ELK DEEL IS AFZONDERLIJK VERKRIJGBAAR.
GULDENS-EDITIE.
EEN MISSTAP
DOOR
H. TA1V DER LAAW.
,
\'S-GIIAVENHAGE, QHARLES EWINGS.
DE PRIJS VAN ELK DEEL IS EEN GULDEN.
Kast 189 PI. G NO.48
/
■-
\'
U L D E N S - E D I T l E
Nn. 154.
I.
))Zeven stoelen met paardenharen zittingen.quot;
»Elf dito, met strooien.quot;
»I)rie hanglampen.quot;
»Twee!quot; riep notaris Duppler.
»Drie!quot; — herhaalde de klerk. — Wil ik even gaan hoeren?quot;
»Ben je dol! Schrijf negen voor mijn part.quot;
Het drie van het Concept-Boedelbeschrijving in zake de nalatenschap van Harm Piers Strooband, in leven landbouwer te Hondorp, en diens huisvrouw Saartje Klazes Nyland werd in de akte zonder meer drukte veranderd in een: twee.
Een lamp meer of minder, meende Duppler, kwam hier toch altemaal op \'t zelfde neer, wat de onmogelijke verspreiding aangaat van meerder licht in den verwarden boedel van het echtpaar.
»Vijf tafels.quot;
«Eene beddepan — defect.quot;
»En dat is ze!quot; viel Duppler zijn klerk Gantrok in de rede. — »Harm sloeg er laatsten Pinkster-Maandag zijn Saartje de hersens bijna mede in.quot;
1
V. D. I.AAN , EEN MISSTAP.
EEN MISSTAP.
»Die was ook niet malschwas Gantrok\'s meening. »Lei ze bij duister, \'s avonds , over zijn pad geen plank, waar hij bijna den nek over brak ? quot;
))Ja, zie je, Gantrok,quot; lachte Duppler, »ieder amuseert zich op zijn eigene manier! \'t Echtpaar was wat hardhandig uitgevallen.quot;
»En dan te denken, dat ze vier en twintig jaar zoo met elkaar hebben omgesprongen!quot;
»Alles went, en variatie moet er wezen. Wanneer ze elkander bloedige koppen hadden bezorgd en de vrede weder was hersteld, leefden ze weer als Philemon en z\'n Baucis.quot;
Natuurlijk, de klerk kende die twee gelieven niet, verstond hunne namen gansch verkeerd en dacht aan anderen.
sWaren die twee niet aan den drank?quot; vroeg hij. »En hield deurwaarder Snoek verleden winter geen executorialen verkoop van hun boeltje?quot;
»D\'at ze dronken, is mogelijk,quot; zei Duppler droog, «maaide verkoop moet toch wat langer geleden zijn.quot;
Dan keken beiden weer naar hunne papieren.
«Twee linnenkasten.quot;
«Vier ledikanten.quot;
Hier stoof een ander klerk, Eobert Koning, binnen, de deur wijd openlatend.
«Mijnheer!! Meneer Duppler, m\'n Jaantje is bevallen!quot;
«Wat doet men, als men binnenkomt? quot; vroeg Duppler koel, zonder van zijne inventarisatie op te zien. Koning begreep hem niet dadelijk. De groote gebeurtenis in zijne slaapkamer was het éénige, waaraan hij thans kon denken.
2
EEN MISSTAP.
Gantrok wees met zijn duim over zijn schouder naar de deur. Koning was er nog niet. Hij had verwacht, ook het overige gezelschap dadelijk verrukt te zien bij het hooren van de blijde tijding. De blusschende emmer koud water over zijne blakende opgewondenheid verbluisterde hem een beetje.
»Men sluit de deur gewoonlijkgaf Duppler op denzelfden toon antwoord op zijne eigene vraag.
De verheugde vader keerde naar de deur terug, om ze te sluiten. Dan vervolgde hij op een toon, die vrij wat lagerwas gestemd: »Zoo\'n aardig meisje, Mijnheer Duppler.quot;
»Meisje!quot; zei Duppler ontevreden en hij dacht aan zijn eigene dochters. »Waarom geen jongen ? quot;
Daarop kon Koning echter moeielijk antwoord geven. Toch stamelde hij: »\'t Is niet de schuld van Jaantje.quot;
»Van wie dan?quot; vroeg Duppler en hij moest inwendig lachen. »Maak het een andere keer wat beter met je beiden. Is \'t niet je eerste?quot;
«Tweede, Meneer.quot;
»Ab! n0. twee al. Daar blijft het, hoop ik, bij. Laten jij en Jaantje zich aan het twee-kinderen stelsel houden. Produceer niet meer. Het convenieert je niet.quot;
Koning was alle lust tot verdere uitweidingen over zijn huiselijk geluk vergaan. De atmosfeer was hier wat kil voor een opgewonden mensch. Hij vroeg daarom alleen nog: »Als het u past. Meneer, had ik graag vrijaf vandaag.quot;
»Ja, ja, ja! goed!quot; riep Duppler ongeduldig. En dan, genoeg van de heuglijke tijding hebbend: »Vooruit, Gantrokquot;,
3
EEN MISSTAP.
bij zichzelven denkend: als hij z\'n twaalfde krijgt, zal hij wel scheel zien van chagrijn.
Gantrok was op het punt, weer te beginnen met »vier kachelsquot;, etc , toen eene vrouwelijke bediende aanklopte en binnenkwam.
»Wil Mijnheer zoo goed zijn, even binnen te komen; Mevrouw is weer niet wel.quot;
Duppler stond op en volgde de bediende uit het kantoor.
Johan Duppler was een man van een en zestig jaar, vrij lang en schraal, gewoonlijk in een donker pak, dat hem tamelijk los om het lijf hing en dat hem met de hooge vadermoorders, waar hij eene voorliefde voor bezat, en de grijs en wit gespikkelde zijden das verre van flatteerde. Zijn gelaat vormde bijna een vierkant, geelbleek van kleur, met een bos niet lange, grijzende haren om het hooge voorhoofd en de slapen, haren, die, dik en weerspannig, zich steeds half krullend, niet begeerig zich rustig neer te leggen, handboog verhieven, alsof hij er juist had doorgestreken met zijne beide handen. Euige wenkbrauwen staken ver vooruit over de diepliggende grijze oogen. De punt van zijn neus schoot vrij ver naar beneden, alsof ze wilde dienen tot bolwerk voor de gaten, die wel eenigszins in de schaduw mochten blijven, wanneer men bedenkt, dat Duppler snoof. De groote mond hing wat uit het lood, zat scheef over de breede kin, en wanneer het gehoor moet worden beoordeeld naar de grootte van de ooren, bezat Johan er een, dat Weber hem zou hebben benijd.
Hij was notaris te Horns, in de onmiddellijke nabijheid
4
EEN MISSTAP.
der Noordzee, niet ver van de dijken , een armzalig plaatsje, een klein stadje, waarin, waarbij of waarom ge niets bijzonders vondt dan de geduchte sluiswerken voor de uit-strooming van bet boezemwater.
Er waren er, die in kunstmatige verrukking kwamen over het baksteenen kerkje uit de vijftiende eeuw, lui, ziet ge, die alles bewonderen, wat oud en versleten is, een bedehuisje evenwel, dat, met gezonde oogen bekeken, leelijk in den superlatief was.
Horn\'s straten waren nauw, de huizen laag en voor het meerendeel in een staat, dat metselaar, timmerman en verver hier een aardig duitje hadden kunnen verdienen, indien men hun had bevolen, de plaats \'t hoogst noodige nieuwe rokje aan te trekken. De bestrating was van dien aard, dat wie hier niet op dubbele zolen rondschreed of, helaas! met likdoorns was gezegend, kon worden gedacht, zoolang hij binnen Horn\'s palen doolde, op de pijnbank te zijn geplaatst en te boeten voor een imaginair delict-
Links van het stadje, westelijk, leidde het verlengde van de sluiswerken in eene kom, of haven, zoo ge wilt, waar ge echter niet Oostindievaarders of zoo iets moest verwachten. De scheepvaart lag hier op den rug. Schepen van eenige grootte deden hier niets dan doortrekken, en Horn\'s visschersvloot was niet veel zaaks. Uit die zoogenaamde haven leidde een kanaal naar \'t zuiden, terwijl het verlengde van de Heerenstraat, die op de markt uitliep, een zuidwaarts voerende straatweg was. De andere groote weg liep van het einde van de Kerkstraat naar het oosten.
EEN MISSTAP.
Dit zij genoeg over het plaatsje zelf. Waarde lezer, stel u gerust iets leelijks, iets heel leelijks voor en gij slaat den bal zoo ver niet mis. Eromheen lag voornamelijk weiland, alles vlak als een tafelblad; natuurlijk ook wat bouwland, maar wat het geboomte aangaat, ge begrijpt, dat wou hier niet goed tieren.
De woning van notaris Duppler lag een eindje buiten Horns, dicht bij den dijk, waar hij indertijd voor een geringe som een stuk grond had kunnen koopen. Ze stond in het midden van een tuin, maar een, die wat te veel aan zijn eigen lot werd overgelaten, daar niemand zich hier veel met de bloemencultuur scheen op te houden, om welke reden het dan ook zij.
Uit zijn kantoor in het achterhuis ging Johan Duppler thans naar de kamer vóór, ook links, — rechts vondt ge beneden het salon, eene keuken en een meidenkamertje — naar\' zijne vrouw.
Katharina Duppler zat op de sofa, met hare dochter Henriette naast zich. Zij was eene vrouw van vier en vijftig jaar, die even weinig als haar man kon roemen op zwaarlijvigheid. Zij was wat kleiner dan Johan en droeg gewoonlijk het hoofd een weinig voorovergebogen. Ook hare haren waren sterk aan het vergrijzen, doch overvloedig nog en vielen over het lage voorhoofd bijna tot op de verbazend groote donkere oogen, welke thans, nu ze weer door hare migraine werd gekweld, somberder zagen dan ooit. Het ovaal gelaat was tamelijk gevuld en bleek van kleur. Neus en kin waren van het gewone soort, maar
6
EEN MISSTAP.
de mond had naar evenredigheid wat kleiner moeten wezen -— de trekken eromheen waren slappe, niet die, als bij Johan, van een mensch van een vast karakter, üe aanhoudende pijnen in het achterhoofd, waaraan zij in de laatste jaren leed, hadden hare kracht en energie gebroken, zoodat zij zich ook weinig kon bemoeien met haar gezin en veel tijd sleet op de slaapkamer op de tweede verdieping, boven het vertrek, waar zij thans zat. Zij was niet klagerig uitgevallen, maar de omstandigheden maakten haar ten laatste luimig en ontevreden, zoodat ze vaak eene plaag voor anderen was. In hare jeugd was zij sentimenteel geweest, en onstuimig ook, iemand tevens van veel aanleg, maar in den loop der huwelijksjaren was alle gloed gedoofd en had zich die aanleg niet ontwikkeld.
Zij was de dochter van een eaj-stroop- en krentenkoop-man , behoorende, ge weet wel, tot die vromen, die, na het zand in de suiker te hebben gedaan en de steentjes in de krenten, hunne ziele verheffen tot den Heere en met dat al steeds opperbeste zaken doen. Eene geboren dame was Katharina evenwel geweest, aan welke geene stroop kleefde en die niet naar papa\'s krenten rook — gratieus en bevallig, en dit, maar voornamelijk wat papa haar meegaf, had dat in Johan Duppler doen ontvlammen, wat hij liefde noemde, maar anderen misschien wat meer prozaïsch zouden hebben betiteld.
Johan Duppler was een geldmam—geld, veel geld, was zijn ideaal. Hij had een vast en taai karakter, was een mensch , die bleef bij hetgeen hij zich eens had voorgenomen,
7
EEN MISSTAP.
en door menigeen als iemand met een engen, stijven kop werd aangezien. Moeder natuur had de poëtische zijde van zijn aard totaal vergeten te ontwikkelen; hij was koud, egoïstisch en van gevoel bespeurde men zooveel als niets bij hem. Het was dan ook niet met een zeer bedrukt gelaat, dat hij de kamer binnentrad.
Toch zei hij vriendelijk: »Hoe is het, Kaatje, is \'t weer mis?quot;
»Het is vandaag, alsof ik het moet besterven,quot; zuchtte zijne vrouw.
»Maar, mijne beste, waarom wil je den professor dan niet eens hooren?quot;
»0! neen , neen ! quot; riep Kathavina. Ze had eene heimelijke vrees voor den professor. H. i. pasten die lui wat al te veel de leer toe: »Aux grands maux, les grands remèdesquot;, en ze had wel eens gehoord van gevallen, dat het toepassen van \'krasse middelen bij hare kwaal tot krankzinnigheid had geleid.
»En Verkerk?quot; vroeg Johan.
«Dokter Verkerk komt dadelijk,quot; zei Henriette, met hare zuster Madeleine de eenige kinderen der Dupplers.
Meteen werd er gebeld en na een oogenblik verscheen Verkerk.
»Naar bovenwas zijn raad , en Katharina werd door het drietal naar boven geleid, waar Verkerk, als naar gewoonte, zijne morphine appliceerde.
Dit was immer tegen den zin van Duppler, een vijand van die tijdelijke, maar geene duurzame hulp aanbrengende
8
EEN MISSTAP.
geneesmiddelen. Hij zwoer bij koud water. Maar was Kaatje bang voor den professor, voor koud water was ze het nog veel meer.
Na eenigen tijd liet het drietal haar alleen. Dat had ze altijd het liefst. De dokter trok naar andere patiënten. Johan begaf zich naar het kantoor ter wille van wijlen Strooband, en Henriette wandelde naar de stad om eenige inkoopen, wetend, dat hare moeder haar niet noodig had. Het was papa\'s principe, de geheele wereld zoo mogelijk tot vriend te houden; men wist nooit, van wien men nog een duitje kon verdienen. En daarom kochten de kinderen zoo voor en na het een en ander in Horns\' jammerlijke magazijnen, ofschoon hunne toiletten, creaties van mesdames Moslard, Hamet, Alexandre, etc., voornamelijk uit Parijs werden aangevoerd.
In het kantoor vond Johan Duppler zijn vriend Eugenius van Dittersen, oud-kapitein-luitenant ter zee en inspecteur van het loodswezen, een fermen, vierkant gebouwden kerel, met een kolossaal hoofd, dat hij gewoonlijk in den nek wierp, en een paar levendige oogen met iets schelmsch en guitigs, met een gelaat, dat immer glad was geschoren, dat het glom, en prijkte met eene bre ede onderkin en blozende, dikke wangen.
xAl gehoord!quot; riep Van Dittersen, toen Duppler binnentrad. »De vrouw weer averij. Ik zal je niet lang lastig vallen.quot;
»Weer het oude,quot; zei Duppler ontevreden. «Alleen / quot; vroeg hij dan, gewoon den inspecteur te zien verschijnen met Paulus Lassen, zijn neef.
9
EEN MISSTAP.
»Paul is met Madeleine.quot;
»Met Madeleine !quot; riep Johan ontsteld.
Paul deed moeite om Duppler\'s Madeleine, en papa wou er niet van weten. Paul was een officier van de genie, met geen cent in de wereld, en Johan had voor zijne dochter een betere partij op het oog.
Eugenius, die bemiddeld was en vrijgevig genoeg voor Paul, moedigde diens huwelijksplannen ook al geenszins aan. Eugenius was een ingeankerd vrijgezel, en voor iemand , die zijne carrière nog had te maken, dacht hij eene vrouw slechts ballast, een schepsel, dat iemand aanhoudend in den weg stond; een wezen, dat, indien ze mooi was, uwe energie verlamde, door u om te tooveren tot een verliefden gek; dat, zoo ze tot de leelijken behoorde, eene onuitputtelijke bron van ontevredenheid en ergernis voor u moést wezen,
»Jongen,quot; had hij tot zijn neef gezegd, »zoo je me de dwaasheid mocht begaan, nu al als huisvader op te treden, iets gansch niet passends voor een zoon van Mars, heb je het laatste van mijn geld gezien en onterf ik je, zoo waar ik een fameuzen afkeer heb van al wat zweemt naar trouwlustige jonge meisjes.quot;
En hij had de naden van zijne pantalon tusschen duim en vinger genomen en had, zoo goed en kwaad het ging, op zijne massieve beenen, coquet schuddend met zijn leeuwenkop, met oogen, welke hij verdraaide als die van eene mechanieke pop, de kamer op en neer gehuppeld, om ook door alle mogelijke lichaamsbewegingen be-
10
k
EEN MISSTAP.
■doelden afkeer meer kracht en klem bij te zetten.
«Bedaar!quot; riep Van Dittersen bij Johan\'s ontsteltenis op het hooren van het samenzijn van Paul en Madeleine.
«Bedaar! Het kluchtspbl is voorgoed , hoop ik , uitgespeeld. Dit is het laatste tooneel. Zij nemen afscheid van elkander. Veroorloof hun een laatsten fermen zoen. Paul is spoedig buitengaats.quot;
»Ah!quot; zuchtte Duppler , verlicht. »Je blijft hier eten?quot;
De uitnoodiging was eene van die, waarvan ge, waarde lezer, den eigenaardigen toon genoeg zult kennen. De woorden bevatten eene invitatie; hun toon zegt echter zooveel als; »In Gods naam, bedank toch, vriendje.quot; Want Duppler had heden weinig zin in gasten. Eugenius was niet in de wieg gesmoord — de jaren hadden hem gemaakt tot een wijze in den lande; hij was nog in het vol bezit van alle vijf en begreep de strekking van dien toon, een waren mineur, waarin Johan\'s woorden waren gezet.
«Vandaag niet,quot; antwoordde hij daarom. »Ik liep maar even aan, om te zien, of je allen nog zeewaardig waart. Mijn arme Jan, je vrouw is nog altijd een gebrekkig schip, naar ik zie. Wel, beterschap, het beste!quot;
En Van Dittersen begaf zich naar het Hötel du Nord.— Gerechte hemel! een Hotel du Nord in Horns; toch kunt ge het er vinden, waarachtig! een vuile herberg, gehouden door een emeritus friseur, beboerend tot het bombasterig soort van Sterne\'s orateur-paruikenmaker.
Hij wisselde nog een enkel woord met Henriette, die hij in de Langstraat tegenkwam en die hij met goedgunstige
-H
EEN MISSTAP.
oogen aanzag, als zijnde »eene boot, die niet gauw een-kloek schip op sleeptouw zoude nemenquot;\', om het te brengen in eene haven, waarvoor hij, de oude vrijgezel, den neus altijd had opgetrokken. Henriette kocht allerhande strikjes, en flikjes, om zich op te takelen, bont als een haan. — \'t Is wonder! welk een slag leelijke vrouwen ervan hebben hare leelijkheid nog meer te laten uitkomen in eene schitterende lijst.
Valt er veel te tomen aan het gezegde: »Les femmes n\'ont ni goüt, ni dégout\'\', wat hare keus van een man betreft, het is een feit, dat men het bij de leelijke, met weinige uitzonderingen, gerust mag toepassen op het kiezen barer kleeding. Ze zullen zich tooien met een snoeperig kleedje en het garneeren op eene wijze, die akelig tegen snee en kleur der robe vloekt. Ze zullen zich een roosken in de haren steken, dat slechts voor lokken past, zich vlechtend om een lief en blozend kopje, dat zelf een bloeiend roosken is. Ze zullen flonkerende diamanten zich om hals: en polsen hangen, wier zacht bed slechts de gevulde, lelieblanke boezem, de fluweele arm zou zijn.
En toch, is het niet natuurlijk? Is het wonder, dat de vrouw, welke de natuur stiefmoederlijk behandelt, de kunst — op hare manier! — te hulp roept? Het effect is somtijds comisch, maar bedenk, dat ieder tracht op het vooi-deeligst zich te toonen en, naar zijn licht, de middelen daartoe aanwendt.
Henriette was leelijk — de waarheid moet worden gezegd. Zij was vier en twintig jaar en geleek ook geen dag jonger ^
12
EEN MISSTAP.
■dan zij was. Ze had een rond gelaat met een overvloed bruin-blonde krulletjes en blauwe oogen, welke zij eene smachtende uitdrukking zocht te ^even en daarom, \'tis te betwijfelen, of het hielp, dikwijls naar de hemelscbe gewesten richtte. Zij was met een aardig wipneusje uitgerust, geplaatst boven een mond, nog grooter dan mama\'s, en die wel een paar duim smaller had mogen wezen — de spijzen waren er evengoed dan doorgegaan en het had haar gezicht gebaat. Zij had eene echt gezonde kleur, kon over de zeelucht als de beste pikbroek en bezat die matig gevulde vormen, welke getuigen van een gestel, dat een stootje kan verdragen. Nu, de mensch helpt zichzelf niet in de wereld, en dat ze u niet precies herinnerde aan Venus, was niet Henriette\'s schuld. Maar haar aard had ze wel een weinig meer in eene andere richting kunnen ontwikkelen.
Daargelaten, dat ze wat bekrompen uitgevallen was, iets, waar een mensch niet heel veel aan kan doen, aangezien ■de quantiteit en qualiteit der hersens ook al weer iets is, waarover hem de keuze niet is gelaten, was ze bits en.... jaloersch.
Jaloersch! akelig gebrek, en toch dient er wel eene lans te worden gebroken voor menig meisje, dat ermee is behept en dat Aglaia en hare begeleidsters, voor sommigen zoo verbazend mild, nooit vriendelijk hebben toegelachen. Wel, ziet ge, gij, die zelf iets hebt van de schoonheid van eene Dorothea, van de aanminnigheid van eene Lotte, \'t wegsleepende van eene Julia of Viola, gij kunt met een
13
EEN MISSTAP.
glimlach om de rozenlippen, met een blos als het smeltend avondrood, met zwemmende, fonkelende oogen lezen, spreken , hooren van uwe zusters, die door de gratiën werden ge» kust en bemind door mannen, die in het zoet gesprek, half woorden en half kussen, tot baar fluisterden van hunne oneindige liefde, omdat gij weet, dat ook voor u de tijd eens zal komen, dat oogen vragend, smeekend, hunkerend in de uwe zullen staren; dat zich ook een paar armen zal strengelen om u, u drukkend aan een jagend hart; dat ook in uwe ooren teedere gezegden zullen dringen en gij, overweldigd, bedwelmd door de volheid des geluks, uw hoofdje zult buigen en u zult overgeven in de macht van hem, die boven allen u kroont als zijne koningin. Denk dan aan haar, die het honderd tegen één staat te wachten, of niet te huwen, of met een man, die haar zoekt ter wille van haar geld of die eene vronw een nuttig meubel denkt, omdat het jonggezellenleven te vervelend is en men iemand toch moet hebben, die bet buis in orde houdt^ waartoe lichamelijk schoon juist geen vereischte is.
Is het wonder, dat zulk eene vrouw, die, behoorende-tot de schoone sekse, weet, dat ze erbuiten staat, soma een gevoel bekruipt, alsof ze alsem in den mond had, als. zy de rijkbedeelde, met een gelukkig, vroolijk lachje, met, het trotsch gevoel van hare overmacht, in hare bloeiende schoonheid gadeslaat? Evenwel, daarom is het nog niet tamp;. verdedigen, dat Henriette hare jaloerschheid zoo vrijen, teugel liet, dat zij er zelfs genoegen ook in schepte, hare ouders tegen Madeleine op te zetten. Zij ging te ver. Zij
14
EEN MISSTAP.
liet zich door die booze fout in haar karakter te ver verleiden.
Verder was Henriette zeer prozaïsch — en toch eene verwoede musicienne, eene pianiste, die urenlang haar instrument kon martelen, te meer zoo, omdat op die dagen, wanneer mama door hare migraine werd gekweld, aan geen spelen viel te denken en zoo, wanneer zij vrij spel had, de schade moest worden ingehaald.
O! indien ge haar op hare kamer op hare arme Erard hadt kunnen hooren! aanvangend met bravour-studiën van Liszt, vervolgend met Wagner\'s Walkuren-Rilt, of wel zijn Marsch uit den Tamihduser, en eene reeks andere stukken van de luidruchtigste en zwaarste soort, met een zondvloed van bulderende octaven, ge zoudt u hebben verwonderd , dat het arme instrument deze tortuur kon doorstaan. Ge zoudt hebben gedacht aan de aardbevingen van Caracas, wanneer de aarde dreunt en de huizen in puin nederstorten; aan een onweer onder den keerkring, als de donder onophoudelijk verdoovend kanonneert; aan een storm op de Schotsche kusten, wanneer de rifien sidderen en de Bass-Rock op hare fondamenten schudt. Van het piano, sotto voce scheen ze geen besef te hebben; van het forto zooveel te meer. \'t Was, of die orkaan van tonen haar klonk als het ruischen van den zefir, als het liedjen aan de wieg, als het kweelen van de gevederde kleine zangers in de schaduw van het woud. En alles ging met eene vaart, dat ge er verstomd van stondt. Zij was groot, zij was eenig in het prestissimo. Daarin wedijverde ze met den Scotch express, ja, met de telegraaf! en de tonenreeksen
15
EEN MISSTAP.
suisden u voorbij als kogels in den slag. Hoe hare hand het uithield, was een raadsel, en dat het instrument in de voegen bleef, niet minder.
Gelukkig was hare kamer op de tweede verdieping, achter boven, rechts, op den hoek van het huis en boven de keuken, zoodat, wanneer het er weer hard om wegging, voornamelijk slechts de keukenprin-es en hare gezellinnen hadden te lijden van het onweer, en dezen worden immers verondersteld, alles te kunnen verdragen: arbeid als een paard, de meest alle-daagsche voeding, weinig rust en weinig genot.
Papa was gewoon Ie zeggen, wanneer boven de storm weer woedde en de nagalm van de ratelende donderslagen zelfs tot in het kantoor drong: «Vlug! Gantrok! sluit de deur; m\'n dochter heeft \'em weer te pakken. Ze wordt nog eens doodgevonden op hare kamer, getroffen door een van hare eigene bliksems.quot; En Gantrok keek immer gelijkelijk verbaasd, wanneer hij het helsche leven hoorde, en kon zich maar bij geene mogelijkheid begrijpen, hoe iemand zich zóó konde afbeulen, zonder dat het een cent gaf.
Dezen morgen natuurlijk, nu mama weer ongesteld was, viel er niet te denken aan dien helschen dans op deÉrard. Mama\'s slaapkamer was óók boven, boven de woonkamer vóór, en hoewel er wel eenige afstand was tusschen dit vertrek en Henriette\'s, was toch het geraas in het bovenhuis te luidruchtig, wanneer Henrietta slag leverde, dan dat men toe kon staan , dat zij zich vermeide in den «geest der harmonieënquot;, als Katharine lijdend was.
Zoo was Henriette dezen morgen wel verplicht, zich anders
16
EEN MISSTAP.
te amuseeren, en ze deed het, linten en bloemen koopend, die, we vreezen het, niet werden gekozen met den smaak, dien men haar graag had toegewild.
II.
De kust benoorden Horns liep met grootere en kleinere bochten en slingeringen van het westen naar \'t noordoosten. Duinen had men hier niet, maar zware dijken, die, met oneindige moeite en voor fabelachtige sommen aangelegd, den woesten golfslag moesten keeren van de wilde baren der Noordzee. Hier had, tegen het vernielend element, het kunstwerk van de menschenhand, het massieve bolwerk — een zegeteeken van het taaist geduld, den kloeksten moed, het grootst beleid — zichzelf op te bouwen, dat elders de natuur zich schiep, daar waar de donderende branding doodloopt tegen het zand , of schuimend, spattend, kokend, opstuift tegen klip en rots.
Op het oogenblik, waarop ik u verzoek, mij naar het strand te volgen, toen Henriette juist bij den bontjes-koopman onbarmhartig afdong op vijf el pioenrood lint en de man haar half verontwaardigd, half onthutst toevoegde: »Dame, indien ik niet wist, van wien u eene dochter was , zou ik denken .. ..quot;, verstandig het overige voov zich-zelf behoudend; toen Van Dittersen, gewapend met eene vork en een mes, aandachtig keek naar een beefsteak a Vanglaise, gelijk de
V. D. LAAN , EEN MISSTAP. 2
17
EEN MISSTAP.
ex-coiffeur ze noemde, onzeker, of hij dien lap leer zou kunnen verduwen, spookte het daarbuiten niet.
Integendeel, het was alles rustig en stil. \'t Was ebbe, en de zee, die ver teruggetreden was, had eene breede, zacht hellende streek lands, half zand, half klei, gelaten voor de groene dijken, die aan den waterkant zich hoog als heuvels schenen te verheffen.
In het oosten en het zuiden lag een doorschijnend, licht blauw-lila floers over de bewolkte lucht, alsof de wereldgeest een nauw merkbaar purperen adem over den eindeloozen hemel blies. De wolken tooiden zich onder dezen vluchtigen, gloei-enden mantel met een lichtend, flonkerend waas, dat naar rood en paars en andere tinten zweemde. Daar, waar het meer noord- en westwaarts zich vervluchtigde en den warmen hemel zijn volle, schitterende azuren gloed was gelaten, hingen enkele donzige, vlokkige, hagelwitte wolkjes, welker randen fonkelden als het gletscherijs, overgoten met de tintelende stralen van de zomerzon. De zachtbewogen zée, met hare kleine witgepluimde golfjes, schitterde als een metalen spiegel, kleurde zich donkerblauw in het midden en het westen, ging in het verre oosten in een glanzend gitzwart over, terwijl ze aan den noordelijken horizon als eene streep gesmolten zilver lichtte.
Schepen zag men weinig: een enkele bark, een klipper, met donkere zeilen, bijna geheel slap hangend tegen de masten, zich voortbewegende met slakkengang, een vuile collier, een der kolenschepen van den Humber, dat onder stoom zich voortbewoog, zoo snel het kon, en toch óók,
48
1
EEN MISSTAP. 19
op dezen afstand, slechts scheen voort te kruipen; een paar kleine bootjes, met wit zeildoek, nog blanker schjjnend in de erop vallende heldere zonnestralen, gelijk zwanen wiegend op de deining in het ruime sop —- \'t was alles.
Tegen den hoogen groenen dijk, zoo wat eene mijl ten oosten van Horn\'s zware sluizen, daar, waar de kust een inham, eene kleine baai van een paar honderd ellen diameter vormde , zaten twee jonge menschen naast elkaar.
Het waren Paulus Lassen en Duppler\'s dochter, Madeleine.
Madeleine staarde treurig over het oneindig watervlak en naar de voortkruipende schepen in de verte, het beeld van haar leven in het stille Horns, hetwelk ze snakte te verwisselen voor een ander, dat haar levendigen geest meer voedsel gaf, een rijker, voller, schooner leven, welks polsslag meer onstuimig joeg, welks horizon geheimen borg, die met de verleidelijkste kleuren de phantasie zich maalt.
Paul zat met de handen tegen elkander tusschen zijne knieën, met gebogen hoofd, peinzend naar den grond te zien. Zij hadden eene poos gezwegen.
Eindelijk hernam Lassen: »M\'n lieve Madeleine, \'t is zoo het beste, \'t Is het eenige; er zit niets anders op.quot;
Madeleine gaf hem niet dadelijk antwoord. Ze bleef vóór zich staren. Ze dacht er nog anders over. \'t Was haar zoo pijnlijk, het schoone droombeeld heen te drijven, hetwelk haar zooveel geluk had voorgespiegeld. En dan, tot het nemen van een rasch besluit, dat jaren eischt, om te worden uitgevoerd, is spoediger de man dan wel de vrouw bereid.
J
EEN MISSTAP.
»Wat zou het worden?quot; vervolgde Paul. «Bedenk, mijn lieveling, wat ik ben. Wat zijn hier mijne vooruitzichten?quot;
»En zoo ik het durfde wagen?quot; zei Madeleine thans, zonder nog hare blikken af te wenden van het onmetelijke watervlak.
Lassen schudde het hoofd.
»Neen, Madeleine, al waart ge niet bevreesd, reeds nu mij als mijne lieve vrouw te volgen, er is te veel, dat zich hier tegen aankant. Vergeet ge uw vader dan? Ik zou je moeten schaken.quot;
Paul glimlachte bij die woorden, maar het was geen bijzonder vroolijke lach.
»0! indien ik er bij papa maar steeds op aandrongquot;. . .
»Wie aanhoudt, wint; de drop holt eindelijk den steen uit — maar papa is nog een beetje harder,\'\' ontsnapte Lassen onwillekeurig.
Madeleine was nog jong, nog bijna een kind, niet meer dan zeventien. Zij bad een vurigen, levendigen, moedigen aard en Lassen begreep, dat het jeugdig bloed, dat zoo onstuimig door hare aderen liep, haar niet zou doen terugdeinzen voor een onberaden daad. Ze had een gevoelig en liefhebbend hart, dat sympathie, veel sympathie verlangde , iets, dat ze in huis zoo weinig vond en die hij haar volop schonk, de man, die als een meester wist te grijpen in de snaren van dat hartstochtelijk vrouwenhart, om er de schoonste tonen aan te ontlokken. Zij had een helder hoofd, iets geniaals, maar het gevoel bebeerschte haar met groote kracht.
20
EEN MISSTAP.
Zij was nog onervaren. Ze had in haar nog zoo korten levensloop schijn en werkelijkheid nog niet voldoende leeren scheiden, overgoot de laatste nog te veel met de verleidelijke kleuren, die de verbeeldingskracht ons mengt, beschouwde nog de wereld met dien onbewolkten blik, die ons wel het schoone doel, te weinig evenwel de hinderpalen laat bespeuren, die zich verheffen op ons pad. Zij meende, dat de liefde zooveel konde vergoeden, zooveel kon doen vergeten, de draagkracht van den mensch verdubbelde. En dat is ook het geval.
Evenwel, men schatte den factor niet te laag van het onvermijdelijk lijden: het verdriet, de zorgen, die, ingrijpend in het leven van hen, wier harten kloppen als één, ontbindend, verbitterend, ongelukkig makend werkten , indien te voren niet de maatregelen zijn getroffen, de scherpte te temperen van hun angel.
Zij vreesde alree thans een huwelijk met den man niet, dien zij beminde, indien het eenigszins mogelijk was, al had zij ook met hem van nog zoo weinig moeten leven. Ze had hem zoo lief — ze geloofde, dat dit alles kon vergoeden.
Maar Paulus Lassen was een verstandig man. Hij had meer ervaring; hij was ouder, vijf en twintig, had een koeler hoofd, dacht kalmer na en wist in de toekomst beter een blik te slaan. Hij was een groote, knokige, sterk gebouwde, knappe man, met breede borst. Over het hooge voorhoofd lagen, rechts gescheiden, de golvende haren, bruin , gelijk de dichte , zware snor onder den rechten neus en de korte bakkebaarden aan de zijden van de breede
21
EEN MISSTAP.
kin. Het eenigszins getaande doch gezond gelaat droeg een ernstige uitdrukking, èn door zijne trekken, èn door de donkere, vrij diepliggende oogen onder ruige wenkbrauwen. Hij was een man met een fermen kop, en hij wist het, zonder daarom nog verwaand te zijn. Hij wou vooruit en hij gevoelde , dat een man als hij een doel bereiken kon, wanneer hij het eens zich goed had voorgesteld. Hij was vast van aard, arbeidzaam, ondernemend. Daarbij was hij ontwikkeld, in alle opzichten een echt man.
Het karakter van Madeleine had hij goed doorzien. Hij wist, hoeveel leiding zij vereischte. Doch het nog kinderlijk naïeve, het onvervalschte, het gloedrijke en onstuimige, de heerschappij, die hier het gevoel van het weeke hart nog over koele berekening handhaafde, trokken hem aan, te meer omdat hij ook het verstand van het meisje naar waarde wist te schatten.
Dat was de rechte vrouw voor hem, en een genot zou het hem wezen, die frissche bloem zich onder zijne handen te zien ontplooien; met zijne meerdere kalmte, vastheid en ervaring haar, die hij aanbad, te koesteren, te leiden en te vormen, om ook zelf een beter mensch te worden onder den invloed van den liefelijken geest, die van haar uitstraalde.
Daar vertoonde zich evenwel de ongelukkige hinderpaal, dat papa Duppler, die er toch zoo warmpjes inzat, niets wou weten van een huwelijk van zijne dochter met »zoo\'n gouden bedelaarquot;, gelijk het hem beliefde Lassen smalend te noemen. Papa toch beoogde voor zijne dochters mannen,
22
EEN MISSTAP.
die zich konden beroemen op zoo- en zooveel duizend jaars, alsdan genegen, hun karakter niet met een loup te onderzoeken, van oordeel, dat goud netjes menige zwarte vlek verguldt. Hoe meer geld in de familie, hoe beter; dat vermeerdert ons krediet; het voetstuk, waarop het oordeel van de maatschappij ons plaatst, wordt zóó aanhoudend hooger, en de neuzen van de zich voor ons buigenden naderen zóó meer en meer het stof. Johan vereerde het Amerikaansch beginsel: »Maak geld, mijn zoon, op eerlijke wijs, zoo mogelijk — zooveel te beter dan — maar, maak geld!quot; En hij deinsde er niet voor terug, het hart van zijne dochters wat ongelukkiger te maken, indien hij zóó hunne beurs wat meer kon vullen.
Nu, Paulus Lassen had niets liever gedaan dan Madeleine dadelijk te huwen. Hij was een man, die, wanneer hij eens een plan had opgevat, er ook bij bleef, er onveran-■derlijk bij bleef. Zoo was nu evenwel papa Duppler ook.. Paul zou er niet tegen hebben opgezien, indien hij was in staat geweest zijn vrouwtje goed en ruim te onderhouden, dat te doen, waarover wij hem straks mismoedig hebben zien glimlachen, — haar plompweg te schaken op de ouder-wetsche wijs, hoe vader Duppler ook uit zijne huid mocht vliegen, indien zoo iets eens gebeurde.
Maar Lassen wist, dat hij op het oogenblik een huisgezin niet kon onderhouden. Hij kon er zeker wel meer bij verdienen; en, o ja! een arbeider leeft zelfs van twee-, driehonderd gulden in het jaar, en Madeleine en hij zouden altijd wel zooveel bij elkander kunnen halen, — gesteld het onmo-
23
EEN MISSTAP.
gelijk geval, dat papa in het huwelijk toestemde, natuurlijk zonder een cent mee te geven, — om er vrij wel langs te kunnen komen. Maar twee ontwikkelde menschen hebben velerlei behoeften, die, wanneer zij er niet aan kunnen voldoen, tot een kanker worden, welke zwijgend mag worden gedragen, maar die verterend knaagt aan het huwelijksgeluk.
Waar de geest rijk is ontwikkeld, eischt men van het leven méér dan daar , waar hij zich meer passief gedraagt, de geest van intellectueele herkauwers, zich houdend aan het oude, naar weinig verscheidenheid zuchtend, tevreden zich te bewegen in een engeren cirkel dan dien van hem of haar wiens horizon, aan welken schoone idealen lokkend, veredelen opstijgen, zich uitstrekt tot in bet oneindige.
Menigeen mag er zich al mee tevredenstellen, dat hij tbuis genoeg te eten vindt, een warmen haard, rust na den arbeid en een vriendelijk woord, — eene vrouw, die van hem houdt, die eene goede huishoudster is, weet, hoe ze een stuk vleesch moet koken, en die de kinders redelijk in het pak houdt.
En dit alles is geen kleinigheid! Maar het is nu eens niet anders: met de meerdere ontwikkeling stijgen ook de eischen. Wie hart, een open oog heeft voor wetenschap en kunst, snakt naar alle edele genoegens van het leven, heeft den prikkel noodig van die verstooiingen, welke, als de dauw voor de bloem, levenschenkend zijn voor zijn meer ideaal aangelegden geest, kan zich moeielijk tevredenstellen met een leven, waarin hij zich, wat betreft het geldelijke, niet betrekkelijk ruim bewegen kan. Moet hij of zij het toch ....
24
EEN MISSTAP.
Wel, laat ieder, die in die posisie is, zichzelf het antwoord geven. Gevoelen niet juist zij, lieden van geest, van smaak en rijk ontwikkeld, de vurige begeerte, zich te verkwikken aan het spel van een Joachim, eene Clara Schumann, eene ïeresina Tua? dringt niet het diepst in hunne harten de zang der Faure\'s, der Eeszké\'s en Lodi\'s? Eicht zich niet tot hen voornamelijk de wegsleepende taal eener Agar, eener Sarah Bernhard? Lokt niet juist hen vooral de ijzeren baan naar het warme Zuiden, waar het trotsche Alpenland zijn met eeuwige sneeuw gekroonde Monte Kosa en Bernina duizelend hoog laat stijgen in de blauwen aether en de heldere wateren der meren den voet omspoelen van den Pilatus en de kerkermuien van Chillon?
En zie, Paul begreep, dat een leven, waarin hij en Madeleine zich op den duur gelukkig zouden gevoelen, uitgaven eischte , welke hij niet zou kunnen bestrijden, vóórdat papa of oom met gunstiger oogen zijne huwelijksplannen gadesloeg en hem en Madeleine met het noodige te hulp wou komen, — iets, waar voorloopig niet de minste kans op was, — of vóórdat hij er zichzelf zoover had bovenop gewerkt, dat hij eene vrouw kon onderhouden op eene wijze, zooals hij dat voor Madeleine en zich noodig dacht.
Beter wachten, dan te trachten een onberaden stap te doen. Zijn toestand verbeteren, dat was thans de zaak. Strijden voor eene schoone toekomst. »Mensch zijn, heet een kamper zijn!quot; En hij wilde het bewijzen; hij deinsde daarvoor niet terug. Maar Madeleine was wat meer heet gebakerd, zag zoo dadelijk het verstandige van Lnssen\'s redeneeringen niet
25
EEN MISSTAP.
in. Matigheid, onthouding, vooral op het punt van liefde, de echte bedoelen we, niet de stroopop, die er zoo vaak dienst voor doet, is niet de sterke zijde van de vrouwen. Zij meende, dat met het bezit van Paul haar geluk voor eeuwig zoude zijn gegrondvest, welke gevaren er ook dreigend mochten opdoemen aan den huwelijkshemel.
»Neen,quot; vervolgde Paul, »we moeten wachten.quot; Hij sprak op vasten toon, doch treurig. Al zag hij het noodige ervan zoo duidelijk in, de noodzakelijkheid was hem eens harde. »Heb ik mijn toestand eens verbeterd, dan hoop ik, dat papa er beter over zal denken. Je moetje, lieve Madeleine, gewennen aan de gedachte, die mij treurig genoeg voorzeker stemt, dat ik afwezig zal zijn voor zoo- en zooveel jaar. M\'n lieve, het is hard; maar het moet.quot;
Lassing ging naar Indië. Daar wou hij de kat uit den boom, zien, iets trachten te verkrijgen, dat meer afwierp dan het baantje, dat hij had. Dan, in beteren doen, wou hij wederkeeren om zijne Madeleine. Thans was hij gekomen, om afscheid te nemen van het meisje, dat hij reeds op zijn vertrek had voorbereid.
Het schemerde alles voor Madeleine\'s oogen. Het was, of haar een brok in de keel zat, dat ze maar niet kon verslikken. Hare mondhoeken trokken zenuwachtig, terwijl ze haar hoofd tot Paul wendde.
»Wees sterk, Madeleine,quot; zei Paul zacht. »Mijn lieve, lieve kind, heb moed. En je wilt het mij ook niet zwaarder maken? Madeleine, \'tvalt ook mij zoo zwaar! En mijne liefde, mijn lieveling, in dien langen, donkeren tijd zal ze
\'26
EEN MISSTAP.
de heerlijke ster zijn, wier vriendelijk licht mij altijd toe zal lachen, in alles sterken, de ster der schoonste hoop. Ik zal....quot;
Maar Madeleine liet hem niet nitspreken. Ze wierp zich snikkend aan zgne borst. Zij sloeg hare armen om zijn hals; ze trok zijn hoofd naar het hare en drukte onstuimig warme kussen op zijne lippen, zoodat het hem bijna pija deed. Ze zag hem aan, innig, lang en diep, met hare vochtige oogen. »En mijne liefde, Paul,quot; fluisterde ze hijgend, terwijl hij haar adem heet over zijne wangen voelde strijken en het jagen van haar hart, «vreest ge, dat die nooit zal verminderen? Paul! vreest ge, dat ik ooit zooveel voor een ander kan gevoelen, ooit zoo innig aan een ander denken kan? Paul, vertrouwje in mij, gelijk ik een oneindig vertrouwen in je heb ? quot;
Lassen had zijne armen om haar geslagen en als hij haar innig aan zijn borst drukte en hare wangen kuste, trok de immer stijgende aandoening een floers voor zijne oogen. De geur dier weelderige lokken, het aan zich vleien van dat jeugdige, bloeiende, schoone lichaam, het zacht en smartelijk hooren kreunen van zijn naam, als een noodkreet iemand ontperst, die z\'n liefste wreed aan de zich wanhopig erom klemmende handen voelt ontwringen, bedwelmde hem als het ware.
»0 God!quot; zuchtte hij, «en van dat alles voor zoolang te moeten scheiden!quot;
Doch hij vermande zich, voorwaar met niet geringe krachtsinspanning. Hij liet het heerlijk vrouwenlichaam uit
27
EEN MISSTAP.
de knellende omhelzing, waarin zijn hartstocht hat gekluisterd hield en die het meisje als ontzenuwde, weer vrij. Hij richtte haar op. Hij kuste minder wild de tranen van de bleeke wangen , van de wimpers. Hij zette haar weer naast zich; één hand sloeg hij om haar middel, terwijl hij met de andere de hare greep.
»We zijn vereenigd voor eeuwig door onze liefde , Madeleinequot;, fluisterde hij haar zachtkens toe. ))Geene macht zal ons kunnen scheiden. Onze liefde is te groot. En den tijd, die er zal verloopen, vóórdat wij elkander wederzien, die liefde zal ons dien met moed leeren dragen.quot;
Zijde stem schokte, want. de gedachte aan die bittere scheiding, hoe noodzakelijk, hoe onvermijdelijk ook en hoezeer hij er zich ook reeds op mocht hebben voorbereid, maakte hem rampzalig.
Madeleine was te ontroerd, om ie spreken. Zware tranen vielen er nog steeds langzaam uit hare donkere, oogen. Paul weg, en het leven geleek haar eene woestenij, een dorre zandwoestijn, waar geen enkel geurig bloempje het hart verkwikt en vreugde schenkt; waar geen struik, met zijn verfrisschend groen, de oogen laaft. Haar werd voor het oogenblik alles verkillend als het ijs; alles duisternis en nacht. En toch moest het gedragen worden. Was het haar Paul niet, die het zei? Ze moest het gelooven, begrijpen, dragen. Eens zou de dag toch komen, dat het schoon, gedroomd geluk het hare wezen zou. Maar nog zoo jong, zoo levendig, zoo vol verlangen en het hart zoo vol van liefde, en dan zich schikken in eene lange scheiding van hem,
28
EEN MISSTAP.
dien men zou willen volgen naar het einde van de wereld; zoo jong, zoo gevoelig, zoo onstuimig, en dan te moeten wachten, wachten, wachten! het valt zoo bitter zwaar.
))Laat mij thans gaan, Madeleine,quot; zei Lassen eindelijk, nauwelijks hoorbaar. «Het gevoel begint eene te groote macht over ons te krijgen. En \'t is het oogenblik, waarop wij sterk moeten zijn. De gedachte aan elkander, de heerlijke hoop, elkander eindelijk te bezitten , zal ons staande houden. Eén laatste kus, mijn lieve, lieve kind.quot;
Nog een oogenblik lagen zij in elkanders armen, stom — de smart neep hunne lippen toe. Dan scheurde Lassen zich met eene weder niet geringe krachtsinspanning vereischende overwinning op zichzelven van het geliefde wezen los en, bevreesd voor zichzelven, voor zwakheid , voor meer zoete, verleidelijke woorden, stond hij haastig op en ging, een mist voor zijne oogen, een gevoel in zijne leden, alsof zijne krachten hem verlieten, een pijnigend leedgevoel, dat brandend knaagde aan zijn hart.
Madeleine zag hem sprakeloos gaan. De tranen in hare oogen verduisterden haar alles. Dan, toen hij op eenigen afstand was en hare tong de macht weer kreeg te spreken, ofschoon nog aan hare leden die ontbrak, hem na te snellen , breidde ze wanhopig hare beide armen uit en kreunde: »Paul, Paul, o God, mijn lieve Paul!quot;
Paul hoorde het. Ah! de hemel weet, hoe gaarne hij ware teruggesneld. Geene woorden hadden hem in zijn leven meer gewond, meer in bet hart getroffen. Het waren zware oogenblikken. Maar hij wendde zich niet om, liep haastig
29
EEN MISSTAP.
door. Moest hij niet weg? Moest hij niet krachtig blijven? Mocht hij door langer talmen de scheiding nog bitterder maken, dan ze reeds was?
Madeleine zag hem gaan. Half wezenloos staarde ze hem na, lang. Dan zonk haar hoofd op hare knieën en zij weende en snikte, dat haar geheele lichaam ervan beefde en sidderde.
