H
.Vak fis £
M ARIA-BLOEMEN.
| S/t)
f
NIEUWE MEIMAAND
XXXI OVERWEGINGEN.
luegewijd aan de Allerheiligsle Maagd en Moeder Godf?
iai®
VERMEERDERD
MET TORPASHJKE MORGEN-, UAG- EN AVOND-GEBEDEN.
PI |—jI |—j ? ^ I \\ /
Vierde gehesl omgewerkte druk.
KT.KKKIJK GOEDGEKEURD.
A A X
OXZEX 1 LOOG AV A A RDIG KX
veelgeliefden Bisschop.
Soannei 3. vicjuigt;tin u$ §a ied\\i,
WOEDEN DEZE
M ARIA-BLOEMEN
M KT DTET\'EX EEEBIEP EN KINDEEL.IJKE LIEFDE
OFClEDRAGEKr DOUR
De Bewerkers.
Toe wij ding.
u, o Ilemelkoninginue, tc cltlmi V\\ ercl deze krans van Bloemen zaamgebragt: A Dat haar glans uw glorie mogt vermeeren
Ten spiegel van uw eeuwge zonnepraclit. Ciods liefde deed op aarde bloemen groeijen,
Door duizenden begroet, met hart en mond, -Maar om ze zegenrijker te doen bloeijen, A ersohijnt dit Boek, dat zo in oen tuiltje bond.
Geloof en Liefde mogen ze bedaamvon,
Ln gij, o Maagd, blijf ons een lieilbodin; Daar oorlogsrampen ons rondom benaanwon, Roept ons gebed u om verlossing in.
Moog \'t Bloemfestoen, dat we u ter eere vlechten,
En slingren doen om \'t u gewijd altaar,
Zich naauw aan \'t kart van jeugd en grijsheid
hechten,
Om \'t kracht te geven, godlijk wonderbaar.
\'k Leg thans, Maria, dan die bloemen neder
Aan uwe voeten, voor uw hoogen troon: Sla op dit werk uwe oogen vrieiidlijk-teeder, En \'k vraag van u daarvoor geen zoeter loon.
-Y/Ut.-
MEIKLOKJE.
Eene der eerste Bloemen van het voorjaar is het Meiklokje, dat, als het ware, het scheiden van den Winter aan de wereld verkondigt, en alle andere Bloemen nit den schoot der aarde lokt. Het is eene schoone Bloem, met groote, langwerpige bladeren en eene menigte kleine, sneeuwwitte klokjes, die bijzonder welriekend zijn.ene der eerste Bloemen van het voorjaar is het Meiklokje, dat, als het ware, het scheiden van den Winter aan de wereld verkondigt, en alle andere Bloemen nit den schoot der aarde lokt. Het is eene schoone Bloem, met groote, langwerpige bladeren en eene menigte kleine, sneeuwwitte klokjes, die bijzonder welriekend zijn.
Geene onder alle Bloemen past beter bij den eersten dag der Meimaand, dan deze, omdat het Meiklokje hot zinnebeeld is der nieuw-ontwaakte (rodsvruolit, der levendig-bloeijende .Lielde, De maand Mei is immers der liefde tot Maria, harer godsvrucht, harer vereering toegewijd, en, allioewol, volgons do
woorden van den heiligen Bernardus, ons geheel leven nan Gods Moeder moet toebehooren , zoo dient toch, in de schoonste maand des jaars, onze 1 iefde tot Maria zich het gloeijendst en onze godsvrucht zich het levendigst te tooneu.
Daarom moeten wij op den dag van heden beginnen te roepen met den Priester aan het altaar: sur sum cor da ! de harten omhoog! en dezen kreet alle dagen dezer Maand meermaal herhalen, om onzen blik opwaarts te rigten tot Jesus, die op den schoot zijner Moeder rust; om ons hart met al zijne liefde naar boven te wenden tot Maria, die in deze Maand, gelijk in geen andere, genade uitdeelt en verspreidt. Eoepen wij haar toe met den Engel : wees gegroet, gij genadevolle! Immers, indien de menschen dezer aarde dien engelengroet herhalen, zal dan de allerzaligste Maagd onzen groet onbeantwoord laten? — Neen, zij zal ons danken, en haar dank, zegt de H. Kpipiianius, is eene genade!—Hoe meer wij dit herhalen, des te meer zal deze Maand eene ware Lentemaand voor ons worden , waarin de schoonste Bloemen van heilige deugden ontluiken in ons hart.
Het, Meiklokje luidt, on zoo roept de II. Kerk de geloovigen op, om in de Maand
Mei Maria op eeue bijzoiiflere wijze ie vereeren en Ie bemimien. Deze vrome n\'odsvriK^il is, op het einde der vorige eeuw, te Rome ontstaan, en sinds selder over de geheele Katholieke wereld verbreid, vooral dewijl het Opperhoofd der Kerk, l\'aus Pins \\ II. haar goedgekeurd en, op den 31 .Maart 1gt;!]5, mot een Aflaat begiftigd heeft. Alle geloovigeu, die, gedurende de Maand Mei, alleen, of gemeensohaplijk met anderen, godvruchtig een werk ter eere der god-lijke Moeder verrigten, winnen voor eiken dag een Aflaat van 800 dagen en éénmaal. indien zij, na waardiglijk de heilige Sakramenten ontvangen te hebben, voor de aangelegenheden der Kerk bidden, een vollen Aflaat, welke genadeschatten ook aan de arme zielen in het vagevuur kunnen ivorden toegevoegd. Zullen wij aan dezen genaderoep der heilige Kerk geen gehoor leenenr Het Meiklokje luidt, en zoo roept ons het voorbeeld van zoovele vereerders van Maria tot do Mei-oefeningen op. Bij den aanvang dezer Maand knielen duizenden in hunne huizen, in den kring hunner familie, voor het met bloemen gesmukte beeld van Al aria , en vereeren mot innige liefde de heilige Aioeder Gods; wedijveren duizenden in het sieren harer altaren, en trekken
— quot;10 —
in groole scliarun imar do I laar tocguwijdu kerken heen. In Spanje en Frankvijk, in Italië en Duitsch-lanrl vereenigen nieli de vromen, om hunne Moeder te loven; ja, aan gene zijde der zee,
in die landen, waar men eerst sedert weinige jaren den naam van .Maria kent, bij volkeren, die zirli ?
vroeger met het vleesch hunner verslagen vijanden voedden, weergalmen in deze Maand lofzangen ter eere van Maria, en mengen deze zich met het bruischen der zee, die hunne oevers bespoelt. —
Zullen wij aan de stem van zoo vele voorbeelden o-een gehoor leenen ?
Het Meiklokje luidt, en zoo roept ons ons eio-en hart tot de pleg-tige Mei-oefeninoen op.
Mijn hart, zegt do H. Catharina van Genua, is eene gevloekte aarde, die slechts doornen en distelen draagt. Wij allen moeten even zoo spreken, wanneer wij onze laauwheid, onze geestelijke zwakheid, onze zoo dikwerf verbroken goede voornemens nagaan. Maar wie neemt dezen vloek weg? Wie anders, als zij, die de slang den kop verbrijzeld heeft; als zij, in wie alle geslachten gezegend worden ; Maria! Daarom, vergeten wij nooit het woord van den H. Alphonsus ; wilt o-ij in de volmaaktheid toenemen en vast worden in het goede, gaat tot Maria 1 — Zullen
— 11 —
»ij dun kroot dor goiiadc in ons armzalig\' luirl versmoren ?
N^een, mogten ons ook deze drie beweeggronden niet voorgesteld zijn, uit vrije liefde, uit eigen verlangen, tocli wijden wij u, o allerheiligste Maagd, deze 31 dagen uit bijzondere liefde en vereering toe. I)oe door uw gebed ons hart een Meiklokje worden, wit en helder wegens do reine meening bij deze godsvrucht; dat het klinkend en luidend ons wekke uit den sluimer der traagheid en van het alledaagsche leven, tot eene meer levendige en gloeijendo liefde jegens u; dat, het klinkend en luidend, door het gebed en o-oed voorbeeld, ook anderen uit den nacht der zonde tot een beter leven oproepe. Geef, dat wij in waarheid kunnen uitroepen met de Bruid in het Hooglied ; de regentijd is over, do winter is voorbij, de lente nadgj^wi Oi bk^en beginnen reeds te bloeije^f^l^têT èW^fèöe en de bloemen a\\\\erjKbfö;amp;^~~ \\
(O. F. M. ; *1
De i\\ F o
Zij brengc^ii^^^l^j^^vel,!:
Elk voelt wat die tooneu beduiden : — Zij roepen : Xaar \'t altaar gesneld!
On (laav aan .Maria vereeren,
I let sclioouste gebloeml van dcu Uol, Eu breug er ile Moeder des Heeren, Te zaam met liaar Zoon dank en lof.
1 )ooli rein moei het havt dan iiollt; lilinken, Dat daar wordt ten oti\'er gesteld, i\'.n zuiver als t Meiklukje klinken De beê, die liet oiler verzelt.
o Moo-en er duizenden komen,
Waar \'t vriendelijk Meiklokje luidt, Kn zij liet alonune vernomen
Wat de toon van dat klokje beduidt.
Hot predikt in alle landsouwen :
Aan Maria behoort de maand Mei, Doek wie liaar bij (iod wil aanselionweii, Moet vlekkeloos wezen als zij.
■
II.
ZONNEBLOEM.
fWiil cle Zonnebloem, met hare g-roote sJU^ zwarte kern, oinringd van gele bladeren, het eigenaardige heeft, dat zij haar hoofd steeds naar de Zon wendt, en met deze zich verheft en daalt, daarom noemt men haar, niet ten onregte: het beeld des (icloofs.
(lok het Geloof wendt bestendig zijnen blik naar de Zon der godlijke liefde: de hemel o\'eeft het Geloot zijne levenskraeht, en hoe meer dit licht zich aan zijn hart onttrekt , des te zwakker en ilaauwer wordt het. Abraham wordt in de H. Schrift geroemd wegens zijn Geloof: maar grooter nog is Maria: van li aar zoggen de Vaders, dat de allerheiligste Alaagd moer Geloof had, dan alle menschen en Engelen tezamen Gelijk alzoo Elisabeth de godlijke Moeder groette met de woorden : zalig zijt gij , omdat gij geloofd hebt: zoo kunnen ook wij li;iai\' om haai* (Jeloof zalig
— 14 —
prijzen, Tiaar noemen tic hemelselie Zonnebloem, liet sdioonste toonbeeld (les heiligen Gelools.
De Zonnebloem i\'igt liiuir lioolil be-sl endig naar de Zon, en .Maria wondde haren geloovigen blik in geenen toestand haars levens at\' van den aanvanger en voleindiger oh zes Gelools, van Jesus (\'liristus. \\ande \\\\ ieg tot het graf schouwde /.ij hem aan; /.ij zag hem in den stal te Hethlehom en gelooide nog-lans, dat hij de Schepper des hemels en der aarde is; zij zag hem veracht aan het kruis sterven , en bleet\'staan, hetgeen, volgens de woorden des II. Antonhis, haar Geloot\' aan de Godheiil van .lesus bewerkte , dat nooit wankelde in haar hart. Blikken ook wij met Maria bestendig op Jesns; slaan wij zeer dikwijls met geloovigen blik het kruisbeeld gade, dan zal ons geloof immer vaster, en ons leven eenleven worden van (leloof. ,, V\\ ant mijn rogtvaardige leeft doorliet Geloof.\'\'
])e Zonnebloem vnrhel\'t mei vreugde haar hoofd, zoodra do Zon aan den hemel verschijnt; ook Maria vindt hare vreugde inliet Geloof. Naanwlijks heel\'l Klisabeth liaarzalig geprezen om haars geloofs wille , of\'zij stemt m heilige verrukking den vrengdezang aan ; « Hoog prijst mijne ziel den lieer!quot; — Zoo ook moeten
— 13 —
wij ons verheugen, liij tie gedachte, kinderen tier ware Kerk te zijn, eeno gedachte, welke de heiligen zelfs op hun sterfbed nog met onuit-spreeklijken troost vervulde. In kruisen lijden, zegt de II. Franciscus van Sales, is er geen Idijder troost, dan de herinnering, een zoon dier Moeder te zijn, in wier schoot het goed leven en goed sterven is.
De Zonnebloem volgt als dankbaar het licht, dat haar warmte en levenskracht geeft, en buigt treurig het hoofd , wanneer de Zon verdwijnt. Zoo volgde Maria haren Zoon dankbaar overal na. Zij had hein dertig jaren lang vroom gediend in het land des vreem-delings en in het vaderland; zij had voor hem gearbeid, over hein geweend, voor hem geleden; zij had hem, zonder ooit te ontbreken,\'s morgens en \'s avonds aangebeden, \'t is ligt te vermoeden, dat zij haar vreedzaam dak verliet, om in dankbare liefde de gezegende voetstappen baars Zoons te volgen, toen liij de leer der zaligheid ging prediken en het liehl des geloofs onder de volkeren op deed gaan. En, toen hij dood aan het kruis hing, was ook haar (\'énigste verlangen, fo scheidon uit dit tranendal. Zoo moeten ook wij God danken voor lier heilig (ielool\', dat vol
— 16 —
jrens rle woorden der Vaders, do grootste aller cenadeu is; wij moeten, mei de II. Theresia ,nooit vergeten, in onze morgen- en avondgebeden, onze dankbaarheid te betuigen voor do genade des Geloofs; dikwijls, naar bet voorbeeld des II. I\'liilippus Xerins, de belijdenis des Gelool\'s aandaolitig bidden, en, vooral, gelijk Alaria , onzen dank voor de genade van bet Geloot\'daardoor bewijzen, dat wij den Gever dezer genade met erkentlijke liefde volgen overal, liet Geloot\' leert ons, dat.lesus Christus tegenwoordig is in het allerheiligste Sakrament; daarheen moeten wij ons bestendig wenden, gelijk de Zonnebloem naar het, licht der Zon, en, hetzij wij slapen ot\' waken, ons te huis of aan onzen arbeid bevinden, altijd moeten wij trachten, onze harten en onze oogen derwaarts to rigten, waar wij weten, dat \'zich eene kerk bevindt waarin het Allerheiligste rust.
Laat, o allorheilisïste Maagd . ons geloof naar het uwe gelijken, dan zal ook ons hart gelijken iiaijr do Zonnebloem. \\ erworl\' ons de genade, dat wij in eiken toestand onzes levens onze oogen op Jesus vestigen. en in zijn voorbeeld versterking putten voor ons geloof: dat wij, door de herinnering ouzos (ieloofs met vreugde vervuld.
T
i
oiH juuigwlnmjjoii vucleu lot Jusits to ijluu, om lieui voor deze omiitspi-eeklijke welfhiad onzen (liink te betoonen.
Zij ons in \'t zieleleveu Als outer toebedeeld \'l Geloof, welks lichtwaarts streven
De Zonnebloem verbeeldt.
Wil in t Geloot\'ons sterken,
Kn toon elk t in zijn werken.
-Mnria, Maria, verhoor dees zielebeê !
0 Koeren zich onze oogen.
(iclijk die Bloem, naar \'l lii-lil ,
Waar ze n aanséliqmven iiiog\'on.
Den blik naar ons gerigt;
Dan draagt \'t geloot\' zijn vriicliten.
Daar w ij ten Hemel znchten :
Maria , Maria , verhoor dees zielebeê!
1 )och mogen onze harten
liet meest zijn heen gewend,
l ot troost in alle smarten ,
Naar \'t heiligst Sakrament.
Verwerf bij God den Zone Dat die Bloem in ons wone.
Maria, Maria, verhoor dees zielebeê I
III. EILOOF,
quot;Y\' V\'i\'i Kiloofis oen u-ewiis, (hitmét zijuo ilonkcr-o\'voone puiitlg\'C hludei\'cu lungs (lomiivou ii|i-klimt, en otulo eiken met zijne slijmende ranken vast omslingerd, .luist dit klimmen en vastklemmen aan zijnen steun, heeft liet Kiloot\' aan doen nemen tot zinnebeeld der 1 loop.
])e allerheiligste Maagd Maria noemt zieli zelve de Moeder der heilige Hoop : « Ik beu de Moeder der heilige Hoop,quot; en daarom kan men haar te regt met liet Kiloof vergelijken, liet Mil ooi zoekt zich altijd een steun, wast langs boomen of muren op, en klemt zich daaraan vast. /00 zien wij ook Maria nooit alleen : altijd is zij bij haren (ïod, die tevens haar Zoon is. Haar steun en hare hulp, haar raad en haar troost is Jesus-alleen; op hem vertrouwt en
Iioopt /.ij in ulku iuing\'elegenliuul: Haul y.ij wuer dat zij , die op den Heev vertrnuwcn . nimmer beschaamd worden. Verliest zij Tesus in den tempel, dan zoekt zij geen troost bij de mensclien , maar hoopt met onwrikbaar vertrouwen op het weder vinden. Ook werd zij niet te leur gesteld : liaargeliefd Kind, wat ze zocht, vond zij weder.
Toen .Tesus aan het kruis gestorven was, liet zij zich niet overwinnen door de smarten, noch zocht zij troost bij de menschen; neen, rustig en aan Gods wil overgegeven, hoopte zij op den lieer, die, kort daarna, haar vertrouwen door zij ie wonderbare verschijning beloonde. — Zoo moeten ook wij, naar het voorbeeld van Maria , niet o]) du menschen, maar op God-alleen ons vertrouwen stellen. — Wie op menschen vertrouwt, zegt de 11. Theresia, steunt op een gebroken stat\'. Klimmen wij op tot het godlijk hart van Jesus; omslingeren wij het met de armen der heilige Hoop en van liet kinderlijk vertrouwen : drukken wij ons het godlijk woord, als een grondbeginsel onzes levens, diep in het hart : ii Wie op God vertrouwt, zal in eeuwigheid niet beschaamd worden.quot;
Het Eiloof behoudt zijne kleur, zomer en winter; zoo onveranderlijk was ook de hoop der
— 30 —
iilltji\'lmiU^stc jVliMgd Mari;i; uiels kon li.iar iIuimi zwichten; ja, lict was juist in die oogenbliklcen , waar alles zanienliep om haar aan liet wankelen te brengen, dat haar vertrouwen zieh in zijne g\'e-lieele standvastigheid heeft vertoond. Toen zij Jesus arm en verlaten, gelijk een misdadiger, aan het kruis zag sterven, stond zij vol vertrouwen aan zijne voeten; want zegt de H. Amhrosins, zij hoopte vast en onwrikbaar de redding iler wereld en de verlossingdes mensehelijken geslaelits, die, gelijk zij wist, door middel van zijnen dood moest bewerkt worden. IV Hoop, zegt de 11. Egi-dins, is een kind van den nacht, dat wil zeggen : dat de Hoop juist dan eeue heilige, verdienstelijke en belooningswaardige deugd is, wanneer de toestand, waarin wij ons bevinden, zoo hagchlijk en duister is, dat wij er geen uitkomst van ontwaren, en wij, desniettegenstaande, op God verlromven.
liet Kilool\' is groen, en gelijk de groene kleur de kleur der Hoop is, zoo ook is Maria onze Hoop. Van uit haren schoot verspreiden zich de stralen der hoop over de gansche wereld. Zoo ver de glorierijke Naam haars Zoons den volkeren bekend is, even ver wordt zij vereerd als de Moeder der hoop, terwijl al hare kinderen, in eiken toestand des levens, zich tot haar wenden ,
luu\'c1 vijorspniaL lumupiMi, uu ulzon, dooi\' lui;ir. hulp verwachten viin (iod. Dat hij znijge van de heerlijkheden van .Maria, zeg-t de heilige Bernar-dns, die zij ooit in den nood verlaten heeft. Nemen wij derhalve steeds onze toevlugt tot Maria, die, na Jesns, onze eenige Hoop is; stellen wij op haar ons vertrouwen, en niet op het aanzien en de voorspraak, niet op de waardigheid en den rijkdom der inensohen; want zij-alleen kan en wil ons helpen.
Een getrouwe zoon van Maria, de II. IMuard, koning van lingeland, sloeg nooit iets ai\', wanneer men hem bad in den Naam der Moeder Gods. Evenzoo weigert ook de beste Zoon dei-beste Moeder, Jesus, nooit iets, wat het ook zij, dat, men hem vraagt in Maria\'s heiligen Naam. Wees daarom , o allerheiligste Maagd, mijne toevlugt in alle wederwaardigheden : op u wil ik vertrouwen in eiken nood, en op n hopen al mijne levensdagen lang.
Wilt ji\'o iiciuscliouwfii, \\ ast vertrouwen,
lililc dan naar jNEaria lioon ; Heel liaar leven,
Al haar streven Steunde op Jesus\' kracht aliet
\'t Hart zij open Voor het hopen,
üm haar voorbeeld ua te doe 6 Dan bloeit het Kn dan groeit het, Als een eik in \'t KiloofgToen.
Die blijft bouwen. Vol vertrouwen,
Op riods womlennagt alleen; I lij krijgt spoedig Overvloedig kracht in alle tegenlieên.
IV.
BRANDENDE LIEFDE.
^nnn 0011 stovig\'eu, lielit-gToeneu sl,engelbovin-\'JvX1 (\'(\'u zicli kleine stemsbloemen, die zicli lt;jc-regeld, iu een zeker gefnl, tot ééne bloem veveeni-gen. Deze bloem wordt, wegens hare brandend roode klenr, lt;le brandende Liefde genoemd en voor het zinueheeld der Liefde ü\'elionden.
Is er ooit een liefde op aarde geweest, even waar en opregt, als vurig en gloeljeud, zoo was zij het, voorzeker, die gloeide in -Maria\'s vlekloos hart. Van haar getuigen de Heiligen, dat zij in lietde tot (iod alle Seraphijnen overtroffen heeft, en dat (ie lietde van al de g\'esclia-pen wezens, met de hare vergeleken, verbleeken moet, gelijk de sterren, wanneer de nacht verdwijnt en de zon aan den hemel optreedt. Het is daarom, dat de H. kerk met regt deze woor-
- 2 I —
don (i]i Mnria loejiiist; «Ik !)fii di\' luowlw ,iinl\' veine liefdequot;, en ons ilaar als toon-en voovbeeld ter navolging voorstelt. Scliittert Maria in alle deugden uit, dan tocli nog méér in die, welke de II. Apostel de hoogste noemt: //maai\' van deze drie is de Liefde de grootstequot;; weshalve de H. Bonaventnra Haai\' op eene treilende wijze als Koningin der Liefde begroet.
De brandende Liefde is vuurrood ou beteelcent zinnebeeldig het vurige, hef vlammende der Liefde: de levenskracht, die zich door geen hinderpaal laat afschrikken, de geestdrift, waarvoor niets te hard ol te moeilijk valt , den liefdegloed, die, meer en meer door den storm ontstoken, steeds het helderste in het ongeluk gloort. I\'quot;n deze Lieide, waar is zij meer te vinden dan in Maria\'s heilig hart?—l?e-sohouwen wij slechts de Moeder., hoe zij inliet, stalleken van Bethlehem haar pasgeboren Kindje bemint, liet teeder omlielst, zorgvuldig bewaakt en in windselen hult, terwijl zij, volgens de woorden van den 11.\' Kernardus, met het Kindal hare moederliefde imvhult. — Beschouwen wij Haar ook aan den voet van het Kruis: zij verlaat niet haar godlijk Kind, maar blijlt aanwezig, door de liefde gesterkt, opdat ten minste kare
tegenwoorclig\'lieid hem trooste in zijne eindelnoze smart. \\\\ ij moeten clan ook bedenken, dat zulk eene liefde, zoo vurig en gloeijeud in den beginne, zoo warm nog en zoo vlammend in den dood, waarlijk eene brandende Liefde ma«* «genoemd , en de Bloem van dien naam slechts met liet moederbart van .Maria kan vergeleken worden. Zoo moeten ook wij God beminnen of, althans, daar wij dit verheven voorbeeld niet bereiken kunnen, er naar streven, om het na te volgen. Niet alleen met woorden, welke wij in een kerkboek lezen, of door edele gevoelens die soms iu het voorbijgaan bij ons opkomen ; neen, zal God door ons bemind worden, dan moet onze Liefde warm zijn. om het hart te doen gloeijen, om voor geene moeijelijkheid teniquot;- te deinzen, en ons als t ware te dringen om uxoo-te zaken te verrigten voor den Heer. De Liefde van Christus vuro ons aan!
Do brandende Liefde heeft bloemen in de gedaante van kleine sterren, en kan ook in dii opzigt, met de heilige Liefde Gods vergeleken worden; want ook zij is als eene ster, die de duisternis des levens met haren lichtglans verblijdt. Zoo was mede voorde aüer-zaligste Maagd Maria de Liefde die sier. waar-
naar zij liaar gaiist\'lic loven vhjKeou liar6 lüikken weiuUlc in itidei\' «iiguluk. (iclijk wek\'ur clmiui1 stoi\' ilc drie Koiungüii naar .losns (Üiristns lieon geleidde, zoo ook werd zij steeds door de liefde, als door eeuestor, naarliaar godlijk Kind gevoerd. Ook voor ons zal de liefde tot God als eeue ster wezen, die ons van den regten weg niet laat afdwalen, ons troost aanbiedt in den naclit des ongelnks, en ons den weg tot .lesus in den lieinol bewandelen doet. lgt;e Navolging van Christus zegt:
Die God van gansdier harle bemint, zal inliet si\'ekik niet trotseli, in het ongeluk uiet ueerslag-tig wezen.quot;
T)e brandende Liefde heeft altijd vele bl oe nip j e s, tot ééne bloem vereenigd: en zoo ook bezigt de godlijke \'Liefde velerlei wijzen, om zich te openbaren. De allerheiligste Maagd toont hare Liefde tot .lesus, wanneer zij zorgt voor zijn voedsel en kleeding, wanneer zij Hem opal zijne reizen vergezcK , en in hare moederlijke liefde opneem! al degenen, die Hem lieten dierbaar waren op aard. Zoo moeten ook wij op versehillen-de wijzen toonen, dat de Liefde tot God in onze harten gloeit en brandt. In de armen moeten wij •lesus voeden en kleeden; in de kerken en altaren moeten wij Hem sieren en too ij en ; in die
ni en srli en . irclko I lij Itijzonder lie in in i in el© I\'nesfers en in idle vrome Chrisienen moeten w ij Hein lieniinuen en vereeren.
Hot is niet dit voornemen, dat wij ons tot. u wenden, o allevzaligsto Ahiaa\'d Marin; n\\v havl tooli geleek volmaakt aau de brandende lael\'de; acli I geel ons slechts eén vonk van dezen liefdegloed , en ook onze koude, lieldelooze hiirlen znllen iveldi\'a deze Bloem gelijken en van de god-lijke Liel\'dc branden. O moglen wij, door nwe \\oorspnuik bij God, in liefde tol llemonlvbnn-men, dan zon ons, voorzeker, niets in dit Iraneu-dal ontbroken; elke smart zou dan wijken, elke twijfel opgelosi worden, en dit leven, volgens de woorden van den II. \\ntoniiis, een liemel op aai\'de zijn.
l.;iiil en^ niet ie vergeefs bidden, o heuielselie. briindende Liefde, maar verboor on,s smeekgebed!
— 28 —
Wil. I.ii\'l\'dc, iiiuiincr wijken.
(lij, dio mij quot;t liart doorgloeit, \'k Zal \'t bloempje dan gelijken, Het sclioonste, dat er bloeit. Ontsteek me in heilige minne.
Door nwen liefdegloed, o .1 lt;icide-Koninginne,
tji scliraag mijn zwakken moed :
Zoodat, o]) alle wijzen,
Ik God. mijn hoogste doel,
Door liefde hoog moog prijzen, Die \'k in mijn boezem voel: Dat heel mijn ziel ontvlamme \\\'oor mijnen God en Heer, Kn ik hem nooit vergramme.
Maar lief heb immermeer.
V.
LELIE.
lt; H-liittevond is de schoonheid der Lelie, die
lm ren sneenw-witten kelk voor den hemel openspreidt. Zij is \\;in vele kleine hlnndjes, die .•um haren regt-opoToeijenden stengel ontspruiten, omgeven, en wndemt een hijzonder tijnen en kostbaren geur. De godlijke Verlosser .Testis Christus-zelf spreekt van hare pracht: //beschouwt de Leliën des velds, hoe /.ij groeijen : zij arbeiden niet, zij spinnen niet; en ik zeg u : dat Salomon-zell\' in al zijne heerlijkheid Tiiet gekleed is geweest, gelijk eene van die. quot;
Schier bij alle volken en in alle tijden werd deze Bloem als zinnebeeld der onschuld eiikuisoh-heid genomen : en. in der daad, heeft de Lelie eene zoo innige verhouding en gelijkenis met deze deugd, dat zij met regt het beeld der kniscli-heid mag worden genoemd. De H. Ambrosius
j
— 30 —
/.ügl, in eeiio zijner leeriedeueii : \\\\ ie deukL niet onwilkeurig, bij liet gadeslaan eener lelie, aan de deugd der zuiverheid, die in Maria liet heerlijkste schittert en het volmaaktste beeld gevonden heeft ? Daarom stelt men den aartsengel Gabriël aan do allerzaligste Maagd verschijnende, voor, met eene lelie in de hand, om hare maagdelijke znivcrhoid uit te drukken; daarom ook wordt Maria zelve met eene lelie in de hand afgebeeld, omdat /.ij do altijd reine, vlekloos ontvangen Maagd is. Daarom ook laat eene vrome legende Leliën uit haar graf opgroeijen, het eenige, wat de Apostelen en Discipelen er in vonden.
De Lelie is wit, en haar blank, vlekloos kleed beteekent do reinheid der ziel, die zidi in den staat der onschuld bevindt. Maria, zegt do H. Epiphanius, is de schoonste Lelie in Gods hof, want haar hart werd nooit door eene zonde bezoedeld. Zij bedreef nimmer eene dadelijke zonde en was, daarenboven, vrij van de vlok der erfzonde, daar zij onbevlekt ontvangen werd; dit is een leerstuk van ons heilig geloof. — Wij, armzalige menschenkinderen, zijn noch onbevlekt ontvangen, noch in de dagen van ons leven, vrij van zonde gebleven. Ach! in hoevele harten is de Lelie der onschuld en der doopgenade
hc/oeticid, geknakt en verwelkt! -- Nemen wij ten minste nu liet vaste voornemen, om een rein leven te voeren, de zonde der onkuischheid te verafschuwen, de deugd der kuischheid hoog te schatten in Meina en in alle onschuldige zielen op aarde; en met alle kracht daarheen te streven, dat alom, in elk gemoed, de zin levendig ont-wake voor een rein en kuisch geslacht.
De Lelie verheft zich hoog boven de aarde en geeft ons, als \'t ware, daardoor te kennen, dat do deugd der zuiverheid slechts ver van de menschen, ver van het gewoel, de genoegens en vermaken der wereld bloeit en tiert. Ook vinden wij de allerzaligste Maagd, van nare vroegste jeugd af, of in het ouderlijk huis, ol in den tempel bij God, of aan de zijde van haren godlijken Zoon; zij vlugt de wereld, heefl omgang slechts met weinige en gelijkgestemde zielen, (felijk de Lelie alleen van bladen omgeven is, die uit haren stam groeijen , zoo ook hoeft Maria rond zich haren .Tesus en den M. Joseph. Joannes, de heilige Magdalena. de Apostelen en Jongelingen, allen, zielen, die mot haar slechts één zin en één hart uitVnaakten.
de overweging van dit voorbeeld moeten ook wij de wereld met hare gevaarlijke vermaken
V
— 33 —
en genoegens vlugten, die zoo vaak valstrikken leggen voor de onschuld, en haar allengskens doen inzwelgen het gif des bederfs. Zij-alleen mogen onze vrienden en vertrouwden wezen, wier omgang ons in de oefening der deugd versterkt en in de liefde tot een zuiveren levens-Handel bevestigt.
De Lelie wademt een kostelijken geur, en ook hierin is zij een beeld der kuischheid : want deze deugd stijgt als eeu lieflijke geur ten hemel op, en verkwikt zoo zeer het hart van onzeu godlijken Vader, dat Hij aan de reine zielen eene buitengewoon onderscheidingsvolle belooning toekent, met de belofte, dat zij het godlijk Lam op al zijne wegen zullen volgen en een nieuw lied zingen, wat niemand zingen kan dan zij-alleen ; zalig zij die rein van harte zijn, want zij zullen God zien. Maar ook op aarde toonde de godlijke Verlosser zijne groote voorliefde voor deze allerschoonste deugd ; Hij koos zich immers de vleklooze Maagd tot Moeder, den kuischen Joseph tot voedstervader, den engelreinen Joannes tot boezemvriend, en de onschuldige kindereu waren zijne lievelingen. De heilige vaders melden van de allerzaligste Maagd Maria, dat het genoeg was, haar te beschouwen,
— 33 —
om i-an liefde tot rle heilige zuiverheid doordrongen te worden; en, zien wij haar nu verheven in de eeuwigheid als Koningin des hemels en der aarde, zoo moeten wij bekennen , dat hare vleklooze reinheid groot moet geweest zijn, in evenredigheid dier belooning en heerlijkheid. — Een andere beweeggrond, om de zuiverheid te beminnen, is, dat zij ons hij God en bij de menschen bemind maakt, op onzen evenmensoh den heilzaamsten invloed uitoefent, en ons in den hemel het hoogste en grootste loon verwerft.
A errukt en opgetogen door de onbeschrijflijke lieftalligheid uwer heilige zuiverheid, hebben wij vast besloten, o allerzaligste Maagd, U voortaan met een rein hart en een kuisch ligchaam te dienen. Maar geene deugd is moeilijker te bewaren, dan de kuischheid, en nooit zijn de bekoringen heviger, de gevaren veel\\ nldiger , en de valstrikken talrijker, dan wanneer wij strijden voor de zuiverheid. O hemelsche Lelie! verwerf, door uwe magtige voorspraak bij God, dat onze harten als Lelie-perken worden, die te midden der doornen lichten en vlekloos bloeijeii aan uw moederlijk hart. Versterk in ons dagelijks meer den haat en afschuw der onkuischheid, en ontvlam ons gedurig met meer gloeijende liefde
— 34 —
tot de zuiverheid : want datgene wat men bemint, tracht men te behouden en vreest men te verliezen.
G ij j Maagd, ó Leliebloeme,
Houd mij van smetten vrij,
Upilèit ik in U roeme
En ook een Lelie zij.
Ja, mogt mijn harte zuiver En blank als \'t Uwe zijn.
Zoo dat ik immer huiver Zelfs van der zonde schijn.
Gij Maagd, zoo rein als teeder.
Zoo vlekkeloos als schoon,
Zie op mij, zondaar, neder
Van uwen hemeltroon;
En mogt de slang mij naken.
Plet haar den snooden kop;
Van heilig vuur zal\'k blaken.
Dat stijgt ten hemel op.
o Laat mij alles vlugten.
Waar deze deugd aan steri\'t.
En immer meer verzuchten
Naar wat haar glans verwerft,
— 35 —
Opdat in vreugd en smarte,
Ik slechts voor kuisclieid gloei, Eu eenmaal aan uw liarte Gelijk een Lelie bloei.
VI.
ROSMAEIJN.
\'X\'jK2)f\'\'e kunt nift rtcn lieflijke)! Hosmarijn, met .\'iQXGzijne veelvuldige kleine, sappige blaadjes van donkergroene kleur, met /.ijnelilaainve bloem, met zijn doordringenden geur en bitteren smaak? Hij siert den nieuw gewijd en Priester, bij liet eerste Offer der heilige lis, en de jeugdige bruid, op den bruiloftsdag; de Rosmarijn is ook het laatste sieraad, wat de doode jongeling, de afgestorven maagd. niedeneemt in het graf. In de bloeraentaal beteekent de Hosmarijn de boetvaardigheid, de versterving, eene deugd, welke ons de godlijke Heiland in deze woorden aanbeveel! : « wie na mij wil komen , die verloochene zich-zelven, nemo zijn kruis op en volge mij.quot;
— 37 —
quot;Wij zijn in zonde ontvangen, en leven, min nl\' meer voortdurend, in zoude eu beleediging van God; wij moeten dus trachten, door boetvaardigheid eu versterving, den hemel te veroveren , die ons, volgens de uitspraak van deu godlijken Heiland, langs geen anderen weg geworden zal. Zoo gij geen boetvaardigheid oefent, zult gij allen te gronde gaan. — De onbevlekt ontvangene maagcl Maria, die inde dagen haars levens, zelfs niet den schijn eener zonde bedreef, oefende zich desniettemin in deze deugd. quot;Weggesleept door de schoonheid er van, wilde zij ook hierin ons tot voorbeeld strekken, eu ons deze deugd, die ons ter zaligheid noodzakelijk is, door haar voorbeeld lieftallig en aangenaam maken. In haar hart, waarin alle Deugden-bloe-men ontloken, bloeide ook lieflijk de deugd der versterving de Rosmarijn,
De Rosmarijn heeft eenc douker-blaauwe bloem : deze kleur is liet zinnebeeld van boetvaardigheid en rouw. De vrome legende meldt ons van de allerheiligste Maagd, dat men Haar nooit heeft zien lagcheu; hare trekken zouden altijd ernstig geweest zijn en haar gelaat met weemoedige droefheid overdekt. Zij leefde altijd teruggetrokken, verwijderd van
— 38 —
alle luidruchtige feestviering en openlijke vermaken. Sleclits éénmaal woonde zij, volgens het verhaal der H. Schriftuur, eene bruiloft bij, maar dat was aan de zijde van haren godlijken Zoon , en om een liefdewerk te verrigten voor den evonmensch. O , hoe moeten wij ons schamen, wanneer wij ons vergelijken - met Maria, die, vrij van schuld en zonde, desniettemin zoo streng in versterving en boetvaardigheid heeft geleefd ? ^ ij, die zonden op zonden hoopen , kunnen ons niets ontzeggen, ons in niets versterven , en schrikken bij het geringste offer wat de Heer van ons vordert! — Bidden wij de heilige Moederdes Heeren, dat wij, door hare voorspraak bij God, van nu af, niet meer vergeten , dat wij zonder boetvaardigheid niet zalig kunnen worden, en onthouden wij ons niet alleen van zondige genoegens, maar ontzeggen wij ons ook menigmaal een geoorloofd vermaak, eene onschuldige vreugde, ter liefde van Maria en ter boetedoening voor onze zondeschuld.
De Rosmarijn heeft aan zijnen stengel vele kleine blaadjes; zoo ook heeft de deugd der versterving verschillende wijzen, veelvuldige gelegenheden, om zich te oefenen. In het leven der allorzaligsto Maagd Maria vindon wij zoo
— 39 —
vele trekken van versterving en zelfverloochening, dat wij haar heilig hart, ook in dit opzigt , met den Eosmarijn kunnen vergelijken. Om maar één punt aan te roeren , hoe gaarne zou Maria Jesus niet vergezeld hebben, toen Hij als leeraar ! _ optrad; maar zij bleef terug, tot dat Hij haar riep. Hoe gaarne had Maria zich niet na Jesns\' dood teruggetrokken, en in volslagen eenzaamheid hare vereeniging met God van den dood verbeid ; maar zij gaf hier niet in toe , en offerde haar verlangen den Heer, ivelke haar aan het hoofd zijner Apostelen en Jongeren plaatsen wilde, ter bescherming zijner pas ontluikende Kerk. De H. Franciscus van Sales zegt: gelijk de liefde vindingrijk is, om langs verschillende wegen het beminde voorwerp liefde te betuigen, zoo is het ook een kenmerk vau den waren geest der boetvaardigheid, verschillende wijzen uit te denken, om een offer te brengen en voor de zoude boete te doen. - AA aren wij toch diep doordrongen van de zwakheid onzer zondige natuur, ook wij zouden op verschillende wijzen versterving oefenen , des te meer, daar zich dagelijks, ja eiken stond, gelegenheden daartoe aanbieden. Hoe dikwijls zouden wij ons niet kunnneu overwinnen in woorden en oogopslagen, in eten en drinken, in
— 40 —
slapen en waken! — Wenden wij ons tot de allerzaligste Maagd, opdat wij, door hare hnlp, de kracht erlangen van zulke oilers te kunnen brengen en de versterving op verschillende wijzen te oefenen.
De llosmarijn smaakt bitter, maar bezit voor de gezondheid eene heilzame kracht, weshalve hij ook in geneesmiddelen gebezigd wordt. Hoe rijk is nu het moederhart van Maria, dat op aarde de bitterheid der boetvaardigheid en versterving zoo zeer smaakte, in den hemel beloond! — Daarom moet ons haar voorbeeld aanwakkeren, deze deugd vlijtig te beoefenen en den Rosmarijn der versterving te planten in den tuin van ons hart. De versterving en zelfoverwinning valt, wel is waar, de menschlijke natuur moeilijk en hard , is bitter van smaak , gelijk de Rosmarijn, maar ook heilzaam in hare gevolgen, zoo als deze bloem. Door de boetvaardigheid wisschen wij onze zonden uit, en bereiden ons eene heerlijkheid in den hemel, die in omvang en vreugde de zaligheid der onschuld evenaart. „O zalige versterving, riep de li. Joannes van het kruis, die mij eene zoo groote heerlijkheid verworven heeft!quot;
O Maria! wanneer wij uw allerheiligst, vlekloos hart met den Kosmarijn der versterving en
_ ,11 _
lioetvücii\'diglieid tjeki\'oond zien, mihviuikt in ons tiet verlangen, om n ook in flit puntte gelijken. Neem dan, wij bidden liet n, den blinddoek van oiize oogen weg, opdat wij al de ellende onzer zondige natuur aanschouwen; laat voortdurend ons bet donderwoord uws godlijken Zoons in de ooren klinken, dat wij zonder boetvaardigheid niet zalig kunnen worden; doordring zelt\' ons innigst niet do overtuiging, hoe zelfs de geringste beleediging , God aangedaan, liet godlijk bart van Jesus pijnigt en wondt; dan zullen wij waarlijk boetvaardig leven, op veelvuldige wijzen de boetvaardigheid oefenen, en, in overweging nemende liet groote loon dezer deugd. hare bittoihoid niet duchten!
Rosmarijn, gij komt ons loeren Dood te zijn voor \'t. zingenot;
Boete slechts doet wederkeeren Anno zondaars tot linn (iod.
Weet, dat ook de .Maagd der Maagden Harde boete heeft gepleegd ,
Schoon geen driften haar bélamp;agden.
En zij vlekloos heeft geleefd.
Laat u door haar voorbeeld lioeijen
Aan die hoog-e boettedeugd,
En ze, als Eosmarijn, steeds bloeijen Tot des harten teedre vreng-d.
Want er wacht reeds hier beneden ,
Haar een onwaardeerbaar loon, Tot door haar de ziel in \'t Eden Seraf wordt voor \'s Hoogen troon.
VIT
TULP.
ïfs heovlijke klenvenpraoht vevheft zioli do liil|) Jt\' o]) eon stevio-en on regton stong-ol, floor langwerpigo bladeron omringd. Zij sluit zioli togen (\'on nndit, en opent haren kelk weder bij het oorsto zonnelicht. Het (\'cnigo, dat haar ontbreekt, is de geur; maar, al verkwikt zij dan ook don reuk niet, zij bekoort toch door hare talloozo kleuren hot oog. Tn don geestlijken zin laat zich de Tulp bij het Gebod vergelijken, on wordt daarom niet zelden als hot zinnebeeld daarvan gebruikt.
Toen do Aartsengel Gabriel aan de allerzaligste Maagd Maria do blijde boodschap bragt, dat zij de Moeder des Allerhoogsten zou worden, vond
— u —
liij Laar in liet gebed; en telkemuale dat de Heilige Scluift van Maria gewaagt, zien wij, dat zij het gebed heeft bemind. Van kindsbeen af. oefende zij zich daarin, en, in den tempel gebragt, verdeelde zij haren geheelen dag tusschen handwerk en gebed; zij bad in den huislijken kring, en in de zoo smartvolle lijdensdagen van Jesus Christus, putte zij uit het gebed de zonderlinge kracht, die uitwerkte, dat zij, zelfs onder het kruis van haren Zoon, niet bezweek. Onder het gebed ontving zij met de Apostelen, op Pinsterdag, den II. (ieest. en biddend verwachtte zij haar levenseind. De godlijke Verlosser beminde het gebed ongemeen en drukte ons de noodzakelijkheid er van met de volgende woorden op het hart: n Waakt en bidt!quot; Men moet aanhoudend bidden en niet nalaten : bidt zonder ophouden.
Niemand echter, onder alle schepselen, volgde Jesus trouwer na dan Maria; weshalve de heilige Epiphanins met regt deze uitspraak deed: Maria\'s leven was een bestendig gebed. — Ook wij zijn verpliu\'t te bidden; ja , onze zaligheid hangt er van af: zij is slechts te koop ten prijs van een aanhoudend gebed. Hoe moet dan onzen boezem van vreugde kloppen, daar wij in Maria zulk een voorbeeld hebben; in Maria, in wier harte
— 45 —
de Tulp bloeit, de deugd van liefde tof het gebed; en hoe vaak zullen wij dit hart gadeslaan, om het na te volgen !
De Tulp draagt het hoofd altoos omhoog. Treffend zinnebeeld des gebeds, dat niets anders is , dan eene zamenspraak der ziel met God : God nu is voor de ziel , wat de zon is voorde natuur, haar licht, hare warmte, haar leven. Daarom wendt zich de christen, wanneer hij bidt, ten hemel\', waar God woont. God is de Koning der koningen, de Heer der heirscharen : rlaarom bidt de christen met eerbied en aa ndacht God is de eeuwige liefde, de vader der goedheid : daarom bidt de christen met liefde en vertrouwen; en, ware ons gebed immer met deze twee vleugelen des eerbieds en der liefde v oorzien . zoo als de Heilige Bernardus spreekt , zou het steefis /.Ijn doel bereiken en nimmer onverhoord blijven. Met welken eerbied bidt .Maria haren godlijken Zoon op de bruiloft te Cana , en met welk onwankelbaar vertrouwen zet zij haar gebed voort, als Jesus schijnt hare bede niet te willen verhooreii ! liet gebed, zegt de U.Ghrysostonins , is zoo noodzakelijk voor ons, als liet waterelement voor boomen, bloemen en andere gewassen; bij gebrek aan vocht worden zij saploos
— 46 —
en schraal; zonder het gebed is ook onze ziel dor, en gelijk eeue bloem, die sinds geruimen tijd niet meer begoten is, helt zij ter aarde nederwaarts.
De Tulp ontluikt bij zonueopgang, terwijl zij tegen den naohttijd haren kelk sluit. Ook de ziel, die het gebed liol\'heel\'t, opent zich alleen voor liemelsche dingen en voor God : op niets anders stelt zij prijs, voor al hel overige is zij gevoelloos; zorgvuldig sluit zij zich voor den nacht der zonde en der wereld, die haar slechts van het gebed zouden attrekken, ot\', door verstrooijing, er haar een afkeer van zouden geven. Zoo zien wij .Tesus Christus, om te bidden, de eenzaamheid zoeken: ja, wilde Hij bidden, dan verliet Hij zelfs den kring zijner Apostelen. Ook de Moedei\'-Maagd .Maria vinden wij alléén, in den tempel en te huis biddende; en slechts dan. wanneer óf de pligt van het goede voorbeeld. óf die der naastenliefde zulks eischen , verlaat zij die heilige eenzaamheid. H W ilt gij regt goed bidden,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, it dan verwijder u, zooveel mogelijk, van de wereld. en vooral, laat u niet in met zaken, die aan uw beroep vreemd zijn ; want . hoe meer gij u voor het gebod in onnuttige gesprekken en gedachten
— 47 —
uitstort, des te schraler en te krachtloozer wordt uw gebed, en dos te meer hebt gij aan verstrooi-jiug te lijden. quot; v
De Tulp prijkt in de grootste kleuren-verscheidenheid en zegt ons daardoor, dat het gebed, wel is waar, maar één , de wijzen echter van bidden verschillend kunnen zijn. Dc geestlijke schrijvers noemen ons hooirlzakelijk twee soorten van gebed, het mondeling gebed en het gebed der overweging. — Onder de mondelinge gebeden komt de eerste plaats toe aan het Onze Vader, dat ons Christus-zeil\' heeft geleerd; — aan den H. Rozenkrans, dien de Kerk met zoo menigvuldige aflaten en genadeschatten verrijkt heeft, en die ten allen tijde het geliefkoosde gebed der Heiligen was. Onder fle gebeden van overweging is de H. Kruisweg verreweg het nuttigste en verdienstelijkste. Deze godvruchtige oefening moeten wij des te meer behartigen, dewijl ook de allerzaligste Maagd Maria, langs de straten van Jeruzalem . dezen weg biddend en bespiegelend bewandeld heeft. Verder zijn het nog de zoogenaamde schietgebeden of korte verheffingen der ziel tot God , pii iioit gebed der goede meeniug, waardoor wij al onze werken en bezigheden heiligen en , om
— 48 —
zoo te zeggen kunnen veranderen in een gebed.
Merken wij hierbij de vermaningen van twee groott) Kerklieiligen op. Ue H. Franciscus van Sales zegt ; n in droefheid en wederwaardigheden is lief allerbeste gebed : „ lieer, uw wil geschiede ! quot; De H. Alphonsus beveelt, vóór alles, het smeekgebed aan en zegt ; /, na de 11. (\'ommunie moeten wij om vernedering en dagelijks, \'s avonds, om volharding in het goede bidden.quot;
ü hemelsche Tulp, mijne liefste moeder Maria ! in uw hart gloeide de liefde des gebeds, en gij oefendet deze deugd op voortreflijke wijze, al de dagen uws levens! Verleen ook ons de genade, dat wij van dag tot dag de voort roti ij kheid van het gelied beter mogen erkennen : met zijnen God te durven spreken is, ja, de grootste eer, die een mensoh te beurt vallen kan. O allerzaligste Maagd ! leer gij-zelve ons de wijze van bidden; gij zijt immers, volgens liet gezegde van den II. Bona.ventura, de leermeesteresse des gebeds. ü konden wij goed bidden, wij zouden ook het pad der deugd bewandelen ; want, die goed weet te bidden, zegt de H. Augustinus, leeft, ook goed. - Boezem ons eene groote liefde in voor de eenzaamheid, en eeue groote verachting voor de wereld, opdat wij . in het
- 49 —
gebed, door geeue verstrooijiug meer veroutnist of gehinderd worden; en hebt gij ons, doos uwe magtige voorsprMiik bij G-od, het gebed eenmaal zoet en genoeglijk gemaakt voor ons hart, dim zullen wij gaarne bidden, ieder vrij oogenblik daartoe besteden, al onze handelingen door liet gebed heiligen, en in liet gebed zoeken en vinden nist en troost; ja, dan zullen ivij met de 11. Dienstmaagd Zitta mogen zeggen : ieder mensch moet een vermaak hebben, en ik, ik vind liet mijne in het gebed.
