-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

ONZE KERKEN.

Over Kerkgebouw, Kerkgemeubelte, Kerkgereide, Kerkversiering enz.

Met een aanhangsel over de Kleeding en Onderscheidingsteekenen van. Kerkelijke Waardigheidsbekleedi

Door

j^ï. ƒ. ^VL pVERTS

3? a\'s to or van Selvo

\'S-BOSCH—ZWOLLE, W. VAN GULICK.

18 87.

-ocr page 5-

IMPEIMA-TUK.

^ 8 ASST.

Y\' J*!- VAN pENNIP ,

Can, Libr. Cens.

Ter snelpersdrakkerij van \'t Bisdom van V Bosch, in het Instituut voor Doofstommen te St-Michiels-Gestel.

-ocr page 6-

Den Lezer heil I

Onze Kerk is het Huis van God, het Huis van onzen Vader, die in de hemelen is.

Mag een kind als een vreemdeling zijn in het Huis zijns Vaders, dat ook het Huis der kinderen is?

Een gids zijn voor die kinderen , welke zouden verlangen beter bekend te zijn met het vele, dat aan en in en hij het Vaderlijke Hnis valt op te merken :

aan het Huis: het gebouw, zijn bouwtrant, zijn deelen en inrichting, —

in het Huis: zijn gemeubelte, gereide, versiering, volledige stoffeering, —

bij het Huis: den hof met zijn paden en perken , — hun gids zijn tot ondebeichting en stichting : dit had ik mij voorgesteld.

De liturgische benaming en bestemming, — doorgaans met de syw,bolisc7ie beteekenis, — soms ook het aesthetische en artistieke, — van zooveel dat ons bij het bezoeken onzer Kerken onder de oogen komt\', zonder genoegzaam gekend en begrepen te worden, — op eenvoudige wijze voor het geloovige volk verklaren : —

zóó was mijn plan omschreven.

-ocr page 7-

Ter goeder trouwe heb ik gemeend, dat het zijn nut koude hebben , hier en daar eene aan- of opmerking (noem het subjectieve eritiek) toe te voegen ter overweging voor Kerkbesturen en edelmoedige Schenkers bij het beoordeelen van aangeboden teekeningen of modellen. Kunstenaars en Fabrikanten, kunnen zij niet altijd mij toestemmen , mogen mijne goede meening eerbiedigen gelijk ik hunne vrijheid van gevoelen.

Ik heb niet gedacht een wetenschappelijk Handboek saam te stellen, \'t Was slechts mijne bedoeling met mijne weinige hulpmiddelen een plan uit te werken, \'twelk mij nuttig was voorgekomen ; terwijl het mij onbekend \'was, als in onze taal iets dergelijks mocht bestaan.

De aangenaamste herinneringen zijn voor mij verbonden aan de erkenning der vriendelijke en bescheidene hulpe van den Bescheijver en van den Heestellee der Bossche Kathedraal, de Heereu Jam eu Lambeet Hezenmans. Met mijne oprechte waardeering HunEd. mijn innige dank I

H

-ocr page 8-

INHOUD.

Eerste Hoofdstuk. Over het Kerkgebouw.

§. I. Onze Kerken, waarom beilig. 1-8.— Bestemming. 4.— Wijding. 5-13,— Symboliek eener Kerk in \'t algemeen. 18-22. — Onze Kerken lloomsohe Kerken genoemd. 23. 24.

§. II. Kerken iu een Bisdom. 25-27.— De Kathedralen van Nederland. 28-32.— Onze Parochiekerk. 88-88. — Eeuige der merkwaardigste Kerken der wereld. 39-54.

§. III. Orientatie. 55-60. — Kerkelijke Bouwstijl. 61-76.— Bijzondere vorm van Kerken. 77-87.

§. IV. Deelen eener Kerk.

A. Platte Grond. 88-107.

B. De Kerk van binnen, in haren opstand en doorsnede. 108-131.

C. De Kerk van buiten. De opstand van het gebouw. 182-145.

Tweede Hoofdstuk. Over het Kerkgemeubelte. 146-193.

Derde Hoofdstuk. Over het Kerkelijk Vaatwerk.

§. I. Het gewijde Vaatwerk. 194-216.

§. II. Het ongewijde Vaatwerk. 217-246.

-ocr page 9-

Ter goeder trouwe heb ik gemeend, dat het zijn nut koude hebben , hier en daar eene aan- of opmerking (noem het subjectieve critiek) toe te voegen ter overweging voor Kerkbesturen en edelmoedige Schenkers bij het beoordeelen van aangeboden teekeningen of modellen. Kunstenaars en Fabrikanten, kunnen zij niet altijd mij toestemmen, mogen mijne goede meening eerbiedigen gelijk ik hunne vrijheid van gevoelen.

Ik heb niet gedacht een wetenschappelijk Handhoek saam te stellen, \'t Was slechts mijne bedoeling met mijne weinige hulpmiddelen een plan uit te werken, \'twelk mij nuttig was voorgekomen ; terwijl het mij onbekend was, als in onze taal iets dergelijks mocht bestaan.

De aangenaamste herinneringen zijn voor mij verbonden aan de erkenning der vriendelijke en bescheidene hulpe van den Beschrijver en van den Hersteller der Bossche Kathedraal, de Heeren Jan en Lambert Hezenmans. Met mijne oprechte waardeering HunEd. mijn innige dank !

-ocr page 10-

INHOUD.

Eerste Hoofdstuk. Over het Kerkgebouw.

§. I. Onze Kerken, waarom heilig. 1-3. — Bestemming. 4.— Wijding. 5-13.— Symboliek eener Kerk in \'t algemeen. 13-22. — Onze Kerken Eoomsche Kerken genoemd. 23, 24.

§. II. Kerken in een Bisdom. 25-27.— De Kathedralen van Nederland. 28-32. — Onze Parochiekerk. 33-88.— Eenige der merkwaardigste Kerken der wereld. 39-54.

§. III. Orientatie. 55-60. — Kerkelijke Bouwstijl. 61-76.— Bijzondere vorm van Kerken. 77-87.

§. IV. Deelen eener Kerk.

A. Platte Grond. 88-107.

B. De Kerk van binnen , in haren opstand en doorsnede. 108-131.

C. Do Kerk van buiten. De opstand van het gebouw. 132-145.

Tweede Hoofdstuk. Over het Kerkgemeubelte. 146-193.

Derde Hoofdstuk. Over het Kerkelijk Vaatwerk.

§. I. Het gewijde Vaatwerk. 194-216.

§. II. Het ongewijde Vaatwerk. 217-246.

-ocr page 11-

Vierde Hoofdstuk. Over de Paramenten.

§. I. Kerkelijke Gewaden. 247-255. §. 11. Altaarparameuten. 256,

III. Stof, kleur, vorm en wijding der Paramenten. 357-261.

Vijfde Hoofdstuk. Over het Kerkelijk Licht. 862-272.

(Aanhangsel over het toedienen der HH. Sacramenten aan huis. S73.)

Zesde Hoofdstuk. Over de Kerkversiering.

§. I. Opmerkingen wegens de Stoffeering eener Kerk. 374-278.

§. II. Elementen voor Kerkversiering. 379-399. §.■ III. Monogrammen of Naamoijfers. Inscripties of Opschriften. Ter versiering. 300-303.

§. IV. Symbolen. Emblemen. Figuren. Ter ve.rsie-ring. 304-306.

§. V. Heiligenbeelden en Groepen. Tafereelen of Tableau\'s. 307-315.

A. Voorstellingen der H. Drievuldigheid. 316.

B. Beeltenissen van Jesns Christus. 317-337.

C. Eenige voorname afbeeldingen van de H. Maagd, Madonna\'s of Mariabeelden. 838.

D. Afbeeldingen van Engelen. 339-334.

E. De Heilige Aartsengelen. 335.

(Eenige meermaals voorkomende Attributen bij beelden van Heiligen. 336.)

-ocr page 12-

F. De HH. Evangelisten. 337.

G. De HH. Apostelen. 838.

H. De vier Kerkvaders. 339.

I. De vijf voornaamste Ordestichters. 340.

K. Alfabetische lijst van de voornaamste Heiligenbeelden in onze Kerken. 341. 343. §. VI. Bloemen en planten ter siering in onze Kerken. 343. 344. Symboliek 345.

Zevende Hoofdstuk. Over onze Kerkhoven. 346-367. Aanhangsel.

§. I. Over de Weeding en onderscheidingsteekenen van Kerkelijke Waardigheidsbekleeders (Biss. Aartsb. Kard. Paus). 368-372.

§. II. Iets over de Wapens van Kerkelijke Dignitarissen. 373.

§. III. De Pauselijke Kleuren. 374.

§. IV. De Pauselijke Orden. 375.

Tot verbetering van meer dan eeue verkeerde lezing omtrent den juisten dag van \'s Pausen Goudek Priesterfeest (ook in dit Boekje ; noot van N. 276), strekke de lezing uit het Lenen van onzen 11. Vader door Dr Anton de Waal in de Kath. Illustratie, Jaarg. XII, 11. 155: quot;Den 23 December diende hem Kardinaal Odescalchi in de kapel van het Vicariaat de heilige priesterwijding toe; den volgenden dag. op den vooravond voor Kerstmis, droeg hij voor de eerste maal het heilige misoffer op.quot;\'

-ocr page 13-

REGISTER.

1. De getallen geven de nummers aan , als er niet BI. voorstaat. 3. Wanneer van eene zaak meer nummers zijn, wordt het eerste slechts aangegeven.

3. De noten worden meestal door \'t nummer aangeduid.

A ü) 300.

Aartsengelen in beeld 335.

Agnus Dei door den Paus gewijd BI. 209.

Albe 249. 257. 260.261, VI, e.

Altaar ■. deelen 149. — paramenten 256. — steen 150. -Altare fixum 152. — por-tatile 153.

Alt. Priv. Quojt. Perp. Inscriptie boven Hoogaltaar 180.

Amict 249.257. 260. 261, VI.

Ampullen 218.

Anachronismen bij Schilders en

Beeldhouwers BI. 204. Anker Symb. 304. Anteijendium 160.

Apostelen in beeld 338.

Apsis 97.

Arend Symb. 304.

Ark van Noe 304. — des

Verbonds 304.

Asperges me 237.

Aspis Symb. 304.

Attributen v. Heiligenbeelden meermaals voorkomende 336. - v. Crucifix 320. Aureool 310.


-ocr page 14-

Baldakijn 173.

Baptisterium 102.

Basiliek 78. - Waardigheids-titel 81.

Basiliscus Symb. 304.

Beaarden 352. uoot.

Bediening aan huis. Waarvoor te zorgen bij halve en bij heele Bediening 273.

Begrafenis (Kerkelijke\') 354. -Aan wie geweigerd? 350.

Begraven der doodeu is overeenkomstig het gebruik van Gods volk 34G, - dor eerste Christenen 347. Tas Lijken-verbranding 349.

Beuken 95.

Bevrs 202.

Bezwering of Exorcismus 241.

Bloemensier 343.

Bouworden. Latijnsche en grieksche, ~ antieke of elas-sieke 114.

Bouwstijl. Latijnsche en Ko-meinsebe 78. - Romaansche 61. ~ Gotbisohe 61 (Kayon-nanteen Flamboyante 131). -- Byzantijnsche 70. -- Ro-maansoh-Byzanlijnsche 71.

- Classieke 114. - Renaissance 72 (Jesuïeten-Stijl 64. ~ Rococo 73.) ~ Pakhuis-Stijl 74. - Waterstaat-Stijl 75.

Calvarieberg 319. — in Priesterkoor 99. — op Kerkhoven 364.

Canonborden 187.

Cartabel 253.

Catacomben 105.

Calholicisme iu Nederland. Bloei 64. 75. 276. ~ Vervolging of verdrukking 74. 75. S7. — Herleving en herbloei 75. 276. noot. Ciborie 206.

Ciborium 173. 208. Coemeterium 348.

Collaar v. Priester zwart-254.

- v. Bisschop paars 369. -v. Paus wit 372.

Concha 97.

Confessie 42. 1.

Conopeüm 16S.

Corporale 202. 257. 261, VI, b en f.


-ocr page 15-

Couriines ITS.

ring 277.

Credens 188.

Eenhoorn Symb. 304.

Crucifix 163. 317. -- Deugden

Email 282.

en gebreken 318. -- Attri

Emblemen 304.

buten 320.

Engelen in beeld 329.

Crypt 104.

Evangelisten in beeld 337.

Cwstodia 20C.

Expositie-Troon 171.

Dalmatiek 254.

Facade. Front. Frontispies 134.

Deuren v. Kerk 135.

ifyesco-sebilderiug 293.

Diamant 283.

Fronton 136.

Directorium 253.

O able 137.

Domkerk 83.

Gebed der Kerk na de stille

Doodshoofd bij Crucifix 323.

Missen door Leo XIII voor

- Symb. 304. 336. — 0[j

geschreven BI. 260.

Kerkhof 365. — In de Kerk

Gemeuhelte 146.

365; noot.

Gereide 194.

Doopkapel 102. Doopvont 185.

Gewelf 111.

Do.raal 103.

Glas voor Vensters 297.\'

Driehoek 66. 304.

Glasschildering 297. - Oude

Drievuldiffheid {Allerheiligste)

en latere 299.

in beeld 316.

Glorie om afbeeldingen 309.

Druiven Symb. 304.

Godslamp 272.

Duel: hoe door de Katb. Kerk

Gothiek 61. - Zoo verschei

verafschuwd 353.

den 63. - Etymon 64. -

Duif Symb. 304. 336.

Bouwstijl onzer Vaderen 64.

Duifciborie 209.

- Goede hoedanigheden 65.

Dwaal 162.

- Grondvormen 66. - ïwee

Eenheid in bouw en stoffee

bijzondere karakters d. G.

-ocr page 16-

67. 68. -- Gotliiek en Ro-maansch 62. -- Gothiek en Renaissance 73. -- Rayon-nante en flamboyante G. 131.

Oraf v. Altaar 154.

Grilfioeii Symb. 304.

Grisaille 293. — Glas 297. Haan op toren 142. -- Symb. 304.

Hart Symb. 304.

Heilig Hart (Beeld van \'t) 14.

325. 328 ad 10.

Heilig Huis v. Nazareth 52. Heilige Linie 56. Heiligenheelden. Eestemming 307. -- Attributen 336. --Alfabetische lijst 341. Herder Symb. .304.

Hert Symb. 304.

Hiërarchie in Nederland hersteld 30.

Hij sop 238.

i/boya/teö/,147.Inscriptiel80.

Humerale 254.

IHS 300.

Inscripties 301.

Jansenisten 24. -- Jansenistische Crucifixen 318. V.

JesuïetenSiï]\\ 64. noot.

Jesus Christus in beeld 317.

Jubee 103.

Jmoeelen 287.

Kandelaren 166.

Kapittel. Kanoniken. 31.

Kelk 195.

Kerk. Heilig 1. - Vordei-t eerbied 3. - Bestemming 4. ~ Wijding 5. - Titel en Patroon 10. - Symboliek eener K. in \'t algemeen 16. ~ Onze K. Roomsche K. genoemd 23. ~ Kenteekeu veler R. K. 87. -- Deelen eener K. met Symb. 88. ~ K. hoog gelegen 132. -- Symb. der deelen tot elkander 145.

Kerk (Onze) of Parochiekerk. Welke is onze — 238. ~ Geconsecreerd of gebenedi-oeerd ? 9. - Welk de Titel of Patroon? 12.-- Georiënteerd ? 60. ~ In welken Bouwstijl? 76. - In onze Kerk welke Monogrammen en Inscripties ? 303. - Wel-


-ocr page 17-

XII —

ke Symbolen en Emblemen? 306. - Welke Heiligenbeelden? 342.

Kerken naar Bouwstijl. Ro-maansche, Gothisohe enz. Zie Bouwstijl.

Kerken naar Rang. Hoofdk. aller K. 39. - Basilieken 81.

- Metropolitaankerk 29. Cathedralen 26. -- v. Ne-derl. 28. -- Parochiekerk 33. -- Onze — 34. -- Mindere Kerken 37.

Kerken naar Vorm. Basiliek 78.

- Koepelkerk 82. -- Uomk. 83. — Kruisk. 85.

Kerkgemeuhelte 146. Kerkgenootschaiipen in Nederl. 24.

Kerkgereide 194.

Kerkhof kruis 357. 361. 353.

Aflaat BI. 322. noot. Kerkhoven 346. Kerkornamenten 247. 261. Kerkschildering 290. Kerkvaders (De vier) in beeld 339.

Kerkversiering 274.

Kerkwijding 5.

Kinderlijken. Hoe tekleeden, te kisten enz. 367.

Klaverblad Symb. 66. 304.

Kleeding va.nPriester 249.254.

Kleeding en Insignes van Bisschop 369. — Aartsbisschop 370. — Kardinaal 371. — Paus 372.

Kleuren. Liturgische 253. ~ Symbolische 253. 286. 345. - Heraldische 373. - Pauselijke 374.

Klokken. Doop. 144.

Koepelkerk 82.

Koorlrans 100.

Kruisen. Soorten 304. - Symboliek BI. 208. ~ Kruiéen op de muren eener K. 7. ~ Kruisvorm v. K. 86. - Kruis op de K. 141. - Kruisen op Altaarsteen 151. ~ Kruis des lij deus en der verrijzenis BI. 208.

Kruisbeeld. Zie Crucifix.

Kruisbloem Symb. 304.

Kruiskerk 85.

Kruisnagelen 318. IX.


-ocr page 18-

Lam Symb. 304. iawafoi-blaadje 219.

Leeuw Symb. 304.

Lelie Symb. 304. 345.

Licht {Kerkelijk) 263. — ïer

eere der Dooden 363.

Lier Symb. 304. Lijkenverhranding 349. Niet. geoorloofd: Decreet v. d. H. Congr. d. Inq. Lijkverzorginff volgens het Hom. Ritueel BI. 335. noot. Lijnwaad (^Kerkelijk) 257. Lorette. Basiliek v. O.-L.-V.

5]. — Litanie v. Lorette 52. Lourdes. Bas. v. O.-L.-V. 53. Lucida Ü27.

Lunula 213.

Mappa 162.

Maria. H. Maagd en Moeder Gods in beeld 328. -- Symb. ter versiering 30a. Marmersoorten 288. Marqueterie 296.

Metropoliet en Suffragaan-

Biss. 29.

Misgewaad 249.

Monogrammen 300.

Monsters Symb. 304.

Mo7istrans 211.

Mozdiek 295.

Muurschildering 291.

Niëllo 282.

Ninihus 312. Kruisvormig 313.

Noordzijde 184.

Oculus 131.

Offervaardigheid van Gods volk voor den heiligen Dienst 274. - Der middeleeuwen 276. 75. 87. - Van Neerlands Katholieken sedert herkregen vrijheid 75. 276.

Ogive 63.

Oliebussen {Heilige) 220. -Heilige Oliën 221.

Olijftak Symb. 304.

O.-Lj.- V.-Kerken drie merkwaardigste 47.

Ordestichters (De vijf) in beeld 340.

0.rgel 193.

Oriëntalen 287.

Oriëntatie der Kerk 55. — der Kerkhoven \'358. - Legende der H. Barbara 341.


-ocr page 19-

Ostensorium 211.

Oxaal 103.

Paaschkaars 271.

Pakhuis-amp;tï]\\ 74.

Palla 203. 257. 260.261,1,

b. en VI, c.

Palm en Palmtak Symb. 304. Paramenten 247.

Parelen 287.

Parketvloer 296.

Parochiekerk. Zie Kerk {Onze). Passiebloem Symb. 304. Pastoor 33. ~ Onze — 34. -Hechten 35.-- Verplichtingen 36.

Pateen 195.

Pauselijke Kleeding en Insignes 372. „ Wapen 373. „ Kleuren 374. „ Orden 375. Pausschap : duidelijkste ken-teeken der ware Kerk v. J. C. 21. 24. 43.

Pauw Symb. 304.

Pelikaan Symb. 304.

Phenix Symb. 304.

Plafond 118.

Tlakkaten-i\\]A.. Onze Kerken met hare Priesters en lee-ken in den — 74.

Pluviale of Koorkap 254. Polychromie 293.

Preekstoel 192. Priesterldeeding 249. 254. Priesterkoor of Presbyterium 96.

Protestantsche Gezindten in

Nederl. 24.

Pyxis 206.

Had of Radvenster 131, Rechterzijde K\\t. en K.1S1.

- v. Wapen Bi. 362. noot. Reliquieèn in Altaarsteen 154.

- in Pontificaal Borstkruis 369 , IV.

Retabel 173. 177.

Rondlicht 131.

Roos Symb. 304. 345. -• Gouden Roos 304. - Roosvenster 131.

Sacristij 101.

Schip 89.

Schuurkerken 74.

Sedilia 190.

Sepulchrum 154.


-ocr page 20-

Serpent of Slang Symb. 304.

Sint Jan v. Lateranen 39.

Sint Pie ter te Rome 42. , Sireen Symb. 304.

Spits 140.

Spitsboog 63.

Steen (witte) soorten 289.

Steenen {Edele) 286.

Ster Symb. 304.

Stoffeering eener K. 274.

Stool v. Priester gekruist 254. ad 3. -- v. Biss. over de | Alb recht afhangende 369, 1, 3. -- Uoode Stool des \' Pausen 372, 2.

Struisvogel Symb. 304.

Suffragaan-Uïss,. en — Uio-( cesen 29.

Superplie 254. \\ Suppedaneum v. Alt. 149. ~ v. Crucifix 318. XI.

Symbool 13. -- Ter versiering 304. - v. O.-L.-V. 305. --Symboliek der Bloemen 345. -- Symb. voorstellingen op grafmonumenten: ongepaste 362 -- gepaste 364.

Tabernakel 167. 172.

Talaar of Toog v. Priester zwart 254. -- v. Biss. paars 369. -- v. Kardinaal rood 371. -- v. Paus wit 372. Tau 300. 304.

Thabor 170.

Titel v. K. 10. - v. Alt. 179. Tombe 159.

Toren 139. -- Twee — BI. 231. noot.

Transkapellen 100.

Transsept 94.

Trappen of Treden naar de K. 132. -- In de K. 165. — v. Alt. 164. - v. Baptisterium ]02, II. -■ v. Bisschopstroon 369, VI.

Triforium 117.

Triomfboog 97.

Triomfkruis 99.

Tuniek 254.

Uunoerk 143.

Vaatwerk 194. — Gewijd 195.

-- Ongewijd 217.

Vaticaan 42. 2. -- Vatioaan-

sche Bas. 42.

Velum 202. 210.

Vensters Symb. 125.-Rond-


-ocr page 21-

— XVI —

Roos-Radv. ]31. --In glassoorten 297.

Visch Symb. 30i.

Vloer v, K. 124. — v. Bapt.

102. III.

Vrijthoven: oude benaming onzer Kerkhoven 348. noot. Wapen v. Z. H. den Paus , -

v. Kard. enz. 373. Waskaars (brandende) Symb. 265. - Wanneer te gebruiken 270.

Waterstaat-\'amp;\'üQ. 75. Weegschaal Symb. 304. 335. Wierook 228. — vat 232. Wijding v. Kerk 5. - v. Alt. 151. - v. Vaatwerk 195. 206. 213. -- v. Paramenten 260. -- v. Klokken 144. Wijnstok Symb. 304. Wijwater 239. — vat 245. Zegen naar latijnsche eu griek-

sche wijze BI. 208. Zon Symb. 304.

{

I (\'

1

j.

f

, r.


-ocr page 22-

ONZE KERKEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over het Kerkgebouw.

§. I. Onze Kerken , waarom heilig. Bestemming. Wijding. Symboliek eener Kerk in \'t algemeen. Onze Kerken, Eoomscke Kerken genoemd.

1. Hoe behooren wij onze Kerken te beschouwen? — Als heilige plaatsen, die grooten eerbied van ons vorderen.

3. Waardoor zijn onze Kerken heilig? — Heilig zijn onze kerken: 1. door hare bestemming, — 2. door hare wijding, — 3. door de tegenwoordigheid van Jesds Christüs in zijn aanbiddelijk Sacrament.

3. Alzoo eerbied voor elke Eoomsche Kerk of Kapel. Eerbied in de Kerk, eerbied hiaten de Kerk. In de nabijheid alle luidruchtigheid te vermijden. Hoe loffelijk en verdienstelijk is het gebruik, dat de mannen

-ocr page 23-

het hoofd ontdekken en de vrouwen het hoofd buigen, als zij eene Eoomsche Kerk voorbijgaan, tegelijk zeggende : Geloofd zij Jesus Christus! om hun God en Zaligmaker, die hen ziet , eerbiedig te groeten ! \'t Is geen nieuwigheid. De H. Chrysostomus, die ia 407 stierf, getuigde van zijnen tijd; „Ziet, zegt hij, met welken eerbied de Christeneu den Tempel groeten , waar zij bijeenkomen , hetzij het hoofd buigende, hetzij met de hand een eerbiedig teeken gevende.quot; Hom. XXX. in 3 ad Cor.

4. Welke is de bestemming onzer Kerken? — God te vereeren en ons te heiligen: 1. door het gebed, boveüal door het H. Misoffer, — 3. door de prediking van Gods Woord, — 3. door de HH. Sacramenten.

5. Op hoeveel wijzen kan eene Kerk worden

_ Op twee wijzen : allerplechtigst door een Bisschop

of zeer eenvoudig, en dan gewoonlijk door een Priester. De plechtige wijding wordt de Consecratie of Kerk-wijding, de eenvoudige de Benedictie ol Inzegening genoemd.

6. üe Kerkwijding is niet alleen eene Toeheiliging [Dedicatie) eener Kerk aan God; maar tevens eene Inbezitneming door God. In het Evangelie van het feest der Kerkwijding lezen wij, dat Jesus slechts voor eene

-ocr page 24-

wijl bij Zacheüs zijn intrek nam : — door de Kerkwijding aanvaardt Jesus Christus eene Kerk voor zijn vast verblijf, dezelfde Jesus, altijd tegenwoordig in zijn H. Sacrament. Terecht worden de woorden van Jesus tot Zacheüs op het Feest der Kerkwijding toepasselijk gemaakt: „Heden is dezen Huize zaligheid geworden.quot; Luc. XIX, 9.

7. Wat is het teeken op de muren eener Kerk, dat zij geconsecreerd is ? — De twaalf kruisen waaide Bisschop de muren met het H. Chrisma gezalfd heeft.

8. Waartoe worden bij cene Kerkwijding de muren op Uoaalf plaatsen gezalfd ? — Tot vereering der Uoaalf Apostelen, die het Fundament zijn van dat geestelijk Gebouw, waarvan Jesus Christus de Hoeksteen is.

9. Is onze Kerk slechts gehenediceerdt of wel geconsecreerd ? door welken Bisschop ? wanneer ?

10. Zijn al onze Kerken niet aan God toegewijd? Wat beteekent dan: ecne Kerk van \'t H. Hart, — van O.- L.- V., — van den 11. Joseph enz.? — Ja, al onze Kerken zijn ongetwijfeld aan God toegewijd; maar bij de Consecratie of de Benedictie eener Kerk wordt haar een Titel gegeven ; dat is : zij wordt nog

-ocr page 25-

in \'t bijzonder toegewijd aan de vereering meestal van een Heilige, soms van een Goddelijken Persoon of van een Mysterie. Van dien Titel ontleent eene Kerk haren naam. Is de Titel een Engel of Heilige, wordt deze doorgaans de Patroon dor Kerk genoemd.

11. Voorbeelden. Van eene Kerk van \'tHart\'xsAz Titel; het II. Bart van Jesus. Van eene L.-F.-Kerk is de Titel of de Patrones : de 11. Maagd Maria. Van eene Kerk van O.-I.-F.-Gehoorte is de Titel: de Geboorte van de II. Maagd. Ook kan men zeggen: de H. Maagd is de Patrones onder den Titel van hare Geboorte.

12. Welk is de Titel ? of de Patroon onzer Kerk ?

13. Wat verstaat men door Symbolen 1 — Symbolen zijn stoffelijke vormen , waarin wij bij vergelijking ee-nige overeenkomst zien met iets boogers, dat wij ons in den geest voorstellen. Dat iets hoogers kan zijn een persoon, eene zaak, eene daad of eene waarheid.

14. Verklaring door een voorbeeld. Een beeld van het H. Hart van Jesns is eene afbeelding of voorstelling van de allen Katholieken bekende verschijning des Zaligmakers aan de Gelukzalige Margaretha Maria (Ala-coque); maar Jesüs\' Goddelijk Hart alzoo voorge-

-ocr page 26-

steld is het Symbool zijner Liefde voor de menscben, een Symbool door Jesus Christus zelf gekozen. Een hart is altijd voor een Symbool der liefde gehouden geworden, om den machtigen indruk, welken de liefde op \'s mensehen hart maakt. En nu heeft Jesus Christus zelf zijn Goddelijk Hart aan die heilige Eeli-gieuse getoond met deze woorden : „ Ziehier dat Bart, \'tieelJc de mensehen zóó heeft bemindquot; , zijn Goddelijk Hart, glanzende en vlammende, met de Wonde en de werktuigen van zijn Lijden, de Doornenkroon en het Kruis, om het Symbool zijner oneindige liefde voor ons nog duidelijker te maken.

15. Toelichting. Symbool wel te omlerscheiden van Symbolum, formulier, dat de voornaamste artikelen des Geloofs samenvat. Deze twee woordvormen duiden op twee beteekenissen van het grieksche woord symhallein. Bij het Symbool is het een vergelijken, — bij het Symbolum is het een samenvatten. Zoo hebben wij het Symbolum der Apostelen, het Symbolum van Niceë of Constantinopel (het Credo der H. Mis), het\'Symbolum van den H. Athanasius. — Voor Symbool zegt men ook Zinnebeeld, Beeld, Figuur, Embleem. De Symboliek is de zinnebeeldige beteekenis van iets, — of de wetenschap der Symbolen of de regels wegens het

-ocr page 27-

gebruik der Symbolen.

16. Wat is de symbolische beteekenis onzer Kerken? — Onze Kerken zijn een beeldjvani den Hemel, — van den Rechhaardige, — van de Eene Heilige Katholieke Kerk.

17. Hoe zijn onze Kerken een beeld van den Hemelt — Gelijk onze Kerken zijn de Woontenten Gods met ons menschen op aarde, nitmunlend door schoone vormen en sieraden, — zoo is de Hemel de heerlijke Woontente Gods met zijne Uitverkorenen, de Engelen eü de Heiligen.

18. Er is geene plaats op aarde zoo heilig, zoo dicht bij den Hemel als onze Kerken. De Patriarch Jacob zag in een droomgezicht langs eene ladder , die op de aarde stond en den Hemel raakte, Gods Engelen op- en afgaan ; terwijl God op het boveneinde dei-ladder leunde. Toen Jacob ontwaakte, riep hij met eene heilige siddering uit : ., Voorwaar de Heer is hier I en ik wist bet niet. Hoe ontzagwekkend is deze plaats ! hier ,is niet anders dan het huis Gods en de poort des Hemels.quot; Met hoeveel meer recht worden deze woorden op onze Kerken toegepast ? Gods Engelen klimmen er op met de gebeden der geloovigen , en dalen er af met de zegeningen des Heeren. Welk eene ge-

-ocr page 28-

meenschap tusschen het Altaar en den Hemel! Door het H. Misoffer draagt Jesus Christus, de Zoon Gods, onder de gedaanten van brood en wijn , zijn Lichaam en Bloed op aan zijn hemelschen Vader, — en met recht mogen wij ons verbeelden , dat de Vader uit den Hemel tot zijn welbeminden Zoon op het Altaar zegt wat Hij sprak tot Jacob ; „ Gezegend zollen wob-

DEN IN U ALLE GESLACHTEN DEK, AARDE 1quot; - Zijn

wij in de Kerk, bewijzen wij steeds door eene eerbiedige houding onze innige overtuiging, dat de Kerk is het Huis Gods, de Poort des Hemels. Zouden wij tot verontscluildiging onzer oneerbiedigheden durven zeggen : De Heer is hier, en ik wist het niefi Gen. XXVIII, 16.

19. Hoe zijn onze Kerken een beeld van den Recht-vaardige\'! — Gelijk onze Kerken zijn gewijd tot Tempels van den H. Geest, — zoo is de Rechtvaardige een Tempel van den H. Geest, r\\s gebenediceerd Aaov den Priester bij het H. Doopsel, plechtig

door den Bisschop bij het H. Vormsel.

20. De H. Paulus schrijft aan de Coriuthiërs 1. Br. III, 16: „Weet gij niet, dat ge een tempel Gods zijt, en dat de Geest Gods in u woontquot; (door de genade, het geloof, de hoop , de liefde en andere gaven)?

-ocr page 29-

En VI, 19: „Weet gij niet, dat uwe leden een tem- , pel zijn van den H. Geest, die in u is?quot; Alzoo naar ziel en naar lichaam zijn wij Tempels van den H. Geest. Om onze ziel en ons lichaam heilig en zuiver te bewaren, gedenken wij in de bekoring de bedreiging, welke de H. Paulus er bij voegt: „ Indien iemand den tempel Gods verderft, dien zal God verderven : want Gods tempel is heilig, en die zijt gij.quot; 1 Cor. 111,17.

31. Hoe zijn onze Kerken een beeld van de Eene Heilige Katholieke Kerht— Gelijk onze Kerken zijn opgetrokken uit vele door een cement saamgevoegde Steenen (1), de muren door den Hoeksteen vast ver-eenigd, op een hecht Fundament, — zoo is de Eene Heilige Katholieke Kerk opgebouwd uit alle Geloovigen, saamgevoegd door het cement der christelijke liefde, verbonden door den Hoeksteen Jesus Christus, rustende op het hechte, onvergankelijke Fundament, het Pausschap , de Rots van Petrus.

23. De H. Petrus schrijft in zijn eersten Brief II, 4 en 5 : „Nadert tot hem den levenden steen (Jesus

1

De Christen, zegt de H. Augustinus, moet den vierkanten steen gelijk zijn; de ware Christen valt niet, in welke bezwaren hij ook geraken moge. Al wordt hij omgekeerd, hij valt niet, hij staat als de vierkante steen, (iuadratum enim , in qudcumqueparte posue-ris, fortiter stat.

-ocr page 30-

Christus) , door de menscben wel verworpen , maar door God uitverkoren en geëerd ; en laat ook gij zei-ven, als levende steenen u opbouwen tot een geestelijk huis.quot; En de H. Panlus aan de Ephesiërs II, 19-23: „ Gij zijt medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, opgebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, zijnde de Jwofdhoeksteeu Jesus Christus zelf, in wien het gausclie gebouw samengevoegd wordende, opwast tot een heiligen tempel in den Heer, in wien ook gijlieden mede opgebouwd wordt tot eene woonstede Gods door den Geest.quot; — Toen Petrus de plechtige belijdenis van Jesus\' Godheid had afgelegd : „ Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God;quot; — antwoordde Jesus, en zeide tot Petrus: „En ik, ik zeg u : Gij zijt Petrus (Steenrots) en op deze steenrots zal ik mijne kerk bouwen , en de poorten der helle zullen haar niet overweldigen.quot; Matt. XYI, 16-18.

23. Waarom worden onze Kerken doorgaans Room-sche Kerken genoemd ? — Omdat er geene betere benaming is, om onze Kerken te onderscheiden van alle andere Kerken (waarin God niét vereerd wordt volgens zijn geopenbaarden wil). Trouwens Roomsch beteekent; in gemeenschap met den Paus van Rome. Zoo zijn tcij Roomsch, ons GWoo/Boomsch, onze Kerken Roomsch.

-ocr page 31-

— 10 —

34. Ue voornaamste Protestantsche Gezindten of Kerkgenootschappen in Nederland (*) zijn : de Neder-duitseh Hervormden of Gereformeerden , de Christelijk Afgescheidenen, de Evangelisch Lutherschen en de Doopsgezinden. Nog zijn er kleinere groepen van Hersteld Evangelisch Lutherschen, Remonstranten, En-gelsch Hervormden of Presbyterianen, Anglikanen of Episcopalen, Leden der Sehotsche Gemeente, Moravische Broeders, Baptisten. Maar alle deze Sekten {Afgesnedenen) zijn er verre af zich zeiven of hare Kerken Roomsch te noemen, om reden zij den Paus van Rome verafschuwen. — De Jansenisten hier te lande worden Ond-Roomschen genoemd; dat is ; die Roomsch geweest zijn, maar het nu niet meer zijn, sedert zij zich aan de gehoorzaamheid van den Paus van Rome onttrokken hebben. — Het Pausschap, zichtbaar voor de gansche wereld, is het duidelijkste kenteeken der ware Kerk van Jesus Christus : Waar Petrus is, DaaR is de Kerk. Zóó was het voor vijftienhonderd jaar, toen de H. Ambrosius deze eenvoudige, klare formule bezigde, — zóó is het heden nog, — zóó zal

(*) Deze opgave in de orde der getalsterkte moge dienen , om den lezer vertrouwd te maken met de voornaamste onderscheidende namen onzer dwalende broeders in ons Vaderland, die tocli allen Christenen, volgelingen van Christus, willen geheeten zijn.

-ocr page 32-

het zijn tot den jongsten dag; want hemel en aavde zullen voorbijgaan, maar de woorden zullen niet voorbijgaan vau Hem, die gezegd heeft tot Petrus : „ Gij zljt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne kerk bonwen, en de poorten der helle znllen haar niet overweldigen.quot; Matt. XVI, 18. — Danken wij den God van barmhartigheid, dat wij deze Steenrots kennen, aan deze Steenrots gelooveu , op deze Steenrots staan , staan door Gods goedertieren beschikking. En terwijl wij ons zoo veilig, zoo genist gevoelen op deze Steenrots, slaan wij een blik in het rond , en aanschouwen wij met een oprecht medelijden die ongelukkigen, die, bij drommen van deze Steenrots afgevallen, blijkbaar geen vasten grond meer vinden, en gescheiden zich altoos weer scheiden , en door elkander dwarrelen als nevelwolken, door windvlagen omgedreven. 3 Petr. II, 17. — Jnd. 13. ■—- Bidden wij voor hen met onze Moeder de H. Kerk : „ Almachtige eeuwige God, die allen redt en niet wilt, dat iemand verloren ga : zie neder op die zielen , welke door een duivelsch bedróg zijn misleid, opdat de harten dezer dwalenden, na alle kettersche boosheid te hebben afgelegd, berouw gevoelen , en tot de eenheid uwer waarheid terugkeeren mogen.quot; Gebed der Kerk op Goeden Vrijdag.

-ocr page 33-

— 13 —

§. II. Kerken in een Bisdom, De Kathedralen van Nederland. Onze Parocliiekerk. Eenige der merkwaardigste Kerken der wereld.

35. Welke Kerken onderscheidt men in een Bisdom volgens rang ? — De Kathedraal en de Parochiekerken met de Hulpkerken ol Bijkerken; Rectoraten, Kloosterkerken , Kapellen en Oratoriums.

36. Wat is eene KntJiedraal\'? — Eene Kathedraal is de Hoofdkerk eens Bisdoms, de Kerk des Bisschops.

37. Wat is het onderscheidingsteeken eener Kathedraal ? — Een vaste Bisschopstroon in het Priesterkoor aan de Evangeliezijde.

28. Welke zijn de Kathedralen van onze Kerkelijke Provincie ? — Van \'t Aartsbisdom van Utrecht \'de Sinte-Catharinakerk, — van \'t Bisdom van Haaklem de Sint-Josephskerk, — van \'t Bisdom van \'s-Hekto-genbosch de Sint-Janskerk, — van \'t Bisdom van Breda de Sinte-Barbarakerk, — en van \'t Bisdom van Eoermond de Sint-Christoffelkerk.

39. De Hoofdkerk van een Aartsbisdom wordt ook Me-tropolitaankerk (Moederkerk) genoemd, gelijk een Aartsbisdom Metropolis oiMetropolitaan-Biocees en een Aartsbisschop Metropoliet. Tegenover den Metropoliet wor-

-ocr page 34-

-IS-

den de onderhoorige Bisschoppen Suffragaan-Bisschoppen en limine Diocesen Suffragaan-Diocesen genoemd. Te zamen maken zij eene Kerkelijke Pkovincie uit.

30. Van den 4 Maart 1853 dagteekent het Herstel der Kerkelijke Hiërarchie in Nederland ; dat is ; door eene Pauselijke Breve van dien datum is in ons Vaderland liet regelmatig bestuur door eigene Bisschoppen, voor ongeveer driehonderd jaar (*) onderbroken , opnieuw ingesteld ; — en het Aartsbisdom van Utrecht met de vier Suffragaan-Bisdommen van Haarlem, \'s-Hertogenbosch , Breda en Roermond opgericht. — Als hunne Titularissen werden benoemd : Mgr Joannes Zwijsen als Aartsbisschop van Utrecht en Administrator Apostoliek van \'s-Hertogenbosch, Mgr Franciscüs Jacobus van Vree als Bisscliop van Haarlem, Mgr Joannes van Hooijdonk als Bisschop van Breda en Mgr Joannes Augüstinds Pareuis als Bisschop van Eoermond.

31. Bij Apostolische Breve van den 23 Juli 185 8 bepaalde Pans Pius IX, dat in elk Bisdom va\'n Nederland een Kathedraal Kapittel zou worden opgericht, bestaande uit acht Kammniken met een Froost.

(*) De laatste Aartsbisschop van Utrecht Fredericus Schenck van Tautenburch stierf in 1580. ^

-ocr page 35-

— 14 —

De Kanunniken, wier benoeming bij een afzonderlijk Decreet der Propaganda van hetzelfde jaar geregeld is, maken den Senaat des Bisscliops uit, om hem met raad en daad ter zijde te staan. Zij vergaderen maandelijks eens in de Kathedraal, om na het zingen der kleine Getijden en het celebreeren der H. Mis door een der Kanunniken bij beurte, de hun opgedragen werkzaamheden te verrichten, — De Kanunniken dragen over een superplie eene zwarte mozet. — Komt de Bisschoppelijke Zetel open te staan, dan heeft het Kapittel een Vicarius Capitularis te kiezen , die het Bisdom bestiert totdat de Zetel weder zal zijn aangevuld.

33. f\'e Bisschop wordt in zijn opperherderlijk bestuur voortdurend bijgestaan door een Vicaris-Generaal, die, gelijk de naam aanduidt, hem in de algemeene administratie van het Diocees vertegenwoordigt, — en de Priester, die in de Parochie der Kathedraal door den Bisschop belast is met de herderlijke bediening, wordt Ftebaan (Priester voor het volk) genoemd.

33. Wat is eene Parochiekerk ?— Eene Kerk bediend door een Pastoor, of — de Kerk van een bepaald gedeelte eens Bisdoms , waarover door den Bisschop aan een Priester, als Pastoor met bijzondere rechten, de voortdurende zielzorg is opgedragen. Het

-ocr page 36-

—- 15 —

geestelijk gebied van dien Priester, waarvan de grenzen omschreven zijn, wordt zijne Parochie genoemd, en hij zelf de Pastoor of Herder, om de nauwe betrekking tusschen hem en zijne Parochianen , aan zijne waakzaamheid en liefde toevertrouwd.

34. Is het ook betamelijk, dat een Katholiek zijne Parochiekerk stelle boven andere Kerken, en alzoo zonder wichtige reden niet nalate in zijne Parochiekerk de H. Mis en Onderrichting of Preek bij te wonen, de HH. Sacramenten te ontvangen enz. ? — Ja ; want zijne Parochiekerk is in waarheid zijne Kerk, de Kerk voor hem bestemd, voor hem gewijd. De Pastoor en de Kapelaans zijner Parochie zijn zijne Priesters, de Priesters door den Bisschop tot hem gezonden met de macht en de genade van Jesus Christus, om voor hem te zorgen, zooveel het heil zijner ziel het vorderen moge. Zou het niet betamen, dat een Herder zijne schapen te zien krijge, hen kunne toespreken, hen kunne verzorgen? Zou het niet betamen, dat de schapen hun eigen Herder gaarne aan het Altaar zien; terwijl hij voor hen het H. Misoffer opdraagt, gaarne zijne stem op den Predikstoel hoeren , terwijl hij gezonden is om juist voor hen het Woord Gods te verkondigen? Jesus Christus met zijne Leerlingen is het volmaakte

-ocr page 37-

— 16 —

voorbeeld voor een Pastoor en zijne Parochianen : „ Ik ben, zeide Hij, de goede herder en ik keu de raiine en de mijne kennen mij.quot; Jois X, 14.

35. Noem eenige van de rechten, welke aan eene Parochiekerk en haren Pastoor toekomen, en waaruit onze verplichtingen kunnen worden afgeleid. — De Pastoor heeft als Herder, als geestelijke Vader zijner Parochianen, recht op hunnen eerbied, volgzaamheid, vertrouwen, liefde en zekere behulpzaamheid , op hunne medewerking voor de godsdienstige belangen der Parochie, bijv. voor de stichting en instandhouding van Katholieke Scholen, van Congregatiën enz. De Pastoor heeft het recht om de kinderen zijner Parochie te doo-pen , hen in de Christelijke Leer te onderwijzen , hen voor to bereiden tot hunne Eerste H. Communie, het H. Vormsel. — De Pastoor heeft het recht aan zijne Parochianen de Paaschcommunie, het Viaticum (de H. Communie aan de zieken als Teerspijze) en het Oliesel te geven. — In de Parochiekerk moet geschieden de openbare afkondiging voor het Huwelijk, ook van hen die de Parochie metterwoon hebben verlaten , indien daarna nog geene zes maanden zijn verstreken. Voor den eigen Pastoor of een ander Priester, door hem gemachtigd, moet het Huwelijk worden aangegaan, terwijl hij

-ocr page 38-

— 17 —

het recht en de verplichting heeft de bekwaamheid der zijnen voor het Huwelijk te onderzoeken. — In de Parochiekerk behoort in den regel de Uitvaart plaats te hebben, ook als een Parochiaan bij toeval buiten zijne Parochie komt te overlijden. — De Parochianen hebben te voldoen wat zij volgens wettig gebruik, overeenkomst of verordening van den Bisschop voor het onderhoud van Kerk, Pastoor of diens Medehelpers verschuldigd zijn.

36. Men vergete niet, dat de Pastoor van zijnen kant nog ernstiger verplichtingen en zware verantwoording heeft, zoodat wij hier de vermaning van den H. Paulus aan de Hebreërs (Br. XIII, 17) in haar geheel kunnen toepassen : „ Gehoorzaamt uwen oversten en weest hun onderdanig; want zij waken als die rekenschap moeten geven voor uwe zielen, opdat zij dit met blijdschap doen en niet zuchtende ; want dit is u niet nuttig,quot; integendeel, het is n hoogst nadeelig; want gij maakt u daardoor strafbaar voor God. — Men gedenke, dat de Pastoor voor zijne Parochianen moet bidden , voortdurend de barmhartigheid en den zegen des Heeren over hen afsmeeken ; in \'t bijzonder, op alle Zon- en Feestdagen voor hen het H. Misoffer op-

2

L i

i

-ocr page 39-

— 18 —

dragen en het Woord Gods verkondigen; — dat hij geschikte gelegenheid behoort te geven tot het bijwonen der HH. Diensten en het ontvangen der HH. Sacramenten; — dat hij de kinderen zijner Parochie van hun zevende jaar tot en na hunne Eerste H. Communie in de Christelijke Leer moet onderwijzen, en hunne jeugdige harten tot ware deugdzaamheid en godsdienstige gewoonten vormen; — dat hij zijne Parochianen niet alleen behoort te onderrichten, hen tot de beoefening van alle christelijke deugden op te wekken en voor de zonde en hare gelegenheden te waarschuwen; maar — wat zooveel moeielijker, onaangenaam en zelfs zeer pijnlijk kan wezen — hen, zoo uoodig, in \'t geheim of \'t openbaar, te vermanen of te berispen , tegen misbruiken te ijveren , ergernissen weg te nemen, — en niet zeldzaam , bij de beste bedoeling, onverschilligheid, miskenning, tegenwerking, beleedi-ging en lastering geduldig te verdragen; — eindelijk te allen tijde, elk uur van den dag of van den nacht, gereed te zijn de HH. Sacramenten, waar uoodig gedacht wordt, toe te dienen, ook bij besmettelijke ziekten , zelfs met het zekerste gevaar van zijn leven, naar het woord en het voorbeeld van zijn Goddelijken Meester ; „ Ik ben de goede herder. De goede herder geeft

-ocr page 40-

— ]9 —

zijn leven voor zijne schapen.quot; Jois X, 11.

37. Hulp- of Bijkerken {Succursalen), gelijk de naam aanduidt, helpen , om de uitgebreidheid der Parochie, in den dienst der Parochiekerk voorzien en deelen de zorgen der Moederkerk onder haren Pastoor. — Kloosterkerken van Triesters, met een Eector aan het hoofd, zijn niet alleen tot hulp der Parochiekerk, waaronder ze ressorteeren , met eerbiediging barer rechten, maar tot hulp van alle Parochiekerken eener plaats; waarom zij ook Algemeene Hulpkerken genoemd worden. — Is aan Vrouwenkloosters of Gestichten van Liefdadigheid eene openbare Kerk, Kapel of Oratorium verbonden , dan strekt dergelijke Bidplaats hoofdzakelijk ten dienste der inwonenden; maar kan een iegelijk in dat openbaar Bedehuis aan de verplichting van Mishooren voldoen. — Rectoraten, wier grenzen in eene Parochie omschreven zijn, deelen met hunne Rectoren in de rechten en verplichtingen van Parochiekerk eu Pastoor, behoudens eenige uitzonderingen, welke rechtens bestaan of bij de oprichting wettig zijn vastgesteld.

38. Welke is uwe Parochiekerk ? — Welk is haar ïitel of Patroon ? — Wie is uw Pastoor ? — Erkent \' gij uw Pastoor, waar het noodzakelijk ? ook waar het

-ocr page 41-

— 20 —

betamelijk is ? — Gaat gij in uwe Parochiekerk ter Misse ?

Zoo niet, is de reden afdoende?

39. Welke is de Hoofdkerk van alle Kerken der wereld ? — De Basiliek van St Jan van Lateranen (wijl zij is de Kerk van den Bisschop van Rome, den Paus), ook de Pauselijke Kathedraal en Gulden Basiliek genoemd.

40. Op de muren van de Lateraansche Basiliek leest men in het Latijn dit opschrift: „ De allekheiltgste Lateeaansche Basiliek alleu Keuken van Stad en Wereld Hoofd en Moeder. (Stad c Rome.) Het Kerkwijdingsfeest van St Jan van Lateranen wordt gevierd den 9 November onder den titel van Kerkwijding der Basiliek van den Allerheïligsten Verlosser, aan wien ze door Pans Silvester werd toegewijd. Patroon de Tl. Joannes de Booper.

41. Noem eenige der merkwaardigste Keliquieën der Lateraansche Basiliek.

1. De Hoofden van de HH. Apostelen Petrus en Paulus.

3. De Tafel van het Laatste Avondmaal, waaraan onze Goddelijke Zaligmaker op den avond voor zijn Lijden het H. Sacrament des Altaars heeft ingesteld.

3. De houten Tafel, welke de H. Petrus voor Altaar

-ocr page 42-

— 21 —

gebruikt heeft, en het Pauselijk Altaar genoemd, wordt, omdat alleen de Paus daaraan de H. Mis leest.

4. In een Gebouw bij de Basiliek van St Jan van Lateranen de Scala Santa (de Heilige Trap), de marmeren Trap van 38 treden, die te Jerusalem naar het Rechthuis van Pilatus geleidde , en waarlangs de Zaligmaker tweemaal is op- en tweemaal afgegaan.

42. Waardoor is de Vaticaansclie Basiliek, Ae Sint Fieter te Rome, zoo merkwaardig voor alle Katholieken ?

1. Door de Confessie of het Graf van den H. Petrus in eene Crypt onder het Hoogaltaar, daarboven de prachtige koepel van Sint Pieter.

Het Graf van den H. Petrus, dat is : van zijn Lichaam. Zijn Hoofd rust in de Lateraansche Basiliek met het Hoofd van den H. Paulus, wiens Lichaam bewaard wordt in St-Paulus-buiten-de-muren. Het Graf van den H. Petrus wordt de Confessie (Belijdenis) genoemd, gelijk elk Altaar boven het Lichaam van een H. Martelaar in Italië eene Confessie pleegt genoemd te worden.

2. Door de Kesidentie of het Verblijf des Pausen in het Vaticaan, het Pauselijk Paleis.

Alle Pauselijke Stukken; Bulle (plechtigstevorm),— Breve (minder plechtige vorm), — Encycliek (Rondgaande Brief of Zendbrief aan velen),— door den Paus onder-

-ocr page 43-

— 2a —

teekend, worden onderschreven; Datum Romae apud Sanctum Fetrum — Gegeven te Rome bij Sint Fieter.

3. Door het Vaticaansch, het laatste Algemeen Concilie, in Sint Pieter gehouden ten jare 1869 en 1870. Iets meer deswegens Cat. d. Feestd. XXIV Les. 8 Deo. 1869.

43. Op een rondgaanden band binnen den koepel van Sint Pieter leest men in het latijn dezen tekst uit het Evangelie van den H. Mattheüs XVI, 18 en 19 : „ Gij zijt Petrus , en op deze steenrots zal

ik mijne kerk bodwen, en aan u zal ik geven de sleutelen van het rijk der hemelen.quot; Welk een geweldigen indruk moeten deze woorden maken op deze plaats ! Het H. Lichaam van dienzelfden Petrus, tot wien Jesus Christus voor meer dan 1800 jaren deze woorden sprak, rust onder den majestueu-sen koepel, welke dien tekst opgeheven houdt als eene kroon boven Petrus\' Graf; terwijl de Botsman , door Jesus gemaakt, en de Sleuteldeager , door Jesus aangesteld, in den persoon des Fausen steeds voortleeft, en in de nabijheid woont, als om de vervulling dier goddelijke woorden voor degansche wereld te bevestigen.

44. Het Kerkwijdingsfeest der Vaticaansche Basiliek wordt gevierd den 18 November, tegelijk met het

-ocr page 44-

— 33 —

Kerkwijdingsfeest van St-Paulus-buiten-de-muren, onder den titel van: Kerkwijding der Basilieken van de IIII. Apostelen Petrus en Patdus.

45. Welke kostbare Reliquieën van het Lijden des Heeren bezit Sint Pieter ? — Een groot Heilig Kruis, gemaakt uit het hout van het oorspronkelijk H. Kruis, — de Lans van Longinus, — en den Doek van Veronica , de Volto Santo of het Heilig Aanschijn genoemd.

46. Welke kostbare Eeliquieën van den H. Petrus bezit Sint Pieter? — Het H. Lichaam van den Prins der Apostelen, — en den Zetel, dien de H. Petrus in gebruik heeft gehad, bekend onder den naam van St-Pietersstoel.

47. Noem eenige Basilieken, aan de H. Moeder Gods toegewyd, die voor alle Katholieken zeer merkwaardig zijn ? — De Basiliek van Maria de Meerdere te Eome, — de Basiliek van O.-L.-V. van Lo-rette — en de Basiliek van O.-L.-V. van Lourdes.

48. Waarom wordt de Basiliek van Maria de Meerdere aldus genoemd ? — Omdat zij is de voornaamste onder alle Kerken van Home, aan de H. Moeder Gods gewijd.

49. Hoe wordt Maria de Meerdere nog genoemd, en op welken grond? — Maria-ter-Sneewto, omamp;zi

-ocr page 45-

— 24 —

H. Maagd in \'t midden van den zomer door sneeuw de plaats heeft aangeduid , waar Haar ter eere eene Kerk zou gebouwd worden. (Feestelijke gedachtenis van het wonder den 5 Augustus.) — Maria-ter-Kribbe, om hare kostbare Reliquie , de H. Kribbe van Bethls-hetn. — De Liberiaansche Basiliek, wijl Paus Libe-rius ze consecreerde.

50. Door welke groote Eeliquieën is Maria de Meerdere te Eome merkwaardig? — Door de H. Kribbe van Bethlehem en door de Beeltenis der H. Maagd, van den H. Lucas geschilderd.

51. Welk is het eerste en beroemdste onder alle Heiligdommen van Maria? — De Basiliek van Lorette, die haren voorrang en beroemdheid te danken heeft aan het Heilig Huis van Nazareth, daar bewaard en vereerd. (*)

53. Het Heilig Huis van Nazareth [la Santa C\'asaj is het Huis van Maria, waar de Engel Gabriel haar de blijde Boodschap bracht, het Huis geheiligd bovenal door het aanbiddelijk geheim der Menschwokding , waaraan Maria hare onvergelijkelijke Waardigheid van Moeder Gods ontleent, — het Huis, waar zij zelve

(*) // Inter loca gloriosissima Virginis Matris Dei Mariae nomi-ni dicata locus ille Lauretanus raerito habetur primus.quot; Paus Leo X.

-ocr page 46-

volgens de overlevering is ontvangen en geboren, — het Huis, waar Jesus- is opgevoed door Joseph en Maria, het Huis der H. Familie. — Het heeft God behaagd dal Heilig Huis niet alleen voor vernieling te bewaren, maar op \'t einde der dertiende eeuw van zijne grondslagen op te nemen en het over te brengen naar Europa: — het eerst naar Tersatto in I)al-matië den 10 Mei 1294: — van Tersatto naar Recanati in Italië den 10 Deo. 1294; waar het nog binnen een jaar tweemaal wonderdadig verplaatst werd. Eondom het Heilig Huis is de Stad Loreto of Lorette (1) ontstaan. — Den 10 December wordt de Gedachtenis gevierd der Overvoering van hut Heilig Huis. — Het Heilig Huis, beschermd door een prachtig marmeren monument, dat het van alle zijden insluit en overwelft, staat onder den prachtigen koepel der prachtige Basiliek, toegewijd aan de H. Moeder Gods. — In deze Basiliek wordt eiken Zaterdag de ons zoo gemeenzame Litanie van O.-L.-V. met buitengewone plechtigheid gezongen; van daar heeft men haar den naam gegeven van Litanie van Lorette, ofschoon deze Lita-

1

De plaats was oorspronkelijk een I^aurierbosch {Laurelo), eigendom eener aanzienlijke Vrouw van Recanati, iaureta geheeten. Alzoo vindt men den naam der Stad Lorette verklaard.

-ocr page 47-

— 26 —

nie veel ouder is dan dit Heiligdom.

53. Waarom is de Basiliek vau O.-L.-V. van Lourdes zoo merkwaardig ? — Omdat zij haar ontstaan te danken heeft aan eene Verschijning der 11. Maagd en aan eene gelijktijdig wonderbaar ontsprongen en wonderrijke bron.

54. Waar ligt Lourdes? In \'t zuidwesten van Frankrijk , in \'t Bisdom van Tarbes. — Wanneer is de H. Maagd verschenen? Van den 11 Februari tot den 16 Juli 18 58 achttienmaal. — Aan wie is de H. Maagd verschenen? Aan de veertienjarige Marie Bernadette Soubirous. — Hoe versoheen de H. Maagd? Blijmoedig, in een wit kleed met blauwen gordel, de banden vobr de borst te zamen, aan den rechterarm een rozenkrans met een gouden kruis. — Hoe noemde zich de Verschijning? „ Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.quot; — Wat openbaarde de H. Maagd ? Haar verlangen , dat op die plaats eene Kapel te harer eer zou gebouwd worden, en dat men in beevaart daarheen zou komen.

§. III. Oriëntatie. Kerkelijke Bouwstijl. Bijzondere vorm van Kerken.

55. Wat verstaat men door de Oriëntatie een er

-ocr page 48-

Kerk ? — Hare richting in betrekking tot de vier hemelstreken.

56. Wat verstaat men door de Heilige Linie ? — De richting van het Oosten naar het Westen ea van

i het Westen naar het Oosten. Wanneer de as eener Kerk — de lijn gaande door het midden van het Schip en van het Priesterkoor — deze richting volgt, staat de Kerk op de Heilige Linie.

57. Wanneer is eene Kerk georiënteerd, in den gewonen zin ? — Als eene Kerk met bet Priesterkoor gekeerd is naar het Oosten.

58. Waarom wordt er zooveel aan gehecht, dat eene Kerk georiënteerd zij ?

1. Om de symbolische beteekenis : opdat namelijk de Priester (*), het H. Offer opdragende, met het aangezicht gekeerd zij naar het Oosten , waarvan ons de zaligheid gekomen is, — naar de opgaande zon, die zelve hst beeld is van Jesus Christus.

(*) Vindt men vele onder de oudste Kerken met den Voorgevel naar het Oosten , en derhalve met de Apsis of Zetelnis naar het Westen gekeerd, zooals te Rome o. a. Sint Jan van Lateranen, Sint Pieter en Maria de Meerdere, — dan staat wel niet het volk, maar toch de Priester (achter het Altaar) als na Jesus Christus de hoofd--persoon des Offers met het aangezicht tiaar het Oosten. Ook de Clerus of Geestelijkheid, achter den Officiant, is met het aangezicht naar het Oosten gekeerd. Merk op, dat deze Kerken op de Heilige Linie staan, en in dezen zin georiënteerd worden genoemd.

-ocr page 49-

— as —

3. Orndat de Liturgie of de kerkelijke voorschriften wegens den Eeredienst en de Symboliek van den Eeredienst de Oriëntatie vooronderstellen ; bijv. het Evangelie in de H. Mis wordt naar het Noorden gelezen of gezongen , als gepredikt aan de heidenen , door het Noorden verbeeld : maar als nu eene Kerk niet is georiënteerd, waar blijft dan de beteekenis ? Men behelpt zich met eene denkbeeldige Oriëntatie : men houdt bijv. de Evangeliezijde voor het Noorden al wijst zij naar het Westen. (•)

59. Verklaring van bet Oriêns der Oriëntatie. 1. Oeiëns : waar de zon opgaat, het Oosten. • a) Het Oosten als landstreek. Het Oosten herinnert ons aan de weldaad der Schepjring. In het Oosten werd de eerste mensch geschapen ; daar was het Paradijs, ons eerste Vaderland. — Het Oosten herinnert ons nan de weldaad der Verlossing. In het Oosten, in het H. Land, is de tweede Adam geboren , die de schuld des eersten uitdelgde: daar is Hij gekruist, gestorven, begraven, verre-

-ocr page 50-

— 39 —

zen en ten hemel opgeklommen. — Het Oosten herinnert ons den groeten Oordeelsdag. In het Oosten verwachten wij Jesus\' tweede komst tot volmaking onzer zaligheid.

b) Het Oosten als hemelstreek, waar het licht opdaagt na den nacht. Het daglicht is het beeld van het licht des Evangelies , dat is opgegaan voor de gansehe wereld, om de duisternissen van onwetendheid en zonde te verlichten.

3. Oeiëns : de opgaande zon zelve, die een beeld is van Jesus Christus, de glans van hel eeuwige licht, de Zon der rechtvaardigheid. O Oeiëns , splendor lucis aeternae, et sol justitiae; veni et illvmina sedentes in teneiris et umbra mortis. Ant. Adv.

Voeg hierbij, dat Jesns Christus is gekruist op den Calvarieberg met den rug gekeerd naar het goddelooze Jerusalem, met het aangezicht naar het Westen : — is nu eene Kerk georiënteerd, dan zijn de geloovigen met het aangezicht naar den heiligen Berg, en , zich den Zaligmaker aan het Kruis verbeeldende, aanschijn tot aanschijn naar Hem gekeerd, evenals naar het Crucifix op het Altaar.

60. Naar welke hemelstreek is het Priesterkoor onzer Kerk gekeerd ? Is zij dan behoorlijk georiënteerd of niet ?

-ocr page 51-

— 30 —

61. Welke zijn de voornaamste Bouwstijlen, waarin onze Kerken gebouwd zijn ? En welke ia de oudste ? — De Romaansche Stijl en de Gothische Stijl. De Ro-maansche is de oudste. De Eomaansche wordt ook Bondbogemtijl, de Gothische of Gothieke Spitsbogenstijl {Style Or/ival) genoemd. De spitse boog, gevormd door twee of meer cirkelbogen , die elkander snijden , is het voornaamste karakter van de Gothiek, gelijk de ronde boog {plein cintre) van den Eomaanschen Stijl.

62. Het is treffend de bedrijvigheid, de worsteling van den geest gade te slaan bij de westersche volken , gedurende eene reeks van eeuwen, eer zij er in slaagden om tempels te bouwen, die hun voldeden, die waardig waren voor God en ook op waardige wijze getuigenis aflegden van zijn volk. Niet beter kunnen wij dien arbeid leeren kennen dan door een overzicht van den Eomaanschen en den Gothischen Bouwstijl. Het Eomaansch — gelijk de naam aanduidt, ontwikkeld uit de Tiomeinsche bouwwijze, wat de constructie van den boog betreft — is overigens een geheel oorspronkelijke Stijl, die evenwel, zooals dat ook met andere het geval is geweest, niet tot zijne volle ontwikkeling is gekomen. — In het eerst bouwde men de Romaansche Kerken zóó, dat de middelbeuk met een houten

-ocr page 52-

— 31 —

kap was gedekt en de zijbeuken met tongewelven. Doch die houten bedekking was niet voldoende voor het noordelijk klimaat en bracht bovendien het gevaar aan van brand. Zeer spoedig begon men ook den middelbeuk van een steenen gewelf te voorzien; doch de rechtstaande muren konden de drukking van dat gewelf niet verdragen : er ontstonden scheuren, ontzettingen, en eindelijk stortte de Kerk in. Zware muurberen werden tegen den buitenmuur aangebracht om het gewelf bijeen te houden, ijzeren stangen, die van de eene zijde der Kerk tot de andere liepen ; doch ook dit kon het gebouw op den duur niet behouden. Eindelijk bouwde men op de zijbeuken doorloopende gewelfbogen, in halven of kwartcirkel, die het hoofd-gewelf moesten schragen. Nu evenwel kon men geen bovenlichten meer in de Kerk aanbrengen, en moest zij den dag alleen ontvangen door de enge vensters der zijbeuken. Soms slaagde men er in, door het gebruiken van groote hoeveelliedcn bouwstoffen voor de steunpijlers, kleine bovenlichten uit te sparen; maar dit voldeed niet. De halve bogen , welke men verplicht was aan te brengen om het hoofdgewelf te behouden , waren altijd een hinderpaal om onder dat gewelf behoorlijke lichtramen te sparen. Vandaar dat de Ro-

-ocr page 53-

maansche Kerken zoo tlonkei\' zijn, vooral in het midden en boven. — In de groote steden voldeden de Eomaansche Kerken weldra niet meer aan de behoeften. Zij waren eng en vol zware pilaren , en boden daardoor geen ruimte genoeg aan voor eene talrijke bevolking. De duisternis die er in heerschte, het voorkomen van gedruktheid welke er aan eigen was, bewerkten dat alles, zoodra de Gotbiek verscheen, tot haar overliep. — De Gothische Bouwstijl was ruimer, luchtiger, fierder en bevalliger, en vorderde veel min-ber bouwstoffen. Eene Kerk, zoo ruim men verlangde, kon in dien Stijl opgetrokken worden, met groote vensters, zoo in de zijbeuken als onder de gewelven van het schip, die overal licht en glans verspreidden. Hooge en prachtige torens kon men tot in de wolken doen oprijzen, en de buitenzijde van het gebouw kon men versieren zoo prachtig als men wilde. — De Gothische Stijl was een pijlerbouw : breek de muren eener Gothische Kerk weg, zij zal toch blijven staan; hare gewelven weten van geen uitzetten, omdat zij gesteund worden door den schraagboog, die op zijne beurt zijn steunpunt vindt op de muurberen der zijbeuken. — Er is veel voor en tegen den schraagboog geschreven; maar zeker is er nooit iets voortreffelijker

-ocr page 54-

uitgedacht; en hadden de bomvmeesters der Eomaan-sche Kerken de half- of kwarteirkelvormige gewelven, welke zij over de zijbeuken sloegen, tot reepen gesneden , en alleen de gedeelten behouden welke tus-schen de vensters vielen, die zij nu diehtmetselden, dan hadden zij den schraagboog gevonden en het middel om hunne Kerken te behouden , zonder ze van het bovenlicht te berooveu. — Het was de vinding van den schraagboog, die de kerkbouwers in staat stelde om de vraag te beantwoorden die hun gedaan werd, eene Kerk op te trekken zooals men die toen begeerde, en iets schooner is den menschelijken geest niet ter uitvoering voorgelegd : zij moest hoog en ruim zijn, vol licht, bevallig en versierd met alles wat de kunst kan schenken. -—- De sieraden aan het uitwendige dier Kerken waren zoo overvloedig aangebracht en waren zoo licht en doorzichtig bewerkt, dat zij zeer aan verslijten en vergaan blootstonden, vooral wanneer zij niet van zeer hechten steen gemaakt waren. Dit is de oorzaak, dat vele Gothische Kerken vanbuiten vervallen zijn. De Eomaansche Kerken leverden dit gevaar niet op, omdat zij uitwendig geen versieringen hadden van beteekenis. De portalen alleen

3

-ocr page 55-

— 34 —

waren bezet met beelden en arabesken, die door het booggewelf tegen dim invloed van het weder beveiligd waren.

