-ocr page 1-

DE

GEESTVERSCHIJNING

DOOK

WILKIE COLLINS.

Me.t toestemming van den Schrijver vertaald.

\'S-GRAYENHAGE, GEER. BELINFANTE.

1 8 85.

-ocr page 2-

Kast 203

PI. F N0.50

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE GrEESTVEESCHIJNIM.

-ocr page 6-

------ c- --

(iedrukt bij GERIi. BELINFANÏE, vuorh.: A. D. SCHINKEL.

\'

\\

1898 6244

-ocr page 7-

1

JU 3 -

DE

GEEST VERSCHIJNING -

DOOR

r

WILKIE COLLINS.

-Met toestemming van den Schrijver vertaald.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

DE GEESTVERSCHIJNING.

EERSTE GEDEELTE.

I.

Het onderstaand verhaal voert den lezer op een geheel nieuw en onbekend terrein. Hij vindt daarin de beschrijving van den terugkeer van een uit het lichaam gevaren geest tot de aarde — niet in het duister van den nacht, maar op klaarlichten dag; zich niet openbarende in een visioen, noch als eene onzichtbare stem — maar waargenomen door het zintuig dat zich het minst laat bedriegen: het zintuig van het gevoel.

i

-ocr page 10-

DE GEESTVERSCHIJXINO.

De mededeeling van deze gebeurtenis zal natuurlijk tegenstrijdige gevoelens uitlokken. Bij eenige personen zal het gezond verstand niet dulden er eenig geloof aan te hechten; bij andere weder zal het reeds bestaande er door worden versterkt; doch het onopgeloste vraagstuk nopens de bestemming van den mensch zal echter, gelijk reeds gedurende zoovele eeuwen van vruchtelooze nasporingen, onopgelost blijven.

De schrijver heeft in dit verhaal alleen getracht de opvolgende gebeurtenissen geregeld te vermelden, doch onthoudt - zich van het uiten van eene eigen meening. Hij trekt zich terug in de schaduw waaruit hij is te voorschijn getreden, en laat de tegenover elkander staande krachten van geloof en ongeloof den ouden strijd, op de oude gronden, nog eens op nieuw beginnen.

2

-ocr page 11-

11.

De voorvallen, waarmee de lezer bekend zal worden, hadden plaats na het jaar dertig van de tegenwoordige eeuw.

Op een sehoonen morgen, in de maand April, nam een heer van middelbaren leeftijd, Raybnrn genaamd, zijn dochtertje Lucy mede op eene wandeling, in de boschrijke lanen van Kensington Grardens.

De weinige vrienden die hij bezat zeiden van den heer Rayburn, dat hij een stil en terughoudend man was. Hij was weduwnaar en leefde uitsluitend voor zijn eenig

-ocr page 12-

DE GEESTVEESCHLTNTNG.

overgebleven kind. Hoewel hij niet ouder dan veertig jaar was, kende Lucy\'s vader geen ander genoegen in \'t leven, dan Lucy gezond en vroolijk te zien.

Met haar bal spelende liep het kind voort tot de zuidelijke grens van het Park, in dat gedeelte dat het dichtst bij het oude Paleis van Kensington is gelegen. Daar gekomen ontdekte M. Rayburn dichtbij een van die ruime overdekte zitplaatsen, eene soort van prieelen, en herinnerde zich daarbij dat hij de courant in zijn zak had en dat hij daar op zijn gemak zou kunnen zitten en lezen. Op dat vroege uur heerschte daar de grootste stilte. „Speel maar door, liefje,quot; zeide hij, „maar blijf in mijne nabijheid.quot;

Lucy raapte haar bal op en Lucy\'s vader opende zijn courant. Hij had nog slechts een paar minuten gelezen, toen hij een hem welbekend handje op zijn knie voelde. „Begint het spelen je al te ver-

4

-ocr page 13-

DE GEESTVERSCHIJNING.

velen?quot; vroeg hij — nog- steeds met zijn oogen op de courant gevestigd.

„Ik ben bang, papa.quot;

Nu keek hij op. Het bleeke gezichtje van het kind deed hem ontstellen. Hij zette haar op zijn knie en kuste haar. „Je behoeft niet bang te zijn, Lucy, als ik bij je ben,quot; zeide hij vriendelijk. „Wat is er?quot; vroeg hij, terwijl hij zich voorover boog en buiten het prieel keek, Avaar hij tusschen de boomen een kleinen hond ontwaarde. „Ben je bang voor dat hondje?quot; vroeg hij.

„Neen, niet voor \'t hondje, maar voor de dame,quot; antwoordde Lucy.

Van uit het prieel was nergens eene dame te zien. „Heeft zij iets tegen u gezegd?quot; vroeg M. Rayburn.

„Neen.quot;

„Waarom ben je dan zoo bang voor haar?

Het kind sloeg haar armen om haars

5

-ocr page 14-

DE GEESÏVEBSCHIJKING.

vaders hals. „Spreek zachtjes, papa,quot; zeide zij. „Ze zou ons kunnen hooren. Ik geloof dat ze gek is.quot;

„Waarom denk je dat, Lucy?quot;

„Ze kwam dicht naar mij toe, en ik dacht dat ze mij iets wou zeggen. Ze zag er uit of ze ziek was.quot;

„Xu? en wat verder?quot;

„De dame schrikte — en dat deed mij ook schrikken. Ik geloof,quot; herhaalde het kind op stelligen toon, „dat ze gek is.quot;

Misschien was de dame wel blind, dacht M. Rayburn; en hij stond op om zich te gaan overtuigen. „Blijf hier wachten,quot; zeide hij, „ik kom dadelijk bij u terug.quot;

Maar Lucy hield hem met beide handen tegen, en zeide dat zij niet alleen durfde blijven. Zij verlieten dus gezamenlijk het prieel.

Nauwelijks waren zij buiten of zij zagen de onbekende tegen een boomstam geleund staan. Zij droeg den diepen rouw eener

6

-ocr page 15-

DE GEESTVERSCHIJNING.

7

weduwe. De bleekheid van haar gelaat, de verglaasde blik van haar oogen, rechtvaardigden den angst van het kind, ja zelfs de vreeselijke slotsom waartoe zij gekomen was. „Gra wat dichter by haar,quot; fluisterde Lucy. Zij traden nog eenige stappen nader. Het viel nu gemakkelijk te zien dat de dame jong, maar ziekelijk Avas, en klaarblijkelijk in gelukkiger dagen met eene zeldzame schoonheid begiftigd. Toen vader en dochter een weinig naderbij kwamen, werd zij hen gewaar. Ka eenige aarzeling verwijderde zij zich van den boom; trad naderbij met het duidelijke voornemen om hen aan te spreken, doch bleef plotseling staan. quot;Verbazing en vrees waren in haar houding te lezen. Zoo het al niet vroeger duidelijk was gebleken, het was nu buiten allen twijfel dat zij geen ongelukkig, blind, verlaten en hulpeloos schepsel Avas. De uitdrukking van haar gelaat liet zich echter niet gemakkelijk

-ocr page 16-

DE GEESTVERSCHIJNING.

verklaren. Ze kon zeker niet meer verbazing en schrik aan den dag hebben gelegd, indien de beide onbekenden, die haar gadesloegen, plotseling verdwenen waren van de plaats waar zij stonden.

M. Ray burn sprak haar op zachten, vriendelijken toon toe.

„Het komt mij voor dat gij ongesteld zijt,quot; begon hij. „Kan ik u misschien ergens mee van dienst —

De volgende woorden bestierven hem op de lippen. Het was niet mogelijk er eene vérklaring voor te vinden; maar de vreemde indruk dien zij reeds op hem had teweeggebracht, werd nu nog meer versterkt. Als hij zijn zinnen kon gelooven, zeide haar gelaat hem, dat hij onzichtbaar en onhoorbaar was voor de vrouw, die hij zooeven had toegesproken. Zij keerde zich langzaam om met een zwaren zucht, als iemand die teleurgesteld en verdrietig is. Terwijl hij haar nakeek, zag hy op nieuw naar den

8

-ocr page 17-

heid of levendigheid, maar liep met ge-bukten kop en hangenden staart, alsof hij door vrees verlamd was. Zijn meesteres riep hem tot zich. Hij volgde haar lusteloos.

Zij was nog nauwelijks eenige schreden voortgegaan, toen zij weder stilstond.

M. Rayburn hoorde haar hardop spreken. „Voelde ik \'t daar weer?quot; zeide zij, alsof zij ergens aan twijfelde, dat haar schrik of vrees aanjoeg. Na een poos hief zij langzaam de armen op, en opende ze alsof zij iemand wilde omhelzen. „Neen,quot; zeide zy na eenige oogenblikken verdrietig bij zichzelve. „Morgen misschien meer — vandaag genoeg.quot; Zij sloeg haar oogen op naar de heldere blauwe lucht. „O heerlijk zonlicht!quot; mompelde zij. „Ik zou \'t zeker hebben bestorven als \'t mij in den nacht was overkomen.quot; w Nogmaals riep zij den hond, en op nieuw

verwijderde zij zich langzaam.

V

-ocr page 18-

DE GEESTVERSCHIJKING.

„Gaat ze nu naar huis?quot; vroeg het kind.

„We zullen zien,quot; antwoordde de vader.

Hij was nu tot de overtuiging gekomen dat de arme vrouw in een toestand verkeerde, die niet gedoogde dat zij uitging zonder iemand om op haar te letten. Uit menschlievendheid besloot hij eene poging te doen om met hare familieleden of vrienden bekend te worden.

10

-ocr page 19-

III.

De dame verliet het park door den naast-bijzijndeu uitgang, na eerst even te hebben stilgestaan om haar voile te laten zakken eer zij in de drukke straat kwam, die naar Kensington leidt. In High Street gekomen, liep zij nog eenige schreden voort, en ging toen een huis binnen, dat er zeer netjes uitzag, en waar voor een der vensters een kaart was geplaatst, met het opschrift: „hier zyn kamers te huur.quot;

M. Rayburn wachtte even — schelde daarop aan en vroeg of hij de vrouw des

-ocr page 20-

DE GEESTVERSCHIJNING.

huizes kon spreken. De meid liet hem in eene zijkamer binnen, die zindelijk doch hoogst eenvoudig was gemeubeleerd. Een klein wit voorworp verbrak de eentonigheid van de bruine, ledige tafel. Het was een visitekaartje.

Met de nieuwsgierigheid aan een kind eigen, liep Lucy dadelijk naar het kaartje toe en spelde den naam letter voor letter: „Z. A. N.T.quot; herhaalde zij. „Wat wil dat zeggen?quot;

Haar vader bekeek het kaartje, terwijl hij het van haar wegnam, en legde het wöer op de tafel. T)e naam was gedrukt, en het adres was er met potlood by geschre-, ven: „Mr. John Zant, Purley\'s Hotel.quot;

Nu verscheen de huisvrouw. Zoodra M. Rayburn haar zag, wenschte hij in stilte dat hij alweer het huis uit was. Bewijzen waarop de maatschappelijke deugden kunnen worden beoefend zijn talrijker en meer verschillend dan men over \'t algemeen wel denkt. Deze dame nu had zich, naar \'t scheen.

12

-ocr page 21-

DE GEESTVERSCHIJNING.

er op toegelegd hare medemensclien met groote nauwgezetheid, maar zonder genade te behandelen. Er was iets in haar oogen, terwijl zij Lucy aankeek, dat zeide: „Ik zou wel eens willen weten of dat kind wel zooveel straf krijgt als zij verdient.quot;

„Verlangt gij de kamers te zien, die te huur staan?quot; begon zij.

M. Rayburn verklaarde haar dadelijk, zoo duidelijk, zoo beleefd en beknopt mogelijk, de reden van zyn bezoek. Hij wist wel, voegde hij er bij, dat het misschien wat vrijpostig van hem was, zich met dingen te bemoeien, die hem eigenlyk niet aangingen. De huisvrouw liet duidelijk merken, dat zij \'t volkomen met hem eens was. Hij voegde er echter bij dat zijn beweegredenen tot verontschuldiging konden strekken. By deze woorden gaf de dame weder blijk van verschil van gevoelen.

