\'V \'vy,. quot; ■ ,
V: -•■*\'
■\'•\\ * quot;^ -C. 1 ^ s ...
\' v \'* %f r-
, \'% x . -
-■^ -^J.\' 4 rt f \' \' ■\'
. lt;, \' -o- Jf ^ gt;,
® ^ * ^V?5 ^ ^ T
wS\\. jt ^ \' \' *- « /tf \' / quot;quot;*-•
fW lt;
Bquot;\' . . i, .A J
K: **\\...
ïüfe\' \'
\' i v - v ^
ps H - - ■* s.
/ -4^ S
\' 4 J|5 ^
. »•\' S\' J .\' .
4lt;t ,4 r--gt;y . ^ - ?gt; V . -w ■
•\'V •^gt;;v^
v-\'v. \' ■ pH.\\
. .. ^ ^ f S J
*t •►■^1
P®^ ^ \\ ., . j-r^T 1 V
il\'£
l***r--f -» ^4 jT
M^k\'K* ■\'quot;amp;*
\' ■ \'* v., .v ■ -fquot;;
-ry-quot;- .v
***9i
*
V ■* ^
. ^ r 4^
■ *• *t -% . \'% \\ ^
. ,-i\\ jf.
BLOEMLEZING GIT DEN GRONINGER STUDENTEN ALMANAK,
VAN DE JAREN 1829—1879.
RIJKSUNA/crqit,-,___
ai a 9
/lt;?- \'amp;. pfë.
BLOEMLEZING
UIT DEN
VAN DE JAREN
GRONINGEN. — J. B. HUBER. — 1885.
V O O R B E R IC H T.
In 1816, nog geen jaar nadat het Groninger Studentencorps was opgericht, verscheen, op voorstel van-den Senaat, zoocds de voorrede zegt, een boek in den gewonen onhandigen groot-octavo vorm dier dagen, getiteld: Vindicat atque Polit. Mengelingen door de Groninger studenten. Wel mochten het mengelingen heet en. Naast de descriptio rundrorum, die zich ook nu nog met genoegen laat lezen, eene samenspraak over het pas opgerichte corps en een dito over college-loopen, heide Nutslezersstijl; — bovendien had men goedgevonden allerlei (niet als varia bedoelde) aanhalingen , zelfs een geheel gedicht van schubart als «minder over \'t algemeen bekendquot; op te nemen.
Behalve genoemde descriptio, geven de Mengelingen hoogeren dunk van de goede bedoelingen dan van de talenten der schrijvers. Het in de voorrede meer of min beloofde tweede deel is dan ook nooit verschenen, en voorloopig bleef de student-auteur in den Groninger student sluimeren, totdat in \'1829 de eerste Almanak verscheen.
Het is een boekje in zakformaat en cartonnen band,
bevattende: kalender met toebehooren, orde van \'t afvaren der trekschuiten enz., hrievenposterij, orde van het openen en sluiten der poorten, staat der academie. Dirigerende Lichamen der studenten, lijst der leden van V. a. P., idem van den Upstaïboom, idem der overige studenten, korte geschiedenis der Hoogeschool en Mengelwerk.
De Upstaïboom, de bekende vereeniging der Oost-Friezen verdween in \'41 uit de wereld en hijgevolg uit den almanak. Overigens hieven vorm en inhoud dezelfde ook toen de scheuring, van \'1841 tot 43 voortdurende, driemaal naast den almanak van V. a. P. een van Post Chaos Lux deed verschijnen, van den eersten alleen onderscheiden door de afzonderlijke vermelding der leden van V. a. P., die in hun almanak die van P. Ch. eenvoudig onder de overige studenten rangschikten. Na de verzoening prijkte [dit was een der voorwaarden er van geweest) de Alm. zes jaar met: het .... jaar na de hereeniging.
In 1847 zien wij \'t eerste linnen handje met corpswapen, dat in 1850, 52 en 56 telkens gewijzigd en telkens rijker aan verguldsel geworden, in 1865 (toen de uitgave voor het eerst aan den heer j. b. huber werd opgedragen \')) den tegenwoordigen vorm verkreeg. Eerst sedert 1879 wordt de Almanak met het portret van den Rector Magnificus versierd; ook een plaat komt, zooverre ons bekend, niet eerder voor dan 1880.
Zooveel over den vorm. Wat den inhoud betreft, staat in den eersten tijd de poëzie doorgaans verre
*) Vroegere uitgevers waren: j. b. van boekeren (tot 1841) en p. van zweeden.
hoven t proza. In laai, stijl en versbouw may do eerste gerust ook nog hedendaagschen almanakdichters ten voorbeeld gesteld worden, en is de inhoud wat veel lot ridders en harden, liefde en maneschijn, stichtelijke en zedelijke strekking beperkt, veel er van heeft ook echte kunstwaarde. Een eigenaardige plaats he-kleeden de vele Diiitsche gedichten, vruchten natuurlijk van den toen nog niet verdorde)! Upstalhoom, en ten tweede wed men de flankeurspoëzie zou kunnen noemen, eene andere en grootendeels veel hetere soort van Citadelpoëzie. Het proza daarentegen is \'t begin , met nit-zondering der somtijds geestige Aphorismen en losse gedachten, sentimenteel van inhoud, zwak en houterig van vorm. Ellenlange gesprekken in witgedaste taal zijn schering en inslag. Gaandeweg wordt dit heler en met de hoedanigheid, neemt ook de hoeveelheid toe, zoodcd het in heide opzichten de poëzie ten slotte eenigszins overschaduwt, die zich wel bevrijdt van de sentimentaliteit, maar niet wint in dichterlijke vlucht en vooral niet in zuiverheid van vorm.
Twee thans onmisbare bestanddeelen van eenen tvel-ingerichten almanak zijn eerst vrij laat in het leven geroepen.
Jen eersten. De almanak van \'47 bevat het eerst eene vermelding van een Corpsdaad, te weten een maskerade, vrij zeker de oudste onder de zusteren. Leder worden ook minder in \'lt; oog springende feiten vermeld en komt men er weldra toe de Korte (?) Geschiedenis van het Corps even uitvoerig als die do-Academie te behandelen.
Ten tweeden. Be Varia hebben een eigen ontwikkelingsgang gehad. Be drie almanakken van P. Ch. L.
bevatten een o Proeve van een Studentenlexicon, d. i. lijst van studententermen, toegelicht door citaten. Na de hereeniging verschijnen »hladvullingen \' in den zelfden geest; sinds 1850 cum het eind van den almanak vereenigd, dragen zij den aan een artikel van \'t Almanak-Reglement ontleenden naam »Varia.quot;
Vertalingen in proza komen niet voor, in poëzie des te meer; ook oorspronkelijke verzen in nog andere talen dan \'t Buitsch, en v;el, cds te verwachten ivas, eerst vooral Latijn, later Fransch, nog later Engelsch. In \'t algemeen toonen ook deze dichters althans de tacd die zij schrijven te kennen. De namen der redacteurs worden van \'t begin af steeds vermeld 1); de schrijvers daarentegen treden nog zeer laat meest naamloos, onder voorletters of dSchuilnamen\' op. Uitgezonderd zijn Professoren en oud-corpsleden, wier medewerking, ter loops gezegd in \'t eerst niet ongewoon was, al heeft ze nu sinds jaren geheel opgehouden.
Deze Mengelingen en almanakken van 1829—79 nu werden toen in \'t laatst van \'83 het naderend lustrumfeest de gedachten der Corpsleden begon te vervullen voor een viertal van hen de goudmijn, waaruit zij zich voorstelden eene eigenaardige feestgave op te delven. Tegenspoed deed het plan den weg van zoo vele goudgraversplannen gaan — doch in \'t voorjaar van 85 werd het hoofddenkbeeld weer opgevat en toog nu het vijftal aan den arbeid, dat in de volgende bladzijden, Lezer, u de vruchten van zijn werk aanbiedt. Hadden
1
Behalve dat in \'t eerste jaar een anonieme redactie bestaat, onderscheiden van de commissie.
reeds de eerste ontwerpers gemeend, op grond van een vroeger Corpsbesluit geen officiëele machtiging te moeten vragen, maar op eigen gezag te handelen — de uitvoerders waren \'t met hen eens en op de Corpsvergadering van 4 Maart hleek vrij duidelijk, dat ook de overgroote meerderheid der leden \'t met hen eens ivas. Ook de Senaat betuigde zijne sympathie met deze opvatting en stelde zijn archief ten allen tijde kosteloos voor ons open. Een der leden verschafte ons eene zeer geschikte gelegenheid in \'t bezit van een aantal almanakken te komen. Om aan het groote beginsel der moderne industrie getrouw te blijven, verdeelden wij onze stof in vijf seriën van telkens i O almanakken, voegden de Mengelingen bij de eerste, de almanakken van P. Ch. bij de tweede en tvezen door het lot elk onzer zidk een deel toe om daaruit de z. i. geschikte stukken op te zoeken, en deze te onderwerpen aan \'t oordeel van wie naar rang in de commissie op hem volgde. Konden heide \'t over eenig st uk niet eens worden, dan werd het aan \'t oordeel van alle leden onderworpen.
Waar een reeks van stukken met één zelfde, ook in de algemeen-Nederlandsche litteratuur goedklinkenden naam geteekend was, hebben wij alleen opgenomen wat o. i. den schrijver \'t meest tot eer strekte en zoodoende wel eens verworpen wat, van min beroemde hand gekomen , toegelaten zou zijn.
Toen aldus de eerste schifting volbracht was, bleek, dat óf wij al te toegefelijk of. vroegere Corpsjaren al te rijk aan talenten waren geweest, in elk geval dat, om binnen de grenzen eener bloemlezing te blijven,, nogmaals het beste uit het goede geschift moest worden, wat volgens dezelfde methode geschiedde.
Vit deze duhhele vuurproef kwam eindelijk te voorschijn wat hier achter volgt. Of het ook tegen den gloed, der kritiek bestand zal blijken?
Eer ivij het daaraan gaan blootstellen, nog een woord van dank aan den Senaat, aan den bibliothecaris der ■ Rijks-universiteit, aan de heeren ter Horst en Sijthoff, benevens aan Mejujf. de Wed. van Zweeden, die belangeloos afstand deden van hun uitgeversrecht — bovenal aan de oud-studenten-auteurs die allen zonder onderscheid ons vergunden hunne penncvruchten nolt;j-niaals te leden getuigen van hun aandeel in den letterarbeid der Groninger Studenten.
Ten slotte kunnen wij niet anders dan wensehen dat het Boekje den Lezer niet minder genoegen moge schenken dan den Samenstellers, die tevens zich. voor een welwillend oordeel aanbevelen.
De Commissie:
- W. ZUIDEMA , praeses.
R. DE WAARD, ab-actis.
T. BAKKER, fiscus.
W. G. DE BORST VERDOORN, «ss. J.
K. E. W. STROOTMAN, ass. II.
1
ii
INHOUD.
Blz
Voorrede.
Descriptio Rundrorum. (Academische mengelingen 4 816) door ,1. Baart de la Faille. . . i | Amors Nachtbezoek (4 829) door Jan de Regt
Secundus (Prof. Jan ten Brink).....4
Middel om eene magere schets tot eene vette dissertatie te mesten (1829) door T. P. T(res-
üngh)............. 6_
Brief (1831) door Jan de Rijmer.....9
Lied voor de uittrekkende Groninger Studenten
(1831) door A. W. Engelen......•14-
Aanspraak van den hoogleeraar B. H. Lulofs, bij het overreiken van het vaandel aan de vrijwillige flankeur-compagnie der studenten 4 van Groningen en Franeker (1831) . . . 17.
Dankbetuiging van den Heer Mr. A. W. Engelen, sergeant, uit naam der studenten (1831). 20. Groete aan de in zegepraal terugkeerende Groninger en Franeker Studenten, 30 September 1831 (1832) door H. C. van Hall. . , , 22. Jan de Rijmer soldaat (1832) door G(oeverneur) 20.
Biz.
A un Médeein-Auteur (1834)......33.
De Oogst (1832) door G(oeverneur) .... 34.
De Vrome (1833)..........30.
Nationalitat! Freiheit! Wahrheitsliebe (1833) . 37. Het onheil op den stroom (1834) door G(oe-
verneur)............
Des krijgsmans droom (1833)......
De stille ronde (1834) door J. J. A. Goeverneur 4\'i.
Dichters en Advocaten (1834) door G. . . . 51.
ïoast (1834)............
Bij eene doctorale partij (1834) door Mr. A. Modderman . ............
Hector et Andromache (1836) door \\\\ . Hecker 59.
Bacchus-lied (1830) door C........Cl.
Zendbrief aan de redactie van den Groninger
Studenten-almanak (1836).......03.
Zangen (1837)...........^3.
De grafsteen (-1S37) door G. D. Steringa Kuyper 78.
Victor Hugo. (1.838) door L(esturgeon ?) . . . -80. Op het albumblad van mijnen vriend Engbert
Roelants, (1838) door D. W......84.
De Bruidegom (1838) door R. B. J(anssonius). 86.
In Patriam (1841)..........
Clara (1842)........................91 •
Zum neuen Jahre (1842) door van Buiren . . 92.
Eros verdwaald (1843)........94\'
In en Uittogt in het land mijner vaderen (1843) 100.
Dichtvuur (1844)..........104.
Vrouwiana (1843) door ncximm-ixTrixTiix . ■ ■ 106. Schlittschuhlauf in der Nacht (1844) . . . .111.
Bezopen (1845)...........\'
Biz.
Schets uit mijn reisboek (\'1846)..... 115.
Het lied van de onderbroek (1846) .... 123.
Gij zult! (1846)........... 126.
Studentikositeit (1846)......... 128.
Sonnet (1847) ........... 129.
Examen-Studie (1849). ......... 130.
Utinam (1850)........... 135.
Mijn wensch (1850) door L.......136.
Zangen der liefde (1851)....... 137.
Wensoh (1851)...........141.
Dauwtrappen (1852)......... 143.
Waarschuwing (1852)......... 145.
Een uit velen (1852)......... 147.
Elk vogeltje zingt zooals het gebekt is (1854). 148. Een ideaal van een student (1855) .... 152.
De Savoyaard (1856)......... 156.
Wel doen boven beter doen (1853) .... 160.
Pergolese (1854).......... 161.
Mutua Fides (1863)......... 164.
Eene schaking uit de negentiende eeuw (1865)
door L. H. de Boer.........165.
Le départ des Hirondelles (1865) door J. Rutgers 200.
Vooruitzicht (1871).......... 254.
Twee tuiltjes vergeet mij niet (1874) door J. te
Winkel.............275.
Hymnen uit den Kerker (1876) door C. P. L.
Rutgers.............311,
Dahu. Eene Keltische Sage door D. H. Maal-
drink (1876)........... 318.
Een geluk bij een ongeluk door W. A. Hoeker (1877)............. 356,
Biz.
De trots van den Grande of de Wraak eens
Broeders (1877) door Aleipie (D. H. Maaldrink) 411. Feestzang (1877) door D. H. Maaldrink. . • 418.
De bloemen (1878) door H........
Varia.............. 427-
/ OK
Lijst der redacteuren.........
DESCRIPTIO RUNDRORUM.
Eidendo dicere verum, quid vetat?
Hac nunc in saka risum teneatis, Amici!
Ooribus aanhoorite, et corde tenete diu!
Urbs, ouditatis laude superba, et florida pace,
Hie Viridi aeterno nomine fama tulit; —
Ante duas Eeuwas Academia stichtita clara,
Urbi welvaartam, conciliavit opes:
Ut wari Studiosi, semper gaudia laeta
Zeer zwaris studiis consequebantur ibi;
Civibus hoe vero fuit aeque doren in oogo,
Quippe illis vere mens amusandi deest: Si tarnen et Phoebo lantaarnas aequipararent;
Naaktas tune bilias saepe revelat Apus; Nam jocus illorum laffus, salibusque carebat;
Ooribus illorum displicuisse debet:
Veelere nolunt, illos hos uitlagchere saepe;
Rundrorum et nomen spargit atrox odium; — Quid vero frajus, vel quid natuurlijker illo? Namque bobus similes hos statim ieder habet;
2
Inspiciatque figuram, Pourtraitumque sequentem
Monsjorum talium, qui Domini esse volunt; Sauso nam simili omnes sunt overgoten ; eosque
Horrida corripuit contagiosa lues:
Cragas nam rigidas ut plankos dragere solent,
Draaijere quo Koppum, corpore sine toto, Forsitan ut plooijant, mutentve situm, impediuntur;
Et tirebouchonnos crinibus ante genas,
Duros ob tepidum lac, et simul ex papliottis,
Vespere quas torquent, egregieque simul: Cumque Die Solis kroegas bezoekere mogunt,
In passo stampunt, ut sciat ieder ibi, Laarzibus, boefijzris instructis, quod gradiantur;
Dum langus broekus contegat ilia simul:
Solent dragere rokkum, qui dependet in bakkas;
Pileus et schevum debet habere situm; — Slingerit ingenti vento manus et Parapluiam,
Etsi purpureo sol movet axe diem. — Non tanien in genere sic Rundri compares alii;
Quum simul in soortas distribuantur adhuc: Nec tamen bae soortae vere variare dicuntur,
M forsan externis moribus atque kledis, Quo Studiosorum ritus naapere tentant,
Et se monstrarent, multa bibeudo, Basos; Yespere nunc etiam non drinkunt turpe Greuevrum ,
Quod schralosque Kelos, oraque vuila parit; Sed vinum, smaako et krachto quod praevalet omni,
Jucundeque Kelos afficiendo strelit:
Hosce Basos autem vidi quoque saepe ruentes, Straffatos blaauwis oogibus atque genis;
3
Non secus ac Phaëton koetso Waaghalsius alto
Labitur in straffam, cum maleduxit equos; Oogi verflaauwant; Beddum vix vindere possunt,
Et madidum vitulum forsitan ore creant: — Est haec soorta etiam, quae tam bene schietere
potest;
Qrooti Heroes, dum simul hostis abest; Hoc memorat Studiosis crimen Sint Nicolai —
Sed tune non aderat Vindicat atque Polit! — Candida Rundrorum ad vivum depictaque imago; Die me mendacem, si tibi sic videor.
(j. BAART DE LA FAILLE.)
Vindicat atque Polit.
1816.
BLADVULLING.
Professoren en Studenten — muilezels en reizigers. Op den rug der eersten beklimmen de laatsten het gebergte. Dat deze daarvoor het hunne toebrengen, om de welafgerigte lastdieren hun eeuwig eenerlei —- berg op en af, af en op — zoo veel mogelijk te verzoeten — met Distels en Doornen, is zeer billijk en natuurlijk.
1829.
V
AMOR\'S NACHTBEZOEK.
(anacreon, od. 3).
Eens om middernacht, wanneer quot;We aan den hemel reeds den Beer Aan Boötes hand zien zwaaijen,
En heel \'t menschelijk geslacht,
Door vermoeidheid buiten kracht,
Rust, om \'t matte lijf te paaijen ;
Toen klopte Am or aan mijn huis. \'kRiep: »Wie maakt dit nachtgedruisch »Stoort Gij dus mijn zoete droomen?quot;
Maar hij sprak: »Och , lieve vrind! »Doe vrij open; \'k ben een kind; «Wil voor geen\' gevaren schromen!
»\'kBen van \'t regenen doornat, »En verdwaald van \'t regte pad:
«Laat mij niet in \'t duister loopen.quot; \'k Werd, dit hoorende, aangedaan;
Stak terstond mijn lamplicht aan, En deed toen de deur hem open.
5
\'k Krijg een knaapjen in het oog; \'t Komt met vleugeltjes, een\' boog, En een\' pjjlbm binnen hupp\'len:
\'k Plaats aan \'t vuur hem bij den wand, Warm zyn\' handjes in mijn\' hand,
Droog zijn\' lokken, vol van drupp\'len.
Naauw is hij van koude vrij ,
Of hij zegt: «beproeven wij,
»Zouden aan mijn\' boog de pezen,
»Eerst van \'t regenvocht doorweekt, »Nu door warmte weer gekweekt, »Ook beschadigd kunnen wezen?quot;
Met spant hij den boog, en raakt Midden mij in \'t hart, en maakt Sprongen, onder lagchend tieren.
»Gastheer! wees met mij verheugd,quot; Spreekt hij, »daar mijn boog nog deugt: »Maar Grij hebt het voor de nieren.quot;
jan de regt, Secundus. (prof. jan ten brink.)
4829.
MIDDEL
OM EENE MAGERE SCHETS TOT EENE VEÏÏE DISSERTATIE TE MESTEN.
Quodsi deficiant vires, audacia certe Lam erit, in magnis et voluisse, sat est.
PROPERTIUS.
Hebt ge TJ een schrep\'le schets gehaald, Die Gij wat spoedig vet wilt maken, Ontvang dan hier een goed recept, Om tot Uw doelwit te geraken.
Neem eerst één derde krachtig graan, — Dit is in menigte te vinden
In de Akademie-voorraadschuur,
Bij half verteerde Pallasvrinden. —
Een graan, in spijt van d\' ouderdom, Nog even nuttig, zwaar en voedzaam,
Waarvan men — dit is juist de zaak — Ligt stelen kan, doet men \'t behoedzaam.
7
Neem verder hier en daar een\' brok Uit nette en keurige stylisten,
Meng dat met inquit, dixit aan;
Daarbij wat afgezaagde twisten
En fijne letterzifterij. —
Twee-vijfde inania daar boven,
Een plaats of vier uit Cicero,
Dat maakt — Gij kunt liet niet gelooven! —
Uw beestje wonder malsch en fijn.
Wat Grieksch!--dat zal uitnemend sterken :
Eén plaats slechts uit Demosthenes Zal meer, dan honderd and\'ren werken.
Daarbij wat Pransch, of wel, wat Duitsch Zal wis de quantitas vermeêren.
Het recte vir darissimus Kunt Gij — \'t is klaar — niet wel ontberen.
Kneed dat nu eerst zoo wat dooreen;
Neem dan — dit moet Gij niet verzuimen —
Neem een togatus tot Uw\' kok,
Die dient te roeren, ziften, schuimen.
Zoo wordt Uw\' pap in \'t eind gereed ;
Doch om de maag te prepareeren,
Geeft Ge eerst wat prolegomena ,
Die Gij maar duchtig moet larderen
8
Met veel gratiarum actio,
Vervat in lange, ronde zinnen,
In onverstaanbaar-sclioon Latijn, Daar zal Uw diertje veel bij winnen.
Gij zet Uw\' voedsterling op \'t hok, En laat haar in Uw\' mestpap smullen,
Tot dat, van louter vettigheid. Zij schier alleen haar kluis kan vullen.
Weldra wordt zij zoo corpulent. Zoo uitgezet van ledematen.
Dat Ge op den vetten, breeden rug Den titel wel kunt drukken laten.
Zoo echter dan nog Uw patient Misschien wat navoer mogt verlangen:
Een Akademievriend of drie Geeft ligt een\' bundel kreup\'le zangen.
T. P. T.(RESLINGH).
1829.
BRIEF.
Vriend! wel duizend rijmers zongen In hun \'t oor verscheurend lied, Van den kleinen, blinden jongen, Die, eens tot in \'t hart gedrongen,
Daar als oppervorst gebiedt;
Van de duizend pekelzonden.
Die de kleine schelm begaat,
Van de grieven, van de wonden ,
Die hij in den boezem slaat,
Van de . . . maar zoude ik mij scharen
Bij die zangerige rij ?
Wilt gij dat dier rijmelaren
Ik de duizendéénste zij ? •
Neen! bij zulke liefdelast\'raars,
Neen! bij zulke hartverbast\'raars,
Voegt zich Jan de,Rijmer niet.
Als hij op de snaren trommelt,
\'t Brein zich \'t onderst boven stommelt Om een klein, armzalig lied,
Lastert hij de Liefde niet.
10
Buitendien, zijt ge eens betooverd
Door een gloeijend oogenpaar,
Is uw boezem eens veroverd
Door den kleinen toovenaar,
Die, zoo als de dichters leeren, — \'t Hart alleenig wil regeren En, met pijlen in de hand,
Anderen er uit verbant, —-Schimpte ik hem, — \'t zou weinig baten,
\'k Joeg den eigenwijzen guit,
Door mijn preêken en mijn praten,
Nimmer toch zijn zetel uit.
Wat hij dus ook moog\' beginnen.
Draag zijn nukken met geduld.
Immers \'t is uw eigen schuld;
quot;Waarom liet gij hem er binnen ?
Hadt ge de oogen toegedaan, \'t Knaapjen waar voorbijgegaan.
Maar den prediktoon op zijde,
Die zoo weinig meening was!
Vriend! hoe mij uw brief verblijdde;
Hoe \'k hem las en wederlas; — Hoe de tijding mij verheugde
Van \'t geluk, dat gij geniet; — Hoe ik deel neem in de vreugde
Die u de eerste liefde biedt, — Hoe ik gaarn\' was heengevlogen
U en haar mijn wensch te biên, — Hoe \'k zoo gaarn\' met eigen oogen
11
Haar en uw geluk zou zien, — Hoe, daar \'k in verwante trekken,
\'t Schoon gelaat, het gloeijend oog Van uw meisjen dacht te ontdekken,
Die verbeelding mij bedroog, —
Dit in verzen uit te drukken.
Zou, hoe knap hij rijmen moog\', Jan de rijmer nooit gelukken.
Bovendien, bij u en mij Is die woordenpralerij,
Reeds sinds jaren, gansch onnoodig. Waart gij hier, een handedmk, Nu een: \'k wensch u veel geluk! Maakt al \'t andere overbodig.
Wat uw meisjen aanbetreft,
Zeg haar dat ge in Groning\'s muren,
— \'t Geen ze zelve ook wel beseft, — Carrica — en creaturen
Bij het honderd hebt gekend;
Onder and\'ren een student Die, schoon hij zijn levensdagen Haar nog nimmer heeft ontmoet, Nu, haar niet slechts vriend\'hjk groet, Maar \'t al dadelijk durft wagen
Haar zijn vriendschap aan te biên En de hare in ruil te vragen.
Mogt uw meisjen donker zien,
Geef haar spoedig honderd kussen,
Helpt het niet: geef honderd tien,
12
Honderd twintig! — mogt misschien Dit haar gramschap nog niet sussen, — Voor een vriend moet ge alles doen! — Geef haar duizend, een millioen, En komt ze eind\'liik tot bedaren,
«y 7
Zeg haar dan, sinds hoeveel jaren, Gij dien Jan de Rijmer kent,
Dat hij . . schoon een vreemde vent, Toch . . . maar wat gij haar vertellen, Wat haar van mij zeggen moet,
Weet ge, en doet ge uw zaken goed, O dan durf ik wel voorspellen,
Dat de gramschap gansch en al Uit haar oog verdwijnen zal.
Dat ze u toestaat mij te schrijven.
Dat mijn beê, hoe stout ze ook zij, Niet gansch vruchteloos zal blijven
Dat zij nu en dan, als gij,
Yriend\'lijk mijner zal gedenken;
Dat zij, kan ze \'t, ook aan mij In haar hart een plaats zal schenken;
Dat, zoo \'k in een volgend jaar Haar in . . mogt ontmoeten.
Zij niet boos wordt, kom ik haar Als een oude vriend begroeten.
Yriendjen! doe uw zaken goed;
Deel mijn al te stoute bede
Tevens met mijn warmen groet Aan \'t beminde meisjen mede,
Zoo ze een goede werking doet,
13
Schrijft \'t mij spoedig. Ik verblij m\' er Nu reeds in \'t vooruitzigt meê,
En tot zoo lang dus Ade!
T. T. JAN DE UIJMER.
1881.
BLADVULLING.
De starrenhemel, een mierennest en de bibliotheek te —. In dit alles heerscht voor het ongewapend oog eene groote wanorde: bij de eersten is deze slechts schijnbaar, daar er een God is, die de starren hare vaste plaats aanwijst, en die de mieren het instinkt tot orde heeft ingeboezemd. — Bij de laatste is zij volkomen , daar er een bibliotheek-verzorger is, die aan de boeken noch hunne vaste plaats aanwijst, noch hun het instinkt kan inboezemen, die zelve te zoeken.
1829.
12
Honderd twintig! — mogt misschien Dit haar gramschap nog niet sussen, — Voor een vriend moet ge alles doen! — Geef haar duizend, een millioen, En komt ze eind\'lijk tot bedaren, Zeg haar dan, sinds hoeveel jaren, Gij dien Jan de Rijmer kent,
Dat hij . . schoon een vreemde vent, Toch . . . maar wat gij haar vertellen, quot;Wat haar van mij zeggen moet,
quot;Weet ge, en doet ge uw zaken goed, O dan durf ik wel voorspellen,
Dat de gramschap gansch en al Uit haar oog verdwijnen zal.
Dat ze u toestaat mij te schrijven,
Dat mijn beê, hoe stout ze ook zij, Niet gansch vruchteloos zal blijven
Dat zij nu en dan, als gij,
Vriend\'lijk mijner zal gedenken;
Dat zij, kan ze \'t, ook aan mij In haar hart een plaats zal schenken;
Dat, zoo \'k in een volgend jaar Haar in . . mogt ontmoeten,
Zij niet boos wordt, kom ik haar Als een oude vriend begroeten.
Vriendjen! doe uw zaken goed;
Deel mijn al te stoute bede
Tevens met mijn warmen groet Aan \'t beminde meisjen mede.
Zoo ze een goede werking doet.
13
Schrijft \'t mij spoedig. Ik verblij m\' er Nu reeds in \'t vooruitzigt meê,
En tot zoo lang dus Ade!
T. T. JAN DE RIJMER.
1831.
BLADVULLING.
De starrenhemel, een mierennest en de bibliotheek te —. In dit alles heerscht voor het ongewapend oog eene groote wanorde: bij de eersten is deze slechts schijnbaar, daar er een God is, die de starren hare vaste plaats aanwijst, en die de mieren het instinkt tot orde heeft ingeboezemd. — Bij de laatste is zij volkomen , daar er een bibliotheek-verzorger is, die aan de boeken noch hunne vaste plaats aanwijst, noch hun het instinkt kan inboezemen, die zelve te zoeken.
1829.
LIED
VOOll DE UITTREKKENDE GRONINGER STUDENTEN.
Wij , zonen der Muzen, wier krachtvolle jeugd, Bij \'t schuldloos genot van de zaligste vreugd, Zich ijv\'rig der wetenschap wijdde,
■ Wier hart, door wat edel en schoon is, geboeid, Steeds vurig voor Koning en Vaderland gloeit, Wij trekken kloekmoedig ten strijde. Het Vaderland roept, aan ons allen zoo waard, Nu grijpen wij, zonen der Muzen, het zwaard.
Hoe kalm en hoe vrolijk vervloog ons die tijd, Der vreedzame dienst van Minerva gewijd,
In schaauw van haar Aegis beveiligd! Wat zalige band, die ons allen verbond! Hoe menigmaal werd toen, in rustiger stond, Ons lied aan de Vreugde geheiligd!
Maar \'t Vaderland roept, aan ons harte zoo waard ; Nu grijpen wij, zonen der Muzen, het zwaard.
15
Wij zonen der Muzen, wij trekken ten strijd. Ons lied wordt niet langer der vreugde gewijd,
Aan Hunze\'s bekoorlijke boorden.
Ons wenkt nu een schooner, een grootscher verschiet; Voor Koning en Vaderland klinkt nu ons lied, In plegtige, heilige akkoorden.
Ja, \'t Vaderland roept, aan ons harte zoo waard; Nu grijpen wij , zonen der Muzen, het zwaard.
»Te wapen, ten strijde!quot;-—-dus riept Gij, o Vorst! Die roepstem ontgloeide onze jeugdige borst;
Wij snellen kloekmoedig ten strijde.
Een heilige geestdrift ontvlamt ons gemoed. Wie onzer, die nu niet gewillig zijn bloed Aan Koning en Vaderland wijdde?
Waar \'tVaderland roept, aan elks harte zoo waard. Daar grijpen de zonen der Muzen het zwaard.
Vaarwel nu, vaarwel, o gij achtbare stad,
Waar reeds onze jeugd zoo veel zaligheid had!
Vaartwel nu, vaartwel o gij allen,
Door Vriendschap of Liefde aan ons harte verknocht! Wij zullen u weerzien na zeeg\'rijken togt — Of strijdend voor \'t Vaderland vallen. Dat Vaderland riep, aan ons harte zoo waard;
Toen grepen wij, zonen der Muzen, het zwaard.
Wij zonen der Muzen, wij grepen het zwaard; — Maar, zien wij dien grond, aan ons allen zoo waard, Voor nood en gevaren beveiligd.
16
En keeren wij weer uit dien heiligen strijd, Dan wordt onze jeugd, met verdubbelde vlijt, Minerv\', aan uw dienst weêr geheiligd! Dan leggen wij, vreedzaam en vrij als weleer, Ons zwaard op het outer des Vaderlands neer.
fep
A. W. ENGELEN.
1831,
BLADVULLING.
Eene coquette en champagne.\' — Een drank, die ieder wenscht te proeven; doch die niemand voor alledaagsch gebruik zoude verkiezen.
1832.
AANSPRAAK
VAN DEN HOOGLEERAAR B. H. LULOFS, BIJ HET OVERREIKEN VAN HET VAANDEL AAN DE VRIJWILLIGE FLANKEUR-COMPAGNIE DER STUDENTEN VAN GRONINGEN EN FRANEKKR.
Studenten van Groningen en Franeker, die uwen jeugdigen arm manmoedig ter verdediging des Vaderlands hebt aangeboden, en Gij geëerde Hoofden en Aanvoerders derzelve, onder welke ik met name twee mijner geachte Ambtgenooten begroeten mag, Heil zij den Vaderlande, heil zij den Koning, heil zij u en ons allen!
Uitgenoodigd door eene bloeijende Maagdenschaar uit deze Stad, om U met eene kleine aanspraak het fraaije Vaandel aan te bieden, hetwelk door haar of onder haar toezigt zoo welwillend voor u vervaardigd is, heb ik dat voor mij zoo vereerend verzoek niet durven van de hand wijzen, hoe zeer ik ook gewenscht hadde, dat deze plegtigheid door den mond van eene dier Schoonen-zelve ver-rigt ware. Maagdelijke schroomvalligheid heeft dit laatste echter niet toegelaten. — En zoo zij het dan mij vergund het overgeven dezer Vaan met de volgende korte woorden in dichtmaat te vergezellen ;
2
\'18
Ontvangt, manhafte schaar van ed\'le Muzenzonen,
En die hen voert, dees vaan, die Gij hier wapp\'ren ziet! Zij wordt U aangeboon door \'t puik van onze Schoonen, Dat U in haar een blijk van hulde en achting biedt. Mag Pallas zetel hier nog op den standaard bogen,
Waarom haar Heldenkroost zich moedig heeft geschaard (\'), Toen galen met zijn heir dees vesten hield omtogen,
Dees vaan worde, als die vaan, eens aller achting waard!
\'t Afvallig Belgiën heeft ons verderf gezworen;
Het dreigt met moord en brand oud-tlollands dierbren grond. Te wapen! of het land der Vad\'ren is verloren;
Te wapen, Hollands jeugd! klinkt dond\'rend in het rond: Gij gaaft dien kreet gehoor; Gij gaat ten strijde snellen; Gij blaakt van d\'ouden moed nog in uw jeugdig hart; Welaan, moge op uw\' togt u deze vaan verzeilen; Zij, onder haar, door u gevaar en dood getart!
Keert roemrijk of keert nooit in Gruno\'s oude wallen! Soldaten zijt Gij thans; blijft aan uw vaan getrouw! Eer moog de laatste man in uw geled\'ren vallen.
Dan dat lafhartigheid dees vaan onteeren zou! —
Maar gaat, gaat slechts met God , dan hebt gij niets te vreezen, Hoe \'t zwaard ook blinke en vlamm\', hoe ook de kogel fluit\',
19
Dan zal dees vaan voor U een vaan der glorie wezen, Dan wappert zij voor U ter overwinning uit.
Dan keert Ge eens in triomf, met blijde feestgezangen Door heel dees maagdenrij en burgerschaar begroet; Dan zal de lach der vreugd den traan der smart vervangen, Dien \'t afscheidsuur gewis aan velen storten doet.
En naast de grijze vaan uit de oude Heldentijden Prijkt dan ook feestlijk eens dit vaandel aan den wand, En \'t Nakroost, dat het ziet. zal u dees lofspraak wijden: »Als Helden streden zij voor \'t heilig Yaderland.quot;
En ook van uwen lof zal \'t Nakroost nog gewagen, Gij, die dit vaandel gaaft, ó Schoonen dezer stad!
\'t Zal zeggen: »mogt dees vest op Helden glorie dragen, Geen wonder, daar ze een rij van zulke Maagden had. Waar zóó Bevalligheid de dapp\'ren wel wil eeren, Wat Jongling waar\' \'t, die daar door Heldenglans niet blonk ; Gewis, steeds zal een schaar en vuur en staal braveren, Die met een vaandel strijdt, dat haar de Schoonheid schonk!quot;
Leve het Vaderland, leve de Koning, leve de moedige uittrekkende Groningsche en Friesche Jeugd, leve de beminnelijke Groningsche Jufferschap!
1831.
DANKBETUIGING
VAN DEN HEER Mr. A. W. ENGELEN, SERGEANT, UIT NAAM DER STUDENTEN.
Ontvang, o edle rij ! van Gruno\'s jong\'lingscharen d\'Opregten hartedank voor dees uw grootsche gift.
Zij zal op \'t oorlogsveld, bij \'t barnen der gevaren, Den moed verhoogen, in ons aller borst gegrift.
Wij gaan den heil\'gen grond, die de asch bedekt der vadren, Beschermen tegen \'t woen der snoodste woestaardij.
De liefde tot dien grond doorvlamt ons hart en ad\'ren Maar Gij zet aan die vlam een hooger veerkracht bij.
Ja, schoone maagdenschaar, Uw gad\'loos kunstvermogen. Maar meer Uw Neêrlandsch hart, vuurt onze geestdrift aan.
En waar in \'t krijgsgewoel die vaan ons blinkt in de oogen, Daar zal de zegepraal aan onze zijde staan.
Ja, heilig is de gift, ons door Uw hand geschonken. Wij strijden aan haar zij met fiere leeuwenkracht.
O Schoonheid, is \'t Uw taak den heldenmoed te ontvonken, Hoe heerlijk werd ook hier zoo grootsch een taak volbragt.
21
O dat ik thans \'t gevoel in woorden lucht mogt geven,
Dat onzer aller borst vermeestert en doorwoelt! —
Maar neen, geen dicht\'ren taal, hoe grootsch ook en verheven , Drukt dat volkomen uit, wat thans ons hart gevoelt.
Neen, ed\'le maagdenrij! ons hart eischt geen verschooning ,
Al faalt er woordenzwier aan onze erkentenis.
Eens biên we U waardiger en grootscher dankbetooning — Die dank zal Neêrlandsch zijn, gelijk Uw gift het is.
Ja, keeren we eenmaal uit dien heil\'gen kampstrijd weder , En leggen wij dees vaan, beschermd voor \'s vijands magt, Met lauweren bekransd, voor Uwe voeten neder — Dan eerst is onze dank naar waarde U toegebragt.
1831.
GROETE
AAN DE IN ZEGEPRAAL TERUGKEERENDE GRONINGER EN FRANEKER STUDENTEN, 30 SEPTEMBER 1831
quot;Wanneer de schipper, die de baren
Doorworsteld heeft in \'s onweêrs nacht, De haven weer komt ingevaren,
Waar min, waar vriendschap hem verwacht; Als hij de Taderlandsche stranden
Opdoemen ziet uit \'t hart der zee; In \'t goud der Zon de gele zanden
Hem toe ziet wenken van de ree;
Als hij, herrezen uit de wat\'ren,
Van vriend en maag het luid hoezee, Het zalig wellekom hoort schat\'ren En weder klinken langs de ree; Hoe stroomen dan de dankb\'re tranen Langs zijn\' verbruinde kaken neer!
Hij ziet de Taderlandsche vanen.
Zijn land, zijn huis, zijn\' vrienden weer!
23
Zoo jub\'len thans de Noorderstranden
De Yrije mannen te gemoet,
Wier ed\'le drift, wier kloeke handen
Bestraften \'s vijands overmoed. O heldenteelt, die geen gevaren
Voor \'t dierbaar Vaderland ontvloodt, Grelijk geen kroost van adelaren
Ooit voor de Zon zijne oogen sloot; Die bij het woên der Noodorkanen,
Als rotsen stond voor \'t Vaderland ; Die Neêrlands onbevlekte vanen
En \'t rein geschenk der maagdenhand, Dat pand van eer voor Gronings dapp\'ren,
Getrouw, met onbezweken moed, Verwaten trots ten spijt deedt wapp\'ren, Bezegeldet door \'t edelst bloed,
U groet ik, echte vrijheidszonen!
O kroost van orde en trouw en regt! Gij kunt een eerlijk strijdzwaard toonen,
Gevoerd in \'t eerelijkst gevecht. Der Heeren Heer verhoorde uw beden,
Zijn geest omzweefde u tred voor tred: Oud Neerland is weer vrijgestreden,
En \'s boozen trotsche waan verplet. Ja, eer en roem moogt gij behalen.
Verwinnaars keert gij vrolijk weer;
Want heerlijk is het zegepralen,
Waar \'t onregt schand\'lijk viel ter neer.
24
Nu volge blijde rust na \'t heerlijk zegepralen!
De zoete vree bedekk\' het bloedig oorlogszwaard! Ras keert de winter weer, en lagchende verhalen
Yerpoozen van al \'t leed aan d\' ouderlijken haard. O, daal die vrede ras met milden zegen neder,
En wekke een\' hoog\'ren geest en heel\' den kranken Staat! Zoo kleedt de gouden halm de vrucht\'bre velden weder;
De landman rust van \'t werk en wacht het rijpend zaad. Keert, keert in vree terug, manhafte Nederlanders!
Weest gij het vruchtbaar zaad, dat heerlijke oogsten spelt! Oud-Hollands deugdenkracht herrees bij d\' oorlogsstanders;
De strijd was als de dauw op \'t graanbelovend veld.
Fier laat weer Keêrlands maagd haar reine blikken zweven,
Door leed en ramp gesterkt, en vr|j nog als weleer; Zoo vrij als lucht en zee, die haren grond omgeven,
Dank zij haar moedig kroost het redden van hare eer. — Wijdt, wijdt met haar een\' traan den afgestorven braven,
Die vielen in den strijd, een offer voor hun land! Zij vielen voor hun land! O zweren w\' op hun graven:
Als zij ons aanzjjn gansch te wijden \'t Vaderland! En gij, door Grod gespaard, weest welkom in ons midden!
\'t Aan u gehechte hart verzelde u steeds in \'t veld; Wij volgden uwen togt met wenschen en met bidden,
En juichen bij uw roem, ons door uw deugd voorspeld. Heil, jongelingen, heil! Gedenk het heel uw leven,
Dat gij voor Neerlands eer eens \'t leven hebt gewaagd; En waar u \'t lot dan voer\' en wat u moog\' begeven,
Nooit in der tijden nacht voor \'t Vaderland versaagd! Elk uwer zij een bron van reine vonkelstralen,
Die liefde tot ons land, en eer, en deugd en kracht
25
Alom door stad en land in zegen neer doet dalen;
Blijft steeds een licht, een steun voor elk, die \'t goede
tracht!
Ja, zoo herdenk ik mij het glorierijk verleden,
En schijnt de toekomst mij nog schooner, dan \'t voorheen. Waar elk der Vad\'ren God, den hoorder der gebeden
In \'t land, dat Hij ons schonk, 2;ich toewijdt. Hem alleen, Daar kan geene overmagt den kleinen Staat bedwingen,
Gevest op eer en trouw in \'t vlekkeloost verbond;
Daar keert een vaste muur het roek\'Ioos binnendringen Van oproer, list en wraak op onzen heil\'gen grond.
En gij, die \'t zwaard eens trokt, om \'t snoodst gebroed te
keeren,
O krjjgers! aan den roem van \'t dierbaar Vaderland Verbonden, blijft dien roem voor alle smet verweren.
En handhaaft ook in vree dat overdierbaar pand!
Waakt steeds voor Neêrlands eer en Vaderlijke zeden!
Dat nijv\'re vlijt en kracht des oorlogs rampen heel\'! Zoo zegen\' \'t nageslacht den blijden dag van heden, En dank\' eens aan zijn ramp zijn rijkgezegend deel!
1832.
H. O. VAN HALL.
JAN DE RIJMER SOLDAAT.
Silent inter proelia Musae.
VIRGILIÜS.
»0 Muusje, Muusje! niet zoo snel,
Gij in Noord-Braband? — toe kom binnen, Als ge u eens even wilt bezinnen,
Kent ge immers Jan de Rijmer wel.
Niet waar? nooit had gij kunnen droomen. Dat in dit bont hansworstenpak Een lang vergeten kennis stak;
Ach ja! het kan al wonder komen.
\'k Was, toen \'k de laatstemaal u sprak, Op \'t punt een gekheid aan te vangen Door me aan de wilgen te verhangen.
Maar ach, het leven is zoo zoet,
Waarom het roek\'Ioos weggesmeten,
Er zijn toch zooveel prulpoëten,
Dat mijn persoon geen schade doet; \'k Besloot dan nog maar wat te leven, Maar tevens zwoer \'k er plegtig bij,
27
Mij nimmer met de rijmerij,
In \'t allerminst meer af te geven,
En schoon \'t mij soms al moeilijk zij, Ik heb, gij kunt er op vertrouwen, Tot hiertoe, vast mijn woord gehouen.
En of dat hangen dwaasheid was;
Toen Willem opriep, wie zijn leven Voor Hollands regten prijs dorst geven,
Kwam immers \'t mijne ook nog te pas. Maar neem, er is geen stoel voor handen, Die ton... neen, wacht, de klokhen broedt! — Mijn lieve Eijmster! wees zoo goed En zit op een dier spurrie-manden.
Had ik slechts in het minst vermoed, Dat gij . . . Boerin! loopt gij eens henen Om. in de buurt een stoel te leenen.
Zoo . . . Welkom dan in mijn kwartier; Wel, wel, wie had dat kunnen denken! Ik mag u toch een borrel schenken?
Wijn, \'t spijt me, heb ik juist geen zier; — Wat klare of bitter? . . . Maar, is \'t mooglijk, \'k Vergat die drinkt een juffer niet,
Als m\' in zoo lang geen Dames ziet.. . Ha, botermelk! ze is juist niet ooglijk,
Maar smaakt toch, als de nood gebiedt, Boerin! een liter volgeschonken,
Met vies, mijn Muze, frisch gedronken.
28
Die drank doet u voorzeker goed, \'t Is warm, hij zal u wis verkoelen.
Mogt ge ook misschien nog honger voelen,
Er is nog pap in overvloed,
En spekstruif hebt gij nooit gegeten; Ook staan nog keelen in de kast.... Boerin! hou toch dat varken vast,
\'t Heeft half den pappot leeggevreten;
Dat weet ge toch wel dat niet past:
Jaag ook die eenden eens naar buiten;
Dat gij ook nooit de deur kunt sluiten.quot;
»»Maar Jan de Rijmer! — » Wat Jufvrouw?quot;— »»Die vuilheid hier is toch afgrijslijk!quot;quot; »Och, lieve Muze! ik sluit maar wijslijk Mijne oogen toe, dan went dat gaauw. Maar om eens tot de zaak te komen.
Reeds zeven maanden dool ik hier, , En \'k heb in al dien tijd, geen zier Van de eedle dichterij vernomen.
Wis dooft deze oorlog \'t rijmer-vier, Wis dienen alle zangberg-stutters Het Vaderland als brave schutters.quot;
»»Neen Jan! slechts duizend trokken op; En naauw grift Speyk zijn heldenglorie Met vlammend schrift in \'s Lands historie,
Of wee mijn\' armen zwakken kop!
Tien oorlogschepen mogen springen,
Zij maken vast niet meer gedruisch,
29
Dan \'f losgelaten rijmgespuis;
\'t Kwam overal te voorschijn dringen,
Geen enk\'le doedelzak bleef \'t huis;
\'t Was een gekrikkrak, een gekletter Als stoof onze aardbol gansch te pletter.
\'t Was Muze hier, \'twas Muze daar! Elk riep me op \'t zeerst; — dat was een razen! Dien moest wat dichtvuur ingeblazen;
Die bad mij om een zilv\'ren snaar, Die wou het rijm op bliksem weten, Dat Witsen Géysbeek snood vergat. Die vroeg me een beker hoefbron-nat, \'k Begon op \'t lest van angst te zweten
En, tot den dood toe afgemat,
Vlugtte ik, zoo snel ik mij kon reppen, Om hier een weinig aam te scheppen.
Maar waarlijk. Jan, \'k heb al berouw En denk maar gaauw weer op te trekken, Want hier, begin ik wel te ontdekken,
Is \'t geen verblijfplaats voor een vrouw. Bij al dat leven, al die drukte,
Hier in zoo\'n morsig, rookend nest, Al deed ik nog zoo zeer mijn best: \'k Weet zeker dat geen zang mij lukte.
Dat krijgsmans-leven is de pest Voor ieder, die wil poëtastren,
\'t Zou zelfs Apollo\'s zang verbastren.quot;quot;
30
))\'t Is waar, o Muze, een dom verstand, Een brein van suffe droomen zwanger Gaf aan der Goden meester-zanger Den boog, de pijlen in de hand. Een schaapskop was het, die zijn haren Voor \'t eerst de zware krijgs-helmet Met snoode hand heeft opgezet.
Hij zocht den leeuw aan \'t lam te paren 1),
En om mijn knevels zij \'t gewed,
Hij had hem, waar hij nu in leven, Patroontasch en geweer gegeven.
En God Apollo veld-soldaat,
O lieve Hemel, hoe potsierlijk!
Verbeeld u hoe hij, heel manierlijk
\'t Geweer in d\' arm, op schildwacht staat. Maar Muze! gij kunt wel vertrouwen,
Apol, hoe\'n hachje hij ook zij,
Had zeker de soldaterij Geen veertien dagen nitgehouen 2);
\') Cf. Hor. Art. Poet. v. 13. 14.
■•\') De regel van Horatius „neque semper arcum tendit Apollo\'\'\'\' *) doet ons mijns bedunkens ten duidelijkste zien, dat Appollo zich niet bij eenig staand armee of legercorps of ligchaam geëngageerd of verbonden had, maar slechts nu en dan als volontair, vrijwilliger of uit vrijen wil dienende, voor een bepaalden tijd is uitgetrokken.
J. D. K.
♦) Hetwelk ik ten behoeve vau mijne minder met de taal der oude Uomeineu bekende lezers aldus vertaal:
Niet altijd spant Appollo den boog.
31
quot;Want de ondervinding leert het mij, Dat hij die rijm\'lig van natuur is In dienst \'t rampzaligst creatuur is.
Ik, die mij op mijn doedelzak, — Ofschoon ik \'t ook heb afgezworen, — Toch nog wel gaarne eens had doen hooren
Yoor onzen lieven Almanak,
Heb mooglijk de odenzwang\'re kaken Wel twintigmaal met wind gevuld, En telkens, buiten eigen schuld,
Moest ik den rijmgeest nutloos slaken:
Nu is \'t gedaan met mijn geduld,
Ik laat den dichtwind in mij razen,
En heb \'t verzeid hem uit te blazen.
Want, wilde ik \'s morgens \'t uchtend-rood Met een verheven deun vereeren,
De roffel klonk voor \'t fourageren,
En de verheven wind ontvlood.
Naauw vul ik weer de bolle kaken En doedel op van \'t Yaderland,
Daar komt een ongelikt sergeant,
Die wil, ik zal de lading maken,
En al mijn blaas-lust is verbant;
Want ach, een uurtjen exerceren Kan wel een week de geestdrift weren.
Of zooals men in onze tijden, om hetzelfde uit te drukken, misschien zou zeggen:
Niet altijd laadt Apollo zijn snaphaan of schietgeweer.
32
Sta ik des nachts op post alleen,
Denk ik aan haar, die me op mijn smeeken (o Denkbeeld! dat mij \'t hart doet breken!)
Mets gaf dan ach, een blaauwen scheen; Dan \'t oog bepareld met een traantjen, De ziel geroerd tot smeltens toe. Zoo droef, zoo bang, zoo wee te moe. Pijpte ik zoo gaarne aan \'t lieve maantjen
Een roerend elegietjen toe:
Maar wie, die bont en paars van kou is. Bedenkt juist, dat zijn scheenbeen blauw is?
Van \'t ak\'lig poetsen zwijg ik nog,
Want hou \'k me in andre dingen prijslijk, Dat staag gepoets haat ik zoo ijslijk.
Dat... maar, waar is mijn Muze toch? Haar stoel staat leeg, de deur is open . . . Mijn gut! dat staat haar wonder wel; Terwijl \'k haar heel bedaard vertel,
Is zij maar zachtjens weggeslopen.
Het rookt hier dan ook als de hel, Had zij de deur eens toegelaten.
Ik had nog uren kunnen praten!
Zoo sans adieu! beleefd is \'t niet:
Maar Muzen, rijmsters en savantes,
Zijn altijd zoo wat rare tantes.
\'k Had nog gehoopt een rijmpje of lied Voor d\' Almanak, haar af te troonen ,
Maar door dien rook liep \'t alles mis.
33
Het spijt mij, bovenal daar \'k gis Dat Gfruno\'s strijd\'bren Muzenzonen
Apol dit jaar niet gunstig is.
Op my althans kunt gij niet bouwen. Ik moet wel mijn gelofte houen.quot;
Veldhoven Julij 1831. g(ouverneur).
1832.
A UN MÉDECIN, AUTEUR.
C\' est pour tuer le temps, dites-vous, clier docteur, Que vous vous amusez a faire de la prose:
Belle raison d\'écrire, elle est neuve, d\'honneur: II faut done que toujours vous tujez quelque chose.
1834.
DE OOGST.
\'tis Oogsttijd. Ginds, in \'t donker bosch verscholen, Bespiedt de Dood met gierig oog het veld,
Reeds heeft zijn hand de seis omkneld,
Geen rijpende aar blijft voor zijn oog verholen.
\'t Is Oogsttijd. Zie hem grijnzend nader treden, Hij heft den arm en de aren vallen neêr,
Zijn buit vermeert zich meer en meer,
En halm bij halm zinkt, door zijn hand doorsneden.
\'t Is Oogsttijd. Hoor die doffe toonen klinken Als donderknal, vermengd met stormgefluit;
Dat is de juichtoon, dien hij uit,
Bij \'t zien des roofs, dien hij deed nederzinken.
\'t Is Oogsttijd. Zie .. . maar in het nachtlijk duister Verflaauwt zijn beeld, verdwijnt in t ver verschiet. Zijn korts zoo juichend zegelied Sterft weg in een naauw hoorbaar spookgefluister.
35
\'t AVas Oogsttijd. Maar, moog\'k nu nog\'t hoofd verheffen , In volle kracht mij wortelen in de aard,
Misschien heeft hij mij nu gespaard , Om morgen des te zekerder te treffen.
\'t Was Oogsttijd. Maar, schoon nu mijn oog onttogen, De Dood keert weer, misschien bij \'t dagend licht; Geen halm blijft veilig voor zijn schicht,
Green enkele aar ontgaat zijn zoekende oogen.
\'t Zal Oogsttijd zijn. Eens velt hij mij ter aarde,
Eens rukt zijn hand mij van den stengel af.
Eens sluit hij mij in \'t duister graf,
En ik herrijs, een kiem van ed\'ler waarde.
Bij de Oogsttijd ligt die kiem in mij verborgen, Die kiem van bloei en eindelooze kracht: Dan naak, o Dood! na korte nacht Volgt immers licht, volgt immers eeuw\'ge morgen.
\'t Zal Oogsttijd zijn . . . Welk denkbeeld doet mij beven? Eens rukt zijn hand mij van den stengel af, Dan . . . zou hij me ook als nutlpos kaf \'t Yerslindend vuur ten gragen prooije geven? —
\'t Zal Oogsttijd zijn! — o denkbeeld, dat nu beven En sidd\'ren doet, — dan troost in leed en smart, 0 blijf steeds leven in mijn hart,
O blijf mij bij, wat me immer moog\' begeven
3
36
\'t Zal Oogsttijd zijn! Nu dient de kiem geschoten, Een korte poos ... de sikkel is gewet,
Het kaf wordt aan een zij gezet, En \'t nieuwe zaad schiet nieuwe, frissche loten.
g(ouverneur).
Bivouac bij Bautersem,
nacht v. d. 11 Aug. 1831.
1832.
DE VROME.
o Laat, ik bid het u, toch ras mijn Biechtvaar komen, Sprak agnes in den laatsten nood:
Men zocht hem, doch vergeefs; en haast heeft men vernomen, De man was reeds sinds tien jaar dood.
Naar het Hoogduitsch.
p. ch. l. 1843.
NATIONALITAT! PREIHEIT! WAHRHEITS-LIEBE!
KEINE POESIK.
{Bivouac bei Oostmalen-Gustenhoven).
Bist gar lieblich, Eranzman! Wetterhanchen! Schenkt Ambrosia ihm, o treue Belgen, National, gesegnet von verkaptem Jesuitismus!
Gute Franzen! zuckersüsse Pranzen!
Leute unsrer werth, zu Hülf! zu Hülfe! Kommt, eilt, rettet uns aus gier\'gen Handen Feiger Bataven.
Weh! o heil\'ger Loyola! Erasmus Jacobinisch gemützt, o van de Weijer,
Daine, Goethals, weh! der Teufel packt uns Schon beim Genicke!
38
Uns\'re Nationalitat vertrock\'net,
Uns\'re Freiheit wird gelber, schwarzer, rother, Denn sie liegt, die Gurgel zugedrücket, Krampfhaft zu zücken.
Ha! verfluchte Kerls aus Holland, wiiret Ihr zu Hause geblieben, ganz Europa Hatt\' uns angegafft, bewundert, grosse Worte vernommen.
Kehrt zurück, noch ist es Zeit, noch krönet Uns\'re Freiheit kein Hörnerpaar, wir wollen ISTie mehr pochen, wollen unsern Blattern Schweigen gebieten.
Haben\'s auch nicht gar so arg gemeinet, quot;Wollten, Schurken ergeben, Advokaten Ohne Praxis, unser Land an Englands Wucher verschachern.
Kehrt zurück, ihr Lumpenkerls, ihr Hunde, Horcht da kommen die Franzen, siebzigtausend; Willkomm ! Willkomm Brüder! kommt, wir wollen Holland zermalmen.
Ja, wir sind noch stets die grossen Belgen, Haben nimmer gebückt, stets überwunden — Helft ihr uns auch immer, liebe Franzen? Nimmer gezaget!
39
Leb\' die Nationalitat, die Freiheit,
Leb\' die Wahrheit, der Muth der Tapfern Belgen; Lebe Eng\'land! doch vorall ein langes Vivat den Franzen!
1833.
HET ONHEIL OP DEN STROOM.
Heer Rimax — was het zucht om de ouden na te volgen ? —
Deed als Arion een gedwongen watersprong;
Het volk, dat werk\'loos zich om beide de oevers drong, Riep: »zwemmen kan hij niet! de stroom heeft hem verzwolgen
Maar neen, in spijt van vloed, van golf en tegentij, Heer Rimax komt behoü\'n en wel aan de overzij,
Hoe zou de sukkel ook verdrinken?
Zijn breinkas vol van dichterlijken wind, Bezwangerd met nog menig lettérkind,
Belette \'t zinken.
g(ouverneur).
1834.
DES KKLJGSMANS DROOM.
Het seinschot riep ter ruste, bij \'t nad\'ren van den nacht, En aan den blaauwen hemel toog \'t starrenheir ter wacht, Een diepe stilte heerschte de breede heide in \'t rond, Ik vleide mij al mijm\'rend bij \'t wachtvuur op den grond.
Sloot ook een vaste sluimer mij dra het pinkend oog, \'t Was of een reeks van beelden nog voor mij henen toog; Gestalten, vreemd en zeldzaam, vertoonden zich mijn blik, Nu wekten ze in mij vreugde, dan huivering en schrik.
Als dunne neveldampen, bij \'t rijzen van den dag, Verdwenen ze ook, die beelden, zoodra \'k hen worden zag, Tot eind\'lijk, en het harte sloeg mij zoo blij, zoo ligt, Onthulde zich mijne oogen een lieflijk droomgezigt.
\'k Was eensklaps ver verwijderd van \'t rustloos krijgsgewoel, Den lang benepen boezem doorstroomde een kalm gevoel; Zoo schuld\'loos als voor dezen, zoo kinderlijk te moe. Scheen mij de wijde schepping, op nieuw een Eden toe.
41
Ik sloeg de flonk\'rende oogen verwonderd in het rond, \'t quot;Was, of ik me in een landstreek, mij lang bekend, bevond; Dat beekje, genen heuvel, gindsch donker eikenwoud:
Mijn blik had meer dien heuvel, dit bosch, die beek aanschouwd.
Nog in \'t gezigt verzonken, dringt plots\'ling tot mijn oor. Een vrolijk feestgejubel, een toon der vreugde door: Bekende stemmen klinken, en zalig en verrukt Wordt ik door de geliefden aan \'t kloppend hart gedrukt.
»Wees welkom!quot; — juichen allen — »verlaat ons nu niet
weer!quot; ....
»»Neen»\'quot; — snik ik — »»teerbeminden! wij scheiden nu
niet weer . . .
Daar rofflen weer de trommen, daar schalt trompettentoon — o Droombeeld, zacht en troostend, waarom zoo ras ontvloón.
1833.
DE STILLE RONDE.
SrilOOKJE UIT ONZEN SOLDATENTIJD.
»Slaap zacht, mijn meisjen, slaap gerust, Geen aak\'lig droombeeld moge u naken; Schoon moe gedarteld, moê gekust,
Ik zal getrouw den nacht doorwaken. Eén kus nog, en hoe koud en guur De stormwind ook daar buiten Langs muur en vest moog fluiten,
Mijn hart blijft warm als vuur.quot;
» »Adé , mijn Willem! goede wacht! Eén kus voor \'t laatst nog, en wij scheiden Denk, valt hij bang de koude nacht. Uw meisjen blijft u minnend beiden. Ach! hoor dat snerpend stormgegier,
Mogt ik u in mijne armen.
Aan mijne borst verwarmen.
Ik liet u niet van hier.quot; quot;
43
\'t Was beter daar, dan in ons huis Van stroo, lief meisjen! op de wallen;
Daar wordt men, bij dat stormgesuis, Met ligt door sluim\'ring overvallen ;
Green enkel da dat men vergeet,
Vooral daar \'t wezen konde,
Dat zich de stille ronde
In \'t spookuur hooren deed.
Want, zoo men zegt, verschijnt ze \'t meest Bij woelig weêr, als \'t waait en regent;
Brr! schoon ook anders niet bevreesd,
Liefst toch dat zij mij niet bejegent.
Men ijst reeds, als men \'t ritslen hoort, Denkt men zoo in het donker Aan haar en aan den jonker Zoo akelig vermoord.quot; —
»»Wat ronde en jonker? o, vertel, \'t Is nog zoo laat niet als wij dachten;
Naar zoo iets moogt, dit weet gij wel. Ge ons meisjes nimmer laten wachten.
Geen néén; geen uitvlugt baat u dus, Want, — wel kunt gij vertrouwen. Dat ik mijn woord zal houên, — Eer krijgt gij geenen kus.quot;
»Zoo luister, wie toch zoude néén,
Als dat u ernst is, zeggen willen;
Maar weet vooraf, uw schuld alleen
44
Is \'t, doet u raijii vertelling rillen;
Want aak\'lig is ze, en zoo van nacht Een droom uw slaap mogt storen, Ik zei \'t u van te voren,
Dus neem u wel in acht.
Eens woonde hier, — \'t is lang geleên, Hoe lang wel kan ik niet bepalen,
Maar waarheid is \'t en iedereen, Het kleinste kind zal \'t u verhalen, — Een plaatsmajoor of zoo omtrent.
Iets hooger of iets lager,
Een regte menschenplager,
Een ruwe norsche vent.
Wanneer hij met zijn krommen rug Slechts in de verte zich liet kijken,
Dan werd zelfs de allerluiste vlug En zocht hem schuw en bang te ontwijken. Zijn naam was wijd en zijd befaamd. Elk wist van hem te spreken. Ook werd hij, om zijn streken, De duivel bijgenaamd.
Dat hij het met den boozen hield Dit was bij elk zoo goed als zeker,
Want niemand zag hem ooit geknield Voor \'t heilig beeld, of voor den beker; Daartegen wist hij in den nacht, Op bastions en wallen,
45
Den schildwacht te overvallen,
Niet op zijn komst bedacht;
En wee dien; menig die naar post Met frissche leden was geloopen,
Kwam, onbarmhartig afgerost,
Weer naar de wacht terug gekropen.
En geen die hem naar de oorzaak vroeg, Elk zijner kameraden Wist wel van zelf te raden,
Wie hem die builen sloeg.
Zoo ging \'t een tal van jaren voort, Hoe elk hem ook ter helle wenschte, Die vrome beê bleef onverhoord; Hij woedde voort als een ontmenschte, Tot eind\'lijk \'t uur gekomen was,
Waarop na lang te dralen Hij toch ter neêr zou dalen In \'t rijk van Satanas.
Van alle kind\'ren hem gebaard, Was slechts de jongste hem gebleven:
Een zoon, vervreemd van zijnen aard, Een knaap in \'t bloeijen van zijn leven, En, schoon dit wonder schijnen moog, De vader minde dézen,
Hoe koel zijn hart mogt wezen,
Als d\' appel van zijn oog.
46
Die knaap werd jonker; — toen ter tijd Was een kadet niet van de pligten Yan een gemeen soldaat bevrijd,
Maar moest als wij zijn dienst verrigten ; — Ook hij trok vlijtig op de wacht Moest daag\'lijks exerceren,
Corveeën, fourageren,
Nam trouw zijn pligt in acht.
Intusschen, dat bekwam hem goed, Een frissche blos lag op zijn kaken,
Zijne oogen tintelden van gloed,
Elk meisje zag hem gaarne naken,
Lag gaauw haar naaiwerk aan een zij,
Had steeds iets in de hoeken,
, Van \'t vensterbank te zoeken;
Ging hij de deur voorbij.
Ook hem bleef \'t jeugdig hart niet koel; Schoon nog maar even zestien jaren,
Toch dacht hij somtijds een gevoel,
Dat hij niet noemen kon, te ontwaren ;
Vooral wanneer hij Mientjen zag.
En, kunt gij de oorzaak gissen?
Grif, zonder ooit te missen.
Zag hij haar ied\'ren dag.
Zelfs dan nog, was hij gansch alleen,
Liet hem haar beeldt\'nis niet met vrede,
Waar hij mogt dwalen, zij, naar t scheen ,
47
Verliet hem niet een enk\'le schrede, Ja, stond hij in den nacht op post, Dra was hem \'t uur vervlogen, quot;Want zij stond voor zijne oogen Tot hij werd afgelost.
Maar laten wij den jonker daar; — Het was een herfstnacht, zwart en donker Als nu; de wolken , onweêrszwaar, Bedekten \'t maan- en stargeflonker. Elk burger sliep; -— de plaatsmajoor Sloop slechts de stille straten Door iedereen verlaten,
Nog zacht en heim\'lijk door.
Als dikwijls, wilde in \'t hol der nacht Hij d\' een of and\'ren post verrassen ,
Die, op zijn aankomst niet bedacht, Vergeten mogt op \'t sein te passen;
Maar, loopt hij zich al mat en moe, Elk schijnt getrouw te waken En roept hem, bij zijn naken, Een luid halt werda toe.
Reeds is hij alle straten door, Nog zonder iemand te verkloeken;
Daar blaast de Satan hem in \'t oor, Ook nog de wallen te bezoeken,
En met ter neer gedoken kop,
Daar sneeuw en hagelvlagen
48
Hem \'t vocht in de oogen jagen, ^
Stijgt hij de Wouwpoort op.
Br! hoe de storm daar boven blaast En huilend giert, door de open mijnen,
Hoe in \'t verschiet de Schelde raast En buldert langs de ravelijnen!
Al momp\'lend stapt onze oude voort, Dof klinkt van allerwegen Hem \'t halt, halt, werda? tegen,
Half door den storm gesmoord.
Zoo nadert hij de laatste wacht,
Maar . . . sluimert hij, die daar moest waken ? Gring hij ligtzinnig, onbedacht, In \'t nachtuur elders zich vermaken ?
Zijn oog, kan het den nacht rondsom. Het duister niet doorboren?
Yerdooft de storm hem de ooren, Of maakt de kou hem stom? —
Hoe \'t zij, geen luid herkenningswoord Belet den plaatsmajoor het nad\'ren.
Met rasser voetstap treedt hij voort.
Wild jaagt de toorn hem \'t bloed door de ad\'ren ; Hij trekt in \'t eind, met wild gedruisch, Het lemmet uit de schede,
En staat met ééne schrede Voor \'t open schilderhuis.
49
\'t Sloeg twaalf toen; — in de naaste wacht Hoort men op eens door \'t noodweer henen, Een klaaggeschrei, een wanhoopsklacht Met wapenklett\'ren zich veréénen.
»o God mijn kind! o God mijn zoon! o quot;Wee mij, kindermoorder!quot;
Klinkt telkenreiz\' gesmoorder Een doffe jammertoon.
En toen nu de oude korporaal Zoo snel hij kon, de plaats genaakte,
Was \'tstil, vernam hij woord noch taal, Toen hij naar eisch »halt fertigquot; maakte. »St. .. . bromt hij door den knevel heen — Bij God! wat deert u jonker?quot;
En tast en voelt in \'t donker, Behoedzaam om zich heeu.