Madeleine, zeiden we reeds boven, was nog jong, een kind van zeventien jaren, doch zij zag er reeds uit als eene-jonge, bloeiende vrouw, groot en rijzig, met plastischer gevulde, heerlijke vormen; voor een kind van die jaren zoudt ge ze nooit hebben aangezien.
Dunkt u dat vreemd, onmogelijk? Denk aan een Ninon de Lenclos, cette fille grandette, een Sibylle, alias Billchen, von, Eeitschütz, die Kanaille, een Helene von Eacowitza, Lassalle\'s Goldjuchs, en indien u de vergelijking geen heel gepaste schijnt, omdat niet allen van dit drietal\'zich mochten beroemen op het onbevlekte kleed der reine maagden, zie dan om u. en indien ge niet in een armzalig plaatsje woont als Horns, indien uwe ervaring een beetje wijder strekt dan die van bekrompene kleinsteedsers , zult gezelf voorbeelden kunnen vinden, meisjes kunnen aanwijzen, wier ontwikkeling een zeldzaam vroegtijdige is.
Op Madeleine\'s rijzig lichaam zat een hoofd, dat op de menschen een zeer verschillenden indruk maakte, zoodat er waren, die het eerst betwijfelden, of men ook dit een schoon kon noemen. Fijne kenners waren deze laatsen zeker niet. Zoo ge dien zeldzamen kop bestudeerdet, moest ge tot de
30
EEN MISSTAP.
overtuiging komen, dat het een scboone was, al week zijne eigenaardige schoonheid ook min of meer af van de typen, waaraan men is gewend. Eeeds de vorm van het galaat verwekte eenigszins uwe verwondering. Langs de slapen kondt ge verticale lijnen trekken; daarbeneden vormde het gezicht een half ovaal. De aan het achterhoofd in dichte tressen saamgevlochten haren , zwaar, glanzend, donkerbruin, speelden met allerhande kleine, vooruitschietende, oproerige, weerspannige, gewelfde lokjes om en over het voorhoofd, enkele in hunne dartelheid tot over de zacht gebogen wenkbrauw schietend, wier kleur meer in het zwarte liep.
De donkere oogen, door lange wimpers overschaduwd, een klare spiegel van \'t licht beweeglijk gemoed, trofi\'en u ras door het afwisselend, zoo duidelijk daarin spelen van gevoelens, die het hart van het meisje in beroering brachten, welke nog geene nevenbedoelingen met eenigen sluier trachtte te verbergen en die zich nog in hunne reine naaktheid openbaarden , gelijk bij het kind, dat niet de waarheid vreest. Ze konden zoo schalks, zoo schelmsch u tegenlonken, wanneer haar gemoed warm en zonnig als de zomerhemel was. Ze konden stralen met den zachten gloed van die eener madonna, wanneer iets de teedere snaren trof -van het sympathieke hart. Ze konden vurig gloeien óók, wanneer verontwaardiging of afkeer haar in toorn ontvlammen deed bij het zien en hooren van dingen, waartegen een edele geest in opstand komt.
»Quel bruit pour une omelette!quot; niet waar! Wat een overdreven mensch al niet in een paar meisjesoogen ziet I
34
EEN MISSTAP.
Zijt ge ooit in contact geweest met geniale menschen? Zeer zeker zijt ge het; het behoeven nog geene kunstenaars te zijn geweest. Men vindt ze in alle rangen, standen en beroepen , al is ook hun getal verbazend klein. Indien ge niet blind zijt, moet het u dan zijn opgevallen, hoe zich de levenskracht, de geest, de ziel dan zus, dan zoo, op vreemde, treffende wijze, weerspiegelt in hunne oogen, die soms, schijnbaar tot geen smachten, geen vurig flonkeren, geen extase in staat zijn, wanneer het kalm daarbinnen is.
Madeleine had niet die vaste, ingezonde kleur van Hen-riette; slechts een nauw merkbaar rose waas lag op de zachte wangen. Evenwel, ook zij was sterk. Waar gemoeds- en geestesleven rijk zijn, vindt ge vaak die blozende, volle appelwangen niet, welke meer het deel van hen zijn , die er het ware slag van hebben, in deze voor hen beste vati alle mogelijke werelden te genieten van het banket, waaraan een gunstig lot hun eene goede plaats heeft toegewezen.
Indien ge hadt gezegd, dat Madeleine\'s neus wel een siertje smaller had mogen wezen; dat ook het mondje met de volle, roode lippen niet geheel onberispelijk was, een defect van alle Dupplers, ik zou het eens zijn met u in dit opzicht. Evenwel, \'t zij verre van mij, te bedoelen, dat zij het gelaat mismaakten. Ge weet, volmaakte schoonheden zijn er niet; iets gelijk de Knidische Aphrodite vindt ge in vleesch en bloed hier op de aarde niet. Madeleine\'s geest was poëtisch aangelegd. Ook zij had een open oor voor de goddelijks harmonie der tonen en we betwijfelen het niet, dat,
32
EEN MISSTAP.
indien zij in plaats van Henriette zich op de muziek had toegelegd, zij klanken aan het instrument zou hebben ontlokt, die, lachjes, zuchten, bezielde uitingen van een fijngevoelig vrouwenhart, tot in het diepste van uw wezen zouden zijn gedrongen, de fijnste snaren van uw gemoed zouden hebben doen trillen, het rustend meer der edele, schoone neigingen stormachtig in u zouden hebben omgewoeld.
Maar Henrietta, wier handen immer con rahbia over de toetsen vlogen, had de neiging haar benomen, zich óók te ontwikkelen tot eene virtuose. Haar lieihebberij was de poëzie. En als zij las, \'tzij luid, \'tzij zacht, op hare kamer boven, achter die van hare mama, een eindje verwijderd, Goddank! van die van Henriette, was er niemand, wiens gehoorvlies werd verscheurd door de rustiger genoegens, die haar stokpaardje waren.
Madeleine was vol levenslust. Haar krachtig lichaam, haar heldere, levendige geest, het gloedrijke van hare natuur, het sympathieke van haar aard, het besef van hare schoonheid — en waarom zou een mensch, een schoone jonge vrouw, zich in .die heerljjke gave van de goden niet verheugen ! — deden haar verlangen naar een leven, waarin haar gcheele wezen zich onbelemmerd kon ontplooien gelijk de geurende bloem in het koesterend licht dei-zon , waarin \'t zich vrij zou kunnen. bewegen met eene vlucht, welke zich niet behoefde te laten beperken door de drukkende omgeving, waarin zij leefde in Horns.
En zij hoopte veel van het leven. En is dit ook niet goed?
V. D. LAAN, EEN MISSTAP. 3
33
EENquot; MISSTAP.
Is het niet dit ook, dat ons kracht tot handelen geeft? Wie spoedig alles kleurloos, waardeloos, nietig denkt, die zal het nooit ver brengen.
Is het dichterwoord niet een waar:
„Der bess\'re Mensch tritt in die Welt Mit frühlichem Vertrauenquot; —?
Doch op het oogenblifc, natuurlijk, was het vuur van dien levenslust gebluscht, gevoelde zij slechts smart en pijn, was het, of voor haar de roos der vreugde nimmer weer mocht bloeien.
En juist toen haar hoofd op hare knieën zonk en Paul zich heenspoedde met een gebroken hart, bestormde hun beider vijand de hooge dijken, zwaard in de vuist, — stok! wil ik zeggen —, terwijl reeds een andere, ofschoon niet zulk een ingekankerde, de hoogten had bezet, het terrein verkennende.
Hij, die op den dijk had post gevat, was Eugenius van Dittersen, die na het verslinden van zijn heef steak d Van-glaise, waarvan \'t gebit hem nog pijn deed, zich gedrongen had gevoeld, door eene wandeling de digestie ter hulp te komen van die schoenzool, welke hem in de maag lag als een brok buffelhuid.
Hij, die met den stormpas den dijk beklom, was papa Duppler, die dat afscheidnemen van Paul en Madeleine van te langen adem dacht en met vliegende vaandels opdaagde, om gelijk chargeerende kurassiers het kirrend tweetal te overvallen, en den vijand op de vlucht te slaan.
34
EEN MISSTAP.
Toen Jolian met blozende wangen, achter adem, boven was gekomen en het geheele veld, waarop hij had gedacht slag te leveren, goed kon overzien; toen hij zag, dat de vijand met pak en zak reeds retireerde en op een aardigen afstand was, dat dus gewapende interventie in dezen niet meer noodig was, daar men \'t veld reeds had geruimd, matigde hij zijne vaart en daalde langzaam af naar Madeleine.
Maar Johan Duppler behoorde niet tot de engelen dei-vertroosting en op zijn wereldsche argumenten, zijne kal-meerende woorden, antwoordde zijne dochter slechts met snikken en weenen. Papa had geen begrijj van den balsem , dien men bij een dergelijke gelegenheid heeft toe te dienen, en ook de rol, die hij overigens speelde, qualificeerde hem bovendien gansch niet voor troostredenaar. Papa\'s meening was, dat het verlies van één man voor een meisje toch zoo\'n zaak niet was, daar immers overigens nog het geheele genus bleef bestaan, waaruit men konde kiezen.
Eindelijk bedaarde Madeleine een beetje, en vader Duppler kon haar medenemen naar zijn huis, halverwege Eugenius nog ontmoetend, die toch een weinig anders keek en niettegenstaande zijn afkeer van dit huwelijk voor Paul, die zijn carrière nog had te maken, een lichte kriebeling in zijn hart voelde, dat ook hij zoo tegen de jongelieden opgetreden was. Hij zag het: dit meisje beminde Paulus Lassen met een vuur, met een gloed, waarmeè geen andere vrouw hem ooit zon kunnen beminnen.
35
EEN .MISSTAP.
m.
Henriette en Madeleine waven in de kamer van de laatste, \'t Was \'s avonds zoo wat een uur of zes, op een dag omstreeks een jaar, nadat Paul Lassen met het stoomschip Ceres naar Indië was vertrokken.
Beide meisjes stonden dicht bij het raam. Het was een drukkende, zwoele dag geweest, en langzaam trok zich een onweer samen aan den duister wordenden hemel, langs welken met electriciteit bezwangerde, zware, donkere en vreemd getinte wolken kwamen aandrijven, hier met een wit, dat naar \'t lood-blauw overhelde, daar geelachtig meer, met randen lichtend met een vreemden gloed, terwijl de wind met heftige stooten zoo voor en na de vensterruiten deed ratelen.
Madeleine keek naar Henriette, die zich in een kostuum had gestoken, alsof zij gereedstond, aanstonds in eene dei-loges van een opera plaats te nemen, en die met hare zuster nog even over haar kleeding was komen spreken.
Zij was in een robe van rose sicilienne en tulle, waarvan het voor den hals uitgesneden gedeelte den vorm had van eene harp, met een kleine rose fichu aan het ondereinde en met een col Médieis met geplisseerden kanten rand. Zij droeg aan den eenen blooten arm twee gouden armbanden, aan den anderen één, een breederen, en in de haren stak eene roode roos.
Ku, ziet ge, het kostuum was nog zoo gek niet — in
33
EEN MISSTAP.
onberispelijken staat gekomen uit het moderne Babyion, geleverd door \'t huis Le Prinlemps, en Henriette draaide en draaide zich voor hare zuster, om het haar te laten bezien van voren en van achteren. Maar het was er een, dat een meisje met wat jeugdiger voorkomen veel beter had gestaan, — ook tevens een, dat met zijne rose tint weinig paste bij de kleur van Henriette\'s haren, oogen, wangen , welke laatste dien gezonden, purperen glans hadden , welke ge niet zelden op hardvleezige wangen vindt. En waarom die omhaal? De laatste storm op zee had eenige menschen-levens gekost. Eenige Hornsers, vaders van huisgezinnen, hadden hun leven gelaten op de baren, en eenige bewoners van het stadje hadden het hoogst prijzenswaardige plan opgevat, door een soiree musicale et déclamatoire wat geld bijeen te krijgen tot leniging van de behoeften der arme nagelatenen.
Öok Henriette had hare hulp beloofd en zeker had ook Madeleine die verleend, indien niet hare stemming in deze dagen zulk eene uitermate treurige ware geweest. Zij ging zelfs niet naar de soirée met haar mooien naam, welke haar anders misschien nog wel eens een vroolijke luim bad kunnen bezorgen bij het hooren van het schetteren der brave Hornsers, die met armen, beweeglijk als de wieken van een molen, met oogen, die akelig rolden, allerlei gedichten kwamen vermoorden, of musiceeren op eene wijs, welke, de lachspieren onweerstaanbaar prikkelend, alleen door de goede bedoeling vergeeflijk werd gemaakt.
Madeleine zelve was in een manilla-bruin, eenvoudig kleedje,
37
EEN MISSTAP.
hetwelk door zijne weinige versieringen, zijn eenvoud meer de schoone, plastische vormen tot hun recht liet komen, met een breeden fluweelen kraag van dezelfde kleur, uit welks opstaand kanten boord om den slanken hals het hoofd, thans bleaker dan gewoonlijk , omvlochten door zijn glanzige kroon van zware bruine lokken , zich als dat eener koningin verhief.
Het was juist niet met groote bewondering in hare ernstige oogen, dat zij naar hare zuster zag, die, spelend met een waaier van geel satijn, beschilderd met bonte kolibriet-jes, dacht, dat ze om te stelen was.
»Nu!quot; riep Henrietta, »wat zeg je ervan?quot;
»\'t Is aen lief kleedje en \'t zit je goed ook, Henrietta. Maar toch, \'k had liever een andere kleur genomen. Een beetje donkerder.quot;
»Je hebt ook tegen alles, wat maar licht van kleur is, denk ik. Je veroudert vóór ja tijd. Je wordt geheel gelijk een oud besje op die wijs.quot;
Madeleine schudde het hoofd.
))Den een staat dit, den ander dat. Ik voor mij, zie je liefst in donkerder kleuren.quot;
«Je hebt bet liefst, dat ik me kleed als een oud mensch, is \'t niet?quot; hernam Henriette bits. »Het is niet kwaad, is het? indien ik een paar jaar ouder lijk. Ja moogt jezelve, voor mijn part, in aen koffiekleur, in het pikzwart steken, maar mij dunkt, dat past voor jonge meisjes niet.quot;
»Wat zal je spelen?quot; vroeg Madeleine, die wienig zin had te twisten over kleading.
«Beethoven\'s MondscheinSonaiz.quot;
38
EEN MISSTAP.
Madeleine zag een beetje verbaasd hare zuster aan.
j)üurf je je daaraan wagen? In \'t publiek?quot; Zij dacht er op bet oogenblik niet aan, welk publiek ze zoude hebben te slikken.
»En waarom niet?quot; vroeg Henriette weer geneteld. »Mis ik een enkele noot, wanneer ik ze speel?quot;
»Dat niet.... Maar....quot; Henriette en Mondschein! Henriette en het fijn gevoel, de poëzie, de gloed, hier noodig! Henriette en de fijne nuanoeeringen van dit grootsche tonenbeeld, zijn stille zuchten, zijn snijdend wee, het lachen door de tranen, de wilde polsslag van den diep gevoelden hartstocht, het sidderen van het bijna brekend hart! — O, gerechte hemel! \'t gebeente der contessa Guicciardi moest zich omkeeren in het graf, wanneer daar straks Henriette in haar rose kleedje, steeds met een hoogst vol-danen glimlach om de lippen, zelfs bij de meest hartroerende passages, de sonate aframmelde als eene wals van Strausz.
»Wat maar...?quot; vroeg Henriette ongeduldig.
»Ze vereischt zooveel gevoel, zooveel tact, om het ware overal te treffen; zoo...quot;
»Scheid maar uit!quot; riep Henriette, die zich omwendde en naar de deur ging. — «Gemis aan tact! .. . Zeker, je windt er geen doekjes om. \'tls wonderbaar, hoe sommige menschen allerhande fouten kunnen zien in anderen, waarvan zij zei ven ver van vrij zijn.quot;
En ze verdween, de deur achter zich toetrekkend met eene kracht, zooals men die van dameshandjes weinig is gewend.
39
EEN MISSTAP.
Madeleine bleef nog een oogenblik staan bij het raam. Hoe jammer, dat ze zoo weinig harmonieerde met hare zuster. Zij had vooral in deze dagen zooveel behoefte aan sympathie, en de zusters waren, helaas! antipathische karakters voor elkander. De nuchterheid en bitsheid van de eene, de meerdere gloed, het fijnere gevoel van de andere, zij werkten als een slagboom, welke zich altijd weer tusschen hen liet vallen en alle echte toenadering belette.
Madeleine dacht aan Paul, en terwijl zij naar de langzaam opdagende, dreigende wolken opzag en in de verte het dofte rommelen van den donder hoorde, werden hare oogen vochtig en vouwden zich hare handen.
Had hij haar kunnen vergeten? Was hij in staat tot zoo iets? Pleitte niet alles in zijn karakter tegen deze onderstelling? En toch .. . En toch . . . Eeeds in bijna acht maanden had zij niet van hem gehoord, ofschoon zij van Van Dittersen wist,, dat hij nog in leven was.
Waarom schreef hij niet? Slechts een paar brieven had zij van hem gekregen, vol van zijne innige toegenegenheid voor haar, zijne plannen, zijne hoop op de toekomst, vol van liefderijke vertroostingen, om haar op te vroolijken, kracht te schenken. En dan. . . had zij geene letter meer van hem ontvangen.
Hoe pijnlijk, hoe onbegrijpelijk was het haar. Lassen kennend, en zelf ook tot hen behoorend, die, diep gevoelend, niet in staat zijn, licht wijziging te brengen in hunne neigingen , was het haar een smartelijk raadsel, \'t Was haar onmogelijk, te kunnen gelooven, dat hij reeds nu het
40
EEN MISSTAP.
meisje had vergeten, dat hem zoo oneindig liefhad en van hetwelk hij zich, zij had het duidelijk genoeg bespeurd, had losgerukt met een bloedend hart, om voor hen beiden, daarginds, verweg, onder den verzengenden hemel van het Oosten, zich een bestaan te winnen, waarmee hij haar eens een gelukkig leven kon bezorgen.
Maar hoe beklemd, bevreesd en angstig maakte toch dit lange zwijgen haar.
Nu moet ge echter weten, dat er na de straks bedoelde brieven wel andere van Lassen door de mail waren aangevoerd. Maar papa Duppler, die als vuur tegen het huwelijk was en zich eenigen tijd vermeid had in den waan, dat het nu voorgoed uit was tusschen die twee, had spoedig bespeurd, dat hij rekende buiten den waard. En zich verontschuldigende met de gedachte, dat het alles voor \'t best was, — ge weet, de weg naar de hel is geplaveid met louter goede bedoelingen — had hij eenvoudig de latere brieven onderschept , gelezen en verscheurd, en den directeur van het postkantoor een wenk gegeven, dergelijke brieven nimmer anders af te leveren dan aan zijn kantoor of aan iemand, door hem bepaaldelijk gezonden.
Madeleine was eindelijk óók met briefschrijven opgehouden , toen er haar van Paul niets meer in handen kwam. Zij wist immers zelfs ten laatste ook niet, waar hij was. En de vrouwelijke kieschheid gebood haar ook, zoo te handelen, al zei het stemmetje in haar binnenste immer weer: »Neen! mij vergeten, hij heeft het niet gedaan; hij kan het niet. Al is zijn zwijgen mij een pijnlijk raadsel, eens zal het
41
EEN MISSTAP.
worden opgelost. Kan ik, mag ik daaraan twijfelen? Ik blijf hem getrouw.quot;
Hoe begon haar het leven hier te drukken. Niemand, die ooit een woord met haar over Lassen sprak; niemand, tot wien zij zich kon wenden, om het hart eens uit te storten. Want ook om zich aan het moederhart te vleien en daar troost en steun te vinden, was haar ontzegd. Immers, Katharina liet zich in alles overheerschen door haar man; haar zou de dochter niet tot hare vertrouwde kunnen maken. Zij zon van Katharina slechts dezelfde argumenten hebben geboord als van haar vader, zij het dan ook in wat zachteren vorm. En hare zuster — deze was zeker wel de laatste, met wie ze over Lassen had willen spreken.
Haar leven in huis was dus verre van aangenaam. Haar vader gaf duidelijk te kennen, dat hij hare zwaarmoedigheid , welke hij een kinderachtig pruilen noemde, en luimige ontevredenheid, omdat men niets had te doen, ondraaglijk begon te vinden.
Henriette was het met haar vader eens. Evenwel, zij verhoogde het onaangename van hare steeds duidelijk blijkende afkeuring van Madeleine\'s treurige stemming, door een beetje spot te mengen in de lakende bewoordingen, waarmee zij soms zich placht uit te laten.
Ze zei zoo\'n enkele maal vrij schamper het een en ander, dat sterke geesten, naar haai\' bescheiden meening, zich gewoonlijk geheel anders gedroegen, wannneer zij smart gevoelden. Zij praatte van sentimentaliteit, waartegen men zich had te wapenen, van plichten tegenover ouders, en
42
EEN MISSTAP.
uitte sarcastisch haar gevoelen, dat de groote dichters, waarmee Madeleine zoo kon dwepen, den waren balsem moesten brengen voor de wonde, waaraan zij leed.
En dan, in Horns viel ook voor Madeleine niets te halen, dat afleiding kon verschaffen aan haar broedenden geest.
Vele menschen van noemenswaardige ontwikkeling vond men er niet. De burgemeester was een van die sujetten, die, niet deugend voor iets anders, aan het burgemeesteren was gegaan en eindelijk na veel solliciteeren hier terecht was gekomen; hij leefde met een gezin, waarvan Madeleine meer dan genoeg had gekregen, reeds de eerste maal toen zij het had gezien. De secretaris was een halve boer. De ontvanger, zoo ook zijne vrouw, was een uitstekend mensch. Maar aan de ontvangers had men hier nooit veel, ten minste op den duur niet. Wat er ook de reden van mocht wezen, de Hornser ontvangers waren ware trekvogels, en steeds, voordat ge het wist, werd Horns beschonken met een anderen. De postdirecteur was oud en versleten, iemand dien men zich niet kon voorstellen zonder een sissende, vuile goudsche pijp, een luchtje van goedkoopen knaster, een kaal kalotje en pantoffels. De overige notabelen beteekenden ook niet veel. En over het geheel was men hier een halve eeuw ten achter en akelig bekrompen. Het minste ietwat naar het buitengewone , extra-alledaagsche zweemende veroorzaakte een gebabbel, dat ge er ziek van werdt. En die bekrompenheid zat zóó in vleesch en been der edelachtbare Hornsers, dat het weggesmeten penningen zouden zijn geweest, indien ge hen allen eens in een trein hadt gepakt
43
EEN MISSTAP.
en verzonden naar Parijs, om hen en corps te leeren, verder te zien, dan hunne neuzen lang waren. Zij zouden zijn teruggekeerd met ergernis in het harte over de schoone wereldstad, als zijnde eene plaats, bewoond door menschen, de welker handelwijs maar gansch niet viel te rijmen met de hunne, waarvan de gewoonte hen onverbeterlijke slaven had gemaakt.
Madeleine was voor Horns een uitmiddelpuntige verschijning. Wanneer zij met hare vorstelijke houding, hare rijzige gestalte, haar ernstig, schoon gelaat, hare eenvoudige en toch zoo gratieuze kleeding, door Horns\' straten kwam, liep de bontjes-man naar buiten, schoof de bakker het warme brood op zij, tuurde de boekhandelaar haar na, totdat zijne vrouw hem weer tot orde riep, keken de meisjes spijtig, werd er menig hoofd bedenkelijk geschud en \'verwrong zich menige ploertenmond tot een spottend lachje, alleen omdat Madeleine niet aardde naar de andere maagden van de plaats, die nu eens voor de snuggere bewoners de maagden in perfectie waren.
Kortweg, men mocht Madeleine niet. Toen zij Paul had leeren kennen, was ze nog niet lang terug van het pension en hadden de Hornsers nog weinig kennis met haar gemaakt. Thans, nu Paul weg was en niets meer van zich liet hooren, verkeerde ze in eene stemming, welke haar minder dan ooit geneigd maakte, zich in te spannen voor het winnen van eene vriendschap van menschen, die zij altijd liever zag gaan dan komen.
Toch deed het haar leed te zien, dat men in het plaatsje
44
EEN MISSTAP.
zoo weinig van haar hield. Zij kon het zoo duidelijk bespeuren. In zulk een achterhoek zijn de menschen juist niet glad uitgevallen en floreert geenszins het systeem, iemand och! zoo vriendelijk, zoo uitermate heusch te ontvangen, toe te spreken en te vleien, om hem in zijn hart te wenschen naar eene plaats, waar het hem, zelfs louter in het beknopt kostuum, waarin hij is geboren, nog ettelijke graden te warm zou zijn. Wanneer ze hier niet van u hielden, dan kondt ge het fabelachtig gauw bemerken. Men ging hier met den stroopkwast niet veel om, en had er opmerkelijk slag van, in z\'n oogen een niet gewild bezoeker zeer spoedig te laten lezen: «Stap op, en dat gauw ook!quot;
Nog geen enkelen dag had Madeleine zich zóó gedrukt gevoeld. Ze zag weer naar den hemel, die steeds donkerder zich kleurde en zekerlijk niet uitlokte tot eene wandeling. Maar zij had een onuitsprekelijke behoefte, een oogenblik daarbuiten, alleen in de vrije natuur te zijn, hoe dreigend ook bet dichte wolkenfloers er uitzag. Ze greep haar hoed en mantel en verliet door de achterdeur het huis.
»Heila!!quot; riep papa Duppler, en hij klopte met zijne knokkels tegen de ruiten, dat het een wonder was, dat ze niet in scherven vielen. «Waar wil je nu heen in dit weer?quot;
»Een oogenblik, papa,quot; antwoordde Madeleine zacht, zich even omwendende.
»Wat is dat nu weer voor een zotte inval!quot; vervolgde Duppler luidkeels, zich niet bekommerend om de tegenwoordigheid van zijne klerken. »Kom in huis! Zie je niet,
45
EEN MISSTAP.
dat het aanstonds zal donderen en regenen, zooals \'t in lang niet heeft gedaan?quot;
»Slechts een oogenblik, papa. Ik heb behoefte, een poosje in de open lucht te zijn. Ge behoeft u niet zoo ongerust te maken, dat mij een beetje regen schaden zal,quot; en haar toon klonk bitterder.
Duppler ging weer zitten en liet zijne dochter gaan. Hij haalde ontevreden zijne schouders op en prevelde: »Wie niet hooren wil, moet voelen. Straks terug, en nat, alsof men je uit de Noordzee had opgevischt.quot;
Madeleine wandelde verder in de richting van de dijken. Het werd haar te drukkend binnen vier muren. En zoekt niet hij, die de kluisters van eene knellende omgeving zwaar op zich voelt wegen, die ziek is van aanhoudende tegenkanting, van het kleingeestige der menschen, van het onuitsprekelijk verlangen, gelijk een vogel vrij, onbelemmerd heen te kunnen vliegen naar oorden\', waar zijn geest de vurig gewenschte sympathie kan vinden en wordt begrepen, troost aan den boezem der natuur, waar alles waarheid spreekt, niets liegt; waar de winden suizen als de geheimzinnige stem van den al-machtigen wereldgeest; waar onmetelijk hoog de vrije blik kan dringen in den blauwen aether en het eigen ik, als ontslagen van de boeien van het aardsche, zich in het oneindige voelt opgaan; waar gelijk geesten de wolken zwijgend henen zweven; waar de vriendelijke stralen van de zacht flonkerende sterren ons rust in het hart gieten, ons doen smachten naar een reiner, edeler leven, waarin de
46
EEN MISSTAP. 47
in bittere kamp geëindigd, het stoffelijk omhulsel ons ontvallen is, de ontreinigende zonde ons zal zijn vergeven; sje waar de fonkelende zonnekogel spreekt van onverwoestbare, te eeuwige kracht, gloed en leven; waar het harmonische van lar het geheel het geschokte evenwicht der ziel herstelt?
Zoo vaak doolde Madeleine in de laatste tijden alleen lij langs het strand, starend over de onmetelijke watervlakte, ie waar aan den verren horizon kleine stippen, de schepen of met zwellende zeilen, henengleden naar oost en west, waarop zij smachtte zelf te wezen, om heen te vlieden naar den ti. man, dien ze zoo liefhad, wiens hart nog vurig kloppen ct moest voor het hare, gelijk op den dag, waarop zijn laatste g kus voor haar de inwijding was geweest in het leed, dat le als een donkere schaduw den mensch op zijne hielen volgt, it De golven der Noordzee gingen op deze hoogte op het
oogenblik niet hoog, maar er liep eene zware deining, die, a het was vloed, hoog spattend tegen de dijken brak. De i vale, zwaarbewolkte hemel had in het noordwesten een , vuile, gele tint en de randen van de dreigende wolken-i drommen lichtten met een vreemden, mat-rossen gloed.
Het water van de zee, welke scheen te steunen, wanneer : af en aan een forsche windstoot er gierend overvloog, geleek ; gesmolten lood.
Toen Madeleine boven op den dijk was gekomen, brak plotseling het onweer met alle kracht los.
De felle bliksemstralen schoten getand, gevorkt, verblindend, links en rechts langs het sombere luchtruim heen. De donder rolde woedend, met slagen, die alles deden
EEN MISSTAP.
dat het aanstonds zal donderen en regenen, zooals \'t in lang niet heeft gedaan?quot;
sSlechts een oogenblik, papa. Ik heb behoefte, een poosje in de open lucht te zijn. Ge behoeft u niet zoo ongerust te maken, dat mij een beetje regen schaden zalen haar toon klonk bitterder.
Dappler ging weer zitten en liet zijne dochter gaan. Hij haalde ontevreden zijne schouders op en prevelde: «Wie niet hooren wil, moet voelen. Straks terug, en nat, alsof men je uit de Noordzee had opgevischt.quot;
Madeleine wandelde verder in de richting van de dijken. Het werd haar te drukkend binnen vier muren. En zoekt niet hij, die de kluisters van eene knellende omgeving zwaar op zich voelt wegen, die ziek is van aanhoudende tegenkanting, van het kleingeestige der menschen, van het onuitsprekelijk verlangen, gelijk een vogel vrij, onbelemmerd heen te kunnen vliegen naar oorden, waar zijn geest de vurig gewenschte sympathie kan vinden en wordt begrepen, troost aan den boezem der natuur, waar alles waarheid spreekt, niets liegt; waar de winden suizen als de geheimzinnige stem van den al-machtigen wereldgeest; waar onmetelijk hoog de vrije blik kan dringen in den blauwen aether en het eigen ik, als ontslagen van de boeien van het aardsche, zich in het oneindige voelt opgaan; waar gelijk geesten de wolken zwijgend henen zweven; waar de vriendelijke stralen van de zacht flonkerende sterren ons rust in het hart gieten, ons doen smachten naar een reiner, edeler leven, waarin de
46
EEN MISSTAP. 47
\'
in bittere kamp geëindigd, het stoffelijk omhulsel ons ontvallen is, de ontreinigende zonde ons zal zijn vergeven; ije waar de fonkelende zonnekogel spreekt van onverwoestbare, te eeuwige kracht, gloed en leven; waar het harmonische van ar het geheel het geschokte evenwicht der ziel herstelt?
Zoo vaak doolde Madeleine in de laatste tijden alleen [ij langs het strand, starend over de onmetelijke watervlakte, ie waar aan den verren horizon kleine stippen, de schepen )f met zwellende zeilen, henengleden naar oost en west, waarop zij smachtte zelf te wezen, om heen te vlieden naar den i. man, dien ze zoo liefhad, wiens hart nog vurig kloppen :t moest voor het hare, gelijk op den dag, waarop zijn laatste y kus voor haar de inwijding was geweest in het leed, dat e als een donkere schaduw den mensch op zijne hielen volgt, t De golven der Noordzee gingen op deze hoogte op het
oogenblik niet hoog, maar er liep eene zware deining, die, ï het was vloed, hoog spattend tegen de dijken brak. De i vale, zwaarbewolkte hemel had in het noordwesten een , vuile, gele tint en de randen van de dreigende wolken-s drommen lichtten met een vreemden, mat-rossen gloed. Het water van de zee, welke scheen te steunen, wanneer af en aan een forsche windstoot er gierend overvloog, geleek gesmolten lood.
Toen Madeleine boven op den dijk was gekomen, brak plotseling het onweer met alle kracht los.
De felle bliksemstralen schoten getand, gevorkt, verblindend, links en rechts langs het sombere luchtruim heen. De donder rolde woedend, met slagen, die alles deden
EEN MISSTAP.
dreunen, die alles schenen te willen splijten, woest ratelend over het deinend watervlak, den beangsten mensch een ontzenuwend gevoel van zijne nietigheid en onmacht gevend.
Eeeds begonnen enkele zware droppelen, fonkelend in het bliksemlicht, kletterend neer te vallen.
Toch ging Madeleine nog niet heen. Ze stond als geketend aan hare plaats, \'t Gezicht van die huiveringwekkende, blauwe, machtige bliksemschichten, het hooren van dien plechtigen, vreeselijken klank der donderende slagen, het benauwende gevoel, alsof de door het vuur verscheurde hemel zich aanstonds op haar zoude nederstorten, alsof de steeds meer opgezweepte baren zich onweerstaanbaar, alverslindend, torenhoog over haar en het land zouden werpen, om haar te slingeren in den eeuwigen nacht, de eeuwige rust, maakten haar beangst, bevreesd, ontzet, ontnamen haar èn kracht èn wil tot vluchten.
Ze stond onbeweeglijk. Ze gevoelde de regendroppels niet. \'t W;is, of ze niet dezelfde was; alsof ze was ontrukt aan het aardsche. Zij was overspannen, zenuwachtig. Haar lichaam beefde licht, terwijl zij het oog niet kon afwenden van wat haar te gelijker tijd zoo plechtig én zoo ontzettend aandeed.
Daar kwam een slag, die haar verdoofde, een donderen, rommelen, ratelen, een schudding van het luchtruim, een galmen, dreunen, daveren, en plotseling daarop een breede, helle, verblindende bliksemschicht, die lijnrecht uit den zwarten hemel en als aan hare voeten nederschoot en een mjjlpaal op den dijk, niet ver van haar verwijderd, in gruis en splinters sloeg.
48
EEN MISSTAP. 49
Madeleine kromp ineen. »God!quot; riep ze en drukte wanhopig, vreeselijk verschrikt hare handen tegen hare slapen, »o God! is dit een teeken ?quot;
En dan, alsof plotseling hare krachten wederkeerden in hare leden, vluchtte zij den dijk af naar huis.
sPaul! Paul!quot; hijgde ze onder het snelle loopen. »Paul, waar zijt ge? Wat hebt ge gedaan?quot; en angstig knelde zij hare hand tegen het pijnlijk kloppend hart.
Duppler zag haar weer binnenkomen door de achterdeur.
»Nu, hoe was \'t daarbuiten? Waarom hoorde je niet naar mij? Je ziet eruit, alsof je geesten hadt gezien. Waarachtig, je bent bleek als een doode. Wat was me dat ook voor een kuur, in dit weer naar den dijk te loopen.\'tIs een wonder, •dat je er heelhuids bent afgekomen.quot;
Madeleine gaf geen antwoord. Zij hoorde zelfs niet, wat Duppler tot haar zei.
»Kom,quot; vervolgde Johan, toen Madeleine hoed en mantel in de gang had opgehangen. »Kom mee naar de voorkamer, \'t Schijnt, dat je erg verschrikt bent.quot;
En dan, toen plotseling de regen nederkwam gelijk bij een tweeden zondvloed: »\'t Is gelukkig, dat je in de ark terugbent, voordat de poppen goed aan het dansen waren.quot;
Madeleine ging met haar vader naar de kamer, vóór. Henriette was al lang naar de soirée vertrokken. Mevrouw Duppler zat bij de tafel, bij het theeblad. De bediende schoof juist alles dicht en toe, na de lamp te hebben gebracht, want het onweer maakte het hier binnen reeds vroeg verbazend
V. D. LAAN, EEN MISSTAP. 4
50 een misstap.
duister en vader en moeder Duppler wenschten hunne couranten te lezen.
Het was een ruim vertrek, dat deftig was gemeubeleerd, gelukkig zonder pianino. Aan de porseleinen kap van de lamp hing aan de zijde van mevrouw een plaatje van biscuit, om het schelle licht te temperen voor Katharina\'s oogen, die het niet konden verdragen.
Bij Madeleine\'s binnentreden schoof hare moeder het theeblad rechts, om het aan de zorg van haar dochter over te laten.
Ook Katharina viel Madeleine\'s bleekheid op, en ze vroeg er de reden van. «Kind ben je niet wel? Waar heb je je kleur gelaten?
»E\'n beetje vermoeid, dat\'s alles,quot; zei Madeleine, terwijl zij zitten ging.
Mevrouw schudde ongeloovig het hoofd en verdiepte zich hierop, gelijk Johan, in de couranten.
Een oogenblik later keek zij weder op en zei: «Madeleine, meisje, ik dacht, dat je niet zulk een kind waart. Kan je je over niets dan heenzetten? Je wordt in de laatste tijden steeds en aanhoudend stiller. Je bent gedurig ontevreden. Je moet leeren, jezelf een beetje beter te beheerschen, of je krijgt een ondragelijk humeur.quot;
»Ik verbeeld me, dat ze dat al eenige maanden heeft,quot; zei Duppler gemelijk, zonder op te zien van het politiek verslag.
Madeleine zag haar vader met een eigenaardige uitdrukking in hare oogen aan — maar hij zag het niet, of begeerde bet niet te zien. Ze zeide niets.
EEN MISSTAP.
sGeloof me,quot; vervolgde Katharina, »\'t is hoog tijd, dat je er ook eens aan denkt, hoe onaangenaam altijd zulk een zuur gezicht voor je ouders is.quot;
sOeh!quot; prevelde Madeleine verdrietig, terwijl zij ongeduldig schudde met haar hoofd.
»Ja, ja!quot; hernam Duppler, »we hebben van dat mokken genoeg.quot;
Weer zag Madeleine haar vader op die vreemde wijze aan.
»Wie is er de schuld van?quot; zei ze langzaam en bitter.
Deze maal zag Duppler het verwijtende in hare oogen en dit, en hetgeen zij zeide, maakte hem kwaad.
»Je behoeft me zoo niet aan te zien ,quot; vervolgde hij norsch. »Je laat een beetje te veel den vrijen teugel aan je eigenzinnigheid en onverstand.quot;
»Lieve Madeleine,quot; hernam Katharina, »je wilt ons toch het leven niet bederven, is het? Begrijp toch, je papa en ik hebben slechts het beste met je voor. Wij begrijpen beter, kind, wat daartoe voor een meisje noodig is.quot;
»Zoo is \'t,quot; lispte Madeleine even bitter als zoo even.
»Die verd .... Lassen wil haar niet uit het hoofd,quot; mompelde Duppler hoogst ontstemd.
Madeleine stond op. Zij had genoeg van dit gesprek. De woorden van haar vader deden haar ondraaglijk pijn. Zij wilde naar hare kamer.
ïAls ik je verzoeken mag, schenk ons eerst eens in,quot; zei hare moeder koud, die dezen avond niet in een van hare beste buien was.
Madeleine deed het.
51
EEN MISSTAP.
»En schrijf me ook eerst die advertentie even uit, n01972.quot;
Madeleine wilde met de eene hand hare moeder de thee toereiken, greep met de andere de courant en keek gelijktijdig naar de advertentie.
Maar ze had de courant verkeerd aangevat en de eerste regels, waar toevallig hare oogen op vielen, luidde: «Onder de gedoode officieren behooren J. Krans, P. Lassen en G. F. Slingelbach.quot;
Courant en kop vielen uit hare handen, de eerste op den grond, de laatste ratelend in stukken onder het theegoed op het blad. Was ze een oogenblik te voren bleek geweest, thans werd ze het als een lijk. Zij had zich aan de tafel vast te houden; ze snakte een oogenblik naar adem.
Papa en mama hadden slechts oog en oor voor de verwoestingen onder het theegoed.
«Onhandig!! quot; schreeuwde Katharina, die opsprong, om te redden, wat er te redden viel.
«Kind!quot; riep Duppler, die zijn courant ter zijde gooide, »wat voor verwenschte kuren heb je nu weer. Als je me niet vlug en voorgoed ook, tracht dien verwenschten Lassen te vergeten en weer redelijk...
Maar hij bleef midden in zijne woorden steken. Hij zag de vale bleekheid van Madeleine\'s aangezicht, het strakke in hare oogen. Hij zag haar waggelen, op het punt, om neer te zinken. En zooveel vaderlijk gevoel had Duppler zeker nog, dat hij zich naar haar toe haastte, om baar te steunen,
»Wat heb je nu in \'s hemels naam?quot; vroeg hij een beetje zachter.
Maar Madeleine riep al hare krachten bij elkaar. Zij ver-
52
EEN MISSTAP.
mande zich en duwde zacht haar vader van zich. Dan, terwijl voor een oogenblik het bloed haar naar het hoofd steeg, haar slapen sloegen en klopten, hare oogen fonkelden, riep ze hem hijgend toe: »Vader... . vader.... gij hebt hem vermoord!quot; en wilde zich uit de kamer storten, om zich boven neer te werpen in hare wilde smart.
Duppler wist niet, wat hij hoorde, begreep niet, wat zij bedoelde. Hij gevoelde haar blik vol haat in zijne oogen branden, meende., dat hare overprikkelde zenuwen haar woorden deden uiten, waarvan zij de volle strekking niet begreep. Hij pakte haar gestreng bij den arm en zeide koel: »Je spreekt als een waanzinnige. Ik verkies, dat je blijft en ons verklaart, wat je bedoelt met die dolle taal.quot;
Mevrouw had middelerwijl met theedoek, enz. alles weer in het reine gebracht. Zij zag thans ook, dat Madeleine er vreeselijk ontsteld uitzag. Zij greep de gevallen courant, begrijpend, dat iets daarin hare dochter zoozeer had getroffen, iets over Paul voorzeker. Zij keek haastig de kolommen door; dan viel ook haar oog op de passage over Lassen, beginnend met: »Bij het slaan van de nieuwe brug niet ver van den Kratonquot;, en het doodsbericht inhoudende dei-drie genoemde officieren in Atjeh.
Zij had meer gevoel dan haar Johan, en thans bloedde haar hart om hare dochter. Zij wist, dat dit meisje dezen man zoo innig was blijven beminnen en zich hem niet uit het hoofd konde brengen.
Zij greep, terwijl ze bij haar ging zitten, de hand van Madeleine, die nog immer stond.
53
EEN MISSTAP.
»M\'n lieve, arme Madeleinefluisterde ze haar toe, »mijn arme kind, och! ik begrijp het, \'tis zulk een harde slag voor je. Zoo onverwachts. Kom hier, m\'n lieve.quot;
Maar de gemeenzaamheid tusschen Katharina en hare dochter was geen groote. Kaatje was zoo dikwijls ongesteld, zoo vaak boven, kon zich zoo weinig bemoeien met hare kinderen, schoof ook zoo vaak te gretig, ook al ten gevolge van hare kwaal, alles van zich, wat maar zweemde naar last en zorg, was tot zekere hoogte zoo behept met het egoisme, hetwelk immer lijdenden soms toonen, dat hare kinderen weinig aan haar hadden en de band tusschen moeder en dochters onmogelijk een nauw aangehaalde kon zijn.
Madeleine gevoelde weinig neiging, om aan Katharina\'s hart het hare uit te storten. Bovendien, \'t was haar zoo vreemd in het hoofd. De smart, de schrik, de verbittering tegen hare ouders — Katharina had immers zoo weinig ook gedaan, om haar te helpen tegen haar vader, — deden zulk een storm woeden in haar binnenste, dat ze bevreesd was, dat, indien men haar thans tot spreken dwong, woorden over hare lippen zouden komen, welke eene dochter tegenover hare ouders niet betaamden, welke tusschen hen eene klove zouden brengen, die niets meer dempen kon.
Ze bleef daarom stom, terwijl ze strak vóór zich naar de tafel staarde en de pogingen weerstreefde van hare moeder, die haar naast zich neer wou trekken op een stoel.
Duppler had Madeleine\'s arm weer losgelaten.
»Wat is het?quot; vroeg hij kortaf aan zijne vrouw.
54
EEN MISSTAP.
Katharina schoof hem de courant toe en wees met haar vinger naar de bewuste plaats met het bericht.
Hij las het. Dan zei hij geërgerd: »En dat is mijne schuld, dus! Meisje, weet je, wat je hebt gezegd?quot;
Madeleine stond aan de eene zijde van de tafel, Duppler thans aan de andere.
Ze had bij die laatste woorden hare oogen van de tafel opgeslagen. Ze zag met een donkeren blik in zijne grijze, die meer toorn over baar gezegde toonden dan medelij dén met haar lot.
sGe hebt mijn geluk verwoest, papa,quot; zei ze dof. dIs het genoeg — kan ik gaan?quot;
»Dat is geen taal van een verstandig mensch,quot; riep Duppler, en dan, zich dwingend tot een onverschilligen toon: Op die wijs heeft meer dan één huisvader een paar moorden op zijn geweten.quot;
»Zwijg! riep Madeleine onstuimig.
»Sla een anderen toon aan,quot; zei haar vader koud.
Madeleine was zichzelve nauwelijks meer meester. Voor een oogenblik kreeg een wilde toorn de overhand over het knagend leed. Had hij Paul niet uit het land gedreven? Had hij zich niet geplaatst tusschen haar en haar geluk? Had hij ooit met een woord, een blik eenige sympathie getoond voor hetgeen zij leed? en thans? nu een verpletterende slag haar trof, behandelde bij haar nu niet met een gevoelloosheid, waartegen haar geheele -wezen in opstand kwam?
Duppler zag de hoogere kleur terugkeeren op Madeleine\'s
55
EEN MISSTAP.
wangen; hij zag het beven harer handen, raadde den storm in haar gemoed aan het flonkeren van haar oog.
Madeleine was zoo groot als hij, en gelijk ze daar stond r terwijl die dreigende stralen uit hare oogen schoten, elk oogenblik op het punt, de smart, die haar verteerde, den lang verkropten toorn, de heilige verontwaardiging over het vertreden van het geluk van het kind zich baan te laten breken in een stroom van harde, bittere, gloeiende woorden , was het jonge, schoone, krachtige meisje eene verschijning,, die wel in staat was, het iemand bang om het hart te maken.
Maar Duppler had een koelen kop, en de toom van vrouwen telde bij hem niet veel. Evenwel, hij had weinig neiging voor eene scène, waarom hij gebiedend tot zijne dochter zei: »Gra naar je kamer, en vertoon je niet weer hier, voordat je bedaarder bent.quot;
«Madeleine\'s blöed kookte — toch wilde ze zichzelve overwinnen, niet spreken, gaan. Zij vreesde voor hetgeen eruit haar mond mocht komen. Haars vaders toon verbitterde haar op een wijze, dat ze beangst werd voor zichzelf.
»0! Madeleinequot; riep Katharina, »zie zoo niet. Windje zoo niet op.quot; En weer trachtte ze tevergeefs hare dochter naast zich neer te trekken. »Duppler, zend haar zoo niet weg.quot;
«Eerst die dolle manieren afleeren,quot; zei Duppler grof. »Wat er ook is gebeurd, ik eisch, door mijne dochter te worden behandeld als haar vader. Wat die Lassen ook voor
haar was......quot;
Ah!quot; riep Madeleine, die zich onmogelijk meer kon inhouden, zoo onstuimig en zoo luid, dat Katharina ervan
56
EEN MISSTAP,
opschrikte, bevreesd ook, dat de bedienden het zouden hooren.
Neen, ze kon zich niet meer betoomen; dat smadelijke: «die Lassen,quot; hare overspanning, de druk van al haar leed, het onweer van dien avond, de door zooveel overprikkelde zenuwen, schenen haar als voort te zweepen; ze moest zich uiten, luchten; zwijgen was thans niet mogelijk meer.
»Ah 1 ge zijt mijn vader en ge meent het recht te hebben, na mij ongelukkig te hebben gemaakt, na mij te hebben gescheiden van den man, dien ik zoo oneindig liefhad, na hem in een ontijdigen dood te hebben gejaagd, mij in mijne smart de deur te wijzen, omdat ik niet als gij mij er koud bij kan neer leggen, wanneer een geliefd wezen mij voor eeuwig wordt ontrukt. Ge meent het recht te hebben, mijne ellende te hoonen als dwaze kuren, dolle manieren; mij in uw koud egoisme, dat u niet veroorlooft voor mij, uw kind, uwe dochter, diep te gevoelen, van u te jagen, opdat ik straks, na mijn leed te hebben verbeten, weer vol berouw voor u, den liefhebbenden vader, mij vertoone.....quot;
«Madeleine!quot; riep Katharina vreeselijk ontsteld.