63. 1\'e ronde lioo^ is eenig, de spitse boog komt in verscheidene vormen voor. Om de rijke verscheidenheid , den (iotliieken Stijl eigen, aan te toonen, geven wij hier de namen der vele soorten van Spitsbogen, ongeveer gr lijk zij elkander zijn opgevolgd (E. Reusens, Elements d\'Archéologie Chrétienne) :

1. Ogive (1) oblnse of romane. — 3. Ogive aiguë of lancette. — 3. Ogive équilatérale. — 4. Ogive sur-hanssée. — 5. Ogive en tiers point. — 6. Ogive in-fléchie bi\' a contre courbe. — 7. Ogive en accolade of en talon — 8. Ogive en doucine. — 9. Arc Tndor.

64. Waarvan is de benaming Gothische Stijl afkom-?tjgV — \\[i;n weet zeer goed (2), dat de Spitsbogenstijl,

1

Obiv. , oorspronkelijk Augive, li-idpn sommigen af van het duitsche Any [oog\', undiTra van het latijnsche aut/ere (vermeerderen): w.-rd eerst «M\'-sd van den hoek , dien de gewelfribben maken . _ l iter Villi den Spitshoog, die op zulk een hoek gelijkt.

2

Mm wet! dat zeer goed-, en toch de Fransche Aeademiën en Cl.issiekeii der XVI1 en XVI11 eeuw schreven dien Stijl toe aan de Golhen of de Arnb eren , — nog aandoenli.iker: in Nederland wordt in de XIX eeuw geaclireven, dat de Jesuieten dien Stijl hier in-voeiileu. De Jhsuikih.n? Wel ziker; die durven al wat leelijk is, als /.e er maar de kans toe hebben; — doch toevallig blijken ze in zake dier leelijke (jothiek vrij onschuldig; want — de Jesuieten ent-

-ocr page 56-

— 35 —

die eerst in de Xlle eeuw zich beg-on te ontwikkelen, historisch niets hoegenaamd te maken heeft met de Gothen der eerste eeuwen , een krijgshaftig germaansch volk, dat, uit het noordoosten van Duitschland naar zuidelijk Europa heenstroomende, door zijne verwoestende strooptochten overal schrik en verderf heeft verspreid ; — maar men heeft aan den Spitsbogenstijl alleen de benaming van Gothisch gegeven uit minachting, daardoor willende aanduiden een barbaarse hen (^)

stonden Jang n^dat onze middeleeuwsche Kerken en Stadhuizen gebouwd waren; — zij verschenen hier, toen de Gothiek gedaan had, uitgebloeid, verworpen was. Maar wat zij in Nederland hebben ingevoerd ? wat zij in \'t ronde zagen , wat men toen nog alleen beoefende : de llaliaanschf Renaissance , — en dat volstrekt niet in hare voortreffelijkste eenvoudige uitingen , uit hare eerste jaren. Vandaar de benaming van Stijl; maar dat is geene Gothiek.

(*) //En fait d\'architect, ure on appelle Goth\'que tout ce qui eat sans goöt, sans regie, sans correction de p ofils et sans proportions.quot; l)ict. abregé de peinture et d\'architecture. — Hi t is bekend, dat Eénélon , die uitstekend*? classisclie geest, zeer tegen de Gothiek was ingenomen. Hij zegt: «Les bütiments Gotliiques sont de mau vais goüt, quoique hardiment construits. Les inventeurs de TArt Go-thique, qui eut, dit-oa, cello des Arabes, cröfent sans doute avoir surpassé les Architectes Grecs.quot; Alleen de Grieksche Stijl was schoon in zijn oog Toch laat hij er op volgen , gedrongen door den invloed, welken de middeleeuwsche monumenten op dien uitstekenden kenner der classieke oudheid maakten , ook ondanks de richting van zijn fijnen geest: »/L\'Architect ure Gothique elève sur des piiiers minces une voute immense qui monte ju.squ\'aux nues: on croit que tout va tomber, mais tout dure pendant bien des siècles. Tout est plein de fenetres , de roses et de pointes j Ia piene semble décoüpée comme du carton, tout est a jour, tout est en Tair.quot;

-ocr page 57-

Stijl. Volgens anderen beteekent de Gothen niets anders dan de Goeden, en derhalve de Gothische Architectuur de Goede Architectuur. Zij verdient bij ons dien naam niet slechts om hare goede hoedanigheden in het algemeen ; maar ook omdat zij door hare steile daken en andere bedekkingen voor ons buiig klimaat het beste past. En wat de Gothiek voor ons nog aantrekkelijker maakt ? «ij is de Bouwstijl unzer Vaderen, en vertegenwoordigt den bloeitijd van het Katholiek Geloof op den grond, waar Servatius en Amandus, Lambertns en Willibrord de eerste zaden hebben uitgestrooid. En zouden wij ook hier niet juist den sleutel vinden voor die minachting en vervolging, waaraan de Gothiek in ons Vaderland van zekere partij, blootstaat? Een nationaal gebouw in Gothischen Stijl? Voor Nederland onmogelijk. Aan Gothische Museüms of Stadhuizen , al treft men er buiten ons Vaderland nog zoovele, mag in Nederland nimmer gedacht. Wee het burgerlijk gebouw , waaraan een Gothisch element ook maar zou worden gegist ! De Gothiek een leervak op onze neutrale Teekenscholen ? Dat mag niet; dat kan niet. A bas Ia Gothique ! De Grieksche kunst vóór alles ! Zij, de dienaresse van het moderne heidendom.

-ocr page 58-

— 37 —

65. Welke goede hoedanigheden schrijft men aan de Gothiek toe? .— 1. Soliditeit of hechtheid van bouw. — 3. Stoute rijzigheid of hoogte met rankheid ver-eenigd. — 3. Lichtheid in de détails. — 4. Verscheidenheid iu vormen en algemeene plannen der Gothische gebouwen , waardoor zij niet op elkander gelijken en elk zijne eigene schoonheid heeft. J. Oudin, Archéologie Chrétienne.

Na deze opsomming volge eene beschrijving:

„ II faudrait être tout a fait dépourvu de sensibi-lité et d\'euthousiasme, pour conteinpler sans émotion l\'effet magique de nos belles églises du XIIIe siècle. Les heureuses proportions, observées par les architectes dans la forme des arcades et des fenêtres, la vaste étendue des nefs, ces mnrs aériens sur lesquels on a semé les découpures et les élégantes broderies ; toutes ces merveilles de sculpture et de hardiesse, rehaussées par la clarté mystérieuse d\'un jour que les vitraux peints ont terni, impriment a l\'ame uu sentiment éminemment religieux. — Et lorsque, placé sous le portique d\'une cathédrale, l\'oeil saisit tout l\'espace du temple, parcourt la nef centrale , glisse avec étonnement sous ces voutes a la fois légères et gigantesques pour venir se perdre dans le lointain oü

-ocr page 59-

apparait le rond-point, on ne peut se defendre d\'une viva exaltation , d\'une sorte de tressaillement. L\'aspect d\'une basilique frappe les sens comme le ferait une poésie sublime , ou mie belle mélodie. — Si de 1\'in-terieur on passe a l\'exléneur, on n\'est pas moins charmé des proportions a la fois vastes et gracieuses du vaisseau , de Télegance des tours, de la profusion des clochetons, des arcs-boutants et des contre-forts. •— L\'examen le plus superficiel suffit pour convaincre qu\'une pensée prédomine dans les monuments du Xllle siècle, savoir : V élancement, la direction vers le del. Cette forme pyramidale qui se reproduit dans toutes les, parties dominantes des édifices, non seule-ment dans les frontons, les tours, les clochetons, tnais encore dans les fenêtres en lancette, contribue beaucoup a donner aux basiliques une apparence de hauteur qn\'elles n\'ont pas toujours en réalité. C\'est aussi de cet accord dans les formes que naissent I\'har-monie et l\'unité qui distinguent si heureusemcnt les monuments de la premiere époque ogivale.quot; M. de Cau-mont. Cours d\'antiquités monumentales. Cité par le Diet. d\'Esth. Chrét. Art. Ogival (Style.)

66. Noem eenige grondvormen van den Gothischen Stijl met hunne symbolische beteekenis. — Het vier-

*

I

-ocr page 60-

— 39 —

Tcantgt; beeld der tijdelijke orde, bekroond door den driehoek, beeld der eeuwige orde. Zo(5 de platte grond der Kerk; Schip en Koor met de Altanrnis; — zóó de opstand van Schip met dak ; — zóó de vensters. — Driehoek met het klaverblad, ook beeld der H. Drievuldigheid. Het rond, de roos, beeld der Oneindigheid, van God. Drie in elkander grijpende cirkels of ringen, wederom beeld der H. Urievuldigheid. Sjiitsen met kruisen, pinakels met kruisbloemen, ten hemel wijzende; sursum corda. De verticale of rechtstandige lijn, het zinnebeeld der verrijzenis. Volgens de getuigenis van Tertullianus en den H. Augustinns was het staande bidden der Christenen reeds te hunnen tijde een teeken , dat zij geloofden aan de verrijzenis: Stantes oramus, quod est signum resurrectionis. Denk hier aan bet staande bidden van De Engel des Heertn op Zondag en van Koningin des hemels gedurende den Paaschtijd. De Spitsboog, zooveel hooier dan de Kond-boog, wijst op de verrijzenis. Prof. A. Thijm. De Heilige Linie.— A. W. Fugin, Les vrais principes de rArchitecture Ogivale ou Chrétienne.

67. Buiten den alles beheerscheuden Spitsboog en de rijke Symboliek heeft de Gothiek nog een merk- : waardig karakter, dat haar van alle andere Bouvvstij-

-ocr page 61-

— 40 —

len onderscheidt; — hierin bestaande, dat zij bij hare afmetingen de schaal of maat van den mensch (*) {l\'échelle de Vhomme) gebruikt; dat is: de Gothiek, \'t monument mag groot of klein zijn , brengt vele dee-len in overeenstemming met de menschelijke gestalte of grootte. Zij houdt in bet oog, dat het gebouw voor den mensch moet dienen ; \'t is zijn kleed, \'t moet hem passen. Om iets te noemen: de hoogte van de basementen der kolommen zal men in kleine en groote Gothische Kerken nagenoeg gelijk vinden. Zoo in geen anderen Bouwstijl. Daar is geen spraak van eene vaste schaal, die voor type dient; maar alles volgt eenvoudig den regel der evenredigheid : voor grootere Kerken zal bijv. de kolom in diameter en alle overige deelen naar evenredigheid grooter zijn. Bij uitbreiding

(*) Om dit beginsel te verduidelijken; een hondenhok wordt gemaakt naar de schaal of maat van den hond, — een paardenstal naar de schaal van liet paard : — een huis naar de schaal van den mensch. Heeft men eene Gothieke kolom in teekcning voor^ zich , dan kan men zich gemakkelijk de hoogte voorsteilen , zoo niet bij eene kolom in Ciassieken Stijl: daarvan is slechts de hoogte te berekenen volgens de bijgevoegde schaal of door vergelijking met daarbij geteekende personen of voorwerpen, waarvan de maat bekend is. Wil men eene groote Kerk van Ciassieken Stijl in kleinere afmeting nabouwen , heeft men slechts hetzelfde bouwplan te volgen, mits alles naar evenredigheid verkleinende. Zoo niet, als men eene groote Gothische Kerk in \'t klein wil teruggeven ; dan toch moet hét geheele plan gewijzigd worden, en zal veel komen te vervallen, wijl het reden van bestaan mist.

-ocr page 62-

van plan zullen de andere Stijlen de deelen vergrooten, de Gothiek daarentegen zal de deelen vermenigvuldigen. Als de andere Stijlen bijv. den diameter en de mou-lures eener kolom vergrooten, — zal de Gothiek ko-lonetten aan de hoofdkolom toevoegen of de cannelures vermeerderen. Het uitwerksel van dit beginsel is, dat eene Gothieke Kerk ruimer en hooger schijnt dan zij werkelijk is (een effect, waar de kunst naar streeft, beweren velen); — daarentegen eene Kerk in Clas-sieken Stijl zal kleiner en lager schijnen dan zij werkelijk is (dat is verlies, zeggen dezelfden). Tot voorbeelden worden aangehaald de Dom van Keulen zoo rijzig en indrukwekkend reeds bij den eersten aanblik, — en Sint Pieter te Rome, die met hare reusachtige afmetingen niet aanstonds den indruk maakt welken men verwachtte, maar later verbazend groot blijkt bij kalme beschouwing. Eeusens, Arch. Chrét. —Pugin , Les vrais princ. de l\'Arch. Ogivale.

68. \'t Is nog het eigenaardige der Gothiek, dat zij veel versieringen aanbrengt, maar geene versiering ora zich zelve, \'t Is een barer eerste beginselen : wat noodzakelijk is, niet verbergen, — alles laten zien wat zijn moet, maar den ruwen vorm versieren \\ — \'elk ornement moet zijn grond van bestaan hebben in den vorm

-ocr page 63-

en den aard van het voorwerp (Reusens , Arch. Cbret.). Zoo maakt bijv. de Gothiek bij Kerkgemeubelte en Kerkgereide veel gebruik van torentjes; maar moeten of mogen die torentjes nu zijn een Kerktoren in \'t klein , waaraan geen détail vergeten is? — Deze vraag kwam op bij het lezen eener Kunstkritiek over eene prachtige ciborie in de laatste dagen van December 1886. Daar las men : „ Het deksel (der ciborie) vormt den hoofdbouw, die in een sierlijk bewerkten Gothischen toren eindigt, waarin de beelden van den Verlosser der wereld, den H. Joannes den Dooper en den H. Vin-centins een alleraangenaamsten indruk maken. Alles, tot in de\'geringste deelen , is bijzonder fijn afgewerkt. Alles schijnt te leven, tot de waterspuiers toe, die aan de uiteinden der daken de levendigheid van \'t geheel nog zeer verhoogen,quot; — Het wordt niet vermeld; maar verbeeld u bij de dubbel uitstekende waterspuiers, waarom niet? nog een lief klokje in het torentje en een elegant cadran in het front; o, hoe moet zulk eene getrouwe copie van een Gothischen KERKtor^» den leek in verrukking brengen? Misschien zoekt hij nog naar Avn bliksem afleider \\ Maar, zult gij zeggen, dat is Style-Epicier, SuikerbakkersSii]I. Aecoord.

69. Waardoor onderscheidt zich voornamelijk de By-

-ocr page 64-

— 43 —

zantijmche Stijl?—■ Door zijne vele koepels en eenvoudige vormen met rijke decoratie.

70. Zeldzaam is in \'t Westen van Europa de By-zantijnsche Stijl, genoemd naar het oude Byzantium, het latere Conslantinopel, Stad van Constantijn, den Eomeinscheu Keizer, die, Eome aan den Paus latende, Byzantium voor zijne residentie koos, wijl hij te duidelijk inzag, dat „ te Kome voor twee Souvereinen geen plaats is.quot; (Op wat treurige wijze moesten wij in onze dagen deze waarheid bevestigd zien !) — Als bewonderenswaardig type van ityzantijnschen Stijl werd steeds geroemd de prachtige Sophia-kerk te Constantinopel, in de zesde eeuw (532-537) gebouwd door Keizer Jus-tinianus ter eere van God den Zoon , de Heilige Wijsheid [Hagia Sophia (*)]: helaas, thans verlaagd tot eene Moskee ten dienste van den Islam! — De Dom van Aken is ook een koepelbouw tot dezen Stijl behoo-rende, en evenzoo de beroemde Kerk van Eavenna. Beide herinneren aan groote Christen Keizers, wier geest er nog in schijnt te zweven. Niet minder mag geroemd worden de St-Marcuskerk van Venetië, zoo

(*) Volgens het tegenwoordige constantinopelsche spraakgebruik Aya Sojia genoemd. A\'ja Sofia is ook de titel van Dr Scliaepman\'s dichtwerk, dat in twaalf meesterlijke Zangen de gesehiedeuiai van dezen eeuwenhengenden tempel ontrolt.

-ocr page 65-

heerlijk van buiten , en inwendig zoo rijk aan sieraden , waaruit de grootheid en macht der voormalige Eepu-bliek spreekt, en de godsdienstige zin, die in vroegere eeuwen dat volk van zeevaarders en kooplieden bezielde. De koepelbouw werd ook in Frankrijk beoefend, maar zonder daar een bij uitstek merkwaardig monument voort te brengen.

71. De Romaansch-Byzantijnsche Stijl {gelijk de naam aanduidt : het Romaansch met het Byzantijnseh ver-eenigd) is in het Westen niet zeldzaam. In dezen Stijl is ontworpen de prachtige Kerk van het H. Hart op den Montmartre, het hoogste gedeelte van Parijs, waarvan de bouw is ondernomen door den Kardinaal Gui-bert\'. Aartsbisschop van Parijs, als een eerherstel van gansch Frankrijk voor den smaad hel Goddelijk Hart aangedaan, door de gruwelen der Commune, waarvan die heuvel in 1871 getuige was. Eene afbeelding van deze grootsche Votiefkerk, gelijk zij na hare voltooiing zijn zal, geeft de Kath. Illustratie in den 20en Jaargang bladz. 144i ; — eene beknopte beschrijving in den 18en Jaarg. bladz. 95 en 96. — Bladz. )35 van den 20el1 Jaarg. geeft eene afbeelding van de Sophia-Kerk te Constantinopel. Deze prachtige Basiliek, gebouwd ter eere van de Heilige Wijsheid, en de prach-

-ocr page 66-

— 45 —

tige Kerk ter eere van het H. Haet in aanbouw te Parijs — zijn twee Monumenten der Katholieke Kerk, mei een tnsschenruimte van dertien eeuwen, toegewijd aan denzelfden Zoon Gous, Jesüs Christüs, die is gisteren en heden, dezelfde en in eeuwigheid (Hebr. XIII, 8): wien de Katholieke Kerk , nimmer het oog afwendende van den Stichter en Voltooier des Geloofs (Hebr. 1,3), door alle eeuwen heen looft en aanbidt als de Wijsheid des Vaders, maar in de laatste tijden, volgens zijn eigen verlangen , door de devotie tot zijn H. Hart, vereert en dankt en bemint als hz eeutciye, onveranderlijke,oneindige Liefde.— Mogen de offergaven van Frankrijks beste deel aan Jesus\' H. Haet, in 1886 reeds tot 17 millioen frs gestegen , de straffen van Gods gerechtigheid afwenden 1 72. Geef eenige bijzonderheden omtrent de Renaissance, in vergelijking met de Gothiek. — Vele voorstanders der Renaissance smalen op de Gothiek, en schelden haar voor barbaarsch-,— grooter getal nog van voorstanders der Gothiek smalen, en vrij wat feller, op de Renaissance, en schelden haar voor onchristelijk, voor heidensoh: hoe kan, zeggen zij, de terugkeer tot de kunst der oude Grieken en Romeinen Renaissance, dat is : Wedergeboorte, Herleving, genoemd worden ? A,ls Christelijke kunst heeft de Renais-

-ocr page 67-

— 46 —

sance geen recht van bestaan. (*) — Zou het niet wijzer en Christelijker wezen, zijne voorkeur aan den ee-nen Stijl te geven, zonder den anderen te beschimpen?— De Renaissance der XVe eeuw iu \'t algemeen was eene opleving, eene nieuwe beoefening en toepassing der Classieke kunst en letteren , na eene langdurige verwaarloozing, een natuurlijk gevolg dier tijden. — De XVIe eeuw was een merkwaardig tijdperk. De eenvoud en sierlijkheid, welke men in de Schriften dei-Ouden vond, wilde men overbrengen op de kunsten, en tegelijk brachten de opgravingen in Home en elders een aantal overblijfsels der heidensche eeuwen te voorschijn, die alles in verrukking brachten, wat met den geest der Humanisten reeds vervuld was. Dat tijdperk wijdde zich in met eene schaar kunstenaars , welke deze nieuwe richting voorstonden en beoefenden , zooals er maar zelden gezien zijn: Bramante Michel Angelo, Rafael! Waar zij hunne werken te voorschijn brachten, daar verbleekte alles wat vroeger geschitterd had, in het oog der tijdgenooten althans; en geen wonder dat de nieuwe kunstrichting, door zulke mannen aangevoerd, duizenden navolgers erlangde, zich overal

(*) Het goed Ter.ht der Renaissance wordt o. a. krachtig verdedigd in Ve Katholiek. Deel XC en XC1. Jaargang 1886 en 1887.

-ocr page 68-

— 47 —

f

den bijval verwierf van grooten en kleinen en alles met zich sleepte; vooral wel omdat een zoo groote en kunstlievende Paus als Leo X die richting voorstond en bevorderde , zooals alle de Medici de Renaissance voorgestaan en gekoesterd hadden. — De goede Eenaissance is zoowel eene Christelijke kunst als de Gothiek. (1) Zij toch is niets anders dan de aanwending der antieke vormen, niet in den heidenschen, maar in den Christelijken geest. Heeft het Christendom niet het Heidendom overwonnen? Wat belette dan de Kerk, om uit den rijken buit harer vijanden datgene op te nemen wat, zonder schade van geloof of zeden, tot opluistering harer monumenten kon strekken? Wijkt de Eenaissance echter af van den Christelijken geest, openbaart zij heidensehe begrippen of strevingen, wil zij

I

1

De Kerk treedt niet op als selieidsreehter tusschen de verschillende Bouwfatijleu. Aan de beoefenaars van welke kunst ook laat de Kerk volkomene vrijheid bij hunne scheppingen j mits zij de vriiheid niet mishruiken, om het rechte geloof eu de goede zeden te bestrijden. Bieden de schoone kunsten hare diensten aan de Kerk, dau be-hooren zij zich ook als dienaressen der Kerk te gedr-igen; zich nif\'td veroorlovende, wat in het huis des lieeren en des gebeds oneerbiedig of ontstichtend zou kunnen ■ schijnen, maar integendeel met elkander wedijverende, om tot verheerlijking van God en tot leering en godsdienstige stemming der geloovigen mee te werken.,Zoo geeft het Concilie van Trente strenge voorschriften wegens de Beelden en

I Schilderingen (Sess. XX11) en wegens den Zang en het Orgelspel

(Sess. XXV). Cfr Cone. Prov. ültraj. Tit. V. Cap. V. VI.

-ocr page 69-

— 48 —

het heidensche element niet heiligen, maar verheerlijken ; — dan is zij eene valsche Renaissance, dan is zij niet eene herleving der Christelijke kunst, maar eene herleving van het Heidendom, en veroordeelt zij zich zelve. — Munt de Gothiek uit door rijke Symboliek; de Renaissance is niet zonder Symboliek: — is de opgaande lijn der Gothiek een symbool van het Christelijk gemoed, dat, de aarde versmadende, al hooger en hoo-ger ten hemel streeft; — de liggende, zich rustig uitstrekkende lijn wijst ons den Zoon Gods, voor ons men-schen en voor onze zaligheid uit den hemel gedaald, het Woord , dat is vleesch geworden en onder ons heeft gewoond, en nog altijd blijft wonen; omdat het zijn vermaak is met de kinderen der menschen te zijn. — Is de Gothiek rijker in verscheidenheid van vormen ; de Renaissance biedt door bare grootere vrije vlakten ruimer veld voor mozaïeken en fresco\'s. — Heeft de, Gothiek wonderen van Bouwkunst voortgebracht in het Noorden; de Renaissance is opgegaan en heeft geschitterd in het Zuiden , in Italië. De Pausen hebben de Renaissance aangemoedigd. Sint Jan van Latera-nen, aller Kerken Moeder, en de wereldberoemde Sint Pieter zijn in den Renaissance-Stijl gebouwd.

73. De ifococo-Stijl is eene verbastering van den

-ocr page 70-

— 49 —

Antieken of Classieken Stijl, welken de Eenaissanoe in den beginne streng meende te moeten volgen. Eococo is afgeleid van Rocaille (rots- of schelpwerk), en de Eococo-Stijl wordt zoo genoemd om het schelpaeh-tige der ornementatie. Grillige, zwierige ornementen bestempelt men doorgaans met de benaming van Eococo-Stijl.

74. Na al de echt Kerkelijke Bomvstijlen besproken te hebben , behooren wij stil te staan bij een anderen, die wel geen Stijl was in den zin der kunst (ver van daar zelf!) maar die ons niettemin bijzonder dierbaar is, de Stijl, waarin onze Vaderen hunne bedehuizen bouwen moesten in den tijd der vervolging hier te lande. Die Stijl is ons dierbaar, zooals de grotten en spelonken het zijn, waarin de eerste Christenen het H. Offer opdroegen met gevaar van elk oogenblik gegrepen en voor den rechter gesleept te worden. Laten wij dien Stijl bij zijn naam noemen; want wij bedoelen de Sckuurkerken. — In den tijd der Plakkaten, (1)—■

1

quot;Voor het eene gedeelte van Noordbrabant, dat reeds dadelijk in de macht der \\ereenigde Provinciën kwam, dagteekenen de Plakkaten van \'t laatst der XVI eeuw (ZO Dcc. 1581; 9 Maart 1589; ^ Juli 1594\'); — voor den Bosch en de Meierij van 1629, voorde Meierij meer speciaal van 1678. Werd een Priester gevangen, iede-

4

-ocr page 71-

50

toen de Priesters werden verbannen, en den Room-

schen de Kerken waren ontnomen; — \'tis klaar, dat

in die jammervolle dagen van Kerken bouwen geen

spraak kon zijn. De Katholieke Kerkbouwstijl was dood ;

maar God zii lof 1 — niet het Katholieke Geloof was il ^ gt; .

dood. In particuliere huizen werden ter sluik de Uéi-lige Mysteriën gevierd. De tijd der Catacomben was teruggekeerd; dat is; de tijd der heftigste vervolging, maar ook de tijd van het kloekste Geloof; — ons Geloof is het erfdeel onzer Vaderen. (Vindicamns hae-reditatem patrum nostrorum. 1 Mach. XV, 34. Lande-mus viros gloriosos et paientes nostros in geueratione sua. Eccli XLIV, 1.) Brengen wij ons den treurigen toestand dier tijden voor den geest, dan worden wij

ren keer kad hij een losgeld van minstens f. 600 le betalen, leder burger die zijn huis of erf tot liet honden van godsdienstoefening leende, verbeurde telkens f. 300; en die «een paep liet evaderen\' was bovendien aansprakelijk voor diens rantsoen, leder Katholiek die de godsdienstoefening bijwoonde, verbeurde telkens f. 25 en het opperste kleed (zijn mantel of jas). Deze opgave is uit de officiëele stukken getrokken. Zie ook van Heurn. Hist. Stad en Meijer ij 11. bl. 498.— Het laten evadeeren van eeu paap, beteekent hier: dat men de deur zoolang voor den Schout gesloten hield, dat de Priester die de Mis deed, tijd had om het te ontkomen. — Bij Plakkaat van 19 Juli 1730 veroorloofden de Staten het bestaan van bedehui* zen, tegen betaling eener jaarlijksche vaste som; maar al de andere bepalingen der oude Plakkaten bleven van kracht tot in het laatst der XVIII eeuw.

Tl

-ocr page 72-

vervuld van erkentelijke bewondering voor dat roemwaardige Voorgeslacht met zijne heldhaftige Priesters , en loven en danken bovenal den God van barmhartigheid , die, op de voorbede zijner Heilige Moeder, bij zooveler afval, onze Vaderen heeft getroost en gesterkt, en door hunne onwrikbare standvastigheid ons den schat des Geloofs als de kostbaarste erfenis heeft bewaard. — Zóó fel woedde eens, voor ruim tweehonderd jaar, in ons Vaderland de vervolging tegen het aloude Geloof van Amandus (die te Geertruidenberg reeds het Kerkje wijdde dat de H. Geertrui er liet bouwen), van Eli-

gius, Lambertus, Hubertus en Willibrordus; _ en

het duurde vrij lang, eer bijeenkomsten voor room-sche godsdienstoefeningen oogluikend werden toegestaan;— en nog zooveel langer, eer de Katholieken uit hunne schuilhoeken in het licht mochten treden , om eene Kerk te bouwen. En welk eene Kerk ? Een enkel voorbeeld tot teekening van den nieuwen toestand. Eerst ten jare 1767 verkregen de Katholieken van Geertruidenberg van de Hoogmogenden autorisatie tot het bouwen eener Kerk. Hoe blijde klonk de mare door Sinte Geertrui\'s Stede, altijd getrouw gebleven aan het Geloof van hare Heilige Stichtster en Patrones! Evenwel was bij de machtiging uitdrukkelijk gestipuleerd.

-ocr page 73-

— 52 —

dat de Kerk zou gebouwd worden in een achterhoek, zoover mogelijk van de Gereformeerde Kerk (de oude Eoomsche Collegiale Kerk met haar trotsch Priesterkoor) — en dat het gebouw vanbuiten geenszins op eene Roomsehe Kerk mocht gelijken. Toch met opgewektheid legden de Katholieken de grondslagen van het zoolang begeerde Kerkgebouw ; maar toen men bezig was aan het stellen der toogramen. . . . Wat? toogea-men ! . . . TOOGRAMEN! . . . Die overmoedige Room-schen! . . . Zóó zijn ze : — bied hun een vinger , zij nemen de heele hand. Wie is hier de aanlegger? Hoe durft ge aan TOOGRAMEN denken? Weg er mee: ge neemt gewone vierhoekige vensters, zóó hoog en zóó breed in den dag. Overvloedig groot voor ulieden. Wat zoudt gij duisterlingen met meer licht ? Maar daarmee is het niet uit. Tot straf van uwe onbegrijpelijke pretensie zult gij de lengte der Kerk zóóver inkorten, één raam minder. (1) — Maar, Heeren, dat is ongeveer veertien voet; zie, dan is de kerk te klein, de menschen kunnen er niet in. — Gemakkelijk: ge

1

De Kerk moest inderdaad om die paapsche stoutigheid ongeveer vijf Meter in de lengte worden ingekort. De gedachtenis dezer nauw te gelooven vexatie is gedurende honderd jaar bewaard gebleven in de bestrating van het Kerkplein: door de ligging namelijk der klinkers werd aangewezen hoeveel verder de fundamenten in \'t eejst

-ocr page 74-

— 53 —

timmert eenvoudig tribunes aan weerszijden in de lengte. Basta. Ge hebt onthouden, dat op de Kerk niets mag komen dat op een koepel of torentje gelijkt? Want ge zoudt vermetel genoeg zijn, om er al heel spoedig een klokske in te hangen; en dan zoudt ge van den vroegen morgen tot den laten avond dat roomsehe gebengel eens hoeren. Maar laat de teekening van het front eens zien; ik vertrouw u niets meer; wie weet welke roomsehe illustratie ge daarbij verzonnen hebt... Waarachtig, daar hebt ge \'t: — een Gothisch Roosvenster , hoog in den Voorgevel! Prachtig!! Zie, dat droomt van mid-deleeuwsche Kathedralen. O, ze mochten de handen eens vrij hebben, die Eoomschen ! . . . Neen. Wacht! nu vat ik het. Nog slimmer, \'t Is eeu oud pauselijk Kerkvenster, in de gedaante van eeu rad ofte zon , waarvan de bediedenisse dieper ligt, een overblijfsel der vroegere afgoderije ; gelijk men die nog viudt in landen, waar de Paus en zijn Munniken de meesters zijn van de Kerken. — Maar, Heeren, dat venster is een rondlicht vau slechts drie of vier voet in diame-

waren aangelegd. Toen op de fundamenten en onder het dak der Schuur-kerk door nieuwe muren en ramen een Gasthuis werd gebouwd, is de bestrating opgebroken en de aanwijzing verloren gegaan. De Schuur-kerk werd gebouwd in 1767, en de Schuurkerk tot een Gasthuis herbouwd in 1867-

-ocr page 75-

ter, eene eenvoudige Ster, die men hier en daar ziet in de voor- en achtergevels van Heerenhuizen, Magazijnen en zelfs Paardenstallen. (1) — Wat meent ge ? In alle geval is het een luxe, die ulieden niet gepermitteerd is, tenzij gij daarvoor zóóveel betaalt als wij zullen goedvinden. (2) —Kijk, wat moet dat Kruis op den geveltop ? . . . Br af: — wij willen niet, dat iemand zich aan zulke roomsche dingen ergere. En den voorgevel trekt ge op, vlak en glad, zonder sprongen of krullen. Voor toegang moogt ge aan weerszijden eene deur aanbrengen; maar gewone deuren, gelijk de vensters vierhoekig, en ook eenvoudig vlak, massief, zonder paneelen of lijstwerk; dan zijn ze des te solider. En nu past op! — Alzoo geschiedde het. En als we nu vragen: is dat Kerkhouwatijl? Ongetwijfeld; en nog wel officiëde Kerkbowcstijl, zuivere PaMats-Stijl: — immers deze benaming klopt juist met de gegeven omschrijving.

75. En welken naam zullen wij geven aan den

1

Zulk een roml bovenïenster wordt genoemd een Oeil-de-boeuf.

2

quot;Wie de Ster in den voorgevel van de oude Bergsche Kerk heeft zien schitteren, zal niet beweren, dat ze was eene Ster van de eerste grootte; — en toch werd haar bescheiden licht als eene groote weelde aangemerkt, en alleen tegen betaling eener zekere som toegestaan. Zóó getuigt de volkstraditie.

-ocr page 76-

Bouwstijl hier te lande, die voor vijftig jaar de bescherming moest aanduiden, door de Landsregeering \' aan den Katholieken Eeredienst verleend ? — De Christelijke Bouwkunst had om den aard der tijden nog geene Meesters : — Timmermansbazen, zij waren de voornaamste Bouwkundigen, durfden eene Roomsehe Kerk wel aan, en zij mochten. Daar kwam bij, dat de Katholieken voor den bouw hunner Kerken in die dagen eene toelage van het Eijk konden verkrijgen, mits de plannen door den Waterstaat waren goedgekeurd , en onder diens opzicht zouden worden uitgevoerd. Zoo werden onze Kerken, wel begrijpelijk, ontworpen en gebouwd in een Stijl, die geen naam heeft, maar die door sommige onderdeelen toch het meest de Renaissance naderde; — deze toch was aan de Bouwkundigen en de Ambtenaren van den Waterstaat genoeg bekend uit Gereformeerde Kerken , uit Concert- en Stadhuiszalen: \'t was een gemakkelijke, goedkoope, neutrale Stijl; hij paste zoo juist als zijn naam — die Waterstaat-Stijl. Ofschoon de Katholieken de gulle bekentenis zullen afleggen, dat zij blijde waren, toen zij uit kleine bedompte- Schnur-kerken mochten overhuizen naar o zoo ruime luchtige Kerkgebouwen — konden zij later, toen met de

-ocr page 77-

— 56 —

vrijheid de Christelijke Kunst weer opleefde, en jaar aan jaar tal van schooue Gothische Tempels verrezen , geen vrede meer hebben met Huizen Gods in Waterüaat-^ii^X. Niet dat deze aanstoot gaf door het weelderige van een Stijl Louis XIF, of door het ontstichtende van een Stijl Pompadour met zijne mythologische figuurtjes; — o neen, de Stijl is zeer onschuldig, heel sober en stemmig, als men niet mederekent die kolossale Altaren, wier breede en hooge, maar toch niet dure luxe schijnt te moeten dienen om de oogen te trekken, opdat zij de schamelheid der wit- naakt-koude muren en plafonneering mochten voorbijzien. Zóó verhaalt de Bouwstijl onzer Kerken voor vriend en vijand de geschiedenis van bet aloude Eoomsch-Ka-tholieke Geloof in Nederland, eene geschiedenis onuit-wischbaar in steen geschreven. Onze oude Kathedrale en Collegiale Kerken, al mocht het Kruis van hare spitsen zijn afgerukt, verkondigen, o zoo luide, den welverdienden lof van het levendige, krachtige, het alles offerende Geloof onzer Vaderen. De Huis- en Schuurkerken, en waar zij door ruime Tempels vervangen zijn, spreken hare namen nog van vervolging en druk, van de standvastigheid en het geduld van onze vervolgde Voorzaten. De Waterstaat-Stijl getuigt van

-ocr page 78-

— 57 —

herwonnen vrijheid en verademing. En zie thans de vroolijke spitsen en klokkentorentjes onzer nieuwste Kerken, in echt Christelijken Stijl de eene na de andere oprijzende (1) en met elkander in schoonheid wedijverende ; — is het niet of zij een juichtoon aanheffen over den herbloei van het vaderlijk Geloof en den offervaardigen godsdienstzin van Neerlands Katholieken? Is het niet of zij zich dankbaar ten hemel beuren, om, gelijk de H. Kerk op het Feest der Kerkwijding, de bede van den stervenden Koning David, zoo blijde gestemd door de edelmoedige bereidwilligheid, waarmede het volk zijne giften had aangebracht voor den bouw van den Tempel des Heeren , — diens vurige bede tot God op te zenden? „ Wij hebben met groote vreugde gezien, o God, hoe de giften van uw volk u toevloeiden. Bewaar in eeuwigheid, o Heer, dien wil huns harten, en moge die ijver voor uwe eer immer duren !quot; 1 Par. XXIX, 17 en 18. Missa Dedicationis ad Offertorium.

76. In welken Stijl is onze Kerk gebouwd?

1

Ken voorbeeld: Tan de dertien Koomsche Kerken, gelegen aan de Spoorbaan \'s-Bosch-Zwaluwe, zijn ex acht in iz dertig laatste jaren gebouwd.

-ocr page 79-

— 58 —

77. Hoe worden sommige Kerken naar haren vorm genoemd? — Basiliek, Koepelkerk, Domkerk, Kruiskerk.

78. Wat is de oorsprong der eerste Christelijke Basilieken ? — Vóór de Christelijke Basilieken bestonden in Rome en de voornaamste steden van het Romein-sche Rijk heidensche Basilieken , praalgebouwen, die voornamelijk voor handels- en justitiezaken waren bestemd. Om de grootsche afmeting en prachtige inrichting werden zij Basilieken, zooveel als Koninklijke huizen genoemd. Wijl de vorm uiterst geschikt bleek voor de uitoefening van den Katholieken Godsdienst, werd deze vorm grootendeels en bij voorkeur gevolgd bij het bouwen van de eerste groote Christelijke Kerken, die voorts met het volste recht Basiliekent Koningshuizen , als Paleizen van den Koning der koningen, konden genoemd worden. De eerste Christelijke Basilieken liet keizer Constantijn bouwen, o. a. de Late-raansche en de Valicaansche Basiliek omstreeks het jaar 324. Zijne moeder, de H. Helena, was daarin zeer werkzaam : zij overdekte, om zoo te zeggen, het H. Land met Kerken , om de voornaamste heilige plaatsen in eer te houden. De Stijl der eerste Kerken wordt Style Basüical, ook Latijnsche Stijl genoemd, waaruit zich de Romeinsche Stijl ontwikkeld heeft.

-ocr page 80-

79. Waardoor voornamelijk onderscheiden zich de oude Christelijke Basilieken van onze Kerken?— Voor \'t inwendige zijn onze Kerken met haar Schip, Zijbeuken en Apsis eene navolging der oude Basilieken, maar deze onderscheiden zich van onze Kerken voornamelijk door eene groote Foorhal of Zuilengang in de geheele breedte van den Voorgevel. Daarentegen bezitten de middeleeuwsclie Kerken een krans van Kapellen, zeven in getal, welke zich rondom het Koor samenreien, en waarvan de middelste de plaats inneemt der oude Apsis.

80. Waarom was de vorm der oude Basilieken zoo geschikt voor de eerste tijden des Christendoms? — Omdat die vorm door eene groote Voorhal [Narthex of Pronaos d. i. Voorschip), als een diep en lang Portiek, met nog een ruim Voorplein [Atrium) (•) overvloedige plaats aanbood voor de Catechumenen of Boopelin-gen (d. i. die voorbereid werden voor het H. Doopsel) en voor de vier klassen van Openbare Boetelingen {Poe-

-ocr page 81-

— 60 —

nitentea: de Weenenden, de Aanhoorenden, de Knielenden en de Staanden) die in \'t geheel niet of slechts gedeeltelijk de Godsdienstoefeningen binnen de Kerk mochten bijwonen.

81. Hebben alle tegenwoordige Basilieken zulk eene groote Voorhal of Zuilengang? — Neen, want de naam van Basiliek duidt niet altijd den vorm aan; maar is ook een Waardigheids-titel met zekere voorrechten, die door den Paus aan sommige voorname Kerken wordt verleend. (1) Zoo zijn o. a. tot Basilieken verheven de L.-V.-Kerk van Lorette door Benedictus XIII in 1738;

— de L.-V.-Kerk van Lourdes door Pius IX in 1874;

— de \'Kerk van O.-L.-V. van \'t H. Hart te Sittard door Leo XIII den 5 Juni 1883; — de Sint-Mar-tinuskerk te Luik (waar het eerst de H.-Sacraments-

1

Men telt te Borae vier zoogenaamde en nog een aan

zienlijk getal Kleine Basilieken. De vier Groote zijn aangewezen aan de vier oudste Patriarchaten , en worden daarom ook genoemd Patriarchale Basilieken ; als Sint Jan van Lateranen aan den Paus als Patriarch van het Westen, — Sint Pieter aan den Patriarch van Constantinopel, — Maria de Meerdere aan den Patriarch van An-tiochië, —Sint-Paulus-buiten-de-muren aan den Patriarch van Ale-xandrië. Voeg hierbij de Kleine Basilieken van Sint Laurentias-bui-ten-de-muren (aan den Patriarch van Jerusalem aangewezen , en soms bij de Groote Basilieken gerekend), van het H. Kruis en van Sint Sebastiaan, dan hebt ge de Zeoen Basilieken van , aan welker bezoek bijzondere aflaten zijn verleend. Zie Raccolta , Ned. Vert, bl. 495.

-ocr page 82-

dag is gevierd a0 1347) door Leo XIII den 9 Mei 1886.

83. Wat is eene Koepelkerk!— Eene Koepelkerk draagt, zooals haar naam aandnidt, op baar centrum een luchter met een hoog gewelf, rustende op vier pijlers, die de vier Evangelisten verbeelden (de Arend en de Engel aan de Koorzijde, de Leeuw en de Os aan de Scheepszijde). Voornaamste Koepelkerken : Sinte Sophia te Constantinopel, •— Sint Marcus te Venetië, — de Dom van Aken, — Sint Pieter te Eome. Voorbeelden bij ons: de Kathedraal van Breda, met vierkant opgaanden Koepel; — de Kerk te Zevenberg-schen Hoek, Bisdom van \'s-Boscb, met bolvormig gewelf, nogtaus zonder luobter of lantaren.

88. Wat is eene Domkerk! — Voorname Kerken worden aldus genoemd , zonder dat de uitwendige vorm daarvoor eene bepaalde reden aangeeft , hoewel die gezocht wordt in het aanwezig zijn van groote torens of van een Koepel. De Dom van Keulen heeft geen Koepel; — de St-Janskerk van den Bosch heeft er wel een. Toch wordt de laatste niet de Dom genoemd, evenmin als de L.- V.- Kerk van Antwerpen, die ook een Koepel heeft.

In de gewone spraak worden dikwijls Koepel- en Domkerk verwisseld. Daarbij komt, dat sommigen slechts

-ocr page 83-

een Koepel (Coupole) zien waar het hoogere centrum-gewelf halfbolvornüg is. (Dergelijken Koepel heeft de Kathedraal van Breda niet.) Dezelfden zien slechts een Dom {Dome) waar de luitenzijde van het centrum-gewelf ook bolvormig of ten minste kromlijnig is. Diet. d\'Bsthé-tique Chrétienne. Art. Coupole et Dóme. Voorbeelden : de beroemde Kathedraal van Florence (met hoogen krom-lijnigen Dom), — de Sint Pieter te Rome (met drie-kwart-spherischen Dom), — de Sint Paulus te Londen, — de Kerk der Invaliden te Parijs. Vermelden mogen wij hier de prachtige Kerk te Oudenbosch , eene stoute navolging van Sint Pieter; terwijl, volgens liet oorspronkelijke plan, de Voorgevel dien van Sint Jan van Lateranen te Rome zal moeten voorstellen. In de nabijheid ziet men nog eens dezelfde Kerk in kleiner afmetingen, namelijk de Kapel van het zoo gunstig bekende Insütut St Louis, doch hier is de Voorgevel afgewerkt, mist men daarentegen den Koepel. — Een Dom in miniatuur, juist omdat hij bolvormig is, en vooral als hij geen lantaren heeft, hoort men wel eens door het volk vergelijken met een omgekeerden brouwketel. Wat zal men er tegen doen ? Aan wien de schuld ? Aan Bouwmeester of Kerkbestuur ?

84. Domkerk of Dom wordt ook gezegd van eene groote Bisschoppelijke Kerk , al zou deze geen Koepel hpbben. Men erkent daarin het Italinansche Duomo ,

-ocr page 84-

Domo. (1) Den toren van de Domkerk te Utrecht noemt men den Dom. Zoo ook dragen sommige Bisschoppelijke Kerken den naam van Munsterkerk of Munster, bijv. de Munster van Straatsburg. De Munsterkerk te Eoermond is slechts een Eectoraat. Munster komt van Monasterium (Klooster) en zou dus eigenlijk betee-kenen eene Kloosterkerk. In onze oude heldendichten en rijmkronijken wordt vrij algemeen eene Kerk een Munster genoemd.

8 5. Wat is eene Kruiskerkquot;} — Eene Kruiskerk heeft een Dwarsschip {Transsept) door het Groote Schip, zoodat beide Schepen samen een Kruis uitmaken , hel hoofd naar het Oosten, de rechterhand naar het Noorden, de linker naar het Zuiden, de voet naar het Westen wijzende. — Zijn de armen van liet Kruis even lang, dan is de vorm der Kerk een grieksch Kruis-, — is echter één arm (hier het Groote Schip) langer dan de andere, dan is de vorm een latijnsch Kruis.

86. Het Kruis is het teeken der Verlossing, het sym- \' bool des Geloofs. Daarenboven de as van het Transsept, gelijk de naald van het kompas, ten Noorden

1

Dat meu vermeld viudt, als zoa de benaming iio» afkomstig zijn van eene verkeerde lezing der ioscriptie D. O. M. op den Voor- 1 gevel sommiger Kerken, mag wel als een curiosum gelden.

-ocr page 85-

— 64 —

wijzende, verbeeldt de stoffelijke orde; — en de as van het Schip, als ons geestelijk kompas, ten Oosten wijzende, verbeeldt de geestelijke orde : — het geestelijke leven, onderhouden door de genade des Kruises, gaat door het stoffelijke leven heen naar het Oosten, naar Christus, die de weg en de waarheid en het leven is. Prof. Thijm. H. Linie.

87. Door het Transsept en het Priesterkoor wordt eene Kerk, om zoo te spreken, gewaarmerkt als eene Roomsche Kerk. Ziet zoovele prachtige Kerken in gebruik bij de Protestanten. Ziet ze aan : de steenen roepen u toe (door den Kruisvorm en het Priesterkoor), dat die Kerken bestemd zijn voor den Roomschen Godsdienst, waarvan de li. Mis, de vernieuwing des Kruisoffers, het middenpunt is. Wie heeft die Kerken gebouwd ? Res clamat domino. — Let daarbij op den Bouwstijl dezer monumentale Tempels:-— vensters, pijlers , versieringen , alles — Gothisch. Als men in aanmerking neemt de afkeuring, het verzet, dat van Hervormde zijde opgaat tegen ieder nieuw gebouw, dat ook slechts een zweem van middeleeuwsche vormen heeft; — mag men wel vragen : hoe het mogelijk is, dat de goê gemeente in dergelijke Kerken, door Gothische vormen van alle kanten aangegrijnsd ,

-ocr page 86-

eene toespraak kan genieten van haren Voorganger? — of liever: hoe deze Zeergeleerde Bedienaar des Woords in zulk een Gothisehen atmospheer met kalm oog en onbeklemde borst de gezuiverde leer des Evangelies kan verkondigen ? Of was het genoeg de Altaren verwoest, de Heiligenbeelden omvergehaald, de Muurschilderingen overkalkt te hebben , om voorts, als van vreemde smetten vrij, in geest en waarheid den Heer te aanbidden ? En het valsche licht dan van die Go-thische vensters? de valsche schaduw van die Gothische pijlers? de valsche galm van die Gothische muren en gewelven ? En die Altaarnissen zonder Altaren, dat Priesterkoor zonder Priesters, die afgebrokkelde Hei-ligen-Nissen zonder Heiligen-Beelden; dat alles daarbinnen met de majestneuse Torens daarbuiten : — die eeuwentartende steenen zijn nimmer zwijgende getuigen van het oude Geloof, van het krachtige Geloof onzer Vaderen! — Dat oude Geloof is, Gode zij lof! nog het onze! Moge het onze ook blijken zóó krachtig te zijn\'!

i IV. Deelen eener Kerk.

A., DPlatte Grond.

88. Welke deelen onderscheidt men op den Platten

x K

-ocr page 87-

Gbond eener Kerk? — Het Schip, het Priesterkoor, de Sacristij , de Doopkapel, het Zangkoor, het Portaal, den Toren.

89. Wat noemt men het Schip (1) eener Kerk? — De ruimte voor het volk, welke door den langwerpigen vorm op een Schip gelijkt.

Vorm en naam zijn van de oudste tijden. Aedes sit

oblongci......navi similis. Const. Apost.

90. Waarom wordt aan eene Kerk vaa de oudste tijden af de vorm en de.naam van Schip gegeven? — Om ons te doen denken aan het Scheepje van Petrus en de Ark van Noë, twee treffende beelden van de Katholieke Kerk.

91. Hoe is het Scheepje van Petrus een beeld van de Katholieke Kerk? — Uit het Scheepje van Petrus predikte Jesus tot het folk (Luc. V, 3): — de Katholieke Kerk, onder het Onfeilbaar Leergezag van Petrus\' Opvolger, bezit alleen de ware leer van Jesus Christus. Petrus bestierde zijn Scheepje: — Petrus bestiert nog door zijne Opvolgers de Katholieke Kerk. Het Scheepje, dat Petrus voert, midden in het meer, geslingerd door de golven , verging niet (Matt. XIV, 24 ,

1

Naos in \'t grieksch. Navis in \'t latijn, Nef in \'t fransch.

-ocr page 88-

33) onder de hoede van Jesus, aan wien de winden en het meer gehoorzamen (Matt. VIII, 37): — de Katholieke Kerk zal onder de bescherming van Jesus Christus, ondanks de geweldigste vervolgingen, niet vergaan, volgens zijne belofte: „Ik hen met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.quot; Matt. XXVIII, 20.

92. Hoe is de Ark van Noë een beeld van de Katholieke Kerk? — Gelijk buiten de Ark van Noë geene redding was, — zoo is er buiten de Katholieke Kerk geene zaligheid.

93. Wat noemt men het Middenschip, wat een Zijschip eener Kerk? — Als de ruimte voor het volk is gedeeld door twee of meer rijen kolommen, dan heeft men in \'t midden het Groote Schip of Middenschip,

— daarneven de Zijschepen.

De Kerk inkomende, heeft men rechts het Zuiderschip

voor de Mannen, — links het Noorderschip voor de

Vrouwen.

94. Wat noemt men het Lwarsschip of Transsept?

— Het Schip, \'twelk de lange ruimte dwars doorsnijdt. Ook Kruispand genoemd.

95. Het Schip der Kerk wordt ook Beuk genoemd, eene benaming die ook op de onderdeelen wordt toege-

-ocr page 89-

past: Middenbeuk, Zijbeuk of Nevenbeuk, Bzoarsbeuk. Het woord Beuk moet eene wijziging zijn van Buik-. trouwens de zijde van een Schip wordt ook Buik genoemd. Er zijn zelfs Kerken , wier muren gekromd zijn als de boorden van een Schip; — zóó de Kerk der HH. Vincentius en Anastasius te Home.

96. Wat noemt men het Priesterkoor t — De ruimte, waar het Hoogaltaar staat, bestemd voor de Priesters en hunne Dienaren (niet voor Leeken).

Ook Presbyterium genoemd van Presbyter, Priester. Wordt gewoonlijk door de Communiebank afgesloten, maar beter door een Cancel, Koorhek of Koorbalie, vooral in groote Kerken.

97. Welke zijn de voornaamste deelen van het Priesterkoor? — De Triomfboog aan den ingang, — de Apsis of Koornis (*), die in de gedaante van een halven cirkel het Koor vanachter sluit, — in de Apsis het Sanctuarium voor het H. Sacrament.

(*) Ook Zetelnis genoemd , omdat de Bisschop daar zijn Zetel had, wanneer het Altaar op afstand binnen of vuor het Priesterkoor was geplaatst. Apsis of Absis {Abside): ronding van een boog. Ook genoemd Concha (schelp) wegens den vorm. Eveneens TrihunatUiO-als de nis in de heidensche Basilieken genoemd werd , — waarvan Tribunale : Rechterstoel, en ons Tribunaal: Uechtbank of Gerechtshof. Voorts Tribune : spreekgestoelte of verhevene afgezonderde plaats voor toeschouwers.

-ocr page 90-

— 69 —

98. Gelijk in de Gehoorzaal eens Konings deze zijnen troon heeft aan het hoofdeinde, zijne Ministers hunne plaats hebben bij den troon, en die ter audiëntie worden toegelaten, op eerbiedigen afstand blijven staan: — zóó ook in de Kerk, de Gehoorzaal van den Koning der koningen, die zijnen troon heeft aan het hoofdeinde (het Sanctuarium in de Apsis); terwijl zijne Ministers, de Priesters, hunne plaats hebben in zijne nabijheid binnen het Koor, en de Geloovigen, bij hunnen Heer en Koning ten gehoore toegelaten, op een afstand, huiten het Koor, in het Schip, hunne plaats vinden.

99. Waarop ziet de naam van Triomfboog? — Op de symbolische beteekenis van het Koor, als de eeuwige orde verbeeldende, gelijk het Schip de tijdelijke orde. Alzoo wordt de welfboog, waardoor men uit het Schip het Koor, uit de Strijdende Kerk de Triomfee-rende Kerk binnentreedt, de Triomfboog genoemd. En wie is het die ons de Triomfeerende Kerk binnenleidt? Jesüs Chkistus. Waardoor? Door de verdiensten van zijn Kruisdood. Vandaar in vele Kerken in het Priesterkoor dat groote hoog hangende Triomf kruis {Crux trium-phalis) of die zoogenaamde Calvarieberg (de Gekruiste met Maria en Joannes) op een balk of een Jubee.

-ocr page 91-

— 70 —

100. Wat is een Koortrans? — Het pand rondom hefr Priesterkoor in groote Kerken, soms nog in Kapellen verdeeld , die de Tramkapellen genoemd worden. Deze Kapellen , het Hoogaltaar omstralende, worden symbolisch beschouwd als de stralen der Zon van Rechtvaardigheid, — als de Doornenkroon des Heeren.

101. Wat is de Sacristij en hare symbolische betee-kenis? — De Sacristij (1) is de plaats, waar de Priester zich kleedt, en vanwaar hij uitgaat om het H. Misoffer op te dragen; — en verbeeldt het Lichaam van Maria, waaruit dq Zoon Gods de menschelijke natuur aannam en uitging, om zich voor de zaligheid der menschen te offeren. Omdat de Sacristij Maria verbeeldt, behoort de Sacristij aan de Noordzijde van het Koor te zijn.

103. Hoe verklaart men de voornaamste regels, welke bij den bouw van een Baptisterium of Doopkapel gevolgd worden ?

I. Do plaats, a) Aan den ingang der Kerk, omdat het Doopsel is de deur en ingang tot de H. Kerk en de andere Sacramenten.—b) Aan As Noordzijde: het Noorden is het beeld der duisternis en der zonde; — het Doopsel redt uit de duisternis en bevrijdt van de zonde.

1

De Gerfkamer.

-ocr page 92-

II. De vorm. De vierkante vorm wijst op de vier vruchtbare waterstroomen van het Paradijs, herdacht bij de plechtige Vontwijding daags voor Paschen en Pinkster. — De ronde vorm verbeeldt de wereld, herboren door de genade des Doopsels, aan alle volkeren gebracht. „Gaat, zeide de Zaligmaker tot zijne Apostelen , en onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.quot; Matt. XXVIII, 19. — De zeshoekige vorm kan zóó verklaard worden. Zes is het dubbele van drie-, du, het getal drie komt keer op keer voor bij den plechtigen Doop. Na eene drievoudige verzaking van den duivel, van al zijne werken en al zijne ijdelhe-den , en eene drievoudige belijdenis in God den Vader, en den Zoon, en den H. Geest, — geschiedt onder aanroeping der drie Goddelijke Personen de drievoudige indompeling of afwassching. In de Doopkapel ging men gewoonlijk langs drie treden af en langs deze drie treden weer op ; waardoor bet getal zes verkregen wordt. De H. Dionysius de Areopagiet in zijne Ilierarchia Ecclesiastica leert, dat door de indompeling des lichaams de dood en de tegrafenis des Heeren beduid wordt, en dat de drievoudige indompeling wijst op de drie dagen en drie nachten,

-ocr page 93-

— 72 —

gedurende welke Jesus Christus, de bewerker des levens, na zijn dood in het graf heeft gerust. — De achthoekige vorm, zoo voor Doopvont als Doopkapel, is sedert de eerste eeuwen de meest voorkomende vorm. Van den tijd des H. Ambrosius dagteekent reeds de verklaring van den achthoek : het zevental vertegenwoordigt de schepping ; het achtste lid de herschepping (door het Doopsel). Thijm. H. Linie. Het getal acht is het beeld der volmaaktheid; der volmaakte deugd, der volmaakte zaligheid. „ Sicnt enim spei nos-trae octava perfectio est, ita octava summa virtutum est.quot; Zoo de H. Augustinus. Ook Tertullianus houdt het getal acht voor een symbool der wedergeboorte, der verrijzenis. Gelijk de geloovigen door het water des Doopsels worden gered, zoo herinnert men , dat acht personen van den zondvloed zijn gered. De H. Carolus Borromaeus stelt voor regel : „ Ilia vero (forma) accommodatior et decentior , quae octanguli simi-litudinem habet.quot;

III. De vloer. Als men in eene Doopkapel langs treden afgaat naar de Vont, dan verbeeldt de diepte een graf. Dit beteekent: dat de mensoh door het H. Doopsel eerst met Christus moet begraven worden, om daarna met Christus te verrijzen tot een nieuw

-ocr page 94-

leven. Eom. VI, 4. — Colos. II, 12. De treden waren in de oude Baptisteria doorgaans drie in getal. Telt men bij deze drie treden, om het af- en opgaan tweemaal genomen, dus zes, de trede, waar men stand hield voor het indompelen ; — dan kan die vierde trede als eene zevende gerekend worden, en men verkrijgt het gewijde getal zeven, üe H. Isidorus van Sevilla spreekt daarvan in dezer voese : De Vont is de bron aller genaden , en heeft zeven treden : drie in het afgaan om de drie, waaraan wij verzaken ; drie in het opgaan om de driet welke wij belijden; — de zevende is zooveel als de vierde, en verbeeldt den Zoon des menschen, den vuuroven uitdoovende (Dan. III), den steun der voeten , den grond des waters, in wien de gansche volheid der Godheid lichamelijk woont (Col. II, 9). — Al kennen wij nu geene Doopkapel met afgaande treden, evenmin als het Doopsel door indompeling ; — hoe blijkt toch uit een en ander duidelijk de oudheid der Kerkelijke Symboliek : de H. Isidorus leefde in de VIIe eeuw ; en is de Hie-rarchia Ecclesiastica niet van den H. Dionysius , dan is het boek ten minste van de V® eeuw. — Kevue de l\'art chrétien. 1858. Etude sur les fonts baptismaux.

103. Hoe noemt men de plaats voor de zangers of

-ocr page 95-

— 74 —

koristen bestemd ? — Het Zangkoor of het Boxaal.

Men zegt en schrijft gewoonlijk het Oxaal, wat ook kan afgeleid worden van het oude Hoogsale, oorspronkelijk eene verhevene galerij aan den ingang van het Priesterkoor , ons meer bekend onder den naam van Jubee (*) (waarop .Epistel en Evangelie gezongen, de zang soms met orgel begeleid en plechtige afkondigingen gedaan werden). Op dit Doxaal prijkte veeltijds een Calvarieberg.

104. Wat is eene Crypt of Krupt [Rrochlkapel) ? — Eene onderaardsche Kerk, herinnerende aan de Catacomben der eerste Christenen.

Opmerking. Een kelder of souterrain onder eene Kerk voor bergplaats of Catechisatie is geene Crypt. Eene Crypt moet strekken, om met meer devotie het Lichaam eens Heiligen te kunnen vereeren; bijv. de Crypt van den H. Petrus in Sint Pieter. De Kerk van het H. Hart te Parijs heeft eene zeer ruime Crypt, bestaande uit dertien kapellen , waarvan de middelste , om welke al de andere een

Men wil den naam van Jubee afgeleid hebben van liet Jube Bomne benedicere, waarmede hij die de lezing van Evangelie, Epistel of Lessen ging doen, aan den Officiant vooraf den zegen vroeg. — In West-Vlaanderen zegt men, op grond van de benaming in oude Kerkerekeniugen , de Sleeger (Steiger zouden wij zeggen^; maar dat dialekt klinkt ons immer wat plat, ofschoon het welluidender is dan het onze. Steiger is voor ons zoo ruw en voorbijgaand.

-ocr page 96-

wijden kring vormen, de voornaamste is. De Kath. Illustratie, 18e jaargang, bladz. 96.

105. Wat waren de Catacomben\'? — Onder den grond gegraven gangen en vertrekken, ten dienste der eerste Christenen gedurende de vervolgingen.

106. Waartoe dienden de Catacomben?— 1. Om de dooden te begraven ;— 2. Om den Godsdienst uit te oefenen ; — 3. Om zich aan de vervolging te onttrekken.

107. Wat nut hebben de Catacomben voor latere tijden?— Zij strekken als bewaarplaatsen van Christelijke Gedenkteekenen, onwraakbare getuigenissen voor het aloude Katholieke Geloof.

B. De Kerlc van binnen, (technisch) in haren opstand en doorsnede.

108. Welke deelen onderscheidt het oog binnen de Kerk?— De kolommen of pijlers, verbonden door architraven of bogen , — de triforiums, — het gewelf of het plafond , — den vloer, — de muren met vensters.

109. Waarvan geeft eene Kerkkolom ons.een beeld? — Van de Kerk Gods, die volgens den H. Paulus is de zuil en grondvest der waarheid. 1 Tim. III, 15.

110. Verklaring. Gelijk eene kolom, rustende op een

-ocr page 97-

— 76 —

hechten grondslag, door hare vastheid en rechtstand ongewone kracht aanduidt, en den ganschen bouw schraagt:— zóó verheft de Kerk Gods, op Jesus Chris- •

tus als fundament gevest (1 Cor. III, 11), zich fier en krachtig ten aanschouw der wereld, en draagt den ganschen bouw des Geloofs , de Leer van Jesus Christus, de Waarheid bij uitnemendheid.

111. Welk onderscheid is men gewoon te maken tuschen Kolom, Zuil, Pijler, Pilaar, Kolonet, Pilaster? — De ronde, gecanneleerd of niet, wordt bij voorkeur: Kolom genoemd; — de zware: Zuil of Tij-Ier ■, — {Pilaar kan zijn van eiken vorm;) — Kolonet is eene kleine ronde Kolom; — Pilaster eene gedeeltelijke hoekige Kolom tegen een achtergrond.

113. De Kolom in Classieken Stijl is altijd rond;

— de Gothieke Kolom kan zijn in doorsnede rond of vierkant of in kruisvorm (door toevoeging van vier Kolonetten tegen de Middelkolom) of in bundel (door grooter aantal van Kolonetten of Cannelures). De Schaft der Gothieke Kolom is niet in vaste evenredigheid met den diameter, gelijk de Kolom in de Classieke Orden.

— De Classieke Kolom is dikwijls gecanneleerd of ge- ■gt; groefd, — de Gothieke geanneleerd of geringd (in de

lengte door ringen afgedeeld).

-ocr page 98-

— Ti

2. leerling.

3. Sokkel of Basement.

lls. Hoevele deelen kan men bij een Classiek Zuilenstelsel onderscheiden ? — Drie groote deelen : de Kolom, met voetstuk en dekstuk , — en in elk drie onderdeelen.

f Kornis.