I nl|). die naam zij haar gegeven,
AA ie wij rond Gods troon zien zweven, Daarom sHoogsten gunsten waard, Wijl zij altijd bad op aard. Een Gebed was heel haar leven,
Slechts daarheen ging al haar streven. Waar zij ging, of waar zij stond, Iminor bad haar reine mond.
•fa, op duizenderlei wijzen V\\ ist zij (-rod den Heer te prijzen : Als de Tulp haar bonten top.
Hief zij \'t hart teu Hemel op.
— 50 —
Niiiimer lioonle men limir klagen.
Biddend bleef ze elk leed verdnigen. Kiddend zitlt;gt;- zij, diep begaan, quot;t, Kvuisliout reeds l)ij \'1 krelije staan.
ö Maria ! Iioor de bede,
Deel die quot;Toote gillist uns mede, Dat wij, voor \'t fiebed, voortaan In uw leerschool mogen gaan.
Bidden, ja, is ons begeeren,
Laat ons \'t daaglijks beter loeren, Kn ons hart, een ïulp op aard. Wende als zij zich hemelwaart.
^5,;,v.r.T,g«
VIII.
RESEDA.
arol IX., van I\'Vaukrijk. stokto den
dichter Torquato Tasso eens de volg-endo \'.i\'aag voov ; u ien beschouwt gij ais den quot;\'elnkza-ligste? Zonder zich lang te bezinnen, antwoordde Tasso : God. Dat weet een ieder, sprak de Koning;, en dat is ook het doel mijner vraag niet; maar ik wil weten, wie buitenen na. (iod de gelukzaligste isquot;* Kn Tasso antwoordde : die het meest op God gelijkt ! — De uiterlijke gelijkenis ontstaat uit de overeenkomst der gelaatstrekken; de innerlijke gelijkenis, welke wij hier bedoelen, uit de overeenkomst van den wil. Wilt gij derhalve wat God wil, lieve Christenen, stemt, uw eigen wil met dien des Allerhoogsten allezins overeen, dan ontstaat er tusscheu God en n eene treffende gelijkenis.
Dczo vurhovoiiu (luugd , diu volle u vu i-go v i ug en onderwerping\' aan (Tods wil. wordt ons zinnebeeldig voorgesteld door de Bloem, Rosed a genaamd; Reseda immers beteekent zoo veel als : zet ii neder, wees rustig. Deze bloem, zoo algemeen bekend, zoo bemind in den tuin als in de kamer, wademt den zoetsten en fijnsten geur uit. Mogte de deugd, waarvan zij het zinnebeeld is, insgelijks gekend en door alle Christenen bemind en beoetend worden! Te dien einde zullen wij haar van naderbij beschouwen, vooral in Maria, die zich hier wederom ids een overheerlijk toonbeeld voordoet aan ons oog.
Toen de Aartsengel Gabriel uit den hemel afdaalde, om haar te boodschappen, dat zij \'s Aller-hoogsten moeder zou worden, op het oogenblik dat aarde en hemel met ongeduld haar beslissend besluit verbeidden, sprak zij het woord uit, waardoor het menschdom werd verlost: « Mij geschiede naar uw woordquot;! — En toen zij onder het kruis stond en haar stervende Zoon liaar, in .Toaunes, aan geheel het .menschdom tot moeder gegeven had, sprak haar mot zeven zwaarden doorboord hart, gelijk do 11. Bona-ventura hot zoo schoon uitdrukt : « mij geschiede naar uw woord.quot; Doorloopt geheel het leven
vmi iMciiia, zogt de II. I\'onumlus, altijd uu overal zult sri] haren wil met den wil van haren godlijken Zoon vereenigd zien.
De Reseda is zonder lielderen glans, /.ij draagt een onaanzienlijk, eenvoudig- kleed : zoo is ook hare deugd meer verborgen en minder in het oog loopend: want zij is in het binnenste van den niensch, heeft haren zetel in het hart des Christens, in zijnen wil, die zich met don godlijken wil zóó vereenigt, dat beider wil in één te zamensmelt. — Tot de onderwerping behoort een kruis. Maar alle kruisen, welke wij , of afgebeeld, of in wezenlijkheid zien, bestaan rit één langen en één kleineren, kortoren balk, die dwars over den hoofdbalk is gelegd. Wil men echter, dat een houten kruis, bij voorbeeld , geen krnis meer zij, dan behoeft men slechts den dwarsbalk te nemen en dezen in regte lijn op of naast den hoofdbalk te plaatsen . zoodoende bestaat er geen kruis meer. liet regthout verbeeldt den wil Gods, het dwarshout onzen wil. Zoolang onze wil dwars over (iods wille ligt en met hem in strijd is, hebben wij een kruis, wat wij ons-zelven gemaakt hebben; willen wij nu van dat kruis verlost zijn. wij behoeven slechts onzen wil met üods wil te vereeniiren, en uosen-
— 54 —
liliklijk liduclt ons kruis op, oen kruis te zijn ; ieder kmis immers ontstaat tillécu uit gebrek van onderwerpiiiquot;\'aan (rods wil. iFieruit volgt zonneklaar, hoe noodzakelijk het is, zich in Gods wil over te geven, want zonder kruis kan geen mensch zalig worden. Kn heeft Jesus Christus, het inenscli geworden Woord, deze deugd willen oefenen, om ons het voorbeeld te geven; — hij heeft in den Olijfhof onder een bloedig zweet uitgeroepen ; «Vader, indien het mogelijk is, dat deze kelk voorbij ga, doch niet mijn. maar uw wil geschiede!quot; hoe dan zouden wij. zijne leerlingen en jongeren, de beoefening dezer deugd niet ter harte nemen?— .la. wij moeten zelfs een kruis hebben; want, zonder kruis, bestaat geene deugd hoegenaamd. Xeem de liefde het kruis af, en zij wordt natuurlijk en mensehlijk; neem de hoop het kruis af, en zij verheft zich niet meer boven het aardsclie; neem den ootmoed het kruis at, en er blijft niets anders meer over dan loutere ijdelheid; neem de sterkte haar kruis af, en zij is in zwakheid verkeerd. Eene munt is niet gangbaar, of zij moet den stempel dragen van een vorst of rijk; deze stempel is als eene wonde, welke men haar slaat, doch waaraan zij hare waarde te danken heeft. Hebt gij\'geene wonden, uwe deugd-
— uo -
lt;lt!u zijn zonder verdienste; inv geduld ongaiig-hiiiir in den liemoi. indien liet met het kruis , met den stompel van zijn vorst, niet «tetpekond is.
De Reseda weeft een zeer aaageua-inen ii\'eur, en gelijk de geur als liet geschenk is, dat rte bloem den menscli voor hare verzorging vereert, zoo levert ook de onderwerping aan (iods wil den Ohristen vele gaven, vele genaden en geschenken op.
Vrede des harten ; denk aan den zeestorm. Wij gaan tegronde, riepen angstvol de Apostelen, Heer, kom ons te hulp! De Meester rigtte zich op, wenkte niet zijne hand, en de golven vielen , en werden glad als een spiegel; de orkaan hield op, de hemel werd blaauw. en de zon verscheen weer in het uitspansel. Wat liier de liand (lods uitwerkt, datzelfde doet, in zekeren zin, de overgeviug in den godlijken wil. (rij torscht den last des kruises, maar, vol moed, zegt gij uit gauscher harte : Heer, uw wil geschiede! en zie, de bron uwer tranen droogt weg, uw mond houdt op met klagen; het kloppen des harten gaat voorbij — vrede en zalige rust keereu weer.
Gebedverhooring : de H. Franciscus van Sales zegt: één enkel // Heer, uw wil geschiede I quot;
ton lijflo viin rampspoed gebeden , heeft meer verdienste, meer kraolü en waarde, dan duizend Onze-Vaders ten tijde van voorspoed en rust.
J-lemelselie troost : „ komt allen tot mij, die belast en beladen zijt, quot; /.egt de Heer, en ik zal n verkwikken, verkwikken met Iroost die alle lijden verzacht en vergoedt. Welke troost, met Jesus den gekruiste op één kruis te rusten I Overal, waar gij kruisen ontmoet, zult gij Jesus er aan zien geheelil. Hij vereenigt zich met u door hot lijden, en gij met Hem door het geduld : en iu deze vereeniging bestaat des levens gelukzaligheid. Hij vereenigt zich met de Heiligen door de vreugde; Hij vereenigt zich met de inenschen door de smart.
Zegen (iods : in een huis, iu eene tamilie, waar een kruis is, daar is ilo fleer, de uitdoeier van allen zegen zelf\'; eene lijdende ziel behoeft uiet meer om ffods zegen te bidden; zij heeft dien in het kruis. O mogteii toch alle christenen de oneindige waarde bevroeden van een kruis, wal men geduldig draagt I „ Zulk een mensch . zoo spreekt de zalige Rgydius, is gelijk een tabernakel, waarvoor ik zou neêrknielen, dewijl de levende God zich er in verscholen houdt. quot; Een
öl —
kruis is niets anders, dan een brief des Heeren aan de ziel, waarin niet gulden letteren geschreven staat : ik bemin , ik zegen u !
Be reseda is groen : liet groen is de kleur der boop, van vertrouwen en van moed; die den moed verliest, heeft alles verloren! Maar, wat bemoedigt ons dan, om, ten tijde van kruis en wederwaardigheden, ons geheel eii al over te geven in Gods wil ? De wijze, waarop wij ons kruis moeten dragen.
Be eerste wijze leert ons eene Heilige. De H. Theresia zegt : „ wilt gij uw kruis gemaklijk dragen, dan moogt gij het niet slepen, maar met inspanning van al uwe krachten moet gij het opheffen, en er vlug mede heen ijlen. quot;
De tweede wijze leert ons een heiden : de vermaarde wijsgeer Solon leidde een van kommer diep nedergebogen vriend op den hoogsten toren der stad Athene, wees hem vandaar naar beneden op al die heerlijke paleizen, gebouwen en magazijnen der kooplieden, en sprak : ach I hoe veel kwelling en onrustquot;, hoe veel zorg en kommer woont onder die prachtvolle daken ! quot;
De derde wijze leert ons de ondervinding. Gij vindt geen huis zoo ongelukkig, of liet kan zich aan een nog ongelukkiger troosten.
— 58 —
De vierde wijze leert ons rle gezonde rede, die zegt : waarom bedroel\'t gij u ? uw lijden is niet te vreezen. Is het klein, \'t is ligt te dragen , is lief groot, \'t kan niet van langen duur wezen. Eene hevige kwaal kan niet duren; wordt zij niet verdreven, zij moet van lieverlede verminderen en den lijder of liet leven, ot\' liet gevoel benemen. In de hei-alleen is hel lijden eeuwigdurend. De tijd voert alles ten einde, zelfs zonder dat wij het weten. l:w smart kan niet langer duren dan inv leven, en wat is het leven, vergeleken bij de eeuwigheid ?
De vijfde wijze leert ons de eeuwige waarheid , ■lesus Christus. Hij zegt : « wil iemand mij navolgen, dat hij dagelijks zijn kruis opneine en achter mij kome. quot;
Wonder, liet kruis, dat ons lijden uitmaakt, is juist onze grootste troost. Aanschouw Maria ; onder het kruis zwegen al hare klagten , daar verstomde al haar jammer, daar droogden al hare tranen; zij was immers bij liet kruis. Daar moet gij ook uwen troost zoeken, daar bij den Gekruisten, die u van het kruis af toeroept : wie mij wil navolgen —• waarheen? in de eeuwige heerlijkheid van den hemel, in het paradijs— die drage zijn kruis geduldig! Wie zalig
— 59 —
wil worden, ondenverpe zicli met gelatenheid aan des Heeren wil.
/ij mijn leven Uod gegeven !
Lieve Moeder van Gods Zoon, Leer mij dragen Zonder klagen \'s Levens rampen al mijn dagen. En zoo stijgen tol Gods troon.
IX.
PASSIEBLOEM.
\'Y^Ve uaam en de gedaante der Passiebloem wij-tjyi. zen op -wat zij zinuebeeldt, op liet lijden van Christus onzen Heer. Haar wit en violet kleed beteekent droefheid en sinarte; de vijl\' vingeren in haar midden en het vijl\'voudig blad herinneren aan des Verlossers vijf\'wonden. — Maria\'s hart gelijkt de Passiebloem : sinds Simeon haar deze profetische woorden in den tempel toesprak ; « en een zwaard zal uwe ziel doorboren,quot; kon zij in waarheid zeggen : „ en mijne smart is gedurig voor mijn oog.quot; Drukte zij haar godlijk kind in hare armen, zij dacht hoe de beulen liet eens zouden aangrijpen; kuste zij haren lieveling, de gedachte aan den kus des verraders vloog, als een zwaard, door hare ziel; hulde zij hem in windselen, \'t was haar alsof zij de ban-
— fil —
(leu , ile strikken en ketens zag, waarmede lt;le Joden eenmaal hunnen Verlosser konden vangen en binden; waakte zij aan zijne slaapstede, zij zag iu den geest het kruis, de laatste, maarbloe-digo rustplaats van haren Zoon. Zoo was het moederhart van Maria eene Passiebloem gelijk; zij gevoelde het lijden van haren Jesus, zelfs voor I lij begon te lijden; maar toen het werklijk begon, ging- zij met hem, en toen hij het volbragt had , koos zij het tot voorwerp barer overweging.
Daar bestaat een tweevoudige Kruisweg: den eenen moeten wij bewandelen, lieve christenen; den anderen dienen wij te bewandelen.
Toen Jesus zijn leerambt aanvaard had, liet ook Maria hare stille huislijke gewoonten varen, en volgde op zijne reizen haren Zoon. Zij verliet het vreedzaam dak van Nazareth , om het lot van den vervolgde te deelen en zijne gezegende voedstappen te drukken, terwijl hij de Joden het Evangelie verkondigde. Na velerlei lijden en schrik, trok de heilige Moeder-maagd, eindelijk, met hemde ongeluks-stad binnen, ten einde daar het laatste Pasehen te vieren. Zij hoorde de jubelzangen des volks , bij zijn intrede : Hosanna, David\'s Zoon! maar
5
— 63 —
ovor tic palmen, welke zij hem strooiden, bliklu Maria, met betraande oogen, noord westwaarts, in de rigting van den Kalvarieberg. Den met doornen gekroonden, bloedig gegeeselden en met het kruishout beladen Zoon volgde de Moeder langs Jeruzalem\'s straten en ontmoette Hem. Maar welk eene ontmoeting! Joannes en Mag-dalena hadden gewis alles in het werk gesteld , om de Moeder van Golgotha verwijderd te houden; doch vergeefs waren hunne beden. Maria raapte hare zinnen bijeen, en begon de steilste helling van den Kalvarieberg te beklimmen; nu had zij het smartvolle doel van haren droevigen pelgrimstogt bereikt. Daar hoorde zij haren Zoon aan \'t kruis slaan, en iedere slag weerklonk diep in hare ziel; daar zag zij haren Zoon aan \'t kruis sterven, en beladen met eene overmaat van amarte, stond zij weenend onder het folterhout. Van het kruis afgedaan, vergezelde zij zijn lig-chaam tot aan de grafstede toe, waarin men het nederliet, en de laatste blik, die er in nederviel, eer de koude steen het graf bedekte, was nog Maria\'s moederblik.
Wat is onze pelgrimsreis door dit tranendal anders dan een Kruisweg?—Het eerste geluid, wat wij geven, het geween, bewijst duidelijk.
— 63 —
dat wij uüii tmuonclal intreden, un onze jongste strijd op het sterfbed toont, dat wij een jammerdal verlaten. .Ta, ons leven is waarachtig een Kruisweo-, maar een Kruisweg met meer dan veertien station : armoede, ziekte . verachting , achteruitgang, ondank, huisramp, inwendig lijden, ligchamelijke smarten met dien ganschen drom van ellenden, die ons het leven verbitteren!— „O zalig, zegt de H. Bernardus, indien gij op uwen Kruisweg Jesus nagaat. gelijk Maria haren godlijken Zoon heeft nagegaan ! Zalig, indien Maria u langs den gevaarvollen weg des levens begeleidt! In Jesus zult a\'ij sterkte, in Maria troost vinden.quot;
Een enkel woord van Jesus was voldoende, om Maria Magdalena, die, bij \'t krieken van den dageraad, treurig en bedroefd den hof doorkruiste, alle smart en kommer af te nemen. Maria I zoo sprak haar de Meester toe, onder de gedaante van een hovenier; — zij zag op , erkende hem en, met jubel, vreugde, zaligheid en wellust in haar ziele, ijlde zij tot de Apostelen en jongeren , om hun de blijde boodschap te brengen. Terwijl gij uwe bedevaart voortzet op den Kruisweg, christen ziel, herinner u Jesus\' woorden: Komt tot mij, gij allen die
— 04 —
Ijelast uu beladen üijt, ik zul n verkwikken, eu dat enkel woord uit Jesus\' mond zal u kracht en sterkte tot lijden geven.
De omgang met eene /-iel, die zware beproevingen doorstaan lieeft, geeft ons, in ons eigen lijden, wondervollen troost; «daarom, zegt de H. Barnardus van Siena , moet gij , op uwen 1 ijdensweg, dikwijls bij Maria uwe intrede nemen, en aan liaar zevenmaal doorwond harte kloppen; want daar zult gij een troost vinden, dien gij te vergeefs bij alle menschen op aarde zoekt ? —
Toen Maria gevoelde, dat zij binnen kort door den Heer uit deze wereld zon opgeroepen worden, wilde zij haar geboorteland, de plaats der verlossing, nog eens ten laatsten male begroeten. Van uit Griekenland reisde zij derhalve met Joannes naar Palestina, en, te Jeruzalem aangekomen , doorwandelde zij hare straten, het ge-regtshof van Kaïfas , den weg naar Golgotha, alle plaatsen door het lijden haars Zoons ge-heiligd ; zij beklom nogmaals den Kalvarieberg, waar de Zaligmaker ous tot den dood toe beminde, en overwoog in den geest geheel de lijdensgeschiedenis van Jesus Christus, haren en onzen Heer.
De H. Franoiscus van Assisi wenschte van God te weten, wat Hij van hem het lieist heb-
— 65 —
ben zou. In dezen heiligen ijver sloeg hij het misboek open, en het opengeslagen blad vevtoondo hem de woorden: Passio Domini nostri •Tesu (\'hristi, dat heet; „het lijden onzos Heeren .Jesus Christus,quot; waaruit zijn van liefde gloeijend hart besloot, dat Gode niets liever en aangenamer is, dan de overweging van Christus lijden.
Lieve Christenen! laten wij ook dikwijls en gaarne den tweeden Kruisweg opgaan, den Kruisweg, bestaande uit XIV rustplaatsen , waaraan de Kerk zooveel genadeschatten, aflaten en zegeningen heeft verleend; den Kruisweg, dien onze goede en lieve Moeder Maria het eerst in het gebed en overweging bewandeld heeft. Verbeeld u niet, dat deze oefening alleen en uitsluitend voor den H. Vastentijd geëigend is, neen, waarlijk niet; gelijk het gansche leven van Christus op aarde een leven van lijden was, zoo moeten ook wij veelmaals in het leven den smartvollen weg zijns lijdens bewandelen in- den geest. De herinnering aan .Tesus Christus\' bitter lijden en sterven moet onze eerste gedachte des morgens en onze laatste gedachte des avonds zijn; lederen dag moeten wij ons eene statie van \'s Heeren lijden uitkiezen: (óf zijn gebed in den Olijvenhof,
— 66 —
óf zijne geeseling, óf zijne doornen-krooning) en er in den loop van den dag meermaals aan denken. Een liefderijke kus op het kruisbeeld, l)ij onze legerstede, moet ons morgengebed wezen; eene opdragt aan de vijf heilige wonden ons avondgebed.
Zoo doende zul ons hart eene Passiebloem gelijken; en, al beeft deze Eloem dan ook geen reuk, hare deugd, de overweging van Christus\' lijden, wademt toch een hemelschen geur, en verrijkt met eeuwige schatten onze ziel. Be H. Bonaventura zegt; „ (jode kan men geen aangenamer otter, den Engelen geen grooter vreugde, de H. Drievuldigheid geen grooter eer toebrengen, dan zich dagelijks in de overweging van Christus\' lijden te oefenen.quot; Albertus Magnus spreekt volgenderwijze: (/een christen, die ook maar korten tijd met innig welgevallen en overeenstemmend aan het bitter lijden van Christus denkt, heeft meer verdienste dan een ander, die, zonder deze gedachte, zich ten bloede geeselt, te wateren te brood vast, ol geheel het Psalmboek afbidt.quot;— n Dit smartvolle lijden overwegen, zegt de heilige Bernardus, dat heet ik wijsheid; daarin vind ik de rijkdommen des lie.ils en de volheid der verdienste; uit deze bron put ik, nu heil-
— 67 —
zame bitterheid, dan weêr de Metste troost.quot; — Daarom, o hemelsche Passiebloem , nimmer volprezene Maagd Maria! laat ons, naar uw voorbeeld, den kruisweg\' onzes levens met Jesus geduldig opwandelen, en den Kruisweg van den lijdenden en stervenden Jesus dikwijls en gaarne bidden eu overwegen in den geest. Gelijk weleer de godzalige Venturinus van Bergamo zich al de werktuigen van Christus lijden in zijnen ring liet steken, met deze woorden: « het kruis des Heeron zal mijn wapen en mijn toeken zijn,quot; — zoo laat ons ook in het diepste van ons hart, met onuitwischbare trekken, deze woorden prenten : Jesus Christus, Gij zijt voor ons gegeoseld, voor ons gekruisigd. Gij zijt gestorven voor ons.
0—4^—0
Jesus\' wonden, pijnlijk-bloedig,
Jesus\' namelooze smart,
o Maria, druk ze spoedia:
Diep mij in \'t meewarig hart.
Laat ze voor den geest mij zweven.
Zalige herinnering;
Christus\' pijn toch schenkt in \'t loven .Allfi smarten leniging.
BALSEMIJN.
\'VSVe H. Epiirem bezocht op zekeren dag den .jyfc kluizenaar Juliaanin de wildernis, en vond toevallig in diens boek den naam .Tesus en God overal geheel afgesleten en nitgewischt. En als hij nu daarvan de oorzaak vroeg, antwoordde hem Juliaan : „ de groote boetedoenster Magdalena heeft de voeten van .Tesns Christus met hare tranen besproeid, en ik, groote zondaar, doe mijn best, om den naam van .Tesus met tranen te besproeijen !quot; —O tranen van berouw, roept de H. Laurentius .lustinianus uit : a u is de mag\'t, u is de heerschappij ! quot; — En de H. Kerkvader Chrysostomus spreekt: n uwe zonden staan in het boek opgeteekend; weent, en zij worden nitgedelgd; plengt tranen , en het schrift verdwijnt: -zoo groot is der tranen magt! quot;
De tranen van herou-n- ! Het zinnebeeld van het berouw is de Bloem Balsemijn geheeteii, een lieHijk, schoon gewas, van velerlei kleur. Het berouw moet in de verschillende standen, in alle gemoederen heerschen; een bloeisel zonder geur — daar, waar berouw is over de zonden, is de geur dei-eerste genade vervlogen; eene bloem, die gedurig moet begoten worden, die steeds vocht verlangt — de bron der tranen is het leven van het opregt en welgemoed berouw.
O , hoe heeft David zijne zonden beweend ! Hij zegt ons : n iederen nacht wil ik mijne rustplaats met mijne tranen wassohen.quot;—Moe heeft Petrus geweend, van wien geschreven staat : n hij ging naar buiten en weende bitter. quot; Hoe heeft Pachomius geweend! De eerste stralen der morgenzon waren nog getuigen van zijne tranen. — Hoe heeft Margareta van Cortona geweend! Zij dreigde blind te worden, zoo overvloedig stroomden hare tranen van boetvaardigheid ! — En gij, lieve Christenen! — zoudt gij niet weenen ? Hoe, dan moest gij niet weten, wat zonde is en welke gruwlijke beleediging zij God aandoet! Zij is de grootste ondankbaarheid, de grootste ongehoorzaamheid, liet grootste aller
— 70 —
ongelukken ! Konden wij door eene enkele leugen geheel de wereld bekeeren, wij zouden het niet mogen doen. Kursum crucifigentes, zegt de Apostel, eene nieuwe kruisiging van Christus, dat is do zonde. — Do vermaarde Kerkvader
..... i Augustinusbeschuldigde zich, dat hij, in het ge- *
bruik van spijs en drank, zeker zinlijk genoegen niet tegenging; met betraande nogen klaagde hij zich aan, dat hij , bij het Psalmgezang, meermaals grooter vermaak schepte in den zang,
dan in de beteekenis der woorden; — hij beschuldigde zich er van, dat hij eens een hond, die eenen haas vervolgde en, op een anderen dag,
eene spin, die muggen ving, met zeker behagen aanschouwd had; ja, \'t was hem een gewetensbezwaar, dat hij zich, op zekeren morgen, buitenmatig over liet schoon weder had verblijd. —
En wij ? — AV ij hebben geen berouw over onze doodzonden, of over de dagelijksche zonden,
welke wij zoo ligtvaardig bedrijven , zoo weinig mijden, en wier tallooze menigte tot eene groote schuld oploopt; immers, waar is ons be- ^ rouw, waar zijn onze tranen ? — „ Ja, wij kunnen niet weenen!quot; — Gij moet daarom bidden ; want de tranen van leedwezen zijn eene genade Gods,
eene gavo des hemels. Dientengevolge schonk ons
1
— Tide H. Kerk ook een eigenaardig gebed, een gebed om de gaaf der tranen te vragen. Wanneer de H. Lodewijk bij het bidden van zekere Litanie aan deze woorden kwam : u O God, verleen ons de tianenbronquot; smeekte hij aandachtig : „ O mijn lieer! ik waag het niet, om eene bron van tranen te bidden, verleen mij slechts eenige droppelen, om de dorheid mijns harten te verkwikken. quot; En ontzegt u God ook de gave der tranen, die den kommer van het hart en de smarte van de ziel wegnemen; kan uw oog niet weenen , laat ten minste uw hart weenen, in diepe rouw-smarte, uw geheel leven lang ; de levenslange droefheid alleen kan de beleediging boeten, een eeuwigen God aangedaan. Dat deze voortdurende droefheid des harten uwe levensdagen door-vlechte, gelijk een roode draad in een wit linnenweefsel ingewerkt; zij vertoone zich uiterlijk door aanhoudend gebed om vergeving der zonden; dooi- rustloos streven, om de zonden door kastijding en goede wei-ken uit te delgen; door een voortdurend gevoel van smart en droefheid ; door tranen van boetvaardigheid ; dan zal uw hart der Balsemijne gelijken en Maria\'s moederhart verblijden. Maar hoe dan, lieve Christenen , lióe durven wij de Ralsemijn, liet. zinne-
— 72 —
beeld des leedwezens, toewijden aan Maria, aan haar, die nooit, eene zonde begaan en bijgevolg ook niets te boeten had?— Wij doen dit omdat haar godlijken Zoon, zoowel als zij, de deugd van berouw ongemeen bemind hebben en dezelve rijkelijk beloonen !
Driemaal verloochende Petrus zijnen Meester : a ik ken hem nietquot;, en zijn gezegde bevestigde hij meteen eed. — Toen zag hem de godlijke Heiland aan met een blik, die als een bliksem, ja, maar als een straal van mededoogen, het hart des Apostels doorglom. Hij ging naar buiten en weende bitter, en, naar het zeggen der heilige \\ aders , beweende hij deze zonde zijn leven lang, in dier voege, dat zijne bittere tranen als twee voren op zijne wangen ploegden. Heelt hem nn de ileer niet meer bemind? Nog veel meer; zijn berouw, even zoo groot als zijne zonde, was de magneet, die het Godlijk hart in liefde tot zich trok en boeide. Hij stelde hem aan als Upper-hoofd der Kerk, als l\'rins der Apostelen; hem gaf hij de sleutelen des Hemels; van hem maakte hij die onwrikbare steenrots, waartegen do schuimende golven zich verbrijzelen, eti die de poorten der helle nimmer zouden overweldigen.
Groot was Magdalena\'s zonde; maar hoe teeder
hein inde zij den Heer van dien oogenblik af, dat zij zijne godlijke voeten met tranen van boetvaardigheid besproeide, en uit zijnen mond deze troostvolle woorden boorde : « uwe zonden zijn u vergeven.quot; Altijd en overal mogt zij hein ter zijde staan, ja zelfs verscheen hij haar uog na zijnen dood ! — En na Christus\' dood nam Maria haar op in de armen barer moederliefde; en Magdalena stortte hare tranen en haar leedwezen in het reine, in het meêdoogende hart van Jesus\' moeder uit. T)e onbevlekte Maagd had de groote zondares in hare armen, in haar hart opgenomen, en, op den vruchtbaren grond, die zoo langen lijil braak gelegen had. kweekte zij de bloemen aan, die hare kelken voor den Hemel ontsluiten. Magdalena, die Maria over zee naar Griekenland gevolgd was, mogt in hare armen sterven, en Maria beweende haar, gelijk .leans zijnen vriend Lazarus had beweend.
Zoo wordt de deugd van boetvaardigheid door .lesns en Maria bemind. Zullen wij haar dan niet als eene deugd onzes levens beoefenen, des te meer, dewijl hare vergelding niet minder groot is
Indien de zondaar boetvaardigheid doet over al zijne zonden, zegt de Heer, zoo zal ik al zijne zonden niet meer gedenken. Grooter vreugde is
— 74 —
in don iiomel over óen /.oudaar, die zich bekeer! , dan over uegen-en-negentig regtvaardigen, die geene boetvaardigheid noodig hebben. Wat overwint den Onoverwinlijken, vraagt de H. Chrysosto-inus ? en hij antwoordt ; de tranen der boetvaardigheid; de smart des leedwezens wanneer God deze ziet, kan hij niet anders dan vergeven.
De H. Franoiscus van Sales verhaalt, dat, in zijnen tijd, onder de studenten te Padua, liet verfoeilijk gebruik heerschte, van \'s nachts gewapend langs de straten rond te trekken en de voorbijgangers met een «Wie daar?quot; toe te roepen. Al wie naar hunne luimen niet ant-antwoordde, werd door do baldadigen vastgegrepen. Een student, die over straat ging, en dezen roep onbeantwoord liet, werd gedood. De moordenaar sloop in het huis eener weduwe, wier zoon zijn medeleerling en vriend was, en zijne snoode daad bekennende, smeekte hij de vrouw op het dringendste, hem toch in een of ander schuilhoek van hare woning te willen verbergen. De meê-doogende weduwe sloot hem op in een afgelegen kabinet. Kort daarna bragt men haar haren zoon vermoord te huis. Wie zijn moordenaar was , bleek haar aanstonds. Luid snikkende ging zij tot hem en sprak : wat heeft mijn zoon u toch
— 75 —
goclaan, om zoo wreed door u te worden verinoord ? Maar toen deze vernam , dat de ongelukkige juist zijn boezemvriend was, brak hij los in een tranenvloed, en, in plaats van deze goede moeder om vergiffenis te bidden, viel hij haar te voet en bezwoer haar, hem in handen van het geregt over te geven, om eene zoo groote schuld openlijk te kunnen boeten. De bedrukte moeder , eene christen vrouw van den waren stempel, werd door het leedwezen dezes jongelings zóó aangedaan, dat zij hem zeide : „ Bijaldien gij God om vergeving bidden en uw leven beteren wilt, zal ik u op vrijen voet stellen,quot; hetwelk zij dan ook op zijne belofte werklijk deed.
Lieve Christenen ! heeft eene aardsche moeder zoo edel gehandeld, hoeveel meer zal dan de hemelsche moeder, Maria , doen , zoodra wij , als beleedigers en moordenaars van haren eenigen Zoon , door de zonde, — met rouwmoedig eu \\ • vermorseld harte, tot haar onze toevlugt nemen en ons neerstorten in de milddadige; armen harer overvloedige barmhartigheid. 7jf vergeeft ons, maar klaagt ons aan bij het geregt. Hoe , bij \\ het geregt? — Ja, bij het geregt der barmhartigv^ heid ! Zij treedt voor den -sfroon des eenwigën Eegters, die te zelfder tijHQiaitu\' Zoon is,.en,\'zegt :
«fit
0gt;
— 70 —
Om des leedwezens, om der smarte, om der tranen wille dezes zondaars, wees hem genadig; — en de Heer vergeeft en beloont, op de voorbede zijner Moeder, dit berouw met den hemel, en de rouwmoedige zondaar zal in eeuwigheid met Da rid zingen ; n die in tranen zaaijen , ;/ zullen in vreugde maaijen; mijn geween hebt «gij in blijdschap veranderd, mijn rouwkleed h verscheurd, en mij omgeven met eeuwige « vreugd ! quot;
Daarom, o allerliefste Moeder-maagd, Maria! geef, dat onze harten Balsemijnen worden; harten besproeid en bevochtigd door tranen van berouw; vervuld met eeu leedwezen, zóó langdurig als het leven, zóó waar en echt en diep, dat én uw moederhart éu het hart van uwen godlijken Zoon, tot liefde en belooning bewogen worden. Amen.
ö lloe kostlijk zijn de tranen,
Waar \'t berouw zich ineê Naar Gods hart den weg kan banen. Meer dan de Englenbec !
— 77 —
Ja, gij zijt, ó zoete smarte,
Wonderbaar van kracht,
Door u komt Gotl weer in \'t harte.
Zoo hij vroeger \'t plagt.
Leer ons dat berouwvol weenen,
Hemelkoningin,
\'t Leidt naar \'t pad der deugd ons henen En ten hemel in !
6
XI.
KORENBLOEM.
•VVe dappere Keurvorst Max Enirnaimël riep, .jytbij de verovering van Belgrado, terwijl hij, in de bestorming, aan de spits der zijnen voor-uitsnelde : volgt mij na, Beijeren, volgt mij na ! — Deze was een aardsche vorst. — Echter ook een hemelsche Heer, de Koning aller Koningen, •Tesus Christus, roept de zijnen toe: volgt mij na! — Zullen wij, lieve christenen, dezen roep volgen zoo vlug, zoo gehoorzaam, zoo naauw-gezet als Mattheus, van wien liet heet: Christus sprak tot hem ; volg mij na; en hij stond op en volgde hem na. — Om het te leeren , laat ons de navolging van Christus van meer nabij betrachten, en wel in haar zinnebeeld , de K orenb loem.
J)e Korenbloem heeft, etni geheel ruigen kelk, en dit beduidt de moeijelijk-
lieifl. welke tie navolginn\' van f\'bristus heeft voor tien zinlijken menscli, voor den vleeschlijk gezinden christen, en die uitgedrukt is in het woord : hobbelig is de weg en eng is de poort, die ten hemel leidt. De wet Gods, de geboden der Kerk, de evangelische raden, dat schijnbaar juk, houdt velen van de navolging van Christus terug, ofschoon de Heer-zelf zegt : mijn juk is zacht en mijn last is ligt. Hoe kan echter een last ligt zijn ? — Dewijl God-zelf hem verligt, gelijk hij dit door den Profeet heeft beloofd : n Ik zal u zijn als iemand, die u het juk boven uwe schouderen optilt.quot; — Indien de doornstruik in vlam stond en toch niet verbrandde, omdat de Heer zich daarin bevond , dan is het ook niet te verwonderen, dat een last ligt is, wanneer insgelijks de Heer zich er in bevindt en ons hem helpt dragen. — O gij, Simons van (Vrenen, die slechts gedwongen den Heer navolgt ; het gezond verstand zelf, wat gij geweld aandoet, wanneer gij de streng-christlijke grondbeginselen wilt ontduiken, wordt uw aanklager. Is het niet redelijk, dat, wanneer de meester den doornen vollen weg bewandeld heeft, ook de leerlingen dien betreden moeten ? Of zal de knecht zich met rozen bekransen, terwijl de Heer
— 80 —
eene doornenkroon draagt ? — Ts hot niet redelijk, dat wat zoo groot en verheven is als de deugd, dat een zoo heerlijk en eeuwig loon als de Hemel, slechts met moeite en veelvoudigen strijd verworven worden kan ? Wat laat een aardsche minnaar zich al niet welgevallen , welke lasten en bezwaren neemt hij niet vrijwillig en met graagte op zich — Aan welk schroomlijk juk van etiquette, welvoegelijkheids-regelen, hof-Iqkheids-voorschriften, wetten des goeden toons, onderwerpt de wereld ling zich gewillig, om de gunst van ellendige menschen af te hedelen, terwijl voor Jesus iedere stap te veel is en elke dienst te veel krachtsinspanning kost! — Wij echter, lieve christenen, willen ons gezond verstand volgen, en onzen geest met vreugde buigen onder de wet van Christus , die alleen den mensch vrijmaakt; wij willen Jesus Christus navolgen op den ruwen en doornenvollen weg, die tot het licht leidt; want, wie mij navolgt, wandelt niet in do duisternis, zegt de Heer.
De Korenbloem bloeit niet langs openbare straten, op beemden, in den tuin; zij bloeit op korenvelden verborgen, als het ware, verscholen. Christus leefde dertig jaren geheel afgezonderd, en slechts drie jaren trad Hij
_ 81 —
in bet openbaar oji; indien wij dus den Meer willen na volgen, dan moeten wij ook bet stille, afgezonderde, eenzame leven beminnen. — Ja, maar hoe kan ik zulks bij mijne menigvuldige bezigheden, zegt ge, bij mijne talrijke familie? — Daarop geef ik u het antwoord, hetwelk de heilige Thomas van Aquinen aan zijne zuster gaf, die hem vraagde : hoe men zeker zalig worden kon?Volendo: indien gij slechts wilt], dan kunt ge! — Kunt gij niet naar den raad dei-heilige Magdalena van Pazzis, u in uw hart een stil kamertje voorbehouden , waar gij u, in het gewoel uwer bezigheden, nu en dan, zij het ook slechts voor korten tijd, in de eenzaamheid afzondert, en voor de wereld verbergt? — Kunt gij de menigvuldige bezoeken en zamenkomsten zoo niet geheel vermijden, toch tenminste zeldzamer en minder langdurend doen wezen? de nntlooze, onuoodige, tijdroovende en geestdoo-dende gesprekken daarlaten ? — «Waar vele woorden zijn, is weinig geest,quot; zegt de heilige Ignatius. „ In het stilzwijgen en iu de hoop zult gij uwe ziel bewaren ! quot; zegt de Heilige Geest, — In Nederland leefde eens eeu groot dienaar Gods, met name Budolf, die gedurende zestien volle jaren het strengste stilzwijgen onder-
— 88 —
liu\'ld. Toen ceus in tie stad, welke liij bewoonde, brand ontstond en op versehriklijke wijze toenam, ijlden de wanhopige inwoners naar den man, die in hoogen roep van heiligheid stond, en bezwoeren hein, op de roerendste wijze, hun ter liefde, zijn zwijgen af te breken en aan het vuur stilstand te bevelen. De man (rods liet zich bewegen, begaf zich naar den brand en sprak deze twee woorden : houd op, vuur! — on het vuur ging uit; de stad was gered!
Hoe meer men afgezonderd leeft, — God en zijnen pligt toegewijd, elk zondig en nutloos woord vermijdend, des te moer kracht, o vader, heeft uwe vermaning, des te meer zegen, o moeder, brengt uw woord, des te onfeilbaarder en vruchtbaarder, o christen, is de werking van uw gebed; - gelijk aan dat éénige woord ; het worde!.... en hemel en aarde ontstonden; gelijk aan dat éénige woord: Ik ben het!.... en al do vijanden des Heeren vielen als dood ter aarde neer.
Po Korenbloem groeit op graanvelden, op koren- en tarwoakkers. Uit de tarwe wordt het genadebrood voorbereid, dat door de godlijke woorden ; «dit is mijn ligchaam,\' het ligchaam des Heeren wordt, het voedsel ou-
zor ziel, hut Allerheiligste Scikriiment. Zul liet nooflio- zijn, lieve Christen, dat ik u uoquot;\' aan-moedige, uwen ijver in de oefening der Meidevotie de kroon op te zetten door, volgens de voorschriften der heilige Kerk, om den Aflaat, aan deze godsvrucht verleend, te winnen, godvruchtig Hem te ontvangen in de H. Com-mnnie, wien Maria onder haar hart heeft gedragenen aan haar hart gevoed? Gij kunt Maria geene grootere vreugde bereiden: en gelijk er geen inniger vereeniging met Jesus Christus bestaat, dan in de heilige Communie, zoo is er ook geen meer on verbreekbare verbinding mot Maria; want Jesus, dien gij ontvangt, is vleesch van haar vleesch, bloed van haar bloed, gebeente van haar gebeente !
De Korenbloem komt, zonder gezaaid te worden : de landman werpt slechts zaad uit voor koren en tarwe, en toch eene groote menigte korenbloemen verblijdt telken jare zijn oog, en tooit zijn hoed en zijn hut. —- Dat beteekent : volg .1 es us na, door eene trouwe en naauwkeurige vervulling uwer staats- en be-roepspligten, de vreugde komt dan van zelf; troost en vrede schenkt tie Heer u dan, als toemaat! — De hand des Heeren is een vrucht-
— 84 —
bare akker; wat men daarin nederlegt, geelt hij honderdvoudig weder, zegt de H. Ignatius. — De wereld is een doornstruik, waaraan slechts ééne roos bloeit — de troost der trouwe pligt-vervulling; alle andere vreugden vliegen snel daarheen, slechts deze vreugde duurt, slechts deze troost blijft tot in den dood, tot aan gene zijde van het graf, waar hij verandert in des hemels eeuwigen troost!
Do Korenbloem is blaauw; blaauw is de kleur van Maria\'s mantel; zij doet ons denken aan de Moeder Gods. O noemt mij eeu tijd, waar Gods moeder haren godlijken Zoon niet heeft nagevolgd! Zegt men niet van haar, in de heilige Schrift : «en zij bewaarde al deze woorden in haar hart,quot; en zegt niet de li. Ansehnus : /; gelijk Maria onder allo geschapen wezens de ver-hevenste is, zoo is zij ook de getrouwste navolgster van Jesus Christus en zijn volmaakt evenbeeld geweest!quot; — Beminnen wij dus Maria, dan moeten wij ook, gelijk zij, Jesus Christus navolgen ! — Blaauw is de kleur der getrouwheid; zij herinnert u do gelofte, welke gij afgelegd hebt bij het ontvangen van het heilig Doopsel, toen gij den duivel, de wereld en het vleesch verzaaktet, om Jesus getrouw te blijven
tot in den dood; wat was dit anders dan de openbare belijdenis der navolging\' van Christus ? — Laat derhalve het leven des Verlossers de spiegel zijn voor ons leven; bij alles, wat wij zeggen, doen en ondernemen, willen wij ons eerst afvragen : hoe zou Jesus hier gesproken en gehandeld, welk besluit zou hij genomen hebben? Christus moet men hooren op uwe tong, Christus moet men zien in uw leven, Christus in uw hart, Christus in den mond, gelijk de heilige Petrus Damianus zegt, opdat men ook eens van ons kunne zeggen, wat men van den heiligen Thomas van Villanova zeide : men kon het Evangelie beter lezen in den Heilige, dan in een boek. — Blaauw is de kleur des hemels, die het loon is der getrouw? navolging van Jesus; en daar wij allen in den hemel willen komen en zalig worden, zoo laat ons de hemelsche Korenbloem, de allerheiligste maagd Maria, bidden, dat zij ons de genade afsmeeke van niet moede te worden in het navolgen van Christus, totdat wij eens aan het hart van Jesus en aan haar moederhart voor eeuwig kunnen rusten. Amen.
Deu Heel\' le volgen, welk een edel streven!
Laat dit ons werk, ons hoogste doelwit zijn. \'s Verlossers pad gekozen heel ons leven.
Al kost het strijd en moeite en zielepijn. Welzalig dan, die, in volmaakter dreven,
De palm erlangt, den prijs voor \'t kampen wint. Maria, zie, de handen opgeheven,
Bid om die genade voor uw hulpbehoevend kind.
XII.
VUURLELIE.
ene bloom van denzelt\'deu naam en dezelfde gestalte, als « ij er reeds cene gadegeslagen hebben, en sleclits door de kleur daarvan ver-scliilleiid, willen wij heden aan de Moeder (iods toewijden. Kene Lelie, die echter negens hare vuurroode kleur, de Vuurlelie wordt genoemd. Haar zinnebeeld ligt in haren naam. het beduidt : wilt gij eene Lelie zijn, dat is rein en onbezoedeld, dan moet gij door het vuur worden beproefd. De beproevingen des levens zijn het beeld der Vuurlelie. Ts er wel een schepsel op aarde, dat meer dan Maria en harder werd beproefd? Zij, wier inwendig lijden, gelijk de heilige ^ aders zeggen, alle pijnen der
— 8S —
I nar tela reu tc zanieii overtroffen had ! Gelijk eens de H. Kunegonde ongedeerd over gioeijende kolen wandelde, 7.00 ging Maria luisterrijk door het vuur der beproevingen heen, en bloeit nu, als de schoonste Lelie aan den troon van God, iu den hof van het henielsche Paradijs! — Lieve christenen, gelijk de beproevingen des levens verschillend zijn, zoo zijn ook de aanvechters, zij, die ons de beproevingen voorbereiden, verschillend.
God beproeft ous. Gij staat verbaasd! — En ik herhaal, God beproeft ons, want van hem lezen wij in liet boek van Mozes ; „ God beproeft u, opdat het blijkbaar worde, of gij hem bemint of niet!quot; — Was niet de boom in het Paradijs eene beproeving (iods voor de eerste menschen, om hunne gehoorzaamheid op de proef te stellen ? Eu beproefde de godlijke Heiland zelf niet zijne lieve Moeder, op de bruiloft te Kauaiin : vrouw, wat heb ik met u uitstaande, mijne uur is nog niet gekomen! — Zoo beproeft God den mensch, maar tot zijn heil; zoo zendt hij den ligtzinnige eene ziekte, opdat hij ernstiger worde en in zich zeiven keere; zoo laat hij den hoovaar-dige eene vernedering overkomen, opdat hij zijnen hoogmoed erkenne; zoo ontneemt hij den
rijke zijne goederen door bnind, nm hern van de gehechtheid aan hel aardsehe los te nikken; zoo neemt hij den gelukkige een lid zijner familie weg, opdat liij in zijn voorspoed zijn eeuwig heil niet vergete en denke aan den dood. — Maar ach, over de meeste Christenen zou de Heer weetiend kunnen uitroepen, gelijk eens over de stad Jerusalem : „ indien gij toch erkend haddet, wat ii ten vrede dient, maar nu zullen kwade dagen over ii komen, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet hebt erkend ! quot;
De tweede verzoeker des mensehen is hij, dien de Heilige Schrift den verleider en den leugenaar van den beginne, de listige slang, den giftigen draak, den gevallen engel, satan of duivel noemt. Gedeukt, lieve christenen, hoe de godlijke Verlosser in de woestijn, gedurende veertig dagen, zich door gebed en vasten, tot het leerambt voorbereidde, en de booze vijand tot. hem trad en hem door bekoringen der zinlijkheid en des hoogmoeds ten val wilde brengen; denkt daaraan, en dan zal het u niet meer verwonderen, dat de heilige Paulus den Ephesers deze vermaning geeft: „ kleedt u met de wapenrusting Gods, opdat gij bestand zijt tegen des vijands list!quot; — dat de heilige Petrus
— 90 —
zest : // Tveest matig en waakt, want uw tegenstander, de duivel, gaat rond, gelijk een brullende leeuw, zoekende wien liij zal verslinden.quot; God beproeft ons ter zaligheid, maar de duivel bekoort ons immer ten verderve, lokt ons aan tol overtreding der godlijke geboden , tot ver-waarloozing van onzen pligt. Daar geldt liet vast Ie staan, en de middelen naamvkeurig aautewen-den, welke de geestlijke leeraren ons aanbevelen in dezen strijd.
Gij ziet u in deze bekoring, en legioenen van engelen zijn bereid, u bij te staan; gij strijdt voor de eer van God : God zal u niet verlaten, zeker niet 1 Deze gedachte zal n moed geven.
God zal nooit toelaten, dat gij bekoord wordt boven uwe kracht; geene bekoring des duivels is zoo hevig, dat zij niet overwonnen kan worden; met de bekoring groeit de genade, en wanneer God met ons is, wie kan dan tegen ons zijn ?
De deugd is iets groots, iets verhevens, daarom moet zij duur gekocht worden.
Wees immer bezig, dan hoort gij de stem des bekoorders niet. Een arbeidende niensch wordt slechts door één duivel bekoord : een ledigganger door duizend. — Zoek u-zelven goed te leeren
— 91 —
kennen. Wanneer men vuur wil slaan uit twee steeneu, dan onderzoekt men naauwkeurig waar de scherpste en puntigste zijde is, dewijl men daar liet spoedigst vuur verkrijgt. Zoo legt hul de sluwe vijand aan : hij bespiedt de zoogenaamde zwakke zijde van den mensch, en daar vat iiij hem, daar randt hij hem aan, en bekoort hem; alles komt derhalve hierop aan, u daar krachtig te verdedigen en onwrikbaar \'e toonen.
Het allesal\'doend middel echter tegen de bekoring is het gebed, omdat wij ons daardoor vereenigen met God, die onwrikbaar is. Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt.