Duppler zei geen woord. Hij keek vast en onbeweeglijk zijne dochter aan. Maar indien hij meende, dat die vaste blik eenige uitwerking op het meisje had, haar zou temmen, dan had hij het geheel mis.
»Geld! geld!quot; vervolgde Madeleine even onstuimig, even bitter, even wild. «Dat is uw alles! Wat is het geluk van uw eigen kind, wat dat van een Paul; wat zijn mijn vurigste begeerten, mijne beden, mijne smart, voor een man, die
57
EEN MISSTAP.
zoo weinig luistert naar de stem van het hart; die zijn kind kan opofferen, omdat hij in rijkdom het hoogste ziet, zijn éénig ideaal!quot;
«Is het nog niet reeds genoeg ? quot; vroeg Duppler langzaam met een zware stem. De woorden van zijne dochter brachten ook zijn bloed in onstuimige beweging. Zij wierp hem zware dingen naar het hoofd, voorwaar.
«Madeleine,quot; zuchtte Katharina weer wanhopig, niet wetend, wat te doen, om dien woesten woordenstroom te keeren, en gevoelend, dat dit tooneel haar weer een aanval van migraine bracht.
»Het is aan mij, die vraag te doen!quot; ging Madeleine even opgewonden voort, sis het genoeg? Zijt ge voldaan, papa ? Ik ben ongelukkig. Verstaat ge mij, diep ongelukkig!quot;
Dan, terwijl niets dan de herinnering aan Paul\'s dood zich overweldigend van haar meester maakte, haar martelde, was het, alsof hare keel werd toegenepen; alsof ze hare spraak had verloren. Er knaagde iets aan haar hart, dat haar heure kracht ontnam; iets, dat op eens die rijzige, schoone, krachtige leden scheen te verlammen. Ze perste hare handen tegen elkaar; het hoofd, een oogenblik te voren zoo trotsch, zoo tartend opgeheven, boog zich smartelijk, gelijk een geknakte bloem, en de oogen staarden vóór zich, door hun mistig waas, terwijl ze noch haar vader, noch hare moeder, noch iets om zich scheen te zien.
Wat had zij thans ook kunnen zeggen, en dat tegen hare ouders? Wie heeft er veel woorden op zulk een oogenblik?
58
EEN MISSTAP.
»Paul----Paul — O God!quot; was alles, wat ze nauw hoorbaar konde lispen.
En hare blikken staarden in het oneindige, dat zich voor het geestelijk oog ontplooit, wanneer de dingen om ons als in damp verdwijnen en elke scheidsmuur schijnt te vallen; als dat strakke oog op verre, geheimzinnige banen doolt en zoekt naar het geliefde wezen, dat ons meedoogenloos voor eeuwig is ontrukt, is heengevloden naar gewesten, vanwaar al \'t aardsche is gebannen; dat onze bittere tranen niet meer ziet, onze bange zuchten niet meer hoort, niet meer luistert naar den kreet der wanhoop, ontperst aan ons gepijnigd hart.
De harde beschuldigingen van Madeleine, die alles op zijne schouders wierp, en juist het gevoel, dat er veel waars was in hetgeen zij zeide, maakten Duppler ernstig boos. En zie, hij dacht in zijne boosheid niet zoozeer aan het vergeeflijke van de opgewonden woorden van het meisje, dat door schrik en smart zichzelf niet meester was, als dat hij zich wel liet overheerschen door het gevoel, beleedigd en gekrenkt te zijn.
))Je bent krankzinnig, kind,quot; zei hij, warmer, dan hij tot nog toe had gesproken. ))Laat die rappe tong wat minder ratelen, of we kunnen je hier in huis niet langer hebben.quot;
»En dat zal ook niet! quot; en Madeleine stormde de kamer uit naar boven, terwijl Mevrouw haar haastig volgde, bevreesd, dat ze zóó het huis uit zou loopen, en Duppler beleedigd, ontevreden, vertoornd achterbleef.
Maar Katharina kon boven niets aanvangen met hare dochter. Madeleine was gevlucht naar hai-e kamer en had
59
EEN MISSTAP.
zich in het donker neergeworpen op de sofa, waar hare moeder haar vond, met het hoofd op hare armen op de leuning.
Katharina stak de lamp op en zat nog eenigen tijd bij hare dochter en sprak haar zachte woorden toe. Maar daar zij tusschen deze ook andere voegde over het onbetamelijke van Madeleine\'s gedrag tegenover haar vader, liet ze het treurend meisje koud, dat met geen enkel woord haar antwoord gaf. Eindelijk ging Katharina heen. Haar hoofd deed haar weer vreeselijk pijn; zij wilde nog even naar haar man en dan naar bed.
Toen hare moeder was vertrokken en Madeleine nog eene poos stil, bewegingloos op de sofa had gezeten, volgde ten laatste de reactie na de geduchte opgewondenheid en ze barstte in tranen uit, zooals nooit het geval op die wijze was geweest na de maal, toen ze Paul heen had zien gaan naar het verre Indië.
Die tranen deden goed. Zij brachten meerdere kalmte, eene kalmte, welke een poosje later evenwel weder werd verstoord door de verschijning van Henriette, die van de soirée terug was gekomen, van papa had gehoord, wat er was voorgevallen en dat hare mama weer met migraine was naar bed gegaan , en nu verontwaardigd Madeleine op kwam zoeken.
Zij stevende nog in volle wapenrusting, in haar rose sicilienne en tulle, Madeleine\'s kamer binnen.
Ze had heden nog eene reden meer, om op hare zuster gebeten te zijn. Midden onder het spelen van hare sonate.
60
EEN MISSTAP.
van het \'presto agitato, terwijl hare handen over de toetsen vlogen met de noodelooze vaart van een expres, had zij gedacht aan Madeleine\'s woorden, aan dien bedoelden tact en het noodige gevoel, om het rechte hier te treffen, een missen van dewelke hare zuster bij haar scheen te vreezen, en zij was een oogenblik ontstemd en boos geworden.
Nu, gelijk genoemde expres onderhevig is aan een beklagenswaardig derailleeren, loopen ook soms de handen van een musicus gevaar, de vreemdste bokkesprongen te maken, indien hij niet aanhoudend op zijn qui vive is. En zoo was het gegaan met Henriette\'s stevige handen, toen Madeleine\'s ergerlijke twijfel aan haar »tactquot; haar weer te binnen schoot. Plotseling was zij den draad kwijt geraakt en met een ratelend forto terechtgekomen in eene wildernis van verwarde tonen, de geheele passage op akelige wijs verbroddelend , totdat ze er zich niet meer wist uit te redden dan door met een sprong, met het passeeren van zes, zeven tacten, weer eensklaps in het rechte spoor terug te komen, de sonate dan overhaast afspelend, per abuis ook het adagio omwerkend in een vliegend presto, welks tonen de Hornser ooren voorbijsuisden als de stormwind in zijn dolsten dans.
Natuurlijk, Henriette gevoelde zich geërgerd over den flater, dien ze had gemaakt, en dien zij, even natuurlijk, haar aard in aanmerking genomen, op Madeleine\'s schouders wierp.
Met een verhoogde kleur op de wangen, ontevreden, was zij de estrade afgedaald, bevreesd, dat men in de zaal het kunstgenot (?), dat zij het gehoor had willen verschaffen , geheel bedorven had gevonden.
61
EEN MISSTAP.
Evenwel, daar had men van Henriette\'s saut périlleux op het klavier niet veel bespeurd. Hoe groot was hare verbazing, toen de boekverkooper, die muziek verkocht en er daarom ook verstand van meende te hebben, haar complimenteerde over haar meesterlijk spel en vooral die ééne forto passage prees, in het agitato, die, waar Henriette\'s Beethoven-expres van de rails geslingerd was.
»Zoo iets kon alleen een Beethoven toonzetten,quot; meende de boekverkooper; dat was geniaal; dat was eerst de echte muziek; daar hoorde men den grooten meester, en voor zoo iets had men een volleerde pianiste noodig, gelijk eene Juffrouw Duppler; en hij en zijne vrouw bogen beiden als knipmessen. De bakker, die ook zijn oortje in het zakje wilde werpen, zei met een geheimzinnig knipoogen en een knikken met het hoofd, alsof hij er alles van begreep: »Ik zeg maar altijd tot m\'n Triene: Holloway voor alle mógelijke kwaolen en Beethoven voor de mazziek! quot; hoewel hij van e\'n Beethoven even weinig wist als van e\'n Budha en het lezen van de noten hem niet gemakkelijker zou zijn afgegaan dan dat van het Quippus-schrift der Peruanen.
De postdirecteur, wien het wel schemerde op het punt van muziek, maar die toch een redelijk oor had, meende, dat Beethoven onovertrefbaar was, maar soms een beetje onbegrijpelijk. Hij bad het recht verband tusschen die ééne forto passage en het overige niet precies begrepen, \'t Was zeker juist een unique gedeelte, maar één, misschien meer ervaring en verstand vereischend op dit moeielijk gebied. En ook hij had daarop Henriette van belang gecomplimenteerd,
62
EEN MISSTAP.
met velerlei strijkages, waarbij hij haar nog bijna een oog had uitgestoken met zijne vuile goudsche, die hij ook hierheen had meegetroond.
Zoo zou dus Henriette\'s gelijkmoedigheid spoedig zijn teruggekeerd, indien zij niet den ontvanger had gezien met zijn jonge vrouw met verwrongen gezichten, bij al die complimenten bovenmenschelijke pogingen doende, om niet in een schaterend lachen uit te bersten.
JDat had Henriette erg geneteld. Men had, al waren het dan ook maar een paar, den leelijken flater wel bespeurd en zij dacht, in stillen toorn ontbrandend, aan hare zuster.
Alles leidde er dus toe, Henriette te voeren naar Madeleine\'s kamer met het plan, hier eens ferm hare ontevredenheid te luchten.
sSchaam je je nietquot;, begon zij dadelijk, toen ze binnen was , »mama is ziek naar bed gegaan en papa heb je gegriefd op een wijze, dat ik geloof, dat het tusschen jelui nooit weer goed kan worden. Voorzeker, je hebt een zeldzame manier, om van je verdriet te laten blijken.quot;
Madeleine was bezig zich te ontkleeden. Zij zag hare zuster lusteloos aan. Een geduchte ontspanning was op de opwinding van straks gevolgd Zij was vermoeid en uitgeput; hare oogen waren mat; hare leden waren haar als lood.
»Moet je dan alleen aan jezelve denken?quot; vervolgde Henriette, toen Madeleine nog niets zei. »Ah! nu heb je niets te zeggen, \'tls waar; straks heb je er veel te veel al uitgebracht. Kom mee naar beneden en vraag papa excuus. Ik zou daar liever niet mee talmen: papa is geducht ont-
63
EEN MISSTAP.
stemd! Eu met reden, zou ik denken. Hoe heb je dat alles durven zeggen! \'t Is al te erg. \'tls schandelijk!quot;
Madeleine schudde even het hoofd. Excuus vragen aan haar vader? — Hare woorden waren hard geweest, ze wist het; wie opgewonden, geprikkeld door de smart, getergd door koele, koude woorden , wanneer het eigen bloed kookt, gegriefd, gekrenkt, tot spreken wordt gedwongen, uit geene woorden, die zacht zijn als fluweel. En is er niet eene lijn, die, eens overschreden, ook het kind het recht geeft, als beschuldiger tegenover zijne ouders op te treden? — Zij schonken u het leven!. .. Dat is eene gave evenwel, waarom ge niet hebt gevraagd; eene, die door duizenden alles behalve wordt hooggeschat; eene, die hun niet het recht geeft, om de macht te misbruiken, welke zij hebben over het kind. Wat was het, waarin die macht harer ouders zich had te openbaren? Was het niet de liefde, de opofferende liefde, die het geluk van het kind stelt boven het eigene, genegen, dat eigene ten offer te brengen, waar dat van het kind op het spel staat? En hoe had haar vader tegenover haar gehandeld? Hoe had hij zich gedragen, haar toegesproken , toen hij het resultaat had gezien van zijn eigen werk ? Neen! er was nooit veel liefde geweest tusschen Johan Duppler en zijne dochter, en het weinige, dat ooit levensvatbaarheid had gehad, was thans gedood.
«Laat mij met rust, Henriette,quot; zei Madeleine zacht. Ze had kracht noch wil, een strijd te beginnen met hare zuster.
»Kom mee en doe, wat ik je zeg, vóórdat het te laat is,quot; vervolgde Henriette, hare zuster niet met rust latend.
64
EEN MISSTAP.
»Papa is ernstig boos en ik weet niet, wat hij voorheeft met je,quot;
»Iets méér dan het leed, dat hij mij reeds heeft bezorgd, moeielijk voorzeker,quot; lispte Madeleine, meer tot zichzelve dan tot Henriette.
»En mama ligt weer doodziek. Dat is je werk! Daar kan je je op beroemen. Indien je zóó voortgaat, zal je zelf nog een moord op je geweten hebben.quot;
Een oogenblik lichtte het in Madeleine\'s matte oogen en vloog een donkere blos over hare wangen. Zij richtte zich «rnstig tot hare zuster.
»Ga heen! quot; zei ze verachtelijk.
»Wou je misschien ook tegenover mij . ..quot;
»Ga heen!quot; herbaalde Madeleine slechts, en ze wees met hare hand gebiedend naar de deur.
»\'t Is van avond, alsof de booze in je is gevaren!quot;
65
Doch Madeleine lette op die woorden niet. Zij gevoelde, hoe ze boven hare zuster stond; indien ooit iets het haar had kunnen toonen, dan was het die ééne hatelijke zinspeling op de woorden, haar afgeperst door schrik en smart. Zij wist het, ze was er zeker van: een lijdende te krenken, geene macht ter wereld zou haar ooit tot zoo iets kunnen dwingen. Ze was op gaan staan. Ze stond met een trotsche, •opgerichte houding tegenover have zuster, en Henriette, die zich plotseling klein en nietig gevoelde tegenover die gestalte, dien trots, dien blik, draaide zich, de schouders schuddend, om, zoo iets mompelend als: »Wat voor airs men al niet aanneemt!quot; om daarop geërgerd heen te gaan.
V. t). LAAN, EEN MISSTAP.
EEN MISSTAP.
Toen ze was vertrokken, was het, of Madeleine\'s lichaam ineenkromp. Waar waren de stille trots, het gevoel van hare meerderheid, het gebiedende van zoo even? Ach, zij bad ze slechts een oogenblik bijeen kunnen rapen. Thans zonk het gebogen hoofd tusschen hare handen.
Alleen, geheel alleen, met geen enkelen waren vriend, geene vriendin of troosteres. Welk een leegte in haar hart, welk een doodend gevoel van verlatenheid, welk een verkillende geest in alles, wat haar hier omringde.
Toch niet gehéél alleen! — Geen mensch is zoo rampzalig , of er is een enkel gevoelig hart nog wel, dat warm klopt ook voor hem. Een oogenblik na het vertrek van Henriette werd er zacht op de deur getikt en trad een oud vrouwtje binnen, Hanna Smidt, eene der bedienden , die reeds\' jaren bij de Dupplers was geweest, zoo\'n soort familiestuk, een tamelijk klein menschje, in een grijs kleedje, met een eenvoudig mutsje op de weinige, dunne grijze haren, een persoontje, er uitziend, alsof ze met Noach was in de ark geweest, maar nog hecht steeds en met een paar vriendelijke, levendige, schitterende oogen.
De andere bedienden waren uit geweest en zoo was het stil geweest in de keuken, en Hanna had het een en ander uit de kamer wel gehoord. Haar helder oud hoofdje had haar spoedig doen begrijpen, wat er gaande was. Zij had altijd van Madeleine veel gehouden en ze kwam thans, om haar te troosten. Geen ander zou het doen, begreep ze, en zij, zij was eene bediende, een mindere, ja, maar zij was ook een mensch, eene vrouw met een week hart, en ze
66
EEN MISSTAP.
had zich gedrongen gevoeld, naar boven te sluipen, naar Madeleine\'s kamer.
Madeleine wendde zich om, toen Hanna binnentrad. Een oogenblik zag zij vragend naar de oude vrouw; dan, in hare vochtige, vriendelijke oogen lezend, waarom zij was gekomen, wierp zij zich plotseling om Hanna\'s bals, drukte het hoofd op haren schouder \'en stond eene poos te snikken, dat het Hanna bijna te benauwd werd.
Zij, de vreemde, de bediende, had een gevoel, alsof dat gebroken meisje hare eigene dochter was. Werpt niet de sympathie voor hen, die lijden, werpt niet de smart, gezamenlijk gevoeld, den scheidsmuur neer, door een conven-tioneele maatschappij koud opgetrokken tusschen menschen, zich bewegend in verschillende sferen ? Wanneer het hart tot het harte spreekt, vallen dan die onderscheidingen niet neer, verdwijnen dan niet die grenzen, welke, de menschen van elkander scheidend, hen te dikwijls als vreemden tegenover elkaar doen staan?
Hanna streek hare jonge meesteres over de zachte, glanzige haren; zij kuste hare vochtige wang. Zij hield haar zoo lang aanzich , totdat ze dacht, dat Madeleine een weinig was bedaard. Dan bief zij zacht het gebogen hoofd van het meisje op, en bracht haar naar de sofa en trok haar bij zich neer.
En zie, het was niet aan het hart der moeder, dat het geknakte meisje troost en de teederste woorden vond, maar aan dat der vreemde vrouw, der bediende, die den waren balsem in de smartelijke wonde wist te gieten; die sprak van het onvermijdelijk lijden in dit leven, van
67
EEN MISSTAP.
de veredelende kracht van \'t leed, van de ten goede vormende macht van een verlies, dat, ons eerst verpletterend, door de schoone, veredelende gedachten verbonden aan het verlorene, ons volgend leven met een geest bezielt, waarvan bij, die nimmer door zware rampen werd bezocht, niet den adelenden invloed kent, niet wetend hoe de beste mensch zich slechts in de school van het lijden vormt.
En als ten laatste Madeleine weer kalmer, weer meer berustend was gestemd geworden en zich geheel door Hanna als een kind liet leiden, hielp de oude vrouw haar zich ontkleedén. Dan bracht zij baar naar bed en bleef nog zoolang in de kamer, totdat de doffe afmatting ten gevolge van al \'t gebeurde Madeleine\'s zware oogleden sloot en haar dompelde in een diepen slaap.
IV.
Ettelijke dagen waren verloopen sedert het voorgevallene met Madeleine, toen Duppler, Henriette en Katharina op een Dinsdag in de voorkamer zaten te ontbijten, terwijl Madeleine op hare kamer boven was.
»Zal dat dan nooit worden bijgelegd ? quot; zuchtte Katharina.
»Dat hangt niet af van mij,quot; antwoordde Duppler onverschillig , terwijl hij een dienstbrief opende, dien de postbode zoo even had gebracht.
))Je moest ook een beetje denken, Johan, aan den
68
EEN MISSTAP.
zenuwachtiger! toestand van het meisje, aan den grooten schrik. \'tWas zulk een slag voor haar.quot;
•»Geene reden, om haar vader op zulk eene wijze te behandelen.quot;
»Zie wat meer door de vingers, Johan. Ze is jong en overdreven.quot;
ygt;Dat is ze!quot; mengde Henriette zich hier in het gesprek. »Ze bezit niet de minste macht over zichzelve. Waar zou het hier heen in huis, indien ik ook eens zoo was.quot;
»Je bent wat ouder, Henriette,quot; zei Katharina sussend.
sMaar is zij dan een kind? Achttien! — Zeg het s. v. p. niet tot haarzelf, of er mocht weer eens een storm losbreken.quot;
«Kaatje,quot; hernam Duppler, »de stalen aard van dat kind moet worden gebroken. Indien dat zoo voortgaat, wordt ze minder met den dag, totdat er geen huishouden meer met haar is. Ik heb er genoeg van en ben vast besloten, dat het anders zal worden. quot;Wat ze mij naar het hoofd heeft gegooid, dat trek ik me niet meer aan. Dat was wat al te dwaas! Maar ik ben haar vader, en juist daarom kan ik al het gebeurde niet laten passeeren, zonder dat zij toont, dat ze gevoelt, dat ze verkeerd, slecht, onbetamelijk heeft gehandeld; dat zij werkelijk berouw gevoelt en mij excuus, komt vragen. Vóórdat dit is gebeurd, verschijnt ze hier in de woonkamer niet!quot;
»Mijnheer,quot; riep hier Koning, de klerk, die had aangeklopt en het hoofd even door de deur stak, «Sjoerds is eren wenscht u te spreken over dien kamp land, achter Poortman.quot;
69
EEN MISSTAP.
Duppler verliet de kamer en ging naar liet kantoor.
»Bah ! quot; zei Henriette , toen haar vader was vertrokken, ))wat is \'t een koppig meisje. Ge hadt haar moeten zien, mama, toen ik haar raadde, papa excuus te vragen.quot;
))Ze is eigenzinnig, \'t arme meisje,quot; zei Katharina gemelijk. »Ik bad zoo gehoopt, dat de vele maanden, reeds verloopen sedert Paul\'s vertrek, haar de dingen wat anders hadden leeren inzien. Maar ze is wezenlijk nog slechts een groot kind, en kinderen zijn onredelijk.quot;
«Dat zou ik denken!quot; en Henriette stond met een spotlachje op en ging naar hare kamer, om Goldsmidt\'s Etudes de concert te vermoorden.
Een oogenblik later belde mevrouw; de ontbijtzaken werden opgeruimd en Katharina ging naar haar slaapvertrek.
Men ziet, een dergelijke stemming van de huisgenooten moest de dagen voor Madeleine juist geen prettige maken.
Mama, onder den invloed van papa, betoonde zich koel tegenover haar. Henriette duwde haar onaangenaamheden toe, indien het maar mogelijk was, en Duppler negeerde haar in dezen tijd geheel.
Maar met dat breken van Madeleine\'s «stalen aardquot; ging het zoo gemakkelijk niet. Zij gevoelde zich diep ongelukkig, en die weinig sympathieke omgeving, het gevoel van verlatenheid kwelden haar geducht; de behoefte aan medegevoel, aan liefde, nam toe met den dag, maar van een zich buigen voor hen, die de oorzaak waren van haar verdriet, daarvan wist ze niet; neen, daaraan dacht ze niet.
Waartoe dit alles zou leiden?
70
EEN MISSTAP.
Madeleine begon meer en meer haar toestand ondraaglijk te vinden en in hare verbittering, met hare levendige verbeeldingskracht , dacht zij aan allerlei mogelijke en onmogelijke dingen, die haar zouden kunnen bevrijden van een kring, een leven, waar alles haar griefde, drukte en knelde.
Maar hoe dat, hoe!? — Er daagde hulp of raad op van geen enkelen kant.
Toen Henriette hare eerste Étude, gelijk hare gewoonte was, viermaal had afgespeeld — dit hield de vingers rap — en op het punt stond, nu. \'2 eens duchtig onder handen te nemen, herinnerde zij zich, op Madeleine\'s kamer eene Rhapsodie van Dreyschock te hebben laten liggen, toen ze den vorigen dag het middagmaal aan hare zuster bracht, want papa Duppler verkoos haar niet bij ontbijt, diner of avondeten om zich te zien, zoolang ze zich niet geheel had veranderd en duidelijk berouw betoond over het gebeurde.
»Waar heb je dat stuk van Dreyschock?quot; vroeg Henriette, toen zij binnentrad.
Madeleine gaf het baar.
Henriette was getroffen door de bleekheid barer zuster en het holle harer oogen.
»Ik zou me maar schikken in het onvermijdelijke,quot; zei ze. »Je wint niets met dat mokken.quot;
Madeleine vond het niet der moeite waard, op dezen reeds meer geuiten raad een woord te zeggen. Ze had zich weer neergezet.
Dit zwijgen stemde Henriette alles behalve vriendelijk. »Je maakt jezelf nog ziek met die onverstandige handelwijs.quot;
71
EEN MISSTAP.
»Wie bekommert zich daarom?quot; ontglipte Madeleine.
»6oed,quot; hernam Henriette hard. »Maar denk een beetje-aan mama. Me dunkt, we hebben hier in huis al genoeg-aan één zieke.quot;
Madeleine ging werktuigelijk voort met den arbeid, waai-mee ze bezig was, — een handwerkje.
))Komvervolgde Henriette, sindien je wat verstandiger waart, zou je inzien, dat je die rol toch niet lang verder kunt spelen. Willen of niet willen, je zult je wel dienen te buigen.quot;
»Nooitmompelde Madeleine dof voor zichzelve.
»Dat \'s onzin! Je begint er al uit te zien als een geest. Op die wijs zal je jezelve nog vermoordenquot; en Henriette zinspeelde weer, met klem op het laatste woord, op Madeleine\'s eigene woorden.
Madeleine hief haar hoofd op en wendde het naar Henriette en zag haar zwijgend aan met een blik, die genoeg zei, hoe ze iemand, een meisje, hare zuster, verachtte, die haar reeds voor de tweede maal kon vervolgen met een woord, dat de vreeselijkste smart over hare lippen had doen komen.
»Ah! we moeten nog wat wachten, zie ik,quot; riep Henriette onverschillig, en zij ging met haar muziekstuk heen.
Juist toen ze de deur opende en er uitging, kwam haar vader daar voorbij, op weg naar Katharina.
Hij zag Henriette ontevreden de deur uitkomen en ook nog, vóórdat zij er geheel was uitgetreden, het gelaat van Madeleine.
72
EEN MISSTAP.
»0! quot; zei hij sarcastisch, «zijn we weer woedend voor een enkele maal.quot;
Dan werd de deur toegetrokken , terwijl Madeleine Hen-riette nog hoorde zeggen: »Volhouden, papa, en we zullen haar wel klein krijgenquot; — en zij was alleen.
Ze sprong op. Een kokende toorn, het grievende van de woorden van haar vader en hare zuster, \'t gevoel van het onmogelijke, om dien toestand verder te verduren, brachten een wilden gloed in hare brandende oogen. Een paar purperen vlekken vertoonden zich hoog op hare wangen. Geen geluid kwam er over hare lippen Een vastberaden trek trok zich om haar mond. Ze had plotseling een onveranderlijk besluit genomen.
Ze liep naar de kast. Ze kreeg er een koffertje uit. Ze vulde het met het noodige. Ze ging naar haar klein schrijfbureau , nam het geld eruit, dat ze had, nam hoed en mantel en belde.
Het was Hanna Smidt, die boven kwam. Deze verscheen immer, wanneer Madeleine belde. Hanna wist, dat zij de eenige hier in huis was, die met het meisje sympathiseerde, de eenige verschijning, die Madeleine hier aangenaam was. Zij liet het zich daarom niet ontnemen, altijd, indien het mogelijk was, haar te komen dienen en helpen.
«Hanna,quot; zei Madeleine, ))kunt ge dit dragen?quot; en ze reikte haar het koffertje toe.
Hanna nam het in de handen. Het was voor een mensch van hare krachten en jaren zwaar genoeg; maar zij wensch-te Madeleine immer te helpen en zei daarom van ja.
73
EEN MISSTAP.
Dan zag ze den vreemden trek op Madeleine\'s gezicht, en zij begon bevreesd tc worden, dat het meisje iets verkeerds wou doen.
«Jufferzei ze, op Madeleine toetredend, «wat moet het beduiden; wat wilt ge? Hoor naar eene oude vrouw, die u wezenlijk lief heeft, — beraad u, voordat ge verkeerde dingen doet.quot;
»Vraag me niets, Hanna,quot; antwoordde Madeleine kort, die bare vastberadenheid woovdkarig maakte. »Maar help mij liever.quot;
«Juffer Madeleine, mag ik het, voordat ik weet waartoe ? Zie, daar heb ik nimmer naar gevraagd; zoo iets past een bediende niet. Maar thans? Nooit zou ik het mij kunnen vergeven, indien ik u had geholpen tot het doen van een stap, die u naderhand bitter zou mogen berouwen.quot;
»6oed,quot; zei Madeleine even kortaf. De vriendelijke toon, de goede bedoelingen van Hanna deden haar goed, maar bleven thans zonder andere uitwerking op haar. sG-oed, ga dan weer heen, Hanna, en ik zal mijzelve helpen.quot;
«Kunt ge me niet, om me toch een weinig gerust te stellen, iets zeggen van hetgeen ge wel wilt doen? Vertrouw in mij, juffer Madeleine,quot; zei Hanna vleiend, «niemand zal er iets van vernemen.quot;
»Ik ga , Hanna. Ik kan het niet meer uitstaan.quot;
«Waarheen ?\'\'
«Dat doet niets ter zake. Wees niet bezorgd om mij.quot;
«Doe het niet!quot; riep de oude dringend. «Indien ge het doet, wordt de klove tusschen u en uwe ouders slechts te
74
EEN MISSTAP.
grooter, Ik ken uw vader. Doo het niet! Ge zijt jong en schoon. Ah, ge weet niet, welke gevaren ge te gemoet gaat. Denk aan uwe zieke moeder.quot;
»Mijn besluit is genomen, Hanna.quot;
»En is er dan niets, dat u terug kan brengen van wat zoo plotseling bij u is opgekomen ? Wacht nog een dag, een enkelen dag!quot;
»Geen uur!quot;
Hanna zag het: hare woorden werkten in het geheel niets uit. Zij was in tweestrijd met zichzelve. Zou ze Made-leine helpen ? Zou ze Katharina op de hoogte helpen van hetgeen hare dochter voorhad? Doch dit laatste stuitte haar tegen de borst. Het meisje, had zich tot haar gewend als de eenige, die hier in huis voor haar gevoelde.
Zij zag, hielp ze Madeleine niet, dat deze zichzelve zoude helpen. Hoe zwaar het haar dus ook viel, om mee te werken tot iets, dat zij niet goed kon keuren en vreesde, dat voor Madeleine slechte gevolgen konde hebben, ze besloot met een bedrukt gemoed haar te hulp te komen. Het genomen besluit scheen toch nu eens een onveranderlijk.
«Waarheen?quot; vroeg ze daarom eindelijk, terwijl zij naar het koffertje wees.
»Naar Bartelsen, den rijtuigverhuurder, en zeg, dat hij ■dadelijk voor mij laat inspannen.quot;
Het gelukte Hanna, met baar last het huis uit te komen, zonder dat iemand haar bespeurde: zij ging door de achterdeur, vlak om het huis, dan een eind den oostelijken straatweg op en een oogenblik later langs een zijpad naar het
75
EEN MISSTAP.
huis van Bartelsen, aan het andere eind van het stadje..
Spoedig daarop vertrok Madeleine langs dezelfde route r die Hanna haar had aangeduid, nu er toch niets meer was te veranderen aan het besluit van het meisje.
De wagen was dra ingespannen. Madeleine nam met hetzelfde koude, vastberaden gelaat van Hanna afscheid, die haar nog lang na bleef staren met vochtige oogen en een drukkend gewicht op het hart, en spoedig was het meisje een goed eind op weg naar Enten, het eerste station.
Vanhier nam zij eene kaart naar Weisburg. De reis zou tot \'s avonds over negenen duren.
Madeleine zat in den trein met een gevoel als van een. droomende. Haar besluit was vast genomen. Nu zij eens op weg was, berouwde het haar ook niet. Maar zij had gebroken met haar verleden en ze wist niet, welke toekomst zij te gemoet ging. Geene macht zou er haar toe kunnen dwingen, terug te keeren in het ouderlijke huis. Ze haatte het thans meer dan ooit. Sleepte men haar met geweld terug, zij zon wel middelen vinden , om weder te ontsnappen.
Ze had een aard, die in menig opzicht zweemde naar dien van een krachtig man. Evenwel eene vrouw, een echte vrouw was ze in de oneindige liefde, waartoe haar hart in staat was; in de warme, teedere gevoelens, die erin op konden wellen; in de onuitsprekelijke zucht naar sympathie. Doch was ze onstuimig, impulsief,, zij was ook vastberaden, in staat tot het doen van dingen, waar een gewoon meisje op hare jaren voor zoude zijn teruggedeinsd , met een vurige begeerte naar vrijheid, naar
76
EEN MISSTAP.
het verbreken van knellende banden, naar het strijden voor ■een levensdoel, al wist ze op het oogenblik nog niet, wat het hare zoude wezen ; al begreep ze nog slechts duister, dat wie die begeerte in zich voelt, het ook zeker eens zal vinden, wat het dan oo kzij, om er zijne edelste krachten aan ten offer te kunnen brengen. Haar geleek een leven zonder dat, kleurloos en waardeloos. Het henenleven van den «enen dag op den anderen, de onvermijdelijke smarten lijdelijk dragend, het goede genietend, waar het zich bood, en dan eindelijk te sterven, zonder te kunnen zeggen; zie, •ook ik heb iets gedaan, dat mij verheft boven het niveau •der als een planten leven leidenden ; ook ik heb de bloesems van hetschoonste, beste en edelste in mij zich tot bloemen laten ontknoppen, wier geur en kleur eene vreugd voor anderen is; ook ik heb getoond, wat het goddelijk element in ons menschen, schepselen, door hun stof gekluisterd aan de aarde, zich door hun geest verheffend boven al het aardsche, wel vermag, — dat scheen haar een lot nog treuriger dan •dat van het redeloos dier, dat ten minste niet, gelijk de mensch, wordt geprikkeld en gekweld door de onverzadelijke verlangens, de verleidelijke hoop, en door \'t besef van wat «en sterke, op het schoone en goede gerichte wil kan uitwerken. spant men slechts zijne krachten in.
En zij was jong en schoon en sterk, en dan belooft het leven veel en brandt de levenslust met hoogeren gloed en gelooft men zich in staat, om bergen te verzetten.
Ze trok de voile diep over hare oogen, ofschoon zij alleen was in de dames-coupé.
77
EEX MISSTAP.
Duizenden gedachten drongen zich aan haar op, die, gelijk in een droom, elkander snel verjoegen.
Wat zou men zeggen, wanneer men de weinige woorden vond, die ze had achtergelaten in een briefje? Zou hare moeder niet treurig, niet onsteld zijn ? Zou haar vader niet opstuiven, toornig, verontwaardigd? En Henriette zou zeker spottend spreken over deze nieuwe kuur en denken, dat de vluchtelinge wel spoedig berouwhebbend terug zou komen. En Hanna, zou die zich niet allerhande verwijten doen en.... toch zwijgen? Wat zou men doen? En Lore, hoe vreemd deze ervan op zou zien, wanneer zij daar van avond kwam!
Maar dan dreef die andere pijnigende gedachte, die altijd haar als hare schaduw overal volgde, die haar donker waas over alles wierp, deze weer heen, om voor niets dan die ééne plaats in haar hoofd te laten.
Daar, duizenden mijlen van haar, in het verre, verre-Oosten, lag in het graf het lijk van hem, van den beminden man, met wien ze den kortstondigen droom dei-liefde had gedroomd; schoone, goddelijke oogenblikken, te schoon voor deze aarde. En zij kromp ineen en voor het oogenblik vervulde haar eene walging van het leven, dat den mensch zooveel te lijden gaf.
V.
»Welsburg! Weisburg!quot; hoorde Madeleine eindelijk roepen , toen de trein in deze stad ten laatste was tot staan gekomen en men de portieren openwierp.
78
EEN MISSTAP.
Het was twintig minuten over negenen , reeds lang (luister, en overal in station en stad was het gaslicht opgestoken.
Ze nam een rijtuig en liet zich brengen naar het huis van Ernst Goldstein, gehuwd met Eleonore, kortweg Lore, van Hedern, hare beste vriendin aan het pension.
Het was reeds laat dus ; het sneeuwde licht daarbuiten; de winter had zijn intocht vroeg gedaan. Lore en haar man verwachtten niemand op dit uur; hij was boven aan het schrijven; zij was in de voorkamer, rechts, verdiept in Auerbach\'s Avf der Höhe, af en aan opstaand, om een blik te werpen in de wieg, waarin een aardig popje te slapen lag.
Lore hoorde het rijtuig stilstaan voor de deur en vernam niet minder verbaasd van de bediende, dat er een onbekende jonge dame om haar was.
Zij ging naar de andere voorkamer, links, waardedienstmaagd Madeleine had gelaten met eene kaars.
sMadeleine!quot; riep ze verwonderd, zoodra zij de gekomen e herkend had. »Jij hier? En dat zoo onverwacht! Kom gauw mee naar de andere kamer in de warmte,quot; en ze hielp Madeleine vlug haar hoed en mantel afdoen.
»Ik kom wat plotseling opdagen; je zult wel. .. .quot; was het eerste, dat Madeleine tusschen Lore\'s reeks uitroepingen konde inbrengen.
Doch Lore kuste baar de lippen toe. »Plotseling — des te beter, zooveel te grooter de verassing. Je blijft hier van nacht?quot; en zij riep een bediende, om Madeleine\'s koffertje naar de slaapkamer achter boven te brengen.
79
EEN MISSTAP.
»Indien het je ten minste past.quot;
»Natnurlijk!quot; antwoordde Lore, die getroffen was geworden door Madeleine\'s uiterlijk, begreep, dat er iets was voorgevallen , en die, gedreven èn door de haar aangeboren goedhartigheid èn door vrouwelijke nieuwsgierigheid, haar thans voor geene schatten had willen laten gaan.
sKom mee! Hoe koud ben je. \'t Is ook zoo\'n lange reis. En dat op zulk een dag.quot;
Madeleine volgde Lore naar de vroonkamer.
»St! st!quot; riep Lore, toen ze bij de deur waren, en ze lei haar arm op dien van Madeleine en haar vinger op de lippen. »Er is daar een lastig, veeleischend persoontje binnen, .voor wie je alle respect moet hebben; een kleine tyran, iemand, die papa en mama gansch onder den duim. heeft.quot;
Een zwakke glimlach kwam op het gelaat van Madeleine. 2e wist, wie Lore bedoelde: hare kleine Jeanne.
Lore liep onmiddelijk op de toonen met Madeleine naar faet wiegje. Eerst, boven alles, moest hare vriendin haar grootsten schat bezien. Ze trok voorzichtig de gordjjntjes wat meer open, en als de twee vrouwen zich over het poezelig, snoeperig kindje bogen, dat rustig lag te sluimeren, met in elkander gestrengelde vingertjes en de mollige armpjes boven het dek, met dikke, ronde, blozende wangetjes, waartusschen het mondje zat als een zwellend rozeknopje, met een tulle mutsje met roode zij op het nauw merkbaar behaarde schedeltje, sloeg het de groote, heldere, donkere oogjes op — de oogen van mama — en lachte haar
80
EEN MISSTAP.
giegelend, kraaiend toe, terwijl het beide kleine armpjes onbeholpen heen en weder sloeg.
Lore greep het uit \'t metalen, met rood gevoerde wiegje, waarom rose gordijnen met purperen zoomen hingen. Zij drukte Jeanne onstuimig aan haar hart en overstelpte haar met kussen. Dan hield zij haar Madeleine toe, die het kopje tusschen hare handen nam en ook de warme koontjes kuste, waarbij ze, tot belooning, door de nietige bandjes zoodanig aan de haren werd getrokken, dat de oogen er haar van overliepen.
De gelukkige moeder trok de kleine Jeanne, die in eene hoogst tevreden bui was en met het hoofdje heen en weder knikte en met handen en voetjes spartelde, liliputiaansche kousjes aan, sloeg eene sjaal om het teere lichaampje en nam haar mee op haar schoot op haren stoel.
»Leine, lieve,quot; riep ze, «geene ceromoniën, beste. Krijg gauw een stoel. Ik hoop, dat je je hier geheel thuis gevoelen zult.quot;
En dan klopte ze hare lachende en spartelende Jeanne on de wangen eu sprak met haar in eene taal, die noch on dei-de doode, noch onder de levende geschreven is te vinden, maar die het geheim is van de moeders en eene reeks geluiden, klanken en uitroepingen bevat, die ge tevergeefs in De Vries en ïe Winkel zoeken zoudt.
Ernst, advocaat van beroep, hetwelk nog niet veel zegt, kwam beneden, toen Madeleine was gaan zitten, en kuste zijne vrouw.
81
Als vader gevoelde hij zich natuurlijk ook verplicht, zich
6
V. 1). LAAN, EEN MISSTAP.
EEN MISSTAP.
te verwaardigen het woord te richten tot de kleine Jeanne; evenwel, hij was de man niet, om kleine kinderen in een goede luim te brengen. Jeanne keek ietwat schuin naar haar papa, met zoo iets in de oogen als: »Wat zal er nu weer komen?quot; En papa, nog immer linksch in die hoedanigheid, wist niets beters, dan de warme wangetjes eens te streelen, eens ferm te trekken aan het kleine neusje en op deftigen toon te mompelen: »Mrjn kleine, mijn dochtertje, mijn kindjequot;, plus andere dergelijke banale uitdrukkingen meer. Waarbij hij, om »inijn dochtertjequot; te amuseeren, een paar leelijke gezichten trok , hetwelk Jeanne verschrikt haar hoofdje tegen moeders borst deed duwen, waarop ze, toen het kopje , met een onmiskenbaar achterdochtige uitdrukking, weer te voorschijn kwam, blijkbaar zich voorbereidde, defensief te werk te gaan, indien papa\'s handen haar nogmaals mochten beroeren.
Zijne koelheid, zijn weinige tact verrasten Madeleine. Had ze niet menigmaal mannen, ja, mannen ook met grijze haren en gebogen houding, voor wie het spelen met een kind eene onmogelijkheid mocht schijnen, zeiven als een kind met de kleinen zich zien bezighouden, terwijl al de goedheid van hun hart uit hunne oogen vroolijk straalde en zij de dagen zich herinnerden, toen ze, in de kracht des levens, aan de zijde eener bloeiende, geliefde vrouw, met hunne eigene lievelingen speelden?
Hoe konden ze dat jeugdig leven op doen bruisen, dat kleine bekje laten kraaien van het lachen, die schitterende oogjes laten fonkelen van genoegen, als ze de dikke kuitjes
82
EEN MISSTAP.
greepen, de nietige vingertjes zich om de hunne lieten klammeren, het mollige kinnetje kriebelden, den vinger in het ronde buikje staken, quasi dreigend geweldige slagen op die dwaze, dikke billetjes gaven en ook van die Chineesche woorden uitten, afgeluisterd van mama, in dien gelukkigen tijd der eerste huwelijksjaren, wanneer het kind nog naar zijne onders opziet als zijn alles; toen zij nog hecht en recht waren, en het teerbeminde vrouwtje bevalliger was dan ooit door dien geest der moederliefde, die straalde uit haar zachten blik.
Maar in Ernst, ofschoon vader, bezitter van een allerliefste en aardige vrouw en een snoeperig kindje, was de ware geest eens vaders nog geenzins gevaren , een feit, hetwelk zich trouwens vaker voordoet, dan men denkt. Hij was koel van aard, en was geen man, die door de fijnere gevoelens dikwijls werd geroerd of toonde er veel ontzag voor te hebben.
Hij was niet bepaald een knappe man en was vijf en twintig, ofschoon ieder, die hem zag voor de eerste maal, er minstens nog een paar jaar zou hebben bijgeteld. Hij was vrij groot en sterk gebouwd, had een vierkant gelaat met een ovèr vloed van bruin-roode, krullende haren. Baard en snor waren nog absent, maar er vertoonde zich een begin van smalle bakkebaarden. Hij was de bezitter van een paar donkere, fonkelende oogen , die echter aan het gelaat verre van een vroolijke uitdrukking gaven , misschien ook al een gevolg van dat would-be aristocratische, hetwelk hij aan zijn ge-heele wezen trachtte te geven.
83
EEN MISSTAP.
Hij had met Madeleine spoedig kennis gemaakt, van welke bij reeds meer dan eens had gehoord door zijne vrouw. Hij behandelde haar reeds dadelijk als een oude bekende, niet zoozeer in hare qualiteit als vriendin van zijne Lore of ten gevolge van groote vriendelijkheid, als wel van eene hebbelijkheid, tegenover niemand van denzelfden of hoogeren rang of stand eenige terughoudend- of behoedzaamheid te toonen, — met koningen en keizers zou hij dadelijk als fré. e en compagnon hebben omgegaan.
Madeleine verbaasde zich dra over het feit, dat Lore hem had kunnen huwen.
\'t Bleek haar spoedig, dat Ernst behoorde tot die lastige sujetten, die, belachelijk voor den man der wetenschap, vervelend voor de gewone, wel-ontwikkelde menschen, hatelijk voor de bescheidenen, een beklagenswaardig voorbeeld zijn van wat de Duitscher niet onaardig Halbbildung noemt.
Hij was toch een dier revue\'s bestutleerende, lexicons lezende, couranten verslindende schepsels, die achter elk nieuwtje aan zijn als een broodjager achter de hazen. Een diergenen, die pronken met een vertoon van universeele kennis, welke ze dan ook in zekere mate bezitten, maar eene, die op allergebrekkigste fondamenten rust; menschen, die u herinneren aan den hollen metalen bal, welke overal geluid geeft, waar men hem aanraakt of erop tikt, maar met niets gevuld dan wind, of aan het Brabantsch dun-bier, welks schuim opbruist, gelijk dat op het pittig Beiersch, maar waaronder ge slechts een benauwd , waterachtig kostje vindt.
84
EEN MISSTAP.
„Qui n\'a pas l\'esprit de son age,
De son age a tout le malheur,quot;
zegt Voltaire, en te recht. Maar rnenschen gelijk Ernst, die als den dood genoemd «malheur \' vreezen, die meewillen met hun tijd, en dat terdege, maar het aanleggen op zijne wijs, worden bezitters van dien »espritquot; niel volgens de bedoeling van Voltaire, die voorzeker niet dacht aan een vernisje, gelegd over een materiaal, dat waardeloos is, en dat ons moet doen gelooven aan het werkelijk bestaan van hetgeen slechts schijn, veriooning, nabootsing is, gelijk die geïmiteerd Japansche lakwerken , welker flonkeren den kenner echter niet bedriegt.
Natuurlijk, hij beoordeelde alles uit de hoogte, afdoend, positief. Het gedecideerde van ons oordeel staat toch te dikwijls in omgekeerde reden tot het stevige der gegevens, waarop wij het laten rusten.
Dat hij een hooge meening van zichzelven had , is natuurlijk, en vooral bij vrouwen dacht hij te impo-neeren. Ach! indien zoo iemand wist, hoe de vrouw gewoonlijk over zulk een quasi universeele kennis bezitten-den, zelden verlegen staanden, immer doorslaanden ratelaar en wandelenden nieuwtjes-zak denkt! ))Hij kan zoo wat over alles meepraten.quot; »Hij weet altijd wat nieuws; dat leidt je af.quot; »Een onbetaalbaar schepsel, om het gesprek steeds aan den gang te houden.quot; »Hij slaat wel door, maar dat is op zijn tijd ook amusant.quot; Etc., etc.; dat kon op zijn grafsteen worden gebeiteld, alles wel te verstaan in het perfectum, indien men het nageslacht wilde inlichten
85
EEN MISSTAP.
omtrent de opinie van de vrouwen over zulk een op twee beenen rondgaand tijdschrift, over zulk eene wandelende courant.
Daarbij had Ernst ook gereisd — natuurlijk! Wie heeft er tegenwoordig niet gereisd ? En begont ge mogelijk over uwe reisplannen, zoo waart ge verplicht, onmiddellijk een schep goeden raad te slikken, die wel is waar volkomen overbodig was, daar ge uw Baedeker slechts hadt op te slaan, om daar hetzelfde te lezen, maar de gewoonte, raad te geven, is bij lieden van zijn slag, factotums toch voor alles en allen, eene ingekankerde; raad, raad voor alles, vloeit hun mild uit hun mond als het regenwater uit den hemel in het najaar.
Verder vondt ge zijn discours gekruid met aanhalingen uit schrijvers — vreemde voornamelijk —; hij was toch belezen, kon toch zijne talen, en omtrent dit punt moest ge vooral niet in het duister blijven. Het is een goedkoope en gemakkelijke kruiding van het gesprek, wanneer men met een goed geheugen is gezegend, iets, hetwelk voor een oogenblik ontzag inboezemt voor den verkondiger van zooveel wijsheid en mooiigheden, doch spoedig uw hoofd met bedenkingen vult over \'s mans originaliteit.
Nu, oorspronkelijkheid was meer Lore\'s fort. Zij was geen nevelberg van zoogenaamde universeele kennis, maar zij had hersens, die zelf konden produceeren.
»An ounce of mother wit is worth a pound of clergyquot; , zegt de Engelschman, hetwelk vertolkt zijnde in het Neder-duitsch zooveel zeggen wil als : ))Een greintje oorspronkelijkheid is meer waard dan een zak geleerdheid.quot;
86
EEN MISSTAP.
Dit bleek in de gesprekken tusschen Ernst en zijn vrouwtje maar te duidelijk. Zoo\'n gezonde oordeelvelling, zonder eenige -opsiering uit De Gids, uit de Revue des deux Mondes, uit Byron of uit Schiller, uit Hartraann of uit Spencer (uit de tweede hand), doet een blaaier soms met den mond vol tanden staan, met een gevoel, alsof hij een slag in het gezicht had gekregen, met een totaal gebrek aan verdere bewijsgronden voor zijn stellingen.
