einden, vertrouwend hun moed en hun

[vuistkracht.

Luidkeels schreeuwende klonk zijne stem tot het heer der Achaiërs: — Schande, Argeiërs, op n, ellendigen, treflijk van aanschijn. Waarheen vlood onze trots, als wij roemden zoo moedig te wezen ? 230. Waar het gezwets, waarmee gij zoo ijdelijk praaldet op Lemnos, Ruimschoots etend het vleesch van de steilgehorende runders, Drinkend den wijn uit de vaten, ten boorde gevuld met het druifnat, Hoe elk honderd Trojanen, ja zelfs tweehonderd in \'t strijdperk Wel zou wagen te staan; maar thans, niets zijn wij bij d\'éenen 235. Hektor, die dra onze schepen verbrandt met den zengenden vuurgloed. O Zeus Vader, of ooit gij aan éenen der machtige vorsten Zoo veel smaad deedt lijden, van zoo veel eer hem beroofd hebt? Want, ik betuige, ik bracht by mijn droevige tochten naar herwaarts Nooit \'t veelriemige schip langs éen van uw prachtige altaars, a-K). Zonder op elk te verbranden het vet en de schenkels der rundren. Vurig verlangende Troja, het stevig bemuurde te delgen.

Doch Zeus! wil dien wenscb althans goedgunstig mij toestaan, Gun ons ten minste in stilte te vliên en ons zeiven te redden. Maar laat niet aldus door de Trojers vergaan de Achaiërs. 245. Alzoo sprak hij; de Vader, met deernis vervuld om zijn tranen, Wonk nu redding hem toe voor het volk, niet langer hun neerlaag. Aanstonds zond hij een arend, het gunstigste tecken der vogels. Dragend een ree in zijn klauwen, het jong eener vluchtige hinde, \'t Reetje nu liet hij zijn klauw ontvallen bij \'t prachtige altaar 250. Waar de Achaiërs aan Zeus, den bestuurder der teekencn, offren. Aanstonds toen zij den vogel erkenden als komend van Zeus\' hand. Stormden zij tegen de Trojers te feller en gloeiend van strijdlust. Hier kon geen zich beroemen, hoe velen de Danaërs waren, Vóór den Tudcide de eerste te zijn in het wenden der paarden, 256. Buiten de gracht weer drijvend het span tot den dapperen weerstand; Doch vóór allen versloeg hij het eerst een gewapenden Trojer Fradmoons telg Agelaos; hy keerde zijn wagen tot vluchten,

-ocr page 143-

131

Doch in het wenden verwondde hem toen in den rug zijne werpspies, Juist in het midden der schouders en drong hem tot vóór in de

[borstkas;

260. Toen ontzonk hij den wagen; zijn wapens omkletterden\'t lichaam; Na hem Atreus\' zoons Menelaos en vorst Agamemnoon,

Tevens de Ajaxen beiden, bekleed met geweldige weerkracht, Verder Idomeneus zelf en Idomeneus\' makker in \'t strijdperk Kloeke Meriones, Ares den manncnverdelger gelijkend; I 205, Mede Eurupulos volgde, de schittrende zoon van Euaimoon,

Wijders, als negende, Teukros, den boog met de krommende einden Spannend, terwijl met zijn schild Telamonios Ajas hem dekte. Soms hief Ajas even zijn schild, dan spiedde de dappre Rond, en zoodra hij, zijn pijl afschietend in \'t woelen der strijders, ; 270. Kaakte, en nedergestort de getroffene slaakte den adem.

Liep hij terug en, gelijk bij de moeder het knaapje, zoo ging hij Schuilen aan Ajas\' zij, wiens blinkende schild hem bedekt hield. Wien van de Trojers verwondde nu \'t eerst de voortreflijke Teukros? Eerstens Orsilochos trof hij en Ormenos, voorts Ofelestes, | 275. Daitor en Chromios dan en den godlijken held Lukofontes, Ook Poluaimoons zoon Amopaoon, dan Melanippos.

Ü\'éen op den andere wierp hij ze allen op \'t voedende aardrijk, \'t Was eene vreugd hem te zien voor den volkerenvorst Agamemnoon, Hoe zijn geweldige boog de falangen verwoestte der Trojers. Zoo trad deze hem nader en sprak hij hem toe met de woorden:

— Teukros, dierbare vriend, Telamoniër, heerscher der volken. Tref zoo voort, wees d\' eer van de Danaërs, d\' eer van uw vader Telamoon, hém die metzorg u gekweekt heeft, toen gij een kind waart, U, schoon bastaard, toch in zijn eigene woning verplegend. Wil dus dezen, ook verre van hier, doen stijgen in eere.

Want ik verklaar u, gelijk het ook eenmaal komt tot vervulling, Zoo mij de donderaar Zeus en Athena het mochten vergunnen Hios gansch te verdelgen, de stevig gemetselde burgstad.

Zal ik ten eersten aan ü na mij toedeelen een eergift,

\'t Zij eenen drievoet, \'t zij twee paarden benevens den wagen, \'t Zij cenc vrouw, die bestijge en saam met u deele uw rustbed.

Daarop zeide en gaf hem de treflijke Teukros ten antwoord:

— Atreus\' zoon, roemvolle, hoe kunt gij, terwijl ik zoo ijver. Mij noch drijven? Ik heb zoo lang mij de krachten ten dienst staan Nimmer gepoosd; doch sinds wij hen weder naar Ilios jagen.

1280.

285.

I\'JO.

-ocr page 144-

132

Sedert dien tijd, met den boog ze bespiedende, tref ik de mannen. Reeds naar een achttal dreef ik de pijlen met spitsige punten, Alle het lichaam treffend van jonge en strijdbare mannen.

Doch dien kan ik mijn schot niet geven, den woedenden hond daar. 300. Alzoo sprak hij, en stuurde een anderen pijl van de boogpees Doelend op Hektor, en vurig verlangde zijn hart hem te treffen. Nochtans raakte hij niet, maar d\' eedlen Gorguthioon trof hij, Priamos\' wakkeren zoon en hij schoot door de borst hem de pijlspits. Dezen nu baarde een vrouwe die Priatnos koos uit Aisuma, 305. Kastianeira, de schoone, godinnen gelijkend in aanschijn.

Zoo als de kop des papavers, die bloeit in den hof, zich terzij buigt, Overbeladen van vrucht en den stroomenden regen des voorjaars. Dus ook neigde zijn hoofd zich ter zij, doorliet wicht van den strijdhelm. Weer zond Teukros echter een anderen pijl van de boogpees 3io. Doelend op Hektor, en vurig verlangde zijn hart hem te treffen. Doch weer miste de pijl, want zijwaarts boog hem Apolloon. Archeptolemos echter, den wakkeren menner van Hektor,

Dapper ten strijde geijld, dien trof hij de borst bij den tepel. Snel ontviel hij den wagen en rugwaarts deinsden zijn paarden 315. Vluchtig van voeten, en toen ontvlood hem de kracht en de adem. Fel stak Hektor de smart om het lot van zijn wagenbestuurder. Doch toen liet hij hem liggen, hoe zeer om zijn makker bekommerd, Gaf aan Kebriones last, zijnen broeder, het naast aan zijn zijde, \'t Span bij de teugels te vatten, en deze verzuimde \'t bevel niet. 320. Maar zelf sprong hij gezwind uit zijn blinkenden wagen ter aarde. Onder vervaarlijk geschreeuw, en hij hief met de handen een keisteen; Rechtstreeks had hij \'t op Teukros gemunt en hij wilde hem treffen. Deze nu had uit den koker een puntigen pijl zich gekozen, Welken hij stak op de pees; nu trof hem de schittrende Hektor, 325. Toen hij de boogpees trok, bij den schouder het sleutelgebeente, Tusschen den hals en de borst, waar doodelykst is de verwonding. Daar trof \'t scherpe gesteente den schutter die juist op hem aanlei. Zoo dat de boogpees brak en de wortel des hands hem verlamd werd. Teukros zeeg op de knie, en de boog ontglipte zijn handen. 330. Ajas echter vergat thans niet zijnen broeder die neerzonk,

Maar liep snel om hem heen, in het rond met zij n schild hem bedekkend. Ijlings bukten inmiddels zijn twee trouwhartige makkers, D\' eedle Alastor, te zamen met Echios\' zone Mekisteus,

Welke hem, kreunend van smart, naar de vloot der Achaiërs vervoerden.

-ocr page 145-

133

335. Doch de Olnmpiër wekte den moed nu weer der Trojanen. Rechtuit dreven zij thans naar de gracht de Achaiërs, en Hektor Weerde zich onder de voorsten, met moed op zijn krachten vertrouwend. Zoo als een hond, die een leeuw of een ever der wildernis nazit, Dezen van achteren pakt, als, in vliegenden loop hem vervolgend, 340. Steeds op zijn wenden het oog, hij hem springt opzijn rug en zijn dijen, Zoo drong Hektors geweld \'t langlokkige volk der Achaiërs, Telkens den achterste doodend, en ijlings vloden zij allen.

Doch als zij waren gekomen door \'t paalwerk, over de gracht heen, Vluchtend, en velen er zonken, geveld door de handen der Trojers, 345. Hielden zij eindelijk stand en bedwongen hun vlucht bij de schepen. Daar met bemoedigend woord elkaar toeroepend, en ieder Hief zijne handen omhoog tot de goden en smeekte hen vurig. Steeds in het rond joeg Hektor zijn span schoonmanige rossen, Vonklend van oogen als Gorgo of Ares de menschenverdelger. 350. Maar vol deernis zag hen godin blankarmige Hera;

Aanstonds riep zij Athena en zei de gevleugelde woorden:

— Wee ons, dochter van Zeus, van den Donderaar, zullen wij noch niet Zorgen voor \'t stervende volk van de Danaërs; zelfs in het uiterst ? Daar zij de booze beschikking vervullende, zeker bezwijken

355. Onder \'t geweld van dien éene; hij viert ondraaglijk zijn woede, Hektor Priamos\' zoon, en iiij bracht reeds eindeloos onheil. Daarop zeide haar thans de godin klaaroogde Athena:

— Zekerlijk, deze verloor reeds lang zijne krachten en leven Onder de hand der Argeiërs gedood in het land van zijn vaadren,

360. Ware mijn vader het niet wiens geest vijandiglijk voortwoedt. Gruwzaam, altijd kwellend en al mijn begeerten verijdlend. Geenszins heugt het hem meer, dat ik vaak zijnen zoon hem gered heb Zwoegend onder het werk en den strijd hem verwekt door Eurustheus. Smeekend verhief dan deze zijn stem tot den hemel, en mij zond 3()5. Zeus om hem hulp te verleenen van \'t hooge gewelf naar het aardrijk. Had ik dit alles vooraf doorschouwd met verstandiger inzicht, Toen hij tot Aïdes, sluiter der poort, hem verzond en hem opdroeg. Gruwbaren Aïdes\' hond uit den Erebos mede te voeren.

Zekerlijk ware hij nooit ontkomen den vreeslijken Stuxvloed. 370. Doch nu treft mij zijn wrok en vergunde hij Thetis haar bede. Toen zij hem kustte de knieën, zijn kin al smeekende vattend.

3Clt;!. Horakles.

-ocr page 146-

134

Biddend om eerc te doen aan den stedenverwocster Aehillcus. Doch eens zal hij mij weer klaaroogige lieveling noemen.

Maar kom, maak nu gereed onze enkelhoevige rossen,

375. Nu ik mij zelf naar het huis van den aigisvoerenden Vader

Spoede en \'t harnas dosse ten strijd, om te zien of hij dan noch Vreugd voelt, Priamos\' zoon, die helmboswuivende Hektor, Zoo wij hem plotseling daar op des oorlogs paden verschijnen. Dan zal menige Trojer, geveld bij de vloot der Achaiërs, 380. Ook met zijn vet en zijn vleesche verzadigen honden en vogels. Aldus sprak zij; zoo deed de godin blankarmige Hera; Aanstonds ging zij en tuigde de paarden met goudenen hoofdband. Zij d\' eerwaarde godinne, de dochter des machtigen Kronos;

Doch Athenaia, de dochter van Zeus den bestuurder der Aigis, 385. Liet aan des Vaders drempel het fijne gewaad van de schouders Glijden, het kleurige kleed met haar eigene handen bearbeid; Dan in het pantser zich hullend des wolkcnregeevders Kronioon, Nam zij het wapengerei tot den tranenverwekkenden oorlog; Toen, haren vlammenden wagen betredende, greep zij de werpspies, 390. Groot, veerkrachtig en zwaar, waarmee zij de scharen der helden Dwingt als zij tegen hen toornt, zij telg des geweldigen Vaders. Hera nu noopte de paarden tot spoed met den knellenden zweepstaf. Thans ontsloot zich van zelve des hemels poort, die de Horen Hoedden, belast met de zorg aan het hemelgewelf en d\' Olmnpos 395, Donkere wolken te spreiden, of \'t nevelenfloers te verwijdren. Daar door dreven zij thans hare rossen gespoord door den prikkel.

Zeus van de Ida het ziende en fel ontstoken in gramschap Zond om zijn last te verkonden de goudengevleugelde Iris: — Ga, snelspoedende Iris en keer ze, belet dat zij voortgaan 400. Mij te gemoet, niet zacht waar\' ons ontmoeten op \'t slagveld. Want dit kondig ik aan en gewis ook zal het vervuld zijn, \'k Zal haar de schielijke rossen in \'t juk van den wagen verlammen, \'k Stoot uit den wagen haar beiden ter neer en verbrijzel het voertuig; Zelfs niet binnen \'t verloop van een tiental wentlende jaren 405. Zullen de wonden zich heelen, met welke mijn bliksem ze slaan zal; Zie Klaaroogige dan wat het is met haar vader te strijden.

Maar zoo fel niet toon ik aan Hera mijn wrok en mijn gramschap, Steeds toch is zij gewoon te bestrijden hetgeen ik gezegd heb. Alzoo sprak hij; en snel als de storm ging Iris het melden, ■iio. Zwevend van Ida\'s gebergt naar de groote Olumpische toppen.

-ocr page 147-

135

Voor aan de uiterste poort van den diep doorspleten Olumpos Trof zij ze aan, weerhield ze en bracht haar het woord van Kronioon: . — Waarheen streeft gij zoo snel ? Wat woelt u het hart in den boezem ? U staat Kronos\' zoon niet toe de Argeiers te helpen.

115. Want zoo zeide en zal het de zone van Kronos vervullen,

Dreigend, hij zal in \'t gareel uwe schielijke rossen verlammen, Saam uit den wagen u stooten, en zal u verbrij zien het voertuig. Zelfs niet binnen \'t verloop van een tiental wentlende jaren Zullen de wonden zich hcelen met welke zijn bliksem u slaan zal, 420. Zie, Klaaroogige, dan wat het is met uw vader te strijden;

Maar zoo fel niet toont hij aan Hera zijn wrok en zijn gramschap. Steeds toch is zij gewoon te bestrijden hetgeen hij gezegd heeft. Maar gij schriklijke, driest als een hond, wanneer gij het waarlijk Dorst te bestaan, trots Zeus, uw geweldige speer te verheffen! 425. Alzoo sprekende repte zich voort snelvoetige Iris.

Maar tot Athena begon toen Hera de woorden te spreken:

— Wee mij, dochter van Zeus, van den vvolkenbeheerscher, ik duld niet. Ik althans, dat wij Zeus trotseeren om sterflijke menschen. Sterve van dezen de éen, en behoude de ander het leven,

430. Wie het ook treff\'; maar Zeus zijn eigen bedenkingen volgend. Zal het beslissen voor Trqjers en Danaërs volgens zijn wilkeur.

Alzoo sprak zij en wendde haar enkelhoevige paarden. Aanstonds maakten de Horen de rossen met glanzende manen Los van de tuigen en bonden ze vast aan d\' ambrosische kribben, 435. Plaatsten het voertuig dicht aan den schittrenden wand van den voorhof. Doch de godinnen bezetten haar plaats op de goudene zetels Tusschen de andere goden, en waren bekommerd van harte.

Zeus nu dreef zijne rossen en sierlijk geraderden wagen Neer van de Ida en ging ten Olumpos ter godenvergaadring. 440. Daar ontspande zijn paarden de aardrijkschudder Poseidoon,

Hief op de stelling den wagen en spreidde er over een lijnwaad, d\' Alomschouwende Zeus ging toen op zijn gouden gestoelte Zitten en onder zijn voeten bewoog de geschokte Olumpos.

Doch Athenaia en Hera, tot Zeus niet naadrend en eenzaam 445. Zaten zij, zonder een woord hem te zeggen of iets hem te vragen. Maar hij bevroedde het zeifin zijn geest en het klonk van zijn lippen;

— Waarom zijt gij zoo zeer mismoedig, Athena en Hera?

Gij waart toch niet moe van in \'t mannenvcreerende strijdperk Trojers te dooden, op wie gij zoo stelt uw verbitterde wraakzucht!

-ocr page 148-

130

450. Maar, zoo ver mijne kracht en mijn onweerstaanbare hand reikt Zoudt gij mij geenszins keeren, zoo velen d\'Olumpos bewonen. Doch reeds heeft zich de schrik van uw glanzende leden bemachtigd Eer gij den oorlog zaagt en des oorlogs moeizamen arbeid.

Maar dit zeg ik u thans, en het zoude ook zeker vervuld zijn, 455. Geenszins waart gij, geraakt door het donderend vuur, op uw wagen Weer ten Olumpos gekeerd, alwaar d\' onsterfiijken zeetien.

Alzoo sprak hij; en beiden, Athena en Hera, al morrend Zaten zij naast elkander, en zinden op kwaad voor de Trojers. Nochtans zweeg Athenaia en liet geen woord van zich uitgaan, 460. Wrokkend op Zeus haren vader en wilde verbittring beving haar. Hera\'s gemoed hield echter den toorn niet in, en zij zeide:

— Kronos\' geweldige zoon, welk stout woord hebt gij gesproken! Wij ook zien nu wel dat uw kracht niet is te bedwingen,

Deernis verwekken ons echter de speerschachtwerpend\' Achaiërs,

405. Daar zij de booze beschikking vervullende, zeker bezwijken.

Echter wij zullen ons, volgens uw last, onthouden van\'t strijden. Raad slechts zullen wjj bieden den Danaërs, welke hun bate, Zoo dat er toch niet allen vergaan, door uw heftige gramschap. Doch haar ten antwoord zeide de wolkenverzaamlende god Zeus:

— Morgen, gewis dan zult gij de opperste kracht van Kronioon Noch veel feller, indien het u lust, grootoogige Hera,

Velen in \'t heer zien treffen der speerschachtwerpers van Argos. Want niet eer zal rusten van strijd d\' onstuimige Hektor Voor dat op nieuw bij zijn schepen herrijze de snelle Achilleus, 475. Dien dag eerst als zij strijden bij d\' achterstevens der schepen, Vreeslijk beklemd in de engte, om \'t lijk des gevallen Patroklos. Want alzoo is \'t godlijk besluit. Niets deert het mij echter Zoo gij in toorn ontsteekt, al wildet gij zelfs tot het uiteind Gaan van de aarde en zee, waar, saam met lapetos, Kronos 480. Zit en zich niet in de stralen van Helios, zoon Huperioons,

Noch in de winden verheugt, want diep is Tartaros rondom. Neen, al wildet gij zelfs daarheen gaan zwerven, uw gramschap Deerde mij niet, want niets is schaamtloos driester dan gij zijt. Zoo sprak Zeus, en in zwijgen verzonk blankarmige Hera. 4S5. Helios\' glanzende licht zeeg thans in Okeanos\' vloeden,

Sleepend den donkeren nacht op den graanvoortbrengenden akker. Ongaarn zagen de Trojers het zinkende licht, maar welkom Kwam en als vurig gebeden de donkere nacht den Achaiërs.

-ocr page 149-

137

Doch bij de Trojers belegde de schittrende Hektor een volksraad, 41)0. Dicht bij den slingrenden stroom ze vergaderend ver van de schepen, Waar op een zuivere plaats geen lijken den bodem bedekten. Daar van hun wagens gesprongen op \'t veld, ontvingen zij luistrend \'t Woord van den godlijken Hektor. Hij voerde de speer in zijn handen Lang elf elboogsmaten, en vooraan blonk op de speerschacht lus \'t Puntige koper, beslagen in \'t rond met een goudenen ringband. Daarop leunende richtte hij \'t woord tot de mannen van Troja: — Hoort mij, Trojanen en telgen van Dardanos, ook de verbondnen. Thans wel dacht ik, de schepen en al de Achaicrs verdelgend. Weldra weder te keeren naar Ilios\' luchtige hoogten.

500 Maar ons verraste het duister en heeft welzeker het meeste

Argos\' volk en zijn schepen gered bij den zoom van het zeestrand. Maar welaan, thans worde het nachtelijk duister gehoorzaamd, Laten wij \'t maal ons bereiden; de rossen met glanzige manen Maakt ze nu los van de jukken en zorgt hun het voeder te geven. 505, Gaat naar de veste en haalt er ons runders en krachtige schapen, Uvcrig spoedend, en brengt ons den harteverheugenden wijn meê, Brood uit de spijszaal ook, en verzamelt een menigte brandhout; Laten wij verder den nacht tot de morgengeboorte van Eoos Branden een aantal vuren, dat \'t licht zich verheffe ten hemel, 510. Zoo dat er niet in den nacht \'t langlokkige volk der Achaiërs Ijlings poge te vluchten op \'t golvende ruim van den zeeplas. Laat althans niet rustig hen zonder verhindering scheep gaan. Maar dat er menige t\'huis noch moge verzorgen zijn wonden \'t Zij door de pijlen geslagen hetzij door de puntige werpspies, 515. Wen zij op \'t vaartuig springen; en zij het,aan andren ten afschrik Troja\'s rossenbedwingers te brengen den jammer van Ares.

Laten herauten, gevallig aan Zeus, door de veste de kondschap Doen dat de manlijke jeugd zich en d\' ouden met grijzende slapen Leegren in \'t rond van de stad, op de torens gebouwd door de goden. 520. Laten de teedere vrouwen, een ieder in eigene woonzaal,

Houden een vlammend vuur; ook waakzaam blijve de wachtpost; Laat geen bende verrassen de stad, nu het leger daar uittrok. Alzoo zij het, gelijk ik u zeg, grootmoedige Trojers.

Zoo als het heilzaam woord thans klinkt, zoo blijve \'t gesproken. 535. Morgen vergader en spreek ik de rossenbedwingende Trojers. Hoopvol zend ik tot Zeus en de andere goden mijn beden, Smeekend van hier te verjagen die honden, verwekt door het noodlot,

-ocr page 150-

138

Hier door de doodsgodinnen gebracht met hun donkere schepen. Doch welaan voor ons zeiven gewaakt, zoo lang als de nacht duurt. 530. Morgen bij \'t ochtendkrieken, hervatten wij weder de wapens. Gaan wij den vurigen krijg bij de welvende schepen verwekken, \'k Zal dan zien of die held, Dioraedes geboren van Tudeus, Mij van zijn schepen verdringt naar den muur van de veste, of ik hem Doode met \'t koper en mee zal voeren zijn bloedige rusting. 535. Morgen vertoone zich weder zijn moed, of hij tegen mijn werpspies Blijvend bestand kan zijn, maar onder de eersten, vermeen ik. Zal hij geveld daar liggen, en rondom tal van zijn makkers, Morgen als Helios rijst aan de kim; want mocht ik in waarheid Zóo onsterfelijk wezen en bloeiend ten eeuwigen dage, 540. Even geëerd als Athena de eere geniet en Apolloon,

Even gewis als die dag den Argeiërs berokkent het onheil.

Zoo sprak Hektor; hem ruischte de bijval tegen der Trojers. Toen hunne paarden bevrijdend van \'t juk waaronder zij zweetten. Bonden de Trojers met riemen ze vast, elk naast zijnen wagen. 545. Runders en krachtige schapen vervoerden zij voorts uit de veste Ijverig spoedend, en brachten den harteverheugenden wijn meê. Brood uit de spijszaal ook, en in menigte voerden zij brandhout. Toen ontstaken zij d\' eeuwgen ter eer volkomene offers,

Warlend droegen de winden den walm uit de vlakte ten hemel, 550. Streelend van geur; maar dezen versmaadden de zalige goden. Weigerend, wijl zij nu haatten de heilige veste van Troja, Priamos zelf en het volk des met lansen bedrevenen konings. Zij nu, vervuld van hun stoute bedenkingen, zaten den nacht door Dicht bij het slagveld neer, en in menigte brandden hun vuren. 555. Zoo als de sterren in \'t rond van de lichtende maan aan den hernel Schijnen met heerlijke glanzen, eu windstil tintelt de ether; Zichtbaar worden de hoogten, de puntige toppen en dalen. Boven de brekende lucht ontspant zich de eindlooze ether, Al het gesternte verschijnt, en het harte des herders verheugt zich. 560. Alzoo zag men tusschen de vloot en den stroomenden Xanthos Ginder uit Ilios \'t vlammen van brandende vuren der Trojers; Duizenden vuren verhieven hun gloed op het veld, en bij ieder Waren er vijftig gezeten, in \'t schijnsel der lichtende vlammen. Daarbij stonden de paarden, de heldere gerst en het spcltgraan 565. Kauwende, elk bij zijn wagen, verbeidend de tronende Eoos.

-ocr page 151-

NEGENDE ZANG.

7

I—Joo dan hielden de Trojers de wacht; maar \'t volk der Achaiërs Was overheerscht door de vlucht, de gezelle der kille verschrikking. Onweerstaanbare smart trof al de voortreflijkste helden. Zoo wanneer twee winden den vischvoortbrengenden zeevloed Zweepen, de winden van \'t Noorden en Westen, uit Thrakië waaiend, Plotseling wild opstekend; dan rijzen de donkere golven, Samengehoopt en verspreiden op \'t strand eene menigte zeewier. Zoo werd stormig bewogen het hart in de borst der Achaiërs. Atreus\' zoon in het harte door hevigen kommer getroffen, Gaf, rondloopend, bevel aan de helderbespraakte herauten lederen man der Achaiërs bij name te roepen ten volksraad, Maar niet luide; hij zelf volvoerde dit onder de vorsten.

Allen nu zaten bedrukt ter vergadering, waar Agamemnoon Oprees, tranen vergietend, een bronne van donkere waatren Welke haar onklaar vocht doet vloeien van \'t steile gesteente. Zoo, zwaar zuchtende, sprak hij tot Argos\' volken zijn woorden; — O mijne vrienden, gebieders en leiders der mannen van Argos, Zeus de geduchte verstrikte mij nu in een groote verbystring, D\' onbarmhartige, immers beloofde mij vroeger zijn hoofdwenk, Ilios \'t krachtig bemuurde verwoestende keerde ik huiswaarts. Maar hij beraamde mij thans een verderflijk bedrog, mij bevelend Roemloos henen te gaan na zulk een verlies van mijn manschap. Wellicht schijnt het dan zóo den geweldigen Zeus te behagen. Hém die van menige stad toch neer deed storten de kruinen. Ja, noch neer zal slaan, want Zeus\' kracht is het geweldigst. Maar, welaan, doet thans wat ik zeg, en gij allen gehoorzaamt.

-ocr page 152-

140

Laten wij vlieden te scheep naar bet dierbare land van de vaadren; Want nooit zullen wij tocb \'t breedstratige Troja vermeestren. Alzoo sprak bij, en allen bewaarden in stilte het zwijgen. 30. Spraakloos zaten zij lang, de bekommerde zonen Achaia\'s.

Eindelijk sprak toen toch Diomedes geducht in den strijdgalm:

— Atreus\' zoon, ontzinde, ik zal u het eerste bestrijden,

Zoo als het recht is, vorst, in den raad; en het beige u geenszins. Eens wel deedt gij mij smaad bij de Danaërs, over mijn krijgsmoed, as. Onstrijdhaftig my noemend en krachteloos; maar met dit alles Zijn de Argeiërs bekend, voorwaar, zoo jongen als grijsaards. Eén van de twee slechts gaf u de zoon van den listigen Kronos, Gunde u wel door uw scepter vereerd voor allen te wezen.

Maar moed gaf hij u niet, de vermogendstc toch van de krachten. 11 . Wondre! gij zoudt dan hebben gedacht dat de zonen Achaia\'s Onstrijdhaftigen waren, gelijk gij hen noemdet, en krachtloos? Doch als u zeiven het hart dus noopt, zelfs zoo te vertrekken, Ga, daar ligt u de weg, op den oever en dicht aan den zeevloed Staan uwe schepen, de velen die hier van Mukene u volgden. 45. Maar al d\'anderen blijven, de weliggelokte Achaiërs,

Ja, tot wij Troja verwoesten. Bezielt hen hetzelfde verlangen. Laten zij vlieden te scheep naar het dierbare land hunner vaadren. Ik en mijn Sthenelos, echter, wij strijden zoo lang tot bereikt zij Ilios\' uiteind; want met de godheid kwamen wij herwaarts. ■ 60. Alzoo sprak hij; hem klonk bet gejuich toe aller Achaiërs, \'t Woord van den held Diomedes den rossenbedwinger bewondrend. Toen oprijzende, zei hun de wagenbesturende Nestor:

— Tudeus\' zoon, wel zijt gij de sterkste gewis in het strijdperk. Ook in den raad de voornaamste te midden der mannen uws leeftijds.

55. Niemand zal u verwijten dit woord, geen enkle Achaicr,

Noch \'t weerspreken; intusschen uw woord kwam niet tot een einde. Zeker gij zijt ook jong en mijn zoon wel kondet gij wezen, Jongste in leeftijd, maar toch spreekt gij verstandige woorden Hier voor de vorsten van Argos, dewijl gij het zeidet als recht is. 60. Maar welaan dan, ik zelf, mij beroemend uw oudre te wezen, Spreek voluit en ik zal het ten eind toe zeggen, en niemand Zal mijn taal minachten, ook wel niet vorst Agamemnoon. Buiten den stam is ieder, en wetloos, zonder een haardstee. Wie in het gruwzaam strijden met eigene stammen zijn lust vindt. 05. Maar welaan, thans worde het nachtelijk duister gehoorzaamd,

-ocr page 153-

141

Laten wij \'t maal ons bereiden ; degeen die tot wachters gesteld zijn Moeten zich dicht aan de gracht gaan legeren, buiten het muurwerk; \'k Zal onzen jongeren geven dien last. Gij, zone van Atreus, Ga dan verder ons vóór, want gij zijt opperste koning.

Bied aan de oudsten een maal; ü voegt het en is het betamend. Vol zijn al nwe tenten van wijn, dien de vloot der Achaiërs Dagelijks over de ruimte der zee u uit Thrakië aanvoert;

Alles bezit gij tot goed onthaal, want velen beheerscht gij.

Leen dan \'t oor aan den man die van alle vergaderden \'t heilzaamst Raad mocht schaffen; en dringend behoeven hem al de Achaiërs, Goeden en deeglijken raad, daar dicht bij de schepen de vijand Brandt zijne menigte vuren; en dit, wien zou het verheugen? Noch in den huidigen nacht zal \'t leger vernield of gered zijn.

Alzoo sprak hij; zij hoorden en volgden zijn woorden gehoorzaam. Ijlings liepen de wachten, gedost in de wapens, naar buiten, Rondom Nestors zoon Thrasumedes den volkerenherder.

Ook om Askalafos heen en lalmenos, zonen van Ares,

Dezen Meriones, genen Deïpuros, Afareus volgend,

Andren met Kreioons zone den godlijken held Lukomedes;

Zeven geboden de wacht en bij elk hoofd schaarden zich samen Honderd jeugdige mannen, de rijzige lans in de vuisten. Tusschen\' de gracht en den wal heentrekkende, zaten zij neder. Brandden hun vuren, en ieder bereidde zijn spijs voor den avond.

Atreus\' zoon nu leidde Achaia\'s edele grijsaards Binnen zijn tent, hen vergastend met harteverheugende spijzen. Allen nu strekten de hand naar de keurige spijs die bereid stond. Na dat zij spijzen en drank naar begeerte des harten genoten. Gaf\' hun de grijsaard \'t eerst in beraad zijn verstandigen voorslag, Nestor, die bleek ook vroeger den zekersten raad te verschaffen, Deze nu sprak welmeenend hun toe en hij zeide de woorden: — Atreus\' zoon, roemvolle, beheersèher des volks Agamemnoon, Eindigen zal ik met u en met ü aanvangen, dewijl gij Over een menigte volken als koning heerscht, en Kronioon Scepter en wetten u gaf, om aan dezen uw raad te verleenen. Daarom, gij vooral moet spreken het woord en het hooren. Ook voldoen aan het woord van een andere, mocht hem het hart soms Noopen ten goede te spreken; van ü hangt af wat men voorslaat. Maar ik verlang het te zeggen, gelijk het mij dunkt dat het best is; Niemand zal toch andre en beetre gedachten bedenken.

-ocr page 154-

142

los. Beter dan thans in mijn geest ik beraam, \'t zij vroeger of heden Sedert den dag dat gij, Zeus ontsprotene, \'t meisje Briséïs Hebt ontvoerd uit de tent des in toorn ontvlamden Aehilleus, Geenszins volgens de meening van óns, daar ik het u ernstig Steeds ontried; maar g ij, toegevend den dunk van uw trotsch hart, 110. Hebt den voortrefiijken man, dien hoog d\' onsterflijke goden

Achten, geminacht; want zijn geschenk ontnaamt gij en houdt gij; Maar overweeg dan thans hoe \'t mogelijk zij hem verzoenend Weder door lieflijke giften en streelende woorden te winnen. Daarop zeide hem weder der volkeren vorst Agamemnoon: 115. — Grijsaard, niet onjuist openbaardet gij hier mijne dwaling, Dwaselijk heb ik gehandeld, en zelf weerspreek ik het geenszins; Zeer veel volks geldt d\'éene dien Zeus in zijn harte begunstigt, Zoo als hij dien nu eerde en knakte het volk der Achaiërs. Doch nu ik zoo zeer dwaalde, verleid door mijn booze gedachten, 120. Wil ik het weder vergoeden en geven de volste vergelding.

Moge ik dan voor u allen, de schittrende giften vermelden.

Zeven drievoetbekkens van vuur noch rein, en een tiental Gouden talenten en twintig der blinkendste schalen, en paarden, Twaalf, vol kracht, aan de zege gewoon, wier voet hun den prijs wint. 125. Zeker hij zou niet arm aan bezittingen wezen en landgoed,

Noch aan \'t geprezene goud, die zich zoo veel zoude verwerven Zoo als mijn krachtige paarden mij wonnen aan prijzen des wed-

[loops.

\'k Geef noch zeven vrouwen, ervaren in kunstigen arbeid, Lesbische, welke ik koos, toen deze het stevige Lesbos 130. Innam, welke in schoon al \'t vrouwengeslacht overwonnen. Die ook zal ik hem geven cn daarbij ook die ik wegnam Brises\' dochter; ik zal er met krachtigen eede bij zweercn Nooit hare sponde bestegen, haar nimmer te hebben geliefkoosd. Zoo als gebruikelijk.is bij de menschcn, zoo mannen als vrouwen. 135. Alles verkrijgt hij terstond; maar mochten de goden ons weder Gunnen de machtige veste van Priamos ledig te plundren.

Laat hij zich zelf dan begeven te scheep en zich vullen zijn vaartuig Kijk lijk met koper en goud, als wij samen verdoelen den krijgsbuit. Onder de Troïsche vrouwen verkieze hij zelf er een twintig uo. Welke de schoonste er zijn na d\' Argische Helena zelve. Zoo wij \'t Achaïsche Argos, de voedende uier der akkers,

Ooit weer naadren, hij zij mij ten zoon en vereerd als Orestes,

-ocr page 155-

143

Thans, als de laatste geboren, gekweekt in zijn bloeiende jonkheid; Want drie dochters bezit ik ter sierlijk betimmerde woonzaal; 145. \'t Zij hij Chrusothemis kieze, Laodike, Ifianassa.

Voere hij haar als zijn lieve en zonder vergelding te geven Mede naar Peleus\' woning; ik voeg daar zelfs eene gift bij, Jiijklijk, als niemand ooit noch toegaf nevens zijn dochter.

Zeven der bloeiendste steden verleen ik hem, rijk in bevolking, | un. Enope, Hire van weiden omringd, en Kardamule\'s veste,

Ferai, het heilige oord, en Antheia\'s sappige beemden, \'t Liefelijk schoone Aipeia en Pedasos welig van wijnrank;

Alle aan d\' oever der zee en begrensd door het zandige Pulos, Alle door menschen bewoond welvarend door schapen en runders, lt; 155. Welke met giften hem hoog als een godheid zullen vereeren.

Onder zijn scepter gesteld ook rijklijk hem brengen de schatting. Alles vervul ik hem zoo, als hij af wil zien van zijn gramschap. Geve hij toe, — ja stug is Aïdes, nimmer te buigen.

Maar deswegens den menschen van alle de goden het haatlijkst — 160. Laat hij mij mede erkennen, zoo ver ik een machtiger koning Ben, en zoo ver ik mij roeme zijn oudre te wezen in leeftijd.

Daarop zeide hem weer de Gerenische wagenaar Nestor: — Atreus\' zoon, roemvolle, der volkeren vorst Agamemnoon, Gcene verwerplijke gaven belooft gij den koning Achilleus. i «5 Welaan, laten wij mannen verkiezen en zenden, om aanstonds Ginds naar de tent zich te spoeden van Peleus\' zone Achilleus. Doch, dat ik veeleer zelf ze verkies\', en dat ieder gehoorzaam\'. Eerstens Foinix, de lievling van Zeus, zij dezen ten leidsman; Wijders de machtige Ajas, benevens de eedle Odusseus.

Odios volge hen saam met Eurubates, beide herauten.

Brengt voor de handen het water, en zegt hun te zwijgen met eerbied, Kronos\' zoon Zeus smeekeu wij dan, ons erbarmend te wezen.

Alzoo sprak hij, en zeide een woord dat hen allen verheugde. Aanstonds werd door herauten het water gesproeid op hun handen, ps. Jonglingen goten ten boorde het mengvat vol met de dranken. Deelden aan allen in \'t ronde den wijn, in de bekers geschonken; Voorts als zij hadden geplengd en gedronken naar lust hunner harten. Maakten zij spoed om te gaan uit de tent van den vorst Agamemnoon. Menigen raad noch gaf hun de rossenbesturende Nestor,

Ieder een wenk toedeelend, Odusseus echter het dringendst, Hoe te beproeven het best te bewegen den eedlen Peleide.

I I

I I

I

lm.

.■

.80,

-ocr page 156-

144

Beiden nu volgden het strand van den luid rondklotsenden zeevloed, Vurig den aardrijksehudder, den god die de landen omvat houdt Smeekend, te kunnen bewegen het stoute gemoed van Achilleus. 185. Thans, bij de tenten en schepen van \'t heer Murmidonen genaderd, Vonden zij Peleus\' zoon met de klinkende* lier zich verheugend, \'t Sierlijke speeltuig, kunstig bewerkt en met zilveren snaarstang, Welke hij koos uit den buit, bij den val van Eëtioons veste. Daarmee \'t harte verheugend bezong hij den roem van de helden. joo. Over hem zat alleen zijn Patroklos en luisterde zwijgend.

Wachtend het einde der liedren gezongen door Aiakos\' kleinzoon. Beiden nu traden vooruit, en geleid door den eedlen Odusseus Stonden zij vóór hem stil, en Achilleus vol van verbazing Kees met de lier in zijn band van den zetel op welken hij rustte. 195. Aanstonds rees toen ook, bij het zien van de mannen, Patroklos. Beiden de hand toereikend, begon nu de snelle Achilleus:

— Heil u! als vriendlijke mannen verschijnt gij mij —- wis dat

[de nood dringt — Gij, al ben ik vertoornd, mij van alle Achaiërs het dierbaarst. Alzoo sprekende leidde hen binnen de eedle Achilleus, 200. Wees hun een plaats op de zetels met purpergekleurde gewaden, Daarna zeide hij snel tot den dichtbij staanden Patroklos:

— Stel, o Menoitios\'\' zoon, hier voor ons een grootere mengvaas, Meng er een sterkeren drank in en geef dan ieder een beker. Want mijne dierbaarste vrienden bevinden zich onder mijn tentdak.

205. Alzoo sprak hij, en \'t woord van zijn vriend volvoerde Patroklos. Maar zelf plaatste hij toen bij het schijnsel van \'t vuur eene vleeschbank, Legde de ruggen er op van een schaap en den vetste der geiten. Ook van een mestzwijn nam iiij een rug overvloedig van vetheid. D\' eedle Achilleus sneed het, terwijl het Automedoon vasthield; 210. Zorgvol hakte hij \'t vleesch en hij hechtte de stukken aan spitten. Maar de voortreflijke zoon van Menoitios stookte den vuurgloed. Toen nu de brandstof gansch doorgloeid en de vlamtne verdoofd was. Deed hij de gloeiende kolen van éen en de spitten er boven, Spreidde er \'t heilige zout op en keerde de spitten op \'t braadstel. 215. Eindelijk toen het geroost en op aanrechtbordcn geplaatst was. Haalde Patroklos het brood en verdeelde \'t in sierlijke korven Over den disch, maar \'t vleesch bood zelf aan een ieder Achilleus. Over den godlijken heros Odusseus nam hij een zitplaats Tegen den anderen wand; hij beval aan Patroklos den goden

-ocr page 157-

145

II

220. Offers te brengen, en deze verbrandde de eerstelingsgave.

Allen nu strekten de hand naar de keurige spijs die bereid stond. Na dat zij spijzen en drank naar begeerte des harten genoten, Wonk stil Ajas tot Foinix; Odusseus echter dit ziende Vulde een beker met wijn, en hij bracht eenen dronk aan Achilleus:

■ 225. — Heil u, Achilleus; nooit ontbreekt ons een deel van den maaltijd

Zoo iu de tent daar ginder van Atreus\' zoon Agamemnoon,

Even als hier: want rijklijk verschaft gij verkwikkende zaken; Toch, geen heugelijk maal is \'t werk dat ons thans aan het hart gaat, Maar d\' ontzettende ramp, o godlijke, ziende, die nadert, \'1 2;«). Vreezen wij; \'t is nu de vraag of de schepen voortreflijk van roeibank Worden gered of vernield, als gij niet met uw sterkte u aangordt. Want nabij onze vloot en den muur bracht \'t leger zijn heerkamp, Troja\'s vermetele macht en de verre vermaarde verbondnen, Brandend hun vuren door \'t leger; en niets zal dezen verhindren,

■ 236. Zeggen zij, stormenderhand te bespringen de donkere schepen.

Zeus nu, Kronos\' zoon, heeft rechts hun de teekens gezonden, Stralend zijn bliksem. En ook, zijn geweldige krachten vertrouwend Viert steeds Hektor zyn moed; nu acht hij, op Zeus zich verlatend, Mensch noch godheid meer, zoo drijft hem de razende stoutheid. Vurig verlangt hij dat spoedig de godlij ke morgen verschijne. Want hij bedreigt ze te kappen, de rijzige snebben der stevens, Gansch onze vloot te vernielen door \'t woedende vuur en d\' Achaiörs Neder te slaan bij hun schepen, verward in den rookenden vuurwalm. Dit nu beangstigt mijn hart dat de goden hem deze bedreiging

■ 21.5. Zullen vervullen, en dan door het lot het ons ware beschoren

Hier te verzinken, verwijderd van \'t rossenweidende Argos. Op dan, zoo gij het wilt, hoe spade, de zorten Achaia\'s, Zwichtende onder \'t geweld, uit de handen der Trojers te redden. Later, dan zal het u zeiven vervullen met smarte, en vruchtloos

■ 25». Is het een kwaad dat gebeurde te willen verhelpen, bedenk dus

Eerst hoe d\' onheilsdag voor de Danaërs worde verwijderd.

Ach, mijn geliefde, zoo stellig vermaande uw vader u, Peleus,

Dien dag, toen hij uit Fthia u zond tot den vorst Agamemnoon:

— Kracht, mijn zoon, zal wel Athenaia u schenken en Hera,

8265. Zoo het haar wil zal zijn; maar gij, weerhoud in uw boezem

\'t Wild hoogmoedige hart; want \'t best is milde gezindheid.

Laat dus uw zucht tot getwist, die onheilkweekster; en daarvoor

Mogen te meer u vereeren de jeugd en de grijzen van Argos. —

10

-ocr page 158-

146

Alzoo \'s grijsaards raad, maar dezen vergat gij. — Bedw ing u 200. Nu noch, breidel nw toorn die verbittert uw hart. Agamemnoon Heeft voor u waardige giften bestemd, als gij stilt uwe gramschap. Welaan, hoor naar mijn woord, en ik zal het u alles vermelden Welke geschenken u daar in de tent toezei Agamemnoon:

Zeven drievoetbekkens van vuur noch rein, en een tiental 2(i5. Gouden talenten, en twintig der blinkendste schalen, en paarden. Twaalf, vol kracht, aan de zege gewoon, wier voet hun den prijs wint. Zeker hij zou niet arm aan bezittingen zijn en aan landgoed Noch aan \'t geprezene goud, die zich zoo veel zoude verwerven Wat Agamemnoons paarden verwonnen aan prijzen des wedloops. 270. Voorts noch zeven vrouwen, ervaren in kunstigen arbeid. Lesbische, welke hij koos toen eens gij het stevige Lesbos Innaamt, welke in schoon al \'t vrouwengeslacht overwonnen. Die nu zal hij u geven, en daarbij ook die hij wegnam Brises\' dochter; hij zal er met krachtigen eede bij zweren 275. Nooit hare sponde bestegen, haar nimmer te hebben geliefkoosd. Zoo als gebruikelijk is bij de menschen, zoo mannen als vrouwen. Alles verkrijgt gij terstond, maar mochten de goden ons weder Gunnen de machtige veste van Priamos ledig te plundren.

Kunt gij, u zelf dan begeven te scheep en u vullen uw vaartuig 280. Rijklijk met koper en goud, wanneer wij verdeden den krijgsbuit. Onder de Troïsche vrouwen verkies gij zelf er u twintig Welke de schoonste er zijn na d\' Argische Helena zelve: Zoo wij \'t Achaïsche Argos, de voedende uier der akkers,

Ooit weer naderen, wees hem een zoon en vereerd als Orestes, 285. Thans, als de laatste geboren, gekweekt in zijn bloeiende jonkheid. Want drie dochters bezit iiij ter sierlijk betimmerde woonzaal; \'t Zij gij Chrusothemis koost, of Laodike, Ifianassa,

Voer gij haar dan als uw lieve en zonder vergelding te geven Ginder naar Peleus\' woning; hij voegt daar zelfs eene gift bij, 290. Rijklijk als niemand ooit noch toegaf nevens zijn dochter.

Zeven der bloeiendste steden verleent hij u, rijk in bevolking, Enope, Hire van weiden omringd en Kardamule\'s veste,

Ferai, het heilige oord, en Antheia\'s sappige beemden; \'t Liefelijk schoone Aipeia en Pedasos welig van wijnrank, 296. Alle aan d\' oever der zee en begrensd door het zandige Pulos, Alle door menschen bewoond welvarend door schapen en runders, Welke met giften u hoog als een godheid zullen vereeren.

-ocr page 159-

147

Onder uw scepter gesteld ook rijklijk u brengen de schatting. Alles vervult hij u zoo, als gij af wilt zien van uw gramschap. Maar is Atreus\' zoon zoo zeer aan uw harte ten afschuw,

Hij en zijn giften te gader, o heb met de andre Achaiërs Deernis, die alom lijden in \'t heer en u dan als een godheid Zullen vereeren; bij allen verwierft gij u schittrenden krijgsroem. Want wel zoudt gij nu Hektor verslaan, nu hij dicht op u aandringt Vol van verdervende woede, dewijl hij er geen zich gelijk waant Onder het Danaërsvolk, zoo velen er voerde hun scheepsvloot.

Doch toen zeide hem weder de snelle van voeten Achilleus: — Godlijke zoon van Laërtes, in vindingen rijke Odusseus, Konduit moet ik uw woorden terstond afwijzen en zeggen Alles gelijk ik het meen, en gelijk het ook komt tot vervulling; Zoo niet moet gij mij klagen, van allerlei zijden mij dringend. Want fel haat ik dien man, als de poorten van Aides\' woning, Hém die in \'t harte het éene verbergt en het andere uitspreekt. Maar dit wil ik u zeggen en zoo als het beste mij toeschijnt: Nooit overreedt hij mij toch, Agamemnoon zone van Atreus, Geen van de Danaërs ook; geen dank toch is er te winnen, Hoe men rustloos kampe, gestadig bestrijdend den vijand.

Een is \'t lot voor den gene die rust of die zwoegt in het strijdperk, Eene de eer voor den man die een lafaard is of een dappre. Sterven het eind voor den trage zoo wel als den kloeke die veel deed. Niets ook heb ik gewonnen, al duldde ik velerlei kommer, Steeds in de waagschaal werpend mijn leven om immer te strijden. Zoo als een vogel het voedsel aan \'t vederloos kroost in het nest

[brengt

Wat zij tot spijs kon vangen en zelf toch nood en gebrek lijdt, Heb ik ook zelf veel nachten van sluimer verstoken gelegen. Maar veel bloedige dagen ten einde gebracht op het slagveld. Tegen den vijand strijdend ter zake der vrouwen van andren. Want twaalf steden der menschen verwoestte ik reeds met mijn

[schepen.

Elf op mijn tochten te voet door de kluitige landen van Troja. Vele en heerlijke schatten, uit alle die steden veroverd.

Koos ik en voerde het mede en schonk het geheel Agamemnoon Atreus\' zoon; maar achter gebleven en dicht bij zijn schepen Nam hij ze aan, óns weinig bedeelende, \'t meeste behoudend. Wat hij van eeregeschenken den edelen gaf en den vorsten

-ocr page 160-

148

335. Blijft noch immer hun deel; alleen mij onder d\' Achaiërs

Heeft hij beroofd, en hij houdt mijne lieve gezelle; haar bijslaap Moge hem wezen tot vreugd. Maar waartoe moeten d\' Argeiörs Tegen de Trojers in \'t veld? Waartoe bracht hier zijne volken Atreus\' zoon? Is niet schoonlokkige Helena d\' oorzaak? 340. Zijn zij d\' eenige menschen, die teder hun vrouwen beminnen, Atreus\' zonen? Een ieder die krachtig en goed van verstand is Hangt aan de zijne met liefde en zorg, zoo was mij ook deze Lief aan het hart, al was zij dan slechts eene buit van de werpspies. Doch nu hij nam mijn geschenk, arglistig, nu zie hij mij verder 345. Niet te beproeven, die \'t wel doorzie; nooit zal hij mij winnen. Maar hij bedenke met ü, en de andere vorsten, Odusseus,

Hoe hij beveiligen moge de vloot voor de woede der vlammen. Trouwens een menigte zaken verrichtte hij zonder mijn toedoen: Ook dien muur reeds heeft hij gebouwd cn de gracht die er omloopt, 35°. Breed ontgraven en groot en van binnen betimmerd met paalwerk. Maar zelfs zoo niet kan hij de kracht van den moordenden Hektor Binden; zoo lang ik meê de Achaiërs verzelde ten oorlog, Waagde het Hektor nooit ver buiten zijn muren te strijden, Maar\' bij de Skaiïsche poort en den eik slechts dorst hij te komen. 355. Eens weerstond hij mij daar, doch nauw ontkwam hij mijn aanval. Doch nu, daar ik den strijd niet wil met den godlijken Hektor, Offer ik morgen \'t gewijde aan Zeus en de andere goden; . Wen ik mijn schepen bevracht en naar zee zal hebben getrokken. Gaat ze er zien, als gij wilt en het waard mocht achten uw aandacht, 360. Hoe op het vischrijk water des Hellespontos in d\' ochtend

Stevenen zullen mijn schepen, bemand met de werkende roeiers. Zoo mij een gunstige vaart wil geven de schudder des aardrijks, Zouden wij na drie dagen bereiken het kluitige Fthia.

Veel is \'t wat ik bezit, dat ik hierheen zwervend er naliet, 305. Daarbij voer ik van hier ook goud, rood schitterend koper, Sierlijk gegordelde vrouwen en ook \'t grauwkleurigc ijzer, Al wat ik kreeg door het lot; maar \'t geen hij mij schonk als

[een eergift

Heeft hij mij weer ontroofd in zijn honenden trots, Agamemnoon Atreus\' zoon; meldt dezen, gelijk ik dit alles u meedeel, 370. Open, dat d\' andre Achaiërs hem ook doen voelen hun wrevel. Zoo hij er weer soms éen van de Danaërs hoopt te bedriegen. Deze, in driestheid immer gehuld; — maar schoon hij ook schaamtloos

-ocr page 161-

149

Zij als een hond, mij waagt hij het niet in de oogen te kijken, llaad noch daden verkies ik te zamen te plegen niet dien man. 375. Want mij heelt hij bedrogen, gekrenkt; nooit zal hij mij noehmaals Kunnen bedriegen met woorden; dit zij hem genoeg; dat hij rustig Ga ten verderf. Want Zeus d\' alwijze benam hem zijn zinnen. Maar zijne schenkingen zijn mij gehaat; geen haar hij mij waard is. Zelfs al zoude hij tien, ja twintigvoud mij verleenen 380. Al wat hij nu reeds heeft en hij meer zou krijgen van elders, Noch wat aan schatten er ligt in Orchomenos, noch in \'t Aiguptiesch Thebai, waar in de huizen vergaard is eindlooze rijkdom.

Veste door honderd poorten omgord, en door ieder van welke Tweemaal honderd strijders met paarden en wagenen uitgaan; 385. Ja, al bood hij zoo veel als het zand van den oever en \'t stofgruis, Nochtans zoude mij niet Agamemnoon \'t harte vermurwen Eer hij mij gansch zou hebben geboet die smaadlijke krenking. Ook geen kind des Atreid\' Agamemnoon neem ik ten huwlijk, Al overwon zij de gulden godin Afrodite in schoonheid,

3(jo. Al evenaarde haar kunst klaaroogige Pallas Athena,

Dan zelfs huw ik haar niet; hij verkieze een andren Achaiër, Eenen die beter hem past en die zelfs noch machtiger vorst is. Want als de goden mij sparen en veilig ik keer naar mijn woning. Dan zal Peleus wel eene vrouw mij verwerven ten huwlijk. 395. Vele Achaïschen zijn er, die wonen in Hellas en Fthia,

Dochters van edele vorsten, die \'t heil hunner steden beschermen. Wie ik van dezen verlang, die maak ik mijn lieflijke huisvrouw. Daartoe heeft zoo vaak mij het moedige harte gedrongen Daar met een wettige vrouwe gehuwd, een gelijke gezelle, 400. Vreugde te smaken van \'t goed dat de grijze er zamelde, Peleus. Niets toch is mij als \'t leven zoo waard, noch wat zij er zeggen Vroeger verzameld te wezen in Ilios\' bloeiende burgstad.

Tijdens den vrede en vóór dat er kwam de Achaïsche heermacht; Noch wat ligt in den tempel des schutters Foibos Apolloon 405. Binnen den steen van den dorpel bewaard, in het rotsige Putho. Want wel maakt men runders en krachtige schapen ten krijgsbuit, Drievoetbekkens en paarden met rossige koppen verwint men, Maar geen menschlijke ziel keert weer; men kan haar vermeestren Noch weer vatten, zoodra zij den wal van de lippen voorbij vlood. Ziet, mijne godlijke moeder, de zilvervoetige Thetis,

Zegt dat een tweevoud lot zal leiden naar \'t einde mijns levens.

410.

-ocr page 162-

150

Immers indien hier blijvend ik strijd om de veste der Trqjers, Dan geen thuiskomst meer, maar nooit zal welken mijn krijgsroem; Doch als ik huiswaarts keer naar het dierbare land mijner vaadren, 415. Dan geen krijgsroem meer, maar lengte van dagen des levens Zal mij geworden, en \'t einde des doods niet snel mij bereiken. D\' anderen zoude ik dan ook meenen ten beste te raden Heimwaarts weder te zeilen, dewijl gij van Ilios\' hoogten Nimmer het eind zult zien, daar d\' alomschouwende god Zeus 420. Over de stad uitstrekt zijne hand, en zich dapper het volk weert. Gij dan, gaat om den vorsten in \'t heer der Aehaiërs de boodschap Mede te deelen — gelijk dat het eerambt is van de oudsten —, Laten zij pogen een andren en beteren raad te verzinnen Welke hun diene tot heil van de schepen en \'t volk der Aehaiërs 425. Daar bij de welvende schepen; tot niets toch baat hun de voorslag Welken zij thans uitdachten, zoo lang ik mij wrokkende afwend. Foinix echter bij óns thans blijvende, neme zijn nachtrust Hier, om te scheep mij te volgen naar \'t dierbare land onzer vaadren. Morgen, indien hij het wil, geen dwang toch wil ik hem aandoen. 430, Alzoo sprak hij, en allen bewaarden in stilte het zwijgen,

Ganseh door zijn woorden verbaasd, want krachtvol luidde zijn

[weigring.

Eindelijk sprak dan Foinix, de wagenbesturende grijsaard, D\' oogen van tranen vervuld, daar vrees hem beving voor de

[scheepsvloot:

— Zoo gij dan vast in uw geest den terugkeer, eedle Achilleus, 435. Voorneemt, niets u beweegt van de snelle galeien te weren \'t Allesverwoestende vuur, daar toorn in de ziele u indrong, O, hoe zou ik, mijn zoon, hier ver van uw zijde en eenzaam Blijven? tot n toch zond mij de wagenbesturende Peleus Dien dag, toen hij uit Fthia u zond tot den vorst Agamemnoon, 440. U noch jong, niet kundig des allen bemoeionden oorlogs

Noch in den raad, waar worden gevormd dc uitstekendste mannen; Daarom zond hij mij mee, om u goed in dit alles te leeren Beide te zijn, welsprekend in woord en in handelen werkzaam. Alzoo, dierbare zoon, nooit zou ik mij willen verwijdren 445. Ver van u af, al zou mij een god zelf willen beloven

Thans uit mijn grijsheid weer mij te brengen in bloeiende jonkheid, Zoo als ik vroeger uit Hellas, het land der bekoorlijke vrouwen. Vlood voor dc drift van mijn vader, Amuntor van Onnenosstammend.

-ocr page 163-

151

Tegen mij toornend ter zake der deern, schoonlokkige bijzif, 450. Welke hij minde, terwijl hij de eer onthield aan zijn huisvrouw, Haar, mijne moeder, die steeds mij de knieën omklemde en aandrong \'t Meisje te minnen opdat zij een afkeer kreeg van den grijsaard. Haar toegevende, heb ik \'t gedaan; maar dra het bespeurend Smeekte mijn vader, den vloek der verfoeide Erynnuën roepend: 455, Nooit op zijn knieën te dragen een lieflijken zoon die het leven Mij zou danken; de goden vervulden hem deze verwensching, Zeus van de onderwereld en sehriklijke Persefoneia.

Eerst wel was ik gezind hem te dooden met \'t vlijmende koper; Een van de eeuwigen echter bedaarde mijn toorn, en hij deed mij 460. Denken aan d\' opspraak ouder het volk en der mensehen verwijting, Wen zij mij onder d\' Achaiërs des vaders moordenaar noemden. Maar toen kon mij het hart ook geenszins langer bewegen Daar ronddwalend te blijven in \'t huis van den wrokkenden vader. Wel omringden mij immer de naaste verwanten en vrienden 486. Welke mij daar in het huis weerhielden en smeekten te blijven; Krachtige schapen, gehoornde en zwaar sleepvoetende runders Slachtten zij, vele, en vet doorvoederde zwijnen in aantal Legden zij, zengend hun borstels, in vlammenden gloed van Hefaistos, Ruim ook dronken zij wijn uit de voorraadsvaten des grijsaards. 470. Negen naehten verwijlden zij zoo om mij steeds te omringen, Beurtlings hielden zij wisslend de wacht; nooit taanden de vuren, Onder den zuilgang éen, in den veilig omslotenen voorhof, Eén aan den drempel zelf van het huis bij de deur mijner slaapzaal. Toen er mij echter de tiende verscheen van de donkere nachten, 475. Toen van mijn slaapzaal brekend de kunstig betimmerde deuren, Vlood ik naar buiten en sprong vlug over den muur van den voorhof. Licht ontsnapt aan de hoede der mannen en dienende vrouwen. Ver heen vluchtte ik toen door de wijde gewesten van Hellas, IJlde naar Fthia\'s gewest, zwaarkluifig en kweekster van \'t wolvee, 480. Waar vorst Peleus woonde; hij leende mij vriendlijken bijstand. Had er mij lief, als een zoon zou wezen zijn eigenen vader, Eenige zoon en het kind zijns ouderdoms, erf van zijn rijkdom; Maakte mij rijk aan bezitting en heer van een machtigen volksstam; Fthia\'s grenzen bezat ik, als vorst dor Dolopiërs heerschend. 485. Al wat gij zijt, heb ik u gemaakt, gij, goden gelijkend.

Daar ik u hartelijk minde; gij wildet met anderen nimmer Deel aan den maaltijd nemen of worden gevoed in de woonzaal.

-ocr page 164-

150

Immers indien hier blijvend ik strijd om de veste der Trqjers, Dan geen thuiskomst meer, maar nooit zal welken mijn krijgsroem ; Doch als ik huiswaarts keer naar het dierbare land mijner vaadren, 415 Dan geen krijgsroem meer, maar lengte van dagen des levens Zal mij geworden, en \'t einde des doods niet snel mij bereiken. D\' anderen zoude ik dan ook meenen ten beste te raden Heimwaarts weder te zeilen, dewijl gij van Ilios\' hoogten Nimmer het eind zult zien, daar d\' alomsehouvvendc god Zeus 420. Over de stad uitstrekt zijne hand, en zich dapper het volk weert. Gij dan, gaat om den vorsten in \'t heer der Achaiërs de boodschap Mede te deelen — gelijk dat het eerambt is van de oudsten —, Laten zij pogen een andren en beteren raad te verzinnen Welke hun diene tot heil van de schepen en \'t volk der Achaiërs 425. Daar bij de welvende schepen; tot niets toch baat hun de voorslag Welken zij thans uitdachten, zoo lang ik mij wrokkende afwend. Foinix echter bij óns thans blijvende, neme zijn nachtrust Hier, om te schee)) mij te volgen naar \'t dierbare land onzer vaadren. Morgen, indien hij het wil, geen dwang toch wil ik hem aandoen. 430. Alzoo sprak hij, en allen bewaarden in stilte het zwijgen,

Gansch door zijn woorden verbaasd, want krachtvol luidde zijn

[weigring.

Eindelijk sprak dan Foinix, de wagenbesturende grijsaard, D\' oogen van tranen vervuld, daar vrees hem beving voor de

[scheepsvloot:

— Zoo gij dan vast in uw geest den terugkeer, eedle Achilleus, 435. Voorneemt, niets u beweegt van de snelle galeien te weren \'t Allesverwoestende vuur, daar toorn in de ziele u indrong, O, hoe zou ik, mijn zoon, hier ver van uw zijde eu eenzaam Blijven? tot li toch zond mij de wagenbesturende Peleus Dien dag, toen hij uit Fthia u zond tot den vorst Agamemnoon, 440. U noch jong, niet kundig des allenbemoeienden oorlogs

Noch in den raad, waar worden gevormd de uitstekendste mannen; Daarom zond hij mij mee, om u goed in dit alles te leeren Beide te zijn, welsprekend in woord en in handelen werkzaam. Alzoo, dierbare zoon, nooit zou ik mij willen verwijdren 445. Ver van u af, al zou mij een god zelf willen beloven

Thans uit mijn grijsheid weer mij te brengen in bloeiende jonkheid. Zoo als ik vroeger uit Hellas, het land der bekoorlijke vrouwen. Vlood voor de drift van mijn vader, Amuntor van Ormenosstammend.

-ocr page 165-

151

I

!1

Tegen mij toornend ter zake der deern, schoonlokkige bijzil, 450. Welke hij minde, terwijl hij de eer onthield aan zijn huisvrouw, Haar, mijne moeder, die steeds mij de knieën omklemde en aandrong \'t Meisje te minnen opdat zij een afkeer kreeg van den grijsaard. Haar toegevende, heb ik \'t gedaan; maar dra het bespeurend Smeekte mijn vader, den vloek der verfoeide Erynnuën roepend: 465. Nooit op zijn knieën te dragen een lieflijken zoon die het leven Mij zou danken; de goden vervulden hem deze verwensching, Zeus van de onderwereld en schriklijke Persefoneia.

Eerst wel was ik gezind hem te dooden met \'t vlijmende koper; Een van de eeuwigen echter bedaarde mijn toorn, en hij deed mij 400. Denken aan d\' opspraak ouder het volk en der menschen verwijting, Wen zij mij onder d\' Achaiërs des vaders moordenaar noemden. Maar toen kon mij het hart ook geenszins langer bewegen Daar ronddwalend te blijven in \'t huis van den wrokkenden vader. Wel omringden mij immer de naaste verwanten en vrienden 405. Welke mij daar in het huis weerhielden en smeekten te blijven; Krachtige schapen, gehoornde en zwaar sleepvoetende runders Slachtten zij, vele, en vet doorvoederde zwijnen in aantal Legden zij, zengend hun borstels, in vlammendengloedvanllefaistos, Ruim ook dronken zij wijn uit de voorraadsvaten des grijsaards. 470. Negen nachten verwijlden zij zoo om mij steeds te omringen, Beurtlings hielden zij wisslend de wacht; nooit taanden de vuren, Onder den zuilgang éen, in den veilig omslotcnen voorhof, Eén aan den drempel zelf van bet huis bij de deur mijner slaapzaal. Toen er mij echter de tiende verscheen van de donkere nachten. Toen van mijn slaapzaal brekend de kunstig betimmerde deuren, Vlood ik naar buiten en sprong vlug over den muur van den voorhof, Licht ontsnapt aan de hoede der mannen en dienende vrouwen. Ver heen vluchtte ik toen door de wijde gewesten van Hellas, IJlde naar Fthia\'s gewest, zwaarkluitig en kweekster van \'t wolvee. Waar vorst Peleus woonde; hij leende mij vriendlijken bijstand, Had er mij lief, als een zoon zou wezen zijn eigenen vader, Eenige zoon en het kind zijns ouderdoms, erf van zijn rijkdom; Maakte mij rijk aan bezitting en heer van een machtigen volksstam ; Fthia\'s grenzen bezat ik, als vorst der Dolopiërs heerschend. 485. Al wat gij zijt, heb ik u gemaakt, gij, goden gelijkend.

Daar ik u hartelijk minde; gij wildet met anderen nimmer Deel aan den maaltijd nemen of worden gevoed in de woonzaal,

I

i s

Jf!

li

ff

ffi

If Ij!

475.

480.

i

I

li

-ocr page 166-

152

Eer ik u zelf dan nam en u zoo op mijn knieën gezeten Sneed uwe spijzen, u voedde en reikte den wijn in den beker. 490. Dikwijls hebt gij mij \'t kleed ook vóór aan den boezem bevochtigd Wen gij den wjjn uitspuwdet, in lastige dartele kindsheid. Zoo dus had ik om u veel moeiten te dulden en zorgen,

Daaraan denkende steeds, dat mij niet door de goden verleend was Kindren te hebben, en daarom, o godengelijke Achilleus, 495. Nam ik u aan als mijn zoon, dat gij eens mij in rampen tot

[steun waart.

Dus, o Achilleus, tem uw geweldig gemoed, u betaamt niet Onbarmhartig te zijn; zelfs kan men de goden vermurwen, Zij, zoo verre verheven in eere, in macht en in hoogheid.

Want hen vermogen de menschen door milde geloften en reukwerk, 500. \'t Plengen van wijn en den walm van het vleesch tot hun gunst

[te bewegen.

Beden hun zendend, als soms zij in iets overtraden of faalden. Immers de Beden, zij zijn ook dochters des hoogen Kronioons, Hinkend van voet en gerimpeld en zijwaars loenzend van blikken, Welke gestadig bezorgd ook volgen de schreden van Ate. 505. Maar vol kracht is Ate en schielijk van voeten en ver weg Glipt zij ze allen vooruit, en voorkomt ze in iedere aardstreek \'t Menschdom kwaad aanbrengend, dat later de anderen heelen. Al wie nu Zeus\' dochters met vrees ontziet als zij naadren, Dezen verleenen zij gunstig haar hulp en zijn beden verhooring. 510. Maar als er een haar versmaadt, onbuigzaam weigert te hooren. Gaan zij en smeeken tot Zeus, tot den zone van Kronos, dat Ate Dezen vervolge, totdat hij door rampspoed boete zijn misdrijf. Dus, o Achilleus, geef gij ook Zeus\' dochters den eerbied Welke den zin deed buigen van zoo veel andere helden. 515. Immers indien hij de giften u thans niet gaf, die hij toezei, Atreus\' zoon, maar steeds voortwoedde in booze verstoordheid. Nooit zou ik u vermanen voorwaar, om, uw wrevel verwijdrend, Argos\' volk te behoeden, ofschoon zij het dringend behoeven. Maar onmiddellijk geeft hij u veel, veel biedt hij u later; 520. Zond, om u weer te verzoenen, u ook de voortreflijkste mannen Welke hij koos uit geheel het Achaïsche volk, die u zei ven \'t Liefst zijn aller Argeiërs; o maak hunnen gang en hun woorden

504. Ate, godin der schuld, verblinding, dwaling.

-ocr page 167-

625.

153

■ ! •\'

Niet tot een schande. Uw toorn was vroeger u niet te verwijten. Dus ook bracht het gerucht ons den roem van de mannen van

[voormaals,

\'t Heldengeslacht, als er één door de hevigste driften vervoerd was. Maar die waren voor gaven en minzame redenen vatbaar. Mij heugt zulk eene daad, uit verledene tijden en niet nieuw; Hoe zij gebeurde, ik wil het u allen, mijn vrienden, verhalen. Oorlog voerden Koureten en \'t dappere volk der Aitolers Rondom Kaludoons veste, om \'t felst elkander verdelgend; Kaludoons lieflijke stad door het heer der Aitolers verdedigd, Maar de Koureten belust haar met Ares\' geweld te verwoesten. Artemis deed hun dat leed, de godin op den goudenen zetel. Toornig dat Oineus niet aan haar wijdde op \'t vruchtbare wijnveld Offers van d\' oogst; hekatomben genoten de andere goden. Zij alleen ontbeerde, de dochter des grooten Kronioons,

\'t Zij dat het opzet was of verzuim; groot was zijne dwaling. Maar zij, godlijke dochter en vlug met haar pijlen, verbolgen Deed zij een ever verschijnen, een wild zwijn blinkend van slagtand. Woedend in Oineus\' velden verwekte het velerlei letsel,

\'t Rukte de rijzige struiken omver ön het wierp ze ter aarde, Alles met wortel en tak en de heerlijke bloesems der vruchten. Eindelijk werd het verslagen door Oineus\' zoon Meleagros,

Toen hij uit velerlei steden een aantal jagers en honden Saambracht; want nooit had hij\'t met weinige mannen bedwongen, Zoo groot was het, en \'t bracht er een tal op de droevige houtmijt. Artemis echter verwekte nu over den buit van den ever Velerlei twist en getier, om de borstlige hu,id en den zwijnskop, Tusschen het volk der Koureten en \'t heer van de dappre Aitolers. Zoo lang Ares\' telg Meleagros verzelde de strijders.

Volgde de neerlaag steeds aan de zij der Koureten, en voortaan Hielden zij buiten den muur geen stand, hoe velen zij waren; Doch toen toorn Meleagros vermeesterde, toorn die aan andren, Zelfs den verstandigsten, hoog doet zwellen het hart in den boezem, Toen, door zijn driften verstoord op zijn eigene moeder Althaia, Hield hij zijn rust bij zijn vrouw, zoo liefelijk schoon, Kleopatra, Kind van Euénos\' dochter, Marpessa bevallig van enkels.

Vrouwe van Ides, den sterksten der mannen die leefden op \'t aardrijk Destijds, want zelfs dorst hij den koning Foibos Apolloon Tegen te gaan met den boog, om het meisje met sierlijke enkels.

11

■#: iw

iifc

if |

Jir

530.

535,

if

540.

1

i

iij i | [■

515.

•ij ; y!

I

• ili

ÉI ■;gt; :

550.

5()5.

570.

I ;

-ocr page 168-

154

Haar nu noemden ten huize haar vader en eerbare moeder Toen met den bijnaam ook van Alkuone, wijl bare moeder Onder het zelfde verdriet als do klagende alkuon zuchtte Toen haar de treffer van ver ontvoerd had, Foibos Apolloon. 665. Naast haar rustte hij thans en verkropte zijn knagenden wrevel, Toornvol wegens den vloek van zijn moeder, die steeds in haar

[droefheid

Vurig de goden tot wraak aanriep, om den moord van haar broeder; Vaak ook sloeg hare baud met geweld op het voedende aardrijk, Wen zij tot Aides riep en de vreeslijke Persefoneia, 570. Nedergestort op de knieën, van tranen de boezem bevochtigd, Smeekend haar zoon te verderven. De donkeromhulde Erinus Gmwiijk van harte verhoorde uit Erebos\' duister haar beden. Weldra rees om de poorten \'t gedruisch en geraas van de strijders Onder het beuken der torens. De oudsten van \'t volk der Aitolers 575. Zonden de edelsten thans van de priesters der goden, hem smeekend Buiten ten strijde te gaan ter verdediging; boden hem ruimschoots Giften en deden hem daar, waar \'t liefelijk Kalndoon aanbiedt \'t Weligste bouwland, kiezen de heerlijkste eigen bezitting, Vijftig akkers in \'t ronde, de helft eene gaarde met wijnrank, 580. D\' andere helft, noch braak, en geschikt voor het bouwen van

[veldvrucht.

Oineus smeekte hem dringend, de rossenbedwingende grijsaard. Steeg omhoog naar den drempel der slaapzaal rijzig van zoldring, Schudde de stevige deuren en bad zijnen zoon op de knieën. Dringend smeekten hem ook zijne zusters en eerbare moeder, 585. Maar noch heftiger luidde zijn weigering; ook zijne vrienden

Baden hem dringend en vaak, zijne trouwste en liefste van allen. Doch zelfs zóo niet kon men \'t hart in zijn boezem vermurwen. Voor dat het werptuig telkens do slaapzaal trof, de Koureten Stormden tot boven de torens en vlamde de machtige burgvest. 590. Maar toen smeekte hem ook zijne sierlijk gegordelde huisvrouw Droef weeklagend en telde hem al het verschrikkelijk onheil Op, dat den menschen geschiedt, wier veste bezwijkt voor den

[vijand:

\'t Manvolk slaan zij ter neer en verwoesten de stad door de vlammen,

563, Alkuon, bij de nieuweren Halcyon genoemd, die van haren gade Keïx gescliciden, zich in zee stortte en door Thetis in oene jjsvogel veranderd werd.

-ocr page 169-

155

Vreemden vervoeren de kindren eu vrouwen van achtbare kleeding. 51)5. Toen ontgloeide zijn hart, nu bij al zulk jammerlijk onheil Hoorde, en ijlings ging bij en doste zijn blinkende wapens. Zoo heeft deze d\' Aitolers behoed voor den dag der verwoesting, Luisterend slechts naar zijn eigen gemoed; maar geene geschenken Vele en lieflijke, gaven zij meer; toch weerde bij \'t onheil, ooo. Maar denk gij niet zoo; laat geene verdervende godheid

U tot het zelfde bewegen, mijn vriend! want \'t ware verschriklijk Kedding te brengen wanneer reeds branden de schepen; o, ga dan Mee om de giften, dan eeren d\' Achaiërs u hoog als een godheid. Maar als gij zonder geschenken u mengt in den doodenden oorlog ons. Wordt uwe eer niet even zoo groot, al temt gij den oorlog.

Doch toen zeide hem weder de snelle van voeten Achilleus:

— Foinix, eerbare vader, aan Zeus ontsprotene, geenszins

Heb ik die eere van noode; ik heb reeds d\' cere door Zeus\' raad Welke mijn steun zal zijn, bij mijn krommende boegen, zoo lang noch fiin. Adem mijn boezem vervult en de kracht zich beweegt mijner knieën. Maar nu zeg ik n verder en wil in uw geest het bewaren,

Stoor mij bet hart niet langer met jammer en klagen, mij nopend Dezen Atreide, den held, mijne gunst te verleenen; u past niet Dieu te beminnen, opdat mijne liefde zich niet van u afwend\'. 615. Schoon waar\' \'t als gij vereend met mij saam woudt krenken

[die mij krenkt.

Heersch dan, zoo als ik zelf, en geniet ook de helft van mijn aanzien, ü\' anderen zullen \'t bericht wel ginder verkondigen; blijf gij. Neem op bet mollige leger uw rust, en bij \'t dagen van Eoos, Dan overleggen wij saam of wij keeren naar d\' onzen of blijven. 620. Alzoo sprak hij en gaf met een oogwenk stil aan Patroklos Last om het koesterend bed te bereiden voor Foinix, dat spoedig D\' anderen mochten bedenken de tent te verlaten; en Ajas Telamoons godlijke zoon sprak toen tot de zijnen de woorden:

— Godlijke zoon van Laërtes, in vindingen rijke Odusseus, 025. Laten wij heengaan; want ik vermeen dat er geenerlei uitslag

Kroont onzen tocht en ons woord; ook dienen wij thans den Achaiërs Spoedig te brengen de tijding, ofschoon \'t geen gunstige zijn moog\',

594. Eigenlijk diopgogovdolde, hetgeen, even als de benaming met slependen kleed zoom, wijst op de deftige vrouwén, wier kleed niet om te werken was opgeschort, of uit losse zeden los hing.

-ocr page 170-

156

Immers zij zitten gewis onze komst te verwachten. Aehilleus Echter verheft in zijn boezem den wild hooghartigen inborst, 630. Hij ontembre, die niet zich bekreunt om der vrienden gehechtheid, Wij die hem steeds bij de vloot ver boven de anderen eerden. Wreedaard! Ook om den moord van een broeder verzoende het

[weergeld

Soms wel iemands wraak, ja zelfs als een kind hem gedood was. Zoo bleef dan in zijn land, als hij \'t rijklijk vergoedde, de dader, o:i5. Doch die de boete verkreeg, diens hart en bewogene boezem

Werden verzoend; maar wreeden en nimmer verzoenlijken hartstocht Legden de goden bij ii in de borst, om het enkele meisje,

Eéne, terwijl wij u zeven en uitverkorene aanbiên,

Ook veel anders er bij. Keer gij dus \'t harte tot zachtheid, 040. Eer, ontzie ook uw dak, nu wij deelen uw huis en uw gastrecht. Wij, uit der Danaërs raad u gestuurd, en die steeds ons beijvren Aller Achaiërs u verre de waardsten te wezen en liefsten.

Doch hem ten antwoord zeide de snelle van voeten Aehilleus; — Ajas, godlijke zone van Telamoon, heerscher der volken, 045. Bijna zijn mij uw woorden geheel naar het harte gesproken. Nochtans zwelt mij de boezem van gal, zoo vaak ik dit alles Weder gedenk, hoe deze mij smaadde bij \'t volk der Argeiërs, Atreus\' zoon, en als ware ik slechts een verachtlijke vreemdling. Maar neemt thans uwe reis weer aan en verkondigt uw boodschap. 050. Want niet eerder bemoei ik mij weer met den bloedigen oorlog Voor dat de godlijke zoon des er varenen Priamos, Hektor,

Dicht bij de tenten en schepen van \'t heer Murmidonen genaderd, Doodt de Argeiïsche mannen en \'t vuur ontsteekt in de schepen. Maar ik vermoed, wel zal om myn tent en mijn donkere vaartuig 055. Hektor, ofschoon vol drift, zich gewis onthouden van strijden.

Alzoo sprak hij; zij hieven den dubbel gehengselden beker, Plengden en gingen terug naar de vloot. Vóór ging hun Odusseus. Maar nu gelastte Patroklos den makkers en dienenden maagden Snel ten behoeve van Foinix te spreiden het koestrende rustbed, ooo. Toen zijn gebod opvolgend bereidden de maagden het rustbed, Wollige vachten en dekens en \'t vlokkig gewevene lijnwaad. Daarop rustte de grijze en wachtte den godlijken morgen. D\' eedle Aehilleus sliep in het binnenst der sierlyke veldtent: Nevens hem deelde zijn leger de vrouw die hij voerde van Lesbos, 005. Forbas\' kind, Diomede, het meisje bevallig van wangen.

-ocr page 171-

157

Over hem rustte Patroklos ter andere zijde, en naast hem Sierlijk gegordeldo Ifis, geschenk van den eedlen Achilleus Na het verwinnen van Skuros, de rotsige stad van Enueus.

Toen nn de andren de tenten van Atrens\' zone betraden «70. Bracht hun de schaar der Achaiërs met goudene bekers het welkom, Allen verrezen in \'t rond en zij deden hun velerlei vragen.

Doch \'t eerst luidde de vraag van der volkeren vorst Agamemnoon:

— Zeg het mij snel, lofwaarde Odusseus, roem van Achaia,

Is hij geneigd van de schepen te weren den vlammenden vuurgloed, 675. Of wel weigert hij, steeds in zijn trotsch hart voedend de gramschap? Daarop zei hem de eedle en hevigbeproefde Odusseus:

— Atreus\' zoon, roemvolle, der volkeren vorst Agamemnoon, Noch wil deze zijn wrok niet teugelen, maar van zijn gramschap Wordt hij te feller bewogen; u wijst hij terug en uw gaven,

fiso. Zelf maar moet gij beramen, dit raadt hij, in \'t leger van Argos Hoe gij der vloot noch redding verleent en het volk der Achaiërs. Hij zelf zal, zoo heeft hij gedreigd, bij het lichten des daagraads Zeewaarts halen zijn schepen voortrellijk van riemen en roeibank. Maar ook d\' anderen zegt hij te willen vermanen om heimwaarts (185. Weder te zeilen; dewijl gij van Uios\' hoogten de neerlaag Zekerlijk niet zult zien, daar d\' alomschouwende Zeus thans Over de stad uitstrekt zijne hand, en zich dapper het volk weert. Alzoo sprak hij; dit kunnen die daar mij verzelden getuigen, Ajas en deze herauten, de beide verstandige mannen.

(59°. Foinix bleef daar rusten, de grijze, zoo was het Achilleus\'

Wil, om te scheep hem te volgen naar \'t dierbare land van de vaadren, Morgen, indien hij \'t begeert; geen dwang toch zal hij hem aandoen.

Alzoo sprak hij en ieder bewaarde in stilte het zwijgen,

Allen verbaasd om die taal, want krachtvol luidden zijn woorden. C95\' Spraakloos zaten zij lang, de bekommerde zonen Achaia\'s.

Eindelijk sprak toen toch Diomedes geducht in den strijdgalm:

— Atreus\' zoon, roemvolle, der volkeren vorst Agamemnoon, Hadt gij hem nooit dit gesmeekt den voortreflijken zone van Peleus, Duizenden giften hem biedend! Van zelf reeds zwelt hij van hoogmoed.

\' 00- Maar thans hebt gij hem weder en verder gestijfd in zijn trotschheid. Welaan, laten wij dezen zijn zin of hij blijve of heenga. Dan toch zal hij zich weer in den strijd gaan mengen, als weder \'t Hart in de borst er hem soms toe noopt, of een god er toe

[aandrijft.

-ocr page 172-

158

Maar welaan nu gelijk ik u zeg, en gij allen gehoorzaamt. 705. Gaat thans nachtrust nemen, wanneer gij uw harten verheugd hebt Beide met spijzen en wijn; want dat geeft sterkte en weerstand. Doch bij het stralen der schoone godes roosvingrige Eoos Moeten wij vóór onze schepen met spoed onze wagens en manschap Weer aanvoeren, en gij, ga vóór aan dé spitse der strijders. 710. Alzoo sprak hij; de vorsten betoonden hem allen hun bijval, \'t Woord van den rossenbedwinger, den held Diomedes, hewondrend. Na dat zij hadden geplengd, ging ieder terug in zijn veldtent; Daarin lagen zij neer en genoten de gave der nachtrust.

-ocr page 173-

TIENDE ZANG.

Al de Achaïsche vorsten ter zij van hun schepen gelegerd Sliepen geheel dien nacht, door den lieflijken sluimer bevangen. Maar niet Atreus\' zoon, Agamemnoon, herder der volken. Streelde het zoet van den slaap, daar veel in zijn geest hij bepeinsde. Zoo, als de gade der hooge godin schoonlokkige Hera Bliksemt, wanneer hij de stroomen des onuitputlijkeu regens Vormt of den hagel of sneeuw, wier vlokken bestrooien het bouwland, \'t Zij dat hij bliksemend opent den muil van den bitteren oorlog; Alzoo zuchtte, de borst vol kommer beklemd, Agamemnoon Diep uit den grond van zijn hart, en hem klopte de trillende boezem. Waar hij den blik liet weiden in \'t rond op de Troïsche vlakte Trof hem het aantal vuren, die vlamden voor Ilios\' wallen. Tonen van pijpen en fluit en het doife geruisch van de menschen. Maar als hij weder het oog naar de schepen en \'t heer der Achaiërs Wendde, dan trok hij met wortel en al uit het hoofd zich de haren, Zeus aanroepend ten hooge, en smartelijk kreunde zijn fier hart. Dit nu scheen in zijn geest hem de beste gedachte te wezen, Nestor Neleus\' zoon vóór allen het eerst te bezoeken.

Zoo hij met dezen misschien kon vormen een heilzamen toeleg Welke den Danaërs allen als redder verscheen in het onheil. Thans oprijzende hulde hij schouders en borst in het lijfkleed, Snoerde het sierlijke schoeisel zich onder de glanzende voeten. Wierp rondom zijne leden vervolgens de vacht van een woudleeuw Kossig en groot, die hem hing tot den voet, en hy vatte zijn

[werpspies.

Dus ook was Menelaos beangst — want over zyn oogleên

-ocr page 174-

160

Lag geen sluimer gespreid — door de vrees dat er eenige onspoed Naakte bet volk, dat om hém zoo ver toch over de waatren Zeilde naar Troja, bezield om te voeren een beftigen oorlog.

Eerst overtoog hij zijn breeden, geweldigen rug met des panters 30. Vlekkige huid, dan hief bij en stelde den koperen strijdhelm Vast op zijn hoofd, en hij greep met de wichtige vuist zijne werpspies. Daarop spoedde hij voort om zijn broeder te wekken, den hoogsten Heerscher van alle Argeiërs, geëerd bij het volk als een godheid. Dezen nu vond hij, het lijf met zijn schittrende wapens bekleedend, 35. Dicht bij de achterplecht, en hij kwam er hem hartelijk welkom, \'t Eerst sprak toen Menelaos, geducht in den woeligen strijdgalm;

— Waartoe zoo u gedost iu de wapenen? Wilt gij ten Trojers Een van de makkers als spie doen gaan? Maar zeker ik vrees wel Zeer dat er geen zich verbinde u zulk eene taak te verrichten,

40. Tusschen des vijands mannen te gaan om de spieden en eenzaam Zoo in d\' ambrosischen nacht; wel stout moet deze van hart zijn. Doch hem ten antwoord zeide de heerscbende vorst Agamemnoon:

— Beiden behoeven wij raad, o godlijke held Menelaos, Weldoordacht overleg, dat behoede en redde van \'t onheil

43. Argos\' volk en de schepen, dewijl Zeus\' geest zich gekeerd heeft. Meer toch heeft by het harte geneigd naar de offers van Hektor. Want nooit zag ik te voren of boorde verhalen door andren Hoe één man in een dag kon doen zoo stoute bedrijven Zoo als den zonen Achaia\'s dit deed Zeus\' lieveling Hektor, 50. Zelf en door eigene kracht, geen zoon van een god of godinne. Daden, ja, heeft bij verricht die met kommer het hart der Argeiërs Zullen bezwaren voor lang, zoo trof hij met leed de Aehaiërs. Dus welaan, ga thans ons Idomencus roepen en Ajas Snel naar hun schepen u spoedend, terwijl ik den godlijken Nestor 55. Zelf ga zoeken en dring te verrijzen van \'t bed, of hij goedvindï Nu naar de heilige schare te gaan van de wachten, tot naricht. Hém toch zullen zij willigst gehoorzamen; want bij den wachtpost Voert zijn zoon het bevel met Idomencus\' makker in \'t strijdperk Kloeken Meriones; want op hen beiden vertrouwden wij\'t zekerst, oo. Daarop zeide hem weer Menelaos geducht in den strijdgalm: /

— Zeg dan, wat het nu is dat uw woord mij beveelt en mij opdraagt? Blijf ik bij genen vertoeven en wacht ik u daar tot gij aankomt.

58 ThrasumeJes.

-ocr page 175-

161

Of — zoo straks u gevolgd, na eerst ze te hebben verwittigd? Daarop zeide hem weder der volkeren vorst Agamemnoon:

— Blijf gij ginder verwijlen, om niet elkander te missen Onder het gaan; door het kamp toch loopen verschillende paden. Roep dan waar gij ook komt en vermaan er tot waken en toezicht, Noemende iederen man bij den naam van den stam zijnes vaders, Elk ontziende; uw harte verheffe zich niet met voornaamheid, Maar dat wij zelf ook deelen in \'t werk; zoo heeft aan ons beiden Zeus in den stond der geboorte beschoren den drukkenden onspoed.

Alzoo sprekende zond hij, met goede vermaning, zijn broeder, Doch zelf spoedde hij voort tot den herder der volkeren Nestor, Dezen nu vond hij ter zij van zijn tent en het donkere vaartuig Rustend op \'t mollige leger; zijn blinkende wapenen naast hem, \'t Schild en een tweetal speren, benevens de glanzende strijdhelm; Ook lag naast hem de gordel, de schittrende, welken de grijsaard Bond om het lijf zoodra hij zich doste ten moordenden oorlog. Voerend het volk, wijl nooit hij den droevigen ouderdom toegaf. Toen op zijn elboog leunend verhief hij zich, richtte het hoofd op. Wendde tot Atreus\' zoon zich en zei hem vervolgens de woorden:

— Wie komt daar door het kamp naar de schepen getreden, en

[eenzaam

Midden in duisteren nacht, als de andere stervlingen slapen. Zoo als die zocht naar een muil die verdwaalde ofeenen der makkers ? Spreek dan, nader mij niet zoo stil — wat hebt gij van noode? Toen antwoordde en zei hem der volkeren vorst Agamemnoon:

— Nestor Neleus\' zoon, gij heerlijke roem der Achaiers,

Spoedig herkent gij hem wel, Agamemnoon zone van Atreus, Mij, wien Zeus voor allen bezwaart, zoo lang mij de adem Binnen de borst noch woont en de kracht noch blijft in mijn knieën. Alzoo dool ik dewyl geen lieflijke slaap op mijn oogleên Neerzeeg, maar my de krijg ontrust en het leed der Achaiërs. Zorgvol vrees ik om \'t lot van de Danaërs; geenerlei vastheid Heeft mijn gemoed, maar slingert; mijn hart in geweldige onrust

65 Namelijk door de duisternis.

84. Voor dat woord muildier heeft men een dergelijk willen zoeken dat wachter beteekent, op grond dat muildier hier misplaatst waar\'. Zelfs moet de geheele regel daarom onecht heeten. Maar ik vind het zeer natuurlijk dat iemand des nachts door een legerkamp loopt om een losgebroken muil of paard (Vergel. Odussée XXI 22) te zoeken.

n

-ocr page 176-

162

O

95. Springt uit de borst en mij beven van onder de krachtige leden. Kom, als gij iets wilt doen, en de slaap niet langer u koestert: Laten wij gindsheen gaan naar de wacht, om te zien of zij wellicht Niet door den last van vermoeiing ofwel door den slaap overweldigd Liggen te rusten en gansch niet meer op het waken bedacht zijn. wo. Toch staat \'s vijands macht nabij, en wij weten het geenszins Hoe zij misschien in den nacht ook zullen beproeven een aanval. Daarop zeide hem weer de Gerenische wagenaar Nestor;

— O roemvolle Atreide, regeerder des volks Agamemnoon, Waarlijk, de schrandere Zens volvoert niet iederen toeleg

105. Welken zich Hektors wensch thans droomt, maar volgens mijn oordeel Zullen hem zelfs noch zwaarder de rampen vervolgen, als eenmaal Weer uit den drukkenden wrok zich verhief het gemoed van Achillcus. Ik zal gaarne u volgen; wij moeten intussehen ook andren Wekken, het zij den Tudeide beroemd met de lans of Odnsseus, Hquot;- Ajas den snellen van voet en den moedigen zone van Fuleus. Goed als er éen ook ging om te roepen die anderen, Ajas Telamoons godlijken zoon, en Idomeneus d\' edelen koning.

Want die liggen het verst met hun vloot, niet spoedig bereikbaar. Maar Menelaos, hoe zeer ik hem lief moog hebben en hoogacht, li5- Zal ik \'t verwijten, en schoon \'t u verbitterde zweeg ik het geenszins, Wijl hij nu slaapt en op ü alleen doet drukken den arbeid; \'t Ware zijn plicht thans ijvrig bij alle de vorsten te werken Smeekend met drang, want reeds dreigt onweerstaanbaar de nooddwang.

Doch hem ten antwoord zeide der volkeren vorst Agamemnoon: 120. — Vroeger, o grijsaard, drong ik u zelf ook wel hem te gispen. Want vaak is hij nalatig en weinig gezind tot den arbeid,

Niet uit gewoonte van talmen en niet door gebrek van zijn doorzicht, Maar meer daar hij naar m ij steeds ziet en hij wacht op mijn aandrang. Doch nu wekte hij zelf mij het eerst en hij kwam mij bezoeken; 125. Daarop deed ik hem gaan om te roepen degeen die gij noemde t. Kom dus, laten wij gaan, en wij vinden hen vast bij de wachten Buiten de poort; daar immers beval ik hun samen te komen. Daarop zeide hem weer de Gerenische wagenaar Nestor:

— Zóo zal geen der Argeiërs hem willen berispen, en niemand 130. Weigren te volgen wanneer hij er eenen bemoedigt en aanspoort.

110. Ajas de zoon van Oïleus. Fuleus\' zoon is Meges.

-ocr page 177-

163

Alzoo sprekende dekte zich Nestor de horst met het iijfkleed, Snoerde het sierlijke schoeisel zich onder de glanzende voeten, Gespte zich vast om de schouders den grooten gepurperden mantel Dubbel gevouwen en ruim en van boven met wollige vlokken. 135. Dan zijne werpspies nemend, de krachtige, vlijmend gekoperd, Spoedde hij voort naar de vloot der in koper gedoste Achaiërs. \'t Eerst nu was bet de schrandre Odusseus, schrander als Zeus zelf, Welken er riep uit den slaap de Gereniscbe wagenaar Nestor, Luide verheffend zijn stem; snel trof het geluid zijne zinnen; juo. Aanstonds spoedde hij buiten zijn tent en hij sprak tot ben beiden;

— Waarom doolt gij zoo rond door het kamp bij de schepen, en

[eenzaam

Zoo in d\' ambrosischen nacht? Wat kwam er voor vreeslijke

[nooddwang ?

Doch hem ten antwoord sprak de Gereniscbe wagenaar Nestor:

— Godlijke zoon van Laërtes, in vindingen rijke Odusseus, 1145. Wees niet toornig; er trof inderdaad zulk leed de Acbaiërs.

Ga dus mede, opdat wij ook anderen wekken die voegzaam Kunnen beramen of vluchten het best zal wezen of weerstand.

Alzoo sprak hij: en binnen zijn tent trad haastig Odusseus, Wierp zich het blinkende schild op den rug en verzelde de andren. po. Tudeus\' zoon Diomedes bezochten zij thans, dien zij vonden

Buiten zijn tent met zijn wapens er naast; in het ronde gelegerd Sliepen zijn makkers, het hoofd op hun schilden geleund, en de

[werpspies

Stak met de onderste punt rechtop in den grond, en het koper Blonk aan de spitsen van ver als de bliksem des Vaders Kronioon. ■55. Slapend rustte de held op de huid van een stier uit het weiveld. Onder zijn hoofd lag mede een kleed van het schitterendst weefsel. Nestor trad op hem toe, de Gereniscbe wagenbestuurder.

Wekte hem op door een stoot met zijn voet en verweet hem in

[\'t aanzicht:

— Tudeus\' zoon, ontwaak; hoe slaapt gij zoo rustig den nacht door ? |oo. Hoordert gij niet dat de Trojers den heuvel der vlakte bezetten

Dicht bij de schepen, en slechts weerhouden door weinigen afstand ?

Alzoo sprak hij, en spoedig verrees uit den slaap Diomedes, Richtte terstond zich tot Nestor en sprak de gevleugelde woorden:

— Rusteloos, gr ij aard, zijt gij, gij poost wel nooit van den arbeid. ö5. Zijn daar niet ook andre en jongere zonen Achaia\'s

Vm

-ocr page 178-

164

Welken het zoude betamen de koningen allen te wekken Alom rondgaand? Maar, onwrikbaar zijt gij, o grijsaard.

Doch weer zeide hem toen de Gerenische wagenaar Nestor:

— Waarlijk, gij zeidet dat alles, mijn zoon, als het passend en recht is. 170. Edele zonen bezit ik voorwaar, ook mannen in aantal

Heb ik van welken er licht èen rond kon gaan om te roepen. Maar een te vreeslijke nood is thans de Achaiërs genaderd;

Want op het scherp van een mes ligt thans voor het volk der Achaiërs \'t Zij ellendige dood of de kans tot behoud van het leven. ^ 175. Kom nu, Ajas den snellen gewekt en den zone van Fuleus;

Ga, als de jongere zijnde, indien gij beklaagt mijne grijsheid. Toen sloeg Tudeus\' zoon om zijn schouders de vacht van een

[woudleeuw

Rossig en groot, die hem hing tot den voet, en hij vatte zijn werpspies. Ijlings ging nu de held en hij riep en geleidde de andren. 180. Toen zij zich allen te zaam bij de wacht nu hadden vereenigd. Vonden zij daar ook niet in den slaap de gebieders der wachten, Maar overeind en bekleed met hun wapenen zaten zij allen. Even als honden de schapen in \'t perk onrustig bewaken, Wen zij een roofdier hooren, geweldig van krachten, dat afdaalt 185- Langs het gebergt naar de bosschen, en luid het geschreeuw in

[het rond klinkt

Onder de hoeders en honden, en \'t slapen vergaat bij een ieder; Alzoo was ook dezen de slaap ontroofd van hun ooglecn,

Daar d\' onvriendlijken nacht doorwakende; want naar de vlakte Wendden zij \'t waakzaam oor om te hooren het naadren der Trojcrs. ^ 190\' Zóo er hen ziende verheugde de grijze zich, moedigde wakker Elk door zijn toespraak aan, en hij riep de gevleugelde woorden:

— Goed zoo, kinderen, waakt nu voort; en bcvange de sluimer Niemand uwer, opdat wij de vreugd niet worden des vijands.

Alzoo sprak hij en ging door de gracht, en hem volgden gezaamlijk 195. Argos\' vorsten, zoo velen er waren beroepen ter saamkomst. Nestors edele zoon en Meriones volgden hen mede Derwaarts, want ook dezen verzocht men saam te beraden. Thans door de holte der gracht heentrekkende, zetten zich allen Toen op een zuivere plaats, waar tusschen de lijken de bodem 200- Zichtbaar bleef, en van waar de geweldige Hektor terugtrok

Toen hij er Argos\' mannen versloeg, tot de nacht ze omhuld had. Daar neerzittende spraken zij saam hun bedenkingen wisslend.

-ocr page 179-

165

Eerst ving Nestor aan, de Gerenische wagenbestuurder:

— Is er nu niet, mijne vrienden, een man dien het hart er toe

[aandrijft

Stout en vermetel van moed om te gaan naar de dappere Trojers, Spiedend of daar hij misschien mocht grijpen een dwalenden vijand, \'t Zij, het gesprek afiuistrend van eenen der Trojers, vernemen Wat daar wellicht wordt overlegd, of zij hier bij de schepen Denken te blijven, en ver van de veste verwijderd, of stadwaarts Weer aftrekken, als eerst zij het heer der Achaiërs bedwongen. Al die zaken vernam hij en zou dan weer tot de onzen Heelhuids keeren; zijn roem zou groot zijn onder den hemel Zeker, bij alle de menschen, en rijk zal wezen zijn eergift; Want zoo velen er zijn van de vorsten die over de schepen Voeren \'t bevel, zal ieder hem geven een vrouwelijk zwart schaap Saam met het zuigende lam — zoo schoon waar\' geene bezitting — Steeds ook welkom ware zijn komst aan den disch en het feestmaal.

Alzoo sprak hij, en allen bewaarden in stilte het zwijgen. Toen sprak daar Diomedes, geducht in den woeligen strijdgalm;

— Mij, o Nestor, beweegt het gemoed en vermetel verlangen Ginds naar het leger te gaan van den dichtbij liggenden vijand, Tusschen het Troïsche kamp; maar zoo er een man met mij meeging. Ware de zekerheid grooter en konden wij stouter te werk gaan. Want waar twee uittrekken, bemerkt wel een van hen beiden Eer wat het heilzaamst zij; alleen, al is hij opmerkzaam,

Is het verstand toch trager en niet zoo wakker het doorzicht.

Alzoo sprak hij, en velen verlangden zijn schreden te volgen. Gaarne verlangden het beide de Ajaxen, Ares\' genooten.

Gaarne Meriones ook, maar Nestors zone het vurigst,

Gaarn ook Atreus\' zoon, Menclaos beroemd door zijn speerworp; Gaarn ook wilde zich wagen de veeldoorstaande Odus^seus Tusschen der Trojers gewoel; kloek was steeds \'t hart in zijn boezem. Daarop zeide tot dezen der volkeren vorst Agamemnoon:

— Tudeus\' zoon Diomedes, o gij aan mijn harte zoo dierbaar, Noem gij zelf eenen makker, en volgens uw keuze, den stoutsten Onder degeen die zich meldden, dewijl toch velen bereid zijn. Maar wees echter bedacht dat gij niet eenen beetren voorbijgaat, Eerbiedshalve, en zoo ten gezelle den zwakkeren uitkiest.

Enkel om \'t edel geslacht, al is hij van vorstlijker aanzien.

Alzoo sprak hij, uit zorg voor den blonden Atreide zijn broeder

-ocr page 180-

166

Doch weer zei Diomedes, geducht in den woeligen strijdgalm: Als het uw wil dus is dat ik zelf een gezelle mij uitkies, Hoe dan zou ik vergeten den godlijken strijder Odnsseus, Hem, steeds vaardig te moede en steeds manhaftig van inborst 245. Midden in alle gevaar, en dien Pallas Athena begunstigt.

Zoo mij Odusseus volgt, dan keerden wij zelfs uit een vuurgloe d Beiden behouden terug, want allen verwint hij in doorzicht.

