r^-r-gg?:
-----2—--S-w _________ .....___... ...,.
j;;:• ■■quot; ilillilü .I.j; 1 ii:!.:!: 111!ii11i11 iiiii:iii!jiiiii!Iiii;iiIi; 11i.!iji■ :,;i .z........!lt;,gt;
HAET m AMA
NAAR HET ENGELSCH
DOOP.
|(
■V
1)
JOHANI GRAM.
: )| 1)1
V tl
Kast 205 PI. G N0.35
IN HET HART VAN AFRIKA.
VAN
HENRY DRUMMOND.
NAAR HET ENG\'ET. USCH
DOOR
JOHAN GRAM.
INLEIDING.
Drie onderscheidene Afrika\'s zijn aan de moderne wereld bekend: Noord-Afrika, waar de menschen voor hunne gezondheid heen gaan; Zuid-Afrika, waar zij om het geld heen gaan; en Centraal-Afrika, waar zij om avonturen heen gaan. Het eerste, het oude Afrika van Augustinus en Carthago, kent iedereen uit de geschiedenis ; de aardrijkskunde van het tweede, het Afrika van den Zoeloe en den diamant, hebben wij door twee wereldopvoeders, oorlog en beursspeculatiën, leeren kennen; maar onze kennis van het derde, het Afrika van Livingstone en Stanley, wordt vrij duidelijk gekenschetst dooide opene ruimte op onze kaarten, waaruit blijkt hoe lang dit geheimzinnige land zijn geheim bewaard heeft.
In het hart van dit geheimzinnige Afrika wensch ik u binnen te leiden. En laat mij mijn onderwerp verheerlijken door u al dadelijk te zeggen, dat het een wondervol land is om te zien. Het is iets wonderbaarlijks om de Enropeesche beschaving achter zich te laten, deze machtige rivieren op te gaan, en zijnen weg in dat onbekende land te zoeken, geheel alleen en te voet.
6
mijlen achtereen, maanden achter elkaar, onder vreemde vogels en dieren en planten en insekten, daarbij ontmoetingen met stammen, die geen naam hebben en die talen spreken, welke niemand kan vertolken, totdat gij eindelijk het onbekende hart bereikt hebt en u bevindt waar nooit te voren een blanke den voet heeft gezet. Het is iets wonderbaarlijks om een blik te slaan in deze wereld van menschelijke wezens, die half dier, half kind, volkomen wild en volkomen heiden zijn; en dan terug te keeren tot de beschaafde wereld nog voor de indrukken tijd gehad hebben om te verflauwen, en terwijl de ontelbare vraagstukken, die zulk een vreemd schouwspel doet ontstaan, nog in uw brein rondwoelen. Zulk een schouwspel omvat in zich eene geheele opvoeding omtrent de geschiedenis der menschheid. Hier geweest te zijn is alsof men voor Menes geleefd had. Men heeft als het ware het aanbreken der evolutie bespied. Het is alsof ■men de groote zedelijke en maatschappelijke vraagstukken omtrent het leven, de leer van den mensch en zijne-rassen , in het nieuwste en schitterendste licht tot de verbeelding heeft doen spreken.
Op den langsten dag van den voorgaanden zomer — derhalve in het hartje van den winter in de keerkringen — verliet ik Londen. Een spoorwegtocht van een paar dagen bracht mij door Frankrijk, Zwitserland en Italië naar .de Middellandsche Zee. Naar Alexandrië overstekende, trekt de reiziger vervolgens over den Nijl Egypte door naar de Roodè Zee, stoomt tot Aden, gaat daar op een ander vaartuig over en eindigt, na beklagenswaardige kwellingen in den zuid-west-mousson, zijn lijdens-tocht te Zanzibar.
Zanzibar is het brandpunt van alle Oost-Afrikaansche onderzoekingstochten. Waar gij ook heen mocht willen in het binnenland, te Zanzibar vangt gij aan. Oostersch in zijn uiterlijk, Mohammedaansch in zijn godsdienst, Arabisch in zijn zeden, is deze poel van verdorvenheid een geschikte hoofdplaats voor het zwarte vasteland. Doch Zanzibar is Zanzibar, eenvoudig omdat het de eenige verontschuldiging voor een stad op de geheele kust is. Er is eene ontzaglijke uitrusting noodig, om in dit land, waar men winkels noch voedsel vindt, binnen te dringen, en hier alleen kan de reiziger zijn karavaan samenstellen. De handel in ivoor en slaven heeft van het reizen met een karavaan een vak gemaakt, en a-lles wat de reiziger daartoe noodig heeft, van een blikje sardientjes tot een repeteergeweer, is in deze bazaars te krijgen. Hier verhuren zich de zwarte schelmen, de lastdragers, de noodzakelijkheid en de wanhoop der reizigers, het schuim der oude slavenjagers en de wegge-loopen boeven uit de stammen. En zoo er één ding is, waaromtrent alle reizigers door Afrika het eens zijn, dan is het dat op geen vasteland ter wereld de luiheid, leelijkheid, domheid en verdorvenheid dezer lieden geëvenaard wordt. Hunne eenige sterke zijde is, dat zij zich voor de Victoria Nyanza of voor den grooten tocht van de Tanganyika met even weinig ophef zullen verbinden als-een_gidste Chamouriix voor de Mer de glacé; maar deze zonderlinge begeerigheid is voornamelijk hieraan te wijten, dat ieder hunner de hoop koestert, bij de eerste gelegenheid de beste de plaat te poetsen. Al ware het alleen om deze heerschappen te kunnen missen, die men maanden achtereen tot uitsluitend gezelschap heeft,
8
en voor zijne oogen het omgekeerde ziet doen, van hetgeen men hun beveelt, daar gij zelf onmachtig zijt om hen te berispen , zou het de moeite waard zijn een anderen weg naar het hart van Afrika te zoeken.
Maar er is eene veel ernstiger bedenking tegen den Zanzibar-weg naar het binnenland. Stanley vertrok langs dezen weg op zijn onderzoekingstocht naar Livingstone, met twee blanken bij hem; hij kwam terug zonder hen. Camero koos hetzelfde pad om Afrika door te trekken met twee gezellen; voor hij Tanganyika bereikte, was hij alleen. De expeditie van het aardrijkskundig genootschap onder Mr. Keith Johnston vertrok van Zanzibar met twee Europeanen, de onverschrokken en voortreffelijke leider bezweek binnen een paar maanden. Deze expeditiën zijn allen het binnenland binnen gedrongen langs dezen eenen noodlottigen weg, en waarschijnlijk heeft de helft daarvan, hetzij door koorts of ongeval, er het leven bij gelaten. Tot heden heeft men niets \'daaraan kunnen doen, want men moet den grooten koorts-achtigen kustgordel door, en daar is men zijn leven geen oogenblik zeker.
Doch hierin kan verandering komen. Er is een tweede weg in het binnenland, die, alhoewel hij ook zijne schaduwzijden heeft, toch nu waarschijnlijk de groote hoofdweg zal worden van het Oosten naar Centraal-Afrika. Laat mij dien even aangeven.
In het algemeen gesproken is Afrika een groote, slecht gevormde driehoek. Het heeft geen schiereilanden, en bijna geene eilanden, baaien of fjords. Doch de vriendelijke natuur heeft het aan ieder zijner zijden een grooten inham gegeven, drie machtige rivieren, welke tot
9
aan zijn hart doordringen. Aan het noorden is de rivier van het verledene, die door Egypte stroomt, gelijk Leigh Hunt zegt: „als eene of andere ernstige, machtige gedachte een droom droomende,quot; aan het westen de rivier der toekomst, de niet minder geheimzinnige Congo, en aan het oosten de weinig bekende Zambesi.
De natuurlijke trekken van dit groote vasteland zijn gemakkelijk vast te stellen. Van de kust af breidt zich eene lage verzengende vlakte, door malaria bezocht, in onafgebroken eentonigheid twee-\'drie honderd mijlen naar het binnenland uit. Hierop volgen zacht stijgende bergen, een plateau van ongeveer 2000 tot 3000 voet vormende, en dit vormt wederom op eenige honderden mijlen afstands het voetstuk voor een tweede plateau, dat even hoog is. Dit laatste plateau, 4000 tot 5000 voet hoog, beslaat geheel Centraal-Afrika. Men kan echter slechts op zeer breede schaal deze allen plateaux heeten, want bevindt men zich daarop, dan ziet men niets als bergen, valleien en vlakten van de gewone soort, meerendeels met wouden bedekt.
Ik heb gezegd, dat de natuur Afrika aan elke zijde met een groote rivier heeft voorzien. Door nu eenige honderden mijlen zuidwaarts van Zanzibar langs de kust te gaan, bereikt de reiziger den mond der Zambesi. Livingstone zeilde deze rivier eens op en ontdekte op ongeveer honderd mijlen afstands van hare monding een andere rivier, die zich noordwaarts tusschen de bergen heen kronkelde. De groote onderzoeker was niet de man om zulk een kans van het binnenland binnen te dringen te laten glippen. Hij volgde dus den loop dezer rivier en kwam na velerlei tochten ten slotte aan een ontzag-
10
lijk meer. Deze rivier wordt Shiré geheeten, en het meer, welks bestaan te voren volkomen onbekend was, is het meer Nyassa. Dit meer is 850 mijlen lang, zoodat wij met de Zambesi, de Shiré en dit groote meer alles hebben wat vereischt wordt om Oost-Centraal Afrika open te stellen, namelijk een waterweg naar het binnenland. Maar dit is nog niet alles. Twee honderd vijftig mijlen van het meer Nyassa af neemt een ander meer van nog veel grootschere afmetingen den verbindingsdraad weder op. Tanganyika is 450 mijlen lang. Tusschen die meren bevindt zich een hoog plateau, koel. gezond, toegankelijk en zonder eenige hinderpaal voor den reiziger. Langs dezen weg kunnen de Victoria Ny-anza en de Albert Nyanza met minder inspanning en gevaar en met niet minder spoed bereikt worden, dan langs den overland weg van Zanzibar. Op een punt bovendien langs deze lijn is men, na een zeer korten marsch. op dien anderen grooten weg, die steeds beschouwd moet worden als de hoofdlijn van hetAfrikaan-sche vasteland. Het waterbekken van de Congo ligt op dit Nyassa-Tanganyikaplateau. Dit is de ontzagwekkende natuurlijke hooge weg, waarvan zooveel van de toekomst van Oost-Centraal-Afrika moet afhangen.
Na tien dagen langzaam stoomen van Zanzibar af, komt de reiziger aan de monding der Zambesi. Dit punt heeft een slechten naam; de haven is gelegen aan eene kleine rivier, die noordwaarts in den Indischen oceaan stroomt, doch wier bovenvertakkingen zich wat verder in het binnenland weder bij de Zambesi voegen. Deze haven is de Portugeesche nederzetting Quilimane, en hier neem ik afscheid van het stoomschip en van de
11
beschaving. Iets verder in het binnenland bevindt zich een eenzaam zendingsstation van de gevestigde Schotsche-kerk, en nog wat verder, aan het meer Nyassa , een andere buitenpost van eene Zusterkerk.
Mijn weg bracht mij langs beide stations, en ik had het voorrecht, onderweg twee of drie jonge landgenooten achterop te komen, die de zendingsleden gingen aflossen. Bij het laatst gedeelte mijner reis was ik geheel alleen. Alle Afrikaansche werk dient gemeenlijk alléén te worden gedaan. Het is niet altijd gemakkelijk, een metgezel voor zulk een tocht te vinden, en het klimaat is zoo besmettelijk dat, wanneer gij met u beiden gaat, gij en uw vriend elkaar beurtelings hebben op te passen, en de expeditie geen stap verder komt. Toch is de eenzame tocht niet zeer aanbevelenswaardig. In die groote stille wouden komt nu en dan een gevoel van onuitsprekelijke eenzaamheid over u, en er is een tijdperk in de Afrikaansche koorts, die iedereen moet krijgen, waarin alleen de zorgvolle hand eens vriends u van den dood kan redden.
Toen wij Quilimane verlieten, was de eerste week van onze reis op de qua-qua één lange pic-nic. Wij hadden twee roeibootjes, welker achtersteven met een zeildak bespannen was, waaronder wij van don vroegen morgen tot na zonsondergang lagen, praatten, lazen en plannen maakten. Elke boot werd geroeid door zeven of acht inboorlingen, gespierde kerels, wiereenige kleedij bestond uit een zakdoek en een weinig palmolie. Behalve in den aanvang was dé rivier slechts eenige meter breed, en veranderde elk uur van karakter en omgeving. Nu eens liep ze door een boschje van kokosnoot-
12
palmen, de wonderbaarlijkste en schoonste boomen in de keerkringen. Dan weder sijpelde haar sombere stroom door een stinkend moeras van wortel boomen, het tehuis van den krokodil en het nijlpaard, wier slijmerige lichamen zich met een plomp in den poel wentelden als onze booten voorbij roeiden. Dan werden de oevers weder groen en behagelijk en bogen zich de lang gepluimde helmen over den stroom, en scheen het geheel ééne levende vogelkooi, van de witte ibis en den slanken vischarend, tot den fijn blauwen en scharlaken ijsvogel, die op de overhangende takken op zijn prooi loerde. Het bedrijvige voorkomen van laatstgenoemden vogel is inderdaad komisch en past eigenlijk slecht bij een dier van zulk eene schitterende schoonheid. Men verwacht van hem, dat hij nog voor het naderen van iets zoo alledaagsch als een bootje, met enkele luchtige bewegingen zijn prachtigen vederentooi zal ten toon spreiden, en dan in den zonneschijn wegsmelten. Maar daar blijft hij dwaas en onbewegelijk zitten, en ofschoon de spatten der roeispanen bijna zijn kop raken, bewegen zich zijne oogen niet en verwaardigt hij den indringer zelfs met geen blik. Zijn grootere aanverwant, de zwart en wit gevlekte ijsvogel, ofschoon minder fraai, is vrij wat geestkrachtiger, en vliegt onophoudelijk langs den oever, van afstand tot afstand de boot toelonkende, zonder zich daarom zoo nabij te wagen dat men zijn bonte kleed in alle bijzonderheden kan opnemen.
Men stelt in al deze dingen des te meer belang, omdat in den aanvang ons niets bijzonders op de rivier zelve treft. Aan weerszijden is het uitzicht vrijwel hetzelfde. De oevers zijn bezet met het dichtste kreupel-
13
bosch van wortelboomen en gras, terwijl honderderlei soorten van kruipende dieren tusschen de dooreengevlochten stammen om het leven worstelen. Wij zagen hier krokodillen in zulk een aantal, dat tellen eene onmogelijkheid werd. Zij waren hier van alle grootten, van het bakerkindje, dat men in een flesch mee naar huis zou willen nemen, tot het ontzagwekkend gedierte, dat een 81 tonskanon in omvang evenaarde. Deze afschuwelijke dieren doen hun middagdutje op het heetst van den dag, vooroverliggend op den oever, met hunne wigvormige koppen naar het water gericht. quot;Worden zij verstoord, dan waggelen zij heen en weer schuddend in \'t water. De overeenkomst van den volwassen kro-kokil met zijne omgeving, wat kleur aangaat, is hoogst merkwaardig. De jongeren zijn lichter geel, en gemakkelijker te onderscheiden, maar er zijn een paar goede oogen voor noodig om in het knoestige, met slijm bedekte blok, dat tusschen de rottende stammen ligt, den levenden vorm van een volwassen dier te onderscheiden. Tusschen de krokodillen en de alligators in Afrika bestaat het geringst mogelijke verschil in uiterlijk. Verscheidene ibissen werden door mij geschoten voor mijne begeleiders, die, gelijk iedere Afrikaan, alles doen voor een stuk vleesch van welken aard dan ook. Wij zeiven teerden op magere eendvogels en allerlei uit blikjes, dat wij op een vuurtje aan land klaar maakten, wanneer de boot stopte. Eieren eten de inboorlingen ook; wilt ge ze koopen, dan brengen ze u er een dozijn van eene broeiende hen, die zij u verzekeren dat dien zelfden morgen nog gelegd werden. Menigmaal werden mij later die verzekeringen gegeven, en steeds onwaar
14
door mij bevonden. Eens dat ik ergen honger had en ver van ons kamp was, bracht men mij een ei of wat, die een hoofd zelf verzekerde dat zoo even gelegd waren. In het volle vertrouwen dat hij waarheid mocht sproken , liet ik twee die er het meest versch uitzagen, koken. Ik opende ze, en \'t waren kuikentjes.
Het ontbijt, tweede ontbijt en middagmaal zijn in Afrika geheel hetzelfde. Men vindt er biefstuk noch schapenbout, brood noch meel, suiker noch zout, noch wat dan ook, behalve nu en dan een eendvogel, dien een Europeaan verorberen kan. Vandaar de ontzaglijke uitrusting, die hij mee dient te voeren. Men heeft dan ook geen denkbeeld van hetgeen er in blikjes te krijgen is, totdat men zulk eene reis onderneemt. Alle denkbare eetbare en oneetbare dingen zijn in blikjes verkrijgbaar, alle visch, vleesch, gevogelte en wild, alle soorten van groenten en vruchten, allerlei soepen. zoetigheden en entrees; maar na verloop van eene maand of drie ondervindt men dat die verlokkende schijn\' Van afwisseling eene reusachtige fopperij is. Het geheele verschil tusschen al die verscheidenheid van artikelen bestaat, evenals bij de rijnwijnen, uitsluitend in het etiket. Plumpudding of ingelegde haring smaken precies hetzelfde. Of gij begint te middagmalen met kalfvleeschnat en eindigt met zalm uit blikjes, er is geen verschil en na verloop van zes maanden zoudt ge misschien het blikje zelf ook mee oppeuzelen, indien het niet zoo slecht te verteren ware.
Bij het einde van eene te korte week lieten wij onze booten achter, namen een aantal schuwe inboorlingen aan, die in eenige hutten bij den oever woonden, en
zoo stapten we door laag laud en kwamen na eene wandeling van een uur aan de oevers van de Zambesi. Een eenzame bungalow was in het gezicht, en daartegenover lag het stoombootje van de Afrikaansche maatschappij gereed om ons de Shiré op te varen. Het is meer wellicht de samenvoeging van denkbeelden dan wel het landschap, dat ons treft bij den eersten aanblik van deze maagdelijke rivier. Wij zijn vijftig mijlen van hare monding, het breede water is ondiep en bruin, ile lage, zandige oevers zijn bezaaid met alligators en wilde vogels. De groote gele vlakte met door de zon getaand riet en spaarzaam met boomen bedekt, strekt zich aan beide zijden uit; de zon is verzengend heet; de lucht, zooals zij maanden lang zal wezen, vormtéén eentonig blauw gewelf — niet van dat frissche schitterende blauw als de Canadasche hemel, maar een dof, verdacht koortswekkend blauw, dat men gedeeltelijk aan den voortdurenden heeten nevel te danken heeft, en ook gedeeltelijk in de verbeelding zoo is, want de Zambesi is den Europeaan niet genegen en aan deze geheele streek zijn tal van ontmoedigende herinneringen verbonden.
Deze indruk werd misschien nog verhoogd door het feit, dat wij dien avond op een kleinen afstand zouden komen van de plek, waar mevrouw Livingstone gestorven is. Laat in den namiddag bereikten wij de plek, een lage, vervallen hut, op een ■ honderdtal meter van den oever gelegen, met een breede verandah boven de in puin vervallen muren. Een met gras begroeid pad leidde naar den ingang, en het versche spoor van een nijlpaard deed ons zien hoe verlaten die plek nu is. Toen
16
wij de deur openstieten, bevonden we ons in een lang, donker vertrek, welks leeman vloer in stukken gebarsten was, en waarop overblijfselen van aangelegde vuren ons overtuigden, dat inboorlingen daar het laatst, verblijf hadden gehouden Ter rechterzijde traden we een klein vertrek binnen, met naakte, gevlekte muren en twee vensters zonder ruiten, die uitzicht op de rivier gaven. De avondzon, die over de verafgelegen Morum-balla bergen scheen, vulde het vertrek met haarzachten glans en bracht ons in gedachten terug naar dien Zondagavond van twintig jaar geleden, toen in deze zelfde slaapkamer, op hetzelfde uur, Livingstone zich over zijne stervende vrouw boog en den grooten zonsondergang van zijn leven bijwoonde.
Onder een hoogen baoba-boom, een wonder van groeikracht en weelderigheid, bevindt zich het graf van Livingstone\'s echtgenoote. De plaat in Livingstone\'s boek stelt de plek als goed onderhouden en met fraai geplante boomen voor. Doch nu is het een volkomen wildernis, die met hoog gras bedekt is en door de dieren van het woud bezocht wordt. Toen ik tuurde op het verlaten graf en het vergeleek met de graftombe van haren echtgenoot in de quot;Westminster-abtdij, dacht ik, dat de liefde der vrouw, die haar naar een plek als deze voerde, misschien der onsterfelijkheid niet minder waardig zoude zijn.
De Zambesi is de grootste rivier van Oost-Afrika, en na den Congo, den Nijl en den Niger, de belangrijkste op het vasteland. In het verre binnenland, tusschen de moerassen van het meer Dilolo ontstaande, en de stroomen in zich opnemende, die uit de hooge landen vloeien,
17
welke het noordelijk deel van het meer Nyassa met Angola verbinden, kronkelt de Zambesi door het land over eene lengte van een duizendtal mijlen, als een verdunde S, en alvorens haar vier groote mondingen, de van heinde en ver aangevoerde wateren in den Indi-schen Oceaan te storten, omspoelt zij een oppervlakte van meer dan een half millioen vierkante mijlen. Daar zij haren weg door de achtereenvolgende hellingen der plateaux neemt, wordt haar gemeenlijk kalme vloed nu en dan afgebroken door snelle stroomen, nauwe vaarwaters , watervallen als anderszins, met de plateau-hoeken in verband staande, zoodat zij, gelijk al de rivieren van Afrika, slechts bevaarbaar is op lengten van een of tweehonderd mijlen telkens. Van de kust kan de Zambesi met stoom bevaren worden tot de snelle stroomen van Kebrabasa, en van dat punt, bij tusschenpoozen, tot den onoverkomelijken hinderpaal van de Victoria-watervallen. Daarop volgen weder snelle stroomen en watervallen, maar deze worden ten slotte opgevolgd door een onafgebroken keten van schatplichtige wateren, die te zamen een binnenwaterweg van een duizendtal mijlen lang vormen. De breede landen langs de oevers dezer groot-sche rivier zijn, evenals de Nijlstreek,, aan jaarlijksche overstroomingen onderhevig, vandaar dat hun groeikracht en vruchtbaarheid onbeperkt zijn. Aan de lagere Zambesi groeien indigo, orchillakruid en calumbawortel in overvloed, en konden oliezaad en suikerriet in genoegzame hoeveelheid worden opgebracht om geheel Europa er van te voorzien. Nu zijn deze prachtige hulpbronnen door lusteloosheid en onverschillig beheer bijna geheel verwaarloosd.
2
18
Den volgenden namiddag verliet ons scheepje het zog der Zambesi en sloeg een vertakking naar het noorden in, welke de monding van de Shiré is. Smaller en dieper is die schatplichtige, een beter vaarwater dan de Zambesi. Ook is de schilderij inderdaad fraai, vooral wanneer men de bergen van het plateau nadert, en de vreemde stammen en dieren langs de oevers, den geest voortdurend bezighouden. De nijlpaarden, die rondom de boot kruisen, hielden ons des nachts wakker, en des daags zagen wij olifanten, buffels, reeën en ander groot wild langs de oevers gaan. Den olifant bij zich thuis te zien, is iets om niet licht te vergeten. De ontzettende lompheid van dit menageriedier, alsof zulk een groot beest eigenlijk een vergissing was, verdwijnt geheel wanneer men hem in zijne oorspronkelijke omgeving bespiedt. Hier is hij even rad als een poes, en ziet\' gij hoe volkomen geschikt deze bewegelijke berg voor zijne woonplaats is, hoe zulk een zwaar monster even natuurlijk bij dit kolossale gras behoort als een konijn in een Engelsch park. Wij waren bijzonder gelukkig in het zien van olifanten op dezen weg, en ik vraag mij zeiven af, of men in eenig ander deel van Afrika deze dieren zoo op zijn gemak en in veiligheid kan zien, als men eerst zes weken geleden uit Londen vertrokken is. Stanley was bij zijne Livingstone-expe-ditie tien maanden in het land vóór hij er een zag; en de heer Joseph Tomson ontmoette gedurende zijne lange reis naar Tanganyika en terug geen enkelen olifant op zijn weg. Men vertelt wel eens, dat de walvisch, dien alle reizigers zien als zij over den Atlantischen oceaan trekken, door de stoombootmaatschappijen onderhouden
19
wordt, maar ik sta er voor in, dat deze Shiré-olifanten van geen subsidie weten.
Eerst in de laatste jaren is het opruimen van den olifant uit deze streek en uit geheel Afrika ter sprake gekomen. Om welke reden zou dit vriendelijk en verstandig dier uitgeroeid moeten worden, waarom zou dit toonbeeld van dierlijke geestkracht, welke voor zooveel nuttigs aangewend zou kunnen worden, voor de beschaving geheel verloren moeten gaan? De oorzaak hiervan is niet moeilijk te begrijpen. De Afrikaansche olifant is nooit met goed gevolg getemd, en heeft derhalve als bron van geestkracht niets te beteekenen. Daarentegen kon hij als ivoor-bron kwalijk grooter bijval gevonden hebben. De prijs van het ivoor is tègen-woordig omstreeks zes gulden het pond, en een gemiddelde tand weegt van twintig tot dertig pond.
Elke olifant heeft er twee en in Afrika hebben zoowel het mannetje als het wijfje slagtanden. Derhalve is de olifant gemiddeld in ponden sterling het gewicht-van een zijner tanden waard. Ik heb dikwerf gezien dat enkele tanden negentien pond wogen, zoodat eene kudde olifanten omtrent evenveel waard is als een goudmijn. De verleiding om het dier voor .zijnequot; tanden op te offeren is dus heel groot; en daar hij schaarscherwordt, zal hij door den jager met steeds toenemenden ijver achtervolgd worden. Doch de waarheid is het, hoe treurig die bekentenis ook moge zijn, dat, hoe eerder de laatste olifant voor den kogel des jagers bezwijkt, hoe beter voor Afrika. Het ivoor toch brengt nu in dat land een abnormalen staat van zaken. Op dit ééne artikel is nu zulk eene ontzaglijke premie gesteld, dat geen enkel
20
ander onder de Afrikaansche voortbrengselen de geringste aandacht trekt. Niemand in het binnenland zal het over zich verkrijgen, om den normalen rijkdom te ontginnen of de wezenlijke nijverheidstakken van het land te ontwikkelen, zoo lang er nog olifantstanden zijn. Van al de vijanden toch die er nu nog in Afrika zijn, is het ivoor stellig de grootste. Niet alleen omdat daar waai\' een artikel is, aan hetwelk eene ingebeelde waarde wordt toegekend, dit zoo licht eene slechte uitwerking op den voortbrenger kan hebben. evenmin omdat waar geld is, ook omkooping, schraapzucht en twist heerscht, maar omdat hierdoor beginsellooze lieden, en in het bijzonder Arabieren, op de slechtste wijze met de inboorlingen in aanraking worden gebracht, uitsluitend in ééne en wel in de laagste richting invloed op hen oefenen, en hen steeds slechter maken dan zij waren — slechter in be-geerigheid, in schelmerij, in geloof in het menschdom, en in hun opvatting van de beschaving. Bovendien moet een Arabisch koopman voor eiken tand dien hij verlangt, een slaaf koopen, huren of stelen, om het ivoor naaide kust te vervoeren. Slavernij is op zichzelve ellendig genoeg, maar hier krijgt men den langen slavenmarsch met zijne ongekende afgrijselijkheden, welke bijna uitsluitend door den handel in ivoor zijn ontstaan en blijven voortduren. Derhalve zal het uitroeien van den olifant een keerpunt vormen in den slavenhandel. De olifant heeft veel gedaan voor Afrika, maar het beste wat hij nu voor zijn land kan doen, is, voor altijd te verdwijnen.
In reisboeken worden groote opperhoofden gewoonlijk koning genoemd, hunne vrouwen koninginnen, ter-
21
wijl hunne leemen hutten altijd paleizen zijn. Doch nadat ik mijn eerste Afrikaansche opperhoofd in zijne woning gezien heb, is het mij voorgekomen, dat ik die opvatting wijzigen moest. De koninklijke glans van Chipitula\'s hof — en Chipitula was toch wezenlijk een groot opperhoofd, wien het geheele Shiré-district toebehoorde — kan afgeleid worden uit het feit, dat, toen ik zijne majesteit mijne hulde bracht , zijn hof-kleedij uitsluitend uit een paar bretels bestond. Ik maakte dezen koning voor zijn leven gelukkig door hem een scharlaken kaatsbal en eenige knoopen te schenken. Doch de arme Chipitula had niet lang pleizier van zijne schatten — en ik vermeld dit voorval slechts om aan te toonen, wat er dagelijks in Afrika voorvalt. Toen ik op mijn terugreis daar weder langs kwam, bracht ik hem opnieuw een bezoek, om een luipaardenhuid in ontvangst te nemen, welke dat opperhoofd mij beloofd had, en waarvoor hij eenige flodderige overschotjes van mijn kleerenvoorraad in ruil zou krijgen. Hij gaf mij de huid; ik bedekte de zijne naar behooren met mijne versleten kleeren en wij vertrokken. Een paar dagen later kwam een andere blanke dien weg langs; hij was een der handelaren, die dit wisselvallig bedrijf in .Oost-Centraal-Afrika uitoefenen. Hij kreeg twist met Chipitula over zekeren koop, en in een opwelling van drift haalde hij zijn revolver voor den dag en schoot het opperhoofd dood. Natuurlijk werd hij zelf onmiddellijk door Chipitula\'s mannen opeens doorboord en werden al zijne zwarte dragers, naar \'slands gebruik, met hun meester om het leven gebracht. Er is geen zweem van eenige wet in Afrika, zoodat men iedereen overhoop kan steken, en gij weder.
22
keerig iedereen vermoorden kunt, zonder dat er een haan naar kraait.
Mijn tweede oponthoud had ten doel om hulde te brengen aan de nagedachtenis van een anderen blanke. Eenige jaren geleden waren bisschop Mackenzie en enkele andere zendelingen naar Afrika gezonden door de Engel-sche hoogescholen, met den last om te trachten. op het voetspoor van Livingstone, een missie te vestigen. Zij kwamen hier, het klimaat overmande hen, en de een na den ander werd ziek en stierf. Met den dood van den bisschop zelf was de zetel verlaten en keerden de weinige overlevenden naar hun vaderland terug. Tusschen het door de nijlpaarden platgetrapte riet aan de oevers der Shiré, onder een ruw ijzer kruis, ligt de eerste van de drie dappere bisschoppen, die reeds hun graf in Gen-traal-Afrika gevonden hebben.
Ik heb gesproken van de Shiré als de grootste waterweg in het binnenland van Oost-Afrika, doch deze wegheeft ook zijne gebreken. Na vijf of zes dagen zeilens kwamen wij aan snelle stroomen, waar geen boot dooi kan. Livingstone heeft deze de Maschison Cataracts gedoopt, en zij beslaan een lengte van zeventig mijlen. Derhalve moest deze afstand per land worden afgelegd. Halverwege en op een aanmerkelijken afstand van de rivier bevindt zich de eerste nederzetting van blanken in oostelijk Centraal Afrika, de Blantyre-zending. Nadat wij omtrent een honderdtal inboorlingen, tegen de belofte van ieder wat katoenen goed te zullen ontvangen, overreed hadden om onze bagage te dragen, vertrokken wij te voet naar Blantyre. De traditioneele eigenaardigheden van een Afrikaansche karavaan werden gedurende dezen
23
eersten tocht in de grootste volmaaktheid ten uitvoer gebracht, en de duisternis viel reeds in toen wij nog slechts halverwege onze bestemming waren. Het was onze eerste nacht in het bosch, en deze werd door een vrij ongewoon voorval bij Afrikaansche tochten gekenmerkt. Tegen middernacht werden wij wakker gemaakt door heftig gegil van onze mannen, die rondom ons op den grond lagen te slapen. De vuren moeten uitgebrand zijn geweest, daar plotseling een leeuw in ons kamp gesprongen was. Den man grijpende, dié het dichtst bij het hout lag, sloeg het ondier de klauwen in diens borst en wilde zich in de duisternis wegspoeden, toen de pistoolschoten hem schrik aanjoegen en hem van zijn prooi deden afzien. Tweemaal in dien nacht kwam de leeuw terug, en wij blanken hadden beurtelings met geladen geweerquot;wacht te houden tot den morgen. Dit is voorzeker een zeldzaam geval, want met een goed vuur kan men in het algemeen overal in de keerkringen zijn mat spreiden, zonder vrees van des nachts overvallen te worden. Het is echter een vermaarde streek voor leeuwen, en men kan even zeker op hun afschuwelijk concert in den vroegen morgen als op het getjilp der musschen in Europa rekenen.
Tegen zonsondergang kwam onze karavaan den volgenden avond te Blantyre aan. Over het groote en schoone belang dezer zending zal ik niet uitweiden. Zoo iemand echter wenscht te vernemen, wat er gedaan kan worden met de onbedorven Afrikanen, wat er te bereiken is door flinke, practische zendelingen, dat hij dan den eerwaarden D. Clement Scott en zijne vrienden te Blantyre bezoeke. En zoo hij de mogelijkheid van bescha-
24
ving en kolonisatie onder een Afdkaanschen stam, op Afrikaanschen bodem levende, wil nagaan, dat hij de aanplantingen onderzoeke, zoowel van de zendelingen als die van de heeren John en Frederick Moir te Mandala, en van de gebroeders Buchanan te Zomba. En zoo hij verder begeert te weten hoever hun menschenmin zich uitstrekt, dat hij zijn bezoek aan ieder dezer middenpunten van zelfverloochening, goedheid en gastvrijheid, zoo mogelijk doe samengaan met een of anderen onver-mijdelijken koortsaanval.