III. Onder de Kolom : Pedestal. 1

III. Onder de Ko- „ rr r

J 2. Teerling,

lom: Pedestal. ** I „ o 11 i ^ d

1

Heeft de Kolom geen Pedestal of hoog voetstuk , dan is het kleine hoekige voetstuk een Sokkel.

111. Hoevele Boutcorden onderscheidt meur — Vijf. Drie Grieksche-. de Dorische, de Jonische en de Corinthische, — en twee Latijnsche: de Toskaansche en de

-ocr page 99-

— 78 —

Samengestelde (Composite). Zij behooren tot de Clas-sieke of Oude Architectuur.

115. Hoe voornamelijk onderscheiden zich de vijf Bouworden van elkander?

a. De Toskaansche Bomcorde is de eenvoudigste en zwaarste van alle. De Kolom, 7 maal haar grootsten diameter hoog, heeft een Kapiteel met enkele ringen of banden tot versiering.

b. De Dorische Bomcorde is ook eenvoudig en zwaar. De Kolom , 8 maal haar diameter hoog, heeft een Kapiteel bijna gelijk aan dat der Toskaansche, maar met eenige versiering meer. Triglyphen (langwerpig plat met drie kepeo of diepten, twee heele in \'t midden en twee halve aan de kanten) in de Fries, zijn alleen eigen aan de Dorische Orde. De Schaft kan gecanneleerd of gegroefd zijn, gelijk in de volgende Orden.

c. De Jonische Bouworde is sierlijker en rijziger. De Kolom, 9 maal haar diameter, heeft een Kapiteel met vier Voluten of krullen en andere versieringen.

d. De Corinthische Bouworde is uog rijker en ranker. De Kolom, 10 maal haar diameter, heeft een Kapiteel met twee rijen Acanthusbladeren en vele kleine Voluten of krullen er boven.

e. De Samengestelde Bouworde {Composite) is samen-

-ocr page 100-

— 79 —

gesteld uit de Jonische en de Corinthische. De Kolom, 10 maal haar diameter, heeft een Kapiteel met de AcantJmsbladeren der Corinthische en de groote Voluten der Jonische er boven.

116. Wat is eene Arcade 1 eene Arcaturet — Eene Arcade is eene ruime opening vanboven gesloten door een boog (are =: archivolt, arcus volulus). Men noemt Arcature eene kleine opening vanboven gesloten door een boog.

117. Wat zijn Triforiums ? — Men noetnt zóó de galerijen boven de archivolten der groote arcades. De Triforiums zijn dikwijls onder afgesloten met eene doorzichtige leuning of garde-corps; — zij gaan meestal de Kerk rond en vormen als eene verdieping. Misschien komt de benaming hiervandaan, dat dergelijke galerijen in \'t eerst drie arcatures telden met het ; voorkomen van drie poorten, tres fores.

118. Welk onderscheid wordt gemaakt tusschen plafond en gewelf quot;i — Gelijk de naam aanduidt, is een plafond (1) eene platte, — een gewelf eene gehogene zoldering. De gewelven worden onderscheiden.in kruis-, ster-, net- en tongewelven.

1

Plafond wordt ook gezegd van elke gepleisterde zoldering, ook yan gewelfde.

-ocr page 101-

— 80 —

]19. Welke zijn de deelen van een kruisgewelf? — De opgaande stralen of naden van het gewelf {ner-vures, arêtes) in \'t midden boven zich vereenigend bij den sluitsteen (clef); en de velden tusschen de welf-ribben , seldldvlakhen of tympans genoemd , rustende op de hoofdbogen of arcs-doubleaux,

120. Uit welke stof worden de Kerkgewelven gemaakt? — Uit steen, fijn hout of pleister.

121. Waarom pleegt men steenen en bou(en gewelven verre te stellen boven gepleisterdequot;* — Omdat deze laatste de gewenschte sterkte en duurzaamheid missen, — uit nietige bouwstoffen , als gemeen hout, riet, koperdraad, kalk en een laagje gips, bestaan, —en een bedriegelijk voorkomen hebben, verbeeldende als iets van steen, solied en deftig, en zijnde toch niets meer dan een met kalk overstreken houten geraamte : — alles, eene Kerk , den Tempel Gods, onwaardig, zegt men. Men voegt hierbij, dat steenen gewelven het Kerkgebouw bij brand beschermen.

122. Gewelven en plafonds worden soms verdeeld in vakken of compartimenten {caissons), versierd met groo-te of kleine roosornementen (rosacen, rosetten).

123. Het gewelf is in de Gothiek het gewichtigste deel van bet Kerkgebouw. Naar de gevvelven regelen

-ocr page 102-

— 81 —

zich de kolommen, de arcs-boutants en de konter-forten. De groote Bouwmeesters van den bloeitijd der Gothiek begonnen hun bouwplan niet met den platten grond, maar met het ontwerpen der gewelven, en van de gewelven afdalende, kwamen zij het laatst tot de traceering der fundamenten. En wijl het verband zoo nauw was tusschen al die deelen , is het mogelijk uit de grondslagen eener verwoeste Kerk, al de overige deelen, niet alleen de kolommen en konterforten, maar tot de gewelven toe af te leiden, en derhalve weer in haar geheel op te bouwen. (•) De hechtheid eener Gothieke Kerk berust op het volmaakte evenwicht tusschen de genoemde deelen. De gewelven met de kolommen, konterforten en arcs-boutants maken het geraamte uit; en , werden de muren weggebroken, het geheel zou als een bosch van pijlers blijven staan. Beusens. Elem. d\'Arch. Chrét.

134. Wat heeft men op te merken wegens de vér-siering van den vloert — Dat het niet geoorloofd is op den vloer afbeeldingen aan te brengen, die het

(*) We denken hier aan de restauratie van de Bdssche Kathedraal, die, gedeeltelijk door den tand des tijds verwoeÈt, door een Meester der Gothiek wordt hersteld, ora te worden wat zij voor eeuwen was.

6

-ocr page 103-

— 83 —

onbetamelijk is onder de voeten te treden; als het Kruis, de H. Hostie en Kelk, enz.

13 5. Wat is de symboliek der Kerkvensters in het algemeen? — De Kerkvensters zijn een zinnebeeld van ons verkeer met den hemel, gelijk de Kerkdeuren een zinnebeeld zijn van ons verkeer met de wereld. — De Vensters beteekenen Gods wijsheid, wijl zij het licht doorlaten, — beteekenen Gods goedheid, wijl zij ons beschermen tegen regenvlagen en stormen. — De Vensters verbeelden de Heilige Schriften , welke het licht der ware Zon in ons hart doen schijnen, en ons beveiligen tegen al wat ons schaden kan. — Vensters, in tweeën gedeeld, zeggen ons, dat de Apostelen twee en twee gezonden werden, om het licht des Evangelies te verspreiden , het dubbele gebod der liefde te verkondigen.

126. Wat is de symboliek van het getal der Kerkvensters?— Drie Vensters in het Priesterkoor wijzen op den Drieëenigen God, aan wien alleen het H. Misoffer daar wordt opgedragen. — De zeven Vensters in het Priesterkoor op de zeven gaven van den H. Geest, — op de zeven Sacramenten. — De vijf Vensters in het Schip op de Vijf Wonden des Heeren : gelijk door de Vijf Vensters het licht in de Kerk

-ocr page 104-

straalt, zóó straalt ons hooger licht, de zaligheid, uit de Vijf Wonden des Heeren tegen.

127. Wat bedoelt men met de Lucida eenerKerk? — De bevensterde Koornis.

138. Waarvandaan de naam Lucidaï — Lucida betee-kent wat helder, licht, glinsterend is. Als eene Kerk georiënteerd is , dan zijn van alle Vensters bij het H. Misoffer de Koorvensters de meest , helder verlichte.

139. Wie verbeeldt de Lucida\'! — Maria, de heilige Poort, waaruit het Licht voor de wereld is opgegaan (Porta coeli, ex qua mundo lux est orta); — gelijk het licht der opgaande zon door de Lucida de Kerk binnenstraalt.

130. Waar in eene Gotlneke Kerk zien wij vooral ronde Vensters aangebracht? — Aan den Voorgevel of de Westzijde. In eene Kruiskerk ook aan de Zijgevels van het Kruispand. (1)

1

De oude Fransche Kerken hebben prachtige Roosvensters in den gevel, en dat hangt wel samen met overleveringen , aan den Romaanschen Stijl ontleend. Onze groote Kerken dagteekenen wat later dan die van Frankrijk, en het verdient wel opmerking, dat zij, de Nederlandsche, geen Roosvenster in den gevel hebben; maar een gewoon groot raam. Zie bijv. de Bossche St-Janskerk. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor bij onze zuidelijke naburen. Zie O.- L.- V. en St Jacob te Antwerpen, Ste Gndule te Brussel, St Rombout te Mechelen. De Dom van Keulen heeft ook geen Roosvenster. Wat mag de reden zijn f Gaf een Roosvenster geen licht genoeg misschien ?

-ocr page 105-

— 84 —

131. Onder welke benamingen komen de ronde Vensters voor, en met welke symbolische beteekenis? Onder de benaming van

1. Rondlicht of O cuius : het rond, de cirkel is het beeld der oneindigheid; du« het rond als Venster: beeld van het oneindige Licht, van de eeuwige Wijsheid; —^ symbool derhalve der godgeleerdheid, der Christelijke wijsheid, der Evangelie-verkondiging.

2. .Boos of Roosvenster. (1) üe roos de bloem der bloemeu, het beeld der schoonheid en der liefde. Symbool van Jesus Christus, de Schoonheid bij uitnemendheid, de Glans van de Heerlijkheid des Vaders (Hebr. I, 3). Symbool van Maria: de roos (als Bloem van Jesse) zinnebeeld der Onbevlekte Ontvangenis ; — Maria de Moeder der Schoone Liefde ; — Maria de Geheimzinnige Roos.

3. Rad of Radvenster, ook Catharina-Rad. Wijst op de H. Catharina, Patrones der Wijsbegeerte en der

1

Wat de inwendige versiering der Roos betreft, hetzij van een Gothisch Roosvenster of in de trommel of tympan van een Boogvenster, als deze versiering bestaat uit regelmatige neven elkander gevoegde figuren als stralen uit een rond met drie- of vierblad, dan teekent dat de Rayonnante Gothiek. — Bestaat de versiering in de Roos en bij een Boogvenster ook daarbuiten (gelijk verder in andere deelen der Kerk, als deuren, triforiums enz.) uit vlammeni dan behoort dat tot de Flamboyante Gothiek, die van lateren tijd is.

-ocr page 106-

Welsprekendheid, zijnde het rad het werktuig harer martelie en symbool der Christelijke wijsheid, — De Eadvensters wijzen mede op de vier Raderen in Eze-ehiëls gezicht. Alzoo worden de Radvensters beschouwd als symbolen der goddelijke wetenschap, der oneindige Wijsheid, het Licht bij uitnemendheid. Ezechiël zag den geest des levens in die Raderen: zij waren vol oogen, en als van chrysoliet (goudsteen): dit alles treffend afgebeeld door de schitterende Rad vensters der prachtige Kathedralen. De Raderen waren dubbele Raderen, een rad in een ander; zóó onderscheidt men in de groote Radvensters meer dan een Rad , het eene in het andere: zóó is het Nieuwe Testament besloten in het Oude Testament , — de verschillende Kerken besloten binnen den kring van de Eene Al-gemeene Kerk. Ezech. I en X.

C. De Kerk vanbuiten. De opstand van liet gebouw-

132. Waarom is eene Kerk doorgaans hoog gelegen ? — Tertullianus getuigt, dat het reeds te zijnen tijde als regel gold. Niet alleen , om een drogen grondslag te verkrijgen , maar ook om symbolische reden. Denk aan Abrahams Offer op Moria, — de Wetgeving

-ocr page 107-

op Sinai, — den Tempel op Sion , — de vermenigvuldiging der brooden op een berg, — Christus biddende op een berg, — Christus van gedaante veranderend op Thabor, — Christus gekruist op Calvarië, — Christus ten hemel varend op den Olijfberg : — ja , „ Christus is zelf een berg, zegt de H. Ambro-sius: Hij is het door wien wij opklimmen, en tot wien wij opklimmen.quot; Wij moeten de lagere streken dezer wereld verlaten, geest en hart verheffen om God te beschouwen en tot God te bidden. Vandaar de drie of vijf trappen , waarlangs wij ten offer klimmen , — en die trappen beteekenen gesteltenissen of oefeningen van verschillende deugden, waardoor wij ons tot het gebed behooren voor te bereiden (ingekeerdheid, berouw over onze zonden , vertrouwen op God , heilig verlangen, offervaardigheid en toewijding). In oude Kerken ging men in het Portaal ééne trede af tot beduiding, dat hij zich behoort te verootmoedigen, die door Christus wil ingaan. Humüis est enim janua Christus Dominus : qui intrat per hano januam , oportet humiliet se. S. Aug.

133. Welke zijn de voornaamste deelen aan eene Kerk vanbuiten te onderscheiden?

1. De Voorgevel met Punt- of Topgevel of Toren.

-ocr page 108-

— 87 —

2. De Zijgevels met konterforten (beren) en arcsboutants (scbraagbogen).

3. Het dak met de goten eu waterspuiers (gargonilles).

134. Uit hoevele deelen bestaat gewoonlijk de Voor-gevelï (FA9ADE, Front, Frontispies. (1) — Uit drie afüeelingen: ondergevel (rez-de-chanssée) met deur,— stagie (verdieping) met venster , — bovengevel, punt-gevel (pignon) of Toren met Kruis.

135. Welke zijn de voornaamste deelen van den ondergevel ?

1. Eene groote dubbele deur [die toegang geeft tot een Fortaal (2)], verbeeldende de Twee Testamenten of het Tweevoudig Gebod van liefde, dat ons den hemel opent. De Kerkdeur wijst ons ook op Jesus Christus, die gezegd heeft: „Ik ben de fleurquot; (van de schaapskooi). Ook op het H. Doopsel, dat de deur en ingang is tot de H. Kerk.

2. Sij groote Kerken gewoonlijk nog twee kleine deuren terzijden, die ons herinneren aan de enge poort des hemels. Met de middendeur wijzen zij, gelijk

1

;

1

Frontaal: de voorzijde van onderdeelen.

2

Is de ingang uitgebouwd op Kolommen, overdekt en aan de zijden open, noemt men dien een Portiek. Is de uitbouwing afgesloten, zou men deze een Voorportaal kunnen noemen. De gewone benaming Porche wordt ook gebruikt voor eene opene uitbouwing.

-ocr page 109-

ook de drie Beuken, op het mysterie der H. Drievuldigheid. En gelijk de Kerkvensters zijn een zinnebeeld van ons verkeer met den hemel, zijn de Kerkdeuren een zinnebeeld van ons verkeer met de wereld

3. Een fronton of een gdble boven de deuren.

136. Wat is een fronton in \'t algemeen? —Eene driehoekige bekroning boven een front of voorkant: boven een gebouw, deur, venster, ook boven meubelen , als een retabel, biechtstoel, enz. Bestaat gewoonlijk uit een driehoek tusschen de kroonlijst (eoraiche) en twee opgaande lijsten (rampants). Het veld tusschen de lijsten, trommel (tympan), wordt versierd met beeld-, mozaïek- of schilderwerk.

137. Wat is een ydble\'i — Eene Gothische bekroning van een archivolt (vooral voorkomende aan de buitenzijde van deuren en vensters), bestaande uit twee versierde montants, zich vereeuigende tot een fleuron. Er zijn ook opengewerkte gables (« jour), zooals die der vensters der St-Janskerk in den Bosch en elders.

138. Hoe noemt men de gewone versieringen aan archivolten en gables ? — Die aan de buitenzijde crochets of krabben, in allerlei gedaante, van de eenvoudigste krullen tot de prachtigste bladeren,— die aan de binnenzijde rédents of tandwerk, ook van het

-ocr page 110-

— 89 —

eenvoudigste tot het rijkste.

139. Wat is de zinnebeeldige beteekenis van een Kerktoren ? — Door zijue ontzaglijke zwaarte en door zijne den omtrek verre beheerschende hoogte is de Kerktoren het symbool van het eerbiedwaardige geestelijk Gezag en van het scherpe Opzicht, dat de Oversten over hunne schapen moeten houden, om, alle listen van den boozen vijand van verre ontdekkende, de schapen te waarschuwen.

140. Welke schoone bediedenis heeft de hooge spits onzer Kerken? — De hooge spits eener Roomsche Kerk wijst ons naar den hemel, onze bestemming, — en duidt ons de heilige plaats aan, waar aarde en hemel zich schijnen te vereenigen, ons doende denken aan de Ladder van Jacob, die van de aarde ten hemel reikte. De hooge Kerkspits is niet alleen een plaats-aanwijzer en voor reizenden een wegwijzer, maar voor ons is de Kerkspits als eene baak, om ons aan te dulden de plaats, waar Jesus Christus met de schatten zijner liefde woont; zoodat wij tot Hem, tot zijn zoet Hart, uit de verte onzen groet, onze bede kunnen richten: Geloofd zij Jesus Christus! In eemcigheid. Amen.

141. Welke godsdienstige gedachten wekt het groote Kruis boven deu Spitsgevel of Toren? — Het Kruis,

\\\\

-ocr page 111-

— 90 —

het blijde teeken der Verlossing, hoog verheven, gelijk het den jongsten dag zal schitteren op de wolken des hemels, — verkondigt aan allen die het zien, verzoening en zegen door de verdiensten van den Gekruiste; — het Kruis, tusschen hemel en aarde geplaatst, beschermt, als een geestelijke afleider, het zondige volk tegen de gramschap Gods. Het Kruisteeken is eene openbare belijdenis van ons Geloof. Wij teekenen onze lichamen met het Kruis, en onze Kerken verheffen het Kruis hoog in de lucht; want wij roemen met den H. Paulus alleen op het Kruis van onzen Heer Jesus Christus (Gal. VI, 14), in wien onze redding, ons leven en onze verrijzenis, door wien wij gered en verlost zijn. Alleluia. (Feest der Kruisvinding, 3 Mei.)

142. Welke beteekenis heeft de Haan als weerwijzer boven het Kruis? — De Haan is het beeld van den Prediker, wiens stem over de Parochie weerklinkt; — in \'t bijzonder van den waakzamen en wakkeren Herder, die het hoofd biedt tegen den wind in van dwaling en van zonde. Ook wordt de Haan beschouwd als eene herinnering aan den H. Petrus, die ondanks zijn val gesteld is als het Hoofd van Jesus\' Kerk, door zijn oppergezag de gansche Kerk bestierende.

143. Wat nut heeft het Uurwerk eener Kerk? —

-ocr page 112-

— 91 —

Het Uurwerk dient niet alleen tot aanwijzing van den tijd, maar tevens tot aanmaning, dat wij den snel vlietenden tijd nuttig gebruiken voor onze eeuwige bestem-I ming. Loffelijk is de gewoonte van hen , die bij het hooreu slaan van elk uur het H. Kruisteeken maken, of even hun hart tot God verheffen door een schietgebed ; Mijn God en mijn Al / ik bemin U! Mijn Jesus, barmhartigheid ! — en \'s namiddags bij den klokslag van drieën met een dankbaar en medelijdend gemoed een oogenblik den doodstrijd van Jesus gedenken en , die in doodstrijd zijn, aan zijn zoet Hart aanbevelen : Wij aanbidden ü, Christus, en loven U; omdat Gij door mo H. Kruis de wereld verlost hebt. Hart van Jesus in doodstrijd, ontferm U over de stervenden!

144. Wat is de bestemming der Klokken, — en waarom wordt derzelver wijding de Klokkendoop ge-

^ noemd ? — De Klokken geven het teeken van den grooten Koning, roepen ons ter Kerk, noodigen ons tot heilige vreugde of Christelijken rouw. Derzelver wijding wordt Klokkendoop geheeten, omdat eenige ceremoniën gelijken op die van het Doopsel, als; het gebruik van water, het geven van den naam eens Heiligen, het toelaten van een Peter en Meter.

145. Geef eenige symbolische beteekenissen der dee-

-ocr page 113-

— 92 —

len eener Kerk in betrekking tot elkander. -— Het Priesterkoor beteekent de Triomfeerende Kerk, het Schip de Strijdende Kerk, en in den tijd der Openbare Boetpleging kon het Portiek voor de Boetenden beschouwd worden als de Lijdende Kerk. — Ook voor zoover men in de Kerken de dooden begroef onder den vloer, kon men dezen aanzien als de Lijdende Kerk te vertegenwoordigen , de levenden daarboven als de Strijdende Kerk, en de Heiligenbeelden hooger geplaatst als de Triomfeerende Kerk. — Van eene Kruiskerk : het Schip met het Koor zooveel als de geestelijke orde, het Kruispand de tijdelijke orde. — De fundamenten beteekenen de Apostelen, de Kruispijlers de Evangelisten, de overige Kolommen de Bisschoppen en Leeraars, de vloer de geloovigen van nederigen stand, de beren en schraagbogen de heilige zielen, die de zwakken steunen en binnen de Kerk houden. — De hoogte der Kerk beteekent den moed door de hoop op de he-melsche belooning, de lengte de kracht en volharding door het geloof, de wijdte den ruimen schoot der liefde. — In de grondslagen kan men beschouwen het geloof, in het gewelf de liefde , in den vloer de nederigheid , in de deuren de gehoorzaamheid door den nauwen weg, in de zuilen de rechtvaardigheid en waar-

-ocr page 114-

heid, in de evenwijdige zijden en de harmonie der lijnen de overeenstemming en vrede. — De getinneerde borstweringen aan Gothieke Kerken en Torens stellen voor de onschendbaarheid, waarmede het Allerheiligste en zijne vereerders binnen de Kerk omgeven zijn.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over het Kerkgemeubelte. (*)

14C. Welke zijn de voornaamste Kerkmeubelen ? — Het Groot en de Kleine Altaren, — de Credenstafel en de Console, — de Zitbank en de Sedilia, — de Bid-of Lofstoel, — de Communiebank, — de Biechtstoel,— de Preekstoel,— de Doopvont,— het Orgel.

147. Welk is het allervoornaamste van alle Kerkmeubelen ? — Het Hoogaltaar in het Priesterkoor —

(*) Men verwachte niet eene juiste verdeeling en rangschikking van het Kerkelijk materieel; wijl het nuttiger is voorgekomen bij elkaar te bespreken wat in het gebruik bij elkaar behoort. Zoo vindt men hier niet alleen de deelen van het Altaar beschreven, maar ook de voorwerpen, die tot eene volledige toerusting van het Altaar ver-eischt worden.

-ocr page 115-

— 94 —

ook het Groot Altaar en Hoofdaltaar genoemd — waarheen zich alles richt, en waarvan alles uitgaat.

148. Het Hoogaltaar, dat in schoonheid en kostbaarheid boven de andere Altaren en boven alle andere meubelen verre behoort uit te munten, verheft zich in de Koornis, kennelijk de hoogste plaats in de Kerk, en in \'t gezicht des volks. Het Hoogaltaar is voor triester en Volk, G-od ter eere, de Offerplaats, het midden-pnnt van den Eeredienst.

149. Welke zijn de deelen van een Altaar? — Eene of meer treden met den vloer (suppedaneum), de Tombe, de Altaarsteen, de Kaarsenbanken en het Crucifix.

150. Wat is het voornaamste deel van een Altaar? — De Altaarsteen-, omdat op dien Steen het H. Sacrificie van het Goddelijk Lichaam en Bloed des Heeren wordt voltrokken.

151. Wat is de symbolische beteekenis van den Altaarsteen ? — De Altaarsteen, door den Bisschop gezalfd, beteekent Jesus den Gezalfde, den levenden Steen, den Hoofdhoeksteen der Kerk, en de vijf Kruisen, op den Steen uitgehouwen, wijzen op de Vijf Wonden des Heeren.

152. Wanneer heeft men ten Altarefixum {vast Altaar) ? — Als de Altaarsteen, dan gewoonlijk het ge-

-ocr page 116-

heele tafelblad uit één stuk, door mortel met den steenen onderbouw {stipes of basis) tot één lichaam vereenigd is.

153. Wat noemt meu een Altare portalile {draagbaar Altaar of Draagaltaar) ? Een vierkanten Steen (van 45 op 40 cM.), die in eene houten Altaartafel kan ingelaten, en weer uitgenomen en elders gebruikt worden. (1)

154. Wat noemt men het Sepulchrum of Graf van het Altaar? — De holte waarin Reliquieën van HH. Martelaren zijn geborgen met drie wierookkorrels.

155. Bij een Altare fixnm is het Sepulchrum w of onder het Altaarblad , — bij een Altare portatile in den Steen, en is de opening door een steentje met gips of cement gesloten.

156. Waarvandaan het gebruik om Keliquieën van Martelaren in een Altaar op te sluiten ? — Dit gebruik herinnert aan de eerste eeuwen der Kerk, toen men het H. Misoffer boven de graven der Martelaren

1

AUare fixum of vasl Altaar noemt men ook wel een Altaar, dat blijvend zijne plaats houdt, al kan de Steen uitgenomen worden (derhalve een vaststaand Altaar); — tegenover een Steen, dienaar gelegenheid van tijd en plaats tot iltaar dient, zooals de Altaarstee-nen , welke de Missionarissen op reis raedenemon, en men daarom ook noemt Altaria viatica of übieraria, zooveel als Reis-Altaren.

-ocr page 117-

— 96 —

placht op te dragen, — eu is eene navolging van \'tgeen de H. Joannes schrijft in het Boek der Openbaring: „Ik zag onder het Altaar (van het Lam) de zielen dergenen, die gedood waren om het woord Gods en om de getuigenis, welke zij hadden.quot; Openb. VI, 9.

157. De Priester, in \'t begin der H. Mis na het Confiteor de treden opgegaan , bidt gebogen : „ Wij bidden ü , o Heer, door de verdiensten van uwe Heiligen (kust het Altaar in het midden) welker Keli-quieën hier zijn en van alle Heiligen, dat Gij U ge-waardigl.alle mijne zonden te vergeven. Amen.quot;

158. Welke is de symbolische beteekenis van het opsluiten der Eeliquieën in den Altaarsteen ? — De\' nauwe vereeuiging van Jesus Christus met zijne Heiligen ; de Steen immers beteekent Christus.

159. Hoe wordt gewoonlijk de onderbouw van het Altaar genoemd? — De Tombe, als eene herinnering aan de graven der Martelaren, waarboven oudtijds het H. Misoffer werd opgedragen.

160. Wat is een antependium\'i (1) — Een voorhangsel vóór de Tombe met de kleur van het Feest of van de Mis.

1

Niet antipendium.

-ocr page 118-

— 97 —

161. Waaraan doet ons de naam en vorm der Altaartafel denken? — Aan de Tafel van het Laatste Avondmaal, waarop de Zaligmaker de Eerste H. Mis heeft opgedragen. Ook in de eerste tijden werd de H. Mis gedaan op eene houten tafel.

162. Waarmee is de Altaartafel gedekt en waarom? — Uit eerbied voor het Lichaam en Bloed des Heeren wordt de Altaartafel gedekt met eene Mappa of Altaardwaal van fijn linnen, aan beide zijden van het Altaar afhangende; — en om bij mogelijke storting het Bloed des Heeren op te vangen , worden onder de lange Mappa nog twee korte dwalen of een dubbel gevouwen dwaal gelegd. De Altaardwalen zijn gebenediceerd.

163. Waartoe dient het Crucifix in het midden des Altaars?—Om ons te herinneren, dat het onbloedige Misoffer eene vernieuwing is van het bloedige Offer des Kruises. Voor het Crucifix moet de Priester onder de H. Mis zoovele malen bet hoofd buigen.

164. Waartoe dienen de treden aan een Altaar? — Niet alleen opdat de Priester beter kunne gezien worden ; maar ook opdat het Altaar den Berg Tan Calva-rië zoude voorstellen, waarop Jesus Cliristus het bloedige Offer des Kruises heeft opgedragen.

7

-ocr page 119-

— 98 —

165. Wat hebt ge in \'t algemeen wegens de treden in eene Kerk op te merken ? — Dat het Hoogaltaar ten minste drie treden heeft, de Kleine Altaren eene trede; — en dat het getal treden in eene Kerk altijd oneven is; de Kapellen eener Kerk gaat men in met eene trede, het Priesterkoor met eene, drie, vijf treden enz.

De drie treden van het Hoogaltaar wijzen op de H.

Drievuldigheid, aan wie alleen het H. Misoffer wordt

opgedragen. Het Hoogaltaar wordt dns genoemd, omdat

het door zijne treden hooger is dan de andere Altaren.

166. Hoeveel handelaren heeft een Altaar?—Het Hoogaltaar en het H.-Sacramentsaltaar hebben zes, de Kleine Altaren vier of twee kandelaren.

167. Wat is het Tabernakel eens Altaars ? — Eene vierhoekige kast, vanbinnen met witte zijde bekleed en vanbuiten rijk versierd , ter bewaring van het Allerheiligste.

168. Vanbuiten diende het Tabernakel bedekt te zijn door een Conopeüm, dat is: door eene sierlijke gordijn, terzijden en vanvoren het Tabernakel omhullende. Aan het Velum van eene Ciborie geeft men wel eens den naam van Conopeum.

169. Waar wordt in eene Kerk het Allerheiligste bewaard?— Aan het Hoogaltaar, behalve in Kathedra-

-ocr page 120-

— 99 —

len en sommige groote Kerken , waar het bewaard wordt aan het H.-Sacramentsaltaar in eene afgeslotene Kapel.

170. Waardoor is het voor iedereen duidelijk waar het Allerheiligste bewaard wordt? — Door het licht der Godslamp voor het Tabernakel, waarin Ons Heer rust.

171. Wat is een Expositie-Troon? — Een rijk versierde Troon met Hemel tot uitstelling van het- Allerheiligste. Minder daarvoor passend is een Troon zonder Hemel, een Thahor genoemd.

172. In onze Kerken heeft men boven het Tabernakel, waarin Ons Heer rust, doorgaans nog eene draaiende kast met twee versierde nissen van witte zijde , in eene van welke bet Allerheiligste wordt uitgesteld. Men noemt dat draaiende gedeelte ook Tabernakel.

J73. Wat is het Baldakijn eens Altaars?—Een rijk versierde Hemel boven het Hoogaltaar of het H.-Sacramentsaltaar hangende (1) of oy vier pilaren rustende, en dan ook Cïborium genoemd. (^*)

1

TJmbracuIum , quod baldachinum vocant, formulae quadratae, cooperiens altare et ipsius altans scabellura, coloris caeterorura para-raentorum. — Ciborium ex lapide aut ex marmore confeetura. Caer. Ep. Lib. I. Cap. XII. N. 13. — Cap. XIV. N. 1.

-ocr page 121-

Dergelijk Ciborium treft men aan in de Jesuïeten- en in de Minderbroeder-Kerk te Nijmegen, in de Redemp-toristeu-Kerk te Rosendaal en in do Paroehiekerk van On-denbosch, welk laatste, ofschoon vrij boog, eene verkleinde oopie is van het prachtige bronzen 42 M. hooge Ciborium in Sint Pieter te Home.

174. Baldakijn (Verhemelte, Hemel) wordt ook genoemd de draagbare rijk versierde Hemel, die in eene Processie boven het Allerheiligste gehouden wordt. Omhrellino wordt de kleinere vorm genoemd.

J75. Wat is de zinnebeeldige beteekenis van over-dehhing of overhuiving bij Baldakijn, Verhemelte, Hemel, Kap, Helm, enz.? — De overdekking is het zinnebeeld van liefde en van vereering. Van ZïV/rfe: de Zaligmaker betuigde aan het weerspannige en hardnekkige Jerusalem, dat Hij zoo menigmaal hare kinderen had willen vergaderen gelijk een vogel zijn nest vergadert onder de vleugelen. Dit overdekken is beschermen uit liefde. Van vereering-, door het heilige te overdek-

zij dient allerduidelijkst tot bescherming; en vereering van het Altaar. Het Retabel daarentegen , met het Altaar verbonden als daarmede één lichaam uitmakende , is wel in staat de aandacht te verstrooien en misschien te doen vestigen op iets dat slechts een aanhangsel is, tot schade van het allervoornaamste, het Altaar. IndeKath. Illustrat. 20 jaarg. bl. 52 vindt men eene kleine afbeelding van een Ciborium onder N. 4 en van een hangend Baldakijn onder N. 5.

-ocr page 122-

— 101 —

ken, erkennen wij , dat het voor de oogen onzer ziel bedekt, een eerbiedwaardig geheim is , en dat wij niet waardig zijn het ongedekt te aanschouwen. Zoo overdekten gouden Cherubijnen met hunne vleugelen de Bondsark. Exod. XXXVII, 9.— 1 Par. XXVIII, 18. — De Serafijnen bedekken zich het gelaat voor Gods majesteit, Isai. VI, 2; — en Moses bedekte zich het aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. Exod. III, 6.

17 6. Geef eens eenige voorbeelden van deze symbolische overdekking. — De bekappiug van Toren en Schip, — de Koepel of Dom eener Kerk, — de deksel op eene Ciborie ; — maar wijl in deze gevallen eenige bedekking noodzakelijk is , ziehier eenige voorbeelden, die de symboliek der overdekking duidelijker maken : — het Baldakijn of Ciborium boven het Hoogaltaar en het H.-Sacramentsaltaar, — de Hemel van een Expositie-Troon , — het Baldakijn boven het Allerheiligste in eene Processie, — het Velum over de Ciborie, enz. Als eene bekroning kunnen wij beschouwen de kappen boven de Heiligenbeelden,— den hemel boven den Bisschopstroon.

177. Wat verstaat gij door een Retabel (*) aan een

(*) Sommigen noemen de Kaarsenbank Retabel, en onderscheiden dan het achterstuk met de benaming van Contre-retable,

-ocr page 123-

— 102 —

Altaar ? Retabel Achtertafel. — Eene min of meer hooge versiering achter een Altaar aangebracht, bestaande meestal uit een breed voetstuk van den vloer tot de Altaartafel reikende, daarop doorgaans een Beeld of Schilderij van den Titularis tusschen twee kolommen , gekroond door een fries en fronton met kruis. Zóó in den Roraeinsohen en den Komaanschen Stijl. In den Gothisohen Stijl heerscht meer verscheidenheid; te weten; men heeft Eetabels met en zonder bekroning , — met en zonder beweegbare vleugels (Vleugelaltaar),—- het onderste gedeelte, van de kaarsenbanken af tot de hoogte des Tabernakels, verdeeld in vakken met tafereelen , in nissen met Heiligenbeelden,— daarboven nog eeue stagie van Heiligenbeelden, bekroond met baldakijns, eindigende in spitsen en pinakels,— of dat onderste gedeelte , gedekt met eene horizontale lijst, waarop beelden van Engelen, die zoo gaarne eene plaats hebben bij het aanbiddelijk Altaargeheim. (1)

1

Maar, vraagt meu niet ten onrechte, zouden die hooge Retabels, met hun tal van pinakels en torentjes, hoog en laag gevuld met eene menigte van beelden, niet in een kwaden zin het Altaar overschaduwen) gelijk de Baldakijns dat doen in een goeden zin? Hetzelfde geldt van die vervaarlijke Retabels Renaissance-Stijl in zoovele onzer Kerken. Het gewelf schijnt nauwelijks hoog genoeg te zijn. Zoovele menschen, welke die breede en hooge opstapeling van kolommen met beelden en van taflementen, met beeldengroepen nog

-ocr page 124-

— 103 —

178. Tot versiering zijn soms aan weerszijden van aet Altaar (tusschen kolonetten) Gordijnen opgehangen , die achter het Altaar omgaan, als het Eetabel niet hoog is. I)e Gordijnen (Courtines) zijn eene omhulling: — een Velum omsluiert de Pyxis, — een Cono-peim het Tabernakel met de Pyxis , — de Gordijnen het Altaar met Tabernakel en Pyxis, als een derde sluisr van het Allerheiligste.

179. Wat noemt men den Titel of Titularis van een Altaf.r? — Het mysterie of den Heilige, aan wien een Altaar is toegewijd , in den regel duidelijk gemaakt door een beeld of schilderij in het Eetabel of door eene inscriptie. De Titel der Kerk is altijd eveneens de Titel van het Hoofdaltaar; zoodat het Hoofdaltaar aanwijst aan wien of aan welk mysterie de Kerk is toegewijd.

180. Op het Hoogaltaar leest men gewoonlijk dit opschrift: ALT. PKIV. QUOT. PEEP.; wat beduidt dit opschrift? — Deze letters zijn eene verkorting van altaee pkivileg1atcm qüotidianüm pekpetuum. En is vertaald :

Altaee s Altaah.

Privilegiatüm =5 Bevoorkecht.

daarboven, voor het Altaar houden: — de tombe, het eigenlijke Altaar merken ze nauwelijks op.

-ocr page 125-

— 104 —

Quotidianum ;=; Dagelijksch.

Perpetüum = Altijddukend.

De beteekenis is: Aau dit Altaae is door den Paus yan Eome het Privilegie of Vookkechi verleend vaa een Vollen Aflaat voor eene Ziel in \'t Vagevuur, tot welker intentie de IL. Mis daaraan wordt opgedragen; mits in \'t Zwart, als de Kubrieken het veroorloven ; — en dit Privilegie is Dagelijksch , dat is : geldt niet voor enkele dagen in de week, maar voor eiken lag, niet gedurende eenige jaren, maar Altijddurend, dat is: voor\'altijd, en niet voor eene H. Mis eiken dag, maar voor elke H. Mis, aan dit Altaar gecelebreerd.

181. Welke is de rechterzijde van het Altaarquot;*. — Wijl het Altaar een front heeft, kunnen wij een Altaar beschouwen als een persoon met het gelaat naar ons gekeerd. Of zoo: de rechterarm van het Christusbeeld wijst aan de rechterzijde van het Altaar, en diensvolgens de rechterzijde van de gansche Kerk.

183. Welke gevolgtrekkingen kan men hieruit maken, dat de rechterzijde de eereplaats aanduidt? — Daarom wordt aan de rechterzijde het Evangelie gelezen ; — wordt in het Priesterkoor de Bisschoppelijke Troon geplaatst; — aan de rechterzijde van het Hoogaltaar de Paaschkaars ; — in de rechter-zijbeuk

-ocr page 126-

— 105 —

het Altaar van O.-L.-V.; — daar ook de eerste Statiën van den Kruisweg ; — diende ook aan de rechterzijde de Preekstoel geplaatst te zijn.

183. Waarom zegt men gewoonlijk voor de rechterzijde de Evangeliezijde ? — Om verwarring te voorkomen. Immers iedereen weet aan welken kant het Evangelie gelezen wordt ; maar licht kan men de rechterzijde van Altaar en Kerk verwarren met zijne eigene rechterzijde-, nu deze zijn juist tegenover elkander gesteld. De Kerk inkomende heeft men aan zijne linkerhand de rechterzijde , aan zijne rechterhand de linkerzijde der Kerk.

184. De Evangeliezijde als rechterzijde duidt aan de eereplaats : heeft de Evangeliezijde nog eene andere beteekenis? — Ja, die zijde is ook de Noordzijde eener georiënteerde Kerk : het Noorden beteekent koude en dood , duisternis en zonde. (1)

185. Waarbij wordt deze beteekenis van het Noorden bedoeld ? — Onder de H. Mis wordt na den Epistel het Missaal overgedragen van de linkerzijde naar

1

De Noordzijde der Gothieke Xcrketi, als de pIJats der minderheid , der droefheid, is doorgaans vanbui ten minder versierd dan de Zuidzijde. In de Bossche Sint Jan zijn de zijbeuken ia het Noorden aanzienlijk lager en de vensters aanzienlijk kleiner dan die ia het Zuiden.

-ocr page 127-

— 106 —

de rechterzijde, ten teekcn, dat het Evangelie van de Joden is overgegaan naar de Heidenen, en om dit nog duidelijker te maken, keert de Priester zich zooveel mogelijk, en de Diaken , wanneer hij het Evangelie zingt, geheel en al naar het Noorden, als om de Blijde Boodschap aan te kondigen aan hen, die in de duisternissen en schaduw des doods gezeten zijn. — Schoon is eveneens de symboliek eener Doopkapel aau de Noordzijde : door het H. Doopsel wordt de booze geest bezworen, de zonde afgewasschen, komt de ziel uit de duisternis des ongeloofs tot het licht des Geloofs. Anderen beschouwen de Doopvont als behoorende tot, het Vrouwenpand ; wijl door de Vrouw het kind ter wereld komt. (1)

1

Zooals onder N. 102 is gezegd, en uit tal van voorbeelden in schriften blijkt, was in oude Kerken de Doopvont aan de Noordzijde geplaatst. In de XV eeuw begon men die naar de Zuidzijde over te brengen , zooals in de Bossche St-Janskerk j waar, toen in 1493 een nieuwe Doopvont was gemaakt, die in het Zuiden geplaatst werd , ofschoon de vroegere oodere in de Noordzijde stond. (De St-Janskerk te \'s-Hertogenbosch en hare geschiedenis doorJ. C. A. Hezenraans, Bladz. 162 en 163; waar tevens eene nauwkeurige beschrijving der Doopvont van 14\'92, die nog ten gebruike dient, gegeven wordt.) Ook elders werd de Doopvont in het Zniden overgebracht , waardoor natuurlijk de symboliek, uit de Noordzijde afgeleid, kwam te vervallen. In Kerken, die in het laatst der XVI en de XVII eeuw gebouwd werden , plaatste men de Vont weer Noordwaarts. Door de Synodus Prov. Ultraj. A0 1865 en door het Supplementura op het Rom. Ritueel voor onze Kerk-Provincie A0 1879

-ocr page 128-

186. De Vrouwen hebben in de Kerk bare plaats aan de Evangeliezijde , de Mannen aan de Epistelzijde : welke reden wordt daarvan gegeven ? — Dit is eenvoudig te beschouwen als een gevolg van het beginsel, dat de Man is het hoofd der Vrouw, en derhalve de Vrouwen links van de Mannen behooren plaats te nemen, gelijk in eene Solemneele Mis de Subdiaken links van den Diaken, zijn meerdere. Sommigen zien hier nog een gevolg van den regel, dat de rechterzijde der Kerk aan Maria\'s vereering is voorbehouden , en voegen er bij, dat gelijk Maria aan de rechterhand van den gekruisten Jesus de Vrouwen vertegenwoordigt, zoo de H. Joannes aan Jesus\' linkerhand de Mannen. De Vrouwen met Maria aan de rechterhand des Gekruisten, op de eereplaats : ziedaar de rehabilitatie der Vrouw door Maria.

187. Wat behoort nog voor den heiligen Dienst bij het Altaar, behalve de heilige Vaten?—1. Het Missaal of Misboek op een lessenaar; — 3. De drie Canonborden of Altaartabellen;— 3. De Altaarschel.

is bepaald, dat, waar het gevoegelijk geschieden kan , de Doopvont behoort geplaatst te zijn aan de rechterzijde \'van de hoofddeur, aan de rechterhand van den binnenkomende, derhalve aan de Zuidzijde volgens de Oriëntatie.

-ocr page 129-

— 108 —

De drie laatste dagen der Goede Week, bedient men zicli na het Gloria op Witten Donderdag tot aan liet Gloria op Paasch-Zaterdag van een ralel ten teeken van rouw.

188. Wat is eene Credens of Credenstafelquot;} (1) — Eesie tafel, boven en rondom tot den vloer met zuiver linnen bedekt en aan de Epistelzijde tegen den muur geplaatst — dienende bij groote plechtigheden; bijv. als een Bisschop pontificeert of ook een Priester met Assistentie de H. Mis celebreert.

Bij. de H. Mis worden dan op de Credenstafel geplaatst: de Kelk met toebehooren, het Humerale met Epistel- en Evangelieboek, de schel met de ampullen, schenkblad en handdoekje, en twee brandende kaarsen op kandelaren.

189. Waar plaatst men anders gewoonlijk de Ampullen met toebehooren ? — Op eene Console tegen den muur bevestigd of in eene opening van den muur.

190. Waartoe dient de Zitbank? — De Zitbank aan de Epistelzijdo dient tot zitting voor Priester en Assistenten bij eene plechtige Mis. In plaats van eene Zitbank gebruikt men meest drie stoelen of tabouret-ten, ook sedilia genoemd.

1

De mensa seu abaco quam credentiain vocant. Caer. Ep. Lib. I. Cap. XII. N. 19.

-ocr page 130-

191. Waartoe dient de Bidstoel? — De Bidstoel wordt het meest gebruikt bij bet Lof, en wordt daarom tot gemakkelijker onderscheiding Lofstoel genoemd.

192. Punten ter overweging voor het vervaardigen en stellen van een Preekstoel:

1. Mag een Preekstoel iets anders schijnen dan een Preekstoel, dat is : eene halfronde, vier- of zeskan-tige kuip , aan muur of kolom bevestigd of op een voetstuk rustend ? Past het den Preekstoel te verbergen onder een vreemden vorm, bijv. voor Preekstoel te laten dienen een gebouw, eene ruïne, enz.?

3. Strijdt het niet tegen de eenheid, in de kunst vereischt, onder den Preekstoel beelden of groepen te plaatsen, die met den Preekstoel niet één geheel vormen? Is er niet overvloedige plaats voor beelden eu tafereelen in reliëf aan de buitenzijde der kuip?

3. Past het een beeld (van een Heilige of van wien ook) als voetstuk voor de kuip te gebruiken, zoodat de kuip op bet hoofd komt te rusten; al beproeft men de brutaliteit door een nimbus te mas-keeren ?

4. Is een klankbord noodzakelijk?— nuttig? — Is het zeker, dat een klankbord voor eene goede acus-tiek zoo bevorderlijk is? In welke vergaderzalen , bui-

-ocr page 131-

— 110 —

ten de Kerken, ziet men een klankbord boven het spreekgestoelte aangebracht ? In de vroegste eeuwen diende het Oxaal aan den ingang van het Priesterkoor tegelijk voor Preekstoel, hoog en zonder klankbord. En hoe menigmaal werd oudtijds onder den blooten hemel gepredikt op vervoerbare Preekstoelen ? Denk hier ook aan de romeinsohe jirato\'s, ruime estrades, die voor de gelegenheid om te prediken worden opgeslagen.

5. Mag een klankbord iets anders schijnen dan een klankbord? Mag een klankbord gelijken op een sierlijk Baldakijn, waartoe de Bisschop alleen gerechtigd, is? Of mag het klankbord dienen als voetstuk voor een beeld of groep, om er een trotsch gevaarte van te maken ? Hoe moeilijk een klankbord vast te hangen, zonder dat het oog gehinderd wordt? En poogt men de onoogelijke ijzeren stang te maskeeren, valt dan de proef njg niet onesthetischer uit ? (1)

6. Heeft hij een goed begrip van symetrie, die aan een Preekstoel twee trappen zou verkiezen boven eenen ? Zou het nog niet verkieslijker zijn zelfs

1

De klankborden zijn eerst in de XV eeuw in gebruik gekomen, en hadden algemeen den vorm van een pyramide, pinakel of torentje; maar gelijkt deze vorm niet op een Baldakijn?

-ocr page 132-

— Ill —

dien éénen trap , die zooveel plaats rooft en weinig behaaglijks kan hebben , onnoodig te maken , door den toegang tot het Preekgestoelte te vinden langs een onziehtbaren trap in muur of kolom , als het mogelijk was ? (1)

7. Behoort de Preekstoel niet in de Kerk de eereplaats in te nemen, aan de rechter- of de Evangeliezijde, behalve in eene Kathedraal om den voorrang van den Bisschopstroon ? (2)

De Preekstoelen onzer oude Kerken waren eenvoudig en klein en konden vervoerd worden , om zoo noodig in de open lucht tot eene groote volksmenigte

1

In de Kerk te Oudenbosch geleidt een trap in ecu Kruis-pijler (Epistelzijde?) tot eene weinig uitstekende tribune, eene een* voudige balustrade, met het front naar\'t midden van het Schip, zonder eenig beletsel voor \'t gezicht. Dus 1. geene breede ver vooruitspringende kuip met voetstuk, die het gezicht belemmert; — 3. geen, overlastige en onoogelijke trap; — 3. geen groot lomp uitstek van een klankbord; — 4\'. de eenvoudige tribune laat zich zoo gepast, zelfs rijk versieren door een voorhangsel, overeenkomstig de plechtigheid. Pulpitum, ubi sermo vel concio haberi solet, consentaneum est pannis sericeis ejusdem coloris, cujus sunt caetera paramenia, exor-nari. Caer. Ep. Lib I. Cap. XII. N. 18.

2

(♦*) fpe j^ome hebben alle Kerken den Preekstoel aap de Evangeliezijde : — in de Sixtijnsche Kapel is de Preekstoel aan de Epistelzijde om den Pauselijken Troon. Pulpitum in ecclesiis erigcndum et collocandum esse a cornu Evangelii. S. R. C. Die 20 Febr. 1863. Prof. Thijm merkt op, dat de Preekstoel in de Kerk van de HH. Nereus en Achilleus te Rome aan de Zuidzijde staat. H. Linie.

-ocr page 133-

— 112 —

te kunnen spreken. Na het midden der XVIe eeuw ontstond daarin verandering, ten gevolge van het uitbarsten der Hervorming, in de landen, welke door dezen geesel bezocht werden. Terwijl men zich in Italië met de eenvoudige ambo\'s en tribunes vergenoegde, begon men hier in de Kerken groote, prachtige Preekstoelen op te richten. Zij waren hoog, edel van vorm en de geheele omgeving overheerschend, zóó, dat duizenden den Prediker konden zien en hooren. Tn dat brandend oogenblik uitgedacht, voldeden zij geheel aan de behoeften, en zij zijn van dien tijd af de typen onzer Preekstoelen gebleven. Een der schoonste uit dien tijd is de Preekstoel van de St-Janskerk in den Bosch, een overheerlijk kunstwerk, dat ieders bewondering verdient. Zonder te beweren , dat de toren, die dezen Preekstoel bekroont, iets is, dat algemeen behoort toegepast te worden, is het geen wonder, dat hij door alle kenners op den hoogsten prijs wordt gesteld. Die toren was in den strijd der Hervórniing als de toren Davids, die van alle zijden bestormd werd, en van waar de verdediging uitging van alles wat heilig was. Doch weldra ontstond eene groote afdwaling in den vorm onzer Preekstoelen: de edele, zuivere Stijl ging verloren ; eene zwaaiende logge Renaissance kwam in

-ocr page 134-

— 113 —

de plaats, dramatisch van gedaante, met nog dramatischer beelden , waarvan hiervoren eenige der meest stootende voortbrengsels zijn aangednid. De Preekstoel is sedert drie eeuwen een gewichtig stuk in onze Kerken geworden ; maar op de meeste plaatsen is men afgeweken van den oorspronkelijken vorm. De Preekstoel zij weder edel en schoon van gedaante, in verhouding tot de Kerk, zoodat het gezicht daardoor niet gehinderd wordt. Wat vreemd is, zij daarvan verbannen , even als al datgene wat er een dramatisch voorkomen aan geeft.

193. I. Welke plaats komt het Orgel in onze Kerken toe? — Eene zeer bescheidene. Het Orgel mag heeten en zijn de Koning der toonwerktuigen, in de Kerk is het Orgel of ten minste behoort het te zijn de dienaar des Priesters, niet om den zang des Priesters aan het Altaar te begeleiden; want \'tis zelfs betamelijk dat het Orgel zwijgt, als de Priester zingt; maar de dienaar des Priesters, om in de Kerk het gezag des Priesters te erkennen en te eerbiedigen. Het Orgel is mede de dienaar van den Kerkzang -, wijl het Orgel slechts in dienst wordt genomen, niet om de stemmen te overheerschen , maar om ze te ondersteu-

8

-ocr page 135-

— 114 —

uen; — en welk een dienaar? hoe ver gaat de Zang, het intellectueele woord der ziel vertolkend, de men-schelijke stem als schepping van God — boven het werktuigelijk geluid van een tooninstrument, een vinding en maaksel der menschen ? En nog hoe beperkt is de hulp des Orgels; wijl volgens de liturgische voorschriften het Koor zoo menigmaal zonder begeleiding behoort te zingen ! En zal het Orgel, de zang zwijgende , zelfstandig optreden (wat niet altijd mag), — dan nog behoort het spel immer kerkelijk te blijven en tot godsvrucht te stemmen , ,, het moet deftig zijn in gang, kuisch in melodie, geheel vrij van alle ijdele kunstenarij, (*) en volkomen overeenstemmend met de godsdienstoefening , die gehouden wordt.quot; Zóó de Syn. Prov. Ultraj. Tit. V, Cap. VII, verwijzende naar het Caer. Episc. Lib. I, Cap. XXVIII, n. 11; terwijl dit

(*) Vrij oan alle ijdele kunstenarij in de manier van spelen \\ — maar hoe ver gaat de kunsten ar ij in die vreemdsoortige registers, die op een Concertorgel wellicht een verrassend , een verbyzend effect kunnen maken, maar een elfoct, dat in eene Kerk, het Huis van God en des gebeds , niet voegzaam is? Wien zal het besluit verwonderen , dat Mgr Josepii Callegari, Bisschop van Padua , in een Mandement van den 6 Juli 1886 voor zijn Bisdom dus formuleert; — wWij bevelen, dat zoo spoedig mogelijk de zoogenaamde banda tur-ca, de klokjes, het carillon, de vogelstemmen, de trommels en andere dergelijke instrumenten uit de orgels verwijderd worden, terwijl wij het gebruik daarvan van nu af aan volstrekt verbieden ?quot; St-Gre-gorius-Blad. Januari 1887. BI.

-ocr page 136-

laatste uitdrukkelijk zegt (n. 9) dat, als bij de Opheffing van het Allerheiligste Sacrament het Orgel bespeeld wordt, dit behoort te geschieden „ op meer statigen en zoeten toon.quot; — Uit dit alles blijkt hoe bescheiden de plaats is, welke aan het Orgel in onze Kerken toekomt. Het Orgel is met voorgeschreven ; de Pauselijke Kapel heeft tot nog toe geen Orgel. Het Orgel is slechts toegelaten, in de Kerk-Provincie van Nederland met uitsluiting van alle andere muziekinstrumenten , — toegelaten als meer dan eenig ander toonwerktuig „ in overeenstemming met den aard en de natuur van den Kerkzangquot;, — toeyelaten ouder de voorwaarden, gesteld door het Caerem. Episc., waarnaar het Prov. Conc. van Utrecht verwijst. — Zijn de diensten des Kerkorgels zóó bescheiden , dau mag het zelf wel bescheiden zijn , — en zal het ook moeten worden bij den steeds toenemenden ijver voor den waren Kerkzang.

II. Om eenig denkbeeld te geven van een Orgel, volgt eene beknopte beschrijving zijner voornaamste deelen en hunner werking; (1)

1

Het Orgel door F. L. Schubert. — St-Gregorius-Blad. Jaarg. III. 1878. BI. 75 en 83. De geluiden van het orgel en hunne za-menvoegiiig. M. Maarschalkenveerd. — De samenstelling vau het Kerkorgel, inlichtingen voor Organisteu en deskundigen, belast met de keuring van orgels, door ï. Loret, Orgelmaker.

-ocr page 137-

— 116 —

De elementen van een Orgel ziju :

A. De pijpen.

B. De win daan voer.

C. De mechaniek.

A. De pijpen. 1. Het hoofdelement van een Orgel is de pijp. Neem eene orgelpijp , blaas door bet spitse eind, en ge krijgt een geluid. De orgelpijp is derhalve een blaasinstrument. Gelijk de gewone blaasinstrumenten een verschillend soort van geluid geven naar hunne verschillende constructie, bijv, clarinet en fluit; zoo ook de orgelpijpen. Maar uit elk blaasinstrument haalt men ook verschillende tonen, hoogere en lagere; zooniet uit elke orgelpijp: elke pijp geeft maar één toon. Nog een verschil; de orgelstemmen missen de eigenschap om den toon te doen zwellen en afnemen, het crescendo en decrescendo te doen ontstaan. Nogtans zijn verscheidene kunstmiddelen uitgedacht om dit ettect te verkrijgen ; blijft de vraag of dergelijke kunstenarij een Kerkorgel waardig is.

3. De pijpen onderscheiden zich in twee soorten: de labiaalpupen of Jluiticerken en de tongwerken. De labiaalpijpen zijn kenbaar aan eene smalle opening, die labium (lip), mond of opsnede genoemd wordt. De pijpen in het front eens Orgels zijn labiaalpijpen. Het

»

\'y

-ocr page 138-

— 117 —

geluid wordt veroorzaakt door eene (rilling van de luchtkolom in de pijp. Deze trilling wordt bewerkt door den wind, die den voet instroomende door eene smalle opening (de kernspleet, het windgat of de dag genoemd) zich richt op het labium en daar stooten verwekt, die zich voortplanten op de luchtkolom in de pijp. Wie kent niet liet mondstuk eener fluit? De la-biaalstemmen zijn open of gedekt (de metalen pijpen met een hoed of kap, de houten met een stop, die beweegbaar zijn om bij het stemmen door verlenging of verkorting der luchtznil in de pijp den toon lager of hooger te maken). Bij open stemmen heeft het corpus der grootste pijp van dat register de lengte, bij den naam van het register aangewezen met een cijfer, bijv. Prestant 8 beteekent Prestant 8 voet. (1) Bij

1

\'/De verschillende aanduidingen: 16 voet, 8 voet, 4 voet, 2 voet, enz. hebben haren grond hierin , dat de laagste toon, dien de stem van den mensch kan voortbrengen, is de C, voortgebracht door eene open pijp van 8 voet lengte; daarom is de.toonshoogte der met 8 voet beteekende registers in unisson met de menschelijke stem en met bijna alle muziekinstrumenten, ais: piano, violo.ncel, viool, fagot, hobo, fluit, enz. De 8 voetregisters zijn dus de hoofdstemmen, en hun toonshoogte is de overheerschende in het orgel. Al de andere geluiden: 16 voet, 4» voet, 2 voet, enz. zijn slechts om die 8 voets toonshoogte te steunen, te doen uitkomen, te versterken; daarom moeten de 8 voets registers in het kerkorgel en bij de begeleiding van den zang steeds domineeren.quot; — St-Greg.-Blad. Jaarg. 111. 1878. BI. 83 en 84.

-ocr page 139-

— 118 —

gedekte stemmen is de lengte ongeveer de helft. Ieder oetaaf\' hooger verkort de lengte tot op de helft. — De tongwerken ontleenen hun naam van eene dunne plaat, meestal van koper, tong genoemd. Het geluid wordt voortgebracht door de trilling dezer tong. De trilling wordt veroorzaakt door den instroomenden wind; terwijl het corpus of pijp hoven de tong aan de trillingen duidelijkheid, glans en kracht geeft. Deze tong is het best te vergelijken met het zoogenaamde rietje van klarinet en hobo. De physische verklaring van labiaal- en tongwerk bij Ganot. Leerboek der natuurkunde. N. 233 en volgende.

3. Registers. Elke pijp geeft maar één toon. Om de tonen van de gamme of toonladder voort te brengen , behoeft men voor eiken toon, hetzij heelen of halven, eene afzonderlijke pijp. Derhalve voor de tonen van 4 Ja, chromatisch (*) octaaf (zoo groot is gewoonlijk het klavier) in één soort van geluid worden 54 pijpen ver-eischt; en die gezamenlijke pijpen in één soort (van geluid en constructie) noemt men een Register. — Door de verscheidenheid van constructie, zoo der labiaal- als der tongwerken, wordt een aanzienlijk getal van registers verkregen. De voornaamste zijn: Fres-

(*) Met halve tonen : 13, plus 1 voor den Octaaftoon.

-ocr page 140-

— 119 —

tant (*) (die vooraan staat), Bourdon (brommer), Trompet, Tluit, Salicionaal oï Salicet (wilgenfluit), Viola di Gamba (knioviool), Mageolet (kleine fluit). — Het samenvoegen der registers noemt meu registreeren. Een verbazend getal van combinatiën kan door eenige registers verkregen worden. 6 Registers laten reeds 63 veranderingen toe; — 8 geven 355; — 10 geven 1033 ; — 30 geven 1.048.575 veranderingen. Men begrijpt, dat deze berekening sleclats eeno aardigheid is; bet zijn niets dan mogelijke, niet alle meliodiettse combinaties ; — de recbte keuze bij bot registreeren is juist het geheim der kunst, die den meester maakt.

B. De windaanvoeu. De blaasbalg zuigt door het schepventiel of klep de buitenlucht, en drijft die door hoofd- en nevenkanalen naar de windkast, waar de lucht, saamgeperst en door het mondventiel opgehouden, gereed is om de pijpen, die op de windlade boven de windkast (hoewel niet onmiddellijk) staan, in \\ te stroomen, als de geleidingen, door de speelventie-len gesloten, zich openen.

(^) \'/De voornaamste open labiaalstem is de , die ia den

regel ia hot front wordt gesteld, en waarnaar de grootte van het orgel wordt genoemd. Staat bijv. de grootste pijp van den Prestant 8 voet in het front, dan noemt men het Orgel een 8 voets werk, ofschoon dan toch menigmaal een gedekte 16 voet Bourdon bijv. tot de verdere stemmen behoort.quot; St-Greg.-Blad. t. a. p. 84.

-ocr page 141-

— 120 —

C. De mechaniek. 1. De claviatuur of het toetswerk , strekkende om de afgesloten geleidingen (cancellen) in de windlade naar de pijpen te openen of af te sluiten voor den wind. Het speelventiel of windklep in de windkast, door eene draad veer tegen de opening der geleiding gedrukt, wordt door een saamgestelden hefboom naar beneden getrokken en de geleiding alzoo geopend. De horizontale hefboomen liggen ordelijk naast elkander, en maken de toetsen van bet klavier uit. Drukt men op den toets, dan gaat het einde van den tweeden hefboom ook omlaag, en trekt door een draad het speelventiel open. Laat men den toets los, dan drukt de veer wederom het ventiel tegen de opening en de geleiding is afgesloten. — Men heeft a. het hand-klavier (manuaal) één of dubbel (of nog in grooter getal, terrasvormig boven elkander liggende); bij twee manualen noemt men het onderste hoofdmanuaal of onderwerk, het bovenste bovemverk ■, — b. het voetklavier (pedaal) op den bodem in een raam geschoven; het pedaal is aangehangen of vrij: het eerste is verbonden met het manuaal, het tweede is een orgel op zichzelf.

2. De trekkers, aan weerszijden van het manuaal of er boven, die uitgetrokken en weer ingeschoven kunnen worden, en dienen om de verschillende regis-

-ocr page 142-

— 131 —

ters of pijpenstellen, wier benamingen met het cijfer hunner grootte op de knoppen der trekkers te lezen zijn, te laten spreken of zwijgen. Hoe is dezer werking ? Elke toets correspondeert met een speelventiel; elk speelventiel met een afgesloten vak of kamertje in de windlade : zooveel toetsen , zooveel vakken, can-cellen genoemd, omdat deze vakken met de middenschotten het voorkomen hebben van traliewerk (cancelli). Boven elke cancel zijn in de bovensponde of dekstuk ronde gaten, die juist correspondeeren met evenveel gaten in een hoogeren bodem, den waarop

de openingen der pijpen uitkomen : alle pijpen boven eene cancel zijn van denzelfden toon ; maar elke pijp is van een verschillend register. Gaat nu een speelventiel open, dan dringt de wind in de cancel, en vervolgens door al de gaten , die hij open vindt. Open vindt; — want tusschen de dubbele gaten, die juist op elkander passen, liggen schuiven {slepen of paralellen) naast elkander in de lengte der windlade dwars hoven de caucellen; zooveel schuiven als er pijpenstellen zijn, en elke schuif bestrijkt al de pijpen van hetzelfde register , juist onder hare openingen. Deze schuiven hebben elk zooveel gaten als er cancellen zijn , beter gezegd; als het register pijpen heeft. Wordt

-ocr page 143-

— 133 —

du eene schuif zóó gesteld , dat dezer gaten corres-pondeeren met de dubbele gaten boven de eancellen, dan staan alle pijpen van het register open, en elke pijp voor zich vacht op het instroomen van den wind door het neerdrukken van den correspondeerenden toets, waardoor het speelventiel opengaat, de wind iu de cancel dringt en verder door de drie gaten (van windlade, sleep en pijpenstok) in de pijp. Wordt de schuif daarentegen zóó gesteld, dat dezer gaten niet corres-pondeeren met de dubbele gatenrij, dan is de wind afgesloten, en de pijpen van het register kunnen niet spreken. Dit verplaatsen der schuil geschiedt door den trekleer: haalt men den trekker uit, dan zijn de gaten der schuif open, en het register spreekt; — duwt men den trekker in, dan zijn de gaten der schuif afgesloten, en het register spreekt niet. De trekkers noemt men gewoonlijk ook de registers gt; met den eigen naam van de registers, voor welke zij dienen.

De inrichting van een Orgel met zijne registers en klavieren noemt men dispositie. Ziehier ten voorbeeld de Dispositie van het Orgel in de St-.Ianskerk te \'s-Bosch , met 43 sprekende stemmen , drie klavieren en vrij pedaal. (*)

(*) Geschiedenis van dit Orgel ia De St-Janskerli van J. C. A. Hezenmans. Bladz. 262-268.

-ocr page 144-

— 133 —

Boofdklavier.

BovBDklavier,

Rugwerk.

(1)

Pedaal.

voet

voet

voet

voet

Prestant . . .

8

Prestant..... 8

Pressant

. 8

Prestant. 16

Bourdon . . .

16

Bourdon .... 16

Bourdon

. 16

Subbas . 16

Holpijp . . .

8

Roerfluit .... 8

Holpijp .

. 8

Octaaf . 8

Octaaf ....

4

Viola di Gamba. 8

Fluit travers 8

Gedekt . 8

Quint ....

3

Octaaf......4

Octaaf . .

. 4-

Octaaf . 4

Super-Octaaf.

2

Octaaf...... 3

Salicet .

. 4

Bazuiii .16

Mixtuur . . .

Cornet.....4st.

Fluit . .

. 4

Trompet. 8

Tertiaan . . .

Sexquialter . . .

Octaaf .

. 2

Clairon . 4

Trompet . . .

16

Carillon.....

quot;Flageolet

. 1

Trompet . . .

8

Trompet..... 8

Basson-IIautbois 8 Vox humana . . 8

Mixtuur.

Trompet

Dulciaan

5 st. . 8 . 8

Stone regislsrs. Koppelingen. Tremblant. Afsluitingen.

Het beroemde Orgel in de Groote Kerk te Haarlem heeft 60 sprekende stemmen, drie klavieren en vrij pedaal.

Het Orgel in de Groote of St-Laarenskerk te Botterdam is liet grootste van Nederland , — telt 90 registers, waarvan 73 sprekende stemmen met bijna 5000 pijpen, — heeft gekost ƒ 120.000, — het oxaal daarenboven ƒ 90.000. Uit de Verzameling van Disposities der verschillende Orgels in Nederland. M. H. van \'t Kruijs, Organist der Groote Kerk te Rotterdam. 1885.