Daarop zei hem de eedle en hevigbeproefde Odusseus: — Tudeus\' zoon, niet zoo mij geroemd, ten verwyt van de andren, 250. Want tot Argeiërs spreekt gij aan welke dit alles bekend is. Laten wij gaan; snel spoedt zich de nacht en verrast ons de ochtend, Want ver ging het gesternte zijn baan, van den nacht in zijn volheid Zijn twee derden verloopen en noch slechts blijft ons een derde. Alzoo sprekende dosten zij \'t lijf met de vreeslijke wapens, 255. Tudeus\' zoon ontving van den strijdbaren held Thrasumedes

\'t Lemmer met dubbele sneê, in zijn schip was \'t zijne gebleven, Mede zijn schild; Thrasumedes omhulde hem \'t hoofd met een

[strijdhelm,

Enkel van leder en zonder een kam noch manen, een stormkap Wordt hij genoemd en beveiligt het hoofd van het lichtere krijgsvolk. Doch aan Odusseus, leende Meriones \'t zwaard en den pijlbus. Saam met den boog; voorts bond hij hem vast op het hoofd zijnen

[strijdhelm

Enkel uit leder gevormd; stijf welfden van binnen een aantal lliemen den helm; ook zaten de blinkende tanden des evers Blank van gebit er van buiten geschikt naar verschillende kanten. Sierlijk en kunstig, en zacht was \'t midden gevoerd met een viltlaag. Vroeger, in Eleoon, maakte Autolukos dezen tot krijgsbuit,

Toen hij de woning beroofde van Ormenos\' zone Amuntor;

Doch aan den held van Kuthere, Amfidamas, toen te Skandeia, Gaf hij hem later, en deze vereerde hem Molos, als gastvriend. 270. Deze nu schonk hem zijn zone Meriones weer om te dragen. Doch voor Odusseus\' hoofd was thans hij tot vaste beschutting. Toen nu beiden zich hadden gedost in de vreeslijke wapens. Gingen zij voort op hun tocht en verlieten zij alle de helden. Toen deed Pallas Athena hun rechts eenen reiger verschijnen, 273. Vliegende dicht aan hun weg, hoewel voor hun oogen verborgen Wegens den duisteren nacht; zijn geluid slechts konden zij hooren; Vreugd vol hoorde den vogel en bad tot Athena Odusseus;

260

305.

-ocr page 181-

167

— Wil mij vcrboorcn, o dochter des aigisvoerendcn Vaders, Gij die in alle bezwaren mij bijstand leent en mijn gangen

280. Altijd kent; schenk nu vooral mij uw liefde, Athena,

Geef dat wij weder, beladen met roem, naar dc schepen teruggaan, Na iets heerlijks te hebben verricht en dat heuge den Trqjcrs. Daarop smeekte haar ook Diomedes geducht in den strijdgalm:

— Wil ook hooren mijn bede, o Zeus\' ondwingbare dochter; 285. Wees aan mijn zijde, gelijk gij mijn vader den godlijken Tudeus

Bijstondt toen hij naar Thebai vertrok als gezant der Achaiërs. Langs den Asopos verliet hij de kopergepantserd\' Achaiërs,

Sprak welwillende taal daar ginds tot het volk der Kadmeiërs, Maar weerkeerende bracht hij geweldige daden ten uitvoer 290. Onder uw hulp, o heiige godin, wijl gij hem ter zij stondt.

Wees thans even gezind mij hulp te verleenen, bewaak mij. U dan wijd ik een rund, eenjarig en breed aan het voorhoofd, \'t Welk geen man noch temde of ooit noch spande in \'t ploegjuk. Zulk een zal ik u wijden, met goud om de horens beslagen. 295, Zoo sprak ieder zijn bee; hun verhoorde dit Pallas Athena. Na dat zij smeekten dc dochter des machtigen Zeus met hun beden. Gingen zij snel, twee leeuwen gelijk, door het nachtelijk duister, Wadend door \'t slagveld, lijken en wapens en donkeren bloedplas. Doch geen nachtrust liet ook Hektor den dapperen Trojers, 300. Maar hunne edele hoofden beriep hij te zaam ter bijeenkomst, Allen zoo velen er waren bestuurders en leiders der Trojers. Dezen vergaard op zijn stem ontvouwde hij \'t listige voorstel:

— Wie die het waagt mij die daad te belooven en ook te verrichten Tegen een heerlijken prijs? Wel zal voldoende het loon zijn,

305. Immers ik geef hem een wagen en twee hooghalzige paarden, D\' edelstcn welke er zijn bij de snelle Aehaïsehe schepen. Hém die het waagt te bestaan, daarmeê zelf roem zich verwervend. Dicht bij de vlugge galeien te gaan en er heimlijk te vorschen \'t Zij of als vroeger ze hoeden de snelvoortglijdendc bodems, 310. \'t Zij of zij onder de handen der onzen gebogen en zwichtend Over de vlucht zich beraden en nu niet langer begeeren \'s Nachts hunne wachten te houden, verlamd door den vreeslijken

[arbeid.

Alzoo sprak hij en allen bewaarden in stilte het zwijgen.

Doch bij de Trojers bevond zich een Doloon, zoon van Eumedes D\' eedlen heraut, en vermogend aan schatten van goud en van koper.

315.

-ocr page 182-

168

Deze nu was van gedaante gering, maar snel met de voeten, Eenige zoon ook was hij te midden van zusters, een vijftal. Tliaiis iiam deze Let woord en hij sprak tot de Trojers en Hektor:

— Mij, o Hektor, beweegt het gemoed en vermetel verlangen 320. Dicht bij de vlugge galeien te gaan en er heimlijk te vorschen.

Dus welaan, wil daar uwen scepter voor heffen en zweer mij Vast mij de paarden te schenken en schittrend gekoperden wagen Welke het voertuig zijn van den edelen zone van Peleus.

\'k Zal niet vruchteloos spieden en niet uw verwachting beschamen. 325. Want zoo lang doorkruis ik des vijands kamp, tot ik naadren Kan Agamemnoons schip, waar samen de vorsten vermoedlijk Zullen beramen hetgeen hun te doen staat, vluchten of strijden. Alzoo sprak hij, en Hektor verhief hem den scepter en zwoer hem ;

— Moge mij Zeus thans hooren, de dondrende gade van Hera, 330. Nooit zal onder de Trojers een ander berijden dien wagen,

Maar n zeg ik het toe, daar altijd mede te schittren.

Alzoo sprak hij; zijn eed was valsch, maar wekte hem nochtans. Aanstonds wierp hij zich toen den gekronkelden boog om de schouders. Dekte zich dan met de huid van een wolf grauwkleurig van haren, 335. \'t Hoofd met den helm van een marter gemaakt, en hij vatte

[zijn werpspies.

Daarop spoedde hij vóórt uit het kamp naar de schepen. Intusschen Zou hij gekeerd van de schepen aan Hektor nimmer bericht doen. Toen hij nu buiten \'t gewoel van de wagens en mannen geraakt was, Ging hij begeerig zijn weg. Maar toen ontdekte zijn voetstap 340. D\' eedle Odusseus spoedig en sprak tot zijn vriend Diomedes:

— Hoor, Diomedes, er nadert een man uit het leger geslopen. Is het een spie wellicht die beproeft onze vloot te begluren, Dan wel éen die er zoekt te berooven de lijken op \'t slagveld? Maar stil, laten wij eerst hem voorbij doen gaan op de vlakte,

345. Even; en daarna springen wij toe en wij zullen hem plotsling Vangen, dien man; maar mochten zijn voeten ons beiden te vlug zijn, Zorg dat gij steeds van het kamp naar de zijde der schepen

[hem voortdrijft

Onder \'t bedwang van uw speer, dat hij niet ontvlucht\' naar de stadszij. Alzoo spraken zij saam, zich verbergend ter zij van den heerweg, 350. Tusschen de dooden gebukt; snel ijlde hij roekeloos voorwaarts. Toen hij nu zoo ver was als de afstand welken de muilen Ploegende gaan, daar dezen gezwinder dan runderen plegen

-ocr page 183-

109

Vlug den getimmerden ploeg te bewegen door \'t kluitige braakland, Liepen zij haastig hem na; toen bleef hij hen hoorende stilstaan; Want hij geloofde van harte dat vrienden, tot keeren hem nopend. Kwamen van \'t heer der Trojanen, en Hektors last hem terugriep. Maar als zij waren genaderd zoo dicht, ja min dan een speerworp. Zag hij des vijands mannen en repte de haastige knieën Spoedig ter vlucht, maar dezen versnelden hun stormenden aanloop. Zoo als een tweetal honden, verscheurend van tand en de wildjacht Kennende, \'t jeugdige hert of een haas hardnekkig vervolgen Dwars door het boschrijk land, en het kermende dier voor hen

[uit loopt.

Zoo joeg Tudeus\' zoon met den stedenverwoester Odusseus Ver van de zijnen gedreven hem voort, hardnekkig vervolgend. Maar toen deze de wacht weldra had kunnen bereiken Vluchtend den weg naar de schepen, vervulde Athena met ijver Tudeus\' zone, opdat geen kopergepantserd\' Achaiër Roemde het eerst hem te treffen, hij zelf zou komen de tweede. Stormend gereed met zijn lans, riep toen de geduchte Tudeide:

— Sta, of ik slinger mijn speer op u af; dan zult gij voorzeker Niet lang onder mijn hand ontvlieden het doodelijk uiteind.

Alzoo sprekende wierp hij zijn speer, maar miste met opzet. Rechts vloog over zijn schouder de punt van de glanzende werpspies Vast in den grond; zijne vlucht toen stakende stond hij en beefde. Stamelend, daar zijne tanden hem klapperden tusschen de lippen, Bleek van den angst; thans kwamen zij beiden met hijgenden adem Nader en grepen zijn handen, terwijl hij hun weenende toesprak:

— Laat mij het leven, ik zal u een losgeld geven, mijn woning Heeft veel koper en goud, ook ijzer met moeite bearbeid, Daarvan schenkt u mijn vader gewis onschatbaren losprijs,

Zoo hij vernam dat ik hier bij de vloot der Achaiërs gespaard bleef. Doch hem ten antwoord zei de in vindingen rijke Odusseus;

— Wees goedsmoeds en het sterven vervulle u niet de gedachten. Maar kom, deel het mij mede, verhaal mij de zuivere waarheid; Waarom sluipt gij nu zoo uit uw kamp naar de schepen, en eenzaam Midden in duisteren nacht, als de andere stervlingen slapen?

Is het om ergens een doode te plunderen hier op het slagveld? Zond soms Hektor u hier om te loeren op alles dat voorvalt Dicht bij de welvende schepen? Of was het uit eigene aandrift? Toen sprak Doloon weder, en onder hem beefden zijn leden:

-ocr page 184-

170

— Ach, tot mijn diepe ellende verdwaasde mij Hektor de zinnen, Toen hij belofte mij deed mij te geven des eedlen Peleiden Enkelhoevige rossen en \'t sehittrend gekoperde voertuig.

Deze bewoog mij te gaan door het vluchtige nachtelijk duister, 3(J5- Dicht aan des vijands kamp voortsluipend om stil te bespieden \'t Zij of als vroeger zij hoeden de zeedoorklievende bodems Dan wel onder de handen der onzen gebogen en zwichtend Over de vlucht zich beraden en nu niet langer begeeren \'s Nachts hunne wachten te houden, verlamd door den vreeslijken

[arbeid.

■too. Toen glimlachte en zei de in vindingen rijke Odusseus:

— Schitterend was voorwaar het geschenk dat uw harte begeerd

[heeft,

D\' edele paarden behoorend aan Aiakos\' machtigen kleinzoon. Maar geen sterveling zal ze gemakkelijk temmen of rijden Buiten Achilleus zeiven dien baarde een godlij ke moeder. 405. Maar kom, deel het mij meê en verhaal mij de zuivere waarheid: Waar, hier komende, liet gij den herder der volkeren Hektor? Waar ligt Hektors wapengerei? waar staan zijne paarden; Hoe toch zijn nu de wachten der andere Trojers, hun rustplaats? Wat wel wordt er te zaam overlegd, of zij hier bij de schepen 410. Denken te blijven en ver van de veste verwijderd, of stadwaarts Weer aftrekken, als eerst zij het heer der Achaiërs bedwongen? Toen zei Doloon weder, de zoon van Euinedes, ten antwoord:

— Zeker, ik zal u dit alles verhalen naar zuivere waarheid: Hektor toeft bij de mannen, die worden gehoord in den raadskring,

415, Daarmee pleegt hij nu raad, bij het heilige teeken van Hos,

Buiten \'t gewoel; maar \'t geen gij, o held, van de wachten gevraagd hebt,

Geene verordende wacht draagt zorg voor het kamp of bewaakt het; Maar wie een eigenen haard bij de Trojers bezitten, uit nooddwang Houden zij wacht en zij roepen de een tot den ander te waken; 420. Doch de van verre geroemde verbondenen nemen hnn nachtrust; Want voor de wachten te zorgen, dat lieten zij over aan Trojers; Hier toch hebben zij niet hunne kinderen noch hunne vrouwen. Daarop zeide hem weer de in vindingen rijke Odusseus:

— Hoe dan slapen zij daar, met de rossenbedwingende Trojers 425. Saam of van dezen gescheiden? Verklaar dit, opdat ik het wete!

Toen sprak Doloon weder, de zoon van Eumedes, ten antwoord:

-ocr page 185-

171

— Zeker, ik zal u dat mede verhalen naar zuivere waarheid: Zeewaarts Kariërs, voorts de Paionen met kronklende bogen, Lelegers ook en Kaukonen en mede de eedle Pelasgen;

430. Lukiërs liggen bij Thurabre en Musiërs blakend van eerzucht, Frugiërs strijdend tc paard en Meonische wagenbestuurders.

Maar waarom toch vraagt gij mij zoo nauwkeurig naar alles? Want als gijlieden verlangt in het ïroïsche leger te dringen, Thrakiërs nieuwlings gekomen bezetten ter zijde den uithoek, 435. Daarbij is ook de zoon van Eïoneus, Rhesos, hun koning,

Hij wiens paarden de grootste en heerlijkste zijn die ik ooit zag, Blinkerder wit dan de sneeuw, in het loopen den wind evenarend; Smaakvol is er zijn wagen met goud en met koper beslagen; Goudene wapenen ook, ontzachlijk, een wonder van schoonheid, 440. Voerde hij mee, zoo schoon dat gewis geen sterflijken menschen Zulk eene rusting betaamt, maar eer onsterflijken goden.

Welaan, wil mij naar ginds, naar de snelvoortglijdende schepen. Brengen, of wel hier laten, gekluisterd in stevige banden.

Laat mij, tot wedergekeerd, gij beproeft zult hebben mijn woorden, 415. Ziet of ik alles behoorlijk u zei, of u logens verhaald heb.

Norsch op hem neerziend zei dan de machtige held Diomedes:

— Doloon, koester in \'t hart niet langer gedachten aan redding. Schoon uwe tijding ons dient, nu gij vielt in de macht onzer handen. Want ontslaan -Cvij u thans of wij laten u vrij voor een losgeld,

450. Eerlang keert gij terug naar de snelle Achaïsche schepen,

\'t Zij om te spieden, hetzij dat gij komt als een strijdende vijand. Maar als gij onder mijn handen geveld er het leven bij inschiet, Zijt gij voor immer belet den Argeiërs te worden tot onheil. Alzoo sprak hij; met dringend gebaar nu wilde hem Doloon 455. Smeekende vatten zijn kin; maar snel toespringende hieuw hij Dwars door zij n hals met het lemmer, dat beide de pezen hem afsneed; Zoo viel \'t hoofd in het stof, met het woord op de stervende lippen. Toen ontdeden zij \'t hoofd van den helm uit het vel van een marter. Namen de rijzige speer, en den kronklenden boog en de wolfsvacht. Deze verhief op zijn handen ten hoogen de eedle Odusseus, Pierend Athena de schenkster van buit, en hij bad, ze baar wijdend;

— Heil, hiermee, godinne, van alle Olumpiërs immers

Roepen wij \'t eerst lï aan; maar wees ons opnieuw ten geleidster Ginds naar de paarden en \'t kamp waar rusten de Thrakische benden. 4(13 • Alzoo bad hij, en boog met zijn handen verhief hij het krijgstuig,

-ocr page 186-

172

Hing \'t aan een struik tamariske, en legde tot duidelijk kenmerk Rijs dat hij raapte er bij en een bloeienden tak tamariske, Zoo dat zij keerend het zagen in \'t vluchtige nachtelijk duister. Daarna traden zij voort door de wapens en donkeren bloedplas, 470. Gingen met spoed en bereikten het kamp van de Thrakische scharen. Moe van den arbeid waren zij rustig in slaap, en het krijgstuig Lag er van elk op den grond, naar den regel behoorlijk gerangschikt Langs drie rijen; en naast hen de paarden, bij ieder zijn tweespan. Rhesos rustt\' in hun midden en naast hem zijn vluchtige rossen, 475. Vast aan den uitersten rand van den wagen gebonden met riemen, \'t Eerst ze bespeurende wees ze Odusseus snel Diomedes: ■— Dat is vast, Diomedes, de man, dat zijn zijne rossen,

Welke ons Doloon noemde, degeen dien wij \'t leven benamen. Welaan, toon uw vermetel gemoed, gij behoeft met uw wapens 480. Hier niet werkloos te staan, maar maak van de riemen de paarden Los; of versla ze, die mannen, ik zorg dan wel voor de paarden.

Alzoo sprak hij, en gene,door Zeus\' blauwoogige dochter Vurig bezield,sloeg allen in \'t rond, en de aaklige doodskreet Rees van de stervenden op, en de grond was rood van den

[bloedstroom.

485. Zoo als een leeuw, die bespringt het van hoede verstokene wolvee. Geiten en schapen, en daar op de kudden zich werpt met ver-

[woedheid.

Zoo ging Tudeus\' zoon door het kamp van de Thrakische manschap. Waar hij er twaalf deed sneven; intusschen, de schrandre Odusseus, Steeds nabij als het zwaard des Tudeiden er eenen gedood had, 490. Sleepte Odusseus dezen terug bij zijn voeten hem grijpend;

Daar in zijn geest op bedacht, dat de rossen met prachtige manen Goed er een doorweg vonden, en \'t niet hun een schrik in het

[hart joeg

Tusschen de lijken te gaan, want vreemd noch waren zij \'t slagveld. Maar toen Tudeus\' zoon Diomedes den koning bereikt had, 495. Nam hij hem \'t liefelijk leven; ook hém; zoo lagen er dertien. Kreunend zuchtte hij, want bij zijn hoofd, als een schrikkelijk

[droombeeld.

Stond dien nacht Diomedes, beschikt door den wil van Athena. Middelerwijl ontbond er de paarden de duider Odusseus,

Snoerde ze saam met de riemen en dreef ze tot buiten den warhoop oog. Voort met een slag van zijn boog, in der haast toch had hy vergeten

-ocr page 187-

173

505.

i

Tevens de blinkende zweep uit den sierlijken wagen te nemen. Daarop floot hij om zoo Diomedes een teeken te geven.

Toch bleef deze en zon welk stoute bedrijf hij nu doen mocht, \'t Zij dat hij roofde den wagen, in welken de blinkende wapens Waren, en trok bij den dissel of hoog op zijn handen hem wegdroeg, \'t Zij dat hij meerderen noch van de Thrakiërs bracht om het leven. Noch overlegde hij zoo in zijn geest, toen Pallas Athena Dicht aan zijn zijde verschenen, vermaande den held Diomedes:

— Denk aan den aftocht thans, o zoon des vermetelen Tudeus, Keer naar de welvende schepen, opdat gij er niet als een vluchtling Keert, als een andere god soms deed ontwaken de Trojers.

Alzoo sprak zij; hij wierp zich, de stem der godinne herkennend, Haastig op een van de paarden; Odusseus dreef dan de rossen Voort met zijn boog en zij vlogen gezwind naar de vloot der

[Achaiërs.

Doch niet blind zat daar te bespieden de schutter Apolloon, Toen hij Athena bemerkte, die Tudeus\' zone gevolgd was; Toornig op deze begaf hij zich onder de scharen der Trojers, Waar hij Hippokoöon wekte, den Thrakischen vorstlijken raadsman. Rhesos\' eedlen verwant. Toen deze, gewekt uit zijn nachtrust. Zag de verlatene plaats, waar stonden de schielijke rossen.

Noch stuiptrekkend de mannen, geveld in een smartelijk bloedbad. Klaagde hij zuchtend en riep hij den naam van zijn dierbaren

[makker.

Luid ook rees der Trojanen geschreeuw, en in groote verbijstring Stormden zij samen en zagen verbaasd de verschriklijke daden Welke die mannen bedreven, gekeerd naar de ruime galeien,

Toen zij bereikten de plaats, waar lag de verspieder van Hektor, Stuitte de schielijke rossen de godengeliefde Odusseus,

Tudeus\' zoon sprong snel op den grond, en den bloedigen krijgsbuit Hief hij Odusseus toe, en besteeg weer \'t ros, en zijn makker Noopte de paarden op nieuw met den boog, en zij vlogen gehoorzaam

Voort naar de welvende schepen : naar dezen verlangden zij hartlijk. Nestor hoorde het eerst het gedreun van de hoeven en zeide:

— Vrienden, van Argos\' volk de besturende vorsten en leiders, Dwaal ik, of heb ik het recht? Toch drijft mijn gemoed het te

[zeggen:

Dreunend treft mijne ooren het trapplen van rennende paarden;

510.

I

515.

62(1.

il I li i.

525.

if

il

520.

ïi

636.

-ocr page 188-

174.

Mocht het Odusseus zijn en de machtige held Diomedes Hierheen drijvend een span eenhoevige rossen der Trojers.

Maar toch is het mij angstig te moe, of er iets hun geschied zij, Argos\' dappersten mannen, te midden der Troïsche benden.

Noch voleindde hij niet, of men zag reeds beiden genaderd. Weldra stegen zij af; elk bood hun het hartelijk welkom, Vroolyk hun drukkend de hand en met vriendelijk woord ze

[begroetend,

Toen sprak Nestor het eerst, de Gerenische wagenbestuurder:

— Zeg mij, Odusseus, verregeprezene, roem der Achaiërs,

Hoe toch naamt gij die paarden ? Begaaft gij u midden in \'t krijgsheer Onder de Trojers ? Of vondt gij een god op uw weg die ze aanbracht ? Wonderlijk schittert hun glans als van Helios\' blinkende stralen. Steeds wel was ik gemengd in der Trojers gewoel, en ik meen wel Nooit bij de schepen gebleven te zijn, schoon grijs in het strijdperk; Maar nooit heb ik gezien noch hoorde van paarden zoo heerlijk. Doch vast heeft u een god ontmoet en u dezen geschonken; Saam toch zijt gij geliefd bij den wolkenbestuurder Kronioon, Ook bij des dondrenden Zeus blauwoogige dochter Athena.

Dezen ten antwoord sprak de in vindingen rijke Odusseus;

— Nestor Neleus\' zoon, gij heerlijke roem der Achaiërs, Waarlijk een god kon licht noch schoonere paarden dan dezen Schenken, indien hij verkoos, want noch veel beteren zijn er. Dezen, naar welke gij vraagt, o grijsaard, kwamen er onlangs, Thrakische zijn het; de held Diomedes versloeg hunnen meester; Daarbij doodde hij twaalf van zijn makkers, de kloeksten van allen; Dertien, want wij versloegen ook dicht bij de vloot een verspieder. Welken er Hektor zond en de andere vorsten der Trojers,

Hier in het kamp van de onzen het heer in het rond te beloeren.

Alzoo sprekende dreef hij de enkelhoevige rossen Juichend over de gracht en hem volgden verheugd de Achaiërs. Toen zij nu waren gekomen bij Tudeus\' sierlijke veldtent. Bonden zij stevig de paarden met kunstig gesnedene riemen Vast aan de krib, waar stonden de rossen van vorst Diomedes, Luchtig van voet en het voeder van heerlijke tarwe genietend. Achter in \'t vaartuig legde Odusseus \'t bloedige krijgstuig Doloons wapenen neer, om ze later Athena te wijden.

Toen in het zeenat beiden zich dompelend wieschen zij\'t lichaam Rein van het druipende zweet om den hals en de schenen en dijen.

-ocr page 189-

175

Doch nadat hun de golven der zee al \'t zweet van de leden Hadden gespoeld en verfrischt en verkwikt weer hadden hun harten, Wieschen zij nochmaals \'t lijf\' in de gadde geëffende badstoof. Toen zij zich hadden gebaad en gezalfd met het vette olijfsap, Zaten zij neer aan het maal, en zij plengden ter eer van Athena, Ruim uit het mengvat scheppend het harteverheugende druifnat.

-ocr page 190-

ELFDE ZANG.

P

J_1/oos rees van de zijde des eedlen Tithonos vau \'t rustbed,

\'t Licht van den dag aanbrengend den eeuwigen goden en menschen. Toen deed Zeus naar de vloot van de snelle galeien Achaia\'s Eris de kwellende gaan, en zij voerde het teeken des oorlogs. s. Boven Odusseus\' donker en breed zich welvende vaartuig

Stond zij, dat lag in het midden, om luide te roepen ter weerszij. Hier naar de zijde der tenten des zonen van Telamoon, Ajas, Ginds naar Achilleus\' kant, die hun weievenredige bodems Stelden aan d\' uiterste einden, vertrouwend hun moed en hun

[vuistkracht.

io. Daar op stond de godin en zij schreeuwde geweldig en vreeslijk Heffend haar stem, en zij wekte bij eiken Achaiër den strijdlust Weer in het harte om steeds volhardend te kampen ten oorlog. Plotseling werd hun de krijg nu zoeter dan zelfs de terugkeer Waar\' op de welvende schepen naar \'t dierbare land hunner vaadren. 15. Atreus\' zoon riep ook en vermaande de Argische manschap \'t Wapen te gorden; hij hulde zich zelf in het glanzige koper. Stevig bevestte hij eerst rondom zijne beenen de scheenplaat Sierlijk gemaakt en gebonden met enkelgespen van zilver; Daarna hechtte hij vast om de borst het bedekkende pantser 20. Waarmee Kinures eens hem beschonk als een gift aan den gastvriend, Want tot in Kupros klonk reeds luide de roem der Achaiërs Toen zij zich hadden bereid met de schepen te zeilen naar Troja. Daarom schonk hij die gift om de gunst te verwerven des konings. Wisselend was het gestreept met een tiental banden lazuurblauw, 25. Voorts twaalf banden van goud en van tin noch twintig er tusschen;

-ocr page 191-

177

Langs het beloop van den hals een lazuren versiersel van draken, Weerszljds drie, aan de bogen des regens geljjk, die Kronioon Spande aan \'s hemels wolk als een beeld voor het redelijk mensehdom. Over zijn schouderen hing hij zjjn zwaard, dat van zilveren nagels 30. Schitterend blonk aan de greep, en het stak in een schede met zilver Kunstig beslagen, bevestigd aan riemen met gouden versiersels. Daarna nam hij het schild, het geweldige, ganscb hem bedekkend. Blinkend en schoon en omboord van een tiental koperen kringen; Hierop lagen van tin noch twintig verhevene knoppen, 35. Blank, en in \'t midden verhief zich een navel van donker lazuurblauw; Alles bekroonde het hoofd van de Gorgo met vreeselijk aanzicht. Grimmig van blik en ter zijden verzeld van cle Vrees en Verschrikking. Voorts hing \'t schild aan een riem die met zilveren platen belegd was, Waar zich een kronklende draak van lazuur op bevond met een drietal 4I)- Samengestrengelde koppen, uit Óen hals alle gewassen.

Verder bedekte hij \'t hoofd met den helm, tweekammig, met knoppen Weerszijds twee; woest wuifde van boven de harige helmbos. Dan twee krachtige speren, gekoperd aan \'t einde en puntig Nam hij, van welke het koper zijn glans deed stralen ten hemel. 45\' Toen klonk luide de donder hem toe van Athena en Hera Eere bewijzend den vorst van het goudrijk oord van Mukene.

Ieder gebood daarna dat zijn wagenbestuurder de strijdkar Dicht bij de gracht en vooruit deed rukken in orde gerangschikt. Maar zij zei ven te voet en gedost in hun volle bewaapning, o0\' Stormden vooruit, en hun kreten vervulden den morgen die aanbrak. Voor hunne wagens geijld, bij de gracht, stond vaardig hun slagreeks; Weldra volgden de wagens hen ook. Maar droeve verschrikking Wekte er Kronos\' zoon die een bloedigen dauw uit den ether Neer deed dalen op aarde, dewijl hij beraamde den toeleg 00- Velen der edelste mannen te storten in Aïdes\' afgrond.

Ginds stond Troja\'s heir op den heuvel der vlakte geordend. Onder den machtigen Hektor, Poludamas edel van afkomst.

Held Aineias, geëerd bij het Troïsche volk als een godheid, Polubos, eedlen Agenor en Akamas, godlijken jongling, (,n- Drietal zonen gestamd van het heldengeslacht van Antenor.

Hektor stond aan de spits, met zijn rondom welvenden beuklaar. Zoo als het booze gesternte te voorschijn komt uit het wolkfloers Schitterend, maar dan weder zich hult in bet donker der nevels, Zoo blonk Hektor uit, nu onder de voorsten en dan weer

12

-ocr page 192-

178

65. Drong hij de achterste scharen ten strijd, en geheel in bet koper Lichtte zijn glans, als de bliksem des aigisvoerenden Vaders.

Even als maaiers op \'t veld elkaar bij het werk te gemoet gaan Onder het snijden der bossen op \'t land van den rijken bezitter. Halmen van tarwe en gerst, die er handvol vallen bij handvol, 70. Dus ook botsten de Trojors cr saam met de zonen Achaia\'s,

Dood aanbrengend, en geen die op heilloos vluchten bedacht was: Weerszijds stonden de kansen gelijk in den strijd; als de wolven Woedden zij. Vreugdvol zag het de jammerverwekkende Eris; Zij toch was van de goden de ecnige, daar op bet slagveld; 75. Geen van de anderen stond hun ter zij, maar rustig gezeteld Troonden zij binnen bun zaal, waar ieders eigene woning Sierlijk gebouwd zich bevond aan de hellingen langs den Olumpos. Allen beschuldigden bitter den donkerbewolkten Kronioon,

Want nu wilde hij geven den roem aan de strijders van Troja. so. Doch dit bekommerde niets den verhevenen Vader, en veraf Zat bij verwijderd van allen ter neer, in zijn roem zich verheugend, \'t Oog naar de Troïsche veste gewend en de vloot der Achaiërs, \'t Blinkende koper en strijders den dood ontvangend en doodend.

Zoo, tot er duurde de morgen en opsteeg \'t heilige daglicht, 85. Wondde van weerszij \'t wapen met kracht en de strijders bezweken. Maar op den tijd dat de bakker in \'t woud zich de spijze gereed maakt. Tegen de helling der bergen, wanneer hem de banden genoegzaam Velden het booge geboomte, de lust hem begeeft bij den arbeid. Zoo hein het harte begint naar verkwikkende spijs te verlangen: 90. Toen sloeg moedig het heer van de Danaërs heen door den vijand, Scharengewijs elkander bemoedigend. Held Agamemnoon Was steeds d\' eerste en doodde den volkerenherder Biënor Zeiven en dan zijnen makker den wagenbestuurder Oïneus; Wel bad deze zich, snel van zijn wagen gesprongen, verdedigd, 95. Maar bij zijn aanval werd hem van \'t puntige koper het voorhoofd Gansch doorboord, en beschutte hem niet de gekoperde helmrand, Doch door bet koper en been sneed\'t wapen en binnen den schedel Werden de hersens bespat; zoo werd bij getemd in zijn aanval. Doch daar liet bij ze liggen, der volkeren vorst Agamemnoon, loo. \'t Blinkende lijf ontbloot, nadat hij hun nam hunne pantsers. Daarna drong hij op Isos en Antifos, Priamos\' telgen,

Gene een bastaardzoon en de andere wettig van afkomst.

Saam éen strijdkar voerend; de bastaard stuurde de teugels,

-ocr page 193-

179

Antifos streed op den wagen. Met jeugdige twijgen van wilgen los. Had hen Achilleus eens in de passen der Ida gekneveld

Toen zij er weidden de schapen; zij kochten zich vrij voor een losgeld. Thans trof Atreus\' zoon wijdheerschende vorst Agamemnoon Isos juist met zijn speer in de borstkas hoven den tepel,

Antifos sloeg hij hij \'t oor met zijn zwaard, dat hij viel van den wagen, no. Snel ontnam bij hun dan van het lijf hunne heerlijke rusting. Beiden herkennende, immers hij bad ze gezien bij de schepen Voormaals, toen van de Ida hen voerde de snelle Achilleus. Zoo als een leeuw die dc jonge en bulplooze welpen der hinde Lichtelijk, wen hij ze vat met zijn machtige tanden, vermorzelt, U5. Waar hij ze vindt in hun leger en rooft hunne bloeiende levens; Waar hunne moeder, ofschoon zij nabij mocht wezen, tot bijstand Machteloos is, want zelve bekruipt baar een angstige siddring; Snel dan spoedt zij zich voort, door bet dichte geboomte en boschland, Zweetend, in rustlooze vaart, voor de woede van \'t machtige roofdier, lao. Zoo kon geen van de Trojers een ander behoeden voor onheil, Leenend zijn hulp, maar vloden zij zelven voor\'t heir der Argeiërs.

\'t Waren Peisandros dan en Hippolochos moedig in \'t strijdperk. Beiden Antimachos\' zonen, den schranderen held die het dringendst. Heerlijke giften genietend, het goud dat hem gaf Alexandres, 125. Aanried Helena niet aan den blonden Atreide te geven.

Beide de zonen van dezen nu doodde de vorst Agamemnoon, Saam op den wagen en beiden de schielijke rossen besturend. Want aan hun hand ontglipten de blinkende teugels, en daardoor Werden de paarden verward: als een leeuw zoo stormde hen tegen 130. Atreus\' zoon; en zij vleiden en smeekten hem,toen van hun wagen:

— Laat ons het leven, Atreide, en neem u een schittrenden losprijs; Immers Antimaehos\' woning bevat veel kostbare schatten. Ruimschoots koper en goud, ook ijzer met moeite bearbeid. Daarvan schenkt onze vader u wis onschatbaren losprijs,

135. Zoo hij verneemt dat wij hier bij de vloot der Achaiërs gered zijn. Alzoo jammerend smeekten zij beiden den vorst Agamemnoon Vriendelijk vleiende, maar niet vriendelijk klonk hun het antwoord:

— Zoo gij Antimachos\' zoons dan zijt, van den schranderen krijgsman. Hij die er eens toe drong in den Troïschen raad Menelaos,

130. Dit is in het oorspronkelijke een van de weinige voorbeelden van een twaalfsylbigen hexameter, met zes spondeën (tenzij Atreï (des) daktulos is).

-ocr page 194-

180

140. Toen hij ev kwam als gezant met den godengelijken Odusseus, Daar te vermoorden en niet te vergnnnen een veilgen terugkeer, Boet dan samen voorwaar uws vaders schandlijke misdaad.

Alzoo sprak hij en stortte Peisandros omlaag van den wagen, Drijvend de speer in zijn borst, en hij tuimelde ruggelings neder. 145. Snel sprong toen van zijn wagen Hippolochos; maar met een

[zwaardslag

Hieuw hij de handen hem af en hij hakte het hoofd van de

[schouders,

Gaf hem een stoot, en hij rolde er onder \'t gewoel als een maalsteen. Dezen verliet hij om ginds in het dichtste gedrang der geleedren Verder te stormen, gevolgd door Achaiërs met stevige scheenplaat. 150. Voetvolk bracht nu dood aan het voetvolk vluchtend uit nooddwang. Wagenberijders aan rijders, en onder hen rezen van \'t slagveld Dwarlende wolken van stof, door de stampende hoeven der paarden; Doodeljjk zwierden de speren; de vorstlijke held Agamemnoon Drong steeds moordende voort, met zijn roep de Argeiërs vermanend. 185. Zoo, als het vratige vuur in het nimmer gehouwene bosch valt, Warlende wind alom het verbreidt in het rond, en het struikhout Stort met zijn wortel en tak, door de woede des vuurs overweldigd; Dus ook voor Atreus\' zoon, Agamemnoon, zonken de hoofden Daar van de vluchtende Trojers, en tal\'liooghalzige rossen 160. Sleurden de ledige wagens, die ratelden over het slagveld.

Nu zij \'t bestuur ontbeerden der edele menners, en dezen Lagen in \'t stof, veel meer aan de gieren tot vreugd dan hun vrouwen. ^ Zeus ontvoerde nu Hektor aan vliegende wapens en stofwolk,

Buiten het mannengemoord en het bloed en de wilde verwarring. f 165. Maar de Atreide vervolgde, zijn Danaërs drijvend met aandrang. Rugwaarts nu naar het graf van den ouden Dardaniër Hos Vloden de Trojers door \'t midden van \'t veld en tot dicht bij

[den vijgboom.

Weer naar de veste verlangend; geweldige kreten verheffend Volgde hen steeds de Atreide, met bloedig bezoedelde handen. 170. Doch als zij waren genaderd den eik en de Skaiïsche vestpoort, Hielden zij daar weer stand en verbeidde de een er den ander. Zoo door het midden des velds ontvloden zij, even als runders Welke een leeuw doet vlieden, ter stonde van\'t nachtelijk melkuur. Allen te zaam, maar \'t wreede verderf neemt éene der kudde; 175. Deze vermorzelt hij eerst met geweldige tanden het nekbeen,

-ocr page 195-

181

Daarna slurpt hij het bloed en verzwelgt dan al de geweiden. Dus ook Atreus\' zoon, wijdheersehende vorst Agamemnoon, Telkens den achterste doodend, en ijlings vloden zij allen,

Dezen voorover gestort van den wagen en anderen ruglings. Onder \'t geweld des Atreiden, zoo woedde daaronder zijn werpspies. Doch als hij dra aan den voet van de stad en hare steile omwalling Hoopte te zijn, toen zette de Vader der nienschen en goden Hoven de toppen zich neer van het bronrijk Idagebergte, Nedergedaald uit de lucht, in zijn handen de stralende bliksem. Daarop zond hij als bode de goudengevleugelde Iris:

— Ga, snelspoedende Iris, verkondig mijn woorden aan Hektor. Zeg, zoo lang hij den herder der volkeren ziet, Agamemnoon, Woedende onder de voorsten en doodende scharen van krijgsvolk, Houde hij zelf zich ter zij, maar drijve de andere manschap Tegen den vijand aan om te strijden op \'t hevige slagveld.

Maar zoo deze gewond door een speer of geraakt door een pijlschot Soms weer snelt naar zijn wagen, dan zeg ik hem toe hem te schenken Kracht om te dooden, tot dat hij de schepen voortreflijk van roeibank Nadert, tot Helios zinkt en het heilige duister omhoog rijst.

Alzoo sprak hij; en Iris met windsnel zwevende voeten Hoorde en ijlde van Ida\'s gebergt naar bet heilige Troja.

Hektor den godlijken zoon des ervarenen Priamos vond zij Staande, gereed met zijn span, op zijn stevig getimmerden wagen. Dicht tot hem naderend zeide hem toen snelvoetige Iris:

— Hektor Priamos\' zoon, in beleid Zeus zeiven gelijkend.

Hier zond Zeus mij, de Vader, opdat ik u brenge zijn woorden: Houd, zoo lang gij den herder der volkeren ziet, Agamemnoon, Woedende onder de voorsten en doodende scharen van krijgsvolk. Buiten den strijd u ter zij, maar drijf er de andere manschap Tegen den vijand aan om te strijden op \'t hevige slagveld.

Maar zoo deze gewond door een speêr gf geraakt door een pijlschot Soms weer snelt naar zijn wagen, dan zegt hij u toe u te schenken Kracht om te dooden, tot dat gij de schepen voortreflijk van roeibank Nadert, tot Helios zinkt en het heilige duister omhoog rijst.

Alzoo sprekende repte zich voort snelvoetige Iris,

Maar met zijn wapengerei sprong Hektor ter aard van zijn strijdkar, Ging alom door het heer, rondzwaaiend zijn puntige speren. Vuurde ze aan om te strijden en wekte den gruwzamen veldslag. Weldra wendden zij weder en stonden het heir der Achaiërs,

-ocr page 196-

182

215 Maar de Argeiërs versterkten ter andere zijde hun scharen.

Weder begon het gevecht, en men stond elkaar, Agamemnoon Immer het eerst en begeerig de voorste van allen te strijden.

Meldt het mij thans, o Muzen, d\' Olumpische zalen bewonend. Wie daar onder de strijders het eerst weerstond Agamemnoon, 220. Wie van de Trojers zeiven, of wie van hun eedle verbondnen. Eerstens Antenors zone Ifidaraas, groot en geweldig;

Thrakië had hem gekweekt, vetkluitig en moeder van \'t wolvee. Kisses verzorgde de jeugd van het kind in zijn eigene woning, Vader van \'s knaapje\'s moeder ïheano bevallig van wangen. 226. Doch nadat hij bereikte den heerlijken manbaren leeftijd.

Hield hij hem daar en hij gaf hem een andere dochter tot huisvrouw. Maar op de faam van de komst der Achaiërs, verliet hij de echtzaal Nanwlijks gehuwd, en met twaalf van zijn schepen vertrok hij

[ten heertocht. Dan in Perkote verlatend zijn weievenredige schepen, 230. Spoedde hij verder te land en bereikte hij Ilios\' wallen.

Deze nu toog hier strijdend op Atreus\' zoon Agamemnoon.

Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd,

Miste de worp des Atreiden, en zijwaarts zwierde de werpspies. Maar op zijn lijfriem trof hem Ifidamas onder het pantser, 235. Drukte met kracht op zijn speer, op zijn wichtige vuist zich be-

[trouwend.

Doch kon niet doorboren den blinkenden gordel, de speerpunt Boog zich als lood reeds krom op het zilverbeslag van den gordel. Vorst Agamemnoon vatte de schacht met zijn hand en hij trok haar Zoo naar zich toe, ontwrong ze, verwoed als een leeuw, aan zijn

[vuisten,

240. Gaf met zijn zwaard hem een houw in den bals en hij slaakte zijn leden. ^ Alzoo viel hij er neder en zonk in den koperen doodslaap.

Deerniswaard, voor zijn burgers gesneefd, van zijn gade verwijderd. Haar, wier jeugd niet loonde den schat dien hij gaf bij het huwelijk; Honderd runderen gaf hij voor eerst, en beloofde vervolgens 245. Duizend geiten en schapen te zaam, uit zijn tallooze heerden. Toen trok Atreus\' zoon Agamemnoon dezen van \'t lichaam \'t Sierlijke wapengerei, dat hij droeg naar den drom der Achaiërs.

Maar toen Koöon \'t zag, de vermaarde en dappere krijgsman, Oudste der zoons van Antenor, verbreidde een vreeslijke droefheid 250, Over zijn oogen haar floers, om den dood van zijn eigenen broeder.

-ocr page 197-

183

Thans niet de hand aan de speer en ter zij, waar held Agamemnoon Niet hem bespeurd had, stond hij en wondde zijn arm, bij den elboog, Zoo dat de blinkende punt tot de andere zijde er doorging. Wel ontzette zich even der volkeren vorst Agamemnoon, 235. Nochtans liet hij ook zóo niet af van den kamp en liet slagveld, Maar viel Koöon aan met de schacht door de winden gestevigd. Deze nu sleepte zijn broeder, gestamd van den eigenen vader, Mcê bij zijn voet, met geweld, en hij riep luid alle de dappren. Zoo, en terwijl hij hem trok uit den slag, stak onder zijn schild door 260. Atrens\' zoon hem de speer in het lijf en hij slaakte zijn leden; Dan toespringende hieuw hij hem over Ifidamas \'t hoofd af. Alzoo daalde ter woning van Aïdes \'t kroost van Antenor, Beiden vervullend hun lot, door de hand des Atreiden, des konings. Deze nu repte zich verder tot andere drommen van krijgsvolk, 205. Treffend met speer en met zwaard en met steenen zoo groot als

[de hand grijpt,

Zoo lang \'t bloed noch warm uit zijn gapende wonde ter neer vloot. Maar zoodra als de wonde gedroogd en het bloeden gestaakt was. Werd door de snijdende pijnen de kracht des Atreiden vermeesterd. Zoo als een barende vrouw als het ware van pijlen doorvlijmd wordt, 270. Onder de smart die haar brengen de helpende Eileithuiai;

Dochters van Hera en draagsters van snijdend pijnlijke weeën; Alzoo werd door de pijnen de kracht des Atreiden vermeesterd. \'Haastig besprong hij zijn kar, en gelastte den menner de paarden Snel naar de schepen te drijven; zijn hart was vol van verbittring. 275. Luidkeels schreeuwde en deed bij zijn stem tot de Danaërs klinken:

— Vrienden, van Argos volk de besturende vorsten en leiders. Zoekt nu zelf te beschermen de zeedoorklievende schepen Tegen \'t geweld van den krijg, daar Zeus\' raadsehaffende inzicht Niet mij vergunde geheel deez\' dag te bestrijden de Trojers.

2?o. Alzoo sprak hij; nu zweepte de menner de glanzige paarden Voort naar de holle galeien, en volgzaam vlogen zij spoorslags Schuim overdekte hun borst en van onder bespatte hen\'t stofgruis, Toen zij ter zij aan den slag ontvoerden den lijdenden koning. Doch nu Hektor bespeurde dat Atreus\' zoon uit den slag week, 385. Schreeuwde hij luid zijn bevel tot de Trojers cn Lukische manschap:

— Trojers en Lukische strijders en Dardaneis strijders van dichtbij, Weest nu mannen, mijn vrienden, gedeukt aan een dapperen

[weerstand.

-ocr page 198-

184

Voort is tluans de geduchtste en Zeus de Kroniede verleent mij Heerlijken roem. Op! drijft uwe enkelhoevige rossen 200. Tegen de dappre Achaiërs, om hoogeren roem u te winnen.

Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust. Zoo als bij wijlen een jager de honden met blinkende tanden Tegen een ever der bosscben of leeuw aanhitsende opdrijft,

Alzoo dreef hij er tegen de Danaërs Ilios\' dappren,

Hektor Priamos\' zoon, als een menschenverdelgende Ares.

Zelf aan de spitse der strijders, vervuld van vermetel vertrouwen, Wierp bij zich tusscben de drommen, gelijk aan den warlenden

[stormwind,

Welke gestort van omboog doet bruiscben den purperen zeevloed. Wien ontroofde het eerst, wien verder zijn leven en krijgstuig Hektor Priamos\' zoon, toen Zeus hem verleende den krijgsroem?

Dappren Asaios het eerst en Autonoös nevens Opites,

Dolops Klutios\' zoon, en Ofeltios, dan Agelaos,

Voorts Aisumnos, en Oros, Hipponoös blakend van strijdlust; Dezen versloeg zijne band, heervoerders der Danaërs; wijders Velen der manschap; zoo als de adem van Zefuros voortjaagt Wolken van \'t blinkende Zuiden, met zware orkanen zegeeslend; Rondom rollen de vol aanzwellende baren en \'t golfschuim Spat in de hoogte, gezweept door den adem der wervlende winden. Zoo deed Hektors hand daar zinken een menigte hoofden. 3ilt;gt;. Thans zou \'t onheil naken en onherstelbare uitslag,

Zouden, gevlucht, de Achaiërs zich hebben gestort op bun schepen. Riep er Odusseus\' stem niet Tudeus\' zoon Diomedes:

— Wat overkomt ons, Tudeide, zooganscbte vergeten den weerstand ? Kom! stijg op, sta naast mij, mijn vriend, wel ware het schandlijk

315. Zoo bij ons nam onze schepen, die helmboswuivende Hektor. Dezen ten antwoord sprak de geweldige held Diomedes:

— Ja, ik blijf en ik duld tot het laatst; maar luttele vreugde Zal het ons geven, dewijl het den wolkenverzaamlenden Zeus lust Liever den Trojers dan óns te verleenen de kracht ter verwinning.

320. Alzoo sprak hij en stootte Thumbraios ter aard van zijn strijdkar, Links hem de borst met zijn speer doorstekende; doch door Odusseus Viel diens konings menner, zijn edele makker Molioon.

Dezen nu lieten zij liggen en gaven bun rust van het krijgswerk. Daarop drongen zij voort en verwarden de drommen, een tweetal 325. Evers, die woedend bespringen de drijvende honden der jagers.

295.

335.

300.

340.

305.

345.

350.

1355.

IMO.

-ocr page 199-

185

Alzoo velden zij weer, ia het slagveld stormend, de Trojers,

Maar in hun vluchten voor Hektor herademden blij de Achaiërs.

Wagen en leven verloren er twee thans, roem van hun volksstam. Beiden de zonen van Merops, den vorst van Perkote, de toekomst 330, Schouwende, beter dan d\' andren; ook gunde hij niet dat zijn zonen Trokken ten moordenden krijg; maar nochtans volgden zij geenszins \'s Vaders woorden; hen dreven de donkre godinnen van \'t sterflot. Tudeus\' zoon Diomedes beroemd in het zwaaien der speren Roofde hun adem en leven en nam hun de schittrende wapens. 335. Doch aan Hippodamos saarn met Hupeirochos nam ze Odusseus. Toen bracht Kronos\' zoon het gevecht in gelijke verhouding. Schouwend van Ida\'s gebergte; gelijk was \'t. slachten aan weerszij. Hier toch sloeg Diomedes Agastrofos neer met. een speerworp, Paioons heldengeslacht, in zijn heup hem verwondend; zijn paarden 340. Waren te ver om te vluchten, zoo was hij verdwaasd door zijn strijdlust, Immers zijn makker bewaakte ter zij zijne rossen, en vooraan Drong hij te voet in den slag, tot hij zoo er het leven bij inschoot. Doch in der scharen gewoel hen bespeurende stormde nu Hektor Tegen hen los met geschreeuw en hem volgden de drommen der Trojers. 345. Zelfs ontstelde van schik Diomedes geducht in den strijdgalm, Toen bij hem zag, en hij riep tot Odusseus dicht aan zijn zijde:

— Zie, daar stormt het verderf op ons los, de geweldige Hektor; Maar kom, houden wij stand en wij zullen hem wachten ten afweer.

Alzoo sprak hij en zond \'t ver schaduwwerpende speerhout, ;i50. Miste hem niet, maar trof, naar zijn hoofd heen richtend zijn wapen, \'t Bovengedeelte des helms; daar stuitte op \'t koper het koper, \'t Heerlijke lichaam raakte het niet; dat verhoedde de strijdhelm Sterk door beslag en vizier; eene gave van Foibos Apolloon. Ver stoof Hektor terug en vermengde zich onder de drommen, 3B5- Zonk daar neer op zijn knieën en steunde met krachtige hand zich Tegen den grond, en het duister des nachts omfloersde zijn oogleên. Doch toen Tudeus\' zoon naijlde de vlucht van zijn werpspies Ver door de voorsten der strijders, ter plaats waar \'t wapen ter aard lag. Ademde Hektor op en gezwind op zijn wagen gesprongen [360. Joeg hij terug naar zijn volk en vermeed hij het donkere doodslot. Stormend, gereed met zijn lans, riep toen de geduchte Tudeide;

— Weer ontvloodt gij den dood, o hond! Doch waarlijk het noodlot Was nabij; maar weer ontrukte u Foibos Apolloon,

Hij dien gij vast aanbidt, als gij gaat waar knarsen de speren.

-ocr page 200-

186

305. Doch vol zal ik u meten de maat, als ik later u weervind, Zoo eens éen van de goden ook m ij wil wezen tot helper.

Maar nu keer ik mij weder tot anderen, wien ik er aantref.

Alzoo sprak hij, en roofde aan Paioons zoon zijne rusting. Maar Alexandras toen, schoonlokkige Heiena\'s ega,

370. Riehtte naar Tudeus\' zone, den herder der volken, zijn boogschot Knielende achter den stijl op den heldenbedekkenden heuvel, \'t Graf van den Dardaner Hos, in oudere tijden het volkshoofd. Tudeus\' zoon was juist bij den eedlen Agastrofos bezig \'t Blinkende pantser van \'t lijf en het schild van zijn schouders

[te trekken,

375. Ook den geweldigen helm. Toen spande de ander den strijdboog, Mikte eu — niet te vergeefs ontsnelde de pijl aan zijn handen — Trof hem den rechter voet in den zool, en de pijl die er doorging Bleef in de aarde gehecht. Blij lachende sprong hij te voorschijn Buiten zijn schuilhoek komend en zeide met juichenden uitroep; 380. — Ha! dat heeft u geraakt; niet vruchteloos vloog mij de pijl heen; Had ik u maar in den buik zoo mogen verwonden en dooden. Dat eerst zou den Trojanen verademing geven van rampspoed, Wien gij ten schrikbeeld zijt als een leeuw voor de blatende geiten. Doch geen vreeze gevoelend hervatte de held Diomedes: 385. — Schurk, en een held met den boog, met uw haarkrul, meisjes-

[begluurder,

Zoo gij het waagdet gewapend mij hier te bestrijden van dichtbij, Baatte uw boog wel quot;niets en het dichte gesnor van uw pijlen. Vruchteloos praalt gij, terwijl gij mijn voetzool even-gekrast hebt; Maar dit deert mij; zoo veel of mij trof eene vrouw of een zuigling. 390. Stomp is \'t schot van een man die een krachtlooze is en verachtlijk. Maar uit mijn hand zal anders, indien \'t slechts even u aanraakt. Treffen het puntige quot;wapen en zielloos maken uw lichaam.

Zeker\' de vrouw diens mans zal droef oprijten haar wangen. Vaderloos blijft hem\'zijn kroost; met zijn bloed rood vervend den bodem 395. Zal hij verrotten, van] meer roofvogels omringd dan van vrouwen. Alzoo) sprak hij; de dappre, beroemd met de lansen, Odusseus, Plaatste zich vóór hem; beschut neerzittende trok Diomedes \'t Puntige schot uit zijn \'voet en de pijn doortrilde zijn lichaam. Haastig betradi hij zijn kar en gelastte den menner de paarden

371. Opstaande stoenen of plaat; niet zuil.

-ocr page 201-

187

4no. Snel naar de schepen te drijven; de smart toch pijnde zijn boezem. Maar thans stond er verlaten de lansenzwaaier Odusseus;

Geen der Argeiërs bleef, daar allen de vlucht op het lijf viel. Wrevelig zeide hij nu tot het moedige hart bij zich zeiven: — Wee, wat moet mij geschieden? Een schandlijke daad als ik

[wegvlood

405. Bang voor die menigte volks; maar erger indien ik gedood word Gansch alleen; want Zeus deed d\' andere Danacrs vluchten.

Doch waarom overlegt mijn gemoed toch zulke gedachten? Immers ik weet dat de laffen zich wel onttrekken aan \'t slagveld, Maar die de edelsten zijn in den strijd, hunne dure verplichting 4io. Eischt dat zij standvast blijven, getroffen of anderen treffend.

Noch was geest en gemoed hem van zulke gedachten bewogen, Toen aantijgende scharen der rondasvoerende Trojers,

Gansch hem omringden en zelf hun verderf in hun midden omsloten. Zoo als in \'t rond van een zwijn zich de honden en jeugdige jagers 415. Haasten met vurigen drang, als het dier uit het dichtst van het struik-

[hout

Komt en de blinkende tanden zich wet in de bochtige kinbak; Rondom dringen zij aan, en hij knarst met de vreeslijke tanden. Nochtans blijven zij staan, hoe schrikkelijk dreige zijn weerstand. Dus ook vielen de Trojers den godengeliefden Odusseus 420. Thans op het lijf. Maar eerst den voortreflijken Deïopites

Wondde hij, snel met zijn speer toespringende, boven den schouder. Verder aan Thoöon samen en Ennomos nam hij het leven; Wijders Chersidamas trof hij, die sprong van zijn wagen, en boorde Onder het welvende schild hem de speerpunt diep in den navel; 425. Zoo viel deze in \'t stof, maar steunde zich noch op zijn handpalm. Doch daar liet hij hen liggen; zijn werpspies wondde nu Charops Ilippasos\' zoon en den broeder des edelgeborenen Sokos.

Dezen ter hulp kwam Sokos, de godehgelijkende krijgsheld,

IJlde hem dicht te gemoet, stond voor hem en zeide de woorden: 30. — o prijswaarde, van list nooit poozend of moeite, Odusseus, Heden beroemt gij u wis dat gij Hippasos\' \'zonen [ter ^neer slaat. Zulke geweldige mannen, en beiden berooft van hun wapens. Of, hier wordt gij geveld door mijn speer en verliest gij het leven Alzoo sprekende trof hij zijn rondom welvenden beuklaar. ^5, Dwars door het blinkende schild vloog d\' onweerstaanbare werpspies. Drong in haar vaart zelfs heen door het kunstig beslagene pantser.

-ocr page 202-

188

Scheurde geheel van de ribben het vel, maar Pallas Athena Liet niet toe dat de speer de geweiden bereikte des lichaams. Toen nu Odusseus zag dat de worp niet doodlijk gewond had, 440. Week hij een weinig terug, en zijn woord klonk weder tot Sokos: — O rampzalige, thans zal \'t bitter verderf u genaken.

Ja, wel hebt gij belet dat ik verder bestrijde de ïrojers.

Maar hier, zeg ik u, zullen de dood en het donkere sterflot Heden uw deel noch zijn, en gij zult, door mijn speer overweldigd, 445. Mij hier laten de eer, rosdwingenden Aides \'t leven.

Alzoo sprak hij, en voort vlood d\' ander, tot vluchten zich keerend. Maar toen trof in den rug hem, terwijl hij zich wendde, de werpspies, Tusschen de schouders, en drong tot de andere zij in de borstkas. Bonzend dreunde zijn val; luid juichte de eedle Odusseus; 450. — Sokos, des rossenbedwingers, des kundigen Hippasos afkomst, Eerder verraste u \'t einde des doods, geen vlucht die u baatte. Ach, rampzalige man, geen vader en eerbare moeder Drukken de oogen u toe in den dood, maar roovende vogels Zullen u vratig verscheuren, u dicht met de vleugels omklapprend. 455. Maar mijn uitvaart, sterf ik, vereeren de godlijk\' Achaiërs.

Alzoo sprak hij en trok het geweldige wapen van Sokos Eerst uit zijn wond, daarna uit den welvend verhevenen beuklaar. — Toen hij het uittrok stroomde het bloed, en het harte begaf hem.

Doch als de dappere Trojers bemerkten het bloed van Odusseus, 460. Riepen zij luid elkaar in \'t gewoel en bestormden hem allen. Maar toen week hij terug en verhief een geschreeuw tot zijn makkers. Driemaal klonk zijn geroep, zoo luid als de menschlijke stem reikt. Driemaal hoorde zijn kreten de strijdbare held Menelaos.

Nu zei deze terstond tot den naadrenden Ajas de woorden: 465. — Ajas godlij ke zone van Telamoon, heerscher der volken, Hierheen klonk mij de stem van den edelen duider Odusseus, Even als ware hij gansch alleen in de macht van de Trojers Daar hem den weg afsnijdend, beklemd in een hevigen aanval. Laten wij gaan in \'t gewoel; wel doen wy het best hem te helpen. 470. \'k Vrees dat hem iets overkomt, alleen in het midden der Trojers,

466. Geeft het meermaals noemen van Odusseus als duider niet een vermoeden dat de dichter der Ilias reeds de sagen en voorstelling kende van den grooten duider der Odussee? In de gansche Ilias komt geene aanleiding voor om Odusseus bij uitzondering eenen duider te noemen.

-ocr page 203-

475.

189

T I

Stout als hij is, en een smartlijk gemis onze Danacrs treffe.

Alzoo ging hij hem voor en hem volgde de godlij ke krijgsheld. Weldra kwamen zij toen bij den godengeliefden Odusseus; Rondom drongen de Trojers, als rossige sjakals in \'t bergland Rondom \'t bloedende hert met het hooge gewei, als hem iemand \'t Pijlschot zond van de pees; wel konden hem vliegend de voeten Doen ontvlieden, als \'t bloed noch warm is, krachtig zijn knieën. Maar nadat hem de kracht ontzonk door het vliegende pijlschot Wordt hij verscheurd in de bergen door \'t heer vraatgierige sjakals Onder het lommerig hout; doch ziet, van een demon gezonden Nadert een roovende leeuw, zij vluchten en deze verslindt hem; Zoo om Odusseus, toen, om den vurige, schrander van inzicht. Drongen de Trojers zich, velen en krachtigen; maar zijne werpspies Zwaaiende weerde de held de verschriklijke stonde des noodlots. Doch thans naderde Ajas en trad met zijn schild als een bolwerk Dicht aan zijn zij; en de Trojers verstoven in allerlei richting. Toen greep held Menelaos zijn handen en voerde hem weder Buiten \'t gewoel, tot de menner de paarden hem daar te gemoet dreef. Ajas thans op de Trojers zich stortende, doodde Doruklos Priamos\' bastaardzoon, dan velde hij Pandokos neder,

Wondde Lusandros vervolgens, en Purasos, eindlijk Pulartes. Zoo als een zwellende stroom bergaf op de vlakte zich neerstort Vol door het wintergetij, als de regen van Zeus er op aandringt; Tal van verdorrende stammen en tal van de pijnen der bergen Wentelt hij af en hij stuwt eene menigte slib in deü zeevloed; Zoo doorwoelde de vlakte de kracht van den schittrenden Ajas, Sloeg er de mannen uit éen en de wagenberijders; en Hektor Speurde dit niet; daar hij woedde aan \'t linkergedeelte van \'t strijdperk Dicht bij Skamandros\' zoom, waar verre de meesten der dappren Neigden het hoofd in het stof en verrees d\' oneindige strijdgalm, Waar met den edelen Nestor de dappre Idomeneus voorging. Hektor deed in het dichte gedrang daar wondren van stoutheid Zoo met de speer als den wagen, verwoestend der jonglingen scharen. Nochtans zouden van daar niet wijken de eedle Achaiërs Zoo Alexandres niet, schoonlokkige Heiena\'s gade,

\'lil

480.

I

1

485.

!

1 V

n

490.

fi

495,

r

■ 500.

1505.

.

Stuitte het moedig bedrijf van den volkerenherder Machaoon, Rechts in den schouder hem trof met de drievoud puntige boogflits.

471. Juist omdat hij stout is; niet: ofschoon hij dapper zij.

-ocr page 204-

190

Zijnentwege gevoelden de strijdlustvolle Achaiërs Vrees dat zjj dezen nu grepen, als weer mocht koeren de strijdkans. aio. Snel tot den godlijken Nestor verhief zich Idomeneus\' toeroep:

— Nestor Neleus\' zoon, gij heerlijke roem der Achaiërs,

Haastig, bestijg uwen wagen en naast u bestijg\' hem Machaoon, Dan naar de schepen gezweept uwe enkelhoevige rossen.

Immers een arts geldt meer dan een aantal andere mannen,

515- Hij die den pijl uitsnijdt en met lenigend middel de wond heelt. Aldus sprak hij; dit deed de Gerenische wagenaar Nestor; Haastig besteeg bij zijn wagen en mede besteeg hem Machaoon, Zoon van Asklepios stammend, den edelen trefflijken wondarts. Daarna dreef hij het span met de zweep en zij vlogen gehoorzaam 520. Voort naar de welvende schepen; naar dezen verlangden zij vurig. Echter, Kebriones zag de verwarring te midden der Trojers, Hektors wagengezel, en hij zeide tot dezen zich richtend:

— Hektor, hier houdt saam ons de strijd met de Danacrs bezig Ver aan het uiterste eind van den slag; maar d\' andere Trojers

525. Raken in wilde verwarring, zij zeiven en ook hunne paarden, Ajas Telamoons zoon woedt daar; wel ken ik hem duidlijk, Wantom zijn schouderen hangt het geweldige schild; met gezwindheid Daarheen ook ons gespan met den wagen gejaagd, naar de kampplaats Waar elkander het felst ontmoeten de rijders en \'t voetvolk, 530. Onderling doodend, en waar zich verheft oneindige strijdgalm. Alzoo sprekende sloeg hij bet span schoonmanige rossen Voort met de klinkende zweep, en zij voerden, de slagen gevoelend, Vliegend den luchtigen wagen door drommen Achaiërs en Trojers, Lijken en schilden vertrappend; den dissel bevuilde van onder 535. \'t Bloed van den bodem gespat, en de randen in \'t rond van den wagen, \'t Zij door de trapplende hoeven der rossen er tegen geslingerd, \'t Zij door de randen der wielen; hij zocht het gewoel van de strijders, Zocht de gcleedren te breken met stormende vaart, en verwarring Bracht hij den Danaërs toe; nauw poosde zijn hand van den speer worp. 540. Alzoo sloeg hij zich verder door andere drommen van krijgsvolk. Treffend met speer en met zwaard, en met steenen zoo groot als de

[hand grijpt,

Ajas Telamoons zoon alleen ontzag hij op \'t slagveld.

Daar Zeus\' wrevel hem trof, als hij streed met een machtiger krijgsman. Zeus, hoogtronende Vader, bewoog nu Ajas tot vluchten. 515. Wezenloos stond hij, verstomd, en het lederen schild op zijn schouders

-ocr page 205-

191

Werpende, weck hij, do oogen gewend op \'t gewoel, als een roofdier. Steeds weer wendend en traag éen voet voor den ander verzettend. Zoo als een vurige leeuw van de runderen binnen het hofperk Wordt door de honden verjaagd en het akkerbebouwende landvolk, Welke hem niet toelaten den vetsten te rooven der runders, Daar zij den nacht doorwaken: begeerig het vleesch te verslinden Valt hij ze aan, maar woedt te vergeefs; want tal van hun speren Vliegen hem daar te gemoet, door de wakkere banden geslingerd, Tal van hun vlammende fakkels; hij deinst in zijn woedenden aanloop. Eerst bij het krieken des daags, mismoedig van hart, zich verwijdrend. Zoo, mismoedig van hart, week Ajas terug van de Trojers, Noode gekeerd, daar hij duchtte het lot der Achaïsche schepen. Even als, knapen te machtig, een ezel verwijlt op het graanveld, Taai volhardend, op wien zij vergeefs veel knuppels in stuk slaan. Maar steeds vreet hij, den akker geheel afloopende; vruchtloos Slaan hem de knapen met knuppels; te zwak zijn slagen van kindren; Nauwelijks wordt hij verjaagd, als hij eerst zich verzaadde van voedsel. Dus ook Telamoons zoon, de geweldige Ajas; hem troffen Velen der dappere Trojers en verregeroemde verbondnen Midden op \'t schild met hun speren en volgden hem steeds op de hielen. Ajas echter gedacht nu eens aan geweldigen weerstand,

Keerde zich om en de drommen der rossenbedwingende Trojers Wierp hij terug, dan wendde hij telkens zich weder ten aftocht; Toch weerhield hij ze allen de snelle galeien te naadren.

Want in het midden der Trojers en Danaërs stond hij zich werend; Somtijds troffen de speren, door wakkere vuisten geslingerd Voorwaarts vliegend zijn schild, maar vaak, alvorens te treffen \'t Blinkende lichaam, vielen zij neer in het midden en staken Vast in den grond, al trillend, begeerig en tuk op hun vleeschbuit.

Toen nu Eurupulos daar, de voortreflijke zoon van Euaimoon Zag hoe Ajas geheel door de menigte speren in \'t nauw kwam, Trad hij hem haastig ter zijde, en slingrend zijn blinkende werpspies Wondde hij Fausias\' zoon Apisaoon, herder der volken.

Onder de borst in de lever en slaakte terstond zijne knieën.

Snel toespringende zocht hij van \'t lijf hem te rooven zijn krijgstuig. Maar zoodra Alexandres, de godlij ke, dezen bespeurd had Bezig de rusting te nemen van \'t lijf, toen richtte hij aanstonds Tegen Eurupulos \'t schot van zijn boog en hij dreef hem de pijlspits Rechts in de dij; in het been hing zwaar de gebrokene rietschaft.

-ocr page 206-

192

583. Binnen den drom zijner vrienden vermeed hij het vreeselijk noodlot, Luidkeels schreeuwde en deed hij zijn stem tot de Danaërs klinken:

— Vrienden, van Argos\' volk de besturende vorsten en leiders. Wendt u en houdt weer stand, en behoedt voor den droevigen doodsdag Ajas, fel door de worpen beklemd; of ik vrees dat hij nimmer

590. Keert uit den gruwzamen strijd; maar stelt toch tegen den vijand Rondom Telamoons zoon u te weer, den geweldigen Ajas.

Alzoo sprak de verwonde Eurupulos; al wie er waren Schaarden zich naast elkander, hun schilden gedrukt aan de schouders. Dreigend de speren geheven; en Ajas hun snel te gemoet gaand, 595. Wendde zich weer zoodra hij de schaar zijner makkers bereikt had. Alzoo bleven zij woeden, gelijk aan een vlammenden vuurgloed. Nestor brachten zijn rossen, geteeld in de stallen van Neleus, Schuimend van zweet uit den slag, met den volkerenherder Machaoon. Dezen nu zag en herkende de snelle van voeten, Achilleus; 600. Want aan de achterplecht van zijn breede galei op het scheepsdek Stond hij het heftige werk en de droeve vervolging beschouwend. Snel dan hief hij zijn stem tot zijn edelen makker Patroklos Schreeuwend van \'t schip; en zijn vriend trad buiten zijn tent op

[zijn toeroep,

Arcs gelijkend in moed; dat was het begin van zijn onheil. 005. Eerst sprak toen de geduchte Menoitios\' zoon tot zijn makker:

— Waarom Achilleus, roept gij ? En waartoe hebt gij mij noodig ? Dezen ten antwoord zcide de snelle van voeten Achilleus:

— Eedle Menoitios\' zoon, o gij aan mijn harte zoo dierbaar, Weldra zullen mij thans naar ik denk de Achaiërs de knieën

oio. Smeekend omvatten; en reeds dreigt onweerstaanbaar de nooddrang. Maar ga, eedle Patroklos, tot Nestor en vraag hem om naricht Wien van de strijders hij ginder gekwetst ontvoert aan het slagveld. Wel was deze van achter in alles gelijk aan Machaoon Zoon van Asklepios, maar niets kon ik bespeuren van \'t aanzicht; 615. Want snel ging \'t mij voorbij in den vliegenden loop van de paarden. Alzoo sprak hij; Patroklos het woord van zijn makker gehoorzaam Spoedde zich voort om te gaan naar de tenten en vloot der Achaiërs.

Toen nu de anderen kwamen ter tent van den zone van Neleus, Stegen zij af van den wagen op \'t voedselverleenende aardrijk; 620. Daarop maakte zijn makker Eurumedoon \'t span van den grijsaard Los van den wagen; zij beiden, om \'t zweet te bekoelen aan \'t lijf-

[klecd,

-ocr page 207-

193

Plaatsten zich tegen den wind aan het strand van de zee, en vervolgens Gingen zij binnen de tent en zij zetten zich neer op de zetels. Wijnraoes maakte hun toen schoonlokkige maagd ilekamede, 625. Welke de grijze verwierf, toen Tenedos viel voor Achilleus, Dochter des dappergezindcn Arsinoös, welke d\' Achaiërs Hadden gekozen voor Nestor, hun aller voortreflijkste raadsman. Deze nn zette er eerst voor hen beiden een sierlijke tafel Keurig geëffend en blauw gelazuurd aan de voeten, en daar op 630, Zette z\' een koperen korf met ajuin, bij het drinken ten toekruid, Geligen honig er nevens en meel van het heilige gerstgraan; Eindlijk een sehittrende vaas, die de grijze van huis met zich meênam; Rondom was zij beslagen met goudene knoppen, en hengsels Zaten er, vier in getale, om elk twee goudene duiven 635. Pikkend hun voeder; van onder een tweetal stutten tot steunsel. Moeielijk zoude een ander die vaas van de tafel verheffen Ware zij vol, maar Nestor, de grijze, verzette ze lichtlijk.

Hierin mengde de vrouw, godinnen gelijkend in schoonheid, Pramnischen wijn, waarover zij raspte met koperen raspvijl 640. Kaas van de melk eener geit, het bestrooiend met heldere gerstbloem; Daarna bood zij den dronk, nadat zij het mengsel bereid had. Toen zij nu hadden gedronken, den brandenden dorst zich verdrijvend. Zaten zij beiden te zaam zich in wisslend gesprek te verheugen. Voor aan de tentdeur stond nu Patroklos de godlijke krijgsheld. 645. Toen hij hem zag rees snel van zijn blinkenden zetel de grijsaard, Bracht aan de hand er hem binnen, met aandrang biedend een zitplaats. Doch met een weigering zeide Patroklos den grijze ten antwoord:

— Neen, geen tijd om te zitten, o godlijke, vruchtloos uw aandrang; Schroomvol moet ik den man ontzien die mij zond om te vragen

660. Welken gewonde gij hier van het slagveld voerdet; intusschen Weet ik het reeds, daar ziende den volkeren herder Maehaoon. Maar thans keer ik terug dat ik spoedig het meld\' aan Achilleus, Want zelf weet gij het wel, o godlijke grijze, hoe heftig Die man is, en zijn toorn zou licht onschuldigen treffen. 655. Doch toen zeide hem weer de Gerenische wagenaar Nestor:

— Hoe toch geeft nu \'t lot van Achaia\'s zonen Achilleus

Zoo veel zorg dat hij vraagt wie werden getroffen? Hij weet niet Wat al smart ontstond in het heir; de voortreflijksten immers

ji ^ —

G22. Donzelfden trek vindt men in de Nibolungon.

13

-ocr page 208-

194

Liggen er neer bij de schepen, getroffen door worpen of speerstoot. coo. Hier de Tudeide getroffen, de machtige held Diomedes,

Ginder Odusseus mede, de speerheid, ook Agamemnoon,

Wijders Eurupulos ligt er gewond aan de dij door een pijlschot. Dien hier voerde ik zelf zoo even gewond van het slagveld, \'t Schot van de boogpees trof hem; ofschoon zoo edel, Achilleus 005. Voelt voor de Danaërs echter geheel geen kommer of deernis. Wacht hij misschien zoo lang tot de snelle galeien aan\'t zeestrand Allen Argeiërs ten spijt in des vijands vlammen verteerd zijn, Wij er de een na d\'ander vergaan? Niet langer vervult mij D\' eigene kracht die te voren mij zat in de buigzame leden. 070. Ware ik jong en mijn kracht noch zoo onwrikbaar als eertijds, Toen eens tusschen Eleiërs en óns uitbarstte de oorlog Wegens den roof van de runders; en toen ik Itumoneus neersloeg, Dezen vermetelen zoon van Hupeirochos, wonend in Elis,

Waar ik vergoeding mij nam; want toen hij beschermde zijn runders, 075. Sneefde hij daar aan de spits, door mijn handen geveld met de

[werpspies;

Zoo dan viel hij en liepen de scharen uiteen van zijn landvolk. Groote en rijklijke buit werd samengedreven van \'t weiland, Vijftig heerden van runders en vijftig kudden van schapen.

Even zoo vele van zwijnen en rondom weidende geiten, 080. Voorts voskleurige paarden verwonnen wij, honderd en vijftig, Merriën alle en vele verzeld van de zuigende veulens.

Toen ontvoerden wij alles naar Pulos, de stichting van Neleus, \'s Nachts in de veste het brengend, en Neleus was het tot blijdschap. Daar mij, noch zoo jong in den krijg, dat alles gelukt was. 085. Toen dan de morgen verrees, riep luide de stem der herauten Allen die hadden te vordren een schuld in het heilige Elis; Toen, door vergaderde mannen, der Puliërs opperbestuurders Werd het verdeeld, om de schuld der Epeiërs aan velen te lossen. Daar wij gering in getal veel hadden geleden in Pulos. 090. Want groot onheil had er gedaan het geweld van Herakles Jaren geleden, hij doodde een tal van de dapperste mannen. Twaalf toch waren wij samen, de edele zonen van Neleus, Ik alleen bleef over, de andren bezweken er allen.

Daarop waren zij trotsch, de in koper gedoste Epeiërs, 696. Tergden ons vaak met hun hoon en bedreven er velerlei moedwil. Maar thans koos uit den buit zich de grijsaard heerden van runders.

-ocr page 209-

Kudden van schapen, te «aam drie honderd, benevens de herders. Want ook hij had veel te verhalen op \'t heilige Elis:

Vier prijswinnende rossen verloor hij er toen, met den wagen, Welke ten prijskamp liepen, een drievoet moesten zij winnen. Dezei nu nam en behield er Angelas der volkeren koning.

Doch den bestuurder, zijn paarden bejammerend, liet hij teruggaan. Alzoo nam zich de grijze, vertoornd om die woorden en daden. Veel uit den buit, maar liet aan zijn volk al \'t andere over. Alles te zaam te verdeelen, dat niemand miste zijn aandeel. Aldus schikten wij alles en wijdden in \'t rond van de stadsvest Offers den goden ten dank. Maar na drie dagen besprong ons \'s Vijands macht, veel strijders en enkelhoevige paarden.

Snel opdagend; er togen met dezen de twee Molionen,

Noch slechts knapen en weinig in \'t heftige strijden geoefend. Thruoon ligt er, een stad op een stijgenden heuvel verrijzend, Ver aan den zoom des Alfeios, de grens van het zandige Pulos; Deze omringde het leger, begeerig ze gansch te verdelgen.

Maar toen over de vlakte hun scharen zich spreidden, verscheen ons Snel van Olumpos Athena als bode en bracht ons te wapen Middernachts, en het volk van de Puliërs aarzelde geenszins. Maar was vurig ten strijd, doch mij ontzeide het Neleus Mede te gaan in den krijg en hij liet mijne paarden verbergen. Want, zoo sprak hij, ik was noch gansch onkundig in \'t krijgswerk. Nochtans muntte ik zoo ook uit bij de wagen berijders Zonder mijn paarden, te voet, zoo stierde Athena den kampstrijd. Daar nu is een rivier Minueïos welke in zee stort Dicht bij de veste Arene, en waar wij, Pulische rijders. Wachtten den heiligen morgen, en scharen zich vormden van voetvolk. Hierna kwamen wij dra en met krachtig bewapenden heertocht Tegen den middag aan bij den heiligen vloed des Alfeios. Dan almogenden Zeus toewijdende heerlijke offers.

Voorts aan Alfeios een stier en vervolgens een stier aan Poseidoon, Doch klaaroogde Athena een koe uit dc weidende kudden, Namen wij scharengewijs door het leger het maal voor den avond. Legden ons neder en sliepen, een ieder bekleed met zijn rusting, Langs het beloop der rivier. Maar \'t moedige heer der Epciërs Stond reeds dicht bij de veste, begeerig ze gansch te verdelgen. Doch alvorens verrees hun geweldig bet werk van den krijgsgod: Want toen Helios lichtend omboog stond boven het aardrijk.

-ocr page 210-

196

Raakten wij slaags, de gebeden tot Zeus en Athena verheffend. Nauwelijks ving er de strijd van de Puliërs aan en Epeiërs, Of \'t eerst trof ik een strijder en nam zijne vluchtige rossen, Moelios stout met de speren; hij was Augeias\' behuwdzoon, 740. Daar van zijn dochters de oudste, de blond\' Agamede, zijn

[vrouw was,

Kundig in allerlei kruiden zoo velen de aarde er voortbrengt. Dezen, ten aanval stormend, versloeg mijn gekoperde werpspies Zoo dat hij zeeg in het stof; en gezwind op zijn wagen mij werpend Stond ik in \'t voorste gewoel. Maar \'t moedige heer der Epeiërs 745. Deinsde verschrikt in het rond , op het zien van den vallenden

[krijgsman,

\'t Hoofd van hun wagenberijders, die onder de strijdenden uitblonk. Maar fel viel ik hen aan, en gelijk aan een donkere stormwolk, Vijftig wagens verwon ik, een tweetal mannen van ieder Beet met de tanden het stof, door de macht van mijn speer overweldigd.

750. Thans ook zou ik de beide Molioons, telgen van Aktor,

Hebben gedood, had niet hun geweldige vader Poseidoon, Schudder dor aarde, ze beiden gered en verborgen in nevels, \'t Was aan ons Puliërs thans dat van Zeus de verwinning beschikt werd.

Want wij vervolgden hen ver op de wijd uitloopende vlakten, 755. Doodend de mannen en rapend een aantal schittrende wapens; Eindlijk bereikten de wagens Bouprasion, \'t vruchtbare graanland. Dicht bij Olenië\'s rots en hetgeen men Alisions heuvel Noemt, waar weder Athena het heer deed wenden ten aftocht. Aldaar liet ik den laatsten verslagene: maar de Achaiërs 760. Dreven het rennende span van Bouprasion weder naar Pulos, Dankende Zeus bij de goden, en Nestor onder de menschen. Alzoo was ik, zoo lang ik in \'t strijdperk deelde. Achilleus Echter geniet alleen zijnen moed voor zich zeiven; en nochtans Zal hij het later beweenen, als al onze volken verdelgd zijn. 705. Ach, ach vriend, toch gaf u Menoitios zulke vermaning,

Dien dag, toen hij van Fthië u zond tot den vorst Agamemnoon. Wij, daar binnen aanwezig, ik zelf en de eedle Odusseus,

750. Aktor was hun wereldlijke vader; zij waren echter zonen van Poseidoon bij Molione.

-ocr page 211-

197

Hoorden het wel in de zaal, al wat hij u zei ter vermaning. Immers wij waren gekomen ter prachtige woning van Peleus 770. Toen wij in \'t vruchtbare land van Achaia verzamelden krijgsvolk. Wij dan vonden den dappren Menoitios binnen de woning, U en Achilleus mede; do rossenbedwingende Peleus Brandde den Donderaar Zeus de met vet omwondene schenkels Binnen des hofs galerij; en hij hield eenen goudenen beker 775. Waar hij den vonklenden wijn mcê goot op de brandende offers. Samen bereiddet gij \'t vleeseh van het rund; toen stonden wij beiden Binnen den ingang stil; onthutst rees haastig Achilleus,

Bracht aan de hand er ons binnen en drong ons een zetel te nemen, Rijkelijk deed hij ons eere, gelijk het betaamt voor de gasten. 780. Doch nadat wij aan spijzen en dranken ons hadden verzadigd. Ving ik mijn toespraak aan en ik noodde u uit om te volgen; Aanstonds waart gij geneigd, en de grijzen vermaanden u dringend. Peleus, d\' achtbare grijze, vermaande zijn zone Achilleus,

Altijd d\'eerste te zijn, uitstekende boven de andren;

785. Maar ü raadde uw vader Menoitios stammend van Aktor; — O mijn zoon, in geslacht is zeker uw meerdre Achilleus, Maar gij zijt het in jaren; in kracht wel wint hij het verweg, Maar sta gij hem ter zij met uw raad en verstandige woorden, Wees hem ten leider, en zeker hij volgt u ten goede gewillig. 790. Zoo klonk \'s grijsaards raad, maar dezen vergat gij; ook nu zelfs Wil het Achilleus zeggen, den vurige, mocht hij u hooren.

Want wie weet of gij niet misschien met de hulp eener godheid \'t Hart hem beweegt? Want goed is deeglijke raad van een makker. Maar mocht soms zijne ziel eene godspraak willen vermijden, 796. Heeft zijne godlijke moeder hem iets doen kennen van Zeus\' raad. Laat hij u zeiven dan zenden, en laat u het heer Murmidonen Volgen, en mocht gij misschien voor de Danaërs worden een

[lichtpunt.

Laat hij u ook in den strijd doen dragen zijn heerlijke wapens. Zoo dat, hem wanend te zien, wellicht de Trojanen het slagveld 800. Ruimen, en weer heraamen de dappere zonen Achaia\'s,

Mat en bedrukt; hoe kort de verademing dure des oorlogs. Lichtelijk kondet gij frisch hunne scharen vermoeid van het

[strijdperk

Weer van de schepen en tenten terug doen wijken ter stadsvest. Alzoo sprak hij en roerde bij dezen het hart in den boezem;

-ocr page 212-

198

845.

805. Ijlings ging hij terug van de schepen naar Aiakos\' kleinzoon. Toen er Patroklos intusschen de schepen des eedlen Odusseus Naderde, waar zich de ruimte bevond voor den raad en de

[rechtspraak,

Waar ook waren verheven de altaartafels der goden,

Kwam hem Eurupulos tegen, de godlijke zoon van Euaimoon, 8io. Bloedig gewond aan de dij door een pijl, en hij sleepte zich hinkend Moeizaam voort uit den slag, van het zweet overdekt dat hem

[taplings

Vloeide van hoofd en van schouders, terwijl uit de pijnlijke dijwond Gudste het donkere bloed; toch hield hij geheel zijn bezinning. Deernisvol aanschouwde Menoitios\' dappere zoon hem,

815. Diep hem beklagend, en zeide hem dan de gevleugelde woorden:

— Ach! rampzalige mannen, der Danaërs vorsten en leiders. Moest gij nu zoo, van uw vrienden verwijderd en \'t land uwer

[vaadren.

Geven uw blinkend vet aan de zwervende honden van Troja. Deel toch, ach; het mij mede, Eurupulos, godlijke strijdheld, 820. Zeg of \'t Achaïsche heer noch tegen den vreeslijken Hektor

Stand zal houden, of nu reeds zinkt door zijn speer overweldigd. Daarop gaf de gewonde Eurupulos weder ten antwoord:

— Niets meer zal de Achaiërs, o godlijk geboren Patroklos, Redden, zij zullen er dra bij de donkere schepen geveld zijn.

825. Want reeds liggen zij allen, die vroeger de dappersten waren. Daar bij hun schepen ter neder, getroffen door worpen of speerstoot Onder de handen der Trojers, die steeds aanwassen in veerkracht. Maar red gij mij en breng mij terug naar het donkere vaartuig. Snijd mij den pijl uit de wonde en wasch ze met lauwe bevochting 830. Rein van het donkere bloed, leg \'t heilzaam lenigend heelkruid Dan op de wonde, gelijk u Achilleus, zegt men, geleerd heeft, Wien \'t eens Cheiroon leerde, de edelste aller Kentauren.

Want van de artsen des heers, Podaleirios nevens Machaoon, Zal nu, denk ik, de eene gedrukt door de wond die hem neersloeg 835. Binnen zijn tent daar liggen en heeft een etvarenen wondarts Zelf wel noodig, den ander beklemmen de Trojers op \'t slagveld. Daarop zei hem de dappre, Menoitios\' zone, ten antwoord:

— Ach, hoe zal dit? Eedle Eurupulos, wat te verrichten?

Want nu ben ik op weg om de konde te doen aan Achilleus

840. Welke mij Nestor gaf, de Gerenische held der Achaiërs;

i

-ocr page 213-

199

Maar toch zal ik u nimmer in smart zoo kunnen verlaten.

Hierop sloeg bij zijn armen hem onder de borst en bij droeg hem Binnen zijn tent; daar spreidde een makker hem huiden van runders; Daar op lei bij hem neder; hij sneed met zijn mes uit de dijwond \'t Scherpe en pijnlijke wapen en bette den donkeren bloedstroom Rein met het zacht lauw water en legde den bijtenden wortel Fijn in de banden gewreven er op, die geheel zijne smarten Stillend bedwong, tot de wonde zich sloot en het bloeden gestelpt was.

-ocr page 214-

TWAALFDE ZANG.

J^^-lzoo toefde de dappre, Menoitios\' zoon, in de veldtent Heelend Eurupulos\' wond; do Argeiërs en Trojers intusschen Voerden in scharen verdeeld het geveeht. Doch geene beschutting Zou voor de Danaërs wezen de gracht en de rijzige walmuur, Pas om de schepen gebouwd, met de gracht; zij verzuimden het

[immers

Heerlijke wijhekatomben den goden te offeren, smeekend Gunstig in hoede te nemen hun snelle galeien en alles Wat er in lag van hun buit; want trots d\'onsterflijke goden Werd hij gebouwd, weshalve hij niet lang zoude bestand zijn. Zoo lang Hektor leefde en duurde de wrok van Achilleus, Priamos\' vorstlijke stad geen prijs noch was der verwoesting. Zou ook blijven bestaan de geweldige muur der Achaiërs.

Maar wanneer van de Trojers de dappersten waren gevallen. Tal van Argeiërs bezweek, ook velen het leven behielden, Wen in het tiende der jaren verwoest was Priamos\' veste. Dan de Argeiërs te scheep naar het dierbare land hunner vaadren Waren gestevend, besloten Poseidoon saam met Apolloon Neder te vellen den muur, daar stuwend de kracht van de stroomen Welke van Ida\'s gebergte in zee uitstorten hun waatren,

Rhesos, Heptaporos\' vloed, en Karesos en Rhodios\' bergvloed. Ook de Grenikos, Aisepos, de heilige stroom des Skamandros, Simoeis ook, waar tal van de stierhuidschilden en helmen Waren gezonken in \'t stof met het ras halfgodlijke menschen: Al hunne mondingen wendde gezamenlijk Foibos Apolloon Negen dagen den muur met hun stroomen bestormend, terwijl Zeus Steeds neerstortte zijn regen, dat sneller hij zonk in den meervloed.

-ocr page 215-

201

Zelf ving d\' Aardrijkschudder het aan, in zijn banden den drietand Houdend, en sloeg door de golven geheel uit den bodem de grondvest, Stammen en blokken te gader, het moeizame werk der Achaiërs; Slechtte het alles gelijk met den stroomenden Hellespontos,

Dekte het machtige strand weer dicht met het zand van den oever. Waar hij verdelgde den muur; dan deed hij op nieuw in hun bedding Vloeien de stroomen, gelijk \'t schoonvlietende water gewoon was.

Alzoo zou daar later Poseidoon saam met Apolloon Toonen hun kracht, thans echter verhief zich om \'t stevige muurwerk Strijd en geschreeuw, en de balken der torens getroffen door werptuig Kraakten; de volken van Argos, gezwicht voor den geesel van

[Zeus\' hand,

Drongen in d\' engte gedrukt zich terug bij hun welvende schepen. Onder de vreeze voor Hektor, dien machtigen boó der verschrikking. Hij toch woedde geducht, als te voren, gelijk een orkaanvlaag. Zoo, wanneer in het midden van honden en mannen ter wildjacht Ever of leeuw rondwaart, zich bewust van zijn vreeslijke krachten. Zij, als een bolwerk vast en te zamen geschaard zich bereidend. Staan hem vereenigd te weer, en een menigte vliegende speren Snelt uit hun vuist op hem af: maar \'t moedige hart van het roofdier Kent geen vreeze of vlucht, al doodt hem ten laatste hun koenheid; Rustloos wendt hij zich rond, de geleedren der mannen beproevend; Waar hij zijn aangreep richt, daar deinzen de rijen der mannen. Zoo ging Hektor rond in \'t gewoel, zijne makkers met aandrang Nopende over de groeve te gaan; zijne vluchtige rossen Weigerden echter den sprong, en zij snoven geweldig en stonden Voor aan de uiterste helling, vervaard voor de breedte der walgracht, Verre te wijd voor een sprong naar den anderen kant en ten doortocht Moeielijk, daar hem geheel in de lengte de hellingen dekten O vergebogen en steil, langs iederen kant, en van boven \'t Spitsige paalwerk rees, dat er sloegen de zonen Achaia\'s, Groot, dicht samengevoegd, om te weren het heer van den vijand. Niet licht zou hem een paard aan den steviggeraderden wagen Kunnen beklimmen, en mannen te voet slechts dachten aan \'t

[waagstuk.

Echter Poludamas zeide, den vurigen Hektor genaderd: — Hektor, en verdere leiders en hoofden van Trojers en bondsvolk. Dwaasheid over die groeve de schielijke rossen te drijven.

Veel te bezwaarlijk die weg; want alom rijst er het paalwerk

-ocr page 216-

202

Puntig gescherpt, daarnevens de machtige muur der Achaiërs. 65. Daar is geenerlei kans voor de rijders om neder te dalen

Noch voor den strijd; zoo eng, dat wij allen er, denk ik, bezwijken. Want als verderflijk gezind de in \'t zwerk hoogdondrende god Zens Dezen de kracht ontneemt, en den Trqjers beschikte zijn bijstand, Waarlijk ik wensch dan zelf dat het aanstonds moge vervuld zijn, 70. Roemloos mogen vergaan de Achaiërs en verre van Argos.

Doch wanneer zij zich keerden en weer van de vloot ons terugslaan, Zoo dat wij wijken en worden gestort in de diepte der walgracht, Waarlijk, er zou dan zelfs naar de stad geen bode teruggaan. Vrees ik, indien zich op nieuw de Achaiërs wendden ten aanval. 75. Maar welaan, en gelijk ik u zeg, weest allen gehoorzaam;

Laten de menners ter zij van de gracht weerhouden hun paarden, Maar wij zeiven te voet en gedost in de volle bewaapning,

Laten wij Hektor volgen in dichte geleedren, en langer Houdt de Achaiër het niet, als het doodelijk einde hem aangrijpt. 80, Dus wat Poludamas zeide, en Hektor die woorden beamend, Sprong in een oogwenk toen met zijn wapens ter aard uit den wagen. Zoo ook bleven de Trqjers er niet met hun wagens in slagreeks, Maar elk stormde er af, op het zien van den godlijken Hektor. Elkeen gaf toen last dat zijn wagenbestuurder de strijdkar 85, Dicht bij de gracht deed rukken te zamen in orde gerangschikt. Allen verdeelden zich toen, en bij groepen te zamen zich voegend Werd er een vijftal scharen gevormd, elk onder zijn hoofdman.

Onder de benden van Hektor en eedlen Poludamas stonden Verre de meesten en kloeksten, en allen verlangden met aandrang 90. Neder te vellen den muur en de holle galeien te naadren.

Dezen verzelde als derde Kebriones, want bij zjjn wagen Liet nu Hektor een ander, geringer dan deze in strijdkracht. Paris gebood bij de tweede, Alkathoos ook en Agenor,

Helenos nevens den eedlen Deïfobos voerde de derde,

95. Zonen van Priamos beiden, en Asios mede de strijdheld,

Asios Hurtakos\' zoon, wiens groote en rossige paarden Hier van Arisbe hem hadden gevoerd, van den vloed des Selleïs. Over de vierde gebood de voortreflijke zoon van Anchises ^ Dappre Aineias, verzeld van het tweetal zoons van Antenor loo. Akamas nevens zijn broeder Archelochos, kenners van \'t strijdperk. Wijders, Sarpedoon voerde het roemvol heer van het bondsvolk, Glaukos ten makker zich kiezend en dapperen Asteropaios,

-ocr page 217-

203

Die toch schenen hem zeker de moedigste mannen bij uitstek Buiten hem zei ven, die steeds toch boven de anderen uitblonk, los. Dezen nu dicht elkander beschuttende onder het huidschild,

Vielen de Danaërs recht op het lijf, die zij verder tot weerstand Machtloos waanden en dra bij hun donkere schepen verslagen.

Allen, de Trojers en mede de verre geroemde verbondnen. Volgden gewillig den raad dien de eedle Poludamas voorsloeg; 110. Hurtakos\' zoon alleen, de gebieder der volken, verkoos niet Daar te verlaten zijn paarden en wagenbesturenden makker. Maar drong daarmee voort naar den kant van de snelle galeien-Dwaze, hij zou niet meer, ontsnapt aan de doodlijke Keren, Trotsch op zijn wagen en span zich verheffende, daar van de schepen lis. Veilig gekeerd weer komen in Ilios\' windrige hoogten;

Daar hij te voren verzonk door de jammerbeduidende Moira Onder Idomeneus\' wapen, des edelen Deukalionen.

Links van de scheepsvloot dreef hij zijn span, waar ook de Achaiërs Weer, uit de vlakte gekeerd, heentrokken met paarden en wagens. 120. Derwaarts dreef hij zijn wagen en span, en hij vond er de poortdeur Niet met de sluitende balken en stevige grendels bevestigd. Eenigen hielden haar open, op wacht of zij soms eenen makker, Vluchtend gekeerd uit den slag, bij de schepen vermochten te redden. Daarheen dreef hij zijn wagen, vermetel van geest, en hem volgde 125. Luidkeels schreeuwend zijn volk, daar zij thans de Achaiërs tot

[weerstand

Machtloos waanden en dra bij hun donkere schepen verslagen. Dwazen, dewijl in de poort zij een tweetal dapperen vonden. Twee van het stoute geslacht van de Lapithen, zwaaiers der lansen. Dezen, Peirithoös\' zoon, den geweldigen held Polupoites, 130. Genen, Leonteus, fel als de mcnschenverdelgende Ares.

Dezen nu stonden gereed bij de rijzige poort van den ingang, Zooals met reuzige kruinen een tweetal eiken der bergen.

Welke den stormwind tarten, de vlagen des regens verdurend, Stevig bevest door hun groote en wijduitstrekkende wortels, 135. Alzoo wachtten zij beiden, hun kracht en hun armen vertrouwend, llustig en zonder te wijken des machtigen Asios\' aantocht. Rechtstreeks trok met zijn benden hij los op den stevigen walmuur, Onder een hevig geschreeuw, en zij hieven hun lederen schilden, Asios dicht omringend, hun vorst, en Oinomaos, Thoöon, uo. Adamas Arios\' zoon en lamenos nevens Orestes.

-ocr page 218-

204

Dreef Polupoites te zaam met Leonteus eerst de Aehaiërs Achter de muren ten strijde, om daar te beschermen de scheepsvloot, Thans, nadat zij den muur daar zagen bestormd door de Trojers, Toen zij het luide geschreeuw van de Danaërs hoorden die vloden, 145. Sprongen de twee vooruit en begonnen den strijd aan den ingang. Beiden aan grimmige evers gelijk in de bergen, die rustig Wachten het naadrend geschreeuw van de jagende mannen en honden; Dan van ter zij uitspringend, de struiken in \'t ronde verbrekend, \'t Hout bij den wortel verscheurend, terwijl zij met klepprende tanden 150. Woeden, tot eindelijk éen van de jagers ze treft en ter neer velt; Alzoo kletterde daar op hun borsten het glimmende koper Onder des vijands worpen; zij streden met vreeslijke koenheid, \'t Volk op den muur zoo wel als hun eigene krachten vertrouwend. Want dit slingerde daar van den stevig betimmerden toren 155. Wichtige steenen ter neder tot redding van \'t lijf en der tenten, Redding der snelle galeien; gelijk aan een vallende sneeuwvlaag. Welke de stormende wind, die de grauwige nevelen voortjaagt. Over de voedende aarde in weemlcnde vlokken omlaag schudt. Alzoo stoof er en vloog van de hand der Aehaiërs het werptuig, mo. Ook uit de vuisten der Trojers, en dof weerklonken de helmen Waar hen een maalsteen trof, weerklonken de welvende beuklaars. Luid weeklaagde en sloeg zich de dij met gebaren der wanhoop Asios Hurtakos\' zoon, en vertwijfelend riep hij de woorden: — O Zeus vader, gij wordt thans ook een beschermer der leugens, 165. Want nooit had ik vermoed, dat de helden van \'t\'volk der Aehaiërs Noch ons geweld weerstonden en onoverwinlijke handen.

Maar zij, even ais wespen beweeglijk van lenden, en bijen Welke hun woningen bouwen ter zij van de rotsige wegen.

Niet hunne nesten verlaten gebouwd in de holten, en d\' aanval 170. Steeds weerstaan van de jagers, hun kroost in het ronde beschermend. Dus ook willen zij daar, hoewel niet meer dan een tweetal,

Niet ontruimen de poort, dan doodend of zeiven verslagen.

Alzoo luidde zijn woord, Zeus echter verhoorde zijn klacht niet. Want in zijn harte besloot hij den roem te verleenen aan Hektor. 175. Anderen weerden ten strijde zich ginder by andere torens. Maar wel viel het mij zwaar, als een god dit alles te melden. Want alom bij de muren verhief zich van steenen een stortvlaag Fel als het vuur uit den hemel; bedrukt maar onder den nooddwang Streed daar Argos\' volk voor zijn vloot, en aan alle de goden

-ocr page 219-

205

180. Was het ten spijt, zoo velen zij \'t strijden der Danaërs steunden. Maar steeds weerden zich dapper de Lapithen, woedend in \'t

[strijdperk.

Hier doorboorde de zoon van Peirithoös, held Polnpoites,

Adainas\' lederen helm met gekoperde randen en wangstuk,

Maar het beslag van het koper beschutte hem niet, en de speerpunt 186. Drong gansch door in het been, en de hersenen binnen den schedel Werden bezoedeld met bloed; en hij stuitte zijn heftigen aanval; Daarna nam hij het leven aan Ormenos samen met Puloon.

Doch de van Ares bezielde Leonteus stootte zijn speerpunt Toen op Hippomachos, zoon van Antimachos, dwars door den gordel; 190. Toen uit de schede gezwind ontblootend het snijdende slagzwaard, Stortte hij tusschen \'t gewoel op Antifates los, dien hij neerhieuw, Dicht nabij met zijn zwaard, dat hij ruggelings bonsde ter aarde; Menoon velde hij verder, lamenos voorts en Orestes,

D\' een op den andere wierp hij ze allen op \'t voedende aardrijk. 195. Tijdens hij dezen beroofde van al hunne schittrende wapens. Toog eene jeugdige schaar met Poludamas mede en Hektor, Verre de meesten en kloeksten en allen verlangden zij vurig \'t Muurwerk neder te vellen, de schepen den vlammen te offren. Maar noch stonden zij stil bij de gracht in beraad en besluitloos, 200. Want hun verscheen, nu zij dachten haar over te trekken, een vogel. Streek daar langs hen ter linker een luchtdoorklievende aadlaar Houdend een draak, reusachtig en rood, in den greep zijner klauwen, Maar noch levend en spartlend; met kracht noch bleef hij zich weren, Want naar het dier dat hem klemde zich kronkelend, stak hij

[zijn vijand

205. Fel in de borst bij den hals; van de hevige\'pijnen bevangen Wierp hij hem snél van zich af, en hij viel in het midden der scharen. Doch in het ruischen der lucht vloog schreeuwend de adelaar opwaarts. Sidderend zagen de Trojers den kronklenden slang in hun midden Vallen, een goddelijk teeken des aigisvoerenden Vaders. 2io. Echter Poludamas zeide, den vurigen Hektor genaderd:

— Hektor, altijd hebt gij mij iets in den raad te verwijten, Zelfs al raad ik het beste; hij mag toch nimmer en geenszins, Wie er behoort tot het volk, eene meening verkonden die afwijkt, \'t Zij in den raad of den krijg, wel immer verhoogen uw aanzien. 215. Nochtans zeg ik het hier als ik meene het beste te wezen.