I.
De Oostelijk Afrikaansche meerstreek. De meren Shirwa en Nyassa.
In 1859 zag Livingstone ergens in de Shiré-hoog-landen een groot meer, het Shirwa-meer, dat nog bijna onbekend is gebleven. Het ligt naar het oosten en wordt begrensd door een bergketen , welker hooge toppen van de heuvelen rondom Blantyre zichtbaar zijn. In de meening dat het eene geschikte inwijding voor eene Afrikaansche reis zoude zijn, indien ik eenigen tijd aan het onderzoeken van dat meer besteedde, vertrok ik op een morgen daarheen, vergezeld door twee leden van den Blantyre-staf en een klein gevolg inboorlingen. Ons door het land begevende in de richting waarin het lag, bevonden wij, twee dagen voor wij bedoelde watervlakte zagen, dat wij reeds aan het oude bed van het meer waren. Ofschoon het nu met hout begroeid is, heeft het geheele district nog betrekkelijk kort geleden onder water gestaan, en reikten de oevers van het Shirwa-meer toen op eenige mijlen na tot Blantyre. Toen wij
26
het meer bereikten, kwam ons een zeer bejaard vrouwelijk opperhoofd te gemoet, en vertelde ons, dat zeer lang geleden een blanke naar haar dorp was gekomen en haar kleeren ten geschenke gegeven had. Over dien blanke, die Livingstone moet geweest zijn, sprak zij zeer hartelijk; en inderdaad, waar David Livingstone zijne voetstappen in Afrika gezet heeft, schijnt de herinnering aan hem levendig te blijven.
Het water van het Shirwa-meer is brak en ondrinkbaar, maar de zoutsmaak moet eene bijzondere aantrekkelijkheid voor het wild hebben, want nergens in Afrika heb ik zulke prachtige kudden van grootere dieren gezien als hier. De zebra was er vooral in groot aantal; en zoo ongewoon zijn deze dieren om gestoord te worden , dat men met een weinig omzichtigheid zonder eenig gevaar op zeer kleinen afstand hen kon gadeslaan. Het moge misschien wat vreemd klinken, maar mij schijnt het toe, dat er onder de grootere dieren geen mooier is dan de zebra. Van nabij gezien is zijn gestreepte huid zeker even fraai als di-e van den tijger, terwijl de vorm en bewegingen van zijn lichaam in elk opzicht edeler zijn. Zijn gang is, wat gratie betreft, zeer stellig niet te vergelijken met dien van de verschillende soorten van antilopen en reeën, die naast hem op het gras trippelen, en men kan nooit geheel vergeten dat hij eigenlijk een ezel is; maar alles bijeengenomen behoort toch dit fraaie dier eene hoogere plaats in te nemen dan het mensch-dom hem tot heden geschonken heeft.
Wij waren zeer verwonderd, in aanmerking genomen dat deze streek bijna onbewoond is, toen wij nabij het meer een pad ontdekten, dat zoo beloopen was, en
27
blijkbaar zoo kort geleden, dat het ongetwijfeld een of andere hoofdweg door het vasteland moest zijn. Wij volgden het een mijl of wat en ontdekten spoedig de bestemming er van. Het was een van de groote slaven-wegen door Afrika. Weldra werden nog overblijfselen van den afschuwelijken handel aan beide zijden zichtbaar; en uit de symmetrisch opgestapelde hoopjes stee-nen en deversch afgesneden takjes, die als seintoestellen op het pad waren geplaatst, maakten onze Afrikaansche gidsen op, dat er nu juist een karavaan met slaven in doortocht was. Blijkbaar waren wij tusschen twee gedeelten er van in, daar de steenen en takken telegra-phische teekenen tusschen het front en de achterhoede vormden. Onze inboorlingen schenen zeer ontsteld bij deze ontdekking en weigerden om voort te gaan, tenzij wij beloofden van niet tusschen beiden te komen. Hadden wij dit beproefd, het zou slechts onzen dood en de slavernij voor de inlanders ten gevolge hebben gehad. Den volgenden dag zagen wij, van een heuveltop, het slavenkamp in de diepte, en de akelige processie naar de ver verwijderde kust, welke velen van de honderden nooit bereiken zouden.
Zoo pratende over voetpaden kom ik van zelf op de manier van reizen in Afrika. Ondanks al de boeken, die onze groote natuuronderzoekers daarover geschreven hebben, schijnen weinig menschen eenig juist begrip van dat reizen te hebben. Sommigen zijn van meening dat alles in wagens met ossen bespannen geschiedt — een vervoermiddel dat van de Kaap afkomstig is, maar niet uitvoerbaar zou zijn in Centraal-Afrika, waar een wiel een even groote zeldzaamheid als een ijsbeer is. Anderen
28
daarentegen meenen, dat de onderzoekers alleen met het kompas werken, de kortste lijn voor hunne bestemming kiezen, en hun karavaan door de spoorlooze wildernis richten als een schip op zee.
Nu zal het een verrassing zijn voor die slecht inge-lichten te vernemen, dat vermoedelijk geen onderzoeker, die zijn weg door Afrika nam, ooit langer clan een dag of wat een of ander betreden pad gemist heeft. Geen streek der beschaafde of onbeschaafde wereld is vermoedelijk beter van wegen voorzien dan dit onbekende vasteland. Elk dorp is met een ander dorp verbonden, elke stam met een naastbijgelegen stam, elke staat met zijn nabuur en zoo derhalve met alle overigen. De taak van den onderzoeker bestaat dus eenvoudig hierin, om uit dit net van wegen een keuze te doen en een algemeene richting te houden. Laat hem te Zanzibar beginnen, zijn voet op een Afrikaansch voetpad te zetten en zijn gelaat naar Tanganyika te richten, in acht maanden zal hij er zijn, indien hij slechts volharding toont. Van dorp tot dorp zal hij overgeleverd worden en natuurlijk hielen daar omwegen maken, om de onoverkomelijke hinderpalen der natuur of de zeldzame gevaren van vijandige stammen te vermijden, doch nooit zullen de sterren alleen hem tot gids strekken, nooit zal hem in werkelijkheid een betreden pad ontbreken, totdat honderden en honderden mijlen tusschen hem en de zee liggen, en zijn eindeloos voetpad besluit met een kano aan de oevers van de Tanganyika. Vaart hij het meer over en landt hij nabij een of ander dorp aan, dan neemt hij den draad weder op. Nu zwoegt hij weer verder voort, nu eens te voet, dan weder in een kano, doch steeds zijn ver-
29
bindingslijn in het oog houdende, totdat hij op zekeren dag plotseling weer de zeelucht opsnuift en zijn trouwe gids hem aan de oevers van\' den Atlantischen oceaan voert.
Er is clan ook niet veel kunst voor om deze achtereenvolgende dorpen met hunnen onderlingen schakel te vinden; men moet ze vinden. Een heel leger gidsen, bedienden, dragers en soldaten vergezellen u echter op dezen tocht, en dit onbeschreven regiment moet gevoed worden. Indiaansch koren, Cassava, boonen en bananen groeien niet in het wild in Afrika. Ieder maal moet dus worden gekocht en betaald in kleeren en kralen, en er kunnen moeilijk drie dagen verloopen, dat er niet in een of ander dorp naar nieuwen voorraad moet worden omgezien. Als regel geldt dus, dat een karavaan van de hand in den tand moet leven en dat haar tocht dus een geregelde processie langs een reeks markten wordt. Eigenlijke markten, zijn dit ook wederom niet, want men vindt noch bazaars, noch winkels in Afrika. Duizenden van de dorpen, waardoor de reiziger trekt, hebben nooit te voren een karavaan van leeftocht voorzien. Doch met goedvinden van het opperhoofd, hetgeen meestal gemakkelijk voor een opzichtig geschenk te verkrijgen is, ontsluiten de dorpen hunne provisiekelders en worden manden met voedsel vlug tegen equivalenten in kralen en katoen geruild.
De inlandsche paden, die ik daareven heb beschreven, hebben overal in Afrika hetzelfde karakter. Het zijn wezenlijke voetpaden, nooit meer dan een voet breed, zoo hard als diamant, en door een onafgebroken reeks inlandsche handelaars met sporen doorploegd. Als regel geldt, dat deze voetpaden wonderbaarlijk recht op hun
30
doel afgaan. Gelijk de wegen der oude Romeinen, loopen ook deze regelrecht over alles heen, over bergruggen, door valleien, nooit voor eenig beletsel terugdeinzende, noch eenigszins ter zijde wendende. Toch zijn er ondanks dezen algemeenen regel om steeds rechtuit te gaan, afwijkingen en buitenoras in \'t klein waar te nemen. Alhoewel het Afrikaansche voetpad in zijn geheel een rechte lijn is, zijn toch geen vijftig meter daarvan ooit recht. De reden is daarvan niet ver te zoeken. Ontmoet men een steen, geen inboorling zal er ooit aan denken dien op zij te leggen. quot;Waarom zou hij dat doen? Het is immers gemakkelijker er omheen te wandelen. De daaropvolgende man, die langs dien weg komt, zal hetzelfde doen. Hij weet, dat honderd man na hem komen; hij heziet dien steen; in een oogenblik is die steen uit de aarde losgewoeld en op zijde geworpen. Doch neen, ook hij zet zijn reis voort. Xiet om de moeite die het hem kosten zou, maar de gedachte komt niet bij hem op. Het zou evenmin bij hem opkomen, dat deze steen een onverplaatsbaar voorwerp was, en dat hij dien ter wille van het algemeen welzijn verplaatsen moest, dan wel dat de soort tot deze of geen verscheidenheid behoort. Geslachten na geslachten zijn langs dien steen voorbijgegaan, en nog altijd wacht hij op een man. die hem op zij schuiven zal. Gemeenlijk zet iedere vier mijlen op een voetpad door een reeks van allerlei kleine ongelijkheden zich tot vijf of zes uit. Nu zijn deze afwijkingen ook niet zonder beteekenis. Elke daarvan heeft een geschiedenis, die van duizenden jaren dagteekent, maar waarvan de aanleiding in den loop der eeuwen verloren is geraakt.
31
De hoofdoorzaak zijn waarschijnlijk gevallen boomen geweest. quot;Wanneer een boom dwars over een pad valt, komt niemand er ooit aan. Evenals in het geval van den steen, gaat de inboorling er om heen. Het hout is te jong om het in zijn hut als brandhout te gebruiken; en vóór het droog is en de witte mieren het gegeten hebben, is de nieuwe omweg een onmisbaar deel van den weg geworden. De kleinere onregelmatigheden worden veroorzaakt door de boomen en stammen van het oorspronkelijk woud, waardoor het pad eerst gemaakt is. Doch wat ook de oorzaak wezen moge, dit is zeker dat, wat volharding in de rechte lijn in het algemeen, en uiterste weifeling en besluiteloosheid in het bijzonder betreft, de Afrikaansche wegen eenig in aanleg zijn.
Ofschoon het meer Shirwa een der kleinere Afrikaansche meren is, toch zal het vermoedelijk grooter zijn dan al de moren van Groot-Brittannië te zamen. Met zijne prachtige omgeving van bergen aan drie zijden, herinnert het eenigszins aan het Groote Zoutmeer, zich badende in een Juli-zon. Wij legerden ons voor een dag of twee aan zijnen westelijken oever, ondereen argeloos en verbaasd volk, dat nog nooit te voren de bleeke gezichten van Engelschen aanschouwd had. Ten gevolge van de verwoestingen van den slavenhandel is het volk van Shirwa niet talrijk, verstrooid en arm, en verkeert het in voortdurenden angst. De dichtste bevolking vindt men op het eilandje, dat \'een schilderachtig punt van het noordelijk einde vormt. Deze Wa-Nyassa, of volk van het meer, zooals zij zichzelven noemen, zijn hier door vrees heengedreven, en zelden verlaten zij hun meer-verblijf, tenzij onder beveiliging van het nachtelijk
32
duister. Zelfs dan kunnen zij nog gevangen genomen worden door dezen of genen uit een sterkeren stam , die hen ontmoet, en talloozen die aldus opgepakt zijn, vindt men in de dorpen van naburige hoofden. Dit is eene eigenaardigheid van het leven in Afrika, die u allerpijnlijkst treft. Het is voor hen die thuis zijn onmogelijk te begrijpen, hoe een wilde in den letterlijken zin des woords een stuk huisraad is, en hoe een groot deel van zijn leven dikwerf besteed wordt aan het uitsluitend beschermen van zijne hoofdbezitting, zichzelven. Men heeft tegenwoordig streken in Afrika waar drie inboorlingen niet met eene of andere boodschap kunnen belast worden, of twee hunner spannen samen om den derde te verkoo-pen voor zij terugkeeren.
Na eenigen tijd in de districten van het meer Shirwa en van Shiré te hebben doorgebracht, vertrok ik naar de opper-Shiré en naar het meer Nyassa. Eene wandeling van een paar korte dagen, van de nederzetting te Blan-tyre af, brengt u aan de oevers der Shiré. Hier vond ik de vermaarde Ilala, een bootje dat niet veel grooter was dan een stoombarkas. Het behoorde oorspronkelijk aan de zendelingen bij het Nyassa meer, en werd eenige jaren geleden in zeven honderd stukken uit Engeland naar hier overgebracht en op den oever in elkaar geschroefd. Geen hoofdstuk van een roman is belangwekkender dan de geschiedenis van den onderzoekingstocht vari de Ilala, toen het bootje voor de eerste maal naar de onbekende wateren van Nyassa wegstoomde.
Nimmer te voren had eenige kiel den waterspiegel van dit uitgestrekte meer doorkliefd, en de verbazing dei-inboorlingen, toen het bootje sissend langs hunne dorpen
33
stoomde, wordt door hen, die dit bijwoonden, als een onbeschrijfelijk belangwekkend schouwspel beschreven. Het bootje was genaamd naar het dorp Ilala, waar David Livingstone den iaatsten adem uitblies. Die naam geeft de heldhaftige bestemming van het scheepje aan: het beschavings- en bekeeringswerk op te nemen, waar de groote onderzoeker het moest staken. De Ilala bevond zich nu bij tasschenpoozen tusschen de Opper-Shiré — boven de watervallen — en de oevers van het meer Nyassa, om levensmiddelen te brengen aan de handvol zendelingen, die zich aan de westelijke kust hebben neergezet. Ofschoon het bootje onder bevel van een blanke staat, wordt het werk aan boord geheel door inboorlingen van die streek verricht. Toen het vertrouwen der zwarten eens gewonnen was, scheen het niet moeilijk te vallen om een voldoend aantal vrijwilligers voor deze nieuwe bezigheid te vinden. Zonderling genoeg, terwijl dikwerf voor het werk op dek niet zoo dadelijk lieden aangeworven worden, is het baantje vair stoker —in die tropische hitte \'t laatste dat men wenschen zou — zóó gezocht, dat er steeds een aantal inboorlingen bereid zijn om in het stockhol geroosterd te worden. In plaats van de hitte te ontvluchten, zoekt-de Afrikaansche inboorling die meestal op. Zijn gestel leeft daarbij op, terwijl een koude wind langs een berghelling onmiddellijk een beklagenswaardig schepsel van hem maakt.
Na Matope verlaten te hebben, juist boven de watervallen van Murchison, stoomt de Ilala een paar dagen door de rivier vóór het Nyassa-meer bereikt is. De vallei is zeer breed, aan weerszijden begrensd door afgelegen bergen, die vermoedelijk in een vroeger tijdperk de oevers
3
34
van een grooter Nyassa-meer vormden. Het feit, dat het Nyassa-meer aan zijn zuidelijk einde verzandt, wordt duidelijker als men het meer nadert, want hier vindt men reeds een aanmerkelijke uitgestrektheid van het grootere deel afgesneden, een afzonderlijke watervlakte vormende.
Het kleinere meer heet Pomalombe-meer, en dit is reeds zoo ondiep, dat in het droge seizoen het bootje soms in de modder blijft steken. De vriendschap van de weinige dorpen langs de oevers wordt door nu en dan een geschenk onderhouden; alhoewel de verhouding tusschen sommigen hunner en het bootje wel eens wat gespannen is, en die inboorlingen, in eene slechte bui, het stellig naar den kelder zouden zenden, als zij althans durfden. Men bedenke hierbij dat deze geheele streek bultende grenzen der beschaving verkeert, en dat slechts enkele blanken hier ooit den voet hebben gezet, tenzij de weinige agenten die met de maatschappij der meren (Lakes company) en de zendelingen in betrekking staan. Behalve een toevalliger! ruil van kleeren of kralen voor brandhout en voedsel, heeft de Ilala niets te verhandelen met de stammen aan de boven-Shiré, en sedert lang maakt het heen- en weertrekken van het stoombootje der blanken op hen even grooten indruk als eene of andere jacht op eendvogels in Regents\' Park op den bewoner van Kensington. Alléén uit de tegenwoordigheid van een bootje in Centraal-Afrika zou men licht besluiten, dat de streek waardoor het stoomt, in zeker opzicht beschaafd moet zijn, en de voortdurende bewijzen van het tegendeel, die men op de plaats zelve telkens ontvangt, behooren almede tot de treffendste ervaringen
35
van den reiziger. Het valt hem bijna onmogelijk te ge-looven, als hij uit de kajuit van de Ilala het leven der inboorlingen gadeslaat, dat dit gezamenlijk volk onbeschaafd is; even onmogelijk als het voor hem is te ge-looven dat die schok van daareven veroorzaakt werd door een verdronken nijlpaard, waar het bootje tegen stootte. Een stalen schip te Londen gebouwd, dat zes knoopen stoomt; en hutten van gras, naakte inboorlingen en een nijlpaard — dit ia moeilijk vereenigbaar, zoodat men voortdurend in een toestand van verwarring en verbazing verkeert.
Het was een schitterende zomermorgen toen de Ilala het Nyassa-meer instoomde; binnen eenige uren lagen wij ten anker in de kleine baai te Livingstone. Mijne eerste indrukken van dit vermaard zendingsstation zullen niet licht vergeten worden. Verrukkelijke bergen van graniet, tot de toppen met wouden bedekt, omringden het, en op het zilveren zand van een nog kleinere baai zag men eene rij mooie witte huisjes. Een net pad door een tuintje leidde naar de nederzetting, en ik begaf mij naar het grootste huis en trad het binnen. Het was de Livingstonia-pastorie, het huis van den hoofdzendeling. Alles zag er onberispelijk zindelijk .uit. Engelsche meubelen in de kamer, een medicijnkist, huishoudelijke schotels stonden er in de kasten, boeken lagen er overal, maar er was geen zendeling te zien. Ik begaf mij naar het naburige huis — dit was de school, de banken en het zwarte bord waren er, doch geen scholieren of meester. Toen liep ik het derde in, het was de smederij, daar waren het gereedschap en het aambeeld, maar er was geen smid te zien. En zoo van daar naar het huis er
36
neven, en verder, alles in de volmaaktste orde, doch alle ledig. Toen kwam er een inboorling naar me toe, die me een eind het bosch inbracht. En daar waren tusschen de mimosa-boomen, onder een hoog stuk graniet, vier of vijf graven. Daar lagen de zendelingen.
Ik bracht een dag of wat door in de plechtige schaduw van de verlaten pastorie. Het is een .van de liefelijkste plekken in de wereld; het was moeilijk te gelooven, als men onder de tamarinde boomen bij den rusügen meeroever zat, dat de pestziekte deze heerlijke plek tot zetel had gekozen. Een honderd vijftig mijlen noordwaarts , op dezelfde kust van het meer, hebben de overgebleven zendelingen hunne taak opnieuw begonnen, en daar zetten zij hun werk langzaam, tegen allerlei bezwaren kampende, voort. Sommige reizigers hebben zich ongunstig over de zendelingen uitgelaten. Of zij daarin soms gelijk hebben, zal ik niet beoordeelen, maar ik wensch van de zendelingen te Livingstonia en Blantyre te getuigen, en reken het mij tot eene eer dit hier te mogen doen, dat het moedige, werkdadige, oprechte men-schen zijn, die onze sympathie meer behoeven dan wij weten, en die evenzeer boven onzen lof als ons oordeel verheven zijn.
Malaria-koorts is een van die onvermijdelijke dingen, welke ieder reiziger in Afrika flink in het oog moet houden. Maanden lang mag hij er aan ontkomen, maar hij is met den vinger aangewezen, en wel hem, zoo hij een vriend bij zich heeft, wanneer zij hem ten slotte overvalt. quot;Weken, ja zelfs wel eens twee maanden te voren wordt zij voorafgegaan door onverklaarbare prikkelbaarheid, gedruktheid en moeheid. Nauwelijks heeft
37
hij des morgens den tocht met zijne manschappen aangevangen, of hij verlangt al naar de middagrust. Men schrijft dit aan vadzigheid toe, tracht zich op te wekten door nu en dan een flinken teug uit de water-flesch te nemen en strompelt zoo een mijl of wat verder. Daarop betrapt men zichzelven van in het bosch te luieren, onder voorwendsel van naar een of andere plant te zoeken, en wanneer uwe dragers uit het gezicht zijn, werpt gij u afgemat en wanhopend onder een boom. Vol schaamte u weer oprichtende, waggelt gij langs het pad, en als gij de plek nadert, waar de middagrust genoten zal worden, spant gij nog al uwe kracht in om de nederlaag te verbergen, hetgeen u voor het overige gedeelte van den dag den genadeslag geeft. Dit \'is een goede plek voor onderzoekingen, verzekert gij uw gevolg, en de tent dient hier maar voorden nacht te worden opgeslagen. Zoo gaat het dag aan dag, totdat de uitbarsting volgt — eerst koude en pijn, dan hitte en pijn, dan allerlei soort van pijn en hitte, vervolgens delirium en eindelijk de strijd tusschen leven en dood. Van al dat lijden rijst gij als een schim op, zoo gij ooit oprijst, en verzamelt langzamerhand krachten voor den volgenden aanval, dien gij maar al te goed weet, dat u niet zal teleurstellen. Niemand heeft tot heden de Afrikaan-sche koorts tot den bodem gepeild. Haar aardrijkskundig gebied is nog niet in kaart gebracht, maar in het algemeen heerscht zij over de geheele Oost- en Westkust, langs den loop van al de rivieren, aan de oevers der binnenlandsche meren en in alle laagliggende en moerassige districten. De hoogere plateaux zijn er vermoedelijk in evenredigheid vrij van, maar om deze te be-
38
reiken, moeten koortsachtige districten van grooteren of kleineren omvang doorgetrokken worden. Daar dringt de koorts het lichaam binnen, en dikwerf zeer lang nadat de besmette streek achter den rug is, openbaart zij zich. De bekende feiten met betrekking tot Afrika zijn deze: Vooreerst staat het in verband met opdrogend water en verrottenden plantengroei, ofschoon het onbekend is hoe de kiem ontstaat of wat deze is. Voorts lijden de inboorlingen evenzeer van de koorts als de Europeanen, en dit meer in het bijzonder wanneer zij van district en van klimaat veranderen. Zoo werden vier of vijf mijner dragers door koorts aangetast, toen wij over het Tanganyika-plateau marcheerden, ofschoon hun woonplaats slechts op twee- of driehonderd mijlen afstands lag, en dit alles vóór ik er zelfs nog een tikje van beet had. Ten derde is quinine het groote en bijna het eenige geneesmiddel, en ten vierde ontsnapt er geen enkele Europeaan aan.
De inderdaad schrikverwekkende sterfte onder de Europeanen is een feit, waarmede allen, die eenig plan hebben om hun geluk in Afrika te beproeven, wel degelijk rekening moeten houden. Slechts zij, die in het land zelf geweest zijn, of die met aandacht de geschiedenis van de Afrikaansche reizen en het zendingwerk gevolgd hebben, kunnen den ernst van den toestand beseffen. De malaria spaart niemand, zoowel sterken als zwakken vallen; geenerlei voorzorg kan daartegen waken ; geen voorbehoedmiddel kan iets meer doen dan de aanvallen minder menigvuldig te maken; geen voorspelling kan er te voren gedaan worden, welke streken er door bezocht worden en welke vrijblijven. En het is
39
niet de minst afschuwelijke trek van deze onzichtbare plaag, dat tot heden de eenig bekende wetenschappelijke toetssteen er van is; het leven van den mensch. De proef is reeds in de Congo-streek met een roekeloosheid toegepast, welke men misdadig moet noemen. Men kan er zich desnoods aan onderwerpen, dat menschen, zij het honderden te gelijk, hun leven opofferen vooreen heilige zaak; maar het wordt iets anders, wanneer de een na den ander, steeds met een noodlottigen afloop, een grenspaal zoekt over te springen, dien blijkbaar de natuur zelve gesteld heeft. Het is de plicht der wetenschap, om aan te toonen, dat noch toewijding, noch geestdrift den mensch het leven kan geven, en dat zij, die voor de hoogste doeleinden werken, dezen in nederige gehoorzaamheid aan de algemeene wetten het best ber-eiken zullen. Nu moge de waarschuwende vinger geminacht worden, als de hand van den lafaard en den alledaagschen mensch, het feit blijft bestaan — het feit van een schrikwekkend en schakel van Engelsche graven, die zich over Afrika uitstrekken. Dit wordt echter niet gezegd om zendelings-ondernemingen te ontmoedigen, maar alleen om die beter te regelen.
Naar het hoofd van het Nyas^a-meer in een klein stoomjacht, gelijkt volkomen op een zeereis, die door hevige zeeën, zware winden, het ophouden van brandstof en het stilliggen des nachts, langer tijd vereischt dan een tocht van Engeland naar Amerika. Het meelis door bergen omsingeld en stormen zijn daar zoo menigvuldig en zoo heftig, dat LyvingstoneNyassa als het „stormmeerquot; doopte. De beweging bij het voor anker liggen des nachts was gemeenlijk zoo onpleizierig, dat
40
men er de voorkeur aan gaf, aan wal te gaan. Mijne lieden — want ik had van lieverlede de karavaan vermeerderd , waar ik slechts inboorlingen vond, die mee wilden gaan — staken gewillig vuren aan, om de wilde dieren op een afstand te houden, en wij sliepen vreedzaam op het zachte oeverzand.
In plaats van honderd vijftig mijlen lang, zooals eerst verondersteld werd, is het nu bekend, dat het Nyassa-meer eene lengte heeft van drie honderd vijftig mijlen en eene breedte, die van zestien tot zestig mijlen verschilt. Het beslaat een reusachtig bekken van graniet en gneiss; het zeer diepe water bevindt zich op zestien honderd voet boven de zee, met de bergen die aan alle kanten er om verrijzen, tot eene hoogte van een, twee, drie en vier duizend voet. De bergen langs de Westkust vormen een bijna onafgebroken keten, terwijl de Noordoost- en Noordkust besloten zijn door het Livingstone-gebergte. De ankerplaatsen op het meer zijn noch zoo talrijk, noch zoo voldoende als men wenschen zou, maar de Ilala heeft op de Westkust eenige flinke havens uitgekozen.
Ik bezocht slechts één dorp op de kust, en ik hoop dat er niet vele zoo zijn; trouwens, het was eene uitzondering voor Afrika. Ik kwam daar op zekeren morgen vroeg invallen, en verloor mij zeiven in een eindeloos doolhof van rookende hutten. De smerigheid was onbeschrijfelijk, en ik ontmoette er lieden, die in den hoogsten graad de pokken hadden en overal rondliepen, alsof besmetting daar eene onbekende zaak was. Het opperhoofd is de grootste slavenhandelaar en de gemeenste schelm aan het geheele meer, en rondom zijne woning
41
telde ik veertig rnenschenhoofden op palen, wier spookachtige gezichten in de zon blakerden.
Dat was echter geen Afrikaaasch, maar een Arabisch dorp. De inlandsche dorpen aan de Nyassa zijn zelden zoo groot en zoo opeengepakt, en nooit zoo smerig. Overal liggen zij langs het strand en in de bosschen verstrooid, en alles bijeengenomen moeten er wel honderden rondom het meer zijn. Op de Westkust alleen zijn er minstens vijftien verschillende stammen, die evenveel verschillende talen spreken, en welke ieder weer tallooze dialecten hebben.
De mooiste plek aan het Nyassa-meer is Bandawé, het tegenwoordig hoofdkwartier van de Scho.tsche Li-vingstonia-zending. De uitdrukking „hoofdkwartier eener zendingquot; doet de Europeesche Christenen aan eene straat en een plein denken met eene statige kerk, een behoorlijk kerkhof en eene eerzame gemeente in Zondagsklee-ren. Doch Bandawé is alleen een huisje of twee in eene uitgestrekte wildernis, en de zwarte geloovigen begeven zich op Zon- en feestdagen naar die kapel zonder zitplaatsen, gemeenlijk niet verder getooid dan met pijlen boog. Niettemin is genoemde kapel op hare wijze een even schitterende gebeurtenis als de dom te Keulen, en hare geloovigen stellen er even groot, ja misschien nog grooter belang in. Met woorden althans is de indruk niet weer te geven, dien Dr. Laws, zijne vrouw en hunne weinige helpers op deze zonderlinge, en schijnbaar onhandelbare geloovigen gemaakt hebben. Vandaar dat een bezoek aan Bandawé eene groote zedelijke les \' in zich bevat. En mij is geene herinnering uit mijn leven heiliger en dierbaarder dan die van eene avond-
42
maalsbediening in de kleine Bandawé-kapel, toen mij de beker overhandigd werd door den naakten, zwarten arm van een inlandsch geloovige, wiens leven, zooals mij later in menig spannend uur op het Tanganyika-plateau gebleken is, hem misschien meer recht gaf om daar te zijn dan iemand van ons.
11.
Het hart van Afrika. Land en volk.
Wij zijn nu diep genoeg in het binnenland, om ons een algemeen begrip van den aanblik van Afrika\'s hart te vormen. Ik zal niet beproeven een of andere plek in het bijzonder te schilderen, maar de beschrijving, die ik u zal trachten te geven, is in het algemeen toepasselijk op Shiran, de Shiré-Hooglanden, Nyassa en het Nyassa-Tanganyika-plateau — streken, die gezamenlijk een der groote deelen van het hart van Afrika vormen.
Niets is meer in strijd met de werkelijkheid dan die voorstelling op onze schoolbanken, alsof het hart van Afrika een woestijn is. Afrika verheft zich uit de drie omringende zeeën in drie groote deelen, en de algemeene geographie van dit drietal is reeds in breede trekken door mij geschetst: eerst een lage en doodelijke kustlijn; verderop een plateau, dat, zoo hoog is als de Schotsche Grampians; verder een nog hooger plateau, dat op duizenden mijlen het land met bergen en dalen bedekt. Vul nu deze schets in, en ge hebt Afrika voor u. Bedek den kustgordel met welig groeiend, geel gras, plant hier
44
en daar een palm, strooi er hier en daar een vuil dorp tusschen, en voorzie het van luipaard, hyena, krokodil en nijlpaard. Bekleed de bergachtige plateaux met einde-looze wouden, geene groote, lommerrijke bosschen, gelijk die van Zuid-Amerika, noch struikgewas, gelijk de wouden in Indië, doch bosschen met dun, zwak, laag hout, welks half uitgegroeide stammen en karig gebladerte geen lommer tegen de tropische zon aanbieden. Niets in deze boomen herinnert er u aan, dat gij in de keerkringen zijt. Hier en daar ontmoet men een bo-rassus of waaierpalm, een euphorbia, een minosa of een graf-boabab. Bij nauwkeuriger onderzoek zal men zeer zeker merkwaardige kruip- en slingerplanten ontdekken, terwijl vreemde orchideeën hare zonderlinge bloemen tusschen de takken verbergen. Doch het uiterlijk boomtype is hetzelfde als in Europa: boomen, die sprekend op onze esch, beuk en olm gelijken, doch alleen zelden zoo groot zijn, behalve bij de stroomen, en nooit zoo mooi. Dagen achtereen kunt gij door deze wouden wandelen, zonder dat iets, behalve het klimaat, er u aan herinneren zal waar gij zijt. Ongetwijfeld zijn de dieren geheel anders, maar als gij er niet naar zoekt, zult gij er zelden een vinden. Wat nu de rotsen betreft, deze zijn de ons gemeenzaam bekende gneiss en granieten, met basaltaderen er tusschen. Duizenden en duizenden mijlen van uitgestrekte magere wouden, zonder lommer en zonder voetpad — wouden op de bergen en wouden in de vlakte — ziedaar oostelijk Centraal-Afrika.
De ondoordachte lof, die vroeger aan den tropischen plantengroei verspild werd, heeft door latere reizigers
45
menigen schok gekregen. In het Kaffeiiand, in Zuicl-Afrika, heb ik een paar wouden gezien, die inderdaad zoo mooi waren, dat zij de geestdrift van de overdreven schilders der keerkringen wel rechtvaardigden; maar wat het centraal-plateau betreft, is het nauwkeurig oordeel van Alfred Bussel Wallace betreffende den evenaarsgordel in het algemeen — een oordeel, dat op eenmaal alle moderne beschrijvingen van tropische landen heeft gewijzigd , en dat zwakke lieden zich beter in het thuis blijven heeft leeren schikken — ook op deze gansche vlakte van toepassing. De fraaie doolhoven van varens en palmen, de festoenen van pluiinplanten, die de paden versperren en de wouden vervullen met geurende, schitterende bloemen , de prachtige zwermen insecten, de vogels met hunne veelkleurige pluimage, de papegaaien, de apen , die van hun hooge takken zich in het lommerrijk hout slingeren — dit alles is in Afrika onbekend. Eens in de week zult ge een palmboom zien, eenmaal in de drie maanden zal de aap uw pad kruisen; bloemen zijn er weinig over het algemeen; de boomen zien er schraal uit, en eerlijk gezegd , alhoewel de eindelooze met bosschen begroeide bergen uit zichzelven iets grootsch hebben, en ofschoon er hier en daar langs de bergstroomen uitnemend schoone punten zijn, is er toch niets wat in liefelijkheid en gratie met een bergpas in de Schotsche Hooglanden vergeleken kan worden. Het grootste gedeelte van het jaar zijn deze wouden door de zon verbrand, met mos noch dergelijke kruiden bedekt, de naakte stammen zijn met weinig mosplanten versierd en hunne bewegelijke, dorre bladeren hangen slap aan de droge takken. Bloemen zijn er, zoo kleine als groote, in eindelooze verscheidenheid, maar er
46
is daar geen rijkdom van, geene schitterende uitstalling van bloesems in massa, zooals de heldere stekelbrem en het heidekruid in Europa. De oogverblindende zonneglans in de verzengende luchtstreek heeft misschien met dit gemis aan kleureffect in de tropische streken wel wat te maken, want een tiental minuten na zonsondergang verandert de geheele toon van het landschap als bij toover-slag, en ligt er over het gansche tooneel eene bijzondere schoonheid verspreid. Dit is het schoonste oogenblik van den Afrikaanschen dag, en de nacht verjaagt te snel de heerlijke stemming en brengt dankbaar aanvaarde rust aan de overprikkelde oogen.