Hij tast en voelt en hoest en hemt,
Geen antwoord, maar bij \'t nadertreden,
Ziet hij zijn voet door iets gestremd, En — rilling gaat hem door de leden; Want op den kouden grond ontdekt Hij sidd\'rend, naast elkander, Als klemt zich \'t een aan \'t ander, Twee lijken neergestrekt.
En daar nu de eerste scheem\'ring daagt, Herkent men, ach! des vaders degen Diep in het jeugdig hart gejaagd;
4
50
Den armen jonker, neergezegen
Naast \'s vaders lijk, dat zielloos koud, Een doodskleur om de slapen,
Nog \'t kindemoordend wapen En \'t kind omstrengeld houdt.
De zoon, een glimlach op \'t gelaat,
Scheen nog van liefde en min te droomen, De vader, naar het zeggen gaat,
Diens aanblik deed den stoutsten schromen; Een zwarte brandvlek op zijn borst, — God moog zijn ziel behoeden! —
Deed heel de stad vermoeden, quot;Wat niemand zeggen dorst.
Eén graf houdt beider asch vereend;
Maar \'s ouden geest kan vrede vinden,
Noch rust in \'t somber lijkgesteent, En weet zicli vaak die stee te ontwinden, Te middernacht, als \'t stormt en tiert En regent, als men de uilen Hun grafgezang hoort huilen, De weerhaan knersend giert:
Dan spookt hij langs de wallen heen; De schildwacht slolt wel \'t bloed in de ad\'ren, Ziet hij hem zoo met zachte schreên En zwijgend door het duister nad\'ren;
Maar stamelt hij \'t herkenningswoord, Is waakzaam op zijn hoede,
51
De geest zweeft droef te moede En zuchtend verder voort.
En nu, mijn meisjen! slaap gerust,
Geen aak\'lig droombeeld moge u naken;
Schoon moe gedarteld, moe gekust,
Ik zal getrouw den nacht doorwaken Eén kus nog, en of zich dan ook De stille rond\' vertoone,
Ik denk aan u, mijn schoone,
En zie en vrees geen spook.quot;
\'1834. .1. J. A. GOEVERNEUR.
DICHTERS EN ADVOKATEN.
Nonum prematur in annum: — wij Pseudo Parnassische
zangers
Nemen te zelden, helaas! \'t woord van den dichter in acht; Leepe advocaten slechts volgen \'t; — getuigt het gij arme
kliënten,
Die naar het eind van \'t geding wacht tot het derde geslacht. 1834. ra
TOAST.
Hem, die, toen \'t Belgisch rot, door muitzucht aangedreven, Zich van den besten Vorst en zijn bestuur ontsloeg, Die bende voor zijn moed en moordgeschut deed beven, En hun een killen schrik in \'t eerloos harte joeg,
Die, toen een Gallisch heir, om dat verraad te schragen, Met schrikbare overmagt één vesting hield omkneld, Hun fleren weerstand bood, doch na een reeks van dagen, Omringd van rookend puin, moest bukken voor t geweld; Hem, die den vijand zelf, door zijn roemruchtig strijden, Tot diepen eerbied dwingt, te midden van zijn wee. Hem, Neerlands liefde en vreugd, wil ik deez\' beker wijden Welaan! lang leve hij. de grijze held Chassé!
1834.
BIJ EENE DOCTORALE PARTIJ.
Vergeeft het mij, gij Paranymphen!
Dat ik op uw gebied mij waag En nu reeds, tegen de etiquette,
Naar \'t schaaltje met amand\'len vraag.
Amand\'len zijn gezonde vruchten, —
\'k Las dit nog onlangs in Chomel, Bloedzuiv\'rend — voedzaam — en het wijntje Smaakt daarbij altijd dubbel wel.
Vooral als men, naar de oude mode,
Die vruchten met rozijnen eet.,
Van daar misschien, dat men dit zamen Sints lang Studentenhaver heet.
Studenten toch, — wie spreekt dit tegen ? —
Beminnen \'t edel druivenbloed.
En, bij den boordevollen beker,
Smaakt hun de amandel altijd goed.
54
Vergunt mij daarom, feestgenooten!
Dat ik, bezorgd voor \'s Doctors maag, Niet langer wacht met deze vruchten En nu reeds naar de amand\'len vraag.
\'k quot;Wil die den Doctor presenteren
Voor dat ik hem mijn feestdronk breng; Amand\'len voegen bij den beker.
Dien ik ter zijner eere pleng.
En wel vooreerst: omdat een Doctor
\'t Studenten-leven nooit vergeet, En zeker ook na \'t promoveeren Nog graag Studentenhaver eet.
Secundo: — omdat ieder dichter
En stof en beeldspraak noodig heeft. En juist dit schaaltje met amand\'len Mij rijke stof tot spreken geeft.
Heer Doctor! duid het niet ten kwade,
Dat ik al rijmend met u praat, En u, terwijl gij naar mij luistert,
Niets dan Amand\'len kraken laat.
Draagt gij, na \'t vrij Studentenleven,
Ook al den doctoralen hoed, — De haver van de Muzen-zonen
Smaakt u, dit weet ik, altijd goed.
55
Waarom ook niet? — De groote weide,
Waarin gij voortaan grazen zult,
Is mager, schraal en ongelukkig Met hong\'rig volkje als opgevuld.
Ook in die Doctorale velden
Is echt Studentenvoedsel goed,
\'t Versterkt; —\'t geeft geesten lichaam krachten ; \'t Verjongt en zuivert merg en bloed.
Eet daarom vrij Studentenhaver Bij ied\'ren feestelijken disch,
Maar bovenal, vergeet toch nimmer Wat echt Studentenvoedsel is. —
Wie, om met d\' ouden Cats te spreken,
Wie immer noten smaken wil.
Die moet het kraken zich getroosten, — De pit is goed, en niet de schil.
En wie, in wetenschap of kennis.
Belust is op het mergvol pit,
Die moet de harde bolsters breken,
Waarin de kern verborgen zit.
Vaar daarom, schoon gij de eerste noten Reeds als Student hebt uitgeboord, —
Vaar daarom, Doctor! ook na dezen Met dit onbolst\'ren jjvrig voort.
56
Geeft al Minerva menig nootje,
Dat hard is of niet lekker smaakt, Ook elders op den weg door \'t leven Vindt men er die men moeilijk kraakt.
Maar, Doctor! wie èn wil èn krachten
Besteedt, ziet meest zijn wensch vervuld, De hardste noten en amand\'len
Zijn breekbaar, heeft men slechts geduld.
Zaagt gij wel, aan \'t dessert gezeten, Dat deze en gene amand\'len nam,
Zoodat het welgevulde schaaltje
Reeds leeg was, eer het tot u kwam;
Dit zal welligt \'t geval ook wezen
Wanneer gij practizeren gaat. —
Reeds and\'ren roofden ligt de amandelen, En gij komt, moog\'hjk, veel te laat.
Dan tot uw troost kan ik u zeggen,
\'t Amandelschaaltje der Practijk Is slecht gevuld, — en hoe men gnjpe, Men wordt niet vele pitten rijk.
Want dikwijls, hoe belust op pitten, — Wordt men bedrogen door den schijn, En vindt men bij het kraken velen. Die bitter wormstekig zijn.
57
En daarenboven, heeft men goeden —
Dan wordt men vaak nog meer gefopt, — Daar meestentijds nu de een dan de ander Die, al te vriend\'lijk, voor ons dopt.
Zoo moet men \'t pitje dikwerf deelen,
En luttel is het, wat er rest! — Met weinig pits en leêge doppen
Te vreên te zijn is dus het best. —
Of gij thans bij \'t amandelkraken
In velen dubb\'le pitten vind —
Dit raakt mij niet; maar hart\'lijk wensch ik, Dat Venus dartel, speelziek kind
Een Philippine u doe ontmoeten,
Die voor u, als haar Philippijn,
Liefst niet alleen een schoone schenkster,
Maar zelve \'t schoonst geschenk wil zijn.
En hebt ge u, na verloop van dagen, Aan Amor\'s gullen disch vermaakt:
Zijn daar Cupido\'s zoete amand\'len.
Aan het dessert door u gekraakt;
Werd u door Hymen, als Promotor,
Het jus docendi toegestaan.
En hebt ge, vriend, in d\' ars amandi Het laatst examen eens gedaan:
58
Smaak dan door liefde in \'t huis\'lijk leven
Al wat en ziel en zin bekoort;
En vindt ge ook daar soms harde noten, Geen nood — kraak maar geduldig voort.
Dat ik uw vriend ben en zal blijven, Wel, Doctor! daarvan zwijg ik nu, Gij weet, ik deel de zoete amand\'len,
Maar ook de bitt\'ren graag met u.
En nu is \'t lang genoeg gebabbeld;
Slechts dit nog, Doctor, tot besluit: Op uw practijk en Phillippine Drink ik den vollen beker uit.
MR. A. MODDERMAN.
1834.
HECTOR ET ANDROMACHE.
ANDROMACHE.
Ergo tuam linquea, tarn fidi oblitua amoris, Hector, et ibis ubi plurima turba cadit,
Ibis ubi saevi Pelidae Troes ab ense Umbrae Patrocli victima caesa iacent.
Cede mëis precibus, nati miserere; quis unquam In patrias artes erudiet puerum ,
Quis pietate pater pueriles imbuet annos, Abreptum cum te luridus Orcus habet?
HECTOR.
Pemina, ne lacrima, nec inanes funde querelas, In medias acies mente animoque feror!
Yiribus intrepidus sua Pergama protegit Hector, Omnis in Hectorea spesque salusque manu.
Dum patriosque focos defendo arasque deorum, Occumbam et Stygiis sic ego mergor aquis.
60
ANDROMACHE.
Jam nunquam resonans circum tua pectora ferrum,
Audibo, tua mox hasta iacebit iners,
Magna cadet Priami (fata o infausta!) propago!
Ibis ubi tenebrae, nox ubi nigra silet,
Cocytusque gemit repens per inhospita regna Et tuus in Lethes amne peribit amor.
HECTOR.
Omnia, quae volvit mea mens atque appetit, undis
Abluerit Lethe; sed remanebit amor.
Ille, audi! muros pulsat furiosus in armis :
Nulla in te mora sit, siste tuos gemitus.
Sum tuus Hector ego, mea tu quodcumque per aevum Nee meus in Lethes amne peribit amor.
Schilleri carmen Latine vertit
1836.
W. HECKER.
BACCHUS-LIED.
\'k Bemoei mij niet met staatsgeschillen, En \'k lach wat om der vorsten willen;
Maar \'k eer twee Groón,
\'k Min Venus zoon, —
Doch Bacchus, vrienden, spant de kroon.
\'k Benij geen vorsten hunne troonen,
O neen! — \'k verwerp die gouden kroonen; Mijn doel is wijn,
En aan den Rijn Moet, vrienden! mijne woonplaats zijn.
Zet, Croesus, mij uw schatkist open. Om \'t Heidelberger vat te koopen, —
Meer wensch ik niet;
\'k Heb geen verdriet Zoolang het mij zijn nectar biedt.
62
Welaan dan, makkers ! ingeschonken, Straks nog een fijne flesch gedronken, Vat \'t glaasje aan ,
Ik raad u \'t aan:
Wellicht is \'t morgen reeds gedaan.
Want gaat de Dood ons grafwaarts leiden, Dan moet men van den wijn ook scheiden; In zijn gebied,
Daar schenkt men niet Den nectar, die steeds vreugde biedt.
Welaan! zoo laat ons trouwe zweren Aan hem, wiens gaaf wij hoog waarderen, Hij strekk\' zijn kroost Ten steun en troost;
Hem zij de laatste snik geloosd!
c.
1836.
ZENDBEIEF
AAN DE REDACTIE VAN DEN G KONING EK STUDENTEN-ALMANAK. 1)
Hoe te
Crede modo insanum, nihilo ut sapientior ille, Qui te deridet, caudam trahat.
Hor. Sat. II. 3.
Mijn Heeren!
\'k heb uw brief ontvangen; Gij vraagt wat njms voor d\' Almanak En \'k wend me, op uw geëerd verlangen,
1
Deze epistel, nu ruim twee jaren \'geleden door mij neêr geschreven en, ten geleide van eenige andere rijmen, aan de toenmalige redactie van dezen almanak toegezonden , zou nimmer het licht hebben gezien, had niet de vriendschappelijke aandrang van een\' der hh. Redd, die mij poogde te overreden, dat dezelve, als het laatste voortbrengsel, \'t welk ik wel ooit in dit genre leveren zal, aan den beperkten kring, waarin dit jaarboekje gelezen wordt, misschien niet onwelkom zijn zoude, mij
64
Tot mijn bestoven doedelzak. — Welaan, mijn trouwe levensmakker!
Lang hangt gij wind\'loos aan den wand,
Dreun op een deun naar d\' ouden trant En doedeldom de dooden wakker:
Galm d\' adem, dien mijn borst besluit. Den luchtstroom, in mijn holle longen Als in een blaasbalg zaamgedrongen, In Paganini-toontjes uit!
Maar hemel! Hoe? Wat dof gegorgel,
Als van een half gekeelden os, Wat wanklank, als van \'t kermisorgel Des dooven speelmans, buldert los? Ach, waarde heeren Redacteuren,
Ach, zie mijn armen doedel aan: De naden zijn vanéén gegaan.
Wis deed de droogte ze open scheuren!
Vergeefs, dat ik mijn adem spil; Hij wordt gestadig slap en slapper. En \'t is een handig doedellapper,
Die in een week hem flikken wil.
eindelijk in de uitgave doen inwilligen. Men neme dan deze regels voor wat ze zijn: eene tant soi peu satire op en tevens een uitvloeisel van de rijmziekte, waardoor ik vroeger met zoo vele anderen was aangetast, en wane niet toespelingen op bijzondere lijders te vinden, waar ik enkel op de epidemie in het algemeen of op derzei ver meest gewone, ook bij mij zelv\' waargenomene uitingen en verschijnsels gedoeld heb.
65
Mijn speeltuig stuk! Wat te beginnen?
Waar slechts de Luxemburger hier,
Of leenden mij de zanggodinnen
Neef B.......\'s koek- en koffij-lier!
Geen instrument! — Waar mij te wenden? Ik sidder, als het paardenhaar Eens stnjkstoks op de vedelsnaar:
Hoe de karwei nu te volenden?
Ach, baas Apol, sta gij mij bij,
Maak gij, voor Anno vierendertig,
Ein Luizend Lieder für mich fertig, En \'t arbeidsloon verdeelen wij!
Maar ach —■ dat de angst \'t mij deed vergeten! —
\'t Is waar, \'t aanhoudend snaargedruisch Der duizend citadel-poëten
Bracht immers Pol in \'t gekkenhuis;
Ook de arme Muzendeernen sjokken
Sinds met — hoe heet hij ook de kwant? Als liedjeszangsters door het land En zijn niet van hem af te lokken:
Geene uitkomst dus! — Tieck, schoon ge ook \'t leed Eens dichters roerend wist te malen, 1)
Geen ramp kan bij zijn rampspoed halen,
Wiens doedel \'t noodlot barsten deed.
Geen uitkomst dus? — Ha, waarde vrinden!
1
In de bekende, meeaterlijko novelle, Dichterleiden getiteld.
66
Weest maar gerust! \'k Nam u maar beet Gij dacht al: waar nu hulp te vinden, Nu onze maat geen uitkomst weet?
Foei! meent gij, dat ik zulke prullen, Als citer, lier of doedelzak,
Yan doen heb, om uw almanak Van voor\' tot achter\' op te vullen?
Ha, ha! Zij zijn in \'t njmersgild Sinds langen tijd reeds overbodig En heel wat anders hebt ge noodig,
quot;Wanneer ge uw broodjen winnen wilt.
Gij weet: voorheen vereischte ons ambacht
Dan weergaloos veel moeite en vlijt. Tot zeker baas in Botterdam dacht.
Men kon het af in minder tijd;
Hij wierp de vorige instrumenten.
Als Pol, Pegaas en Pindus, weg. En vroeg na grondig overleg,
Octrooi, om \'t zijne alom te venten.
Hoezee! Vivat die nutte vond!
Mijn heeren, een minuut patientie; De dankbaarheid voor de ed\'le inventie Perst mij dit hymnusje uit den mond:
o, Nooit volprezen inventeerder
Van \'t vers-laptuig naar \'t nieuwe licht, Versma niet, dicht\'rental-formeerder,
Mijn dankbaar galmend klinkgedicht! Gij geeft mij lange en korte klanken,
67
Om voor den kunsthengst u te danken,
Die ons, als ging het hop, hop, hop!
In snellen, vliegenden galop,
Naar boven voert den zandberg op,
Tot eind\'lijk, op den hoogsten top,
quot;Waar de aarde is als een notendop,
De Muze ons, uit heur gulden kop,
Tot laving van den heeschen krop Doet zwelgen van het Hoefbronsop Tot we, onder angstig hartgeklop,
Met moeite staam\'len: Muze, ach prop Ons niet te barsten! stop, ai stop!
Geloof ons, zoete suikerpop,
Wij zwellen als een damesmop En gaaft gij ons ook schop op schop.
Ja, dreigdet zelfs met galg en strop,
Wij kunnen niet één enk\'len drop Ter grootte van een speldeknop Van \'t kristallijnen vocht meer op!
Maar \'t rijmboek sleurt mij mee! — Geen God, geen Muze
is noodig:
Pegrftsus, Parnassus, Hippocreen \'), overbodig
Is ons uw zwakke hulp! Geen harp, geen lier, geen luit, Geen citer, geen schalmei, geen rieten herdersfluit,
*) Auctoriteit, altlians voor llip^ocreon, Pimiarus en So^/iocles, (zie eenige regels verder), gelijk mede voor Milton\'s bezingen van t paradijs verlost en Itaaljes trotsch zijn op Camoëns, laat zich met opgave van dichter en bladzijde aanvoeren.
68
Geen doedel smeeken we af! Neen, geen Daedalus vleugels Geen gloênde scheppingskracht, geen geestdrift zonder teugels, Geen fantasie, geen roes van duren Rijnschen wijn, Behoeft m\' in dezen tijd, om puikpoeet te zijn.
Dank \'t nieuwe werktuig, dank! Dat maakt ons \'t handwerk ligter,
Maakt Jan en alle man voor één rijksdaalder dichter; En heel het gilde juicht met dav\'rend kunstgeschreeuw: Leev\' \'t rijmboek, de eolste vond van deez\' machienen eeuw!
Wat stoft ge, o Griekenland, op Plato en Pindarus? Gij, Rome, op een Virgijl, Sophocles en Icarus?
Itaalje op Camoëns? Gij, Spanje, op Ariost?
Gij, man van \'t Brittenland, op \'t Paradijs verlost1? Nam men, in vroeger tijd, die meesters tot exempels, Wij kennen \'t rijmboek slechts in onze Bardentempels. En zie, hoe — dat zij dank! — ons ambacht bloeit en tiert; Hoe ieder zich het hoofd bewierookt en lauw\'riert; Hoe in de — —- stad geen hond of kat kan jongen, Of \'t luid te Déitrn rijst uit twintig kop\'ren longen;
Hoe de--zwoegt en kreunt, zich krommend onder \'t wigt
Der pakschuit, driemaal \'s weeks tot zinkens volgedicht; Hoe ieder hymnen zweet, bij \'t wederzien der dapp\'ren , Wier moed den kleumschen Gal zoo lang deed tandeklapp\'ren; Hoe elk in dicht vivat, triomft, hoeraat, hoezeet,
loot, helaast, och-armt, o-jerumt of o-weet;
Hoe bundels poëzij bij grossen en dozijnen,
Als kikkers in de lente, in elk formaat verschijnen;
En hoe hun toevloed Yeer van uit zijn boekkraam dringt, Schoon hij het mager lijf in honderd bogten wringt.
1
69
Ach , hoe langzaam ging het oudtijds met liet verzenmaken toe ! Bij den aanvang van den regel werd men reeds \'t gesukkel moè. Riep m\'al God Appollo, zaalger, honderdmaal om \'t rijmwoord aan,
Dikwijls duurde \'t wel een uur tijds, eer men \'t had en
voort kon gaan; Tot het vullen van een boekdeel hoorde zulk een bang getob, Dat, wie dichtte, moest behebt zijn met liet taai geduld van Job.
Thans gaat het rijmen Afgedrieduivekaters snel ,
Verzen te lijmen Is kinderspel.
Vindt m\' onder honderd
Een\', die den slag er niet van vat,
Elk zegt verwonderd:
Wat sul is dat!
Kreeg hij maar even
\'t Boek met de rijmen voor don dag,
\'t Vers waar\' geschreven Door tooverslag.
Nauw zijn de persen
Koud van een bundel poözij,
Daar gaan weer verschen Ter drukkerij.
70
Zie zoo! — \'t Is uit, en \'k schenk u \'t gratis.
\'t Is maar een staaltje van mijn kunst En toont, waartoe men thans in staat is,
Ook zonder al die Muzengunst.
Maar, om weer tot de zaak te keeren.
Gij wilt wat rijms, weest dus zoo goed En meldt, hoeveel ik zenden moet.
En in wat trant ge \'t zoudt begeeren;
Mijn winkel is thans goed gevuld En, wat ik heb, rijmt extra zuiver, Ook overvraag ik zelfs geen stuiver,
Zoodat gij wel niet dingen zult.
Legenden, heb ik puik, mijn heeren!
Dat maakwerk is thans zeer in zwang En \'k dicht ze, al naar de lui \'t begeeren,
Van een tot twintig ellen lang.
Den prijs kan ik niet juist bepalen:
Waarin uit Stoke en Klaas Kolijn Vele ouderwetsche woorden zijn ,
Dient ge me iets duurder te betalen.
quot;Wilt ge er geleerde noten bij,
Die zaak is van zoo veel gewicht niet,
Sinds Bilderdijks historie \'t licht ziet:
Geen schepsel merkt de dieverij.
\'k Heb twee Balladen slechts in voorraad;
In de eerste sterven hij en zij,
In de and\'re, daar de stoot niet doorgaat, Komt zij nog met een flaauwte vrij.
71
Schoon ik mijn werk niet aan wil prijzen: Zij zijn zoo hartverscheurend naar, Dat men ze zonder doodsgevaar Niet aan een zwang\'re vrouw kan wijzen.
Zoo gij ze van mij nemen wilt,
Druk — \'t is één moeite voor de zetters — Ze in plaats van zwart met roode letters, En \'k wed, dat gij er zelv\' van grilt.
Romancen maak ik om te stelen,
Waarin de kuische Luna schijnt En Laura, onder donk\'re abeelen,
Met Filomele een duo grijnt.
Voorts Minnedichtjes, die doen blozen
En die mama niet lezen mag.
Of and\'re, met wat o ! en ach!
En dood onschuldig herderskozen.
Naar Jaar-, Geboorte- en Huw\'lijks dicht Is weinig aanvraag in mijn winkel,
Daar de allerdomste boerenkifikel Dat prullewerk thans zelf verrigt.
Naar Hekel-iverk moet gij niet vragen;
\'k Heb \'t eens als knaap daarmee verbruid, Thans, in mijn rijper levensdagen,
Seheid ik er gansch en al mee uit;
Maar luimig goed — Verbeeldt u, heeren! \'k Laat Freia in een hoepelrok.
God Thor met pruik en wandelstok Langs \'s heeren straten patrouilleren ;
72
Le dieu des mers vertoont een visch, Thiasse een\' hond met zeven koppen,
Vrouw Iduna vent quot;Weesper moppen; En \'k vraag, of dat niet luimig is?
Yoorts ben ik van Bemoedigingen,
Van Op te wapens! Krijgsgeschreeuw, Lierzangen op Oud-Hollands leeuw, Den Koning, Neerland , Bato\'s telgen,
Den Prins, Van Speijk, Hobeijn, Chassé, Van toasten op geheel de armee. Van spotgedichten op de Belgen,
En wat diens meer zij, zoo voorzien, Dat, neemt ge een tachtig, honderd ellen, Ik mij volgaarn te vree zal stellen,
Mogt gij voor de el een gulden bien.
1836.
ZANGEN.
Let fates frown om, so we love and part not,
\'T is life where thou art, His death, tchere-thou art not.
MOORE.
I.
LIZE GA MEÊ.
Lize, ga mee,
Volg mij gedwee;
\'k Zal u naar bloeijende streken geleiden, \'t Stedengewoel Dooft het gevoel,
Dat er ontkiemt in de ziel van ons beiden. Liefde heeft ver van \'t geruisch haren troon, Eenzame wouden verkiest zij ter woon.
Lize ga meê,
Volg mij gedwee,
\'k Heb u oneindig nog meer te verhalen; Aarzel gij niet,
Liefde gebiedt.
En waar ze wenkt, is het misdaad te dralen.
74
Laster en nijd Volgen altijd Minnenden in het gedrang van de menschen; Vrij als natuur Voeden we een vuur Dat er zelfs goden tot koestering wenschen; Liefde van ouds af was liefst reeds alleen quot;Waar zij twee harten wil hechten aaneen. Lize, ga meê,
Volg mij gedwee,
\'k Heb u oneindig nog meer te verhalen; Aarzel gij niet,
Liefde gebiedt.
En waar zij wenkt is het misdaad te dralen.
II.
\'t is een heerlijk gezigt en verheven en schoon.
\'t Is een heerlijk gezigt en verheven en schoon, Als wij staan aan den oever van \'t schuimende meir. Dat in strijd met d\' orkaan, nu eens dondert ter neer, En dan dreigend omhoog stuift, den hemel ten hoon; \'t Is een heerlijk gezigt en verheven en schoon,
Maar die zoekt naar een hart, door de liefde bewogen , Die wendt naar de velden zijne oogen.
Daarom vlugt ik \'t gezigt, zoo verheven en schoon, En ik wijk van den oever van \'t schuimende meir,
75
Dat in strijd met d\' orkaan nu eens dondert ter neer, En dan dreigend omhoog stuift, den hemel ten hoon, Mij bekoort geen gezigt, zoo verheven en schoon, Want ik zoek naar een hart, door de liefde bewogen, En \'k wend naar de velden mijne oogen.
III.
IS DE KINDSHEID VERGAAN.
Is de kindsheid vergaan,
O dan vloeit er een traan Voor het eerste den jong\'ling uit de oogen: Want bij vreugde en spel Had als knaap hij \'t zoo wel,
Maar die blijdschap is alle vervlogen.
O! dit denkbeeld doorpriemt en doorboort hem het hart, Want de toekomst was nooit hem zoo bang nog en zwart.
O die dagen zijn naar,
En te banger nog, daar Hem te voren geen rampspoed kwam naken. Op zijn glibbrige baan Grijpt vertwijf\'ling hem aan,
En bedreigt hem haar offer te maken.
Slechts één middel is \'t dan, dat den lijder bewaart, \'t Is een spruit van den hemel, verplant op deze aard.
76
\'t Is het spruitjen der Min.
Dat verheft weer zijn zin En hergeeft hem de blos aan de wangen. En gedroogd wordt de traan,
En meer effen de baan,
En zijn leeftijd ontvangt thans zijn zangen; Nu eerst wordt hij een mensch en beschaafd en verlicht, En dat komt van de liefde, die wond\'ren verrigt.
O gij hemelsche straal Van verkwikking, ai daal In mijn zuchtenden boezem ter neder;
Grij, beziel mijn gemoed,
En bedeel van uw gloed Ook een maagd, zoo bekoorlijk als teeder; Dan ontglipt ook geen klagt om de kindsheid mij meer, \'k Zing mijn jeugd en de liefde en mijn meisjen ter eer.
IV.
EN ZIJ IS DOOD, WAARAAN UW ZIELE HING.
En zij is dood, waaraan uw ziele hing,
De vreugd vernield, die u de toekomst spelde! quot;Wat raakt het thans, wat u op aard omring\', Nu u die aard het heiligst nedervelde?
Een blijde zon straal thans in uwen schoot, De storm steek\' op, — wat raakt het: zij is dood.
77
Reeds zaagt gij u gelukkig in uw waan. De kampstrijd was alreê ten eind gestreden,
De liefde bood u reeds heur myrthkrans aan,
Maar om dien krans moet eerst een berg betreden — Gij waart — de liefde ontziet gevaar noch nood — Haar reeds nabij; — daar klinkt het: zij is dood.
En zij is dood, vraagt gij met zwakke stem ;
Ja — neen; niet dood , maar van heur boei ontslagen ,
Te groot voor de aard keert zij terug tot Hem,
Dien zij aanbad van \'t krieken harer dagen:
Zij bidt voor u — uw heil is naamloos groot. —
En de aard slechts klaagt getroffen: zij is dood.
1837.
DE GRAFSTEEN.
Bemoste steen, die op de heil\'ge graven Der dooden rust, omstraald door zachten gloed, Van \'t vriendlijk licht in stillen schemeravond, Bemoste steen, wees blij gegroet!
Reeds zweeg voor u het rouwbeklag der vrienden Sints jaren: ach! want ook hunne asch verstoof; Geen maagdlijn strooit u meer met heete tranen, Het eerste lenteloof.
Geen enkel teeken zegt mij, wie hier sluimert; Een\' schedel zie ik slechts, op \'t hard arduin gegrift; De tijd verwint, en \'t wintergroen omritseld Der namen duister schrift.
Ik kom tot u, \'t gewoel der wereld moede Als door het woud het rood des avonds beeft. Altaar der hope! —- Waar des Hemels vrede Op Seraphs vleug\'len zweeft.
79
Bemoste steen, die op de heil\'ge graven Der dooden rust, omstraald door zachten gloed, Van \'t vriendlijk licht in stillen schemeravond. Bemoste steen, wees blij gegroet!
1837.
STEKINGA KUYPER.
YICTOR HUGO.
Vois, — c\'est un méléore!
VICTOR HUGO
Dat is \'t onwraakbaar stempelmerk Der groote en Godvertrouwde zielen Voor \'s warelds glimlach nooit te knielen, Maar, naar het flikkerende zwerk,
Naar \'s hemels zilvren starrenzaal
Het hooggewelfde hoofd te heffen — Hoe haar de laster poog\' te treffen, Hoe \'t grimmig helgebroed haar smaal\'.
Dat is uw rang, verheven Bard,
Dat is de u ingedrukte stempel.
Toen ge aan het outer van den tempel Tot \'s hemels dienst geheiligd werdt. — De dichter toch is zoon van God: De heemlen zijn zijne opperzalen, \'t Yerleden moet hem cijns betalen, Hem, ziener in \'t verborgen lot.
81
Ach! zoo \'t vertroeteld kroost der aard Uw ziel naar waarde mocht erkennen,
Daar \'t nu uw lauwerkroon durft schennen, Als aan uw godenkruin onwaard.
Ach! zoo \'t die Englentaal verstond En opving als gewijde drupp\'len,
Wanneer uw hand de ziel doet hupp\'len, Op toonen uit uw godenmond.
Eilaas, die wareld is zoo kleen,
Die recht uw grootheid weet te schatten;
Maar de arm, die poogt uw geest te omvatten, Strekt zich (doch ijdel!) te uwaart heen! Zoo waagt \'t ontzinde ïitanskroost De heiige hemelburcht te schenden;
Maar duizelt met verplette lenden,
Door Jovis\' bliksem zwartgeroost.
Maar lauwren? — neen, des dichters hoofd Omkranst geen eerkroon van laurieren. Hem moeten andre kroonen sieren,
Dan aan \'t verwonnen volk ontroofd.
Neen! — Weerlichtschijn en bliksemgloed Kan slechts zijn fiere kruin gehangen.
Hem zal hun gloed het hoofd niet zengen, Wien \'t zelfde vuur in de adren woedt
Het volk spreid\' palm noch loover uit, Doe ambergeur noch myrrhe walmen! Hem zijn hun schoonste welkomstgalmen
82
Slechts toonen der gebarsten luit;
\'t Is graan den rotsteen aanvertrouwd.
Neen, strooi zijn weg met mirt noch rozen! Geen feestklank zal de smart verpoozen En de onrust, die zijn ziel benaauwt.
Want alsemkelk is \'s dichters hart!
Maar hen, die naar zijn zangen hooren, Verkwikt hy uit zijn heiltresoren,
Schoon zonder heul voor eigen smart. Hem zalft geen balsem \'t krank gemoed, Al stilt hy and\'rer boezemlijden.
Waar andren juichend zich verblijden, Is smarte \'t hem gegunde goed.
\'t Is zoet te zweven op uw lied,
Te- wieglen op den galm der snaren; (Als \'t pluimloos kroost der adelaren In stralen, die het zonlicht schiet).
Te dartlen in een hooger sfeer,
Te zwelgen in uw lieilgenuchten,
Als gy, met d\' adem uwer zuchten, Bezielde klanken strooit op \'t meir.
\'t Is zoet eene aard van hoon en spot Te ontvlieden, op uw harpenklanken, En, badende in uw zongloedspranken, Te ontsteigren, naar den troon van God. Ge ontsluit ons \'t weeldrigst lustwarand; Uw machtwoord doet de bleeke schimmen
83
Van uit de nacht der graven klimmen, Zet ijs en marmersteen in brand.
Heil ons! — het schoon verleden keert, De heuchlijke eeuw van Gods profeten. Gezalkde zal ons hart u heeten, Die ons de toekomst kennen leert.
Heil ons! — de schoone dag breekt aan, Uw hand ontrolt de orakelblaren; Gij zult Gods toekomst ons verklaren, Zijn raadsbesluit ons doen verstaan.
Hoe? — Viert hem dan geen jubellied, Der volleren zaamgescholen menigt, Die, als ten edlen kamp vereenigd, Hem de offers van heur hulde biedt?
Maar neen! Verganklijk is \'t arduin. Een eerzuil rijst in onze harten,
Die de almacht van den tijd zal tarten. Geen welkbre lauwer sier\' zijn kruin!
4838.
OP HET ALBUMBLAD
VAN MIJNEN VRIEND EGBERT ROELANTS, MIJ NA ZIJNEN DOOI) DOOR ZIJNE ZUSTER AANGEBODEN.
Nooit heeft op \'t blad, door Egbert mij gegeven,
Mijn hand gegrift, hetgeen mijn hart gevoelt:
Een vriendschap, die door woorden wordt beschreven, Is ligt ontvlamd, en even ligt verkoeld.
Zoo dachten wij: maar dachten weinig tevens, Dat spoedig \'t hart kon bloeden om \'t gemis;
Dat in het perk des ondermaanschen levens,
Ons ieder dag een hemelweldaad is.
En nu? Zijn oog is voor altoos gesloten,
En reeds zijn stof bij veler stof vergaard;
Maar elke traan, bij \'s jong\'lings graf vergoten, Yerkondigt luid: hij was ons alles waard!
85
Het oud\'renpaar, door storm op storm geslingerd,
Vond in zijn min heur hoop bij vreugde en smart; En, als de klimop vastkleeft aan den wingert, Zoo hing zijn ziel aan \'t teeder zusterhart.
Goddank; die band wordt door geen dood verbroken: Van \'t hemelkoor, geschaard om \'s Eeuw\'gen troon , Zie hij de roos, die nevens hem ontloken, Het ouderhart verrukte door haar schoon.
Moog\' lang nog God u met Zijn weldaan zeegnen —
Tot eigen heil, tot uwer oud\'ren troost!
Dan juicht hun mond, wat ooit hun mogt bejeeg\'nen, Op \'t sterfbed nog: »wij hadden edel kroost!quot;
4 Mei 1837. d. w.
1838.
DE BRUIDEGOM.
Tu fero juveni in manus Floridam ipse puellulam Matris e gremio suae Dedis o Hymenaee Hymen , Hymen o Hymenaee!
CATULLUS.
Zie den jong\'ling, zegen hem, Die het woest gewoel ontweken, In de rust van heil\'ge streken, Luistert naar zijns harten stem; Die daar eenzaam rond gaat dwalen, En het lied der nachtegalen,
Als het kweelt van echt en min, Met geopend oor beluistert,
En met opgevoerden zin,
Op die toonen Amen fluistert.
quot;Wellust! wacht hem niet als buit, Die van hooger gloed aan \'t blaken,
87
Voor \'t geruisch van uw vermaken,
Moedig hart en ooren sluit.
Ziet, de min beheert zijn zinnen, En gezegend, die beminnen ;
Voor het allerreinst gevoel,
Zal zich daar het hart ontsluiten,
En voor lager driften koel,
Drijft het aller aanval buiten.
Nu geen oogblik meer gehecht,
Op dit nietig stofgewemel.
Want de weelde van den hemel Is voor hem hier weggelegd.
Woorden, zwijgt! want zijn verrukken Waagt geen aarde ooit uit te drukken. Als hy haren blik begroet,
Die van de eigen vlam bestreden,
Tint\'lend van denzelfden gloed,
Met hem \'t grafpad zal betreden.
\'t Grafpad? — »neen, daar is geen graf,quot;
Zegt een dubbel tweetal oogen;
»Beiden boeit ons één vermogen,
En dat breekt geen doodslaap af.quot;
In de schuts van hemelingen,
Die het lied der liefde zingen,
Heft zich beider geest omhoog,
Voor \'t genot der nektarvlieten,
Die daar boven \'s hemels boog
Aan des Eeuw\'gen throon ontschieten.
88
Heerlijk staat die krans, o maagd! Om uw kruin door hem gewonden,
Dien gy \'t wezen hebt gevonden Lang in droomen nagejaagd.
Zeg het, bruischte uw bloed niet sneller, Zeg het, sloeg u \'t hart niet feller,
Toen hy u voor \'t eerst verscheen ? — Doch wat durf ik my vermeten ?. . . Hem vertrouwt gy dit alleen.
Die slechts elk geheim mag weten.
Weelde boven maat en peil!
o, Wie zal by dit genieten Tranen dan van vreugd doen vlieten? Voegt er rouw by godenheil?
Neen, \'t gevoel, dat beiden saambond Lang voordat er een zijn naam vond, Staat voor heel het leven in.
Groeien doornen op hun wegen,
Heilig zijn zy door de min;
Want de Heer gebiedt zijn zegen.
1838.
R. B. .1.
IN PATRIAM.
o Patria, o tellus ante omnia dulcis et arva
Usque (deum tester!) pectore culta pio!
Sancta mihi ante oeulos adstat tua semper imago
Usque suave meo nomen in ore sedet! Te celebrare juvat gratoque efferre sub astra
Carmine et ingenue laudis honore juvat: Sed meritis quibus amplectar te laudibus? aegre
Et decus et laudes vox capit ulla tuas! Exigui patriae fines et amabile limen,
Deliciae mentis, dum mihi vita manet! Quo pulset fortuna, extremas mittat in eras
Per mare, per terras, quo vagabundus agar; Quo ferar incertus, borealia frigora nunquam
Aestivi nunquam torrida signa canis Natalis monumenta soli nomenque delebunt:
Non ita sit pietas pectore pulsa meo! Non ita! sic nostris precibus Deus annuat aequus
Sic fortuna meas servet arnica dies!
Piliolam qualis sua mater adorat amatque;
Et fovet ac matrem filia qualis amat:
Talis adorabo primae incunabula vitae,
Te, patria, affulsit lux ubi prima oculis. Quae mea ludentis vestigia prima tulisti, Et leviter tumulo (det Deus) ossa tegas! 1841.
CLARA.
Nog omwolkt U de nevel der smart niet het oog, Nog omhuppelt u \'t lachjen der blijheid,
En nog slaat Gy den blik onbeschroomd naar omhoog, En verheft Gy u fier op uw vrijheid.
Heeft geen knaap nog uw schoonheid geroemd in zijn lied? Prees er geen nog den blos van uw wangen?
Heeft nog niemand de golving uws boezems bespied, Die zijn lust heeft gerijpt tot verlangen?
Heeft geen oog het gewaagd in den vlammenden gloed Uwer blikken vertrouwljjk te staren?
Viel er geen nog met eeden van liefde u te voet, Om zijn jeugd aan uw jonkheid te paren?
Neen, dan sloegt gy het oog niet zóó fier in het rond, Dan verschoot wel de blos op uw kaken,
Dan bestierf wel de lach, die daar speelt om uw mond En verlangst in het hart doet ontwaken.
91
Keert de Liefde in het hart, ó de Kalmte is voorby,
Die uw zieltje op heur wieken doet zweven! Ach! — wél is zy voor \'thart, dat gevoelt, Poëzy; Maar ze kost ons de rust van ons leven.
1842.
ZUM NEUEN JAHRE.
Rastlos, ewig bewegt rollet die Fluth des Meers, quot;Well\' auf Welle gedriingt bricht sich am festen Strand, Leekt des zwingenden üfers Klippen, aber zerstört sie nicht.
Schnaubend hebt sich der Sturm, taucht sich in Meeres fluth, Gleich Geschwadern zur Schlacht fürt er die Wogen an; Schlachtgetümmel und Schrecken Braust durch zackiger Felsen Reih\'n.
Bebend fliehet der Mensch, schaut er der Wogen Kampf, Fült erzittern die Erd\', fürchtet Vernichtung, Tod, Fügt Wehklagen und Hülfruf Zu dem Wogen- und Sturmgetöss!
Ach, wo bliebest im Kampf mit der empürten Welt, Schwacher Endlichkeit Sohn, sterblicher du, o Mensch! Wenn nicht setzte des Ufers Rand dem Meere dein groszer Gott?
Doch der Herrliche hört nicht die Gewitter blosz, Und den heulenden Sturm, brüllender Wogen Chor!
93
Auch das Flehen des Menschen Dringt zum Himmel vor seinen Thron.
Gniidig schaut er herab, winkt — und es flieht der Sturm, Spricht — und lautlos entweicht rasender Fluthen Macht! Dank erschallet iu Liedern Ihm zum Opfer aus Menschenbrust.
So braust über die Welt eisernen Laufs die Zeit,
Bald im leiseren Plug, bald auch wie Sturmgebrüll, Dasz der Sterbliche bebet;
Doch es thronet im Ilimmel Gott!
Wie ein muthiges Rosz schiiumet vor Kampfbegier, Fliegt, ein Blitz, in die Schlacht, aber dem Lenker horcht; So auch wüthet die Zeit im Sturm, doch zeichnet ihr Gott die Bahn.
Drum frei stürme du, Zeit, driiue mir Untergang, Mcht verzag ich vor dir, traue des Herrschers Kraft, Der dich zügelt und lenkt,
Der, mein Vater, mich segnen will.
Dieses, Freunde, zum Trost, wenn ihr im Kampf erbebt; Droben wohnet ein Gott, leitet der Weiten Lauf,
Will uns führen zum Glücke,
Laszt nicht ven dem bedrangten\' Kind!
van rtuiren.
1842 p. ch l.
EROS YERDWAALÜ.
\'t Werd avond in de dalen,
\'t quot;Werd avond op de bergen;
Een noordewind streek neder
En schudde d\'eikenwouden,
Die pas hun glanzig kleedje
Yoor groenend loof verruilden.
De lente was gekomen,
De rozeknoppen bloeiden
En schoten frissche spruiten.
Maar, ach, de vorst van \'t noorden
Klonk bulderend in \'t ronde,
En knakte spruit en bloesems,
Die, hangende, verwelkten.
En weenend zat een knaapje
In \'t vochtig bosch ter neder,
En trachtte zich te schutten
Voor \'t gieren van de stormen.
Zijn rozerood gezigtje
Was paarsch en blaauw van koude.
95
De zwarte, volle lokken ,
Die \'t englenhoofd omzwierden
En \'t schalksch gelaat omhulden,
Zij dropen van den regen.
Zijn oogpaar, zwart als de avond,
Maar schitt\'rend als de morgen.
Zag schuchter door het donker.
Helaas! de zoon van \'t zuiden
Zat eenzaam in de wouden,
En wenschte naar de myrten
En rozen van Idalie.
Maar ziet! een jongeling nadert,
In diep gepeins verloren,
In \'t warme kleed gewikkeld,
En statig van gestalte,
Als de eiken, die daar ruischten.
Blond waren zijne lokken.
Als Phoebus gouden stralen.
En blaauw als amethisten.
Als \'t zonnig blaauw des hemels,
quot;Was ook de gloed der oogen.
»Ach! riep de schoone kleine,
De handjes zamenvouwend,
»Ach! breng mij bij mijn\' moeder,
ÏJaar Paphos groene dreven.
Waar eeuw\'ge zomers heerschen,
Geen noordewinden waaijen,
Maar steeds de zoele zefirs,
Op balsemgeurge wiekjes,
De warme lucht verkoelen.
96
DioxE heet mijn moeder,
En mij, mij noemt men amor , Den schoonen hartewinner In \'t zonnig warme zuiden.
Ik woon in Cyprus beemden, En ben de god der liefde.
Die \'t al voor mij doe bukken, Maar hier, in \'t barre noorden, Yerga van bitt\'re koude.
y erleid door \'t dartel plagen Der schalksche nereiden.
Die met miin zwakheid spotten. En ongeschikt mij noemden De teugels te bestieren Yan \'t duifgespan der moeder, Besteeg ik stout haar wagen.
Maar ach! mijn zwakke handen Ontglipten ras de teugels.
En van \'t gareel ontslagen Begaven mij de duifjes; En duiz\'lig viel ik neder. En redde naauw het leven,
Mijn overmoed verwenschend.
O! breng mij bij dione. En heerlijk zal ze u loonen Met \'t loon der zoetste liefde. Zij zal een maagd u geven, Zoo schoon, als ooit de boschjes Van Griekenland betraden! De volle rozenlippen
f)7
Van purper zullen brandend De kussen tegenz wellen,
Die \'t jeugdig bloed doen zieden. Het zilver harei stemme Zal lokkend tot u klinken, Van mingenot u spreken; En dartiend zult gij kozen In Venus myrteboschje Op \'t dons der zachte rozen.quot; ))Ik ken uquot; sprak de jongling; »De honigzeem der woorden, Die van de lippen vloeijen, Verleidelijk en lokkend, Gevaarlijk, als de zwijmel Van circe\'s tooverzangen,
Zal \'t hart mij niet bedwelmen. Ook ik, ik ken de liefde,
Maar heilig, als van vesta , Is \'t vuur der kuische minne, \'t Verbond van onze harten. In \'t schoone, trouwe Noorden. Bij ons is eeuw\'ge liefde, En \'t hartverbond, gesloten , Wordt nimmer meer verbroken, Al welkt de krans des jonglings. Al bleekt de tijd de rozen Van \'t lieflijk bloeijend meisje. Te huis zal ik u brengen,
Opdat de brand der zinnen De harten niet verschroeije
98
Van kreija\'s eedle zonen En\'freua\'s schoone dochters. Zoo sprak de jonge dichter; En Eros lachte heimlij gt;
En Het zich van hem leiden Naar cvpr.s vrucht\'bre beemden. De dichter keerde weder, ^
Maar, acli! de pijl der minne, Yan amor\'s boog geschoten, Had ook zijn hart getroffen Petrabcha\'s schoone accoorden. Marino\'s zoete lied ren En weeldrig mingekozel, Zij hadden \'t frissche harte
Des jongeling8 ^rmeeste!j\' Die, met de tronw van t morde
Den gloed van \'t zuiden parend.
Zich uitte door die zangen,
Die hart en oor bekoren :
Hetzij ze \'t mingefluister
In \'t ritselende loover
En aan het open venster
Der schoone maagd vermelden,
Hetzij ze liefde\'s smarten.
Met Philomela\'s toonen.
Doen klagen aan de stroomen.
Gezegend dan de dichter,
Die zóó de luit bespeelde,
Dat bij zijn minnedichten
De warme rozengeuren,
99
De minzieke ademtogten Van d\'Itaaljaanschen hemel,
Voor ons de ruwe winden En vochtige avonddampen Van \'t nevelland vervangen: Zoo, Hooft! begroet u Neerland. 1843.
ELADVULLETO.
Jüdiseh muss jeder Wein sein, denn getauft mag ihn der student nicht.
1843.
IN- EN UIT TOOT IN HET LAND MIJNER VADEREN.
Als de groote tijd der ruste gekomen was, en vele van de kinderen Minerva\'s reeds heengetogen waren, een iegelijk naar zijne eigene stad, lustte het ook mij, mij op te maken tot de reize naar mijne landpalen. En als ik de penningen, welke mij nog overig waren, opgenomen en mijnen vrienden een vaarwel toegeroepen had, ging ik henen naar de plaatse waar mijne vaderen woonden. Mijne ouderen nu zagen mij en kusten mij, dat mijn aangezigt rood werd van wege de geweldige indrukken, die ik op mijne wangen ontving, (de indrukken van mijn gemoed waren nog heviger), en ik werd zachtelijk inwendig beroerd, toen mijne zusterkens en broederkens mij tegenhuppel-den als jonge kalveren en van vreugde opspringende mij omhelsden. — »Welkom, zeg ik u, binnen onze woning,quot; zeide mij het hoofd des huizes; en mijne moeder en zusterkens en broederkens juichten welkom na. En nadat ik geant-
101
woord had op alle de vragen, die mij gedaan waren, en insgelijks naar vele dingen had gevraagd betrekkelijk dezen en genen, die mij dierbaar waren aan die plaatsen, aten wij en dronken wij en waren wij vrolijk. En wij dronken wijn, die lange voor het daglicht verborgen was geweest, uit groote drinkvaten (deze lange verber-ginge was een bewjjs voor de echtheid des wijns, welk bewijs mijne tonge goedkeurde), en nu vloeide ons bloed sneller door de aderen. — Zoo verliep de eerste dag, en ik zeide in mijn harte, dat het zóó goed was; en nog op vele der dagen, welke volgende waren, was voor mij eene bron van vreugde vloeijende. Nu drukte ik de handen der inwoneren van de plaatse, waar mijn vader was wonende, en de maagden groetede ik met kussen , welker smaak was gelijk aan de zoetigheid van honig. Doch dra, als het nieuwe oud was geworden, klonk mijne stemme niet meer van vreugde door onze woninge, want ik zag ze te gemoet de dagen. die nog volgende waren; en mijn harte werd brandende in mij van zoet verlangen naar Minerva\'s tempel in de veste Gruno\'s. De dagen werden mij lange en de plaatse, waar ik was, werd mij vervelend ; zoodat ik naar vreemde landpalen henentoog, om in te wonen voor eenigen tijd bij diegenen mijner aanvefwanten, welke mij gaarne van aangezigte tot aangezigte aanzagen. Hier nu gingen eenige weken liefelijk voor mij henen in vreugde; de zoetigheden, die ik daar
102
was smakende, gaven wij meestens de maagdekens, dewelke zijn de sieraden der menschen-kinderen. Doch mijn vader, die beter rekenaar is der tijden dan ik, had zijne penne op den pa-piere gesteld, en hij zond mij eenen bode, die mij aanmaande om mij te begeven naar zijne wo-nige. »Weldra,quot; alzoo klonk zijne taal, »moet gij weer opgaan naar uwe woonplaatse. En ik ontrukte mij aan de landpalen, dewelke mij dierbaar waren geworden, want er waren maagden, die ik lief had. Doch als ik wederom bij mijne ouderen was aangekomen , moest ik mij ras omgorden, omdat ik konde opgaan naar mijne wo-ninge in de veste Gruno\'s, en mijn harte was innerlijk daardoor van vreugde bewogen.
Als nu de ure was gekomen, dat mijne be-stemminge mij opriep naar den tempel der Muzen, zoo ging ik wederom tot de burgeren en derzelver dochteren; den burgeren nu drukte ik de handen en de maagden groette ik met kussen, dewelke door die gansche landpalen eenen nagalm achterlieten. En mijn vader gaf mij eenen buidel met zilveren stukken , welke in de tale des volks drieguldens heeten. En het geschiedde weder als de ure gekomen was, dat ik moest heengaan, zoo schreide mijne moeder en mijn vader sprak tot mij, zeggende: »Zoon! houd uw pad regt, opdat wij ons in U mogen verheugen.quot; Ik nu kreeg medelijden met mijne moeder, van wege hare tranen, en ik sprak tot mijnen vader en
103
mijne moeder, zeggende: ))lk zal regt wandelen op den weg mijns levens.quot; En ik toog henen, nadat ik mijnen vader en mijne moeder en mijne zusteren en broederen, (diegenen, welke mannelijk waren met degelijke handdrukken, en de vrouwelijken met hartelijke kussen) had gegroet. En mijne reize was die eens voorspoedigen. En als ik mijne voeten had gezet binnen de poorten van de veste Gruno\'s, sprong mijn harte in mij op van vreugde, en ik roemde die stad boven velen, welke mij dierbaar was geworden van wege de liefelijke dagen, welke ik daar had gesleten. En ik zettede mijne stemme uit, toen ik over de plaatse ging, welke de groote markt wordt genoemd , en ik riep luide en de woorden, die uit mijnen mond voeiden, klonken over die uitgestrekte plaatse dezer wijze: »o Leven van de zonen der Muzen! ik zal u steeds verheffen boven het hoogste mijner blijdschap. Wèl is het mij voor een\' tijd in het land mijner vaderen; doch den zone Minerva\'s past het te zijn ter stede, waar haar tempel staat op zuilen van porphyr-steenen en waar haar de wierook in het aange-zigte waait, dewelke hare kinderkens ontsteken op haar maagdelijk outer; heil mij en alle mijne broeren in lengte van dagen!quot; —
1843. p. ch. l.
DICHTVUUR.
— deus ecce, deus ! —
---non vultus, non color unus,
Non comtae mansere comae---
• VIRGILIUS.
Mijn brein is gansch ontgloeid,
Mijn hoofd is aan het koken,
Van \'t geestvocht, dat me ontvloeit , Zou \'k voorloop kunnen stoken:
Mijn mond, met schuim besproeid:
Mjjne oogen, dan geloken, Dan rollend onvermoeid,
Waar \'t vuur uit schijnt te smoken:
Mijn hand, die siddrend gloeit,
In vest of haar gestoken,
En dan weêr koortsig spoeit De kagchel aan te poken:
105
Mijn beenen, zaamgeklampt,
Of wijd uiteen gesmeten:
Mijn voet, die driftig stampt, Of \'t kamervlak gaat meten:
Het maagdelijk papier,
Dat dorstig schijnt naar drinken: De pen, die , als een gier, Op \'t witte blad wil zinken:
Dat alles toont mij klaar
Met waarheids hellen luchter, Dat één van twee is waar,
\'t Ben dol, of \'k ben een dichter!
1844.
VEOUWIANA.
O vrouw! ! ! !
Een dichter.
Zoo ik geene vrouw ware, zou ik niet moeder zijn.
Eene moeder.
O geluk!
Een meisje van 18 jaren.
O druk!
Een meisje van 27 tot.. jaren.
Zerbrechlichkeit, dein Name ist Weib.
Een horendrager.
Een schoon meisje is eene goudmijn.
Een ondernemer van publieke vermakelijkheden.
107
Mulieres non esse homines statuo.
Een kamergeleerde.
Oude pruik ! concludeer, zooveel als je wilt; maar een lief meisje blijft toch altijd een lief meisje.
Een 10jarige jongeling.
Het zoude goddeloos zijn de vrouwen te verachten. Immers zij zijn de helft van het men-schelijke geslacht.
Een vrome.
Wie zoude de zieken oppassen, zoo de vrouw er niet ware?
Een geneesheer.
Grij wordt miskend en verdrukt en vertrapt, o gij vrouw ! Ontwaakt, slavinnen!
Eene geleerde vrouw.
\'t Is een aartig speelgoed.
Een rotte.
O hemel! verlos mij van al die huiszittende, keffende dieren. Vervloekt!
Een gepensioneerd officier\' met vijf dochters.
Die diefeggen!
Een oud ongetrouwd heer met het podagra.
108
Ik vereenig mij met den horendrager.
Een blaauwe-scheendrager.
Wie leest een\' roman, waarin de vrouw geene rol speelt! En wie leest meer romans dan de vrouw!
Een schrijver.
Wat zoude ik zijn zonder de vrouw?
Een Doctor A. Obst.
De vrouw is een trekdier.
Een schipper.
De Minister.
Hebt gij Mevrouw......gezien!
De Yolksvertegenwoordiger. Uwe Excellentie kan van mijne stem verzekerd zijn.
De Minister (bij zich zei ven).
Wie toch is bestand tegen eene schoone vrouw ^
Der schepping heerlijkheid, wie is zij dan de
vrouw ?
Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oogh be-
haeghden,
Het zijn wanschapenheên bij \'t morgenlicht der
maeghden.
Een beminnaar der plastiek.
109
De fijnheid der zenuwen zijn vooral te bewonderen in de vrouw.
Een Anatomicus.
Daar moesten in de Akademie-steden geene vrouwen geduld worden.
De vrouw van een pierewaaijer.
Dat alle vrouwen naar den drommel liepen en ik de drommel was. Een levenslustige.
Die de vrouw niet eert, is niet waard het licht der zonne te aanschouwen.
De zoon eener weduwe.
De Juffer.
\'tWeer is veranderlijk, meneer!
De Proponent.
Niet zoo veranderlijk als de vrouwen, juffer! De Juffer.
Ja, maar de mannen zijn nog veel veranderlijker.
De proponent en de jvffer die hem bediend.
(historisch).
Verslaap uw\' zedelooze lusten gij duivelsoor.
Eene oude tante.
Welke hemelsche droomen zou zij nu wel hebben ! Een sentimentele.
-no
De vrouw is een(e) (schat)
(kat)
(bodemloos vat).
Een echtgenoot (met variatiên).
Moeder! gij zijt een zoogdier.
Een kind dat uit de school komt {historisch).
De vrome.
De geregtige zondigt zevenmaal eiken dag.
Eene galante dame.
Zevenmaal, zeg, waar woont hij?
De zedeleer hieruit te trekken is deze: niets is zoo wuft en onzeker als het oordeel der men-schen., behalve dat van den \'20jarigen jongeling, die zeide: een lief meisje blijft altijd een lief meisje.
/ nr/..
1843.
SCHLITTSCHUHLAUF IN DER NACHT.
Die Sonne sinket im Westen so weit,
Sie spiegelte froh auf der Fluthen Kleid
Ihr liebe ansstrahlendes Auge;
Die Sterne erscheinen in freundlicher Pracht,
Dem Mond sich vereinend, dem König der Nacht:
Es wehet mit frostigem Hauche.
Da lassen wir hinter uns Stube und Heerd, Nach dem eisigen See das Herz uns begehrt; Mit dem Eisen, dem Herrscher der Teiche, Am Fusse gewappnet, so geht es hinaus, Auf dem See hingeht es im wilden Gebraus, Dass man uns dem Sturme vergleiche.
Und im ellenden Laufe bald wieder im Kreis Hinschaukeln wir auf dem funkelnden Eis; Und es lachelt der Mond und die Steme Vom Himmelsgezelt und yom Firmament, Das sich unter uns breitet ohn\' End, ohn\' End , So weit wir auch schaun in die Ferne.
112
Auf den Nacken wir treten dem leuchtenden Herrn, Es duldet den Zwang auch der funkelnde Stern. Herzmuth kann alles bezwingen;
quot;Wer aber hinter dem Ofen sich warmt, Das armes Herz ohn\' Ende sich liarmt, Was soil auch dem Armen gelingen!
Nur der Kraftige herrschet an jeglichen Ort, Xur der Kraftige kampft mit dem Kalten Nord : Der Zartling findet nimmer die Lust! Aufjauchzet der Kriift\'ge im Kampf mit dem
Schnee,
Mit dem Hagel, dem Sturm auf dem ehernen See, Herzwonne schwellt hoch seine Brust!
1844. p. ch. l.
BEZOPEN (1).
Ik zal me van avond een steek opzetten, ik zal me bezuipen — alle drie duivels wat zal ik een lol hebben! d. i. ik zal
1. eene zekere hoeveelheid wijn in mijne maag duwen,
2. mijne keel heesch schreeuwen en het meisje, dat ik een goed hart toedraag, doen droo-men van een varken dat geslagt wordt,
3. mijn besten vriend op een duel uitdagen,
4. dingen doen, waarover de Heiden Demosthenes zeide den volgenden dag berouw te hebben ,
5. met twee blaauwe oogen en een rok zonder panden in huis komen,
6. glazen inslaan,
8
1
Dit stukje strekt alweder ten bewijs, hoe men de verhevenste dingen bespottelijk maken kan. Een lid van het Berendhurger-collegie.
114
7. in de wacht komen,
8. den huissleutel in de deur laten zitten,
9. een Heer wezen.
Voorts zal ik mij opofferen voor :
1. den kastelein.
2. den wijnbeer.
3. de dienaren der justitie.
4. den glazenmaker.
5. den Med. Doctor.
6. den Cipier van het pakhuis van —
7. den nachtspiegel.
II.
TM van het genootschap tot het ongevoelig afschaffen van Sterken drank.
1845.
SCHETS UIT MIJN REISBOEK.
Ik laat de menschen slechts ééne bron van verwarring achter, te weten: de vrouwen. Door op de strenge beoefening mijner leer aan te dringen, beproefde ik alle ondeugden uit de wereld te verbannen, maar ik was niet in staat, haren wortel uit te roeijen, die juist dat geslacht is, even zoo schadelijk voor de rust der mensch-heid, als noodzakelijk voor haar behoud.
Mohammed.
Wie op een der schoonste dagen van Julij bij de poort van Bremen gestaan had, die naar Oldenburg leidt, had daar drie jongelieden kunnen zien binnenkomen met een doornstok in de hand en een valies op den rug. Dat het vreemden waren, kon men opmaken uit de nieuwsgierige blikken, die zij in het rond wierpen; maar wat waren het ? waar van daan?
))Het zijn Burschen,quot; zeide een kwade jongen.
))Maar die gaan niet in \'t zwart,quot; hervatte eene fruitvrouw.
8*
Hfi
»\'tSchijnen landloopers te zijn; de raad moest zulke menschen hier niet dulden,quot; zeide een koopman in kruidenierswaren.
»Ein liederliches Kleebladwerd hun eindelijk door een klerk naar het hoofd geworpen, die met eene pen in den mond en katoentjes in de ooren op eene stoep stond.
En niettegenstaande dit alles stapten ze vrolijk voort, en bewonderden den quot;Wezer, die met schepen bezaaid onder de groote brug doorkronkelt en de oude en nieuwe stad scheidt; liepen regts en links, bleven staan, als er een lief meisje met eene hengselmand onder den arm voorbij draafde; maakten, in één woord, een leven als een oordeel , zoo als drie studenten dat doen kunnen, die van alle collegies, dictaten en andere nachtmerries verlost, in den vreemde zijn, om een jaar stof af te schudden, dat zich in hun ligchaani en in hunne ziel heeft vastgenesteld.
Des avonds had men ze kunnen vinden in een der beste hotels, waar zij met stoute schoenen waren binnengestapt, en ook met graagte ontvangen , zoodra men bemerkt had, ygt;das es reiche Hollander waren.quot;
»Jonges, dat beefsteak is allerheerlijkst.quot;
»Hadden we hier nog een flesch la Rose.quot;
»Ja, die goddelijke wijn in den Rathskeller, die was patent.quot;
»Wat heb je hier ook anders, dat de moeite waard is,quot; hervatte een ander.
117
»Amice, wordt UE weer galachtig.quot;
«Kellner, nog eene flesch.quot;
En zoo aten en dronken en disputeerden ze, totdat de avond geheel gevallen was.
»Komt, amici! wij gaan nog wat sjouwen.quot;
»Ik wou gaarne, maar ik kan niet. Ik heb mijnen voet doorgeloopen en kan niet verder. Maar bekommer je niet om mij.quot;
»Nu, in Godsnaam , dan stappen we met ons beiden op.quot;
»Maar wees toch voorzigtig, \'t wordt donker,quot; riep de achterblijver beiden toe, toen zij de poort van het hotel uitstapten. «Jelui bent jong en de verleiding is groot.quot;
»Zoo we die brunette met dat golvende haar uit de comédie weer zien, zullen we je \'t morgen komen vertellen. Adieu.quot;
Hij hoorde hunne stappen meer en meer verwijderen en meer en meer verflauwden de klanken van het matrozenlied, dat zij aanhieven:
„Heb Jij van Jan de knecht geproefd, Vi dolere, vi dolere.quot;
»Zoo het maar goed gaat,quot; bromde de derde bij zichzelven, toen hij met een nachtblaker naar zijne kamer strompelde. »De brunette met dat golvende haar! Wie nog eens zoo\'n meisje tot zijne vrouw kon bekomen!quot;
Hij stiet de ramen open,, stak eene sigaar op en keek naar dc maan, die met hare zilveren
418
stralen een tooverachtig licht verspreidde over do rivier, die onder zijn venster zachtjens daarheen kabbelde.
Al mijne lezers reken ik jong te zijn. Ze zullen het dan den twintigjarigen jongeling niet kwalijk nemen, dat, nu hij een mooi meisje gezien en bewonderd had, nu hij alléén zat bij het schijnsel der maan, nu hij op Duitschen bodem was verplaatst en nu hij daarenboven dien dag fürchterlich veel wijn had gedronken; dat hij, zeg ik, sentimenteel werd en begon te droomen van idealen, die wandelden door de lucht en zich neerbogen naar den bevoorregten ziener.
Zijn hoofd gloeide; zijn bloed jaagde; eene koortsachtige spanning beving al zijne ledematen; hij was in een paroxysme van opgewondenheid.
»Zijn hart sloeg den generaalmarsch,quot; Hij keek naar den hemel; hij zag, hoe de wolken dansten en gestalten aannamen, zoo wonderlijk, als een duivel alleen ze had kunnen uitdenken. Eindelijk trad uit dien nevel het beeld van de brunette met de golvende haren te voorschijn, die in een vuurrood kleed gehuld, dat hare vormen teekende, naar hem toe scheen te komen, hem wenkte en zachtkens fluisterde: »ga mede, ga mede.quot; Weinig had het gescheeld, of hij had zijne armen te ver uitgestrekt en was hals over kop in den Wezer gevallen en had dan een reisje naar Helgoland, Jutland of Noorwegen kunnen doen, zonder vracht te betalen; maar hij bezon
119
zich en zag, hoe zijne slaapmuts, met wier top de wind was beginnen te spelen, door de dansende golfjes werd medegeveerd.
Want hij had zijne twintigjarige zuster moeten beloven, hare bede te zullen opvolgen, toen zij zeide: »vergeet nooit uw avondgebed, en zet altijd uwe slaapmuts op.quot;
De slaapmuts scheen zijne idealen mede te hebben genomen. Maar op eens ging de deur open, en zij stond voor hem, de brunette met de golvende haren. »Is het waarheid, is het logen,quot; dacht hij bij zich zeiven. Echter niet in het vuurroode kleed van zoo even, maar in een allerliefst donkerkleurig jakje, dat geheel gesloten was en in een kort onderstuk eindigde, waarvan de plooijen als het ware eenen krans vormden om haar middel, een middeltje, zoo fijn en zoo schoon, dat het u uitaoodigde, er de hand om te leggen. Ja, zij was het!
Wees twintig jaren oud, wees op de derde verdieping in een vreemd huis in eene vreemde stad, waar niemand u bespieden kan; wees daar alléén met een lief meisje, waarover gij den geheelen avond gedroomd hebt; wees dan nog zoo braaf en zedig en zoo sterk als de heilige antonius ; ik reken u allen zóó. geachte lezers! plaatst u zelve in dien toestand en vraagt u af, met de hand op het hart: »wat zoudt gij doen?quot; Voeg hierbij dat de maan scheen en onze held veel wijn had gedronken.
120
Hij zag haar, hij legdo de hand om haar middel en trok haar op zijn schoot. Misschien was ze deugdzaam, maar szwak, o zoo zwak.quot;
Daar was hij dan nu de twintigjarige jongeling, die in zijne vaderstad altijd prat op zijne kuisch-heid daarheen liep, die zich altijd beroemde op zijne sterkte; daar was hij gevallen in de handen van eene der dochteren teutonia\'s. Hij zat naast den afgrond, doch merkte het niet. Want het waren de bruine oogen van een schoon meisje, waarin hij keek, en zijn zulke oogen geen afgrond, waarin men zijne ziel en leven in eens zou willen zien verdwijnen!
»Weg met dat nijdige mutsje, dat uw haar verbergt,quot; riep hij in gebroken Duitsch uit, terwijl hij een kus op haren mond drukte. Werd hij beantwoord? Onze dulcinea scheen verlegen en speelde met het lint, dat op hare borst hing ; zij was alleen gekomen om hem te vragen, hoe laat hij gewekt wenschte te worden.
O vrouwen! gij zijt listiger dan de slangen uit de woestijnen van Arabië.
Maar een toeval, een toeval, dat ik niemand uwer zou toewenschen bij het doen eener declaratie, redde hem uit dien afgrond.
In den ouden tijd zou men gezegd hebben: zijn schutsengel kreeg medelijden met zijne zwakheid, gaf hem een tik op den neus, zoodat een adertje sprong en het bloed bij stroomen naar beneden vloeide.
421
Wees nu verliefd, wees opgewonden, wees zwak, wees alles wat ge wilt; maar blijf dit alles, wanneer gij uit den neus bloedt. Het was even zoo erg als het zou geweest zijn, wanneer hij den hik had gekregen.
Zijne opgewondenheid vond daarbij eenen uitweg in het bloed. Hij kwam tot bezinning, en zeide met eene forsche stem: »Wek mij morgen om 7 uren.quot;
Maar toen zij heenging en hij haar op den trap hoorde lagchen, vond hij zich verlaten en sneed hem dit laatste door de ziel. Hij vermande zich echter, zocht eene nieuwe slaapmuts, deed de keelbanden vast en werd eindelijk meer en meer tevreden met zich zei ven.