Laten wij niet bij de schepen den strijd met de Danaërs voeren

-ocr page 220-

206

Want zoo wordt het vervuld, als ons waarheid spelde die vogel Toen hij den Trojers verscheen, die verlangden de gracht te

[bestormen,

Deez\' hoogvliegende arend die links van de onzen omhoog steeg, 220. Houdend een draak, reusachtig en rood, in den greep zijner klauwen. Levend, en smakte hem weg, alvorens hij kwam in zijn rotsnest. Waar hij hem niet kon voeren en geven tot aas aan zijn jongen. Dus ook wij, al mogen wij poorten en muur der Achaiërs Breken met al ons geweld, al deinsde het heer der Achaiërs, 225, Zullen dien weg niet weer van de schepen in orde teruggaan; Maar vast laten wij tal van Trojanen er achter, door \'t koper Snevend van Argos\' volk dat zijn leven en schepen verdedigt. Zoo zou wis het verklaren een ziener die godlijke teekens Juist in zijn geest doorschouwde, en \'t volk zou dezen vertrouwen. 230. Norsch tot hem opziend zeide de helmboswuivende Hektor: — Geenszins is mij gevallig, Poludamas, \'t geen gij gezegd hebt. Anderen raad dan een zulken en beteren weet gij te geven. Maar als gij \'t werkelijk zoo, waarachtig en ernstig gemeend hebt. Wis, dan hebben de goden u zeiven beroofd van de zinnen, 235. U die mij meent te bevelen, den raad niet meer te gedenken Welken de Donderaar Zeus mij zelf toezeide en toewonk;

Maar gij wilt ons gelasten de machtigbevleugelde vogels Meer te vertrouwen, op welke ik geenszins let, cn ik acht niet. Zij het dat rechts hunne vlucht naar de zon en den morgen zich

[heenwendt,

240. Dan wel links zich verheft aan de zijde des donkeren avonds. Wij toch steunen gerust op den raad des verheven Kronioons, Zeus die ons allen regeert, onsterflijken beiden en stervling. Één is \'t beste der teekens, te redden het land zijner vaadren. Waarom zijt gij bevreesd voor den krijg en het woelen van \'t slagveld ? 245. Want al ware het ook dat wij anderen allen bezweken

Rondom Argos\' schepen, voor i\'i geen nood dat gij sneuvelt. Gij toch hebt geen hart dat den vijand staat en den strijd mint. Maar wanneer gij den strijd ontvlucht, of uw listige woorden Mochten verleiden een ander zich ook uit den strijd te begeven, 250. Aanstonds waart gij geveld door mijn speer en begaf u de adem. Alzoo sprekende ging hij hen voor en zij volgden hem allen. Luide verheffend hun kreten; en Zeus die in donder zijn lust heeft Zond van het Idagebergte een stormwind neer die geweldig

-ocr page 221-

207

Over de schepen het stof heenjoeg-, en den geest der Achaiërs 255. Deed hij verwarren en schonk aau de Trojers den roem en aan Hektor, Thans op het goddelijk teeken en eigene krachten vertrouwend Poogden zij weer te verbreken den machtigen muur der Achaiërs; Keten de tinnen der torens ter neer, ontwrichten de borstweer, Brachten den hefboom aan bij de voorwaarts springende schoren, 260. Daar eens vast in de aarde gebouwd tot beschutting der torens. Dezen nu bogen zij wrikkend terug, in de hoop dat bet muurwerk Stortte ter aard; toch weken de Danaërs niet van hun standplaats, Maar met de lederen schilden den rand van de muren beschuttend Sleurden zij werptuig neer op den vijand onder de wallen. 2(15, Wakker vermaanden intusschen de Ajaxen boven den toren Rondgaand ouder de scharen en wekten den moed der Achaiërs, Dezen met vriendlijke woorden, en genen met harde berisping Straffende, wien zij geheel in den strijd nalatig bespeurden: — O mijne vrienden, gij allen, hetzij uitstekend of\' mindren, 270. Ook de geringsten, dewijl niet iedere man in den oorlog Is van hetzelfde gewicht, en voor elkeen is er nu arbeid.

Zeiven begrijpt gij het wel, laat niemand wijken of rugwaarts Gaan naar de schepen, de stem van den dreigenden praler vernemend. Maar streeft steeds vooruit en dat ieder de anderen opwek, 275. Of noch wellicht Zeus de Olumpische zwaaier des bliksems

Gunt dat wij keeren den strijd en den vijand jagen ter stadsvest.

Alzoo riepen zij beiden en wekten den moed der Achaiërs. Zoo, wanneer er in menigt de weemlende vlokken der sneeuwvlaag Vallen bij winterschen dag, als zich Zeus de voorzienige aangordt 280. Neder te zenden zijn sneeuw en zijn wapenen toont aan het

[menschdom;

Rust aan de winden gebiedt hij en stort voortdurend zijn buien Tot hij de kruinen der bergen bedekt en de puntige toppen, Lotosdragende velden en \'t vruchtbare werk van den landman. Ook oversneeuwend het strand van de valuwe zee en den meerzoom, 283. Waar aanrollend de golf ze versmelt, schoon alles in \'t ronde Blijft omhuld van de sneeuw, wen Zeus er de buien op uitstort; Alzoo werden er dicht en van weerszij steenen geslingerd Welke de Trojers hier, de Achaiërs ginds op de Trojers Wierpen, en rees alomme het doffe gebons om de wallen. 290. Noch niet waar\' het den Trojers gelukt en denschittrcnden Hektor Open te breken de poort van den muur en den stevigen sluitbalk,

-ocr page 222-

208

Had de voorzienige Zeus zijnen zoon, den verheven Sarpedoon, Niet op d\'Argeiërs gestuurd, als een leeuw die zich werpt op de runders. Aanstonds dekte hij \'t lijf met den rondom welvenden beuklaar, 29B. Sierlijk gekoperd en zorglijk gesmeed, dien de koperbewerker Smeedde en stevig van binnen besloeg met de huiden van runders. Vast aan de randen gehecht door een cirkel van goudene nagels. Daarmee dekkend de borst, in de vuist twee speren bewegend. Spoedde hij voort, als een leeuw in de bergen gekweekt, die

[zijn vleeschbuit

300. Lang moest derven, terwijl het verlangende harte hem aandrijft Buit zich te zoeken van schapen tot zelfs in den sluitenden veestal. Maar wanneer hij bij dezen bespeurt dat de wakende herders Allen met honden en speren de kudden der schapen behoeden, Poogt hij een aanval toch, alvorens hij wijkt van de schaapskooi, 305. Dan toespringende grijpt hij zijn buit of, gezwicht in zijn aangreep. Valt hij er zelf door een speer van de vaardige handen geslingerd. Alzoo drong het verlangen het hart van den eedlen Sarpedoon Tegen den munr losstormend te breken de sluitende balken. IJlings Glaukos den zoon van Hippolochos naderend sprak hij: 3io. — Glaukos, waarom zijn wij geëerd ver boven de andren

Zoo doör de eerplaats, giften van vleesch, als met stroomende bekers. Ziet men in Lukië hoog tot ons op en als waren wij goden; Groot is mede ons land dat wij bouwen ter zij van den Xanthos, Schoon van beplanting en rijk door het graan voortbrengende zaailand. sib. Daarom past het ons thans vooraan met de Lukische manschap Moedig te staan en de eersten te zijn in het heetst van den veldslag, Zoo dat men zegge in \'t heer der gepantserde Lukische volken: Niet onroemvol waarlijk beheerschen zij Lukië\'s landen,

Onze regeerende vorsten, genieten zij \'t vette der schapen, 320. Keurigen wijn die het harte verkwikt, maar ook hunne strijdkracht Is het geduchtst en zij staan aan de spitse der Lukische krijgers. Zeker, mijn waarde, indien wij, door hier uit de strijden te vluchten. Konden verwerven voor immer te mijden den dood en de grijsheid. Dan, ja, zoude ik zelf niet onder de voorsten ten strijd gaan, 325. Noch u zeiven vermanen ten mannenvereerenden veldslag.

Maar wijl toch alom ons de doodsgodinnen bedreigen.

Duizenden, welke een mensch nooit kan ontwijken of vlieden. Laten wij gaan, of een ander tot roem of tot roem van ons zeiven. Alzoo sprak hij, en dra was Glaukos bereid hem te volgen.

-ocr page 223-

209

CL.

\'y ■

330. Rechtstreeks drongeu zij voort met een aautal Lukisclie strijders. Toen hij ze zag ontstelde zich Peteos\' zone Menestheus,

Want zijnen toren bedreigde hun onheilbrengende aanval.

Daarom spiedde hij daar op den muur in het rond of hij iemand Zag der Achaïsche vorsten, tot hulp in den nood van zijn makkers. 335. Beide de Ajaxen zag hij, de nimmer verzaadbare strijders.

Samen met Teukros staande, die daar juist buiten zijn tent trad. Dicht bij, maar toch niet door zijn roepende stem te bereiken; Zoo luid was het geraas, eti de kreten verrezen ten hemel. Ouder de worpen die troffen de schilden en wuivende helmen, 340. Beukten de poort; gansch werd zij bestormd, en de strijders van buiten Poogden haar nu te verbrij zien en zoo zich te banen een doortocht. Daarom zond hij met spoed den heraut Thoötes tot Ajas:

— llaast u, o eedle Thoötes, tot Ajas en roep hem ten spoedigst. Beide de Ajaxen liefst, want dit zou \'t beste van alles

346. Wezen, dewijl weldra hier dreigt het verschrikkelijk onheil.

Zoo zeer woedt het geweld van de Lukische hoofden, die altijd Plachten geweldig te zijn in den storm op het woelige slagveld. Maar zijn daar ook beiden door moeite en strijden belemmerd, Laat dan Telamoons zoon alleen, de geweldige Ajas,

350. Komen, van Teukros verzeld, den ervaren bestuurder der pijlen. Alzoo sprak hij, en snel volbracht de heraut zijn bevelen; Langs het beloop van den muur der in kopergedoste Aehaiërs IJlde hy voort tot hij kwam bij de Ajaxen, haastig hun zeggend:

— Ajaxen, beiden, bevelend de kopergedoste Argeiërs,

3B5. Dringend laat u de zoon van den godlijken Peteos roepen.

Ginder te komen om even zijn werk door uw hulp te verlichten. Beiden het liefst, want dit zou verre het beste van alles Wezen, dewijl weldra daar dreigt het verschrikkelijk onheil. Zoo zeer woedt het geweld van de Lukische hoofden, die altijd m. Plachten geweldig te zijn in den storm op het woelige slagveld. Maar als te fel ook ginder de oorlog woedt en de kampstrijd, Laat dan Telamoons zoon alleen, de geweldige Ajas Komen, van Teukros verzeld, den ervaren bestuurder der pijlen. Alzoo sprak hij, bereid was dra Telamonios Ajas.

365. Snel tot Oïleus\' zone zich wendende sprak hij de woorden:

— Ajas, vertoef gij hier met uw sterken gezel Lukomedes, Houdt hier stand en bezielt by de Danaërs allen ten kampstrijd. Ik zelf ga daar ginds om den aanval tegen te houden.

-ocr page 224-

210

Weldra keer ik terug, als mijn hulp daar baatte tot redding. 370. Alzoo sprekende ging Telamonios Ajas, en Teukros

Gling met hem samen, zijn broeder, gestamd van den eigenen vader ; Mede Fandioon, dragend voor Teukros den krommenden strijdboog. Toen zij nu binnen den muur, bij den toren des dappren Menestheus Kwamen, bevonden zij daar dat zij waren gekomen tot makkers 375. Vreeslijk beklemd in den strijd; want daar, als een donkere stormwolk Klommen de dappere vorsten der Lukiërs tegen de borstweer; Weldra botsten zij saam, en de kreten verrezen ten hemel.

Ajas Telamoons telg was d\' eerste die velde een krijgsman. Een vau Sarpedoons makkers, den moedigbezielden Epikles, 380. Welken hij trof door den worp van een scherpen geweldigen

[steenklomp

Boven den uitersten rand van de borstweer liggende; nauwlijks Droeg hem met beide zijn handen een man, uit de menschen

[van heden,

Zelfs al ware hij jong, maar Ajas, omhoog hem verheffend. Wierp hem en plette zijn helm met de vier omwuivende kammen, 385 Rondom brijzlend den schedel; hij sloeg, als een duikelaar zwaaiend, Neer van de tinnen des torens, en \'t leven begaf zijne leden. Teukros verwondde den zoon van Hippolochos, machtigen Glaukos, Juist toen deze de tinnen beklom, door een schot van de boogpees, Waar hij hem zag ontblooten den arm, en hij stuitte zijn aanval. 390. Heimelijk sprong hij gezwind van den muur, dat er niet een Achaiër Mocht ontdekken zijn wonde en luid uitschreeuwde zijn juichkreet. Maar in Sarpedoons hart was leed om het wijken van Glaukos, Toen hij het aanstonds zag; toch poosde hij niet van den kampstrijd; Maar met zijn speer toen treffend Alkmaoon zone van Thestor, 395. Trok hij de schacht uit het lijf, dat de man voorover getuimeld Volgde den ruk, en hij viel van zijn blinkende wapens omkletterd. Toen, met zijn machtige hand aan de borstweer, rukte Sarpedoon, Zoo dat zij waggelend week en bezweek, en van boven het muurwerk Gansch ontbloot er aan tal van de strijdenden baande een doortocht. 400. Aanstonds werd hij besprongen door Ajas en Teukros, en deze Schoot hem een pijl in den drager die schitterend hing om zijn

[schouders.

Waar het bedekkende schild aan hing; Zeus redde hem echter. Hem zijnen zoon, van het lot bij de krommende stevens te zinken. Ajas viel hem nu aan en hij raakte het schild met zijn werpspies

-ocr page 225-

211

Maar doorboorde het niet, wel stuitte hij echter zijn aanval. Want van de borstweer trok hij terug, slechts even, en geenszins Week hij geheel, in zijn hart noch hopende roem te verwerven. Luidkeels riep hij, gewend tot zijn edele Lukische scharen:

— Lukiërs, hoe onthoudt gij u thans van den moedigen weerstand ? Moeielijk valt het mij toch, al ben ik een krachtige strijder, Gausch alleen door den muur ons een weg naar de schepen te breken. Op dus, snel mij gevolgd, want meerdren verlichten den arbeid.

Al7,00 sprak hij, en allen verschrikt op den roep van hun koning Stormden te heviger nu, den besturenden heerscher omringend. Ook de Argeiërs versterkten ter andere zijde hun scharen Binnen den muur, en geducht werd thans voor hen allen het

[krijgswerk.

Noch aan de edele mannen der Lukiërs kon het gelukken Daar in der Danaërs muur zich een weg naar de schepen te breken. Noch aan de dappere scharen der Danaërs kon het gelukken Weer van den muur te verdrijven de Lukiërs, eens er genaderd. Even als wen elkaar twee mannen bestrijden in \'t bergland Over \'t gemeene bezit van een veld, in hun handen de maatstok, Twistend te zaam op een klein stuk gronds om gelijke verdeeling, Alzoo troffen zij daar, door de borstweer enkel gescheiden,

Over den muur elkander de welvende schilden van stierhuid. Hangende over de borst, en de zwaaiend gehevene rondas. Ook werd menigen strijder het lijf door het koper getroffen, Eenigen zoo zij van achter den rug ontblootten bij \'t wenden Onder \'t gewoel, ook boorde er menige speer door den beuklaar. Alom spatte het bloed van de mannen om muren en borstweer, Weerszijds onder de slagen gestort door Achaiërs en Trqjers. Nochtans konden zij niet doen wijken het volk der Achaiërs, Maar steeds bleef het gelijk, als de waag die de eerlijke werkster Houdt, als zij wol en gewicht in geëvende mate ter weerszij Past, om er \'t schamele loon voor haar kinderen mee te verwerven. Zoo stond weerszijds ook het gevecht in gelijke verhouding Voor dat er Zeus toen gunde een hoogere eere aan Hektor Priamos\' zoon, die het eerst op den muur van de Danaërs doordrong. Luidkeels roepende klonk zijne stem tot de scharen der Trqjers:

— Op, rostemmende Trojers, ten storm, door den muur der Argeiërs Breekt u een weg, ontsteekt in de schepen den vlammenden vuurgloed.

Alzoo dreef hen zijn roep, die er elk weerklonk in de ooren.

-ocr page 226-

212

Allen bestormden te zamen den muur, en zij klommen vervolgens Tegen de tinnen omhoog, in de hand hunne puntige lansen. 445. Hektor raapte een steen, daar vóór bij den toren gelegen,

Breed aan de achterste zijde en scherp toeloopend van boven. Welken een tweetal mannen, de krachtigsten zelfs van den volksstam, Onder het levend geslacht, niet licht van den grond op een wagen Zou opwerken; hij zwaaide hem toch alleen en gemaklijk; 450. Want licht maakte hem dezen de zoon van den listigen Kronos.. Zoo als een schaper die licht de geschorene wol van een ramsvacht Draagt met een enkele hand, wat een luttelen last aan hem oplegt, Even gemaklijk den steen opheffende, voerde hem Hektor Tegen de balken, die sloten de stevig getimmerde deuren 455. Rijzig en dubbel, van binnen met twee sluitgrendels bevestigd Kruislings over den ander, gevat door een enkelen sluitbout. Dicht bij stond hij en zette zich schrap, in het midden hem werpend, Wijd met de beenen van een, dat de worp niet krachteloos zijn mocht. Beide de harren verbrak hij; de steenklomp viel door zijn zwaarte 400. Binnen de deur, luid dreunde de poort in het ronde, de grendels Hielden het niet, en de balken bezweken in stukken gevlogen Onder het wicht van den steen; toen stormde deschittrende Hektor Binnen, vervaarlijk van blik, als de vallende nacht, en verschriklijk Blonk hem het koper om \'t lijf, twee speren bewogen zyn handen. 465. Zoo zou niemand zeker, ten ware een god, hem bedwingen, . Toen hij zich wierp in de poort; vuur straalde hem woest uitdeoogen. Luide beval hij den Trojers, in \'t woelen der scharen zich wendend. Over den muur zich te werpen; zij gaven gehoor aan zijn aandrang. Sommigen klommen terstond op den muur, de getimmerde poortdeur 470. Stormden de anderen binnen; de Danaërs vloden ten aftocht

Voort naar de welvende schepen, en eindloos schalde het slagveld.

-ocr page 227-

DERTIENDE ZANG.

7

£.—é cns nu, toen bij de schepen hij voerde de Trojers en Hektor, Liet hen bij deze nu over aan al hunne moeite en kommer, Rusteloos zwoegend; hij zelf, afwendend zijn stralende oogen. Hield ze nu verre gevest op de rossenbedwingende Thrakers, 5. Strijdbare Musers, en \'t braaf Hippomolgengeslacht, dat van

[melk leeft.

Ook naar de Abiërsvolken, de meest rechtvaarden der menschen. Maar geen blik meer wierpen zijn glanzende oogen op Troja, Want hij verwachtle dat geen van de eeuwigen tegen zijn uitspraak Meer zou pogen den Trojers of Danaërs hulp te verleenen. iquot;- Maar niet blind zat spiedend de heerschende schudder des

[aardrijks,

Want met verbazing den strijd en den slag aanschouwende, zat hij Hoog op den uitersten top van het boschrijk Thrakische Samos. Daar toch lag voor zijn oogen geheel het gebergte der Ida, Lag ook Priamos\' stad, en de vloot der Achaïsche volken, is. Daar nu zat hij, gestegen uit zee, de Achaiërs met deernis

Ziende gezwicht voor de Trojers; op.Zeus in zijn harte verbitterd.

Plotsling daalde hij neer van de ruwe en rotsige bergkruin. Spoedend met haastige schreden; de bosschen en hooge gebergten Daverden onder den tred van de godlijkc voeten Poseidoons. \'M. Driemaal schreed hij vooruit en bereikte ten vierde zijn einddoel, Aigai; schoon lag daar zijn verblijf in de diepten der zeebocht Heerlijk gebouwd en van goud al glinsterend, nimmer verganklijk. Derwaarts ging hij en spande in \'t juk van den wagen zijn rossen Kopergehoefd, snelvliegend, omwapperd van goudene manen;

-ocr page 228-

214

Hulde dan zelf zijne leden in goud en hij vatte den zweepstaf Sierlijk met goud doorwerkt, en vervolgens besteeg hij zijn wagen; Over den golfslag dreef hij zijn span; uit de holen verrijzend Hupten de monsters der zee om hem heen, hun gebieder herkennend; Vreugd vol scheidde de zee zich en ijlings vlogen zijn rossen Voort, geen drup die van onder bevochtte den koperen dissel. Zoo bracht snel naar de vloot hem het span wijdspringende rossen.

Tusschen de rotsige kusten van Imbros en Tmiedos\' eiland Ligt eene breede spelonk in de diepten der krommende zeebocht; Daar weerhield hij zijn rossen, de aardrijkschudder Poseidoon, Maakte ze los van het juk, het ambrosische voeder hun spreidend; Daarna bond hij de voeten hun vast met de goudene kluisters, Niet te verbreken of slaken, om rustig des vorsten terugkeer Daar te verbeiden, en deze bezocht nu het kamp der Achaiërs. Samengeschaard, en gelijk een orkaan of een vlammende

[vuurgloed.

Hektor Priamos\' zoon dicht volgende, drongen de Trojers,

Steeds luid schreeuwende verder; zij hoopten de vloot der Achaiërs Meester te worden en daar hunne dappersten allen te dooden.

Maar de omvatter der landen en aardrijkschudder Poseidoon, Dreef, uit de diepte der zeeën verrijzende, thans de Argeiërs, Kalebas geheel in gedaante gelijk en in machtigen stemklank; Eerst tot de Ajaxen sprak hij, die zelf reeds blaakten van strijdlust: — Ajaxen, beiden vermoogt gij gewis de Achaiërs te redden. Zoo gij uw krachten gedenkt, maar niet aan het sidderend vluchten. Anders verschrikten mij niet de geweldige handen der Trojers, Zij die den krachtigen muur met hun dichte geleedren bestegen; Allen bedwongen hen wel de Achaiërs met stevige scheen plaat. Dit slechts vrees ik met angst, dat het onheil over ons neerstort. Waar die razende, fel als het vuur, zijne strijdenden voorgaat. Hektor, trotscb en als telg des vermogenden Zeus zich beroemend. Mocht er een god aldus ook uwe gedachten vervullen,

Zelf standvastig te blijven, met kracht, en ten prikkel voor andren. Dan, hoe machtig hij zij, van de snelvoortglijdende schepen Joegt gij hem weg, al mocht de Olumpiër zelf hem bezielen.

Alzoo sprekende gaf hun de aardrijkschudder Poseidoon Beiden een slag met zijn staf en vervulde hen weder met sterkte. Licht van beweging schiep hij hun leden, hun voeten en armen. Zelf dan nam hij zijn vaart als de snelklapwiekende havik,

-ocr page 229-

215

Wen hij, zich boven het. rotsig en steile gebergte verheffend, Snel neerschiet in het dal om te jagen een anderen vogel; 85. Dus ook vloog van hun zijde de aardrijkschudder Poseidoon.

Ajas herkende het eerst hem, de wakkere zoon van Oïleus. Aanstonds zeide hij toen Telamonios Ajas de woorden:

— Ajas, wijl ons een god, van degeen die Olurapos bewonen, Onder des zieners gestalte, beveelt bij de schepen te strijden;

70. Toch niet Kalebas is het, de duidende vogelenwichlaar,

Aanstonds kon ik den tred zijner voeten van achter herkennen Toen hy zich wendde en ging; licht zijn onsterfiyken kenbaar. Maar ook zelf ontwaar ik dat binnen mijn borst het verlangen Vuriger weer zich verheft naar den strijd, naar den woelenden

[veldslag,

75. Stormend trillen van onder mijn voeten, van boven mijn handen. Daarop zeide hem weer Telamonios Ajas ten antwoord;

— Ja, zoo trilt ook mij de geweldige vuist om de speerschacht. Vol van verlangen, verheft zich mijn moed en van onderen dringen Beide de voeten mij voort; alleen reeds voel ik de aandrift

so. Hektor Priamos\' zoon, dien rustloozen strijder, te keeren.

Zoo hierover te zamen de een met den andere sprekend,

Dreef hen de strijdlust aan, dien de god in hun harten verwekt had; Ook daar achter intusschen vermaande de schudder des aardrjjks Argos\' mannen, ter zij bij de schepen bun harten verpoozend, 85. Wien bij de zware vermoeinis de kracht ontzonk aan de leden. Ja, van den jammer bet harte bezweek, nu zij moesten aanschouwen Hoe de Trojanen den muur met hun dichte geleedren bestegen. Toen zij hen daar zoo zagen, vervulden de tranen hun oogen. Niet meer hoopten zij redding van \'t uiterste; maar Poseidaoon 90. Mengde zich zonder bezwaar in de drommen en wekte hun

[strijdkracht.

Teukros en Leïtos zocht hij het eerst, met gebiedenden toeroep, Dappren Peneleos verder, Deïpuros mede en Thoas,

Wijders Meriones nevens Antilochos, leiders der scharen;

Dezen vermaande de god en hij sprak de gevleugelde woorden: 95. — Schande, o mannen van Argos, gij jeugdige belden, op ü toch Bouwde ik wel mijn vertrouwen tot redding van onze galeien; Maar wanneer gij u thans onthoudt van den gruwzamen oorlog. Dan is zeker de dag nabij dat gij zinkt voor de Trojers. Wee, wel is het een wonder dat hier aan mijn oogen zich voordoet.

-ocr page 230-

216

loo. Schriklijk en groot, dat ik nimmer gedacht had mooglijk te wezen, Onze galeien genaderd, bedreigd door de Trojers, te voren Wel aan de schichtige hinden gelijk, die te midden der bosschen Worden vervolgd als de prooi van de sjakals, panters en wolven. Machteloos zwervend in \'t ronde, en zonder vermogen tot weerstand. 105. Dus ook wilden de Trojers den moed en de kracht der Achaiërs Vroeger de spits niet bieden, zich nauw voor een wijle verwerend; Maar nu strijden zij ver van de stad bij de holle galeien, Zoo door des vorsten vergrijp als des volks nalatige traagheid, Daar het op dezen verbitterd, de snel voortglijdende schepen no. Niet kloekmoedig verweert, maar rondom dezen gedood wordt. Maar al is hij geheel en in waarheid schuldig te noemen Atreus\' heldengeslacht, wijdheerschende vorst Agatnemnoon,

Daar hij met smaad onteerde den krachtigen zone van Peleus, Daarom staat het aan óns niet vrij te verzuimen het slagveld. 115. Snel dus weer ons hersteld; licht heelt zich het hart van de eedlen. Geenszins staat het u schoon te vergeten den krachtigen weerstand, Gij, hier allen in \'t leger de dappersten zijnde; in waarheid Geene verwijtingen deed ik den man die het strijden verzuimde Wijl hij te krachteloos was; maar gij, wel wekt gij mijn wrevel. 120. Ach, mijne waarden, gij zult vast spoedig een droeviger onheil Stichten met zulk een verzuim; laat veeleer elk in zijn harte Wekken de schaamte en schande; de strijd toch dringt ons

[verschriklijk;

Hektor woedt om de schepen, de machtige held van den strijdgalm, Hektor, de sterke, die reeds ontwrichtte de poort en de grendels. 125. Alzoo wekte vermanend Poseidoons roep de Achaiërs.

Rondom stonden om beide de Ajaxen krachtige scharen.

Zoo als ze Ares zelf, en de volkerendrijfster Athena,

Niet zou hebben berispt; want uitverkorene dappren Stonden nu pal, afwachtend de Trojers en godlijken Hektor, 130. Speren aan speren gedrongen en beuklaar sluitend aan beuklaar. Man aan man, helm dicht aan helm, rondassen aan rondas; Helmen met blinkende kammen vermengden hun fladdrende manen Wuivend bewogen op \'t hoofd; zoo sloten hun scharen te zamen; Trillend in dappere vuisten bewogen zich kruisend de speren. 135. Voorwaarts streefden zij thans, naar het slagveld vurig verlangend.

Maar dicht samengedrongen bestormden de Trojers, en Hektoiy Streefde hen voor vol vuur, als een rollende steen van de rotsen

-ocr page 231-

217

Welken des winters vloed van den rand doet vallen der helling, Wen hij door stortenden regen verscheurt zijn verband met den

[rotssteen;

uo. Hoog opspringende vliegt hij en tuimelt, en onder zijn bonzen Dondert het bosch; steeds wentelt hij voort, zoo lang tot hij eindlijk Kolt op de vlakte, dan poost zijne vaart, hoe machtig bewogen. Dus ook dreigde nn Hektor zich zelfs tot den zoom van het zeestrand Licht naar de tenten en vloot der Achaiërs te breken een doortocht, 145. Doodend in \'t rond; maar thans op de dichte gelederen stuitend, Werd hij gestremd in zijn vaart; de Achaiërs in moedigen aanval Houwend met zwaarden en treffend met dubbelsnijdendc speerpunt. Dreven hem stout van zich af, en hij deinsde bevangen van siddring. Luidkeels schreeuwende drong nu zyn stem tot de scharen der Trojers: 150. — Trojers en Lukicrs, telgen van Dardanos, strijders van dichtbij. Blijft! Mij zullen zij toch niet lang weerstaan, de Achaiërs, Schoon, als een bolwerk vast, zij hun scharen te zamen vereenen. Maar voor mijn speer wel wijken, vermoed ik, indien mij in waarheid Dreef de geduchtste der goden, de dondrende gade van Hera. 155. Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust. Fier en vermetel begaf zich Deïfobos onder de strijders,

Priamos\' zoon, vooruit zijnen rondom wel venden beuklaar Houdende, lenig van tred en hen achter zijn schild te gemoet gaand. Maar op hem doelende mikte Meriones \'t blinkende speerhont, ico. Wierp het en miste hem niet, en het welvende schild met zijn huidlaag Raakte hij, maar doorboorde het niet, want tegen het schildvlak Knakte de rijzige schaft bij de spits, en Deïfobos hield zich Verre het lederen schild van het lijf, want sidderend zag hij \'t Wapen des edelen strijders Meriones; maar de geduchte 105. Week naar de schaar zijner makkers terug, vol bitteren weemoed. Beide dewijl hem de zege ontging en zijn wapen geknakt was. Ijlings liep hij terug naar de tenten , en vloot der Achaiërs, Zoekend een rijzige speer die hij daar noch liet in zijn veldtent. Maar steeds woedden de andren en rees de verschriklijkeslagkreet. ivo. Teukros Telamoons zoon doorstootte het eerst eenen krijgsman, Imbrios, moedigen spruit van den rossenbezittenden Aktor.

Voor den Achaïschen tocht had deze Pedaion tot woonsteê; Priamos\' bastaarddochter verwierf hij zich, Medesikaste.

Toen van de Danaërs naakten de schepen met krachtigen riemslag, 175. Kwam hij in Ilios weder; hij stond bij de Trojers in aanzien.

-ocr page 232-

218

Wonend in Priamos\' huis, die hem eerde gelijk zijne kindren. Teiamoons zoon nu gaf hem een stoot met zijn rijzige werpspies Onder het oor, en hij rukte zijn wapen terug, dat hij neerviel, Zoo als een esch, die op hoogen en rondom zichtbaren bergtop 180. Valt, door het koper geveld, en zijn teedere loof naar den grond neigt; Alzoo viel hij en klonk om zijn leden de sierlijke rusting/:Jr. , Teukros ijlde nu toe naar den buit van zijn wapens verlangend, Maar, in zijn vaart, wierp Hektor hem na met zijn blinkende

[werpspies.

Wel ontweek hij het ziende bij tijds het gekoperde lansliout, 185. Doch bij Amfimachos, zone van Kteatos stammend van Aktor, Raakte het wapen de borst, juist toen hij zich wendde ten kampstrijd. Bonzend dreunde zijn val en zijn wapens oinkletterden \'t lichaam. Hektor stormde nu toe om des eedlen Amfimachos\' strijdhelm, Vast om zijn slapen gepast, van het hoofd des gedooden te rukken, luo. Ajas strekte nu echter den stormenden Hektor de lanspunt

Snel te gemoet; wel trof hij hem niet, daar schriklijk het koper Rondom dekte zijn lijf, doch raakte het schild op den navel Stootend met krachtigen drang; van de beide verslagenen wijkend Week dan Hektor terug, en de Danaërs sleepten hen mede. lys. \'t Lijk van Amfimachos voerde met Stichios d\' eedle Menestheus, Heiden Atheensche gebieders, terug naar het volk der Achaiërs; Imbrios\' lijk ontvoerden de Ajaxen woedend van strijdkracht. Zoo als een tweetal leeuwen aan \'t scherpe gebit van de honden Weer ontrukt eene geit en ze brengt in het weelderig struikhout, 2(io. Hoog van den grond hunne prooi vasthoudende tusschen hun kaken, Alzoo hielden zij beiden den doode omhoog, en zijn wapens Maakten zij buit; en verwoed om den dood van Amfimachos,

[hieuw hem

Ajas Oïleus\' zone het hoofd van den nek, en het slingrend Wierp hij het onder de schaar, als een bol in het ronde gewenteld, 205. Waar het aan Hektors voet in de stoffige aarde ter neer viel.

Maar toen rees ook heftig de toorn in het hart van Poseidoon Wegens den zoon van zijn stam, die er zonk in de vreeslijke slachting; Ijlings nam hij zijn weg naar de tenten en vloot der Achaiërs, Vuurde de Danaërs aan en den Trojers bereidde hij onheil, aio. Daar ontmoette hem echter Idomeneus, zwaaier der lansen,

Keerend van éen zijner makkers, die pas van het treffen terugkwam. Waar hem het snijdende koper zijn knie bij de buiging verwond had.

-ocr page 233-

219

Hem, door zijn makkers gedragen, der zorg van de artsen bevelend. Spoedde hij zelf naar zijn tent, want steeds naar den strijd op

[het slagveld

315, Haakte zijn lust; toen zei hem de heerschende schudder des aardrijks, Gansch in zijn spreken gelijkend op Thoas den zoon van Andraimoon, Koning in Pleuroons veste en Kaludoons luchtige bergstad.

Vorst der Aitolische volken, geëerd bij zijn volk als een godheid:

— Waar, o heerscher der Kreters, Idomeneus, is de bedreiging 220. Eens door Achaia\'s zonen bedreigd aan het volk van de Trojers?

Dezen ten antwoord zeide Idomeneus heerscher der Kreters:

— Thoas, geen van ons volk, althans zoo verre ik naga.

Heeft nu schuld, want allen verstaan wij bet voeren van oorlog. Geen ontmoedigend vreezen vermeestert ze, geen die aan slapheid 225. Overgegeven zich houdt uit den strijd; maar zeker het zal thans Zoo wel wezen de wil des geweldigen zonen van Kronos, Roemloos hier de Achaiërs te delgen en verre van Argos. Welaan, Thoas, steeds weerstond ook vroeger uw koenheid, Anderen spoordet gij ook, als gij ziet dat hun ijver verslapt is; 230. Laat dan thans niet af en uw woord zij ieder ten prikkel.

Dezen ten antwoord zeide de aardrijkschudder Poseidoon:

— Nimmer, Idomeneus, keere hij heimwaarts weder van Troja, Maar hier worde die man ten spel van de vratige honden. Elk die ten huldigen dage van strijd vrijwillig zich afhoudt:

235. Op dus, grijp uwe wapens en volg; saam moeten wij spoeden. Of noch, schoon met ons beiden, wij wellicht worden tot redding. Immers vereenigde kracht baat zelfs aan de menschen in onspoed; Doch wij kunnen den strijd wel tegen de dappersten uitstaan. Alzoo sprekende ijlde de god weer voort naar het krijgswerk. 240. Toen nu Idomeneus kwam in zijn stevig getimmerde veldtent, Deed hij de blinkende wapens om \'t lijf en hij vatte zijn speren; Daarop spoedde hij voort aan den bliksem gelijk dien Kronioon Grijpt in zijn hand en verzendt van den helomglansden Olumpos, Wen hij den stervlingen toont zijne teekenen, stralend van lichtgloed; 245. Alzoo blonk om de borst van den spoedcnden strijder het koper. Doch daar trad hem zijn makker, de eedle Meriones tegen.

Noch nabij zijne tent; om de koperen speer zich te halen Spoedde hij mede terug; maar forsche Idomeneus riep hem:

— Molos\' zoon, o vlugge Meriones, waardste der makkers;

250. Waarom dus u gespoed en verlaat gij den strijd en het slagveld.

-ocr page 234-

220

Is u een wonde geslagen en drukt n het scherp van den speerstoot, Dan wel komt gij als bode en roept gij mij? Waarlijk ook ik zelf Zoek geen ledige rust in mijn tent, maar haak naar het strijdperk. Doch de ervarene strijder Meriones gaf hem ten antwoord: 355. — Hier, o Idomeneus, vorst der in koper gepantserde Kraters, Spoedde ik heen om te zien of er wellicht noch eene werpspies Was in uw tenten gebleven; mijn speer toch heb ik gebroken Toen ik haar tegen het schild van den driesten Deïfobos voortwierp. Dezen ten antwoord zeide Idomeneus heerscher der Kreters: 300. — Speren, indien gij ze wilt, niet éen maar twintig: gij vindt ze Ginds in mijn tent, en zij staan daar tegen de blinkende wanden; Troische, welke ik nam den gesneuvelden; immers in waarheid Niet in de verte bestreed ik de dappere mannen des vijands; Speren genoeg dus zyn er en schilden met welvenden navel, 2lt;)5. Helmen en pantsers mede, die rondom vonkelend glanzen.

Doch de ervarene strijder Meriones gaf hem ten antwoord: — Ja, ook ik heb ginds bij mijn tent en het donkere vaartuig Menigen buit van de Trojers; dat is thans echter te ver weg. Want ook zeg ik den moed noch nimmer te hebben vergeten, 370. Maar bij de voorsten te staan in den mannenvereerenden oorlog, Steeds vooraan in den krijg, als het slagveld komt in beroering; Licht dat mij deze of gene der kopergedoste Achaiërs Niet in den strijd opmerkt, maar gij, wel kent ge mij, denk ik. Daarop zeide hem weder Idomeneus heerscher der Kreters: 275. — Zeker, ik ken uwen moed; wat nood dat gij dit mij verkondigt? Want zoo thans bij de schepen wij dapperen wierden gekozen, \'t Zij voor verborgene lage, in welke de moed aan het licht komt. Waar het zich toont wie bloode en wie stoutmoedig van hart is; Want bij den bloodaard wisselt om beurten de kleur van het aanzicht, 380. Ook ontbreekt hem het hart in de borst om zich rustig te houden. Doch daar hurkt hij en zit op de beurtlings wisslende beenen. Angstvol siddert en trilt hem het hart in den jagenden boezem, Wen hij de doodsgodinnen vermoedt, en hij klappert de tanden; Maar geen kloeken verschiet de gelaatskleur, geene bevreesdheid 285. Treft hem te diep, wanneer hij zich eens in verborgene lagen Stelt, maar spoedig verlangt hij te dcelen den doodlijken aanval; Dan zou niemand zeker berispen uw moed en uw vuistkracht. Want al zou in het strijden u speerworp wonden of zwaardhouw. Nooit toch trof u de slag in deu nek of de schouders van achter.

-ocr page 235-

221

290. Maar wel vóór in de borst of den buik ontmoette u \'t wapen Onder den aanvalstorm, waar strijdend verkeeren de voorsten. Kom dus, zoo niet langer gepraat en als achtloozc kindron Ledig gestaan, dat er geen ons in euvelen moede berispe.

Maar ga gij in de tent om te kiezen een krachtige werpspies. 295. Alzoo luidde zijn woord, en den stormenden Ares gelijkend Haalde Meriones snel uit de tent een gekoperde werpspies, Volgde Idomeneus dan, en hij blaakte van vurigen strijdlust. Zoo, wanneer zich ten strijde de menschenverdelgende Ares Spoedt, van den Schrik vergezeld, zijnen zoon, ontembaar en krachtvol, noo. Hem die ook zelfs doet wijken den kloekst volhardenden strijder; Vaardig ten oorlog gaan zij uit Trakië, Efure\'s volken Drijvend of Fleguërs dapper van hart; zij verhooren hen echter Niet te gelijk, maar geven den een of den ander den krijgsroem. Nevens Idomeneus spoedde Meriones zoo naar het slagveld, 305. Saam heervoerders des volks, in het blinkende koper gepantserd. Toen ving \'t eerst tot den ander Meriones aan en hij zei hem:

— Waarheen, Deukalione, vermeent gij te gaan in het strijdperk ? Hier aan het rechter of ginds aan het middengedeelte des legers. Dan wel links, want zeker ik kan niet denken dat ergens

310. Zal ontbreken de strijd voor de welig gelokte Achaiërs.

Dezen ten antwoord zeide Idomeneus heerscher der Kreters:

— Daar zijn anderen reeds die de middenste schepen beschermen. Beide de Ajaxen zijn er en Teukros de zekerste schutter Aller Achaiërs en mede een held om te staan in het strijdperk.

315. Dezen nu zullen genoeg, hoe heftig hij stormt, hem bedwingen. Hektor Priamos\' zoon, al is hij geweldig van krachten,

Moeielijk zal het hem zijn, al blaakt hij van vurigen krijgslust. Hun ontembare handen en moed overwinnend, den vlammen Onze galeien te otfren, indien er ten minste Kronioon 320. Zelf zijne vlammende toorts niet werpt in de snelle galeien. Want geen mensch deed deinzen den held Telamonios Ajas, Zoo hij een sterveling was en de graanvrucht at van Demeter, Zoo hij bereikbaar ware voor koper en machtigen steenklomp. Ja zelfs ruimde hij \'t veld voor Achilleus niet, den verplettraar, 325. Immers in \'t staande gevecht; want geen, in den loop, als Achilleus. Wij dan, laten wij links van het heerkamp houden, dat weldra Blijke of iemand roem aan ons schenkt of wij zeiven aan andreu. Alzoo luidde zijn woord; en Meriones stormig als Ares

-ocr page 236-

222

Spoedde zich voort tot zij kwamen ter plaats die Idomeneus aanwees. «30. Toen er de Trojers nu zagen Idomeneus fel als een vuurgloed, Hem en zijn trouwen gezel, in don schittrenden dos hunner wapens. Riepen zij luid elkaar in \'t gewoel en bestormden hem allen. Thans streed alles door een bij de achterste stevens der schepen. Zoo als een wervlende bui door de huilende winden gedreven, «35. Zulk eenen dag als het stof op de wegen in menigte neerligt, Welke in \'t ronde het stof tot geweldige wolken omhoog jaagt; Dus ook stormden de scharen te zaam en hun harten verlangden Daar met het scherpe metaal elkaar in de woeling te dooden. Menschenverdelgend verhief zich de strijd als een ruigte van lansen «40 Verre in \'t rond en het vleesch doorvlijmende; oogenverblindend Straalde het blinkende koper van lichtweerkaatsende helmen, Pantsers, nieuw gepolijst, en metalen beslag van de beuklaars. Toen zij zich mengden ten kamp; en een stout hart moest hij bezitten Wie er met vreugde aanschouwend het werk, niet zoude vertsagen. «45. Alzoo gaven de beide geweldige zonen van Kronos

Ieder naar eigenen zin aan de helden een droevigen jammer. Zeus toch had voor de Trojers en Hektor de zege verordend. Slechts om Achilleus, snellen van voet, te vereeren, en geenszins Wilde hij Argos: volk voor Ilios ganschelijk neerslaan, «50. Maar slechts Thetis\' roem en haar dapperen zone verhoogen.

Doch de Argeiërs bezielde, gemengd in hun drommen, Poseidoon, Stil aan de valuwe golven der zee ontstegen; met wrevel Zag iiij hun val door de Trojers, op Zeus in zijn harte verbitterd. Wel ontsproten zij beiden een zelfde geslachte en stamoord, 355. Zeus was echter de oudste en verre verheven in wijsheid. Daarom ook ontzag hij hun openlijk hulp te verleenen.

Maar steeds heimelijk dreef hij hen aan en in menschengestaltnis. Zoo, van den heftigen strijd en den allenbeheerschenden oorlog Trokken zij weerszijds vaster den klemmenden strik dien zij knoopten, «fio. Niet te verbreken of slaken, die menigen strijder ter neer sloeg. Toen, schoon grijzend ten halve, de Danaërs wakker bevelend. Stormde Idomeneus los en hij dwong de Trojanen tot aftocht; Want toen velde hij neder Othruoneus, hier van Kabesos Onlangs henengetogen, gelokt door de laam van den oorlog. 365. Deze nu dong naar Kassandra, de schoonste van Priamos\' dochters. Zonder geschenken te doen, maar wichtige daden belovend, Trots der Achaiërs macht ze van Troja\'s gewest te verdrijven.

-ocr page 237-

223

Priamos, achtbare grijze, beloofde met gunstigen hoofd wenk Daarvoor \'t meisje aan dezen; hij streed,, dit vertrouwend, met

[stoutheid;

370. Maar op hem doelende mikte Idomeneus \'t blinkende speerhout, Wierp het en raakte den man, die met trots zich verheifende

[voortschreed;

Nutloos was hem het pantser; hij trof hem den buik in het midden. Bonzend dreunde zijn val; en Idomeneus riep met een juichkreet: — Hooger dan eenen der menschen, Othruoneus, zal ik u roemen, ;iï5 Zoo gij in waarheid alles verricht, als gij vroeger beloofdet Priamos Dardanos\' zoon, die zijn dochter tot gade u toezei. Wij ook hadden u gaarne hetzelfde beloofd en gegeven,

Ja, de bekoorlijkste dochter van Atreus\' zoon u geschonken, U als een gade uit Argos ze brengende, zoo gij ons bijstond :!80. Ilios gansch te verwoesten, de volkrijk bloeiende burgstad.

Volg mij, opdat wij te zaam bij de zeedoorklievende schepen Over den echt ons beraden, wij zijn niet slecht voor een schoonzoon.

Alzoo sprekende trok hem Idomeneus voort bij de voeten Onder het wilde gewoel; maar Asios kwam hem ter hulpe, 385. Voor zijne paarden te voet, wier snuivende adem zijn schouders Raakte, terwijl hen de menner hem steeds deed volgen; begeerig Zocht hij Idomeneus neder te slaan, maar deze, gezwinder,

Trof bij zijn kin hem den gorgel, geheel doorboord van de lanspunt. Alzoo stortte hij neer als een eik of een popel die neerstort, 390. Zoo als een rijzige pijn, dien de kunstenaar hoog in het bergland Velt met geslepene bijl, om te dienen als balk voor het vaartuig; Dus ook viel hij en lag voor zijn paarden gestrekt en zijn wagen, Brullend en rondom grijpend bet bloedige stof van den bodem. Ook zijnen wagenbestuurder begaf de gewone bezinning, 395. Ja zelfs poogde hij niet, om te vlieden de handen des vijands. Haastig zijn paarden te wenden; AntUochos, vurig ten oorlog. Dreef hem de speerpunt dwars door het lijf, en het koperen pantser Baatte hem niet, dat hij droeg, en zij trof hem den buik in het midden. Reutelend steunde zijn keel en hij viel van den sierlijken wagen, 400. Welken Antilochos haastig, de zoon van den edelen Nestor, Dreef van der Trojers gewoel naar de kopergedoste Achaiërs.

Tegen Idomeneus stormde Deïfobos, dicht hem bestokend. Treurend om Asios\' val, en hij wierp zijne blinkende speerschacht. Snel ontweek, het bemerkend, Idomeneus tijdig het wapen,

-ocr page 238-

224

405. Want hij verborg zich geheel in den rondom welvenden beuklaar Welken hij voerde, met huiden van runders en vonkelend koper Glooiend bedekt, voor den arm mot ccn tweetal staven bespannen, Daar nu bukte hij onder en boven bera snorde de werpspies; Dof weergalmde het schild van de speer die er strijkelings langs vloog. 4io. Maar niet vruchtloos zwierde de lans uit de machtige vuisten. Hippasos\' zoon toch trof zij, den volkerenherder Hupsenor,

Onder de borst in de lever en slaakte terstond zijne knieën.

Luidkeels schreeuwende deed nu Deïfobos juichend den uitroep: — Ha, geen weerwraak mist nu Asios langer, en zeker 416. Schoon hij naar Aides dale, geweldigen wachter van \'t schimrijk, Geeft het hem vreugd, dat ik dezen als jammergenoot er hem toezond.

Alzoo sprak hij, en bitter verdroot zijn gejuich de Argeiërs; Maar op het hevigst trof het des kloeken Antilochos\' boezem; Toch, schoon droevig van harte, verzuimde hij niet zijnen makker, 420. Maar hij omringde hem snel en bedekte hem onder het schildvlak, Twee van zijn trouwe gezellen, zich bukkende, droegen hem ijlings, Echios\' zoon Mekisteus benevens de eedle Alastor,

Heen naar de welvende schepen, en zwaar was beider verzuchting. Maar bij Idomeneus zwichtte de moed noch niet, en bestendig 425. Zocht hij hetzij eenen Trojer te hullen in duisteren doodsnacht, \'t Zij zelf onder te gaan, al werend den val der Achaiërs. Dappren Alkathoös vond hij; de Zeus\' ontsprotene strijder Held Aisuetes gewan hem; hy was Anchises\' behuwdzoon,

Gade van Hippodameia, Anchises\' dochter, de oudste 430. Daar in de huislijke zaal door den vader en eerbare moeder Teeder geliefd, want al haar gelijken van jaren te boven Glansde haar schoonheid, werk en verstand, dies nam haar in huwlijk Een van de dapperste mannen der wijde gewesten van Troja. Onder Idomeneus\' hand werd deze geveld door Poseidoon, 435. Daar hij zijn oogen verblindde en stremde zijn krachtige leden, Want niet rugwaarts vluchten of zijwaarts kon hij zich bergen; Zoo als een marmeren stijl of een bladkroonheffende boomstam Stond hij er, roerloos stil; zoo trof hem Idomeneus\' speerstoot Voor in de borst en verscheurde het koperen pantser dat rondom 440. Dekte zijn leden en vroeger hem steeds afweerde het onheil.

Maar thans kraakte het dof, om het pletterend wapen versplijtend. Bonzend dreunde zijn val: diep stak in zijn harte de werpspies. Zoo dat de kloppende slag van het hart deed trillen de speerschacht,

-ocr page 239-

225

Doch de geweldige Ares benam hem ten laatste de krachten. Luidkeels schreeuwende deed nu Idomeneus juichend den uitroep:

— Waarlijk, Deïfobos, is nu de zaak niet richtig vereffend?

Drie voor een enkle gedood 1 Want vruchteloos luidde uw juichkreet; Ongelukskind, treed zelf hier tegen mij op in het strijdperk,

Leer hoedanig ik ben, ik, Zeus ontsprotene afkomst,

Zeus die aan Minoos eerst, den beheerscher van Kreta, het licht gaf; Minoos wijders verwekte Deukalioon, edelen stamzoon,

Deze Deukalioon mij tot een velen regeerenden koning Verre in Kreta\'s gebied; thans voerde ik hier mijne schepen U en uw vader tot ramp en den anderen zonen van Troja.

Alzoo luidde zijn woord, en Deïfobos wankte in twijfel,

\'t Zij dat hij poogde te wijken en éen van de moedige Trojers Koos ten gezelle, of zelf alleen zou wagen den tweekamp. Dus overleggende scheen hem dat dit wel ware het raadzaamst Snel tot Aineias te gaan; aan het achterste einde der heerschaar Vond hij hem staan; daar immer zijn harte op Priamos wrokte, Wijl hij hem geenszins eerde, den edelen strijder by uitstek. Dezen nu trad hij ter zijde en sprak de gevleugelde woorden:

— Edele raad van de Trojers, Aineias, het lijk van uw zwager Moet gij beschermen, ten minste indien het uw harte bekommert. Volg mij, en laat ons beschermen Alkathoös, hém die als zwager, Vroeger, terwijl gij een kind noch waart, in zijn huis u gekweekt

[heeft;

Deze bezweek door de hand van Idomeneus, roem van den speerkamp.

Alzoo spiak hij en roerde bij dezen het hart in den boezem; Tegen Idomeneus toog hij nu los, vol woedenden strijdlust.

Maar als een knaap ontvluchtte Idomeneus niet, en beraden Bleef hij, een ever der bergen gelijk, die zijn krachten vertrouwend Rustig het luide getier van de jagers die naderen afwacht Daar in het eenzame oord; en te berge verrijzen zijn borstels, Vreeselijk glanzen zijn oogen, als vuur, en den blinkenden slagtand Wet hij om tegen de honden en jagers zich fel te verweren. Zoo, niet wijkende, wachtte Idomeneus, roem van den speerkamp. Kloeken Aineias af in zijn storm; toch riep hij zijn makkers. Nu hij Askalafos zag en Deïpuros, Afareus mede.

Ginder Meriones ook en Antilochos, kenners van \'t strijdperk. Dezen dan spoorde hij aan en hij sprak de gevleugelde woorden:

— Herwaarts, vrienden, ter hulp! Alleen toch ben ik; metvreeze

15

-ocr page 240-

226

Zie ik Aineias, den snellen van voet, aanstormen, en schriklijk Is het geweld zijner kracht om de mannen te dooden in \'t strijdperk. Noch in den bloeitijd is hij der jeugd en geducht zijne spierkracht; 485. Mochten wij even gelijk maar wezen van jaren als strijdlust, Weldra zou dan deze of ik wegdragen den krijgsroem.

Alzoo sprak hij, en allen bezield door een zelfde gezindheid Schaarden zich naast elkander, hun schilden gedrukt aan de

[schouders.

Doch ook wekte Aineias ter andere zijde zijn makkers, 490. Nu hij Deïfobos zag en den eedlen Agenor en Paris,

Saam heervoerende hoofden van Troja\'s macht, en het krijgsvolk Volgde zijn leiders, gelijk uit de weide de schapen ter drinkplaats Volgen den ram die ze leidt, en het harte der herders verheugt zich. Dus ook klopte van vreugde het hart in de borst van Aineias, 495. Toen hij de menigte zag van de strijders die volgden zijn oproep. Weldra botsten zij saam om Alkathoös, strijder aan strijder. Zwaaiend de rijzige speer; ontzachelijk schalde het koper Over de borst van de mannen, de een op den ander den speerworp Richtend in dringend gewoel; twee mannen, vermetel bij uitstek, 500. Arcs gelijkend in woede, Idomeneus nevens Aineias

Zochten het lijf elkaar met het gruwzame koper te klieven. Tegen Idomeneus richtte Aineias het eerst zijne werpspies; Wel ontweek hij een weinig en tijdig het ziende den speerworp. Zoo dat de koperen spits, door Aineias gezwaaid, in den bodem 505. Voer en vergeefs ontsnelde der krachtige hand die haar voortwierp. Doch bij Oinomaos raakte Idomeneus\' speer, die den navel Trof en het pantser verscheurde en door de geweiden zich heendrong. Tuimelend viel hij in \'t stof en zijn handpalm greep in den bodem. Wel ontrukte zijn wapen Idomeneus weer aan het lichaam, 510. Maar het gelakte hem niet van zijn schouders het sierlijke krijgstuig Mede te nemen ten buit; zoo was hij bedreigd door de speren. Want zijne voeten bezaten de kracht niet meer tot een uitval. Noch om te volgen de vlucht zijner speer of ter zijde te wijken. Slechts in het staande gevecht dus moest hij verweren zijn leven, 515. Maar niet snel ontvoerde zijn voet hem ter vlucht uit den

[veldslag.

Toen hij nu langzaam week, daar vloog hem het blinkende wapen Toe van Deïfobos\' hand, noch immer bewogen van wraaklust. Maar weer faalde de worp, en Askalafos raakte de werpspies.

-ocr page 241-

227

Hem, Enualios\' zoon, doorboorde het vreeslijk den schouder, 620. Zoo dat hij viel iu het stof en zijn hand aan de aarde zich vastgreep. Doch de verschriklijke Arcs, de brullende, merkte het geenszins Moe in het stof daar stortte zijn zoon, in het woelen der slachting. Maar op den top des Olumpos, omgeven van goudene wolken. Zat hij, de uitspraak volgend van Zeus, en de andere goden 426. Waren er, even als deze, verstoken van deel in den kampstrijd.

Toen zij nu botsten te zaam om Askalafos, strijder aan strijder. Rukte Deïfobos dezen den blinkenden helm van de slapen,

Maar toespringende sloeg hem Meriones, stormig als Ares,

Snel met zijn speer eene wond in den arm, en de groote vizierhelm 530. Viel uit zijn hand op de aarde en bonsde met schallend gekletter. Dan als een roovende gier, zoo ijlde Meriones stormend Weder naar voren en trok uit den arm de geweldige speerschacht; Maar dan ging hij terug in de schaar zijner makkers. Polites Greep zijn getroffenen broeder Deïfobos vast om het middel, 536. Hief hem en voerde hem weg uit den strijd naar de schielijke rossen, Welke hij ginds vond staan aan het einde en achter de slagreeks. Voerend de blinkende kar met den teugelbesturenden menner. Dezen nu droegen hem snel naar de stad, en van pijn overmeesterd Zuchtte hij diep, en het bloed ontstroomde der versclie verwonding. 540. Rustloos woedden de andren en rees de verschriklijke slagkreet. Afareus, zoon van Kaletor bestormende, stak hem Aincias,

Toen hij zich tegen hem wendde, de keel met het puntige koper. Zijwaarts neigde zijn hoofd, dan vielen zijn helm en zijn beuklaar Neder en werd hij omhuld van des doods ontzielende schaduw. 646, Toen nu Antilochos zag dat zich Thoöon wendde ten aftocht. Trof hij hem stormenderhand en geheel doorsneed hij de slagaar. Welke zich over den rug tot den nek doorloopende uitstrekt, Gansch doorvlijmde hij deze; en rugwaarts viel hij in \'t stofzand, Beide zijn handen omhoog tot zijn trouwe gezellen verheffend. 560. \'t Wapengerei ontroofde Antilochos snel van zijn schouders. Spiedend in \'t rond ; alom toch troffen de Trojers zijn beuklaar Vlug in zijn handen gewend en gekeerd, en hun doodlijke speren Konden hem zelfs niet kwetsen de teedere huid van het lichaam. Want voor den zone van Nestor, Antilochos, waakte Poseidoon, 566. Machtige schudder der aarde, en weerde het vliegende wapen.

519. Enualios = Ares.

-ocr page 242-

228

Nooit ook had hij gebrek aan een man om te treffen, aanhoudend Was hij in strijd, nooit rustte zijn speer, maar immer geheven Trilde de schaft in zijn hand en beraamde en zocht hij zijn mikpunt Nu voor een worp uit de verte en dan voor een stormenden uitval, sfio. Adamas Asios\' zoon, die den dreigenden held in het oog hield, Raakte hem thans in het midden des schilds met zijn koperen

[speerpunt,

Dicht hem bestormend; intusschen de donkergelokte Poseidoon Nam aan de spits hare kracht en vergunde haar niet hem te dooden. Zoo als een paal in de vlammen gehard, zoo haakte de speerschacht 505. Half in Antilochos\' schild en de helft viel neer op de aarde;

Binnen den drom zijner makkers vermeed hij het vreeselijk noodlot. Maar den gevluchte vervolgde Meriones snel, en zijn speerworp Sloeg hem een wond in den buik, waar tusschen den navel en

[\'t schaamdeel

Ares\' wapen het felst ellendige stervlingen pijnigt.

570. Daar doorstak hem de spits; om de speer die hem medegesleurd had Wrong hij zijn lijf, als een stier dien de weidende herders in \'t bergland Tegen zijn wil heenvoeren, gekneld in gevlochtene touwen; Dus ook wrong hij het lijf, maar kort slechts duurde zijn doodstrijd, Want toespringende trok hem de dappre Meriones aanstonds 575. Weder de speer uit de wond, en het duister bedekte zijn oogleên. Helenos naderde thans, en zijn machtige Thrakische zwaardkling Kloofde Deïpuros\' hoofd bij den slaap, en zijn koperen strijdhelm Werd op de aarde geslingerd en rolde den woedenden krijgers Onder de voeten, tot daar een Achaiër hem vatte en wegdroeg; 580. Dra omhulde het duister des nachts den gewonde de oogen.

Maar het vervulde met smart Menelaos geducht in den strijdgalm, Atreus\' zoon, en den vorst heldhaftigen Helenos dreigend Hief hij zijn speer, maar deze bevestte de spannende boogpees. Alzoo traden zij nader bereid elkander te treffen,

585 Hier met de puntige speer, daar ginds met hot schot van de boogpees. Priamos\' zoon trof eerst en hij raakte de borst met zijn pijlschot Waar zich het harnas welft, maar zijwaarts schampte de pijlspits; Even als onder het schudden der schop op de ruimte van \'t dorschveld Springen en rollen ter zij grauwhuidige boonen of erwten, 590. Wen de bewogene lucht en de kracht van den wanner ze voortjaagt; Zoo, op het pantser gestuit van den edelen held Menelaos, Schampte het puntige wapen en ver weg dwaalde het zijwaarts.

-ocr page 243-

229

Toen trof Atreus\' zoon Menelaos geducht in den strijdgalm Juist in de hand die bestierde den glimmenden boog, en de speerpunt 595. Drong daar gansch doorheen, in den boog zelfs borend het koper. Binnen den drom zijner makkers vermeed hij het vreeselijk noodlot, Zwaar met de hangende hand nasleepend de esschene speerschacht. Daar trok d\' eedle Agenor hem echter de speer uit de wonde, Welke hij zorglijk verbond met de stevig gevlochtene schaapswol, «oo. Band van een slinger, gevoerd door een volger des volkerenherders. Doch met den loflijken held Menelaos begeerde Peisandros Thans zich te meten; ten doode gejaagd door de schrikbare Moira, U, Menelaos, geleverd, om neder te slaan op het slagveld.

Toen zij in stormenden drang elkaar thans waren genaderd, 005. Miste hem Atreus\' zoon, en de speer vloog zijdelings langs hem. Daarop raakte Peisandros den loflijken held Menelaos Tegen het schild, maar kon er de spits niet ganschelijk doorslaan. Wijl haar het krachtige schild weerhield en de schacht bij de

[speerpunt

Afbrak, toen hij verheugd reeds zeker zich waande van zege. cio. Atreus\' zoon, nu trekkend zijn zwaard met de zilveren knoppen. Sprong op Peisandros toe, die zijn schoone en koperen strijdaks Vatte van onder zijn schild, met haar krachtigen steel van het eschhout Effen geschaafd; te gelijk dan stormden zij elk op den ander. Deze nu sloeg met de aks hem de wapprende manen des strijdhelms i)i5 Neer van de rijzige kam, maar toen hij zich naderend blootgaf Haakte het zwaard des Atreiden hem boven den neus op het voorhoofd. Zoo dat het spleet en zijn oogen bebloed in het stof aan zijn voeten Vielen; hij tuimelde neer; met den hiel dan tegen zijn lichaam Nam Menelaos zijn wapens en juichende deed hij den uitroep: 620. — Zoo dan moet gij de schepen der Danaërs eindlijk verlaten. Gij stoutmoedige Trojers, van krijgsleed nimmer verzadigd. Velerlei anderen hoon noch hebt gij bedreven en smaadheid, Dan gij aan mij misdeedt, ellendige honden, die geenszins Zelfs van den dondrenden Zeus ontziet de geweldige gramschap, 625. Zeus die het gastrecht heiligt; hij zal u vernielen uw burg vest. Gij die mijn jeugdige vrouw en een menigte kostbare schatten Stout hebt henengevoerd, als haar gasten gevierd in haar woning; Thans weer wildet gij gaarn in de zeedoorklievende schepen Werpen het vratige vuur en verderven de helden Achaia\'s; 630. Maar eens zult gij den strijd wel eindigen, hoe gij ook voortwoedt.

-ocr page 244-

230

0 Zeus Vader, zij noemen u wel als den hoogsten in wijsheid Onder de menschen en goden, en toch kwam alles uit üw hand. Zoo toch toont gij u gunstig aan driest overmoedige mannen, Dezen Trojanen, die steeds onwrikbaar moedig hun strijdlust 635. Nimmer verzadigen kunnen op \'t allenbeheerschende slagveld. Alles verzadigt ons wel, zoo slaap als de liefdesgenieting, Liefelijk streelende zangen en heerlijk geprezene reidans.

Welke men toch veeleer zal willen genieten in volheid Liever dan krijg, maar nimmer verzadigt het strijden de Trojers. 640. Alzoo sprak hij en nam van den doode de bloedige wapens. Welke hij gaf aan zijn makkers, de loflijke held Menelaos,

Maar zelf ging hij en wierp zich op nieuw in het midden der voorsten.

Dappre Harpalioon telg van den koning Pulaimenes stormde Thans op hem los, zijnen vader naar Troja gevolgd in den oorlog, 645. Maar geen heimkeer was hem vergund naar het land zijner vaadren. Dichtbij naderend dreef hij zijn speer op het schild des Atreiden, Doch hare spits doorboorde het niet, dus week hij teruggaand Onder den drom van zijn volk, om te mijden het doodelijk noodlot. Spiedend in \'t rond dat er geen met de speerpunt wondde zijn lichaam. 650. Maar een gekoperde pijl van Meriones raakte den vluchtling

Rechts in het achterste deel van het lijf, en het vliegende pijlschot Drong tot de andere zij in de blaas en beneden het schaambeen. Aanstonds nedergezakt, in de armen der trouwe gezellen Slakend den ademtocht, als een worm op de aarde zich strekkend 655. Lag hij; het donkere bloed ontvloeide hem, drenkend het aardrijk. Toen omringde met zorg hem een dappere schaar Paflagoners, Legde hem neer in den wagen en voerde hem treurend naar Troja\'s Heilige veste; zijn vader verzelde hem tranen vergietend,

Maar geen weerwraak mocht hem vergelden den dood van den

[jongling.

660. Doch om zijn dood ontbrandde de toorn in het harte van Paris, Daar hij zijn gastvriend was in het talrijk heir Paflagoners. Daarom schoot hij vertoornd zijn gekoperde flits van de boogpees. Hier nu was een Euchenor, een zoon Poluïdos\' des zieners,

Rijk aan bezitting en edel, een huis in Korinthos bewonend; 665. Schoon van zijn lot zich bewust, toch had hij bestegen zijn vaartuig. Want vaak had hem gespeld Poluïdos de edele grijsaard, Hoe hij, hetzij zou sterven te huis door een kwellende krankheid, \'t Zij bij de vloot der Achaiërs vergaan door de handen der Trojers.

-ocr page 245-

231

Daarom wilde hij beide, \'t berispende woord der Achaiërs 670. Mijden en \'t kwaad van de ziekte, om niet zijn gemoed te bezwaren. Dezen verwondde hij onder de kaak en het oor; en op eenmaal Vlood uit zijn leden het leven en greep hem het schriklijke duister.

Alzoo bleven zij woeden gelijk aan een vlammenden vuurgloed; Echter bespeurde en wist hij het niet, de verhevene Hektor, 675 Hoe aan het linker gedeelte der vloot zijne volken bezweken Onder de hand der Argeiërs en dra aan het heer der Achaiërs Zege ten deel viel; zoo toch vuurde de schudder des aardrijks Argos\' heerschaar aan, met zijn eigene kracht hen beschermend. Maar steeds hield hij zich waar hij het eerst op de poort en den

[muur steeg,

680. Brekend der Danaërs dichte met schilden gedekte geleedren, Waar zich de schepen bevonden van Ajas en Protesilaos Tegen den oever gesleept van de valuwe zee; de omwalling Was daar echter het laagst, waar steeds de Achaiërs het hevigst Zei ven zoo wel als hun wagens zich standvast hielden ten afweer. 685. Maar de Boiotiërs saam met laoners, lang van gewaden, Lokrers en Fthiërs en mede de loflijk geroemde Epeiërs,

Konden den stormenden nauw van de vloot weerhouden, en vruchtloos Trachtten zij Hektor te weren den godlijken, fel als een vuurgloed ; Zelfs ook niet de Atheners, gesteld aan de spitse; Menestheus 690. Peteos\' zoon stond daar aan het hoofd van hun scharen; hem volgden Stichios, Feidas en Bias de held; den Epeiërs geboden Meges van Fuleus stammend en Drakios nevens Amfioon; Medoon voerde de Fthiërs, verzeld van den stouten Podarkes, Medoon bastaardtelg ontstamd aan den eedlen Oïleus, 695. Broeder van Ajas; de veste van Fulaka had hij tot woonstee. Ver van het land zijner vaadren, dewijl hij in toorn eenen manslag Deed aan een naasten verwant van Oïleus\' vrouw Eriopis;

Maar die Podarkes, hij stamde van Fulakos\' zone Ifiklos;

Dezen nu voerden gewapend de spitse der dappere Fthiërs, 700. Saam met Boioters vereend, in den kamp voor de redding der

[scheepsvloot.

Doch nooit scheidde zich Ajas de snelle, de zoon van Oïleus, Verre van Ajas den zone van Telamoon, nimmer een oogwenk. Maar als het zwoegende span wijnkleurige stieren die samen Eender van aard voorttrekken den stevigen ploeg op het braakland, fquot;ü. \'t Voorhoofd nat van het zweet dat hun druipt van den wortel der horens;

-ocr page 246-

232

Naast elkander, vereend in hetzelfde geëffende ploegjuk,

Trekken zij vore aan vore, ten eind toe snijdend den akker; Alzoo bleven te zamen die twee elkander beschermend.

Ook had Telamoons zoon eene menigte dappere strijders 710. Welke hem volgden, zijn makkers, bij wijlen hem dragend den beuklaar, Wen hem het wicht van het werk of het zweet zijne leden belastte. Maar geen Lokriërs volgden den edelen zoon van Oïleus;

Wijl het hun hart niet waagde het staande gevecht te verduren, Want geen koperen helmen bezaten zij, wuivend van haarbos, 716. Geen glad welvende schilden en krachtige lansen van eschhout; Slechts op hun bogen vertrouwend en slingers gedraaid van de

[schaapswol,

Togen zij mede te velde naar Ilios, waar zij hun werptuig Over den vijand stortten en braken de drommen der Trojers. Vooraan stonden er beiden gedost in hun schittrende rusting, 720. Strijdende tegen de Trojers en Hektor in \'t koperen harnas.

Doch steeds schoten, van achter beschut, hunne strijders; de Trojers Staakten den aanval thans, in verwarring gebracht door hun pijlen.

Smaadvol hadden de Trojers zich nu van de schepen en tenten Moeten verwijdren, geweken naar Ilios\' luchtige hoogten, 725. Zeide Poludamas niet, tot den vurigen Hektor genaderd:

— Hektor, moeielijk zijt gij door reedlijke taal te bewegen; Wijl u de godheid gaf uitstekend te zijn in het krijgswerk, Daarom wilt gij in raad ook steeds meer wezen dan andren. Maar gij vermoogt voor u zelf niet alles te gader te kiezen. 730. Dezen verleende een god toch eer in de werken des oorlogs,

Genen de kunst van den dans, weer anderen cither en zangkunst; Gene ontving in zijn borst van den alomzienden Kronioon Schranderen geest, wiens vrucht veel andere menschen bevoordeelt, Steden beveiligt hij ook, maar zelf doorziet hij het meeste. 735. Doch ik verlang het te zeggen, gelijk het mij dunkt dat het best is. Alom immers bedreigt, u omringend, het vuur van den oorlog; Velen der Trojers intusschen, den muur eerst overgetogen.

Gaan thans weg met de wapens, en anderen, minder in aantal Strijden zij tegen een grooter getal en verstrooid door de schepen.

731. Dezen versregel verwerpen sommigen, omdat hij in vele handschriften ontbreekt en als citaat van Zenodotos hier in zou gevoegd zijn. Maar vs. 636—638 vindt men, in een zelfde gedachteverband, toch ook zang en dans genoemd.

-ocr page 247-

233

740. Wijk dus weder terug en beroep dan alle de dappren

Hier, om te zaam te bedenken een allesbeslissenden raadslag, \'t Zij dat wij zullen bespringen de krachtig beriemde galeien, Zoo ons een god mocht gunnen verwinnende kracht, of ons veilig Weer van de schepen verwijdren; ik vrees toch zeer, de Achaiërs 7«. Zullen ons ruimschoots weer toewegen hun schade van gister, Wijl noch steeds bij de schepen die nimmer verzadigde krijgsheld Blijft, die zich toch niet gansch van den strijd zal blijven verwijdren.

Dus wat Poludamas zeide, en Hektor die woorden beamend, Sprong ineen oogwenk toen met zijn wapens ter aard uit den wagen, 750. Wendde zich haastig tot dezen en sprak de gevleugelde woorden:

— Gij, o Poludamas, ga en vereenig de dappersten herwaarts; Ik zelf ga daar ginds om den aanval tegen te houden;

Weldra keer ik terug als mijn hulp daar baatte tot redding.

Alzoo sprak hij en stormde, gelijk aan een sneeuwigen bergtop, 756. Luidkeels roepend en vloog door de scharen van Trojers en bondsvolk. Panthoös\' zoon den geduchten Poludamas volgden zy allen. Weldra samengestroomd, toen Hektors roepen hun toeklonk. Hektor spoedde zich voorts om Deïfobos, Helenos\' strijdkracht, Adamas Asios\' zoon, ook Asios Hurtakos\' afkomst 760, Onder de voorsten te zoeken, bedacht of hij ergens hen zien mocht. Maar geen vond hij er anders dan dood of getroffen doorwonden. Eenigen lagen er reeds bij de achterstevens der schepen Onder de doodende hand der Argeiërs beroofd van den adem. Anderen binnen den muur door de worpen gewond of de stooten. 765, Doch dra trof hij ter linker des tranenverwekkenden oorlogs Held Alexandres aan, schoonlokkige Heiena\'s gade.

Kloek zijn gezellen ten strijd aanvoerend en wekkend hun weerstand. Dicht hem genaderd begon hij en sprak de gevleugelde woorden:

— Ongeluks-Paris, in schijn slechts kloek, een verleider en wijfsgek, 770. Waar zijn allen gebleven, Deïfobos, Helenos\' strijdkracht,

Adamas Asios\' zoon, waar Asios Hurtakos\' afkomst,

Eedle Othruoneus ook? Thans is zij gestort van haar toppunt Ilios\' rijzige vest, thans treft ook u zei ven het noodlot.

Daarop zeide hem weder de godlijke held Alexandres: 775. — Hektor, schoon uw gemoed onscbuldigen treft met berisping, — Mocht ik voorheen somwijlen den oorlog schijnen te mijden,

Toch geen bloodaard is het aan welken mijn moeder het licht gaf. Want, zoo lang gij ten strijd bij de schepen de makkers bezieldet.

-ocr page 248-

234

Hebben wij hier ons geworpen te midden der Danaërscharen 780. Zonder te rusten; zij sneefden, de makkers naar welke gij vraagdet. Enkel Deïfobos keerde, en Helenos d\' edele heerscher,

Beiden verlieten het veld door de rijzige lansen getroffen,

Ieder gewond aan de hand; Zeus echter verhoedde hun noodlot. Gij dan voer ons ten strijd, waar \'t moedige harte u heenroept; 785, Wij, wij zullen u volgen, begeerig ten slag, en ik zeg u

Geenszins zal ontbreken de moed, zoo ver als de kracht reikt; Want niet boven zijn kracht, hoe vurig, vermag men te strijden.

Alzoo sprekende stilde de held het gemoed van zijn broeder. Snel dus gingen zij voort waar hevigst woedde het slagveld 790. Dicht om Kebriones heen en Poludamas, edelen strijder,

Falkes te zaam met Orthaios, den godlijken held Polufetes, Palmus, Askanios mede en Morus, Hippotioons zonen,

Vroeg in den vorigen dag van Askanië\'s kleiïgen bodem Hier tot vervanging gekomen; ten kamp deed Zeus er hen opgaan; 796. Allen nu togen zij voort, als een vlaag van geweldige winden, Ja, een orkaan die ter neder gestort door den donder Kronfoons Onder een schriklijk geraas zich vermengt met de zee en er rondom Op doet bruischen de golven van \'t wildrondklotsende zeenat, Krullend en schuimend gepluimd, als de golven zich dringen op golven; 800. Dus ook waren de Trojers, die dicht in gesloten geleedren, Blinkend in koperen dos daar volgden hun legerbestuurders. Hektor voerde de spits, als een menschenverdelgende Arcs, Priamos\' zoon; vóór hield hij zijn rondom welvenden beuklaar. Stevig met huiden belegd, in het ronde beslagen met koper; sob. Glanzend bewoog om zijn slapen de helm met de wapprende manen. Voorwaarts drong hij en zocht alom te beproeven de drommen. Zag of zij deinsden, terwijl hij gedekt door zijn schild er op toetrad; Maar in de borst der Achaiërs verwekte hij geene verwarring. Ajas met machtigen schred zich bewegende tartte hem aanstonds: 8io. — Schriklijke, kom nabij; wat dreigt gij met ijdel vervaren

Argos\' volken? Voorzeker wij zijn niet vreemd aan het krijgswerk. Maar Zeus\' drukkende geesel beklemde ons, mannen Achaia\'s. Zeker verwachttet gij wel in uw hart te verwoesten de scheepsvloot. Maar ook hebben wij handen gereed om u daar te bedwingen. 815. Eer noch zal er gewis uwe volkrijk bloeiende burgvest

Onder de handen der onzen bezwijken ten prooi aan verwoesting. Ook aan u zeiven verkond ik, de dag is na, dat gij vluchtend,

-ocr page 249-

235

Biddend uw handen verheft, Zeus Vader en d\' andere goden, Smeekend dat sneller dan valken uw rossen met glanzende manen 820. Over het warlende stof van de vlakte u dragen ter stadsvest.

Onder het uiten dier woorden verscheen aan zijn rechter een vogel, ^ Luchtdoorklievende arend, en luid, door het teeken bemoedigd. Juichte Achaia\'s heer; toen zei hem de glanzende Hektor:

— Ajas, ijdele snapper en dwaas, wat pocht gij vermetel.

825. Mocht ik zoo zeker een telg van den Aigisvoerenden Vader

Wezen, ten eeuwigen dage, een zoon van de heerschendc Hera,

Even geëerd als Athena de eere geniet en Apolloon,

Even gewis als ik heden aan Argos\' volk het verderf breng.

Allen, en tusschen hen laagt gij geveld, wanneer gij te tarten 830. Waagdet mijn machtige speer, die de teedere huid van uw lichaam Op zal rijten; dan zullen de honden en vogels van Troja Vreten uw vet en uw vleesch, als gij zinkt bij de vloot der Achaiërs.

Alzoo sprak hij en voerde zijn volk, en hem volgde zijn manschap Onder een heftig geschreeuw, weergalmd door de scharen van achter. 835. Ook de Argeiërs verhieven ter andere zijde hun kreten.

Wakker van moed, weerstaande den storm van de dappere Trojers. Weerszijds rees het geschreeuw naar Kronioons glanzenden ether.

-ocr page 250-

VEERTIENDE ZANG.

estors oor, al zat hij ten maal, ontging het geschreeuw niet, Maar tot Asklepios\' zoon klonk snel zijn gevleugelde toeroep: — Eedle Machaoon, denk, overleg, op wat wijze dit gaan zal; Heviger klinkt bij de schepen het schreeuwen der jeugdige manschap. Doch blijf gij nu zitten en drink van het vonkelend druifnat. Hier, tot het meisje bevallig van vlecht, Hekamede, de badstoof Warme en wasche het stof en geronnene bloed van uw wonden; Maar zelf zal ik mij haastig ten uitkijk spoeden en rondzien.

Alzoo sprak hij en nam in de tent den beslagenen beuklaar Blinkend van koper, het schild van zijn zoon, den bedwinger der rossen Held Thrasumedes, die zelf met het schild van zijn vader ten strijd ging. Daarna nam hij zijn sterke en vlijmend gekoperde werpspies. Plaatste zich buiten de tent en beschouwde den smaadlijken uitslag. Dezen verdreven ter vlucht, de vermetele Trojers van achter Jagend den warrenden hoop, en verbrijzeld den muur der Achaiërs. Zoo als de zee zich verdonkert met stompe geluidlooze golving, Wen zij den loeienden wind reeds voelt in zijn spoedenden aantocht. Deinende, maar noch zonder naar voren of achter te wentlen, Eer Zeus\' hand doet naadren den wind in beslissende richting; x Dus overwoog in zijn harte, in twijfel bewogen, de grijsaard \'t Zij zich te wenden ter schare der Danaërs snel met hun rossen, \'t Zij naar den herder der volken, naar Atreus\' zoon Agamemnoon. Dus overleggende scheen hem dat dit wel ware het raadzaamst

16—18. Meesterlijk waargenomen; als de gansche boezem der zee op en neer gaat, maar zich noch geene kantige baren en golfslag vormen.

-ocr page 251-

237

Atreus\' zone te zoeken. Geducht elkander verdelgend 25. Woedden de andren, en klonk om hun borsten het stevige koper Onder het treffen der zwaarden en dubbelsnijdende speerpunt.

Toen ontmoetten er Nestor de Zeus ontsprotene vorsten Weer van de schepen gekeerd, zoo velen het koper gewond had, Tudeus\' zoon en Odusseus en Atreus\' zoon Agamemnoon. 30. Ver van het slagveld toch, op het strand van den valuwen zeevloed, Waren hun schepen gesteld; want hooger en meer naar de vlakte Trok men die eerst hier landden; en langs hunne achterste stevens Hief zich de muur; daar \'t strand, hoe breed, niet konde bevatten Alle de schepen te zaam en er plaats ontbrak voor de heermacht. 35. Daarom lagen de schepen in rijen en vulden het zeestrand

Gansch in de breedte der bocht, zoo verre zij strekt tot de kapen. Derwaarts waren zij samen gegaan, op hun speren zich steunend, Waar op het woelen der strijders hun oog kon rusten, en smartvol Was hun het harte geroerd in de borst; thans vond hen de grijsaard 40, Nestor, en smartte op nieuw het gemoed der Achaïsche vorsten, \'t Woord tot hem richtende zeide de heerschende vorst Agamemnoon:

— Nestor Neleus\' zoon, gij heerlijke roem der Achaiërs,

Waartoe keerdet gij hier en verliet gij den moordenden oorlog? Hevig bevangt mij de angst, dat de vreeslijke Hektor vervuld heeft

45. Wat eens dreigde zijn woord in den raad van de Trojers gesproken. Niet eer hier van de schepen naar Ilios weder te keeren Eer hij ze alle verbrand en ons hier zou hebben vernietigd. Zoo heeft deze gezegd; en dit gaat nu wis in vervulling. Wee, ook \'t overig deel der Achaiërs met stevige scheenplaat so. Zal in zijn harte verstoord op mij zijn, niet min dan Achilleus, Zal zich van strijd onthouden bij d\' achterstevens der schepen. Daarop zei hem de grijze Gerenische wagenaar Nestor:

— Ja, zoo werd dit reeds voleind; geen andere wending Zou zelfs kunnen bewerken de dondrende Zeus in den ether.

55. Want reeds deden zij vallen den .muur dien wij zeker vertrouwden Ons en den schepen te wezen een ondoordringbare schutsweer. Steeds volharden zij noch bij de snelle galeien, de Trojers, Rusteloos; niet meer kunt gij het zien, hoe scherp gij er toezaagt, Welke de zij nu is waar worstelt het heer der Achaiërs; 60. Zoo valt alles vermengd, en ten hemel verheft zich de slagkreet. Laten wij echter bespreken op welk eene wijze dit gaan zal, Wen overleg noch baat; maar geenszins wil ik ten oorlog

\\

-ocr page 252-

238

Weder u drijven; de strijd valt immers gewonden te moeilijk.

Daarop zeide hem weder der volkeren vorst Agamemnoon: 65. Nestor, dewijl thans reeds bij de achterstevens de strijd woedt, Niets de geweldige bouw van den muur en de gracht ons gebaat heeft, Moeizaam zwoegend gemaakt door de Danaërs, welken wij meenden Ons en den schepen te wezen een ondoordringbare schutsweer, Wellicht schijnt het dan zóo den geweldigen Zeus te behagen, 70. Roemloos hier de Achaiërs te delgen en verre van Argos.

Want wel wist ik het, toen hij genegen de Danaërs bijstond, Maar thans weet ik het ook, dat hij andren als zaligen goden Eere verleent, óns echter de kracht en de handen geboeid heeft. Maar welaan en gelijk ik u zeg, dat gij allen gehoorzaamt, 75. Laten wij al onze schepen, het naast aan den oever gelegerd. Nemen en brengen ze vlot in het nat van den heiligen zeevloed, Dan in de opene zee ze met kabels bevesten, tot weder Nadert de godlijke nacht en de Trojers het strijden dan wellicht Staken; dan kunnen wij verder versieepen de andere bodems. Want nooit kan men het wraken te vlieden voor rampen, bij nacht zelfs. Beter te vlieden voor rampen dan zelf door een ramp te bezwijken.

Norsch tot hem opziend zeide de vindingrijke Odusseus: — Welk eene taal ontsnapte den wal uwer tanden, Atreide, Onheilsvolle! O mocht gij een andere smaadlijke heermacht Voeren, en óns niet wezen ten vorst, ons welken van jongs af Zeus toch gunstig verleende tot zelfs in de dagen der grijsheid Kloek te verduren liet wicht van den krijg, tot wij allen bezwijken. Zoudt gij dan waarlijk het meenen in ernst \'t breedstratige Troja Zoo te verlaten, om \'t welk wij verduurden een menigte onheils ? 90. Zwijg, dat er geen van de andren, bij \'t volk van Achaia, verneme Zulk eene taal, als er nooit uit den mond zou komen van iemand Wijs en ervaren genoeg om behoorlijke dingen te spreken, Wen, met den scepter bekleed, zoo machtige volken hem volgen, Zulke als welke gij leidt en beheerscht in de landen van Argos. 96. Maar thans moet ik uw geest, om het woord dat gij zeidet, berispen; Wildet gij \'t zóo ons gelasten, te midden van woelingen slagkreet. Onze galeien te sleepen naar zee, dat den Trojers de strijdkans Noch veel gunstiger worde, ofschoon reeds nauw ons beklemmend. Maar de verschriklijke dood ons treffquot;; want onze Achaiërs loo. Houden den strijd niet vol, zoo ónze galeien in zee gaan,

Maar rondziende met angst, zal ieder verlaten het strijdperk.

80.

85.

-ocr page 253-

239

Zoo wierd zeker uw raad, o bestuurder der volken, ons onheil. Toen antwoordde hem weder der volkeren vorst Agamenmoon:

— Hevig, Odusseus, trof mij het hart uwe felle berisping; los. Maar ik beval ook niet dat men tegen hun zin de Achaiërs

Zeewaarts zou doen trekken de schepen voortreflijk van roeibank. Laat vrij iemand komen die geve een beteren voorslag,

Zij het een jonge of oude; hij ware mij hartelijk welkom. Daarop zeide hem ook Diomedes geducht in den slagkreet: 110. — Zie, hier is die man, niet verre behoeft ,gij te zoeken.

Zoo gij mijn raad wilt volgen en niet hem versmaden uit wrevel, Üaarom wijl ik de jongste in leeftijd ben van u allen.

Maar van een edelen vader beroem ook ik mij te stammen, Tudeus, welken in Thebe de aarde bedekt in zijn grafterp. 1\\b. Portheus immers gewan zich een drietal edele zonen,

Welke in Pleuroon woonden en Kaludoons luchtige bergstad, Agrios was het en Melas en rossenbedwingende Oineus,

Vader des mijnen, van allen het hoogste geëerd om zijn deugden. Oineus bleef in zijn land, mijn vader belandde in Argos 120. Na veel zwervens, gelijk hem van Zeus en de goden bestemd was. Dan met een dochter gehuwd en het huis van Adrestos bewonend Vol van des levens behoeften, bezat hij er velerlei akkers, Graanvruchtdragende velden en rondom weligen ooftgaard.

Groot ook waren zijn kudden; de eerste van alle Achaiërs 126. Was hij als held met de speer; wel zult gij het weten, in waarheid. Daarom moogt gij, als waar\' ik gering van geboorte en krachtloos. Niet minachten het woord waarmee ik u raad tot uw welzijn. Komt, en ten strijde gegaan, al zijn wij gewond, en uit nooddwang; Laten wij daar dan zeiven ons houden bezijden het slagveld 130. Buiten der worpen bereik, en vermijden een nieuwe verwonding; Anderen zullen wij echter ten strijde bezielen, die vroeger \'t Matte gemoed toegevend den strijd piet konden verduren.

Alzoo sprak hij, en allen, met aandacht hoorend en volgzaam. Spoedden zich voort, aan hun hoofd de beheerscher des volks

[Agamenmoon.

135. Doch niet blindelings spiedde de loflijke schudder des aardrijks. Daar hij hen ging vergezellen, een ouderen strijder gelijkend; Zoo dan greep hij de rechter van Atreus\' zoon Agamemnoon, Sprak hem bemoedigend toe en hij zei de gevleugelde woorden:

— Atreus\' zoon, thans heft zich het wrevele hart van Achilleus

-ocr page 254-

240

140. Vast vol vreugd in de borst, nu hij ziet dat de zonen Achaia\'s Sneven en vluchten, dewijl zijn verstand volkomen verdwaasd is. Maar zoo moog\' hij vergaan en een god ten verderve hem voeren. Geenszins zijn u geheel gramstorig de zalige goden,

Maar noch zullen de leiders en legerbestuurders der Trojers us. Over het veld opdrijven het stof, en gij zult het aanschouwen Hoe zij naar Ilios jagen, gevlucht van de schepen en tenten.

Alzoo sprak hij, ter vlakte gestormd, luid heffend den slagkreet. Zoo, wanneer daar negen of tienmaal duizend de mannen Schreeuwen op \'t oorlogsveld, die zich menglen in stormenden

[aanval.

150. Dus ook klonk uit de borst van den machtigen schudder des aardrijks Daavrend de stem, en hij wekte bij eiken Achaiër den strijdlust Weer in het hart om op nieuw volhardend te voeren den oorlog.

Doch thans trof het de oogen der goudentronende Hera Toen op den top daar staande des hoogen Olumpos, en aanstonds 155. Had zij den drijver herkend in den mannenvereerenden oorlog, Hem, haren broeder en zwager, en vreugde vervulde haar boezem; Zeus ook zag zij, gezeten op \'t bronrijk Idagebergte Boven de rijzigste kruin, en van gramschap zwol haar de boezem. Dan overdacht de verheven godin grootoogige Hera 160. Hoe te bevangen den geest van den aigisvoerder Kronioon.

Deze gedachte nu scheen in haar harte de beste te wezen,

Zelf\' naar de Ida te gaan, nadat zij zich sierlijk getooid had, Of hare schoonheid soms hem verwekte het zoete verlangen Haar te omhelzen in minne; een zachten en koestrenden sluimer 165. Wilde zij dan op zijn oogen en schrandere zinnen verspreiden. Dus naar de slaapzaal ging zij, gebouwd door haar zone Hefaistos; Deze nu had aan de posten de stevige deuren bevestigd Sluitend met heimlijken sleutel, voor geen van de goden toeganklijk. Daarin trad zij en sloot er van binnen de blinkende deuren. 170. Eerst met ambrosia wiesch zij het minlijk bekorende lichaam Zuiver van iederen smet en zij zalfde het gansch met olijfsap. Zoeten ambrosischen balsem, bereid met bet geurende reukwerk; Nauwlijks rees in de woning van Zeus met haar koperen drempel Even die geur, of de aard en den hemel vervulde zijn wasem. 175. Hiermee zalfde zij gansch hare schoone gestalte, de haren

Kamde zij, vlechtte zich voorts met de handen de glanzige lokken. Schoon in ambrosische pracht, d\' onsterflijke slapen omgolvend.

-ocr page 255-

241

Dan om haar leden geplooid het atnbrosiesch gewaad, dat Athena Fijn voor haar werkte en rijk doorweefde met vele versiering; Voor aan de borst dan stak zij het vast met de goudene spangen, Snoerde zich boven de heupen den gordel met honderden kwasten; Hechtte de hangers zich ook in de gaatjes, gepriemd in het oorlid. Rijk door een drietal knoppen, in zachte bevalligheid glanzend. Schouders en hoofd omhulde de godlij ke aller godinnen Thans met de huive, de nieuwe en prachtige, blank als het

[zonlicht;

Ook aan de glanzende voeten bevestte zij \'t sierlijke schoeisel. Toen zij geheel aldus zich den tooi om de leden geschikt had. Spoedde zij voort uit de zaal; thans riep hare stem Afrodite, Ver van de andere goden verwijderd gezeten, haar zeggend:

— Zoudt gij, mijn lieflijke dochter, mij nu wel willen verleenen Wat ik u vrage, of zoudt gij het weigeren, wrevel gevoelend Wijl ik de Danaërs help, gij echter de Trojers verdedigt?

Daarop gaf Afrodite, de dochter van Zeus, haar ten antwoord:

— Hera, verheven godinne, geboorte des machtigen Kronos, Zeg het mij wat gij verlangt; en mijn hart zal gaarn het vervullen, Zoo ik het kan volvoeren en mogelijk is de vervulling.

Toen zei weer de vorstinne, de listenberamende Hera:

— Geef mij de min dan thans en het smachten door welke gij allen. Zoo onsterflijke goden als sterflijke menschen vermeestert.

Want naar het uiteind ga ik der alomvoedende aarde.

Ginds naar Okeanos, stam van de goon, en naar Tethus de moeder, Welke met liefde mij hebben gevoed en gepleegd in hun woning, Toen daar llhea mij bracht, toen Zeus, wijdschouwende heerscher, Kronos onder de aard en der zee onvruchtbaren bodem Neerwierp; derwaarts ga ik beslechten het eindeloos twisten. Want reeds lang elkander vermijdende zijn zij gescheiden Buiten der liefde verkeer, daar twist hunne harten vervreemd heeft. Mocht) ik hun harten bewegen door zacht overredende woorden Weer zich te zaam te vereenen in echtlijk verkeer en omhelzing. Altijd waar\' ik bij dezen geliefd en bejegend met eerbied. Daarop sprak Afrodite de glimlachlievende vriendlijk:

— Waarlijk het zou niet voegen u zulk een verlangen te weigren; Immers gij rust in de armen van Zeus de verhevenste godheid.

Alzoo sprak zij en maakte den gordel zich los van den boezem.

Sierlijk gestikt en die al de betoovering droeg van haar invloed;

-ocr page 256-

242

Welke den wellust droeg, het verlangend gesmacht, het verlokkend Minnegekoos, dat den geest der verstandigsten zelfs overmeestert. Dezen nu stelde zij quot;Hera ter hand en zij zeide de woorden:

— Daar, en verberg in het kleed van uw boezem den sierlijken gordel 220. Welke dit alles bevat; niet vruchteloos, durf ik te zeggen.

Keert gij terug, maar al wat uw geest overlegde bereikt gij.

Dus haar woord; zacht loeg de vorstin grootoogige Hera,

Toen zij den lieflijken gordel verborg in het kleed van haar boezem. Binnen haar woonzaal keerde de dochter van Zeus Afrodite. 225. Hera intusschen verliet, voortijlend, de kruin des Olumpos;

Over Piërië ging zij, Emathië\'s heerlijke landstreek.

Over de sneeuwige bergen der rossenbedwingende Thrakers, Boven de uiterste toppen; haar voeten beroerden den grond niet. Dan van den Athoos ijlde zij neer naar den golvenden zeevloed 230. Waar zij op Lemnos landde, de stad van den godlijken Thoas. Daar vond Hera den Slaap, wiens eigene broeder de Dood is; Dezen nu riep hare stem en zijn hand aanvattende sprak zij;

— Slaap, gij heerscher van alle de eeuwigen, alle de menschen. Zoo gij mij ooit volvoerdet mijn woord, o wil mij dan heden

236. Hooren, ik zal het in dank u ten eeuwigen dage vergelden.

Breng Zeus\' glanzende oogen in sluimering onder zijn wimpers, Aanstonds, wen ik in minne mij nevens hem neder gevleid heb. Daarvoor zal ik u schenken een nimmer verganklijken zetel Schoon en van goud, en mijn zoon de aan weerszij manke Hefaistos 240. Zal hem u maken met kunst, en den schemel er onder behoorend. Waar gij ten feestmaal zittend uw glanzende voeten op neerstrekt. Doch daartegen hernam de verkwikkende Slaap met de woorden:

— Hera, verheven godinne, geboorte des machtigen Kronos, Lichtelijk zou ik een ander der altijd levende goden

245. Doen insluimeren, zelfs den Okeanosstroom met zijn golven,

\'t Vloeiend gebied van den god die aan alles verleende zijn wording; Maar niet Kronos\' zoon Zeus waagde ik nader te komen Noch hem in sluimer te brengen, ten zij hij het zelf mij gelastte. Want reeds eenmaal heb ik geleerd bij hetgeen gij mij opdroegt, 250. Toenmaals, toen die stout hoogmoedige zoon van Kronioon, Delgend de Troïsche veste, van Ilios wedergekeerd was.

Toen toch heb ik den geest van den aigisvoerenden heerscher

250. Horakles.

cd

-ocr page 257-

243

Zacht met den slaap omzweefd; maar genen beraamdet gij onheil, Over de zeeën verwekkend den storm van de persende winden, 265, Waar gij hem voorts mee wierpt op het bloeiende Koïsche eiland. Ver van zijn vrienden. In toorn rees Zeus uit den slaap en de goden Zwaaide hij rond door zijn zaal, mij zocht hij het hevigst en zeker Wierp hij mij neer uit den ether in zee, onzichtbaar verzinkend. Zoo mij de Nacht niet redde, die goden en menschen beteugelt. 260. Daarheen vluchtte ik smeekend; en Zeus, schoon noode, bedwong zich. Want aan de spoedende Nacht ontzag hij zich leed te verwekken. Doch nu dringt gij mij weder een heilloos werk te bedrijven. Toen antwoordde hem weer grootoogige vorstlijke Hera:

— Slaap, hoe gaal gij dit alle» op nieuw in uw geest overleggen ? 205. Meent gij dat thans voor de Trojers de rondom schouwende god Zeus

Even geducht zou toornen als toen om zijn zone Herakles? Kom, van de Chariten zal ik u eene der jongsten verleenen, Neem en omarm haar in echt en zij worde uw gade geheeten. Laat het Pasithea zijn, die gij al uwe dagen begeerd hebt. 270. Alzoo luidde haar woord, en de Slaapgod zeide haar vreugdvol:

— Welaan, zweer het mij thans bij den Stux en zijn heilige waatren. Doe van uw handen de eene het alomvoedende aardrijk Kaken, de andere hand op de weemlende zee, en dat allen Zijn tot getuigen, de goden beneden om Kronos verzameld,

275. Hoe gij mij heilig belooft van de Chariten eene der jongsten. Deze Pasithea zelf die ik al mijne dagen begeerd heb.

Alzoo luidde zijn woord; de godin blankarmige Hera Zwoer hera gelijk hij verlangde en noemde de goden die allen Onder in Tartaros leven en dragen den naam van Titanen. 280. Toen, nadat zij hem zwoer en den eed volkomen gedaan had, Gingen zij Lemnos verlaten en mede de veste van Imbros, Beiden in nevels gehuld en met ijver hun gangen bespoedend. \'t Bronrijk oord van de Ida bereikten, zij, moeder van \'t boschwild, Lekton, waar voor het eerst zij verlieten de zee; op het vastland 285. Traden zij; onder hun voeten bewogen de toppen der bosschen. Daar bleef Slaap, dat de oogen van Zeus niet eer hem bespeurden. Hoog in een reuzigen pijn zich verbergende, welke op Ida Wies, door het luchtruim heen zijne kruin tot den ether verheffend; Daarin zat hij, bedekt door het dichte gewas van de naalden, 290. Gansch in gedaante gelijkend den krijschenden vogel der bergstreek, Chalkis genaamd bij de goden en onder de menschen Kumindis.

-ocr page 258-

244

Ijlings spoedde nu Hera zich verder naar Gargarons bergtop, Hoogste van Ida\'s kruinen, tot Zeus den bestuurder der wolken. Nauwlijks verscheen zij, of liefde bedwelmde zijn schrandere zinnen, 295. Even als toen zij het eerst elkander in minne omhelsden

Deelend de echtlijke sponde, hun dierbaren ouders verborgen. Aanstonds trad hij haar thans te gemoet en begon met de woorden:

— Hera, waartoe drijft het verlangen u hier van Olumpos? Paarden en wagen verzeilen u niet, die u konden vervoeren.

300. Daarop zei de vorstinne de listenberamende Hera:

— Ver naar het uiteind wil ik der alomvoedende aarde.

Voorts naar Okeanos, stam van de goón, en naar Tethus de moeder. Welke met liefde mij hebben gevoed en gekweekt in hun woning. Dezen verlang ik te zien en te slechten hun eindlooze tweespalt,

305. Want reeds lang elkander vermijdende, zijn zij gescheiden

Buiten der liefde verkeer, daar twist hunne harten vervreemd heeft. Maar mijne paarden, beneden het bronrijk Idagebergte Staan zij om over het land mij te voeren en over de waatren. Uwenthalve begaf ik mij thans hierheen van Olumpos,

3io. Wijl het misschien daarna zou wekken uw toorn, als ikheimlijk Ging naar het huis waar diep in zijn bedding Okeanos zetelt. Daarop zeide haar Zeus de verhevene wolkenbestuurder:

— Hera, derwaarts kunt gij uw tocht wel later vervolgen, Kom, en ons eerst op de sponde verheugd in der liefde omarming.,

^15. Want nooit heeft mij de liefde van eenige vrouw of godinne

Zoo het gemoed in de borst overstroomd en mij gansch overweldigd; Niet zoo toen ik mijn liefde bewees aan de vrouw van Ixioon, Welke Peirithoös baarde, den goden gelijkend in doorzicht;

Niet zoo Danaë, \'t kind van Akrisios, sierlijk van enkels, 320. Welke mij Perseus baarde, den heerlijksten onder de helden; Noch het bekoorlijke meisje des verre geprezenen Foinix,

Welke mij Minoos droeg en den godlijken held Rhadamanthus; Noch toen Semele liefde mij schonk, en Alkmene in Thebe,

Deze de moeder geworden des dappergezinden Herakles, «25. Semele, welke mij baarde des menschdoms vreugd Dionusos;

Noch by de liefde der eedle, bevallig gelokte Demeter,

Noch de omhelzing vnn Leto, de loflijke, noch van u zelve; Zoo als ik ü thans min en het zoete verlangen mij aandrijft. Daarop zei de vorstinne, de listenberamende Hera: 330. — Kronos\' geweldige zoon, welk woord ontvlood uwe lippen!

-ocr page 259-

245

Zoo uw verlangst nu is om te rusten in liefdesomhelzing Boven op Ida\'s kruin, waar alles in \'t ronde gezien wordt,

Denk, wat zoude het zijn, als ons een van de eeuwige goden Daar zag rusten, en ging het aan alle de goden vermelden? 336. Waarlijk, ik zou niet meer naar uw woning durven te keeren. Dus van uw rustbed rijzend; dat zou niet voegen in waarheid. Maar wanneer gij het wilt en het dus door uw harte begeerd wordt. Zie, eene slaapzaal hebt gij, gebouwd door uw zone Hefaistos, Welvoorzien aan de posten van stevig getimmerde deuren. 340. Laten wij daar gaan rusten, nu liefde uw hart er toe aandrijft. Daarop zeide haar Zeus de verhevene wolkenbestuurder:

— Hera, vrees thans niet dat van goden of menschen ons iemand Hier mocht zien, zoo zal ik u gansch in een nevel omhullen Stralend van goud, en door welken ons zelfs niet Helios zien zou,

345. Hij, wiens vlammende blik toch scherp door alles zich heendringt. Zoo sprak Kronos\' zoon, en zijn armen omvatten zijn gade; Onder hen groeide het jonge gewas uit de godlijke aarde. Lieflijke krokos, en lotos bepareld met dauw, hyacinthen Dicht van gebloemte en zacht, dreef welig de aarde te voorschijn. 350 Daar op rustten zij beiden, omhuld van een glanzenden nevel Stralend van goud, en er drupte een blinkende dauw op hen neder.