„Ik ken de dame waarvan ge spreekt,quot; zeide zy, „niet anders dan als eene hoogst

13

-ocr page 22-

DE GEESTVBRSHIJNIKG.

fatsoenlijke vrouw, van eene zwakke gezondheid. Zij heeft mijn kamers op de eerste verdieping gehuurd en veroorzaakt mij buitengewoon weinig last. Ik heb \'t recht niet mij met haar handelingen te bemoeien, en geen reden om er aan te twijfelen dat zij in staat zou zijn voor zichzelve zorg te dragen.quot;

M. Rayburn beging de dwaasheid nog een woord ter zijner verdediging te willen zeggen.

„Mag ik u herinneren —quot; begon hij.

„Waaraan, mijnheer?\'\'

„Aan hetgeen ik heb waargenomen, toen ik de dame in Kensington Gardens zag.quot;

„Ik ben niet verantwoordelijk voor hetgeen gij in Kensington Gardens hebt gezien. Als uw tijd eenige waarde voor u heeft, zal ik u niet langer ophouden.quot;

Nu hem op deze wijze de deur gewezen werd, nam M. Rayburn Lucy bij de hand en wilde zich verwijderen. Juist was hij

14

-ocr page 23-

DE GBBSTVERSCHIJNmG.

bij de deur gekomen, toen deze van buiten af werd geopend. De dame uit Kensington Gardens stond voor hem. Hij stond met zijn dochtertje met den rug naar het venster gekeerd. Zou zij zich herinneren dat zij hen zooeven in het Park had gezien? Zij zeide op gejaagden toon een paar woorden ter verontschuldiging, trad daarop naaide tafel toe en nam het kaartje op.

„De meid zeide mij dat mijn schoon-broêr hier was geweest, terwijl ik uit was,quot; zeide zij tot de vrouw. „Hij schrijft somtijds de eene of andere boodschap op zijn kaartje.quot; Zij bekeek het kaartje van alle kanten en scheen teleurgesteld, hij had er niets bijgeschreven.

M. Rayburn bleef nog even op den drempel staan, om wellicht nog iets meer te hooren. Het waakzame oog der verhuurster ontdekte hem. „Kent gij dien heer?quot; vroeg zij op schamperen toon aan hare inwoonster.

15

-ocr page 24-

DE GEESTVEESCHIJNISTG.

„Niet dat ik weet.quot;

Bij het uitspreken van deze woorden keek de dame quot;voor \'t eerst M. Ray-burn aan. „Ja,quot; hernam zij, „ik geloof dat wij elkaar ontmoet hebben,quot; —- in haar verlegenheid wist zij niet Avat zij verder zeggen zou.

M. Raybnrn kreeg medelijden met haaien voleindde den volzin voor haar. „quot;W ij ontmoetten elkander toevallig in Kensington Gardens,quot; zeide hij.

Zij scheen niet in staat zijn vriendelijkheid te waardeeren. Xa eenige aarzeling deed zij hem een voorstel, dat wantrouwen jegens haar verhuurster aan den dag legde. „Mag ik u boven in mijn eigen kamers spreken?quot; vroeg zij.

Zonder eenig antwoord aftewachten ging zij reeds vooruit de trap op. M. Raybnrn en Lucy volgden haar. Zij waren de eerste verdieping nog niet genaderd, toen de snibbige huisvrouw de benedenkamer uit-

16

-ocr page 25-

DE GEBSTVERSCHIJKIÏfü.

kwam en over hen heen hare huurster toeriep:

.,Xeem u in acht, voor dien man, Mev. Zant! Hij denkt dat gij gek zijt.quot;

Mevr. Zant keerde zich op het portaal om en keek hem aan. Geen woord kwam over haar lippen. Zij leed en vreesde in stilte. De uitdrukkin»\' van

O

droevige gelatenheid op haar gelaat trof de snaren van onschuldig medelijden in Lucy\'s hart. Het kind begon te schreien.

Die ongekunstelde uitdrukking van deelneming dosed Mevr. Zant tot Lucy terug-keeren. Zij daalde de weinige treden af, die haar van het kind scheidden en zeide tot M. Rayburn: „Mag ik uw lief dochtertje wel een kus geven?quot; De huisvrouw, die beneden op de mat stond, begreep niet dat men een huilend kind nog met liefkozingen overlaadde, en zeide bij zich zelve; „Als dat mijn kind was, zou ik

-ocr page 26-

DE GEESTVERSCHIJNING.

haar iets geven, dat ze ten minste wist waarom ze schreide.quot;

Intusschen begaf Mevr. Zant zich naar haar kamers.

De eerste woorden die zy sprak bewezen dat het der huisvrouw maar al te wel was gelukt haar tegen M. Rayburn intenemen. „Mag ik uw kind vragen,quot; sprak zij tot hem, „waarom gij mij voor krankzinnig houdt?quot;

Hij gaf een flink antwoord op dit wonderlijke verzoek.

„Gij weet nog niet eens wat ik werkelijk denk. Wilt gij een oogenblik naar mij luisteren ?\'\'

„ISeen,quot; antwoordde zij beslist. „Het kind heeft medelijden met mij, ik wil dus met het kind spreken. Wat hebt ge mij in het park zien doen, liefje, dat mv verwondering gaande maakte?quot; Lucy wendde zich verlegen tot haar vader. Mevr. Zant vervolgde; „Ik zag u eerst alleen, en later

18

-ocr page 27-

DE GEESTVERSCHIJNING.

met uw vader. Toen ik u naderde, zag ik er toen wonderlijk uit — alsof ik u in \'t geheel niet zag?quot; Lucy durfde weder geen antwoord te geven, en M. Rayburn vatte nogmaals het woord op.

„Gij maakt mijn dochtertje verlegen,quot; zeide hij. „Laat mij uw vragen beantwoorden — of verschoon mij indien ik n anders verlaat.quot;

Er was iets in zijn blik of in zijn toon, waartegen zij niet bestand was. Zij bracht de hand aan haar hoofd. „Tk geloof niet dat ik er toe in staat ben,quot; antwoordde zij droomerig. „Mijn geestkracht heeft reeds een zware proef doorstaan. Als ik een weinig zou kunnen rusten en slapen, zou ik zeker een gehool ander mensch zijn, Ik ben veeltijds alleen en er zijn redenen waarom ik gaarne eerst wat tot kalmte zou willen komen. Zou ik u morgen kunnen spreken? Of kan ik u schrijven? Waar woont gij ?quot;

19

-ocr page 28-

DE GEESTYEKSCHIJSriNG.

M. Rayburn legde zwijgend zijn kaartje op tafel. Zij had in hooge mate zijne belangstelling opgewekt. Hij verlangde oprecht dit ongelukkige schepsel van dienst te zijn, dat, naar \'t scheen, zoo geheel aan zich zelve overgelaten was. Maar hij had \'t recht niet eenig gezag uitteoefenen over haar handelingen, zelfs al stemde zij er in toe zijn raad op te volgen. Als laatste hulpmiddel waagde hij eene zinspeling op den bloedverwant, waarvan zij beneden reeds had gesproken.

„ Wanneer denkt gij uw zwager weer te zien?quot; vroeg hij.

„Ik weet het niet,quot; antwoordde\' zij. „Ik zou hem gaarne spreken, — hij is zoo goed voor mij.quot;

Met deze woorden keerde zij zich ter zijde om Lucy goeden dag te zeggen.

„Yaarwel, liefje. Als gij eens groot wordt, hoop ik dat gij nooit zoo ongelukkig moogt worden als ik ben.quot; Plotse-

20

-ocr page 29-

DE GEESTVERSCHIJNING.

ling keek zij M. Rayburn weder aan. „Hebt gij eene vrouw?quot; vroeg zij.

„Mijn vrouw is dood.quot;

„Maar gij hebt een kind om u te troosten! Wees zoo goed en ga heen; gij verbittert mijn hart. Ach, mijnheer, begrijpt gij mij niet? Ik benijd u!quot;

M. Rayburn stapte zwijgend voort toen hij en zijn dochtertje weder op straat waren. Lucy, zooals \'t een gehoorzaam kind betaamt, bewaarde eveneens het stilzwijgen. Maar het menschelyk geduld heeft grenzen — en eindelijk kon Lucy zich niet meer bedwingen. „LT denkt zeker nog aan die dame, papa?quot; zeide zij.

Hij antwoordde slechts door met het hoofd te knikken. Zijn dochtertje had hem in zijn overpeinzingen gestoord, juist op het oogenblik dat hij op het punt stond tot een besluit te komen. Eer zij echter te huis kwamen, was M. Rayburn het reeds met zich zeiven eens. De schoon-

21

-ocr page 30-

DK GEESTVERSCHIJNING.

broer van Mevr. Zant wist waarschijnlijk niet dat er eenige noodzakelijkheid bestond voor zijne tusschenkomst — anders zou hij zijn bezoek wel onmiddellijk hebben herhaald. Zooals de zaken dus stonden, zou, wanneer Mevr. Zant eenig ongeluk overkwam, het stilzwijgen van M. Rayburn er de aanleidende oorzaak toe zijn. Toen hij tot dit besluit was gekomen, besloot hij het gevaar te loopen, ten tweeden male door een anderen onbekende, onbeleefd te worden ontvangen.

Nadat hij Lucy aan de zorg van hare gouvernante had toevertrouwd, begaf hij zich rechtstreeks naar het adres dat op het kaartje aan Mevr. Zant was geschreven, en gaf zijn naam op. Er kwam een beleefde boodschap terug. M. Zant was te huis en zou hem met veel genoegen spreken.

22

-ocr page 31-

IT.

M. Rayburn werd in een der ontvangkamers van liet hotel binnengelaten.

Hij merkte op dat de gewone stand dei-meubelen in een kamer in sommige opzichten was veranderd. Een leuningstoel, een klein tafeltje en een voetbankje waren allen aan een der vensters geplaatst, zoo dicht mogelijk bij het licht. Op de tafel lag een groote open marokkijn lederen rol, •lie verschillende rijen sierlijke, kleine stalen en ivoren instrumentjes bevatte. Bij de tafel stond M. John Zant. Hij zeide

-ocr page 32-

DE GEESTVERSCHIJNING.

24

„goeden morgenquot; met zulk een diepe, welluidende basstem, dat deze beide alle-daagsche quot;woorden in zijn mond een nieuwe beteekenis schenen te erlangen. Zyn persoonlijk voorkomen was in overeenstemming met zijn prachtige stem — hij was een lange, slanke man, met een donker uiterlijk ; met groote, schitterende zwarte oogen en een fraaien krullenden baard, die het geheele benedengedeelte van zijn gelaat verborg. Na eene deftige en beleefde buiging, verdween plotseling zijn deftigheid om, naar allen uiterlijken schijn, plaats te maken voor potsierlijkheid. Hij liet zich voor het voetbankje op de knieën zakken. Had hij vergeten dien morgen zijn gebed te zeggen, en had hy zulk een haast om dit verzuim te herstellen, dat hij er zich zelfs niet voor schaamde in \'t bijzijn van vreemden zich zoo bespottelijk aantestellen? Die twijfel was nauwelijks opgerezen, of hij werd reeds op de meest onverwachte

-ocr page 33-

DE GEESTYERSCHIJNIXG.

wijze bevredigd. M. Zant sloeg een glimlachenden blik op zijn bezoeker, en zeide: „Zon ik uw voeten mogen zien?quot;

Een oogenblik verloor M. Rayburn zijn tegenwoordigheid van geest. „Zijt gij een likdoornsnijder?quot; was al wat hij zeggen kon.

„Verschoon mij,quot; hernam de beleefde operateur, „de term dien gij bezigt is in ons vak geheel in onbruik.quot; ïlij rees overeind en voegde er nederig bij: „Ik ben een Chiropodist.quot;

„Ik vraag excuus.quot;

„O, ?t is niets! Xaar \'t mij voorkomt hebt gij geen behoefte aan mijn medische hulp. In mijn vrijen tijd houd ik mij wel eens onledig met het nemen van scheikundige proeven; ook ben ik medewerker aan een wetenschappelijk tijdschrift. Misschien hebt gij wel eens van mij hooren spreken?quot;

„Neen.quot;

25

-ocr page 34-

DE GEESTVERSCHIJNING.