Hij legde zich te bed en sprak het volgende monoloog: «quot;Wat is toch al het aardsche genoegen ? Eene zeepbel: blaas er in, het is weg. »Eene bloem, die één dag bloeit; eene flesch «champagne , waarvan de geur vervliegt. En die «meisjes, wat zijn ze; dat ze opkomen, dat ze «zich vereenigen, om mij in hare strikken te lok-«ken; maar ik zal niet hooren; ik zal zeggen: sijdele schepsels! gaat in den grafkelder en ziet »de uitgedroogde Engelsche gravin, hoe zij daar «ligt, beroofd van al hare frischheid, van al hare «schoonheid en jeugd, tot spot van ieder, die «haar ziet; niet eens. meer geschikt, om er lede-«ren lappen van te maken. Dit zal ik zeggen, «wanneer ze komen,quot; terwijl hij zich oprigtte in
122
»zijn bed en met de handen en beenen begon te » gesticuleren.
Hij legde zich weder neêr. »Wat is de mensch stoch sterk als hij wil; de verleiding is groot, »maar de wil is alles. Heeft socrates niet al »zijne driften bedwongen? En waarom zou ik »het dan niet kunnen? Maar ik zal het toonen. ))En een mensch, die zich zeiven overwint, is sgrooter, dan die landen en vestingen inneemt, szeide salomo. Ja, ik zal altijd zoo sterk blijven ; »als ik dezen avond geweest ben; ik wil, ik zal »niet vallen.quot;
»Ai, ai!quot; riep hij eensklaps uit.
In den ouden tijd zou men gezegd hebben: zijn schutsengel zond hem een heirleger bijtende «neefjesquot; op de huid, om hem te herinneren, dat niet. zijn sterke wil, maar de neusbloeding hem gered had.
Aug. 1845.
De Redactie. We kunnen het haast niet plaatsen. Het is bij het randje langs.
De Schrijver. Lieve hemel! wordt jelui ook al zoo kieschkeurig, temerig, benaauwd en chicken-hearted.
De Redactie. Ja, maar de moraal.
De Schrijver. Op de moraal is niets aan te merken; ze is deze : » Die staat, zie toe dat hij niet valle!quot;
1846.
HET LIED YAN DE ONDERBROEK.
Ik heb sympathie voor alles. Ik zie overal dichterlijke toestanden, dichterlijk als ik ben. Keukengeheimen en kelderverborgenheden, koestal en hoenderhok, de kruiwagen van den agurkjood en de moeder, die haar kind kamt, de snuifneus van mijn vrouws baker en \'t plukharen van twee straatbengels, de neergetrapte schoe van een visch-wijf en de krentebaard van mijn rimpelige keukenmeid, ja een waschmand vol vuile hemden en gescheurde kousen is mij even interessant, even dichterlijk als de gansche geschiedenis van \'t Ro-meinsche rijk, ten tijde van zijn hoogsten bloei, met al zijn Caesars en Augustussen. Ik weet er de populaire en practicale zijde van af te neuzen , populair, practicaal als ik ben, en dat toe te passen op de vorming en veredeling des volks. Het zien van den turfdrager, die zich uit zijn tabaksdoos van een slaatje bedient, brengt mij niet minder in enthusiasms, dan Helmers de
124
grootheid van ons voorgeslacht en Nicolaas Beets het zien eijerslobberen van twee kwajongens, enthusiaster dan Helmers en Nicolaas Beets als ik ben.
Uit de voorrede van den nog onuitgegeven bundel Waschmandpoëzy van een onzer populairste dichters.
Ik pik en prik en stik en flik,
Dat \'k bijkans van verveling stik En mij de vingers rauw zijn;
Maar, hoe ik flik en pik en strik,
Of stik en flik en prik en pik,
Ik vorder maar geen oogenblik.
De henker mag zoo gauw zijn !
Gescheurd , doorluchtig blijft de broek.
Wat is het anders dan een vloek,
Al stikkend , prikkend , flikkend En naar den adem snikkend,
Te naaijen aan een onderbroek.
o Onderbroek, o onderbroek,
Hoe ik den boozen kwelgeest vloek,
Die u eens uitgedacht heeft. Wat helgebroedsel, zeg mij! was t; Dat — mij, rampzaalge vrouw, tot last, U uit zijn leêge hersenkast
Toch in \'t gebruik gebracht heeft? — Ik zit en prik en stik en flik,
Tot haan en hen weer zijn van \'trik,
125
En. hoe ik snik of bolleknik (*),
De broek .... oef, haal mij, Heintje pik,
Dat \'k mij daar in den vinger prik! . . . .
De broek . . . . ho, wacht een oogenblik . . . .
Ik heb tot overgroote schrik
(o Geysbeek! help mij uit de strik!)
Geen enkel rijmwoord meer op ik,
Dan bik en brik en hik en dik
En kik en klik en mik en lik
En sik en schik en wik en tik
En kwik en zwik en sprik en slik ....
De broek .... weg met dat rijmgeflik! . . . .
De broek .... ik gooi ze door de glazen,
Lang leven alle dichtersbazen.
(*) Licentia poëtica voor knikkebol. Een kostelijk woord, dat wij iederen wehneenenden taalfiltreerder zeer kunnen aanbevelen. De zaak, die \'t aanduidt, behoeft geene opheldering , omdat ze inheeraach is. Getuige de een en andere vergadering onzer edelmogenden, bij de een en andere langdradige redevoering van een en ander alijm-zuchtig lid.
1846.
GIJ ZULT.
Mit seinem eigenen Fleisch und Blut und dein Drang seiner Seele leht der Mensch in fortgesetztem Kampf. puchta.
Wat wilt gij, sterveling! verdriet het u te leven ? Een enkele handgreep en — uw vlotte ziel zal zweven In de eeuwigheid, of wel in \'t niet verdwenen zijn — Hoe \'t zij, gij zijt verlost van aardsche zielepijn. Ik durf niet.
Gij wilt dan \'t leven en de levensvreugde smaken! Verzwelg u in een zee van bruisende vermaken ;
Laat lust uw spoorslag, luim uw breidel zijn,
Vergeet u zeiven, en gij hebt geen zielepijn.
Ik mag niet.
Gij durft niet sterven noch der aarde vreugd genieten ? Zoo laat in reinheid dan uw dagen henenvlieten; Verzaak uw hartelust, laat rede uw leidster zijn, Verhef u boven de aard , gij hebt geen zielepijn. Ik wil niet.
127
Gij wilt niet ? Wilt gij dan uw lot met kalmte dragen, Den hemel om niets meer dan \'tgeen hij weg schonk,vragen? Wees mensch, gedenk aan \'t stof waaruit wij allen zijn; Gij zult zoo niet te vreên, dan toch gelaten zijn. Ik kan niet.
Gij durft niet bterven noch van \'t leven u verzaden ? Gij hebt geen kracht van geest de wereld te versmaden , Geloof noch lijdzaamheid in \'t weifelend gemoed ? Wees dan uw eigen beul totdat gij sterven moet!
Ik zal.
1846.
STÜDENTIKOSITEIT.
Grlazen inslaan — het behangsel in reepjes snijden — collegie loopen. thee slaan en met de strooppot loopen — geen collegie loopen en niet thee slaan — kogels in de muur schieten — vervloekt studeren — 3 flesch wijn en 6 bommen bitter drinken — bij den naam van ieder burgermeisje een gezicht zetten, waar iets achter zit — toasten instellen — patroon wezen en de meeste ontgroenpartijen bijwonen — eene bibliotheek hebben (nieuwste Fransche Romans) — zingen en guitarspelen — verzen maken en reciteeren — engageerd zijn en niet engageerd zijn — een streep krijgen — grof spelen — veel op de kroeg en geheel niet op de kroeg komen — biljart spelen en veel partijen aankrijgen — punch brulé drinken en allerdolst wezen — \'s morgens laat op en laat naar bed, \'s morgens vroeg op en niet naar bed — schaatsenrijden en dikke kuiten laten zien —
Net doen als een gewoon mensch.
1846.
SONNET.
J\'ai demeuré la nuit, o mer, sur ton rivage, Nul astre ami sur moi ne versait son rayon, Et des Hocons d\'écume inondaient tout mon front, Le fiot contre l\'eceuil se brisait avec rage.
L\'ouragan furieux, sur l\'aile du nuage Rapide, avec fracas traversait 1\'horizon De l\'abime salé soulevait le limon,
Mêlant sa voix terrible a celle de l\'orage,
Mais tout a coup, — percant ce voile ténebreux Le roi du jour parait, sublime et radieux, Sa splendeur m\'éblouit, m\'inonde. m\'illumine.
Et maintenant se tait la voix acre du vent, L\'ocean appaisé dort en son lit grondant, Et moi, — je retournais, pensant a toi, Elmine!
(Wel en quot;Wee,)
1847.
y
EXAMEN-STUDIE.
FRAGMENT.
Ontfangt en bruyckt dit Rymen-werck Als lessen van uw Mede-klerk.
I.
De gouden zon ging schuil in \'t
Wester pekelnat. Cynthera Lenige.
De maan klom stil en statig op. Bellamy \'t Was nacht. Bellamy.
Daar zit hij in zijn\' breeden stoel, Tollens. Met neergebukten hoofde, Vondel.
En leest, Immerzeel.
Terwijl het vuurtje brandt, het
lamptje licht. M. Westerman.
Wie werkt en zwoegt daar nog zoo Gr. Stud. Alm. laat? 1848. P. ZOO.
431
Een student,
Burlage.
Cats.
Geweldig bang, nu kout, dan
weder heet;
Uit ieder hair ontstaet een drup
pel zweet.
Hij gaat te gast in boeken. Luyken De Grooten! Bynkershoeken ! Macquet.
Rijst op te lang in smaad bedolven !
Een nooit geziene dag breekt aan! Tollens Hij zal, Bellamy.
Studeeren. ƒƒ. Asschenbergh
Hij beeft het beloofd
Aan al die gelooven. Nieuwland.
Vraagt gij tot welk een doel ? Lublink d. Jongt En wat mag de oorzaak wezen Goeverneur. Van zulk een vlijt? van Alphen.
Ik weet het niet, maar gis het
toch: Tollens.
\'t Examen Burlage.
Is een prikkel
en geeft klem. Feith.
O plegtig tijdstip in die jaren !
O driewerf onvergeetlijk uur.
Waarin de mond met heilig vuur ter Haar. Dictaten studie Burlage.
Gaat verklaren • ter Haar.
Vervloekte punt van eer! Jan d. Brune Ach, wat blijft hem, wat nu over,
Dan herin\'rings zingetoover.
132
Opgelost in zielsgckwel! Nierstmsz.
0 moeilijk werk! benaauwde en
pijnlijke uren ! van Haren.
Wel is een zwaar gewigt van last En ongemak aan kunst en wetenschappen vast. Spinneker. Want hoe hij vorder\', hoe hij winn\'
\'t Brengt dieper hem het doolhof in. Immerzeel. TT ij leest Immerzeel.
In \'t wetboek van Justiniaan , Sifflé. Hij zoekt in \'t Corpus Juris, J. Goereé. En mist; R. Schutte.
Het raeckt er in, het raeckt er uyt. Cats. Nu beeft hij reeds voor \'t uur,
waarin hij \'t voorrecht missen,
Waarin \'t vacande wezen zou. Tollens.
Voorwaar, benijdbaar is hij niet,
Hij slaaf! .... Bogaers.
II.
Hoe, kraakt daar niet een zware stap Op \'t hout van d\'uitgehoolden trap ? ter Haar.
Daar kraakt de deur. Rotgans.
»Kom binnen maar !quot; Bilderdijk.
»Bonsoir, Amice!quot; Anonymus.
»Zijt gij het? van Lennep.
Wat wenscht gij, wat hebt gij ?quot; S. J, Wiselius. »Afgedrieduivekaters! Jan de Rijmer.
i 33
\'k Zie dat ge schoon studeert. Bilderdijk.
Hoe gaat het?quot; Asschenhergh.
))Hoe \'t met mij geschapen staat,
Dat zwijg ik liefst maar, kameraad ! Tm merzeel.
\'t Is erg! Mr. S. Reynden
Want niet gewoon
Aan intricale twisten, Pfe/fel.
Neem ik het wettigh zwaert, dat
buiten hoop In stucken hieu den Gordiaen-
schen knoop.quot; Vondel.
»Maar, zeg, wat is de zin, de zin, die in de woorden
ligt?quot; Pfeffel.
»De zin, de zin, nu ja!quot; Pfeffel.
»Ei, wil
Een kaartje spelen, in plaats van
studeeren. Jerocnsz.
Twee wissels, vriend ! heb ik terstond op mijn verlangen Van huis ontvangen. Immerzeel.
Beste maat Rep je wat
Ben je klaar? Jan de liegt.
Gij antwoordt niet?quot; ter Haar.
»Ik dank je wel; ik ben te vreên;
Al zit ik hier ook wat alleen.
Mijn plaats is hier.quot; Nuts-AIrnanak.
»0 dwaasheidt! zegt mij doch, wanneer
134
Is \'tin een wrijtend hartmoy weer ? Vondel.
Wel nu,
Ik ga, vaarwel!quot; Helmers.
«Blijf!quot;
\'k Ga mee! ga zitten; \'k ben gereed. Immerzeel.
Ik kan geen vriend alleen
Partijtjes laten spelen
Ik ben geen drinker, waarlijk niet:
Het zwelgen staat mij tegen
Maar als men mij een glaasje biedt
Dan dien ik \'t toch te leêgen. W. de Villez.
Ik volg u . . . ter Haar.
Maar eerst de roerpijp aan te vlammen.
En dan de knoeststok in de hand
Dan, voorwaarts!quot; Immerzeel.
Zij gingen. . . . Helmers.
Hemelsche standvastigheid ! Vincent Loosjes.
1849.
UTINAM!
Een lief meisje is als eene roos: zoo liefelijk en zoo zedig; — maar ze is ook niet als eene roos: ze is niet stekelig.
Zij is als eene hen: ze staat op haren tijd op; — maar ook niet als eene hen: ze loopt niet te kakelen.
Ze is als eene echo: zoo openhartig en volgzaam ; — maar ook niet als eene echo; ze wil niet altijd het laatste woord hebben.
Ze is als eene pijp : ze veraangenaamt het leven cn doet de zorg verdwijnen ; — maar ook niet als eene pijp: ze hangt niet aan ieders lippen.
Ze is als het Romeinsche regt: ze is altijd en voortdurend nuttig; — maar ook niet als het Romeinsche regt: ze is niet zoo droog als kurk.
Ze is als eene bij: zoo ordelijk en net; — maar ook niet als eene bij: ze steekt niet in alles haren neus.
Ze is als eene spin: zoo vlijtig en zoo huisse-
136
lijk; — maar ze is ook niet als eene spin: ze zoekt geen\' papillons in hare netten te vangen.
Ze is als lö vivat: men kan den hoed voor haar afnemen; — maar ook niet als lö vivat: ze komt op geene dronkenmanspartijen.
A la Abraham a St. Clara,
1850.
MIJN WENSCH.
Een huisje rein,
Een hofje klein,
Een vrouwtje blank van lijf en ziel; O, dat mij dit ten deele viel!
\'k Had dan tot danken driewerf stof: Mijn\' vrouw, mijn\' boeken en mijn hof.
—. l. —.
1850.
ZANGEN DER LIEFDE.
I.
\'t Zwerfziek windtjen, hupplens moe. Sloeg de gazen wiekjens toe, En Terscliool zich in het groen Van het frissche mayplantsoen.
Luistergraag — als meiskens zijn — Kwam daar een lief maagdelijn Luistren in \'t gewelfd priëel Naar \'t gezang van Pilomeel.
\'t Nachtegaaltjen, moêgekust,
Zong zijn gaaiken in de rust ;
\'t Prees de zaligheid der min Toer zijn teedre hartsvriendin.
\'t Meisjen ving dat zóet akkoord, —-\'t Minnelied voor \'t eerst gehoord, — En, des zoeten mijmrens moê,
Sloeg \'t de zijden wimpers toe.
138
\'t Windtjen, — stoutert, die \'t verried Had de teedre maagd bespied;
En, zijn schuilhoek straks ontvlucht, Bragt het flusjens my — een\' zucht.
II.
\'t Was uchtend en de kim van \'t Oost Met tintiend goud gezoomd,
De wolk met purpergloed omboord, Verzilverd scheen \'t geboomt.
Daar rees zij van heur leger op En zweefde, ligtgeschoeid,
Naar \'t perkjen in haar bloementuin, Waar roos en lelie bloeit.
Zy breekt er een van \'t steeltjen af, En weer een en nog een;
Schakeert het wit en \'t rood, en windt Er groen — de hoop? — doorheen.
En die nog sluimren in den knop, Begluurt zij lang en stil,
Alsof zij met haar vriendlijk oog Ze doen ontluiken wil.
139
Toen ging zij heen; — en ik ter vlucht
Bespiedde bloem en blaan,
En op een naauw ontloken roos Glom parelend — een traan.
III.
\'k Heb haar naam met kunstig schrift In den lindeboom gegrift,
Waar zij \'s avonds zich laat vinden,
Als de maan het zwerk beklimt,
En door \'t lommer van de linden \'t Zilvren licht der starren glimt.
Las zij op den gladden stam Ook \'t geheim der minnevlam,
Die mij \'t binnenste heeft ontstoken ?
Ried zij, vvien dien naam daar sneed ? — Lieve linde, geef me een teeken.
Zoo ge gist, dat zij het weet.
Maar — ik heb haar zelf \'bespied. quot;Was zij zelve, onwetend, \'t niet,
Die \'t geheim mij heeft verraden ?
Ja, toen zij beur naam daar zag, — \'k Gluurde door de digte bladen, — Speelde er om heur mond — een lach.
140
IT.
Het duifjen, moê van \'t vliegen, Streek op haar schouder neêr,
En vleide van haar lippen Om kusjens, keer op keer.
En zie, haar mondjen weigert Die dienst der liefde niet;
Maar kust en neemt de kusjens, Die \'t schalke dier haar biedt.
Daar klapwiekt weêr de vogel, Den blanken hals ontvlucht,
En drijft op matte vlerken
In \'t deinend blaauw der lucht.
En eensklaps neergestreken, — o! Wie bestelde \'t dus?
Zet hij zich op mijn schouder. En biedt my — kus op kus.
1851.
WENSCII.
Laatst sprak een vader tot zijn kind, Een meisje, dat door elk bemind En thans, als maagd van achttien jaar, Geschikt was voor het echtaltaar; —
»\'k Bewaarde uw\' onschuld, kind! met vlijt — Wel wilde ik, van die zorg bevrijd. Nu vruchten van mijn\' moeite smaken. En u ^door d\' echt gelukkig maken.quot;
»»Perfect Papa — zei \'t aardig ding.
Maar \'k vind uw\' wil toch zonderling.
Want — ach! — de knapen naar mijn zin Verzochten nooit me om wedermin.quot;quot;
sis dat alléén, mijn lief! \'t bezwaar. Dan staat reeds morgen d\' echtkoets klaar. Want naast de deur woont fridolijn ,
Die \'k weet, dat gaarne uw man zou zijn.quot;
142
Hij \'s veertig jaar — veel jonger niet, Gelijk gij aan zijn haar wel ziet — Daarbij bemiddeld en gezien;
Aan hém moest ge uwe hand dus biên.
Ik keurde uw\' wil, Papaatje! goed;
Maar huwen met zoo\'n ouden bloed!
Neen! — \'k heb in plaats van fridoujn, Veel liever twee, die twintig zijn. — 1851.
BLADVULLING.
Père perdu.
Ein Mysterium, das nur Von demjen\'gen wird verstanden , Der entsprungen ist dem Kerker Der Vernunft und ihren Banden.
quot;heine.
1853.
DAUW TRAPPEN.
Daar was weleer zoo menig oord, Dat roemde op zulk een woud,
Daar werden feesten in gevierd, Geheimnisvol en oud.
Maar zelden kon zoo oud een bosch Des schenders bijl ontgaan;
En nergens bleef een derg\'lijk feest Op oude wijs, bestaan.
Slechts hier vertoont zich nog het woud, Zoo \'t altijd is geweest:
En \'t is nog jaar op jaar de plaats Voor \'t oud , mystieke feest.
Als voorjaars Pinkster is in \'t land, Dan spoedt de blijde jeugd,
Met de avondscheem\'ring zich daarheen, Op vleuglen van geneugt.
144
Daar stort een rei dan , vol gevoel. Verheven koren uit,
En and\'ren dansen dartel rond,
Bij \'t streelend maatgeluid.
Dan speelt en stoeit de blijde jeugd. En fladdert door het woud;
Maar menig paar dwaalt eenzaam af, Bjj zoeten minnekout.
En vaak wordt hun \'t genot verhoogd , Al schijnt ook \'t maanlicht flaauw;
En schoon zelfs \'t woud in dauw verzinkt, De jeugd trapt door den dauw.
En vaak werd ook \'t genot verhoogd. Als \'t maanlicht gansch bezweek;
quot;Want onbespied en ongestoord Bleef menig dwaze streek ....
Zoo duurt de vreugd den avond uit En gansch den nacht nog voort.
Totdat een ieder wordt verrast.
Als reeds de morgen gloort.
En vraagt gij nu, wat of dit feest Toch wel beteek\'nen zou?
Het ware doel bleef steeds geheim,
Maar \'t heet; men trapt den dauw.
145
En wie hier niet was ingewijd,
En zich naar \'t woud begaf, \'t Geheim van \'t feest zocht te bespiên, Hem wachtte een wreede straf.
1852.
WAARSCHUWING.
z IJ.
Kijkt ge mij dan altoos na, Waar gij mij slechts vindt? Neem uwe oogjes toch in acht. Anders wordt ge blind?
H M.
Keekt ge nimmer achterom, \'k Zag dan niet je blikken; Neem uw halsje toch in acht, Wilt ge \'t niet verwrikken!
Naar \'t Hoogduitsch van L. UHLAÏID.
1852.
10
ÉÉN UIT VELEN!
quot;Vervloekt! is dat mij hier een lijden!
Ik geef den brui er langer van!
Ben ik, ben ik dan nog een man Om papillotpapier te snijden?
Ik, die \'t zelfs voor mijn zus niet deê! Zal ik, die \'t huis wel dorst bevelen,
Hier nu voor elk: »uw dienaarquot; spelen, Een voetwisch zijn op iedre thé?
Een looper van verliefde gekken , Een sjouwer zonder stok of hoed,
Die wijken en die groeten moet
Yoor elk---ik zou ze liever nekken,
Dan langer zoo een sul te zijn!
Hier! — bij dit edel glaasje wijn, —
Hier! — bij dit puikje der Havannen — Hier zweer ik, niet één enkle maal. Te zullen schrikken voor de taal Dier Heeren! — \'k zweer mijn vrees te bannen! Yloekt men mij soms — ik vloek weerom! Beveelt men mij — ik houd mij stom!
i\'lJ
Bedreigt men mij — ik zal ook dreigen! En komt men mijn fatsoen te na, —
Het raakt mij niets, voor wien ik sta, — \'k Zal, als mijn gramschap is aan \'t stijgen. Ook toonen dat ik ... .
Wie duivel komt daaraan? —
))Zeg Groen
»Kon jij de deur niet opendoen,
»Toen je ons den trap op hoordet komen? «Spreek lomperd! — Ben je een Hottentot? »Wel satanas! Wat kijk je zot!
«Spreek kerel! zit jij hier te droomen?
»Of____quot;
Neen, Heeren! zeker, op mijn woord .... «Jou woord is ïfihil! Mille tonnerres!
«Bezorg dit briefje ventre a terre »Au post! — Verstaan?quot;
Ja Heeren! ik ga voort
1852.
10*
ELK VOGELTJE ZINGT ZOO ALS HET GEBEKT IS.
Een yegelijk hoorde haer in sijn eigen Tale spreken.
Lucas.
\'t Is wel eens aardig om te hooren, in welke verschillende bewoordingen de onderscheidene soorten van menschen dezelfde gewaarwordingen uitdrukken. Ten minste ik vind het niet onaardig. Is de lezer \'t niet met mij eens, dan kan hij dit stukje overslaan.
Om blijdschap uit te drukken.
het jonge meisje: dat \'s dol!
de kwa-jongen: wat een pret!
de matroos; daar kan een borrel op staan!
de koopman: hm, hm, geen kwaje zaak!
de dienstmeid; dat \'s een doffien!
de straatjongen; jeis kerel, wat een lol!
de student: dat \'s chique, verduiveld chique!
de luitenant krult zijne knevels om, of, als hij die niet
149
heeft, strijkt hij met welbehagen over de plaats waar hij ze verwacht, terwijl hij met vrolijk geknor een bevalligen vloek mompelt.
Om iets te verzekeren.
het jonge meisje: \'t is heusch !
de kwa-jongen: mijn hand er op!
de zeeman; \'k laat me kielhalen, als \'t niet zoo is. de koopman: ik sta er u borg voor.
de dienstmeid; \'k mag zoo doadlek deur de grond zinken als \'t neit waor is.
de student: daar kun je donder op zeggen! de luitenant vloekt en zegt: parole d\'honneur.
Bij eene beleediging.
het jonge meisje : meneer!
de kwa-jongen: \'k zal \'t aan mijn broer Piet zeggen, de matroos: wil je wat op je donder hebben? de koopman: meneer, die taal . . . . ■
de dienstmeid: zoo n smeerlap, zoo\'n gemeene galge-stroppe!
de straatjongen: laot \'k jou rais weer kriegen! de student: zeg eens: je moest niet piquant wezen, de luitenant vloekt afgrijslijk en spreekt over satisfactie.
150
Bij \'t zien van een mooi meisje.
het jonge meisje: hemeltje, wat een coquet nest! een matroos: nou Tom, wat zeg je? hm? de koopman; ze ziet er niet kwaad uit.
de dienstmeid: kiek me r\'eis an, wat een draaister! de student: een engel van een meid!
de luitenant trekt zijne wenkbraauwen omhoog, klapt met de tong tegen \'t gehemelte en vloekt.
Om zijne ingenomenheid met een \'persoon te kennen Ie geven.
het jonge meisje: dat \'s mijn charme.
■Deze uitdrukking zal echter door een meisje dat nog d prendre is (of zooals ze zelve dat liever uitdrukken ü demander) nooit gebruikt worden wanneer er sprake is van een jong gezel: alle zulke personen zijn haar ex officio onverschillig.
de matroos: dat \'s een kerel!
de koopman: een solied mensch.
de dienstmeid: een snaoksche vent, een kerel als kars,
een man als een huus!
de student: een fidele kerel.
de luitenant: een royale kerel.
151
In watersnood.
het jonge meisje (zich tot haar vriendin wendende) ga je even mee?
het kind: ik moet zóó noodig!
de getrouwde dame: \'k ga even een thee-briefje halen.
de zeeman: \'t is hoog water.
de koopman: met uw permissie, ik ben zoo aanstonds weer bij u.
de student; heb je ook een virgilius bij de hand?
1854.
EEN IDEAAL VAN EEN STUDENT.
(Volgens het schoone Mietje.)
Kleedt zich keurigjes , is onvermoeid in \'t dansen, onuitputtelijk in bons mots, frequenteert bals, concerten en schouwburg, loopt zondags op den Heereweg en daags door de hoofdstraten, groet met een snoeperig lachje, staat bij \'t uitgaan van de avondkerk onder \'t orgel, met een parapluic als \'t regent en blijft t\' huis als \'t volle maan is. {Volgens Papa.)
Is praetor, terwijl hij nog onder de novitii teekent , rookt weinig, drinkt weinig, slaapt weinig, gaat weinig uit, studeert veel, doet schitterende examens en maakt volstrekt geen beeren.
{Volgens Mama.)
Draagt trouw zijn flanellen onderhemdje, gaat nooit baden, trouw ter kerke en bij tijds naar bed, maakt geregeld visites bij tante Jans en de familie Loppers en schrijft vast ééns in de week-(Volgens broeder Pietje.)
Neemt wat meê als hij met de vacantie \'t huis komt.
153
( Volgens Professor X )
Loopt trouw college, lacht om de Hooggeleerde uijen, vraagt bij iedere gelegenheid Professor om raad, spreekt op theedag over »\'t in zich opnemen en inwendig verwerken van het op \'t college gehoorde,quot; ziet in de praetorguldens een geoorloofde schatting en geeft bij gelegenheid van een soupeetje vroegtijdig het sein om op te breken.
(Volgens den hospes.)
Is schatrijk, houdt geen hond, studeert tien jaren, maakt nergens aanmerkingen op, \'t allerminst op het weekboekje, verwondert zich niet dat de turf zoo spoedig op is, maakt bij tijd en wijle een praatje, wint soms zijn raad in en geeft zijne vrouw bij haar bevalling een confituur taart. (Volgens de meid.)
Sluit nooit kasten of kisten, houdt geen oog op den inhoud van suikerpot of beschuiten-trommel , laat haar in den regel weinig boven komen, maar dikwijls, wanneer er hoeren zijn, die haar om de kin plegen te strijken.
(Volgens den oppasser.)
Logeert dikwijls bij zijne kennissen, heeft zelf nooit logeergasten, heeft weinig boodschappen en veel jenever in de karaf, herinnert zich nooit hoeveel dubbeltjes hij gisteren in zijn vestzakje had, noemt petten en broeken spoedig te oud om er langer mee te loopen en gelooft alles wat men hem vertelt.
154
{Vólgens Mevrouw X.)
Is puissant rijk, neemt gedurende zijn studententijd haar drie oudste dochters mee naar concert en comedie, speelt voor St. Nicolaas bij de kleintjes, vraagt eindelijk Mejufvrouw Lea ten huwelijk, en daar hij Racheltje er volgens \'s lands wetten niet bij kan trouwen, is hij toch vriendelijk genoeg haar voor een jaar of vijf te logeren te vragen, heeft eindelijk een jongeren broer , die, zijne voetstappen in alles drukkende, na verloop van tijd de jongste dochters aan den man brengt. {Vólgens den ouden schoolmeester Lor.)
Loopt niet in kroegen of societeiten, maar studeert ; kijkt niet naar de meisjes, maar studeert; heeft geene vrienden, maar slechts een paar kennissen waarmee hij repeteert, eet alleen op zijne kamer, praat niet over wisjewasjes, maar alleen over studiezaken, drinkt alleen zondags een enkel glaasje wijn, noemt de muzijk gekheid, poezij nonsens, beschouwt het bezoeken van den schouwburg als onzedelijk, het dansen als verboden wellust, het biljart als eene uitvinding des satans, gaat \'s avonds om half elf naar bed en staat om zes uur weer op, heeft nooit een roman gelezen, zou voor geen geld naar de wafelkraam gaan, vindt het woord beeren gemeen, de zaak zelve beneden den mensch, heeft nooit oesters zien eten en kent champagne slechts bij name , vergoot tranen van ergernis, toen een meisje hem \'s avonds op de ossemarkt op vleijenden toon goe-
155
den avond wenschte en — presenteert in de vacantie den ouden meester een cigaar.
»Die al die menschen wil behagen en in al, Magh heden wel beginnen,
Maar quaet is \'t te versinnen ,
Wanneer hij einden sal
daarom willen we er nog één artikeltje bijvoegen , dat onzes bedunkens het ware ideaal van den student schetst, een ideaal waaraan we allen mogen en kunnen beantwoorden , als we maar willen.
(Volgens den wijssten Koning.)
Legt als een wijs mensch wetenschap weg, verblijdt zich voorts in zijne jeugd en laat zijn harte zich vermaken in de dagen zijner jongelingschap, wandelt in de wegen zijns harten en in de aanschouwing zijner oogen , maar vergeet bij dat alles nooit, dat God hem om alle deze dingen zal doen komen voor \'t gerigte.
1855.
DE SAVOYAARD.
Kent gij die oorden, zoo bevallig, Waar \'t kleurig Alpenroosje bloeit, En \'t kabbelend beekje, zoo lieftallig, Langs \'t welig groen der oevers vloeit; Waar, op de kruin der steile klippen, De voorpost van de gemzen staat. Hoog in de lucht de gier, als koning, De breede wieken klapp\'rend slaat?
Kent ge Savoije, kent ge de Alpen, Hun kruin met eeuwig ijs bekroond, Het lachend groen van hunne weiden , \'t Onschuldig bergvolk, dat er woont? Kent gij dat oord ? — o! zie dan neder Met medelij op \'t jeugdig kind, Dat reeds die oorden moest verlaten, En licht ze nimmer wedervindt.
Neen! wisch die traan niet van uw wangen. Wanneer ge \'t weenend knaapje ziet.
i57
Dat reeds zoo vroeg zijn schoone bergen, En de ouderlijke hut verliet.
Schenk hem een gift; — licht dat de gave. Die ge aan het schamel knaapje doet, Nog eens, aan gene zij der bergen ,
Zijn moeder voor den dood behoedt.
HET AFSCHEID.
\'t Is avond ; met een rozengloed Heeft de ondergaande zon de bergen overgoten, De lieflijke Alpenroos, in \'t donzig groen ontsproten,
Bloost, nu de zon ter kimme spoedt Met zachter gloed; en hoog, hoog uit de groene weide. Waar \'t geitje dartel sprong en vrolijk spelemeide ,
Daalt nu de blanke kudde neer;
De klokjes klinglen zacht langs dal en heuvelklingen, Als ze uit de groene wei naar \'t nedrig dorpje springen, En zoeken elk zijn stulpje weer.
Een breede schaar van arme Hen, In \'t schamel kleed gehuld, stroomt naar het kerkje henen, Hoe staat hun oog zoo droef? — waarom dat angstig weenen?
Is \'t licht eene uitvaart, die we zien ?
Eene uitvaart! — ja, wellicht. Als weer het licht zal dagen, De morgenzon den nacht zal van de bergen vagen. Dan trekt die rij van knapen weg,
158
Ver van het vaderland, zijn bergen en zijn beeken, En daarom gaan ze thans hun goeden Vader smeeken, Dat Hij hun schuts mag zijn op weg.
Ootmoedig knielen allen neer,
De grijsaard en de man, het knaapje en de moeder, En smeeken trouwe hulp en troost van d\' Albehoeder;
En \'t stil gebed rijst tot den Heer —
Thans zijn weer allen van de knieën opgerezen; Vertrouwen op hun God staat hun in \'t oog te lezen,
Die hun gebed verhooren zal,
Die, in gevaar en nood, zal over \'t knaapje waken, Die \'t ongebaande pad zal vlak en effen maken, En leiden het langs berg en dal.
Het scheidingsuur breekt eindelijk aan, \'Met bleek bestorven wang hangt \'tkind aan moeders harte, -Geeft haar den afscheidskus met namelooze smarte,
Nu het van moeder heen zal gaan.
Het ziet nog eenmaal op naar \'t lieflijk groen der weiden, Naar \'tklippig rotsgebergt, waarvan het nu gaat scheiden.
De hut, waar eens zijn wiegje stond;
Komt moeder voor het laatst in de open armpjes prangen, Het kust den tranenvloed haar van de bleeke wangen, En scheidt van zijn geboortegrond.
Als gij dan \'tknaapje ziet, dat rondzwerft langs de wegen, Licht honger lijdt, als gij geniet,
159
Wendt dan uw oog niet af, maar treedt het vriendelijk tegen, En weigert het uw penning niet.
DE TERUGKOMST.
Weest gegroet, gegroet, o dalen! Weide en bergtop, weest gegroet! Nu ik weder, aan uw voet, Ademhaal met blijden moed, Nu, langs dal en heuvelklingen , Ik weer blij mijn lied mag zingen: »Stille dalen, weest gegroet!quot;
01 \'t was mij zoo bang om \'t harte, Toen ik \'t nedrig dak van riet, In dit stille dal verliet.
Weg zag duiken in \'t verschiet; \'k Had geen tranen, om te schreijen, \'k Riep van gindsche heuvelrijen :
»Stille dalen, weest gegroet!quot;
Ver van u heb ik geleden.
Ver van u bezweek mijn moed. Donker was \'t in mijn gemoed, \'t Oog zwom in een tranenvloed. Was de nood den top gestegen, \'k Snikte u dan mijn afscheid tegen: »Stille dalen, weest gegroet!quot;
160
Ramp en leed, hoe zwaar ze wogen, Zijn voorbij; ik ween niet meer, Nu ik tot mijn\' ouders keer.
\'k Leg mijn wandelstaf ter neer, En langs dal en heuvelklingen,
Zal ik blij mijn lied gaan zingen: »Stille dalen, weest gegroet!quot;
1856.
WEL DOEN BOVEN BETEE DOEN.
«Wie trouwt doet wel; maar wie niet trouwt doet beter Zoo sprak, op zekeren tijd, de goede vader Peter Tot ADELHEiD, zijn kind, een flinke, schoone maagd, Toen haar een rappe borst ten huwlijk had gevraagd. «Hoor, vader!quot; —antwoordt zij — »als gij \'tons wilt
vergunnen,
))Laat ons dan wèl doen . . en doe beter, wie \'t zal kunnen. Naar het Fransch.
1853.
PERGOLESE. (quot;)
(geibel.)
Eindlijk heeft de vrome Meester zijnen arbeid afgedaan; Brengt zijn dank ten troon des Eeuwgen, biedt Hem vurige
offers aan.
Hoor! daar ruischen, heerlijk golvend, door de bogen van
den Dom,
Hemelsch schoone tempelzangen — statige orgeltoonen
om: —
Stabat mater dolorosa Juxta crucem lacrymosa,
Dum pendebat filius,
Cujus animam gementem,
Contristatam ac dolentem Pertransivit gladius.
162
En Maria\'s moederssmarten roeren aller harte diep, Nu het orgel dieper, yoller, zwellender accoorden schiep; Maar zijn schoone hemeltonen balsemen de felle smart, En de weemoed plengt heur tranen en geeft lucht aan \'t
hijgend hart.
Quis est homo, qui non fleret,
Christi matrem si videret In tanto supplicio,
Quis non posset contristari Piam matrem contemplari Dolentem cum filio.
Vrome huivring, heiige vreeze roert des Meesters groote
ziel, —
Ernstig voorgevoel van sterven, dat zoo zacht hem overviel; Doch met vast geloofsvertrouwen blikt zijn oog naar \'t outer heen,
Naar \'t genabeeld van Maria, dat hem nooit zóó heilig
scheen.
Virgo virginum praeclara,
Mihi jam non sis amara,
Fac me tecum plangere,
Pac ut portem Christi mortem Passionis ego sortem Et plagas recolere.
Hoor! daar klinken Englengalmen neder in der vromen koor; Wondren gissend neigt de schare, in aanbidding, t luistrend oor ;
163
Zalige Englen dalen neder — dragen, hemelglans in \'toog, Hem , den Meester, mee naar boven, en het lied ruischt
mede omhoog,
Fac me cruce custodiri,
Morte Christi praemuniri,
Confoveri gratia;
Quando corpus morietur,
Fac ut animae donetur Paradisi gloria.
1856.
REPUBLICANISME.
Man.
Weg met de tijrannie! de gulden vrijheid boven! Een vrije republiek! des noods als bloed zoo rood; Wie zou mjj van mijn recht dan langer nog berooven ? Ik zelf wil meester zijn, of \'k wijd hen al den dood.
Vrouw.
Stil rekel! lummel stil! wat hebt gij daar voor woorden, Voelt gij die sloffen wel? wat woudt\'gij baas zijn daar? Ik ben alleen hier baas; wien wilt ge nu vermoorden ?
Man.
Och , lieve vrouw ! u niet, ik meen den koning maar. 1854.
U»
MUTUA FIDES.
In diesen heil\'gen Hallen,
Kennt man ein\' Wahlspruch: Sauf! Und ist ein Mensch gefallen, So steht er wieder auf:
Dann wandelt er nach Saus und Braus, Tergniigt am Freundes Arm nach Haus.
In diesen heil\'gen Mauern,
Wo man nur Edles liebt,
Kann keine Flasche ersauern,
Weil man kein-Zeit ihr giebt. Wen solche Sitten nicht erfreun, Verdienet nicht Student zij sein.
1863.
EENE SCHAKING UIT DE NEGENTIENDE EEUW,
KLUCHTSPEL MET ZANG IX VIER BEDRIJVEN. Personen.
WILLEM , j
frans, ) studenten te Groningen.
jan , i
Laura van der flücht , beminde van Karei.
karel , minnaar van Laura, pas gepromoveerd Med. Doet.
van der flucht, oom en voogd van Laura.
van der flucht , advocaat te Groningen, insgelijks een
oom van Laura.
ulbe, oppasser van Willem.
harm, koetsier.
saartje , dienstmaagd van Willem.
mie, dienstmaagd van Van der Flucht.
Het eerste bedrijf\' speelt te Groningen op de kamer van Willem; het tweede in Drenthe naby Gieten; het derde in Assen, ten huize van van der Flucht, de oom van Laura; het laatste in Groningen, ten huize van van der Flucht, de tweede oom van Laura.
EERSTE BEDRIJF.
Het tooneel verbeeldt eene studentenkamer, fraai niet platen, wapens en andere ornamenten gedecoreerd. Door de roode overgordijnen beschijnt de zon met i\'antastiscli licht de bedstede, waarop drie jongelieden in bevallige wanorde, half gekleed liggen Ie slapen. Voor het bed staat een klein tafeltje, waarop twee geledigde ebampagneflesschen, drie fijne glazen, nog half of geheel vol, twee bijna uitgebrande waskaarsen in een half krentebrood gestoken, pijpen, tabak, sigaren, etc. etc.
ULBE.
Sakkerloot, wat is het hier weer wonder doorgegaan!
Als ik het wagen dorst, ik liet de heele boedel staan, En speelde ook , even als Meneer, den gebraden haan.
Meneer is stellig van nacht weer mooi aan \'t pierewaaijen geweest, Want er was gisteren avond een serenade of soortgelijk feest. En dan pakt Meneer hem gewoonlijk het allermeest. quot;Wat liggen die kleeren daar weer mal dooreen!
Allemaal jassen, stokken en petten, maar broeken niet een. En een schoen en een laars met een gat op den teen. Er liggen stellig meer in het bed , ik moet maar eens kijken , Om dan in Gods naam maar te gaan poetsen en strijken.
{Hij sluipt zachtjes naar het hed.) Goeije deugd , daar liggen er wel drie ,
En twee leege flesschen Oeil de Perdrix.
Kom , wat er in die glaasjes is , is maar voor mij ,
En dan neem ik ook gsruat een paar sigaartjes er bij , Dan nog een bittertje of oen glas bier,
Voor een fatsoenlijk oppasser zijn rechtmatig morgenvertier ,
-167
Noodzakelijk tot het bewaren van zijn lichaam en het maken
van goede sier.
Natuurlijk, de Heeren zijn vrij laat van hun kroegfeest thuis
gekomen,
En gevoelden lust in alles, behalve in slapen en droomen, En een gedeelte van hun drieën op het warme bed in de gedaante van zweetdroppels naar buiten te stoomen , Zoo dat Saartje het morgen met een tinnen soeplepel van de
bedlakens kan roomen.
Nu, enfin, wel moge het hun bekomen!
Op zijn minst slapen ze tot van middag een uur of vier.
Maar laat eens zien, wat staat daar op dat stuk papier ?
(Hij leest.)
„Ulbe!
„laat je straks, precies halftien,
„Mij roepende voor de beddeplank zien.
„Pas vooral op den tijd, en roep mij geen minuut te vroeg
of te spa,
„Daar ik je anders meedoogenloos uit mijn dienst ontsla. „Zorg tevens voor theewater en een stevig ontbijt,
„En geef daartoe de noodige bevelen aan Saartje, de meid.quot; En \'tis allang over negen, hoe krijg ik dat klaar.
(Hij roept bij de deur.) Hui, hui, kom spoedig bij mij boven Saar!
SAAETJE.
Daar ben ik al, Ulbe! wat is er van je dienst, mijn vrind?
ULBE.
Je moet dadelijk theewater boven brengen kind.
En naar don bakker loopen als een stormende Noordewind,
Daar ik zoo even dit briefje op de tafel vind.
SAARTJE.
Nou komaan! de Heeren hebben ook wol een beetje tijd. Dat is geen drukte gelijk voor een arme meid.
168
ulbe.
Maar je weet even goed als ik, beste Saar!
Meneer maakt niet vergeefs zulke briefjes klaar.
Hoe laat is Meneer van morgeu thuis gekomen ?
saaetje.
Nou , mooi laat. Ik was al een tijdje bezig geweest met de straat ,
Toen Meneer met twee anderen er aankwam. Ik vlugte in huis,
maar flus
Gaf een van de beide andere Heeren mij een kus.
En zij hebben toen nog een heele tijd op bed te zingen en
drinken gezeten,
En een versch krentebrood half opgegeten,
Dat ik hen brengen moest voor hun bed,
En waarin ze toen twee brandende waskaarsen hebben gezet.
ulbe.
Ik durf de Heeren niet aan te raken,
En kan ze de schoenen niet uittrekksn zonder ze wakker te maken. quot;Weet jij ook raad, Saar?
saaetje.
\'Ja, dat je de Heeren maar dadelijk wakker maken gaat.
Want ik geloof dat de klok al half tienen slaat.
Ik zal de juffrouw maar gaauw vragen om geld. {Af.)
Willem, {ontwaakt).
Holla! Oppasser, bij de gratie Gods over het menschdom gesteld! quot;Wat sta je daar met mijn meid te konkelen en praatjes te maken, In plaats van je te bemoeijen met je eigen zaken ?
Kom nu eens hier, en trek met je oppassende hand Dien eenen schoen van mijn voet, hij heeft zeker het land.
169
quot;Want hij gevoelt zich hier even min thuis als een schelvisoh
op \'t strand.
Of als een ongespeend varkentje voor een gloeijende luijermand. En wees dan ook zoo vrij , die Heeren van hun overtollig
schoeisel te bevrijden , Of wij hebben eene belegering te verduren van Saartje, met een legioen keuken- binnen- kinder- en andere meiden. En poets ze met alle kunst en oppassersfatsoen,
Want zij zullen van daag een pleiziertochtje in den vreemde doen; quot;Waarvan de wereld zal gewagen tot aan haar laatste noén.
ULBE.
quot;Wil Meneer zich ook ontlasten van zijn vest, overhemd en broek?
WILLEM.
Neen, want dan maak ik met het uit en aantrekken maar dubbel tijd te zoek.
Zal Saartje water boven brengen ?
ULBE.
Meneer ! ik heb het haar gezeid. WILLEM.
Trek dan dat tafeltje van voor mijn bed, of het wordt met een
sprong omver gerameid. \'t Is hier zoo vol als in de arke Noaohs! Goeije morgen Ulbe ,
het hoeft niet, daar ben ik al. Net als Remus, toen hij een sprong deed over Romes buitenwal Met dit onderscheid, dat Romulus toen zijn broertje doorstak, En ik het dezen wil doen, ais ze nog langer blijven liggen in
den vorm van een\' meelzak. Reik me dien fleuret maar eens aan.
ULBE.
Als je blieft, Meneer!
170
willem.
Op , luie hansen ! of ik geef je een peer,
Dat, al heb je ook nog zoo\'n pijn in \'t haar,
Je me nooit weer vraagt om een dito exemplaar.
Of me je andere zij toekeert, als een nuchteren martelaar.
Slaat je katterige oogen op en ontluikt zoo je liefelijke facie , Of ik voel me verplicht dezen dag te beginnen met een\' afschuwelijke moorderatie
Van mijn vrienden , mij dierbaarder dan mijn eigen vleesch en
bloed.
Hup! daar heb jij den eersten por; maak\'spoed, maak spoed! Of de drommel zal je ... .
frans. (gaat opzitten, nog half in den dommel)
Helschkoloniaalsoh! genade! moord! Potsdonnerwetter ! Jan ! Willem ! help! wij worden gesmoord ! Stoot toe landverrader! wil vrij dit edel bloed gaan drinken! Ach! bij gebrek aan schoenen, voel ik mijn hart reeds in de
kousen zinken.
Ik sterf. .. .
willem.
ha ha ha! op stoffels bij de pinken!
Denkt aan den duren eed, dien je gisteren avond zwoert bij een
glas Oeil de Perdrix, Hoe we gezamentlijk voor onzen dierbaren vriend Karei, alle drie , Toegerust met den moed van een leeuw,
Eene schaking zouden vertoonen uit de Negentiende Eeuw; En hoe we voor hem de schoone Laura van der Flucht Uit de boeijen van haar voogd zouden redden, waar ze rampzalig in zucht.
En haar voeren naar een liefelijker lucht,
Bij haar tweeden oom hier in Groningen, d\' Advocaat,
Met wien Karei in naanwe vriendschapsbetrekking staat.
171
Opdat zoo dit lieve kind
De zalige echtgenoote -worde van onz\' gelukkigen vrind.
Frans en jan. {tegelijk.)
Hoerahj Ja, daar zijn we al!
willem.
Mille Dieu! je springt als boeren op een kermisbal. quot;Wie drommel geeft je het regt zoo klakkeloos op mij neer te
komen,
Net als protters bij hun avondzang op de toppen der boomen , Sacre tonnerre! je handelt bijna net zoo roeg Als Simson, toen hij met een ezelskinnebak de philistijnen te
pletter sloeg.
jan.
Houd je maar bedaard, mijn kerel, \'tis al gedaan.
Hoe kom je ook zoo verdraaid voor onze verduisterde oogen te
staan.
Kalmeer je maar met theezetten. Ik geloof Saartje komt er al aan.
saartje. (treedt binnen met theewater.) Goeije morgen, Heoren!
willem.
Goeije morgen , Saar!
Is na lang koken en braden je theewater gaar ?
saartje.
Ja Mijnheer, ik had het anders al eerder klaar.
Maar toen moest ik de kleine van de jufvrouw beredderen gaan , Die schreeuwde zoo, dat ik weet nog niet waar mijn ooren me
staan.
17\'2
JAN.
Hob je ook eijers gekookt, Saartje?
SAARTJE.
Ja Meneer, actit.
JAN.
Je bent een engel jandorae! in menscbenvacht.
SAAETJE.
Dan hoop ik, dat Meneer te na zoo\'n engel loopen laat.
Als ze weer in de vroegte bij de deur te schrobben staat.
FRANS.
Als Meneer dat moest doen, Saar! dan werd hij disperaat. Stierf aan een gebroken hart en viel levend van den graat.
SAARTJE.
Och kom, de Heeren maken maar wat mallepraat.
WILLEM.
Komt jongens! wascht je wat, want we hebben niet zooveel tijd. Dan moeten we als de donder aan het ontbijt,
En dan voort . . voort. De boel is hier gereed en de thee al klaar. Snij jij die komkommers eens in stukken , mijn dikke Saar ?
SAARTJE.
Als \'t Meneer blieft.
ÜLBE.
Heeren! de schoenen en jassen zijn schoon. FRANS.
En wij zijn klaar, even als quot;Willem, onze eerwaarde patroon.
173
WILLEM.
Neemt dan plaats, opdat we met beleid de zaken schikken, En voor dat we iets ondernemen, alles eerst behoorlijk wegen
en wikken.
FRANS.
Recte, caro amico! Maar eerst dient er een coupétje besteld bij
Harm.
JAN.
Met twee van zijn beste bokjes, Ulbe! want zij krijgen \'t vandaag warm.
WILLEM.
En de coupée met het bakje er achter voor reisdekens en wijn. En dan moet Harm precies halfelf in eigen persoon hier voor
m\'n kamer zijn.
ULBE.
Best Meneer! hebben de heeren ook nog iets anders te zeggen. WILLEM.
Niets, dan dat je als een hazewind je boodschap afgaat leggen. En dan huppel je terug, zoo snel als een minneschicht Van God Amor , het hartje doorboort van een Groninger wicht.
(TJlhe en Saartje af.) Zie zoo, Amici! nu kunnen we eerst vrij op oiis gemak ontbijten , En de beraadslagingen over ons plan, totdat wij in het rijtuig
zitten, aan kant smijten. Wanneer ga jij met de vacantie naar huis. Jan?
JAN.
Helaas, Willem! al over een week, als ik dan nog leef,
174
En bij ons naclitelijk avontuur niet, even als Achilles voor Troije,
sneef.
Ach! als ik aan die lange vacantie denk, dan wordt het mij
koud om het hart,
Gelukkig, dat mijne oude lui en zusjes nog al veel bijdragen
tot het lenigen van die smart, Zoodat er geen vacantie omgaat of ik amuseer me vrij goed.
Niet omdat ik nu juist zoo dol veel pret heb, maar me toch
wel arauseeren moet. Want, daar ik nog al vrolijk gestemd ben van geest,
Is het kleinste genot mij dan vaak het grootste feest.
En zoo spartel ik dan alweer vroolijk de vacantie door,
Steeds gewapend met lange pijp, tabakspot en dito komfoor. Terwijl eten en drinken mijn genoegen ook vrij wat verhoogt. En het zwemmen en romanlezen verhoedt , dat lichaam en geest,
niet verdroogt.
WILLEM.
Ha ha ha! zoo gaat het ook mij. En mijn oude Heer, als een
milde gever,
Geeft me rijkelijk te drinken van wat ik gaarne lust, n. 1. wijn ,
bier , brandewijn en genever. Of, daar dit niet altijd is bij de hand,
Dan koffij en thee van mijn oude Trouw, onder het lezen van
een courant.
Terwijl ik tusschenbeide met mijn patriarch of te wel ouwen Heer , Over zijn vervlogen en mijn tegenwoordig Academieleven redeneer. En mijn\' zusters kramp in haar maagdelijke lever bezorg door
een dwaas verhaal
Van een gefingeerde of ongefingeerde piertogt of nachtelijk kabaal Tusschen lustige studiosi en ploerten zoo glibrig als een aal. Van schoone dames , drooge professoren en vochtige drinkgelagen. Van wondere avonturen, theesteken, gemonteerdheid en overladen magen,
Van tochtjes in den vreemde, en geldgebrek zonder versagen,
175
Van beerenleiders, katterigheid, testimonia en andere plagen, Van stukken in den kraag en van stukken verdragen, Van sombere en vrolijke studentendagen ,
Van kroeg, kelder, kamer en andere agen ,
Die ik hen opdiscli in den vorm van wonderbare heldensagen. Verder converseer ik veel met dames en lees een massa romans, Maak gymnastische bokkesprongen, denk uit en volbreng allerlei plans.
Om zoo genoeglijk mogelijk de vacantie door te komen , En niet, zoo als velen , met den hengel in den onderwal zitten
te droomcn ,
Of te wezen gelijk het verbannen jodendom aan des Euphraats
wijd uitgebreide waterstroomen. Verder ga ik nu en dan eens naar de societeit, waar ik mij
meest met billarten vermaak. Kweek allerlei schoone bloemen aan in den tuin , terwijl ik als
Horatius het stadsleven laak. Hoewel ik , op de keper beschouwd , daar het allergrootste genoegen smaak. Maar „de druiven zijn zuur ,quot; zei de vos en da\'s raak.
Dan zeil ik nog al veel rond in onze Friesche wateren , Met allerliefste maagdekens , die dan als jonge eendepiekjes steeds
vroolijk snateren , En om de minste kleinigheid allerhartelijkst schateren. Mij vertoonende, terwijl wij lustig over de zoetwaterige golfjes
wippen :
De geplukte haan van Plato met zeven dito geplukte kippen. En bak met hen onder het gebruik van thee of bier Bollebuisjes, of het een of ander schubbig waterdier.
En dat is zoowat mijn grootste vacantie pleizier.
FRANS.
Ik zoek mijn amusementen ook al op dezelfde manier.
Doch als ik eens niets van dat alles doe,
176
Dan zit ik op mijn kamer of in den tuin te soezen als oen her-
kaauwende koe.
En denk met siddering en beving aan mijn naderend proponents , Wanneer ik me geheel moet vertoonen als een uitgedroogd wittebrood, stoete genaamd op zen Drentscli. En hef eindelijk op bevonden hjktoon mijn lijfdeuntje aan, Waarbij een toevallig toehoorder als een zoutpilaar versteend
blijft staan,
En okshoofden van zijn eigen versmolten ik over zijn wangen
voelt gaan.
Doch om jelui een idee te geven van zoo\'n beklagenswaardige
positie,
Zal ik voor je maar eens honden een\' kleine repetitie.
Evenwel zeer stillekens als het laatste gedeelte van het lied:
„Andreas Hofer.quot;
Wanneer hij op zijn eene knie biddende ter neer zinkt onder \'t
loover,
En onder de woorden: „giebt feuer! (poem!! poem!!! van het
koor) O Gott mein Land Tyrol.quot; Door een kogel getroffen in de diepte dondert, gelijk een knikker door een rollebol. Want deed ik het onvoorzigtig een beetje overluid,
Dan bulkte ik van weemoed je hospes tot zijn huiskamer uit. En zouden de muren van je kamer in een storten, gelijk eertijds die van Jericho , onder het bazuingeschal Van Abrams muffig nageslacht, toen ze matinee musikale hielden
om den buitenwal.
Neigt dus je oor tot mijn mond , opdat ik daar zachtjes mijn
liedje in stop.
De wijze ken jelui wel: „Die in Januanj geboren is, sta op.quot; Kas vliegt \'t studentenleven heen .... trala \'k Word proponent met bang gesteen , . . . trala Want na deez\' vreugde komt verdriet ,
In \'t bange proponents verschiet .... trala trala trala.
trala trala trala.
177
Dan ben \'k een ware theoloog,
Als leege flessolien eens zoo droog.
Dan haat ik bittar, wijn en bier,
En vind in koffij mijn vertier.
Dan trek ik deez\' Provincie door,
Preek boeren lange preken voor,
En met mijn toga en mijn rok,
Ben ik dier snaken zondebok.
Dan word ik eindelijk dominé.
Moet drinken bij de boeren thee.
Begraaf\' en doop die luidjes wel,
Maar drank en jool blijft buiten spel.
Dan zoek ik me eindelijk ook een vrouw,
Die mij gelukkig maken zou;
Maar telken jaar van schrik mij kromt,
Als zij weer met een telgje komt.
Dan vraagt dat broedsel klein en groot.
Hun moeder steeds om dikker brood.
En bidden op hun vadren wijz\' :
„Heere zegen deze spijs.quot;
Dan schreeuwt de jongste dat het kraakt.
Als hij zich weer heeft vuil gemaakt.
En geeft een lucht af zoo geducht,
Dat ik half stikkend \'t huis uitvlucht.
Zoo word ik spoedig stijf en krom.
Bij \'t koud en glibbrig ploertendom.
ïot dat de dood mij pakt bij \'t haar,
En \'k klakkeloos ten grave \'vaar.
Hij voorziet zijn mond met eenen nieuwen voorraad komkommer en slaat van weemoed driemaal tegen den grond aan.)
12
178
jan. (Tenoijl hij Frans ophelpt.)
Brrrrrr! Wie weent niet, bij liet liooren van zoo\'n treurzang,
zich heelemaal kapot? Of versteent niet in een zoutpilaar, gelijk do vrouw van Lot? Of kruipt niet met ten berge gorezene haren in een hoek, gelijk
een stervende rot ?
Brrrrrr . . , de hand waarmee ik mijn wittebrood smeer, siddert als gedreven door heftige winterkou, Even als de hand van wijlen Abraham, toen hij zijn zoontje
Izailk den Heere braden zou.
willem.
Zijne stem klinkt ook met zoo \'n somber basgeluid.
Door \'t wittebrood met komkommersla, dat tegelijk de keel in
gaat en het gezang er uit. Elkander op halfweg ontmoetende, even als de Dockumer en
Leeuwarder schuit.
En ik geloof ik heb het lang niet mis.
Als ik beweer dat Fransje, even als deze geheele wetenschappelijke vergadering ontzettend katterig is. En ik heb geen verstand van een bierbas,
Als die van Erans niet een van de uitstekendsten was.
feaks.
Yan katterigheid gesproken , ik geloof dat ik er nog erger onder lij, Dan een onbesneden groentje na eene gloeijende installatiepartij. Of een jeugdig telgje na een overtollig gebruik van haverbrij. Of eene jonge dame na een bal buiten toezicht van haar Mama.
uliïe. (Komt binnen.)
Heeren ! alles is besteld en Harm komt mij dadelijk achterna.
willem.
Best kereltje! zorg nu maar dat je haastig wat eet.
179
Daar staan al twee eijers met thee en gesmeerde broodjes voor
je gereed.
Wat je niet zoo gaauw opkunt steek je in de zak. Bij Harm
op den bok smaakt het ook goed; Want je zult al begrepen hebben, datje met ons naar buiten moet. Maar pas op dat er nooit een woord van hetgeen er gebeuren
zal over je lippen komt.
ULBE.
Meneer! als u het verkiest dan ben ik verstomd.
Even als deze nog ongeboren kip in den vorm van een ei,
Die ik naast zijn afgestorven kameraad in mijn maagholte vlij.
WILLEM.
Daar staan ook nog tien fleschjes wijn op een rij.
Die moet je, zoodra Harm komt, in den wagen bergen met die
tabak en sigaren,
En die reisdeken en manteljassen om ons van nacht voor kou
te bewaren.
Dan omhul je je verder met die pantalon , vest, rok , witte das, ■
handschoenen en hoed, Daar je als onz\' Major domus, je van daag eens fatsoenlijk ver-
toonen moet.
ULBE.
Tot uw dienst, Meneer ! voor de Heeren ben ik tot alles in staat. Als moest ik in de eene minuut doodbidder wezen en in de andere Paljas op straat. Ja! als u het verkiest , dan zal ik mijn leven tot mijn laatste
droppel bloeds verdedigen , En wil ik op staanden voet een karafje genever op uw gezondheid ledigen.
12*
180
WILLEM.
Ja, zeg eens! Wil jelui ook een pieienversclirikkertje op de val-
reep mee ?
JAN.
Dat lijkt me waarachtig zoo kwaad niet toe, kompeer, na die thee. AYant om de waarheid te zeggen, voor iemand die Midden-
Een wsche Bchaaktochten doet, Is thee wel een heel waterig soort van goed.
En zoo\'n teugje verkwikt ons, als een vampier het hartebloed.
WILLEM.
Kom Ulbe! tap ons en je zelf dan eens in.
ULIiE.
Meneer! niets liever dan dat, Daar ik nergens meer mee dweep, dan met het Schiedammer nat.
frans. {IJie het raam heeft uitgezien.)
Ulbe! neem ons pakkaadje op je rug,
En ledig dan je bittertje vlug.
Harm komt aansnellen, gelijk een vliegende meeuw,
Hoerah, broeders! op den goeden afloop der sohaking uit de
Negentiende Eeuw!
{Zij drinken ad fundum; af.)
181
TWEEDE BEDRIJF.
Het tooneel verbeeldt een landschap in Drenthe, nabij Gieten Op den voorgrond ziet men een groot Hunnebed, aan welks schaduwkant de drie avonturiers gelegerd zijn om twee omgekeerde wagenkussens, waarop glazen, wijn, tabak, sigaren, Drentscbe stoete, boter en worst. De studenten liggen in gemakkelijke houding, dapper roo , kende, op het frissche heidekruid rondom hunne geïmproviseerde tafel. Ken paar pas ter zijde zijn ülbe, in zijn deftig kostuum, en Harm de koetsier, insgelijks een lange pijp rookende, om hunne flesch gelegerd. Op den achtergrond ziet men de ledige coupé en de paarden er om heen loopende. Nog wat verder op den achtergrond verheft zich de Hondsrug en Gieten.
WILLEM. {Drinkt zijn glas uit en zingt.)
Ondanks haar voogd en andre draken,
Ondanks de wacht, ondanks allarm,
Gaan wij de schoone Laura schaken,
En voeren haar in Kareis arm.
Dan zal zich \'t vrolijk paartje paren,
En gaan wij zaam ten bruiloftsfeest,
En onder al de blijde scharen,
Genieten wij het allermeest.
FRANS.
Je improviseert als Meneer Beerman, en zingt niet minder dan ik.
Waarachtig! je stem heeft veel van die van een Erieschen leeuwrik ,
Die ons gedurende den nacht vergast op zijn aangenaam kwoak
kwoak rik kik kik.
Je bent stellig vroeger als latinist menigmaal per stoom naaiden hoogen Pindus gesnord,
En hebt daar met eene editie van Homerus je ontwakend dichtvuur opgepord,
Doch je bij je student worden weer met een gordel van proza
omgord,
Die nu evenwel onverwacht is losgeweekt.
182
Door de stralen der Drentsohe middagzon, die onbehoorlijk steekt, En zoo het schijnt hier niets dan Hunnebedden, heidekruiden,
en dichtregels kweekt.
WILLEM.
Je redeneert als pater Brugraans, en slaat juist den spijker op
den kop,
En drukt je even krachtig uit als in je lied op de wijze: „die
in Januavij geboren is, sta op.quot; Maar waar soest Jan zoo over?
JAN.
Tk zit hier te wegen en te wikken, Hoe we van avond het best de zaakjes zullen schikken,
En ons zeiven niet in de vingers prikken.
En hoe we moeten oppassen bovengenoemde ledematen niet te
branden,
Door te vallen in der snoode philisters handen.
PEANS.
En heb je met je snuggeren kop al een geschikt middel gèvonden?
JAN.
Ik dacht net over den nieuwe reddingstoestel bij brand, waarmee we haar van de derde verdieping halen konden. En over den nieuw ontdekten vlieger voor een ongelukkigen
schipbreukeling,
Die in de Leeuwarder kermis, bij de tentoonstelling aan den
zolder hing.
Of nog beter. Als het goed duister is, klim ik stilletjes op
het dak,
Met een goeije pot met phosphorus in mijn zak.
En besmeer daarmee wat pannen, een schoorsteenbord en dito
rand.
183
Klim vlug naar beneden, en dan gillen we alle vijf moord en
brand ,
En dringen met geweld in huis. Een paar van ons nemen
Laura op,
En de drie anderen pakken den ouden taaien voogd bij den kop. Tillen hem en profond negligé uit zijn beddeken op.
En terwijl ik bij voorbeeld hem in een\' wollen deken stop, Vertellen hem de twee anderen met een verschrikt gelaat, Dat zijn huis boven zjjn hoofd in laaije vlammen staat , En dragen hem dan onder de ontstelde menigte op straat. En terwijl dan Assens burgerij op den pseudo brand begint te spuiten en don boedel naar buiten dragon, Snellen wij met de sohoone Laura, in mijn\' mantel gehuld, naar
den wagen
En lachen in ons vuistje, terwijl wij weer in galop naar Groningen jagen. —
Nu wat zeg je, niet kranig bedacht?
FRANS.
Uitstekend! maar met al te veel paardekraoht.
Een enkel ding behoeft ons maar te mislukken,
En we voelen ons door geheel Assen de blonde haren uitplukken.
En ten slotte op een hoopje in het hondegat drukken.
Neen! op zoo\'n manier maakt de zaak veel te veel alarm.
WILLEM.
Wacht! ik weet wat. Bij donker ga ik naar hem toe met Ulbe
en Harm.
En zeg, dat.ik Commissaris van politie ben, pas uit Groningen
gekomen.
Met twee politiedienders, daar ik door spionnen had vernomen , Dat twee studenten, voor geen duivel vervaard,
Zijne sohoone pupil Laura wilden lokken van zijn huislijken haard. En haar wilden voeren naar haar minnaar in Gruno\'s grijze vest, Waar de schaking zou bezegeld worden met een huwelijksattest.
184
En dat men hem \'s middernaohts, daar men alles wagen dorst, Een bewijs van toestemming wilde afpersen met een pistool op
de borst.
Dat ik mij nu met mijne andere kornuiten,
Heimelijk met hem in Laura\'s kamer op wou sluiten;
Opdat we zoo de zaakjes te beter konden lappen,
Door het zondig drietal op heeter daad te betrappen.
En ze alle drie netjes binnen te snappen.
Ik neem dan kwanswijs je beiden met .Laura in arrest,
En wij poetsen de plaat, en lachen ons best.
Tevens heb ik zoo listig de zaakjes berekend,
Dat hij ten slotte nog een bewijs van toestemming teekent.
fraxs en jas. (Tegelijk).
Hoerah! Lang zal hij leven in gloria!
De zege is ons, victoria 1
xjlbe en harm. (Zingen opgewonden.)
Het is van daag studentendag.
De schoonste dien men immer zag.
lö vivat!
lö vivat!
De vorst is in de stad!
frans.
Zoo wordt dan nu in het vervolg de eenendertigste Mei Als een beroemde gedenkdag gevierd door de Groninger stu-
dentenrij !
willem.
Wat zeg je ? Dan is het van daag mijn geboortedag!
ULBE en harm. (Smijten de petten in de lucht en repeteren galmende.)
De schoonste dien men immer zag.
185
JAN.
Kom dan aan mijn kloppend hart, quot;VVim ! en reik me je regter
■vlerk.
FRANS.
Houd je mond Jan! je gaat veel te prozaïsch te werk.
Hier Ulbe en Harm! plaatst je handen tegen dat Hunnebed en
kromt je rug als een adder, Opdat wij beiden dat gevaarte beklimmen langs dien menschelij-
ken kippenladder,
Hupla! daar zijn we er al, in een tel of zes.
Nu Ulbe, reik ons de glazen eens aan en die half volle fleseh,
(Ulhe reikt fesch en glazen over aan Jan. Beide vrienden maken met gevulde glazen eene statige buiging voor Willem, die ynet gekruiste heenen op de tcagenkussens zit. Frans begint.)
FRANS.
Onder de amusantste tafereelen,
Waarin een mensoh gewoon is zijn leven te verdoelen, Behooren vooral zekere pleiziertooneelen.
Waarbij men weer een jaartje ouder wordt.
En dus ook des te eerder verdort,
En als over kop in do armen van zwarten Hein snort.
Die ons dadelijk met een trap in het bootje van Charon port; Want ik geloof dat een college-uur eer naar de hoogste zaligheid smaakt,
Eer men zich door jaren jonger dan wel ouder maakt,
En daar ik veel houd van een lange jeugd,
Verwekt een verjaring bij mij nooit zoo\'n heel groote vreugd.
Ofschoon .... {tegen Jan) nu jij.
JAN.