Alzoo sluimerde rustig de Vader op Gargarons bergtop. Zwijmend van liefde en slaap, zijne gade omvat met zijn armen. Maar de verkwikkende Slaap ging thans naar de vloot der Achaiërs :iB5- Snel het bericht meêdeelen den aardrijkschudder Poseidoon;

Dezen dan trad hij ter zijde en sprak de gevleugelde woorden:

— Wil thans gunstig uw hulp aan de Danaërs leenen, Poseidoon, Geef hun de zege, een poos althans, zoo lang op zijn rustbed Zeus noch ligt, dien ik hulde in zoeten bedwelmenden sluimer; Hera heeft hem verlokt haar in liefdesverkeer te omhelzen.

Alzoo sprak hij en vloog naar de loflijke menschengeslachten. Maar hij bewoog hem te mser om den Danaërs hulp te verleenen. Aanstonds sprong hij naar voren en klonk aan de spits zijne roepstem:

— Zullen wij dan, o Argeiërs, de zege vergunnen aan Hektor

346—351. Dit schitterende gedeelte is noch een overblijfsel van de oorspronkelijke mythische, kosmogonische voorstelling, de voortbrengende kracht dei-natuur. Maar reeds is hier de mythe poëzie of liever dichtspraak geworden; de kosmogonische zin vervangen door overdracht op het persoonlijke (in menschenvormen).

-ocr page 260-

246

366. Priamos\' zoon, en de schepen hem laten verwinnen en krijgsroem? Zoo toch luidt zijne taal, zoo pocht hij, omdat zich Achilleus Noch bij zijn ruime galeien bevindt, volhardend in wrevel;

Maar dien zullen wij wel zoo erg niet missen, indien wij Allen ons krachtig verweren en trouw elkander beschermen. 370. Welaan dan, en gelijk ik u zeg, en gij allen gehoorzaamt;

Thans onze schilden gekozen, de beste en grootste in \'t leger, Voorts ons het hoofd overdekt met den rondom stralenden strijdhelm. Wijders de krachtigste speren gezocht en gezwaaid in de vuisten, Alzoo trekken wij op; ik voer u, en waarlijk ik zeg u 375. Hektor Priamos\' zoon, hoe stout, zal nimmer bestand zijn.

Iedere strijdbare man, in \'t bezit van een lichtere rondas Geve die liever den zwakke en kieze een steviger beuklaar.

Alzoo sprak hij en allen met aandacht luisterend volgden. Trots hun verwondingen schikten de koningen zeiven hun heerschaar, 380. Tudeus\' zoon Diomedes, Odusseus, vorst Agamemnoon;

Alom gingen zij rond om de betere wapens te ruilen.

Gaven de stevigste wapens den dapperen, slechtre den zwakken. Dan, als zij zeiven de leden in \'t blinkende koper zich hulden. Trokken zij op; hen geleidde de aardrijkschudder Poseidoon, 385. Zwaaiend met wichtige vuist het verschriklijke puntige slagzwaard. Hel als des bliksems vuur, waarmee in den hevigen veldslag Niemand waagt zich te meten; de schrik reeds houdt ze verwijderd. Ginds werd Troja\'s volk door den schittrenden Hektor geordend. Weerszijds spanden nu beiden des oorlogs vreeslijken uitslag, 390/ Hier Poseidaoon, donker van lok, daar glanzende Hektor,

Deze de Trojers beschermend, en gene de scharen van Argos. Golvend klotste de zee bij de tenten en vloot der Argeiërs; Onder een heftig geschreeuw nam weder hot treffen een aanvang. Niet zoo bulderend botsen de golven der zee op de kusten 395. Wen uit de opene zee ze de loeiende Boreas opjaagt;

Niet zoo is het geraas van den knetterend vlammenden vuurgloed Tusschen de dalen des bergs als hij rijst om de bosschen te talaken; Noch de orkaan wanneer om de rijzige kruinen der eiken Loeit zijn geweldig getier, losbrekend met persenden aamtocht; 400. Zoo als er rees het geschreeuw van de Trojers en zonen Achaia\'s, Toen zij den slagkreet hieven terwijl zich vermengden hun drommen.

Aanstonds mikte op Ajas de schittrende Hektor zijn wapen. Toen hij zich tegen hem wendde, en geenszins miste zijn speerworp;

-ocr page 261-

247

Daar waar over het midden der borst twee riemen zich spannen, 405 Een van het schild, en de ander van \'t zwaard met de zilveren knoppen, Trof hij hem; dezen beschutten zijn lijf; doch Hektor, verbitterd Wijl hem de puntige speer uit zijn hand daar nutteloos heenvloog, Week in de schaar zijner makkers terug om te mijden het noodlot. Doch Telamonios Ajas, de krachtige, wierp hem een keisteen 410. Na, bij zijn wijken, van welke, als stutten der snelle galeien. Daar eene menigte lag voor de voeten gerold van de strijders; Daarvan greep hij er eenen en raakte hem over den schildrand Tegen de borst bij den nek, dat hij draaide in \'t rond als een drijftol. Zoo als een eik door de slagen van Zeus ontworteld ter neer stort, 415. Wen uit den stam oprijst ontzaglijke reuk van den sulfer;

Dan voelt ieder zich wel ontzinken den moed, die het dichtbij Zien zou, want ontzetting verwekt de geweldige Dondraar. Dus ook stortte op eens in het stof de vervaarlijke Hektor.

Eerst ontglipte de speer aan zijn hand, dra volgden zijn beuklaar, 420. Nevens den helm, om het lijf weerklonk zijn gekoperde rusting. Luidkeels schreeuwende stormden de zonen Achaia\'s om ijlings Hektor mede te sleepen en wierpen een menigte speren. Niemand kon nochtans den gevallenen volkerenherder Treffen, met worp noch stoot, want rondom waakten de dappren, 425. Reeds aan zijn zijde, Aineias, Poludamas, eedle Agenor,

Treflijke Glaukos meê en Sarpedoon Lukië\'s veldheer.

Ook van de andren verzuimde er geen met de welvende schilden Over hem heen hem te dekken; dan hieven zijn trouwe gezellen Snel den gevallene op en zij brachten hem buiten het slagveld, 430. Waar zijne schielijke rossen hem achter het woelen der strijders Stonden te wachten, te zaam met den menner en blinkenden wagen ; Dezen nu voerden hem straks zwaar steunende heen naar de veste.

Toen zij nu echter de voorde der heerlijke strooming bereikten \'t Water des wielenden Xanthos, van Zeus d\' onsterflijken stammend, 435 Legden zij daar uit den wagen hem neer, hem met water besprengend; Even herkreeg hij den adem en opende weder de oogen.

Zat op zijn knieën en zwart ontgudste het bloed aan zijn lippen. Doch weer rugwaarts viel bij ter aard, en het nachtelijk duister Zonk op zijn oogleên neer; noch was hij bedwelmd van den steenworp. 440. Maar zoodra de Argeiërs het wijken bemerkten van Hektor, Gingen zij feller de Trqjers te lijf en zij gloeiden van strijdlust. Ajas stormde het eerst, snelvoetige zoon van Oïleus,

-ocr page 262-

248

Satnios tegen en sloeg hem een wond met zijn puntige werpspies, Enops\' zoon; aan zijn vader, aan d\' oevers der Satnioeïs 445. Weidend zijn runderen, had hem gebaard een bekoorlijke stroomnimf. Dezen nu trof toestormend de speerheid, zoon van Oïleus,

Diep in het weeke des buiks, en hij tuimelde ■ al om hem henen Mengden in hevigen strijd zich de Trojers en Danaërs samen. Maar tot bescherming spoedde Poludamas, zwaaier der speren, 450. Panthoös\' zoon; rechts trof hij den schouder van held Prothoënor Areïlukos\' zoon, dat de duchtige lans er door hoen ging,

Zoo dat hij zonk in het stof en zijn hand aan de aarde zich vastgreep. Luidkeels schreeuwende deed nu Poludamas juichend den uitroep:

— Waarlijk, den moedigen zone van Panthoös zwierde de werpspies 455. Niet te vergeefs, naar ik meen, uit de wichtige vuist die ze voortwierp,

Doch in zijn lichaam draagt een Argeiër ze mede; en zeker Daalt hij op\' deze geleund in de woning van Aides neder.

Alzoo sprak hij en bitter verdroot zijn gejuich de Argeiërs, Maar het bewoog op het hevigst het hart van den moedigen Ajas 460. Telamoons zoon; want dicht aan zijn zij viel daar de gewonde. Snel dus wierp hij hem na, nu hij week, met zijn blinkende speerschacht. Schoon nu Poludamas zelf ontweek aan het duistere sterflot. Haastig ter zijde gesprongen, Archelochos zoon van Antenor Wondde de speer, want dezen bestemden de goden het onheil. 465. Doodelijk trof hem de punt waar schedel en nek zich vcreenen, Tegen den bovensten wervel en kliefde er beide de spieren. Zoo dat hem eerder het hoofd en de mond en de neus op het aardrijk Tuimelden, voor dat zijn beenen en knieën den bodem beroerden. Luid klonk Ajas\' stem nu den eedlen Poludamas tegen: 470. — Welaan, denk eens na, o Poludamas, zeg mij de waarheid. Was die man niet waardig te vallen voor held Prothoënor?

Geen onedele schijnt hij voorwaar, geen lage van afkomst.

Zeker een eigene broeder des rossenbedwingers Antenor,

Wellicht was het zijn zoon; wel scheen hij hem na in verwantschap. 440. Alzoo sprak hij, hem kennend; en smartelijk trof het de Trojers. Akamas sloeg met zijn speer den Boiotiër Promachos neder. Warend om \'t lijk van zijn broeder dat Promachos trok bij de voeten. Luidkeels schreeuwende deed thans .Akamas juichend den uitroep:

— Schutters van verre, Argeiërs, gij nimmer van dreigen verzadigd, 480. Ha, niet óns alleen zal moeite en jammer bestendig

Treffen; en eens ook hebt gij als deze den dood te verwachten.

-ocr page 263-

249

Ziet maar, hoe daar rustig uw Promachos thans door mijn

[speerworp

Slaapt, dat mijns broeders wraak niet lang van de straf der vergelding

Ware beroofd; zoo wenscht ook ieder gewis in zijn woning 485. Noch een verwant te bezitten, die na hem beteugle den krijgsgod. Alzoo sprak hij, en bitter verdroot zijn gejuich de Argeiërs, Maar het bewoog op het hevigst Peneleos\' edelen boezem. Akamas stormde hij tegen, die echter den dapperen koning Niet afwachtte; hij trof nu Ilioneus, zoon van den rijken 490. Wolveetelenden Forbas, bij Troja\'s volk door Hermeias Verre het meeste geliefd en met velerlei have gezegend.

Enkel Ilioneus schonk hem zijn gade, een eenigen stamzoon. Dezen nu trof hij het oog in de holte beneden de wenkbrauw. Stootte den oogbal uit, en de punt doorboorde de oogkas, 495. Splijtend den schedel van achter; zoo zat hij en beide de handen Breidde hij uit; toen snel ontblootend de snijdende zwaardkling Hieuw hem Peneleos dwars door den hals, en zijn hoofd met den

[strijdhelm

Tuimelde neer op den grond; noch bleef de geweldige werpspies Vast in het oog; dan hief hij de speer met het hoofd als een

[maankop,

600. Toonde het zoo aan de Trojers en sprak met een juichenden uitroep: — Meldt dit, Trojers, en zegt aan Ilioneus\' vader en moeder Thans om hun schittrenden zoon in hun huis te verheffen de

[rouwklacht.

Promachos\' vrouw zal ook haren gade, den zoon Alegenors,

Niet meer welkom heeten met vreugd, wanneer wij van Troja sob. Eens weer zullen vertrekken, wij bloeiende mannen Achaia\'s.

Alzoo sprak hij, en allen gevoelden den schrik in hun leden. Elkeen zag in het rond, waar \'t wreede verderf te vermijden.

Meldt het mij thans, o Muzen, d\' Olumpische zalen bewonend. Wie der Achaiërs het eerst zich den bloedigen buit van de strijders 610- Won, toen weder de schudder der aard deed keeren de krijgskans. Ajas Telamoons zoon trof Hurtios \'t eerst met zyn werpspies, Gurtias\' telg, een bestuurder van Music\'s moedige heerschaar; Falkes en Mermeros roofde Antilochos beiden hun rusting; Onder Meriones sneefden Hippotioon wijders en Morus; 515* Teukros gaf Perifetes en Prothoöon beiden den doodslag;

-ocr page 264-

250

Atreus\' zoon trof voorts Huperenor den volkerenherder Onder in \'t weeke des buiks, en de spits de geweiden verscheurend Sneed er geheel doorheen; uit de opengereten verwonding Vlood hem het leven terstond en het duister bedekte zijn oogleên. 520. Maar het geduchtst trof Ajas, de snelle, de zoon van Oïleus, Geen toch dezen gelijk om met vliegenden voet te vervolgen Siddrende strijders, als Zeus er de vlucht eens onder gewekt had.

-ocr page 265-

VIJFTIENDE ZANG.

T

_L oen zij nu weer door de palen en gracht been waren getogen, Vliedend, terwijl er een tal door de handen der Danaërs neerzonk. Staakten zij daar hunne vlucht, stand houdende nevens hun wagens. Bleek van de vrees die heu joeg; toen rees op de kruinen der Ida Zeus uit den slaap aan de zijde der goudentronende Hera.

Toen, zich verheffende, zag hij de Trojers en \'t volk der Achaiërs, Genen verdreven ter vlucht, daar achter de scharen van Argos Jagend den warrenden hoop, en met dezen den koning Poseidoon. Hektor, daar op het veld neerliggende, zag hij, en rondom Zaten zijn makkers; bezwijmend, met moeielijk hijgenden adem Spuwde hij bloed; hem verwondde de zwakste ook niet der Achaiërs. Deernis gevoelde, hem ziende, de Vader der menschen en goden; Dreigend van blik en verbitterd begon hij te spreken tot Hera: — Wis onttrok boosaardig uw list, hardnekkige Hera,

Hektor den godlijken held aan den strijd en vervaarde de volken. Maar wie weet of gij niet van uw listig beramende boosheid Weder het eerst zult plukken de vrucht en mijn geesel u slaan zal. Heugt het u niet dat gij hoog daar hingt en ik bond aan uw voeten Twee aambeelden, een gouden en Onverbreekbaren kluister Sloeg om uw handen ? En gij, in het midden van ether en wolken Hingt gij; de goden verkropten hun wrok op den grooten Olumpos, Maar geen dorst tot bevrijding u naderen, wien ik er aangreep Sleurde ik weg van den drempel en zwierde hem voort dat hij machtloos Viel op de aarde; en toch zelfs zoo niet werd mij de boezem Vrij van de eindlooze smart om den godengelijken Herakles, Dien gij door middel der stormen, met Boreas\' adem tot bijstand, Onheil broedende zondt op der zee onvruchtbare vlakten.

-ocr page 266-

252

Waar gij hem eindelijk wierpt op het bloeiende Koïsche eiland. Doch ik verloste hem weder van daar en ik deed hem teruggaan •\'io. Naar \'t rosvoedende Argos, ofschoon na velerlei rampspoed.

Deze herinnering wek ik opdat gij uw listige streken Na inoogt laten en zien of u baatte de liefdesomarming Waar gij, de goden verlatend, mij hier mee wildet bedriegen. Alzoo luidde zijn woord, de godin grootoogige Hera 35. VVerd ontsteld en zij zeide hem toen de gevleugelde woorden:

— Moge de aarde het weten en \'t wijd uitspansel des hemels, Zij het den stortenden stroomen bekend van den Stux, dat de grootste, Schriklijkste eed wel is, dien de zalige goden bezweren,

Ook uw geheiligde hoofd en het bed waar eens onze jonkheid 40. Vierde haar echt, waarbij ik een eed niet valschelijk doen zou; Niet ik heb het gelast dat de aardrijkschudder Poseidoon Kwaad aan de Trojers en Hektor bedreef cn de anderen bijstond. Wellicht echter beweegt zijn gemoed hem en eigene aandrift. Wijl het hem deert de Achaiërs geteisterd te zieu bij de schepen. 45. Veeleer zoude ik zelf hem met heilzame woorden vermanen Daar, o donkerbewolkte, te gaan waarheen gij hem opriept.

Dus haar woord; zacht lachte de Vader der menschen en goden; Daarna sprak hij haar toe en hij zei de gevleugelde woorden:

— Zoo gij voortaan dan slechts, grootoogige vorstlijke Hera, so Eendergezind als ik zelf daar zeteldet onder de goden.

Zou Poseidaoon vast, al mocht hij ook anders geneigd zijn, Spoedig zijn inzicht voegen naar uwe en mijne begeerte.

Zoo gij dit echter in ernst dus meendet en zeidet naar waarheid. Ga dan thans naar der goden geslacht en beveel er dat Iris 65. Gindsheen ga, vergezeld van den loflijken schutter Apolloon. Zeg dat zij ga naar het heer van de kopergedoste Achaiërs, Daar tot Poseidoon spreke, den vorst, en hem doe de vermaning Buiten den strijd zich te houden en weer naar zijn woning te keeren; Foibos Apolloon wekke op nieuw dan Hektor ten kampstrijd, 60. Weder met kracht hem bezielend en doe hem vergeten zijn smarten, W^elke hem thans in zijn ziele bekommeren, maar de Achaiërs Drijve hij weder terug met de machtlooze vlucht hen bezoekend; Laat zich het vliedende volk op de krachtigberiemde galeien Storten van Peleus\' zoon; die zal zijnen makker Patroklos 65. Op doen staan, dan doodt hem de speer van den glanzenden Hektor Dicht vóór Ilios\' veste en velen der bloeiende manschap

-ocr page 267-

253

Slaat hij, en onder die mannen mijn telg den verheven Sarpedoon. Hierop toornende wreekt zich op Hektor de eedle Achilleus. Daarna zal ik verleenen dat sinds dien tijd en voor immer 70- Weer van de schepen zij vluchten voor goed, tot het heer der Achaiërs Ilios\' rijzige vest door den raad van Athena vermeestert.

Maar niet eerder bedaar ik mijn toorn, niet eerder vergun ik Eenen der eeuwige goden den Danaërs hulp te verleenen,

Voor dat aan Peleus\' zoon zal worden vervuld zijn verlangen, 75. Zoo als ik eens hem beloofde en gunstig mijn hoofd het hem toewonk, Toen mij de godlijke Thetis bezocht en omvatte mijn knieën, Smeekend om eere te doen aan den stedenverwoester Achilleus.

Dus Zeus\' woord; de godin blankarmige Hera het volgend, Spoedde van Ida\'s gebergte zich voort naar den grooten Olumpos. so. Even als snel zich beweegt de gedachte des menschen die alom Keisde door menige streek en bedenkt met ervarene zinnen: „Daarheen zoude ik willen, of ginds,quot; en zich velerlei voorneemt; Zoo, vol drift, vloog daar door de ruimte de vorstlijke Hera; Toen, op den steilen Olumpos verschijnende, vond zij vergaderd 85. Binnen de zale van Zeus d\'onsterflijke goden; en allen.

Toen zij haar zagen, verrezen en heetten met bekers haar welkom. Anderen liet zij ter zijde, van Themis bekoorlijk van wangen Nam zij de drinkschaal aan, wijl deze haar \'t eerst te gemoet kwam, Welke haar snel toesprekend nu zei de gevleugelde woorden: 90. — Waartoe, Hera, uw komst? Wel schijnt het of schrik u ver-

[vaard heeft.

Vast heeft Kronos\' zoon, uw gemaal, zoo zeer u beangstigd. Daarop sprak de godin blankarmige Hera ten antwoord:

— Doe geen verdere vragen, o godlijke Themis, gij weet wel Welk een geweldigen aard hij bezit, onzacht en vermetel.

95. Vang het gezamenlijk maal in de zaal thans aan met de goden. Dan ook zult gij die zaken met alle. de eeuwigen hoorea,

Wat al jammeren Zeus ons verkondt. Niet lichtelijk, denk ik, Zal zich het harte van ieder gezaamlijk verheugen, bij menschen Noch onsterflijkeu, wie er tot heden ook vroolijk ten maal zat. ion. Alzoo sprekende zette de vorstlijke Hera zich neder.

Maar in de zale van Zeus was ieder bedrukt; met de lippen Lachte zij, maar geen vreugde vertoonde zich over het voorhoofd Boven de donkere brauwen; tot allen begon zij verbitterd:

— Dwazen, te zinneloos zijn wij op Zeus in ons harte verbeten,

-ocr page 268-

254

105. Zoo wij ons verder bemoeien hem tegen te gaan, in zijn aanzicht, Zij het met woord of geweld. Ver is hij en niets dat hem deernis Geeft of bezorgdheid; immers van al d\'onsterflijke goden Waant hij zich zonder gelijke, den hoogsten in sterkte en almacht. Duldt dan, boe veel kwaad hij aan ieder der onzen ook toezond, 110. Reeds toch werd. als ik meen, veel jammer aan Ares berokkend; Want op het slagveld viel zijn Askalafos, dezen het dierbaarst Onder de menschen, de man dien de schriklijke Ares zijn zoon noemt.

Alzoo luidde haar woord, maar Ares sloeg zijne handen Neer op de krachtige heupen en deed weeklagend den uitroep: U5. — Duidt het mij thans niet euvel, Olumposbewonende goden. Zoo ik tot wraak van mijn zoon mij begeef naar de vloot der Achaiërs, Zelfs al wilde mijn lot dat de donder van Zeus mij ter neer sloeg Nedergestrekt in het bloed en het stof in het midden der lijken. Alzoo luidde zijn woord en hij gaf aan de Vrees en Verschrikking 120. Last zijne paarden te tuigen en doste zijn schittrende rusting. Thans zou heviger noch en verwoeder dan immer te voren Tegen der eeuwigen kring ontstaan Zeus\' wrevel en wraakzucht. Ware Athena in haast, vol kommer om alle de goden.

Niet uit de.deur ontsneld, van den zetel geijld dien zij innam. 125. Toen onttrok zij den helm van zijn hoofd en het schild van zijn

[schouders.

Zette de koperen speer, ontrukt aan zijn krachtige handen. Weder ter zij, en bestrafte haar woord den geweldigen Ares: — Razende, buiten uw zinnen, gij ylt ten verderve; tot hooren Hebt gij uw ooren vergeefs, gij verloort uw verstand en uw schaamte. 130. Hoort gij het niet wat zegt de godin blankarmige Hera,

Welke zoo even van Zeus den Olumpiër immers terugkwam? Wilt gij dan zelf straks weder de mate van jammeren vullend, Keeren ten hoogen Olumpos, met smart, maar zwichtend uit

[nooddwang,

Doch aan de anderen allen een schriklijken jammer bereiden? 135. Aanstonds zoude hij immers de Trojers en dappre Achaiërs

Laten en gaan ten Olumpos om hier ons te toonen zijn gramschap. Grijpende elk op zijn beurt of zij schuldigen waren of schuldloos. Daarom raad ik u thans uwen toorn om uw zoon te bedwingen. Menige toch, wel grooter dan deze in macht en in vuistkracht, i io, Zonk reeds neder of zal noch sneuvelen; immers bezwaarlijk

Valt het van alle de menschen te redden de zonen en afkomst.

-ocr page 269-

255

Alzoo sprak zij en wees den geweldigen Ares zijn zetel. Middelerwijl deed Hera nu buiten de zale Apolloon Komen, en Iris de bode en middelares van de goden; 14b. Dezen verkondde zij thans, het gevleugelde woord tot hen sprekend:

— Zeus geeft last dat gij beiden ten spoedigste gaat naar de Ida; Voorts als gij ginder verschijnt en het aanzicht schouwt van Kronioon, Brengt er wat deze u dan zou mogen bevelen ten uitvoer.

Alzoo luidden de woorden der vorstlijke Hera, en keerend 150. Nam zij haar plaats op den troon; snel vlogen zij beiden ter afreis, \'t Bronrijk oord van de Ida bereikten zij, moeder van \'t boschwild. Waar zij op Gargarons hoogte den alomzienden Kronioon Zetelend vonden; en gansch overdekten hem geurige nevels. Naderend stonden zij stil voor den wolkenbesturenden heerscher; 155. Toen hij hen zag ontstak in zijn hart ook geene verstoordheid, Wijl zij terstond volvoerden den last zijner dierbare gade.

Daarop sprak hij tot Iris het eerst de gevleugelde woorden:

— Ga, snelzwevende Iris, en spoed u ten koning Poseidoon, Meld hem dit alles en wees geen bode van ijdele woorden:

ifio. Geef hem bevel dat hij niet in het strijden zich meng\' en den oorlog. Maar tot der eeuwigen kring weer ga of ten heiligen zeevloed. Zoo hij mijn woord niet volgt, doch daarop geenerlei acht slaat. Laat hij het verder in geest en gemoed dan wel overwegen, Hoe ontzaglijk hij zij, dat hy nooit mijn naadrenden aangreep 105. Zou weerstaan, want verre de machtigste zeg ik te wezen.

Ook in geboorte de eerste; en toch ontziet zich zijn trotschheid Niet zich gelijke te noemen van mij, schoon allen mij duchten.

Alzoo sprak hij, en Iris met windsnel zwevende voeten Hoorde en ijlde van Ida\'s gebergt naar het heilige Troja. 170. Zoo, wanneer uit de wolken de sneeuw of de ijzige hagel

Vliegt, door den adem gedreven van Boreas, telg van den ether, Zoo voortstormende vloog door de ruimte de vluchtige Iris.

Dicht aan zijn zijde getreden begon zij ten schudder des aardrijks:

— Kondschap kom ik u hier, zwartlokkige aardeomvatter,

175. Brengen, gezonden van Zeus, van den aigisvoerenden heerscher. Deze beveelt dat gij niet in het strijden u mengt en den oorlog, Maar tot der eeuwigen kring weer gaat of ten heiligen zeevloed: Zoo gij zijn woord niet volgt, doch daarop geenerlei acht slaat. Heeft hij gedreigd dat iiij zelf, om u strijdende tegen te stormen, iso. Herwaarts gaan zal; doch hij vermaant dat gij liever zijn handen

-ocr page 270-

256

185.

Stil ontwijkt, want verre de machtigste zegt hij te wezen, Ook in geboorte de eerste; en toch ontziet zich uw trotschheid Niet zich gelijke te noemen van hém, schoon allen hem duchten. Daarop zei haar verstoord de geprezene schudder des aardrijks:

— Waarlijk! het is, hoe machtig hij zij, hoogmoedig gesproken. Mij hem in eere gelijk, mijns ondanks tegen te houden.

Want drie broederen zijn wij, die Rhea aan Kronos gebaard heeft, Zeus, ik zelf en ten derde ook Aides, vorst van het schimrijk. Zoo viel alles in drieën en elk had deel in de eere;

Mijn lot werd het voor eeuwig de valuwe zee te bewonen.

Toen wij het lot er om trokken, en Aides \'t nevelig nacht rijk. Maar Zeus\' deel werd \'t ruim van den hemel in ether en wolken; Allen gemeen bleef echter de groote Olumpos en \'t aardrijk. Geenszins voege ik dus mij naar Zeus, maar blijve hij rustig. Welke zijn kracht ook zij, in het derde hetwelk hem beschikt is. Ureige hij ook met zijn handen mij niet, als een nietigen bloodaard. Beter gewis zou \'t zijn, dat hij tegen zijn dochters en zonen Toornt met berispende woorden, de kindren hem zeiven geboren, Welke gehoorzaam zeker zijn last wel volgen uit noodzaak.

Doch hem ten antwoord zei hem de windsnel zwevende Iris:

— Moet ik dan werkelijk zoo, zwartlokkige aardeomvatter,

Zeus gaan melden het stoute en heftige woord dat gij uitspraakt, Dan wel keert gij uw zin? Ook edelen keeren hun inzicht. Immers, gij weet het dat steeds de Erinuen ouderen bijstaan.

Daarop zeide haar weder de aardrijkschudder Poseidoon:

— Godlijke Iris, het woord dat gij spraakt is recht en behoorlijk; Heilzaam is het voorwaar, als een bode het voegzame inziet. Maar in mijn hart en mijn ziel kwam zulk eene bittere droefheid Nu hij zijn evengelijke, beschikt voor een zelfde bestemming, Trotsch zou willen beschimpen en kwellen met grimmige woorden. Maar, schoon toornig, ik zal toch thans toegeven voor ditmaal; Echter verklaar ik u dit en bedreig het in vollen gemoede. Zoo hij verwijderd van mij en de krijgsbuitschenkster Athena, Buiten den raad van Hermeias, den ^ieerscher Hefaistos en Hera, Ilios\' rijzige veste verschoont en hij niet haar verwoesting Zoude gedogen en geven verwinnende kracht den Argciërs,

Wete hij dit, dat ons hart zal voeden een eindlooze gramschap.

Dus Poseidaoons woord en het volk der Achaiërs verlatend Daalde hij neer in de zee, en het smartte den helden Achaia\'s.

190.

195.

200.

205.

310.

215.

-ocr page 271-

257

Daarop richtte zich Zeus de bestuurder van \'t zwerk tot Apolloon:

— Ga, mijn Foibos, thans tot den kopergepantserden Hektor; Want reeds week hij terug, de omvatter en schudder des aardrijks, Binnen de heilige zee, om den heftigen gloed te vermijden Onzer verstoordheid; want, wis zouden de andren den kampstrijd Hebben vernomen^ de goden beneden om Kronos verzameld. Maar dit gebeurde nu zoo veel beter voor mij en hem zeiven, Nu hij, ofschoon vol toorn, het geweld mijner handen bij voorbaat Stil ontweek; en voorwaar zweet hadde gekost de beslechting. Kom, neem gij in uw hand de met kwasten omslingerde aigis. Zwaai ze, opdat zij verschrikt doe vlieden de helden Achaia\'s; Zorg dan zelf, gij treffer van ver, voor den glanzenden Hektor, Wek hem den wakkeren moed, zoo lang tot het heer der Achaiërs Vluchtende weder zijn vloot en den Hellespontos bereikt heeft. Maar dan zal ik het zelf wel verder met daad of met woorden Schikken dat weer den Achaiërs herademing komt van den arbeid.

Alzoo spak hij; terstond aan het woord zijns vaders gehoorzaam Daalde Apolloon neer van het Idagebergt, als een havik Rasch in het dooden van duiven, de snelste van al het ge vogelt. Godlijken Hektor den zoon des ervarenen Priamos vond hij Zittend; hij lag niet meer; allengs herwon hij bewustzijn,

Kende zijn makkers in \'t rond, en het zweet en de hijgende aamtocht Weken, dewijl hem herstelde de wil van den aigisbestuurder. Dicht aan zijn zijde getreden begon nu de treffer Apolloon:

— Hektor Priamos\' zoon, waarom, van de andren verwijderd. Zit gy in zwakte ter neer? Heeft eenige smart u bevangen?

Moeielijk ademend zei hem de helmboswuivende Hektor:

— Edelste god, wie zijt gij, van wien mij het woord te gemoet komt ? Hoordet gij niet, dat mij ginds bij de achterstevens der schepen, Toen ik zijn vrienden versloeg, de geweldige Ajas geraakt heeft Tegen de borst met een steen, en hij\' stuitte mijn heftigen aanval ? Toen ook meende ik zeker de dooden en Aides\' woning

Noch dien dag te aanschouwen, ik voelde het hart mij bezwijken. Daarop zei hem de koning, de treffer van verre Apolloon;

— Wees thans weder bemoedigd, u heeft van de Ida Kronioon Zulk een beschermer gezonden, die redding u leene en bijstand, Foibos Apolloon, god met het goudene zwaard, die u eertijds Stadig beschermde, u zeiven en Ilios\' rijzige burgvest.

Welaan dan, en beveel aan uw scharen van wagenbestuurders

17

-ocr page 272-

258

Snel naar de welvende schepen te jagen hun vliegende rossen; 260. Zelf dan vooraan gaande vereffen ik eerst voor de wagens Al uwe wegen en drijf de Achaïsche helden ten aftocht.

Alzoo sprak hij, bezielend den moed van den volkerenherder. Zoo als een paard in den stal, aan de krib overvloedig gevoederd, Wild zijne banden verscheurt en met stampende hoeven in \'t veld rent, 265. Waar het gewoonlijk zich baadt in het kabbelend vloeiende stroomnat; Trotsch, hoog draagt het den kop, en zijn manen in \'t ronde geslingerd Wapperen langs zijne schoften, en fier op zijn bloeiende schoonheid Voeren zijn voeten hem snel naar de weiden en perken der paarden; Alzoo repte gezwind ook Hektor zijn voeten en knieën, 270. Dreef hij de wagenberijders ten strijd, nu hij hoorde de godsstem. Zoo, wanneer er een hert met zijn volle gewei of een geitbok Drijven de jagende honden en \'t akkerbebouwende landvolk; Dezen verleent dan \'t steile gebergt of beschaduwde bosschen Uitkomst, wijl het hun lot niet was dat zij werden gevangen; 275. Maar op hun kreten verschijnt er een edele leeuw die den jagers Komt in den weg en terstond doet keeren de felle vervolgers; Dus de Achaïsche scharen, die eerst steeds joegen den vijand, Houwend met zwaarden en treffend met dubbelsnijdende speerpunt; Doch weer ziende dat Hektor de schaar zijner dapperen rondging, 280. Viel hun de schrik op het lijf, ontzonk hun de moed voor de voeten. Maar hen vermanende sprak thans Thoas de zoon van Andraimoon, Onder Aitolië\'s volk de aanzienlijkste, held met de werpspies, Ook in het staande gevecht: doch zelden verwon een Achaiër Dezen in \'t spreken, zoo vaak met hun woorden dejonglingen streden. 285. Thans welmeenend het woord tot hen richtende, sprak hij vermanend: — Wee! wel is het een wonder dat hier aan mijn oogen zich voordoet; Zoo als den doodsgodinnen op nieuw ontkomende, Hektor Weder verrees: juist hoopte het harte van elk, dat hij eindlijk Ware gefnuikt door de hand van den held Telamonios Ajas. 290 Maar weer heeft er hem éen van de goden gered en beveiligd. Hektor, die reeds zoo velen der Danaërs slaakte de leden, Zoo als ik denk dat hij weer zal doen; nooit zoude hij immers Zonder den dondrenden Zeus zoo staan in het heetst van den kampstrijd. Maar welaan, en gelijk ik u zeg, dat gij allen gehoorzaamt: 295 Geven wij last aan het volk, dat het weer naar de schepen terugwijk\';

280. Zoo als wij zeggen: de moed, het hart zonk hem in de schoenen.

-ocr page 273-

259

Maar dat wij zeiven, die roemen de beste te zijn in het krijgsheer, Blijven en trachten hem tegen te gaan en te keeren zijn aanval. Onder het heffen der speren; zijn hart zal, trots zyne stoutheid. Toch wel vreezen zich thans in der Danaërs drommen te mengen. 300. Alzoo sprak hij; zij waren \'t bevel vol ijver gehoorzaam. Thans om de Ajaxen beiden en koning Idomeneus dringend, Teukros, Meriones, Meges, den Aresgelijkenden strijder,

Kegelden dezen den slag, oproepend de dapperste helden.

Tegen de Trojers en Hektor zich stellende; doch hunne scharen 305. Keerden dan weer daar achter terug naar de vloot der Achaiërs. Maar dicht samengedrongen bestormden de Trojers, en Hektor Ging met geweldigen tred aan hun spits: ook Foibos Apolloon Leidde hen zelf, in een nevel gehuld, en hij voerde de aigis, Schriklijk met zwierenden rand, grootsch blinkende, welke Hefaistos 3io. Maakte, de koperbewerker, voor Zeus, tot een schrik van het

[menschdom.

Deze nu voerde zijn hand en hij leidde de scharen ten kampstrijd.

Doch ook stonden er pal en te zamen geschaard de Argeiërs; Weerszijds rees doordringend geschreeuw, voort sprongen de pijlen Snel van de pees; veel speren van wakkere vuisten geslingerd 315. Hechtten zich vast in het lijf van de strijdbare jeugdige manschap. Andere vielen in \'t midden, en vóór dat zij \'t blinkende lichaam Troffen, geboord in de aarde en trilden begeerig naar vleeschbuit. Zoo lang Foibos noch in zijn hand liet rusten de aigis,

Wondde van weerszij \'t wapen met kracht en de strijders bezweken. 320. Toen hij de Danaërs echter, de rossenbedwingers, in \'t aanzicht Ziende, de aigis schudde en luide zijn schreeuwen hun toeklonk. Zonk hun de moed uit de borst, zij vergaten den heftigen weerstand. Zoo, als een roofdierpaar, bij den donkeren nacht in het melkuur Gansch eene runderenheerde verstrooit of een kudde van wolvee, 325. Onvoorziens opdagend, terwijl geen herder ze bijstaat,

Deinsden verlamd de Achaiërs terug, want Foibos Apolloon Zond hun den schrik, maar gunde den Trojers en Hektor den krijgsroem.

Daar sloeg iedere strijder zijn man in der scharen verstrooing. Stichios sneefde, door Hektor geveld, ook Arkesilaos,

330. Deze de kopergedoste Boiotiërs voerend als veldheer.

Gene de trouwe gezel van den edelgezinden Menestheus;

lasos werd door Aineias beroofd van zijn wapens, en Medoon;

-ocr page 274-

260

Medoon, bastaardtelg ontstamd aan den eedlen Oïleus,

Broeder van Ajas; de veste van Fulake had hij tot woonsteê, 335. Ver van het land zijner vaadren, dewijl hij in toorn eenen manslag Deed aan een naasten verwant van Oïleus\' vrouw Eriopis;

lasos echter gebood den Atheners, gesteld tot hun hoofdman, Allen bekend als een zone van Sfelos, Boukolioons afkomst. Voorts door Poludamas sneefde Mekisteus, straks door Polites 3iu- Echios vóór aan de spitse, en Klonios viel door Agenor.

Paris verwondde van achter den rug van Deïochos, vluchtend Onder de voorsten der strijders, en gansch doorstak hem het koper.

Middelerwijl toen dezen den dooden benamen hun wapens. Vloden verspreid de Achaiërs en werden op gracht en op paalwerk 345. Warrend gestort en gedwongen zich achter den muur te bedekken. Hektor echter gebood met geweldige stem aan de Trojers: — Thansop de schepen gestormd, laat liggen den bloedigen krijgsbuit; Wien ik er ver van de schepen of elders moge bespeuren. Aanstonds zal ik hem treffen, en man noch vrouw zijner maagschap 350- Zal dan zeker den doode verschaffen de vlammende houtmijt, Maar dat hij ligge den honden ten spijs vóór Ilios\' muren.

Alzoo sprekende sloeg bij zijn paarden de zweep om de schoften. Langs de geleedren den Trojers bevelende; saam met zijn toeroep Rees hun geschreeuw en zij stuurden de wagenbewegende rossen 355- Onder een daavrend getier; vóóraan stiet Foibos Apolloon

Licht met zijn voeten de kanten der gapende gracht naar het midden. Dempend de kloof, eu een langen en breed uitstrekkenden doortocht Maakte hij daar, zoo ver als de vlucht der geslingerde werpspies Gaat, wanneer haar een man zijne krachten beproevende voortzwiert. sec. Daar nu stroomden de strijders bij scharen er over; Apolloon Vóóraan, voerend de aigis; hij stortte den muur der Achaiërs Lichtelijk om, als een kind aan het strand van de zeeeenen zandhoop. Welken het eerst tot zijn spel en in dartele vreugde gemaakt heeft, , Doch dra spelende weder met voeten en handen omverwerpt. 365. Alzoo, machtige Foibos, verstoordet gij daar den Argeiërs

\'t Werk van hun moeite en zweet, en gij joegt hun de vlucht op de leden.

Doch thans hielden zij stand en bedwongen hun vluchtbij de schepen. Daar met bemoedigend woord elkaar toeroepend, en ieder Hief zijne handen omhoog tot de goden en smeekte hen vurig, 870. Doch de Gereniër Nestor vooral, de behoeder Achaia\'s,

Smeekte, de handen gestrekt naar het starrengewelf van den hemel:

-ocr page 275-

261

— 0 Zeus Vader, indien men in \'t graanrijk Argos u eenmaal \'tZij van een rund of een schaap deed branden de vleezige schenkels, Biddend om veilig te keeren, en gij het beloofdet en toewenkt,

375, Wees dan dezen gedachtig, Olumpiër, keer hun den sterfdag, Wil niet dulden dat zoo door de Trojers vergaan de Achaiërs.

Alzoo bad hij, en luid deed Zeus d\' alwijze zijn donder Galmen en boorde \'t gebed van den grijsaard stammend van Neleus. Doch nu de Trojers vernamen den slag van den aigisbestuurder «so. Stormden zij heviger los op de Danaërs, gloeiend van strijdlust. Zoo als een machtige golf van den verrebevarenen zeeplas Over de boorden zich stort van het schip, als de kracht van den

[stormwind

Hoog ze verheft, die het meest de geweldige golven veroorzaakt; Dus ook stormden de Trojers met daavrend geschreeuw van den

[ringmuur,

385. Dreven hun paarden in \'t kamp en de achterstevens genaderd Streden zij daar dichtbij met de dubbelsnijdende speren,

Zij van hun wagens, de andren, hun donkere schepen beklimmend. Stootten van boven met sprieten, geweldig, bestemd voor den zeestrijd. Krachtig te zamen gevoegd en met koper gescherpt aan het uiteind. 390 Maar zoo lang de Achaiërs en Trojers de worsteling voerden Ginds om den muur, noch niet bij de snelle galeien genaderd. Wijlde Patroklos steeds in des eedlen Eurupulos\' veldtent, Streelend zijn hart met gesprekken, terwijl hij de drukkende pijnen Stilde der smartlijke wond door het leggen van heelende middlen. 395, Maar zoodra hij vernam dat de Trojers bestormden den ringmuur, Toen hij het luide geschreeuw van de Danaërs hoorde die vloden. Barstte hy uit in gejammer, terwijl hij zich beide de heupen Sloeg met het vlakke der handen, en deed weeklagend den uitroep:

— O, al hebt gij mij noodig, Eurupulos, waarlijk ik kan niet 400. Hier noch langer verwijlen, de strijd dreigt toch te geweldig;

Moge u éen van uw lieden vervroolijken, doch naar Achilleus Spoed ik mij voort om te trachten hem weder te wekken ten kampstrijd. Wie toch weet of ik niet misschien met de hulp eener godheid \'t Hart hem beweeg? Want goed is deeglijke raad van een makker. 405. Alzoo sprak hij en voerden zijn voeten hem voort; de Achaiërs Bleven den drang van de Trojers bestand, maar konden hen nochtans, Schoon veel minder in tal, niet meer van de schepen verdringen; Maar ook konden de Trojers de drommen der Danaërs geenszins

-ocr page 276-

262

Breken en zelf doordringen te midden der tenten en schepen; 4io Zoo als bet paslood zuiver den kielbalk stelt voor een vaartuig, Juist door de banden geriebt van den welervarenen kunstnaar, Kundig in alles bedreven, geleid door den raad van Atbena, Zoo stond weerszijds ook bet geveebt in gelijke verhouding.

Anderen weerden ten strijde zich weder bij andere schepen. 415. Tegen den loflijken Ajas verscheen hier Hektor ten aanval.

Beiden bij éen schip voerden zij strijd, toch waren zij machtloos Deze om genen te drijven ter vlucht en het schip te verbranden, Gene om dezen te weren, dewijl hem een god er gevoerd bad. Ajas de schittrende held dreef toen in de borst van Kaletor 420. Klutios\' zoon zijne speer, toen deze bet vuur bij bet schip bracht; Dreunend bonsde zijn val, en de toorts ontgleed aan zijn banden. Hektor, zijn broederszoon daar vóór zijne oogen gesneuveld Ziende, gestort in het stof aan de zij van het donkere vaartuig, Riep luidkeels zijn bevel tot de Trojers en Lukiscbe manschap: 425. — Trojers en Lukiers, zonen van Dardanos, strijders van dichtbij, Wijkt geen voetbreed meer uit den strijd hier binnen de engte. Maar komt Klutios\' zone te hulp, dat hem niet de Achaiërs Rooven zijn wapens, den held in den kring van de schepen gesneuveld.

Alzoo sprak hij en zwaaide op Ajas zijn blinkende werpspies. 430. Dezen nu miste hij wel, maar Mastors zone Lukofroon,

Ajas\' vriend uit Kuthera, die toen in zijn huis eene toevlucht Vond, nadat hij versloeg een aanzienlijken man te Kuthera, Dezen verwondde hij \'t hoofd bij het oor met zijn koperen speerpunt. Toen hij bij Ajas stond; van den achtersteven des vaartuigs 435, Bonsde hij ruggelings neer in het stof en zijn leden bezwijmden. Gansch ontsteld was Ajas en sprak tot zijn broeder de woorden: — Teukros, mijn vriend, daar is een getrouwe gezel ons gevallen, Mastors zoon, dien wij beiden te huis bij zijn vlucht van Kuthera Geene geringere eer dan den dierbaren ouders betoonden; 440. Dien sloeg Hektor de trotscbe. O, waar zijn thans uwe pijlen, Doodlijk gewiekt, en de boog, u gegeven door Foibos Apolloon?

Alzoo sprak hij, en deze vernam bet en naderde ijlings. Dragend zijn krommenden boog en den pijlenbewarenden koker. Beide gereed in zijn band; snel zond by zijn flitsen den Trojers. 446. Kleitos raakte hij eerst, den aanzienlijken zoon van Peisenor, Vriend van Poludamas, telg van den achtbaren Panthoös stammend. Voerend de teugels voor dezen; bij moeide zich zeer met de paarden.

-ocr page 277-

263

Wijl hij ze daarheen dreef waar talrijkst woelden de strijders, Hektor ten dienst en den Trojers; hem echter bereikte het onheil 450. Spoedig, en niemand kon het verhinderen, hoe zij het wenschten. Want in den nek doorboorde de smartlijke pijl hem van achter; Zoo ontzonk hij den wagen; en rugwaarts drongen de paarden Rammlend den ledigen wagen; Poludamas echter hun meester Zag het terstond en hij spoedde zich eerst om het span te bedwingen; 455. Daarop gaf hij den toom aan Astunoös, zoon Protiaoons,

Zeer hem vermanende dicht aan zijn zij met de paarden te blijven, Steeds oplettend; hij vloog dan zelf weer vóór aan de slagreeks.

Teukros een anderen pijl op den kopergepantserden Hektor Richtende, zou doen rusten den kamp bij de vloot der Achaiërs, .too Had hij den dapperen strijder geraakt en beroofd van het leven. Maar Zeus wakkeren geest ontsnapte het niet en voor Hektor Waakte hij, maar ontnam Telamonios Teukros den krijgsroem, Daar hij hem, juist bij bet schieten, de deugdlijkgevlochtene boogpees Brak van het heerlijke wapen; de wichtig beslagene pijlschacht 105. Snorde ter zij nu weg en de boog ontviel aan zijn vuistgreep. Gansch ontsteld was Teukros en sprak tot zijn broeder de woorden:

— Wee mij, een godheid waarlijk verijdelt ons lederen toeleg Hier in den strijd, zoo sloeg hij mij immers den boog uit de handen. Scheurde de stevige pees, noch nieuw, die ik eerst in den morgen

470. Bond aan den boog, dat zij goed weerstond aan de menigte schoten. Hierop gaf hem de held Telamonios Ajas ten antwoord:

— Laat dan uw boog maar ruston, mijn vriend, en uw menigte pijlen. Wijl er een god ze verdierf, die den Danaërs toont zijne wangunst; Neem uwe rijzige speer in de hand, hang \'t schild om de schouders,

475. Woed zoo tegen de Trojers en wek ook \'t andere kijgsvolk.

Laat hen, indien zij verwinnen, de schepen voortreflijk van roeibank Niet zoo lichtelijk nemen, gedenken wij steeds aan het krijgswerk.

Alzoo luidde zijn woord; in zijn teut bracht Teukros den strijdboog. Hechtte zich daarom de schouders het schild viervoudig van huidlaag, 480. Zette op \'t krachtige hoofd den voortreflijk gekoperden strijdhelm, Wuivend van manen, en schriklijk bewoog zich van boven de haarbos; Dan, zijne werpspies nemend, de krachtige, vlijmend gekoperd. Spoedde hij voort en begaf zich terstond aan de zijde van Ajas. Hektor, toen hij bespeurde dat Teukros\' wapen verlamd was, 485. Riep luidkeels zijn.bevel tot de Trojers en Lukische manschap;

— Trojers en Lukiërs, zonen van Dardanos, strijders van dichtbij.

-ocr page 278-

264

Weest nu mannen, mijn vrienden, gedenkt aan den krachtigen

(weerstand

Hier bij de welvende schepen; ik zag toch vóór mijne oogen \'t Wapen verlamd in de hand van den dapperen strijder door

[Zeus\' wil.

490. Lichtelijk is voor de menschen de sterkte van Zeus te herkennen, Nu bij degenen aan welke hij gunt den verhevensten krijgsroem, Elders bij wie hij vernedert en niet wil schenken zijn bijstand, Zoo als hij thans het geweld der Argeiërs verzwakt en ons bijstaat. Op dus, strijdt, om de schepen vereend, en aan wien van de uwen 495. Zij het door worpen of stooten het lot en het sterven beschikt zij, Sterve hij, niet onwaard die het land zijner vaadren beschermend Sterft; maar achter zich laat hij zijn gade gered en zijn kindren, Laat hij zijn smetteloos erf en zijn huis, al mocht de Achaiër Dan ook keeren te scheep naar het dierbare land zijner vaadren. 500. Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust. Maar aan de andere zij klonk Ajas\' roep tot zijn makkers: — Schande, Argeiërs, gewis thans geldt het te worden vernietigd, \'t Zij u het leven te redden en \'t kwaad van de schepen te weren. Of wel denkt gij dat elk, als de helmboswuivende Hektor 505. Neemt onze schepen, te voet naar het land zijner vaderen weerkeert ? Hoort gij het niet dat hij al zijne volkeren maant tot den veldslag, Hektor, die gloeit van begeerte den brand in de schepen te werpen ? Niet tot den dans voorwaar drijft deze hen, maar tot de slachting. Dus ook moet er voor óns geen betere raad en gezindheid 5io. Zijn dan met hand en met moed ons te mengen te midden des vijands. Beter op eenmaal onder te gaan of te redden het leven.

Beter dan langzaam kwijnen, vermoeid van het vreeselijk slagveld. Vruchtloos dus bij de schepen geveld door geringere mannen. Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust. 515. Schedios sneefde door Hektor, een zoon Perimedes geboren. Hoofd der Fokeërs, en Ajas verwondde Laodamas doodlijk, Hoofd van het voetvolk, zoon van den glansrijk dappren Antcnor; Doch aan Poludamas viel de Kulleniër Otos ten krijgsbuit, Makker van Fuleus\' zoon, de gebieder der stoute Epeiërs. 52o. Deze hem ziende bestormde hem snel; maar zijdelings wijkend Deinsde Poludamas af, en hij miste hem, wijl door Apolloon

519. Fuleus\' zoon is Meges.

-ocr page 279-

265

Panthoös\' zoon van den dood aan de spits van de strijders ge-

• [red werd.

Maar in het midden der borst werd Kroismos gewond door de

[werpspies;

Bonzend dreunde zijn val; enhij trok van zijnschoudcrs het krijgstuig. 525. Toen stoof Dolops hem tegen, bedreven ten kamp met de werpspies, Lampos\' zoon, de geduchtste der telgen geboren van Lampos, (Zelf van Laomedoons ras), en bedreven ten vnrigen kampstrijd. Deze nu raakte het midden van Meges\' schild met zijn werpspies, Rechtstreeks tegen hem richtend zijn aanval; maar hem beschutte 530. \'t Stevige pantser, ter dege met platen beslagen, dat Fuleus Vroeger van Efure bracht, waar stroomt de rivier de Selleïs. Want daarmede beschonk hem de koning Enfetes, zijn gastvriend. Krachtige weer om te dragen ten strijd met de mannen des vijands; Dus ook weerde het thans van zijn zoon het verdervende onheil. 535. Maar op zijn beurt trof Meges zijn koperen wuivenden strijdhelm Juist op de rijzige kam, met de puntige speer die den helmbos Golvend van manen verbrak, en geheel op de aarde gevallen Lag hij er, pas met het purper gekleurd, in het stof van de vlakte. Zoo lang ging hij hem strijdend te keer, vol hoop op verwinning, 540. Tot hem de dappere held Menelaos verscheen als een redder; Heimelijk stond hij ter zij met zijn speer en hij raakte den vijand Achter den schouder; de punt, zijne borst onstuimig doorboorend. Kwam er van voor weer uit, en hij tuimelde neer op het aanzicht. Aanstonds schoten zij toe om hem snel van de schouders te rukken 545, \'t Koperen wapengerei; maar Hektor vermaande zijn magen Allen te zaam, vóór allen berispend den zoon Hiketaoons Held Melanippos; hij weidde de zwaar sleepvoetende runders Eerst in Perkote, ten tijde dat noch niet dreigde de vyand. Toen van de Danaërs naakten de schepen met krachtigen riemslag, 550. Kwam hij in Ilios weder; hij stond hij de Trojers in aanzien. Wonend in Priamos\' huis, die hem eerde gelijk zijne kindren. Dezen verweet nu Hektor hem luid toeroepend de woorden:

Zullen wij zoo, Melanippos, verslappen en taant onze ijver? Roert het uw hart thans niet dat er éen uwer magen gedood werd ? 555. Ziet gij het niet hoe zeer zij om Dolops\' wapens zich moeien? Volg mij; het is thans tijd dat wij niet uit de verte bestrijden Argos\' volk; thans geldt het ze eerst te verslaan, of zij storten \'t Rijzige Ilios neer van zijn rots en vermoorden zijn burgers.

-ocr page 280-

266

Hiermee ging hij hem voor en hem volgde de godlijke krijgsheld. 5fio, Doch de Argeiërs vermaande de held Telamonios Ajas:

— Wecst thans manueu, mijn vrienden, en prent in uw harten

[de schaamte,

Weest elkander tot eer in den heftig woelenden veldslag.

Want van een volk dat zich eert zijn meerdren gered dan gevallen; Maar van de vluchtenden komt noch roem noch eenige redding. 565. Alzoo sprak hij; zij zelf reeds vurig bezield tot den weerstand, Namen zijn woorden ter harte en stelden een koperen schutsweer Langs hunne vloot, waar Zeus het geweld van de Trojers op aandreef. Doch tot Antilochos riep Menelaos geducht in den strijdgalm:

— Geen van de andre Achaiërs, Antilochos, jonger dan gij zijt, 570. Noch zoo snel met de voeten, en dapper als gij in den kampstrijd!

Mocht gij in stormende vaart hier treffen een krijger der Trojers.

Alzoo sprekende spoedde hij voort en hij wekte zijn strijdmoed; Buiten de voorsten gestormd, wierp deze zijn blinkende speerschacht, Spiedend in \'t rond met den blik. Doch wijkende meden de

[Trojers

575. \'t Vliegende wapen des mans; niet ijdel verzond hy de speer toch, Want Hiketaoons telg, den vermetelen held Melanippos,

Weder ten strijde gekeerd, doorstak hij de borst bij den tepel. Bonzend dreunde zijn val en het duister bedekte zijn oogleên. Maar voortstormende sprong er Antilochos toe, als een jachthond 580. Springt op het bloedende jong van een ree, als van \'t leger gehuppeld, \'t Schot van den jager het trof, en de pijlspits slaakte zijn leden. Zoo Melanippos, besprong u, om \'t wapengerei u te rooven Dappre Antilochos, doch hem verloor de verhevene Hektor Niet uit het oog en hij stormde in \'t woelen der strijders hem tegen. 585. Kloek als hij was, toch wachtte Antilochos niet op zijn aanval. Maar al sidderend vlood hij, gelijk het verdervende roofdier, Na dat het doodde een hond of een herder die hoedde de kudden. Wegvlucht vóór dat de scharen der jagers zich zamen vereenden; Dus vlood Nestors zoon, en met heftig geschreeuw overstroomden 690. Trojers en Hektor hem toen met hun onheilbrengende worpen. Maar dan wendde en stond hij, zoodra hij zijn makkers bereikt had. Doch de Trojanen, gelijkend op bloedigverslindende leeuwen, Stormden op nieuw naar de schepen, vervullend den wil van Kronioon, Zeus, die hun steeds deed wassen de kracht, steeds wekte den

[strijdlust.

-ocr page 281-

267

sas. Maar den Argeiërs verdoofde den moed en den roem van hen wegnam. Want in zijn harte besloot hij den roem te verleenen aan Hektor Priamos\' zoon, dat hij wierp in de krommend geboegde galeien \'t Woeden der toomlooze vlammen en \'t wreede verlangen van Thetis Gansch volvoerde; en dus onthield zich de wijze Kronioon con. Steeds, tot zijn oogen aanschouwden een schip door de vlammen

[geblakerd.

Dan toch zou het zijn wil eerst zijn dat de Trojers de schepen Vluchtend verlieten en zou hij den Danaërs gunnen den krijgsroem. Daaraan denkende dreef hij ten storm op de welvende schepen Hektor Priamos\' zone, die zelf reeds blaakte van strijdlust, cos. Woedend streed hij, als Ares de zwaai er der speer, als de vuurgloed Woedende langs het gebergt in de dichte struweelen der bosschen; Schuim overdekte zijn lippen en vonkelend vlamden zijn oogen Onder de donkere brauwen, terwijl om de slapen verschriklijk Schudde de wuivende helm van den vreeslijk kampenden Hektor; 610. Want uit de hoogte des ethers verleende hem zelf zijn bescherming Zeus, die hem gansch alleen in de drommen van meerdere mannen Eerde en kroonde met roem. Want kort slechts was hem beschoren \'s Levens duur; reeds werd hij door Pallas Athena gedreven Na aan des noodlots dag, door de kracht van den zone van Peleus. 615. Alzoo poogde hij thans te verbreken de rijen, beproevend

Waar hij bespeurde bet dichtste gewoel en de treflijkste wapens. Nochtans brak hij den drom niet door, hoe heftig hij aandrong. Want de geslotene schaar hield stand, als de rijzige kliprots, Steil uitstekende, dicht bij de valuwe zee zich verheffend, 620. Welke den woedenden drang niet wijkt van de loeiende winden, Noch voor de zwellende golven, die tegen haar drijven haar branding. Zoo stond tegen de Trojers het heer der Achaiërs en week niet. Doch alomme besprong hij, van vuurgloed stralend, de drommen, Stortte zich over hen uit als de golf op het schielijke vaartuig, 625. Heftig gezwollen door kracht van den wind uit de wolken; de

[schuimvlok

Vliegt en bedekt het geheel, en de vreeslij ke aêm van den stormwind Raast in het trillende zeil, en het hart van het angstige bootsvolk Beeft, want onder den greep van den dood ontkomen zij nauwlijks. Zoo werd \'t hart in de borst der Achaiërs van jammer geslingerd. 63n. Zoo als een leeuw roofgierig zich werpt op de kudde der runders. Welke de vochtige wei afgrazen der groote moerasstreek.

-ocr page 282-

268

Duizenden, slechts van een herder bewaakt noch weinig bedreven \'t Krommend gehorende rund te beveiligen tegen een roofdier;

Wel waakt steeds bij de voorste en achterste runders de herder, | 665. 635. Maar op de middenste werpt zich de roover en éene der kudde Valt aan zijn tanden ten buit en de andere vluchten gezaamlijk;

Dus ook vluchtten voor Hektor en Zeus ontzet de Achaiërs Allen, en doodde hij slechts Perifetes, den held van Mukene,

Welke van Kopreus stamde die, bode des konings Eurustheus, | 670.

640. Eenmaal kondschap bracht den geweldigen strijder Herakles.

Deze als machtiger zoon den geringeren vader geboren Streefde in iedere deugd, zoo wel in den strijd en gezwindheid,

Ook in verstand hem te boven te midden der eedle Mukeners;

Doch thans was het aan Hektor dat deze den heerlijksten

[roem gaf.

645. Want omkeerende raakte hij vast in den rand van zijn beuklaar,

Welke hem reikte tot laag bij den voet, als een schut voor het

[werptuig:

Daarin, werd hij verward, viel ruggelings neer, en zijn strijdhelm Klonk met een schriklijk gedreun om de slapen des vallenden

[krijgers.

Hektor bemerkte het snel en met ij lenden voet hem genaderd 650. Dreef hij de speer in zijn borst en hij doodde hem dicht bij

[zijn vrienden,

Welke, hoe noode zij misten den dierbaren makker, hem geenszins Konden beschermen; hen zeiven vervaarde de godlijke Hektor.

Thans lag voor hen de vloot en zij waren omringd van de schepen \'t Hoogst op het strand en het eerst er gesleept, en hen dreven

[de Trojers.

655. Ook hunne achterste schepen verlieten uit nood de Argeiërs,

Doch toen hielden zij stand en herstelden zich weer bij de tenten Scharengewijs; zij verspreidden zich niet door het kamp, hen

[bedwongen

Schaamte en vrees; en zij riepen er luid elkander tot weerstand.

Doch de Gereniër Nestor vooral, de behoeder Achaia\'s,

660. Smeekte hen, iederen man bij den naam zijner ouders bezwerend:

— Weest thans mannen, mijn vrienden, en blijve geprent in

[uw boezem

Schaamte voor andere menschen; een iegelijk zij er gedachtig Zoo aan zijn kroost en zijn vrouw, als aan ouders en al zijn bezitting.

-ocr page 283-

269

\'t Zij dat zij leven, hetzij dat de dood er hem reeds van be-

[roofd heeft;

ces. Smeekend bezweer ik u allen bij dezen die ver van u af zijn Hier kloekmoedig te staan; wendt niet tot de vlucht uwe voeten.

Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust. Toen ontnam hun Athena van voor hunne oogen den nevel Welken een god er verwekte; en weerszijds rees hun een lichtglans 670. Over de schepen gespreid en den allenbeheerschenden oorlog.

Hektor bespeurden zij weder, den schrik van den slag, en hun makkers, * »

Deels die, naar achter geweken, zich nu onthielden van \'t strijden, Deels noch steeds volhoudend den kamp bij de snelle galeien. Doch geen langer verwijlen behaagde den moedigen Ajas, 675. Waar zich ter zij onthielden de andere zonen Achaia\'s;

Maar met geweldigen stap op het dek zich bewegend der schepen Hief hij den machtigen spriet, die ten zeestrijd diende, met bouten Samengehecht, lang twintig en twee van de maten des elboogs. Zoo als een kunstige rijder, geoefend met paarden des wedloops, 680. Na uit een menigte paarden te hebben gekozen een viertal.

Ginds uit de vlakte gesneld naar de bloeiende veste ze voortdrijft, Over de heerbaan rijdend; de menigte staart met verbazing. Mannen en vrouwen te zaam; maar zonder te falen en telkens Springt hij bij beurten van \'t eene op \'t andere paard in hun renloop. 686. Zoo deed Ajas daar, op het dek van verscheidene schepen

Loopend met machtigen stap, en zijn kreet rees luid tot den ether. Toen zijn vervaarlijke stem tot de Danaërs klonk en hen opriep Schepen en tenten te redden; ook Hektor verwijlde inmiddels Niet meer onder \'t gewoel van de stevig gepantserde Trojers; 690. Maar als een rossige arend die pijlsnel stort op de scharen Vluchtige vogels, te zaam daar azende langs den rivierzoom. Kranen of ganzen of zwanen met lang uitstekende halzen. Zoo drong Hektor tot éen van de donkergestevende schepen Voorwaarts springend, terwijl hem van achteren stuurde Kronioons 696. Machtige hand, die het heer zijner volkeren saam met hem opdreef. Weder verscherpte zich toen de verbitterde kamp om de

[scheepsvloot.

Ja, men waande de kracht wel onuitputlijk en eindloos.

Welke hen dreef in den strijd, zoo rusteloos duurde de worstling. Deze gedachte vervulde de strijdenden: geen der Achaiërs Too, Dacht er aan redding meer van het uiterste, maar aan de neerlaag;

-ocr page 284-

270

Doch bij de Trojers verhief zich de hoop in het harte van ieder Thans te verbranden de vloot en te dooden de helden Achaia\'s. Alzoo botsten zij samen, bewogen van deze gedachten;

Hektor greep nu den boeg van het zeedoorklievende vaartuig, 70B. Schoon en gezwind op de golven, dat Protesilaos naar Trqja

Bracht, maar geenszins weer naar het land zijner vaderen wegdroeg. Rondom deze galei nu bekampten Achaiërs en Trojers Woest elkander en dicht nabij; geen hunner die thans meer Veraf wachtte het schot van den boog of de vlucht van de werpspies, 710. Neen, dicht naast elkander, vermengd, van gelijke gezindheid, Voerden zij toen het gevecht met de klievende aks en den strijdbijl, Ook met de machtige kling en de dubbelsnijdende lanspunt.

Vele der prachtige zwaarden met zwartomklonkene handgreep Vielen ter aard uit de handen of gleden den woedenden strijders 715. Neer van de schouders; de grond was zwart doorweekt van den

[bloedstroom.

Hektors hand, na dat zij den achtersteven gevat had.

Liet de gebogene sneb niet los, en hij riep tot de Trojers:

— Hier met het vuur en gezaamlijk verheven den woedenden

[slagkreet.

Thans heeft Zeus ons geschonken den dag die ons alles vergeldend 720. Gunt te verwinnen de schepen, die tegen den wil van de goden Hier ons het onheil brachten, dewijl mij de weiflende grijsaards. Toen ik verlangde den strijd bij de achterstevens te voeren, Telkens belemmerden, telkens het volk weerhielden van aanval. Doch als wij wellicht toen door den alomzienden Kronioon 72B. Werden verdwaasd, thans is hij het zelf die ons drijft en ons aanvuurt. Alzoo sprak bij en feller bestormden zij weer de Argeiërs. Niet meer wijlde ook Ajas, te zeer overmand door de worpen; Maar aan zijn naderend einde gedenkende, week hij een weinig Boven des stuurmans bank en verliet het verdek van het vaartuig; 7so. Daarop stond hij en wachtte hen af; steeds weerde zijn werpspies Eiken Trojaan van het schip, die de zengende vlammen er aandroeg; Steeds ook klonk zijn geschreeuw tot de Danaërs, luid hun bevelend:

— O mijne makkers en helden der Danaërs, volgers van Ares, Weest thans mannen, mijn vrienden, en denkt aan den moedigen weerstand;

786. Wanen wij soms dat er ginds daar achter ons helpers gereed zijn, Ja, een geduchtere muur, om het volk voor den dood te behoeden ?

-ocr page 285-

271

Hier is thans geen stad nabij ons, bevest in haar torens,

Welke ons zoude beschermen, en volk om ons hier te vervangen; Maar op de vlakte der Trojers, den dichtompantserden vijand, 740. Zijn wij, beklemd door de zee, zeer ver van der vaderen landstreek; Dus alleen onze hand brengt heil, geen slappe verwering.

Alzoo sprak hij en woedde geducht met zijn puntige speerschacht. Zoo dan ergens een Trqjer te na aan de ruime galeien Kwam met de gloeiende vlammen, den drijvenden Hektor believend, 745. Velde hem Ajas neer, met de machtige lans hem begroetend. Dicht aan zijn zij doorstak hjj er zoo bij de schepen een twaalftal.

-ocr page 286-

ZESTIENDE ZANG,

-^^.Izoo kampten zij voort om het schip voortreflijk van roeibank; Doch bij den volkerenherder Achilleus stond nu Patroklos Gloeiende tranen vergietend, een bronne van donkere waatren, Welke haar onklaar vocht doet vloeien van \'t steile gesteente. Deernis vervulde het hart van den godlijken snellen Achilleus, Toen hij hem zag, en hij sprak, het gevleugelde woord tot hem

[richtend:

— Waarom stort gij, Patroklos, uw tranen als \'t jeugdige meisje, \'t Kindje dat loopt met de moeder en vleit om gedragen te worden, Steeds aan haar kleedzoom trekt en de moeder belemmert in

[\'t voortgaan,

Telkens krijtend het oog op haar slaat, tot zij eindlijk het opneemt; Deze gelijkend, Patroklos, vergiet gij uw teedere tranen.

Brengt gij bericht aan het heer Murmidonen, of wel aan mij zeiven ? Hebt gij misschien alleen eene mare vernomen uit Fthia?

Want noch leeft, als zij zeggen, Menoitios, stammend van Aktor, Peleus Aiakos\' zoon leeft ook bij zijn volk Murmidonen,

Twee, die wij zeker het meest, als zij waren gestorven, betreurden. Dan wel, wekt het uw deernis, dat zoo de Argeiërs te niet gaan Daar bij de welvende schepen, gestraft door hun eigene misdaad ? Spreek ronduit, niets berge uw hart, dat het beiden bekend zij. Zuchtende zeidet gij toen, gij rossenbestuurder Patroklos:

— Edelste aller Achaiërs, Achilleus zone van Peleus,

Wees niet toornig; er trof inderdaad zulk leed de Achaiërs, Want\'reeds liggen zij allen, die vroeger de dapperste waren, Daar bij hun schepen ter neder, door worpen getroffen of speerstoot.

-ocr page 287-

273

Hier de Tudeide getroffen, de machtige held Diomedes,

Ginder Odusseus mede, de speerheid, ook Agamemnoon,

Wijders Eurupulos ligt er, gewond aan de dij door een pijlschot. Dezen verleenen nu wel heelkundige artsen hun bijstand,

Stillend de wond; gij echter, gij blijft onwrikbaar, Achilleus. Moge mij nimmer beheerschen een wrok als welken gij koestert, Zulk eene kracht ten verderf; wat baat gij den menschen der

[toekomst.

Zoo gij van Argos\' volk niet weert dien smaadlijken jammer? Wreede! uw vader gewis was niet rosdwingeude Peleus,

Moch was Thetis uw moeder; u baarde de blauwende zeeplas, D\'ontoeganklijke rots, want niets kan buigen uw inborst.

Maar mocht soms uwe ziel eene godspraak willen vermijden. Heeft uwe godlijke moeder u iets doen kennen van Zeus\' raad, Zend dan mij zeiven ten strijd en vergun dat het heer Murmidonen Mee optrekke, en mocht ik een licht voor de Danaërs worden. Gun dat ik over mijn schouders den dos van uw eigene wapens Hechte, dat wanend u zeiven te zien, de Trojanen het slagveld Ruimen, en weer heraamen de dappere zonen Achaia\'s,

Mat en bedrukt; hoe kort de verademing dure des oorlogs. Lichtelijk konden wij frisch hunne scharen vermoeid van het strijdperk Dan van de schepen en tenten terug doen wijken ter stadsvest.

Alzoo zeide hij smeekend, de onvoorzichtige; zoo toch Smeekte hij thans voor zich zeiven den dood en het schrikkelijk

[noodlot.

Doch vol wrevel hervatte de snelle van voeten, Achilleus: — Wee, wat hebt gij gezegd, o Zeus ontstamde Patroklos. Geenszins heeft mij bekommerd het hooren van eenige godspraak. Noch mijne godlijke moeder mij iets doen kennen van Zeus\' raad; Maar in mijn hart en mijn ziel kwam zulk eene bittere droefheid, Wijl zich een ander vermeet te beroóven zijn evengelijke,

Wien hij zijn eeregeschenk ontneemt, door zijn machtiger aanzien; Dit is \'t bittere leed; want veel smaad duldde mijn boezem, \'t Meisje, mijn eeregeschenk, door de zonen Achaia\'s gekozen. Haar die ik won met mijn speer, bij het nemen der stevige vesting, Heeft hij mijn hand ontweldigd, de heerscheude vorst Agamemnoon Atreus\' zone, als ware ik slechts een verachtlijke vreemdling. Laten wij echter ter zijde wat vroeger gebeurde; mijn opzet Was ook niet mijnen wrok te bestendigen; immers ik zeide

18

-ocr page 288-

ZESTIENDE ZANG.

-^^-Izoo kampten zij voort om het schip voortreflijk van roeibank; / Doch bij den volkerenherder Achilleus stond nu Patroklos

Gloeiende tranen vergietend, een bronne van donkere waatren, Welke haar onklaar vocht doet vloeien van \'t steile gesteente. 5. Deernis vervulde het hart van den godlijken snellen Achilleus, Toen hij hem zag, en hij sprak, het gevleugelde woord tot hem

[richtend:

— Waarom stort gij, Patroklos, uw tranen als \'t jeugdige meisje, \'t Kindje dat loopt met de moeder en vleit om gedragen te worden, Steeds aan haar kleedzoom trekt en de moeder belemmert in

[\'t voortgaan,

10. Telkens krijtend het oog op haar slaat, tot zij eindlijk het opneemt; Deze gelijkend, Patroklos, vergiet gij uw teedere tranen.

Brengt gij bericht aan het heer Murmidonen, of wel aan mij zeiven ? Hebt gij misschien alleen eene mare vernomen uit Fthia?

Want noch leeft, als zij zeggen, Menoitios, stammend van Aktor, 15. Peleus Aiakos\' zoon leeft ook bij zijn volk Murmidonen,

Twee, die wij zeker het meest, als zij waren gestorven, betreurden. Dan wel, wekt het uw deernis, dat zoo de Argeiërs te niet gaan Daar bij de welvende schepen, gestraft door hun eigene misdaad ? Spreek ronduit, niets berge uw hart, dat het beiden bekend zij. 20. Zuchtende zeidet gij toen, gij rossenbestuurder Patroklos:

— Edelste aller Achaiërs, Achilleus zone van Peleus,

Wees niet toornig; er trof inderdaad zulk leed de Achaiërs, Want] reeds liggen zij allen, die vroeger de dapperste waren. Daar bij hun schepen ter neder, door worpen getroffen of speerstoot.

-ocr page 289-

273

25. Hier de Tudeide getroffen, de machtige held Diomedes,

Ginder Odusseus mede, de speerheid, ook Agamemnoon,

Wijders Eurupulos ligt er, gewond aan de dij door een pijlschot. Dezen verleenen nu wel heelkundige artsen hun bijstand,

Stillend de wond; gij echter, gij blijft onwrikbaar, Achilleus. so. Moge mij nimmer beheerschen een wrok als welken gij koestert, Zulk eene kracht ten verderf; wat baat gij den menschen der

[toekomst,

Zoo gij van Argos\' volk niet weert dien smaadlijken jammer? Wreede! uw vader gewis was niet rosdwingende Peleus,

Noch was Thetis uw moeder; u baarde de blauwende zeeplas, 35. D\'ontoeganklijke rots, want niets kan buigen uw inborst.

Maar mocht soms uwe ziel eene godspraak willen vermijden. Heeft uwe godlij ke moeder u iets doen kennen van Zeus\' raad. Zend dan mij zeiven ten strijd en vergun dat het heer Murmidonen Mee optrekke, en mocht ik een licht voor de Danaërs worden. 40. Gun dat ik over mijn schouders den dos van uw eigene wapens Hechte, dat wanend u zeiven te zien, de Trojanen het slagveld Ruimen, en weer heraamen de dappere zonen Achaia\'s,

Mat en bedrukt; hoe kort de verademing dure des oorlogs. Lichtelijk konden wij frisch hunne scharen vermoeid van het strijdperk 45. Dan van de schepen en tenten terug doen wijken ter stadsvest. Alzoo zeide hij smeekend, de onvoorzichtige; zoo toch Smeekte hij thans voor zich zeiven den dood en het schrikkelijk

[noodlot.

Doch vol wrevel hervatte de snelle van voeten, Achilleus: — Wee, wat hebt gij gezegd, o Zeus ontstamde Patroklos. 50. Geenszins heeft mij bekommerd het hooren van eenige godspraak. Noch mijne godlijke moeder mij iets doen kennen van Zeus\' raad; Maar in mijn hart en mijn ziel kwam zulk eene bittere droefheid. Wijl zich een ander vermeet te beroóven zijn evengelijke,

Wien hij zijn eeregeschenk ontneemt, door zijn machtiger aanzien; 55. Dit is \'t bittere leed; want veel smaad duldde mijn boezem, \'t Meisje, mijn eeregeschenk, door de zonen Achaia\'s gekozen. Haar die ik won met mijn speer, bij het nemen der stevige vesting. Heeft hij mijn hand ontweldigd, de heerschende vorst Agamemnoon Atreus\' zone, als ware ik slechts een verachtlijke vreemdling. 60. Laten wij echter ter zijde wat vroeger gebeurde; mijn opzet Was ook niet mijnen wrok te bestendigen; immers ik zeide

18

-ocr page 290-

274

Niet eer weder te stillen mijn toorn, alvorens de slagkreet Hier met den strijd zou rijzen, mijn eigene schepen genaderd. Welaan, doe gij zelf om uw schouders mijn heerlijke rusting, 65. Voer \'t strijdlustige heer Murmidoniërs aan in den veldslag,

Wijl er te overgeweldig de donkere wolk van Trojanen Rondom stormt op de schepen, de andren beklemd door den zeezoom Slechts eene luttele ruimte van grond meer hebben behouden, Argos\' volk, maar gansch de Trojaansche bevolking er opdringt, 70. Driest in haar stoutheid; want van mijn strijdhelm zien zij de voorklep Niet meer dichtbij blinken; het stroombed hadden zij anders Vluchtend gevuld met hun lijken, indien mij de vorst Agamemnoon Had ontzien; maar thans, om het kamp reeds dringen hun strijders. Want in de krachtige vuisten van Tudeus\' zoon Diomedes 75. Woedt niet langer de speer die de Danaërs redde van onheil. Ook geen roepende stem uit den haatlijken mond des Atreiden Hoorde ik meer; wel davert des mannen verdelgenden Hektors Luide bevel tot de Trojers mij steeds in het oor met hun slagkreet, Heerschen zij over de vlakte en slaan zij het heer der Achaiërs. so. Hoe het ook zij, o Patroklos, behoed de galeien van \'t onheil, Stort u met kracht op de Trojers, opdat zij met vlammenden

[vuurgloed

Niet doen branden de vloot en ons nemen den blijden terugkeer. Maar geef acht op mijn woord, en ik druk het u zeer op het harte. Zorg, dat gij glanzende eere en roem voor mij wint in het aanzicht 85. Aller Achaiërs, en dezen het allerbekoorlijkste meisje

Hierheen laten vertrekken en schittrende giften mij toestaan. Zijn zij veijaagd van de vloot, keer aanstonds; mocht er u wellicht Hera\'s dondrende gade vergunnen u roem te verwerven.

Laat geen zucht u verleiden om zonder mij verder te kampen 90. Tegen de strijdbare Trojers; het maakte mijn eere geringer.

Laat u het trotsche gevoel van den strijd niet nopen uw heermacht, Zoo gij de Trojers verslaat, vóór Ilios\' muren te voeren;

Wijk, dat er niet van Olumpos u éen van de eeuwige goden Naderen mocht; zeer mint hen de treffer van verre Apolloon; 95. Keer dus aanstonds weer, zoodra gij de schepen bevrijd hebt. Laten de anderen voorts elkaar op de vlakte bestrijden.

Mocht, Zeus Vader verhoor het, Athena en Foibos Apolloon, Geen van de Trojers den dood ontvliên, zoo velen zij tellen. Geen der Argeiërs mede, en wij ontkomen aan \'t onheil.

-ocr page 291-

275

loo. Wij alleen doen vallen de tinnen van \'t heilige Troja.

Zoo nu bespraken er dezen te zaam zoodanige zaken.

Niet meer wijlde er AJas, te zeer overmand door de worpen; Daar Zeus\' wil hem bedwong en de speren der moedige Trojers; Schrikkelijk dreunde de klank van den blinkenden helm om

[zijn slapen

los. Onder de treffende worpen en telkens zwierden de speren

Tegen den sierlijken bos; zwaar drukte hem links op den schouder \'t Schild, standvastig en rustloos gezwaaid; maar, schoon met

[hun werptuig

Steeds hem bestormend in \'t rond, geen was er die vreeze hem

[aanjoeg;

Doch steeds ademde moeilijk zijn hijgende borst, van zijn leden no. Gudste het zweet alom; geen oogwenk rust of veraadmiug Restte hem; rondom dreigde het éene gevaar op het ander.

Meldt het mij thans, o Muzen d\' Olumpische zalen bewonend, Hoe nu \'t eerst in de schepen der Danaërs raakte de vuurgloed. Hektor op Ajas gestormd, sloeg thans met zijn machtige

[zwaardkling

lis. Tegen zijn esschene schacht en de houw doorkliefde het speerhout Achter de buis van de spits, en de held Telamonios Ajas Zwaaide vergeefs in zijn hand de gebrokene speer, en ter aarde Viel met een klettrenden slag ver weg de gekoperde lanspunt. Ajas\' edel gemoed ontwaarde terstond met een huivring 120. \'t Werk van de goden en zag hoogdondrenden Zeus hemverijdlen Heel zijn beleid in den slag en den Trojers de zege beschikken; Toen ontweek hij de speren; zij wierpen den vratigen vuurgloed Binnen het schip, waar snel d\' onbluschbare laaie zich voortdrong. Zoo nu woedde het vuur om den achtersteven; Achilleus 125. Sloeg zich vertwijfiend de heupen en richtte zijn woord tot

[Patroklos:

— Haast u, o wagenbestuurder, van Zeus ontsproten Patroklos, Want reeds zie ik den gloed van het woedende vuur bij de schepen, Laat hen de vloot niet nemen en gansch ons beletten den aftocht. Snel mijne wapens gedost, zelf roep ik mijn volken te zamen. m. Alzoo sprak hij; Patroklos omgordde het blinkende koper; Eerstens omgaf hij zijn beenen met ronj om dekkende scheenplaat. Schoon en met zilveren gesp vast sluitende over de enkels; Daarna nam hij en dekte de borst met het sierlijke pantser

-ocr page 292-

276

Kunstig en vonklend, het wapen van Aiakos\' stormigen kleinzoon; 135. Over zijn schouderen wierp hij het zwaard met de zilveren knoppen, \'t Koperen zwaard, met den grooten en samengeslagenen beuklaar; Zette op \'t krachtige hoofd den voortreflijk gekoperden strijdhelm Wuivend van manen; verschriklijk bewoog zich van boven de haarbos; Voorts twee krachtige speren, gepast in den greep zijner vuisten. 140. Enkel de werpspies nam hij zich niet van den eedlen Peleide, Zwaar, veerkrachtig en groot; haar kon geen andre Achaiër Slingeren, maar alleen Achilleus wist ze te zwaaien,

Pelions krachtigen esch, dien Cheiroon vroeger voor Peleus Haalde van Pelions top en hem gaf als een dooder van helden, us. Daarop deed hij de rossen gezwind door Automedoon tuigen.

Makker, hem na den Peleide, den mannenverdelger, het dierbaarst, \'t Meest te vertrouwen om pal te verduren den dreigenden slagkreet. Onder het juk bracht spoedig Automedoon \'t vurige tweespan, Xanthos en Balios, saam in het loopen den wind evenarend. 150. Zefuros had ze verwekt bij Podarge, de snelle Harpië,

Welke beweidde den beemd aan den vloed van Okeanos grenzend. D\'edelen Pedasos spande hij meê aan de riemen als bijpaard, Eens uit Eëtioons veste als buit ontvoerd door Achilleus; Zoo ging \'t sterfelijk ros daar naast \'t onsterfelijk tweespan. 155. Langs hunne êb tenten bezocht zijne schaar Murmidonen Achilleus Allen te wapen ze roepend; als bloedigverslindende wolven Waren zij, welke, het harte vervuld van een felle verwoedheid, Jagen op buit in de bergen en \'t groote gehorende boschhert Gretig verslinden; van bloed zijn purpergeverfd hunne kaken; 160. Daarop gaan zij in troepen zich drenken aan \'t donkere bronnat, Scheren van boven het water, met smalle en spitsige tongen Slurpend, en \'t bloed van den moord uitbrakende; immer van

[roofzucht

Blaakt hun het hart in de borst en hun buik is vol en gezwollen; Alzoo drongen de leiders en hoofden van \'t heer Murmidonen 165. Saam om den dapperen makker van Aiakos\' stormigen kleinzoon. Daarbij stond in hun midden de strijdbare snelle Achilleus, Nopend de wagenberijders en rondasdragende manschap.

Vijftig gezwinde galeien bemande de eedle Achilleus Toen hij den heertocht voerde naar Troja\'s gewest, en in ieder 170. Waren er vijftig gezellen, als roeiers geplaatst aan de riemen; Dezen beschikte hij vijf krijgsoversten, welken hij \'t opzicht

-ocr page 293-

277

Over die benden vertrouwde; hij zelf was opperste veldheer. D\'eerste der scharen bestuurde Menesthios, leniggepantserd, Zijnde een zoon van Spercheios, den Zeus ontsprotenen stroomgod; 175, Dezen nu had aan den wilden Spercheios gebaard Poludore, Peleus\' heerlijke dochter, een vrouwe gepaard aan een godheid; Nochtans gold als zijn vader de zoon Periëres geboren,

Boros, die rijklijke gift voor haar gaf en haar openlijk huwde. Over de tweede gebood de geduchte Eudoros als krijgshoofd, ]80. Zoon eener jeugdige maagd, Polumele bekoorlijk ten dansrei, Fulas\' dochter; haar minde de Argosdoodende heerscher.

Toen zijne oogen haar eens aanschuuwdeu te midden der zangsters Dansend in Artemis\' choor, de godin met het goudene spinrok. Hermes de brenger van heil, naar een bovenvertrek in de woning 185. Spoedende, had ze er heimlijk gekust en een zoon haar geschonken, D\' eedlen Eudoros, en deed hem in strijd uitblinken en snelheid. Doch zoodra Eileithuia, der smartelijk barenden helpster,

\'t Kind in het leven gebracht en het Helios\' glanzen gezien had, Voerde haar Aktors zoon, strijdhafte en sterke Echekles, luo. Binnen zijn huis en hij kreeg haar voor duizenden giften ten huwlijk. Fulas de grijsaard kweekte den zoon en verpleegde hem zorgvol, Teedere liefde hem wijdend als waar\' hij zijn eigene afkomst. Over de derde gebood de geduchte Peisandros als krijgshoofd, Maimalos\' zoon, in het heer Murmidonen als held met de werpspies los Allen, behalve Patroklos, Achilleus\' vriend, overtreffend.

Foinix gebood bij de vierde, de rossenbedwingende grijsaard; Over de vijfde de eedle Alkimedoon, zoon van Laërkes.

Toen nu Achilleus allen en iedere schaar met haar veldheer Goed had samengesteld, toen sprak hij bevelend zijn machtwoord: 200. — O Murmidonen, vergete er niemand thans de bedreiging.

Waar, bij de snelle galeien, gij steeds meê dreigdet de Trojers, Tydens mijn wrok; en gedenkt hoe ieder mij deed de berisping: „Woeste Peleide, gij moet door uw moeder met galle gevoed zijn, Wreede, die tegen hun wil bij de schepen uw makkers terughoudt; 205. Laten wij liever naar huis met de zeedoorklievende schepen Keeren, dewijl zoo \'t hart u beving de verderflijke gramschap.quot; Zoo klonk vaak uw gesnap in den raad; thans is het genaderd \'t Machtige werk van den slag, dat gij toen zoo zeidet te wenschen. Thans, wie moed in zijn harte bezit, hij bestrijde de Trojers. 2io. Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust.

-ocr page 294-

Enger verbonden de scharen zich saam, op het woord van hun koning.

/ | \' Zoo als een man aan den muur van een rijzige woning de steencn Stevig te zamen verbindt, om den drang van de winden te keeren, Alzoo sloten de helmen en welvende schilden vereenigd. 215. Man aan man, helm dicht aan helm, rondassen op rondas;

Helmen met blinkende kammen vermengden hun fladdrende manen Wuivend bewogen op \'t hoofd; zoo sloten hun scharen te zamen. Vóór hunne andere makkers bereidde ten strijd zich het tweetal. Beiden, Patroklos vereend met Antomedoon, eens van gezindheid 220. Voor aan de spitse te strijden van \'t heer Murmidonen; Achilleus Spoedde intusschen terug naar zijn tent; daar deed hij het deksel Open der prachtige kist, die de zilvervoetige Thetis Gaf haren zoon op zijn schip, die zij vulde met ondergewaden, Windafwerende mantels en wollige dikke tapijten.

225. Daar lag mede zijn beker, de kunstig bewerkte, en nooit noch Had met den purperen wijn hem een ander gedronken, en nooit noch Had hij een anderen god hem geplengd dan aan Zeus, aan den Vader. Dezen nu haalde hij toen uit de kist, en hem eerst met do* zwavel Reinigend, wiesch hij hem voorts in de heldere stroomen des waters, !230. Kuischte \'zich zeiven de handen en schepte het purperen druifnat. Daarop smeekte hij, staande in \'t midden zijns hofs, en hij plengde, \'t Oog naar den hemel gewend, en de Donderaar hoorde zijn bede: — Zeus, in Dodona regeerend, Pelasgiër, verre verblijvend. Zeetiend in \'t kille Dodona, en waar uw orakelverkonders 235. Slapen op d\' aarde, de Selloi met nimmer gewasschene voeten. Hebt gij mijn woord ooit vroeger verhoord, zoo vaak ik u aanriep. Zoo gij mij eere verleendet en straftet het volk der Achaiërs, Wil ook nu mij gehoor op mijn vurig verlangen verleenen.

Want wel blijve ik zelf alhier in den kring van mijn schepen, 240, Maar mijn getrouwen gezel, met een talrijk heer Murmidonen, Zend ik ten slag; o Zeus, wijdschouwende, geef hem den krijgsroem, Sterk hem het hart in de borst met een wakkeren moed, en dat Hektor Daarbij zie of hij ook alleen kan voeren den kampstrijd,

Onze gezel, of dat slechts zijne onweerstaanbare vuisten 245. Woeden, indien ik mij zelf ga mengen in \'t woelen van Ares. •Maar, zoodra hij den strijd en \'t getier van de schepen verjaagd heeft. Moge hij weder behouden mij hier bij de snelle galeiën Keeren met al zijne wapens en dichtbij kampende makkers.

Alzoo sprak hij zijn beö, en hem hoorde de wijze Kronioon.

-ocr page 295-

279

250 Maar éen beê slechts gunde, de andre verstootte de Vader;

Dit wel stond hij hem toe, van de vloot te verdrijven den kampstrijd. Maar ontzeide zijn makker behouden te keeren van \'t slagveld. Zoo dan, na Zeus Vader geplengd en gebeden te hebben,

Ging hij terug in zijn tent, in de kist neerleggend den beker, 255, Keerde en stond toen buiten zijn tent; in zijn harte verlangend Noch den geweldigen kamp van de Trojers te zien en Achaiërs.

Dezen te zamen ten strijde gereed met den fleren Patroklos, Vormden hun schaar om de Trojers met blakenden moed te

[bestormen.

Aanstonds stroomden zij uit, aan de wespen gelijk op den landweg, 2(10. Waar hen de jeugdige knapen gewoonlijk verstoren en plagen. Immer verbittrend de zwermen, ter zijde der wegen genesteld; Dwazen, dewijl zij aan velen gezamenlijk hinder verwekken. Want wanneer somwijlen een reizende man in \'t voorbijgaan Buiten zijn wil ze verstoort, dan vliegen met felle verwoedheid 265. Al hunne scharen er uit en beschermen het jeugdige broedsel. Dus ook stroomde het heer Murmidoniërs blakend van strijdlust Stormende voort van de schepen en eindeloos rees er de slagkreet. Luidkeels schreeuwde Patroklos en klonk zijn bevel tot zijn makkers: — O Murmidonen, gezellen van Peleus\' zone Achilleus, 270. Weest thans mannen, mijn vrienden, gedenkt aan een vurigen

[weerstand;

Laten wij Peleus\' zone verheerlijken, verre den besten Aller Argeiërs, en toonen zijn volgers te zijn in den kampstrijd. Moog\' dan Atreus\' zoon, wijdheerschende vorst Agamemnoon, Zien zijne schuld, zoo smadend den besten van alle Achaiërs. 275. Alzoo sprak hij en wekte bij ieder de kracht en den strijdlust. Samengesloten bestormde hun schaar de Trojanen; de schepen Galmden in \'trond door het luide geschreeuw der Achaïsche manschap.

Doch zoodra de Trojanen Menoitios\' zone, den krijgsheld. Zagen te zaam met zijn makker, in volle bewapening vonklend, 280. Trilde bij allen het hart en geraakten hun scharen aan\'t wanklen. Wanend dat thans bij zijn schepen de rasche Peleide de gramheid Had uit zijn harte verdreven en liever verkozen de vriendschap; Elkeen zag in het rond, waar \'t wreede verderf te vermijden. Aanstonds zwierde Patroklos het eerst zijne blinkende werpspies 285. Recht in het midden en waar zich het talrijkst mengden de strijders, D\' achterplecht der galei van den dapperen Protesilaos,

-ocr page 296-

280

Waar hij Puraichmes trof, die Paioniërs rap met den wagen Voerde van Amudoon her, waar d\' Axios golvend zich uitbreidt. Hechts doorstak hij zijn schouder, en jammerend stortte hij ruglings 290. Neer in het stof, en zijn bende Paioniërs, al om hem henen.

Namen de vlucht, want allen vervulde de vrees voor Patroklos, Daar hij hun krijgshoofd doodde, die onder de strijdenden uitblonk. Toen van de schepen hen jagend, bedwong hij den vlammenden

[vuurgloed.

Alzoo bleef er ten halve verbrand de galei, en de Trojers 295. Deinsden met hevig geschreeuw; toen stormden de Danaërs weder Tusschen de welvende schepen; en eindeloos schalde het slagveld Zoo, wanneer van de hoogste der kruinen in \'t groote gebergte Zeus, die den bliksem bestuurt, doet dalen een donkeren nevel; Zichtbaar worden de hoogten, de puntige toppen en dalen, 300. Boven de brekende lucht ontspant zich de eindlooze ether; Zoo herademden even de Danaërs, toen zij den vuurgloed Weer van de schepen verdreven, ofschoon niet rustte de worstling; Want, schoon even gezwicht voor het strijdhaft heer der Achaiërs, Keerden de Trojers den rug noch niet aan de donkere schepen, 306. Maar noch hielden zij stand, van de vloot slechts wijkend uit

[nooddwang.

Daar sloeg iedere strijder zijn man in der scharen verstrooiing. Elk van de hoofden; de voorste Menoitios\' dappere nazaat.

Daar zijne snijdende speer Areïlukos, toen hij zich wendde.

Trof aan de dij, en ze gansch doorstak met het koper der lanspunt; 3io. Deze verbrijzelde \'t been, en hij viel voorover op \'t aardrijk. Daarop trof Menelaos, de strijdbare volger van Arcs,

Thoas het naakte der borst bij het schild en hij slaakte zijn leden. Fuleus\' zoon, die het zag dat Amfiklos tegen hem lostoog. Strekte te voren de lans en zijn dij doorstak hij van boven, 315. Waar bij den mensch saamtreffen dc stevigste pezen; de speerpunt Scheurde de banden van 6en en het duister bedekte zijn oogleên. Nestors telgen vervolgens: Antilochos strekte de lanspunt Tegen Atumnios uit, in het weeke des bulks hem verwondend; Voorwaarts stortte hij neer; doch Maris, verwoed om zijn broeder, 320. Stormde Antilochos dicht op het lijf en hij hief zijne werpspies Vóór den verslagene staande; intusschen de held Thrasumedes Strekte de lans noch eer dat de ander hem stootte, en aanstonds Trof hij zijn schouder; hij sneed hem den opperarm met zijn speerpunt

-ocr page 297-

281

Gansch van de banden der spieren en brijzelde zelfs het gebeente. 325. Bonzend dreunde zijn val en het duister bedekte zijn oogleên. Alzoo daalden zij daar, twee broeders te zamen gesneuveld, Neder in Erebos\' duister, Sarpedoons dappere makkers.

Twee speerhelden van vorst Amisodaros stammend, die eenmaal Kweekte het monster Chimaira, dat zoo veel menschen ten ramp werd. 330. Ajas Oïleus\' zoon sprong voor en hij greep Kleoboulos

Levend, terwijl het gedrang hem belemmerde; maar in een oogwenk Nam hij zijn leven en kracht door een houw in den nek met

[zijn slagzwaard.

\'t Zwaard werd warm van het bloed, en zich over zijn oogen

[verbreidend

Heerschten de purperen dood en de Moira, het machtige noodlot. 335. Lukoon botste nu saam met Peneleoos; wel met de werpspies Miste de éene den ander en vruchtloos wierpen zij beiden;

Doch weer botsten zij saam met het zwaard, en het lemmer van Lukoon Raakte den harigen bos van den helm, maar onder den zwaardgreep Brak hem de kling; toen hieuw hem Peneleoos diep in het nekbeen 340. Onder het oor; gansch drong het er in, en ter zijde gezonken Hing er het hoofd alleen aan de huid, en zijn leden bezwijmden. Dappre Meriones, vluchtig van voet, zich op Akamas stortend Raakte hem rechts in den schouder, terwijl hij zich wierp op zijn wagen; Aanstonds viel hij er uit en het duister bedekte zijn oogleên. 345. Erumas werd aan den mond door Idomencus\' wapen getroffen, Zoo dat het gruwzame koper van achter tot buiten den schedel Doordrong onder de hersens, versplijtend het blanke gebeente Brak en de tanden hem sloeg uit den mond; dra vulde de bloedstroom Beide de oogen en spoot uit den neus en de gapende lippen. 350. Toen omhulde de dood zijnen geest met een donkeren nevel. Alzoo sloegen de hoofden der Danaërs ieder den zijne.

Even als wolven zich storten op schapen en jeugdige geiten, Fel om het blatende vee te vermeesteren, wen zij zich ver weg Over de bergen verstrooien door \'s herders verzuim; en dit ziende 355. Rooven en moorden de wolven de weerloos bevende dieren;

Dus dat de Danaërs stormden, de Trojers te lijf, die aan niets meer Dachten dan tierende vlucht en vergaten den vurigen weerstand.

Steeds zocht Ajas, de groote, den kopergepantserden Hektor, Spiedende hoe hij hem trof, maar deze geleid door zijn krijgskunst, 360. Gansch met het lederen schild zijn geweldige schouders bedekkend.

-ocr page 298-

282

Hield op de snorrende pijlen het oog en het bonzen der speren. Wel doorzag hij het thans, dat de wankende zege gekeerd was, Maar toch hield hij het vol en beschermde zijn trouwe gezellen. Zoo als een wolk van Olumpos gezweefd uit den hemelschen

[luchtkreits

365. Daalt van den godlijken ether, als Zeus ontplooit zijn orkanen, Alzoo was hun geschreeuw en hun vlucht van de schepen, en ordloos Ging het terug door de gracht. Voort voerden de vaardige rossen Hektor terug met de wapens, en al zijne schalen van Trojers Moest hij verlaten dewijl hen de diepte gedwongen terughield. 370. Daar in de gracht liet tal van de strijdkartrekkende rossen

Storten de kar van hun meesters, van voren den dissel verbrekend. Doch voort stormde Patroklos, de Danaërs nopend met aandrang. Onheil dreigend den Trojers; en luidkeels schreeuwend en vliedend Vulden hun scharen verstrooid thans alle de wegen; een stofwolk 375. Dwarrelde hoog in de lucht, en de enkelhoevige rossen

Rekten zich, ijlend ter stad, van de schepen gekeerd en de tenten. Waar hij het dichtste gewoel zag warrelen, voerde Patroklos Luidkeels schreeuwend zijn span; voorover en onder de wielen Vielen er velen ter aard uit hun wagen die kletterend omsloeg. 380. Over de gracht heen sprongen gezwind zijne vaardige rossen, Zij, d\' onsterflijken, \'t heerlijk geschenk van de goden aan Peleus, Voorwaarts vliegend; hem spoorde de woede om Hektor te volgen. Dezen te treffen; zijn span ontvoerde hem echter met vlugheid. Even als onder den druk van een storm, gansch duister, het aardrijk 385. Zwoegt, op een najaarsdag, wanneer Zeus stortenden regen

Uitgiet, wen hij vertoornd, zwaar tegen de stervlingen losbreekt. Welke verkeerd in den raad en met wilkeur geven hun uitspraak, Welke verstoeten het recht, niet achtend de straf van de goden; Al hunne wateren zwellen en stroomen tot over de oevers, 390. Hellingen snijdt het geweld van de stortende vloeden ter neder; Onder een bruischend geluid voortgolvend ten purperen zeevloed Storten zij steil van de hoogten, vernield is \'t werk van de menschen. Dus met geweldig gesnuif ontvloden de rossen der Trojers. Thans van het vluchtende heer afsnijdend de achterste benden 400. Joeg ze Patroklos terug, bij de schepen beklemd, en ter stadsvest Liet hij ze niet weer keeren, de vurig verlangenden; doodend Viel hij ze aan in de ruimte die tusschen den muur en de schepen Ligt en den stroom, en hij nam zich van velen het loon der vergelding.

-ocr page 299-

283

Pronoös sloeg hij het eersit eene wond met zijn blinkende werpspies, 400, Treffend het naakte der horst bij het schild en hij slaakte zijn leden. Bonzend dreunde zijn val ; voort stormde hij verder op Thestor Enops\' zoon; in den bak van zijn sierlijk getimnierden wagen Zat hij gedoken; zijn zinnen bestierven van angst; uit zijn handen Waren de teugels geglipt; zoo stak hij zijn speer, hem genaderd, 405. Rechts in de kaak en de spits doorboorde geheel zijne tanden. Daarna trok hij hem over den rand van de kar met zijn speerschacht; Zoo als een man op een klip, voorspringend aan \'t strand, uit

[den zeevloed

Haalt een verbazenden visch aan zijn lijn met den koperen angel. Dus ook trok hij hem gapend omhoog met zijn speer uit den wagen, 410. Schudde hem zóo dat hij viel op \'t gelaat, en de adem verliet hem. Voorts Erulaos, die stormend hem naderde, wierp hij een steenblok Midden op \'t hoofd, en de steen deed onderden drukkenden strijdhelm \'t Hoofd gansch barsten in tweeën; hij viel voorover getuimeld Neer op den grond, en hem dekte des doods ontzielende schaduw. 415. Voorts na Erumas trof hij Amfoteros nevens Epaltes,

Echios mede en Puris, Tlepolemos zoon van Damastor,

Ifeus noeh en Euippos en Argeas\' zoon Polumelos,

D\' een op den andere wierp hij ze allen op \'t voedende aardrijk. Doch nu Sarpedoon zag dat zijn onomgordelde makkers 420. Sneuvelden onder de hand van Menoitios\' zone Patroklos,

Riep en berispte hij luide zijn edele Lukische manschap:

— Schande, o Lukiërs, neemt gij de vlucht? Thans past u ge

zwindheid ;

Want dien wil ik bestrijden, den man daar ginds, om te weten Wie zoo schrikkelijk woedt, wie zoo veel jammer den Trojers 425. Toebrengt, daar hij een tal, en den dappersten, knakte de knieën. Alzoo sprak hij en sprong uit zijn wagen ter aard met zijn wapens. Snel sprong mede Patroklos terwijl hij hem zag uit zijn wagen. Dan, als een tweetal gieren met bochtige klauwen en snavels Hoog op de steilte der rots elkaar al krijschend te lijf gaat, 430. Alzoo stormden zij voort, luid schreeuwend, de éen op den ander. Deernis gevoelde met dezen de zoon van den listigen Kronos, Toen hij hen zag en hij zeide tot Hera zijn zuster en ega:

— Wee mij, indien het beschikt moet zijn dat mijn waarde Sarpedoon Onder de handen bezwijkt van Menoitios\' zone Patroklos.