„Aan welke reden heb ik dan uw bezoek te danken, mijnheer?quot;

M. Rayburn had zich weder geheel hersteld.

„Ik ben hier gekomen,quot; antwoordde hij, „onder omstandigheden, die zoowel verschooning als opheldering vereischen.quot;

M. Zant begon zich eenigszins minder op zijn gemak te gevoelen, toen de gedachte bij hem oprees, dat de bezoeker het wellicht op zijn zak gemunt had. „De vele aanvragen —quot; begon hij.

M. Rayburn glimlachte. „Wees gerust,quot; sprak hij. „Ik heb uw geld niet noodig. De reden van mijn komst was alleen om ii te spreken over eene dame, eene bloedverwante van u.quot;

„Mijn schoonzuster!quot; riep M. Zant. „Wees zoo goed en ga zitten.quot;

Daar M. Rayburn niet wist of hij een geschikt uur voor zijn bezoek had gekozen^ aarzelde hij. „Misschien ben ik in den

26

-ocr page 35-

DE GEESTVERSCHIJNING.

weg aan andere personen, die u zonden wenschen te raadplegen,quot; zeide hij.

„Zeker niet. Mijn spreekuren voor mijn Londensche cliënten zijn van elf tot een uur, en het is nu reeds kwartier over eenen. Ik hoop toch dat gij mij geen slechte tijding brengt?quot; zeide hij, zeer ernstig. „Toen ik van ochtend een bezoek bracht aan Mevr. Zant, hoorde ik dat zij eene wandeling was gaan doen. Is het niet te onbescheiden van mij, wanneer ik u vraag hoe gij met haar in kennis zijt gekomen?quot;

M. Rayburn verhaalde nu zonder omwegen wat hij in Kensington Gardens had gezien en gehoord, alsook het onderhoud dat hij later met Mevr. Zant had gehad.

De schoonbroeder der dame luisterde met eene belangstelling en deelneming, die het sterkst mogelijke contrast opleverde met de grofheid en onbeleefdheid van de juffrouw bij wie zij inwoonde. Hij vei\'-

27

-ocr page 36-

DE GEESTVERSCHIJNING.

klaarde dat hy zijn gevoel van erkentelyk-heid niet beter kon uiten, dan door M. Rayburn\'s voorbeeld te volgen en even openhartig jegens hem te zijn alsof hij met een oud vriend sprak.

„De droevige levensgeschiedenis mijner schoonzuster zal, naar ik meen, enkele dingen verklaren, die u natuurlijk vreemd voorkomen,quot; sprak hij. „Mijn broeder maakte in Engeland kennis met haar in het huis van een Australisch heer, bij wiens dochters zij als gouvernante in betrekking was. De familie bij wie zij inwoonde hield zooveel van haar, dat de ouders, op verlangen hunner kinderen, haar hadden gevraagd, met hen naar de Kolonie terugtekeeren. De gouvernante nam dankbaar dit voorstel aan.quot;

„Had zij dan geen bloedverwanten in Engeland?quot; vroeg M. Rayburn.

„Zij was letterlijk alleen in de wereld, mijnheer. Als ik u zeg dat zij in het

28

-ocr page 37-

DE GEESTVERSCHIJNING. 29

Vondelingshuis is grootgebracht, zult gij begrijpen wat ik bedoel. O, de geschiedenis van mijne schoonzuster is volstrekt niet romantisch. Zij heeft nooit geweten, en zal ook waarschijnlijk nooit weten wie haar ouders waren of waarom zij haar hebben verlaten, liet gelukkigste oogenblik in haar leven was haar eerste kennismaking met mijnen broeder. Beiden werden dadelijk op elkander verliefd. Hoewel mijn broer juist niet rijk was, verdiende hij in don handel toch genoeg om van te kunnen leven. Op zijn karakter viel niets aantemerken. In één woord, hij veranderde de vooruitzichten van het arme meisje, zooals wij toen allen hoopten, ten beste. De menschen bij wie zij in betrekking was, stelden hun terugkeer naar Australië uit, om haar nog eerst uit hun huis te laten trouwen. Na eèn gelukkigen echt van slechts eenige weken —quot; Hier haperde zijne stem; hij wachtte even en wendde zijn gelaat af.

-ocr page 38-

„Vergeef mij,quot; zeide hij. „Zelfs nu nog-ben ik niet in staat met bedaardheid over den dood van mijn broeder te spreken.

Laat ik alleen zeggen dat het arme jonge vrouwtje reeds weduwe was vóór dat de gelukkige tijd van de wittebroodsweken voorbij was. Nog eer myn broeder was begraven, werd zij reeds door een gevaarlijke hersenkoorts aangetast.quot;

Deze woorden stelden M. Rayburn\'s vrees dat haar verstand was geschokt, in ,

een nieuw licht. M. Zant, die hem oplettend gadesloeg, scheen te begrijpen wat er in het hoofd van zijn bezoeker omging.

„Neen,quot; zeide hij. „De geneesheéren zijn eenparig van oordeel dat haar ziekte alleen haar lichamelijke krachten heeft benadeeld,

maar dat haar hoofd ongedeerd is gebleven.

Ik heb wel is waar sedert haar ziekte eene zekere terughoudendheid bij haai\' opgemerkt. Om u een voorbeeld te geven ♦ van hetgeen ik bedoel, zal u vertellen dat

-ocr page 39-

DB GEESTYERSCHUNING.

ik haar, toen zij aan de beterhand was, verzocht mij te komen opzoeken. Ik woon niet in Londen — mijn gewone verblijfplaats is in een dorp aan zee. Ik zelf ben ongehuwd, maar ik heb eene uitmuntende huishoudster, die Mevr. Zant zeker met de grootste vriendelijkheid zou hebben ontvangen. Doch het arme vrouwtje was vast besloten en was daar niet van aftebrengen, om in Londen te blijven. Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat ik, in haar droevige omstandigheden, aan haar minste wenschen tracht te voldoen. Ik huurde eene woning voor haar, en op haar bepaald verzoek koos ik een huis in den omtrek van Kensington Gardens.quot;

„Waarom verlangde Mevr. Zant zoo bepaald in de nabijheid van dit Park te wonen?quot;

„Ik geloof dat aan die plaats de eene of andere herinnering aan haar man verbonden is. Maar wat ik zeggen wilde, ik

31

-ocr page 40-

DE ÜEKSÏVEESCHIJNIXG.

zou er gaarne zeker van zijn haar morgen thuis te vinden als ik haar weder kom opzoeken. Zeidet gij niet, in den loop van uw belangwekkende mededeelingen, dat zij, naar \'t u voorkwam, van plan was morgen weder naar Kensington Gardens te gaan? Of heb ik niet goed gehoord?quot;

„Juist; dat heb ik gezegd.quot;

„Dank u. Ik moet u bekennen dat hetgeen gij mij over Mevr. Zant gezegd hebt, mij niet alleen bedroeft — maar dat ik tot geen besluit weet te komen wat ik eigenlijk doen moet om goed te doen. Mij dunkt het beste voor haar zou wezen verandering van lucht en omgeving. Wat dunkt u daarvan?quot;

„Ik geloof dat gij gelijk hebt.quot;

M. Zant was \'t nog niet met zich zeiven eens. „Het zou mij, op dit oogenblik, juist niet gemakkelijk vallen,quot; zeide hij, „mijn patienten te verlaten om met haar naar buitenslands te gaan.quot;

32

-ocr page 41-

DE GEESTVEESCHIJÏfINGr.

Een man van meerder ondervinding dan M. Rayburn, zou zeker eenigen achterdocht opgevat, en het stilzwijgen hebben bewaard. Doch M. Rayburn antwoordde: „Waarom zoudt ge uw uitnoodiging niet herhalen en haar naar uw woning aan het zeestrand meenemen?quot;

M. Zant scheen door de ontsteltenis aan deze eenvoudige oplossing van de zaak niet gedacht te hebben. Zijn betrokken gelaat helderde dadelijk op.

„Juist,quot; sprak hij. „Ik zal bepaald uw raad opvolgen. Al doet de zeelucht al niets anders, toch zal haar gezondheid er dooi-verbeteren en zal zij er weder beter gaan uitzien. Is \'t u niet in \'toog gevallen, dat zij, in gelukkiger dagen, een mooie vrouw moet zijn geweest?quot;

Dit was een wonderlijke vraag op den man af — ja zelfs een onkiesche vraag onder de gegeven omstandigheden. Er was iets in de uitdrukking van M. Zant\'s

3

33

-ocr page 42-

34 T)E GEESTVERSCHIJNING.

mooie zwarte oogen, dat scheen aante-duiden, dat deze vraag met opzet was gedaan. Was \'t soms mogelijk dat hij M. Rayburn\'s belangstelling in zijne schoon-zuster toeschreef aan eene beweegreden, die niet zoo geheel belangeloos en zuiver was? liet zou zeker overijld en wreed zijn tot zulk een besluit te komen bij een man, die wellicht alleen schuldig was aan gemis van kieschheid van gevoel. M. Ilaylmrn deed zijn best om die gedachten van zich te zetten; maar toch valt het niet te ontkennen dat hij op zijn hoede was bij hetgeen hij nog verder zeide en dat hij weldra opstond om heen te gaan.

M. John Zant maakte daartegen bezwaar. „Waarom hebt gij zulk een haast? Moet gij nu waarlijk al heengaan? Morgen zal ik de eer hebben u een tegenbezoek te brengen, zoodra ik de noodige schikkingen heb gemaakt om dien uitmuntenden raad

-ocr page 43-

DE GEESTVERSCHIJKINGr.

van u ten uitvoer te brengen. Vaarwel, Gods besten zegen.quot;

Hij stak zijn hand uit; een hand met een zachte huid en een tanige kleur, die de vingers van een vertrekkenden vriend hartelijk drukte. „Is die man een schurk?quot; was M. Rayburn\'s eerste gedachte, zoodra hij het hotel had verlaten. Zyn gezond verstand verdreef weldra allen twijfel en antwoordde: „Gij zijt een dwaas als gij er aan twijfelt.quot;

35

-ocr page 44-

TWEEDE GEDEELTE.

V.

Met een beklemd gemoed keerde M. Rayburn te voet naar huis terug, om door deze lichaamsbeweging zijn géést tot bedaren te brengen.

De proef mislukte echter. Hij ging naar boven en speelde met Lucy; aan tafel dronk hy een glas wijn meer dan gewoonlijk, \'s avonds ging hy met de kleine en haar gouvernante naar een circus; eer tij-te bed ging gebruikte hij een stevig avondmaal, met nog eenige glazen wijn — doch

-ocr page 45-

DE GEESTVEESCHIJNING.

niettemin vervolgden hem steeds dezelfde onbestemde voorgevoelens van eenig naderend onheil. Toen hij een terugblik sloeg op zijn verleden, vroeg hij ziehzelven af of ooit eenige vrouw (zijn overleden eeht-genoote natuurlijk uitgezonderd) zijn gedachten zoodanig had vervuld als op dit oogenblik het geval was met Mev. Zant — zonder dat daartoe eene geldige reden bestond. Als hij ziehzelven die vraag had durven beantwoorden, zou het antwoord zeker geweest zijn: Nooit!

Den geheelen volgenden dag bleef hij te huis, in afwachting van het beloofde bezoek van M. John Zant, doch te vergeefs.

Tegen den avond kwam de meid onder het theedrinken binnen en overhandigde haar meester een buitengewoon groote enveloppe, met zwart lak verzegeld, en van eene geheel onbekende hand. Daar er volstrekt geen postmerk of zegel op was,

37

-ocr page 46-

DE GEESTVERSCHIJNING.

begreep M. Rayburn dat iemand den brief ] noest hebben aangereikt.

„Wie heeft dien brief gebracht?quot; vroeg hij.

„Eene dame, mijnheer — in diepen ronw.quot;

„Heeft zij er niets bij gezegd?quot;

„Neen, mijnheer.quot;

Nn M. Rayburn tot de stellige overtuiging was gekomen, dat het schrijven van niemand anders afkomstig kon zyn dan van Mevr. Zant, sloot hij zich in zijn boekerij op. Hij vreesde Lucy\'s nieuwsgierigheid en Lucy\'s vragen, wanneer hij dien brief in het bijzijn van zijn dochtertje las.