Ofschoon het ons natuurlijk ontzettend verheugt , Dat je al zoo\'n tal van jaren,
186
Op dit wereldsche schouwtooneel hebt mogen vergaren , In plaats van met Charon over den Styx te varen,
En je bij de schimmenregementen in den Hades te scharen. Wat, onder ons gezegd, alles behalve plezierig is,
Daar men in zijn doodentenue alles behalve zwierig is.
En de conversatie met wormen en maden wel wat heel dauw-
pierig is.
Evenwel, mijn dierbare Willem ! nu weer die blijde dag voor
je is aangebroken,
Waarop je voor het eerst je neus in de vrije lucht hebt gestoken. En met een massa .spelden in de luren werdt bezorgd door
zachtaardige bakersknoken; Willen wij, gelijk dat de gewoonte is bij de overige menschen, Je daar ook alle mogelijke geluk mee wenschen.
Echter niet.....a vous Frans!
FRANS.
Echter niet omdat je tal van jaren nu weer is vergroot. Maar meer omdat je nog levend bent en niet dood.
En vooral omdat het je goede genius heeft willen behagen, Toen je groote geest uit het pakhuis naar beneden werd gedragen , Hem niet te laten fungeren als een paarde villerstelg, wat beroerde raar is.
Maar wel als een fatsoenlijkraanskind, en dat wel het zoontje
van een Notaris.
Voor wien altijd een lekker leventje klaar is.
En die, wat de Hemel geve! eenmaal de opvolger van zijn
Vaar is,
Als zijn brein door\'het heerlijk studentenleven gaar is;
En hij met zijn poeseloerisje een gelukkig paar is.
Verder wenschen we ... .
JAN.
Dat je jaren langzaam mogen henen sluipen.
187
FRANS-
En dat je zoo lang leeft als een slak, die van Londen naar
Peking moet kruipen.
JAK.
Of als je den Oceaan door een pijpensteel leeg wilt laten druipen. quot;Want, ofschoon een broek me vaak eerder verveelt, dan hij van
mijn derrière slijt,
Is dit juist het tegenovergestelde met dien drommels snellen tijd. Want eer men \'t haast weet is men weer een jaartje kwijt, En of men dan al spijtig op zijn lippen bijt,
Het geeft ons allemaal geen kruimel profijt.
Evenmin als dat men met een stoete naar een naderenden bliksemstraal smijt.
FRANS.
Of dat men blij is dat men niet in een draaikolk geloopen is, Als men reeds onder de pomp in een waschtobbe verzopen is.
JAN.
Verder hoop ik, dat je een man moogt worden van groote glorie, Als een beroemd exemplaar uit de Nederlandsche historie. En dat, als eindelijk zwarte Hein komt, om je het hoekje om
te halen,
Charon je in zjjn boot neemt zonder dat je hoeft tol te betalen.
FRANS.
En Pluto roept, als hij je aan wal ziet gaan:
„Cerberus! de deur van de knip , daar komt Meneer Willem aan.
„Zit op en maak onderdanig je hondencompliment,
„Gelijk je dat verschuldigd zijt aan ieder nobel student.quot;
JAN.
En dat hij je niet in een hoek zet en zegt: „daar sta je.quot;
188
Maar je met een kwart ankertje in de kanapé trekt en roept:
„daar ga je.quot;
FRANS.
En dat de geheele vergadering roept , als losgelaten vinken: „Meneer Willem! mag ik het genoegen hebben een glaasje met
je te drinken,
„En zamen op (iruno\'s studiosi en zijne schoone dames klinken.quot;
JAN.
En dat je dan antwoordt: „dank je ! daar gaan ze! zeer vereerd!quot;
FRANS.
En Pluto je in \'t oor fluistert: „drink maar ad fundum, je wordt
toch gemonteerd.quot;
.TAN.
Dat, waarde vriend, wensohen wij je met deze verjaringstoast.
(Beiden tegelijk.)
Hoerah! lang zal je leven met ons, en je gezegend kroost!
{Zij drinken hun glas ledig, springen van het Hunnebed en omhelzen Willem. Harm klapt met de zweep, zoodat de paarden schichtig beginnen rond te jagen , en Ulhe buitelt over den hop om de vrienden rond.)
WILLEM.
Trouwe boezemvrienden ! Ach , dat ik een meisje was ! Ik veranderde door mijne dankbare tranen dit heideveld in een\'
zouten waterplas, Zoodat de doode zee er nog maar een bagatelletje bij was. En wij lieten ons daarin verdrinken, en stierven alzoo den
schoonsten dood,
180
Waarbij die van van Sohaftelaar nog maar een chinaasappel was
vergeleken met den wereldkloot, Of gelijk de bleekheid van den zieken jongeling van van Beers
vergeleken met het avondrood. Maar eilaas! al wrijf ik mijn oogen stukken,
Het heeft mij niet willen gelukken,
Andere, dan door lachen voortgebrachte tranen, uit de oogen
te drukken.
En \'t helpt mij niet of ik er al over zucht en stin.
Valt dus aan mijn kloppend hart, en vóélt hoe ik u min.
{Eene drieeenige omhelsing tusschen Jan, Willem en Frans, een tweede tusschen Harm en Ulhe, en het gordijn valt.)
DERDE BEDRIJF. Eerste T o o n e e 1.
liet tooneel verbeeldt eene (lei\'tige liuiskamer. Aau de tafel zit van der J\'lucht, een oud lieer, met een mager, geel gezigt, erg iuge. vallen mond en sluike haren, met de Asser courant in de liand. De sehoone Laura, eene aüerliet\'ste blondine met fraaie krullen zit tegen over hein, met tranen iu de sehoone blauwe oogen. Op de tafel bevinden zich de overblijfselen van een klein souper.
VAN DEB FLUCHT.
Neen Laura! schei maar uit met dat snikken en huilebalken ;
Door zulke krokodillentranen laat ik mij niet verschalken.
Ik zeg je voor \'t laatst, daar helpt geen lieve moedren aan ,
Al zou de geheele wereld er nog om op den kop moeten staan.
Kog drie jaren heb ik je in mijn raagt, tot datje meerderjarig
bent,
En zoo lang ik het kan keeren trouw je niet met dien vervloekten student.
190
Zijn vader was mijn bitterste vijand, en ik liaatto hom heimelijk
als de pest,
En hij zijn dood is die haat overgegaan op zijn zoon, en op het
geheele nest.
Trouwen zal je. Maar met niemand anders dan mot mijn zoon, den koekebakker hier uit de straat. Een beste jongen, die al lang naar je hand en je vermogen staat.
i.adra.
Maar Oom ....
van der flucht.
Houd je mond en schei met dat maren uit.
Als je niet wilt, dat ik je geheel in je kamer opsluit.
mietje (de meid komt binnen.)
, Meneer! daar zijn drie mannen, die u dadelijk spreken willen; De Commissaris van politie uit Groningen en twee van zijn krokodillen.
Allen met groote snorren, dat men er van zou rillen.
van der f lucht, (ter zijde.)
Mijn hemel! de politie, en dat zoo laat in den nacht!
quot;Wat heb ik gedaan en waarvan houdt men mij verdacht?
O wee! eindelijk heeft men mij in het net,
Hoe kunstig ik andera mijn strikken zet,
En mijne schurkerijen pleeg onder de vleugelen der wet.
Enfin, maar brutaal! (tegen Mie) Laat die Heeren hier binnen.
En ga jij naar je kamer, Laura! met je snikken en stinnen.
(Laura en Mie af).
O jemenie ! wat moet ik beginnen.
(Willem, Ulbe en Harm treden binnen, allen met valsche snorren vermomd. De beide laats ten blijven bij de deur staan.)
»
191
Willem, {treedt deftig op den heer v. d. Flucht toe).
WelEdele Heer, excuseer dat ik u nog zoo laat lastig val; Maar het is om eene gewichtige zaak, zooals u spoedig begrijpen zal.
U moet dan weten, dat ik op de vleugelen des winds uit Groningen ben gekomen, Daar ik door mijn beide spionnen heb vernomen,
Dat twee studenten, voor geen duivel beducht,
Uwe pupil en nichtje heden nacht wilden verleiden tot de vlucht. En haar voeren naar haar minnaar, waaraan men haar voor eeuwig wilde verbinden , Door een huwelijk, dat spoedig daarna plaats zou vinden. En dat men u, na de schaking, tot slot,
Uwe gevorderde jaren en grijze haren ten spot,
Een bewijs van toestemming wilde afpersen met liet mes op den
strot.
van der flucht. {ter zijde.)
Hé! da\'s een steen van het hart!
{tegen Willem.) Maar Mijnheer , wat dient er nu gedaan , Om die schurken het best in hunne plannen tegen te gaan ?
WILLEM.
Mijnheer ! Ik heb alles geschikt en ben van mijn zaken zoo wis , Dat ontkomen voor beide waaghalzen onmogelijk is.
Het beste is , dat wij en mijn dienders daar, twee van mijn
sterkste schavuiten, Ons heimelijk in uw nichtjes kamer op gaan sluiten ,
Daar wij anders die beide kerels nooit binnen kunnen snappen, Zonder ze zelf op de daad te betrappen.
Dan nemen wij hen met uw nichtje in arrest, zonder veel praats, En ik snel terstond weer naar Groningen met hen en mijn kameraads.
19\'2
VAN DEE PLUCHT.
Dat is alles goed en wel, maar mijne nicht ....
WILLEM.
Mijnheer, ik ben Commissaris van politie en ken mijn pligt. Uwe nicht moet mee, daar men haar in het geheim moet ver-
hooren,
Of het wordt een publiek schandaal en komt ieder ter ooren. Zij logeert daar bij haar tante, die de geheele geschiedenis kent, l£n haar zal bewaken tegen de lagen van ieder student.
Tevens raad ik als goed vriend u aan,
Om in de eerste weken niet naar Groningen te gaan.
quot;Want die studenten zijn brutale kerels en zitten vol streken. En zouden de gevangenisstraf van hunne vrienden op u akelig
wreken.
En om nu de zaak in stilte af te laten loopen.
Zoodat die studenten hun waagstuk met een paar jaar brommens
bekoopen,
ïeekent u eenvoudig dit papier, dan is u van alle moeite vrij, En neem ik het verder bestuur van de zaak geheel op mij.
VAN DEK KLUCHT.
Laat zien! {hij leest.)
„De ondergeteekende, voor verder ongenoegen beducht,
„Staat toe, dat alles voltrokken worde zonder veel gerucht; „En dat de toeziende voogd, zijn\' broeder, de advocaat, „Met toonder dezes verder de zaken regelen gaat.
„En hij verbindt zich alles toe te stemmen eu te beamen, „Wat zij met hun beiden over Laura beramen.
„Doch begeert dat Laura, wanneer alles is afgedaan, „Dadelijk daarna weer naar Assen zal gaan.quot;
Yrij onbegrijpelijk, maar enfin, dat komt er niet op aan.
{hij teekent.)
-193
willem
Het is stadshuistaai, Mijnheer, en die is vaak moeilijk te verstaan.
yan der flucht.
Is nu alles in orde?
willem.
Alles is behoorlijk verricht :
Behalve dat wij ons zoo spoedig mogelijk verschuilen in de kamer van uwe nicht.
van der flucht. {hij schelt.)
En zijn die beide dienders dapper van aard ?
ulbe.
Meneer! met onzen Commissaris zijn we voor geen duivel vervaard. Evenmin als voor een bordje snert met varkenstaart.
En al zijn wij op dit oogenblik ook zonder ons hakmes of te wel
zwaard,
Ik zweer het u bij een borrel, mij het dierbaarst op aard,
AVij zullen er op inhakken te voet en te paard.
van der flucht.
Als je zoo goed vecht als redeneert, dan vecht je goed.
mietje, {met de deur in de hand.)
Wat blieft Meneer ?
van der flucht.
Zeg dat Laura dadelijk hier komen moet.
{Mietje af.)
ulbe. {terwijl hij zich de keel schraapt.)
Van redeneeren gesproken. Meneer! het is er helaas zoo mede
gesteld. 13
194
Dat, door de haast om u te helpen , waarmee we hier zijn heen
gesneld,
Mijn keel zoo droog is als het bovenste gedeelte van een heideveld.
En ik heb mij bij het aansporen der paarden zoodanig gekweten,
Dat ik ten slotte mijn\' stem op den straatweg heb vergeten,
Die nu misschien verder door kukuluurt,
Met kikkers, uilen en andere wezens uit die buurt,
Of zich voor een borrel bij een kleerenjood verhuurt.
En ik geloof, ik heb het lang niet mis.
Als ik beweer, dat een borrel mij en mijn maat niet ondienstig is.
WILLEM.
Houd je mond, Ulbe! je kalt veel te veel;
Wat alles behalve goed doet aan een bedorven keel.
Daar je dan den boedel nog meerder verwrikt.
LAURA, (treedt binnen.)
Wat is er van uw\' dienst. Oom!
VAN DER FLUCHT.
Dat je hier de tafel wafc in orde schikt,
En dan terstond naar je bedje gaat wandelen,
Want ik heb hier straks nog zaken met die Heeren te verhandlen.
(van der Flucht, Willem, Ulbe en Harm af. Het gordijn valt.)
Tweede ïooneel.
Ifet tooneel verbeeldt de slaapkamer eener Dame. Aan de eene zijde staat een ledikant met witte gordijnen. Door een kleine opening tnsschen de gordijnen ziet men van der Flucht en Willem met zijn beide handlangers geknield verborgen liggen. Laura zit aan een werktafeltje met een brief in de hand.
4 95
laura.
Ach! hoe klopt mij het hart van vrees en geluk,
Uu ik heden nacht verlost zal worden van mijn kommer en druk. Die beste Willem en zijn vrinden, hoeveel wagen ze niet voor
Karei en mij.
Gelukkig degene, die zulke vrinden heeft aan zijn zij!
Maar, hoe zij mij ooit verlossen zullen, gaat boven mijn begrip, Daar oom mij gevangen houdt, als een vogel in den knip. „Laura! (schrijft Willem mij) houd u van avond gereed, „De boog is gespannen en de pijl is gereed.
„Heden avond, wordt gij door mij en mijn vrinden bevrijd, „En morgen zit gij bij uw oom en Karei aan \'t ontbijt. „En over veertien dagen springen wij rond op uw jolig huwelijksbal ,
„Waar elk een dans met u, de schaking loonen zal.quot;
mietje, (treedt binnen.)
Juffer ! daar zijn twee Heeren , die u dadelijk spreken willen.
laura.
En hier, Mie, is een gulden voor jou , om je mondje te stillen. Geleid die Heeren bij mij, maar ga vooral voorzigtig te werk, Opdat oom , die gezelschap heeft, er niets van merkt.
(Mietje af.
Ha! nu het gevaar op het hoogste is, gevoel ik mij sterk.
Voor eeuwig wil ik deze gevangenis en mijn tirannieken oom
ontvluchten ,
En in de armen van mijn Karei vlieden , waar ik niets meer heb
te duchten.
(Zij zet haar hoed op, slaat een mantel om en sluit een koffertje )
Zie zoo ! alles is klaar en ik ben gereed dit huis te ontvliên.
(Frans en Jan treden linnen.
13*
406
FRANS.
Bonsoir, lieve Laura! het verheugt mij u al vaardig en vrolijk
te zien.
laura.
Zou dan de leeuwiik in de geopende kooi blijven zitten te kniezen ? In plaats van onder vrolijk gezang de vrije lucht te kiezen ?
JAN.
Bravissimo! Gaan wij dan. Ik neem dit koffertje mee.
Willem staat reeds buiten te wachten met den coupé.
En dan voort in vliegenden galop naar Gruno\'s vest.
Willem. (Hij springt met de anderen uit het ledikant.)
Halt! in naam des konings! ik neem u in arrest.
van der flucht.
Ha! Maagdenroovers! je bent bij do daad gevat.
laura.
Hemel! alles is verloren! (Zij valt half hemisteloos op een stoel)
WILLEM.
Ulbe! daar zijgt de juifer neer, begiet
ze wat.
(Jan en Frans irillen toesnellen om haar te helpen. harm.
De eerste die een stap nadert of naar de juffer tast,
Sla ik, tot hij soesebolt, met de zweep op zijn bast.
ulbe.
En ik raak van mijn leven geen schoeneborstel weer aan.
197
Als ze niet eerst over mijn verstorven lijk moeten wandlen gaan. Ik vertrouw, Meneer van der Flucht zal onze zelfopofferende hulp
bemerken,
En door eene goede fooi onz\' dapperheid versterken.
quot;WILLEM.
Ulbo! boei die beide snaken en breng hen naar den gevangenwagen met Harm. En neem met een dat koffertje van de juffer op den arm.
FRANS.
Helaas! die treurige afloop van onze campagne,
Smaakt me als een slok zeepwater na een glas champagne, En kleurt als een drekmennerskiel in de Novemberfeesten bij \'t
oranje.
JAN.
Heel mijn leven heb ik de positie van een kind in de luijers
verfoeid,
Doch nu word ik ten slotte nog wreeder geboeid,
En mijn ratelend gebeente door snijdend touwwerk verknoeid, Als eon onvoorzichtige jager, die met een ongetemden ijsbeer stoeit. Grootmachtige Jupijn! kom t. t. onderd. dr. te hulp,
quot;Want door den nood gedrongen kruip ik in mijn schulp.
Zend s. v. pl. uwen bliksem neder op dit snoode phiiisterdom, En begunstig onze vlucht, en het huw lijk van den aanstaanden
bruidegom.
FEANS.
Of verander ons, gelijk gij eenmaal Daphne deedt, in een laurierstruik ,
Toen zij, in de warme zomerdagen, volgens oud gebruik, In eene kille, overschaduwde beek een bad nam,
En Apollo haar daar onverwacht over het mat kwam.
198
En zij het op een loopje zette, zooala ze was in haar Eva\'s pak, En hij haar verkikkerd achterna vloog, doch zijn neus stiet tegen
een lauriertak.
JAN.
En gij, o koeloogige Minerva! versteen met uw Medusakop, Deze satansche menschenjagers, of uw\' zoon wacht de strop.
ULBE.
Houd je mond Meneer, of ik voorzie hem van een prop!
En nu naar beneden, of bij mijn dienderseer.
Ik donder je vierkant, of te wel kubusgewijze bij de trappen neer.
(Frans en Jan worden geboeid weggeleid.)
willem, {tegen Laura, die weer eenigzins tun den schrik
hekomen is.)
Mejufvrouw! u moet ons volgen. Het kan niet anders tot mijn
spijt.
laura.
\'t Is wel, Mijnheer! het is mij onverschillig waar men mij heen
geleidt.
Nu Karei voor mij verloren is, is mij het leven tot een last, En de dood zou mij welkom zijn, als de lieflijkste gast.
Willem, {tegen van der Flucht, die zich al dien tijd van genoegen in de handen gewreven heeft.
Taarwel Mijnheer ! het was mij een groot genoegen met u kennis
te maken.
Met al mijn hart zal ik zorgen voor uwe nicht en de andere zaken.
{Willem en Laura af. Het gordijn valt.)
199
VIERDE BEDRIJF.
liet tooneel verbeeldt eene nette tuinkamer van den Advocaat van der Flucht te Groningen. Laura zit met een gelaat stralende van vroo-lijkheid en levenslust, tnsschen haar Oom en Tante aan het ontbijt. De Heeren Kare , Jan, Willem en Frans komen juichend binnen stormen. Laura ijlt met een luiden vreugdekreet in de armen van Karei. Jan , Willem en Frans dansen hand aan hand om het gelukkige paar, en nemen ook den advocaat en zijne vrouw in den kring op. Ulbe staat met het kolfertje op den rug te lachen en te schreien door elkander heen.
KAREL. (terwijl hij Laura omhelst.)
Hoerah ! Goddank, nu kan mij niets mijn Laura meer ontrukken , En mag ik spoedig haar als gade in d\'armen drukken.
Dank, trouwe Vrienden! dank! kom aan onz\' vriendenborst, Opdat een dankbre traan uw overhemd bemorst!
(Eene gezamenlijke omhelzing onder luid gejuich en het gordijn valt.)
1865. L. M. DE BOER.
BLADVULLING.
Uit de omstandigheid dat Petrus met een zwaard het oor van Malchus afsloeg, concludeeren de nieuwere historici met recht, dat Petrus korporaal bij de Schutterij in Jerusalem is geweest.
1865.
LE DEPART DES HIEONDELLES.
„Es musz doch Frühling werden.quot;
GEIBEL.
i.
EEN TABLEAU-VIVANT.
Ziet ge haar, de lieve achttienjarige, daar onder dien half ontbladerden forschen beuk?
Door de toppen der boomen loeit een koude herfstwind en de avondzon werpt een gloeijend \'onheilspellend rood over de geheele natuur.
\'t Is haar lievelingsplekje daar onder dien beu-keboom. quot;Wat kan men er ver van zich af zien over golvende korenvelden, schaduwrijke boschjes, rustig vlietende beekjes — maar niet als de herfst daar is. Nu zijn de velden ledig, de boschjes ontbladerd en de beekjes rollen hunne opgestuwde golven voort door de eenzame vlakte. En de horizont is bedekt met zwarte, dreigende wolken.
Daar onder dien beuk heeft ze menig uurtje eenzaam en toch gelukkig doorgebracht, in verrukking heeft ze er de natuur rondom zich aanschouwd bij dageraad en avondstond — toen \'t lente was.
201
En met verlangenden blik heeft ze er in de toekomst gestaard toen geen wolken en nevelen den gezichteinder bedekten.
Waarom staat nu dat anders zoo heldere oog droevig en vol tranen ?
Hoor! de herfstwind bruischt, de afgerukte bladeren dwarrelen in het rond en zwaluw op zwaluw vliegt henen — naar het warme zuiden-
Het moet wel hevig zijn Marie! het leed dat u drukt, want ge schijnt den troost niet te gevoelen, dien zij u achterlaten — de hoop op een nieuwe lente!
II.
HOE EEN PROPONENT UIT PREKEN GING EN HOE HEM DAT BEKWAM.
De lezer gelieve zich te verplaatsen op een binnenweg, die duidelijk de sporen draagt dat het in de laatste dagen vrij wat heeft geregend. Dan neemt hij een voertuig op twee wielen met één paard waar, van onderen tot boven beslijkt. En wanneer hij er binnen in ziet, ontdekt hij daar twee personen met welke we hem wenschen te doen kennis maken.
We zien dadelijk dat het twee jongelieden zijn met een flink, levenslustig uiterlijk, ofschoon, als we beter toekijken, bij den eenen door een flaauwe schemering van deftigheid getemperd. Op den eersten aanblik zouden we misschien geneigd
202
zijn hen voor studenten te houden, evenwel de zwarte rok c. a. waarin hij, bij wien we die schemering van deftigheid opmerkten, gestoken is, doet zich hiervoor als een onoverkomelijke zwarigheid op. Daarenboven zou \'t wel wat vreemd zijn in een afgelegen streek op uren afstands van eene Academiestad twee studenten aan te treffen. Misschien dat hun gesprek ons wat wijzer maakt.
»Waarom trek je zulke bedenkelijke gezichten Bibulus?quot; zegt de een, die, \'t zij hier in\'t voorbijgaan gezegd, zich verheugd in \'t bezit van iets, dat naar een knevel zweemt, \'t geen natuur of kunst aan zijn reisgenoot schijnt te weigeren.
»Om je de waarheid te zeggen Zythusquot;, zegt de ander, »begin ik sterk te vermoeden dat we niet op den regten weg zijn.quot;
»Precies hetzelfde vermoeden dat ook bij mij opkwam, mijn waarde,quot; is het antwoord. sMaar wat zou dat, \'t heeft zijn voor en zijn tegen, ik mag zoo iets avontuurlijks wel.quot; En alsof hij het denkbeeld van verdwalen zeer smakelijk vindt, geeft hij het oude paard een flinken slag met de zweep, zoodat de sjees met vernieuwde vaart door het diepe wagenspoor vliegt en het slijk den beiden reizigers om de ooren spat.
Weet je wat Bibulusje,quot; vervolgt hij, »we moeten in allen gevalle den tijd zoo aangenaam mogelijk zien te passeren. Om maar eens iets te noemen, zou jij je preek voor morgen wel eens kunnen opzeggen.quot;
203
Hij, wien dit voorstel gedaan wordt, zet oen gezigt gelijk men dat gewoon is te zetten, wanneer men voor het eerst met een duur gekochten hond in \'t publiek verschijnt en dit voowerp van genegenheid een leelijk kreng hoort noemen.
jiHoor eens Zythus,quot; zegt hij na een pauze, »jij moogt het pleizierig vinden hier te verdwalen — ik niet. Ook heb ik je nog te zeggen, dat ik het machtig aardig van je vind mij op mijn vervelenden tocht te vergezellen, maar je snakerijen en dwaasheden moet je nu in \'t publiek wat voor je houden. Gelieve te bedenken dat we op geen piertocht uit zijn en dat de menschen door jou dwaasheden ook licht een raar idéé van mij krijgen. Je moest je ook maar dien naam Bibulus wat afwennen. Aan de Academie kon \'t me niet schelen en onder ons ook niet, maar ik begeer niet dat je me te E. zoo noemt, deze of gene kon er eens Latijn verstaan en een proponent met den naam Bibulus — dat lijkt wat raar.quot;
De gelaatstrekken des heeren Zythus teekenen op het hooren van dit noodschot de hoogste verbazing. Hij zet een gezicht als,of \'t voor het eerst is dat hij zoo iets hoort.
Als de lezer de reden van de reis der beide heeren nog niet begrepen heeft, zullen we ze hem verhalen. Ze is dood eenvoudig.
De geknevelde heer, dien we met den naam Zythus hoorden betitelen, (een Grieksch woord, waardoor zekere gerste-drank wordt aangeduid;
204
waarschijnlijk droeg hij dien naam om aan te duiden dat de neiging tot dien drank bij hem svoorheerschendquot; was) is student in de rechtsgeleerde wetenschappen,. Met lang na zijn vriend Bibulus, (een woord dat dezelfde neiging te kennen geeft, edoch algemeener, zoodanig dat het voorwerp der neiging in \'t midden gelaten wordt) aan de Academie gekomen, hadden ze zamen lief en leed gedeeld, tot dat de laatstgenoemde zijn proponents-examen deed en de Alma Mater verliet, toen Zythus, om redenen die we hier niet nader willen ontvouwen, pas zijn candidaats achter den rug had. Ongeveer een jaar was sedert verloopen , toen Bibulus, die een preekbeurt te E. moest vervullen en op reis derwaarts de Academiestad passeerde, van deze gelegenheid gebruik maakte om zijn oude kennissen, die nog overig waren, eens op te zoeken. Vooral in gezelschap van Zythus had hjj er een paar vrolijke , ouderwetsche dagen doorgebracht en diens aanbod hem op zijn tocht naar E. te vergezellen met graagte aangenomen. Zoo komt het dat we de beide heeren in een der afgelegenste hoeken des lands op den bovenvermelden binnenweg aantreffen.
Op de krachtige expectoratie van den eerwaarden Bibulus volgt eene pauze, waarin de een er over nadenkt of hij zich wel goed uitgedrukt en de ander of hij wel goed gehoord heeft.
«Maar Zythus,quot; zegt Bibulus eindelijk, som
205
eens op een ander onderwerp te komen, — je hebt me nog zoo weinig van Frits verteld, waar zit die toch eigenlijk?quot;
»Jaantwoordt Zythus op geheimzinnigen toon , dat is een vrij duistere historie, daar weet ik zelf het regte niet van. Jij herinnert je ook nog wel dat ons Fritsje meer hield van gezellige zamen-komsten dan van têtes a têtes met boeken en dictaten. Die neiging tot gezelligheid werd hoe langer zoo sterker en toch was \'t hoog tijd voor Fritsje om examen te doen. Na de vacantia is hij slechts weinige dagen zichtbaar geweest en toen op eens spoorloos verdwenen. Men houdt het algemeen voor zoo zeker als twee maal twee vier is, dat zijn oude heer hem op een dito voertuig als het onze heeft afgehaald. Maar ikvervolgt hij , »ben daar nog zoo zeker niet van. Ik converseerde vrij veel met hem in den laatsten tijd en heb hem wel eens hooren zeggen, dat hij geen andere kans zag er zijn examen in te studeeren, dan voor een week of wat op een stil dorp een kamer te huren. Hij zei \'t wel niet als of hij \'t ernstig meende, maar hij is excentriek genoeg om het te doen. \'t Komt mij niet zoo heel onwaarschijnlijk voor, dat ons Fritsje hier of daar een kluizenaarsleven leidt en op eens met een examen voor den dag komt dat klinkt als een klok. Maar dat hij zelfs aan zijn beste kennissen met geen enkel woord gezegd heeft waar hij heen ging, dat vind ik niet mooi van hem.quot;
206
»Zoo was hij immers altijd Zythus, vrooljjk en geestig genoeg, maar niet hartelijk voor zijn kennissen.quot;
»\'k Zou dat nog niet zoo kras durven beweren. Maar bah! wat kijk je weer benauwd.quot;
De heer Bibulus was om de waarheid te zeggen dan ook volstrekt niet op zijn gemak, \'t Begon langzamerhand donker te worden en het avontuurlijke dat zijn vriend er in vond om te verdwalen had voor hem reeds al zijn aantrekkelijkheid verloren. Hij bedacht slechts dat het zaturdag was, dat de goede gemeente van E. hem den volgenden middag op den kansel verwachtte en dat er wanneer zij verdwaalden zeer veel kans op een slecht bed, of misschien op in \'t heel geen bestond. Daarenboven had hij zich in den laatsten tijd meermalen verbeeld een regendrup op neus of kin te voelen neerdalen; een zeer bedenkelijke omstandigheid wanneer men de zwarte wolken in aanmerking nam, die zich aan de lucht vertoonden. Dit bracht hem natuurlijk de schrikbarende mogelijkheid in de gedachte dat hij wel eens doornat zou kunnen worden, dat al die oorzaken konden meewerken om zijn eerwaarde verkouden te maken, een grogstem te bezorgen en bijgevolg slecht te doen preeken, waarvan alweder het gevolg kon wezen dat de gemeente van E. niet van hem verkoos gediend te zijn. Al deze schrikbeelden rezen met huiveringwekkende duidelijkheid voor zijn geest op, terwijl zijn vriend
207
Zythus, niet in \'t minst door den stand van zaken verontrust, een vrolijk deuntje floot. Onver-dragelijk!
De regendruppen, die van tijd tot tijd neus en kin des heeren Bibulus bevochtigen, beginnen in dikte toe te nemen. Een leelijk symptoom! Ook worden de pauzes tusschen de verschillende druppen aanmerkelijk kleiner Nog leelijker! Een en ander gaat vergezeld van een uiterst bedenkelijk gezicht van den kant des heeren Bibulus en herhaalde pogingen om zich door middel zijner handen van den toestand van rok en hoed te vergewissen.
Intusschen — Zythus fluit een vroolijk walsje. Onverdragelijke vent!
»Boeh! dat gaat op doornat worden aan. Dat zal morgen wat moois geven, met een schorre stem. Hadden we maar, zoo als ik wilde, een dicht rijtuig genomen. Waren we maar bij den handwijzer rechts af geslagen. Hadden we van middag in de »Vroolijke Schildpadquot; maar niet zoo lang getafeld, dan waren we er nu al geweest.quot;
»Wil ik je eens zeggen hoe dat lange tafelen gekomen is Bibulusje,quot; zegt Zythus met onverstoorbare kalmte. »Door dat zeker iemand die in een jaar geen Cantemerle geproefd had. dien in de »Vroolijke Schildpadquot; zoo ontzettend lekker vond.quot;
De heer quot;Bibulus verwaardigt zich niet hierop te antwoorden en in stilte sjokt het rijtuig weer een wijle door dik en dun voort.
208
De duisternis neemt intusschen hand over hand toe en de weg begint wezenlijk gevaarlijk te worden. De druppen van boven dalen in steeds versneld tempo neer en trommelen eindelijk een storm-marsch op gelaat, hoed en rok des heeren Bibu-lus. Bedenk toch, \'t zijn de eenige kleêren die hij bij zich heeft en morgen preeken. Ergo — steeds bedenkelijker gezicht en herhaalde verkenningen nopens den toestand van rok en hoed. Troostgronden van Zythus, dat het waarschijnlijk nog wel erger worden zal, benevens de belangstellende raad, toch vooral de preek goed voor nat te bewaren, \'t Is om razend te worden !
»Wat heb jij toch een verrukkelijk vooruitzicht,quot; zegt de gemoedelijke Zythus, op den toon van iemand die alles doet wat hij kan om een reisgezel , die wat stil uitgevallen is, zooveel mogelijk te amuseeren , »ik kan me op \'t oogenblik perfect voorstellen hoe je als dominé van Prikkel en Prikkelhuizen of hoe je dorp heeten mag, op avonden als deze door dik en dun draaft om \'t een of ander gemeentelid op te zoeken, terwijl ik in een lekker warm kantoor mijn cliënten opwacht, tusschen beide eens pauzeer om wat met mijn
lief vrouwtje te keuvelen en dan.....
\'t Mogt den heer Zythus niet gebeuren deze beschouwingen te voltooijen. Een groot gat in den weg, door de duisternis niet opgemerkt doet de sjees krakende omkantelen en oogenbiikkelijk daarna bevinden beide heeren dat ze, in plaats
209
van in de sjees te zitten, midden op den weg liggen.
Ze vielen gelukkig zeer zacht. Daar had de regen voor gezorgd.
\'t Was een aandoenlijk gezicht den diep weemoedigen blik te zien, waarmee Bibulus toen hij, van boven tot onder beslijkt, was opgestaan, zijn costuum bekeek — waarin hij morgen preeken zou; en roerend was de wanhoop, waarmee hij in de duisternis zijn preek zocht weer te vinden, die hem bij den val ontgleden was.
Maar meer dan akelig was het den wreeden Zythus den diep ongelukkige te hooren toevoegen: »Dat komt er van als men zijn preeken niet memoriseert!quot;
III.
EEN LIEF DORPJE - MAAR EENVOUDIG.
\'t Is een lief dorpje, lezer, waar we ons thans bevinden, maar afgelegen en stil — doodstil.
Een steenweg zult ge er niet vinden, aanzienlijke huizen evenmin, ge zult te vergeefs naar een reisgelegenheid zoeken om er van daan te komen, maar wat ge er vinden kunt zijn bosschen en bloemen, beekjes en korenvelden, in één woord een schoone natuur.
Ge kunt er uren dwalen door lanen van populieren en beuken, door kreupelhout en korenveld, zonder een enkel levend wezen te ontmoeten, be-
14
210
halve misschien een haas die verschrikt voor uwen voet opspringt en zonder iets te hooren dan \'t gezang der vogelen.
Doch — \'t is nu herfst, ook deze geluiden hebben opgehouden uw oor te streelen en ge hoort naauwelijks iets anders dan \'t kraken van uwen tred op de afgevallen blaren
Want, zoo als we zeiden, \'t is er stil — doodstil.
En de bewoners — \'t zijn bijna allen eenvoudige landlieden, verbazend eenvoudig zelfs.
Toch, hoe eenvoudig en achterlijk de goede bewoners van Z. ook zijn mogen, een gebouw waar tegen billijken prijs verschillende dranken te bekomen zijn, den aanvang en o wonder! ook dikwijls het toppunt der beschaving, bezitten ook zij.
Als we de gelagkamer der eenvoudige dorpsherberg , waar de Vliegende Draak uithangt, binnentreden , zien we om een ouderwetschen haard, waarop een flink vuur brandt, cenige der nota-belste bewoners met een lange pijp in het hoofd zitten praten.
Een hunner, in wien we dadelijk een opvoeder der jeugd herkennen, schijnt de piet van het gezelschap te zijn. Hij is bezig zijne toehoorders op eene juist niet zeer beknopte wijze te vergasten op eene opsomming der voortreffeljjke eigenschappen en wonderbare geleerdheid van zijn zoon Kees, die als \'t ware bestemd scheen het dorp Z. wereldberoemd te maken. Daarbij wordt hij in de rede
211
gevallen door een der boeren met de wel ietwat onbescheidene vraag of het waar was, wat ze hem verteld hadden dat n, 1. voormelde Kees om de mooije nicht van Tante Cecilia vrijdde, en terwijl meester, klaarblijkelijk in het naauw gebracht, naar een passend antwoord zoekt, wordt hij van die moeite bevrijd door het binnenkomen van twee vreemdelingen, die wel geschikt zijn de alge-meene attentie tot zich te trekken.
quot;Wij herkennen in hen dadelijk onze beide vrienden Zythus en Bibulus , want hun kostuum, van onder tot boven beslijkt, laat geen twijfel over. Hun binnenkomen verwekt niet weinig ontsteltenis bij de eerzame landbewoners en meester Spierik is eerst de eenige, die hun groet beantwoordt en een plaats bij het vuur bezorgt. Weldra blijkt het echter dat zij al te nat zijn om hierdoor behoorlijk droog te worden, zoodat er niets anders opzit dan het edelmoedig aanbod van den kastelein aan te nemen, die zijne garderobe ter hunner beschikking stelt. Weldra is de metamorphose voltooid en zijn de beide heeren nauwelijks te herkennen. De gemoedsgesteldheid van Zythus mocht, nadat hij zich door een verwarmenden laafdrank verkwikt had, alleszins als voldoende aangemerkt worden, beter althans dan die van zijn vriend Bibulus. Deze heer verdiende inderdaad meer medelijden dan van den kant van Zythus zijn deel was. Zijn zwart pak geheel en voor altijd bedorven en morgen preeken, slechts drie
14*
212
uren van de plaats waar hij zich nu bevond en gezien werd in een costuum dat in \'t geheel niet voor een weleerwaarden heer paste!
Natuurlijk moesten ze de oorzaak hunner deerniswaardige positie verhalen, hoe ze met de sjees waren omgevallen, en na een groot eind geloopen te hebben met moeite een boer gevonden hadden , die hun rijtuig weer zoo wat in orde gebracht en hun den weg naar Z. gewezen had, hoe ze er heel langzaam voortsukkelende eindelijk waren gekomen en zich nu nog drie uren van de plaats bevonden, waar ze eigenlijk hadden willen wezen-Niets hiervan trok zoozeer de aandacht der boeren als het omvallen der sjees. Toen Zythus dit met zijn gewone welsprekendheid verhaalde, keken ze elkander aan en schuddeden bedenkelijk hunne hoofden.
sPieter Knobbel,quot; sprak meester Spierik op plechtigen toon , zich tot een der boeren richtende, »daar hebben we het al weer. U , die lid van den Raad zijt, rade ik in gemoede, in \'t belang der gemeente aan, eindelijk eens krachtige pogingen te beramen om den booze uit ons midden
weg te doen.quot;
Pieter Knobbel knikte met zijn achtbaar hoofd, maar zweeg. Desgelijks deden de anderen.
»Zaagt ge niet iets?quot; vroeg de meester aan de beide vreemdelingen, die van dien vreemden uitval niets begrepen. sMijn naam is geen Spierik,quot; vervolgde hij op geheimzinnigen toon en hevig
213
met zijn pijp gesticuleerende, «als het niet do witte hond geweest is, die u die kool heeft gestoofd en nog altijd weinig van den indruk bespeurende, die zijne woorden op de beide heeren moesten maken, voegde hij er half fluisterende bij: »de witte hond die nog geen drie weken geleden Teunis Bobbel op dezelfde plaats smoorde en in de sloot wierp.quot;
Zythus had moeite bij dit verhaal zijn lachspieren in bedwang te houden en zelfs Bibulus bracht het weer eenigermate in zijn humeur.
Langzamerhand waagden het ook de anderen hunnen mond te openen en hun gevoelen over deze gewichtige zaak te zeggen. Een paar waren er, die nog niet vast van de waarheid der zaak overtuigd schenen , die meenden , dat het omvallen even goed de schuld kon zijn van den slechten weg als van den witten hond, die door de heeren ook immers volstrekt niet gezien was, gelijk zij er ook aan herinnerden dat van het geval met Teunis Bobbel nog een andere lezing bestond, volgens welke gemelde heer met een groot stuk in zijn kraag in de sloot gevallen en zoo verdronken was, maar meester Spierik bracht allen tot zwijgen door te verklaren dat het zeer verkeerd was zoo met alles te spotten , zijn zoon Koes had den witten hond immers ook duidelijk in die buurt waargenomen. Daarenboven was het ook geen raadsel, van waar dit verschijnsel, zooals zoovele andere van den laatsten tijd, zijnen oorsprong had ,
214
ze wisten het immers allen wie hun dit brouwde en zooveel ongeluk over hun dorp bracht. En meester eindigde zijne indrukwekkende toespraak met Pieter Knobbel nog eens plechtig op te eischen om door zijnen invloed als lid van den Raad den booze uit hun midden weg te doen.
Het achtbare lid van den Raad knikte nogmaals beteekenisvol met zijn hoofd, desgelijks deden ook de anderen en een der twijfelaars van zoo even merkte deemoedig op dat meester het wel weten zou, die kon het immers in de boeken lezen.
De heeren Bibulus en Zythus vonden deze discus-siën veel te mooi om er zich in te willen mengen en vergenoegden zich daarom met toe te luisteren. De geheimzinnige uitdrukkingen van den schoolmeester maakten echter hunne nieuwsgierigheid gaande, zoodat ze om opheldering van een en ander verzochten. Zoo vernamen ze nu dat voor eenigen tijd een vreemde sinjeur in het dorp was gekomen , of hjj een Heiden of een Mahomedaan was , was nog onzeker, maar een fatsoenlijk Christen-mensch was hij ongetwijfeld niet. Hij woonde in een gebouw waar het buitendien al niet recht pluis was en dat daarom lang had leeg gestaan, vertoonde zich nooit onder menschen, sloot zich op met doodshoofden en geraamten en sloop door de bosschen om vergiftige kruiden te verzamelen. Zoo iemand, dat kon niet anders, moest wel met den booze in betrekking staan. Zoolang als hij
215
in het dorp was, waren er dan ook een menigte ongelukken en sterfgevallen geweest. Toen meester Spierik met het opsommen dier ongelukken een begin wou maken, viel Zythus hem echter in de rede met de vraag:
«Hoe lang woont die sinjeur hier al?quot;
))\'t Zal ongeveer vier weken zijn,quot; antwoordde hij, na zich een poos bedacht te hebben, »ja, ja, \'t zal juist vier weken geleden zijn, dat het kind van Klaas Knoedel die vreemde stuipen kreeg,, en ... .
«Weet je wat, Bibulusje,quot; zei Zythus, »ik geloof dat ik de zaak beet heb, daar moeten we maar dadelijk eens op af.quot;
Ook deze heer meende lont fe ruiken en was van hetzelfde gevoelen.
Het hoofdschudden der boeren toen ze dit plan hoorden, wou bijna geen einde nemen. Bij dag, dan was het wat anders, maar bij nacht, om zoo te zeggen, dat was den duivel verzoeken. Men moest niet maar zoo met alles spotten.
Met moeite kregen ze een jongen mee, die hen voor een gedeelte den weg zou wijzen en vertrokken, terwijl de dorpsklok tien zware slagen liet hooren. Het gezelschap aan den haard had intusschen de pijpen laten uitgaan en uitte zijne afkeuring van zulk een stout bestaan door een herhaald schudden der hoofden.
216
IV.
EEN GROOT LICHT IN EEN AFGELEGEN HOEK.
Als men vlak bij liet zestal huizen, dat de kom van het dorp genoemd wordt, die hooge populierenlaan inslaat, komt men in een waar labyrinth van lanen en kronkelpaden.
\'t Ziet er wel wat verwilderd uit, maar toch, dat er vroeger orde en regelmaat geheerscht heeft, is nog duidelijk te zien.
Midden in dien doolhof staat een groot, oud gebouw.
Vroeger woonde daar eene adellijke familie. De laatste van het geslacht is er gestorven en nu staat het huis verlaten.
De bewoners van het dorp komen er liever niet dicht in de buurt, vooral niet als het donker is, want weet ge, in dat kasteel. ....
Evenmin hebben ze \'t ook begrepen op een klei ner gebouw, dat misschien vijf minuten verder staat, bijna geheel tusschen de boomen verborgen, \'t Ts een gebouwtje met twee of drie kamers; waar \'t vroeger toe gediend heeft is moeijelijk te zeggen, maar \'t is duidelijk, dat het bij het groote huis heeft behoord, de bouwtrant is precies dezelfde.
\'t Is hier, dat de persoon woont, die wij in de herberg als zulk een geheimzinnig en gevaarlijk wezen hoorden beschrijven en toch niemand
217
anders is dan Frits, over wien we Zythus en Bibulus op reis hoorden spreken.
Maar \'t zal niet ondienstig zijn, den lezer uit te leggen, hoe het komt dat we hier, geheel afgescheiden van de wereld, een student in de edele geneeskunst een kluizenaarsleven vinden leiden.
Als Frits zich nu en dan zijn jeugd te binnen bracht, herinnerde hij zich dat hjj altijd tot de vroolijkste en levenlustigste wezens op den aardbodem had behoord. Zijne moeder — ze was reeds lang niet meer onder de levenden — had soms tranen gestort als ze voorspelde dat er nooit iets van hem zou terechtkomen, omdat hij liever speelde op het groote grasplein midden in het dorp, of kattekwaad uitvoerde, dan achter de boeken te zitten. En zelfs zijn makkers hadden hem soms verweten dat hij om die tranen zoo weinig gaf, — vreemd toch, dat hij \'tzich nu nog zoo duidelijk herinnert. Maar dat is al lang geleden — heel lang.
Eindelijk was hij dan toch aan de Academie gekomen — dat was ook al vrij lang geleden.
Iemand als Flits , vroolijk en geestig , wordt in ieder gezelschap met vreugde ontvangen. Zoo mocht ook hij zich weldra in een groot aantal vrienden en kennissen verheugen en had genoten wat te genieten valt in eene Academiestad, als men jong is en levenlustig. En zijne kennissen hielden dol veel van hem, ze waren zelfs verzot
\'218
op zijn gezelschap, waar het niet zoo \\wvas als het behoorde wanneer er hij niet bij was _, met zijn vrolijke blaauwe oogen en gullen lach. En toch werd wel eens hetzelfde gezegd wat dquot;_ie knapen eens zeiden in zijn vroegste jeugd, alas ze speelden op het grasplein in zijn geboorteedorp, dat geen indrukken bij hem diep gingen, dm zij twijfelden wel eens of, als er eens iets op • te offeren viel, Fritsje wel de regte man zou zijtm
Was die twijfel gegrond, of gingen.» misschien de indrukken zoo diep, dat de beroer-riugen, die ze in zijn binnenste veroorzaakten, niet dooordrongen tot de oppervlakte?
Maar hoe het zij — een lief heb bear van stu-deeren was Frits nooit geweest. Het eecrste examen was eindelijk met veel moeite vrij laaat voor den
dag gekomen, maar nummer twee - dat werd
zeer bedenkelijk. Frits bleef altijd opo zijn vlugheid vertrouwen — en vlug was hr_ij — maar zijn zitvermogen had in de vele camgpagnes verbazend geleden. Ook begon zich ee;=n zeer verdacht gebrul te laten hooren, eerst o-op eenigzins gedempten toon, maar dat weldra in eon oorver-doovend concert overging, \'t Gevolg gt;^aii dit alles was, dat eerst zijne vrienden elkanöder met bedenkelijke gezichten het vermoeden meoeieelden dat hun Fritsje wel eens vóór iemand esr om dacht op een rijtuig met twee wielen zou ïlamnen vertrekken en eindelijk was het algemee sn een uitgemaakte zaak, dat gezegd instrumemit reeds dc
219
grondverw-periode voorbij was en verlakt en blinkend gereed stond , om den delinquent af te halen.
Men had wel medelijden met hem, maar meende toch ook dat men hem niet zoo erg hoefde te beklagen, want dat \'t hem weinig schelen kon.
Toen nu eindelijk voornoemde heer plotseling verdwenen was, scheen er geen twijfel te bestaan of Fritsje had zijne schitterende loopbaan geëindigd , m. a. w. was gesjeesd. Men miste hem wel dikwijls en vond het onaangenaam dat hij niet meer in hun midden was, maar het werd toch algemeen zeer onaardig en onhartelijk van hem gevonden, dat hij er zoo stil was uitgeknepen , zonder zelfs van zijn beste kennissen afscheid te nemen. Trouwens, men kon \'t zich van hem best begrijpen ; Frits had weinig hart voor zijn kennissen.
Zoover was het met Frits echter nog niet gekomen. Reeds langen tijd had hij gepractiseerd over een middel om aan het studeeren te raken, want, zoo als \'t wel eens meer gaat, zij die meenden dat hem het vooruitzicht van te sjeezen niets kon schelen, hadden het geheel en al mis. Dat Frits voor \'t uiterlijk vroolijk en opgeruimd was zagen ze wel, maar dat hij ondertusschen geweldig aan die gemoedsgesteldheid laboreerde die men «het landquot; noemt, zagen ze niet. Daar las hij op zekeren dag in de courant, dat in het schoon gelegen dorp Z. een optrekje te huur was, uiterst geschikt voor iemand, die stil en in de
220
strengste afzondering wenschte te leven. En toen in die zelfde dagen een brief van den pipa arriveerde , die hem, zoo hij niet zeer spoedig examen deed, finale sluiting van het tooneel aankondigde, stond zijn besluit vast. Yoor een kleine excentriciteit , als het zoo eens te pas kwam, was Fritsje niet bang; hij sleepte een hoop boeken en andere benoodigheden (één enkel ankertje wijn mee te nemen kon hij onmogelijk laten) bij elkaar en vertrok naar Z. met den vasten wil zijne schuilplaats niet te verlaten voor het examen er stevig in zat. En om te voorkomen , dat sommige goede vrienden lust zouden krijgen hem in de eenzaamheid te komen troosten , had hij er tegen niemand een enkel woord van gezegd.
Of men te Z. al vreemd opzag toen daar een vreemdeling arriveerde, die verklaarde in dat oude gebouw in het bosch te willen wonen, dat zoo lang had leeggestaan en waar men zulke vreemde zaken van vertelde, daardoor liet Frits zich niet afschrikken, Hij lachte er wat om, verklaarde dat hij wel vrede zou weten te houden met alle mogelijke schimmen, die hem daar uit de onderwereld een bezoek zouden willen brengen en eta-bliseerde er zich zoo goed en zoo kwaad het ging in de eenige kamer van het gebouw die bruikbaar was, voortaan slechts door één denkbeeld be-heerscht: studeeren.
En het mogt studeeren heeten —- dat verzeker ik u. De drie eerste dagen wel is waar deden
221
zich periodieke aandoeningen voor, vooral \'s morgens te 1 en \'s avonds te 10 ure; \'t was dan alsof er elementen in hem waren, die niet tot hun recht kwamen, maar langzamerhand verdwenen deze aandoeningen geheel en met oogehoorde snelheid werd de inhoud van boek en dictaat in zijn geest verwerkt. Daar te midden eener dood-sche stilte, door niets afgeleid, niets hoorende dan het gesuis der wind in de toppen der boomen en geheele dagen geen levend wezen ziende dan den jongen uit de herberg die hem dagelijks met een benauwd gezicht zyu middagmaal bracht, deed hij wat hem gindsch in de Academiestad onmogelijk was geweest; studeeren.
\'t Was hem een vroeger ongekend genoegen, na eenige uren aan de studie gewijd, de bosschen in het rond in alle richtingen te doorkruisen, \'t Was er doodstil, slechts zelden ontmoette hij iemand, en vreemd, — toch gevoelde hij zich dan gelukkiger dan in den laatsten tijd op menig vroolijk feest.
Intusschen vertelde men in het dorp allerlei vreemde zaken. Dat er een vreemdeling was komen wonen, was op zich zelf al een feit van groote beteekenis, maar dat deze vreemdeling in dat oude huis was gaan wonen, dat was eene omstandigheid waarover algemeen bedenkelijk het hoofd werd geschud. Ge herinnert u immers nog lezer! dat we de bewoners van Z. zeer eenvoudig noemden. Hunne eenvoudigheid was er zulk eene
222
als aan afgelegen plaatsen meer eigen is, die de bewoners minstens een halve eeuw in beschaving doet achteruit zijn en die men wel zoo duidelijk domheid noemt. De goede lieden (bijna allen boeren) hadden Z. M. Satan met zijn trawanten nog lang niet op stal gezet. Ge kondt er boer Steven nog zeer stichtelijk aan zijn buurman Harmen hooren vertellen, hoe hij \'s avonds laat thuis komende op zijn aardappelveld den weerwolf hem rakelings had zien, neen voelen voorbijloopen en hoe geen drie dagen daarna zijn mooiste koe gestorven was, of hoe de oude Jantje op den hoek sterk onder verdenking lag een boos oog te hebben.
Bij dezen stand van zaken was de nieuwe bewoner van het oude huis van den aanvang af een voorwerp van belangstelling en van argwaan. Welk fatsoenlyk Christenmensch zou zoo midden in \'t bosch een woning betrekken, waar het buitendien al niet recht pluis was, zonder zich in \'t minst met iemand te willen bemoeijen Had niet Kees van den schoolmeester zelf reeds vroeger des nachts daar een schrikkelijk spektakel gehoord en de vensters blauw verlicht gezien. Dat kon nooit in den haak zijn. Ook meester Spierik zelf had immers verklaard, dat hij waarschijnlijk een Heiden of Mahomedaan was. maar nooit een fatsoenlijk Christenmensch en die zou het wel weten.
Wat hij daar altijd op zijn ééntje uitvoerde mogt de drommel weten, veel goeds was het zeker niet. Wat beduidde dat wandelen door
223
\'t bosch , vooral \'s avonds en dat in de buurt van het oude kasteel. En Kornelis, de jongen uit den Yliegenden Draak die hem het eten bracht, die kon er van vertellen dat zijn kamer vol was van doodshoofden en geraamten. Brrr! die haalde hij zeker \'s nachts van \'t kerkhof. ïeunis uit den molen had zich dan ook al eens verbeeld den vreemden sinjeur \'s nachts op \'t kerkhof te hebben zien rondsluipen. En altijd had hij nog licht op, zelfs \'s nachts om twaalf uur als ieder fatsoenlijk mensch sliep. In de kerk kwam hij ook nooit, als, ja, een keer was hij er geweest en juist die keer dat Dominé pijn in den buik gekregen had. Vooral op gezag van den school^ meester was er geen twijfel aan of die snaak in het bosch deed zaken met den booze. Had niet, toen hij nog maar pas in het dorp was, het paard van Jaap den kwaden droes gekregen en de koe van Pietertje een kalf met vijf pooten ? Die \'t ontkennen wou moest wel oliedom zijn.
Van den indruk, dien hij op de goede dorpelingen maakte, bemerkte de persoon in questie al bitter weinig, behalve dat het gezicht van den jongen uit den Vliegenden Draak steeds benaauw-der werd en dat de menschen, die hem soms op zijne wandelingen ontmoetten, zich zooveel mogelijk op eerbiedigen afstand van hem hielden en zijn groet nauwelijks beantwoordden. Maar hij gunde zich weinig tijd hierover na te denken. Hij verheugde zich reeds over de verbazing die het
224
zou te weeg brengen, als hij op eens met zijn examen voor den dag kwam en door hoop op de toekomst gesterkt, studeerde hij er dapper op los, zonder gestoord te worden door de adellijke schimmen der voormalige bezitters die het volksgeloof er liet rondwaren.
V.
EENE ONTMOETING , DIE BEDENKELIJKE GEVOLGEN HEEFT.
Ongeveer veertien dagen had Frits in zijne vrijwillige ballingschap gesleten, toen hij eene kennismaking aanknoopte, die zeer bedenkelijke gevolgen met zich sleepte.
Zooals we reeds zeiden, had onze kluizenaar de gewoonte om na uren van ingespannen arbeid eenigen tijd in den omtrek rond te dolen. Dikwijls richtten zich dan ook zijne schreden naar de plaats waar het oude kasteel stond, waarvan we boven spraken, maar nog nooit had hij in het gebouw zelf den voet gezet. Op zekeren middag echter — hij had weer een verbazend eind letters geslikt, — bekroop hem de lust den ouden bouwval van binnen op te nemen en eenige oogenblikken te toeven in die oude zalen, die het lief en leef van zoo vele geslachten hadden aanschouwd, om ten laatste niets anders te prediken dan: vergankelijkheid. Frits was de man niet 0111 voor een klein geruchtje vervaard te zijn en toch; toen hij daar stond voor dien ouden steenklomp, gevoelde ook hy iets van
225
die onweerstaanbare gewaarwording welke bijna iederen mensch aangrijpt, als hij den voet zet op het gebied van dood en vergankelijkheid, \'t Begon even te schemeren. Doodsche stilte in \'t rond. Slechts \'t geklapwiek der vogels, die tusschen de muren nestelden en \'t geritsel der hooge populieren. Anders niets.
Met vaste hand opende hij de zware deur, die sinds lang niet meer gesloten kon worden. Akelig knarste zij op de verroeste hengsels. Het geluid weerkaatste honderdvoudig in alle hoeken van het gebouw, als om de schimmen der voormalige bewoners op te roepen, om den onbeschaamden indringer te weren.
))Wie is daar?quot; klonk het duidelijk en diep. Hoe sterk van zenuwen Frits ook was, toch huiverde hij een oogenblik.
Daarop al zijn geestkracht verzamelende trad hij voorwaarts. En wat vond hij ? In een der antieke zalen ter naauwernood tegen wind en regen beveiligd, vond hij een afgeleefden grijsaard. Hij had aan den haard gezeten, waarop een klein vuurtje flikkerde, was met moeite opgestaan om te zien wie dat geraas veroorzaakte en staarde nu met een soort van vreesachtige verbazing den inbreker aan, die op zoo iets in \'t geheel niet voorbereid, niet wist of hij\' waakte of droomde. In een houten kribbe lag een doodsbleek kind van misschien zeven of acht jaren en daarnaast stond . . . maar daarover spreken we straks.
226
De oude man scheen de verbazing van den bezoeker te begrijpen, en zeide met holle stem: »Ge hadt hier wellicht geen bewoners verwacht niet waar?quot; en in den toon zijner stem lag iets bitters, toen hij er bijvoegde: »Ik geen bezoeker! Frits is nog altijd sprakeloos.
sG-e wenscht misschien te weten wie ik ben?quot; sprak de oude. En zich met zekeren trots op-rigtende en de kamer rondziende, vervolgde hij, op een oud portret aan den wand wijzende: «Die daar is de laatste van zijn geslacht, en ik ben zijn laatste dienaar. Ik heb mijn woord gehouden! Toch,quot; voegde hij er bij en zijn trots van zooeven verdween geheel, om voor iets onbeschrijfelijk weemoedigs plaats te maken , »toch waren we lang van honger en ellende omgekomen zonderbaar!quot;
Bij deze woorden rustte zijn oog met een mengeling van eerbied en liefde op een meisje, dat met bezorgden blik het zieke kind in de kribbe gadesloeg.
Het oog van den bezoeker had reeds lang op die lieflijke gestalte gerust, die daar stond als een engel des lichts te midden al dier overblijfselen van vervlogen luister en grootheid, als een engel der hoop aan het bed van dat zieke kind. En hij vroeg zich af hoe zulk een bloem tieren kon in die omgeving des doods.
En Frits, de spraakzame, levendige Frits stond daar nog altijd zoo stom en sprakeloos, alsof hem inderdaad schimmen uit den voortijd verschenen waren,
227
Als Frits zich niet van allen omgang met de dorpsbewoners onthouden had, zou hij waarschijnlijk geweten hebben, dat het oude kasteel niet geheel onbewoond was en wie de bewoners waren. Nu vernam hij het uit den mond des grijsaards.
De laatste bewoner, de laatste van zijn geslacht, was voor ettelijke jaren in vrij armoedige omstandigheden gestorven, en zijn eenige trouwe dienaar was niet te bewegen geweest het huis te verlaten. Want in zijn laatste ziekte had zijnen meester niets zoozeer gekweld, als het on verdragelij k denkbeeld , dat na zijn dood het oude huis zou worden afgebroken en meermalen had hij in de koorts en ijlende zijn trouwen Dirk gesmeekt het toch niet te verlaten als hij zou gestorven zijn. En Dirk had het hem beloofd en verklaarde te willen sterven in het huis waar zijn heer den laatsten adem had uitgeblazen, zoo men hem er ten minste niet met geweld uitdreef. Toen hij hier niet van af te brengen was, had zijne eenige dochter zich uit kinderlijke liefde opgeofferd en was met haren man bjj hem komen wonen. Maar weldra waren beide gestorven, misschien wel door de kilheid en ongezondheid van het gebouw — de menschen zeiden dat er een vloek op het kasteel lag — en hadden hem hun kind j een meisje ter verzorging achtergelaten. Doch ook dit kind, met hoeveel zorg ook door den ouden man opgepast, was ziek geworden.
Van de dorpsbewoners had de oude Dirk geen
15*
228
hulp te verwachten. Eerst noemden ze zijn plan een stijfhoofdige gril, maar sinds er hoe langer zoo meer vreemde geruchten over het oude kasteel in omloop gekomen waren, won het denkbeeld veld, dat het met iemand die het daar uithouden kon ook wel niet regt pluis zijn moest. Hij werd meer en meer een voorwerp van schrik en afschuw en niet licht zou iemand het wagen zijne woning te betreden. Zoo zou de grijsaard, die daarenboven aan aanvallen van kindschheid begon te liiden met zijn kleinkind in zijne stijfhoofdigheid misschien ellendig zijn omgekomen, was met van tijd tot tijd een engel verschenen, om te helpen
en te troosten.
Dit alles en nog veel meer vernam Fnts, maar
toen de oude Dirk zijn dankbaar hart begon uit te storten — \'t gebeurde hem zoo zelden dat het kon — en jufvrouw Marie, zooala hij,haar noemde, hemelhoog begon te verheffen, ging deze eensklaps, zeggende dat het haar tijd werd, met vriendelijken groet heen en sloeg den weg naar het dorp in, terwijl Frits al dien tijd zeker nog geen tien woorden gesproken had.
Toen Frits eenigen tijd daarna bemer\'te a hü weer thuis was, verbaasde hij zich daarover ten hoogste; van den weg herinnerde hij zich volstrekt niets meer. Yerder bedacht hij zich toen dat hij zich wel zoo beleefd zou aangesteld hebben als hij haar naar het dorp geleid had, \'t geen hem aanleiding gfquot; zich de epitheta ezel.
229
stoffel, en wat dies meer zij toe te voegen. Ook schoot hem toen te binnen, dat hij geheel vergeten had den ouden Dirk te vragen wie ze toch wel was, waarop hij niet kon nalaten zich nog eens diezelfde complimenten te maken.
En toch — Frits was anders zoo dom niet! Vreemd! hoe men soms zoo in \'t oogloopend dom zijn kan.
Vreemd was het ook en moeilijk te verklaren, maar waar was het toch, dat het met de studiën van Frits na die merkwaardige ontmoeting niet zoo meer scheen te willen vlotten als vroeger. Zijn geest scheen veel meer ontspanning noodig te hebben, want hij wandelde oneindig vaker. En wat daarbij bijzonder opmerkelijk was, het oude kasteel en zijne bewoners schenen een groote aantrekkingskracht op hem uit te oefenen, ten minste dagelijks kon men hem dien kant zien opgaan.
Razend toevallig was het ook, hoe dikwijls hij daar haar ontmoette, die door den ouden Dirk juffrouw Marie genoemd was. \'t Was aandoenlijk te zien hoe ze beiden hunne zorgen wijdden aan het zieke kind, en of het toe te schrijven was aan zijne medische kennis of aan hare liefdevolle zorg durf ik niet beslissen, maar zeker is het, dat het kind duidelijk begon te beteren.
\'t Was zeer natuurlijk, en niet meer dan beleefd , dat hij haar na zulk een medisch consult een eind naar hare woning vergezelde; dat men
230
daarbij juist niet altijd den koristen weg koos laat zich ook begrijpen, \'t was immers zulk prachtig herfstweer, \'t Trof daarbij alleraardigst dat zij dol veel van bloemen hield, en hij zich herinnerde ook dol veel van botanie te houden, ja, dat hij zelfs nog een en ander van zijn examen in dat vak onthouden had, en dat men zoo botanizeerende den weg juist niet in den kortst mogelijken tijd aflegt is natuurlijk — zeer natuurlijk.
Maar vreemd is en blijft het toch, dat zei s als Frits in zijn kluizenaarscel zit, het studeren
maar niet lukken wil.
Yroeger versoesde hij geen enkel oogenbhc, geen minuut, die hij voor zijn boeken doorbracht, Was verloren, en thans - het eene boek is wat droog, daar kan men zijn gedachten met bijhouden, hij zal maar eens met een ander beginnen. Dat\' andere is vreeselijk onbegrijpelijk en duister. Evenwel — vroeger had hij daar geen last van \'t Is en blijft vreemd, zeer vreemd!
Jan, Piet en Klaas in het dorp weten intus-schen groote stukken te verhalen. Die vreemde sinjeur uit het bosch loopt dagelijks naar het oude kasteel: een zeer verdacht verschijnsel. Het kleinkind van den ouden Dirk dat door een boo-zen geest bezeten was heeft hij klaarblijkelijk genezen. Dat hij ten minste een toovenaar of wonderdoctor is, wordt zeer waarschijnlijk gevonden. Jan Jingel, die aan de vallende ziekte
231
laboreert, wordt van alle kanten sterk aangeraden eens naar hem toe te gaan. Tusschen twee haakjes zij hier aangemerkt, dat een doctor te Z. niet te vinden was en de goede dorpsbewoners beweerden, dat men het ook best buiten zoo iemand stellen kon, daar in de meeste gevallen het eten van meikeverkoppen een probaat middel was. Opmerkelijk was nog dat alle verhalen die dienen konden om den verdachten mesjeu nog meer verdacht te maken door meester Spierik met zulk een ijver werden verspreid, dat lieden, wat minder dom en eenvoudig dan de bewoners van Z., op \'t vermoeden zouden gekomen zijn, dat deze heer er wel bijzonder belang bij moest hebben den naam van dien vreemden sinjeur te bekladden.
VI.
TAN\'TE CECILIA EN DE GEVOLGEN VAN BOTANISCHE • EXCURSION.
Op denzelfden avond dat Zythus en Bibulus nat en beslijkt in den Vliegenden Draak arriveerden , is Frits weer van een zijner bovengemelde medische en botanische excursiën thuis gekomen. Zijne kamer een vreemd mixtum quid van antieke en moderne zaken, ziet er met het groote vuur op den haard — de avonden beginnen al koud te worden en de vensters sluiten alles behalve hermetisch, — vrij gezellig uit.
Maar hoe ook alles hem tot studeeren schijnt
232
uit te lokken, de doodsche stilte daarbuiten, de groote stapel boeken en papieren daarbinnen, dezelfde yerschijnselen van vroeger herhalen zich weer en zelfs in buitengewoon hoogen graad. Gaan zitten en een boek krijgen, niets zien van \'t geen daarin te lezen staat, het boek weer weg-gooijen, opstaan, met groote schreden de kamer doorloopen, korte, afgebroken zinnen uiten, met beide handen gesticuleeren, nog eens weer zitten gaan om dadelijk daarna weer op te staan en naar het venster te gaan om naar de sterren te kijken, die helder tusschen de half ontbladerde boomen door flikkerden — dit zijn allen zoovele symptomen, die aanduiden dat \'s mans gemoedsgesteldheid alles behalve normaal is. Inderdaad daarbinnen is \'t lang niet stil en rustig, daarbinnen heerscht een hevige storm, daar golft en bruischt een zee van gedachten en gewaarwordingen. Laat ons hooren, wat hij al zoo bij zich zelf beredeneert.
Yooreerst — dat hij ijsbaarlijk, tot over de ooren verliefd is op Marie, en dat hij dit aardsche tranendal onmogelijk verder zal kunnen doorwandelen,
dan aan hare zijde.
Maar de goedgunstige lezer zal gaarne iets meer willen weten van die Marie. Als we het aan Fnts vragen, zullen we niets anders vernemen, dan dat ze een allereeuwigst lief, mooi meisje is, een engel, een .... maar de lezer verlangt iets meer. quot;Welnu dan.
233
Hare ouders kon Marie zich naauwelijks meer herinneren, ze was reeds vroeg een arme weeze. Toen ze daardoor hulpeloos en verlaten en alleen stond in de wijde wereld had Tante Cecilia zich over haar ontfermd.
Wie Tante Cecilia is?
Tante Cecilia is een ongehuwde dame van 60 a 70 jaar. Ze bewoont te Z. het mooiste huis van het dorp, dat wil zeggen, behalve de pas-tory het eenige huis dat met pannen gedekt en van een stoep, schel en dergelijke artikelen van weelde voorzien is, waarom het door de boeren, sedert het kasteel onbewoond staat, uit eerbied »het huisquot; genoemd wordt. Men vertelde, dat Tante Cecilia te Z. was komen wonen, om daar in de stilte eene ongelukkige liefde te vergeten; ofschoon er ook waren, die dit betwijfelden en beweerden dat er bij Tante nooit van liefde was sprake geweest en dat het een soort van diepe verachting voor de booze wereld was, die haar naar Z. had gedreven. Hoe dit zij, Tante Cecilia (zoo werd ze in de wandeling in het dorp genoemd) had te Z. vrij wat, of liever alles te zeggen, wat echter bij de dorpelingen meer in vrees, dan wel in achting of liefde zijnen grond had. Want Tante was lang niet gemakkelijk, en als zij eens iets begrepen had dan bleef hef er bij. Dit alles wil nu niet zeggen dat zij een bepaald leehjk of slecht karakter had, neen volstrekt niet, voor de armen b.v. opende niemand zijn beurs eerder en milder
234
clan Tante Cecilia, maar ze had zooveel eigenaardigheden en zonderlingheden, dat een dagelijksche conversatie met haar volstrekt niet aan te raden was. Onder Tante\'s eigenaardigheden behoorde o. a. een diepgewortelde antipathie tegen het genus uurwerken. Een ouderwetsche huisklok, met deftigeu tik, dat kon er nog even door, maar horlogies met hun onrustig tikken, alsof ze de menschen maar hoe eer hoe liever naar de eeuwigheid wilden helpen, die kon ze niet uitstaan. Het liefst van alles bediende Tante zich van een zonnewijzer. Als zij op haar gewone plaats voor het venster zat, het gordijntje twee vingerbreed opengeschoven, had zij het gezigt op een allerliefst net tuintje, dat tweemaal daags moest geharkt worden, en in \'t midden daarvan op een rozenperkje stond haar geliefkoosde zonnewijzer. Voor dit instrument koesterde Tante een soort van eerbiedige vereening. Toen hare oogen wat minder begonnen te worden waren de cijfers eens zoo groot gemaakt, en aan het verguldsel mogt nooit het minste ontbreken-\'t Was dan ook een mooie zonnewijzer. Op het wit marmeren voetstuk waren een aantal leeuwekoppen sierlijk uitgehouwen, met zulke grimmige tronies, alsof het hunne taak was de woning der achtbare dame tegen eiken indringer te verdedigen.