Kwam dit ongeluk hem over, dan veranderde het pas op-daar-ben-ik-achtige op Ernst\'s gelaat in eene uitdrukking van comische geringschatting, en hij placht de schouders •op te halen, schuins naar de zoldering te zien en te prevelen: sAhem!quot; zooveel als om te zeggen: »Daar zullen we nu maar niet verder over doorpraten, \'t is boter aan de galg gesmeerd, mijn beste; je opinies zijn toch wat al te simpel en gek.quot;
Sterk was bij ook in het afkeuren van een massa dingen, waarvoor een ander eerbied betuigt te gevoelen. »Ich bin der Geist, der stets verneint,quot; zegt Mephistopheles in Goethe\'s Faust. En in dit opzicht had Ernst een haartje weg van Mephistopheles. Maar, God! welk een Mephisto! Het was Mephisto\'s geest, ja wel! maar aangelengd, verdund , verslapt, een mislukte imitatie, die u een gevoel bezorgde als het drinken van te veel slappe thee.
Werkelijk, een wonder, dat Lore met haar helder kopje kon verlieven op zulk een man!
De liefde evenwel maakt blind, en ze had met Ernst gedweept. Of ze het nog deed ... ? Echter, het pleit voor
87
EEN MISSTAP.
Ernst Goldstein, dat eene Lore hem als man had kunnen nemen. Wat ook de minder aangename zijden van zijn karakter, wat ook het hinderlijke voor anderen in zijne manieren mochten zijn; in den grond toch kon een man niet slecht zijn, die de liefde van eene Lore van Hedern wist te winnen. En dit was het, hetwelk Madeleine Ernst met gunstiger oogen deed aanzien, hoe spoedig ze hem ook overigens had doorzien met haar fijnen vrouwenblik.
Lore was een allerliefst vrouwtje. Ze had daarbij iets voornaams, iets deftigs over zich, hetwelk in het geheel niet voortsproot uit gemaaktheid, maar haar was aangeboren.
Zij was iets kleiner dan haar man, met schoone vormen. Ze had een ve\'rbazenden overvloed van lange, heerlijka haren, zwart en glanzend als de vleugels van eene raafv die, vóór gekapt d la pony, niet meer dan een paar duim van het hooge voorhoofd boven de oogen vrijlieten. D© zwarte, fijne wenkbrauwen waren even gewelfd en daaronder zaten donkere, ernstige oogen, en toch ook levenslustig en schitterend, die u, indien ge haar aanstondt, aanzagen met een blik, die u dadelijk voor haar innam. Ze had een aardig neusje, wat stomp uitgevallen, met een klein mondje en zacht kinnetje en kleine, fijne ooren, waaraan géene diamanten hingen, maar in welker aardige lelletjes, er een paar waren gestoken.
Ze was negentien jaar en de dosis ervaring, welke zij tot nog toe in het leven had opgedaan, kon in een notedop, hetgeen nog dikwijls bleek uit hare kinderlijke naïvieteit en
88
EEN MISSTAP.
onschuld ten opzichte van vele dingen. Daarom was ze nog geen gansje. Zij was gewoon aan een weelderig leven, was uiterst vriendelijk en goedhartig en ietwat coquet, iets, dat, wanneer het niet te ver wordt gedreven, in eene vrouw zoo gek niet is. Ze was daarom altijd keurig op het punt van haar toilet, en hetzij ze den ganschen dag alleen was of erop uitging, Lore was altijd in een smaakvol, onberispelijk costuum.
Zij zag er op het oogenblik ook alleraardigst uit in hare-donkergroene kleeding, den rok van fluweel, met een eronder uitstekend, smal geplisseerd satijnen boordje, eene door een grooten stalen gesp aau de zijden opgenomen tunicai van laken en een lijfje met over de heupen hangende punten van dezelfde stof, met breeden fluweelen kraag en zoomen onderaan, en over de schouders loopend, en met satijnen strikken — alles groen.
Ernst nam haar met welbehagen op, en ook Madeleine vond haar allerliefst.
Toen zij eene poos over het kindje, over Madeleine\'s reis, over het leven in Weisburg, het huiselijk geluk hadden gesproken, hief Lore eindelijk haar vinger dreigend en met een glimlach op en zei: »En nu, Leine, vertel je mij, waarom je bent gekomen. Ik zie het wel, m\'n beste, er hapert het een of ander aan, is \'tniet? Kom, biecht eens op aan je vriendin. Je weet, dat verlicht het hart.quot;
Madeleine was natuurlijk wel verplicht, aan de lieden, bij welke zij het eerst hulp kwam zoeken, een meer of min omstandig verhaal te doen van hetgeen er was voorgevallen,
EEN MISSTAP.
èn om hunne sympathie te winnen, èn om hare handelwijze te verdedigen.
Lore en Ernst luisterden aandachtig toe — maar het was duidelijk, dat geen van beiden, en vooral Ernst niet, het gebeurde bijzonder aanstond. Zulk een wegloopen, en dat van uwe ouders, klinkt niemand stichtelijk in de ooren, en wanneer dat is geschied met een meisje van achttien jaren, jong, schoon en vurig van aard, denkt men spoedig aan een overdreven kind, dat nog niet weet, wat het doet en wil.
Het is voor een vreemde ook zoo uitermate moeielijk, zich de bijzondere uitwerking voor te stellen van smart en verdriet op .eigenaardige gestellen , of eenig begrip te krijgen van het effect, dat een langdurige reeks van kleine kwellingen en grieven moet hebben , die, op zichzelf en afzonderlijk genomen, zoo geweldig ondraaglijk niet, toch ten laatste een totaal gaan vormen, dat eindelijk eene uitbarsting brengen moet, welke geheel ongeëvenredigd schijnt aan de oorzaken, gelijk de ophooping van eerst niet te bespeuren gassen bij het minste vonkje tot een vreeselijke ontploffing leidt; gelijk de langzaam zich vergaderende kwade stofien in bet lichaam zich ten leste plotseling kunnen openbaren in de doodaanbrengende ziekte; gelijk het losgeraakte rotsblok, eerst nauw merkbaar voortschuivend, meer en meer den rand des afgronds naderend, er eindelijk eensklaps overhenen schiet en donderend in de diepte stort, alles vernielend op zijn pad.
))Hum!quot; zei Ernst, die de eerste was van het drietal.
90
EEN MISSTAP.
lt;3ie na eene poos zwijgen en denken weder het woord nam. »Ik vrees, Madeleine, dat je wel een beetje overijld hebt gehandeld.quot;
»Was het niet beter ook geweest,quot; vroeg Lore, «indien je ons b. v. eerst eens hadt geschreven?quot;
Madeleine schudde mismoedig het hoofd. »Er zijn van die besluiten,\'\' meende ze, »welke slechts het eigen hart kan beoordeelen en die het, eens genomen, maar beter is dadelijk uit te voeren. Het zijn van die dingen, waarbij een derde zich bijna onmogelijk in onze positie kan verplaatsen. Alleen hij, die óók den druk van de omstandigheden ten laatste «ene spanning heeft voelen bereiken , waarbij het voor den mensch óf buigen óf bersten is, alleen hij weet, hoe het iemand ten laatste te moede moet zijn. Buigen kon ik mij niet; te gronde gaan in die omgeving wilde ik niet. Ik deed het eenige, wat mij stond te doen: ik ging, om met moed te trachten, mij een ander leven te scheppen.quot;
Toch, niettegenstaande hetgeen zijzelve zeide, deed het haar pijn, dat ze hier niet dadelijk instemming vond.
»Nuhernam Ernst, «thans weten we alles, en je begrijpt, Madeleine, je kunt zoolang hier blijven, als je wilt. We kunnen dan,quot; voegde hij er veelbeteekenend bij, «bedaard over de dingen spreken. Ik hoop dit op eene wijze, welke toonde, dat hij het beschouwde als ie*s, dat moest gebeuren en hetwelk door zijne bemiddeling wel spoedig tot stand zou zijn te brengen, «dat alles zich nog zal laten plooien, zoodat je niet bij dit wanhopige besluit behoeft te blijven.quot;
91
EEN MISSTAP.
»0 ja! lieve Leineriep Lore. ))\'t Klinkt alles zoo akelig. We moeien zien, dat alles weer bij te leggen. — Maar hoe beklaag ik je, mijn beste,quot; en de tranen kwamen in Lore\'s vriendelijke oogen, als zij hare vriendin omhelsde. »Hoe gevoel ik voor je, Leine. Die arme, goede Paul.quot;
»We moeten van avond daar niet verder over praten,quot; zei Ernst kortaf, die het beven van Madeleine\'s trekken zag en het geschut van zijne overtuigende, z. i. immer wichtige woorden eerst wensehte te laten spelen, wanneer zijne gast in een kalmere stemming was. »Dat maakt Madeleine nog maar overstuur en zoo sluit ze van nacht geen oog, terwijl ze toch doodaf is van de reis. Kom, we moeten naar bed.
Lore bracht zelf Madelaine naar hare slaapkamer.
Het duurde evenwel lang, voordat Madeleine insluimerde. Het woog haar zwaar op het hart, dat men hier hare handelwijze onder een geheel anderen gezichtshoek zag, en zij zag tegen verdere besprekingen op met Lore en haaiman , die zeker zouden trachten, haar naar huis terug te doen keeren, iets, dat zij bepaaldelijk niet wilde, hoe men er haar ook toe drong.
Reeds des anderen daags was er een brief van papa Dup-pler. Men had natuurlijk Madeleine\'s briefje op hare kamer gevonden, en de notaris was de stad ingestapt, om inlichtingen in te winnen. Bartelsen was de eenige rijtuigverhuurder in de plaats, en van deze vernam Johan, dat zijne dochter naar Enten was vertrokken. Dan moest hij naar eene verkooping van eene hofstede met vrij wat land, in de
92
EEN MISSTAP.
buurt, en hoewel hij liever onmiddelijk naar Enten was gereden , om van den stationchef daar te hooren, naar welke plaats eene dame van het voorkomen zijner dochter eene kaart genomen had, was eene verkooping als die van deze hofstede evenwel een vischje, dat men niet eiken dag ving in zijn net, eene verkooping ook, die inoeielijk op het allerlaatste oogeablik kon worden uitgesteld. Bovendien, Madeleine zou wel naar een van de familie zijn gegaan — dat was niet scherp gezien, daar de andere famielieleden naaide drie overige Dupplers aardden en Madeleine zich dus zeer zeker niet tot hen zou hebben gewend — en, het gevaar zou wel zoo groot niet wezen, naar hij dacht.
Hij zond daarom in zijn eigen rijtuig Gantrok naar het station Enten, die terugkwam met het bericht, dat Madeleine eene plaats naar Weisburg had genomen.
«Weisburg, Wetsburg!quot; had hij tot zijne vrouw gezegd, toen hij terugkwam van de verkooping, tamelijk ontevreden, daar huis noch land zooveel hadden opgebracht, als hij had gehoopt. «Weisburg? Wat kan ze daar toch doen? Er woont niemand, dien wij daar kennen. Bij wien kan ze daar wel zijn gegaan?quot;
»0!quot; jammerde zijne vrouw, «hadden wij haar slechts terug.\'\'
«Zuchten en klagen geeft allemaal niets,quot; zei Duppler gemelijk. ))Bij wien kan ze daar wezen, vraag ik?quot;
«Ah ! nu herinner ik het me,quot; riep Henriette. «Daar woont Lore van Hedern, die getrouwd is met Ernst Goldstein. Bij die is zij zeker.quot;
93
EEN MISSTAP.
En papa was naar zijn kantoor gegaan en had onmidde-lijk een brief geschreven aan zijne dochter, op goed geluk af aan het adres der Goldsteins. Het was geen zacht of smakelijk briefje, geschikt, om het afgedwaalds lam terug te brengen op den rechten weg. Dit wegloopen deed Madeleine nog meer dalen in zijne oogen, en ontevreden, boos en hard als hij was, schreef hij haar kortweg, dat hij haar twee dagen gaf om zich te beraden, en dat hij, indien ze dan niet was teruggekeerd, zijne handen van haar aftrok.
»6a je haar halen?quot; vroeg Katharina later op den dag smeekend aan haar man.
»Dankje; een brief is mooi genoeg.quot;
»Maar indien ze niet terug wil komen.quot;
»Dan blijf ze weg.quot;
»0! Johan, Johan!quot;
»Na zulk eene handelwijs geene zwakheid, Katharina. Dit is me al te gek.quot;
»Wat heb je haar geschreven?quot;
Duppler deelde haar zonder eenige verzachting of uitlating mede , wat hij in zijn brief had gezegd, en op een toon, die Katharina duidelijk bewees, dat hij geene tegenwerpingen of verwijten van haar verwachtte of er ten minste niet de minste acht op zoude slaan, indien zij ermede voor den dag kwam.
En Katharina zat te veel onder de plak van haar man, om dat thans te durven wagen. Zij beging hierdoor eene groote fout, was onvergeeflijk zwak, maar zij behoorde nu eenmaal tot die velen, die zich geheel door anderen laten leiden en overheerschen, — \'t is \'s werelds loop.
94
EEN MISSTAP.
Zij zuchten wel, en het deed haar alles zeer veel smart. Maar met zuchten komt de mensch niet verder, noch met mooie woorden en goede bedoelingen, — wie niet handelt blijft een nul.
Duppler\'s brief vervulde Lore met verontwaardiging, \'t Is waar, in het oog van een man als hij , had zijne dochter onveranl woordelijk gehandeld. Maar, wat er ook was gebeurd , moest niet het vaderhart luider bij hem spreken; moest hij, als vader, niet meer door de vingers zien van hetgeen het kind in wanhoop had gedaan; kon hij niet op zachteren toon zich tot de dochter richten , die zeker door geene kleinigheid zich gedreven had gevoeld, het ouderlijke huis te ontvluchten: kon hij met niet meer billijkheid, meer kalmte, meer toegeeflijkheid de gronden wegen, welke eene Madeleine ertoe konden bewegen , een stap te doen , zoo zelden genomen door een kind cn waartoe slechts het pijnigendst verdriet het kan bewegen?
Meer en meer begon Lore over te hellen naar Madeleine\'s zijde. Zij trad op, haar te verdedigen tegenover haar man, die, ofschoon ook niet ingenomen met den geest, dien Duppler\'s woorden ademden, toch bij zijn meening bleef, dat Madeleine naar huis terug moest gaan.
«Ernst,quot; zei Lore, medelijdend, \'s avonds tegen haaiman , toen zij een oogenblik alleen waren, «zijn dat ouders ? De vader richt zich tot zijn dochter op een wijze als een meester tot een weggeloopen knecht. En ach, de moeder, de moeder! zij schrijft haar kind geen woord. Ik begrijp het. Ernst, voor een meisje als Madeleine is dat ouderlijke
95
EEN MISSTAP.
Imis een hel. Ik heb haar lang gekend. Zij is gevoelig. Zij beeft behoefte aan zachtheid, liefde. En wat is het, dat men in Horns haar biedt? Laat baar hier blijven, Ernst.. .
»Lore,quot; antwoordde Ernst, half kwaad, »ben je mal? Hier blijven!! Welk een dwaasheid. Een mooi voorbeeld geven door jonggehuwden? een meisje van die jaren te stijven in haar verzet tegen den wettigen eisch van hare ouders, bij hen terug te komen, na in een vlaag van onbesuisde opgewondenheid te zijn weggeloopen. Zóó erg zal het ook wel niet wezen , als zij zegt. Ze schijnt me machtig overdreven. Wat, bovendien, met haar aan te vangen ? Wat geeft het ook, indien ze hier eenige weken, maanden blijft?, Hoe eerder zulke dingen worden bijgelegd, hoe beter. Haar toestand is een onaangename; teen schepsel, die het zal ontkennen, ofschoon ze m. i. zichzelve al die ■ellende door jongemeisjesachtige heftigheid en onberadenheid heeft op den hals gehaald. Maar thans is ze op weg, om in een nog onaangenameren te geraken. Haar hier houden, en dat voorgoed, \'tis dat toch niet, wat je bedoelt! Kind, \'t is onzin. Zij moet zichzelve helpen, \'t is duidelijk, indien ze koppig blijft. . ..quot;
«Koppig? Ernst!quot;
«Geef er wat naam aan, als je wilt. Maar hier blijven, daar is geene sprake van. Een paar dagen — goed! Dien Duppler zal ik het wel aan het verstand brengen, van zijn twee dagen een week te maken. Wij kunnen ook nog schrijven en kras ook. Wij weten zulke ijzervreters nog
96
EEN MISSTAP.
wel klein te krijgen (of bet hem met al zijn universeele kennis ooit gelukt zou zijn! ?). Maar ze moet een besluit nemen, Lore, en het eenige, dat verstandig is in dezen, is, zoo spoedig mogelijk naar Horns terug te gaanquot;
Het verschil van oordeel tusscben Ernst en Lore in zake «Madeleine versus Johan Dupplerquot; nam steeds eer toe dan af. Dat Lore zich een beetje te veel liet leiden door haar gevoel, mag waar zijn; niet minder waar is het echter, dat Ernst daar te weinig van betoonde.
Eeeds twee dagen na het ontvangen van Duppler\'s brief had dat verschil van meening zoo zoetjes aan geleid tot een spanning tusschen Ernst en zijne vrouw , welke duidelijk merkbaar was in al hun doen en laten. Beiden meenden de zaak bij het ware eind te hebben; beiden waren, met het oog op het gewichtige van het geval, niet genegen , toe te geven. Lore werd blijkbaar mismoedig, Ernst ontevreden en korzelig. Madeleine zag, hoe haar verblijf in het huis der Goldsteins de twistappel dreigde te worden, die een verwijdering, een verkoeling voor langeren of kor-teren duur tusschen de jonggehuwden teweeg zou mogen brengen. Het werd haar duidelijk: ook hier zou haar toestand spoedig onhoudbaar worden.
Innig dankbaar was zij Lore voor de deelneming , welke ze betoonde in haar treurigen toestand, maar voor niets ter wereld wilde ze de oorzaak zijn van een verstoring van het geluk van haar en haren man, vooral niet van Eleonore. Zij begreep, hoe hatelijk een man als Ernst zou kunnen zijn, leidde het weinig gevoelvolle van zijn aard er hem
V. 1). LAAN , EEN MISSTAP. 7
97
EEN MISSTAP.
toe, eindelijk woorden te uiten, door ontevredenheid hem afgeperst, welke hem misschien niet zoo hard zouden mogen schijnen, doch die het hart van de zachte Lore zouden doen bloeden.
Dat mocht niet. — Goed! Ook hier kon zij niet langer blijven. Welnu, dan ook weer weg vanhier, en het was reeds den vierden dag na hare koaast in Weisburg, dat ze, zich hiervan bewust, treurig en diep terneergedrukt, doch met het vast besluit, zichzelf te helpen, zich moedig heen te slaan door dezen hangen tijd, en ook vanhier te gaan en elders een nieuw leven te beginnen, zich ter ruste begaf.
Als zij opstond, was haar besluit genomen, en besluiten en handelen waren bij Madeleine één. De termijn, gesteld door haar vader, was verstreken, en al ware het ook mogelijk geweest, dat hij het daarmee niet zoo ernstig had gemeend, zij hield hem aan zijn woord.
De atmosfeer in het huis der Goldsteins was voor haar een drukkende en met onweer bezwangerde geworden. Zij liad te handelen, te beslniten tot den eenen of anderen stap, en dat had ze ook in den slapeloos doorgebrachten nacht gedaan. Hoe verlaten, hoe alleen gevoelde zij zich weer. Zoo niemand, om baar het vereischte woord van goeden raad te geven, een, die strookte met haar aard en met den toestand, waarin zij was. Zou zij overal weg moeten vluchten? Zij lachte bitter. Het was een vreemde rol, welke het noodlot haar deed spelen.
Maar zij wilde doen, ook thans weer, wat zij zich had voorgenomen, zonder er met anderen , die haar niet konden
\'H
EEN MISSTAP.
of wilden begrijpen, over te spreken; zonder zich bloot te stellen aan lange redeneeringen van Lore en haar man, die, zeker met de beste bedoelingen, zouden trachten, haar terug te houden van den bedenkelijken stap, welken zij thans voorhad, en die haar toch niet zouden kunnen keeren.
Zoo, den vijfden dag na Madeleine\'s komst, vond Lore, tot hare ontsteltenis en overgroote verbazing, hare kamer ledig en slechts een brief, waarin het meisje haar en haren man, maar voornamelijk haar, vurig dankte voor hun vriendschap, doch zonder een woord over hetgeen zij was gaan doen.
Madeleine was vertrokken.
VI.
Annstad is een groote, ruim gebouwde plaats met ver over de tweehonderdduizend zielen. Het is eene bloeiende stad, welke zich kan beroemen op een schoon stadhuis in Gothischen stijl, eene schepping van Van Waghemakere, waarvan de baldadige sansculotten eens\' de beelden in de vele nissen verbrijzelden , die echter allen weer door anderen zijn geremplaceerd. Hare St.-Janskerk, welke u herinnert aan die van Salzburg en zoo ook ietwat aan St. Peter, is bij landgenoot en buitenlander wel bekend. Hare beurs en
99
100 EEN MISSTAP.
haar gerechtsliof, creaties van veel lateven datum en opgetrokken in Renaissancestijl, haar museum en de nationale bank zijn allen gebouwen, die de plaats tot sierraad strekken, om van de theaters, hotels, etc. niet te spreken.
Men beeft bier een ooster- en een westerstation, hetwelk al mede getuigt, dat er in Annstad bet noodige omgaat; en wat bet geestelijk leven betreft, dat bloeit bier meer dan in menige andere plaats van dezelfde grootte. Indien ge er ooit in den zomer eens mocht komen, vergeet dat niet, ook het park ten westen van de stad, met een bezoek van uwe doorluchtige persoonlijkheid te vereeren, vooral des Woensdag , na tweeën \'s middags , wanneer de muziek er speelt en de geheele Annstadder üeau-monde, in volle fleur, in groot toilet, armé en guerre, voor u defileert.
Zoo wat midden in de stad hebt ge de Rubens-Plaats, een langwerpig-vierkante, groote square, met het bronzen standbeeld van Pieter Paul, met zijn palet en zijne paneelen in het midden, een waar brandpunt van bet verkeer, waar van \'s morgens vroeg tot \'s avonds laat een verbazend geloop van menschen en gedraaf van tramcars, omnibussen en andere rijtuigen is. \'s Avonds wordt ze, behalve door de vele gaspitten der omliggende gebouwen, helder verlicht door eenige lampen, systeem Jablokoff, op slanke ijzeren zuilen.
Aan de noordelijke zij der plaats vindt ge o. a. het stadhuis , het hoofdpost- en telegraafkantoor en de Harmonie, waarin de sterren aan den muzikalen hemel niet zelden komen schitteren, om met liederen als gezongen kussen, met de zilverklanken van de snaren, too vergrepen in uw hart
EEN MISSTAP.
te doen, wellustig bevend, gewiegd door de vleugelen van den zoeten zang.
Aan den zuidelijken kant staan de St.-Janskerk, het gerechtshof en een paar banken, waar »die gele slaafquot; — het goud, en »die arme sloverquot; — \'t zilver, gewichtige rollen spelen , niet minder dan allerlei papieren, welke waarde hebben of gezegd worden, die te hebben.
Aan de westelijke zij hebt ge o. a. het oude gildehuis en het hotel de Kroon, en aan de oostelijke het Eden-fheater, met het café Geerts, etc.
Schuin tegenover het Eden theater, naast het hotel de Kroon, woont de boekverkooper Braams, boven wien Joachim Constant zijne kamers heeft.
Hij is op dit oogenblik juist in druk gesprek met Césarine Orfila, eene der nctrices van genoemd theater, die hem is komen spreken over Hernani, waarin zij gaarne de rol van Dona Sol zou willen vervullen, die Joachim, met zijn helderen blik, liever ieder ander zoude toewillen dan dezen dartelen vlinder, deze verrukkelijke bloem, waarop, hoe schoon zij ook is, het licht echter niet te hel moet vallen ; deze levendige , allerliefste jonge dame , die evenwel niet precies voor bijzonder tragische rollen is in de wieg gelegd.
Césarine redeneert met gloed en brengt allerhande verleidelijke glimlachjes, een allerbekoorlijkst pruilen met het mondje, een ongeduldig schudden met dien blonden aureool van goudgetinte haren, een zoet lonken als uit engelenoogen in het vuur, om Joachim te overreden.
Joachim, die haar boven het geheele damespersoneel van
101
EEN MISSTAP.
het theater voortrekt; van wien ze een groote gunstelinge is; wiens oogen immer beginnen te schitteren, wanneer hij haar ziet; wiens gelaat, wanneer hij haar hoort, opheldert gelijk de lucht na een zomer-onweer, brengt van zijn kant eene macht van allerlei vertoogen te berde, om Césarine haar verlangen uit het hoofd te praten.
Ge moet weten, Joachim Constant is huurder en directeur van het Eden-theater. Hij is met weinig begonnen , maar hij is glad als een aal, slim als een vos, scherpziend als een arend; iemand, die zijn tijd bestudeerde en kent, die, »a self-made manquot;, werkzaam was voor twee en de goede gelegenheid immer dadelijk bij de horens pakte; op het punt van geld verdienen het systeem van papa Duppler toegedaan. Zoo was het hem stoffelijk goed gegaan in de wereld en had hij eindelijk het groote Eden-theater kunnen huren, waarmede hij ook reeds zijne beurs terdege had gespekt.
De drukke , beweeglijke, eigenaardige wereld , waarin hij zich bewoog, beviel hem, niettegenstaande de vele beslommeringen , aan zijn carrière onvermijdelijk verbonden. Hij had, trouwens, een vast karakter, beraadde zich nooit lang en sloeg zich, zonder veel drukte, kloek door alle dingen heen; hij wist met grooten tact geëxalteerde acteurs in het gareel te houden en die immer op wonderdadige wijze van eene macht contanten voorziene luxe-beestjes onder zijne actrices in toom te houden, die wat al te toegeeflijk waren voor de Annstadder heeren met een vurig hart en een volle beurs.
i02
EEN MISSTAP.
Hij was ongehuwd en aan trouwen dacht hij niet. Zijn omgang met de kunstenaressen had hem een beetje huiverig voor het huwelijk gemaakt, dien tijd van «korte vreugde •en lang lijden.quot; Daarom was hij nog geen vijand van de vrouwen, denkend met den een, dat ze eigenlek ))het onesthetische geslacht vormen,quot; ontdaan van waarachtigen smaak voor de beeldende kunsten, muziek en poëzie; met den ander, dat alle hoogere ontwikkeling bet boek met de zeven zegelen voor hen is; met Byron, dat ze slechts vrome en kookboeken behoorden te lezen; met den Aziaat, dat de Europeesche dames-vereering hier alles, wat gerokt .gaat, een belachelijk volkje! in een valsche positie brengt. Volstrekt niet! Zoo\'n aardig schepseltje, zoo\'n vrai morceau de roi, kittelde zijn hart wel degelijk. Hij behoorde nog geenszins tot diegenen, die, na ruim, te ruim te hebben genoten van het gastmaal, door de vrouwelijke schoonheid en lieftalligheid ons opgedischt, met overladen maag, gelijk invaliden van de armee van den boozen Amor, gelijk Eomeo\'s, die ziek zijn van de pret, de Julia\'s den rug toekeeren. Geloof er niets van! De brave Joachim had bloed en geen koud water in zijn aderen. Hij was een man van twee en veertig jaar met een lang en bleek gelaat. 2ijn zwart haar, namelijk wat er nog van present was, reeds thans vergrijzend, maakte, om het voorhoofd en de slapen golvend, nog een goed figuur, op zijn voordeeligst gekapt en uitgespreid, gelijk het was.-Hij had doordringende, groote, donkere oogen, die dieper schenen te liggen ten gevolge van de massieve, hooge wangbeenderen. Onder
EEN MISSTAP.
zijn arendsneus, op de breede bovenlip zat eene zware, dichte, lange, zwarte snor. Hij schermde veel met een monocle, dien hij niet precies noodig had, want hij zag nog als een valk. Hij was breedgeschouderd, groot, doch niet zwaarlijvig — een rijzige, knappe gestalte.
Op het eerste ahord scheen hij louter een koud, beleefd en hoffelijk man, maar zij, die hem wat beter kenden, wisten, dat Joachim niet van hout was.
Hij woonde bier allerliefst, met uitzicht op de Eubens-Plaats en zoo op zijn theater.
Hij had een groote voorkamer ter zijner beschikking en daarachter twee andere vertrekken: het zuidelijke dat, waarin hij sliep; het noordelijke een ontvangkamer.
Die voorkamer zag er allergezelligst uit. — Joachim was
\'
niet zuinig op het punt van zijne gemakken en gerieven, en hij protegeerde ook andere kunsten dan die, van welke hijzelf de groote man in Annstad was. Dat zaagt ge aan de schilderijen; een stuk met een groep vrouwen van Bajae, dansende op de muziek van een liggenden gitaarspeler; een ander met een loge van de Bouffes-Parisiens, met twee dames, van welke de eene giegelend naar de saletés op de planken luisterde en de andere preutsch haar blozend kopje half verborg achter den waaier bij het hooren van die grappen, alles behalve comme il faut; etc.
Gij ziet, Joachim leefde niet als een kluizenaar. En daar deed hij ook verstandig aan in zijne positie. Want daar wint niemand toch een cent bij dan uwe erven, die zich in de handen wrijven om uwe nuchterheid.
104
EEN MISSTAP.
«Neen, neen! Césarine,quot; riep hij eindelijk ongeduldig. «Het is mijn laatste woord. Het kan niet. J3 bent onover-treffelijk in het comische, maar het tragische is nu eenmaal je sterke zijde niet. Bezie je eigen betooverend persoontje en zeg, of ik niet de waarheid spreek.quot;
Césarine keek pruilend voor zich. Dan zag ze hem aan met een blik, zonder verder nog iets te zeggen, waarin Constant duidelijk lezen kon: «Goed, maar dan is het geheel uit tusschen ons.quot;
Césarine was een snoepje — niet groot, maar fijn; slank, alles gratie, alles leven, vuur en beweeglijkheid.
Dat ronde kopje met het weeke, poezele kinnetje, het aardig kleine neusje en mondje met de zwellende roode lippen, zoo frisch van kleur, een tikkie opgetrokken, alsof ze op het punt stond, iemand een kus te geven; die zachte, gevulde wangen, welker levendige blos onmerkbaar overging in het reinste blank; die vroolijke, schelmsche, guitige blauvve oogen, waarboven de weerspannige, neergekapte krulletjes van de, achter op haar hoofd in zware tressen samengevlochten, blonde haren dansten, die slanke hals, fluweelen armen, schoone borst — ze vormden een geheel, \'t welk zelfs den meest veeleischende moest voldoen, \'t welk allerverlokkendst, allerverleidehjkst was.
Ze behoorde tot die practische jonge dames, welke, diep overtuigd van de vrouwelijke zwakheid en de losheid van de mazen van \'s menschen beurs, waaruit alle geld zoo zonderbaar gauw verdwijnt, uitermate begeerig zijn naar rijke mannelijke beschermers, met een sterke neiging, die
105
EEN MISSTAP.
zoo voor en na eens te verwisselen. En Joachim solliciteerde ook om dat benijdenswaardig baantje.
Ah! die kleine Césarine — zij was een dier heksjes, van welke Arsène Houssaye eens zei: »Lui montrer son visage, ■c\'était lui montrer son coeur.quot; Wezenlijk, wie haar zag, moest van haar houden, en indien Schopenhauer eens een uurtje met haar gekeuveld had, hadde hij het gewis niet neergeschreven, dat de menschen zich slechts bij elkander nederzetten, om zich gezamenlijk te vervelen, volgens het beginsel, dat \'s buurmans leed ons troost. Césarine en verveling waren twee dingen, waaraan men onmogelijk terzelfder tijd kon denken.
Evenwel, ofschoon Césarine zich door Joachim allerlei kleine diensten liet bewijzen en zich liet behandelen als een duifje, ze hield niet genoeg van hem , om hem ooit meer te geven dan vriendelijke woorden, hem, verstandig, evenwel aan het lijntje houdend, omdat zulk eene vriendschap voor haar veel waard was, handelend gelijk een andere harer zusteren, wier vereerders waren verdeeld in «betalers, gunstelingen en martelarenquot; — Joachim latende figureeren in de derde categorie.
Joachim evenwel was bovenal een man van zaken: eerst de eischen van het theater, was zijn principe, dan die van het hart, en wat hij thans ook mocht lezen in Césarine\'s ■oogen, hij was en bleef onverbiddelijk. Césarine Dona Sol! Mijn tijd! van de tragedie zou nog eene farce worden, en ■achter het voetlicht verstond Constant geene grappen.
Het kwam hem dan ook zeer gelegen , op dit oogenblik,
106
EEN MISSTAP.
nu hij een einde wenschte te maken aan het gesprek met haar, zich het kaartje te herinneren, dat hij reeds omstreeks een kwartier in zijne vingers had omgedraaid.
»Ah!quot; riep hij, »dat hadden we bijna waarlijk nog vergeten. Die dame wacht hiernaast al e\'n eeuw.quot;
Hij belde en verzocht de bediende, de om hem gekomene binnen te leiden. Een groote, rijzige dame trad spoedig daarna binnen, die op hetzelfde oogenblik hare voile voor het gelaat wegschoof. Césarine keek nieuwsgierig en verbaasd.
Constant stond op. Dat was geene actrice van het slag, waarmee hij zooveel had te doen gehad. Bewegingen, houding, oog en kleeding verrieden alle de fashionabele dame. Hij begroette haar beleefd en bood haar buigend een stoel aan.
Césarine wist, wat haar te doen stond bij dergelijke gelegenheden, en hoewel zij gaarne den strijd nog wat langer had voortgezet en graag dadelijk had willen weten, wie de schoone onbekende was , nam ze afscheid en ging heen.
Constant keek naar het kaartje. «Mejuffrouw Madeleine Duppler?quot;
Madeleine boog. »U is de directeur van het Eden-theater, is het niet ?quot;
«Dezelfdezei Constant en dan: «Pardon.quot; — Hij was vrij familiaar met Césarine en had in het vuur zijner redeneeringen , geërgerd ook al door haar aanhouden, als een Turk uit zijn meerschuimen pijp gedampt. En ofschoon het reeds winterde en daarbuiten weder sneeuwde, wierp hij een oogenblik het raam open, om den rook wat te verdrijven , pookte daarna de kachel op, stak eene pastille aan en
107
EEN MISSTAP.
zette zich dan weer, na het venster te hebben gesloten, bij zijn schrijfbureau, tegenover Madeleine, neder, die bij de groote, ovale, gebeeldhouwde tafel zat.
sik wenschte aan het tooneel te gaanhernam Madeleine, onmiddellijk zonder eenigen verderen aanloop op haar doel afgaand.
Constant antwoordde niet dadelijk. Hij zag haar aandachtig aan, zoo lang, dat Madeleine bloosde. Het was evenwel geen onbeschaamde blik. Hij was verrast. En hij nam haar zoo lang op, bij ziclizelven overdenkend, of dit wel een geschikt persoon voor het tooneel kon zijn. Hij was gewoon aan zulke geheel andere verschijningen, dat hij niet recht wist, wat hij eraan had, wat hij denken moest. Toen zei hij, zonder eenigen zweem van aanmoediging of afkeuring in zijne stem: »Ooit geacteerd?quot;
))Neen.... Of ja — op het pension.quot;
Constant moest glimlachen. «Oho!quot; riep hij, «zoo\'n Duitsch of Fransch stukje, is het niet, die böse Lisel, die alte Base? Ha, ha, ha! is het niet, Mejuffrouw?quot;
»Ik heb veel poëzie gelezen — luid ookzei Madeleine eenigszins verlegen.
sNiet kwaad, op zichzelf.quot;
»Ik heb er niet zelden bij geacteerd, al was ik ook alleen. Daardoor juist met te meer vuur,quot; en Madeleine moest ook glimlachen, wanneer ze dacht aan den gloed, waarmee zij op hare kamer de rollen van de Gravin Eboli, van Maria Stuart, van Lady Macbeth had gesproken en voor zichzelf gespeeld.
108
EEN MISSTAP.
\'Constant zag, dat hij te doen had met eene nieuweling in duizend opzichten.
»Weet u wel, wat u gaat doen?quot; vroeg hij ernstig.
Madeleine interesseerde hem. Dat ernstige gelaat, die ■donkere oogen met hun reinen blik, dat guitig lachje over hare eigen handelingen , dat weinig prijzen van zichzelve en hare gaven, waarmee zoo dikwijls anderen indruk op hem trachtten te maken, dat eenvoudige en ongemaakte, terwijl toch de geheele verschijning een vorstelijke was, imponeerde hem. Het terrein, waarop eene actrice zich beweegt, is een glad. Zoo licht begaat hier de schoone vrouw een misstap. In Madeleine traden de schoonheid en de onschuld voor Joachim waarlijk indrukwekkend op.
\'t Is waar, hij behoorde niet tot hen, die overvoorzichtig zijn in de uitoefening van hun beroep, en alleen de schoonheid van dit meisje beloofde haar reeds menige overwinning op het tooneel, maar hoe het ook zij, de geest, die van Madeleine uitstraalde, liet op dit oogenblik nog slechts zijne heilzame werking bij hem gevoelen en hij deinsde er eenigs-zins voor terug, haar in aanraking te brengen met de jolies impures onder zijn gezelschap, gedachtig aan het: «Wie met pik omgaat, wordt ermee besmet.quot;
Ten laatste, toen Constant haar nog steeds niet vertelde, of hij haar al of niet gebruiken kon, zei Madeleine: »Ik ben Vast besloten op het tooneel te gaan. Mijnheer Constant, liet zou mij spijten, indien ik er hier .niet de gelegenheid toe had. Ik zal dan elders moeite moeten doen.quot;
«Bedaar, bedaar! jonge dame,quot; zei Constant sussend. »Ik
109
EEN MISSTAP.
zeide niet, dat ik u niet konde gebruiken. Maar ik dien toch wel eenige inlichtingen in te winnen. — Waar woont u, als ik vragen mag?quot;
))Hier.quot;
«Hier! \'l Sedert hoelang?quot; — wel, hij had haar van zijn leven niet gezien.
))Ik ben hier vandaag gekomen en ben van plan, hier in de btad te blijven, indien u wenseht mij te engageeren quot;
«Hum! Maar waar is u dan vandaan?quot;
))Ik meende, dat dit minder ter zake deed, Mijnheer Constant.\'\'
Joachim zag haar voor de tweede maal lang aan, en weer moest Madeleine blozen, te meer omdat zij kwaad was, dat ze kleurde.
Constant begreep, dat hier meer achter stak. Was dit schijnbaar zoo rein, onschuldig schepsel misschien ook al een van de brigade, in welke Césarine met zooveel glorie uitblonk? Schijn bedriegt! Constant had er wel meer gezien met zulk een onbewolkten blik, die toch meer van Eros\' kunsten wisten en in practijk brachten ook, dan men van hen zou verwachten. Geheimzinnigheid op het punt van hunne handelingen had Joachim geleerd, spoedig bijna alle vertrouwen te verliezen in de vrouwen , welke die betoonden. Hij begon thans meer en meer over te hellen tot de meening, dat ook achter dit meisje meer zat, dan hij had gedacht. Enfin , meende hij, dat maakt de zaak niet minder; het publiek wordt juist door extra groote deugdzaamheid en schuchterheid in een actrice niet gewonnen. Laten
no
EEN MISSTAP.
we eens zien, of het met haar mogelijk wat zal geven.
sGoed!quot; zei hij plotseling. »Doe uw hoed en mantel af. Is u bereid, onmiddellijk een kleine proeve door te staan? en hij greep een boek van zijn bureau.
Madeleine deed wat hij zei.
»Ja,quot; antwoordde ze eenvoudig.
«Top! een goed soldaat is elk oogenblik bereid, in het vuur te gaan.quot;
Hij zag, Madeleine was een meisje, dat wist, wat ze wilde, en dat beviel hem goed. Dergelijke menschen brengen het het verst. Indien zij eenigen aanleg had, was dit geen visch, die hij uit zijn net mocht laten ontsnappen.
Hij bladerde in het boek, dat hij had opgenomen.
»Och!quot; riep hij verdrietig, «waar is nu weer de vertaling van onzen Gebbel.quot;
»Wat is het?quot; vroeg Madeleine.
»Lindau\'s Grdfin Lea.quot;
»We zullen het misschien ook zóó wel redden,quot; meende Madeleine.
Constant gaf haar het boek, geopend, waar het tooneel aanvangt, in hetwelk gravin Lea, die Paula\'s vader uit de reinste liefde had gehuwd, na een lange afwezigheid hare stiefdochter weer ontmoet, welke, nog steeds ten onrechte, haar voor een intrigante houdt.
Madeleine las met een heldere, sonore stem de rol van Lea, terwijl Constant, die zich over haar schouder boog, die van Paula las. Zij las alles tot Joachim\'s voldoening dadelijk in het Hollandsch, en hare stem won aan omvang,
Hf
EEN MISSTAP.
kracht en gloed, hoe verder zij in hare voordracht kwam.
En als zij eindelijk was gekomen aan Lea\'s: «Zwijg.....
Ik wil u vergeven, want gij weet niet, hoe ik hem heb bemind!quot; En toen de laatste woorden waren gesproken: «Gij hebt mijn vertrouwen niet gewild. Ik moet berusten. Maar de waarheid zult ge erkennen en dat, wat thans u van mij stoot, zal eens u tot mij drijven. Kom dan tot mij. Ik zal u toonen, dat men kan vergeten. En dat, hetwelk thans ons scheidt, zal ons vereenigen. — Vaarwel!....quot; klopte Constant haar onwillekeurig tevreden op den schouder en nam bet boek haar weder uit de handen.
«Genoeg, genoeg!quot; riep hij. ))Ik geloof, dat er wel de stof in u zit, die, na de vereischte evolutie, de ware heldinnen van het tooneel levert, Indien het uw vast besluit is....quot;
»Ik heb u reeds gezegd. .. .quot; viel Madeleine hem ongeduldig in de rede.
»Dat ik op\' het toöneel wil!\'\' voltooide Constant haar volzin, lachend. «Uitnemend! Een krachtige wil is hier vooral noodig. Voordat ge de gunst van het publiek hebt gewonnen, zult ge geen pad, bestrooid met rozen, hebben te bewandelen. Ge zult hard hebben te werken, veel, zeer veel te leeren en.... dat is bij dit métier eenmaal niet anders, u. nog al van het een en ander hebben te emancipeeren. Ziet ge hebt ge eens die gunst veroverd, dan kunt ge uw beer laten dansen, zooals ge wilt. We zullen het eerst voorzichtig aanleggen. Meen niet, dadelijk veel te kunnen schitteren. Wij weten opperbest, ziet ge, hoe de begeerte van het publiek te prikkelen. Goede wil en ijver maar.quot;
112
EEN MISSTAP.
»0!quot; riep Madeleine, wie het was, alsof haar een steen van het hart viel. »Daaraan zal het niet ontbreken; en ik iien jong, gezond en krachtig.quot;
«En niet leelijk.quot;
Madeleine sloeg de oogen neer.
»Dat wildet ge er niet bij zeggen, is het niet? Hemel, wat zijt ge nog eene onverniste onschuld! Indien ge andere sollicitanten bij mij eens een portret hoordet geven van vdchzelven, ge zondt meenen , dat Venus, Thalia en Melpomene in hen vereenigd optraden. Maar we weten beiden wel, hoe sterk in u de vrouwelijke zedig- en bescheidenheid ook •zij, dat een schoone vrouw op het tooneel eene Vesta is, •eene Vesta wel te verstaan van dat vuur, dat er in mannenharten wordt ontstoken door een paar betooverende oogen.quot;
»0!quot; zuchtte Madeleine, »aan zulke dingt-n dacht ik in het geheel niet.quot;
»Laten we danzei Joachim steeds glimlachend en in ■een dichterlijke hui, «zeggen een gevleugelde Aurora, wier flonkerende ster den menschen het zinnebeeld der lichtver-spreidende, veredelende kunst is, wier bezielende woorden tot hen komen , verkwikkender dan de geurende rozen, die ■ze om zich werpt.quot; — En dan op zijn gewonen toon: »Maar «u moet ik weg. We zullen het overige wel later schikken. A propos, dat was me nog ontscho\'en. Wenscht u uw naam •te behouden?\'\'
«Mijn naam behouden ?quot; vroeg Madeleine verbaasd, ofschoon niets haar liever was, dan dat niemand in Annstad kwam te weten, wie zij was.
V. D. LAAN. KEN\' MISSTAP. 8
113
EEN MISSTAP.
))Mi.sscljien was het verwisselen van naam u niet onaan-genaain. — Och! het is zulk eene theatergewoonte. Zaagt ge straks die jonge dame? Die noemt zich Césarine Orfila. Een bankje van duizend, dat er heel wat anders in de registers is ingeschreven, toen papa de geboorte van die kleine ondeugd opgaf.quot;
Madeleine wist niet dadelijk , wat te zeggen. Zij was volstrekt niet klaar met een anderen naam. Wie daar nooit aan heeft gedacht, dien klinkt zulk een voorstel een beetje verbijsterend in de ooren.
»\'t Is mij natuurlijk hetzelfde. Een redelijke naam is altijd een bepaald vereischte,quot; hernam Constant. »En de uwe is niet kwaad. Maar anders wou ik u omdoopen in Julie Termont, of... . Désirée — of, wacht sens , b. v. in Delphine Eberling; dat klinkt niet gek.quot;
Het zal het beste zijn,quot; prevelde Madeleine meer tot zichzelf.
»6e zijt er dus mee tevreden?quot;
jiJa, Ja,quot; antwoordde Madeleine haastig. Het was beter.
»6oed! Dan doop ik u Delphine Eberling,quot; en Constant lachte weer. — »En nu. Mejuffrouw Delphine, waar was u van plan, thans heen te geen?quot;
»lk logeer bij Dokter Aaken.quot;
«Och kom! Uwe kennissen zijn hier niet van de minste.quot;
Aaken was een der meest geziene geneesheeren in de stad. Constant stond verbaasd.
»Komzie hij, sik heb nog juist den tijd, u even daarheen te brengen. Mag ik u begeleiden?quot;
Joachim en Madeleine gingen. Het had opgehouden te
114
EEN MISSTAP.
sneeuwen en spoedig waren zij door de Markt- en Halsstraten in de Spiegelstraat, in het meer noordelijk gedeelte van de plaats, waar Dokter Aaken woonde.
Ziehier, hoe Madeleine had kennisgemaakt met dezen man, dien zij nooit te voren had gezien. Toen zij vertrok uit Weisburg, had zij in een dames-coupé willen stappen , maar deze was bezet, en de conducteur bracht haar naar een ander compartiment, waar niemand anders zat dan een oud beer , verdiept in een Eotterdammer. Madeleine had hare voile diep over hare oogen en zij plaatste zich stil in een hoek, om na te denken over het besluit, dat zij had genomen, en wat haar thans stond te doen. Zij had het hoofd zoo vol. De gewichtige stap, dien zij ging nemen, was er wel een, om te stemmen tot veel nadenken. Maar het was de eenige, dacht ze, welke haar, in de gegeven omstandigheden , niet zou berouwen. Zij gevoelde hare kracht, haar levenslust, haar moed, om te kampen. Zij was zich ook overtuigd van hare schoonheid. Zij wenschte zich niet te begraven in de eene of andere positie, welke een hopelooze was; die geene vooruitzichten opende. Zij behoorde juist tot die naturen, voor welke strijden, worstelen, zich inspannen een vereischte, een prikkel is; die, wanneer voor hen een oogenblik van rust-komt, wanneer voor hen de strijd geëindigd schijnt te zijn, zich niet in hun element gevoelen , al is die rust op zich-zelve nog zoo noodig, nog zoo zoet; gelijk Lessing zich nie t zoozeer verheugde over de glorie van het voleindigd werk als wel in de edele inspanning des geestes , welke het schrijven ervan hem kostte.
115
EEN MISSTAP.
Aan liet tooneel gaan, met al den gloed van hare ziel, met een diep gevoel voor het schoo\'ie, met een ontplooien iiarer edelste krachtsinspanningen zich te wijden aan het vertolken van meesterstukken , in anderen de slapende schoone gedachten op te wekken , die haar roerden en tot in liet diepste van haar hart bewogen; eens, na hoevele teleurstellingen en bittere ervaringen dan ook, den stralenkrans der echte kunstenaren om hare slapen te zien schitteren, een bewonderend publiek aan hare voeten te hebben, meegesleept door de macht der taal, welke o er hare lippen kwam ; ziohzelve te kunnen zeggen : zie , ik heb niet tevergeefs geleefd; ik heb bet schoonste en beste in mij zich laten ontknoppen en zich zwellend openen, gelijk de tooverbloem , de blauwe roos, waarvan de dichters droomen; ik heb gestreden en overwonnen; mij is de kroon, die schooner fonkelt dan die eener koningin, — waren dat geene idealen, welke, verlokkend verrijzend voor haren geest, geprikkeld door de onstuimig werkende gedachten, Madeleine moesten dompelen in een diep gepeins?