435. Tweeërlei inzicht wankt in mijn harte en denkende zinnen,

-ocr page 300-

284

\'t Zij of ik levend hem nu uit den tranenverwekkenden kampstrijd Weg zal nemen en voeren in Lukië\'s vruchtbare landstreek,

\'t Zij reeds onder de hand van Menoitios\' zoon hem vergaan laat. Daarop zeide hem weer grootoogige vorstlijke Hera: 440. — Kronos\' geweldige zoon, welk woord ontvlood uwen lippen ! Dezen, een sterflijken man, reeds vroeger bestemd door het noodlot, Is bet uw wil thans weer van den gruwbaren dood te bevrijden? Doe bet; intusschen behaagt het ons niet, ons anderen goden. Maar dit zeg ik u wijders, en wil in uw geest het bewaren; 445. Zoo gij Sarpedoon redden en mocht doen gaan naar zijn woning, Denk dan wel of er ook geen ander der goden het eenmaal Wensche een dierbaren zoon te verlossen van \'t woedende slagveld. Want bij de machtige veste van Priamos strijdt er een aantal Zonen der goden; bij dezen verwektet gij bevigen wrevel. 450. Doch is deze u lief en vervult hij uw harte met deernis.

Duld dan wel dat hij thans in de vreeselijk woelende slachting Sneuvele onder de hand van Menoitios\' zone Patroklos;

Maar zoodra hem de geest ontvlood en de adem des levens.

Laat dan snel door den Dood en den rustigen Slaap hem vervoeren 455. Tot zij de wijde gewesten bereiken van Lukië\'s landstreek,

Waar hem zijn broeders en vrienden de uitvaart zullen bereiden. Heuvel hem stichtend en stijl; die eer toch voegt voor de dooden.

Alzoo sprak zij; dit volgde de Vader der menschen en goden. Bloedige droppelen deed hij de aarde besprenkelend dalen, 460. Eerend zijn dierbaren zoon, dien thans wel spoedig Patroklos Zou doen sneuvelen ver van zijn land in het kluitige Troja.

Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd, Wondde Patroklos\' wapen den loflijken held Thrasumelos, Hém die de dappre gezel van Sarpedoon was, den gebieder; 465. Dezen verwondde hij onder den buik en hij slaakte zijn leden. Doch thans miste hem mede de blinkende speer van Sarpedoon, Na hem ten aanval stormend; het bijpaard Pedasos trof hij Rechts in de schoft met zijn speer; luid snoof het met smartelijk

[brieschen.

Reutelend stortte het toen in het zand, ontvlood hem de adem. 470. D\' andere sprongen ter zijde; de jukboog kraakte; de teugels Warden te zamen, terwijl op den grond neerstortte het bijpaard. Doch toen vond de geroemde Automedoon spoedig een uitkomst. Want aan zijn krachtige heup \'t langpuntige lemmer ontblootcnd.

-ocr page 301-

285

Hakte hij zonder te dralen het bijpaard los van de riemen; 475. Weldra stonden de twee weer recht in de spannende strengen. Spoedig hervatten de strijders op nieuw den vernielenden tweekamp. Nochmaals miste de worp van Sarpedoons blinkende speersehacht, Links toch vloog bij Patroklos zijn lanspunt over den schouder, Maar zij verwondde hein niet; toen zwierde Patroklos het koper; 4S0. Niet te vergeefs ontsnelde het wapen zijn hand en hij trol\' hem Waar in des lichaams midden het rifvlies ligt om de hartstreek. Aanstonds stortte hij neer als een eik of een popel die neerstort, Zoo als een rijzige pijn, die de kunstenaar hoog in de bergstreek Velt met geslepene bijl om te dienen als balk voor het vaartuig; 485. Dus ook viel hij en lag voor zijn paarden gestrekt en zijn wagen. Brullend en rondom grijpend het bloedige stof van den bodem. Zoo als een leeuw eenen stier, op de kudden zich stortende, neervelt, \'t Moedige, edele hoofd van de zwaar sleepvoetende runders, Onder een brullend gesteen door de tanden gedood van het roofdier; 490. Alzoo uitte de strijder die voerde het Lukische schildvolk,

Stervende noch zijne woede en riep tot zijn dierbaren makker: — Glaukos, mijn vriend, strijdhafte, op ü thans rust de verplichting Dapper te zijn in het zwaaien der speer, een geweldige krijgsman; Moge uw lust thans zijn d\' onzalige krijg, als gij doortast. 495. Ga de gelederen rond en beweeg daar eerst en bemoedig

Lukië\'s legerbestuurders te strijden, geschaard om Sarpedoon; Blijf dan verder beschutten mijn lijk en dat woede uw koper, U toch zal het ook later tot oneer zijn en beschaming Alle de dagen en eeuwig, indien mij de zonen Achaia\'s 500. Rooven mijn wapengerei, nu ik val in den kring van de schepen. Op! en met kracht u geweerd, drijf al onze mannen tot weerstand.

Alzoo luidde zijn woord en zijn oogen en ademend neusgat Sloot er het einde des doods. Met zijn hiel op de borst hem getreden Trok hem Patroklos de speer uit het lijf, meêrukkend het midrif. 505. Zoo onttrok hij zijn leven te zaam met de punt van de werpspies. Doch Murmidoniërs grepen en hielden de snuivende paarden. Wild en tot vluchten bereid met den wagen beroofd van zijn meesters. Bittere smart trof Glaukos, de stem van zijn makker vernemend;

483. Kunstenaar; dit woord moge ons wat hoog klinken, oudtijds bestond de volstrekte scheiding tusschen kunst en handwerk niet en alle bewerkers van metalen, steen en hout droegen in het algemeen dien naam. Ik heb dien daarom behouden.

-ocr page 302-

286

Maar fel stak bet zijn hart onmachtig te wezen tot bijstand; 5io. Klemmend hield hij de hand om zijn arm, want pijnlijk en drukkend Was hem de wond, die hij kreeg bij den storm, toen Teukros

[zijn pijlschot

Zond van den rijzigen muur, voor het onheil hoedend zijn makkers. Biddend verhief hij zijn stem tot den treffer van verre Apolloon:

— Hoor mij, o vorst, of gij soms in der Lukiërs vruchtbare landstreek 515. Toeft of in Troja\'s gewest; gij kunt toch waar gij ook zijn moogt

liooren den lijdenden man, zoo droevig als thans het mij pijnigt. Zie, nu heb ik die wond, zoo fel dat de vlijmende smarten Gansch rondom doorboren mijn arm en de hevige bloedstroom Kan niet worden gestremd, zwaar drukt mij van boven de schouder; 520. Machtloos ben ik om stevig te voeren de speer en den vijand Strijdende tegen te gaan; die dappere sneefde, Sarpedoon, Stammend van Zeus; maar deze beschermde zijn eigenen zoon niet. Doch wil gij, o koning, die hevige wonde genezen.

Stil mijne smarten, verleen mij de kracht, dat ik weder bevelend 525. Roepe mijn Lukische scharen en wekke ten dapperen aanval. Zelf dan zal ik het lijk des gevallenen strijders behoeden.

Alzoo bad hij en gunstig verhoorde hem Foibos Apolloon. Aanstonds deed hij bedaren de smart, van de drukkende armwond Stremde hij \'t donkere bloed en vervulde zijn harte met strijdkracht. 530. Glaukos erkende het dra in zijn geest en gevoelde het vreugdvol Nu de verhevene god zoo snel zijne bede hem toestond.

Alom tusschen de drommen zich spoedende, riep hij vermanend Lukië\'s legerbestuurders te strijden om \'t lijk van Sarpedoon; Toen, met geweldigen tred zich te midden der Trojers bewegend, 535. Zocht hij Poludamas, zone van Panthoös, d\' eedlen Agenor, Wijders Aineias, benevens den kopergepantserden Hektor.

Dezen genaderd begon hij en sprak de gevleugelde woorden;

— Hektor, gij hebt nu gansch de verbondene volken vergeten. Uwenthalve verwijderd van vrienden en \'t land hunner vaadren,

540. Hier van het leven beroofd; geen hulp meer wilt gij hun brengen. Zie het, Sarpedoon viel, heervoerder van \'t Lukische schildvolk, Lukië\'s landstreek hoedend door wetten en eigene strijdkracht; Dezen bedwong door de speer van Patroklos de koperen Ares. Leent uwen bijstand, vrienden, en zij het uw harten een gruwel 545. Zoo Murmidonische mannen zijn wapenen rooven, zijn lichaam Schenden, vertoornd om het lot van de Danaërs, welke in aantal

-ocr page 303-

287

Sneefden, die hier onze speer bij de snelle galeien gedood heeft.

Alzoo sprak hij; de Trojers beving overstelpende droefheid, Toomloos en heftig, dewijl hij een schutsmuur was voor hun

[burgvest,

560. Schoon hij een vreemdeling was; daar tal van zijn volken hem

[herwaarts

Had vergezeld en hij zelf hoog onder de strijdenden uitblonk. Rechtstreeks stormden zij voort, fel tegen de Danaërs; vooraan Voerde hen Hektor, verwoed om Sarpedoons dood. De Achaiërs Wekte het mannelijk hart van Menoitios\' zone Patroklos; 565. Eerst tot de Ajaxen sprak hij, die zelf reeds kookten van strijdlust: — Ajaxen, weest thans beiden vervuld van begeerte tot weerstand, Zoo als gij vroeger u weerdet te midden der mannen, of meer noch. Ziet, daar ligt hij de man die het eerst op den muur der Achaiërs Stormde, Sarpedoon; komt, o mochten wij schendend zijn lichaam, 560. Nemen het wapengerei van zijn schouderen, ja, van zijn makkers Velen, ter hulp hem gesneld, met het schrikkelijk koper bedwingen.

Alzoo sprak hij en zelf reeds haakten zij vurig ten weerstand. Toen, na dat zij hun scharen aan weerszij hadden vermeerderd, Trojers en Lukiërs ginds, Murmidoniërs bier en Achaiërs, 565. Botsten zij samen ten strijd om het lijk des gesneuvelden, luidkeels Heffend hun kreten, en klonken de klettrende wapens der mannen. Over den woelenden kamp deed Zeus het verschrikkelijk duister Vallen, dat schriklijker wierd om zijn dierbaren zone de worstling. Eerst overmanden de Trojers de wakkere zonen Achaia\'s; 570. Geen onwaardige toch viel toen bij het heer Murmidonen,

Zoon van den eedlen Agakles, de treflijke strijder Epeigeus, Welke als koning regeerde het volkrijk bloeiend Boudeion Eertijds; maar na dat hij een eedle versloeg, hem vermaagschapt, Zocht hij bij Peleus hulp en de zilvervoetige Thetis;

575. Dezen nu deden hem saam met den mannenverdelger Achilleus Gaan naar het paardrijk Troja, om tegen de Trojers te kampen. Deze dan vatte het lijk, maar Hektor de schittrende krijgsheld Wierp hem een wichtigen steen op het hoofd, en het barstte

[in tweeën

Onder den krachtigen helm; voorover gestort op het lichaam 580. Bonsde hy neer en hem dekte des doods ontzielende schaduw. Hevig vervulde Patroklos de smart om zijn stervenden makker, Maar toen stormde hij recht door de strijders der spits, als een havik.

-ocr page 304-

288

Vliegend van vaart, die een schaar doet vluchten van kraaien

[en spreeuwen;

Zoo, rosdwinger Patroklos, bestormdet gij recht op hen ingaand 585. Trojers en Lukiërs beiden, van harte vergramd om uw makker. Zwierend een machtigen steen naar Ithaimenes\' zoon Sthenelaos, Trof hij hem tegen den nek en verbrijzelde gansch zijne pezen. Daardoor weken de voorsten terug met den schittrenden Hektor. Zoo ver heen als de vaart zich beweegt van een rijzige werpspies, 590. Welke een man, zijne krachten beproevende, zwiert, often wedkamp, Soms op het slagveld ook, waar dreigt de vernielende vijand, Zco ver deinsden de Trojers en drongen hen voort de Achaiërs. Glaukos echter het eerst, heervoerder van \'t Lukische sehildvolk. Wendde ten strijde zich weder en doodde den eedlen Bathukles, 595. Chalkoons dierbaren zoon, die in Hellas bezat zijne woning,

Waar hij in schatten en goed bij den stam Murmidoniërs uitblonk. Hem doorstak nu Glaukos liet midden der borst met een speerstoot, Plotsling zich tegen hem keerend, die dicht op de hielen hem nazat; Bonzend dreunde zijn val; fel griefde de smart de Achaiërs 600. Toen er de dappere zonk, maar vreugde vervulde de Trojers, Dicht den gevallenen strijder omringende; ook de Achaiërs Lieten den kamp niet rusten en voorwaarts drong hun de strijdlust. Onder de Trojers verwondde Meriones toen eenen krijgsman, Zoon van Onetor, den rappen Laogonos, priester des tempels 60B. Zeus op de Ida gewijd, en geëerd bij het volk als een godheid; Dezen verwondde hij onder de kaak en bet oor, en op eenmaal Vlood uit zijn leden het leven en greep hem het schriklijke duister. Tegen Meriones zwaaide Aineias zijn koperen werpspies, Meenende dezen te treffen, die voortschreed onder zijn beuklaar. 610. Maar noch tijdig het ziende vermeed hij de koperen lanspunt. Wijl hij naar voren zich bukte, en achter hem diep in den bodem Boorde de machtige speer, wier spits daar trillende instak,

Doch de geweldige Ares benam haar ten slottte de veerkracht. Zoo viel schuddend de lans van Aineias neer op de aarde, 615. Daar zij vergeefs ontsnelde de krachtige hand die haar voort wierp. Thans ontbrandde het hart van Aineias in woede en sprak hij; — Zeker, Meriones, had, hoe vlug gij als danser ook uitmunt. Snel u mijn speer doen rusten, indien ik ten minste geraakt had. Doch van Meriones, groot in den speerkamp, luidde het antwoord: 620. — Zwaar, o Aineias, valt het, al zijt gij een loffelijk krijgsman,

-ocr page 305-

289

lederen mensch te berooven zijn kracht, al wie ter verwering\' Tegen u opkomt; immers gij zijt ook sterflijk geboren.

Mocht ik u midden op \'t lijf doen raken mijn koperen werpspies, Dra, hoe dapper gij zijt, hoe zeer op uw handen vertrouwend, 625. Gaaft gij de eere aan mij, rosdwingenden Aïdes^ \'t leven.

Alzoo sprak hij; intusschen bestrafte hem d\' eedle Patrokios: — Waartoe, kloek als gij zijt, o Meriones, zulk een gebeuzel? Geenszins zullen, mijn waarde, voor schimpende woorden de Trojers Wijken van \'t lijk, alvorens de aarde er velen bedekte. 630. Immers de handen beslechten in strijd en het woord in den

[raadskring.

Daarom niet veel spraaks maar strijdkracht hebben wij noodig.

Hiermee ging hij hem voor, en hem volgde de godlij ke krijgsheld. Even als luid het gedruisch van de boomstamvellende mannen Rijst in de dalen der bergen, en \'t klinkt dan ver in den omtrek; 035. Dus ook was hun gedruisch op het verrebetredene aardrijk,

\'t Bonzen van koper en leer en der kunstig beslagene stierhuid. Onder het treffen der zwaarden en dubbelsnijdende speren.

Thans zou zelfs een bekende den godlijken strijder Sarpedoon Niet weer kennen, gelijk hij door wonden en bloed en bet stofgruis 640. Was overdekt van het hoofd tot het uiterste einde der voeten. Steeds omringden zij noch den verslagene, even als vliegen Gonzend steeds omzwermen de vaten met melk in het hofperk, Wen in het lentegetijde de melk ruim vloeit in de kuipen; Zoo omringden zij steeds den gesneuvelde. Doch van het slagveld 645. Hield nu Kronos\' zoon niet meer zijne stralende oogen.

Maar zag neer op de strijders, terwijl in zijn harte hij nadacht. Over den dood van Patrokios verzonken in diepe bepeinzing. Nu, of in \'t vreeslijk gevecht reeds thans hem de schittrende Hektor Zoude verslaan met de speer, hier waar de verheven Sarpedoon 050. Viel, en hem zou ontnemen het wapengerei van zijn schouders; Dan, of hij meerderen noch deed torschen den drukkenden krijgslast. Dus overleggende scheen hem dat dit wel ware het raadzaamst, Zoo de voortreflijke makker van Peleus\' zone Acbilleus Weder het Troïsche heer en den kopergepantserden Hektor 355. Dreef naar de veste en noch veel mannen beroofde van \'t leven. Hektor stortte hij eerst onmanlijke vrees in den boezem;

Ijlings beklom hij zijn wagen en vlood, de Trojanen ten aftocht Manende, want wel was hem bewust Zeus\' heilige weegschaal.

19

-ocr page 306-

290

Lukië\'s krachtvol heer hield ook geen stand en gezaamlijk 660. Vluchtte het, toen het zijn vorst zag liggen, geknakt in zijn leven. Onder een stapel van lijken gestrekt, want over zijn lichaam Viel er oen tal, toen Zcus daar spande de heftige worstling, Dra ontroofden zij toen van Sarpedoons schouders het krijgstuig Blinkend van koper beslag, en Menoitios\' zoon, de geduchte, 665. Gaf het zijn makkers om ginds naar de holle galeien te voeren. Doch tot Apolloon zeide de wolkenbestuurder Kronioon: — Spoed u, mijn Foibos, thans, ontvoer aan de speren Sarpedoon, Wasch hem het donkere bloed van het lichaam; draag hem, en

[ver weg.

Ginds naar den stroom, in zijn golven hem reinigend; zalf hem

[de leden

670. Dan met ambrosischen balsem en hul hem in godlijke kleeding; Geef om hem verder te voeren hem voorts aan de snelle geleiders. Beiden den tweelingbroeders, den Slaap en den Dood, die hem ijlings Brengen in \'t wijde gebied van de vruchtbare Lukische landstreek; Waar hem zijn broeders en vrienden de uitvaart zullen bereiden, 675. Heuvel hem stichtend en stijl; die eer toch voegt voor de dooden. Alzoo sprak hij; en \'t woord van zyn vader betrachtte Apolloon. Dalend van Ida\'s gebergte bezocht hij het schrikkelijk slagveld. Voerde terstond uit der speren bereik den verheven Sarpedoon, Droeg hem van daar ver weg, en hij wiesch in den stroom zijne leden, 680. Goot er ambrosia over en wond hem in godlijke kleeding;

Gaf om hem verder te voeren hem voorts aan de snelle geleiders, Beiden den tweelingbroeders, den Slaap en den Dood, die hem ijlings Plaatsten in \'t wijde gebied van de vruchtbare Lukische landstreek. Doch thans spoorde Patroklos Automedoon aan en zijn rossen, 685. Trojers en Lukiërs jagend, en ganschelijk werd hij verbijsterd; Dwaas! want had hij gelet op het woord van den zone van Peleus, \'t Jammerlijk lot ontvluchtte hij dan van den donkeren sterfdag. Maar steeds machtiger is Zeus\' geest dan het menschelijk inzicht, Zeus die den krachtigste jaagt op de vlucht en berooft van den

[krijgsroem,

ego. Lichtelijk, doch dan zelf hem ten strijd weer prikkelt en opwekt; Hij, die alstoen ook wekte den moed in de borst van Patroklos.

Wien ontroofdet gij eerst, wien verder zijn leven en krijgstuig. Toen u, Patroklos, ten dood thans riepen de eeuwige goden? \'t Waren Adrestos het eerst, en Autonoös nevens Echeklos,

-ocr page 307-

291

«95. Perimos Megas\' zoon, Melannippos en mede Epistor,

Daarna Elasos, voorts noch Moulios nevens Pulartes;

Dezen versloeg hij; ter vlucht ontsnapten de anderen siddrend.

Thans had \'t volk van Achaia het rijzige Troja vermeesterd Onder Patroklos\' hand, want vooraan woedde zijn speerschacht, 700. Zoo op den krachtigen toren der vest niet Foibos Apolloon

Stond, hem verderf toedenkend, den Trojers bescherming verleenend. Driemaal klom op den hoek van de steile hemuring Patroklos, Driemaal stootte hem echter terug het geweld van Apolloon, Wiens onsterflijke hand zijnen blinkenden beukelaar wegstiet. 705. Maar als hij nochmaals stormde, in sterkte gelijk aan een godheid, Klonk hem het dreigende woord van den treffer van verre Apolloon:

— Eedle Patroklos, terug, want zoo niet wilde het noodlot Thans voor uw speer doen vallen de veste der loflijke Trojers, Ook voor Achilleus niet, toch zeker in krachten u voorgaand.

710. Alzoo sprak hij, en haastig naar achteren deinsde Patroklos, Zoekend den toorn te vermijden des treffers van verre Apolloon.

Doch in de Skaiïsche poort hield Hektor zijn krachtige paarden; Want hij bedacht of hij weer ze ten slag zou drijven en strijden, \'t Zij aan zijn volken bevelen zich binnen den muur te beschutten. 715. Dus overlegde hij, toen hem Apolloon Foibos ter zij trad,

Gansch in gestalte een man in den bloei van zijn krachten gelijkend, Asios, zijnde een oom van den rossenbedwingenden Hektor, Hekabe\'s eigene broeder, een zone geboren van Dumas,

Frugië\'s landen bewonend ter zij van Sangarios\' stroombed; 720. Dezen gelijkende zei hem de Zeus ontstamde Apolloon:

— Hektor, waarom staakt gij den strijd ? Zoo past het u geenszins. Mocht, zoo verre geringer ik ben, ik uw meerdere wezen, Weldra zoudt gij van schrik ontsteld wel mijden het slagveld. Op, drijf tegen Patroklos uw span sterkhoevige paarden,

725. Of gij hem wellicht slaat en u krijgsroem schenke Apolloon.

Alzoo sprekende ijlde de god weer voort naar het krijgswerk. Schrandren Kebriones echter gelastte de schittrende Hektor Weer naar den slag zijne rossen te prikkelen; Foibos Apolloon Drong in der scharen gewoel en hij bracht er in heillooze warring 780. Argos\' volk, maar gunde den Trojers en Hektor den krijgsroem. Hektor vermeed nu de andren der Danaërs, geenen verdelgend. Maar joeg tegen Patroklos zijn span sterkhoevige rossen.

Ulings sprong uit zijn wagen Patroklos ter andere zijde,

-ocr page 308-

292

Hield in zijn linker de speer en hij greep met de rechter een

[steenklomp,

735. Glanzend en kantig gepunt, dien nauw omspande zijn handgreep, Daarmee wierp hij uit al zijne macht, maar zonder te wijken; Geenszins vruchteloos wierp hij; Kebriones, menner van Hektor, Trof hij, den bastaardzoon van den edelen Priamos stammend, Voerend de teugels, en zond hem den puntigen steen naar het

[voorhoofd.

740. Beide de brauwen verscheurde de steen, en het been van den schedel Bood geen weer en hem vielen ter aard in het stof zijne oogen Vóór zijne voeten; hij zelf, neertuimlend gelijk aan een duiker, Viel uit den sierlijken wagen en \'t leven verliet zijn gebeente. Schimpende smaadde hem toen uwe taal, rosdwinger Patroklos; 745. — Wonderlijk! Zie hoe luchtig die man, hoe vlug in het duiken; Kon hij het ook eens zoo in het vischrijk water der zee doen. Velen verzadigde zeker die man met het vangen van oesters, Wen hij van \'t scheepsboord sprong, al ging onstuimig de golfslag. Zoo als hij thans op het veld uit zijn wagen behendiglijk buitelt. 750. Waarlijk er zijn toch ook bij de Trojers behendige buitlaars. Alzoo sprekende trad hij Kebriones nader, den krijgsheld. Zoo als een woedende leeuw, als hem, na het verwoesten der perken, \'t Pijlschot treft in de borst en hij valt door zijn eigene stoutheid; Dus ook sprongt gij, Patroklos, verwoed op Kebriones\' lichaam. 755. Maar ook Hektor sprong van den anderen kant uit zijn wagen. Zoo om Kebriones streden zij saam, twee leeuwen gelijkend Woest elkander betwistend \'t verslagene hert op een bergtop. Hunkerend beiden naar buit en het hart vol grimmigen bloeddorst; Dus om Kebriones streden de twee slagvoerendc helden 700. Beiden, Patroklos Menoitios\' zoon en de schittrende Hektor, Zoekend het lijf elkaar met het gruwzame koper te klieven. Hektor liet nu het hoofd, dat hij greep, niet meer uit zijn handen, Doch bij den voet hield stevig Patroklos het lijk, en de andren, Trojers en Danaërs, mengden zich dra in de heftige worstling. 765, Zoo als de winden van Oost en van Zuid elkander bekampen Tusschen de dalen der bergen om \'t dichte geboomte te schudden. Stammen van eiken en esschen, en ruig omschorste kornoeljes. Zoo dat hun spichtige twijgen gezweept elkander beroeren. Onder een heftig gedruisch en het kraken der brekende takken, 770. Dus ook botsten de Trojers te zaam met de zonen Achaia\'s,

-ocr page 309-

Doodaanbrengcnd, en geen die met heilloos vluchten zich inliet. Menige vlijmende speer trof doel om Kebriones\' lichaam,

Vele gevederde pijlen, gesnord van de pezen der bogen,

Menige plettrende steen sloeg bonzende neer op de schilden, 775. Onder \'t gewoel om hem heen, maar groot, ver dekkend den bodem Lag hij in \'t dwarlende stof, niet langer gedachtig aan rijkunst.

Zoo lang stijgend de zon zich bewoog in het midden des hemels, Wondde van weerszij \'t wapen met kracht en de strijders bezweken, Maar bij het neigen der zon naar den tijd als de stieren van \'t ploegjuk 780. Worden bevrijd, toen wonnen, ten spijt van het lot, de Achaiers, ^ Daar zij Kebriones\' lijk uit der worpen bereik en der Trojers Wilde getier wegrukten en \'t lijf van de wapens beroofden.

Thans ook wierp zich Patroklos met grimmigen zin op de Trojers. Driemaal stortte hij voort, aan den stormenden Ares gelijkend, 785. Schreeuwend, en driewerf negen versloeg hij er onder de strijders. Maar bij zyn vierde bestorming, in sterkte gelijk aan een godheid. Toen, o Patroklos, verscheen u het einde der dagen uws levens, ^ Want thans naakte u Foibos te midden der hevige slachting, Vreeselijk. Maar hij bespeurde zijn aantocht niet in de woeling; 790. Want van een wolkfloers dicht omhuld trad deze hem tegen;

Achter hem stond hij en sloeg hem zijn rug en zijn krachtige schouders Forsch met het vlakke der hand, en zijn oogen verwarde een duizling. Foibos Apolloon stootte hem voorts van de slapen den strijdhelm; Tuimelend rolde en klonk met gekletter de groote vizierhelm 795. Onder de hoeven der paarden getrapt, en den harigen helmbos Smette het bloed en het stof; niet eer mocht volgens beschikking Worden bevuild van het stof de van manen omwapperde strijdhelm, Maar hij beschutte het hoofd en bevallig gelaat van Achilleus, D\' edelen held; Zeus echter verleende het toen dat hem Hektor -800. Droeg op zijn hoofd; doch na was thans ook dezen het noodlot. Daarna brak in zijn handen de speér, ver strekkend van schaduw, Groot, veerkrachtig en zwaar, de gekoperde; straks van zijn schouders Zonk op de aarde het lange bedekkende schild met den draagriem, \'t Harnas ook ontbond hem de vorst, Zeus\' zone Apolloon. 805. Bijsternis greep zijnen geest en verslapte zijn glanzende leden, Wezenloos stond hij; een man van de Dardaners wierp hem van dichtbij Toen zijne puntige speer in den rug, vlak tusschen de schouders, Panthoös\' zoon Euforbos, die onder de jeugd van zijn leeftijd Zoo met de speer uitblonk als door rijden en vaart van zijn voeten;

-ocr page 310-

294

810. Immers hij stortte er reeds van hun wagen een twintig der mannen, Toen hij de strijdkar voerde het eerst, noch leerend den oorlog; Hij nu zond u het eerst zijne speer, rostemmer Patroklos,

Maar hij verlamde u niet, want d\' esschene schaft uit de wonde Rukkende, week hij terug in \'t gewoel en hij wachtte Patroklos, 81 b. Schoon ontbloot en van wapens beroofd, niet af in den kampstrijd. Doch door den slag van den god en den speerstoot gansch overweldigd, Deinsde Patroklos en meed in den drom van zijn makkers het noodlot.

Hektor thans, zoodra hij den eedlen Patroklos gezien had. Buiten de strijdenden wijkend, gewond door het vlijmende koper, 820. Drong door de rijen tot dicht op hem aan en hij stak hem de werpspies Onder in \'t weeke des buiks, dat de koperen punt er door heen voer. Bonzend dreunde zijn val en een rilling beving de Achaiërs. Zoo, als een leeuw door zijn kracht doet wijken een machtigen ever, Wen op de kruin van den berg zij verwoed elkander bekampen 825. Saam bij een karige wel, wijl beiden begeeren te drinken;

Maar voor de kracht van den leeuwzwichtvreeselijk snuivend de ever; Dichtbij nam met zijn speer zóo Hektor Priamos\' afkomst \'t Leven des moedigen zoons van Menoitios, dooder van velen. Dan, luid juichende, zond hij hem toe de gevleugelde woorden; 830. — Vast wel dacht gij, Patroklos, tot puin onze stad te verwoesten. Dacht gij de Troïsche vrouwen, beroofd van den dag harer vrijheid. Mede te voeren te scheep naar het dierbare land van uw vaardren. Dwaze! voor haar toch is het dat Hektors vaardige rossen Rekken hun voeten ten strijd; met de werpspies ben ik de eerste 835. Onder de moedige Trojers en waak dat haar niet van de knechtschap Nake de dag; maar ü, hier vreten de gieren uw lichaam.

Arme! Achilleus baatte u niets, hoe dapper hij zijn moog\', Hij die gewis, ginds blijvend, u dringend vermaande bij \'t heengaan: „Eer niet moet gij me keeren, o rossenbedwinger Patroklos, 840. Hier bij de welvende schepen, of Hektor den mannenverdelger Hebt gij om schouders en borst doen scheuren den bloedigen lijfrok.quot; Dus wel heeft hij gezegd en uw geest, ontzinde, bewogen.

Zwak klonk toen uwe stem, o rossenbedwinger Patroklos: — Roem maar luid, o Hektor, u heeft Zeus zone van Kronos 845. Immers de zege verleend, en Apolloon, wijl ze mij lichtlijk

Hebben bedwongen en zeiven mijn schouders beroofd van de wapens. Maar al hadden er twintig, van zulken als gij, mij besprongen. Allen, geveld door mijn speer, was hier ontvloden het leven.

-ocr page 311-

295

\'t Gruwzame noodlot velde mij neer en de zone van Leto,

Maar by de menschen Euforbos; gij, derde, vermeestert mijn

[krijgstuig.

Doch dit zeg ik u verder en wil in uw geest het bewaren:

Niet lang leeft ge voorwaar ook zelf, maar naast u verrijst reeds \'t Naderend einde des doods en de machtige Moira, u vellend Onder Achilleus\' handen, den edelen, Aiakos\' kleinzoon.

Alzoo sprak hij en werd door het einde des doods overschaduwd; Maar zijne ziel ontvlood uit de leden naar Aïdes\' diepten.

Droef om haar lot en verlatend de manlijke krachten en jonkheid. Noch klonk toen tot den doode het woord van den schittrenden Hektor: — Hoe voorspelt gij mij heden, Patroklos, het gruwzame onheil ? Wie toch weet of de zoon van de lokkige Thetis, Achilleus,

Niet reeds eerder geveld door miju lans zal derven het leven?

Alzoo sprak hij en trok, met den hiel op het lijk, uit de wonde \'t Koperen wapen en schudde hem ruggelings neer van de speerpunt. Aanstonds ijlde hij voorts op Automedoon los met zijn werpspies, Tegen den edelen makker van Aiakos\' stormigen kleinzoon. Tuk om te treffen, hem echter bevrijdden de vaardige rossen. Zij d\' onsterflijken, \'t heerlijk geschenk van de goden aan Peleus.

-ocr page 312-

ZEVENTIENDE ZANG.

J—3och \'t ontging Menelaos, den dapperen zone van Atreus Niet dat Patroklos bezweek, door de Trojers geveld in de slachting. Onder de voorsten gesneld, in het schitterend koper gewapend. Waarde hij steeds om hem henen, gelijk om het kalfje zijn moeder Niet aan het kalven gewend, en die kreunend beschermt hare eerstling. Dus ook liep om het lijk van Patroklos de blonde Atreide.

Steeds met zijn lans hem beschuttend en rondom welvenden beuklaar. Was hij gereed te verslaan die het waagden hem nader te komen. Maar ook Panthoös\' zoon, de behendige zwaaier der speren. Hield op Patroklos het oog, den gevallenen held, en hem dichtbij Naderend, luidde zijn woord tot den strijdbaren vorst Menelaos:

— Atreus\' zoon Menelaos, o godlijke, heerscher der volken.

Wijk van den doode en laat hem en gun mij den Moedigen krijgsbuit. Geen toch onder de Trojers en \'t roemvol heer van het bondsvolk Heeft met zijn lansworp eerder Patroklos geveld in de slachting; Laat mij den heerlijken roem dus winnen te midden der Trojers, Eer u mijn werpspies treft en berooft van het liefelijk leven.

Bitter verstoord gaf dezen de blonde Atreide ten antwoord:

— O Zeus Vader, gewis stoutmoedig te pralen betaamt niet. Want geen pardel of leeuw heeft zulk een vermetele driestheid, Noch de geweldige ever des wonds, wiens woedende inborst Meer dan de andere trotsch zich verheft op de kracht die hem

[inwoont.

Zoo als zich Panthoös\' zonen, met speren bedreven, beroemen. Ook Huperenor voorwaar, de geduchte bedwinger van rossen, Had van zijn jeugd geen baat, toen smadend hij tegen mij optrad.

-ocr page 313-

297

Toen hij mij schimpte de lafste te zijn van der Danaërs krijgsvolk; Maar ik betuig u, hij kwam ook niet op zijn eigene voeten Weer, om zijn minnende vrouw te verheugen en zorgende ouders. Dus ook zal ik voorwaar doen zwichten uw kracht, als uw driestheid Mij weerstaan wil, maar wel raad ik u onder uw krijgsvolk Tijdig te wijken, vermeet het u niet mij te trotsen in \'t aanzicht, Vóór dat gij leedt iets kwaads; wat gebeurd is ziet ook de dwaas wel.

Dus sprak deze; hij volgde het niet, maar gaf hem ten antwoord: — Neen, thans zult gij mij waarlijk, o godlijke telg Menelaos, Boeten mijn broeder, geveld door uw hand, wiens vrouw gij

[vermetel

Roemdet te hebben beroofd van haar man in de jeugdige bruidzaal, Onuitspreeklijke smart aan de ouders te hebben berokkend. Zeker, den treurenden zou ik een lafenis worden in droefheid, Zoo het gebeurde dat ik meevoerend uw hoofd en uw krijgstuig Dezen voor Panthoös\' voet mocht werpen en godlijke Frontis. Maar niet onbeproefd zal thans meer blijven de arbeid Noch zich de strijd doen wachten, hetzij tot verwinnen of neerlaag.

Alzoo sprak hij en trof hem den rondom welvenden beuklaar; Nochtans scheurde het koper hem niet maar schampte de speerpunt Weg van het krachtige schild; thans stormde, zijn wapen verheffend,

Atreus\' zoon Menelaos en Zeus aanroepend, den Vader,

Trof hij hem, toen hij zich wendde, en dreef hem zijn speer in

[den gorgel.

Drukkend met al zijne kracht, op zijn wichtige vuist zich betrouwend; Dwars door den teederen hals vond vlijmend de spits eenen uitweg. Bonzend dreunde zijn val en zijn wapens omkletterden \'t lichaam. Druipend van bloed was \'t haar, als der Chariten lokken bevallig. Sierlijk gevlochten, met goud en met zilver te zamen gebonden. Zooals een weeldrige loot des olijfbooms, welken een landman Kweekt op een eenzame plek, waar volop water uit opwelt. Heerlijk gegroeid, en de adem van iederen wind in den omtrek Buigt hem en wiegelt hem zacht en hij prijkt vol heerlijke bloesems; Maar een geweldige wind, die op eenmaal warrelend aanstormt. Rukt hem met kracht uit de kuil en hij werpt hem gestrekt op

[den bodem;

Zoo viel Panthoös zoon, de met speren bedreven Euforbos; Doodde hem Atreus\' telg Menelaos en nam zijne rusting.

-ocr page 314-

298

Zoo als een leeuw in de bergen gevoed, op zijn krachten ver-

[trouwcnd,

Rooft uit de weidende kudde een koe, en de beste van alle; Deze vermorzelt hij eerst met geweldige tanden het nekbeen. Daarna slurpt hij het bloed en verzwelgt dan al de geweiden; 65. Al in het ronde verheffen de honden en hoeders der veedrift Luid hun geschreeuw in de verte en wagen het niet hem ten aanval Tegen te trekken, dewijl hun de bleeke verschrikking op \'t lijf valt; Dus ook voelde er geen zich den moed in de borst om te wagen Tegen den loflijken held Menelaos te tijgen ten aanval. 70. - Zoo zou vast de Atreide Euforbos\' sierlijke wapens Hebben veroverd, indien, misgunnend, Foibos Apolloon Toen niet Hektor, geducht als de stormende Ares, gewekt had. Meutes gelijk in gedaante, den vorst der Kikonische volken; Aldus sprak hij hem toe, het gevleugelde woord tot hem richtend: 75. — Hektor, gij jaagt thans voort, naar het nimmer bereikbare strevend, D\' edele paarden behoorend aan Aiakos\' machtigen kleinzoon; Maar geen sterveling zal ze gemakkelijk temmen of rijden Buiten. Achilleus zelf, dien baarde een godlijke moeder.

Atreus\' moedige zoon, Menelaos, Patroklos beschermend, 80. Heeft thans echter inmiddels den dappersten Trojer verslagen, Panthoös\' zoon Euforbos gestuit in zijn heftige strijdkracht.

Alzoo sprekende ijlde de god weer voort naar het krijgswerk. Bittere smart trof Hektor de somber benevelde zinnen.

Al in het ronde de scharen bespiedende, speurde hij plotsling Dezen de heerlijke wapens vermeesterend, genen ter aarde Nedergestrekt en het bloed uit de opene wonde vervloeiend. Onder de voorsten gesneld, in het schitterend koper gewapend, IJlde hij, luidkeels roepend, en fel als de gloed van Hefaistos Woedende; Atreus\' zoon ontwaarde zijn heftigen krijgsroep; Zuchtende zeide hij nu tot het moedige hart bij zich zeiven: — Wee mij! indien ik mij nu van die heerlijke wapens verwijder, Ook van Patroklos, die hier, om mijn eer te verdedigen, meêtoog. Iedere Danaër zeker verweet het mij, wie het ook zien mocht. Maar als ik hier alleen met de Trojers en Hektor den kampstrijd ^5. Waag, door de schaamte gedrongen, mij éenen bestormt dan

[een aantal.

Hier voert al zijn Trojanen de helmboswuivende Hektor.

Doch waarom overlegt mijn gemoed toch zulke gedachten?

85.

90.

-ocr page 315-

299

Want wie den goden ten spijt het bestaat te bestrijden een stervling, Welken een godheid eert, dra wierd hij geslingerd in onspoed. 100. Daarvoor zal mij gewis geen Danaër gispen, mij ziende

Wijken, door Hektor gedwongen, die strijdt door den drang

[van een godheid.

Doch als ik Ajas bespeurde, geducht in den woelenden strijdgalm, Zouden wij samen ten strijd weer keerende, denken aan weerstand, Zelfs trots godlijke kracht, en voor Peleus\' zone Achilleus los. Kunnen vermeestren den doode; dat ware het best in den rampspoed. Middelerwijl dat hij zoo in zijn geest en gemoed overlegde, Naakten de scharen der Trojers en vooraan voerde hen Hektor. Maar thans week hij terug en hij liet den gesneuvelde liggen, Telkens wendend bet hoofd, als een krachtige leeuw die terugdeinst, 110. Wen hem de honden en mannen met vrees doen vlieden den veestal. Dreigend met speer en geschreeuw; en het dappere hart in zijn

[binnenst

Krimpt zich te zaam en hij wijkt mismoedig terug van het hofperk. Dus ook week van het lijk van Patroklos de blonde Atreide. Maar dan stond hij, gekeerd zoodra hij zijn makkers bereikt had, 115. Spiedend om Ajas te vinden, den grooten, van Telamoon stammend. Dezen bemerkte hij dra aan het linker gedeelte des slagvelds, Waar hij zijn makkers bezielde met moed en vermaande ten

[kampstrijd;

Want met geweldige vreeze vervulde hen Foibos Apolloon. Aanstonds vloog hij er heen en hij trad hem ter zij met de woorden: 120. — Ajas! op, mijn geliefde, gespoed naar den dooden Patroklos, Trachten wij \'t lijk althans aan Achilleus weder te brengen. Naakt, want \'t krijgstuig roofde de helmboswuivende Hektor.

Alzoo sprak hij en noopte het hart van den moedigen Ajas. Snel doorschreed hij de strijders der spits met den blonden Atreide. 125. Hektor, die eerst van Patroklos de heerlijke wapens geroofd had. Greep hem, om \'t hoofd van de schouders te slaan met het snijdende koper,

\'t Lijf weg willende sleuren ten buit voor de Troïsche honden; Maar toen naderde Ajas en voerde zijn schild als een bolwerk. Rugwaarts week nu Hektor en onder den drom van zijn makkers 130. Ging hij en sprong op zijn wagen; hij liet door de Trojers ter stadsvest Dragen de sierlijke wapens, hem zeiven ten heerlijken krijgsroem. Ajas intusschen den zoon van Menoitios steeds met zijn beuklaar

-ocr page 316-

300

Dekkende, hield daar stand als een leeuw die zijn welpen verdedigt, Welken, terwijl hij de jongen geleidt, ontmoeten de jagers 135. Binnen het woud; maar deze, zich trotsch op zijn krachten verlatend. Trekt zich het voorhoofdsvel naar omlaag en bedekt zijne oogleên; Dus ook was het dat Ajas bewaakte den dappren Patroklos. Doch ook Ares\' vriend Menelaos, de zone van Atreus,

Stond aan de andere zijde, het hart vol droevigen weemoed. ho. Glaukos, Hippolochos\' zoon, heervoerder der Lukische manschap. Sloeg thans grimmig op Hektor den blik en verweet hem met

[barschheid:

— Hektor, van aanschijn dapper, voorzeker het faalt u aan

[strijdkracht.

Vruchteloos heft u de roem zoo hoog, nu gij vlucht als een bloodaard. Deak thans na hoe noch te behouden de stad en de burgvest, 145. Gij, alleen met de volken in Ilios\' muren geboren;

Want geen Lukiër is er die meer met de Danaërs kampend Voortaan strijdt voor de stad, geen dank toch is er te winnen Hoe men rusteloos kampt, voortdurend bestrijdend den vijand. Welken geringeren strijder verdedigt gij noch in de woeling, 150, Gij onwaarde, dewijl gij een makker en gast als Sarpedoon Daar den Argeiërs ten prooi hebt overgelaten en krijgsbuit. Schoon bij een krachtige hulp steeds was voor de stad en u zeiven Tijdens zijn leven; gij durft thans niet van hem weren de honden. Laten wij dus, als de mannen van Lukië volgen mijn voorslag, 155. Huiswaarts keeren en kome voor Troje het jammerlijk onheil. Immers als thans bij de Trojers zich toonde een wakkere kloekheid Zonder vertsagen, gelijk zij de mannen bezielt die, hun landstreek Tegen den vijand hoedend, verduren den zwoegenden kampstrijd, Zouden wij spoedig Patroklos in Ilios sleepen als krijgsbuit. 160. Was de gesneuvelde eens in de machtige veste des konings,

Priamos\' stad, als wij mede hem trokken van \'t woelige slagveld., Weldra zouden d\' Argeiërs Sarpedoons heerlijke wapens Geven en konden wij dien ook weder naar Ilios voeren;

Immers hij sneefde, de makker des mans, die van allen het dapperst 165. Is bij de schepen van Argos, van al zijne strijdbare volgers. Maar den geweldigen Ajas vermat gij u niet op het slagveld Dapper te staan en hem stout in de oogen te zien in den kampstrijd. Noch rechtstreeks hem te tarten, dewijl hij in krachten u voorgaat. Norsch tot hem opziend, zeide de helmboswuivendc Hektor:

-ocr page 317-

301

17(). — Glaukos, eon man van uw aard, hoe sprak hij met zulk eene

[driestheid ?

Waarlijk ik dacht u, mijn vriend, ver boven de andren in doorzicht Onder de mannen die wonen in Lukië\'s kluitige landstreek; Maar thans moet ik uw geest zeer gispen om wat gij gezegd hebt, Wijl gij beweert dat ik niet kon staan den geweldigen Ajas. 175. Nooit toch heb ik gebeefd voor den strijd of het stampen der paarden; Maar steeds toont zich de wil van den aigisbestuurder het machtigst, Zeus die den krachtigste jaagt op de vlucht en berooft van den

[krijgsroem.

Lichtelijk, doch dan zelf hem ten strijd weer prikkelt en opwekt. Maar kom, treed mij ter zijde, mijn waarde, en zie naar mijn daden, 180. Zie of ik heden geheel zoo laf zal zijn als gij zeidet.

Dan of ik menigen man van de Danaërs, trots hun verwoedheid, Zal doen staken den kamp om den dooden Patroklos te redden. Alzoo sprak hij en maande met klinkende stem de Trojanen:

— Trojers en Lukiërs, zonen van Dardanos, strijders van dichtbij, 185. Weest thans mannen, mijn vrienden, en denkt aan een dapperen

[weerstand.

Tot ik den sehittrenden dos van de wapens des eedlen Achilleus Aantrek, welke ik nam, het geweld van Patroklos bedwingend.

Alzoo sprekende keerde de helmboswuivende Hektor Buiten het woelen des strijds en zich spoedende trof hij zijn makkers 190. Dra, niet verre verwijderd, met vaardige voeten hen volgend Waar zij ter stad heenvoerden den heerlijken dos van Achilleus. Ver van des slagvelds jammer verruilde hij thans zijne wapens. Liet door zijn strijdbare Trojers naar Ilios\' heilige burgvest Brengen de zijne en doste van Peleus\' zone Achilleus i§5. \'t Godlijke wapengerei, dat de hemelbewonende goden Gaven zijn vader en deze bejaard aan zijn zone Achilleus Schonk; niet oud werd echter de zoon in liet vaderlijk krijgstuig. Doch toen Zeus de bestuurder van \'t zwerk hem bespeurde,

[die zijwaarts

Daar in de wapens zich hulde des godlijken zonen van Peleus, 200. Schudde hij ernstig het hoofd en hij sprak in zich zeiven de woorden:

— Ach rampzaalge, gij hebt van uw dood noch geene bewustheid. Schoon hij u dicht reeds nadert; gij draagt d\' onsterflijke wapens. Dos van den dapperen strijder, voor wien ook anderen beven. Dezen vermoordet gij toch zijn gezel, zoo dapper en minzaam.

-ocr page 318-

302

205, Wien gij van schouders en hoofd onvoegelijk naamt zijne wapens Doch thans zal ik u geven een schittrende eer, ter vergelding Wijl u, gekeerd van het strijden, Andromache nimmer begroeten Zal, uit uw hand ontvangend Achilleus\' heerlijke wapens.

Alzoo zeide en wonk met de donkere brauwen Kronioon, 210. Hulde de wapenen Hektor om \'t lijf, en hem wekte bezielend Ares de schriklijke god van den krijg, en van moedige strijdkracht Werden zijn leden vervuld; in de schaar van het loffelijk bondsvolk Trad hij met heftig geschreeuw, en hij was voor hen allen in aanschijn Peleus\' dapperen zone gelijk, in zijn wapenen schittrend. 215. Elkeen noopte hij thans rondgaande ten strijd met zijn toespraak; Mesthles en Glaukos vermanend, Thersilochos wijders en Medoon, Asteropaios vervolgens, Hippothoös voorts en Deisenor,

Forkus en Chromios mede en Ennomos, vogelenwichlaar.

Dezen vermaande hij dringend en sprak de gevleugelde woorden: 220. — Hoort mij, gij tallooze stammen van \'t rondom wonende

[bondsvolk.

Want niet wijl ik verlangde of zocht eene menigte volken. Heb ik een iegelijk uwer naar hier doen gaan uit uw steden, Maar om mij dapper de vrouwen en jeugdige kindren van Troja Tegen het strijdhaft heer der Achaiërs te helpen beschermen. 225. Hiervoor doe ik mijn volken den last van geschenken en voeding Dragen en zoek bij u allen den moed in het hart te verhoogen. Rechtstreeks daarom ieder ten strijd u gewend; of gij neerlaag Lijdt of u zege verwierft, want zoo is \'t wisslen des oorlogs. Wie er Patroklos, ofschoon dan slechts het gesneuvelde lichaam, 230. Ajas beteugelend, sleept naar de rossenbedwingende Trojers,

Dezen beloof ik de helft van den buit te verleenen, de weerhelft Houde ik zelf, en hem zal eene eer als mij zeiven geworden.

Alzoo sprak hij en recht op de Danaërs vielen zij loodzwaar. Hoog hunne lansen verheffend en aller gemoederen hoopvol 235. \'t Lijk uit de hoede te rukken des helds Telamonios Ajas. Dwazen! Een aantal deed hij er sneuvelen over den doode.

Toen sprak Ajas en riep Menelaos, geducht in den strijdgalm: — Waardste, o godlij ke telg, Menelaos, ik denk dat wij geenszins Zelf althans uit den strijd meer huiswaarts stevenen zullen. 240. Niet om het lijk van Patroklos vermeestert mij zulk een bezorgdheid. Dra toch ligt hij ten prooi aan de vogels en honden van Troja, Doch meer ben ik bevreesd dat mijn hoofd en het uwe de rampspoed

-ocr page 319-

303

Treffe, dewijl nu om alles die oorlogsnevel zich uitbreidt,

Hektor, en \'s onheils lot met zijn schrikkelijk wee voor ons oprijst; 245. Op dus, roep ons de dappren der Danaërs; mogen zij \'t hooren. Alzoo luidde zijn woord; Menelaos, geducht in den strijdgalm. Gaf hem gehoor en zijn stem klonk luid in der Danaërs heerschaar: — O mijne vrienden, bestuurders en leiders der volken van Argos, Gij die met Atreus\' zoons Menelaos en vorst Agamemnoon, 250. Saam bij het volksmaal drinkt en die elk aan zijn eigene volken Geeft uw geboden; van Zeus wordt eere geschonken en krijgsroem. Moeielijk valt het mij echter te zien waar iedere veldheer Staat, want schrikkelijk woedt het geweld van den kamp op

[het slagveld.

Koom\' dus ieder van zelf en dat elk in zijn hart de verwijting 255. Voele, Patroklos te laten ten vreugd van de Troïsche honden. Alzoo sprak hij; en Ajas, de snelle, de zoon van Oïleus, Hoorde terstond en hij ijlde het eerst hem ter zij, door de woeling Spoedend; Idomeneus mede, benevens Idomeneus\' makker Kloeke Meriones, Ares den mannenverdelger gelijkend.

no. Doch wiens geest zou noemen van zoo veel andren de namen Welke er achter hen volgend den strijd der Achaiërs bezielden?

Dicht ook drongen de Trojers en voorop voerde hen Hektor. Even als voor aan den mond der rivier uit de wolken geboren Tegen den stroom inbruischt de geweldige golf, en aan d\' oever 265. Rondom galmen de klippen door \'t hoog opspattende zeenat;

Dus ook galmde der Trojers geschreeuw; maar\'t volk der Achaiërs Stond bij Menoitios\' zoon, eendrachtig gezind, hem omringend, Gansch door hun koperen schilden omheind; om hun blinkende

[helmen

Spreidde Kronioon thans in het ronde een donkeren nevel, 270. Want nooit was hem te voren Menoitios\' zone ten vijand,

Zoo lang bloeide in leven die makker van Aiakos\' kleinzoon; \'t Was hem een gruwel ten prooi hem te zien van de Troïsche honden. Daarom dreef hij het hart van zijn makkers om dezen te redden. Eerst overmanden de Trojers de wakkere zonen Achaia\'s. 275. Dezen verlieten den doode verschrikt; maar geenen der hunnen Velde, ten spijt van hun streven, de speer van de moedige Trojers; Toch ontrukten zij \'t lijk; de Achaiërs verlieten het echter Slechts voor een wijl, want snel weer dreef er de Trojers ten aftocht Ajas, die ver in gestalte en daden ze allen voorbijstreeft

-ocr page 320-

304

280. Onder het Danaërsvolk, na Peleus\' edelen zone.

Rechtstreeks stormde hij voort door de strijders der spits, in ver-

[woedheid

Was hij den ever gelijk die de honden en wakkere jagers Lichtlijk verstrooit op de bergen, terwijl hij zich wendt in het boschdal. Dus ook schittrende Ajas, des edelen Telamoons nazaat; 285. Lichtlijk verbrak hij, te midden der strijdenden, Troja\'s geleedren, Welke Patroklos omgaven en zeker vermeenden hem weldra Voort naar hun veste te sleepen en zoo zich te winnen den krijgsroem.

Zie, wel rukte hem thans bij zijn voet door de heftige woeling Dappre Hippolochos, zoon des Pelasgiërs Lethos, zijn draagriem 290. Vast om de pezen des enkels geknoopt, om den Trojers en Hektor IJvrig zijn dienst te bewijzen, hem echter bereikte het onheil Spoedig, dat, hoe zij het wenschten, zij niet van hem konden

[verwijdren.

Telamoons telg, door bet dichte gewoel toespringende, trof hem Thans nabij, en doorboorde zijn helm met het koperen wangstuk; 295. Rondom spleet door het koper der spits de omwapperde strijdhelm Zwichtende onder den druk van de hand en de machtige werpspies; Voor, uit de oogen des helms ontstroomden de bloedige hersens Gansch uit de wond; dra zwijmde zijn kracht en hij liet uit zijn handen Weder ter aard ontglippen den voet van den eedlen Patroklos, 3oo. Daarna stortte hij zelf voorover en naast den gedoode,

Ver van den kluitigen grond van Larisa\'s gewest, en zijn ouders Loonde hij \'t pleeggeld niet, want slechts kortstondige leeftijd Was hem gegund die bezweek door de speer van den strijdbaren Ajas. Doch thans slingerde Hektor op Ajas de blinkende werpspies. 305. Wel ontweek hij het ziende bij tijds noch even den speerworp; Schedios echter, den zone des moedigen, fleren Ilitos,

Verre den eersten Fokeër, in \'t roemrijk Panopeus wonend, Waar hij zijn huizen bezat en regeerde een groote bevolking. Raakte zijn worp in het midden van \'t sleutelgebeente; de speerpunt 3io Drong met het koper geheel door de andere zij van den schouder; Bonzend dreunde zijn val en zijn rusting omkletterde \'t lichaam. Ajas weer trof Forkus den kundigen zone van Fainops,

297. Zoo ia zeker wel de beteekenis van ai\'Au? op te vatten; de voorklep van den grooten helm, die het gelaat beschutte, had twee ooggaten, en dit is ook de zin van avkwcu;.

-ocr page 321-

.305

Steeds om Hippothoös warend, het midden des buiks, en de ronding Spleet hij van \'t pantser en \'t koper doorboorde hem diep de

[geweiden.

31B. Tuimelend viel hij in \'t stof en zijn handpalm greep in den bodem. Deinzend weken de voorsten terug met den schittrenden Hektor. Doch de Argeiërs, hun kreet luid heffende, sleepten de dooden, Forkus, Hippothoös, weg, en beroofden hun lijf van de wapens. Weldra waren de Trojers, beklemd door de dappre Aehaiërs 320. Machteloos zwichtende weder naar Ilios\' wallen geweken.

Zouden zich, ondanks Zeus en het lot, de Argeiërs den krijgsroem Winnen door eigene sterkte en moed; maar Foibos Apolloon Spoorde Aineias zelf, de gestalte van Perifas dragend,

Eputos\' zoon, in den dienst van Aineias\' vader, den grijsaard, 325. Mede vergrijsd als heraut, wel kundig in hulpzamen raadslag. Dezen gelijkende zei hem de Zeus\' ontstamde Apolloon: — Zie, hoe zoudt gij, Aineias, beroofd van den godlijken bijstand, \'t Rijzige Ilios redden? Ik zag wel andere mannen.

Mits zij hun krachten vertrouwden en moed, en hun wakkere

[kloekheid,

330. Fier op hun aantal steunen en vreezeverachtende volken. Nochtans gunde ons Zeus veel meer dan den Danaërs zege; Maar thans siddert gij zeiven en houdt u terug van het strijdperk.

Alzoo sprak hij; Aineias herkende den treffer Apolloon,

Toen hij hem zag in \'t gelaat, en zijn roep klonk luide tot Hektor: 335, — Hektor en verdere leiders en hoofden van Trojers en bondsvolk, Schandelijk ware het wel, als wij thans voor de dappre Aehaiërs Weken naar Ilios\' veste, bedwongen en machteloos zwichtend. Pas noch zeide mij immers een god aan mijn zijde genaderd, Zeus de verheven regeerder betoont in den strijd zich uw redder 340. Laten wij rechtstreeks dus op de Danaërs stormen, dat dezen Niet met hun dooden Patroklos gerust heengaan naar de schepen. Alzoo sprak hij en stond met een sprong aan het hoofd van

[de voorsten;

Aanstonds wendden zich dezen en boden hun spits den Aehaiërs. Daarop zwaaide Aineias de speer, die Leiokritos neersloeg, 345. Zoon van Arisbas gestamd, Lukomedes\' voortreflijken makker. Bitter betreurde de held Lukomedes den vallenden krijgsman. Spoedde zich dicht bij de strijders, en slingrend de blinkende

[werpspies,

20

-ocr page 322-

306

Raakte hy Hippasos\' zoon, den bestuurder des volks, Apisaoon, Onder de borst in de lever en slaakte terstond zijne knieën; 350. Herwaarts was hij gesneld van Paionië\'s kluitige landstreek. Wis na Asteropaios het meest uitstekend in krijgsdeugd.

Bitter betreurde den doode de strijdbare Asteropaios;

Rechtstreeks stormde hij mede de Danaërs tegen met felheid, Maar toch was het vergeefs, want gansch door hun schilden beveiligd 355. Stonden zy dicht om Patroklos en strekten de speren ten afweer. Ajas begaf zich tot ieder en riep zijn bevelen met aandrang: Ieder gelastte hij niet van den doode te wijken naar achter. Noch alleen zich te wagen ten strijd vóór d\' andre Achaicrs, Maar om hem heen zich te voegen, van dichtbij voerend den

[kampstrijd.

360. Aldus klonk het bevel des geweldigen Ajas, de bodem

Droop van het purperen bloed en de éen op den ander gestapeld Stortten de lijken der Trojers en \'t strijdhaft heer van het bondsvolk, Ook van de Danaërs; want niet bloedeloos was hun de worstling. Schoon zij er minder verloren, dewijl steeds ieder bedacht was 365. Samengeschaard elkaar voor den gruwzamen dood te behoeden. Alzoo woedden zij voort, als een vuur; men konde het nauwlijks Zien of de zon of de maan noch veilig bewaarde haar standplaats; Want dicht dekte een nevel de dappere strijders in duister Welke Menoitios\' zoon omringden die zonk op het slagveld. 370. Doch bij de andere Trojers en scheenplaatdragend\' Achaiërs

Streed men vrij in het licht van den ether, en gloeienden straalglans Breidde de zon op hen uit, geen wolkje vertoonde zich ergens Over het land of gebergt\'; ook poosden zij soms van den kampstrijd Veraf staande, ten einde den wondenden worp van hun makkers 375. Dus te vermijden; het hevigst verduurde de schaar in het midden Zoo door den strijd als het duister, en onder het gruwzame koper Leden de dapperste mannen; intusschen vernamen tot dusver Twee roemruchtige strijders, Antilochos noch Thrasumedes,

Niets van den dood van Patroklos, den edelen, maar zy vermeenden 380. Noch dat hij leefde en streed in het voorste gewoel met de Trojers. Maar steeds zorgend te keeren den dood en de vlucht van hun

[makkers,

Voerden zij verre den kamp, want zoo had Nestor bevolen Toen bij hen strijdwaarts zond naar de donkerbeschilderdc schepen. Zoo dreef gansch dien dag hen de heftige drang van de worstling

-ocr page 323-

307

386. Drukkend en zwaar; steeds werden door \'t zweet en den rust-

[loozen arbeid

lederen strijder de knieën en schenen en voeten van onder, Handen en oogen bezoedeld, terwijl zij met woede den kampstrijd Voerden om d\' edelen makker van Aiakos\' stormigen kleinzoon. Zoo, als een man eene huid van den rijzigen stier aan zijn werkvolk 390. Gaf om te spannen, te voren met vet overdekt en gewreven; Zij nu vatten de huid, die zij saam in een kring zieh verspreidend Trekken, zoo lang tot het vocht ze verzacht en het vet er in

[doordringt;

Zoo door de handen van velen gerekt spant gansch zich de stierhuid; Dus ook trokken zij \'t lijk, op een luttele ruimte zich werend, 395. Over en weder, en allen vervulde de hoop, de Trojanen

\'t Lijk naar de veste te sleepen van Ilios, maar de Achaiërs Ginds naar de welvende schepen; en rondom woedde de worstling Wild, en hen had er gewis noch Ares de wekker ten kampstrijd, Noch Athenaia berispt, hoe fel ook de toorn hen bezield had. 400. Zulk een bezwaarlijken kamp had tusschen de strijders en wagens Zeus om Patroklos gespannen dien dag. Doch d\' eedle Achilleus Had noch geenerlei mare gehoord van den dood van Patroklos; Want het gevecht was ver van de snelle galeien verwijderd Onder den Troïschen muur; zoo voedde zijn hart de verwachting 405. Niet dat hij viel, maar weder, de poort eens zijnde genaderd, Levend terug zou keeren; hij hoopte het zeer dat hij geenszins Zoude vermeestren de stad, noch zonder hem, noch met zijn bijstand; Vaak toch had hij gehoord wat zijn moeder hem zei in vertrouwen.

Toen zij \'t besluit hem verkondde des machtigen zonen van Kronos. 4io. Doch toen had hem zijn moeder een schrikkelijk leed als er voorviel Niet doen kennen, den dood\'van den makker hem verre het dierbaarst.

Maar noch steeds om den doode de puntige speren verheffend. Drongen zij rusteloos toe, elkander het leven benemend. Dus sprak deze en gene der kopergedoste Achaiërs: lus. — Vrienden, het ware ons weinig tot roem naar de welvende schepen Weder te keeren, voorwaar eer scheure het donkere aardrijk Hier voor ons allen zich open, in trouwe dit ware ons beter, Eer wij hem hier prijsgevend, den rossenbedwingenden Trojers Gunnen hem mede te sleepen naar Ilios, winnend den krijgsroem. 420. Dus sprak deze of gene er ook bij de moedige Trojers:

-ocr page 324-

308

— Vrienden, indien ons het lot bij dien man zou willen verdelgen Allen te zaam, dan noch dat er niemand wijke van \'t slagveld. Zoo sprak deze en gene en wekte bij ieder den krijgsmoed.

Alzoo woedden zij voort en des oorlogs ijzeren drenning 425. Rees naar den koperen hemel omhoog door den ledigen ether; Buiten het slagveld stonden de paarden van Aiakos\' kleinzoon Weenende, toen voor het eerst zij vernamen dat ginder hun menner Zonk in het stof door de hand van den mannenverdelgenden Hektor. Hoe hen Automedoon telkens, de dappere zoon van Diores, 430. Poogde met nopenden slag van de zweep te bewegen en aandreef, Hoe hij met vleiende woorden hun toesprak, hoe hij hen dreigde. Niet naar de schepen, geschaard bij de ruimte des Hellespontos, Wilden zij weder terug, noch gaan naar den strijd der Achaiërs, Maar, zoo roerloos stil als de grafstijl boven een heuvel 435. Staat, den gestorvenen man of een vrouwe gewijd ter gedachtnis, Dus ook stonden zij pal in het tuig van den sierlijken wagen, Hielden hun hoofden geneigd naar den grond, en de gloeiende tranen Vloten er langs hunne oogen ter aard, om den droevigen jammer Wijl zij hun menner betreurden; de golvende manen ter weerszij 440. Tusschen de bocht van het juk neerglijdende werden bezoedeld. Deernis gevoelde het hart van Kronioon toen hij hun droefheid. Zag, en hij schudde het hoofd en hij sprak in zich zeiven de

[woorden:

— Arme, o waarom hebben wij eens u geschonken aan Peleus, Hem, eenen sterflijken vorst, u nimmer veroudrend en stervend?

445. Was het om leed te verduren bij \'t onspoedlijdende menschdom? Want niets is er en nergens dat zóo ellendig en rampvol Is als de mensch, van het al dat er ademt en kruipt op het aardrijk. Echter, voorwaar nooit zal u in \'t juk van den kunstigen wagen Hektor Priamos\' zoon doen gaan; nooit zal ik het dulden. 450. Heeft hij nu niet aan de wapens genoeg en het ijdele pralen? Moedig en krachtvol zal ik de knieën en harten u beiden Maken, opdat gij behouden Automedoon ook van het slagveld Voert naar de welvende schepen; den roem toch geef ik den Trojers, Dood te verspreiden, zoo laag tot zij dicht bij de snelle galeien 455. Dringen, tot Helios zinkt en het heilige duister omhoog rijst. Alzoo sprekende blies hij bezielende kracht in de paarden. Aanstonds schudden zij \'t stof van hun manen ter aarde en voerden Vliegend den luchtigen wagen door drommen Achaiërs en Trojers.

-ocr page 325-

309

Stormend gevoerd door het span, hoe zeer zijnen makker betreurend, 1460. Viel hen Automedoon heftig te lijf, als een gier op de ganzen; Licbt ontvluchtte hij soms aan het druischend geweld van de Trojers, Licht weer stormde hij toe, in het dichte gewoel hen vervolgend. Maar geen mannen versloeg hij, terwijl hij er stormend op indrong; Immers hij kon, alleen in den godlijken wagen, de werpspies 465. Niet tot den aanval zwaaien en sturen de ijlende rossen.

Eindelijk was er een trouwe gezel wiens blik hem gewaar werd. Zag hem Alkimedoon, telg van Laërkes den zone van Haimoon; Achter de strijdkar stond hij, het woord tot Automedoon richtend: — Welk eene godheid_ wekte, Automedoon, thans in uw harte 470. Zulk eeneu ijdelen raad en benam u de schrandere zinnen?

Wijl gij den strijd aldus in het voorste gewoel met de Trojers Voert, alleen; daar viel uw gezel en de pralende Hektor Draagt thans zelf om zijn schouders de wapens van Aiakos\' kleinzoon. Daarop zeide hem weder Automedoon, telg van Diores: 475. — Wie, o Alkimedoon, is u gelijk bij de andre Achaiërs,

Beter geschikt dan gij zelf om te temmen de godlijke rossen. Buiten dea een\'gen Patroklos, der goden gelijke in doorzicht Tijdens zijn leven? Hem greep thans echter de dood en de Moira. Dus, welaan, neem gij nu de zweep en de blinkende teugels, 480. Houd ze, terwijl ik den wagen verlaat om te staan in bet strijdperk. Alzoo sprak hij; en dra op den strijdbaren wagen gesprongen Vatte Alkimedoon snel in zijn banden de zweep en de leidsels. Doch uit de strijdkar wierp zich Automedoon; dezen bemerkend Sprak tot den naast hem getreden Aineias de schittrende Hektor: 485. — Luister, Aineias, bestuurder der kopergepantserde Trojers, \'k Zag daar ginder die paarden van Aiakos\' stormigen kleinzoon Wild in den strijd voortvliegen, met onstrijdbaftige menners. Waarlijk ik hoop ze te nemen, ten minste indien gij het mede Vurig begeert; want zeker wanneer wij te zaam hen bestormen 490. Zouden zij niet zich verstouten het hoofd ons te bieden ten kampstrijd. Alzoo sprak hij; hem volgde de krachtige zoon van Anchises. Rechtstreeks togen zij voort, om bun schouders de schilden van

[stierhuid,

Hard en gedroogd, rondom met een menigte koper beslagwerk. Chromios ging met hen mee en de godengelijke Aretos, I9t. Samen hen volgend; hun klopte het hart van de hoop hen te dooden, Beiden, en mede te voeren het span hooghalzige paarden;

-ocr page 326-

310

Dwazen, zij keerden gewis niet zonder een bloedige neerlaag Weer van Automedoon; dezen, tot Zeus toen biddend, den Vader, Wiessen de moed en de kracht in den donkerbenevelden boezem. boo. Snel tot Alkimedoon luidde, zijn trouwen gezelle, zijn toeroep:

— Houd, o Alkimedoon, toch niet ver van mijn zijde de paarden, Maar dat hun adem mij rake den rug; want waarlijk ik zeg u Hektor Priamos\' zoon zal niet zijne woede betoomen

Eer hij Achilleus\' span schoonmanige rossen vermeestert, 505. Eer hij ons beiden gedood en de scharen der mannen van Argos Heeft doen vluchten, tenzij dat hij zelf aan de spitse geveld werd. Alzoo sprak hij en riep met de Ajaxen vorst Menelaos:

— Ajaxen, legerbestuurders van Argos\' volk, Menelaos,

Blijve de zorg voor den doode vertrouwd aan de dapperste mannen, bio. Laten zij dezen omringen en weren de scharen der strijders,

Maar óns levenden, redt ons, verwijdert den dag der verschrikking: Want ons verdrukt met het wicht van den tranenverwekkenden oorlog Hektor, benevens Aineias, de dappersten onder de Trojers.

Doch, zoo waarlijk, dit alles berust in den schoot van de goden; 515. Vliege mijn speer dus voort, Zeus moge het verdere schikken. Alzoo sprak hij en hief \'t ver schaduw werpende speerhout. Wierp het en trof van Aretos het rondom welvende schildvlak. Maar \'t schild weerde de speer niet af en het puntige koper Drong tot het binnenste, diep in den buik, doorklievend den gordel. 520. Zoo als een man in den bloei van zijn jeugd met de snijdende hakbijl Achter de horens den hals van het rund door de weiden gevoederd Klieft om hem gansch te doorsnijden, en \'t dier voorover ter neer stort. Dus ook stortte hij neer, voorover gebonsd, en de speerschaft, Diep den geweiden haar scherp indrijvende, slaakte zijn leden. 525. Doch op Automedoon wierp thans Hektor de blinkende werpspies; Maar noch tijdig het ziende vermeed hij de koperen lanspunt, Wijl hij naar voren zich bukte, en achter hem diep in den bodem Boorde de machtige speer, wier schaft daar trillende instak. Tot de geweldige Arcs haar eindlijk benam hare veerkracht. 530. Thans ook hadden zij lijf\' aan lijf met de zwaarden gestreden. Zoo hun de Ajaxen niet in hun aangreep hadden gescheiden. Saam door de woelende drommen gestormd, op den roep van

[hun makker.

Dezen bespeurende schrikten en spoedden zich weer ten terugtocht Hektor benevens Aineias en Chromios godlijk van aanschijn.

-ocr page 327-

311

535. Welke Aretos, het harte verscheurd, daar moesten verlaten; Rappe Automedoon echter, den stormigen Ares gelijkbaar,

Trok hem het wapengerei van het lijf met den juichenden uitroep;

— Waarlijk, ik heb om den dood van Menoitios\' zouc ccn weinig \'t Harte verlicht van zijn smart, al heb ik een mindre verslagen.

640. Alzoo sprak hij en plaatste den bloedigen buit in zijn wagen, Welken hij mede besteeg, aan zijn voeten en handen van boven Bloedig bespat, als een leeuw met het vleesch van een stier zich

[verzadend.

Weder begon om Patroklos het heftig gewoel van den kampstrijd Zwaar en van tranen vervuld, en Athena bezielde den strijdlust, 545. Nedergedaald uit de lucht; want Zeus\' wijdschouwende doorzicht Deed haar de Danaërs wekken, dewijl thans keerde zijn raadslag. Zoo, wen Zeus voor de menschen den purperen boog aan het luchtruim Uitspant, welken hij stelt als een teeken hetzij van den oorlog \'t Zij van des ijzigen winters gestorm, dat den mensch in zijn arbeid 650, Stremt bij den bouw van het veld en de blatende kudden bekommert; Dus ook ging zij geheel omhuld van een purperen nevel Onder de scharen van Argos en wekte er iederen strijder. Atreus\' zone het eerst aansporende sprak zij tot dezen, D\' edelen held Menelaos, het dichtst aan haar zij zich bevindend, 555. Wien zij als Foinix verscheen in gedaante en machtigen stemklank:

— Zeker het zal, Menelaos, tot schande u zijn en beschaming, Zoo dien trouwen gezel des bewonderenswaarden Achilleus Onder den Troïschen wal wegsleepen de vaardige honden.

Op! en met kracht u geweerd, drijf al uwe volken ten veldslag. 560. Daarop gaf Menelaos, geducht in den slag, haar ten antwoord;

— Foinix, waardige vader en grijsaard, o als Athena

Slechts mij de kracht mocht geven en weren den storm van het

[werptuig;

Dan wel zou ik hem gaarne mijn bijstand bieden en redden Onzen Patroklos; zijn dood toch wondde mij smartlijk den boezem. 565. Maar als het schrikkelijk vuur is Hektors kracht, en zijn koper Poost van den doodslag niet, wijl Zeus hém gunde den krijgsroem.

Alzoo sprak hij; en \'t gaf der godin klaaroogde Athena Vreugd dat van alle de goden hij \'t eerst haar zond zijne bede. Sterkte verleende zij toen die zijn schouders vervulde en knieën, 570. Deed hem den moedigen aard van de vlieg in het harte verrijzen, Welke, ofschoon men ze telkens verjaagt van het menschelijk lichaam,

-ocr page 328-

312

Steeds het vervolgt met haar steek, naar het bloed van de

[menschen begeerig; Zoo volhardde de moed in het somberbewolkte gemoede.

Snel tot Patroklos genaderd, verzond hij de blinkende speerschacht. 675. Onder de Trojers bevond zich een zoon van Eëtioon, Podes,

Rijk in bezitting en edel; bij uitstek eerde hem Hektor Onder het volk, en hij was hem een makker en dierbare dischvriend. Hem nu trof Menelaos, de blonde Atreide, den gordel Toen hij zich wendde tot vluchten en gansch doorboorde hem \'t koper; 580. Dreunend bonsde zijn val. Doch Atreus\' zoon Menelaos

Sleepte het lijk uit der Trojers geweld naar den drom van zijn makkers.

Doch thans stond, hem bezielend, ter zijde van Hektor Apolloon, Fainopa Asios\' zone gelijk, hem van al zijne gasten Verre het meeste geliefd, in Abudos zijn woning bezittend; 585. Dezen gelijkende zei hem de treifer van verre Apolloon;

— Hektor, wie zou noch bij het volk der Achaiërs u vreezen? Nu Menelaos met schrik u vervult, schoon vroeger en altijd Zwak in het voeren der speer, alleen thans trok hij den doode Weg uit de handen der Trojers en velde uw trouwen gezelle, 590. Dapper te midden der voorsten, den telg van Eëtioon, Podes. Alzoo sprak hij; en Hektor van weemoed donker beneveld, Spoedde zich vóór aan de spits, in het schitterend koper gewapend. Toen nam Kronos\' zoon de van kwasten omwapperde aigis Schittrend van glans, en de Ida met wolken geheel overdekkend 595. Zond hij den bliksem en donder met kracht, uitspannend de aigis; Zege beschikte hij toen aan de Trojers en vlucht den Achaiërs. \'t Eerst sloeg toen aan het vluchten Peneleoos, vorst der Boioters; Want bij het voorwaarts dringen verwondde een speer hem den

[schouder,

Schampend het bovenste deel; en het vleesch doorsneed tot de

[beendren

coo. Krassend Poludamas\' lans, want dichtbij wierp hij zijn wapen. Dichtbij trof ook Hektor van Leïtos\' hand het gewrichtsbeen, Eedlen Alektruoons telg, en hij stuitte den held in zijn strijdkracht; Angstvol zag hij in \'t rond, in zijn geest toch wachtte hij nimmer Meer met de lans in de vuist noch tegen de Trojers te kampen.

594, 595. Klaar is hier, als natuurmythe, de beteekenis der aigis als donderwolk.

-ocr page 329-

313

5. Doch van Idomeneus\' speer werd Hektor, op Leïtos stormend, Tegen zijn pantser geraakt, en hij trof hem de borst bij den tepel; Maar zijne speer brak af bij de buis; luid schreeuwden de Trojers; Doch naar den Deukalionc Idomeneus, staand op zijn wagen, Wierp thans Hektor de speer; schoon weinig, hij miste hem echter; 3. Doch hij verwondde den vriend van Meriones, mennend den

[wagen,

Koiranos, hier hem gevolgd uit de bloeiende veste van Luktos — (Zeker, Idomeneus had, van de krommend gesnebde galeien Herwaarts komend te voet, aan de Trojers vergund een verwinning, Zoo niet Koiranos haastig zijn vaardige rossen gezweept had; 5. Zoo, wel dezen ten heil en den gruwbaren dag van hem werend. Maar zelf nedergeveld door den mannenverdelgenden Hektor;) — Hém dan wondde hij onder de kaak en het oor, en de tanden Stootte de speerpunt uit en zij kliefde de tong in het midden. Dra ontviel hij den wagen en gleden ter aarde de tengels; «. Doch toen bukkende vatte Meriones haastig de leidsels

Weer met zijn hand van den grond, tot Idomeneus richtend den toeroep:

— Zweep ze nu voort, dat gij weer naar de snelle galeien terugkeert; Want gij bespeurt wel zelf, geen zege verzelt de Achaiërs.

Alzoo sprak hij; nu zweepte Idomeneus snel naar de schepen iB. \'t Span schoonmanige rossen, het hart door den schrik overvallen. Noch grootmoedigen Ajas ontsnapte het, noch Menelaos Hoe Zeus toen aan de Trojers de wankende zege vergund had. Zoo dan zei hun het eerst Telamonios Ajas, de groote:

— Thans helaas zou ieder, ofschoon \'t onnoozelste wichtje,

10. Zien dat hij zelf, Zeus Vader, den Trojers verleent zijnen bijstand. Want steeds treffen hun worpen, van allen, van wie ze ook uitgaan, Zij het een laffe of held; Zeus geeft ze aan alle de richting; Maar slechts doelloos valt van ons allen de speer op de aarde. Doch welaan, en bedenken wij zelf wat best ons te doen staat, !5, Hoe wij het lijk aan hun macht noch zullen ontrukken, en zeiven Weer van den kampstrijd keeren tot vreugd onzer dierbare makkers, Welke ons ziende gewis zich beangstigen, daar zij ons zeker Tegen des moordenden Hektors geweld en verwinnende banden Weerloos achten en dra bij de donkere schepen gevallen, lo. Mocht er een vriend maar zijn die aan Peleus\' zone ten spoedigst Bracht het bericht, want zeker, ik denk dat hij geenerlei kondschap Hoorde der droevige mare, dat sneefde zijn dierbare makker.

-ocr page 330-

314

Nergens kan ik intusschen nu zulk een Achaiër bespeuren,

Want in een mistwolk zijn ze gehuld, zoo mannen als paarden. 645. O Zeus Vader, bevrijd van die nevelen toch de Achaiërs,

Maak ons de lucht weer helder en geef dat wij zien met de oogen; Dood ons ten minste in \'t licht, wijl thans alzoo het u goeddunkt.

Aldus sprak hij; zijn weenen vervulde den Vader met deernis; Aanstonds dreef hij de nevels uiteen en verspreidde den mistdamp, 650. Hel scheen weder de zon en verlichtte in \'t ronde het strijdperk; Toen riep Ajas terstond Menelaos geducht in den strijdgaltn: - Zie thans rond, Menelaos, o godlijke telg, of gij ergens Levend Antilochos speurdet, den zoon van den moedigen Nestor, Geef hem bevel dat hij spoede en ga tot den schrandren Achilleus, 665. Ijlings, en zegge dat sneefde de makker hem verre het dierbaarst. Alzoo luidde zijn woord; Menelaos geducht in den strijdgalm Volgde zijn raad eu hij ging. Als een leeuw die zich weert in

[het hofperk,

Wen hem vermoeide zijn woede om honden en jagers te tergen. Welke hem niet toelaten den vetste te rooven der runders, 660. Daar zij den nacht doorwaken; begeerig het vleesch te verslinden Valt hij ze aan, maar woedt te vergeefs, want tal van hun speren Vliegen hem daar te gemoet, door de wakkere handen geslingerd, Tal van hun vlammende fakkels; hij deinst in zijn woedenden

[aanloop.

Eerst bij bet krieken des daags, mismoedig van hart zich ver-

[wijdrend.

665. Dus ook ging Menelaos geducht in den slag, van Patroklos

Noode gekeerd, want vreeze beving hem dat thans de Achaiërs Onder den angst van hun vlucht er hem lieten ten buit van den vijand. Dus tot Meriones klonk en de Ajaxen dringend zijn toeroep: - Ajaxen, gij die Argeiërs bestuurt, en Meriones mede, 670 Laat thans ieder gedenken des jammervollen Patroklos

Zachte gemoed, die voor elk steeds wist zachtzinnig te wezen Tijdens zijn leven, hem greep thans echter de dood en de Moira.

Alzoo sprekende spoedde de blonde Atreide zich verder,

Alom spiedend in t rond als een adelaar, welken zij roemen 675 quot;t Scherpst van gezichte te zijn van de hemelbewonende vogels. Welken, ofschoon boog vliegend, het schuw snelvoetige haasje Niet ontgaat als bet rust in het dicbtomlooverde struikhout,

Maar hij bespringt en berooft bet met haastigen greep het leven.

-ocr page 331-

315

Dus ook, godlijke telg Mcnclaos, uw glanzende oogen bso. Spiedend in \'t ronde gewend in het talrijk heer van uw makkers, Of gij ook Nestors zoon noch onder de levenden zien mocht. Dezen bespeurde hij dra aan het linker gedeelte des slagvelds, Waar hij zijn makkers bezielde met moed en vermaande ten

[kampstrijd.

Dicht tot hem naderend sprak blondlokkige held Menelaos: «85. — Op! van de goden getogen Antilochos, droevige tijding

Moet ik u thans doen kennen, o ware het nooit ons beschoren. Zelf voorwaar wel, denk ik, bespeurt gij uit eigen aanschouwing, Weet gij het reeds dat een god op de Danaërs jammeren stapelt, Zege verleent aan de Trojers; de dapperste zoon van Achaia fiim. Sneefde, Patroklos, een droevig gemis bij de Danaërs wekkend. Maar ga zelf het, gespoed naar de vloot der Achaiërs, Achilleus Melden, en moge hij snel naar zijn schip noch redden het lichaam, Naakt, want \'t krijgstuig roofde de helmboswuivende Hektor. Alzoo luidde zijn woord, en Antilochos schrikte het hoorend. 01)5. Lang ontbrak hem de macht om zijn woorden te uiten, de oogen Schoten van tranen hem vol, dof zwijmde zijn heldere stemklank. Echter verzuimde hij niet het bevel dat hem gaf Menelaos,

Maar hij bespoedde zijn gang en zijn wapenen gaf hij zijn makker, Ecdlen Laodokos, dicht met de krachtige paarden hem volgend. 700. Ver van het slagveld voerden den weenende thans zijne voeten. Bode der sehriklijke mare aan Peleus\' zone Achilleus.

Doch thans zocht uw verlangen, o godlijke telg Menelaos,

Niet uwe makkers in druk te verdedigen, toen van hun zijde Ijlings Antilochos ging, dien de Puliërs smartelijk misten. 705. Maar tot hun bijstand riep hij den godlijken held Thrasumedes; Daarop snelde hij zelf dan weer naar den grooten Patroklos, Waar hij de Ajaxen spoedig ter zijde getreden, hun toesprak:

Dezen gelastte ik wel dat hij ginds tot den rappen Achilleus Ging bij de snelle galeien, ofschoon ik geloof dat hij geenszins 710. Thans hier komt, hoe zeer op den godlijken Hektor verbitterd; Want hoe ging hij de Trojers te keer, ontbloot van zijn krijgstuig; Doch welaan en bedenken wij zelf wat best ons te doen staat; Hoe wij het lijk aan hun macht noch weer ontrukken, en zelven Buiten der Trojers gewoel ontvlieden den dood en het uoodlot. 715, Daarop zei hem de groote, van Telamoon stammende Ajas: Voegzaam hebt gij gesproken, geprezene held Menelaos,

-ocr page 332-

316

Gij en Mcriones samen, gij moet snel bukkend den doode Grijpen en heffen hem op uit het woelend gedrang, en van achter Zullen wij voeren den strijd met de ïrojers en godlijken Hektor, 720. Wij de gelijken van naam en gemoed, die te voren ons altijd Hielden vereenigd en samen verduurden den heftigen oorlog.

Alzoo sprak hij; de andren het lijk van de aarde verheffend Tilden het hoog op hun armen, en luidkeels schreeuwde van achter Troja\'s volk, nu het zag de Achaiërs die hieven het lichaam: 725. Daarop stormden zij voort, als de honden die \'t bloedende woudzwijn Alle bespringen, naar voren gerend van de jeugdige jagers;

Eerst vol drift en begeerig het dier met hun tand te verscheuren, Maar zoodra het zich tegen hen wendt, op zijn krachten betrouwend. Wijken zij alle terug en verstrooien zich heinde en verre. 730. Dus ook Troja\'s scharen die eerst wel joegen den vijand.

Houwend met zwaarden en treffend met dubbelsnijdende speerpunt; Maar toen tegen hen weer zich de Ajaxen keerden en standvast Bleven, verbleekte hun allen de huid en verstoutte zich niemand Verder naar voren te dringen en noch om den doode te kampen. 73B. Alzoo droegen zij beiden het lijk met geweld van het strijdperk Heen naar de welvende schepen; en steeds omgaf hen de kampstrijd, Wild als het vuur, dat geweldig de veste der mannen bestormend Plotseling hooger zijn vlammen verheft, en de huizen verdwijnen Onder den heftigen gloed, voortbruischend door kracht van den

[windstroom;

740. Dus ook drong en vervolgde hen daar op den weg dien zij gingen Steeds het gewoel van de paarden en werpspiesvoerende strijders. Zoo als een tweespan muilen, met duchtige krachten zich werend. Langs een gekronkeldea weg eenen balk van de hoogte der bergen Sleept of een wichtigen boom voor den scheepsbouw dienend

[de harten

74B. Worden den zwoegenden dieren gedrukt door het zweet en den

[arbeid;

Dus ontvoerden zij \'t lijk met geweld; en de Ajaxen stonden Achter hen, steeds afwerend, gelijk aan een heuvel die boschrijk Voor in de vlakte zich strekt, en den aandrang keert van het water, Zelfs van de krachtigste stroomen de zwaar te beteugelen golven 750. Keert en hun vlietende waatren terstond naar de vlakte gedrongen Afweert, wijl hunne kracht niet door kan breken den heuvel; Dus ook weerden van achter de Ajaxen immer den aanval

-ocr page 333-

317

Welken de Trqjers beproefden; er volgden hen twee het geweldigst, Beiden Anehises\' zoon Aineias en sebittrende Hektor.

755. Zoo als een wolk daar strijkt van gevogelte, spreeuwen of kraaien, Alle te zaam luid krijschend, zoodra zij de vlucht van een havik Hebben gespeurd, die den dood aan de kleinere vogelen aanbrengt. Dus voor Aineias en Hektor de jonge Achaïsche manschap.

Allen te zaam luid krijschend en niet meer denkend aan weerstand.

760, Sierlijke rustingen lieten in \'t rond om de gracht er in aantal

Vluchtend de Danaërs achter; en noch niet poosde de kampstrijd.

-ocr page 334-

ACHTTIENDE ZANG.

-^^Jzoo bleven zij woeden gelijk aan een vlammenden vuurgloed, Maar met de tijding begaf zich Antilochos vlug naar Achilleus. Dezen bespeurde hij vóór zijn verheven gesnebde galeien, \'t Hart van gedachten vervuld aan hetgeen reeds kwam tot

[vervulling;

Wrevelig zeide hij nu tot het moedige hart bij zich zeiven:

— Ach, wordt dan noch steeds \'t langlokkige volk der Achaiërs Warrend gejaagd naar de schepen, met schrik door de vlakte

[gedreven ?

Mochten de goden mijn hart maar niet doen lijden den jammer. Zoo als mij eens mijne moeder verkondigde, toen zij mij eertijds Zeide dat noch bij mijn leven de beste van \'t heer Murmidonen Onder de handen der Trojers den glans zou derven des daglichts. Ach, reeds sneefde hij zeker, Menoitios\' edele nazaat;

Roeklooze; immers beval ik hem na het bedwingen der vlammen Weer naar de schepen te gaan, niet vurig met Hektor te kampen.

Noch in zijn geest en gemoed overlegde hij zulke gedachten. Toen hem genaderd de zoon van den edelen Nestor ter zij trad. Gloeiende tranen vergietend, en meldde de smarlijke tijding:

— Ach, helaas, wel moet gij, o zoon van den schranderen Peleus, Hooren de smartlijke mare, o ware zij nooit ons beschoren Dood ligt onze Patroklos, om \'t lijk ontbloot van het krijgstuig Strijden zij; maar zijne wapens bezit helmwuivende Hektor.

Alzoo sprak hij. — Hem dekte een sombere nevel van weemoed; Grijpend met beide de handen het morsige stof van den bodem, Wierp hij het over zijn hoofd en hij schond het bevallige aanzicht;

-ocr page 335-

319

26 Donkere asch overdekte bevuilend zijn goddelijk lijfkleed.

Zelf dan nedergestort in het stof, in geheel zijne lengte,

Lag hij, met eigene hand uitrukkend en schendend zijn hoofdhaar. Maagden, die vroeger als buit zich Achilleus won met Patroklos, Uitten haar jammergeklaag, luid schreeuwend, en buiten de tentdeur 30. Stortten zij; d\' eedlen Peleide omringende, sloegen zich allen Tegen de borst met de handen en wankelend zonken haar knieën. Jammerend stond daar mede Antilochos, tranen vergietend Greep hjj Achilleus\' handen; zijn fier hart steende beangstigd. Immers hij vreesde dat deze het ijzer zich stak in den gorgel. 35 Zoo weeklaagde hij steeds; en dit hoorde zijn achtbare moeder. Toen z\' in de diepten der zee bij den grijsaard zat, haren vader. Jammerde snikkend, en dra omringden haar al de godinnen. Welke de diepe verblijven bewoonden der zee, Nereieden.

Daar was Glauke benevens Kumodoke, kwamen Thaleia, 40. Speio, Nesaië en voorts grootoogige Halië, Thoë,

Kwamen Kumothoë nevens Aktaië en Limnoreia,

Melite ook en laira, Amfithoë saam met Agaue,

Doto en Proto, Ferousa, Dunamene waren er mede;

Saam met Dexamene was er Amfinome, Kallianeira,

45. Doris en Panope, voorts Galateia, geprezen en roemrijk.

Wijders Nemertes, en mede Apseudes en Kallianassa,

Daar was Klumene ook, Taneira en voorts lanassa,

Maira en Oreithuia en schittrend van haar Amatheia,

Zoo veel wijders de diepte bewoonden der zee, Nereieden. 60. Weldra vulden zij samen de zilveren grot, en haar borsten

Sloegen zij al te gelijk, toen Thetis begon, met haar weeklacht: — Roemrijk zusterental, Nereieden, verneemt mijne woorden. Hoort, om den droevigen jammer te kennen die woont in mijn boezem. Wee mij, arme, helaas, rampzalige^heldenverwekster,

65. Daar ik een zoon deed leven, een smetloozen, dapper bij uitstek, Edelsten aller heroën; hij wies als een krachtige boomspruit; Dezen verpleegde ik zelf, als een loot op den vruchtbaren akker. Zond hem naar Ilios dan op de krommend gesnebde galeien, Tegen de Trojers ten kamp; nooit zal ik hem echter begroeten 60. Huiswaarts wedergekomen, en binuen de woning van Peleus; Maar zoo lang hij mij leeft en den glans noch ziet van het daglicht. Lijdt hij en geenszins kan ik tot hulpe hem zijn en bescherming. Doch thans ga ik hem zoeken, mijn dierbaren zoon, om te hooren

-ocr page 336-

320

Welk een verdriet hem beving, schoon blijvende buiten den

[kampstrijd.

05. Alzoo sprak z\' en verliet de spelonk; hare schreden verzelden Weenend de anderen mede, terwijl zich de golf van den zeevloed Spleet op haar weg. Toen dezen het kluitige Troja bereikten. Stegen zij achtereenvolgens op \'t strand, waar \'t heer Murmidonen Optrok al zijn galeien, geschaard om het schip van Achilleus. 70.^ Naast den verzuchtenden held trad toen zijn verhevene moeder, Snikkend, en vatte het hoofd van haar dierbaren zoon in haar armen. Diep hem beklagend, en zeide hem dan de gevleugelde woorden:

— Kind, hoe weent gij zoo zeer? Hoe kwam in uw zinnen die

[droefheid ?

Zeg het, en niets mij verheeld; volvoerd toch heeft u dit alles 75. Zoo Zeus\' wille, als eens gij hem smeektet uw handen verheffend, Alle de zonen Achaia\'s verslagen te zien bij hun scheepsvloot, U vol smart ontberend en smaadlijke daden verdurend.

Daarop zei haar bekommerd en droef\' snelvoetig\' Achilleus:

— Moeder, dit bracht mij gewis de Olumpiër wel tot vervulling, 80. Maar wat baat mij dit alles, dewijl de mij dierbare makker

Sneefde, Patroklos, de vriend dien ik eerde het hoogst van hen allen, Zoo als bet hoofd op mijn schouders; en dezen verloor ik, en Hektor Roofde, hem doodend, de wapens, geweldig en wondren van

[schoonheid,

Welke, als heerlijke gave, de goden vereerden aan Peleus, 85. Dien dag, toen zij u dwongen de sponde te deelen eens stervlings. Ware het liever geschied dat gij ginds met godinnen der zeeën Woondet en Peleus voerde een sterflijke vrouwe ten huwlyk. Maar thans zal uw gemoed ook eindlooze jammer vervullen Wegens den dood van uw zoon; want wis ontvangt gij hem nimmer 90. Huiswaarts wedergekeerd, wijl niets mij het hart er toe aandrijft Langer te leven met menschen verkeerende, vóór dat ik Hektor Heb doen derven het leven, gezwicht voor den stoot van mijn

[werpspies,

Eer hij de wapens mij boet van Menoitios\' zone Patroklos. Daarop gaf hem, in tranen versmeltende, Thetis ten antwoord: 95. — Kort slechts duurt u het leven, mijn zoon, als gij zulk eene

[taal spreekt;

Weldra toch is aan ü, na Hektor, het einde beschoren.

Hevig verzuchtende zeide haar toen snelvoetig\' Achilleus:

-ocr page 337-

321

— Moge ik aanstonds sterven, dewijl ik mijn makker die neerzonk Niet mocht redden; van \'t land zijner vaderen verre verwijderd

100. Viel hij en derfde mijn hulp hem ten redder te zijn in den oorlog. Thans, nooit keer ik terug naar het dierbare land van mijn vaadren; Noch aan Pa^roklos was ik tot heil, noch anderen makkers, Allen die talrijk vielen, geveld door den godlijken Hektor,

Maar ik verwijl bij de schepen, een nutlooze last van het aardrijk, 105. Schoon ik geweldig als geen van de kopergedoste Achaiërs, Ben in den krijg;! in den raad toch zijn veel anderen beter. Ach, dat bij goden en menschen de tweedracht ware vernietigd, Stierve de toorn, die in gloed zelfs doet ontbranden den wijze, Deze, die noch veel zoeter dan zacht afdruipende honig no. Glijdt in de borsten der menschen en weldra stijgt als een vuurwalm; Dus ook deed hij mij toornen, der volkeren vorst Agamemnoon. Laten wij, hoe het ons smart, nu echter \'t verledene rusten, Ieder zyn eigen gemoed in den boezem bedwingend uit nooddwang. Thans op den man mij gestort die het dierbare hoofd ten verderf was, lis. Hektor; en dan ontvang ik mijn lot, ook zelf, als het eenmaal Zeus zal willen vervullen en d\' andere eeuwige goden. Doodsgodinnen vermeed ook de kracht zelfs niet van Herakles, Schoon de geliefdste bij Zeus, bij den koning geboren van Kronos; Maar hem bedwongen de Moira en Hera\'s geweldige gramschap. Dus ook ik, daar toch een gelijke bsschikking mijn deel is, Lig daar neer, als ik sterf; thans streef ik naar heerlijken

[krijgsroem,

Menige Troïsche vrouw of Dardanische, sierlijk van kleedplooi, Zal van haar lieflijke wangen voorzeker de stroomende tranen Wisschen met beide de handen, in eindloozen jammer verzuchtend; Zoo dan mogen zij zien dat ik lang van het strijden gepoosd heb. Houde uw liefde mij niet uit den strijd, toch raadt gij mij vruchtloos. Toen weer sprak de godinne, de zilvervoctige Thetis:

— Zeker dit is waarachtig, mijn kind; \'t is niet te berispen Zoo men zijn lijdende makkers beschermt voor het schrikkelijk

[uiteind;

Maar in de macht van de Trojers berusten uw sierlijke wapens. Blinkend in koperen glans, en de helmboswuivende Hektor Draagt ze en praalt er nu mee om zijn schouderen. Echter ik zeg u Niet lang pronkt hij er mee, na is aan hem zei ven de doodslag; Nochtans eer niet moet gij u storten in \'t zwoegen des oorlogs,

21

120,

126.

130.

-ocr page 338-

322

135. Vóór dat uw oogen mij weer hier keerende zullen aanschouwen. Want vroeg keer ik terug, te gelijk met het rijzende zonlicht, Heerlijke wapens n brengend, het werk van den koning Hefaistos.

Alzoo sprak zij en ging, van haar zoon weer wendend de schreden. Onder de zeegodinnen, haar zusteren, welken zy toesprak: 140. — Daalt gij saam thans neer in den golvenden schoot van den

[zeevloed.

Zoekt er den grijze der zee en de woningen weder des vaders. Dezen dit alles vermeldend; ik zelf, naar den grooten Olutnpos Ga ik ten loflijken kunstnaar, Hefaistos, en vraag of hij goedacht Heerlijke, schittrende wapens mijn zoon ten gevalle te geven. 145. Alzoo sprak zij, en allen verzonken terstond in den zeevloed; Doch ten Olumpos begaf zich de zilvervoetige Thetis,

Spoedend ten einde haar zoon te verschaffen de heerlijke wapens.

Dus ontvoerden de voeten haar snel ten Olumpos; verschriklijk Klonk der Achaiërs geschreeuw, voor den mannenverdelgenden

[Hektor

150. Vluchtende weer tot de schepen gekeerd en den Hellespontos. Ook ontrukten er niet de Achaiërs met stevige scheenplaat \'t Lijk van Achilleus\' makker, Patroklos, aan \'t vliegende werptuig; Want hen bereikte op nieuw, met zijn scharen van strijders en

[paarden,

Hektor Priamos\' zoon, in zijn woede gelijk aan een vuurgloed. 55, Driemaal greep hem zijn voeten van achter de schittrende Hektor, Fel om hem mede te rukken, en klonk tot de Trojers zijn toeroep; Driemaal stootten hem echter de Ajaxen, blakend van strijdkracht. Weer van den doode terug; doch steeds op zijn sterkte vertrouwend Stortte zich nu eens Hektor te midden der menigte, dan weer 160. Stond hij en hief zijn geschreeuw; maar zonder een schrede te wijken. Zoo als de weidende herders een rossigen leeuw, als de honger Hevig hem drijft, van het lijk zijner prooi niet kunnen verjagen. Dus ook poogden de beide gewapende Ajaxen vruchtloos Hektor Priamos\' zoon van den doode te dwingen tot aftocht. 165. Nu wis had hij hem mede gesleept en tot eeuwigen krijgsroem. Zoo thans niet van Olumpos de windsnel zwevende Iris IJlend tot Peleus\' zone, als bode, hem riep zich te waapnen; Zeus en den anderen goden geheim; wijl Hera haar afzond. Dicht tot hem naderend stond zij en sprak de gevleugelde woorden: 170. — Rijs op, Peleus\' zoon, gij schriklijkste onder de mannen;

-ocr page 339-

323

Breng aan Patroklos bescherming, om wien do geweldige veldslag Voor de galeien verrees; elkander verdelgen zij ginder,

Dezen om reddend het lijk des verslagenen helds te behoeden, Doch, om het mede te sleepen naar Ilios\' luchtige bergvest, 175. Woeden de Trojers geducht; vóór allen de schittrende Hektor, Fel om het mede te rukken; hem blaakt van begeerte de boezem \'t Hoofd, van den teederen hals hem gehakt, op de palen te steken. Op, niet langer getoefd; en uw boezem vervulle de eerbied.

Niet uw Patroklos te zien tot een vreugd voor de Troïsche honden; 180. U zij schande ten deel, als het lijk mocht lijden een smaadheid. Doch nu zei haar de snelle van voet, de verheven Achilleus:

— Iris, godin, wie zond van de goden als bode u herwaarts? Daarop zeide hem weder de windsnel zwevende Iris:

— Hera gebood mij te gaan, Zeus\' verre verheerlijkte gade; 185. Geenszins is het bekend den verheven getroonden Kronioon,

Noch aan de goden bewonend den sneeuwigen top des Olumpos. Daarop zeide haar weder de snelle van voeten, Achilleus:

— Maar hoe ging ik ten slag, wijl genen mijn wapens bezitten? Ook mijne dierbare moeder verbood dat ik toog in den veldslag

190. Voor dat mijn oogen haar weer hier keerende zouden aanschouwen. Want zij beloofde met hulp van Hefaistos mij heerlijke wapens. Niemand weet ik er toch, wiens heerlijke wapens ik dragen Zoude, ten ware het schild van den zone van Telamoon, Ajas, Maar ook zelf strijdt deze, vermoed ik, te midden der voorsten, 195. ïreiï\'end met moordende speer rondom den gevallen Patroklos. Daarop zeide hem weder de windsnel zwevende Iris:

— Ja, ook weten wij wel dat zij roofdeii uw heerlijke wapens; Nochtans, ga slechts zóo bij de gracht en vertoon u den Trojers, Of er, verschrikt u te zien, wellicht de Trojanen het slagveld

200. Ruimen, en weer heraamen de dappere zonen Achaia\'s,

Mat en bedrukt; slechts kort is toch van den strijd de veraadming

Alzoo sprekende repte zich voort snelvoetige Iris.