Toen hij, nadat hy er de beschreven bladen had uitgenomen, de geopende enveloppe bekeek, bespeurde hij de volgende regelen, die er van binnen in geschreven stonden:

„De eenige verontschuldiging waarom ik u lastig val terwijl ik mijn zwager had kunnen raadplegen, vindt gij in de hierby

38

-ocr page 47-

DB GEESTVERSCHIJNING.

ingesloten bladzijden. Als wij elkander vreemd waren geweest, in de gewone beteekenis van het woord, zou ik my niet aan u hebben durven opdringen. Maar ik heb op u den indruk gemaakt van eene vrouw die medelijden verdient. Om duidelijker te spreken, mijn gedrag heeft bij u den twijfel doen ontstaan, dat ik niet wel bij \'t hoofd zou zijn. En het is juist om die reden dat ik mij tot u wend. De akelige twijfel die bij u is gerezen, bezielt ook mij. Lees wat ik omtrent mijzelve schrijf — en zeg mij dan, bid ik u, wat ik ben: Iemand die het voorwerp is geweest van eene bovennatuurlijke openbaring? of een ongelukkig schepsel, dat rijp is om in een gekkenhuis te worden opgesloten?quot;

M. Rayburn opende het handschrift. Met de grootste aandacht, die weldra in adem-looze belangstelling overging, las hij het volgende:

3!)

-ocr page 48-

YT.

Na verscheidene regenachtige dagen scheen de zon gisteren morgen aan een blauwe, onbewolkte lucht.

Het schitterende licht wekte mij uir mijn droevige stemming op. Tk had den nacht rustiger dan gewoonlijk doorgebracht, niet gestoord door den droom, die mijn rust gewoonlijk zoo wreed komt verstoren, den droom namelijk dat mijn overleden echtgenoot nog in leven is en waaruit ik steeds schreiende ontwaak. Nooit, sedert die onherstelbare ramp mij heeft getroffen,

-ocr page 49-

41

werd ik zoo weinig gekweld dooi\' droevige gedachten en herinneringen, als toen ik mijn woning verliet en myn schreden richtte naar Kensington Gardens — voor de eerste maal sedert den dood van mijn echtgenoot.

Vergezeld door myn eenigen vriend, den kleinen hond, die zijn lieveling zoowel als de mijne was, begaf ik mij naar het afgelegen gedeelte van hot Park, het dichtst in de nabijheid van Kensington.

Op dat zachte gras, onder de schaduw van die boomen, hadden wij te zamen gerust in de dagen van onze verloving. Het was zyn geliefkoosde wandeling, en hij had mij die getoond in de eerste dagen van onze kennismaking. Daar had hij mij voor \'t eerst gevraagd of ik zijn. vrouw wilde worden. Daar hadden wij den eersten kus gewisseld, liet was dus natuurlijk dat ik verlangde eene plek terug te zien, die door zulke herinneringen heilig voor

-ocr page 50-

DE GEESTVERSCHIJNING.

mij was. Ik ben pas drie en twintig jaar oud; ik heb geen kind om mij te troosten, geen vriendin van mijn leeftijd, niets anders om lief te hebben dan het stomme dier, dat zoo trouw voor mij is.

Ik ging naar den boom waaronder wij «tonden, toen de oogen van mijn lieveling mij zijne liefde openbaarden eer hij nog woorden kon vinden om die te uiten. De zon van dien vervlogen tijd bescheen mij weder; het was hetzelfde middaguur; dezelfde stilte heersehte in \'t rond. Ik had erg tegen de eerste uitwerking van het schrikkelijke contrast tusschen het heden en het verleden opgezien. Maar neen! ik was bedaard en kalm. Mijn gedachten, die zich boven al het aardsche verhieven, bepaalden zich tot het betere leven hier namaals. Mijn oogen vulden zich met tranen; maar ik voelde mij niet ongelukkig.

liet eerste Avat ik zag, toen mijn oogen niet meer vochtig en beneveld waren, was

42

-ocr page 51-

DE GEESTVERSCHIJNING.

de hond. Hij zat op eenige passen van mij ineengedoken en beefde verschrikkelijk, doch gaf geen geluid. quot;Wat was de oorzaak van die vrees?

Ik zou het spoedig weten.

Ik riep den hond, hij bleef echter onbewegelijk — bewust van eenig naderend geheimzinnig voorwerp, dat hem aan de plaats als vastgenageld hield. Ik wilde tiaar het arme dier toe gaan, om hem te streelen en optebeuren.

Bij den eersten stap dien ik deed, werd ik door iets tegengehouden.

Het was niet zichtbaar noch hoorbaar, maar het hield mij tegen.

De onbewegelijke gedaante van den hond verdween voor mijn gezicht; het eenzame tooneel rondom mij verdween — behalve het licht van boven, de boom waaronder ik stond en het gras voor mijn voeten. Een gevoel van onuitsprekelijke verwachting hield mijn oogen op het gras gericht.

43

-ocr page 52-

DB OEESTVEESCHIJNING.

Plotseling zag ik zijn myriaden halmen overeind rijzen en trillen. Plet kwam mij voor alsof er iets met de snelheid van den wind overheen voer. De trilling kwam nader. Ik voelde ze nu geheel in mijne nabijheid. De bladeren van den boom boven mijn hoofd werden er eveneens door aangetast; zij schudden en dwarrelden door elkander, zonder dat ik kon begrijpen waardoor die plotselinge beweging ontstond. liet gezang der vogelen verstomde. Het gekrijsch van den watervogel boven den vijver vernam ik niet langer. Er heerschte eene doodscho stilte.

Doch de lieve zon bescheen mij even vriendelijk als straks.

In dat schitterende licht, in die plechtige stilte, voelde ik de tegenwoordigheid van iets onzichtbaars in mijne nabijheid.

liet raakte mij zachtjes aan.

Bij die aanraking klopte mijn hart van onuitsprekelijke vreugde. Iedere zenuw in

44

-ocr page 53-

DE GEESTVERSCHIJNING. 45

mij trilde van zalig genot. Ik kende die aanraking! Van uit de onzichtbare wereld — hij zelf eveneens onzichtbaar — was hij tot mij teruggekeerd. O, ik kende hem!

En toch verlangde mijn sterfelijk omhulsel naar een toeken, om mij te overtuigen dat het werkelijkheid was. Ik wilde dat verlangen in woorden uiten, maar ik kon niet spreken. Als ik \'t had kunnen doen, zou ik gezegd hebben: „O, mijn engel, geef mij een teeken dat Gr ij het zijt.quot; Maar mijn tong was als verlamd — ik kon \'t alleen denken.

De onzichtbare las mijn gedachten. Ik voelde mijn lippen aanraken, zooals mijn echtgenoot dat placht te doen, wanneer hij mij kuste. En dat was mijn antwoord. Er kwam nog eene andere gedachte bij\' mij op. Als ik had kunnen spreken, zou ik gezegd hebben: „Zijt gij hier gekomen om mij naar de betere wereld mede te nemen?quot;

-ocr page 54-

DE GEESTVERSCHIJMjTO.

Ik wachtte. Er volgde geen antwoord.

Toen rees er eene andere vraag bij mij op. „Zijt gij hier gekomen om my te beschermen?quot; vroeg ik in gedachten.

Nu voelde ik eene teederc omhelzing, zooals mijn man gewoon was zijn armen om mij heen te slaan, wanneer hij mij aan zijn hart drukte. En dat was mijn antwoord.

Ik voelde nog even de aanraking van .zijne lippen, toen hield die op; nog eenmaal drukte hij mij aan zijn hart en liet mij toen los. De tuin kreeg weder zijn gewoon aanzien. Dicht in mijne nabijheid bespeurde ik een menschelijk wezen, een lief meisje dat naar mij keek.

Op dat oogenblik, toen ik mij weder als altijd eenzaam en verlaten voelde, deed het gezicht van het kind mij weldadig aan. Ik voelde mij tot haar aangetrokken en trad naar haar toe niet het voornemen

46

-ocr page 55-

DE GEESTVERSCHIJKIIs Gr.

om haar aantespreken. Tot mijn schrik verloor ik haar plotseling uit het oog. Zij verdween alsof ik met blindheid was geslagen.

En toch zag ik het landschap in \'t\' rond, en de lucht boven mij. Er verliep eenige tijd — slechts een paar minuten, naar \'t mij voorkwam — en het kind werd weder zichtbaar voor mij, en wandelde hand in hand met haar vader. Ik trad naar hen toe. Ik was reeds dicht genoeg genaderd om te zien, dat zij mij met medelijden en verbazing aankeken. Mijn eerste opwelling was hun te vragen of zij ook iets vreemds in mijn gelaat of in mijn manier van doen zagen. Eer ik echter een woord kon spreken, had het vreeselijke wonder weder plaats. Zij \'verdwenen voor mijn oogen.

Was de onzichtbare nog in mijne nabijheid? Plaatste hij zich tusschen mij en mijne medestervelingen? en verbood hij

47

-ocr page 56-

DE GEESTVERSCHIJNING.

mij op die plaats en op dat uur alle gemeenschap met hen?

Het moet zeker zoo geweest zijn. Toen ik mij in mijn onwetendheid omkeerde, en met een beklemd gemoed den terugweg wilde aanvaarden, was de akelige leegte, die tot twee malen toe de wezens van mijn eigen geslacht onzichtbaar voor mij had gemaakt, niet tussehen mij en mijn hond. liet arme dier vervulde mij met medelijden. Ik riep hem tot mij. Op het hooren van mijne stem stond hij op en volgde mij langzaam. Hij scheen nog niet geheel bijgekomen van den angst die zich van hem had meester gemaakt.

Ik had nog slechts een paar stappen gedaan, toen ik den onzichtbaren geest weder in mijne nabijheid meende te voelen. Ik strekte verlangend mijn armen naar hem uit. Ik wachtte in de hoop dat ik eene aanraking zou gevoelen, die mij zeggen zou dat ik terug moest keeren. Misschien

48

-ocr page 57-

DE (JEESÏVERSCHIJNIIÏG. 49

was het antwoord niet rechtstreeksch; ik weet alleen dat een besluit om naar dezelfde plaats, op hetzelfde uur te gaan, hij mij opkwam en mijn opgewonden gemoed tot bedaren bracht.

Den volgenden morgen was het weder triest en bewolkt, maar het regende niet. Ik begaf mij dus weer naar het Park

Mijn hond liep op straat voor mij uit —- doch bleef stilstaan om te zien welke richting ik van plan was inteslaan. Toen ik den weg naar \'t Park opging, bleef hij achter. Een poosje later keek ik om; hij volgde mij niet langer, maar stond besluiteloos. Ik riep hem. Hij kwam eenige schreden nader — aarzelde — en liep naar huis terug.

Ik ging dus alleen verder. Moet ik u mijne bijgeloovigheid bekennen? Ik vond liet een slecht voorteeken dat dë hond mij had verlaten.

-ocr page 58-

DE GKESTVERSCHIJNING.

Bij den boom gekomen, ging ik Blonder staan. De eene minuut na de andere verliep, zonder dat er iets gebeurde. De J nclit werd hoe langer hoe donkerder. De gladde oppervlakte van het gras gaf door geen de minste trilling blijk rlat een boven-aardsch wezen er overheen ging.

Ik wachtte echter met eene hardnekkigheid, die bijkans aan wanhoop grensde. Hoeveel tijd er verliep, terwyl ik mijn oogen op den grond voor mij hield gevestigd, zou ik niet weten te zeggen. Ik weet alleen dat er eindelijk verandering kwam.

Onder het doffe grauwe licht zag ik weder het gras bewegen -— maar niet zooals den vorigen dag. Het kromp ineen, sdsof het door een vlam werd verteerd. Er vertoonde zich echter geen vlam. De bruine ondergrond scheen zich in een smalle streep voorttekronkelen •—- die veel had van een uit vuur getrokken voetpad.

50

-ocr page 59-

I)K GEESTVEKSCHSCi

Ik werd angstig, en verlangde naar de besehermende hand van het onzichtbare wezen; ik smeekte eene quot;waarschuwing te mogen ontvangen, indien gevaar mij dreigde.