Dat het leven van Marie onder deze omstan-digheden niet enkel zonneschijn was, laat zich ligt begrijpen. Ze was wel diep doordrongen van dankbaarheid jegens Tante Cecilia, aan wie ze
235
zooveel verpligt was , ze zou dan ook nooit tegen haren zin handelen, ze zag ook liet vele goede in haar niet voorbij, maar tusschen dankbaarheid en liefde blijft altijd een groot verschil.
Als Tante wat heel ongemakkelijk was, richtte Marie dikwijls hare schreden naar de woningen van armen en hulpbehoevenden en overal waar ze kwam met haar vriendelijk gelaat en liefdevolle oogen, was \'t als of door hare verschijning alleen reeds ziekte en ellende de wijk namen. Zelfs in de diepste duisternis was hare komst een vriendelijke zonnestraal.
Tante Cecilia was te verstandig om aan die gekke praatjes, die over het oude kasteel en den ouden Dirk in omloop waren , geloof te slaan, en had er daarom ook niets op tegen dat Marie den ongelukkigen martelaar van gehechtheid aan zijn meester en zijn ziek kleinkind van tijd tot tijd bezocht en hulp verleende. Toen haar echter ter ooren kwam (en we zullen weldra vernemen van welken kant) dat die bezoeken aanleiding gaven tot de botanische excurcies waarover we vroeger spraken, begon zij de zaak bedenkelijk te vinden. Zij hechtte wel geen geloof aan al de dwaasheden die van dien bloemenliefhebber verteld werden , maar toch, er werden haar meer dan genoeg leelijke dingen van Frits verteld om hem in hare oogen een verdacht persoon te maken, en of nichtje al verzekerde dat hij volstrekt geen bosclunenscli was, (zooals Tante hem bij
236
voorkeur betitelde) maar integendeel een zeer beschaafd en wel opgevoed jongmensch, dat mocht alles niet baten; Tante hield vol dat iemand die zich, zooals hij, geheel van de wereld afzonderde een slecht mensch moest zijn, die een zwaie schuld op zijn geweten had, of ten minste van slechte plannen, die het licht niet konden verdragen, zwanger ging. En hare vermaningen werden gewoonlijk besloten door een tal van ervaringen uit haar eigen jeugd, die ook aan verleidingen van dien aard had bloot gestaan, waaruit men de conclusie kon trekken dat een jong meisje tegenover heeren nooit te voorzichtig zijn kon.
Als Tante nichtje over deze dingen onderhield, stelde zij gewoonlijk tegenover den boschmensch bij wijze van pendant den persoon van Kees van den meester over. Deze heer, die het ambt van ondermeester op een dorp een paar uren van Z. gelegen bekleedde, was, wat de lengte van zijn aardsch vat betreft, het best te vergelijken met een halve kabaal in de pijpenwereld, en zoo verwaand als hij groot was, wist hij de zonderlingheden van Tante Cecilia meesterlijk te ontzien. Zijn afkeer van horlogies openbaarde hij door nooit zulk een instrument op zak te hebben en meermalen had hij in hartstochtelijke bewoordingen zijne bewondering en eerbied voor Tante\'s zonnewijzer laten luchten. Deze vond dan ook voornoemden Kees het model van een jong mensch zooals hij naar aanleg en bestemming zijn moet, maar helaas! nog maai
237
al to dikwijls niet is, en als ze bij zich zelve overwoog dat haar levensdraad al mooi aan het verslijten was en daar ze niet gaarne zou zien dat Marie bij haar dood alleen zou staan in deze booze, arglistige wereld, zoo kwam haar de heer Kees Spierik, al was hij dan van wat lager komaf, uiterst geschikt voor om het geluk van haar nichtje op hechte grondslagen te vestigen.
En meester Spierik die een sterk vermoeden had dat de geldkist van Tante Cecilia behoorlijk gespekt was, scheen deze partij voor zijn onver-gelijkelijken zoon uiterst doelmatig toe, iets waaraan zoon Kees zijn volle adhaesie hechtte. Marie was de eenige die naar deze plannen volstrekt geen ooren had.
Nu hadden de heeren Spierik Senior en Junior bovenvermelde handelingen in het bosch al lang met wantrouwenden blik gadegeslagen en voorzagen daarvan voor hunne zaak weinig goeds. Buitendien reeds had meester het land aan Frits gekregen , toen hij, hem op een goeden dag tegenkomende , naar zijn naam had gevraagd en hem door Frits het onbescheidene dier handelwijze op krachtige wijze was te kennen gegeven.
Yan daar dat zij alles deden wat in hun vermogen was om den vreemden snaak een slechten naam te bezorgen. De bewoners van Z,, wel van nature bijgeloovig, maar toch te goedaardig en vreesachtig om uit eigen beweging tot uitersten over te gaan, werden op alle mogelijke wij-
238
zen bewerkt, om hen te doen gelooven, dat die vreemde vent gevaarlijk was voor de gemeente en zoo niet de duivel in eigen peroon toch stellig van zijne familie was. Van daar ook herhaalde pogingen om Pieter Knobbel en andere achtbare raadsleden te overtuigen, dat het voor het heil der gemeente noodzakelijk was hem zoo spoedig mogelijk te verwijderen. Om Tante Cecilia tegen Frits in te nemen moest hij echter andere middelen gebruiken dan bij eenvoudige boeren. Hij wist liaar te doen gelooven, dat Trits een groote losbol was, die zich om schulden moest verborgen houden , dat hij door het geregt achtervolgd werd, zich soms vol zoeten wijns in het dorp vertoonde en dergelijke dingen meer, zoo ge-■ heel anders dan zijn zoon Kees die al bleek werd, als hij in de verte het uithangbord eener herberg zag. Het gevolg van dit alles was dat Tant, die een hevigen afkeer had van alle dergelijke uitspattingen, den afschuwelijken bosch-mensch tot in het diepst van haar maagdelijk hart verfoeide, zonder hem ooit gezien of gesproken te hebben. Wat nichtje hiertegen mocht inbrengen het baatte niet, en deze werd bij iedere voorkomende gelegenheid aangenaamd om den goeden, braven Kees niet zoo onvriendelijk te behandelen als tot nog toe het geval was.
Nu we, wat deze zaken betreft, zoo wat op de hoogte zijn, keeren we tot Frits, die nog altijd met groote stappen zijne kamer op en neer wan-
239
delt, terug, om te vernemen wat hij al zoo verder in zijn gemoed overweegt.
Vooreerst, dat hij niet leven kan zonder de lieve, engelachtige etc. Marie — dat is zeker.
Vervolgens, aarde sta vast! dat ook zij hem wel lijden mag ! Zon , sta stil! hem ! Frits ! Van middag heeft ze \'t hem toegefluisterd.
))Maar,quot; zoo redeneerd hij verder, »Tante Cecilia schijnt het maar niet op mij begrepen te hebben. En Marie heeft mij gezegd nooit iets tegen haar zin te zullen doen. Dat is een leelijk item.quot;
Marie had hem in den laatsten tijd op de hoogte gehouden van \'t geen men in het dorp al zoo van hem vertelde en ook van de gezindheid van Tante Cecilia.
»Wat die boerenpummels over mij gelieven te denken en te praten kan mij niets schelen, maar dat Tante Cecilia mij zoo innig verafschuwt, dat is gekker!
»Wat daaraan te doen? Naar haar toegaan? jongens Fritsje, dat is geen lekkere onderneming. Dat is nog wat anders dan een oud spookhuis te bezoeken.
»Maar toch — zóó kan \'took niet langer, ik kan niet meer studeeren, wat ik er in heb gehad wandelt er op een draf weer uit, het hoofd raakt me in de war, ik moet er dan in Godsnaam maar op af — dan weet ik ten minste wat ik te wachten heb.
238
zen bewerkt, om hen te doen gelooven, dat die vreemde vent gevaarlijk was voor de gemeente en zoo niet de duivel in eigen peroon toch stellig van zijne familie was. Van daar ook herhaalde pogingen om Pieter Knobbel en andere achtbare raadsleden te overtuigen, dat het voor het heil der gemeente noodzakelijk was hem zoo spoedig mogelijk te verwijderen. Om Tante Cecilia tegen Frits in te nemen moest hij echter andere middelen gebruiken dan bij eenvoudige boeren. Hij wist haar te doen gelooven, dat Prits een groote losbol was, die zich om schulden moest verborgen houden , dat hij door het geregt achtervolgd werd, zich soms vol zoeten wijns in het dorp vertoonde en dergelijke dingen meer, zoo geheel anders dan zijn zoon Kees die al bleek werd, als hij in de verte het uithangbord eener herberg zag. Het gevolg van dit alles was dat Tant, die een hevigen afkeer had van alle dergelijke uitspattingen, den afschuwelijken bosch-mensch tot in het diepst van haar maagdelijk hart verfoeide, zonder hem ooit gezien of gesproken te hebben. Wat nichtje hiertegen mocht inbrengen het baatte niet, en deze werd bij iedere voorkomende gelegenheid aangenaamd om den goeden , braven Kees niet zoo onvriendelijk te behandelen als tot nog toe het geval was.
Nu we, wat deze zaken betreft, zoo wat op de hoogte zijn, keeren we tot Prits, die nog altijd met groote stappen zijne kamer op en neer wan-
239
delt. terug, om te vernemen wat hij al zoo verder in zijn gemoed overweegt.
Vooreerst, dat hij niet leven kan zonder de lieve, engelachtige etc. Marie —■ dat is zeker.
Vervolgens, aarde sta vast! dat ook zij hem wel lijden mag ! Zon, sta stil! hem! Frits! Van middag heeft ze \'t hem toegefluisterd.
»Maar,quot; zoo redeneerd hij verder, «Tante Cecilia schijnt het maar niet op mij begrepen te hebben. En Marie heeft mij gezegd nooit iets tegen haar zin te zullen doen. Dat is een leelijk item.quot;
Marie had hem in den laatsten tijd op de hoogte gehouden van \'t geen men in het dorp al zoo van hem vertelde en ook van de gezindheid van Tante Cecilia.
«Wat die boerenpummels over mij gelieven te denken en te praten kan mij niets schelen, maar dat Tante Cecilia mij zoo innig verafschuwt, dat is gekker!
»Wat daaraan te doen? Naar haar toe gaan? jongens Fritsje, dat is geen lekkere onderneming. Dat is nog wat anders dan een oud spookhuis te bezoeken.
«Maar toch — zóó kan \'took niet langer, ik kan niet meer studeeren, wat ik er in heb gehad wandelt er op een draf weer uit, het hoofd raakt me in de war, ik moet er dan in Godsnaam maar op af — dan weet ik ten minste wat ik te wachten heb.
\'240
))En zoo ze nu eens ronduit neen! zegt — zoo ze mij misschien niet eens ontvangen wil . . . . En Marie zal nooit iets doen zonder hare toestemming ....
»Maar zou ik dan die praatjes van zoo\'n pedanten schoolmeester niet kunnen ontzenuwen, zou ik zoo\'n leelijken langen Kees niet van de baan kunnen knikkeren.....
»Ja! ik moet er heen, ik zal er heen , ik zal me wel weten te rechtvaardigen, ik zal des noods bidden en smeeken en Marie zal mij helpen en \'t zal gelukken, \'tmoet gelukken. Morgen!
Morgen! ja morgen!.....
VII.
BinULÜS LEENT EEN\' ROK EN SLAAT TOASTEN.
Een luid geklop aan de buitendeur brengt Frits eensklaps in de werkelijkheid terug.
Terwijl hij zich maar niet kan begrijpen wie hem daar op den laten avond nog met een bezoek vereert, gaat hij naar de deur en opent die.
\'t Is donker buiten, maar zooveel ziet hij wel, er staan twee personen in het gewone dorps-costuum.
Een paar minuten staan ze zwijgend tegen elkander over.
:»Drommels,quot; denkt Frits, »dat konden wel eens een paar boeren zijn, die mij komen halen
241
om dezen of genen bezetene te genezen. Het costuum van den eenen lijkt verwonderlijk veel op liet zondagsche pak van den kastelein uit den Vliegenden Draak. Toch ....
Een schaterlach der beide personen maakt een einde aan zijne bespiegelingen.
»Zoo Fritsje, hebben we jou daar!quot; klinkt het. Die stem is bekend, verbazend bekend zelfs . . .
»Potztauzend Zythus, ben jij het man!quot; roept Frits uit, zijn Academievriend hartelijk de hand schuddende, »\'t is waarachtig geen wonder, dat ik je niet dadelijk herken. En wie is nummer twee. Ha! Bibulus. ventje, ben jij het, welkom ! welkom! Wat heb jij een deftige tronie gekregen manneke!
Onder deze en dergelijke ontboezemingen worden de beide heeren binnengeloodst en weldra zitten de drie op hun gemak bij den haard te redeneeren. Gelukkig, dat Frits een ankertje wijn meegenomen had!
»Jij bent me een mooie kerel jij !quot; zegt Zythns, zijn eerste glas handig naar beneden werkende, som er zoo stilletjes uit te knijpen, zonder er aan je beste kennissen een woord van te zeggen.quot;
»Neen Frits, dat is niet mooi van je, niet hartelijk,quot; meent Bibulus.
Frits ziet zich genoodzaakt zich tegen deze beschuldiging te verdedigen, door te verklaren, dat hij \'t gedaan had om niet door bezoeken gestoord te worden.
lü
242
«Dat wil zooveel zeggen als: wandel maar dadelijk weer weg! Ween snaak, daarvoor zitten we hier te goed,quot; zegt Zythus en voegt er by: ))Zoo, zoo, heb jij jou hier verstopt. En wat voer je hier nu eigenlijk uit? Door de bosschen loopen soezen, naar de maan kijken , verliefd wezen , hé?quot;
Frits antwoordt, dat hij flink aan \'t studeeren geweest is. «Geweest is, ja, dat is waar.quot;
))\'t Mocht wat, we hebben wel andere dingen van je gehoord.quot;
Of Prits bleek wordt of een kleur krijgt weet ik niet, een van beiden zeker. »Wat dan?quot;
xDat je hier voor duivel, boeman en wonderdoctor speelt en \'t heele dorp in rep en roer brengt.quot; Hè, dat pakte nog goed uit.
«Zoo,quot; zei Frits lachende, «heb jullie daar ook al van gehoord. Hierop deed hij een omstandig verhaal van de dingen die ons in hoofdzaak reeds bekend zijn, hoe hij er toe gekomen was zich in ballingschap te begeven en hoe hij het te Z. gehad had. Alleen één ding vertelde hij niet.
Op hunne beurt moesten nu ook Zythus en Bibulus hunne ervaringen meedeelen. \'t Omvallen met de sjees werd vermeld, hoe daarvan hun tegenwoordig costuum een gevolg was en hoe ze hem toevallig op het spoor gekomen waren.
»Zoo, zoo, Bibulus, zul jij morgen middag te E. op beroep preken. Ik zou wel meê willen, maar dat zou je meer kwaad dan goed doen. Zul je dat ook in je tegenwoordig pakje vertoonen ?quot;
243
Dat was voor Bibulus, die door de onverwachte ontmoeting zijne ellende yoor een oogenblik vergeten had, een teere snaar aangeroerd, en met een bedrukt gezicht vertelde hij, hoe leelijk hij er in zat.
»Is \'t anders niet,quot; zei Frits, »aan zoo\'n instrument kan ik je wel helpen, hoe ik er bijgekomen ben een rok mee te nemen, weet ik zelf niet, maar dat ik er hier een heb is zeker.quot;
Dat was een pak van het hart des heeren Bibulus, zijn goed humeur keerde geheel terug en in een allergenoegehjkste stemming ledigde hij vlijtig zijn glas.
De drie vrienden hadden zooveel te beredeneeren, dat het vrij laat werd voor ze scheidden. Frits verzocht hun toch vooral aan niemand te zeggen, dat ze hem gevonden hadden , en vertelde heel opgewonden hoe ver hij reeds met zijn examen op weg was, en verdiepte zich met hen in de verbazing die het veroorzaken zou, als hij er op eens mee uit de lucht kwam vallen en ja, — bijna had hij nog meer verteld, maar dat hield hij nog binnen. En Zythus was- vrolijk en allergeestigst en Bibulus was vroolijk en begon toasten te slaan, waarin hij het menschenras in twee hoofdcategoriën verdeelde: proponenten en niet-proponenten, waarbij hij eerst dronk op de proponenten , vervolgens op de niet-proponenten en eindelijk op beide afdeelingen gezamenlijk. Zoo brachten ze in een alleraangenaamste stemming
10*
244
eenige uren door, tot eindelijk Zythus begreep, dat het voor den eerwaarden Bibulus tijd werd naar bed te gaan, indien hij den volgenden middag behoorlijk te E. zou kunnen preeken, waarop ze van Frits afscheid namen met de belofte hem den volgenden morgen voor ze verder gingen, nog even op te komen zoeken.
Frits liet hen uit en ging weer naar binnen — maar van slapen was nog vooreerst geen sprake. Rusteloos wandelde hij nog een tijd lang de kamer op en neer.
«Morgen, ja morgen!quot;
En voor hij zich te slapen legde richtte hij nog eenmaal zijn blik naar buiten, naar den hemel.
Maar de sterren waren verdwenen en de hemel voor weinige uren zoo schitterend, was met een dicht, wolkenfloers bedekt.
Den volgenden morgen voor dag en voor dauw zijn Zythus en Bibulus reeds weer bij Frits.
Het gezigt van Bibulus staat allerijssehjkst bedrukt.
«Hoe is \'tman, de preek verloren ?quot; vraagt Frits.
«Neen, was het dat maar, neen, veel erger, honderdmaal erger, \'t Scheen wel dat die reis ongelukkig moest zijn.quot;
En op de vraag van Frits, wat die geheimzinnige uitdrukkingen beteekenen, komt een lang relaas voorden dag, waarvan de hoofdsom aldus luidt:
Dat, toen zij den vorigen avond de woning in
245
het bosch verlaten hadden, de nachtlucht bij Bi-bulus een wonderbaarlijk effect had te weeg gebracht, zoodat deze heer zich genoopt had gevoeld een bekend liedje op een vrolijke wijs te gaan zingen, in welke bezigheid hij met moeite gestuit was door Zythus, die beweerde dat zoo iets op dat oogenblik voor hem volstrekt niet te pas kwam; dat de boomen van het bosch hem op een alleronbeleefdste manier voor de voeten geloopen, ja zelfs tusschenbeiden tegen hem aan-geloopen hadden; dat de weg hem veel bochtiger was voorgekomen, dan toen ze dien voor de eerste maal gepasseerd waren. Dat voorts Zythus hem had willen vasthouden, maar met het onbeleefde antwoord was afgescheept, dat hij alleen wel den preekstoel opkomen kon; dat de handwijzer aan het einde van de populierenlaan maar niet had verkozen stil te staan, om welke verregaande brutaliteit hij door Bibulus opgenomen en in de sloot geworpen was. Dat, in het dorp gekomen, de aandrang om een liedeken te zingen zich op nieuw sterk had geopenbaard en dat hij Zythus, die hem nogmaals het minder voegehjke hiervan had willen onder \'t oog brengen, geantwoord had dat hij zelf weten zou hoe vaak hij wou laten zingen. Dat zij eindelijk bij een fraaijen bloemtuin gekomen waren, die Bibulus verklaard had te willen bezichtigen en dat, daar het hek zich niet had verkozen te openen, hij dit door middel van een paar stevige schoppen verwijderd
246
had. Dat hij, in den tuin gekomen, — o wondere gevolgen der nachtlucht! — de perken voor paden en zoo omgekeerd had aangezien. Dat hij , daar een zonnewijzer ontdekkende, verklaard had te willen zien of het haast tijd was om naar de kerk te gaan, dat hij, daar het vrij duister was, een lucifer had aangestoken, om op den zonnewijzer te zien hoe laat het was; dat hij, daar dit geen voldoende resultaten had opgeleverd, dit den zonnewijzer zeer kwalijk genomen had en hem, zeggende dat hij niet deugde, van het voetstuk gerukt en eenige ellen ver weggesmeten had. Dat hij, zich omtrent de zwaarte van het wit-marmeren voetstuk willende vergewissen, dit had omgekanteld en over den weg gerold, waarbij zich het vreemd verschijnsel had voorgedaan dat uit het groote voetstuk verscheidene kleine dito waren ontstaan, dat hij, in de vaste overtuiging dat dit kussens waren, zich op een daarvan had neergevleid en dat hij eindelijk \'s morgens in zijn bed in den Vliegenden Draak was wakker geworden, niet bijzonder frisch, en met een flauw bewustzijn, dat hij van brutale handen zonnewijzers gedroomd had.
Dit is het kort begrip der gebeurtenissen, die, grootendeels door Zythus verhaald, het bedrukt gezigt van Bibulus volkomen rechtvaardigen.
))Jij bent me ook een mooie kerel,quot; zei Zythus, «om mij op vermaningen te tracteeren, dat ik me vooral bedaard moest houden!quot;
247
»0 jemeni,quot; zuchtte het ongelukkig slagtoffer der nachtlucht, «wat zal ik beginnen! Ik, een eerwaardig proponent zulke nachtschandalen aan te rigten. Dit wordt natuurlijk overal bekend. Mijn kans te E. die anders zoo goed stond , natuurlijk geheel en al weg. Eu dat nog niet alleen, maar mijn heele carière naar de maan als het bekend wordt. O jemeni!quot;
Een kleine pauze volgt, terwijl Bibulus, een beeld van stomme wanhoop, met tranen in de oogen daar neder zit.
»Heeft ook iemand je gezien van nacht, Bibulus?quot; vraagt eindelijk Frits.quot;
»Neen, niemand.quot;
Wederom een kleine pauze.
»Hoor eens Bibulus,quot; zegt Frits langzaam, »dan is \'t nog zoo erg niet. Maak je maar niet ongerust, ik zal wel zorgen dat de menschen meenen dat ik het gedaan heb. Ze gelooven van mij hier toch alles.quot;
\'t Ging moeilijk, maar \'t ging toch.
»Zou je dat voor me over hebben!-\' roept Bibulus uit op een toon die de hoogste verwondering te kennen geeft, en terwijl weer een straal van hoop in zijn gemoed neerdaalt, »zou je dat wezenlijk willen doen! Maar dat is immers al te veel opoffering!quot;
»Toch niet, Bibulus, toch niet, \'t maakt mij immers niets uit hoe de menschen hier over mij denken — volstrekt niets.
248
Toch was er iets trillends in zijne stem.
Dat kostte veel.
En Bibulus leefde weêr op en Frits schreef dadelijk een briefje aan Tante Cecilia — vreemd dat zijn hand zoo beefde! — en ging voort Bibulus te verzekeren dat \'t immers volstrekt geen opoffering voor hem was.
Maar toen zij beiden vertrokken waren viel hij neer in zijn stoel en schreide als een hulpeloos kind.
Dat was een ontsteltenis in \'t dorp. Zoo iets was nog nooit gebeurd. Een verschrikkelijk straatrumoer , de tuin van Tante Cecilia geheel platgetrapt, het hek gebroken en wat nog het ergste was,, de zonnewijzer, de mooije, dierbare zonnewijzer — aan stukken.
Maar weldra hoorde men het: de boscbmehsch was weêr dronken geweest en had dat alles gedaan.
Een week lang waren de gordijntjes van »het huisquot; zoo dicht als een pot en was Tante Cecilia onzichtbaar.
Meester Spierik betoogde met meer kracht dan ooit aan Pieter Knobbel en andere raadsleden dat er nu eindelijk gehandeld moest worden.
De verontwaardiging was algemeen.
Maar het handelen bleek onnoodig te zijn. Weinige dagen later — \'t was een gure herfst-
249
dag — hoorde men, dat de vreemde sinjeur uit het bosch vertrokken was.
Marie had hij niet weergezien.
Nu begrijpt ge het lezer, waarom ze met tranen in \'t oog, daar onder dien half ontbladerden beuk de vertrekkende zwaluwen nastaart.
Ach! even als die zwaluwen is ook haar geluk vervlogen. Zij kan \'t hem wel vergeven, maar Tante Cecilia, dat weet ze, nooit.
Neen! \'t is voorbij, daar zal geen lente meer volgen.
VIII.
EEN PENDANT VOOR »I.E DEPART DES HIRONDELLES.quot;
Dominé Bibulus van E. (wij zullen zijn Wei-Eerwaarde maar zoo blijven betitelen, maar hij zou voor geen geld van de wereld willen, dat men \'t in zijne gemeente hoorde) brengt zijn ouden collega te Z. een eerste buurbezoek.
Nadat enkele vaste onderwerpen, zijn afgehandeld, als daar zijn: de preek die beide heeren den vorigen zondag hebben afgestoken, de meer of min gunstige toestand waarin hunne respectieve tuinen verkeeren en meer andere zaken van dien aard, doet Ds. Bibulus de vraag of er veel zieken in de gemeente zijn.
»Neen,quot; luidt het antwoord «zeer weinig,quot;
250
alleen Tante Cecilia, gindsch op den hoek, is in den laatsten tijd vrij wat aan het sukkelen.quot;
Ds. Bibulus kijkt het venster uit, in de aangeduide rigting en ziet een huis, met een netten tuin er voor, een wit hek dat tot ingang dient, mitsgaders midden in den tuin een zonnewijzer. Een en ander maakt op hem den indruk alsof hij \'t al meer gezien heeft.
»Juist, daar woont Tante Ceciliaquot; vervolgtzjjn collega »een oude, deftige dame. \'t Is een best mensch, soms wel wat zonderling, maar met positief christelijke principes. Jammer, dat ze in den laatsten tijd zoo aan \'t sukkelen geraakt is. En wat nog \'t ergste is: ze doet niets dan malen en tobben. Ze heeft een nichtje bij zich, een allerliefst meisje, wezenlijk,quot; zegt Dominé, terwijl hij een harden trek aan zijn langen gouwenaar doet. ))De oude vrouw heeft zich in \'t hoofd gezet dat ze niet lang meer leven zal, en is doodsbang dat Marie na haar dood alleen zal staan op de wereld. Ze doet daarom alle mogelijke moeite om haar over te halen, den zoon van onzen meester te trouwen, iemand waar ze schrikkelijk veel meê opheeft, onder ons gezegd een verwaande kwast, die ze, geloof ik, achter de mouw heeft. Marie wil daar volstrekt niets van hooren en is in \'t geheel niet ingenomen met Tante\'s favori, maar ik ben bang dat ze eindelijk zal toegeven Ze heeft aan de oude vrouw ontzettend veel verplichting en deze doet niets dan malen, dat ze
251
haar toch een gerust sterfbed zal bezorgen. Tante Cecilia heeft mij ook reeds meermalen verzocht er eens met Marie over te spreken, een lastig verzoek, waar ik me maar zooveel mogelijk afmaak. \'t Is er een ongelukkige toestand. Het oude mensch doet niets dan tobben en malen en Marie is half ziek van agitatie en weet niet wat ze doen zal. Ook geloof ik dat er nog meer achter zit.quot;
»Wat dan?quot; vraagt Dominé Bibulus, die \'t niet laten kan tusschenbeiden een blik te werpen op het huis dat hem met zijne omgeving zoo wonderlijk bekend voorkomt.
»Ja collega,quot; klinkt het op gewigtigen toon, om je de waarheid te zeggen, geloof ik dat het niet alleen antipathie tegen Kees van den meester is, maar dat er ook sympathie voor iemand anders onder schuilt. Den vorigen herfst heeft een vreemde snaak zich een tijdlang hier in het dorp opgehouden. Hij woonde in \'t bosch , in een oud huis dat vroeger leegstond, \'t quot;Was een student, geloof ik, maar wat hij hier kwam uitvoeren, mag de Hemel weten. Bij de boeren waren allerlei praatjes over hem in omloop. Zoo vertelden ze ook, dat Marie bijna met hem zou zijn weg-geloopen. Daar geloof ik nu wel niets van, want daarvoor ken ik haar veel te goed, maar \'t komt me er toch na voor, dat die twee elkaar wel lijden mogten.
»Maar waarom laat Tante Cecilia haar nichtje
252
dan niet met dien vreemden snaak trouwen, als ze haar dan toch volstrekt getrouwd wil zien? vraagt Ds. Bibulus, die op eens een ontzettend belang in het verhaal begint te stellen.
»Ja collega, daar zit het \'em juist. Van dien vreemdeling wil ze niets weten. Ze houdt hem voor een verachtelijk mensch, een dronkaard en ik weet niet voor wat al meer. Trouwens ze heeft er dan ook alle reden toe.
\'t Begint Bibulus vreemd te moede te worden. »Hoe zoo?quot;
»Wel, hij heeft het hier raar laten liggen,quot; is \'t antwoord. Korten tijd voor dat hij verdwenen is, heeft hij een groot nachtrumoer gemaakt, bij Tante Cecilia zelfs den tuin omvergehaald, en wat het ergste was, een zonnewijzer vernield, waar \'t oude mensch een kinderachtig zwak op had. Ge kunt hem daar van uwe plaats zien staan, hij is weer zoowat in elkaar gezet, want een nieuwen wou ze volstrekt niet hebben, vooral de leeuwekoppen op het voetstuk, daar kon ze niet van scheiden. Maar \'t is net of ze sedert dien tijd niet meer zoo flink en gezond geweest is als vroeger, \'t Is dwaas om zich zoo iets zoo aan te trekken, maar ze is nu eenmaal wat zonderling op sommige punten. Kom collega, stop nog eens een nieuwe pijp.
Maar Bibulus zit als versteend, \'t Schemert hem voor de oogen. De edele zelfopoffering van Frits vertoont zich op eens aan zjjnen blik. Zijn
253
eigen naam weggooien om dien van een ander te redden en dat tot zulk een prijs. En dat die zelfde Frits, dien hij zoo vaak van onhartelijkheid beschuldigd had. Die goeie, beste, edele Frits, zoo \'t slachtoffer te zijn van zijn goed hart ....
Maar — \'t kan nog hersteld worden!
En hij moest het herstellen, en zou het herstellen !
En ziet! \'tis lente geworden. Weer staat Marie onder den beukeboom — nu in vollen bla-derdosch — waar men zoo heel ver zien kan.
Een zoet lentewindje suist door de toppen der boomen en voert de geuren mee van duizende bloemen.
En de horizont is helder, geen wolkje is er aan den hemel en in zoete verrukking rust thans haar oog op de verjongde, bloeiende natuur.
De zwaluwen zijn weder gekomen — ze vliegen vrolijk in \'t rond en bouwen hare nesten.
En naast haar staat Frits, de candidaat in de edele geneeskunde en ziet haar zoo onuitsprekelijk gelukkig in de lieve, blaauwe oogen.
En Marie, terwijl ze haar hoofdje op zijn schouder laat rusten, fluistert zacht:
Und wenn dir oft auch bangt und graut. Als sei die Höll\' auf Erden,
Nur unversagt auf Grott vertraut!
Es musz doch Frühling werden.
d865.
VOORUITZICHTEN.
Een vroolijke namiddagzon schoot hare laatste stralen neer over de aarde , en een daarvan drong over een paar hemelhooge daken, door den rook van verschillende schoorsteenen heen, eindelijk over een nauw binnenplaatsje dat met vaten en andere rommel gevuld was, een kamertje binnen, dat op gemelde binnenplaats uitzag. De zonnestraal , nog bijna geweerd door een paar half dicht geschoven, erg van kleur verschoten blauwe gordijntjes, bracht in het vertrekje een schemerlicht te weeg nog juist helder genoeg voor ons, om de omgeving vluchtig op te nemen. Veel is er niet dat de aandacht verdient. Buiten het karige meublement, dat bestaat uit eenige onderwetsche stoelen, een vrij groote tafel en een kleinere dito die voor schrijftafel fungeert, valt er weinig anders op te merken dan vier kale wanden, wier eentoonigheid slechts hier en daar door eenige staalgravures achter lijst en glas wordt afgebroken, een paar bloemen en een vogelkooitje voor het venster, en eindelijk eene groote menigte boe-
255
ken en papieren die achteloos over tafels, stoelen en vloer verspreid liggen.
Dit laatste bewijst dat de bewoner een man is die gewoon is vlijtig te offeren op het altaar der wetenschap, maar tevens blijkt uit het geheel dat het voorwerp van dien eeredienst zijnen trouwen aanbidder nog niet met overvloed van aardsche goederen gezegend en beloond heeft, want er is hier geen sprake van luxe, en zelfs het noodige ontbreekt.
Het uiterlijk van den bewoner is in volkomen harmonie met dat der woning; want wie van de twee aanwezigen — er zitten twee jongelui aan de tafel tegen elkaar over te werken — wie van die twee de bedoelde is, wordt ons bij den eersten blik dien we op hen werpen duidelijk. De een, de jongste, die op het oogenblik den rol van leerling vervult, ziet er gezond en net gekleed uit; hij speelt ongeduldig met een karwats die hij in de handen heeft, en waarmee hij van tijd tot tijd een denkbeeldigen hond ranselt, of de vliegen afweert die door den zonnestraal aangetrokken lustig door de kamer gonzen — terwijl hij met eentoonige stem het antwoord opdreunt op de vragen die de ander hem uit een voor hem liggend boek doet.
Deze vormt het scherpst denkbaar contrast met zijn vis-avis. Niet alleen zijn kale en afgedragen kleeding, maar zijn sluik haar en bleek en mager gezicht, waarin een paar mooie blauwe oogen slechts
256
van tijd tot tijd helder opflikkeren en aan het geheel uitdrukking en kracht verleenen, ■wijzen op een karig bestaan en afmattende bezigheden.
Terwijl repetitor en discipel in hun werk verdiept zitten, en zich haasten om zoo spoedig mogelijk het voor dien avond bepaalde getal pagina\'s door te worstelen, willen we op ons gemak wat van naderbij met den eersten kennis maken.
Hij is de zoon van arme ouders die hem al vroeg aan de bescherming van anderen en aan zichzelven overlieten. Zijn vader die in een klein stadje de betrekkingen van kaarsenmaker, kruidenier en ouderling in zijn persoon vereenigde, had eerst de bedoeling zijn zoon Samuel in zijn vak op te leiden, om hem na zijn dood zijne vettige, maar welbeklante affaire over te doen. PI ij had echter den hoofdpersoon buiten rekening gelaten; want deze toonde al gauw zulk een harte-lijken afkeer voor het kaarsenmakers bedrijf en al wat daarmee annex was te koesteren, dat de oude Bons, na rijpelijk met de oude jufvrouw Bons geraadpleegd en de zaak gewikt en gewogen te hebben, eindelijk besloot den raad van dominé S. te volgen en den jongen »op studiequot; te doen.
Met veel ijver en energie, maar met zeer weinig geld op zak vertrok onze Samuel dus op een goeden dag naar de akademie om daar wis- en natuurkunde te studeeren, een vak waar hij van jongs af lust en liefhebberij voor gehad had.
Hoewel hij het altijd vrij bekrompen had, en
257
aan genoegen en conversatie weinig geld en tijd kon ten koste leggen, ging het hem toch goed zoolang zijn vader leefde. Maar toen die stierf, en ook dominé Strater die hem altijd met raad en daad had bijgestaan, en ook wel eens pecu-niecle hulp had doen toekomen, overleden was, begon de nahrungsorge zich op een onrustbarende wijze bij hem te vertoonen. Hij begon toen — nadat hij candidaat in de philosophie was geworden — eerst naar het heette uit liefhebberij met dezen en genen te repeteeren , maar al spoedig namen die lessen al zijn tijd in, en zoo zakte hij langzamerhand af tot liet genus der repetitoren, van die menschen die in de groote academische dierenwereld de afdeeling der herkauwende en lastdieren uitmaken en gewoonlijk met zuren arbeid zich een karig bestaan veroveren moeten. Zoo had Samuel Bons nu al verscheiden jaren gesleten; in dien tijd had hij met veel inspanning doctoraal gedaan, maar verder scheen hij ook niet te zullen komen. Toch hoopte hij nog altijd op eene betrekking waar hij van leven kon, hoe vaak die hoop ook al teleur gesteld was. \'—
Ondertusschen is de les afgeloopen. Hé, zei Arnold Welhauer terwijl hij met een sehnsuclitigen blik het venster uit keek naar de hooge schoor-steenen en daken waar juist de zon achter verdwenen was, »hé wat is die mathesis een brok! En wanneer kan ik nu examen doen dunkt u?quot; j-Met een week of wat, denk ik wel. Maar
17
258
a propos meneer quot;VVelhauer, hebt u ook nog een oogenblikje tijd? ik heb u wat te vragen.quot;
jSu had Arnold eigenlijk van avond volstrekt geen tijd, want toevallig was deze dag juist door hem en eenige kennissen uitgekozen voor een klein , huiselijk feestje, het eerste dat van de week (het was maandag) gevierd werd en dat hij om den dood niet graag verzuimen wou. Maar hij zei niets en bleef geduldig afwachten wat komen zou.
»Ik heb vandaag,quot; begon Samuel met een kuchje, — of liever ik wou — of mag ik u vragen of u ook kennissen hebt in S.?quot;
»In S.? Jawel, daar hebt ge eerst mijn oom den burgemeester, en dan mijn neef den ontvanger en —
»0 ! Juist dat meende ik al dat de burgemeester van S. uw oom was. Nu moet u weten dat er in S. aan \'t gymnasium een plaats open is van docent in de wiskunde, waar ik zoo\' graag naar zou solliciteeren. Maar ik vrees dat het nu weer evenals vroeger eenige malen mislukken zal omdat ik niet genoeg recommandatie en in \'t geheel geen vrienden heb.
Arnold dacht aan zijn feestje waar hij gewacht werd — \'t was al lang over den bepaalden tijd —, maar hij bleef bedaard zitten en vroeg »en wat heeft mijn oom daar nu mee te maken?quot;
«Wel als u of liever uw oude heer zoo goed zoudt willen zijn nu eens te schrijven om b.v. een goed woordje voor mij te doen ? Dan zou
259
ik van die benoeming zoo goed als zeker zijn; maar anders — er zijn zooveel, dan zal dit mij wel weer ontgaan.quot;
Arnold Welhauer was nog zeer jong, hoewel hij somtijds moeite deed een geblaseerd air aan te nemen; hij was buitengewoon goedhartig, hoewel hij zich daar soms voor schaamde en met opzet ruw en barsch trachtte te wezen, hij was ook een beetje ijdel, zoo dat het hem eigenlijk niet weinig pleizier deed dat men al bij hem kwam , bij hem Arnold Welhauer die pas twee jaar student was, om zijn invloed te gebruiken en zijne recommandatie te vragen. Dit alles bewoog hem om met jongensachtige pedanterie een bedenkelijk gezicht te zetten, en te antwoorden:
))Ja ziet u meneer Bons, ik wil wel eens zien wat ik voor u doen kan, maar er zijn zooveel menschen die graag geholpen willen worden! (hoe goed beviel hij zichzelf in den rol van beschermheer !), en het is geloof ik tegen papa\'s principes (hij had eerst willen zeggen tegen mijn principes) om menschen te recommandeeren die hij volstrekt niet kent. Maar zoo als ik zeg, \'ik wil graag zien wat ik voor u doen kan. Maar mijn hemel, meneer Bons, wat scheelt u? riep Arnold, die in eens uit zijn rol viel toen. hij zag dat zijn beschermeling zoo bleek als een doek werd — mankeert er iets aan?quot;
«Och neen \'t is niets, was het antwoord, het is al over. Van die duizelingen weet u, daar
260
heb ik wel meer last van, en het is hier ook i al warmquot;. En werkelijk had Samuel zich alw hersteld, en zag nog alleen maar een tintje h ker dan gewoonlijk. Hij schudde dan ook t Arnold met de woorden: Wacht, ik zal u glas water krijgen, opsprong en rondzag, af zend met het hoofd, en zei met een half ve gen half vertrouwelijk lachje terwijl hij met geruiten zakdoek zijn voorhoofd afveegde: »ja u als het hooge woord er dan maar uit moet zat van morgen zoo druk te studeeren da eigenlijk mijn etensuur verzuimd heb; ik mee wel tot van avond te kunnen wachten; maar schijnt dat ik het vasten nog niet goed verdra kan, ten minste ik werd er zooeven wat fl en raar van; maar zoo dadelijk zal de jufvr van beneden mijn koffij met een broodje wel men brengen, en dan ben ik weer heelei klaar.quot;
En alsof ze geroepen was kwam »de jufvr van benedenquot; aangekondigd door een langd gestommel op den trap en een tikje op de d binnen, belast met een blaadje waarop de genoe zaken waren uitgestald, en dat ze op tafel i zette. Arnold zag met verbazing welk een geerigen blik meneer Bons de voor hem sta versnaperingen toewierp, kofïij , waarvan de 1 die meer blauw dan bruin was toonde da »familie van benedenquot; waarschijnlijk al ruimschoots van hetzelfde brouwsel genoten
261
en brood dat blijkbaar de eerste dagen zijner jeugd al achter den rug bad; en daarbij kwam hem de gedachte dat dat verzuimen van zijn etensuur waarvan Bons sprak, wel eens een andere oorzaak kon gehad hebben dan zijn druk studeeren.
Hij stond op om Bons ongehinderd aan zijn sober avondeten over te laten, en vertrok na hem, \'t geen anders zijn gewoonte niet was, hartelijk de hand te hebben gereikt.
Hij wandelde langzaam naar zijn kamer, waar hij al lang met ongeduld verwacht werd; maar dien avond was hij niet zoo luidruchtig als gewoonlijk , en onwillekeurig dacht hij eenige malen aan zijn armen stakker van repetitor, die »zijn etensuur verzuimd had,quot; en onder de les flauw werd van honger.
Ook Samuel verliet na eenige oogenblikken zijn kamer. Hij had niet aan Arnold gezegd dat hij dien dag al naar S. gesolliciteerd had; ook niet, en dat had hij nog aan niemand verteld, dat hij geëngageerd was, en dat deze benoeming vooreerst zijn eenige hoop was om te kunnen trouwen. Want zij, de dochter van dien dominé Strater aan wien hij het voornamelijk te danken had dat zijn vader hem indertijd had laten studeeren, —-zij bezat ook niets dan een armzalige dominés-pensioentje waar ze met haar moeder en twee broertjes nauwbjks van leven konden. Toch hadden ze het al vier jaar met hun beiden uitgehouden, en al vier jaar rondgezien naar een be-
262
staan. Ze waren beide in dien tijd een dagje ouder geworden, maar de hoop hadden ze toch nog niet opgegeven, en als de een soms mistroostig en hopeloos werd, dan sprak de ander hem of haar weer moed in, en zoo bleven ze geduldig wachten.
Nu ge in het geheim zijt, lezer, begrijpt ge ook waarom Samuel zijn dagwerk wat vroeger dan anders had laten afloopen, en daarna met zijn beste plunje aan en een vergenoegd lachje op zijn gezicht de woning der eerzame weduwe Strater opzocht. Laten wij in onze gedachten een uurtje teruggaan, en vóór Samuels komst daar een kijkje nemen.
De familie zit aan de theetafel. Daar hebt ge eerst mevrouw Strater, alom bekend wegens hare spraakzaamheid en snibbigheid waarmee ze al wijlen haar man het leven zuur plag te maken. Echter is er iemand die altijd vol medelijden voor haar is en haar ongelukkige positie en buitengewone tegenspoeden voortdurend beklaagt, en dat is zij zelf. Zij noemt zichzelf nooit anders dan de »arme weduwe met verscheiden kinderen,quot; hoewel ze er maar drie heeft, en zij deze meer tot last is dan de kinderen haar. De zorg voor het huishouden laat zij geheel aan hare dochter over, en zij occupeert zich druk met de vrouwen-emanci-
263
patie. Een onzer »meest geachtequot; damestijdschriften heeft meer dan eens stukken van hare hand opgenomen ; zij teekent zich »Rosamunde.quot; Hoe veegt ze daarin de mannen! Hoe moedig en onverschrokken treedt zij op voor de heilige, maar vertrapte en gemiskende rechten der vrouwen in \'t algemeen en die der weduwen met verscheiden kinderen in \'t bijzonder! Die gepeperde artikels hebben al menig dood onschuldig man die er toevallig eens in keek, een blos van schaamte naar de wangen gejaagd, en tot de overtuiging-doen komen dat het »zóó niet langer konmaar hoe het dan eigenlijk moest bleef nog altijd de quaestie. Wat haar uitwendige verschijning betreft, heeft mevrouw Strater dan ook meer van don Quichot dan van Dulcinea; haar spitse neus, venijnig tusschen de stekende grauwe oogen ingeplant, herinnert sterk aan die lans waarmee naar het oude verhaal windmolens bevochten werden, en aan haar magere figuur ontbreekt nog slechts de getrouwe Rosinante om het beeld volkomen te maken, waarbij zelfs de helm niet gemist wordt, in den vorm eener muts die haar bij voorkeur scheef op de spaarzame grijze krullen zit, waarmee aan beide zijden haar gelaat versierd is. Hare windmolens bestonden trouwens enkel in de ingebeelde rampen en ellenden zoowel van haarzelf als van het geheele vrouwelijke geslacht.
Een aangenamer aanblik levert hare dochter die naast haar zit. Anna Strater is nu wij ken-
264
nis met haar maken dichter bij de dertig dan bij de twintig; overmoedige vroolijkheid heeft bij haar plaats gemaakt voor een zekere stemmigheid, maar haar schoonheid heeft er niet bij verloren. Daar ligt ernst op dat blanke hooge voorhoofd, op die fijne wenkbrauwen ; stille ernst in den opslag van haar schoone grijze oogen; zachte ernst om die dicht opeen gesloten lippen. Toch is er in haar gelaat geen spoor van scherpheid, evenmin als in haarzelf van ziekelijke melancholie of somberheid ; integendeel zoo ge weten wilt of ze soms ook vroolijk wezen en lachen kan, vraag dan maar eens aan die twee aardige krullekoppen die nu in hun schoolwerk verdiept naast haar zitten, wie hun trouwe speelkameraad is en met wie zij het liefst stoeien en ravotten, tot het huis dreunt, en de arme weduwe met een knorrig gezicht wat stilte komt vragen voor haar zwak hoofd. Echter weten zij precies wanneer zuster Anna met rust gelaten wil worden, en dan wedijveren zij met hun beiden in het bewijzen van allerlei kleine diensten, en wat hun moeilijker valt, in stil te wezen als muisjes.
sAnna, vraagt de oudste van zijn boek opkijkend, zou Samuel van avond ook nog komen?quot; Samuel is namelijk reeds sedert lang in het vriendschapsverbond opgenomen, en de jongens beschouwen hem zoowat als lid der familie. Deze onschuldige vraag, waarop Anna zachtjes antwoordt »ik denk van wel mijn jongenquot;, veroorzaakt een
265
donkeren blik van mevrouw en een hevigen uitval tegen meneer Bons. Zij ziet het niet graag dat meneer Bons hier zoo vaak komt en zoo familiaar is; ze weet niet wat een arme weduwe met verscheiden kinderen eigenlijk noodig heeft met zoo\'n druk bezoek van ongetrouwde heeren enz. En er volgt een welsprekende peroratie tegen lange engagementen zonder vooruitzichten, tegen onberedeneerde huwelijken en dochters die hare plichten jegens haar moeder vergeten, zoodat uit alles blijkt dat aan mevrouw Strater onze Samuel een doorn in \'t oog is.
Anna antwoordt niets, maar kijkt verwondert op bij dien stroom van woorden waarvan ze de reden niet recht begrijpt, want die afkeer tegen Samuel is nog maar van korten datum, en zij weet nog niet wat mevrouw Strater in den neus heeft. Want inevrouw Strater hééft een fijnen neus.
De stilte die na dit aangename intermezzo is teruggekeerd wordt afgebroken door een bezoek. Het is de oude heer quot;VVelhauer die binnenkomt, de vader van Arnold; een man, in den besten tijd van zijn leven, rijk en onafhankelijk, en sinds jaren weduwenaar.
Mevrouw Strater heeft een zéér fijnen neus. Dat lichaamsdeel wordt thans eens zoo lang als gewoonlijk, nu ze uitermate vriendeljjk en met haar zachtste stemgeluid den heer Welhauer, die in haar algemeenen afkeer van mannen en man-
266
nelijke bezoeken niet schijnt te deelen, uitnoodigt te gaan zitten, en een gesprek met hem aanknoopt. Dat hij na eenigen tijd als by toeval de kamer uitgaat, en de beide jongens meeneemt, is ook al aan haar fijnen neus te wijten,
Want — haar instinct zeide haar dat meneer Welhauer op yrijersvoeten liep, en dat zij kans had — voor zichzelf had ze alle hoop opgegeven — eerstdaags schoonmoeder te worden van een schatrijk man. Of zy dit opgemaakt had uit de drukke bezoeken die hij in den laatsten tijd bij haar maakte, of uit iets in het uiterlijk en de manieren van dien heer, dat haar herinnerde aan de blikken waarmee de zalige dominé Strater, toen ter tijd proponent in de theologie, hare maagdelijke toegenegenheid en eindelijk het jawoord verkregen had — zooveel is zeker dat zij zich niet bedroog, en vandaar de diepe verachting waarmee zij thans op Samuel neerzag.
De heer Welhauer was zooals gezegd is al sinds verscheiden jaren weduwnaar: hij bewoonde mot zijn eenige zoon die nauwelijks volwassen was een groot huis in het beste gedeelte der stad, en zocht iemand die daar met hem leven wou om hem de eenzaamheid te verdrijven en het huishouden te besturen; nu had hij zijn oog laten vallen op Anna Strater, en besloten haar voor te stellen zijne vrouw te worden.
Dit alles en nog veel meer vertelt hij haar nu, na eenige inleidende woorden en kuchjes, en
267
wacht nu hij gedaan heeft gespannen op het antwoord, hoewel hij niet twijfelt of het zal toestemmend zijn. Maar al spoedig merkte hij dat het anders was, toen Anna hem op bedaarden maar stelligen toon verzekerde dat zij al eenige jaren in \'t geheim geëngageerd was, hoewel zonder veel vooruitzichten, en dat zij meneer Welhauer voor zijn welgemeende intenties bedankte, maar zijn voorstel niet kon aannemen. Deze zeide daarop niet veel meer, stond spoedig op en ging eenigszins overhaast heen.
Wat mevrouw Strater zei, toen ze den bezoeker zoo stil hoorde vertrekken, en welk een storm er volgde toen zij vernam wat er gebeurd was, daarvan willen we den lezer de beschrijving sparen. Volgens haar had Anna het er bepaald op toegelegd eene arme weduwe met verscheiden kinderen ongelukkig te maken, en was de geheele zaak eigenlijk nergens anders op berekend dan om haar te kwellen en te ergeren. Anna hoorde haar geduldig en zwijgend aan; maar ten laatste, toen hare moeder ook over Samuel begon, stond zij op en ging naar haar eigen kamer.
Eenige oogenblikken later vinden wij dezen daar bij haar. Zij zaten naast elkander voor het open venster, waardoor de zachte avondwind een aangenaam koeltje in de kamer bracht, des te aangenamer naarmate het overdag warmer geweest was; het was een van die dagen in Augustus waarop na drukkende hitte zulk een warme en
268
stille avond volgen kan, juist geschikt om aan een open venster te zitten, en uit te rusten van de bezigheden en vermoeienissen van den dag.
Nadat zij een tijdlang zonder veel te zeggen hadden zitten uitkijken ins blaue hinein en naar de wolkjes die door de ondergaande zon purper gekleurd waren, zeide Anna op vroolijken toon, die echter een beetje gedwongen klonk: »Zal ik je nu eens een nieuwtje vertellen? Ik heb vandaag voor den tweeden keer van mijn leven een declaratie gehad, en van wien denk je? daar moogt ge nu eens naar raden.quot; Maar voordat Samuel nog eenige poging daartoe gedaan had liet zij er op volgen: »van iemand, ge zult hem wel van naam kennen, denk ik; hij kwam hier in den laatsten tijd al zoo dikwijls aan huis; ik dacht eerst dat hij zin had in mama, zeide Anna met een ondeugend lachje; de man is al zoo verschrikkelijk oud, en heeft een zoon die haast even oud is als ik. Ik had zoo iets volstrekt niet verwacht, en ik geloof dat hij meende mij een groote eer aan te doen, ten minste hij keek vrij wat teleurgesteld en boos toen ik hem zei dat ik niets tegen hem had, maar dat gij hem tot mijn groote spijt al waart voorgekomen.
«Zoo, zeide Samuel lachend, maar als ge nog berouw hebt dan wil ik je niet in den weg staan; zeg het dan maar gerust, hoor, dan neem ik mijn afscheid.quot;
sNeen neen, was het antwoord, ik ben nog
269
al tamelijk wel met je tevreden en ik wil mij nu maar bij u houden, en daarbij streek Anna hem met de hand over het voorhoofd en leunde haar hoofd vertrouwhjk tegen hem aan.
Maar toen begon ze in eens heftig te snikken en verborg haar gezicht aan zijn schouder. Samuel sloeg zijn arm om haar heen en liet haar rustig uitschreien; en na eenige oogenblikken begon hij zachtjes over andere dingen te praten, zoolang tot zij haar oogen opsloeg en weer geheel bedaard was.
»En, Anna, ik heb nu vooruitzichten; nog wel niet heel zeker, maar het is ten minste iets, en we willen het beste hopen. Ik heb nog eens weer gesolliciteerd, naar een plaats als docent aan het gymnasium te S., en toevallig woont daar heel veel familie van een leerling van mij, met wien ik een paar maanden gerepeteerd heb; ik heb hem verzocht te maken dat zijn oude heer daar een krachtig woordje voor mij spreekt, en als ik den jongen goed ken zal hij zijn best wel doen. En als ik den post krijg ga ik er zoo gauw mogelijk heen, en kom dan met een half jaartje terug, en dan . . .
En dan — wat er volgde was zeker een groot geheim, want het werd zoo zacht gefluisterd dat niemand dan Anna het verstaan kon, en daarvoor moest ze haar oor nog heel dicht aan zijn mond houden. Wij willen niet zoo onbescheiden zijn hen verder te beluisteren; ook is hetgeen zij ver-
270
handelden voor ons van niets geen belang, hoewel zij er natuurlijk anders over dachten.
Zij werden ten laatste gestoord door de arme weduwe die even om het hoekje van de deur kwam kijken, waarop Anna bedacht dat zij nog van allerlei te doen had, en Samuel opstond om weg te gaan.
»Nu zal morgen mijn eerste werk wezen om bij den ouden Welhauer aan te gaan en hem naar die recommandatie te vragen, zei Samuel; ik wou dat ge mee gaan kondt, dan zou hij zeker niet weigeren.
»Welhauer? O Samuel is die het? riep Anna verschrikt; die zal het zeker niet willen doen, hij was het van wien ik je van middag vertelde, hij scheen al niet heel gunstig over je te denken, en wat nu gebeurd is heeft hem zeker niet beter gestemd.
Samuel keek bedrukt, erg bedrukt; hij had er zoo vast op gerekend dat zijn plan gelukken zou, en nu scheen er weer niets geen kans op te zijn; maar om niet te toonen hoe teleurgesteld hij was, zeide hij dat hij het toch probeeren wou, en ging haastig heen.
Maar den volgenden avond kwam hij weer met het bericht dat meneer Welhauer hem heel beleefd ontvangen had, maar zeer betreurde niets voor hem te kunnen doen, en dat hij dus weer totaal zonder vooruitzichten was.
271
Dienzelfden volgenden avond zaten de heeren Welhauer vader en zoon tegenelkaar over op de kamer van den laatstgenoemde in druk gesprek. Het was een mooie, ruime kamer , net gemeu-bleerd , en de vensters die op den tuin uitzagen reikten tot op den grond en sloegen als deuren open.
Arnold tracteerde zijn oude heer op een glas Rijnwijn, die beiden in de warmte uitstekend smaakte. Hij stond, zooals hij tegen zijn kennissen plag te zeggen, met zijn ouden heer op een zeer intiemen voet, d. w. z. zij spraken elkaar iederen dag minstens drie of vier maal, gingen somtijds samen wandelen en hielden elkaar trouw op de hoogte van al wat een van beiden belangrijks gebeurde of interesseerde.
Het gevolg was dat Arnold groot respect had voor zijn oude, en hem een patenten kerel en over \'t geheel nog al een verstandig man ook vond; behalve die ééne domme streek dien hij bijna begaan had, om nog weer te gaan trouwen. Want deze had hem vooraf in zijn voornemens ingewijd, en nu met een woord gezegd dat hij van alles had afgezien — waarom, kon Arnold zich wel denken. Hoewel hij er voor zich zelf niet treurig om was, en hij in zijn vuistje lachte, speet het hem voor zijn vader en deed hij zijn best dezen wat op te vroolijken, \'t geen hem dan ook langzamerhand gelukte. Hij praatte in één stuk door, en deed de zonderlingste verhalen van avonturen
272
die hij zelf beleefd had en grappen die hij zelf uitgevoerd had, dat zijn oude of hij wou of niet lachen moest.
»Jongen, zei de oude heer Welhauer eindelijk, terwijl hij zijn glas opnam en voorzichtig tegen het licht hield, ik begin mij wat ongerust te maken over je examen; het wordt haast tijd dat je er\'eens een doet, je bent nu al meer dan anderhalf jaar aan, en ik heb nog weinig van voorbereidende werkzaamheden vernomen, je hadt het eigenlijk al lang moeten doen.quot;
»Ja wel pa , zei Arnold , die wist dat toestemmen bij zulke gelegenheden het beste was wat hij doen kon , u hebt gelijk het duurt wel wat lang; maar ik ben tegenwoordig ook vreeselijk hard aan \'t werk; het propaedeutisch heb ik er al haast in; alleen de mathesis zit mij nog maar in den weg, gelukkig dat ik zcjo\'n uitstekende repetitor heb , anders kwam ik er nooit, want ik werk \'s morgens zoo hard dat ik weinig college houden kan. En u weet niet hoe vreeselijk moeilijk zoo\'n examen is.quot;
De oude wist precies wat hij van de vreeselijke moeilijkheid van een propaedeutisch in de rechten, en van dat harde studeeren \'s morgens denken moest, maar hij vond het niet noodig dat zijn zoon zich overhaastte; zijn spreuk was: leven en laten leven, als \'t maar niet te erg ging, en daarom zei hij er niets tegen.
»Maar die repetitor, pa, hij heet Bons en woont
273
ergens op een zolderkamertje — ik ben dezer dagen toevallig bij hem geweest, anders komt hij bij mij — die is zoo knap en zoo geschikt om les te geven; als ik ooit mijne mathesis er in krijg dan is het zijn werk. Maar hij heeft het heel armoedig; ik wou dat u iets voor hem doen kondt.quot;
En hiermee was Arnold bij het punt waar hij wezen wou, hij wist dat Samuel dien dag al bij zijn vader geweest waa maar onverrichter zake had moeten vertrekken, en hij gistte de reden er van. Maar — hij had zich nu eens in zijn hoofd gezet dat Samuel Bons de verlangde post krijgen zou, hoe zijn oude ook tegenspartelde. Er moest daartoe sluw geageerd worden; maar als gij op dat oogenblik in de kamer geweest waart dan zou Arnold u lachend toegeknikt hebben , alsof hij zeggen wou: slaat mij maar begaan , ik weet wel hoe ik met mijn oude heer omspringen moet.quot;
Hij begon dan eerst uit te weiden over de verdiensten van Bons, hoe ongelukkig het was dat zoo\'n knap man zoo moest blijven\' zitten omdat hij geen recommandatie had, en dat het net wat voor zij u oude heer was dien sukkel in bescherming te nemen en hem die plaats te bezorgen, door een enkel woord aan zijn broer in S. te schrijven. Maar de oude heer schudde stil zijn hoofd.
«Neen jongen, ik wil voor die menschen niets doen, praat er maar niet meer over. Als dat
18
274
meisje niet zoo onverstandig geweest was — maar zij hebben het zelf zoo gewild en zij moeten nu maar zien hoe ze zichzelf redden: ik meende het goed met hen. Waarom zijn ze ook zoo dwaas zich te engageeren zonder eenige vooruitzichten.quot;
Arnold begreep dat er niet veel hoop was, maar hij had nog één pijl op zijn boog, dien hij nu ging afschieten. Hij begon weer over zijn examen, dat het zoo moeilijk was, en nog lang kon duren voor hij het er in had, dat hij er eigenlijk geen kans op zag, dan door het nog een half jaartje uit te stellen, tot de Paasch-vacantie bij voorbeeld.
»Dat zou mij zeer spijten, ik had gehoopt dat ge het voor de Kerstvacantie doen kondt; ik had er bepaald op gerekend.quot; »Welnu, zei Arnold lachend, hebt u er wat voor over dat ik het eerder doe? Als u mij belooft dat over drie weken Bons docent is in S., dan beloof ik u dat over drie weken mijn examen er uit is, en mooi ook. Nu, wat zegt u er van?quot;
Neen nog niet. De oude heer schudde weer zijn hoofd, \'t Is mij volstrekt niet onverschillig wanneer je examen doet, maar ge moet het zelf weten; je zult mij pleizier doen als je het zoo gauw mogelijk doet. Maar maal nu niet langer over dien Bons, want ik wil er niets meer van hooren.quot; Daarbij keek de oude heer Welhauer stil voor zich neer, en zei langen tijd niets meer. Ook Arnold hield zich stil want lnj was bang
275
dat hij zijn vader boos gemaakt had ; maar hij gaf zijn voornemen toch nog niet op. Slechts begon hij nu op eene andere manier — gemoedelijk.
»Het spijt mij, sprak hij , als ik u door mijn dringen verdrietig gemaakt heb; maar het is alleen omdat ik zeker ben dat als Bons op die manier moet blijven leven, hij dan binnen een jaar dood is. En wat zal zijn meisje dan beginnen ? Zij wordt toch al door haar moeder genoeg geplaagd , zoo als u mij zelf verteld hebt, en wat zal zij dan ongelukkig zijn. En dat Bons zich overwerkt weet ik zeker, en hij heeft haast geen eten. Verleden toen ik bij hem was werd hij flauw van honger; o pa wat zag hij akelig bleek; hij kan het zoo onmogelijk lang uithouden. En er volgde eene trouwe beschrijving van al wat Arnold op de kamer van Bons gezien had. Dat alles had hem zelf, die nog weinig met armoede en ellende in aanraking geweest was, en nog zelden in de gelegenheid geweest was iemand te helpen, sterk getroffen, en daarom deed hij zooveel moeite voor zijn repetitor.
Toen Arnold gedaan had keek hij op, en zag dat zijn vader met de hand onder \'t hoofd zat, en niet naar hem scheen te luisteren. Hij had van al wat Arnold vertelde alleen dat gehoord wat op Anna betrekking had; en hij was onwillekeurig weer gaan denken aan de illusies die hij zich gemaakt had, van een rustig en gezellig
ISquot;
276
leven met haar; en aan de armoede welke zij daarboven verkozen had. En nu stond het in zijn macht haar daaruit te helpen. . . .
«Jongen zei meneer Welhauer ten laatste, ik geloof dat ik je zin maar zal doen. Ik zal morgen aan mijn broer schrijven, en aan ieder dien ik maar ken in S. Ik geloof dat het het beste is.
Hoera! riep Arnold die een kleur kreeg van pleizier, \'t is mij toch gelukt. En nu kunt u er op rekenen dat ik over drie weken examen doe. Oude heer, mag ik je eens zien? en daarbij nam hij zijn glas op.
Deze lachte en deed hetzelfde, en er werden nog eenige flesschen gehaald om het verdrag mee te bezegelen.
De noodige brieven werden den volgenden dag geschreven , en drie weken later was Arnold Welhauer student in de rechten, en Samuel Bons docent in de wiskunde te S. Zijne schoonmoeder, die in dien tijd hevig tegen de emancipatie der vrouw geworden was, nadat zij gezien had dat daarvoor werkelijk iets gebeurde, en zich sedert der weldadigheid in de armen geworpen had, kwam bij hem inwonen. Zij heeft zich ook getroost over het huwelijk van hare dochter, nu zij zag dat een engagement goed kon gaan, ook zonder vooruitzichten.
1871.
TWEE TUILTJENS VERGEET-MIJ-NIET.
(novelle.)
I.
Kent gij den Rijn, den
»Grootvorst van Europa\'s stroomenquot;, waarvan Borger zingt, en kent ge hem niet alleen door Borgers klassiek gedicht, door Vondels Ode of Helmers beschrijving, maar kent ge hem door eigen aanschouwing? Ik bedoel met deze vraag niet, of ge hem kent, zooals hij in het, naar gedroogde visch riekende, Katwijk de zware schutsluizen bekabbelt . die eer schijnen gebouwd om hem tegen verzanding en aanranding der zee te beveiligen, dan om hem in zijn\' stroom tegen te houden; niet, zooals hij onder den doodschen naam van Galgenwater der Leidsche jeugd tot zwemplaats strekt; ook niet, zooals hij de provincie Utrecht langzaam doorsjjpelt; maar, of ge hem gezien hebt, zooals Otto Roquette hem schildert, wanneer hij vraagt:
278
»Kermt ihr den schonen goldnen Ehein Mit seinem Duft und Sonnenschein, Mit priichtger Strömung seiner Wogen, Yon Berg und Felsen kühn umzogen; Mit seinen Bergen, hoch und luftig, Und Sagenreich, und rebenduftig?
Dort weht ein Odem lebensprühend,
Dort tonen Lieder jugendglühend, Und AVeinesdüfte wonnig quellen quot;Weit auf des schönsten Stromes quot;Wellen. Wie Stern an Stern, so reiht sich dort In Hügelketten Ort an Ort.
An jedem Ort ein neuer Wein,
Hier goldig, dort im Purpurschein. Man wandert aus, man wandert ein, Man glaubt im Himmel gar zu sein.quot;
Opwekkende beschrijving, niet waar ? Ge moet, dunkt me, na de lezing dezer regelen wei lust beginnen te gevoelen eens een kijkje in de Eijn-streek te gaan nemen, en zoo ge dit vroeger reeds gedaan hebt, ik twijfel er niet aan, of ge verlangt weer uw valies te pakken en er weêr heen te gaan, om de oude, zoo aangename, herinneringen te ververschen.
Komaan, laat ons in gedachte de reis aanvangen , en den Rijn een eindweegs opvaren! Natuurlijk nemen wij eerst te Bonn plaats op de sierlijk ingerichte salonboot, want tusschen Bonn en Katwijk is alles vlak land; eerst voorbij Bonn begint de Rijn Roquettes lofspraak waard te worden.
279
We werpen een\' afscheidsgroet toe aan de nette, prettige stad van Beethoven en Arndt, met hare bloeiende Hoogeschool, waarop het beeld der Moedermaagd zich van verre als de even maagdelijke Minerva voordoet, en vangen de reis aan.
Reeds zien wij vóór ons de oude ruïne van Godesberg, den schilderachtig gelegen, bijna on-beschadigden burgtoren, in zijne grauwheid een sprekend contrast opleverend met de vriendlijke, vroolijke villa\'s in \'t rond, en de geurige, veelkleurige bloemhoven aan den voet van den hoogen berg. Hoogen berg, zegt ge? Ja voor een\' Nederlander, voor wien de Scheveningsche duinen en de Amsterdamsche sluizen de hoogste bergen zijn, die hij tot nog toe kent! Bij uwe terugkomst zal de Godesberg u zeker niet meer dan een onaanzienlijk heuveltjen toeschijnen.
Spoedig reeds wordt ge in staat gesteld vergelijkingen te maken. Van verre teekent zich een rotsig gebergte aan den horizont af, dat aan den rechter Rijnoever gelegen, naarmate wij naderen, grooter en grooter wordt voor het oog, en zich weldra doet kennen als het beroemde, het veelgeprezen Zevengebergte. Een der zeven bergen doet, als een jonge coquette, zijn best, dat ge uwe aandacht enkel en alleen op hem vestigt, en de andere rotstoppen • bijna geheel vergeet. Hij mag dat trouwens doen , hij is de schoonste, zij het dan ook niet de hoogste, van allen, en verreweg de beroemdste; hij is de eerwaardige
280
Drachenfels, die het heidendom voor de macht der christelijke liefde heeft zien wijken en het drakenbloed door den hoornen Siegfried heeft zien vergieten. Nog stroomt dat bloed daar jaarlijks in de perskuipen en in de herhaaldelijk gevulde bekers, en als ge, met eikenloof bekranst, een bezoek zoudt willen brengen aan de ruïne van het kasteel der burggraven van Drachenfels, — nu een armzalig overblijfsel uit den ijzeren riddertijd, — dan zoudt ge zeker ook niet nalaten op het ruime plateau, met een heerlijk panorama vóór u, en den zich als eene zilveren slang kronkelenden Rijn aan uwe voeten, een vollen bokaal te ledigen ter eere der moeder van menschen en goden, de grijze, maar eeuwig jonge Natuur, die u door hare schoonheid tot hulde en bewondering dwingt.