Ook de wereld beproeft den mensch, door hare bekoorlijkheden!— Het fijnste vergif is de gehechtheid aan de wereld. Ach ! hoevele edele christlijke zielen gaan door deze gehechtheid ten onder; betooverd door de aan-loklijkheden harer natuur, verblind door het goud en zilver der aarde, bedwelmd door hare vreugde, vergeten zij voorde wereld de eeuwigheid, haar eeuwig heil. un gaan verloren ! — En hoe\' vele menschen zendt de wereld nie( uit, die hunne medemenschen tot de zonde vervoeren, door slechte grondbeginselen, door hun eigen slecht voorbeeld, door verleidingen in allfirlni vor-
#y 93
men en gestalten! — Wilde God ons de oogen openen, gelijk hij ze eens den H. Antonius opende, dan zonden wij zien, dat de wereld vol is van door elkander geslingerde valstrikken, en met dien Heilige uitroepen : n wie, o Hoer, zal al die hinderlagen ontgaan?quot; Derhalve gaan ook zoovele zielen verloren; » want van tien schepen , die het meer bevaren, zegt de H. Bernardus, gaat naauwlijks één te gronde; maar van tien zielen, die op den oceaan dezes levens dobberen , wordt ter naauwernood ééne gered! quot; — Ja, die Heilige heeftregt, wanneer hij zegt, dat, indien ons in dit leven de hoop op een toekomend leven niet bleef\', deze wereld bijna niet zoude verschillen van de hel. — Daarin ligt echter ook het krachtigste middel, om de verzoekingen der hel te wederstaan. Ten hemel het oog, dan zal de schoonheid der wereld ons niet misleiden ; ten hemel het hart, dan zullen alle schepselen , alle dingen der wereld ons niet meer ketenen. //O, zegt de heilige Ignatius, hoe walgt mij de wereld, wanneer ik den hemel beschouw. quot;
Daar is echter nog een ander, die u beproeft, maar zijne beproevingen zijn, gelijk die des Heeren, onzer ziele ten heil. Deze is geen andere, als de veelbeproefde, hard-bezochte,
grootste lijderes, Maria. Ue allerzaligste Maagd, die het best weet, hoe ouuitspreeklijk schoon de zon des eeuwigen levens na den donkeren nacht der beproeving schijnt, hoe krachtig deliefde wordt, wanneer zij bereidwillig de offers brengt, welke van haar worden gevraagd, toetst onze liefde, onze godsvrucht tot haar, het vertrouwen wat wij in haar stellen , door verschillende beproevingen. Gij kent een grooten zondaar, op wien niets indruk meer maakt, om wien niemand zich meer bekommert; gij weet, dat Maria de toe-\\ lugt aller zondaars is : zult gij die beproeving doorstaan, haar voor hem te bidden ot\' niet ? — Daar ligt een geheel hulplooze zieke, van wien geen mensch zich iets aantrekt; eene stem spreekt in uw hart : o welke vreugde zou ik hier aan Maria kunnen verschatten; zult gij de beproeving doorstaan of\' niet ? — Het is een overheer-heerlijke meidag, de zon schijnt en met duizend stemmen lokt de natuur u naar buiten heen; daar luidt de klok en noodigt ter meioefeningen uit; waarheen zult gij volgen? — Daar bidt n een arme om een aalmoes, gij hebt zelf niet veel, en hebt reeds veel gegeven; iets zoudt gij toch zeker nog kunnen geven : zult gij dé beproeving doorstaan? — De beschrijver der eeuw van Leo X.
verhaalt ous ilo volgende geseliiedeiiis. Carlo Dolce was liet jongste kind van arme daglooners uit Siënna , in Italië. De ouders konden hem niets geven dan eene christlijke opvoeding, bijzonder plantte zijne moeder groote liefde tot Maria in zijn jeugdig hart. Zoo wies hij tot jongeling op, en verdiende kommerlijk met teekenen zijn brood. Eens kwam hij te Florence, en, terwijl hij door de straten dezer groote stad ging, kwam hem een oude bedelaar tegen en bad hem, in den Naam der Moeder Gods, om een aalmoes. Diep getroffen stak hij de hand in zijne tasch en vond er nog slechts een enkel stuk geld. Hij aarzelde of\' hij het geven zou, want het was zijn laatste, zijnéénig, zijn al. Hij heeft mij in den Naam van Maria gebeden, en haar kan ik niets weigeren; daarom geef ik het met vreugde, al moest ik nu ook verhongeren. Hierop trad hij de nabij gelegen kerk binnen en, doordrongen van een gevoel der zaligste rust, omdat hij aan Maria zijne liefde door een zoo zwaar otter had kunnen bewijzen, knielde hij neder voor het altaar der Moeder Gods, en weende vreugdetranen. Toevallig waren in deze kerk de eerste schilders, van Italië bezig met de vernieuwing van het gewelf; hun meester, Dominieo Giotti,
— 95 —
zat juist boven op bet stellaadjc; bij zag den jongen menscb, zijne godsvrucbt beviel hem; hij steeg af, spnik met hem. nam hem tot zich en leerde hem de schilderkunst, waarin de jonge menscb het spoedig zoo ver bragt, dat bij de eerste kuastenaar en grootste schilder werd van zijnen tijd, voornamelijk echter muntte bij uit in het schilderen van Moedergodsbeelden, welke hij met zulke majesteit, aanminnigheid en bemelsche verhevenheid voorstelde, dat alles er door weggesleept werd, en nog heden zijne schilderijen voor de hoogste prijzen worden gezocht.
O bemelsche Vuurlelie, allerheiligste Maagd M a r i a ! smeek voor ons de genade af, dat wij uwe beproevingen en de beproevingen Gods tot ons heil aanwenden, en de bekoringen des duivels en der wereld zegevierend wederstaan , opdat wij, door deze vuurproef gelouterd, rein en ongedeerd mogen bevonden worden op den dag des oordeels. Amen.
L)e vurig- roode Lelie
wijst ons op \'s vijands list, En hoe hij, altijd sluipend,
zijn prooi maar zelden mist.
— 96 —
De vurig- roode Lelie
wijst ons op !t aardsch genot.
En leert liet ons te ontvlugten,
sterk in de kraelit van God.
De vurig- roode Lelie
wijst op \'t beproevings vuur,
Waarmee (iod en Maria
ons loutren op den duur.
Laat, Heer, ons niet bezwijken
in \'t blaken van dien gloed,
Maar als de blanke Lelie
u scMttren te gemoet.
XIII.
MAA.GDEPALM.
( Immergroen.)
\'ffififfrotscli rolde de roodachtige Cisou zijne gol-tj^veu, en Galüea\'s groene bergen begonnen met sneeuw gedekt te worden, toen Joachim eu Anna, hun kind Maria, naar Jerusalem in den tempel bragten en opdroegen aan God. Daar, waar zij de schoonste jaren baars levens doorge-bragt heeft, bad Maria voor haren vader, wiens wil zij met de stiptste gehoorzaamheid volbragt; daar bad zij voor die haar gebaard had, \'s morgens, wanneer de zonnestralen de bergen van Arabic verguldden, en \'s avonds, wanneer het geluid der priesterlijke bazuinen weergalmde van des tempels tin. Na eenige jaren verloor Maria hare geliefde ouders; weenend stond zij bij bun sterfbed, doch kalm, want geen verwijt kwelde haar hart ; in dat hart immers, woonde eene
deugd, welke zij in haar leven niet in het minste kwetste, do deugd der kinderlijke liefde.
Deze deugd willen wij heden beschouwen in haar zinnebeeld, het Immergroen.
De Maagdepalm kronkelt met zijne ranken langs muren en wanden omhoog en klampt er zich aan vast; zoo moet ook het hart van het kind, in liefde getrouw en vast aan zijne ouders hangen. Toon do Missionarissen bij do wilden van Wost-Ocoanië kwamen , ontwaarden zij, dat schier bij allen de eeno of andere vinger, of wol geheel de hand ontbrak. Verwonderd daarover, vraagden zij naar do oorzaak, en vernamen, dat dit louter oHFcrs dor kinderlijke liefde waren; zien zij vader of moeder in doodsgevaar verkeeren, dan slaan zij zich aanstonds een vinger af; wordt do zieke na dit eersto oifer niet gezond, dan verminken zij zich andermaal, on houwen bij elk gevaar weder een ander lid weg, zoodat ze vaak allengs alle vingeren, en ten laatste de hand-zelve afkappen. — En deze, geliefde christenen, zijn wilden, zijn heidenen ; zóó groot is de kinderlijke liefde bij volkeren, welke de natuur-alleen loert, hunne ouders lief te hebben : hoe groot en krachtig moet ze dan, o ohristonon, bij u niet
— 99 —
zijn. — ü leert liet geloof, de ouders te beminnen; ii leert do godsdienst do kinderlijke liefde; u noodigt God-zelf er too uit ; gij zult vador en moeder ecron; u maant de H. Sehrift, op ontelbare plaatsen, tot deze liefde aan ! — Het is onmogelijk, aan zoovele beweeggronden te weerstaan, des te onmogelijker, daar zelfs oen blik op de dieren tot do kinderlijke liefde vermaant: deze zorgen toch voor hunne ouden , met eeno liefde, die dikwijls tot weenens toe aandoet. — En het gezond verstand, dwingt het u niet, met onweerstaanbaar geweld , uwe ouders te beminnen? Tel, indien gij kunt, de smarten uwer moedor, tot op den dag, waarop zij u gebaard hoeft, en hoeveel tranen en zorgen hoeft haar uwe opvoeding niet gokost! — Tel, indien gij kunt, do zorgen en bezwaren uws vaders, alvorens hij u zóó ver gebragt heeft; zijne slaaplooze nachten, zijne kommervolle dagen, do menigvuldige ontberingen , welke hij om uwentwille heeft verduurd ! — En het voorbeeld van Je sus Christus , hoe hij zijne aardsche ouders , Maria en .Tosef bemind heeft, moet het u niet met geestdrift voor de deugd der kinderlijke liefde bezielen.
Do Maagdopalm draagt oeno blaauwo
— 100 —
bloem; blaauw is rle kleur van den hemel, die ons eeuwig loon zal zijn. Zoo ivordt do kinderlijke liefde met eeu aardschen en een hemelschen zegen beloond; want aan geen gebod, als aan het vierde, is een aardsche zegen toegevoegd : eert vader en moeder, opdat gij lang levet, en het u welga op aarde.quot; IVIaar ook geen volgt Gods straf spoediger, wanneer het overtreden wordt. I/ De zegen der ouders bevestigt uw huis, zegt de heilige Schrift , hun vloek rukt het van den grond uit neder.quot; — Wanneer gij uwen ouders in eene gewigtige zaak niet gehoorzaamt, wanneer gij hun in iets, dat het heil uwer ziel betreft, kommer veroorzaakt en tranen afperst , dan bedrijft gij, gij weet het, telkenmaal eene doodzonde. Maar dat is niet alles. Deze zonde trekt gelijk geene andere, don vloek Gods, zijn wee ! dat op meer dan dertig plaatsen in de heilige Schrift uitgesproken is, op u neder. Vervloekt is de spijs, die u voedt; vervloekt de drank, die u laaft; vervloekt het huis, hetwelk ge bewoont; vervloekt de arbeid, dien ge verrigt; vervloekt het kind. hetwelk ge opvoedt ; vervloekt de kinderen uwer kinderen ! Dim zoo er ooit, zegt de H. Augnstinus , eene tweede erfzonde is , dan is het de zonde tegen het vierde gebod,
— 101 —
welke van geslacht tot geslaclit in hare ver-schriklijkc, ijslijke gevolgen geërfd wordt. Op aarde zult gij geen vrede meer vinden. Ongeluk en ellende zal uw dagelijks brood zijn, en, leeft gij ook in welstand , liet zal slechts zijn tot uw grooter verderf. Want de vloek, die u treft, is niet de vloek eens menschen, de vloek uwer ouders, de vloek eens priesters— liet is de vloek zelf van den almagtigen God. Dezelfde God, die gezegd heeft : liet worde I — en Hemel en narde werden; dezelfde God, die gesproken heeft: Tk ben het! — en de soldaten vielen als dood ter aarde; dezelfde God zegt: wees vervloekt! en twijfelt gij, of deze vloek u treffe? — Uw eigen ongelukkig hart geeft 11 daarop het antwoord. — O hartzeer eer.s vaders, o tranen eener moeder, zij branden heet en diep do gan-sche eeuwigheid; zij zullen uwe gloeijendste vlammen, uw vurigste kolen zijn, in de hel! — Daarom vermaan ik u met den Apostel: kinderen , bemint uwe ouders, want een dubbel loon volgt deze liefde, een aardsche zegen, vrede des harten; want, kan er eene meer troostende gedachte zijn in dit tranendal, eene gedachte, die u het leven aangenamer en het afsterven zachter make, dan deze ; uwen ouders nooit eene
— 102 —
groote droefheid veroorzaakt te hebben? — en een hemelschen zegen: dc eeuwige zaligheid!
Do Maagdepalm blijft zomer en winter, groen ; en zoo moet gij uwe ouders beminnen in den zomer huns levens en in den winter van hunnen dood, dc levende, gelijk de afgestorvene, met even warme liefde vereeren! — Een Missionaris schrijft van de wilden, die in de rotsholen van Amerika wonen, dat, wanneer dc ouders sterven, de kinderen met scbcrpe messen en schelpen zich het ligchaam in wonden rijten. Zij zouden meenen, een al te zwak gevoel van het verlies te hebben, indien het alleen tranen uitlokte, het moet ook met bloed worden beweend; hoe dieper zij insnijden, des te krachtiger isde getuigenis, dat de liefde opregt was. Eene ovcr-groote smart, zeggen zij, kan slechts door diepe wonden verdreven worden. Geliefde christenen! dat zijn wilden, ongeloovigen , heidenen; hoe groot moet dan onze smart bij den dood der ouders, onze liefde jegens de afgestorvenen niet zijn! De meesten uwer hebben hunne ouders reeds begraven : hebt gij hen niet beweend met bittere tranen, welke de heilige Augustinus het bloed der ziele noemt? heeft hun verlies uw hart niet diep gewond? — Zeker, maar thans is
— 103 —
alles voorbij! Hoe? — Wat kan mij den moed geven, u een zoo hard woord toe te voegen, een zoo bitter verwijt te doen? — Hebben vader en moeder vóór hunnen dood u niets gezegd ; heeft hun stervend oog , wanneer hun mond reeds te zwak was, om het uit te drukken, u niets aanbevolen en op het hart gelegd; hebben zij ü, indien gij u niet bij hun sterfbed bevondt, niets laten zeggen in de verte, in den vreemde? O, deze laatste bede ; vroom en goed te blijven; dezen laatsten wensch : God te beminnen en geen zonde te bedrijven; dezen laatsten wil: den weg der deugd te volgen — hoe velen, ach! hoe velen hebben hem vergeten! — Indien heden zoo menige moeder, zoo menig vader, uit het graf opstonden en hun kind zagen, dat, in plaats van hun laatsten wensch te vervullen, in zonde daarheen leeft, o, hoe zou de liefde, welke zij voor dat kind gehad hebben, hun berouwend, den zegen, dien zij het kroost nog op hun sterfbed gegeven hebben, terugnemen, en in aller ijl naar hun graf wederkeeren! — O konde ik, gelijk ik wilde, ik zou het stof en de asch, de beenderen uwer ouders verzamelen, ze u voor oogen stellen, en er den weg der ligtzin-nigheid en dor zonde, welken gij bewandelt,
— 104 —
mede bestvooijen. Zeker, dat ijslijk gezigt zou u van de zonde afschrikken, den laatsten wil uwer ouders in \'t geheugen roepen, en de liefde jegens hen met nieuwe kracht in u doen herleven.
O allerzaligste maagd Maria, gij heerlijk toonbeeld der kinderlijke liefde: laat het bloempje Tmmergroen in onze harten bloeijen, opdat wij vader en moeder beminnen . hun gehoorzamen, hunne gebreken met geduld verdragen, hen in hunne oude dagen en in hunne zwakheden ondersteunen: dat wij voor onze overledene ouders bidden, hun laatsten wil door oon christlijk leven vervullen, en hen ook in het graf nog eeren door onze deugden , om eens met hen in den hemel voor eeuwig weder ver-eenigd te worden. Amen.
Ja, Maria, teêr van harte.
Hebt ge uw ondren lief gehad;
Bij hun lijkbaar, vol van smarte.
Kreet ge uw bleeke wangen nat.
Nimmer moge \'t beeld ooit falen.
Dat de Maagdepalm ons biedt,
Neen, tot wij ten grave dalen ,
Sterft ge, o Kinderliefde niet.
XIV.
KRUIDNAGEL
ftfVaar is welligt geene fliinkbaardei-bloem dau de Kruidnagel; zij laat zich in den kouden quot;rond zoowel als in den pol;, overplanten; vervult onze tuinen en kamers met een buitengewoon welriekendeu geur : wij kunnen haar derhalve met regt voor het zinnebeeld der dankbaarheid nemen; eene deugd, die in elk elirist-lijk hart levendig en bestendig bloeijen moet. De Heer prees den Samaritaan zalig, dien Hij van de melaatschheid genezen had, en die terugkeerde en Hem op zijne knieën daarvoor dankte ; n ga heen, sprak Hij, uw geloof heeft u genezen! quot; — Niets is Gode zoo welgevallig, zegt de H. Crysostomus, als eene dankbare en dankende ziel; niets, wat den mensch nader bij God brengt, als de dankbaarheid; deze is een groote rijkdom, een onuitputbare schat, eene
— lOfi —
sterke vesting, w Echter, over hoe vele Christenen zou de Heer zich kunueü beklagen, niet de woorden van den Profeet ; wat zal ik met u beginnen, o Ephraïm, en met u, o Juda, want uwe liefde is gelijk eene ochtendwolk en gelijk de daauw, die spoedig verdwijnt! — Opdat ten minste ons dit verwijt niet tretfe, laat ons de deugd der dankbaarheid van meer nabij beschouwen in haar zinnebeeld, den Kruidnagel.
De Kruidnagel is meestendeels rood, herinnert ons aan het bloed van Christus, aan den bloedigen dood, dien de Heiland stierf aan het kruis. Een krachtiger beweeggrond voor dankbaarheid, dan Jesus aan het kruis, vinden wij niet; wie dit offer der liefde overweegt, en geen dankgevoel in zijne ziel ontwaart, die doe zijnen naam doorhalen in het doopboek; hij verdient den naam eens christens niet meer. Hem behoort uwe ziel, zegt de H. Hildebertus, want hij heeft zijne ziel voor u ten beste gegeven. Hem behoort uw ligchaam, want hij heeft zijn ligchaam voor u opgeofferd. Besef dus wel, wat hij van uw ligchaam , wat hij van uwe ziel verlangt. Bemin hem van gan-scher harte, en gij zult vergolden hebben, ■wat hij vordert van uwe ziel; zorg, dat
— 107 —
gij in iillu ledematen uws lig\'cLaams naar lieiu gelijkt, en gij zult voldaan hebben wat hij van uw ligchaam verlangt. Zijn oog werd duister in den dood, opdat uw oog zich van de ijdel-heid afwende. Zijn oor was geopend voor lasteringen en vloekwoorden, opdat uw oor zich opene voor het smeeken der armen. Zijne armen werden uitgespannen, zijne voeten vastgehecht aan het kruis, opdat uwe armen en uwe voeten versterkt worden in de godsvrucht. Overdenk, wat in u den Heere welgevallig is: overweeg het doel, waarom hij voor u geleden heeft, besef den dank, dien hij van u eischt.
De Kruidnagel wademt den heerlijksten geur. Dit is do geur der genaden, ons door God gegeven; daartegen moet ons hart den geur der dankbaarheid ademen. Telkens wanneer gij het heilig kruisteeken maakt, noemt gij do drie grootste genaden des Heeren, waarvoor uw dankoffer slechts met het leven kan volbragt worden. In den naam des Vaders, die mij geschapen, in den naam des Zoons, die mij verlost, en in den naam des H. Geestes, die mij geheiligd heeft; — maar, lieve Christen, hebt ge wel ooit een Onze Vader voor uwe schepping gebeden? —En koe gering is uwe dankbaarheid
— 108 —
voor de genade der verlossing en heiliging ! — De leeuw is een wreedatirdig dier. Androculus trok eens een leeuw een doorn uit den voet; toen liij in latere dagen veroordeeld werd, om dooide wilde dieren verscheurd te worden, vond hij zijnen leeuw in de worstelbaan terug: het dankbare dier kwam zich voor de voeten van zijnen weldoener nederleggen, deed hem geen kwaad en weerde eiken aanval van hem at\'. Beiden werd het leven en de vrijheid geschonken, en zij werden openbaar in triomf door de straten van Home geleid. Zoo dankbaar is een dier! en gij, ü mensch ? —
De Kruidnagel bloeit in de vrije lucht, siert de altaren, zoowel als het huisvertrek; zoo moet de deugd der dankbaarheid zich vertoonen en in het openbaar, en in do kerk, en in den huislijken kring. Wanneer de H. Ignatius in Gods vrije natuur rondwandelde, werd zijne ziel van zulk een dankgevoel tot (iod doordrongen, dat hij alle boomen, bloemen en vogelen uitnoodigde, om met hem den Almagtigete loven. De H. Franciscus dankte God in zijn heerlijk lied aan de zon, meesterstuk van vrome en heilige zielsverrukking, dat Hij de aarde en het heelal zoo wonderschoon
— 109 —
geschapen had ! Maar in de kerk vooral moet, ons gebed een dankgebed wezen, en waarom ? — Omdat elke dankbetuiging, zegt de H. Ignatius, een nieuw smeekgebed is en beteekent ; bidt, en gij zult verkrijgen, klopt aan, en u zal geopend worden. — In den kring uwer familie, in uwe woonplaats , moet gij den Heer meer bepaald voor alle tijdelijke gunsten bedanken; vlijtig, o huisvader, o huismoeder, het gebed voor en na tafel bidden, en bij uwe kinderen, dienstboden eu ondergeschikten daarop letten, dat het door hen eveneens aandachtig worde vemgt. De bisschop Wittman, zaliger gedachtenis, plagt te zeggen ; de verwaarloozing van het gemeenschap-lijk tafelgebed in de huisgezinnen, mag als oorzaak aangehaald worden, waarom er in onze da gen zoovele ziekten heersohen, welke men vroeger niet kende, en dat zoo menige familie den tijdelijken zegen derven moet.
quot;De bloem van den Kruidnagel is niet slechts enkel, maar ook dubbel, en zoo moeten wij niet God-alleen maar ook Maria danken; haar immers zijn wij naast God alles verpligt. Heeft zij ons niet Hem gebaard, zonder wien wij allen te gronde waren gegaan, door wien alleen wij zalig worden ! Indien wij dit slechts met de
8
— 110 —
oojjen fles geloofs beschouwen, rlatt moeten wij de waarheid der woorden van een heiligen Bernardus erkennen ; dat «ij naast God aan Maria den hoogsten, grootsten en vurigsten dank verschuldigd zijn. En wie van ons, beminde Christenen, wanneer hij zijn hart en zijne ondervinding raadpleegt, voelt zich niet van het levendigste dankgevoel doordrongen jegens haar, die reeds zoovele zijner gebeden verhoord, en zoovele zijner wenschen vervuld, die hem uit zoovele gevaren gered en zoo veelvuldige genaden voor hem verkregen heeft! — O heinel-sche Kruidnagel, allerzaligste Maagd Maria, die in dat heerlijk danklied : M a g n i f i c a t, God uwe dankbaarheid hebt opgedragen : u mijne ziel maakt groot den Heer, en verheugd heeft zich mijn geest in God, mijnen Zaligmaker!quot; laat ook onze harten den Kruidnagel gelijken. Verkrijg ons eene dankbaarheid, wier vurigheid een gekruisigden Zaligmaker, wier duurzaamheid een eeuwigen God waardig zij; eene dankbaarheid, die ons tot u in den hemel doe komen en met u en uwen goddelijken Zoon voor eeuwig vereenige. Amen.
— Ill —
Wil, ó Marin, de gunst mij verwerven.
Dat ik dit bloempje, zoo teer,
\'t Beeld van de dankbaarheid, nimmer doe sterven,
Maar in mijn harte steeds vereer.
Tot na het breken der stoflijke boeijen.
Eenmaal aan \'s eeuwigen Troon,
\'t Hemelsche vuur mij hot harte doe gloeijen, Voor U en voor uwen Zoon.
XV.
ROODE ROZEN.
\'l^ffoen do weduwe Noëmi uit het land Moab iu haar vaderland terugkeerde en naar Bethlehem kwam, riepen allen, die haar kenden : dat is Noëmi ! — Maar zij sprak ; noemt mij niet meer Noëmi, d. i. de sohoone, maar noemt mij Mara, d. i. de bittere, want de Almagtige heeft mij met bitterheid vervuld.
Zoo ook spreekt heden Maria tot ons, want wij willen haar nu beschouwen als de smartvolle moeder, als de Koningin der martelaars : Ik ben gekomen in de diepte der zee, en de storm heeft mij doen zinken, en mijne smart is groot als de oceaan ! — Wie was de oorzaak uwer smart?— Het antwoord ligt opgesloten iu het beeld der Hoos, zegt de H. Bernardus; hare roode kleur beteekent het bloed van Christus, de doornen onze zonden, en zoo wordt de roode roos het zinnebeeld van Maria\'s smart.
Maria werd in hut ■twaalfde jaar Laars luveus van haren dierbaren vader Joachim , door den dood beroofd; kort daarop werd haar eveneens hare teeder beminde moeder Anna ontnomen. Nu was zij dan eene wees ! Eene wees : o hard , o bitter woord! Hij alleen, die eens aan het sterfbed zijner ouders gestaan heeft, die hen niet meer bezit, hij wien ze ontnomen zijn, die vader, die moeder, hij-alleen kan het smartvolle van dit woord en de gansche bitterheid van dit verlies beseffen.
Maar, gelijk de nacht voor het licht verdwijnt, en de sterren voor de opgaande zon verbleeken, zoo vergaat ook dit lijden van Maria , als eene schaduw voor de aanstaande smart. De geboorte van haar godlijk Kind in eenen armen stal, op een handvol stroo, in een kouden winternacht; de vlugt naar Egypte, dubbel hard door de vrees voor Herodes en door het dorre en woeste dei-landstreek , door den langen duur en het moeilijke der reis; het vertoeven in den vreemde, ver van het vaderland, ver van al wat dierbaar is, dit alles wordt maar eene schaduwe, eene vlug-tige gedachte en als een droom, in vergelijking met het bloedig lijden, dat ons zinnebeeldig beduid wordt door de roode kleur der Eoos. Laat
— 110 —
oogen fles geloofs beschouwen, dan moeten wij de waarheid der woorden van een heiligen Bernardus erkennen : dat wij naast God aan Maria den hoogsten, grootsten en vurigsten dank verschuldigd zijn. En wie van ons, beminde Christenen, wanneer hij zijn hart en zijne ondervinding raadpleegt, voelt zich niet van het levendigste dankgevoel doordrongen jegens haar, die reeds zoovele zijner gebeden verhoord, en zoovele zijner wenschen vervuld, die hem uit zoovele gevaren gered en zoo veelvuldige genaden voor hem verkregen heeft!— O heinel-sche Kruidnagel, allerzaligste Maagd Maria, die in dat heerlijk danklied ; M a g n i f i c a t, God uwe dankbaarheid hebt opgedragen : « mijne ziel maakt groot den Heer, en verheugd heeft zich mijn geest in God, mijnen Zaligmaker!quot; laat ook onze harten den Kruidnagel gelijken. Verkrijg ons eene dankbaarheid, wier vurigheid een gekruisigden Zaligmaker, wier duurzaamheid een eeuwigen God waardig zij; eene dankbaarheid, die ons tot u in den hemel doe komen en met u on uwen goddelijken Zoon voor eeuwig vereenige. Amen.
— Ill —
Wil, 6 Maria, cle gunst mij venverven,
Dat ik dit bloempje, zoo teer,
\'t van de dankbaarheid, nimmer doe sterven,
Maar in mijn harte steeds vereer.
Tot na het breken der stoflijke boeijen,
Eenmaal aan \'s eeuwigen Troon,
\'t Hemelsche vuur mij het harte doe gloeijcn. Voor U en voor uwen Zoon.
XV.
ROODE ROZEN.
ill^fcoen de weduwe Noëmi uit het land Moab c Jt--» in haar vaderland terugkeerde en naar Bethlehem kwam, riepen allen, die haar kenden ; dat is Noëmi! — Maar zij sprak ; noemt mij niet meer Noëmi, d. i. de sohoone, maar noemt mij Mara, d. i. de hittere, want de Almagtige heeft mij met bitterheid vervuld.
Zoo ook spreekt heden Maria tot ons, want wij willen haar nu beschouwen als de smartvolle moeder, als de Koningin der martelaars : Ik ben gekomen in de diepte der zee, en de storm heeft mij doen zinken, en mijne smart is groot als de oceaan ! — Wie was de oorzaak uwer smart?— Het antwoord ligt\' opgesloten in het beeld dei-Koos , zegt de H. Bernardus; hare roode kleur beteekent het bloed van Christus, de doornen onze zonden, en zoo wordt de roode roos het zinnebeeld van Maria\'s smart.
— 113 —
Maria werd iu liet twaalfde jaar haul\'s levens van haren dierbaren vader Joachim , door den dood beroofd; kort daarop werd haar eveneens hare teeder beminde moeder Anna ontnomen. Nu was zij dan eene wees ! Eene wees : o hard, o bitter woord! Hij alleen, die eens aan het sterfbed zijner ouders gestaan heeft, die hen niet meer bezit, hij wien ze ontnomen zijn, die vader, die moeder, hij-alleen kan het smartvolle van dit woord en de gansche bitterheid van dit verlies beseffen.
Maar, gelijk de nacht voor het licht verdwijnt, on de sterren voor de opgaande zon verbleeken, zoo vergaat ook dit lijden van Maria , als eene schaduw voor de aanstaande smart. De geboorte van haar godlijk Kind iu eenen armen stal, op een handvol stroo, in een kouden winternacht; de vlugt naar Egypte, dubbel hard door de vrees voor Herodes en door het dorre en woeste dei-landstreek , door den langen duur en het moeilijke der reis; het vertoeven in den vreemde, ver van het. vaderland, ver van al wat dierbaar is, dit alles wordt maar eene schaduwe, eene vlug-tige gedachte en als een droom, in vergelijking met het bloedig lijden, dat ons zinnebeeldig beduid wordt door de roode kleur der Eoos. Laat
— 114 —
ons drie druppelen uit deze lijdens-zee putten, en ze met een vromen vereerder van Maria aldus beschouwen. Toen Jesus, met doornen gekroond en onder het kruis gebukt, vol pijn en smarten, de straat doorwandelde die tot de geregtspoort leidt, zag men eensklaps eeue vrouw, met de bleekheid des doods op het gelaat, zich door de menigte heendringen. Hare oogen, waaruit de laatste tranen gevloeid waren, blikten met eene onbeschrijtlijke droefheid op de gruwzame wonden des Verlossers; het geschimp der Pharizeërs hoorde zij niet, ook bleef zij ongevoelig voor do dreigende woorden der beulsknechten; maar toen de lansen op hare borst gerigt, tusschen haar en Jesus drongen, wierpen hare groote oogen op het dringend staal een blik, die het bloed van David verried; haar gelaat nam zulk eene uitdrukking van verheven smart en koude doodsverachting aan, dat de beheerschte beulen langzaam voor de heilige vrouw hunne wapenen naaiden grond lieten zinken; want, hoe barbaarsch zij ook waren, zij werden op dat oogenblik dooide herinnering aan hunne eigene moeder getroffen. Nu rigtte Maria hare angstvolle blikken op den Verlosser, wiens zachtmoedig gelaat thans gezwollen, blaauw, met bloed en slijk besmeurd, schier
— 115 —
geen gelijkenistrek meer teruggaf. Dan wischte zij zich droevig het voorhoofd af, als wilde zij zich overtuigen dat Hij wel werklijk het was, dien zij daar zag; maar zij slaakte geen enkele zucht, die haar zwaarmoedig hart kou verligten; meu dacht dat zij sterven ging. Jesus, die haar opmerkte, verhief toen zijn onder den last des kruises gebukt hoofd, en sprak : Moeder! — Bij het hooren van dezen toon, die als eene doodsklok klonk in hare ooreu, doorsneed een zwaard van droefheid hare borst: zij kon zich te naauwernood meer staande houden , zonk ineen en verbleekte, terwijl de vrouwen van Jerusalem elkander zachtjes in het oor lispelden : de arme moeder! •— Jesus was nu opgeheven aan het kruis. Maria spoedde derwaarts, de soldaten voorbij, die het lot wierpen over den rok ha ars Zoons. Eene krampachtige droefheid vloog over liaar gelaat: zij herdacht de dagen, toen zij, rijk alleen door .Tesus\' liefde, maar vrij van bezorgdheid, \'s avonds, aan zijne zijde gezeten, dit feestgewaad vervaardigde. Deze gedachte was vóórhaar als een dolk die langzaam in eene wonde wordt rondgedraaid. Want de bliksemstraal, die haar de vervlogen dagen van haar geluk aanwees, maakte de duisternis van hare tegenwoordige ellende des te digter. Terwijl zij hare oogeu hemelwaarts
sloeg\', om kraclit tu erlangen, ontmoette Laar blik dien van den gekruisigden God. Bij dezen hartverscheurenden aanblik liep eeue koude doodsrilling over haar ligchaam : daar stond zij sprakeloos en als versteend, hel treurspel nas geëindigd ; de gausche lijdensgeschiedenis zweelde haar nu voor de oogen, als een akelige droom of ids eene schim uit het graf; alles verdween voor het kruis. De zon verborg zich, de hemel verdonkerde, de aarde beefde, de steenrotsen barstten, de graven gaven de dooden terug; doch bij al deze stuiptrekkingen der verbolgen natuur, bleef Maria onbeweeglijk staan, gevoelloos bij al deze schrikwekkende vertooningen, de handen als tot het gebed zamengevouwen, weggezonken in de betrachting harer gekruiste liefde. En de vrouwen van Jerusalem begonnen andermaal te weenen en meê-doogend te zeggen : de arme moeder! —
Het ligchaam des Heeren werd van het kruis losgemaakt; Maria knielt op den grond, hare vingers zijn met bloed geverwd; zij spreidt nu het reine lijnwaad over hare armen uit, om het doode ligchaam van haren Zoon te ontvangen. — Het ligchaam des Heeren is nu zoo ver gedaald, dat Joannes het godlijk hoofd kan aanraken en in zijne armen opnemen, opdat het niet neerzinke in
— 117 —
zijiiu imig\'tloozu üubuigzaamliL\'id, on Magduleiia houdt de voeten vast. Een enkel oogenblik werpt Maria zich vol srnarte in stomme aanbidding neder, en zij lieei\'t het doode ligchaam in hare uitgestrekte armen ontvangen. O welk eene ontmoeting, welk eene terugkomst! Het kindje van Bethlehem is op den schoot zijner Moeder teruggekomen! — Zij staat dan op van hare knielende houding en draagt nog altijd dien last, zoo ligt als in de dagen, wanneer zij met hem naar Egypte vlngtte; zij zot zich neder op het gras, met Jesus uitgestrekt op haren schoot. Niet één trek van dit heilig gelaat, niet ééne wonde van dit heilig ligchaam, die niet tevens eene smart voor haar en een voorwerp der diepste overweging was. Te vergeefs voor haar zongen de vogeltjes hun lieflijk avondlied, toen de lieve zon, na hare verduistering, weder hare lichtstralen schoot. Te vergeefs ook steeg de geurige lucht der malsche vijgenbladeren op in de koele hemelruimte, die nu wederom met lentewellust was gevuld. Hare droefheid kan uiet gelenigd worden door den troost der natuur, want hare bloem was wreedelijk geknakt en lag verwelkt op hare knieën, de roode Hoos, wier doornen onze zonden zijn. Om onzer zonde, zegt de Profeet, is Hij verpletterd ge-
— us —
worden, en Maria, de koningin der profeten zou dit niet geweten hebben? /ij beeft het geweten en het lijden haars Zoons des te smartlijker gevoeld, dewijl wij er de oorzaak van waren. Maar hoe, beminde christenen, zullen wij de troost-looze Maagd troosten ? Door berouw over onze zonden en het vaste voornemen van voortaan de zonde te verzaken. Deze genade zullen wij verkrijgen, indien wij dikwijls en aandachtig de smarten van Maria overwegen. Eene vrome ziel vernam, in eene openbaring, dat God vier bijzondere genaden aan deze vrome oefening verleent. De eerste is een volmaakt berouw, eenigen tijd vóór den dood; de tweede is eene bijzondere hulp en bijstand in ons sterluur; de derde prent ons diep in de ziel de geheimnissen van het bitter lijden van (\'hristus; en de vierde verwerft ons eene zeer magtige voorspraak v an Maria bij God.
(iij zult ons, roode lloze!
Een beeld der zonde zijn,
Waarvoor de vlekkelooze Leed al die zielepijn.
En zijn wij niet bij magte,
Te heelen zulk eeu smart,
— 119 —
ö Dat haar dan verzachte
Ons rein en schuldloos hart. Dan zullen wij verwerven Uw gunst, Maria zoet, En wordt nog, voor wij sterven, Hier onze schuld geboet.
XVI
RIDDERSPOOR.
! daten dit woordlot krijgsleus gegeven
Laboremus, laat ons arbeiden, laat ons strijden ! — en zoodoende het gezegde van den heiligen lijder Job aanschouwlijk gemaakt; dos menschen leven op aarde is een strijd !
En indien ik u, lieve christenen, eeuwapen, oen wachtwoord, eene leus te geven had, ik zou mijne keus doen in het bloemenrijk ; de Ridderspoor zou het wezen, omdat de Ridderspoor het zinnebeeld is van den strijd.— Naamvlijks was de eerste zonde bedreven, toen do Almagtige sprak, gij zult uw brood eten in het zweet uws aaugezigts! De poorten van het paradijs werden gesloten, en deze aarde werd
— 121 —
voor do mcnschen een groot, vreeslijk strijdperk. Nu moot de homel gewelddadig bestormd en veroverd worden, overeenkomstig hetgeen do god-lijko Heiland zegt: niet oen ieder, die zegt: Heer, Heer! zal ingaan in liet hemelrijk; neon, hot hemelrijk lijdt geweld; zij alleen, die geweld gebruiken, zullen het innemen. Daarom ook is de taal dor Apostelen zoo oorlogszuchtig : strijd gelijk een dappere soldaat van Jesus Christus, zegt de H. Paulus; gij hebt nog niet tot op het bloed wederstaan! Omgordt uwe lenden met de godlijke wapenrusting, opdat gij weerstand kunt bieden aan den boozen vijand, zegt de H. Petrus. Daarom ook is het leven van alle Heiligen een aanhoudende strijd. Hoe wakker streed de heilige Franciscus van Sales, om do gramschap te overwinnen; de H. Ignatius, om den onzuiveren geest te verjagen ; hoe vurig bad, hoe streng vastte oen H. Franciscus, na duizend slapeloozo nachten, om don homel te verwerven. Welke bloedige gevochten leverde niet, in den blooi zijner jeugd, een heilige Aloysius, een heilige Alphonsus, op den rand des grafs, gebukt onder der jaren last! Ons eigen hart moet hier getuigenis afleggen voor de waarheid van dit betoog. Ts het gomaklijk te midden der wereld.
— 133 —
omgeven van duizend gevaren, boko ringen en aanvechtingen, zicli zuiver en ongeschonden te bewaren? — Neen, neen, or moet gestreden worden, gestreden tegen ons eigen hart, gestreden tegen vreemde harten, gestreden tegen de oogen en ooren, gestreden in de jeugd en op grijzen leeftijd, bij het op- en neergaan onzer levenszon; gestreden alle dagen, alle uren, alle oogenblikken tot aan het graf, het stille graf, waar men weldra zal bidden op ons lijk : Heer, geef hem de eeuwige rust, en dat het eeuwige licht hem verschijne; Heer, laat hem rusten in vrede !
Des menschen vijanden zijn zijne Imisgenoo-ten, zegt de H. Schrift; en die huis-vijand is de kwade natuur, voegt de H. Ambrosius er bij, in de uitlegging dezer plaats. De godlijke vloek gt; uitgesproken tegen de aarde : n doornen en diste-len zal zij u voortbrengen,quot; heeft ook de aarde onzer ziel getroffen; daarom is dit leven een gedurig uitroeijen van het onkruid, een onophoudelijk uitrukken der doornen en distelen. Onze kwade natuur is een onvermijdelijke vijand , dewijl zij in ons zeiven is. — Indien mij een vijand van buiten aanrandt, kan ik voor hom wijken, ik kan hem vlugten; maar eene kwaadaardige
ziektestof, die TTiij inwendig aangrijpt, kan it niet ontgaan. Onze kwade natuur is een vijand , dewijl zij altijd Inj ons blijft. — Mogten wij oen vijand hebben, zoo kan ons dit tot troost strekken, dat hij weldra zal afreizen, zich van ons zal verwijderen, of dat zijn dood ons van hem verlossen zal; maar deze vijand verlaat ons nimmer, gaat nooit opreis, sterft nooit vóór, maar alleen met ons. Onze kwade natuur is een vijand , dewijl zij onverzoenlijk is. — Mogten wij een vijand hebben , wij kunnen eens den vrede met hem sluiten, en ons met hem verzoenen; maar deze vijand is onverzoenlijk, hij is en blijft onze vijand in onze jeugdige en in onze grijze jaren, in gezondheid en ziekte, vóór en na de bekeering, in iedere plaats, in eiken stand, op allen leeftijd, onder elk kleed.
Het eenige redmiddel tegen dezen vijand is gelegen in den strijd, een aanhoudenden, bestendigen, eeuwigdurenden strijd, die alleen met het leven eindigt. Maar welke wapenen te bezigen tegen dezen huisvijand, onzo kwade natuur? De wapenen der vrees en fles ij vers. Van de vrees zegt de H. Schrift : wie den Heer vreest, dien overkomt geen kwaad, (lod beschermt hem in de beproeving en verlost hem van den kwade.
— 134 —
Wij moeten ouzo kwade natuur vreezen, die ons elk oogenblik ten val brengen kan. Laat u niet bedriegen door uwe bekeering, uwen goeden levenswandel, uwe vroomlieid. Wie staat, zie toe dat hij niet valle. De mensoh, zoo lang hij loeft, is als een vuurkool, smeulende onder de asch; komt de wind, de asch wordt weggevaagd en het vuur ontsteekt; hij is als iemand, wiens zware ziekte genezen is, maar die er nog altijd do droevige gevolgen van gevoelt. Daarom aanhoudend gestreden met hot wapen der vrees ! Deze vrees is niet vernederend, neen, zij is eenc deugd, een edel gevoelen, daar men beducht is , den boston vriend fe beleedigen; eene kinderlijke liefde, die vreest den teedersten vader te krenken. In vrees en angst zult gij uw zielenheil bewerken , zoo spreekt de H. Paulus.
Het tweede wapen moet liet wapen des ij vers zijn. Wanneer gij gewaar wordt, dat uwe kwade natuur u tot uwe vroegere levenswijs wil terugvoeren, dat gij laauw, ligtzinnig en traag wordt, dan moet gij met vernieuwde krachten, met nie-wen moed wederom beginnen en u tot eene zekere geestdrift stemmen; zoo niet, dan zijt gij verloren. Neem het wapen dos ijvers in de hand. Bij het dagolijksoh morgengebed, roep u-zelven toe, ge-
— 123 —
lijk die dappere veldoverste zijne soldaten toesprak : voorwaarts, voorwaarts! ziet gij die schoo-ne stad? zij wordt de onze; misschien is dit het laatste gevecht, laat dus den moed niet zinken; voorwaarts, voorwaarts !
Herhaalde malen moeten wij in den loop van den dag onze goede voornemens vernieuwen; elk jaar komen de zwaluwen, elke lente ontluiken de bloemen, eiken dag stijgt op nieuw de zon ; zoo moeten ook wij eiken dag en elk uur ons bevestigen in onze goede voornemens. Weest daarenboven kinderen des gebeds, lieve christenen ! zonder het gebed zijt gij verloren. Gij laat heden één Onze Vader achter, morgen twee, overmorgen drie, van daag de helft van uw gewoon gebed, de aanstaande week uw gansch gebed, en zoo znlt gij na korten tijd zonder gebed zijn, doch ook zonder liefde of vreezeGods, zonder genade of godlijken zeg\'en. Mogt gij moede worden in den strijd, beschouwt dan .Tesus in den Olijvenhof, toen Hij, alhoewel zijne ziel bedroefd was tot den dood, in het gebed volhardde; be-schouwt Maria, die al de dagen haars levens in een strijdperk doorbragt; beschouwt de martelaren , die onvermoeid den goeden strijd streden , om het heil hunner zielen te verzekeren \' f
9
— 136 —
In Lot jiiiir 145(j rukte Mahomed, de Turksche keizer, Hongarije binnen, en kwam met 150 duizend man do stad Stuhlweissenburg belegeren, om ze stormenderhand in te nemen. Op den feestdag der heilige Magdalena begon het stormloo-pen, dat twintig uren onafgebroken voortduurde , totdat eindelijk de Christenen geheel uitgeput den wederstand staakten, en de Turken hoopsgewijs do stad binnendrongen, en reeds op alle straten het zegelied aanhieven. Toen de heilige Joannes Oapistranus, aalmoezenier in het Christenleger, dit zag, nam hij een kruisbeeld in de hand , toonde het den Christenen, en riep met luider stem : O mijn God ! verlos uw volk, hetwelk Gij door uw kostbaar bloed hebt vrijgekocht; help ons, opdat de Turken niet zeggen , waar is do God der Christenen ? Door deze woorden werden do Christenen met nieuwen moed bezield ; en zij sloegen de Turken weder uit de stad, vervolgden ze acht uren ver, en behaalden eeno volslagen overwinning. Zoo moogt gij dan ook, aangemoedigd door Gods woord, dat u mijn mond verkondigt , met oeue ware geestdrift den strijd hervatten, die mot het leven tot aan den dood moet worden voortgezet! De hemel, het doel van den strijd, is alle moeite overwaard ! O aller-
— 137 —
zaligste Maagd Maria! geef ons lot wapen de Ridderspoor, en dat onze harten onverschrokken blijven in dezen ridderlijken strijd !
Ta, doornig is het pad
van \'t ondermannsche leven, T)at tot den dood toe
slechts aan \'t strijden is gewijd ; Blijf dan de Ridderspoor
tot kampleus n gegeven , Zij, die daar zegt ;
de zege volait den strijd. En sc.hittrend is de kroon ,
die, door dn hand des Heeren, Hierboven wordt geschikt
aan dien den prijs verwierf. Hij, die den hemel erft.,
kan de aarde wel ontberen , En die het leven wint,
mag juichen, dat hij stierf.
-T—sar-r—
XVII.
ALPROOS.
neel\' S\'iJ- lieve christen, in (li-\'-X^Xr nabijheid van Berchtesgaden pu Reichenhall, of over Eosenheim en Kufstein , in hot Tyrolerland, of verder over Miesbach tot aan Tegernsee komt, dan ziet gij het Beijersche hooggebergte, de Tvroler en Salzburger alpen , eene rij bergen, wier kruinen zich tot in de wolken verheften en met eeuwige sneeuw en ijs bedekt zijn. Een heerlijk gezigt, deze steenen reuzen tot in het midden der weelderigste weilanden, waarop het vee weidt, te aanschouwen; een prachtvolle aanblik, deze met sneeuw bedekte kruinen door het purper der gouden morgen- of avondzon beschenen te zien !
Daar omhoog, lieve christen, boven op du bergen, over rotsen en steenen, met grijs mos omwassen, over groene weilanden en beemden,
— 129 —
langs veekudden en herdershutten, altijd hooger en liooger, zoodat de hulzen In liet dal bijna uit uwe oogeu verdwijnen, daar omhoog leid ik u in den geest, om u eene bloem te toonen, welke wij lieden de Moeder Gods willen toewijden ; eene bloem, die slechts daar boven bloeit, in de eenzaamheid, verre van de menschen, zeer nabij den hemel, geheel alleen. Het is — de Alproos !
De Alproos is eene overheerlijke bloem; hare kleur is van het schoonste rood en hare heerlijk groene bladeren zijn zacht en wollig, gelijk fluweel. Op de vlakte vindt men ze niet, maar alleen op de bergen ; en hoe hooger zij groeit, hoe lieflijker haar geur is; zij bloeit slechts een zekeren tijd, en ontluikt soms naast sneeuw en ijs. Wegens hare zeldzaamheid en schoonheid wordt zij hoog geschat, eu de berg-jagers beschouwen het als een goed voorteeken, wanneer zij er eene vinden !
Tot hiertoe hebben wij de Moeder Gods slechts met bloemen vereerd, die gemak-lijk te bekomen zijn en in onze nabijheid bloei-jen; maar heden zullen wij pogingen aanwenden, om er eene op de hoogste bergen te vinden , teneinde ze aan de hemelsche koningin toe te wijden, de Alproos, ja, de Alproos!
— 130 —
Gelijk de vreemdeling op zijnen wandel-togt over liet gebergte van blijdschap opspringt, wanneer liij deze Bloem gevonden lieet\'l, en, verrukt door haren geur en schoonheid , al zijne vermoeinissen en het bezwaar van het opzoeken vergeet, zoo ook , lieve christenen , zullen wij ons verheugen, wanneer wij eens de deugd, wier zinnebeeld de Alproos is, de deugd der overweging zullen verkregen hebben, en, als weggesleept door hare too verachtige schoonheid, zullen wij weldra alle aangewende moeite vergeten.
De Alproos is het zinnebeeld der overweging; dewijl zij slechts op de hoogste bergen en eenzaam in de nabijheid des hemels bloeit. De overwegende mensch moet insgelijks zijn hart tot God verhelten; hij moet overwegen verre van het gewoel der menscheu, in de eenzaamheid zijner kamer, of aan den voet van een kruisbeeld, onder den vrijen hemel, ot\' in de ongestoorde stilte eener kerk , voor het tabernakel van den levenden God. En, gelijk de Alproos midden uit sneeuw en ijs te voorschijn komt, zoo ook wordt do christen, die van goeden wil is, door niets in de overweging gehinderd; geen ongeluk of tegenspoed, geen huislijke of wereldsche pligten , geen bedrijf, wat ook ,
— 131 —
geene ziekte, geene aardsche zorgen, niets , in één woord, zal de vrome overweging kunnen Metten voor die haar sleclits wil.