Eene aanraking was mijn antwoord. Het was mij alsof eene onzichtbare hand mijn hand gevat — die langzaam had opgeheven — en ze op het verzengde bruine pad had gericht, dat zich over het gras heen naar mij toe kronkelde.

Ik keek naar het uiteinde van het pad.

Langzamerhand verrees er in de verte een schaduw. Deze werd al hooger en hooger, hoe nader zij kwam. Zij naderde de plok waar ik stond. De onzichtbare hand drukte waarschuwend de mijne; de openbaring van het naderend gevaar was gekomen — ik wachtte even, en zag het.

De schaduw opende zich en in de diepte ontwaarde ik flauw den schijn van een spookachtig licht.

51

-ocr page 60-

DE GEESTVERSCHIJNING.

In dat licht verscheen het gelaat van een man. Het zag mij aan, en ik herkende den broeder van mijn man — John Zant.

Ik verloor geheel en al het bewustzijn \' dat ik een levend wezen was. Ik wist niets meer; ik voelde niets meer; ik was dood.

Toen ik weder tot bezinning kwam en mijne oogen opende, lag ik op het gras. Op het oogenblik dat ik weder bijkwam, voelde ik dat mijn hoofd zachtjes werd opgelicht. Wie had mij weder tot het leven teruggebracht? Wie verpleegde mij?

Ik keek op en zag, over mij heen gebogen, John Zant.quot;

52

-ocr page 61-

VIT.

Hiermede eindigde het handschrift. Op de laatste bladzijde waren er nog eenige regelen bijgevoegd, doch deze waren zoo zorgvuldig doorgehaald, dat er geen woord meer van was te lezen. Onder de doorgestreepte regelen stonden deze woorden tot opheldering:

„Ik was begonnen het weinige dat ik nog heb meetedeelen opteschrijven, toen liet mij inviel dat ik, zonder het te, willen, daardoor wellicht eenigen invloed op uw oordeel uitoefende. Dit alleen wil ik u

-ocr page 62-

DB ClEESÏVERSCHIJXIXG.

zeggen, dat ik bepaald geloof hecht aan de bovennatuurlijke openbaring, waarvan ik getracht heb u eene beschrijving te geven, Onthoud dit — en beslis gij voor my, wat ik zelve niet durf te beslissen.quot;

Er was geen enkel ernstig bezwaar om aan dit verzoek te voldoen.

Uit een materialistisch oogpunt beschouwd, was Mev. Zant zonder twijfel het slachtoffer van zinsbegoochelingen (voorkomende uit een ziekelijken toestand van het zenuwgestel) die men weet dat bestaan — zooals in het bekende geval van den boekver-kooper Nicolaï te Berlijn — zonder daarom gepaard te gaan met verstoring van de geestvermogens. Doch M. Rayburn werd niet verzocht zulk een ingewikkeld vraagstuk optelossen. Men had hem alleen gevraagd het handschrift te lezen en te zeggen welken indruk het op hem had gemaakt betreffende de geestvermogens der schrijfster, wier twijfel aan zich zelve

54

-ocr page 63-

DE GEESTVERSCHIJXING. 55

waarschijnlijk het eerst was opgewekt (looide herinnering aan de ziekte waaraan zij had geleden — hersenkoorts.

Onder de gegeven omstandigheden was liet dus niet moeielijk een oordeel te vormen. De herinnering van de opeenvolging der gebeurtenissen, in het verhaal medegedeeld, en de juistheid waarmede ze waren gerangschikt, toonden duidelijk aau dat de schrijfster in het volle bezit van haar ongestoorde geestvermogens was.

Toen M. Eayburn zich daarvan ten volle had overtuigd, gevoelde hij geen lust zich te verdiepen in de meer gewichtige vraagpunten naar aanleiding van hetgeen hij had gelezen.

Zijn leef- en denkwijze zouden hem ten allen tijde ongeschikt hebben bevonden om de gronden te overwegen waarop inmenoinquot;- van bovenaardsche wezens met

o O

de gewone stervelingen wordt bevestigd nf ontkend. Doch nu was zijn geest zoo

-ocr page 64-

DK GEESTVERSCHIJNIKO.

56

geschokt door het verbazende verhaal dat hij zooeven had gelezen, dat hij zich alleen bewust was een buitengewonen indruk te hebben gekregen — zonder in staat te zijn daarover natedenken. Dat zyn ongerustheid nopens Mevr. Zant was versterkt, ziedaar de eenige practisehe resultaten van het in hem gestelde vertrouwen. In het gewone leven een man van weinig doortastenden aard, dreef zijne belangstelling in het welzijn van Mevr. Zant en zijn verlangen om te weten wat er tusschen haar zwager en haar zelve was voorgevallen na hunne ontmoeting in het Park, hem tot onverwijld handelen. Binnen een half uur bevond hij zich reeds aan hare woning. ÏTÜ werd dadelijk toegelaten.

-ocr page 65-

YIII.

Mevr. Zant bevond zich alleen in een schemerachtig verlicht vertrek. „Ik hoop dat gij het slechte licht zult verontschuldigen,quot; zeide zij, „maar mijn hoofd brandt, alsof ik er weer de koorts in heb. Keen, ga niet heen! ISTa hetgeen ik heb geleden, weet gij niet hoe vreeselijk \'t voor mij is alleen te zijn.quot; De toon harer stem verried dat zij had geschreid. Hij trachtte de arme vrouw dadelijk gerust te stellen door haar medetedeelen tot welk besluit hij mi de lezing van haar brief was gekomen.

-ocr page 66-

DE OK E S T VK U SC HIJ N IN O

Dit middel miste zijn goede uitwerking niet: haar gelaat helderde dadelijk op en ook haar toon van spreken onderging eene algehecle verandering; zij was verlangend meer te hooren.

„Heb ik nog eenigen anderen indruk bij u teweeggebracht?quot; vroeg zij.

Hij begreep haar bedoeling. Met den i neesten eerbied voor haar eigen overtuiging, zeide hij haar eerlijk dat hij haar voor \'t oogenblik niets meer kon zeggen. Dankbaar voor de wijze waarop hij haar vraag had beantwoord, stapte zij wijselijk van het onderwerp af.

„Tk moet u nog over mijn zwager spreken,quot; zeide zij. „Hij heeft mij uw bezoek medegedeeld; en ik zou gaarne willen weten hoe gij over hem denkt. Bevalt M. John Zant u?quot;

M. Rayburn aarzelde.

De pijnlijke trek vertoonde zich op nieuw op haar gelaat. „Als gij even vriendschap-

58

-ocr page 67-

DE (iEESTVERSCH1.1NING.

pelijk over hem dacht als hij over u,quot; zeide zij, „zou ik met een luchtiger hart naar de badplaats zijn gegaan.quot;

M. Rayburn dacht aan de bovennatuurlijke verschijning, waarvan zij aan het einde van haar verhaal melding had gemaakt. „Gij gelooft aan die vreeselijke waarschuwing,quot; sprak hij op vermanenden toon, „en toch wilt gij u naar het huis van uw zwager begeven!quot;

„Ik geloof,quot; antwoordde zij, „aan den geest van den man die mij beminde, toen hij nog hier op aarde was. Ik ben onder zijn bescherming. Wat kan ik anders doen dan mijn vrees van mij aftezetten en vol geloof en hoop te wachten? Het zou mij een groote steun geweest zijn als ik een vriendin had gehad. Zij zweeg en glimlachte droevig. „Ik moet u zeggen,quot; hernam zij, „dat gij mijn toestand geheel anders inziet dan ik zelve. Ik had u nog moeten vertellen dat M. .lolin Zant zich

59

-ocr page 68-

DE GEESTVERSCHIJNIlVGr.

noodeloos ongerust maakt over mijn gezondheid. Hij heeft mij vei-klaard dat hij het oog op mij zal houden totdat hij daaromtrent zal zijn gerustgesteld. Hij laat zich niet van dat denkbeeld afbrengen. Hij zegt dat mijn zenuwen zijn geschokt — en wie die mij ziet kan daaraan twijfelen? Hij heeft mij gezegd dat het eenige middel tot genezing is verandering van lucht en volstrekte rust — ik kan hem dit immers niet tegenspreken? Hij heeft mij onder het oog gebracht dat ik behalve hem geen enkelen bloedverwant bezit, en dat er geen ander huis dan het zijne voor mij openstaat — en Grod weet dat hij gelijk heeft!quot;

Zij zeide deze woorden op een toon van treurige onderwerping, die den goeden man, wiens eenig doel was haar van dienst te zijn en te vertroosten, pynlijk aandeed. Hij sprs ik naar de ingeving van zijn hart, met de vrijmoedigheid van een oud vriend.

60

-ocr page 69-

DE GEESTYERSCHIJNING.

„Ik verlang meer nopens u en M. John Zant te weten, dan ik nu weet,quot; zeide hij. „Mijn drijfveer is een betere dan louter nieuwsgierigheid. Gelooft gij dat ik oprechte belangstelling voor u gevoel?quot;

„Van ganscher harte.quot;

Dat antwoord schonk hem den moed om te zeggen wat hij nog te zeggen had. „Toen gij uit uw bezwijming ontwaaktet,quot; begon hij, „deed M. John Zant u natuurlijk eenige vragen?quot;

„Hij vroeg mij wat er bij mogelijkheid op zulk een stille plaats als Kensington Park kon zijn gebeurd waardoor ik was flauw gevallen.quot;

„En wat hebt gij toen geantwoord?quot;

„Geantwoord? Ik kon hem zelfs niet aanzien!quot;

„Gij hebt dus niets gezegd?quot;

„Geen woord. Ik weet niet wat hij van mij dacht; misschien was hij verwonderd, misschien ook wel beleedigd.quot;

61

-ocr page 70-

62

„Is hij gauw beleedigd?quot; vroeg M. Rayburn.

„Yoor zoovcv ik hem ken, neen.quot;

„Bedoelt gij uw kennis van hem vóór uw ziekte?quot;

„Ja. Sedert mijn herstel, hebben zijne drukke bezigheden hem niet veroorloofd dikwijls naar Londen te komen. Ik heb hem niet gezien sedert hij deze kamers voor mij huurde. Maar hij is altijd heel goed en vriendelijk. Hij heeft mij meer dan eens geschreven, dat ik niet moest denken dat hij mij vergat, en dat hij (hetgeen ik reeds van mijn goeden man wist) geen geld van zich zeiven heeft en van zijn beroep moet leven.quot;

„Gingen de beide broeders, gedurende het leven van uw man, goed met elkander om?quot;

„Altijd. Het eenige waarover ik mijn man wel eens heb hooren klagen was dat John ons, na ons huwelijk, niet druk

-ocr page 71-

DE GEESTVERSCHIJXrNG.

bezocht. Is er iets slechts in hem, dat wij nooit hebben ontdekt? Het kan zijn — maar hoe kan \'t zijn? Ik heb alle reden om den man, tegen wien ik door een

1 O

bovenaardsch wezen ben gewaarschuwd, dankbaar te zijn. Op zijn gedrag jegens mij valt niets aantemerken. Ik kan u niet zeggen hoeveel hij heeft gedaan om mij tot bedaren te brengen, toen de vreeselijke twijfel nopens den dood van mijn man in mij oprees.quot;

„Bedoelt gij twijfel of hij wel zijn natuurlijken dood is gestorven?quot;

„O, neen, dat niet! Hij stierf aan slechte spijsvertering — maar zijn plotselinge dood verbaasde de dokters. Een hunner meende, dat hij wellicht bij vergissing een te groote dosis van zijn slaapdruppels luid genomen. De andere sprak dit tegen, anders zou er wellicht een onderzoek hebben plaats gehad. Ach, laat ons daar niet meer over spreken!

03

-ocr page 72-

DE GEESTVERSCHIJNING.

Zeg mij liever wanneer ik u zal weerzien?quot;

„Dat zou ik n niet kunnen zeggen. Wanneer vertrekt gij met uw zwager uit Londen ?quot;

„Morgen.quot; Zij keek M. Rayburn met smeekenden blik aan en zeide beschroomd: „Graat gij nooit met uw dochtertje naar eene badplaats?quot;

Met verzoek dat zij nauwelijks had durven doen, kwam juist overeen met de gedachte, die op dit oogenblik M. Ray-burn\'s geest vervulde.