Wij stoomen echter voorbij en wenden met moeite van den trachytklomp, met de ruïne op den top en het vriendhjk Königswinter aan den voet, de oogen af, als, aan onzen rechterkant, onze aandacht getrokken wordt door een grooten, half vervallen, uit ruwe steenklompen opgemet-selden boog boven op een steilen berg, het overblijfsel van een oud kasteel, eens, naar men zegt, door Roland, den held der Karelsagen , bewoond, en sinds lang onder den naam Rolandseck bekend. Ge weet het, daar moet bij zijn kasteel de on-verwonnen held eens eene kluizenaarshut gebouwd hebben, waarin hij zijne laatste levensjaren in
281
somberen rouw doorbracht, steeds turende naar het klooster, dat zijne geliefde Hildegonde omsloten hield, de rampzalige maagd, wier noodlot het was, al te spoedig gehoor te geven aan het valsch gerucht van den dood des geliefden helds, en die zich aan den hemelschen bruidegom verbond , toen zij meende, dat de aardsche bruidegom voor haar verloren was. Ook zonder eene geliefde in dat klooster, of liever in de meisjenskostschool, waarin het nu veranderd is, te bezitten, zoudt ge uren kunnen doorbrengen met van den bergtop af naar het gebouw te staren, dat, op het eerste der kleine tweelingseilandjens in den Rijn, Non-nenwerth en Grafenwerth, zijn leien dak tusschen het groene lindeloof verheft.
Die eilandjens stoomen wij voorbij met het vroolijke dal van het Zevengebergte en het landelijk Honnef aan onze linker-, met Oberwinter aan onze rechterhand. Het duurt niet lang, of rechts zien wij op een kleinen berg eene allerliefste kapel, uit geelgrauwen tufsteen in nieuw Gothischen stijl opgebouwd, de kapel, waarin de heilige Apollinarius vereerd wordt, de oude weldoener van de landstreek, die het heilzame bronwater niet verre van daar uit de aarde deed opborrelen, om er de zieken te genezen , terzelfder tijd dat hij, als gezant der heilige kerk, de beginselen der christelijke liefde in het hart des volks plantte.
Hadden wij den tijd, om langs den zooge-
282
naamden lijdensweg den Apollinarisberg te beklimmen en het kerkjen binnen te treden, we zouden ons dan kunnen verlustigen in de beschouwing van keurige fresco\'s, ieder op zich zelf bewonderenswaard, maar te zamen door het groot aantal aan het kleine kerkjen een wat al te bont aanzien gevend. Wij zouden dan des noods in de krypt kunnen afdalen en daar een schoonen, maar ledigen sarkophaag kunnen aanschouwen , ja zelfs zouden wij verlof kunnen vragen om den vergulden schedel van den heilige te mogen kussen, die daar als kostbare relique bewaard wordt.
\'t Is echter beter, dat wij dit niet doen, maar nog een klein eind voortstoomen, om dan te Remagen de boot te verlaten en onzen intrek te nemen in het vorstelijk hotel Pürstenberg, even breed als het geheele stadjen aan de Rijnzijde is, eene aaneenschakeling van gebouwen, aan elkaar door droge bruggetjes verbonden, van welke ieder eene viaduct vormt, die ons in eene der nauwe, eenigszins oploopende straten van Remagen zelf voeren zou, als we niet liever verkozen het hotel binnen te treden. Daar nemen we plaats onder een ruim , van latwerk opgetrokken, met wilden wingerd begroeid buitenhuis, dat we wel eene loofhut zouden kunnen noemen. Met eene goede flesch Rijnwijn op tafel en een heerlijk gezicht op den Rijn en op een vroolijk, in lentekleed getooid landschap vóór ons, kunnen wij het er voorloopig
283
best stellen. Het nauwe, vrij armoedige, veuze en vuile stadjen beloont tocb de moeite eener wandeling niet.
Zie zoo; nu zijn we, waar ik u in gedachte wilde hebben. Wij kunnen nu den nacht in het hotel doorbrengen en morgen ochtend vroeg eens even buiten Remagen een kijkjen gaan nemen.
Daar ligt, ten Zuiden van de stad de villa Harmonia, eene nette, eenvoudige woning met eene warande en een kleinen tuin, waarin de lentebloempjes reeds ontloken zijn, en de vroege heestergewassen reeds prijken met frissche groene blaadjens en keurige bloemtrosjens. De seringen geuren u tegen, de meidoorn staat in vollen bloei, de rozen dragen knoppen en de stamazalea\'s dwingen u een woord van bewondering af. Richt ge den blik naar het Noorden, dan ziet ge Re-magens berookte daken en van verre de vier spitsche torentjes van het Apollinariskerkjen. Oostwaarts wordt het gezicht op den Rijn belemmerd door een somber nonnenklooster met zware muren en ijzeren hekken, het graf van levenslust en vroolijkheid. Het gezicht op dit kerkhof van vaak zoo schoone vrouwenzielen stemt u somber en dat moogt ge in den vroegen morgen niet wezen, al wekt dan ook het vriendelijk pro-testantsch kerkjen tussch\'en de villa en het klooster gebouwd mildere aandoeningen bij u op. Ziet ge Zuid- en Westwaarts, dan hebt ge een heerlijk landschap vóór u, ook in deze lentedagen reeds
284
schoon, al golft er nog niet de gouden tarwe en de purperen rogge, die in den zomer den indruk van welvaart en rijkdom maken. De begroeide bergketen van het Ahrdal maakt Westelijk een eind aan den gezichtskring, en laat met moeite de onstuimig voortsnellende Ahr door, tot waar deze Oostwaarts strooniende en de bergketen verlatend, bij Krippe zich in de armen van vader Rijn werpt. Als ge niet al te bijziende zijt, kunt ge de woningen van Krippe van verre onderscheiden. Trouwens het geheele landschap is rijk aan bevallige huisjens, niet allen even net of sierlijk, maar allen zonder onderscheid even bekoorlijk.
Ge geniet van het panorama, niet waar? Nu, ge zijt de eenige niet. Daar, in een prieeltjen achter in den tuin der villa Harmonia, zit een jong meisjen van achttien of negentien jaar, en ze staart met bewonderenden blik op het schoone landschap, prettig getint door de vriendelijke ochtendzon, die haar reeds zoo vroeg ten bedde heeft uitgelokt, \'t Is haar lievelingsplekjen. Zij kan vandaar met welgevallen den blik laten rusten op het vreedzame, gezellige kerkjen, dat de sombere muren van het nonnenklooster daarachter ten deele voor haar bedekt, maar niet vermag, en ook niet behoeft te bedekken, wat ver daarachter, aan de overzijde van den, voor haar oog verborgen , Rijn zich in de lucht verheft; de trotsche Erpelerlei, eene donkere, met wijnstokken beplante basaltrots, wier zware ba-
285
saltzuilen zóó geregeld zijn gevormd, dat de Natuur bij deze hare schepping den Gothischen bouwtrant schijnt voorgevoeld en beproefd te hebben
Zij is in gedachten verzonken, en als zij het oog laat weiden over het schoone panorama, dan behoeven wij het nog niet voor zeker te houden, dat zij voortdurend alles ziet. Zij denkt aan haar vaderland, en aan allen, die haar dierbaar zijn, en die zij daar achterliet, in het land zonder bergen , het land van moer en dras, aan de zee ontweldigd, zonder veel schoonheid, maar toch zoo geliefd, omdat het haar eigen land is, de woonplaats harer vrienden en verwanten, \'t Is ook geen wonder, dat zij juist nu daaraan denkt; zij heeft een\' brief in de hand voor een paar dagen ontvangen. een\' groet van verre, en nog meer dan een\' groet, eene betuiging van de hartelijkste liefde, die ooit een jongeling voor een meisjen heeft gevoeld, \'t Was niet eene zoogenoemde liefdesdeclaratie, die haar door dezen brief werd overgebracht; nauwelijks kon zij zich den tijd herinneren, waarop zij die. voor het eerst uit zijnen mond had gehoord. Hare liefde dagteekende reeds van hare prilste jeugd, en mocht die liefde ook met den tijd ernstiger, edeler, inniger zijn geworden, voor haar ontstaan was bijna geen tijdstip op te geven; \'t was voor haar gevoel, alsof zij altijd had liefgehad, altijd bemind was. Dus, geene declaratie bevatte die brief; \'t was
286
alleen eene opwelling van liefde, die niet bedwongen had kunnen worden, niettegenstaande de fatsoenwet — de vijandin der natuurlijke eenvoud — haar gedwongen had haren geliefde te verzoeken toch geene liefdewoordjens aan haar over te zenden. Maar nu had hij niet langer aan dat verzoek kunnen voldoen; \'t was hem onmoog-lijk geweest haren wensch te blijven opvolgen, nu het Lente was geworden, de zon zoo prettig scheen, het groen (zelfs in het land van moer en dras) zoo schoon ontlook, de vogelen zoo vroolijk zongen, en zoovele heertjens en juffertjens gearmd wandelden door het plantsoen der Academie-stad. Toen hij dit alles gezien had, had de student zijn\' arbeid gestaakt, zijne boeken ter zijde geschoven, en geschreven aan het bruidjen zijner jeugd in den vreemde. Hij had het niet kunnen laten. In zoo langen tijd had hij niets van zijne Philine gehoord, hij kon het zóó niet langer uithouden; hij moest haar schrijven. en haar verzoeken, hem te antwoorden , omdat een enkel vriendelijk woord-jen van haar het schoonste lentebloempjen zou wezen, dat in de bloeiende Meimaand op zijn pad zou kunnen gestrooid worden.
Zou zij antwoorden? Reeds een paar dagen had zij daarover nagedacht, noodeloos, want haar hart had haar reeds de woorden gedicteerd, die ze schrijven zou, zoodra ze met een blosjen op de wangen den brief had gelezen. Zou zij antwoorden? Ja — »als ik niet schrijf, zal hij zoo
287
ongerust zijn, meenen, dat zijn brief niet terecht is gekomen, dat ik hem vergeten heb, of onhartelijk benquot;; dat antwoordt haar poperend hartjen op die vraag. »Neenquot; — dat antwoordt Mevrouw Fatsoen in haar stijf geregen keurslijf en hare zware, krakende zijden japon , en de meesteres der vormen fronst het pergamenten voorhoofd en heft dreigend den vinger op, terwijl zij met afgemeten stem verklaart: «Ongeoorloofde Correspondentie !quot; Maar Mevrouw Fatsoen begrijpt zelve niet, wat ze zegt; zij heeft deze woorden indertijd van buiten geleerd , en spreekt ze nu als eene kakatoe altijd na, onverschillig of zij bij de omstandigheden passen of niet. »Waarom ongeoorloofd?quot; vraagt Philine; sis het dan ongeoorloofd elkaar lief te hebben en dit voor elkaar niet geheim te houden?quot;
Misschien dacht zij daarbij ook wel aan de roerende geschiedenis der peperkoeken van Andersen , een\' mijnheer en eene jufvrouw, die zoolang naast elkaar op de toonbank gelegen hadden, zoo innig elkaar hadden lief gehad , maar te trotsch waren, om het elkaar te willen bekennen, en eindelijk gebroken en opgegeten werden door de schooljeugd nog vóór ze elkaar gelukkig hadden kunnen maken door het groot geheim huns levens aan elkander te openbaren. Misschien ook dacht zij aan Heine\'s liedjen van twee kinderen, die met elkaar verstoppertjen speelden, en dat zoo ernstig en goed wisten te doen, dat zij ten laatste
288
elkander in \'t geheel niet konden weervinden. De laatste gedachte alleen was in staat haar te doen sidderen, en zij nam de pen op, schoof het blanke papier vóór zich en schreef. Vraagt ge mij, wat ze schreef? Niet alle geheimen mag ik verklappen, maar dit is zeker, zij schreef een\' brief vol van hartelijke liefde en blijde hoop voor de toekomst.
Maar weder verscheen Mevrouw Fatsoen. Haar gestreng wetboek had het onderspit moeten delven in den strijd tegen eenvoudige liefde, die meer dan een wetboek, een levende, bezielende geest is; maar nu had zij alle deftigheid verloren. Als eene hatelijke oude vrouw trad zij op, als de moeder der insinuatie , en zij krijschte het lieve kind in de ooren: «Onvoorzichtige! Kent gij de mannen? Weet ge wel, hoe wuft ze zijn?quot; en ze mompelde nog meer, doch onverstaanbaar, zooals de insinuatie altijd doet; maar het schijnt, dat ze fransch sprak, althans \'t is ons, alsof wij het woord amourette van hare lippen hoorden — een goed Hollandsch woord daarvoor is niet bekend.
Even schrikt Philine op ; de pen ontglijdt aan hare vingers en met eenen traan in het blauwe oog staart zij in het verschiet. Maar de hemel boven haar is zoo blauw en zoo kalm; de Er-pelerlei staat daar zoo onwankelbaar vast, zooveel vertrouwend inboezemend, en de zon zendt een\' zoo vriendelijken stralenbundel af naar het glin-
289
sterend haantjen op den kerktoren, dat zij de woorden der oude geheel vergeet, en een gevoel van gelukzaligheid haar hart voelt overstroomen. Zij schudt de blonde krullen, die haar blozend kopje omdartelen en spreekt bij zich zelve: aTseen, hij is niet wuft; hij is trouw en goed.quot;
Weer neemt zij de pen op, en schrijft zij voort. Als de pen van \'t papier wordt genomen, is de brief voltooid. Zij staat op. Aan hare voeten bloeit een vergeet-mij-nietplantje, dat het trouwe blauw des hemels afspiegelt in de kleine bloemblaadjes. Zij plukt een tuiltje dier bloempjes af, drukt ze samen tusschen de bladen van den brief en denkt bij zich zelve: «Deze boden van mijne trouw zullen in hunne stomme taal voor hem begrijpelijk zijn, en hem vertellen, hoe vast ik reken op zijne onwankelbare liefde.quot;
»Sind Sie bald fertig, Praulein Philine ?quot; klinkt het haar tegen, »kommen Sie bald das Frühstück genieszenen den brief dichtsluitend, antwoordt zij met opgeruimde stem: »Ja, Fniulein, ich bin fertig, und komme gleich.quot;
II.
We zijn nu niet meer, in Duitschland, maar in eene der steden van ons eigen vaderland. Mag ik het genoegen hebben u daar eens in eene mij bekende woning binnen te leiden, en u voor te stellen aan den heer des huizes, zijne vrouw
19
290
en hunne drie dochters, die go daar in de tuinkamer bijeen kunt vinden? \'t Grezin is niet voltallig : de zoon ontbreekt. Deze is, zooals de gewone term luidt, »op studiequot; en zal eerst over eene maand met de groote vacantie de ouderlijke woning weer binnentreden. Maar al bevindt hij zich daar ook op het oogenblik niet in persoon, vergeten wordt hij er niet. Dagelijks denkt men aan hem , en als men met elkander over hem begint te spreken, is het alles behalve een nieuw onderwerp, dat men aanroert.
«Zou Jan nog vóór de vacantie hierkomen?quot; vraagt eene der jonge meisjens aan hare moeder, die met den bril op den neus, en een groen bekleed schrijflessenaartje vóór zich, bezig is een\' brief op te stellen — men behoeft wel niet te vragen, aan wien.
De moeder durft op die vraag geen bevestigend antwoord geven , maar de vader zegt beslist, dat hij het wel niet denkt, want, dat de examentijd nadert, en dat, vóór die gevreesde dag gekomen is, waarop de kennis van den student zal gewogen en geproefd worden, ieder uur, ieder oogenblik voor den reeds zenuwachtig blokkenden kostbaar is.
»Zou je dan waarlijk denken, vader,quot; vraagt de moeder, »dat hij nog examen deed vóór de vacantie?quot;
»Dat moet hij welis \'t antwoord; »langer kan hij het toch niet uitstellen; neen, vóór de vacantie moet het achter den rug zijn.quot;
291
»Dan zal hij nu wel druk aan\'t werk-wezen,quot; meent eene der dochters, shij zal er wel erg tegen opzien.quot;
«Ik heb hem maar wat moed gegeven,quot; zegt de moeder; sik heb hem geschreven, dat hij de zaak maar niet al te donker moet inzien ; professoren zijn immers toch ook mensahen als wij, met een menschelijk hart; zij zijn immers geene monsters en weten zich bovendien te herinneren, dat zij zich zelve ook eenmaal voor hun examen beangst hebben gemaakt.quot;
»Schrijf hem maar niet, dat hij de zaak niet te zwart moet inzienzoo luidt het woord des vaders, »hij is niet gewoon alles zoo zwaar op te vatten, en op het goede hart der professoren behoeft hij niet te rekenen; dat komt bij een examen niet te pas; de eenige vraag is daar: weten of niet, en dat is billijk ook. Men moet zijne zaken weten, en zoo niet, dan luidt het; mannetje, we kunnen je niet gebruiken.quot;
«Nu, zoo slecht zal het toch wel niet met hem afloopen,quot; merkt eene der dochters op.
De vader gelooft dit in zijn hart ook wel niet; de examinandus is immers zijn zoon; maar men kan toch nooit weten. »Hij heeft te veel aan andere dingen gedaan,quot; zegt-hij, »en voor alles heeft men toch geen\' tijd; ik voor mij zal blijde zijn, als het examen maar goed en wel achter den rug is. Doch wat helpt het ons, of wij er veel over praten, laten wij er maar liever van
19*
292
zwijgen. We behoeven ons ook niet bezorgd te maken vóór den tijd.quot; En de vader, die erg bezorgd is , maar het voor geen geld ter wereld zou getoond hebben, verbergt zich weer achter de courant, waarin hij zooeven gelezen heeft, en, begint een oogenblik later te spreken over Thiers en de partijzuchtige rechterzij, die uit eigenbelang de rust van het land in de waagschaal stelt.
Intusschen voltooit de moeder haren brief.
))Als vader er nu nog een klein lettertje bij-deed , en hem dan in wilde pakken bij den sigarenkoker , dan zou hij nog vóór den eten kunnen bezorgd worden, niet waar ? en zou Jan hem van avond nog kunnen hebben. Dan zou hij zien, dat men hem te huis toch niet vergat, en dat zou hem misschien wat opbeurenquot; meent de goede moeder, en de sigarenkoker wordt voor den dag gehaald. Vader heeft hem nog niet gezien: hij wordt dus vertoond.
Yan buiten van groen leder, is hij van binnen versierd met een handwerkje, een cérise-roode grond, en daarop in zijde gewerkt , een tuiltje van vijf vergeet-mij-nietjes.
»Dat zijn wij samen met zijne drie zusters ,quot; zegt de moeder , die, al is ze ook geene dichte-resse , hier in sprekende trekken de liefde heeft afgebeeld , die het geheele gezin voor den zoon koestert, en waardoor ook zijne genegenheid moge opgewekt of versterkt worden . zoo dikwijls hij —
293
en dat gebeurt nog al eens, want hij is een sterk rooker — den sigarenkoker te voorschijn zal halen en het borduurwerk hem zal schijnen te vragen : «vergeet ons toch niet.quot;
»En wie heeft dat gewerkt ?quot; vraagt de vader. «Daaraan heeft moederlief toch haar slecht gezicht niet te koste gelegd ?
Maar de dochters antwoorden, dat het inderdaad Mama is geweest, die de borduurnaald gehanteerd heeft, en hare oogen niet heeft willen sparen.
sOch komzegt de moeder, »mijne oogen zijn nog zoo slecht niet; bij avond en dan zwart goed, dat gaat niet te best meer; ik wil het ronduit bekennen , maar bij daglicht, o ! dan kan ik nog best zien , als ik er ten minste de fok bij heb opgezet. Mijn gezicht is zooveel slechter niet, dan dat van Papa , maar die wil er niet voor uitkomen en bergt altijd den bril zorgvuldig in den schrijflessenaar.quot;
En als moeder dat zegt, glimlacht vader eens even; hij heeft de opmerking al meer gehoord, en weet ook wel, dat die zoo geheel onwaar niet is, maar hij heeft er nu eenmaal aardigheid in, den bril zoo lang mooglijk af te houden, die bovendien erg lastig achter de ooren is.
Sigarenkoker en brieven worden ingepakt; vader klopt het pijpje uit, steekt eene sigaar op en het pakje bij zich, en verlaat op een drafje zijne woning, om naar het bestelkantoor
294
van den trein te gaan, opdat de zoon toch zoo spoedig mooglijk het pakje moge ontvangen, en onderweg denkt hij er over na, welk eene teleurstelling het voor moeder wezen zou, als de zoon eens geen examen deed , en hoe somber ook de zusters te moede zouden zijn, als broerlief, op wien zij zoo gaarne trotsch willen wezen, het eens minder goed in de wereld maakte.
En terwijl deze overdenkingen den vader onderweg bezighouden, zegt de moeder tot hare dochters: «Je moet het maar geloo ven, kinderen. Papa zit er nog erger over in dan wij, hoe het met het examen zal afloopen; maar hij wil het zoo niet laten merken; en toch — let maar eens op — als wij er van zwijgen, begint hij er altijd zelf weer over.quot;
III.
Reeds twee brieven hebben wij aan Jan de Kater zien verzenden, \'t Wordt, mij dunkt, nu tijd, om met hem zeiven kennis te maken, tenzij ge dit reeds bij eene vorige gelegenheid mocht gedaan hebben. Welnu, laat ons dan de kennismaking hernieuwen!
Hij heeft zooeven een gedicht herlezen, dat hij vroeger gemaakt had in een\' zelfden gemoedstoestand , als waarin hij zich nu bevindt, nu hij weldra het examen zal afleggen, dat beslissen moet over zijn volgend lot. \'t Is ook misschien
295
beter, dat wij hem niet storen; hij schijnt het druk te hebben. Nu eens grijpt hjj naar dit dictaat, dan weder kijkt hij dat boek in; nu eens fluit hij een deuntje, dan weder zet hij zich aan de tafel neder, het hoofd door de handen ondersteund. Eindelijk grijpt hjj naar zijn\' hoed , en gaat hij de trap af en de straat op. Waarheen? Hij gaat zich nu toch niet aan het examen onderwerpen ? O neen; dan zouden wij hem zwart gerokt en in gezelschap zijner vrienden hebben aangetroffen. Hij gaat uit, om een\' dag voor zijn examen aan te vragen. We zullen maar niet mee gaan, en, terwijl hij afwezig is, eens even het gedicht inzien, dat ons op de hoogte van zijne gemoedstemming zal brengen, en dat tot titel heeft; »Zijn of niet zijn.quot; Het Shakes-peariaansch
»To be or not to bo, that is the question staat er als motto boven. Het gedicht is in rijm-looze verzen geschreven; toen hij het vervaardigde, was hij zeker te zenuwachtig, om naar rijmwoorden te kunnen zoeken. Het luidt aldus: »Ja, zijn of niet zijn in de toekomst, die Weldra reeds heden voor mij wezen zal,
Dat is de quaestie, die mijn hart beklemt,
Mijn\' geest in spanning houdt,- mijn rust me ontrooft, \'t Gewichtigst uur van heel mijn leven zal Welhaast nabij zijn. Dan beslist het lot,
Of ik geacht en werkzaam lid zal zijn Der maatschappij, die voor mij open staat,
296
Of dat ik spoorloos zal verdwijnen in Het niet.
Want wat is zijn? \'t Is leven. Wat is leven? De wetenschap, waaraan ik mij gewijd heb, Beoefnen, zóó, dat van mijn werk de vrucht Door \'t nageslacht eens zal genoten worden. Wat verder? Aan mijne ouders en mijne vrienden \'t Geluk doen smaken. dat zij door hun liefde Verdienen; en hunne angstige verwachting Yervullen door \'t bereiken van het doel,
Dat zij mij van mijn jeugd voor oogen stelden, \'t Is werken in den kring, die op mij wacht, Mij dankbaar toonen voor den schat van liefde, Waarmee men mij bedeeld heeft; dat is leven. Maar \'t is ook verder: door een hechter band, Dan \'t vluchtig woord der trouwe, mij verbinden Aan \'t meisje mijner keuze: aan de eerste liefde Der zorgelooze jeugd, die nu voorbij is.
En niet zijn 9 Dat is sterven.
Dat is: der wereld en der maatschappij In \'t bloeiendst van mijn leven af te sterven, \'t Is : dwalen door een wereld, die mij minacht, \'t Is: kampen met den honger en \'t gebrek; \'t Is: nederstorten van den ladder, die Mij- eens tot roem had kunnen voeren; \'t Is: Vergeten worden bij\' mijn leven; \'t Is : Een plantenleven leiden, dat aan dood Verwant genoemd kan worden. Met zijn is: De vurige gebeden mijner ouders Tot schande maken, en ze ledig weer
297
Doen keeren tot het angstig poprend hart, Waaruit ze kwamen; \'t Is-: voor al de zorg En liefde, mij bewezen, ijdel niets,
Ondankbaar niets alleen in ruil te geven.
Niet zijn, dat is: Het altijd, altijd hoeren Van \'t zelfde lied, geneuried door \'t geweten: sHet zaad is in de doornen neergevallen, sEn daar verstikt. Het koren is gezaaid, i)Op harden grond, en door het zonnevuur »Is de air, die kiem van rijke vruchten droeg, «Verschroeid , en de oogst is door uw schuld mislukt.quot; Dat lied is \'t lijkdicht op den mensch, wiens lot Het was, om niet te zijn, terwijl hij leefde. Met zijn, dat is: voorgoed het zalig heil Des huwlijks mij ontzeggen; \'t Is: mij dwingen Den band der liefde, die mij bindt, van één Te scheuren, en wat mij het dierbaarst is,
Voor goed vaarwel te zeggen. Niet zijn is: Een leven van berouw, en zijn: een leven Van liefde en rust, van roem en dankbaarheid. Ja, zijn of niet zijn, in de toekomst, die Mij weldra wacht, dat is de groote quaestie, Die rondspookt in mijn arm, gefolterd hoofd, Mijn hart beklemt, en alle rust me ontrooft.quot;
Vroolijk is het gedicht zeker niet; misschien ook wel wat overdreven; maar Iaat ons liever niet kritiseeren. Er kunnen benauwde oogenhlik-ken in het leven van den mensch zijn, waarin het hem eene verademing is, zijn gevoel in woorden te uiten, al zijn die woorden clan ook wat
298
stout, al klinken ze ook wat al te forsch of te klaaglijk. Niet ieder -gedicht is de spiegel van \'s dichters uiterhjken, werklijken toestand, maar meestal die van de stemming zijns harten; en onder den invloed der zenuwen kan dat hart vaak angstiger kloppen, dan volstrekt noodig zou zijn.
IV.
»Als je later eens eene sigaar bij me wilt komen rooken , zal je me genoegen doen, maar tentamen moet je liever niet komen vragen ; ik raad het je bepaald af. Doch weet je, wat je doen moet? Kies je een ander studievak, dat je meer als bijzaak kunt behandelen, en wijd je dan verder geheel en al aan het vak van je liefhebberij.quot;
Deze woorden, zooeven tot Jan de Kater gericht , herhaalde hij een paar maal bij zich zeiven met een flauw glimlachjen op de lippen, terwijl hij met versnelden pas naar de woning liep , waar twee zijner vrienden, Willem en Karei, hem reeds aan tafel wachtten.
»Goede middag! Hoe gaat het?quot; is de vraag van het tweetal, en het eenigszins geforceerd opgeruimd antwoord luidt: sik ben zoo gezond als een visch op het droge; maar ik heb je iets nieuws te vertellen.quot;
De vrienden zijn verlangend het nieuws te vernemen.
299
»Ik doe vóór de vacantie geen examen?quot; — »Na de vacantie dan?quot; —
»Ook niet!quot; —
»Maar wanneer dan toch?quot; —
»Nooit!quot; —
De vrienden begrijpen er niets van, en zien elkaar met verbaasde blikken aan.
»Al8 je later eens eene sigaar bij me wilt komen rockenquot;.....zoo begint Jan de Kater , en hij herhaalt den zin, dien hij van buiten heeft geleerd , om er spoedig de historische commentaar bij te voegen.
»Dat is een gek geval!quot; roept Willem uit. »Wat ga je nu doen ? —-
»Ja, vraag dat aan den Grooten Mogol, niet aan mij is het antwoord , sik denk nu commis-voyageur in schoensmeer, of comiek bij het café van Pflaging te worden.quot; —
»Gekheid!quot; zegt Karei. »Daarover zal je wel anders denken, als je wat kalmer zult geworden zijn. Ik zou ook niet weten, waarom je den raad niet zoudt kunnen opvolgen. Kies een ander studievak , waarmee je gemakkelijk klaar kunt komen, en wijd je dan verder aan \'t vak van je liefhebberij !quot; —
Maar Jan de Kater wordt boos : »Ik bedank je hartelijk; ik wil geheel gelukken of geheel mislukken; alles of niets, \'k Heb geen\' lust om het leven door te sukkelen.quot;
Het gesprek wordt na die woorden juist niet
300
levendiger, en sterft langzamerhand geheel weg. Gelukkig, dat er dampende soep en gebraden vleesch op tafel staat, in vertrouwlijk gezelschap van rookende aardappels en grasgroene spinazie. De vrienden behoeven zich nu ten minste niet te vervelen.
Wat er na den eten werd gedaan ? Ik behoef u niet te vertellen , hoeveel partijen biljard Jan de Kater verloor, en in hoevele koffiehuizen hij ze verloor, hoevele koppen koffie hij dronk, en hoe beroerd , in den letterlijken zin des woords , beroerd hij zich gevoelde, toen hij op zijne kamer terugkwam.
Daar zit hij nu, en wie weet, hoe kort hij er nog zitten zou. Wat aan te vangent Hij dacht er over na, of liever hij dacht niet, hij droomde. De zon ging inmiddels onder en hij vergat het licht op te steken. Wat kon het hem ook schelen , of het licht of donker was!
Daar rolt een wagen voor het huis; er wordt gebeld en open gedaan. De hospes komt den trap op en klopt aan.
«Binnen!quot; —
«Daar is een pakje voor mijnheer! met den trein gekomen!quot; —
\'t Is een pakje van huis.
»Ja, men moest te huis eens weten, hoe het met mij geschapen staat!quot; mompelt Jan de Kater ; maar hij is toch verlangend te zien, wat men hom zendt. Hij steekt de lamp op, en knoopt de
301
touwtjes van het pakje los. Daar houdt hij een\' sigarenkoker in de hand van groen leder met een handwerkje aan de binnenzij, vijf ver-geet-mij-nietjes op een\' cérise-rooden grond; en als hij den brief zijner moeder heeft opengevouwen, leest hij; »denk, zoo dikwijls als je eene eigaar uit dezen koker opsteekt, aan de vijf ver-geet-mij-nietjes te huis!quot;
Hij staat verstomd en voelt iets opwellen, dat maar spoedig met den zakdoek moet worden weggeveegd.
»En dat moet ik juist onder deze omstandigheden ontvangen!quot; zegt hij, tioch, waarom moet ik zooveel liefde ondervinden , ik, die aan niemand grooter dienst kan bewijzen, dan wanneer ik tot hem zeg: vergeet mij wel, denk niet meer aan mij !quot;
Een oogenblik blijft hij staan, in gepeins verzonken. Dan gaat hij naar de secretaire , waaruit hij den brief te voorschijn haalt, dien zijne Philine hem voor een paar dagen zond, en waaruit de Remaagsche vergeet-mij-nietjes hem tegen blinken.
»Lief kind !quot; mompelt hy en er vaart eene rilling door zijne leden, terwijl hij aan haar denkt en aan zijn eigen toestand tevens. «Hoe kan men toch zoo ongelukkig zijn, als onze levensweg met zoovele bloemen der liefde wordt bestrooid!quot;
Nooit gevoelde hij het zóózeer, als toen, dat hij niet alleen was op de wereld, niet verlaten
302
door ieder; maar nooit ook begreep hij het beter, dan toen, dat hij niet mocht leven, zooals hij wilde, en dat zijn ongeluk niet hem alleen treffen zou, maar ook anderen. Dat had hij vroeger wel eens vergeten toen hij, zonder zich aan iets te storen, zijn eigen gang ging, zijn eigen doel voor oogen, en alles minachtend, wat daar buiten lag. Zijn geluk hing samen met dat van anderen; maar ook, het geluk van anderen was onbestaanbaar zonder het zijne. Die gedachte, hoe verpletterend ook in den aanvang, werkte weldra bemoedigend en versterkend. Niet te vergeefs zag hij daar die twee tuiltjes vergeet-mij-niet vóór zich liggen, die hem toefluisterden: »verre van u zijn er geliefde wezens, die u niet vergeten; die zich verheugen in uw geluk en deelen in uwe smart.quot;
))Nquot;og niet alles is verloren!quot; sprak hij bij zich zeiven. »quot;VVilde ik ook al niet voor mij zeiven, dan moet ik toch ter wille van anderen mij verheffen boven hetgeen mij is wedervaren. Ik ben jong en krachtig. Waarom zou ik niet, evenals anderen kunnen worstelen met het leven, nu ik pas aan het begin sta van den langen weg, die voor mij ligt?quot;
En toen een paar dagen later eene andere vriendelijke stem van den goeden genius, die hem in zijnen studietijd steeds nabij was geweest, hem ernstig tegenklonk : «jongen, je moogt niet terug , je moet vooruit; als je bezwijkt voor de
303
eerste moeilijkheid, die je op den weg ontmoet, zal voor goed je geestkracht gebroken zijn en zal je zedelijk een\' knak krijgen , die nimmer te herstellen isquot; — toen dacht hij bij zich zeiven: »ik wil, ik moet, ik zalquot; — en als zijne vrienden hem later weer vroegen: »wanneer doe je examen?quot; — antwoordde hij bedaard en vertrouwend: »ik hoop spoedig, ik ben aan \'t werk.quot;
Zulk een antwoord te geven hadden de vergeet-mij-nietjes, die hem gezonden waren, hem geleerd.
V.
\'t Is een half jaar later. Op de Lente is, volgens den gewonen loop der natuur, de Zomer gevolgd. De Herfst heeft hem verdrongen, en nn zijn wij in \'t hartjen van den Winter. Dat zoudt ge niet zeggen, als ge reeds zoo vroeg uit de veèren waart, als onze vriend de Kater, die nu eens de zon heeft verschalkt, welke anders hem zoo dikwijls bij het opstaan begroette, \'t Is, de tijd van het jaar in aanmerking genomen, alles behalve koud; \'t is zelfs zóó goed weer, dat ge het er bijna voor houden zoudt, dat de natuur met den almanak .den spot heeft willen drijven, of dat er een politieke krisis, en aftreding van het oude ministerie heeft plaats gehad in \'t rijk der natuurkrachten, \'t Is ook in dezen winter, zooals bijna geregeld in de laatste jaren:
304
December maakt eene wonderlijke figuur met zijn\' ijzingwekkenden naam van Wintermaand, en de traditioneele kerstavondsneeuw dreigt een mythe te zullen worden, \'t Is dus niet guur, maar wel donker, en terwijl alles in de, des daags zoo levendige. Heerestraat nog in diepe rust is gedompeld, rept zich Jan de Kater voort met een reistasje om de schouders gehangen, en de twee aartsvijandige concurrenten, wandelstok en para-pluie bij elkaar in ééne hand. Zeker zou hij zoo vroeg niet uit de veêren zijn geweest en zoo niet uitgedost, als hij niet op reis had moeten gaan, en zeker zou hij niet den eersten trein hebben uitgekozen, indien er geene haast bij de reis ware geweest.
Is het een angstverwekkend telegram, dat hem tot spoed heeft aangezet, of zou hij eene blijde tijding hebben te brengen, die-hem geene rust gunt? Gelukkig voor hem is het laatste het geval. Jan de Kater verlaat voor eenigen tijd de academie-stad: hij heeft examen gedaan!
sWat?quot; roept mijn buurman, de koekenbakker, uit, »examen gedaan? Als hulponderwijzer misschien?quot; —
»Neen vriendlief, in de litterae humaniores, zooals altijd zijn plan waslquot; —
))Te drommel, hoe heeft hij hem dat gelapt?quot; — »Ja, waarde heer, in eene groote vacantie kan men vrij wat afwerken.quot; —
«Toch begrijp ik nog niet recht.quot;......
305
))\'k Zal u eens wat zeggen. Mijn vriend de Kater heeft me zoo dikwijls verteld, dat hij zich zeiven lang nog niet kende, hoe zouden gij en ik hem dan kennen, en bovendien, ge moogt zoo dikwijls als gij wilt uitroepen:
»0 day and night, but this is wondrous strange! met Hamlet zal ik u antwoorden:
«And therefore as a stranger give it welcome. There are more things in heaven and earth, Than are dreamt of in your philosophy,
mijn waarde koekenbakker. In elk geval, \'t is een feit; ge kunt nu denken, wat ge wilt, en ook niet denken, geheel naar verkiezing, als ge een goed zoon van uwe eeuw zijt, en aan feitenkennis genoeg hebt.
Jan de Kater heeft examen gedaan, en snelt naar het station, om met den eersten trein te vertrekken en zoo spoedig mooglijk met de blijde tijding te huis aan te komen. Dat hij niet op een volgenden trein kon wachten, spreekt uu, dunkt me, van zelf.
De bengel luidt, de deuren van de wachtkamer worden geopend, de passagiers stijgen in , en de trein stoomt voort. Alle reizigers zijn slaperig. Sommigen beproeven, of zij den slaap, waaruit het reisplan hen zoo vroeg heeft opgewekt, op nieuw kunnen vatten, maar Jan de Kater is hel-. der wakker, want:
»De blijtschap steurt den slaap meer dan de
[droefheit doet,quot; 20
306
zooals Hooft ergens in zijne Granida terecht doet opmerken. Hij zit te turen naar de Drentsche heide, of althans naar iets, wat blijken zou de Drentsche heide te wezen, als men maar zien kon , wat de duisternis tot nog toe bedekt. Doch weldra begint het te schemeren; van verre schitteren een paar lichtstrepen; zij worden helderder en helderder en kleuren weldra den horizont rozenrood. Nog is \'t nevelachtig, maar langzamerhand toch trekken de nevels op; de groote ronde zonneschijf verrijst aan den gezichtseinder, en strooit een\' rijkdom van stofgoud uit over de eenzame vlakte.
Ge zijt misschien zoo gelukkig geweest, waarde lezer, van den Rigi af de zon te hebben zien opgaan; misschien zelfs zoo buitengewoon gelukkig, dit niet op een nevelachtigen morgen te hebben gezien. Ge hebt toen genoten, niet waar ? Welnu; ik durf er mijn\' neus wel op verwedden, dat ge toen toch niet zóóveel genot hebt gesmaakt, als Jan de Kater, toen hij op dezen dag den dageraad zag aanlichten over de Drentsche heide.
Of de natuur ons in verrukking brengt, of ons koud laat, hangt voor een groot deel van onzen gemoedstoestand af. De natuur is noch schoon, noch leelijk op zich zelve, maar zij is schoon, naarmate men iets schoons in haar ziet, dat men er zelf vooraf heeft ingelegd. Jan de Kater zag in den dageraad van dien dag, den dageraad van een nieuw leven, waarin alles hem toelachte. Op den somberen nacht van het verleden volgde voor
307
hem de heldere morgen van eene onbewolkte toekomst; geen wonder, dat hij den rozenrooden dageraad, die er de bode van was, met verrukking begroette.
Eene lange spoorwegreis is vervelend. Jan de Kater verveelde zich niet. Hij zat, verzonken in een aangenamen roes, waaruit bij telkens ontwaakte, als de cigaar was uitgerookt, en er eene nieuwe uit den koker voor den dag moest gehaald worden. Dan zag hij de vijf vergeet-mij-nietjes, die moederliefde er op geborduurd had, en hij dacht aan de blijde tijding, die hij te huis had te brengen, en aan de ontvangst, die hem daar zou verbeiden.
Vraagt ge mij, hoe die ontvangst in de ouderlijke woning was ? Ik laat het liefst aan uwe eigene verbeelding over, u daarvan een denkbeeld te vormen. Aan de beschrijving er van durf ik mij niet wagen; alleen kan ik u dit vertellen, dat er visite was in de voorkamer , maar dat bij de te huiskomst van den zoon het geheele gezin in een oogwenk vergaderd was op vaders studeerkamer , en de bezoekers maar alleen liet zitten, het bewijs leverende, dat er zelfs voor den meest welopgevoede oogenblikken kunnen zijn, waarin men gerust meent alle wetten der etiquette met voeten te mogen treden.
Maar deze ontmoeting was niet de eenige. In twee volle jaren, waarin zooveel was gebeurd, hadden Jan de Kater en Philine elkaar niet ge-
20*
308
zien. Was het wonder dat eene zelfde haast, als onzen vriend naar het ouderlijke huis had gedreven, hem ook voortjoeg naar de bekende woning, waarin sinds eenige maanden zijn Philine uit de Rijnstreek was teruggekeerd?
Een zenuwachtig belletje klonk door den gang. sis mijnheer te huis?quot; — siSeen.quot; — »De dames ook niet?quot; — Ja wel, eene der dames was te huis. — sGoed!quot; — slvan ik ook zeggen, wie mijnheer is ? — »\'t Behoeft niet; ik zal mij zeiven wel aandienen.quot;
Zoudt ge nu ook van deze ontmoeting eene schets van mij willen ontvangen, waarde lezer? \'t Spijt me, maar ik gevoel mij niet in staat deze te leveren. Wat er plaats had, dat .... om de woorden van ïegnér (volgens Eichstorfs vertaling) te gebruiken;
»Dat weet Freie en de dichter alleen, En ook gij, die bemind hebt, ook gij.quot;
Wie het niet weet, moge het later eens leeren ondervinden. Mij dunkt, die wensch is nog al hartelijk, en uit dankbaarheid voor dien wensch zult gij mij van de beschrijving wel willen vrijstellen.
Lange, doch ieder oogenblik afgebroken verhalen volgden elkaar op; er was zooveel gebeurd sinds de gelieven elkaar het laatst hadden gesproken.
»Je zult mijn\' brief wel koel gevonden hebbenquot; sprak Philine; smaar je begrijpt, ik mocht niet anders schrijven.quot;
309
»0, mijn kind, was het antwoord, »ik heb er gloed in gelegd, door er bij te denken, in welke stemming je dien zoudt geschreven hebben
.....en dan, wat de vergeet-mij-nietjes,
die je me zondt, me verteld hebben, was welsprekend genoeg voor mij. Alles wat ik er aan te danken heb, zou ik je moeilijk kunnen vertellen ; zij hebben mij getroost en bemoedigd; mij geleerd, wat ik verplicht was te doen, en mij tevens opgewekt, het te doen met een blijmoedig hart.quot;
En terwijl hij zoo sprak, staarde hij haar in de groote helder blauwe oogen, die hem spraken van onwankelbare trouw, de schoonste vergeet-mij-nietjes, die er bloeiden op zijn levenspad.
»\'t Is toch nog zoo kwaad niet op de wereld,quot; sprak ze met een allerliefst lachje.
»Nquot;een mijne engel,quot; antwoordde hij, »zoo kwaad is het hier niet, dat we naar een beter vaderland zouden verlangen, waaraan het monnik-kcngekwezel ons zoo gaarne zou willen doen go-looven. Het beste vaderland voor den mensch is deze menschenwereld, en zij zal het altijd blijven, zoolang de goede hemel er nog vriendelijke vergeet-mij-nietjes doet bloeien langs het pad, dat wij er bewandelen. Met een tuiltje van deze bloempjes op den hoed, gaan wij blijmoedig voort op onzen weg, hoe hobbelig deze soms ook moge zijn. Hoe fel soms de zon moge schijnen, en hoe moeilijk ook de reis moge wezen,
310
wij wanhopen niet, maar gaan rustig voort, overtuigd , dat wij nu en dan toch wel een station zullen aantreffen, waar wij een oogenblik kunnen pleisteren, en uitrusten van de vermoeienissen van onzen tocht. En wat nog het beste van alles is, mijne lieve, aan het eerstvolgend station zullen wij elkander ontmoeten, en dan maken wij verder de geheele reis samen.quot;
Juni 1873. f. te winkel.
1874.
BIADYULLING.
Katterigheid.
Katzenjammer (Lamentatie felium) ist der durch superlative Absorbirung abundirender Fluidums-quantitaten , procreirte, abnormal-provisorische Ue-bergangszustand eines durch generelle Corporalmi-serabiltatsschwache afficirten Individuums, wiihrend dessen die nach Normalbehaglichkeit ringende Natu-ralinstitutionsfahigkeit sich von der Stomachal-Cerebral-Patientialitat zu liberiren trachtet.
Academia. Commers-Buch. p. 273.
1861.
HYMNEN UIT DEN KERKER.
„Forsan et haoc olim meminisBe juvabit.quot;
Terg. Ae. I 293.
Nog eens de zangwiek uitgeslagen,
Hoezeer de slagpen zij verkort?
Nog eens, gelijk in vroeger dagen
De klanken des gevoels in maat en rijm gedragen?
Hetzij! Doch late niemand klagen,
Indien mijn hymne somber wordt.
I.
„Falsum testimonium tulerunt contra mo et ecce raorior.quot;
Daniel 13: 43.
Zoo is de maat van onrecht en geweld
Ten leste volgemeten,
Zoo is de onschuld zelf, in ketenen gekneld,
In \'t kerkerhol gesmeten!
Zoo wordt op nieuw bevest wat elke eeuw ons leerde , Wat geen geschiedblad ooit verheelt,
312
Dwaas, driewerf dwaas de mensch die hier zijn recht begeerde, \'t Is tasten naar een nevelbeeld.
»Uw recht? gij zoekt uw recht? ach, nergens zult ge \'t vinden. Gaat vrij uw gang, gaat, als een hoop verdwaasde blinden Op! tijgt aan \'t werk, \'t zij vroeg of spa!
Maar door geen ijdle hoop op slagen laat u leidenquot; — Dat woord ontvoer uw mond reeds in aloude tijden,
Voortreffelijke Seneca!
Heb dank, o philosooph! gij zaagt met juiste oogen, Uw wereldwijze blik, hij heeft u niet bedrogen;
(Schoon menigeen \'t niet hooren wil.)
Van d\'eersten tijd der jonge aarde Vond slechts het onrecht hier een gaarde.
Draaide alles om des onrechts spil!
Hoor hen d\'armen Die daar karmen Om erbarmen Uit hun cel!
quot;Waar zorg en onrust trouwe wachten zijn,
Van weé of vreugde geen gedachten zijn,
Loodzwaar en eindeloos de nachten zijn,
Gevloekt zoolang in longen krachten zijn, Gij, voorportaal der hel!
Rotterdam, 25 April 1875.
313
II.
Ay mij, ik hoor de deuren kraken ,
De grendel valt met knars en klop,
Gelijk een hydra in zijn kaken,
Zoo slikt mij d\'enge kerker op.
g Nu zijn niet meer voor mij die blauwe uchtendglansen,
Niet meer voor mij die gloed S Waarmee de blonde zon aan \'s hemels hooge transen, Zijn fakkel glinstren doet.
: Al wat de jonge Lent\' kan aan deze aarde geven
Wordt kwistig uitgestrooid,
| Maar ach, \'t is niet voor mij heur lachje, dat de dreven Alom met bloemen tooit.
Laat vrij heur zachte aêm de teere grashalm streelen,
En rimplen doen de vliet,
Laat orgiën tot haar eer miljoenen vooglenkeelen \'t Melodieuse lied,
| ; Laat zij aan allen kant vrij iedre struik doen botten, Dat elke bloemknop zwelt —-Mij heeft het nukkig lot (o jammerhartig spotten!) In \'t kerkerhol gekneld.
Rotterdam, 25 April 1875.
III.
O Heer, die van uw troon op wolken Het lot bepaalt van alle volken,
314
Gelijk \'t gewijde blad ons leert;
Gij, die tot aan de verste stranden Den scepter zwaait van zee en landen,
En knecht en koning saêm regeert.
Gij, die den loop van onze dagen,
Afwisslen doet gelijk Gij wenkt, y
Zooals de menner zijnen wagen l
Met d\'omdraai zijner polsen zwenkt.
V
O, ware \'t mij gegund! kon ik in U gelooven, ^
V er trouwend richtte ik dan en oog en hart naar boven,
Tot Uwen troon steeg dit gebed:
»XJ zij de wraak o Heer, op heel het tal schavuiten,
Dat mij door vuig bedrog in ketenen deed sluiten, y
Dat Uwe Gramschap hen verplett\'.
Tref hen, o Heer, zoowel hierna als hier beneden,
Gelijk de zicht des maaiers \'t koorn,
En deel hun toe als loon voor al hun godloosheden De volle mate van Uw toorn.
Maar ach, \'t geloof in God heeft mij reeds lang begevei En ijdel bazelt men van leven na dit leven,
Vergeefs is dus deêz beê om wraak!
Doch Gij, o Noodlot, dat in Uwe kronkelingen Op wonderlijke wijs de dingen weet te wringen,
Neem Gij als wreker deze taak!
Gij zoekt Uw werkkring niet in \'t namaals maar in \'t bedel Gij weet niet van een Hel, nog minder van een Eden,
315
Dat wekt, terecht, uw spotgelach ;
Maar toch een wondre macht hebt gij in aardsche zaken, Verschriklijk treedt gij op, verderflijk is uw naken, En brijzelend uw mokerslag.
Volg gij als wraakgodin het spoor van mijn belagers, Lok hen in net en strik gelijk de vlugge jagers
Den sjakal of het everzwijn;
Verwoest bij hen al wat het leven schoons kan hebben, Nooit zij de vloed hun deel, niets dan aanhoudend ebben,
Hun aanzijn word\' een zandwoestijn.
Tref hen met wond op wond, onttrek hun eiken balsem,
In welken schuilhoek zij ook vliên;
Wat andren honig biedt maak \'t in hun mond tot alsem, En — laat mijn oogen dat nog zien!
Rotterdam, 26 April 4875.
IV.
VRIJHEID.
(Opgedragen aan \'t hotel »de Theekistquot;)
„ Gemma gemmarum.quot; d® Kent gij een enkel woord zoo lieflijk om te hooren, , Een woord dat uw gemoed zoodanig kan bekoren,
.
;M6
De teerste snaar beweegt die in uw boezem huist? Is \'t niet alsof, wanneer de zon ter kim zal neigen, In jongen lentetijd, in \'t frissche groen der twijgen Een Aeoolsharpe ruischt?
Di
Mi
(U
Dj
Gelijk wanneer de nacht met vale vleermuisvlerken, (Dekmantel voor een heir van booze en snoode werken!) \'k Als sombre sluier op het sluimrend aardrijk zinkt, Zr
Als heerscher aan \'t gewelf waar duizend starren klimmen Die, wachters van den nacht, hun nachttoorts doen ontglimmen De Aldebaran blinkt.
k
Maar niet alleen zijn teer en zacht en mild uw toonen, O Vrijheid! welk een kracht, een forschheid doet Grij wonc! In quot;t trouwe hart van hem, die Uwe zaak verweert, : \'Ü)( ■ Als vuige dwinglandij zijn rechten komt ontrukken , Den stang der slavernij hem in den mond wil drukken.
Zijn haardstee overheert Dlt;
, Si
Gij pantsert d\' arm van hen die voor uw outer kampen, JH( Gij waait hun koelte toe bij bloed en buskruitdampen, Ei Gij spoort de hielen hun, gij scherpt hun het rapier, IL Uw stem klinkt in het dal, uw stem klinkt op de heuv\'ki Ei In \'t rofflen van de trom, in \'t rochlen van wie sneuvlen. In \'t buldren van \'t mortier.
Tot aan den jongsten snik zult Gij \'t geweld braveeren. De degen dien gij trekt kan in de scheê niet keeren quot;Voordat aan heel Uw eisch genoegzaam zij voldaan; Tot zoolang kampt Gij voort, kampt onder ééne leuze,
317
Die strijdleus houdt Gij vol, daar is geen and\'re keuze: Verwinnen of vergaan.
Maar toch, hoe nobel \'t zij dien vrijheidskamp te wagen, (Hoe \'t komt ik weet het niet) mij kan dit niet behagen, Dat maakt mijn reekning niet, mij lacht een ander wit; \'k Wil liever \'t deel van hem die vrij van zorg en kommer Zjjn matig fleschje drinkt, en onder eigen lommer Bedaard terneder zit.
.y mij, die zoete rust, die vrijheid is me ontnomen; Wanneer zie \'k u terug, o groenend dak der boomen, 0 blonde zon, wanneer verlaat ik deze cel ?
ijk hijg naar u gelijk in Soristans woestijnen,
De reiziger, wien dorst het lichaam weg doet kwijnen Snakt naar een waterwel.
t|Doch gij mijn ziel grijp moed, niet eeuwig zal dit duren, Is iet stilstaan kan de tijd, niet rusten mogen de uren. Het oogenblik genaakt dat mij de cel ontsluit —
En dan, teruggekeerd waar zooveel handen wenken,
Hoop ik, o Theekist, mij een glaasje in te schenken, En drinken \'t op uw heil ad fundum usque uit!
c. p. l. rutgers.
Rotterdam, 28 April 1875. 1876.
D A H U.
EENE KELTISCHE SAGE. 1)
eerste zang.
koningin der elfen : 2)
Komt, gezusters,
Allen samen!
Laat ten snelste Ons beramen
Wat, bij uitgezocht festijn, Dezen nacht ons spel zal zijn.
Laten, als we Meestal plegen.
Wij in reien Ons bewegen:
\'t Zachte suizen van den wind Is het waar men maat in vindt.
goede geesten:
Gij kunt blijde een Feest bereiden ,
319
Vreugdevol den Dans verbeiden?
Zelfs nu hu s) naar wrake smacht, Daar de Kelt zijn dienst veracht?
eerste elf :
Wat bedoelt ge?
Spreekt! ik luister;
Deze uw woorden Zijn mij duister.
Heeft de kelt zoo snood misdaan, Waaruit is die hoon ontstaan?
goede geesten:
\'t Misdrijf, uiterst Streng te laken,
Dwingt voortdurend hu tot wrake.
\'t Schepsel dat zich zelf verlaagt Heeft te recht den God mishaagd.
tweede elf :
Zegt ons spoedig A-l uw weten.
Wilt het minste Niet vergeten;
Wortelt reeds bij allen \'t kwaad Of strooit één het giftig zaad?
320
goede geesten.\'
Niet bij allen Is te zoeken De oorzaak van dien Vloek der vloeken,
\'t Wanbedrijf ontstond bij een, Doch werd velen ras gemeen.
derde elf:
Is de wrake
Welgevallig
Aan ceridwen
(Zóó lieftallig!) ?
Is de godheid zóó ontstemd
Dat ze \'t woord g e n a niet kent ?
goede geesten :
Gramschap straalt uit
Beider oogen.
Zeker is dat,
\'Schoon bewogen
Met der kelten gruwbre val,
Toch ceridwen straffen zal.
koningin der elfen :
Ons, van d\'aanvang Ongeduldig,
Blijft ge duid\'lijk Antwoord schuldig.
321
Heeft der goden toorn beslist Hoe de schuld kan uitgewischt?
goede geesten :
Woudbewoonsters!
Leent uw ooren
Aan het geen ge
Thans zult hooren,
Alles toch vermelden we u
Wat wij weten. Luistert nu!
lied der goede geesten.
Toen aan gralon, vorst der kelten,
Zijne gade een dochter schonk,
Toen na lang onvruchtbaar huw\'lijk \'s Konings oog van vreugde blonk,
Werd met uitgelaten blijdschap \'t Pas geboren kind begroet:
Tot der wolken grauwe neev\'len Steeg \'t gejuich van \'s vorsten stoet. Nog nimmer werd blijder gejubel gehoord Wanneer voor een wichtje het levenslicht gloort
Al te ras werd ghalon\'s harte
Met den diepsten rouw vervuld:
Zij toch, die bij \'t leven wekken
Smart op smarten had geduld.
Stierf! .... den glimlach om de kaken
Daar zij, op haar kindje prat,
21
322
Nu zich blij bewust was dat ze gralon\'s wensch bevredigd had.
Wordt droever de vreugde des vaders verstoord Als \'t kindje de wekstor zijns levens vermoordt?
dahu\'s trekken, vriendlijke oogjes,
\'t Lief gezichtje, \'t kinderhart,
\'t Evenbeeld der dierbre gade Stilde gralon\'s felle smart.
Al zijn liefde en al zijn zorgen.
Al zijn moeite en al zijn tijd,
Ganscli zijn hart, geheel zijn ziele Werdeu \'t dartel kind gewijd.
Nog nooit werd op aarde er een dochter bemind Met liefde als van gralon voor dahu , zijn kind.
Vurig als de gloed der zonne Straalde dahu\'s oogenpaar, 1 Blanker werd de tint van \'t voorhoofd, Rijker golfde \'t weeldrig haar.
\'t Morgenrood in glans verduisterd,
Werd de pracht van \'t sterrenheer Door het schoon der maagd beschaduwd; \'t Schoone had geen schoonheid meer. Als DAiiu zoo schoon heeft geen jonkvrouw geleefd. Sinds de adem der godheid het aardrijk omzweeft.
Met besef van eigen schoonheid
Ging de hartstocht dra gepaard.
Thans.....is zelfs het ras der slaven
323
dahu\'s liefde-gunsten waard.
uahu spot met \'t huwlijksleven,
Viert den teugel aan haar lust:
»Heden hem!quot; terwijl ze morgen In eens anders armen rust.
\'t Waar vruchteloos beproefd: naar een jonkvrouw
gezocht,
Die sneller haar eer aan den wellust verkocht!
\'t Zoet venijn van vuige driften,
Waarvan dauu\'s boezem blaakt,
Woekerd voort, daar schier elks gade.
Elke maagd haar eer verzaakt.
Daarom is cefiiiavex\'s gramschap,
Daarom is hu\'s toom ontvlamd.
Daarom wil de godheid straffen \'t Zij door vloed of wereldbrand.
Is nü nog uw harte gestemd tot een feest? Is ooit wel een tijding zóó droevig geweest ?
elfen :
Neen! wij kunnen Niet meer blijde Vieren \'t nachtlijk Feestgetijde.
Uit der elfen beker vloeit
Nu geen dauw, die \'t veld besproeit.
Laat ons fluks aan Redding, denken;
Gij kunt wellicht
324
Uitkomst schenken,
Dikwerf strooit gij \'t goede zaad,
Zuivert \'s menschen hart van kwaad.
geesten :
Bloembedauwsters!
Zonder dralen
Willen gaarne
We u verhalen
Welk besluit bij ons ontstond,
Dat bij ieder bijval vond.
dahu\'s gang te
V ergezellen,
Door berouw haar
Hart te kwellen
Zóó dat zij zich zelv\' veracht\',
Naar een reiner leven smacht\',
Dat alleen kan Redding baren.
Dat den toorn van hu bedaren.
\'t Weeren van gestrenge straf Hangt geheel van duha af.
Want de bloem der
KELTEN-scharen
Blijft op dahu\'s
Voorbeeld staren.
Pijnigt heden haar \'t berouw,
Morgen blinkt de huwlijkstrouw.
325
Heeft de wellust Daarentegen Alle macht op Haar verkregen,
Dan wordt \'s menschen schuld geboet \'t Zij door wereldbrand of vloed,
elfen :
Och! of daiiu\'s
Hart uw woorden
Tot zich neme als
Zoete accoorden,
Wier geruisch haar boozen lust
Ras geheel, voor altijd bluscht.
goede geesten7 :
Laat ons dan vol Hope scheiden!
Blijft met moed het Uur verbeiden,
\'t Geen u binnen kort verhaalt Of ons pogen treft of faalt.
koningin der elfen:
Komt, gezusters,
Allen samen!
Laat ten snelste Ons beramen
Hoe door ons, schoon zwak van kracht, Iets tot hulp worde aangebracht!
TWEEDE ZANG.
Daar waar het golfgeklots zijn dof geluid laat hooren, Der branding woest geweld de baren opwaarts stuwt,
quot;Wier schuim het licht der zon in bonte verf doet gloren, Waaraan zich de effen kleur der blauwe vlakte huwt,
Daar waar de vale rots de wolken dreigt te splijten,
Waar menig blinde klip de kust onveilig maakt,
Waar later menig schip in \'t zand der zee zal bijten Als \'t menschlijk stout vernuft naar verre tochten haakt, Daar stroomt de ontrouwb\'re zee, die aan twee groote zijden Gestaag en rusteloos het vaste-land bespeelt:
Ze laat den Westewind den top der golf berijden,
Terwijl de Noorder-vlaag haar waterstroom bekoelt. 4)
Door d\'oceaan omstuwd, omzoomd met ruwe franje. Lag daar, voor felle koude en voor den vloed bewaard. Waar thans op \'s wereldskaart geschreven staat bretagne. Het bloeiend keltisch rijk, een machtig rijk op aard. —-In \'t hart des lands ligt is, \'t geliefd verblijf der vorsten, Dat van de kruin eens bergs den ganschea omtrek spiedt. Wee hen die roekeloos een opstand wagen dorsten! Het vergezicht der stad deed \'t oproer ras te niet. —
r
327
Der kelten bouw is forsch, van ijzer zijn hun leden, Het lange blonde haar golft op de schoudren neer ; Vol fierheid blinkt hun oog als zij ten oorlog treden: Ze keeren in triomf of keeren nimmer weêr. —
Maar wie regeert die stad ? En wie beheerscht die helden ? Een grijsaard, vroeger kloek doch thans door smart geknakt; quot;Was niet zijn naam alom vermaard op de oorlogsvelden, Dan ware reeds voor lang zijn troon ineen gezakt.
Werd gralon\'s kloek bestuur tot op den tijd geprezen , quot;Waarop zijn schand\'lijk kind zich zeiven had gehoond: Nu neemt zijn geestkracht af, droefgeestig staat zijn wezen, Hij is gelijk de schelp, waarin geen zeedier woont. De dochter, zij alleen, blijft gralon\'s zetel schragen, Haar slechte levenswijs vindt ingang bij den kelt ;
Ze weet met gloed en klem den grooten voor te dragen Hoe de ongebonden echt haars vaders troon verzelt.
Daar zij den vorst beheerscht. —■ Zoo ziet de grijze koning Hoe iiahu\'s snood gedrag zjjn scepter staande houdt; Is \'t wonder dat zoo vaak verscholen in zijn woning, Het droevig vader-oog de doffe wang bedauwd?
Van rondomme lijftrawanten. Slaven voor wat eer of loon, Zit de Koning somber peinzend Op zijn ruw versierden troon.
\'t Hoofd omsierd met zilverlokkcn, Dekt een grijze baard zijn borst.
328
Duidlijk toont het rimplig voorhoofd \'t Lijden van der kelten vorst.
Droevig, smartvol is zijn houding, Toch ontstraalt een vonk van hoop gralon\'s oog, een kleine flikkring In een duister tijdsverloop.
Nauw den doodsohen slaap ontworsteld Bleef een droomgezicht hem bij,
Vurig wenscht het vaderharte Dat die droom een godsspraak zij.
Lieflijk zweefden geesten-scharen Om zijn legerstede rond,
Vriendlijk op hem nederziende,
Werd hem déze taal verkond:
»Laten morgen alle kelten »Om uw troon vergaderd staan, »Als de zon zich haast te wijken »Voor den glans der zilvren maan.quot;
sLaat alsdan uw kind ontbieden! »Eisch dat zij haar snood gedrag sin uw bijzijn zóó verdedig\'
»Als ze zelf het best vermag!quot;
»Zichtbaar voor haars vaders oogen »Zullen wij haar tegentreên,
329
»Trachten \'t onrein hart te zuivren »Door weêrlegging of gebeên.quot; —
ghalon had \'t bevel der geesten Reeds ten deele trouw volbracht; \'t KELTENvolk was saam gekomen Bij het naadren van den nacht.
Priesters, barden, wichlaressen, Krijgsman, grijsaard, maagd en vrouw, Allen beidden ongeduldig Wat de vorst hun melden zou.
Uit zijn diep gepeins ontwakend Klinkt de stem des heerschers fier Tot een tweetal trouwe slaven:
xEoept terstond mijn dochter hier!quot;
Slechts een luttel aantal schreden Vormt den afstand, die het woud (Steeds de plek der samenkomsten) Van \'t paleis gescheiden houdt.
Spoedig keeren beide boden Tot den vorstenzetel weer,
dahu zal terstond verschijnen!quot;
Luidt het antwoord aan hun heer. —
330
))Zij komt!quot; — Zoo luidt de kreet, die echoot door de scharen, Een electrieke schok doortinteld held en bard ,
En nauw kan \'t vorschend oog haar flauwen trek ontwaren Of gloed als lava-vuur doorstroomt het kilste hart. Verbleekt de kuische maan bij \'tnaad\'ren der vorstinne, Die luchtig voorwaarts zweeft, en zelfs het tenger gras Niet drukt, maar zachtkens streelt ? Of schuilt de lichtgodinne Zich achter neev\'len weg en acht haar blik \'t onpas ? Zij nadert meer en meer, de schoonst van alle schoonen, Eerbiedig wijkt voor haar de vrouwenschaar ter zij. Ze jaagt een purperblos den grijsaard op de koonen En zendt een trilling af door gansch de heldenrij. De albasten marmertint, die zeetiend op haar trekken De lichtblauwe aadren toont, beschaamt zelfs creta\'s steen, Terwijl der lokken tal haar zwanenhals bedekken,
Haar lippen, rood als kers, een parelsnoer bekleen.
Gelijk het schubbenkleed, \'t gewaad van baars of voren, Beschenen door de zon een schelle flikkring schiet;
Laat dahu\'s oogenpaar een glans van stralen gloren Wanneer ze, in volle kracht, met fierheid om zich ziet. Met trotsch gevoel in \'t hart den indruk gadeslaande Door hare komst verwekt, bereikt ze \'s vorsten rij Yan slaven, hem verknocht; dan, voor den koning staande, Klinkt minzaam dahu\'s vraag: »waarom ontboodt ge mij?quot; De in geestkracht zwakke vorst, getroffen door die woorden Maar meer nog door den toon in \'t vragen weggelegd, Was nauw in staat om zich te ontbinden van de koorden Der vadermin, die \'t pleit reeds bijna had beslecht.
Doch eensklaps schittert gloed in zijn zoo kwijnende oogen Het harte klopt hem luid, de vreugd omglanst \'t gelaat.
331
iEen godspraak is die droom ! Hij ziet zich niet bedrogen In zijn zoo vuurgen wensch! Want voor zijn zetel staat )ezelfde geestenschaar, die hem, des nachts verschenen, liet troost in droefheid was. —
Gelijk de ratelslag iYan \'tonweer elk verrast, als \'tplotsling de aarde stenen, )e bergen zuchten doet —■ zoo hier: niet één vermag Bedaard de bittre taal des Konings aan te hoeren,
den ziet elkaar in \'t eerst verstomd, verslagen aan,
Toen gralon\'s rede aldus hun dondert in hunne ooren, Us ware \'t met het rijk en gansch het volk gedaan:
bGij allen, zwijgt! Verneemt den adem uit het Noorden, sWaar \'t godendom regeert, en hoort wat hu beveelt! «De stem der godheid zelv\' zal ruischen door mijn woorden »Eii zal u siddren doen, omdat ze niets verheelt.
sEen zwaar en smartvol lot is mij, als vorst beschoren; )iOmdat der keltex stam zich zonder schaamte onteert, Terwijl voor \'teigen kind mijn achting ging verloren.
Toen ze u, nóg onbesmet, de schande heeft geleerd.
\'t Zou wèl het vaderhart met scherpen priem doorsteken, Zoo \'teenig kind alleen zich de oneer overgaf,
Doch, ware diin voor goed de v a d e rvreugd geweken ; De roem van \'t ede 1 volk straalde op den heerscheraf. Helaas! Rampzalig ras, dat liever aan de wenken Der dochter, die \'t den weg der schande laat betreen, Gehoor geeft, dan den glans der zege wil gedenken Op \'t oorlogspad behaald in \'t glorierijk verleen!
»Eii thans? — Vervloekte vree! Had nu den strijd gegeven Toen huwhjkstrouw nog gold, doch spoedig kwijnen zou, gt;Mijn dochter had wellicht een rein en eerzaam leven
332
»Geleid als ga eens helds, als onbesproken vrouw. »Ook gij waart dan nog \'t volk, dat zich door strenge zeden »ceridwen\'s gunst verwierf, van haar, die thans u haat, »Maar! . . zoo ge uw lust verzaakt, geroerd door mijn gebeden, «Wellicht dat dan hu\'s ga de wrake varen laat.
«Want. hoort het KELTENVolk! gij grijsaards, vrouwen, knapen, »Grij maagden (als er zijn?). Druïden, priesterstand, »Gij bard en wichlares, gij mannen, die het wapen «Des oorlogs voert, en ... . gij vooral, die, door den band »Des bloeds zoo nauw aan mij verbonden, a 11 e n\'t voorbeeld »Van slechten wandel gaaft! — Zoo waar als eiken dag »Het licht der zon verschijnt: zoo waar zijt gij veroordeeld »Ter straffe door een vloed, waartegen niets vermag »Te schutten, bijaldien ge voortgaat de oude zeden »Te honen! — Dit vernam ik in een droomgezicht, »Waarin mij nu beval \'t verbasterd volk op heden «Bij een te roepen, als de maan het woud verlicht. — »Gij, iiahu! éénig kind, die nóg door uwen vader »Geliefd wordt, ga ook thans, als vroeger, allen voor, »Doch nü in \'t goede! Ban uw vuige driften ! Nader ))Mijn troon! Ik bid u, stel mijn hope niet te loor! »Ge kunt uit ruime keus den held tot man verwerven »Dien gij tot man begeert; ik laat de keuze vrij,
sDoch eisch oprechte trouw. Laat mij den zoon niet derven, »Dien ge in uw ga mij schenkt. Mijn kind, gehoorzaam mij! »Ik smeek u bij de vrouw, helaas, te vroeg gestorven, sToen ze li het leven schonk, volbreng dien kinderplicht! ))Uw hart, weleer zoo rein, is toch niet zóó bedorven, sNiet zóó ontreinigd dat het voor den wellust zwicht? «Versmaadt ge mijne bêe, verdedig dan de wijze
333
a Waarop ge leeft, zooals gij zelf het best Yermoogt!