O, Christenen, bemint de Alproos! Bemint de overweging, die niets anders is, dan eene lange overdenking van iets dat ons zie-lenkeil betreft, een aandachtig nadenken over de godlijke waarheden. De overweging is volstrekt noodzakelijk, zoodat de heilige Aloysius zegt : „ zonder overweging, zult gij niet veel vorderen in de deugd;quot; ja, de H. Ignatius en de H Alphousus leggen zelfs deze uitdruklijke verklaring af ; zonder overweging kan de mensch niet zalig worden, zonder overweging zal hij te gronde gaan ! En nu, lieve Christenen, gelieft gij zeiven te antwoorden, indien de menschen gedurig do zonde met hare verschriklijke gevolgen , gedurig de waarde hunner onsterflijke zielen . den dood met nijn vreeslijk vertoon, de hel met hare vlammen, en den hemel met zijne vreugde overwogenen daar rijpelijk over nadachten, konden er ilan zoovele moorddaden, onregtvaardigheden en echtbreuken, zoovele vloeken en onkuische gesprekken, konden er dan wel zoovele zondige kennissen, betrekkingen en druk bezochte speel-hinnon zijn? Neen, wanl eeuwig wanv zijn do
— 132 —
woorden der eeuwige waarheid: „ gedenk uwe uitBr-sten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen!quot; Het gezegde dier groote mannen en lichten onzer H. Kerk, is dan onherroeplijk : de overweging is volstrekt noodzakelijk, hetwelk David ook in zijne psalmen bevestigt. Ware niet uwe wet mijne overweging, zoo zou ik omkomen in mijne ellende.
De overweging bezit eene eigenaardige voortreflijkheid ; beschouw Maria, die ook in het beoefenen dezer deugd ons voorbeeld is. De overweging was haar bestendig voedsel; de tempel van Jerusalem en de krib van Bethlehem, het ouderlijk huis en de hut te Nazareth en te Hiëropolis, de stad in Egypte en Ephesus, waar zij met Joannes en Magdalena heentrok, waren de getuigen van haar inwendig gebed. Want nooit, zegt de H. Ambrosius, was er eeno ziel, gelijk de hare, met de hemelsche genade dei-overweging begaafd. Haar geest, in aanhoudende vereeniging met haar hart, verloor nooit uit de oogen Hem , dien zij met meer teederheid lief had, dan alle serafijnen te zamen hem beminden ; haar geheele leven was slechts eene bestendige oefening der reinste Gods-liefde, en , wanneer de slaap hare oogen look. dan waakte haar hart en bad nog !
— 133 —
Hoe verfraait eene springbron den tuin; om haar heen groeit alles frissoher en bloeijen de bloemen het schoonste; diegrond, vroegereentoonig endor, nu besproeid door de wateren eener bron, wordt levendig en jeugdig, en verkrijgt een vrolijk en weelderig aanzien. Deze springbron, zegt de heilige Franciscus van Sales, is de overweging, en den tuin, uwe ziel. De overweging deelt eene eigenaardige schoonheid aan uwe woorden en werken, ja, zelfs aan uwe gelaatstrekken mee.
Xooit zal ik den indruk vergeten, dien zekere vrome maagd, Maria van Mörl, in Tyrol, in haar inwendig gebed , in hare verrukking, op mij maakte. In een wit kleed gehuld, met afhangende haren, knielde zij, met gevouwen handen, de oogen strak naar den hemel gerigt, op hel bod neder; zij zweefde, gelijk een geest, want haar ligohaam veroorzaakte niet de minste drukking op hare legerstede ; zij verroerde en bewoog zich niet; men moest haar van nabij naderen, om haar te kunnen hooren ademen: zij wist niets, van al wat rond haar gebeurde. Vrede, vreugde, inwendige rust en zaligheid spiegelden zich af op haar gelaat; een «onder-baar gevoel doordrong lederen aanschouwer; eene verrukking over de schoonheid eener
overwegende ziel. Met haar vergat men alle zorgen dezer aarde, men verhief\' zich met haar in de hoogte des hemels, en een gevoel van weemoed doordrong het hart, omdat men om zijner zondenwege en om de al te groote gehechtheid aan de aardsche goederen, niet evenzoo overwegen kon. — Uc groote Péuélon, Aartsbisschop van Kamerijk, schreef aan zijn koninklijken leerling, den hertog van Bourgondië ; om Gods wil, laat de overweging uw hart voeden, gelijk de spijs uw ligchaam voedt. Een korte blik op God verkwikt den mensch, bedaart zijne harts-togten en deelt eene bijzondere aanvalligheid aan zijne woorden mee.
De Alproos bloeil op de hoogste bergen, 011 daarom kan men ze moeilijk be komen: zoo is het niet met de overweging gelegen, zij is zeer gemaklijk te verkrijgen. — Gij ziet mij aan, als hadt gij mij niet goed verstaan, en derhalve herhaal ik : de overweging is gemaklijk!
Hoe is het mogelijk, zal menigeen onder u zeggen; wij zijn tevreden, indien wij het mondeling gebed er doorhalen; dat is genoeg verstrooid ; tot overwegen hebben wij noch tijd, noch gosohiklheid!
— 135 —
Beiden, lieve christenen, zijn influisteringen des duivels. Gelijk de Philisteinen Samson de oogen uitrukten, zoo doet ook de booze vijand met u; daar hij u liet geloei\' niet ontnemen kan, zoo beproeft hij toch, tenminste, u datgene, wat gij gelooft, niet te laten overwegen. Hebt gij minder tijd dan koning Alfred de Groote, die zich dagelijks acht uren overweging oplegde, of dan de heilige dienstmaagd llotliburga, die de vlijtigste en arbeidzaamste van haar dorp was, en echter bestendig de eeuwige waarheden overwoog? Doet gelijk de heilige Elisabeth, die van haar slot Martburg naar het klooster Eeinhards-brunn, (waar zij dagelijks de li. Mis hoorde,) goed twee uren gaan moest, en gedurende den geheelen weg slechts één Onze Vader bad, overwegende, wat zij bad. En gij moet niet gelooven, dat gij altijd eenzaam en alléén bij de overweging zijn moet; want kunt gij niet, gelijk de Alproos midden in sneeuw en ijs ontluikt, bij uwen arbeid en bezigheden, aan den dood en het oordeel, aan het lijden van Christus en aan de liefde van Maria, aan den hemel en zijne eeuwige vreugde denken en dat alles overwegen? Ja, zekerlijk, zegt gij , ik zon dit kunnen, maar ik kan niet, wanl ik heb er de geschikt-
— 136 —
heid niet toe I Daar komt gij mij juist voor, als dat oud vrouwtje, dat, na een vroom en godvreezend leven, te sterven kwam. Met vreugde wachtte zij den dood af, slechts eéne zaak verontrustte haar nog. Wat, sprak zij tot haren biechtvader, zal ik wel bij mijne intrede in den hemel tot den lieven God zeggen\'J Diep geroerd over deze kinderlijke eenvoudigheid , sprak de Priester: Vrome ziel, zeg maar: geloofd zij Jesus Christus; en alle engelen en aartsengelen, alle cherubijnen en serafijnen, alle heiligen van den ganschen hemel zullen daarop antwoorden: In alle eeuwigheid 1
Ziet, lieve christenen, zoo behoeft gij niet geleerd te zijn, om te overwegen : mogtgij niet lezen of schrijven kunnen, en de school zelfs nooit bezocht hebben, gij kunt toch overwegen. Tot hot overwegen behoeft, gij slechts twee dingen : de oogen en het hart. Aanschouwt de eeuwige waarheid, en luistert dan naar de ingeving van uw hart!
Mijn (iod en mijn al! hierover overwoog de H. Pranciscus van Assisen zijn geheele leven lang. — Nog minder woorden bezigde de H. (,\'a-f.harina van Genua : Ik en Gij! — Nog korter drukte de H. Magdalena van Pazzi zich uit:
— 137 —
Liefde! — Tlieresia; ééne ziel! — Welk een «-root ineditatieboek is de natuur, lt;le zon, de lente , de regen, de droogte, de bloemen en de vogelen! — Het kruis, de kerk, het luiden der klok.
Ziet daar, lieve Christenen, wat de deugd der overweging is, wier zinnebeeld de Alproos voorstelt: dat is de deugd der overweging, die zoo noodzakelijk , zoo schoon en gemaklijk is. Bemint ze deswege, en neemt heden het vaste besluit, om, van nu af, niet meer zoo onbedachtzaam , zoo verstrooid eu wereldsgezind er op aan te leven , maar, met den blik uws harten ten hemel gerigt, bestendig uw eeuwig heil on uwe bestemming voor oogen te houden. Welaan dan, lieve christenen, biedt met dit uw voornemen de Alproos Maria aan: de Alproos too ij e heden haar genadebeeld!
Maria , o versmaad deze Alpenroze niet.
Hie \'t toeder kinderhart zijn lieve Moeder biedt. U en den Zone Gods, met wieu ge één liefde zijl, Wordt voor altoos dees bloem eerbiedig toegewijd.
XVIII.
ASTER.
quot;i/^fistoren haalden wij ons oene Bloem van heu-veis en bergen af, lieden, lieve christenen , zoeken wij er weder eene op de hoogte en wol op den grafheuvel, de Aster.
De Aster, ook Sterrebloem genaamd, is eene schoone bloem met groote gele zaadkern , waar rond zich vele kleine blaauwroode of purperen blaadjes rangschikken. Zij heeft geen geulen is eene herfstbloem, die tot in November bloeit, want de winterkoude doet haar geen schade; daarom wordt zij op Allerzielendag ook dikwijls tot doodenkransen gebruik en dient in \'t algemeen tot versiering van het graf:
Deze geurlooze herfstbloem, deze rouwkleurige doodenbloem is het zinnebeeld der verganklijk-heid, en ik wenschte, dat op alle wegen en straten welke gij, lieve christenen, bewandelt, rondom
ii, louter Aslurs bloeiden, om u liesteiicliu; nau ilf ijdelheirl van het aardsche te herinneren.
Zij roepen utoo: alles vergaat! wij bloeijeu in den herfst; ook voor n vergaat de lente dezes levens, en de herfstachtige oogsttijd der rekenschap in Josaphat\'s dal komt aan!
W ij bloeijen op de graven, en ook voor ons komt het laatste uur, en de dood nadert ook ons.
Alles vergaat, roepen zij, de vreugde en de liefde.
In dit leven , zegt de heilige Augustinus, is geen ware vreugde, want, zij is tweederlei : zondige vreugde en veroorloofde vreugde; en daar de eerste valsch is en do tweede geen duur heeft, is er bij gevolg geen ware vreugd. En daarom, geliefde christenen, heeft de heilige Kerk regt, als zij inhare heerlijke geboden zegt: laat ons onze harten, bij de wisselvalligheid der aardsche zaken, aan datgene hechten, waar alleen ware vreugde is, aan den hemel! Eens vervloekte eene vrouw te Antiochië hare kinderen, en de kinderen begonnen te sidderen en te beven; zij stierven allen. Dat was een menschlijko vloek, de vloek eener aardsche moeder; maar nu, christenen, hoort en verneemt den vloek uit godlijken mond, een vloek van den almagtigen God: „ vervloekt
— HO —
/.ij de aarde, slechts disteleu en doornen zal zij dragen,quot; en jgt;ij, gij wilt louter rozen hebben, rozen der vreugde van de vervloekte aarde, die uwe gevangenis, uw verbanningsoord en de plaats uwer beproeving is ! Ook waren de eerste klanken uwer stem, bij uwe komst in deze wereld. geschrei en geween, het duidelijk bewijs, dat gij een tranendal betreden hadt.
Neen, neen, op aarde is geen ware vreugd.
Hij is de grootste dwaas, die hier op de wereld de vreugde zoekt, zegt de 11. Petrus van Alcantara; hij is een zot, die van een bedelaar duizend gulden leenen en van den duivel barmhartigheid verkrijgen wil De genoegens dezer wereld zijn Sodoms-appelen, die uitwendig schoon en bekoorlijk, inwendig vervuild en vol wormen zijn; het zijndroomen, die rijkdom, schoonheid en eer voorschilderen en bij de ontwaking den mensch niets overlaten, dan liet smartvolle bewustzijn van niets te bezitten!
Van de zondige genoegens der wereld wil ik niets zeggen; gij weet immers, dat zij geeno ware vreugde geven.
Sla daar die ongeoorloofde verkeering gade: hoe zij beiden vreezen moeten, hoe zij zich schamen, ais hen een Priester ontmoet, of hunne ouders
— 141 —
en bloedverwanten hen zien . hoe zij in aanhoudende onrust zijn, en koevele bange uren zij hebben, hoe vele leugens zij uitdenken, hoe vele sluipwegen zij verzinnen, hoeveel zij uitwendig huichelen moeten; hoe smartvol hun dikwijls het woord Gods, hoe oneindig drukkend en zwaar hun het biechten is, omdat zij weten, dat alles le vergeefs is en slechts een nieuwe grond tot hun verderf. Deze bittere gewetensknaging is dat vreugde? neen, roept die jonge dochter en beweent haren val; neen, roept de mensch, die zijne onschuld verloren heeft; neen, roept die verleide op het sterfbed; neen , neen, neen , roepen duizenden en nogmaals duizenden uit den afgrond der hel, die om zulke zondige vreugde nu eeuwig lijden !
Verzaken wij dus, lieve christenen, de zondige vreugde, om ons te wenden tot de geoorloofde, welke de barmhartige God, als daauwdruppels, nu en dan, over onze arme ziel uitstort, opdat zij niet geheel versmachte. En ook deze, lieve christenen, is geene ware vreugde, dewijl zij niet duurt! Denkt u eenen vader, die in de gevangenis vertoeft, niet eene zware ijzeren ketting geboeid. Vreugdeloos kruipt zijn leven daarheen; geen glimlach komt op zijne lipppn.
10
— 143 —
hartzeer en kommer kwellen zijnen boezem ; daar ontvangt hij een brief, een brief van zijn geliefden zoon, vol deelneming, vol medelijden, vol kinderlijke liefde! O, welk een vreugdevol oogenblik! hij leest en herleest ; hij weent en de tranen biggelen over zijne wangen ; hij legt den brief niet meer uit de handen, hij heft hem omhoog, brengt hem aan den mond, wil hem kussen. Daar klinken de boeijen , daar ratelen de ketenen, en alle vreugde is vervlogen. —- Ik ben gevangen, ik kan niet weg van hier, ik kan mijn kind niet gaan zien. — Er vervliegen dagen , weken, jaren van droefheid, ellende en smart. Daar opent zich de deur . de vrouw eu kinderen van den gevangene, welke hij sedert jaren niet meer gezien heeft, treden binnen!
Welk eene blijdschap des wederziens, welk eene vreugde, welk gejuich, welke zaligheid, in de vreugdetranen die daar vloeijen; de tijd snelt als een oogwenk heen, de uren vergaan als minuten; doch welk gejammer, de cipier roept : de tijd is voorbij — en de harten moeten scheiden van elkaar!
Ziet daar, in dat afbeeldsel, lieve christenen, de menschlijke vreugde, haren kortstondigen dmir, liare eeuwige afvvisling : naauwelijks bloeit
— 143 —
er voor u eene vreugde, of, zie, daar komt de smart, als met een ijzeren keten en roept u toe : gij zijt in eene gevangenis, in een ballingsoord, gij moet boeten. De wereld is een tranendal, waarin uwe zonden de doornen hebben gekweekt.
Naauwlijks voelt gij u gelukkig, of daar komt de dood, en neemt u of iemand der uwen weg, u toeroepende : neem afscheid, de tijd is om. Beschouw de Moeder Gods, het heiligste schepsel, dat ooit op aarde geleefd lieeft; zou zij niet verdiend hebben , geen lijden op aarde te onderstaan ? Zij verheugt zich aan de wieg des Verlossers, doch terstond volgt de vrees voor Herodes, de vlugt naar Egypte, het verblijf in \'t vreemde land ! Zij verheugt zich over het kind .Tesus, doch terstond volgt zijn smartlijk verlies en het drie dagen lang zoeken. Zij verheugt zich over de leer en wonderen van haren Zoon , doch weldra volgt zijne veroordeeling, zijne geeseling eu zijn bloedige dood.
Niet spotten wil ik, lieve christenen, doch in ernst, in bitteren ernst mijner ziel, vraag ik u, hoevele waarachtig-goede, vreugdevolle uren hebt gij reeds gehad? Zijn er niet op één vreugde-uur honderde smartvolle en bittere uren gevolgd ?
— 144 —
moet gij niet altijd vreezen . als u een vrolijk oogenblik ten deel valt, omdat gij weet, dat duizend droevige het zullen volgen ?
Ja, ja, want de wereld heeft geen ware vreugde! Hebt gij dan ooit van een akker, waarop gij gerst gezaaid luidt, tarwe geoogst ? Zoo kan de vervloekte aarde u geen zegen verleenen en een tranendal u geene vreugde verschaften ; geene ware, bestendige; want de vreugde gaat voorbij. Doch ook de liefde vergaat: dit is de tweede roep der Aster.
Ik spreek hier niet van de liefde, welke men liever duivelschen haat, dan liefde noemen moest; van die zondige onzuivere liefde der hartstog-ten, die zich in haat, walg, ijverzucht, wantrouwen en verwijdering oplost, en daarom volstrekt geene liefde is; die liefde , welke de heilige Au-gustinus en de heilige Margaretha van Cartona tot den dood toe met bittere tranen beweenden, van deze liefde spreek ik niet; maar van de liefde, welke God geheiligd, de Kerk gezegend en de godsdienst veroorloofd heeft, de huwelijksliefde , kinderlijke liefde en tie heilige vriendschap.
En ook deze banden breken, christenen, ook deze liefde gaat voorbij.
De grootste der Heiligen heelt, liet ondervonden,
en hoeveel meer uij! Negen jaren leefde de heilige Maafffl Maria in den tempel, toen de eerste donkere wolk den helderen hemel haars levens om-slnijerde : baar dierbare vader .Toachim stierf. Zij bad wel voor het behoud zijns levens, doch God wilde meer en meer alle aardsche banden zijner uitverkoren bruid verbreken, teneinde zij op aarde geen anderen steun meer zou hebben dan den zijnen alleen. Voor de eerste maal was zij op den drempel harer jeugd de school des lijdens ingetreden : zij weende, want hare ziel was, zoo als die van haar godlijken Zoon. zeer gevoelig; doch zij nam den bitteren kelk gelaten aan; kort daarna vloeiden nieuwe tranen over den dood harer goede moeder, Anna.
Een twintigtal jaren daarna, zat Maria aan het sterfbed van haren bruidegom Jozef, die mot zoo treffende liefde de schutsengel haars levens was geweest: zij weende aan zijn graf en zag hem op aarde niet weêr. — Kort hierop stond zij onder het kruis van haar geliefden Zoon , en zijn laatste bloed stroomde op haar lioofd, zijn laatste blik trof haar moederhart. Nu werpt uwe blikken weder naar Ephesus : daar verloor Maria, de trouwe gezellin, de liefdevolle vriendin, de H. Magdalena, die, zoo als Euth,
— 146 —
liaar vaderland en haar volk verliet en de ssee overstak, — en Maria beweende haar. zoo ais Jesus Lazarus had beweend.
Zoo, geliefde oliristenen, zoo ontneemt de Heer ons ook vóór en na de harten dergenen , die ons dierbaar zijn, om ons deze groote waarheid diep in te prenten, dat er slechts ééne ware vreugde is, de hemelsche vreugde, en ééne liefde, die niet vergaat, de liefde tot Jesus.
Maak dan, o allerzaligste Maagd Maria, onze harten los van de vergauklijke vreugde en stort ons eene liefde in, waarvan de H. Augustinns zegt: // wilt gij eene eeuwige liefde, zoo bemint den Eeuwige. Amen.
Snel en vroeg Is \'t volend.
Daar de Eeuwigheid Geen einde kent.
Keert af dan van \'t aardsche \'t onsterflijke hart , Het vindt hier beneden bedrog slechts en smart. Den blik hoog naar boven, de tijd toch is kort, Die ons, hier op aarde, om te leven gewordt . Doch daarom, o Moeder, verhoor dees gebeen, Dat elk ateeds bedenke, de tijd vliegt snel heen.
XIX.
MIRT.
■quot;ft Tf ril heeft ii gisteren, lieve cliristenen! aange-fflfespoord, om uwe luirten van de aardsche liefde, die zoo verganklijk is, los te maken, 011 ze toe te wijden aan een hart, welks liefde eeuwig duurt,
Heden willen wij dit verbond, deze harten-vereeniging, vieren door de overweging van de Bloem, die het zinnebeeld is van flen maag-delijken staat, de Mirt.
Ren schoon en leeder bloempje, omgeven van groene blaadjes, gelijk aan die van den palmboom, met sneeuwwitte roosjes en knopjes, waarmede de bruid, op den dag der bruiloft, zich de haren en het bruidskleed tooit.
)
— 148 —
Hel hart der allerheiligste Maagd Maria gelijkt een mirt, want op drie verschillende wijzen is zij eene bruid.
Zij is de bruid van den Heiligen Geest, die haar van alle eeuwigheid als het reinste vat zijner genade, van elke vlek vrijwaarde, zich met haar in godlijke liefde verbond, en haar overschaduwde en op het Pinksterfeest de liefde met haar vernieuwde, totdat zij, na den strijd dezer aarde, in den hemel nu eeuwig in zijne liefde rust. Do Tl. Thomas noemt haar daarom het uitverkoren vat der liefde van den Heiligen Geest, en do heilige Bernardus zegt : a Die de dochter bemint, behaagt aan den Vader; die de moeder lief hoeft, is welgevallig aan den Zoom de bruidegom schenkt zijne genegenheid aan hem, die de bruid bemint.quot; Vereer dus Maria, en gij zult welgevallig zijn aan den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.
Zij is de bruid van den Heiligen Jozef. Het was Gods wil, dat zij hare hand geven zou aan een regtschapen man, die getuigenis geven kon van de reinheid baars levens; een regtschapen man, die haar en haren Zoon, in het uur der beproeving onder zijne bescherming
iieniun kun. Jozef, reeds bejaard , ueii man uil liet volk, die altijd ongehuwd geleefd , en in liet zweet zijns aangezigts zijn brood gewonnen had, de timmerman van Nazareth, was Maria\'s bruidegom. Zij aarzelde geen oogenblik om zich aan hem te verloven, want, verlicht door de godlijke openbaring, erkende zij, gelijk de heilige Ambrosius zegt. dat deze regtschapen man nu voor haar een beschermer, een vader en de behoeder harer kuischheid zou zijn. Kon zij meer wenschen ? De Heer had haar verhoord, Hij bewilligde haar do vervulling harer belofte van maagdelijke zuiverheid. — Wanneer God den nederigen .lozef tol bruidegom der Engelenkoningin, tol voedstervader van den Messias koos, zoo geschiedde hot, terwijl die man schatten van genade en heiligheid bezat, welke de hemelsche geesten hadden kunnen benijden ; zoo geschiedde het, dewijl zijne deugden hem verhieven tot den eersten rang onder zijn volk, en hij hooger aangeschreven stond in het boek des levens, dan iemand onder de vorsten van den eersten rang. — De H. Maagd Maria werd niet den magtigste, maar den waardigste toevertrouwd. — De verloving geschiedde, volgens het gebruik der Hebreërs, op eene plegtige wijze.
— ISO —
Juzuf\' reikte Maria, die den bruidkrans van Rozen en Mirten op het hoofd droeg, in tegenwoordigheid van de getuigen, eene munt en een ring, en sprak ; neem dit tot een onderpand, maar — voegde hij er bij — gij zult voor mij wezen gelijk mijne moeder, en ik wil u eeren als Jehova\'s altaar. Van nu af waren zij voor God en hun geweten als broeder en zuster, alhoewel hunne verbinding steeds als wettig bleef erkend. — O heilige Jozef, roept de heilige Bernardinus van Siëna uit, hoe benijde ik u ! Mogt gij mijne ziel wezen en Maria hare bruid! —T)e wensch van dezen Heilige is vervuld, lieve christenen, want Maria is de bruid van elke ziel, die haar bemint. — Ik bemin, die mij beminnen , laat haar de H. Geest zeggen, en de H. Bernardus zegt: de Kalvarieberg is de Kerk, de H. Joannes, en in hem het geheele mensch-lijke geslacht, is de bruidegom , Maria de bruid, de tijd der verloving, des Verlossers laatste oogenblikkeu. — De Priester, die de verloving zegent, is Jesus Christus, die aan de bruid met deze woorden ; « zie hier u wen zoonquot; om haar jawoord vraagt. — Maria\'s hart antwoordt, overgegeven in Gods wil : mij geschiede volgens uwen wil, en het bloed des
— 151 —
Heeren bezegelt en bekrachtigt voor iinnier dit verbond der liefde, dat geene aardsohe magt meer verbreken kan.
Van dien tijd af is de liefde van Maria\'s hart gloeijender dan liet vuur, sterker dan de flood, onoverwinlijke!\' dan de hel, en kostbaarder dan alle schatten der aarde. Maria wil van ons, arme meuscheu, bemind worden; het is haar wensch, haar wil, maar niet om haar zelve, want zij behoeft onze liefde niet : zonder onze liefde is en blijft zij toch de Koningin der eeuwige heerlijkheid. — Zij wil om onzentwil onze bruid zijn . omdat de liefde tot haar, ons ter zaligheid helpt, omdat wij door Maria tot .Tesus komen, omdat wij, zonder haar te beminnen, den hemel niet verwerven. — De heilige Kerk heeft sedert de zestiende eeuw een feest ingesteld , ter herinnering aan Maria\'s verloving met den 11. Jozef, dat telkens op den 33. Januarij wordt gevierd. — En wanneer, lieve Christenen, wordt onze verloving met Maria gevierd? — In deze schoone Meimaand, heden, in dit uur der vereering van Maria ! — Hetgeen eens te Jeruzalem geschiedde, zal heden in deze kerk plaats hebben. — In stede van den heiligen Jozef, staan nu ouze harten bedeesd
OU smcekeucl voor MHria\'s moedurharl, dal een Mirtenboom gelijk. met maagdlijke liefde ons te gemoet komt. Onze Priester is de Heer, en, wanneer hij ons, gelijt weleer aan Petrus, om zijne liefde driemaal vraagt; bemint gij Maria, dan antwoorden wij ; Gij weet liet immers, o Heer, dat ik uwe Moeder bemin. Indien wij het Ave Maria dagelijks des morgens en des avonds, driemaal ter herinnering aan onze verloving met Maria bidden, zoo verrig-ten wij eene oefening, die ons de heilige \\ aders op de dringendste wijze aanbevelen. Die dit gebed naaivwgezet verrigt, zegt de Tl. Alplionsus, zal in de aanvechtingen tegen de heilige zuiverheid altijd standvastig en zegevierend blijven.
Jozef gaf Maria een ring en eene munt. Gelijk demoeder Gods, bij onze geboorte, ons als met een ring van genade omsluit, waar wij slechts met onzen dood uit treden, zoo wijden wij haar den ring van het goud der zuiverste en edelste minne , der trouwe en standvastige liefde, verzinnebeeld in den ring. die rond, on dus zonder begin en zonder einde is. — Rn eene munt, daar wij haar ter eere eene medalje dragen, die door den zegen der heilige Kerk gewijd, ons steeds aan de maagdlijke verloving
— 153 —
onzer ziel met Maria moet herinneren, en hiervan is de Mirt het. zinnebeeld.
De Mirt schijnt ons
als Christenen te verkonden ; Zoekt gij geluk
in \'t aardsche vreomdlingsland, Wees met Maria
naar den geest verbonden,
Door hechte trouw
en heilgen liefdeband.
Bied haar den ring,
dat beeld van cedle minne, Draag op uw borst
haar overlieflijk beeld, Zoo reikf ze u hier
haar hand. die Koninginne, En wordt haar hart
daar ginds u toebedeeld.
XX
KEIZERSKROON.
a^Vaar is eene Bloem, die onze tuinen heerlijk JiyPj versiert : zij heet Keizerskroon; vijf prachtvolle klokken in goudgele kleur, met witte stipjes als met edelgesteenten bezet, hangen van den top van een 3 a 3 voet hoogen stengel af, en verbeelden als \'t ware, eene keizerlijke kroon. Willen wij nu, lieve christenen, naar gewoonte, deze Bloem op Maria toepassen, dan behoeven wij niet lang te zoeken naar hetgeen zij ons in zinnebeeld voorstelt. Het is niets anders , dan de heerlijkheid van Maria.
De heilige Vader, het zigtbaar opperhoofd onzer heilige Kerk, draagt eene drievoudige kroon, en drievoudig, geliefde christenen, is ook de kroon van Maria. Op haar hoofd glanst de kroon dei-glorie over alle heiligen, de kroon der besoher-
—• 135 —
ming aller menscheu , de kroon van het gebied over alle helsche magten.
En, gelijk de Bloem, welke het zinnebeeld der heerlijkheden van Maria is, vijf goudgele klokken draagt, gelijk du kroon des konings Alfons van Castilië met vijf edelsteenen van onschatbare waarde getooid was, zoo glansen in de eerekroon van Maria vijf heerlijkheden, die Maria tot zulk een trap van verhevenheid, van heerlijkheid , van volmaaktheid doen opstijgen , dat er buiten haar niets is, dan het godlijk wezen zelf, dat haar overtreft.
De eerste heerlijkheid is : hare onbevlekte ontvangenis, want tot haar sprak God, als het ware, gelijk Assuerus tot Esther ; Deze wet, waaraan alle anderen onderworpen zijn, is niet voor u gemaakt!
De tweede h e e r 1 ij k h e i d is : dat zij een God gebaard heeft, want in haar is het Woord vleesch geworden, het Woord waarvan Joannes zegt : In den beginne was hot Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord !
De derde heerlijkheid is : dat zij, niettegenstaande haar moederschap, maagd gebleven is, gelijk Isaias reeds duizend jaren te voren
— 156 —
voorspelde ; zie, eene maagd zal ontvangen en een zoon baren.
De vierde heerlijkheid is : dat een God haar gehoorzaamt en doel, wat zij begeert ; want hoort de woorden der heilige bchrift . en hij ging met haar naar Tvizareth en was hun onderdanig.
De vijfde heerlijkheid, eindelijk, is : dat zij moeder aller mcnscben is, middelares tus-schen God en de schepselen, en alvermogend door de kracht harer voorspraak, gelijk God dooide natuur zijnswezens, zoodat de H. Athauasius Maria de smeekende almagt noemt.
Neem nu deze paarleu der wonderen, dezo edelsteenen der genade , eu voeg ze in ecu krans te zamen, eu zeg mij ot de heilige Petrus Damianus geen regt heeft, wanneer hij uitroept; Gelijk geen bloot oog in het vuur der middagzon kan staren, zonder verblind te worden , zoo kan geen menschlijk verstand bevatten, geeue mensch-lijke tong uitspreken, geen menschlijk hart op voldoende wijze gevoelen de onuitspreeklijke, onmeetbare grootte der heerlijkheid van Maria,
van die maagd, welke zeggen kon ; Hij, die mij geschapen heeft, heeft in mijn schoot gerust! van de maagd, die Moedor van God is ; alzoo
een oceaan van g\'enntle, een zee van heerlijk-lieid, eene wereld van godlijke rijkdommen, alzoo alles, wat de gedachte, liet verstand van den engel, wat de gedachte van den inensch als het grootste, als het schoonste, als het heiligste, als het volmaaktste, na God, vatten kan.
Alleen deze titel; «Moeder Godsquot; regt-vaardigt, heiligt aldus alle gevoelens der liefde, alle gewaarwordingen der dankbaarheid, alle verheffingen der ziel, alle ingevingen der teederheid, alle tempels ter eere van Maria gebouwd, alle altaren aan Maria toegewijd, alle liederen tot lot\' van Maria gezongen, alle gebeden tot haar gerigt: omdat alles, wat men voor Maria doet, niets is in vergelijking met hare waardigheid van Moeder Gods, en, gelijk de heilige Alphonsus zegt, men in de liefde tot Maria nooit te veel kan doen.
Daar zijn twee wonderen der godlijke al-magt, die noch beter, noch grooter zouden kunnen zijn, zegt de prins der godgeleerden , de heilige Thomas. Deze zoo groote, onbegrijplijke, zoo godlijk-onuitspreeklijke wonderen zijn : De menschwording van Jesus Christus, en de. godlijke moederschap van Maria.
En deze wonderen zijn in en door de heilio-ste-
11
— 158 —
Maagd voleindigd geworden. Eu weet gij op welk plegtig oogenblik die woudereu der almagt uit de afgronden der eeuwige barmhartigheid zijn op-quot;•edaagd ? weet gij welk het woord is, dat ze heeft voortgebragt ? weet gij welke mond dit woord gesproken heeft? —Deuk terug aan den dag, den schoonsten, dien ooit de zon verlicht heeft, waarop een Aartsengel van den hemel nederdaalde, en de Maagd van Israël kennis gaf, dat zij tot Moeder Gods verkoren is!
Onderworpen aan den hoogsteu wil, opent Maria haren mond en spreekt, terwijl Grod en zijne engelen haar met liefde gadeslaan, eenige woorden uit, waardoor zij de wereld der genade en der heerlijkheid schept: « mij geschiede naar uw woord.quot;
Op dit hoogst gewigtig oogenblik wordt het Woord vleesch, en eene Maagd Moeder van God.
Zoo, lieve christenen, en ik bid u dit wel te overwegen, zijnde twee pronkgewrochten, welke, volgens den H. Thomas, God-zelf niet grooter noch beter kon maken, in den maagdlijken schoot van Maria door een aan haren mond ontglippend woord volbragt; zoo werd hare heerlijkheid grooter, dan die van alle ge-
schapen wezens; zoo zetteden haar de Engelen de Keizerskroon des roenis en der eere op het hoofd. De li. Bonaventura heeft regt, wanneerhij uitroept: de raenschlijke wijsheid spreke mij niet meer van hare nietige grootheden; zij ontheilige niet de taal van den lof en der bewondering, om van de werken des menschlijken hoogmoeds te gewagen; zij houde op, aardsche grootheid vereerd te willen hebben ; [eindelijk, zij erkenne, door het licht der genade verlicht, dat elke geschapen grootheid bij de heerlijkheid onzer Lieve Vrouw niets is dan stof!
Dat, geliefde christenen, is de heerlijkheid, waartoe God, waartoe de hemel haar uitverkoren heeft. Werpen wij echter thans ook een blik op die andere heerlijkheid, welke de menschen, welke de wereld haar toekent, welke Maria, de Koningin der Profeten, zelve voorspelde met de woorden: van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen!
Wie is zij, welke de koningen en de volken, de grooten en de kleinen, de armen en de rijken, ja, zelfs het kind, als de Koningin der wereld aanroepen en- begroeten als de Moeder fiods ?
Wie is zij, welke de soldaat aanroept, wanneer de slag begint, en de schipper, wanneer de storm
— 100 —
loeit, en de landman , wanneer liij zijn akker bebouwt, en de zieke op zijne legerstede, en (le stervende in zijn laatste oogenblik?
Wie is zij, welke de Apostelen van Jesus Christus vereeren, welke de eerste Christenen aanriepen, welke de heilige kerkvergaderingen prezen, en welke alle menschen, in alle eeuwen, tot op deze stond toe, met trouwe verknochtheid waren toegedaan ?
Wie is zij, welke de Egyptenaar aan den Nijl, de neo-er der Hudsonsbaai, de wilde aan den Huronenstroom, de Chinees op de puinhopen zijner Pagode, de Tartaar in zijne eenzame ■woestijn, en de Kamtschadaal in het noorden der ijszee vereert en aanroept \'
Het is Maria, die de vreugde aller Katholieke harten, de troost aller christlijke zielen is; Maria, wier eer zonder maat, wierroemonu it-spreeklijk, wier heerlijkheid nooit volprezen; Maria, wier vereering, van Judea\'s bergen uitgaande, zich als een vloed vergroot, verbreid en eensklaps aangegroeid is tot een stroom, tot eene zee, tot een oceaan, die de geheele beloonde wereld met zijne golven omspoelt.
Vol verwondering over deze naamlooze heerlijkheid van Maria, lieve Christenen, zult ge
— 161 —
welHgt willen wagen ; maar wat zullen, wat kunnen wij doen, om tot de vermeerdering van Maria\'s eere l)ij te dragen?
Gij kunt het rijk van Maria uitbreiden door een leven, dat een evenbeeld wordt van haar leven; door deugden, die de weerschijn van hare deugden zijn. Volgt haar geloof, haren ootmoed, hare zuiverheid, hare gehoorzaamheid, en hare onderwerping aan Gods wil, en gij hebt de vijf goudgele klokken der Keizerskroon, gij zijt zelve geestlijkerwijze deze Bloem, en hebt de eer van Maria vermeerderd!
O ja, geliefde Christenen, vervult de gansche aarde met den lof en de verheerlijking van \'s hemels Koningin; vernietigt in u hot rijk der zonde, om de liefde van Maria te winnen ; stelt uwe harten, uw leven, uw heil onder\'hare magtige bescherming; houdt den dag voor verloren, waarop gij haar ter liefde niets hebt gedaan; breidt, zooveel het in uwe magt is, haar lof en hare vereering bij de uwen uit; doet uwe woningen en de kerken van hare lofzangen weergalmen , en voegt een schakel in den eindloozen keten van lof en vereering, welke zij voor hare oogen zag ontstaan , toen zij uitriep; w alle geslachten zullen mij zalig noemen.quot; Amen.
— 163 — Uw# heerlijkheid, Maria,
Schittert uit de Keizerskroon, \'t Beeld van magt bij uwen Zoon, \'t Sieraad van des Hoogsten troon, Als de lichtglans, die tot loon, In het eeuwig zalig leven,
Aan uw deugden werd gegeven.
Mogen we, even moedig streven. Om uw voorbeeld, hoog verheven,
Na te volgen hier op aard. Zoo wordt eens in hooger dreven, Waar Gods Englen u omzweven. Ook een kroon voor ons bewaard.
XXI.
MOS.
^Vnder de vele Bloemen, die het Moeder-Gods beeld omringen, kies ik er heden geene: heden geven wij de voorkeur aan iets dat de natuur ons eveneens aanbiedt, en dat het altaar frisch en groen omgeeft, het Mos, het zinnebeeld der naastenliefde.
Om de naastenliefde van Maria te waardeeren, behoeven wij slechts het gezegde van den heiligen Apostel te overwegen; die God bemint, zal ook zijnen broeder beminnen, en alzoo de naastenliefde van Maria navolgen; in haar hart immers brandde de vlam der liefde Gods zoo magtig en gloeijend. — Zij ijlt over het gebergte. Waarom?— Om de vreugde haars harten aan hare bloedverwante Elisabeth mede te deelen , opdat
— 164 —
ook deze zicli verheuge Xaaiuvlijks ziet zij de verlegenheid van de bruiloftsgasten, of zij haast zich te helpen in hunnen nood. En welk eene getrouwe vriendin was zij voor den heiligen Joannes, voor Maria Magdalena; en hoe stond zij de pas opkomende Kerk met raad en daad hij, en was haar steun, met opoffering harer eigene rust!
Zoo zullen ook wij dit verheven voorbeeld volgen, de woorden indachtig, die voor ons mede van waarde zijn; «daaraan zal ik u erkennen, dat gij mijne discipelen zijt, wanneer gij elkander bemint.quot;
Het mos groeit gewoonlijk aan de wortels der boomen en besehut en verwarmt ze, als het ware. Daardoor is het een treffend zinnebeeld der naastenliefde. Deze deugd oefent zich in de geestlijkc en ligchamelijke werken der barmhartigheid, ondersteunt met raad en daad den evennaaste, omdat het God zoo hebben wil; bemint alle medemenschen zonder uitzondering, omdat allen onze broeders zijn , door het kostbaar bloed van Jesus Christus vrij gekocht; zij bemint zelfs de vijanden, volgens den wil des godlijken Verlossers, die aan het kruis nog voor hen geleden heeft.
— 163 —
Aan den voet van hooge eiken groeit het mos ; zoo moet de naastenliefde zich bij het geloof aansluiten, of veeleer, zonder geloof bestaat er geene ware naastenliefde. Treffend spreekt de groote Fénclon daarover, wanneer hij ons herinnert aan de schepping van den eersten mensch ; Van aarde gevormd, lag de mensch daar onbeweeglijk. Toen blies God in zijn aangezigt den adem des levens, en aanstonds verhief zich de mensch tot een levend wezen. Zoo is het gesteld met de naastenliefde in ons, totdat ze in aanraking komt met het geloof; en aangeblazen door dezen hemelsehen adem, wordt de liefde levendig, wordt zij echt en verdienstelijk! — Zonder geloof, zegt de Xavolging van Christus, wordt uwe liefde zinlijkheid, dewijl natuurlijke toegenegenheid, eigenliefde, hoop op belooning en neiging tot gemaklijkheid niet zelden haar aandeel daarin hebben. Slechts door het geloof wordt de liefde een magneet, die alle harten tot zich trekt; wordt de liefde eene zon, die allen, zonder uitzondering, beschijnt; wordt de liefde een goud, waar schuim en alle vreemde stof van geweken is.\'
Het mos blijft ook groen gedurende den winter. Wij moeten onzen naaste altijd
— 166 —
beminnen; doch bijzonder moet zicli deze liefde openbaren in het uur des ongeluks en der beproeving. De ellende is de toetssteen der liefde; wanneer zij daarin volhardt, is zij echt en waar. De groote kerkvader Basilius had een vriend, die in den kerker geworpen werd. Basilius, zooals de heilige Chrysostomus van hem meldt, wondde alles aan, wat hij vermogt, om in dezen kerker te geraken, waar hij zijn lijdenden vriend bijstond, ofschoon hij door dezen stap eveneens in levensgevaar werd gebragt. Wanneer nu andere vrienden hem de hevigste verwijtingen deden, dat hij zijn leven en bloed zoo nutloos op het spel zette, antwoordde Basilius hun : op andere wijze heb ik niet geleerd te beminnen ! — Wanneer wij dus ware Christenen zijn willen, zoo moeten wij het kenmerk des Christendoms bezitten, de naastenliefde, die zich in het ongeluk het krachtigst openbaart; want eenen rijke, eenen gelukkige, iemand, die in aanzien is, toegedaan te zijn, is niet moeilijk; maar de vriend der armen en behoeftigen , der bedroefden, zieken en veriatenen te wezen, dat alleen is eene deugd, die ons aan .Tesns en Maria gelijkvormig maakt, en die wezenlijke waarde in Gods oogen heeft. — Ook de winter des
ondanks moet onze naastenliefde niet uitdooven. Wanneer ook onze liefde niet vergolden wordt, wanneer onze gift misbruikt, onze weldaad met ondank beloond, onze goede bedoeling miskend en verworpen wordt — dit doet niets ter zake; wij hebben bet gedaan ter liefde Gods, die geleerd heeft, dat wij zonder naastenliefde niet zalig kunnen worden.
Het Mos moet, gelijk eene lieftallige legende ons verhaalt, aanvankelijk grijs zijn geweest; eerst toen het lijk van Jesus van het kruis afgenomen en in Maria\'s schoot gelegd werd, en de laatste druppelen bloeds uit de wonden van Je sus op het Mos dropen, dat zich aan do voeten der Smartemoedor bevond , moet het groen geworden zijn; sedert dien tijd werd het beschouwd als het zinnebeeld der alles bezielende kracht van het kostbare bloed van Christus. Sedert Christus aan het kruis voor ons gestorven is, is de naastenliefde groen , dat wil zeggen, verdienstelijk : zij geeft de hoop op eeuwige belooning. De godlijke Heiland heeft gezegd : /; Wat gij den minste der mijnen zult gedaan hebben, dat hebt gij mij-zelven gedaan ! Ik was naakt en gij hebt mij gekleed; ik was ziek cn gij hebt mij bezocht; ik was hongerig en gij
— 168 —
hebt mij gespijsd; waarlijk, uw loon zal groot zijn in liet hemelrijk.quot; — O hoe gaarne moeten wij dus de naastenliefde beoefenen, welke de H. Franciscus den sleutel noemt van het 1 aradijs.
In het leven der H. Catharina van Siëna komt voor, dat eene edele vrouw eens twee bedelaars ontmoette. Daar zij juist niets bij zich had, gat zij hun haren zilveren gordel van het lijt. De armen zeiden ; wij danken u, lieve vrouw ! in den dag des oordeels zullen wij niet ontbreken , u met dezen gordel, van de linker- naar de reg-terzijde over te halen. — Dit is een profetisch woord, dat bij ieder werk der ehristlijke liefde in vervulling gaat. God laat niets onbeloond ; hij vergeldt een teug water, in liefde uitgereikt, met den hemel. — De naastenliefde, zegt de H. Augustinus, is het zegel onzer voorbestemming, onzer uitverkiezing; en do li. Vin-centius van Paulo zegt ; ik kan mij niet herinneren , dat iemand ooit een kwaden dood gestorven is, die zich in de werken der naastenliefde geoefend had. — Kunnen er nog sterker beweeggronden zijn, om deze deugd te beminnen, dan deze : een goede dood, de zaligheid,
den hemel?
Daarom, o allerzaligste Maagd Maria, die
— 169 —
ook in deze deuo-rl ons heerlijkste voorbeeld zijt, geef ons een hart, dat alle mensoheu met gelijke liefde ontsluit, dat echter bijzonder met de bedroefden weent, de ongelukkigen troost en de armen ondersteunt, opdat ons uw godlijke Zoon, in den dag des oordeels, als zijne ware discipelen erkenne en tot ons zegge : « zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven. quot; Amen.
Als naastenliefde ons \'t hart doorgloeide En broedermin de zielen boeide.
Zoo als Maria\'s hart en ziel, aan liefde rijk. Dan waren wij het Mos gelijk.
Dat, als de zonnebrand
\'t verzengde woud door vonkelt. Verkoelend zich langs stam
en wortel kronkelt,
Daar \'t groeibevordrend vocht
en tak en blaadren drenkt : Volst dan het voorbeeld na,
dat ons de Mosplant schenkt. Door steeds den broeder
hier op aarde hand en harte Goedmoedig aan te biên,
in blijdschap en in smarte.
XXII. DOODENBLOEM.
Wf°oe|i \'le geneeslieeren aan Endolf van Hnbs-burg meldden, dat hij den dood nabij was, sprak liij : welnu dan, naar Spiers ! — Deze srad was de begraafplaats der Dnitsche Keizers. En vrolijk en opgeruimd, tusschen twee Priesters gezeten, reed de stervende grijsaard naar zijn graf. Uit het gansclie land, aan beide oevers van den Rijn, stroomde het volk toe naar des Keizers weg, om nog eens te mogen aanschouwen hem , die zoo zeer geëerbiedigd en bemind was.
Op deze reis stierf Eudolf te Gemmersheim , den 15 .Tnlij 1391. Ook wij, lieve christenen, spoeden den dood te gemoet, met elk uur, met elk oogenblik ; wat immers is ons leven, zegt de H. Augustinus, zoo niet een snelle en
— 171 —
aaiilioudende loop naar den dood ! — O mogten wij ook don dood zoo kalm, zoo welgemoed en vastberaden tegemoet gaan, en, om dit te vermogen , mogten wij den dood beschouwen , in zijn zinnebeeld de Doodenbloem. Het is eene eenvoudige, gele Bloem, met een hollen stengel, die eene soort van melk bevat; zij groeit schier als onkruid en meestal op de graven, weshalve zij als het zinnebeeld van den dood wordt beschouwd.
De Doodenbloem herinnert ons den dood van Maria. Wanneer, na een schoonen lentedag, de zon ondergaat, als hare stralen de natuur niet meer verlichten en haar gloed den schoot dor aarde niet meer verwarmt, wanneer, bij het vallen dor duisternis, alles stil en rustig wordt, daalt een gevoel van weemoed in ons hart en wij zijn tot treurigheid gestemd. Doch wat is, vergeleken bij den ondergang dor aardsche zon, hot scheiden van Haar, welke de H. Ephrem de Zon des levens noemt, Maria! — Xa hare terugkomst uit Griekenland, trok zich Maria to Jeruzalem terug, op de hoogte van Sions berg, in do nabijheid van het vervallen paleis der vorsten van haar geslacht, in het huis, dat door de zending van den H. Geest geheiligd werd. Hier
verbeidde zij haar laatste uur. Alle Apostelen , discipelen eu vrome vromren, de gausclie gemeente drong zich om haar sterfbed. De H. Jacobus , hij zoo ernstig en streng, zocht te vergeefs zijne tranen te bedwingen; de H. Petrus, die den Zoon Gods in zijn tijdelijk leven zoo vurig bemind had , weende luid van bittere smart; de H. Joannes verborg zijn aangezigt in zijnen mantel en slaakte stille zuchten. Alle oogen waren met tranen bevochtigd, alle harten diep getroffen. Toen rigtte Maria, voor de laatste maal, haren blik op hare lievelingen, die allen één waren in de liefde van Christus, en weldra allen deze hunne liefde met hun bloed en den marteldood moesten bezegelen, eu zegende hen terwijl /.ij verklaarde, dat zij nu hare intrede ging doen in het hemelsch Jeruzalem, om meer voor hen te kumion uitrigten; want, mogt zij ook scheiden van hen , zij zoude hunner indachtig blijven in den hemel. Indien de H. Stephanus vóór zijnen dood den hemel open zag, en een H. Joannes het paradijs mogt zien, zal Maria, voorzeker, zij, de Koningin aller Heiligen, bij haar zalig afsterven, het hemelsch Eden en den troon van haren Zoon hebben mogen aanschouwen. Ja, Jesus Christus zelf kwam haar afhalen, zegt de H. Hieronimus ,
en de Engelen en Heiligen togen haar te gemoet zingende en juhelende. Welk een schoone rloort!