Zij keek naar buiten, haar voile onwillekeurig opslaand. De trein suisde langs wei en hei en bosch , en de sneeuw viel iu dichte vlokken van den grijzen, valen hemel, van het landschap een somberkleurig, eentonig, bijnaonherken baar iets makend.
Evenwel, ze zag niet naar het landschap. Menschen, die diep in gedachten zijn verzonken, zien dikwijls niet veel van de dingen om hen heen, al zou ook iemand, die hen gadesloeg , moeten vermoeden, dat zij met de grootste aandacht het een of ander opnamen.
een misstap.
Een zucht ontsnapte haar, toen zij dacht aan Paul. Hoe anders ware het alles geweest, indien hij nog hadde geleefil. Gesteld, het lot wierp haar eens alles in den schoot, waarvan zij thans droomde, de smarj;, hem te hebben verloren, kon zelfs door de stoutste verwezenlijking dier andere wenscht n nooit worden vergoed.
Dokter Aaken had van zijn KoLterdammer opgezien, toen hij zijne medereizigster zoo hoorde zuchten. Hij was een oude man met grijze haren, met een vol en blozend uiterlijk, groote allervriendelijkste, vertrouwen inboezemende blauwe oogen en een zware, groote gestalte.
Hij zag deelnemend naar het meisje. Hij begreep, dat zij leed, en Dokter Aaken was een man, die wist, hoeveel er te koop is in de wereld, en wiens hart warm klopte vom ieder, die zich, zij het ook door eigene schuld, ongelukkig-gevoelde. Schuld was voor hem een woord van ïoo rekbare beteekenis, dikwijls van zoo betrekkelijk weinig waarde. De mensch is zoo zwak, de hartstochten zijn zoo tyranniek, de omstandigheden zweepen ons zoo dikwijls voort met onweerstaanbare kracht.
Doch bij richtte spoedig zijne oogen weer op zijne couran;,, om het meisje over hem niet lastig te vallen niet zijn. ■staren.
Een oogenblik later opende de conducteur het portier.
«Kaarten!! \'
Aaken toonde de zijne.
Maar Madeleine zocht en zocht en zocht. Dan riep zij verlegen. »0! ik heb vergeten er eene te nemen.quot;
\'117
EEN MISSTAP.
»Wat \'s dat!quot; riep de conducteur vrij barsch. »Geene kaart! Hoe nu, Dame?quot;
Dokter Aaken schoof wat naderbij. — »Bedaard aan, Stevens,quot; zei hij.
Dan tot Madeleine glimlachend: »Een kleine vergissing in de haast. Juffrouw. U zal hier dienen te betalen Vanwaar komt u, en waar gaat u heen?quot;
Madeleine kreeg haar beursje: 3)Van Weisburg naar Annstad.quot;
»Vier vijf en negentig,quot; zei Aaken.
Madeleine betaalde en de conducteur verdween voor het oogenblik.
Aaken vervolgde het gesprek.
))Ook naar Annstad,quot; hernam hij. »Het is mijne woonplaats. — Geen kwade plaats. Is u er vaker geweest?quot;
\' »Nooit, Mijnheer.quot;
»Zéker naar familie?quot;
»Neenantwoordde Madeleine kort.
«Bekenden ?quot;
»Ook niet.quot; — Madeleine\'s stem klonk hier wat ongeduldig.
Maar Aaken hield niet op met zijn verhoor, nu hij eens was begonnen. Evenwel, het was geen ongeoorloofde nieuws-gierigheid, welke hem tot vragen dreef. Dat meisje, dat blijkbaar zooveel had te overdenken, boezemde hem belang in , en wanneer dit eens het geval was bij hem , bekommerde hij zich om de conventioneele vormen bitter weinig.
»In betrekking?quot;
Madeleine antwoordde niet dadelijk. Zij zag Aaken met
118
EEN MISSTAP.
hare groote, donkere oogen ontevreden aan. Wat had hij haar al die vragen toch te doen. \'t Was impertinent.
»Grij denkt mij een beetje onbeschaamd, niet waar?quot; zei hij goedhartig.
»Ik weet niet, Mijnheer, wat al dat vragen moet beduiden. Ik ken u in het geheel niet.quot;
»En moge het lang duren, dat u nader met mij kennis maakt,quot; zei Aaken weder lachend. »Ik ben dokter, en zoo iemand ziet men altijd liever gaan dan komen; is het niet?quot;
Zijn toon was zoo innemend en goedhartig. Ook Madeleine glimlachte.
))Zie,quot; hernam Aken, sik hoorde u zoo even zoo bitter zuchten. Neem mij niet kwalijk, dat ik u observeerde, maar, willen of niet, ik moest het wel. Welnu, men beschouwt mij wel eens als een zonderling, en in die qualiteit moet ik erkennen, dat uw zuchten mij zonderling aandeed. Wij kennen elkander niet. Dat is waar, Mejuffrouw. Maar is dat juist altijd noodig, opdat de eene mensch ook wat voor den anderen gevoelt? Ik ben weduwnaar. Al mijne kinderen zijn gevestigd; mijne twee dochters zijn gehuwd; mijn zoon woont in Amsterdam. Mijn naam is Aaken. Ik leef alleen met een huishoudster. Maar al leid ik op het oogenblik weer zoo wat het leven van een vrijgezel, wanneer ik aan mijne dochters denk en dan aan u, en u hoor zuchten, dan wordt mijn oude hart een beetje week. Er is zooveel leed in de wereld, en het was immer mijn beginsel, dat men, hetzij door goede woorden, nog beter door daden, al wat
EEN MISSTAP.
lijdt, te hulp moet komen. Ah! neem me niet kwalijk. —. Misschien vindt ge dit alles ongepast.quot;
»0, neen!quot; prevelde Madeleine. »U is zeer vriendelijk ^ mijnheer. Ik was onverstandig. Ik vreesde noodelooze nieuwsgierigheid.quot;
Aaken schudde het hoofd.
Op dit oogenblik liep de trein het oosterstation van Annstad binnen. Het was twee uur.
Aaken\'s coupé stond voor hem gereed.
))Mag ik u eene plaats aanbieden ?quot; vroeg hij Madeleine vriendelijk.
Madeleine nam het aanbod dankbaar aan.
«Waarheen ?quot;
«Naar Joachim Constant, Kubens-Plaats.quot;
Aaken zag Madeleine veiwonderd aan.
«Gij zijt toch geene actrice?quot; vroeg hij verrast. Dat had hij nooit kunnen vermoeden, Madeleine\'s manieren en voorkomen in aanmerking genomen.
«Nog niet,quot; zeide Madeleine eenigszins verlegen, zijne verbazing ziende.
»Gjj wilt het worden?quot;
»Ja, Mijnheer Aaken.quot;
Aaken zag haar ernstig aan. »Weet ge, wat ge doet, jonge dame? Hebt ge goed nagedacht over hetgeen ge gaat doen ?quot;
sik beu vast besloten,quot; zei Madeleine op een toon, die Aaken bewees, dat hij, de vreemde, alle redeneeringen tegen zoo iets gerust in den zak kon houden.
120
EEN MISSTAP.
ïWaar hebt ge uw logies hier ?quot; vroeg hij na een poos, toen zij de Plaats opreden.
»lk moet er nog een zoeken, Dokter.quot;
»Weet ge wat,quot; zei Aaken positief, «wanneer ge van Constant komt, dan gaat ge naar mij; begrepen ? Nergens anders heen. — Neen, neen 1quot; riep hij, toen Madeleine iets daartegen in wou brengen. »11 vertrouw t mij toch ? Den ouden man , den dokter ?quot;
Madeleine schudde bevestigend het hoofd. — »0 ja, jat Dat niet.... maar . . .quot;
«Geen maar, jonge dame — En nu, gij weet mijn naam; de uwe, als ik vragen mag ?quot;
«Madeleine Duppler.quot;
«Duppler, Duppler....quot; Aaken scheen den naam te kennen.
Madeleine steeg dan uit.
«En nu, niet vergeten! Dokter Aaken, Spiegelstraat v nummer 1\'29.quot;
Toen verdween Aaken\'s coupé en Madeleine ging naar boven
Toen zij door Constant zeiven, na hun gesprek, naar Aaken\'s huis was gebracht, werd ze hier vriendelijk ontvangen door de huishoudster van den dokter, een Bertha Munro, de dochter van een weduwe in de Ilospitaalstraat. Spoedig werd het middagmaal opgedischt, dat de meisjes met hen tweeën namen , want Aaken was er nog op uit. Toen hij na zevenen opdaagde, verwelkomde hij Madeleine hartelijk in zijn huis.
EEN MISSTAP.
Waarschijnlijk roept ge in edele verontwaardiging uit: »Hoe is het mogelijk, zóó te handelen! Wie, in Gods naam, ■doet er zoo in de negentiende eeuw ? Is het niet te dol, te gek, te dwaas? Dat heeft me nota bene al grijze haren en handelt nog als een kind, dat nog nit;t uit zijn rokjes is!quot;
Ja, ja! — Waarachtig! Heb je me! Een onbekende zoo maar dadelijk in huis te halen. Foei! nog wel een adspi-rant-aetrice! Is het geene schreeuwende onbezonnenheid, geen dollemanswerk, geene pure krankzinnigheid? Uw evenmensch, dien ge voor het eerst ontmoet, een even-rnensch, die zijn kansten op de planken wil vertoonen, maar zoo dadelijk op zoo royale wijze de hand der vriendschap toe te reiken, ongevraagd, geheel ongevraagd! te hnlp te komen! — Zoo iemand heeft de vijf niet bij elkaar. Voor zulke lui diende eigenlijk nog zoo iets te bestaan als de cages de fer van de Bastille. Voor dergelijke bezeten wezens, in welke iri die mate de booze is gevaren, moest werkelijk nog zoo iets als Lettres de cachet worden uitgegeven , om dusdanige voor de maatschappij hoogst gevaarlijke sujetten voorgoed en altijd af te zonderen. Alle kwaad is besmettelijk en deze wijze van doen zou , indien ze meer werd in practijk gebracht, een kanker worden voor het land, een allerbedroevendsten socialen ommekeer kunnen teweegbrengen.
Laat men zoo iemand, veilig gepakt in een dwangbuis, deponeeren in het gekkenhuis, met een woordje aan de bedienden, dat dit een hoogst gevaarlijke patiënt is. Of anders de politie een wenk geven, dat er in de stad een wezen
122
EEN MISSTAP.
ronddoolt, minder dan een wild dier, en per advertentie het publiek waarschuwen, wanneer het van den ketting is; verdere inlichtingen in te winnen aan het politie-bureau.
Maar, helaas! de wetten van ons arme vaderland zijn in zulk een beklagenswaardigen toestand, dat ze geen vat op de Aakens hebben — Ja, ja! \'tis hier beneden nog verre van volmaakt en er loopt veel rond, dat verdiende achter slot te zitten.
Nu behooren wij evenwel, is het geen schande! tot degenen, welke dit hulp en huis aanbieden aan een toevallig in den trein ontmoeten vreemde, een vrouwspersoon nog wel, maar bij geene mogelijkheid verkeerd kunnen vinden; tot diegenen, die gelooven in het bestaan der -lakens; tot die zwakhoofdigen, welke den man hoogelijk prijzen, hem gaarne de hand zouden drukken en Henken, dat Michelet zijne stelling, dat onder de geneesheeren de beste menschen worden aangetroffen, hier op schitterende wijze met een ander bewijs zou zien bekrachtigd. Wij drukken ons hier evenwel opzettelijk uit in den pluralis majesteti-cus, om niemand aanstoot te geven en onze eigene persoonlijkheid te vrijwaren voor een mogelijk harde, wie weet zelfs hardhandige, betraffing voor zooveel dollemanstaai.
Aaken, de krankzinnige, was uitermate vriendelijk vöoy Madeleine en zijn welgemeende vriendschap , welwillendheid en goede bedoelingen dreven haar ertoe, hem onverbloemd hare gansche geschiedenis te verhalen.
Hij besprak nog eens ernstig de loopbaan, welke ze voor zich had, met haar en bracht haar onder het oog, wat
123
KEN MISSTAP.
haar stond te wachten. Hij zag er weinig heil in. Evenwel, Madeleine meende nu eens, hare roeping te hebben gevon den, en het luisteren naar den raad van anderen was hare sterke zijde niet. Ze was dan ook te hui-; zoo gewoon geraakt aan een door anderen niet begrijpen van en niet acht slaan op haro wenschen, begeerten en bedoelingen, dat ze ertoe was gekomen , te gelooven, dat men alléén, na rijp beraad , het best in staat is, te oordeelen over zijn toestand, aangezien dezelfde dingen zich met gansch andere kleuren afmalen in de hersens van verschillende personen , en hel zich op het standpunt plaatsen van een ander iets was, dat haar bij de mensehen een onmogelijkheid scheen.
\'s Avonds laat na lang praten, toen men zich ter ruste begaf, had Aaken haar op zijn gewone, positieve wijs gezegd, dat hij verwachtte, dat zij de eerste dagen daar bleef. Men kon dan omzien naar logies voor haar, en Madeleine had het aanbod met dankbaarheid aangenomen. Zij begaf zich te bed met een groote rust in haar gemoed, dat alles nu onherroepelijk was geregeld; dat zij iets had gevonden, waarmee zij haar brood verdienen kon op eene wijze, welke, naar zij meende, strookte met haar aard; welke haar gelegenheid gaf, hare gaven te ontwikkelen — de rust vóór den storm, zij begreep het, want. veel van haar leven zou, gelijk het zich nu zou vormen, gelijk een storm zijn, een evenwel, dien zij niet vreesde en voor welken zij al hare krachten wou verzamelen.
Toen Aaken in zijn kamer was gekomen, beraadde hij, zich niet lang. Hij bad Uuppler leeren kennen in de dagen..
124
EEN MISSTAP.
toen hij nog meer in het noorden als dokter praktizeerde. De goedhartige geneesheer en de zelfzuchtige notaris waren nimmer groote vrienden geweest — dergelijke karakters stooten elkander af. Desalniettemin nam Aaken de pen op nn schreef aan Johan Duppler.
\'tls waar, Madeleine had hem alles meegedeeld, er niet aan denkend, dat hij hierover net baar vader in correspondentie zou treden, maar een belofte had hij haar niet g-edaan op dit punt. Zoo, alles samengenomen, dacht Aaken liet zijn plicht, Johan van Madeleine\'s stap te onderrichten
De brief, dien hij terugontving, was evenwel geschreven op een toon, die Aaken griefde en hinderde.
Was Johan ten hoogste ontstemd geweest over het gedrag van zijn dochter in huis en over haar wegloopen, het feit, tlat ze tegen hem was blijven rebelleeren, had hem nog meer tegen haar ingenomen en het dwaze z. i. van haar gedrag thans, verbitterde hem nog meer. Hij wilde haar trots en onwil tegenover hem breken en in de gedachte aan de mogelijkheid van 700 iets werd hij gesterkt door Henriette, die er overtuigd van was, dat Madeleine spoedig genoeg van haar nieuwe leven genoeg zou hebben; die zich immer gekrenkt had gevoeld door de lastige daadzaak, .dat de jongere zuster onbewust, hoe zij , Henriette, er zich ook legen verzette, altijd een zekere overmacht over haar had bezeten, en die zeer graag zou zien, dat ze vernederd, als gebroken, als een berouwhebbende terugkeerde in het ouderlijke huis.
Duppler weidde in zijn schrijven uit over zijne grieven.
lc25
EEN MISSTAP,
over Madeleine\'s onhandelbaren aard, overdrevene begrippen, verregaande kinderlijke ongehoorzaamheid , over »dat meisje, dat zoolang een plaag in huis geweest wasquot;, over beleedi-gingen, hem toegevoegd, ondankbaarheid, enz. enz., eindigend met de verklaring, dat zij, wat hem betrof, kon doen, wat ze wilde, maar dat er voor haar geen plaats in zijn huis meer was, vóórdat zij duidelijk een welgemeend berouw had betoond over al de dwaasheden, die zij had verricht.
sis dat de brief van een vader over zijn kind!quot; had Aaken uitgeroepen, toen hij het treurige document aandachtig had gelezen. «Is het mogelijk! —- Maar, zoo gaat het. «Waarachtig, Napoleon had gelijk: «Impossible! mais eest le mot d\'un fou.quot; — Een bittere ervaring te meer. Wel, het zal wel niet de laatste zijn.quot;
Het- zou dus maar het beste wezen, Madeleine te laten begaan. Naar zulk een buis terug was voorzeker geen verbeteren van den toestand.
Ook Katharina had den brief gelezen, door Johan verzonden. Zij schrikte bij de gedachte, dat haar dochter aan bet tooneel zou gaan, — haar kind, blootgesteld aan de gevaren, die een jong, een schoon meisje daar van zoovele kanten bedreigen! En zij was krachtiger voor baar dochter in de bres gesprongen tegenover haar man, dan zij het ooit tot nog toe had gedaan. Toch niet krachtig genoeg, evenwel. En, men weet, alle half werk leidt tot zoo goed als niets.
Katharina had echter heimelijk een brief geschreven aan
litö
EEN MISSTAP.
Aalcen, waarin zij hem smeekte, het oog op Madeleine te houden, hem tevens geld voor haar zendend. Zij kon haar onmogelijk zoo geheel overlaten aan haar lot.
Aaken toonde Madeleine de brieven niet. Natuurlijk — dien van J ohan, daar was geen sprake van; en die van Katharina toonde maar al te zeer het onvoldoende van de moederlijke kracht en moed, om op het meisje een gnn-stigen indruk te kunnen maken. Het geld zou hij haar wel op de een of andere wijze doen in handen komen.
Hij begaf zich clan zelf naar Berlha Munro\'s moeder. Bij de weduwe werd eene kamer voor Madeleine in orde gebracht en den vierden dag na hare komst in Annstad begaf Duppler\'s dochter zich daarheen, met tranen in de oogen afscheid nemend van den man, die zich zoo belangeloos haar had aangetrokken.
VII.
)gt;Hu!quot; riep de kleine Victoire Adelaide Eliane Perret smalend. — »Een tweede Jumbo! Wat een kolos. Wat of Constant met zulk eene superlativistische beauty beginnen zal?quot; en ze haalde verachtelijk hare schouders op, aldus van hare goede gezindheid en bewondering teekenen gevende na een eerste ontmoeting met Madeleine.
Dit zacht tooneelbloemetje was indertijd met de nederige benaming «Aaltjequot; gedoopt geworden. Maar zoodra ze voet
127
EEN MISSTAP.
had gezet op rde planken, welke de wereld beduiden had zij zich een naam genomen met een staartjen. Aaltje!! Wie, in \'s hemels naam, kan iets groots, iets spiritueels verwachten van een Aaltje? Perret ging nog. Maar, bah! Aaltje.... Dat was zijn eigen geluk griesgrammig in verzoeking brengen, om u den rug toe te keeren, en zij had een Victoire Adelaide Kliane aan haar Perret gehangen. Thans klonk het geheel als een slag op eene Chineesche gong.
»Pas op!quot; zei Hélène Wattel. die immer een emmer tranen ter harer beschikking had en furore maakte in senti-menteele rollen, waarin ze zich meesterlijk wist te gedragen als de blanke onschuld , welke ze in het geheel niet was; als de verpersoonlijkte onnoozelheid, welke ze verafschuwde : als de overstroomende gevoeligheid, welke ze zoowel achter het voetlicht als elders op kunstmatige wijze kweekte tot vulling van hare beurs. »Pas op! — Ze heeft oogen als een .-lang. Dat ze je niet hoort. Ze mocht je eens omhelzen met die stevige armen, dat het je groen en blauw voor de oogen werd.quot;
Ook Elize Mansinger, aan wier gevulde vormen de verwoestende tand des tijds reeds had geknaagd en die, nog immer een statige ruïne in haar verval, de rol der oude moeders had te vervullen, had zich in dit zulk een fijnen toon ademend gesprek gemengd. Ah! die jalousie de weü\'er verzuurt altijd met den deesem der kwaadwilligheid het oordeel.
»We zullen haar wel tam krijgenquot;, aldus uitte zij zich kiesch en liefderijk. ))Ze is nog een beetje farouche. Maaide oude Mansinger weet, welke zweep men heeft te gebruiken.
128
EEN MISSTAP.
om zulke dametjes klein te krijgen.quot; — Het »ondequot; natuurlijk uitgesproken met een coquet hoofdknikje, in de volle overtuiging , dat zij nog zulk een oud schip niet was , het bekijken ■niet meer waard, reeds lang toe aan de aftakeling.
Natuurlijk, er waren er onder het vrouwelijk personeel, die niet onmiddellijk zoo op Madeleine gebeten waren, maar geen was er met haar ingenomen. Elk moest zich toch bekennen, dat dit meisje allen in de schaduw stelde, en geloof •en beschaving hebben het tot nog niet zoover gebracht, dat zulk een concurrent met zeer vriendelijke blikken wordt ontvangen. Wie weet, of in den «kamp om het bestaanquot; »het gevorkt, spillebeenig dier, genaamd: menschquot; het ooit zoover zal brengen. «Bemin uw naaste als uzelvenquot;, is de leer, die wij zijn toegedaan; in theorie. Maar ... in practijk ?
Ieder begrijpt: het mannelijk personeel van het Eden-theater uitte zich in andere woorden dan het vrouwelijke. Waren evenwel de woorden geene galspuwende, de bedoelingen van de helden van de Kothurn waren daarom nog juist geen zuiverder.
Albert Godde, de komiek, streek zich met de hand over ■den mond en dacht Madeleine, wanneer het maar mogelijk was, te kussen, dat het klapte.
Emüe Löwy, een mannelijke Hélène Wattel, nam zich voor, hare heerlijke vormen aan zijn hart te drukken en naar elke rol te visschen, welke hem gelegenheid zou geven tot zulk een goddelijk genot.
Lodewijk de Block, Joseph Deesaart en anderen zeiden niet veel, maar knipten veelbeteekenend met de oogen en
V. D. LAAN, EEN MISSTAP. 9
129
EEN MISSTAP.
dachten aan de oogenblikken, dat ook voor hen een kruimpje van de tafel zoude vallen en zij meer intiem met Madeleine zouden kennis maken.
Werd Madeleine dus door het mannelijk personeel met armen, open, op hunne manier, ontvangen, het vrouwelijk, behalve Césarine Orfila, die — eene gunsteling van het publiek en van Constant — haar niet zoo dadelijk vreesde, zag haar met scheeve oogen aan en begon van den eersten dag een afmattenden strijd van plagerijen , kleine kwellingen, bewijzen van onwil en kwaadwilligheid, met een verfijnde wreedheid en onveranderlijke aanhoudendheid, zooals alleen vrouwen die kunnen toonen , tegen de nieuwgekomene.
Dat was onaangenaam, hoogst onaangenaam! Vrouwen weten iemand op zulk een fijne manier te tergen, dat het Madeleine soms te kwaad werd. Maar zij was nu eens in het schuitje, en zij was niet van plan, de riemen uit de hand te leggen en het roeien tegen den stroom op te geven.
Zij vermande zich. Zij spande al hare krachten in. Zij behandelde Vietoire Adelaide Eliane en hare bondgenooten de haut en has, hetwelk natuurlijk haar toestand niet verbeterde. En al wist ze zich te redden tegenover deze fictieve Louise\'s, Olivia\'s en Chimène\'s, met hun haar op de tanden , en op hare beurt een woordje ook te zeggen , dat het noodige venijn inhield, het aanhoudend sissen van die vele slangetongen was kwellend en bedroevend toch.
Ofschoon Madeleine, op de programma\'s thans Delphine Eberling, schoon was en grooten aanleg voor het door baai-gekozen vak had , ging het in den beginne niet vlug met haar.
130
EEN MISSTAP.
Zij had zich nog te gewennen aan de fiêvre de la rampe, de schuchterheid te overwinnen , welke nieuwelingen aangrijpt voor een gevulde zaal. Ze had eerst op te treden als figurante, dan in kleine rolletjes. De wijze van opkomen en afgaan, de manier van loopen, de sterkte van het stemgeluid, etc. waren nog allen dingen, welke zij moest leeren. Haar salaris bleef voorloopig gering.
De beschilderde en nog eens beschilderde koonen van de sentimenteele Hélène en anderen deden haar walgen, en zij verzette zich wamhopig tegen het blanketten, hoewel de grootte der inspanningen, het verdriet over de vele kwellingen na eenigen tijd den blos van hare wangen hadden verdreven . ofschoon niet den gloed uit hare oogen, die dikwijls koortsachtig schitterden, juist ten gevolge van hetgeen zij had te verduren.
Het waren die smeekende blik, waarmee zij hem had gebeden, haar toch tot dat blanketten niet te dwingen ; het vleiende der sonore stem, het plotseling beschaamd gloeien dier zachte wangen, het bekoorlijke van haar geheele houding, bij hare verlegenheid, haar verlangen, dringen, dat bij haar tot zoo iets niet zoude noodzaken; de bedeesd geuite hoop, dat, wanneer zij meer aan alles was gewend, de schoone blos ook weer zou terugkomen op hare wang , welke Joachim meer dan ooit de oogen hadden doen opengaan voor de bekoorlijkheid van Madeleine. Die behoorde niet tot die reeds genomen vestingen, welke ieder ontvangen met wijd geopende poorten. En dat verhoogde de aantrekkelijkheid.
De eenigszins onverschillige blik, waarmee Constant naar
131
EEN MISSTAP.
haar in den beginne nog dikwijls had gezien, week meer en meer voor een van bewondering en begeerte.
En Césarine deed al het mogelijke, om die groeiende bewondering aan te wakkeren. Césarine was te verblind door hare ijdelheid, om te vreezen, dat het publiek, dat haar vergoodde, ooit met meer bewonderende oogen naar eene Delphine Eberling dan naar haar kon zien. En zij bad meer dan genoeg van Constant\'s avances tegenover haar. Zij mocht hem niet genoeg.
Indien zij nu eens een hartstocht voor dat andere meisje bij hem kon doen ontbranden, kon aanwakkeren, met een vertoon van welken hij haar zoo lastig viel, dan was er veel gewonnen voor hare rust en haar gemak. Dit zou de schoone nieuwelinge een grooten stap vooruithelpen, want Joachim deed niets ten halve. Maar, indien het eens eene wat al te schadelijke wending met de dingen voor haar nam, behoorde zij niet tot die betooverende schepseltjes, welke zich, zij het dan niet heel pieus, kunnen toeroepen:
„Hoe verzaagt ge toch ?
God en ik leven immers nogquot;;
die zoo bedreven in alle kunsten zijn, een mannenhart te verstrikken, dat er dan wel middelen zouden worden gevonden, om alle haar dreigende gevaar af te wenden? Zij begreep wel: het was een beetje met vuur gespeeld, maar wie waagt, wint. Zij begreep ook, dat, gesteld, het gelukte haar, in Joachim en Madeleine een hartstocht voor elkaar te doen ontvlammen, deze bij Constant toch nooit van langen
132
EEN MISSTAP.
duur zou zijn; Madeleine was toch een meisje, dat nooit al die knepen en listen zoude leeren, om een man lang naar haar pijpen te laten dansen. Doch lang of kort, zij kon dan voorloopig rustig leven, zonder door Joachim te worden vervolgd, altijd evenwel op den uitkijk, om, mocht het noodig zijn, den directeur weer aan hare voeten te brengen.
Met genoegen bespeurde Césarine, dat het uitvoeren van haar plannetje haar gemakkelijker begon te vallen in de laatste tijden. Constant hinderde haar niet zooveel meer met zijne warme woorden; zijn oog volgde immer Madeleine; hij zocht meer en meer hare tegenwoordigheid, terwijl Césarine de zijne ontvlood.
En dit begon onder het personeel reeds zoodanig in het oog te loopen, dat De Block op een goeden avond tot Godde zei: ïDe carrière van die Eberling is gemaakt, vriendje.quot; — «Natuurlijk!quot; — »A1 schijnt ze ook lang te hebben tegengestribbeld.quot; — »Dat hoort erbij; daardoor toch stijgt de prijs.quot; — »Precies; ieder weet het: de eerste stap kost, maar de anderen brengen het noodige aan.quot;
En dat moest Madeleine, zonder dat zij het wilde, toevallig hooren, aan de andere zijde van de schermen staande. Een gloeiende blos steeg naar haar hoofd, vlamde op van hare slapen tot hare borst. O! ware zij een man geweest! Ze had die twee lasteraars kunnen verpletteren. Maar ze moest het verbijten, doen, alsof ze. het niet had gehoord. Ze kon slechts met een trotschen blik antwoorden op het gegiegel van de nu meer dan ooit naijverige dames, den inhoud van wier boosaardig gekeuvel, met de spottende
133
EEN MISSTAP.
glimlachjes en tergende zijdeblikken van de laatste dagen, zij nu begreep. — Van dat ocgenblik vermeed zij elk niet hoogst noodig samenzijn met Joachim Constant, om door hem slechts te vuriger te worden vervolgd.
Trouwens, hoe beleedigend ook voor Madeleine de gehoorde woorden waren , van het standpunt der acteurs, die haar salaris kenden, waren ze zoo ongehoord en onbegrijpelijk niet. Madeleine verscheen immer als een echte dame, èn wat haar manieren èn wat haar kleeding aangaat En Godde en en zijne vrienden wisten, dat zij niet veel verdiende als actrice. Vanwaar het geld, om te kunnen blijven leven op die wijs ? Zij wisten natuurlijk niets van het door Katharina gezondene en geloofden ook niet aan nog vrij wel onbekende actrices met een eigene welvoorziene beurs. En geld valt niet uit de lucht en groeit niet aan de boomen. Die juffer Eberling moest het van iemand hebben hier, en van wien anders dan van zulk een groot bewonderaar als Constant?
Het was om dezen tijd, dat Madeleine op meer vriend-schappelijken voet geraakte met Samuel Gebbel.
Gebbel was schilder, en als zoodanig begon reeds zijn naam een goeden klank te krijgen in de kunstenaarswereld. In vereeniging met een van zijn confraters had hij ook al de stad verrijkt met een panorama, het Forum van het oude Rome, want Annstad, natuurlijk, bleef niet achter, óók een bewijs te leveren van deze manie der negentiende eeuw op het gebied der schilderkunst. Bovendien werkte hij voor het Eden-theater en penseelde met wonderbare vaardigheid en vlugheid de Eialto of Vierwaldstadter See,
134
EEN MISSTAP.
■een salon te Ingouville of den Venusberg op doek, al naardat Shylock, Tell, Mr. Fourcharnbault of Tannhauser, etc. •de Annstadders had te amuseeren. Ja, bij was een onmisbaar persoon voor het theater. Want met een open oog voor al wat schoon was, deed hij ook aan de literatuur en vertaalde menig drama voor Constant.
Hij was nog een jong man, niet ouder dan zeven en twintig jaar, met een vrij groote gestalte en een blozend uiterlijk; met geestige, vroolijke oogen; met korte, in het ■midden gescheiden haren, bakkebaarden, die niet verder reikten dan de lelletjes der ooren, en een stompe, zware, zwarte snor. Hij was een man van geen gewone gaven, ■opgewekt en levendig, die behoefte had aan een omgeving, waarin zijn geest en hart het noodige voedsel vonden.
En deze man, van wien elk hield, wien ieder het beste toewilde, miste juist te huis, waar wij toch voornamelijk •ons waarst geluk moeten vinden na de vele en velerlei inspanningen , wrijvingen en verdrietigheden van het publieke leven, dat, hetwelk de veerkracht voedt, den lust in den arbeid wakker houdt, het leed verzacht, immer lokt en het hart verwarmt; het ware huiselijk geluk.
Hij was gehuwd. — Geen nieuws. Zoo zijn er meer. De quaestie is slechts, hoe.
Twee jaar geleden was hij verliefd geraakt op Louise Rozenhof, een dochter van een vermogend raadsheer in de stad, en het had niet lang geduurd, of burgemeester en dominee, »de twee klassieke koppelaarsquot;, hadden na vrij •wat dikke woorden, in hun zoetheid gelijk rozenolie, in
135
EEN MISSTAP.
hun voorspellingen u herinnerend aan die der heilige schriften,, in hun opgesmukte gratie aan de incroydbles, het paartje voorgoed spoedig aan elkaar gesnoerd.
Maar, o! de ontnuchtering na het huwelijk.
Louise was een aardig schepseltje — op het oog voornamelijk.
Zij was thans vijf en twintig, iets kleiner dan haar man,, met een gracieus, beweeglijk lichaam. Ze had zulk een frisch en aardig kopje, — de heldere spiegel van een reine ziel — hetwelk te meer nog uitkwam door het weelderig donkerbruine hoofd haar. De oogen waren zulke zachte, lieve; om het mondje zat zulk een vriendelijke glimlach en, de lichte blos op het parelblank der wangen nam af en toe met een verrukkelijke ongestadigheid. Zie, zulk een aardig vrouwtje, maar... och zoo dom!
Ze had wat getokkeld op de pianino: Voix du del, Douce Rêverie, etc. etc. — onschadelijke melk en water,, waarvan de helft gewoonlijk nog onder het klavier stroomde;; kost, nog altijd door den hoorder te slikken, wanneer Amor een handje meehelpt.
Zij had ook wat gezongen, voornamelijk over: adie Liebe, Lie ... ie ... ie ... be!!! quot; en ook dat had, wonderbaar! nog iets Loreleyachtigs voor den minnaar, al had ze het nog niet precies zoover gebracht als Lucca, en al keek Sam soms wat raar, wanneer ze bij enkele passages wel een graat scheen in de keel te hebben. »Die Lie... ie.. .bequot; laat een mensch veel verduwen.
Ze kon zoo aardig verliefden onzin babbelen. Wie vraagt
136
EEN MISSTAP.
er naar esprit in zulke oogenblikken ? Het zout van den geest heeft het gesprek te kruiden, wanneer de tijd van prima rozengeur en maneschijn , die van de wittebroodsweken, achter den rug is en men tot elkander zegt; »Nu is het uit met de verliefde grappen en begint de gewone ofte alledaagsche werkelijkheid; het oogenblik is daar, om het gekir te remplaceeren door gezonde conversatie, de zoete, onbepaalde blikken door zulke, welke toonen, dat men zijn wederhelft begrijpt, wanneer er een verstandig woord gesproken wordt.quot;
Maar, eilaas! met dat veranderen, zich ontwikkelen en dat begrijpen van haar ega ging het zoo vlug niet bij Louise. Hunne zienswijzen over het leven liepen een beetje ver uiteen. Hij was een kunstenaar met hart en ziel; dit zegt genoeg!
Zij daarentegen had geen begrip van de grootsche krachtsinspanningen des levens, van het maken van dat leven tot een iets, hetwelk het waarachtig tot den tijd vormt van voortdurende zelfontwikkeling en veredeling, waarnaar ieder dient te streven, dien het noodlot niet geheel doet opgaan in de bittere zorgen voor het bestaan.
Ze had geen begrip van iets als een diepgevoelde roeping, waarvoor men zijn leven veil heeft; waarvoor men slooft en slaaft.
Zij gevoelde de echte, ongeveinsde bewondering niet voor de scheppingen van groote geesten, welke er ons toe leiden, na te denken, wat de mensch in al zijne zwakheid niet vermag; ons toonen, hoe sterk de goddelijke vonk is,
137
EEN MISSTAP.
welke in ons sluimert; ons prikkelen, ook zeiven immer hooger te rijzen en ons te bevrijden van het stof, dat aan ons kleeft.
Ze had geen behoefte aan die hoogere ontwikkeling, gevoelde zich meer thuis in haar eigen atmosfeer, verlangde niet eene in te ademen, wier zuiverder ozoon den geest verheldert, \'t hart verruimt. Ze was een scboone bloem, doch gebonden aan de aarde; geen gevleugeld wezen, dat zich in den ether hoog verheffen kan.
Kan nu een man zich al tevredenstellen met een vrouw, die hem niet begrijpt, niet de ware deelneming toonende in zijne inspanningen, zijn streven en zijn kamp; kan hij er zich al toe brengen, er tevreden mee te zijn, voor die dingen sympathie te zoeken buitenshuis; kan hij er zich bij nederleggen, in zijn vrouw iemand te vinden, bij wie hij na den arbeid een vriendelijk woord en orde vindt, maar tevens een geest, welke met den zijnen geheel niet is verwant. — wanneer nu het op het oog zoo aardig vrouwtje, met al hare vriendelijkheid en goedheid, ook klagerig is uitgevallen; met bitter weinig tact, met een eentonigheid in al haar doen en laten, die het huiselijk leven saai en vervelend maakt; met een gemis van het recht begrip van de eischen, welke redelijkerwijs een man mag stellen op het punt van afleiding en verstrooiingen; met een onveranderlijk taai hangen aan eigene, bekrompene beginsels; met een lijdelijken, stillen wederstand, om zich te laten hervormen, waar het hoogst noodig is; — een cyclopen werk , een Sysiphusarbeid voor den man — met een bedroevend
438
EEN MISSTAP.
onvermogen, om eenige quaestie van werkelijk gewicht redelijk scherp te kunnen beoordeelen; met een jammerlijk springen van den hak op den tak: dan wordt het huwelijksleven voor den man ondraagljjk en het vrouwtje, al is zij nog zoo mooi, een onuitstaanbaar schepsel eindelijk. Dan moet hij zich diep ongelukkig beginnen te gevoelen. Dan moet zijn huwelijk hem beginnen te drukken als een verfoeilijke last. Dan moet hij de neiging immer in zich sterker worden gevoelen, zich schadeloos te stellen voor al hetgeen hij mist. Dan wordt hij langzamerhand gedreven op een baan, die naar verkeerde einden voert.
De man stijgt of daalt met de vrouw, door hem gehuwd. Dat is vaak genoeg gezegd. Welke smart moet het voor hem zijn, het edeler vuur langzaam, langzaam te zien uit-dooven door den drop van de ellenden van zijn echt. Natuurlijk, wij spreken van mannen, die zelf geen hol metaal zijn; die geest en hart in het lijf hebben; die, zelf geene middelmatigheden , betrekkelijk hooge eischen mogen stellen. Wanneer hunzelven op de peilschaal van hart en geest een plaats niet ver boven het nulpunt dient te worden aangewezen, zou het dwaas zijn, indien zij hunne wederhelft met veel verwijten kwamen lastig vallen; het zou het oude liedje zijn: »De pot verwijt den ketel, dat hij zwart is.quot;
Nu stonden evenwel Louise en Samuel niet in verhouding tot elkaar als bedoelde pot en ketel.— de man stond hier ver boven de vrouw, te ver, om hun huwelijksleven ooit gelukkig te kunnen doen zijn.
Ah! Sampje had beter uit zijn oogen moeten zien! De
139
EEN MISSTAP.
man is de persoon, die kiest en vraagt, na grondige studie van de juffer, aan welke hij genegen is, zijn hart kwijt te raken.
Grondige studie, bah! Van veel studie is er bij een dergelijke zaak geen sprake. — De vrouw, wier hart warmer voor u begint te kloppen, vangt aan, een aantrekkelijkheid te bezitten, welke u steeds meer tot haar lokt. Ah 1 de blijde blik in die oogen, de verhoogde blos der wangen, de liefelijke schuchterheid bij uw verschijnen, waarvan, toen ge nog slechts als alledaagsche vrienden tegenover elkander stondt, zoo weinig was te bespeuren, krijgen een magisch© kracht, die toeneemt met den dag. De eigenaardig© klank der zacht gelispte woorden, thans in uwe ooren trillend op eene wijs, welke de zoetste gevoelens wakker roept; de kleine, innige handdruk, zoo vaak veel meer dan woorden zeggend, die een electrieken stroom door het lichaam schijnt te zenden; die lachjes, welke, een onuitsprekelijke vroolijkheid u zeiven scheukend , in uw gemoed als warme, levenschenkende zonnestralen dringen; de duizend kleinigheden, u toonend, hoe de liefde van dat vrouwenhart, nog zwellend in den teederen knop, zich aanstonds geven zal in al hare volheid, wanneer de innerlijke drang den knop doet openspringen en ontluiken tot de warmgetinte bloem, — zij alle binden en ketenen u immer meer aan haar. Ze vormen de gloeiende rozen, welke lokkend geurend zich bont winden om de tooverroede, die iedere verliefde vrouw in hare vingeren houdt en welke, als zij er u mee aanroert, haar voor u omschept in de schoonste fee.
140
EEN MISSTAP.
En al roept ge ook met Balzac niet uit: ïL\'ainour est la poésie des sensquot;, de zinnen spelen toch hunne groote rol ook mede bij de liefde. Wanneer een jeugdig vrouwenlichaam zich liefderijk dichter tegen het uwe nestelt; wanneer ge die warme, levendige, schoone vormen zich aan uw borst voelt vleien; wanneer het kopje met de smachtende oogen op uw schouder zinkt: dan is de macht, die ge over uzelven hadt, gebroken; dan volgt ge slechts de zoete lokstem van uw hart; dan laat ge u bedwelmen door den goddelijken droom der liefde; ge zijt overwonnen, geleverd in de macht der vrouw, en al is het een dom, dom gansje, dat de natuur met zoovele bekoorlijkheden heeft begiftigd, ge ziet slechts het schoone, het verleidelijke; ge zijt verblind; ge sluit het schoone lichaam in uwe armen, en als uw heete kus den kleinen rozenmond beroert, zijt ge verbonden met een wezen, dat ge aanbidt... Tot?
Tot? Hoelang?
Dat ligt dikwijls voornamelijk aan de vrouw.
Zijt gij een kunstenaar, en zij wordt uwe muze; zijt gij een lijdende, en zij is uw goede engel; zijt gij een kloek en moedig strijder in den kamp om het bestaan, en zij is het, die u ontspant na uw arbeid , troost na bittere ervaringen, kracht inspreekt voor den strijd, — zij zal de lichtende ster zijn op uw levenspad, uw goede geest, uw tweedeik; nergens dan bij haar, uwe lieve vrouw, de moeder uwer kinderen, zult ge het hoogste geluk komen zoeken.
Maar ach! Gebbel had zich door een aardig, rein, onschuldig, maar helaas! nietsbeteekenend, lastig wijfje in de
141
EEN MISSTAP.
snaren van het net der liefde laten verstrikken, en spoedig nadat men Let zoodanig had toegehaald, dat een huwelijk er het resultaat van was, had hij zich begonnen te gevoelen niet veel beter dan een werkelijke visch, dien men na de vangst in een pot met heet water heeft geworpen.
Alle spartelen was vergeefsch — tot nog toe ten minste. En hij vreesde, dat hij, gelijk genoemde visch, in zijn on-behaaglijken toestand moest te gronde gaan.
Evenwel, zijn geheele wezen verzette zich immer meer tegen een leven, dat hem steeds zwaarder begon te vallen. Toch leefde hij met zijn vrouw op vrij vriendschappelijken voet. Doch de louteu van zijn Louise, hoewel geene schreeuwende, waren van dien aard, dat ze op de duur, zoo allen saamgenomen en nimmer afslijtend, door haar stillen, immerwerkenden, hopeloos makenden invloed Gebbel onuitstaanbaar werden.
Daar ontmoette hij Madeleine, maakte nader met haar kennis, leerde haar goed kennen.
\'t Was hem gelijk een openbaring. In haar vond hij een geest, die den zijnen goed begreep, daarmee verwant. Ook zij was een diergenen, die niet hun hoogste zien in zoo-veler ideaal: een behaaglijk bestaan. Zij deelde met hem de vurige begeerte, op de wieken van den ingespannen geest zich te verheffen boven de hoofden van de duizenden, die zich buigen voor den koning: millioen, of voor liet spooksel met den Venus-vorm, dat zoo spoedig zijn vereerders het Medusa-hoofd verkillend voorhoudt: het zinnelijk genot. In haar zag hij een der uitverkorenen, die zich
142
EEN MISSTAP.
een schoone roeping hebben gevonden; die hun oogen afwenden van het in duizenderlei gedaante opstijgende lage en kleingeestige; die moedig voorwaarts schrijden op het moeielijk pad, dat leidt naar de verwezenlijking van het schoone ideaal, dat voor hun oogen fonkelt als een vlekke-looze zon, wier rein, bezielend licht hun helpt, zich te troosten over den schamperen lach van hen, die, aan niets dan het stoffelijke hangend, spottend zien naar hem of haar, die hooger vliegt dan zij.
En Gebbel\'s vriendschap was Madeleine niet onwelkom Immers, Mevrouw Munro was een oude dame, die vóór haar tijd versleten was, stil, ingetrokken, terughoudend, en Césarine, wat ook hare goede zijden, was niet iemand, met welke zij gaarne op vertrouwelijken voet wou staan. Verder was Dokter Aaken met zijn Bertha naar Aix-les-Bains getrokken, om zich op zijn beurt daar voor ettelijke maanden eens door de priesters van Asklepios ferm onder handen te laten nemen. En papa Duppler verwaardigde zijne Madeleine nimmer met een letter; het was ternauwernood , dat hij zijn Katharine toestond, zich voor een enkele maal over het meisje tot den dokter te richten.
Gebbel volgde Madeleine\'s vorderingen met groote aandacht. Hij, en niet hij alleen, zag, dat ze snel een hoogte had bereikt, die, zoo men haar slechts vrij spel liet, de schoonste zege baar beloofde.
Evenwel, Constant verkoos blind daarvoor te zijn. Hij verbeterde hare positie niet, verhoogde haar salaris niet. Niet omdat zij het niet verdiende, maar omdat zjjn harts-
143
EEN MISSTAP.
tocht, geprikkeld ook door Césarine\'s woorden en te heftiger brandend, doordat Madeleine hem zooveel mogelijk ontvlood, hem deed hopen, dat door de behoefte van het meisje aan meerder levensgeluk, door hare walging van de vele kwellingen , door hare begeerte , om een beschermer in Constant te vinden, die het geheele personeel voor haar gedwee en onderdanig zouden maken, door geldzorgen, door het verlangen van de kunstenares, de gaven, waarvan ze zich bewust was, aan het licht te laten komen, zij zou worden gedreven, zich eindelijk in zijne armen te werpen.
Wanneer hij met haar was, liet hij niet na, haar steeds te prijzen, haar te spreken van een beteren tijd, van de rollen, welke hij voor haar op het oog had, waarmee ze zich een naam kon winnen; door te laten schemeren, dat alles van hem afhing; dat hare toekomst in zijne hand lag, om dan langzamerhand tot warmer uitdrukkingen over te gaan, die Madeleine soms een blos op de wangen joegen.
En toch kon zij niet weg van hier. Ze had zich bij contract tegenover Joachim verbonden. En waarheen ook dadelijk te gaan, nog zonder eenigen naam, om daarbij onmiddellijk , natuurlijk, heftig door hem te worden tegengewerkt?
Haar lot aan Constant\'s theater werd slimmer eerder dan wel beter. Zij stond zoo geheel alleen. Ze kon er niets aan doen, wanneer Godde in plaats van den tooneelkus haar te geven, haar werkelijk zoende. Constant zag opzettelijk de vrijheid door de vingers, zeggend, dat men het op het tooneel niet zoo nauw moest nemen. De omhelzingen van Löwy, die haar aan zijn hart kon drukken met een gloed
144
EEN MISSTAP.
in de oogen, dat ze er half ziek van werd, vonden ook al geen scherpe berisping bij den directeur. Met de plagerijen van de dames bemoeide hij zich in het geheel niet. Was het niet alles koren op zijn molen?
En dat niet alleen. Ze werd lastig gevallen ook door plathoofdige dandy\'s, wien Constant, altijd met een oogje, het veroorloofde, hunne dwaasheden te verkoopen achter de schermen, en die, met bun zeer nevelachtige gave der onderscheiding, coüte que coüte , Madeleine wilden aanzien voor een dier brooze schoonheden , waarvan het achter het voetlicht wemelt.
Eens had zelfs een \'tgewaagd, terwijl ze voorbijliep, om zich op het tooneel te begeven , van achteren haar snel op de teenen naderend, een kus te drukken op haar blanken hals.
Maar ze had zich met vonkelende oogen beleedigd omgekeerd, alsof zij door een slang gestoken ware, en had den onbeschaamde, zonder zich een oogenblik te beraden, een slag in het aangezicht gegeven, dat de tranen hem over de wangen liepen.
Niet vrouwelijk? Al te doortastend, dat? Een ware helleveeg? — Een vrouw is geen spin, die zich onder den hiel vertrappen laat; behoeft zich niet zoodanig te laten ver-bravehendriken, dat zij alles slikt, zonder ook te straffen op hare beurt; heeft armen en handen óók gekregen, om ze als wapenen te gebruiken, komt verkeerd gedierte haar te na. :
145
Weer had Constant hier opzettelijk niet krachtig inge-
10
y. 7). LAAN, KEN MISSTAP.
EEN MISSTAP.
grepen, en Madeleine had bittere tranen geweend, toen zij alleen op hare kamer was.