1

Rvgwerh of groote kast. De kleine voorkast wordt het positief genoemd. Oorspronkelijk verstond men onder positieven groote orgels, die door hunne zwaarte niet gedragen konden worden, en alzoo op dezelfde plaats bleven staan : p a si tip.f van ponrrc, neerzetten. Kleine orgels, die, van handvatsels voorzien, licht te verplaatsen waren, heette men portatieven: portatief van portare, dragen.

-ocr page 145-

DERDE HOOFDSTUK.

Over het Kerkelijk Vaatwerk. (1)

§. I. Het gewijde Vaatwerk.

194. Welke zijn de gewijde of heilige Vatend —. Die V\'aten, welke met het Allerheiligste Lichaam of Bloed des Heeren in aanraking komen : de Kelk met de Pateen, de Ciborie en de Monstrans.

195. Welke zijn van de heilige Vaten de voornaamste, en waarom? — De Kelk en de Pateen zijn de voornaamste, omdat zij dienen voor de H. Consecratie der Mis, en worden door den Bisschop geconsecreerd (met het Chrisma gezalfd); terwijl de Ciborie en de Monstrans slechts dienen om het Lichaam des Heeren te bewaren, en worden gebenediceerd.

1

Men noemt dat in het latijn Viensilia, in het fransoh Usten-sites, het meest, naar het düitüch, Ktrkgeraden [Kirchliche Gerate); waarom niet liever Kerkgereidel — Ook hier wordt besproken wat in het gebruik bij het Vaatwerk behoort. Zie de Noot bij Hoofdstak II. bladz. 93.

-ocr page 146-

— 135 —

196. Mogen leeken de heilige Vaten aanraken? — Nadat zij gebruikt zijn niet meer, tenzij met machtiging van den Bisschop, zelfs de Kelk en de Taleen niet meer, nadat zij geconsecreerd zijn.

Dit alles wordt verstaan van de heilige Vaten, als zij ledig zijn, en van aanraken met de hloote hand; zoodat het geoorloofd is ledige Vaten te dragen in een doos of kistje of aan te raken, als een doek de hloote aanraking voorkomt.

197. Welke deelen onderscheidt men aan een Kelk? — De Cuppa of kom , de Kolom of baluster met den Nodns of greep en den Voet.

198. Van welke stof moet de Kelk zijn? — De Cuppa van goud, of van zilver aan de binnenzijde verguld. Het overige mag van minder metaal zijn.

199. Wat is de Pateen? — De Pateen, zooveel als Schoteltje, is eene ronde plaat van goud of van zilver, maar dan de holle zijde verguld.

300. Waartoe dient de Pateen ? — Op de Pateen houdt de Priester bij het Offertorium de Hostie omhoog, en na de Consecratie vdor het breken der H. Hostie, licht hij ze met de Pateen op, en legt voorts twee deelen der gebrokene Hostie op de Pateen tot de Communie. Als de Priester onder de H. Mis de Com-

-ocr page 147-

— 136 —

munie uitdeelt zonder Ciborie, dan houdt hij de H. Hostie of Hosties in de vingers boven de Fateen.

301. Bij welke bijzondere gelegenheid dient nog de Pateen? — Als een Bisschop de H. Communie uitdeelt , houdt de Subdiaken de Pateen onder de kin van die communiceert; terwijl de Bisschop, vóór hij Ons Heer geeft, zijn King aan den communiccerende laat kussen.

303. Wat is de toerusting of het toebehooren van den Kelk? — In de volgende orde maakt de Priester den Kelk gereed voor de H. Mis: a. geeft de beschrijving, b. de bestemming.

1. Het Furificalorimn of Kelkdoekje over den Kelk.

a) van linnen, tot eene smalle strook toegevouwen ;

b) om na de Communie den Kelk te purificeeren (zuiveren), vingers en mond af te drogen.

3. Het Lepeltje op het Purificatorium in den Kelk gelegd.

a) zilveren verguld lepeltje;

b) om bij het Offertorium een weinig water in den wijn te mengen.

3. De Fateen, met eene groote ongeconsecreerde Hostie, op den Kelk.

-ocr page 148-

— 127 —

a) de Hostie met eene dubbele insnijding;

b) om ze na de H. Consecratie gemakkelijk in drie stukken te deelen.

4. De Palla op de Pateen.

■ a) vierkant carton overtrokken met linnen ;

b) om den Kelk te bedekken s opdat er niets in-valle.

5. Het Velum of Kelkkleedje over de Palla, vanvoren tot den voet van den Kelk afhangende.

a) vierkante zijden doek, kleur van het Misgewaad, een kruis aan den voorkant;

b) om den Kelk geheel te overdekken.

6. De Bursa of Beurs op het Velum.

a) vierkante zak, door twee cartons gevormd, met zijde, kleur als Vehiin, overtrokken, kruis aan den bovenkant;

b) om het Corporale te bergen.

7. Het Corporale in de Beurs.

a) vierkante doek van fijn linnen , tweemaal in drieën gevouwen, zoodat het opengeslagen negen quadraten vertoont;

b) om bij de H. Mis onder den Kelk uit te spreiden , — waarop de H. Hostie of het Corpus (Lichaam) des Heereu komt te rusten.

-ocr page 149-

203. Waaraan doet ons het Corporale denken? — Aan het zuivere lijnwaad, waarin Joseph van Aritna-thea , die het kocht, en Nicodemus met den grootsten eerbied het Lichaam des Beeren hebben gewikkeld.

Joseph kocht fijn wit lijnwaad: hij nam niet van het zijne, het lijnwaad dat hij voor zijn Heer en God bestemde, moest ongebruikt, nieuw, best zijn. Deze edelmoedige daad vindt gelukkig tal van navolgers. Wie weet niet van dien heiligen ijver, waarmede zoovele godvruchtige zielen zich vereenigen om de Altaren van behoeftige Kerken van fijn lijnwaad te voorzien, waarop hetzelfde aanbiddelijk Lichaam des Heeren, nu niet dood, maar levend en verheerlijkt, zal komen te rusten?

304. Hoe blijken uit de voorschriften en de praktijk der Kerk omtrent het Corporale de eerbied en de bezorgdheid der H. Kerk voor het Allerheiligste Lichaam en Bloed des Heeren ?

1. Het Corporale wordt vereischt niet alleen bij het H. Misoffer, maar altijd moet bet H. Sacrament, hetzij in Monstrans, hetzij in Pyxis, op een Corporale rusten.

2. Het Corporale moet zijn van fijn linnen en zuiver.

3. Het Corporale moet zijn gebenediceerd, even als de Altaardwalen.

-ocr page 150-

4. Wijl de Altaarsteen reeds met eene drievoudige dwaal moet voorzien zijn, komt onder de H. Mis daar nog het Corporale bij, zoodat de steen met vierdik linnen gedekt is, uit eerbiedige bezorgdheid voor het H. Bloed bij mogelijke storting.

5. Het Corporale mag geen gaatje hebben, waar een klein deeltje der H. Hostie kunne doorvallen en verloren gaan; — mag geen stopsel of naad hebben, waarin een deeltje der H. Hostie zich kunne vastzetten. Hoe is deze praktijk der Kerk in overeenstemming met hare leer, dat, als de H. Hostie gebroken wordt, in elk deel Christus geheel en al teffenwoordig is !

\' o D O

6. Het Corporale, na gebruikt te zijn, mag niet door leeken worden aangeraakt; maar moet eerst door een Geestelijke van de heilige Orden gewasschen worden, voordat een leek het verder wascht, droogt, strijkt en vouwt. Hetzelfde moet onderhouden worden omtrent het Purificatorium en de Palla, om dezelfde reden.

305. Wat is de symbolische beteekenis van Altaar, Corporale, Kelk en Pateen ? — Het Altaar beteekent het Kruis, waaraan Jesus Christus zich geofferd heeft en gestorven is , het Corporale het lijnwaad, waarin zijn Heilig Lichaam gewikkeld werd, de Kelk het graf,

9

-ocr page 151-

— 130 —

r

waarin het begraven werd, de Pateen den steen, waarmede het graf gedekt werd.

206. Wat is eene Vtjxis of Ciborie? — Een zilveren Kelk met deksel, waarop een Kruis,— de Cuppa aan de binnenzijde verguld. Moet gebenediceerd zijn.

Om den zieken het Viaticum of Ons Heer uit devotie te brengen, dient eone kleine Pyxis {Custodia oiZieken-busje) in eene beurs van witte zijde, door den Priester voor de borst gedragen. Om de groote H. Hostie te be-warqn, heeft men een vaas of doos Ctóoafoü).

307. Pyxis is de liturgische benaming, afgeleid van het grieksch, en beteekent palmhout, doos van palmhout, verder doos ook van metaal.— Ciborium \\viAen sommigen af van \'t latijnsche cibus, spijs, en dan is Giborium zooveel nis Spijskelk. Anderen, met de Lexica , houden het voor een egyptisch woord, betee-kenende den bast van de egyptische boon. Deze bast, van de boon ontdaan, vanboven wijd geopend, en vanonder spits toeloopend , — werd door de Egyptenaren als beker gebruikt, en zoo ging in het latijnsche spraakgebruik die naam over op alle bekers van dien vorm, uit welke stof ook gemaakt, en van \'t latijn in de taal dei-Kerk, om daarmede onzen H.-Spijsbeker aan te duiden.

gt;

i

-ocr page 152-

— 131 —

208. Ciborium komt voor in drie beteekenissen : 1. het meest voor eene groote Pyxis, — 3. voorliet Tabernakel, — 3. voor bet Baldakijn op kolommen boven een Altaar. Men zou mogen vragen: welke overeenkomst bestaat tussehen deze drie voorwerpen, om ze met denzelfden naam aan te duiden ? Zou deze oplossing af te keuren zijn ? Een Ciborium in \'t algemeen is een voorwerp tot bewaring der Goddelijke Spijs, en zoo heeft men ecu gedekten Spijskelk (Pyxis)

— eeue Spijskast (Tabernakel) — eene Spijs tent (Baldakijn). De Goddelijke Spijs geborgen in den Spijskelk,

— deze in de Spijskast, — overhuifd door de Spijstent.

209. De oudste vorm van Vaatwerk, waarin het H. Sacrament bewaard werd, was eene Duif \\a.\\\\ goud, zilver of koper* rijk versierd; — en deze Duif was opgehangen boren het Altaar. Later vindt men het ,H. Sacrament opgesloten iu een eveneens kostbaar Torentje, ook zoo opgehangen. Nogtans was gewoonlijk het H. Sacrament geborgen in eene Duif en deze in een Torentje.

210. Wat behoort bij eene Ciborie? — Een wit zijden Velum, dat de Ciborie geheel bedekt, en wordt afgenomen, als hut H. Sacrament wordt ter openbare aanbidding uitgesteld, of de H. Communie uitgedeeld.

/

L

-ocr page 153-

311. Wat is eene Monstransquot;*. — Eene Monstrans is een rijk zilveren werk, waarin eene groote H. Hostie zichtbaar geborgen wordt voor plechtige Uitstelling of Processie. Gelijk op de Ciborie is bovenaan een Kruis; het H. Sacrament zet het werk der Verlossing voort.

213. Monstrans (Monstrantia) en Ostensorium betee-kent; toat dient om te toonen , namelijk het H. Sacrament. Monstrare en ostendere s: toonen. — Wordt nog genoemd Venerabel en Hoogwaardig. Het gebruik der Monstransen dateert van \'t begin der XIVquot; eeuw, na de invoering van den H.-Sacramentsdag.

213. Wat is het voornaamste deel van eene Monstrans?— De Lunula (Maantje) of die gouden of verguld zilveren cirkel, waarin de H. Hostie geplaatst wordt. Deze Lunula ten minste behoort gebenediceerd te zijn.

314. Wat is de gewone versiering om de H. Hostie in eeue Monstrans? — Eene glorie of stralende zon, wijzende op Jesus Christus, de Zon der rechtvaardigheid, die de wereld door zijn licht bestraalt, — of doelende op het woord van den Psalmist: „In de zon heeft Hij zijne woon gevestigd.quot; Deze meest gewone vorm dagteekent van de X^Ie eeuw.

215. Mochte eens eene tentoonstelling van onze

-ocr page 154-

— 133 —

Monstransen gehouden worden : voor het godsdienstig gemoed wat een verkwikkend gezicht! wat een rijkdom bij zooveel verscheidenheid van vormen! Hoevele zouden door omvang en pracht, door kostbaarheid en kunstige bewerking boven de andere de aandacht trekken! Maar zou bij eene ernstige beschouwing niet soms eenige twijfel kunnen opkomen of „ sooveel kostelycks soo konstelyck verwrochtquot; wel altijd rationeel en praktisch mag heeten?— Ter juiste waardeering van een voorwerp voor den heiligen Dienst bestemd , hetzij meubel , vaatwerk of wat ook, vrage men : (1)

Beantwoordt het voorwerp

I. Aan het noodzakelijke? Voldoet het aan zijne bestemming? aan de Kerkelijke voorschriften?

II. Aan het nuttige? Is het gemakkelijk in het gebruik? Geeft het geen onnoodigen last? Heeft het geen hindernissen ?

III. Aan het schoone? Is het in den Stijl der Kerk? Is het onberispelijk volgens dien Stijl? Is zijne kostbaarheid in evenredigheid met zijne bestemming? met zijn rang of waardigheid? Is het in harmonie met

1

Mochten deze algemeene regels wel worden overwogen en toegepast door de fabrikanten bij het ontwerpen en teekenen, door de milde gevers en de Geestelijkheid bij de keuze en keuring!

-ocr page 155-

het overige?

216. Welke eischen zou men volgens deze regels voor eene deugdelijke,, praktische, schoone Monstrans mogen stellen ?

1. Behalve het Kruisje bovenop, eene Lunula van zilver en geheel vergald, waar de H. Hostie gemakkelijk kim worden ingezet en uitgenomen ; — die gemakkelijk naar behooren kan worden gepurifioeerd; — die gemakkelijk en onbewegelijk in de Monstrans kan worden vastgezet. Het gedeelte, dat de Lunula omgeeft, moge ook van zilver en verguld zijn. Conc. Prov. Tit. IV. Cap. IV.

3. Een nodus, die gemakkelijk in de hand is. (1) De nodus moet dienen om gemakkelijk te grijpen en vast te houden. Niet zeldzaam echter is een nodus, die opzettelijk gemaakt schijnt, om niet zonder hinder gegrepen en vastgehouden te kunnen worden. Een greep om niet te grijpen: lucus a non lucendo. Maar de Go-thiek vordert zulk een uodus ! Welke Meester in de Go-thiek durft dat beweren? Treedt de Kunst de Kerk binnen om te heerachen en te bevelen, of — om als eene

1

Al hetzelfde geldt voor den nodus van Kelk en Ciborie. — Mogen de Meesters der edele Smeedkunst alle deze wenken ten goede aannemen!

-ocr page 156-

— 135 —

nederige dienaresse te helpen en zich te voegen ? Zou zij het den Priester durven lastig maken ? De Monstrans mag Gothiseh ; maar de greep moet gemakkelijk zijn.

3. De Monstrans zal ook gemakkelijk te heffen en te dragen zijn; want de Priester moet de Monstrans gemakkelijk op den Expositie-Troon kunnen plaatsen en daarvan afnemen, — met de Monstrans den Zegen geven; — de Monstrans in de Processie dragen. Maar zij mag zooveel duizenden kosten! Zeer gewenscht, niet te veel. Moet ze daarom zooveel hooger, zooveel zwaarder worden? Mag de kostbaarheid den Priester tot een last zijn? De Priester, mag hij zijn een Christusdrager, daarom is luj nog niet een H. Christo-phorus. Zou voor eenige duizenden geene Monstrans kunnen vervaardigd worden, die toch praktisch, licht te dragen zou zijn? Omkrans de Zon van rechtvaardigheid met. parelen , diamanten , briljanten ... De oude kostbare Monstrans van liet traditioueele Boompje (de Kerk van den H. Franciscus van Assisië), te Amsterdam, in 1887 met eenige wijziging vernieuwd, telt niet minder dan 1600 edele steenen, waaronder 9 briljanten, met eene reëele waarde van ƒ 1400 a ƒ 1600 per stuk, verdeeld over een krans om de lunula (De

-ocr page 157-

het overige?

316. Welke eischen zou men volgens deze regels voor eene deugdelijke, praktische , schoone Monstrans mogen stellen?

1. Behalve het Kruisje bovenop, eene Lunula van zilver en geheel verguld, waar de H. Hostie gemakkelijk kan worden ingezet en uitgenomen; — die gemakkelijk naar behooren kan worden gepurificeerd; — die gemakkelijk en onbewegelijk in de Monstrans kan worden vastgezet. Het gedeelte, dat de Lunula omgeeft, moge ook van zilver en verguld zijn. Conc. Prov. Tit. IV. Cap. IV.

3. Een nodus, die gemakkelijk in de hand is. (1) De nodus moet dienen om gemiikkelijk te grijpen en vast te houden. Niet zeldzaam echter is een nodus, die opzettelijk gemaakt schijnt, om niet zonder hinder gegrepen en vastgehouden te kunnen worden. Een greep om niet te grijpen: Incus a non lucendo. Maar de Go-thiek vordert zulk een nodus! Welke Meester in de Go-thiek durft dat beweren? Treedt de Kunst de Kerk binnen om te heerschen en le bevelen , of — om als eene

1

Al hetzelfde geldt voor den nodus van Kelk en Ciborie. — Mogen de Meesters der edele Smeedkunst alle deze wenken ten goede aannemen!

-ocr page 158-

— 135 —

nederige dienaresse te helpen en zich te voegen ? Zou zij het den Priester durven lastig maken ? De Monstrans mag Gothiseli ; maar de greep moet gemakke- j lijk zijn.

3. De Monstrans zal ook gemakkelijk te heffen en te dragen zijn; want de Priester moet de Monstrans gemakkelijk op den Expositie-Troon kunnen plaatsen en daarvan afnemen,—met de Monstrans den Zegen geven ; — de Monstrans in de Processie dragen. Maar zij mag zooveel duizenden kosten! Zeer gewenscht, niet te veel. Moet ze daarom zooveel hooger, zooveel zwaarder worden? Mag de kostbaarheid den Priester tot een last zijn? De Priester, mag hij zijn een Christusdrager , daarom is hij nog niet een H. Christo-phorus. Zou voor eenige duizenden geene Monstrans kunnen vervaardigd worden, die toch praktisch, licht te dragen zou zijn? Omkrans fle Zon van rechtvaardigheid met parelen , diamanten , briljanten ... De oude kostbare Monstrans van het traditioneele Boompje (de Kerk van den H. Franciscus van Assisië).te Amsterdam, in 1887 met eenige wijziging vernieuwd, telt niet minder dan 1600 edele steenen, waaronder 9 briljanten, met eene reëele waarde van ƒ 1400 a ƒ 1600 per stuk, verdeeld over een krans om de lunula (De

-ocr page 159-

— 136 —

Tijd van 11 April 1887). — Mgr Barbier de Mon-tault zegt: Un défaut capital est a éviter dans la confection de rostensoir. En France, on le fait si haut et si pesant que c\'est une vraie machine, qu\'on ne peut porter en procession sans une tablette ajoutée au dais (1) et avec laquelle il est impossible de bénir sans la démonter en deux pieces. L\'ostensoir romain est bas el trh-portatif ■, exemple, ceux de la chapelle Sixtine.quot; — Traité pratique de la construction etc. des Eglises.

4. De Monstrans zij in den Stijl van het Altaar, dat behoort te zijn in den Stijl der Kerk. De Stijl zuiver, correct. De Monstrans moet boven alles uitmufl-ten in schoonheid en kostbaarheid. De Kerk zingt op den H.-Sacramentsdag : Lauda Sion Salvaiorem, , . Quan-

1

Een ander redmiddel: indien eene Monstrans al te zwaar is, gebruikt men deze voor de Expositie, en eene tweede lichtere voor den Zegen en de Processie; maar zou daar niet iets tegen zijn ? — Men vindt voorbeelden uit vroegere eeuwen , dat de Monstrans bij de Processie op een troon door twee of meer Priesters is gedragen geworden. Zoo lezen we in De St-JansJcerk eninDe lUustre

Lieve- Vrouwe Broederschap in den Bosch bl. 56 door J. C. A. He-zenmans : dat de oude Monstrans van \'t Sanctuarium in de St Jan van den Bosch, 50 pond wegende, bij algemeene Processiën door vier Priesters op eene rustbaar met vergulden hemel gedragen werd. Doch voor het tegenwoordige zal aan dit middel wel niet worden gedacht, als in strijd met het kerkelijk voorschrift, dat de Monstrans door den celebreerenden Priester met de handen behoort gedragen, te worden.

-ocr page 160-

turn poles, tantum aude, quia major omni laucle nec lait-dare sufficis; voegen wij er bij : nec oenake süfficis.

§. II. Het ongewijde Vaatwerk.

317. Welke zijn de ongeioijde Kerkvaten ? — De Ampullen , de H.-Oliebussen, het Wierookvat met het Scheepje, de Wij wateremmer en het Wijwatervat.

218. Wat zijn de Ampullen\'i— De kristallen, glazen of zilveren Kannetjes voor den wijn en het water, bij de H. Mis benoodigd.

Bij verkorting Pullen ■. alzoo de Wijnpul, de Waterpul.

219. Wat behoort bij de Pullen ? — Een Schenk-of Lavabo-blaadje en een Hand- of Vingerdoekje voor het wassehen en afdrogen der vingers bij het Lavabo.

230. Hoevele H.-Oliebussen behooren in eene Parochiekerk voorhanden te zijn ? — Drie voor drie verschillende heilige Oliën: de Olie der zieken , het Chrisma en de Olie der Doopelingen (der Catechumenen).

231. Van welke soort van olie zijn de heilige Oliën? — Van olijfolie , voor het Chrisma met balsem gemengd.

333. Welke beteekenis hebben de heilige Oliën? — Olie aangestoken verlicht en verwarmt; —olie,inge-

-ocr page 161-

— 138 —

wreven op de huid, verzacht en geneest eene wonde , maakt de spieren lenig en sterk; — balsem maakt onbederfelijk en geeft een aangenamen geur van zich af: — deze natuurlijke eigenschappen der olie bedie-den de geestelijke uitwerkselen der heilige Zalving naar de omstandigheden.

223. Door wien en wanneer worden de heilige Oliën gewijd? — Door den Bisschop op Witteu-Donderdag elk jaar, zoodat na de Wijding de heilige Oliën van het vorige jaar, buiten noodzakelijkheid, niet meer mogen gebruikt worden.

224. Waarvoor gebruikt de Priester de Olie der zieken ? — Om het H. Sacrament des Olieseis toe te dienen.

225. Waarvoor gebruikt de Priester de Olie der Doo-pelingen en het Chrisma?

1. Bij den plechtigen Doop , om met de Olie der Doo-pelingen den Doopeling boven de borst en tusschen de schouderbladen , en met het Chrisma de kruin te zalven.

2. Bij de Wijding der Doopvont daags voor Paschen en Pinksteren, om beide Oliën eerst afzonderlijk en daarna te zamen in het water te mengen.

226. Waarvoor dienen de heilige Oliën nog?— Voor het H. Sacrament des Vormsels het Chrisma en voor de meeste Bisschoppelijke Wijdingen of Consecraties, eene

-ocr page 162-

— 139 —

of meer Oliën te zameo. — Voor de Kerkwijding het Chrisma; — voor de Altaarwijding het Chrisma en de Olie der Doopelingen; — voor de Consecratie van Kelk en Pateen het Chrisma; — voor de Bisschopswijding het Chrisma ; — voor de Priesterwijding de Olie der Doopelingen (waarmede de duimen en wijsvingers des Priesters aan de binnenzijde worden gezalfd , om ze te heiligen voor het aanraken van \'t Lichaam des Heeren) ; — voor de Wijding der klokken het Chrisma aan de binnenzijde en de Olie der zieken aan de buitenzijde.

227. Waartoe dient het Wierookvat met Scheepje? — Tot bewierooking van \'t H. Sacrament, en verder van personen en zaken volgens de liturgische voorschriften.

328. Waar vinden wij den oorsprong van het gebruik van Wierook ter eerc Gods? — In het oude Testament bij het volk van Israël. Reeds voor 3500 jaar gelastte God zelf, dat steeds een Wierookoffer op het Reukaltaar te zijner eer zou onderhouden worden.

229. Welke zijn de hoedanigheden van den Wierook met hare symbolische beteekenis ?

I. Wierook verbrandt •. vernietiging is hfet kenmerk des offers, vooral van het Brandoffer of Aanbiddingsoffer , waardoor God als de Schepper en Heer van alle dingen erkend wordt.

-ocr page 163-

— 140 —

3. Wierook verspreidt een aangenamen geur-, teeken van eerbewijzing, van deugd en goeden naam in de geloovigen; — ook symbool van den goeden geur, die van Jesus Christus uitgaat over de zielen.

3. Wierook stijgt in rookwolken; symbool van het gebed, zóó der geloovigen als der Heiligen.

„ De vier en twintig Ouderlingen vielen voor het Lam neder, hebbende elk eene harp en een gouden schaal vol reukwerk, \'twelk de gebedeader Heiligen zijnquot; (de smeekingen der Christenen op aarde, welke de Zaligen aan God ter verhooring opdragen). Openb. V, 8.

4. Wierook als specerij ter balsemingsymbool van vereering en van onsterfelijkheid.

230. De Priester, als hij driemaal Wierook in het Wierookvat doet, zegt: Word gezegend van Hem, tot wiens eer gij branden zult-, wat leiden wij uit die woorden af? — Dat elke bewierooking, ook van personen (Priester, Diakeu enz.) en voorwerpen (Altaar, Heli-qnie, Evangelie, enz.) om hunne betrekking met God geschiedt, en als eene eerbewijzing tot God wordt gericht ; want aan God alleen zij alle eer ! Soli Deo gloria !

331. Als de Wierook door den stijgenden rook het symbool is des gebeds, dat tot God opklimt: wat kun-

-ocr page 164-

— 141 —

\\

nen wij daaruit afleiden voor onze stichting?

1. Zonder vuur geen wierookwalm ; zoo zal ons gebed evenmin stijgen zonder het vuur der liefde. Hoe feller gloed, des te grooter wierookwolken; hoe vuriger liefde, des te krachtiger gehed.

3. Wierook moet zuiver ziju, ten minste vrij van kwalijk riekende bestanddeelen ; als wij bidden , behoort in ons hart niets te zijn , dat onaangenaam is aan God.

3. Van goeden Wierook lost zich alles in rook op; zoo behooren onze verlangens zich tot God te richten, zooder aardsche genegenheid bij ons te behouden.

332. Welke symbolische beteekenis wordt gegeven aan het Wierookvat^. — Het Vat met de opening naar boven; beteekent het hart, dat open behoort te zijn voor den hemel en gesloten voor de aarde; — de wie-rooJc, het gebed; —bet vuur-, de liefde. Ook kan men

♦ het beschouwen als de Menschheid van Jesus Christus: —het vuur als zijne Godheid; — de welriekende rook als de gratie , die van Hem uitgaat. Ook nog het Wierookvat als het Lichaam des. Heeren, dat zich als de brandende Wierook opoffert voor de zaligheid der menschen met een aangename» geur, waarin

♦ de hemelsche Vader behagen neemt. — (Het vaatje, waarin de wierook wordt aangeboden, wordt het Scheep-

-ocr page 165-

— 142 —

je genoemd, afbeelding van de Kerk in het klein.)

233. Waar of wanneer wordt nog de Wierook gebruikt buiten het Wierookvat?

1. In het Graf van den Altaarsteen worden bij de Keliquieën der Martelaren drie Wierookkorrels gevoegd te hunner vereering en ter bediedenis hunner onsterfelijkheid ;

3. Bij de Altaarwijding worden 25 fVierookkorrels in 5 kruisjes op den Steen gelegd , en met de kaarsjes verbrand als symbool van de gebeden der geloovigen en van den goeden geur van Jesus Christus ;

3. In de Paaschkaars worden vijf Wieroohkorrels gesloten ter gedachtenis van Jesus\' balseming en tot beduiding zijner onsterfelijkheid na zijne verrijzenis.

234. Waartoe dient de Wijwateremmerï — Om het Water te wijden en te bewaren voor de zegeningen.

235. Wanneer wordt het Water gewijd? — Alle Zondagen vóór de Hoogmis, behalve op Paasch- en Pinksterzondag, wanneer voor de besproeiing des volks het Water gebruikt wordt, dat Zaterdag tevoren met de Vont gewijd is.

236. Waartoe dient de besproeiing des volks op de Zondagen vóór de Hoogmis? — Om de geloovigen op te wekken tot zuivering van hun hart door een op-

-ocr page 166-

— 143 —

recht leedwezen, en hen daartoe te helpen door de kracht van het gewijde Water.

237. Elk geloovige mag wel weten welke de gebeden der Kerk zijn bij deze openbare besproeiing, opdat deze heilige handeling, welke eiken Zondag herhaald wordt, beter doel trett\'e. Asperges me, zoo intoneert de Priester uit den 5üeQ Psalm. „Besproei mij, o Heer, met hijsop, zoo word ik gereinigd; wasch mij, en boven sneeuw zal ik wit worden. Ontferm u mijner, o j God, volgens uwe groote barmhartigheid. Glorie zij den Vader en den Zoon en den H. Geest. Gelijk het was in het begin, en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen. Besproei mij , o Heer, enz.quot; Terwijl het Koor dit zingt, besprengt de Priester het volk, biddende den Psalm Miserere ten einde toe. Wat kan derhalve een goed gezinde Christen onder de besproeiing beter doen dan te bidden dienzelfden 50en Psalm Onferm u mijner, o God, of een Akte van berouw te verwekken? In den Paaschtijd, van Paaschzondag tot Pinksterzondag, luidt de Antiphoon ; Vidi aquam.. Ik zag een water uitgaan van den tempel ter rechterzijde, alleluia : en allen, wie dit water bereikte, werden behouden , en zullen zeggen ; alleluia, alleluia. (Door deze woorden, hoofdzakelijk ontleend aan den Profeet

-ocr page 167-

_ 144 —

Ezechiël XLVII, herinnert de H. Kerk hare kinderen aan het heiligende Water des Doopsels , dat daags voor Paschen is gewijd, en aan den heiligen Doop, welke op dienzelfden dag aan de Catechumenen placht toegediend te worden. De heilige tempel, ter rechterzijde open, beduidt den Goddelijken Verlosser, uit wiens geopende rechterzijde vloeide Bloed en Water, symbool van het H. Sacrament des Doopsels. Zeggen wij ook : Alleluia ! Looft den Heer ! om den barmhartigen God voor de genade van ons H. Doopsel te bedanken.) Volgt uit Psalm CXVII, 1. Gonfitemini. Looft den Heer, want Hij is goed: want in eeuwigheid blijft zijne barmhartigheid. (Deze geheele Psalm is steeds gehouden als een danklied des Verlossers voor zijne roemrijke bevrijding uit het lijden en den dood : — hoe gepast noodigt de H. Kerk met Paschen hare kinderen uit, om met Jesus Christus, als overwinnaar des doods uit het graf opgestaan, mee te juichen, en in heilige vreugde God te danken en te prijzen : Alleluia ! Looft den Heer, want Hij is goed.) Glorie zij den Vader enz. Ik zag een water enz. Het slotgebed des Priesters luidt: „Verhoor ons, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God; en gewaardig U te zenden uwen Engel uit de hemelen, die beware, onder-

T

-ocr page 168-

steune, bescherme , bezoeke en verdedige allen , die in deze plaats verblijven. Door Christus onzen Heer. Amen.quot;

238. Verklaring van het woord hijsop. Wijl wij dit woord dikwijls hooren, is het goed de beteekenis te kennen. Besproei mij met hijsop, dat is: met een amp;ij-soptakje. De hijsop was een der kleinste boompjes; van tiaar de uitdrukking: van den ceder tot de hijsop. Een hijsoptakje was door zijne dichte bladeren zeer geschikt voor besprenging, gelijk wij daarvoor een palmtakje gebruiken. De hijsop had de geneeskundige kracht om de kwade vochten te zuiveren en op te drogen, en is derhalve een zeer gepast teeken van de zuivering van lichaam en ziel door het Wijwater. Eindelijk het besprengen der melaatschen geschiedde met een hijsoptakje ; — een voorafbeelding onzer reiniging door het Bloed van Jesus Christus, zoodat wij bij deze woorden: Besproei mij, o Heer, met hijsop, aan het Allerkostbaarste Bloed onzes Heeren mogen denken, en deze woorden zoo verstaan: Besproei mij, o Heere Jesus, met uw kostbaar Bloed, en ik word gereinigd; wasch mij in me Bloed, en boven sneeuw zal ik icit worden.

339. Wat is voor de Waterwijding noodig, en met welke beteekenis? — Water, dat reinigt, — en zout,

10

-ocr page 169-

— 146 —

dat voor bederf bewaart.

240. Hoe wijdt de Priester het water?— De Priester bezweert eerst het zout op een schoteltje, en bidt Gods zegen er over af; — daarna bezweert hij het water in den Wijwateremmer, en bidt insgelijks Gods zegen er over af; — vervolgens mengt hij het zout in het water, en smeekt eindelijk in naam der Kerk den barmhartigen God zijne bezweringen en zegeningen te bekrachtigen.

241. Wat beteekent bezweren ? — Een persoon of eene zaak onttrekken aan de macht des duivels, die alle schepselen Gods belaagt , en zoekt te misbruiken tot ons verderf en tot versmading van God , — en den duivel bevelen dien persoon of die zaak niet meer te schaden, maar te eerbiedigen. Alzoo worden het zout en het water onttrokken aan den boozen invloed des duivels, en gezuiverd teruggebracht tot hunne eerste bestemming : nuttig te zijn voor den meusch tot Gods verheerlijking.

242. Is het ook betamelijk Wijwater in huis te hebben? — Ongetwijfeld; want we kunnen ons moeielijk een Christelijk huisgezin voorstellen, waar het Wijwater niet dagelijks gebruikt wordt. Het Eit. Rom. zegt deswegens: „Van het gewijde water kunnen de geloo-vigen medenemen , om de zieken, de huizen, de akkers, de wijngaarden en andere zaken te besprengen,

r

.1

-ocr page 170-

— 147 —

en om het in hunne vertrekken te hebben, ten einde ze dagelijks en meermaals te kunnen besprengen.quot;

243. Waartoe kan met godsvrucht en vertrouwen het Wijwater worden aangewend?

1. Om het Kruisteeken met Wijwater te maken bij het opstaan en slapen gaan ; — zeer loffelijk is het des avonds zijn bed daarmee te besproeien. Bene godsdienstige moeder vergeet niet aan hare kleinen \'s morgens en \'s avonds met Wijwater een kruisje te geven , en ook hunne wieg of bedje\'s avonds met Wijwater te besproeien.

2. Om een Kruis met Wijwater te maken in zware bekoringen. De H. Teresia betuigt een groot onderscheid ondervonden te hebben tusschen een Kruis gemaakt zonder en een Kruis gemaakt met Wijwater, wanneer de duivel haar kwam kwellen.

3. Om bij ziekte of verwonding het aangedane lidmaat met Wijwater te wasschen of te bevochtigen.

4. Om de vertrekken en gangen van een huis met Wijwater te besproeien bij onweder en storm.

244. Is een dergelijk gebruik van het. Wijwater van superstitie te beschuldigen? — Volstrekt niet; wijl het Water door de H. Kerk tot dergelijk gebruik gewijd is, als blykt uit de gebeden daarover gesproken, namelijk: tot het schadeloos maken en verdrijven van

»

-ocr page 171-

— 148 —

den duivel, tot gezondheid van ziel en lichaam , tot bestrijding van ziekten, tot bescherming der geloovigen in hunne huizen en tot beveiliging van hunne bezittingen.

245. Waartoe dient het Wijwatervat aan den ingang der Kerk? — Opdat de geloovigen met Wijwater het Kruisteeken maken, ten einde zich te zuiveren en te bereiden voor het gebed. De uitwendige wassching moet het zinnebeeld der inwendige zijn. Zie N. 80. Noot.

246. Op welke wijze gedrage men zich het best, de Kerk inkomende? — Aan de Kerk gekomen, late men alle wereldsche zorgen en gedachten varen; — de Kerk eerbiedig binnentredende als het Huis van God, het Huis des gebeds , zal men Wijwater nemen , een goed Kruisteeken maken, en het hoofd buigende naar het Hoogaltaar, zeggen: Geloofd zij Jesus Christus: in eeuwigheid. Amen.— Voorts ga men, zonder rond te zien, naar zijne plaats, en alvorens die in te nemen, maakt men cene kuie- of hoofdbuiging voor het Allerheiligste , andermaal zijn God en Zaligmaker aanbiddende: Geloofd zij Jesus Christus: in eemcigheid. Amen.

De Kerk uitgaande doe men in tegenovergestelde orde. Aan de deur bij het Kruisteeken zich keerende tot het H. Sacrament, biedt men zijn God en Zaligmaker zijn laatst,en groet: Geloofd zij J. C.: in eeuwigheid. Amen.

-ocr page 172-

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de Paramenten.

(Ornamenten. Ornaat.)

247. Wat verstaat men door Paramenten? — Den Priester- en Altaartooi van geweven stoffen, voornamelijk wit lijnwaad en zijde in de liturgische kleuren.

§. I. Kerkelijke Gewaden.

348. Wat verwekt ons het levendigst, om bij de H. Mis in den Priester den plaatsbekleeder van Jesus Christus te beschouwen? — Zijne heilige kleeding, die ons aan de voornaamste omstandigheden van Jesus\' smartelijk lijden doet denken.

349. Welke zijn de kleederen des Priesters bij het H. Misoffer, en welke voorname omstandigheden van Jesus\' lijden herinneren zij ons?

-ocr page 173-

— 150

Naam.

Beschrijving.

Beteekenis.

Bet

Witte doek over de

Doek den Zaligmaker

Amict.

schouders, die maar

voor de oogen gebonden ,

even aan den hals zicht

toen zij des nachts Hem

baar is.

mishandelden, en spot

tend vroegen : „ Profe

teer , wie is het, die ü

geslagen heeft?quot;

D6 ,

Lang wit kleed van

Wit kleed, dat Hero

Alb,

den hals tot de voeten.

des den Zaligmaker ter

bespotting liet omdoen.

De

Koord, waarmede de

De koorden , waarme

CiDgel.

Priester zich de len

de de Zaligmaker werd

denen omgordt, om de

gebonden en gegeeseld.

Alb op te houden.

De

Gekleurde smalle

De koorden of kete

MaDipsl.

strook aan den linker

nen , waarmede den Zalig

arm des Priesters.

maker de handen werden

geboeid.

Ds

Gekleurde lange

De koorden, die zij

Stool.

smalle strook, die om

den Zaligmaker om den

den hals afhangt over

hals sloegen, om Hem

de borst gekruist.

voort te trekken.

-ocr page 174-

— 151 —

Naam.

Beschrijving.

Beteekenis.

Gekleurd zijden kleed, dat de Priester over al de andere klee-

seling, en het Kruis vanachter het Kruishout, dat Jesus zelf heeft gedragen.

250. Tot onderrichting en stichting geven wij hier eene getrouwe overzetting uit een handschrift van de XVe eeuw;

„ Beschouwen wij met godsvrucht hoe de Priester zich gekleed heeft, voordat hij naar het Altaar gaat. De Priester is onze kampioen tegen den vijand. Daarom bekleedt hij zich met dezelfde wapenrusting, waarmede Onze Heer was bekleed, toen Hij de hel overwon.

„ Het Amid beteekent den doek, waarmede de oogen van Jesus Christus bedekt waren in den nacht van zijn lijden. De twee linten van het Amict beteekenen de

Purperen mantel, dien de soldaten den Zaligmaker na de geeseling ter deren draagt, en waar- bespotting omhingen. De op vanvoren eene ko-:kolom vanvoren verlom eu vanachter een beeldt de kolom der gee-

Kazuifel,

Kruis is afgebeeld.

-ocr page 175-

koorden , waarmede Jesus gebonden was, toen men Hem kaakslagen gaf. De Alh beteekent het witte kleed, dat Herodes Hem liet aandoen, om te beduiden dat de Zoon des menscben een dwaas was. De Cingel beteekent de geeselriemen, die Jesus aan de kolom met bloed overdekten. De Manipel beteekent de banden, die de handen knevelden van dien gehoorzame, den Zoon Gods. De Stool beteekent het juk, dat de zoete Jesus wilde dragen tot zijn dood. Ziet den os in September : hij doorploegt den akker, waar tarwe zal rijpen, waarvaü hij alleen het stroo zal mogen hebben ; alzoo Onze Heer in zijn lijden; voor Hem het lijden, voor ons het gewin. De Kazuifel, die van zijde is, verbeeldt het purper, waarmede Pilatus de schouders van Jesus bedekte, die reeds gekroond was met de wreede doornenkroon, en Pilatus zeide tot de Joden: Ziet hier uw Koning. Het Kruin der Kazuifel beteekent het lijden van Jesus en alle smarten die voorafgingen: lijden en smarten, die onuitwischbsar in ons hart moeten geschreven zijn. De Kazuifel heeft nog eene andere beteekenis: gelijk zij al de andere kleederen bedekt , zoo moet de liefde het bekleedsel zijn van al onze andere deugden.

j, \'t Is om de hooge beteekenis van de Kleederen des

-ocr page 176-

— 153 —

Priesters, dat wij ze steeds met groote godsvrucht moeten beschouwen. Wij smeeken U, o myn God, ons met deze godsvrucht te bezielen. Amen.quot;

351. De vele symbolische beteekenissen van het Misgewaad , afgeleid uit de woorden des Bisschops bij de H. Wijding, en uit de woorden des Priesters bij het aankleeden, laten wij achter als te moeielijk voor het begrip en van minder nut voor den leek.

352. Waarom heeft de H. Kerk die verscheidenheid van kleuren voorgeschreven, welke men bij eenige Miskleederen opmerkt? — Om den geest van de feestviering of van het doel, waartoe het H. Misoffer wordt opgedragen, aan te duiden.

253. Noem de verschillende kleuren van het Misgewaad , zeg wat zij beteekeuen, en wanneer zij gebruikt worden. — De liturgische kleuren (1) zijn vijf in getal:

1

In het Directorium of de Cartahel, het boekje, waarin voor eiken dag van het jaar met het Feest de Mis en- de Getijden voor de Geestelijkheid worden aangewezen, wordt de Kleur aangeduid door de eerste letter van de latijnsche benaming:

A S albns quot; wit.

R £= rubeus es rood.

V r: viridis s groen.

U ~ violaceus — paars.

N c: niger — zwart.

-ocr page 177-

— 154 —

Bloed. Vuur. Kleur des Lijdens en der Mar-telie. Kleiir van \'t liefdevuur des H. Geestes

Kleür.

Beteekenis.

Bestemming.

Licht. Reinheid. Kleur der feestelijke blijdschap en der gekroonde heiligheid.

Wit.

Rood,

Paars.

Sombere kleur, minder somber dan zwart. Kleur der droefheid, boetekleur.

Voor de Feesten en Votief-Missen des Heeren (behalve die van \'t Lijden des Heeren), van O.-L.-V., van de HH. Engelen, Belijders, Maagden, en Weduwen. Voor de Huwelijksmis.

Voor de Feesten en Votief-Missen van \'t Lijden des Heeren, van de HH. Apostelen (van den H. Joannes uitgenomen) en Martelaren. Voor \'t Pinksterfeest en de Mis van den H. Geest.

Voor de boetedagen: Advent, Vastentijd, Quatertemper , Kruisdagen , Vigilies , waarop geeu Feest gevierd wordt. Voor de HH.Onnooz. Kinderen.


-ocr page 178-

— 155 —

Kleoe.

Beteekenis.

Bestemming.

Groen,

Zwart,

Goudla maar r 254 ligen 1. 2 zwart Bonnet

De zachtste kleur voor ous oog, doet ons denken aan het verkwikkende en vrucht-belovende groen der schoone natuur, — en alzoo aan Gods goedheid, ook in \'t bovennatuurlijke. Kleur der dankbaarheid en der hoop.

Kleur van diepen rouw.

ken wordt gebruikt v; liet voor paars.

Noem nog ander ker Dienst gebruikelijk. \' warte Toog of Talaar Collaar (met boordje v

Voor de dagen, welke aan geen mysterie of Heilige of boete gewijd zijn.

Voor Goeden Vrijdag , Allerzielen en de Misben voor Overledenen. ,

jor wit, rood of groen,

gelijk Gewaad bij den hei-

(met zwarten Cingel), — in wit linnen), — zwarte

-ocr page 179-

2. Superplie, koorhemd voor Priester en Dienaren.

8. Stool voor den Priester, als hij geene Alb aanheeft , — niet gekruist, maar recht afhangende.

4. Pluviale of Koorkap, in kleuren volgens Feest of Plechtigheid.

5. Hume rale of Schoudervelum voor den Priester bij Zegen of Processie met het Allerheiligste; — en voor den Subdiaken, wanneer hij de Pateen draagt in eene plechtige Mis.

6. Dalmatiek voor Diaken en Tuniek voor Subdiaken , — samen ook de Dalmatieken genoemd.

2 55. Behalve het Misgewaad is bij de H. Mis nog noodig: Kelkvelum en Beurs, kleur van Misgewaad; — Corporale, Palla, Kelkdoekje en vingerdoekje.

§. II. Altaarparamenten.

256. Welke zijn de Altaarparamenten? — De Dwalen, het Antependium en het Lessenaarkleedje. Beide laatste volgen de kleur van het Misgewaad; uitgenomen bij Uitstelling van het H. Sacrament, dan is de kleur wit, gelijk de kleur van het Tabernakel en den Expositie-Troon altijd wit is. Zelfs op Goeden Vrijdag, als de Priester in zwart ornaat gekleed is, wordt een wit Schoudervelum gebruikt.

-ocr page 180-

— 157 —

§. III. Stof, kleur, vorm en wading der Paramenten. (1)

357. Stop. 1. Door kerkelijk lijnwaad verstaat men echt zuiver wit linnen of \'pellen, uit vlas of hennep. Daarvan moeten zijn gemaakt Corporale, Palla, Kelkdoekje, — Amict, Alb, — Altaardwalen (alledrie), — Communiekleed. — Van halflinnen of katoen mogen zijn vinger- of handdoekje en Superplie. De Cingel is in het algemeen van linnen, mag van zijde zijn in liturgische kleur, ook van wol.

2. De andere stoffen voor de Paramenten in kleuren zijn: zijde, half zijde, goud- en zilverlaken. Stof met fijn glas doorwerkt is verboden. De zijden stof wordt naar de bewerking verschillend genoemd; hrocaat (rijk met zilver of goud doorweven) — damast (waarin bloemen en andere figuren geweven) — moor, moiré, qewa-terde zijde (gevlamd of gegolfd] — satijn, — fluweel enz.; maar deze stoffen behooren altijd zuivere zijde of ten minste halfzijde te wezen. Alzoo voor Kazuifel

1

Deze paragraaf moge op een of ander punt eene aanwijzing bevatten voor degenen die Kerkornamenten vervaardigen of verstellen niet voor de mannen van het vak, maar voor die lofwaardige zielen\' die met zooveel toewijding aTme Kerken van Ornamenten voorzien! de Dames vaw het H. Sacrament.

-ocr page 181-

— 158 —

en Dalmatieken (kruis en balken, zoowel als het overige), Stool, Manipel, Kelkvelum, Beurs, Sehouderve-lum , Koorkap, Ciborievelum , Antependium , Lessenaarkleedje. Zij mogen gevoerd zijn met katoen (percal of perealine); — nogtans gelijk de zeer rijke Ornamenten, zijn ook doorgaans Kelkvelum en Schoudervelurü met zijde gevoerd , en deze beide moeten bet zijn, als de buitenkant niet van zijde, maar bijv. van goudlaken is. Men neemt voer zijden voering gewoonlijk rood of groen\', bij zwart Ornament zwart; — voor katoenen voering geel percal, bij zwart Ornament zwart.

258. Kleur. Getal, beteekenis en bestemming dei-liturgische kleuren zie N. 253. De liturgische kleur behoort duidelijk uit te komen. De Kazuifel moet met Kruis en kolom eene dezelfde kleur hebben, en deze, de grondkleur, mag niet door bloemen of figuren van andere kleuren onduidelijk gemaakt worden.

359. Vorm. De vorm of snede moet zijn volgens de kerkelijke voorschriften of het wettig gebruik, dat naar plaats en tijd kan verschillen. Derhalve heeft men zich te houden aan den vorm, in het Bisdom gebruikelijk. Cone. Prov. Tit. V, Cap. II.

260. Wijding. Gebenediceerd of gewijd moeten zijn: Kazuifel, Stool, Manipel, — Corporale, Palla, —

-ocr page 182-

Amict, Alb, — en Altaardwalen (ook de onderste). Het betaamt minstens, dat Koorkap, Cingel, Dalma-tieken , Superplie en Eochet gewijd zijn. Derhalve blijven uitgesloten Kelkvelum en Beurs, Kelkdoekjes en vingerdoekjes: ze kunnen nogtans gewijd worden, gelijk Kelkvelum en Beurs doorgaans met het priesterlijk gewaad worden gewijd.

261. Eegels en wenken, bij het vervaardigen en verstellen van Kerkornamenten in acht te nemen :

1. Een Ornament verliest zijne wijding:

a. Wanneer het zoo beschadigd of versleten is, dat het niet meel tot zijn einde kan dienen. — Bijv. een Cincel is gebroken , en geen stuk is lang genoeg om zich te omgorden , — of de mouwen worden van eene Alb genomen.

b. Wanneer het dien eigen vorm niet meer heeft, waaronder het gewijd is. Bijv. van een Altaardwaal worden Corporalen of Amicten gemaakt; die Corporalen en Amicten moeten gewijd worden. Eveneens de twee Altaardwalen, die van eene gebenediceerde. gemaakt worden. Van eene gebenediceerde Palla mag het carton uitgenomen, en weer ingezet worden, zonder nieuwe wijding te behoeven; — ook een nieuw carton mag worden ingevoegd; wijl alleen het linnen de Palla uitmaakt. Gewasschen lijnwaad behoudt zijne wijding.

-ocr page 183-

II. Bij verstelling moet men in het oog houden, dat het verstelde niet opnieuw behoeft gewijd te worden, wanneer het bijgevoegde kleiner is dan het geolevene, volgens den algemeenen regel; het grootere deel trekt tot zich het mindere. (*) Bijv. aan eene Alb wordt een kleiner stuk in-quot;of aangezet. En omgekeerd: is het bijgevoegde grooter dan het geblevene , dan is eene nieuwe wijding vereischt. Door een ongeluk is bijv. het grootste gedeelte van eene Alb onbruikbaar geworden.

III. Als van een gebenedieeerd ornament, bijv. van Alb of Altaard waal, een gedeelte wordt afgenomen (bijv. een smalle strook, omdat het te lang is, of het kantwerk, om het te wasschen of te verwisselen) zonder dat men kan zeggen dat de vorm daardoor verandert, dan gaat de wijding niet verloren: immers de zaak blijft zedelijker wijze dezelfde. (**)

JV. Zijde of linnen, dat tot een profaan einde heeft gediend, mag voor den heiligen Dienst bestemd worden ; — maar de stof van gewijde ornamenten mag

(*) Zoo heeft het zijn praktisch nut te weten, dat men bijv. veilig eene halve flesch wijwater tot drie kwart flesch met ongewijd water mag aanvullen;— dat als van een gewijden paternoster enkele kralen verloren zijn gegaan, men die door andere mag vervangen zonder dat eene nieuwe wijding noodig is. ...

(**) Zoo verliest ook een paternoster zijne wijding niet, als enkele kralen, bijv. vier of vijf, ontbreken.

-ocr page 184-

— 161 —

niet meer tot een profaan einde worden gebezigd.

V. De stof van versleten gewijde ornamenten, die op geene wijze meer voor den heiligen Dienst kan benuttigd worden, behoort te worden verbrand, en de asoh daarvan in het saorarium geworpen. Dus geen versleten Alben voor stofdoeken te gebruiken.

VI. Eenige bijzonderheden, die aandacht verdienen;

a. Het Amict moet voorzien zijn van een kruisje , niet bovenaan, maar in het midden. Het Kelkdoekje mag het hebben. Op het Corporale mag ook een kruisje zijn, maar aan den voorkant, niet in het midden.

b. Hoe een Corporale te vouwen ? Als het Corporale in \'t midden een staand figuur, bijv. het Lam of het H. Hart, vertoont, dan plaatst men dit recht voor zich, vouwt, vanvoren te beginnen, het Corporale op een derde, slaat vervolgens het achterste gedeelte er over ; vouwt den rechtschen kant op \' een derde en daarna den linkschen er over. Heeft het Corporale geen staand figuur, dan begint men te vouwen met den kant, waar het kruisje is; — is er geen kruisje om den voorkant te teekenen, dan is het onverschillig met welke der vier zijden men een begin maakt. In de tegenovergestelde orde spreidt de Pries-

11

-ocr page 185-

— 162 —

ter het Corporale op het Altaar voor zich open.

c. De Palla mag op de bovenzijde een kruisje hebben. Wat er zij van borduurwerk of zijde in de kleur van het Misgewaad aan den bovenkant; niet geoorloofd zijn zwart en emblemen des doods , en de onderkant behoort geheel van wit linnen te zijn , zonder meer.

d. Een Stool mag in \'t midden voorzien zijn van een strook linnen tegen vuil worden ; maar het kruisje, dat de Priester kussen moet, behoort goed zichtbaar te blijven.

e. Alben, Superplies , Altaardwalen en Communieklee-den mogen met kant of ander doorzichtig werk versierd zijn, waarvan de «femns kruisen , monstransen, kelken met hostie, en engelenfiguren of dergelijke godsdienstige zaken voorstellen. Uitgesloten zijn de emblemen van den dood en alle ongodsdienstige en wereldsche afbeeldingen. Het gebruik veroorlooft onschuldige dessins, als bloemen , vruchten en geometrische figuren ; — uogtans verdienen de symbolische, als korenaren en druiventrossen of ranken, rozen en leliën, sterren enz. de voorkeur boven niets zeggend ornementwe.rk. — Onder de doorzichtige versiering van Alben en ander gewaad een rooden grond aan te brengen, is niet geoorloofd.

ƒ. Corporalen, Palla\'s, Kelkdoekjes en vingerdoekjes zijn doorgaans met smal kantwerk afgezet.

-ocr page 186-

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over het Kerkelijk Licht.

362. Wat noemt men het Liturgisch of Kerkelijk Licht? — Het Licht door de Liturgie of Kerkelijke Regels voor den heiligen Dienst voorgeschreven, — tot ouderscheiding van het licht, dat gebruikt wordt om den Priester of het Volk te lichten ; waarvoor ook gas , pe-trolie en bougies mogen gebruikt worden.

263. Waartoe dient in \'t algemeen het Licht bij onze godsdienstige plechtigheden? — 1. Tot luister en vreugdebetoon; — 2. Tot herinnering aan den tijd der duistere Catacomben , toen verlichting noodzakelijk .was ; — 3. Tot symbolische beteekenis.

264. Welke overeenkomst bestaat er tusschen het Was en de Olie, welke voor den heiligen Dienst zijn voorgeschreven ? — Het Was is het voortbrengsel van vele (bijen) en de Olie wordt geperst uit vele (olijven of zaden). Dit veelvoud tot één vereenigd beteekent de vele Geloovigen door het Geloof en de Liefde vereenigd onder elkander en met Christus.

-ocr page 187-

Ook zoo wordt door liet Brood uit vele tarwekorrels en door den Wijn uit vele druiven, welke in het H. Sacrament des Altaars worden veranderd in liet H. Lichaam en Bloed des Heeren, de vereeniging der Geloo-vigen onderling en met Christus afgebeeld, als vele ledematen in een lichaam, waarvan Jesus Christus het Hoofd is; — zoodat het ontvangen van het H. Sacrament terecht genoemd wordt de H. Communie, dat is; de H. Vereeniging.

265. Wat is de symbolische beteekenis eener brandende Waskaars ?

1. Eene brandende Kaars beteekent Jesus Christus, God en Mensch ■. de Kaars van wit was zijne heilige MenscMeid, gevormd uit het maagdelijk lichaam van Maria, gelijk het was uit de zuivere bij; — de helder lichtende vlam de Majesteit zijner Godheid.

3. Eene brandende Kaars beteekent Jesus Christus en de icereld. Gelijk de brandende pit de gansche Kaars verlicht, zoo is Jesus het licht der wereld, verlichtende eiken mensch die in de wereld komt.

3. Eene brandende Kaars is het symbool van Geloof, Hoop en Liefde. De lichtende vlam verbeeldt het Geloof, dat ons verstand verlicht; — de opwaarts zwevende vlam de Hoop, die onze harten ten hemel richt; — de verwarmende en verterende vlam de Liefde, die

-ocr page 188-

— 165 —

onze harten moet verwarmen en verteren voor God en den evennaaste.

Een Christen kan derhalve door eene Kaars te offeren ter eere van Jesus Christus voor zijn aanbiddelijk Sacrament of voor het beeld van zijn H. Hart, zijn Geloof, Hoop en Liefde in Jesus Christus betuigen. Eene Offerkaars heeft voor doel te vereeren of voor iets te bedanken of iets te verkrijgen. Eene üfferkaars vertegenwoordigt den persoon, de Familie, of de Vereeniging, die ze geofferd heeft, — en spreekt voor hen ook in hunne afwezigheid. Telkens bijv. als eene Offerkaars voor het Beeld van de H. Mooder Gods ontstoken wordt, getuigt die brandende Kaars tot Maria: „H. Maagd, die mij geofferd heeft, vereert u en vertrouwt op uwe voorspraak en bescherming. Verhoor zijne bede,quot;

266. Wat is de beteekenis vim gele Waskaarsen? — Zij zijn een teeken van geestelijken rouw.

367. Wanneer worden de Kaarsen plechtig gewijd? — Op \'t Feest van O.-L.-V. Lichtmis, ter vereering van Jesus, dien de grijze Simeon genoemd heeft;

tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van het volk van Israël.

368. Bij de wijding der Kaarsen bidt de Priester: „ Eeuwige God, die alle dingen uit niet hebt geschapen, en het zoo beschikt hebt, dat door den (ge-

-ocr page 189-

— 166 —

ringen) arbeid der bijen de edele vloeistof vooreene Waskaars zou worden gevormd.....Wij sraeeken u deemoedig , dat gij deze Kaarsen gelievet te zegenen en te heiligen ten gehruike der menscJien, tot welzijn van lichamen en zielen, zoo te land als te water. . . en de gebeden te verhooren van dit (geloovige) volk, dat ze met eerbied in de hand wenscbt te dragen en al zingende u te loven. .

369. Is het lofwaardig getcijde Kaarsen (ten minste ééne) in huis te hebben? — Ja zeker, om die 1. te ontsteken bij het gemeenschappelijk gebed, bijv. vooral in de Meimaand, bij een Novene; — 3. te ontsteken bij het dreigen van een ernstig gevaar, bijv. bij storm of onweder; — 3. te ontsteken bij eene Berechting of H. Communie aan huis; (1) — 4. te ontsteken om ze een stervende in de hand te geven; — 5. te ontsteken en te laten branden bij een lijk, zoo lang het boven aarde staat.

270. Bij welke gelegenheden wordt eene brandende Kaars in de hand gegeven of gehouden i1

1. Bij den heiligen Doop. De laatste plechtigheid bij

1

Wijl men soms zou verlanfren te weten , wat nog verder bij het toedienen der HH. Sacramenten aan huis noodig is, volgt aan\'t einde van dit Hoofdstuk een Aanhangsel desbetreffende.

-ocr page 190-

— 167 —

den Doop is, dat de Priester den Doopeling of den Peter of Meter eene brandende Kaars in de hand geeft, met de vermaning de genade des Doopsels, de gaven van Geloof, Hoop en Liefde, door de brandende Kaars afgebeeld, als een licht voor de menschen te doen schijven en getrouw tot den dood te bewaren.

3. Bij eene plechtige Processie (met of zonder het H. Sacrament, bijv. op O.-L.-V. Lichtmis, Witten-Donderdag, H.-Sacramentsdag enz.). Die de Processie vergezellen dragen eene brandende Kaars (die alleen gaat in de rechterhand, anders naar de buitenzijde gekeerd) tot opluistering der Plechtigheid en tot vereering van Jesus Christus, in wiens Licht zij willen wandelen.

3. Bij eene plechtige Opdracht van een Lid eener Congregatie of H. Familie. Die de Opdracht uitspreekt houdt eene brandende Kaars in de rechterhand, ten tee-ken dat hij of zij in alle oprechtheid de leer en het voorbeeld van Jesus Christus, door de brandende Kaars afgebeeld, bereid is te volgen, en door een Christelijken levenswandel zelf als een licht voor de menschen te willen schijnen.

„Wandelt als kinderen des lichts: want de vrucht des lichts is in allerlei goedheid en gerechtigheid en waarheid.quot; Eph. V, 8 en 9.

-ocr page 191-

— 168- —

4. Bij de Inleiding eener Vrome. Als eene Vrouw wordt ingeleid, wordt haar door den Priester eene brandende Kaars in de hand gegeven, waardoor zij hare godsdienstige blijdschap en dankbaarheid aan God betuigt.

De gang der Moeder naar het Altaar wijst op de plechtige Processie van Maria\'s Zuiveringsfeest, dat den 2 Februari gevierd wordt.

5. Bij het Sterfbed. De stervende ontvangt eene brandende Kaars in de haud, om voor \'t laatst zijn Geloof, Hoop en Liefde in Jesus Christus, zija God en Zaligmaker, te betuigen, en zijn vast vertrouwen uit te drukken op de oneindige barmhartigheid des Heeren, dat, terwijl het licht der wereld voor hem ondergaat, het eeuwige licht des hemels zijne ziel moge beschijnen. (1)

271. Wien verbeeldt de Paaschkaars? — De rijk versierde Paaschkaars verbeeldt Jesus Christus mei heerlijkheid verrezen. Hij, het ware Licht, heeft ons gered uit de duisternissen der zonde, gelijk de lichtende Wolkkolom de Israëlieten heeft geleid uit de slavernij

1

Over de symbolische beteekenis van het Licht, ontstoken ter eere van Overledenen, zie Hoofdstuk VII.

-ocr page 192-

van Egypte. De vijf openingen in de Kaars beduiden de Vijf Wonden van Jesus, waardoor Hij zijne verrijzenis heeft bevestigd, — en de vijf gewijde wierook-korrels, welke in de vijf openingen worden gesloten, beteekenen de specerijen , waarmede zijn heilig Lichaam werd gebalsemd, en wijzen tegelijk op zijne onsterfelijkheid na zijne verrijzenis. Bij de Vontwijding laat de Priester driemaal, en telkens dieper, de Paasch-kaars in het water neer, ten teeken, dat de genade des Doopsels ons door Jesus Christus verdiend is. De Paaschkaars wordt geplaatst neven het Hoogaltaar aan de Evangeliezijde, op de eereplaats , — tegen het Noorden tot verlichting van de duisternissen der wereld en der zonde. — De Paaschkaars wordt bij plechtige Mis en Vespers op Zon- en Feestdagen ontstoken, om de herinnering van Jesus\' verrijzenis levendig te houden, — tot Hemelvaartdag, wanneer zij na het H. Evangelie wordt uitgedoofd om te beduiden, dat Jesus na zijne hemelvaart niet meer zichtbaar is op aarde.

273. Hoe behooren wij de Godslamp te beschouwen, dag en nacht brandende vóór het M. Sacrament ? —

1. Als eene eeuwige Lichtlamp tot altijddurende vereering van Jesus Christus in zijn aanbiddelijk Sacrament; —

2. Als een teeken vau zijne tegenwoordigheid voor die

-ocr page 193-

— 170 —

eene Kerk of Kapel binnenkomen; — 3. Als eene opwekking niet alleen tot eerbied, maar ook tot eene vurige dankbaarheid en wederliefde, welke door de brandende pit der Godslamp wordt afgebeeld.

273. AANHANamp;SEL over het toedienen dee HH. Sacramenten aan hüis.

I. Waarvoor heeft men te zorgen , als de Priester zal komen, om de HH. Sacramenten aan huis toe te dienen?

1. Dat alles in het vertrek, op het bed, de Zieke zelf en zijne kleeding zedig en zindelijk zijn. Dat van de bedsteeplanken alle voorwerpen, behalve godsdienstige , worden weggenomen en geborgen. Zoo mag het Kruisbeeld , dat een Zieke voortdurend in \'t gezieht diende te hebben (waarvoor een beddesehap (*) uitmuntend te pas komt), natuurlijk blijven staan met het wij waterschoteltje, als op de tafel voor een en ander is gezorgd.

3. Dat alles gereed is gemaakt, wat voor het toedienen der HH. Sacramenten noodig is.

\'6. Dat alle aanwezigen zich allereerbiedigst gedragen , en dat de Priester in de heilige Bediening door geen gerucht in huis gestoord worde. Dat ook, zoo moge-

(*) Een tafeltje aan het voeteneind kan alleen de aloude schap eenigermate vervangen.

-ocr page 194-

— 171 —

lijk, voor die weinige oogenblikken alle werkzaamheden in huis stil staan, en alle huisgenooten, die eenigs-zins kunnen, zich om den Priester en den Zieke in eerbiedig gebed vereenigen. Als Jesus Christus zelf zich gevvaardigt een huis binnen te treden , kan men Hem dan wel te veel eer bewijzen ? En als men den goeden Jesus in zijn H. Sacrament de eere geeft, die Hem toekomt, dan zal Hij niet alleen aan den Zieke zijne genade schenken, maar ook in dat huis zijn zegen achterlaten. (1)

II. Wat behoort voor eene halve Bediening of voor eene H. Communie uit devotie gereed te zijn gemaakt?

1. Eene tafel, geplaatst nevens het bed aan het voeteneinde, zoo het kan, opdat de Zieke alles voor zijne oogen hebbe.

3. De tafel gedekt met een zuiveren witten doek.

3. Daarop een Kruisbeeld tusschen ticee waskaarsen (geen bougies). Door omstandigheden kan eene kaars voldoende zijn.

4. Wijwater in een schoteltje met een imvamp;ïpalmtakje.

5. Een toegevouwen zuivere witte doeh, dien de

1

// Sacerdos .... illud etiam curans, ut in domo , quara Sal-vator ipse ingredi debet, majori quo fieri potest cultu recipiatur.quot; Cone. Prov. Tit. IV, Cap. VII in fine.

-ocr page 195-

— 173 —

Priester den Zieke op de borst kan leggen, als hij hem Ons Heer zal geven.