De Dooclenbloem herinnert ons den dood der onzen. Hoe groot de kring onzer verwanten ook zijn moge, elk jaar wordt hij kleiner, want de dood maait onverbiddelijk in zijne rijen. Wat Maria l)ij den dood harer dierbare ouders, bij den dood van haar teêrbe-minden Zoon ondervond, deze smart zullen ook wij eens gevoelen, zoo wij niet reeds in rouw gedompeld zijn; een enkele blik, geworpen op het kerkhof, roept ons luide toe , dat de dood alle banden verbreekt, den band der huwelijks-min en der kinderlijke liefde, den band der liefde en der vriendschap. — T)e landgraaf Lodewijk van Thüringen stierf op een kruistogt, te Otrante, den 11. September 1327. Toen deze sohriklijke tijding op den Wartburg, ter kennis van zijne ongelukkige echtgenoote , de heilige Elisabeth , kwam, zonk zij magtloos op hare knieën en klaagde bitter : Nu is de wereld voor mij gestorven, met al hare vreugd; wee mij, arme, troostlooze weduwe! Hij trooste mij dan, die de weduwen en weezen troost! — Yelen onder u hebben deze droefheid gevoeld, toen een stervende vader of moeder u voor de laatste maal
de hand reikte, toen men het doode kind op de lijkbaar neerlegde en den afgestorven vriend in het graf zinken liet; was het u toen niet in de ziel, alsof gij-zelf den dood had moeten sterven, en is u dat droevig sterfuur niet nog altijd levendig voor den geest? — Maar, hoe hard de slagen des doods ook ons treffen, hoe hitter ook onze droefheid zij, herinneren «ij ons Maria, toen zij warme tranen stortte hij het sterfbed harer dierbare ouders, en Jesus-zelven, bitter weenend op het graf van zijnen vriend Lazarus.
De Doodenbloem herinnert ons onzen dood, die bitter is. Bitter is onze dood : het afscheid van al wat ons dierbaar was, de smarten der ziekte, de angst des gewetens, de menigte onzer zonden, de alwetende regter, de strengheid des oordeels, en de onzekerheid onzer eeuwige bestemming, dit alles stormt schriklijk neêr op den stervende; vandaar het ijskoude zweet, dat van zijn voorhoofd vloeit ; vandaar die doodsangst , die ook de heiligen sidderen deed.
O schriklijk woord ; Heen moet gij ! Weg van geld eti goed, weg van hnis en hof, weg van vrouw eu kinderen , weg van al wat u lief on dierbaar is. To vergeefs bidt eu smeekt oen liefhobhond kroost bij uw sterfbed ; te ver-
geefs willen u uwe ouders redden, in hunne hartverscheurende droefheid; te vergeefs omhelst u stuiptrekkend de teeder beminnende gade, terwijl uw boezemvriend, de vriend uwer jeugd, ids vastgeklemd is aan uwe hand, — gij moet heen, de dood komt; reeds verstijft de hand met den trouwring, het matte hoofd zinkt neer op de borst, en, van de voeten op naar het hart, nadert langzaam die laatste slag, die het leven u ontrukt.
O bittere dood, hoe schriklijk zijn uwe slagen !
Gij-alléén, H. Maagd Maria, kunt deze bitterheid verzoeten en de sombere doodsnacht ophelderen , indien gij ons in het sterfuur met uwe moederlijke barmhartigheid bijstaat, en ons van uwen godlijken Zoon een zaligen dood verwerft. Gij hebt den II. Jozef in zijn sterfuur bijgestaan, gij hebt uwen lieven Zoon, Jesus, niet verlaten in zijnen doodstrijd : gij stondt aan den voet van zijn sterfbed, het heilige kruis; zoo verlaat ons dan ook niet, bij ons uiteinde, maar bid voor ons, arme zondaars, in de ure van onzen dood. Amen.
de tand reikte, toen men liet rloode kind op de lijkbaar neerlegde en den afgestorven vriend in het graf zinken liet; was het u toen niet in de ziel, alsof gij-zelf den dood had moeten sterven, en is u dat droevig sterfuur niet nog altijd levendig voor den geest? — Maar, hoe hard de slagen des doods ook ons tretfen, hoe bitter ook onze droefheid zij, herinneren wij ons Maria, toen zij warme tranen stortte bij het sterfbed harer dierbare ouders, en Jesus-zelven, bitter weenend op het graf van zijnen vriend Lazarus.
De Doodenbloem herinnert ons onzen dood, die bitter is. Bitter is onze dood: het afscheid van al wat ons dierbaar was, de smarten der ziekte, de angst des gewetens, de menigte onzer zonden, de alwetende regter, de strengheid des oordeels, en de onzekerheid onzer eeuwige bestemming, dit alles stormt schriklijk neer op den stervende; vandaar het ijskoude zweet, dat van zijn voorhoofd vloeit; vandaar die doodsangst , die ook de heiligen sidderen deed.
ü schriklijk woord : Heen moet gij ! Weg van geld eu goed, weg van huis en hof, weg van vrouw en kinderen , weg van al wat n lief en dierbaar is. To vergeefs bidt en smeekt een liefhebbend kroost bij uw sterfbed ; te ver-
geefs willen u uwe ouders redden, in hunne hartverscheurende droefheid; te vergeefs omhelst u stuiptrekkend de teeder beminnende gade, terwijl uw boezemvriend, de vriend uwer jeugd, als vastgeklemd is aan uwe hand, — gij moet heen, de dood komt; reeds verstijft de hand met den trouwring, het matte hoofd zinkt neer op de borst, en, van de voeten op naar het hart, nadert langzaam die laatste slag, die het leven u ontrukt.
O bittere dood, hoe sohriklijk zijn uwe slagen !
Gij-alléén, H. Maagd Maria, kunt deze bitterheid verzoeten en de sombere doodsnacht ophelderen , indien gij ons in het sterfuur met uwe moederlijke barmhartigheid bijstaat, en ons van uwen godlijken Zoon een zaligen dood verwerft. Gij hebt den H. Jozef in zijn sterfuur bijgestaan, gij hebt uwen lieven Zoon, Jesus, niet verlaten in zijnen doodstrijd : gij stondt aan den voet van zijn sterfbed , het heilige kruis ; zoo verlaat ons dan ook niet, bij ons uiteinde, maar bid voor ons, arme zondaars, inde ure van onzen dood. Amen.
verbeidde zij haar laatste uur. Alle Apostelen , discipelen en vrome vrouwen,degausche gemeente drong zich om haar sterfbed. De H. Jacobus, hij zoo ernstig en streng, zocht te vergeefs zijne tranen te bedwingen; de H. Petrus, die den Zouu Gods in zijn tijdelijk leven zoo vurig bemind had, weende luid van bittere smart; de H. Joannes verborg zijn aangezigt in zijnen mantel en slaakte stille zuchten. Alle oogen waren met tranen bevochtigd, alle harten diep getroffen. Toen rigtte Maria, voor de laatste maal, haren blik op hare lievelingen, die allen één waren in de liefde van Christus, en weldra allen deze hunne liefde met hun bloed en den marteldood moesten bezegelen, en zegende hen terwijl zij verklaarde, dat zij nu hare intrede ging doen in het hemelsch Jeruzalem, om meer voor hen te kunnen uitrigten; want, mogt zij ook scheiden van hen, zij zoude hunner indachtig blijven in den hemel. Indien de H. Stephanus vóór zijnen dood den hemel open zag, en een H. Joannes het paradijs mogt zien, zal Maria, voorzeker, zij, de Koningin aller Heiligen, bij haar zalig afsterven, het hemelsch Eden en den troon van haren Zoon hebben mogen aanschouwen. Ja, Jesus Christus zelf kwam haar afhalen, zegt de H. Hieronimas ,
en de Engelen en Heiligen togen haar te gemoet zingende en jubelende. Welk een schoone dood!
T)e Doodenbloem herinnert ons den dood der onzen. Hoe groot de kring onzer verwanten ook zijn moge, elk jaar wordt hij kleiner, want de dood maait onverbiddelijk in zijne rijen. Wat M a r i a bij den dood harer dierbare ouders, bij den dood van haar teêrbe-minden Zoon ondervond, deze smart zullen ook wij eens gevoelen, zoo wij niet reeds in rouw gedompeld zijn; een enkele blik, geworpen op het kerkhof, roept ons luide toe, dat de dood alle banden verbreekt, den band der huwelijks-min en der kinderlijke liefde, den band der liefde en der vriendschap. — De landgraaf Lodewijk van Thüringen stierf op een kruistogt, te Otrante, den 11. September 1227. Toen deze schriklijke tijding op den Wartburg, ter kennis van zijne ongelukkige echtgenoote, de heilige Elisabeth , kwam, zonk zij magtloos op hare knieën en klaagde bitter ; Nu is de wereld voor mij gestorven, met al hare vreugd; vree mij, arme, troostlooze weduwe! Hij trooste mij dan, die de weduwen en weezen troost ! — Velen onder u hebben deze droefheid gevoeld , toen een stervende vader of moeder u voor de laatste maal
de tand reikte, toen men liet doode kind op de lijkbaar neerlegde en den afgestorven vriend in het graf zinken liet; was het u toen niet in de ziel, alsof gij-zelf den dood had moeten sterven, en is u dat droevig sterfuur niet nog altijd levendig voor den geest? — Maar, hoe hard de slagen des doods ook ons trett\'en, hoe bitter ook onze droefheid zij, herinneren wij ons Maria, toen zij warme tranen stortte bij het sterfbed harer dierbare ouders, en Jesus-zelven, bitter weenend op het graf van zijnen vriend Lazarus.
De Doodenbloem herinnert ons onzen dood , die bitter is. Bitter is onze dood : het afscheid van al wat ons dierbaar was, de smarten der ziekte, de angst des gewetens, de menigte onzer zonden, de alwetende regter, de strengheid des oordeels, en de onzekerheid onzer eeuwige bestemming, dit alles stormt schriklijk neer op den stervende; vandaar het ijskoude zweet, dat van zijn voorhoofd vloeit; vandaar die doodsangst, die ook de heiligen sidderen deed.
O schriklijk woord : Heen moet gij ! Weg van geld en goed, weg van imis en hof, weg van vrouw eu kinderen , weg van al wat u lief en dierbaar is. Te vergeefs bidt en smeekt een liefhebbend kroost bij uw sterfbed ; to ver-
geefs willen u uwe ouders redden, in hunne hartverscheurende droefheid; te vergeefs omhelst u stuiptrekkend de teeder beminnende gade, terwijl uw boezemvriend, de vriend uwer jeugd, als vastgeklemd is aan uwe hand, — gij moet heen, de dood komt; reeds verstijft de hand met den trouwring, het matte hoofd zinkt neer op de borst, en, van de voeten op naar het hart, nadert langzaam die laatste slag, die het leven u ontrukt.
O bittere dood, hoe schriklijk zijn uwe slagen !
Gij-alléén, H. Maagd Maria, kunt deze bitterheid verzoeten en de sombere doodsnacht ophelderen , indien gij ons in het sterfuur met uwe moederlijke barmhartigheid bijstaat, en ons van uwen godlijken Zoon een zaligen dood verwerft. Gij hebt den H. Jozef in zijn sterfuur bijgestaan, gij hebt uwen lieven Zoon, Jesus, niet verlaten in zijnen doodstrijd : gij stondt aan den voet van zijn sterfbed , het heilige kruis ; zoo verlaat ons dan ook niet, bij ons uiteinde, maar bid voor ons, arme zondaars, inde ure van onzen dood. Amen.
— 176 —
Grafbloem, breng steeds in gedachten, Dat de dood ons staat te wachten , En roep in onz\' geheugenis, Hoe het leven schaduw is.
Dood, o denkbeeld rijk in zegen. Steun ons op onze aardsche wegen , Weer van \'t zondepad ons af. Tot aan d\'ingang van het graf.
XXIII. GELE ROOS.
e legende verhaalt ons het volgende van Godfried den Ruige, graaf van Barcelona : Nadat hij, ter zijde van Lodewijk den Vromen, dapper en zegevierend tegen de Saracenen gestreden had, reikte hij den Koning zijn verguld schild over, met verzoek om het met een wapen te mogen versieren. Als nu de Koning bemerkte dat de held geheel en al met bloedende wonden overdekt was, doopte hij, zonder iets te zeggen, zijne vijf vingers in het bloed van den edelman, streek daarmee over het schild, en trok aldus vijf roode lijnen er over, die voortaan het wapenbeeld bleven der Graven van Barcelona.
En uw wapenbeeld, lieve christenen, zal zijn de gele Eoos, besprenkeld met het bloed.
waardoor onze ziel en die van alle menschen verlost werd. De geele roos is het zinnebeeld van den zieleijver.
De gele kleur dezer Bloem beteekent liet vuur dat ons verslinden moet voor het heil onzer ziel. De geestlijke roos, Maria-zelve, wekt ons op, oin aan onze zaligheid te werken ; kom, zoon, laat u door mij raden, eu maak uwe ziel zalig.
O hoe schoon is de ziel! — Ik beweer, zegt de H. Bernardinus, dat, kon de mensch met zijne ligchamelijke oogen zijne verheerlijkte ziel aanschouwen, hij naauwlijks gelooven zou, dat God-zelf schooner kan zijn. De H. Thomas van Villa-Nova zegt : al schiep de Alraagtige zooveel hemelen van heerlijkheid, als daar druppelen in de zee en zandkorrels op het strand liggen : al hunne heerlijkheid, te zamen genomen, zou nog niets zijn, vergeleken bij de schoonheid van ééne enkele ziel. En zulk eene ziel hebt gij, o mensch ! eene ziel, naar Gods evenbeeld geschapen en voor de eeuwige zaligheid bestemd ; eene ziel, waarvoor de godliike Verlosser zooveel gedaan en geleden heeft; eene ziel, welke hij ten prijze van zijn bloed heeft gekocht en verlost; ééne-enkele, eene onstarf-
— 17w —
lijte ziel — en gij zoudt niet branden, niet gloeijen van ijver, om deze ziel te redden en te bevrijden van den eeuwigen ondergang?
De gele Roos is zeldzaam, gelijk de zieleijver, waarvan zij het zinnebeeld is. Heeft men een stuk geld verloren, men klaagt; wordt men vervolgt, men jammert; men weent bitter bij het afsterven van een boezemvriend; voor alles heeft men tranen, behalve voor de ziel, wanneer zij door eene doodzonde sterft. En toch, hoe schel klinkt ons vaak deze godspraak in de ooren : w wat baat het den mensch, geheel de wereld te winnen, indien hij schade lijdt aan zijne ziel?quot; — Hoe bekommerd is men voor een krank ligchaam ! zóóveel zorgen besteedt men, om wat langzamer te sterven, zegt de H. Augustinns; maar wat doet men om niet te sterven voor eeuwig, voor altoos? — Gij bemint uw kleed, en wilt dat het. ordelijk en rein zij; gij bemint uwen eigendom, en wilt, dat hij goed in stand gehouden worde; gij bemint uw kind, en wilt dat het braaf zij; en gij bemint uwe ziel, maar wilt niet dat zij hier en hiernamaals gelukkig zij!... want, in plaats van uw best te doen, om haar zalig te maken, door het gebed en het veelmalen ontvangen der heilige Sakramenten, door het vermijden van zondige
— L80 —
gevaren en gelegenheden, doet gij welligt het tegendeel; zoodat in u dit gezegde bewaarheid wordt: deden de menschen maar half zooveel om hunne ziel te redden, als zij doen, om haar in liet verderf te storten, zij zouden allen in den hemel komen. De zorgloosheid voor het heil zijner eigen ziel, gaat meestal ook met onverschilligheid voor andere zielen gepaard. Zeer vele christenen stellen zich hierin gelijk met den Profeet. Jonas, die de verwoesting van Ninive zou gaan verkondigen : terwijl hij derwaarts op reis was, ging hij onder een pompoenstruik liggen en viel in slaap. Een worm doorknaagde den wortel, de pompoen verdorde, en de zon schoot ongehinderd hare gloeijende stralen op Jonas neer. Hij ontwaakte, en de oorzaak ontwarende, klaagde hij bitter, dat hem het lommer door den worm ontnomen was. Dat smartte hem, maar het smartte hem niet, dat zooveel duizenden Ninivieten zouden te gronde gaan.
De gele Roos verspreidt een welrieken-den geur, en geeft ons daardoor te verstaan, dat wij niet voor ons-alléén, maar ook voor anderen op de wereld zijn. De woorden van Christus, den Heer, tot Petrus : « bemint gij mij, dan weidt mijne lammeren,quot; zijn, zoo als de
— 181 —
H. Chrysostomus opmerkt, in zekeren zin tot ons iillen gerigt. Wij moeten zorg dragen voor het zieleheil onzer medemenschen, den goeden geur van stichtende voorbeelden alom verspreiden, voor hen bidden, hen vermanen, alles doen wat in ons vermogen is, om hen van den weg der zonde, op het pad der deugd terug te brengen. Wij kunnen Maria geen grootere vreugde veroorzaken , nimmer zullen wij haar beter navolgen, dan wanneer wij als het ware met haar meewerken, en met een brandenden ijver voor het heil onzer natuurgenooten zijn bezield. Zij, de toevlugt der zondaren, bemint dezulken het meest, zegt de H. Alphonsus, die met haar de dwalende schapen opzoeken en pogen te redden. Deze heerlijke taak heeft zich de Broederschap van het H. Hart van Maria ten doel gesteld, en daarom zal ieder christen, ieder ware vereerder van Maria, aan deze Broederschap gaarne deel nemen. Welke vreugde, Maria te kunnen helpen; welke troost, een zondaar te hebben gered ! — Maria zal u toch nog bekeoren, zoo sprak, voor eenige jaren, een jong meisje uit eene voorname familie in Dnitschland tot iemand harer naaste verwanten, eenen jeugdigen man, die losbandig leefde. Dan moet zij een wonder doen, ant-
— 182 —
woordde deze spottenderwijze; en vnn toen at\' zagen zij elkander niet meer weer. Van kindsbeen af, had liet meisje eene groote liefde tot Maria en een onwrikbaar vertrouwen op hare magtige voorspraak gehad. Zij spande al hare krachten in, om deze ziel tot inkeer te brengen : zij bad, zij vastte , droeg dikwijls de H. Communie voor den ongelukkige op; uren lang bleef zij voor liet Maria-beeld neêrgeknield, en geen dag liet zij voorbij gaan, zonder hem aan het heilig hart van Maria aan te bevelen. — Middelerwijl zette onze jonge mensch, zonder de minste beterschap, zijn ligtzinnig leven voort, in een groot handelshuis te Straatsburg. Toen stierf de vader, en nu dacht het meisje, dat het uur zijner bekeering geslagen was. Maar neen. Deze gevoelige slag maakte op \'s zondaars ziel hoegenaamd geen indruk. — Het vertrouwen van het meisje wankelde echter niet; integendeel, zij verdubbelde haar gebed. — Het gebeurde op eene reis, dat de paarden met hem op hol gingen; hij viel uit den wagen, werd gevaarlijk gewond en moest langen tijd te bed liggen, voor hij genezen was. Maar ook aan dezen wenk van Gods vinger stoorde hij zich niet ; hij bleef wat hij was. Nu kwam hij toevallig in eene stad, waar toen juist eene missie
gegeven werd. Spottend en met booze inzigten ging bij met zijne makkers de avondpreek bijwonen. T)e missionaris handelde over de magt en de liefde van Maria. Hij luisterde toe en vernam, dat er geen zondaar zoo groot is, over wien deze goede Moeder zicb niet erbarmt. Diep getroffen, begon hij te zuchten eu te snikken, ijlde de kerk uit, weende heete tranen en — bekeerde zich. Eenige dagen later ontving het meisje een brief van den volgenden inhoud : Heugt het u nog, hoe ik op uw gezegde : Maria zal u toch nog bekeeren, spottend ten antwoord gaf: dit kan niet dan door een wonder geschieden? Welnu, verblijd u met mij, juich en jubel van vreugde! Dit wonder is geschied ; Maria heeft mij bekeerd, ik ben gered !
O allerzaligste Maagd Maria ! laat de gele Hoos in ons hart bloeijen; ontsteek in ons gemoed een vurigen ijver voor onze eigen ziel en voor de zaligheid van andere zielen, opdat in ons het woord van een Heilige bewaarheid worde: „ die de ziel zijns broeders redt, redt zijne eigen ziel.quot;
— 1-84 —
Slechts eeue ziel bezitten wij,
Er dient met moed gestreden; De gele Roos1, zij predikt mij ;
Streef naar liet zalig Eden.
Wees voor uw zieleheil ontvlamd.
Vol ijver, warm en feeder. Het vuur, dat van den Hemel stamt, Brengt ook tot God ons weder.
XXIV. NARCIS.
^Ofylialve de aanbidding, dio Gode-alleen toe-komt, zijn wij Maria alles sclmldig, du hoogste liefde, de grootste godsvrucht, de innigste toe-genegenheid, de hartlijkste dienst. Deze vereering van Maria, gegrond op eene leer der Kerk , die noch met de H. Schrift, noch met de Overlevering, noch met het gezond verstand in strijd is, begon bij het graf van Maria, hetwelk reeds de eerste christenen godsdienstig vereerden, en is door alle eeuwen heen, van geslacht tot geslacht, tot den dag van heden toe erflijk geweest en zal voortduren tot aan het einde der wereld ! — Deze vereering, door de Koningin der Profeten zelve voorspeld, als zij in verrukking des geestes uitriep : „ van nu af zullen alle geslachten mij
— 18« —
zalig prijzen deze vereering van Maria noemt de H. Franciscus van Sales : het lenteleven dei-heilige Kerk, dat aanhoudend nieuwe bloesems schiet, alle harten levendig en frisch houdt in de liefde tot God, en door zijne zoete geuren alle christenen verrukt en tot de uitstekendste deugden aanvuurt. Daarom is ook het zinnebeeld der godsvrucht tot Maria een lentebloem, de Narcis, wier vorm reeds op haar terugwijst, die het voorwerp zijn zal van onze liefde en vereering. Verheven en naar den hemel gerigt, gelijk de Koningin der hemelen, en haren kelk een weinig nederlatende, gelijk de Moeder Gods van uit den hemel op de aarde nederziet op hare kinderen, in liefde en erbarming. Hare sneeuwwitte bladeren herinneren ons de reinheid van Maria\'s vlekloos hart; de gele en roode krans, in haar midden, is het zinnebeeld van die gouden kroon van heerlijkheid, waarmede de allerheiligste Drievuldigheid in den hemel, en geheel de katholijke christenheid op aarde haar heeft gekroond. De zoete geur der Narcis ademt de liefde en barmhartigheid uit van haar, die door het menschdom als de toevlugt der zondaren en do troosteres der bedrukten begroet wordt, cn haar bloeijen in de lentedagen
zegt luide en duidelijk, dat daar , waar godsvrucht tot Maria gevonden wordt, eene lente aanbreekt van hartlijke liefde tot God, dat daalde bloemen aller deugden weelderig blooijen.
De Narcis verheft zich hoog boven de aarde, streeft hemelwaarts, en zoo is ook de godsvrucht tot Maria verheven. Heeft ons het geloof geleerd , dat Maria Gods Moeder is, dan zegt ons de rede, dat haar, na God, de grootste vereering toekomt; weshalve deze vereering niet in de bloote navolging harer deugden bestaat, maar in een dienst, die baar eigen is; gelijk de H. Kerk, door den geest der waarheid bestuurd, zich in het Concilie van Trente uitspreekt: dat wij de Moeder Gods vereeren, haar aanroepen en hare magtige voorspraak bij God verzoeken mogen. — Zij is liet heiligste onder alle schepselen; daarom is het ons ook geoorloofd , haar meer te vereeren dau alle Engelen en Heiligen; immers, zij heeft Hem gebaard, die alle Engelen geschapen heeft; Hem gebaard, die allen Heiligen de genade der heiligheid gaf, en zonder Wien wij allen waren te gronde gegaan : den Verlosser onzer /.ielen, hel heil van geheel de wereld. De heilige Maagd , door de Profeten verkondigd, door de Heiligen gediend en
_ 188 —
door de Engelen vereerd, riep vol heilige vreugde uit, toen Elisabeth haar als Moeder Gods begroette ; a Groot heeft Hij mij gemaakt, Hij, die magtig en wiens Naam heilig is!quot; Ja, verheven heeft hij haar tot Koningin des hemels, want alle hemelsche geesten moeten haar dienen , dewijl zij de Moeder van haren Koning is; verheven heeft hij haar tot Koningin der aarde, want alle mensehen moeten haar dienen, dewijl de Heer-zelf, van het kruis af, haar aan alle men-schen overgaf, met de woorden : ziedaar uwe Moeder! —Verheven is dus de dienst van Maria , want zij voert den menseh op tot de vereering van het verhevenste schepsel, en, door deze ver-, eering, tot de aanbidding van het opperste en ongeschapen Wezen-zelf.
De Narcis is wit, gelijk het onbevlekte hart der zuiverste Maagd, die niets zoo zeer bemint als de kuischheid en niets zoo zeer verafschuwt als de onzuiverheid. Willen wij dus Maria behagen, dan moeten wij de zuiverheid liefhebben. Twee zielen beminde Maria bijzonder op aarde : Joannes en Magdatena. Bewaren wij de onschuld onzer ziel, gelijk de eene, of beweenen wij de verloren onschuld, gelijk de andere, zorgvuldig mijdende alle ge-
— 189 —
legenheifl van zonde; dau zal Maria ons ook liefhebben en onder den mantel harer moederlijke bescherming opnemen. Het hart, dat Maria vereert, moet rein wezen; dus mogen zondaars haar niet aanroepen, zult gij mij tegenwerpen? Diegenen voorzeker niet, die zondaars blijven willen, maar wel zondaars, die hunne ellende inzien, er berouw over hebben en den weusoh en het verlangen koesteren , hunnen droevigen en rampzaligen toestand te verlaten, en zich te dien einde tot Maria wenden. In dien zin alleen is zij eene toevlugt der zondaren; want het blijft eeuwig waar, dat Maria eene beschermster der zondaren, maar geen beschermster der zonde is.
De Narcis heeft in haar midden een\', goudgelen krans, zinnebeeld dei-kroon, der belooning, welke de ware vereeriug van Maria ons verwerft. « Ik bemin, die mij beminnenquot; : deze woorden uit de H. Schrift, past de Kerk op Maria toe ; en kan er in dit tranendal wel eene grootere belooning bestaan, dan door Maria te worden bemind r Hare liefde, zegt de H. Bernardus, is het kort begrip van alle genade; en hoe kan hij versmachten, die de genadebron voor zich heeft? De Heiligen leeren ons, bijzonder drie genaden van Maria
13
— 190 —
verzoeken, genaden welke zij ook liet liefst vooi ons afsmeekt van haren godlijken Zoon: de genade der bekeering, de genade der volharding in het goede, en de genade van een zalig sterfuur. En is een christen, die deze genaden verwerft, niet rijkelijk beloond voor zijne liefde en godsvrucht tot Maria?
De Narcis is eene lentebloem, en in het hart, dat Maria waarlijk bemint, heerscht eene geestlijke lente. Liefde tot Maria en tot de zonde, kunnen in één-en-denzelfden boezem niet zamen wonen; eene van beiden moet wijken. heeft Maria de overhand , dan breekt het ijs der kwade gewoonten, dan smelt de sneeuw der laauwheid, dan zwijgt de storm der harts-togten, dan vlugt de winter der zonde; de zachte, zuivere lentelucht der liefde Gods waait, en alles bloeit in het frissche groen van het hartlijkste betrouwen op Maria. De ondervinding van alle eeuwen leert ons, dnt de grootste Heiligen ook juist de grootste minnaars waren van Gods Moeder, terwijl allen, die ophouden Maria te vereeren, in het geloof en in de deugd beginnen te wankelen.
O hemelsche Narcis, allerzaligste Maagd Maria! verwerf ons van God de genade, dat
— 191 —
godsvrucht en liefde tot u , jeugdig eu levendig, gelijk liet lenteleven, in onze harten herrijzen en voortduren, tot dat wij, dank aan uwe liefde, het land der eeuwige lente, het hemelrijk binnengaan. Amen.
Als begint te bloeijen de Narcis,
Fluks verdwijnt de duisternis,
En de nacht wordt dra in dag verkeerd, Als een hart Maria warm vereert.
Ongehoord is \'t, dat er zonden bleven
In de ziele, die Maria mint.
Juich , want hebt ge uw hart aan haar gegeven, Dan erkent ook God u voor zijn kind.
XXV.
V IO O LT JE.
Y-Vet Viooltje is het zinnebeeld der ootmoedis-fiheid. en omdat M aria de ootmoedige Maagd creuoemd wordt, lgt;eeft de heilige Bernarc us vegt, wanneer hij haar het schoons kooltje
quot;quot;Laat ons echter heden, geliefde Christenen , een drievondigen blik werpen opliet Yiooltje als aardsche Bloem, op Maria, als het hemelsch Viooltje, en ten laatste op ons-zelven, hoe ook wij het Viooltje gelijken en Maria moeten navolgen, dat is, hoe wij waarlijk ootmoedig be-
hooren te zijn.
Tiet Viooltje heeft niet de schitterende blankheid der lelie, noch het prachtvolle purper dei-roos, ook niet het heerlijke kleurenspel der tulp; neen, ik moet zelfs bekennen, dat het maar een
— 193 —
armlijk en praalloos kleed draagt,, van donker-blaauwe kleur, zonder glans en afwisseling; eenvoudig luikt het onder de schaduw van andere struiken op, en daarom is het een zinnebeeld der ootmoedigheid, die eveneens zonder pronk en in eenvoudig uiterlijk verschijnt. Aanschouwt Maria; zij, de dochter van Juda\'s koningen, draagt een donker wollen kleed. Werpt uwe blikken op Maria. Zij, ontsproten uit David\'s stam, heeft de spil in handen en ver-rigt alle huiswerk, aan de nederigste dienstmaagd gelijk. Luistert naar de woorden van Maria en hoort haar zeggen : « ik ben de dienstmaagd des Heeren! quot; en hoort haar zingen: „ gij hebt op de nederigheid eener dienstmaagd neder-gezien.quot; Wilt gij derhalve, lieve christenen, het Viooltje gelijken en Maria gelijkvormig worden, zoo moet gij ootmoedig zijn in uwe kleeding, in uwe woorden, in geheel uw gedrag. Kiest uit de mode altijd het eenvoudigste, uit de kleederen het minst prachtige, uit de kleuren immer de minst in het oog vallende, en prent goed in uw geheugen de schoone leer van den 11. Franciscus van Sales, dat het kleed het uithangbord der ziel is. Gelijk de kooplieden van buiten op hunne winkels schrijven, wat bij hen
XXV.
VIOOLTJE.
Y^jyvt Viooltje is liet zinnebeeld der ootmoedio--Slieid, en omdat Maria de ootmoedige Maagd crenoemd wordt, heeft de heilige Bernardus regt, wanneer hij haar het schoone Viooltje
noemt. .
Laat ons echter heden, geliefde Christenen,
een drievondigen blik werpen op het Viooltje, als aardsohe Bloem, op Maria, als het hemelsch Viooltje, en ten laatste op ons-zei ven, hoe ook wii het Viooltje gelijken en Maria moeten navolgen, dat is, hoe wij waarlijk ootmoedig be-
hooren te zijn. . , 11 v
Het Viooltje heeft niet de schitterende blankheid der lelie, noch het prachtvolle purper dei-
roos, ook niet het heerlijke kleurenspel dei tulp;
neen, ik moet zelfs bekennen, dat het maar een
— 193 —
armlijk en praalloos kleed draagt,,van donker-blaauwe kleur, zonder glans en afwisseling; eenvoudig luikt het onder de schaduw van andere struiken op, en daarom is het een zinnebeeld der ootmoedigheid, die eveneens zonder pronk en in eenvoudig uiterlijk verschijnt. Aanschouwt Maria; zij, de dochter van Juda\'s koningen, draagt een donker wollen kleed. Werpt uwe blikken op Maria. Zij, ontsproten uit David\'s stam, heeft de spil in handen en ver-rigt alle huiswerk, aan de nederigste dienstmaagd gelijk. Luistert naar de woorden van Maria en hoort haar zeggen : « ik ben de dienstmaagd des Heeren! quot; en hoort haar zingen: H gij hebt op de nederigheid eener dienstmaagd neder-gezien.quot; Wilt gij derhalve, lieve christenen, het Viooltje gelijken en Maria gelijkvormig worden, zoo moet gij ootmoedig zijn in uwe kleeding, in uwe woorden, in geheel uw gedrag. Kiest uit de mode altijd het eenvoudigste, uit de kleederen het minst prachtige , uit de kleuren immer de minst in het oog vallende, en prent goed in uw geheugen de schoone leer van den 11. Franciscus van Sales, dat het kleed het uithangbord der ziel is. Gelijk de kooplieden van buiten op hunne winkels schrijven, wat bij hen
— 194 —
te bekomen is, zoo verkondigt een ijdel, praalziek, niet met den stand overeenkomend gewaad, dat bij die ziel weinig deugd te vinden is; terwijl een rein, doch praalloos en eenvoudig gewaad luid verkondigd, dat onder dit hulsel een ootmoedig harte slaat.
Ook uwe woorden moeten ootmoedig zijn. Let op de uitspraak van een groot man : gelijk de jager slechts van de jagt spreekt, en de oude soldaat steeds van zijn meegemaakte veldslagen en krijgstogten vertelt, zoo spreekt de hoovaardige altijd van zich-zelven, van zijn eigen lol; de ootmoedige echter zwijgt, spreekt nooit van zich zeiven, het allerminst van datgene wat tot zijn lol strekken zou; en wanneer, buiten zijn toedoen, over hem het gesprek loopt, dan zoekt hij er e-ane andere wending aan te geven. Ook in onze bezigheden en handelingen moet de ootmoedigheid doorstralen , gelijk de zon door het looi der boomen.
Christenen, indien wij den heiligen Jozel ploegen zien vervaardigen, en den godlijken Verlosser houtspaanders inzamelen en water dragen, en de allerzaligste Maagd Maria spinnen, en uit de bladeren der palmboomen of uit het riet van den oever des Jordaans, matten vlechten tot de dakdekking van het huis,
— 195 —
of de tarwe en gerst met hare handen malen , zoo als de heilige Ambrosius ons verhaalt, kunt gij dan nog ongaarne uwe huislijke werkzaamheden, do nederige bezigheden van het dagelijk-sche leven verrigten? moest gij ze niet met des te grooter vreugde waarnemen, naarmate zij geringer, verachtlijker en meer vernederend zijn? Gij weet immers, dat dit de spijs der ware ootmoedigheid is, dat gij daardoor Maria gelijkvormig wordt. Deze gedachte bewoog de H. Elisabeth, de landgravin van T lui ringen, de Konings dochter van Hongarije, op zekeren tijd, haar slot te verlaten, barvoets en in een wolken rokgehuld, van huis tot huis te gaan bedelen, om in het zweet haars aangezigts haar brood te verdienen en met de dienstboden te eten : slechts om Maria te gelijken, om de ootmoedigheid te oefenen en de blijdschap en innerlijke zaligheid te genieten eener ware ootmoedige ziel!
Het Viooltje groeit niet hoog, en zijn hoofd of kelk is altijd naar den grond gebogen, en zoodoende is het ook, in dit opzigt, een zinnebeeld der ootmoedigheid. De ootmoedige streeft niet naar oer en roem, naar luister on hoogachting, naar hooge ambten on waardigheden; hij is tevreden met den stand, met het
— 196 —
ambt, met het beroep, den werkkring, bet vermogen en den toestand, waarin God bem geplaatst beeft; dit is hem genoeg en bij verlangt
anders niets.
Blikt opwaarts naar Maria, bet bemelscb Viooltje: baar voorvader is de Koning David; /,ij is nit koninklijken bloede gesproten, en baar geslacht zat eenmaal op den koninklijken troon ; desniettegenstaande bad Maria niet het geringste verlangen, niet de minste zucht naar eer en aanzien; /.ij beeft bet goed, oneindig goed in bare kleine hut, op bare schamele legerstede, bij baren beboeftigen bruidegom, bij haar gering inkomen, bij haar arm kind. Ja, zoo als voor den gevangene de vrijheid, voor den zieke de gezondheid , en voor den dorstige een koele dronk bet eenigste verlangen is, zoo — zegt de H. Rer-nardus, —was voor de Moeder Gods de nederige toestand, waarin God baar geplaatst had, de eenige vreugde en baar eenige troost. quot;W ilt gij dus Maria gelijken, zoo bemin, gij landbouwer, uwen stand, en gij dienstbode, uwe dienst, en gij, arme weduwe, uwen staat, en gij, zieke, uwe zwakte, en gij, arbeider, uwen arbeid: zijt tevreden en verlangt niet meer, tracht niet haar boogere zaken en grootere inkomsten, noch
— 197 —
naar eene meer gemaklijke betrekking, want alsdan toont g-ij , dat gij geene ootmoedigheid bezit, en alzoo op den hemel, waarop alleen de ootmoedigen aanspraak hebben, geen regt hebt.
Het Viooltje heeft ook haar topje naar de aarde gebogen, en zoo is het hart van den waarlijk ootmoedige altijd nederig gestemd. Aanschouw Maria, toen haarde Engel de boodschap bragt, dat zij de Moeder G o d s worden zou ; zij knielde, zoo als de H. Ambrosius zegt, het hoofd ter aarde gebogen, en bad met liefde en dankbaarheid. Desniettegenstaande maakt de ootmoedigheid niet moedeloos en zij verlamt do werkkracht niet, want de ootmoed is waarheid, zegt de li. Theresia, en de waarheid geeft aan den wil de kracht van het staal.
De ware ootmoedigheid is ondernemend, dewijl zij , hare zwakheid kennende, nimmer op zich-zelve, maar alleen op de kracht Gods vertrouwt. Zij is ondernemend, dewijl het vertrouwen liefde geeft, en de liefde sterk is als de dood. Haar gloed is vurig, en schiet hemelsche vlammen. Geen Heilige heeft eene lioogte bereikt, waarnaar ook wij niet mogen, ja, moeten streven ! De ootmoedigheid toont ens, hoever wij van het beoogde goede doel nog verwijderd zijn ;
— 198 —
niet om onzen moed af te schrikken, maar om onzen ijver te ontvlammen.
O hemelsch Viooltje, ootmoedige Maagd Maria! verkrijg voor ons van God de deugd der ootmoedigheid, doorn zoo lieurlijk beoefend , die ons beminnenswaardig maakt bij God en bij de mensehen, en ons den hemel verwerlt; want, er staat geschreven ; die zich vernedert, zal verheven worden !
Het nederig Viooltje leert Een deugd, door Jesus hoog vereerd, En door Maria trouw bewaard.
Waarvan zij \'t voorbeeld was op aard : De deugd van Ootmoed, engelsohoon. Heeft heel haar leven aangeboón. Wie haar wil volgen hier op aard.
Streef dan ootmoedig hemelwaart,
Want, die dees hoofddeugd stelt op prijs, Verwerft zich \'t eeuwig paradijs.
XXVI. COLOCASIA.
Eeue geheel bijzonder schoone Bloem , uitmuntend geschikt tot het versieren van kerken, wegens hare grootte, is de Colocasia ot\' Herderstaf. Aan een langen stengel, met breede langwerpige bladeren, ontrolt zich een sneeuwwitte, den heerlijksten geur uitwademende kelk. De vorm, zoowel als denaam dezer bloem, wijst duidelijk haar zinnebeeld aan. De Colocasia is het beeld der christlijke opvoeding. Herders zijt gij, ouders, en uwe kinderen zijn de kudde, welke gij met herderlijke zorg bewaken moet. Goede herders moet ge zijn , naar het voorbeeld van den besten Herder, J e s u s Christus, die één-enkel verloren schaapje terstond naijlde over berg en dal, en niet rustte , voordat hij het weergevonden had. fioede herders moet ge zijn, omdat de Heer de kuddeeue geheel bijzonder schoone Bloem , uitmuntend geschikt tot het versieren van kerken, wegens hare grootte, is de Colocasia ot\' Herderstaf. Aan een langen stengel, met breede langwerpige bladeren, ontrolt zich een sneeuwwitte, den heerlijksten geur uitwademende kelk. De vorm, zoowel als denaam dezer bloem, wijst duidelijk haar zinnebeeld aan. De Colocasia is het beeld der christlijke opvoeding. Herders zijt gij, ouders, en uwe kinderen zijn de kudde, welke gij met herderlijke zorg bewaken moet. Goede herders moet ge zijn , naar het voorbeeld van den besten Herder, J e s u s Christus, die één-enkel verloren schaapje terstond naijlde over berg en dal, en niet rustte , voordat hij het weergevonden had. fioede herders moet ge zijn, omdat de Heer de kudde
_ 200 —
heeft vrijgekocht met zijn dierbaar bloed, en ze u slechts als panden zijner liefde heeft toevertrouwd. O hoo liet heeft God de Iciudeien !
Slaat de heilige Schrift open, en leest daar , hoe hij den kleinen Mozes in het bieskorfken beschermd heeft; wat daar van den versmachtenden Ismacl vermeld staat ; // en God verhoorde des knapen stem,quot; — en van den kleinen Jacob , Rebecca\'s zoon : « zoo zegt de Heer, Jacob heb ik bemind ! quot; — en van flen kleinen Samuël : a Samuël was geliefd van den Heer, zijnen God.quot; — „Laat de kleinen tot mij komen,quot; sprak de Heiland; n wee den mensch, die een dezer kleinen ergernis geeft : indien gij niet wordt gelijk de kinderen, zoo kunt gij niet ingaan in liet hemelrijk! quot; — Uit dit alles blijkt duidelijk de waarheid der uitspraak van den H. 1\'aulus : n wie geen zorg draagt over de zijnen, verloochent het geloof, en is erger dan een heiden. quot; Hoo grooter de lielde Gods voor de kinderen is, zegt de H. Chrysostomus, — des te strenger zal de rekenschap zijn, welke hij daarover zal vragen op den oordeelsdag.
T)e Herderstaf is wit, en waarschuwt de ouders, dat zij de harten hunner kinderen rein, en het blanke kleed hunner onschuld van
— 201 —
nlle vlek moeten vrij tiouclen. De !gt;-odlitjke Moeder verwijderde zich nooit van haiir Kind; altijd was zij aan zijne zijde, en als zij liem eens verloren had, lioe rustloos zocht zij toen drie dagen en nachten, zonder moede te worden, tot dat zij Je sus ■wederge vonden had! — Mogen op zulke moederlijke zorgvuldigheid zich beroemen zulke ouders, die hunne kinderen alleen en zonder toezigt laten ; die zich niet bekommeren , met wie zij omgang hebben, welke gesprekken zij voeren, waar ze heen gaan, die hen tot laat in den avond, en soms tot in den nacht over straat laten rondloopen en tieren? — AVat toch helpen de beste verordeningen der geestlijke en wereldlijke overheid, wanneer men zulke ouders aantreft ! — Maar God, die gezegd heeft : » van elk nutloos woord zal ik rekenschap vorderen,quot; zal op dien dag, als, op het bazuingeschal, de dooden uit hunne graven zullen opstaan en in het dal van Josaphat ten oordeel komen , van u, o vaders, o moeders, zijne kinderen terug-eischen ; daar zullen die onbewaakte hoeken, waar uwe kinderen om uwer zorgloosheid schuld verleid werden, die straten en wegen, waar de eerste kiem des kwaads in hunne harten sloop, die huizen en plaatsen waar gij hen.
— 202 —
zonder toezigt, tot laat in den naclit hebt laten verblijven , tegen n opstaan en tegen u getuigen. O hoe spoedig zullen dan, gelijk de regendroppels in den maatloozen oceaan, de godlooze redenen verdwijnen, welke menige ouders plegen voor te wenden, om zicli te verschoonen ; « Ik kan ook niet overal zijn; ik heb niets gezien ; ik kan ze niet altijd in huis houden ; zij zijn zelf oud genoeg, om te weten wat ze te doen hebben!quot; — De kleine Filip, Kroonprins van Frankrijk, zeide eens tot zijn vader, den heiligen Lede wijk: gij zijt mijn goede herder, waak over mij, opdat ik niet verloren ga ! /00 spreekt genoegzaam elk kind uit de wieg\' tot vader en moeder, bidt met zijne kleine handjes , smeekt met zijn onschuldig hart, in vereeniging met den Engel, dien God aan zijne zijde gesteld heeft : lieve ouders, weest voor mij goede herders\' Daarom wee u, indien gij dat kindersmee-ken veracht, indien door uwe schuld die ge-loofssprank uitgedoofd, dat blanke kleed besmeurd, dat reine hart geschonden wordt! Doch neen, bewaart de onschuld uwer kinderen , al moest gij er zelfs het leven voor laten; weest streng, waakzaam en naauwgezet; spreekt, gelijk de Koningin Blanca tot haren zoon. Lode-
— 203 —
wijk ; u liever wil ik u dood voor mijne voeten zien liggen, dan eene doodzonde zien begaan.quot; Dit woord zijner moeder klonk den vromen koning, gelijk hij-zelf getuigt, gestadig in \'t oor : bij den zeestorm, voor liet eiland Cyprus, in zijne gevangenschap, bij de Saracenen, op zijn sterfuur, te Tunis; trouwens, een woord uitliet beminnend moederhart weergalmt immer in het liart van een kind.
De Herderstaf heett een voortreffe-lijken geur en beteekent den heerlijken geur des goeden voorbeelds. Xiet de School, niet de Onderwijzers, niet de Priesters, niet de Boeken leiden do kinderen op, maar het goede Voorbeeld der ouders.
Groot was de kracht des geloofs van den H. Gregorius-den-wonderdoener; hij sprak tot den berg ; verwijder u van hier, en het geschiedde. Grooter nog is de kracht van het goede voorbeeld : het werkt wonderen uit, bijzonder wanneer de ouders het geven. Wanneer de ouders ijverig hun morgen- en avondgebed verrigten, gaarne ter kerke gaan, meermalen de H. Sakra-menten ontvangen, in vrede leven, dan zullen de kinderen zulks ook doen. Maar indien de vader den spot drijft met den godsdienst en niet bidt,
— 204 —
indien de moeder altijd in twist en tweedragt met hem leeft, als beiden sclielden en vloeken, lioe knunen de kinderen dan anders zijn? — De kinderen zijn het uithangbord hunner ouders; gelijk de kooplieden schilden uithangen, om aan te duiden wat bij hen te verkrijgen is, zoo toonen de zeden der kinderen gewoonlijk de deugden of de ondeugden der ouders aan. De Apostel der Anglo-Saksen, de H. Augustinus, zeide eens tot de Britten : helpt mij de Snksen bekeeren; deze echter weigerden. Dan sprak Augustinus , met profetischen blik de toekomst ontsluijerend ; dewijl gij mij uwen bijstand niet leent, om aan de Saksen den weg des levens te toonen, daarom zullen zij, door Gods regtvanrdig oordeel, u een werktuig worden des doods! — Dat woord gaat in vervulling voor vele ouders, die, in plaats van hunne kinderen in de jeugd door een goed voorbeeld den weg des levens aan te wijzen, hun door verergernis ten val worden; uwe eio\'cn kinderen worden u een werktuig des doods. Leg derhalve de smarte, welke u die woeste, ontaarde zoon, den kommer, welke u die onberadene dochter berokkent, aan niemand anders ten laste, dan aan uw eigen slecht voorbeeld, hetwelk gij uwen kinderen in hunne
— 205 —
jeugd gegeven hebt. De pijl, -n-elke gij door afschmvlijke gesprekken en vloeken , in tegenwoordigheid uwer kinderen, door twist en twee-dragt, door nachtlijk uitblijven en (Ironkenschap, door laauwlieid in den godsdienst, op uw kind hebt afgeschoten , keert terug en doorboort uwe eigen borst.
O lieve ouders, gelijkt dus naar de Bloem Colocasia, door den geur van een goed voorbeeld voor uwe kinderen. Gelijk deze bloem van onder eng en naar boven wijd is, sluit zoo hunne jeugdige harten voor de wereld, en opent ze alleen voor den hemel : voedt ze vroom en goed op. Wat hebt ge liever, dat zij eens op het kerkhofgaan en u in het graf nog vloeken, omdat zij door uw slecht voorbeeld slecht geworden zijn, omdat zij door uwe zwakheid en toegevendheid zedelijk ten gronde zijn gegaan; of dat zij eens, biddende , voor uw graf nederknielen, en het met de tranen hunner dankbare liefde besproei-jen , omdat gij door eene streng christlijke opvoeding de stichters van het geluk huns levens zijt? wat is u liever, ouders? kiest!
Bidt derhalve alle dagen de heiligste Aioeder Maria, die ons het heerlijkste, verhevenste voorbeeld oener goede opvoeding gegeven lieeft, dat
14
— 206 —
zij u van God de genade verwerve, uwe kinderen zóó op te voeden , dat geen door uwe schuld verloren ga, maar allen met u in den liemel weder vereenigd worden. Amen.
Ouders! o, gevoelt de pligt,
Die u op de schouders ligt,
En op \'t harte zwaar moet wegen;
Immers, schonk u God den zegen Van een teederlievend kroost. Uwe blijdschap, hulp en troost:
Eens, tenjongsten aller dagen,
Zal Hij u om reekning vragen;
Zorgt dan, dat gij ze allen weer Kunt hergeven aan den Heer.
Daarom \'t onkruid uit te roeijen, \'t Kinderhart aan \'t uw te boeijen, Ernstig, maar met liefde altijd,
Ziet, die taak is u bereid.
ó Mogtge eens, na \'t zalig sterven. De onwaardeerbre gunst verwerven, Van met uwe kinderkroon Tc genieten \'t hoogste loon.