«Dat ieder kieze! \'t zij hij uw gedragslijn pnjze,
«Of zich vol schaamte en rouw voortaan te beetren poogt.quot; —
De gnjze koning zweeg, zijn taak was afgeloopen;
Ten stipste was door hem het droombevel volbracht.
Op dahu blijft zijn hart, beklemd en angstig, hopen,
Terwijl het verdre hulp van \'t geestenkoor verwacht. —
Gelijk de donderslag van verre zich laat hooren,
Zoo klonk een dof gebrom de KELTENscharen door.
Een deel (het waren zij wie \'t noodlot had beschoren Van schoon misdeeld te zijn) stond gralons\'s bede voor. Een ander deel bestond uit hen die, voor de wrake Jües oppergods beducht, (het waren grijsaards) luid Bazuinden in het rond: Neen! »De echtgenoot verzake «De huwlijkstrouw niet meer! Met de ontucht zij het uit!quot; Verdeeldheid heerschte bij de krijgers. De een beschouwde Met vreeze \'s konings woord. Een ander riep: »Van waar «Die ongehoorde taal?quot; Doch \'t grootste deel vertrouwde Op \'tland voor vloed beschut!—De jeugd der KELTENSchaar, In \'teerst geheel verplet, verklaarde: »Wij behooren «Des konings dochter toe en volgen haar gedrag!quot; Het woord der wichlares ontgaat der dooven ooren,
Terwijl der priestren taal niets meer bij \'t volk vermag. En dahu zelf? Bedaard had zij de scherpe rede Haars vaders aangehoord; haar harte scheen van staal; Doch toen de vorst in \'t eind haar aankwam met zijn bede, Ontschoot aan \'t vlammend oog een felle bliksemstraal. Dit antwoord lang verbeid, ontrolt met drift haar lippen: »Ik volg uw wil, o vorst! al kies ik mij geen ga.
334
i\'k Verdedig mijn gedrag. — Laat niets uw oor ontglippen, «Manhaftig keltenvoiic ! — Ik wist dat vroeg of spa »Het hiertoe komen moest. Welaan! aan u te kiezen: »Het knellend juk der trouw of ongebonden min. «Wie zich aan \'t éérste houdt zal mijne gunst verliezen, »Wie \'t laatste dient en eert weerstreeft der goden zin!quot; — Was gralon\'s vuurge hoop op dahu gansch vervlogen, Gelijk de stroom des winds den vagen damp verjaagt, Hij klemt zich thans met kracht, het harte fel bewogen. Aan \'t zoet gelooven vast dat \'t koor der geesten slaagt In \'t pogen hèm mislukt, \'t Beneveld oog de boden Der godheid ziende, krijgt de vader nieuwe kracht. En \'schoon er paarlen langs zijn bleeke kaken vloden. Verstaat zijn telg \'t bevel: s\'tls wèl, de koning wacht!quot; Terwijl zij haar gelaat met minzaamheid te tooien, Een. zachten toovergloed aan \'t oog te geven weet,
Laat dahu\'s schoone mond een vriendlijk lachje ontplooien, Dat zelfs den strengsten blik in strengheid tempren deed. Zij bloost, begroet het volk en ... . doet haar boezem hijgen. Het schoone koningskind is in haar volle kracht, De vader diep ontroerd. Zij dwingt den kelt te zwijgen, Toen deze taal door haar met klem werd uitgebracht:
lied van dahu.
Kwellend
En knellend
Is \'tjuk van den echt,
Dat aan \'t beminnen,
\'t Streelen der zinnen,
Dat aan de liefde de vrijheid ontzegt.
335
Gade!
Te spade
Benijdt ge den tijd, \'t Leven van vreugde,
Zoete geneuchte,
Toen ge, van tranen en zorgen bevrijd, Vrijheid
En blijheid
Als jonkvrouw genoot,
\'t Hertdier gelijkend,
Jagers ontwijkend,
\'t Net en den strik van het huwlijk ontvloodt. Gade!
Te spade
Vervloekt gij uw vrouw ,
Wen uwe wonden Ieder verkonden
Hoe, aan den moed onzer vaadren getrouw , Moedig
En bloedig
Gij troft in den strijd, Doch, onmeêdoogend,
Pijnen verhoogend,
Z ij u den last der verpleging verwijt.
Tegen
De wegen
Der vrije natuur
336
Strijdt der beperking Gruwlijke werking,
Strijden ook de eischen dor huwelijksduur. — Mijdend,
Bestrijdend
Den dwang en den druk,
Boeien versmadend,
Ieder verzadend.
Toont zich de min als het ware geluk ,
Ieder
Gebieder
Bekwam het nog slecht,
Die zijn geliefde Smadelijk griefde:
Dra had ze hèm hare gunsten ontzegd.
Vrede
In stede
Van twistzucht er troont
Waar zich de paren Liefde vergaren
Tot .... zich een schaduw van lauwheid vertoont. Glorie!
Victorie !
Behaald in den strijd! \'t Schoonste beloonen,
\'t Zoetste bekroonen,
U zijn de gunsten der vrouwen gewijd.
337
Haar, de
Verklaarde
Des harten, geleidt
De oorlogsverwinnaar
Huiswaarts als minnaar
quot;Waar hem geen twistzieke gade verbeidt.
Is er
Gewisser
Triomf voor een maagd,
quot;Wen ze haar leden Zóó weet te omkleeden
Dat aan een ieder haar schoonheid behaagt ? —
Dringt zich
En wringt zich
De min in mijn hart, \'k Schenk den geliefde Gansch mijne liefde,
Priester of slaaf, \'t zij een krijgsman of bard. Echter
Eevecht er
Een ander mijn min,
Die mij doet blozen,
\'k Heb in het kozen
Noch in de omhelzing van d\' eerste meer zin.
\'k Smaad dus
En haat dus
Den keten der echt;
22
338
Zelfs zoo de beste Gade mij preste,
Toch werden ééns hem mijn gunsten ontzegd.
De schoone jonkvrouw zweeg. — Nog minder door haar woorden Dan door haar zielvol oog was gansch het volk ontroerd. ))Elks echt zij vrij!quot; weerklonk in tal van forsche accoorden, Door d\' avondwind met spoed tot gralon\'s troon gevoerd. De vader is verplet, de vorst met toorn bevangen. ))Is \'t dahu die zoo spreekt?quot; — zóó zucht het vaderhart De heerscher wordt bezield met onbestemd verlangen Tot delging van het kwaad, waarin zijn volk verhardt.
Toen gralon evenwel de geesten zich verheffen.
Zijn zetel naadren zag, verkreeg hij nieuwe kracht Ten einde \'t hart zijns kind (waar \'t mooglijk!) diep te treffen Verrees hij van zijn troon en riep uit al zijn macht: »De godheid zelve zal uw booze taal weerleggen!quot; — —\'t Rumoer verstomt. — Zijn woord doet elk verwonderd staan Slechts dahu laat niet na met majesteit te zegggen: »\'t Is wél, ik wacht!quot; — Aldus vangt \'t koor der geesten aan
lied deu goede geesten.
Nu eens zwevend
Ons begevend
Tot het ijspaleis van hü ,
Dan vertoevend,
Ons bedroevend,
Onder \'t menschdom toevens moe;
339
Zijn we boden
Van de goden
Aan het nietig menschenras.
En wij zullen
Thans vervullen
\'t Geen ons streng geboden was.—
quot;Wie in \'t leven
Zich begeven
Wil in teugelloozen echt,
Heeft tot gispen,
Valsch berispen
Van de huwhjkstrouw geen recht.
Hèm toch treft niet,
Hij beseft niet
\'t Rein geluk van ware min;
Voor den zegen
quot;Weggelegen
In den echt, mist hij den zin.
D a t is hartstocht,
Niets dan hartstocht,
Waarvan dahu\'s rede spreekt,
Maar de liefde,
Reine liefde,
Aan dien vuigen tocht ontbreekt.
Zijn de lusten,
Snoode lusten.
Eens tot walgens toe gebluscht,
Waar dan liefde,
Reine liefde,
Zich haar eedle taak bewust?
340
Ras de vrouwen
Zullen rouwen
Als de schoonheid haar begeeft,
\'t Leven vloekend,
Liefde zoekend
Maar . . . beschouwd als afgeleefiij
Eens \'t versmaden
Van een gade,
Grijsaard! ge u te laat beklaagt:
Dan verzelt u
Niemand, kwelt u
Honend wie ge om hulpe vraagt.
Ligt een lijder:
Dapper strijder,
Schoone vrouw, op \'t ziekbed neer
■ Weg de hartstocht!
Dierenhartstocht
Mint het kranke lijf niet meer.
Gansch verlaten,
quot;Wat dan baten
Zuchten, klachten, hulpgeschrei ?
Niemand hoort het;
Niets verstoort het
Daaghjks keerend feestgetij!
|
Schandgewaden, Hoovaardije, |
Schrikbare daden Spruiten uit den wellust voort: Jaloezije, Zelfzucht, tweedracht, haat en moo |
341
\'aar de liefde,
Reine liefde,
Huwhjksliefde, liuwhjkstrouw,
Bindt de harten,
Stilt de smarten ,
Adelt, zaligt man en vrouw,
leedt met eere ,
Sterkt de teêre
Moedermin in \'t vlijmend leed; Als van \'t zoontje
\'t Blozend koontje
Ziekte snel verwelken deed;
Schoon zich toonend,
Stevig troonend
In het zorgvol hart der vrouw,
Als de gade, Blijde tooit ze,
Die haar .... smaadde,
Zonder hulpe lijden zou.
K
Blijde strooit ze
\'t Zaad der deugd in \'s menschen ziel,
\'t Kwaad verstikkend,
Zielsverkwikkend
Waar \'t in vruchtbare aarde viel.
Zelfs de jaren
Met bedaren
\'t Vuur van ware, trouwe min;
puurzaam wordt ze,
\'t Harte stort ze
Onuitbluschbre warmte in.
342
Slechts de liefde,
Ware liefde,
Liefde tusschen man en vrouw
Is de liefde,
Reine liefde,
Heiige min der liuwljjkstrouw.—
Kies toch, dahu !
Kies toch, dahu! - ||d
Kies \'t geluk dat de echt u biedt!
Ach! bewerk niet,
Ach! versterk niet, ®
Ach! verzwaar hu\'s gramschap niet!
Ga in \'t goede,
Vrome, vroede
Yoortaan \'tvolk der kelten voor!
Denk met rouwe
Welk een vrouwe
\'t Levenslicht om u verloor. —
Met zich slepend,
Voorwaarts zweepend
Mensch en dieren, huis en boom,
Hevig loeiend,
Brullend vloeiend.
Dreigt de ontembre waterstroom.
Kiest dan kelten!
Kiest dan kelten !
Kiest weêr \'t ware huwlijksheil!
Ras bedolven
Door de golven
E«
Di
I
343
Helpt u ranke boot noch zeil.
Eert de goden,
Door wier boden
Gij hun streng bevelen kent!
Dan, in \'t strijden,
Oorlogstijden,
Hu aan u de zege zendt.
Dahu! keer toch!
Dahu ! eer toch
Hu\'s gebod , ceridwen\'s eisch;
Blij begeven
We ons en zweven
Tot der goden ijspaleis.
De vorst verrijst en slaat een snellen blik in \'t ronde. (De schare schijnt verbaasd en ziet hem vragend aan.)
Heeft soms de schoone taal, die \'t geestenkoor verkondde. Verricht wat hij vergeefs met stoutheid had bestaan? Met angstig kloppend hart verwijlen dra zijn oogen Bij \'t kind zoo teer geliefd en tóch die liefde onwaard.
Maar hoe ? Is \'t zinsbedrog ? En ziet hij zich bedrogen Als hij in \'t vorschend oog een bede om raad ontwaart ? Om raad: hoe \'t best de straf der goden aif te weren , Den schrikbren wrok van hu , ceridwen\'s toorn te ontgaan, Door welk der offers \'t meest de godheid te vereeren, Hoe \'t zekerst van de macht der driften zich te ontslaan ? Al trilt zijn stemme ietwat, bemoedigd roept de vader Der schoone dochter toe; »Verzaak den boozen lust ))En volg der geesten raad ! Mijn dierbaar kind! Kom nader, ))En stel door zoete taal mijn zorgvol hart gerust!quot;—
344
»0, Koning! \'kWacht nog steeds op \'t weder woord der goden, »En geesten? \'k Hoorde hen zoo min als ganscli het volk!quot; — (Bij \'t hooren dezer taal zijn snel ceridwen\'s boden Yerdwenen met den blik der dreigende onweerswolk).
Gelijk de machtige eik verpletterd zinkt ter aarde ,
Wanneer der wolken straal zijn kruin en stam doorklieft Zoo stort de grijze vorst, toen daiiu dit verklaarde,
Yernietigd van zijn troon, in \'t diepst der ziel gegriefd.
Was daiiu zelve doof voor \'t geestenkoor gebleven,
Hetgeen ze zei van \'t volk was niet volkomen waar; Een luttel priestrental en enkle grijsaards kleven E
Met vuur de meening aan: zij hoorden stemmen, maar D Vanwaar \'t geluid verrees en wat het wilde zeggen.
Ze wisten \'t niet. — De rest stemt dahü\'s zienswijs bij,
Wier valschheid \'t priesterwoord volstrekt niet kan weerleggen; \'t Druïden-tal is zélf niet gansch van ontucht vrij.
Intusschen kwam de vorst wêer bij. De teedre zorgen Van dahu, die verschrikt zijn onmacht gadesloeg.
Herstelden hem. Hij spreekt: «Verlaat mij allen! — Morgen »Verneemt ge mijn besluit. Voor heden zij \'t genoeg!quot; —
De kelten gaan uiteen, geheel verdiept in \'t gissen Wat gralon voor heeft, welk besluit hij nemen wil. De jonge mannen die ongaarne dahu missen Verlaten loom de plaats — Doch eindlijk wordt het stil. — De grijsaard diep geschokt, in droef gepeins verzonken, Bespeurde niet terstond dat dahu achter bleef;
Doch nauwlijks zag hij haar of toorn en gramschap blonken In \'t nevelachtig oog. Op bittren toon verdreef Hij \'t eigen kind: «Vertrek! en kies met spoed een gade
»1 »1
E( Zi Z« T(
M D
345
sYoor heden! Toef niet hier! De ruime keus neemt af iiHoe langer gij verwijlt. Wellicht is \'t. reeds te spade «En zijn de besten weg! \'t Ware uw verdiende straf!quot; Een ongewone gloed in uahu\'s oogen schittert.
Zij bleef tot hulp gereed — haar bijzijn wordt versmaad! Ze is minder om \'t verwijt dan om dien smaad verbitterd, Terwijl ze, \'t hart vol quot;wrok, haar vader eenzaam laat. —
De vader, thans alleen. barst uit in jammerklachten Met woesten toorn vermengd. Hij vloekt de 5) heiige vrouw, De moeder van zijn kind; doch spoedig weer verzachten Een vloed van tranen \'t hart en voelt hij diep berouw Dat hij der gade wijt wat hèm alleen geweten,
i Ten laste moet gelegd. De moeder stierf door \'t kind, Dat zij den vader schenkt. Zij breekt den huwlijksketen, Terwijl met sterker boei hem beider telge bindt.
Doch hij, de vader, heeft zijn dartle spruit bedorven En zeedlijk omgebracht door zwakke, valsche min Die niets berispen dorst. Ach! waar\' ook hij gestorven! Dan woonde in daiiu\'s hart wellicht een beetre zin.
ü
■ De zilten stroom doorploegt zijn doffe wezenstrekken,
Zich zeiven vloekt hij straks. Toch weet het vader hart,
Den vorst tot schade, dra een kloek besluit te wekken: m \'
Hij ziet van \'theerschen af. Al pijnt een bittre smart U Zijn eerzucht, morgen zal die vrouwen-natie hooren ; Dat hij der kelten troon, zoo lang bezeten, smaadt; 1 Mocht dan der goden gunst nog ééns hem zijn beschoren
Als hij om uitstel bidt van \'t al-verdelgend kwaad, | Den schrikbren waterstroom! Wanneer hij al zijn zorgen | Aan dahu, dan zijn kind en geen vorstinne, wijdt, (Is onder \'t dorre hout een sprankje groen verborgen)\'
346
Misschien hij nog haar hart van vuigen lust bevrijdt. —
Zoo peinst en droomt de vorst. De versch geslagen ■wonde Der eerzucht is niet gansch van pijnlijk trillen vrij,
Terwijl een droeve zucht het harteleed verkondde:
»Mijn dahu! eenig kind! ach! waartoe brengt ge mij?quot; —
derde zang.
»Hetgeen u \'t dierbaarste is, o koning! neem het mede! »Bereik in aller ij 1 den schrikbren watervloed,
«Bezweer de stroomen ! Stel hu\'s dorst naar wraak tevreden ; «Alleen door offers wordt der kelten schuld geboet!quot; — Een grijze wichlares had zoo den vorst bevolen —
Als gralon \'t gansche volk opnieuw vergaderd had Bij \'t krieken van den dag, opdat hij onverholen \'t Besluit den voorgen nacht in tweestrijd opgevat,
Den kelt zou melden; kwam (nog eer hij \'t k o n verkonden) Een ruiter, bleek, ontdaan, in snellen, woesten vaart Getogen met de maar: »de vloed ! — Alreê verslonden ))De waatren \'t Noorderdal!quot; —
Slechts gralon was bedaard Gebleven bij \'t rumoer, het angstgeschrei der vrouwen, \'t Geschreeuw der mannen, straks den haas gelijk in moed.
\'t quot;Was toen dat hem het woord der wichlares vertrouwen En . . . vreeze bracht, een vrees die \'t harte bloeden doet. —
Gehoorzaam aan \'t bevel der oude rijdt de koning De waatren tegen, \'t Ros vervoert een kostbre vracht;
348
Den vader met zijn kind, en schatten uit de woning Des heerschers door den spoed der slaven saamgebracht. Al sneller rent het paard de wijde vlakten over, Aanhoudend door de stem des meesters aangespoord, Als gold het hier den strijd om \'t edel eereloover En niet, als doel, den vloed die gansch de schepping stoort, Ten aanzien van zijn kind bewaart de vorst het zwijgen. Met vaste hand, ofschoon vaneen gereten hart,
Had, met geweld, hij zelf \'t genet haar doen bestijgen En krachtvol onderdrukt de bittre vadersmart.
Hoewel zij kalmte veinst is dahu fel bewogen;
De woede schenkt aan \'t oog een vreemden, hellen gloed, Dewijl ze in \'t laffe volk zich schandlijk zag bedrogen, Dat luid geroepen had: »Met dahu in den vloed!
»Want zij en zij alleen is schuldig! Zij gaf \'t voorbeeld »Per tuchtelooze min! Zij lijde ook de straf!quot; En, zonderling! ze was het sterkst door hen veroordeeld Aan wie ze menigmaal zich schaamtloos overgaf.
Aireede dreunt den vorst een dof geruisch in de ooren; Het brieschend ros ontvangt den wenk tot meerder spoed, De heerscher wil den drang van \'t vaderharte smoren, Als koning zal door hem de schuld des volks geboet.
Een korte wijle nog. Majestueuze wolken Van \'t schuimend element vertoonen meer en meer De diepte van haar schoot in \'t kring-geboor der kolken. De hoogte van haar kruin beangst het sterrenheer. De woede des orkaans, met oorverdoovend brullen,
Verzelt der golven stem en zweept de stroomen voort. Die, in een oogwenk tijds, de zwarte ruimte vullen Waardoor de diepste kloof in \'t hart der aarde boort.
349
Een wonder! gualüx heeft ter nauwernood de waatren Bereikt, of \'t woest geloei der stormen zwijgt, de vloed
! Verzwelgt niet meer, hoewel het schuim verspreidend klaatren Der eens beroerde zee den bodem trillen doet. Verzwelgt niet meer, hoewel het schuim verspreidend klaatren Der eens beroerde zee den bodem trillen doet.
De grijze vorst houdt stil, der goden macht bespeurend In \'t zwijgen des orkaans. Zijn hoop is weergekeerd; Hij werpt, met vaste hand het kostbare offer beurend,
Zijn schatten in den stroom, dien hij aldus bezweert: Eeuzengolven!
Donderend, brullend,
Borlend, gistend.
Kokend, ziedend,
Alles sleurend In den afgrond Uwer zeeën!
Ik bezweer u Bij de schatten Die ik offer Aan uw granschap ;
Keert terug!
; Het laatste woord is nauw des Konings mond onttogen
Of weder raast de storm, hoewel met minder kracht | En woede dan voorheen; de trotsche waterbogen Allengs hernemen haar door niets te stuiten macht.
Was \'t snuivend ros, beangst door \'t woedend spel der baren, Uit eigen aandrift snel de vlakten opgerend ?
Had gralon, toen zijn schat den vloed niet mocht bedaren, Uit zucht tot zelfbehoud den teugel ongewend?
Misschien deed dahu\'s angst den strijdhengst rugwaarts stuiven ? Wat de oorzaak zij, men was bij tijds den stroom ontvlucht,
350
Toch maakt de spoed van woest tot schuim geslagen kuivei Der waterbergen dra het vluchtend paar beducht.
De dauw der alsem-smart beparelt gralon\'s wangen En geeft aan \'t fel geschokt gemoed een weinig lucht, \'t Gemis der schatten blijft het hart des heerschers prangen Der schatten, aan den vloed geofferd zonder vrucht
Bij DATiu is de wrok sinds lang door vrees vervangen Het bleek ontsteld gelaat verraadt den angst der ziel. »Zou nuquot;, bepeinst ze, mij tot offerand verlangen »En beidt de plogoff 6) mij?quot; — De vorstentelg verviel In ongeveinsd berouw, te laat, helaas ! De stroomen Des schrikbren watervloeds, ze naadren meer en meer En dreigen dra in spoed het strijdros vóór te komen Toen DAiiu dus begint; »Mijn dierbre vader! keer! »Het vluchten baat ons niet! Nog eens den stroom bezworei »En offer \'t paard! quot;Wellicht is dan de schuld geboet! »Yervul mijn beê! — Ik zal voortaan mijn lusten smoren »En eeren nu\'s gebod, gedachtig aan deez\' vloed!quot;
Sinds d\'aanvang van den tocht had dahu stil gezwegen; En thans vermeet ze zich te smeeken (z|j, de schuld Van alles) dat zijn ros, zoo vaak met roem bestegen Op \'t oorlogsveld, den vloed bedare! — Dat vervult Den vorst met toorn ; en toch .... hij was reeds half besloteJ Zijn trouwen vriend der wraak van nu te wijden, daar De vlucht niet hielp en steeds de orkanen wilder floten . ., Hij knikt haar zwijgend toe, het spreken valt hem zwaar Terwijl fluks de arme vorst het edel dier laat zwenken Verjaagt een zoete hoop het somber voorgevoel Dat dahu \'t offer .... neen, haar laatste woorden schenken Zijn harte nieuwen moed. — Zoo nadert hij het doel
351
rei®7an den zoo zwaren tocht. Orkaan en vloed bedaren. Nu stijgen beiden af; het ros blijft sidderend staan.
Doch eensklaps stoot de vorst zijn makker in de baren En vangt aldus op nieuw zijn tooverspreuken aan: \'n Golven- massa\'s!
Kloven dempend,
Rotsen brijzlend,
Wolken splijtend,
\'t Luchtruim vullend!
Ik bezweer n Bij het strijdros.
Mij zoo dierbaar.
Dat ik offer Uwer gramschap et Ter verzoening ;
Keert terug!
i Ofschoon met minder kracht, herneemt de vloed zijn woede. Terwijl het stormgetier op nieuw zich hooren laat,
\' \'t Geen aan het paar, dat snel zich op de vlakte spoedde, » Weer de ongenoegzaamheid van de offergift verraadt. Der golven toorn was nauw, op nieuw vergeefs, verbeden Of gralon dreef met haast zijn dochter voor zich uit. Die, \'t hart vol rouwe, beeft aan al haar teêre leden,
Zich zelve reeds beschouwt als dra der waatren buit. Helaas! De laatste hoop van gralon is vervlogen ! Het grievendst wee doorvlijmt \'t verscheurde vaderhart;
Geen traan bevochtigt meer zijn rood gekreten oogen.
Geen zucht ontboezemt meer zijn doffe zielesmart.
Was dan \'tberouw zijns kinds, zijn fier genet, zijn schatten Ten zoene niet genoeg f En moet de watervloed
m,
352
In zijnen wreeden schoot zijn daiiu nog omvatten,
En door den Koning zóó der kelten schuld geboet?
Terwijl in snellen loop het vliedend paar volhardde, Herkrijgt de ontembre zee haar ongekenden spoed. Die dahu, sprakeloos van angst, sinds lang benardde En gralon radeloos de handen wringen doet.
Geen uitkomst! Udle vlucht! Alrêe bespat een regen Van schuim den vorst.... die thans de vadermin verzaakt. .. Hij stuit de vaart zijns kinds en treedt de waatren tegen, Bezweert voor \'t laatst den vloed, die fluks zijn woede staakt: Ik bezweer u Bij mijn dochter,
Bij mijn.....dahü,
Bij mijn.....dierbaar,
Bij mijn.....eigen.
Bij.....mijn.....eenig.....
Bij mijn .... kind.....
Zijn stemme nokt. — Terstond verheffen zich de golven! In wanhoop grijpt de vorst het eigen siddrend kind En werpt het in den stroom, alwaar het, ras bedolven, Een reinen dood als zoen voor \'t schandlijk leven vindt.
\'t Is stil. Een doodsche rust vervangt de jacht der baren, Geen zucht des winds beroert het effen waterplein.
Alomme kan het oog een grootsche kalmte ontwaren; Het laatste offer wascht de schuld der keltex rein. —
Zóó moest op \'t v a d e r hart de koning zegevieren, Doch .... slechts voor korten tijd! —
Verplet staat grai.on daar, Hij wacht den dood ; maar, toen de stormen niet meer gieren,
quot;Verheft hij \'t oog, en wordt een vreemd tooneel gewaar. Met grooter spoed dan ooit, doch zonder \'tminste deinen Der golven, wijkt van d\'aard het zware waterkleed; Hij ziet steeds meer en meer de reuzenzee verkleinen En waar zijn kind verdronk een bloemrijk grastapeet. Dat schouwspel doodt den vorst, \'t is nu alléén de vader. Die \'skonings daad verfoeit.—sMijn kind! mijn dierbaar kind, ))Ik smeek u, vloed! ach keer terug! Kom haastig nader! «Verzwelg ook mij, ook mij, wien niets aan \'t leven bindt!quot; Vergeefs gesmeekt! Welaan! Iljj zal de waatren dwingen Den moordenaar zijns kinds te omvatten in hun schoot; Hij vangt den tocht weer aan, dien zij te samen gingen, Doch nü is \'t doel-wit niet het leven, maar de d o o d. \'tls vruchteloos! De vloed vermeert zijn spoed in \'t vlieden En GRALON neemt gestaag in vaart en krachten af; De wreede stroom wil hem den laatsten troost niet bieden: Met dahu saam te zijn in één en \'t zelfde graf.
Straks, de angst dat hij den dood, zijn laatste hoop, moet derven Misvormt zijn woest gelaat. Dan eindhjk staat hij stil. «Rampzalig mensch!quot; zoo klaagt hij luid, »die niet kan sterven «Wanneer zijn vuurge wensch weerstreeft der goden wil!quot; — Maar hoe! O zoete vreugd! Want aan zijn zijde klettert De strijdbijl die zoo vaak den vijand bloedig trof!
Welaan! Nog eens omkneld, en \'t eigon hoofd verpletterd , Den vijand (van zich zelf) geploft in \'t nietig stof!
Hij drukt het moordend tuig met wellust aan zijn lippen. Dan zwaait hij de aks met kracht, en, stortend, stamelt hij De laatste zucht die nog zijn borst vermag te ontglippen: «Mijn dahu . , eenig kind . . ach ! waartoe bracht . , ge mij ?. .
d. m. maaldrixk.
23
AANTEEKENIKGEK.
\') Mot name de sage van den zondvloed. Zij Inid aldus : In de stad Ts resideerde Koning Gralon, wiens dochter Dahti zicli aan een uiterst ongebonden leven overgaf, en bovendien zich daarop beroemde. Haar levenswijze vond maar al te groote navolging onder de Kelten, weshalve de vertoornde goden een watervloed deden opkomen -om het zondige geslacht te verdelgen. De vorst rijdt met zijne dochter en schatten den vloed te gemoet, bezweert hem, er zijne kostbaarheden, daarop zijn paard, in werpende. Te vergeefs! Eindelijk offert hij zijn kind ten zoen, stort tevens zich zeiven uit wanhoop in den stroom en de gramschap der goden is gestild. De vloed wijkt terug.
De schrijver meende de sage te mogen inkleeden, zooals hem goed dacht, alsmede van do wijze waarop Graloit\'s zelfopoffering voorkomt, af te wijken.
-) Elfen en geesten (goede en booze), speelden een groote rol in het volksgeloof.
3) Ook wel Ems of Bellenus genaamd, de oppergod der Kelten; zijne gemalin is Ceridwen of Belli san a. Verder komen o. a. nog voor de goden Tanmig (de krijgsgod) en Teutates (de personificatie der aarde). — Waar sprake is van „godenquot;,quot; denke men dus niet altijd alleen aan Hu en Ceridwen. — De schrijver heeft echter tor
355
wille der eenvoud zich bij do twee hoofdgoden bepaalt en daarom ook niet geschroomd enkele malen aan Hu de functie van krijgsgod toe te kennen.
4) Bretanye wordt namelijk aan de Noord- en Westzijde door de zee omringd.
5) Bij de Kelten golden de dooden voor heilig.
n) De Hel der Kelten.
1876.
BLADVULLING.
Het billardspel is omstreeks het jaar 1014 in Frankrijk in gebruik gekomen. Overspel was ook toen reeds verboden.
EEN GELUK BTJ EEN ONGELUK.
\'t Kan verkeer en.
BREDERO.
Karei Scheering was het eenig kind van Mevrouw en Mijnheer Scheering, den herder en
leeraar van hot dorp N..... De dankbare
ouders wijdden zich onverdeeld aan de opvoeding van den jeugdigen stamhouder en zochten zorgvuldig alles te vermijden, wat de zwakke gezondheid zijner kinderjaren zou kunnen benadeelen. Zoo hadden zij hem nooit naar de dorpsschool willen zenden, maar zelf hem de beginselen van kennis en deugd ingeprent, totdat de tijd kwam, waarin hij moest kiezen tusschen burgerschool en gymnasium. De vader meende in den knaap een grooten aanleg voor de theologie op te merken, zoodat deze, daar hij er niets tegen in wist te brengen, voor het gymnasium bestemd werd. Op aandringen evenwel van de al te zorgvuldige moeder, die haren Karei niet gaarne aan hare hoede onttrokken en aan het gevaarlijke kost-
357
schoolleven overgegeven zag, nam Mijnheer nogmaals de opleiding van zijn veelbelovenden zoon op zich, om er nu een student van te maken.
Eindelijk brak toch de onverbiddelijke tijd van scheiden aan, hoe die ook tot het uiterste vermeden was. Zijn vertrek naar de academie werd ingezegend met een stortvloed van moederlijke tranen, raadgevingen en wijze lessen en nadat hij ten laatste genoeg omhelsd eu gekust was en den drempel van het ouderijke huis verliet, riep ze hem nog even terug; want ze herinnerde zich met schrik, hoe goed hem eens op een feestje de wijn gesmaakt had en nu moest zjj hem nog even waarschuwen om zich toch vooral niet te buiten te gaan aan het kwart ankertje, dat hem uit zijns vaders ouden wijnkelder was toevertrouwd en toen moest zij hem nog even waarschuwen voor de gevaren van het studentenleven, die zij wel niet bepaald kende, maar waarvan zij toch zoo veel gehoord had. Toen zij dat alles nog even gezegd had, haastte Karei zich naar de plaats, waar de omnibus zou afrijden of liever afgereden was, terwijl hij nog juist vroeg genoeg kwam om hem den hoek van den weg te zien omdraaien. Morgen gaat er weer een, dacht hij en keerde getroost naar huis terug. Bij de deur kwam zijne moeder hem reeds te gemoet en vroeg half blij, dat zeChem nog eens weerzag: »Wel Karei, heb je nog wat vergeten?quot; — »Neen ,quot; antwoordde hij, »ik niet, maar de omnibus —
358
die heeft mij vergeten.quot; — »Foei Kareiquot; , bestraft zij hem, »je moet naderhand beter op je tijd passen, anders kom je nooit goed door de wereld.quot; Hij nam deze vermaning zóó ter harte, dat hij den volgenden morgen al een half uur te voren op den omnibus zat te wachten. Dezen keer kwam hij dan ook werkelijk mee.
De eerste weken van zijn studententijd waren zoowel voor hem als voor zijne ouders eene ware marteling. Zijn vader toch had begrepen, dat hij nu eens midden onder de menschen, tusschen vrienden en vijanden zijn karakter moest vormen en wist tot dat doel geen beter middel dan hem te laten ontgroenen. Maar van hoe weldadigen invloed deze kuur ook op ieder ander mocht zijn, voor Karei was ze te sterk.
Hij, die nooit een kwaad gezicht gezien had, die nooit zich naar anderen had leeren schikken, kon het verzuim van zoovele jaren niet in eenige weken inhalen , zoodat hij, in plaats van vrienden te vinden, slechts vijanden vond en zich al meer en meer terugtrok met het heilige voornemen om na den groentijd zich nooit meer met zijne medestudenten te bemoeien.
Ondertusschen had ook zijne moeder een zwa-ren tijd te doorworstelen. Haar was de groentijd altijd zoo verschrikkelijk afgeschilderd, dat zij in voortdurenden angst voor haar zoon verkeerde; ja \'s nachts kwamen haar in den droom do oude sprookjes voor den geest eu dan zag ze Karei in
359
de kokende olie liggen of in eene kist met doodskoppen, en wanneer ze dan zijne kwelgeesten goed aanzag, bespeurde zij, dat er horens uit hun haar staken en dat de voeten bokspooten waren en dan vloog ze op die monsters aan om hun haar zoon te ontweldigen, sloeg rechts en links om zich heen, totdat één van die duivels haar greep, en zij wakker geworden bemerkte, dat haar bont en blauw geslagen man haar bij den arm vasthield. Dientengevolge had de groentijd voor de familie Scheering niets dan noodlottige gevolgen en miste hij ook bij Karei geheel zijn doel.
Maar toch ging voor onzen nieuweling deze tijd niet geheel nutteloos voorbij; want, had hij hem al geene vrienden bezorgd, toch had hij hem verrijkt met eene vriendin, n. 1. de omvangrijke wederhelft van den bakker, bij wien hij zijn intrek genomen had. Deze wederhelft, die verreweg de grootste helft van het geheel uitmaakte, was evenals de meeste dikke menschen zeer goedhartig en vertrouwelijk. Zij had veel sympathie voor Karei opgevat, vooral omdat hij in zijne lijdensweken dikwijls troost bij haar zocht in een gezellig praatje, waarbij hij nu en dan eens zijn overkropt groenenhart lucht kon geven, terwijl zij hem dan sterkte door los te varen op de boosheid der menschen in \'t algemeen en der studenten in \'t bizonder en door hem iederen morgen te trak-teeren op een glas frissche melk, want ze was
360
werkelijk bang, dat hij anders vermageren zou en dat scheen haar de grootste aller rampen toe.
Zoo had hij reeds langer dan een jaar te midden van zijne muffe boeken geleefd, toen hij op een goeden dag een brief van zijnen vader ontving, waarin deze hem belastte met eene boodschap aan een ouden vriend, Janssen gebeeten. Daar er haast bij was, ging hij nog dienzelfden middag tegen theedrinkenstijd naar zijn vaderlijken vriend
Eerst werd hij in de vooi-kamer gelaten; maar niet zoodra hoorde de Heer Janssen, dat hij de zoon van zijn besten vriend Scheering was, of hij moest in de huiskamer komen om met de familie kennis te maken. Schoorvoetend volgde Karei den huisheer ; want de hospita had hem verteld, dat er drie meisjes in huis waren en nu kreeg hij al eene huivering bij de gedachte, dat hij in de nabijheid van dames zou komen. Grelukkig vond hij in de kamer alleen Mevrouw, die achter een groot theeblad zat. Dit deed hem ruimer ademhalen en toen de kennismaking ook goed afliep, was hij weer geheel op zijn dreef.
Niet lang mocht hij echter deze rust genieten, want na een kort gesprek ging Mevrouw de kamer uit, om de dochters te roepen. Spoedig kwam ze terug en een paar oogenblikken later hoorde men een gestommel voor de deur, dat ontstond door de eigenzinnigheid van Marietje, een meisje van ongeveer twaalf jaar, dat uit
361
nieuwsgierigheid naar den vreemden heer het eerst de kamer wilde indringen en hierin slechts met moeite door hare beide zusters verhinderd werd. Ten laatste ging de deur open en traden de twee oudsten statig binnen ; maar Marietje liep in strijd met alle etiquette haar voorbij en ging vlak voor den Mijnheer staan om hem eens goed op te nemen.
Karei stond met eene zenuwachtige beweging op, maakte twee buigingen van 90°, zoodat hij zekerlijk zijn evenwicht zou verloren hebben, had niet zijn voet nog bij tijds eene rustplaats op den hoed gevonden, dien hij naast zijne stoel gezet had. In zijne verlegenheid merkte hij evenwel niets van zijn misstap, totdat Marietje den hoed opnam en half juichende uitriep: »gutte Meneer, is dat uw hoed?quot; — Met schrik herkende Karei in het gehavende hoofddeksel zijn splinternieuwen hoed en terwijl Marietje eene bestraffing ontving over hare ondeugende blijdschap, streek hij den hoed op, tot hij in \'t duister weer voor nieuw kon doorgaan.
Om het gesprek weer aan te knoopen, begon mijnheer Janssen Karei te vragen, hoelang hij reeds studeerde, wanneer hij examen dacht te doen en andere lastige vragen, die men een student zoo al in den wandel doet. Nadat Karei alles opgebiecht had, bracht Mevrouw hem op de hoogte van de talenten harer dochters en vertelde met een zekere trotschheid, dat Dora zulke aardige versjes kon maken en dat Kee zulk een
362
musikaal gehoor had. »Ja, zei zij , al zeer vroeg is zij begonnen te spelen op haar vaders harmonica, die hij nog uit zijn studententijd bewaard had. Ze had er zeer veel aanleg voor; maar ze heeft dit instrument laten liggen, omdat telkens de tonen valsch waren en bovendien het nieuwe zusje meer slaap dan wel muziek noodig had. ïoen ze later met de piano begon , och toen was ze eigenlijk al te oud, om al die études nog te kunnen doorworstelen. Hierbij kwam nog een slechte leermeester en te weinig tijd tot studeeren , zoodat ze ook het pianospelen ten laatste heeft laten varen.quot;
»Het is wel jammer, zei Karei, wanneer zoo allerlei omstandigheden den aanleg tegenwerken quot;
En nu, dacht Marietje, is de beurt aan mij en ze had al bij voorbaat een kleur gekregen; maar helaas, het stilzwijgen, dat hierop volgde, werd niet door een nieuwe loftuiting afgebroken. Hierover gebelgd, wilde zij zich zelf schadeloos stellen en zei: »En ik kan zoo goed kousen mazen, dat heeft juf gisteren nog op school gezegd.quot;
In plaats evenwel, dat de familie, zooals zij verwacht had, met deze bekentenis instemde, ontving zij tot loon eenige verwijtende blikken, hetgeen haar toorn nog meer ontstak en wee den-gene , die zich de wraak van een kind op den hals haalt! Plotseling stond ze op, liep de kamer uit en kwam terug met een papiertje, dat ze aan Karei gaf met de woorden: «zie Meneer, hier is
363
een versje van Dora op de poes, die voor kort gestorven is.quot;
»Och neen, och neenquot;, riep Dora op een toon, die verried, dat het haar ook goed was, wanneer hij het wel las, terwijl Mevrouw vol vertrouwen op haar dochters dichtgenie zei: »kom laat Mijnheer het maar lezen; die maakt misschien zelf ook wel eens een vers.quot;
«AVel zeker, zei Karei, men moet toch zoo wat met zijn tijd meegaan; maar u hebt misschien liever niet, dat ik het lees,quot; vroeg Karei aarzelend aan Dora.
»Och kom, hernam Mevrouw, het is maar een aardigheid.quot;
Nu, voor een aardigheid had Karei veel over en hij las het gewichtige document met een niet minder gewichtig gezicht. »Heel aardig, zei hij, na het te hebben gelezen; het schijnt mij altijd zeer moeilijk toe om een alledaagsch onderwerp dichterlijk te behandelen.quot;
«Maar de dood van een kat, die vijftien jaar bij ééne familie gediend heeft, is tóch niet zoo\'n alledaagsch geval,quot; merkte Kee aan.
»Neen, antwoordde Karei, maar dichterlijk uit zijn aard is het juist ook niet.quot;
Zoodoende ontspon zich een druk gesprek over poëzie, voornamelijk tusschen Dora en Karei, welke beide meer lust en aanleg hadden om over lange philosophische dan dagelijksche onderwerpen te spreken. Mevrouw had ten laatste reeds voor
364
de zesde keer water op de thee geschonken, hoewel het theelichtje al zijn laatsten adem uitgeblazen had, toen zij in alle nederigheid hadden uitgemaakt, dat de ware poëzie was ondergegaan. Deze eensgezindheid maakte een einde aan het gesprek en te midden van de plechtige stilte, die nu volgde, klonken de negen schelle slagen van de pendule Karei als een indrukwekkend memento ahire in de ooren.
Haastig stond hij op, terwijl Marietje hem nog spottend waarschuwde: «Mijnheer pas op uw hoedquot; en vertrok onder een dringende uitnoodiging, om zijn bezoek eens spoedig te hervatten.
Toen Karei op zijne kamer gekomen was, viel hij in zijn leuningstoel neer en bleef daar een geruimen tijd zitten peinzen over zijn bezoek bij den heer Janssen. Hij had nog nooit eene dame gesproken en er te voren altijd een heimelijken afschrik voor gehad. Deze onverwachte en aangename kennismaking had hem betooverd en als \'t ware een nieuwe wereld ontsloten. Hij werd echter uit zijne mijmering gewekt door de hospita, die hem zijn koffie boven bracht. JSTadat ze alles klaar gezet had, begon ze: »en wat zegt Mijnheer nu van de kamer?quot;
sik?quot; vroeg Karei, verwonderd rondziende.
))Ja, hernam ze, heeft u dan niet gemerkt, hoe mooi ik alles opgeredderd heb ? Ik meende, dat Mijnheer toch al een poosje terug was.quot;
365
»Ja, ik ben voor een half uur t\'huis gekomen, maar ik heb er niet aan gedacht.quot;
»En heeft Mijnheer dan dien heelen tijd zoo stil gezeten? Anders is de tafel weer in een oogen-blik in disorder door die boeken. — O, o ik begrijp het wel! Heb ik het niet gezegd, dat daar bij mijnheer Janssen een paar aardige juffers waren ?
»Nu en wat zou dat?quot; vroeg Karei.
»Wat dat zou? Nu ja ik begrijp het heel goed en mijn moeder zaliger begreep het ook wel, toen ik zoo altijd met de handen in den schoot achter de tapkast zat; want Mijnheer moet weten, dat mijn vader herbergier was in \'t Blauwe Paard. En als ze wat bestelden, dan hoorde ik het niet, en ieder keer vertelde ik mij bij \'t betalen. Toen zei mijn moeder op een goeden dag; je scheelt wat — zeg het maar ronduit, is er geen vrijer in \'t spel? En toen heb ik ook haar gezegd, dat ik mijne zinnen gezet had op den bakkersknecht , die eiken dag, en hij kwam altijd stee vast, een borrel bij ons kocht. Maar hij kwam niet om den borrel, want hij stond den heelen tijd met mij te praten, en als hij wegging, dan was zijn glas nog vol.quot;
))Maar jufvrouw, viel Karei haar in de rede, uit vrees voor een geheele levensbeschrijving , waarheen zijn mijn boeken verhuisd ? ik zie ze nergens.quot;
»0 ja, die heb ik allemaal eens netjes in de kast opgeborgen, zie maar eensquot; en meteen deed
306
ze de kastdeur open, waar hij allo prachtbanden naast elkaar geschaard en de overige boeken in een hoek gestopt vond. »Nu, wat zegt Mijnheer er van; staat dat zoo niet veel beter ? Maar nu moet Mijnheer ze niet dadelijk weèr overal halen. En nu heb ik ook nog, Heere, dat Mijnheer dat niet gemerkt heeft, nu heb ik ook nog een kussentje op den rieten stoel gelegd, want ik dacht, dat het zoo hard zat. en daarom heb ik het kussentje van den hond, die weggeloopen is, nieuw laten overtrekken. Het arme beest, wie weet waar het nu zit!quot;
»Ik heb op geen kussentje gezeten, zei Ka-rel ; — o daar ligt het op den grond Ja, ik ben in \'t duister tegen den stoel aangeloopen en toen is het er zeker afgevallen.quot; Dat\'s maar goed ook. bromde hij voor zich heen.
))En kijk nu nog eens Mijnheer, treft dat niet mooi?quot; En zelfvoldaan over hare loosheid, ging zij lachende de kamer uit.
Bij de laatste woorden had ze op eene schilderij gewezen, dat een jongeling voorstelde in blauwe broek en groene jas, die met een juffer in het geel en met een grooten geelen tuinhoed op, onder een groenen boom met bruinen stam zat te vrijen. Dat malle mensch met heur gepraat , mompelde hij, zou mij zelf bijna wijs maken, dat ik verliefd ben. \'t Is eene beste vrouw en ze meent het ook goed met me, maar ze behandelt me als een kind.
367
Hij ging dien avond vroeger naar bed dan gewoonlijk en toen hij den volgenden morgen opstond, vroeg hij zich zelf verwonderd af of hij dan werk lijk verliefd was: want hij had zelfs van haar gedroomd en dat leek hem toch wel wat verdacht. Hoe het ook zij, hij stelde in elk geval zijne tweede visite niet lang uit. De wensch en behoefte naar een gezellig praatje had hem zoozeer vermeesterd, dat hij zijne beschroomdheid overwon en kloekmoedig naar de familie Janssen toog. Hier vond hij nog een tweeden gast, die hem voorgesteld werd als de huisvrind Piet Broek-sema, student in de rechten.
»Ik meende, dat de studenten elkaar anders nog al kenden,quot; begon de huisheer.
»Ja, zei Piet, ik heb den naam Scheering ook wel eens hooren noemen, maar nooit de eer gehad met den eigenaar van dien naam kennis te maken. Studeert u niet in de theologie vroeg hij daarop aan Karei.
»Ja,quot; antwoordde Karei kortaf.
«Een mooi vak,quot; merkte Dora aan.
«Vooral later, hernam Karei, wanneer men op een stil dorp te midden van eenvoudige, onbedorven menschen zijn leven onbekommerd kan doorbrengen zonder andere zorgen dan die een tuinkweekerij opleveren.quot; —
«En de preekenmakenjvoegde Piet er bij.
«En oom heeft ook nog vrij spek en mest illustreerde Marietje,
368
»Wat zijn die boeren toch praktische lui, riep Piet uit: ze willen niet alleen den dominé, maar meteen zijn land vet mesten.quot;
Deze woorden maakten zeer verschillende indrukken. Kee begon te lachen, Dora trok een gemaakt glimlachje, de huisheer een deftig gezicht en \'t geheel zweeg. Karei was te plotseling en te prozaïsch uit zijn gedachtengang gerukt om den draad weer te kunnen opvatten.
»Nu ja, alles heeft zijn voor en zija tegen, zei Kee na eene kleine pauze, hoewel ik voor mij niet graag onder die boeren wou zitten, buiten alle genoegens der stad.quot;
»jSeen, \'s zomers zou ik wel dominé willen zijn, maar dan vrij van preek envervolgde Piet.
»Och, zei Karei, ieder zoekt al het plekje, waar hij zijn geluk denkt te vinden.quot;
»Ja, zuchtte Dora, en wij kunnen meestal niet vooruit weten, wat eens ons geluk zal zijn.quot;
»Tn elk geval is het verachtelijk om zijn geluk te zoeken in bals en partjjtjes, zei mijnheer Janssen. Ik vind het onzedelijk, om daar met elkaar rond te springen als gekken of zonder de oudelui uit te gaan en dikwijls laat \'t huis te komen, hetgeen maar aanleiding geeft tot allerlei gegronde en ongegronde praatjes. Wanneer de jongelui zich in tegenwoordigheid der ouders niet kunnen amuseeren, dan deugt het ook niet.quot;
«Maar u is misschien nog nooit op een bal geweest?quot;
369
»Neen, Broeksema , viel de heer Janssen hem in de rede, nooit; en ik zou er ook voor niets ter wereld heen willen.quot;
Kee en Piet zagen elkaar veelbeteekenend aan en om geen ijdelen strijd te voeren, waren zij het beide volkomen met hem eens. Ondertusschen hadden Dora en Karei weer een zeer dichterlijk gesprek aangeknoopt, dat een duizelingwekkende hoogte scheen te zullen bereiken, toen ze plotseling tot het werkelijke leven werden teruggeroepen doordat Piet op ging staan om te vertrekken. Karei meende, dat de tijd ook voor hem gekomen was en maakte van de gelegenheid gebruik om in \'t geleide van Piet weg te gaan. Samen stapten zij de kamer uit en kwamen in den gang de meid tegen. Met een behendigen zwaai sloeg Piet zijne armen om de slanke gestalte en gaf haar een zoen, dat Karei er van schrikte.
«Je schijnt nog al familiaar met de meid te zijn,quot; zei Karei, toen de deur achter hen gesloten was.
»Dat behoeft juist niet,quot; was het korte antwoord , dat op een toon gezegd werd, die alle verdere discussie hierover afbrak. Ze liepen zwijgend door, totdat hunne wegen zich scheidden en elk huiswaarts ging.
\'t Is wel een aardige vent, dacht Karei bij zich zelf; hij is zoo vroolijk, zoo los, ofschoon mij wel een beetje al te los. Deze laatste gedachte verdween evenwel spoedig bij Karei, toen hij hem
24
370
ten gevolge van de toenemende bezoeken bij den heer Janssen meer en meer leerde kennen. Zijne innemende manieren, zijn open vriendelijk gelaat deden hem zijne kleinere gebreken gaarne vergeten. Hij had dan ook weldra de vriendschap van Karei gewonnen , te meer, daar hij tot dusverre de eerste en eenige was, die zich niet vroolijk over hem maakte.
Zoo gebeurde het dan eens, dat Karei kort na de groote vacantie door een bezoek van Piet verrast werd.
»quot;Wel Karei, hoe is \'ter meequot;, begon hij, terwijl hij hem de hand schudde, dat deze een gevoel kreeg alsof er een aardbeving was. »Heb je je nog al geamuseerd in de vacantie of heb je weêr den heelen tijd gewerkt?quot;
»Ja, ik heb een heel stuk afgedaan, antwoordde Karei; maar ga zitten.quot;
Piet nam een stoel en vervolgde het gesprek over koetjes en kalfjes, totdat het op de familie Janssen kwam.
sWat drommel, zei Piet, daar schiet mij wat te binnen. Toen ik daar even voor de vacantie eene visite maakte, komt Marietje binnen en vertelt , dat je hospita aan de meid gezegd had, dat jij haar zelf verteld hadt, dat je verliefd waart op jufvrouw Dora. Dora kreeg van zelf een kleur, alsof ze een uur in den wind geloopen had en Mevrouw keek de blijdschap de oogen uit.quot;
»Dat gekke mensch, riep Karei uit; ze heeft
371
zich nu eenmaal in \'t hoofd gezet, dat ik verliefd ben en daar laat ze zich niet afbrengen.quot;
sMaar dan zul je er toch wel eenige aanleiding toe gegeven hebben, vervolgde Piet. Nu, ik geloof het ook wel zoo wat, want je bent altijd met haar aan de keuvel; maar als ik je was, zei ik het liever aan Dora zelf dan aan de bakkersvrouw.quot;
«Maar ik heb niets verteld en ik ben waarachtig ook niet verliefd. Ik mag graag met haar praten, dat is alles.quot;
»Maar met dat alles denkt dat coquette ding , dat jij haar het hof maakt en als ik soms eens over je spreek, dan draait ze zoo sentimenteel en dan durft ze niet meespreken. Ze is zoo in lichte laaie, dat als je haar niet gauw je wereld-groote liefde verklaart, dan hangt ze zich nog op aan haar groote, dikke, valsche vlecht.quot;
»Ja, zuchtte Karei, wien deze beschuldiging hard viel; nu ik er over nadenk, moet ik ook bekennen, dat ik haar verliefd gemaakt heb en nu ben ik wel verplicht om het mijzelf ook te maken. Maar zeg eens, Piet, het staat er met jou niets beter voor. Jij hebt die arme Kee ook het hoofd op hol gebracht.quot;
»Hoe weet je dat?quot; vroeg Piet.
»We], dat heb ik genoeg kunnen merken.quot;
»Zoo,quot; zei Piet.
»En je wilt toch niet beweren, vervolgde Ka-rel, dat jij het oprecht meent?
24*
372
«Waarom niet?quot; vroeg Piet.
»Dan zou je, dunkt mij, niet zoo den vrijer spelen bij de meid, antwoordde Karei. Ik ben nog geen één keer bij de Janssens geweest of als we weggingen, stond de meid toevallig in den gang en bedacht jij haar even.
»Dat doe ik uit principe, hernam Piet. Je weet als ik iemand een pleizier kan doen, dan laat ik het niet en als ik nu die meid met zoo\'n kleinigheid kan dienen, waarom zou ik haar dan dat genoegen onthouden ? En bovendien : er staat geschreven, dat de menschen elkaar moeten liefhebben.quot;
»Laten wij hier maar niet verder over doorgaan, viel Karei hem in de rede, wij worden het toch niet eens.\'\'
»Karel, zei Piet op medelijdenden toon, je hebt veel te veel kamer-idées. Je zit Veel te veel te werken: je moet onder de menschen om eens wat wereld-idées op te doen. Jij hoopt eenmaal als dominé de menschen te verbeteren en te veredelen ; maar hoe wil je dat doen, als je de gebreken der menschen niet kent? Doe als Job of hoe heet die man en zoek de ondeugd op, om die te kunnen bestrijden.quot;
»Och, zei Karei, ik heb de menschen gezocht en ze hebben mij uitgelachen.quot;
»Ja jongen, hernam Piet, »vroeg of laat, een tijdlang groen loopen moet iedereen; is het niet bij oud-studenten dan bij de groote wereld. Nu
373
zul jij eens groen loopen bij de groote menigte en ik zal je patroon zijn. Ik beloof je, dat ik je helpen zal, maar je moet hals over kop in \'t water, anders leer je nooit zwemmen. — Weet je wat: over een dag of wat viert onze goede stad weer een historischen gedenkdag, zooals je weet. Dan zal er \'s avonds muziek gegeven worden in den tuin van de groote societeit, waar ieder niet-lid tegen een dik entrée kan komen. De boeren en boerinnen uit den omtrek maken natuurlijk een druk gebruik van die gelegenheid en dat geeft altijd een gloeiend feest. Ik zal een stuk of wat vrinden meenemen, die wel wat voor mij doen willen en je om mijnentwil niet zullen lastig vallen.quot;
Karei stribbelde eerst nog wat tegen , totdat hij eindelijk beloofde mee te gaan en zich aan zijne hoede toe te vertrouwen.
Op den bewusten feestdag stond de familie Janssen om zeven uur gepakt en gezakt om naar de muziekuitvoering in de societeit te gaan. Het was reeds in die dagen, waarin de zon zich bij tjjds uit de voeten maakt voor de vrij koele avonden. De Janssens hadden zich daarom ook tijdig op weg begeven om een plaatsje buiten den wind te veroveren. Toen zij in den tuin kwamen, zaten er nog maar enkelen hier en daar verspreid , zoodat zij vrije keuze hadden. Zwijgend en met adelaarsblikken doorspiedde vader Janssen de ruimte, totdat hij eindelijk een besluit nam en
374
tot zijne familie zei; «Mij dunkt, wij moeten daar in het hoekje van \'t gebouw maar gaan zitten.quot;
Och jé, zei Dora, als \'t donker wordt kunnen wij daar niets zien ; \'t is er nu al niet licht meer.
»Daar kan je niet genoeg gezien worden, meen je, commenteerde Mijnheer, Je hebt toch geen licht noodig om de muziek te hooren?quot;
Hoe meer de dames zich tegen zijn voorstel kantten, hoe on ver zetlij ker hij werd , want hij kon niet velen, dat zijn dochters »op de kijkquot; zaten. Nu, wil jullie daar zitten, ja of neen, besloot hij; anders ga ik weêr naar huis.quot;
sin godsnaam dan!quot; was \'t antwoord en weldra zag men in het hoekje vier lange gezichten om een tafeltje zitten. — »Laten wij nu maar wat koffie of thee bestellen,quot; begon Dora na een korte pauze, »dan hebben we ten minste wat licht.quot;
»Dan maar thee,quot; zei Mijnheer.
«De koffie is hier veel beterzeiden Mevrouw en Dora — Kee bleef buiten stemming.
»quot;We drinken immers altijd thee om dezen tijd, waarom nu juist koffie,quot; hernam Mijnheer.
Juist daarom,quot; antwoordde Dora; «voor een enkelen keer smaakt koffie wel lekker.quot;
»Nu toe dan maar, jullie moet toch altijd je zin hebben. Aannemen, riep Mijnheer, voor 3 personen koffie.quot;
Weldra verscheen de koffie en pruttelde heel gezellig met het overige gezelschap mee.
375
Zoo bleven ze tegen elkaar mokken en wrokken , totdat ten lange leste de muziek begon en eenige verademing schonk. Ondertusschen waren zij geheel en al ingesloten geworden door feestvierende boeren en boerinnen, die zich om niet onbekende redenen bij voorkeur in het duister hoekje hadden genesteld. Na de pauze klom de feestvreugde dezer landgebruikers bij de minuut en uitte zich onmiskenbaar in een luidruchtig lachen en praten. Het duurde dan ook niet lang of de familie Janssen moest de hoop opgeven om nog iets van de muziek te hoeren, terwijl ze tot schadevergoeding op de weinige hoofsche taai en minnekozerijen hunner buren werden onthaald.
Eindelijk kon Dora haren wrevel niet langer verkroppen en snauwde wat al te hoorbaar: »Je kunt hier kompleet niet meer met fatsoen zitten. Wat doet al dat boerenvolk hier? Laten ze gaan , waar ze hooren.quot;
»Zooquot;, riep een stem vlak achter haar; «bevalt de freule \'t gezelschap niet ? Och Geert, riep dezelfde stem tot een collega aan den anderen kant van de Janssens, laat de freules even door, ze kunnen \'t hier niet langer uithouden.quot;
»Dan moeten ze \'t maar leerenquot;, antwoordde Geert en schoof zijn stoel nog wat achteruit, zoodat alle doorgang versperd was. Deze geestigheid werd van zelf door een hartelijk gelach toegejuicht.
Mijnheer Janssen stond woedend op en eischte den doorgang; maar zijn toorn werd van alle kan-
376
ten beantwoord met eene menigte aardigheden, die sterk naar Schiedam roken. Radeloos stond hij te midden van de oproerige menigte, en in zijn wanhoop wilde hij hulp gaan roepen, toen één van de boeren op Dora, die was begonnen te schreien, toeliep om haar met dronken vertrouwelijkheid te troosten. Mijnheer Janssen vloog op den kerel af en smeet hem tegen zijne makkers aan, die nu ook opvlogen en mijnheer Janssen op hun beurt aangrepen. Op \'t zelfde oogenblik wierp Karei zich tusschen de vechtenden om de Jans-sens te helpen.
Deze toch was volgens afspraak met Piet en diens twee vrienden naar de muziek gegaan. Zij hadden een tafeltje uitgekozen naast een partij boerenjuffertjes, met een dikke Moeke aan \'t hoofd. De feestelijke stemming en de kou deden hen dapper in den wijn happen en ook Karei liet zich niet onbetuigd. Hij had reeds veel geleerd door den omgang met Piet en wat hem nog ontbrak, vulde de wijn aan. Hij was bizonder vroolijk en spraakzaam, zoodat Piet\'s vrienden niet begrepen , wat er toch eigenlijk aan hem scheelde, dat hij altijd zoo voor den gek gehouden werd. Toen een zeker aantal leege flesschen op de tafel rammelden , begon hare voormalige inhoud zjjn heil-zamen invloed op het viertal te doen gevoelen. Zij werden kosmopolieten, gevoelden den hechten band van broederschap, die het menschdom omstrengelt en hunne wereldomvattende denkbeelden
377
konden zich niet langer beperken tot den engen kring van hun gezelschap. Het eerst vestigden zij hunne blikken op het aangrenzende tafeltje, waar de boerenjuffers nog steeds met uitbundige vroolijkheid haren wijn met suiker zaten te gebruiken.
Piet, die het dichtst bij de juffers zat, draaide zich om en begon: «Zoo, hoe staat het er mee, niet met de jongens aan den loop?quot;
))Wi konnen geint kriegen,quot; riepen ze en lachten alsof ze de schutters zagen exerceeren.
i)Och wat, zei van Leer, één van Piets vrinden, \'k wed van al.quot;
))\'t Is toch waer,quot; zei één van de juffers.
»No, hier hè je al ein,quot; hernam van Leer en ging naast een juffer zitten.
))En hier nog ein quot; zei Piet en ging ook naast eene zitten, terwijl de andere vrind, dien ze altijd Frans noemden, naast de derde juffer plaats nam en dus voor Karei de dikke Moeke overbleef.
«Dat gait ja gauw in zien warken,quot; zei de Moeke en begon hartelijk te lachen.
»Och al dat zeuren geft niks, antwoordde Piet; Maer kiek eis, de flesch leeg ? — Anneme: twee flesch rooie wijn.quot;
«Wat merk Mijnheer?quot;
»Van de fijnste, die je hebt, Ludon Medoc maar.quot;
Dat gaf een gegiegel van belang en het\'ijs was
378
gebroken. Er volgde een druk en ongegeneerd gesprek, totdat Piet voorstelde om samen eens den tuin door te wandelen. Het voorstel vond bij allen grooten bijval behalve bij de Moeke, die wou blijven zitten. Karei meende, dat bij als cavalier van de Moeke baar gezelschap moest houden en zoo bleven deze beide.
Even daarna hoorde Karei niet ver van zich af in den hoek van \'t gebouw eene groote ruzie en deels uit nieuwsgierigheid, deels om van de oude juffer af te komen, ging hij er heen. Toen hij bemerkte, in welk een penibelen toestand mijnheer Janssen verkeerde, bedacht hij zich niet lang, maar snelde zijn vriend te hulp. Hoewel hij met de uiterste dapperheid en kracht vocht, kwam hij toch spoedig onder den voet.
Ook Piet met de zijnen was op het rumoer afgegaan en niet zoodra zag hij Karei in\'nood of hij liet zijn dame staan en zocht Karei te bevrijden. De beide anderen volgden zijn voorbeeld. Ondertusschen waren van alle kanten bedienden toegeschoten om de vechtenden te scheiden en toen de drie vrienden Karei gered hadden en Piet tevens de familie Janssen in veiligheid zag, rekende hij het raadzaam om terug te trekken en zijn dame weer op te zoeken, terwijl Karei naar Dora en Kee ging. De drie boerenjuffers waren vol gespannen verwachting op de plaats blijven staan, waar de heeren ze verlaten hadden. Ze waren niet weinig verheugd, toen zij de helden
379
zegevierend uit den strijd zagen terugkeeren en Piet pakte, om weer in de oude stemming te komen, zijn dame om \'t middel en begon een keurigen rondedans met haar uit te voeren, en wel met dit gevolg, dat ze beiden het evenwicht verloren en in een minder gewenschte aanraking met mijnheer en mevrouw Janssen kwamen, die met de dochters en Karei de plaats des on-heils verlieten. Mijnheer Janssen, die aan een hernieuwden aanval dacht, gaf Piet een stevigen stomp en Piet, die eveneens meende, dat het een vijand was, vloog op en gaf mijnheer Janssen een niet ondubbelzinnig bewijs van zijne ontevredenheid. Groot was evenwel de verrassing voor beide partijen, toen zij elkaar herkenden.
»T\\eem mij niet kwalijk, mijnheer Janssen, stotterde Piet verlegen, ik dacht, dat het weer één van die boeren was.quot;
»Ik wist niet, dat een fatsoenlijk man zich zóó gedroeg,quot; antwoordde hij minachtend en ging verder.
Toen Piet den volgenden morgen ontnuchterd was, begreep hij, dat hij het bij mijnheer Janssen verkorven had. Hij kende den man te goed, om niet te weten, dat deze hem nooit vergeven zou, dat hij met zoo\'n boerenmeid in \'t publiek had staan dansen. En die peuter, dacht hij, zou hij ook nog wel voelen Wat zag die ouwe heer er uit, mompelde hij. Geen hoed meer op \'t hoofd , de jas gescheurd, \'t overhemd evenals de respec-
380
tieve kleedingstukken der overige familie alles met een bruin kleurtje geverfd. Ze schijnen de tafel omgesmeten te hebben. En die dronken Karei met Dora aan den arm. \'t Was maar goed, dat zij nog vast op de beenen stond, anders was \'t hem net zoo gegaan als mij. Ze waren zeker veel te verbalderd om zich een goed begrip van Karei\'s toestand te kunnen vormen. Dat \'s maar gelukkig voor hem.
Zoo in zich zelf redeneerende, was hij de deur uit en naar Karei gestapt, om hem te raadplegen, hoe hij het met den Heer Janssen zou aanleggen. Bij den trap kwam de bakkersvrouw hem te ge-moet loopen en riep: »zacht, Mijnheer zacht. Meneer ligt nog wat te slapen. Hij is zoo ziek, zoo ziek. Toen ik hem van morgen riep. wou hij niet opstaan en hij zei niks anders dan dat hij zoo ziek was.quot;
»\'k Zal eens gaan kijken;quot; zei Piet en liep den trap op. In de slaapkamer vond hij Kareis kleêren op een omgekeerden stoel en hem zelf diep verborgen onder de dekens.
»Hoe is \'ter meê, heerschap!quot; riep Piet, terwijl hij hem eens heen en weer schudde.J
sWat is er,quot; bromde Karei en deed zijn oogen half open.
))Kom, hernam Piet, je moet er uit en eens door den wind, dat\'s veel beter.quot;
»Ik wil niet door den wind,quot; antwoordde Ka-rel droomerig.
381
»Hoe laat ben je t\'huis gekomen,quot; vroeg Piet weer, om er wat leven in te brengen.
»Ik weet niet; kijk maar op de pendule, die gaat precies mee.quot;
»Ik zou nu maar opstaan, begon Piet wéér, \'t is al twaalf uur.quot;
»Hè, wat laat!quot; zei Karei, keerde zich om en dutte weer in.
Dat komt er van, als men niet vaker uitgaat, dacht Piet en stapte landerig den trap af.
»Wat scheelt Meneer?quot; vroeg de hospita belangstellend, toen hij door den winkel ging.
«Katterigheid,quot; antwoordde hij kortaf.
»Is \'took gevaarlijk of besmetlijk?quot; vroeg zij weêr.
Gevaarlijk niet, maar wel besmetlijk, zei hij en ging de deur uit, de hospita in grooten angst achterlatende, dat de geheele bakkerij katterig zou worden.
\'s Avonds herhaalde Piet zijn bezoek bij Karei dien hij met een lange pijp in den mond in een grooten leuningstoel vond zitten lezen.
»Hoe gaat het nu?quot; vroeg Piet bij \'t binnenkomen.
«Beroerd, en hoe is het met jou?quot;
»Ook beroerd.quot;
^Ik ben zoo ziek, zoo ziek, vervolgde Karei. Ik geloof, dat ik koorts heb, \'k was van morgen zoo beverig en heb den geheelen dag dorst en hoofdpijn gehad.quot;
382
ȟan ben je katterig,quot; hernam Piet.
»Zoo, zei Karei, is dat nu katterig? Ik dacht, dat dat lang zoo erg niet was.quot;
»\'t Is ook zoo erg niet; \'t zal wel wennen. Maar hoe heb je dat gisteren gemaakt met de familie Janssen ! Hebben ze niets aan je gemerkt?quot;
))Nu ik geloof het niet. Zij zeiden ten minste niets en ik wist ook niets te zeggen en toen heb ik maar afscheid genomen en ben naar de kroeg gegaan.quot;
»Zoo, dat\'s een goed begin.quot;
»Ja, ik heb gisteren een pret gehad voor zes. Ik wil wel eens meer met je uit, Piet, als ik dan maar den volgenden dag niet weer zoo ziek ben.quot;
«Katterig meen je,quot; merkte Piet op. — »Ja, ik meen katterig,quot; verbeterde Karei.