Toen rees Peleus\' zoon, de geliefde van Zeus; en Athena Wierp om haar krachtige schouders de aigis van kwasten omwapperd; 205. Ook omkransde hem \'t hoofd de verheven godin met een nevel Blinkend van goud, en zij deed helstralenden gloed er van uitgaan. Zoo, wanneer uit een veste een rook oprijst naar den ether. Ver op een eiland, gansch in het ronde bestormd door den vijand; Fel volharden zij daar in het gruwzame strijden, den dag door.

-ocr page 340-

324

210. Kampende steeds uit hun stad; maar tegen het dalen des zonlichts Vlamt er een menigte vuren van rijs en verheft zich de vuurgloed Wijd in de hoogte, dat allen het zien die bewonen den omtrek, Of zij er soms met hun schepen hun kwamen te hulp in den

[krijgsnood;

Dus ook rees tot den ether de glans om het hoofd van Achilleus. 215. Toen, van den muur af, stond hij ter zij van de gracht, de Achaicrs Mijdende, vol ontzag voor het dringend bevel van zijn moeder. Daar rees toen zijn geschreeuw, en ter zij deed Pallas Athena Klinken haar stem, en de Trojers beving ontzetbre verwarring. Zoo als de schettrende klank zich verheft, als de schelle bazuingalm 220. Dreunt in het rond van een veste, bedreigd door den moordenden

[vijand.

Dus ook schetterde luide het schreeuwen van Aiakos\' kleinzoon. Toen zij de koperen stem daar hoorden van Aiakos\' kleinzoon. Trilde terstond elks hart en de rossen met sierlijke manen Wendden de wagens terug, in hun hart voorziende het onheil. 225. Schrik ontstelde de menners, den on uitdoof baren vuurgloed Ziende, die boven het hoofd van den edelen zone van Peleus Gloeide, geblaakt door Zeus\' blauwoogige dochter Athena. Driemaal klonk van de gracht het geschreeuw des verheven Achilleus, Driemaal werden de Trojers verward en het loffelijk bondsvolk. 230. Toen ook sneuvelde daar van de dapperste mannen een twaalftal Stervend door eigene wagens en speren geveld; de Achaiërs Echter verheugd uit der worpen bereik ontrukkend Patroklos, Legden hem neer op een bed; rondom dan stonden zijn vrienden Weenend en jammrend; hen was er gevolgd snelvoetig\' Achilleus, 2;i5. Gloeiende tranen vergietend, terwijl hij zijn trouwen gezelle

Zóo op de baar zag liggen, verscheurd door het snijdende koper. Ach, wel had hij hem pas doen gaan met zijn paarden en wagen Strijdwaarts, maar niet weer ontving hij den keerenden krijgsheld. Rustlooze Helios zeeg naar Okeanos\' golven, met onwil, 240. Toen er hem neerwaarts zond grootoogige vorstlijka Hora;

Dan, als de zon wegzonk, nam \'t goddelijk heer der Achaiërs Rust van den heftigen strijd en den allenbehcerschenden oorlog.

Andererzijds ook keerden de Trojers van \'t woedende slagveld Weder terug; uit het tuig ontspannend de vaardige rossen, 245. Gingen zij samen ten raad, alvorens hun maal te bezorgen. Rechtop stonden zij dan ter vergadering; geen die er waagde

-ocr page 341-

325

Neder te zitten, van vrees tocb beefden zij, wijl de Peleide Plotsling verscheen, die zich lang onthield van den schriklijken

[kampstrijd.

Schraudre Poludamas sprak er het eerst ter vergaderde menigt\', 250. Panthoös\' zoon; alleen toch schouwde hij achter- en voorwaarts; Hektors vriend, éen nacht zag dezen te zamen geboren;

Maar met het woord stond deze het hoogst, met de speren de ander; Deze nu sprak welmeenend hun toe en hij zeide de woorden: — Vrienden, beraamt nu goed: ik geef u den raad dat wij aanstonds 255. Stadwaarts keeren en niet afwachten den godlijken daagraad Hier in het veld bij de schepen, te ver toch zijn onze muren. Tijdens den wrok diens mans op den godlijken held Agamemnoon Waren Achaia\'s zonen met minder bezwaar te bestrijden;

Zelf ook lag ik verheugd bij de snelle galeien en rustig, 2(10. Hopende dra ze te nemen, de krommend gesnebde galeien.

Maar thans ben ik beducht voor den rappe van voet, den Peleide; Stout als het harte hem is, zal deze zich niet vergenoegen Ginder te blijven op \'t veld, waar Trojers te zaam en Achaiërs Beiden tot heden het woeden van Ares gelijkelijk deelden, 205. Maar vast zal hij den strijd om de stad gaan voeren en vrouwen. Keeren wij dus naar de veste, gehoorzaamt; laat dit geschieden. Thans weerhield van het strijden den rappe van voet, den Peleide, Slechts de ambrosische nacht, maar hier als hij morgen ons aantreft, Wen hij ons fel met de wapens bespringt, dan leeren er zeker 270. Velen hem kennen, en vliedt naar het heilige Ilios vreugdvol Wie mocht vlieden, en zal er ten spijs van de honden en gieren Liggen een tal van de Trojers; o hoordep mijn ooren het nimmer. Doch wanneer gij mijn woorden betracht, al geeft het u droefheid, Houdt dan het leger des nachts op de markt; onze veste beschermen 275. Torens en rijzige poorten, met stevig betimmerde deuren.

Groot, wel sluitend en samengevoegd, voldoende ter afweer. Morgen bij \'t krieken des daags, dan zullen wij weer in het pantser Staan op de tinnen der torens; en wee hem indien het hem lustte Ver van de schepen ons hier het bezit van de stad te betwisten. 280. Weldra moest hij terug, en zijn span hooghalzige rossen

Zou hij, de stad omzwervend, verzaden van eindloozen renloop. Doch hier binnen te dringen verstoutte zich zeker zijn hart niet, Nimmer verwoest hij de stad; eer zullen de honden hem vreten. Norsch tot hem opziend zeide de helmboswuivende Hektor:

-ocr page 342-

326

285. — Geenszins is mij gevallig, Poludamas, wat gij gezegd hebt, Gij die ons raadt, dat wij keeren en worden beklemd in de veste. Zijt gij het noch niet moe, daar achter de torens besloten? Eertijds roemden er toch de met rede begiftigde menschen Alom Priamos\' stad als de rijke in goud en in koper;

290. Maar thans is uit de huizen de heerlijke have verdwenen.

Ging er naar Frugië heen en Meonië\'s lieflijke landstreek Tal van verkoopbaar goed, wijl Zeus de verhevene toornde;

Doch nu weder de zoon van den listigen Kronos mij toestond Roem bij de schepen en na aan de zee de Achaicrs te klemmen, 295. Dwaas, ga thans aan het volk niet zulke gedachten vertoonen, Zekerlijk volgt geen Trojer uw raad; ook duld ik het nimmer. Maar welaan, en gelijk ik u zeg, dat gij allen gehoorzaamt. Neemt thans scharengewijs door het leger uw maal voor den avond. Zorgt voor het stellen van wachten en elkeen boude zich waakzaam; 300. Doch wie onder de Trojers te hevig betreurt zijn bezitting,

Neem ze en geef ze den volke, ten einde ze saam te verteren, Beter dat iemand hier ze geniet, dan het volk der Achaiërs. Doch bij het krieken des daags, dan, allen gedost in het pantser, Gaan wij den vurigen krijg om de welvende schepen verwekken. 305. Zoo dan waarlijk herrees bij zijn schepen de eedle Achilleus, Als hij het wil, zoo zal het hem schriklijker wezen; ik zelf toch Zal van den gruwbaren strijd niet vliên, maar heftigen weerstand Zal ik hem bieden, en worde de zege zijn deel of het mijne. Allen gelijk is Ares en vaak ook doodt hij den dooder. 310. Zoo sprak Hektor; hem ruischte de bijval tegen der Trojers, Dwazen; hun werd het verstand ontnomen door Pallas Athena. Want zij verleenden aan Hektor die heilloos raadde hun bijval, Doch aan Poludamas niet, die hun deed een voortreflijken voorslag, D\'avondspijze genoten zij toen in het heer; de Achaiërs 315. Jammerden echter en weenden geheel dien nacht om Patroklos. Daar ging Peleus\' zone hen voor, en de droevige weeklacht Hief hij, de moordende handen gedrukt op de borst van zijn makker; Telkens zuchtte en steende hij luid, als een edele woudleeuw Wien in het dichte geboomte een herten vervolgende jager 320. Rooft zijne welpen; en deze hem treurende volgend van achter, Zwerft door de dalen en kloven des bergs, naspeurend zijn voetstap. Of hij hem ergens vond; want bittere woede vervult hem; Dus, zwaar zuchtende, hief hij zijn stem tot het heer Murmidonen:

-ocr page 343-

327

— Wee, wat ij dele taal ontviel dien dag aan mijn lippen,

;«5, Toen in zijn zaal ik vertroostend den dappren Menoitios toesprak;

Daar ik den loflijken zoon hem beloofde te brengen naar Opoes Na dat bij Troja verwoestte en lootte zijn deel in den krijgsbuit. \\ Maar den gedachten der menschen verleent Zeus geene vervulling;

IWant saam is het ons lot, dat wij éen grond kleuren met bloed rood 3;i0. Hier in het Troïscbe land, want nooit ook ziet mij de grijsaard Weer in zijn woonzaal keeren, de rossenbedwingende Peleus,

Nooit ook Thetis mijn moeder, mij zal hier dekken bet aardrijk.

Doch, o Patroklos, dewijl ik verzink in de aarde, u volgend.

Wijd ik uw doodsfeest niet, aleer dat ik hier u de wapens 335. Breng en het hoofd van den man, uw vermetelen moorder, van

[Hektor.

Flier, bij uw mutsaard zal ik van Troja\'s edele zonen Twaalf er den hals afsnijden, in toorn ontbrand om uw doodslag. Zoo lang zult gij mij zóo bij de krommend gesnebde galeien Liggen, en slepend gerokte Trqjaansehe of Dardaner vrouwen 340. Zullen u dagen en nachten omringen met tranen en weeklacht,

Zij, die wij zeiven met kracht en geweldige speer ons verwonnen Toen wij de bloeiende steden der reedlijke menschen verwoestten.

Alzoo sprak en gelastte zijn makkers de eedle Achilleus Boven de vlammen te plaatsen het groot drievoetig gereedschap, 345. Spoedig, om \'t lijk van Patroklos te zuivren van bloedige smetten.

Dezen den drievoet toen voor het wasschen bereidend en vuurgloed.

Vulden den ketel met water en legden het hout in de vlammen;

\'tVuur om des drievoets buik toen vlammende, warmde het water;

Nu in het blinkende koper het water tot, koken verhit was, 350. Wiesschen zij zuiver en zalfden den doode met smijdig olijfsap.

Legden hem dan in de wonden een negenjarigen balsem.

Strekten hem neer op bet bed, met het lenige linnen hem dekkend Al van het boofd tot de voeten en voorts met een heldere lijkwaa. Zoo omringde de schaar Murmidonen den snellen Achilleus ; »55. Gansch dien nacht, om Patroklos in klagen en weenen verzuchtend.

Doch Zeus richtte de woorden tot Hera zijn zuster en gade:

— Eindelijk hebt gij \'t bereikt, grootoogige vorstlijke Hera,

Snellen Achilleus hebt gij gewekt; ja, wel uit u zeiven

Is het gewis ontstamd \'t langlokkige volk der Achaiërs.

13fio. Daarop zeide hem weer grootoogige vorstlijke Hera;

— Kronos\' geweldige zoon, welk woord ontsnapte uw lippen.

-ocr page 344-

328

Immers gebeurt het ook wel dat een mensch iets doet aan een ander, Schoon slechts sterfelijk zijnde en niet zoo kundig in raadslag; Hoe dan zoude ik zelf, als de hoogste geroemd der godinnen, 365. Beide door eerste geboorte en wijl ik uw gade genoemd word, Gade van ü, den regeerder van al d\'onsterflijke goden.

Niet in verbolgen gemoede een kwaad aan de Trojers bereiden?

Zoo nu bespraken er dezen te zaam zoodanige zaken.

Doch in Hefaistos\' huis kwam zilvervoetige Thetis, 370. \'t Eeuwige, hel als de starren, het schoonste paleis van de goden, \'t Koperen huis dat zich zelven bereidde de hinkende godheid. Hem nu vond zij bezweet aan het werk, blaasbalgen bewegend, Ijverig; want drievoeten bewerkte hij, twintig in aantal,

Alle bestemd om te staan aan de wanden der stevige woonzaal, 375. Goudene wielen van onder aan ieder van dezen bevestend,

Waar zij uit eigene kracht mee rolden ten godlijken raadskring, Zelven ook keerden ter zale; een wonder voor elk die het aanzag. Zoo ver waren zij thans voleind, en de kunstige hengsels Slechts ontbraken; die maakte hij thans en hij smeedde de banden. 380. Toen hij dien arbeid ijvrig met kunstige zinnen bewerkte.

Kwam de godin daar nader, de zilvervoetige Thetis,

Voorwaarts tredende zag haar de glanzend gesluierde Charis, Zij, de bevallige gade des weerszijds hinkenden kunstnaars;

Deze nu vatte haar hand en zij zeide bij name haar noemend: 385. — Thetis met slepend gewaad, hoe nadert gij thans onze woning, Gij eerwaard en geliefd? want vroeger bezocht gij ons zelden. Doch kom verder naar binnen en laat ik u bieden het gastrecht.

Alzoo sprak de godin en geleidde haar verder naar binnen. Daarna bood zij haar plaats op den zetel met zilveren knoppen, 390. Sierlijk en kunstig bewerkt; ook stond er een bank voor de voeten; Toen riep luide haar stem den door kunst roem waarden Hefaistos;

— Kom hier nader, Hefaistos, u roept het verlangen van Thetis. Daarop sprak tot zijn gade de weerszijds hinkende kunstnaar:

— Zoo dan is de verheven, geëerde godin in mijn woning, 395. Welke mij redde en hielp, toen verre geslingerd ik smartvol

Viel door den wil van mijn moeder, de drieste, die wegens mijn

[mankheid

Heimlijk mij wilde verbergen; ik kwam toen zeker in lijden. Had mij Eurunome niet in haar schoot ontvangen, en Thetis, Gene Okeanos\' dochter, des rondom vloeienden stroomgods.

-ocr page 345-

Negen jaren, bij dezen, bewerkte ik allerlei kunstigs,

Spangen en armspiraleu en oorringknoppen en ketens.

Daar in de welvende grot; en Okeanos deed er zijn strooming Schuimend en murmelend steeds in het rond voortvlieten, en niemand Was het bekend, zoo min bij de goden als sterflijke mensehen, Maar \'t was Thetis bekend en Eurunome, welke mij redden. Thans, in ons huis komt deze; en daarom voegt het mij waarlijk Hier sehoonlokkige Thetis ten volle te loonen mijn redding. Gij dus, ga haar vereeren de heerlijke gaven des gastrechts. Middelerwijl dat ik berge de balgen en verder gereedschap.

Alzoo sprekende hief zich de hijgende reus van het aambeeld, Hinkend, en onder hem spoedden zich ijvrig de tengere beenen. Daarop nam hij de balgen van \'t vuur, en het verder gereedschap, Dienend ten arbeid, legde hij saam in de zilveren bergplaats; Wiesch met een spons het gelaat in het ronde en beide de handen, Wischte den krachtigen hals en de harige borst; met een lijfrok Dekte hij \'t lichaam, nam zich den wichtigen scepter, en hinkend Ging hij ter deur; ook spoedden, haar heerscher bedienend en helpend, Goudene maagden, gelijkend op werkelijk levende meisjes; Dezen, met reedlijk verstand en met spraak en de krachten des levens Zijn zij begaafd, en haar leerden de goden den kunstigen arbeid. Ijverig moeiden zich dezen ter zij van haar meester, en wankend Nam hij, bij Thetis genaderd, zijn plaats op den blinkenden zetel; Daarop nam hij haar hand en hij zeide bij name haar noemend:

— Thetis met slepend gewaad, hoe nadert gij thans onze woning. Gij eerwaard en geliefd? want vroeger bezocht gij ons zelden. Zeg het mij wat gij verlangt; en mijn hart zalgaarn het vervullen, Zoo ik het kan volvoeren en mogelijk is de vervulling.

Toen gaf, bittere tranen vergietende, Thetis ten antwoord:

— Zeg mij, Hefaistos, of éene van al des Olumpos godinnen Ooit zoo droevige smarten in \'t hart heeft moeten verduren. Meer dan de andren, als Zeus de Kroniede mij zond tot mijn kwelling? Mij alleen, van de nimfen der zee, aan een sterveling huwend, Peleus Aiakos\' zoon, en ik deelde eens mensehen omarming, Schoon ik het geenszins wilde; en deze, door droevige grijsheid Ligt hij ter zale, verzwakt; maar thans eene andre bezorgdheid: Want hij verleende mij moeder te zijn van een zoon, hem te kweeken, Grootsten van alle heroën; hij wies als een krachtige boomspruit; Dezen verpleegde ik zelf, als een loot op den vruchtbaren akker,

-ocr page 346-

330

Zond hem naar Ilios dan op de krommend gcsncbdc galeien 440. Tegen de Trojers ten karap; nooit zal ik hem echter begroeten Huiswaarts weder gestevend en binnen de woning vau Pelcus.

Doeh zoo lang hij mij leeft en den glans noch ziet van het daglicht,

Lijdt hij en geenszins kan ik tot hulpe hem zijn en bescherming.

\'t Meisje, zijn eeregeschenk, door de zonen Achaia\'s gekozen,

445. Haar ontweldigde weer aan zijn handen de vorst Agamemnoon.

Daarom kwijnde zijn geest, haar betreurende, maar de Trojanen Klemden Achaia\'s heer bij de achterstevens, den uitgang Buiten het kamp hun belettend. Hem smeekten vervolgens de

[grijsaards,

Argos\' oudsten, en noemden hem vele en heerlijke giften.

450. Daarna bleef hij hun zelf wel weigren de rampen te keeren.

Maar toch deed hij Patroklos zijn eigene wapenen dossen,

Deed hem ten oorlog tijgen, en gaf hem een menigte krijgsvolk.

Gansch dien dag door woedde de slag om de Skaiïsche vestpoort;

Thans ook hadden zij zeker vermeesterd de stad, als Apolloon 455. Niet den verwoestenden strijder, Menoitios\' dapperen nazaat,

Ondeï de voorsten er doodde en Hektor verleende den krijgsroem.

Daarom nader ik thans uwe knieën en smeek, dat gij toestaat.

Geef hem een helm en een schild, aan mijn zoon kortstondig van leven.

Sierlijke scheenbeenplaten met enkelgespen bevestigd,

460. Mede een pantser; het zijne verloor zijn getrouwe, zijn makker, Nedergeveld door de Trojers; hij zelf ligt zuchtend ter aarde.

Daarop zeide haar weder de weerszijds hinkende kunstnaar: |00

— Houd moed; laat u het hart niet zulke gedachten bezwaren.

Ach dat ik even gewis ver weg hem vermocht te verbergen 465. Buiten den gruwzamen dood, als het schrikkelijk einde hem nadert,

Zoo als hij zal ontvangen de heerlijke wapens, verbazend Alle de menschengeslachten, zoo velen ze mochten aanschouwen. j05 i—Alzoo sprak hij, verliet haar en ging naar de blazende balgen, \' Keerde ze tegen het vuur en gebood hun den krachtigen arbeid. 470. Twintig der balgen verhieven te zaam hun geblaas in de ovens,

Daar hunnen stroomenden adem op allerlei wijze verzendend,

Nu om het spoedende werk te bevorderen, dan zich vermindrcnd, |io. Al naar gelang het Hefaistos beval en het vordren des arbeids. Duurzaam koper en tin, het geprezene goud en het zilver 475. Bracht hij te vuur in de ovens; hij zette \'t geweldige aambeeld Voorts op het aambeeldsblok; toen nam hij den krachtigen hamer

4S0,

485.

too.

95.

-ocr page 347-

331

Welken zijn hand omvatte, de tang\' in de andere nemend.

Eerstens ging hij er vormen den grooten en stevigen beuklaar, Alom kunstig bewerkt, en hij sloeg in het rond er den rand om. Drievoud, vonklend van glans, en hij hechtte den zilveren draagriem, \'t Schildvlak zelf had vijf saampassende lagen, en daar op Maakte hij allerlei kunstigs met vindingrijke gedaehten.

Daar op bootste hij d\' aarde, den hemel en mede den zeevloed, Helios nimmer vermoeid en Selene gewassen tot volheid,

Daar ook alle de teekens, die samen den hemel bekransen. Ook de Pleiaden, Huaden, en mede de kracht van Orioon, Voorts de Beerin, wie de menschen den bijnaam geven van wagen, Welke zich daar omwentelt en \'t oog steeds houdt op Orioon, Zij alleen in den vloed van Okeanos nimmer zich badend.

Daar op bootste hij noch twee steden der reedlijke menschen, Schoone, de éene in vreugde van bruiloftsfeesten en maaltijd; Bruiden, gevoerd uit de zale bij \'t vlammende licht van de

[fakkels,

Werden geleid door de stad; luid schalde de zang van den hymen; Dansende jonglingen zwierden ten slingrenden rei, bij den maatslag Klinkend van tluiten en lieren bij iedere groep; en de vrouwen Stonden er elk aan de deur van haar woningen, vol van bewondring. Ginds op het marktplein schoolde de menigte saam; eene twistzaak Hees daar, wijl twee mannen er twistten ter zake van weergeld Wegens een manslag; deze bezwoer, het den volke betoogcnd Alles te hebben betaald; niets kreeg hij, betuigde de ander; Beiden verlangden beslechting der zaak bij een kundigen scheidsman. Weerszijds hieven er helpers voor beiden hun kreten van bijval. Doch de herauten bedwongen het volk; maar d\'achtbare oudsten Allen ten heiligen kreits op gehouvvene steenen gezeteld.

Namen de scepters in handen der luide bespraakte herauten; Daarmee rijzende gaf dan beurtelings ieder zijn oordeel.

Twee talenten aan goud daar nedergelegd in het midden Waren voor dezen bestemd die er gaf \'t rechtvaardigste oordeel.

Twee heerscharen omringden de andere stad met haar krijgsvolk Glanzend van wapens. De éene beraamde den dubbelen voorslag, \'t Zij de verwoesting der stad, of in tweeën het alles te deelen Al wat de heerlijke veste aan kostbare have bevatte.

Genen verwierpen het echter, ter heimlijke lage zich waapnend. Boven den walmuur stonden de dierbare vrouwen, bewakend.

-ocr page 348-

332

515. Nevens de jeugdige kindren en mannen gevorderd tot grijsheid. Genen nu togen, met leiding van Ares en Pallas Athena,

Beiden gedreven in goud, en van goud was mede hun kleeding, Ieder gedost in de wapens, en prachtig en groot, als de goden, Al uitstekend in glans, en beneden hen, kleiner, het krijgsvolk. 520. Toen zij nu waren gekomen ter plaats voor de lage gekozen. Dicht bij een stroom, door de kudden gebruikt als gezaamlijke

555.

[drenkplaats.

Zaten zij daar zich verschuilend, gedekt door het schitterend koper. Doch van het krijgsvolk zaten er zijwaarts twee op den uitkijk. Spiedend gespitst op de schapen en krommend gehorende renders. 525. Spoedig verschenen de kudden, door twee veehoeders gedreven, Vroolijk bespelend de fluit; zij vermoedden er geenerlei valstrik. Maar die te voren hen zagen, te voorschijn sprongen zij ijlings, Sneden den uitweg af aan de heerden der runders en kudden Schoon witwollige schapen, en doodden de hoedende herders. 530. Toen het belegerend heer, daar liggende voor aan het marktveld. Hoorde het luid rumoer om de runderen,! zetten zij aanstonds. Springend op ijlende wagens, hen na en bereikten hen weldra. Toen stand vattende voerden zij strijd aan de zoomen des waters. Botsten zij saam, elkaar met gekoperde lansen bestokend. 538. Daar trof Eris te gader, Kudoimos, en Kèr de verderfster,

Hier den gewonde behoudend en daar vrijwarend voor wonden, Andren gedood bij den voet voortsleepende tusschen de strijders. Rood was al om haar schouders het kleed door het bloed van de

[mannen.

Even als levende menschen ten strijd zich te zamen bewegen, 540. Voerden ook deze den slag elkaar ontrukkend de dooden.

Daar op bootste hij wijders een braakland, kluitig en vruchtbaar. Breed, drie malen geploegd, waar tal van de akkerbebouwers Voerde de ploegende spannen, ze herwaarts wendend en derwaarts. Dan, zoo vaak zij het einde des akkers bereikten en keerden, 545. Trad er een man op hen toe die een kelk zoetsmakenden druifnats Droeg in de hand en hun bood; dan sneden zij weder de vuren Vol van begeerte het eind van den kluitigen grond te bereiken. Donkerder werd er de grond, daar achter hen, even als ploegland

530. Het veld voor en buiten de muren, ter vergaderplaats dienende. 535. Kudoimos, liet slaggewoel; Kèr, de doodsgodin.

-ocr page 349-

333

Scheen het, ofschoon van goud; gansch was het een wonder van

[arbeid.

550. Daar ook schiep hij een erf, met het hooge gewas op het graanveld. Waar met de snijdende zicht in de hand arbeidden de maaiers. Dicht reeds viel in de voren er handvol aaren bij handvol, Andere voegden met snoeren de binders der sehoven tot bundels. Want drie binders van schoven verzelden hen; achter hen volgden 555. Knapen die hoopen tot garven verzamelend telkens een armvol lleikten den binders; en daar stond nevens hen zwijgend delandvorst, Dragend zijn staf, bij de voren, het harte bewogen van blijdschap. Zijwaarts onder een eik, daar richtten herauten het feestmaal. Bezig het machtige rund voor het offer te wijden; en vrouwen 500. Strooiden het heldere meel, voor de maaiers bereidend den maaltijd. Daar op bootste hij nolt;$ een met ranken beladenen wijngaard. Sierlijk bewerkt en van igoud, zwart waren aan dezen de trossen. Doch gansch was hij bedekt met de rijen van zilveren staken. Daar om heen van lazuur eene geul en van tin een betuining 505. Had hij gedreven; er was éen pad slechts dienend tot doorgang Waar langs gingen de dragers, bij \'t oogsten der druif van den

| wijngaard.

Meisjes en jeugdige knapen, met kinderlijk lustige zinnen, Droegen het honigzoete gewas in gevlochtene korven.

Voorts in hun midden bespeelde een knaap \'t hoog klinkende

[snaartuig,

i 570. Smachtend van toon, daar onder van Linos den lieflijken klaagzang Zingend met tengere stem, en zij volgden hem, stampend den maatgang Onder gezang en gejoedel, met huppelend dansende voeten.

Daar op maakte hij noch eene\'drift hooghoornige runders, Eenige koeien van goud en van tin weer andre vervaardigd, j 575. Welke den mestigen stal uitspoedende, loeiend ter weiplaats

Gingen aan \'t ruischende water, begroeid met het wiegelend rietbosch. Deze verzelden, de schare geleidende, goudene herders,

Vier, en hen volgden er negen der windsnelvoetige honden.

Doch twee vreeslijke leeuwen, de voorsten der kudde bespringend, ■580. Grepen een loeienden stier; luid brullende werd hij door dezen Henen gesleurd; maar honden en jonglingen volgden de roovers. Deze den machtigen stier oprijtend de huid van het lichaam. Vraten \'t geweide en zwolgen het donkere bloed; en de herders Joegen en dreven vergeefs, aanhitsend de vaardige honden.

-ocr page 350-

334

585. Deze nu deinsden, bevreesd met hun tanden de leeuwen te naken, Schoon hen van dichtbij steeds aanblaffend en tóch hen vermijdend.

Daar ook schiep hij een weide, de lollijke hinkende godheid, Tusschen de hellingen, schoon, en met veel blankwollige schapen, Kooien en hutten er nevens en goed overdekte verblijven. 590. Daar ook sierde hij kunstig, de loflijke hinkende godheid. Heiende dansers, gelijk in het wijduitstrekkende Knosos Daidalos eenmaal wrocht voor de sierlijkgelokt\' Ariadne. Bloeiende jonglingen, meisjes, te werven door runderenbruidsehat. Voerden ten rei elkander, de hand om de polsen geslagen. 595. Ragfijn lijnwaad droegen de scharen der meisjes, de knapen

\'t Lenig gewevene kleed, zacht glanzend gemaakt door olijfsap; Sierlijke kransen bedekten haar hoofd, en de jonglingen hadden Ieder een dolkmes, gouden, en hangend aan zilveren riemen. Deze nu huppelden allen, met kunstig gemetenen voettred,

fioo. Licht in het ronde, gelijk met zijn handen de vormer van vaatwerk Zit te beproeven de schijf aan zijn bank, om te zien of zij ronddraait; Dan weer deelend den rei, ontmoette zich schare bij schare. Talrijk vormde de menigt een kring om den lieflijken reidans, Vol van de vreugde; ook zong in hun midden een godlijke zanger (105. Tokklend de lier, waarnevens een tweetal buitlende kuustnaars. Dra als de zangwijs klonk, rondbuitelden onder den danskring.

Daar op bootste hij eindlijk Okeanos\' krachtigen golfstroom. Over den buitensten rand van het kunstig gedrevene schildvlak. Toen hij er dus voltooide den grooten beslagenen beuklaar, 610. Vormde hij wijders het pantser, van helleren glans dan de vuurvlam. Vormde den krachtigen helm, met de wangenbedekkende kleppen, Heerlijk en kunstig bewerkt en bekroond met een goudenen helmkam. Maakte hem voorts scheenplaten, van buigzaam tin ze bewerkend. Toen nu de hinkende kunstnaar gereed had alle de wapens, 615. Nam hij en legde ze saam voor Achilleus\' moeder ter neder. Dan, als een havik gestort van den sneeuwigen top des Olumpos, Vloog zij, de gift van Hefaistos, de vonklende wapenen dragend.

-ocr page 351-

NEGENTIENDE ZANG.

ü

J_1/oos toen ia \'t gewaad van saffraan, uit Okeanos\' stroombed

llijzende, ging om den goden en meusclien te brengen het daglicht; Thetis, het godlijk geschenk meevoerende, kwam bij de schepen, Waar zij haar dierbaren zoon nocl vond bij Patroklos gelegen, 6. Luid in geween uitbarstend, en6ondom mee hem betreurend Tal van zijn makkers; de hooge godin trad toen in hun midden. Vatte zijn hand met de hare en zeide, het woord tot hem richtend:

— Dierbare zoon, al jammert ons hart, laat dezen nu rusten, Daar toch wel vóór alles de wil van de goden hem neersloeg.

10. Maar neem gij van Hefaistos de roemvol stralende wapens.

Wonderlijk schoon en gelijk geen man ooit droeg om zijn schouders.

Alzoo luidde het woord der godin en zij legde de wapens Neer aan Achillens\' voeten; en kletterend galmde het kunstwerk. Allen vervulde de schrik in het heer Murtaidonen en niemand 15. Dorst ze van dichtbij zien, en zij sidderden. Doch bij Achilleus, Toen hij ze zag, rees feller de heftige toorn, en zijn oogen Schitterden onder de brauwen met schriklijken gloed, als een

[vuurvlam;

Vreugdvol vatten zijn handen het heerlijk geschenk van de godheid. Doch als zijn hart zich geheel aan het zien van het schoone verzaad had, 20. Zeide hij, snel tot zyn moeder gekeerd, de gevleugelde woorden:

— Moeder, een god wel schonk die wapenen zoo als gevoeglijk Slechts onsterflijken scheppen en nooit zou maken een stervling. Thans ook zal ik mij dossen ten strijd. Toch kwelt mij verschriklijk Vrees dat intusschen bij \'t lijk van Menoitios\' dapperen nazaat

25. Vliegen, zich dringend ter plaatsen verwond door het vlijmende koper.

-ocr page 352-

330

Maden verwekken en ganseh misvormen het lijk van den doode, (Wijl hem de aam ontvlood) en geheel wegrotte het lichaam. Daarop sprak de godinne, de zilvervoetige Thetis:

— Kind, laat toch u het hart niet zulke gedachten bezwaren. Zelf wel zal ik hem trachten voor \'t zwermend gebroed te beschermen, Vliegen die kiezen tot aas de van Ares geslagene mannen;

Ja, al mocht hij er liggen tot weer zich vervulde een jaarkring. Zuiver bewaard zal blijven en zelfs noch schooner zijn lichaam. Roep ter vergadering dus de Aehaïsche strijders te zamen. Sta van uw gramschap af op den volkerenvorst Agamemnoon, Hul u terstond in de wapens ten krijg en bekleed u met weerkracht.

Alzoo sprak zij en gaf hem een allesverdurenden strijdmoed; Spreidde ambrosia toen en den purperkleurigen nektar Onder den neus van Patroklos, dat rein mocht blijven zijn lichaam.

Doch langs quot;t strand van de zee ging thans de verheven Achilleus Roepend met vreeslijke stem en hij wekte de helden Achaia\'s. Allen, tot zelfs die er eerst in den kring noch toefden der schepen. Ook die als stuurman voerden het voer ten bestier van het vaartuig. Voorts die als schaffers aan boord op de schepen verdeelden den

[teerkost.

Allen vereenden zich thans ter vergadering, wijl er Achilleus Plotsling verscheen, die zich lang onthield van den schriklijken

[kampstrijd.

Hinkende kwamen er mede, de beide genooten van Ares, Tudeus\' oorlogszuchtige zoon en de eedle Odusseus,

Moede geleund op hun lans; noch drukten hen smartlijke wonden; Vooraan gingen zij saam in den kring der vergaderden zitten. Eindelijk kwam er als laatste der volkeren vorst Agamemnoon, Mede gekwetst; ook hém toch sloeg in den hevigen kampstrijd Koöon, telg van Antenor, een wond met zijn koperen werpspies. Toen thans alle Achaiërs te zamen zich hadden vergaderd, Sprak, uit de rijen naar voren getreên, snelvoetig\' Achilleus:

— Atreus\' zone, voorwaar zoo zoude het beter geweest zijn Beide voor u en voor mij, toen, fel in ons harte verbitterd, Samen wij twistten om \'t meisje, in zieldoorknagende gramschap. Ware zij liever gedood bij de schepen door Artemis\' pijlschot Dien dag toen ik haar nam uit den buit bij Lurnessos\' verwoesting; Dan ook beten er niet in het stof zóo vele Achaiërs

Onder des vijands handen, terwijl ik in wrok mij ter zij hield.

-ocr page 353-

337

Zoo voor de Trojers en Hektor verkieslijker, maar den Achaiers Zal lang heugen, vermoed ik, de tweedracht tusschen ons beiden. Laten wij, hoe het ons smart, nu echter \'t verledene rusten.

Ieder zijn eigen gemoed in den boezem betoomend uit nooddwang. Doch thans staak ik mijn toorn, zoo waarlijk, en zeker mij voegt niet Steeds halsstarrig te blijven in twist. Maar kom, dat gij aanstonds Wakker ten strijde vermaant \'t langlokkige volk der Achaiërs, Daar ik het noch zal pogen de spits aan de Trojers te bieden. Of het hun lust bij de schepen te sluimeren; menige, denk ik, Zal er verheugd wel buigen de knie, wanneer hij behouden Noch den verschriklijken stryd ontvlucht en de kracht van mijn

[werpspies.

Alzoo sprak hij, tot vreugd der Achaiërs met stevige scheenplaat, Daar hij zijn toorn liet varen, de moedige zone van Peleus. Thans ook sprak tot de schare der volkeren vorst Agamemnoon, Vóór zijnen zetel verrijzend en niet in het midden zich plaatsend: — O mijne vrienden, gij helden der Danaërs, volgers van Ares, Luisteren past als een spreker verrijst, in de rede te vallen Is niet voegzaam, want dit bezwaart zelfs kundige reednaars. Wie toch zou in het woelen der menigte spreken of hooren ? Zekerlijk wierd hij verward, al was hij de helderste spreker. Peleus\' zone verklaar ik mij thans, maar wijders gij andren, Mannen van Argos, behartigt mijn woord, wel wete het ieder. Dikwijls zeiden mij wis de Achaiërs een woord van vermaning, Vaak reeds werd ik berispt; toch ben ik de schuldige geenszins. Maar Zeus, Moira, benevens de donkeromhulde Erinus,

Daar in den raad zij mijn zinnen bevingen met wilde verblindheid. Dien dag toen ik mij roofde het eeregeschenk van Achilleus. Maar wat zoude ik doen? Van een god krijgt alles den doorslag, Zeus\' eerwaardige dochter, de Ate, die alles verbijstert;

Deze, het booze verderf, zacht zijn haar de voeten en nimmer Raakt zij den grond, maar zweeft steeds over de hoofden der mannen, Menscheu met dwaasheid slaande en dezen of genen verblindend. Immers verdwaasd werd eens Zeus zelf, als de hoogste geprezen Onder de menschen en goden, en toch misleidde ook dezen Hera, ofschoon eene vrouw, door haar listen beramende zinnen Dien dag, toen Alkmene aan \'t machtige wezen Herakles \'t Licht zou schenken in Thebe omkransd met het krachtige muurwerk.

Plechtig verkondigde Zeus, toen sprekend tot alle de goden:

22

-ocr page 354-

338

— Hoort mijne woorden, gij goden en alle godinnen gczaanilijk, Laat ik u zeggen hetgeen het gemoed mij gebiedt in den boezem, Heden geschiedt dat de helpster der barenden Eileithuia

\'t Licht zal geven den man die der rondom wonende menschen los. Heer zal wezen, den man uit het kroost van mijn bloede gesproten.— Daarop zei de vorstinne, de listenberamende Hera:

— Onwaar hebt gij gesproken en nooit volbrengt gij nw woorden. Kom, met den krachtigsten eed, o Olumpiër, thans het betuigend, Zweer mij dat deze van alle de rondom wonende menschen

lio. Heer zal zijn, wien heden de vrouw zal schenken het daglicht. Onder het heldengeslacht, uit uw bloed ontleenend zijn afkomst. — Alzoo had zij gesproken, en Zeus, geen listen vermoedend, Zwoer haar den krachtigen eed, maar weldra werd hij bedrogen. Hera terstond ontzweefd aan den puntigen top des Olumpos, 115. Kwam in \'t Achaïsche Argos gespoed, waar wel haar bekend was Sthenelos\' edele gade, des vorsten geboren van Perseus.

Deze nu droeg eenen zoon en de zevende was het der maanden; Hem dan gaf zij het licht, al faalde een maand; de geboorte Stuitte zij toen bij Alkmene, de Eileitbuiën verwijdrend. 120. Daarna ging zij het zelf Zeus melden, den zone van Kronos;

— Zeus, helstralende Vader, ik leg u ter harte mijn woorden, \'t Licht zag reeds de geduchte, ten heerseher bestemd der Argeiërs, Eurustheus, ontsproten uit Sthenelos, zone van Perseus,

Uw bloed, geen onwaarde om heerseher te zijn der Argeiërs. — 125. Alzoo sprak zij, en hevig gevoelde zijn hart zich verbitterd.

Aanstonds greep hij de Schuld bij het hoofd met de glanzende lokken, \'t Hart vol woedenden toorn, en hij deed de geduchte bezwering, Nooit op Olumpos weer en ten starrenbevonkelden hemel Zoude zij keeren, de Schuld, wier invloed allen verbijstert. 130. Azoo sprak hij en wierp uit den starrenbevonkelden hemel

Deze, gezwierd door zijn hand; en zij viel op de daden des menschdoms. Hierom zuchtte hij steeds, als hij zag dat de zoon die hem lief was Smadelijk werk moest doen, veel lijdend in dienst van Eurustheus. Zóo ik zelf, toen immers de helmboswuivende Hektor

131. Deze overgang om het voorbeeld terug te brengen tot het punt van uitgang en op zich zeiven (134), is zoo fijn en kunstig dat wij hier weer, als zoo veelmaals, een bewijs zien niet enkel volkspoëzie maar hot werk van eenen bowusten kunstenaar voor ons tu hebben.

-ocr page 355-

339

135. Argos\' mannen versloeg bij de achterstevens der schepen,

Kon ik de Schuld, die mij vroeger verdierf, niet weder vergeten. Doch thans, na dat ik dwaalde, en Zens mij benam de bezinning, Wil ik vergelden en geven den schittrendsten prijs der verzoening; Maar thans óp naar den strijd, en beweeg ook het verdere krijgsvolk. 140. Al de geschenken verschaf ik u hier dan, welke er gister,

Toen hij bezocht uwe tent, u beloofde de eedle Odusseus. Zoo het u goed dunkt, blijf, al dringt het verlangen u strijdwaarts. Want van mijn vaartuig zullen myn dienaars al de geschenken Brengen, en kunt gij bet zien dat ik doen zal heuglijke giften, lis. Daarop zeide hem weder de rappe van voeten Achilleus: — Atreus\' zoon, roemruchte, der volkeren vorst Agameumoon, Deze geschenken te geven, verlangt gij het, zoo als gepast is, \'t Zij ze te houden, dit zij uw zaak; thans moeten wij aanstonds Denken aan strijd; niets nut het ons hier in gepraat te verwijlen 150. Noch te vertragen het werk; want groot noch blijft onze arbeid; Laten zij eerst maar weer aan de spits zien strijden Achilleus, Wen hij met koperen speer de gelederen delgt van de Trojers, Dan zal ieder gedenken te staan zijnen man in den veldslag. Daarop zeide hem echter de vindingrijke Odusseus: 155. — Drijf, hoe dapper gij zijt, o godengelijke Achilleus,

Zoo niet nuchter ten strijd vóór Ilios\' muur de Achaiërs Tegen het Troïsche heer; niet kort zal immers de veldslag Duren, indien daar eens zich te zamen de drommen der mannen Mengen ten slag en een god ze met sterkte bezielde van weerszij, uio. Laat de Achaiërs zich eerst bij de snelle galeien verkwikken Beide met spijzen en wijn, want dat geeft, sterkte en weerstand. Want geen man zou gansch eenen dag tot het dalen des zongods Zonder de voedende spijze den vijand staan in het aanzicht; Want al was hem het hart vol vurig verlangen ten kampstrijd, 165. Toch onmerkbaar wierden zijn leden bezwaard, en bevangt hem Honger en dorst en bezwijken de knieën hem onder het voortgaan. Maar wel zoude een man, die van wijn en van spijzen verzadigd Tegen des vijands drommen den strijd moest voeren een dag door. Steeds volhardenden moed in zijn harte gevoelen en niet eer 170. Buigen de knie, alvorens hij elk deed ruimen het strijdperk.

Welaan, zeg dat het heer zich verspreide en schafte den maaltijd; Wat de geschenken betreft, de regeerder des volks Agamemnoon, Brengc ze hier in den kring, dat met eigene oogen ze aanzie

-ocr page 356-

340

Gansch het Achaïsche heer, en uw harte zich moge verheugen. 175. Laat hij den eed ook zweren, verrijzend voor alle Argeiërs,

Nooit hare sponde bestegen, en nooit haar te hebben geliefkoosd Zoo als gebruikelijk is, bij de menschen, zoo mannen als vrouwen. Dan ook zij bij u zeiven het hart in den boezem bevredigd.

Laat hij u voorts in zijn tent ter verzoening een rijklijken maaltijd 180. Bieden, dat niets alzoo ontbreekt aan het recht dat u toekomt. Atreus\' zoon, wil zelf voortaan ook tegen een ander Billijker zijn, want niet onvoegelijk is het den koning Weder een man te verzoenen, indien hij hem vroeger bezwaard heeft. Dezen ten antwoord zeide der volkeren vorst Agamemnoon: 185. — Vreugde gevoel ik uw woorden vernemende, zoon vanLaërtes; Immers betamelijk hebt gij dit alles verklaard en geregeld.

Zeker ik wil dit bezweren, gelijk mij het hart er toe aandrijft, Ook, bij den helpenden god, niet valschelijk zweer ik. Achilleus Toeve zoo lang noch hier, al drijft zijn begeerte ten oorlog; 190. Blijft ook samen vergaderd, gij allen, tot hier de geschenken Worden gebracht uit de tent en wij zweren de trouwe verbintnis. Doch dit zeg ik u zei ven en \'t zij u vertrouwd en bevolen:

Kies u uit alle Achaiërs de besten der jeugdige manschap,

Breng de geschenken dan hier van mijn schip, zoo veel wij Achilleus 195. Gister beloofden te geven en voer met u mede de vrouwen. Schaffe Talthubios voorts uit het wijde Achaïsche heerkamp Haastig een ever, aan Zeus en aan Helios beiden te offren.

Doch hem ten antwoord zeide de rappe van voeten Achilleus: — Atreus\' zoon, roemruchte, der volkeren vorst Agamemnoon, 200. Voeglijker ware de zorg voor dit alles op andere tijden.

Zoo van den oorlog eens ons vergund mocht zijn een verpoozing, Zoo het geweldige vuur aldus niet blaakte mijn boezem.

Want daar liggen zij thans, de verslagenen, welke geveld heeft Hektor Priamos\' zoon, toen Zeus hem verleende den krijgsroem, 205. Maar gij vermaant ons te spijzen! Ik zou voorwaar voor mij zeiven Thans de Achaïsche mannen terstond aanvoeren ten oorlog. Nuchter en zonder te spijzen, en eerst met het zinken des daglichts Iluim doen nemen hun maal, als wij hebben gewroken de smaadheid. Mij althans zal eer door de keel geen lafenis heengaan, 2io. Drank zoo min als een spijze, dewijl ik verloor mijnen makker. Thans in mijn tent daar ginds, door het vlijmende koper verslagen Ligt hij ter neer, het gelaat naar de deure gewend, en zijn vrienden

-ocr page 357-

341

Jammeren al om hem heen; niets anders bekommert mij daarom, Enkel de doodslag, bloed en bet luide gereutel der mannen.

215. Doch hem ten antwoord zeide de vindingrijke Odusseus: — Edelste aller Achaiërs, Achillens zone van Peleus, Ver overtreft mij uw macht, met de speer niet weinig mijn meerdre Zijt gij, in raadslag echter verdiende ik zeker den voorrang Verre, als vroeger geboren en wegens mijn grooter ervaring.

220. Daarom zij uw gemoed bij mijn woorden geduldig en volgzaam. Weldra zullen de menschen zich hebben verzadigd aan slachting, Wen er het koper de halmen in menigte strekt op den bodem. Luttel de oogst zal zijn, wijl reeds deed zinken de weegschaal Zeus, die voor \'t menschengeslacht voert \'t hooge beleid van den

[oorlog.

225. Ja, met den buik niet treure Achaia\'s volk om den doode.

Want in te grooten getale en dagelijks dichter en dichter Vallen er neer; hoe kon men herademen onder den arbeid? Maar het betaamt dat wij dezen ter aarde bestellen die sneefden, Zonder te weekelijk hart, slechts éen dag dezen beweenend;

2;io. Doch zoo velen er bleven gespaard in den schriklijken oorlog. Moeten wij denken aan drank en aan spijs, dat wij noch te geduchter Tegen des vijands heer volhardende, steeds het bekampen,

\'t Lijf met het duurzaam koper gedekt. Ook boude er niemand Buiten het heer zich ter zijde en wachte een tweede vermaning;

235. Want boos ware dit tweede bevel voor den man die terugbleef Hier bij de schepen des heers; maar allen in dichte geleedren Drijven wij Ares\' geweld op de rossenbedwingende Trojers.

Alzoo sprak hij en koos zich de zonen des loflijken Nestors, Meges van Fuleus stammend, Meriones mede en Thoas,

240. Kreioons telg Lukomedes en daarbij noch Melanippos.

Daarop togen zij henen ter tent van den vorst Agamemnoon. Even gezwind als zijn woord, was ook voleindigd de arbeid. Zeven der drievoetbekkens vervoerden zij, volgens belofte.

Toen uit de tent, twaalf paarden en twintig der blinkende ketels; ? 245. Daaruit voerden zij wijders de vrouwen ervaren in kunstwerk. Zeven, en mede als achtste Briseïs bekoorlijk van wangen. Na dat Odusseus woog van het goud tien volle talenten.

Ging hij hen vóór; de geschenken vervoerden de jeugdige mannen. Toen zij ze hadden geplaatst in den kring, waar zat de vergaadring, 1250. Rees Agamemnoon op, en Talthubios godlijk van stemklank

-ocr page 358-

342

•f

Voerde den ever en stond aan de zijde des volkerenherders. Atreus\' zoon toen snel met de hand uitrukkend het lemmer, Steeds aan zijn zijde bevest bij de stevige schede van \'t slagzwaard, Sneed op de kruin van den ever het haar voor de wijding en biddend 255. Hief hij tot Zeus zijne handen; en allen omringden hem zwijgend, Argos\' volk, naar gebruik, en hun aandaeht volgde den koning. Daarop bad hij en zeide, het oog naar den maatloozen hemel:

— Moge dit eerst Zeus weten, de hoogste en grootste der goden. Aarde en Helios voorts, en Erinnuën onder het aardrijk llichtende over de menschen die valschlijk bezwoeren een meineed, Geenszins strekte ik ooit eene hand naar de dochter van Brises, Nooit en om geen voorwendsel verzocht ik haar liefde of wat ook. Maar steeds bleef in mijn tent hare eer ontzien en haar reinheid. Zwoer ik in iets onwaar, dan mogen de goden mij geven Velerlei leed, als zij geven aan wie misdreef door een meineed.

Alzoo sprak hij en sneed met het koper den hals van den ever. Welken Talthubios toen in de diepten des valuwen zeevloeds Slingerend wierp aan de visschen tot spijs; toen zeide Achilleus, Mede verrijzend, het woord voor het heer krijgshafte Argeiers:

— Ja, Zeus vader, gij gaaft aan de menschen een groote verblinding. Atreus\' zoon had anders gewis zoo duurzame gramschap Nooit in mijn hart doen rijzen en niet ontweldigd het meisje Roekeloos, tegen mijn zin, doch zeker behaagde het Zeus\' wil Zoo te verwekken den dood van een aantal mannen Achaia\'s. Maar gaat thans aan het maal, om ons straks te bereiden ten oorlog.

Alzoo sprak hij en deed de bewogen vergadering scheiden. Dezen verspreidden zich toen en begaven zich elk naar zijn vaartuig; Maar de geschenken verzorgde de moedige schaar Murmidonen, Straks naar het schip ze vervoerend des godlijken zonen van Peleus. 280. Deze bestelden zij toen in de tent, en zij deden de vrouwen Zitten; de edele dienaars geleidden de paarden ter weiplaats.

Doch nu Briseïs, gelijk aan de gulden godin Afrodite,

Daar zag liggen Patroklos, verminkt door het vlijmende koper. Wierp zij zich over het lijk, luid snikkend, terwijl hare handen 285. Boezem en teederen hals en het schoone gelaat zich verscheurden. Dan sprak tranen vergietend de vrouw godinnen gelijkend:

— Eedle Patroklos, mij droeve het meest aan het harte gelegen. Levend verliet ik u noch, toen hier uit de tent men mij wegbracht. Maar dood vind ik u thans, hier koerende, heerscher der volken;

260.

265.

270.

-ocr page 359-

343

zon. Zoo wordt rampspoed steeds mij vervangen door anderen rampspoed. Immers de gade aan wien mij m\'jn vader en achtbare moedor Gaven, ik zag door het koper hem vóór onze veste verscheuren, Ook drie broederen, allen het kroost van mijn eigene moeder, Innig geliefd, die roofde mij mede de dag der verschrikking, 296. Nochtans wildet gij niet dat ik jammerde, toen mij Achilleus Doodde mijn man en de veste verwoestte des godlijken Munes, Maar gij beloofdet mij toen mij te maken des cedlen Achilleus Jeugdige vrouwe, en dan met de schepen naar Fthia mij voerend, Daar bij den stam Murmidonen het bruiloftsmaal te bereiden. 300. Eindloos beween ik u dus, nu gij sneefdet, gij vriendelijk altijd. Alzoo zeide zij weenend; ook jammerden andere vrouwen, Maar om Patroklos in schijn, doch ieder om eigenen rampspoed. Maar om Achilleus stonden de achtbare oudsten Achaia\'s Smeekond het maal te gebruiken; hij weigerde echter en zuchtte: 305. — Smeekend verzoek ik, indien mij een waarde gezel mijn verlangen Wil voldoen, dat hij niet mij vermane met drank of met spijzen \'t Hart te verzadigen, want mij vervult ontzaglijke droefheid. Zoo, tot het dalen der zon, volhard ik en wil het verduren. Alzoo sprekende gaf hij den andereu vorsten hun afscheid, 310. Doch daar bleven de zonen van Atreus, eedle Odusseus,

Nestor, Idomeneus, Foinix de rossenbedwingende grijsaard,

IJvrig den geest opwekkend des treurende; maar in zijn boezem Kwam geen vreugd, tot hy ging in den muil van den bloedigen oorlog. Steeds zijn gezelle gedachtig en hevig verzuchtende sprak hij: sis. — Ach zoo vaak voorheen, rampzalige, liefste der makkers,

Hebt gij ook zelf in de tent mij gebracht den verkwikkenden maaltijd. Zorgend met spoed, als ten strijd uitstroomde het heer der Achaiërs, \'tWee van den ooi log brengend den rossenbedwingenden Trojers. Maar thans ligt gij verscheurd, en mijn hart wil geenerlei laafnis 320. Nemen van drank of van spijs, zoo veel daar ligt in mijn veldtent, Wijl ik u mis. Niets anders verwekte mij grooteren weemoed. Ja zelfs niet als ik hoorde den dood van mijn eigenen vader. Hij, die in Fthia gewis nu stort zijne droevige tranen Zulk eenen zoon ontberend, dewijl ik in vreemde gewesten 325. Wegens de gruwbare vrouw, die Helena, strijd met de Trojers; Zelfs van mijn dierbaren zoon die in Skuros geniet de verpleging; Immers indien noch leeft Neoptolemos, godlijk van aanschijn. Want steeds was het een wensch i ie mij vroeger vervulde den boezem

-ocr page 360-

344

Hier alleen te vergaan, van het rosaankweekende Argos 330. Verre verwijderd, in Troja, en gij zoudt keeren naar Fthia,

Daar heen weder mijn zoon op het zwarte en schielijke vaartuig Voerdet van Skuros en dezen er al mijne goederen toondet. Al mijn bezit, slavinnen en \'t rijzig gezolderde woonhuis.

Peleus immers vermoed ik dat wel reeds gansch zijnen leeftijd 335. Heeft volbracht tot het einde of treurend in droevige grijsheid Luttelen tijd slechts leeft en gedurig de smartlijke tijding Zit te verbeiden, door welke mijn sterven hem worde verkondigd.

Alzoo zeide hij weenend en mede verzuchtten de vorsten Ieder gedachtig aan al wat zij lieten in eigene woning. 340. Deernis gevoelde het hart van Kronioon, toen hij hun droefheid Zag en hij sprak tot Athena terstond de gevleugelde woorden: — Dierbare dochter, gij hebt wel gansch van dien man u verwijderd. Zeg mij, bekommert zich thans uw gemoed niets meer om Achilleus? Deze, hij zit aan de zij der verheven gesnebde galeien, 345. Steeds om zijn dierbaren makker verzuchtende; alle de andren Gingen intusschen ten maal, maar drank noch spijs die hij aanneemt. Welaan, ga, laat nektar en laat ambrosische laving Zacht in den boezem hem vlieten en niet hem de honger bereiken. Alzoo sprak hij en wekte de reeds ontvlamde Athena; 350. Zij, als een krijschende arend met wijd uitstrekkenden wiekslag. Schoot van den hemel ter neer, door den ether. Terwijl de Achaiërs Snel door het krijgskamp henen zich wapenden, deed zij Achilleus Nektar en harteverkwikkend\' ambrosia binnen den boezem Vlieten, dat niet zijne knieën verzwakte de kwellende honger; 355. Dan weer ijlde zij zelf naar des machtig vermogenden vaders Stevige huis. Nu stroomde het heer van de snelle galeien. Zoo, als van Zeus uitstroomt het gewemel der sneeuwige vlokken, Killig, gejaagd door den adem van Boreas, telg van den ether, Dus ook drong van de schepen het dichte gewemel der helmen 360. Stralend in helderen glans, van de beukelaars welvend van navel, Pantsers met stevige ronding en esschene schaften der werpspies. Lichtgloed rees er ten hemel en rondom lachte de aarde Onder den glans van het koper; de grond klonk onder den voetstap; Tusschen de scharen bereidde ten slag zich de grootsche Achilleus. 365. Schrikkelijk knarsten zijn tanden en vonkelend schoten zijn oogen Stralen als gloed van het vuur, en een onuitdoofbare weedom Vidde geheel zijn gemoed; zoo, heftig verwoed op de Trojers,

-ocr page 361-

345

/

Doste hij \'t godlijk geschenk, dat hem maakte de kunst van Hefaistos. Eerst omgaf hij zijn beenen met rondom dekkende scheenplaat, 370. Schoon en met zilveren gesp vast sluitende over de enkels;

Daarna dekte hij goed zijne schouders en borst met het pantser, Over zijn schouderen wierp hij het zwaard met de zilveren knoppen, \'t Koperen zwaard; en vervolgens den groeten beslagenen beuklaar Nam hij, die ver in het rond, als de maan, deed glanzen zijn schijnsel. 375. Zoo, wanneer uit de zee zich het brandende vuur van een lichtbaak Toont voor het oog van de schippers; het brandt op de hoogte der bergen Boven een eenzamen post; maar stormwind draagt ze huns ondanks Over het vischrijk water der zee ver heen van hun vrienden; Dus ook rees naar den ether de glans van het schild van Achilleus, 380. Schittrend van heerlijke kunst. Toen hief hij den wichtigen strijdhelm Waar hij het hoofd meê dekte, de helm omwapperd van manen Blonk als een ster in het rond, met den wuivenden goudenen helmbos Dik van den kam neergolvend, gemaakt door de kunst van Helaistos. Gansch in zijn rusting beproefde aan \'t lijf zich de eedle Achilleus 385. Nu of zij paste en vrij zich zijn heerlijke leden bewogen; Vleugels gelijk, zoo werd zij en hief zij den volkerenherder. Daarop nam hij de speer uit de huls, \'t voorvaderlijk erfgoed. Groot, veerkrachtig en zwaar; haar kon geen andre Achaiër Slingeren, maar alleen Achilleus wist ze te zwaaien, 390. Pelions krachtigen esch, dien Cheiroon vroeger voor Peleus

Haalde op Pelions kruin en hem gaf als een dooder van helden. Alkimos bracht toen snel met Automedoon \'t span van de rossen Onder het juk; zij bevestten de sierlijke riemen, de teugels Maakten zij vast aan \'t gebit en zij spanden de teugels naar achter 895. Over den stevigen bak; den versierden en glanzenden zweepstaf Vatte Automedoons hand en hij wierp zich terstond in den wagen; Achter hem steeg toen mee de ten strijde gedoste Achilleus, Glanzend van wapengerei, als de stralende zon Huperioon. Vreeselijk klonk zijne stem tot de paarden, het span van zijn vader: 400. — Xanthos en Balios, beiden het roemvol kroost van Podarge, Weet thans anders uw menner te redden en weder te brengen Onder de schaar der Achaiërs, als eerst ons verzaadde de oorlog; Niet als Patroklos behoort gij hem daar te verlaten, gesneuveld.

398. Huperioon, de oude zongod, later vervangen door zijnen zoon Helios, die doorgaans in do Ilias als zongod voorkomt.

-ocr page 362-

346

Toen gaf onder het juk \'t snelvoetige vos hem ten antwoord, 405. Xanthos, den kop naar de aarde geneigd, en de golvende manen Tusschen de bocht van het juk ontglijdende vielen ter aarde; Dezen verleende de spraak de godin blankarmige Hera: — Zeker wij zullen u thans wel redden, geduchte Achilleus; Doch na is u de dag des verderfs; wij dragen de schuld niet, 4io. Maar de vermogende god en de macht des geweldigen noodlots. Immers door traagheid niet of door loomheid zijn wij de oorzaak. Zoo van Patroklos\' schouders de Trojers de wapenen roofden; Maar de geweldige god, dien droeg schoonlokkige Leto,

Doodde hem onder de voorsten en gunde aan Hektor den krijgsroem. 415. Zeker, wij zouden den adem van Zefuros wel evenaren.

Welke de snelste van allen genoemd wordt; maar aan u zeiven Is het beschikt voor een god en eens menschen geweld te bezwijken.

Alzoo klonk het, tot weer de Erinuën staakten zijn spreken. Doch mismoedig hervatte dc rappe van voeten Achilleus: 420. — Waartoe spelt gij mij, Xanthos, den dood? Gij behoefdet dit

[geenszins.

Zelf ook weet ik het wel, dat mijn lot is hier te bezwijken. Ver van mijn dierbaren vader en ver van mijn moeder; en nochtans Niet eer rust ik, tenzij ik de Trojers genoeg in het nauw breng. Alzoo sprak hij en dreef naar de spits luid schreeuwend hun hoefslag.

v

-ocr page 363-

TWINTIGSTE ZANG.

7

É—Joo, om u henen, Peleide van kampstrijd nimmer verzadigd, Rustte het heer der Achaiërs zich toe bij de krommende stevens, Doch aan den anderen kant, bij den heuvel der vlakte, de Trojers.

Thans deed Zeus van de hoogte des veeldoorspleten Olumpos Alle de goden door Themis ten raadskring roepen, en alom Ging zij en gaf hun bevel naar de woning van Zeus zich te spoeden. Buiten Okeanos bleef geen enkele stroom er afwezig Ook geen enkle der nymfen, in schoone geheiligde bosschen Wonend en bronnen der stroomen en grazig bewassene beemden. Toen, in de woning gekomen des wolkenbesturenden Vaders, Zetten zij allen zich neer in de effengeslepene hallen.

Welke Hefaistos vernuftig voor Zeus daar bouwde, den Vader. Alzoo kwamen zij saam in de woning van Zeus; bij den oproep Zuimde de aardrijkschudder ook niet, maar d\' anderen volgend Rees hij uit zee; thans vroeg hij, in \'t midden gezeten, naar Zeus\' raad:

— Waarom, bliksemenstraler, beriept gij de goden ten raadskring ? Meendet gij iets te beschikken voor Troja\'s volk en Achaiërs? Want zeer na is thans hun de strijd ontbrand en de oorlog.

Dezen ten antwoord zeide de wolkenbestuurder Kronioon:

— Aardrijkschudder, gij hebt in mijn geest doorgrond de bedoeling Welke u herwaarts riep; al gaan zij te gronde, \'t bezorgt mij. Doch wat mij zeiven betreft, op Olumpos\' gebogene helling Blijf ik en zal zich mijn geest in aanschouwen verheugen; gij andren Gaat u te midden der Trojers en \'theer der Achaiërs begeven. Beiden verleenend uw hulp, waar ieders begeerte hem aandrijft. Want als Achilleus thans alleen de Trojanen beoorloogt.

-ocr page 364-

318

Zelfs geen oogwenk hielden zij stand voor den rappen Peleide. Zelfs op zijn aanblik reeds zou allen een siddering treft\'en;

Thans toch, nu zijn gemoed zoo schrikkelijk toornt om zijn makker, 30. Ben ik bevreesd dat, in spijt van het lot, hij verwoeste de muren. Dus sprak Kronos\' zoon en verwekte een toomloozen krijgslust. Strijdwaarts gingen de goden, de harten verdeeld van gezindheid; Hera en Pallas Athena bezochten den kreits van de scheepsvloot, D\'Alomvatter der landen Poseidoon mee en Hermeias 35. Brenger van alle geluk, uitmuntend door schrandere geestkracht; Dezen verzelde Hefaistos, vervuld van den blakenden krijgsmoed. Hinkend, en onder hem spoedden zich ijvrig de tengere beenen; Doch naar de Trojers begaf zich de helmboswuivende Ares, Foibos met golvende lokken en Artemis fier op haar pijlschot, 40. Leto en Xanthos en zij die den glimlach mint, Afrodite.

Zoo lang noch geen god met de sterflijke menschen zich inliet, Praalde Achaia\'s heer in triomf, wijl weder Achilleus Plotsling verscheen, die er lang van het schrikkelijk strijden zich

[afhield;

Maar bij de Trojers bekroop elks leden een vreeslijke siddring, 45. Gansch van den schrik ontsteld bij het zien van den snellen Peleide, Glanzend van wapens gelijk aan den menschen verdelgenden Ares. Toen de Olumpiërs echter zich voegden bij \'t woelen der mannen. Woedde de heftige Eris, de volkerendrijfster; Athena Schreeuwde, hetzy bij de gracht aan de buitenste zij van den heermuur, 60. \'tZij dat geweldig haar kreet weerklonk bij het ruischende zeestrand. Andererzijds rees Ares\' gebrul, als een donkere stormbui.

Fel, en de Trojers vermanend van boven de tinnen derburgvest, \'t Zij bij des Simoeis\' oever van boven de Kallikolone.

Alzoo spoorden en wierpen de zalige goden hen weerszijds 55. Tegen den ander en lieten den strijd uitbarsten met felheid.

Schrikkelijk zond zijn gedonder de Vader der menschen en goden, Klinkend uit hoogere sfeer; en van onderen deed Poseidaoon Schudden de grenslooze aard en de toppen der steile gebergten, \'t Bronrijk Idagebergte, geschud van zijn voet tot zijn kruinen, 60. Dreunde, en Troja\'s vest en de vloot der Achaïsche heermacht. Ook Aïdoneus schrikte, de onderaardsche regeerder,

39. Eigenlijk; Foibos met ongesnedon haar.

53. Kallikolone, do „schoone heuvelquot; in de vlakte van Troja.

-ocr page 365-

349

Sprong van zijn zetel en schreeuwde, van vreeze vervuld dat Poseidoon D\' aardrijkschudder van boven geheel deed splijten den bodem, Wijl zich den stervlingen dan en den eeuwigen toonde zijn woning Dompig en afschuwwekkend, en zelfs voor de goden een schrikbeeld. Zoo luid werd het gedruisch nu de goden ten strijd zich vermengden. Want daar stelde zich toen recht tegen den koning Poseidoon Foibos Apolloon, voerend den boog met het vliegende pijlschot; Tegen den krijgsgod Ares godin klaaroogde Athena;

Spoedde op Hera gewend de godin van het goudene spinrok, Druischende Artemis, rap met haar pijl en de zuster Apolloons; Hermes de brenger vanr heil, de geweldige, mat zich met Leto, Tegen Hefaistos verhief zich de kolkenbewegende stroomgod, Xanthos genaamd bij de goden en onder de menschen Skamandros.

Aldus goden met goden zich metende; maar in Achilleus Blaakte de woede om eerst in den slag zich te werpen op Hektor Priamos\' zoon; vóór alles begeerde zijn harte met diens bloed Ares den felle te lesschen, den onafniatbaren strijder.

Doch in Aineias verwekte de volkerendrijver Apolloon Heftigen moed en hij dreef hem op Peleus\' zone ten aanval; Maar in zijn spreken geleek hij op Priamos\' zone Lukaoon; Dezen gelijkende zei hem de Zeus ontstamde Apolloon:

— Waar is, leider der Trojers, Aineias, thans de bedreiging Welke gij pralende eens voor de Troïsche vorsten geuit hebt. Kloek u ten strijd te begeven met Peleus\' zone Aohilleus?

Doch ten bescheid op zijn vraag antwoordde hem weder Aineias:

— Priamos\' zoon, waartoe wat ik geenszins wil my bevolen, Peleus\' woedenden zoon in het strijdperk tegen te treden? Immers ik zou thans niet voor het eerst met den snellen Achilleus Staan in den strijd, want eens reeds deed mij zijn speer van de Ida Deinzen ter vlucht, toen ginds hij ons kwam ontrooven de runders. Toen hij Lurnessos verwoestte en Pedasos. Doch mij behoedde Zeus, die mij steunde met kracht en mij rapheid gaf in de knieën. Zeker ik ware verdelgd door Achilleus\' hand en Athena\'s,

Welke als lichtgloed glanzend hem voorging steeds en hem toeriep \'t Koperen wapen te zwaaien, de Trojers en Lelegers doodend. Daarom kan geen man met Achilleus wagen den kampstrijd, Want steeds is hem een god nabij, die den dood van hem afweert. Zonder die hulp vliegt toch zijne speer recht door en zij poost niet Eer zij het menschelijk lijf doorboort. Mocht slechts eene godheid

-ocr page 366-

350

Allen gelijk doen wezen liet lot van den strijd, liij bedwong mij Niet zoo licht, al pocht hij gehard als het koper te wezen.

Toen antwoordde de zone van Zens, de gebieder Apolloon: — Held, smeek gij ook zelf tot de altijdlevende goden; 105. U toch zeggen zij ook dat de dochter van Zeus, Afrodite,

\'t Leven verleende; en gene, hem baarde een mindere godheid. Zij is dochter van Zeus, van den grijze der zeeën de ander. Welaan, recht er op los met het immer verdurende koper,

Niet van den strijd u gekeerd om een snoevende taal of bedreiging, no. Alzoo sprak hij, bezielend den moed van den volkerenherder; Voor aan de heerspits ging hij in \'t schitterend koper gewapend, Waar blankarmige Hera den zoon van Anchises gewaar werd. Toen hij op Peleus\' zoon door het woelen der strijdenden lostoog; Thans om zich henen de goden verzamelend, sprak zij tot dezen; us. — Denkt, Poseidaoon, toch, en Athena, en weegt het, gij beiden. Wel in uw eigenen geest, waartoe zal leiden dit alles.

Ginder verschijnt Aincias in \'t glanzende koper gewapend, Stormend op Peleus\' zoon en gedreven door Foibos Apolloon; Welaan, laten wij dezen vandaar wegdrijven ten aftocht, 120. \'t Zij dat er een van de onzen zich voeg\' aan de zij van Achilleus, Bijstand leenend, bezielend met duchtige kracht, dat hem geenszins Iets onbreke in \'t hart en hij zie dat hem minnen de hoogsten Onder de goden, en ijdel de anderen zijn, die tot dusver Tegen des oorlogs woede de volken van Troja beschermen. 125. Immers wij daalden te zaam van den top des Olumpos om strijdwaarts Mede te gaan, dat hera niet van de Trojers genaakte het onheil. Heden ten minste; en later, dan lijde hij al wat het noodlot, Toen zijne moeder hem baarde, hem spon in den draad van zijn leven. Maar als Achilleus niet het bemerkt uit de stem van de goden, i.io. Zal hij van schrik ontstellen, indien hij een god in het strijdperk Tegen zich zag, want steeds ontzet de verschijning der goden.

Toen antwoordde haar echter de aardebevester Poseidoon: —• Niet zoo zinloos, Hera, gewoed; zoo voegt het u geenszins. Zeker ik zou niet wenschcn met goden den strijd te beginnen, 185. Wij met de andren, dewijl wij hen ver overtreffen in hoogheid; Laten wij thans veeleer, ons verwijderend, ginds op den wachtpost Buiten den weg neerzitten; de menschcn bcmoeie de oorlog. Maar mocht Ares beginnen den strijd, ook Foibos Apolloon, Zoo zij Achilleus stuiten en niet hem vergunnen te strijden,

-ocr page 367-

351

140. Aanstonds zal voor ons zeiven dan meê het geraas van den veldslag llijzen; en weldra koeren de anderen, denk ik, zich scheidend, Weer naar Olumpos terug, in den kring van der goden vergaadring. Onder de dwingende kracht van de handen der onzen beteugeld. Aldus sprekende voerde de donkergelokte hen derwaarts 145. Waar de geweldige wal van den godengelijken Herakles

Hoog zich verheft, dien eens er de Trojers en Pallas Athena Hadden gemaakt, dat hij daar ontvluchtte het monsterig zeedier, Zoo het met schrik hem verdreef van het strand en hem drong naar

[de vlakte.

Daar op zette zich toen, met de andere goden, Poseidoon, 150. Allen de schouderen hullend in ondoordringbare wolken;

Elders bezetten de andren de kruinen der Kallikolone,

Treffende Foibos, om ü en om Ares den stedenverwoester.

Aldus zaten zij daar en beraadden zich allen aan weerszij; Zoo, aleer zij begonnen den hard neerstrekkenden oorlog, 155. Draalden zij weerszijds noch, schoon Zeus hun gebood in den hooge. Doch thans vulde de vlakte zich gansch, en zij blonk van het koper, Heide door strijders en paarden; en daverend dreunde de bodem Onder het menglend gewoel. Twee traden er, dapper bij uitstek. Vóór, in het midden der legers, verwoed om den kamp te beginnen, loo. Beiden, Anchises\' zoon Aineias en d\' eedle Achilleus.

Vooruit trad fier dreigend Aineias het eerst, en den haarbos Schuddend des wichtigen helms, en den voorwaarts dringenden

[beuklaar

Voerde hij voor zijne borst en hij zwaaide de koperen werpspies. Peleus\' zoon trad vóór, aan de andere zij, .als de liebaard 1C5. Wild en om welken te dooden de mannen zich driftig vereenen, Gansch de bevolking te zaam; eerst wel vol trots en verachtend Gaat hij zijn weg; maar wen met zijn speer hem een strijdbarejongling Treft, dan kromt hij het lijf en hij spert zijnen muil; om zijn tanden Hobbelt het schuim, en hij steent in het moedige hart van verwoedheid; i7o. Dan met zijn staart zijne heupen en lanken ter linker en rechter Zweepende, spoort hij en prikkelt zich zeiven ten strijde, en

[rechtstreeks

Stormt hij met vonkelend oog vooruit, om te zien of hij iemand Onder het volk kan dooden of zelf eerst valt in de woeling; Dus ook spoorde de drift in den moedigen boezem Achilleus \'75, Krachtig den cedlen Aineias ten aanval tegen te streven.

-ocr page 368-

352

Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd,

Sprak tot den ander het eerst snelvoetige eedle Achilleus: — Waartoe stelt gij, Aineias, u hier, zoo ver uit de drommen Voorwaarts komende? Drijft u het hart om mij hier te bestrijden, 180. Hopende eens te regeeren de rossenbedwingende Trojers,

Tredend in Priamos\' macht? Maar zelfs al mocht gij mij dooden, Toch zou Priamos niet in uw hand neerleggen zijn aanzien; Immers hij heeft zelf zonen; hij is volhardend, beleidvol.

Wijdden de Trojers u soms ten geschenk een voortreffelijk landgoed 185. Schoon met geboomte beplant en met akkers van land om te bouwen. Zoo gij mij neer mocht slaan? Toch valt u dit, denk ik, bezwaarlijk. Immers ik meene dat vroeger u reeds deed vlieden mijn werpspies. Heugt het u niet dat ik eens van de runders u joeg, die gij eenzaam Weiddet, u Ida\'s gebergte met haastige voeten en ijlings 190. Deed ontvluchten? Gij dorst in uw vlucht zelfs niet naar my omzien. Toen ontkwaamt gij van daar, in Lutnessos verscholen; ik echter Delgde het stormenderhand met Athena en Zeus onzen Vader, Buit van gevangene vrouwen, beroofd van den dag harer vrijheid. Voerende; maar Zeus schonk, met de andere goden, u redding. 195. Doch thans redden zij zeker u niet, al koestert uw boezem

Zulk eene hoop; voorwaar, wel raad ik u onder uw krijgsvolk Tijdig te wijken, vermeet het u niet mij te tarten in \'t aanzicht, Eer dat gij leedt iets kwaads; wat gebeurd is ziet ook de dwaas wel. Daarop zeide hem echter Aineias en gaf hem ten antwoord: 200. — Peleus\' zone, voorwaar, denk niet aldus mij met woorden

Zoo als een kind te verschrikken, ook zelf wel zoude ik waarlijk Weten bescheid u te geven met felle en tergende woorden. Wel is beiden bekend ons geslacht, en bekend onze ouders. Daar wij de roemende maren der sterflijke menschen vernamen; 205. Doch nooit zaagt gij de mijnen en nooit ook zag ik de uwen. Immers men meldt dat gij sproot uit den vlekkeloos edelen Peleus, Thetis tot moeder u was, schoonlokkige zeeënbewoonster.

Maar van den edelen held Anchises geboren te wezen Daarin stel ik mijn roem, en dat moeder mij was Afrodite; 210. Over den dierbaren zoon zal heden verrijzen de weeklacht \'t Eener of anderer zij; want niet met gebeuzel van kindren Zullen wij zóo elkander verlatende scheiden van \'t strijdperk. Doch als gij \'t ook wilt weten, verneem het, opdat gij mijn afkomst Wel moogt kennen, die trouwens aan velen der menschen bekend is.

-ocr page 369-

353

215.

Zoon van den wolkenbestuurder, van Zeus, was Dardanos oudtijds, Vorst die Dardanië stichtte, als Ilios\' heilige burgvest Noch niet rees op de vlakte, den reedlijken menschen tot woonstee. Maar zij bewoonden den voet van het bronrijk Idagebergte. Dardanos wijders gewan Erichthonios, welke als koning Eijk in bezittingen was ver boven de sterflijke menschen; Driemaal duizend paarden beweidden zijn grazige beemden, Merriën, fier en verheugd in de schare van jeugdige veulens; Boreas toen ontvlamde door \'t schoon van de weidende merries. Zelf in den schijn van een paard, zwartglanzend van manen, zich

[hullend;

Deze nu hadden, bevrucht, twaalf veulens het leven geschonken. Zelfs al zoude hun voet rondhuppen op \'t vruchtbare graanveld, Zweefden zij over de aren en wierd geen halm er gebogen; Sprongen zij huppelend voort op het breede gegolf van den zeevloed. Dan ook zweefde hun voet op den rug van den valuwen golfslag. Voorts, Erichthonios\' zoon was Tros, de beheerscher der Trojers; Daarna werden aan Tros drie edele zonen geboren, Hos, Assarakos voorts en der goden genoot Ganumedes,

Welke de schoonste gewis eens was van de sterflijke menschen; Dien ontvoerden de goden om Zeus tot een schenker te worden, Wegens zijn schoone gestalte, en onder de goden te leven. Hos verwekte vervolgens Laomedoon, dapper en edel.

Voorts van Laomedoon waren Tithonos en Priamos zonen,

Lampos en Klutios mede en Ares\' telg Hiketaoon.

Kapus, Assarakos\' zoon, werd vader des jongen Anchises, Mij schonk deze het leven, en Priamos edelen Hektor.

\'k Durf mij beroemen tot zulk een geslacht, zulk bloed te behooren. Maar slechts Zeus maakt grooter of kleiner den moed van de menschen. Zoo als hem goeddunkt; immers zijn macht gaat allen te boven. Kom dus, zóo niet langer gepraat en als achtlooze kindren Ledig gestaan in het midden der woeling en dreigende slachting. Want wel konden wij elk veel smaadlijke redenen spreken, Ja, geen vaartuig droeg ze met honderd banken voor roeiers. Immers der stervlingen tong is glad, veelvoudig en woordrijk Is hunne spraak, en het veld van hun woord strekt heinde en verre. Zulk eene taal als gij voerdet, behoort gij ook zelf te vernemen. Doch wat hebben wij noodig met twist en beschimpende woorden Dus elkander met smaad te bejegenen, even als vrouwen

220.

225.

230.

•j 235.

240.

245.

250.

23

-ocr page 370-

354

Welke in drift ontstoken door harteverbitterend twisten Gaan in het midden der straat om met schimp elkaar te bestrijden, 355. Dikwijls waar, vaak niet; want daartoe drijft de verbittring.

Doch van een moedigen strijd weerhoudt gij mij niet met uw woorden. Eer gij ten kamp met bet koper mij staat; kom, laten wij aanstonds Proeven de een van den ander den worp der gekoperde speren. Aldus sprak bij en deed op den schrikaanbrengenden beuklaar 200. Vliegen zijn krachtige speer, en hij daverde onder de lanspunt; Doch met zijn wichtige hand hield Peleus\' zoon zich bet schildvlak Var van het lijf, ontsteld, en hij dacht dat geheel door de lagen Boorde de rijzige lans van den moedigen strijder Aineias;

Dwaas, wiens geest en gemoed niet hadden bedacht dat bezwaarlijk 205. Sterflijke menschcn vermochten de roemvol stralende giften, Welke een godheid schonk, te bedwingen en neder te buigen. Dus ook drong het geweld van de speer des bedreven Aineias Niet door het schild; en het goud weerstond, het geschenk van de

[godheid;

Wel doorboorde zij twee der bekleedingen; maar van de lagen 270. Waren er drie noch, want vijf bad er de hinkende kunstnaar Samengevoegd, twee koopren en twee aan de binnenste zijde Beide van tin, éen gouden, die stuitte de esschene speerschacht.

Doch nu Achilleus zwierde zijn lans ver strekkend van schaduw. Trof hij het schild van Aineias, den rondom welvenden beuklaar, 275. Onder den buitensten rand, met de dunste bekleeding gekoperd, Waar ook het dunst op lagen de runderenbuiden; de speerschacht, Pelions esch, drong diep er door heen en de beukelaar kraakte. Ijlings bukte Aineias en hield zich het schild op een afstand. Duchtend het vliegende wapen, dat zwierende over zijn rug heen, 280. Gansch van het dekkende schild doorsnijdend de dubbele randea. Stak in den grond; aldus het geweldige wapen vermijdend Stond bij, en over zijn oogen verbreidde zich schriklijke weemoed, Gansch ontsteld dat de worp zoo na hem bereikte. Achilleus Stormde intusschen op nieuw, uitrukkend het snijdende slagzwaard, 285. Onder een vreeslijk geschreeuw; toen vatte Aineias een steenblok, Schriklijke klomp, zoo wichtig als geen twee mannen verdroegen Onder bet levend geslacht; alleen toch wierp hij hem lichtlijk. Thans wel zoude Aineias den stormenden held met den steenworp Treffen den helm of het schild, dat voor droevigen dood hem

[bewaard had.

-ocr page 371-

355

290. Doch clan zou met zijn zwaard heiu Achilleus hebben verslagen, Zoo niet, scherp toeziende, de aardrijkschudder Poseidoon Snel d\'onsterfiijken goden zijn woord deed hooren en toeriep: — Wee, toch smart mij het lot van den edelgezinden Aineias, Dra door de hand des Peleiden in Aides\' diepte verzinkend, 205 Daar hij gehoorzaam was aan den treffer van verre Apolloon; Dwaas, van den gruwzamen dood toch leent hij hem geene bevrijding. Waartoe treft thans dezen geheel onschuldig het onheil,

Enkel om anderer lijden, terwijl hij gevallige offers Altijd biedt aan de goden den machtigen hemel bewonend? 300. Welaan redden wij zelvcn hem thans van den dood, dat Kronioon Ook niet soms ontbrande in toorn, wanneer hem Achilleus Neer mocht slaan; wijl toch de beschikking des lots zijne redding Wil en dat Dardanos\' stam niet kroostloos sterve en roemloos, Dardanos, verre het liefst aan Kronioon onder de zonen sos. Welke het leven hem danken, van sterflijke vrouwen geboren. Want reeds viel in den haat van Kronioon Priamos\' afkomst; Immers Aineias\' macht zal thans de Trojanen beheerschen, Hij en het kroost van zijn zonen, in latere tijden geboren.

Dezen ten antwoord sprak grootoogige vorstlijke Hera: 310. — Aardrijkschuddende heerscher, beraad gij u zelf in uw binnenst Over Aineias, hetzij hem behoudende, \'t zij hem verlatend. Schoon zoo dapper, een prooi weldra des Peleiden Achilleus. Vaak toch zwoeren wij beiden voor al d\' onsterflijke goden Menigen eed dat wij nimmer, ik zelve met Pallas Athena, sis. Onder de Trojers er éen voor den doodslag zonden bewaren. Zelfs al wierd gansch Troja verdelgd in den woedenden vuurgloed, Wen aan de vlammen haar ofl\'ren de dappere zonen Achaia\'s.

Aanstonds toen hij dit hoorde, de aardrijkschudder Poseidoon, Haastte hij spoedig zich voort naar den strijd en het sperengewarrel 320. Waar zich Aineias bevond en de verreberoemde Achilleus. Donkere nevelen wierp hij terstond om den zone van Peieus Welke zijn oogen bedekten; de esschen gekoperde speerschacht Rukte hij voorts uit het schild van den moedigen strijder Aineias, Wierp aan Achilleus\' voeten de werpspies neer, en Aineias 325. Zwaaide hij dan ver heen, met zijn hand van den grond hem verheffend. Over de scharen der helden en over de menigte rossen Zwierde Aineias voort door de handen des gods die hem aangreep; Eerst aan het uiterste eind van het onheilbarende slagveld

-ocr page 372-

35G

Dalende, waar zich ten strijd toerustte het heer der Kaukonen. 330. Daarop voegde zich weder de aardrijkschudder Poseidoon

Dicht aan zijn zijde en riep hem en sprak de gevleugelde woorden:

— Wie van de goden Aineias, gelastte u, zoo in verblinding Peleus\' woedenden zoon in het strijdperk tegen te treden,

Ver u in kracht overtreffend en meer door de goden begunstigd? 335. Wijk uit den strijd dus terug, zoo vaak gij hem weer op het slagveld Vindt, dat gij, ondanks \'t lot, niet daaldet in Aides\' woning. Maar als Achilleus komt tot zijn dood en vervult de beschikking. Dan, moed vattende, weder gekampt aan de spits van het krijgsvolk; Want geen andre Achaiër berooft u gewis van uw wapens. 340. Alzoo sprekende liet hij hem daar, na deze verkonding; Aanstonds vaagde hij ook van Achilleus\' oogen des nevels Duister; verbaasd aanschouwden op eens zijne oogen het daglicht. Zuchtte hij diep en hij sprak tot het moedige hart bij zich zeiven:

— Wee, wel is het een wonder dat hier aan mijn oogen zich voordoet. 345. Zie, daar ligt op de aarde mijn speer, maar nergens bespeur ik

Iets van den man wien \'t gold, wiens leven ik hoopte te nemen. Zoo was waarlijk Aineias geliefd door de eeuwige goden.

Schoon ik vermeende dat deze zich ijdel verhief op hun bijstand. Ga hij zijn weg; voortaan zal nimmer de moed hem verleiden 350. Weer mij te tarten, verheugd dat hij thans ontkwam aan den doodslag. Maar welaan, mijn bevel tot de strijdbare Danaërs richtend, Zal ik ten aanval stormend de andere Trojers beproeven.

Alzoo sprak hij en riep, naar de scharen gesprongen, tot ieder:

— Eedle Achaiërs, verwijlt thans niet zoo ver van de Trojers, 355. Maar dat er man zich op man, vol strijdmoed, werpe ten aanval.

Moeielijk valt het mij toch, al ben ik een krachtige strijder. Zoo veel volks te bestormen en allen te zaam te bekampen; Zelfs geen Ares, ofschoon onsterfelijk, geene Athena Zou volvoeren het werk in den gapenden muil van den veldslag j 360. Maar wat ik immer vermag zoo wel met mijn handen als voeten, Gansch mijne sterkte, voorwaar ook \'t minst niet zal ik verzuimen. Maar in het diepst van hun drommen geheel doordringen, en niemand Onder de Trojers verblijdt zich gewis, die mijn wapenen nadert. Alzoo sprak hij vermanend; de stem van den schittrenden Hektor 305. Klonk ook luid tot de Trojers, hen roepend ten kamp met Achilleus:

— Trojers geweldig van moed, geen vrees voor den zone van Peleus. Strijden met woorden, dat durfde ik zelfs wel tegen de goden.

-ocr page 373-

357

Maar niet licht met de speer, want ver zijn dezen liet machtigst. Zelfs door Achilleus niet werd alles vervuld wat hij zeide, 370. Dan voleindigt hij iets, dan laat hij het weder ten halve. Hem dus ga ik te keer, al waren zijn handen als vlammen, Waren zijn handen als vlammen, zijn moed als het blinkende, ijzer.

Alzoo klonk zijn vermaan, en de Trojers verhieven de speren Dreigend; der scharen gewoel trof saam; luid klonk er de slagkreet. 37B. Doch toen zeide tot Hektor, hem naderend, Foibos Apolloon: — Hektor, beproef in \'t geheel geen kamp aan de spits met Achilleus, Maar blijf binnen den drom van het heer en belaag zijne gangen Buiten \'t gewoel, dat u soms niet treffe zijn speer of zijn zwaardhouw. Alzoo sprak hij, en Hektor begaf zich terug bij zijn krijgsvolk, nsn. Vreezende, toen hij de stem ontwaarde des gods die hem toesprak. Maar de Trojanen bestormde, het hart vol woede, Achilleus, Luide zijn kreten verheffend, en velde den zoon van Otrunteus Dappren Kitioon eerst, heervoerder van machtige volken.

Welken een bronnimf baarde den stedenverwoester Otrunteus, 385. Onder aan Tmolos, het sneeuwig gebergt in het vruchtbare Hudc. Dezen, die aanviel, trof met zijn speer de verheven Achilleus Juist op het midden des boofds, dat hij gansch deed barsten in tweeën. Bonzend dreunde zijn val; toen juichte de eedle Achilleus;

Daar dan ligt gij, van allen de schriklijkste, zoon van Otrunteus; 390. Hier ontvangt gij den dood, aan den oever des meers van Gugaia Is uw geboorte geweest, waar ligt uwer vaderen erfgoed,

Dicht bij den warlenden Hermos en \'t vischrijk water des Hullos.

Alzoo juichte hij; genen bedekte het duister de oogleên.

Onder den wielrand pletten hem toen de \'Achaïsche rossen 395. Vóór aan de spitse der strijders. Demoleoon trof hij vervolgens. Moedige hulp in den krijg en een zoon ontstamd aan Antenor, Tegen den slaap, doorboorend den helm met de koperen wangplaat. Maar geen weerstand bood de gekoperde helm, en de werpspies Scheurde hem, spleet het gebeent en de hersenen werden van binnen 400, Bloedig bespat; zoo sloeg hij den stormende neer in zijn aanval. Toen zich Hippodamas snel uit zijn krijgskar wierp en er heenvlood Recht voor hem uit, toen trof hij zijn rug met geweldigen speerstoot. Zoo ontvlood hem de adem en brulde hij, wild als het runddier Brult, dat men sleept om te wijden den god die in Helike zetelt.

404. Poseidoon.

-ocr page 374-

358

405. Wen hem de jongiingen sloepen, tot vreugd van den schudder des

[aard rijks;

Zoo met een kreunend gesteen ontvlood zijne ziel het gebeente. Daarop trad hij, de speer in de vuist, naar den held Poludoros Priamos\' zoon. Steeds had hem zijn vader geweigerd ten oorlog Mede te trekken, dewijl hij de jeugdigste was van zijn zonen, 410. Ook de geliefdste; en geen wiens voet hem verwon in gezwindheid; Maar met het dwaze der jeugd toen toonend de kracht van zijn voeten, Stormde hij vóór aan de spits, tot hij derfde het lieflijke leven. Dezen nu trof met de speer snelvoetige eedle Achilleus,

Toen hij voorbij stoof, recht in den rug waar sloten des gordels 415. Goudene riemen en hechtten de dubbele platen des pantsers; Gansch doorstak hem de speer tot de andere zij in deu navel; Kreunend gestort op zijn knieën, in donkeren nevel verduisterd. Hield hij, gekromd, het gedarmte van voren zich vast met de handen . Doch toen Hektor bespeurde dat zoo Poludoros zijn broeder 420. Lag op de aarde, gekromd, met de hand het gedarmte bedekkend, Werden zijn oogen verduisterd en niet meer kon hij het dulden Langer ter zij te verwijlen; hij stormde nu los op Achilleus Zwaaiend de snijdende lans; als een vuurgloed. Maar de Peleide Zoo als hij \'t zag, sprong op, en een .juichkreet uitende riep hij: 425. — Ha! daar is hij, de man die het hevigst mijn boezem gewond heeft. Hij die versloeg mijn vereerden gezel; niet langer in waarheid Zullen wij thans elkaar ontgaan op de paden des oorlogs.

Toen zijnen grimmigen blik op hem werpende, sprak hij tot Hektor:

— Nader om des te gezwinder het eind des verderfs te bereiken. 430. Zonder vertsagen hervatte de helmboswuivende Hektor:

— Peleus\' zone, voorwaar, denk niet aldus mij met woorden Zoo als een kind te verschrikken, ook zelf wel zoude ik waarlijk Weten bescheid u te geven met felle en tergende woorden. Zeker, ik weet hoe dapper gij zijt, hoe ver gij mij voorgaat.

435. Doch voorwaar dat alles berust in den schoot van de goden, Of ik misschien, schoon minder in kracht, u beroof van het leven. Zoo ik u tref met de speer, wier punt ook heeft hare scherpte.

Alzoo sprak hij en zwaaiend verzond hij zijn speer, en Athena Dreef met heur adem haar weg van het lijf des beroemden Peleiden, 44o. Zachtkens blazend; en weder gekeerd naar den godlijken Hektor Viel hem zijn speer voor de voeten; verwoed toog echter Achilleus Thans hem ten aanval tegen, verlangend hem doodlijk te treffen,

-ocr page 375-

359

Onder een vreeslijk geschreeuw; maar snel onthief hem Apolloon, Licht als een god het vermag, en verborg hem met duistere nevels. Driewerf stormde hij toe, snelvoetige eedle Achilleus, —— Heffend zijn koperen speer, maar driewerf trof hij don nevel; Maar als hij nochmaals stormde, in sterkte gelijk aan een godheid, Toen klonk vreeslijk zijn stem en hij riep de gevleugelde woorden: — Weer ontvloodt gij den dood, o hond; doch waarlijk uw noodlot Was nabij; maar weer ontrukte u Foibos Apolloon,

Wien uw gebed vast rijst, als gij gaat waar knarsen de speren. Doch vol zal ik u meten de maat, als ik later u weervind. Zoo eens éen van de goden voor mij ook wordt tot een helper. Maar nu keer ik mij weder tot anderen, wien ik er aantref.

Alzoo sprak hij en boorde in Druops\' hals zijne werpspies. Zoo dat hij vóór zijne voeten bezweek; toen liet hij hem liggen. Maar den geweldigen strijder Demouchos den zoon van Filetor Stuitte zijn speer, die hem trof in de knie; het geweldige slagzwaard Toen ontblootende deed hij een houw en benam hem het leven. Beiden, Laogonos wijders en Dardanos, zonen van Bias,

Wierp hij in stormende vaart uit den wagen ter neer op de aarde, Dezen geraakt met zijn speer, en den andere gaf hij een zwaardhouw. Daarna Tros, van Alastor gestamd; om zijn knieën zich werpend Vroeg hij genade en bad dat hij levend hem nam en hem spaarde. Maar hem den dood niet gaf, zijn gelijke in jaren, uit deernis. Dwaas, die het geenszins zag dat hy niet zou hooren zijn bede; Waarlijk die man had toen in zijn hart geen liefde of zachtheid Maar fel stak hem de drift. Wel had hij met beide de handen Smeekend zijn knieën gevat, doch \'t zwaard doorstak hem de lever, Gansch uit het lijf hem gereten, en over het kleed van zijn boezem Gudste het donkere bloed; dra dekte de schaduw zijn ooglecn. Stokte zijn adem. Hij trof thans Moulios, wien hij zijn werpspies Stiet in het oor, en terstond tot het oor aan de andere zijde Voer de gekoperde punt. Bij Echeklos den zoon van Agenor Dreef hij in \'t midden des schedels zijn zwaard met het stevige

[handvat;

quot;t Zwaard werd warm van hét bloed, en zich over zijn oogen

[verbreidend

Heerschten de purperen dood en de Moira, het machtige noodlot. Ook bij Deukalioon wijders, ter plaats waar de pezen zich hechten Onder den elboog, trof hij den arm, en de koperen speerpunt

-ocr page 376-

360

480. Vlijmde er door; aldus onmachtig zijn arm te gebruiken

Stond hij, den dood voor oogen; hem hieuw hij met krachtigen

[zwaardslag

Toen in den nek dat het hoofd met den helm ver henen gesleurd werd; \'t Merg ontspatte den wervels; en rechtuit lag hij ter aarde. Peireos\' edelen zoon gold toen zijn geweldige aanval, 485. Rhigmos, die herwaarts toog van der Thrakiërs vruchtbare landstreek; Dezen verwondde hij dan in het weeke des buiks met zijn werpspies. Zoo dat hij viel uit zijn kar; Areïthoös mede, zijn makker,

Trof hij, bij \'t wenden der paarden, den rug met het vlijmende koper; Dra ontzonk hij de kar en de paarden verwarden zich schichtig. 490, Zoo als het goddelijk vuur in de rotsige bergen geslagen, Woedt in de diepe valleien, het dichte geboomte in vlam zet, Wen er de adem des winds alom doet warlen den vuurgloed; Dus ook woedde hij toen alom met zijn speer, als een demon. Immer vervolgend met moord, en het stroomde van bloed op het

[aardrijk.

495. Zoo als een man in hot tuig van het juk breedkruinige stieren Koppelt om \'t heldere graan te vertreden op effenen dorschvloer. Waar luid loeiende runders het graan met hun pooten vermorslen. Dus ook Achilleus\' rossen, met krachtige hoeven vertrappend Lijken en schilden te gader; den dissel bemorste van onder 500. \'t Bloed van den bodem gespat en de randen in \'t rond van den wagen, \'t Zij door de trapplende hoeven der rossen er tegen geslingerd, \'t Zij door de randen der wielen; hij stormde om roem te gewinnen, Peleus\' zoon, en het bloed overdekte zijn toomlooze handen.

-ocr page 377-

EEN EN TWINTIGSTE ZANG.

T

JL oen zij nu echter de voorde der heerlijke strooming bereikten, \'t Water des wielenden Xanthos, van Zeus d\' onsterflijken stammend, Toen doorsneed hij de Trojers en volgde het deel dat ter stadsvest Vlood op het veld, waar gansch in verwarring gejaagd de Achaiërs 5. Vloden den vorigen dag, door het woeden des sehittrenden Hektors; Daarheen stroomden nu dezen ter vlucht; maar donkere nevels Spreidde er alom Hera en stuitte hen. Doch bij den oever Raakten de andren beklemd door de breede en zilveren strooming, Waar zij in stortten met vreeslijk gedruisch, en het bruischender golven 10. Klonk, weerkaatst door de oevers; te midden van gillende kreten Zwommen zij, plassend in \'t rond, door de wentlende golven

[geslingerd.

Zoo, als een zwerm sprinkhanen, gejaagd door den drang van

[de vlammen,

Zoekt naar het water te vlieden, terwijl hen de rustlooze vuurgloed Zengt die er plotseling rees in het veld, en zij vallen in \'t water; 15. Dus ook werden de golven des ruischend wielenden Xanthos Vol van de paarden en mannen, verward door de hand van Achilleus Doch daar liet aan den oever de godlijke held zijne speerschacht Staan bij een struik tamariske en stormde hen na als een demon, Slechts met het zwaard in de hand, en bezield tot geweldige daden 2». Hieuw hij ter linker en rechter; verschrikkelijk rees er de angstkreet Waar hen de zwaardslag trof en de stroom werd rood van het bloedbad. Zoo, als een grooten delfijn ontvluchtende, andere visschen Tusschen de bochten zich bergen der veilig beschuttende haven, Onder de vrees voor het dier dat verslindt en verzwelgt wat hij aanpakt.

-ocr page 378-

362

25. Dus ook schuilden de Trojers in \'t schrikkelijk golvende water Onder de randen des oevers; de handen vermoeid van de slachting Koos zich Achillcus toen in den stroom twaalf jonglingen, levend, Allen tot zoen voor den dood van Menoitios\' zone Patroklos. Dezen nu trok hij er buiten, van vreeze verbijsterd als hinden, 30. Bond op den rug hun de handen met kunstig gesnedene riemen, Welke zij hadden gedragen gegord om de maliënpantsers.

Gaf ze zijn makkers en liet naar de holle galeien ze voeren. Dan weer stormde hij voort in den stroom, vol woede ter slachting. Priamos\' zoon nu vond hij, Lukaoon Dardanos\' nakroost, 35, Toen hij den stroom ontvlood; als gevangene had hij hem vroeger Reeds met geweld ontvoerd uit den vruchtbaren hof van zijn vader. Eens bij een nachtlijken tocht; van een vijgboom sneed hij met \'t koper Jeugdige takken, bestemd om te dienen als rand om een wagen; Plotseling echter verscheen hem tot ramp de verheven Achilleus. 40. Dezen vervoerde hij toen ten verkoop naar het bloeiende Lemnos, Daar met zijn schepen getogen; hem kocht er de zoon van lasoon. Doch toen loste zijn gast hem, Eëtioon, heerscher van Imbros, Tegen aanzienlijken prijs, en hij zond hem naar \'t schoone Arisbe, Waar hij in heimlijke vlucht ontkwam naar het vaderlijk woonhuis. 45. Vreugdvol was hem het hart elf dagen bij al zijne maagschap, Sinds dat hij vluchtte van Lemnos; hem wierp op den twaalfden

[een godheid

Onder Achilleus\' handen, die waren beschikt hem te zenden, Schoon onwillig ten tocht, naar de diepten van Aides\' woning. Nauw ontwaarde hem thans snelvoetige eedle Achilleus, 50. Zonder zijn wapens, en helm noch schild meer dragend of werpspies. Alles ter aarde geworpen, dewijl hij vermoeid van het angstzweet Zocht uit den stroom zich tc redden, met krachtloos zwoegende leden. Of met verbittering sprak hij tot \'t moedige hart bij zich zeiven: Wee, wel is het een wonder dat hier mijne oogen aanschouwen. 55, Zie, thans zullen gewis noch al de vermetele Trojers

Welke ik vroeger versloeg, uit het duister der schimmen verrijzen. Even als deze verschijnt, ontvlucht aan den dag der verschrikking. Schoon in het heilige Lemnos verkocht; geen valuwe zoutplas Hield er hem tegen, die toch huns ondanks velen terughoudt, no. Maar welaan, thans zal hij de vlijmende punt van mijn werpspies Proeven, opdat in mijn geest ik het moge bemerken en aanzien Of hij ook hier ontkomt, dan of hem het groeizame aardrijk

-ocr page 379-

363

Vast zal houden, dat zelfs de gewcldigstcn houdt in zijn kluisters. Alzoo peinzende stond hij; de andere naderde, angstvol, os. Zoekend zijn knieën te vatten, met innige hoop in zijn harte Noch den geweldigen dood en de sombere Moira te mijden.