Diep verborgen in deze eindelooze wouden, gelijk vogelnestjes in een bosch, steeds in vreeze voor elkaar en voor hun algemeenen vijand, den slavenhandelaar, liggen de inlandsche dorpjes. Eu hier woont de oorspronkelijke mensch in zijn maagdelijken eenvoud, zonder kleeren, zonder beschaving, zonder kennis, zonder godsdienst, als het zuivere natuurkind, gedachteloos, onbezorgd en tevreden. Schijnbaar is deze mensch volmaakt gelukkig en heeft geene behoeften. Van een stok met een punt maakt hij een speer; van twee tegen elkander gewreven stokjes maakt hij vuur; van vijftig tezaam gebonden stokken maakt hij een huis; van de schors, die hij er afpelt, maakt hij zijne kleederen; van de vruchten, die er aan hangen, zijn voedsel. Het is inderdaad verwonderlijk, wanneer men bedenkt, wat de natuur voor den mensch in den dierlijken staat kan doen en met hoe weinig middelen een menschelijk wezen de wereld door kan komen. Ik heb eens een Afrikaan zien begraven. Overeenkomstig de gewoonten van zij n stam werden ook
47
al zijne aardsche bezittingen begraven. Ka het lijk werd eerst de pijp in het graf gelegd, daarop een ruw mes, vervolgens een aarden kom en ten slotte zijri pijl en boog, met het door midden gesneden touw, als een treffend zinnebeeld, dat zijn arbeid was afgeloopen. Dit was alles. Vier stuks, zooals men op een verkooping zou zeggen, maakten gedurende een halve eeuw de gansche bezitting van dat menschelijk wezen uit. Geen mensch weet wat een mensch is, voor hij gezien heeft wat een mensch kan zijn zonder en met een mensch, maar niemand weet hoe groot de mensch is totdat hij gezien heeft hoe klein hij eens geweest is.
Den Afrikaan wordt dikwijls luiheid ten laste gelegd, doch dit is een verkeerd gebruikt woord. Hij behoeft niet te werken; met zulk eene goedgunstige natuur om hem heen is de arbeid niet verplichtend. Daarom maakt zijne vadsigheid even goed een deel van hem zelf uit als zijn platte neus, en is evenmin afkeurenswaardig als langzaamheid in een schildpad. Afrika is dus een natie van nietsdoeners.
Deze volkomenheid is echter een slechte prikkel tot ontwikkeling. Het wordt reeds moeilijk bevonden om nieuwe behoeften te scheppen; ear wanneer er arbeid vereischt wordt, en gij hebt uwen man reeds met een el katoen en een streng kralen betaald, dan hebt gij niets meer in uw bezit om hem tot een ander werkje aan te zetten. Niets van al hetgeen gij hebt, zou van het allergeringste nut voor hem zijn. Onder de geschenken , die ik voor hoofden meenam, was ik nuchter genoeg, ook een horloge te rangschikken. Ik had echter evengoed eene groote piano kunnen nemen, want maanden ach-
48
tereen keek ik in dat land van zonneschijn zelfs niet op mijn eigen horloge. Bovendien is het bloote denkbeeld van tijd nog zeer weinig in den Afrikaanschen geest doorgedrongen en vormt het geenerlei element in zijne berekeningen. Bij zekere gelegenheid was het voor mij noodzakelijk om het stoombootje op de Shiré te bereiken en ik voerde dit als verontschuldiging aan bij een vrij machtig hoofd, metwien het gevaarlijk zou geweest zijn overhoop te liggen en die mij niet uit zijn dorp wilde laten gaan. De man stond verbaasd te kijken. Het denkbeeld van iemand, die haast had, scheen hem niet alleen ongerijmd, maar onbegrijpelijk toe, en ik had evengoed als reden voor mijn heengaan kunnen opgeven, dat de hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechte hoeken.
Dat verschil in denkbeelden is het wezenlijk beletsel voor eene Afrikaansche reis en doet vraagstukken van allerlei aard bij u oprijzen. Ik heb dikwerf gewenscht dat ik eens voor een achtermiddag een Afrikaan van binnen mocht bekijken, om eens goed te zien hoe hij de dingen bezag; want ik ben zeker dat ons beider wereld-deelen even verschillend zijn als de kleur onzer huid.
Van de huid pratende , doe ik in het voorbijgaan opmerken , dat de Afrikaan van het hoogland geen neger is en zijn kind evenmin zwart is, maar mooi donker bruin, zooals de kleur van eene goede sigaar. Een fijne nerf verhoogt den rijkdom en schoonheid dezer huid, en dikwerf heb ik gedacht dat men er uitmuntend boeken mee zou kunnen binden.
Niemand weet precies wie deze volkeren zijn. Zij be-hooren natuurlijk tot het groote Bantu-ras; maar hun
49
oorsprong is duister, de grenzen hunner stammen zijn niet bepaald, zelfs hunne namen zijn onbekend, en hunne taal is onverstaanbaar. De levensgeschiedenis van dit rustig, huiselijk, knap volk is van de wieg tot het graf uiterst eenvoudig. Te slecht gewapend voor de jacht, leven zij allen bijna uitsluitend van hetgeen de grond oplevert. Een klein gedeelte van het jaar voeden zij zich, gelijk de apen, met wilde vruchten en kruiden; doch het hoofdvoedsel is smakeloos gierstzaad, dat zij in tuinen telen, in een vijzel stampen en met water tot een dikke pap roeren. Tweemaal daags, bijna het geheele jaar door, propt ieder hunner zich vol met dit grove en smakelooze deeg, dat met handjesvol in den mond gestopt wordt, terwijl men op een verhevenheid gezeten is ter hoogte van een mierenhoop. De eenige bezigheid van den inboorling is het telen van zijn gierst, en zijn tuinieren is een kijkje waard. Na eerst een plek in het bosch gekozen te hebben, beklimt hij een boom en hakt er met een kleine, thuis gemaakte bijl een voor een al de takken van af. Dan baant hij zich door het hooge gras een weg naar den volgenden boom, dien hij ook in stukken hakt, maar waarvan hij den tronk laat staan. Opal de boomen binnen een cirkel van dertig of veertig meter in doorsnede gaat zijn bijl even verwoestend te werk, totdat de grond op bijna manshoogte met takken en bladeren bedekt is. Daarop wordt alles in lichtelaaie gezet en tot asch verbrand. quot;Wanneer dan de eerste regens den harden grond bevochtigen en de vruchtbare chemische bestanddeelen der asch in den grond drijven, gaat de schoffel aan den gang, werpt de inlander er eenige handen vol gierst in, en is het werk voor een heel jaar
4
50
weer gedaan. Doch eene week of wat worden voor dit werk vereischt, en dan kan hij zich weer ter ruste leggen, verzekerd van een oogst die nooit mislukt, nooit schraal is, en die in zijn onderhoud zal voorzien totdat de regen weder begint.
Tusschen die bedrijven doet hij niets anders dan luieren en slapen; zijn vrouw of vrouwen zijnde molenaars en bakkers, zij werken hard omzijn voedsel te bereiden en mogen tot belooning daarvoor haar eigen maal afzonderlijk gebruiken, want geen Afrikaan zou zich ooit vernederen om met een vrouw te eten. Verder valt er van hun eentonig leven niets te vertellen.
Behalve eten is praten hun eenig tijdverdrijf, en dat doen zij onophoudelijk en leggen met een wonderbaarlijken rijkdom van gebaren nadruk op hunne woorden. Babbelen is hier wezenlijk een kunst, gelijk dit ook in Europa het geval moet geweest zijn vóór de courant dit uit de mode deed gaan. De stem van den inboorling is somwijlen zeer muzikaal, ofschoon het volk indenstrik-sten zin des woords geenerlei begrip van zingen heeft, en zijne taal zelve is vol melodie. Evenals in het Italiaansch eindigt elk woord met een klinker, en wanneer het goed gesproken wordt, is het vol effect en karakter.
Ondanks zijn onbeschaafden toestand, kan men bij het Afrikaansche volk de kiem opmerken van al de meer karakteristieke dingen, die tot het leven der beschaafden behooren. Zoo hebben zij een nationaal vermaak, den dans; een nationaal muziekinstrument, den trommel; een nation alen drank, pombé; een nationalen godsdienst, de vrees voor booze geesten. Hun rechtbank is een raad van hoofdmannen of opperhoofden; hun hof van appèl
51
de maari of gifbeker. Men vindt er niets, dat niet in een of anderen vorm in de moderne beschaving aanwezig is; er is geen nieuwigheid in deEuropeesche beschaving, die niet een kiem in het eenvoudiger leven dezer oorspronkelijke stammen heeft. Voor onwetenden zijn deze lieden dieren, doch de verstandige eu meer ontwikkelde beziet hen met een geheel ander oog. Zij zijn wat wij eenmaal waren , mogelijk zullen zij worden hetgeen wij nu zijn.
Wat staat er van dit vreemde volk en zijn land te worden? Mogen wij met de gloeiende geestdrift van een zeer voornaam reiziger verwachten , dat de Shiré- en Con-gowegen slechts met New-York en Manchester behoeven verbonden te worden, om op eenmaal een omwenteling onder het volk van Afrika en in den wereldhandel teweeg te brengen? Wij hooren tweederlei critiek hieromtrent. De een beklaagt zich, dat terwijl Stanley op de meest overtuigende wijze er op drukt, dat de Afrikaan duizenden mijlen kleeren uit Europa denkt te ontvangen, hij geheel zwijgt over hetgeen Europa daarvoor in ruil zal krijgen. Een tweede opmerking is, dat Afrika niets in ruil heeft te geven en ook nooit zal hebben te geven. In het kort komt dit, dunkt mij., hierop neer:
Eerstens is het eenige ding van waarde, dat het binnenland van Afrika voortbrengt, ivoor. Er is ongetwijfeld van deze kostbare stof een voorraad in het land, die nog vijftien of twintig jaar kan duren. Doch het is goed, om hun, die op het voortduren van deze abnormale bron van welvaart voor de toekomst rekenen, aan te toonen, dat die juist weldra zal ophouden.
In de tweede plaats brengt Afrika reeds in woesten
52
toestand een aantal plantaardige en andere producten van aanmerkelijke handelswaarde op; en alhoewel de bodem slechts eene gemiddelde vruchtbaarheid bezit, is er geene grens te bepalen omtrent de uitgebreidheid, waartoe deze ontwikkeld zoude kunnen worden.
Wilde indigo — de ware indigöfera tinctoria — groeit reeds op de heuvels van het binnenland. De Londolphia, een gomelastiek-kruipplant, ziet men op bijna alle watertochten en eene verscheidenheid van de Ficus elastica, de welbekende gomelastiekplant, groeit in overvloed aan het Nyassa-meer. Het oschilla-kruid is er zeer algemeen. De castor-olieplant, de gember en andere kruiden, de tabak- en katoenplant en velerlei vezelaardige grassen vindt men er eveneens; oliezaad in groote verscheidenheid en tallooze hoedanigheid wordt er door de inboorlingen voor eigen gebruik geteeld.
|||L De noodlottige keerzijde intusschen voor de verdere ofitwikkeling dezer in evenredigheid onschatbare voortbrengselen is het vervoer, daar het van Nyassa of Tanganyika naar de kust aan wagens hapert. Tot eerst voor korten tijd zijn nog slechts twee inlandsehe producten uit deze streek naar het buitenland vervoerd, en wel gomelastiek en honig, en deze nog in zeer geringe hoeveelheid. Doch er bestaat geene reden waarom deze producten niet op breede schaal zouden worden uitgevoerd, en de vruchten zullen ieder jaar lager en lager worden.
Behalve de reeds genoemde planten is de bodem van Centraal-Afrika ongetwijfeld geschikt om er koffie te teelen, en de cinchona zou er vermoedelijk zeer goed bloeien op de hoogere gronden van het Tanganyika-plateau.
Ik mag hierbij niet onvermeld laten, dat nu eene poging wordt gedaan, en aanvankelijk met goeden uitslag, om plantages op te richten in het binnenland. Mr. Moir, ten behoeve van de Afrikaansche Meer-com-pagnie, en de gebroeders Buchanan, voor eigen rekening, benevens Mr. Scott, hebben ieder met merkwaardigen ijver en ondernemingsgeest te Blantyre een koffieplantage van grooten omvang aangelegd. Toen ik de planten zag, waren zij nog jong, maar zeer gezond en veelbelovend , en reeds hing er een eerste oogst van fijne kof-fieboonen aan de boompjes, welke later aan de matkt is gebracht. Deze zelfde heeren hebben ook boekweit gezaaid en Mr. Buchanan is evenzeer met suikerriet, aardappelen en andere groenten geslaagd. De handenarbeid is daarbij geheel en al door inlanders verricht, en het zal voor de hier wonende Europeanen een groote stap voorwaarts zijn, wanneer het binnenland in zijn eigen onderhoud kan voorzien, want nu moet alles, tarwe, koffie en suiker, van huis ingevoerd worden.
quot; Met zulke vooruitzichten blijft alleen de vraag over: kan den Afrikaan het arbeiden ingeprent worden? Ik beantwoord die vraag zonder aarzelen bevestigend. Ik heb Afrika als eene natie van nietsdoeners beschreven. Doch de eenige reden voor dien algemeenen indruk is, dat de Afrikaan een onverbeterlijke luiaard is, omdat er tot heden toe wezenlijk niets voor hem te doen is. Maar dat hij werken kan en wil, wanneer de gelegenheid en aanleiding bestaan, is reeds bij ervaring bewezen. De kustinboorling, gelijk allen kunnen getuigen die hem in de havens van Zanzibar, Mozambique, Delagoabaai, Natal of de andere oostelijke havens gezien hebben, is
54
een voortreffelijk arbeider, en ofschoon men het in het binnenland nog zelden beproefd heeft, is het welbekend, dat de capaciteit bestaat, en, wordt deze aangemoedigd, uitkomsten boven alle verwachting kan opleveren. quot;Waarschijnlijk is de zwaarste proef, die met de inboorlingen van Centraal-Afrika nog ooit genomen is, het maken van den Stevensonweg tusschen de meren Nyassa en Tanganyika geweest. Zes-en-veertig mijlen van dien weg — waarschijnlijk de eenige van dien aard in Centraal-Afrika — zijn reeds geheel en al door inlanders vcfltooid en het werk had door Engelsche werklieden niet beter kunnen gedaan zijn. Ik heb des daags een groep van zeventig inlanders gadegeslagen, die aan een overgang op dien weg arbeidden. Drie of vier jaar geleden had nog geen hunner ooit een blanke gezien; zelfs had enkele maanden geleden geen hunner ooit eene spade, een bijl of een breekijzer gezien. Nu hanteerden deze wilden hun gereedschap met zulk een overleg, dat zij, met slechts één Eiigelschen opzichter, een weg gemaakt hebben, die vol moeilijke snijpunten en hellende vlakken was, en welken een spoorweg-aannemer in Europa gerust voor zijne rekening zou durven nemen. De werklieden hebben geregelde arbeidsuren — van zes uur \'s morgens tot vijf uur \'s namiddags, met eene rust des middags — arbeiden ijverig, aanhoudend, gewillig en boven alles opgeruimd. En let wel, dit gebeurt in het hart der keerkringen, zelfs onder den evenaar, waar de geestkracht van den blanke zoodanig verslapt, dat hij zelfs niet tot voorbeeld aan deze menschen kan gesteld worden. Dit gebeurt zonder dwang. De inlanders stroomen van heinde en ver toe , om met dit voor hen geheel
55
nieuwe, arbeid, kennis te maken. Het zijn geen slaven, maar vrijwilligers; en alhoewel zij voor 14 dagen worden aangenomen, blijven er verscheidenen het gansche seizoen op hun post. De eenige aantrekkingskracht voor al dezen arbeid is een meter of wat katoen per week, zoodat, naar het mij voorkomt, een van de grootste vraagstukken voor de toekomst van Afrika hier is opgelost. Wat capaciteit betreft, is de Afrikaan dus geschikt om te arbeiden.
Wat zijn neiging betreft, is hij bereid om te werken, en blijkens de opgedane ervaring heeft hij het gedaan, zoodat met aangeworven kapitaal en verstandige hoofden om dit alles te leiden, met bedachtzame werkgevers, die zich zullen herinneren dat deze menschen nog slechts kinderen zijn, deze uitgebreide natie van nietsdoeners spoedig zal mogen gevoegd worden bij de langzaam aangroeiende lijst van de voortbrengers der wereld.
Afrika heeft op dit oogenblik alles tegen zich: een gevaarlijk klimaat, een doodarm volk en een onontgonnen bodem. Zoo stond het ook eens met Engeland. Het moge er misschien nooit van komen; andere wetten mogen misschien haar invloed doen gelden en onvoorziene factoren tusschenbeiden komen, maar- niets belet den bodem, den voortbrengselen, het klimaat of der bevolking van Afrika, om zich, zelfs nog in dezen tijd, bij den groeten voortgang der beschaving te voegen.
III.
De hartkwaal van Afrika, zijne ziekteleer en geneesmiddelen.
Het leven van den geboren Afrikaan is niet een en al vreugde, maar wordt verduisterd door een treurspel, welks afgrijslijkheden allen anderen volken op den aardbol onbekend zijn. Van zijne zachte huiselijke slavernij spreek ik niet, evenmin van zijne weerzinwekkende too-verijen of van zijne eindelooze twisten en menigvuldige oorlogen tusschen de stammen. Deze geringere euvels verliezen zich in de schaduw van een groot en nationaal kwaad. Onder deze eenvoudige en onbeschermde stammen dringen zich Arabieren, ongenoode vreemdelingen van een ander ras en een anderen aard, van het noorden en oosten in, met het vastberaden opzet om van dit paradijs eene hel te maken. Het schijnt de afschuwelijke bestemming van dit volk zonder huis of kluis te zijn, hun leven te besteden om anderen uit hun huis te verjagen. Waar zij ook in Afrika komen, overal zijn de volgers van den Islam de vredebrekers, de verstoor-
57
ders van het aartsvaderlijk leven, de verbrekers van den familieband. Reeds hebben zij van het geheele vasteland een schrikbewind weten te maken en hebben dit bereikt door één middel: vuurwapens; zij doen dit voor één doel: ivoor en slaven, want deze twee zijn één. De slaven zijn noodig om er ivoor mee te koopen; en dan zijn er nog meer slaven noodig om het te vervoeren. Zoo is de levende man zelf de handelskoers van Afrika geworden. Het artikel is verplaatsbaar, makkelijk te verkrijgen en dadelijk verhandelbaar.
Arabische kampementen, om den groothandel in dit vreeselijk artikel te kunnen drijven, zijn nu overal in Afrika gevestigd. Zij staan gemeenlijk in verbinding met rijke Arabische handelaars te Zanzibar en andere plaatsen aan de kust, en de gemeenschap wordt onderhouden door karavanen, die bij lange tusschenpoozen van de eene plaats naar de andere trekken. Daar deze karavanen altijd uitgebreid en terdege van oorlogsmateriaal zijn voorzien, zijn de zwakke en verdeelde inland-sche stammen, waar zij doorheen trekken, geheel aan hen overgeleverd, en zijn hunne tochten door het vasteland met allerlei daden van dwingelandij en knevelarij bezoedeld. Zij verschijnen plotseling ten tooneele, blijven lang genoeg om hun doel te bereiken en verdwijnen alleen om terug te keeren, wanneer er een nieuwe oogst ontstaan is, die het plukken waard schijnt.
Somtijds zetten deze Arabische handelaars zich vooreen jaar of twee in het hart van eene of andere rustige gemeente in het afgelegen binnenland neer. Dan toonen zij zich uiterst vriendschappelijk, beleedigen niemand en ruilen op eerlijke wijze. Zij planten de zaden hun-
58
ner lievelingsgroenten en vruchten, want de Arabieren hebben altijd \'t zaad bij zich, alsof zij voornemens waren daar steeds te blijven. Intusschen koopen zij ivoor in zulk eene hoeveelheid, dat er groote stapels achter hunne hutten liggen en al hunne ruilgoederen verdwenen zijn. Dan ontstaat er plotseling op zekeren dag de onvermijdelijke twist, gevolgd door een bloedbad op groote schaal. Er worden bij die slachting slechts genoeg inboorlingen gespaard om het ivoor naar de kust te dragen; de stroohutten van het dorp worden inbrand gezet, de Arabieren heffen het kamp op en de slaven-marsch, die erger dan de dood is, neemt een aanvang.
Dit laatste bedrijf in het drama, de slavenmarsch, is de aanblik van de slavernij, die hoofdzakelijk de hartstochten en de deelneming der buitenwereld heeftop-gewekt ; maar grooter kwaad nog is de demoralisatie en ontvolking van stammen, waardoor die slavernij noodwendig wordt voorafgegaan. Het is voor dien handel noodig, dat de streek, die door den slavenhandelaar wordt afgejaagd, in voortdurende politieke gisting worde gehouden; dat, om samenspanning te voorkomen, hoofden tegen hoofden worden opgehitst en dat, zoodra eenige stam mocht dreigen, om zich een overheerschende macht aan te matigen, dit verhinderd worde door tot opstand onder de anderen aan te zetten of dooiquot; daarvan een werktuig tegen hen te maken. De onderlinge betrekkingen van stam met stam zijn zoo verwikkeld, dat het onmogelijk is de uitwerking te overdrijven, welke een stoornis van het evenwicht teweegbrengt. Doch evenals een rivier, dient een sla venkaravaan langs haargeheelen loop door ontelbare schatplichtigen gevoed te worden;
59
vooreerst om een voldoend aantal menschelijke wezens voor den tocht bijeen te zamelen en voorts om de ontzagwekkende verliezen, door wegloopen, ongeschiktheid en dood, te herstellen.
Menigeen verbeeldt zich, dat de doodsklok der slavernij geslagen was, tengevolge van de gebeurtenissen, die op den dood van Livingstone volgden. Tijdens het leven van den grooten onderzoeker hoorden wij van beteugeling der slavernij, de regeering hield er zich mede bezig en er werd inderdaad wat gedaan. Doch die jammerklachten zijn reeds vergeten en Engeland hoort nu weinig meer van de open wond der wereld. Het treurspel, waarop ik gezinspeeld heb, wordt elk jaar en elke maand herhaald , getuige zulke pas gebeurde gruwelen als die Van de Boven-Congo, de Kassai en Sankaru-streek, door Wissman beschreven, en van het Welle-Juakua-district, door Van Gele medegedeeld. Nog kortelings zag een onderzoeker, die van het Nyassa-meer naar het Tanganyika-meer trok, het geheele zuidelijk einde van Tanganyika, met groote en welvarende dorpen bevolkt. Zijn opvolger vond er niet één monschelijk wezen, niets dan verbrande huizen en verbleekte geraamten. Nog kortelings, in het laatst van 1887, gebeurde het, dat de Arabieren aan het noordelijk einde van het Nyassa-meer, na veertien dorpen met de meeste inwoners verwoest en de bevolking van één dorp in een hoog, droog grasland vervolgd te hebben, dit land aanstaken, het omsingelden en met stok en speer allen neersloegen, die uit de nog genadiger vlammen trachtten te ontkomen. De Wa-Nkonde-stam, waartoe dit volk behoorde, was, tot die gebeurtenis, een van de welvarendste stammen
60
in oostelijk Centraal-Afrika en bewoonde een landstreek, die buitengewoon vruchtbaar en schoon was. Drie rivieren, die zelfs bij de hevigste droogte nooit haar loop staken, liepen door hun grondgebied en hunne oogsten waren de rijkste en meest afwisselende in die streek. Zij bezaten kudden van runderen en geiten, vischten in de moren met netten , smeedden ijzer met zeldzaam vernuft en vaardigheid; en dat zelfs artistieke smaak onder hen was begonnen te ontwikkelen, bleek uit de versieringen op hunne hutten, die zelve wederom in Afrika eenig waren om de samenstelling en schoonheid van teekening. Kortom, dit volk was door zijn eigene aangeboren bekwaamheid en de natuurlijke hulpbronnen van zijne streek op den weg naar beschaving.
Nu merke men de snelle overgangen in die daling en val op. Jaren geleden begon een bijna onopgemerkt beekje van dien grooten Arabischen vloed , die met nauw hoorbaren loop en steeds afwisselende bedding nooit opgehouden heeft door Afrika te stroomen, in het land te droppelen. Eerst werd de Arabier daar geduld en betaalde wat hij kocht. Van de Wa-Nkonde hoofden werd land gekocht en hunne souvereiniteit erkend. Zoo nam de Arabier in macht toe. Van lieverlede ontwikkelde dit zich tot een machtigen inval en begonnen de Arabieren openlijk voor hun doel uit te komen. Eén onder hen werd tot het aanvoerderschap verheven, met den titel van „sultan van Nkondequot;. De spanning nam toe en was ten slotte niet meer te dulden. Na ontelbare schermutselingen werd het einde der bloedige geschiedenis nog verhaast en na een afschuwelijk bloedbad werden de over blij venden van den quot;Wa-Nkonde-stam uit
61
hun vaderland verjaagd. Zoo luidt het allerlaatste hoofdstuk uit de geschiedenis van de Arabische overheersching in Afrika.
De Duitschers, Belgen, Engelschen en Portugeezen roepen nu luide om grondgebied in Centraal Afrika. Intusschen roept de menschlievendheid eveneens luide om iemand, die het land beheeren zal; om iemand die er aanspraak op maakt, niet door met gekleurd krijt eene grenslijn op eene kaart te wijzigen, maar door recht en billijkheid op de plaats zelve te bevorderen ; om iemand met een krachtigen arm en een gevoelig hart, om het Arabische juk te verbreken en deze onbeschermde kinderen weder vrij te maken. Het is een kleine groep Engelschen vergund geweest, in het tijdperk hetwelk zoo even door mij beschreven is , de hand van den roover tegen te houden. Terwijl Duitschland begeerige oogen op Nyassa-land slaat, terwijl Portugal het opeischt, terwijl Engeland daar een consul gezonden heeft, doch zonder bescherming, om over de Britsche zending en handelsbelangen te waken, hebben twee zendelingen, de Britsche consul te Mozambique, met twee metgezellen, die juist in Nyassa-land voor een wetenschappelijk doel waren, op gevaar af voor hun leven, den verderen oorlog voorkomen, en met hun eigen geweren de misdaad gewroken.
Doch op deze toevallige medewerking van Engelsche geweren kan niet eiken dag gerekend worden; evenmin als het tot de roeping van zendeling en handelaar behoort om oorlogje te spelen. Het eenig noodige voor Afrika in den tegenwoordigen tijd is, een of ander welingelicht beschermingsstelsel ten behoeve der inboorlingen, en
62
het beslist verbreken van den Arabischen invloed door het gansche binnenland. Hetgeen aan het Nyassa-meer is voorgevallen heeft dit onderwerp opnieuw bij de beschaafde wereld ter sprake gebracht, en ik zal in het breede den toestand teekenen , zoo als die op het oogen-blik is.
Vijf jaren geleden werden de Britsche kruisers, die sedert lang zich hadden bezig gehouden met het fnuiken van den slavenhandel, er toe geleid om hunne pogingen te verslappen. Zij hadden uitmuntende diensten bewezen. Alleen het zien van den grooten romp van de London, als het schip in de haven van Zanzibar ankerde, had reeds een vreedzamen invloed; en als de karavanen na verloop van jaren uit het binnenland kwamen en er heen vertrokken, en steeds de kanonnen van den kruiser op het paleis van den sultan gericht zagen, vergezelde hen de vrees voor Engeland over de geheele lengte en breedte van Afrika. De slavenhandel werd hierdoor ernstig ontmoedigd, en, voor zoover den kusthandel betreft, volkomen tegengehouden. Hetgeen op dit punt gedaan werd, was wel gedaan, doch in elk geval mocht men het slechts half werk heeten.
Het was niet voldoende om den stroom aan de monding te stoppen — zijne bron, in het hart van Afrika, moest opgezocht en gezuiverd worden. Doch nu zelfs de bedreiging te Zanzibar de slavenhandelaars niet langer in toom hield, werd hun werk met verdubbelde geestkracht hervat. Het verdwijnen van de London werd uitgelegd, alsof Engeland zijn werk als gedaan beschouwde, of dat het hem tegen de borst was gaan stuiten en dat het niet verder tusschen beiden wilde komen.
63
Het gevolg hiervan was al dadelijk onheilspellend. Een nieuwe vrijbrief om te verwoesten, te moorden en slaven te maken werd door geheel Afrika verspreid en vond weldra weerklank in ver van elkaar verwijderde deelen van het land, waar afgrijselijkheden plaats vonden , die nimmer ter oore van de beschaafde wereld zullen komen. De rustverstoringen aan het Nyassa-meer be-hooren ongetwijfeld, alhoewel indirect, tot deze nieuwe reeks van misdaden. De Arabieren hebben het al ervaren , dat er nu niemand is om hen eens terecht te zetten. In het eene district na het andere hebben zij hun spel gespeeld en gewonnen; en met grootere macht, met de plotselinge vraag naar slaven in een district, waarvan ik hier niet verder durf spreken, kunnen hunne schandaden niet dan toenemen in aantal en stoutheid. Het is opmerkenswaardig, in het gebeurde te quot;Wa-Nkonde, dat, vermoedelijk de eerste maal in Centraal-Afrika, het Mo-hammedaansch wantrouwen in de macht der Christenen open en onverholen was. Tot hiertoe werkte de Arabier in het geheim. Alleen de tegenwoordigheid van een blanke in het land was voldoende om zijne hand te binden. Doch bij deze gelegenheid verborgen de Arabieren niet alleen geenszins hun doen en laten voor de Europeanen, noch vluchtten, toen hun dat onder\'t oog werd gebracht, maar vielen op de monitors aan. De politieke beteekenis hiervan is in het oogvallend. Het is eene uitdaging aan Europa van de gansche Mohammedaansche macht. Europa in Afrika is verdeeld; het Mohammedanisme is één. Ceene op zich zelf staande bende Arabieren zoude iets dergelijks hebben durven ondernemen, tenzij zij volmaakt zeker van hun terrein waren. Evenmin is er eenige reden
64
waarom zij niet zeker zijn van hun terrein. Europa babbelt heel veel over Afrika, maar het doet niets. Dit heeft de Arabier zeer goed begrepen. Het is een van de verbazingwekkende feiten op zedekundig gebied, dat Engeland den Arabier zoo lang in bedwang heeft gehouden. Doch die tijd is voorbij en nu staat de oplossing voorde deur van de groote vraag: zal de Arabier of de Europeaan voor het vervolg in Afrika regeeren?
Hoe de Europeaan in Afrika zoude kunnen regeeren, is een eenvoudig vraagstuk, maar de wezenlijke moeilijkheid is hierin gelegen: ivie het in Europa doen zal? Op Afrika wordt door iedereen geaasd en het behoort niemand toe. Zoover als het de Nyassastreek betreft, heeft ternauwernood nu en dan een Portugees er een voet gezet, al houden zij ook hun recht op het zuidelijk en westelijk deel staande. Terwijl de Duitschers op het noordelijk en oostelijk deel hun aanspraak doen gelden, is deze-noch op recht van ontdekking, recht van verdrag, recht van aankoop, recht van verovering, noch recht van bezit gegrond, maar uitsluitend op de koele stoutmoedigheidvan een of anderen kaartenmaker te Berlijn, die bij het omtrekken van een uitgestrektheid gronds, welke bij de Londensche conventie van 1886 als Duitsch gebied is erkend, zijn penseel de vrijheid liet om eenige duizenden vierkante mijlen buiten de aangewezen breedte te kleuren. Voor Engeland is er uit een politiek oogpunt weinig aan gelegen wie Afrika krijgt, maar het komt er voor het oogenblik op aan, te zorgen, dat zij die de annexatie op het oog hebben, den plicht van een goed beheer niet over het hoofd zien. De toestand van Afrika is te hachelijk, om vrede te kunnen hebben met
65
een stelsel van volslagen lijdelijkheid, en het is Enge-lands plicht, althans voor zoover het de Nyassa-streek betreft, er bij de verschillende eischers op aan te dringen, om hetzij hunne beweerde verantwoordelijkheid gestand te doen, of wel een souvereiniteit in schijn neer te leggen.