Césarine was vriendelijker dan ooit voor haar. Doch Madeleine begon Césarine\'s toeleg te doorzien. En zoo door niets dan vijanden omgeven, uitgezonderd Gebbel, altijd strijdend en toch niet verder komend, getergd door het velerlei verdriet haar aangedaan, had zij dagen, dat een sombere verbittering zich van haar meester maakte.
Want zie, ook Gebbel, die haar eenig werkelijke vriend was op dit oogenblik en van wien ze zooveel had leeren houden, met wien ze zoo sympathiseerde, begon, immer meer bewondering voor haar gevoelend, warmer te worden in zijn woorden, dan haar wel lief was, waarom zij hem ook niet alles mededeelde, wat er gebeurde in het theater, om\' niet op nog meer in het oog loopende wijze door hem te worden behandeld en beschermd.
De bleekheid harer wangen was nog immer niet geweken. Zij begon magerder te worden. Ze had oogenblikken in hare rollen, dat zij een hartstocht door liet schemeren, een gloed en vuur, die in grootere, meer tragische op hun plaats zouden zijn geweest, maar die het in die ondergeschikte gansch niet waren; die baar werden afgep erst door haar overspannen, zenuwachtigen toestand. Welk alles Victoire Adelaide Eliane en hare engelachtige vriendinnen heimelijk deed hopen, dat — een boog kan niet altijd zoo gespannen zijn — Madeleine\'s krachten eindelijk moesten bezwijken, en zij alzoo zouden worden verlost van een concurrente , die, zij waren er zeker van, slechts in een groote.
446
EEN MISSTAP.
haar waardige rol had op te treden, om het publiek met storm te veroveren.
Bij Constant droeg deze maal zijn klimmende bewondering voor het meisje de zege weg over het tot nog toe immer door hem geëerbiedigde beginsel: de belangen van het tooneel boven alles!
Zij zou naar die rol hunkeren en smachten, ze moeten ontvangen uit zijne hand, als eene gave, die groote wederdiensten waard was. En zou ze dat niet zijn ? Wist hij niet, dat, zoo hij haar slechts de gelegenheid gaf, zich in al hare kracht te toonen, hare reputatie was gemaakt? En hoopte hij niet, dat Madeleine tot het eindelt)k winnen van deze tot het schenken van veel in staat zou zijn?
Die Gebbel hinderde hem geducht, want Joachim zag duidelijk genoeg, dat Madeleine zelfs meer aan hem begon te hangen, dan zij zichzelve wilde bekennen. Evenwel, hij zag ook, hoe de gedachte aan Samuel\'s positie als gehuwd man haar staande hield en hoe ze, met een aangeborene kiesch- en waardigheid, immer een grenslijn tusschen zich en den jongen schilder trok . die ze hem nimmer liet overschrijden.
Zoo verliepen voor Madeleine de dagen drukkend en in afmattenden strijd. Met al hare kracht, haar moed , haar goeden wil begon zij zich toch somtijds af te- vragen, hoelang ze dit nog uit kon houden. Niets ondermijnt meer dan immer-durende kleine kwellingen , welke als een langzaam gif aan onze levenskrachten knagen, niet minder doodelijk werkend dan aqua toffana of urari, alles ondergravend, gelijk de
147
EEN MISSTAP.
branding, die, duizenden malen door de ijzerharde klip teruggeslagen, haar toch eindelijk nederstorten doet. En haar oog werd dof, wanneer zij dacht aan al de smart, aan de zich niet verwezenlijkende hoop.
»0! God!quot; zuchtte zij soms wanhopig. «Ontneem mij niet de kracht. O God! laat mij niet bezwijken onder mijn zwaren last.quot;
Daar gaf haar Constant op een Woensdagavond, als men Dumas\' L\'Ètrangère had gegeven , vertaald door de vaardige hand van Gebbel, een wenk, dat hij hoopte, haar thans te laten optreden in eene grootere rol.
Hij wilde haar die toe van Cecilia in De Jalin\'s Gravin Romani. Zij moest; ze in allen gevalle maar instudeeren; de overigen kenden hunne rollen; men had het stuk hier meer gegeven.
Madeleine\'s oogen straalden van dankbaarheid; hare bleeke wangen kleurden zich voor een oogenblik met een blos van blijdschap; ze dankte Constant met warme woorden en ging zoo opgewekt, als zij nog lang niet was geweest, naar huis.
En hoe ijverig zij aan de studie ging! hoe het hart vol hoop, hoe vurig verlangend naar den avond, dat zij al hare kracht zou kunnen ontplooien, de wereld toonen, hoe men ook in haar eene ware kunstenares moeten zien.
Zij was vol herlevende hoop en levenslust, in het vol gevoel van de onstuimig wederkeerende geestkracht, zich innig verheugend, dat eindelijk voor haar de tijd zou komen, waarin ze door de getoonde meerderheid over de kleingeestige, naijverige andere actrices, door het winnen van een naam
148
EEN MISSTAP.
als echte kunstenares en van meerdere achting van het mannelijk personeel, ten langen leste zich kon verlossen van een toestand, die te zwaar begon te vallen; waaronder^zij bezwijken moest.
Zoo stond zij ettelijke avonden later, nadat de gegeven voorstelling was afgeloopen, den avond vóór dien, waarop zij als Cecilia had op te treden, van welken zoo oneindig veel voor haar afhing, weder in hare kleedkamer na te denken over den gewichtigen dag, die komen zou.
Het was een betrekkelijk klein vertrekje, met gewitte wanden, een hoog geplaatst venstertje en een ouden spiegel. Kleed of matten lagen er niet. Er stonden een kleerkast en een vierkante tafel, en behalve een paar oude stoelen vond men er nog iets als een divan of een sofa, een meubel, dat in vroegere tijden dienst had gedaan op het tooneel.
Madeleine had de éénige gaspit aan den wand wat hooger opgedraaid. Zij had zich reeds verkleed. Ze leunde met de eene hand op de tafel en streek zich peinzend met de andere door de haren, terwijl ze met den rug naar de deur gekeerd stond, toen er licht bij haar werd aangeklopt.
Madeleine had de voor haar liggende rol vlt;\\n Cecilia opgenomen. »Entrer dans la peau d\'un rólequot;, gelijk de Franschman zegt, is me geen kleinigheid. Morgenavond gaf men de Gravin Romani — haar tijd was haar thans goud waard.
»Wie is er?quot; vroeg ze, toen het kloppen zich herhaalde.
»Ik ! quot; riep Césarine\'s helder stemmetje.
»Kom inquot;, zei Madeleine vriendelijk en opgeruimd. Ze wendde zich even naar de deur, om het slot te openen,
149
EEN MISSTAP.
en keerde zich dan weer om, hare roi steeds lezend, om dichter bij bet licht te zijn.
De deur ging open en sloot zich weder en toen Madeleine zich weder omwendde, na haar volzin te hebben uitgelezen, om Césarine toe te spreken, was het niet deze, maar.... Constant, die tegenover haar stond.
Nimmer had zij Joachim toegang verleend tot hare kamer hier. Geen man was daar ooit binnengetreden. Ze behoorde niet tot die aardige, lichtzinnige theater-elfjes, die hunne gunsten als uit een hoorn des overvloeds toewerpen aan een ieder, een ieder namelijk, die betaalt, en die zich onder een vloed van complimentjes, vleierijen en meer of min gezouten scherts lachend, blozend, babbelend ontkleeden en verkleeden.
Madeleine schrikte. Zij zag ook iets in Joachim\'s oogen, dat haar vrees en afkeer inboezemde. Dan richtte zij zich trotsch op en vroeg, waartoe die misleiding diende? Wat hij in hare kamer deed? Wat ff hij wou?
Constant antwoordde op die vragen niet. Hij was binnen; dat was een groote voldoening; \'t was iets, dat niet zoo gemakkelijk ging, met die immer goed gesloten deur. Hij glimlachte en zag Madeleine een oogenblik met blijkbare tevredenheid en hooge ingenomenheid aan.
»Wat wilt ge?quot; herhaalde Madeleine ongeduldig.
«Morgenavondquot;, zei Joachim eindelijk, terwijl hij nader trad en Madeleine, hem met donkere blikken aanziend, zich achter de tafel plaatste, »zal Gravin Romani worden gegeven.quot;
150
EEN MISSTAP.
«Welnu, dat weten wij allen. Waartoe komt ge mij daar hier over spreken? — Ik ben gereed; ik ken mijne rol. Wat wilt ge meer? Waartoe dit binnendringen met een list in mijn vertrek?quot; hernam Madeleine met een doffe stem.
Doch weder geliefde Joachim geen acht te slaan op hare woorden en vervolgde : »Ik hoop, dat ik u daarbij zal kunnen laten optreden.quot;
»Ik zeg u, ik ben gereed voor de rol, die ge mij hebt gegeven.quot;
))Ik heb ze u nog niet bepaald gegeven, \'k Heb slechts gezegd, dat ik hoopte, die aan u te kunnen overlatenen Constant zag Madeleine veelbeteekenend aan.
»Wat bedoelt ge?quot; vroeg Madeleine onaangenaam verrast, terwijl tevens door de opwellende verontwaardiging en den toorn hare wangen zich begonnen te kleuren. »Wat beteekent het, mij de rol te laten instudeeren en dan te komen zeggen, dat het niet uwe bedoeling was, ze door mij te laten vervullen!quot;
»Dat zeg Ik niet.quot;
»Ge praat eromheen. Het is mij duister, wat ge wilt.quot;
«Er hangt van het vervullen van die rol veel af voor u.quot;
Madeleine zweeg. Wat wilde hij toch?
»Is het waar of niet, Madeleine?quot;
»Welnu, zoo is \'t. — Dat weet ge.quot;
»En indien ik den goeden naam van het theater eraan wensch te wagen, door met een nog onbeproefd talent op die wijs voor den dag te komen, dan is dit, dunk me, van den kant van haar, voor wie ik dit doe, wel waard ,
151
EEN MISSTAP.
mij te bewijzen, dat zij mijne handelwijze weet op prijs te stellen.quot;
»Dat doe ik ook.quot;
»Toon het.quot;
»Ik zal het morgenavond doen, door me met hart en ziel in mijne rol te werpen, mijn uiterste krachten in te spannen. O! geloof me, hoe dankbaar ik u voor uwe goedheid ben. Wat er aan gloed, aan kracht, aan vuur in mij is, al hetgeen ik met zooveel zorgen , moeite, inspanning heb geleerd, zal ik te hulpe roepen, om de lang gewenschte rol naar uw genoegen te vervullen. Het vurige verlangen, om te slagen, het besef, thans eindelijk te mogen toonen, wat er ook zit in mij, de hoop, dat men ook eindelijk in mij de ware kunstenares zal zien, geloof me, zullen het overige doen.quot;
Maar Joachim dacht aan andere bewijzen. Hij trachtte om de tafel heen Madeleine meer te naderen. Hij zag haar met steeds warmer blikken aan. Dan trachtte hij hare hand te grijpen.
Madeleine week verschrikt terug. En terwijl zij zich de beleedigende woorden weer herinnerde van De Block en Godde, steeg onstuimiger het bloed in heete stroomen naar haar hoofd, wild kloppend in hare slapen, om het te doen gloeien tot hare borst.
«Terug!quot; riep ze woest. »Ge dringt hier als een lafaard binnen met eene list, en thans waagt ge het, met niemand in de nabijheid, niemand, niemand! om mij te helpen, mij bitter te beleedigen. Terug!quot;
152
EEN MISSTAP.
Evenwel, Constant week niet terug. Hij trad zelfs een weinig dichter bij het meisje, dat thans bij de sofa staande, niet verder terug kon wijken. Zijn begeerte werd slechts te meer geprikkeld door haar wederstreven. Hij verslond haar thans met zijn oogen.
»Wees niet zoo wild, Madeleine,quot; zei hij sussend, en dan op luchtiger toon: »Kom, kom! We leven in eene wereld, waarin men het niet zoo nauw moet nemen. Ge zult het ondervinden, m\'n beste, is \'t niet heden, dan is\'tmorgen dat ge wel zult moeten leeren, een beetje inschikkelijker te zijn. \'t Gaat zoo met allen. Doch niettegenstaande dat ge reeds een aardigen tijd hier bij ons zijt, zijt ge altijd nog wat groen. Kom, kom ! wees nu eens goed en vriendelijk.quot;
De familiare toon van zijn woorden, de kwetsende verwachting , welke zij aanduidden, griefden Madeleine diep.
»Ik ben de vrouw niet, waarvoor ge mij wel houdt zeide ze nauw hoorbaar. «Constant, in Gods naam, ga heen. — Dit is te veel.quot;
))Niet vóórdat ge kalmer zijt geworden en naar mij hebt geluisterd.quot;
Weder trad bij nader, met een hoogere kleur op zijn gelaat.
Madeleine week sidderend tegen de sofa, zooveel ze kon,, terug.
»Ga heen!quot; hijgde ze en wees naar de deur.
Het eenige antwoord was, dat Constant plotseling haai-andere hand greep en in de zijne drukte.
»Wat ik vraag, is niet veel, is thans slechts weinig; een kleinigheid, Madeleine,,,,quot;
153
EEN MISSTAP.
Madeleine trachtte hare hand los te wringen, doch tevergeefs. Zij zag hopeloos om zich heen om hulp. Die was natuurlijk nergens. In de gang was het stil. Niemand was daar thans.
Een groote vrees maakte zich van Madeleine meester. Haar beven benam haar bare kracht, en Joachim was een groote, sterke man.
Zij was een oogenblik niet bij machte, om te spreken. Zij sloeg hare groote, donkere oogen smeekend naar hem op.
»Eeu kleinigheid, lieve Madeleine. Een louter niets. Een enkele, enkele kus, m\'n lieve,quot; fluisterde Constant, terwijl bij zijn gelaat dichter bij het bare bracht en zij er reeds zijn warmen adem over voelde strijken.
sHerinner u,quot; ging hij steeds fluisterend en dringend verder, »wat er voor u afhangt van die rol. Een enkele kus, mijn lieve, en ik geef ze u. Zoo niet, zoo zweer ik, dat ge, zoolang uw contract nog loopt, zoolang ik als uw meester tegenover u sta, immer zult worden achteruitgehouden; dat alles zal worden gedaan, om u eenig slagen, welk ook, te beletten; dat ge mij bard en onverbiddelijk zult vinden.quot;\'
Madeleine, nog steeds met hare hand geklemd in de zijne, met Joachim vlak aan hare zij, met zijn gloeiende, verliefde blikken en lippen, smachtende om haar te kussen, hoorde hem aan als in een droom.
»Denk aan hetgeen ik zeg. Weeg mijne woorden,quot; prevelde hij dringender.
Nog zweeg Madeleine, \'t Is waar, van den volgenden
154
EEN MISSTAP.
avond had ze zich zoovéél voorgesteld, verwachtte zij zoo oneindig veel. Hij zon haar plaatsen in den rang der kunstenaars. Met één slag zou zij een doel bereiken, naar hetwelk ze zoo vurig haakte, een positie, welke haar bevrijdde van de ontelbare, drukkende, knagende kwellingen , grieven •en beleedigingen. Gaf Constant de rol haar niet, voerde hij •zijn bedreigingen uit, dan daagde er weer een tijd van bittere smart en leed, nog erger dan te voren, tot het dragen van dewelke zij gevoelde, dat de kracht haar begon te ontzinken.
»Een enkele kus. — Wat beteekent het?quot; lispte Constant, immer dringender.
Hoe haatte zij dien man! Hoe gegriefd, beleedigd gevoelde Madeleine zich. Zij zou haar trots tot zoo iets moeten buigen. Doch, bij God dan! ter wille van haar geheele toekomstige carrière!
Plotseling wendde zij haar gelaat naar dat van Joachim
»Ge hebt mij in uwe macht.... Zij het dan zoo .. ..quot; klonk het toonloos uit haar mond, en op het zelfde oogen-blik gevoelde ze, terwijl al hare leden beefden, Joachim\'s armen om zich.
Doch gelijk hij met eene list in het vertrek was gekomen , was ook de eisch van een enkelen kus niet meer dan een list, en nu hij haar in zijn armen had, zoodat zij hem niet kon ontsnappen, liet hij het bij een enkelen niet blijven.
Tevergeefs verweerde Madeleine zich wanhopend; tevergeefs trachtte zij haar lichaam te ontwringen aan die sterke armen, welke haar dwongen zich aan zijn zijde op de sofa neder te zetten.
155
EEN MISSTAP.
sEllendeling!quot; riep Madeleine in hare wanhoop, terwijl de-heete tranen van de bitterste smart, van het grievendst gevoel van krenking, van machtelooze woede uit hare oogen spatten.
Op dit oogenblik werd de deur voorzichtig opengedaan en het kopje van Césarine kwam om den hoek. Césarine was nieuwsgierig. Zij had even een kijkje willen nemen, eens even willen luisteren, eens even hoeren en zien, wat $ die twee wel deden.
Toen zij zag, wat er gebeurde, vloog zij naar de sofa en greep Constant krachtig aan.
Joachim wendde zich verbaasd, verschrikt ook, om, ontwakend uit de bedwelming, waarin hij door zijn hartstocht was gedompeld.
Hij liet Madeleine vrij, stond van de sofa op.
»Wat doe jij hier?quot; vroeg hij grof aan Césarine. En dan schamper:: «Bevalt je eigen werk je niet?quot;
»Di£ had ik niet verwacht,quot; zei Césarine kort en stroef.
»Och kom! Jij niet?quot;
»Ga heen,quot; was Césarine\'s antwoord op zijne tergende woorden.
»Ha! ha!quot; lachte Joachim met een gelaat, dat niets grappigs had.
Ga onmiddellijk heen!quot;
»Weet ge, dat ge spreekt tot uw directeur?quot;
»Uier kennen we geen directeur. Ik heb u hier binnengelaten. Ik zie, wat ik heb gedaan. Ik gebied u thans onmiddellijk te gaan. Over dezen drempel verliest ge als directeur uwe macht.quot;
156
EEX MISSTAP.
Césarine stond tegenover Joachim, met hare oogen schitterend met een gloed en vuur, welke hij er nog nimmer in had gezien, het vuur van een onvervalschten toorn.
»Wel!quot; prevelde Constant. «Precies, wie anders bracht mij hier dan jij? Dacht je, dat ik hier kwam, om over het weer te spreken? Zoo dom zijn we niet, is het? Maar, zoo is het nu eenmaal: op vrouwen valt geen staat te maken. Veranderlijk als kwik. — Komaan, het is ook genoeg voor deze maal, en naar vrouwengrillen dient men zich zoo\'n beetje wel te schikken. Zeg Madeleine, dat ze hare rol goed heeft verdiend. — Adieu! Au revoir!quot; en hij greep zijn hoed en ging.
Toen hij was verdwenen, plaatste Césarine zich naast Madeleine op de sofa.
Ziet ge, Césarine\'s eer was geen vlekkelooze edelsteen. »Qui a bu, boira.quot; Toen zij eens een faux pas had gedaan, was het bij dien eenen niet gebleven en Césarine was blijven drinken uit den tintelenden kelk der galante avonturen. Ze had niet, wat men principes noemt. Zij wen-chte slechtste genieten van het leven en zij deed het op hare manier. Maar Césarine was goedhartig ook, zeer goedhartig en hulpvaardig. Hoe had het anders mogelijk kunnen zijn, dat zij, die zoo boven allen door het publiek werd voorgetrokken, niettegenstaande allen naijver door het\' geheele personeel van iet theater werd bemind?
Zij had de fout begaan, Madeleine te veel te beoordeelen •naar zichzelve. Het is waar, Madeleine had daar nimmer reden toe gegeven. Maar Césarine\'s ervaring in de tooneel-
157
EEN MISSTAP.
wereld was maar al te vaak geweest, dat de schijnbaar zoo koelen en afgemetenen slechts een rol speelden, om den prijs te verhoogen van de gunsten, welke men van hen wenschte.
Zij bad ook gehandeld , gelijk zij bad gedaan, omdat haar eigen belang haar daartoe dreef. Geheel andere resultaten bad zij wel verwacht. Zij zag, dat zij had gedwaald tegenover iemand, wie zij geen kwaad hart toedroeg. En thans, impulsief gelijk zij was, speet bet haar werkelijk en ze wilde het meisje troosten, dat zij deze onaangename oogenblikken bad bezorgd.
Zij vleide zich tegen Madeleine, wier werkelijken naam zij kende, die zwijgend, met dolle oogen, verslagen, diep gekrenkt, met de banden gevouwen op haar schoot, stil nederzat.
»Ik bad bet niet moeten doen, lieve Madeleine,quot; fluisterde ze. »Ik ben zoo onvoorzicbtig, onbezonnen! Kunt ge bet mij vergeven? Het is alles mijne schuld. Ach, ik wist niet, dat wij zoozeer verschilden. Dat ge zóó anders waart dan wij, ziet ge. Wij nemen het leven zooveel luchtiger op. Wij wikken en wegen niet zoo, wat wij doen, met zulk eene schroomvalligheid. Mijn God, wat is dan ook bet leven!quot;
Toch zuchtte Césarine een klein, klein zuchtje bij de plotseling opstijgende, hoewel spoedig ook weer afdrijvende gedachte, dat bet toch een schoon ding moest wezen, een deugdzame vrouw te zijn.
»Wees niet zoo bedroefd, Madeleine,quot; vervolgde ze, toen de toegesprokene nog immer zweeg. «Trek bet je niet te.
158
EEN MISSTAP.
veel aan, m\'n lieve, \'tls nog zoo erg niet, wel? Al heeft het je ook diep gekrenkt. Kom, zet het je met kracht uit het hoofd. Ge kunt het. Ik heb je altijd voor zulk een krachtig en moedig meisje aangezien. En dat zijt ge ook, is het niet?quot;
Doch Madeleine kon nog niet spreken. O! hoe dwarrelden allerhande bittere, pijnlijke gedachten haar door het hoofd.
»Kom, mijn lieve, denk aan morgenavond. Zie, ik verheug mij al in uw triomf. Wilt ge me gelooven, ik was eerst een weinigje jaloersch , Madeleine. Maar, daar is geen reden voor. Ik heb gezien, hoeveel onze naturen uit elkander loopen. Ik zal onze stadgenooten betooveren in het comische, jij in bet tragische. Is dat niet schoon, niet heerlijk, niet verrukkelijk? Zoo rijden wij elkaar niet in de wielen, behoeven wij elkander niet zwart aan te zien. We zullen de gunst van het publiek deelen. Wat zegt ge? We zullen goede vriendinnen zijn, lieve Madeleine, goede, goede vriendinnen. Is het niet? quot;
Madeleine hief haar hoofd op en zag Césarine dankbaar aan. Ja, \'tis waar, deze zelfde Césarine had haar die krenkende oogenblikken bezorgd , doch het was zoo duidelijk , dat het haar speet. Zij had geoordeeld naar haar licht en hare ervaring. Zij erkende zelve, dat zij had misgegrepen. En zij sprak zoo vriendelijk tot haar, en dat deed thans Madeleine zooveel goed.
»Ge meent het goed met mij, Césarine,quot; zei ze eindelijk langzaam. »Ik heb zoo weinig vrienden; het is mij zoo onuitsprekelijk aangenaam, wanneer men hartelijk tot mij spreekt,quot; en zij drukte hare hand.
459
EEN MISSTAP.
))En nu, denk aan niets meer dan aan morgenavond. Die zal in alles een gelukkige wending voor je brengen. Van dat oogenblik ben je óók de lieveling van het publiek en is het met de zorgen uit.quot;
»0!quot; zei Madeleine moedeloos, »na het gebeurde langer aan het Eden-theater te blijven, is voor mij niet mogelijk. Ik kan thans die rol niet spelen. Lust en moed ontbreken mij. Het is onmogelijk.
«Gekheid! Gekheid! Vergeet, wat er is gebeurd. Wat was \'took, alles wel beschouwd! Een omhelzing, die een beetje onstuimig was. Wel, mijn lieve , dat is een ding van een oogenblik en heeft geen kwade gevolgen. Kom aan! verlies lt;len moed niet. Werp om een dwaasheid, veroorzaakt door mijne schuld, uw geheele toekomst niet in de waagschaal. En dan — ge hebt u bij contract tegenover Joachim verbonden; die zal je niet zoo gemakkelijk laten, gaan. En — denk erom, zijt ge eens de gunsteling van het groot publiek, dan is ook in een ommezien uwe verhouding tegenover hem veranderd. Ah! ge hebt nog zooveel te leeren, lieve Madeleine. Ge weet niet, hoe een gevierde actrice de wereld laat dansen naar haar pijpen. Kom! Ge belooft me, morgen treedt ge als Cecilia in Gravin Romani op ? quot;
Madeleine zweeg weer. Zij was besluiteloos.
»Geen weifelen, geen moed verliezen, Madeleine. Het moet. Denk aan uwe toekomst. Wat is \'tgevolg, indien ge het niet doet. O! ge weet het. Kom, je belooft het mij?quot;
«Misschien is het het beste,quot; prevelde Madeleine.
«Dat is het. Twijfel er niet aan. Zie zoo. Nu al het
160
EEN MISSTAP.
andere uit het hoofd gezet. Aan niets denken, hoor je, dan aan Cecilia. Geheel opgaan in de rol. Dat \'s een heilzaam remedie op het gegeven oogenblik. En nu, kom mee. Het is al laat. Ik breng je thuis in het rijtuig, dat een uur al staat te wachten. Ziedaar, de hoed op het hoofd, de mantel om. Zie zoo — weer de oude?quot;
En Césarine schoof haar arm vriendelijk door dien van Madeleine en bracht het treurige meisje naar het rijtuig en clan naar huis bij de weduwe Munro.
VIII.
De volgende dag was een Vrijdag. De verwachtingen van het publiek, wat betreft de voorstelling van dien avond in het Eden-theater, waren hoog gespannen. Madeleine, alias Delphine Eberling, zou zich onderwerpen aan de vuurproef, voor een veeleischend gehoor voor het eerst op te treden in een groote rol. Men had in ondergeschikte reeds haar eigenaardige schoonheid, het uitdrukkingsvolle harer trekken, het spel harer oogen, het sonore harer stem, het bevallige harer houdingen kunnen bewonderen. Doch dat alles had nog niet veel gezegd. Een zanger zal u kunnen verrukken door een schoon gezongen: ■
»Son Excellence
Aime la danse____quot;
etc., zonder nog in staat te zijn tot het vervullen van de
V. D. LAAN, EEN MISSTAP. 11
161
EEN MISSTAP.
gansche rol van Figaro. Een actrice zal u kunnen betoo-veren door hare gratie, haar tact, haar minenspel in korte, treffende passages, zonder het nog zoo ver te hebben gebracht, de rol eener Luise, eener Rosalind e, van een Clar-chen, van A tot Z, als een afgerond geheel, als iets, gegoten uit één stuk, zich te hebben kunnen eigenmakeM. Welk eene studie, welk een inzicht, welk eene krachtsinspanning en welk een poëtisch aangelegd gemoed zoo iets niet eischt!
Evenwel, men had reeds lang vermoed, dat ook Madeleine was gevormd uit het metaal der ware kunstenaressen, en algemeen was de verwondering, dat Joachim Constant, de man met den scherpen blik, die parel in zijn bezit nog niet had laten schitteren, nog niet had gezet, zooals ze \'t scheen te verdienen
Natuurlijk, de zaal was \'s avonds vol, zóó. vol, dat velen moesten worden afgewezen.
Nadat het orkest de ouverture Dichter und Bauer had afgespeeld, nam de voorstelling met een klein lever de rideau. Toto bij Tata, een aanvang.
Het was een avond, waarvan ieder zich het grootste genoegen voorstelde. In het voorstuk, de gunstelinge van allen, de aardige, vroolijke Césarine, geschapen voor opgewekte, dwaze, comische, dolle rollen. Daarna, in Gravin Romani, de nieuwe ster, die schitterend beloofde op te stijgen aan den theatralen hemel.
Ah! ge hadt Césarine moeten zien, verkleed als zij was als een schooljongen, den aardigsten, verrukkelijksten, snoe-
162
EEN MISSTAP.
perigsten schooljongen, dien het wel ooit iemands deel zal zijn geweest, in alle vier werelddeelen saamgenomen aan te treffen.
Gij hadt haar moeten zien rondstappen als een haan, zien lachen en pruilen op een wijs, die u de zeer zeker op dit punt hoogst verwonderlijke begeerte zou hebben doen gevoelen , om eens een schooljongen, wel te verstaan dezen, in uwe armen te kunnen sluiten. Ge hadt moeten zien, hoe guitig ze dien zakdoek over de glanzende, weerspannige blonde haren trok, om haar hoofd dansende in allerhande rechts en links schietende, schelmsche krulletjes, in een rijkdom en eene quantiteit, welke ge tot nog toe niet wist, dat ooit op de schoolbanken voor baldadige jongens werden gevonden. En dan die schalksche blikken, dat kinderlijke, helle lachen, als ze pen en papier in de lucht wierp en met één sprong op de tafel was!
Gij hadt haar verslag moeten hooren van haar bezoek bij Tata: »Op het geluid van deze bel verschijnt een aardige, kleine kamenier op den drempel van de vestibule (Toto kwam, om Tata te overreden, om den man van zijn beste vriendin, de marquise De Chateau-Lansac, uit hare coco-detten klauwen los te laten). De concierge \'geeft mij een teeken, naar haar toe te gaan, en ik ga erheen. »Zeg aan uwe meesteres, dat ik haar wensch te spreken en dat ik geld heb....quot; En ik toon het steeds (een der scholieren had Toto ingelicht, dat men nooit zonder contanten bij de demoiselles au mois over den drempel kwam). De kamenier ziet mij aan, berst uit in lachen. »Wees zoo goed, een oogenblik te wachten, Mijnheer: ik ga Madame waar-
183
EEN MISSTAP.
schuwen.quot; En, steeds lachende, duwt ze mij in een klein salon.....
Zij wacht mij in haar boudoir. Ik treed binnen, altijd mijn kleinen zak (met geld) in de hand houdend en hem met alle macht knijpend. Deze maal, ik moet het erkennen, scheen Tata Bourguignon mij zeer mooi toe. De gordijnen waren half gesloten. Zij lag uitgestrekt op een chaise longue en liet, zóó, ziet ge, hare pantoffel aan het einde van haar voetje dansen. Geborduurde bloemen , roode, blauwe, groene, schenen op te klimmen langs hare zijden kous. Zij zag mij lachend aan .... Toen begon ik erg bang te worden . ... quot;
Ah! hoe schudde Césarine haar hoofdje; hoe glad en koddig rolden al de woerden van hare lippen; — en dat slimme knippen met hare oogen, en die gestes en die bewegingen van het geheele lichaampje!
Toto bij Tata is een zeepbel, een louter niets, een vroolijke inval van de schrijvers. Maar in de handen van een kunstenares wordt, wat u eene zeepbel scheen, eene parel, wat ge lood dacht, fonkelend goud; schittert plotseling alles, wat ge kleurloos waandet, met al de tinten van den regenboog. Denk aan hetgeen eene goede diva maakt van het rampzaligste libretto. Herinner u eene Mevrouw Kleine in het simpele: «Kom hier.\'\'
Natuurlijk, toen Césarine\'s rappe tongetje zijn laatste woorden had gesproken en de gordijn viel voor haar en den pion, taartjes etende en malaga drinkend, een cadeautje van de marquise, brak er een storm van toejuichingen los in het gebouw.
164
EEN MISSTAP.
Het orkest hervatte dan zijne taak en speelde Beethoven\'s tweede Eleonore-Ouverture. Dan ging de gordijn weer op gt; en Gravin Romani nam een aanvang.
Cecilia, Gravin Eomani, eens actrice en een echt stuksken ))hareinvoeder, odaliskenvleeschquot;, heeft voor de variatie Graaf Eomani gehuwd, nieuwsgierig eens te zien, hoe het zoo met haar zou gaan, — het was iets nieuws.
Maar zie, spoedig genoeg hooren we haar zeggen tot haar man ; «Mijne nieuwe positie heeft mij eenigen tijd geamuseerd, en dan is ze begonnen mij te vervelen. Ik heb behoefte aan ruimte, de open lucht, de groote wegen, aandoeningen, toejuichingen, in één woord, het leven! Ik stikte in uw conventioneele wereld. Ik heb u geruïneerd pour passer le temps, en ik heb mij weggeschonken aan een ander, om mij afleiding te verschaffen.quot;
Yerkwikkelijke bekentenis, gedaan, \'tis waar, nadat Eomani lont had geroken, maar zeker eene wat al te onverniste!
Cecilia wil weder op het tooneel. Dit, en de schande over hem gebracht door deze priesteres der vrije liefde, maken Eomani, die nog altijd dol veel van haar houdt, bijna waanzinnig. Op den avond, als zij uit het foyer wil stappen , om , zij, de Gravin Eomani! weer publiek op te treden in La Fornarina, en hij baar tracht te keeren , maar tevergeefs , stoot hij zich plotseling in zijne wanhoop een dolk in de borst. — Tableau! Cecilia, dat kuische maagdelijn, eensklaps tot inkeer nu gebracht, —- altijd voor een oogenblik, be-grijpt ge — werpt zich over hem: »Het bloed stroomt. Hij is dood ! Ah! ik ben de ellendigste der vrouwen!quot;
165
EEN MISSTAP.
De dolksteek was raak. Maar een menschenleven is taai en Romani kwam er weer van boven op.
De tijdelijk door zwaar berouw bezochte Cecilia, die thans, het kan gek in de wereld 1 ook onder den invloed is van eene geweldige, haar plotseling aangewaaide vlaag van liefde voor haar dierbaren Romani, is rampzalig. Zij wordt niet toegelaten in het vertrek van haar herstellenden ega. Mama Romani, die altijd een stokje voor de bruiloft heeft getracht te steken, zich met hand en tand verzettende tegen de mésalliance, bewaakt in eigen persoon zoonlief met Argus-oogen.
Doch vóór zijne vrouw te verlaten, — hoewel nog altijd veel van haar houdend, was, na al die kleine accidenten en verrassingen, het huwelijksleven voor hen een beetje bezwaarlijk toch geworden — neemt Romani nog afscheid van zijn verrukkelijk vrouwtje en vergeeft haar.
Cecilia is wanhopig. Er is maar één weg, om zich van haar lijden te verlossen, en, actrice op en van de planken, moet die op theatrale wijze worden bewandeld. Geen laatste snik zonder het applaus van den engelenbak.
«Breng mij,quot; zegt zij tot hare kamenier, »het kistje op de tafel van mijne slaapkamer; neem daarna eene van mijn peignoirs van baptist en sier haar met al de witte kant, die gij hebt. Doe dat zoo spoedig mogelijk.quot;
Vooral dat laatste mocht er wel bij. Het is fabelachtig, hoe sommige menschen in een handomdraaien hun besluit weer kunnen veranderen!
Nog een enkel woord per post aan den miskenden, be-leedigden, te laat geliefden man, en dan.....
166
EEN MISSTAP. 167
Enfin, ge begrijpt de bedoeling, het plannetje d la Cato, wanneer ge hoort, dat zij o. a. aan Eomani schrijft: »Gij moet volkomen vrij zijn, mijn vriend; afstand en tijd zijn hiertoe niet voldoende: daartoe worden de dood en de eeuwigheid vereischt. Wanneer men u zal komen zeggen . dat ik noch uw naam, noch uwe liefde verdiende, zult gij hen, die zoo tot u spreken, naar mijn graf geleiden en hun zeggen: Welke vrouw heeft meer dan dit voor een man gedaan? quot;
Ongelukkig voor de volvoering van dit manmoedig besluit, dat dezen onschuldigen engel zoo vroegtijdig uit ons tranendal zou hebben weggeraapt, verschijnt nog juist bijtijds een oude vriend, acteur van beroep ook al, eene zekere Toffolo, die, zonder om de zaak lang heen te praten met dikke woorden, jammerlijke vertroostingen of wat dies meer zij, als een practisch man, zijn volkje kennend, werkt op Cecilia\'s levenslust, lichtzinnigheid en onstuimigheid. Daarbij, je moet de rechte snaar maar weten te treffen! brengt hij aller-handigst de comische zijde van haar besluit aan het licht. En geen ding, dat velen spoediger aan het wankelen brengt dan het ridiculiseeren hunner bedoelingen. En ,— last not least — wanneer hij zijn eigen kruit verschoten heeft, laat hij de directrice en andere kameraden binnenkomen, die nu, een koor van overredende goede geesten, de blikken van de jonge dame voorgoed doen afwenden van den killen dood naar het hupsche leven.
En zie, alzoo, in plaats van met eene flinke begrafenis, eindigt het stuk met een enthousiastisch besluit van de
EEN MISSTAP.
comtesse, om morgenavond weer achter \'t voetlicht te verschijnen. — All right!
Wel, het was een echt Pransch stuk, en Madeleine was liever opgetreden in een ander. Maar de keus stond voorzeker niet aan haar.
Ook had ze nog lang getwijfeld, \'s avonds nadat Césarine-haar naar huis had gebracht, of zij wel op zou treden na de beleedigende behandeling door Constant.
Maar dan, de vurige begeerte, om verlost te worden van de ondraaglijke ellende harer positie, dreef haar, de gouden gelegenheid niet voorbij te laten gaan, om zich op eens een naam te winnen.
Haar optreden in het derde tooneel van het eerste bedrijf bevredigde reeds dadelijk ieder. Hare kleine scène, fluisterend , met, den Baron, haar minnaar, die haar niet recht meer staat (uil! hoe kon hij zich ook aan zulk een schepsel wegwerpen) , terwijl madame la Baronne zich in een hoekkie den mantel omdoet, zich van geen kwaads bewust; die waarin ze, listige slang, haar man dwingt, haar weder op het tooneel te laten gaan, quasi om zijn geschokt vermogen er weer bovenop te helpen: »Ik wil slechts een gelukkig man van u maken,quot; etc., etc., — moge het gelooven, wifr het wil — alles ging glad als olie.
De belangstelling, de bewondering, de spanning van het publiek namen toe met ieder oogenblik. En vermeerderde het ook den eerbied voor hare gaven niet, te zien, hoe geest en kunst en studie hier het schoone, kuische, onschuldige-meisje de macht verleenden, zulk een echten , vleeschelijken,
168
EEN MISSTAP.
vrouwelijken Satan zoo naar het leven weer te geven?
Daar kwam het tooneel, waarin Eomani de bittere bekentenis moet hooren, dat de vrouw, die hij vergoodt, die hij had willen opbeuren, ontrukken aan de sfeer xdier aardige diertjes, welke hun instinct slechts volgen,quot; om welke hij oneenig met zijn moeder leeft, hem niet bemint, hem heeft bedrogen, — het onstuimige tooneel, hetwelk met den dolksteek eindigt.
Het was muisstil in de zaal; men hing aan de lippen der actrice; men gevoelde een rilling door de leden gaan bij het koud cynisme harer woorden. Het verachtelijke en tartende dier vreeselijke zelfschildering, het snijdende van den kouden, scherpen toon, dat nulpunt van het vrouwelijk gevoel, bereikt door een dierlijk egoisme, dat half sarcastisch medelijden met het wanhopig slachtoffer, die verkillende blikken uit de donkere oogen, ze werkten op allen, die haar hoorden, met een toovermacht, maakten op hen een overweldigenden indruk, die de woorden op hunne lippen deed verstommen, die hen daar deed nederzitten, aan de werkelijkheid ontrukt, met niets dan een brandend verlangen in het hart, om te zien, wat het vergeldend noodlot voor deze duivelin had weggelegd.
Daar wendde Cecilia zich naar de deur.... Eomani tracht haar te keeren .... tevergeefs 1 — De stoot, het bloed, de val.....
Verschrikt wendt Cecilia zich weer om, staart vóór zich, ziet de bloedende gestalte. Een oogenblik van onzekerheid, ontzetting, ja, verlamming ....
169
EEN MISSTAP.
O! dat geleek geen kunst, geen imitatie, geen geleerde les; dat was het leven; dat was de vreeselijke werkelijkheid!
De meer dan vijftienhonderd toeschouwers zagen en hoorden ademloos.
Constant stond achter de schermen. Hij stond op heete kolen. Meesterlijk was Cecilia\'s ontzetting, maar waarom bleef zij toch zoolang als verstijfd in die pose staan, veel langer dan bij eenige repetitie; wat had ze toch , in Gods naam ?
Hij wierp haar een wenk toe, terwijl hij stampte met zijn voet.
Zij zag het, en op hetzelfde oogenblik wierp zij zich op den neergevallen Eomani, met kreten, welke uit het diepst van haar hart kwamen, kreten, die slechts konden worden geuit door iemand, die in het hart van zijn ziel was ge-troffei; en gewond.
De gordijn viel. Nog nooit had men in Annstad zulk een meesterlijk spel gezien. Het publiek was opgetogen; het overtrof toch aller verwachting. Één stem van bewondering ging op. De zaal daverde van de herhaalde, donderende toejuichingen. De bouquetten vlogen op het tooneel.
Madeleine moest twee-, ja, driemaal weder voorkomen. Men sleepte haar als het ware voor het gordijn, waar zij nauwelijks de kracht had , zich voor het publiek te buigen. Zij was doodsbleek. Zij was doodelijk afgemat. Ze was als verstomd.
Joachim zag bezorgd.
»6e gaat al te veel in die rol op,quot; zei hij vriendelijk — voor het oogenblik door verhoogde voorkomend- en deel-nemendheid trachtende, haar zijn grove bejegening van
170
EEN MISSTAP. 171
haar te doen vergeten. »Waarlijk, ge laat er u al te veel door aantasten. Maar, zoo gaat het, met den echten kunste-naarsaard. Wij zullen wat langer met het volgende bedrijf -wachten. Ge hebt een oogenblik rust noodig. Ga naar boven met Césarine en laat ons weten, wanneer ge weer gereed zijt, op te treden.quot;
Madeleine ging met Césarine heen.
Een storm woedde in haar hoofd. Zij had behoefte, alleen te zijn. Op haar verzoek verliet Césarine haar.
Dan was ze alleen. Met brandende oogen, met gebogen hoofd, met blikken, die strak staarden naar den vloer, met handen, tegen elkaar geperst, zat Madeleine zwijgend op de kleine sofa.
Wat ze had gezien?
Schijnbaar niet veel bijzonders.
Juist op het oogenblik, toen zij zich omwendde van de deur op het tooneel, was een heer met eene dame aan den arm, welke hij met de meeste toegenegenheid behandelde, in een der benedenloges binnengetreden en had zich met haar daar neergezet, zeker op besproken plaatsen.
Beiden hadden onmiddellijk met de grootste belangstelling naar haar gezien en blijkbaar elkaar hunne bewondering over haar spelen meegedeeld.
Hij had haar niet herkend; maar zij, zij had haar Paul levend weder voor zich zien verrijzen, en dat met eene dame aan den arm, die ontegenzeggelijk zijne vrouw moest zijn!
Welk een slag, welk een ondraaglijke slag voor haar!
EEN MISSTAP.
Zij sprong op en riep eene bediende, een oud vrouwtje, dat ze naar beneden zond, om voor haar te weten te komen, wie die heer en dame in de bedoelde loge waren.
Het vrouwtje keerde terug met het bericht, dat dit een Mijnheer en Mevrouw Lassen waren.
Ze had dus goed gezien
»0, Paul, Paul!quot; kreunde ze. «Ge weet niet, welk een hart ge van u hebt gestooten. Ik had je zoo lief, zoo lief..
Geen woord van beschuldiging kwam er uit haar mond. Hem beschuldigen, neen, o, neen! Daartoe welde nog te sterk de liefde op in haar. Slechts eene vernietigende smart, dat hij haar ter zijde had kunnen schuiven; dat het hem mogelijk was geweest, zijne liefde over te brengen op eene andere; dat hij het niet had overwogen, dat dit voor het hart, dat zoo onstuimig voor hem had geklopt, dat hem zoo oneindig liefhad, een doodsteek wezen moest.
Weenen kon ze niet. Neen, ze gevoelde eerder neiging, uit te bersten in een schrillen schaterlach. Hare zenuwen waren tot het uiterste overspannen.
.»Ben ik krankzinnig?quot; vroeg ze zichzelve af. »0, God! het is te veel. Waartoe moet mij dat alles treffen ? Altijd strijden, kampen; nimmer rust, nimmer kalmte of genot. De eene kwelling na de andere, de eene ontgoocheling voor, de andere na, getergd, geplaagd, beleedigd — de eens gevoelde, grootste, schoonste hoop gebroken op eene wijze, verschrikkelijker, verpletterender, dan ik ooit kondroomen. O, Paul, Paul! kont ge mij vergeten?quot;
Het wegblijven van Madeleine duurde Constant toch een
172
EEN MISSTAP.
beetje bijzondei- lang, en hij was verplicht, om haar te zenden. Het publiek werd ongeduldig.
Zij verscheen ten laatste, maar Joachim ontstelde over haar voorkomen.
»In Godsnaam moed en krachtquot;, fluisterde hij haar toe. »De eerste bedrijven hebben we achter ons. üw meesterlijk spel heeft ieder meegesleept. Sla u heldhaftig heen door het laatste bedrijf. Ik zie, de inspanning heeft u gevoelig aangetast. Overwin uzelve! Kunnen we laten bellen?quot;
Madeleine schudde toestemmend met het hoofd, maar hare knieën knikten en de doodsbleeke, vale kleur verdween niet van hare wangen.
Toen zij weder optrad en de afscheidsscène tusschan Eomani en Cecilia begon, meende het publiek in den beginne, dat de akelige uitdrukking op haar gelaat, het zwakke, het haperende van hare stem een meesterlijk spelen waren, en weder werd de bewondering en spanning bij alle eene overgroote.
Toen evenwel de woorden, vooral in de langere passages, bijna onverstaanbaar werden, de klank der stem een doffe en toonlooze bleef, toen hare leden schenen verslapt te blijven en in hare oogen zich geen glans vertoonde, sloeg de bewondering in verbazing om, in onzekerheid, wat men van dit alles had te denken, in ontevredenheid ten laatste, welke men hier en daar zelfs luid begon te uiten, want een publiek en gros is nooit heel fijngevoelig, wanneer het bespeurt , dat de waar, die het hoopte te ontvangen voor zijn geld, niet beantwoordt aan de verwachting.
Constant was wanhopig en bitter kwaad te gelijk.
473
EEN MISSTAP.
Achter de schermen stond men met schrik en angst te luisteren. Eerder werd het minder dan beter. Het laatste, derde, bedrijf viel geheel in het water. De voorstelling was geheel bedorven. De gordijn viel, zonder dat eenige toejuiching zich liet hooren — slechts ontevreden kreten en gezegden en sissen hier en daar.
Madeleine had den avond, waarop zij had gehoopt te worden opgenomen in de rijen der echte tragische kunstenaressen, slechts een akelig fiasco gemaakt.
Césarine voerde haar onmiddellijk van het tooneel, liet niemand tot haar spreken. Zij voerde het wankelen de meisje naar hare kleedkamer, hielp haar zich weer verkleeden en bracht haar dadelijk met het haar wachtend rijtuig naar huis.
Er was voorloopig geen woord uit haar te halen. Zij was verstomd, als levenloos. Dit jammerlijk mislukken, deze tweede slag, vernietigde hare geestkracht. Ze had het dadelijk geweten na den schok, bij het zien van Paul gevoeld, dat hare krachten haar waren ontvloden. Zij had ze onmogelijk weder kunnen samenrapen. Ah! de kroon, die voor hare oogen fonkelde, waarnaar ze streefde in hare edele eerzucht, was eene schoone, maar wat was daarbij vergeleken de voldoening van de eischen van het hart! Ah! voor eene vrouw gaat toch eene gelukkige liefde boven alles. Daarbij zinken alle andere idealen in het niet. En uit de fictieve wereld van het tooneel was zij zoo ruw wakkergeschud geworden, te ruw, om het haar mogelijk te maken, dien avond langer voldoende meesteres over zichzelve te kunnen zijn.
Zij liet Césarine met zich doen, wat zij wilde. Zij zag als
174
EEN MISSTAP.
verbaasd om zich henen, toen zij eindelijk met de actrice op hare kamer was.
Césarine nam haar hoed en mantel af. Madeleine liet haar lijdelijk begaan. Dan liet zij zich door haar op de sofa nederzetten
Ook Césarine sprak niet. Zij plaatste zich naast Madeleine. Zij drukte hare hand. Zij kuste haar.