Maar zijne machtige speer hief thans de geduchte Achilleus Dreigend hem doodlijk te tretïen; hij vatte hem echter zich bukkend Haastig de knieën; de speer, toen over zijn schouder gevaren, 70. Stak in de aarde, begeerig het menschelijk vleesch te verslinden. Smekende sloeg hij hem toen om zijn knieën de hand, met de andre Greep hij het puntige wapen, zijn hand steeds vast om de speerschacht; Alzoo riep hy hem toe en hij sprak de gevleugelde woorden:

— Smeekende vat ik uw knieën, verschoon mij, erbarm u, Achilleus. 75. Zoo als een smeekeling ben ik u, godlijke, ben uw beschermling;

Onder uw dak toch at ik het eerst van de vrucht van Demeter, Dien dag toen gij mij greept in de zorglijk gepleegde beplanting; Toen gij naar \'t heilige Lemnos mij ver van mijn vader en vrienden Zondt om te worden verkocht, en ik honderd stieren u opbracht, sn. Driewerf geef ik dit thans; eerst is het de twaalfde der morgens Welke mij heden verrees, sinds na veel lijden ik eindlijk Weder in Ilios kwam; weer werpt mij de gruwzame Moira Thans in uw hand; wel ben ik gewis Zeus Vader ten afschuw, Daar hij mij weer aan u geeft; ach slechts voor een Uittelen leeftijd 85. Schonk mij Laothoë \'t leven, de dochter van Altes den grijsaard, Altes, het strijdhaft volk van de Lelegers voerend als koning, Wonend in Pedasos\' vest aan den Satnioeis zich verheffend. Priamos had zijne dochter tot vrouw, en een menigte andren; Twee slechts waren haar zonen; vernietigen wilt gij ze beiden. \'Jo. Eenen bedwong uwe hand aan de spits van het strijdende voetvolk, Edelen held Poludoros, gedood door uw snijdende werpspies; Thans zal over mijn hoofd hier \'t onheil naken; uw handen Zoude ik niet ontkomen, dewijl mij een demon u toevoert;

Maar dit zeg ik u verder, en wil in uw geest bet bewaren, 95. Geef mij den dood niet; want geen eigene broeder van Hektor Beu ik, den man die versloeg uw gezel zoo dapper en minzaam.

Alzoo zeide en smeekte hem angstig de schittrende jongling Priamos\' zoon, maar hoorde het harde bescheid dat hem toeklonk:

— Dwaas, niet langer gepraat, geen losprijs moet gij beloven, loo. Want zoo lang als Patroklos de dag niet naakte des jammers

Was voor de Trojers mijn hart veel eerder geneigd tot verschooning.

-ocr page 380-

364

Menigen greep ik er levend en heb ten verkoop hen verzonden; Thans ontkoml aan den dood geen enkele, welken een godheid Hier vóór Ilios\' muren mij voert in de macht mijner handen, 10B. Geen van de Trojers te zaam, vooral niet Priamos\' zonen.

Vriend, zoo sterf ook gij; waartoe zoo bitter geweeklaagd \'r1 Want zelfs sneefde Patroklos, die zoo ver boven u uitblonk.

Ziet gij het niet, hoe bloeiend ik zelf ook ben en geweldig? Ik van een edelen vader gestamd en een godlijke moeder; 110. Nochtans zullen mij zeiven de dood en de machtige Moira

Treffen, hetzij in den morgen of avond, \'t zij op den middag, Wen er de een of de ander ook mij zal slaan in het strijdperk \'t Zij met den worp van de speer of den pijl ontsneld aan de boogpees. Alzoo sprak hij, en genen bezwijmden het hart en de knieën. 115. Daarop liet hij zijn hand van de speer en de armen verbreidend Bleef hij geknield. Maar thans ontblootend het snijdende slagzwaard Trof hem Achilleus diep in de spier van den nek, dat des lemmers Dubbele snede er gansch in verzonk; voorover getuimeld Lag hij ter neer; zwart vloeide het bloed en bevochtte het aardrijk. 120. Toén bij zijn voeten hem grijpend en slingerend, wierp hem Achilleus Voort in den stroom en hij riep met gejuich de gevleugelde woorden: — Lig daar onder de visschen, die mogen u thans uit de wonden Zorgloos lekken het bloed; nooit zal uwe moeder uw doodsbed Spreiden, bij klacht en geween; maar \'t wielend gegolf van

[Skamandros

125. Voert in zijn stroomen u mee naar den peilloozen schoot van den

[zoutplas.

Menige visch zal dan naar het donkere golvengekronkel Opwaarts springen en azen op \'t blinkende vet van Lukaoon. Treffe u allen \'t verderf, tot wij Uios\' heilige veste Winnen, gij allen gevloden, terwijl ik u volg op de hielen. 130. Zelfs geen redding verleent u de zilverig blinkende stroomvloed. Schoon gij hem steeds toewijddet uw rijklijke gaven van stieren. Tal eenhoevige rossen den stroomgod levend geofferd.

Nochtans zal u verdelgen het schrikkelijk lot, tot gij allen Boet voor Patroklos\' dood en den jammer die trof de Achaiërs, 135. Welke gij dooddet, beroofd van mijn hulp, bij hun snelle galeien. Alzoo luidde zijn woord; en de stroom weer feller verbitterd Wikte en woog in zijn geest om de kracht van den eedlen Achilleus Verder te stuiten en hoe hij de Trojers behoedde voor onheil.

r

-ocr page 381-

365

Peleus\' zoon toen zwaaiend de speer ver strekkend van schaduw, un Richtte, verwoed hem te dooden, zich stormend op Asteropaios, Stammend van Pelegoon; dezen den zoon van den heerlijken stroomgod Axios, had Periboia gebaard, Akessamenos\' dochter,

\'s Vaders oudste, bemind door den god van de wielende golven. Dien toog Peleus\' zoon te gemoet; toen rees uit het stroombed, 146. Zwaaiend zijn tweetal speren, de ander hem tegen, en Xanthos Vuurde zijn krijgsmoed aan, om den dood van de jonglingen toornend, Welke Achilleus\' hand meedoogenloos trof in de golven.

Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd. Zei hem de snelle van voeten het eerst, de verheven Achilleus: 160. — Wie en van waar toch zijt gij, die waagt mij te staan in het aanzicht ? Wie mijn geweld weerstaan zijn zonen van droevige ouders.

Pelegoons edele telg zei daarop weder ten antwoord: — Peleus\' moedige zoon, hoe vraagt gij mij toch naar mijn afkomst? Ver uit het kluitige land van Paionië ben ik gekomen, 165. Voerend Paionische scharen met rijzige lansen, en heden Is het de elfde der dagen, dat Ilios veste ons opnam.

Doch mijn geslacht ontstamt van des Axios\' golvende stroombed, Axios welke het schoonste der wateren zendt op het aardrijk; Vader van Pelegoon was hij, den held met de speer, en van dezen 160. Ben ik de zoon. Maar thans aan den strijd, roemruchte Achilleus. Alzoo dreigde zijn woord; toen richtte de eedle Peleide Pelions esch omhoog; te gelijk wierp beide zijn lansen Asteropaios de held, rechts zijnde aan beide de handen;

Een van het tweetal raakte het schild, maar drong door de welving Niet gansch henen; haar stuitte het goud, het geschenk van de godheid; Maar met de andere trof hij ter rechter hem schampend den elboog. Zoo dat het donkere bloed ontvloot en de speer in den bodem Stak, ver boven zijn hoofd en begeerig het vleesch te verslinden. Daarna zond de Peleide de rechtuit vliegende speerschacht,

165.

i \'

i 170.

Vurig bezield hem te dooden, en dreef haar op Asteropaios. Dezen nu miste de speer, maar raakte de hoogte des oevers Zoo dat de esschene schaft vooi de helft in den oever geboord werd. Doch nu sprong de Peleide, de moordende kling van zijn zijde Trekkende, fel op hem los; noch poogde de andere vruchtloos |)75. Weder Achilleus\' speer met geweld uit den oever te trekken; Driemaal schudde hij deze en rukte met al zijne spierkracht. Driemaal faalde zijn kracht; maar nochmaals deed hij een poging,

L

-ocr page 382-

366

Boog hij en trachtte te knakken het wapen van Aiakos\' kleinzoon, Maar reeds nam hem te voren het zwaard des Peleiden het leven. 180. Want met een zwaardhouw trof hij zijn huik bij den navel, en aanstonds Stortten zijn darmen ter aarde; hij zwijmde met reutienden adem, D\'oogen in duister gehuld. Snel sprong op de borst hem Achilleus, Nam hem zijn wapengerei van het lijf met den juichenden uitroep: Lig daar zóo. Zwaar is het de zonen des hoogen Kronioons 185. Tegen te gaan in den strijd, ook zelfs voor den telg van een stroomgod. Immers gij roemdet u wel van den golvenden heerscher te stammen. Maar op mijn afkomst roem ik van Zeus den verheven gebieder. Ik ontsproot van den vorst van het talrijk volk Murmidonen, Peleus Aiakos\' zoon, en uit Zeus was Aiakos\' afkomst.

luo. Zoo veel Zeus overtreft de ten zeevloed golvende stroomen,

Gaan Zeus\' zonen in sterkte de telgen der stroomen te boven. Ook ruischt hier aan uw zijde een machtige stroom, of hy wellicht Hood zijne hulp, maar nooit doorstaat men een strijd met Kronioon, Welken zich niet kan meten de krachtige vloed Acheloüs, 195. Noch des Okeanos\' macht met zijn diep voortwentlende golving. Waar toch alle de stroomen en gansch het gebied van de zeeën. Alle de welige bronnen en wellen van leenen hun oorsprong; Toch ontziet ook deze den bliksem des grooten Kronioons, Vreest hij zijn schriklijken donder, die dreunt uit de hoogte des hemels. 200. Alzoo sprak hij en rukte de koperen lans uit den oever,

Doch liet verder den strijder aan wien hij het leven beroofde Liggen, gestrekt in het zand en bespoeld door het donkere water. Dra omringden de alen en andere visschen het lichaam,

Gulzig het vet afknagend dat rondom dekte de nieren. 205. Daarop zocht hij de schaar der Paioniërs kloek met de strijdkar. Noch bij de wcntlende golven des strooms vol vreeze zich bergend. Toen zij den dappere zagen die daar in den heftigen kampstrijd Neerzonk onder de hand en het zwaard van den zone van Peleus. Nevens Thersilochos trof iiij Astupulos, doodde er Mudoon, 2J0. Mnesos en Thrasios sloeg hij en Ainios, voorts Ofelestes.

Meerdre Paioniërs noch trof zeker de snelle Achilleus,

Doch toen klonk hem het woord van den diep voortwentlenden

[stroomgod.

Toornig, een menschengestalte gelijk, uit de diepte der golving: — Heftig, Achilleus, woedt gij en doet ontzettende daden, 215. Meer dan een mensch, want immer verleenen de goden u bijstand.

-ocr page 383-

367

Gunde u Kronos\' zoon gansch Troja\'s geslaclit te verdelgen,

Drijf uw verscbriklijk geweld op de vlakte en buiten mijn bedding; Want van de dooden vervulden zich gansch mijne heerlijke waatren, Zoo dat ik nauwlijks mijn stroom kan stuwen ten godlijken zeeplas, Tusscben de lijken gestremd, en gij doodt steeds, alles verdelgend. Welaan, staak uw geweld, ontzetting vervult mij, o beerscber. Docb toen zeide bem weder de snelle van voeten, Acbilleus:

— Zij bet gelijk gij beveelt, van de goden gesproten Skamandros. Maar de vermetele Trojers, ik rust noch niet van bun doodslag, Eer ik ze voort zal jagen ter stad en ten strijd mij met Hektor Hebben gemeten, of deze mij neer zal vellen of ik bem.

Alzoo sprak hij en stormde een demon gelijk op de Trojers. Doch toen zeide de beerscber des wielenden strooms tot Apolloon:

— Wee, Kronioons telg met den zilveren boog, de bevelen Acht gij gewis niet meer, die u Zeus nadrukkelijk opdroeg, Troja\'s volk te beschermen tot laat bet gesebemer des avonds Daalt en zijn schaduwen werpt op den kluitigen bodem der akkers.

Alzoo sprak hij; en toch sprong weer de geroemde Acbilleus Wild van den kant in den stroom; maar deze zijn branding verheffend, Dreef zijn bewogene golven omhoog en bij woelde de dooden Welke bem rondom vulden, de velen geveld door Acbilleus; Eenigen stortte hij buiten zijn vloed op het strand, als een ploegstier Brullende; maar bij beschermde die noch in zijn heldere golven Leefden en hield ze bedekt in de diepe en machtige wieling. Woest om Acbilleus henen verhief zich de woelende golfslag. Stormde de vloed op zijn schild, en bij kou op zijn voeten zich eindlijk Niet meer houden; hij greep aan een grooten en weligen olmboom Toen met zijn handen zich vast, maar deze, gestort van zijn wortels, Scheurde den oever geheel uit éen en zijn menigte takken Stremde den beerlijken vloed en verschafte, ter neder gebogen, Zoo aan zijn voeten een pad. Toen snel uit de diepte zich beurend, IJlde bij voort en bereikte met reppende voeten de vlakte, Vluchtend van schrik; niet rustend besprong bem de machtige godheid Pel met zijn donkeren vloed, om der woede des eedlen Acbilleus Perken te stellen en hulp in den nood aan de Trojers te brengen. Peleus\' zoon vloog voort, zoo ver als de vaart van een werpspies, Raseh als des adelaars vlucht, dien donkergevleugelden jager. Welke de krachtigste is tegelijk en de snelste der vogels;

Dezen gelijkende vloog hij en schrikkelijk schalde het koper

-ocr page 384-

368

255. Rondom schouders en borst; van ter zij ontwijkend den stroomgod Vlood hij en deze vervolgde met hevig gedruisch hem van achter. Zoo als een man, om het water te leiden uit donkere bronwel Over gewassen en tuinen, den loop der bewatering regelt, Wen, met de spa in de hand hij het vuil uit de goten verwijdert; 200. Vrij dan stroomt het er verder en worden de wentlende kiezels Medegevoerd, dan gudst het met snelheid nedergevloten Over den hellenden grond en den man vooruit die het leidde; Dus ook volgde hem golvend de stroom en bereikte Achilleus Steeds, hoe haastig hij vloog; want meer zijn goden dan menschen. 265. Maar zoo vaak zich vermannend de held snelvoetig\' Achilleus Stand hield tegen den stroom, vol vreeze of alle de goden Wonend in \'t breed uitspansel hem wilden verdrijven ten aftocht. Even zoo vaak ook stortte de Zeus ontsprotene stroomgod Over zijn schouders den vloed met geweld. Dan hief hij zijn voeten 270. Gransch mistroostig van ziel; dan sloeg hem de stroom om de knieën Rollend met woedend geschuim en hij sleurde het zand van zijn voeten; Peleus\' zoon weeklaagde, het oog naar den machtigen hemel:

— O Zeus Vader, dat nu geen enkele god mij erbarmend Helpt, en mij redt uit den stroom. Gaarn duldde ik anders het ergste.

275. Doch zoo schuldig bezwaarde mij geen van de hemelbewoners Zoo als mijn eigene moeder, dewijl mij haar woorden bedrogen. Toen zij mij zeide, ik zou bij den muur der gepantserde Trojers Eenmaal vinden den dood door de vluchtige pijlen Apolloons. Was ik voor Hektor gevallen, die hier tot den dapperste opwies, 280. Dan toch doodde een held mij en nam aan een held zijne rusting. Maar thans is mij beschoren een smaadlijken dood te verduren. Prooi van den machtigen stroom, als een knaapje, een herder van

[zwijnen,

Henengesleurd als hij waadt door de beek in den winter gezwollen. Alzoo luidde zijn klacht; Poseidaoou toen en Athena 285. Traden hem haastig ter zij, in gestalte van menschen verschijnend, Vatten hem ieder de handen en spraken bezielende woorden. Alzoo zeide het eerst hem de aardrijkschudder Poseidoon:

— Peleus\' zoon, wil toch in het minst niet vreezen of siddren; Twee zoo machtige goden, verschijnen wij hier als uw helpers,

290. Onder vergunning van Zeus, ik even als Pallas Athena;

Wijl het uw lot niet is voor de macht van den stroom te bezwijken. Dra wel komt gij tot rust, zelf zult gij het spoedig bemerken;

-ocr page 385-

369

Maar wij vermanen u dringend, en wees onzen woorden gehoorzaam, Laat uwe hand niet rusten van \'t allesbeheerschende krijgswerk, 295. Eer gij de Troïsche scharen in Uios\' pralende muren

Insluit, al wie er vluehte, en keer als- gij Hektor gedood hebt Weer naar de schepen terug; wij verleenen u roem te verwerven.

Alzoo luidde hun woord en zij keerden te zaam naar de goden; Doch toen, daar hem met kracht het bevel van de eeuwigen aandreef, aon. Zocht hij de vlakte. Zij was gansch vol van de stroomende waatren. Talloos dreven er rond, van dc mannen gedood in de slachting. Heerlijke wapens en lijken. Hij hief zijne knieën ten weerstand, Tegen den vloed aanstormend met kracht, en de machtige stroomgod Stuitte hem niet, want vurig bezielde Athena zijn boezem, aor.. Maar noch staakte Skamandros zijn felheid niet en geduchter Trof den Peleide zijn toorn; fel dreef hij zijn brandenden golfslag. Wild in de hoogte zich heffend, en riep tot den Simoeis luidkeels:

— Broeder, wij moeten \'t geweld diens mans met vereenigde krachten Stuiten, dewijl hij de veste des konings Priamos anders

i :)io. Spoedig verwoest en de Trojers dien drang niet zullen bestand zijn. Haastig uw hulp mij geboden en doe door het water der bronnen Volop zwellen den stroom, drijf iedere beek van de bergkloof, Hoog dan rijze uw golf, rol onder een schallend gedonder Stammen en steenen omlaag, om den toomloozen man te bedwingen, 315. Thans hier alles beheerschend, die woedt met de sterkte van goden. Want ik vermoed dat hem baat noch kracht noch schoone gestalte. Noch zijne sierlijke wapens, die ergens in drassige diepten Zullen verzinken, verborgen in slib; dan zal ik hem zeiven Gansch omwoelen met zand en met vuil en de ruigte der zeeën 320. Eindeloos over hem storten; zijn beenderen zal de Achaiër Niet meer kunnen verzaamlen, in al dien modder verborgen. Daar zal wezen zijn graf; hem behoeft geen andere grafterp Verder te worden gemaakt, als zij willen vereeren zijn uitvaart. Alzoo sprak hij en woelde zijn golfslag hoog om Achilleus, 325, Luid hem met schuim ombruischend, met bloed en gewentelde lijken. Purper verhief zich de golf van den Zeus ontsprotenen stroomgod, Wild in de hoogte gesteigerd, en dreigde zijn greep den Peleide. Doch luid klonk toen Hera\'s geschreeuw, die, bezorgd voor Achilleus, Vreesde dat zoo hem verzwolg de geweldige stroom in zijn diepten. mo. Aanstonds riep zij Hefaistos, haar dierbaren zoon, met de woorden:

— Op, op, hinkende god, ijl haastig, uw tegenpartijder

24

-ocr page 386-

370

Meenden wij dezen te zijn, dien woest rondwielenden Xanthos; Ijlings ter hulpe gekomen en toon u met machtigen vuurgloed. Zelf dan ga ik de winden, den Wester en stormenden Zuid wind, 335. Wekken om hevig uit zee de geweldige stormen te drijven

Welke den vuurgloed jagen op mannen en wapens der Trojers, Blazend de heillooze vlam. Doe gij aan den oever van Xanthos Branden de boomen, hem zeiven verzenge uw gloed, en dat geenszins Vleiende woorden uw woede beteugelen, noch zijn bedreiging. 340. Staak uw geweld niet eer, alvorens ik zelve bevelend

Luid doe hooren mijn kreet, staak dan uwe toomlooze vlammen.

Alzoo sprak zij; Hefaistos verbreidde zijn godlijken vuurgloed. Eerst doorwoelden de vlammen het veld en verzengden een aantal Lijken van zoo veel mannen als daar deed sneven Achilleus. 345. Alom droogde het veld en gestuit werd \'t blinkende water.

Zoo als een veld, daareven bespoeld, door den herfstlijken Noord wind Spoedig verdroogt, en met vreugde het ziet de bebouwende landman; Dus ook droogde de vlakte geheel en verbrandden de lijken. Daarop keerde de god naar den stroom zijne vonklende vlammen. 350. Weldra brandden de olmen, de wilgen en struiktamarisken, Stonden de lotos in gloed en de biezen en geurend cyperus. Welke in weligen groei om de heerlijke wateren wiessen. Angstig benauwde het alen en visschen die hier in de kolken Ginds in de vlietende golven zich herwaarts keerden en derwaarts, 355. Mat door den gloeienden adem des vindingrijken Hefaistos.

\'t Brandde den stroom in het hart, en hij zei tot Hefaistos hem roepend: —- Geen van de goden, Hefaistos, vermag uw geweld te verduren, Zoo als uw gloed hier blakert begeer ik u niet te bestrijden. Staak uw geweld, al dreef uit de veste de eedle Achilleus 3G0. Aanstonds Troja\'s volk; wat geef ik om strijd en bescherming? Alzoo sprak hij, verzengd, en zijn heerlijke wateren bruischten. Zoo als het kookt in een ketel, bestookt door den krachtigen vuurgloed, Wen hij het vet doet smelten des weldoorvocderden mestzwijns. Alles er borrelend bruischt en er rondom knettert het brandhout, 3G5. Dus ook brandden de golven des strooms, dat er ziedde het water. Niet meer wist hij te vloeien, hij stokte geperst door de walmen Onder het hevig geweld van den schrandren Hefaistos; tot Hera Wendde hij toen zijne bede en sprak de gevleugelde woorden:

351. Rietplant aan moerassen en oovevs, Cyporua longua L.

-ocr page 387-

371

— Waarom, Hera, besprong my uw zoon, veel feller dan iemand 370. Kwellend mijn stroom ? Geen schuld toch kunt gij mij jegens u wijten,

Zoo als den anderen allen die hulp aan de Trojers verleenen. Doch wel zal ik bedaren, gewillig, indien gij het vordert.

Maar dan stake ook gene zijn drift. Ook wil ik bezweren Nooit van een enkelen Trojer te weren den dag der verschrikking, i!75. Zelfs al wierd gansch Troja verdelgd in de woedende vlammen, Wen aan de vlammen haar offren de dappere zonen Achaia\'s.

Dra als zij hoorde dit woord, de godin blankarmige Hera, Sprak zij ter eigener stond tot haar dierbaren zone Hcfaistos:

— Staak, 0 Hefaistos, uw woede, mijn loflijke zoon, het betaamt u liso. Geen onsterflijke zoo om der stervlingen wille te kwellen.

Alzoo sprak zij; Hefaistos verdoofde den godlijken vuurgloed, Snel dan stroomden de golven terug in het heerlijke stroombed.

Zoo was Xanthos\' woede betoomd en zij rustten nu beiden; Want hen beteugelde Hera, ofschoon in haar harte verbolgen; ;!85. Maar in de andere goden verhief zich de bruischende tweedracht Vol onstuimige kracht; in verdeeldheid blaakte hun boezem. Daverend woedde de storm thans los; ver dreunde het aardrijk, \'t Hemelgewelf weerklonk als bazuinengeschal, en Kronioon Hoorde het boven Olumpos; hem lachte het hart in den boezem 390. Vreugdvol, toen hij het zag dat ten kamp saambotsten de goden. Niet afzonderlijk bleven zij meer; vóór ging hen ten aanval Ares de schildenverpletter en stormde het eerst op Athena, Zwaaiend zijn koperen lans en hij uitte den schimpenden toeroep;

— Hondsche en schaamtlooze vlieg, wat drijft gij de goden ten

[kampstrijd

395. Vol van vermetelen moed, wat driestheid jaagt u den boezem? Heugt het u dan niet meer dat gij Tudeus\' zoon Diomedes Dreeft mij te wonden; gij zelve, dè alomstralende werpspies Grijpend, ze tegen mij zondt en mij wonddethet glanzende lichaam? Daarom zal ik u thans doen boeten voor zulk eene wandaad. [mo. Alzoo sprak hij en trof de van kwasten omwapperde aigis,

\'t Vreeslijke, zelfs voor den donder van Zeus niet zwichtende wapen; Daar op stootte de speer van den bloedigverslindenden Arcs. Doch ontwijkende greep zij met machtige hand zich een steenklomp. Hier op de vlakte gelegen, een zwarten, geweldig en kantig, [405. Eertijds daar door de mensehen geplaatst als beschermende grens-

[steen;

-ocr page 388-

372

Ares den woestaard trof zij den hals, en zijn leden bezwijmden; Zeven morgen besloeg\' bij, gestrekt in het stof met zijn haren; \'t Krijgstuig klonk om zijn lijf. Toen lachte en uitte een juichkreet Pallas Athena en zeide verheugd de gevleugelde woorden; 4io — Dwaze, voorwaar gij bedacht thans niet hoe ver ik in sterkte Roeme uw meerdre te wezen, dewijl gy het waagt mij te tarten. Alzoo moogt gij geheel uwer moeder verwenschingen boeten. Welke u onheil broedt, vol gramschap wijl gij Achaia\'s Volken verliet en verdedigt de stout overmoedige Trojers. 415, Alzoo luidde haar woord en zij wendde de stralende oogen. Doch Afrodite de dochter van Zcus aan de hand hem geleidend Voerde den hijgende heen; en met moeite herkreeg hij den adem. Toen, zoo spoedig haar zag de godin blankarmige Hera,

Riep zij terstond Athenaia en sprak de gevleugelde woorden: 420. — Wee, ontembare dochter des aigisvoerenden Vaders,

Zie, die schaamtlooze vlieg voert weder den moordenden Ares Buiten den doodlijken krijg door het woelen der strijders; vervolg haar.

Alzoo sprak zij; Athena het hart vol vreugd, haar vervolgend, IJlde haar tegen en sloeg met geweldige band haar den boezem; 425. Aanstonds deed zij haar knieën en liefelijk harte bezwijken.

Toen zoo beiden er lagen gestrekt op het voedende aardrijk. Klonk Athenaia\'s gejuich en zij riep de gevleugelde woorden:

— Alzoo moge het allen vergaan die de Trojers beschermen, Zoo zij \'t gepantserde heir der Argeiërs wilden bekampen,

430. Even geducht volhardend en moedig als hier Afrodite

Ares ten bijstand kwam en het waagde mijn kracht te bejeegnen. Dan wis hadden wij reeds veel vroeger gerust van den oorlog, llios eerder verdelgend, de stevig betimmerde burgvest.

Aldus sprak zij, en zacht loeg dan blankarmige Hera. 4;)5. Maar tot Apolloon zeide de heerschende schudder des aardrijks:

— Waarom, Foibos, verwijlen wij hier? Zoo voegt het ons geenszins. Nu er de andren begonnen; een schande als zonder te strijden Weer ten Olumpos wij keerden, ter koperen zale Kronioons.

Wijl gij de jongere zijt, vang aan; mij paste dit immers

440. Geenszins, wijl ik in jaren uw meerdere ben en ervaring.

Dwaas, wel is u het harte gedachteloos, daar u de onspoed Nu zelfs niet meer heugt, en hetgeen wij in llios eenmaal Leden, wij onder de goden het ergst, toen Zeus ons in loondienst Daar tot Laomedoon zond om den trotsche te dienen een jaar lang

-ocr page 389-

373

Tegen bedongene huur; toen deze ons gaf zijn bevelen.

Ik toch bouwde den Tiojers om gausch hunne veste het muurwerk Breed en voortreffelijk schoon, om de stad onwrikbaar te maken; Uw taak was het, o Foihos, het log sleepvoetende hoornvee Tnsschen de dalen te weiden van Ida\'s belommerde kloven.

Toen ons des loondiensts einde de vrcugdevei\'schaffende Horen Eindelijk hadden gebracht, onthield ons Laoniedoon listig Gansch het bedongcue loon en hij deed met bedreiging ons heengaan. U toch dreigde hij toen, aan de voeten en handen gebonden Ver op een eiland ergens als slaaf u te laten verkoopen;

Ja, met het koper bedreigde hij zelfs ons dc ooren te snijden. Zoo dan keerden wij beiden terug in het harte verbolgen.

Hevig vertoornd om het loon dat hij trots zijn belofte ons afhield. Nochtans biedt gij uw hulp aan de volken van dezen en geenszins Staat gij ons bij om te pogen het volk der vermetele Trojers Smaadlijk te buigen in \'t stof, met hun telgen en eerbare vrouwen. Doch nu zei hem de koning, de treffer van verre Apolloon:

— Aardrijkschudder, gij noemdet mij zeker een kranke van zinnen, Wen ik den strijd met u waagde ter wille van sterflijke menschen, Droevigen, welke den blaadren der boomen gelijkende, nu eens Leven in heerlijken bloei en genieten de voedende veldvrucht, Dan weer kwijnen, van kracht ontbloot. Maar laten wy aanstonds Daarom staken den strijd; dat zij zeiven beslissen hun tweespalt.

Alzoo sprak hij en wendde zich af; wel schroomde hij immers Tegen zijns vaders broeder de handen ten strijd te verheffen. Doch hem berispte zijn zuster, de hooge vorstin van het woudwild, Artemis lustig ter jacht, die de smaadlijke woorden hem toesprak:

— Treffer van verre, gij vlucht nu reeds en gij geeft aan Poseidoon Zoo volkomen de zege en laat hem zich ijdel beroemen.

Dwaas, wat draagt gij den boog, wat baat u het werkeloos wapen ? Laat ik het voortaan nooit in des vaders zale vernemen

Zoo gij er praalt, als te voren te midden der eeuwige goden. Tegen Poseidoons sterkte te bieden uw dapperen weerstand.

Dus hare taal; geen woord sprak echter de treffer Apolloon, Maar het verwekte den wrevel van Zeus\' eerwaardige gade. Welke der jachtgodin toevoegde de felle berisping:

— Hoe ontziet gij u niet, o schaamtlooze hond, in mijn aanzicht Hier mij te tarten? Gij zoudt u bezwaarlijk in kracht met mij meten, Schoon gij den boog al voert, daar Zeus u voor menschlijke vrouwen

-ocr page 390-

374

Slechts leeuwin deed zijn en u gaf dat gij doodt wie u goeddunkt. 485. Waarlijk het voegde u nicer dat gij roovcnd gedierte der bergen üooddet of zwervende herten, dan hoogeren stout te bekampen. Maar als gij zoo mocht wenschen het strijden te leeren, bespeur dan Wat mijne macht wel gelde, dewijl gij het waagt mij te tarten. Al zoo sprak zij en toen met de linker haar beide de polsen 490. Vast omklemmende trok zij den koker cn boog van haar schouders; Daarmee sloeg zij haar dan met een lachend gelaat om de ooren, Hoe zij ook wendde, terwijl rondstoven de vluchtige pijlen. Wcenend vlood de godinne van onder haar hand, als een woudduif Welke den greep van een valk ontvlucht in de kloof van een bergspleet, 4{je. Diep in de holte, dewijl zij hem niet tot een prooie beschikt was. Zoo ontvluchtte zij wcenend de plaats en zij liet er het jachttuig. Leto genaderd begon nu de Argosdoodende bode:

— Leto, ik zal voorwaar geen kamp met u wagen; bezwaarlijk Kan men de vrouwen bestrijden van Zeus, van den wolkenbestuurder;

500. Daarom moogt gij met lust in den kring onsterflijke goden

Over mijn neerlaag roemen, behaald door uw machtige sterkte.

Al zoo sprak hij, en Leto den krommenden boog en de pijlen Rapende, heinde en verre gestort op den stuivenden bodem.

Ging dan weder terug met het wapengerei van haar dochter; 505. Deze nu kwam ten Olumpos, ter koperen zale Kronioons,

Waar zich de maagd op de knieën des vaders zette en weende; Trillend bewoog om haar heen het ambrosische kleed; en Kronioon Drukte zijn kind aan de borst, dat hij zacht toelachende aansprak:

— Wie van de Ouranionen, mijn kind, heeft zóo u behandeld? 510. Wie zóo driest u bejegend, als deedt gij een openlijk misdrijf?

Daarop zei de bekransde godin van het druischende jachtveld:

— Vader, mij deed uwe gade dit leed, blankarmige Hera,

Zij, voor de eeuwige goden van twisten en strijden de oorsprong. Alzoo spraken zij samen en wisselden zulke gedachten. 515. Ilios\' heilige stad zocht thans weer Foibos Apolloon,

Want hem vervulde de vrees dat de Danaërs trots de beschikking Heden de muren verwoestten der stevig gemetselde burgvest. Maar ten Olumpos begaven zich weder de andere goden.

Dezen verbitterd van harte en genen zicb blijde beroemend, 520. Waar zij om Zeus neerzaten, den donkerbewolkten. Achilleus

509. Ouranionen, bewoners van den hemel.

-ocr page 391-

375

Doodde intusschen de Trojers en enkelhoevigc rossen.

Zoo als de rook zich verheft naar het wijd uitspansel des hemels Boven een brandende stad, als de woede der goden hem aanjaagt, Allen belast hij met zorgen en velen vervult hij met kommer; 525. Dus ook bracht aan de Trojers Achilleus zorgen en kommer.

Thans stond Priamos ginds op den heiligen toren, de grijsaard, Peleus\' vreeslijken zoon aanschouwende; onder zijn aangreep Vloden de Troïsche scharen, gestadig verward, en aan weerstand Dachten zij thans niet meer. Weeklagend gedaald van den toren 530. Kichtte hij toen bij den muur zijn bevel tot de wachten der vestpoort:

— Opent, de hand aan de deuren, de poort, dat het vluchtende

[krijgsvolk

Binnen de veste zich berge; Achilleus jaagt ze verwarrend Dicht hier heen. Thans vrees ik dat weldra nadert het onheil. Maar als zij binnen de muren, herademend, vinden een wijkplaats, 535. Sluit dan weder de deuren met stevig getimmerde balken;

Want de verderflijke man zal, vrees ik, de muren bestormen.

Dus zijn bevel; en de poort ontsloot men en lichtte den sluitboom. D\'opene vestpoort werd hun een licht. Toen stormde Apolloon Buiten, den held te gemoet, om den Trojers te weren het onheil. 540. Rechtstreeks spoedden zij voort naar de stad en den rijzigen walmuur. Smachtend van dorst en bezoedeld met stol\', uit de vlakte gevloden; Maar onstuimig vervolgde hij \'t volk met zijn speer, en verwoedheid Brandde hem wild in het hart en hij blaakte om roem te gewinnen. Thans had \'t volk van Achaia het rijzige Troja vermeesterd, 545. Zoo er Apolloon Foibos den held niet wekte, Agenor,

Eedlen en dapperen zoon van Antenors stamme geboren.

Dezen verwekte hij kracht in den boezem en dicht aan zijn zijde Stond hij om tegen te houden den greep van het doodelijk noodlot. Leunende tegen den eik en bedekt met een donkeren nevel. 550. Toen daar deze bemerkte den stedenverwoester Achilleus,

Stond hij, terwijl hem in \'t hart, al wijlende, velerlei omging. Wrevelig zeide hij nu tot het moedige hart bij zich zeiven:

— Wee mij, indien ik gevlucht voor den machtigen arm van Achilleus Voortyl, waar in verwarring en angst ook vlieden de andren,

555. Zal hij mij toch wel grijpen en dooden als weerloozen lafaard. Zoo ik ze daar in verwarring voor Peleus\' zone Achilleus Maar liet vluchten en snel, van den muur mij verwijdrend, de voeten Rep naar de vlakte van Troja en ijl tot ik tusschen de passen

-ocr page 392-

376

Kom van het Idagebergte en schuilplaats vind in het struikhout; 560. Voorts als de avond valt, dan kon ik, gebaad in het stroomnat, Frisch afkoelend het /.weet, naar de stad weer veilig teruggaan. Maar waarom toch koestert mijn hart nu zulke gedachten? Zoo hij mij maar niet zag van de stad naar de vlakte mij spoedend, Wen hij mij snel naijlend met vliegende voeten mij inhaalt, 565. Geen ontkomen aan dood en aan noodlot ware er mooglijk.

Want zijne kracht overtreft te geweldig een ieder der menschen. Maar als ik vóór onze veste hem dapper ten strijd te gemoet ga. Zijn lijf toch is ook door het vlijmende koper verwondbaar. Slechts één leven bezit hij en sterfelijk heet hij als andren, 570. Schoon hem Kronioon Zeus al immer begunstigt met krijgsroem.

Alzoo sprekende bleef hij, Achilleus dapper verwachtend.

Vast in zijn harte besloten den kamp stoutmoedig te strijden. Zoo, wanneer uit de struiken te voorschijn tredend een panter Tegen den jager zich stelt, geen vrees hem den moed in het harte 575. Neemt of tot vluchten hem drijft, hoe luide het blaffen hem toeklinkt; Want al trof hem de jager het eerst met een stoot of een speerworp, Ja, al ware hij gansch doorboord van de speer, dit beteugelt Niet zijn geweld, aleer hij ten aanval stormt of ter neer zinkt; Dus ook wilde Agenor, de zoon van den stouten Antenor, 580. Niet eer wijken ter vlucht aleer hij beproefde Achilleus, ,

Maar hij beschutte zijn lijf met den rondom welvenden beuklaar, Nam hem ten wit van zijn speer en zijn kreet klonk luide hem tegen: — Vast wel hadt gij gehoopt in uw hart, roemvolle Achilleus, Heden de stad te verwoesten der stout overmoedige Trojers; 585. Dwaas, noch zullen om deze er velerlei jammeren rijzen,

Want noch talrijk zijn wij, de dapperen daar in de veste.

Welke hun dierbare ouders en gaden en kindren beschermend Ilios redden in nood. Maar u zal treffen het onheil, Hoe ontzaglijk ge zijt, gij onafmatbare strijder.

590. Alzoo sprak hij en zwierde met wichtige hand zijne werpspies. Niet te vergeefs, en hij raakte hem onder de knie op het scheenbeen, Zoo dat het tinnen beslag van de nieuwe en krachtige scheenplaat Klonk met vervaarlijk gedreun; toch spatte het koperen wapen Weder terug en het drong niet door, weerstaan door de godsgaaf\'. 595. Toen ging Peleus\' zoon weerkeerig den eedlen Agenor

Woedend te lijf; maar Foibos belette hem roem te verwerven, Wijl hij Agenor op eens ontvoerende, duisteren nevel

-ocr page 393-

377

Over hem spreidde en veilig hem deed ontvluchten de kampplaats. Peleus\' zoon misleidde hij toen, van het volk hem verwijdrend; 600. Immers de treffer van verre, geheel op Agenor gelijkend.

Stelde zich voor hem die snel hem vervolgende repte de voeten. Dezen vervolgde hij steeds op de graanvmchtdragende vlakte, Waar hij den vluchteling dreef naar den wielenden vloed van Ska-

[mandros,

Steeds maar weinig hem vóór, want listig bedroog hem Apolloon, 605. Zoo dat hij altijd hoopte met vliegenden voet hem te grijpen. Middelerwijle bereikten de scharen der vluchtende Trojers Vreugd vol allen de stad, van de benden vervuld die zij opnam. Buiten de stad en den muur dorst niemand langer verwijlen. Anderen wachtend en zoekend of deze of gene gered werd, 6io. Dan of hij viel in den krijg; maar vreugdvol stroomden zij allen Binnen de stad, wie zijn voeten en knieën vermochten te redden.

-ocr page 394-

TWEE m TWINTIGSTE ZANG.

j^^lIzoo thans in dc veste, als jeugdige hinden, gevloden. Koelden zij \'t zweet vau hun leden, den dorst met een dronk zich

[verdrijvend.

Tegen de tinnen der muren zich leggende; maar bij dc wallen Naderden dicht de Achaiërs, het schild om de schouders geworpen. 5. Doch dc verderflijke schikking des lots dwong Hektor te toeven Ginder op llios\' vlakte en buiten de Skaiische vestpoort.

Maar tot Achilleus richtte zijn woord thans Foibos Apolloon: — Waarom, Peleus\' zoon, mij vervolgd met uw vaardige voeten. Gij die een sterveling zijt d\'onsterflijken god? Gij herkent mij 10. Vast wel niet als een god, zoo rusteloos woedt uw vervolging, Maar met de Trojers bemoeit gij u nu niets meer, die u vliedend Thans in dc veste zich bergen, terwijl gij u hier van hen afwendt. Mij toch dooddet gij nooit, wien nimmer het sterven beschikt is. Dezen ten antwoord zeide verstoord snelvoetig\' Achilleus: 15. — Listig bedroogt gij mij, treffer van ver, gij wreedste der goden. Hier van den muur mij ter zij heenlokkende; waarlijk een aantal Zou noch hebben gebeten in \'t stof, eer Troja hen opnam.

Maar thans, heerlijken roem ontrooft gij mij, dezen beschermend. Zonder gevaar, geen vrees toch hebt gij voor latere weerwraak. 20. Zeker, ik deed het u boeten, indien het mij mogelijk ware.

Alzoo sprak hij en ging vol trots in het hart naar de stadsvest. Vurig en zoo als een ros, aan de zege gewoon met den wagen. Lichtelijk over de vlakte zich spoedt en zich strekt in den renloop; Dus ook Achilleus, vlug zijne voeten bewegend en knieën. 25 Priamos zag hem het eerst, en hem speurde dc blik van den grijsaard

-ocr page 395-

379

Vliegende over het veld, hel glanzend gelijk het gesternte \'t Welk in den herfsttijd rijst, als de wondere kracht van zijn lichtgloed Tusschen het heer van de sterren verschijnt in het schemerend

[melkuur;

Daaraan gaven de menschen den naam van den Hond van Orioon. \'t Helderst vonkelt hij wel, maar wordt tot een teeken van onheil, Want met verdervende hitte bezoekt hij het kommerlijk menschdom. Dus ook blonk om de borst van den spoedenden strijder het koper. Luid weeklaagde de grijze en sloeg zich het hoofd met de handen, Beurde de armen ten hemel en riep met verdubbelde weeklacht Smeekend zijn dierbaren zoon; doch vóór aan de poort van de veste Stond hij en blaakte van drift om te voeren den kamp met Achilleus. Jammerend riep hem de grijze en strekte de handen hem tegen: — Hektor, mijn dierbare zoon, och wacht daar niet den geduchte, Zonder uw volk, alleen, dat u straks niet trctl\'c het onheil Onder Achilleus\' hand, die in kracht zoo verre u voorgaat; Die ontzettende; mocht hij den eeuwigen even zoo dierbaar Zijn als mij zeiven, dan lag hij geveld en den honden en gieren Was hij ten prijs; dan viel van mijn ziele een drukkende kommer; Hij die mij deed ontberen een menigte zonen en dappren.

Deels ze vermoordende, deels ze verkoopende ver op een eiland. Thans ook, twee van mijn zoons, Poludoros benevens Lukaoon Mis ik te midden der Trojers die binnen de veste zich borgen. Vrucht van Laothoë\'s liefde, de vorstlijke onder de vrouwen. Waren zij noch in het heer der Achaiërs in leven, met koper Kon ik ze lossen en goud; hier immers bezit ik het ruimschoots. Veel toch gaf met zijn dochter de loüijke Altes, de grijsaard. Maar als zij reeds in den dood en in Aides\' woningen zonken. Ach, wij verwekten hen dan aan mijn hart en hun moeder tot weedom; Maar veel mindere smart zal toch om hen beiden de volken Treffen, indien slechts gij niet sterft door de hand van Achilleus. Kom dus binnen de veste, mijn zoon, dat gij hoedt voor het onheil Trojers en Troïsche vrouwen en Peleus\' zone den krijgsroem Niet doet winnen en zelf er het liefelijk leven bij inschiet.

Wees mij, droeve, erbarmend, zoo lang noch dure mijn leven, Mij rampzaligen man, dien Zeus op den drempel der grijsheid Heen doet kwijnen in kommer, die zoo veel jammeren zien moet, Al mijne zonen gedood, mijne dochters gesleurd in den vreemde, \'t Huis met zijn zalen verwoesting ten prijs, en mijn jeugdige nakroost

-ocr page 396-

380

Tegen do aarde verpletterd ten dage der schriklijke slachting, os. Vrouwen gehuwd met mijn zonen gesleept door de hand der Aehaiërs. Eindlijk ten leste mij zeiven verscheurd hier vóór mijne woning, Bloedigen honden tot prooi, wanneer met het vlijmende koper Stootend of werpend een man mij de ziel ontrooft uit de leden, Honden, gevoed in mijn huis, bij mijn tafel, tot wachters der deuren; 70. Dezen, zij slurpen mijn bloed, en zij liggen verbijsterd van zinnen Voor in den gang. In zijn jeugd staat alles den manne betaamlijk, Wen hij er ligt, in den krijg door het vlijmende koper verslagen; Zelfs in den dood noch is hem betamelijk wat men ook aanziet; Maar als vergrijsde het hoofd en vergrijsde het haar om de kinbak, 75. Wen dan honden de schaamt\' ontecren des stervenden grijsaards. Dan wordt diep ellendig het lot der beklaaglijke menschen.

Alzoo sprak hij terwijl zijne handen de grauwige haren Rukten van \'t hoofd; toch kon hij het hart niet roeren van Hektor. Dan weer uitte zijn moeder, in tranen gedompeld, haar weeklacht, so. Trok zich het kleed van de borst, met de hand aan haar boezem

[geslagen;

Zoo klonk luid haar geween en zij riep de gevleugelde woorden:

— Hektor, mijn kind, dat mijn boezem u eerbied geve, erbarm u Mijner, terwijl ik u wijs op de borst die uw tranen gestild heeft, Wees het gedachtig, mijn kind, ontzie den geweldigen strijder,

85. Binnen de muren u bergend, en sta dien niet in den tweekamp. Schriklijke! Mocht hij u dooden, dan zal ik u nooit op het rustbed Treurend de weeklacht wijden, mijn dierbare, bloed van mijn bloede, Noch uw aanzienlijke vrouw; maar ver van ons allen verwijderd Zullen bij Argos\' vloot u de roovende honden verscheuren. 90. Alzoo weenden zij beiden en riepen den zoon, hun geliefde, Smeekend met drang, doch konden het hart niet roeren van Hektor, Maar noch bleef hij en wachtte den gruwlijken strijder Achilleus. Zoo als een draak uit de bergen, met giftige kruiden zich voedend. Voor zijn spelonk den belager verbeidt, vol felle verwoedheid; 95. Vreeselijk blikt hij in \'t rond, om de grot zich in kronkelen windend; Dus ook Hektor, het hart vol bruischenden moed en hij week niet, Leunend met \'t blinkende schild aan des torens kantigen voorsprong. Wrevelig zeide hij toen tot het edele hart bij zich zei ven:

— Wee mij! indien ik mij thans in de poort en de muren terugtrok, loc. Zou mij Poludamas zeker het eerst wel krenken met schimptaal.

Daar hij mij raadde de Trojers de stadsvest binnen te voeren,

-ocr page 397-

381

Toen in dien vreeslijken nacht weer rees de verheven Achilleus, Maar ik versmaadde zijn raad; toch ware het verre het raadzaamst. Maar thans, nu mijn verblinding verderfelijk was voor mijn volken, los. Ben ik beschaamd voor de Trojers en vrouwen met slependen

fkleedzoom,

Vrees ik dat daar wellicht mij een verre geringere toevoegt: — Hektor verdierf zijne volken, op eigene kracht zich verheffend. — Want zoo zullen zij spreken; het ware mij beter in waarheid Zoo ik Achilleus sta en hem doodendc weer uit den kampstrijd no. Keere of zelf hier sterf, voor de stad roemwaardig bezweken. Maar, als ik eens neerlegde den rondom welvenden beuklaar. Zoo ik den helm ontbond en de speer liet staan aan den walmuur. Zelf te gemoet dan spoedde den edelen strijder Achilleus,

Zoo ik hem Helena dan met de schatten beloof die zij meebracht, 115. Alles wat eens Alexandros vergaard in zijn holle galeien

Voerde naar Troja\'s gewest, waar al dit strijden uit voortsprong. Vroeg dat hij Atreus\' zonen het gaf en met andre geschenken Ook de Achaiërs bedeelde van al wat er ligt in de veste; Zoo ik een heiligen eed dan voorts doe zweren de Trojers, 120. Niets in \'t geheim te verheelen en alles in tweeën te deelen Wat er de bloeiende stad ook moge bevatten aan rijkdom — Maar waarom toch koestert mijn hart nu zulke gedachten?

Niet als een smeekeling moet ik hem naderen; zeker, erbarming Voelde hij noch ontzag, en hij sloeg mij, beroofd van mijn wapens, ; 125. Achteloos neer, als een vrouw, wanneer ik mijn wapenen neerlei. Neen, thans is het gewis geen zaak om van eiken en rotsen Beuzelgesprekken te voeren, als kozend de maagd met den jongling, Zoo als de maagd met den jongling te zamen vertrouwelijk voeren. Beter ten doodlijken kamp, zoo spoedig het kan, ons te mengen; uo. Zien wij aan wien dan Zeus de Olumpiër gunne den krijgsroem. Zoo zich bedenkende bleef hij; hem naderde thans de Peleide Ares gelijk in gestalte, den helmboswuivenden krijgsgod,

Pelions esschene speer op den rechter schouder ten aanval Trillend gereed; en het koper, gelijk aan een helderen lichtgloed, 1 las Blonk om hem heen, als een vuur of de glans van den rijzenden zongod. Hektor gevoelde hem ziende een huivering; zoo hem te wachten Waagde hij niet maar vluchtte en achter zich liet hij de vestpoort. Doch de Peleide hem na, op de vaart zijner voeten vertrouwend. Zoo als een valk in de bergen, de snelste van al het gevogelt,

-ocr page 398-

382

j-to. Licht iu zijn stormende vlucht neerschiet op een schuchtere woudduif; Zijwaarts vliedt zij en wendt; maar nader, met krassende kreten Brengt hij haar telkens in \'t nauw, steeds hakend zijn prooi te

[vermecstren;

, Dus ook stormde hij recht op hem toe; bij den Troïschen walmuur Vluchtte de siddrende Hektor en spande de kracht zijner knieën, us. Beiden den wachtpost langs en het ruischende loof van den vijgboom, IJlden van onder den muur steeds verder en voort op den heerweg, Tot zij bereikten de twee schoonvlietende bronnen, aan welke Beide de beken zich vormen des wielend bewogen Skamandros. Warm ontvloeit er de éene en rondom rijst uit baar waatren 150. Immer de vochtige damp, als een rook uit den brandenden vuurgloed; Maar ook \'s zomers stroomt er de andere koud als de hagel, Zoo als de killige sneeuw of het klare bevrozene water.

Daar zijn dicht bij de bronnen de ruime gehouwene bakken. Schoon in de rotsen gehakt; hier plachten de Troïsche vrouwen 155. Saam met haar lieflijke dochters te wasschen het glanzige lijnwaad. Tijdens den vrede en vóór dat er kwam de Achaïsche heermacht. Daar langs renden zij, deze ter vlucht en de ander vervolgend; Vooraan vluchtte een sterke, een noch veel sterkere echter Volgde hem rustloos, want geen dier voor een offer of stierhuid Kio. Was er te winnen ten prijs van den rennenden voet in een wedloop, Hier was kamp om het leven des rossenbedwingenden Hektors. Zoo als, de zege gewoon, sterkhoevige rossen den eindpaal Scherp omzwenken, als soms bij een uitvaart schittrende prijzen Daar den verwinnaar verbeiden, hetzij eene vrouw of een drievoet; ic,5. Alzoo renden ook dezen de veste van Priamos driemaal

Rond met gevleugelde voeten. De goden aanschouwden het allen. Nu klonk dezen het woord van den Vader der menschen en goden: — Wee, dien man, den geliefde, vervolgd en gejaagd om de muren Moeten mijn oogen hem zien; hij vervult mij het harte met deernis, ito. Hektor, die zoo veel offers mij wijdde van runderenschenkels. Brandende nu op de toppen van Ida\'s gebogenen bergrug, Dan op de hoogten des burgs; thans jaagt hem de eedle Achilleus Rondom Priamos\' stad, hem met vaardige voeten vervolgend. Doch welaan, en bedenkt het, gij goden, beraadt u met aandacht, 175. Zal hij den dood ontkomen of thans reeds worden verslagen.

Schoon hij een dappere zij, door de hand des Peleiden Achilleus? Daarop gaf de godin klaaroogde Athena ten antwoord:

-ocr page 399-

383

— Blikscmenstralende Vader in \'t wolkfloers, welk een bedenking ! Dezen, een sterflijken meuscli, reeds vroeger bestemd door het noodlot, Is het uw wil thans weer van den gruwbaren dood te bevrijden? Doe gij \'t, maar nooit stemmen wij toe, wij andere goden.

Doch toen zeide haar Zeus de bestuurder der wolken ten antwoord;

— Stil maar, Tritogeneia, mijn kind, thans zeg ik het u niet Ernstig het meenend, voor ü toch wil ik genegen en zacht zijn, Doe slechts zoo als uw harte geneigd mocht wezen en draal niet.

Alzoo sprak hij en wekte de reeds ontvlamde Athena;

Ijlings stormde zij heen naar omlaag van de kruin des Olurnpos. llusteloos Hektor vervolgend beklemde hem snelle Achilleus. Zoo als een hond in de bergen het jong van een hinde vervolgend, Pas uit het leger gejaagd, en door dalen en struiken het nazit; Schoon het zich poogt te verbergen cn wegduikt onder het struikhout. Nochtans spoort hij het na, niet rustende eer hij het weervond; Zoo was Hektor nooit uit het oog van den snellen Peleide.

Maar zoo vaak als iiij zocht de Dardanische muren te naadren. Daar zijnen loop heenwendend, en onder de stevige torens.

Ziende of soms op den muur men hulp kwam bieden met werptuig. Even zoo vaak was gene hem vóór en vervolgde hem zijwaarts. Weer naar de vlakte hem drijvend; hij zelf bleef steeds aan de stadszij. Zoo wie er vruchtloos poogt, in zijn droom, te vervolgen een

[vluchtling,

Machtloos streeft dan vluchtend de een, en de andre vervolgend; Zoo greep deze hem niet in den loop, noch redde zich gene. j Maar hoe zou thans Hektor de doodsgodinnen vermijden.

Ware ten uiterste niet en ten laatste de hulp van Apolloon Steeds nabij, die hem sterkte, hem rapheid gaf in de knieën? D\' eedle Achilleus gaf aan zijn volk ook last door zijn wenken Niet hunne vlijmende schoten op Hektor te richten, dat niemand Roofde zijn roem als hij trof en hij zelf zou komen de tweede, y Maar thans toen zij de bronnen ten vierde der keeren bereikten. Strekte de Vader zijn hand omhoog met de goudene weegschaal, Legde er in twee teekens van \'t langneerstrekkende sterflot, \'t Een van Achilleus, \'t ander van Hektor den rossenbedwinger. Vatte het midden en woog; toen zonk en ten Aïdes neigde Hektors doodelijk lot, en Apolloon Foibos verliet hem.

Maar tot Achilleus kwam de godin klaaroogde Athena,

Naderde dicht aan zijn zijde en sprak de gevleugelde woorden;

-ocr page 400-

384

— Nu toch, hoop ik gewis, Zeus\' gunsteling, eedle Achillcus, Brengen wij heerlijken roem aan Achaia\'s volk by de scheepsvloot. Hektor verslaande, den strijder van oorlog nimmer verzadigd. Niet meer mogelijk is het hem thans voor ons beiden te vluchten,

220. Hoe zich bemoeide en kwelde de treffer van verre Apolloon, Schoon hij voor Zeus rondkruipe, den aigisvoerenden Vader, Maar welaan, houd stand en heradem terwijl ik hem zelve Naderen zal en bewegen u tegen te streven ten kampstrijd. Alzoo sprak Athenaia; het harte verheugd en gehoorzaam 225. Stond hij en rustte geleund op de koperbeslagene speerschaft. Toen hem verlatende ging zij, gespoed naar den godlijken Hektor, Gansch aan Deïfobos\' wezen gelijk en zijn machtigen stemklank. Dicht aan zijn zij dan trad zij en sprak de gevleugelde woorden:

— Waarde, u drong wel zeer het geweld van den snellen Acbilleus, 230. Toen hij met vaardige voeten om Priamos\' veste u najoeg.

Maar kom, houden wij stand en wij zullen hem wachten ten afweer.

Daarop zeide de groote, de helmboswuivende Hektor: —■ Immer, Deïfobos, waart gij mij vroeger de liefste der broeders, Welke van Hekabe allen en Priamos zagen het daglicht; 2;i5. Maar thans zal u mijn hart noch grootere eere bewijzen,

Nu gij ter wille van mij, zoodra uwe oogen het zagen.

Buiten de muren u waagt, waar alle de anderen blijven.

Daarop zeide hem weer de godin klaaroogde Athena:

— Waarde, mij bad zoo dringend mijn vader, mijn achtbare moeder, 240. Beurtlings de knieën mij vattend, en al onze makkers te gader.

Niet uit de veste te gaan; zoo waren zij allen beangstigd.

Maar mij beklemde den boezem te zeer de geweldige weemoed. Doch dat wij thans vol moed ons ten strijde begeven; de werpspies Zij niet langer gespaard, kom laten wij zien of Achiileus 24,5. Thans ons te zaam kan dooden en ginds naar de welvende schepen Brengen den bloedigen buit, of bezwijkt voor de kracht van uw

[werpspies.

Alzoo sprekende ging zij hem vóór, Athenaia, met arglist. Toen zij in stormenden drang elkaar nu waren genaderd,

Sprak tot Achiileus eerst de van manen omwapperde Hektor: 250. — Langer, o Peleus\' zoon, ontvlucht ik u niet, als te voren; Driemaal liep ik de veste van Priamos om en uw aanval Durfde ik niet weerstaan. Doch thans doortrilt mij den boezem Kracht om u tegen te gaan; of ik werde gedood of u neervel.

-ocr page 401-

385

Laten wij opzien thans tot de eeuwigen; want van de eeden Zijn zij de sterkste getuigen, de wachters van alle verdragen. Smadelijk zal ik in trouwe u niet raishandlon, als Zeus mij Gunt dat ik blijve behouden en roove de ziel uit uw leden; Maar, wanneer ik u nam uwe heerlijke wapens, Aehilleus,

Geef ik uw lijk den Aehaiërs terug. Gij, doe mij het zelfde. Norsch op hem neerziend zeide hem toen snelvoetig\' Aehilleus:

— Nimmer verschoonbare. Hektor, bespreek hier geene verdragen. Zoo als een heilig verbond geen leeuwen en menschen vereenigt. Zoo als de wolf en het schaap niet eendergezind zich verdragen, Maar in hun harten zij steeds vol haat elkander beschouwen. Dus ook kan voor ons beiden van vriendschap noch van verbintnis Worden gerept, aleer dat er een van ons beiden gesneuveld Ares verzaadt met zijn bloed, dien onweerstaanbaren strijder. Vat dan al uwen moed, want thans wel zal het u voegen

Rap met de lans u te toonen, een stout volhardenden krijgsman. Nu geen uitkomst meer, en terstond zal Pallas Athena Onder mijn lans u verslaan, nu zult gij mij alles vergelden, Al mijner makkeren leed, die uw woede versloeg met de werpspies.

Alzoo sprak hij en zond \'t ver schaduwwerpende speerhout, Maar het bij tijds nooh ziende vermeed het de schittrende Hektor, Daar hij zich wierp\'-óp zijn knie en de werpspies over hem henen Zwierde en drong in den grond; maar Pallas Athena haar grijpend Gaf haar Aehilleus weer, voor den dapperen Hektor verborgen. Toen klonk Hektors woord tot den edelen zone van Peleus:

— Verre gemist, en gij speldet, o godengelijke Aehilleus,

Niet naar den rade van Zeus mij den dood; zoo zeidet gij immers; Neen, wel waart gij een slimme gewis en bedrieglijke spreker. Toen gij mij dacht te verschrikken, my n moed en mij n sterkte vergetend; Waarlijk gij zult met uw speer mij den rug niet treffen als vluchtling. Maar hier voor in mijn borst, als ik rechtstreeks tegen u instorm. Zoo u een god het vergunt. Maar zorg mijn gekoperde werpspies Thans te vermijden. O mocht zij geheel in uw vleesch zich verbergen; Verre verdraaglijker wierd voor de volken van Troja de oorlog. Waart gij nedergeveld; gij zijt hun verderfelijk onheil.

Alzoo sprak hij en zond \'t ver schaduwwerpende speerbout. Zonder te missen, en trof in het midden het schild des Peleiden; Maar ver spatte de speer van het schild. Vol schaamte en gramschap. Wijl hem de stormende speer te vergeefs ontvloog aan zijn handen,

25

-ocr page 402-

386

Stond daar Hektor en had geen andere esschene werpspies.^ Luid tot Deïfobos roepend, den held met den blinkenden beuklaar, 296. Vroeg hij zijn rijzige lans, maar thans was verre zijn broeder.^ Toen werd Hektors geest het gewaar en hij sprak tot zich zeiven:

— Wee mij, gewis thans roepen ten dood mij de eeuwige goden; Immers ik dacht dat de held, dat Deïfobos stond aan mijn zijde; Doch in de stad is deze; en listig bedroog mij Athena.

300. Thans is \'t heilloos sterven mij na, niet verre verwijderd.

Thans geen uitkomst meer. Want deze verleenden mij eertijds Zeus en de treffer van verre, zijn zoon, die mij vroeger genegen Gunstig betoonden hun hulp; doch heden bereikt mij het noodlot. Maar dat ik werkeloos niet in het stof neerzinke en roemloos, 305. Doch na dappere daden en waard dat ze roeme het nakroost.

Alzoo sprak hij en trok uit de schede het snijdende lemmet, Steeds aan de zijde hem hangend, het groote en stevige slagzwaard. Greep zich te zamen ten storm, als de luchtruimklievende arend. Welke, uit donkere wolken omlaag naar de vlakte geschoten, sic. Stort op het lam van een schaap of een haas in de struiken verscholen Dus, zijne snijdende kling rondzwaaiende, stormde ook Hektor. Doch de Peleide hem tegen, en woede vervulde zijn boezem, Vol onstuimigen moed, zich de borst met den beukelaar dekkend, Schittrend van heerlijke kunst, en de helm vierdubbel van helmbos 315. Schudde en blonk op zijn hoofd, omwuifd van de goudene manen Zwaar om den helmkam golvend, gewerkt door de kunst van Hefaistos. Even als onder de sterren ten avondstond van het melken Hesperos glanst aan den hemel, de schoonste van al het gesternte,; Dus ook glansde bet licht der geslepene speer die Achilleus 320. Zwaaiend verhief in de rechter, verwoed op den godlijken Hektor, Spiedende waar hij het zekerst hem trof in het heerlijke lichaam. Rondom dekte geheel hem het lijf zijn gekoperde rusting, \'t Heerlijke wapengerei dat hij roofde den dooden Patroklos; Slechts bij het sleutelgebeente en tusschen den hals en de schouders 325. Was zijne keel ontbloot, de gevaarlijkste plaats van het lichaam. Daarheen richtte den storm van zijn speer de verheven Achilleus, Dwars door den teederen hals heendrijvend de punt van zijn werpspies. Maar niet gansch doorsneed de gekoperde schaft hem den gorgel. Zoo dat hij noch eene wijle in staat was woorden te uiten. 330. L Hektor zonk in het stof; toen juichte de groote Achilleus:

— Hektor, gewis wel dacht gij Patroklos\' wapenen roovend,

-ocr page 403-

387

335.

Veilig te wezen en teldct mij niet, toen verre verwijderd,

Dwaas; toch wijlde er verre voor dezen een machtige wreker, Toen bij de welvende schepen ik daar ben achtergebleven, Ik die uw knie deed zinken. De honden en roovende vogels Zullen u smadelijk grijpen, hem viert de Achaiër zijn uitvaart. Nauwelijks ademend zeide de helmboswuivende Hektor;

— Ach, bij uw ziele bezweer ik en smeek, bij uw knieën, uw ouders, Laten mij niet bij de schepen Achaïsche honden verscheuren. Maar neem alles, van koper en goud, zoo veel het u aanstaat. Al wat aan giften mijn vader u biedt en mijn achtbare moeder, Mits gij mijn lichaam slechts hun vergunt, dat te huis aan den doode Trojers en Troïsche vrouwen de eere der vlammen verleenen.

Norsch op hem neerziend zeide hem weer snelvoetig\' Achilleus:

— Neen, hond, zoek bij mijn knieën en ouders mij niet te bezweren, Want zoo zeker de toorn en de woede mij drijft om aan stukken Rauw te verslinden uw vleesch, om de smart door uw daad mij

[berokkend,

Zal er gewis geen enkle uw hoofd voor de honden beschermen, Zelfs al mochten zij tien, ja twintigvoiidigen. losprijs Herwaarts brengen en noch veel heerlijker giften beloven.

Ja, al mocht hij mij dringen aan goud uw gewicht mij te geven, Priamos Dardanos\' zoon, toch zou uwe achtbare moeder Niet op de sponde u leggen, den zoon dien zij baarde beweenend. Maar gansch zullen de honden en roovende vogels u vreten. Stervende zeide hem weder de helmboswuivende Hektor:

— Ja, u kende ik wel en voorzag dat gij niet te vermurwen Waart, want waarlijk bezit gij een ijzeren hart in uw boezem. Maar zorg nu dat ik niet u de wraak van de goden berokken Tegen den dag dat u eens toch Paris en Foibos Apolloon Zullen verslaan, hoe dapper gij zijt. bij de Skaiïsche vestpoort.

Alzoo sprak hij en werd door het einde des doods overschaduwd: Toen ontvlood zijne ziel uit de leden naar Aides\' woning,

Droef om haar lot en verlatend de manlijke krachten en jonkheid. Nocji sprak toen tot den doode de godlijke strijder Achilleus: —(ySterf; thans zal ik zelf ontvangen mijn lot, als het eenmaal Zeus zal willen vervullen en d\'andere eeuwige goden.

Alzoo sprak hij en rukte de koperen speer uit het lichaam, Stelde het wapen ter zijde en nam hem de bloedige rusting Toen van de schouderen. Dra omringden hem andre Achaiërs

340.

345.

350.

355.

300.

365.

-ocr page 404-

388

370. Welke den krachtigen bouw en de schoone gedaante van Hektor Vol van verbazing beschouwden, terwijl noch ieder hem wondde. Alzoo zeide hem ziende de eene ten anderen nabuur: ■— Wel, voorwaar, thans is hij met meerder gemak te betasten, Hektor, dan toen hij de schepen verbrandde met zengenden vuurgloed. 375. Dus sprak deze en gene en wondde den doode, hem naadrend. Alzoo nam hem zijn wapens de godlijke snelle Achilleus,

Stond in den kring der Achaiërs en sprak de gevleugelde woorden: — Vrienden, van Argos\' volken de hoofden en legerbestuurders, Na dat de goden mij hebben vergund dien man te bedwingen, 380. Hem die mij veel misdeed, veel meer dan de anderen allen, Welaan, zien wij gewapend de stad in het rond te beproeven, Zien wij den geest van de Trojers en wat hun beweegt te bespeuren, Of zij misschien, om zijn dood, thans zouden verlaten den stadsburg. Dan wel wagen te blijven, ofschoon geen Hektor hen bijstaat. 385. Maar waartoe toch koestert mijn geest thans zulke gedachten? Daar ligt noch bij de schepen, verstoken van klachten en uitvaart. Onze Patroklos, aan wien ik gedenk, zoo lang ik het leven Onder de levenden heb en de kracht noch blijft in mijn knieën. Zoo men in Aïdes\' huis geen heugenis heeft van de dooden, 390. Dan ook zal ik alsnoch aan mijn dierbaren makker gedenken. Op dus, mannen Achaia\'s, en laten wij, heffend den lofzang, Gaan naar de welvende schepen en daarheen dezen vervoeren. Schitterend kroont ons de roem, wij versloegen den godlijken Hektor, Binnen de veste der Trojers door allen vereerd als een godheid. S95. Alzoo sprak hij en deed onwaardige daden aan Hektor.

Eerst doorsneed hij van achter aan beide de voeten de pezen Tusschen den knokkel en hiel, doorstak ze met riemen en bond \'ueni Achter den bak van den wagen, dat slepend het hoofd er bij neerhing; Dan op zijn wagen gestegen, de heerlijke wapens er beurend, 400. Sloeg hij de zweep op de rossen die vlogen den prikkel gehoorzaam. Stoffige wolken omringden het slepende lijk, in verwarring Zwierde het donkere haar en het hoofd lag gansch in het stofgruis, \'t Hoofd zoo liefelijk vroeger; dewijl Zeus\' wil zijnen vijand Gunde hem thans te verminken in \'t land zijner eigene vaadren. 405 Stof overdekte het hoofd, het bezoedelend. Doch zijne moeder Reet zich het haar van de kruin en zij sleurde den blinkenden sluier Ver van zich af, bij het zien van haar zoon, luid snikkend en klagend. Droef ook weende zijn vader, de dierbare; al in het ronde

-ocr page 405-

389

Klonk door dc stad het gehuil en het jammergeklaag van de volken. 4io. Ja, niet minder verhief zich het luide geklaag, of er ganschlijk \'t liijzige Ilios zonk van zijn hoogte in smeulenden vuurgloed. Nauwelijks konden de volken den droeven en toornigen grijsaard Noch weerhouden naar buiten, uit Dardanos\' poorten te ijlen. Allen bezwoer hij en bad, in het vuil van den bodem zich wentlend, lis. lederen man toeroepend en smeekend bij name hem noemend;

— Vrienden, terug; o laat mij, ofschoon het uw harten bekommert. Thans alleen uit de stad, om te gaan naar de vloot der Achaicrs. Smeekende wil ik hem zoeken, den wreeden bedrijver van onrecht. Zien of mijn leeftijd soms ontzag moog\' geven, hem deernis

430. Wekke mijn grijsheid; zelf toch heeft hij een grijzenden vader, Peleus, eens hem verwekkend en kweekend den Trojers ten onheil. Maar voor mij zeiven het meest, ver boven de andren, tot droefheid. Zoo veel zonen versloeg hij mij toch, in hun bloeiende jonkheid; Welke ofschoon ik ze allen betreur, niet zulk eenen weemoed 435. Gaven als hij alleen, wiens dood mij ten Aïdes heensleept.

Hektor mijn zoon! O was mij gegund dat hij stierf in mijn armen; Dan had klacht en geween onze smarten gestild bij zijn uitvaart. Mij en de vrouw die hem baarde, zijn diep rampzalige moeder. AIzoo zeide hij weenend, omringd van de zuchtende burgers. 430. Ook hief Hekabe luid bij de Troïsche vrouwen haar weeklacht:

— Kind, ik arme, helaas! Waartoe noch leef ik, in rampspoed. Wijl gij stierft? O gij die mij alle de nachten en dagen Waart tot een eer in de veste, voor allen een reddende schutsweer, Trojers en Troïschen vrouwen, u steeds in de stad als een godheid

435. Eerende, wijl gij aan allen tot roem en fot eere geweest zijt Tijdens uw leven; u greep thans echter dc dood en de Moira.

Alzoo sprak zij en kreet; maar geencrlei mare vernam noch Hektors vrouw; want geen die haar reeds als betrouwbare bode Meldde dat buiten de poorte haar man was blijven verwijlen; 440. Doch in het binnenvertrek van het hooge paleis, aan haar weefstoel. Weefde zij dubbel in \'t purper een kleed met gebloemde versiersels. Daarna riep zij in \'t huis schoonlokkige maagden, gelastend Haastig ten vure te stellen een groot waschbekkcn des drievoets. Hektor ten bade gewarmd, als hij ware gekeerd van het slagveld, us. Arme, zij wist noch niet dat hem ginds wel verre van baden Onder Achilleus\' hand klaaroogde Athena ter neer sloeg.

Doch daar hoorde zij thans bij den toren geween en gejammer;

-ocr page 406-

388

37(». Welke den krachtigen bouw en de schoone gedaante van Hektor Vol van verbazing beschouwden, terwijl noch ieder hem wondde. Alzoo zeide hem ziende de eenc ten anderen nabuur;

— Wel, voorwaar, thans is hij met meerder gemak te betasten. Hektor, dan toen hij de schepen verbrandde met zengenden vuurgloed.

375. Dus sprak deze en gene en wondde den doode, hem naadrend. Alzoo nam hem zijn wapens de godlijke snelle Achilleus,

Stond in den kring der Achaiërs en sprak de gevleugelde woorden:

— Vrienden, van Argos\' volken de hoofden en legerbestuurders, Na dat de goden mij hebben vergund dien man te bedwingen,

380. Hem die mij veel misdeed, veel meer dan de anderen allen. Welaan, zien wij gewapend de stad in het rond te beproeven. Zien wij den geest van de Trojers en wat hun beweegt te bespeuren, Of zij misschien, om zijn dood, thans zouden verlaten den stadsburg. Dan wel wagen te blijven, ofschoon geen Hektor hen bijstaat,, 385. Maar waartoe toch koestert mijn geest thans zulke gedachten? Daar ligt noch bij de schepen, verstoken van klachten en uitvaart. Onze Patroklos, aan wien ik gedenk, zoo lang ik het leven Onder de levenden heb en de kracht noch blijft in mijn knieën. Zoo men in Aïdes\' huis geen heugenis heeft van de dooden, 390. Dan ook zal ik alsnoch aan mijn dierbaren makker gedenken. Op dus, mannen Achaia\'s, en laten wij, heffend den lofzang. Gaan naar de welvende schepen en daarheen dezen vervoeren. Schitterend kroont ons de roem, wij versloegen den godlijken Hektor, Binnen de veste der Trojers door allen vereerd als een godheid, sus. Alzoo sprak hij en deed onwaardige daden aan Hektor.

Eerst doorsneed hij van achter aan beide de voeten de pezen Tusschen den knokkel en hiel, doorstak ze met riemen en bond hem Achter den bak van den wagen, dat slepend het hoofd er bij neerhing; Dan op zijn wagen gestegen, de heerlijke wapens er beurend, 400. Sloeg hij de zweep op de rossen die vlogen den prikkel gehoorzaam. Stoffige wolken omringden het slepende lijk, in verwarring Zwierde het donkere haar en het hoofd lag gansch in het stofgruis, \'t Hoofd zoo liefelijk vroeger; dewijl Zeus\' wil zijnen vijand Gunde hem thans te verminken in \'t land zijner eigene vaadren. 405 Stof overdekte het hoofd, het bezoedelend. Doch zijne moeder Heet zich het haar van de kruin en zij sleurde den blinkenden sluier Ver van zich afj bij het zien van haar zoon, luid snikkend en klagend. Droef ook weende zijn vader, de dierbare; al in het ronde

-ocr page 407-

389

Klonk door de stad het gehuil en het jammergeklaag van de volken, no. Ja, niet minder verhief zich het luide geklaag, of er ganschlijk \'t llijzige Ilios zonk van zijn hoogte in ameulenden vuurgloed. Nauwelijks konden de volken den droeven en toornigen grijsaard Noch weerhouden naar buiten, uit Dardanos\' poorten te ijlen. Allen bezwoer hij en bad, in het vuil van den bodem zich wentlend, 415. lederen man toeroepend en smeekend bij name hem noemend:

— Vrienden, terug; o laat mij, ofschoon het uw harten bekommert, Thans alleen uit de stad, om te gaan naar de vloot der Achaiërs. Smcekende wil ik hem zoeken, den wreeden bedrijver van onrecht, Zien of mijn leeftijd soms ontzag moog\' geven, hem deernis

420, Wekke mijn grijsheid; zelf toch heeft hij een grijzenden vader, Peleus, eens hem verwekkend en kweekend den Trojers ten onheil. Maar voor mij zeiven het meest, ver boven de andren, tot droefheid. Zoo veel zonen versloeg hij mij toch, in hun bloeiende jonkheid; Welke ofschoon ik ze allen betreur, niet zulk eenen weemoed 435. Gaven als hij alleen, wiens dood mij ten Aïdes heensleept.

Hektor mijn zoon! O was mij gegund dat hij stierf in mijn armen; Dan had klacht en geween onze smarten gestild bij zijn uitvaart, Mij en de vrouw die hem baarde, zijn diep rampzalige moeder. Alzoo zeide hij weenend, omringd van de zuchtende burgers. 430. Ook hief Hekabe luid bij de Troïsehe vrouwen haar weeklacht:

— Kind, ik arme, helaas! Waartoe noch leef ik, in rampspoed, Wijl gij stierft? O gij die mij alle de nachten en dagen Waart tot een eer in de veste, voor allen een reddende schutsweer, Trojers en Troïschen vrouwen, u steeds in de stad als een godheid

! 436. Eerende, wijl gij aan allen tot roem en tot eere geweest zijt Tijdens uw leven; u greep thans echter de dood en de Moira.

Alzoo sprak zij en kreet; maar gecnerlei mare vernam noch Hektors vrouw; want geen die haar reeds als betrouwbare bode Meldde dat buiten de poorte haar man was blijven verwijlen; 440, Doch in het binnenvertrek van het hooge paleis, aan haar weefstoel, Weefde zij dubbel in \'t purper een kleed met gebloemde versiersels. Daarna riep zij in \'t huis schoonlokkige maagden, gelastend Haastig ten vure te stellen een groot waschbekken des drievoets. Hektor ten bade gewarmd, als hij ware gekeerd van het slagveld. 445, Arme, zij wist noch niet dat hem ginds wel verre van baden

-ocr page 408-

390

Plotseling beefden haar leden en zonk uit haar handen de weefspoel. Aanstonds luidde haar woord tot de sierlijk gelokte slavinnen: 450. — Voort en dat twee er mij volgen. Ik ijl om te zien wat er voorviel, \'k Hoorde de stem van de moeder myns mans, in mijn binnenste trilt het, Beeft mij het hart in de borst en beklemt mij de keel; en mijn knieën Worden van onder verstijfd; iets kwaads dreigt Priamos\' zonen. Ach dat mijn oor niet hoore het woord; maar vreeze bevangt mij 455. Toch dat de godlijke held, de Peleide, den moedigen Hektor Afsneed, gansch alleen, van de stad, in het veld hem vervolgend, Ja, wellicht reeds stuitte zijn al te vermetele koenheid.

Welke hem altijd drijft, waardoor hij zich niet bij zijn krijgsvolk Houdt maar voorwaarts streeft, in zijn moed geen andre gelykbaar. 460. Alzoo sprak zij en vloog als een razende weg, door de woonzaal. Wild en met kloppenden boezem; haar volgden de dienstbare maagden. Toen zij den toren bereikte en kwam bij de scharen der mannen. Bleef zij er staan op den muur, rondspiedend, en zag zij hem plotslmg Medegesleept bij de veste; hem sleurden de vliegende rossen 405. Daar meêdoogenloos heen naar de ruime galeien Achaia\'s.

Aanstonds werden haar oogen bedekt door het duistere nachtfloers. Stortte zij ruggelings neer; aan haar geest ontvlood het bewustzijn. Ver weg vielen, haar hoofd ontglipt, hare schittrende siersels, Voorhoofdbindsel en huif en de samengewondene haarband, 470 Stortte de sluier dien eens haar de gulden godin Afrodite

Gaf op den dag dat als vrouw haar de helmboswuivende Hektor Bracht uit Eëtioons woning, met kostbaren schat haar verwervend. Beide de zusters van Hektor en mede de vrouwen der broeders Steunden haar, allen de droeve, ten doode bezwijmde omringend. 475. Toen zij den adem herkreeg en de geest weer kwam tot bewustzijn. Weende en klaagde zij hevig en sprak tot de Troïsche vrouwen: — Hektor, ik arme, helaas!/Wel onder een zelfde beschikking Zagen wij beiden het licht, gij Priamos\' zone in Troja,

Ik in de veste van Thebe, bij Plakos\' belommerde helling, 480. Binnen Eëtioons woning; mij droeve verpleegde hij droeve

Daar in mijn jeugd; ach had hij er nooit mij het leven geschonken./ Thans in de diepten der aarde naar Aïdes\' woningen dalend Zijt gij gegaan, mij echter verlaat gij in smartlijke droefheid Weduwe hier in mijn huis: en het kind, noch is het een zuigling, 485. \'t Knaapje van ü en van mij, rampzaligen; nimmer, o Hektor, Zult gij ten trooster hem zyn, nu gij stierft, noch zal hij u troosten.

-ocr page 409-

391

Want al wierd hij gespaard in den gruwzamen krijg der Achaiërs, Altijd zullen hem toch voortaan veel moeite en zorgen Dreigen en zullen de andren hem wel ontrooven zijn erfland. 490. Ook van zijn jeugdige makkers berooft hem de dag der verweezing; Zie, dan buigt hij het hoofd, dan sproeien de tranen zijn wangen. Zoo ontberende gaat er de knaap tot de vrienden zijns vaders, Dezen het lijf kleed trekkend en genen de slippen des mantels; Deze of gene bedeelt hem en geeft hem een weinig, een schaaltje, 495. Zoo dat hij enkel zijn lippen en niet zijn gehemelt bevochtigt, \'t Kind dat zijn ouders bezit zal vaak van den disch hem verstooten, Zal met de vuisten hem slaan en beschimpen met grievende woorden: — Voort! gij hebt geen vader ten maal met de onzen gezeten.— Dan gaat weenend het kind naar zijn moeder, de eenzame weduw, 500. Onze Astuanax, \'t knaapje dat eens aan de knieën des vaders Enkel zich voedde met merg en het vette der vleezige schapen; Maar als de slaap hem beving en het poosde van kinderlijk spelen. Ging het ter nachtlijke sponde, gesust in de armen der voedster. Sliep op het mollige leger, het harte van vreugde verzadigd. 505. Thans zal kommer hem treffen, verweesd van zijn minnenden vader, \'t Kind dat de Trojers den naam van Astuanax hebben gegeven; Gij alleen toch • eerdet de poorten en rijzige muren.

Thans van uw ouders ver, bij de krommend gesnebde galeien Zullen de wormen u knagen, als eerst gij verzadigt de honden, 510, Naakt daar liggend; en toch in uw woonzaal is er een aantal Schoone geweven gewaden, gemaakt door de handen der vrouwen. Maar nu zal ik ze alle in vurige vlammen vernielen,

Niets meer baten zij thans, nooit zijn zij u meer tot bedekking; Laat ze dan melden uw roem bij de mannen en vrouwen van Troja. 515. Alzoo sprak zij en weende, omringd van de zuchtende vrouwen.

487. Men kan zich niet genoeg verbazen over do volslagen onvatbaarheid voor poëzie, die een aantal oude en nieuwe commentatoren er toe bracht de verzen 487—499, ja tot 507 te willen schrappen. Zy zijn veel te overdreven, heet het. Noch al natuurlijk, zou men anders zeggen, bij zulk eene wanhoop. Die verzen zjjn niet alleen onmisbaar als voltooiing van den climax dei-klachten van Priamos en Hekabe, maar ook op zich zelve heerlijk on een van de schoonste deelon der Ilias.

-ocr page 410-

DRIE EN TWINTIGSTE ZANG.

7

£—J oo weergalmde de stad van verzuchtingen. Maar de Achaiërs, Toen zij de schepen bereikten en kwamen ten Hellespontos, Scheidden zij elk zijns weegs en een iegelijk ging naar zijn vaartuig; Peleus\' zoon gaf echter bevel dat zijn heer Murmidonen 5. Noch niet scheidde en sprak tot zyn oorlogzuchtige makkers:

— Rossenbedwingende schaar Murmidoniërs, waarde gezellen, Niet van het juk ontheven uw enkelhoevige rossen.

Laten wij eerst met de paarden en wagens genaderd, de rouwklacht Over Patroklos bedrijven; die eer toch voegt aan de dooden. 10. Doch als wij hebben verlicht ons gemoed van de smartlijke weeklacht. Zullen wij \'t juk ontbinden en nemen het maal van den avond.

Alzoo sprak hij, zij hieven de klacht en hen leidde Achilleus. Driemaal dreven zij dan om het lijk hunne glanzige paarden, Treurend, en Thetis verwekte den drang om hun klachten te uiten, is. Tranen besproeiden het zand en besproeiden de rusting der mannen; Zoo zeer voelde er elk het gemis van den man der verschrikking. Toen ging Peleus\' zone hen voor en de droevige weeklacht Hief hij, de moordende handen gedrukt op de borst van zijn makker:

— Heil u, Patroklos, tot zelfs in de diepte van Aides\' woning; 2n. Want nu zal ik u alles, gelijk ik beloofde, vervullen.

Hektor, gesleept naar de schepen, den bloedigverslindenden honden Over te laten en twaalf van de edele zonen der Trojers Vóór uwen stapel te moorden, in bitteren toorn om uw doodslag. Alzoo sprak hij en deed onwaardige daden aan Hektor, 25. Daar hy het lijk bij het bed van Menoitios\' zone Patroklos Wierp in het stof, voorover. De koperen schittrende wapens

-ocr page 411-

393

Legde een ieder ter zij en bevrijdde de brieschende paarden; Daarop zaten zij neer bij het schip van den snellen Achilleus, Duizenden; welken hij daar vol luister verschafte het lijkmaal. 30. Tal van de glanzende runders verbloedde er brullend en reutiend, Krimpende onder het yzer, en schapen en blatende geiten; Ook blanktandige zwijnen in menigte, zwellend van vetheid, Werden gestrekt aan het sjjit en geroost in den gloed van Hefaistos; Alom stroomde het bloed, met de schalen geschept, om den doode. 35. Maar den verhevenen heerscher, den snellen Peleide Achilleus Voerden Achaia\'s vorsten ten godlijken held Agamemnoon, Schoon zij met moeite bewogen zijn hart, om zijn makker verbitterd. Toen zij hun gang volbrachten en kwamen ter tent Agamemnoons, Gaven zij aanstonds last aan de helderbespraakte herauten 40. Over de vlammen te plaatsen een drievoetsbekken en noopten Peleus\' zoon van de leden het bloedige stof zich te wasschen. Doch onbuigzaam bleef hij het weigeren, zwerend bij eede: — Neen, zoo waar Zeus heerscht, van de goden de hoogste en grootste. Geenszins past het dat eer mij de reiniging rake den schedel 45. Eer ik Patroklos ten vure bestell\' en hem stichte de grafterp, Eer ik mij snijde het haar; want niet meer zal mij den boezem Dus doordringen de smart, zóo lang ik met levenden omga.

Maar welaan dan, thans ons geschikt tot den drocvigen maaltijd; Geef dan last in den ochtend, o volkerenvorst Agamemnoon, 50. Hout uit de bosschen te voeren en herwaarts ook te verschaffen Al wat de doode behoeft om ten nachtlijken oorden der schimmen Neder te dalen, dat dezen de rusteloos brandende vlammen Snel aan ons oog ontvoeren en \'t volk weer ga aan den arbeid. Alzoo luidde zijn woord, en zij luisterden willig het volgend. 55. Allen bereidden met spoed toen verder het maal voor den avond, Spijsden en niemands hart ontbeerde zijn deel van den maaltijd. Toen zoo elk er ten volle genoot van de dranken en spijzen. Gingen zij, elk naar zijn tent, om zich neder te leggen ter nachtrust. Doch de Peleide, op \'t strand van den luid rondklotsenden zeevloed 60. Lag hij verzuchtende neer, omringd van het heer Murmidonen, Daar aan den zuiveren oever bespoeld door den klotsenden golfslag. Toen hem de sluimer beving en den geest ontbond van de zorgen, Zacht om hem henen gevlijd — want moe was \'t heerlijke lichaam Na dat hij Hektor vervolgde om Ilios\' luchtige veste — 65, Zie, toen kwam hem de schim van den droeven Patroklos verschijnen,

-ocr page 412-

394

Gansch op hem zeiven gelijkend in grootte en liefelijk aanzicht, Gauscb hem in stemme gelijk eu met eender gewaad om de leden. Over zijn hoofd stond deze gebukt en hij uitte de woorden:

— Slaapt gij en zijt gij geheel niet mijner gedachtig, Achilleus ? Niet bij mijn leven vergat gij mij ooit, maar wel in mijn sterven. Geef mij een graf, dat ik spoedig de poorten van Aides inga. Want ver sluiten de schimmen der rustende dooden my buiten. Daar zij mij over den stroom geen toegang geven tot andren; Vruchteloos dwale ik rond vóór Aides\' machtige poorten.

Reik mij uw hand, zoo vraag ik u jammerend; geene terugkomst Is er van Aïdes\' huis, als gij eens mij de vlammen verleend hebt. Niet meer zullen wij levend vertrouwelijk buiten de makkers Zitten en saam ons beraden, dewijl mij het gruwzame sterflot Greep in den gapenden muil, mij beschikt in het uur der geboorte; U ook werd het beschoren, o godengelijke Achilleus,

Onder te gaan bij den muur van de edelgeborene Trojers.

Maar noch heb ik een vraag en een wensch, o wil ze verhooren, Leg mijne beenderen niet van de uwe verwijderd, Achilleus, Maar met de uwe vereenigd, gelijk in uw woning ik opwies. Sinds mij, een knaap noch zijnde, Menoitios voerde van Opoes Onder de hoede der uwen, uit hoofde des droevigen doodslags, Dien dag toen ik den knaap van Amfidamas roofde het leven, Dwaselijk, buiten mijn wil, en in drift bij het spelen met bikkels. Vriendelijk nam in zijn huis mij de rossenbedwingende Peleus, Voedde mij op, zorgvuldig, uw trouwen gezelle mij noemend. Laat ook zóo éen urn ons beider gebeente bewaren,

Goudene amforavaas, die u gaf uwe achtbare moeder.

Daarop zeide hem weder de held snelvoetig\' Achilleus:

— Waartoe, dierbaar gelaat, hier weder verschenen, en waartoe Komt gij mij weder dit alles verkondigen? Immers ik zelf reeds Zoude u alles vervullen en doen het gelijk gij verlangdet.

Maar kom dicht aan mijn zijde en laten wij zoo ons omarmend. Kort als het zij, elkander het smartelijk klagen verlichten.

Alzoo luidde zijn woord en hij strekte verlangend zyn armen, Maar niets vatte zijn greep; in den grond zonk licht als een dampwolk Zachtkens ruischend de schim. Met verbazing verhief zich Achilleus, Sloeg zijne handen te zamen en deed weeklagend den uitroep:

— Ach, er bestaat alzoo noch wel in des Aïdes woning Schijnbeeld, schim van den mensch, maar niets van het werkelijk leven.

-ocr page 413-

395

105. Tminers geheel deez\' nacht heeft hier van den droeven Patroklos Klagend en treurend de schimme gestaan aan het hoofd van mijn

[rustbed,

Welke mij alles gebood, en verwonderlijk was de gelijknis.

Alzoo sprak hij en wekte bij allen den drang tot gejammer; Treurend verwijlden zij daar tot de rozenvingrige Eoos uo. Over den droevigen doode verrees. Doch vorst Agamemnoon Gaf zijn bevel om met muilen en volk alom van de tenten Hout uit de bosschen te balen; zich reppende ging met de scharen Dappre Meriones mede, des kloeken Idomeneus makker.

Dezen vertrokken ten tocht, houtklievende aksen en touwen us. Stevig van vlechtwerk dragend, en vooraan liepen de muilen. Allerlei weg, bergop, bergaf, in de schuinte en dwarste.

Toen zij de passen bereikten der bronrijk bomende Ida,

Werd met geslepene aksen een tal hoogkruinige eiken Ijlings nedergehouwen; en deze met donderend kraken 120. Stortten ter neer. De Achaiërs, in stukken ze hakkende, laadden Voorts hunne vracht op de muilen, die trapten den grond met hun

[hoefslag.

Weer door het dichte der struiken verlangend het veld te betreden. Ook droeg elk van de hakkers zijn vracht van de spaanders en

[stronken

Volgens Meriones\' last, des geduchten Idomeneus makker. 125. Dra lag alles in rijen aan \'t strand, op de plaats die Achilleus Koos voor de rijzige terp, voor Patroklos bestemd en hem zeiven. Toen zij er hadden geschikt in het rond de verbazende houtvracht, Zat daar samenvereenigd de menigte, doch de Peleide Gaf weldra het bevel aan zijn moedige schaar Murmidonen 130. Weder het pantser te gespen, het juk om de paarden te leggen. Elk aan zijn wagen; zij repten zich voort, en met spoed in de wapens Stegen de wagenbestuurders en strijders te zaam op de krijgskar. Vooraan gingen de rijders, gevolgd door een wolke van voetvolk, Duizenden; voorts in hun midden Patroklos gedragen door makkers, 135. Welke den doode bestrooiden met haar van hun lokken gesneden; Achter hen volgde en steunde het hoofd van den doode Achilleus, Weenende wijl hij den eedle, zijn makker ten Aïdes heenbracht.

Toen zij nu waren gekomen ter plaats die hun wees de Peleide, Liet men de lijkbaar staan en zij hoopten een menigte brandhout. Ho. Nu rees weer een gedachte in \'t hart van den snellen Achilleus.

-ocr page 414-

396

Zijwaarts tredende sneed hij het goudblond haar van zijn schedel, \'t Weelderig golvende haar dat hij eens aan Spercheios den stroomgod Wijdde, en sprak mistroostig, het oog naar den purpren zeevloed:

— Luister, Spercheios, mijn vader beloofde u vruchteloos, Peleus, us. Eens als ik huiswaarts toog naar het dierbare land van mijn vaadren

Moest ik u snijden mijn haar en u wijden een dankhekatombe Daar bij uw bronnen, en vijftig der onbesnedene rammen Binnen uw heiligen kreits met het altaar geurend van reukwerk. Dus de gelofte des grijze; gij echter verhoordet ze geenszins. 150. Doch nu ik niet weer keer naar het dierbare land van mijn vaadren. Gun dat ik dan aan Patroklos den held meêgeve mijn haren.

Alzoo sprak hij; zijn haar in de handen des dierbaren makkers Leggende, wekte hij weder bij allen den drang tot gejammer. Zoo zou over de schare der treurenden zinken het zonlicht, 155. Maar de Peleide met spoed Agamemnoon naderend zei hem;

— Atreus\' zoon, aan uw woord zal immers het volk der Achaiërs Wel het gehoorzaamst zijn, en genoeg noch blijft er te jammren, Geef dan last dat het volk van het vuur zich verwijder\' en aanstalt Make ten maal. Ons blijve dit werk te vervullen, aan welken

loo. Dierbaarst is onze doode, gij vorsten verwijlt in ons midden.

Aanstonds, toen hij het hoorde, der volkeren vorst Agamemnoon, Gaf hij bevel dat het heer naar de welvende schepen terugtrok; Slechts die den doode verpleegden vertoefden by \'t lijk en het

[brandhout

Bouwden zij hoog tot een mijt wel honderd voeten in \'t vierkant, 165. Waar zij den doode op legden, het harte bewogen van droefheid. Tal van de krachtige schapen en \'t zwaar sleepvoetende hoornveo# Stroopten zij \'tvel en bereidden het vleeschbij den stapel; van alle Nam de verheven Peleide het vet en bedekte het lichaam Gansch van het hoofd tot de voeten; hij schikte er dan in het ronde 170. Al het gevilde gedierte en kruiken met honig en olie Tegen het leger geleund; ook vier hooghalzige paarden Wierp hij met krachtigcn zwaai, luid zuchtende, boven de houtmijt. Onder de negen ter tafel des vorsten gevoederde honden Koos hij er twee die hij doodde en mede ten vure bestemde, 175. Voorts twaalf edele zonen van Troja\'s moedigen volkstam.

Welke zijn koper versloeg; zoo schriklijke daden bedacht hij.

142. Eiviergod in Thessalië, vador van Menoitios.

-ocr page 415-

397

Toen ontstak hij de vlam, dat haar ijzeren kracht er in opging. Dan klonk weer zijne klacht en hij riep tot zijn dierbaren makker; — Heil u, Patroklos, tot zelfs in de diepte van Aides\' woning; iso. Want nu zal ik u alles, gelijk ik beloofde, vervullen;

Twaalf van de edele zonen uit Troja\'s moedigen volkstam Zal met u zeiven verteeren de vlam; maar niet aan den vuurgloed Geef ik den zoon te verslinden van Priamos, neen, aan de honden. Alzoo dreigde zijn woord; toch bleven de honden hem verre, 185. Wijl Afrodite de dochter van Zeus hem voor deze behoedde.

Daags en bij nacht, en zij zalfde zijn lijf met ambrosischen balsem G eurend als rozen, dat niet door het sleepen de huid hem gekwetst werd. Foibos Apolloon dekte hem ook met een donkeren nevel Nedergedaald op de vlakte en alles in \'t ronde verbergend, 190. Welke den doode omringde, dat niet hem te voren de zongloed Gansch om zijn .spieren en leden het lichaam zoude verdroogen.

Maar noch vlamde de mijt niet op om den dooden Patroklos. Toen steeg weer een gedachte in \'t hart van den snellen Achilleus. Zijwaarts tredende rees tot het tweetal winden zijn bede, 195. Boreas, Zefuros roepend en heerlijke offers belovend,

Welken hij ruimschoots plengde uit goudenen beker, hen roepend Nader te komen, dat spoedig het vuur mocht blaken de lijken, Spoedig het hout ontvlamde. Zijn smeekende beden verhoorend IJlde de zwevende Iris als bode met spoed tot de winden. 200. Dezen nu zaten vereend in des loeienden Zefuros woning

Vroolijk ten lustigen maal; daar kwam aan hun marmeren drempel Iris met haastige vaart. Zoodra hunne oogen haar zagen Sprongen zij snel van hun zetels en noodde haar elk aan zijn zijde. Nochtans weigerde Iris zich neder te zetten en zeide: 205. — Neen, geen zetel; ik ijl weer snel naar Okeanos\' golven, Waar Aithiopië\'s volk aan de eeuwigen feesthekatomben Wijdt, om er mede het maal en de heilige offers te declen. Kuiscbende Zefuros is het en Boreas welke Achilleus Smeekt dat zij haastig verschijnen en heerlijke offers belooft hij, 210. Zoo gij do vlam doet slaan uit den stapel op welken Patroklos Neerligt, wien thans treurend omringen de zonen Achaia\'s.

Alzoo sprekende spoedde zij heen; toen hieven zich beiden Onder een daavrend gedruisch en een dwarreling wekkend van

[wolken.

Stormend bereikten zij spoedig de zee, en de steigrende golfslag

-ocr page 416-

398

215. Rees door hun loeienden adem. Het vruchtbare Troja genaderd Stortten zij neer op de mijt en de vlam steeg knetterend opwaarts. Gansch dien nacht door dreven zij beiden de vlammen der houtmijt, Luid aanblazend. Geheel dien nacht was mede Achilleus Bezig uit \'t goudene vat met den dubbelgehengselden beker 220. Wijn op de aarde te plengen, den bodem er mede besprengend. Steeds aanroepend de ziel van den droevig verslagen Patroklos. Zoo als een vader den zoon, zijn gebeente verbrandend, bejammert, Jeugdigen bruidegom, stervend tot smart van zijn droevige ouders; Dus, het gebeente zijns makkers verbrandende, treurde Achilleus, 226. Steeds om de mijt rondwarend en diepe verzuchtingen slakend. Toen zich de sterre verhief die aan d\' aarde den morgen verkondigt, Eoos dan in \'t gewaad van saffraangeel rees uit den zeevloed, Taande de brandende stapel en staakten de vlammen haar arbeid. Toen ook spoedden de winden zich weder terug naar hun woning 230. Over de Thrakische zee, en zij loeide met bruischenden golfslag. ^ Doch de Peleide den stapel verlatende wendde zich zijwaarts, Neigde zich moede ter rust en de koestrende sluimer beving hem. Daarna kwamen de vorsten die Atreus\' zoon vergezelden Weder te zaam en hem wekte het luide gedruisch van hun voetstap. 235. Toen, op zijn leger zich half oprichtende, sprak hij tot dezen: — Atreus\' zoon, en gij andren, gebieders van alle Achaiërs, Zij met den purperen wijn eerst alles gebluscht van de houtmijt, Tot zoo verre de kracht van de vlammen zich strekte; wij zoeken Wijders de beenderen saam van Menoitios\' zone Patroklos, 240. Goed toeziende; en zeker het is wel duidlijk te kennen;

Wijl hij er lag in het midden, de andre afzonderlijk samen. Paarden en mannen vermengd, aan den buitensten rand van de

[vuurmijt.

Dan in een goudene vaas en bedekt met een dubbele vetlaag Leggen wij dezen ter ruste, tot zelf ik in Aïdes wegzink; 245. Niet zeer groot zij voorts, zoo raad ik, de heuvel der grafstee. Maar niet meer dan betaamlijk. Gij kunt hem dan later, Achaiërs, Breed opbouwen en hoog, zoo velen gij na mij in leven Noch zult blijven, gespaard bij de krachtig beriemde galeien. Alzoo sprak hij; zij gaven gehoor aan den snellen Peleide. 250. Eerst met den purperen wijn dan bluschten zij \'t smeulende brandhout. Tot zoo ver het verging en de asch hoog samengehoopt was; Weenend het blanke gebeente des dierbaren makkers verzaamlend,

-ocr page 417-

399

Legden zij \'t, dubbel omwonden met vet, in de goudene aschuru, Welke zij dan in de tent met het lenige linnen bedekten. 255. Daarna wierpen zij zand in het rond van de mijt, voor den grondslag. Vormden den kring van den heuvel en hoopten het zand tot een

[grafterp.

Nu eerst scheidden zij daar van de plaats. Toen hield de Peieide \'t Volk bijéén en beval dat het wijd in de rondte er neerzat, Bracht uit de schepen de prijzen ten kamp, drievoetige bekkens, ann. Ketels en paarden en muilen en krachtige runderen bracht hij. Sierlijk gegordelde vrouwen en grijsblank ijzer, ten kampprijs.

Eerst als een heerlijken prijs voor de snelle bestuurders van wagens Gaf hij een vrouwe ervaren in kunstig bedrijf en een drievoet Tweeëntwintig maten bevattende, dubbel van hengsels,

205. Prijs voor den eerste; den tweede een paard zesjarig van leeftijd, Niet voor den wagen getemd, en bevrucht met het jeugdige muildier; Voorts als een prijs voor den derde een helderen blinkenden ketel. Schoon, noch rein van het vuur en een viertal maten bevattend; Twee talenten aan goud ook gaf hij den vierde ten kampprijs, 270. Eindlijk een dubbele schaal, noch rein van het vuur, voor den vijfde. Toen zich verheffende sprak hy het woord in den kring der Argeiërs: — Atreus\' zoon en gij andren, Achaiërs met stevige scheenplaat, Hier in den kring ligt alles tot prijzen bestemd voor de rijders. Ware er thans ons Achaiërs een ander te eeren met wedkamp, 275. Zeker ik bracht dan zelf naar mijn tent de voornaamste der prijzen. Immers ik weet hoe verre mijn paarden het winnen in spierkracht. Want onsterfelijk zijn zij, Poseidoon gaf ze mijn vader Peleus eens ten geschenke, mij heeft ze mijn vader gegeven. Thans onthoud ik my zelf met mijn enkelhoevige rossen; 280. Want zij verloren den roem van hun edelen wagenbestuurder. Missen den vriendlijken man, die hun vaak met het smedig olijfsap Zalfde het haar, wanneer hen het heldere water gebaad had. Maar nu staan zij en treuren, hem missende; tegen de aarde Hangen hun manen ter neer en zy staan daar droevig van harten. Maar gy anderen maakt u gereed, wie bij \'t volk der Achaiërs Steunt op de deugd van zijn paarden en stevig getimmerden wagen.

Alzoo sprak de Peieide; en vaardige menners verrezen.

Onder de eersten verhief zich de volkengebieder Eumelos, Dierbare zoon van Admetos, de kundige wagenbestuurder; 290. Na hem verrees Diomedes, de sterke, geboren van Tudeus,

285.

-ocr page 418-

400

Onder het juk nu brengend liet span van zijn Troïschc rossen Eens op Aineias vermeesterd, die zelf ontkwam door Apolloon. Daarna rees Menelaos, de goudengelokte Atreide,

Godlijk van stam, en hij bracht in het juk zijne vaardige rossen, 295. Zijnen Podargos en Aithe, de merrie van vorst Agamenmoon, Welke Anchises\' zoon Echepolos den vorst Agamemnoon Gaf, om hem niet te verzeilen naar Ilios\' luchtige burgvest,

Maar dat hij daar mocht blijven in rustig genot van den rijkdom, Gaven van Zens hem geschonken in Sikuoons wijde gewesten; .ioo. Deze nu spande hij thans in het juk, steeds vurig ten wedloop.