XXVII. GERANIUM.
•Y^V\'6 bloem, welke men het meest aantreft, bijna yvi/\'; in alle huizen vindt, en aan vensters ziet, rlie zoowel de kamers der rijken als het nederig vertrek der armen, als \'t ware, tot eene vertrouwelijke verblijfplaats heeft, is de Geranium. Haar zinnebeeld is de huislijkheid, dat christlijk vrome familie-leven, dat in de heiligste familie op aarde, in Jesus, Maria en .lozef, met den heerlijksten luister blinkt. O gelukkig Nazareth ! gij zaagtde nederigstehut, waarin Gods vrede schuilde en drie personen hunne dagen doorbrag-ten in arbeid en gebed! Hier vervaardigde Jozef, de vlijtige werkman, ploegen, jukken en wagens, zooals de II. .Tustinus zegt; soms beklom hij den borg Carmel, om daar, met. zijnen nog krachtigon arm, de hooge sycomoren nu de zware therebinten te vellen. Het geringe loon, waf liij voor groote
— 308 —
moeite ontving, deelde hij nog met de armen. Maria was de onvermoeibaar vlijtige huisvrouw, die, bij al hare drukke bezigheden, nog tijd wist te vinden tot het lezen der I I. Schrift. Zij, wier gansch leven hemelsch was, en op wie het schoone woord van den Psalmist kan toegepast worden: n de roem der koningsdochter is in haar binnenste,quot; zij vlocht uit de bladeren van den dadelboom of uit riet van den Jordaanoever de matten, die het dak van hare landelijke woning bedekten. .Tesus Christus, getuige der onvermoeibare werkzaamheid zijner heilige M oeder , heeft in zijne gelijkenissen dikwijls daarop gezinspeeld, en Maria\'s nederige werken zijn in het Evangelie, gelijk waterbloemen in den barnsteen versmolten. -Men vindt daar vermeld de werkzame huismoeder, die den zuurdeeg in drie maten tarwe doet, haar vloer zorgvuldig keert, om het penningje te vinden, en een armoedig, oud kleed spaarzaam verstelt. Als Jesus eene gelijkenis wil voordragen, om de reinheid des harten aan te bevelen, dan herinnert hij aan de zuiverheid van haar, die den beker in- en uitwendig zorgvuldig schoonmaakt, en men ziet dat bij aan Maria denkt, wanneer liij de gave der weduwe prijst, die niet van haren overvloed maar van hare armoede geeft. — Jesus, hoe jong
— 209 —
dan ook, aarzelde niet, de bijl op te vatten en zijnen grijzen voedstervader te volgen, om hem bij den arbeid behulpzaam te zijn. Jesus, Maria en Jozef verrigtten den hardsten arbeid, en deze groote zielen , die over legioenen van Engelen hadden kunnen beschikken, verlangden nooit meer van God, dan hun dagelijksch brood.
De Geranium is bijna in ieder huis te vinden, en evenzoo kau liet huislijk stille familie-geluk wezen in ieder huis.
\\ oor Maria was die tijd ongetwijfeld de gelukkigste haars levens. Ofsohoou van alle gemakken verstoken , kan zij haren Zoon altoos voor oogen hebben, met hem loven, voor hem werken, en er op bedacht zijn, hem vreugde te verschaffen! En hierin, lieve christen, ligt het geheim van ons eigen geluk ! Voor Jesus leven, is de bron van alle tevredenheid en van den huislijken vrede. Wit, violet, licht of donkerrood bloeit de Geranium : zoo moet ook gij, o christen ziel, op ieder uur van den dag, in de menigvuldige voorvallen uws levens, voor Jesus bloeijen, met hem o]) het innigste vereenigd zijn door den band, die den hemel aan de anrde bindt, vereenigd door de schakel des gebeds. Deze heilige keten vereenige u en uw geheel gezin tot het
— 210 —
gemeenschaplijk morgen-, avond- en tafelgebed.
Waar er twee of drie in mijnen Naam te /.amen zijn, daar ben ik in hun midden : met hun ver-eenigd, door den ring met den rooden robijn, liet otter der H. Mis, de onbloedige hernieuwing van Christus\' bloedigeu dood. Dat geen dag voorbij ga, zonder dat minstens één lid uwer familie het wonderbare geheim bijwone. Niets pijnigt ons op het sterfbed zoo zeer, zegt de H. Ignatius, als de genaden, welke wij door traagheid of laauwheid verzuimden. Daarom laat ons voor God arbeiden, en in zijne heilige tegenwoordigheid. Zog; mijn God, mijn Vader! zie, waar ik ben en wat ik doe! In de goede meening, welke wij \'s morgens verwekken en door den dag dikwijls vernieuwen , hetzij wij eten of drinken, of iets anders verrigten, doet alles tot Gods eer ! — Te uwer liefde, o Jesus! — O Heer! schenk mij geduld. — Laat ons bij hem verblijven, want, waar Jesus is, zegt de Navolging van Christus, daar is de hemel; waar Hij niet is, daar is de hel. Ik wil komen, zegt Jesus , bij hem die mij lief heeft en bij hem mijn intrek nemen. V\\ aarom gaat gij dan zooveel bij de menschen, daar tocli aan Gods zegen alles gelegen ligt? — Wilt gij den vrede des huizes niet verliezen, zegt de zalige Egidius,
— 211 —
zoo moet gij twee sloten aan uwe huisdeur maken; het eene heet : ga zelden uit, en het andere : laat niet veel binnen komen. Ken groot geleerde zeide: telkens als ik uitging, kwam ik minder menseh terug. Nergens beter dan te huis. Laat er ook niet veel binnen : handel zoo als do bijen. Iemand wilde de bijen zien werken, en liet daarom een glazen bijenkorf maken ; doch in een oogenblik hadden de bijen het glas inwendig met was bedekt, zoodat hij niets kon zien. Trek gij ook den sluijer der afzondering, den sluijer der eenzaamheid over uw huis; want, hoe meer afgezonderd en eenzaam, des te rustiger en vreedzamer; blijf alleen bij uw gezin, alleen bij Jesus, dan zult ook gij het groote woord van den H. Bernardus bewaarheid vinden ^ n nooit ben ik minder alleen, dan wanneer ik alleen ben.quot; — Dus wandel met Jesus, gij en uwe familie, dan zal uw huis, met de groene Geranium van christlijk vrome huislijkheid gesierd, een tweede woonstede van Nazareth worden, waar Jesus het gebed verhoort, Maria zalige vreugde uitdeelt en Jozef het werk zegent; eene Jacobs-ladder, langs welke de Engelen open neder stijgen, en die uw hart en dat der uwen met het godlijke hart verbinden.
— 313 —
Do Geranium blijft ook in den winter u-roen, en evenmin verloor de II. Familie in ongeluk en armoede, haren stillen vrede en haar zoet geluk. Thans zien wij hen niet meer in het huis te Nazareth, maar in een ander vreemd land, te Heliopolis in Egypte. Hier moest Maria in den afgrond der armoede vallen en de ellende van alle kanten leeren kennen. Het goud der heilige drie Koningen was ten einde, eu zij geraakten in zulke armoede, dat de zoon David\'s daglooner moest worden, en de dochter van .Tuda\'s Koningen den ganschen nanht door moest werken, om het geringe loon te vermeerderen van haren man. Daar bad dikwijls het Kind de Moeder weenend om brood , en de Moeder had hem niets te geven dan tranen! Ook dan nog was Maria tevreden en rustig, want zij had Jesus bij zich. Voor Jesus lijden, welk een troost ! Met Jesus lijden, welk eene schuilplaats! — Indien er lijden in het huisgezin is, zoogenaamde huis-kruisen en wederwaardigheden, die van buiten komen , dan is op beiden het woord toepaslijk ; « hij , die zoowel de drukkende, als de zegenende hand Gods kust, heeft het toppunt der christlijke volmaaktheid bereikt. quot;
Bidden wij de allerheiligste Maagd Maria
— 213 —
dat zij voor ons van God de genade afsmeeke vau voor Jesus te leven en te lijden , opdat de stille huislijke vrede steeds in onzen familiekring verblij ve, Amen.
^53«
-(reraninm is \'t beeld
der stille huislijkheid,
Die \'t rustbenunnend hart
de hoogste vreugd bereidt. Ja, lieflijk is \'t, gewis,
in kalmte voort te leven. En daarom zij uw blik
teu hemel steeds geheven,
Naar de onbevlekte Maagd,
wier voorspraak, op uw beê. Den schaf uw deel doe zijn
van \'s hemels eeuwigen vree. Geen nood, waar vrede woont,
in leven en in sterven ,
Daar mag de ziel op aard
reeds zaligheid verwerven.
XXVIII. IMMORTELLE.
T^f\'eol on wit is do Immortelle of Stroo-bloem, dip do bijzondere eigenschap bezit dat zij niet verwelkt. Deze onvorwelkbaarbeid beeft ze tot bet zinnebeeld des bemels o-eniaakt, waar de vreugde niet vergaat, maar eeuwig duurt. T)e goeden zullen ingaan in de eeuwige vreugde, zegt .Tesus Christus, en do Apostel Paulus zegt; n wij weten, dat, wanneer deze onze aardsche verblijfplaats afgebroken zal zijn, ons eene andere zal aangewezen worden, niet van menschenbanden gemaakt, maar eene eeuwige in den hemel.quot;
Aan deze Bloem gelijkt de allerheiligste Maagd Maria. Geheel haar streven was eene Immortelle, dat is, zij werkte voor den hemel, zij verzuchtte naar den hemel, en daarom zijn hare werken onsterflijk, en is bet loon barer
— 215 —
verzuchting de eeuwige schoone hemel! — O, mogt liet mij gelukken, door de beschouwing der Immortelle in uwe hurten, lieve christenen, met onuitwisehbnre trekken neer te schrijven , wat eens de groote Aartsbisschop van Keulen , Clemens August, in het stamboek van zijn vriend schreef: door goede werken en verzuchtingen wordt gij hier en ginds onsterflijk.
Het kleed, wat de godlijke Moeder-zelve spon en weefde voor haren godlijken Zoon, is op wonderlijke wijze tot op onze dagen bewaard gebleven. Die Hok, waarover de beulen bij de kruisiging het lot wierpen , wordt nog hedendaags te Trier bewaard; hot is n bekend, dat, toen, voor eenige jaren, deze Rok openlijk vertoond werd, meer dan vier millioenen menschen uit alle landstreken het heilig Kleed godvruchtig kwamen vereeren. Dit kleed uit één stuk geweven, zonder naad, het werk van de heilige Maagd, is, volgens de getuigenis der heilige Vaders, een zinnebeeld der ééne, ongedeelde heilige Kerk.
Het is ook tevens een heerlijk beeld dor on-verganklijkheid en onsterflijkheid van Maria\'s werken : zij arbeidde en werkte niet voor de aarde, maar voor den hemel; het is daarom.
/
dat, waar ook Maria\'s Naam verkondigd wordt, in het Noorden der IJszee of onder de gloeijende zon van Brazilië, op den oever van den Mjl of langs den blaauwkleurigen stroom van China, daar ook wordt verhaald, wat Maria heeft ver-rigt. Haar vrome wandel in den tempel, haar stil leven met Jozef, hare moederlijke bezorgdheid voor Jesus, haar bezoek bij Elisabeth, haar vlijtig en werkzaam leven te Nazareth en in Egypte, hare naastenliefde op de bruiloft te Canaan, hare overgeving aan Gods wil op Cal-varië, hare trouwe vriendschap voor Joannes en Magdalena , de ondersteuning welke zij door raad en daad verleende aan do jeugdige Kerk , al hare goede werken : zij vergaan niet, zij duren eeuwig voort, het zijn Immortellen , die nooit verwelken.
Zoo moeten ook wij, naar het voorbeeld van Maria, niet voor de aarde, maar voor den hemel arbeiden; en hiertoe noodigt ons de Heer-zelf uit, met deze woorden; „verzamelt u schatten, die noch door roest, noch door mot verteeren en welke u geene dieven kunnen ontstelen.quot; — Maar ach, bloedige tranen zon men storten , wanneer men de christenen onzer dagen beschouwt, en ziet, hoe zij voor alles meer zorgen dan voor den hemel;
— 217 —
zioli afmatten alléén voor hun linohaam, dat toch weldra in den grafkuil zal vergaan , maar volstrekt niets uitrigten voor hunne ziel, die loch rekenschap zal moeten afleggen op den dag des oordeels ; wier doen en laten, streven en zwoegen niets anders dan tijdelijk nut en aardsche voordeelen beoogt : zeepbellen, die zich in de lucht oplossen, hooi, wat, de wind wegvaagt, waterdrnppelen, die in de zee der eeuwigheid verdwijnen. Dwazen, die uit het oog verliezen, dat zij naar het graf niets medenemen dan hunne zonden en hunne goede werken, — en wee hun, indien de zonden de goede werken overtreffen.
Gij dan, lieve christenen, weest gij verstandiger, werkt voor den hemel door goede werken, zegt met den grooten schilder Correggio : ik schilder niet voor den tijd, maar voor de eeuwigheid; en dat de leus van den Keizer Lode-wijk van Beijeren de uwe worde : men moet vóór alles naar zulke schatten haken , die met den schipbreukeling naar den oever zwemmen.— Een lijkstoet trok eens door de straten van Weeneu ; doch, waf zeg ik, eene lijkstatie? buiten den Priester eu de dragers, die het lijk vervoerden, was er niemand bij, want het was een arm, onbekend mensch. Toevallig kwam Keizer
— 318 —
Frans I. denzelfclen weg langs gereden. Toen hij nu deze armzalige lijkstatie zag, steeg hij uit zijn wagen en volgde de baar. Toen klonk het door al de straten : de Keizer gaat meê te lijk! — eti in een oogenblik sloten zich duizenden bij hem aan, en toen men op het kerkhof gekomen was, volgde eene ontelbare menigte, een onafzienbare stoet. Zoo lang Weenen staat, heeft hot zulk eene lijkstatie uiet gezien, en zoo lang het staan zal, zal er van gesproken worden.
Zalig zij, die in den Heer sterven, want hunne werken volgen ben na. Dit zul ook voor u bewaarheid worden, o christen, indien gij op de aarde voor den hemel werkt: uwe goede werken zullen u volgen, gelijk die menigte menschen de lijkstatie diens armen, en u een gedenkteeken oprigten, dat de storm der jaren niet verwoest, en een krans van Immortellen op uw graf leggen, die nooit verwelken zal. Uw vroom gebed, uwe heilige Communiën, zij zullen u volgen; de armen , welke gij gekleed en gespijsd, de zieken welke gij bezocht en getroost, het kind wat gij aangenomen, de zondaar, dien gij op den rogten weg gebragt, do tranen welke gij gedroogd, de wonden welke gij geheeld, do aalmoezen welke gij uitgedeeld
hebt, de tooi der altaren, de versiering der kerken, de ondersteuning van clmstlijke vereeni-gingen, dat zijn, ook lang na uwen dood, de parelsnoer, de diamantketting, die tijd en eeuwigheid verbinden en u een eeuwig aandenken, reeds hier beneden, verzekeren; al het overige wordt vergeten op aarde en niet beloond in den hemel. De goede werken-allééu zijn Immortellen op aarde, want zij sterven niet. Immortellen in den hemel, daar hen het eeuwige leven wacht.
Na den dood van Christus, trok Maria, met Joannes en Magdalena, naar Ephesó, in Griekenland; maar voor haar uiteinde verzuchtte zij nog eenmaal, met al het verlangen harer ziel, naar haar vaderland. Joannes vervulde haren wensch en reisde met haar naar Jeruzalem. — Zoo moeten ook wij naar ons wezenlijk vaderland, den Hemel, verlangen; uitroepen met den heiligen Paulns : wie zal mij bevrijden van dit ligchaam des doods! wij moeten zuchten met den H. Augustinus : o land der rust, hoe smacht ik naar u; van do oevers dezes levens zie ik vol verlangen naam, o hemelsc.h vaderland, uit. Want de grootte onzer belooning en de zekerheid van ze eens te erlangen, zegl de II. Ambrosins , rigten zich naar de vurigheid van onze begeerte.
— 220 —
Toen cle heilise kluizenaar Arsenius den dood nabij was, werd hij door zijne broeders uitge-noodigd, Imn tot aandenken en afscheid eene heilzame spreuk na te laten. Hij sprak slechts deze twee woorden : Ginds — waar — en hij stierf. He broeders lieten nu een grijzen dienaar Gods om de beteekenis dezer woorden vragen, en deze schreef hun terug: zij beduiden niets anders dan : ginds, waar de reinste vreugde ons verbeidt, moeten wij nu reeds met onze harten zijn !
O hemelsche Immortelle, allerheiligste Maagd INI aria, die nu in den hemel eeuwig gelukzalig zijt, omdat gij op aarde slechts voor den hemel gewerkt hebt : verwerf ons van God de genade, dat wij, door verzuchting naar het een-wige leven en door goede werken, onze zaligheid in zekerheid stellen. Amen.
Wat kan den christen sterken En harden, \'t staal gelijk ?
Geloof en goede werken Zijn Gods genadeblijk.
Dit is des levens welle,
Het beeld der Immortelle.
Besteed dan, Christen, tijd en vlijt Alleen voor \'t dool der peuwi^heid.
XXIX. WITTE ROZEN.
witte I! o o s is voorzeker eene der schoonste bloemen, die ouder nlle soorten vun rozen liet krachtigste groeit, zoodat men er met geringe moeite rozenboomeu vim iiankwee-ken kan. Deze witte Koos is het zinnebeeld der vreugden van Maria ; wij willen ze als dusdanig meer van nabij beschouwen.
De geschiedenis meldt ons van de edele ro-meiusehe vrouwe Cornelia, dat, toen men haar eens naar Imre schutten en juweelen vraagde, zij hure kinderen liet komen, zeggende : ziedaar mijne schatten. En indien gij, lieve christenen, het beste moederhart, de allerheiligste Maagd Maria vraagt : Maria, wat is dan uwe vreugde? zoo zal zij u antwoorden ; J e s u s en g ij ! —
15
—,232 —
Werpt een blik op Maria, en ziet boe zij een kind baarde, te Bethlehem: hoe zij voor dit Kind knielt, het omarmt en kust, het omhelst en aan het harte drukt, het streelt en liefkoost , het nederlegt en andermaal omhoog heft, zich er over heenbuigt en het met tranen bevochtigt, terwijl haar hart klopt en haar oog fonkelt, en het maagdlijk rood hare wangen kleurt! Wie is dit Kind ? — Het is Jesus, hare vreugde, hare grootste , hare eenige vreugde!
Diep-bedroefd en het hart in rouw gedompeld over den dood van Christus, dwaalde de heilige Magdalena in den tuin rond; bittere tranen vloeiden langs hare wangen, en zij klaagde in deze woorden : zij hebben mijnen Heer weggenomen , en ik weet niet waar zij hem hebben gelegd. Eensklaps staat de Zaligmaker voor haar en roept ; Maria! — Zij staat op, herkent hem, en eene weêrgalooze vreugde vervult haar hart, bij dit woord. De smart is voorbij, de rouw geweken, het lijden gekeerd en deklagten zijn verstomd. Christenen, vat nu, zoo gij het vermoogt, begrijpt, zoo mogelijk, de vreugde, de blijdschap , de verrukking van het heilig hart van Maria, toen het Kindje in de krib voor Je eerste maal haar met den zoeten naam van Mee-
— 328 —
der begroette; toen het, de handjes naar haar uitstrekkende, met naamlooze liefdeblikken, voor de eerste maal, den allerzoetsten naam M o e d e r uitriep !— Toen hebben de Engelen de polsslagen van haar zalig hart geteld, en de uitverkorene geesten des hemels zullen hare vreugdetranen hebben ingezameld.
Op een hoogen heuvel zat de moeder van den vromen Tobias, en rondziende, wierp zij bare angstige blikken over de gansche uitgestrektheid der verre landstreek, terwijl hare bange verwachting nu en dan met een enkele straal van hoop werd verlicht. Daar ziet zij iets in de verte verschijnen ; zij springt op , stelt zich op de teenen, wrijft zich de oogen : hij is het, roept zij uit, hij is het, mijn zoon , mijn staf, mijn steun, mijn troost!
Christen, deze vreugde is maar eene flaauwe schets van die, welke Maria gevoelde , toen zij, na drie bange nachten, na drie angstvolle dagen, haren .Tesus terugvond . toen zij hem leerende zag in den tempel; eene vreugde, die, volgens den heiligen Bernardus, alle begrip overtreft: eene vreugde, die door geen menschenwoord kan uitgedrukt worden.
Verbeeldt u, lieve christenen, eene aardsche
— 324 —
moeder, wier zoon, na zijne studiën te hebben volbragt, tot priester gewijd, op den zoo lang gewenschten dag, zijne eerste heilige Mis aan God opoffert : wat gaat wel om in het hart dier moeder, wTelke gevoelens bezielen haar, wanneer zij hem ziet met het priesterlijk gewaad gekleed , zijne schreden rigtende naar het altaar, om de eerstelingen van zijn priesterschap te gaan opdragen; wanneer zij, in den morgen van dien eeredag, door haren zoon gezegend wordt, en het Brood der Engelen ontvangt uit de handen van hem, dien zij baarde; wanneer zij voor de eerste maal Gods woord door zijnen mond hoort verkondigen; wanneer alle moeders haar gelukkig-noemen , wijl zij de moeder eens priesters is! O, hoe vele zoete vreugdetranen stort zij dan niet in dat zalig uur; dan heeft zij de smarten vergeten, waarin zij baarde, en zij voelt zich rijkelijk beloond voor alle zorgen en opofferingen !
Christenen, meent gij nu wel de vreugde van de allerheiligste maagd Maria te kunnen beseffen , toen Jesus zijn leerambt aanvaardde en haar te Nazareth bezocht; toen zij Hem zag neerzitten op die mat, waarop Hij als kind gezeten had, en het brood nuttigen, hetwelk Hij zegenend gebroken had; toen zij Hem de zieken
zag bezoeken, om hun de gezondheid terug te geven; toen zij Hem zag woorden des eeuwigen levens rigten tot de duizenden, die van ver en van nabij tot Hem stroomden, hunne tranen droogen en hunne wonden heelen ? Zoo iets vermoeden, voelen wij misschien , maar wij zullen het nooit vatten of begrijpen ; daartoe immers moesten wij hare heilige moederliefde, de gloei-jende kinderliefde van den Zoon bezitten !
Indien men Ingeburgis, koningin van Castilië, van het graf haars zoons moest wegrukken, om haar niet van smart te laten sterven, welke grievende smart moet dan niet het hart van Maria hebben doorboord ! Zulk eene Moeder bij het graf van zulk een Zoon ! Leidt hieruit af de vreugde van het terugzien op aarde, van het wederzien in den hemel! Terwijl de vrome vrouwen , ontsteld en verbaasd in het ledige graf neêrblikten, stond Maria, beweegloos van vreugde, op eenigen afstand, tegen een ouden olijfboom geleund. Een jonge mensch onderhield zich zachtjes met haar; deze jonge mensch was de roemvolle verwinnaar der hei, gelijk de heilige Ambrosius zegt, Jesus Christus. Het werd nooit bekend, wat omging in deze bijeenkomst, maar zeker is het, dat Maria, wier sterke ziel eene
— 226 —
meer dan mensohlijke smart verduurd had, toen ook eene vreugde voelde, welke wij niet zouden kunnen verdragen, zonder te sterven.
En toen Maria, gelijk de vermoeide maaijer, die schaduw en rust zoekt in het gloeijende middaguur, naar de koele schaduw des levensbooms begon te verzuchten, die voor den troon des Heeren groeit, naar die eeuwig-vloeijende levensbron, toen werd hare smeekstem verhoord. Stervende zag zij den hemel open, en den Men-schen-Zoon, neerdalende op eene lichte wolk. Welke vreugde ! Bij dezen aanblik straalden hare oogen in den glans der moederliefde en zaligheid , en aanbiddend ging zij over in de eeuwigheid tot haren Zoon, jubelend en zingend den vreugdezang ; mijn geest verheugt zich in God, mijnen Zaligmaker!
Lieve christenen, dat is de vreugde, welke Maria in Jesus schepte; doch ook wij zijn hare vreugde !
Dat wij de kinderen van Maria zijn, is u bekend : zij werd immers voorbestemd als de moeder van het geheele menschengeslacht; Jesus, gaf haar ons daarenboven, van zijn kruis af, tot moeder : zoon, ziedaar uwe moeder!— Maar, dat wij als kinderen hare vreugde uitmaken, wil
— 227 —
ik u bewijzen. quot;VVij zijn haren .Tesus gelijk , dewijl wij naar zijn evenbeeld geschapen zijn; wij dragen hetzelfde kleed als Jesus, omdat ook Hij de mcnschlijke natuur heeft aangenomen; het bloed haars geliefden Zoons heeft ook onze zielen rein gewasschen; ons vaderland is dat van haren Jesus, de hemel. Deze overeenstemming in natuur , kleeding, bezigheid en einddoel brengt reeds hier op aarde een vreugdevol gevoelen voort, en daarom ook zeide Maria tot de heilige Brigitta ; u weet, dochter, dat de kinderen der mensohen mijne grootste vreugde zijn. quot;
Doch, lieve christenen, hoe zal niet die vreugde zich eindeloos vermeerderen in het hart van Maria, wanneer zich aan deze meer uitwendige gelijkenis, ook de inwendige, die eens vromen en deugdelijken levenswandels aansluit; wanneer uwe harten witte Rozen zijn, wit door kuischen zin , en groen door het vaste vertrouwen op de liefde van Maria! O Christen, dan zal uwo ziel in vreugde jubelen, en, gelijk eens de heilige Paulus aan die van Thessalonica schreef ; n wie is onze vreugde ? — gij zijt onze vreugde , onze eerekroon,quot; zoo zal ook Maria tot u zeggen : gij zijl mijne vreugde, mijne grootste vreugde!
— 228 —
Gedurende dertig jaren leidde Aiio\'ustinus een zondig leven, perste zijne moeder bittere tranen af, was hare smart en haar lijden. Maar, toen hij zich bekeerde, knielde hij neder voor zijne moeder, bad om vergiffenis en riep ; gij hebt mij in smarten gebaard, en ik, ik was u niet dankbaar; gij hebt mij een tweedemaal gebaard in tranen en gebed , 1111 wil ik uwe vreugde zijn en uw troost voor altijd ! — Herkent u allen , Christenen, in Augustinus. Door de voorspraak van Maria zijt gij allen , min of meer, tot een beter leven herboren , uit de ondeugd en ellende der zonde opgebeurd; zegt dan ook met Augustinus : nu wil ik zijn en blijven uwe vreugde, om mij dankbaar te toonen voor uwe overgroote liefde ! Ik wil vlijtig bidden , de heilige Sakra-menten geregeld ontvangen , de kwade gelegenheden mijden, bijzonder de onzuiverheid vlugten; ik zal u in allen nood met vertrouwen aanroepen; uit liefde tot u zal ik aalmoezen geven, de zieken bezoeken en werken der naastenliefde oefenen; mijn streven zal zijn, u louter vreugde te bereiden : dan zal uit mijn hart de witte Koos opschieten , hel zinnebeeld uwer vreugde , en , gelijk eens de homelscbe Vader bij den Dood van Jesus Christus riep : » deze is mijn welbe-
— 239 —
minde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb,quot; zoo zult Gij ook over mij uitroepen ; dit is mijn geliefd kind, waarin ik mijne vreugde gesteld heb. Amen.
Uw beeld , ó witte Roze,
Maakt vrolijk ons gezind, Zij zegt ; de Vlekkelooze
Is \'t, die ons, zondaars mint.
Eens kuste ze innig teeder
Het Jesus-kind den mond, En zoo legt ze ook ons neder In \'t diepst van \'s harten grond.
ó Moog de zonde nimmer
Ons scheiden, lot haar smart. Maar kroost en moeder immer Naauw rusten hart aan hart.
XXX. LINOCERA.
Kamperfoelie,
■Y/Ve Meimaand loopt reecis ten einde , en met \'Jsï^liaai\' eindigen de schoone dagen, geheiligd door bloemkransen, opgedragen aan Maria\'s Moederhart. Ilc mag dan ook deze plegtigheid niet besluiten, zonder u de oefening te hebben op het hart gedrukt van die deugd, zonder welke alle andere niets zijn. Ik bedoel hier de v o 1-h a r d i n g in de liefde tot Maria ; en de zoogenaamde Kamperfoelie zal ons dienen tot zinnebeeld dezer deugd.
De Kamperfoelie is eene bekende slingerplant, die veelal ter bekleeding dient van prielen , zomerhuisjes en dergelijken, langs wier wanden zij omhoog kronkelt. Zij heeft een welrie-
— 231 —
kenden , meestal rood- en witachtigen, ook wel geelaohtigen bloesem, die zich in vijf deelen splitst , en op een krommen vinger gelijkt. Hare bladeren wassen in dier voege te zamen, dat de stengel er menigmaal midden door gaat.
De Kamperfoelie wordt ook quot;Roos van Je rich o genoemd, en past daarom op de Moeder Gods, die, zoo als u bekend is, door de H. Vaders, ook de quot;Roos van Jericho wordt genoemd. — Maar de Kamperfoelie heet ook nog: hoe langer hoe lievér, en drukt, uit dien hoofde, op eene zonderlinge wijze de deugd uit, waarover ik heden spreken wil : de volharding; want, hoe langer iemand bij deze Bloem stilstaat, des te liever wordt zij hem, door den heerlijken geur, dien zij, \'s avonds bijzonder, uitwademt. En de allerheiligste Maagd Maria, zij roept ons, als het ware, door deze quot;Bloem toe , hoe langer hoe liever ! Hoe langer gij mij bemint, hoe dierbaarder gij mij zijt! Hoe langer gij mij vereert, hoe aangenamer gij mij zijt! Hoe langer gij mijn kind zijt, des te liever wil ik hier en in eeuwigheid uwe moeder zijn !
O, lieve christenen, dat u deze stem niet te vergeefs in de ooren klinke, die moederstem , die u zegt: kom, mijn kind, luister naar een raad
— 333 —
dien ik u geef, en draag zorg voor de zaligheid uwer ziel. De heilige Jozef van Cupertino vroeg haar: waardoor? En zij gaf hem ten antwoord: door trouwe liefde voor mij tot in den dood.
Gij allen, christenen, niet waar, gij wilt, ja, uwe ziel redden en den hemel binnen gaan? Welaan dan, hoort wat de H. Augus-tiuus zegt: er bestaat een teeken van voorbestemming voor den hemel, namelijk wanneer men Maria voortdurend lief heeft; en een ander Heilige doet de volgende uitspraak : « eeue nog zoo kleine, maar volhardende godsvrucht tot .Maria, is in staat ons zalig te maken.quot;
Een jongeling, die zeer lichtzinnig van leven was, wilde op de vlugtgaan, bij de tijding dat de Missionarissen in zijne geboortestad waren aangekomen. Hij stond reeds gereed, om zich in den postwagen eene plaats te bestellen, toen een onbekend iets, waarvan hij zich-zelf geene rede kon geven, eene inwendige stem, eene onweder-staanbare kracht hem tegenhield: hij zon blijven om eene preek te hooren. — Deze eerste toespraak trof hem in dier voege, dat hij er niet eene meer oversloeg. Het gevolg hiervan was, dat hij , onder de schoonste teekens van een opregt berouw, zijne levensbiecht aflegde. Toen
— 333 —
«le biechtvader hem vroeg: hebt gij wel ooit de Moeder Gods bemind ? gaf hij ten antwoord : alle gebeden heb ik vergeten , zelfs het Onze-Yader ken ik niet meer : het Wees gegroet alléén bad ik dagelijks, dewijl mijne stervende moeder mij zulks aanbevolen had.
Twijfelt gij, lieve christenen, of dit Weesgegroet dezen jongeling de genade der bekeering heeft verkregen? Ja, dit kort gebed, misschien zonder godsvrncht, maar bij voortduring dagelijks uitgesproken, dit Ave-Maria was hel anker, waaraan zijne arme ziel, temidden van de stormen des levens, haar behoud te danken had; dit Ave-Maria was de ster, die hem tot een beter leven voorlichtte; dit Ave-Maria was de band, waarmede hem Maria van den rand des afgronds, tot haar moederhart en tot den boezem van zijnen godlijken Vader terugbragt.
Neemt daarom het vaste besluit, te volharden in uwe gewone godsvruchtoefeningen tot Maria, hoe klein, hoe gering, hoe onbeduidend zij ook mogen zijn; de volharding verhoogt ze, de volharding geeft haar waarde, en wie weet, of de lieve God niet aan deze oefening uw eeuwig-geluk , of uw eeuwig ongeluk verbonden heeft ?
Of verdient Maria slechts eene kortstondige
liefde, eeue vereering van ééne maand? Verdient zij niet veeleer eene volle en bestendige liefde, eone trouwe liefde tot den dood? Heeft zij ons niet lief gehad als kind, toen zij, uit liefde tot ons, zich in den tempel aan God heeft toegewijd? Heeft zij ons niet bemind als maagd, daar zij Jesus voor onze zaligheid heeft gebaard? En in latere jaren, heeft zij ons niet teêr bemind, toen zij haren Zoon voor ons liet slaan aan het kruis? 1 leeft zij ons geene buitengewone liefde betoond , zelfs nog in hoogen ouderdom? — Bemint zij ons thans niet van boven, uit den hemel, met eene liefde, die voortduurt van de wieg tot aan het graf ?
Kent gij de zilverwitte draadjes, die in den nazomer en in den herfst in de lucht rondfladderen, aan onze kleederen vastkleven en ons geheel overdekken? Tot heden ten dage toe weten de natuurkundigen ze nog niet op eene voldoende wijze te verklaren, en de vrome legende noemt ze Moedergodsdraadjes; de Moeder Gods spint, \'t is haar spinsel. — Een treffend en heerlijk toonbeeld van de weldaden en liefdebewijzen, waarmede zij den mensch overdekt , ook wanneer hij ze niet verdient, ja, zelfs dan, -.van-neer hij ze niet hebben wil, wanneer hij haar
— 235 —
niet dankt. Gaat, nu, in de lentedagen, op een weiland en telt, zoo gij kunt, de bloemen, die un\' gezigt bekeven; telt, indien \'t u mogelijk is, de bladeren; even zoo talloos , even zoo onafzienbaar zijn de neldaden en liefdebewijzen ons door Maria geschonken!
Hebt dan ook, voor uwe goede moeder, eene trouwe, eene bestendige, eene eeuwigdurende liefde. Toen de hongersnood in het land van Judea voorbij was, keerdeXoëmi weder terug.Hare twee schoondochters, Orphaen Euth, vergezelden haar; half weg gekomen, sprak Xoëmi : keert nu huiswaarts, thans vind ik den weg wel alleen; ik dank u voor uwe liefde. Orpha liet zich overreden , Ruth niet. Neen, zeide deze, neen, moeder, ik ga met u en blijf bij u: niets zal mij van u scheiden; de hut die n herbergt,zal ook mij eene schuilplaats verleenen; die u beminnen, wil ik ook beminnen, en in het graf, dat u opneemt, zullen ook mijne stoflijke overblijfsels rusten.
Ziet-daar, lieve christenen, een allerschoonst toonbeeld! Zoo moet onze liefde tot Maria ook zijn; juist gelijk Ruth, moeten wij tot de heilige Moeder-maagd zeggen ; neen, Moeder, niets zal ons van u scheiden; u willen wij dienen , alle dagen onzeslevens; daar, waar gij woont,
— 286 —
daar zullen ook wij gaarne verblijven; dien beminnen , zullen ook onze geliefkoosde vrienden zijn; tot den dood toe, tot onze laatste stonde, tot dat ons hart ophoudt te kloppen, willen wij de uwen zijn en de uwen blijven!
Lieve christenen! gij weet uit de H. Schrift, hoe eens de veldheer .Tozuë uitriep; sta stil, zou, voor Gideon, en gij, 6 maan, in het dal Ajalon ! En ziet, beide hemelligchamen stonden stil, en het werd in dien tijd geen nacht.
Had ik, lieve christenen, de geloofskracht van den veldheer Jozuë, ik zou roepen; Meimaand, duur voort; wijk niet, gij schoone maand, in wier loop zich uwe liefde, uwe godsvrucht tot Maria zoo schoon en zoo hartroerend heeft geuit; Meimaand, blijf immer voortduren!
Lieve Christenen ! dat deze liefde nimmer in uwe harten te niet ga; dat deze godsvrucht nimmer verkoele, maar van dag tot dag meer en meer toeneme en aangroeije, tot op dien zaligen oogenblik, wanneer wij, door de ver-eering van Maria, in dat land zullen binnentreden, waar noch afwisseling noch verandering meer te vreezen is. Amen.
— 237 —
Wij smeet en IJ, o Maagd Maria, wees genaflip, En houd ons hart in gloed, dat koel wordt al te snel. Gcet, dat bet God en U ter eer, zijn hoop gestadig En onwrikbaar-vast op uwe voorspraak stel. Verwerf voor die U dient, volharding in het goede, Opdat we \'t wee ontgaan van \'s Regters strenge roede.
16
XXXI. VERGEET-MIJ-NIET.
.VJYVi is de krans voltooid, dien wij in de yvv mii and ]\\[ei aan de Moeder Gods toewijdden, voltooid tot op een enkel bloempje na, waarmede wij dien krans willen sluiten !
Kent gij liet blaauwe bloempje, dat in tallooze menigte langs de oevers der beken groeit, dat met zijne kleine blaauwe oogjes ons vriendlijk aanlacht, en waarvan eene vrome legende zegt, dat de Heer liet, onder alle bloemen, het laatste ü\'esohapen en een naam er aan gegeven heeft, die den mensch moet waarschuwen, om de schoonheid der natuur, haren Schepper niet te vevo-eten ? T)}i1 is liof \\ evoquot;get-irnj - ni61.
Hot Y e r o; e e I - m ij -11 i e t is oen li 3II ijk bloempje, «lat «loet ilenken aan liet liemelscli
— 23il —
vergeet-mij-niet, nan Maria, welke de lieiligo Kerk begroet met den titel: Virgo amabilis, beminnenswaardige Maagd. Maria is beminlijk en heeft ons lief. Onder het woord : beminlijk, begrijpen wij de vereeniging van de schoonheid des ligchaams met de schoonheid der ziel, de verbinding der uitwendige schoonheid met de inwendige, welke wij in Maria aantreffen. Naar het ligchaam was zij zoo schoon, dat de heilige Dionysius, die met haar te gelijker tijd leefde, zeide, dat hij haar zou aangebeden hebben als eene godin, zoo hij niet geweten had , dat zij de Moeder van Jesus was; en wij weten , dat zij zelfs op hoogen ouderdom , op haar sterfbed , nog wonderlijk schoon geweest is; want noch de tijd, noch de dood waagde het, dit uitverkoren vat van genade aan te roeren en te veranderen. Hare ziel was zoo schoon, dat van haar het, woord der H. Schrift geldt : « de schoonheid eener koningsdochter is in haar binnenste. quot; Haar hart was de troon van alle deugden ! Wilt ge de ootmoedigheid ? Aanschouw hoe zij met diepgebogen hoofde tot den Engel spreekt : zie, ik ben de dienstmaagd desHeeren! — Wilt ge de liefde? Denk aan hare reis naar Elisabeth en aan de bruiloft te Cana. — Wilt ge de dankbaarheid ?
— 24n —
Hoor den jubelzang liarer flanklmre ziel : TToog prijst tnijue ziel den Heer! — Will ge onderwerping? Zie dan, lioe ze daar staat, onder het kruis liaarsZoons, wel is waar, meteen gebroken, maar toch aan Gods wil onderworpen hart! — Daarom heeft de heilige Anselmus regt, wanneer hij zegt, dat Maria het schoonste schepsel was, dat ooit uit de scheppende hand van God voorl-kwam, omdat in haar, gelijk in geen ander, lig-chaaras- en zieleschoonheid in zoo onuitspreeklijke harmonie vereenigd zijn geweest! — Maria heeft ons lief. Zal zij de woorden haars Zoons niet vervullen : «daaraan zal ik n erkennen, dat gij mijne jongeren zijt, wanneer gij elkander lief hebt?quot; zal zij, die eens gezegd heeft : n alles, wat hij u zegt, doe dat!quot; den laatsten wil van haren stervenden Zoon niet nakomen ; « Moeder, zie daar uwen zoon?quot; — Ja, zij bemint ons, en in de Heilige Schrift vinden wij den ganschen schat harer moederlijke liefde tot ons neergelegd, en met hare altijd klimmende volgorde geopenbaard in de woorden, welke de heilige Kerk op Maria toepast: Ik bemin, die mij beminnen; nog meer; ik word gemaklijk en zonder moeite gevonden door hen., die mij beminnen ; nog ireer ; ik kom hen te gemoet, die mij aanroepen, nog
— 241 —
Ifleer : ik voorkom hen, die naar mij verlangen, en vertoon mij bet eerst aan hen! — Wanneer gij dit leest of hoort, christen, wordt dan uw hart niet geroerd en aangedaan, weggerukt door de eindelooze liefde van Maria tot u? en moet gij niet uitroepen met den heiligen Thomas van A illanova ; o Maria, wanneer ik de eindeloosheid uwer liefde tot mij beschouw, dan gaat het mij, even als wanneer ik in den glans der middagzon staar : verblind sla ik de oogen neder, die van tranen vochtig zijn.
Het Vergeet-m ij - niet is, waar het zich bevindt, in tallooze menigte, en quot;^herinnert ons de menigte der genaden, welke wij door Maria ontvangen. Zij-zelve is de genadevolle, gelijk de Aartsengel haar begroette : wees gegroet, Maria, gij zijt vol van genade! — Ja, zij is een wonder der genade; uit liefde tot haar, hief God de meest-algemeene, de meest-volstrekte wetten der natuur op. Maria bleef maagd, voor, in en na de geboorte van Jesus Christus, terwijl dit toch bij geen menschlijk schepsel het geval is. Maria baarde haren Zoon zonder smarte, zonder zwakte, zonder lijden, terwijl het toch heet : in smarte zult gij uwe kinderen baren. M a r i a leefde zonder
— 243 —
eenige zonde, ja, zelfs zonder vrijwillige onvoi-maaktheid, terwijl tocli geschreven staat : ieder mensch is een zondaar. Maria stierf zonder droefheid en zonder schrik, zonder angst en strijd, terwijl toch elke natuur voor het sterven beeft. Het ligchaam van Maria bleef vrij van verderf in het graf, terwijl God-zelf toch gezegd heeft; gij zijt stof, en tot stof en ascli zult ge wederkeeren ! — M a r i a heeft een God gebaard, en een God is haar gehoorzaam en doet, wat zij, zijn schepsel begeert. Maria is onbevlekt ontvangen, terwijl wij toch allen moeten zeggen : in zonden zijn wij ontvangen ! -Deze grootste en hoogste genade, welke God nooit aan een menschlijk wezen gaf noch geven zal, schonk hij haar op een oogenblik dat zij nog niet er om bidden, dat zij zich deze niet verwerven kon. — Christenen, zal hij haar dan nu eene genade weigeren? — Neen, neen; daarom is het waar ; wanneer M a r i a bidt, verkrijgt zij alles van God; daarom is het waar, dat Maria alvermogend is door de kracht harer voorspraak, gelijk God almagfcig is door de kracht zijner natuur; daarom is het waar, wanneer do heilige Anselmus haar noemt: de knielende almagt! — Zij is de moeder
— 248 —
der genade voor ons, want .le Heilige Schrift zegt van haar; « bij haar is alle genade des levens;quot; de heilige Vaders begroeten haar als de moeder der genade, de uitdeelster, de schat-meesteres der genade; en de heilige Bernardus zegt; dat alle genaden, welke wij van God verwerven, ons door de handen van Maria worden medegedeeld.
Het Vergeet-mij-niet is blaauw, en deze blaauwe kleur doet ons denken aan den hemel, waarvan gezegd is ; de goeden zullen binnengaan in de eeuwige vreugd. O, zucht en smacht naar den hemel ; want, hoe grooter liet verlangen daarnaar is, zegt de heilige Theresia, des te zekerder komen wij er in.
En hoe zoudt gij, lieve christenen, niet vurig verlangen naar den hemel, naar eene eeuwig ouverganklijke vreugd, thans, daar u dit oogen-blik luider en krachtiger dan ooit toeroept, dat op aarde alles voorbijgaat, vroegtijdig en snel! — Thans is hij voorbij, de schoone Mei-tijd, die heerlijke maand, gedurende welke gij in deze kerk zoo dikwijls vertoefd, voor dit altaar 1 zoo vaak geknield, voor dit beeld van Maria zoo gaarne gebeden hebt; heen is de tijd , die eene nieuwe leute van liefde en godsvrucht tot
— 344 —
Maria in uwe harten zag bloeijen ; voorbij is de tijd, die zoovele duizende zielen in het eene gevoelen vereenigde, om Maria te vereeren en hare heerlijke deugden natevolgen! Zoo gaat alles voorbij ! — Daarom, S u r s u m c o r d a ! het hart ten hemel gerigt, waar de vreugde eeuwig duurt en de liefde onverganklijk is ! — W Ut gij den hemel beërven, o dan vereert Maria al de dagen uws levens, want een ware vereerder van M a r i a , zegt de H Alphonsus, kan niet verloren gaan.
Maar gij , o hemelsch Vergeet-mij-niet, allerheiligste Maagd Maria, vergeet ons niet, die voor uwe voeten liggen, om u den krans van een-en-dertig bloemen, te uwer eer gevlochten, toe te wijden. Verkrijg door uwe magtige voorspraak bij God, dat deze bloemen nooit verwelken, dat de deugden, welke zij verbeelden, zich toonen in ons leven, en dat wij door U tot Jesus komen, die geloofd en geprezen zij, in eeuwigheid ! Amen.
— 345 —
Aau \'t kransje, dat de Meimaand biedt
En voor Maria vlecht,
Zij \'t. liefelijk Vergeet-inij-niet Als laatste Bloem gehecht.
Die bloem herinner elk den pluft,
Te zijn Maria\'s kind,
Daar zij, die ons aan \'t harte ligt. Ons moederlijk bemint.
Aanvaard in gunst den bloemenkrans,
Maria , U bereid ,
En schenk ons eens daarvoor den glans Van \'s Hemels heerlijkheid.
Morgen-Dag- en Avond-gebeden,
TOEGEWIJD AA.N DE
JvLLmiïMWI MAAm
EN
MOEDER GODS
MORGENGEBED.
donkere nacht is vervlogen. Ik open mijne oog\'eu voor het licht vjin eenen nieuwen dag\'. Een gemste slaap heeft de verzwakte krachten mijns ligchaams hersteld. Opgeruimd en moedig begin ik den nieuwen morgen. Dank zij U, Oneindige! wiens engelen mijne sluimering bewaakten , voor het aanwezen, dat Gij mij hebt verleend, en dat ik door uwe liefde bij eiken morgen hernieuwd gevoel! Daarom zij het ook heden U op nieuw toegewijd. Moge iedere dag uw beeld, dat ik in mijne ziel draag, duidelijker kenbaar doen worden; moge iedere dag mij door toenemende liefde nader tot IJ brengen , en mij inniger met mijne medemenschen, uwe kinderen, vereenigen. O, dat ik heden zoo gelukkig raogt zijn, door woord en daad te bewijzen, dat uwe liefde mijn hart vervult! Met blijdschap wil ik elke gelegenheid aangrijpen , die zich voor mij opdoet , om voor hot heil mijner medebroeders te
— 250 —
arbeiden! Gfuinit\' wil ik de tranen van den lijdende droogen, waar ik zulks vermag; gaarne deu beleediger vergeven; gaarne den gevallene de hand reiken, en, waar liet mij mogelijk üij , den weg mijns naasten met bloemen beplanten, liet eerst echter wil ik in den kring diergenen werkzaam trachten te zijn, die mij het naast omringen; die uwe hand heeft bestemd tot mijne reisgenooten op den weg naar het vaderland. Om Uwentwil wil ik hen liefhebben, en, uit liefde tot U, de pligten van mijn beroep zoo getrouw en zorgvuldig mogelijk betrachten. Verre zij het van mij anderen door bittere, liefdelooze woorden te krenken, of mijne medemenschen daadzakelijk te beleedigen ; verre zij het ook van mij door lage en onreine lusten Uw beeld uit mijn hart te verbannen. Zegen , o Vader, mijne heilige gelofte, die ik in dezen morgenstond voor uwen troon nederleg. I we genade behoede mij! Uwe hand geleide mij langs den doolweg-des levens en brenge mij eenmaal tot het doel, hetwelk uwe liefde mij heeft aangewezen.
Heilige Engel dos Hoeren, dien Hij mij tol beschermer heeft gegeven : blijf mij, gedurende dozen dag, nabij! Verwijder van mij de gevaren der verleiding , bewaak mijne onsterflijke ziel,
— 231 —
en hemd mij staancle, als ik op liet punt lien om te vallen. Ondersteun ook liet gebrekkig ligcliaani, opdat het, door kraclit en gezond-lieid, een geschikt werktuig mijner ziel blijve! Bid voor mij en alle menschen, opdat wij eenmaal met u Gods aangezigt van eeuwigheid tot eeuwigheid mogen aanschouwen. Amen.
BEDE TOT DE MOEDEE DES HEEREN.
IN DEN MOHOENSÏOND,
JSeilige, hooggezegende Maagd! lichtende ster in den duisteren nacht onzes aardschen levens 1 verheven voorbeeld van liet menschlijk geslacht, welks sieraad gij zijt: tot u kom ik in den morgenstond van dezen dag, u om uwe heilige voorspraak aanroepende ! Verwerf mij van uwen Zoon, mijnen Heer en Heiland , de genade van een vroom en rein liart, zoo als gij het in uwen maagdelijken boezem draagt! Verlaat mij niet in de ure der bekoring, en wees mijne beschermster in de lijdelijke gevaren. Een kinderlijk vertrouwen op u vervult mijn hart, gij zult het regtvaardigen; gij zuil , als liefhebbende moeder, aan mijne zijde gaan, als ik uwe liefdevolle, geleidende hand niet versmaad en mij van
— 252 —
haar niet losrukki\'. Zoo liü^in ik dan , vertrou-wentl op nwe veelvermogende voorbede, vrolijk en moedig eenen nieuwen dag. Gij kunt, gij zult uw kind niet verlaten, tot dat bet, aan het einde van zijnen pelgrimstogt op aarde genaderd, zich met u eeuwig mag verheugen in het aanschouwen van uwen Zoon. Amen.