6. Een glas of kopje met zooveel water, als de Zieke na de H. Communie gemakkelijk kan uitdrinken.

7. Vóór de tafel een bankje of stoof, waarop de Priester bij verkiezing kan knielen.

III. Wat wordt er voor eene heele Bediening bovendien (1) vereischt?

Eene voldoende hoeveelheid watten of werh, waarmede, de Priester na elke zalving de H. Olie kan af-wisschen. (2)

Als de Priester de gebruikte watten of werk heeffaeh-

tergelaten, zal men die eerbiedig verbranden.

IV. Wat heeft men te doen, als de Priester met het Allerheiligste aankomt ?

Men zorge :

1. Dat de kaarsen vóór zijne komst zijn aangestoken.

3. Dat iemand de deur voor den Priester opene, geknield den Priester met Ons Heer late voorbijgaan,

1

Als het H. Oliesel zonder de H. Teerspijs wordt toegediend, is ééne kaars voldoende, en vervallen doei en water, bij N. 5 en

6 bedoeld. , . , . i

2

(* *) Volgens het Boraeinsch Kitueel kan de Priester ook wat Jcrnim van brood en water verlangen , om zich de vingers van de H. Olie te zuiveren.

-ocr page 196-

— 173 —

en dan eerst opsta om de deur te sluiten.

3. Dat alle aanwezigen (de mannen met ongedekt hoofd, ook de Zieke) geknield zijn, als de Priester met het Allerheiligste binnenkomt, hun God en Zaligmaker groetende: Geloofd zij Jesus Christus. In eeuwigheid. Amen. Is de Zieke niet te bed, dan behoort deze ook geknield te zijn , als hij \'t gevoegelijk kan. (*)

4. Dat allen zieh in stilte verwijderen , als de Priester de Biecht van den Zieke gaat hooren.

5. Dat onder de toediening der HH. Sacramenten de aanwezigen voor den Zieke hartelijk bidden, opdat de barmhartige God hem de genade schenke van de HH. Sacramenten waardig te ontvangen.

6. Dat men geknield blijve, totdat de Priester het vertrek hebbe verlaten, tenzij hij vroeger verlof geve om op te staan , na den zegen niet wijwater gegeven te hebben. Als de Priester na de Bediening de Zieken-beurs opneemt en niets zeggende daarmee den zegen geeft, is dit een teeken, dat hij Ons Heer nog bij zich heeft; hij geeft trouwens den zegen met.het Allerheiligste. Hij zal zich in stilte verwijderen, terwijl een van de aanwezigen hem eerbiedig zal voorgaan, om

(*) Ook wanneer een Zieke zijne Biecht spreekt, behoort hij voor den Priester, die gezeten is, nederig geknield te zijn, als het kan.

-ocr page 197-

— 174 —

de deur te openen en neerknielende hem met het Allerheiligste te laten voorbijgaan. Als het blijkt dat de Priester Ons Heer niet bij zich draagt, dan behoeft degene die hem uitlaat, niet bij de deur te knielen.

V. Welke bijzondere zorg behoort men nog te hebben voor den Zieke, roor en na de Bediening?

1. Dat men, in geval de Zieke het H. Oliesel zal ontvangen, hem bijtijds hoofd, handen en voeten goed schoon hebbe gewasschen en afgedroogd, of wanneer daartoe de tijd ontbreekt, hem dan ten minste aangezicht en ooren, het binnenste der handen en het ho-venste der voeten goed zuiver en droog hebbe gemaakt.

3. Dat men den Zieke noch vóór noch na de Bediening in zijne devotie store door onnoodig praten of heen en weerloopen , en dat men den Zieke door stichtende woorden of gebeden tot godvruchtige gevoelens traehte op te wekken.

-ocr page 198-

ZESDE HOOFDSTUK.

Oveiquot; de Kerkversiering. (*)

§. I. Opmerkingen wegens de Stoffeering eener Kerk. (**)

274. Is het een goed werk voor den bouw en de stoffeenug onzer Kerken bij te dragen? — Wij antwoorden met de Syn. Prov. Ultraj. Tit. V, Cap. VII: „ Israëls zonen eu dochters offerden den Heer met de grootste bereidwilligheid en met godsdienstigen zin hunne armbanden, versierselen, ringeu en handsieraden, gouden vaten, purper, lijnwaad en kostelijke gesteenten voor het vervaardigen van den Tabernakel der getuigenis, van de heilige kleederen en van\' al wat voor den dienst noodig was. Exod. XXXV. In-

(*) Eenige kunsttermen , die hier te pas komen. Techniek — regels of eischen eener kunst. Esthetiek ^ schoonheidsleer of de ei-schen van schoonheidsgevoel omtrent natuur of kunst. Architectoniek quot; leer der Bouwkunst. Architectonisch ~ volgens de eischen der Bouwkunst. Artistiek ~ volgens de kunst of kunstig. Decor ~ beschildering , bijv. van Altaar of beeld. Decoratie ^ versiering , vooral door beschildering.

(**) Onder Stoffeering eener Kerk verstaan wij hare versiering met al het noodwendige voor den heiligen Dienst.

-ocr page 199-

dien, zegt de H. Paus Felix, de Joden, die de schaduwe der wet dienden, zulks deden, zoo bestaat er voor ons, wien de waarheid is geopenbaard, nog dringender reden, om den Heer tempels te bouwen en naar ons beste vermogen te stoffeeren.quot;

275. Belangwekkend en stichtend is het Bijbelverhaal wegens de edelmoedige offervaardigheid van Gods volk voor den Tabernakel en zijne toerusting. Dit verhaal uit het Boek des Uitgangs, Hoofdst. XXVI, XXXV en XXXVI, laten wij hier verkort volgen, gelijk Pastoor Mure ons dat geeft in zijne Bijbelsche Geschiedenis. Deel I, Bladz. 311 — 314. „ Alles wat tot de vervaardiging en versiering der heilige tent, der talrijke benoodigdheden tot de plegtige eeredienst en der priestergewaden vereischt werd, moest door vrijwillige offers worden zamengebragt: goud, zilver eu koper-, kostbare wollen stoffen van de edelste en rijkste kleuren : hemelsblaauw, purper en karmozijn of icJtarlaken ■, fijn lijnwaad en doek, uit het zijdeachtige geitenhaar geweven ; rood en violet geverwde ramsltuiden; iittim of akazia-hout. Ook moest olie geleverd worden tot het voeden der lampen en het bereiden van balsem; welriekende specerijen en velerlei edelgesteenten. Met de grootste bereidvaardigheid en met godsdienstigen zin

-ocr page 200-

— 177 —

werden de verschillende kostbaarheden zamengebragt; mannen en vrouwen offerden hunne armbaudeu, ringen en andere sieraden, hunne gouden vaten en wat zij verder bezaten, met vreugde aan God op; niemand was er onder de oversten en onder het volk, die de gaven, welke hij brengen kon, achterhield. Doch opdat allen zonder uitzondering in de eer zouden deelen van mede te werken tot de heerlijkheid van \'s Heeren huis, moest ieder Israëliet, die den ouderdom van twintig jaren bereikt had en op de volksüjst opgeschreven werd, eenen halven sikkel (ongeveer 60 cents) hoofdgeld als heilige schatting betalen. — Behalve de offers werd ook de arbeid der Israëlieten, zoo van mannen als van vrouwen, gevraagd. In Egypte hadden zij gelegenheid gehad om allerlei kunstwerken te leeren, en velen hunner waren, gelijk nu bleek, daarin zeer geoefend. Mozes riep allen op, die de bekwaamheid hadden , om tot voltooijing van het werk des Heeren de hand te leenen; de vrouwen, die de weefkunst verstonden, moesten de tapijten bereiden.. Twee mannen echter, Beseleël uit den stam van Juda en Ooliab uit den stam van Dan , waren door God zeiven als werkmeesters aangewezen; Hij had hen vervuld met den

13

-ocr page 201-

— 178 —

geest Gods, met wijsheid en verstand en kennis van alle werk, om, volgens de opgaven van Mozes, plannen ie ontwerpen en uit te voeren. Onder hun op-zigt werkten al de overigen , en zeker legden zij zeiven de laatste hand aan de vervaardigde stukken. De beslissende goedkeuring bleef aan Mozes voorbehouden ; de uitvoering was overeenkomstig hetgeen God hem gezegd en getoond had, en hij gaf hun zijnen zegen.

_ Men begon dan de zamengebragte stoffen volgens

de .voorschriften , welke Mozes aan de twee opperkunstenaars gegeven had, te bewerken. Ondertussohen gin-

o-en de Israëlieten voort met nieuwe offers te brengen , ^ • • • ï en eiken morgen vermeerderde de schat. Eindelijk ont-

ving Mozes van de werklieden het voor hem zeer verblijdend, voor het volk hoogst vereerend berigt: Het volk offert meer dan noodig is. Toen zond hij ee-nen heraut door de legerplaats om af te kondigen , dat er geene offers voor het heiligdom, meer werden aangenomen-, want door den algemeenen en heiligen ijver was er genoeg en meer dan genoeg.quot; (*)

276. Zóó was de offervaardige ijver van Gods volk voor de Woontente des Heeren ; — hoe was de gods-

(*) Het bijcengebraclite aan goud, zilver en koper bedroeg reeds de som van ruim negenhonderd duizend gulden.

-ocr page 202-

— 179 —

dienstige zin der Katholieke middeleeuwen voor het Huis Gods? — Een enkel citaat onzen Vaderen ten quot;lof. „De maatschappij eenmaal teruggevoerd naar eene godsdienstige levensaanschouwing, koos zich een nieuw doel waarop alle krachten zich vereenigden — den Kerkboüw. Als de vrouwen der oudheid legde zij bare weelde af, om ze ten offer te brengen aan den bouw eener Kerk; al haar vermogen, al haar vernuft droeg zij daar in over. alle armen, alle geesten stelden zich daaraan cijnsbaar. — Als in een bisdom afgekondigd was, dat eene Kerk zou gebouwd worden , snelden rijken en armen toe, om voor niet mede te arbeiden; van alle zijden zag men het volk aankomen , voorafgegaan door kruisen en vanen, geleid door hunne priesters ; de mackliyste heeren en edelste vrouwen , schreef in dien tijd de abt Haymo, de heele adel, zijne geboorte, zijn gezach en het genoegen zijner kasleelen vergetende, spande zic/i in de karren, om hout, steen , zand en andere bouwstoffen aan te voeren , en na den ganschen dag in zoo zxoaren arbeid doorgebracht te hebben, waakten zij een gedeelte van den nacht, ontstaken kaarsen op hunne toa-gens en zongen heilige lofgezangen. Het nieuwe levens-element werd met den vurigsten ijver en begeestering aangegrepen ; het gevoel van herleving en kracht,

-ocr page 203-

— ISO —

besproeid, vruchtbaar gemaakt door de liefde des hemels, trad in die verbazende werken te voorschijn, welke wij de Kathedralen der middeleeuwen noemen, \' en hoe meer het hart van die gevoelens overvloeide, hoe rijker, verscheidener en heerlijker die werken waren.quot; De St-Janskerk door J. C. A. Hezenmans. Bladz. 13, — Zoo in \'t algemeen. Wegens de stichting van de Bossche St-Jan lezen we daar bladz. 176 het antwoord op de vraag: „ Door welke middelen eene gemeente als \'s Hertogenbosch, die ten allen tijde maar eene betrekkelijke welvaart genoot, er in geslaagd is een zoo kostbaar en afgewerkt gebouw tot stand te brengen? — Daar een koning, een bisschop, eene abdij onmetelijke bouwwerken te voorschijn roept, kan deze vraag minder belangrijks hebben, maar daar een burgerij het doet, is zij niet zonder gewicht, vooral als wij die burgerij gedurig in oorlogen gewikkeld en door verschillende rampen geteisterd zien. Het antwoord op de vraag is eenvoudig maar gewichtig: de St-Jan1 is dook louter opofferixg voltrokkem. Voor zich zelf was men met een stroodak tevreden, mits men God een huis kon bouwen, dat zijner waardig was. De opoffering is aan onzen tijd niet onbekend; (*) maar al-

1

Sedert dit geschreven werd (Aquot; 1866), heeft de geest vau

-ocr page 204-

— 181 —

leen als belangrijke uitzondering; in dien tijd daarentegen was zij regel. Niemand zou het zich vergeven hebben, als hij niet een gedeelte van zijn rijkdom aan de Kerk geofferd, of zijne armen te hnrer beschikking gesteld had; niemand zou het woord van Aggaeüs hebben kunnen verdragen: Gu woont in prachtige huizen, en Mijn huis ligt verwoest !—ja geene stad zou haar aanzien hebben kunnen ophouden , als zij geen waardige Kerk gebouwd had.quot;

277. Wat is het voornaamste vereischte, de hoogste verdieuste van de stoffecring eener Kerk? — De eenheid. De overeenstemming van alle voorwerpen en versieringen met de Kerk en hare deelen tot één geheel. Eene Kerk , het gansche gebouw met zijne volledige stoffeering, moge schijnen door ééneri geest ontworpen, door ééne hand uitgevoerd. Die eenheid kan de ge-

opoffering, de ijver voor Geils Huis, steeds aangroeiende, zich op verbazende wijze geopenbaard, zoo in liet bouwen, herstellen en stof-feereu van Kerken als in het stichten van Katholieke Scholen en Gasthuizen. Zonder te gewagen van de uitwendige restauratie der Bossche Kathedraal, getuigen niet tal van monumentale kunstwerken, sedert de dertig laatste jaren binnen hare muren aangebracht, van den mil-den godsdienstzin der edelste Familiën P En uit de Neerlasdia Ca-tholica, de feestgave van de Nederlandsche Kerkprovincie aau Z. IT. Leo XTII bij zijn Gouden Priesterjubilee (29 Dec. 1S87), blijkt dat sinds het herstel der Kerkelijke Hiërarchie in Nederland (1853-1S87) alleen in \'t Bisdom van den Bosch 83 (een derde van \'t ge-lieele aantal) Kerken zijn gebouwd, en 133 Katholieke Scholen gesticht.

-ocr page 205-

— 182 —

breken van een Kerkgebouw bedekken, ten minste verzachten ; — zonder die eenheid gaat de schoonheid van een Kerkgebouw te loor, of zal er ten minste onder lijden. Waarvandaan die heerlijke harmonie in de raiddeleenwsche monumenten? „ Tous les arts sont tri-butaires de 1\'architecture. Lorsque celle-ci est en pro-grès, ils suivent la même marche, sinou a pas egaux, du moins de pres. Cette observation a ete faite depuis longtemps. Elle n\'a rien qui doive étonner , quand on se souvient que , jadis , les plus fameux architectes furent également peintres ou sculpteurs, quelquefois tous les deux ensemble. Lorsqu\'un de ces artistes éminents, dont les vastes connaissances venaient en aide au génie, concevait le plan d\'un edifice sacré, il en tragait la decoration en même temps que l\'or-donnance et les proportions génerales; s\'il n\'exécutait pas les ornements de sa propre main, il en arrêtait le choix, et déterrainait l\'ensemble et les détails prin-cipaux. Ainsi s\'explique l\'harmonie qui b\'rille dans les monuments religieux du moyeu-age : une setde et mime pensée rèyne dans tuules les parlies de fédiftcequot; J. J. Bourassé. Les plus belles Eglises du monde. — Van die eenheid hebben wij het prototype, het alleroudste en heerlijkste voorbeeld bij de vervaardiging van den

-ocr page 206-

— 183 —

Tabernakel der getuigenis. Zie boven N. 275. Het geheele plan was door God zelven ontworpen. God had aan Moses het plan getoond met een nauwkeurig bestek : opgave van stof, maat en vorm (Exod. XXV, 40 amp;XXVI), en hemde uitvoering opgedragen. God had aau Moses twee uitnemende kunstenaars Beseleël en Oöliab toegevoegd, die God met zijn geest had vervuld , met wijsheid en verstand en kennis van alle werk; dus behalve hunne kunstvaardigheid waren zij doordrongen van den geest des Ontwerpers. Dezen moesten met alle andere kundige mannen, wien God ook wijsheid en verstand gegeven had, alles uitwerken naar de aanwijzingen en onder het toezicht van Moses, die te oordeelen en te beslissen had of alles overeenkomstig was met het door God getoonde en beschreven plan. Exod. XXXV tot XXXVIII.

278. Is het niet te bejammeren, dat in vele onzer Kerken die noodzakelijke eenheid ontbreekt? Is de oorzaak ver te zoeken ? Hoe is de gewone toedracht bij versiering of aanschaffing van Kerkgemeubelte of eenig ander voorwerp, voor den heiligen Dienst i/enoodigd? Men wendt zich tot een fabrikant van naam , die, toegegeven, een artiste is in zijn vak. Van de Kunst kent hij wellicht slechts een Kapittel; de andere heeft hij

-ocr page 207-

— 184, —

soms niet eens gelezen : tijd en gelegenheid voor studie hebben ontbroken; \'t mangelt ook hem misschien wel aan lust en aanleg, aan waren kunstzin. En waartoe ook die studie? \'t overige is immers buiten zijn vak. Wij veronderstellen hem ten minste zóó verstandig, dat hij naar den Bouwstijl der Kerk vraagt. Hij bezorgt een patroon of teekening. Men vindt die mooi, schoon, soms prachtig. De prijs is wel hoog, boven de raming; maar de kunst moet betaald worden. Zeker is het, dat hij iets artistieks zal leveren; hij wil eer van zijn werk hebben. Voor een ander voorwerp gaat men bij een anderen fabrikant, ook be

stelling en bediening als voren. Maar wat zal nu bij zooveel hoofden zooveel zinnen van de eenheid des geheels terecht komen ? — Verbeeld u ; want \'t is niet meer dan eene fictie; — verbeeld n eene Hoogere Burgerschool, waar alle Leeraren mogen doceeren en het ook doen, als hadden zij geen Directeur of Kegel, die aan elk leervak van het Program zijne plaats aanwijst. Elk Leeraar, eene specialiteit in zijn vak natuurlijk, wil eer van zijne lessen hebben, en stelt naardien zijne eischen. Het resultaat? De bovenkamers van de jongelui zullen geenszins ordelijk en net gestoffeerd worden ; maar eer gelijken op magazijnen van

-ocr page 208-

een allerlei, van het noodigste te weinig, van de bijzaken te veel, en alles door elkander. En hoe zal een Kerkgebouw gestoffeerd komen, indien binnen zijne muren elke specialiteit in de kunst naar hartelust eigen inspiratie mag volgen, en de eene zich inspant om de andere te overtreffen ? — Verbeeld n een muziekgezelschap , waarvan elk lid bij eene uitvoering zijn instrument wil laten gelden , om slechts zijne kunst en de kracht en de schoone tonen van zijn speeltuig te genieten te geven. Wat een concert zou men te hooren krijgen ? Een muziekgezelschap noemt men gewoonlijk eene Harmonie. Hakmonie : \'t is voor de leden als een mot d\'ordre, dat hun gedurig moge herinneren ; ieder bespele zijn instrument op zijn best , maar betrachte voor alles de Harmonie : het samenklinken aller speeltuigen alsof slechts één geest hen bezielt, ééne hand ze alle saam bespeelt. Zóó moge het ook zijn in onze Kerken ! De kunsten bebooren in Gods heiligen Tempel tot zijne meerdere eer een concert uit te voeren, waarbij door de harmonie der deelen de eenheid van het geheel te heerlijker uitkomt. O, hoeveel is er aan gelegen , aan wiens hand de dirigeerstok is toevertrouwd!

-ocr page 209-

— 186 —

§. II. Elementen voor Kerkversiering.

279. Welke zijn de voornaamste elementen voor Kerkversiering? — 1. De stof; — 2. de bewerking tot schoone vormen;— 3. de beschildering.

280. Welke zijn de voornaamste stoffen voor de versiering?— 1. Voor muren, kolommen, vloer, meubelen, beelden: marmer in zoovele soorten en kleuren, albast, graniet, witte steen, fijne houtsoorten. (1) — 2. Voor Altaar, Vaatwerk en Keliquiarium of Reli-quiëenschrijn; goud, zilver, brons, koper en edele steenen.

381. Welke kuust geeft aan steen en hout de schoonste vormen? — De Sculptuur of Beeldhouwkunst, door steen en hout te verwerken tot beelden of reliëfs: ta-fereelen, figuren, arabesken of loofwerk.

282. Noem eens eenige kunstbewerkingen, waardoor aan goud, zilver of koper schoone vormen worden gegeven of de schoonheid verhoogd.

1

Beelden van pldtre y terra notta, carton pierre, compositie enz. verraden de armoede der Kerk; terwijl de vreemde namen te dienen schijneD, om de lage afkomst der stof te bedekken; want pliItre is eenvoudig gipsgt; — terra cotta gebaJcken potaarde, — carton pierre stijfpapier hard als steen,— compositie mengsel van een en ander (dat men niet weten mag?).

-ocr page 210-

— 187 —

Smeden met hamer.

Ciseleeren of drijven met beitel (ciselet). Ciselure c drijfwerk.

Graveeren met stift of etsnaald. Gravure =3 graveerwerk.

Stampen 1 ,

Gieten

in matrijs of vorm.

Verzilveren van koper.

Vergulden , in \'t vuur of galvanisch , van zilver, brons of koper.

Bruineeren of polijsten, bruin of glanzend maken.

Matteeren, mat of dof maken.

Emailleeren, émail, dat is: glasstof vermengd met metaaloxydeu, die eene levendige kleur geven, op goud of koper inbranden. Het fransche émail van \'t italiaansehe smalto, smaltire , branden (verwant met ons smelten).

Niëlleeren, de trekken van gegraveerde figuren op goud, zilver of koper met zwart email vullen. Een niëllo. Nigellus s zwartachtig. Xigella — \'t fransche nielle c: plant met zwart zaad, ook brand of ziekte in het koren , die het zwart maakt.

2S3. Wat is het edelste van alle edelgesteenten? —

Het diamant, het schitterendste, het hardste, het kostbaarste van alle gesteenten.

-ocr page 211-

— 188 —

Het gewicht wordt uitgedrukt in karaten (een karaat

=! ruim 0,11 gram) en de waarde stijgt met het gewicht

in geometrische progressie.

384. Wat is de symbolische beteekenis van het Diamant ? — Door zijne hardheid is het Diamant het symbool der bovennatuurlijke kracht en standvastigheid van den Christen.

38 5. Hoe worden de Diamanten onderscheiden naar hun vorm ?

1. Een Briljant is een Diamant in dubbelen kegelvorm , of van weerszijden met ruiten of facetten geslepen.

3. Eene Hoos is aan de eene zijde met facetten, aan de andere plat.

3. Een Tafeldiamant is aan beide zijden plat.

386. Noem nog eenige voorname edele steenen met hunne kleur en symbolische beteekenis.

1. Smaragd — groen — door zijne kleur symbool van een levendig geloof.

3. Saffier— blauw — door zijne hemelsblauwe kleur symbool der hoop.

3. Robijn — rood — door zijne kleur symbool dei-liefde en der martelie.

4. Amethyst — paars — door zijne kleur symbool der

I

-ocr page 212-

— 189 —

zedigheid en boetvaardigheid.

5. Topaas—geel — door zijue goudkleur symbool der hoogste deugden, der wijsheid, der kuischheid, der verdiensten van goede werken.

287. Oriënlalen noemt men de edele steenen als ons komende uit het Oosten. — Juweelen (1) noemt men die geslepen zijn, in \'t bijzonder de Diamanten. — Juweelen a jour, die zóó zijn ingezet, dat de onderkant zichtbaar is, en doorschijnend — Cabochowi zijn edele steenen, die wel gepolijst, maar niet geslepen zijn, en zoo veelvuldig worden aangewend tot versiering van Tabernakel, Keliquiarium, enz. Alle genoemde steenen behooren tot de mineralen of delfstoffen. De Parelen daarentegen worden gevonden in zeeschelpen, — Door het water van een edelgesteente verstaat men zijn glans.

388. Geef de namen van eenige marmersoorten met derzelver kleur.

Carrarisch marmer : glanzend wit (voor beelden).

Blanc-clair : wit met blauwe aders (voor altaren , vonten , enz.).

1

Juweelen, evenals kleinooden, worden ook genoemd kostbaarheden in \'t algemeen, sieraden met edelgesteenten of van kostelijk metaal.

-ocr page 213-

— 190 —

Graniet: gepolijst, zwart (voor treden, basementen , enz.).

Gekleurde marmers : in alle denkbare tinten, te talrijk om op te sommen. Eondelet geeft 350 verschillende soorten aan. Eenige der meest in gebruik zijnde soorten zijn:

Jaspé — veelkleurig, gespikkeld.

Jaune de Tunis — geel.

Bleu turquin — blauw.

Bleu Beige — „

Vert — groen.

Port\'or — zwart met goudgeel.

Griotte d\'Italie — rood.

Giiotte Beige — „

3S9. Welke zijn de ons meest bekende soorten van witten steen ?

a. Van harden steen:

Bentheimer, Udelfanger en St-Joire-zandsteen, zijn beste soorten voor buitenwerken. Kochefort-steen kan dienen voor spijlwerk van vensters en andere rechtstanden, maar niet voor kappen, dekstukken en al de dealen van een gebouw, die rechtstreeks aan het regenwater zijn blootgesteld.

-ocr page 214-

— 191 —

Savonnière-steen, als het de goede soort is, kan ook voor vensters gebezigd worden.

b. Van zaehten steen :

Fijne Caën-steen , voor binnenwerk, als altaren, beelden, baldakijns, enz. Bovendien zijn er nog vele zandsteensoorten (waaronder de zachte witte Fransche steen, die in verscheidenheid voorkomt , eene voorname plaats inneemt) die veilig voor binnenwerk kunnen gebezigd worden.

Toezicht van een deskundige is echter wenschelijk, om het gevaar te ontgaan dat de verschillende soorten op ondoelmatige wijze worden gebezigd , of wel dat slechte, kwaliteit wordt gebruikt.

390. Waarom was sedert de oudste tijden het beschilderen der Kerken met tafereelen in gebruik ? .— Niet alleen tot versiering , maar vooral tot leering en stichting der geloovigen. De H. Gregorius de Groote schreef reeds voor dertienhonderd jaar : „ Wat het ge- * schrevene is voor die lezen kunnen, dat is het geschilderde voor die het niet kunnen ; wijl de onwetenden zelfs in het geschilderde kunnen zien wat zij te volgen hebben, en alzoo daarin kunnen lezen die geen lezen geleerd hebben.quot; In korte woorden : de

-ocr page 215-

— 192 —

kerkschildering is het boek der leeken. — En boor boe de H. Basilius nog tweehonderd jaar vroeger de Kerkschilders aanmoedigt: „ Staat op , gij roemrijke Schilders der kampstrijdersdengden, en verheft met uwe kunst mijne kleine schets van den soldaat; wat duisterlijk door mij beschreven is , verlicht dat met de verven uwer wijsheid.quot; En een weinig later spreekt de H. Gregorins van Nazianze met lof van eeneKerk, wier hooge gewelven „ met zulke schoone schilderwerken zijn versierd, dat ze voor de natuur zelve niet wijken.quot; Beide laatste voorbeelden uit de H. Linie bladz. 184 en 194.

291. Wat onderscheid wil meu opgemerkt hebben tus-schen het gewone schilderen en het Kerkschihleren in tafereelen ? (1) — Het gewone schilderen streeft naar het doel ; een tafereel in lijnen en kleuren zóó be-driegelijk voor het oog voor te stellen, alsof het door een venster in werkelijkheid gezien werd ; — vooral •wordt het perspectief (2) in lijnen en tinten kunstig aangewend tot het gewenschte zinsbedrog ; — het

1

Peinture de chevalet et Peinture monumentale. — Doek- of paneelschildering en muurschildering.

2

Perspectif lineaire et aérien, — lijn* en luchtperspectief, \'t laatste door \'t aanwenden van licht en schaduw.

-ocr page 216-

— 193 —

grondvlak (doek of paneel) valt in de gedachte reg, en de schilderij bestaat op zich zelf, zonder betrekking met de omgeving. — Het Kerkschilderen in taferee-, len heeft voor doel: op de muren der Kerk tafereelen

te schilderen tot versiering van het gebouw ; zoodat het grondvlak niet wordt weggedacht, maar altijd een muurvlak blijkt te zijn;— derhalve hier geen kunstig (1) perspectief om het oog te misleiden; maar eene tafereel-schildering, die met de decoratie-schildering de architectonische ordinantie van het Godsgebouw dient te releveeren, Schilderkunst en Bouwkunst samenwerkende tot een harmonisch geheel (Zie bl. 183). In korte woorden: eene schilderij is een Geschilderd tafereel zonder meer, — eene Kerkschildering is een besc7«7-derd muurvlak als onderdeel van een Kerkgebouw.

292. Welke reden wordt nog aangevoerd tegen, het kunstig perspectief in onze Kerken? — Bene dergelij-lijke schildering kan slechts uit één standpunt (het gezichtspunt) goed gezien of genoten worden ; — maar

1

Kunstig perspectief j want alle perspectief in lijnen en tinten wordt bij eene Kerkschildering niet uitgesloten, maar wordt slechts spaarzaam aangewend. Niet alleen in het geheel, maar zelfs in de beelden op zich zeiven, zoo weinig mogelijk licht en schaduw; met een zwarte lijn omtrokken de ouderen ze, en dat werkt zeer.

-ocr page 217-

— 194 —

een geschilderd tafereel in onze Kerken behoort door het aanwezige volk in alle richtingen (van elhe standplaats) goed gezien te kunnen worden. Plastisch gezegd: die perspectief-schilderingen maken een gat in den muur.

393. Welke wijzen van schilderen worden vooral tot Kerk versiering gebezigd?— De JVesco-schildering (op natte kalk), — de Polychromie (veelkleurige op drogen grond), — Grisaille (in ééne kleur met licht en donker, vooral in bruin en grijs).

\'294. Carton wordt genoemd de uitgewerkte schets, waarnaar een tableau of tafereel geschilderd woidt.

395. Wat is een Mozaïek? — Een vlak kunstwerk van harde gekleurde steentjes, met een mastiek zoo saamgevoegd, dat zij een tafereel, figuur of loofwerk voorstellen alsof het met een penseel geschilderd was.

396. Aan eene imitatie van Mozaïek met ingelegd ]l0ut of in schilderwerk geeft men ook den naam van Mozaïek. Een vloer met tegels van verschillende kleuren noemt men eene Mozaïekvloer. Een houten vloer van kleine ingelegde vakken noemt men een Parket of Parketvloer. Ingelegd schrijnwerk noemt men eene Marqueterie.

297. Welke soorten van glas worden tot versiering

-ocr page 218-

— 195 —

van Kerkramen gebezigd?

1. Gebrand glas: zoo genoemd, wanneer de kleurstof vooraf in de glasstof is gemengd. Peinture verre geeft verres colorés of verres teints.

2. Geschilderd glas-, wanneer op wit of reeds gekleurd glas de kleurstof wordt ingebrand. Peinture sur verre geeft verres peints.

3. Grisaille: wanneer de schildering is in eene kleur, namelijk grijs, met licht en donker.

4. Gekleurd glas: wanneer het raam bestaat uit wit glas met rand of figuren van saamgevoegde stukjes gekleurd glas. Mozaïek.

298. Wat hebben wij in eene waarlijk schoone geschilderde Kerkraam te bewonderen ?

1. Die frischheid, levendigheid en glans der kleuren, die toch niet te schitterend zij; wijl de glasschildering in geenen deele de muurschildering of de architectonische schoonheid van het Kerkgebouw mag schaden; maar geroepen is om het hare bij te brengen tot de algemeene versiering, welke \' een harmonisch geheel behoort te vormen. Zie bladz. 182.

3. De kunst van den Glasschilder, die bij de tee-kening en de ordonnantie der kleuren zóóveel te berekenen heeft gehad, om zulk een schoon Venster met

-ocr page 219-

dat heerlijke effect te scheppen. Om dit te verstaan, ziehier in \'t kort het voornaamste verschil tusschen een Glasschilder en andere Schilders. Een Schilder op ondoorschijnenden grond (doek, paneel, muur), zeggen wij gemakshalve: een geicone Schilder ziet welke werking zijn schildering heeft;— maar een Glasschilder moet berekenen welke werking zijn schildering hebben zal. Bij het gewone schilderen valt het licht op de lijnen eu kleuren , en , zonder de lijnen of kleuren te wijzigen, kaatst het licht op het oog terug \\ — \'maar bij de glasschildering gaat het licht door het gekleurde glas naar het oog, en heelt eene wonderlijke werking op de kleuren, een geheim, dat oningewijden niet vermoeden. Het licht, door het glas gaande, wijzigt de betrekking der kleuren tot elkander, en doet ze nog elk op zich zelve uitstralen {rayonner), dat is: doet ze van omvang grooter schijnen dan ze werkelijk zijn, en de eene kleur rayonneert meer dan de andere ; het blauw het meest, het rood minder, het geel bijna niet. (1) Naar deze physische eigenschap-

1

Wie merkt niet op, dat het ijzer en het lood, waarin het glas gevat is, voor het oog niet hinderlijk en zoo weinig zichtbaar zijn ? Zelfs de steenen spijlen schaden niet aan de glasvensters. Men ziet ze zelfs niet eens. Dit is een gevolg van Hz uitstraling of rayonnement der kleuren, die als over deze hindernissen heen schieten en ze be-

-ocr page 220-

— 197 —

pen van het licht moet een Glasschilder de lijnen op zijn carton en de ordonnantie der kleuren regelen; en om daarin wel te slagen, om een onberispelijk Kerkraam met een heerlijk effect te scheppen, moet hij Kunstenaar zijn. Keusens. Elements d\'Arch. Chrét. (citeerende Viollet-le-Duc. üict. de 1\'Architecture) 11. 82-89. Men wijst oude glasschilderingen aan, waarvan de teekening van nabij gezien vol gebreken, de figuren wanstaltig, handen en voeten zelfs monsterachtig zijn ; en toch , van verre gezien , vallen die vrijwillige en berekende fouten gansch weg door het ray-onnement: ziedaar de kunst in verbond met de natuur. Een voorbeeld in schets uit eene glasschildering in O.-L.-V. te Chartres bij Keusens t. a. p. 89.

299. Welk onderscheid wordt opgemerkt tusschen de oudste glasschilderingen (der XIIe en XIlIe eeuw) en de latere? — De eerste glasschilderingen gelijken op een doorschijnend tapijt. Zij stellen voor een effen doorschijnend vlak, gelijk het glas werkelijk is, met gekleurde figuren. De figuren niet in reliëf, maar plat, — los van elkander, — vrij uitkomende op een

dekken. Hindernissen ? Neen, de kunst weet dat onontbeerlijk ijzer en lood in dienst te nemen voor een krachtiger effect. En nu: werd zulk een net van ijzer en lood aangebracht op eene gewone schildering , zij zou deerlijk misvormd en als achter traliewerk bekneld zijn.

-ocr page 221-

fond. Geen kunstig perspectief. Geen figuren in profiel. — Bij de latere glasschilderingen ziet men het gewone schilderen (als op een ondoorschijnend vlak) toegepast, met kunstig lijn- en luchtperspectief, enz. Reusens. Élem. d\'Arch. Chret. II. 90-94.

§. III. Monogrammen of Naamcjjfers. Inscripties of Opschriften. Ter Versiering,

300. A ö

Op of naast elkander. Zooveel als het Begin en het\'Einde, derhalve de eeuwige God; want A, de Alpha, is de eerste, en de ö, de O mega of lange O, de laatste letter van het Grieksche Alphabet. Al-zoo de H. Joannes in het Boek der Openbaring : „ Ik ben de Alpha en de O mega, het Begin en het Einde, zegt de Heere God, die is en die was en die komen zal, de Almachtige.quot; Apoc. I, 8.

Deze monogramme is zeer oud, doch volgens de geleerden bezigde men de (groote) A en de (kleine) to — de (groote) Q behoort tot de zeldzaamste uitzonderingen , zoodat meu oude stukken als valsch aanziet waarop zij voorkomt. Tegenwoordig kan de (groote) Q er best door.

I H S.

1. Verbeeldt den Zoeten Naam Irjaou? — Zaligma-

-ocr page 222-

ker of Verlosser. Verkort in kapitalen I H S, vervolgens geschreven I H S. In zooverre volgens de Grieksche taal.

2. Later opgevat als de initialen of beginletters van het Latijnsche : lesus Hominum Salvator =; lesus der Menschen Verlosser. Ihesns in het middel-latijn gaf nog gereeder aanleiding hiertoe.

3. Ook gebruikt als beteekenende: In Hoe Signo (vinces) onder een Kruis =2 In Dit Teeken (zult gij overwinnen); doelende op de verschijning , waarmede Constantijn begunstigd werd voor zijne overwinning op Maxentius. De V van vinces wordt min of meer duidelijk onder I H S geplaatst.

r) Monogr. v. 0f n Oostersdi pk; Constautyn. —f— Monogr.

De twee eerste letters op elkander van het Grieksche XPISTOS ~ Christus = de Gezalfde. X en P zijn niet bedoeld onze X en P; maar de twee Grieksche letters X (Chi) en P (Ho), voor ons klinkende als C/i en iJ; zoodat gt;|J voor ons is als C/zr, de eerste letters van Christus.

Men zette op de H van 1HS, en men verkreeg Jesus Christus-,— later plaatste men liever een Kruis op de dwarsstreep van de H , wat men kon lezen : Jesns de Gekruiste.

-ocr page 223-

T

Met dit teeken wordt bedoeld de Grieksche letter tati (overeenkomende met onze T), verbeeldende een Kruis zonder bovenarm. Volgens Innocentius III is het niet toevallig, dat met dit letterteeken, het Kruis, de Canon (Te igitur), het voornaamste gedeelte van het H. Misoffer , begint. Deze tau vindt men soms als attribuut bij Heiligenbeelden (vooral bij den H. Antonius, Eremijt, van wien de T ook Sl-Antonius-Kruis wordt genoemd). Wordt nog als versiering gebruikt, bijv. op den band van een Missaal. In de voorstelling van de H. Drievuldigheid : God de Vader met beide handen het Kruis vasthoudende, is het Kruis gewoonlijk eene tau. — Voor de heidenen was de T reeds het teeken van leven, heil en geluk.

I. M. I.

De initialen van Jesus Maeia Joseph , de H. Familie, het H. Huisgezin, het H. Gezelschap.

MAK.

Soms op en door elkander , de Naam van Maria.

JOS.

De Naam van den H. Joseph.

-ocr page 224-

301. A. M. D. G.

Ad Majorem Dei Gloriam. Tot meerdere eer van God. De gulden spreuk van den H. Ignatius van Loyola en van zijne Volgelingen, de Paters Jesuïeten. Moge ze ook de onze zijn !

B. M. V.

Beatae Mariae Virgini:—Aan de H. Maagd Maria.

B. V. O.

Bid Voor Ons (onder den naam van een Heilige).

D. O. M.

Deo Optimo Maximo =5 Aan God den zeer Goeden den zeer Grooten.

I. M.

In Memoriam — Ter Gedachtenis.

I. N. R. I.

Gebruikelijke Inscriptie boven een Crucifix. De initialen van het Latijnscbe opschrift des Kruises ; lesus Nazarenus Kex ludaeorum ; — Jesus de -Nazarener , de Koning der Joden. Het oorspronkelijke opschrift was in drie talen , Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn , elke titel volgens Hebreeuwsche schrijfwijze, van rechts naar links geschreven , — welke schrijf-

-ocr page 225-

— 302 —

wijze men noemt Spiegelschrift, omdat een spiegel den gewonen vorm teruggeeft.

MP er.

Eerste en laatste letters van twee woorden MHTHP 0EOr, Moeder Gods, bij een Moedergodsbeeltenis bijv. O. L. V. van Bijstand.

O. P. C.

Of voor C de Omnia Per Christum. Alles door Christus.

O. P. N.

Öra Pro Nobis; — Bid voor ons (onder den naam van een Heilige).

P. M.

Piae Memoriae: — Aan de dierbare gedachtenis van.

P. G. E.

Pro Gratia Recepta : — Voor de Gunst die verkregen is (Op Ex-Voto\'s , geschenken uit belofte aan God of aan een Heilige).

E. I. P.

Eequiescat In Pace: — (Hij of Zij) Ruste In Peis — Zijne ziel ruste in vrede.

S. ü. G.

Soli Deo Gloria : — Den Alleenigen God de Glorie.

-ocr page 226-

302. Adoko Te.

Ik aanbid U. Inscriptie voor een Tabernakel. Eerste woorden van een sohoonen Lofzang op \'t H. Sacrament, opgesteld door den H, Thomas.

Agnus Dei.

Het Lam Gods. Insgelijks voor een Tabernakel. Christus ons Paaschlam.

Alt. Peiv. Quot. Perp.

Altare Frivilegiatum Quotidianum Perpetuum. Zie N. 180.

Ecce Agnüs Dei.

Ziedaar het Lam Gods. Voor een tabernakel of onder een Lam. Woorden, waarmede de H. Joannes de Dooper den Zaligmaker aan zijne leerlingen aanwees. Dezelfde woorden met de volgende bezigt de Priester, als hij, de Communie gaande uitdeelen, eene H. Hostie tusschen de vingers neemt, en ze opheffende aan het volk vertoont. Dan zegt hij even waar gelijk de H. Joannes; Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonden der wereld tceyneemt.

Ecce homo.

Ziedaar de mensch! Woorden van Pilatus toen hij Jesus, na de wreede geeseling, met de doornenkroon

-ocr page 227-

op het hoofd en met het purperen kleed omhangen, aan het Joodsche volk vertoonde , om het medelijden op te wekken en Jesus van den dood te redden. Men ziet deze woorden geplaatst onder een Kruisbeeld of onder een Christusbeeld, in de beschreven houding. Zulk eene voorstelling ten voeten uit of in borstbeeld noemt men een Ecce homo.

Eccb Mater tua.

Ziedaar uwe Moeder. Onder eene beeltenis van Maria.. Woorden van den stervenden Jesus tot Joannes, den geliefden Leerling, waardoor Hij aan hem (en in hem aan ons) zijne Moeder tot Moeder gaf.

Ecce Panis Angelorum.

Ziedaar het Brood der Engelen. Inscriptie voor een Tabernakel, of onder eene afbeelding van eene H. Hostie in stralen, boven of zonder een Kelk. Woorden uit den schoonen Lofzang Lauda Sion (van den H. Thomas).

Gloria in excelsis Deo.

Glorie aan God in den hooyen. Loflied der Engelen van Bethlehem bij de geboorte des Zaligmakers.

Ite ad Joseph.

Gaat tot Joseph. Gewone Inscriptie bij het beeld

-ocr page 228-

— 205 —

van den H. Joseph. Woorden van den Egyptischen koning Pharao , waarmede hij in den feilen hongersnood het klagende volk naar zijn eersten Staatsdienaar Joseph verwees, dien hij over het gansche land van Egypte had gesteld. Gaat tot Joseph. Door deze woorden wil men de groote macht van den H. Joseph bij God uitdrukken en ons vertrouwen op zijne goedertieren voorspraak opwekken.

Verbum card factum est et habitavit in nobis.

Het Woord is vleesch geworden en heeft onder om geicoond. Woorden van den H. Joannes Evangelist, waarmede hij het onbegrijpelijk mysterie van de Mensch-wording beschrijft. Inscriptie voor een Tabernakel.

303. Welke van deze Monogrammen en Inscripties

kunt gij gebruikt vinden in onze Kerk ?

§. IV. Symbolen. (*) Emblemen. Figuren. Ter versiering.

304. A

Een gelijkzijdige Driehoek met het Klaverblad van veelvuldige toepassing in de Gothiek. Zie N. 6 6. Zinnebeeld der H. Drievuldigheid. Komt op verscheidene wijzen voor:

(*) Wat men door Symbolen verstaat, verklaard bij N. 13-15.

-ocr page 229-

1. Een Driehoek als nimbus om het hoofd van God den Vader, — of wel aan \'t boveceind van zijn rijksstaf.

3. Een Driehoek s de H. Drievuldigheid. — In een h\'ing van stralen =; de eeuwigheid. — Soms daarom nog wolken zn de verborgenheid van het mysterie van den Drieëenigen God, die een ontoegankelijk licht bewoont.

3. In een Driehoek een oog =5 het oog Gods, dat alles ziet, — en deze figuur wordt een alziend oog genoemd.

\' 4. In een Driehoek hebreeuwsche letters, welke den Naam van God beduiden. De Allerheiligste Naam van God was Jehovah, door God aan Moses geopenbaard, en beteekent die is , die het volmaakte zijn in zich heeft, van eeuwigheid en onveranderlijk, üit eerbied spraken de Joden den Naam van Jehovah niet uit, en waar die Naam in de H. Schrift voorkwam , lazen zij daarvoor Adonai, wat de Heer beteekent.

HET KRUIS.

1. Voornaamste vormen van het Kruis.

a. Ceux immissa. f

Het latijnsch of Lijdens-kruis, waarvan de onderste arm langer is dan de andere.

-ocr page 230-

— 307 —

5. -f

Het grieksch of byzantijnsch Kruis, met vier gelijke armen , twee verticaal en twee horizontaal.

e. Crüx decussata.

Het St-Andreaskruis of bourgondiseh Kruis, een schuinsch Kruis met gelijke armen.

d. Crux commissa of patibulata. T

Het St-Aiitoniuskruis of egyptisch Kruis, de griek-sche Tau, overeenkomende met onze T, een dwarsbalk niet door, maar op een staanden balk. Zie onder Monogrammen T.

e.

Het Malthezerkruis met breed uitloopende armen, die aan \'t eind stomphoekig zijn uitgesneden.

/■ ^

/• 1

Het Kruis van Jerusalem: een groot grieksch Kruis met vier kleine tussehen de armen, — symboliseerend de Vijf Wonden.

9-

Het lotharingisch Kruis of dubbelkruis, de bovenste dwarsarm korter dan de andere.

-ocr page 231-

— 208 —

li.

Het driearimg Kruis, niet in de Liturgie bekend, maar veelal gebruikt als Pauselijk attribuut bij Heiligenbeelden.

2. Symbolische heteekenis van het Kruis.

a. Teeken der Verlossing en der Overwinning. Omdat het Kruis, het teeken van schuld eu schande, in Jesus Christus is verheerlijkt, daarom is in de Gothiek het Kruis rijk versierd; zooals reeds in de eeuw die op\' Constantijns bekeering volgde.

b. Zinnebeeld van het Geloof of van den Katholieken Godsdienst.

3. Enkele opmerkingen wegens het Kruis.

a. Men onderscheidt het Kruis des lijdens en het Kruis der verrijzenis. Het Kruis des lijdens is dat in zijne proporties het ware Kruis voorstelt. Het Kruis der verrijzenis is een klein Kruis aan \'t eind van een langen stok. Met zulk een Kruis wordt de verrezen Zaligmaker — ook het symbolische Lam afgebeeld. Onder dat Kruis is veelal een rcitte vaan , waarop een rood Kruis, bevestigd: rood is de kleur des lijdens, wit de kleur des levens, der heerlijkheid.

b. Men onderscheidt twee wijzen van zegenen met

-ocr page 232-

de hand: de latijnsche en de grielcsche. Bij de latijnscbe worden duim, wijs- en middelvioger uitgestrekt, de twee overige vingers in de hand gelegd. Bij de griek-sche worden wijs-, middelvinger en pink uitgestrekt, ringvinger en duim tot elkaar gebogen. (Reusens. Elem. d\'Arch. Chr. I. 100.) Deze onderscheiding kan te pas komen bij Heiligenbeelden in zegenende houding, — ook bij een Reliquiarium in den vorm van een arm.

c. Het gewone Kruisteeken, dat wij over ons zeiven maken, is een teeken, dat wij bidden door de verdiensten van Jesus\' Kruisdood, en tegelijk een teeken of belijdenis van ons geloof. Denk hier ook aan het bidden met de armen uitgestrekt, dat duidelijk symbolisch is, en een Kruisgebed wordt genoemd.

Agnus Dei.

(Lam Gods) is de naam van een medaillon van wit was in ovalen vorm, met de beeltenissen van \'t Paaseh-lam en van Heiligen, plechtig gewijd door den Paus, wiens naam met het jaar der wijding onder het Lam staat. Men mag het Agnus Bei mat vertrouwen gebruiken tegen alle onheilen en ziekten, in \'t bijzonder tegen brand, schipbreuk, bliksem, hagelslag, storm; — ook in \'t bijzonder tegen de vallende ziekte en tegen de

14

-ocr page 233-

— 310 —

gevaren, waaraan eene vrouw met haar kind blootstaat. Een Agnus Hei behoort met eerbied bewaard en behandeld te worden; mag niet verguld of beschilderd noch minder verkocht, maar wel gedeeld en weggeschonken worden.

Anker.

Zinnebeeld der hoop , des gedulds en der standvastigheid. In de eerste tijden met bijvoeging van twee visschen, symbolen der Christenen, diende het Anker voor een geheim teeken van het Kruis, waarop het gelijkt. De eerste Christenen hadden dit teeken lief, blijkens vele afbeeldingen op ringen en andere kostbaarheden. De visch die er bij voorkomt is de IX0ï£. Spus in Christo.

Akend.

a. Zinnebeeld van den H. Joannes Evangelist. Soms met inktvat en schrijfpen aan een lint in den bek.

h. Beeld der onsterfelijkheid. „Mijne jeugd zal zich vernieuwen als van den adelaar.quot; Ps. CII, 5.

c. De arend, die zijn nest op de hoogste plaatsen bouwt en zijn jongen naar de zon voert, is een zinnebeeld van het contemplatieve leven , dat zich door de woelingen der wereld niet laat storen, en tot God, de

-ocr page 234-

— 211 —

verlichtende en koesterende Zon der zielen, opvoert. (*)

Ark van Noë.

a. Op de wateren veilig gedragen , zinnebeeld der H. Kerk, buiten welke geene zaligheid is. Ontelbare malen in de oudheid afgebeeld. Area Noë nostri ty-pus est, deed de H. Ambrosius er onder schrijven.

b. Als behoudsark voor alle soorten van dieren, beeld van Maria, toevlucht voor rechtvaardigen en zondaren van alle slag.

Ark des Verbonds.

a. Zinnebeeld van het H. Sacrament, wijl in de Ark het Manna bewaard werd.

b. Zinnebeeld van Maria, over wie de H. Geest kwam en wie de kracht des Allerhoogsten overschaduwde; — in wie het eeuwige Woord des Vaders zijne woon vestigde.

Aspis of Aspic.

Zie Monsters.

Basiliscüs.

Zie Monsters.

(*) De oude latrijns hadden algemeen den vorm van een arend met opengeslagen wieken: het iied der zangers moest tot voor Gods troon opklimmen, gelijk de arend naar het hoogste der hemelen stijgt, hadden de Kerkvaders geleerd.

-ocr page 235-

— 212 —

Berg.

Symboliseert Jesns Christus. N. 132. De figuur van een Berg alleen als symbool van J. C. zou te duister zijn. Bij Burgt of Kasteel op een berg, Kerk op een hoogte. Lam op een berg of heuvel heeft de verhevenheid eene andere beteekenis.

Burgt op een berg.

Beeld van Jesus\' Kerk , die zichtbaar voor de gan-sche wereld zich niet verbergen kan, evenmin als eene stad op een berg. Matt. V, 14.

Doodshoofd.

a. Onder een Kruisbeeld. Zie onder de Attributen van een Crucifix. Hierna §. V.

h. Bij Heiligenbeelden: zinnebeeld van aanhoudende overweging van den dood, — van strenge boetvaardigheid. Voorbeelden: H. Hiëronymus, H. Franciscus van Assisië.

Druiven.

Zinnebeeld van het H. Sacrament des Altaars. De druif geeft den Wijn. — Op zeer oude monumenten vindt men duiven pikkende aan druiventrossen of in eene wijnschaal zich lavende: bevallige voorstelling der zuivere zielen, die zich laven met den Wijn, die maag-

-ocr page 236-

den voortbreDgt. Vinum germinans virgines.

Duif.

a. Zinnebeeld van den H. Geest; wijl bij den Doop van Christus de H. Geest in de gedaante eener Duif nederdaalde. Als zinnebeeld van den H. Geest de Duif in Doopkapellen (bij den doop van Clovis werd daarom een gouden Duif in het Doophuis te Eeiuns gehangen), — boven den Zetel eens Bisschops, — boven een Preekstoel, en op verscheidene kerkelijke voorwerpen ter versiering. — Bij de voorstelling van de ne-derdaling van den H. Geest over de Apostelen beelden de schilders veelal de Duif tegelijk met de vurige tongen — ter aanduiding der deugden, welke de H. Geest uitwerkt. — Attribuut bij de beelden dier Heiligen , die gehouden worden met een bijzonderen bijstand van den H. Geest te zijn bevoorrecht geweest, bijv. de H. Thomas van Aquinen. Somtijds is eene Duif boven hun hoofd zwevende gezien, als bij den H. Gregorius den Groote, zijne werken dicteerende;— bij den H. Fa-bianus, die om deze verschijning, a]s door den H. Geest aangeduid, tot Paus verkozen werd.

b. Zinnebeeld van Jesus Christus. Bijna alle volken der oudheid zagen in de Duif het symbool der liefde. Hier is de Duif het symbool der hoogste liefde, vau

-ocr page 237-

Jesus in zijn aanbiddelijk Sacrament, de bron der liefde en anderer deugden , waarvan tegelijk de Duif het zinnebeeld is, als der eenvoudigheid, zachtmoedigheid, vredelievendheid, reinheid, onschuld, maagdelijkheid. — Hoe zinrijk was derhalve die zilveren of gouden Duif, boven het Altaar opgehangen, waarin oudtijds het H. Sacrament bewaard werd! (1) Van deze Duif-Ciborie gewaagt reeds Tertullianus, als hij zegt: De afbeelding van den H. Geest zoekt (hangt gekeerd naar) het Oosten , het beeld van Christus (Ainat figura Spiritus Sancti Orientem, Cbristi figuram) — eene Kerk daarvan noemende het Huis onzer Luwe.

c. Zinnebeeld der H. Maagd. Columba formosissima. De Duif van het Hooglied. Ave, Columba, cujus pen-nae deargentatae et posteriora dorsi in pallore auri, sanctissimi et illuminantis Spiritus fulgore irradiantur. S. Germanus.

d. Zinnebeeld der ziel waarin de H. Geest woont. De H. Benedictus zag de ziel van zijne zuster, de H. Scholastica, na haren dood in de gedaante eener Duif ten hemel stijgen.

1

Propterea etiam in vase in colurabae (quae symbolum carita-tis est) figura forraato, olim Eucharistia fuit asservata. Arcudius. De Concord. Eccles. oec. et orient.

-ocr page 238-

— 315 —

e. Eene Duif met een takje in den bek: zinnebeeld van verzoening en vrede. De Duif met een groenen olijftak naar de Ark terugkeerend. Toegepast op Maria ooor den H. Germanns; Wees gegroet, o Duif, die ons ainbrengt de vrucht van den olijf en den redder van den geestelijken zondvloed. — In de Catacomben symbo-lisïert eene Duif op een graf de zuivere ziel van den aldaar begraven Christen ; — heeft de Duif een olijftak in den bek, dan staat deze allegorische voorstelling gelijk met de dikwijls voorkomende bede: Spiritus tuus in pace; wn geest zij in vrede. Zou zulk een oud-Christelijk bevallig symbool; eene Duif met een olijftak — niet meer passen voor onze Katholieke grafgesteenten? Misschien voor iedereen niet duidelijk genoeg? Zeker niet zoo duidelijk als een doodskop.

f. Op de oudste monumenten, grafgesteenten en schilderwerk der Catacomben symboliseert het verschillend getal Duiven: twee de onoplosbaarheid van den huwelijksband, — twee, volgens sommigen, ook de Kerk uit het Jodendom en die uil het Heidendom,— zeven fa zeven gaven van den H. Geest,-—twaalf üe twaalf Apostelen, den Zaligmaker vergezellende, — een onbepaald getal Duiven bij eene fontein de Christen zielen, zich lavende aan de bron der genade.

-ocr page 239-

— 216 —

Eenhoohn.

Symbool van Jesus Christus. De hoorn beteekent ii\' de H. Schrift macht en sterkte. Christus nu is cb macht en sterkte bij uitnemendheid. (Het Lam in de Openbaring V, 6 had zeven hoornen, zinnebeeld der volmaakte macht van Hem , wien alle macht gegeven was.) De Eenhoorn op den schoot eener Maagd sjm-boliseert de menschwording van Jesus; —volgens de legende, dat de Eenhoorn, die zeer moeielijk te vangen is, zich gereedelijk overgeeft aan eene Maagd , zoadra bij hare stem hoort. De Verlosser der wereld daalde op de stem van Maria in haren zuiveren schoot neder , toen zij sprak: Mij geschiede naar uw woord.

Griffioen.

Zie Monsters.

Haan.

a. Symbool der waakzaamheid. Zie N. 142.

b. Symbool der verrijzenis ; wijl de Haan na de duisternis van den nacht den dag aankondigt.

Hand.

Zich geheel openend of zegenend op latijnsche wijze. Hand uit eene wolk , soms de hand op een Kruisvor-migcn nimbus: zinnebeeld van God den Vader, een

-ocr page 240-

— 217 —

teeken zijner macht of voorzienigheid. Soms in een rond met omschrift: Dextera. Domini; Rechterhand des Eeeren.

Hart.

Zinnebeeld der liefde, tezamen met Kruis en Anker de drie goddelijke deugden voorstellende.

Hakt met Keüis en Doobnenkeoon.

Verbeeldt het H. Hart van Jesus, alleen of met het H. Hart van Maria, in eene glorie; — is van veelvuldig gebruik, maar wel te onderscheiden van een Beeld van het H. Hart, cl. i. eene afbeelding van den Zaligmaker ten voeten uit volgens de bekende voorstelling. N. 14. Aan het bezoeken van eene Beeltenis van het Allerheiligste Hart van Jesus ter publieke ver-ecring uitgesteld (in beeld of geschilderd) zijn aflaten verbonden: deze gebeden behooren te geschieden,voor eene Beeltenis ten voeten uit. Raecolta. Nederd. Vert. bl. 179. Meer hierover bij §. V. Beeld van \'tH. Hart.

Hart met Krans van rozen en Zwaard.

Verbeeldt het H. Hart van Maria.

Herder met een schaap op de schouders.

Zinnebeeld van den Goeden Herder Jesus Christus. Veel gebruikt in de eerste tijden.

-ocr page 241-

— 218 —

Hekt.

Zinnebeeld van een heilig verlangen naar God, — naar Jesus Christus in het H. Sacrament , — naaiden hemel. Gelijk een hert verlangt naar de waterbronnen, zoo verlangt mijne ziel naar u, o God. Ps. XLI, 2.

Jonas met den visch.

Symbool van Jesus\' verrijzenis. Van veelvuldig gebruik in de eerste tijden.

Kasteel op een bekg.

Zie Burgt.

Kelk met de H. Hostie.

a. Verbeeldt het H. Sacrament.

h. Zinnebeeld der liefde met Kruis en Anker, de drie goddelijke deugden voorstellende.

Kekk op eene hoogte.

Te midden eener fel bewogen zee. Zinnebeeld dei-Kerk van Jesus op de Steenrots, het Pausschap, gebouwd , door hare vijanden te vergeefs bestookt.

Klaverblad aan één stengel.

Zinnebeeld der H. Drievuldigheid. N. 66. Volgens de legende verklaarde de H. Patritius aau de Ieren

-ocr page 242-

het mysterie der H. Drievuldigheid met een Klaverblad in de hand. Voor de Ieren is nog het Klaverblad het zinnebeeld hunner nationaliteit ; en bij feestelijke gelegenheden sieren zij zich de borst met een Klaverblad, zoowel de vrouwen als de mannen. Bij uitbreiding zinnebeeld der Theologie; waarom men oudtijds aan de Kerkleeraars een Klaverblad in de hand gaf.

Korenaren.

Zinnebeeld van het H, Sacrament. De Tarwe geeft het Brood.

Kruisbloem.

Menigvuldig in de Gothiek als finale. Vijf bloemen, eene boven de vier vereenigde oprijzende.

Lam.

a. Zinnebeeld van Jesns Christus, het Lam zonder vlek dat de zonde der wereld wegneemt, van het begin der wereld geslacht.

1. Het Lam liggend op een schotel — het Paasch-lam der Nieuwe Wet.

3. Het Lam liggend voor of op een Kruis of een Boek met zeven zegels =: J. C. als Zoenlam voor ons geofferd, en alleen waardig het verzegelde Boek van Gods raadsbesluiten te openen. Openb. V.

-ocr page 243-

— 230 —

3. Het Lam staande met eene bloedende wonde en den standaard der verrijzenis vasthoudende s J. C. dood zijnde geweest (Openb. V, 6) verrezen, zegevierend over den dood. Openb. I, 18. —Het Bloed uit de wonde wordt soms in een kelk opgevangen.

4. Het Lam staande op een berg of heuvel, waarvan de vier stroomen des Paradijzes afvloeien , symbolen der vier Evangelisten, die over de gausche aarde den overvloed en de vruchtbaarheid van Christus\' Leer hebben uitgestort. Of neven den heuvel staan van weerszijden zes schapen, die de twaalf Apostelen voorstellen, gelijk het Lam op den heuvel Christus verbeeldt. „Ik zend u als schapen te midden van wolven.quot; Matt.V, 16.

Het Lam was reeds van de oudste tijden de afbeelding des Heeren. Het Lam, kau men zeggen, was het Crucifix uit de eerste vervolgingseeuwen , toen men het Kruis nog zooveel mogelijk aan het oog van heidenen en zwakke nieuwbekeerden onttrok.

b. Zinnebeeld van den Christen. De Zaligmaker noemde zijne Kerk dien éénen Schaapstal, waarvan Hij de eene Herder is; — die kudde, welke Hij aan Petrus te hoeden gaf; Weid mijne lammeren , weid mijne schapen.

c. Als attribuut bij Heiligenbeelden in verschillende

-ocr page 244-

— 221 —

beteekenissen. H. Joannes de Dooper,— H. Agnes, — H. Franciscus van Assisië.

Leeüw.

a. Zinnebeeld van Jesus Christus, den Leeuw uit Juda\'s stam (volgens Genesis XLIX, 9 als de beloofde Messias uit den stam van Juda) die heeft overwonnen en verdiend het Boek te openen en zijne zeven zegels los te maken. Openb. V, 5.

h. Gevleugeld : zinnebeeld van den H. Marcus Evangelist.

c. Als attribuut bij een Heiligenbeeld beteekent woestijnbewoner (H. Hiëronymüs) of Martelaar voor de leeuwen geworpen (H. Ignatius, Biss. Mart. 1 Febr.).

d. Zinnebeeld der sterkte, eene der vier kardinale deugden.

e. Zinnebeeld der waakzaamheid. Bij den ingang ee-ner Kerk.

ƒ. Een briescbende Leeuw, beeld des duivels, die brullende leeuw, die uit is op roof, overal rond zoekende, wien bij zou kunnen verslinden. I Petr. V, 8.

Lelie.

Zinnebeeld der maagdelijke zuiverheid; derhalve als attribuut veelvuldig bij de Heiligenbeelden, en als symbool bij uitnemendheid van de Maagd der Maagden.

-ocr page 245-

Lier.

Symbool der Christelijke Godsvereering, vooral der heilige lofgezangen. Ook is de Lier het zinnebeeld van de wonderbare kracht der Evangelieprediking. Gelijk de fabel ons Orpheus voorstelt door de tonen zijner lier de wilde dieren temmende, zoo bedwingt en beschaaft de Christelijke prediking de meest barbaarsche volken.

Monsters.

Fantastische of denkbeeldige dieren, den duivelen de zonde voorstellende.

1. Aspis. Wordt voorgesteld in de legende als eene slang, die den balsemboom te bewaken had. Wilde de mensch van den boom plukken , dan moest hij eerst door betoovering deze slang doen inslapen ; maar, om zich aan de betoovering te onttrekken , trachtte zij haar een oor met haren staart te stoppen en haar ander met aarde te vnllen, door zich in het slijk te wentelen. Sicut aspidis surdae, et obturantis aures suas. Ps. L.VII, 5. De Aspis is het beeld dergenen die vrijwillig doof blijven voor de inspraken des Heeren.

2. Basiliscus. Wordt voorgesteld als een haan met den staart eeuer slang. Attribuut van den Laster. Gelijk dit monster wan verre door zijn blik den dood toe-

-ocr page 246-

— 323 —

brengt, zoo verderft de lasteraar door zijne booze tong zijn slachtoffer.

3. Griffioen. Wordt voorgesteld als een viervoetig gevleugeld dier met een arendskop.

4). Sireen. Volgens de fabelleer half vrouw en half vogel. Deze monsters, zegt men, zongen zoo verleidelijk schoon , dat zij de voorbijgangers tot zich lokten en ze daarna verslonden : de Sireen is alzoo het beeld der verleiding. In strijd met de dichters stellen de schilders en de beeldhouwers de Sirenen doorgaans voor als half vrouw en half visch. Chompré. Diet, abrege de la Fable.

Olijftak.

Zinnebeeld des vredes. Zie Duif met olijf takje.

Palm.

Palmboom aan een waterstroom : beeld van den rechtvaardige en van de zegelringen, die hij verwacht. Justus ut palma florebit. Ps. XCI, 13. en I, 3; — van J. C. als rechtvaardige bij uitnemendheid ; als overwinnaar en het leven schenkend; — van den boom des levens in Joannes\' Openbaring. XXII , 1 en 3.

Palmtak.

Zinnebeeld der overwinning, bij alle oude volken.

-ocr page 247-

— 224 —

Attribuut der Martelaren. Nogtans de palmtak op eeu oud-Christen graf duidt niet stellig een martelaar aan, de vaas of schaal met bloed moet er bij komen.

Passiebloem.

Zoo genoemd om de drie nagelen, die zich uit het hart der bloem verheffen, en alzoo symbool van het Lijden des Heeren. Sommigen willen uog in deze bloem zien het Kruis, de Laas eu de Doornenkroon.

Pauw.

• Oud zinnebeeld der verrijzenis; omdat gelijk deze vogel in de lente zich met schitterende veeren tooit, onze ziel bij de verrijzenis zich met een van heerlijkheid glanzend lichaam zal bekleeden. Ook als zinnebeeld der onsterfelijkheid, wijl in de meening der ouden het vleesch der Pauw onbederfelijk was.

Pelikaan.