Hetgeen zij over haar zwager had gezegd, gevoegd bij zijn eigen sterk vooroordeel tegen John Zant, vervulde hem met vrees voor het gevaar dat haar dreigde, en dat hem des te verschrikkelijker voorkwam, daar hij er zich niet bepaald rekenschap van kon geven. Als iemand anders bij hun onderhoud tegenwoordig ware geweest, en later tot hem had gezegd:

64

-ocr page 73-

DE GEESTVERSCHUJaXU.

„Ue tegenzin van dien man om zij no : schoonzuster te bezoeken gedurende het leven van haar man, spruit voort uit een geheim gevoel van schuld, waarvan zij in haar onschuld zelfs geen begrip heeft; hij, en hij alleen, kent de oorzaak van den plotselingen dood van haar man; zijn geveinsde ongerustheid over haar gezondheid is slechts een voorwendsel om haar in zijn huis te lokken —quot; als deze vreese-lijke vermoedens aan M. Rayburn waren toegefluisterd, zou hij het zijn plicht hebben geacht ze te weerleggen als onrechtmatige laster jegens een afwezig persoon. En toch, toen hij dien avond afscheid nam van Mev. Zant, had hij zich stellig voorgenomen Lucy een paar dagen naar \'t zeestrand meetenemen, en zonder blozen had hij gezegd, dat het kind \'t inderdaad verdiende als eene belooning voor haar goed gedrag en den ijver dien zij bij haar lessen betoonde.

-ocr page 74-

IX.

Drie dagen later kwamen vader en dochter dan ook reeds op de badplaats aan, alwaar zij door Mevr. Zant aan het station werden afgewacht.

De goede vrouw was zoo blijde als een kind toen zij hen zag. „O! ik ben zoo blij! zoo blij!quot; was al wat zij zeggen kon. Lucy werd half gesmoord onder kussen, en overgelukkig gemaakt door de prachtigste pop die zij ooit had bezeten. Mevr. Zant vergezelde haar gasten naar de kamers, die zij voor hen in het hotel had

-ocr page 75-

DE GEESTVEKSCHIJXIXG.

besproken. Terwijl Lucy op het balkon haar pop stond te sussen en naar de zee te kijken, kon zij vertrouwelijk met M. Rayburn spreken.

Het eenige wat er gedurende het korte verblijf van Mevr. Zant was voorgevallen, was dat haar zwager dien morgen naar Londen was vertrokken. Hij moest voor zaken een paar uren weg; zijn huishoudster dacht wel dat hij vóór etenstijd terug-zou zijn.

Wat zijn gedrag jegens Mevr. Zant betreft, hij was niet alleen even oplettend als altijd — hij was zelfs lastig voorkomend in zijne woorden en daden. Daar was geen dienst dien een man kon bewijzen, of hij had haar dien gaarne aangeboden. Hij verklaarde dat hij reeds eenige verbetering in haar gezondheidstoestand bespeurde; hij wenschte haar geluk dat zij er toe had besloten haar intrek in zijn huis te nemen; en (wellicht

67

-ocr page 76-

DE GrEESTVERSCHIJNIKGr.

als een bewijs van zijn opreclitheid) had hij herhaaldelijk haar hand gedrukt. „Hebt . gij er eenig begrip van wat dit alles beteekent?quot; vroeg zij onnoozel.

M. Kayburn dacht er het zijne van. Hij gaf voor er niets van te begrijpen en vroeg daarop welk slag van mensch de huishoudster was.

Mevr. Zant schudde bedenkelijk het hoofd.

„\'t Is zulk een wonderlijk schepsel,quot; zeide zij, ,,ze veroorlooft zich zulke vrijheden, dat ik begin te vreezen dat er een streek door loopt.quot;

„Is \'t een oude vrouw?quot;

„Neen — van middelbaren leeftijd. Yan morgen was haar meester nog nauwelijks vertrokken of ze vroeg mij waarlijk hoe ik mijn zwager vond! Ik zeide haar, zoo koel mogelijk, dat ik hem heel vriendelijk vond. Zij was geheel ongevoelig voor den toon waarop ik had gesproken en ging van kwaad tot erger. „Vindt gij dat het

08

-ocr page 77-

DE GEESTVERSCHIJNING. 69

iemand is waarop eene jonge Trouw zou kunnen verlieven?quot; vroeg zij toen, -waarbij ze mij bepaald aankeek, alsof de jonge vrouw die zij bedoelde ik zelve was. Ik antwoordde haar daarop, dat ik nooit over zulke dingen nadacht en er nog veel minder over sprak. Ze liet zich daardoor echter niet van haar stuk brengen, en maakte toen eene aanmerking, die mij persoonlijk aanging. „Vergeef mij,quot; sprak zij, „maar gij ziet verschrikkelijk bleek.quot; Het kwam mij voor alsof die bleekheid haar genoegen deed, en ik geloof waarlijk dat dit mij in haar achting deed rijzen. Zij verzocht mij met haar naar beneden te gaan en de werkplaats van haar meester te bezichtigen. Die plaats had altijd iet? geheimzinnigs voor haar — en ze zou zoo gaarne hooren wat ik er van dacht. „Hij mengt dingen in die werkplaats,quot; zeide zij — „ik bedoel dingen die hij fijnstampt en dingen die hij kookt. Somtijds barsten

-ocr page 78-

DE GEESTVERSCHIJNING.

ze en maken groot geraas; en somtijds sissen ze en verspreiden een leelijken reuk. Ik geloof zeker dat \'t vergiften zijn. Kom eens mee, en neem eens een kijkje. Ik weet waar hij den sleutel bewaart.quot; Natuurlijk weigerde ik. Zij bleef echter even vriendelijk en gemeenzaam als altijd. „We zullen mettertijd wel beter met elkander omgaan,quot; zeide zij. „Ik begin al van u te houden.quot; Met deze woorden ging-zij al neuriënde de kamer uit. Zijt gij \'t niet met mij eens? Denkt gij ook niet dat zij niet wel bij \'t hoofd is?quot;

„Ik vind dat gij er zeer wel aan gedaan hebt haar niet naar de werkplaats van haar meester te vergezellen. Ziet zij er uit alsof ze indertijd eene mooie vrouw is geweest?quot;

„Niet die soort van schoonheid die in mijn smaak valt.quot;

M. Rayburn glimlachte. „Ik dacht,quot; hernam hij, „dat ik misschien de reden had gevonden voor het vreemde gedrag

70

-ocr page 79-

DE GEESTVERSCHIJNING.

van die vrouw. Ze is waarschijnlijk jaloersch. op iedere jonge vrouw, die bij haar meester in huis komt — en (totdat zij uw bleekheid opmerkte) begon ze met op u jaloersch te zijn.quot;

Niet begrijpende hoe zij het voorwerp van de jaloezie der huishoudster kon zijn, keek Mevr. Zant M. Rayburn met verbazing aan. Eer zij nog aan haar verbazing lucht kon geven, werden zij gestoord. Een bediende trad binnen en meldde een bezoeker aan, dien hij beschreef als „een heer.quot;

Mevr. Zant stond dadelijk op om heen-tegaan.

„Wie is die heer?quot; vroeg M. Rayburn — terwijl hij Mevr. Zant onder \'t spreken tegenhield.

Eene stem, die beiden herkenden, antwoordde vroolijk buiten de deur:

„Een vriend uit Londen.quot;

71

-ocr page 80-

DERDE GEDEELTE

X.

„Welkom hier!quot; riep M. John Zant. „Ik wist dat gij verwacht werdt, waarde heer, en dus ben ik maar regelrecht naar het hotel gegaan.quot; Daarop wendde hij zich tot zijne schoonzuster en kuste hare hand met eene hoffelijkheid, Sir Charles Grran-dison zeiven waardig. „Toen ik thuis kwam en hoorde dat gij waart uitgegaan, mijn beste, giste ik dadelijk dat gij onzen waarden vriend waart gaan afhalen. Grij hebt u toch niet eenzaam gevoeld gedurende mijne

-ocr page 81-

DE GEESTVERSCHIJNIKG.

afwezigheid? Da\'s goed! da\'s goed!quot; Naar het balkon ziende, werd hij Lucy aan \'t open venster gewaar, die den deftigen vreemdeling stond aantestaren. „Uw dochtertje, M. Rayburn? Wat een lief kind! Kom eens hier, en geef me een kusje!quot;

Lucy antwoordde slechts een enkel woord: „Neen.quot;

M. John Zant trad naar het venster toe met een allerliefst lachje. „Laat mij uw pop eens zien, liefje,quot; zeide hij. „Kom eens bij mij op mijn knie zitten.quot;

Nu antwoordde Lucy drie woorden: „Ik wil niet.quot;

Haar vader trad nu naar \'t venster toe om haar eenige bestraffende woorden toe-tevoegen. M. John Zant kwam echter vriendelijk tusschenbeide, en strekte afwerend zijn handen uit. „Mijn lieve M. Rayburn! De feeën zijn somtijds schuw; en deze kleine fee voelt zich niet op \'t eerste gezicht tot vreemden aangetrokken.

73

-ocr page 82-

74 DE GEESTVERSCHIJNING.

Kindlief! Dat zal zich wel schikken. En hoelang denkt gij hier te blijven? Mogen wij hopen dat \'t weinige wat wij u kunnen aanbieden u zal nopen uw bezoek te verlengen?quot;

Hij deed deze Adeiende vraag met eeue vriendelijkheid, die echter maar al te duidelijk geveinsd was, en keek daarbij M. Ray burn aan met eene oplettendheid, alsof hy het grootste gewicht aan het antwoord hechtte. Toen hij zeide: „Hoe lang denkt gij hier te blijven?quot; bedoelde hij inderdaad: „Hoe gauw denkt gij ons weer te verlaten?quot; M. Eayburn antwoordde voorzichtig, dat zijn verblijf op de badplaats van omstandigheden afhing. M. John Zant keek zijne schoonzuster aan, die zwijgend in een hoek zat niet Lucy op haar schoot. „Doe gij uw best,quot; zeide hij, „om de omstandigheden zoo aangenaam mogelijk voor onzen goeden vriend te maken. Wilt gij vandaag bij ons komen eten, beste

-ocr page 83-

DE GEESTVERSCHIJNING.

vriend, en uw kleine fee meebrengen?quot;

Lucy nam dit complimentje volstrekt idet op in den zin waarin het werd bedoeld. „Ik ben geen fee/\' sprak zij. „Ik ben een kind.quot;

„En een ondeugend kind,quot; voegde haar vader er bij met al de gestrengheid die hij kon voorwenden.

„Ik kan \'t niet helpen, papa; die man met dien grooten baard maakt mij verlogen.quot;

De man met den grooten baard had schik — bijzonder veel schik — in Lucy\'s rondborstig antwoord. Hij herhaalde zijne uitnoodiging om te komen eten en deed zijn best om zich teleurgesteld te toonen, toen M. Rayburn de noodige verontschuldigingen maakte.

„Op een anderen dag dan,quot; zeide hij (zonder echter dien dag te bepalen). „Ik denk wel dat mijn woning u zal bevallen. Mijn proeven, wanneer ik mij daarmede onledig

75

-ocr page 84-

76

houd, hinderen zelden de reukorganen mijner bezoekers; en mijne huishoudster moge wat wonderlijk zijn — maar toch een vrouw onder duizenden. Yoelt gij al de verandering van lucht hier? De roem van deze badplaats is zeker wel verdiend. Zieken die hierheen komen worden als door too verkracht genezen. Hoe vindt gij Mevr. Zant? Hoe ziet zij er uit?quot;

Het was duidelijk dat hij verwachtte dat M. Rayburn zou zeggen, dat zij er beter uitzag, en dus zeide deze het dan \'ook maar. M. John Zant scheen een sterker uitdrukking te hebben verwacht.