Madeleine zat nog een poos als wezenloos voor zich heen te staren; dan, toen eindelijk het bloed weer een weinig krachtiger begon te loopen, toen zij weder meer tot zich-zelve kwam, weer kon denken, wierp zij zich plotseling om den hals van Césarine; een tranenstroom brak uit hare oogen , en zij zuchtte en steunde; «Césarine , Césarine , o ! ik ben zoo ongelukkig!quot;
Césarine wist natuurlijk nog ten halve slechts waarom. »Ge maakt u zóó geheel ziek, lieve Madeleine,quot; fluisterde zij haar toe, nadat ze het gebroken meisje een poos aan hare borst had laten weenen. »Er is nog eigenlijk niets verloren, lieve. In die eerste twee bedrijven moet het publiek wel hebben gezien, dat er ook een ware kunstenares in u steekt, Madeleine. Kom, mijn beste meisje, geef niet allen moed zoo dadelijk op. Constant zal u weder laten spelen. 6e zult een andere kans hebben. Die scène met Joachim heeft uwe zenuwen te veel overstuur gebracht. Het is zijn eigen schuld, dat het van avond niet beter is gegaan. Kom lieve, nu het hoofd niet meer zoo laten hangen. — Kom. ..quot;
Maar Madeleine was te wanhopig. Ach! het was niet dat
175
EEN MISSTAP.
alleen, bet mislukken in die rol, hetwelk baar zoo terneder-wierp. O, God! dat andere, die andere bittere ervaring, die bad het haar gedaan. De oude wonde was opengerukt geworden; en zou ze thans niet immer blijven bloeden? Aan Paul te denken, ver, ver van haar in het kille graf, was vreeselijk. Maar te weten, dat hij leefde, dat hij haar had vergeten, dat hij een andere overlaadde met de teedere liefkoozingen, waar zij zoozeer naar smachtte, was dat niet duizendmaal ondraaglijker ?
Inderdaad, met de beste bedoelingen kon Césarine heden niets bij Madeleine uitrichten. Zij was in een verslagen stemming, welke zich zoo dadelijk niet liet wegredeneeren, en, ten laatste het hopelooze van hare pogingen inziende, verliet Césarine het meisje eindelijk, haar dringend, om de rust te nemen, die zij zoo hoogst noodig had.
Paul Lassen weer in leven. Het klinkt als een sprookje. Toch is er aan bet feit niets wonderbaars.
Paul was niet verrezen uit den doode. Gij weet, de doo-den komen niet terug. Wie eens met de noodige plechtigheid en het noodige vertoon ten grave is gedragen dooide lamenteerende en verheugde erven, is en blijft absent, al meenen ook nog sommige slimme koppen, die de gave hebben, iets te zien, waar niets is te vinden, dat de voorgoed reeds afgereisden zoo voor en na als schimmen nog eens een kijkje komen nemen hier beneden , alsof ze niet meer dan genoeg van al de misère hadden.
Ge moot weten, dat in het courantenbericht, dat Lassen , Slingelbach en die andere het tijdelijke met het eeuwige
176
EEN MISSTAP.
hadden verwisseld, een klein, klein foutje was ingeslopen, een bagatel: namelijk de kleinigheid, dat de gewonde officieren voor de gedoode waren genoemd, en omgekeerd.
Natuurlijk werd de flater spoedig weer hersteld. Maar geen der huisgenooten van notaris Duppler had het verbeterde bericht gelezen. Er ontsnapt ons zoo gauw iets in een courant en niet ieder heeft immer tijd, begeerte of gelegenheid, het gansche nieuwspapier van A tot Z te lezen.
Nu kwam echter Johan Duppler later van Van Ditter-sen heel wel te weten, dat Paul nog boven den grond en niet eronder was, nog niet naar Hades was geëxpedieerd en nog geenszins bij het veerhuis Charon zijn fooitje had gegeven voor het overzetten in zijn lekke boot. Üoch Duppler meende, dat het maar beter was, de familie in den waan te laten, dat Lassen zijn tochtje over den Styx had gemaakt en dat hij het had afgelegd. Niemand kreeg het dan in het hoofd te denken, dat hij eens, met gebruinde kaken, plotseling als uit den grond zou kunnen verrijzen, om weer moeite te doen om Madeleine, wanneer hij genoeg van Insulinde had.
177
En Engenius . nadat Madeleine was vertrokken, nadat hij in het geheim van Duppler alles had vernomen, was ook van oordeel, dat het thans , nu het meisje actrice was geworden, het allerminst wenschelijk was, dat Paul haar kreeg als zijne vrouw, al waren het ook de liefde voor dien Paul, de wanhoop, na zijn dood haar kwellend, en de daardoor veroorzaakte gespannen verhouding tot hare huisgenooten, welke haar tot den stap hadden gebracht, door haar genomen , en al betreurde hij haar ook. Doch hoe het ook
12
V. I). LAAN, EEN MISSTAP.
EEN MISSTAP.
zij, hij had nu eons de gedachte in het hoofd, dat dit nimmer een gelukkig huwelijk kon geven, en ook hij zweeg.
Maar de dagen van Eugenius van Dittersen waren geteld. Euim twee jaar na het vertrek van Paul werd hij aangetast door een beroerte en het was uit met hem. Hij liet Paul achter als erfgenaam van zijn vermogen.
Wanneer men zoo op het punt is, alle verdere connectie met de aarde af te breken, wordt men onwillekeurig zeer nadenkend en Eugenius dacht er in zijn laatste oogenblik-ken o. a. ook over na, hoe noodeloos krachtig hij zich immer had verzet tegen een huwelijk tusschen Paul en Madeleine, vooral, hoe weinig hij tegen het meisje had in te brengen. Daarom was het een van zijn laatste daden, zijn notaris nog te vragen, Paul, met het bericht van zijn dood en zijn testament, het verzoek te zenden, het meisje, dat hij zoo beminde, toch te huwen, nu alle geldelijke bezwaren waren uit den weg geruimd.
Toen het bericht en verzoek in handen kwamen van Paul Lassen, was hij nog even ver, als toen hij in Indië kwam. Dat Indië is niet meer het ware Dorado van voorheen voor de naar verbetering hunner positie zoekenden. Paul moest het ondervinden. Er had zich, in al dien tijd, nog niets beters voor hem opgedaan. Thans echter, onat-hankelijk, van het land van den paradijsvogel en den orang oetang genoeg hebbend en tevens van zijne carrière, waarin de bevordering verre van met stoom ging, natuurlijk boven alles verlangend, Madeleine weder te zien en te weten te komen, of zij hem nog lief had, gelijk hij haar, nam hij
178
EEN MISSTAP.
afscheid van zijne krijgskameraden en trad uit den dienst. Het eischte vrij wat tijd, doch hij kocht er zich uit, en hij stoomde weer over de pekel naar Europa.
Hij keerde terug met zeer gemengde gevoelens. Zijn oom , die zich vroeger met hand en tand verzet had tegen het huwelijk, had daar nu op aangedrongen met zijn laatsten adem. Papa Duppler was er zeker nog immer tegen , ofschoon hij nu een onafhankelijk man geworden was. Men had , dacht hij, toch anders wel laten doorschemeren , dat zijn welgevulde beurs nu alle bezwaren wegbezemde. Johan was geen man , die zijne meeningen of bedoelingen onder stoelen en banken stak.
Van Madeleine had hij sedert langen, langen tijd geene syllabe meer vernomen. Zijne laatste brieven waren onbeantwoord gebleven. Van de hare waren er betrekkelijk spoedig geene meer gekomen. Wat had haar tot dat zwijgen wel gebracht; wat was er gebeurd, en beminde zij hem nog? Hij was gegriefd geweest, toen zij alle denken aan hem zoo schijnbaar had afgebroken. Hij had zich in bet hoofd gepraat of liever trachten te praten, want het was hem nooit, gelukt, dat men hem had om den tuin geleid. Hij had zich ingespannen, haar te vergeten, nimmer meer aan haar te denken. Dat was hem evenwel ook al niet mogelijk geweest. En toen hij zich. bij het ontvangen der berichten uit Europa, de vraag deed, of hij hóar nog wel werkelijk beminde, had hij moeten glimlachen, want hij gevoelde, nu men hem weer aan een huwelijk met haar deed denken, dat hij op haar nog minstens evenveel verzot was als weleer en naar haar smachtte.
179
EEN MISSTAP.
Zoo was hij dan weer afgereisd naar Europa, in de hoop, dat de dingen toch nog eens zouden mogen loopen, gelijk hij het altijd zoo vurig had gewenscht. Natuurlijk, het wachten op zijn ontslag, de lange reis schenen hem een eindelooze tijd. Hij hunkerde ernaar, te vernemen, of Madeleine nog eens de zijne zoude worden. Onmiddellijk na den brief van den notaris had hij geschreven aan Johan üuppler; maar deze bad hem niet geantwoord , niet begeerig, verslag te doen van wat er was voorgevallen; het zeer in twijfel trekkend, of Lassen genegen zou zijn, een actrice te huwen; niet begeerend, naderhand door hem met verwijten te worden overladen; verlangend, dat hij maar rustig in Indië bleef.
Hij reisde met de vrouw van zijn overleden broeder, die zijne\' Klise, na /.ijn dood, als weduwe had achtergelaten in Batavia. Binnengeloopen in Amsterdam, was hij met Wise op reis vandaar over Annstad naar Zwol, waar hij haar bij hare familie zou laten, om zelf dan noordwaarts verder op te trekken naar Horns, om persoonlijk onderzoek te doen naar den stand van zaken daar.
Zoo was het, dat hij \'s avonds, na met den trein des morgens in Annstad te zijn gekomen, ook nog even met zijns broeders weduwe naar het Eden-theater was gegaan, om met haar nog een kijkje te nemen van de actrice, van welke men in de stad den mond zoo vol had en van welke men zooveel verwachtte.
In het laats1 e gedeelte van de scène tusschen Cecilia en lioiuani, waarop spoedig de gordijn valt, bij welk laatste
180
EEN MISSTAP.
gedeelte hij en Elise waren binnengekomen . had hij Madeleine niet dadelijk herkend. Hij was slechts onmiddellijk eigenaardig getroffen geweest door dat gloedrijke spel, dat de wanhoop had weergegeven, alsof het geen acteeren was, maar volle werkelijkheid, welke het, helaas! ook inderdaad was, gelijk wij weten.
Zij had zoo wonderbaar gezien, gesproken, zich bewogen, dat dit, vereenigd met het feit, dat hij er niet van konde droomen, dat zij aan het tooneel was gegaan en in Delphine Eberling was omgedoopt, hem er dadelijk onmogelijk op had kunnen brengen , dat de actrice vóór hem zgne Madeleine was.
In het laatste bedrijf evenwel, toen hij haar lang had gadegeslagen, lang had geluisterd naar hare stem, goed hare houding, hare trekken had opgenomen , waren er voor hem bijna ongeloofelijke gedachten opgestegen in zijn hoofd. Waarachtig, indien dat geene actrice was en ze niet Delphine Eberling heette, moest hij het zich bekennen, dat het Madeleine in levenden lijve was. Stiller en stiller was hij geworden. Hij begreep er niets van en vreesde ook voor eene vergissing, daar dergelijke gelijkenissen eene enkele maal meer voorkwamen en een wezen van Madeleine op het tooneel hem zoo goed als onmogelijk voorkwam. Daarbij was de stem zoo dof, zoo toonloos; ze klonk hem zoo vreemd in de ooren.
Maar dan herinnerde hij zich, hoe zij, in de vreeselijke scène met Romani, bij het zich omwenden van de deur, een oogenblik in zijne loge had gestaard; dat daarop die kreet
181
EEN MISSTAP.
gevolgd was, die zoo bitter weinig van comediespelen had; dat zij dan, nog een oogenblik te voren zoo vol gloed en vuur, na dien kreet, na dien, ja, het moest zijn, werkelijken schrik, als verlamd en gebroken was.
Was dat dan Madeleine toch ? had ze hem herkend ? Doch waarom die geweldige schrik en die blijkbaar akelige hopeloosheid, welke haar geheel hare krachten schenen te ont-rooven. Hij zat te peinzen over al die vragen , al die vreemde dingen, terwijl het hem onuitsprekelijk wee om het hart werd, als hij Cecilia\'s hopelooze pogingen zag, moedig tot het einde door te spelen, terwijl zij de vreeselijkste martelingen onderging. Hij wist er niets van, dat Madeleine hem dood had gewaand en hem zoo als een uit het graf verrezene plotseling vóór zich had gezien. Zijn plotseling verschijnen kon alzoo z. i. niet zulk een geweldigen indruk op haar hebben gemaakt. Meer was daartoe vereischt. Daar ging hem eindelijk een licht op. Men had ook, hij herinnerde zich niet juist meer op welke wijze, getracht, den naam te weten te komen van hem en van Elise, en hij had gezegd: «Mijnheer en Mevrouw Lassen.quot; Het werd hem duidelijk. Ja, ja, hoe ongeloofelijk het ook scheen, de actrice was Madeleine Duppler. Zij had hem herkend; hare liefde voor hem was nog even groot als vroeger. Ze had ongelukkig dadelijk Elise aangezien voor zijn vrouw, was bekrachtigd geworden in dien waan na het hooren van dat rampzalige : »Mijnheer en Mevrouw Lassen.quot; Ze had gedacht, dat hij haar had opgegeven voor een ander. En toch, was niet schijnbaar zij de eerste geweest, die alle correspondentie
182
EEN MISSTAP.
had afgebroken? Het was hem alles duister, maar hoe het ook zij, hij hunkerde naar haar.
Zoodra zijne gedachten tot het resultaat waren gekomen, dat Delphine en Madeleine één en dezelfde persoon waren, was hij in zijn loge niet meer te houden. Hij zocht een uitvlucht, om zich te verwijderen. Met al die menschen om ïich kon bij Elise toch niets mededeelen. Hij moest haar zien. Hij moest haar spreken, die lieve Madeleine, het meisje, dat hij met zulk eene diepe smart, doch toen ook met een hoop zoo schoon, zoo veelbelovend, zoo heerlijk, had verlaten, het arme, arme kind, dat blijkbaar door den schrik, door zijn plotseling verschijnen haar veroorzaakt, zulk een treurig fiasco maakte.
Maar hij, de vreemde, werd achter de schermen streng geweerd, te meer, toen Constant Madeleine in zulk een overspannen toestand zag en alles, wat eenige stoornis kon veroorzaken, bepaald moest worden van haar gehouden.
Na de voorstelling trachtte hij wéder tot haar door te dringen, doch weder te vergeefs; Césarine had haar onmiddellijk weggebracht.
Dan, na Elise naar het hotel te hebben geleid en haar in weinige woorden alles te hebben meegedeeld, haastte hij zich naar Madeleine\'s woning. Om te weten te komen, waar die was, had hij eerst nog aan te loopen aan het theater en toen hij eindelijk aan het huis. van de weduwe Munro was gekomen, was Madeleine, dof, uitgeput door hare smart, alreeds te bed.
Des anderen daags, betrekkelijk vroeg, was Paul weer
183
EEN MISSTAP.
naar de Hospitaalstraat gesneld. Maar Madeleine was niet thuis. Behoefte, daarbuiten in de open lucht, onder den vrijen hemel, weg uit de haar benauwende kamer, in de stille, rustige natuur, verwijderd van het sloven en het drijven van de menschen, haar geschokt gemoed tot rust te brengen, had haar uit het huis gedreven.
Natuurlijk ook in het theater vond Paul haar niet Hij was verplicht, brandend van ongeduld, bedroefd, teleurgesteld, mismoedig terug te keeren naar het hotel. Elise liet hij alleen naar Zwol vertrekken. Hij bleef in Annstad. Hij zou haar vinden, spreken; al het geheimzinnige, raadselachtige zou worden opgelost, was het heden niet, dan morgen.
Madeleine was naar het park gewandeld, waar het haar ongeluk was, ook nog een oogenblik de kwaadwillige Aaltje aan te treffen, die haar met leedvermaak nog even mededeelde . dat Constant, kwaad en teleurgesteld en met het hoofd vol zekere plannen, had besloten, haar niet weer in Gravin Romani te laten optreden; dat zij was teruggevallen in den rang der lagere artisten; dat, met andere woorden, de hoop op den schoonen, gouden tijd in rook was vervlogen en zij, voor wie weet hoelang, weer haar leven van kwellingen, miskenning, verdriet en smart zoude hebben te dragen.
Wel, Joachim, weet ge, wist wel, wat hij deed. Dat Madeleine fiasco had gemaakt, was jammer, was ellendig! Maar hij had genoeg gezien, dat zij in een minder overspannen toestand meesterlijk tot het einde toe zou kunnen
184
EKN MISSTAP.
hebben gespeeld. Dacht het publiek al, dat daartoe haar de kracht ontbrak, Joachim wist beter. Hij had de hoop niet opgegeven, Madeleine tot zijn minnares te maken. En wie weet, of een nieuwe tijd van allerlei ondraaglijke verdrietigheden hem hierbij niet een handje zoude helpen, te meer, nu eens hare verwachtingen zoo hoog waren gespannen geworden en er zooveel, ja, bijna alles , van hem afhing, haar te bevrijden van haar treurig lot.
Ook Aaltje\'s venijnige wenken droegen niet weinig ertoe bij, te maken, dat Madeleine in het park , in plaats van rust voor haar gemoed te vinden , toen zij zich aan hare gedachten overgaf, somberder en somberder werd en steeds meer begon te denken, dat het leven haar te zwaar werd.
Tot wie om steun, om troost zich toch te wenden ? Stond zij niet zoo goed als geheel alleen? Ja, Césarine was vriendelijker voor haar, doch zij was zoo zelden met haar samen en aangetrokken gevoelde zij zich tot Césarine niet. Ach, de luchthartige Césarine verstond zoo weinig een aard als den haren. Aaken was vertrokken. Gebbel was thans haar eenige ware vriend; maar tusschen haar en hem had zij immer eere grenslijn te bewaren, omdat ze het gevaarlijke begreep van een toegeven aan warmere gevoelens, terwijl de man een gehuwde was.
Het evenwicht van het gemoed van Madeleine was geheel verbroken. De aanhoudende kwellingen , beleedigingen , terugzettingen hadden eindelijk alle kalmte haar ontroofd en waren begonnen, hare krachten te ondermijnen. Ze was steeds gejaagd en zenuwachtig; het bloed, ongeregeld
185
EEN MISSTAP.
loopend, begon haar te branden in de aderen. Van gelijkmatigheid van aard was niet meer sprake; het eene oogenblik gevoelde zij zich zus, het andere zoo gestemd. Hare hersens schenen haar te drukken ; zij had aanhoudend oogenblikken, dat zij in tranen kon uitbarsten ; een diepe melancholie was begonnen haar te plagen. Zij was sterk, doch de geduchte kamp, dien zij had te voeren, werd eindelijk te vermoeiend, te afmattend, te uitputtend. De bittere ervaringen van de laatste tijden. Constant\'s behandeling van haar, het ternederslaand fiaco op het tooneel, het plotseling wederzien van den dood-gewaanden Paul, en dat, naar zij zeker meende te zijn, gehuwd met een ander, de grievende mededeeling, dat er voorloopig geene hoop op verbetering van haar toestand was, en dan, ouders te bezitten, die zoo weinig zich om hun kind bekommerden, en ook de geldzorgen, welke haar meer en meer begonnen te kwellen, — het waren dingen, welke zij onmogelijk langer konde dragen. Zij moest eronder bezwijken.
Strijden, strijden, immer strijden! Ja, maar de kruik gaat zoolang te water, totdat ze breekt. Een moedig mensch kan alles zoolang het hoofd bieden, als zijne krachten hem niet verlaten, en , zij gevoelde het, de hare waren gebroken.
Lang zat ze te broeden over het benauwende, ondraaglijke van haar toestand, allen gloed uit hare oogen, alle kleur van hare wangen, met leden, slap, alsof het leven eruit gevloden was.
Daar zette zich iemand bij haar neder, vóórdat zij, verzonken in hare bittere overpeinzingen, zijn komen had bespeurd.
186
EEN MISSTAP.
En zij hoorde zacht haar naam «Madeleine, lieve Madeleine.quot;
Ze zag lusteloos op. Het was Gebbel, die, bekend met bare geschiedenis, haar bij haar naam noemde
»Je ziet zoo treurig, Madeleine,quot; vervolgde Gebbel. «Dat doet me zulk eene pijn. Ik was niet in bet theater, helaas! Maar trek het je niet zoo vreeselijk aan.quot;
Madeleine richtte hare oogen weder van hem af. Zij antwoordde niet. \'t Was, of ze zich niet bekommerde om wat hij zei.
»Wat in mijne macht staat, Madeleine, zal worden gedaan, om je de gelegenheid te geven, met roem die rol weer te vervullen. Ik zal wel middelen vinden. Constant ertoe te dwingen.quot;
Madeleine evenwel bleef zwijgen.
»Dat is toch je hoogste wensch, is het niet ?quot;
Nog zweeg het meisje.
Gebbel zag haar aandachtig aan.
«Arm kind, ik geloof, dat het je ziek heeft gemaakt,quot; zei hij zacht en treurig.
»Ik ben ziek, zielsziekquot; — prevelde Madelejne. Zij zag hem nog niet aan, en hij kon haar nauwelijks verstaan.
«Geloof me, lieve Madeleine, zoo geraakt ge er nog geheel onder. En — ik had verwacht, dat ge meer kracht bezat.quot; — Hij wenschte haar moed in tè spreken.
«Kracht! kracht!quot; zei Madeleine bitter. «Zijn er geene dingen, die haar eindelijk breken?quot;
«Zoover is het nog niet, willen wij hopen,quot; hernam Gebbel
187
EEN MISSTAP.
opzettelijk op meer luchtigen toon, om haar zooveel mogelijk op te wekken uit hare droevige stemming. »Geloof me, het zijn de eerste onaangename ervaringen, welke u alles in zulk een bijzonder donker licht doen zien.quot;
Madeleine zag hem bard en verwijtend aan; er kwam meer leven in hare oogen.
»De eerste!quot; lispte zij even bitter, sik dacht, dat ge het beter wist.quot;
»Zoo is \'t, hervatte Gebbel langzaam, zijn luchtigen toon latende varen , niet begeerig, verkeerd te worden begrepen. »Zoo is het. — Ge hebt eene zware taak. God! indien ik ze je wat verlichten kon.quot;
»flat kan niets meer,quot; stootte ze dof uit.
»Wat bedoelt ge, Madeleine?quot; vroeg Gebbel, verontrust over de eigenaardige wijze , waarop zij sprak.
))Mijne carrière is gebroken. Het geluk, waarvan ik eens droomde en hetwelk mij reeds éénmaal werd ontroofd door zulk een harden slag, heeft mij voor de tweede maal, en op nog smartelijker wijs, getoond, dat het het mijne nooit kan zijn. Mijne ouders, mijne zuster verstooten mij. Ik heb genoeg gekampt; ik ben genoeg getergd , gegriefd , beleedigd; ik heb genoeg geleden. De maat is vol. Ik kan niet meer. \'
De toon, waarop Madeleine sprak, sneed Gebbel door het hart; het was die van de uiterste wanhoop, welke alles heeft opgegeven. Een oogenblik zat hij verstomd, niet wetend, wat te zeggen , welke troostgronden aan te voeren, die zonden mogen baten, waar het hart zóó diep was gewond. En — hij beminde dat meisje. Hij gevoelde haar leed als het zijne.
188
EEN MISSTAP.
Hijzelf begon wanhopig te worden. Wat hij hoorde, begon ook hem radeloos te maken.
Plotseling hief hij het hoofd op, met een uitdrukking in zijne oogen, alsof hij had gevonden, wat hier het eenige hulpmiddel zoude zijn; alsof hij tot een ras besluit was gekomen. Hij schoof wat dichter bij haar.
»Ik lijd als gij,quot; zeide hij haastig, terwijl hij innig in hare donkere oogen zag, »zij het op eene andere manier dan ook. Zie, Madeleine, ge voelt u verlaten, onbevredigd, ongelukkig; ook uw leven mist den warmen adem van de sympathie. Het is de zachte dauw, dien het fijngevoelige gemoed vereischt, zal de scheppende menschelijke geest zijne schoone bloemen kunnen schieten. Wordt zij ons niet geschonken, zoo krimpt het hart gelijk de droge stoppel, die knop, noch bloem, noch vruchten draagt. Welnu, haar weldadige invloed wordt ook mij onthouden, en juist door haar, van wie ik ze het meest behoef. Wat dit beteekent voor een kunstenaar, voorzeker, u behoef ik het niet te zeggen. Helaas, helaas! ÏVIadeleine, ik heb eene fout begaan, die dreigt, het geluk van mijn gansche leven te vernietigen. Moet dat? Mag dat? Het is eene gedachte, welke mij radeloos begint te maken; die mij begint te vervullen met eene walging voor het leven. Ik trouwde met eene vrouw , die ik niet meer kan beminnen en die ik, wat mijn lot te harder maakt, niet meer kan achten. De liefde had mij blind gemaakt; te laat gingen mij de oogen open, en voor mij strekt zich het leven uit gelijk eene zandige vlakte, vaal, afschrikkend, zonder iets, dat mij lokt, mij toelacht, zonder een
189
EEN MISSTAP.
horizon, waaraan zich zelfs een enkel plaatsje toont, waar zich het geluk verschuilt. O! Madeleine, een ongelukkig huwelijksleven knaagt aan het geluk gelijk een kanker. Hoe haar nog langer te beminnen, die immer meer gelijk een vreemde tegenover ons staat, ons niet begrijpend, niet met ons gevoelend ? Hoe haar nog meer te achten, die zoo weinig tracht om ons op zij te streven , ons te steunen, aan te moedigen, ook zelve den knellenden cirkel te verbreken, welken de nietigheden, de kleingeestigheden van het leven om ons trekken, en die een ijzeren cirkel wordt, die als een slaaf ons ketent, wanneer wij niet met kracht ons een uitweg door hem banen ? Hoe haar te achten, die niet verkiest zich op te beuren, de energie te ontwikkelen, welke de natuur als een schat heeft gelegd in ieder, als een zaad, dat\' het slechts aan onszelven staat, om te doen ontkiemen, om planten voort te brengen, die honderdvoudig dragen, die zich verheffen als de krachtige eik, die prijken met den rijken bloementooi van den geurenden rozestruik ? Zie, altijd te zijn met iemand, die we niet meer kunnen achten, kunnen beminnen, die door hare onbeduidendheid, gebrek aan fijn gevoel , bekrompenheid en treurige zelfgenoegzaamheid verkillend en geestdoodend op ons werkt, wordt ook ten laatste ondraaglijk, Madeleine. En mogelijk is het niet, den heilloozen invloed te ontvluchten; den ganschen dag zijn we eraan blootgesteld. Ook dal breekt onze kracht. Ook dat ontsperst ons eindelijk den kreet: »De maat is vol. Ik kan niet meer!quot;
Hij zweeg. Hij staarde haar met vonkelende oogen aan,
190
EEN MISSTAP.
met blikken, een vreemd mengelmoes van liefde voor het meisje naast hem, walging van zijn toestand, toorn over hetgeen het noodlot hem bereidde.
sOok ik,quot; vervolgde hij zacht, doch hartstochtelijker, ïook ik gevoel een oneindige behoefte , te breken met het leven, hetwelk ik tot nog toe heb geleid. Ook mij ontzinkt de kracht voor den hopeloozen strijd. Ook ik ben zielsziek door hetgeen ik heb te lijden. Ge gevoelt u ongelukkig, ja, rampzalig. Ge wilt het niet langer dragen. Zoo is \'tmet u, zoo is \'tmet mij. Er moet een einde aan komen. Het zal. . . Zie . .. Madeleine. — Er is één uitweg, welke ons beiden weer gelukkig maken kan, en is de mensch niet daartoe dan geboren? Ah! de onzinnige gedachte, dat we slechts hier werden gezonden, om te lijden! Waartoe de goddelijke natuur, waartoe de edele gaven, waarmee de mensch is uitgerust, waartoe het schoone en lieflijke der vrouwen? Kan men zich een wreeden schepper denken, die al die dingen zich sleclits als middelen schiep , niet om ons vreugd te schenken, maar om te martelen slechts ? — Eén, één uitweg, Madeleine. Ik ben kunstenaar, schilder, üe wereld is des kunstenaars vaderland. Hij is aan geen plekjen grond gebonden. Madeleine, Madeleine, verbreek met mij de banden van dit ondraaglijk bestaan. Ontvlucht het met mij — volg mij. ..
Hij zag haar gloeiend, innig, smeekend aan, trachtte zijn arm om haar middel te slaan.
Maar Madeleine week ontzet terug, met wijd geopende oogen, met een gelaat, dat door schrik werd verwrongen.
191
EEN MISSTAP.
Zij stond met moeite op. Ze weerde Gebbel van zich. Zij kon zich langzaam slechts verwijderen.
»Blijf, blijf! geen woord meer,quot; hijgde ze.
Gebbel had den moed niet, tot haar, ontsteld als zij was, nog iets te zeggen. Spoedig was zij om den hoek der laan en hij was alleen, ontstemd, verslagen. Doch Gebbel, bij wien het besluit, om met Madeleine te ontvluchten aan een ook hem ondraaglijk geworden omgeving, zoo plotseling tot rijpheid was gekomen, was niet van plan, om het zoo dadelijk op te geven. De gedachte aan het geluk, Madeleine te bezitten, bedwelmde hem. Hij was er zoodanig van bezeten, dat hij zich voornam, nog één maal te trachten , Madeleine voor zijn plan , te winnen.
Lassen was later op den dag weer aan het huis van Madeleine en evenzoo aan het theater. Hij vond haar echter niet. Het was op een oogenblik, dat zij Césarine had gezocht en, haar niet op hare kamer vindende, daar lang alleen had zitten denken.
\'s Avonds had zij niet te spelen. Men gaf een ander stuk, Gravin Homani wasvoorloopig van het programma verdwenen.
Het was tegen tienen, toen er iemand bij haar binnentrad , ofschoon zij de bediende streng had last gegeven, den geheelen avond niemand bij haar toe te laten. Ze gevoelde zich zoo terneergedrukt, zoo overspannen tevens, dat zij behoefte had , alleen te zyn.
Hij, die binnentrad, was Gebbel.
Gebbel had een vastberaden trek om zijn mond. Hij was vast besloten, of zij wou of niet: Madeleine zou hem nog
192
EEN MISSTAP.
■eenmaal hooren. Hij wou al het mogelijke nog eenmaal doen , tiaar te verleiden tot den stap, dien hij geoorloofd dacht voor menschen, die door de fortuin zoo stiefmoederlijk werden behandeld.
Madeleine lag treurig peinzend op de sofa. Zij opende iiaar mond, om de bediende, die ze waande, dat daar binnenkwam, te zeggen, dat ze dien avond niets meer ïioodig had, toen zij plotseling zag, dat het Gebbel was.
Zij sprong van de sofa op.
«Gebbel! nogmaals!quot; riep ze verschrikt.
«Wees bedaard, Madeleine,quot; zei Gebbel en hij sloot de deur, greep een stoel en ging bij haar zitten. Ik wil u «eggen, wat ik op het hart heb. Ge moet mij aanhooren, Madeleine.quot;
»0! dat is wreed,quot; hijgde Madeleine.
Gebbel schudde het hoofd. «Mijne lieve Madeleine, hoor mij aan. Het moet, ter wille van ons beiden. Twee mis-•deelden, gelijk gij en ik, zijn door de harde slagen van het lot bevrijd van vele der banden welke andere menschen binden.quot;
sin Gods naam,quot; zuchtte Madeleine, »Gebbel, indien ge ■werkelijk iets voor mij gevoelt, indien ge medelijden met ■mij hebt — ga heen! Gebbel, ik heb geen enkelen beschermer. Ik sta alleen in de wereld. O God! leid mij niet in verzoeking...quot;
ygt;Ik zal die beschermer zijn!quot; riep Gebbel, terwijl bij de land greep van het zich te vergeefs verzettende en nog immer staande meisje. »Ik zal u het leven draaglijk maken,
V. D. LAAN, EEN MISSTAP. 18
193
EEN MISSTAP.
u gelukkig maken, u van dit bittere lot bevrijden, u op handen dragen.quot;
Madeleine zuchtte en zuchtte. Zij kon geene woorden vinden in hare ontzetting.
Gebbel deed haar weer tegen wil en dank op de sofa plaats nemen en zette zich zelf dan weder op zijn stoel vlak voor haar. Ze kon hem niet ontsnappen Ze moest hem nu wel aanhooren.
«Wie is er,quot; vervolgde hij onstuimiger, »die zich om u bekommert? Wie heeft, er een goed woord voor u? Wie bewijst u de geringste vriendelijkheid? Ah, Césarinel Ik ken haar, Madeleine — beter dan gij. Zij is lief. Ze is goedhartig. Maar zij is grillig. Wie op haar bouwt, die bouwt op zand. Mocht ge het minste doen, dat haar mishaagt, zoo verandert hare vriendschap zich in vijandschap voor u. Vertrouw niet op haar.quot;
»0! Gebbel, Gebbel!quot; smeekte Madeleine. »Laat mij alleen. Verlaat mij.quot; Ze was toch bang voor zichzelve. Al hetgeen ze had ondervonden, had hare zielskracht zoo geschokt, hare zelf beheersching zoo verlamd , haar weerstandsvermogen zoo verminderd, dat zij vreesde voor hetgeen, waartoe deze man haar nog zou mogen brengen.
Gebbel evenwel vervolgde; »Wat zijn uwe vooruitzichten? Denk aan het verleden; denk aan de zware dagen, welke weder zullen komen Ook mij zult ge moeten missen, want, hoe het ook ga, ik draag dien last niet langer. Ik verlaat de plaats, het land. Dan staat ge alleen, geheel alleen. Dan is ook uw laatste werkelijke vriend verdwenen.quot;
Madeleine boog smartelijk bet hoofd.
194
EEN MISSTAP.
sVriend!?quot; ging Gebbel steeds ontstuimiger voort. «Vriend , zeg ik — Madeleine, ik gevoel meer, oneindig meervoer u dan een vriend. Madeleine, ik heb u leeren kennen, bewonderen , achten ... beminnen! O! Madeleine, mijn lieveling. Zonder u kan ik niet meer leven. Neen, neen!quot; en hij overlaadde hare hand met kussen.
Tevergeefs trachite Madeleine hare hand weer te bevrijden. Maar hij had ze krachtig in beide de zijne. Zij kon het niet. Zenuwachtig bewoog ze haar lichaam ; ze werd zoo angstig bij het hooren van die woorden.
«Denk eraanriep Gebbel, swat u wacht, indien gij\' blijft. Denk na over al het onverdiende, bittere van uw lot. Bedenk, dat er eens een tijd komt, dat een mensch mag zeggen: ik heb gestreden , heb gekampt tot het uiterste; al het mogelijke is door mij gedaan, maar bet lot heeft niet gewild, dat ik overwon; \'t geluk heeft mij meedoogenloos den rug steeds toegekeerd. Welnu, \'t zij zoo! Maar thans beschouw ik mij als vrij. Thans beschik ik over mij zei ven. Een mensch is geene machine en de kracht, welke ons schiep, schonk ons ook een gevoelig hart en warme neigingen, naar welke de wetten der natuur verlangen, dat de mensch óók hooren zal. Bedenk , dat er etn oogenblik voor hem kan komen, dat hij tot zichzelven zeggen mag, eens heb ik geluisterd naar de stem, die mij verkendde: dat is uwe taak, dat its uw plicht; en het heeft mij niet aan moed ontbroken en inspanning mijner beste krachten. Maar zie, het kan, het mag niet zijn, dat ik die taak ten einde breng. Verzet zich daartegen toch niet alles om mij? Ontzinkt mij niet dc
195
EEN MISSTAP,
iichaamskracbt, zonder welke die van den geest, den wil verlamd is? Bezwijk ik niet? — Zal dan pindelijk ook het oogenblik niet komen, dat men zch afwendt van hetgeen hopeloos is; dat men zijn recht laat gelden op zijn deel van het aardsch geluk; dat mén roept: ook ik was niet alleen geboren, om te lijden; ook ik was bestemd, om te genieten; dat men luistert naar de stem van bet gevoel, het dringen van het hart, den prikkel van den aangeboren levenslust?quot;
Madeleine was sprakeloos. Hare lippen beefden. Zij durfde hare oogen niet tot Gebbel opslaan. Hare wangen begonnen zich te kleuren; er steeg een blos in op, dien verlegenheid en ergernis, schaamte en besluiteloosheid erin te voorschijn riepen.
Zij was nog zoo jong, zoo schoon, zoo vol verlangen, ook haav deel te hebben van het goede van het leven, te genieten. vrij te zijn, zich te bewegen in een wereld, waar alles niet als lood baar drukte, kleurloos, somber, pijnigend was, één bittere strijd, één bopelooze worsteling; waar het vol gevoel van de herleefde krachten, van de herwonnen veerkracht, van den teruggekeerden levenslust opwekken zou en prikkelen! waar een voldoen aan andere neigingen dan de zucht, een naam te winnen , bet noodlot het hoofd te bieden, leed, niets dan leed steeds te verbijten; waar een zwelgen in de neigingen van het hart, in de geneugten van een bestaan, waarin haar volle, jeugdig, bloeiend Ik tot recht kwam, baar het leven die waarde weder zou schenken, welke het thans ten eenen male voor haar scheen te hebben verloren.
196
EEN MISSTAP.
En de verslagenheid en smart over haar verdriet maakten plaats voor een rebelleeren tegen het lot; het gevoel van machteloosheid en geknaktheid, voor een wilden toorn over al hetgeen haar leven zoo verbitterde; het doffe opgeven van alle hoop, voor een vurige begeerte, de jeugdige levenskrachten onstuimiger op te laten bruisen; het zich moedeloos-overgeven aan de wanhoop, voor de zich heftig opdringende gedachte, zich, hoe dan ook, schadeloos te stellen voor het geledene, zich aan het onverdiende lot te wreken door een blind voldoen aan hare neigingen, aan de zucht naar levensgenot, door het najagen van dat deel van geluk op deze aarde, waarop zij als mensch óók recht had.
Wild woedden haar de gedachten door het hoofd; een storinT dien ze niet meer kon bezweren, verbrak het evenwicht van haar gemoed. Tot nog toe had ze zich altijd met geweld in dwang gehouden. Doch thans, geholpen door Gebbel\'s sopbis-tische redeneeringen, kampten tegen het nog niet geheel gesmoorde plichtgevoel, dat nog dreigend zijn stem liet hooren, de alles eindelijk voor zich nederwerpende verbittering , het niet meer te onderdrukken verlangen, met een enkelen slag te breken met hare rampzalige omgeving, de plotseling opgeschotene, onstuimige begeerte, te genieten, gelukkig te zijn, voor hoe korten tijd dan ook, aan het leven het goede te ontwringen, wat ook de prijs , en zich te werpen in de armen van een bestaan, dat haar het verleden deed vergeten.
Gebbel begreep, wat er omging in haar hart. Hij vermoedde hare gedachten. Hij zag, dat het beslissende oogen-
197
EEN MISSTAP.
blik was gekomen; dat van dit alles afhing; dat, indien haar wijfelen, haar nog niet geheel onderdrukte wensch, hem niet verder aan te hooren, niet thans , oogenblikkelijk, werd overwonnen, alles verloren was. Kwamen na deze opgewondenheid de kalmere gedachten; begon dat bewogen hoofd weer rustiger, koeler na te deuken; week weer de thans zoo wild opkokende verbittering, — dan was het te laat; dan had hij alle kans verloren op het genieten van een geluk, waarnaar hij hunkerde.
^Madeleinefluisterde hij haar vleiend, dringend, smee-kend toe. «Madeleine, hoor me. Verdient gij, dat lieve, schoone, jonge meisje, zoo te worden vertreden door het lot ? Madeleine, is het niet vreeselijk, zulk een schoone bloem te zien vertrappen ? Mag ik het aanzien ? Moet ik niet de hand uitsteken, haar te redden, al wil ze het zelve niet ? Madeleine, hebt ge ook geen week, geen teeder, liefderijk vrouwenhart, dat behoefte heeft aan liefde, aan diep gevoelde sympathie, en klopt het niet een beetje warmer voor het mijne? Madeleine, denk aan den killen atmos-pheer, waarin ge leeft, — aan dien van rijk opwellende liefde, geluk, genot, waarin ik u zal laten leven. Zie, niets zoude mij te veel zijn voor u, mijn hoogst geluk, mijn liefste kind. Wees sterk en toon de kracht te hebben, het oordeel van de menschen te verachten. Wat is het waard ? Waarop is bet gegrond ? Wie kan een daad beoor-deelen van een ander? Wie weet, wat al, hoe oneindig veel, welke strijd, welk leed, welke drang, welke omstandigheden , welke drijfveer er hebben toe geleid ? Zijn niet
198
EEN MISSTAP.
alien uwe vijanden? Ben ik niet de eenige, wiens hart warm, met innige liefde voor u klopt; die u wenscht te maken tot zijn meesteres , zijn aangebedene, zijn koningin ? Vertrouw in mij, Madeleine. Steun op mij. Wend u tot mij, die leef in u. Geloof in mijne sterke liefde. Volg mij ..
Hij boog zicb dichter tot haar. Zij liet hem thans zijn arm om hare middel slaan. Ze liet hem lijdelijk begaan, als hij haar op de borst gezonken hoofd nu zachtkens ophief en haar kuste. Het bloed stroomde uit hare wangen; zij was zoo bleek, zoo stil. Het was, of hare levenskrachten haar ontzonken; ze zat als in een droom. Zij vergat al het andere, dacht aan geene ouders, geene plichten, geen Paul, geene Louise. Zij was overwonnen. Zij bezweek.
»6e volgt mij ? Ge volgt mij ?quot; lispte Gebbel zacht, onstuimig, vol onuitsprekelijke vreugde.
Spreken echter kon Madeleine niet.
»6e vertrouwt u aan mij toe, aan den man, voor wien ge alles op de wereld zijt! Madeleine, spreek....quot;
Gebbel gevoelde, dat haar hand de zijne zwak, nauw merkbaar drukte; hij kon ternauwernood bespeuren, dat ze loestemmend knikte met het hoofd. — Evenwel, het was genoeg.
»6od!quot; prevelde Madeleine — een woord, dat als een noodkreet klonk. Ze perste haar vrije hand tegen het onstuimig kloppend hart. Ze had een gevoel, alsof ze op het punt stond, in een afgrond neer te storten, zonder de kracht te hebben, zich af te wenden van den rand, waarop «ij wankelend stond.
199
EEN MISSTAP.
Een gloeiende blos overtoog haar gelaat. Zij sloeg de aogen neder; een rilling liep door hare leden. — De maagdelijke* schaamte smoorde alle geluid op de bleeke, bevende, smartelijk gescheiden lippen, terwijl Gebbel haar eindelijk opgewonden, innig in zijne armen sloot.
IX.
\'s Anderen morgens, het zal zoo wat negen uur geweest zijn, stond Madeleine bij het venster en staarde, met gevouwen handen, uit hare kamer, naar beneden in de straat. De zware karren met de vaten van de brouwerij G-ambrinus, aan het einde van de straat, rolden, als naar gewoonte, rammelend en klaterend voorbij. De omnibus passeerde, met een vroolijk babbelend gezelschap er bovenop, een van welks leden, een oolijke kwant, in een uitgelaten bui haar lachend een kushandje toewierp. Andere rijtuigen, kooplieden met hunne karretjes en krijschende stemmen, vischwijven, die als Stentor bulderden ; klerken op weg naar hunne kantoren, hun tijd verbabbelende bedienden, politie-agenten , die schenen te slaapwandelen; menschen, die liepen met een vaart, alsof ze hunne schaduw wenschten te ontvluchten; lieden, die met half toegeknepen oogen voortslenterden met een slakkengang , alsof hier beneden zoo iets als drukte en arbeid niet bestond, — het gewoon vertier, de oude drukte.
Of Madeleine wel veel zag van hetgeen er omging op do straat?
200
EEN MISSTAP.
Zij was bleek en hare oogen stonden dof.
Ze had zulk een vreemd gevoel — \'t was, ot\' zij niet dezelfde was.
In den hoek van baar vertrek stond hare kleine koffer. Nog heden reisde zij met Gebbel af.
Wat had zij gedaan!? Welk besluit had ze genomen? Waartoe bad zij zicb kunnen laten brengen?
Het was haar alles nog zoo vreemd, zoo zeldzaam , wonderbaar. Zij kon haar gedachten bijna niet verzamelen, om erover na te denken. Het was, of ze had gedroomd, wat er gisterenavond was geschied. ïocb klemden de vingers barer handen zicb enger om elkaar, vlamde voor een oogenblik een brandende, purperen blos op hare wangen op, vielen een paar dikke droppen uit de donkere oogen, wanneer ze eraan dacht. ïerugkeeren op bet eens ingeslagen pad dacht, ze niet meer mogelijk na hetgeen ze bad gedaan, — het bond haar aan den man , in wiens hand zij haar lot gegeven had , aan wien zij zicb geheel had overgeleverd. Zonder bem zou ze thans gelijk zijn aan een verlaten schip, zonder roer en masten , een wrak, dat elk oogenblik wordt bedreigd, door de woest aandringende baren in de diepte te worden meegesleurd.
Ze glimlachte treurig, smartelijk — om zichzelve. \'t Was, of ze, over zichzelve denkend, een geheel andere beoordeelde , eene vreemde, met welke zij intiig medelijden had. Zij kon nauwelijks gelooven , wat er was geschied en dat een onschuldig meisje, dat steeds het goede, het edele had gewild, zicb tot zoo iets had kunnen laten brengen. En toch was het zoo.
201
EEN MISSTAP.
üe geduchte opbruising barer krachten, barer begeerten, ilat wild opvlammen barer verbittering, dat woeden van «en blinden toorn, bet stormachtige verlangen, elk en alles te tarten, om aan het lot te ontwringen, wat het haar niet wilde schenken, gevoelde zij niet meer. Ze was afgemat. Een diepe droefgeestigheid was op de opgewondenheid gevolgd. Zoo was het zoo vaak gegaan in de laatste tijden. Maar thans was het contrast een sterker, een pijnlijker dan wel ooit.
Wat de toekomst? Wat thans haar levensdoel? Wat baar oordeel over zichzelve?
Was al het edele in haar in damp en nevel opgegaan ? — Had zij niet langer kunnen strijden, werkelijk niet? Was bet niet beter, duizendmalen beter, te bezwijken, dan ge-boor te geven aan de lokstem van bet egoisme, van de booze neigingen, van de ontevredenheid met het bestaande, tie verbittering over het aardsche leed?
Zij schudde treurig het hoofd. Het eens gedane is onherroepelijk; geene macht maakt bet weer ongedaan. Zij gevoelde zich te afgemat, om over hare eigene handelwijze in toornige opgewondenheid onstuimige verwijten zich naar bet hoofd te werpen. Zij kon zichzelve slechts beklagen, slechts oen diep, diep medelijden gevoelen met zichzelf.
Zij was vermoeid. Zij zette zich neder bij de tafel. Maar beginnen met het een of ander, dat kon ze niet. Ze zat stil neder, met de handen in den schoot. Het hoofd was haar dof; tot geregeld denken was zij niet in staat.
Daar boorde ze de bediende kloppen, die bezoek aankon-
202
EEN MISSTAP.
digde. Een vreemd vroeg uur voor zoo iets. Doch zij was in een toestand, waarin men zich over niets verbaast, omdat ons niets op het oogenblik belang inboezemt. Het was alles één en goed, wat er gebeurde. Indien er iemand was gekomen , die haar een pistool had op de borst gezet, zou ze niet zijn opgesprongen, zich niet hebben verweerd.
De bezoeker trad daarop binnen. Madeleine wendde haar hoofd niet naar de deur. Zij hoorde zelfs de begroeting niet.
Hij, die was gekomen, had zich vlak vóór haar te plaatsen en haar weder toe te spreken, voordat zij hem hoorde.
Ze zag eerst lusteloos op, schijnbaar alsof zij hem niet herkende. Dan openden zich hare oogen meer en meer; wijd spalkten zij zich open. Doch zij bewoog zich niet. De slappe trekken van het bleek gelaat schenen te verstijven; hare handen bleven als zonder leven rusten op haar schoot; geen woord kwam over de vast toegenepen lippen, waaruit al bet bloed verdwenen was, — \'t was, of een bliksemstraal baar plotseling had getroffen en het levend lichaam , zonder eenig merkbaar teeken achter te laten, met een enkelen feilen schicht had veranderd in een lijk.
«Madeleine,quot; hoorde ze eene welbekende stem dan tot baar roepen, «Madeleine, berken je me dan niet?quot;
Geen antwoord evenwel.
«Madeleine, God! is het mogelijk! —Heb je mij vergeten? Herinnert ge u dan de belofte niet, mij eens gedaan? Spreek, wat is er wel geschiedt; waarom heb je met mij gebroken ; wat beeft zich tusschen u en mij geplaatst? Zie, ik kan het niet gelooven, dat je niet meer met liefde aan mij denkt.
203
EEN MISSTAP.
Waarom heb je zoo lang, zoo lang gezwegen? Uwe brieven maakten mij alle lasten, leed, ellenden van het leven immer licht. Een woord van u, en ik gevoelde me zoo gelukkig, weer in staat, dien troosteloozen tjjd, alleen in Indië, met nieuwen moed te dragen, omdat hij eindelijk zou voeren, tot het oogenblik, waarop ik de vervulling eens zou mogen eischen der heerlijke hoop, waarmee je mij liet gaan. Kan het zijn — gevoel je dan niets meer voor me? Madeleine, Madeleine! wat moet ik denken ?quot;
Er kwam verandering in het gelaat van Madeleine. De wijd opengespalkte oogen namen hunne gewone grootte weder aan; het akelig strakke verdween uit hare trekken: zenuwachtig trokken de hoeken van haar mond; zij zag Lassen verschrikt, bevreesd en weifelend aan, alsof zij hem nog niet begreep.