Door zijne blanke kleur reeds de onbevlekte heiligheid van J. C. verbeeldende. Maar vooral;

a. Volgens de fabel heeft de Pelikaan tot zijn ge-duchtsten vijand de slang, die bij zijne afwezigheid in zijn nest sluipt en zijne jongen doodt. Om ze tot het leven terug te roepen, rijt de Pelikaan zich de borst open, en besprengt ze met zijn bloed. Jesus Christus

-ocr page 248-

heeft ons, toen wij door de helsche slang den dood gevonden hadden, door zijn Bloed het leven teruggeschonken. De H. Thomas in zijn Adoro Te spreekt J. C. aldus aan: „ Heere Jesus, o Pelikaan vol liefde, zuiver mij onzuivere door uw Bloed, waarvan een druppel voldoende is, om de gansche wereld van alle misdaden te redden.quot; Alzoo wordt te recht een Pelikaan bovenaan een Kruisbeeld geplaatst, als hadde hij zijn nest gebouwd in den Kruisboom.

b. De Pelikaan zich de borst openrijtende , om zijne jongen met zijn bloed te voeden: — zinnebeeld van J. C. in het H. Sacrament, zoo onze zielen voedende met zijn Goddelijk Lichaam en Bloed. In dezen zin wordt meestal de Pelikaan door het volk begrepen. Conrad Gesner, de duitsche Plinius, verhaalt van een egyp-tischen vogel, dat hij, uit liefde voor zijne jongen, zich in 130 dagen niet van het nest verwijdert om voedsel te zoeken; maar, de nood dwingende, zich liever de zijde openscheurt om zijne teelt met zijn bloed te voeden. Fabri thesaurus.

Phenix.

Fabelachtige vogel, die van zijne assche tot het leven terugkeert: zinnebeeld der verrijzenis. Onderschei-

13

-ocr page 249-

dingsteeken ; een nimbus of in den bek een palmtakje. De Phenix op een palmboom: den verrezen Christus als overwinnaar aanduidende.

Eoos. (1)

a. Zinnebeeld van Jesus Christus en van zijne H, Moeder afzonderlijk, zijnde de Eoos het zinnebeeld der schoonheid eu der liefde; der schoonheid door haren vorm, der liefde door hare kleur.

b. Zinnebeeld van Jesus Christus en zijne H. Moeder te zamen in den bloeienden rozelaar. De groene stam is het beeld vau Maria vol leven, haar ingestort door den H. Geest; — uit welke Maria Jesus geboren is, gelijk de Roos uit den stam opbloeit. De dorens verbeelden het sterfelijk leven, de menschelijke natuur, welke Jesus Christus heeft aangenomen. Hij de Onsterfelijke is voortgekomen uit de dorens onzer sterfelijkheid, gelijk de Koos uit de dorens. De Roos, J. C., de Bloem van Jesse, symboliseert door hare

1

De Gouden Roos, welke jaarlijks, ua plechtig gewijd te zijn, door den Paus aan een of ander persoon ter waardeering zijner verdiensten wordt geschonken, — is een teeken van vreugde voor de strijdende Kerk, het zinnebeeld der eeuwige heerlijkheid. De Kath. Illustratie 20 jaarg. bladz. 48 geeft eene afbeelding en beschrijving van de Gouden Roos, welke Leo XIII in 1886 geschonken heeft aan H. M. Christina, Koningin-Regentes van Spanje.

-ocr page 250-

— 237 —

roode kleur zijn eigen Bloed, waarvan Hij gansch geverfd werd bij zijne geeseling en kroning en kruisiging. „Waarom is rood uw gewaad, en zijn uwe kleederen als van die in de wijnpers treden ? De wijnpers heb ik alléén getreden.quot; Isai. LXIII, 2. 3.

Scheepje in storm.

Het Scheepje van Petrus, beeld der H. Kerk, den storm trotseerende.

Seepent aan een klluisstang.

Verbeeldt het koperen serpent door Moses in de woestijn op een stang geplaatst, ter genezing van die door de vurige serpenten gebeten waren. Num. XXI, 9. Beeld van J. C., aan het Kruis verheven, opdat, gelijk de Israëlieten door het aanzien van bet koperen serpent van de beten der vurige slangen genezen werden , een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe. Joan. Ill, 15.

Serpent aan den voet van eek Kruisbeeld

of aan de voeten eener madonna.

Verbeeldt het oude Serpent, den duivel.

Serpent in cirkelvorm.

Zinnebeeld der oneindigheid, der eeuwigheid.

I

-ocr page 251-

— 328 —

sleeen.

Zie Monsters.

Slang.

Als Serpent.

Ster.

a. Zinnebeeld der H. Maagd, die door haren zuiveren glans de sterren overtreft. Zij is de Zeesterre (Maris stella — Maria) die ons den koers wijst op de onstuimige wereldzee naar de veilige haven , het hemelseh vaderland (Amica stella naufragis); — zij is de blijde Morgenster (Stella matutina) die de Zou der rechtvaardigheid voorafging.

I. Bij versiering beteekent eene Ster iets hemelseh. Een gewelf met sterren bezaaid beteekent den hemel. Sterren, gestrooid op den mantel of de tuniek van Maria, beteekenen hare hemelsehe heerlijkheid. Eene ster boven het hoofd van een Engel of van eene allegorische vrouwenfiguur, met een Kruis en een Boek (Biblia of Evangelium) de Kerk of den Godsdienst verbeeldende, beteekent hemelsehe afkomst.

Steuisvogel.

Beeld der Synagoge. De struisvogel legt zijne eieren in het stof: — zoo deed ook de Synagoge, die geen

-ocr page 252-

— 229 —

zuiver hemelsoh verlangen vermocht te ontboezemen. Desniettemin heeft zij het leven aan de Apostelen geschonken ; maar God zelf heeft hen door zijn H. Geest verlicht en versterkt, van hen die edelmoedige mannen makende, welke de geheele wereld doorkruist en van aanschijn veranderd hebben.

Toonbrooden (Tafel der).

Figuur van het H. Sacrament, het Brood des levens, het levende Brood, dat uit den hemel gedaald is.

Visch.

Allermerkwaardigst symbool uit de eerste tijden. De Visch was hét Symbool van een Christen, die in bet water, (*) het element der visschen , herboren wordt. Ook had de Zaligmaker aan de Apostelen beloofd t Ik zal u visschers van menschen raaken (Matt. IV, 19). —• Maar de Visch was in de eerste tijden, toen men zoo zorgvuldig de verhevenste geheimen van den Godsdienst voor de ongeloovigen en de nieuwbekeerden verborgen hield, (**) — een allerschoonst en geliefd symbool van Jesus Christus. En waardoor ? Door de grieksche benaming van Visch IX0ÏS, zijnde deze vijf letters de

(*) Vandaar dat de doopvont piscina (vischvijver) werd genoemd.

(**) Diseiplina arcani s tucht der geheimleer.

-ocr page 253-

— 230 —

eerste letters van de vijf volgende woorden : Irjaou; Xpn-t05 0£o\'j Tto? Scuttjp, zooveel als Jesus Christds Goüs Zoon Verlosser; — zoodat in het figuur van een Viseh de twee groote mysteriën der Menschwording en der quot;Verlossing zoo geheimzinnig waren opgesloten, dat de Visch voor de oningewijden wel een onoplosbaar raadsel moest zijn.

Weegschaal.

Zinnebeeld der rechtvaardigheid.

Wijnstok.

Zinnebeeld van J. C. en zijne leerlingen, volgens zijn woord: „Ik ben de wijnstok en gij zijt de ranken.quot; (Joan. XV, 5). — Ook duidt de Wijnstok op het H. Sacrament. Zie Bruiven.

Zon.

Symbool van J. C., de Zon van rechtvaardigheid. Eene Monstrans in den vorm eener zon. N. 214. De Zoete Naam in eene zon of glorie; de H. Bernardinus. — De zon met de maan boven de afbeelding des Ge-kruisten. Zie attributen van eeu Kruisbeeld.

305. Figuren, waarmede men, buiten de reeds vermelde, een Altaar of Troon van de H. Moeder Gods als met zoovele zinnebeelden vau Maria versierd kan

-ocr page 254-

vinden;

а. Uit de Litanie van Lorette:

1. Een Spiegel als Spiegel der keohtvaabdigheid , om Maria\'s onbevlekte schoonheid, eene afstraling der gcddelijke majesteit en goedheid. Boek der Wijsheid

Vil, 26.

Een Stoel of Zeiel als Zetel der wijsheid, da Trotu, dien J. C., de eeuwige wijsheid, zich gekozen heeft.

3. Een gouden Vaas als Geestelijk vat. Eerwaardig vat, Uitmuntend vat van godsvrucht, waarin de H. Geest zijne rijkste gaven heeft gestort, en waaruit de heerlijkste geur van lof en aanbidding tot God opstijgt.

4. Ben Toren die hechtheid en sterkte teekent, als Token van David, beeld van Maria\'s macht en sterkte. Turris draconi impervia, (1)

5. Een Toren, sierlijk eu rijzig in vorm, als Ivoren toren, beeld van Maria\'s schoonheid en majesteit.

б. Een gouden Huis als Huis van goud ; de prachtige

1

In de twee torens eener Kerk ziet men in dien ten Zuiden den Davidstoren en in dien ten Noorden den Elpenbeenen Toren, tegen het Vrouwenpand.

-ocr page 255-

— 232 —

Tempel van Salomon; Maria de prachtigste Tempel, door God zeiven gebouwd en met zijne heerlijkheid vervuld.

7. Een Foort als Deur des hemels: door Ma.\'ia kwam God tot ons, door Maria moeten wij gaan tot God. Salve porta, ex qua mundo lux est orta. Quae pervia coeli porta manes.

b. Uit het Hooglied:

Eene Zon, — eene Maan , — eene Lelie tusschen dorens.

\' c. Uit den Ecclesiasticus;

Een Ceder, — een Cipres, — een Olijf.

306. Welke van deze symbolen of emblemen kunt gij

aanwijzen in onze Kerk ?

§. V. Heiligenbeelden en Groepen. Tafereelen of Tableau\'s.

307. Wat is de beteekenis of de bestemming der Heiligenbeelden in onze Kerken? — Hoe eenvoudig en duidelijk verklaarde de Groote Gregorius reeds voor dertienhonderd jaar de Katholieke Geloofsleer wegens de Heiligenbeelden! „ Het beeld van onzen Zaligmaker verlangt men niet, om het als God te vereeren; maar

-ocr page 256-

opdat bij de herinnering aan den Zoon Gods de liefde meer ontvlamme tot Hem, wiens beeld men vvenscht te zien. Evenzoo buigen wij ook niet de knieën voor bet beeld als voor eene Godheid; maar vereeren daardoor alleen Hem, aan wien wij door het beeld herinnerd worden, hetzij gelijk Hij geboren werd, of gelijk Hij geleden heeft, of gelijk Hij op den troon gezeten is. En terwijl het beeld onze gedachten tot den Zoon Gods heenvoert, stemt het ons hart of tot vreugde over zijne verrijzenis of tot droefheid over zijn lijden.quot; — En hoe schoon en klaar is wat voor elfhonderd jaar Paus Gregorius II schreef aan Keizer Leo den Isaurier, den Voorlooper van de Beeldstormers der XV]gt; eeuw! „Gij zegt, dat wij steenen , muren en tafels aanbidden. Dat is niet zóó. Alleen wordt ons daardoor het geheugen gescherpt en de onverstandige en stompe zin opgewekt door degenen, wien deze namen en -betee-kenissen toekomen, en van wie deze beelden slechts afbeeldingen en geene afgodsbeelden zijn, gelijk gij zegt. Dat zij verre 1 Want niet op die beelden stellen wij onze hoop, en wanneer het een beeld des Heeren is, zoo zeggen wij: Heer Jesus Christus, Zoon van God, help ons, red ons; — wanneer het daarentegen een beeld van zijne Heilige Moeder is, zeggen wij : Hei-

-ocr page 257-

— 234 —

lige Moeder van God onzen Heer, bid voor ons bij uwen Zoon , onzen God, om onze zielen te redden; — wanneer het echter een Martelaar is, zeggen wij bijv.; H. Stephanus, gij die voor Christus uw bloed vergoot, en als eerste der Martelaren het recht van voorbede hebt, bid voor ons.quot; — Hoe eenvoudig! Is het niet alsof wij onze Priesters de Catechismusles over de vereering van de Heiligen en hunne beelden hooren uitleggen? En toch die uitlegging werd voor meer dan duizend jaren door Roomsche Pausen, de hoogste Leeraars der Kerk, gegeven.

308. Naast de waardeering der beeldende kunsten, wanneer zij beitel en penseel aan de Kerk ten dienste bieden, om niet alleen de woontente des Heeren met hare scheppingen op te luisteren, maar tevens het ge-loovige volk te onderwijzen en te stichten ; — mogen wij niet nalaten te waarschuwen tegen het huidige naturalisme, dat niet slechts de litteratuur, maar ook de schoone kunsten, vooral de schilder- en graveerkunst, als wapenen bezigt tot bestrijding van bet bovennatuurlijke, van Evangelie en Katholieke overlevering. Deze waarschuwing zal men niet ontijdig noemen ; als men weet, dat het ook hier te lande smaak begint te worden ongeloovige artisten te verheerlijken, die er zich op

-ocr page 258-

— 235 —

toelegden om godsdienstige onderwerpen tot nog erger dan ongodsdienstige schilderingen te verwerken. De Evangelische voorstelling wordt ontdaan van het ideale; de Katholieke overlevering moet verdwijnen; een valsch realisme wordt gehuldigd, eene onderstelling uit de verbeelding gegrepen. En het doel? \'t Is alsof zij u vragen: „ Hoe hebt gij dat feit . . . uit het Evangelie u voorgesteld ? Zie , zoo roepen zij brutaal: daar hebt ge \'t; zóó, zóó was het, en niet anders.quot; Dat is nu wel het uiterste , in den geest van Kenan ; doch men zij immer op zijne hoede. Wil men voor eene Kerk tafereelen of personen uit het Nieuwe Testament of de latere historie der Kerk en der Heiligen afgebeeld, men bezige alleen werken van erkende Katholieke kunstenaars, die daarbij de Katholieke overlevering geëerbiedigd hebben.

309. Wat beteekent de Glorie of lichtschijn om de beeltenis van een Goddelijken of van een Heiligen Persoon?— De uitstraling hunner heiligheid en heerlijkheid.

Fan een Heiligen Persoon. Op oude monumenten vindt men ook Pausen en Keizers, die niet heilig zijn verklaard , met een Nimbus versierd ; wijl een Nimbus ook gebezigd werd als een teeken van de hoogste macht,

-ocr page 259-

— 236 —

\'t zij geestelijke of wereldsche. Deugden, Gewesten en Steden, als personen voorgesteld, ontvingen soms een Nimbus. — Merken wij nog op, dat de Heiligen van het Oude Testament in \'t Westen geen Nimbus hebben , in \'t Oosten wel.

810. Hoevelerlei Glorie of straalkrans onderscheidt men ? — Tweederlei: de Aureool en den Nimbus. (•)

311. Wat is eene Aureool?—Eene Glorie om de gansehe beeltenis, doorgaans in amandel- of viseh-vorm; dat is: een ovaal met spitse punten. Er zijn ook ronde en vierbladige. Alleen de drie Goddelijke Personen en de H. Maagd worden met eene Aureool omgeven.

312. Wat is een Nimbus? — Een Straalkrans om het hoofd, doorgaans rond, als een rond schild of kroon. Oudtijds had men ook drie- en vierhoekige, altijd verticaal of rechtstandig. Een driehoek om het hoofd van God den Vader is nog gebruikelijk, wijzende op de H. Drievuldigheid.

313. Wat beteekent een kruisvormige Nimbus? — Het kruis op een Nimbus is een teeken der Godheid; zoodat een kruisvormige Nimbus alleen aan de drie

-ocr page 260-

Goddelijke Personen eigen is. Alzoo God de Vader als een Grijsaard, of als eene Hand uit eene wolk; — de H. Geest als eene Duif, — en Jesus Christus in zijne Menschheid of symbolisch als een Lam — hebben een kruisvormigen Nimbus. (*)

314. Hoe wordt het kruis op den Nimbus verklaard? — Niet als het Lijdenskruis, maar als eene overvloedige uitstraling der slapen en der hersenen,

— der slapen, waar het leven door den aderslag zich openbaart, — der hersenen , waar het veratand gedacht wordt zijn orgaan te hebben. Wijl slechts drie kruisarmen zichtbaar zijn, willen sommigen daarin zien een symbool der H. Drievuldigheid. — Anderen daarentegen erkennen in dezen Nimbusvorm juist het Lijdenskruis, en wel zóó, dat zij den kruisvormigen Nimbus alleen toegekend willen zien aan Jesus Christus, en het als een misduiding en misbruik veroordeelen, wanneer aan God den Vader of den H. Geest deze Nimbus gegeven wordt. Pascal. Institations de Tart chrétien, ci-tées par la Revue de l\'art chrétien. II, 73 et 177.

315. Welke kleur wordt aan eene Glorie gegeven?

— De gewone kleur is de gele of goudkleur, als de

(*) Een rechtstandig of grieksch kruis, geen schuinsch of St-Andrieskruis. Drie armen slechts zichtbaar.

-ocr page 261-

— 238 —

edelste en schitterendste kleur. Vindt men Nimbussen met andere kleuren, dan heeft dit hierin zijn grond, dat eene Glorie lidtt moet verbeelden: nu het licht is verscheiden van kleur, als ons duidelijk is in den regenboog.

A. Voorstellingen der H. Drievuldigheid.

316. I. De treffendste voorstelling der H. Drievuldigheid is de Doop van Jesus Christus in groep of tafereel volgens de Evangelisten. Men vindt God den Vader voorgesteld door een lichtbundel of eene hand uit eene wolk, wijzende op den Zaligmaker, met de woorden: Deze is mijn Kelbeminde Zoon. — Op oude doopvonten menigmaal door een menschelijk boofd met Nimbus, in een halven cirkel, waardoor de hemel beteekend wordt. — Soms ontbreekt de voorstelling van God den Vader.

II. Van veelvuldig gebruik is deze voorstelling: — het beeld van een Grijsaard (*) in zittende houding als de Oude der dagen in een sneeuwwit kleed (bij Daniël VII, 9) roet een rijksstaf in de hand en een wereldbol neven zich, als Schepper, Heer en Bestierder

(*) Het Hoofd ongedekt of versierd met de Keizerlijke Kroon of roet de Pauselijke Tiaar. De Tiaar soms met vier of vijf kronen. Zóó ook God de Vader alleen als Keizer of Paus, ten teeken zijner opperste macht.

-ocr page 262-

van het heelal;—aan de rechterhand des Vaders het beeld van Jesus Christus zittende, met de Vijf Wonden geteekend en het Kruis vasthoudende; — daarboven in glorie de Duif, verbeeldende den K. Geest,

III. God de Vader, gezeten op een troon of een regenboog (de voeten ook rustende op een tweeden regenboog) met beide handen vasthoudende den dwarsbalk van het Kruis (meestal in den Tau-voxm) waaraan Jesus Christus hangt te sterven. „ Zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft.quot; Joan. lil, 16. De Duif als de H. Geest — boven of tussehen beiden. In zeer oude voorstellingen ziet Hien de Duif tussehen het hoofd van God den Vader en het hoofd van God den Zoon, de eene vleugel reikende aan den mond des Vaders, de andere aan den mond des Zoons, om aan te duiden, dat de H. Geest van den Vader en den Zoon voortkomt.

EI. Beeltenissen van Jesus Ohristns.

317. Welk is het voornaamste beeld in eene Kerk? — Het Crucifix of het beeld van Jesus Christus aan het Kruis, \'t Is het voornaamste en noodzakelijkste beeld, omdat het aan geen Altaar kan gemist worden. N. 163. Het Crux triumphalis. N. 99.

-ocr page 263-

318. Wat wordt voor een deugdelijk Crucifix verlangd, of wat strekt ten minste tot aanbeveling?

I. Een latijnsch Kruis, rond of hoekig, eenvoudig of versierd.

Men zoeke niet den ruwen Kruisboom na te bootsen; wijl men aangenomen heeft het Kruis te beschouwen als het werktuig en het zinnebeeld der Overwinning en der Heerlijkheid, als den troon, waarvan Jesus Christus dood en hel, de gansohe wereld beheerseht. Regnavit a ligno Deus. Christus vineit, Christus regnat. Christus overwint, Christus heerseht.

II. Op den bovensten Kruisarm een plat breed rechthoekig bord, waarop de inscriptie meest I. N. R. I., de initialen van den latijnschen Titel (Zie N. 301); ook wel IHS. XPS.

Het Titelbord niet als van parkement, dun en gerold , maar volgens de overlevering als van hout en plat. Men schrijft den oorsprong van het Byzantijnsche Kruis (met de twee ongelijke dwarsarmen) toe aan het kortere Titelbord boven den langeren kruisarm.

III. Het Lichaam des Heeren recht uitgestrekt, de majesteit zijner goddelijke liefde uitdrukkende.

Niet pijnlijk in bochten gewrongen, gelijk men zich een misdadiger in wanhoop zou verbeelden.

-ocr page 264-

— 241 —

IV. De Doornenkroon op bet hoofd des Zaligmakers.

Gelijk men het Kruis versiert, zoo heeft men oudtijds de Doornenkroon soms met eene Bloemenkrans of met eene schitterende Koningskroon verwisseld, om Jesus Christus als onzen Koning te huldigen.

V. De armen des Zaligmakers hoe meer horizontaal uitgestrekt des te schooner.

Om de symholisolio beteekenis, dat de Zaligmaker zijne armen uitstrekt als om de gansche wereld in zijne vaderlijke omhelzing te omvatten. Men noemt Jansenistische Christusbeelden dezulke, welke de armen verticaal omhoog uitstrekken , als om ze van de aarde af te wenden en het kleine getal der uitverkorenen te beduiden. Ma-nibus non expansis, sed in altum fixis. Dergelijke voorstelling is niet geoorloofd. Derhalve zal het moeilijk zijn een onberispelijk Corpus van ivoor uit één stuk (volgens de kunst schooner dan met aangezette armen) in tamelijke grootte te snijden.

VI. Het hoofd des Zaligmakers ter rechterzijde geneigd. (*)

(*) In enkele Kerken wijkt de as van het Priesterkoor merkelijk af van de as van het schip naar het Noorden , waarschijnlijk sym-boliseerende de richting van het hoofd des stervenden Zaligmakers. Tot voorbeeld wordt o. a. aangehaald de Sinte Gudule te Brussel.

16

-ocr page 265-

— 242 —

Bediedt, dat de Christus stervende zich heeft afgewend van de Joden ten teeken hunner verwerping , — en zich geneigd heeft naar het Noorden, naar de kille duisternissen van het Heidendom.

VIL De Zijdewonde ook ter rechter.

Ook naar den kant der Heidenen heeft zijn Goddelijk Bloed gestroomd, — voor hen heeft Hij zijn Goddelijk Hart geopend.

VIII. Een breede doek eenvoudig om de lendenen ■ geslagen.

Geen smalle strook of ineen gedraaide gordel, zeer onnatuurlijk en niet stichtend. — Op de oudste Crucifixen is de Christus gedekt door een colohium of tuniek (met of zonder mouwen) van de schouders tot de voeten ; — op de latere door een perizonium of rok van de heupen tot de knieën. De kleur van den lendendoek is doorgaans wit. Te .Rome ziet men Christusbeelden met een lendendoek van roode zijde, met gouden galon en franje afgezet.

IX. De voeten neven elkander met twee, of op elkander met één Nagel aan \'t Kruis gehecht.

De voeten neven elkander is de oudste en waarschijnlijkste voorstelling. Bijna alle Kruisbeelden voor de XII eeuw hebben vier Nagelen. — Op do oudste Crucifixen bespeurt men soms volstrekt geen nagelen : — Christus

-ocr page 266-

tegen het Xruis, maar niet daaraan vastgehecht, om te beteekenen, dat Christus zich vrijwillig voor de zaligheid der menschen heeft opgeofferd. Niet de nagelen, maar zijne liefde hechtte Jesus aan het Kruis, en deed Hem, ondanks de tergende godslastering: Kom af van het Kruis, zoo Gij de Zoon Oods zijt, aan het Kruis blijven en sterven. Deze symbolische voorstelling heeft niets te maken met die Christusbeelden welke ook geen nagels hebben , maar toch koppen van nagels vertoonen. (1) Op eene of andere wijze (door schroeven of soldeer) is het Corpus aan het Kruis vastgemaakt; maar zijn liet dan echte Crucifixen^. Een Crucifix is Jesus Christus Ciirci fixus: Jesus Christus aan het Kruis gehecht , natuurlijk gelijk Hij eenmaal aan het Kruis is gehecht geworden, te weten: met nagels. — Van een gewijd Crucifix met aflaat mag het Corpus op een ander Kruis worden vastgemaakt, zonder gevaar van den aflaat te verliezen.

X. De Nagelen vierkant met ronde koppen.

Volgens de overlevering. Dusdanig is de Nagel, bewaard in de Kerk van \'t H. Kruis van , Jerusalem te Rome, als blijkt uit de fac-simile\'s, die naar het bijgevoegde getuigschrift volmaakt gelijk zijn aan dezen Na-

1

Mcq begrijpt waarom men die koppen zonder nagels zoo veelvuldig ziet aangewend ; maar hoe nagelkoppen op de polsen in plaats van in de handen te verklaren ?

-ocr page 267-

— 244 —

gel, een van die , ■waarmede O. H. J. C. aan het Kruis gehecht is geweest.

XI. De voeten steunend op een dwarsbalk {suppeda-neum).

Volgens de overlevering. Zoo wordt de horizontale richting der armen gerechtvaardigd. Dit suppedaneum is wellicht aanleiding geweest voor het Kruis met drie dwarsbalken.

319. Wat verstaat men door een Calvarieberff? — Jesus Christus aan het Kruis met Maria en Joannes, Maria ter rechterzijde , de nieuwe Eva, in wie de schuld der eerste Eva is weggenomen en de Vrouw hersteld geworden. Is het Christusbeeld betrekkelijk veel grooter dan de beelden van Maria en Joannes, dan wil men daardoor de majesteit van den Gekruiste beter doen uitkomen. (1) Zulk een groep wordt een Calvarieberg genoemd, ofschoon de plaats der kruisiging geen «w? was, maar slechts eene weinig verhevene , ronde en kale rotshoogte. Wat men een Calvarieberg noemt, veronderstelt ook geenszins iets dat op een berg gelijkt. 320. Noem eenige attributen , die bij een Crucifix

1

Dit verschil in grootte der figuren werd in de middeleeuwen dikwijls toegepast met gelijke bedoeling.

-ocr page 268-

— 345 —

of Calvarieberg gevonden worden. — Boven het Kruis de Hand van God den Vader met Nimbus ziju Godde-lijken Zoon zegenend , — of wel de Duif als beeld van den H. Geest. — Aan \'t boveneind des Kruises de Pelikaan , zinnebeeld des lijdens. — Boven den dwarsbalk Zon en Maan. — Engelen die in bekers liet Goddelijk Bloed uit de Wonden opvangen. — Onder de voeten des Gekruisten een Kelk. — Aan den voet des Kruises een doodshoofd; — ook een serpent.

331. Wat beteekenen op een tafereel der Kruisiging de Zon en de (halve) Maan boven den dwarsbalk? — De Zon (meestal) ter rechter-, de Maan ter linkerzijde. Aanvankelijk mogen de Zon en de Maan (soms in men-schelijke of mythologische gedaante) op het tafereel der Kruisiging de verduistering der Zon bij het sterven des Verlossers en de deelneming des firmaments in den dood en de zegepraal zijns Makers beteekend hebben , gelijk ook Engelen, de Aarde en de Oceaan , in figuren , werden toegevoegd , om den rouw der gansche natuur bij den dood van haren Schepper, en de zegeningen over de gansche natuur door dien dood uitgestort, af te beelden; — weldra nogtans werden aan de Zou en de Maan symbolische bediedenissen toegeschreven. De Zon aschgrauw, symbool van het Jood-

-ocr page 269-

sohe volk, dal geschitterd heeft als de Zon, maar in schande onderging; — de Maan rood, symbool der Synagoog, roodgeverfd door het Bloed van den Christus, dat zij vergoot.— Of: de Zon en de Maan sym-boliseeren de Twee Testamenten, de Kerk en de Synagoog. De Kerk, gelijk de Zon des daags, verspreidt haar licht en luister over de gansche aarde; — de Synagoog heeft alleen, gelijk de bleeke Maan in de nachtelijke duisternis, zwak en flauw voor het slecht ziende, in \'t eind gansch blind geworden Joodsche volk \'geschenen. — Anders nog: de Zon, symbool van Jesus Christus, de Zon der gerechtigheid , — de Maan, symbool der Kerk, die, gelijk de Maan van de Zon, haar licht ontvangt van Jesus Christus ; — en toen de Zon op het Kruis werd uitgedoofd, verloor ook de Maan haar klaarheid, dat is; de Kerk deelt in het lijden van haren Verlosser.

323. Wat beteekent de Kelk onder de voeten des Gekruisten ? — \'t Is waarschijnlijk (zegt Didron, in zijne Iconographie) dat die Kelk is de heilige Geaal , in de middeleeuwsche sagen zoo vermaard. De Graal, zegt men, was gebruikt bij het laatste Avondmaal; in dien beker had de Zaligmaker den wijn in zijn Bloed veranderd. Vervolgens zou Nicodemus of wel Joseph

-ocr page 270-

i

— 247 —

van Arimathea in dien heiligen beker het Bloed hebben opgevangen uit de Wonden des Heeren. Later verd de geheimzinnige Graal overgebracht naar Frankrijk, waar hij het onderwerp werd van vele en lange heldensagen. — Maar als dit alles volgens de geleerden niet meer dan waarschijnlijk is, wie zal dan afkeuren , dat de eenvoudige geloovige in dezen Kelk zie den Kelk des lijdens, dien de Zaligmaker in den Ho; van Olijven zich bereid zag, en de hemelsche Vader niet wilde wegnemen , en dien de liefderijke Verlosser gedronken, tot den laatsten druppel, aan het Kruis stervende , geledigd heeft ?

323. Wat beteekent het doodshoofd (met of zonder gekruiste beenderen) aan den voet van een Crucifix? — Dit doodshoofd kan gehouden worden: 1. als eene herinnering aan den Golgotha of Calvarië, wat beteekent Schedelplaats, om den vorm zoo genoemd of wel om de bestemming als begraafplaats; — 2. als eene herinnering aan de legende, volgens welke op dezelfde plaats de eerste Adam begraven werd, waar de tweede Adam gekruist is, die door zijn dood ons het leven teruggaf, wat de eerste door de zonde ons ontnomen had (op Adams schedel vloeide, volgens sommige overleveringen, het Bloed van Christus, toen de aarde

-ocr page 271-

scheurde, waardoor het graf van den eersten menscb werd geopend); — 3. als een symbool des doods, om voor te stellen de zegepraal van Jesus Christus over den dood.

334. Wat beteekent het serpent aan den voet des Kruises? — De zegepraal van Jesus Christus over den duivel, volgens de voorzegging door God zeiven gedaan in het Paradijs. Genesis III, 14 en 15.

325. Welke beeltenis van Jesus Christus is na het ^Kruisbeeld de voornaamste ? — De beeltenis van zijn H. Hakt (N. 14), wel het meest om deze reden, dat Jesus zelf aan de Gelukzalige Margareta Maria heeft verklaard: Hij wensebte zóó in beeltenis te worden voorgesteld, gelijk Hij haar verschenen was, zijn r.egen belovende aan die huizen , waar eene beeltenis van zijn H. Hart zou zijn tentoongesteld. Paus Pius VI bij Kescript van 3 Januari 1799 vergunde „een aflaat van 7 jaar en even zoovele quadragenen aan alle geloovi-gen , die ten minste met rouwmoedig hart en met godsvrucht de beeltenis van het allerh. Hart van Jesus bezoeken, ter publieke vereering uitgesteld in welke kerk, bedeplaats, of op welk altaar ook, en eenigen tijd bidden volgens de meening vau Z. H.quot; Eaccolta of Verzameling van gebeden enz. bladz. 179.

-ocr page 272-

326. Wat is eenEccE homo?—ZieN, Wi.Eecehomo.

327. Hoe wordt Jesus verrezen voorgesteld? — In glorie met de Vijf Wonden en den standaard der verrijzenis. Zie N. 304. Bet Kruis. 3. a. BI. 208.

O. Eenige voorname afbeeldingen van de H. Maagd, Madonna\'s of Mariabeelden.

338. 1. Maria mei het Kind op den arm. Voornaamste aller voorstellingen , — beteekent het Goddelijk Moederschap van Maria. Moeder Gods is haar hoogste titel, waaruit de andere voortvloeien.

Gewoonlijk strekt het Kind de rechterhand zegenend uit, en houdt in de linkerhand, als Verlgsser der wereld , een bol met een Kruis er op. Verkeerdelijk ziet men soms het zegenend handje een bloempje aangebonden , waardoor het ophoudt te zegenen.

2. Maria in zittende houding, met het Kind op den schoot. Oudste voorstelling; beteekent hare majesteit, die zij ontleent aan haar Goddelijk Moederschap; daarom wordt zulk beeld eene Maesta genoemd. J. C., zijne Moeder kronende, heeft haar doen nederzitten aan zijne rechterhand , en van zijne haar deelgenootegemaakt.

In zittende houding met het Kind op den schoot. In het romaansche tijdperk raakt Maria nauwelijks het Kind

-ocr page 273-

scheurde, waardoor het graf van den eersten menscb werd geopend); — 3. als een symbool des doods, om voor te stellen de zegepraal van Jesus Christus over den dood.

334. Wat beteekent het serpent aan den voet des Kruises? — De zegepraal van Jesus Christus over den duivel, volgens de voorzegging door God zeiven gedaan in het Paradijs. Genesis III, 14 en 15.

335. Welke beeltenis van Jesus Christus is na het ^Kruisbeeld de voornaamste ? — De beeltenis van zijn H. Hakt (N. 14), wel het meest om deze reden, dat Jesus zelf aan de Gelukzalige Margareta Maria heeft verklaard: Hij weoschte zóó in beeltenis te worden voorgesteld, gelijk Hij haar verschenen was, zijn zegen belovende aan die huizen, waar eene beeltenis van zijn H. Hart zou zijn tentoongesteld. Paus Pius VI bij Rescript van 3 Januari 1799 vergunde „een aflaat van 7 jaar en even zoovele quadragenen aan alle geloovi-gen, die ten minste met rouwmoedig hart en met godsvrucht de beeltenis van het allerh. Hart vau Jesus bezoeken, ter publieke vereering uitgesteld in welke kerk, bedeplaats, of op welk altaar ook, en eenigen tijd bidden volgens de meening van Z. H.quot; Raccolta of Verzameling van gebeden enz. bladz. 179.

-ocr page 274-

336. Wat is eenEccE homo?—ZieN. 303. Eccehomo.

337. Hoe wordt Jesus verrezen voorgesteld? — In glorie met de Vijf Wonden en den standaard der verrijzenis. Zie N. 304. Bet Kruis. 3. a. BI. 308.

C. Eenige voorname afbeeldingen van de H. Maagd, Madonna\'s of Mariabeelden.

338. 1. Maria met het Kind op den arm. Voornaamste aller voorstellingen , — beteekent het Goddelijk Moederschap van Maria. Moeder Gods is haar hoogste titel, waaruit de andere voortvloeien.

Gewoonlijk strekt het Kind de rechterhand zegenend uit, en houdt iu de linkerhand, als Verlgsser der wereld , een bol met een Kruis er op. Verkeerdelijk ziet men soms het zegenend handje een bloempje aangebonden , waardoor het ophoudt te zegenen.

3. Maria in zittende houding, met het Kind op den schoot. Oudste voorstelling: be:teekent hare majesteit, die zij ontleent aan haar Goddelijk Moederschap; daarom wordt zulk beeld eene Maesta genoemd. J. G., zijne Moeder kronende, heeft haar doen nederzitten aan zijne rechterhand , en van zijne haar deelgenoote gemaakt.

In zittende houding met het Kind op den schoot. In het romaansche tijdperk raakt Maria nauwelijks het Kind

-ocr page 275-

— 250 —

aan, zij de dienstmaagd des Heeren vol eerbied voor haren Schepper, dien zij den geloovigen ter aanbidding voorstelt. Jesus, geheel gekleed, niet gemeenzaam met zijne Moeder, maar ernstig en statig, met de eene hand zegenend , met de andere een boek of rol {volumen) vasthoudend, symbool der Nieuwe Wet, welke Hij der wereld kwam brengen. — In latere eeuwen onderscheiden zich de voorstellingen van Maria met liet Kind door zekere gemeenzaamheid; maar die mettertijd hare aangrijpende lieflijkheid verloor, om soms in eene (zacht uitgedrukt) al te menschelijke gemeenzaamheid te ontaarden. En voor het tegenwoordige: zijn de voorstellingen van Maria met het Kind , die ons onder de oogen komen, alle godsdienstig, stichtend ?

3. Maria met Icroon en schetter als Koningin des hemels , in heerlijkheid en macht alle Engelen en Heiligen verre te boven gaande. Indien Jesus de Koning is van de geheele wereld, dan is Maria de Koningin. Maar Jesus is de Koning der rechtvaardigheid, Maria de Koningin der barmhartigheid ; zij is de Esther van het Nieuwe Verbond. H. Liguori. üe glorie van Maria. Uitlegging van het Salve Reyina.

He vereering der Heiligen wordt in de Katholieke Kerk Dulia genoemd; — die van Maria, eene gansch bijzondere, Hyperdulia, de vereering van Maria als Hei-

-ocr page 276-

lige boven alle Engelen en Heiligen; — de goddelijke eer van aanbidding , alleen aau God toekomende, wordt Latria genoemd.

4. Maria , als tweede Eva, baar Goddelijk Kind een appel aanbiedende. Deze appel verbeeldt de vrucht der gehoorzaamheid en des levens, die zij de tweede Eva den tweeden Adam aanbiedt, — in tegenstelling van de vrucht der ongehoorzaamheid en des doods, welke de eerste Eva den eersten Adam heeft aangeboden. Zóó de Zoete L.-V. van den Bosch.

5. Maria met het ontzielde Lichaam van haren Zoon op den schoot, Nood Gods of Pietd genoemd. Field be-teekent Compassio, Medelijden.

ti. O.-L.-V. der Zeven Weeën. Mater dolorosa. Maria het Hart met een zwaard doorboord; plastische voorstelling van Simeon\'s voorzegging bij Luc. 11, 85. „En uwe ziel zal een zwaard doorboren.quot; Ook- stelt men Maria voor het Hart met zeven zwaarden doorboord , zittende met bet bloote Kruis achter zich, of staande onder het Kruis , waaraan haar Zoon hangt te sterven. De devotie tot de Zeven Smarten van Maria is door de H. Kerk goedgekeurd, als reeds blijkt uit het Feest van O.-L.-V. der Zeven Weeën, Vrijdag na Passie-Zondag en den derden Zondag in September.

-ocr page 277-

— 252 —

Welke zijn de Zeven Weëen van Maria ? — 1. Maria hoort de voorzegging van Simeon. — 2. Maria vlucht naar Egypte. — 3. Maria verliest het Kind Jesus. — 4. Maria ontmoet Jesus met zijn Kruis. — 5. Maria onder het Kruis. — 6. Maria ontvangt het Lichaam van Jesus in hare armen. — 7. Maria bij de begrafenis van Jesus.

7. Maria met de handen op de horst te zamen. Voorstelling der Onbevlekte Ontvangenis. Zie N. 54. O.-L.-V, vau Lourdes.

De voorstelling der Onbevlekte Ontvangenis, van de Miraculeuse Medalje genoemd (Maria met uitgestrekte handen, waaruit lichtstralen schieten), is niet toegelaten als gegrond op een visioen, dat niet is goedgekeurd.

8. Maria in eene Aureool met ttoaalf Sterren boven het hoofd en de halve Maan onder de voeten. Voorstelling volgens de Openbaring van Joannes XII, 1: „ Eeue Vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder bare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf sterren.quot;

9. Maria den voet zettende op een zwart Serpent, met een appel in den bek. De vervulling der goddelijke belofte in het Paradijs na de zonde. God zeide tot de Slang, tot den duivel: „Ik zal vijandschap stellen tusscben u en de vrouw, tusschen uw zaad en

-ocr page 278-

haar zaad; zij zal u den kop verpletteren.quot; Genesis III. Nog treffender, als niet Maria den voet zet op het Serpent, maar het Kind Jesus met zijn Kruisstaf het Serpent neervelt, omdat Maria door haren Goddelijken Zoon de macht van Satan heeft gebroken; want zóó is de eigenlijke ziu dezer woorden; Zy zal n den kop verpletleren-. Zij, de Vrouw door haren Zoon, Maria door Jesus Christus. De H. Linie bl. 160. Kevue de l\'art chrétien I , bl. 816.

10. Beeld van \'t H. Hart van Maria: Maria baai-Hart vertoonende in glorie, met een krans van rozen omgeven en met een zwaard doorstoken.

Men vergete niet, dat het beeld van \'t H. Hart van Jesus is eene voorstelling, door Jesus Christus zeiven geopenbaard en verlangd als eene symbolische voorstelling zijner liefde voor de mensohen ; — maar het bedoelde beeld van het H. Hart van Maria is niet eene geopenbaarde, slechts eene door de Christelijke godsvrucht Jincjeerde of uitgedachte voorstelling iti navolging van het H. Hart van Jesus ; zoodat de voorstelling van \'t Hart van Maria, niet meer dan eene mensehelijke vinding, moeielijk kan vergeleken worden met de voorstelling van \'t H. Hart van Jesus , die haren grond heeft in eene bijzondere openbaring van Jesus Christus zeiven. Men vzt:-gete deze opmerking vooral niet, wanneer men een beeld

-ocr page 279-

— 254 —

van het H. Hart van Maria ziet geplaatst als pendant van een beeld van het H. Hart van Jesus; opdat deze laatste voorstelling voor ons niets in waarde en kracht verlieze. — De devotie tot het H. Hart van Jesus en de devotie tot het H. Hart van Maria zijn ongetwijfeld nauw met elkaar verbonden, gelijk Jesus met zijn H. Moeder nauw vereenigd is. Wij aanbidden Jesus Christus als onzen Goddelijken Verlosser, en zijn H. Hart als de bron zijner oneindige liefde; — wij vereeren Maria als de Moedor van God en de Moeder van barmhartigheid , en haar H. Hart als de Toevlucht der zondaren.

11. Het Broederschap van het H. Hart van Maria tot bekeering der zondaren is opgericht ten jare 1836 te Parijs in de Kerk van O.-L.-V. der O oer winning en. De H. Maagd wordt daar voorgesteld als Koningin gekroond, en haar Goddelijk Kind, eveneens gekroond en staand op een hemelbol, met beide handen als aan de wereld vertoonende.

12. De bekende voorstelling van O.-L.-V. van\'tH. Hart. — Maria met het Kind, zijn H. Harttoonend, vóór zich — ter openbare vereering toegestaan aan de Hoofdzetels van het Broederschap van O.-L.-V. van \'t H. Hart te Issoudun en te Sittard. De overlevering in de Westersche Kerk sedert de Ve eeuw kent geen Moedergodsbeeld dan met het Kind op of in den

-ocr page 280-

arm (non ante genua, sed ulna gestantem), als eene getuigenis van haar geloof : Maria is in waarheid de Moeder van God. {*) In de Oostersche Kerk, van de oudste tijden tot heden, wordt de H. Maagd afgebeeld de armen uitgestrekt, met het Goddelijk Kind in zegenende houding vóór zich, Eeusens I, 480. Ofschoon het type dezer voorstelling reeds van den tijd der Catacomben dagteeke-it, heeft de Christelijke kunst in het Westen sedert de ketterij van Nestorius, door het Concilie van Ephese in 481 veroordeeld, Maria met het Kind op of in den arm als eene duidelijke en eene vaste uitdrukking van haar Goddelijk Moederschap aangenomen. — Om met deze aloude Westerscbe traditie niet te breken, heeft men eene andere wijze van voorstelling voor O.-L.-V. van \'t H. Hart bedacht: Maria met het Kind op den arm , zijn H. Hart toonende.

13. Het Rozenkransheeld, voorstellende den H. Do-minicus, die uit de handen der H. Maagd Maria den Rozenkrans ontvangt. Zulk eene voorstelling in beeldengroep van hout of steen of wel geschilderd is noodzakelijk in eene Rozenkranskapcl. Zie het Maandschrift: De Eozenkrans, 90 Jaarg. 1887. Bladz. 64.

(*) Zoo behoort daarentegen de H. Joseph in beeltenis het Goddelijk Kind niet op den arm te dragen, maar aan de hand te leiden.

-ocr page 281-

— 356 —

D. Afbeelding van Engelen.

329. Hoe is men gewoon de \'Engelen af te beelden, en waarom?

1. In menschelijke gedaante; omdat de Engelen meestal in menschelijke gedaante verschenen zijn; — omdat de mensch , begaafd met verstand en wil, vau alle zichtbare schepselen den Engel het meest nabijkomt; _ omdat de Engelen den mensch bijzonder genegen zijn, hem op aarde beschermen, en vurig wen-schen het eeuwig geluk des hemels met hem te dee-len , als „ afgezonden om wille dergenen , die de zaligheid beërven zullen.quot; Hehr. I, 14.

. 2. Als schoone en sterke jongelingen, om hunne natuurlijke en bovennatuurlijke schoonheid, kracht en eeuwige jeugd te beteekenen.

3. Als aanvallige spelende hinderen, om hunne heilige onschuld en rein geluk te bedieden. Mocht al door nuditeit de symbolische beteekenis van onschuld en reinheid versterkt worden; (*) in plaats van voor-

(*1 Nuditas in hominibus verecundiara parit; in Angehs tis argnmentam est; sanctitatis, inquara castitatis, immortalitatis atque innocentiae. Molanus, Dehistona SS. Imagmum. Lib. III. Lap. XLI.

-ocr page 282-

— 257 —

wichtigheid aan te bevelen, (*) zou het niet beter zijn te zeggen; De Christelijke aanschouwer, in \'t algemeen alle nuditeit in voorstellingen afkeurende, zal zich gaarne tevreden stellen met zedig getooide kinderfiguren, die niet minder bevallig kunnen zijn.

4. Als gevleugelde kinderhoofden (engelenkoppen) om te beteekenen , dat de Engelen geen lichaam hebben, maar zuivere geesten zijn , met verstand begaafd.

330. Wat beduiden de vleugelen, waarmede de Engelen worden afgebeeld?— De snelheid hunner bewegingen, hunne vaardige gehoorzaamheid in \'t volbrengen van Gods bevelen, — hunne hemelsche afkomst en hun voortdurend verkeer in den hemel, terwijl niets van deze aarde hen kan beletten altijd het aanschijn Gods te aanschouwen.

Dat men soms de Engelen met «jer vleugelen afbeeldt, wordt gerechtvaardigd door Ezeehiël I, — eu met zes vleugelen, door Isaias V , 1 en Openb. IV. ])e gekruiste Serafijn, die aan den H. Franciscus van Assisië verscheen , had zes vleugelen. Zie onder de Heiligenbeelden : H. Franc. v. Ass.

(*) Atqüi cautela hie opus est; uec leviter a Pictoribus inter-dum peccatur in exprim^ndis, praesertim grandiori forma, sive Aa-gelis, sive primis nostris Pareutibas. J. N. Paquot, noot op Molanus.

17

-ocr page 283-

— 258 —

331. Hoe is de kleeding der Engelen en hare symbolische beteekenis? — De tuniek of lang kleed mt ten teeken hunner onschuld en vreugde, — versierd met saffieren (blauw) symbool der hemelsche beschouwing , _met robijnen (rood) symbool der liefde , — met kristallen (helder doorschijnend) symbool der reinheid, — met smaragden (groen) symbool der eeuwige jeugdigheid ; — de gordel, die het kleed ophoudt, beteekent hunne vaardigheid in de bediening en de zuiverheid hunner gedachten; — het goud der vleugelen symbool hunner hemelsche heerlijkheid ; — de voeten ongeschoeid als boden des vredes. De wolk die hen omhult, duidt dat zij, burgers des hemels, op de aarde zijn

neergekomen.

332. Wat beteekenen de attributen, waarmede de Engelen worden afgebeeld? — Een vlammend zwaard beteekent de Goddelijke gramschap , — eene hazum of trompet de stem Gods, — een rijksstaf de Goddelijke macht, waarmede zij bij hunne zending bekleed zijn, _ een wierookmt het opdragen van onze gebeden en van hunne gebeden bij God voor ons, — muziekinstrumenten (harp, viool, fluit, trompet) hun geluk in den hemel en hunne bediening van God te loven.

333. Waarom plaatst mén bij een Altaar zoo gaarne

-ocr page 284-

Engelenbeelden? — Om den geloovigen te herinneren, dat die heilige Geesten tegenwoordig zijn bij het Goddelijke Sacrificie en Jesus Christus in het H. Sacrament als hun God en Heer aanbidden. Zoo Ambro-sius, Chrysostomns, Gregorius, Bernardus, Innocen-tius III.

334. Hoe wordt de Engelbewaarder voorgesteld? — Een Engel een knaap beschermend en den weg ten hemel wijzend.

E. De Heilige Aartsengelen,

335. De H. Michael ( is als God?) 29 September. AerA, gelijk hij Beschermer is geweest van Gods Volk, Volgens de Openbaring van den H. Joannes XVII, in den beginne gelast de wederspannige Engelen te bevechten en uit den hemel te verdrijven , — voorgesteld in wapenrusting met helm , schild, zwaard of speer, den draak nederploflend, — soms met eene iceeyschaal (symbool der gerechtigheid) in de hand, wat beteekeut; dat aan den H. Michaël door God is opgedragen de zielen der menschen te ontvangen en hunne verdiensten te wegen. De weegschaal herinnere ons, dat wij zorgen voor onzen dood aan de Goddelijke gerechtigheid voldaan te hebben, om

-ocr page 285-

_ 260 —

niet door den H. Michaël te licht bevonden te worden; maar (gelijk de H. Kerk bidt in eene Lijkmis) door onzen Standaarddrager den H. Michaël in het heilige licht van Gods heerlijkheid te mogen worden binnengeleid.

Het gebed na de H. Mis. Onze H. Vader Leo XIII

heeft in het najaar van 1886 voorgeschreven, dat na alle stille Missen, behalve drie Wees-gegroeten eniiet Salve Regina, met het Gebed: „ O God, onze toevlucht en onze

kracht, zie genadig neder op het tot U roepende volk; en door de voorspraak der glorierijke en onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, van den H. Joseph haren Bruidegom, van uwe HH. Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen, verhoor barmhartig en goedgunstig de gebeden, \' welke3 wij storten voor de bekeering der zondaren, voor de vrijheid en de verheffing onzer Moeder de H. Kerk. Door Christus onzen Heer. Amen.quot; - nog deze aanroeping tot den H. Aartsengel Michaël zal gebeden worden; „ H. Aartsengel Michaël, verdedig ons in den strijd; wees onze bescherming tegen de boosheid en de lagen des duivels. Wij smeeken nederig dat God hem gebkde-, en Gij, Aanvoerder van liet hemelseh heir, drijf den Satan en de andere booze geesten, die ten verderve der zielen m de wereld rondzwerven, door de Goddelijke kracht in

de hel terug. Amen.quot;

Ue H. Vader heeft ons willen herinneren, dat wij te bidden hebben voor de bekeering der zondaren, voor de

-ocr page 286-

— 261 —

vrijheid en de verhejfing onzer Moeder, de H. Kerk. Tevens Leeft Hij ons willen aanwijzen den vijand, tegen wien wij het wapen des gebeds vooral nioeten keeren, te weten tegen Satan, don persoonlijken duivel, den vorst der hel; want wij hebhen niet alleen te strijden iegen vleesch en bloed, tegen do booze mensehen, maar ook tegen de booze geesten in de lucht (Eph. V, 12). Wie zal den machtigen invloed , de heerschappij van Satan, in onze droevige tijden loochenen ? Zooveel toch zien we gebeuren, dat zonder de inwerking des duivels moeielijk te verklaren is . . . Zou God in zijne rechtvaardigheid den boozen geesten niet veel toelaten ter kastijding eener wereld, die zich van God hoe langer zoo moor afwendt, om naar de inblazingen des duivels te luisteren , zich aan hem overgeeft, ja soms openlijk met Satan ziel) verbindt. ? Daarom verlangt de H. Vader, dat wij dagelijks vurig tot God zullen bidden door ds voorspraak van de H. Moeder Gods, die den kop van het helsch Serpent heeft verbrijzeld , — door de voorspraak van den H. Michaël, die altijd staat aan de spits van het hemelsehe heir om Satan te bestrijden. — „ Dat God hem (den duivel) ge-biedequot;; — een hevel van God is voldoende om de aanslagen des duivels te verijdelen , om Satan weerloos te maken en hem naar do hel terug te drijven. „ Dat God hem gebiedequot; : — deze uitdrukking is ontleend aan den Algemeenen Brief van den H. Apostel Judas (9), die den Aartsengel Michaël deze woorden in den mond legt tegen den duivel, toen deze hem het Ujk van Moses be-

-ocr page 287-

— 363 —

twistte, waarschijnlijk om daarmede de Israëlieten tot afgoderij te verleiden. De H. Michael zeide eenvoudig tot den duivel: „ De Heer gehieie uquot;! — en niet te vergeefs ; want we lezen in Deut. XXXII, 49, dat toen Moses op den berg Nebo gestorven was, de Heer hem begroef in een dal van het land van Moab, en dat niemand zijn graf geweten heeft. — Dezelfde uitdrukking komt voor in de Exorcismen of Bezweringen des duivels, door de Kerk voorgeschreven; bijv. bij den plechtigenDoop.

De H. Gabriël {Sterkte Gods) 18 Maart. Die aan Zacharias de geboorte van den H. Joannes den Dooper, — en aan Maria het aanbiddelijk geheim der Menschwor-ding beeft aangekondigd. Wordt voorgesteld meteen rijksstaf als afgezant van den Koning des hemels, — of met eeDe lelie, doorgaans bij de Boodschap aan de allerzuiverste Maagd Maria. Gabriël Sterkte Gods. „ Hem toch , zegt de H. Gregorius , kwam hij aankondigen, die nederig verschijnen wilde om de machten in de lucht te verslaan,quot;— ,, Wien betaamde bet meer, zegt de H. Bei-nardus, Christus , de Kracht Gods aan te kondigen dan hem, die gelijken naam mag dragen? Want wat is sterkte anders dan kracht\'? Nogtans de Engel is het slechts bij name, Christus ook in werkelijkheid.

De H. Raphaël (Geneesmiddel Gods) 24 October. Die den jongen Tobias geleidde, en den ouden Tobias

-ocr page 288-

van zijne blindheid genas. Wordt voorgesteld als pelgrim met wandelstaf en kalebas, — met een visch, wijzende op de geschiedenis van Tobias. Wordt vereerd als Beschermer der reizenden. Volgens ons Itinerarium of Kerkelijk Eeisgebed, bidden wij op reis gaande; „ Op den weg van vrede en voorspoed geleide ons de almachtige en barmhartige God ; en de Engel Raphaël vergezelle ons op den weg, opdat wij in vrede, gezondheid en vreugde ten onzent mogen wederkeeren.quot;

336. Eenige meermaals voorkomende attkibüten bij beelden van Heiligen;

1. Ongeschoeide voeten, zonder of met sandalen, die de voeten althans vanboven bloot laten: — zijn het teeken van Goddelijke zending, vrij van beletselen, vrij van aardscJie strevingen, — onderscheiden de boden des heils, wier voeten in de H. Schrift geprezen worden; „ O, hoe schoon zijn de voeten van die den vrede verkondigen !quot; Alzoo immer ongeschoeid de Zaligmaker (niet Maria, noch de H. Joseph), de Apostelen, de Engelen, ook wel de Profeten. De Zaligmaker had tot zijne Apostelen gezegd: „Draagt geen buidel\', noch reiskorf, noch voetzolen.quot; Luc. X, 4.

2. Palmtak-. Martelaar. Nogtans aan meer Heiligen toegekend, als symbool der overwinning, en der recht-

-ocr page 289-

— 264 —

vaardigheid, gelijk de palmboom het beeld is van den

rechtvaardige.

3. Lelie of bloemkrans: Maagd.

4. Tiaar en Ferula [Kruisstaf, grieksch Kruis op Staf) of het meer bekende drievoudig Kruis ■. Paus.

Aan schilders en beeldhouwers (*) schijnen zekere anachronismen geoorloofd, bijv. om aan Pausen eene Driekroon op te zetten . die in hun tijd niet bekend was (vóór Urbanus V 1362 — 1370); - of zelfs een anti-liturgisch attribuut toe te voegen , bijv. een drievoudig Kruis als Staf in de hand te geven , dat nooit of nimmer door een Paus gebruikt is, gelijk men bijv. daarmee den H. Kerk-leeraar Gregorius niet zelden ziet afgebeeld. Zijn er die zulks als eene te vrije fantasie afkeuren (o. a. Mgr Bar-\' bier de Montault) , — ook zijn er die er niets tegen hebben om Pausen in beeltenis met het drievoudig Kruis , evenmin als Pausen van vóór de XIV\' eeuw met Driekroon of Bisschoppen van vóór de VIIP eeuw met Mijter, zoowel als den H. Hiëronymus met den Kardinaalshoed, voor te stellen. Want waarom zou dat niet mogen? „ C\'est supposer en principe que les symboles de convention ne peuvent pas trouver place dans la peinture. Une telle maxime raènerait loin ; car les symboles jouent un

7*) Men merke op, dat schilders en beeldhouwers wel conventie moeten gebruiken, anders knnnen zij zich niet voldoende uitdrukken , (de schilder zelf niet in cene compositie), omdat zij in onze opratting

niets bij hun stuk schrijven mogen.

-ocr page 290-

grand role dans 1\'iconographie chrétienne ; ils s\'y melent constamment avec les attributs historiques.quot; Revue de Tart elirétien II. 75 ; waar men aangehaald vindt een fresco in eene Kapel (der Kribbe) van Maria de Meerdere , door de zorg van Sixtus V geschilderd , waarop wordt voorgesteld de H. Petrus, zijne intrede doende in Home met het drievoudige Kruis. Ook wordt daar herinnerd , dat op het Feest van den H. Petrus zijn bronzen beeld met Tiaar en Koorkap wordt getooid.

5. Pallium: Aartsbisschop of hooger tot Paus.

6. Mijter en Staf-, Bisschop of Abt. Staf met krul naarbinnen; Abt of Abdis.

7. Rol of Boek (volumen)-. Heilige Schrijver of Verdediger des Geloofs of Voorstander der Christelijke Wetenschap.

8. T)uif boven het hoofd of aan het oor: Goddelijke ingeving.

9. Kruisbeeld in de hand; liefde tot Jesus Christus den Gekruiste door overweging of prediking.

10. Mondrans in de band: buitengewone devotie tot Jesus in het H. Sacrament of moedige belijdenis van het aanbiddelijk Altaargeheim.

11. Kerk op de hand: Beschermer der Kerk of Stichter van Kerken en Kloosters.

13. Kroon, Schepter of Rijksstaf, Wereldbol oi Rijks-

-ocr page 291-

— 266 —

appel, Mantel, Zwaard-, gewone insigne\'s van Keizers

en Koningen.

13. Kroon aan de voeten : versmading van vorstelijke

afkomst of rechten.

14. Aardbol onder deu voet: verachting der wereld.

15. Doofdshoofd: gestadige overweging van den dood.

16. Geeselriemen ■ strenge boetvaardigheid.

Het is hier eene geschikte plaats voor de opmerking, dat door het gebruik en ter wille der duidelijkheid is aanbevolen bij de beeltenissen der Heiligen den naam te voegen ; — en dat de Byzantijnen , waar het kon , meestal de inscriptie stelden neven de beeltenis, de letters onder elkander van boven naar beneden. Reusens 1, 489.

F. De HH. Evangelisten.

337. De H. Mattheüs (21 September) vergezeld of voorgesteld door een Mensch (als gevleugeld gewoonlijk de Engel genoemd); — omdat hij zijn Evangelie begint met de geslachtlijst van Jesus Christus, en meer dan de andere Evangelisten uitweidt over de mensche-üjke natuur des Zaligmakers.

De H. Marcus (25 April) vergezeld of voorgesteld door een Leeuw, zinspeling op den aanvang van zijn Evangelie, beginnende met de stem, die roept in de

-ocr page 292-

— 267 —

woestijn•. „Bereidt den weg des Heeren.quot;

De H. Lücas (18 October) vergezeld of voorgesteld door een Os, zinnebeeld van het bloedig Sacrificie, waarvan Jesus Christus de Offeraar en het Offer tevens was, omdat deze Evangelist bijzonder aandringt op het priesterlijk karakter van den Zaligmaker. Of omdat het Evangelie van den H. Lucas met het offer van Zaoha-rias begint.

De H. Joannes (27 December) vergezeld of voorgesteld door een Arendgt; zinnebeeld der hemelsche beschouwing, omdat deze Evangelist hij den aanvang zich verheft boven de hoogste bespiegeling van de Goddelijke natuur des Zaligmakers.

]. De drie eerste figuren hebben altijd vleugelen, zoowel als de Arend , omdat allen symbolische, geen natuurlijke wezens zijn, en nagenoeg onder dezelfde gedaante voorkomen in de Openbaring van Joannes en de profetieën van Ezechiël. Als de Arend alleen staat, draagt hij tot betere onderscheiding een gouden veder en gouden inktfiool aan een lint in den bek.

2. In de vier attributen der Evangelisten wil men ook Christus zien afgebeeld als Mensch, Koning (Leeuw) Opperpriester (Os) en God (Arend).

3. Hoe worden de Evangelisten nog symbolisch afgebeeld ? — Door vier waterstroomen (zinspelende op de

-ocr page 293-

— 268 —

vier stroomen van het Paradijs) die van een heuvel afvloeien ; op den heuvel Christus als Mensch of symbolisch als het Lam ; — of door vier kruiken die water uitgieten , of door vier personen op waterkruiken leunende : — zoo hebben de Evangelisten den overvloed en de vruchtbaarheid van Christus\' Leer over de wereld uitgestort.

4. In welke orde nemen zij bij versiering plaats ? — De volgorde, boven aangegeven, is die van het Nieuwe Testament, naar den tijd, dat zij na elkander geschreven hebben ; — maar bij versiering aan de vier hoeken van eene vierkante oppervlakte (bijv. band van een Missaal) of aan de vier kruispijlers in eene Kerk worden de zinnebeelden der vier Evangelisten in deze orde geplaatst:

Mensch. Arend.

Mattheüs. Joannes.

Leeuw. Os.

Marcus. Lucas.

Deze orde is de oudste. Is gevolgd in Sint Fieter te Rome , alzoo ook in de Kerk van Oudenbosch. In de laatste eeuwen (*) wisselen dikwijls de Mensch en Arend van plaats, gelijk bijv. in de Bossche Sint-Jan. Derhalve

In vroegere eeuwen wisselde de volgorde ook nog al af. Zoo ook de vleugels en de tnmbus, die in hetzelfde stel soms de eene hebben (mensch en arend) en de andere niet.

-ocr page 294-

Arend. Mensch.

Joannes. Mattheüs.

Os.

Marcus. Lucas.

Aan de uiteinden der armen van een Kruis: Arend.

— Os.

Leeuw. —

Mensch.

5. De Symbolen der vier Evangelisten vindt men reeds bij de Joden gelegerd in de woestijn , en gevestigd in \'t beloofde Land. Zie De St-Janskerk van J. C.A.He-zenmans , blz. 107.

G. De HH. Apostelen.

(Volgorde Litanie v. a llchciügeri.)

338. De H. Petrus, Hoofd der Apostelen (39 Juni). Groot en sterk van lichaam. Kruin kaal met eene kroon (tevens ter gedaehtenis van \'s Heeren Doornenkroon). Met de twee sleutels van het rijk der hemelen ; — omgekeerd kruis, waaraan hij den marteldood gestorven is; — haan, herinnering aan zijnen val, maar tevens aan zijne boetvaardigheid. Bij de oudste vooistelliogen komt de H. Petrus voor met eenen sleutel. De sleutel

-ocr page 295-

— 270 —

van goud beteekent den sleutel des hemels, — de sleutel van zilver den sleutel der aarde. Vindt men soms een derden zwarten sleutel bijgevoegd, zal deze den sleutel der hel beduiden. Andere verklaring : de gouden sleutel beteekent dc macht van openen of ontbinden (potestas Absolutionis), de zilveren sleutel de macht van üuilen of hinden (potestas Excommunicationis). Molanus.

De H. Paulus, Apostel der Heidenen (29 Juni). Teer en zwak van gestel, met een langen spitsen neus en langen baard. (1) Met het zwaard zijner martelie. Rol of boek, herinnerend aan zijne veertien bewonderenswaardige Brieven.

Ofschoon Petrus het Hoofd der Apostelen is, en derhalve met recht de eereplaats inneemt, vindt men toch dikwijls (sedert de Vc eeuw) het beeld van den H. Paulus rechts van het beeld van den H. Petrus geplaatst, en daarvoor worden vele gronden aangegeven (.De H. Linie 97). Als hoofdreden zal wel moeten gelden : willen doen uitkomen, dat de H. Paulus te recht wordt vereerd als de Apostel der Heidenen, door zijn beeld namelijk te plaatsen aan de Evangeliezijde , tiz eereplaah :

1

De portretten vau de Prinsen der Apostelen dagteekenen van eene hooge oudheid. Zie o. a. Eusebius Uist. eccl. VU,

-ocr page 296-

— 371 —

de Heidenen zijn voor de Joden gesteld ; — in het Noorden (der georiënteerde Kerk), plaats der Heidenen. N. 184-185. — Nogtans zegt Reusens in zijne Elements d\'Archéologie chrétienne 1, 489 ; „ Wanneer Christus is afgebeeld tusschen twee of in \'t midden van meer Apostelen , vindt men op eenige monumenten (1) Petrus aan de linker- en Paulus aan de rechterhand des Zaligmakers. Alle dergelijke monumenten zijn van griekschen oorsprong of naar Byzantijnsche modellen vervaardigd. Bij de Grieken (gelijk bij alle oostersche volken) was de eereplaats aan de linkerhand van den hoofdpersoon.quot; — In elk geval mag men nimmer denken, dat alzoo, wat de oppermacht en het bestuur der Algemeene Kerk betreft, aan den H. Paulus de voorrang wordt toegekend , of eene gelijkstelling met den H. Petrus , zonder ondergeschiktheid aan den H. Petrus , wordt bedoeld ; — deze meening is als kettersch veroordeeld. {Prop. damn, ab Imioc. X 29 Jan. 1(347. Apud Lehmkuhl Theol. mor. II, 737.) De H. Kerk vereert den H, Petrus als den Rotssteen, waarop Jesus Christus zijne Kerk gebouwd heeft, als den Herder, aan wien Hij alle zijne lammeren en schapen te

1

Zij behooren niet tot de hoogste oudheid , die monumenten. De oudste overblijfsels die wij bezitten, de vergulde glazeu bekers uit de Catacombem plaatsen Petrus rechts. Later in beelJwerk en mozaïeken , en nog tater, op de looden zegels (Ier Pausen, tomen zij in omgekeerde orde voor. Dat wij hier de oude kwestie van rechts en links hebben is duidelijk. De opvolgers van Petrus zullen in hun zegels toch door die plaatsing niet de minderheid van den sleuteldrager willen afbeelden.