«Maar heeft Mijnheer dan niets gezegd over die scène, die ik met hem gehad heb?quot;-
«Neen, niets.quot; «Maar wat was dat toch eigenlijk? Ik zag, dat je hem in eens een fermen stomp gaf.quot;
Piet vertelde hoe de vork in den steel zat en eindigde: «En nu ben ik bij je gekomen om goeden raad. Ik weet waarachtig niet, hoe ik het met den ouwe zal klaren.quot;
«Vraag hem excuus,quot; zei Karei na eenig nadenken.
«Jawel, daar moet je dien stijven Klaas voor hebben. Hij heeft zich vroeger ook al eens over mijn losbandig gedrag beklaagd.quot;
383
«Probeer het in elk geval,quot; was Karei\'s tweede raad.
«Maar hoe krijg ik hem te spreken,quot; vroeg Piet.
»Door naar hem toe te gaan.quot;
»Dat begrijp ik ook , antwoordde Piet; maar ik ben bang, dat hij mij niet eens ontvangen wil, ten minste de eerste dagen niet.quot;
»Dan moet je nog wat wachten,quot; troostte Ka-rel hem,
»Op zoo\'n manier kom ik niet veel verder, zei Piet; als je mij geen beteren raad kunt geven, dan kun je mij ook niet helpen.quot;
»Wil ik dan excuus voor je gaan vragen?quot;
»Dat is beter, maar ik durf het toch niet aannemen, omdat ik vrees, dat je hem niet van de goede zijde weet aan te pakken.quot;
Weet je wat; als jij bewerken kondt, dat hij mij aanhooren wil, dan geloof ik, datje mij den grootsten dienst bewijzen zult.
Heel graag, zei Karei, die blij was zijn vriend een pleizier te kunnen doen; dan zal ik van daag over drie weken naar hem toe gaan.
Zoo spraken zij af en drie weken later stapte Karei goed geprepareerd na het theeuur naar den heer Janssen om dezen alleen te spreken. Hij had Piet beloofd terstond den afloop van zijn bezoek te komen melden, daar deze niet ver van den heer Janssen woonde. Tegenover zijne kamer toch was een gangetje, waar de achterdeur van
384
mijnheer Janssen uitkwam. Toen Karei wat lang uitbleef, besloot Piet het gangetje eens in te loepen om aan het keukenraam te tikken (het gewone signaal, waardoor hij de bewuste dienstmaagd pleegde te roepen) en de meid te vragen of Karei nog aan de praat was met mijnheer Janssen. Bij de achterdeur\' kwam hij evenwel de meid al tegen, die juist Jen ge vulden asch-bak in het gangetje ging klaar zetten voor den volgenden morgen. Zoodra zij Piet zag, zette zij den bak bij zich neêr en begon een praatje, waarop een lang en gewichtig vervolg kwam.
Ondertusschen had Karei zijn pleidooi bij den heer Janssen meesterlijk volbracht en hem overgehaald om Piet audientie te verleenen. In zijn vreugde wilde hij zich naar zijn vriend spoeden en ging om den weg te verkorten de achterdeur uit, die nog open stond. In het duister zag hij evenwel den drempel niet, strompelde, viel tegen den aschbak aan en met dezen tegen de twee geliefden , die in hun vuur hem niet hadden hooren aankomen, te meer, omdat zij in het geheel geen erg op overrompeling hadden. De meid gaf een gil, vergezeld van een krachtigen uitroep der beide vrinden.
Mijnheer Janssen, die bij het uitgeleide van Karei de kamerdeur niet geheel gesloten had, hoorde het tumult en liep er op af. Toen hij de keukendeur voorbij kwam, werd deze juist door de meid geopend, die, na van den eersten schrik
385
bekomen te zijn zich uit de voeten wou maken. Hierdoor viel er een flauw licht over het noodlottige tooneel, maar toch scherp genoeg, dat mijnheer Janssen de meid met asch overdekt en Piet in een dito costuum zijne oogen kon zien uitwrijven.
»Wat is dat?quot; vroeg hij aan Karei, die nog geheel overbluft was.
))Ik weet niet, stotterde hij , daar hij zijn vriend niet graag verraden wou; ik val over den drempel tegen den aschbak aan.quot;
«Jawel, jawel, viel mijnheer Janssen hem toornig in de rede; ik weet genoeg mijnheer Broek-sema, ik meen reeds vaker zoo iets van je gemerkt te hebben, maar nu is het mij duidelijk gebleken. Ik verbied je om ooit weer over den drempel van mijn huis te komen.quot; Met deze woorden ging hij weg en smeet de deur driftig achter zich toe.
Karei en Piet bleven nog een oogenblik stom tegen elkaar overstaan, totdat Piet zich niet meer kon inhouden en Karei woedend toesnauwde: »Zoo, lieve jongen, is dat helpen? In plaats van mij weer in dit huis te brengen, sluit je er mij voor eeuwig uit. Wacht maar, vrindje, ik zal je wel weêr vinden,quot; en onder deze bedreiging verwijderde hij zich.
In dat ééne ongelukkige oogenblik had Karei zijn eenigen vriend. Piet zijn dierbaarste hoop verloren. Alhoewel Piet den volgenden morgen,
25
386
toen zijn toorn bedaard was, inzag, dat Karei eigenlijk geen schuld had, bleef hij toch nog tegen hem wrokken; want Karei was de oorzaak, dat hij voor altijd van Kee\'s gezelschap zou verstoken zijn en hij gevoelde nu, dat hij meer van haar hield dan hij ooit gedacht had. Bovendien zou ook Karei evenmin den eersten stap tot eene toenadering doen, omdat hij zich bitter gekrenkt gevoelde. Hij was overtuigd, voor zijn vriend gedaan te hebben wat hij kon en nu moest hy zulk een loon ontvangen! Ook in de stemming van de familie Janssen bemerkte Karei verandering ten zijnen opzichte. Kee was stil en stroef tegen hem. maar Mijnheer en Dora des te vriend-lijker Vooral Dora zegevierde over den val van Piet. Zij had het nooit kunnen verdragen, dat Piet zich alleen met hare zuster bemoeide en haar links liet liggen, terwijl zij zich moest tevreden stellen met Karei, die toch lang zoo gezien en zoo aardig niet was. Zij genoot eene zekere voldoening tegenover hare zuster en gevoelde hare ij delheid gestreeld, nu haar (naar zij meende) het hof gemaakt werd door Karei, die zich wéér weinig met Kee ophield. Dora sprak dus nog tweemaal zoo druk met Karei over hoogdravende onderwerpen en bracht den armen man in de meening, dat zij doodhjk verliefd op hem was.
Piet kreeg hoe langer hoe meer spijt over het rampzalige voorval, en zon nog steeds op een
387
middel om met Kee in aanraking te komen. Hij gaf de hoop niet op om alles nog eens te vergoeden , als hij maar eerst een bondgenootschap met Kee kon aanknoopen. Terwijl hij hierover eens zat te mijmeren, kwamen de beide bekende vrienden bij hem oploopen.
»Wel Piet, wat ziet dat er vroohjk uit, begon van Leer; ik wist niet, dat je er ook al melancholie op nahield.quot;
»Ja, zuchtte Piet, \'t is niet altijd zonneschijn.quot;
»Nu, biecht maar eens op, zei Frans, misschien kunnen we die zwarte wolken wel verdrijven.quot;
»Neen, hernam Piet, in deze is je wil beter dan je hulp.quot;
»Kom, zei van Leer, laat maar eens hooren; je bent verliefd op Kee Janssen en ga nu maar verder.quot;
aWie heeft je dat verteld?quot; vroeg Piet onwillekeurig verwonderd.
«JNeen, hernam van Leer, laten we niet van \'t onderwerp afdwalen; ik merk wel, dat het begin goed is; de beurt is aan jou.quot;
»En die oude zeurkous heeft mij zijn huis verbodenquot;, vulde Piet aan.
»Ha, daar hebben wij \'tal, zei Frans; vertel nu maar alles.quot;
»In Godsnaam danquot;, zei Piet en dischte de geheele geschiedenis op.
»En wat heb je met Karei gedaan?quot; vroeg van Leer, toen hij uitgesproken bad.
as*
388
»Niets, antwoordde Piet; wat zou ik den armen kerel doen? Als ik niet bang geweest was dat ik hem in tweëen gebroken had, dan zou hij er stellig niet zoo gemakkelijk afgekomen zijn.quot;
}gt; Maar het eischt toch wraak riep Frans.
»Dat zou ik ook denken, zei van Leer; het beste is, dat we den man eens gaan opzoeken en hem een standje maken. Kom, laten we maar terstond de handen aan \'t werk slaan.quot;
)gt;Mij goed, zei Piet, ik gun hem van harte graag wat, maar blijf er zelf liever buiten, want eigenlijk gezegd heeft hij geen schuld.quot;
»\'t Kan niet schelen, zei van Leer, hij verdient wat voor zijn onhandig vallen. Hij kon best vallen zonder jullui mee om te gooien. Dat komt niet te pas. En bovendien is het een onschuldig vermaak om iemand als hij een beetje op te frisschen.quot;
»Dat zij zoo,quot; besloot Frans en na nog een poosje samen te hebben nagedacht over de wijze, waarop Piet zijn prestige zou kunnen herwinnen en zij tot de conclusie gekomen waren, dat ze er geen licht in zagen, trokken ze op om hun plan ten uitvoer te brengen. Onder weg haalden ze nog een vrindje op, die ook niet ongenegen was om eens kennis te maken met Karei. Zoo kwamen ze dan met hun driëen op de kamer van het slachtoffer, maar vonden den vogel gevlogen.
»Dat treft hij,quot; zei Frans te leur gesteld.
389
»Dat hindert nietquot;, zei van Leer, terwijl hij het licht aanstak en in den groeten stoel zijne ledematen uitstrekte: »hij zal wel weer komen ; het is ten minste niet zijn gewoonte om lang uit te blijven.quot;
In afwachting van Karel\'s komst zocht ieder zich op de meest gemakkelijke wijze neêr te vlijen, totdat Frans eensklaps een ideetje kreeg.
»quot;We konden de kamer wel eens wat gezellig maken, begon hij, als wij hier nog langer zullen zitten; \'t lijkt hier wel een ploertekast, zoo netjes als er alles uitziet.
Het idee vond bij allen een gereeden ingang en een oogenblik later waren ze in de weer als kaboutermannetjes. De schilderijen werden omgekeerd en aan den achterkant geïllustreerd met karikatuur-teekeningen, de boekenhanger moest zijn schat afstaan aan de beddeplank, terwijl hij in ruil daarvoor den onvergetelijken Virgillius moest torschen; de pijpen vonden een zachte rustplaats onder de dekens en de boekenkast werd met weetgierige blikken geinspecteerd. Met deze laatste bezigheid hield van Leer zich onledig, die, na alles te hebben doorsnuffeld, ten laatste Karel\'s portefeuille in handen kreeg. Ook deze werd aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen en zie hij vond een couvert met het opschrift saan de almanak-redactiequot;. Hij brak het open en zijne verwonderde oogen aanschouwden een minnedicht, ondertcekend »Karei Scheeringquot;.
390
Van Leer gebood een oogenblik stilte en er was stilte. Daarna las hij het gedicht met bizon-dere levendigheid voor en stak het in zijn zak met de woorden: «een prul minder in den almanak , die edele renbaan van jeugdige kreupelen.quot;
»Wel zeker, zei Frans, toen de lachbui bedaarde, van wien anders zou men ook een minnedicht verwachten dan van Karei? De liefde is toch ieder ingeschapen. Die haar niet practisch behandelt, doet het theoretisch en als een dichter zijn meisje bezingt, dan doet hij het zóó, dat het arme schepsel wel moet denken, dat hij een ander bedoelt en dat zij bij vergissing het vers ontvangen heeft.quot;
»Stil eens, zei de derde, daar hoor ik wat den trap opkomen; ja zeker, dat zal Scheering zijn.
Frans posteerde zich voor de deur, om Karei met den meest vriendschappelijken handdruk te begroeten. De deur vloog open en Frans omarmde — de bakkersvrouw. Zij wist, dat Karei niet t\'huis was en kwam daarom op het helsch spektakel naar boven. Toen zij hare nette kamer in eene woestenij herschapen zag, barstte zij los: »duivelsche kwajongens, ben dat nu heeren studenten ? Dat ben nou de vrindjes, die als Meneer weg is de boel op stelten zetten. En ik had de kamer nog pas zoo netjes in orde gebracht.quot; — »Zon verduisterende dikte, viel van Leer haar in de rede, sta toe, dat ik je in mijne dunheid om-
391
vadem, om je zonnige wangen met den dauw mijner lippen te beparelen.quot;
»Eeuwige leegloopers, wil jullie nou wel eens maken, dat je weg komt of ik zal mijn man roepen.quot; — »Maar; bekoorlijke Venus, vervolgde van Leer , wat eischt ge van ons het onmogelijke, daar alle uitgang door uwe bevallige gestalte versperd is?quot;
»Wacht, ik zal mijn man gaan halen,quot; schreeuwde de woedende Megaera en schommelde den trap af.
»Mijne Heeren, zei Frans op plechtigen toon, in naam van alle vredebonden noodig ik u uit, dit noodlottige huis te verlaten en ons niet te verzetten tegen de vertoornde huisgoden.quot;
«Frans, zei van Leer, je\'bent een verstandig manquot; en daar de derde het plan ook verstandig vond, verlieten de drie Heeren nog even bij tijds het huis.
Wat wou je met dat vers doen?quot; vroeg Frans, toen zij op straat gekomen waren.
»Ik kan het wel op de post gooien onder het drukwerk, antwoordde van Leer; \'t zal toch wel drukwerk zijn.quot; »Neen wij moeten het Piet eerst nog eens laten lezen, hernam Frans; »het zet de kroon op het verslag van óns bezoek.quot;
Dit gebeurde en toen Piet het gedicht gelezen had, zei hij: sik weet er een beteren weg meê. Wij zullen er een nieuw couvert omdoen en het dan naar de familie Janssen sturen. Die
392
zal wel begrijpen, dat het vers op Dora gemaakt is.quot;
Zoo belandde Kareis gedicht in den brievenbus bij de Janssens.
Toen de meid den volgenden morgen het couvert zonder adres vond, bracht zij den brief aan Mevrouw. Deze toch had streng bevel gegeven om alle brieven zonder adres aan haar te bezorgen , omdat zij in dien vorm altijd de rekeningen ontving, die Mijnheer niet beoordeelen kon en bovendien ook in \'t geheel niet aangingen. Mevrouw was niet weinig verrast, toen zij geen rekening maar een vers in het couvert gesloten vond, en hare vreugde nam niet weinig toe bij het lezen van de handteekening. »Wel, wel, zei ze bij zich zelve ^ dan is het dus waar, wat Marietje verleden vertelde. Och ja, ik had het eigenlijk ook wel gedacht; maar \'t geluk komt nog altijd onverwachts, al heeft men het ook dagen lang vooruitgezien.quot; Terstond ging zij met den brief naar Dora, om deze het heuchlijk nieuws te vertellen.
«Kijk eens, Dora, wat ik hier voor je heb,quot; zei ze, terwijl ze haar een brief overreikte. Dora las, kreeg een blos tot aan het haar en gaf het papier zwijgende aan hare moeder terug.
»Nu, wat zeg je er van?quot; vroeg Mevrouw.
»Ja, wat zal ik er van zeggen,quot; antwoordde ze verlegen en verzweeg: »zoo had ik het eigenlijk niet bedoeld.quot; »Ik kan er zoo dadelijk geen ant-
393
woord op geven. Het papier is geduldig en ik wil daarom liever wachten tot hij zich mondeling verklaart.quot;
»Ja, hernam Mevrouw, in dit geval moet je natuurlijk geheel met je eigen gevoel te rade gaan en daarom wil ik je liever niet raden; maar, dat hij je liefheeft, zie je, dat heb ik al lang gemerkt en bovendien is het ook volstrekt geen kwaje partij; er zijn wel minder engagementen.quot;
»Heeft u er al met Pa over gesproken?quot; vroeg Dora uitwijkend.
«Neen, maar die zal er toch in geen geval wat tegen hebben.quot;
»Is het niet beter, dat we er eerst met Pa nog eens over spreken? We behoeven toch niet terstond te antwoorden.quot;
Zoodoende zocht Dora zich eerst van een oogen-blikkelijke beslissing af te maken, want in waarheid was zij niet zoozeer op Karei gesteld, dien zij wist dat niets bij zijne medestudenten gezien was. Zij was veel te coquet om den schijn op zich te laden alsof zij zich met zóó iemand had moeten behelpen. Dat was hare eer of liever hare ijdelheid te na, Onder het avondeten werd de zaak natuurlijk haarfijn besproken. De slotsom was, dat ze op een mondelinge declaratie van Karei zou wachten, maar dat in zoodanig geval de ouders niets tegen eene verloving hadden.
Tegen alle verwachting bleef evenwel de mondelinge declaratie uit, ja zelfs bracht Karei niet
394
eens op den gewonen tijd zijn bezoek. Mevrouw Janssen meende, dat hij zich geheel ontmoedigd, omdat zijne liefdesverklaring onbeantwoord gelaten was, terugtrok en zon reeds op eene gelegenheid om hem ongemerkt met Dora in aanraking te brengen.
Onvoorziens bood zich deze gelegenheid als van zelve aan. Eenige dagen vóór Pinkster toch verscheen de langverbeide Karei bij de familie Janssen.
sZoo mijnheer Scheering, begon Mevrouw, zien wij je eindelijk eens weer, wij hadden je eigenlijk al veel eerder verwacht.quot;
»Ja Mevrouw, antwoordde Karei, neem mij niet kwalijk, het speet me genoeg, dat ik niet eerder bij u kon komen, maar ik had het zoo ontzettend druk met mijn examen, dat sedert van morgen twee uur tot het verleden behoort.quot;
Op deze woorden volgde een stroom van felicitaties, terwijl Mevrouw haastig naar de kast liep en terugkwam met een grooten pot morellen, eigen maaksel.
sWel Karei, ik zal maar zeggen van Karei, niet? hernam ze, daar kan wat op staan. ISu is het te begrijpen, waarom je zoo lang kondt wegblijven.quot;
»Zeker, zei Mijnheer, dat was ook het eenige excuus. En nu heb je zeker een groot deel van de studie achter den rug?quot; vervolgde hij.
»Het proponents nog, zei Karei, en dan kan ik al beroepen worden.quot;
395
»Ha. ha! lachte Mevrouw en daarom zoek je nu zeker al naar een vrouwtje voor de pastorie, hé?quot;
»Wij hebben het ten minste in der tijd eens uitgemaakt, dat zoo iets er toe behoorde,quot; zei Karei gekscherende.
))Maar we hebben niet uitgemaakt, dat de dames in het pastorieleven zooveel geluk zienquot;, zei Dora.
»En zoudt u er dan zooveel op tegen hebben?quot; vroeg Karei.
»0, o wat een ondeugende vraag aan een jong meisje,quot; hernam Mevrouw.
»Nu ja, zei Karei eenigzins verlegen over zijne woorden, ik meen, in geval het Dora eens werd voorgesteld.quot;
»Nu maak je het nog erger Kareiquot; ; zei Mijnheer.
Karei wist niet meer, wat hij er van denken moest en hoorde met christelijke gelatenheid het geheimzinnige lachen aan. Toen Mevrouw zijne bedeesdheid zag, wilde ze hem te hulp komen en zei: s maar hier is het de plaats o.ok niet voor zulke zaken. Ik weet beter raad. Den tweeden pinksterdag gaan wij als naar gewoonte een rij-toertje doen naar het dorp Z . . .; wanneer je dan eens meêgingt. Karei, wat, dunkt je er van ?quot;
j)Met veel genoegen,quot; zei Karei, die op \'t oogenblik geen ander antwoord wist, hoewel hij begreep, welke voorwaarde bij deze invitatie gesteld was.
396
Nog steeds griefde hem Piet\'s beschuldiging, dat hij Dora in \'t ongeluk zou gestort hebben door haar verliefd te maken, zonder haar zelf te be-beminnen. Bovendien had hij niet onduidelijk gemerkt, wat de Janssens van hem verlangden en verwachtten, zoodat hij zich door zijn geweten geplaagd als een wanhopige in zijn noodlot had gestort. Overtuigd van den gewichtigen stap, dien hij gedaan had, wees hij de uitnoodiging voor het diner van de hand en spoedde zich naar huis , om daar nog eens zijn genomen besluit rijpelijk te overwegen. Zijne overpeinzingen brachten hem evenwel nog meer tot de overtuiging, dat hij een slachtoffer der liefde geworden was; hij zag, dat het hem onmogelijk was zich uit hare strikken te ontwarren en met een »o Heer, uw wil geschiedequot; besloot hij ook verliefd te zijn en Dora\'s hart, hand enz. op den bewusten rijtoer te vragen. — Zij is toch altijd zoo lief en vriendelijk tegen mij , troostte hij zich en we kunnen samen zoo prettig zitten praten, wat wil ik dan ook nog meer?
Toen de tweede pinksterdag den eersten opgevolgd was en de lieve lentezon een paar uren tegen Karel\'s ramen had aangekeken, werd zij eindelijk voor dit vervelend werkje rijk beloond, doordat Karei zijn gordijn opende. In een oogwenk drongen hare nieuwsgierige blikken in de kamer en spiegelde zij zich welgevallig in een paar verlakte schoentjes, een glimmende nieuwen
397
hoed, een paar handschoenen (perle de gris) en een kunstig geplooid overhemd. Al deze weeldeartikelen benevens een legio voorschriften had zijne moeder hem voor deze gelegenheid aanbevolen en als een liefhebbend zoon had hij aan haar verzoek nauwgezet voldaan. Hij had zich reeds volkomen in zijn lot geschikt, ja hij verheugde zich er in, omdat hij wist, met welk eene vreugde zijne ouders zijne keuze hadden toegejuicht. Bovendien had hij zich genoeg overreed om er niet meer aan te twijfelen, dat hij Dora beminde. Eén sombere gedachte evenwel knaagde aan zijn geluk. Hij begreep n.1. nog niet, hoe hij het met zijne declaratie zou aanleggen. Zijne moeder had hem gewaarschuwd om vooral toch niet te beginnen: Dora, ik bemin u met al de liefde, die in mij is of zoo iets, want dat was veel te abrupt; dat zou haar te plotseling overvallen, zoodat ze verlegen zou staan zonder hem te kunnen antwoorden, of ze zou misschien eerst uitvluchten zoeken, al meende ze die ook niet. Seen, hij moest het gesprek leiden op de liefde en haar ongemerkt zijn gevoel en gezindheid openbaren. Terwijl hij hierover philosopheerde, kwam hij langzamerhand in zijn minnaarscostuum terecht en nadat hij zich overtuigd had, dat alles onberispelijk zat, ging hij in optimo forma naar de familie Janssen.
Bij zijne komst vond hij het rijtuig en het ge-heele gezelschap al wachtende. Men stapte dan
398
ook terstond in en met een paar zweepslagen, die de beide viervoeters uit hunne dulce far niente wekten, werd de tocht ingeluid. De heenreis was stil en saai. Karei peinsde nog altijd over het beste middel om zijn liefde te verklaren, Dora en Kee waren weinig gestemd tot spraakzaamheid , de eerste omdat zjj gevraagd zou worden en de tweede, omdat zij niet gevraagd werd; Mijnheer en Mevrouw zwegen wegens de bewustheid van het gewicht des oogenbliks en Marietje amuseerde zich met het bestudeeren der verschillende gelaatstrekken.
Zoo arriveerden zij in het dorp Z.....,
waar ze eerst onder \'t genot van een kop koffie wat gingen uitrusten van het rijden. Na de koffie stelde Mevrouw voor om eene wandeling door het bosch, den roem van \'t dorp, te doen. Het plan werd door allen goedgekeurd en met Dora aan den arm stapte Karei vooruit. De overige familie vertraagde haren gang al meer en meer, om de beide gelieven vrij spel te laten, zoodat zij weldra uit het oog verloren waren. Over koetjes en kalfjes pratende , liepen ze ongevoelig door, en volgden zelfs nog een eind weegs den straatweg, die langs den zoom van het bosch liep. Herhaalde malen stond hij op \'t punt van zijn hart uit te storten, maar telkens bleven hem de woorden in de keel steken. Yruchteloos had hij naar een geschikte inleiding gezocht, totdat
399
zij eene boerenwoning voorbij kwamen, waar eene menigte bloemen voor de glazen stonden.
«Zie eens, zei Karei, op de bloemen wijzende: dat is de poëzie onzer volksklasse, die zoo welsprekend als geen dichter onzen volksgeest en ons karakter teruggeeft.quot;
»Zij zijn de weelde der armenquot;, antwoordde Dora.
))Ik heb het zoo dikwijls ondervonden, hernam Karei, dat de bloemen de tolk zijn van huislijke vrede en geluk, hoewel velen onder ons meenen, dat die niet bestaan onder de armen. Zij lachen er om, wanneer zij die arme menschen op ongekunstelde en naïve wijze hunne liefde zien te kennen geven. Maar wie zelf een liefdevol hart bezit, zal niet lachen om die hoogste aller mensch-lijke deugden, zal niet meenen, dat er onder die havelooze kleêren geen hart klopt, dat even als het hunne onverbrekelijk aan kroost en gade hangt.quot;
»Zullen wij niet eens omkeeren?quot; zei Dora, daar zij wel zag, waar het gesprek zich heen-wendde.
Hij voldeed aan haar verzoek, maar zonder zich te laten storen vervolgde hij zijne ontboezeming. »Ja, het mensehlijk hart is als een bloem , die tot de zon zijne bloesems neigt en zijne bladeren ontplooit.quot;
»Zie eens, wat een heerlijk bed aarbeien, viel
400
Dora hem weer in de rede; ze zien er uit om te stelen.quot;
Door deze koelheid eenigzins uit het veld geslagen , vreesde hij, dat zijne al te stoute woorden haar gekwetst hadden en vroeg om het weer goed te maken: »Willen wij den eigenaar eens verzoeken, wat voor ons te plukken ?
»Eeel graagquot;, antwoordde Dora, die op deze wijze het lastige gesprek hoopte te ontduiken.—-»Hé, zei Karei, dat is aardig; de tuin behoort juist aan het huis met die bloemen.quot;
Zij traden het tempeltje van huislijke vrede binnen ; maar niet zoodra waren zij over den drempel der huiskamer of daar snorde een bloempot hun rakelings voorbij tegen de deur aan. Yer-schrikt keken zij rond en bespeurden een man, in kennelijken staat van dronkenschap, tegen den muur geleund en in een hoek tegenover hem een weenende vrouw, op wie eigenlijk de bloempot gemunt was.
»Help mij, help mij, mijn man wil mij vermoorden!quot; schreeuwde de vrouw, toen zij Karei zag.
Yoor een oogenblik had er een hevige tweestrijd in Karel\'s gemoed plaats tusschen vrees voor de overige bloempotten en medelijden met de vrouw. Het laatste gevoel overwon evenwel en met behulp van de gedienstige gade zette hij den huisbaas de deur uit. Nog een oogenblik bleef de beleedigde man eenige vervloekingen en scheld-
401
woorden staan uitbraken en trok toen voldaan en getroost weêr naar de kroeg.
Zoodra Karei Dora door de heilzame werking van putwater en de vrouw door de niet minder heilzame uitwerking van een zilveren portretje des konings (want vooral in dit opzicht zijn de armen zeer koningsgezind) tot bedaren gebracht had, zocht hij zöo spoedig mogelijk het rampzalig too-neel te verlaten. Hoe bewogen hij ook was door de jammerklachten der vrouw, het doel van dien dag zweefde hem te veel voor den geest, dan dat hij dat ook maar één oogenblik uit \'t oog zou kunnen verliezen. Toen zij buiten gekomen waren, vroeg Dora met een zucht: »zouden er bij ons ook zulke tooneeleu voorvallen?quot;
))Ik hoop het niet, antwoordde Karei even weemoedig; maar in elk geval merken en verwachten wij het niet zoo bij ons.quot;
Hierop volgde een kort stilzwijgen, dat hij, om de droevige gedachte te verdrijven en weêr op zijn verhaal te komen, afbrak zeggende: szie eens, Dora, hoe lief die waterlelies in die sloot bloeien. Achter die bloemen is toch zeker niet zooveel ellende verborgen of zou daaronder misschien ook een ongelukkige kikkerfamilie wonen ?quot;
«Ik hoop het niet, hernam Dora schertsend; in elk geval merken en verwachten wij dat zoo niet. Maar zou je zoo\'n lelie voor mij kunnen plukken?quot;
»Wel zeker, zei Karei, die blij was haar een dienst te kunnen bewijzen; ze groeien vlak aan
26
402
den kant.quot; — Haastig liep hij naar de sloot, trok de lelie aan zijn langen, taaien stengel een eindje uit het water tot die plotseling afbrak en Karei door een kleine onderdompeling ten tweeden male het bedriegelijke der bloemen moest ondervinden. Dora gaf een gil, maar voordat zij flauw kon vallen, stond onze held reeds voor haar en overreikte haar met een sierlijke beweging de duur gekochte lelie. Over zulk eene ridderlijheid verbaasd, nam zij het geschenk met een vriend-lijk dankje en knikje aan en ried hem zoo gauw mogelijk naar het logement te gaan om zich van drooge kleêreu te voorzien. Dien tengevolge was met Karei tevens zijn declaratie in \'t water gevallen.
Met behulp van den logementhouder gelukte het hem van een boer het zondagspak van zijn pas overleden zoon te leenen en zoo verscheen hij dan in een lange jas met daaldersknoopen, in een broek, welks deelen niet allen even symmetrisch waren en in groote kleilaarzen bij de familie Janssen, die zich juist om een wel voorziene tafel geschaard had en in diepe aandacht luisterde naar het middaggebedje, dat Marietje als naar gewoonte opzei. Pas had zij echter even naar den binnenkomenden Karei gegluurd of zij begon op eens te schateren van \'t lachen en vergat de geheele plechtigheid. Ook Mijnheer bleef zijne bestraffing schuldig, toen hij den gemetamorphoseerden Ka-rel zag en lachte met het geheele gezelschap meê. Natuurlijk moest hij alles met kleuren en fleuren
403
vertellen, hetgeen bij allen eene groote vroolijk-heid te weeg bracht behalve bij Mevrouw, die uit het verhaal wel begreep, dat er van de liefdesverklaring niets gekomen was. Daarom stelde zij na het eten een tweede wandeling door het bosch voor, terwijl zij tot voorwendsel nam, dat Karei vóór den terugrid nog wel eenige beweging noodig had om weer warm bloed te krijgen. Karei ondersteunde haar voorstel met het vaste voornemen om bij deze gelegenheid zijn kans te wagen.
«Zullen wij eens probeeren of wij nu een gelukkiger wandeling kunnen doen?quot; vroeg Karei aan Dora, terwijl hij haar den arm bood.
»Jawel, antwoordde zij, maar laten wij dan bij elkaar blijven, want anders is het bij het weggaan een heel gezoek om elkaar weer te vinden.quot; — ))Ja, viel Mevrouw er tusschen, ga maar vast vooruit; wij volgen dadelijk.quot;
Nu werd dezelfde taktiek van den eersten keer gevolgd: de familie zocht al meer en meer achteruit te komen en Karei vooruit, Marietje had evenwel gedurende dezen dag wel gevat, dat er een geheim broeide, waarvan zij niets wist, en daar zij deze gedachte niet verdragen kon, spitste zij bij elk woord hare ooren of zij ook op de een of andere wijze iets vernemen kon. Mistroostig over het mislukken harer pogingen, had zij reeds de hoop opgegeven, toen haar argwaan op Dora en Karei viel, die weer vooruitliepen. Haar ver-
2(5*
404
moeden werd zekerheid, zoodra zij bemerkte, dat haar mama haar bij zich wilde houden, waarom zij de eerste de beste gelegenheid aangreep, om ongemerkt te ontsnappen en hare zuster na te sluipen.
Met schrik bespeurde Mevrouw eensklaps, dat Marietje verdwenen was en zond Kee uit om haar terug te halen. Terwijl deze langs alle kronkelpaadjes de vluchteling zocht, die na een poosje vruchteloos te hebben rondgeloopen uit vrees voor verdwalen teruggekeerd was, zag zij onverwachts Piet voor zich staan.
Piet toch had den rijtoer der familie Janssen vernomen en was eveneens met zijne beide vrienden naar het dorp gereden in de hoop van Kee daar alleen te kunnen aantreffen. Zoodra hij gezien had, dat de familie het bosch inwandelde, was ook hij het bosch ingegaan om zijn geluk te beproeven en zie, het duurde niet lang of hij zag haar alleen ronddwalen. — In een oogwenk stond hij voor haar.
Kee kreeg den geprivilegeerden blos der blankhuiden , keek verlegen voor zich en liet het woord aan Piet, die op dit oogenblik gaarne het ))hon-neur aux damesquot; toepaste. — Eindelijk begon hij: Kee, ge weet zeker hoe en waarom ik uit uw huis verbannen ben. Zoudt ge mij gelooven en vergeven, wanneer ik u verzeker, dat het een onbedachte brooddronkenheid was, die mij door de straf voor altijd verleerd is?
405
»Ja wel — fluisterde Kee, maar waarom vraagt ge mij dat?quot;
»Omdat ik u en u alleen noodig heb om uwen vader tot vergiffenis over te halen en nu vraag ik u of gij mij daartoe helpen wilt.quot;
»Ja, antwoordde zij schuchter, maar hoe?quot;
»Ik weet een middel, zei Piet met klimmen-den nadruk, ik weet een middel, wanneer gij mij helpen wilt, zooveel gij kunt.
»Ja, zei ze weer zachtkens, terwijl zij nog sterker bloosde; dat wil ik wel.quot;
»Nu dan, hernam Piet en legde zijn hand op haren schouder, er is maar één middel, vereenig uw eigen belangen met de mijne, en laat uwen vader mij vergeven om uwent wille.quot; — Kee sloeg als geelectriseerd hare oogen op, zag hem aan, sloeg ze weer neer en bleef zwijgen. — «quot;Wilt gequot;, riep hij hartstochtelijk en greep hare hand ?
»Jaquot;, antwoordde zij bijna onhoorbaar en ging werktuigelijk aan zijn hand mee naar hare ouders.
Toen zij bij hen kwamen, zagen zij niet ver af Karei en Dora elk met een donker gezicht uit een zijlaantje verschijnen. Deze beiden toch waren niet zoo gelukkig geweest. Zoodra Karei meende ver genoeg buiten \'t gezicht en \'t gehoor zijner medemenschen te zijn, nam hij eensklaps een moedig besluit, viel op zijn kniëen en begon zonder op de waarschuwing zijner moeder en zijne landlijke kleedij te letten: «Beste Dora, ik bemin
406
je meer dan ik zeggen kan. Lang hebben mijne lippen verzwegen, wat mijn hart gevoelde, maar mijne daden hebben het u zeker verraden. O! maak mij gelukkig, zooals ik hoop u gelukkig te maken.....quot;
Bis! bis! klonken twee schaterlachende stemmen uit een naburig boschje. Het waren de twee vrienden van Piet, die hem in het bosch gevolgd eh op \'t gezicht van Karei en Dora achter deze aangeslopen waren en zoodoende het geheele voorval bespied hadden.
Dora kreeg het verschrikkelijk op de zenuwen, en snauwde hem toe: »Jij spotvogel, heb ik dat aan je verdiend? Moest je mij zóó bedriegen? Eerst stuur je mij mooie verzen en dan behandel je mij zoo, huichelaar!quot;
Karei stond geheel en al overbluft en kon geen woord uitbrengen dan: »Ik heb je nooit een enkel vers gestuurd.quot;
»Wat, heb je dat nooit gedaan? Wou je misschien ook ontkennen, dat je niet met opzet in zulke kleêren en in tegenwoordigheid van je vrinden, mij je liefde verklaard hebt?quot; — Met deze woorden liep ze huilende naar hare ouders terug, op den voet gevolgd door den ongelukki-gen Karei.
Het eerste oogenblik der ontmoeting of liever der botsing was indrukwekkend, treffend, overstelpend. Onbeweeglijk, sprakeloos ja ademloos stond het geheele gezelschap daar alsof zoo juist
407
het kommando van den photographist: »pas op, daar komt een vogeltje uitquot; gehoord was. Verwondering , teleurstelling, hoop , schrik, nieuwsgierigheid , alle negentiende eeuwsche gewaarwordingen zweefden op de respective aangezichten, \'t Verstand bezweek voor \'t misverstand.
Piet herstelde zich het eerst en ging onbeschroomd naar den heer Janssen. —- «Mijnheer, zei hij, in naam van Kee en mij zelve vraag ik u vergiffenis voor hetgeen gij van mij ondervonden hebt. Dat gij mij uw huis verboden hebt, was een te zware straf om mij niet geheel te verbeteren. — Karei, ging hij voort, terwijl hij hem de hand toestak, een tijdlang is onze vrien-schap verbroken geweest, hoewel mijns ondanks. Ik was te trotsch, niet te vijandig om den eersten stap te doen, maar nu roep ik je hulp in om te getuigen, dat er geen ander kwaad in mij stak dan een misschien al te onbedachte levenslustigheid.quot;
Karei nam de hand van zijn ouden vriend gretig aan en antwoordde: «Mijnheer, ik zal voortaan uw huis niet meer bezoeken. Gij hebt dezen dag een schoonzoon verloren maar tegelijk een niet minderen gevonden. Neem hem in mijn plaats en ik verzeker u, dat gij geen slechten ruil doet.quot; Ondertusschen had Kee ook hare moeder overgehaald om hare bede bij de hunne te voegen en zoodoende zwichtte mjjnheer Janssen eindljjk voor de overmacht.
408
»Piet, zei mijnheer Janssen, dat zij dan vergeven en vergeten.quot;
»Bezegel dan dezen vrede nog, door mij Kee tot onderpand te geven,quot; hernam Piet.
Mijnheer en Mevrouw zagen elkaar aan, zij begrepen elkaar en Piet en Kee waren geëngageerd — Maar Karei ? Zoodra hij van Piet vernomen had, hoe hij hier gekomen waa, stelde hij dezen voor, met hem van rijtuig te verwisselen. Zijne opgedrongen liefde was tot onverzoenlijken haat overgeslagen, zoodat hij Dora voortaan met de grootste zorg zocht te ontwijken. Nadat Piet aan Karei de verzekering gegeven had, dat zijne vrienden hem wel zouden willen meenemen, nam hij afscheid van de familie Janssen onder het voorwendsel, dat zijne kleéren nog niet gedroogd waren en hij onmogelijk in zulk een kostuum kon terugkeeren. Hoeveel moeite Mijnheer en Mevrouw ook deden om hem te bewegen met hen terug te gaan of ten minste te vertellen wat er voorgevallen was, in de hoop, dat zij alles nog zouden kunnen schikken — het was te vergeefs.
»Het is zoo beter, zeide hij, en laat het zoo blijven. Gij zult genoeg van Dora hooren, maar doet mij nu het laatste genoegen en Iaat Piet mijn plaats in het rijtuig innemen, dan zal ik met zijne vrinden terugkeeren.quot; — Zoo werd er besloten.
Piet en Karei gingen samen naar Frans en van Leer, die niet weinig verwonderd waren over
409
deze plotselinge verandering. Piet vertelde hun den geheelen staat van zaken en eindigde: »En nu vraag ik nog een dienst van jullie. Vroeger heb je mij op Karei gewroken, omdat hij mij, hoewel zonder het te willen, verraden had; doet mijn u nog grooter genoegen en verzoent je met hem, omdat hij mij zoo edelmoedig geholpen heeft.quot;
Piet\'s woorden bleven niet zonder invloed, want het waren echte vrienden, die zijne vrienden ook voor de hunne hielden. Ze sloten dien avond met hun vieren een heilig bondgenootschap ter eeuwige bestrijding van onderlinge vijandschap.
De familie Janssen reed weg, maar Karei bleef met zijne nienwe vrienden »nog even het fleschje leegdrinken,quot; m. a. w. ze bleven nog zitten pimpelen, totdat Karei\'s kleêren kurk droog en het gezelschap inwendig klets nat was. De zorgver-dnjvende wijn had Karei reeds geheel de onaangenaamheden van den dag doen vergeten, toen het drietal eindelijk in uitgelaten vroolijkheid terugreed en wel naar de kamer van Karei, die hen geïnviteerd had. De verwoesting, die Frans en van Leer daar eens aangericht hadden, gaf natuurlijk rijke stof tot schertsen en lachen. De geschiedenis van het vers werd smakelijk opge-discht en bij elk nieuw tafereel, dat er opgehangen werd, kwam een vriendschapsdronk te pas.
«Morgen kom jullie bij mij, riep van Leer, dan zullen we daar in gezelschap van Piet onze kennismaking voortzetten.quot; — ))En overmorgen bij mij,quot;
410
zei Frans — »en dan den volgenden avond bij mijquot;, riep Piet, die juist op dat oogenblik binnenkwam. »Flink zoo, vervolgde Piet, dat marcheert goed. Karei, zei hij en klopte hem ferm op den schouder, dat is een onvergeetlijke dag voor ons beiden. Jij hebt voor die malle Dora, die je toch niet mocht lijden, drie vrinden gevonden, en ik heb van daag een vriend en een vriendin gekregen.quot;
»Ik ben er niets treurig om, hernam Karei, want ronduit gezegd ben ik nooit doodelijk verliefd op haar geweest.quot;
»Des te beter, zei Piet. — Wel, wel, ik dacht niet, dat het zoo met jullie zou boteren. Toen ik van de Janssen kwam, wou ik eens zien of jij op de kamer waart, om je nog eens hart-lijk te danken, maar ik had nooit gedroomd, dat het hier zóó toeging, \'t Schijnt wel waar, dat de mensch wikt, God beschikt.quot;
Toen de zon weer tegen de ramen van Karel\'s kamer scheen, zag zij door een reetje van \'t gordijn de vier vrinden nog met prettig-roode gezichten druk zitten redeneeren. De vriendschapsband, die dien avond om hen geslagen was, werd in de drie volgende nog versterkt om niet weer te breken.
Een jaar later was Karei niet meer te herkenken. Hij was een vroolijk, levenslustig student geworden, die op zijn tijd de boeken voor een pretje wist op zijde te zetten.
\\V. A. A. HECKER.
DE TEOTS VAN DEN GRANDE OF DE WRAAK EENS BROEDERS.
Eene ecJil- Spaansche hallade in 36 coupletten.
Donna Clara staat aan \'t venster.
\'t Schijnt dat iets der jonkvrouw grieft, Let slechts op die smachtende oogen! Donna Clara is verliefd.
Niet maar voor een korte wijle,
Neen! voor eeuwig is die min;
In het Spaansche maagdenharte Dringt slechts ééns Cupido in.
Marmerblank is Clara\'s voorhoofd, Schuldeloos is Claras ziel,
Ravenzwart zijn Clara\'s lokken Zonder hulp van Théophile.
412
Eigen haar en eigen boezem,
Niets aan haar is nagemaakt;
Geen Cohen heeft met zijn scepter Ooit haar tanden aangeraakt.
Even als de Baschi-Basouk Reikhalst naar \'t verlof tot moord; Zóó verbeidt de schoone Clara Hem, wien \'t kloppend hart behoort.
Donna Clara staat aan \'t venster, En zij staart naar iedren kant;
Donna Clara ziet geen srtervling, Donna Clara heeft het land.
Weet zij dat door vruchtloos staren Ras bijziendheid zich vertoont;
Weet haar minnaar dat in Spanje Geen Professor Donders woont?
Neen! Geen hoogre-burgerschole Werd door hem of haar bezocht, Beiden wisten niets van \'t gene Daar voor wijsheid wordt verkocht. —
Zaagt ge wel eens \'t vunrge schijnsel Van een Zweedschen tdndstickor, Yan een lucifer de vlamme
Utan svafvel och fosfor1?
413
Zóó onschaadlijk schiet uit de oogen Yan het meiske een minnevlam, Toen ze aan \'t harte duidlijk\' voelde Dat de »rechte Jozef\' kwam. —
Yliegend stormt van verre nader Met een ongeleenden spoed (Op een Kastiljaansche merrie)
Clara\'s minnaar conté qu\'il coiite.
Purperverw kleurt Clara\'s wangen Nu ze haar ygt; galantquot; herkent En met haar mantilla wuivend Hem haar welkomstgroete zendt.
De eedle jongling is genaderd En hij stremt zijn snelle vaart. Dampend rijst een nevel van het Isabella-kleaiig paard.
\'t Scheen dat, spoedig afgestegen, Hij een wijle zich bezon;
Daarop sloeg hij met zijn zakdoek \'t Stof van laars en pantalon.
Driftig is de caballero \')
Weldra in \'t kasteel gesneld,
*) Spreek uit: kavaljéero.
414
Want juist stond de voordeur open,
Daar de melkboer had gescheld.
Eéne terts! — Daar treedt de jongling Donna Clara\'s kamer in,
»0! don Raimond/quot; roept de jonkvrouw, «Object van mijn vuurge min!quot; —
»Zwijg I Trouwlooze!quot; schreeuwt don Raimond, «Slang, gekoesterd aan mijn borst!
»Adder, onder \'t gras verscholen,
»Die mij laag misleiden dorst!quot;
\'t Bleeke van den zieken jongling Des gevoel\'gen Jan van Beers,
Haalt niet bjj \'t gelaat der jonkvrouw,
Aaklig grauw en pimpelpeers.
»Ach! mijn Raimond! teergeliefde!quot;
Brengt zij nauwlijks, snikkend, uit,
»Waarin heb ik u bedrogen,
))Ik, van morgen nog uw bruid?quot; —
ïHoe, vermeetle! Durft ge \'t vragen? «Luister en verneem uw straf!
»\'t Zilte nat van alle zeëen jWascht uw snood bedrijf niet af.quot;
»Zeidet gij niet menigwerve »Als uw mond m\'een kusje bood,
415
«Dat de moeder uwer moeder »Uit den stam der Stella\'1 a sproot?quot;
»Niet uit Stella\'s eêl geslachte,
»Maar gij stamt van Strelld\'s bloed!
»Wist gij niet dat de eer eens Grandes »Hem voor mésalliance behoedt?quot; —
»\'t Was Alonso . . . quot; — »Zwijg, rampzaalge Roept de Grand\' met bittren wrok,
Beef! De vader van de tante »üwer moeder was een kok!quot; —
Daarop laat de fiere Raimond \'t Hevig siddrend meisje alleen. —
Clara zinkt bewustloos neder,
\'t Arme kind is koud als steen. —
Hemel! Daar komt Clara\'s broeder: Don Alonso Esteban Y san Jago Compostella Ruy Fernande Fabian!
ygt;Eau d\'Anvers!quot; beveelt hij luide; Weldra wordt het hem verstrekt. Spoedig heeft hij nu zijn zuster Uit den schijnbren dood gewekt.
416
«Wraak, mijn broeder!quot; zucht de jonkvrouw. »Ha, \'kbegrijp!quot; is \'t wederwoord En hij toeft geen oogwenk langer,
Maar rent als de stormwind voort. —
Nog zat Raimond niet in \'t zadel
Toen Alonso reeds verscheen.
»Ha, \'k begrijp!quot; zoo schreeuwt de Grande,
»Vaar ook gij ter helle heen!quot;
Zwijgend trachten beide elkander Neer te vellen door hun blik;
\'t Vruchtelooze van dit kampen Zien zij echter dra met schrik.
Don Raimondo trekt zijn degen,
Don Alonso trekt zijn zwaard,
En zij stormen, \'t oog vol woede,
Op elkaar in schrikbre vaart.
»Daar, trouwlooze!quot; krijscht Alonso,
\'t Loon voor uwe hoovaardij 1quot; —
«Hier, ontzinde!quot; krijscht Raimondo,
»\'t Loon voor uw bedriegerij!quot; —
De eigen stond bracht beiden wrake.
Raimond zeeg ontzield ter aard:
Doodlijk was de schedel-wonde Toegebracht door \'s vijands zwaard.
417
In Alonso\'s boezem daalde Diep des Grandes degen neer;
Doch Alons zingt eerst een klaaglied En dan leeft hij ook niet meer.
Donna Clara stond aan \'t venster. Donna Clara zag den strijd, Plotsling breekt haar \'t edel harte En ook zij is \'t leven kwijt.
Vindt ge \'t, lezeres! wat aaklig Dat het eind zóó droevig luidt,
Ai! vergun me u te verklaren Wat deez\' sombre zang beduidt:
Mijd voor immer Spaansche zangen (\'k Geef u daar een besten raad)
En dat wel om deze reden:
Wijl \'t er steeds te Spaansch toegaat!
1877. ■ aleipie.
(d. m, maaldrink.)
27
FEESTZANG.
In \'t voorleden,
Ligt het heden In het nu, wat worden zal.
BILDERDIJK,
Hef thans het hoofd omhoog, met heldenmoed in de oogen. Met trotsch gevoel in \'t hart, o Gruno\'s stedemaagd! De vuige lastertaal ziet zelve zich bedrogen!
Triomf! Aan u de zege, uw haatren staan versaagd!
Triomf! Met blij gemoed de vane omhoog gestoken! Hoe helder prijkt dat groen, gepaard aan \'t reine wit! Een nieuwe dageraad is voor u aangebroken,
Nu gij van angst b e v r ij d uw eêlste telg bezit.
Triomf! Thans stroomt het bloed met nieuwen gloed doot
de aadrenl
Triomf! De juichtoon schalie! Uwe academie staat! — Doch eerst een lied tot dank aan \'s lands beschreven vaadren Die toonden dat hun \'t heil des lands ter harte gaat.
419
GRUNO.
\'t Hoofd verheffend,
\'t Heil beseffend
Vloeit uit Grunos hart dit lied
U te prijzen,
Die als wijzen
Mij niet gansch en al verstiet,
Winzucht broedde,
Afgunst woedde,
Beiden gingen hand aan hand,
Om zich zeiven
\'t Graf te delven,
Door uw wijsheid overmand. : Spotzucht laakte,
Laster braakte
Onbeschaamd zijn logens uit;
Maar rechtvaardig
Hebt volvaardig
Gij hen in hun vaart gestuit.
Hier verachtte,
Grinds verkachtte
Men van Gruno\'s telg den roem,
Maar uw streven
Schonk haar leven,
Schonk den dauw der teedre bloem.
Zelf besloten,
Meest verstoeten,
Steunde zij op eigen kracht,
Maar de zege
27*
420
Nu verkregen
Brengt mijn dochter grooter macht,
\'t Hoofd verheffend,
\'t Heil beseffend
Vloeide uit Gruno\'s hart dit lied
U te prijzen ,
Die als wijzen
Mij niet gansch en al verstiet.
Grelijk het blonde azuur des hemels wordt verduisterd. Wanneer het neevlenheir met spoed zich samentrekt, Gelijk, als dan de stilt\' den wind in boeien kluistert En drukkende atmosfeer de dorstende aard bedekt,
Daarna het onweer woedt: zoo spiegelt zich \'t verleden Van Gruno\'s hoogeschool in \'t laatste tijdperk af.
Doch \'tonweer schaadde niet! O! dat de zon van \':
[Hedei
Steeds aan het grauw verschiet een rozentint verschaff!
Onzeker als het schip dat, zwalpend op de baren, Door stormgeloei gezweept, den koers verloren heeft. Terwijl uit zeil en touw des zeenians oogen staren Of in de vert\' geen land den oceaan omgeeft:
Onzeker als de tred des rappen Alpenjagers,
Als hij de gems te ver vervolgde in sprong en loop En plotseling sneeuw en storm zich toonden zijn belagers. Zoodat de twijfel rijst, steeds flauwer blinkt de hoop:
Onzeker als de kans , die zege doet verwerven , Als tegen \'t machtig heer een machtig overstaat En duizendtallen eerst als helden moeten sterven,
Zoodra het krijgsgedruisch zich dondrend hooren laat:
421
Zóó was ook uw bestaan , uw leven Alma Mater!
Heil u ! Die tijd vervloog , de onzekerheid verzwond ! »ONZE ACADEMIE BLIJFT !quot; weerklonk \'t en weinig later Werd door het gansche Noord die vreugdemaar verkond.
ALMA MATER.
Na kommer en angsten, gevaar en verdriet Yertoont zich dan eindlijk een glansrijk verschiet Macht van zorgen Van den morgen Tot den laten avondstond,
Wijk voor immer!
U wijkt nimmer \'t Purperrood van d\' ochtendstond.
Nu gord ik, na strijden om \'t wettig bestaan, Tot eerlijken wedstrijd de wapenen aan.
Valsche riddren Deden siddren Mij, op \'t slagveld gansch alleen ;
Maar de leuze \'
Mijner keuze Deed mij fier hen tegentreên.
Nu juich ik mij zelve bewust van mijn kracht, Daar wijsheid mij eindlijk rechtvaardiging bracht. Steeds \'t Verleden Op mijn beden Sloeg meèdoogloos nauwlijks acht,
422
Maar het Heden Wijst met reden Dat mij schooner Toekomst wacht.
Wanneer, na lange ziekt\', van zijne sponde een lijder Allengskeiis zicht verheft en staag in krachten wint,
Zoodat hij gansch herstelt, dan straalt zijn oogblik blijder, Dewijl hij sterker dan te voren zich bevindt.
De worm, die aan den stam van uw gezondheid knaagde Stuiptrekkend kromt hij zich, geliefde Hoogeschool!
En de eigen heldenkracht, die in uw ziekte u schraagde. Vlecht om uw slapen thans een schittrend aureool.
Houd Alma Mater! trotsch \'t vijfkleurig doek geheven! Verheug u dat geen blauw ontbreekt aan uw banier! Voortaan zij slechts één doel het oogmerk van uw streven: •»Door kracht tot bloei!quot; zoo klinke uw leuze, schoon en fier!
Steun, Gruno! gij uw telg met kracht in \'t edel pogen, Dan blinkt voor haar en u een heerlijk schoon verschiet, Dan kunt met meerder trots gij op uw parel bogen, Dan wijkt voor vreemden roem uw eigen glorie niet!
Dan .... heil u, voedsterling der dierbare Alma Mater! Dan rijst op uw banier de zon met gouden pracht,
Gelijk de Zeeuwsche leeuw zich opheft uit het water En zich na zwaren kamp vertoont met forscher macht.
VINDICAT.
Trotsch op \'t Verleden Ontplooi ik mijn vlag.
423
Die zich Nog nimmer Bezoedelen zag.
Alle
Gij zonen,
Die volgt mijn banier!
Hoort naar Mijn woorden Verzamelt u hier!
»Blijft als »Voorheen aan »Mijn leuze getrouw,
»Zij het »In voorspoed «Of tijden van rouw!quot;
» Vroeger «Gestadig «Gebukt onder vrees,
«Denkt hoe «Het rood van «Den morgen verrees!quot;
«Sterkt dus «Door eendracht «De kracht van mijn zwaard, «Daar dan «Slechts rozen «De toekomst u baart!quot; —
424
Hierop Yertrouwend Ontplooi ik mijn vlag. Die zich Nog nimmer Bezoedelen zag.
D. M. MAALDRINK.
DE BLOEMEN.
Het was een lieve lentedag, Een wichtje speelde in \'t yeld En plukte van de bloempjes, bij Geen duizenden geteld.
Ze had een drukte van belang En ieder bloempje, dat Ze \'t laatste plukte, vond ze weer Het mooiste, dat ze had.
Haast was voor \'t bonte veldbouquet Haar handje veel te kleen;
Daar zag ze nog één bloempje staan, Zoo mooi toch had ze geen.
En ijlings liep ze naar den kant Van \'t spieglend watervlak,
quot;Waar een viooltjen uit het gras Zijn kleurig hoofdje stak.
426
Verloren in haar blijde vondst,
Greep ze opgetogen naar \'t Begeerlijk bloempje, maar meteen Ontviel \'t bonquetje haar.
En bitter weenend, zag zij hoe Haar schat dreef in den vliet:
Het zijn de schoonste tranen, die Vervlogen vreugd vergiet.
Zij dacht niet, als zoo menigeen, Door droefheid overmand,
Dat duizend bloempjes, even schoon, Nog bloeiden op het land.
Ween vrij, mijn kind, om uw verlies Het tuigt van poëzij,
Die in uw kinderhartje nog Natuurlijk spreekt en vrij.
Van poëzy, het warm gevoel Voor waar, eenvoudig schoon.
Zooals de lente in \'t bloeiend veld Ons weeldrig spreidt ten toon.
O, blijf die poëzy getrouw Op heel uw levensbaan:
Zij biedt met liefderijke hand Alom u bloemen aan!
1878.
VARIA.
Beer en.
Qui dabit, is magno fiet mihi major Homero.
Lucanus.
Runder (Stier).
Der Philister — nicht viel ist er;
Nicht viel liest er — der Philister;
Doch viel iszt er — der Philister!
D. Volksk. 1840.
Steek hebben (een).
Canit in vera vini Plantator,
Canit festate vini Spectator,
Canit autumno vini Calcator,
Canit in bruma vini Mercator ,
Canit at semper vini Potator.
Tluk.
428
Engageren.
As de Studinten ijn it Systema fen de prefester oan it capittel de providentia komme, den wirde se sa eang, dat it echte scaei fen frouljue uwtstoarn waeze scil, as hja domeny wirde, dat se eagenblikkelik beginne to meiden, in daerfen-dinne komt it, dat alle proponinten forloawe fein-ten binne.
Halbertsma.
Chais (op de).
De liefde tot zijn land is ieder aangeboren.
Dez., Gijsbrecht v. Aemstel.
Summa.
Der bas ik al fen heard,
Dat moat in knevel weaze.
Halbertsma.
Rijden.
Ich antwortete, wie man zu sagen pflegt, ans dem Tacitus; das heiszt: ich schwieg.
Langbein. IX. 173.
Beer en.
Wij brommen allen gelijk als de beeren en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht maar er is geen; naar heil, maar het is verre van ons,
Jes. 59. 11.
429
Ploert (met boorden).
Man glaubt einen Esel zu sehen, der ueber eine weisse Mauer hervorguckt.
Londen, wie est ist.
Philister.
Hij is de grootste aap, die tot nog toe bekend is, bijna zoo groot als een mensch. Soms gaat hij recht op met een stok: als velen van hen bij elkander zijn, zijn zij ook zeer stoutmoedig.
Nat. Hist, voor kinderen.
Nieuwbakken adel.
Dese sochten haer geschrift, willende haer geslachte rekenen, maer het en wert niet gevonden.
Nehemia.
Dictaten.
Water springs no higher than the reservoir it falls from.
Baco, Novum Organon.
Sjees.
Want ziet, drie getraliede korven waren op mijn hoofd.
Gen. 40: 16.
Geel geworden dictaat.
Stoffwechsel und Verwitterung sind bezeichnende Unterschiede zwischen lebenden und todten Gebilden Moleschott, Kreislauf des Lébens.
430
Achter de groene tafel.
Diesen ward ich hingegeben,
Gierig theilten sie das Gold.
(Aus dem Joseph in Egypten.
Fidele conversatie.
Spasz mutsin ! see Jan, un schlog sinem Naber een Oge ut.
Oldenb. Volksbote, 1860 p. 199.
Dronken.
Houden wij deze beteekenis van het woord zalig in het oog, dan zullen wij de zaligheid moeten omschrijven als een toestand van volheid, vervuldheid, voldaanheid.
Meijboom. Lev. v. Jez. 11. p. 318.
Lichte cavallerie.
Der Schmetterling fragt nicht die Blume: bat schon ein Anderer dich geküszt? Und diese fragt nicht: bast du schon eine Andere umflattert? Dazu kommt noch, dass des Nachts alle Blumen grau sind, die sündigste Kose eben so gut wie die tugendhafteste Petersilie.
Heine, Reisebïlder.
Sjees.
Ende doe quam een . . . beyr, ende nam een schaep van de kudde wech.
I Sam. XVII; 34.
431
Zekere mode op bals en concerten.
Treft\' eener niet te recht dit onbeschaemde moy,
Syn d\'Hoenders niet te koop, wat doen sy uit de koy ?
Huygens, Kostelick Mal.
Senaatskamer in \'t Academiegebouw.
Tentoonstelling van levende Nederlandsche meesters.
Pictura,
Dames na 10 uur op straat.
Mag ik zoo vrij zijn, naar uw naam en adres te vragen.
Multatuli, Minnebrieven.
Boekje.
L\'important est de ne pas s\'y jeter sans pré-paration.
Baudrillart, Manuel d\'économie politique.
Druipen.
II est juste Qu\'on soit puni par ou 1\' on a péché.
La pucelle d? Orleans. Chant XI.
Professorale uijen.
We had laughed at them ten times before, however we were kind enough to laugh at them once more.
Goldsmith, Vic. of Wakef.
432
Zondagsheeren.
Markör! Eine Plasche Bier mit sieben Glasern!
Carl Schmaltz.
Sommige dissertaties.
Solch schweres Pack Papier,
Und doch so leichte quot;VVaare.
Körner.
Drukke Woensdag.
En de straten zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes.
Zacharias VIII; 5.
Contante betaling op de kroeg.
Doe murmureerde het volck tegen Mose seg-gende: wat sullen wij drincken.
Moses. Boek II.
Maskerade.
Bei der Zug schlosz sich ein unzahliger Menge gutwilliger Prauenspersonen an.
Schiller, dreissigjahriger Krieg.
Baltoilet,
Einer jener modernen Damenanzüge, die den Zweck als H\'quot; j vóllig verlieren, und fast uur noch den Eindruck eines eleganten Rahmens machen, der ein lleizvolles , aber Schamloses Bild umschlieszt. Gartenlaube 1869.
433
Fleuren.
t Is verboden na zonsondergang en voor zonsopgang te jagen.
Art. \\ 7 der jachtwet.
Bakgast,
. Huiswaarts keerende, dacht ik bij mij zeiven aangaande die smerige vertrekken.
Dickens.
Schuttersideaal.
Streitbare Manner Werden wir!
Lessing.
De tegenwoordige dames.
Zij arbeiden en spinnen niet, en ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijne heerlijkheid niet gekleed was, gelijk een van deze.
Matth. 6: 28amp;, 29.
Physica voor Medici.
.... maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
I Koningen XII, 11.
St. Niclaasavond.
Stadsvee loeit in den donkeren nacht.
de Génestet.
28
434
Sladsdrekstoep.
Dat is onze uyer, daer de stadt haer weelde uit zuigt.
Vondel.
Overgaan in een ander vak.
Er hat sie geliebt, geküst und geherzt, Und eindlich verlassen, vergessen.
Heine.
NAAMLIJST DER REDACTEUREN
VAN DEN
GRONINGSCHEN STUO.-ALMANAK
VAN
1829-1879.
uitmakende de commissie voor
Hpn Ttp KtnH - A Imnnab-
H. A. Cremers 1829.
M. Backer 1829.
L. C. Meijer 1829. I namen der redactieleden van
C. M. Hap 1829. \' dilt jaar zijn onbekend.
H. Riedel 1830, 1831, 1832, 1833 en 1834.
J. J. Cremers 1830 en 1831.
J. J. A. Goeverneur 1830 en 1831.
C. L. Venhuizen Munniks (remplaceerend lid) 1831.
C. L. Venhuizen Munniks 1832, 1833, 1834, 1835, 1836, 1837, 1838.
E. J. Thomassen a Thuessink van der Hoop 1832, 1833 , 1834.
E. J. Diest Lorgion 1835 en 1836.
O. B. Alberda van Ekenstein 1835.
D. N. P. quot;W. de Fremery 1835, 1836, 1837. H. W. J. Sannes 1837 en 1838.
E. Boelants 1837.
L. S. P. Meijboom 1837 , 1838 , 1839.
436
A. W. Wiohers 1838 en 1839.
quot;W. quot;W. Thoden van Velzen 1838 , 1839 , 1840.
A. L. Lesturgeon 1839.
R. Bennink Jansaonius 1840, 1841.
A. G. Meder 1840 , 1841 , 1842.
A. Slingenberg 1841 , 1842.
N. van der Tuuk 1842 , 1843 , 1844.
J. Roos 1843, 1844, 1845, 1846.
B. D. H. Tellegen 1843, 1844, 1845 , 1846.
A. Bal Snijders 1845 , 1846 , 1847.
J. Marissen van Loon 1847.
A. Maagh Kniphuyzen 1847.
H. M. Laurman Wassenaar 1848.
P. A. S. van Limburgh Brouwer 1848.
A. B. Sichterman van den Brake 1848.
Gr. Reinders 1848.
E. van Loon 1849.
quot;W. Palmer van den Broek 1849.
C. Cammenga 1849 , praeses in 1850.
M. J. Baart de la Faille, ab-actis 1850, 1851 , 1852
en 1853.
H. van Lier 1850.
J. quot;W. van Uildriks 1850 , praeses in 1851.
F. W. O. Rogge 1851.
J. A. Kooiman 1851.
H. Blankstein 1851 en 1852.
J. Telling, ab-actis in 1852.
A. J. Yitringa 1852 en 1853.
E. Verwys 1853.
C. P. Hofstede de Groot 1853.
F Schaaff, praeses in 1854.
R. Koopmans van Boekeren, ab-actis in 1854 en \'55. quot;W. M. Houwing 1854 en 1855.
B. Bleyenberg 1854 en 1855, praeses in 1856.
G. van der Tuuk Sevenster, praeses 1855.
437
E. R. Borgesius, ab-actis in 1856 en praeses in 1857. W. B. S. Boeles 1856.
quot;W. van Wioheren 1856.
H. A. Crébas 1856 en 1857.
I. Roessingh , ab-actis in 1857.
C. J. van Marle 1857 en 1858.
D. C. de Haas 1857.
R. L. A. Dijkstra, praeses in 1858.
Gr. A. Sloet, ab-aotis in 1858 , praeses in 1859 en in 1860.
C. de Gavere 1858 en 1859.
J. A. quot;Willinge 1858 en 1859.
L. Büchler, ab-actis in 1859.
Ant. Boon, Jzn. 1859.
J. Reitema, ab-actis 1860 en praeses 1861.
IJ. Oosterloo 1860.
M. J. Adriani 1860.
R. Cremer 1860.
J. J. Diest Lorgion, ab-actis 1861, 1862.
J. Baart de la Faille 1861, praeses in 1862.
J. van Loenen, L.L.z. 1861.
L. Reitsma 1861.
A. J. Thomassen a Thuessink van der Hoop, ab-aotis 1862.
Th. Haakma Tresling 1862.
A. A. F. van Panhuys 1862.
H. Bleijenberg, praeses 1363.
M. G. L. Jorissen, ab-aotis 1863.
Gr. quot;W. Bruinsma 1863 en praeses in 1864.
A. Gr. van Hamel 1863.
W. A. Reiger 1863 en ab-actis 1864^
J. Rutgers 1864 en praeses 1865.
J. Gr. van Blom 1864 en ab-actis 1865.
A. E. Coolhaas van der quot;Woude 1864.
J. I. Swyghuisen Reigersberg 1865, praeses 1866.
L. M. de Boer 1865.
A. Thoden van Velzen 1865.
438
D. Huizenga, ab-actis 1866.
S. R. van der Ley 1866.
J. Linthorst Homan 1866.
A. J. Molenaar 1866.
S. A. Hulst, praeses 1867.
H. J. van Roijen 1867.
T. G. H. Reitsma 1867.
J. Ensing 1867.
J. J. C. Enschedé 1868 praeses.
H. Bosma 1868 ab-actis.
H. Gt. Borgesius 1868.
A. P. H. Blauw 1868.
J. W. Muurling 1868.
M. C. Yaleton 1869 praeses.
A. F. H. Blauw 1869 ab-actis.
H. Nieweg 1869.
L. W. Ebbinge 1869 en 1870 praeses.
E. H. Boele 1869.
P. N. Cramer 1870 ab-actia.
J. Kanninga Uiterdyk 1870 en 1871 praeses.
H. J. Kiewiet de Jonge 1870.
I. M. J. Valeton 1870.
W. Eskes 1871 ab-actis.
A. W. Romkes, fiscus 1871.
K. de Waard, praeses 1872.
R. H. Drijber, ab-actis 1872.
W. Gt. Metelerkamp Cappenberg, vice-praeses in 1872
en in 1875.
H. Prima 1872.
J. Mulder 1872.
quot;W. Thiens Abresch, praeses 1873.
J. A. R. Kymmell, ab-actis 1873.
H. A. J. Yalkema BIouw, vice-praeses 1873.
H. W. Diephuis 1873.
J. C. Schönfeld 1873 en 1874.
439
J. te quot;Winkel, praeses 1874.
J. A. quot;VVoi-p, ab-aotis 1874.
P. A. Riedel, vice-praeses 1874.
F. Germs, 1874.
J. E. J. Offerhaus , quot;W.zn., praeses 1875. C. P. L. Kutgers , Jr., ab-actis 1875. S. B. Ranneft 1875.
Th. Valeton 1875.
H. Smeenge , praeses 1876.
C. Hoekstra, vioe-praeses 1876.
H. Hesse, ab-actis 1876.
V. Loosjes 1876.
J. J. A. Valeton 1876.
Gr. A. Verkuyl 1877, praeses.
D. M. Maaldrink 1877 vice-praeses.
W. A. Heoker, ab-actis 1877 en praeses 1878. P. J. Muller 1877.
W. Renssen 1877.
S. G. Jorissen, vice-praeses en fiscus 1878. J. A. P. Levenkamp, ab-actis 1878.
C. Winkler Prins 1878.
J. W. Beek 1878.
ALMANAKKEN UITGEGEVEN VAN WEGE »POST CHAOS LUX.quot;
W. C. J. J. Cremers 1842.
B. B. van der Veen 1842.
S. M. S. Modderman 1842 , 1843.
H. Piccardt 1842.
A. Hecker 1842.
J. Gockinga Jr. 1843.
A. Bal Snijders 1843.
H. Wijbeling 1844.
T. II. Bondam. 1844.
.
■
- ■
■
-
■
■
__—
N