Het is welbekend, ja, het is zeker, dat Portugal noch Duitschland ooit deze streek zullen beheeren. Zoo zij wilden, ware het vraagstuk opgelost en zou Engeland met blijdschap de ontheffing toejuichen; de ontheffing, want alhoewel Engeland deze streek nooit met kracht van wapenen heeft bijgestaan, heeft het toch een tijd lang geweten, dat het in zeker opzicht, middellijk of onmiddellijk, dit behoorde te doen. Dit land is in zekeren zin de protégé van Engeland. Sedert Livingstone\'s dood is die last eigenlijk nooit van zijn geweten genomen. Die betrekking van Engeland tot Nyassaland en zijn plicht voor het oogenblik, blijkt duidelijk uit de volgende eenvoudige feiten:
Het meer Nyassa werd ontdekt door David Livingstone. In dien tijd was hij consul van Engeland en werd naar Afrika gezonden met een gouvernements-expeditie, welke was uitgerust, niet om een zeer bijzonder romantische opdracht ten uitvoer te brengen, maar in overeenstemming met een vastgestelde staatkunde van Engelands zijde.
„Het hoofddoel van de Zambesi-cxpeditie,quot; zegt Livingstone, „zooals onze instructiön van Hr. Ms. regeering duidelijk bevestigden, was, om de reeds verkregen kennis omtrent de aardrijkskundige, minerale en landbouwkundige hulpbronnen van Oostelijk- en Centraal-Afrika uit te breiden; onze bekendheid met de inwoners te vermeer-
5
66
deren en te trachten om hen aan te zetten, zich op nijverheid en het bebouwen van hun land toe te leggen , met het uitzicht op het voortbrengen van ruw materieel voor den uitvoer naar Engeland, in ruil met Britsche manufacturen. Men hoopte dat, door den inlander aan te moedigen, om zich met het ontwikkelen van de bronnen des lands bezig te houden, er een flinke stap voorwaarts-zoude gedaan worden ter uitroeiing van den slavenhandel, daar het hem wel spoedig blijken zou, dat de eerste spoedig een veel zekerder bron van welvaart zoude zijn dan de laatste. De expeditie werd gezonden overeenkomstig de vastgestelde staatkunde der Engelsche Re-geering; en daar graaf Clarendon aan het hoofd van het departement van buitenlandsche zaken stond, werd de zending onder zijn onmiddellijk toezicht ingericht. Toen er eene verandering van kabinet plaats had. ondervonden wij dezelfde edelmoedige bescherming en sympathie van den graaf van Malmesbury, als wij vroeger ontvangen hadden van lord Clarendon; toen lord Russell de hooge betrekking aanvaardde, welke hij zoo lang vervuld heeft, vielen ons dezelfde oplettendheid en dezelfde bijstand ten deel. Zoo was de overtuiging gevestigd, dat ons iverk de beginselen verwezenlijkte, niet van eenigepartij, maar van de harten der staatslieden en van Engeland\'s bevolking.\'* Door deze nationale belangstelling in Afrika aangemoedigd , trachten de kerken van Engeland en Schotland het werk van Livingstone, althans in één opzicht, voort te zetten, namelijk door zendelingen naar dat land te doen gaan. Dezen zijn er nu reeds in geslaagd, om zich in het eene district na het andere te vestigen en nemen dagelijks in aantal en invloed toe.
67
Ten einde een niet minder belangrijken tak van de door Livingstone op het getouw gezette beweging in stand te houden, werd in 1878 de „African Lakes companyquot; (de vereeniging voor de Afrikaansche meren) gevormd. Haar doel was om de streken van oostelijk Centraal-Afrika van de Zambesi tot Tanganyika open te zetten en te ontwikkelen, den inlanders bezigheid te verschaffen, eerlijk met hen handel te drij ven , zoo veel als mogelijk was rum, kruit en vuurwapens buiten te sluiten, en met de zendelingen mede te werken en hunne pogingen te steunen.
Deze compagnie heeft reeds twaalf handelsstations gevestigd, bemand met een staf van vijf-en-twintig Europeanen en velerlei inlandsche agenten. De Ilala op het Nyassa-meer behoort haar toe, en zij heeft juist een nieuwe stoomboot daartoe aangewezen, om de Lady Ny-assa op de Shiré te vervangen. Zij is er in geslaagd een bloeiende koffleplanting in het binnenland aan te leggen, en van lieverlede zullen nieuwe bronnen van welvaart worden ingeleid. Voor het allereerst hebben de inboorlingen hierdoor het doel en de zegeningen van den arbeid geleerd. Zij heeft in zeker opzicht als een dam tegen den slavenhandel gewerkt, heeft ouderlingen strijd tus-schen de stammen voorkomen en \'de zendelingen in oorlogstijd helpen beschermen. In een woord, op welke bescheiden schaal zij ook moge werken en hoe beperkt hare middelen ook zijn , is niettemin die compagnie jaren achtereen de eenige beheerende hand in dit deel van Afrika geweest. Deze compagnie bestaat ook niet uit zucht naar winst, maar berust op dezen grondslag, dat commerciëele gezondheid de eenige hechte basis is, waarop men een inrichting bouwen kan, die bestendig
68
anderen ten goede zal kunnen komen. Een groot kapitaal is door deze compagnie uitgegeven, doch gedurende al de jaren, dat zij hare edele onderneming heeft voortgezet, heeft het Afrika mede alles ten goede laten komen wat het ondernomen had.
Al deze Engelsche kapitalen, al dit geld van de zendingen , al deze verschillende en niet onaanzienlijke agentschappen, hebben steeds de hoop blijven koesteren, dat de oude staatkunde van Engeland niet alleen voortgezet, maar uitgebreid zoude worden. Engeland is in theorie nooit afgeweken van de positie, welke het ten bate van de Zambesi-expeditic aannam. Integendeel heeft het duidelijk de betrekking tusschen zijn gouvernement en Afrika erkend. Het is dan ook voortgegaan met Britsche consuls als opvolgers van Livingstone in de Nyassa-streek uit te zenden. Toen de eerste dezer, kapitein Foote, in de Shiré-Hooglanden in 1884 stierf, zond de Engelsche regeering onmiddellijk een ander in zijne plaats. Dit is echter het laatste wat men gedaan heeft. De consul is daar als een protest, dat Engeland nog het oog op Afrika heeft. Doch Afrika heeft meer noodig dan een oog. En toen, gelijk onlangs gebeurde, een van Hr. Ms. vertegenwoordigers vijf dagen en vijf nachten aan de oevers van het Nyassa-meer aan het vuur der Arabieren was blootgesteld, werd dit op zulk een practische wijze ter onzer kennis gebracht, dat mende hoop mocht koesteren, dat er nu ook eenige practische maatregelen zouden worden genomen.
Ik zal mij niet verstouten met een formeel voorstel voor den dag te komen, doch twee dingen liggen als het ware voor de hand, en ik zal ze eenvoudig noemen.
69
Het eerste is, dat Engeland, Duitschland, Frankrijk of een der rijken, die macht en ijver bezitten, flink en onwrikbaar postvatten te Zanzibar. Zanzibar is als de Arabische hoofdstad een van de sleutels der situatie, en elke les, die hier gegeven werd, zoude onmiddellijk indruk maken op al de Mohammedanen in het land.
De andere sleutel voor de situatie is de breede en prachtige waterweg in het hart van Afrika — de Boven-Shiré, het Nyassa-meer, het Taganyika meer en de groote meren in het algemeen. Geen betere basis voor militaire operatiën dan deze groote binnenlandsche wateren. Een bootje op elk meer — of, om mede te beginnen, op de Nyassa en Taganyika — met een daarmede in verband staand depót of twee van gewapende mannen op de plateaux, die hen omringen, zoude de geheele landstreek in rust houden. Menzon voor dit doel slechts een gering aantal flink geoefende manschappen noodig hebben. Dit zouden blanken of blanken en zwarten kunnen zijn; het zouden ook Sikhs of Pathans uit IndiS kunnen wezen. De uitgave is niet noemenswaard in vergelijking van de veelbelovende uitkomsten: de pacificatie van de gan-sche evenaarstreek. Die uitgave zoude gedragen kunnen worden door de zendingen, maar het ligt niet op haren weg om de macht der wapenen aan te wenden; zij zouden ook door de Lakes company kunnen gedragen worden, doch deze verdient eerder bescherming van anderen, in plaats van dit nog te voegen bij de groote schuld, welke de beschaving reeds jegens haar heeft; zij zou ook dooiden vrijen Congostaat kunnen gedragen worden, en indien geen ander het aanpakt, moge hem dit verdere liefdewerk worden toevertrouwd. Doch hetzij alleen.
70
hetzij in samenwerking met de weinige en overladen kapitalisten van het land, hetzij in vereeniging met vreemde machten, — van Engeland wordt verwacht, dat het met dit of dergelijk plan den eersten stap doe.
De beletselen voor Engeland, om in deze handelend op te treden, zijn slechts twee in getal en volstrekt niet onoverkomelijk. Het eene is Portugal, aan hetwelk de toegangen tot het land behooren; het andere is Duitsch-land, welks eigenbelang daarbij in het spel is. Of Engeland in het aangezicht van deze twee machten handelend zou kunnen optreden, zou eenvoudig afhangen van de wijze waarop het gedaan werd. A.ls een zuiver politieke zet zoude zulk een bezetting van het binnenland wel eens onrust en wangunst kunnen opwekken. Doch wanneer die geheel en al het kenmerk droeg van een ernstige zending voor het welzijn van Afrika, en niet op aandrang van het departement van buitenlandsche zaken, maar van het volk van Engeland tot stand gekomen, dan is het niet aan te nemen, dat die stap ooit misverstaan of tegengewerkt zoude kunnen worden.
Het wordt tijd, dat de natiën Afrika als iets meer dan een struikelblok beschouwen. En al ware het ook slechts een schaakbord, de spelers aan weerszijden zijn wijs genoeg om te weten, dat hetgeen op eerlijke wijze gedaan wordt, om dit lijdend vasteland op te heffen, op honderderlei wijze zal terugwerken op de belangen van allen, die ginds territoriale rechten doen gelden.
Heeft men daarmede eens een begin gemaakt, dan stelle men zich niet voor, dat de mazen van een vrede-lievenden en beschavenden invloed zich zeer snel door het land zullen verspreiden. Reeds zijn de zendelingen
71
overal in de weer en vragen zij van de wereld niets dan een redelijken waarborg, dat men hun het leven zal laten. Eeeds zijn handelsvereenigingen van alle natiën daar, gereed om in alle richtingen het land open te zetten, doch niet in staat, om met vertrouwen en geestdrift voort te gaan, totdat afzonderlijke belangen aaneen verbonden en verzekerd zijn tegenover een algemeenen vijand. Het grondgebied der verschillende koloniën loopt langzaam samen naar het hart van Afrika, en het zou niet onmogelijk zijn dit alles in een defensief verbond te vereenigen. Met Emin Pacha het grondgebied in het noorden bezettende, met de Afrikaansche Lakes-compagny, de Britsche Oost-Afrikaansche associatie en de Duitsche associatie in het Oosten, met den Congo-Yrijstaat in het Westen en het Britsche Bechuanaland in het Zuiden, is reeds een cordon rondom de groote meren bevestigd, hetwelk nog slechts alleen vordert, dat zijne verschillende deelen verbonden worden met elkaar en met centrale versterkingen aan de meren , ten einde den vrede in Afrika te verzekeren.
IV.
Zwerftochten op het Nyassa-Tanganyika-plateau.
HET DAGBOEK VAX EEN REIZIGER.
Met een open plek in het bosch als studeerkamer, een baal katoen voor tafel en de zon regelrecht boven uw hoofd, is het schrij ven van een dagboek in de keerkringen meer schilderachtig dan verheffend. Doch een bestendig reiziger zou door water en vuur gaan, omzijn dagboek te kunnen houden, en den donkeren inboorling , die het verschoten aanteekenboek onderweg draagt, is wel deugdelijk ingescherpt, de heiligheid van zijn ambt nog hooger te beschouwen dan alsof hij den wagen van Juggernaut reed. Toch is de inhoud dezer geheimzinnige aanteekenboeken, hoe dierbaar ook voor hen die ze geschreven hebben, evenals de photographische beeltenissen van iemands betrekkingen, van gering belang voor anderen, en ik heb mij daarom met groote nauwgezetheid de vreugde ontzegd , om die vruchten der wildernis, welke ik bezit, aan mijne lezers voor te zetten,
73
Daar echter de dagboek-vorm eigenaardige voordeelen heeft, waag ik het, hier eene bladzijde of wat daaruit af te schrijven. Zij zullen, dunkt mij, beter dan door oen meer geregeld relaas, anderen hel; leven van een reiziger voor oogen brengen, en aanschouwelijk maken wat de Afrikaansche reiziger ziet, hoort en doet. Ik zal namen, opvolgende dagteekeningen en wegen overslaan; mij is het eenvoudig te doen om den indruk weer te geven , hoe de wereld zich voortbeweegt in een land, dat dooide beschaving nog onaangeroerd is.
29 September. — Karongas verlaten aan het noordelijk einde van het Nyassa-meer, om 10.30, met een gekleurd gevolg van zeven Mandalla-inlanders, twaalf Ban-dawé Antongas, zes Chingus en mijne drie getrouwen — Jingo, Moolu en Seyid. Totaal acht-en-twintig. Geen mijner mannen kon een woord Engelsch spreken. Zij behoorden tot drie verschillende stammen en spraken evenveel talen; de meerderheid wist echter iets van het Chinanga, de meer-taal, waarvan ik ook een weinig geleerd had, zoodat wij elkaar spoedig verstonden. Het is altijd verstandig, om verschillende stammen in ééne karavaan te hebben, daar er alsdan bij eene mogelijke werkstaking, en die zijn er altijd, minder kans van gezamenlijk handelen is. Ieder man droeg op zijn hoofd een gedeelte van mijne beurs — welke in dit land uitsluitend uit kleeren en kralen .bestaat; terwijl een of twee van de meer afhankelijken belast waren met het vervoeren van de tent, doozen voor verzamelingen, levensvoorraad en geweren.
De weg liep door een banamaboschje en vervolgens door vlak land, fraai met tal van boomen, waaronder
74
palmen en enkele baobabs, begroeid. De hutten der inboorlingen, die over deze rijke vlakte verspreid zijn, heb ik nooit beter in Afrika gezien. De daken zijn netjes met strop gedekt en ruw snijwerk versiert deurpost en drempel. Na zeven mijlen wordt de Rukurn, een over het zand kabbelende stroom, overgetrokken. De mannen legden hunne lasten neer en spartelden als krokodillen in het water, terwijl ik er door heen waadde! Eenige meters verder is een dorp, waar spoedig een vuur aangelegd was en de geheele bevolking uitliep, om den blanke zijn tweede ontbijt te zien gebruiken. Daar dit ontbijt zelf niet veel te beteekenen had en de menu mijn toeschouwers vreemd was, zag ik dat zij met minachtende blikken die voeding van den blanke toekeken. „De M\'sungu eet niemendal;quot; fluisterde er een, „hij moet sterven op die wijs.quot; De hoofdman kwam nu om kralen vragen; maar daar ik er geen uitgepakt had, voldeden hem wat speelgoed en een lepel vol zout. Toen hij het zout kreeg, maakte hij vlug van een blad een klein zakje, en na al het zout daarin gedaan te hebben, stak hij bevallig zijn hand uit naar een troep kleine jongens, die hem omringden en die ieder een likje van hem kregen. Zout is misschien de grootste weelde en de grootste zeldzaamheid voor den Afrikaan in deze streek; en de gulzigheid, waarmede deze jonge schelmen hun homoepathische portie in ontvangst namen, bewees de groote behoefte er aan. Ik heb dikwerf jongens do keus gelaten tusschen een vinger zout of een handvol suiker en nooit hebben zij geaarzeld om het eerste te kiezen. Als tegengeschenk gaf mij het hoofd twee groote pompoenen, gevuld met wrongel,
75
waarbij ik natuurlijk clee:l alsof ik er flink van dronk voor ik ze aan mijn gevolg gaf.
Drie-mijlen van dezelfde streek, met fraaie boonen-planten in \'t rond, castor-olie en maïs, doch geene dorpen in \'t zicht. Banamas ongemeen fraai en Borassus overal. Aan de tiende of elfde mijl bereikten wij den zoom van heuvelen, die de hoogere landen omgaf, en gebruik makende van een omtrent eene halve mijl wijden doortocht, die er door de rivier in ontstaan was, kwamen wij door de eerste hinderpaal — een lagen, ronden heuvel van donkerroode kleur. Toen wij twee mijlen voortgegaan waren, kwamen we aan eene breede, ovale ruimte tusschen de heuvelen, welke blijkbaar vroeger een meer geweest was. Een paar mijlen gingen we hier om, en kwamen door een smallen, romanti-schen bergpas, waarna zich een tweede vallei voor ons opdeed en wij aan den oever van den stroom overnachtten. Aan de overzijde stonden eenige hutten, wier bewoners wat ufa en lekkere aardappelen voor klee-ren met ons ruilden.
1 October. — Moolu kwam tegen het aanbreken van den dag mijne tent binnen, om mij een onheil aan te kondigen. Vier onzer mannen waren des nachts weg-geloopen. Alles was gisteren zoo gegaan, dat ik mij zei ven vleide, dat mij deze traditioneele ervaring bespaard zoude blijven, welke de bitterste van al de vijanden des reizigers is, daar de gansche tocht uitgesteld moet worden, totdat er frissche recruten zijn aangeworven, om de vracht der wegloopers te dragen. De schuldigen waren allen Bondawé-mannen. Zij hadden over niets te klagen en evenmin iets gestolen, maar het ontbrak hun een-
76
voudig aan moed. Zij zouden nu een vreemd land intrekken, het regenseizoen stond voor de deur en hunne vracht was zwaar. Dit alles te zamen deed hun het heimwee krijgen en wegloopen. Ik had nog drie Bon-dawé-mannen in de karavaan, en daar ik wel -wist, dat zoodra zij het nieuws vernamen, zij ook weg zouden loopen en eveneens handelen, beval ik, dat men hun vertellen zou wat er gebeurd was en hen bij mij zoude zenden. Kort daarop verschenen zij; maar wat zou ik hun zeggen? Hunne taal was mij geheel vreemd en ik gevoelde, dat ik op eene of andere wijze indruk op hen moest maken. Evenals de rechter zijn zwarte muts opzet, haalde ik mijn revolver onder mijn kussen te voorschijn , en dit voor mij liggende, begon ik hen toe te spreken. Eerst begon ik met een paar algemeene opmerkingen over het weer, schetste daarna in breede trekken de geologie van Afrika, en ging toen over tot eene treffende verdediging van de Britsche constitutie. De drie ellendige zondaars — ze hadden niets ter wereld gedaan — beefden als popels. Daarop maakte ik van mijn voordeel gebruik, om op uiterst plechtigen toon de verklaring van het zeven-en-veertigste voorstel van Euclides voor te dragen, en daarop wierp ik mij in een huiveringwekkend quod erat demonstrandum. Het tweede tooneel volgde toen ik alleen was; ik wierp mij op mijn kussen en weende uit schaamte. Het was een merkwaardig staaltje van schurkerij, maar ik kon niets anders bedenken, waardoor ik mijn doel had kunnen bereiken, en het gelukte terdege. Deze mannen waren tot het einde toe de getrouwste die ik gehad heb. Zij gevoelden van dat oogenblik af, dat zij mij hun leven verschuldigd
77
waren; want volgens de AMkaansche zeden zouden de zonden hunner stamgenooten met de straffe des doods op hen gewroken zijn geworden.
Seyid en Moolu doorkruisten nu het land , om dragers te zoeken, doch kregen overal weigeringen. Verscheidene inboorlingen kwamen voorbij het kamp, maar zij schenen buitengewone haast te hebben en blijkbaar was er iets gewichtigs aan de hand. Niet lang bleven wij daaromtrent in twijfel. Het was oorlog. De Angoni waren met al hunne legermacht achter een naburigen heuvel en hadden reeds een man gedood. Dit had verontrustend kunnen zijn , doch ik behandelde het als beuzelarij, totdat plotseling eene lange rij gewapende en beschilderde mannen in het gezicht kwamen en langs ons voorbijtrokken. Zij hielden flink de maat en liepen achter elkaar; hunne voeten waren versierd met rinkinkelende belletjes, die eene krijgshaftige begeleiding vormden. De man in het midden hield een rood en wit vlagje omhoog en ieder krijgsman droeg een groot schild en verscheidene lichte speren. Dit leger werd aangevoerd door een man met een zeer fantastisch voorkomen, die afschuwelijke geluiden uit eene korte fluit voortbracht. Dit hoofdcorps werd gevolgd door groepjes van twee of drie, die haastig van hun werk waren opgeroepen, en het geheel zag er zeer bedrijvig uit. Nauwelijks was de laatste dezer krijgslieden verdwenen, of een andere optocht van geheel anderen aard kwam van de tegenovergestelde richting. Deze bestond uit de vrouwen en kinderen uit de bedreigde dorpen verder in de vallei. Het was een treffend gezicht. Het waren schepsels van allerlei leeftijd en grootte: van de voortstrompelende grootmoeder tot den zuigeling van
78
enkele weken. Op hunne hoofden droegen zij eene bonte verzameling van huisgoden, en zelfs de kleine kinderen waren beladen met een calabast, een stroomat, een paar vogels of een handvol aardappelen. Vermoedelijk waren have en goed van het geheele dorp hier bijeen. Onder de vluchtelingen waren ook eenige geiten en een of twee kalveren, en een troep jongens, die de achterhoede vormde, dreef eene kudde koeien voor zich uit. De arme schepsels verhaastten hunnen tred, toen zij langs mijne tent kwamen, en keken mij zoo angstig aan, alsof ik en mijne manschappen eene afdeeling van de Angoni geweest waren, die eene flankbeweging uitvoerden. Het gehucht tegenover ons kamp, aan de overzijde der rivier, dat ons den vorigen avond bekoord had met zijne flikkerende vuren en zijne inwoners, die vreedzaam voor hunne deur zaten of in den stroom vischten, was nu geheel verlaten: de mannen om te vechten, de vrouwen om door de vlucht haar leven te redden. Dit is een alle-daagsch hoofdstuk in de geschiedenis van Afrika. Behalve onder de allergrootste stammen kan niemand zijne woning langer dan eene maand de zijne noemen.
Ik was verbaasd over de wijze, waarop mijne manschappen de zaak behandelden. Zij slenterden rondom het kamp met de grootste onverschilligheid, en mijne tegenwoordigheid was hiervoor de eenige reden. Alleen de tegenwoordigheid van een blanke werd beschouwd als een volstrekte waarborg voor de veiligheid in dit afgelegen deel van Afrika. Dit zijn noch zijn geweren, noch zijn ontzagwekkend gevolg, maar dat is eenvoudig en uitsluitend de blanke zelf. Deze toch is in hun oog geen sterveling, maar een geest. Ware ik daar niet
79
geweest, of hackle ik de witte veer vertoond, dan zouden mijne manschappen onmiddellijk hunne beenen opgenomen hebben. Ik kende deze verhouding reeds zoo goed, dat het gebeurde van dezen morgen mij geene bezorgdheid hoegenaamd baarde en, ik dien dag mij op mijne gewone wijze aan het verzamelen zette.
Het was onmogelijk om verder te gaan en de vrachten te laten liggen, doch het was even onmogelijk om dragers te krijgen. Derhalve zond ik Seyid met een brief naar het station aan het meer, met verzoek om mij van daar zes of acht inboorlingen te zenden. Dit zou een oponthoud van minstens twee, drie dagen zijn, hetgeen met de naderende regens voor mij heel ernstig was.
Een windwijzer voor de tent gemaakt, verzameld, en gegeten. Men voelt de warmte alleen, wanneer men niets doet. Toen de zon tot haar toppunt gestegen was, maakten mijne mannen de aardigste prieeltjes voor zich. Op zeer vernuftige wijze werden dezen samengesteld van dooreen geslingerde sprieten van stokken, die met bananenbladeren werden bedekt.
Tweemaal beproefd om brood te bakken, met Jingo en Moolu als bakkersgezellen. Doch telkens volkomen mislukt, zoodat ik mij met beschuit uit blikjes beholpen heb. Ik heb tal van eendvogels, die ik gisteren voor kralen gekocht heb. Maraya ligt ter neer met koorts. Een van de dragers, Siamuka, die ziek was achtergelaten , kwam het kamp binnenstrompelen, doch zag er nog zeer ziek uit. Ik heb hem behandeld en vier meter katoen gegeven om zich in te wikkelen. Tegen zonsondergang begon ik te verlangen naar tijding van den veldslag. Kort daarop kwam echter de gewapende bende,
80
die cles morgens voorbij was getrokken, weder aan en vernam ik, dat er geen veldslag had plaats gehad en er ook geen Angoni geweest waren. Het was eenvoudig een bangmakerij geweest, een van die valsche tijdingen, waaraan volkeren, die zoo ongeregeld leven, gedurig blootgesteld zijn. Des avonds kwamen vrouwen en kinderen weder naar hunne woningen terug, en den volgenden morgen rookten onze vrienden aan de overzijde weer hun pijp vóór de deur, alsof er niets gebeurd was.
Dinsdag 2 October. — Na mijn chocolaad een wandeling met mijn hamer, om verschillende gedeelten der vallei te onderzoeken. Daarna een flink ontbijt, met al de kunst van Jingo gereed gemaakt, daar de wezenlijke kok te Karongas is. Moolu ziek. Dit is de derde man met koorts sedert wij het meer verlaten hebben. Wat ufa en boonen gekocht. Naalden uitgedeeld en spelden omgebogen voor vischhaken. Met Jingo een groeten marsch gedaan. Tegen den middag kwamen de versterkingen uit Karongas. Het opperhoofd was dronken naar het scheen, toen mijn bode hem vond; maar Mr. Montu was zoo vriendelijk mij eenige zijner eigen mannen te zenden.
Een onder mijn dragers vroeg verlof om ons verdrag te verbreken en bracht twee jongelingen mee, die hij overreed had om zijn pak te dragen. Zijne beweegreden was, dat hij te Mweni-wanda in een slechten reuk stond en bang was om verder te gaan. Voor mij zei ven geloof ik, dat de vracht die hij droeg — op zijn hoofd, zooals alle Afrikanen — naar zijne meening, de snit van zijn haar zou bederven. Zelfs Afrika heeft zijne pronkers, en deze man was een fat bij uitnemendheid. Dit
81
-alles kon natuurlijk uitsluitend zijn hoofd betreffen, want zijn haar is zijn eenig tooisel, behalve het lende-kleedje van boomschors, waarvan de snit moeilijk afgewisseld kan worden. Deze had dan ook zijn geheele ziel aan zijn kapsel gewijd. Op zijn allerhoogst kan het haar van den Afrikaan de lengte van een penseel uit een speelgoedwinkel bereiken; doch ijdelheid maakt zelfs een gek vindingrijk, en ondanks dit karig materieel, had hij met buitengewone inspanning een meesterstuk weten samen te stellen. Eerst flink besmeerd met noot-olie, was het als zwarte bessen tot krulletjes gerold, en daarop waren in symetrische patronen, diamanten en perken , met de kunde van een tuinier, verdeeld. Om dit kunstwerk voor nachtelijke verwoesting te vrijwaren, droeg dit heerschap altijd een kussen van een zeer bijzonder maaksel bij zich. Dit was samengesteld uit hout en bengelde altijd zichtbaar aan zijn hoofd onder het mar-cheeren. Hij verkocht het mij voor een meter katoen, en zou stellig geen oog dicht doen na dien verkoop, totdat hij een ander geknutseld had.
3 October. — Bij het aanbreken van den dag alles opgeladen. Allerlei fopperijen en kunstgrepen onder de manschappen, om een licht vrachtje te hebben. Plotselinge en verdachte koortsen voorgewend, die juist te berde komen bij de mannen, die de zwaarste vrachten moeten dragen. Mijn nu welbekend mengsel, samengesteld uit peper, mosterd, koude thee, Epsom zouten, magnesia en nog alles wat bij de hand mocht zijn, heeft die epidemie op wonderbaarlijke wijze tegengehouden. Doch ik vergeef dezen vroolijken kerels alles, omdat zij in de morgenkoelte geen tijd zoek brengen met
6
82
toilet of ontbijt. Ik behoef niet te zeggen, dat de Afrikaan zich des morgens nooit wascht, doch van meer gewicht is het, dat hij nooit eet. Hij rijst plotseling van den grond, waar hij den geheelen nacht als een hond gelegen heeft, schudt zich eens flink, neemt zijne vracht op de schouders en is klaar. Zelfs op de middaghalt eet hij weinig, maar onthaalt zich zei ven, zoo hij het krijgen kan, op een teug water en een trek uit de pijp, welke laatste gewoonlijk voor een dozijn mannen tegelijk dient. Ieder hunner doet een trek of twee uit den groo-ten houten kop, en geeft hem dan aan zijn buurman; zelden gaat de pijp voor de tweede maal rond.
Ik verbaasde er mij dikwerf over, hoe de inboorlingen licht wisten te verkrijgen , wanneer zij gekampeerd waren, en besloot het ten slotte ook te beproeven. Toen mij dus het gewone verzoek om „motuquot; gedaan werd, overhandigde ik hun mijn doosje met één enkel vuur-houtjé er in. Ik streek gewoonlijk den lucifer voor hen af, daar zij dit eene zeer gewaagde geschiedenis vonden, en ik was er zeker van, dat het hun niet gelukken zou. Het gebeurde zoo als ik verwacht had, en toen zij mij het ledige doosje overreikten, hield ik mij zoo verstrooid en ontoegankelijk mogelijk. Na eene kleine tusschenpoos haalde een hunner uit het aan elkaar genaaide apenvel, dat voor mijn brievenzak diende, een stukje hout van ongeveer drie duim lang te voorschijn. Met den punt van een speer sneed hij er een rond gat in, ter grootte van een kwartje. Daarop de speer plat op den grónd leggende, om als basis te dienen. spande hij daarover een stukje boomschors uit, dat hij uit zijn gordel getornd had, en bond beide toen vast met het doorboorde
83
stukje hout, dat een tweede inlander stevig in de hand hield. Daarop koos hij uit zijne pijlen een dun stukje zeer hard hout, voegde het vertikaal in het gat, en begon het niet groote snelheid tusschen zijne handen rond te draaien. In minder dan eene halve minuut was de tonder aan het rooken en na een draai of wat meer gelukte het met flinke slagen om er de vlam uit te doen opflikkeren. Natuurlijk ontstaat het vuur in het stukje zacht hout, waaruit vonken vallen op het meer ontvlambare schors op den bodem van het gat.
Ons dagelijksch programma op den doortocht was ongeveer als volgt: Bij het eerste gloren van den dageraad werd mijn tent opgebroken. Er is geen tijd om wat te gebruiken, want het koele vroege ochtenduur is te kostbaar in de keerkringen, om dat met eten te verspillen. Een kop koffie, die haastig gedronken werd, terwijl de vrachten opgenomen worden, hield echter de overlevering van het ontbijt staande. Binnen twintig minuten waren de manschappen marschvaardig, twisten omtrent een extra pond gewicht bijgelegd en werd de tocht aangevangen. Aan het hoofd van den stoet wandelde ik gewoonlijk zelf, deels om het land beter te zien, deels om naar wild uit te kijken en deels, naar ik vermoed, omdat er niemand anders was die het zou doen. Dicht achter mij kwam mijn eigen bijzondere bediende, oen Makololo, die mijn geologischen hamer, waterfles-schen en geladen geweer droeg. Het geldt als regel, dat de blanke niets draagt als zichzelf en een revolver, en misschien nog een groot zonnescherm, dat met een dikken helm voor zonnesteken vrijwaart. Naast Jingo marcheerde de kok, een geschikte Mananga, die weinig
84
verstand van koken had, behalve dat hij zeer handig wist te vertellen waar de ontbrekende mondbehoeften voor gebruikt waren. Na den kok kwam een ander heer, die een geweer en de medicijnkist droeg, en achter hem volgden de anderen, met een tweeden geweerdrager aan de achterhoede, om op de wegloopers te letten.
Van halfvijf af zwoegde ik gewoonlijk voort, totdat de zon tegen tien of elf uur alle beweging verbood. Was ik dan gelukkig genoeg om schaduw en water te vinden, dan rustten wij tot drie uur in den namiddag uit, deden er een onregelmatig maal, en vervolgden daarna onzen weg tot zonsondergang. Het akeligste gedeelte van den dag was die tusschentijd. Dan werden er waarnemingen gedaan, allerlei verzameld en gerangschikt, daar ieder man vóór zonsondergang een doos gevuld diende te hebben. Wanneer dit gedaan was, viel er niets meer te doen wat niet veel te heet was. Het was te heet om te slapen, er was niets te lezen en niemand om mee te praten; het naastbij gelegen postkantoor was omstreeks duizend mijlen ver en het eenige tijdverdrijf bestond in het bezighouden der opperhoofden, die de gewoonten hadden nu en dan met hunne volgelingen den blanke te komen aangapen. In den aanvang hielden die bezoeken mij terdege bezig, doch de vernederende vertooningen, die ik te maken had, stuitten mij weldra tegen de borst. Stel u voor, dat gij voor een u aangapende menigte wilden opstaat en deftig \'uw jas dichtknoopt, want zij hadden nooit een jas gezien, of, wonder der wonderen, dat gij een lucifer afsteekt, de werking van een revolver toont, of raet een brandglas iemands boomschorstoilet in brand steekt.
85
Drie- of viermalen daags had ik deze ellendige vertooningen te maken, en ik ben thuis gekomen met nieuwe sympathie voor degenslikkers, vuureters en al dat volkje meer.
Gewoonlijk ging aan het bezoek de komst van twee of drie door den angst bevangen slaven vooraf, welke het opperhoofd zond, om te polsen, of de blanke die ook soms eten wilde. Werden hunne geschenken, die zij medebrachten , enkele zaadsoorten, aangenomen, dan besloten zij daaruit, dat ik ten minste gedeeltelijk vegetariër was, en naderde de groote man met zijne hovelingen, met lange speren gewapend, en knielde men in een kring neer. Dan werden er wat praatjes gewisseld en kwamen mijne tegengeschenken voor den dag: twee of drie möter heel gewoon katoen, en was hij een opperhoofd van aanbelang , zoo werd hem ooi: een ledige Liebigpot of een ledig jamblikje met groote plechtigheid aangeboden.