-ocr page 297-

— 273 —

weiden gegeven heeft (Matt. XVI, 18 en Joan. XXI, 15-17) — en vereert den H. Paulus als werktuig door Jesus Christus uitverkoren, om zijnen naam bekend te maken aan Heidenen en koningen en aan de kinderen Israels (Hand. IX, 15). De H. Kerk vereenigt beiden in hare vereering als die roemrijke Vorsten der aarde, die in hun leven elkander hebben bemind en in den dood niet gescheiden zijn geweest; - in de groote Litanie en andere kerkelijke gebeden komen zij in den regel samen voor, de H. Petrus gevolgd door den H. Paulus ; viert de H. Kerk een feest van een van beiden, dan houdt zij tegelijk de gedachtenis des anderen, \'t Is dien overeenkomstig, dat wij de beelden van den H. Petrus en den H. Paulus in onze Kerken te zamen zien , den H. Petrus aan de rechterhand van den H. Paulus.

De H. Andreas (30 November). Met het schuin-sche kruis zijner martelie, daarom St-Andreas-knus genoemd.

De H. Jacobüs de Meerdere (25 Juli). Broeder van den H. Joannes, zonen van Zebedeüs. Als pelgrim, met grooten hoed, met staf en afhangende kalebas, met zeeschelpen op den schoudermantel, om te duiden op zijne verre apostolische reizen, tot in Spanje. Met het zwaard zijner martelie. De H. Jacobus was de eei-ste der Apostelen, die voor Jesus Christus den mar-

-ocr page 298-

— 273 —

teldood stierf, onthoofd door Herodes. Hand. XII, 3.

De H. Joannes Evangelist (27 December). De beminde leerling van den Zaligmaker, broeder van Jacobus den Meerdere. Met den Arend als Evangelist. In de hand een beker, waaruit eene slang den kop verheft, wijzende op deze legende; Toen Joannes onder Keizer Domi-tianus te Rome vergift moest zwelgen , zou het venijn zich iu den beker verdikt hebben en onder de gedaante eener slang er uit geloopen zijn. Ook denken hier sommigen aan de woorden van Jesus tot Joannes en Jacobus: „Gij zult mijnen kelk drinken.quot;

De H.Thomas (31 December). Met een steen, spies of pijl, met soortgelijk werptuig werd hij doorboord; — met een winkelhaak (wijzend op de eigene zekere ervaring, waarna hij eerst aan de verrijzenis des Zaligmakers wilde gelooven ? — Gevolgelijk Patroon der Bouwmeesters ?).

De H. Jacobus de Mindere (1 Mei). Met een knods of vollersboom; van de tinne des Tempels neergeworpen, werd hij met een vollersboom gedood. Met een boek als Schrijver van een der Katholieke of Alge-meene Brieven, die deel uitmaken der H. Schrift.

De H. Philippus (1 Mei). Met een kruis aan lan-

18

-ocr page 299-

— 274 —

gen stok: hij werd gekruisigd, en aan het kruis hangende gesteenigd; — of de kruisstaf beteekent, dat hij van de eene plaats naar de andere wandelde, om de leer des Kruises te prediken.

DeH. Bartiiolomeüs (24 Augustus). Met een groot mes in de hand, soms over den arm eene afgestroopte huid: hij werd levend gevild en daarna onthoofd.

De H. Mattheüs Evangelist (31 September). Met eene bijl, lans of hellebaard. Met een boek of rol als Evangelist. Een buidel herinnert, dal hij van tollenaar Apostel werd. De winkelhaak, waarmee de H. Mattheüs soms wordt afgebeeld , wordt door eenigen gehouden als ontstaan uit den ruwen vorm eener bijl. ■ De H. Simon (28 October). Met eene zaag.

De H. Judas Thaddeüs (2 8 October). Met knods of omgekeerd kruis volgens verschillende overlevering.

De H. Matthias (24 Februari). Met eene bijl; na gesteenigd te zijn met eene bijl onthoofd.

H. De vier Kerkvaders. {*)

(Orde Lit. v. Alleheiligen.)

339. De H. Gregoriüs de Qroote (12 Maart). Van wien de Gregoriaansche Zang zijn naam ontleent: afge-

(*) De vier oudste latijnsche Kerkvaders, wier beeltenissen dik-

-ocr page 300-

— 375 —

beeld als Paus. Met een rol of boek als Kerkvader. Met eene duif boven het hoofd of aan het oor. (*) Meer dan eens werd eene duif gezien boven het hoofd van den Grooten Gregorius, als bij aan zijn schrijver dicteerde.

De H. Ambrosius (7 December). In bisschoppelijk ornaat. Met rol of boek als Kerkvader. Met een bijenkorf om zijne zoete welsprekendheid; — ook duidend op den bijenzwerm, die hem als kind boven het hoofd gezien is, terwijl eenige bijen zijn mond in- en uitvlogen ; een voorteeken van zijne zoete welsprekendheid. Met eene geeselroede om zijne kloekheid in liet bestraffen van Keizer ïheodosius en van de Arianen.

De H. Augustinüs (28 Augustus). Als Bisschop, in de hand een hart : zinspeling op zijne vurige liefde tot God. Het hart soms met een pijl doorboord, zinspelend op Augustinus\' eigene ontboezeming tot God in zijne Belijdenissen (Boek X): „Gij hadt ons hert

wijls samengaan bij versiering van Priesterkoor, Altaar, Preekstoel, Monstrans enz., evenals de afbeeldingen der vier Evangelisten. De beelden der vier grieksche Kerkvaders, de HH. Athanasius, Basi-lius, Gregorius van Nasianze en Joapjkes Chrysostoxus worden zeldzaam in onze Kerken aangetroffen, gelijk ook hunne namen niet in onze Litanie van Alleheiligen zijn opgenomen.

(*) Men maakt de opmerking, dat ook de H. Gregorius VII met eene duif wordt voorgesteld, maar rustende op den rechterschouder (Kerk. Getijden Les VI); terwijl de duif bij den H. Gregorius den Groote zwevende is. Revue de Tart. chrét. II. 544.

-ocr page 301-

met uwe liefde als met een pijl doorboord.quot; — Ontleent als Patroon der Theologen den Arend van den H. Joannes Evangelist.

De H. Hiëronymus (30 September). Priester. In kardinaalsgewaad of alleen met een kardinaalshoed, wijl hij Paus Damasus met zijn raad zoo krachtig ter zijde stond. Als boetvaardige (in tafereel) half naakt en uitgemergeld, in eene woestenij van wilde dieren omringd, — of in eene kloostercel over een boek geboacen (om zijne onvermoeide studie), bij eene braudende kaars (om zijn nachtelijken arbeid), voor zich een Kruisbeeld en doodshoofd (voorwerpen zijner gestadige overweging). De H. Hiëronymus getuigt, dat hij in den strijd tegen de felste bekoringen zich aanhoudend op de borst sloeg; daarvoor geven sommige schilders den Heilige een steen in de hand. Een leeuw bij den H. Hiëronymus duidt op ziju vierjarig verblijf in de woestijn van Syrië; — misschien ook op deze legende: eens kwam een leeuw bij den H. Hiëronymus aangestrompeld; de Heilige haalde hem een doren uit den klauw, en de leeuw bleef uit erkentelijkheid bij zijn redder, hem dienende.— Treft men den H. Hiëronymus onder de vier Kerkvaders op de tweede plaats, dan is hem als Kardinaal de voorrang gegeven

-ocr page 302-

— 277 —

boven de Bisschoppen Ambrosius en Angustinus.

I. De vijf voornaamste Ordestichters.

340, De H. Benedictus (21 Maart), Stichter van de Orde der Benedictijnen. Als Abt, met een beker, waaruit eene adder den kop verheft, — of een gebroken of niet gebroken beker op een boek (Regel der Orde). Tot Abt in een klooster gekozen , werd de H. Benedictus, om zijne gestrengheid in het onderhouden der Eegelen , eindelijk zóó gehaat, dat men gift in zijn beker mengde. Doch wanneer de H. Abt naar gewoonte het Kruisteeken over ziju beker maakte, viel deze in stukken.

üe H. Dominicus (4 Augustus), Stichter van de Orde der Predikheeren of Dominicanen. In kloosterkleed, met een Rozenkrans aan den gordel, als Instel-ler van den H. Rozenkrans. Aan zijne voeten eeu zwarte wit gevlekte hond , met eene brandende fakkel in den bek nevens een aardbol, herinnerend aan het droomgezicht, waarmede zijne moeder begunstigd werd voor zijne geboorte, als een wonderbaar voorteeken, dat haar kind een licht zou zijn voor de gansche wereld. De H. Dominicus uit de handen der H. Maagd Maria den Rozenkrans ontvangende, is een Rozenhram-

-ocr page 303-

heeld, noodzakelijk in eene Eozenkranskapel. De Rozenkrans. Maandschrift. 1887. Bladz. 64.

De H. Feancisoüs van Asmië October), Stichter van de Orde der Minderbroeders of Franciscanen. In het arme boetekleed zijner Orde, — met de Sacra Stigmata — een Kruisbeeld in de hand beschouwende,

— den voet op een aardbol. Een lam ter zijde be-teekent vooreerst de gemeenzaamheid van Pranciscus met de dieren in \'t algemeen, welke naar hem luisterden en hem gehoorzaamden ; — verder zijne bijzondere genegenheid tot die dieren , welke voor hem het zinnebeeld van eeue of andere deugd waren of hem tot stichtende beschouwingen gelegenheid gaven; — zoo waren de lammeren hem het meeste lief, omdat zij hem de zoetaardigheid van J. C. vertoonden , dat allerzoetste Lam , \'twelk zich voor de zondaren ter dood liet geleiden. Meer dan eens kocht hij een lam, dat men gereed was te slachten, van den dood vrij ter liefde van dat onschuldige Lam, dat voor onze zonden is geslacht geworden. Te Rome zijnde in \'t jaar 1222 had de Heilige altijd een lammeke bij zich.

— In tafereel het visioen van den H. Pranciscus. Twee jaren voor zijn dood , toen Pranciscus, in strenge afzondering bij den berg Alvern in het Toscaansche, ter eere

-ocr page 304-

van den H. Aartsengel Michaël eene veertigdaagsche vasten begonnen was, zag hij in eene zijner hemel-sche verrukkingen vanboven nederdalen een Serafijn ia menschelijke gedaante, met zes schitterende vleugels, waarvan twee boven het hoofd zich aan elkander sloten , twee dienden om te vliegen , en twee het overige gedeelte des lichaams bedekten. Tot bij Franciscus gekomen en voor hem in de lucht zwevende , bleek de Serafijn met handen en voeten aan een Kruis genageld te zijn. Bij deze beschouwing, met een gemengd gevoel van eene hemelsche vreugde en van eene uiterste droefheid, ontving de Serafijnsche Vader de Vijf VVondeteekens in zijn lichaam , in handen , voeten en zijde , waaruit niet zelden bloed vloeide. Gedachtenisfeest den 17 September.

De H. Ignatius van Loyola (31 Juli), Stichter dei-Sociëteit van Jesus of der Jesuïeten-Orde. In kloosterhabijt, met een boek, dat te lezen geeft IHS; terwijl het boek zelf herinnert aan liet wonderbare boek zijner Exercitia Spiritualia of Geestelijke Oefeningen, waarvan de orde gevolgd wordt bij alle geestelijke Afzonderingen of Retraites en Missiën. Het is eene bijzondere eigenschap dezer Oefeningen , dat zij zoo geschikt zijn voor alle soorten en staten van menschen, als waren ze voor hen alleen gemaakt, hetzij ze ge-

-ocr page 305-

— 280 —

huwd of ongehuwd zijn , jeugdig of bejaard , adellijk of ambachtsman, geestelijk of leek, van ondervinding of nieuweling in het geestelijk leven. Aan te bevelen: Geestelijke Oefeningen van den H. Ignatius , met uitbreidingen en inlichtingen , naar het oorspronkelijks Spaansch en Italiaansch bewerkt door A. F. Haakmat, S. J. Kijsenburg, Petit amp; C0.

De H. Alphonsus Maria de Liguori (2 Augustus), Stichter der Orde van den Allerheiligsten Verlosser, of van de Redemptoristen of Liguoristen. Bisschop en Kerkleeraar. Als Missionaris in kloosterhabijt met een Kruisbeeld in de hand, of als Bisschop met een boek als Kerkleeraar.

I£. Alfabetische lijst van de voornaamste Heiligenbeelden in onze Eerken.

Adrian vis.

341. De H. Adrianus, 8 September, Krijgsoverste, Martelaar. In wapenrusting met een aanbeeld ter zijde ; wijl hem, na gegeeseld te zijn, handen en voeten op een aanbeeld werden afgehouwen.

A.gnes.

De H. Agnes, 31 Januari, Maagden Martelares. In wit kleed met goud doorstikt, en een sneeuw-

-ocr page 306-

wit lam op den arm of ter zijde. De ouders der jeugdige Martelares, bij haar graf wakende, zagen te midden van den nacht eene klaarblinkende schaar van maagden in witte, met goud doorstikte gewaden voorbijgaan, en tusschen dezen hunne zalige dochter even schitterend, met een sneeuwwit lam aan hare rechterhand ten teeken harer maagdelijke reinheid. Het latijn-sche agnus komt van het grieksche ayvo; s zuiver, rein, zijnde het lam het zinnebeeld der zuiverheid.

.A-loysius.

De H. Aloysiüs van Gonzaga , 21 Juni, Beschermheilige der jeugd, Patroon van Congregatiën, vooral van jongelingen, In toga met superplie, — met lelie, — kruisbeeld,—geeselroede, — kroon aan zijne voeten. lu tafereel biddend voor het H. Sacrament.

Alphonsas.

De H. Alphonsus de Ligdori, 2 Augustus, OxAe-stichter. Zie N. 840.

-A-mbrosius.

De H. Ambrosiüs, 7 December, Kerkvader. Zie N. 339.

.A.nclreas.

De H. Andreas, 30 November, Apostel. Zie N. 338.

-ocr page 307-

— 282 —

A-iina,

De H. Anna, 36 Juli, Moeder der H. Maagd. De H. Anna, hoog van jaren, zittende, Maria aan hare knieën leerende lezen in de H. Schrift. Staande, de hand leggende op het hoofd of den schouder van Maria als haar Kind, — of met een rol in de hand, waarop te lezen staat : Pkoles sancta gloria Matris ; Een heilig Kind is de roem der Moeder.

A.ntonius.

De H. Antoniüs, Abt, 17 Januari. In boetekleed,

— met een zwijn (eene bel aan den hals), daarom genoemd Antonius met het varhen. Zinspeling op zijne overwinning over de afschuwelijke bekoringen des duivels; — op de St-Antonius-varkens, die hem werden toegewijd, om alle kwade ziekten van dit nuttige huisdier af te weren; zij droegen eene bel aan den hals.

— Een vuur ter zijde beteekent zijne bescherming tegen het helsche vuur, — ook tegen het St-Antonius-vuur. — Eeu rol of boek in de hand wijst op zijne nauwkeurige en diepe kennis van de H. Schrift, alleen door te hooren voorlezen en te overwegen. — Een staf (soms met aangehangen bel) in den vorm eener griekscbe tau (T) in de hand , of die vorm op

-ocr page 308-

zijne penula, mantel of pij : door woord en voorbeeld leerde hij, dat het teeken van het H. Kruis is een onoverwinnelijk wapen tegen alle bekoringen. Die tau naar hem genoemd SI-Antonius-kruis.

De H. Antoniüs van Padua , 13 Juni. In kloosterhabijt met het Kind Jesus, hem liefkozende, op den arm of staande op een boek in de hand : herinnering aan de verschijning, waarmede hij begunstigd werd. Lelie in de hand. — Een ezel knielende voor de H. Hostie, welke de Heilige in de hand houdt: een ketter, het H. Sacrament bestrijdende, had dit wonder gevraagd.

A.pollonia.

De H. Apollonia , 9 Februari, Maagd en Martelares. Met eene tang een tand bekneld houdende: wijzende op hare martelie. Vandaar Beschermheilige tegen de tandpijn.

-A.ugnF? tinu s.

De H. Aügüstinus, 28 Augustus, Kerkvader. Zie N. 339.

Barbara.

De H. Barbara, 4 December, Maagd en Martelares, Patrones van een goeden dood, in \'t bijzonder

-ocr page 309-

— 384 —

om door hare voorspraak de genade te verkrijgen, van vóór ons sterven „ door eene heilige Biecht voorbereid, het Allerheiligste Lichaam en Bloed van onzen Heer Jesus Christus te mogen ontvangenquot;: — zóó toch luidt het Gebed der Kerk. De aanleiding tot deze devotie was, dat haar goddelooze vader met een selingen dood gestraft werd. Sommigen verhalen van haren vromen ijver om te voorkomen, dat de Christenen van haren tijd zonder den troost der HH. Sacramenten zouden sterven. Vandaar afgebeeld met een Kelk, waarboven eene H. Hostie (in de hand (1) of afgebeeld op de deur van den toren). Haar voornaamste attribuut is een toren op de hand of ter zijde , waarin drie vensters zichtbaar zijn. In den toren, waar haar onmenschelijke vader baar gevangen hield, had zij bij zijne afwezigheid een derde venster laten aanbrengen ter eere der H. Drievuldigheid. Door haar eigen vader is zij onthoofd ; vandaar als attribuut een degen. Om hare kloekmoedige en standvastige belijdenis des geloofs een Evangelieboek. Om hare martelie een palmtak. — Haar vader werd door deu bliksem

1,

i

1

De H. Barbara is de eenige Heilige Vrouw, die met een Kelk en H. Hostie wordt afgebeeld. De li. Clara draagt eene Monstrans of Ciborie.

-ocr page 310-

gedood: vandaar wordt zij vereerd als Patrones tegen het hemelvuur, — als Patrones der kanoniers en mineurs, die met buskruit werken, zelfs wordt de kruitkamer van een schip in \'t fransch Sainte-Barhe genoemd ; een kanon als attribuut der H. Barbara vindt hier zijne verklaring. — De H. Barbara is ook de Beschermheilige der Bouwmeesters. Volgens de legende teekende zij niet alleen in den toren de kolom tegen het Onsten met het teeken des Kruises, maar liet ook het derde venster aan de Oostzijde van den toren aanbrengen. Men ziet alzoo in deze legende het beginsel der Oriëntatie en der Lucida neergelegd (De H. Linie). — De H. Catharina, Patrones der geleerden en studeerenden , personifieert het contemplatieve leven , — de H. Barbara , Patrones van ridders en krijgsvolk, het actieve leven : de twee hoofdrichtingen der middeleeuwen. — Hare kleeding is rijk, haar mantel doorgaans rood. Revue de l\'art ehret. I.

13 a v o.

De H. Bavo , 1 , Edelman, na zijne bekee

ring Eremijt. In Ridderdracht of kluizenaarspij. Een valk teekent zijne hooge afkomst. Een holle boom zijn verblijf. Een steen in de hand zijne boetvaardigheid en kastijding.

-ocr page 311-

— 286 —

Benedictns.

De H. Benedictüs, 31 Maart, Ordestichter. Zie N. 340.

Bernardirms.

De H. Beunardinus van Siëna, 20 Mei. lu het boetekleed der Franciscanen. In de hand de Zoete Naam in eene zon of glorie; wijst op zijne vurige devotie tot den Zoeten Naam.

Bernard us.

De H. Beknakdus, 2ü Augustus, Abten Kerkleeraar. Als Abt met Mijter en Kromstaf. — Met de lijdenswerktuigen ; wegens zijne vurige devotie tot het Lijden des Heereu en zijne strenge boetvaardigheid, daarom ook voorgesteld met uitgemergeld gelaat, in overeenstemming met zijne levensbeschrijving. Met een boek als Kerkleeraar. Soms met een bijenkorf naast zich, om zijne zoete welsprekendheid: hij wordt ook daarom genoemd Mellijluns Doctor (van honig vloeiende Leeraar). Hij wordt aangeroepen als Beschermheilige van het vee: ook tegen jicht en rhumatische pijnen. — Een witte hond nevens hem herinnert aan een droomgezicht zijner moeder, die meende een witten blaf-fenden hond het leven te schenken : — in het witte

-ocr page 312-

— 387 —

kleed der Cisterciënser-Orde heeft haar zoon verre zijne stem laten hooren. De hond wordt ook gehouden voor een symbool zijner waakzaamheid over de hem toevertrouwde schapen.

Birgitta.

De H. Bikgitta, 8 October, Weduwe. In kloosterkleed met een boek, herinnerend aan het Boek der openbaringen, waarmede zij van den Hemel begunstigd werd. — Een Crucifix of hart met kruis in de hand, om hare vurige liefde voor den lijdenden Jesus. Stichtte de Orde des Verlossers. Ook vereerd als Beschermheilige tegen veeziekte.

Blasins.

De H. Blasius, 3 Februari, Bisschop en Martelaar. Beschermheilio-e tegen alle keelziekten. A!s Bis-

o ö

schop een kind genezende met een graat in de keel; — of met eene fakkel en ijzeren kam, duidend op zijne martelie: met kammen werd zijn lichaam verscheurd. De fakkel of kaars wordt ook soms door een knaap gedragen, en wijst op de legende, volgens welke eene vrouw den Heiligen Martelaar in den duisteren kerker voedsel en licht bezorgde, wat hem zoozeer verheugde, dat hij zeide: Wie elk jaar voor mij een

-ocr page 313-

— 288 —

licht brandt, dien zal ik voor God gedenken. Deze vrouw was hem zoo dankbaar geweest, omdat zij op het gebed des Heiligen een varken, dat haar ontroofd was, op wonderbare wijze had teruggekregen. Daarom ook afgebeeld met een zwijnshoofd neven zich.

Bonifacins.

De H. Bonifacius , 5 Juni, Bisschop en Martelaar,

Patroon van Duitschland, Als Bisschop, laat met zijn staf eene bron ontspringen ; — een boek met een zwaard doorstoken, wijst op zijne martelie. Het ontspringen eener bron duidt een Apostel of eersten Geloofsverkondiger aan , die door het Lvangelie eene nieuwe levensbron voor het volk geopend heeft.

Carolus Borrometls.

De H. Carolus Borromeüs, 4 \'November, Bisschop. Als Kardinaal (met rochet en rood mozet) de handen .

saam en de oogen ten hemel. — Als Bisschop met een kruisbeeld in de hand en een koord om den hals, herinnerend hoe hij ten tijde eener pest de straten van Milaan doorliep, met een koord om den hals, de men-schen tot boetvaardigheid aanmanende.

Catharina.

De H. Catharina vak Alexakdrië, 35 November,

-ocr page 314-

— 289 —

Maagd en Martelares, Patrones der Wijsbegeerte en der Welsprekendheid, wijl zij voor hare rechters de heidensche wijsgeeren in wijsheid overtrof. Een boek in de hand. Naast haar een gebroken rad of wiel, met ijzeren pinnen beslagen, waaraan zij gebonden werd, maar dat op haar gebed in stukken viel. Omdat zij voorts met een bijl werd onthoofd , wordt ook haar een bijl of zwaard in de hand gegeven.

De H. Catharina van Siëna, 30 April, Maagd. In \'t habijt der Derde Orde van den H. Dominieus. — Met eene doornenkroon op het hoofd. (Men verhaalt, dat de Zaligmaker haar eens twee kronen toonde, de eene van goud en de andere van dorens, om eene van beide te kiezen : — de Heilige nam de doornenkroon, en drukte zich die op het hoofd.) Met de Heilige Wondeteekens. Met een kruis en eene lelie: met het kruis overwon zij de felste bekoringen tegen de heilige deugd. Ring aan de hand of door het Christuskind haar aan den vinger gestoken: mystieke verloving der Heilige met haar Goddelijken Bruidegom.

Cecilia.

De H. Cecilia, 23 November, Maagd en Martelares. Patrones der Toonkunstenaars, vooral der gewijde

19

-ocr page 315-

— 390 —

Zangkunst of der Kerkelijke Zangkoren, — voorgesteld als spelende op een orgel; ofschoon Cecilia zeker niets met het orgel als van latere vinding, en allerwaarschijnlijkst niets met de muziek te maken heeft gehad. De akten van de H. Cecilia vermelden alleen, dat Cecilia\'s Ouders haar hadden verloofd aan een jongeling van hooge afkomst, met name Valerianus, — en dat, wanneer nu de toonkunstenaars, naar gewoonte tot de bruiloft geroepen, op allerlei speeltuig {organa) de blijdschap der feestelingen vertolkten, Cecilia in haar binnenste tot den Heer zong^ dat is, bad-, „Mogen mijn hart en mijn lichaam onbevlekt blijven, en ik niet beschaamd worden.quot; Ook komt in de geschiedenis geen orgel te pas: — het woord organa, in de akten gebruikt, beteekent muziekinstrumenten in \'t algemeen. (Paquot, Suppl. in Molanum: De historia SS. Imagi-num.) MaarJ deze koude critiek heeft nooit het vertrouwen der Toonkunstenaars in hunne H. Patrones kunnen schokken , en geen schilder of beeldhouwer zal er ooit aan denken de lieve Heilige van haar orgel of harp te berooven.

ChristofFel.

De H. Chiustophorvs [Christusdrager\'), 25 Juli,

-ocr page 316-

— 291 —

Martelaar, na, volgens den H. Ambrosius, ontelbare heidenen tot het geloof te Lebben bekeerd, door de liefde tot Christus, dien hij in zijn hart droeg. Van dat Christus dragen heeft de christelijke volkszin eene stichtende parabel gemaakt, waarop de gewone afbeelding van Sint Christofïel is gegrond. Sint Christotfel wordt voorgesteld als een reus, in \'t water badende tot de enkels. Het Kind Jesus zit op zijne schouders, en draagt een kruisje of een kleinen wereldbol. De reus schijnt overladen met zijne geheimzinnige vracht, en steunt al wankelende op zijnen wandelstaf, veelal een volslagen palmboom. De beteekenis van deze voorstelling is, dat wij Christenen het juk des Zaligmakers moeten dragen en met reuzenkracht door eene zee van wederwaardigheden moeten heenworstelen. Er was een tijd ,, dat het H. Christoffelbeeld zijne eigene plaats had aan den ingang der Kerk, of ook wel er buiten, en men had zulk een vertrouwen in Sint Christoffel, dat men geloofde, dat, wie zijn beeld maar had aangezien , dien dag geen slechten dood zou sterven.

Chrysos torn us.

De H. Cheysostomus, 27 Januari, Grieksch Kerkvader. Als Patriarch met Boek.

-ocr page 317-

— 292 —

Clara,

De H. Cl aba, 13 Augustus, Maagd. Stichtster der Clarissen, of Tweede Orde van Eranciscus. In het boetekleed der Clarissen, eene Ciborie of Monstrans in de hand. Toen de H. Clara haar klooster door de Sarracenen bedreigd zag, liet zij zich , ofschoon ziek zijnde, naar de kloosterpoort vervoeren, tegelijk met het H. Sacrament in eene Ciborie, die in het gezicht der vijanden werd gesteld, üe H. Clara bad vurig tot God om redding, en haar gebed werd niet beschaamd. Met plotselingen schrik bevangen, sloegen de woes ■ telingen op de vlucht.

Cornelius,

De H. Cornelius, 16 September, Paus en Martelaar. Beschermheilige tegen stuipen, vallende ziekte ea alle soort van zenuwaandoeningen. Als Paus met een hoorn in de hand; zinspeling op zijn naam Cornelius als afgeleid van Cornu, hoorn. Alzoo ook vereerd als Beschermheilige van het hoornvee.

Dominicus.

De H. Dominicds , 4 Augustus, Ordestichter. Zie N. 340.

-ocr page 318-

— 293 —

Don.-it, us.

De H. Donatüs, 30 Juni, Komeinsch soldaat en Martelaar. Beschermheilige tegen onweder en van den militairen stand. Als krijgsman met bliksem in de hand, of de bliksem slaat in een boom achter hem.

Drie-Koningen,

De HH. Drie-Koningen, 6 Januari. Gaspar, doorgaans als grijsaard, offert goud, — Baltazar offert myrrhe, — Melohior, meestal de jongste, als eeu moor, offert wierook. Door den wierook werd Jesus erkend als God, — door de myrrhe als mensch, — door het goud als koning. Ook Melchiob grijsaard die goud, — Caspar jeugdig die wierook, — Bal-thasar moor die myrrhe offert.

Dympna of Dymphna,

De H. Dympna, 15 Mei, Maagd en Martelares. Beschermheilige tegen alle hersenziekten. Met een zwaard en monster: door haar eigen vader werd zij onthoofd.

Eligius.

De H. Eligius , 1 December, Bisschop. Als Bisschop met eeu hamer en gouden vaatwerk, wijzende op zijn vroeger handwerk.

-ocr page 319-

— 294 —

Elisabeth,

De H. Elisabeth van Hongarije , 19 November, Weduwe. Vorstelijk gekleed, met drie kronen om hare heiligheid in den drievoudigeu staat van maagd, echtgenoot eu weduwe. Volgens anderen zouden de drie kronen als een historisch attribuut moeten gelden , en Elisabeth voorstellen als dochter van Andreas II, koning van Hongarije, als gemalin van Lo-dewijk, Landgraaf van Thuringen, terwijl de derde kroon zou herinneren aan de kostbare kroon, welke Keizer Frederik II op haar graf liet plaatsen. Met rozen in den schoot; hare giften, die zij den armen bracht, werden eens veranderd in rozen. Om hare liefdadigheid heeft zij soms een korf met brood eh een wijnkruik bij zich, en een bedelaar aan hare zijde.

Felix.

Felix van Valois, 30 November. Met den H. Joannes van Matha Stichter der Orde tot verlossing der slaven. Wit habijt, op de borst een rood-blauw kruis (om de drie kleuren schonk Paus Innocentius III aan de Orde den Titel van de Allerheiligste Drievuldigheid). Met een boek, den Regel der Orde, — met een keten in de andere hand, het doel der Orde beduidende.

-ocr page 320-

— 295 —

Francisca.

De H. Feancjsca Roman a , 9 Maart, Weduwe. Met eene geeselroede ten teeken barer strenge boetvaardigheid. Met een Eugel naast zicb: zij mocht dikwijls haren Engelbewaarder, van helder licht omstraald , aan hare zijde aanschouwen.

Franciscus.

De H. Franciscds van Assisië , 4 October , Ordestichter. Zie N. 340.

De H. Fbanciscüs van Sales , 39 Januari, Bisschop en Kerkleeraar. Gewoonlijk met rochet, mozet en stool. Allerzeldzaamst met een vlammend hart in de hand, wat het attribuut is van den H. Augusti-nus. (Eevue de Tart chrétien, 1858. p. 541.) Of in bisschoppelijk ornaat met boek als Kerkleeraar.

De H. Fhanciscus Xavbriüs, 3 December, Apostel der Indien. Als Priester en Missionaris met Crucifix in de hand predikend.

Gabriël.

De H. Aartsengel GabuiEl, 18 Maart. Zie N. 335.

Georgius. v

De H. Geokgius, 33 April, Krijgsoverste en Mar-

-ocr page 321-

telaar. In wapenrusting te paard met eene lans (waaraan eene banier met rood kruis) een monster dooden-de. Volgens de legende heeft de H. Georgius eene koningsdochter van een monster bevrijd: eene zinnebeeldige voorstelling van den ijver en moed, waarmede de H. Georgius zoovelen uit de klauwen van den helschen draak heeft gered, die met hem de kroon der martelie hebben gewonnen.

Gertradis.

De H. Gektbüdis tan Nivel, 17 Maart, Maagd en Abdis. Als Abdis met staf, waartegen muizen op-loopen. Beschermheilige tegen ratten en muizen, vooral in \'t veld en op schepen. Muizen symboliseeren ook den duivel.

Grregorius.

De H. Geegorius de Gkoote, 13 Maart, Kerkvader. Zie N. 839.

Guilielmus.

De H. Gulielmüs, 35 Juni, Abt. Als Abt in arme pij. Insignes van den ridderstand (schild, degen, harnas) aan zijne voeten : teekeneu zijner hooge afkomst , welke hij versmaadde. Doodshoofd en kruis: voorwerpen zijner overwegingen.

-ocr page 322-

Selena.

De H. Helena, 18 Augustus, Keizerin. Als bejaarde quot;Vorstin met de keizerlijke kroon op het hoofd en het kruis in de armen. De H. Helena heeft te Jerusalem het Kruis des Heeren gaan zoeken en heeft het mogen vinden. Feest der H. Kruisvinding 3 Mei.

Henricus,

De H. Henricds, 15 Juli, Keizer. Als Keizer, — een degen in de hand ter verdediging van de rechten der Kerk, — eene kerk op de andere hand als stichter van kerken en kloosters.

Hiëronym lis.

De H. Hiëronymus, 30 Kerkvader. Zie

N. 339.

Hiabertos.

De H. Hubeetüs , 3 November, Bisschop, Patroon der Jagers. Beschermheilige tegen de razernij. Als Jager , meestal te paard, of als Bisschop, — naast zich een wit hert met een kruis tusscben de horens, — hem alzoo eens verschenen te zijner bekeering.

Ignatius.

De H. Ignatius van Loïola, 31 JmH, Ordestichter. Zie N. 340.

-ocr page 323-

— 298 —

Isidorus.

De H. Isidords, 10 Hei, Landbouwer. Als landbouwer met spade.

Jquot; acotons.

De H. Jacobus de Meerdere, 25 Juli, Apostel. Zie N. 338.

De H. Jacobüs de Mindere, 1 Mei, Apostel. Zie N. 338.

Joachim.

De H. Joachim, Zondag onder \'t Octaaf van O.-l.-V.- Hemelvaart, Vader der H. Maagd. Als priester \'van het Oud Verbond. Maria als kind op den arm dragend. Korf met twee duiven ziet op het offer des armen na de geboorte van een kind. Lev. XII, 6-8.

Joannes.

De H. Joannes, Apostel en Evangelist, 37 December, Zie N. 337 amp; 338.

De H. Joannes Baptist oi de Dooper, 24 Juni. Met een kleed van kemelhaar en lederen gordel — naast zich een lam met kruisvormigen nimbus , en een kruis dragende, of een Inm op den arm: zinspeling op zijne aanwijzing van den Zaligmaker; „Ziedaar het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld.quot;

-ocr page 324-

— 299 —

Draagt Joannes het lam op een boek, dan beteek ent bet boek de Voorzeggingen van het Oude Testament, die in Christus vervuld zijn. Bijl in den wortel van een boom gehouwen of op eene bijl leunende: zinspeling op Matth. III, 10.

De H. Joannes Nepomucexus, 16 Mei, Priester en Martelaar voor bet geheim der Biecht. Beschermheilige tegen overstroomingen, laster en kwaadspre-kendbeid. Als Priester in superplie, met Crucifix en palmtak. Of met een vinger op den mond, symbool der stilzwijgendheid. Starrekrans om het hoofd: door een wonderbaar licht werd de plaats aangeduid, waaide Heilige verdronken was.

Joris.

Sint Johis, 33 April. Zie: de II. Georgius.

J oseph.

üe H.Joseph, 19 Maart, Bruidegom van Maria, Voedstervader van Jesus ,— Patroon der H. Kerk ,— Patroon van Nederland. Wordt de H. Joseph afgebeeld als een grijsaard, dan is dit eene zinnebeeldige voorstelling van zijne beproefde deugd , van zijne trouwe en grijze wijsheid. Is de H. Joseph afgebeeld in de volle kracht des levens, dan is de voorstelling

-ocr page 325-

— 300 —

volgens de overlevering;. Het Kind Jesus aan de hand (veel beter dan op den arm , of liever: het moest niet anders zijn. Zie Noot bij de voorstelling van O.-L.-V. van \'tH. Hart, bladz. 355) dnidt den H. Joseph aan als Voedstervader van Jesns , die aan Joseph onderdanig was. — Eene lelie in de hand duidt hem aan als den allerzuiversten Bruidegom en Beschermer van de Moeder des Heeren. — Een bloeiende staf in de hand is eene zinspeling op zijne Verloving met Maria, toen, volgens eene overlevering, de H.Joseph door het bloeien van zijn staf werd aangeduid als de bevoorrechte des Hemels om te worden de Bruidegom van Maria; — of te houden als zinnebeeldige voorstelling der wonderbare vruchtbaarheid van hét maagdelijk huwelijk tusschen Maria en Joseph : de eigenaar van den grond heeft recht op diens vruchten. — Eene zaag of bijl duidt den H. Joseph aan als werkman {faber).

In eene H.-Familiegroep staat de H. Joseph of aan de linkerhand van Maria , en dan zijn de drie H. Personen voorgesteld volgens hunne waardigheid: Jesus gt; Maria , Joseph; — o/ de H. Joseph staat aan de rechterhand van Maria volgens de orde des huisge-zins: Joseph, Maria, Jesus, Joseph als Hoofd, Maria als Moeder en Jesns als Kind, aan hen onderdanig.

-ocr page 326-

— 301 —

Xlt;am Inertias.

De H. Lambeetus , 17 September, Bisschop en Martelaar. Als Bisschop met spies in de hand , wijzende op zijne martel ie.

Xiaurentius.

De H. Ladrentiüs, 10 Augustus, Diaken eu Martelaar. In dalmatiek met een grooten rooster naast zich , werktuig zijner martelie.

Loo nardus.

H. Leonardüs van Veohel , 9 Juli, Pastoor en Martelaar. Afgebeeld als Priester met eene Monstrans in de hand ; aanduidende zijne kloekmoedige belijdenis van Jesus\' tegenwoordigheid in het H. Sacrament. Met eene touw om den hals duidend op zijne marteling.

Lode wijk.

De li. Lode-wijk van Fkankiujk, 23 Augustus. Als koning met de insignes der Kruisvaarders, kruisstaf iu de hand of kruis op den mantel. Koninklijke kroon op het hoofd , doornenkroon in de hand : ter herinnering van zijn heiligen ijver om de heilige Doornenkroon des Zaligmakers machtig te worden.

Louis. o

Saint Louis kan beteekenen den H. Aloysius van

-ocr page 327-

— 302 —

Gonzaga of den H. Lodewijk van Frankrijk.

Iiiicas.

De H. Lücas, 18 October, Evangelist. Zie N. 337.

Ijuoia.

De H. Lücia, 13 December, Maagd en Martelares. Beschermheilige tegen ziekten in het bloed , vooral tegen rooden loop. Zij wordt afgebeeld , den hals met een zwaard doorstoken , overeenkomstig hare martelie. Wien deze voorstelling te gruwzaam voorkomt, geven de H. Lucia een zwaard in de hand. Twee oogen op eene schaal of op een boek, wijl haar de oogen werden uitgestoken. Patrones tegen oogkwalen.

XiUclovicns.

De H. Ludovicus. Zie : de R. Lodewijk.

Magdalena.

De H. Makia Magdalena , 22 Juli. Als de boetvaardige zondares, met een doodshoofd naast zich, de oogen ten hemel, met eene uitdrukking van leedwezen en vurig verlangen naar de onsterfelijke goederen. Eene vaas met reukwerk herinnert aan de heldhaftige daad , waarvoor zij zoozeer door den Zaligmaker geprezen is. In het huis van Simon, die een feestmaal

-ocr page 328-

had aangericht, werpt zich Maria Magdalena met een rouwig hart voor de voeten des Zaligmakers, besproeit ze met hare tranen , en na ze met heure haren te hebben afgedroogd, kust zij die heilige voeten en balsemt ze met welriekende olie, die zeer kostbaar was.

Marcns,

De H. Marcus, 35 April, Evangelist. Zie N. 337.

Maria,.

De H. Maagd Maeia , Moeder Gods. Zie N. 338.

Martinne.

De H. Martinus van Tours , 11 \'November , Bisschop. Als krijgsman te paard of te voet, zijn wit overkleed met zijn degen verdeelende. Als Bisschop met een wit kleed over den arm. Martinus sneed met zijn rapier een stuk van zijn mantel, om een arme te dekken ; — waarop de Zaligmaker hem des nachts verscheen , bedekt met den halven mantel, dien Martinus aan den arme gegeven had,— zeggende\'tot eene schaar van Hem omringende Engelen: „Martinus heeft mij met dit kleed gedekt.quot;

Mattheüs.

De H. Mattheüs, IX September, Apostel en Evangelist. Zie N. 337 amp; 338.

-ocr page 329-

— 304 —

Matthias.

De H. Matthias, 24 Februari, Apostel. Zie N. 338.

Michael.

De H. Aartsengel Michaël , 29 September , Zie N. 33 5.

NicoUiüs.

De H. Nicolaüs , 6 December , Bisschop. Als Bisschop met een boek , waarop drie gouden appelen of bollen , die wijzen op zijne drie huwelijksgiften aan drie dochters, om hare deugd en eer te redden , — of volgens sommigen op zijne kloeke verdediging van het mysterie der H. Drievuldigheid op de Kerkvergadering van Nicea. — Naast hem eene kuip , waarin drie kinderen , die hunne handjes naar den Heilige opsteken : door Gods ingeving wist de Heilige, dat een wreedaard drie kinderen had vermoord, en , aan stukken gehakt , in eene kuip bewaard hield , om hun vleesch aan zijne gasten voor te zetten; de H. Nicolaas vond de kuip in den kelder, maakte er een kruis over, de kinderen herleefden en sprongen op. Een anker of scheepje wijst den H. Nicolaas aan als Patroon der Schippers, wijl hij zeevarenden op hunne aanroeping in behouden haven bracht.

-ocr page 330-

— 305 —

Norbertus.

De H. Norbehtus, 6 Juni, Bisschop. Stichter van de Orde van Premonstreit. Als Bisschop met eeue Monstrans in de hand: om zijne verdediging van het H. Sacrament tegen de ketterij vau Tanchelinus (deze soms voorgesteld als een geketende duivel aan zijne voeten).

3?aulus.

De H. Paclus , 29 Juni, Apostel. Zie N. 338.

Üe H. Paulüs , ^Januari, Eerste Eremijt. Lang;-baardig, in eene pij , uit gevlochten bladeren vau den dadelboom (welk kleed den H. Antonius als een kostbaar erfstuk ten deele viel, en hem voor feestkleed diende op de hoogtijden van Paschen en Pinkster). Met eeue raaf, die een half brood in den bek houdt: zestig jaren lang had eene raaf dagelijks den H. Pan-lus een half brood aangebracht; bij het bezoek van

Iden H. Antonius bracht de raaf een heel brood.den H. Antonius bracht de raaf een heel brood.

IPetrus.

De H. Petrus, 29 Juni, Apostel. Zie N. 338.

B

Kaphael.

De H. Aartsengel Eaphael , 24. October. ZieN. 335.

20

I

---——.....—^---

-ocr page 331-

— 306 —

Kochus.

De H. Rochus , 16 Augustus , Beschermheilige tegen alle besmettelijke ziekten. Als pelgrim met hoed en staf ) — eene wonde aan de dij , — ter zijde een Engel en een hond met een brood in den bek. De wonde beteekent, dat de Heilige , te midden van zijne held-quot; haftige verpleging van besmettelingen , zelf door eene brandende koorts in de aderen en eene verschrikkelijke pestbuil in de linkerdij werd aangetast. Buiten de stad gebannen en van alle menscheüjke hulp ontbloot, werd hij gespijsd door zijn kleinen houd , die dagelijks naar de stad liep en telkens een brood medebracht. Een Engel zelfs kwam zijne wond verbinden en hem troosten.

Schiolastioa.

De H. Scholastica, 10 lebruari, Maagd, Zuster van den H. Benedictus. Als Abdis voorgesteld , ofschoon zij niet Abdis was. Zwart habijt. Met een omhoog vliegende dnif. Zoo zag de H. Benedictus hare reine ziel ten hemel vliegen.

Sebastianus.

De H. Sebastianus , 20 Januari, Krijgsoverste en Martelaar. Wordt voorgesteld aan een boom gebonden en met pijlen doorschoten.

-ocr page 332-

— 3Ü7 —

Stepharms.

De H. Stephanus , 2 6 December, Diaken en eerste Martelaar. Als Diaken in dalinatiek, — met een palmtak in de eene en een steen in de andere hand: hij werd immers gesteenigd.

o O

Teresia.

De H. Teresia, 15 October, Maagd. Stichtster der Ongeschoeide Carmelitessen. Een klein vlammend hart in de rechter : beteekent hare vurige liefde tot God. Zij zag eens een Serafijn haar de zijde met een gouden vlammeuden schicht doorboren. (Aau het hart van de H. Teresia, bewaard in de Kerk van Alba de Tor-mez in Spanje, is nog de wonde der rniracnleuse doorboring zichtbaar. Bouix. Vie de Ste Terese.) — Een boek in de linker herinnert aan hare Schriften , die van hemelsche verlichting getuigen. — Een Kruis met vier groote edele gesteenten ; — volgens bevel van haren biechtvader moest zij hare verschijningen als het werk des duivels beschouwen en ze met het Kruis verdrijven. De Zaligmaker verscheen haar en zij hield Hem uit gehoorzaamheid het Kruis voor. Om haar te beloo-nen , nam de Zaligmaker haar het Kruis af, maar gaf het haar terug , met vier groote edele steeuen versierd,

-ocr page 333-

— 308 —

die voor haar alleen zichtbaar waren.

Thomas.

De H. Thomas, 21 Decembergt; Apostel. Zie N. 338.

De H. Thomas tan Aquinen , 7 Maart, Kerkleeraar. Prijkt met eene stralende zon op de borst, zinnebeeld zijner schitterende leer. In zijne Encycliek Ae-terni Patrü dd. 4 Aug. \'79 vergelijkt Paus Leo XIII den H. Thomas met de zon, en getuigt van den \'Engel der School ■. hij „ koesterde de aarde met den gloed zijner deugden, en vervulde haar met den glans zijner leer.quot; Men zag ook eens eene ster of zon boven zijn hoofd schitteren. — Een kelk, met de H. Hostie daarboven, in de hand, — of een boek met de inscriptie: Tiauda Sion: de H. Thomas heeft het kerkelijk Officie van den H. Sacraments-dag opgesteld, eveneens het Pauge liugua, het Lauda Sion t het Ado-ro te en het Sacris solemniis. — De inscriptie: Bene scripsisti de me, Thoma: Gij hebt wel over mij geschreven, Thomas. Het zijn de woorden, die de H. Kerkleeraar hoorde, toen hij te Napels in het Domi-nikaner klooster met eene buitengewone vurigheid voor een Crucifix biddende was. De stem voegde er bij : „ Wat loon dan wilt gij daarvoor ontvangen?quot; Thomas ant-

-ocr page 334-

— 309 —

woordde: „Geen ander, Heer, dan U zelf.quot; —• Eene duif aan zijn oor; zinspeling op zijne verklaring, dat, hetgeen hij wist, eerder hem van God was ingegeven in zijn gebed, dan wel door arbeid en studie verkregen. (1)

quot;Vinoentins.

De H. Vincentiüs van Paülo , 19, Priester, Apostel der christelijke naastenliefde. In zwarte toga en mantel , met een arm kindje aan de hand en nog een jonger op den arm.

quot;W illibrordus.

De H. Willibrordus, 7 November, Bisschop, Apostel van Nederland. Als Bisschop met eene Kerk op

1

Het monument van St Thomas, door al de Seminariënder Katholieke wereld aan Paus Leo XIII op zijn Gouden Jubilee (29 Dee. 1887) aangeboden en geplaatst in de Vatikaanselie Bibliotheek , is vervaardigd door den beeldhouwer Cesar Aureli. St Thomas is gezeten op den professoralen zetel, een katheder voor zich hij is gekleed in het aloude Dominikaner habijt; zijn hoofd is gedekt met den traditioneelen pontifiealen hoed of r.amauro, zooals hif staat afgebeeld op het zeer oude fresco in de Kerk van Viterbo; zijne rechterhand is uitgestrekt als beschermt hij degenen , die naar hem luisteren; terwijl hij met de linkerhand, als leeraar, een boekdeel van zijne Summa aanbiedt. Op het voetstuk twee bas-reliefs: rechts Leo XIII St Thomas tot Patroon der Studiën proclameerende; — links de H. Leeraar te midden zijner gewone omgeving. Op het front de opdracht van het monument; — aan de ommezijde een lijst van de namen der landen en diocesen, die tot het gedenkstuk bijdroegen. Ned. Kath. Stemm. 24- April \'87.

-ocr page 335-

— 310 —

de hand als Stichter van Kerken. Eene bron ontspringt onder zijn staf doelende op St-Walbmtsput te Heilo. Zie bij den H. Bonifacius de symbolische beteekenis, afgezien van het wonderbare feit.

342. Van welke Heiligen bezitten wij de beeltenissen in onze Kerk ? — Waaraan zijn zij te erkennen ?

§. VI. Bloemen en planten ter siering in onze Kerken.

343. Welke soort van bloemen en planten verdienen de voorkeur tot siering in onze Kerken : natuurlijke of gemaakte ? — Natuurlijke of levende bloemen en planten gaan de gemaakte of kunstbloemen en planten te boven, gelijk het echte goud het valsche goud, gelijk het leven den dood. Door de Kerk zijn ter siering alleen aangewezen bloemen en planten, welke de natuur ons aanbiedt, en op de tweede plaats die van zijde vervaardigd; (1) zoodat deze beide (natuurlijke eu van zijde) liturgische of kerkelijke bloemen en planten kunnen gebeeten worden. Andere kunstbloemen en plan-

1

Vascula cum flosculis, frondibusque odoriferis sen serico con-textis studiose ornata adhiberi poteruut. Caer. Episc. Lib. I. Cap. Xll. N. 12.

-ocr page 336-

— 311 —

ten van metaal, van doek, van veeren, van papier worden slechts geduld door het gebruik, om de armoede der Kerken of om de bezwaren aan het kweeken van bloemen en planten verbonden.

Deze bezwaren worden echter door sommigen niet erkend of althans vrij licht gerekend. De Katholiek (April 1886 , bl. 248 enz. Bloemensier voor Kerk en Altaar) beveelt aan : Die Pflanzenwelt als Schmück des Heiligthums. — En : Die besten Altarhlumen in Top/ uni ihre Special-cultur. Door Arnold llüttor. Regensburg bij Pustet.

344. Waarom is bloemen- en plautensier in onze Kerken zoo gepast? — Bloemen in onze Kerken zijn teekenen van geestelijke vreugde. Hoe hooger Feest des te grooter macht en pracht van bloemen en planten. Hoe gepast als wij aan God en zijne H. Moeder en zijne H. Vrienden ten offer bieden het schoonste van \'tgeen zijne milde hand ons in wonderbare verscheidenheid van vormen en kleuren en geuren tot veraangenaming des levens geschonken heeft! \'Bloemen zijn het sieraad van den tempel der natuur: hoe gepast als wij met bloemen Gods gewijden Tempel tooien ! — Voeg daarbij de schoone symboliek van vele bloemen en planten in \'t bijzonder. De symboliek geeft aan de bloemen eene bijzondere waarde; — zij sieren

-ocr page 337-

— 312 —

niet alleen, maar spreken, doen denken, doen gevoelen. Hoe schoon ook als de Altaarbloemen met de liturgische kleur van het Feest overeenstemmen!

345. Geef in \'t kort de symboliek van eenige bloemen en planten.

1. Op liet Altaar.

Bloemen op het Altaar ter eere van Jesus Christus in zijn H. Sacrament. Jesus Christus is de Bloem uit Jesse\'s Wortel. „ Eene Eoede zal uitgaan van Jesse\'s Wortel, en eene Bloem zal uit den Wortel oprijzen.quot; Isai. XI, 1. Jesse of Isai, de Vader van David, is de Wortel, — Maria is de Eoede of twijg uit den Wortel, — en Jesus de Bloem aan die Roede uit dien Wortel. (1) — Jesus is de Bloem des velds en de Lelie der dalen (Cant. II, 1): dat is , onder de nederigste gedaante zijne Goddelijke Majesteit verbergende en voor iedereen toegankelijk. — Jesus is de Beminde, die zijn vermaak vindt iusschen de leliën. Cant. II, 16.

1

De Roede van Jesse was een geliefd onderwerp voor snij-en penseelwerk in de middeleeuwen : een boom met bloemen beladen, uit wier kelken de voorouders des Verlossers oprezen ; in den top des booms verscheen Hij zelf, in de gedaante van een Kind, met zijn Kruis. Ook liet men soms den stam oprijzen uit de borst van den slapen.-den Jesse.

-ocr page 338-

_ 313 —

Hoe teekenen de witte bloemen (gelijk de blanke witheid der H. Hostie) de onbevlekte reinheid van Jesus en zijne genegenheid voor de zuiveren van harte! Hoe symboliseeren de roode bloemen de vurige liefde van Jesus, die ons afvviesch in zijn Bloed, en ons zijn Lichaam en Bloed tot spijs en drank gaf! De groene stengels met hunne veelvuldige scheuten zijn het beeld van het leven en de vruchtbaarheid , die in Jesus Christus is. De vorm en de aderen der bladeren vertoonen niet zelden eeu Kruis, terwijl de Koningin der bloemen, de Koos (1) met menige andere, door haar vijftal blaadjes aan de vijf Wonden onzes Heeren herinnert. — Mogen ook de bloemen , waarmede bet Altaar ter eere van Jesus Christus wordt gesierd, door hare witte kleur de reinheid van onze ziel, de kuischheid van ons lichaam en de zuiverheid van onze meening, — door hare roode kleur de vurigheid van onze dankbaarheid, wederliefde en offervaardigheid , — en door het groen van stengel en bladeren ons levendig vertrouwen op Jesus\' barmhartigheid en onze vaste en volstandige hoop op het eeuwige leven vertolken I Moge de liefelijke geur der bloemen ons indachtig, maken, dat het

1

Zie onder de symbolen de Hoos als beeld van Jesus Christus.

-ocr page 339-

— 314 —

ons betaamt door onze deugden de goede geur van Christus te zijn. 3 Cor. II, 15.

II. In liet Priesterkoor.

Groen blijvende laurieren, palmen, oranjeboomen en dergelijke gewassen in het Priesterkoor verheö\'en onzen geest tot Jesus Christus, die de Boom des levens is , met vruchten voor elke maand, en bladeren tot genezing. Openb. XXII, 2. üe bladeren zijn Jesus\' woorden tot genezing der zielen. „ Die bladeren, zegt de H. Augustinus, vallen nimmer af: want Gods woord blijft eeuwig.quot;

III. Voor de beeltenis der II. Maagd.

Wat wonder, zoo wij bloemen aanbrengen bij het Altaar of den Troon van de H. Moeder Gods, — macht en keur van bloemen en planten in de schoone Meimaand , haar toegewijd? Is Maria zelve niet een lusthof, vol van de prachtigste bloemen met de aangenaamste geuren? (1) Is zij niet de Lelie tusschen de dorens? de geheimzinnige Roos? (2) Waarom zouden wij bij de

1

Tere Virgo hortus deliciarum, in quo consita sunt univer-sa florum genera et odoramenta virtutum. S. Sophronius.

2

Zie de schoone symboliek der Roos onder de symbolen.

-ocr page 340-

geestelijke Bozenhransen, welke wij opzenden tot baren Troon in den hemel, ook niet voegen de stoffelijke Rozenkransen tot siering vau den Troon , waarop wij hare beeltenis verheven hebben? Plaatsen wij haar beeld in een bosch van groen, rijzig groen, immer groenend. Zij is als de Ceder op den Libanon, als de Cipres op den berg Sion. Eccl. XXIV, 17. Zij is ons leven, onze zoetheid, onze hoop. Salve Eegina, vita, duloedo, spes nostra, salve.

IV. Voor Heiligenbeelden.

Zijn de Engelen bloemen in het Paradijs ontloken, de Heiligen zijn bloemen van de woestenij dezer aarde in het Paradijs overgeplant. Mogen wij de bloemen, waarmede wij de beeltenissen onzer geliefde Heiligen tooien, niet alleen aanzien als eene hulde aan hunne deugden; maar tegelijk als een gebed, dat zij door hunne voorspraak voor ons, arme, nog vervvelkbare, misschien kwijnende bloemen, duurzaam leven en geurige frischheid mogen verwerven; — en de smeekbede niet ijdel zij, waarmede wij eenmaal ten grave zullen worden gebracht: In Paradisum deducant te Angeli: in het Paradijs voeren u de Engelen, om daar voor den Troon van God in eeuwige lente te bloeien en te geuren!

-ocr page 341-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over onze Kerkhoven.

346. De eerste Christenen hunne dooden,

op het voorbeeld van de Stamvaders des menschdoms en van geheel het Oude Verbond, vooral ook omdat de Verlosser begraven was na zijn dood.

Bij den dood van Sara kocht Abraham eene dubbele spelonk tot grafplaats voor Sara, voor zich en zijne familie. Gen. XXIII, XXV en IL. (1) De Patriarchen verlangden in hetzelfde graf verzameld te worden en te slapen niet hunne broeders. — De geschiedenis van ïobias leert ons, dat de Joden het begraven der dooden als een werk van barmhartigheid beschouwden; wijl Tobias, ondanks het strenge verbod van den Koning van Assyrië, heimelijk de lijken ter aarde bestelde van die ongeluk-kigen , welke deze wreedaard liet ter dood brengen; waarvoor ïobias van al zijne goederen werd beroofd, maar door Gods Engel geprezen werd. ïob. XII, 22.— Onbegraven te blijven of uit het geopend graf geworpen te worden, was bij de Joden eene ongemeene schan-

1

Ziedaar het eerste voorbeeld van een familiegraf.

-ocr page 342-

— 317 —

de, als blijkt uit Jeremias YIII, 1 en XXII, 39. — De Joden hadden hunne grafplaatsen in de steden, doch meestal op het land , aan de groote wegen, in rotsholten, in hoven. Het aanbiddelijk Lichaam des Zaligmakers , van het Kruis afgedaan , werd gelegd in het grafgewelf, dat Joseph van Arimathaea in een rotsachtig gedeelte van zijn hof voor zich zeiven had laten uithouwen. Matt. XXVII, 59.

347. De eerste Christenen , uit welke natiën zij ook voortsproten , en of daar de lijkenverbranding in zwang was of niet, zij scheidden zich af, kozen voor zich afzonderlijke begraafplaatsen , en volgden altijd hunne eigene wijze van teraardebestelling. In \'t Eomeinsche Rijk, in Eome eu andere groote steden, waar de heidensche bevolking de overledenen verbrandde, hadden zij hunne Catacomben, en, zooals de overblijfsels bewijzen, zij legden er de lijken hunner afgestorvenen neder ia den schoot der aarde. — De Martelaren, ter dood gaande, hadden maar één verlangen meer voor deze aarde: dat hun lichaam met eere zou worden begraven. De H. Tropes smeekte, toen hij ter dood werd geleid, zijn vriend Andronicus toch zijn lichaam te begraven. St Victor, Ste Corona, St Eustratius, St Mennas hadden allen dezelfde zorg voor hunne stoffelijke overblijfsels. Zij , die niets

-ocr page 343-

— 318 —

vreesden, hadden maar ééne vrees: dat hun lichaam door de heidenen zou worden verbrand, en niet begraven. De H. Fortunea, die met hare broeders moest worden onthoofd , schonk den beul twintig goudstukken, opdat haar lichaam niet zou worden verbrand, maar in de aarde begraven. Surins : Zey. d. HH. — Bosio : Horna sotterranea.

De Christenen der eerste tijden , zegt Fleury, om hun geloof aan de verrijzenis te betuigen , hadden groote zorg voor de begrafenis hunner dooden. Zij verbrandden de lijken niet zooals de Grieken en Komeinen deden; volgden evenmin de Egyptenaren , die met eene bijgeloovige ver-eering de lijken gebalsemd in hunne huizen bewaarden ; maar begroeven ze naar Joodsehe gewoonte. Na ze ge-wasschen te hebben , balsemden zij ze (1) en verbruikten daarbij, zegt ïertullianus, meer reukwerken dan de heidenen bij hunne offers. Zij wikkelden de lijken in het fijnste lijnivaad en zijdestoffen , soms hulden zij ze in kostelijke kleederen. (2) Zij stelden ze drie dagen

1

Dn H. Eplirem zc^t in zijn testamentBegeleidt mij met uwe gebeden, en behoudt de reukwerken om ze aan God te offeren.quot; De bewierooking bij eene uitvaart mag zijn oorsprong hebben in dit oud gebruik. Eergier. Funvrailles.

2

Dit wellicht tot beschaming van sommige bemiddelde Katholieken , die hunne afgestorvenen zoo eenvoudig, laat ons het rechte woord gebruiken : soo goedkoop mogelijk zien te kleeden en te kiste:*. Men hoort ter verschooning : //Och, de dooden hebben er niets aan , en quot;t gaat toch maar den grond in.quot; Evenwel staan zij er op, dat de Priester in zijn kostelijkst ornaat en met veel plechtig-

-ocr page 344-

— 319 —

ten toon, al dien tijd er bij wakende en biddende ; daarna droegen zij ze ten grave. Zij vergezelden het lijk met kaarsen en flambouwen , psalmen en liederen zingende, om God te loven en hunne hoop op de verrijzenis uit te drukken. Men bad voor den overledene, droeg het

H. Misoffer voor hem op, gaf aan de armen een liefdemaal [agape) en andere almoezen ; behalve de dagelijk-sche gedachtenis bij de H. Mis hield men nog van jaar tot jaar eenejaarlijksche gedachtenis. Fleury. Moeurs des Chretiens. T)es Sepultures.

348. Welke benamingen hebben wij voor de rustplaats onzer dooden?

I. De schoonste benaming, wiiarin zoo klaar liet troostende leerstuk Verrijzenis des vleesch ligt opgesloten , is wel het grieksohe -/.otfATjTTjptov , waarvan cuemeie-rium of dormitorium in \'t latijn , zooveel als slaapplaats in onze taal. De Kranschen hebben hun cimetïère, de Engelsehen hun cemetery, de Italianen, hun cimeterio: wij missen die sclioone benaming, {*) Slaapplaats voor

heid tie armzalige hst zal komen besproeien en bewierooken. Hoe strijdig is deze denk- en handelwijze met den geest der Kerk !

(*) Daarentegen heeft onze nude taal een woord, dat met de benaming, door andere volken aan de Kerkhoven gegeven , vrij wel overeenstemt, het woord Vrijthof, dat is: \'Vreurhof ; — ook omdat, evenais aan de Kerken , liet jus asijli aan de Kerkhoven verbonden wasj maar de grond van dit recht bestond hierin, dat op die gewijde plaatsen vrede moest heersclien. Vrijthoven noemde men

-ocr page 345-

— 320 —

het laatste verblijf der Christenen ; hun graf eene Slaapstede, een Rustbed■. wat zegt die naam veel! In waarheid, onze dooden zijn niet dood, zij slapen wooi een wijle, gelijk de Zaligmaker van het dochterken van Jai-rus zeide. Als de H. Paulus van de afgestorvenen spreekt, noemt hij ze de slapenden, die welhaast tot een eeuwig leven zullen ontwaken. Ante Christi adven-tum mors mortis nomen habebat. At postquam Christus venit, et pro mundi vita mortem subiit, non am-plius vocatur mors, sed somnus et dormitio, Chrys. Ser-mo de Parasceve. Nogtans lezen wij Gen. XLVII, 29 en 30, dat de Patriarch Jacob zijn zoon Joseph smeekte en bezwoer; „ Bewijs mij de barmhartigheid eu trouw, dat gij mij niet begraaft in Egypte, maar dat ik slape met mijne vaderen.quot;

2. De naam van Godsakker doet ons denken aan het profetisch gezicht vau Ezechiël. De man Gods zag een uitgestrekt veld, waarop eene menigte van verdor-

ook plaatsen , daar vrije markten werden gehouden ; maar alweder was vrede hier de grondbeteekenis van het woord; immers alle breuken tegen het recht, die daar waren gepleegd, werden voor zonneonder-gang door de Schepenbank afgedaan en mochten niet worden verdaagd. Alle ballingen waren er vrij , zoolang de markt duurde; — vrede heerschte er, of moest althans er heerschen. Maar Vrijthof bij uitnemendheid was het Kerkhof, het Vredehof voor levenden en dooden, dat ook niet op de zwaarste straffen mocht geschonden worden.

-ocr page 346-

— 321 —

de beenderen verspreid lagen. Op Gods bevel sprak de Profeet tot de beenderen, eu zie zij voogden zich te zaam en werden met vleesch bedekt, van de vier winden blies de geest over de ontzielden en het leven keerde terug: daar stond een ontzaglijk groot leger op zijne voeten. Ezech. XXXVII. — Zóó zal op Gods bevel eenmaal de bazuin der Engelen van de vier boeken der aarde over den Godsakker weerklinken , en de beenderen die daar verspreid liggen , zullen zich te zamen voegen , met vleesch bekleed worden , en met hunne zielen hereenigd, zullen zij levend uit hunne graven opstaan.— Akker Gous: in dien akker wordt het lichaam van den Christen als gezaaid, gelijk de tarwekorrel in den grond valt en sterft, om te ontkiemen en vrucht voort te brengen (Joan. XII, 25); — „het wordt gezaaid, schrijft de H. Paulus, in verderfelijkheid, bet zal verrijzen in onverderfelijkheid; het wordt gezaaid in onaanzienlijkheid, het zal verrijzen in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het zal verrijzen in kracht. Er wordt gezaaid een dierlijk lichaam , een geestelijk lichaam zal er verrijzen.quot; I Cor. XV, 42-44.

3. Kerkhof; een hof rondom of ten minste bij de

21

-ocr page 347-

— 323 —

Kerk. Waar kunnen wij onze dierbare afgestorvenen beter ter ruste leggen dan in de schaduw der Kerk, die ze bij bun leven als bet Huis huns Vaders, en derhalve als bun eigen tehuis hebben liefgehad? Zij rusten daar in eigen grond. — Bij de Kerk, waar zij voortleven in het godsdienstig aandenken hunner vrienden , wien zij bij bet ter kerke gaan als uit hunne graven toeroepen : Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, ten minste gij mijne vrienden; want de baud des Hee\'ren heeft mij geraakt? (1) — Bij de Kerk waar zij deelachtig worden aan de HH. Missen en openbare gebeden, die in de Kerk gedaan worden? — Bij de Kerk, waar zij rusten in de nabijheid van hun God

1

Op sommige plaatsen, waar hot Kerkhof gunstig daarvoor geleden is hebben de goloovigen de allerloffeliikste gewoonte van vóór0en na de heilige diensten vóór het Kerkhofkruis , soms Missie-kruis tegelijk , neer te knielen en vijf Onze-Vaders en M ees-gegroeten te bidden tot lafenis van hunne afgestorvene familiebetrekkingen en vrienden, die daar op den Godsakker rusten. Als het eene heilige en heilzame gedachte is voor de overledenen te bidden , wat een voordeel kan dan de gunstige ligging van een Kerkhof bij de Kerk aanbieden ! Op aanvrage van Mgr Godschalk , Bisschop van den Bosch

heeft Z. H. Leo XIII bij Kescript der H. Congr. de Prop. Inde een aflaat van vijfjaren, ook toevoegelijk aan de geloovige zielen in het vagevuur, toegestaan, eenmaal daags, te verdienen door al degenen . die vijf Onze- Vaders en vijf Wees gegroeten voor het Kruisbeeld op een gewijd Kerkhof opgericht, godvruchtig zullen gebeden hebben. Communicanda pro anno 1882 pag. 4. Item pro anno 1887 pag. 10.