Mede bereidde als vierde zijn span schoonmanige rossen ^ Eedle Antilochos, zoon van den vorst grootmoedigen Nestor Neleus\' telg; en zijn rossen in Pulos getogen, de vlugge. Voerden zijn wagen. Hem gaf aan zijn zijde getreden zijn vader 305. Nuttige woorden ten beste, den kundigen jongeling radend:

— Zoon, al zijt gij ook jeugdig, Antilochos, Zeus en Poseidoon Minden u beide en leerden u allerlei kunde des wagens; Geenszins zal ik derhalve u lessen behoeven te geven.

Want wel weet gij het span om den eindpaal richtig te wenden. 3io. Doch traag zijn uwe paarden en daarom vrees ik de neerlaag. Vluggere paarden bezitten de anderen, zeiven intusschen Zijn zij uw meerderen niet, noch even ervaren in vinding.

Alzoo, wakker, mijn waarde, en al uw beleid in het harte Goed overlegd, dat u niet voor uw oog ontsnappen de prijzen. 315. Meer door beleid dan met kracht volbrengen dc vdlers van boomen. Slechts door beleid ook doet op de purperen golven de stuurman Vliegen de snelle galei, door de stormende winden geslingerd; Zoo, door beleid ook wint het de menner van andere menners. Maar wie er enkel dc kracht van zijn paarden vertrouwt en zijn wagen, 320. Zal met verkeerd overleg nu hier dan ginder zich wenden, Onvast dwalen zijn paarden, als niet zijne hand ze beteugelt; Maar die met slimiieid stuurt, al waren zijn paarden ook slechter. Steeds naar den eindpaal ziet hij, er kort langs wendend, oplettend Waar van den aanvang af hij ze dreef met de lederen teugels, 325. Houdt hij zijn span in de hand, die hem vóór is immer bespiedend. Duidelijk moet ik u wijzen het teeken, opdat gij het opmerkt. Ginder verheft zich een paal uit de aarde ter hoogte eens vadems. Stam van een eik of een pijn; noch deed geen regen hem molmen; Daarnaast leunen ter linker en rechts twee heldere steenen.

-ocr page 419-

401

;i30. Waar saamtreffen de wegen en d\'effene baan er om heen loopt, Zij het een teeken ter eere eens doode uit \'t verre verleden, Zij het door ouder geslachten gesteld als een perk in de renbaan, Deze nu stelde ook thans de verheven Peleide tot eindpaal. Dicht langs deze behoort gij uw wagen en paarden te drijven, 335. Buig dan even u zelf in den deugdlijk gevlochtenen wagen

Links van de paarden, het rechter intusschen met stem en met

[zweepstaf

Krachtiger drijvend en vicre uw hand hem een weinig den teugel. Laat dan \'t linker zoo kort om den eindpaal wenden als mooglijk, Zoo dat het scheen of de naaf van het krachtige wiel op den steenkant 340. Stiet, maar draag wel zorg om den eindpaal goed te vermijden, Niet uwe paarden te wonden, den wagen geheel te verbrijzlen; Vreugde voor alle de andren, u zeiven een smaadlijke krenking Zoude het zijn. Welaan, wees wakker, mijn zoon, en behoedzaam. Hebt gij u eens maar goed, en de voorste, gewend om den eindpaal, 345. Niemand is er die dan u voorbij kan streven of inhaalt.

Zelfs al zoude u volgend hij drijven den eedlen Areioon, \'t Vaardige ros van Adrestos, geboren van godly ke afkomst. Ja ook Laomedoons paarden, de hier zoo bloeiend gekweekte. Alzoo sprekende zette zich Nestor geboren van Neleus 350. Weer op zijn zitplaats, toen hij zijn zoon dus alles beduid had. Mede bereidde als vijfde Meriones \'t glanzende tweespan.

Allen bestegen hun wagen en wierpen de loten; Achilleus Schudde; voor Nestors zone Antilochos sprong er ten eerste \'t Lot uit den helm; na dezen geviel het den heerscher Eumelos, 355. Daarna Atreus\' zoon, roemruchtigen held Menelaos,

Dan weer volgde het lot van Meriones; doch den ïudeide,

Verre de machtigste zijnde, geviel er de laatste der plaatsen. Thans stond elk naar de rij en Achilleus wees hun den eindpaal Ver op de eft\'ene vlakte; hij plaatste er dan voor het toezicht ■löo. Foinix den godlijken held, zijns vaders makker ten oorlog.

Wakende over den loop en om juist te verkonden de waarheid.

Allen nu hieven de zweep te gelijk en zij dreveü de paarden Ook met de teugels ze slaande en spoorden ze aan met hun kreten. Vurig bezield. Snel vlogen, de vlakte ten einde, de rossen 365. Weldra ver van de schepen; en onder hun borsten verhief zich

34G. Goddelijk paard dat Herakles en Adrestos redde.

20

-ocr page 420-

402

\'t Stof iu de hoogte gejaagd, als een wolk of een naadreude stormbui; Wapperend vlogen de manen in \'t rond op den waalenden luchtstroom, Nu eens raakten de wagens den alom voedenden bodem,

Dan weer sprongen zij hoog, en als zweefden zij. Maar in den wagen 370. Stonden de wagenbestuurders, en elkeen klopte het harte Fel op de zege gespitst; zoo noopte er ieder zijn paarden Luid met de stem en zij vlogen in wolken van stof door de vlakte.

Doch toen rennend de paarden het uiterste einde bereikten, Straks weer wendend naar zee, toen was het dat ieders bekwaamheid 375. Bleek en gezwinder de rossen zich spanden ten loop. In een oogwenk Vlogen des Feretiaden bevleugelde merries de voorste;

Aanstonds volgden op deze de hengsten van vorst Diomedes, Troiesch van ras, niet ver, maar dicht op de hielen ze volgend; Telkens schenen zij wel te bespringen den wagen die voorging, 380. Zoo dat de krachtige schouders en rug van Eumelos het gloeien Voelden van \'t heete gesnuif en de rekkende koppen hem raakten. Wis ook kwam hij hem voor, althans hem gelijk in den wedstrijd. Toonde aan Tudeus\' zone zijn wrok niet Foibos Apolloon,

Daar hij de glanzende zweep uit de handen hem rukte en wegwierp. 385. Toen ontsprongen de tranen in bittere smart aan zijn oogen.

Wijl hij de merriën zag steeds vliegend in snelleren renloop. Maar zijne eigene hengsten, de zweep ontberend, vertraagden. Doch aan Athena\'s blik ontsnapte het niet dat Apolloon Tudeus\' zoon misleidde; zij vloog naar den volkerenherder, 390. Reikte hem weder zijn zweep en bezielde de kracht van zijn rossen. Doch de vertoornde godinne den zoon van Admetos vervolgend Brak hem het juk van zijn paarden; de merriën vlogen verwilderd Weerszij ds over den weg, met den boom van den dissel ter aarde. Zelf uit den wagen gestort, bij het wiel op de aarde getuimeld, 395. Kreeg hij aan mond en aan neus en aan elboog menige kwetsing. Werd hem het voorhoofd gansch bij de brauwen verscheurd; zijne

[oogen

Werden van tranen vervuld en hem stokte de krachtige stemklank. Snel was toen de Tudeide hem vóór met zijn vaaardige rossen, Ver ook was hij de voorste der anderen; want in zijn tweespan 400. Wekte Athena de krachten, hem zei ven met eere bekronend. Achter hem dreef Menelaos de blonde Atreide zijn wagen.

370. Eumelos, kleinzoon van Peres.

-ocr page 421-

403

Wakkre Antilochos riep toen luid tot het spau van zijn vader:

— Voort nu, saam er op los; op het uiterst uw krachten gespannen. Zeker, ik vorder het niet u met deze te meten in snelheid,

405. \'t Span des geduehten Tudeiden, de paarden aan welke Athena Thans hun gezwindheid gaf, aan hem zeiven de eere verleeuend; Haalt Menelaos\' span maar in; niet achter gebleven;

Spoorslags ijlend, dat niet u met smaad ovcrlade die Aithc, Zij, toch slechts eene merrie. Gij treflijken, zoudt gij vertragen? 410 Want ik verklaar u voorwaar en het komt vast eens tot vervulling. Geenerlei zorg meer zult gij bij Nestor den volkerenherder Vinden en aanstonds zal er u treffen het vlijmende koper, Wen door uw beider verzuim wij verwerven een minderen wcdprijs. Welaan spoedt dus, wakker, en rept u met alle gezwindheid, -us. Dan ook zal ik het zelf wel kunstig bestieren en toezien

lloe in de engte des wegs ik voorbij schiet, steeds hem bespiedend.

Alzoo luidde zijn woord, en geschrikt voor de stem huns gebieders Kenden z\' een eind weegs voort met verdubbelde krachten. Op eenmaal Zag het de vurige strijder Antilochos, hoe er de ruimte 420. Kromp vau den holligen weg, waar \'s winters het zwellende water Groef eene geul, doorwoeld in den weg en verdiept in den bodem. Daarheen hield Menelaos om \'t botsen der wagens te mijden. Zijwaarts wendde nu echter Antilochos buiten den rijweg Snel zijne vaardige rossen, een weinig ter zij hem vervolgend. m. Atreus\' zoon ontstelde en riep tot Antilochos ijlings:

— Zinloos drijft gij den wagen, Antilochos. Houd uwe paarden; Want hier is het te nauw; streef ginds mij voorbij in de ruimte. Maak dat gij niet ons te zamen verderft, als uw wagen mij aanraakt.

Dus zijn vermaan; toch noopte Antilochos feller zijn tweespan 430. Steeds met de zweep en hy hield zich als hoorde hij niets van zijn

[uitroep.

Ver als de werpschijf vliegt van den arm die ze slingerend heenzendt, Wen haar de jongeling werpt om de kracht van zijn jeugd te beproeven. Zoo ver sprongen zij voor. Thans bleven de andere achter,

Wijl de Atreide ze zelf weerhield, dat de vaardige rossen 435. Niet in den weg saambotsten, de sierlijk gevlochtene wagens Wierden gestort op den grond en zij zeiven ter aarde geworpen Vielen in \'t stoffige zand, door de zucht van verwinning gedreven. Toornig berispte hem toen Menelaos de blonde Atreide:

— Onder de menschen verwint u, Antilochos, geen in de boosheid.

-ocr page 422-

404

440. Ga, wij bedrogen ons wel, wij Achaiers die roemden uw doorzicht. Maar toch krijgt gij den prijs niet zonder een eed te bezweren. Alzoo sprak bij en noopte zijn paarden met klinkenden toeroep:

— Niet zoo tragelijk zuimen, en staat niet treurig te moede. Weldra zullen bun voeten, hun knieën bezwijken van moeheid,

445. Eer dan de uwe voorwaar, want jeugd ontbreekt aan hen beiden. Alzoo luidde zijn woord, en geschrikt voor de stem huns gebieders Renden zij vuriger voort en zij naderden spoedig de andren.

Argos\' zonen intusschen beschouwden in \'t ronde gezeten Spiedend de rennende paarden; zij vlogen in \'tstof van de vlakte. 450. Eerst ontwaarde de rossen Idomeneus koning der Kreters;

Want hij bevond zich ter zij van den kring op een boogere standplaats, Waar hij, terwijl hij van verre de kreten vernam van den drijver, Wist wie het was, en bet paard wel kennend dat duidelijk uitstak. Rossig van haren geheel aan het lijf, maar vóór aan den schedel 455. Had het een wit, rond teeken, gelijk aan de maan in baar volheid. Toen zich verheffende stond hij en sprak tot den kring der Argeiërs:

— Vrienden, van Argos\' volk de gebieders en leidende hoofden, Ken ik ze zelf alleen of gij anderen mede, de paarden?

Zie, daar schijnen jnij thans toch andere paarden de voorste, 4(io. Anders de wagenbestuurder; misschien dat zij daar op de vlakte Schade bekwamen, die ginds toch verre de vaardigste waren. Immers de merriën zag ik het eerst omzwenken den eindpaal. Maar thans kan ik ze niet meer zien, al spieden mijn oogen Over de Troïsche vlakte naar iederen kant in het ronde. 403. Zijn uit de hand van den menner de teugels geglipt, of vergat hij \'tSpan bij den paal te bedwingen en miste den riebtigen omzwaai ? Denkelijk is hij er neder gestort en zijn wagen verbrijzeld. Sprongen zijn merries ter zijde en werden zij schichtig verwilderd. Maar gaat zeiven het zien en verrijst; want niet met gewisheid 470, Kunnen mijn oogen het zien; toch dunkt mij die man het te wezen. Zoon van Aitoliesch geslacht en een vorst bij de volken van Argos, Held Diomedes, de zoon van den rossenbedvvingenden Tudeus. Hooncnd berispte hem Ajas, de vaardige zoon van Oïleus:

— Waartoe zoo voorbarig gebabbeld, Idomeneus? Ginder 475. Jagen met vliegende hoeven de merriën ver op de vlakte.

Zoo zeer zijt gij de jongste ook niet in het heer der Argeiërs, Scherper dan anderen kijken de oogen u niet uit het voorhoofd, Maar steeds zwetst gij met woorden. In waarheid voegt het u weinig

-ocr page 423-

405

Los met uw woorden te zijn; hier zijn toch andren en beetren. 480. Steeds noch zijn zij do voorste, die merriën, even als vroeger, Die van Eumelos, en zelf noch houdt hij de leidsels in handen. Daarop gaf vol toorn hem liet hoofd van de Kreters ten antwoord:

— Ajas in twisten een held, loszinnige; anders de minste Zeker van Argos\' volk; want twistziek zijt gij van inborst.

485, Maar welaan thans, laat ons een drievoet stellen of ketel,

Laten wij Atreus\' zoon, Agamemnoon nemen tot scheidsman. Wie er het eerst hier kwam, dan moogt gij liet zien en het boeten.

Alzoo sprak hij, en Ajas de vaardige zoon van Oïleus Rees vol toorn in het harte om weder te hoonen met schimptaal. 400. Thans was vast noch verder gegaan het getwist van hen beiden. Zoo hen Achilleus zelf, zich verheffende, niet in bedwang hield:

— Nu niet meer elkander met krenkende woorden bejegend, Ajas, Idomeneus, woorden van smaad, die u weinig betamen. Zelf toch zoudt gij het gispen, indien zóo anderen deden.

405. Gaat in den kring weer zitten en wendt naar de paarden uw oogen; Weldra zullen zij immers, gejaagd door de zucht tot verwinning. Hier wel zeiven verschijnen; gemakkelijk zult gij dan ieder \'t Span der Argeiërs herkennen, de voorsten en allen die volgen. Alzoo sprak hij, en snel was Tudeus\' zoon er genaderd, 500. Steeds met de zweep om de schoften zijn span voortjagend; de paarden Hieven zich hoog van den grond, wel ras voleindend den afstand. Telkens bespatten hun hoeven met klonters van aarde hun menner. Daar de met gouden en tinnen versiersels beslagene renkar Achter het vliegende span voortbolderde; achter den wagen 505. Was in het heldere zand slechts even het spoor te bespeuren Daar door de wielen geprent; steeds repten zij vliegend de voeten. Thans in het midden des krings weerhield hij de paarden; en taplings Oudste het zweet op den grond van de halzen en borsten der paarden. Aanstonds wipte hij zelf op den grond uit den blinkenden wagen, aio. Zette de zweep aan het juk, en de treflijke Sthenelos toefde Thans ook niet, maar nam vol haastige vreugde de prijzen. Gaf aan zijn dappere makkers bevel om de vrouw en den drievoet Mede te voeren en zelf ontnam hij het juk aan de paarden.

Toen kwam Nestors zoon Antilochos, jagend zijn paarden, 515. Thans door zijn list Menelaos verwinnende, niet door zijn snelheid. Nochtans was Menelaos hem dicht nabij met zijn tweespan. Zoo als de afstand is van het wiel tot het paard, dat zijn meester

-ocr page 424-

406

Meevoert over het, veld, met den wagen zich spannend in renloop; Zie, dan raakt slechts even de punt van den staart aan den wielrand; 520. Want dicht volgt hem de wagen en kort slechts is er de afstand Welke ze scheidt, als zij vliegen in ren op de ruimte der vlakte; Zoo dicht was Menelaos, den eedlen Antilochos volgend,

Achter hem; eerst wel wijder, zoo ver als de vaart van een werpschijf. Maar snel was hij hem bij; want vuriger, moediger telkens 535. Nam Agamemnoons merrie quot;haar sprong, schoonharige Aithe.

Ja, wanneer voor hen beiden de baan noch wijder gestrekt had, Zeker hij raakte hem vóór, zelfs zonder betwistbre gelijkheid. Kloeke Meriones echter, gezel van Idomeneus, volgde Na den beroemden Atreide, zoover als de vaart van een werpspies; 580. Want wel waren de traagste zijn twee schoonmanige rossen,

Maar ook miste hij kracht in het richtig bestuur van de renkar. Eindlijk verscheen als de laatste van allen de zoon van Admetos, Sleepend zijn sierlijken wagen en voor zich drijvend zijn paarden. Deernis gevoelde hem ziende de godlijke snelle Achilleus, 535. Rees in den kring der Argeiërs en sprak de gevleugelde woorden: Dappere man, die het laatst nu komt met zijn krachtige paarden. Welaan, laten wij tpch hem verleenen den prijs die hem toekomt, Zij het de tweede; de eerste behoort aan den zone van Tudeus. Alzoo luidde zijn woord, en zij allen beaamden zijn uitspraak. 540. Daarop had hij het paard hem verleend — naar den wensch der

Achaiërs —

Zoo daar niet in hun midden Antilochos ware gerezen,

Zoon van den edelen Nestor, en eischte zijn recht van Achilleus: — Heftig, Achilleus, ware mijn toorn, wanneer gij vervulling Gaaft aan dit woord; van den prijs toch zoekt gij mij nu te berooven, 545. Wijl gij bedenkt dat zijn wagen en vaardigen rossen een onheil Trof en hem zeiven, den eedle. Hij moest tot de eeuwigen echter Hebben gesmeekt, dan kwam hij gewis hier niet als de laatste. Doch als gij zóo hem uw deernis betoont en uw harte het lief is, Ruimschoots ligt er het goud in uw tent en een menigte koper, 550. Kudden bezit gij en maagden en enkelhoevige rossen.

Daaruit kunt gij hem later beschenken met grooteren kampprijs, Ja zelfs nu, dat het volk der Achaiërs u geve zijn bijval.

Maar nooit sta ik het af, dit paard; al wie het begeere Onder de mannen beproef mij dien prijs met de vuist te betwisten. 555. Alzoo luidde zijn woord, en de godlijke snelle Achilleus

-ocr page 425-

407

Lachte Antilochos toe, vol vreugde, den makker hem dierbaar. Doch dan 7,ei hij tot dezen en sprak de gevleugelde woorden:

— Zoo gij, Antilochos, wilt, dat ik nu uit mijn tent aan Eumelos Geve een ander geschenk, volgaarne vervul ik uw wensehen.

560. Hem dan geef ik het pantser, den buit dien ik Asteropaios

Nam, het gekoperde, schoon, en met blinkende tinnen versiersels Gansch omgoten; voorzeker het zal niet weinig hem waard zijn.

Alzoo sprak hij en gaf aan Automedoon last, zijnen makker, \'t Pantser te halen dat lag in zijn tent; en hij bracht het hem ijlings. 5fi5. Daarop bood hij Eumelos de gift en hij nam ze met vreugde.

Maar toen rees in hun midden, bedroefd van gemoed Menelaos Vol van geweldigen toorn op Antilochos; oen der herauten Gaf hem den scepter in handen en stilte gebood hij den mannen, Argos\' volk. Toen zeide de godengelijkende krijgsman: 670. — Wat, o Antilochos, hebt gij, te voren verstandig, bedreven! Schandelijk hebt gij mijn eere gekrenkt, en mijn paarden benadeeld. Voor met de uwe gedrongen, ofschoon zoo verre geringer.

Maar welaan, gij vorsten en legerbestuurders van Argos,

Spreekt in den kring hier recht, maar onpartijdig voor beiden, 675. Zegge er niemand ooit der in koper gedoste Achaiërs:

— Atreus\' zoon, het met list en geweld van Antilochos winnend. Gaat daar heen met het paard, al had hij geringere rossen,

Maar wijl zelf door zijn macht en geweld hy hem verre voorbijstreeft. — Kom, dat ik zelf het beslisse, en geen van de Danaërs zeker

580. Maakt het mij dan ten verwijt, want recht zal zijn die beslissing. Welaan, kom dus hier, o Antilochos, godlijk van afkomst. Sta naar het oude gebruik hier vóór uwe paarden en wagen. Neem u de buigzame zweep in de hand, die gij vroeger gevoerd hebt. Leg uwe hand op de paarden en zweer bij den schudder des aardrijks, 586. Niet met bedriegelijk doel mijnen wagen te hebben belemmerd. Doch met verstandigen geest antwoordde Antilochos weder:

— Stil uwe gramschap; immers ik ben veel jonger in leeftijd. Vorst Menelaos, gij gaat mij in jaren te boven en krijgsmoed. Weet ook welke vergrijpen de jongere mannen bedrijven.

590. Want hun verstand is vol overijlingen, luttel hun doorzicht. Dulde het dus uw gemoed; en ik geef vrijwillig u weder \'t Paard dat ik nam. Ja, wildet gy ook iets anders en grooters Onder hetgeen ik bezit in mijn tent, gaarn bied ik het aanstonds. Liever dan alle de dagen, o zone van godlij ke afkomst.

]

ï

i i

-ocr page 426-

408

595. Verre te zijn van uw harte en zondig te zijn voor de goden. Alzoo sprekende leidde de zoon van den edelen Nestor \'t Paard en hij stelde het weer Menelaos ter hand. De Atreide Voelde zijn harte verkwikt, als van dauw, die verkwikkend de aren Drenkt van de rijpende halmen, gegroeid op het wuivende graanland; 600. Dus ook werd, Menelaos, het hart u verkwikt in den boezem. Zoo dus sprak hij hem toe en hij zei de gevleugelde woorden:

— Gaarne, Antilochos, laat ik ook zelf thans varen mijn gramschap. Immers uw geest was niet uitspattend en weinig bezonnen Eertijds, maar thans heeft uwe jeugd uw verstand overvleugeld.

605. Maar draag voortaan zorg geen meerdren met list te verschalken. Want zoo licht niet had mij een andre Achaiër verbeden;

Maar zoo veel reeds hebt gij geduld, veel moeite en kommer, Gij en uwe edele vader, uw broeder, ten mijnen gevalle;

Daarom geef ik uw bede gehoor en ik schenk u de merrie, 6io. Schoon zij mij rechtens behoort, en dat allen bet mogen erkennen Hoe mijn gemoed wel verre van driestheid is en van ruwheid.

Alzoo sprekend beval hij Antilochos\' makker Noëmoon Henen te voeren het paard; zelf nam hij den blinkenden ketel. Beide talenten aan goud, voor den vierde bestemd in den wedren, 615. Nam zich Meriones wijders; een prijs noch bleef er, de vijfde, Dubbelgehengselde schaal; en Achilleus schonk haar aan Nestor, Droeg in den kring der Achaiërs ze om, en hem naderend sprak hij :

— Moge u deze behooren, o grijze, en zij het een kleinood, Heugnis ter eer van Patroklos; gij zult toch nimmer hem weerzien

620. Onder het volk der Argeiërs. Ik geef ze u vrij ten geschenke, Want wel maakt gij den kamp met de vuist niet mee en de worstling, Zekerlijk deelt gij ook niet in den speer worp noch in den wedloop. Immers gij voelt aireede het wicht van de drukkende grijsheid. Alzoo sprak hij en gaf hem de schaal in de hand; en met vreugde 626. Nam hij de gave en sprak het gevleugelde woord tot Achilleus:

— Zekerlijk hebt gij dit alles, mijn zoon, welvoeglijk gesproken; Want niet vast meer staan mij, mijn waarde, de leden en voeten, Niet zoo vaardig bewegen de armen zich meer aan mijn schouders. Ware ik noch zoo jong en mijn kracht zoo bloeiend als eertijds,

630. Toen de Epeiërs het sterven vereerden van vorst Amarunkeus, Toen in Bouprasions veste zijn zonen er stelden den prijskamp. Daar was toen geen man mij gelijk, noch onder Epeiërs,

Noch bij de Puliërs zei ven, en mede de dappre Aitolers.

-ocr page 427-

409

Want ik verwon met de vuist Klutoracdes den zone van Enopa, 6;j5. Worstelend Pleuroons telg Ankaios, die tegen mij optrad,

Won het in vaardigen loop van een man als de snelle Ifiklos, Zond mijne werpspies verder dan deed Poludoros of Fuleus. Slechts met de paarden verwonnen mij beide de zonen van Aktor, Zij met hun tweeën en saam afgunstig en tuk op verwinning, 640. Want noch bleven er over de heerlijkste prijzen des wedspels. Dezen nu reden te zaam; éen enkel de teugels besturend.

Enkel de teugels besturend, de andere dreef met den zweepstaf. Ja, zoo was ik voorheen; thans echter, in zulke bedrijven Gaan mij de jongeren voor; nu moet ik der droevige grijsheid 645. Leenen het oor, maar toen, toen glansde ik onder de helden. Doch welaan, ga voort uwen vriend te vereeren met wedkamp. Maar vol dank ontvang ik die gift en mijn harte verheugt zich. Daar gij mij immer gedenkt, den u minnende, nimmer verzuimend Onder het volk der Achaiers de passende eer mij te geven. 660. Schenken u daarvoor weder de goden ten volle hun gunsten.

Alzoo sprak hij; en weer door de woelende schaar der Achaiërs Ging de Peleide, verheugd om de loflijke woorden van Nestor. Hierop stelde hij prijzen ten schriklijken kamp met de vuisten. Binnen den kring dan bond hij een muildier, taai in den arbeid, 656. Niet voor den wagen getemd, zesjarig, en stug om te temmen; Maar den verwonnene bood hij een dubbelgehengselden beker. Toen zich verheffende sprak hij het woord in den kring der Argeiërs:

— Atreus\' zoon en gij andre Achaiërs met stevige scheenplaat. Hiertoe roep ik ze op, twee onder de dapperste mannen,

660, Laat hen de vuisten verheffen ten kamp, én degeen wien Apolloon Gunt volhardende kracht, als het alle Achaiërs erkennen.

Neme en voer\' in zijn tent dit muildier, taai in den arbeid.

Maar die \'t verliest ontvange den dubbelgehengselden beker. Alzoo sprak hij ; een man van de grootsten en sterksten verhief zich 665. Aanstonds, Panopeus\' zoon, Epeios bedreven ten vuistkamp;

Deze nu zeide en legde de hand op het krachtige muildier:

— Naadre, die thans zal winnen den dubbelgehengselden beker; Want wel denk ik dat geen van de andre Achaiërs het muildier Krijgt, met de vuist mij verwinnend; ik ben toch verre de sterkste.

670. Immers genoeg, dat ik ben in het strijden een mindere? Niemand Kan voorwaar toch worden een man uitstekend in alles.

Maar dit zeg ik u ook en vervuld zal \'t zekerlijk worden.

-ocr page 428-

410

Gansclielijk zal ik verpletten zijn lijf, zijn gebeente vermorzlen. Blijve hem ook vergezellen de schare der doodenverzorgers 675. Hier op de plaats, om den man, door mijn vuisten geveld, te vervoeren. Alzoo sprak hij, en rustig bewaarden zij allen het zwijgen. Eén slechts trad er hem tegen, Eurualos godlijk van aanschijn. Telg van Mekisteus\' bloede, den heerseher uit Talao\'s stamhuis, Eertijds, toen hij in Thebe bij Oidipous\' dood zijne uitvaart «80. Mee kwam vieren, verwinnaar te midden van alle Kadmeiërs. Thans was Tudeus\' zoon, met de speren beroemd, hem behulpzaam. Sprak hem den moed in het harte en wensehte hem vurig de zege. Eerst omgordde hij dezen de lenden en bond om zijn handen Wijders de krachtige riemen, uit stierhuid deugdlijk gesneden. 685. Toen zij zich hadden omgord en zich hadden geplaatst in het midden, Hieven zij beiden gelijk hunne krachtige vuisten en gingen Dra elkander te lijf en zij kruisten de wichtige armen. Schrikkelijk klonk om hun kaken de dreunende slag, van hun leden Stroomde bet zweet. Thans stormde de eedle Epeios ten uitval, 680. Stootte de kaak van den ander, die juist hem beloerde, en deze Kon geen stand meer houden; zijn krachtige leden bezwijmden, Zoo als een visch uit de golven door Boreas\' adem bewogen Springt bij het wier van het strand en verdwijnt in het donkere water. Dus ook sprong hij omboog, van den slag. Maar d\'eedle Epeios 695. Richtte hem op van den grond, en zijn makkers terstond hem om-

[ringend

Droegen hem weg uit den kring, onmachtig, met slepende beenen. Brakend het drabbige bloed en het hoofd op den schouder gezonken; Zoo den bewustlooze dragend en dan in hun midden hem leggend. Haalden zij zeiven voor dezen den dubbelgehengselden beker. 7oo. Peleus\' zoon nu stelde ten derde de prijzen des wedkamps. Deze den Danaërs toonend, tot loon van de moeilijke worstling, Eerst den verwinnaar een grooten, een vlammenverdurenden drievoet. Onder Achaia\'s volk op een twaalftal runders berekend;

Maar den verwonneuen strijder bestemde hij daar eene vrouwe 705. Kundig in velerlei werk en geacht vier runders te gelden.

Toen zich verheffende sprak hij het woord in den kring der Argeiërs: — Rijst thans, wie ook hier mocht willen beproeven den wedkamp.

Alzoo sprak hij, en Ajas, de groote van Telamoon stammend. Rees, en Odusseus mede, de schandere, listig van vonden. 710. Toen zij zich hadden omgord en betraden het midden der kampplaats.

-ocr page 429-

411

Grepen zij stevig geklemd elkander met krachtige armen,

Schuin als een tweetal balken gelijk ze de loflijke kunstnaar Stelt op het rijzige huis, om de kracht van de winden te keeren. Onder de hevige spanning der worstlende armen gewrongen 715. Kraakte hun beiden de rug; zweet stroomde hun neer van het lichaam, Over hun lenden en schouders verhieven zich zwellende striemen Dik van het donkere bloed; fel spanden zij al hunne krachten, Vurig begeerend te winnen den heerlijken prijs van den drievoet. Maar zoo min als ter aarde hem neer kon werpen Odusseus 720. Was dit aan Ajas gelukt, door Odusseus\' krachten verhinderd. Doch toen reeds een gemor zich verhief bij de zonen Achaia\'s, Sprak tot den ander de groote, van Telamoon stammende Ajas: — Godlijke zoon van Laërtes, in vindingen rijke Odusseus; Hef mij omhoog of ik doe het u zelf; en aan Zeus de beslissing. 725. Alzoo sprak hij en hief hem; een list had echter Odusseus; Daar hij van achter hem trof in de buiging des beens en de leden Zoo deed zwichten; hij stortte nu ruggelings neer en Odusseus Viel op zijn borst; en de volken aanschouwden het vol van verbazing. Daarop hief op zijn beurt hem de godlijke duider Odusseus, 730. Nochtans kon hij hem toen van den grond slechts weinig verheffen, Maar toen boog hij zijn knie en zij tuimelden beiden ter neder Naast elkaar op den grond in het stof dat hen beiden bevuilde. Aanstonds sprongen zij op en zij hadden ten derde geworsteld. Zoo hen Achilleus niet, van zijn zetel gerezen, terughield: 735. — Thans niet langer gekampt, u vermoeiend u zeiven ten nadeel Beiden behoort u de zege, aan beiden gelijke belooning,

Gaat, dat ook andre Achaiërs den wedkamp mogen beproeven.

Alzoo sprak hij; en dezen beaamden en volgden zijn uitspraak, Wischten het stof van de leden en kleedden zich weer met den lijfrok. 740. Weer gaf Peleus\' zoon toen andere prijzen ten wedloop.

Eerstens een zilveren vat, met versieringen, metend een zestal Maten en alle de andren op aarde verwinnend in schoonheid. Wijl de in kunsten ervaren Sidonicrs maakten dit prachtwerk; Doch door Foinikische mannen, bevarend den donkeren zeeplas, 745. Werd het vervoerd, die, geland in de haven, het schonken aan Thoas; Dan om er Priamos\' zoon Lukaoon mede te koopen Gaf het lasoons telg Euneos den dappren Patroklos.

Dit nu bood de Peleide tot eer van zijn makker ten kampprijs, Hem wiens krachtige voeten de vaardigste bleken ten wedloop;

-ocr page 430-

412

750. Dan voor den tweede een stier van geweldige grootte en vetheid, Eindelijk gaf hij aan goud eenen halven talent voor den laatste. Toen zich verheffende sprak hij het woord in den kring der Argeiërs: —• Rijst thans, wie ook hier mocht willen beproeven den wedkamp. Alzoo sprak hij en Ajas, de snelle, de zoon van Oïleus 755. Rees, en Odusseus mede, de schandre, Antilochos eindlijk Nestors zoon, in het loopen de snelste van alle de jongren.

Dezen nu stonden geschaard en Achilleus wees hnn den eindpaal. Voorwaarts ijlde hun voet van bet uitgangspunt; in een oogwenk Snelde bun Ajas vóór, dicht volgde de eedlc Odusseus; 760. Zoo, wanneer bij bet weven de sierlijk gegordeldc huisvrouw

Dicht aan haar borst doet naadren de klos aan de draden der ketting Wen zij den inslag werpt met de spoel en de draden der ketting Trekt naar zich toe, zoo volgde hem dicht op de hielen Odusseus, Drukkend het spoor van zijn voet noch vóór dat het stof er in neerviel 705. Tegen zijn nek trof telkens de adem des eedlen Odusseus

Steeds in den vliegenden loop; in zijn vuur om de zege te winnen Juichten d\' Achaiërs hem toe en bemoedigden luide den renner. Toen zij bet einde der baan thans naderden, richtte Odusseus Snel in zijn hart het gebed ter godin klaaroogde Athena: 770. — Hoor mij en wees, godin, voor mijn voeten een gunstige helpster. Alzoo zeide hij biddend en Pallas Athena verhoorde \'t;

Licht van bewegingen schiep zij zijn leden, zijn voeten en armen. Maar op bet punt dat zij beiden den prijs thans zouden bereiken Struikelde Ajas op eens in zijn vaart — hem verwarde Athena — 775. Glipte zijn voet in bet vuil dat er lag van de loeiende runders Daar tot Patroklos\' eere geslacht door den snellen Achilleus; Zoo droop over zijn mond en zijn neus hem het vuil van de runders. \'t Mengvat greep toen snel de verhevene duider Odusseus,

Want nu was hij hem vóór, en de sehittrende Ajus het quot;unddier. 780. Deze nu stond met de hand aan den hoorn van den stier uit bet weiveld. Spuwde het vuil uit zijn mond en begon tot den kring der Argeiërs:

— Ach, mijne voeten verwarde gewis de godin, die van oudsher Steeds aan Odusseus\' zij als een moeder hem leent haren bijstand.

Alzoo sprak bij, en vroolijk gelach ontstond bij ben allen. 785. Eindelijk kwam er als laatste Antilochos, welke zijn kamp prijs Toen met een glimlach nam en tot Argos\' volken zich richtte:

— Schoon gij bet weet, mijne vrienden, ik zeg u, de eeuwige goden Geven de eer noch steeds aan de menschen van ouderen leeftijd.

-ocr page 431-

413

Ajas toch is wel slechts weinige jaren mijn oudre,

790. Gene intusschen van vroeger geslacht en van vroegere menschen; Onder de ouderen is hij een krachtige; sneller van voeten Is wel geen der Achaiërs, ten ware de eeuig\' Achilleus.

Al zoo luidde zijn woord, lofprijzend den rasschen Peleide. Daarop zeide tot dezen Achilleus weder ten antwoord: 795. — Geen ondankbare gaaft gij, Antilochos, zulk eene lofspraak, Maar noch voeg ik aan goud eenen halven talent bij uw kampprijs. Alzoo sprak hij en gaf hem het goud, en hij nam het met vreugde. Doch thans droeg de Peleide de lans ver strekkend van schaduw. Welke hij neerlei daar in den kring, met het schild en den strijdhelm, 800. Vroeger Sarpedoous wapens, als buit door Patroklos verwonnen. Toen zich verheffende sprak hij het woord in den kring der Argeiërs: — Laat er een tweetal mannen, de dappersten onder ons midden, Elk in zijn rusting gedost, met het snijdende koper gewapend. Hier in het midden des krings elkander om deze beproeven. 805. Wie van den ander het eerst kan treffen het bloeiende lichaam. Wie door het harnas heen doet vloeien het bloed van den ander, Dezen verleen ik ten loon dit zwaard met de zilveren knoppen, \'t Schoone en Thrakische zwaard dat ik buitte van Asteropaios; Doch dat zij verder gelijk zich verdeden de andere wapens; 8io. Dan onthaal ik hen saam in mijn tent op een kostlijken maaltijd. Alzoo sprak hij, en Ajas, de groote van Telamoon stammend. Hief zich, met Tudeus\' zoon, den geweldigen held Diomedes. Toen zij zich, elk aan een zij van den volkskring, hadden gewapend, Kwamen zij beiden te zaam in den kring, vol drift om te kampen, 8)5. Dreigend van oog en gelaat; ontzetting beving de Achaiërs. Toen zij in stormenden drang elkaar dicht waren genaderd, Sprongen zij driemaal toe en tot driemaal nader en nader. Wel trof Ajas den ander den rondom welvenden beuklaar.

Maar noch niet in het lijf, want goed weerstond hem het pantser; 820. Doch toen zocht de Tudeide hem over het duchtige schild heen Steeds met de blinkende punt zijner speer in den hals te verwonden. Doch wijl toen de Achaiërs begonnen te vreezen voor Ajas, Kiepen zij luid dat zij staakten den kamp en de prijzen verdeelden; Maar den Tudeide verleende de held het geweldige stagzwaard, 825 Saam met de schede het gevend, benevens den sierlijken draagriem. Hierop nam de Peleide den ruwen gegotenen kogel Welken Eëtioon eens kon werpen niet duchtige spierkracht;

-ocr page 432-

414

Toen hem den dood deed vinden de godlijke snelle Acliilleus, Nam hij dien bal met zich mee op zijn schepen, met andere schatten. sho. Nu zich verheffende sprak hij het woord in den kring der Argelërs: — Kijst thans, wie ook hier mocht willen beproeven den wedkamp. Ja, al had men het grootste gebied van de vruchtbare akkers, Hieraan had men genoeg voor vijf van de wentlende jaren Ruim en voor ieder gebruik; naar de stad zal herder of ploeger s:i5. Dan niet gaan als hij ijzer behoeft, maar vindt het in voorraad. Alzoo luidde zijn woord, en de strijdbare held Polupoites Rees, en Leonteus mede, de godlijke, sterk en geweldig,

Voorts Telamonios Ajas benevens de eedle Epeios.

Dezen nu stonden geschaard, en Epeios den kogel verheffend 840. Wierp, maar zwierde hem scheef; luid rees het gelach der Achaiërs. Daarna vatte en wierp hem Leonteus, volgling van Ares, Dan weer deed hem, de derde, de held Telamonios Ajas Vliegen met machtige hand, veel verder dan \'t merk van de andren. Doch nu vatte en zwierde de held Polupoites hem ver weg, 845. Zoo ver heen als de herder van runderen slingert zijn kromstaf. Welken hij voort doet vliegen te midden der weidende kudden; /óo ver wierp hij hem buiten het perk; luid schalde de juichkreet. Aanstonds brachten de makkers des krachtigen mans, Polupoites, Toen naar de welvende schepen den prijs door den koninggeschonken. 850. Daarop gaf hij den schutters een prijs, van het blauwige ijzer Tien tweesnijdende aksen en noch tien enkele bijlen.

Stelde een mast overeind van het schip met gepurperden steven. Ver op het strand van de zee, en hij bond er een schuchtere woudduif Boven aan vast met een touw aan de pooten gehecht, voor de schutters 855, Strekkend ten wit. — Wie nu zal raken de schuchtere duive Neme en moge ter tent meevoeren de dubbele aksen;

Maar die het touw mocht raken en missen de duif met zijn pijlschot, Moge — als minder bedreven — de enkele bijlen verwerven. Alzoo luidden zijn woorden, en Teukros de krachtige koning 860. Rees, en Meriones mede, Idomeneus\' dappere makker.

Beiden nu deden hun lot in een koperen helm en zij schudden, Teukros\' lot ontsprong er het eerst, en terstond van de boogpees Zond hij den pijl, maar had het verzuimd aan den vorstlijken schutter

857. Hierin wordt weer noodelooze moeilijkheid gezocht; de bedoeling is zeer natuurlijk deze: hij die bij ongeluk het touw raakt.

-ocr page 433-

415

Dankliekatomben te wijden der eerste geboorte van lammren. 8cb. \'t Pijlschot miste den vogel; dit was hem een straf van Apolloon, Maar toch trof hij het touw aan den poot van den hangenden vogel, Zoo dat de puntige pijl er het touw doorsneed en ten hemel Snel zich de vogel verhief, en het touw thans slap naar beneden Hing van den mast; luid klonk het geschreeuw van de zonen Achaia\'s. 870, Vlugge Meriones trok hem nu haastig den boog uit de handen. Want reeds hield hij te voren zijn eigenen pijl in gereedheid. Maar eerst deed hij gelofte den treffer van verre Apolloon Dankliekatomben te wijden der eerste geboorte van lammren. Thans ontwaarde hij hoog in de wolken de schuchtere woudduü 87!). Rondom zwierend in kringen en raakte haar onder den vleugel, Welken de pijl doorboorde die weer op de aarde gevallen Lag aan Meriones\' voet; toen zette de vogel zich neder Boven den mast van het schip met den purperbeschilderden steven. Doch dra zakte zijn kop en terwijl hij de vleugelen uitstak, 88«. Was weldra uit zijn leden de adem gevloden en zonk hij

Ver van Meriones neer; met verbazing aanschouwde het ieder. Toen ontving hij de prijzen, Meriones, alle de aksen,

Teukros de bijlen en voerde ze meê naar de holle galeien.

Toen bracht Peleus\' zoon eene speer ver strekkend van schaduw, 886. Stelde een bekken ten prijs noch rein van het vuur, en een stier waard. Rijk met gebloemte versierd; daar hieven zich mannen der werpspies; Eerst kwam Atreus\' zoon, wijdheerschende vorst Agamemnoon, Na hem Meriones mede, Idomeneus\' moedige makker:

Maar toen luidde het woord van den godlijken snellen Achilleus: 890. — Atreus\' zoon, ver gaat gij, wij weten het, allen te boven. Allen erkennen uw kracht en uw kunst in den worp van de speren; Daarom voer gij zelf dien prijs naar uw holle galeien,

Laten wij echter de speer aan Meriones geven, den krijgsheld. Zoo het uw harte behaagt, althans; zoo raad ik het immers. 895. Alzoo sprak hij, beaamd door der volkeren vorst Agamemnoon. Dus aan Meriones gaf hij de koperen speer; en de koning Gaf aan Talthubios last, zijn heraut, te vervoeren het prachtstuk.

-ocr page 434-

VIER EN TWINTIGSTE ZANG.

T

JL hans ontbond zich de kring en zich scheidende gingen de

[volken

Elk naar zijn eigene schepen. Hun zorg was thans te genieten D\'avondspijze en dan den verkwikkenden slaap. De Peleide Echter gedacht met een traan aan zijn vriend en hem koesterde

[geenszins

5. D\'allesbedwingende slaap, en hij wendde en keerde zich telkens, Weemoedvol aan de kracht en den moed van Patroklos gedenkend, Wat al zwoegens met dezen en wat al kommer hij uitstond. Strevend door strijden met mannen gevoerd en door schriklijke zeeën. Deze gedachten bewogen zijn geest en verwekten zijn tranen; 10. Nu op zijn zijde en dan op zijn rug, straks weder voorover Strekte hij rustloos \'t lijf; dan weder verrijzende ging hij Dwalen aan \'t strand van de zee, onrustig bewogen van zinnen. Doch toen Eoos rees en verlichtte de zee en de oevers.

Tuigde hij weer aan zijn wagen het span snelvoetige paarden, 15, Bond toen Hektors lijk om het mede te sleuren er achter, Driemaal zoo om het graf van Menoitios\' zone het sleepend; Daarna rustte hij weer in zijn tent en hij liet er hem liggen Nedergestrekt in het stof. Maar zorgvol weerde Apolloon Alle beschadiging afj voor den man toch voelde hij deernis 20. Zelfs in den dood en hij dekte hem gansch met de goudene aigis, Zorgende steeds dat het lijf niet wierd misvormd door het sleepen.

Zoo mishandelde deze in woede den godlijken Hektor; Deernis gevoelden hem ziende de zalige goden en drongen Hermes den Argosdooder, den spieder, hem stil te verbergen.

-ocr page 435-

417

25. D\'anderen allen behaagde dit wel, niet echter aan Hera,

Noch aan Poseidoon mede en Zeus\' blauwoogige dochter;

Ilios\' heilige vest bleef steeds hun gehaat als te voren,

Priamos zelf en zijn volk, om hetgeen misdreef Alexandres,,

Toen hij de twee godinnen beleedigde ginds in het veepark, 30. Doch haar prees, die tot loon hem verschafte verderflijken wellust. Maar nu Eoos weder verrees op den twaalfde der morgens, Richtte dit woord tot den kring van de eeuwigen Foibos Apolloon:

— Gruwzaam zijt gij, o goden, verderfelijk. Brandde te voren Hektor u dan geen schenkels van vleklooze runders en geiten?

35. Maar thans duldt gij het niet dat het lijk zelfs worde behouden. Zoo dat zyjn vrouw en zijn moeder hem eens noch zien en het knaapje, Priamos mede zijn vader en \'t volk, die hem zonder verwijlen Zouden verbranden en geven hetgeen hem behoort bij zijn uitvaart. Maar steeds helpt gij gewillig, o goden, den boozen Achilleus, 40. Schoon geen billijke zin, geen geest door de rede te buigen Woont in zijn borst, maar immer vermeit zich zijn harte in wildheid, Zoo als een leeuw die geheel aan zijn kracht bot vierend en bloeddorst, Wild op de kudden der menschen zich stort, om een prooi te

[vermeestren;

Dus ook is hij geheel meedoogenloos, geenerlei schaamte 45. Is hem bekend, die den menschen tot voordeel strekt of tot nadeel. Menigen immers gebeurt het te missen een dierbaren doode, Zij het een eigene broeder of zoon, dien hij droevig bejammert; Maar toch staakt hij ten slotte zijn weenen en treurende weeklacht; Want aan het hart van de menschen verleende de Moira berusting. 50. Hij, noch niet voldaan met den dood van den godlijken Hektor, Sleurt aan zijn wagen gehouden hem voort om hetgraf van zijn makker. Nochtans is het gepast noch geeft het hem eenige beetring;

Laat onze wrake hem niet, hoe edel hij zij, het vergelden; Immers bewusteloos stof mishandelt hij zoo in zijn waanzin. 65. Maar gramstorig hernam blankarmige Hera ten antwoord:

— God met den zilveren boog, wel waren uw woorden gerechtigd, Kondt gij de eigene eer aan Achilleus geven en Hektor.

Hektor nu was sterflijk, hem zoogde een vrouwlijke boezem; Maar aan Achilleus schonk een godin het bestaan, die ik zelve

«o. Voedde en kweekte en gaf tot een vrouw aan den edelen Peleus, Peleus, boven de andren geliefd bij de eeuwige goden.

Allen vereende u samen het bruiloftsfeest; en den maaltijd

27

-ocr page 436-

\'

418

Vierdet gij mee, met uw lier, gij vriend van de boozen en valschaard. Doch toen zeide haar weder de wolkenbestuurder Kronioon: 05. — Hera, uw hart zij niet zoo fel op de goden verbolgen,

Nooit zij beiden de eere gelijk. Toch is aan de goden Hektor het meeste geliefd van de menschea in Ilios wonend; Mede aan mij, want nooit onthield hij mij lieflijke offers;

Daar het mijn altaar nooit ontbrak aan het deel van het feestmaal, 70. Noch aan de plenging en walm; die gift toch werd ons beschoren. Geenszins moeten wij echter beproeven den moedigen Hektor Stil te verwijdren; het bleef voor Achilleus niet te verheden, Want steeds leent zijne moeder bij dag en bij nacht hem haar bijstand. Maar zoo éen van de goden mij Thetis riep dat zij herwaarts 75. Kwam, en ik kon haar beduiden den heilzamen raad, dat Achilleus Gaven van Priamos nam en het lijk hem verleende van Hektor.

Alzoo sprak hij, en snel als de storm ging Iris het melden, Stortte zich tusschen de kusten van Samos en \'t rotsige Imbros Neer in de donkere golven en luid weergalmde de zeebocht. 80. IJlings zonk zij omlaag als een looden gewicht van de vischlijn, Boven den horen gehecht van een stier, die te zaam in de diepten Zinken om daar het verderf aan de vratige visschen te brengen. Binnen de welvende grot en van zeegodinnen omgeven Vond zij er Thetis gezeten, die onder haar vele gezusters 85. Jammerde over het lot van haar edelen zone, veroordeeld Ver van zijn vaderlijk land in het kluitige Troja te sneven.

Dicht aan haar zijde genaderd begon snelvoetige Iris: — Thetis, verrijs; u roept thans Zeus\' onfeilbare raadslag. Daarop sprak de godinne, de zilvervoetige Thetis: 90. — Waartoe strekt dit bevel van den machtige? Onder de goden Schroom ik te gaan, daar kommer mij eindeloos pijnigt den boezem. Nochtans ga ik, en wat hij mij zegt zal niet te vergeefs zyn.

Alzoo sprekende wond zich de godlijke vrouw in haar sluier. Donker en zwarter dan ooit zich vertoonde het sombere rouwkleed. »5. Haastig en onder geleide der windsnel zwevende Iris

Ging zij, terwijl om haar beiden de zeevloed week tot een doortocht. Toen, op den oever gestegen, verhieven zij snel zich ten hemel. Waar zij Kronioon vonden, den alomziende, om welken Alle de anderen zaten, de eeuwige zalige goden.

ion. Naast Zeus zat zij, den Vader, ter plaats die Athena haar ruimde. Daarop reikte haar Hera den gouden en sierlijken beker,

-ocr page 437-

419

Groetend met vriendelijk woord; dien dronk zij en reikte hem weder. Thans aanvangende zeide de Vader der menschen en goden:

— (rofllijke Thetis, gij kwaamt. schoon droevig hezorgd, ten Olnmpos, 105. Eindlooze smarten vervullen uw geest, ja zeker ik weet het.

Maar toch moet ik u zeggen hetgeen mij bewoog u te roepen. Reeds in den negenden dag is thans bij de goden de tweedracht Wakker, om Hektors lijk en den steden verwoester Achilleus. Hermes den Argosdooder bewegen zij \'t lijk te verwijdren; no. Maar ik verlang veeleer aan Achilleus roem te verleenen.

Daar ik uw achting en liefde ook later begeer te behouden. Ga dan snel naar het leger en doe aan uw zoon de verkonding: Hoe hij de goden verbittert, van al d\'onstertlijken echter Verre het meest mij vertoornde, dewijl hij in dolle verblindheid 115, Hektors lijk niet geeft, maar houdt bij zijn krommende stevens; — Of hij mij soms ontziende voor losprijs Hektor teruggaf!

D\'edelen Priamos zend ik dan Iris, met last dat de koning Ga naar de vloot der Achaiërs en daar om zijn zoon te bevrijden Peleus\' zoon met geschenken beproeve het hart te vermurwen. 130. Alzoo luidde zijn woord, en de zilvervoetige Thetis

Volgde gewillig en was, van den top des Olumpos gesprongen. Dra bij de tent van haar zoon. Daar vond zij hem nedergezeten Diepe verzuchtingen slakend, omringd van zijn trouwe gezellen, Allen met spoed in de weer om het ochtendmaal te bereiden, 125. Waar zij een schaap voor slachtten, gemest en met welige wolvacht. Dicht aan de zij van haar zoon ging nu zijne achtbare moeder Zitten en strookte hem zacht met de hand; toen sprak zij de woorden:

— Hoe lang zult gij, mijn kind, noch onder gezucht en gejammer Knagen aan eigenen boezem, en zonder aan spijze te denken

130, Noch aan uw sponde? Het ware u goed eene vrouw te omhelzen. Want niet lang meer zult gij bestaan; reeds zijn u in waarheid Dichter en dichter genaderd de dood en de machtige Moira. Hoor dus snel naar mijn woorden, van Zcus toch breng ik u kondschap: Wrevel verwekt gij den goden, van al d\'onsterflijken echter 135. Wekt gij het meest Zeus\' wrevel, dewijl gij in dolle verblindheid Hektors lijk niet geeft, maar houdt bij uw krommende stevens. Welaan geef hem terug en verleen hun het lijk voor een losprijs. Daarop zeide haar weder de snelle van voeten, Achilleus:

— Zij het, en neme het lijk al wie moog\' brengen den losprijs, 140. Zoo de Olumpiër zelf mij met erustigen wil er toe aanmaant.

-ocr page 438-

420

Alzoo wisselden daar in gesprek de gevleugelde woorden Hamen de moeder en zoon noch lang in den kring van de schepen. Kronos\' zoon zond Iris intnsschen naar \'t heilige Troja:

— IJl, snelzwevende Iris; verlaat de Olumpische zalen, us. Spoed u in Ilios\' veste tot Priamos, zeg dat de eedle

Ga naar de vloot der Achaiërs en daar om zijn zoon te verwerven Peleus\' zoon met geschenken heproeve het hart te vermurwen; Doch alleen; vergezelle hem geen van de andere Trojers.

Volge hem slechts een heraut, een bejaardere man, die de muilen 150. Voert en den vierwielswagen en weder terug naar de veste Brenge het lijk van den held dien doodde de eedle Achilleus. Voele zijn hart geen zorg voor den dood en voor geene verschrikking; Immers ik zal hem tot hoede den Argosdooder als leidsman Geven, die voere zijn gang tot hij komt bij den zone van Peleus. 155. Wen hij hem heeft begeleid tot hij komt in de tent van Achilleus, Dan doodt deze hem niet en verdedigt hem tegen de andren. Want niet zinneloos is hij en geen niets achtende booswicht, Maar wel zal hij den man die hem smeekt ontvangen met eerbied. Alzoo sprak hij, en Iris de windsnel zwevende bode 160. IJlde naar Priamos voort; daar vond zij gejammer en weeklacht. Binnen den voorhof zaten, bun vader omringend, de zonen \'t Kleed met hun tranen bevochtigd; te midden van dezen de grijsaard Stijf in de sluitende plooien des mantels gehuld, en bezoedeld Waren het hoofd en de hals van den edelen grijze met vuilnis, 106. Waar hij zich mede bestrooide, in smart op de aarde zich wentlend. Binnen de woning bedreven de dochters en gaden der zonen Rouw, aan de velen en dappren gedenkende, welke zij misten. Onder de moordende hand der Argeiërs beroofd van het leven. Nader aan Priamos\' zij trad nu Zeus\' bode en zachtkens 170. Sprak zij hem fluisterend toe, en een siddering voer door zijn leden:

— Priamos Dardanos\' zoon, dat uw geest zich verheffe, en vrees niet; Geenszins toch om u kwaad te verkondigen ben ik gekomen. Maar welmeenend gezind en van Zeus u als bode gezonden, Zeus steeds uwer gedachtig, ook ver, en zich uwer erbarmend.

175. Zie, de Olumpiër zegt u den godlijken Hektor te lossen,

Peleus\' zoon met geschenken beproevend het hart te vermurwen; Doch alleen, vergezelle u geen van de andere Trojers.

Volge u slechts een heraut, een bejaardere man, die de muilen Voert en den vierwielswagen en weder terug naar de veste

-ocr page 439-

421

180. Brengo het lijk. van den held, dien doodde de eedle Achilleus. Voele uw hart geen zorg voor den dood en voor geene verschrikking; Immers u zal tot uw hoede de Argosdooder als leidsman Helpen, die voere uw gang tot gij komt bij den zone van Peleus. Wen hij u heeft begeleid tot gij komt in de tent van Achilleus, 185. Dan doodt deze u niet en verdedigt u tegen de andren.

Want niet zinneloos is hij en geen niets achtende booswicht, Maar wel zal hij den man die hem smeekt ontvangen met eerbied.

Alzoo sprekende repte zich voort snelvoetige Iris;

Priamos liet zijne zonen den bak van gevlochtene teenen 190. Boven de vrachtkar binden en tuigen het span van de muilen. Daarna daalde hij zelf naar de kamer met cederen zoldring Geurend en hoog, die bewaarde een aantal kostbare zaken. Hekabe daar zijne vrouw toeroepende, sprak hij tot deze:

— Droeve, mij heeft hier Zeug een Olumpische bode gezonden, 195. Welke mij zei bij de vloot der Achaiërs mijn zone te lossen,

Peleus\' zoon met geschenken beproevend het hart te vermurwen. Maar zeg gij mij uw meening en hoe in uw geest het u toeschijnt? Zelf toch word ik genoopt in mijn harte met hevige aandrift Ginds naar de schepen te gaan en het wijde Achaïsche heerkamp. 2oo. Alzoo luidde zijn woord; maar snikkend hervatte zijn gade;

— Wee, waar zijn uwe zinnen verdoold, uw verstand dat u eertijds Zooveel roem deed winnen bij vreemden en eigenen landzaat? Hoe, gij verlangt alleen naar de schepen te gaan der Achaiërs Onder het oog diens mans, die u zoo veel dappere zonen

205. Heeft doen sterven? Gewis wel is u het harte van ijzer.

Want zoodra hij u heeft in zijn macht en den blik op u neerslaat. Die bloeddorstige man, die trouwlooze, geene erbarming Zal hij betoonen of schroom. Ach laten wij over hem treuren Stil, in ons eigen vertrek. Zoo heeft het de machtige Moira, 2io. Toen ik het leven hem schonk, in den draad van zijn dagen gesponnen, Prooi van de zwervende honden te zijn, van zijn ouders verwijderd, Daar by dien heftigen man; o mocht ik hem diep in de lever Slaan mijne tanden; dit ware hem wel eene goede vergelding, Wraak voor mijn zone, voorwaar geen lafaard heeft hij verslagen, 215. Maar voor de Trojers en vrouwen van Troja met golvenden kleedplooi Was hij een held, niet denkend aan laf ontwijken of vluchten. Toen sprak Priamos weder, de godengelijkende grijsaard:

— Strijd niet tegen mijn wensch om te gaan, noch wees in mijn woning

-ocr page 440-

422

Onheilspellende vogel; ik wijk toch niet voor uw aandrang. 220. Had het mij immers een ander gelast van de aardebewoners, Zij het een wichlende ziener, een priester of duider van offers, Zeker wij noemden hem valsch en wij lieten hem liever ter zijde; Thans — zelf hoorde ik toch de godin, zelf zag ik haar aanschijn — Ga ik en maak hare taal niet vruchteloos. Is het mijn noodlot 225. Daar bij de schepen te sneven der kopergedoste Achaiërs,

Laat het geschieden; hij moge terstond mij vermoorden, Achilleus, Houd ik mijn zoon in mijn armen, het harte van tranen verzadigd.,,!

Alzoo sprak hij en hief van de kisten de sierlijke deksels; Daaruit koos hij zich twaalf van de kostbaarst geweven gewaden, 230. Twaalf van de enkele mantels, en ook zoo vele tapeten.

Zoo veel heerlijke lakens en twaalf lijfkleeden er nevens.

Daarna woog hij het goud en hij nam tien volle talenten.

Voorts twee drievoetbekkens, van blinkenden glans, en een viertal Ketels, een prachtigen beker, een gift die hem Thrakiërs boden 235. Toen hij er kwam als gezant; zelfs spaarde de grijze dat kleinood Niet in zijn zaal, want vurig verlangde hij weder te lossen Hektor zijn dierbaren zoon. (Thans joeg hij er alle de Trojers Gram uit den zuilgang weg, hen met smadende woorden bejeegnend:

— Voort, gij schandelijk volk, nietswaardigen; is bij u zeiven 240. T\' huis niet jammer genoeg, dat gij komt om mij hier te verdrieten ?

Wilt gij verzwaren het leed mij van Zeus den Kronide gezonden, Daar mij de dapperste zoon ontvalt? Dra merkt gij het zeiven; Want nu zal het gewis den Achaiërs gemaklij ker vallen.

Daar hij stierf, u te dooden. Ik zelf, o mocht mij gebeuren, 245. Eer ik de stad aan verwoesting ten prijs en den vlammen geofferd Voor mijne oogen aanschouwe, in Aïdes\' woning te dalen.

Alzoo sprak hij cn joeg met zijn scepter ze voort: en zij ijlden Heen van den toornenden grijze. Zijn drift trof toen zijne zonen; Helenos riep hij en Paris en Agathoon, godlijk van aanschijn, 250. Pammoon riep hij vertoornd en Antifonos, dappren Polites, Ook tot Deïfobos klonk het, Hippothoös, moedigen Dios,)

Alle de negen berispte de roepende stem van den grijsaard:

— Snel, onwaardige zonen, mijn schandvlek; waart gij gezaamlijk Daar bij de snelle galeien in stede van Hektor gevallen.

265. Ik rampzalige man! die in Troja\'s wijde gewesten

Dappere zonen verwekte, en thans blijft geen er mij over.

Mestor den godlijken strijder, en Troïlos kloek met den wagen,

-ocr page 441-

423

Hektor, te midden der mannen een god, en die scheen door zijn adel Niet aan een sterflijken mensch ontstamd maar eer aan een godheid; 260. Dezen verdelgde mij Arcs; en alle de schandlijken bleven.

Leugenaars zijt gij en dansers en dappere springers ten reispcl, Plunderaars al van het volk, zich aan lammeren mestend en geiten. Zult gij terstond niet hier mij den wagen bereiden en haastig Daarop laden dit alles, dat spoedig mijn tocht zich vervnlle? 265. Alzoo sprak hij, en allen geschrikt voor den toornigen vader. Haalden de kar voor de muilen, de rollendgeraderde vrachtkar. Nieuw en voortreflyk gemaakt, waarop zij bevestten het mandwerk, Hieven van boven den knop het gareel van de muilen, van bukshout Stevig gemaakt en gebogen, met beugels bezet voor de leidsels, 270. (Namen de riemen des juks, lang negen der maten des elboogs. Daarna hechtten zij \'t juk aan den gladden en effenen dissel Voor aan het uiterste einde en wierpen den ring om den nagel. Wonden tot driemaal vast om de bocht van het juk en ter weerszij Verder de riemen en strikten van onderen stevig hun uiteind. 276. Daarna laadden zij \'t goed, uit de kamer gehaald, op den wagen, Alle de kostbare giften om Hektors hoofd te bevrijden;

Spanden de krachtig gehoefde, de arbeidduldende muilen. Kostbaar geschenk dat te voren de Musiërs Priamos gaven. Eindelijk stelden zij mede voor Priamos\' wagen de paarden, 280. Welke de grijsaard zelf aan de blinkende kribben gevoed had. Priamos zelf nu spande met hulp des herauts zijne paarden. Onder de rijzige hal, saam alles verstandig bedenkend;

Hekabe naderde thans mistroostig van hart, in de rechter Harteverkwikkenden wijn in een goudenen beker hun brengend, 285. Welken zij voor hun vertrek om ten offer te plengen hun aanbood. Voor zijne paarden getreden, begon zij het woord tot hem richtend: — Neem het, en pleng het den Vader, en smeek Zeus veilig tekeeren Weer van des vijands mannen, dewijl in uw hart u de aandrang Drijft naar de schepen te gaan, hoezeer het oo\'k tegen mijn wil zij. 290. Welaan, doe uw gebed tot den donkerbewolkten Kronioon,

Ida\'s god, wiens oog overziet gansch Troja\'s gewesten,

Bid dat hij hier doe vliegen zijn vogel, den vaardigen bode, Onder de vogels hem zeiven het liefst en van alle den sterkste, Bid dat hij rechts hem ons zendt, dat gij zelf met uw oogen hem ziende, 295. Dezen vertrouwende gaat naar de Danaërs, dwingers der rossen. Maar wanneer ons zijn bode de alomschouwende Vader

-ocr page 442-

424

Niet mocht willen verleenen, dan durf ik u niet te vermanen Toch naar de vloot der Achaiërs te gaan, al wenscht gij het vurig. Toen sprak Priamua weder, de godeugelijkende grijsaard: 300. — Vrouwe, ik zal niet weigren te volgen hetgeen gij mij aanraadt; Want wel voegt het tot Zeus om erbarmen de handen te heffen.

Alzoo sprak hij, de grijze, en riep tot de dienende huismaagd Over zijn handen te gieten het zuivere water, en aanstonds Naderde deze en droeg in haar handen de schaal en de schenkkan. 305. Daarop wiesch hij de handen en nam van zijn gade den beker, Bad in den voorhof staande en plengde den wijn, en de oogen Dus naar den hemel verheffend, begon hij en zeide de woorden: — O Zeus Vader, van d\' Ida besturend, verheven en roemvol. Geef dat ik welkom zij en erbarming vind bij Achilleus, 310. Doe alhier ons verschijnen den vogel, den vaardigen bode.

Onder de vogels u zeiven het liefst en van alle den sterkste. Gun dat hij rechts ons verschijnt, dat ik zelf met mijn oogen hem ziende. Dezen vertrouwende ga naar de Danaërs, dwingers der rossen. Alzoo sprak hij zijn beê; hem verhoorde de wijze Kronioon. 3iB. Aanstonds zond hij den arend, het gunstigste teeken der vogels. Jager in dalen en zompen, die mede de Zwarte genoemd wordt. Zoo als in \'t huis van een rijke de deur van de rijzige woonzaal Wijd hare vleugelen opent, met stevige sloten bevestigd, Weerszijds spande hij zoo zijne vleugelen, rechts hun verschijnend, 320. Over de veste gevlogen. De vreugde vervulde hen allen

Toen zij het zagen, het gaf aan hun harte de blijde gerustheid. Haastig zijn blinkenden wagen bestijgende, mende de grijsaard Thans door de poort zijne rossen en onder den galmenden zuilgang. Vobraan werd door de muilen de vierwielswagen getrokken, 32B. Welken Idaios bestuurde, de treflijke; achter hen volgden

Priamos\' paarden, bestuurd en genoopt met de zweep door den

[grijsaard.

Vlug door de veste zich spoedend. Hem volgde een schare van

[vrienden.

Luide verheffend hun klacht, of zij daar hem ten dood begeleidden. Toen, van de hoogten der veste gedaald en ter vlakte gekomen, 330. Keerden naar Ilios weder zijn zonen te zaam met zijn schoonzoons. Maar nu zag hen het oog van den alomzienden Kronioon Daar op hun weg door de vlakte; met deernis zag hij den grijsaard. Aanstonds zeide hij dus tot zijn zoon, den geliefden Hermeias:

-ocr page 443-

425

— Hermes, den man ten geleider te zijn is immers bij voorkeur 335. Steeds u een welkom werk; gij verhoort wel wien het u goeddunkt;

Spoed u om Friamos ginds naar de holle Aehaïsehe schepen Zoo te geleiden dat niet bij de andere Danaërs iemand Zie of bemerke zijn gang alvorens hij komt bij Aehilleus.

Alzoo sprak hij; de bode, de Argosdooder, gehoorzaam, 340. Bond het ambrosische schoeisel, het schoone en gouden, zich

[aanstonds

Onder de voeten, dat vluchtig hem over de vochtige banen Draagt op de grenslooze aarde, gezwind als de adem der winden; Daarop nam hij zijn staf waarmee hij de oogen der menschcn, Wien het hem goeddunkt, sluit, dan weder de slapenden opwekt. 345. Daarmeê zweefde hij henen, de Argosdoodende heerschcr.

Snel bij het Troïsche veld en den Hellespontos gekomen.

Ging hij, een jongling gelijkend uit vorstlijken bloede gesproten, \'t Jcngdige haar om de kin, in den lieflijksten bloei van de jonkheid. Toen zij nu voerden hun span langs Hos\' gedachtenisteeken, 360. Brachten zij even de muilen en paarden tot staan om in \'t stroomnat Deze te drenken; de schemer begon op de aarde te dalen.

Toen ontwaarde op eens de heraut, reeds zag hij hem naadren, Hermes en richtte de woorden tot Priamos, haastig hem roepend; —- Zie toch, Dardanos\' zoon; thans voegt ons een kloeke bezinning. 355. Want daar zie ik een man; en ik vrees dra zal hij ons dooden. Laten wij snel met de paarden een uitkomst zoeken, of anders Smeekend de knieën hem vatten en zien of wij wekken zijn deernis.

Alzoo sprak hij; den grijze begaf vol vrees de bezinning. Over de buigzame leden de haren te berge gerezen 360. Stond hij versuft. Maar Hermes de heilaanbrenger hem naadrend Vatte des grijsaards handen en richtte tot dezen de woorden:

— Waarheen dus, mijn vader, uw rossen en muilen gedreven Zoo in ambrosischen nacht, als de andere menschen in slaap zijn? Voeldet gij dan geen vrees voor de vurig bezielde Achaiërs

365. Wier nabijheid hier u bedreigt, vijandig en bitter?

Zoo er u een hier zag in het vluchtige donkere nachtuur Voerend een kostbare vracht, hoe ware het dan u te moede? Zelf geen jongeling zijt gij, een grijsaard is uw geleider. Geenerlei weerstand boodt gij den man die het eerst u bemoeilijkt. 370. Maar ik zal geen leed u berokkenen, ja u beschermen

Tegen een ander; ik stel u gelijk aan mijn dierbaren vader.

-ocr page 444-

426

Toen sprak Priamos weder, de godengelij kende grijsaard;

— Ja, zoo is het voorzeker, mijn dierbare zoon, als gij zeidet. Maar noch is er een god die de band thans over mij uitstrekt,

375. Daar hij mij gunt dat ik zulk een gezel ontmoet op mijn reisweg, Hier ten geluk mij gezonden, als gij in gestalte en aanschijn. Zoo in verstand uitstekend, gij zoon van gezegende ouders. Daarop zeide bem weder de Argosdooder, de bode;

— Zekerlijk hebt gij dit alles, o grijze, betaamlijk gesproken. 880. Maar welaan, zoo zeg en verklaar mij de zuivere waarheid,

Is het misschien dat gij elders naar andere volken ze heenbrengt Al die kostbare have, dat deze ten minste gespaard zij,

Is het dat reeds met u allen gij \'t heilige Ilios uittrekt Onder den schrik? Want zeker den dapperste hebt gij verloren, 3R5. Dezen uw zoon, die gewis geen strijd den Achaiërs gespaard heeft. Toen sprak Priamos weder, de godengelijkende grijsaard:

— Maar wie zijt gij, mijn beste, en wie toch waren uw ouders? Gij die zoo edel mij spreekt van mijn droevigen zoon en zijn sterven.

Daarop zeide bem weder de Argosdooder, de bode: 390. ■— Grijze, gij wilt mij beproeven ter zake des godlijken Hektors. Wel, zoo vaak toch zag ik in \'t mannenvereerende strijdperk Dezen met eigene oogen, ook toen hij de scharen van Argos Dreef naar de schepen en sloeg, met het vlijmende koper ze doodend. \'t Gaf ons verbazing, van ver het aanschouwende; immers Achilleus 395. Liet ons in strijd niet deelen, vertoornd op den zone van Atreus. Want ik behoor tot zijn makkers, het zelfde voortreflijke vaartuig Voerde ons beiden; ik ben Murmidoniër, zoon van Poluktor. Rijk is deze in goedren, en reeds als gij zelve een grijsaard. Noch zes zonen bezit hij, als zevende kreeg ik het leven; 400. Toen wij het lot er om wierpen geviel mij het lot dat ik optoog. Thans, van de scheepsvloot ging ik in \'t veld, want vroeg in den

[morgen

Gaan zij de veste bestoken, do dappergezinde Achaiërs.

Want hier neder te zitten verdriet hun het harte en nauwiijks Kunnen hen hier van den strijd weerhouden de vorsten Achaia\'s. 405. Toen sprak Priamos weder, de godengelijkende grijsaard:

Zoo gij alsdan tot de makkers behoort des Peleiden Achilleus, Welaan, deel het mij mede en zeg mij de zuivere waarheid, Is mijn zoon daar noch bij de schepen of heeft de Peleide Reeds hem in stukken gehouwen, den honden ten prijs hem gegeven ?

-ocr page 445-

427

4io Toen antwoordde hem weder de Argosdooder, de bode:

— Grijze, hij werd noch niet aan de honden tot prooi en de vogels, Maar noch ligt hij er neer in de tent bij het schip van Achilleus, Zonder veranderd te zijn; reeds lichtte de twaalfde der morgens Over zijn hoofd; toch sloopte hem niet de verrotting, de maden

415. Knagen hem niet, al vreten zij anders die vielen op \'t slagveld. Wel is waar om de terp van het graf zijns dierbaren makkers Sleept hij hem gruwzaam heen, als de godlijke morgen omhoog rijst. Maar toch kwetst het hem niet. Zelf zoudt gij het zien met verwondring Hoe hij er ligt zoo frisch als de dauw, en van bloede gereinigd 420. Zonder bevlekking; geheel is iedere wonde gesloten

Welke hem trof; want velen verwondden hem noch met het koper. Alzoo hoeden uw zoon vol zorgen de zalige goden.

Zelfs ook thans in zijn dood, want dierbaar was hij hun harten. Alzoo sprak hij; en innig verheugd zei weder de grijsaard: 425. — Kind, hoe goed toch is het den eeuwigen passende gaven Immer te brengen, gelijk ook mijn zoon, in de dagen zijns levens. Nooit in de woning verzuimde de goden Olumpos bewonend; Daarom zijn zij tot zelfs in zijn stervenslot hem gedachtig. Kom dus, neem dit geschenk van mijn hand, den gedrevenen beker, 430. Wil mij uw hulp dan leenen en wees met de goden mijn leidsman. Tot ik bereikt zal hebben de tente des zonen van Peleus.

Toen antwoordde hem weder de Argosdooder, de bode:

— Grijze, mij jongere stelt gij te proef, toch zult gij mij geenszins Buiten Achilleus\' weten bewegen uw giften te nemen.

435. Want ik gevoel in mijn hart ontzag en de vrees dat ik dezen Iets ontnam, en mij later een leed zou kunnen geschieden.

Maar tot het roemrijk Argos verzelde ik wel uwe schreden,

\'t Zij in de snelle galei of te voet uw getrouwe behoeder; Niemand zou dan wagen u trots uw geleider te krenken. 440. Alzoo sprak hij, de brenger van heil, en den wagen bestijgend Vatte hij snel in zijn handen de zweep en de teugels, en aanstonds Wekte hij rossen en muilen, met vurigen moed ze bezielend. Toen zij den muur om de vloot en de gracht thans waren genaderd. Brachten er juist de bewakers hun avondmaal in gereedheid; 445. Dezen beving met een sluimer de Argosdoodende bode

Allen en opende haastig de poort, wegschuivend den grendel, Priamos binnen geleidend en \'t kostbare goed op de vrachtkar. Doch nu zij waren gekomen ter tente des zonen van Peleus,

-ocr page 446-

428

\'t Hooge gebouw dat het volk Murmidoniërs bouwde zijn koning, 450. Rijzig met pijnboombalken gedekt, waar boven zij spreidden \'t Ruige en pluizige riet, in de zompige beemden gesneden, — Rondom maakten zij daar voor hun koning een breede omheining. Dichte beplanting van palen; een enkele grendel van pijnhout Sloot er de deur; het vereischte om dien te verschuiven een drietal 456. Mannen Achaia\'s en drie om de deur van den wichtigen sluitboom Weer te bevrijden; en toch alleen wel deed het Achilleus;

Thans ontsloot hem Hcrmcias, de brenger van heil, voor den grijsaard, Voerde het heerlijk geschenk voor den snellen Peleide er binnen. Trad van den wagen ter aarde en deed hem de woorden vernemen: 460. — Grijsaard, zie, zoo kwam ik, een eeuwige god, tot uw bijstand. Hermes; dewijl mij de Vader u zond om uw tocht te bevordren. Maar thans keer ik terug en ik zal voor het oog van Achilleus Niet mij vertoonen; het zou toch wel niet voegelijk wezen Wen zoo zichtbaar een god, onsterfelijk, stervlingen bijstond; 465. Maar treed gij in de tent, en de knieën des zonen van Peleus Vattende, zweer bij zijn vader, het lokkige hoofd van zijn moeder, Smeek hem in naam van zijn zoon en beproef hem het hart te

[vermurwen.

Alzoo sprekende spoedde hij heen naar den grooten Olumpos. Hermes; en Priamos toen van zijn wagen ter aarde getreden, 470. Liet er Idaios vertoeven, en deze bewaarde het toezicht

Over de paarden en muilen. De grijsaard trad in de woning Toen de verheven Peleide er zat. Daar vond hij hem zeiven. Maar zijne makkers verwijlden afzonderlijk; enkel een tweetal, Dappre Automedoon was er en Alkimos stammend van Ares, 475. Welke hun dienst hem betoonden; de spijzen en drank van den

[maaltijd

Had hij zoo even gebruikt; noch stond daar voor hem de tafel. Niet door hen beiden bemerkt, kwam d\'edele Priamos dichtbij. Vatte Achilleus\' knieën en kuste de schriklijke handen. Die moorddadige handen, die zooveel zonen hem doodden. 480. (Zoo als een man die, belast met een bloedige schuld, in zijn landstreek, Na eenen doodslag vlood tot een anderen stam en als smeekling Zocht een vermogenden man, en verbaasd er hem allen beschouwen. Dus ook was de Peleide, den godlijken Priamos ziende.^ Ook ontstelden zijn makkers, verbaasd eikanderen aanziend. 485. Doch toen richtten tot gene zich Priamos\' smeekende woorden:

I

-ocr page 447-

433

Maar steeds bleef ik verzuchten en voeden mijn eindlooze droefheid, t ,o. Steeds in des hofs gallerij op de morsige aarde mij wentlend. Nu eerst proefde ik spijs en bevochtte mijn keel en mijn lippen Vonklende wijn; want vroeger gebruikte ik geenerlei voedsel.

Alzoo sprak hij; zijn makkers en maagden gelastte Achilleus Vóór in de halle de bedden met schoone en purperen kleeden 14;). Neder te zetten en dekens er over te spreiden en wijders Zachte en wollige mantels er boven te leggen tot dekking. Aanstonds spoedden de maagden zich voort uit de zaal, met een

[fakkel

Elk in de handen, en spreidden met ijver voor ieder een rustbed. Schertsenderwijs zei thans hem de snelle van voeten, Achilleus: bso. — Ga daar buiten ter ruste, mijn waardige grijze; dat niet soms Een der Achaïsche vorsten verscheen om, gelijk zij gewoon zijn. Hier met mij saam te beraden; indien er van dezen u iemand Hier ontdekte en zag in het vluchtige donkere nachtuur.

Zou hij het aanstonds melden den herder des volks Agamemnoon; 665. Licht dat zij zoo u vertraagden de taak om uw zoon te bevrijden. Maar welaan, en verhaal mij, verklarend de zuivere waarheid, Hoe veel dagen gij denkt aan den godlijken Hektor te wijden. Zoolang rust ik dan zelf en bedwing ik de drift van mijn, krijgsvolk. Toen sprak Priamos weder, de godengelijkende grijsaard: 600. — Gunt gij my gansch te vervullen den plicht aan den godlijken

[Hektor,

Dankbare blijdschap zult gij mij daarmeê geven, Achilleus. Immers gij weet het, wij zijn in de veste gesloten; van ver weg Halen wij hout uit de bergen en moedeloos vreezen de Trojers. Mochten wij eerst in ons huis tot den negenden dag hem beweenen, 065. Dan hem den tiende begraven, het volk doen vieren het lijkmaal. Voorts op den elfde der dagen zijn graf met den heuvel bedekken; Maar op den twaalfde herrijze de strijd, wanneer het zoo zijn moet.

Toen antwoordde hem weder de godlijke snelle Achilleus: — Dit ook, gryze, geschiede, o Priamos, volgens uw wenscben; 070. Want zoo lang als gij eischtet beloof ik het strijden te staken.

Alzoo luidde zijn woord en de rechter pols van den grijsaard Vatte hij toen met de hand, om de vrees uit zijn harte te weren. Hierop namen de ouden hun nachtrust onder de voorhal, Priamos zelf en de kloeke heraut, twee schrandere grijsaards. 075. Maar in het binnenste deel van de sierlijk getimmerde veldtent

-ocr page 448-

434

Sliep de Peleido, verzeld van Briseïs bekoorlijk van wangen.

Allen, de goden zoowel als de rossenbedwingende mannen, Sliepen gebeel dien nacht, in den koestrenden sluimer gevangen. Sleebts ontvluchtte de slaap aan den beilaanbrenger Hermeias, 080, Want in zijn geest overwoog hij om Priamos weder, den koning. Buiten de schepen te leiden, den heiligen wachters verborgen. Over zijn hoofd heen stond hij gebukt en hij zeide de woorden:

— Grijze, gij vreest thans wel geen kwaad, dat gij zoo in gerustheid Slaapt bij des vijands mannen, nu Peleus\' zoon u gespaard heeft.

085. Ja, wel lostet gij thans uwen zoon, voor de vele geschenken; Maar voor uw levensbehoud, noch driemaal hoogeren losprijs Zouden uw zonen verleenen, in Ilios, wen Agamemnoon Atreus\' zoon u bespeurde en alle Achaiërs het wisten.

Alzoo sprak hij; van vrees ontstellende wekte de grijsaard 090. Snel den heraut; toen tuigde voor dezen de paarden en muilen Hermes en voerde hen snel door het heer en bespeurde hen niemand. Toen zij er weder de voorde der heerlijke strooming bereikten, \'t Water des wielenden Xanthos, van Zeus d\'onsterflijken stammend, Ging, ben verlatend, Hermeias terug naar den grooten Olumpos. o\'jc. Nu rees Eoos weer in \'t saffraangeel kleed op het aardruim:

Stadwaarts dreven zij toen weeklagend en weenend de paarden Voort, en de muilen vervoerden het lijk. Noch zag hunne aankomst Niemand onder de mannen en sierlijk gegordelde vrouwen,

Enkel Kassandra, gelijk aan de gulden godin Afrodite, 700. Pergamos\' hoogte bestijgend, bespeurde haar dierbaren vader

Staand\' met den helderbespraakten heraut in zijn wagen, den doode Nedergelegd op het bed in de kar door de muilen getrokken. Toen weeklaagde zij luid, en de stad doorklonk haar gejammer:

— Komt en aanschouwt toch Hektor, gij Trojers en vrouwen

|van Tro)a,

705. Al wie vroeger met vreugde hem levend gekeerd uit den veldslag Zaagt, want blijdschap was hij der stad en der ganschc bevolking.

Alzoo sprak zij; er bleel\' in de stad geen enkele achter. Man noch vrouw; want allen vervulde een eindlooze droefheid; Buiten en dicht bij de poort ontmoette de schare den doode. 7io. Beiden, zijn minnende vrouw, vooraan, en zijn achtbare moeder Bukten zich \'t haar uit het hoofd; op den stevig geraderden wagen Stortten zij, grepen zijn hoofd; rondom stond weenend de menigt. Zoo en den ganschlijken dag tot het zonlicht zonk in de kimmen,

mo.

745.

750,

-ocr page 449-

435

Zouden zij Hektor bewccncn en jammeren buiten de vestpoort, 115. Zoo thans niet van zijn wagen de grijsaard sprak tot de volken: Wijkt, dat ik hier met de muilen mijn weg volbrenge; aan

[weeklacht

Kunt gij u later verzaden, wanneer ik hem bracht naar mijn woning.

Alzoo sprak hij, en allen verleenden den wagen een doortocht. Toen naar de heerlijke wOning hem voerende, legden zij \'t lichaam i2o. Neer op een kostbare sponde; tot leiding der plechtige weeklacht Werden de zangers gestelt en een deel hief klagend een treurzang, \'t Andere deel het geween, .n den kring van de zuchtende vrouwen, Welke Andromache eerst, blankarmige gade van Hektor, Voorging, treurend het hoofd van den mannenverdelger omarmend: 725. — Gade, op eens van het leven gestort in den dood, in de woning Liet gij mij weduw achter; het kind, noch is het een zuigling, t Knaapje van u en van mij, ons droevigen; ach, en ten jongling Zal hij gewis niet wassen; verdelgd wordt eer van haar hoogten Ilios\' vest, want gij, haar verdediger sneefdet, haar schutsweer, (30. Gij die de eerzame gaden en jeugdige kindren beschermdet.

Weldra worden de vrouwen gesleept naar de welvende schepen. Zelf ook deel ik haar lot; ach kind, wel zult gij uw moeder Daarheen volgen en dulden het leed van een smaadlijken arbeid. Onder een gruwzamen meester in loondienst zwoegen; of wellicht 135. Werpt van den toren u neder ten smaadlijken dood een Achaiër, Koelend zijn toorn en zijn wraak, daar Hektor misschien hem

[een broeder

Doodde, een vader of zoon, want tal van de zonen Achaia\'s Viel door de handen van Hektor en beet in het stof met de tanden. Want niet zacht was waarlijk uw vader in \'t gruwzame strijdperk. 740. Daarom wijdt alom door de stad hem het volk zijne weeklacht. Onuitsprekelijk leed en vertwijfeling gaaft gij uw ouders. Hektor; mij zeiven verwektet gij echter de bitterste droefheid; Stervende hebt gij mij niet uwe handen gereikt van uw leger. Noch mij een woord doen hooren verstandig en wijs, dat ik altijd 74,5. Konde bewaren bij dag en bij nacht mijne tranen vergietend. Alzoo zeide zij weenend en rondom zuchtten de vrouwen. Toen hief Hekabe weer voor de schare de bittere weeklacht: — Hektor, van al mijne zonen mij verre het liefst aan het harte. Ach, wel waart gij gewis bij uw leven geliefd door de goden, 750. Toch vol zorg u gedenkend tot zelfs in het lot van uw sterven.

-ocr page 450-

vf*

I 428

\'t Hooge gebouw dat het volk Murmidoniërs bouwde zijn koning, 4BO. Rijzig met pijnboombalkeii gedekt, waar boven zij spreidden \'t Ruige en pluizige riet, in de zompige beemden gesneden, — Rondom maakten zij daar voor bun koning een breede omheining, Dichte beplanting van palen; een enkele grendel van pijnhout Sloot er de deur; het vereischte om dien te verschuiven een drietal 455, Mannen Achaia\'s en drie om de deur van den wichtigen sluitboom Weer te bevrijden; en toch alleen wel deed het Achilleus;

Thans ontsloot hem Hermeias, de brenger van heil, voor den grijsaard, Voerde het heerlijk geschenk voor den snellen Peleide er binnen. Trad van den wagen ter aarde en deed hem de woorden vernemen: 460. — Grijsaard, zie, zoo kwam ik, een eeuwige god, tot uw bijstand. Hermes; dewijl mij de Vader u zond om uw tocht te bevordren. Maar thans keer ik terug en ik zal voor het oog van Achilleus Niet mij vertoonen; het zou toch wel niet voegelijk wezen Wen zoo zichtbaar een god, onsterfelijk, stervlingen bijstond; 465. Maar treed gij in de tent, en de knieën des zonen van Peleus Vattende, zweer bij zijn vader, het lokkige hoofd van zijn moeder. Smeek hem in naam van zijn zoon en beproef hem het hart te

[vermurwen.

Alzoo sprekende spoedde hij heen naar den grooten Olumpos, Hermes; en Priamos toen van zijn wagen ter aarde getreden, 470. Liet er Idaios vertoeven, en deze bewaarde het toezicht

Over de paarden en muilen. De grijsaard trad in de woning Toen de verheven Peleide er zat. Daar vond hij hem zeiven. Maar zijne makkers verwijlden afzonderlijk; enkel een tweetal, Dappre Automedoon was er en Alkimos stammend van Ares, 475. Welke hun dienst hem betoonden; de spijzen en drank van den

[maaltijd

Had hij zoo even gebruikt; noch stond daar vóór hem de tafel. Niet door hen beiden bemerkt, kwam d\'edele Priamos dichtbij, Vatte Achilleus\' knieën en kuste de schriklijke handen, Die moorddadige handen, die zooveel zonen hem doodden. 480. (Zoo als een man die, belast met een bloedige schuld, in zijn landstreek. Na eenen doodslag vlood tot een anderen stam en als smeekling Zocht een vermogenden man, en verbaasd er hem allen beschouwen. Dus ook was de Peleide, den godlijken Priamos ziende.^ Ook ontstelden zijn makkers, verbaasd eikanderen aanziend. 485. Doch toen richtten tot g^ve zich Priamos\' smeekende woorden:

f

-ocr page 451-

433

Maar steeds bleef ik verzuchten en voeden mijn eindlooze droefheid, .40. Steeds in des hofs gallerij op de morsige aarde mij wentlend. Nu eerst proefde ik spijs en bevochtte mijn keel en mijn lippen Vonklende wijn; want vroeger gebruikte ik geenerlei voedsel.

Alzoo sprak hij; zijn makkers en maagden gelastte Achilleus Vóór in de halle de bedden met schoone en purperen kleeden 345. Neder te. zetten en dekens er over te spreiden en wijders Zachte en wollige mantels er boven te leggen tot dekking. Aanstonds spoedden de maagden zich voort uit de zaal, met een

[fakkel

Elk in de handen, en spreidden met ijver voor ieder een rustbed. Schertsenderwijs zei thans hem de snelle van voeten, Achilleus: 550. — Ga daar buiten ter ruste, mijn waardige grijze; dat niet soms Een der Achaïsche vorsten verscheen om, gelijk zij gewoon zijn. Hier met mij saam te beraden; indien er van dezen u iemand Hier ontdekte en zag in het vluchtige donkere nachtuur.

Zou hij het aanstonds melden den herder des volks Agamemnoon; 665. Licht dat zij zoo u vertraagden de taak om uw zoon te bevrijden. Maar welaan, en verhaal mij, verklarend de zuivere waarheid, Hoe veel dagen gij denkt aan den godlijken Hektor te wijden, Zoolang rust ik dan zelf en bedwing ik de drift van mijn krijgsvolk. Toen sprak Priamos weder, de godengelijkende grijsaard: (loo. — Gunt gij mij gansch te vervullen den plicht aan den godlijken

| Hektor,

Dankbare blijdschap zult gij mij daarmee geven, Achilleus. Immers gij weet het, wij zijn in de veste gesloten; van ver weg Halen wij hout uit de bergen en moedeloos vreezen de Trojers. Mochten wij eerst in ons huis tot den negenden dag hem beweenen, cos. Dan hem den tiende begraven, het volk doen vieren het lijkmaal. Voorts op den elfde der dagen zijn graf met den heuvel bedekken; Maar op den twaalfde herrij ze de strijd, wanneer het zoo zijn moet.

Toen antwoordde hem weder de godlijke snelle Achilleus: — Dit ook, grijze, geschiede, o Priamos, volgens uw wenschen; 070. Want zoo lang als gij eischtet beloof ik het strijden te staken.

Alzoo luidde zijn woord en de rechter pols van den grijsaard Vatte hij toen met de hand, om de vrees uit zijn harte te weren. Hierop namen de ouden hun nachtrust onder de voorhal, Priamos zelf en de kloeke heraut, twee schrandere grijsaards. f.75. Maar in het binnenste deel van de sierlijk getimmerde veldtent

-ocr page 452-

434

Sliep de Pelcide, verzeld van Briseïs bekoorlijk van wangen.

Allen, de goden zoowel als de rossenbedwingende mannen, Sliepen geheel dien nacht, in den koestrenden sluimer gevangen. Slechts ontvluchtte de slaap aan den beilaanbrenger Hermeias, 080. Want in zijn geest overwoog hij om Priamos weder, den koning. Buiten de schepen te leiden, den heiligen wachters verborgen. Over zijn hoofd heen stond hij gebukt en hij zeide de woorden:

— Grijze, gij vreest thans wel geen kwaad, dat gij zoo in gerustheid Slaapt bij des vijands mannen, nu Pelcus\' zoon u gespaard heeft.

085. Ja, wel lostet gij thans uwen zoon, voor de vele geschenken; Maar voor uw levensbehoud, noch driemaal hoogeren losprijs Zouden uw zonen verleenen, in Ilios, wen Agamemnoon Atrcus\' zoon u bespeurde en alle Achaiërs het wisten.

Alzoo sprak hij; van vrees ontstellende wekte de grijsaard 090. Snel den heraut; toen tuigde voor dezen de paarden en muilen Hermes en voerde hen snel door het heer en bespeurde hen niemand. Toen zij er weder de voorde der heerlijke strooming bereikten, \'t Water des wielenden Xanthos, van Zeus d\'onsterflijken stammend. Ging, hen verlatend, Hermeias terug naar den grooten Olumpos. nlt;J5. Nu rees Eoos weer in \'t saffraangeel kleed op het aardruim:

Stadwaarts dreven zij toen weeklagend en weenend de paarden Voort, en de muilen vervoerden het lijk. Noch zag hunne aankomst Niemand onder de mannen en sierlijk gegordelde vrouwen,

Enkel Kassandra, gelijk aan de gulden godin Afrodite, 700, Pergamos\' hoogte bestijgend, bespeurde haar dierbaren vader

Staand\' met den helderbespraakten heraut in zijn wagen, den doode Nedergelegd op het bed in de kar door de muilen getrokken. Toen weeklaagde zij luid, en de stad doorklonk haar gejammer;

— Komt en aanschouwt toch Hektor, gij Trojers en vrouwen

[van Troja,

705. Al wie vroeger met vreugde hem levend gekeerd uit den veldslag Zaagt, want blijdschap was hij der stad en der ganschc bevolking.

Alzoo sprak zij; er bleef in de stad geen enkele achter. Man noch vrouw; want allen vervulde een eindlooze droefheid; Buiten en dicht bij de poort ontmoette de schare den doode. 710. Beiden, zijn minnende vrouw, vooraan, en zijn achtbare moeder Hukten zich \'t haar uit het hoofd; op den stevig geraderden wagen Stortten zij, grepen zijn hoofd; rondom stond weenend de menigt. Zoo en den gansehlijken dag tot het zonlicht zonk in de kimmen.

t

-ocr page 453-

435

Zouden zij Hektor bewecnen en jammeren buiten de vestpoort, 115. Zoo thans niet van zijn wagen de grijsaard sprak tot de volken:

— Wijkt, dat ik hier met de muilen mijn weg volbrenge; aan

[weeklacht

Kunt gij u later verzaden, wanneer ik hem bracht naar mijn woning.

AIzoo sprak hij, en allen verleenden den wagen een doortocht. Toen naar de heerlijke woning hem voerende, legden zij \'t lichaam [20. Neer op een kostbare sponde; tot leiding der plechtige weeklacht Werden de zangers gestelc en een deel hief klagend een treurzang, \'t Andere deel het geween, n den kring van de zuchtendc vrouwen, Welke Andromache eerst, blankarmige gade van Hektor, Voorging, treurend het hoofd van den mannenverdelger omarmend : 125. — Gade, op eens van het leven gestort in den dood, in de woning Liet gij mij weduw achter; het kind, noch is het een zuigling, t Knaapje van n en van mij, ons droevigen; ach, en ten jongling Zal hij gewis niet wassen; verdelgd wordt eer van haar hoogten Ilios\' vest, want gij, haar verdediger sneefdet, haar schutsweer, 130. Gij die de eerzame gaden en jeugdige kindren beschermdet. Weldra worden de vrouwen gesleept naar de welvende schepen. Zelf ook deel ik haar lot; ach kind, wel zult gij uw moeder Daarheen volgen en dulden het leed van een smaadlijken arbeid, Onder een gruwzamen meester in loondienst zwoegen; of wellicht J35. Werpt van den toren u neder ten smaadlijken dood een Aehaiër, Koelend zijn toorn en zijn wraak, daar Hektor misschien hem

[een broeder

Doodde, een vader of zoon, want tal van de zonen Achaia\'s Viel door de handen van Hektor en beet in het.stof met de tanden. Want niet zacht was waarlijk uw vader in \'t gruwzame strijdperk. 740. Daarom wijdt alom door de stad hem het volk zijne weeklacht. Onuitsprekelijk leed en vertwijfeling gaaft gij uw ouders, Hektor; mij zeiven verwektet gij echter de bitterste droefheid; Stervende hebt gij mij niet uwe handen gereikt van uw leger, Noch mij een woord doen hooren verstandig en wijs, dat ik altijd 715. Konde bewaren bij dag en bij nacht mijne tranen vergietend. Alzoo zeide zij weenend en rondom zuchtten de vrouwen. Toen hief Hekabe weer voor de schare de bittere weeklacht:

— Hektor, van al mijne zonen mij verre het liefst aan het harte. Ach, wel waart gij gewis bij uw leven geliefd door de goden,

750, Toch vol zorg u gedenkend tot zelfs in het lot van uw sterven.

-ocr page 454-

436

Want mijne andere zonen, geval dour den snel. ,ieus,

Stuurde hij heeu ten verkoop ver over den huivngeu xeevloed, Verre naar Samos en Imbros en \'t onherbergzame Lemnos;

Maar u, toen hij het leven u nam door het vlijmende koper, 765. Sleepte hij veelmaals rond oni het graf van zijn makker Patroklos, Welken gij dooddet; ofschoon hij hem zoo niet wekte ten leven. Nochtans, frisch als de dauw, zoo ligt gij er, hier in de woonzaal, Dezen gelijk dien de schutter des zilveren bogen Apolloon Plotseling neer doet zinken geveld door verzachtende pijlen. 760. Alzoo zeide zij wcenend en eindeloos rees het gejammer. Daarna wijdde als derde hem Helena droevig haar weeklacht:

— Hektor, van al mijne zwagers mij verre het liefst aan het harte. Ach thans heeft mij ten vrouwe de godlijke held Alexandres, Hij die naar Troja mij voerde; o ware ik vroeger gestorven.

765. Immers het twintigste jaar is dit nu reeds dat mij heensnelt. Sedert ik herwaarts toog en verliet het gewest van mijn vaadren; Maar toch hoorde ik nooit uit uw mond een verwijt of een

[smaadwoord;

Ja, wanneer mij een ander ter woonzaal wilde berispen.

Onder de zwagers of zusters of statige vrouwen der broeders, 770. Hekabe zelfs — want steeds was Priamos zacht als een vader — Altijd kwaamt gij verzoenend te hulp en gij waart mij een voorspi-aak, Zoo door den minzamen aard van uw hart als uw vriendlijke woorden. Daarom treur ik om u en om mij noodlottige tevens.

Want thans is geen ander in Troja\'s wijde gewesten 775. Meer mij genegen of vriendlijk/ met huivering schuwen mij allen. Alzoo zeide zij weenend, omringd door de zuchtende menigt. Toen klonk Priamos\' woord tot het volk en gebood hun de grijsaard:

— Gaat nu, Trojers, het hout naar de veste vervoeren, en geenszins Vreeze uw hart voor een lage der volken van Argos; Achilleus,

780. Toen hij mij heen liet gaan van de donkere schepen, beloofde Geenerlei leed ons te doen, eer twaalfmaal rijze de daagraad.

Alzoo sprak hij; het volk aan de karren de stieren en muilen Bindende, kwam toen snel vóór Ilios\' veste te zamen.

Negen dagen vervoerde het volk eene menigte brandhout; 785. Toen nauw rees op den tiende de lichtaanbrengende Eoos

Voerden zij onder geween uit de woning den moedigen Hektor, Legden het lijk op den stapel en staken den brand in de houtmijt. Toen de ten ochtend geboren godin roosvingrige Eoos

(

-ocr page 455-

437

Lichtte, omringden de volken den stapel des edelen Hektors. jo. Psn daar alle de scharen te zamen zich hadden vereeuigd,

Goten zij vonklenden wijn op het vuur om het eerst te verdooven, Alom waar zich de kracht van de vlammen verbreidde; vervolgens Zochten zijn broeders en makkers de heldere beendren te zamen, •SJu^V^nd, en menige traan ontvloeide er langs hunne wangen. 785. Da.i ïi. een goudene kist de verzamelde beenderen leggend Hulden zij zorgelijk deze in zachte en purperen klecden.

Zetten haar neer in de holte des grafs; daar legden zij boven Vele en wichtige steenen in rijen gestapeld en hoopten Haastig het zand tot een terp; toen plaatsten zich al in het ronde soo. Wachten, dat niet hen besprong de Achaiër met stevige schecnplaat. Toen zij de terp voltooiden hernamen zij weer den terugtocht. Voegden zich ordelijk samen en vierden het eerende lijkmaal Allen in Priamos\' huis in de zalen des godlijken konings.

Alzoo vierden zij \'t graf van den rossenbedwingenden Hektor.

-ocr page 456-

Ac Hij

765. Im

Sei Ma

Ja, On

770. Hlt;

Al Z( D W

775. M

T \\

780. 1 G

785.

1

|

-ocr page 457-

DRUKFOUTEN.

Blad/,.

13, regel 4G4,

lees,

: en zij hadden geproefd de geweiden

»

14,

V

498,

r,

gedruisch

n

20,

n

809,

v

zond.

n

28,

rt

800,

n

Doch gij, vorst.

rgt;

29,

D

896,

n

klip, die

n

29,

n

402,

V

Agamemnoon (geen comma)

n

81,

n

500,

JI

Mannen van Eleon,

n

84,

V

621,

n

ontsproten

»

30,

V

609,

menschen.

n

42,

n

2,

gedruisch

n

52,

n

387,

n

D\' oude

n

66,

n

425,

»

bruischen

n

67,

449,

D

gedruisch op.

»

70,

7)

26,

n

gelastte

n

84,

500,

n

500 (niet 400)

V

93,

noot

n

onzichtbaannakenden

D

125, regel

48,

«

Gargavons

1)

105,

231,

«

Odusseus

1)

193,

627,

n

voortreflijksten

»

195,

701,

V

Deze

n

208,

n

308,

V

muur

»

214,

n

32,

rt

Tenedos

n

216,

V

136,

n

Hektor (geen comma)

n

229,

n

615,

n

Tegen den rijzigen kam.

V

280,

«

7,

n

bloed

n

239,

D

115,

V

115 (niet 15)

n

259,

V

f28.

T.

verstrooiing.

n

205,

V

586,

V

Juist op den rijzigen kam,

51

275,

V

131,

rondom

n

270,

«

155,

D

Langs hunne tenten

«

278,

n

228,

de zwavel

D

289,

n

625,

n

Aides (geen comma)

n

386,

310,

n

Achter „verscholenquot; een ;

n

890.

n

143,

n

purperen

n

390,

li

166,

n

Achter „hoornveequot; geen punt.

-ocr page 458-
-ocr page 459-
-ocr page 460-
-ocr page 461-