In geen mijner instrumenten stelde dat volk eenig belang — daar stonden zij geheel buiten, en spoedig bespeurde ik, dat in mijne geheele uitrusting geen half dozijn dingen waren, die op eenigerlei wijze hun brein bezighielden. Zij wisten niet genoeg, om zelfs verbaasd te zijn. Het grootste wonder van alles misschien was het brandglas. Zij hadden nooit te voren glas gezien en dachten dat het mazi of water was, maar waarom het mast er niet uitliep, wanneer ik het in mijn zak stak, ging al hun begrip te boven. Wanneer het glas het droge gras in brand stak, kende hun angst paal noch perk. .,Hij is een machtige geest,quot; riepen zij, „en brengt vuur van de zon op de aarde!quot; Deze eenvoudige opmerking bevat den sleutel voor het geheele geheim van den in-
86
vloed en de macht van den blanke over de onbeschaafde stararaen. Waarom een blanke alleen en onbeschermd onder dit wilde volk kan rondzwerven, zonder moord of roof te duchten te hebben, is in Europa een geheim. De reden hiervan is de moreele macht, de opvoedingen beschaving van don blanke. Voor den Afrikaan is de blanke een verhevener wezen. Zijne allergewoonste daden zijn wonderen; zijn kleeren, geweren, kookgereedschap-pen — alles is bovennatuurlijk. Overal is zijn woord wet. Dood en oorlog kan hij voorkomen, indien hij het woord slechts uitspreekt. Laat een enkel Europeaan zich daar neerzetten, met heidenen op vijftig vierkante mijlen om hem heen, en binnen korten tijd zal hij hun koning, hun wetgever en hun rechter zijn.
Op zekeren dag deed ik mijn gevolg eens op den man af de vraag: „Waarom vermoordt gij mij niet en neemt mijne kleeren, geweren en kralen?quot;
„O,quot; antwoordden zij, „een geest zouden we nooit dooden.quot; Hunne vereering voor den blanke is inderdaad somtijds allertreffendst. Wanneer er een oorlog broeit of de pest dreigt, dan knielen zij voor hem neer en smeeken hem, dat onheil van hen af te wenden; en zoo vast geloo-ven zij in zijne almacht, dat een beginselloos man, die daarop wilde speculeeren , en spelden, knoopen, spijkers of vellen papier zou aanbieden als middel tegen den dood, van eene geheele streek haar ivoor zou kunnen machtig worden.
De wezenlijke gevaren voor een reiziger zijn van eenvoudiger aard. Centraal-Afrika is de fraaiste jachtstreek van de wereld. Hier zijn de olifanten, de buffel, de leeuw, het luipaard, de rhinoceros, het nijlpaard, de giraf,
87
de hyena, de eland, de zebra en eindelooze soorten van kleinere dieren en herten. Derhalve is het geheele land bedekt met hinderlagen om deze dieren te vangen, en wel met diepe putten met een getanden staak in het midden, alles bedekt met graszoden, en zoo volkomen als de bodem van het woud, dat slechts een zeer geoefend oog die plekken onderscheiden kan. Zoo heb ik mij zei ven eens betrapt, dat ik argeloos op een smal paadje tusschen twee van deze putten wandelde, terwijl een paar stappen aan weerszijden ongetwijfeld mijn dood ten gevolge zouden gehad hebben. Ook slangen, en in het bijzonder de afschuwelijke en doodelijke pofadder, vertoonen zich elk oogenblik. Bij het baden, dat men in eiken stilstaanden poel zoo gretig doet, is het scherp toezien nog nauwelijks een waarborg voor de duivelachtige slimheid van den krokodil
13 October. — Terwijl ik vandaag door het bosch wandelde, op eenigen afstand van mijne manschappen, stond ik plotseling tegenover een rhinoceros. Dit dier, dat zeer eenzaam leeft, snuffelde in het struikgewas met zijn kop naar beneden, zoodat het mij niet zag, ofschoon hetgeen tien meter van mij af was. Mijne eenige wapenen waren een geologische hamer en een revolver, zoodat ik mij eenvoudig had neer te leggen en hem te bespieden. J uist kwam nu mijn geweerdrager opdagen, maar in dien tus-schentijd was ongelukkigerwijze de dikhuid verdwenen en nergens meer te vinden.
Wij zijn nu op eene hoogte van omstreeks vier duizend voet en naderen steeds meer en meer den evenaar, alhoewel het klimaat er weinig blijk van geeft. Het is eene algemeene dwaling, dat, hoe meer men den evenaar
88
nadert, hoe meer de warmte moet toenemen. Ware dit zoo, dan zon Afrika, het vasteland dat het meest tot de keerkringen behoort, ook het heetste moeten zijn; terwijl de verzengende luchtstreek, die er zulk een groot gedeelte van beslaat, voor den Europeaan ondragelijk zoude wezen. Doch juist het tegendeel. Hoe dichter men bij den evenaar komt, hoe koeler het in Afrika wordt. Deredenen hiervoor zijn van tweevoudigen aard: de geleidelijke verhooging van het vasteland naar het binnenland en de vermeerderde hoeveelheid waterdamp in de lucht. Centraal-Afrika ligt van drie- tot vijfduizend voet boven den waterspiegel. Van elke driehonderd voet klimaat daalt de thermometer een graad. Derhalve is het in het binnenland oneindig koeler dan aan de kust; en de equatoriale streek over de geheele wereld heeft een klimaat, dat in elk opzicht dat van de grenzen der gematigde luchtstreek overtreft.
Des nachts is het in equatoriaal Afrika wezenlijk koud , en zelden legt men zich in zijne tent met minder dan een paar lakens en een warme deken ter ruste. De hitte van New-York is dikwerf grooter dan die van Centraal-Afrika, want terwijl er in Amerika zelden een zomer voorbij gaat, zonder dat de thermometer boven de 100 graden stijgt, heeft hij bij mij in de heetste maanden in Afrika nooit hooger gestaan dan 96 graden. Nergens heb ik dan ook in Afrika iets ondervonden, dat geleek naar de hitte van een zomer op Malta, of zelfs van een verstikkende Augustusmaand inZuid-Duitschland of Italië. Aan den anderen kant zijn de onmiddellijke stralen dei-zon noodzakelijkerwijze machtiger in Afrika, maar zoolang men in de schaduw blijft, waartoe zelfs een goede
89
parasol voldoende blijkt, is er niets in het klimaat, dat iemands vrede van geest of lichaam zoude kunnen storen. Eerst wanneer de koorts u aangrijpt, heeft men last van de hooge temperatuur; of ook wanneer de koorts, ofschoon men het niet bespeurt, opkomt. Dan wordt de hitte inderdaad ondragelijk en vindt het slachtoffer geen woorden om zijn verontwaardiging te kennen te geven over den gloeienden bol, wiens dagelijksche loop hem onbeschrijfelijke ellende brengt.
15 — 22 October. — Dit kamp is zoo goed gelegen, dat ik er een week heb doorgebracht. Het programma is elkeu dag hetzelfde. Tegen het aanbreken van den dag kwam Jingo mij een kop koffie in mijne tent brengen. Daarna ging ik met mijn geweer uit om een morgentoertje- te doen en kwam een uur voor het ontbijt terug. Daarna sorteerde ik hetgeen den vorigen dag door ons buit gemaakt was en hing ik de vettere insecten op, om in de zon te drogen. De mieren uit de doezen en voorraads-kasten te verjagen, was ook een gewichtig en vervelend werkje. Sommige mieren zijn zoo slim, dat zij overal binnendringen, en anderen zijn weder zoo klein, dat zij eveneens in elk ding kunnen kruipen. En tusschen de slimmen en de kleinen, de liefhebbers van jam en de bloemeters, is het bestaan een ernstig vraagstuk. Het eenige dat hen tot hiertoe heeft teleurgesteld, zijn de geologische voorwerpen; maar ik kijk die geregeld eiken morgen met al het overige na,\', steeds in vreeze van op een of anderen dag een vlug miertje te vinden, dat bezig is om mijne granieten af te vreten. Na dit werk verschanste ik mij in een natuurlijk prieel in de droge bedding van een belommerd beekje, waar ik den geheelen
90
dag doorbracht. Hier was het zelfs op den middag heerlijk koel en vond men onuitsprekelijke rust en eenzaamheid. Ik lag tusschen vogels en dieren en bloemen en insecten, hunne gangen en wegen bespiedende en mijn best doende om in hun onbekend leven door te dringen. Door onafgebroken hetzelfde plekje van het heelal te bespieden , wordt zijne ingewikkelde geschiedenis voor u ontvouwd. De eenige wijze om de natuur te bestu-deeren, is de elk oogenblik plaats vindende opstanding van nieuw levende dingen te aanschouwen, en geen kans of omstandigheid, zelfs van de geringste onderdee-len, te missen, honderden malen alles met geduld en toewijding te bezien.
Tegen den namiddag begonnen de manschappen met hunne insectendoozen binnen te komen, want ieder man heeft eiken kampdag een zeker aantal daarvan te verzamelen. Werd er geen genoegzaam aantal medegebracht, dan had de delinquent naar het bosch terug te gaan om er meer te zoeken. Tegen vijf of zes uur ging ik naar mijne tent terug om te eten, en een uur daarna werd het kampvuur aangelegd voor den nacht. Het kakelen van de mannen rondom de tent hield mij gewoonlijk nog een uur of twee wakker. Hun prettigste tijd isjuist na zonsondergang, wanneer het groote ufa-feest plaats heeft. Dan eerst beginnen de scherts en de grappen, en het hoofdthema van het gesprek is altijd de blanke — wat de blanke deed en wat de blanke zeide, en hoe de blanke zijn geweer hield, en al wat de blanke dacht, zag, wenschte, droeg, at of dronk. Het doel van mijn daar-zijn was een onoplosbaar raadsel voor hen, en voor welk tooverwerk ik al die steenen en insecten ver-
91
zamelde, was een eindelooze bron van gedachtemvis-seling.
Dat zij tot zekere hoogte zich ook met een van die belangen bezig hielden, werd mij nog dienzelfden avond bewezen. Nog laat traden eenigen hunner bij mij binnen, om mij mede te deelen, dat zij juist een heel ongewoon insect hadden ontdekt, dat op een stoktusschen het brandhout kroop. Toen ik mij naar het vuur begaf en de vlam wat aanblies, zag ik inderdaad een der buitengewoonste insecten, die ik ooit aanschouwd had. Omtrent twee duim lang, lag het dier voorover op een tak, zich slim dood houdende, op de wijze van de Man-tidae, waartoe het blijkbaar behoorde. Het meest in het oog vallend was een blinkende, koolzwarte spiraal, met een breede ronde plek van dezelfde kleur op het midden van den rug geschilderd; het geheel geleek het meest op een reusachtig oog, dat uit het lichaam staarde en dat de levendigste tegenstelling vormde met het citroengele en het groen van het overige gedeelte van het insect. Ik zocht natuurlijk naar eene nabootsing in het plantenrijk van dit zonderling wezen en herinnerde mij op eens een met breede franje omzoomde mosplant, die vele der omringende boo men bedekte en waarvan hetgeheele insect een zuivere kopie was. Dat het even vreemd als zeldzaam was, bleek uit de verbazing der inlanders, die verklaarden dat zij nooit te voren zoo iets gezien hadden.
22 October. — Het water is sinds eenige dagen schaarsch geweest en dezen morgen was onze eenige poel geheel opgedroogd, zoodat we ons kamp opgebroken hebben. Naar het noordwesten marscheerende, over een golvende woudstreek, kwamen wij aan een klein dorp, in welks
nabijheid zich een vlietende stroom bevond. Het opperhoofd, een vriendelijke oude man, kwam, na ons eerst wantrouwend op een afstand te hebben gadegeslagen, den optocht zien en schonk den leider daarvan eenig bloem van meel. Wederkeerig gaf ik hem wat kleeren en een ledige magnesiaflesch, om zijn snuif in te doen. De in-landsche snuifdoos is een kunstig gesneden, houten cilinder, die, bij het gemis van een zak, met een touwtje aan den nek hangt. Het snuiven is hier algemeen.
Dit is een heeter kamp dan het laatste, ofschoon de hoogte (4500 voet) ongeveer dezelfde is. Aan mij ne manschappen hun veertiendaagsche bezoldiging in kleeren betaald, en daar ik er nog een extra lap bij gaf, hebben zij tot diep in den nacht pret gemaakt.
24 October. — Zeer vroeg met Moolu uitgeloopen, daar er eene kudde buffels in den omtrek was. Wij vonden na eenige mijlen het spoor, maar de buffels waren noordwaarts verdwenen. Ik volgde dit spoor, doch vond geenerlei teeken, en na een of twee niet geslaagde onderzoekingen gaf ik het op, daar de hitte intusschen vreeselijk geworden was. Ontbeten met wilde honig, die het een der mannen gelukt was machtig te worden, en naar het kamp gezonden om hier te komen. Moolu ging met een inlander, T\'Shanla, met zoeken voort. Tegen twee uur kwamen zij terug met het bericht, dat zij twee buffelstieren hadden neergeveld, doch daar zij niet doo-delijk gewond waren, had men den buit prijs gegeven. In den laten namiddag schoten twee mijner mannen toe, om mij te zeggen dat een van de gewonde buffels twee onder hen had aangevallen, den eene zeer ernstig, en dat er hulp noodig was om hen naar huis te dragen. Het
93
schijnt dat vijf onzer mannen, bij het vernemen van Moolu\'s verslag omtrent de gekwetste buffels, en dooide kans op versch vleesch geprikkeld, zonder verlof wegliepen , ten einde te beproeven zich van hen meester te maken. Het was een roekelooze onderneming, daar zij alleen een speer bij zich hadden, en een gewonde buffelstier het gevaarlijkste dier van geheel Afrika is. Het valt blindelings alles aan, en zelfs is het bekend, dat het, na eene doodelijke wonde ontvangen te hebben , nog zijn aanvaller vermoordde. De zoogenaamde jagers haalden spoedig een der dieren in, een kranigen stier, in een holte liggende en blijkbaar in ar ticulo mortis. Kalm liepen zij er op af, hetgeen het domste is wat men doen kan, toen het beest plotseling oprees en hals over kop op hen toe rende. ;Nu werd het eene vraag van leven en dood; de een werd ingehaald en in een oogenblikop den grond gesmeten; de tweede werd een meter of wat verder opgevangen en letterlijk op de horens van het ondier geregen. De eerste kwam strompelend het kamp in, doch de laatste werd er half dood in gedragen. Hij had twee vreeselijke wonden; de minst zware op den rug achter het schouderblad, de andere was een gapende wonde onder de ribben. Gelukkig had ik een weinig pluksel en verbond zijne wonden zoo goed als ik kon, maar ik dacht dat • hij in mijne handen dood bleef. Hij ijlde voortdurend en ik gelastte dat men \'s nachts bij hem waken zou, voor het geval dat het bloeden opnieuw mocht beginnen. Zijne oppassers vatten echter hunne taak niet ernstig op, zoodat ik elk uur van den nacht opstond, om te zien of zij niet sliepen. Pijn is naar de opvatting van den inlander hot werk van een boezen geest.
94
en de algemeen aangenomen behandeling bestaat in het slaan op de wond en het hangen van een houten too-vermiddel om den nek van den patiënt, om den booze uit te drijven. Dit alles werd nu trouw gedaan en het slaan werd bij verschillende tusschenpoozen gedurende den nacht herhaald.
25 October. — Kacquia is tot zijn bewustzijn gekomen en lijdt geducht. Wij kunnen onmogelijk verder gaan, zoodat de manschappen een prieel voor mij hebben sa-mengeknutseld aan de oevers eener rivier nabij het kamp. Gelezen, geschreven, rechts en links verzameld, en het hoofd van hier-of-daar ontvangen. Enkelen van zijn gevolg omgekocht, om naar gomelastiekboomen te zoeken, en mij er specimens van te brengen. ]STa eene afwezigheid van verscheidene uren brachten zij mij twee versch gemaakte gomelastiekballen, doch verzuimden een tak mee te brengen, waarvoor ik hun juist beloofd had te zullen betalen. Uit hunne beschrijving leid ik af, dat die boom-de Landolphia wijnstok is. Om gomelastiek te verkrijgen, maken zij insnijdingen in den stam en smeren het daaruit zweetend melkachtig vocht over hun armen en op hun hals. Is dit een weinig gedroogd, dan schrappen zij het af en rollen het tot ballen.
Een voorbeeld van hetgeen de inboorling doen wil voor een stukje vleesch. Nabij het kamp wees Moolu mij hedenmorgen een grauwe massa op den top van een vrij hoogen boom, welke hij mij verzekerde dat een dier was. Inderdaad was het eene soort van lemur, die zeer eetbaar is. Ik had alleen mijn Winchester bij me en de kogel raakte het dier, dat op eens naar beneden viel, ofschoon de ingewanden op den tak bleven. Toen een der
95
mannen, Makatu, die bij \'t hooren van het schot kwam aanloopen, bespeurde dat het dier daar niet in zijn geheel was, maakte hij zich onmiddellijk gereed om in den boom te klimmen, ten einde het overige machtig te worden. Het was een zeer hooge, naakte stam en dikker dan hij zelf, maar hij beklom dien op \'s lands wijs, en wel door den stam als \'t ware op te wandelen. Zijne vastgeklampte handen grepen den stam aan de tegenovergestelde zijde van zijn in tweeën gebogen lichaam en letterlijk wandelde hij aldus op zijne zolen naar boven. Spoedig kwam hij naar beneden met het kostbare gerecht, en binnen weinige minuten was het gekookt en gegeten.
Des avonds dacht ik, dat mijn laatste uur geslagen was. Ons kamp lag in \'t bosch, het was pikdonker en ik zat nog laat voor het smeulend vuur bij den gewonden man. Plotseling klonk er een afgrijselijke gil door \'twoud en vloog er een inboorling, zijn speer zwaaiende, naar mij toe. In de zekerheid, dat het een aanval was, vloog ik naar de tent om mij n geweer te halen, en in een seconde stormden allen er eveneens in. Sommigen snelden er hals over kop in door de deur, anderen onder het zeildoek, totdat er geen plaatsje meer was om er iusschen door te komen. Daarop volgde er — niets. Eerst eene pijnlijke stilte, daarop gefluister, toen een algemeen gelach, en vervolgens kroop de geheele bende de sterkte weder uit en gilde hét uit van pleizier. Een mijner eigen mannen had zich een meter of wat verwijderd om brandhout te zoeken, had een luipaard gezien en zijne tegenwoordigheid van geest verloren — ziedaar alles. Het is moeilijk te zeggen, wie er zich het meest
96
over ergerde, maar ik kom er gaarne voor uit, dat ik nooit te voren begrepen heb, hoe gemakkelijk het zou geweest zijn voor deze of gene, die den blanke niet lijden mocht, om hem eu zijn karavaan te verdelgen.
Zondag 28 October. — Mijn patiënt neemt in beterschap toe. Daar hij vloeibaar voedsel moet gebruiken, is van al mijn gevogelte kippensoep gemaakt. Eendvogels zijn dus nu heel schaarsch, en daar mijne manschappen gaarne hun voordeel doen met de hooge premie en de groote vraag naar vogels, loopen zij verre einden om die te vangen. Zij willen die niet afstaan voor den zieke, maar verkoopen ze mij, om die hem te geven.
Nu wenschte ik hun toch een lesje in menschenliefde te geven, en verklaarde niets meer op die voorwaarde te willen koopen. Toen zij nu zagen, dat ik drie dagen lang geen middagmaal gebruikte, ten einde Kasquia des te eerder in het leven te kunnen houden, werden zij toch beschaamd over zichzelven, en boden mij al de vogels die zij hadden , ten geschenke aan. Dit was eene verbazende overwinning op zichzelf voor een inlander en bewijst, dat hij tot betere dingen in staat is. Het geheele kamp had een dag of twee dit spel gadegeslagen en het einde maakte op alien een goede uitwerking, — nog te meer toen ik, na een behoorlijk tijdsverloop, een tegengeschenk gaf, dat wel vijfmaal waard was hetgeen men mij gegeven had. Des avonds den gewonen dienst gehouden. Moolu, die veel van dr. Laws had geleerd, hield de preek en redeneerde met groote welsprekenheid over den Toren van Babel. Den vorigen Zondag had hij even warm over den rijken man en Lazarus uitgeweid. De beschrijving van den rijken man kenschetste zijne be-
97
grippen van rijkdom. „Een overvloed van katoen en een overvloed van kralen,quot; was om niet te vergeten.
„Zendingszwartenquot; in Natal en aan de Kaap zijn een bijnaam onder de tegenstanders; doch ik heb Moolu nooit iets ongerijmds zien doen. Hij kon lezen noch schrijven, kende slechts een dozijn woorden Engelsch; zeven jaren geleden had hij nog nooit een blanke gezien; maar ik kon hem alles toevertrouwen. Hij was noch vroom, noch schrander, noch verstandig, slechts een gewone zwarte; maar hij deed zijn plicht en zei nooit een leugen.
Op den eersten avond van ons kampement, nadat zich allen ter rust gelegd hadden, herinner ik mij, dat ik wakker werd door fluisterend praten. Ik keek eens buiten mijn tent en zag het volle maanlicht het bosch beschijnen, en ginds lag een kleine groep zwarten op den grond geknield, met Moolu in het midden die het avondgebed leidde. Eiken avond werd deze dienst herhaald, onverschillig hoe lang de marsch was of hoe vermoeid de manschappen ook mochten zijn. Ik onthoud me van elke toelichting, maar wil alleen zeggen, dat Moolu\'s leven hem het recht gaf om dit te doen. Er wordt zoo dikwerf gezegd, dat zendingsverslagen waardeloos zijn; zij zijn het minder dan anti-zendingsversla-gen. Ik geloof in zendingen, en wel omdat ik in Moolu geloof.
Doch ik behoef met deze reisbeschrijving niet voort te gaan, want het komt telkens vrij wel op hetzelfde neer. Stel ii nu en dan den zonderlingen optocht voor, dien ik u beschreven heb, zwevende tusschen de begroeide bergen en valleien van het tafelland, en hetzelfde algemeene programma volgende. Gij zult zijn aanvoerder bruiner
7
98
en bruiner zien worden in de tropische zon, zijne kleeren haveloozer, zijne verzameling doozen voller en voller en zijn verlangen naar huis sterker en sterker zien worden. Dan ziet gij den zomer eindigen en den keerkringsregen beginnen, en het geheele land zich plotseling met levend groen bedekken. En als daarop het slechte seizoen nadert, ziet gij hem naar het meer teruggaan, tusschen de koortsaanvallen door, zijn weg naar de Shiré en Zambesi zoeken, en aldus na vele dagen de nieuwe lente in Engeland begroeten.
De witte mier. Een theorie.
Eenige jaren geleden was de worm het dier, dat onder Darwins vereerend beschermheerschap bij de wetenschappelijke wereld in tel was. Nu is de mier dat gezochte dier. Daarom spijt het mij al dadelijk te moeten bekennen, dat het insect, welks lof ik mij voorstel te zingen, alhoewel een zeer geachten naam dragende, op die achting geen aanspraak mag maken, op grond van zijne deftige betrekkingen, daar de witte mier, als mier, een bedriegster is. Eigenlijk is zij in het geheel geen mier, maar behoort tot een veel nederiger familie — tot die van de Tennitidae — en wel verre van ooit in tel te zijn geweest, wordt dit vlug maar sluw diertje door alle beschaafde volkeren gehaat en veracht. Nochtans is er, zoo ik mij niet bedrieg, nochquot; onder de echte mieren, noch onder wormen een insect, dat wonderbaarlijker of gewichtiger rol in de natuur speelt. Om echter de schoonheid zijner functie ten volle te kunnen waar-
100
deeren, zal een blik op een schijnbaar afgelegen schouwspel der natuur als inleiding noodzakelijk wezen.
Wanneer wij den landbouwer aan den arbeid zien. en bedenken, hoe hij heeft te ploegen, te eggen, te bemesten en den grond te bewerken, vóór er zelfs één flinke oogst uit kan getrokken worden, verbazen wij er ons over, hoe de natuur te werk gaat ten behoeve van hare oogsten en zich toch met al dat bijwerk niet ophoudt. De wereld is een groote tuin, die eeuw na eeuw oogsten van de weelderigste en meest afwisselende soort voortbrengt. Toch is de natuur nergens doorploegd, geen egge doorwoelt de aardkluiten, kalk noch phosphorzouten worden op hare velden gestrooid, geen zichtbare bebouwing van den bodem verbetert het werk op de wereldakkers.
Nu kunnen er echter in werkelijkheid geene oogsten of eene opeenvolging van oogsten zijn, zonder tusschen-komst van landbouw, en wanneer wij de natuur nauwkeurig bespieden, ontdekken wij een landbouwstelsel, dat ons in de hoogste mate verbaast. De natuur doet alle dingen op bescheiden wijze, en eerst na nauwlettend toezien beginnen wij het gewicht van dit geheim land-bouwwerk te ontdekken, waardoor zij reeds alles doet, hetgeen de mensch zou wenschen na te volgen, en waarbij zijn meest wetenschappelijke methodes in de verte niet halen.
In dit groote stelsel van de inrichting der natuur bedient deze zich van hulpmiddelen en gereedschappen van allerlei aard. Daar hebt gij de vorst, die groote natuurlijke egge, welke de aardkluiten van elkaar doet bersten door de uitzetting gedurende het vriezen van het vocht, dat in hare poriën is opgesloten. Daar hebt gij
101
den wind, die in wolken van stof den fijneren grond over de velden uitstrooit. Daar hebt gij den regen, die den humus in de holten brengt en de rotsen verder ontbloot. Daar hebt gij de lucht, die met haar koolzuur en zuurstof de stugge heuvelen losmaakt en ontbindt en er de zachtste valleigronden van maakt. En daar hebt gij de zuurstoffen, die uit het ontbindingsproces voortvloeien, door den grond zijpelen en den nieuwen ontstanen bodem bemesten en verrijken.
Maar dit is niet alles en ook niet genoeg; hiermede zal één oogst, maar niet eene reeks van oogsten verkregen worden. Daarvoor moeten vermenging en overbrenging van deze lagen plaats hebben, en moeten die vermenging en overbrenging steeds voortgezet worden. De lagere grondlaag, die door het voortbrengen is uitgeput , moet naar boven worden overgebracht, om van lucht te veranderen, en daar moet ze een tijd lang liggen, om hare bestanddeelen te verbeteren en uit de versterkende elementen nieuwe kracht te putten. De geheel herstelde, krachtig en groeizaam geworden bovenlaag moet dan weer langzaam naar beneden gebracht worden, waar diep in den ondergrond de wortel vezeltjes reeds op haar liggen te wachten.
Hoe wordt nu deze laatste verandering teweeggebracht? De mensch keert de aardkorst om met den ploeg en werkt met onverpoosden arbeid en geduld de uitgeputte aarde naar boven en den verfrischten grond naar onderen. En de natuur doet dit met natuurlijke ploegers , die met gelijke vlijt de geheele wereld door bezig zijn om de aardkorst omver te werpen, haar van jaar tot jaar om te keeren, alléén veel langzamer en veel
102
degelijker, spaclevol bij spadevol, voetje bij voetje en zelfs korrel bij korrel. Reeds in de vroegste tijden waren deze landbouwers met raillioenen en millioenen in elk deel der wereld aan \'twerk, in verschillende jaargetijden en op verschillende wijzen, om \'s werelds velden te bebouwen.
Gelijk Darwin aantoont, is de aardworm het dier, dat deze belangrijkste functie in de natuur vervult. De wonderbaarlijke reeks waarnemingen, waardoor de groote natuurkundige zijne conclusie bevestigde, zijn te welbekend om hier nog herhaald te worden. Darwin berekent, dat op eiken akker lands in Engeland meer dan tien tonnen droge aarde elk jaar door de wormen naaide oppervlakte gebracht worden, en hij verzekert ons, dat de geheele bodem van het land telkens binnen weinige jaren door hunne lichamen heen en weer moet. Sommige \'aarde hiervan wordt van eene aanmerkelijke diepte beneden den grond naar boven gebracht; want ten einde zijn onderaardsch hol te maken, is het dier verplicht een zekere hoeveelheid aarde in te slikken. Feitelijk eet het zijn weg naar de oppervlakte en legt zijn vracht op een hoopje neer. Ofschoon de worm eigenlijk van plantaardig voedsel leeft, dat in den vorm van blaren en weefsels van planten van de oppervlakte wordt gesleept, gebeurt het menigmaal, dat deze bron ontbreekt en het dier niets overblijft dan hoeveelheden aarde in te slikken, ter wille van de organische bestand-deelen, die het bevat. Op deze wijze heeft de worm een tweevoudige aanleiding om aarde naar boven te brengen. Ten eerste om te beschikken over het materieel, dat uit zijn hol is gegraven., en vervolgens om in tijden van
103
hongersnood voldoende voedsel te hebben. „Wanneer wij eene groote, met gras bedekte uitgestrektheid aanschouwen,quot; zegt Darwin, „mogen wij er welaan denken, dat het liefelijk aanzien er van hoofdzakelijk te danken is aan de wormen, die al de ongelijkheden langzaam vereffend hebben. Het is eene wonderbaarlijke opmerking, dat die geheele oppervlakte van zulk een grasveld door de lichamen der wormen gegaan is en ook weder gaan zal. De ploeg is een van de oudste en belangrijkste uitvindingen van den mensch, doch lang vóór die bestond , werd het land feitelijk regelmatig beploegd door aardwormen. Het mag zeer betwijfeld worden, of er vele andere dieren zijn, die zulk een gewichtige rol in de wereldgeschiedenis gespeeld hebben , als deze laag georganiseerde wezens.quot;
Zonder nu de zeer gewichtige bijdrage van den aardworm in dit opzicht te willen ontkennen,- eene waarheid, die genoegzaam gestaafd is door het feit, dat de uitvoerigste aller natuurkundigen een geheel boek aan dit dier gewijd heeft, wil ik bescheidenlijk wijzen op een ander mededinger naar de eer, van met den worm de landbouwkundige der natuur te zijn. Al neemt men in al zijne uitgebreidheid den invloed van den worm aan in landen, waar een getemperd en vochtig klimaat heerscht, dan kan men toch bezwaarlijk toestemmen , dat die zelfde invloed in tropische landen geoefend kan worden. Niemand was minder, in gevaar, om een bekrompen kijkje in de natuur te krijgen, dan Darwin, en toen hij den aardworm beschreef, heeft hij zeker uit verschillende deelen van den aardbol bewijzen verzameld.
Alhoewel spaarzaam, en niet met zijn gewonen rijk-
104
dom van bewijzen, verwijst hij naar wormen, die in IJsland, op Madagascar, in de Vereenigde-Staten, Brazilië, Nieuw Zuid-Wales, Indië en Ceylon gevonden zijn. Doch zijne feiten, in het bijzonder met betrekking tot den invloed op groote schaal van den worm in warme landen , zijn weinig in getal of ontbreken geheel. Van Afrika b. v., de meest tropische streek der wereld, wordt in het geheel niet gerept; en waar de werkzaamheden van wormen in de tropische landen worden beschreven, wordt de kracht van het feit verzwakt door de bevestiging, dat deze alléén plaats hebben gedurende het beperkt aantal weken van het regenseizoen.
Do waarheid is, dat in de tropische gewesten de worm voor het grootst gedeelte van het jaar in het geheel niet werkzaam kan zijn. Immers de grond, welke door de brandende zon tot steen gebakken is, laat dit zachte en teere diertje volstrekt geen doortocht toe. Al de ledematen van den aardworm zijn wel is waar natuurlijke pennen, en boren is hunne roeping bovenal, maar\'toch is de zelfstandigheid dezer pennen niet van gehard ijzer en is de bodem van een tropisch bosch negen maanden in het jaar even onhandelbaar als het de bevroren velden voor de ploegschaar van den landbouwer zijn. Gedurende het korte tijdperk van het regenseizoen zetten de wormen ongetwijfeld hunne functie in sommige tropische streken voort; en in de onder-tropische gedeelten van Zuid-Amerika en Indië ziet men zoo kleine als groote wormen met den regen in ontelbare hoeveelheden verschijnen. Maar in het algemeen schijnen de tropische gewesten slecht van wormen voorzien te zijn. InCentraal-Afrika heb ik geen enkelen worm gevonden, hoe dikwerf
105
ik er naai- omgekeken heb. Zelfs wanneer het regenseizoen inviel, kon het mij bij de nauwkeurigste nasporingen niet gelukken, eenig spoor daarvan te ontdekken. Echter is dit dier zoo algemeen verspreid, dat het in de vochtige streken van den evenaarsgordel zeer best aanwezig zou kunnen zijn. Doch het algemeene feit blijft bestaan, hetzij wij het wijten aan de betrekkelijke armoede van hunne ontwikkeling, of aan het korte tijdsbestek waarin zij bezig kunnen zijn: in tropische gewesten kan de worm zijne landbouwfunctiën onmogelijk volvoeren.
Daar nu die landbouwfunctiën niet gemist kunnen worden, is het meer dan waarschijnlijk dat de natuur een ander dier met die taak belast zal hebben. Er zijn immers verschillende andere dieren, aan welke deze moei; lijke en werkzame taak best kon worden toevertrouwd. Daar hebt gij de mol, b. v., met zijn verwonderlijke pootjes in den vorm van een spade, die in Europa den grond zoo krachtig omwoelt; doch tegen de verbrande korst der tropische gewesten zou zelfs deze ondernemendste aller omwroeters gewis het scherp zijner nageltjes te vergeefs beproeven. Dezelfde opmerking is toepasselijk op die merkwaardige kleine aardmannetjes, de marmotten en springmuizen, die men in de Amerikaansche prairieën hunne kleine hoopjes zand en\' kiezel ziet opgraven. En alhoewel de verzengende luchtstreek zich mag beroemen op een sterk gespierd en geschoeid dier, den mierenbeer, beperken zich zijne bezigheden tot het vernielen van mierennesten; en hoe dit vrij schaarsche beest ook dikwerf tot het resultaat moge bijdragen, moeten wij in eene andere richting uitzien naar een dier, dat den worm evenaart.