-ocr page 348-

— 333 —

ea Verlosser in zijn aanbiddelijk Sacrament? aan wiens woord zij bij leven en sterven geloofd hebben: „ die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage? Joan. VI, 5 5. — O, hoe zouden zij wenschen te rusten in de Kerk, zoo dicht mogelijk bij het Altaar-, (1) — maar dat mag niet, slechts bij uitzondering wordt him de rust gegund hij de Kerk. (2) Verre weg moéten zij, buiten de bebouwde kom der Gemeente, zoo wil het \'s Lands wet, — op eeue plaats, die dan den wettelijken naam erlangt van Begraafplaats.

4. Begraafplaats; echt neutrale benaming, die niets Christelijks geeft te denken, en daarom ons zoo weinig behaagt, dat wij altijd nog spreken van ons KERKhof , al is onze doodenakket nog zoover van de Kerk verwijderd.

1

In de Kerk , wat volgens de Kerkelijke Hegels geoorloofd, door onze Wetgeving verboden is. Bij het Altaar ) juist in de Kerk om het Altaar, ten einde, gelijk de H. Maxiraus en de H. Augus-tinus reeds opmerkten , door de vereeniging van hun gebeente met het heilig Gebeente der Martelaren, ook door de voorspraak dier Heiligen geholpen te worden.

2

Dat men niet begraaft binnen de steden, te midden eener dicht opeengehoopte bevolking , is alleszins goed te keuren ; maar in landelijke Gemeenten , waar niets eene gewenschte luchtstrooming: verhindert , moge men zooveel mogelijk het Kerkhof bij de Kerk behouden en handhaven, om de vele voordeelen aan dergelijke ligging verbonden.

-ocr page 349-

349. De Kerkhoven buiten de bebouwde kom dev Gemeente, zegt de letter, — zoover mogelijk buiten het gezicht eu het aandenken, zegt de geest der moderne wetgeving. Wat zeker slag van menschen nog veel liever zoude zien? In t geheel (jeen Kerkhoven. Hoe zou dat? Zeer eenvoudig: de lijken niet meer begraven, maar vekbkanden. Dat deden deze en ^ene zeer beschaafde volken ook. O , die crematie of

stquot;

lijkenverbranding is volgens hen zoo gewenscht, en natuurlijk om deugdelijke redenen, waarbij de hygiene of de gezondheidseischen de voornaamste stof leveren ; (*)

(*quot;1 Sommige eminente geleerden , niet tevreden met dat alledaag-sche beroep op de Hygiëne, en overtuigd misschien van het onbe-wezeoe der gezondheidseischen tegen begraaiplaatsen oy de Kerk in landelijke Gemeenten , en derhalve voor verre weg de meeste geval-lell . — hebben gemeend naar edeler en krachtiger argumenten te moeten zoeken, en hebben die gevonden ook. Jammer maar, dat zij

op hun weg zoo bitter weinige ontwikkelde menschen ontmoeten, die

lust gevoelen naar hunne diepzinnige betoogen te luisteren. — Der Kreislauf des Lebeiss. Trof. J. Moleschott. Mainz. 1853. — Al wat bestaat, is stof en kracht die van eeuwigheid in de materie schuilt. Ook de mensch , met geest en vleesch, is stof. Alles is uit stof, en keert terug tot stof, waaruit zich weer nieuwe dingen ontwikkelen. Dat is de kringloop des levens, Igt;iw kringloop met stremmen , maar bevorderen, dat is eene heilige zaak. De menschen derhalve , als ze hebben uitgediend, begraven, aan eene langzame ontbinding overgeven, is dien gewenschten kringloop tegenhouden ; hen verbranden, en met hunne assche de velden bestrooien tot nieuwe ontwikkeling, hoe bevorderend voor dien cirkelgang\' hoe edel. hoe verheffend !----Verlangt men nog meer tot aanbeveling der crematie ? —Ziehier eene allergelukkigste ontdekking. Der Welt Ver-

-ocr page 350-

— 325 —

— maar wat hen bezielt en drijft om zoo te ijveren voor de lij ken verbranding? Haat tegen den Cbristelijken Godsdienst, tegen Christelijke gebruiken en plechtigheden ; — en meteen afschuw van wat aan den akeli-gen dood herinnert. O, konden zij den dood zeiven eens opruimen ! — Wijl eenvoudige geloovigen door de valsche redeneeringen van den Godsdienst vijandige men-schen lichtelijk zouden kunnen worden misleid, is het goed te weten , dat Z. H. Leo XIII een Decreet van de H. Congregatie der Inquisitie dd. 19 Mei 1886 heeft goedgekeurd en bekrachtigd , waarbii wordt verklaard , dat Jut niet geoorloofd is zich aan te duiten hij vereeniyingen, welker doel is het gebruik der lijken-

DERB UTJRCH TODTEIVBEGRABUK6 , DAS JN\'EUE PARADIES UÜHChTOD-tenverbr enk un g. \'t Is de thesis van zekereu Heb all, die onder dien titel in 186S de wereld met zijne gelukkige vondst verraste. De vruchtbaarheid en warmte van onzen aardbol nemen op schrikbarende wijze af. Hoe komt dat ? Door aanwas der zonnevlekken ? Och neen ; daar zit \'m niet. »/ Terwijl wij gewoon zijn de dooden te begraven , onthouden wij aan de lucht dat koolzuur en ^ milde lucht-strooming, die de aarde ter bevruchting zoozeer behoeft. Vandaar het bederf der wereld.quot; En hoe zal de aarde een NI EU W PA RADIJS worden ? Door de zuiverende vlam en de heerlijke uilwasemin-gen , die met de crematie gepaard gaan , zal geheel ons steeds slechter wordend klimaat spoedig in mildheid , zachtheid , enz. toenemen , en hoogst bevorderlijk zijn voor de gezondheid van mensch en dier en voor den groei der planten .... Zie over de crematie meer in De Ned. Kath. Stemmen. Iels uit de geschiedenis der lijkenverbranding. Jaarg. 1887. N. 25-38.

-ocr page 351-

— 336 —

verbranding te bevorderen; — ook niet geoorloofd last te geven tot verbranding van zijn eigen lijk of van de lijken van anderen. Z. H. heeft zelfs bevolen, dat genoemd Decreet aan de Ordinarissen der verschillende r landen zou worden bekend gemaakt, opdat dezen zouden zorgen, dat de geloovigen onderricht worden omtrent het verfoeilijk misbruik (detestabilem abusüm) der lijkenverbranding, en de kudde, hun toevertrouwd, met alle kracht daartegen waarschuwen zouden. — Deze maatregel des Pausen heeft een dubbel voordeel opgeleverd. De Katholieken zijn voorgelicht en gewaarschuwd ; — en de voorstanders der lijkenverbranding hebben zich zeiven ontmaskerd. Nauwelijks was gezegd Decreet bekend geworden , of het Italiaansche GnpoT-oosten richtte eene Circulaire aan de Vrijmetselaarsloges, waarin na de gewone lastertaal tegen de „ Va-ticaansche Keekquot; de BB worden aangemaand „ al hunne middelen in het werk te stellen, om het gebruik der lijkenverbranding uit te breiden, opdat zij eene algemeene gewoonte worde.quot; —■ En welke motieven moeten dienen, om het volk te misleiden? „Het denkbeeld, dat de lijkenverbranding de lichamen aan de verrotting onttrekt, — en ons het voordeel aanbiedt, de lichamen der beminde personen in onze huizen te

-ocr page 352-

327 —

hcuden (hunne asch in eene vaas in of op eene kast?); — terwijl zij ons de kosten bespaart der godsdienstige plechtigheden, — kan op het volk werken, dat altijd bewogen wordt door het gevoel en zucht naar winst.quot; — En de middelen? Vereenigingen oprichten, om met woord en geschrift de lijkenverbranding te bevorderen, — groote eer bewijzen (als eene premie?) aan die hunne lichamen vermaken aan de Vereenigins

o o

tot verbranding, — goed doen uitkomen (lasteren), dat de priester een tegenstander is der lijkenverbranding uit lage speculatie op de lijken. — Hoe denkt men in Nederland over de lijkenverbranding? Een teeken: „ De geneeskundige Eaad van Zuid-Holland heeft in zijne vergadering van den 30 December 1886 met elf tegen twee stemmen besloten , aan den Minister van Binnenlandsche Zaken als \'s Raads overtuiging kenbaar te maken, dat lijkverbranding uit een hygiënisch oogpunt (het belang van algeheele vernietiging der smetstof door verbranding) alle aanbeveling ver-dient.1\' De Tijd van 1 Januari 1887.

350. Is het niet erg hinderlijk, als men ter Kerk gaat, altijd dat Kerkhof, die menigte van graven te moeten zien, en zoo van zelf te moeten denken aan den dood, aan lijken, aan tal van akeligheden? — Wij

-ocr page 353-

— 328 —

antwoorden niet de vraag; Zou het niet heilzaam zjjn voor den Christen, door het zien van een Kerkhof, zich den dood te herinneren, zich te verbeelden , dat uit die graven ernstige stemmen opgaan, die ons toeroepen: Gedenk, o mensch, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeeren. IJdelheid der ijdelheden , alles is ijdelheid, behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen. De nacht komt , wanneer niemand werken kan: werk nu, doe goed, terwijl gij tijd hebt. Werk voor God, werk voor de eeuwigheid. Waak en bid , want gij weet dag noch uur ?

351. Is het Kerkhof bij de Kerk gelegen, dan heeft men daar eene treffende voorstelling van de Algemeene Kerk met Christus haar Opperhoofd. Christus, in het H. Sacrament wezenlijk tegenwoordig, — de Zegepralende Kerk vertegenwoordigd door de Eeliquieën dei-Heiligen (althans door die in den Altaarsteen zijn geborgen) , — de Strijdende Kerk door de biddenden ,

_ de lijdende Kerk door de afgestorvenen , rustende

in den aangrenzenden Godsakker.

353. Wat is het voornaamste onderscheid tusschen Katholieke Kerkhoven en andere Begraafplaatsen ? — Dat Katholieke Kerkhoven door een Bisschop plechtig zijn gewijd of ten minste met Bisschoppelijke machti-

-ocr page 354-

— 339 —

ging door een Priester zijn ingezegend; zoodat zij (je-roijde plaatsen zijn, die recht hebben op onzen gods-dienstigen eerbied. (1)

Zijn de Katholieken bij gemis van een eigen Kerkhof, verplicht van de algemeene begraafplaats gebruik te maken , dan kunnen zij düar, volgens onze wetgeving, voor zich een afzonderlijk en gansoh afgesloten gedeelte verkrijgen, dat tot Katholieke begraafplaats wordt ingezegend. Wet van 1SG9 op de begraafplaatsen. Art. 19.

853. Hoe kunnen wij blijk geven van onzen eerbied voor een Katholiek Kerkhof ? — Door die gewijde plaats voorbijgaande eerbiedig het hoofd te outblooten of te buigen, niet alleen voor het Kerkhofkruis, maar ook in de meening van daardoor onzen eerbied te betuigen voor de overblijfselen van onze Broeders en Zusters in Jesus Christus, bij welke ook eens de onze

1

Er was een tijd, een lange bange tijd, dat de Katholieken in Nederland geen gewijd Kerkhof mochten hebben, \'t Was., toen hun , met de Kerken, ook de Kerkhoven waren ontroofd of althans ontwijd. Mochten zij hunne dooden niet in gewijde aarde begraven; om eenigermate hun godsdienstig gevoel te bevredigen, bedroeven zij ze met gewijde aarde, \'s Avonds vjórde begrafenis, na het gemeenschap1 pelijk gebed van bloedverwanten en vrienden en gebaren, strooide de Priester een handvol gewijde aarde in de kist, opdat de stof des overledenen ten minste met deze gewijde aarde.mocht vereenigd worden. Deze plechtigheid noemde men de Beaardikg. Bijzondere be-teekenis van het oude heaarden ^ niet aarde bedekken, hegraven.

-ocr page 355-

— 330 —

met eere zullen verzameld worden. Spreken wij te hunner lafenis dit kort gebed: Heer, geef hun de eeuwige rust. En het eeutcige licht verlichte hen. Dat zij rusten in vrede. Amen.

354. Waarin bestaat de Kerkelijke Begrafenis ï — In het begraven met Kerkelijke plechtigheid en op gewijde plaats. Ritu et loco sacra.

35 5. Welke is de algemeene regel voor het recht der Kerkelijke Begrafenis ? — De Kerkelijke Begrafenis is een deel der Christelijke Gemeenschap. Derhalve die in de Gemeenschap der H. Kerk hebben geleefd en gestorven zijn , blijven na hun dood nog van die Gemeenschap genieten; maar die niet in de Gemeenschap zijn geweest, bijv. kinderen van Katholieken die zonder doopsel gestorven zijn;— of die zich hebben afgescheiden door ketterij , apostasie of schisma , — of die door eene Kerkelijke straf van de Gemeenschap zijn beroofd en zonder van deze straf door hunne schuld ontheven te zijn , komen te sterven , hebben geen recht op eene Kerkelijke Begrafenis. (1)

356. Noem eenige gevallen, waarin aan een Katho-

1

Oranes et soli fidcles baptizati in loco sacro sepeliri pos-sunt et debent, nisi a jure prohibeantur. Reiff. Lib. 111. Tit. 28. n. 76. — Devoti. De Scpulluris. §. IX.

-ocr page 356-

liek de Kerkelijke Begrafenis wordt ontzegd. — Wanneer een Katholiek met onderscheid des oordeels zich schuldig heeft gemaakt aan zelfmoord , — of bekend staat als aan zijn Paaschplicht niet te hebben voldaan , — of bekend staat als deelgenoot van een of ander geheim genootschap , door de Kerk veroordeeld , — of in openbare zonde heeft geleefd en volhard : — wanneer een Katholiek in eene van deze omstandigheden mocht komen te sterven , zonder voor zijn dood een teehen van berouw gegeven te hehben , wordt hem de Kerkelijke Begrafenis ontzegd. Voeg hierbij : wanneer een Katholiek in of ten gevolge van een duel komt te sterven , al heeft hij voor zijn dood teeltenen van berouw gegeven , zelfs al mocht hij de Sacramenteele Absolutie ontvangen hebben (Bened. XIV. Const. Deles-tabilem dd. 10 Nov. 1753): — zoozeer verafschuwt de Katholieke Kerk het misdadige tweegevecht, en bepaalt deze strenge straf (strenger dan voor een zelfmoordenaar), om hare kinderen van zulk eèn gruwel af te schrikken. Syn. Prov. ültraj. Tit. V. Cap. VIII.

De lijken, aan welke de Kerkelijke Begrafenis is geweigerd , worden op een afzonderlijk, behoorlijk afgesloten gedeelte des Kerkhofs begraven, dat niet gewijd is.

-ocr page 357-

— 332 —

357. Waardoor is een Katholiek Kerkhof op t eerste gezicht te erkennen ? — „ In \'t midden des Kerkhofs (zoo schrijft de Syn. Prov. Ultraj. 1. c. het voor) zal het zegeteeken des Kruises zich verheffen, opdat daaronder van hunnen arbaid rusten mogen die onder denzelfden standaard des Kruises in hun leven gestreden hebben.quot;

358. Is de Orientatie ook gewenscht voor een Katholiek Kerkhof? — Ja , met den ingang in het Westen ; _en dan worden de lijken ook georiënteerd , dat

is: zij worden gelegd met de voeten naar het Oosten.

Is er reden, dat het Kruisbeeld van het Hoogaltaar in de Kerk gericht is naar het Westen; waarom zou men eene andere richting wensehen voor het Kruisbeeld op het Kerkhof? — Gelijk de levenden, in de Kerk vergaderd, naar het Oosten hunnen blik richten als naar het oord van lieht eu zaligheid; — zoo is het wensehelijk, dat de afgestorvenen, op den Godsakker verzameld, met het gelaat naar het Oosten zijn gekeerd, als om heen te schouwen naar het oord, vanwaar zij hun Rechter en Vergelder verwachten, en als gereed, om, zoodra zij de stem van den Zoon Gods zullen hooren, uit liunue graven op te staan, eu zonder zich om te keeren, zieh heen te spoeden naar het dal van Josaphat.

359. Is een Kerkhof niet georiënteerd, dan zul-

-ocr page 358-

len gewoonlijk de lijken gelegd worden met de voeten naar liet Kruis , of, als er eene Kapel is , naar het Altaar der Kapel.

3ö0. Wordt het lijk van een Priester bij de Uitvaart in de Kerk met het hoofd naar het Altaar geplaatst, als nog tot het volk sprekende,— zoo wordt het ook bij het Kruis ten grave gelegd met het gelaat naar de andere graven gekeerd.

361. Is het Kerkhof bij de Kerk , dan is het bij voorkeur aangelegd aan de Noordzijde , niet alleen in het belang der gezondheid , ter wering namelijk van schadelijke uitwasemingen (miasmen); maar ook om eene symbolische reden: het Noorden is immers het beeld der duisternis en des doods. Eveneens zal men op een georiënteerd Kerkhof de ongewijde begraafplaats aan de Noordzijde vinden.

363. Welke zinnebeeldige voorstellingen treft men ongaarne tot versiering van monumenten op een Katholiek Kerkhof?— In :t algemeen die, welke alleen doelen op den dood , zonder op een voortbestaan dei-ziel té wijzen , alsof met den dood het voor den mensch gansch en al gedaan was. Dusdanige zijn : eene zeis of sikkel (de dood heeft hem weggemaaid) , — eeu gewiekte zandlooper (zijn leven is snel ten eind ge-

-ocr page 359-

— 334 —

loopen) , — eene gebroken zuil (zijn leven, zijne plannen , zijne verwachtingen , zijne grootheid ligt gebroken , vernietigd), — eene omgekeerde uitgedoofde fakkel (zijn levenslicht is voorgoed uitgedoofd), enz. We zouden dergelijke voorstellingen heidensche emblemen van deu dood mogen noemen. Wat beteeke-nen gesluierde vazen op een graf? Balsemvazen? Aschurnen ?

368. Hoe strijdig de afbeelding eener gedoofde fakkel op een Katholiek grafgesteente met den geest dei-Kerk is , — blijkt hieruit. dat de Kerk juist licht ontsteekt bij de overblijfselen harer kinderen. (1) Waarom doet zij dat? Om hare afgestorvenen te vereeren als kinderen des lichts; — om te beduiden , dat hunne zielen leven en onsterfelijk zijn , en hunne lichamen eenmaal in dat leven , in die onsterfelijkheid zullen (Jeelen; — om nit te drukken hare hoop en hare bede, dat zij het licht der heerlijkheid mogen aanschouwen , gelijk zij onophoudelijk Gods ontferming over hen inroept: „ Heer, geef hun de eeuwige rust, en het eeuwige licht verlichte hen.quot; — Alzoo ontsteekt men was-

1

Uit tie Akten van den H. Cyprianns blijkt, dat na zijn marteldood zijn lichaam werd tentoongesteld te midden van brandende waskaarsen, quot;f* 258. Zoo oud is dit gebruik.

-ocr page 360-

kaarsen bij de wijding van het Kerkhof;— brandde in vroegere tijden , en brandt nog op enkele Kerkhoven eene lamp ter eere der dooden;— is het in sommige streken gebruikelijk op Allerzielendag kaarsen te ontsteken op de graven der overledenen ; — verlangt de Kerk , dat bij eeu afgestorvene, zoolang hij boven aarde staat, licht brande; (1) — ontsteekt zij bij eene Uitvaart vele kaarsen rondom de baar en bewierookt zij het ontzielde lichaam , om het te vereeren , wijl het gestrekt heeft tot tempel van den H. Geest en tot werktuig van Christelijke deugden.

364. Welke zinnebeeldige voorstellingen of symbolen zijn voor een Katholiek Kerkhof gepast?— In het algemeen die , welke ons geloof in den Kruisdood des Verlossers en onze hoop op het eeuwige leven uitdrukken.

1. Het groote Kerkhofkruis of Kruisbeeld, van steen of ijzer , met of zonder Maria en Joannes daarneven , op eene hoogte als op een Calvarieberg geplant. De af-

1

Zou drukt zich het Romeinsch Ritueel uit : »/ Het lichaam , volgens gebruik met eere verzorgd, worde op eene betamelijke plaats neergezet met Licht daarbij; een kruisje worde den overledene op de borst in de handen gegeven, of bij gebreke van een kruisje worden de handen kruiswijs over elkander gelegd, en hot lijk van tijd tot tijd met wijwater besproeid, en intusschen totdat het ter begrafenis wordt weggedragen, zullen die er bij tegetnvoordig zijn, hetzij priesters of anderen, voor den overledene bidden.quot;

-ocr page 361-

_ 336 —

gestorvenen rusten in de schaduw van bet Kruis het teeken der Verlossing (BI. 308) , waarvan de Kerk zin-H: Gegroet, o Kruis, onze eenige hoop de hoo^ der levenden en der dooden ; — het beeld van den Gekruiste, die gezegd beeft: Ik hen de vernjze-nis en het leven; die in mij gelooft, al is hij ook ge sterven zal leven; en een iegelijk die leeft en in mij

(hui oao , j o K 9 7

gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Joan. Xl.a5-i/.

2. Een Kruis op de graven geplaatst, aan het hoofdeinde ten teeken , dat de begravene in Christus is gestorven en in Christus rust.

3. Palm- of olijftakken, symbool van vrede en ver-zo-nino-. Een palmtak was de gewone versiering op de gravel der eerste Christenen. In de Catacomben vindt

men op de graven eene duif, soms ^ een olijftak in den bek. (Zie onder de Symbolen Baif.) Zou z symbool voor onzen tijd niet meer Passequot;? - Vaquot; o-oede beteekenis nog zijn : bet monogram It , symbolen van geloof , hoop en liefde , het anker al-

leen , het schip.....

4 Kransen , al worden zij voor eene profane -eering gebezigd . kunnen ons Katholieken ten dienste zijn , om onze godsdienstige vereering uit te drukken. Zij mogen het symbool zijn onzer hoop, dat e ovei

-ocr page 362-

— 337 —

ledene voor zijne Christelijke dengden de kroon des levens ontvangen moge.

365. Wat kan men opmerken wegens het gebruik van doodshoofden op een Kerkhof? (1) — Aan den voet van het groote Kruisbeeld (en ook van de kleine Kruisen) beteekent een doodshoofd de zegepraal van het Kruis over den dood; eene toepassing van \'tgeen wij bij den Profeet Oseas XIII, 14 lezen: „Ik zal uw dood zijn, o Dood !quot; — en btj den H. Paulus I Cor. XV, 54 en 55: „ De dood is verslonden tot overwinning. Waar is, o Dood, uwe overwinning? Waar is, o Dood, uw prikkel?quot; (Zie ook N. 333.) — Maar doodshoofden, op andere wijze aangebracht, zijn slechts te beschouwen als zinnebeelden des doods zonder meer, en derhalve zijn zij niets zeggende gemeenplaatsen, tastbare pleonasmen , daar waar alles aan den dood herinnert. Doodshoofden , aan de hoeken van eene grafzerk, wat moeten die zeggen ? Die hier ligt, is dood ! (2)

1

Op em Kerkhof. Laat Onkatholieken aan den ingang van hun doodenakker een paar doodshoofden plaatsen als eene duidelijke aanwijzing voor den vreemdeling: — ome Kerkhoven teekenen zich door het hooge Kruis in hun raidden, gelijk-owcff Kerken door het Kruis op hare spits. N. 357.

2

Dat het versieren van Kerk en Altaar met doodshoofden niet ligt in den geest der Kerk, blijkt uit het Caer. Episc.Lib. II.

22

-ocr page 363-

— 338 —

366 Een verzoek om gebed, of een wensch of gebed voor de rust der ziel is in den Kathoheken „eest dat men zoovele malen op Kvuxs o gesteente te lezen krij-t: Bid voor de ziel mn . . . Memento o M de ziel .an ...Hij of zij ruste in Of \'tzelfde in \'t latijn: Requiescat m pace-, ^eikort. E. I. P. In de Catacomben leest men: Spintm tuus

in pace : Uw geest zij in vrede.

367. Wat worde in acht genomen bij het kleeden,

t.\'tx,quot;mrrt ttken ? Kinderen , kisten en begraven van MM)ERLIJ

die gedoopt zijnde, vóór de jaren des verstands komen te sterven, dulden geen teekenen van touw; w.jl de reine zieltjes van deze kinderen onder de •Engelen es

hemels zijn opgenomen; zoodat ^^TLeUs crafenis de Votiefmis. die genoemd wordt ■. deAngehs

lan de Engelen) zeer passend is „ 30] Derhalve a«» kinderlijken . m o p geen zwart; maar de lijkjes worden met een bloemkrans of welriekend groen getooid. (*) en op de met

Ca^ XI, n. 1.: . Altare nullo festWo^sed

Sra etThis nullae . vel

cruces albae ponantur. sen de herbis aromaticis et

dlt;SerhT^m Suatis carnis et virginitatis. Kit. Kom.

-ocr page 364-

— 339 —

toil gedekte kist kan eeu krans of tuiltje gelegd worden. Deze kinderen, omdat zij de besmetting dezer wereld niet gekend hebben, worden niet onder de volwassenen, maar op eeae uitgelezene plek van het Kerkhof begraven. De onderscheiding, waarmede de lijkjes dezer onschuldige kinderen worden behandeld, moet hunnen bedroefden ouders geen geringen troost verschaffen ; trouwens zij worden zoo herinnerd aan het zekere geluk der engelreine zieltjes hunner lievelingen , die in den hemel hunne voorsprekers geworden zijn. — Doch de kinderen , die hij hun dood de jaren des verstauds hebben bereikt, worden onder de üofeaMffwe» gerangschikt en als dusdanig behandeld. Derhalve worden de lijken dezer kinderen, al waren ze pas zeKew/aar oud geworden, in rouw gekleed, de kist met zwart versierd, en niet met wit, maar met zwart gedekt. Nog-tans worden op kist en grafbloemen toegelaten, evenals bij de begrafenis van alle ongehuwden, fot teeken en vereering hunner maagdelijkheid.

-ocr page 365-

AANHANGSEL.

§. I. Over de kleeding en onderscheidings-teekenen van Kerkelijke Waardig-kftidsbekleeders.

368. Pontificalia zijn de bijzondere ornamenten van een hoogen Dignitaris der Kerk bij den plechti-een ambtsdienst. Het Pontificale Romanum en het Caeremoniale Episcoporum geven deswegens de nauwkeurigste voorschriften. Insignia zijn de bijzondere onderscheidingsteekenen van Kerkelijke igni a rissen, als het Pallium der Aartsbisschoppen, het Purper der Kardinalen, enz.

-ocr page 366-

— 341 —

Kleeding\' en onderscbeidingsteekenen.

369. A. Van een BISSCHOP.

I. DE KLEEDING;

1. Het costuum of de gewone kleeding:

Zwartlederen Schoenen met gouden of vergulde gespen ; — Kousen , Talaar of Toog, Cingel, Coilaar : alles paars-, — gouden Ring met steen aan den ringvinger der rechterhand. (1) Gouden Kruis aan gouden keten.

Voeg hierbij om uit te gaan; een paars Manteltje, ] (in vorm gelijk aan het zwarte der mindere geestelijkheid) , — paarse Handschoenen (de Ring over den Handschoen), — een zwarten Steek met groen koord en kwastjes omwonden.

De Bisschoppen hebben nog eene zwarte Simaar, een ruim lang overkleed met pelerine en korte opene mouwen, die toegeknoopt worden.

1

Wanneer men, ten gehoore toegelaten, voor een Bisschop verschijnt, en ook wanneer men zich verwijdert, kniele men voor Zijn Hoogwaarde om zijn zegen te ontvangen :—mocht de Bisschop bij komst of afscheid gemeenzaam de hand geven, dan zal men die nemende eerbiedig zijn King kussen.

-ocr page 367-

_ 342 —

2. De bijzondere kleeding vóór en na eene Pontificale plechtigheid;

Talaar met langen sleep , — Eochet (wit koorkleed met enge\'mouweu), — daarover paars Mozet of Camail (schoudermanteltje) of paars Mantelet (langere schoudermantel zonder mouwen) of paarse Cappa (kapmantel met langen sleep), — Barret of Bonnet met drie punten.

3. Het Ornaat bij eene Pontificale Mis :

Barret, Kruis, Cappa (Mozet of Mantelet), Ring en Handschoenen afgelegd zijnde, (*) — wordt over Eochet aangedaan: Amict, — Alb ,— Cmgel, Pontificaal Kruis — Stool (niet gekruist, maar recht af- j hangende), — daarover Tuniek (van \'t Subdiaconaat) en Dalmatiek (van \'t Diaconaat), — Handschoenen in liturgische kleur en met goud geborduurd (**) — ein-

(*\\ Bil het Ornaat voor eene Pontificale Mis (geene Lijkmis) behooren ook de Gatigat en de Sandalia De Caligae zijn eene soort ruime kousen van gewevene zijde over degewonepaarsekouseil de Sandalia zijn lage schoenen zonder hakken, die keende voeten met zijden linten worden vastgebonden. Cahgae en Sandaha hehljen de kleur der andere ornamenten volgens de fcestelijkhcKl., _

Bisschonpen alleen de Paus heeft een Kruis op de Sandalen (voor de plechtigheid van den Voelkus). Onder de Romeinsche Keizers

waren rijke Sandalen eene onderscheiding voor Prinsen en Senatoren.

(**) In eene Pontificale Lijkmis maakt de Bisschop geen g -bruik van Staf en Handschoenen, evenmin als van Cahgae en Sandalen.

-ocr page 368-

— 343 —

delijk Kazuifel (van \'t Priesterschap).

Voeg hierbij Mijter, Eing, Staf — en Manipel. Zoo staat daar de blssciiop in volle üiteustixg

tan SÜBDIAAK, DIAAK, PRIESTER ex BISSCHOP, als HOOFD DER GANSCHE GEESTELIJKHEID van zijn Bisdom, (1)

4. Bij andere Plechtige Officiën bijv. bij het toedienen van het H. Vormsel ;

Over Rochet; Amict, — Stool eu Koorkap, — ^Handschoenen, Mijter, Ring en Staf.

II. De Mijter {Mitra) plechtige witte hoofdtooi des Bisschops met twee achter afhangende slippen. (2)

Men onderscheidt voornamelijk de Mitea pretiosa (de kostbare Mijter van witte zijde of zilverlaken , rijk

1

Een Bisschop in vol Ornaat herinnert ons aan,den Hooge-priester van het Oude Verbond in zijne prachtige kleederen en rijke versiersels, door God zeiven voorgeschreven. God zeide tot Moses; quot;Gij zult uwen broeder Aaron heilige kleederen maken : tot heerlijkheid en tot sieraad.quot; Exod. XXVIII, 2.

2

De Mijter en de Pauselijke Tiaar herinneren ons aan de Cidaris of Tiara der Hoogepriesters van liet Oude Verbond 3tee-ken van de hoogste waardigheid en gezag, evenals de verschillende Kronen der wereldsehe Vorsten. De Tiaar des Hoogepriesters was een met linnen omwonden hoofddeksel of tulband, waarover eene gouden plaat als eene kroon, dragende tot opschrift; Heilig dek Heer : Sanctum Domino. Exod. XXVIII, 36-38.

-ocr page 369-

versierd met goud en edelgesteenten), — de Mitea simplex (de eenvoudige Mijter van witte zijde of zilverlaken of zelfs linnen, zonder versiering), — de Mitba aukiphrïgiata (van goudlaken of van witte zijde met goud geborduurd, met gouden galon afgezet en met gouden franjes aan de slippen: deze houdt het midden tussehen de Mitra pretiosa en de Mitra simplex).

Beteekenis:

1. De puntvormige vóór- en achterzijde herinneren aan de twee lichthorens van Moses, afstraling der. Goddelijke Majesteit, — en symboliseeren de Twee Testamenten, waarmede het hoofd des Bisschops gewapend is tegen de bestrijders der waarheid.

3. De Mijter is altijd wit (goudlaken geldt voor wit, evenzeer als zilverlaken) om den goedeu geur en den glans der maagdelijke deugd te bedieden; — de Mijter dekt het hoofd als eene beschutting der zinnen tegen alle aanvechtingen, waaraan de kuischheid blootstaat. Bij eene Pontificale Lijkmis is de Mijter het eenige witte ornament.

III. De Staf (Kromstaf, Pedum, Baculus Fasto-ralis - Herdersstaf): Teeken van gezag voor de Bis-

-ocr page 370-

— 345 —

schoppen, gelijk de Schepter of Eijksstaf voor de Keizers en Koningen.

De Staf bestaat uit losse dealen tot gemakkelijke berging. Men onderscheidt de krul, de schaft en de punt.

Beteekenis:

1. De Bisschopsstaf herinnert aan den Staf, waarmede God Moses tot Pharao zond, en waarmede Moses verscheidene wonderen wrochtte.

3. De Staf, gelijk de iatijnsehe naam Baculus Pas-toralis (Herdersstaf) aanduidt, is bet zinnebeeld der herderlijke macht. De geloovigen zijn de kudde, de Bisschoppen de Herdees, niet om met blind en ruw geweld te heerscben, maar om hunne kudde te bestieren met eene liefde en bezorgdheid, die verlicht en gesteund wordt door het Geloof. Schoon wordt die herderlijke macht in hare verschillende werkingen aangeduid door de deelen van den Staf. De Staf is puntig onder, recht in het midden, gekromd boven. Dit beteekent : dat de Bisschop de tragen behoort aan te zetten, de rechtvaardigen te leiden en de dwalenden tot zich te trekken; — of de -punt beteekent de gestrengheid , de rechte schaft de standvastigheid en de krul de barmhartigheid van het herderlijk bestier.

-ocr page 371-

_ 346 —

3. De Stat is een teeken van uitgestrekte jurisdictie of geestelijke rechtsmacht, maar toch van beperkte jurisdictie, wat aangeduid wordt door de krul; — en zoo is de Kromstaf alleen daar te gebruiken, waar iemand die hooge jurisdictie toekomt, bijv. door een Bisschop in zijn Diocees, door een Abt in zijn klooster. De Paus gebruikt geen Kromstaf, omdat zijne macht door geen plaats of tijd beperkt is.

a. Abten hebben ook een Kromstaf, die soms, bijv. bij de Trappisten, eenvoudig van hout is, voor groote plechtigheid verguld. Abten wil men in beeltenis voorgesteld zien met de krul van den Staf naarhinnen ten teeken hunner jurisdictie naarhinnen, binnen het Klooster;

_ Bisschoppen daarentegen met \'de krul naarbuiten ten

teeken hunner jurisdictie naarbuiten, over het volk. Sommigen erkennen dit symbolisme niet, o. a. zich grondende op vele Bisschoppelijke Zegels uit de XIIP eeuw. Revue de l\'art chrétien. II. pag. 95.

b. Abten worden soms voorgesteld met een witten sluier aan den Staf, ten teeken hunner ondergeschiktheid aan den Bisschop, gelijk de sluier voor de vrouw een symbool is van hare ondergeschiktheid aan den man. I Cor. XI, 10. Deze sluier wordt Sudarium {zweetdoek) genoemd, om te bedieden, dat het bestieren eener kudde met veel arbeid en zweet gepaard gaat.

e. Abdissen voeren geen Staf. Nogtans worden HH.

-ocr page 372-

Abdissen met een Kromstaf en Sudarium afgebeeld, als een conventioneel attribuut, zoo het niet historisch ia, ten teeken der waardigheid, waarmede zij bij haar leven bekleed zijn geweest.

IV. Het Pontificale Kruis {Crux pectoralis — Borstkruis): een gouden latijnsch Kruis , waarin Eeli-quieën van HH. Martelaren zijn gesloten , aan een groen koord met een eikel aan het eind. Derhalve niet het gewone gouden Kruis met gouden keten.

Beteekenis :

Dat de Bisschop, met het teeken des Kruises tegen zijne vijanden gewapend, het lijden des Heeren en de zegepraal der Martelaren in de gedachte behoort te hebben , gelijk hij zijn Kruis en hunne Reliquieën op de borst draagt.

V. De Pontificale Ring {Annulus cordis — Ring des harten): een groote gouden Ring met kostbaren steen, aan den ringvinger der rechterhand. Bij gebruik van de Handschoenen over den Handschoen. Deze Eing is grooter en rijker versierd dan de gewone.

Beteekenis:

Symbool van trouw tusschen den Bisschop en de Bruid Gods, de H. Kerk; — in \'t bijzonder van de

-ocr page 373-

— 348 —

geestelijke vereeniging des Bisschops met zijne Kerk of kudde.

Bij eene Pontificale plechtigheid eischt het Ceremo-niëel, dat de dienstdoende Geestelijken, als zij den Bisschop iets hebben aan te geven of van den Bisschop iets hebben aan te nemen, bijv. den Staf, — den Bisschopsring en het voorwerp kussen: bij het aangeven eerst het voorwerp en dan den Ring, bij het aannemen eerst den Ring en daarna het voorwerp. Zoo ook, als men van een Bisschop de H. Communie ontvangt, kust men eerst zijn Ring. Zie N. 201.\'

VI. De Bisschoppelijke Troon {Cathedra of Sedes Episcopalis — Bisschoppelijke Zetel). Eene vierkante estrade of verhevenheid , drie treden hoog, met tapijten gedekt, waarop een armstoel met hoog rugstuk ; daarboven een vierkant baldakyn of hemel, aan de zijden gedeeltelijk en in den rug geheel met zijden stof behangen, in liturgische kleur, als dit gevoegelijk kan. Beteekenis ;

De Bisschopstroon is opgericht aan de Evangeliezijde , op de eereplaats, en is zelf een eergestoelte, den Bisschop toekomend ter wille zijner waardigheid. (•)

(*) Wanneer de Bisschop onder eene Pontificale Mis op den Troon gezeten is, legt hij tijdens het Koor Kyrie) Gloria en Cm/ozingt.

-ocr page 374-

— 349 —

Bisschop is afgeleid van Episcopus, en beteekent Opziener, die opzicht moet houden over de kudde. De Bisschop is gezeten op eene verhevenheid, opdat hij allen zien en allen hem zien kunnen. Naar die Cathedra of vasten Bisschoppelijken Zetel wordt de Kerk des Bisschops de Kathedeaal genoemd , den voorrang hebbende boven alle andere Kerken des Bisdoms.

VII. Het Faldistorium is een met stof bekleede zetel, voorzien van armleuningen, zonder rugleuning; — den Bisschop ten gebruike voor Pontificale handelingen buiten den Troon.

VIII. Bij \'t Bisschoppelijk Ceremoniëel behoort nog verscheiden zilverwerk, met het Bisschoppelijk Wapen versierd : eene Waschkan met Bekken ter handenwas-sching vóór de H. Mis, bij \'t Offertorium , het Lavabo en na de H. Communie, ook nog na andere Pontificale plechtigheden ; — verscheidene Plateau\'s of ronde bladen voor de Insignes, Kruis , Ring , Handschoenen, enz. bij

eveneens als hij Epistel en Evangelie leest, zijne handen op het Gre-miale of Schootkleed, van zijde of andere kostbare stof, over de knieën uitgespreid. Bij andere gelegenheden, bijv. wanneer de Bisschop gezeten de Vormelingen zalft, gebruikt hij een dergelijk Schootkleed van mindere stof.

-ocr page 375-

— 350 —

het uit- en aankleeden ; — maar \'t voornaamste stuk is de Talrnatoria of Bugia, een zilveren blaker met brandend kaarsje, waarmede bij de H. Mis een assistee-rende priester den Bisschop toelicht: het gebruik der Palmatoria is^een Bisschoppelijk privilege.

370. B. Van een AARTSBISSCHOP.

Een Aartsbisschop heeft twee onderscheidingstee-kenen :

1. Het Pallium : een cirkelvormige strook van witte wol, (1) met zes zwarte zijden kruisen, die, met drie gouden spelden op de Kazuifel bevestigd, over de schouders vanvoren en achter afhangende gedragen wordt. Het Pallium wordt door den Paus gegeven aan de Patriarchen, Primaten en Aartsbisschoppen, (2) en van dezen op bepaalde hooge feestdagen en bij zekere plechtigheden gedragen , ten teeken hunner hooge waar-

1

De wol wordt genomen van twee lammeren, die op den feestdag van de H. Agnes (21 Januari) daarvoor worden afgezonderd en gezegend. Op den feestdag der HH. Apostelen Petrus en Paulus (29 Juni) worden de Pallium\'s door den Paus gewijd. Na de wijding worden zij, in eene rijke cassette, op het Graf der HH. Apostelen in Sint Pieter bewaard.

2

Ook wel eens aan Diocesaan-Bisschoppen als bijzondere gunst.

-ocr page 376-

— 351 —

digheid en junsdictie over het hun aangewezen geestelijk rechtsgebied. Tevens is het Pallium het zinnebeeld der ootmoedigheid , der zuiverheid en der liefde, en strekt den Metropolitanen tot herinnering, dat zij de verdoolde schapen behooren op te zoeken en op hunne schouders tot den schaapstal terug te brengen. Het Caer. Episc. Lib. I. Cap. XVI. N. 7 noemt het Pallium ve-nerahile insigne, wysticis siynifcationihtis plenum , zonder de symbolische beteekenis te verklaren.

3. Het Aartsbisschoppelijk Kkuis. Dit is gelijk aan een Processie-Kruis met Christusbeeld. De onderscheiding bestaat hierin , dat het Kruis onmiddellijk den Aartsbisschop voorafgaat, en het Christusbeeld naar den Aartsbisschop gekeerd is.

Ook zóó wordt het Pauselijk Kruis naar den Paus gekeerd, die altijd en zich van het Kruis kan doen voorafgaan, gelijk hij zonder beperking van tijd en plaats het Pallium draagt. Aartsbisschop , Primaat en Patriarch hebben liet voorrecht van Kruis en Pallium slechts binnen hun rechtsgebied, en dan nog alleen bij bepaalde gelegenheden.

-ocr page 377-

— 353 —

371. C, Van een KARDINAAL.

1. De Kabdinalen der Heilige Koomsche Kebk {Cardinales Sanctae Romanae Ecclesiae) maken den Senaat des Pausen uit, om Zijne Heiligheid met raad en daad bij te staan in alle aangelegenheden der Kerk. Zij bekleeden na den Paus de hoogste waardigheid in de Kerk met den titel van Emixextie. Bij het openstaan van den H. Stoel komen de Kardinalen bijeen om een nieuwen Paus te verkiezen; de plaats der bijeenkomst voor de Pauskeuze, ook deze Vergadering der Kardinalen wordt het Conclaaf genoemd.

2. Het Heilig College (zoo noemt men de gezamenlijke Kardinalen), als het voltallig is, telt 70 Kardinalen (met een Beken aan het hoofd), naar het getal der 7 0 oudsten, die Moses in het bestieren van Gods volk ter zijde stonden. (1) Onder deze 70 Kardinalen telt men 6 Bisschoppen , 50 .STar-^\'«fltaz-priesteks en 14 Zct/cKwaaZ-Diakenen. Sleehts

1

Volgens de Gerarchia Cattolica voor 18S7 telde het H. College 63 Leden, van welke 24j door Pins IX en 39 door Leo XIII werden benoemd.

-ocr page 378-

enkele Kardinalen missen het Bisschoppelijk karakter ; zoodat de benaming van Kardinaal-PWes^e?- of Diaken niet te kennen geeft, dat zij alleen de Priestencijding of het H. Diaconaat hebben ontvangen , maar die benaming beduidt den Titel der Kerk, waaraan zij verbonden zijn.—De vergaderingen, waarin de Paus het praesidium bekleedt, worden Consistories genoemd: — geheim Consistorie, waarin alleen de Kardinalen zitting hebben, — openhaar Consistorie, waartoe ook anderen worden toegelaten.

3. De Kardinalen worden door den Paus gekozen. Totdat de benoeming in een Consistorie door den Paus wordt bekend gemaakt, wordt de gekozene Kardinaal in petto geheeten. In het Consistorie, waar hij \'t eerst verschijnt, wordt hem de mond gesloten , d. i. het recht van spreken en stemmen ontzegd; —totdat hem in \'tzelfde of in een volgend Consistorie de mond wordt geopend, d. i. hij in de uitoefening zijner rechten wordt gesteld; terwijl hem de Paus den Kaedinaalsking (met een saffier) aan de rechterhand steekt ten teeken zijner verbinding inet de Heilige Eoomsche Kerk.

Men wil, dat de saffier het gift aan zich trekt en

23

-ocr page 379-

ïlijk karakter ;

%tGT of Diojhamp;n

Priesterwijding

37^ ()_ ■quot;maar die bena-

iaraan zij ver\'

1. De Kaedin,^ je Pavis het (Cardinales Saticti^^ genoemd:

naat des Pausen Kardinalen 1 daad bij te staan e ) waartoe ook Zij bekleeden na

de Kerk met den \' staan van den H. -P®MS gekozen. om een nieuwen e door oen Paus 1 eenkomst voor deozene Kardinaal j der Kardinalen wwaar hij t eerst i, d. i. het vecht

2. Het Heilig_totdat hem in zamenlijke Kardin fa mond wordt Kardinalen (met ijg,. Techten wordt getal der 70 oiid^AIlI)iNA,ALSBlNG . Gods volk ter zij steekt ten teeken |

\' dinalen telt men 0111sche Kerk. i rfmaa^-PRiESTEBS

aan zieh trekt en ------23

(*) Volgens de G

lege 63 Leden, van ------

werden benoemd.

\'t men in den aaf-ilische beteekenis lat zij, zonder uit-t van Rome mo-\'•rschen.

n Kardinaal nog verkiezing, om-dan gebruikt de andere.

dinalen is het \'EB genoemd, il aan te dui-aaien te ber-)msche Kerk het uiter-i hun bloed.

rdinalaat is iens Gede-sote plech-den vorm e punten.

na zijne angt, is


-ocr page 380-

een Hoed met lagen bol, breeden en platten rand, en met van weerszijden vier of vijf afhangende rijen kwasten (gelijk op de wapenschilden): alles rood. Deze Hoed wordt door den Kardinaal uiet gedragen; alleen bij zijn Hood ziet men dien Hoed, als Insigne van het Kardinalaat, op zijn praalbed in zijn paleis, en in de Kerk bij de baar en boven zijn graf. Een Kardinaal draagt naar gelegenheid een rooden steek met gouden passement of een zwarten steek niet rooden band en gouden kwasten.

7. Onder de leiding van Kardinalen als Prefecten staan de Heilige Congkegatiën , Vergaderingen voor Kerkelijke aangelegenbeden, die de aanhangige zaken onderzoeken en deswegens een Decreet of Besluit nemen , om het in eene Andièntie of Gehoor aan de goedkeuring van Z. H. te onderwerpen. Bijv. de H. Congregatie der Propaganda {Propagandae Fidei — tot Voortplanting van het Geloof) voor alle zaken de Missiën betreffende; — de H. Congregatie der Riten (iZz-tuumï) wegens Kerkelijke gebruiken, feesten, ceremoniën;— de H. Congregatie van den Index {Indicü), die verdachte boeken onderzoekt en ze tegen het geloof of de goede zeden strijdig bevindende, op den

-ocr page 381-

— 354 —

voor de pest beveiligt, en daarom ziet men indeu««/-jier van den Kardinaalsring de symbolische beteekenis van de verplichting der Kardinalen, dat zij, zonder uitdrukkelijk verlof des Pausen, zich niet van Rome mogen verwijderen, al zou de pest er heerschen.

Behalve den Kardinaalsring heeft een Kardinaal nog een gewonen liing, met een steen naar verkiezing, omzet met briljanten. Officiëert hij plechtig, dan gebruikt hij den Pontificalen Ring, grooter dan de andere.

4.. De onderscheidende kleur der Kardinalen is het rood (scharlakenrood) en wordt het pürpee, genoemd, om daarmede de waardigheid van Kardinaal aan te duiden. De roode kleur strekt om den Kardinalen te herinneren , dat zij de belangen der Heilige Róomsche Kerk behooren te behartigen en te verdedigen tot het uiterste, zelfs, moet het zijn, met het offer van hun hloed.

5. Het voornaamste Insigne van het Kardinalaat is de roode Barret, welke door den Paus of diens Gedelegeerde den nieuwgekozen Kardinaal met groote plechtigheid wordt opgezet. — De Barret is, wat den vorm betreft, als de Bonnet des Bisschops, met drie punten.

6. De KardinaalsJioed, dien een Kardinaal na zijne verheffing uit de handen van den Paus ontvangt, is

-ocr page 382-

een Hoed met lagen bol, breeden en platten rand, en met van weerszijden vier of vijf afhangende rijen kwasten (gelijk op de wapenschilden): alles rood. Deze Hoed wordt door den Kardinaal niet gedragen; alleen bij zijn dood ziet men dien Hoed, als Insigne van het Kardinalaat, op zijn praalbed in zijn paleis, en in de Kerk bij de baar en boven zijn graf. Een Kardinaal draagt naar gelegenheid een rooden steek met gouden passement of een zwarten steek met rooden band en gouden kwasten.

7. Onder de leiding van Kardinalen als Prefecten staan de Heilige Congregatiën , Vergaderingen voor Kerkelijke aangelegenbeden, die de aanhangige zaken onderzoeken en deswegens een Decreet of Besluit nemen , om het in eene Audiëntie of Gehoor aan de goedkeuring van Z. H. te onderwerpen. Bijv. de H. Congregatie der Propaganda {Propagandae Widei s tot Voortplanting van het Geloof) voor alle zaken de Missiën betreffende; — de H. Congregatie der Riten (üü-tuum) wegens Kerkelijke gebruiken, feesten, ceremoniën ; — de H. Congregatie van den Index (htdicis), die verdachte boeken onderzoekt en ze tegen het geloof of de goede zeden strijdig bevindende, op den

-ocr page 383-

_ 356 —

Index plaatst, d. i. op de Lijst der verboden boeken, die niemand zonder verlof der Kerkelijke Overheid mag lezen of onder zich hebben.

372. D. Van ZIJNE HEILIGHEID DEN PAUS.

De voornaamste onderscheidingsteekenen zijn :

1. De witte kleur van \'t Pauselijk gewaad; waardoor beteekend wordt de onschuld des levens, de reinheid en de uitmuntendheid der deugden : de Paus , het zichtbare Hoofd der Kerk , vertegenwoordigt ons Jesus Christus , het Lam zonder vlek ; Hij is onze Heilige Vader.

Kousen, Toog, Cingel, Simaar (lang overkleed met pelerine). Collaar, Calot (Solideo): wit.

Muilen, Mozet, Mantel, ronde breed gerande Hoed: rooi. Als voor de Kardinalen kleur van liefde en van opoffering voor de gansche Kerk. De ruime muts, waarmede vele Pausen worden afgebeeld, is van rood fluweel , met hermelijn afgezet, en wordt Camauro genoemd.

Fluweel is de Pauselijke stof. Voor fluweel \'s zomers ook zijde. Voor boetedagen en rouw laken of merinos.

2. De PAUSELIJKE STOOL. Algemeen bekend door de menigvuldige portretten en busten van Pius IX en Leo XIII. Zeer duidelijk op de premie-plaat der

-ocr page 384-

— 357 —

Kath. Illustratie 1869. (Volgens opgaaf werden 42.000 exemplaren getrokken.) Daar ziet men Pius IX Z. G. in witten Toog en Cingel (van wit moiré met gouden passementwerk aan de einden), hierover Eochet met kant, daarover roode Mozet (hier zonder, anders met hermelijn afgezet), eindelijk de roode Pauselijke Stool, rijk geborduurd met goud, gouden koord en kwasten in \'t midden, gouden dikke franje aan de einden. Nog zijn aan te wijzen: witte Collaar en Calot, Pauselijke Eing aan de rechterhand en Pauselijk Borstkruis , door de hand bedekt, waarvan de gouden keten even zichtbaar is.

Beteekenis:

De Stool, teeken van waardigheid en gezag, hier het teeken van de verhevenste tv aardigheid , van het hoogste gezag. Deze Stool toch is versierd met het Wapen des Pausen en de Pauselijke- Insignes, Sleutels en Tiaar, — en de Paus kleedt zich met deze Stool als Plechtgewaad voor buitengewone audiënties en andere plechtige gelegenheden. (Met deze Stool was Pius IX omhangen den 16 Mei 1870 bij de uitreiking der belooningen aan de Exposanten.) De Stool is van fluweel, de Pauselijke stof. De Stool is rood ten teeken dat het Pauselijk Bestuur geen heer-

-ocr page 385-

— 358 —

schappij voeren is, maar een regeeren met liefde en opoffering: de Paus is de dienaar der dienaren Gods. Matt. XX, 35-38.

3. De TIAAR, Pauselijke Kkoon of Driekroon\', is een kostbare hoofdtooi van witte zijde of zilverlaken , met eeu gouden kruis in top en met twee vanachter afhangende slippen , — aanvankelijk met eéne Kroon, het eerst door Paus Silvester I (314-335) gedragen, — sedert Bonifacius VIII (1394-1803) met twee,— sedert Ürbanus V (1363-1370), volgens anderen sedert Benedictus XII (1394-1398) met drie gouden Kronen versierd, — zonder dat aan de twee of drie Kronen eene andere beteekenis zij toegeschreven dan van de hoogste macht. Nogtans wordt de dubbele Kroou ook verklaard als de vereeniging van de tijdelijke macht met de geestelijke, terwijl de derde Kroon het vaderlijke gezag des Pausen zou beduiden. De Tiaar is meer het teeken der tijdelijke macht, en wordt slechts gebruikt bij sommige plechtige gelegenheden buiten de Pontificale Officien, waarbij de Paus zich bedient van een Mijter. „ Eomanus Pontifex in signum Imperii utitur Regno (zoo werd die hoofdtooi genoemd om de Kroon), et in signum Pontificii utitur Mitra.quot; Innoa.

-ocr page 386-

— 359 —

III. Sermo in festo S. Silvestri, apud Paquot in Mo-lanum. (1)

■ 4.. De FERUL.\\, Kruisstaf, een grieksch kruis, of eigenlijk een croix pattée ^ , als een klauw breed uitloopend kruis op staf. Geen Kromstaf zie N. 3 69. III, 3. Geen drievoudig Kruis zie N. 336 ad 4. Blndz. 364. (2)

5. De SEDIA GESTATORIA, de Pauselijke Draagstoel van rood fluweel en goud, waarin de Paus bij plechtige gelegenheden gedragen wordt , met de symbolische beteekenis, dat de Herder zijne kudde zoo beter kan overzien en beter van zijne kudde, die Hij zegent, kan gezien worden.

1

Als de kostbaarste en prachtigste der Pauselijke Tiaren wordt geroemd de Tiaar in 1854? geschonken door Koningin Isabella van Spanje en de eerste maal door Pius IX Z. G. gedragen bij de Dogmaverklaring der Onbevlekte Ontvangenis. Zij had 250.000 gulden gekost. Maar, zijn de Pausen trouwe bewaarders van den schat des Geloofs, andere schatten, al zijn het vorstelijke geschenken, kunnen zij raoeielijk bewaren. Pius IX maakte deze kostelijke Tiaar te gelde en stichtte met de opbrengst het Pi us-Seminarie. Mgr Barbier de Montault.

2

Toegegeven, dat het geoorloofd is een Heiligen Paus in beeltenis voor te stellen, met een drievoudig Kruis als co7ive7iiioneelat-tribuut (waartoe misschien de drievoudige Kroon der Tiaar of het Heraldisch Dubbelkruis der Aartsbisschoppen heeft aanleiding gegeven): — gaat het aan, een Paus in tafereel te laten met dergelijk fantastisch Kruis in plaats van met den liturgischenKxxii^idi^

-ocr page 387-

6. Het PAUSELIJK BALDAKIJN of Draaghemel (rood of wit) dat boven Z. H. gehouden wordt bij Pontificale Processie of Officie.

7. De PAUSELIJKE TROON van rood fluweel met goud.

8. De VISSCHERSEING is een gouden Ring, op welks kas is ingesneden de beeltenis van den H. Peirus in een scheepje met een net visschende. Bij den dood des Pausen wordt zijn Visschersring verbroken , en den nieuwgekozen Paus wordt door den Kardinaal Camer-lengo een nieuwe Visschersring aan de rechterhand gestoken , waarop vervolgens de naam des Pausen wordt gegraveerd. De Pauselijke Brieven , onderschreven Suh annulo Piscatoris {Onder den Visschersring) zijn in rood was met dezen Ring gezegeld. Gregorius XVI liet den afdruk van den Visschersring vervangen door een stempel met rooden inkt. Mgr Barb, de Mout.

9. ïot het Pontificaal Ornaat des Pausen behooren nog twee bijzondere kleedingstukken : —De FALDA, een ruime witzijden rok over de Talaar; —en de FANO, eene dubbele pelerine, ter zijden open, van witte zijde, doorwerkt met goud en amaranten (roode

-ocr page 388-

fluweelachtige bloemen). De dubbele pelerine beteekent de Tivee Testamenten : een gedeelte blijft onder de Kazuifel verborgen , en beduidt de Oude Wet, die is afgeschaft; het andere gedeelte is zichtbaar, over de Kazuifel neergelaten, en beduidt de Nieuwe Wet, aan de Kerk gegeven.

Wanneer de Paus in vol Ornaat pontificeert, draagt Hij de Insignia van de gansohe Hiërarchie: de Tuniek der Subdiakens , — de Dalmatiek der Diakens , — de Kazuifel der Pbibsiebs, — den Mijter der Bisschoppen, — het Pallium der Aartsbisschoppen, Primaten en Pateiakchen, — de Falda en Fano der Pausen : — ten teeken, dat de paus is het HOOFD der sansche Geestelijkheid , de HERDER der herders , bekleed met de VOLHEID der geestelijke rechtsmacht in Gods Kerk tot de uiterste palen der wereld.

§. II. Iets over de Wapens van Kerkelijke Dignitarissen. (Heraldiek. Blazoen.)

373. 1. Een Kerkelijke Dignitaris kiest zich een Wapen met Spreuk, als hij geen familiewapen heeft.

2. De kleuren der Wapenschilden worden in \'t zwart aangeduid:

-ocr page 389-

— 362 —

door stippen.

„ wit of blanco.

„ verticale lijnen. „ horizontale lijnen. „ schuinsche lijnen uit den

rechterbovenhoek. (1) „ schuinsche lijnen uit den

linkerbovenhoek.

„ door verticale en horizontale lijnen.

3. Kenteekenen van het Pauselijk Wapen :

Boven het Wapenschild de Tiaar tusschen twee Sleutels, een gouden rechts, (*) een zilveren links, de baarden omhoog, en sautoir of gekruist, met een rood koord verbonden. Beteekenis der Sleutels zie N. 338. Attributen van den H. Petrus. Ook wil men hier dooiden gouden Sleutel beteekend zien de geestelijke macht, door den zilveren de iijdelijke macht des Pausen over \'t Patrimonium Si Petri, het Erfgoed van den H. Petrus, de Kerkelijke of Pauselijke Staten, waarvan de zoo verraderlijke als heiligscheunende roof den 30 Sep-

Goud Zilver

Keel (rood) Azuur (blauw) Sinopel (groen)

Purper

Sabel (zwart)

1

Wapenschilden hebben hunne rechterzij tegenover onze lin-kerzij.

-ocr page 390-

363

tember 1870 door de overrompeling van Rome werd voltrokken. Evenmin als de Groote Pius IX Z. G. laat onze H. Vader Leo XIII af het herstel te eisehen van de rechten der Kerk; terwijl wij niet ophouden, dat herstel van den barmhartigen God af te smeeken , dagelijks door de voorgeschrevene Gebeden na de H. Mis (Zie bl. 360) , en in de Octobermaand daarenboven door het Kozenkransgebed.

4. Kenteeken van een Kardinaalswapen :

Boven het Schild een roode Hoed, met 15 roode. kwasten ter weerszijden in 5 rijen afhangende.

5. Kenteeken van een Aartsbisschoppelijk Wapen:

Boven het Schild een groene Hoed met 15 groene kwasten ter weerszijden, in 5 rijen afhangende.

-ocr page 391-

— 364 —

Vanvoren over het Schild het Pallium, aan rechter- en linkeTbovenhoek Mijter en Staf, daartusschen een gouden Lotharingisch Kruis (met twee dwarsar-men), dat de Westersche Kerk alleen in At Heraldiek gebruikt; want het Aartsbisschoppelijke Kruis is een Processie-Kruis met Christusbeeld. Is het Dubbelkruis in de Latijnsche Kerk niet liturgisch, — zeker is het evenwel, dat het Dubbelkruis in de Oostersche Kerk tot de Pontificalia behoort. Menigeen heeft zich daarvan kunnen overtuigen , toen Mgr Samhibi , Patriarch van Antiochië, in 1855 deze streken bezoekende , de H. Mis volgens den Syrischen Ritus celebreerde, en met zulk een Dubbelkruis, aan welks ondersten dwarsarm een doek van roode stof was vastgemaakt, den vrede gaf. (1) — Wijl de bovenste armen van zulk een Kruis korter zijn dan de onderste, is het buiten twijfel, dat de bovenste korte armen den Titel (van het H. Kruis) verbeelden, welke in de Oostersche Kerk altijd op eene bijzondere wijze vereerd is geweest. Dat Dubbelkruis komt voor ouder de benaming van Kruis van

1

De Syrische Katholijken en hunne Patriarch Mgr Ignatius Antonius Samhiri , door den abbé Joannes Mamarbaschi, Secretaris van den Patriarch van Antiochië. Breda. J. Hermans. 1855: in welk gelegenheidsboekje voorkomt: Kort begrip van de Ceremoniën der Mis volgens het Syrisch Kerkgebruik. Bladz.

-ocr page 392-

— 365 —

het H. Graf. Zeer oude Reliquiariums van het H. Kruis komen in dezen vorm voor, en zijn ten tijde der Kruistochten uit het Oosten overgebracht of naar Byzan-tijnsche modellen in Europa vervaardigd. Reusens. Elements d\' Arch. Chrét. I. 418.

6. Kenteeken van een Bisschoppelijk Wapen :

Boven het Schild een groene Hoed, met 10 groene kwasten ter weerszijden j in 4 rijen afhangende.

Aan rechter- en linkerbovenhoek Mijter en Staf, daar-tusschen een gouden latijnsch Kruis of een Engelhoofd met uitgespreide vleugels.

7. Kenteeken van het Wapen van mindere Dignitarissen :

Boven het Schild een Hoed met 6 of 3 kwasten

-ocr page 393-

ter weerszijden, in 3 of 2 rijen afhangende; maar in paarse, rose of zwarte kleur.

§, III. De Pauselijke kleuren,

374, De Pauselijke kleuren waren oorspronkelijk rood en geel-, maar wijl Napoleon I deze kleuren had aangenomen voor zijn leger in Italië, koos Pins VII in 1808 wit en (jeel als de militaire kleuren voor vaandels en kokarden. Voor herkelijk en burgerlijk gebruik dienen nog het rood en geel als Pauselijke kleuren. Mgr Barbier de Montault. Traité pratique de la construction etc. des Eslises. I, 494 en II, 516.

§. IV. De Pauselijke Orden.

875. I. De Christus-okdeis de hoogste der Pauselijke Orden tot belooning van verdiensten. De Christus-Orde wordt ook, met het Gulden Vlies van Spanje en Oostenrijk, als de hoogste van alle bekende Orden der verschillende landen geacht. De Christus-Orde wordt bij allerzeldzaamste uitzondering aan niet-regeerende personen geschonken, gelijk door Leo XIII bij Breve van den 31 December 1885 aan Prins von Bismarck,

-ocr page 394-

— 367 —

Kanselier van het Duitsche Eijk, ter gelegenheid der beslissing van de Carolineu-quaestie tusschen Duitsch-land en Spanje.

Na de Christus-Orde en hot Gulden Vlies volgen de Orde van den Kousenband van Engeland, — de Orde van den Zwarten Adelaar van Pruisen, — de Maria-Teresia-Orde van Oostenrijk,— de SaAe/ftw-Orde van Beieren, enz.

De Christus-Orde heeft slechts ééne Klasse, namelijk van Ridders.

2. De St-Gregoriüs-Orde , ingesteld door Gre-gorius XVI in 1831, heeft drie rangen: van Grootkruis, Commandeur en Ridder.

3. De St-Silvester Okde of het Gouden Spook, ingesteld door Pius IV in 1559 , heeft Commandeurs en Eidders.

4. De Piüs-Orde , ingesteld door Pins IX, met Eidders eerste en tweede Klasse.

5. Orde van het H. Graf (van Jerusalem).

-ocr page 395-

Van denzelfden Schrijver verkrijgbaar:

Dichtkransje het Kindje Jesus ter eere , . 60 ct.

Liederen voor de H. Kindsheid uit het Dichtkransje ...........13 \'/jet.

Catechismus der H. Mis 3 ct. per 100 . 2 gl.

Onderricht over het bijwonen der H. Mis . 4 ct.

Novene voor de eerste H. Communie . . 15 ct.

De gioote dag en zijn vooravond .... 10 ct.

Het Biecht- en Communieboekje voor kinderen na hunne eerste H. Communie (Tweede vermeerderde uitgaaf ter pers).

Het Vormboekje of Voorbereiding tot het H.

Vormsel...........10 ct.

Catechismus der Feestdagen.....15 ct.

De Kleine Prentenbijbel van het Oude Testament ...........20 ct.

De naaste voorbereiding voor het Huwelijk . 8 ct.

Noveen voor het Huwelijk......30 ct.

Gids voor Katholieken op den weg des Hu-,

welijks...........^O ct.

/*quot;

-ocr page 396-

IS

\' ^ ■■ ■ s

% -V\' *\'

amp;K •S\'

.quot;.-1

:::®

» s

■.lt;r\'\' -

É?amp;fe

r:i^.

w^m

m

yxlt;

SÏ0=

- . ,:\' -•

-S. \'.■\'

mi

Ei^ssais

iBi

amp;

\'toSamp;sS

ii »

-ocr page 397-
-ocr page 398-