„Yerwonderlijk beter!quot; riep hij uit. „Oneindig beter. We hebben beiden reden om dankbaar te zijn. Wees verzekerd dat wij dankbaar zijn.quot;

„Als gij bedoelt dat gij mij dankbaar zijt,quot; sprak M. Rayburn, „dan begrijp ik niet goed —quot;

„Gij begrijpt niet goed? Is \'t mogelijk

-ocr page 85-

DE GEESTVERSCHIJNINa.

dat gij ons gesprek hebr vergeten, toen ik voor \'t eerst het genoegen had u bij mij te zien? Zie Mevr. Zant nog eens aan.quot;

M. Rayburn keek haar aan en Mevr. Zant\'s zwager vervolgde:

„Gij ziet immers dat zij meer kleur begint te krijgen, en dat haar oogen veel helderder staan. (Neen, lieve kind, het zijn geen flauwe complimentjes; ik constateer slechts de feiten). Die gelukkige uitkomst, M. Rayburn, hebben wij aan u te danken.quot;

„Zeker niet!quot;

„Zeker wel! Het was op uw zoo ge-waardeerden raad, dat ik op de gedachte kwam mijne schoonzuster bij mij te logeeren te vragen. Niet waar, nu herinnert gij \'t u toch. Verschoon mij dat ik op mijn horloge kijk; maar ik geloof dat het etenstijd is. Niet dat ik, zooals uw lief dochtertje daar schijnt te denken, gulzig

77

-ocr page 86-

DE GEESTVERSCHIJNING.

ben, maar omdat ik een man van de klok ben en de keukenmeid niet gaarne laat wachten. Morgen zullen wij u immers weerzien? Als gij vroeg komt, vindt gij ons zeker thuis.quot;

Hij bood Mevr. Zant zijn arm aan, en boog en lachte en maakte kushandjes aan Lucy, en ging de kamer uit. Nu M. Ray-burn zich zijn gesprek met John Zant te Londen herinnerde, begreep hij waarom deze, bij die gelegenheid, zich had gehouden als iemand die niet weet wat hij moet beginnen en behoefte heeft aan een verstandigen raad. Als het verblijf van Mevr. Zant onder zijn dak slechte gevolgen voor haar had, kon hij verklaren, dat zij, zonder M. Eayburn\'s raad, nooit een voet bij hem in huis zou hebben gezet.

Den volgenden dag zag M. Rayburn zich tegen wil en dank genoodzaakt het bezoek van dien man te beantwoorden.

78

-ocr page 87-

DE GEESTVERSCHIJNING.

Twee wegen stonden voor hem open. In \'t belang van Mevr. Zant moest hij, hoezeer het hem ook tegen de borst stuitte, op een goeden voet blijven met haar zwager — of hij moest naar Londen terugkeeren en de arme vrouw aan haar lot overlaten. Zijne keus, het behoeft wel niet gezegd te worden, was niet twijfelachtig. Hij begaf zich naar het huis en deed zijn best — zonder M. John Zant echter in \'t minst te bedriegen — om zich gedurende het korte bezoek zoo aangenaam mogelijk te maken. Toen hij bij het heengaan, door Mevr. Zant vergezeld, de trap afging, was hij zeer verwonderd in de gang eene vrouw van middelbaren leeftijd te zien, die er uitzag alsof ze daar met opzet was gaan staan om de aandacht te trekken.

„Dat is de huishoudster,quot; fluisterde Mevr. Zant. „Ze is vrijpostig genoeg om met u in kennis te willen komen.quot;

79

-ocr page 88-

DE GEESTVERSCHIJNIKG.

Dit was juist de reden waarom de huishoudster in de gang stond.

„Bevalt de badplaats u goed, mijnheer?quot; begon zij. „Als ik u ergens mee van dienst kan zijn, hebt gij \'t maar te zeggen. Iedere vriend van deze dame kan op mij rekenen — en gij zijt zeker een oud vriend. Ik ben maar de huishoudster, maar toch stel ik oprecht belang in Mevr. Zant, en het verheugt mij waarlijk u hier te zien. Wij weten immers niet, — is \'t niet zoo? — hoe spoedig wij een vriend kunnen noodig hebben. Gij neemt \'t mij toch niet kwalijk, hoop ik? Dank u, mijnheer. Groeden morgen.quot;

Er was niets in de oogen van die vrouw dat aan verstandsverbijstering deed denken; niets in haar gelaat dat het gebruik van sterken drank aanduidde, en het scheen meer dan waarschijnlijk dat zij de eene of andere goede reden had voor haar wonderlijke vrijpostigheid. Toen

80

-ocr page 89-

DE GEESTVERSCHIJNING.

81

M. Rayburn alles quot;vvat Mevr. Zant hem reeds had medegedeeld en wat hij zelf had opgemerkt, bij elkander voegde, was hij zeer geneigd te gelooven dat de reden moest gezocht worden in jaloezie van de huishoudster op haar meester.

-ocr page 90-

Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of M. Rayburu werd aangesproken door een ouden bekende, die juist voorbij kwam -— iemand van groote vermaardheid in de wetenschappelijke wereld, een professor in de scheikunde aan een der Lon-densche ziekenhuizen.

rWat! Hebt gij uw voeten onder behandeling van M. Zant gesteld?quot; vroeg de professor, naar de koperen plaat op de deur wijzende.

M. Rayburn antwoordde hem dat hij

-ocr page 91-

DE GEESTVBRSCHIJXISG. 83

slechts een gewoon bezoek bij hem had afgelegd.

„Zoo, dus kent gij hem? Welnu, als operateur kan ik uw vriend niet te zeer roemen. Hij heeft bij mij een zeer ernstige vergissing hersteld, door den likdoornsnijder begaan, dien ik gewoon was in Londen te gebruiken. In andere opzichten is \'t een van de vreemdsoortigste menschen, die ik ooit van mijn leven heb ontmoet.quot;

„Hoe dat, als ik vragen mag?quot;

De professor nam zijn vriend onder den arm, en zoo wandelden zij gezamenlijk voort.

„Wij leven,quot; zoo begon de scheikundige, „in een tijd waarin letterkunde, kunsten en wetenschappen allen evenzeer worden overweldigd door den alom tegen-woordigen liefhebber. M, John Zant is een liefhebber die, zooals hij \'t noemt, in zijn vrijen tijd \'geheime scheikunde\' .beoefent. Terwijl hij mijn voet behandelde, gebruikte

-ocr page 92-

84 DE GEESTVERSCHIJNlNa.

hij eerst den verzachtenden invloed van vleierij, en toen hij dit gedaan had (indien ik eene ruwe uitdrukking mag gebruiken) pompte hij zonder genade alles uit mij wat hem voor zijn liefhebberij kon te pas komen. De kerel — verschoon mij, ik vergat dat het een vriend van u is; ik zal dus maar zeggen de liefhebber — heeft een paar wonderlijke oude boeken over scheikunde in zijn bezit, waarop hij eenige dwaze theorieën van zichzelven heeft gebouwd. Een van die theorieën is, dat het oude bijgeloof, dat vroeger geloof hechtte aan het „Liefdes Elixer,quot; werkelijk op scheikundige gronden waarheid bevat. Er bestaan dranken (vertelde hij mij) die door het lichaam op den geest werken, en die zulk een invloed kunnen uitoefenen op het hoofd, dat zij den wil van den eenen persoon geheel krachteloos maken tegenover dien van een ander. „Op deze wijze,quot; zegt M. John Zant, „verklaar ik de

-ocr page 93-

DE GEESTVERSCHIJNING-.

85

wonderen, door de Liefdesdranken bewerkstelligd, waarvan in dit oude boek melding wordt gemaakt.quot; Hij sloeg een paar bladzijden om en toonde mij een recept dat, naar zijne meening, hem in zijn geloof bevestigde. Hij wilde nu maar alleen weten, zeide bij my, of mijn wonderbaarlijk etcetera, etcetera hem in zyn meening versterkte. Zyn groote verwaandheid — ik vraag u nogmaals verschooning; laat ik liever zeggen zijn dorst naar kennis, — was inderdaad kluchtig om aantehooren. Doch de onzin dien hij uitkraamde had echter ééne ernstige zijde. Ik hield hem aan de praat (ik schaam mij bijkans om hex te zeggen) voor mijn eigen vermaak, totdat ik eene ontdekking deed, waarop ik niet had gerekend. De man mengt in zijn onwetendheid twee scheikundige bestand-deelen dooreen, die noodlottige gevolgen kunnen hebben —■ indien hij daarmee werkelijk zijn theorie op de \' proef zou

-ocr page 94-

DE GEESTVERSCHIJXINCr.

stellen. Hij zegt dat hij volstrekt niet van plan is om het te doen, — alleen misschien op \'t een of andere ongelukkige dier. We zullen nu niet onderzoeken of hij al dan niet te vertrouwen is. Bij \'t heengaan gaf ik hem nog eene waarschuwing die, naur ik hoop, haar uitwerking niet zal hebben gemist. Het zou zeker geen kwaad kunnen als gij ook van uw invloed over uw vriend gebruik maakte. Zeg hem dat hij dat kleine metalen kistje, dat hij uit Londen heeft meegebracht, in een boot meeneemt en het over boord werpt, zoodra hij in diep water komt. Blijft gy hier nog eenigen tijd? Ik logeer hier ook met mijne vrouw tot het einde dezer week. Ziedaar mijn adres; ge zult mij genoegen doen als gij ons eens komt opzoeken.quot;

Toen M. Rayburn er in de eenzaamheid op zijn kamer nog eens over nadacht, kwam hij tot het besluit dat het eenige afdoende middel was Mevr. Zant aan het

86

-ocr page 95-

DE GEESTVERSCHIJNING. 87

liijzyn van haar zwager te onttrekken. Toen zij den volgenden flag kwam om Lncy voor eene wandeling aftehalen, begon hij haar voorzichtig op dien kraehtigen maatregel voortebereiden.

„Als gij er nog spijt over gevoelt uzelve geweld te hebben aangedaan om aan de nitnoodiging van uw zwager gehoor te geven,quot; was al wat hij durfde zeggen, „vergeet dan niet dat gij volkomen vrij zijt in uw doen en laten. Gij behoeft slechts bij mij aan het hotel te komen, en ik breng u met den eerst-volgenden trein naar Londen terug.quot;

Zij weigerde bepaald daarin te treden.,, Ik zou waarlijk wel een ondankbaar schepsel moeten zijn,quot; zeide zij, „als ik uw voorstel aannam. Denkt gij dat ik laag genoeg zou zijn om u in een persoonlijken twist met John Zant te mengen? Neen! Als ik mij genoodzaakt zie het huis te verlaten, zal ik wel alleen weggaan.quot;

-ocr page 96-

88 DE GEESTVERSCHIJNING.

Yan dit besluit was zij niet aftebrengen. Toen zij met Lucy was uitgegaan, bleef\' M. Rayburn met bezwaard gemoed in het bötel achter. Terwijl hij \'t nog altijd niet met zichzelven eens kon worden, hoe in dit moeielyk geval te handelen, werd er aan de deur geklopt.

Zou Mevr. Zant al terug zijn? Hij keek op toen de deur openging en zag tot zijn verbazing de huishoudster van M. John Zant.

„Ik hoop dat ik er niet verkeerd aan heb gedaan, mijnheer,quot; zeide zy, „ik heb uw dochtertje verlof gegeven om met een speelkameraadje naar \'t strand te gaan. Wij ontmoetten dat kind met haar moeder aan de deur van het hotel. De dame zeide dat gij er zeker niets tegen zoudt hebben —quot;

„De dame heeft gelyk,quot; viel M. Rayburn haar in de rede. „Maar hoe komt het dat gij met de zorg voor Lucy zijt belast? Waar is Mevr. Zant?quot;

-ocr page 97-

DE GEESTVEESCHTJXINGr.

„Mevr. Zant is niet wel, mijnheer. Ten minste, zoo heeft men mij gezegd. Het gebeurde, naar ik hoor, toen zij ons huis voorbijging; en mijn meester gelastte mij Lucy naar huis terugtebrengen. Eer ik heenga,quot; voegde zij er vertrouwelijk bij, „zou ik gaarne een woordje zeggen in \'t belang van Mevr. Zant. Zie dat u dat lieve vrouwtje bij ons uit huis wegkrijgt — en verlies daarmee geen tijd.quot;

M. Rayburn was op zijne hoede, en vroeg alleen: „Waarom?quot;

De huishoudster antwoordde op een wonderlijk ontwijkende manier — half schertsend, naar \'t scheen, en half in ernst.