50*-°
AVONDGEBED.
nVVTjf-ijn Vader! in dit stille avonduur kom ik tot yferyvi U, om ü den vurigen dank mijns harten op te dragen voor uwe liefde, die heden zoo zegenrijk over mij waakte — om nog eens terug te zien op de vervlogen uren van dezen dag , en voorwaarts te blikken op den tijd, die nog komen zal. Ja, Vader! onuitspreeklijk was uwe goedheid jegens mij. Gij hebt mij heden voor ongelukken en smartlijken kommer bewaard, en zoo deze dag mij welligt eene groote of kleine vreugde onthield, of een doorn inij op mijnen weg verwondde, hoe veel goeds werd mij van uwe hand ten deel; want in uwe liefde verklaren zich ook
— 253 —
de tegenspoeden des levens, en in den milden zonneschijn der liefde, draagt de boom dei-smarten vreugde en kommer; beide zijn zegeningen van uwe Vaderhand, als de dwaasheid of booze wil der menschen dien zegen niet in vloek verandert. O, dat ik van mijzelven de getuigenis konde afleggen, heden van mijne zijde alles te hebben aangewend, om de liefderijke inzigten mijns hemelschen Vaders te bevorderen. Als ik eohter eenen onderzoekenden blik in mijn hart werp, hoe beschaamd sta ik dan voor U, wien ik dozen morgen de heiligste geloften deed! O, dat mijne beste voornemens nog zoo dikwijls schipbreuk lijden op onbeduidende nietigheden; dat mijne hartstogten altijd op nieuw ontwaken, en mij dan meermalen doen vallen, als ik in dwaze trotschheid waande, niet meer te kunnen vallen. Menige overtreding, menig blijk van ligtzinnigheid heb ik mij dezen avond weder te verwijten ; ja , ik gevoel het, dat ik menigmaal met ondank uwe oneindige liefde heb vergolden. O vergeef het mij. Allerheiligste! die, in weerwil mijner zwakheid, mijnen opregten wil om U lief te hebben kent. Eust mij uit met kracht en moed, dat ik morgen het groote werk mijner verbetering op nieuw beainne, en daar-
17
mede onoplioudelijk voortga, zoo lang Gij mij nog het aardsohe leven wilt verleenen. Laat mij niet moede worden, wanneer ik ook weder mogt vallen, maar mij te inniger met U verbinden, lioe meer ik gevoel, dat ik in mijne eigene zwakheid niets vermag. In de zalige hoop op uwe bescherming, leg ik mij weldra op mijne legerstede neder ; het vermoeide ligehaam heeft rust noodig, laat hetzelve die ten deel vallen! Dat mve heilige Engelen over mij en allen, die mijn hart dierbaar zijn , de wacht houden! Behoed mij en al uwe kinderen voor alle gevaren, die welligt onzigtbaar, onze sponde omzweven. Laat uwe genade ons bewaken, en geef dat wij allen in den volgenden morgenstond welgemoed onze oogen mogen heropenen. Heilige Maria, Moeder onzes Heeren! uwer voorbede beveel ik mij op nieuw, nu de nacht genaakt. Beschut gij mijnen slaap, gelijk de teedere moeder bij haren zuigeling waakt. Wees en blijf mijn troost en mijne toevlugt, nu en al de dagen mijns aardschen levens. Amen.
— 204. —
mede onoplioudelijk voorto-a, zoo liitig Gij mij nog; het aardsche leven wilt verleenen. Laat mij niet moede worden, wanneer ik ook weder mogt vallen, maar mij te inniger met LT verbinden, hoe meer ik gevoel, dat ik in mijne eigene zwakheid niets vermag. In de zalige hoop op uwe bescherming, leg ik mij weldra op mijne legerstede neder ; het vermoeide ligcbaam heeft rust noodig, laat hetzelve die ten deel vallen! Dat uwe heilige Engelen over mij en allen, die mijn hart dierbaar zijn , de wacht houden! Behoed mij en al uwe kinderen voor alle gevaren, die welligt onzigtbaar, onze sponde omzweven. Laat uwe genade ons bewaken, en geef dat wij allen in den volgenden morgenstond welgemoed onze oogen mogen heropenen. Heilige Maria, Moeder onzes Heeren! uwer voorbede beveel ik mij op nieuw, nu de nacht genaakt. Beschut gij mijnen slaap, gelijk de teedere moeder bij haren zuigeling waakt. quot;Wees en blijf mijn troost en mijne toevlugt, nu en al de dagen mijns aardsclien levens. Amen.
MISGEBEDEN
ter eere, en op de feestdagen van de allerheiligste Maagd Maria.
Bt| hst nemen van wijwater en bij den Zagen
(Naur de H. Elisabeth van Schönau.)
od de Vader zea:enet mij! Jesus Christus bpsplterme f mij! De heüiamp;-e Geest verlielite mij ! Sta mij bij, n Heer. mijn God! Door uwe penarie ben ik immers alles , wat ik ben! ü zij lof en eer en flankzeg\'o\'ins:, o ti-pzegoiule en eenwio-R-lorierijke. Iieilioie Drievuklisflieitl! Amen.
Tot Maria.
(Naar den heiligen Fidelia van Sigmaringen.)
eilio\'e Maas:cl Maria, Moeder Gods! zie ook ik nader lieden, op uwen t\'eestdao-, tot u, eii bid u om uwe welwillende voorspraak bij den lieven God. Verkrijg mij van uwen Zoon eene
— 256 —
bijzondere liefde tot u, dat ik u als mijne moeder en koningin verkieze, en gij mij als uw kind en • uw onderdaan aannemen wilt! — Verkrijg mij, door uwe magtige voorspraak, de erbarming uws geliefden Zoons, dat hij mij mijne zonden vergeve, en ik waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrenge, door een op-regt en onafgebroken berouw! — Verkrijg mij, door uwe moederlijke voorspraak, den waren o-eest der versterving, der gehoorzaamheid, der orde in mijn inwendig en uitwendig leven, der vreeze Gods, der geringschatting van mij-zelven, der loshechting van mijnen geest en mijn hart van al het aardsche, en den zegen over alle bekoringen, welke mij de begoochelingen der wereld, van den boozen vijand en het vleesch voorspiegelen! — Verkrijg mij, door uwe liefdevolle voorspraak, eene ware overgeving in den wil des Allerhoogsten , eene volmaakte liefde , eene onwankelbare hoop, een vrome opgeruimdheid des gemoeds, eene gestadige dankbaarheid jegens God, voor de vele van hem ontvangene weldaden , een warmen ijver in den dienst des Heeren, en een onzigtig oordeel in alles, waarin ik te spreken, te raden, te handelen of te laten heb.
Heilige Maagd, Moeder Gods! zie, ik open voor u mijn hart met al zijne zwakheden, en bid u verder, verkrijg mij, door uwe liefdevolle voorspraak, de gave van het ware gebed; een onbeperkt vertrouwen in den Naam van mijn Jesus; dat ik de tegenwoordigheid Gods steeds voor oogen huude; dat ik mijne oversten met dienstwilligheid en eerbied bejegene en , in den omgang met mijne evenmenschen, steeds zachtmoedigheid en liefde aan den dag legge! — Verkrijg mij evenzoo, door uwe liefdevolle voorspraak, de ware zielskracht in alle aangelegenheden; dat ik met kalmte alle moeijelijkheden bestrijde; dat ik geduldig en gelaten zij in rampspoed en ongeluk; dat ik volharde in de uitvoering mijner goede voornemens, hoe moei-jelijk de volbrenging derzelven ook zij, door de hindernissen der wereld en harer aanhangers 1 — Verkrijg mij ook, door uwe liefdevolle voorspraak, den geest der ware armoede, de onthouding, de nederigheid en alle deugden, welke uit bet kruis van uwen Zoon ontspruiten ; zoo ook de inwendige en uitwendige zedigheid en kalmte, en dat ik de geestlijke gaven, welke mij de genade des Heeren verleend heeft, tut zijnen dienst aanwende, opdat zij den lieven God
tot eer en mij eu mijnen naasten tot keil verstrekken! Verkrijg mij nog door uwe lieMevolie voorspraak, dat ik steeds en ook heden liet heilig misoffer met ware godsvrucht, mei innige aandacht en tot heil mijner ziel bijwone: dat ik in de wereld, den weg mijns Verlossers bewandelende, van dag tot dag voor de oogen des Heeren aangenamer worde, en dat de goede God mij de kracht schenke, om met ijver en naauwgezetheid de pligten van mijn tijdelijk beroep te vervullen. — Eindelijk bid ik u nog, o allerheiligste Maagd Maria , Moeder Gods, dat gij, door uwe liefdevolle voorspraak, voor mij de gave der volharding verkrijget, opdat ik een goeden en zaligen dood sterven mag, voorzien van de heilige Sakramenten, die heilzame troostmiddelen der ziel, zoodat ik voor Godes geregt niet beschaamd sta! Amen.
Bij den Introitus.
(!NTaar den heiligen Ambrosias.)
g^llerminnelijkste Heiland Jesus Christus! ik sidder en beef om uw7 allerheiligste offer bij te wonen en uw altaar to naderen ; nogtans , alhoewel ik geene verdiensten heb bij te brengen,
— 259 —
stel ik al mijn vertrouwen op we goedheid en liefderijke barinhartiglieid. Helaas! ik behoef zoo zoor uwe orbarming; want zoo inenigmual hel) ik mijn ligehaam en mijne ziet met zonden bezoedeld, en mijn hart, ja mijne tong niet zuiver bewaard ! In dezen nood , o liefderijke eu mag-tige God, vlugt ik tot U, bron aller barmhartigheid ; bij U zoek ik bescherming, redding en genezing, ü mijn Jesus ! ik weet hoe groot uwe liefde is jegens den boetvaardige; daarom toon ik ü de wonden mijner ziel, mijne ellende en mijne vrees, wijl ik aan vele en zware zonden pligtig ben. Ik hoop op de grootte uwer barmhartigheid, welke de grootte mijner zonden overtreft. Rigt uwe meewarige, oogen op mij, o Heer en Koning, Jesus Christus, die te gelijk God en raensch zijt, en die, voor het heil des men-schen, aan het kruis den bittersten dood doorstaan hebt. Verhoor mij, wijl ik op U mijne hoop gevestigd heb, en wees mij, arme zondaar, genadig; stort over mij den stroom uwer genaden, welke zich overal verspreidt en nimmer uitdroogt! Wees uit het innigste mijns harten gegroet, otter des heils, hetwelk voor de verlossing der iiienschheid, aan het kruis werd opgedragen ! Wees gegroet, gij edelste en kost-
— 360 —
baars te bloed, hetwelk uit de heilige wonden van mijnen gekruisten lieer Jesus Christus vloeit en du geheele wereld van hare zonden reinigt! ü Jesus , wees uw schepsel indachtig, hetwelk Gij door uw bloed verlost hebt! Herhaaldelijk belijd ik U mijn berouw over mijne zouden, en beloof ü verbetering en opregte boetvaardigheid. Neem van mij weg alle ongeregtigheid, opdat ik, zuiver naar ligchaam eu ziel, dit heilig otter waardig kan bijwonen. Geef, dat hetzelve moge strekkeu tot mijne volkomeue reiniging; dat het in mij deugdzame gedachten eu gevoelens op-wekke; dat het van mij verwijdere alles, wat U mishaagt; dat liet mij tot ijver in do beoefeiiing der deugd aanspore, eu mij zegerijk verdedige, naar ligchaam eu ziel, tegen al mijne vijanden. Amen.
Tot Maria.
(JCaar de heilige Maria van Egypte.)
i^Dok tot u wend ik mij, o heilige maagd Maria, Moeder Gods, Koningin der geloovigen, die liet Woord, hetwelk God is, gebaard hebt. Ik weet, wel is waar, dat mijne ziel, met zonden bezoedeld, onwaardig is zich tot uwe onbevlekte reinheid te wenden; doch, wijl de God, die in
uwen maagdelijken schoot liet vleesoli lieel\'t aangenomen , gekomen is om de zondaars te redden , verleen mij heden do moederlijke hulp uwer voorspraak; want tot wien zal ik mij anders wenden. O hemelsehe Koningin ! neem mij aan in uwe bescherming, en verzoen mij met uwen Zoon. O liefdevolle Maagd en Koningin der glorie! verwerp mij niet en verkrijg mij toegang tot uwen en mijnen Jesus : ik roep u-zelve tot getuige, dat ik mij niet meer door de zonde zal ontheiligen! Met de genade van het heilig kruis, wil ik der wereld en hare verleidingen voor immer vaarwel zeggen en den weg des heils bewandelen, waarop gij zelve den Heiland der wereld, uwen Zoon, hebt nagevolgd. 6 Reinste der maagden! wees gij mijn steun, en versmaad mij niet, opdat al mijne vijanden voor uw aanschijn vlugten en ik gered worde! Snel mij vooral met uwe waakzame zorg ter hulpe , opdat ik onder geene bekoring tot zonden bezwijke en van den eeuwigen dood gered worde. AYees altijd met mij, zweef\' mij steeds voor oogen; opdat ik onder de schaduw uwer moederlijke zorg, tegen alle aanvallen mijns vijands beschermd , steeds aan zijne valstrikken ontkome en mijn ligchaam en mijne ziel zuiver bewaren mag.
— 262 —
Allerheiligste maagd Maria, Moeder mijns Verlossers ! bid voor mijne zaligheid bij uwen liefderijken Zoon; immers gij zijt onze moeder, onze dierbare moeder, onze voorspraak , onze troost, en gij verlaat hen niet, die met een kinderlijk vertrouwen tot u naderen. Amen.
Bij het Kyrie.
(Naar den heiligen Anselmus.)
i^p) mijn God , ontt\'erm U mijner en wees mij genadig ! Heilige Maria, liefderijke, dierbare moeder der geloovigeu, bid ook voor mij, voor den dienaar uws Heeren ! O liefdevolle en mag-tige Maagd, uit welke de bron der goddelijke barmhartigheid ontsprongen is, aanzie mijn lijden en verleen mij uwe voorspraak bij God. Amen.
Bij het Gloria.
(Naar de H. Mechtildis.)
3lf)k zegen en verheerlijk U , o iieiligste Drievuldigheid, in vereeniging met de glorie , waarmede God de Vader, in zijne almagt, den Zoon en den H. Geest in alle eeuwigheid verheerlijkt !
Ik zegen en verheerlijk 1\', o heiligste Drievuldigheid, in vereeniging met de glorie, waarmede God de Zoon, door zijne ondoorgronde-
lijke wijsteid, den Vader en den H. Geest in alle eeuwigheid verheerlijkt!
ik zogen en verheerlijk Ü, o heiligste Drievuldigheid, in vereeniging met de glorie, waarmede God de heilige Geest, door zijne onveranderlijke goedheid, den Vader en den Zoon in alle eeuwigheid verheerlijkt \'i
U , o heiligste Drievuldigheid , verheerlijken uwe eeuwige godheid, uwe ondoorgrondelijke wijsheid, uwe onuitputbare goedheid, uwe grens-looze milddadigheid, uwe eindelooze barmhartigheid en uwe onfeilbare regtvaardigheid !
Ü, heiligste Drievuldigheid, verheerlijken uwe oneindige majesteit, uwe liefderijke almagt en uwe algoede genade ! Alle namen, alle woorden, alle lofzangen, welke tot uwe eer kunnen uitgesproken worden, prijzen U, zegenen L , verheerlijken endanken L , voorliet goede, hetwelk Gij mij en alle schepselen bewezen hebt en nog bewijst 1
U, o heiligste Drievuldigheid, zegenen en verheerlijken de verhevene mensohheid van Jesus Christus, zijn heilig leven, zijn heilige wandel, zijne deugden en gebeden, zijn heilig lijden en sterven, zijn heiligbloed en zweet, zijne heilige wonden en smarten, dir hij tol- uwe oer niet het grootsteIj^kluld verdragen heeft!
— 264 —
( , oheiligste Drievuldigheid, zegent en verheerlijkt de heilige Koningin des hemels, de zuiverste Maagd Maria, en met haar verheerlijken en zegenen U in eeuwigheid alle Engelen en zalige geesten en het geheele heir der tallooze Heiligen !
L , o heiligste Drievuldigheid, mijn Heer en God, verheerlijkt de geheele heilige Kerk; ü vereeren hare heilige sakramenten; ü zegenen al hare eerbiedwaardige ceremoniën en gebruiken , al hare liederen en gebeden, al hare deugden der heiligheid, al hare begeerten der liefde, welke zij l toedraagt, terwijl zij zonder ophouden tct U zucht en reikhalst in dit dal van tranen I
U zegenen en verheerlijken. God mijns levens , heiligste Drievuldigheid, al uwe genaden en weldaden, welke Gij mij geschonken hebt; L zegenen eu verheerlijken al de krachten mijaer ziel en mijns ligchaams; U verheerlijken al mijne aderen en ledematen, mijn gebeente en mijn bloed, mijn verlangen en mijn willen, mijn verstand en mijn geheugen, mijn hart en al zijne neigingen 1 Dit alles draag ik L op, als een lofzang, door de reinste handen der Maagd Maria, en bid ( denzelven, naar uw gcdlijk welgevallen, tot uwen eeuwigen lof en glorie aan te nemen ! Amen.
Tot Maria.
( Naar de heilige Mechtildis.)
uizend en duizeiidmanl groet ik ti , Moedor aller zaligheid, die met God boven alle soliep-selen bet naaste vereenigd zijt! Ik offer u op het alleredelst bart van Jesus Christus, met alle liefde, \\velke het u op aarde bewezen heeft en thans zonder einde in den hemel bewijst. Amen.
Bij het Evangelie.
(Naar de heilige Theresia.)
Heer, mijn God! in uwe woorden des levens zonden wij stervelingen alles kunnen vinden , wat wij verlangen. Gij zegt : komt tot mij, gij allen die belast en beladen zijt, ik zal ii verkwikken ! Wat verlangen wij nog meer, o God? Waarom anders geraken zoo velen in het verderf, dan wijl zij die rust en verkwikking niet bij U zoeken? O, welke blindheid, dezelve daar te zoeken. waar ze onmogelijk te vinden zijn ! Deel ons uw licht mede, o Heer, hetwelk ons noodzakelijker is, dan het licht der zon\' voor den blindgeborene : deze verlangt ten minste het licht te zien, en wij zochten uw licht niet, o God! Naar niets wil ik meer streven.
— Sfifi —
niets meer verlangen, clan U, o God! t wil ik dienen; L\' wil ik trachten mij welsrevallig te maken ! Amen.
Bi.i het Credo.
(Naar de lipilige Theresia.)
mijn God. oorspronp: en bron van ons lieilio1 o\'eloof! schenk mij een levendia:, onwankelbaar, kracht is: en volmaakt o-elool\'. Ja, schenk mij een geloof, hetwelk U zeiven behaagt en aan uwe genade deelachtis: wordt, opdat ik, oj) alle wegen van mijne aardsche loopbaan, naar het-zelvc handele en mij door hetzelve laat geleiden ! Verwijder van mij alle bedrieglijke meeningen der aardsche waanwijsheid , die de overgeving van mijn verstand in den dienst van het ge\'oot\', en de ondergeschiktheid van hetzelve aan uwe oneindige wijsheid, zonden kunnen tegenwerken. Schenk mij ook. door dit heilig geloof, de gave der wetenschap en des oordeels, opdat mijn geloof steeds vaster en rijper worde; verleen mij uwen bijstand, opdat ik voortaan niet meer mijn zwak en bedrieglijk verstand volge, maar in het licht des geloofs wandele. Sterk vooral mijnen wil, opdat ik dit vroom besluit met uwe medewerking volbrenge ! Amen.
Do Heerlijkheid van Maria (Naar de H. Gertrudiu.)
3E.ii io-p Maagfl en uitverkorene Moeder van ■Tesns ! met res\'t worrit het eeuwige AVoord des Vaders , de eengeboren Zoon Gods , uw Eerstgeborene genoemd, welken gij door den beili-geu Geest ontvangen en gebaard hebt; terwijl gij, na Hem en door Hem, ons tot zijne broeders en zusters, tot uwe kinderen hebt aangenomen en op eene geestlijke wijze gebaard.
O onbevlekte Maagd, Moeder Gods I bid voor ons. Gij zijt magtig genoeg, door de oneindige verdiensten van uwen Zoon, om met den mantel der liefde al mijne zonden te bedekken; verberg mij, arme zondaar, onder het kleed uwer barmhartigheid, opdat ik, door uwe voorspraak, de vergeving mijner fouten bij de godlijke gereg-tigheid verwerve.
O zalige Moeder en glorierijke Maagd, die in groote heerlijkheid en in hemelsohen glans staat bij den Koning aller koningen, bij uwen geliefden Zoon : oft\'er hem op al mijne nederige ver-, diensten, om d ezel ven, in vereeniging met zijne oneindige verdiensten en met uwe reinste liefde , te veredelen en te heiligen.
— Sfis: —
In den geest zie ik, l\\oe gij, glorierijke Maagd en Hemelkoningin, voor God nederknielt, u nis middelares tussclien God en ons stelt en demoe-dio- voor ons allen bidt; lioe de eeuwige Zoon Gods u verheft, naast zioli op den troon zijner glorie plaatst en u vrijheid geeft. te bevelen wat gij verlangt. Gelast alzoo, o K.oningin der Engelen, den heiligen hemelsboden, ons met eene krachtige hand te beschermen tegen de duizendvoudige verleidingen van den ouden vijand onzer zielen. Verkrijg voor mij van God , dat ik mij beijvere, oin hem boven alles te beminnen, hem ijverig te dienen en nederig en ootmoedig te worden; dat mijn hart standvastig vertrouwe op zijne goddelijke liefde, barmhartigheid , goedheid en milddadigheid.
Bid voor ons, heilige Moeder Gods , dal wij deelachtig worden aan de beloften van Christus. Fn den geest zie ik, hoe gij, in diepe demoe-digheid aan den voet des altaars neergeknield , uwen godlijken Zoon aanroept voor ons, en hoe het godlijke kind .Tesus zich liefdevol tot u neigt, ten teeken, dat hij niet alleen uw gebed met welgevallen aanneemt, maar ook uwen wil gaarne vervult.
vgt;
— 269 —
Bij do Offerande.
(Naar de H. Gertradis.)
ijjg^emvige, oneindige God! ik, uw arm schepsel, beken met dankbaarheid, dat ik ziel eu lig-oliaam en alles wat ik bezit, van uwe milde hand ontvangen heb. Voor deze rijke gaven moet ik U niet alleen uit geheel mijn hart bedanken, maar U naar mogelijkheid dezelve vergelden. Daarom leg ik heden al het goede, wat Gij mij ooit naar ziel of ligchaam bewezen hebt, metal de verdiensten van uwen beminden Zoon, naast de heilige Hostie, op de offerschaal, en draag L\' dezelven op, als een volmaakt en U welgevallig dankoffer. Wijl ik echter onder alle gaven, die Gij mij hebt medegedeeld, niets beter bezit dan mijn hart, zoo offer ik U hetzelve op en leg het neder in den Kelk, opdat al de gebeden en zegeningen, welke over dezen gesproken worden, ook gesproken worden over mijn hart. En even als de wijn in dezen kelk, door de woorden der Consecratie, waarlijk in uw heiligste Bloed veranderd wordt, zoo wensch ik ook vurig, dat mijn hart geheel veranderd en zoo innig met L vereenigd worde, dat het voortaan niet meer aan mij, maar geheel aan I behoore, en Gij hetzelve geheel naar uw welgevallen bestieret. Tevens leg
18
— 256 —
bijzondere liefde tot u, dat ik u als mijne moeder en koningin verkieze, en gij mij als uw kind en - uw onderdaan aannemen wilt! — Verkrijg mij, door uwe magtige voorspraak , de erbarming uws geliefden Zoons, dat hij mij mijne zonden vergeve, en ik waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrenge, door een op-regt en onafgebroken berouw! — Verkrijg mij, door uwe moederlijke voorspraak, den waren geest der versterving, der gehoorzaamheid , der orde in mijn inwendig en uitwendig leven, der vreeze Gods, der geringschatting van mij-zelven, der loshechting van mijnen geest en mijn hart van al het aardsche, en den zegen over alle bekoringen, welke mij de begoochelingen der wereld, van den boozen vijand en het vleesch voorspiegelen! — Verkrijg mij, door uwe liefdevolle voorspraak, eene ware overgeving in den wil des Allerhoogsten , eene volmaakte liefde , eene onwankelbare hoop, een vrome opgeruimdheid des gemoeds, eene gestadige dankbaarheid jegens God, voor de vele van hem ontvangene weldaden , een warmen ijver in den dienst des Heeren, en een onzigtig oordeel in alles, waarin ik te spreken, te raden, te handelen of te In-ten heb.
— 357 —
Heilige Maagd, Moeder Gods! zie, ik open voor u mijn hart met al zijne zwakheden, en bid u verder, verkrijg mij, door uwe liefdevolle voorspraak, de gave van het ware gebed; een onbeperkt vertrouwen in den Naam van mijn Jesus; dat ik de tegenwoordigheid Gods steeds voor oogen houde; dat ik mijne oversten met dienstwilligheid en eerbied bejegene en, in den omgang met mijne evenmenschen, steeds zachtmoedigheid en liefde aan den dag legge! — Verkrijg mij evenzoo, door uwe liefdevolle voorspraak, de ware zielskracht in alle aangelegenheden; dat ik met kalmte alle moeijelijkheden bestrijde; dat ik geduldig en gelaten zij in rampspoed en ongeluk; dat ik volharde in de uitvoering mijner goede voornemens, hoe moei-jelijk de volbrenging derzelven ook zij, door de hindernissen der wereld en harer aanhangers! — Verkrijg mij ook, door uwe liefdevolle voorspraak, den geest der ware armoede, de onthouding, de nederigheid en alle deugden, welke uit het kruis van uwen Zoon ontspruiten ; zoo ook de inwendige en uitwendige zedigheid en kalmte, en dat ik de geestlijke gaven, welke mij de genade des Heeren verleend heeft, tot zijnen dienst aanwende, opdat zij den lieven God
— 23S —
tot eer en mij en mijnen naasten tot heil verstrekken! Verkrijg mij nog door uwe liefdevoile voorspraak, dat ik steeds en ook heden liet licilig misotter met ware godsvrucht, met innige aandacht en tot heil mijner ziel bijwone : dat ik in de wereld, den weg mijns Verlossers bewandelende, van dag tot dag voor de oogen des Heeren aangenamer worde, en dat de goede üod mij de kracht schenke, om met ijver en naauwgezetheid de pligten van mijn tijdelijk beroep te vervullen. — Eindelijk bid ik u nog, o allerheiligste Maagd Maria, Moeder Gods , dat gij, door uwe liefdevolle voorspraak, voor mij de gave der volharding verkrijget, opdat ik een goeden en zaligen dood sterven mag, voorzien van de heilige Sakramenten, die heilzame troostmiddelen der ziel, zoodat ik voor Godes geregt niet beschaamd sta! Amen.
Bij den Introïtus.
( Naar den heiligen Ambrosius.)
llerminnelijkste Heiland Jesus Christus! ik sidder en beef om uw allerheiligste otter bij te wonen en uw altaar te naderen: nogtans , alhoewel ik geene verdiensten heb bij te brengen,
— 259 —
stel ik al mijn vertrouwen op uwe goedlieid en liefderijke barmhartigiieid. Helaas! ik behoef zoo zeer uwe erbarmingj want zoo menigmual heb ik mijn ligchaam en mijne ziel met zonden bezoedeld, en mijn hart, ja mijne tong niet zuiver bewaard ! In dezen uood, o liefderijke en mag-tige God, vlugt ik tot ü, bron aller barmhartigheid ; bij U zoek ik bescherming, redding en genezing, ü mijn Jesus ! ik weet hoe groot uwe liefde is jegens den boetvaardige; daarom toou ik ü de wonden mijner ziel, mijne ellende en mijne vrees, wijl ik aan vele en zware zonden pligtig beu. Ik hoop op de grootte uwer barmhartigheid, welke de grootte mijner zonden over-treft. Iligt uwe meewarige oogen op mij, o Heer en Koning, Jesus Christus, die te gelijk God en mensch zijt, en die, voor het heil des men-scbeu, aan het kruis den bittersten dood doorstaan hebt. Verhoor mij, wijl ik op ü mijne hoop gevestigd heb, en wees mij, arme zondaar, genadig; stort over mij den stroom uwer genaden, welke zich overal verspreidt en nimmer uitdroogt! Wees uit het innigste mijns harten gegroet, otter des heils , hetwelk voor de verlossing der menschheid, aan het kruis werd opgedragen ! Wees gegroet, gij edelste en kost-
— 260 —
baarste bloed, hetwelk uit de heilige wonden van mijnen gekruisten Heer Jesus Christus vloeit en de geheele wereld van hare zonden reinigt! ü Jesus, wees uw schepsel indachtig, hetwelk Gij door uw bloed verlost hebt! Herhaaldelijk belijd ik U mijn berouw over mijne zonden, en beloof U verbetering en opregte boetvaardigheid. Neem van mij weg alle ongeregtigheid, opdat ik, zuiver naar ligchaam en ziel, dit heilig offer waardig kan bijwonen. Geef, dat hetzelve moge strekken tot mijne volkomene reiniging; di.t het in mij deugdzame gedachten en gevoelens op-wekke; dat hot van mij verwijdere alles, wat U mishaagt; dat het mij tot ijver in de beoefening der deugd aanspore, en mij zegerijk verdedige, naar ligchaam en ziel, tegen al mijne vijanden. Amen.
Tot Maria.
(Naar de heilige Maria van Egypte.)
J^ok tot u wend ik mij, o heilige maagd Maria, Moeder Gods, Koningin der geloovigen, die het Woord, hetwelk God is, gebaard hebt. Ik weet, wel is waar, dat mijne ziel, met zonden bezoedeld, onwaardig is zich tot uwe onbevlekte reinheid te wenden; doch, wijl de God, die in
— 261 —
uwen maagclelijkeu selioot het vleescli heeft aangenomen , gekomen is om de zondaars te redden , verleen mij heden de moederlijke hulp uwer voorspraak; want tot wien zal ik mij anders wenden. O hemelsche Koningin ! neem mij aan in uwe bescherming, en verzoen mij met uwen Zoon. O liefdevolle Maagd en Koningin der glorie! verwerp mij niet en verkrijg mij toegang-tot uwen en mijnen Jesus : ik roep u-zelve tot getuige, dat ik mij niet meer door de zonde zal ontheiligen ! -Met de genade van het heilig kruis, wil ik der wereld en hare verleidingen voor immer vaarwel zeggen en den weg des heils bewandelen, waarop gij zelve den Heiland der wereld, uwen Zoon, hebt nagevolgd. 6 Reinste der maagden! wees gij mijn steun, en versmaad mij niet, opdat al mijne vijanden voor uw aanschijn vlugten en ik gered worde! Snel mij vooral met uwe waakzame zorg ter hulpe , opdat ik onder geene bekoring tot zonden bezwijke en van den eeuwigen dood gered worde. Wees altijd met mij, zweef mij steeds voor oogen; opdat ik, onder de schaduw uwer moederlijke zorg, tegen alle aanvallen mijns vijands beschermd , steeds aan zijne valstrikken ontkome en mijn ligchaam en mijne ziel zuiver bewaren mag.
— 363 —
Allerheiligste maagd Maria, Moeder mijns Verlossers ! bid voor mijne zaligheid bij uwen liefderijken Zoon ; immers gij zijt onzo moeder, onze dierbare moeder, onze voorspraak, onze troost, en gij verlaat hen niet, die met een kinderlijk vertrouwen tot u naderen. Amen.
Bij het Kyrie.
(Naar den heiligen Anselmus.)
mijn God, ontferm U mijner en wees mij genadig ! Heilige Maria, liefderijke , dierbare moeder der geloovigen, bid ook voor mij, voor den dienaar nws Heeren ! O liefdevolle en mag-tige Maagd, uit welke do bron der goddelijke barmhartigheid ontsprongen is, aanzie mijn lijden en verleen mij uwe voorspraak bij God. Amen.
Bij het Gloria.
(Naar de H. Mechtildis.)
9l))k zegen en verheerlijk U, o heiligste Drievuldigheid, in vereeniging met de glorie , waarmede God de Vader, in zijne almagt, den Zoon en den H. Geest in alle eeuwigheid verheerlijkt !
Ik zegen en verheerlijk U, o heiligste Drievuldigheid, in vereeniging met de glorie, waarmede God de Zoon, door zijne ondoorgronde-
— 263 —
lijke wijsheid, den Vader en den H. Geest in alle eeuwigheid verheerlijkt!
Ik zegen en verheerlijk U, o lieiligste Drievuldigheid, in vereenigiug met de glorie, waarmede God de heilige Geest, door xijnc onveranderlijke goedheid, den Vader en den Zoou in alle eeuwigheid verheerlijkt ?
ü , o heiligste Drievuldigheid , verheerlijken uwe eeuwige godheid, uwe ondoorgrondelijke wijsheid, uwe oiiuitputbare goedheid, uwe grens-looze milddadigheid, uwe eiiidelooze barmhartigheid eu uwe onfeilbare regtvaardigheid !
Ü, heiligste Drievuldigheid, verheerlijken uwe oneindige majesteit, uwe liefderijke alinagt en uwe algoede genade ! Alle namen, alle woorden, alle lofzangen, welke tot uwe eer kunnen uitgespro-ktn worden, prijzen U, zegenen L\', verheerlijken endanken U, voor het goede, hetwelk Uij mij en alle schepselen bewezen hebt en nog bewijst!
U, o heiligste Drievuldigheid, zegenen en verheerlijken de verhevene menschheid van Jesus Christus, zijn heilig leven, zijn heilige wandel,-zijne deugden en gebeden, zijn heilig lijden eu sterven, zijn heiligbloed en zweet, zijne heilige wonden en smarten, die hij tot uwe eer met het grootste geduld verdragen heeft!
— 26-i —
Ü, oheiligste Drievuldigheid, zegent en verheerlijkt de heilige Koningin des hemels, de zuiverste Maagd Maria, en met haar verheerlijken en zegenen U in eeuwigheid alle Engelen en zalige geesten en het geheele heir der tallooze Heiligen!
U, o heiligste Drievuldigheid, mijn Heer en God, verheerlijkt de geheele heilige Kerk; U vereeren hare heilige sakramenten; U zegenen al hare eerbiedwaardige ceremoniën en gebruiken , al hare liederen en gebeden, al hare deugden der heiligheid, al hare begeerten der liefde, welke zij ü toedraagt, terwijl zij zonder ophouden tot U zucht en reikhalst in dit dal van tranen!
U zegenen en verheerlijken. God mijns levens , heiligste Drievuldigheid, al uwe genaden eu weldaden , welke Gij mij geschonken hebt; U zegenen en verheerlijken al de krachten mijner ziel en mijns ligchaams; U verheerlijken al mijne aderen en ledematen, mijn gebeente eu mijn bloed, mijn verlangen en mijn willen, mijn verstand en mijn geheugen, mijn hart en al zijne neigingen ! Dit alles draag ik ü op , als een lofzang, door de reinste handen der Maagd Maria, en bid li denzei ven , naar uw godlijk welgevallen, tot uwen eeuwigen lof en glorie aan te nemen ! Amen.
Tot Maria
(Naar de heilige Mechtüdis.)
aSyuizend en duizendmaal groet ik u, Moeder aller zaligheid, die inet God boven alle schepselen het naaste vereenigd zijt! Ik offer u op het alleredelst hart van Jesus Christus, met alle liefde, welke het u op aarde bewezen heeft en thans zonder einde in den hemel bewijst. Amen.
Bij het Evangelie.
(Naar de heilige Theresia.)
(jfÊ) Heer, mijn God! in uwe woorden des levens zouden wij stervelingen alles kunnen vinden , wat wij verlangen. Gij zegt : komt tot mij, gij allen die belast en beladen zijt, ik zal u verkwikken ! Wat verlangen wij nog moer, o God? Waarom anders geraken zoovelen in het verderf, dan wijl zij die rust en verkwikking niet bij U zoeken? O, welke blindheid, dezelve daar te zoeken, waar ze onmogelijk te vinden zijn ! Deel ons uw lirht mede, o Heer, hetwelk ons noodzakelijker is, dan het licht der zon voor den blindgeborene : deze verlangt ten minste het licht te zien, en wij zochten uw licht niet, o God ! Naar niets wil ik meer streven ,
— 2 fir, —
niets meer verlangen, clan U, o God! U wil ik dienen; ü wil ik traeliten mij welgevallig- te maken ! Amen.
Bij het Credo.
(Naar de heilige Theresia.)
mijn God, oorsprong en bron van ons heilig geloof! schenk mij een levendig, onwankelbaar, krachtig en volmaakt geloof. Ja , schenk mij een seloof, hetwelk U zeiven behaagt en aan uwe genade deelachtig wordt, opdat ik, op alle wegen van mijne aardsche loopbaan, naar hetzelve handele en mij door hetzelve laat geleiden ! Verwijder van mij alle bedrieglijke meeringen der aardsche waanwijsheid, die de overgeving van mijn verstand in den dienst van het geloof, en de ondergeschiktheid van hetzelve aan uwe oneindige wijsheid, zouden kunnen tegenwerken. Schenk mij ook, door dit heilig geloof, de gave der wetenschap en des oordeels, opdat mijn geloof steeds vaster en rijper worde; verleen mij uwen bijstand, opdat ik voortaan niet meer mijn zwak en bedrieglijk verstand volge, maar in het licht des geloofs wandele. Sterk voorp.1 mijnen wil, opdat ik dit vroom besluit mat uwe medewerking volbrenge ! Amen.
De Heerlijkheid -van Maria (Naar tie H. Gertrudia.)
eiliije Mnagcl en uitverkorene Moeder van .Tesus! niet reo-f wordt het eeuwige Woord des Vaders, de eengeboren Zoon Gods, uw Eerstgeborene genoemd, welken gij door den beili-gen Geest ontvangen en gebaard hebt; terwijl gij, na Hem en door Hem, ons tot zijne broeders en zusters, tot uwe kinderen hebt aangenomen en op eene geestlijke wijze gebaard.
O onbevlekte Maagd, Moeder Gods 1 bid voor ons. Gij zijt magtig genoeg, door de oneindige verdiensten van uwen Zoon, om met den mantel der liefde al mijne zonden te bedekken; verberg mij, arme zondaar, onder het kleed uwer barmhartigheid, opdat ik. door uwe voorspraak, de vergeving mijner fouten bij de godlijke gereg-tigheid verwerve.
O zalige Moeder en glorierijke Maagd, die in groote heerlijkheid en in hemelschen glans staat bij den Koning aller koningen, bij uwen geliefden Zoon : offer hem op al mijne nederige verdiensten, om dezelven, in vereeniging met zijne oneindige verdiensten en met uwe reinste liefde , te veredelen en te heiligen.
— 3fi8 —
In den geest zie ik, lioe gij, glorierijke Maagd en Hemelkoningin, voor God nederknielt, u als middelares tussohen God en ons stelt en demoe-dig voor ons allen bidt; lioe de eeuwige Zoon Gods u verheft, naast zicli op den troon zijner glorie plaatst en u vrijheid geeft, te bevelen wat gij verlangt. Gelast alzoo, o Koningin der Engelen, den heiligen hemelsboden, ons met eene krachtige hand te beschermen tegen de duizendvoudige verleidingen van den ouden vijand onzer zielen. Verkrijg voor mij van God , dat ik mij beijvere, om hem boven alles te beminnen, hem ijverig te dienen en nederig en ootmoedig te worden; dat mijn hart standvastig vertrouwe op zijne goddelijke liefde, barmhartigheid, goedheid en milddadigheid.
Bid voor ons, heilige Moeder Gods, dat wij deelachtig worden aan de beloften van Christus. In den geest zie ik, hoe gij, in diepe demoe-digheid aan den voet des altaars neergeknield , uwen godlijken Zoon aanroept voor ons, en hoe het godlijke kind Jesus zich liefdevol tot u neigt, ten teeken, dat hij niet alleen uw gebed met welgevallen aanneemt, maar ook uwen wil gaarne vervult.
— 265) —
Bij de Offerande.
(baarde H. Gertrudis.)
i^euwige, oneindige God! ik, uw arm schepsel, beken met dankbaarheid, dat ik ziel en lig-chaam en alles wat ik bezit, van uwe milde hand ontvangen heb. Voor deze rijke gaven moet ik U niet alleen uit geheel mijn hart bedanken, maar U naar mogelijkheid dezelve vergelden. Daarom leg ik heden al het goede, wat Gij mij ooit naar ziel of ligcha am bewezen hebt, metal de verdiensten van uwen beminden Zoon, naast de heilige Hostie, op de offerschaal, en draag ü dezelven op, als een volmaakt en U welgevallig dankoffer. Wijl ik echter onder alle gaven, die Gij mij hebt medegedeeld, niets beter bezit dan mijn hart, zoo offer ik U hetzelve op en leg het neder in den Kelk, opdat al de gebeden en zegeningen, welke over dezen gesproken worden, ook gesproken worden over mijn hart. En even als de wijn in dezen kelk, door de woorden der Consecratie, waarlijk in uw heiligste Bloed veranderd wordt, zoo wensch ik ook vurig, dat mijn hart geheel veranderd en zoo innig met Ü vereenigd worde, dat het voortaan niet meer aan mij, maar geheel aan U behoore, en Gij hetzelve geheel naar uw welgevallen bostieret. Tevens leg
J8
— 370 —
ik ook al liet lijden, hetwelk ik ooit doorstaan heb en alle bezwaren, (hier noemt men deze) welke mij op het hart wegen, in dezen kelk neder, en otter U dezelven op met dien bitteren kelk, waaruit Gij op den Olijfberg voor onze zaligheid gedronken hebf. Neem genadig deze gaven aan, o hemelsche Vader, welke ik U opdraag in vereeniging met het bloedige offer, hetwelk de hoogepriester Jesus Christus aan het kruis heeft opgedragen, en zegen dezelven met uwe vaderlijke hand, opdat zij l welgevallig eu aangenaam zijn.
Eindelijk otter ik U op mij-zelven en geef mij geheel over aan uwen heiligen wil, welken uw eengeboren Zoon eenmaal volbragt heeft, met het innigst verlangen, dat Gij met mij in alle omstandighedeu, naar uw heilig welbehagen moogt handelen. Daarom offer ik U, Heer en Koning der koningen, mijn ligchaam en mijne ziel, opdat zij dienen tot vermeerdering uwer glorie en heerlijkheid. Amen.
Bij de Freefatie.
(De Lofiang vau Maria.)
\'I^tijne ziel verheerlijkt den lieer, en mijngeest verheugt zich in (iod, mijn Heiland; nant hij
— 371 —
heeft neergezien op tie nederigheid zijner dienstmaagd ; ziet, van nu af zullen mij alle geslachten zalig noemen. Hij heeft groote dingen in mij uitgewerkt, die magtig en wiens naam heilig is. Hij is barmhartig van geslacht tot geslacht dengenen, die hem vreezen. Hij oefent magt uit met zijnen arm, en verspreidt de hoogmoediger! des harten.
De magtigen stort hij van den troon en dé nederigen verheft hij. De hongerenden vervult hij met goederen; de rijken zendt hij ledig weg. Zijne barmhartigheid indachtig, heeft hij Israël, zijn dienstknecht, aangenomen. Gelijk hij tot onze vaderen gesproken heeft, tot Abraham en zijne nakomelingen in eeuwigheid. Eere zij den Vader, den Zoon en den H. Geest, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Bij den Sanctus.
(Naar de heilige Theresia.)
Heer! ik gevoel mij reeds verkwikt, bij de enkele gedachte aan de zaligheid, welke ik door uwe genade daar boven hoop te genieten. Helaas! hoe laat ontwaakte mijne liefde tot U, die mij met eeuwige leefde bemindet en reeds zoo vroegtijdig tot U geroepen bobt. Houd mij voortaan
— 372 —
door vreeze, bind mij aan U vast door liefde, en geef mij rust door uwen vrede. Mijn hart zij geheel één met U. Ik verlang niets te weten, niets te beminnen, niets te bezitten dan U , o Jesus Christus, en wel den gekruisten. Amen.
Bij den Canon.
(Naar de heilige Catharina van Genua )
€gt; mijn God, erbarmingsvolle en genaderijke Vader! hoe groot is de liefde, welke U bewogen heeft, om aan de verdiensten van een zoo heilig otter eene ziel deelachtig te maken, die tot nu toe in de duisternis en het slijk der zonde gedompeld lag en vijandig van U was afgekeerd. Helaas ! hoe durf ik dit onbloedige citer bijwonen, ligtzinnige mensch, die U zoolang gevlugt heb; die niet uwe, maar mijue wegen volgde; die slechts geluk zocht in het slijk der zonde; die zelfs niet uit den afgrond wilde gered worden, noch naar het zekere middel trachtte, hetwelk de redding ten leven in U waarborgt. Onder zuchten en weeklagten zie ik thans, door uwe verlichting, lioe onwaardig, hoe ellendig ik voor U geworden ben! En terwijl ik mij-zelf niet meer verdragen kan, duldt ftij mij nog en wilt (iij den smaad van mijne ziel wegnemen , waarmode zij
als met een kleed omhuld is. O genaderijke God! srlienk mij uwe liulp en maak mij, dooi- deze offerande, deelnolitig\'aan de voldoening van uwen eengeboren Zoon .Tesus Christus. Amen.
Voor de Consecratie. -II
(Naar de heilige Thereaia.)
mijn God! meer dan ik vermag uit te spreken, hebben de gaven uwer genade mijne ziel verrijkt. Mijn innigste dank zij daarvoor aan uwe milde goedheid en goddelijke barmhartigheid bewezen ! Daar Gij-zelf het hoogste goed zijt, en alle ongeregtigheid verafschuwt, zoo volbrens ik voortaan, wat mijn pligt is te volbrengen, wanneer ik uwen heiligen wil in alles opvolg, en daardoor den mijnen verzaak. Gij hebt mij echter vrij geschapen, opdat ik, mijnen wil vrijwillig aan U onderwerpende, ü aangenaam worde en des te meer verdiensten bij TJ verwerve. Welaan, ik wil met ijver beoefenen wat Gij beveelt, opdat ik in U leve, naarmate ik in mij zal sterven. Amen.
Zie, o Heer. Gij zijt immers God, de harm-, hartigheid zelve! Helaas, weiger ook mij dezelve niet, mij worm der aarde, die het durf te wagen eene bede tot TJ te rigten! Aanzie, o God, mijn
verlangen en de zuchten, waarmede ik tot U smeet, en vergeet mijne misdaden, om uwen liei-ligen naam ! — Heb medelijden met zoo vele zielen, die haar verderf te gemoet snellen; toon ü genadig jegens uwe Kerk. O Heer! duld niet dat het christendom nog meer rampen lijde, en verlicht eindelijk alle duisternissen. Zie niet neder op onze zonden, maar op de verdiensten van uwen Zoon, van zijne glorierijke Moeder en van zoovele heiligen en martelaars, die om zijnen naam den dood doorstaan hebben; en gedenk dat uw heiligste Zoon ons heeft vrijgekocht. Amen.
Bij de Consecratie.
(Naar den heiligen Alphonsus van Liguori.)
(Bij de Opheffing der heilige Hostie.)
mijn .Tesus! ik aanbid ü, die met uwe godheid en menschheid, uit liefde tot uwe ge-loovigeu. hier zetelt. Ik geloof, dat (iij in het allerheiligste Sakrament des altaars tegenwoordig zijt. Ofschoon Gij den oogen des ligchaams verborgen zijt, erken ik ü nogtans . en wel door het licht des geloofs, in deze heilige Hostie, als den Heer des hemels en der aarde en als den Verlosser der wereld\'
( Bij de Opbeftlng van den Kelk.)
mijn Jesus! ik geloot vastelijk, dat in dezen kelk geen wijn meer, maar uw lieilio-Bloed te-o-enwoordip: is, hetwelk Gij voor ons ann liet kruis vergoten liebt, om ons van alle vlekken der zonden te reinigen. Daarom, minnelijkste .Tesus, gelijk Gij mijn eenig heil, mijne eenige hoop, mijn ware leven zijt, zoo wil ik ook dat Gij voortaan mijne eenige liefde, het eenige voorwerp mijner gedachtenis , mijner verlangens en mijner neigingen zijt! O mijn Heiland ! heersch Gij in mijn hart en over mijn hart; mijn lig-ohaam en mijne ziel geef ik U als uw eigendom over. Mijn geest, mijn wil, mijne gevoelens, mijne zinnen, mijn zoeken en mijn streven zijn steeds onderworpen aan uwe liefde, aan uwen dienst — tot uwe eer en welbehagen ! O mijn ■Tesus! bewerk toch met uwe genade, dat ik geheel de uwe zij en ook Gij mij geheel toebehoort.
Heilige Maria , Moeder Gods ! liefdevolle en o-oedhartige Moeder van mijnen Jesus, die op aarde uw leven voor de eer van God hebt opgeofferd ; verkrijg mij door uwe voorspraak, dat ik van heden af zoo deugdzaam leve en arbeide op aarde, gelijk gij deugdzaam geleefd en ge-
— 27fi —
arbeid hebt, en dat ik ireen ander geluk meer zoeke, dan het allerbeste, namelijk — dat ik mijnen God in liefde geheel toebehoore! Amen.
Na de Consecratie.
(Naar de H. Gertrudis.)
3|)k aanbid U. ik prijs en verheerlijk U, min-nelijkste .Tesns; ik dank U voor do liefde, die ü bewogen heeft om onze menschheid aan te nemen, drie-en-dertig jaren honger, dorst en vermoeijenissen te lijden, door de nienschen gevangen, gebonden, gegeeseld. bespot, met doornen gekroond en veroordeeld te worden, nw kruis te dragen, ontbloot en in den bittersten dood aan het kruis te sterven en uwe heilige zijde door eene lans te laten openen ! Tn ver-eeniging met deze oneindige liefde, welke uw godlijk hart opwekte, om dit alles voor het menschlijk geslacht te lijden, draag ik ü mijn onwaardig gebed op, en smeek TJ, door do ón-eindige verdiensten van uw lijden en dood, vergeef in uwe barmhartigheid wat de vereeuwigde
ziel van N...... tegen uwen wil gezondiard
had — door gedachten, woorden en werken; ik offer uwen homelschen Vader alle lijden en smarten van uw verwonde ligchaam op voor de straf-
— 277 —
feu, welke /ij iioir bij rlc o-orllijke geregtigUoid vevscliuldigd is. Amen.