106
Het dier, dat wij zoeken en dat mij voorkomt in alle opzichten aan de eischen te voldoen, is de termite of witte mier. Het is een klein insect, met een opgeblazen, geelachtig wit lichaam en een ietwat breede borst, langwerpig van vorm en leelijk oliebruin van kleur. Het slappe lichaam, dat er als talk uitziet, maakt dit insect weinig aantrekkelijk, maar het is om eene geheel andere reden, dat de witte mier van alle levende ongedierten in warme landen het meest versmaad wordt. De termite leeft bijna uitsluitend op hout, en zoodra er een boom geveld of een blok gezaagd moet worden, is dit insect op zijn post. In het vleesch zal men dit insect nooit vinden, want het leeft onder den grond, maar de verwoestingen die het aanricht, treffen u overal. Gij bouwt b. v. een huis, en hebt u een paar maanden geleden nog verbeeld, dat gij daarvoor de eenige plek in den omtrek hebt uitgekozen, waar geene witte mieren zijn. Doch op zekeren dag begint plotseling de deurpost te waggelen en dwarsbalken en dorpels komen met veel gekraak\'naar beneden. Gij bekijkt een stuk van het uit elkaar gevallen hout en ontdekt dat de geheele binnenkant zuiver weggevreten is. De schijnbaar hechte blokken en balken waarmede het huis. gebouwd is, zijn nu louter cylinders van boomschors , en door de diksten er van kunt ge met gemak uw pink steken. Meubelen, tafels, stoelen, alles wat van hout vervaardigd is, komt onder hare macht, en in éénen nacht wordt een sterke stam dikwerf door en door uitgemergeld.
Aan de verwoestingen van deze dieren is paal noch perk te stellen; zij eten even goed boeken, leder, kleeren als wat anders, en ik geloof, dat in menig deel van Afrika,
107
waar iernand met een houten been zich ter ruste zoude leggen, dit des morgens als een hoopje zaagsel teruggevonden zou worden. Zóó gevreesd is dit insect, dat niemand in zekere gedeelten van Indië of Afrika het ondernemen zal met een houten koffer te reizen. Op het Tanganyika-plateau heb ik gekampeerd op den grond, die zoo hard als diamant was, en schijnbaar zoo vrij van witte mieren, als de vloer van St. Paul te Londen ; toch vond ik den volgenden morgen bij \'t ontwaken een houten doos in stukjes geknaagd. Lederen portemanteaux ondergaan hetzelfde lot en de eenige zelfstandigheden, die dezen vernielers weerstand schijnen te bieden , zijn ijzer en tin.
Doch wat heeft dit met aarde of landbouw te maken? zal men vragen. Het gewichtigste punt in het werk dei-witte mieren moet echter nog vermeld worden. Ik heb reeds gezegd, dat de witte mier nooit gezien wordt. Waarom zij zulk. een weerzin heeft om gezien te worden , schijnt een geheim, daar zij zelf stekeblind is. Doch hare schuchterheid ontstaat uit de begeerte naar zelfbescherming, want zoodra haar lichaam zich boven den grond vertoont, zijn er dadelijk een twaalftal vijanden gereed om het te verslinden. En toch kan de witte mier zich nooit eenig voedsel verschaffen tenzij ze boven den grond kome. Evenmin kan ze daarvoor de schaduwen van den nacht kiezen, want in de tropische gewesten is de nacht gelijk aan den dag, wat althans het leven der dieren betreft. De nacht is daar de groote voedingstijd, de groote vechttijd, de vastenavond der vleeschetende dieren, van alle beesten, vogels en insecten, van de kleinsten tot de grootsten. Het is dus duidelijk, dat de
108
duisternis voor de witte mier geen bescherming brengt, en toch kan zij niet leven, wanneer zij niet uit den grond komt. Hoe lost zij die moeilijkheid op ? Zij neemt eenvoudig den grond met zich mede. Ik heb witte mieren zien werken aan den top van een hoogen boom, en toch waren zij onder den grond. Zij namen dan een weinig van den grond mede naar den boomtop.
Evenals de Eskimo\'s sneeuw ophoopen en er lage tunnelhutten van bouwen waarin zij leven, zoo zamelen de witte mieren aarde, doch met dit onderscheid, dat het geene aarde is van de oppervlakte, maar van eenige diepte onder den grond , en hiervan maken zij tunnels. Nu en dan loopen dezen langs den grond, maar veel meer stijgen zij in eindelooze vertakkingen naar de toppen van boomen, zich langs elke tak en twijg kronkelende en hier en daar in groote overdekte kamers uitloopende, die den halven omtrek van den stam beslaan. Millioenen boomen in sommige districten zijn aldus op fantastische wijze met buizen , galerijen en kamers ompleisterd, en menig pond gewicht aan aarde moet naar omhoog gebracht worden, om slechts de loopgraven over een enkelen boom te maken. Het bouwmateriaal wordt door de insecten vervoerd langs een centrale buis, waarmede alle galerijen gemeenschap hebben en welke aan het benedeneind in verbinding staat met een reeks onderaardsche doorgangen, die tot diep in de aarde leiden. Deze tunnels en overdekte wegen worden op de volgende wijze gebouwd. Aan den voet van een boom wordt dicht bij het schors een nietig openingetje in den grond gemaakt. Een klein kopje vertoont zich daar met een korreltje aarde tusschen de kaken geklemd. Dit aardkorreltje wordt
109
tegen den boomstam neergelegd, en onmiddellijk verdwijnt het hoofdje weer. Daarop verschijnt het wederom met een ander aardkorreltje; dit wordt naast het eerste gelegd, vast er tegen gedrukt en daarop daalt de bouwer weder naar beneden, om meer te halen. Her derde aard-korreltje wordt niet tegen den boom geplaatst, maar tegen het vorige korreltje; een vierde, een vijfde en een zesde volgt en het bouwplan begint zich kenbaar te maken, zoodra dezen op hunne plaats liggen. Van de steenen, korrels of balletjes van aarde wordt een halfcirkelvormige omheining gemaakt, en nu werkt de mier, door drie of vier anderen bijgestaan, in het midden tusschen den overdekkenden muur en den boom staande, met hoofd en kinnebak uit alle macht, om de positie te versterken. De muur vormt een kleinen wal en naarmate hij hooger en hooger stijgt, blijkt het spoedig, dat hij van een laag optrekje overgaat in een langen, perpendiculairen tunnel, welke tegen den boom naar boven loopt. Behoorlijk van binnen verschanst, dragen nu de arbeiders met groote snelheid het bouwmateriaal aan en verdwijnen beurtelings, zoodra zij hun vracht hebben neergelegd, om nieuwen toevoer te halen.
De wijze, waarop het gebouw wordt opgetrokken, is bijzonder merkwaardig en men zou den\' voortgang van deze wonderbaarlijke metselaartjes uur voor uur kunnen nagaan. Zoodra er een steen naar den top is gebracht, wordt hij dadelijk met metselkalk overdekt. Zonder deze voorzorg zou natuurlijk de geheele tunnel instorten, voor men de hoogte van een halven duim bereikt had ; de termite omringt dus den aardkorrel met een kleverig speeksel en draait het korreltje herhaaldelijk rond, totdat
110
het geheel met slijm bedekt is. Dan plaatst de mierden steen zorgvuldig op den top van den muur, werkt dien met kracht naar omhoog, totdat hij flink op zijne plaats is gebracht, en gaat dan onmiddellijk heen om eene andere vracht te halen.
Wanneer men nu over den grooter wordenden muur loert, ontdekt men spoedig een, twee of meer iets grootere mieren, die aanmerkelijk langer zijn en een zeer verschillende verdeeling van hoofd en kinnebakken hebben. Deze zwaarwichtige schepselen drentelen doodbedaard langs den wal, maar toch met een zeker drukte-vertoon, alsof misschien de een de opzichter en de ander de architect was. Doch van meer nabij beschouwd, blijkt het, dat zij op geenerlei wijze het oppertoezicht over het werk hebben, noch tot den bouw bijdragen, want zij slaan niet de minste acht op de arbeiders. Inderdaad, zij zijn daar als schildwachten geplaatst, en daar houden zij stand of wandelen langs den ingang van iederen tunnel, gelijk zuster Anna, om te zien of er iemand komt. Soms vertoont zich iemand in den vorm van een andere mier — dit maal de wezenlijke mier, niet de weerlooze Neur-opteron, maar een of ander dapper en gewapend ridder van de oorlogzuchtige Formicidae. Alleen of bij hoopen stormt dit bloeddorstig klein insect zonder vreeze in zijn maliënkolder den boomstam op, terwijl zijne voelhorens den vijand ontzag inboezemen, en zijne kinnebakken naar mierenbloed dorsten. De mierenarbeider is een arm, weerloos schepsel en zou , daar hij blind en ongewapend is, onmiddellijk een prooi van deze goed afgerichte roevers worden, die in elk tropisch woud in tallooze hoeveelheden rondtrekken. Doch op het kritieke oogenblik
Ill
maakt zich de soldaat-termite, gelijk Goliath bij de Phi-listijnen, tot het gevecht gereed. Met eenige zwaaien van zijn kinnebak, die als eene zeis te werk gaat, veegt hij de baan schoon en terwijl de aanvallende partij in het zand bijt, gaan de bouvvlui, zonder zich om de ruzie te bekommeren, rustig met hunnen arbeid voort. Voor iedere honderd arbeiders in eene witte-mierenkolonie, die vele duizenden bedraagt, heeft men gemeenlijk twee van deze strijdbare mannen. De arbeidsverdeeling is hier merkwaardig, en het feit dat, behalve deze twee afzonderlijke vormen, er in ieder nest nog twee andere soorten van hetzelfde insect zijn, de koningen en koninginnen, bewijst de belangrijke hoogte, waartoe de beschaving in deze gemeenten gestegen is.
Doch waar voert deze tunnel heen, en wat hebben de insecten op \'t oog met het beklimmen van dezen hoogen boom? Dertig voet van den grond, door ontelbare takken aan het eind van een langen twijg, is eenig dood hout. Hoe de mieren weten dat het daar is, hoe het haar bekend is, dat het sap is opgedroogd, en dat het nu goed voedsel is voor de termiten, is een geheim. Misschien weten zij het ook niet en wagen zij het er maar op. Het feit, dat zij somtijds regelrecht naar het vervallen lid trekken, doet een soort van instinct vermoeden, maar aan den anderen kant wekt liet feit, dat veelal elke tak en elk lid van den ganschen boom met tunnels bedekt is, het vermoeden, \'dat zij gemeenschappelijk op speculatie werken, terwijl het aantal verlaten tunnels, op een gezonden tak in een slop eindigende, bewijst hoe dikwerf zij de gewone teleurstellingen van al zulke avonturen moeten ondervinden. De groote schaal.
112
waarop deze insecten hunne tunnels uitstrekken, is letterlijk ongelooflijk, totdat men het met eigen oog in werkelijkheid gezien heeft. De tunnels hebben ongeveer de dikte van een smalle gaspijp, maar hier en daar zijn er verbindingen van grooteren omvang, en soms vindt men brokken aardwerk, die bijna den geheelen stam eenige meter hoog omvatten. De buitenzijden dezer tunnels, die nooit volkomen recht zijn, maar onregelmatig langs stam en tak opkruipen, zien er uit als ruw zand-papier; de kleur, die natuurlijkerwijze al naar den stam verschilt, is gemeenlijk roodachtig bruin. De hoeveelheid aarde en klei, waarmede een enkele boom overdekt wordt, is dikwerf ontzagwekkend, en wanneer men bedenkt, dat het niet alleen een afzonderlijke boom hier en daar is, die aldus bewerkt wordt, maar zeer dikwerf al de boomen van een woud, dan kan men zich een denkbeeld vormen van het machtig arbeidsvermogen dezeï dieren en van de uitgebreidheid van hun invloed op den bodem, dien zij aldus onophoudelijk overbrengen uit de diepte der aarde.
Wanneer men door de groote wouden van Rocky Mountains of van de Westelijke Staten reist, maken de gebroken takken en gevallen stammen, die den grond tot op manshoogte bedekken, dikwerf den doorgang onmogelijk. Gewoonlijk is er geen sprake van, om door deze wouden met hun netwerk van dooreen geworpen takken en gevallen stammen te rijden, en men stijgt hier eenvoudig af en neemt zijn paard aan den toom achter zich. Doch in een Afrikaansch woud is er geen gevallen tak te zien. Het allereerst wordt men getroffen door iets bijzonder nets en helders in deze groote wou-
113
den van het binnenland, door zekere frissche en onverklaarbare netheid, alsof het woudbed door onzichtbare elven zorgvuldig schoongemaakt en dagelijks geveegd werd. En dit is ook inderdaad het geval. Straatvegers van allerlei aard vervoeren verrottende overblijfselen van dieren — van de romp van een gevallen olifant tot den gebroken vleugel eener mug — eten alles op, brengen het uit het gezicht en begraven het in de aarde. Andere ontelbare millioenen mieren vervullen een dergelijke functie voor het plantenrijk, door alle planten en boo-men, alle stammen , takken en weefsels weg te maken, zoodra teekenen van verval daaraan zichtbaar worden. Voortdurend vindt men in deze wouden, wat u stammen, takken en takkebossen toeschijnen, maar die, op den keper beschouwd, niets dan omhulsels en stof zijn. Van deze holle buizen, die den oorspronkelijken vorm van den tak tot het geringste uitstreksel en uitspruitsel volkomen behouden, is het houterig weefsel dikwerf geheel verwijderd, terwijl men er andere in allerlei trappen van slooping vindt. De insecten gaan blijkbaar van twee middenpunten uit. De eene groep valt op de inwendige boomschors aan, dat een gezocht hapje is, en laat daarbij de zuivere buitenschors onaangeroerd, of wel zij vult het met aardkorrels aan, naarmate zij de schors wegeet. De inwendige schors wordt opgevreten naarmate zij verder komen, maar aan het houtachtige weefsel beneden wordt niet geraakt, daar dit een schild wordt voor de tweede groep, die aan het midden begint te arbeiden. Dit tweede contingent eet zijn weg buitenwaarts en voorwaarts, doch laat den buitenwand een dun bekleedsel, totdat zij de hoofduitgraving volbracht hebben.
8
114
Wanneer een op den grond gevallen stam het doel van hun aanval is, dan wordt de uitwendige vorm gemeenlijk geheel ongeschonden gelaten, eerst wanneer men dien naar zijn kamp wil vervoeren, bespeurt men tot zijne teleurstelling, dat men te doen heeft met een louter holle buis, die hier en daar met aarde en klei is opgevuld.
Doch de werken boven den grond vertegenwoordigen slechts een deel van den arbeid dezer langzaam voortgaande, doch hoogst nijvere diertjes. De boombuizen zijn slechts de voortzetting van een veel ingewikkelder stelsel van onderaardsche tunnels, die zich over verre gewesten uitstrekken en de aarde somtijds tot een diepte van vele voeten of zelfs meters ondermijnen.
Het materieel, dat uit deze onderaardsche galerijen en uit de reeks gewelfde ruimten, waartoe zij leiden, is gegraven, moet op de oppervlakte der aarde worden uitgestort. En het is uit deze aarde, dat de hooge mieren-heüvels gevormd worden, die zulk een bijzonder kenmerk van het Afiikaansche landschap zijn. Deze hoopen en hoogten zijn zoo in het oogvallend , dat men ze mijlen ver zien kan. en zoo talrijk en zoo nuttig als bedekking voor den jager, dat zonder hen het jagen in verschillende districten onmogelijk zoude worden. Het eerste wat den reiziger bij zij ne intrede in het binnenland treft, zijn de aardhoogten der witte mieren, welke nu eens de vlakte in groepen afbreken als een klein kerkhof, dan weder zich tot hoogten verheffen van dertig of veertig voet in doorsnede en tien of vijftien in hoogte; of wel komen zij tegen de lucht als obelisken uit, welker naakte zijden in allerlei soorten van fantastische vormen gesneden en uitgehold zijn. In Indië bereiken deze mieren-
115
hoopen hoogst zelden eene hoogte van meer clan een paar voet, maar In Centraal-Afrika vormen zij wezenlijke heuvels en bevatten menige ton aarde. De steenen huizen van het Schotsche zendingsstation aan het Nyassa-meer zijn alle van mierennesten opgebouwd, en de groeve , waaruit het materiaal getrokken is, vormt naast de neerzetting een put van eenige dozijnen voeten diep. Een even groot aantal baksteenen zou vermoedelijk nog best uit dit welgelegen depot genomen kunnen worden, en de zendelingen aan het Tanganyika-meer en verderop naar Victoria Nyanza hebben niet minder verplichting aan de arbeidzaamheid der mieren. In Zuid-Afrika bevloeren de Zoeloes en Kaffers al hunne hutten met witte mieren-aarde en toen de Boeren in Praetoria waren, gebruikten zij die mierenheuvels als ovens, door ze van binnen uit te hollen en de toppen met klei dicht te dekken. Deze mierenhoopen zijn over het geheele binnenland van Afrika verspreid en bestaan uit zeer verschillende soorten. Met eene kleine verscheidenheid van een tot twee voet hoog\', komen zij in myriaden langs de kusten van het Tanganyika-meer voor. Zij zijn van symetrische rijen gebouwd en lijken eene reeks ronde hoedjes, de een boven den ander, met afhangende randen als goten, welke den heuvel voor regen beschermen. Het zou geen onmogelijke taak zijn, om in sommige districten de hoeveelheid aarde per akker te berekenen, die door de witte mieren naar omhoog gebracht wordt\',; men zou dan waarschijnlijk vinden, dat die hoeveelheid minstens gelijk staat met die, welke in de gematigde luchtstreek de worm behandelt.
Deze hoogten zijn echter meer dan louter waardelooze
116
hoopen. Gelijk de daarmede correspondeerende onder-aardsche afdeeling, bestaan zij uit een netwerk van tunnels\', galerijen en kamers, waar de sociale belangen dei-gemeenschap behartigd worden. De ruimste dezer vertrekken, gemeenlijk diep onder den grond, wordt, gelijk betamelijk is, aan het hoofd der vereeniging, de koningin , afgestaan. De mierenkoningin is een zeer zeldzaam insect en daar er in eene kolonie zelden meer dan ééne, hoogstens twee zijn, en de koninklijke vertrekken diep in de aarde zijn verborgen , hebben weinigen ooit eene koningin gezien. Ook al hadden zij het geluk er eene te ontmoeten, dan zouden zij nog weigeren te gelooven , dat zij in eenig verband stond met de witte mieren, omdat haar uiterlijk zoo geheel anders is. Zij heeft wel den echten mieren-kop , maar daar houdt de gelijkenis met de andere familieleden ook geheel op, want de grootte van het hoofd staat ongeveer in dezelfde evenredigheid tot het overige lichaam als de pluim tot de muts van een Schotschen Hooglander. De verbazende omvang van het koninklijk lichaam is deels te wijten aan gemis van beweging, want eenmaal op haar troon gezeten, komt de koningin nooit meer in beweging tot aan het einde harer dagen. Daar ligt zij, als een groot, walgingwekkend, cylinder-vonnig pak, twee of drie duim lang, niet ongelijk aan eene worst en zoo blank als een kussen. Haar eenige levensplicht is eieren te leggen, en het moet gezegd worden, dat zij zich daarvan uitermate kwijt, want in één dag klimt haar kroost soms tot vele duizenden, en maanden achtereen vermindert deze verbazingwekkende vruchtbaarheid niet. Het lichaam neemt langzaam in omvang toe en door de doorschijnende huid kan men
117
den eierstok met de eieren zien, voortgestuwd door eene darmbeweging, en zoo te berde komende, om door de arbeiders naar de kinderkamers te worden gebracht, waar zij worden uitgebroeid. Intusschen zijn andere arbeiders voortdurend vol oplettendheden jegens de koningin , en voeden haar met de grootste zelfverloochening, door haar het eene lekkere hapje na het andere uit hun eigen mond af te staan. Eene eerewacht, in den vorm van enkelen der grootste soldaten-mieren , is ook in de nabijheid , als eene bijna onnoodige voorzorg. Behalve al die soldaten , arbeiders en de koningin, heeft de koninklijke kamer nog een anderen bewoner, en wel den koning. Deze ziet er zeer gewoon uit en is ongeveer van dezelfde grootte als de soldaten, maar de evenredigheid van hoofd tot lichaam is zeer verschillend, en evenals de koningin heeft ook hij oogen.
Laat mij nu trachten u te doen zien op welke wijze het werk der mieren invloed oefent op den natuurlijken landbouw en de geologie der tropische streken. Beschouwt men de quaestie uit een breed oogpunt, dan dient als algemeen feit in aanmerking te worden genomen, dat de grond der tropen in een staat van voortdurende beweging verkeert. In plaats van een bovenkorst, die door de herfstregens bevochtigd, tot deeg geworden is en dan zoo hard als diamant in de zon is gebakken, met een ondergrond, die hermetisch van lucht en licht afgesloten is, en derhalve ontoegankelijk blijft voor al de natuurlijke bemestingen, welke uit de ontbinding van organische stoffen ontstaan, heeft er steeds een langzame en voortgezette verwisseling van beide lagen plaats.
Niet alleen om hunne verwoestingen te bedekken,
118
maar om over de aarde, welke uit de onderaardsche galerijen wordt gegraven, te beschikken, brengen dus de mieren voortdurend de diepere en uitgeputte grondlagen naar boven. Er is dus als het ware eene circulatie van aarde in de tropische streken, er wordt aanhoudend geploegd en geëgd, doch niet voor bij voor en kluit bij kluit, maar balletje bij balletje en korrel bij korrel.
Door het hier medegedeelde zal men zich eenig denkbeeld kunnen vormen van de uitgebreide schaal, waarop de onderliggende aarde van de tropische wouden naaide oppervlakte wordt gebracht; maar wie dit niet met zijn eigen oogen heeft gezien, kan de reusachtige grootheid daarvan niet beseffen. Nu en dan ziet men een geheelen stam of tak, en soms wel een geheelen boom zoo ompleisterd door roode klei, dat de schors bijna geheel verborgen is en de boom er uitziet, alsof hij in een of andere kristalliseerende oplossing ware gedompeld. En niet alleen een enkele boom hier of daar draagt dat kenmerk van de witte mier, maar op menigerlei plaats is het geheele woud zoo gekleurd met donkerroode tunnels en strooken, dat het landschap er een bepaalden toon door krijgt en het effect daarvan, op kleinen afstand, aan het avondrood in een dennenbosch in de Alpen herinnert. Sommige streken zijn natuurlijk gunstiger dan andere voor de operatiën der witte mieren, en hun, die ze alleen maar even aan het werk hebben gezien in Indië of in de lagere districten van Afrika, zal deze bewering overdreven toeschijnen.
Doch over eene reeks van met hout begroeide heuvels op het groote plateau tusschen het meer Nyassa
119
en Tanganyika, heb ik mijlen lang tusschen boomen gewandeld, die zonder uitzondering alle meer of minder van tunnels voorzien waren. Men was daar op eene hoogte van omstreeks 5000 voet boven de zee, en de afstand van den evenaar was ongeveer 9°; doch nergens heb ik eene plek gezien, waar de witte mieren zoo volkomen meester van den toestand waren als hier. Indien werkelijk hier in de hoogste streken van Centraal-A.frika de mierenkoloniën hare grootste ontwikkeling bereiken, dan is dit van groot belang in verband met de geologische en landbouwkundige functie, welke zij schijnen te dienen; want het is j uist hier, waar het den rivieren nog aan genoegzaam water ontbreekt, dat alluvium het meest noodig is; het is hier, dat de nietige hoofdwaters dezer zelfde rivieren de aarde verzamelen, om ze over de verre vlakten en kusten te verdeden; en alhoewel de witte mier zelve geene macht heeft om grond te vormen, zoo kan toch hare tusschenkomst als ontbloo-tend en overbrengend agent niet te hoog geschat worden. Indien dit hare functie is in de huishouding der natuur, dan is het zeer duidelijk dat het insect, aan hetwelk die taak is toegewezen, ook daar geplaatst wordt, waar het deze het best volbrengen kan.
De onmiddellijke invloed van het werk der witte mieren op ontblooting van den grond zal nog sterker uitkomen, als wij cns de uitwerking op deze opeenhoo-ping van aardkluiten en korrels van een gewoon regenseizoen trachten voor te stellen. In de tropische streken geeselen de stortbuien gedurende twee of drie maanden , zij het ook bij tusschenpoozen, de wouden en den grond met een geweld, waarvan wij ons gelukkig geen
120
denkbeeld kunnen vormen. En alhoewel de aardwerken, en in het bijzonder de grootere mierenheuvels, wonderlijk lang weerstand bieden, zijn zij toch niet onkwetsbaar en moeten ten slotte bezwijken. En ondanks de natuurlijke lijm, die de aardkluitjes te zamenhoudt, wordt de geheele bouw weldra zeer broos en stort bij de geringste aanraking ineen. Wanneer nu die aarden buizen in het zomerseizoen in elkaar storten, wordt al die afval door den wind over het land verspreid en strekt op die wijze om den bodem te verbeteren en te verfris-schen. Gedurende de regens wordt het in de beekjes ge-wasschen en voortgestuwd, om met nieuw alluvium de afgelegen valleien vruchtbaar te maken, of naar beneden naar den oceaan gedragen, waar het langs de kustlijn aanslibt. Met evenveel poëzie als wetenschappelijke waarheid beschrijft Herodotus Egypte als „het geschenk van den Nijlquot;. Indien hij heden ten dage geleefd hadde, dan zoude zijn visioen zich nog verder hebben uitgestrekt , en zou hij misschien gezinspeeld hebben op den arbeid der nederige mieren in de woudhellingen bij de Victoria Nyanza.
VI.
Nabootsing.
De wegen van Afrikaansche insecten.
Nabootsing is bedrog in de natuur. In zijne donkerste visioenen van misleiding en humbug onder het menschdom heeft Carlyle gewis niets ontmoet, dat als huichelarij zoo volmaakt was, als de natuurkundige nu in elk tropisch woud ontmoet. Men vindt daar schepselen, niet een enkel, maar duizenden en duizenden, wier uiterlijk, tot het geringste vlekje en plooitje, eene beleediging voor de waarheid is; bij wie elke houding bedacht is en hare bedoeling heeft en wier geheele leven één voortgezette leugen is. Tegenover deze meesterstukken van bedrog zijn de vindingrijkste bedriegerijen der menschen alledaagsch en doorzichtig. Misleiding is niet alleen de groote levensregel in een tropisch woud, maar de eenige voorwaarde er van.
Alhoewel de buitengewone wonderen van nabootsing nu vrijwel aan de wetenschap bekend zijn, hebben nog weinigen de gelegenheid gehad, ze in de natuur te be-
122
studeeren. G-eene studie in de natuurlijke historie hangt echter meer af van waarneming op de plaats zelve; want ofschoon bij enkele nabootsende vormen — deHe-liconidae b. v. — de nage bootste vorm ook een insect is, en de twee soorten thans naast elkaar kunnen gelegd worden, zijn de groote meerderheid van nabootsende insecten navolgingen van voorwerpen in den omtrek, die niet in de kasten van een museum ter vergelijking kunnen geplaatst worden. Behalve dit, is het niet alleen de vorm, maar ook het gedrag van het nabootsend insect, al zijne gewoonten, die moeten worden nagegaan; zoodat museumbijdragen in dit geval geheel nutteloos zijn, zonder de uitvoerigste toelichtingen van den natuurkundige, die alles ter plaatse heeft nagegaan. Ik voer dus geene verdere verontschuldiging aan voor het omschrijven van eenige aanteekeningen betreffende dit onderwerp uit een dagboek, gedurende eene reis in het hart van Afrika — het Nyassa-Tanganyikaplateau — dat nog door geen enkelen natuurkundige beschreven of bezocht is.
Ook voor de oningewijden is dit onderwerp makkelijk te verstaan. Laat mij met eene kleine inleiding over de kleuren der dieren in het algemeen aanvangen. Nabootsing bestaat in de gelijkenis tusschen een dier en eenig ander voorwerp in den omtrek, waarvan het voor het bewuste dier een praktisch voordeel is eene min of meer nauwkeurige kopie te zijn. De gelijkenis mag zich tot elk voorwerp, hetzij bezield of onbezield, uitstrekken. Het mag zich beperken tot kleur, of wel zich ook uitstrekken tot vorm, en zelfs tot gewoonte; maar van deze is de eerste verreweg de belangrijkste.
123
Geslachtskeuze ter zijde gelaten, dient de kleur bij dieren hoofdzakelijk tot twee doeleinden. Zij is of beschermend of waarschuwend. Het doel van het eerste is, het dier onzichtbaar te maken; het doel van het tweede juist het tegendeel — het zichtbaar te maken. Waarom het met sommige dieren de bedoeling kan zijn, zichtbaar blootgesteld te zijn, zal blijken uit het volgende voorbeeld van „waarschuwendequot; kleur. Er zijn twee groote familiën van kapellen , de Danaidae en Acraiedae, die oneetbaar zijn, omdat zich in hun lichaam bijtende en ongezonde sappen bevinden. Deze dieren zouden licht door vogels, apen, hagedissen en spinnen, die alle veel van vlinders houden, opgepeuzeld kunnen worden. Doch het zou eene teleurstelling voor den eter zijn, die zij-ne prooi weer onmiddellijk zou uitbraken, en tevens zou het een onnoodig offer wezen van de zijde der kapel. Derhalve dient de schaduwzij dezer kapellen op eene of andere wijze bekend te zijn en zijn zij dus met bijzondere kenmerken voorzien en onderscheiden zij zich door sterk sprekende teekening en schitterende kleuren, zoodat de vogel, de aap en de overigen in een oogwenk zien wat er van de zaak is. Deze bezielde gevaarsignalen fladderen gerust door de wouden met de grootste onverschilligheid , in het helderste daglicht, waarbij iedere beweging vertrouwen en zelfgenoegzaamheid teekent, terwijl hunne donkere/ broederen, in vreeze voor hun leven, door de opene vlakten m\'oeten ijlen. Om dezelfde reden zijn welgewapende of stekende insecten altijd zichtbaar versierd met waarschuwende kleuren. Zoo zijn wespen daarom zoo opzichtig mogelijk gemaakt, opdat men ze dadelijk zoude zien en zorgvuldig vermijden.
124
Dezelfde wet is toegepast op bijen, waterjuffers en andere opzichtige vormen, en het mag als een regel worden beschouwd, dat alle vroolijk gekleurde insecten tot een van beide dezer klassen behooren: dat zij of slecht om te eten zijn, of wel dat zij steken.
Nu is het een merkwaardig feit, dat al deze schitterende en ongezonde schepselen zeer nauwkeurig worden nagebootst in hun uiterlijk door andere schepselen, die niet door scherpe sappen worden beschermd , maar welke dus denzelfden vrijdom deelen. Dat dit gevallen van nabootsing zijn, blijkt uit verscheidene overwegingen, waarvan niet de minst treffende is, dat menigmaal een van beide geslachten beschermend gekleurd is en niet de andere.
De schitterende kleuren van vergiftige slangen worden somtijds door natuurkundigen opgevat als een waarschuwing, maar de bijzonderheden aangaande de kleuren der kruipende dieren zijn nooit uitvoerig aan het licht gebracht. De moeilijkheid werpt zich op, dat indien met het sprekend geel en oranje van sommige slangen bedoeld wordt, om voor gevaarlijke dieren te waarschuwen, hetzelfde in het oog loopende voorkomen de dieren, op welke de vergiftige dieren azen, zoude behooren te waarschuwen , zoodat wanneer men op slangen jaagde, een opzichtig vel haar tot groot voordeel zoude zijn, terwijl daarentegen, wanneer zij zelve op de jacht gaat, het haar tot groot nadeel is. Doch wanneer men op de plaats zelve nagaat op welke wijze de slang werkelijk jaagt, dan wordt het duidelijk, dat juist de levendige en bijzondere kleuren in de meeste gevallen dienen om haar in het verschuilen behulpzaam te zijn.
125
Een van de fraaiste en meest versierde van alle kruipende dieren is de pofadder. Dit dier, welks beet doode-lijk wordt, is van drie tot vijf voet lang en ongeëvenredigd dik, daar het in sommige deelen bijna even dik is als het onderst gedeelte van de dij. Het geheele lichaam is versierd met vreemde groene, gele en zwarte ornamenten, en in een museum liggende, lokken zijne schitterende kleuren zeker iedereen tot zich. Doch in de natuur heeft de adder een geheel anderen achtergrond. Het is hoofdzakelijk een boschdier, dat onder de gevallen bladeren, in de diepe schaduw der boo men, bij den rivieroever thuis behoort. In zulk een houding nu, op een afstand van een voet of twee, is zijn uiterlijk zoo volkomen één met den boschgrond, dat het er niet van .te onderscheiden is.
Op zekeren dag wilde ik juist onder een boom gaan liggen, om wat uit te rusten, toen ik eerst de plek eens onderzocht en een eigenaardigen vorm tusschen de bladeren ontdekte. Verschrikt deinsde ik terug, toen ik een adder van de grootste soort ontdekte, welks dikke rug alleen slechts zichtbaar was en welks klauwen een paar duim van mijn gezicht af waren, toen ik mij bukte. Het dier lag verborgen tusschen gevallen bladeren, waarmede het zoo bedriegelijk overeen kwam , dat, zonder de gewone voorzorg, die bij het reizen in Afrika eene gewoonte wordt, ik er stellig op ware gaan zitten; en als men zich op een pofadder nederzet, heeft men ook voor het laatst gezeten. Mij dunkt, dat deze kleur van de adder meer beteekent dan waarschuwen, en dat zijne zoogenaamde slaperige houding niet altijd rust bedoelt. Dit gedierte lag in zijn volle lengte tusschen de verdorde
126
bladeren verborgen. Nu behoort het tot de eigenaardigheid van de pofadder, dat ze achteruit slaat. Op den grond liggende, voert ze als het ware bevel over de ge-heele achterhoede, en zoodra eenig deel wordt aangeraakt, keert de kop zich met onbeschrijfelijke snelheid naar achteren, en wei-pen zich de vergiftige vangers op hun slachtoffer. De pofadder vormt aldus een soort van afschuwelijken valstrik in de wouden, die onopgemerkt blijft, totdat zij met een plotselingen sprong haar prooi grijpt.