„Als een man zijn vrouw hoeft verloren,quot; zeide zij, „bestaat er, naar ik hoor, in het Parlement verschil van meening over of hij er al dan niet wel aan doet als hij met de zuster van zijn arme vrouw trouwt. Wacht even! Ik heb\' nog niet

89

-ocr page 98-

DE GEESTVERSCHIJNING.

uitgesproken. Mijn meester is iemand, die een verzienden blik heeft; hij ziet gevolgen, die aan het oog van menschen zooals ik ontsnappen. Hij is van oordeel dat, als de eene man zijn vrouws zuster mag trouwen, er zeker ook niets tegen is als een andere man met de weduwe van zijn broeder trouwt. Die andere man nu is mijn meester. ïleem de weduwe van hier, eer ze met hem trouwt.quot;

Dat was niet aantehooren. „Gij beleedigt Mevr. Zant,quot; antwoordde M. Rayburn, „door de veronderstelling dat zoo iets mogelijk zou zijn!quot;

„Welzoo! Beleedig ik haar? Luister dan eens naar mij. Drie dingen kunnen gebeuren. Ze zal er door list, door vrees, of door artsenij toe gebracht worden haar toestemming te geven —quot;

M. Rayburn was te zeer verontwaardigd om haar verder te laten spreken.

„Grij praat onzin,quot; zeide hij. „Er kan

90

-ocr page 99-

91

nooit een huwelijk van komen, de wet verbiedt het.quot;

„Behoort gij ook al tot die menschen, die niet verder zien dan hun neus?quot; vroeg zy onbeschaamd. .,Zou de wet zijn geld niet aannemen? Is hij verplicht te zeggen, dat hij door huwelijk aan haar verwant is, als hij de wettelijke vergunning koopt? Zij zweeg; haar drift overmeesterde haar en zij stampte Avoedend met haar voet op den grond. De ware reden die haar aandreef, bleek uit haar volgende woorden, en waarschuwde M. Rayburn haar met meer welwillendheid aantehooren, dan hij tot nu toe had gedaan. „Als gij \'t dan niet wilt beletten,quot; viel zy uit, „zal ik het doen! Als hij met iemand trouwt, is hy verplicht met mij te trouwen. Wilt gij haar van hier voeren? Ik vraag u voor de laatste maal: wilt ge haar hier van daan brengen?quot;

De toon waarop zij dit laatste verzoek

-ocr page 100-

DE GEESTVERSCHIJKIKG.

deed, miste zijn uitwerking niet. „Ik zal met u naar de woning van M. John Zant terugkeeren,quot; zeidc liy, „en mij met eigen oogen overtuigen.quot;

Zij legde haar hand op zijn arm. „Laat my vooruit gaan, anders wordt gij misschien niet binnengelaten. Yolg mij over vijf minuten; en schel niet aan.quot;

Zij verwijderde zich onmiddellijk. Na verloop van vijf minuten volgde hij haar. Achter de straatdeur wachtte zij hem af. „Ze zijn beiden in het salon,quot; fluisterde •zij, terwijl zij de trap opging. „Loop zachtjes en overval hem.quot;

Behoedzaam, zonder geraas opende zij de deur en liet hem binnen.

92

-ocr page 101-

Een langwerpige tafel stond tegen den muur van het salon. Aan het einde daarvan, dicht bij de deur, zat John Zant, die in een zilveren beker eene vloeistof omroerde. Nu hij zoo plotseling overvallen was, toonde hij zich in zijne ware gedaante. Hij sprong op, en zeide met een vloek dat hij \'t zeer ongepast vond onaangediend bij hem binnen te komen. Onverschillig voor hetgeen hij zeide of deed, had M. Rayburn slechts oogen voor en dacht hij alleen aan Mevr. Zant.

-ocr page 102-

DE GEESTVERSCHIJNING.

Zij stond aan het andere einde der tafel, geheel beschenen door het zonlicht, dat op dit oogenblik in de kamer doordrong. Zij staarde strak voor zich uit met oogen waarin niet de minste uitdrukking was, alsöf zij wakende sliep. Haar mond was een weinig geopend, en het hoofd was naar eene zijde gebogen; haar geheele houding duidde aan dat zij naar iets luisterde of op iets wachtte. Volkomen gevoelloos voor het plotseling openen der deur, voor de heftigheid waarmee haar zwager was opgestoven, voor de deelnemende woorden die M. Ray burn haar toevoegde — stond zij daar tusscben de beide mannen, een levend wezen, dat echter niet tot de levenden scheen te behooren.

John Zant verbrak het eerst het stilzwijgen. Hij bad zyne zelf beheersching teruggekregen. Hij had er zijn redenen voor om nog op goeden te voet blijven met M. Rayburn.

„Het spijt mij dat ik mij zooeven door

94

-ocr page 103-

DE GEBSTTERSCHIJNIIsG.

mijn drift heb laten vervoeren,quot; zeide hij. „Wij maken ons beiden natuurlijk ongerust over haary Hierbij wees hij naar zyne schoonzuster, en ging toen voort met het roeren van de vloeistof in den zilveren beker.

„Wanneer gebeurde dit?quot; vroeg M. Rayburn.

„Nog geen half uur geleden — juist toen zij hier voor de deur was. Ik was gelukkig te huis. Zonder mij een woord toetevoegen, zonder mij optemerken, ging zij de trap op, als eene slaapwandelaarster. Zy ging toen staan op de plaats waar ze nu nog staat en heeft zich sedert niet verroerd. Het is een zenuwlijden van een bijzonderen aard. Eene soort van zenuwtoeval, zooals gij ziet.quot;

„Hebt gij om een dokter gestuurd?quot;

„Dat is niet noodig.quot;

„Vergeef mij, maar het komt mij voordat geneeskundige hulp hier bepaald noodzakelijk is.quot;

95

-ocr page 104-

BE GEESTVBRSCH-IJNINO.

„Wees zoo goed, mijnheer, u te herinneren, dat ik, als bloedverwant der dame, het recht heb daarover te beslissen. Ik ken den aard van de ziekte en was juist op liet punt haar het geneesmiddel er voor toetedienen.quot;

M. Ray burn naderde hem met het voornemen om hem den beker aftenemen. „Een geneesmiddel op uw eigen handje?quot; vroeg hij, een weinig naderbij tredende.

Zijn gelaat verried hem waarschijnlijk. John Zant deed een paar stappen achteruit, en met den beker in de hand naderde hij zijne schoonzuster. Eer hij nog bij haar was, begon zij zich te bewegen, en eene rilling voer haar door de leden. Zij richtte liet gebogen hoofd op. Een oogenblik kromp zij ineen — alsof zij plotseling door iets werd aangeraakt. Zij scheen deze aanraking te herkennen, en stond weder onbewegelijk.

John Zant sloeg deze verandering gade.

!)6

-ocr page 105-

DE GEESTVERSCHIJNING.

„Ze begint weder bijtekomen,quot; zeide hij „het geneesmiddel zal haar helpen.quot;

Hij trad weder naar haar toe; het zonlicht dat haar eerst had beschenen, verlichtte nu zijne gedaante. M. Raybnrn volgde hem, met het voornemen te beletten dat hij haar den beker overreikte. Hij wachtte even — en sloeg haar nauwkeurig gade.

„Kom tot bezinning,quot; sprak hij.

Zy bleef in dezelfde houding, in haar gedachten of droomen verdiept.

„Kom tot bezinning,quot; herhaalde hij, „en drink dit.quot;

Op het oogenblik dat hij haar den beker toereikte -— op het oogenblik dat M. Raybnrn zijn hand nitstak om dien te grijpen — liet hij hem uit de hand vallen. Met uitgestrekten arm bleef hij staan. Met éen kreet van schrik worstelde hij om hem terugtetrekken — worstelde hij in de ledige, door de zon beschenen ruimte, alsof

97

-ocr page 106-

98 DE GEESTVERSCHIJNING.

hij door een onzichtbare macht was aangegrepen. „Wie houdt mij vast?quot; schreeuwde hij. „Wat is dat? O, hoe koud! hoe koud!quot; Zijn gelaat werd verwrongen; zijn oogen draaiden in hunne kassen, totdat enkel nog het wit er van zichtbaar was. Met een schok, die de kamer deed dreunen, viel hij op den grond.

De huishoudster die dit hoorde, kwam haastig aanloopen. Zij knielde naast haar meester neer; met de eene hand maakte zij zijn das los, terwijl zij met de andere hand naar de overzij der tafel wees.

Mevr. Zant stond nog op dezelfde plaats; maar er had weder eene verandering bij haar plaats gegrepen. Langzamerhand her-kregcn haar oogen hunne natuurlijke uitdrukking — waarna zij ze zachtjes sloot. Zij waggelde van de tafel weg en sloeg woest haar handen in \'t rond, alsof zij iets wilde grijpen waaraan zij zich kon vasthouden.

-ocr page 107-

DE GEESTVERSCHIJNISra.

M. Rayburn snelde haar te hulp — ving haar in zijn armen op — en droeg\' haar de kamer uit.

Een der bedienden ontmoette hem in de gang. Hij zond haar om een rijtuig te halen. Een kwartier later bevond Mevr. Zant zich veilig onder zijne hoede in het hotel.

99

-ocr page 108-

XTII.

Dienzelfden avond ontving Mevr. Zant een briefje van de huishoudster.

„De dokters geven weinig hoop,quot; schreef zij. „De verlamming begint zich reeds uittestrekken tot zijn gelaat. Als hij er van opkomt, zal hij zijn leven lang een hulpbehoevend schepsel blijven. Ik zal hem tot het laatste toe trouw oppassen. quot;Wat u betreft — vergeet hem quot;

Mevr. Zant reikte het briefje over aan M. Rayburn.

„Lees en verscheur het,quot; zeide zy. „Het

-ocr page 109-

DB GEESTVERSCHIJNING}. 101

is geschreven door iemand, die onkundig is van de vreeselijke waarheid.quot;

Hij gehoorzaamde — en keek haar zwijgend aan, in afwachting van meer te hooren. Zij verborg haar gelaat. De weinige woorden die zij tot hem sprak, na een inwendigen strijd, kwamen haar langzaam en met weerzin over de lippen.

„Geen sterfelijke hand,quot; sprak zij, „hield de hand van John Zant terug. De beschermende geest was in mijne nabijheid; de beloofde hulp bleef niet uit. Ik weet het en verlang er niets meer van te weten.quot;

Na deze woorden stond zij op en reikte hem de hand. Hij opende de deur voor haar, en geleidde haar naar haar kamer, daar hij zag dat zij behoefte had aan rust.

Toen hij weder alleen was begon hij te overwegen wat hem nu voor \'t vervolg te doen stond. Hoe moest hij de vrouw, die hem zooeven verlaten had, beschouwen ?

-ocr page 110-

DE GEESTVERSCHIJNING.

102

Als een ongelukkig, door ziekte verzwakt schepsel, liet slachtoffer van haar eigen zenuwachtigen toestand? of als het uitverkoren voorwerp eener bovennatuurlijke openbaring — ongeëvenaard door eenige soortgelijke openbaring waarvan hy ooit had gehoord, of in boeken had gelezen? De eerste ontdekking van de plaats die zij werkelijk in zijne achting innam, daagde voor zijn geest op, toen hy tot het besluit kwam, dat zij niet enkel zijn medelijden verdiende, maar toegaf aan de edeler overtuiging, dat het eene vrouw was, ver boven andere vrouwen verheven.

-ocr page 111-

XIV.

Den volgenden dag keerden zij reeds naar Londen terug.

Aan het einde hunner reis gekomen, wilde Lucy de hand van Mevr. Zant niet loslaten. liet kind had de tranen in de oogen. „Moeten wij nu afscheid van haar nemen?quot; vroeg zij haar vader op droevigen toon.

Hij scheen geen lust tot spreken te hebben, en zeide alleen: „Vraag het haar zelf\', lieve kind.quot;

De uitkomst bewees dat hy gelijk had gehad. Lucy was weder gelukkig.

E IN 1) E.

-ocr page 112-
-ocr page 113-
-ocr page 114-
-ocr page 115-