V\\ees liet\'delijk gegroet, o smartvolle .1esus ! gij immer groene palm des gedulds, die, ter verlossing der zondige menschheid, IT met den grootsten smaad aan het kruis hebt laten hechten ,\' en daar drie uren lang alle bedenklijke folteringen naar ligohaam en ziel met gelatenheid doorstaan hebt! Wees liefdevol gegroet, eerbiedwaardig hoofd mijns Heeren Jesus Christus, glorie en heerlijkheid des hemels, dat door de ondankbaarheid der menschen met doornen gekroond zijt! Wees liefdevol gegroet, aanminnig aangezigt mijns Heeren Jesus Christus, reiner dan het zuiverste goud; gij heldere spiegel dei-allerheiligste Drievuldigheid, die u zoo hebt laten mishandelen, dat gij met speeksel en geronnen bloed bedekt, al uwe schoonheid moest verliezen! Weest liefdevol gegroet, gij liefdestra lende oogen mijns Heeren .Tesus Christus, gij helder schitterende diamanten, die door de menigvuldige tranen bijna moest uitgedoofd en door de wonden des hoofds met bloed bedekt worden ! Weest liefdevol gegroet, gij milde wangen mijns Heeren .Tesus Christus, zigtbare getuigen der zachtmoedigheid en menschenliefde des Verlossers , die
— 378 —
zoo gruwlijk vaneengereten en versclieuvd zijt geworden! Wees liefdevol gegroet, gij honigzoete mond mijns Heeren Jesus Christus, gij frissclie bron van woorden des levens, die door wreedaardige mishandelingen geheel ontsteld en verbleekt zijt! — Weest liefdevol gegroet, gij armen mijns Heeren .Tesus Christus, gij sterke takken van den boom onzes levens, die aan het kruis zijt uitgerekt en met geweld uit de gewrichten gerukt! Weest liefdevol gegroet, gij voeten mijns Heeren .Tesus Christus, gij zuilen des hemels, die n verwond hebt om de verlorene schapen op te zoeken, en die gruwzaam met nagelen doorboord zijt, zoodat het bloed in stroomen uit uwe wonden vloeide ! Wees gegroet, gij milddadig hart mijns Heeren .lesus Christus, gij schatkamer der zaligheid Gods, gij bron aller genaden, gij veilig toevlugtsoord der boetvaardige!!, dat met lijden en bitterheid vervuld, uit liefde voor ons zondige menschen aan het kruis in den dood moest breken !
Door al deze kwalen, welke gij aan uw heilig ligchiaam geleden hebt, smeek ik u, wees mij in mijn sterfuur genadig I
— 279 —
Bij het Pater Noater.
4jl)nze Vader, enz.
Wees gegroet, enz.
Bij het Agnus Dei.
(Naar de heilige Mechtildis.)
Lam fxods, ontferm ü mijnor, en offer U-zelven rlen hemelsclien Vader op niet al uw geduld en ootmoedigheid, tot voldoening voor de sclmld mijner zonden !
O Lam Gods, ontferm U mijner, en offer T -zelven den hemelsclien Vader op met al de lut-terheid van uw lijden, tot mijne heiliging!
O Lam Gods, ontferm ü mijner, en offer U-zelven den hemelsclien Vador op met de innigste liefde van uw godlijk hart, tot aanvulling van al het goede, wat mij ontbreekt!
O Heer! ik ben niet waardig dat ik voor uw heilig aangezigt verschijne, doch om uws naams wille, zuiver mij van al mijne zonden !
O Heer ! ik ben niet waardig uw kind genoemd te worden, doch om uws lijdons wille, reinig mijne ziel.
O Heer! ik ben niet waardig uwen heiligsten
— 280 —
naam aan te roepen , ftooli floor de kracht van dit ollbr, bewaar mij in uwe genade !
Ik zeg\'en u, o magtige liefde! [k prijs u, o vreugdevolle liefde! Ik verheerlijk u, o milddadige liefde ! en wel wegens alle genaden. welke de vereeniging uwer glorierijke godheid en zalige mensehheid, door uw liefdevol hart, in mij en alle mensehen heeft uitgewerkt en nog zal uitwerken, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Bij de Communie.
(Naar de heilige Mechtildis.)
^fiuuelijkste .Tesus! hoe gaarne wensohie ik thans ook tot uwen clisch te kunnen naderen , wanneer ik het slechts waardig ware. Ach ! hoe gaarne wenschte ik dit zoete geheim uwer liefde te ontvangen, wanneer ik durfde. Wijl ik echter, wegens mijne vele zonden, deze genade onwaardig ben, zoo bid ik ü, bereid mij in dit uur met uwe almagtige wijsheid en met de erbarmende liefde nws harten, om Ü op eene geest-lijke wijze waardig in mijne ziel te mogen ontvangen. Handel met mij in alles, wat Gij van eeuwigheid met mij besloten hebt, naar het wel-arevallen van uwen heiligen wil.
— 281 —
Ach! versmaad mij anno zondaar niet, die met den tollenaar van verre sta en uit gauscher harte tot U zucht; maar geef mij, met de vrouw van Canaan, slechts eenige luttele korrels van uw heilig maal, waardoor mijne ziel versterkt en verkwikt worde, opdat zij dezen dag in uwe genade volharde, met ijver het goede beoefene en aan do bekoringen krachtig weerstand biede. Verleen mij dit, allerbeste Jesus, door uwe oneindige liefde en barmhartigheid. Amen.
Na de Communie des Priesters.
(Nnsr de H, Gertrudis.)
l^Coede Jesus ! in vereeuiging met de liefde, waarmede Gij aan het kruis den hemelschen Vader uwen geest hebt aanbevolen, beveel ik U ook mijnen geest en mijne ziel, en sluit dezelven in de heiligste wonde van uw liefderijk hart, opdat zij daarin tegen alle vervolgingen van den boozen vijand beschermd blijven. Gij weet, o goede Jesus, en ik heb het maar te zeer ondervonden, hoe zwak ik ben; ja, ik zou geene stonde, zonder den bijstand uwer genade, in het goede volharden, uoch aan eene bekoring uit eigene kracht kunnen weerstand bieden; daarom bid ik U, dat evou als Gij één zijt niet den Vader
en den li. Geest, zoo ook mijn wil vereenigd zij met den uwen, en Gij mij de genade en de kracht schenkt, om mij nooit tegen uwen wil Ie verzetten ! En gelijk in U de godheid en menschheid één zijn, zoo laat ook eenheid zijn in mijn wezen, opdat alle mijne ledematen, met al hunne gevoelens, heden, uit liefde tot U, niets anders doen, dan wat tot uwe eer en glorie verstrekken kan. Amen.
Bij de eerste Oratie.
(Naar de heilige Veronica Juliana.)
mijn God ! uit den grond mijns harten U aanbiddend, buig ik mij voor U neder in het stof — mijn geheel leven lang! Ik ben niets — voor uwe oneindigheid. Ik vermag uit mij-zei ven niets, en mijn wil wordt slechts sterk en krachtig door U. Daarom houd ik mij aan geen anderen wil dan aan den uwen, o God! omdat ik niets door mij-zelven vermag, zelfs niet het geringste, terwijl uw wil almagtig is en blijft. Tk vertrouw dan ook op uwe hand, o Heer, die voer mij tegen de aanvallen des vijands kampt en mij overal beschermt. Ik verheug mij, omdat Gij bel heiligste wezen zijt , in den hemel en op de aarde; ik hoop steeds op uwe erbarniingeu en
— 383 —
geef mij met kinderlijk vertrouwen over in de armen uwer onbegrensde almagt en liefde. Hoe meer mijn geloof mij in den oeverloozen oceaan uwer Majesteit laat doordringen, des te meer gevoel ik, o God, de magt van uwen bijstand , welke mij met nieuwen moed bezielt, met nieuwe krachten doorstroomt, zoodat ik zegerijk tegen alle duisternis der liel kan strijden. Intusschen bewaar ik met ootmoedigheid het bewustzijn van mijn uiet; want hoe meer ik deszelfs diepte doorschouw, des te meer word ik tot do betrachting uwer volmaaktheden opgewekt, en des te meer neem ik mijn toevlugt tot den schoot uwer barmhartigheid. Hier erken ik, als in een spiegel, hoe uwe liefde mijne ziel met allerlei weldaden overladen heeft, en mij nog steeds met de zuivere wateren der geestlijke reiniging besproeit. In deze erkentenis uwer zegeningen en van mijne nietigheid moet ik U, o mijn God, tot het gestadige voorwerp mijner liefde verkiezen. Amen.
— 284 —
Bij de tweede Oratie.
( Naar den 11. Franciacuft van Assisen.)
«py allerheiligste Maagd Maria, mijne Koningin ! in uwe zegenrijke getrouwheid, in uwe bijzondere bescherming en in den schoot uwer goedheid beveel ik heden , al de dagen mijns levens en vooral in mijn sterfuur, mijn ligchaam en mijne ziel. U vertrouw ik toe al mijne hoop, al mijnen troost, mijne droefheid en mijn lijden, mijn leven en sterven; opdat, door uwe heilige voorspraak en verdiensten, al mijn werker, naar den wil van uwen godlijken Zoon geleid en vol-bragt worde. Amen.
Bij den Zegen des Priesters.
(Naar de H. Mechtildis.)
ezegende Jesus ! even als Gij in de heilige Mis brood en wijn zoo krachtig gezegend hebt, dat zij daardoor in uw Ligchaam en Bloed veranderd zijn; zegen ook mij zoo krachtig, dat gedurende dezen dag het teeken van uw heiligen zegen in mijne ziel geprent, en deze voor alle gevaren dor vijanden bevrijd blijve. Amen.
— 2S5 —
(Naar den H. Gregoriiia van Nazianzeu.)
llerheiligste Moeder Maria, licht der maagden , die mij door «we voorspraak reeds zoovele g-enadeu van God verworven, uit zoo menio-e droeflieid gered en tegen mijne vijanden zoo dikwijls beschermd hebt: wees mijn voorbeeld en geleidster, opdat ik op mijnen pelgrimsweg steeds rijker worde nan hemelsche deugden; blijf steeds mijne goede voorsprank bij uwen Zoon Jesus Christus, opdat ik eenmaal het groote doel, mijne zaligheid, bereike. Amen.
Bij het laatste Evangelie.
(Naar deu H. Franciscus van Sales.)
heilige Maagden Moeder (iods, die, om uwe verhevene waardigheid, den diepsten eerbied der engelen en der menschen verdient: gij weet, dat ik u, van hef eerste ontluiken van mijn verstand, als mijne moeder, mijne voorspraak en mijne patrones gekozen heb ; ik beken met innige dankbaarheid, dat ik vele der genaden, welke mij God geschonken heeft, aan uwe goede voorspraak verschuldigd ben. Waarom heb ik u niet, o liefderijke Moeder, met even zooveel trouw gediend, als gij mij met zorgvolle liefde
19
— 280 —
uwe hulp bewezen hebt? Doch voortaan wil ik u vereeren, u dienen, u beminnen, zoo veel mijne zwakke krachten toelaten. Neem derhalve genadiglijk de verklaring aan , waardoor ik betuig, dat ik n volkomen toebehoor; laat mijn opregt vertrouwen u aangenaam zijn, en verkrijg mij van mijnen Verlosser, uwen geliefden Zoon, een levendig geloof, eene onwankelbare hoop , eene innige en getrouwe liefde ! Verkrijg mij eene onbevlekte reinheid des harten en des ligchaams, een lijdzaam geduld en volkomene overgeving van mijn wil in de goddelijke \\ oor-zienigheid. Verkrijg ook nog voor mij, o heiligste maagd Maria, dat ik u navolge in de oefening van alle deugden, opdat ik ook den bijstand uwer bescherming verdiene in het uur van mijnen dood. Amen.
G E T IJ D E N
dev Onbevlekte Ontvangenis van de allerheiligste Maagd Maria.
TEK METTEN.
Y Ynve Ontvangenis, o 11. Maagd, Moeder Gods, jl^fülieol\'t gelieel de wereld verheugd.
Verkondigt, mijne lippen, den lof van de Maagd,
Uit wier selioot voor deze aard\' eeuwig heil is gedaagd.
Wees, Vrouwe, mijne hulp altijd,
En schutte uw arm mij in den strijd.
Eere zij den A ader, en den Zoon , en den H. Geest. Alleluja.
Van Septungesima lot Pasehen bezige men , in plaats van Alleluja
Lof zij ü, o Heer, Koning der eeuwige glorie.
— 288 —
LOFGEZANG.
ü, o wereldlieersclieresse,
Maagd der maagden, morgengloed, \'s Hemels lieilge vreêbodesse,
Brengen wij den eerbiedgroet.
Vol genade en lietde tevens,
Glansde uit u liet licht des levens Heel de mensclilieid schittrend aan. Moeder! acli, wees tooli begaan Met liet lot der stervelingen,
Die uw glorietroou omringen
En daar smeekend voor u staan.
Vóór nog zon- of maanlicht rezen.
Lans: vóór de aard nog was gegrond, Had n de Eeuwige uitgelezen.
Om do Moeder Gods te wezen,
Arke van zijn Nieuw Verbond,
U, wie de erfelijke zonde,
\'t Zaad der Slang, niet smetten konde.
Antiph. De Allerhoogste heeft zijne woonplaats geheiligd; God is te midden van haar, en zij zal niet gestoord worden : want van t morgenrood af, zal God haar ter hulpe zijn. Ps. XL, 5. 6.
Hoe schoon zijt gij , mijne vriendin, hoe schoon zijt gij.
— 389 -
Uwe oogen zijn als die eener duive, behalve nog hetgeen innerlijk verborgen is. Hoogl. IV, 1.
r; e b e ]).
Jfleilige Maria, Koninginne des Hemels, Moeder onzes Heeren Jesus Christus en meestresse der wereld, die niemand verlaat en niemand versmaadt : o, zie genadig met de oogen uwer barmhartigheid op mij neder, en verwerf mij bij uwen geliefden Zoon de vergiffenis van al mijne zonden, opdat ik, hier ojj aarde, uwe geheimvolle en heilige onbevlekte Ontvangenis in ootmoed en aandachtig vereerende, namaals het loon der eeuwige zaligheid erlange; door onzen lieer Jesus Christus, wien gij als Maagd hebt gebaard, en die met den \\ ader en den H. Geest leeft en heerscht, in de volmaakte Drieëenheid, God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
O Vrouwe, bescherm mijn gebed,
En doe mijne roepstem tot God doordringen.
Laat ons den Heere loven,
Eu Gode dank zeggen.
De zielen der geloovigen mogen, door Gods barmhartigheid, in vrede rusten.
Amen.
— 290 —
teb peimek.
\'i^we Ontvangenis, o heilige Maagd, Moeder Gods, beeft geheel do wereld verheugd.
Wees, Vrouwe, mijne hulp altijd,
En schutte uw arm mij in den strijd.
Eere zij den Vader, en den Zoon , en den H. Geest. Alleluja.
lofgezang.
U, O Maagd, u, wijsheids-ader,
Huis, den Heere toegewijd.
Komen wij in ootmoed nader,
U, die onze Moeder zijt.
Tempel Gods op zeven zuilen.
Waar de hemeldisch in praalt.
Reeds door hooger licht bestraald.
Als uw dag nog lag te schuilen Onder heilige Anna\'s hart,
Die de bittre barenssmart Voor de hoogste vreugd mogt ruilen, Toen ze in u de Dochter zag Waar Gods raadsbesluit op lag:
Uit wier kuisehen schoot Hij \'t leven Adams kroost zon wedergeven; U, de star uit Jacobs stam,
r, der Englen Koninginne,
U, cle zaalge Rijks vors tinne,
U. de reinste liefdevlam ,
U, die \'t hart den liemel opent, Dat, geloovig, biddend, liopend,
Zich ii tot beschermster nam ;
O gij. Moeder-maagd, die krachtig,
In des Christens aardschen strijd.
Hem tot steun en toevlngt zijt :
ülaak ons steeds uw gunst deelachtig, En verhoor ons te allertijd.
Antipli. Wie is zij, die daar optreedt als het kriekend morgenlicht, schoon als de maan , schitterend als de zonne, vreeslijk als een geordende legermagt? Hoogl. VI, 10.
Gij zijt volmaakt schoon, mijne vriendin. Er is geen smet aan n. Hoogl. IV, 7.
G E I! E u.
ip) Heilige .Maria , Koninginne des Hemels, Moeder onzes Heeren Jesns Christus en mees-teresse der wereld, die niemand verlaat en niemand versmaadt : o, zie genadig met de oogen \\ivver barmhartigheid op mij neder, en verwerf mij bij uwen geliefden Zoon de vergiffenis van al mijne zonden, opdat ik, hier op aarde, uwe
— 393 —
geheimvolle en heilige onbevlekte Ontvangenis in ootmoed en aandachtig vereerende, namaals het loon der eeuwige zaligheid erlange; door onzen Heer Jesus Christus, wien gij als Maagd hetit gebaard , en die met den ader en den H. Geest leelt en heerscht, in de volmaakte Drieëenheid, God , van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
TER TERTIEN»
Ï^^we Ontvangenis, o heilige Maagd, Moeder Gods, heeft geheel de wereld verheugd.
Wees, Vrouwe, mijne hulp altijd.
En schutte uw arm mij in den strijd.
Eere zij den Vader, en den Zoon , en den H. Geest, Alleluja.
LOFGEZANG,
Heiige Bondark der verzoening.
Troon, door Salomo beduid,
Aaronsstaf ia eeuwige groening.
Deur, die \'t Godsrijk open sluit : Vredeboog aan \'s hemels zalen,
Herobs vlammend doornevuur,
Daauw, dien in het morgenuur,
Gideon op \'t vacht zag dalen;
— 393 —
Samsons cluistre honigraat;
Neen, liet erfelijke kwaad Kon, voorzeker, n niet smetten,
U, die \'t monster zou verpletten.
Dat eens Eva bragt ten val;
Neen, de Schepper van \'t heelal Wilde, naar zijn hoogere orden,
Uit een Maagd geboren worden,
Eein en vlekloos als het licht Voor zijn godlijk anngezigt.
Antiph. In de zon heelt hij zijne woonstede gevestigd, en hij treedt daarheen als een bruidegom uit zijne binnenkameren. Ps. XVIII, 6.
In het hoogste ruim heb ik mij gezeteld,
En mijn troon rust op eene wolkzuil. Keel. XXIV, 7.
fi E B E D.
J^|eilige Maria, Koiiinginue des Hemels, Moeder onzes Heeren Jesus Christus en meestresse der wereld, die niemand verlaat en niemand versmaadt : o, zie genadig met de oogen uwer barmhartigheid op mij neder, en verwerf mij bij uwen geliefden Zoon de vergiffenis van al mijne zonden, opdat ik, hier op aarde, uwe geheim-
— 394 —
volle en heilige onbevlekte Ontvangenis in ootmoed en aandachtig vereerende, namaals het loon der eeuwige zaligheid erlange; door onzen lieer Jesus Christus, wien gij als Maagd hebt gebaard, en die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht, in de volmaakte Drieëenheid, (iod, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
TER SEXTEN.
■Mwo Ontvangenis, o H. Maagd, Moeder Gods, heeft geheel de wereld verheugd.
Wees, Vrouwe, mijne hulp altijd,
Eu schutte uw arm mij in den strijd.
Eere zij den Vader , en den Zoon , en den H. Geest. Alleluja.
LOFGEZANG.
Maagd en Moeder ! zie, wij groeten U eerbiedig in het stof;
Englenvreugde in \'s hemelshof,
Zie, wij knielen aan uwe voeten; Kuischheids bronwel, tempel Gods,
Hecht gebouwd op de eeuwige rots Der Drieëenheid; vreugdekweekster,
Teedre hemellichtontsteekster,
Palm van vrede en van geduld,
— 295 —
Lustwarand, die Adams schuld En zijn Eden doet vergeten;
Stad des Heeren, vrcdopoort,
Heilig, driewerf-lieilig oord,
Gij, wie allen zalig lieeten.
Gij die vorstlijk van geslacht, l)c opperpriesterlijke magt,
\'t Eeuwig Woord hebt voortgebragt. Gij, -Maria, vol genade.
Kom ons met uw gunst te stade.
Anliph. Zijn grondslag is op den heiligen berg; do Heer bemint Sions pooi ton meer, dan al de woontenten van Jacob. Ps. T,XXXVII, 1
en 2.
Heerlijke dingen zijn van u, o stad Gods, gezegd.
\'De I leer licel\'t ze zeli\' gegrondvest. (Zelfde Ps. vs. 3 en ö.)
G F, B E 1).
J^||eilige Maria, Koninginne des Hemels, Aioeder onzes Heeren Jesus Christrus en meestresse der wereld, die niemand verlaat en niemand versmaadt ; o, zie genadig met de oogen uwer barmhartigheid op mij neder, en verwerf mij bij
— 296 —
uwen geliefden Zoon de vergiffenis van al mijne zonden, opdat ik, hiei- op aarde, uwe geheimvolle en lieilige onbevlekte Ontvangenis in ootmoed en aaudaclitig vereerende, namaals het loon der eeuwige zaligheid erlange; door onzen lieer Jesus Christus, wien gij als .Maagd hebt gebaard, en die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht, in de volmaakte Drieëenheid , God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
TER NONF.X.
Uwe Ontvangenis, o H. Maagd, Moeder Gods , heeft geheel de wereld verheugd.
Wees, Vrouwe, mijne hulp altijd,
Kn schutte uw arm mij in den strijd.
Eere zij den Vader, en den Zoon, en den H. Geest. Alleluja.
LOFGEZANG.
Wees gegroet, o vestingwallen,
Davids toren op de rots,
Onverwinbare sterkte Gods,
Die des vijands heir doet vallen Door onzigtbre wapenkracht;
Gij, die door des Hemels magt,
D\'ouden draak in \'t stof verpletten. Ja, voor altijd breidlen kondt.
— 397 —
Eu liet slagzwaard wist te \'wetten,
Meer dan \'t Judith onderstond;
V\\ees gegroet, sieraad der wereld,
Alet des hemels glans bepereld,
Spruid van Davids Vorstenbloed, Afgespiegeld in den gloed,
Die Abisag eens omstraalde,
En waar Rachels kruin meê praalde, Als de glans van Jacobs huis;
Neen, uw glorie was het Kruis,
aar de Godmensch aan verbloedde. Hij, wiens jeugd uw liefde hoedde. Hij , die voor het menschdom stierf, l\'\'n ons het hemelrijk verwierf;
Hij, des Vaders welbehagen.
Dien uw kuische schoot gedragen Hu gebaard heeft in den tijd;
Daarom worden onze beden.
Heilige Moeder, u, op heden En voor eeuwig, toegewijd.
Antiph. Gij zijt de eere van Jeruzalem, gij zijt Israels vreugde, gij zijt de heerlijkheid van ons volk. (Judith XV, 10.)
Gelijk een lelie onder de doornen,
Zoo is onder de doohtereu mijne vriendin. (Hooglied II, 3.)
— 298 —
r; E B K i).
Marin, Koninginne des Hemels, Moe-dev onzes Heereu .Tesus Christus en ineesteresse der wereld, die niemand verlaat en niemand versmaadt: o, zie ü\'enadiu\' met de oogen uwer barmliartiglieid op mij neder, en verwerf mij bij uwen geliefden Zoon de vergiffenis van al mijne zonden, opdat ik, bier op aarde, uwe geheimvolle en heilige onbevlekte Ontvangenis in ootmoed en aandachtig vereerend, namaals het loon de eeuwige zaligheid erlange; door onzen Heer Jesus Christus, wien gij als Maagd hebt gebaard , en die met den Vader en den heiligen Geest leeft en heerscht, in de volmaakte Drieëerheid, God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
TER VESPER.
Uwe Ontvangenis, o H. Maagd, Moeder Gods, heeft geheel de wereld verheugd.
Wees, Vrouwe, mijne hulp altijd.
En schutte uw arm mij in den strijd.
Eere zij den Vader, en den Zoon, en den H. Geest Alleluja.
▼
— 399 —
LOFZANG.
\'k Groet u, dienares des Heereu, Die, volhardend in \'t gebed, Met ootmoedig zielsverneiren, U geschikt liebt naar Gods wet. Om Emmiiimel te ontvangen In uw raaagdelijken s(^ioot;
Hem, die over graf en dood, De opperheerscliappi] erlangen En het menschdom zaalgen kwam. Als onschuldig offerlam.
.Ta , dien God hebt gij gedragen,
Toen Hij \'t eeuwig glorierijk Uittoog, om, in \'t aardsche slijk, — Hij, de Vorst der Englenkoren,— Zich voor ons te zien geboren. En aan den verloren zoon,
Wien het doemlot was beschoren, Weêr te geven \'s Hemels kroon. Ja, Maria, toen, toen straalde \'t Licht, dat van den hooge daalde. Uit dien Zoon de wereld rond.
En, bij \'s aardrijks droevig duister, Eees uit u de morgenstond , Aan Ezechias verkond.
— son —
Die verzuchtte in krankheiclskluister;
Toen, oji Gods bevel, de luister Van de zoune rugwaarts sclioot, \'t Reddino\'steeken uit den nood Van een onvermijdbren dood.
Wees gegroet dan, slangvertreedster, T^eliebloem in doornegaard,
Maanglans, Üonkrend over de aard,
llooge liemeltroonbekleedster.
Die voor dwaling \'t hart bewaart.
Dat zich u blijft toebetrouwen : O gezegendste aller Vrouwen,
Geef, dat we eenmaal u aanschouwen. Waar, in stoorlooze eeuwigheid, U de Kroon is toebereid.
AnHplt. De lieer sprak tot de slang: Ik wil vijandschap tusschen u en de vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad : en zij zal u den kop vertreden. Genes. I, 3.
Gezegend zijl gij onder de vrouwen, Kn gezegend is do vrucht uws ligchaams. Luc. I, 28.
ü E H K D.
^^eilis\'e Maria, Koninginne des Hemels, Moeder onzes Heeren Jesus Christus en meestresse
301
der wereld, die niemand verlaat en niemand versmaadt: o, zie genadig mei de oogen uwer barmhartigheid op mij neder, en verwerf mij bij uwen geliefden Zoon de vergiffenis van al mijne zonden, opdat ik, hier op aarde, uwe geheimvolle en heilige onbevlekte Ontvangenis in ooi-moed en aandachtig vereerende, namuals het loon der eeuwige zaligheid erlange; door onzen Heer Jesus Christus, wien gij als Maagd hebt gebaard, en die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht, inde volmaakte Drieëenheid, God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
TBR COM PL KT KX.
heeft geheel de wereld verheugd.
Door uwe voorbidding, o H. Maagd, mogen wij met uwen godlijken Zoon verzoend en tot hem bekeerd worden.
Wend zijnen toorn van ons af.
Wees, Vrouwe, mijne hulp altijd,
En schutte uw arm mij in den strijd.
Lere zij den Vader, en den Zoon, en den H. Geest. Alleluja,
we Ontvangenis, o 11. Maagd, Moeder Gods,
20
— 302 —
lofgezang.
Wees gegroet, o reinste Moeder,
Jesses spruit, in hemelsohoon.
Hoedster van den Albehoeder,
Neergezeten naast zijn troon,
Schittrend boven de Englenscharen,
In een gonden glansgewaad ;
Poolstar op de onstuime baren.
Waar uw oog de doodsgevaren.
Al des sclieeplings zielsbezwaren, Heilaanbrengend gadeslaat;
Hoop der zondaars, zwaklieidssterkster, Hemeldeur, genabewerkster,
Krankenhulp en toeverlaat;
O verleen ons, door uw voorspraak.
Lieve Moeder van Gods Zoon,
Hier op aard reeds \'s Hemels voorsmaak, En daarboven \'t eeuwig loon.
Antiph. Ik ben eene moeder der schoone liel\'de, der vreeze, derkennisse, en der heilige verwachting ; bij mij is alle hope des levens en der deugd. Eccl. XXIV, 24 — 26.
Treedt allen toe tot mij, die naar mij verlangen gevoelt, en verzadigt u aan mijne vruchten. (Ter zelfde plaatse.)
— 308 —
G E B E I).
J^leilige Maria, Koninginne fles Hemels, Moeder onzes Heeren Jesus (Jhn\'suis en meesteresse der wereld, die niemand verlaat en niemand versmaadt; o, zie genadig met de oogen uwer barmhartigheid op mij neder, en verwerf\' mij bij uwen geliefden Zoon de vergiffenis van al mijne zonden, opdat ik, hier op aarde, uwe geheimvolle en heilige onbevlekte Ontvangenis in ootmoed en aandachtig vereerende, namaals het loon dor eeuwige zaliggeid erlange; door onzen Heer Jesus Christus, wieu gij als Maagd hebt gebaard, en die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht, in de volmaakte Drieënheid, God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
ï O Ji W IJ JJ 1 N G.
Vol van ootmoed. Moeder-maagd,
Zij deez\' bede u opgedragen.
Laat de hulde u welbehagen.
Die ons hart u tegendraagt.
Doch, wanneer, na \'t aardsche zwerven.
Onze ziel naar ruste smacht.
Doe ons dan een plaats verwerven ,
Waar uw blik ons tegenlacht.
— 304 —
LITANIE
der allerheiligste Maagd en Moeder 6oda van Lorretto.
mzer.
lieer, ontferm 1\' onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God, Vader in den hemel, ontferm U onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld, ontf. U onzer.
God, H. Geest, ontferm U onzer.
li. Drievuldigheid , één God, ontierm D onzer.
Heilige Maria, bid voor ons.
Heilige Moeder Gods,
Heilige Maagd der maagden,
Moeder van Christus,
Moeder der godlijke genade, S
Allerzuiverste moeder, lt;
Allerkuischte moeder, o
Ongeschondene moeder, o
Onbevlekte moeder, Y\'
Minnelijke moeder.
Wonderbare moeder.
Moeder des Scheppers,
Moeder des Zaligmakers,
— 303 — Allevvoorzio-tigste maagd, bid voor Eerwaardige maasd,
l.oflijke maagd,
Magtige maagd,
Goedertierene maagd,
(«otromve maagd.
Spiegel der regtvaai-diglieid,
Zetel der wijsheid.
Oorzaak on/.er blijdschap,
O-eestlijk \\ nl,
Eerbiedwaardig vat,
Uitstekend vat van godvruchtigheid, Geheimzinnige roos.
Ivoren toren,
Gulden huis,
Ark des verbonds,
Deur des Hemels,
Morgenster,
Behoudenis der kranken,
Poevlugt der zondaren.
Troosteres der bedrukten,
Bijstand der christenen.
Koningin der engelen ,
Koningin der oudvaders.
Koningin der profeten,
Koningin der apostelen.
— SOfi —
Koningin (lev martelaren, bid voor ons. Koningin der belijders, bid voor ons.
Koningin der maagden, bid voor ons.
Koningin van alle Heiligen, bid voor ons. Koningin zonder smet ontvangen, bid voor ons. Koninain van den allerh. Rozenkrans, bid voor ons. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
spaar ons. Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
verboor ons, Heer.
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,
ontferm U onzer.
Christus, boor ons.
Ckristns, verboor ons.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Onze Vader, enz.
Onder uwe bescherming nemen wij onze toe-vlugt, heilige Moeder Gods; verstoot onze gebeden niet in onze noodwendigheden, maar bevrijd ons altijd van alle gevaren ; o glorierijke en gezegende Maagd, onze vrouwe, onze middelares, onze voorspraak; verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon.
Bid voor ons, o heilige Moeder Gods!
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
a E B E D.
tort, bidden wij, Heer, uwe genade in onze harten , opdat wij , die door de boodschap des Engels, de menschwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de glorie der verrijzenis gebragt mogen worden; door denzelfden Christus, onzen Heer. Am.
Bid voor ons, o heilige Josef !
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Ci E )i E 1).
ij bidden ü, o Heer, dat, door de verdiensten des Bruidegoms uwer allerheiligste Moeder ondersteund , zijne voorbidding ons moge doen verwerven, wat wij door eigen krachten niet zouden kunnen erlangen; Gij, die leeft en regeert. God , van eeuwigheid tot eeuwigheid Amen.
ZEVEN GEBEDEN
in verband met de zeven vreugden der H. Maagd.
1. Ü Maria ! gedenk de vreugde, welke uw hart smaakte, toen de allerheiligste Drievuldigheid u, door de boodschap des Engels, tot Moeder des Eengeboornen uitverkoor: ik bid u , wil mij de vruchten dezer blijde boodschap deel-achtis doen worden, en mij het eenwig heil door uwe voorbede verwerven. Amen.
2. O Maria 1 gedenk met welk een troost uw hart vervuld werd, toen gij uwen godlijken Zoon, die zonder smarte gebaard was, omarm-det en gekust hebt: ik bid u, doe mij de genade erlangen, dat ik Jesus, mijnen Verlosser en Za-lio-maker, innig liefhebbe en eeuwig met hem verbonden blijve. Amen.
3. O Maria! gedenk de blijdschap , die u vervulde, toen de drie Wijzen uit het Oosten uw kind als Koning des hemels en der aarde met drievoudige geschenken, met goud, met wierook en met mirre vereerd . en hem tevens godlijke eer bewezen hebben; ik bid u, o wil nu bij uwen Zoon, onzen Heer, de gunst voor mij verkrijgen,
— ;-;09 —
dat ik hem mijn verstand, mijn wil en mijn ore-hengen onvei\'fleeld ten ott\'ev brenge, en onwrikbaar in het gelootquot;, in de hoop en in de liefde volharde. Amen.
4. O Maria! gedenk die vreugdevolle gemoedsaandoening, toen a\'ij uwen twaalfjarigen Zoon , die verloren was en met smarte door u gezocht werd, in den tempel, te midden der leeraren neergezeten, wedergevondcn hebt; ik bid n , doe mij de genade ondervinden, dat ik mijn beminden Jesus, dien ik zoo dikwerf door mijne zonden verloren heb, door een opregt berouw en leedwezen hervinde, om hem nimmermeer te verliezen. Amen.
5. O Maria ! gedenk die oiuiitspreeklijke blijdschap, die zich van u meester maakte , toen uw teederbeminde Zoon, na zijne glorievolle opstanding, u op paaschdag verschenen is; ik bid u, wil ook mij, teu dage desgerigts, bij uwen Zoon, onzen Heer, eene zalige opstanding verwerven. Amen.
0. O Maria! gedenk de zielevreugde, welke gij ondervondt, toen nw geliefde Zoon luisterrijk ten Hemel is opgevaren; ik bid u, geef vleugelen aan mijn hart, opdat het van de aarde heeusnelle en opstijge ten Hemel, met Jesus,
— 310 —
uwen Zoon , onzen Heer, om daar te rusten , waar alleen kalmte , stoorloos genoegen en reine vreugde te vinden is. Amen.
7. O Maria ! gedenk die onbegrijpelijke vreugde, waarvan op Pinksterdag de H. Geest uw hart deed overvloeijen, en liet met nieuwe gaven verrijkte; ik bid u, verwerf mij de genade, dat de H. Geest mijn verkoeld gemoed met liet vuur zijner liet\' ontsteke, en ik hierboven God, eenmaal, als mijn hoogste goed, in eeuwige liefde met u en alle Heiligen bezitten moge. Amen.
TOEWIJDING
mijne voorspraak, mijne hulpe en gebiedster, allerheiligste Maagd Maria! aan uwe onwrikbare trouw, in uwe bijzondere bescherming, en aan den teederen boezem uwer barmhartigheid geef ik mij onbepaald naar ziel en ligchaam over, en leg ik mij gelaten neder, nu en al mijne levensdagen, maar vooral in de ure van mijnen dood. Al mijne hoop en troost, mijn nood en ellende, mijn leven en mijnen uitgang in den dood draag ik u op, teneinde, door uwe alles vermogende voorbede en door uwe verdiensten , mijne werken allen naar uwen heiligen
— 311 —
wil, en naar dien van uwen gotllijken /0011 mogen worden ing-ei-iu-t, en ze enkel strekken te uwer eere, ter eere Gods, tot \'s naasten lieil en te mijner zaligheid. Amen.
BBDE OM DUN /.KGEN.
^Hfelaan dan, mijne ziel, verneder u aan de voeten uwer II. Moeder Maria, en rijs niet O]) uit liet stof\', voordat zij u gezegend heeft. O gij, van God bevoorregte, ja, met alle zegeningen rijk begiftigde en versierde Vrouwe, H. Maagd , o zegeu naar uwe ontferming en goedheid mij , diep-bedroefde, en verwerf mij bij uwen teeder-beminden Zoon overvloedige genade, teneinde ik hem en u hier op aarde zoodanig diene, dat ik namaals de eeuwige heerlijkheid deelachtig worde. Amen.
GEZANG
tei- eere van de Allerheiligste Maagd Maria.
Komt, heften wij een loflied aan!
Ons lied klimme op van de aard\',
Tot voor Gods troon, waar de englen staan, \'t Zij met lum lied gepaard.
Komt, zino\'en wij Maria\'s lot\'.
Want wie verdient liet meer?
Zij is vorstin van \'t liemelsoli hof. De Moeder van den Heer.
Dat onze lof\' niel mishaas;\', O hemel-koningin !
Is van ons lied de toon wat laag, Hij dring\' ten hemel in.
(ïeen schepsel dat zoo veel vermogt,
Geen is zoo hoog in eer;
Uw hulp is nooit vergeefs gezocht, O Moeder van den Heer !
Door Adams val wij waren dood,
Heel afgekeerd van God, En zonder hulp in onzen nood ,
Beweenlijk was ons lot. O Morgenster der zaligheid,
(lij bragt ons \'f leven weer: [Jw deugd heeft ons dit heil bereid, O Moeder van den Heer!
Verbaasd en woedend was de hel.
Om \'t heil van ons geslacht,
Toen n de aartsengel Gabriël De blijde boodschap bragt. Nu spanne satan strik en net, Wij vreezen hem niet meer; Uw zaad heeft hem den kop verplet, O Moeder van den Heer!
Als Gij, o Maagd, in eenen stal Ons baardet uw heilige vrucht. Dan hoorde men het blij geschal
Der Knglen in de lucht.
Zij zongen voor het menschdom vree,
Nooit blijder dan dien keei1, Tot God en uwer eere meê,
O Moeder van den Heer 1
— 314 —
Wij roepen u , in Jüsus Kerk,
Als hulp en voorspraak aau,
Hij lieoi\'t zijn eerste wonderwerk
Op uw verzoek gedaan.
Ei! zie dan gunstig van omhoog
Op uwe dienaars neer ,
Beschouw ons met een moederoog, O Moeder van den lieer!
Uw Zoon , toen hij aan \'t kruishout hing,
Ons eeuwig heil verwierf.
Beval u aan zijn lieveling,
Eer hij voor \'t mensohdom stierf; Joannes liefde ontving dit loon,
Die gunst en troostrijke eer.
Gij werdt zijn Moeder, hij uw Zoon, O Moeder van den Heer!
Wil zoo ook onze Moeder zijn ! Ons hart, dat Jesus mint.
Keept tot u, uit deez\' rampwoestijn ; „ Ach , Moeder ! zie uw kind !
«Zie, lieve Moeder van gena,
ii Toch gunstig op ons neêr;
ii Uw liefde is zonder wederga , // O Moeder van den Heer !
— ;il5 —
Ach , Moeder van barmliartigheid !
Onttrek uw kuip ons niet;
Als ons de wereld lokt en vleit,
Als gij ons wankelen ziet,
Als ze ons, door wellust, strikken zet, ; Of streelt door lof eu eer,
Bescherm ons dan door uw gebed, O Moeder van den Heer!
Wanneer ons armoe dreigt of drukt,
Als ziekte of pijn ons knelt. Als alles, wat wij doen, mislukt. Als ramp op ramp ons kwelt, Als niets op aarde ons troosten kan; —
Ei, zie dan op ons neer.
Troost ons door uwe voorspraak dan, O Moeder van den Heer!
Als eens het bange sterfuur slaat.
Als de aard\' geen vreugd meer heeft. Als geld eu roem ons niets meer baat,
Maar bittere wroeging geeft; Als grootheid klein wordt in ons oog,
Met \'s werelds ijdele eer.
Wees onze helpster dan omhoog, O Moeder van den Heer!
1
— 316 —
Bescterm ons zoo in eiken nood,
En sta ons altoos bij,
Vooral in \'t uur van onzen dood,
Opdat het zalig zij ;
En « ij, voor \'t heil voor ons bereid.
Met u, Gods lol\' en eer Verheffen tol in eeuwigheid, O Moeder van den lieer !
TOEWIJDING aan de H. Maagd Maria.
mj HET JfOllGENOF.BE]).
\'#Vmijue Meesteres, o mijne Moeder! ik wijd mijgelieel aau u toe; en omu een blijk mijner toegeuegenlieid te geven, wijd ik u vandium- toe, mijne oogen, mijne ooren, mijnen mond, mijn liart, mijn persoon zeiven. O mijn goede Meesteres! bewaar mij , verdedig mij als uw «-oed en uw eigendom.
Voor liet dagelijks godvruchtig: uitsprekeu van dit srebed , vergunt Z. H. Pius IX iedtT dag eeu uflaut vau 100 dagen; wie liet gedurende eene. maand dagelijks bidt , kan eens ia die maand een vollen afluat verdienen-, mits men vooraf waardiglijk gebiecht en gecommuniceerd hebbe.
O mijne Meesteres, o mijne Moeder! gedenk dat ik u toebehoor. Bewaar mij, verdedig mij als uw goed en uw eigendom.
— 318 —
Voor ieder keer dat men dit schietgebed ia de bekorio;, met een rouwmoedig hart bidt, geniet men 40 dageu allaat.
ZEER KRACHTIG GEBED IK DE BEKORINGEN TEGEN DE HEILIGE DE VOD VAN ZUIVERHEID.
v%.i|. mv allerheiligste Maagdom eu uwe onbevlekte üntvaugeuis, o allerzuiverste Maagd Maria, zuiver mijn liart eu mijn vleescli.
a. Gezegend zij de heilige en onbevlekte Ontvangenis van de heilige Maagd Maria.
/). Heilige Maagd Maria! in uwe Ontvangenis zijt gij onbevlekt geweest: bid voor ons den Vader. wiens Zoon gij gebaard nebt door medewerking van den heiligen Geest.
Voor ieder keer dat men een dezer twee gebeden godvruch-tiglijk bidt, zijn 100 dagen alUat verleend , welke allaat Toevoeïbaar is aan de zielen in het vagevuur.
GEBED TEH EE RE VAN O. L. V. VAN B ARM HARTIGHEID.
3j)k groet u, Maria , vol van smarten: de gekruisde Jesus is met u: gij zijt medelijden waardig, onder alle vrouwen; en eveneens Jesus , de vrucht uws ligchaams. Heilige Maria, Moeder van den gekruisten Jesus: verkrijg ons tranen
van berouw, aan ons, lt;lie Jesus uwen Zoon gekruisigd hebben, nu en in liet uur onzes doods. Amen.
Voor ieder keer dat men dit gel\'ed met em rouwnsoedig hart bidt, is (13 Dec. 1S4-7) 100 dsgfn allant verleend, ook toevoejjbaar aan de zielen in het vagevuur.
^^(iefdevol liart van Mn via . wees mijne toe-vlugt!
Z. H. Pius IX heeft (30 Sept. 1852) 300 dagen stlaat verleend, voor ieder keer dar men dit schietgebed bidt; en e^ns in de maand vollen aflaat, na vooraf waardiglijk gebiecht en gecommuniceerd, en in de kerk ter intentie van Z. H. gebeden te hebben. — Deze aflaat is mede toevoegbaar aan de zielen in het vagevuur.
OPDKAGT AAN HET DIEK HAAK BLOED VAN JESUS.
jl|^euwige Vader! ik otter U op het dierbaar bloed van Jesus Christus, tot boeting mijner zouden , en tot het welzijn van onze Moeder de H. Kerk.
100 dogen aflaat, voor ieder keer dat men dit gebed godvruchtig bidt, welke aflaat toevoegbaar is aan de zielen in het vagevuur. ( verleend 2fl Maart 1817.)
^Celoofd en gedankt zij ieder oogeublik liet allerheiligste en zeer godlijk Sakrament I
Den 24- Mei 1771 ïijn voor het godvruchtig dag^Sjks spreken van dit schietgebed de volgende i fiateu verleetul;
icd«r dag eenmaal 100 dagen ; — des donderdags en ^e-ihircnde het octaaf van het allerh. Sakrament, driemaal 100 dagen; — en eens in de maand vollen aflaat, mits vooraf waardiglijk gebiecht en gecommuniceerd hebbende. — Deze ?Haten zijn mede toevoegbaar aan de zielen in her vaipvnnr.
iju Jesus . barmhartigheid !
Voor het godvruchtig spreken van dit schietgebed zijn ■; 2(5 Sept. 1S46) telkenmale 100 dagen aflaat verleend, welke ook toevoegbaar is aan de zielen in het vagevuur,
A .VN ROE PI XG VAN JESUS, MA KJ A , JOSEF.
mijn geest en mijn levan!
Jesus, Maria, Josef! staat mij bij in den doodstrijd !
Jesus, Maria, Josef! dat ik zacht in uw heilig gezelschap sterve!
Voor ieder keer dat men deze aanroeping godvruchtiglijk doet, zijn 300 dagen allaat verleend; en voor elke dezer aanroepingen afzonderlijk, telkens 100 dagen, — mede toevoegbaar aan de zielen in het vagevuur. (38 Apr. 1807.)
AANROEPING DHK IIEILKJE NAAIEN :
Voor ieder keer dat men deze namen godvruchtiglijk uitspreekt, zijn 25 dagen allaat verleend, welke me je toevoegbaar is aan de zielen in het vagevuur.
— 321 —
GEBED VOOR DE SÏEllVENUEN.
allürgoedei\'tierenste Jesns, Schepper der üieleu ! ik biel TJ, door den doodstrijd van uw allerheiligste Hart, en door de smarten van uwe onbevlekte Moeder : wasch in uw bloed alle zondaars der wereld, die nu in den doodstrijd zijn, en heden sterven zullen. — Amen.
Dqodsbenaauwd Hart van Jesus! wees de stervenden gcna\'lig.
Z. H. Kus IX heeft (2 l\'ebr. 1855.) 100 Jafren aflsat verlf eml, voor iedor keer dat men met een berouwhebbend li art dit gebed godvruchtiglijk bidt; voor hen die het tce-durende eene geheele maand driemaal op versohiüeale uren dagelijks bidden, vollen sliaat ojgt; den dag dat m?a waardiglijk gebiecht en gecommuniceerd heeft, en tevens eene kerk bezoekt , en daar bidt naar do meening van Z. II. — Deze allaten zijn ook toevoegbanr aan de zieiea iu het vagevuur.
LOFSPRAAK TOT DEN ZOETEN NAAM.
fj^at (iod gebenedijd zij! gezegend zij zijn
heilige Naam !
Gezegend zij Jesus Christus, waarachtig üod
en mensch!
Gezegend zij de heilige Naam van Jesus ! Gezegend zij Jesus, iu het allerheiligste Sa-krament!
— 322 —
Gezegend zij de Moeder Gods, de allerlieiligste Maagd Maria !
Gezegend zij de heilige en onbevlekte Ontvangenis !
Gezegend zij de heilige Naam van Maria, Maagd en M oeder!
Gezegend zij God, in zijne Engelen en Heiligen !
Vuor ieder keer dat men deze lolspraak bidt, ter eere van Gods heilige Naam , eu tot herstelling var den hoon hem aangedaan door de godslasteringen, is een jaar aflaat verleend; en vollen aflaat eens in de maand, mits men waardiglijk gebiecht en gecommuniceerd, en in eene kerk volgen» de meening van Z. H. gebeden hebbe. — Ook deze aflaten zijn toevoegbaar aan de zielen in het /agevuur.
Utiliter Imprimi Potest.
P. C A N O IJ ; Can. theol. ad hoe depntatUR.
Ruremandse hac 2 Pebruarii 1862.
BLADWIJZER.
Bladz.
Toewijdino\'........ 5
1. Meiklokje......... 7
II. Zonnebloem........13
III. Eiloof..........18
IV. Braiidencle liefde......33
V. Lelie..........39
VI. Rosmarijn........36
VII. Tulp .\'.........43
VIII. .Reseda..........BI
IX. Passiebloem........()0
X. Balsemijn.........08
XI. Korenbloem........78
ML Vuurlelie.........87
XIII. Maagdepalm. (Immergroen) . . 97
XIV. Kruidnagel........105
XV. Koode rozen........113
XVI. Ridderspoor........130
XVII. Alproos.........138
XVIII. Aster..........138
XIX. Mirt..........147
XX Keizerskroon........154
XXI. Mos..........103
XXII. Doodenbloem.......170
BlAinVIJZKK.
XXIII. De gele Hoos.......177
XXIV. Narcis.........183
XXV. Viooltje.........193
XXVI. Colooasia........199
XXVII. Geranium...... . . 207
XXYIII. Iinmortello........314
XXIX. Witte rozen ....... 221
XXX. Lonicera........330
XXXI. Yergeet-iuij-met......238
Morgen- Dag- en Avond-Gebeden, toegewijd aan de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria.
Morgengebed..........349
Bede tot de Moeder des Heeren in den
Morgenstond..........331
Avondgebed...........352
Misgebeden ter eere, en op de Feestdagen
van de allerheiligste Maagd Maria . . 235 Getijden der onbevlekte Ontvangenis van
de allerheiligste Maagd Maria . . . . 287 Litanie der allerheiligste Maagd en Moeder
Gods van Loretto ........304
Zeven gebeden in verband met de zeven
vreugden der 11. Maagd......309
Gezang ter eere van de allerh. Maagd Maria. 313 Toewijding aan do H. Maagd Maria ; verschillende gebeden met daaraan verbonden aflaten...........318