Doch dat de hoofdfunctie der kleur bescherming beoogt , blijkt uit de eenvoudigste waarneming van het dierlijk leven in elk deel der wereld. Zelfs onder de grootere dieren, welke men zou mogen onderstellen, dat onafhankelijk van bedrog zijn en wier voorkomen, behalve op hunnen geboortegrond, overal een geheel tegenovergestelde theorie doet vermoeden — zelfs onder hen is de kleurenharmonie met de omgeving altijd min of meer treffend. Wanneer wij b. v. de huid van een zebra bezien, met dat donder-en-weerlicht-patroon van zwarte en witte strepen , zouden wij meenen, dat zulk een zichtbaar voorwerp eerder de aandacht zou lokken dan afleiden. Doch de uitwerking in de natuur is juist tegenovergesteld. Het zwart en wit ontnemen daaraan geheel en al het begrip van een vast lichaam; de twee kleuren schijnen samen te smelten tot een grijs, dat de aandacht niet trekt, en van nabij bezien, is het een effect als van lichtbundels, door het struikgewas gezien. Het is mij zelf in het woud gebeurd, dat ik stellig slechts één eenzame zebra meende te zien, en wel omdat het dier door zekere beweging, ten gevolge van mijn naderen, zijn
127
bijzijn verried, en plotseling ontdekte ik, dat ik omringd was van een geheele kudde, die voor mij volkomen onzichtbaar bleef, totdat zij zich bewoog. De onbewegelijkheid van wild in het veld, wanneer het gevaar nabij is, is alom bekend , en ieder jager weet, hoe moeilijk het is om zelfs de grootste dieren te treffen, al staan zij ook vlak tegenover hem. De tijger, welks strepen in het oog vallend \'t riet van het struikgewas waarin hij loert, nabootsen, wordt nergens in Afrika gevonden; maar zijn mooie neef, de luipaard, komt in groot aantal in deze wouden voor, en zijn gevlekte huid brengt hetzelfde begrip van vaagheid te weeg als in het geval van de zebra. Het nijlpaard schijnt het diepe water der rivieren, waar het \'t grootste gedeelte van zijn tijd doorbrengt, een voldoende bescherming te achten ; maar de krokodil wordt wonderbaarlijk verborgen door zijne geschubde modder-kleurige huid, en het is dikwerf geheel onmogelijk op eenigen afstand te zeggen, of de voorwerpen, die langs de rivier liggen, alligators of gevallen blokken zijn.
Doch verreweg de wonderbaarlijkste voorbeelden van een beschermend tooisel worden daar gevonden, waar het bedrog van den vorm gepaard gaat met dat van de kleur, en hierop alleen is de uitdrukking van nabootsing in den strikten zin des woords toepasselijk. De trap van ingewikkelde volmaaktheid, welke de nabootsing in een ongestoord en tropisch land als Centraal-Afrika bereikt heeft, is zoo verwonderlijk en \'ongeloofelijk, dat men aarzelt om te vertellen wat de oogen hebben aanschouwd. Voor ik naar Afrika vertrok, was ik natuurlijk bekend met de verslagen over nabootsende insecten, te vinden in de werken van Bates, Belt, Wallace en andere natuur-
128
kundigen; doch geenerlei beschrijving bereidt iemand het allerminst voor op de verrassing die hem wacht, wanneer hij voor het eerst deze dingen in de natuur ontmoet. Mijne kennismaking daarmede had plaats aan de oevers van het Shirwa-meer — een van de kleinere en minder bekende onder de Afrikaansche meren — en ik zal het relaas nauwkeurig meedeelen, zooals ik het in mijne aanteekeningen vind. Op zekeren dag had ik mij tus-schen hoog, droog gras neergezet, toen een mijner manschappen plotseling uitriep : „chirombo !quot; „Chiromboquot; beteekent een of ander oneetbaar dier in het algemeen, en ik zag naar alle kanten, waar zich het dier bevond. De inlander wees op mij. Ik kon niets zien , maar hij kwam naderbij, en naar een bosje hooi wijzende, dat op mijn jas gevallen was, herhaalde hij; „chirombo!quot; In de meening dat het een of ander insect moest zijn , dat tusschen het hooi zat, nam ik het in mijne vingers, bekeek het, en zei hem scherp, dat er hier geen „chiromboquot; was. Hij lachte, en opnieuw naar het hooi wijzende, riep hij: „Moio!quot; — „\'t Leeft!quot; Het hooi zelf was de chirombo. Ik overdrijf niet, wanneer ik zeg dat het bosje hooi niet meer op een insect geleek dan op mijn barometer. Ik was vast besloten mij nooit door een dier nabootsende misleidingen te laten foppen, en was ongeloovig genoeg , om te vermoeden dat de beschrijvingen van Wallace en van de anderen wat heel sterk gekleurd waren; maar ik beken oprecht dat ik volkomen bekeerd en geslagen werd door den allereersten nabootsenden vorm, dien ik zag. Het was een van die zeer merkwaardige familie der Phasmidae, doch stellig kon nergens in de natuur zulk een ander schepsel zijn. Neem
129
een paar duim gedroogde, gele grasstengels, zooals men er gebruikt om door de steel van een pijp te halen; neem dan zes andere stengels, bijna even lang en een vierde zoo dik, buig ze allen in \'t midden, in welken hoek gij wenscht, steek ze in drie tegenovergestelde paren, op welken hoek gij verlangen mocht, op den eersten grasstengel den beste, en ge hebt mijn chirombo.
Wanneer ge hem vangt, zijn zijne ledematen aan eiken hoek ineengedraaid, alsof het geheel gemaakt is van één langen stengel van het fijnste gras, dat op een dozijn plaatsen gedraaid, en dan zacht saamgedrukt is tot een wanordelijken hoop. Heeft hij eenmaal een stand aangenomen, dan beweegt of wijzigt hij, ten gevolge van een wonderbaarlijk instinct, nooit een zijner vele hoeken, zelfs geen halven graad. De wijze, waarop dit insect de oogverblinding volhoudt, is inderdaad even verwonderlijk als de nabootsing zelve; gij moogt het naar alle kanten keeren en wenden: het is en blijft louter gedroogd gras, en niets zal het er toe brengen, om door het flauwst vermoeden eener spontane beweging zijn verwantschap met het dierenrijk te bekennen. Al zijne familieleden hebben deze macht om zich dood te houden; maar hoe zulke uitgemergelde en vochtlooze geraamten u in den waan kunnen brengen, dat zij in leven zijn, is het wezenlijke geheim. Deze I\'hasmiclaa zien er meer uit als geesten dan als levende wezens, en zoo taai zijn zij, dat, als men ze voor de verzamel-doos tracht te dooden, de sterkste kneep tusschen vinger en duim niet meer vat op hen heeft dan dit op staaldraad zoo hebben. Men dient ze dus tegen eene of andere harde zelfstandigheid half te verpletteren, voor
9
130
het weinigje leven dat zij hebben, aan de wetenschap geofferd is.
Ik onderzocht na deze nog vele duizenden Phasrnidae, Mantidae en andere nabootsende vormen, en stellig is er in de natuur geene merkwaardiger of belangwekkender studie. Deze grasstengel-insecten leven uitsluitend tusschen het lange gras, dat in de bosschen veelvuldig voorkomt en dikwerf eene hoogte van acht of tien voet bereikt. Gedurende drie vierendeels jaars krijgt het door de zon eene stroogele kleur, en zijn al de insecten eveneens gekleurd. Alhoewel geel de grondtoon van dit gras is, heeft men veel afwisseling daarbij, voornamelijk tegen de laatste helft van het jaar. Of zij zijn hier en daar met rood en bruin getint, gelijk de herfstkleuren in Europa, of zij zijn gestreept en gevlekt met zwarte of andere merkteekenen, die het naderend verval aankondigen. Al deze verschijnselen worden nauwkeurig door de insecten nagebootst. Om de misleiding volkomen te maken, stelt bij sommigen de antennae grassprietjes voor, die dikwerf een tot twee duim lang zijn en aan het eind van het lichaam, een aan eiken kant, uitsteken, gelijk grashalmen aan het eind van een stengel. De lievelingshouding dezer insecten is een grashalm vast te klampen, alsof zij tegen een paal klauterden; dan wordt het lichaam tegen den stam gedrukt en in positie gehouden door de twee voorpooten, die zoo ver naar voren zijn uitgestrekt, dat zij ééne lange lijn met het lichaam vormen, en zoodanig met den stengel vereenzelvigd zijn, dat zij er als \'t ware een deel van uitmaken. De vier andere pooten staan in stijve houding, terwijl de voelhorens van boven zijn opgericht.
131
Wanneer een dezer insecten naar een nieuwen grasstengel springt, verdwijnt het als \'t ware plotseling voor uwe oogen. Het blijft daar volkomen stijf, als een samenstellend deel van het gras zelf, met zijne lange ledematen even krom en vertakt als gedroogd hooi, geheel hetzelfde in kleur, hetzelfde in fijnheid, en onmogelijk te ontdekken. Deze halmen zijn, evenals ledematen en lichaam, afwisselend gekleurd in overeenstemming met jaargetijden en gewoonten. Wanneer het gras met de herfsttinten prijkt, zien zij er eveneens uit; de kleuren doorloopen menige schakeering, van het zuivere schitterende rood, zooals de vinnen eener baars, tot de diepere donkerroode kleuren, of het donkere goud van port. Doch een nog zonderlinger feit blijft ter vermelding over. Na het regenseizoen, wanneer het nieuwe gras met zijne levendige kleuren opkomt, schijnen deze insecten van verdord gras alle te verdwijnen. Hunne kleur zou hun nu niet meer tot bescherming dienen, en hunne plaats wordt ingenomen door andere insecten, die even groen als het nieuwe gras zijn. Of dit nieuwe insecten zijn of dezelfden in lentekleedij, weet ik niet, maar ik zou denken, dat zij te zamen eene verschillende bevolking uitmaken, daar waarschijnlijk het gansche vroegere geslacht bij het einde van den zomer volledig is.
Behalve de insecten die gras nabootsen, is er een andere groote klasse, die takken, stokjes en kleinere twijgjes nabootst. De algemeenste van dezen is een wandelende twijg, drie of vier duim lang, schijnbaar met mos bedekt en geheel en al met stof bevlekt, gelijk de echte tak. De nabootsing van schors is een van cis grootste misleidingen in do natuur; de fijne bestree-
132
ping en de stoffige vlekken zijn nauwkeurig weergegeven , terwijl de verdeeling van het lichaam de knobbelige overgangen met verwonderlijke juistheid vertoont. Bij het vinden van een dezer insecten heb ik dikwerf een takje van een boom in de nabijheid afgesneden en de twee ter vergelijking naast elkaar gelegd; en wanneer beiden gedeeltelijk bedekt zijn door de handen , zoodat men slechts het gedeelte van het insectenlichaam ziet, dat geene ledematen heeft, dan is het onmogelijk om het eene van het andere te onderscheiden. De gewrichten der ledematen in deze wormen zijn knobbelig, opdat zij knobbels zouden schijnen, en de karakteristieke houdingen van het insect dragen er allen toe bij om de misleiding nog te versterken.
Eene met nog grooter zorg bewerkte reeks van wormen zijn die, welke bladeren voorstellen. Zij behooren voor het meerendeel tot de Mantis en sprinkhanen-soorten, en ■ men vindt ze in alle vormen, grootten en kleuren,. die het gebladerte in lederen graad van groei, rijpheid en verval nabootsen. Sommigen hebben het blad op hunne breede vleugelschilden in levendig groen gestempeld, met aderen en middelste vezels, en met merkwaardige uitzettingen over de borst en langs al de ledematen , ten einde kleinere bladen na te bootsen. Ik heb herhaalde malen deze wormen in het bosch niet alleen met het levende blad vergeleken, maar ook met verschrompelde, verkleurde en verdorde bladeren , en inderdaad zijn de nabootsingen der verdorde herfstbladeren even talrijk en sterk als die van den levenden worm.
Mosplanten en paddestoelen worden eveneens voortdurend door insecten tot model gekozen, en vermoedelijk is
138
er niets in het plantenrijk, hetzij knoest, uitwas, noot, stof, schaal, doom of schors, dat niet zijn levende tegenpartij in een of anderen dierlijken vorm heeft. De meeste motten, wormen, kevers en in het bijzonder de larven-vormen, worden min of meer door nabootsing beschermd; en eigenlijk is bijna de geheele bevolking der tropen , hetzij op bekende of onbekende wijze, schuldig aan nabootsing. De insecten, die mosplanten nabootsen, zijn zelfs geteekend met zwarte plekjes, die zich als diepten voordoen, welke onregelmatig op den rug voorkomen, of die de anders gevaarlijke symmetrie van de met franje omzoomde zijden verstoren. De bedoeling van deze koolzwarte kenteekenen prikkelde mijne nieuwsgierigheid een poos lang. De eerste die ik zag, was een specimen ran zonderlinge en zeldzame Har pax cellaria, welke op het vuur in het kamp geworpen was, zich vastklampende aan een met mosplanten bedekt blok. Zoo uitmuntend werd de schijn bewaard, dat zelfs de inboorlingen misleid werden, totdat de schuldige zijne ware hoedanigheden verried door zijne gaasachtige vleugels op te lichten.
Doch het zou te wijdloopig worden, om al de verschillende wegen van deze aartsbedriegers te volgen, en ik zal mij alleen bepalen tot een anderen nabootsenden worm, die, wat weloverdacht pharizeïsme betreft, de kroon spant van alle kruipendeen vliegende voorwerpen. Het allereerst zag ik dien aartsleugenaar op het Tanga-nyika-plateau. Ik had een week, lang, zonder mij van een plek te verwijderen , mij in de verdroogde bedding eener rivier opgehouden, want dit is de eenige manier om er achter te komen wat er wezenlijk in de natuur omgaat. Een troonhemel van bladeren was boven mijn
134
hoofd gespannen , waarin vele vogels huisden, en de granietsteenen van het droge stroombed, evenals langs de oevers, waren met witte uitwerpselen dier vogels bezaaid. Op zekeren dag zag ik tot mijne verbazing een van deze plekjes zich bewegen. Het was een eenvoudige witte spat op den steen , en toen ik naderbij kwam, bespeurde ik, dat ik mij vergist moest hebben ; het was onmogelijk, en nu was het ding ook volmaakt onbewegelijk. Doch ik had het stellig zich zien bewegen en ik raakte het aan. Het was een dier. Ontegenzeggelijk was het zoo dood als een steen, op het oogenblik dat ik het aanraakte; maar men kent al heel spoedig deze fopperijen en ik gaf het een minuut of twee om levend te worden, terwijl ik er vlug eene schets van nam, voor het geval dat het door den steen mocht verdwijnen , want in dat land van wonderen weet men wezenlijk nooit wat er nog gebeuren kan.
Hier was het wit gedruppel van een vogel plotseling levend geworden en bewoog zich over een rots; en nu was het weer eenvoudig vogelvuil, en toch had ik als Galileo willen zweren, dat het zich bewogen had. Daartoe kwam het echter niet, en ik begon al te vreezen dat ik ten slotte gefopt zoude zijn, toen ik mij naar den anderen kant omwendde. Zoo een of ander ongeloovige nu nog mocht willen volhouden, dat dit vogelvuil was, dan laat ik zulk een vogelspat met zes ledematen, een kop en een verdeeld lichaam aan zijn oordeel over. Het dier oprichtende, dat gedurende deze gansche proefneming geen teeken van leven vertoonde, ging ik een paar stappen achteruit en wachtte af wat er gebeuren zou. Het lag onbewegelijk op den steen; geene lede-
135
maten, geen kop, geene voelers, niets was er te zien clan een vlakke witte plek, zoo als men er precies eene krijgen kan met eene plek witte kalk. Nu bewoog het zich en de plek zou langzaam tusschen de steenen verdwenen zijn, zoo ik den bedrieger niet gegrepen en voor mijne verzameling gevangen genomen had. Na dezen keer zag ik, alles bij elkaar genomen, nog een dozijn van deze insecten. Zij hebben omtrent de grootte van een kwartje, zijn iets meer ovaal dan rond, en zoo wit als een sneeuwvlok. Deze blankheid hebben zij te danken aan een aantal kleine bundels van fijn dons, die uit bijna onzichtbare verhevenheden op den rug voor den dag komen. Het is een franje van dergelijke bundeltjes op zijde, die ook den rand zoo bedriege-lijk op een plasje doet gelijken. De benedenzijde van het lichaam heeft in het geheel geene bescherming. De ledematen zijn louter draden, en de beweging van het insect is langzaam en eentonig, met herhaalde tusschen-poozen, ten einde de geheele omgeving aan zijnen on-bezielden toestand te doen gelooven. Tenzij nu dit insect met zijne kleur en gewoonten niet beschermd wierd, zou het eenvoudig geen kans hebben, om in het leven te blijven. Het ligt onbevreesd blootgesteld op de naakte steenen gedurende de helderste uren van den tropischen dag, een tijd waarop bijna ieder ander dier zich schuil houdt. De echte vogeldroppels liggen op de steenen in \'t rond en wanneer men nu de\'twee bij elkaar ziet, is het moeilijk te zeggen, of men het meest getroffen is door de oorspronkelijkheid van het denkbeeld, dan wel door de buitengemeene stoutmoedigheid, waarmede de rol volvoerd wordt.
136
Het zal uit deze korte aanteekeningen duidelijk worden, dat nabootsing niet een toevallig of zeldzaam verschijnsel is, maar dat zij onafscheidelijk deel uitmaakt van de huishouding der natuur. Het is niet eene toevallige betrekking tusschen eenige voorwerpen, maar een zoo ver uitgestrekt stelsel, dat waarschijnlijk het geheele dierenrijk er min of meer in begrepen is.
Men mag het ook voor zeker aannemen, dat een zoo alom verspreid en welgeslaagd plan gegrond is op een of ander gezond nuttigheidsbeginsel. Dat beginsel, dunkt mij, is waarschijnlijk zijne spaarzaamheid. De natuur doet alles zoo eenvoudig mogelijk, en met de geringste uitgave van materiaal. Ga nu eens de ontzaglijke besparing van spieren en zenuwen, van instinct en geestkracht na, door het leven van een dier afhankelijk te maken van lijdelfjkheid in plaats van werkzaamheid. In stede van weg te moeten loopen, heeft het dier zich eenvoudig stil te houden; in stede van te moeten strijden, heeft het zich slechts te verschuilen. Geene wapenrusting is er noodig, geen krachtige spieren, geene machtige vleugelen.
Eenige vlekjes verf, een kleine vervorming van borst en buik, eene vlugge wending van antennae en ledematen, en de zaak is in orde.
Bij de eerste openbaring van al deze merkwaardige huichelarij is men geneigd het geheele stelsel als laf en valsch te brandmerken. En hoe die schepselen u ook door hunne slimheid treffen, maakt gij u toch nooit geheel van de gewaarwording los, dat er iets niet in den haak is, iets zedelijk ongezonds\'. Ook de evolutionist is geneigd, om de nabootsende soorten in het algemeen te
137
beschuldigen, dat zij de harmonieuse ontwikkeling van hun natuurkundig lijstwerk veronachtzamen en door eene goedkoope en onedele uitvlucht den bepaalden strijd om het leven ontwijken Doch is dit zoo? Zijn de aes-thetische bestanddeelen in de natuur zoo ver beneden de werktuigelijke? Zijn kleur en vorm, bedaardheid en rust, zooveel minder belangrijk dan de specialisatie van eenvoudige functie of uitmuntendheid in de krijgskunsten? Is het niets, dat, terwijl in sommige dieren de vermommingen er toe leiden om meer en meer volmaakt te worden, de vermogens om die te doorgronden, in andere dieren voortdurend geslepenheid en macht moeten doen toenemen? En is het, alles wel beschouwd, niet beter, een levende hond dan een doode leeuw te zijn?
VIL
Een aardkundige schets.
Uit het werk der verschillende onderzoekers, die in Afrika zijn doorgedrongen, is het nu zeker, dat het binnenland wordt ingenomen door een uitgestrekt plateau van 4000 tot 5000 voet boven den waterspiegel. In vijf afzonderlijke streken — in het noordoosten, in Abyssinie, in de Massi-streek, op het Tanganyika-plateau en in het binnenland van Benguela — bereikt dit plateau een hoogte van ruim 5000 voet, terwijl het naar de kusten, door hare geheele lengte heen, zoo oost- als westwaarts, met groote eenvormigheid tot een lager plateau afdaalt , met eene hoogte van 1000 tot 2000 voet. Dit lagere plateau wordt eveneens met groote eenvormigheid langs beide kustlijnen opgevolgd door oever- en delta-vlakten, met een gemiddelde breedte van de zee van omstreeks 150 mijlen.
139
De afdeeling, die ik u ga beschrijven, wanneer men Afrika van de Zambesi binnen komt en doordringt tot het Tanganyika-plateau, loopt beurtelings langs elk dezer streken : de quot;kuamp;tgordel, het lagere tafelland, het groote algemeene plateau des lands en de derde of hoogste verheffing van het Tanganyika-tafelland. Het is gewis ondoenlijk, gedurende een eenvoudigen onderzoekingstocht zulk een uitgestrektheid geheel en al te behandelen; ik geef hier dan ook slechts in het ruwe de uitkomsten aan, van hetgeen niet meer dan een vluchtig overzicht was.
De eerste en eenige geologische trek, om de eentonigheid van de wortelboom-moerassen en lage grasvlakten van den kustgordel te breken, zijn de overblijfselen van een oud koraalrif, versierd met sponsen en andere organismen. Dit rif ligt aan de Qua-Qua-rivier, een weinig boven Mogarrumba, en omtrent vijftig mijlen van de zee. Het heeft een kleine uitgestrektheid, ligt op geringe hoogte boven den zeespiegel en kan , op zichzelf beschouwd, alleen bogen op een niet zeer belangrijke verheffing van de kuststreek. Een twintigtal mijlen verder binnenwaarts en nog slechts weinige meters boven den zeespiegel, vertoont zich eene .onzichtbare verhooging , uit gezonken rotsen bestaande. Deze gordel kan, zoo ten noorden als zuiden, opgespoord worden , en een schrale sectie vindt men in de Zambesi-rivier, eenige mijlen van mevrouw Livingstone\'s graf te Shupanga. Genoemde rotsen, die alleen zichtbaar zijn wanneer de Zambesi zeer laag is, bestaan uit eenige schrale beddingen van roode en gele zand-steenen, met tusschengevoegde, kleihoudende zand-
140
steenen en fijne vermengingen. Bezonken rotsen, in ongeveer dergelijke betrekking, worden minstens zoo ver noordelijk als Mombassa gevonden boven Zanzibar, en zoo ver zuidelijk als de Kaap; en het-is waarschijnlijk, dat het geheels plateau van \'t binnenland door dezen nauwen gordel is omzoomd. Geene organische overblijfselen zijn er gevonden in dit noordelijk deel van Natal, maar de fossielen der kaapbeddingen mogen eenig licht daaromtrent verspreiden. Vermoedelijk met deze rotsen verbonden zijn de groote koolbeddingen, welke, naar men weet, eenigen afstand de rivier op, in de buurt van Sette bestaan.
Op korten afstand boven de samenvloeiing van de Shiré-rivier met de Zambesi beginnen de eerste heuvelen van het plateau vrij plotseling. Zij komen voor in onregelmatige afzonderlijke massa\'s, en verschillen van 108 of 200 tot 2000 voet in hoogte. Die, welke ik onderzocht heb, bestonden geheel uit een zeer wit kwartz — het eenige kwartz , mag ik wel zeggen, dat ik ooit in oostelijk Centraal-Afrika heb gezien. Aan den voet van den meest uitstekende dezer heuvelen — die van Morum-balla — ontspringt eene heete bron, welke Livingstone reeds in zijn „Zambesiquot; beschreven heeft. Heete bronnen zijn niets ongemeens in andere deelen van het vasteland, en men vindt er verscheidene aan de oevers van het meer Nyassa. Dezen zijn alle van de eenvoudigste soort, en ofschoon de warmtegraad hoog is, laten zij geenerlei afzetsel achter, waaruit haar scheikundig karakter zou op te maken zijn.
Twee of drie dagreizen noordelijk en westelijk van Morumballa, tusschen de heuvelen die de vallei der Siré
141
omzoomen, geeft Livingstone eene plek op zijne schetskaart aan, waar steenkool gevonden is. Na den omtrek met eenige zorgvuldigheid te hebben onderzocht en de stammen in het verhoor te hebben genomen, kwam ik tot het besluit, dat Livingstone, in dit geval, zich vergist moest hebben of slecht ingelicht was geworden. Ontegenzeggelijk vertoont zich daar eene zwarte rots , maar na zoowel deze, als al de donker gekleurde in de buurt onderzocht te hebben, bevond ik , dat zij alle zonder onderscheid van vulkanischen oorsprong waren. Een zeer donker dioriet was waarschijnlijk de rots, welke, op een afstand gezien, bij vergissing voor steenkool was gehouden, want geen der inboorlingen langs de geheele lengte der lagere Shiré had ooit gehoord van „eene zwarte rots die branddequot;. Doch verder binnenwaarts aan de Zambesi komt steenkool zeker voor; terwijl meer naar het zuiden de Natal- en Transvaal-steenkolenvelden nu welbekend zijn.
Bij deze gelegenheid maak ik ook melding van een kleine steenkolenbedding, die verbonden is met een schijnbaar verschillende rotsenreeks en welke vooral van belang is, omdat zij zich in het verre binnenland bevindt. Op den westelijken oever van het Nyassa-meer, op ongeveer 10 graden zuiderlengte, vond eenige jaren geleden een eenzame onderzoeker, die in die streek doordrong om naar goud te zoeken, steenkool. Het gewicht van zulk eene ontdekking, een kolenmijn aan de oevers van een der groote binnenlandsche wateren van Afrika, kan niet te hoog geschat worden; en wijlen de heer James Stewart, die zulk eene belangrijke taak voor Afrika\'s aardrijkskunde volvoerd heeft, stelde een bijzonder onderzoek
142
naar die plek in. Ook ik onderzocht haar zorgvuldig, en moet eenigszins verschillen met den heer Stewart in zijne geologische en economische beschouwingen van de formatie. Naar mijn inzien, kan de Nyassa-steenkool, voor zoover die tot heden bekend is, moeilijk beschouwd worden als van eenig groot economisch gewicht te zijn, alhoewel het geologisch belang van zulk een mineraal in deze streek zeer aanmerkelijk is.
De aardvorming van de groote Afrikaansche plateaux, voor zoover mijne afdeeling van de lagere Shiré tot het Tanganyika-plateau als eenige aanwijzing voor hunne algemeene samenstelling kan gelden, is zóó eenvoudig, dat het met een enkel woord kan worden aangegeven. De geheele streek van de Shiré-rivier, een honderdtal mijlen boven hare samenvloeiing met de Zambesi, omvattende de lagere en hoogere centrale plateaux, de geheele Shiré-hooglanden van de rivier tot de westelijke oevers van het Shirwa-meer, de drie honderd mijlen rotsachtige kust, omzoomende den westelijken oever van het Nyassa-meer, het plateau tusschen Nyassa en Tanganyika voor minstens zijne halve lengte — die geheele streek bestaat uitsluitend uit graniet en gneiss. Het karakter en de verbinding dezer rots blijven met merkwaardige eenvormigheid door deze onmetelijke streek volkomen gelijk. Omtrent de onderlinge evenredigheid tusschen deze beiden was het mij onmogelijk eenige wet te ontdekken. Soms behield het gneiss de bovenhand over eene groote uitgestrektheid, en dan weder het graniet; dan weder wisselden beiden zeer spoedig af. Van kostbare metalen was geen spoor te vinden. Verder op de Zambesi vindt men op meer dan eene plaats bazalt,
143
voornamelijk in de buurt van de Victoria-watervallen. Het eenig duidelijke spoor van vulkanische werking vond ik op mijnen weg aan het uiterst noordelijk einde van het Nyassa-meer.
Afgezien van deze locale ontwikkeling van door het vuur gevormde aardlagen aan het noordelijk einde van het Nyassa-meer, bevindt zich de eenige andere stoornis in de granietreeks der door mij bezochte streek nabij het dorp Karonga. Omtrent een dozijn mijlen van den noord-westelijken meeroever, op den weg naar Tanganyika, na de Rukuru-rivier door een bergpas van granietrotsen gevolgd te hebben, kwam ik tot mijn groote verwondering aan een reeks- opeengestapelde lagen. Aan een bocht der rivier ligt eene fraaie sectie bloot. Zij. liggen tegen de granietrotsen aan, die hier teekenen van verstoring vertoonen, en bestaan uit schrale beddingen van zeer fraaien, lichtgrijzen zandsteen en blauwe en grijze lei, met hier en daar een band van grijzen kalksteen. Na eenige dagen geduldig op deze plek gearbeid te hebben, werd ik hiervoor beloond door de ontdekking van versteeningen. Dit is voorzeker het voorname belang van deze lagen, want het zijn, meen ik, de eenige fossiliën, die men ooit in Centraal-Afrika gevonden heeft. Ééne laag bestond uitsluitend uit een\' massa kleine Lamelli branchiata. Alhoewel zoo talrijk, worden deze fossielen beperkt tot een eenvoudige soort van den Tel-linidae, een familie, die tegenwoordig zeer overvloedig voorkomt in de tropische zeeën, en van even ver dag-teekent als de Oolite. Overblijfselen van planten zijn er schaarsch door eenig riet en gras vertegenwoordigd. Vischschubben in overvloed, doch eerst na veel inspan-
144
ning gelukte het mij twee of drie onvolkomen specimens van de visschen zelve uit te graven.
Met een paar algemeene opmerkingen omtrent de oppervlakte, de geologie en de natuurkundige aardrijkskunde, sluit ik deze aanteekeningen. Vooreerst, wat het Nyassa- en Shirwa-meer betreft, is het zeer te vermoeden, dat zij vroeger een aanmerkelijk grootere oppervlakte hebben beslaan dan tegenwoordig. Shirwa is een bijzonder ondiep meer; alhoewel de oostelijke oevers bergachtig zijn, doet het eerder aan een ontzaglijk moeras dan aan een diep meer denken. Vele mijlen vóór men den oever bereikt, zijn er teekens, dat men de plaats van een vroeger grooter Shirwa-meer overtrekt, dat vermoedelijk eenmaal met het lager einde van het Nyassa-meer verbonden is geweest.
Dat het Nyassa-meer eveneens langzaam opdroogt, blijkt bij het oppervlakkige onderzoek van zijn zuidelijk einde. Daar heeft het reeds achter een kleiner meer — het Pomalombé-meer — een aanmerkelijke plas water gelaten, door welke de Shiré eenige mijlen voorbij trekt, na uit het Nyassa-meer te zijn opgedoken, doch reeds zoo ondiep, dat nergens in het droge jaargetijde de diepte drie vademen overschrijdt. Indien het verzanden van dit meer eenige jaren aanhoudt, zal het dezen stroom, die de intrede van het Nyassa-meer vormt, geheel onbevaarbaar maken, en aldus den prachtigen waterwegsluiten, die nu openstaat van den top van het Nyassa-meer tot den Indischen oceaan, aan den mond der Zambesi.
Betreffende de belangwekkende vraag omtrent den oorsprong van het Nyassa-meer en zijne groote zuster-meren in het hart van Afrika, verstout ik mij niet een
145
oordeel uit te spreken. Geen volger van Ramsay, in zijne theorie van den oorsprong der meren, zoude een volmaakter voorbeeld van een rotsbekken kunnen be-geeren dan dat van het Nyassa-meer. Het is een reusachtige trog van graniet en gneiss, drie honderd mijlen lang, hier en daar meer dan vijftig mijlen breed en zestien honderd voet boven den spiegel der zee, met bergen rondom en soms van een tot drieduizend voet daarboven uitstekend. Het hooge Tanganyika-plateau begrenst het aan den noordelijken oever, en de grootste diepte is juist daar, waar de ijs-theorie hare rechten doet gelden, namelijk aan het bovengedeelte van het meer. Aan den anderen kant geeft de natuurkundige geologie van het land, waarin deze andere meren gelegen zijn; zoowel als de verschillende kenteekenen aan het\'Nyassa-meer zelf verbonden, geen aanleiding tot zulk een opvatting; vermoedelijk is de veronderstelling van Murchison en andere geologisten juist, dat al deze meren, hoe omvangrijk zij ook nog zijn , de overblijfselen zijn van een veel grootere uitgebreidheid water, die zich eenmaal over Centraal- Afrika uitstrek te.
Het eenige andere punt, dat ik even wensch aan te roeren, is het onderwerp der ijswording zelve. Ik kom hierop nadrukkelijk terug, omdat ik heb hooren zinspelen op het aanwezig zijn van ijs-verschijnselen in hot centraal meerdistrict van Afrika. Ik beken, dat die beweringen door mijne waarnemingén niet bevestigd zijn. Toevallig heb ik juist bijzonder gunstige gelegenheid gehad, om de verschijnselen van ijswording in Europa en Noord-Amerika te bestudeeren, en het is mij onmogelijk geweest ergens in het binnenland van Afrika eenige aan-
10
146
wijzing daaromtrent te ontdekken. In het Kafferland, ver naar het zuiden, zijn er kenteekenen, die zonder aarzeling aan ijswording zouden doen denken, doch in oostelijk Centraal-Afrika is er geen spoor van te ontdekken. Ten slotte treft u bij de geologie van Afrika in het bijzonder, dat er in die groote uitgestrektheid, welke voor de wetenschap geopend wordt, geenerlei nieuwe, onbekende macht aan liet werk is.
VUL
Eene politieke waarschuwing.
Toen ik de kust bereikte, om mij, na mijne zwerftochten in het binnenland, naar Engeland in te schepen , legden mij de Portugeesche autoriteiten te Quilimane verschillende officiëele stukken voor, die men mij verzocht te teekenen en waarvoor ik te betalen had , alvorens het mij veroorloofd was, Afrika te verlaten. Daar ik reeds een en ander aan Portugal had moeten betalen om dit land te mogen intrekken, trof mij de tijding dat ik ook betalen moest om er uit te gaan; daar echter geene belasting te hoog kon geacht worden, die mij in staat stelde de laatste der Portugeesch-Oostafrikaansche koloniën te verlaten, stelde ik hun blijmoedig mijn losprijs ter hand. Vóór de zaak geheel door mij werd afgedaan, viel echter mijn oog op zés woorden, die in het oog springend op een der stukken voorkwamen en welke mij onmiddellijk de koorden mijner beurs deden dicht halen. Deze woorden luidden: „Belasting voor verblijf
148
in het binnenlandquot; — zooveel. Nu kon een dag of twee voor het wachten op eene stoomboot doorgebracht, toch moeilijk als verblijf beschouwd worden; evenmin kon een streep van de kustlijn als binnenland worden aangemerkt, zoodat ik het waagde deze onjuistheid onder het oog der Portugeesche overheid te brengen. De zuiver philologische vraag omtrent verblijf ter zijde stellende, ging men regelrecht op den kern der zaak af, door mij mede te deelen, dat de Portugeesche definitie van het woord binnenland stoffelijk geheel verschilde van die van Engeland. Het binnenland, zeide men, bevatte het geheele Afrikaansche land van de kustprovincie van Mozambique, en omvatte onder andere en grootere bezittingen , het niets beduidende grondgebied van de Boven-Shiré, de Shiré-Hooglanden, hetShirwa-en Nyassa-meer. Deze laatsten, zoo verzekerde men mij, behoorden aan Portugal, en daarom paste het mij, wijl ik de bescherming van die aloude vlag aldaar genoten had , de bepaalde som van zooveel honderd reis te voldoen\'.
Alhoewel ik op deze bewering niet geheel onvoorbereid was, kwam mij het denkbeeld, om haar kracht bij te zetten door schatting te heffen, als zulk eene groote nieuwigheid voor, dat ik, alvorens mijne veronderstelde schuld te voldoen , bescheidenlijk inlichting omtrent de volgende punten vroeg:
1. Behoort de omschreven streek wezenlijk aan Portugal ?
2. Wanneer en waar is deze aanspraak door Engeland middellijk of onmiddellijk erkend ?
3. Waar werd in het als zoodanig omschreven binnenland de Portugeesche vlag gevonden?
149
4. Welke bescherming had clie vlag mij of eenigen anderen Europeaan ooit gegeven ?
Daar de antwoorden op deze vragen zeer ontwijkend waren, nam ik het op mij, om de geschiedenis, de aardrijkskunde en de politiek te zuiveren van de vergissingen van dien zwerm van gouvernements-ambtenaren, en vertelde hun het volgende:
1. De omschreven streek behoorde niet aan Portugal.
2. De souvereiniteit was nooit op eenigerlei wijze door Engeland erkend geworden.
3. De Portugeesche vlag werd daar nu evenmin als vroeger ooit gevonden.
4. Geen enkele Portugees had tot heden nog ooit een voet in het land gezet — behalve één, die er voor eenige weken onder Engelsche bescherming was ingebracht. Bescherming was er dus nooit verleend, en kon ook onmogelijk mij of eenig ander verleend zijn. Deze mede-deelingen werden zwijgend ontvangen, en na veel heen en weer loopen bij de „heerenquot;, werd de vertegenwoordiger van John Bull, in plaats van in de gevangenis te worden geworpen, en zijn geweer — zijn eenig wezenlijk geleide door Nyassaland — in beslag te zien genomen, om zijne ingebeelde bescherming te betalen , vrijgesteld van zijne schuld aan Portugal, en heeft hij het onvoldane belastingpapier nog in zijn zak.
Ik kom op dit geval terug, om in allen ernst de vraag op het tapijt te brengen, welke velen op dit oogenblik zooveel belang inboezemt: quot;Wie heeft aanspraak op Centraal-Afrika ? Waarom Afrika niet zoude behooren aan de Afrikanen, heb ik nooit goed kunnen inzien, maar sedert dit vasteland snel verdeeld wordt onder de ver-
150
schillende Europeesche Staten, is het goed, zelfs in Afrika\'s belang, om den aard en de geldigheid dier aanspraken na te gaan.
De betrekking van Portugal tot Afrika is van oude dagteekening en, althans in den aanvang, van eervollen aard. De Portugeezen waren de eersten, die door hunne reizen de aardrijkskunde verrijkten met de kennis van de Afrikaansche kusten, en reeds in 1497 namen zij bezit van de oostkust, door het stichten vaiï de kolonie Mozambique. Alhoewel dit beheer zich in naam uitstrekte van Delagoa baai tot zoo ver in het noorden als kaap Delgado, bepaalde het zich echter tot twee of drie afzonderlijke punten, en omvatte het nergens, behalve aan de Zambesi, meer dan de strook lands, die den Indischen oceaan omzoomt. Aan de Zambesi vestigden de Portugeezen stations te Senna, Tette en Zambo, die op de meest beperkte schaal als zendelings- en handelsmiddelpunten werden gebruikt; doch deze zijn tegenwoordig allen verlaten en verkeeren in groot verval. Het recht van Portugal op de lagere streken der Zambesi, ondanks de volkomen mislukking zijner pogingen om het land te koloniseeren en te besturen, kan nimmer door eenige Europeesche macht betwist worden, alhoewel de Zoeloes, die den zuidelijken oever bewonen, niet alleen weigeren om die aanspraak te erkennen, maar eene jaar-lijksche schatting van de Portugeezen eischen voor hun bewonen van het district.
Niemand heeft nog ooit beproefd, te bepalen hoe ver de Portugeesche aanspraak, die gegrond is op kustbezit, als geldig kon beschouwd worden voor het binnenland; maar dat die niet bevatten kan de streken ten noorden
151
van Zambesi — de Shiré-hooglanden en het Nyassa-meer — is klaarblijkelijk. Deze streken toch werden ontdekt en onderzocht door Livingstone. Sedert dien tijd hebben zich daar uitsluitend Britsche onderdanen neergezet, en heeft men er uitsluitend met Britsch kapitaal gekoloniseerd. Derhalve is de aanspraak van Engeland, al heeft het ook nooit meer dan een moreele aanspraak doen gelden, gegrond op het dubbele recht van ontdekking en bezetting; en indien er sprake was van onderhandeling met de inboorlingen, zou het vermoedelijk bij navraag blijken , dat zulk een voor de hand liggende voorzorg door deze meest belanghebbenden niet vergeten is. Aan de andere zijde bestaan er geene tractaten met Portugal, is er geen enkele Portugees in het land en heeft tot dezer dagen geen Portugees het land ooit gezien. De Portu-geesche grenslijn heeft altijd opgehouden aan desamen-vloeiing met de Chiré van de rivier Kuo, en de politieke grenspaal, welke daar door Chipitula en de rivierhoofden is opgericht, is steeds zoo streng gehandhaafd geworden, dat het geen Portugeesch onderdaan ooit veroorloofd was die van het zuiden over te trekken. In plaats dus van de Shiré-hooglanden te bezitten, is dat juist de streek van waar de Portugeezen het zorgvuldigst uitgesloten zijn.
De reden voor die gedwongen uitsluiting is niet ver te zoeken. Eerst hadden de Portugeezen te veel te doen met hunne steeds wisselvallige neerzetting aan de oevers der Zambesi te behouden, om nog te denken aan het land dat daar buiten lag. En toen hunne oogenten slotte daarop gericht werden, door het welslagen der En-gelschen, werd het hun onmogelijk door den afkeer, dien zij bij de inboorlingen gewekt hadden, ten gevolge
152
van langjarige dwingelandij en wanbeheer, om een invloed uit te breiden, dien men wist, dat voor alle rechten der Afrikanen noodlottig was. Hadden de Portugeezen het brok van Afrika, waarover zij zich reeds het beheer hadden toegeëigend, goed bestuurd, niemand zou hunne aanspraak op zoo veel van het land als zij wijselijk gebruiken konden, betwisten. Maar wanneer zelfs de inboorlingen opstonden en bij macht van wapenen die uitbreiding beletten, dan is het onmogelijk, dat men hun zoude toestaan zich in de hooglanden te vestigen, veel minder nog aanspraak te doen gelden, nu Engeland door een vreedzame kolonisatie en zendingwerk den sleutel tot de harten en handen der bevolking heeft. Bij elke moreele overweging hebben de Portugeezen de toestemming verbeurd, om verder in Centraal-Afrika onheil te stichten. Zij hebben niets voor het volk gedaan sedert den dag, dat zij den voet in het land hebben gezet. Nooit hebben zij den slavenhandel ontmoedigd, maar dien veeleer oogluikend toegelaten; Livingstone .zelf vond de bedienden van den gouverneur van Tette aan het hoofd van een grooten troep slaven. Zij zijn eeuwig in twist geweest met de inlandsche stammen en hebben hun sterken drank leeren drinken. Hunne zendingen zijn mislukt en hunne kolonisatie mag zelfs geen naam hebben.
Het belang, dat Engeland bij dit werelddeel heeft, is oneindig grooter dan eenige statistieke gegevens kunnen aantoonen, maar een ruwe schatting van de tastbare Engelsche belangen zal de noodzakelijkheid voor het Brit-sche gouvernement aantoonen, om zijn uiterste best te doen, ten einde althans te behouden wat daar reeds is.
De gevestigde kerk van Schotland heeft drie veror-
153
clende zendelingen in de Shiré-hooglanden, een geneeskundige, een mannelijk en vrouwelijk onderwijzer, een timmerman, een tuinman en andere Europeanen , en verscheidene inlandsche agenten. De vrije kerk van Schotland aan het Nyassa-meer heeft vier verordende zendelingen — waarvan er drie. doctoren zijn — verscheidene onderwijzers en handwerkslieden en vele inlandsche catechiseermeesters. De hoogeschool-zending bezit een stoomboot op het Nyassa-meer en verscheidene zendingsagenten ; terwijl de Afrikaansche Meer-maatschappij, zooals reeds vermeld is, zoowel op liet Shiré- als Nyassa-meer stoombooten heeft, met twaalf handelsstations, hier en daar in het land gevestigd, en bestuurd door vijf-en-twintig Europeesche agenten. Al deze verschillende agent-, schappen, evenals dat van de gebroeders Buchanan te Zamba, zijn flink voorzien van gebouwen, gereedschappen , wegen, plantages en tuinen; het geheel vertegenwoordigt een kapitaal van niet minder dan 180,000 p. st. De welbekende uitgever van Livingstone\'s dagboeken , de heer Horace Waller, resumeert aldus zijn verslag van deze Engelsche ondernemingen :
„Van de wortelboom-moerassen aan de Kongoné-mon-ding van de Zambesi, naar het verst uiteinde van het Nyassa-meer, komen wij voorbij de graven van zee-offt-cieren, van moedige vrouwen, van een zendingsbisschop, van geestelijken, van vertegenwoordigers van het departement van binnenlandsche zakeri , van doctoren, van wetenschappelijke mannen, ingenieurs en werktuigkundigen. Dit waren allen landgenooten van ons; zij liggen nu in glorierijke graven, hunne loopbanen zijn fundatie-steenen geweest, en weldra zal de kerk daarop verrijzen.
lüi
Britsche zendingsstations werken met hooge drukking in de Shiré-hooglanden en onder verschillend toezicht, niet alleen aan de oevers van het Nyassa-meer, maar ook op zijne eilanden en onder de verwoestende benden, die op de plateaux aan iedere zijde van het meer leven. Tal van inlandsche christenen danken hunne kennis van het geloof aan deze pogingen; reeksen van toekomstige hoofden hebben onderwijs ontvangen in scholen, die over honderden mijlen verspreid zijn; plantages worden aangelegd ; de koophandel ontwikkelt zich langzaam en zeker, eene krachtige maatschappij toont aan de inlandsche stammen, dat er meer kostbare koopwaren in hun land zijn dan hunne zonen en dochters. Dit is het visioen dat Livingstone zag, toen hij , in de laatste jaren zijns levens, zijne landgenooten aanzette, hem naar Afrika te volgen. „Ik heb de deur geopend,quot; zeide hij, „ik stel het in uwe handen,,om toe te zien, dat niemand die achter mij sluite.quot;
De urgentie van die vraag betreffende de Portugeezen moet ons echter niet een ander bijna even belangrijk punt over het hoofd doen zien, namelijk den algemeen Europeeschen en in het bijzonder der Duitschen inval in Afrika. De Duitschers zijn goede, doch arme kolonisten, maar het kan niet gezegd worden, dat zij of eenige andere Europeesche natie, de moreele verantwoordelijkheid van beheer onder de inlandsche stammen zoo ter harte nemen als Engeland wel zou wenschen. En alhoewel zij allen hunne rechten doen gelden op de landen in Afrika, waarvan zij zich de wettige beschermers noemen, zoude het toch voor allen raadzaam zijn , dat deze titels duidelijk bepaald en in internationale wetten erkend wierden, opdat de verschillende machten, hand els vereenigingen en
155
zendingen nauwkeurig weten waar zij staan. De hope-looze verwarring van vreemde machten in Afrika op dit oogenblik kan blijken uit de volgende politieke verdeeling, die de volgorde van bezetting aangeeft langs den Atlan-tischen Oceaan van Gibraltar af tot de Kaap:
Politieke afdeeling van westelijk Afrika.
Spanje........................Marokko.
Frankrijk.......... „
Spanje........................Tegenover de Canarische
eilanden.
Frankrijk....................Fransch Sonegambië.
Brittannië....................Britsch „
Frankrijk....................Fransch „
Brittannië..........- . Britsch „
Portugal......................Portugeesch „
Frankrijk..........
Brittannië....................Sierra Leone.
Liberia......................Republiek van Liberia.
Frankrijk....................Goudkust.
Engeland.......... „
Frankrijk....................Dahomey.
Niet toegeëigend...... „
Engeland....................Niger.
Duitschland..................Cameroons.
Frankrijk....................Fransch Congo.
Portugal......................Portugeesch Congo.
Internationaal..............Congo.
Portugal....................Angola.
„ ....................Benguela.
Duitschland................Angra Pecquena.
150
Walvischbaai.
Oranje-rivier.
Kaap de Goede hoop.
Deze verschillende bezittingen aan de westkust hebben ten minste het voordeel van tot zekere hoogte bepaald te zijn, maar die aan de oostzijde verkeeren, in het bijzonder wat hunne binnenlandsche grenzen betreft, in een volledigen staat van verwarring. Het schijnt hopeloos om het voor te stellen, doch wat inderdaad ver-eischt wordt, is eene internationale conferentie, om titels te onderzoeken, grenslijnen te regelen, grondgebied te bepalen, staten, protectoraten , landen door maatschappijen beheerd en verdere invloedrijke kringen duidelijk aan te geven. Engelands belang in deze moet in hoofdzaak van moreelen aard zijn. Zijn eerzucht naar nieuw grondgebied is sedert lang voldaan, doch er zal stellig een of anderen dag botsing ontstaan, indien op de ver-deeling van Afrika niet nauwlettender wordt toegezien dan nu het geval is.
Als een voorbeeld van de gemakkelijke wijze, waarop uitgebreide landstreken in Afrika worden toegeëigend, wende men een oogenblik den blik naar de intrede, die de Duitschers er pas gedaan hebben. Steunende op onderhandelingen en op eene overeenkomst met Portugal, heeft Duitschland onlangs eene streek in oostelijk Cen-traal-Afrika afgebakend, die zich van de grenzen van den Congo-vrijstaat uitstrekt tot den Indischen Oceaan, en een aanzienlijk grootere oppervlakte beslaat dan het Duitsche keizerrijk. Slechts voor één gedeelte van deze oppervlakte hebben de Duitschers een titel overgelegd,
Engeland. . Duitschland Engeland. .
157
en de wijze waarop deze is verkregen, levert eene bewonderenswaardige bijdrage op voor de moderne manier om land in Afrika machtig te worden. Dit gebeurde aldus :
Vier of vijf jaren geleden sloot Dr. Karl Peters onderhandelingen met de inlandsche hoofden van Usequha, Ukaim, Nguru en Usagara, waarbij hij dat grondgebied voor de maatschappij voor Duitsche kolonisatie verkreeg. De overleden sultan van Zanzibar trachtte zich daartegen te verzetten, maar intusschen had een keizerlijke „schutz-briefquot; uit Berlijn aan de zaak haar beslag gegeven, en kwam er eene Duitsche vloot te Zanzibar aan, welke gereed was, om met kracht van wapenen te handelen. Britannië deed in deze een beroep op Duitschland, en er werd eene commissie voor het bepalen der grensscheiding benoemd, die te Londen bijeenkwam.
Er werd eene schikking getroffen, welke door lord Iddesleigh den 29en October 1S86 werd geteekend en waaraan men behoorlijk uitvoering gaf. De bepalingen van deze Engelsch-Duitsche overeenkomst zijn onlangs openbaar gemaakt in een welingelicht artikel door den heer A. Silva White (Schotsch aardrijkskundig magazijn, Maart 1888), wien ik enkele der bovenvermelde feiten te danken heb.
De bepalingen van de Engelsch-Duitsche overeenkomst laten we hier in zijn geheel volgen , daar de politieke kennis van Afrika niet alleen gebrekkig is, maar de gelegenheid, om die te vermeerderen, eenvoudig niet bestaat. Met het oog op den geest van zich toe te eigenen, die nu onder de Europeesche natiën heerscht, en in verband met onlangs gedane pogingen van Duitschlands zijde ommeer te eischen dan zijn recht toestaat, behoo-
ren de juiste bepalingen van dit contract alom bekend te zijn:
I. Beide machten erkennen de souvereiniteit van den sultan van Zanzibar over de eilanden Zanzibar en Peruba, Lama en Mafia, benevens over die kleine eilanden, liggende binnen een omtrek van twaalf zeemijlen van Zanzibar. Beide machten erkennen ook als des sultans bezittingen op het vasteland eene onafgebroken kustlijn van de monding der Miningani-rivier aan den ingang van de baai van Tunghi (zuidelijk deel van kaap Dolgado) tot zoo ver als Hipini (zuiden vanWito). Deze lijn bevat eene kust van tien zeemijlen binnenlands over den geheelen afstand. De noordelijke grens omvat Kan eu noordelijk Hipini; beide machten erkennen als te behoo-ren tot den sultan van Zanzibar de stations Kisimayu, Brava, Merka en Makdishu (Mdagadoco), ieder met een omtrek land van tien zeemijlen, en Warsheikh met een omtrek land van vijf zeemijlen.
II. Groot-Britannië verbindt zich om deze onderhandelingen van Duitschland met den sultan te steunen. Zij hebben ten doel de verpachting van de tolrechten in de havens van Dar-es-Salaam en Pagani aan de Duitsch-oost-Afrikaansche associatie, op betaling door\' genoemde associatie, aan den sultan van eene jaarlijks gewaarborgde geldsom.
III. Beide machten komen overeen, om een grensbepaling te ondernemen van hunne respectieve kringen van invloed in dit gedeelte van het Oost-Afrikaansche vasteland. Dit grondgebied zal beschouwd worden als begrensd aan het zuiden door de Rovuma-rivier en aan het noorden door een lijn, beginnende aan de monding
159
der Tana-rivier, volgende den loop dezer rivier of van hare schatplichtige wateren, tot het snijdingspunt van den equator met den 38sten graad oosterlengte, en van daar voortgezet in een rechte lijn tot het snijdingspunt van den Isten graad noorderbreedte, niet den 37sten graad oosterlengte. De grenslijn zal loopen van de monding der Wanga- of ümbe-rivier, en een rechten loop volgen tot het meer Jipé (zuidoosten van Kilima-wjaro), langs de oostkust en rondom de noordkust van het meer, door de rivier Lumi, gaande tusschen het grondgebied van Taveta en Chagga, en dan langs de noordelijke helling van de Kilima-wjaro bergreeks en voortgezet in een rechte lijn tot het punt op den oostelijken oever van het Victoria Nyanza-tneer, dat doorsneden wordt door den Isten graad zuiderbreedte.
Groot-Brittannie verbindt zich om geen grondgebied te veroveren, geene protectoraten te aanvaarden, denDuit-schen invloed naar het zuiden in geenerlei opzicht te belemmeren, terwijl Duitschland zich verbindt eene dergelijke onthouding in acht te nemen op het grondgebied naar het noorden dezer lijn.
IV. Groot-Brittannië zal zijn invloed aanwenden, om de uitkomst te bevorderen van een vriendschappelijke schikking betreffende de bestaande aanspraken van den sultan van Zanzibar en de Duitsche Oost-Afrikaansche associatie op het Kilima-wjaro grondgebied.
V. Beide machten erkennen als,aan Wito behoorende de kust, welke zich uitstrekt van het noorden van Kipini naar het noordelijk einde van Manda-baai.
VI. Groot-Brittannië en Duitschland zullen gezamenlijk op den sultan van Zanzibar invloed oefenen, om de
160
algomeene akte van de Berlijnsche conferentie te erkennen , behoudens en met uitzondering van de bestaande rechten van Zijne Hoogheid , als zijn neergelegd in art. 1 van de akte.
VII. Duitschland verbindt zich om de nota te erkennen , den 10 Maart 1862 door Groot Brittannië en Frankrijk geteekend, met betrekking tot de erkenning van de onafhankelijkheid van Zanzibar.
Dit is het eenige stuk, dat waarde kan hebben , en dergelijke Duitsche aanspraken — buiten de hier toegewezen grenzen — als men op de nieuwere Duitsche kaarten ziet voorgesteld, behooren beschouwd te worden als versieringskunst van landkaartenmakers. Door dit welslagen, om zich in Afrika grondgebied te verzekeren, aangemoedigd, en zonder op te houden om hun protectoraat over meer dan eene fractie van de daarin begrepen kleine staten\' te gebruiken of zelfs af te kondigen, zonden de Germanen oogenblikkelijk expeditie na expeditie, ten einde verdere veroveringen in de meer afgelegen en niet toegeëigende districten te maken. Dr. Karl Peters leidde zelf eene groote expeditie, Dr. Jühlke trof schikkingen met de stammen op de afgelegen Somal-kust; en andere onderzoekers brachten zeldzamen en zwaren buit — op papier — naar Berlijn mede. Zoo gaat men met het verslinden van Afrika voort. De sneedjes worden dagelijks dikker, en binnen een jaar of wat zal er geen kruimel van het brood overblijven voor hen , die het nu bezitten. De arme sultan van Zanzibar, die zich heer van het gansche binnenland placht te noemen, ontwaakte na de Londensche conventie uit dien zoeten droom, om te ontdekken dat zijn Afrikaansche koninkrijk bestond uit
161
een strook kustland van tien mijlen breed, welke zich uitstrekt van Kipini tot de Miningani-rivier. Zelfs dit is reeds verkocht of verpacht aan de Engelschen en Duit-schers, en er blijft Zijner Hoogheid niets over dan eenige kleine eilanden.
Sedert Duitschland zijne aandacht op Afrika heeft gevestigd , heeft het niet alleen flink uitgezien naar nieuw grondgebied, maar ook de gelegenheid aangegrepen, om de rechtstitels op zijne andere Afrikaansche eigendommen te onderzoeken en weder in orde te brengen. Wij vinden een nieuw verdrag, gesloten in 1885 tusschen Duitschland en het Britsch protectoraat in de Niger, betreffende de Gameroons; een ander tegen het einde van hetzelfde jaar met Prank\'rijk over hetzelfde onderwerp, en rechten op Malimba en Groot-Batonga verzekerende ; en een derde met Portugal in 1887, hetwelk de grenzen van Angola in het belang van den laatste bepaalt en aan Duitschland toegeeft, als een quid-pro-quo, een erkentenis van de aanspraak der Duitschers — welke Engeland natuurlijk verwerpt — op oostelijk Centraal-Afrika, van de kust tot het zuidelijk einde van Tanganyika en het Nyassa-meer, zoover als de breedte van de Rosruna.
Deze feiten bewijzen de echt politieke werkzaamheid van ten minste één groote Europeesche macht, en bieden Engeland een precedent, dat het althans in één opzicht wel zou doen, van na te volgen. Zijne rechtstitels en die van zekere districten . waarin het is betrokken, zijn niet in zulk een volmaakte orde om de onverschilligheid te rechtvaardigen, die tegenwoordig bestaat, en zijne belangstelling in het land is te ernstig om de prooi te worden van ongewraakte eerzucht, of wel te worden
11
162
prijs gegeven aan een of andere wending van het rad der politiek.
Dank zij voor een zeker deel aan het in beslag nemen door Portugal van de kleine Zambesi-stoomboot, toebe-hoorende aan de Afrikaansche meer-compagnie — onder voorwendsel, dat schepen, op Portugeesche wateren handel drijvende, het eigendom van Portugeesche onderdanen behooren te zijn en de Portugeesche vlag moeten voeren — en aan invloedrijke gezantschappen naar hoofdkwartieren van de zijde van de verschillende zendingen, heeft het departement van buitenlandsche zaken eindelijk do oogen eens geopend voor den stand van zaken in oost-Centraal-Afrika. De aanhechting van Matabeleland zal een reden te meer op het programma zijn, waarmede het te hopen is, dat de Engelsche regeering binnenkort de natie verrassen zal. Doch van grooter beteekenis is, dat genoemd programma vermoedelijk een verklaring bevatten zal, dat de Zambesi is een open rivier, waardoor de tegenwoordige tolgelden afgeschaft of aanmerkelijk verminderd zullen worden. Hoe gewichtig dit ook moge zijn, raken zij slechts van ter zijde de twee verheven Engelsche belangen in Oost-Afrika aan: de opheffing van den slavenhandel en de verschillende zendings- en nijverheidsondernemingen. De warmsten onder de ondersteuners dezer hoogere belangen hebben het pooit gewaagd de regeering er toe aan te zetten, dat Engeland een protectoraat over de boven-Shiré en de Nyassa-dis trie ten zou aanvaarden, maar zij streven, en met alle reden , naar de grensbepaling van een gedeelte dezer streek, als een „kring van Britschen invloed.quot;
Zelfs aannemende, dat de nevelachtige aanspraken
163
van Duitschland eu Portugal op den oostelijken oever van het Nyassa-meer geëerbiedigd worden, dan blijven er nog over de geheele westkust van het meer en de streken van de boven-Shiré, welke onmiddellijk van de Sambesi-rivier bereikt worden, zonder inbreuk te maken op den bodem van eenige meters. Op deze streken wordt voor het tegenwoordige zelfs door niemand aanspraak gemaakt, omdat zij bij elk recht van ontdekking en bezetting reeds Britsch zijn. Het zoude een hoogst straf baaien onvergeeflijk verzuim wezen, indien werd toegestaan, dat op dit groote tooneel van Britsche zendings- en handelswerkzaamheid door een of ander voorbijgaanden reiziger beslag werd gelegd, of wel dat het de eigendom werd van deze of gene Europeesche macht, die\'de pn-beschaamdheid had er hare vlag te doen wapperen. De gedijende neerzettingen, de scholen en kerken, de wegen en handelsstations van westelijk Nyassa-land, zijn allen Engelsch. En toch wordt er geenszins gevraagd, dat Engeland zijne aanspraak daarop zal doen golden, dat Engeland hen annexeeren of hen beschermen zal. Zij, wier inspiration en wier leven deze oasis in de woestijn hebben geschapen, vragen slechts, dat men geen indringer toesta hun werk ongedaan te maken of in luiheid de vruchten daarvan te plukken. Hier althans is één plek op het donkere vasteland, die zuiver en rein gehouden is. Het ligt nu binnen de macht van de Engelsche regeering het voortaan tegenover de geheele wereld als geheiligden grond af te bakenen. Morgen zal het misschien te Iaat zijn.
IX.
Eene meteorologische aanteekening.
De Nyassa-meer-streek van Afrika kent slechts twee seizoenen — het regen- en droge seizoen. Het eerste begint met groote regelmatigheid in de eerste dagen van December, en sluit tegen het einde van April; terwijl gedurende het droge seizoen, dat voor de andere zes maanden volgt, de zon bijna nooit door een wolkje verduisterd wordt. Te Blantyre, in de Shiré-Hooglanden, bedraagt de regenval gemiddeld vijftig duim; teBandamo, aan het Nyassa-meer, rekent men een vrij droog seizoen op 86 duim.
De barometer in tropische streken is veel standvastiger dan op noorder-breedte, en de jaarlijksche afwisseling aan het Nyassa-meer bedraagt slechts ongeveer een halve duim, of van 28.20 duim in November tot 28.70 duim in Juni. De dagelijksche afwisseling is zelden meer dan van een duim.
De gemiddelde tempemtuur te Blantyre, waar de
hoogte omtrent 3000 voet boven den zeespiegel is, bedraagt 50° Fahrenheit, maar het kwik staat tien graden lager, en bij eene zeldzame gelegenheid daalde het 2 graden beneden het vriespunt. Aan het Nyassa-meer, op de halve hoogte van Blantyre, is 85 graden Fahrenheit een gewone toestand voor het midden van den dag in de heetste maand (November) van het jaar, terwijl de gemiddelde nacht-temperatuur van de koudste maand (Mei) is omstreeks 60 graden. De laagst aangeteekende temperatuur op het meer is geweest 54 graden, en de hoogste, alhoewel dit hoogst zeldzaam was, 100 graden Fahrenheit.
INHOUD.
Hoofdst. . Bladz.
5.
Inleiding.
I. De Oostelijk Afrikaansche meerstreek. Dc
meren Shirwa en Nyassa......
II. Het hart van Afrika. Land en volk. . .
III. De hartkwaal van Afrika, zijne ziekteleer en
geneesmiddelen.
IV. Zwerftochten op het Nyassa-Tangaiiyika-pla teau. Het dagboek van een reiziger. .
V. De witte mier. Een theorie......
VI. Nabootsing. De wegen van Afrikaansche in
secten.............
VII. Een aardkundige schets........
VHI. Eene politieke waarschuwing......
IX. Eene meteorologische aanteekening. . .
Uitgave van S. amp; W. N. VAN NOOTEN te Schoonhoven en bij alle Boekhandelaren te ontbieden:
HEUCLUKE DAGEN.
SCHETSEN EN BRIEVEN
van
JOHAN GRAM.
240 bladz. postfonn. Prijs ingenaaid ƒ 2,25. Gebonden in linnen band met vergulden stempels ƒ 2,75,
Men leest in het Daghl. van Z.-H. en \'s-Gr. van den 12./13. Juni 1887:
Er heeft een beminnelijk geschreven boek het licht gezien, een liefelijke oase te midden van de parlementaire lectuur der laatste maanden. Jon. Gram verzamelde de indrukken van zijn laatste uitstapjes naar Italië, Parijs en het Schwarzwald, en biedt die schetsen in zijn bekenden novellistischen vorm, ving en geestig getoetst, den benij-denswaardigen Nederlander aan, die zijn koffer kan pakken om voor een poos het land van doleerenden en andere partijschappen te ontvluchten.
En toch is het niet in do eerste plaats een reisbeschrijving, dat nieuwe voortbrengsel van Gram\'s gladde pen— althans niet in den zin van Baedeker. Men kan van «heuglijke dagenquot; even goed genieten, ook al is men niet van plan, ooit de doOr hem beschreven oorden te bezoeken. 11 ij vertelt van Italië in den geest van Goethe en haalt ook enkele malen diens brieven aan. Men kan er zeker van zijn, dat Gram geen artistiek plekje overslaat. Alleen, hij staat er niet vervelend lang bij stil. I lij toetst ze vluchtig met een enkel geestig woord en kiest voor zijn beschrijving van land en volk bij voorkeur veT\'rassendegenrestukjes, pikant voor een Hollander, omdat de schrijver veeltijds een land van zijn kennis er hij baalt.
De bonte verscheidenheid van reizigers die hij onderweg ontmoet, geven den onderhoudenden causeur telkens stof voor de ondeugendste uitvallen. Zeer fraai geschreven zijn de bladzijden aan Monte Carlo, aan Pisa en Pompeji ge-
wijd. Met een paar trekken teekent hij Parijs, de reis daarheen in den Pulmann-wagen, het bezoek aan hot «ba dc l\'opéraquot;, en de wandeling langs den boulevard. Vooral dit laatste en het bezoek aan de 150 trappen boog wonende bloemschilderes zijn nitnemend geslaagd.
De natuurbeschrijvingen, waartoe de schrijver meerge-le-Tenheid had in het Sclnvarzwald, munten uit door le-vendio-en stijl. Ook hier is Gram wars van gemeenplaatsen. Bij voorkeur merkt hij zaken op of beschrijft personen en toestanden, die een ander niet heeft opgemerkt, enalshij een fraai punt moet beschrijven, dat een toerist onmogelijk onopgemerkt voorbij kan laten gaan, of in de noodzakelijkheid vervalt om een hotel aan te bevelen, doet Gimi bet in elk geval op zeer ongmeele wijze. Het zijn alweer ontmoetingen met medereizigers, gewoonlijk eclite tv pen van toeristen, die den schrijver daarbij tot repous-soir dienen. Met een beminnelijk nans yenc stelt luj die lui vermakelijk oj) de kaak.
Men leze dit echte seizoen-boek. liet is een van de gezelligste reisbeschrijvingen, die in den laatsten tijd het licht zagen.