»Paül...quot;, was het eenige, dat ze er smartelijk, smee-kend, slechts met de grootste moeite uit kon brengen.
Doch geene blijdschap, geene onarming; geen teeken van het innige gevoel, dat haar eens voor en in hem had doen leven; van den gloed, die haar hart had verwarmd, wanneer hij slechts tegenwoordig was; van dat vleiende, dat gelukkige, dat opgewekte in die oogen , wanneer zij hem slechts zag. Paul was ontsteld, ontzet over deze ontvangst. Hoe anders had hij toch gehoopt dat zij had mogen wezen, overtuigd als hij was, dat een meisje als Madeleine niet zoo gauw den man vergeet, voor wien zij zóó diep heeft gevoeld, hoe raadselachtig ook haar zwijgen. Wat beteekende dit alles? Wat moest hij ervan denken?
\'204
EEN MISSTAP,
iMadeleinezei Paul haastig, als hij meer lette op het bleeke barer wangen, het magere van haar gelaat, »je bent ziek.quot; Acb, Gebbel had dat ook gedacht — en was het ook niet zoo?
Madeleine schudde langzaam het hoofd.
»Wat is er dan gebeurd! Meisje, zeg, wat is er?quot;
Madeleine wendde haar hoofd smartelijk af.
»Je wilt mij niet aanzien, mij geen antwoord geven? Je hebt geen enkel vriendelijk woord voor mij, die weer naar bet land ben gevlogen met één gedachte, met één hoop slechts in het hart, die, u weer te vinden, u weer te zien in de lieve oogen, n eindelijk op te eischen als mijne beminde vrouw?quot;
Dat was te veel! Het was, of men haar een dolk in het hart had gestooten.
Paul schrikte bij de plotselinge verandering, die zijne woorden in hare houding en op haar gelaat te voorschijn riepen.
Madeleine\'s oogen staarden hem plotseling wild en vor-schend aan; zij sidderde aan al hare leden, na een oogen-blik steeg een vurige gloed in hare wangen op; ze klemde hare handen als wanhopig tegen hare borst.
»TJw... uw... uwe vrouw! — En die andere...?quot; hard, ■schokkend, stootend kwamen de woorden uit haar mond.
»Die andere!?quot;
»Daar in de loge... Mevrouw Lassen ...quot;
»Wie bedoel je; de weduwe van mijn broer?quot; Hij had in zijne smart over de vreemde ontvangst geheel vergeten.
205
EEN MISSTAP.
dat hij reeds had vermoed, dat Madeleine Elise had mogen hebben aangezien voor zijne vrouw.
»0 God! o God!quot; krijschte Madeleine, terwijl zij radeloos hare handen voor het gelaat sloeg. »0 God! ook dat dus nog!quot; Zij boog het hoofd. De tranen spatten door hare vingers. Zij gevoelde zich als vernietigd.
Paul was hevig ontzet. Mijn hemel! wat was er gebeurd? Dat hij haar niet onverschillig was geworden, was duidelijk genoeg. Doch had juist het weten van het feit, dat hij nog ongehuwd was, niet eene gansch andere uitwerking moeten hebben? En zie, het scheen haar te verpletteren.
Hij trad nader , trok eeue der handen zachtkens weg voor haar gelaat, nam ze vol liefde in de zijne, en kuste ze.
«Mijn lieveling,quot; fluisterde hij, »wat maakt je zoo vreeselijk ontsteld? Ben ik clan niet gekomen, om je eindelijk te halen als mijn vrouwtje, om uit uwe handen mijn grootst geluk te ontvangen? Zeg, lieve Madeleine, zal het zijn?quot;
Madeleine richtte zich plotseling op. Zij rukte hare hand uit de zijne; die kus, dien zij niet meer verdiende, deed haar zoo bitter pijn. O! wat had zij niet willen geven, indien ze dien nog waardig had kunnen zijn. Hoe groot ook hare eigene schuld, hare zwakheid, hoe vreeselijk wreea strafte haar het lot! De gedachte aan betgeen was, en hetgeen had kunnen wezen, aan den onovervvinnelijken slagboom, welken het gebeurde in de weinige vervlogen uren had gebracht tusschen haar en den beminden man, maakte haar wild. Haar oogen teekenden een schrik, een gevoel van onbeschrijflijke rampzaligheid, welke Paul akelig maakte.
206
EEN MISSTAP.
Zij sprong van haar stoel op en week terug, steeds meer terug, alsof ze doodelijk beangst haar ergsten vijand zocht, te ontvluchten.
»Ga heen!quot; riep ze met een gebroken stem. «Paul, verlaat mij. — In Godsnaam, ga. O! vraag mij niets. Paul, Puul, martel mij niet langer. — Het kan, het mag niet zijn ...quot;
Paul was haar toch gevolgd, terwijl zij bevend achteruittrad.
»0! Paul,quot; steunde ze, als zij smeekmd haar gevouwen handen voor zich uitstak en ze radeloos wrong. «Spreek niet langer tot me. Paul, verlaat dit huis!quot;
»En waarom kan het, mag het niet? Madeleine, maak me niet ongelukkig. Denk, wat je zegt en doet.quot;
«Neen — neen!quot; lijgde ze. «Het is te laat...\'\'
»0! Madeleine, je bent dezelfde niet. Ge stoot mij van u? Ik kan bet niet gelooven. Te laat? Wat bedoel je? Te laat? Je hebt niet kunnen wachten? Maar dat is onmogelijk. Wat is de reden van deze handelwijs? Neen , neen , Madeleine, zóó geef ik je niet op.quot;
»Het moet! Ik ben... Ik ben...,quot; doch de woorden bleven steken in haar keel.
»Wat?\' riep Paul schor, terwijl plotseling een vreeselijke gedachte zich van hem meester maakte.
sik ben uwe liefde niet meer waard,quot; stootte Madeleine er wanhopig uit. »Ik ben ...quot;
Doch méér woorden kon ze onmogelijk over haar lippen brengen. Liever dan ze te uiten, en dat tot hem, had ze zich uit het raam gestort.
207
EEX MISSTAP.
Paul stond als aan den grond genageld. Hij begreep, wat hare woorden inhielden. Hij werd doodsbleek, en toch klopte het bloed aan zijn slapen, alsof zijn hoofd bersten zou.
Hij stoi\'tte zich op haar en greep hare beide handen. Hij stond vlak voor haar, zag haar strak in de door de ziele-pijn van de ondraaglijkste smart vonkelende oogen, met een blik, welke het toppunt van de ellende, die zijn eigen hart verscheurde, haar folterend moest toonen. Hij hield haar krampachtig vast, doch de opgewondenheid deed zijne handen beven.
»Je bedriegt mij. Je liegt,quot; riep hij barsch en hard.
Madeleine was verstomd van schrik, van smart, van schaamte.
»Zeg, dat het niet waar is!quot; riep hij nog luider, nog onstuimiger.
Doch ze kon slechts in zijn strakke oogen zien, die haar tils electriseerden en verlamden.
«Zag, dat je mij hebt kunnen vergeten. — Dat mijn plaats door een ander is ingenomen. Doch waartoe die vreeselijke leugen?quot;
Madeleine zag hem nog een oogenblik vertwijfeld aan. O! boe rampzalig was ze. Werd ooit een sterveling zóó door het lot geslagen? Grod! dacht ze, gij de vader van de menscUen, gij niets dan liefde en goedheid, gij, die dit alles voor mij hebt weggelegd! ?
Met een ruk ontwrong zij zich aan Paul en vluchtte in haar slaapkamer, waar zij zich insloot, terwijl ze met haar laatste krachten hem nog toeriep: »0! Paul, mijn goede
1208
EEN MISSTAP.
iPaul, vergeet, vergeet mij, arm, rampzalig meisje...quot;
Dan hoorde hij haar snikken, op een wijze, dat hij zijn leven had willen geven, indien hij troost had kunnen vinden voor hare wanhoop en zij had willen luisteren naar de sussende woorden, de sympathie, waaraan haar gebroken bart zoozeer behoefte had.
Hij zette zich neder op den stoel, waarop liet ongelukkig meisje een oogenblik te voren nog gezeten had. Hij bleef nog lang in hare kamer, het hoofd vol van de treurigste gedachten, üoeh Madeleine keerde niet terug. Langzamerhand kwam er een ■einde aan het heftig snikken. Wat deed ze nu? Misschien bad ze quot;G-od om kracht. Misschien lag ze dof terneer, te machteloos, iets te doen, zich te bewegen, te handelen of te denken.
Hij moest haar wel gelooven — welk een slag! Het werd hem duister voor zijn oogen. Hij boog het hoofd, en als het op zijn handen rustte, weende ook de sterke man bittere ■en heete tranen. Arme, arme Madeleine, zoo jong, zoo schoon, zoo goed, met zulk een edelen aard, met zooveel liefde eens voor hem, met zooveel vertrouwen op een schoone toekomst, wat had haar toch tot zóó iets kunnen brengen? Welk een somber raadsel voor hem — Madeleine ■een gevallen vrouw . ..
Ah! een gevallen vrouw. Mijn hemel! had ze, vóór zich aldus over te geven aan hare wanhoop en verbittering en begeerte\', zich te bevrijden van haar leed, niet eerst zich -eens beter kunnen vergewissen, of Elise en Paul wel werkelijk man en vrouw waren? Zouden wij het niet hebben .gedaan, indien we in haar positie waren geweest? Onzin-
V. D. LAAN\' KEN\' MISSTAP. 14
209
EEN MISSTAP.
nige vraag. — Natuurlijk! Ongetwijfeld! Wij zouden het. Wij zouden ons door al die smart en rampen , teleurstellingen en grieven niet zoo hebben laten medesleepen, zoodat we ten laatste niet meer helder dachten en de moed den kamp verder voort te zetten, ons ontzonk. Wij zouden tot het laatst een koelen kop hebben bewaard. Of, indien men slechts een onzer als raadsman onder den arm genomen had ! Wat zouden we geen goeden raad hebben kunnen geven! Daar zijn we toch fataal royaal mee, genegen, hem met karrevrachten, prima, van de beste qualiteit, gratis te leveren aan een ieder, die er maar naar vraagt, ja, nog mooier, aan wien er zelfs niet eens naar vraagt of er zelfs voor bedankt. Dat is. Goddank, dan toch één ding, waarmee de mensch vrijgevig is, ja, raadselachtig mild. Of hij het ook zoude wezen, indien men bij eiken te geven raad een kwartje, neen, laten we liever zeggen een cent, had bij te passen, dat zullen we maar in het midden laten. Dergelijke vragen zijn toch altijd hatelijk. Is het niet?
Eene gevallen vrouw! — Paul had zich eigenlijk onmiddellijk moeten afwenden van zulk een treurige figuur, het ontaarde schepsel, doorn is ons oog, voetwisch der maatschappij , pest van het land. Hij had haar dadelijk moeten haten en verfoeien, haar, die hem had bedrogen, die een onuitwischbare vlek had geworpen op hare eer; de vrouw, die men hoont en uitstoot, waarvoor het onschuldige, reine meisje, om wier maagdelijke slapen zich de aureool der kuischheid windt, de oogen nederslaat; bij wier verschijnen de mannen spottend lachen.
210
EEN MISSTAP.
Valt niet ieder grimmig op haar aan, gereed, om haar te steenigen, de vrouw , die zich aan een ander overgeeft, met een gehuwd man kan vluchten, vergetend, wat zij aan de waardigheid der vrouw verschuldigd is, eene andere den man ontroovend, die haar als echtgenoot naar het altaar voerde; die bet pad der deugd verliet, wier naam door vrienden en bekenden slechts met schaamte wordt genoemd, die als op haar voorhoofd overal het brandmerk met zich voert: gevallen, zinnelijk, eerloos?
Zijn duizenden tongen niet gereed met hun: ))Écrasez l\'infamequot;? Natuurlijk, tongen slechts van lieden, zeiven vlekkeloos als de pas gevallen sneeuw! Ge begrijpt, wij denken daarbij in het geheel niet aan die puriteinen, die er zoo innerlijk overtuigd van zijn, dat zij behooren tot de uitverkorenen , bedreven in de heilige schriften , immer in staat, wanneer en waar dan ook, met een harden tekst of zoo iets uwe argumenten dood te slaan. Deze zijn immers altijd onmiddellijk gereed, eene vallende de hand te reiken, te helpen, op te beuren, den mantel der vergetelheid te werpen over de zwakke zijden van de menschelijke natuur. Vooral in dit geval. Wel, leefde niet een Augustijn,-een Sint, een door de Katholieke Kerk , waartoe ook eenmaal zij behoorden , heilig verklaarde, voor eenigen tijd met een concubijn, eene schoone, die hij, dat is trouwens waar en dat is minder heiligenwerk, naderhand kortweg de deur weer wees, zonder met haar een wettig huwelijk aan te gaan, gelijk zulk een eersten vrome toch wel meer zou hebben betaamd? — Neen, neen, die menschen, die met zulk een grafstem tegen den ver-
241
EEN MISSTAP
toornde zoo deftig kunnen zeggen, komt het in hun kraam te pas: »Wie van u is zonder zonde?quot; etc., in de woorden van den beste, den grootste, den edelste der menschen; die welgezinde, goedgeaarde , vergevingsgezinde, altijd het beste willende lieden , die immer zoo fluweelzacht oordeelen over hunne rneclemenschen, worden niet onder die duizenden gerekend. O neen! Wij zijn er te diep van overtuigd, dat allen, die zich geloovige Christenen noemen. en corps gereed zouden zijn, Madeleine, het arme kind, te helpen en te troos.ten en zich een lijvigen traan uit het oog te pinken.
Maar die andere duizenden, welke op het punt van het geloof niet zoo vast in de schoenen staan en daar geen heel uit maken, hetwelk zeer te prijzen valt, indien men nu eens toch anders denkt, ))avoir le courage de son opinionquot; is zoo gemakkelijk niet — die andere duizenden, welke zoo spoedig immer gereedstaan, de gevallen vrouw op het bitterst te veroordeelen, laat hen , vooral in gevallen als deze, bedenken, wat zij doen; laten ook zij zich het aangehaalde schoone gezegde een beetje meer herinneren. Dat mag in de wereld nimmer kwaad.
Zie, wij verdedigen niet alles in het gedrag van Madeleine. Men wascht een Moriaan niet blank; een faux pas blijft een verkeerde stap voor den helderziende, al spant men al de middelen der rhetorica in het werk , om een anderen glimp eraan te geven; een gevallen vrouw is niet om te tooveren in een engel.
Maar denk aan hare twintig jaren; denk aan dien voor
212
EEN MISSTAP.
213
een jeugdig, schoon en levenslustig kind schijnbaar oneindig langen tijd van kwellingen, krenkingen en verdrietigheden, van terugzettingen en beleedigingen. Denk aan de hooggespannen hoop en verwachtingen, en het daarin verpletterend bedrogen worden. Aan den harden kamp, zich op te werken uit al het ellendige, armzalige van een drukkend leven, aan het bijna slagen, aan het grievende verongelukken — eene ware Tantalussmart. Uenk aan dien gouden droom der liefde, aan het zoo bitter daaruit ontwaken. Denk aan het jonge meisje, alleen staand, met de levensvreugd verdwenen, met de krachten ondermijnd, met niets dan ver-bii tering, twijfel, wanhoop in het hart. Denk aan de sophismen van die verleidelijke lokstem, welke haar een toekomst wisten voor te schilderen van rust, bevrediging, geluk, genot; die bare begrippen van de banden, welke ons binden in de maatschappij aan hetgeen maar al te gauw verachtelijk \'t conventioneele wordt genoemd, van de plicht, die ons gebiedt, om voort te schrijden op het moeielijke pad der deugd, van de eischen van het gevoel, van\'t menschelijk hart, eene richting wisten te geven, welke haar de dingen onder een anderen gezichtshoek leerde zien dan dien, waaronder wij, niet zoo geslagen , zoo beproefd , ontzenuwd , ze bekijken. Denk aan de verwarring, overspanning, verbluistering en verblinding , welke dat alles in het hoofd en het hart wel moest te voorschijn roepen. Denk aan .de reactie, die er volgt op alles, wat te ver gedreven wordt; de verslapping na den kamp; de vurige begeerte naar eene verandering, welke die ook zij, naar geluk, hoe dan ook verkregen, na een
EEN MISSTAP.
tijd van drukkend leed, van gedwongen onderworpenheid, van een verbijten van de ellende, welke aan de levenskrachten knaagt. Denk aan het verschil van aard, opvoeding en gedachten-gang, van kring en idealen , van eischen en begeerten tusschen u en anderen, en meet niet alles met dezelfde maat; beoordeel niet een ander naar uzelven; heb een open oog, een open oor; verplaats u in den toestand van den ongelukkige ; weeg het tegen en het voor; begrijp, dat zekere gegevens, al vallen ze ook niet binnen uwe eigene ervaring, tot resultaten leiden, die rampzalig zijn, maar geenszins onnatuurlijk, in alle opzichten onvergeeflijk, met niets dan hoon te overladen.
Arme Madeleine! Wie aan dat alles denkt, zal leeren, zoo iemand zachter te beoordeelen. De man, die het zich herinnert, zal zijn spotlust onderdrukken ; de vrouw, die het voor den geest heeft, zal haar niet van zich stooten als een wezen, welks tegenwoordigheid haar slechts besmet.
Arme Madeleine !
Ja, zoo sprak ook Paul, toen hij eindelijk was teruggekeerd in zijne kamer in het hotel en het gehoorde een mist weer voor zijn oogen riep. Ja, de tranen biggelden langs zijn gebruinde wangen; hij weende weer, dat zulk een schoon, bemind en eens zoo moedig meisje zóó gevallen was. Hij hield zoo oneindig veel van haar. O! hij snikte, wanneer hij aan haar lot, haar toestand , hare toekomst dacht.
En dan dacht hij aan het eigen geluk. Was het hem niet plotseling — en hoe ! — ontroofd voor het gansche leven ? Hij gevoelde bet: nooit zou hij weder iemand kunnen be-
214
EEN MISSTAP.
minnen, gelijk hij Madeleine had bemind. Hij was een krachtig man, doch het beleefde op dezen morgen sloeg hem toch terneer, alsof een doodelijke wonde het levensbloed rijkelijk uit zijne aderen deed stroomen.
Hoe weinig toch een mensch kan vertrouwen op het lot. — Ah , we weten het allen : »De menseh wiktquot;, etc. etc. — Wij weten het, hoe weinig staat wij kunnen maken op de verwerkelijking onzer vurigste verlangens. Maar toch altijd weeraan treft ons de bedrogen hoop als een wonde in het hart. Klagen moogt ge of zwijgen, het manmoedig dragen of kleingeestig, — de wonde is geslagen en ge gevoelt hare snijdende pijn. Dat redeneert geene philosophie u weg, geen optimisme, noch het pessimisme; vooral het laatste niet, met haren heros Schopenhauer aan het hoofd, die, prediker van de dooding van den menschelijken wil, met zijn leven het bewijs van het onmogelijke van het recept gaf. Ah! wie meent, dat het mogelijk is, redeneert als Johnson\'s Imlac, die zoo koel en wijsgeerig wist te praten ■over de menschelijke ellende, totdat zijne dochter stierf.
Tegen elven kwam Gebbel bij Madeleine. Hij vond haar in een toestand, welke in menig opzicht een weinig verkieselijke was voor iemand, die heeft af te reizen , — zenuwachtig, gejaagd, gedrukt en handelend, alsof zij niet recht begreep, wat men van haar verlangde , waartoe zij bad besloten, wat men wel ging doen.
En toch verlangde zij vurig te vertrekken, te vluchten, weg, weg van hier, zoover mogelijk weg van de plaats, waar elke herinnering voor haar eene smartelijke was, waar
215
EEN MISSTAP
Paul was, waar hij haar kon bespieden, waar zij; hare-oogen voor hem had neer te slaan. O! die gedachte, hoe-brandde ze haar; hoe joeg ze haar een rilling door de leden, den gloeienden blos der schaamte op de wangen, vertwijfeling in het hart — weg! In den vreemde, zich begravea in een wereld, waar niemand van hare schande, haar berouw , haar leed iets wist.
Gebbel\'s handelwijze was zeker oneindig minder te verontschuldigen. Hij was een man, was ouder, was gehuwd; Goddank bad hij geen kinderen. Maar waartoe de liefde, of liever de hartstocht voor eene vrouw een man niet kan leiden, het zal wel overbodig zijn , om daarover uit te wijden. In de zittingen der tegenwoordige hoven, met gesloten deuren, wordt er nog genoeg op dit gebied behandeld, waarvoor men met recht den neus ophaalt.
Gebbel troostte zich, hoewel niet zonder knaginge des. gewetens, dat zijn oppervlakkige vrouw, ofschoon zeer waarschijnlijk eerst wanhopig, zich betrekkelijk spoedig wel zou schikken in haar lot; met de weinige liefde, welke hij; nog voor haar gevoelde, niet ongenegen, haar den raad te-geven, dien Koningin Elizabeth eens zond aan eene moeder, treurende om haar verloren zoon: dat de tijd haar troosten zou, waarom het practisch was, genoemden tijd een handje-te hulp te komen, om zoo voor zichzelf een siertje vlugger uit te richten, wat anders langer aanhield. We zeiden; «weinige liefdequot;, neen! eigenlijk was al zijn toegenegenheid voor zijne Louise al lang verdampt en die bedroevende-oppervlakkigheid , hare weinige diepte van gevoel, alsmede
216
EEN MISSTAP.
eenige andere defecten van haar aard hadden ook reeds lang zijne achting voor haar gemaakt tot iets, behoorende tot het verleden.
Doch hoe het ook zij, Gehbel begreep heel wel, dat zijn handelwijze een vuile was. Evenwel, de moreele kracht bezat hij niet, om het pad te gaan, hem door den plicht gewezen. Hij verkoos llbvfér dat te volgen, hetwelk verleidelijk lokte, dat niets beloofde dan genot, geluk
Hij liet een brief aan zijne Louise achter, waarin hij haar mededeelde, dat het z. i. zoover gekomen was, dat zij onmogelijk gelukkig verder met elkander konden leven; dat hij begreep, dat zijn persoonlijkheid baar antipathisch moest geworden zijn; dat hij was vertrokken. Hij verzocht\' baat-om vergiffenis voor al het leed, dat hij haar ooit mocht hebben aangedaan, hem te vergeten, een nieuw leven te beginnen. Xatuurlijk, van eenige vertroosting, van veel gevoel was in den brief geen sprake — die zouden van zijn kant een beetje te dwaas toch zijn geweest. En, men begrijpt, hij deelde haar ook niet mede, dat hij niet alleen was afgereisd, — dat smartelijk feit zou haar gauw genoeg ter oore komen. Hij ging echter wel zoover, haar nog te melden, dat hij naar Weenen was vertrokken , met opgave zelfs van het hotel, waarheen hij dacht te gaan. En dit geschiedde niet zonder reden.
Gebbel begreep , dat na het gebeurde Louise, voornamelijk ook gedreven door haar ouders, menschen, met welke geen grappen vielen te maken en die hetn al lang met minder gunstige oogen hadden aangezien, — vooral mevrouw, die
217
EEN MISSTAP.
soms een neiging scheen te gevoelen, a la Xantippe op te treden, — echtscheiding zou gaan aanvragen. Dat was nu juist iets, waarnaar hij verlangde, reden, waarom hij in zijn hotel ter beschikking van elk en een iegelijk zoude zijn, om hem met de meeste voorkomendheid te dienen, indien men eenige inlichtingen of wat ook van hem zou mogen willen vragen, om dat bedrijf uer scheiding zoo spoedig mogelijk af te laten spelen. Dan was hij vrij. Dan kon hij Madeleine huwen — zijn vurigste verlangen.
Toen Gebbel en Madeleine nog niet lang vertrokken waren, een paar dagen op zijn hoogst, en er het een en ander zoo was uitgelekt, begon zich plotseling het nieuwtje van hun beider uitstapje naar het land der sleutseligen Oesterreicherquot; als loopend vuur door Annstad te verspreiden.
Natuurlijk hadden ook enkelen, en dit had al dadelijk rappe tongen in beweging gebracht, het tweetal in een zelfden coupé zien stappen; op klaarlicliten dag toch waren Ze afgereisd, ofschoon toen niemand nog vermoedde , dat dit een stuksken tragi-comedie was, waarover ieder stadgenoot na tweemaal vier en twintig uren zwart of vroolijk zoude kijken, al naar dat hij een meer of minder lymphatisch of sanguinisch temperament had.
Neen, ze waren niet als dieven afgereisd in het holste van den nacht; noch is het meer gewoonte, gelyk in eene opéra comique, bij dergelijke gelegenheden gebruik te maken van formidabele hoeden , almaviva\'s , dievenlantaarns en touwladders, voort te schrijden als moordenaars, te spreken met een bolle stem en met een dolk in de vuist geklemd.
218
EEN MISSTAP.
Neen, wij leven in de negentiende eeuw, den tijd van stoom en electriciteit, en terwijl voorheen hij en zjj en hunne belle passion , na de romantische ontvluchting in niet minder romantische vermomming, beschenen door het zilveren licht van Luna, in het middernachtelijk uur, zich in een rijtuig pakten, om de wijde wereld in te rennen, zij starend naar de maan, hij zich buigend uit het rij tuig venster met de tot den mond geladen donderbus, om eiken vervolger te mas-saereeren, gaat dat tegenwoordig altemaal wat meer prozaïsch in zijn werk.
Hij en zij nemen eene vigilante en laten zich sollen naar het station, waar men, al naar dat de middelen het per-mi tteeren, eene kaart voor de eerste of tweede neemt. Maar eens in den coupé, fiat! dan gaat het ook met stoom en is men in een ommezien uit den brand.
Nu is echter weer de telegraaf, helaas! veel vlugger dan de trein en mochten er dus zijn, die protest aanteekenen tegen het gezellig reisje, dan helpt geen dolk of donderbus, want overal zijn de mannen van het recht verwittigd van de komst der teedere gelieven; de arm der wrekende Nemesis achterhaalt ben, waar zij zich ook trachten te verbergen in de schaduw hunner vurige liefde , en de rechter van instructie begint mogelijk spoedig zijn interessant gesprek met den al te haastigen minnaar. Is dit nu echter niet het geval, laat de vrouw, wier reislustige ega het goedvindt, met eene andere de wijde wereld in te gaan , dien ex hartelap, oud-steunpilaar van den huiselijken haard, liever naar Moskou trekken dan naar Parijs, liever naar China dan naar België,
219
EEN MISSTAP.
dan gaat alles van een leien dakje en niemand keert de-koozende vluchtelingen in hunne vaart van, zegge, vijftig mijlen in het uur. Niet belanghebbenden zullen er geene seconde vroeger om opstaan, om het tweetal weer te vangen en weder op den goeden weg te brengen. Men lucht zich eens duchtig over hen en daarmee, basta!
Maar al waren noch Louise noch hare ouders genegen, Gebbel na te reizen of om hem na te telegrafeeren naar al de streken van het kompas, en lieten de waarde stad-genooten Madeleine trekken zonder zich te bekommeren om haar, — menigeen heimelijk verheugd, nieuws, boeiende pikante stof te hebben voor de gesprekken van de eerste negen dagen, — er waren er toch anderen, niet stadge-nooten, die geweldig werden verschrikt door de Jobstijding van haar overhaast vertrek.
Paul was als verplet toen bij ervan hoorde, en onmiddellijk, was hij op weg gegaan, om inlichtingen in te winnen. Hij bezocht Constant en zoo ook Césarine; hij nam Mevrouw Munro in het verhoor; bezocht ook Louise\'s ouders en als iemand, die de familie van het meisje zeer goed kende en zeer veel belang in deze stelde, stond men hem overal goed te woord. En hoe meer Paul op de hoogte van de zaken kwam, hoe meer hij Madeleine moest beklagen en begon te begrijpen, dat er toch veel waars steekt in het gezegde, dat alles weten en begrijpen alles vergeven is.
Juist dat maakte hem des te ongelukkiger.
Gesteld, Madeleine\'s karakter was niet dat geweest, voor hetwelk hij het had gehouden; gesteld, die jeugdige bloem.
220
EEN MISSTAP.
\'die hij hal beschouwd als een reine lelie, was slechts eene giftbloem geweest; gesteld, dat Madeleine allerhande fouten had, welke hij nimmer had bespeurd of die zij voor hem verborgen had getracht te honden ; dat zij niet de edele neigingen had, het liefderijke hart, het knische en vrouwelijke , welke hem in haar hadden aangetrokken, — dan was de slag nog niet zoo zwaar geweest; dan was hij toch het slachtoffer geweest van zelfbedrog, verblinding, louter dwaze en misplaatste liefde. En zich van iemand af te wenden, die bij slot van rekening zoo duidelijk hem liet blijken, dat zij het tegenovergestelde was van hetgeen hij dacht; die zijne liefde, zijne achting niet verdiende, — dat was zoo moeielijk niet.
Maar stap voor stap alles na te gaan, met ijver, zorg en alle krachtsinspanning, en te vinden, hoe meer men doordringt in het hart der zaken, dat de door zoo oneindig velen , welke dit niet deden, zoo hard veroordeelde langzaam , trapsgewijze gebracht is in een toestand, die het evenwicht der ziel verstoort, en gedreven is tot een zondig handelen door eene vreeselijke overspanning, door de verleidende taal van hem, die lang de eenige was, die haar behulpzaam was, haar vriendschap, liefde toonde, — dat te\' vinden en te overdenken, breekt het hart van den man, die eens de vrouw aanbad, van welke hij dit alles moet ervaren.
Ééns aanbad! ? — Paui wist voor eenigen tijd niet, wat hij moest denken van zichzelven. Kon hij, na hetgeen hij had gehoord, nog liefde gevoelen voor dat meisje, haar ïiog wenschen als zijne vrouw ? Of liever, juist na al wat
221
EEN MISSTAP.
hij had gehoord, moest hij haar nog niet liefhebben? Moest hij niet trachten, en onmiddellijk, haar af te brengen van de baan, waarop zij was geraakt? Was het mogelijk, dat hij ooit met dezelfde liefde aan eene andere denken kon? Moest hij niet vergeven?
Had hij nog den wil, de kracht, de genegenheid voor haar en... nog de achting, niettegenstaande het gebeurde,, nog te trachten, haar als zijne vrouw te winnen?
Waarlijk, het was een geduchte strijd, dien hij had te strijden. Het voor en tegen van een huwelijk thans, de vlek op Madeleine\'s naam, het oordeel van de wereld, zijn begrippen van betamelijkheid en eer, van wat hij eischte in zijne vrouw, het vele, dat het meisje had geleden, de vreeselijke gedachte, haar over te laten aan haar lot, het bracht hem alles in eene slingering, welke het leven hem zwaar deed drukken.
Hij tolegrapheerde aan Duppler en deze overkwam het bericht, dat zijne tegenwoordigheid ter wille zijner dochter onmiddellijk in Annstad werd vereischt, ofschoon hij zich zoolang niet aan haar had laten gelegen liggen, toch als. een donderslag.
Katharina was verplicht te huis te blijven. Het onverwacht bericht, hetwelk weinig goeds voorspelde, greep haar zoo aan, dat zij weer ziek was van migraine, en Henriette kon haar alleen in Horns niet achterlaten. Zij bleef dus ook te huis.
Duppler ging alzoo alleen en kwam ontsteld genoeg bij Lassen in het hotel de Kroon, want het was in zijn bin-
222
EEN MISSTAP.
nenste niet rustig, wanneer hij dacht aan de al te harde wijze, waarop hij steeds \'ijne dochter had behandeld.
Daar vernam hij alles en kon bedrukt erover philoso-pheeren , dat hij slechts gekomen was tot demping van den put, nu het kalf verdronken was.
Lassen, die genoeg al had vernomen, om te begrijpen, hoe Madeleine thuis behandeld was, ging Duppler alles behalve zacht te lijf en wist nog zooveel uit den ontstelden ouden man te halen, dat hij alle zijne vermoedens op dit punt bevestigd zag, iets, wat zijn medelijden met het meisje en zijn afkeer van den vader slechts vermeerderde.
Lang zaten Paul en Duppler te praten over de treurige gebeurtenis en wat men had te doen, waarbij Paul de gal soms overliep en hij papa zijn oordeel ongezouten zei, die, volstrekt niet op zijn mondje gevallen, toch deze maal niet was geneigd, zijn eigenaardige rhetorica, dat mengelmoes van practische levenswijsheid en grove ongevoeligheid, vrijen toom te laten.
Na dus zijn hart eens goed te hebben gelucht, — het was iets , waaraan hij behoefte had, terwijl het voor Duppler heilzaam was, dat men hem eens een paar harde pillen gaf te slikken, — deelde Paul aan den notaris zijne plannen mede, tot welke hij spoedig na het inwinnen zijner inlichtingen , gekomen was.
Paul was woedend op Samuel Gebbel. Had hij honderdmaal meer gedaan voor Madeleine, dan hij misschien voor haar had gedaan om haar steeds zijne vriendschap te betoenen , haar te verleiden tot zoo iets, als -waartoe hij haar
\'223
EEN MISSTAP.
eindelijk had gebracht, was en bleef onvergeeflijk. Wee hem, indien hij hem in handen kreeg!
Paul had besloten, het tweetal thans onmiddellijk na te reizen, om Madeleine te redden uit Gebbel\'s handen en deze persoonlijk eene kastijding toe te dienen, waarmee het leven wel eens gemoeid kon zijn.
Duppler was Paul dankbaar voor hetgeen hij voor zijne dochter wilde doen. Zelf niet hecht meer, begrijpend ook, dat hetgeen hier stond te doen, jeugdige krachten eischte, overtuigd, dat men de zaak aan geen betere handen konde overlaten, vertrok hij treurig weer naar bet noorden. Hij was niet zoo kras meer als voorheen, en wie weet, of hij zich niet spoedig had gedrongen gevoeld tot eene verzoening met zijne dochter, over welke hij reeds in de laatste tijden met mindere hardheid was aangevangen te denken, vooral ook daar Katharina hem was begonnen te kwellen met de bedreiging, dat, indien er geene verandering in de verhouding tot hunne Madeleine kwam, dit nog haar dood zou zijn.
Zoo maakte Paul zich dan gereed voor zijne reis, in eene stemming, waarin liefde en smart voor de arme Madeleine en kokende toorn en bittere wrok tegen Gebbel om de overhand met elkander streden. Naar Weenen dus! Jammer, dat hij ook zich het adres niet had laten opgeven van het hotel, waarheen zij waren gegaan. Wanneer het hoofd zoo overvol is, wordt zoo licht een schijnbare kleinigheid vergeten , die toch van het hoogste gewicht kan zijn.
224
EEN MISSTAP.
X.
Het was niet vóór den vierden dag na het vertrek van Madeleine en Gebbel, dat Paul Lassen, hoe ongeduldig ook, op reis kon gaan. Het niet onmiddellijk vernemen van hunne vlucht, het inwinnen zijner inlichtingen, het wachten op Johan Duppler hadden tijd doen verloren gaan. Doch eindelijk dan kon hij de treurige reis aanvaarden. Hij had rust noch duur; de trein scheen hem te kruipen ; elke, seconde was hem kostbaar. Hij zat zwijgend te midden zijner medereizigers , wier vroolijk babbelen hem onuitstaanbaar was. Geen schepsel richtte een woord tot hem, den man met het donkere gezicht, wiens somber gelaat en onafgebroken zwijgen de menschen van zich stootten. Wat wisten ze ook, wat er in hem omging; wat bekommerde dat hen, de vreemden , die er, voor een groot gedeelte, op uit waren, aan de schoone boorden van den Rijn, te midden van de trot-sche bergnatuur van een Tyrol, een Zwitserland, waar bruisend over den rotsgrond de beken langs de donkere dennen schieten, waar de wateren der diepe meren het beeld weerspiegelen der Alpenreuzen en de maagdelijke gletschers verblindend vonkelen in de zon, voor eenigen tijd de zorgen te vergeten van het leven, kracht te winnen aan den weel-derigen boezem der natuur, te genieten van het schoone, dat de rijke schepping hier met milde hand ons biedt. Zijne verschijning was gelijk een wanklank in een lied der vreugde; men deed zijn best, maar te vergeten, dat iemand met
V. I). LAAN, EEN MISSTAP. 15
225
EEN MISSTAP.
blijkbaar niets dan smart en verbittering in het hart zicb tusschen degenen had gedrongen, die op dit oogenblik: aan leed niet wilden denken, die over hunne dartele, opgewekt» stemming niet de schaduw wenschten te laten werpen van het lijden, dat toch reeds al te vaak op de loer ligt, om ons het leven te vergallen.
4.40 liep de trein het station te Keulen binnen, en nog juist had Paul den tijd, eene kaart voor Weenen te nemen; dan ging het weer verder zuidwaarts, een vermoeiende, lange reis, want hij was niet van plan te rusten, vóórdat hij in Oostenrijk\'s hoofdstad aangekomen was: Langs Bonn en Rohmdseck en Eemagen; langs schilderachtige ruïnen, om welker grijze, brokkelende muren het klimop, badend in het warme licht der middagzon, zijn bladeren-mantel weeft; langs heuvelen en bergen, op welker groene hellingen de woningen vreedzaam rusten, omkranst door het ruischend loover, de druiven rijpen, wier vurig sap ons den parelenden nectar schenkt; langs Coblenz, zich trotsch aan de hoorden van den veelbezongen Eijn verheffend, met Ehrenbreitstein, dreigend nederziende op het idyllisch landschap in het rond; langs de wilde rotsen, waar in den stillen nacht, als het maanlicht op de wiegende golven slaapt, de Loreley zich de gouden lokken kamt en over de wateren haar sirenen-zang weerklinkt; langs Bacha-rach, in welker straten de geest der middeleeuwen weder opdoemt voor het oog; langs Bingen, waar in het grijs verleden de ijzeren Eomein zijn zetel harl. Doch Paul was niet in staat, veel te genieten van het liefelijk panorama,
226
EEN MISSTAP.
zich hier ontvouwend aan het menschelijk oog. Hij zag met onverschilligen blik het eene schoone landschap na het andere zich ontrollen. Voor hem wierp tevergeefs het warme avondlicht zijn betooverend gouden waas over het verrukkelijk tooneel, waar zoo blijde hem alles tegenlachte en de levenschenkende adem der natuur het loover rijker prijken, de bloemen zoeter geuren , de winden zachter suizen deed; waar alle leven zich met meerderen gloed en glans scheen te ontplooien.
Neen! geene rust voor hem, vóórdat hij Madeleine aan dien man had ontrukt, bij het denken aan wien het bloed hem begon te koken. En hij zou hem straffen, bij God! hij zou hem straffen voor hetgeen hij had gedaan.
.Wel, Paul, ofschoon eens militair, lachte ook over het onzinnige van het duel. Wat wordt er uitgemaakt door een sabelhouw; wat bewijst het u, dat gij of wel uw tegenstander een kogel in de borst ontvangt? Indien immer de beleediger de lijdende partij in zulk een dollen strijd kon zijn, het duel ware eene soort van lynchen, en een soort van recht werd uitgeoefend, zij het op wederrechtelijke manier dan ook. Maar dit is geenszins het geval; hij, die de handigste sabreur is of begiftigd met het beste oog, de vastste hand, is overwinnaar in den kamp, en zoo dit nu de schuldige is, is de beleedigde er nog slimmer aan toe; \'t is duidelijk. Dit begrijpen, trouwens, de strijdenden ook goed genoeg. Maar zie, door al onze ontwikkeling, die tegenwoordig tot eene hoogte klimt, dat kinders nauwelijks in de broek er bijna al genoeg van hebben, arme stumpers,
227
EEN MISSTAP.
slaehtofifers der examenepidemie — door onze verfijnde civilisatie is liet dier nog geenszins in den menscli gedood. Er zijn gevallen, dat hij zijne zucht naar wraak niet kan temmen; dat hij met een vergeten van elk voorschrift van godsdienst of beschaving hunkert naar het bloed van zijnen evenmensch; dat hij man tegen man tegenover hem wil staan, wat ook de gevolgen mogen zijn.
In de lagere standen ranselt men elkander ombarmhartig af of begaat, indien de woede en wraakzucht al te hoog zijn geklommen, een moord, met het treurige gevolg, dat men een jaar of twintig ingerekend wordt.
In de hoogere legt men het anders aan. Dezelfde driften hier, maar getoond op een andere wijze. Elkander bij den kraag te vatten, is vulgair, een alledaagsche moord afschuwelijk. Evenwel, slagen moeten er vallen, bloed moet er stroomen, soms ook al in zoodanige quantiteit, dat er de dood op volgt.
Wat doet men nu? Men duelleert, liefst even over de grenzen, opdat het geval voor den overwinnaar geen treurige gevolgen hebbe.
Welnu, Paul, wat ook zijne gedachten over het duelleeren, was zóó verbitterd op Samuel Gebbel, dat hij, zoo mogelijk, zijn bloed wou zien , ja, hem dooden, in een duel. Wat Gebbel had gedaan, werkte in zijn bloed als gif, maakte hem een ander mensch — hij had nooit geweten, dat hij in staat kon zijn tot zulk eene zucht naar wraak. Maar Madeleine met dien man te weten, en als wat! en door welke schandelijke sophismen daartoe niet gebracht! doodde al het goede voor
228
EEN MISSTAP.
het oogenblik in hem. 0! hij had dien man kunnen martelen, zich kunnen verkwikken aan de wreedste pijniging, hem aangedaan, — hij dorstte naar zijn bloed.
Hij bleef niet in Mainz. Neen, dadelijk met den nachttrein weer vertrekken! geen rusten hier. Zoo ging het spoedig verder in den stillen nacht, waarin hij toch geen oog kon sluiten, langs Darmstadt, Aschaffenburg enWürzburg, naar het oude Neurenberg\'
Doch is het niet immer, of de drommel met ons speelt, wanneer we vliegende haast hebben ? Het was niet voor den anderen avond over negenen, dat hij de massieve, middel-eeuwsche vestingwerken van den ouden Hunnenburcht in het gezicht kreeg. Er was op zijne route een trein van de rails geworpen, hetwelk lang vertraging gaf.
In Neurenberg niet beter; immer wachten, wachten, tot zijn ergernis. Vereenigingen van allerlei aard, schuttersfeesten, de vloed touristen brachten alles in de war. De sneltrein uit Berlijn kwam aan, de expres Wien-Avricourt passeerde, ladingen reizigers werden door andere treinen aangevoerd — het was eerst tegen elven, dat op het perron, waarop hij ongeduldig stond te wachten, het sGibt Acht! G-\'bt Acht! d\'r Zug fahrt h\'nein! quot; eindelijk\' weerklonk en hij in den trein.naar Weenen konde stappen — een nachttrein weer.
Natuurlijk werd in Linz zijn koffertje geïnspecteerd met een nauwkeurigheid, alsof men hier te doen had met een welbekenden smokkelaar. De beambten knipoogden slim en veelbeteekenend tot elkander; zijne door slapeloosheid en
EEN MISSTAP.
slsiehtoffers der examenepidemie — door onze verfijnde civilisatie is het dier nog geenszins in den mensch gedood. Er zijn gevallen, dat hij zijne zucht naar wraak niet kan temmen; dat hij met een vergeten van elk voorschrift vim godsdienst of beschaving hunkert naar het bloed van zijnen evenmensch; dat hij man tegen man tegenover hem wil staan, wat ook de gevolgen mogen zijn.
In de lagere standen ranselt men elkander ombarmhartig af of begaat, indien de woede en wraakzucht al te hoog zijn geklommen, een moord, met het treurige gevolg, dat men een jaar of twintig ingerekend wordt.
In de hoogere legt men het anders aan. Dezelfde driften hier, maar getoond op een andere wijze. Elkander bij den kraag te vatten, is vulgair, een alledaagsche moord afschu-welyk. Evenwel, slagen moeten er vallen, bloed moet er stroomen, soms ook al in zoodanige quantiteit, dat er de dood op volgt.
Wat doet men nu? Men duelleert, liefst even over de grenzen, opdat het geval voor den overwinnaar geen treurige gevolgen hebbe.
Welnu, Paul, wat ook zijne gedachten over het duelleeren, was zóó verbitterd op Samuel Gebbel, dat hij, zoo mogelijk, zijn bloed wou zien, ja, hem dooden, in een duel. Wat Gebbel had gedaan, werkte in zijn bloed als gif, maakle hem een ander mensch — hij had nooit geweten, dat hij in staat kon zijn tot zulk eene zucht naar wraak. Maar Madeleine met dien man te weten, en als wat! en door welke schandelijke sophismen daartoe niet gebracht! doodde al het goede voor
228
EEN MISSTAP.
het oogenlilik in hem. O! hij had dien man kunnen martelen, zich kunnen verkwikken aan de wreedste pijniging, hem aangedaan, —- hij dorstte naar zijn bloed.
Hij bleef niet in Mainz. Neen, dadelijk met den nachttrein weer vertrekken! geen rusten hier. Zoo ging het spoedig-verder in den stillen nacht, waarin hij toch geen oog kon sluiten, langs Darmstadt, Aschaffenburg enWürzburg, naar het oude Neurenberg\'
quot;Doch is het niet immer, of de drommel met ons speelt, wanneer we vliegende haast hebben? Het was niet voorden anderen avond over negenen, dat hij de massieve, middel-eeuwsche vestingwerken van den ouden Hunnenburcht in het gezicht kreeg. Er was op zijne route een trein van de rails geworpen, hetwelk lang vertraging gaf.
In Neurenberg niet beter; immer wachten, wachten, toe zijn ergernis. Vereenigingen van allerlei aard, schuttersfeesten, de vloed touristen brachten alles in de war. De sneltrein uit Berlijn kwam aan, de expres Wien-Avricourt passeerde, ladingen reizigers werden door andere treinen aangevoerd — het was eerst tegen elven, dat op het perron, waarop hij ongeduldig stond te wachten, het »G-ibt Acht! G\'bt, Acht! d\'r Zug fahrt h\'nein!quot; eindelijk\' weerklonk en hij in den trein.naar Weenen konde stappen — een nachttrein weer.
Natuurlijk werd in Linz zijn koffertje geïnspecteerd met een nauwkeurigheid, alsof men hier te doen had met een welbekendeh smokkelaar. De beambten knipoogden slim en veelbeteekenend tot elkander; zijne door slapeloosheid en
EEN MISSTAP.
vermoeienis hol staande oogen en bleeke kleur, zijn somber uiterlijk maakten hem voor ben tot een verdachte persoonlijkheid , en mocht hij ook al brommen van snichts, gar nichtsquot;, men woelde slechts te ijveriger in zijne bagage om en hield hem driemaal langer dan eenig ander aan den praat.
Dan verder eindelijk weer, Goddank! totdat twaalf uur des middags, ruim een uur te laat, de expres den Kaiserin-Elisabelh-Westbahnhof binnen stoomde en Paul zich met eene fiacre naar het Hotel de France aan den Schotten-Ring kon laten brengen.
Hij was doodaf; hij had zoo goed als geen oog gesloten. sedert hij uit Annstad was gegaan, en het eenige, wat hem stond te doen, was, onmiddellijk eenige rust te nemen.
O! indien hij had geweten, dat niet ver van hem, ja, vlak bij hem, in de Neuthor Gasse, in het Hotel Barlsch, Madeleine en Gebbel hunne kamers hadden!
Maar thans was hij te uitgeput, op stap te gaan, om dadelijk in de verschillende hotels naar het tweetal onderzoek te doen. Morgen wou hij ook telegrapheeren om het adres.
\'t AVas avonds zeven uur, half acht, toen Lassen, wat verfrischt door het rusten en een goed diner, uit het Hotel de France ging, om, terwijl hij nog even aanliep bij de hotels, welke hij passeerde, en een Fremden-Blatt zocht meester te worden, nog wat te genieten van de zachte avondlucht, om kracht te scheppen voor den dag , die komen zou.
Hij liep, het hoofd steeds vol van de eene, alle andere
230
EEN MISSTAP.
verslindende gedachte aan Madeleine en Gebbel, door allerhande straten, totdat hij eindelijk over den Donau in de Leopoldstadt terechtkwam. Van de wonderen van den Bing, de schoonheid van de slanke, verrukkelijke St.-Stefans-Kirche, de vroolijke drukte langs den Donau genoot hij evenveel als een blinde en stokdoove.
Middellerwijl zaten Madeleine en Gebbel ia eene loge van het Opernhaus, waar die flochzeit des Figaro werd gegeven.
Gebbel deed al het mogelijke, Madeleine te interesseeren in de goddelijke compositie, maar noch de groote aria van Cherubin, het zoete, wonderschoone lied der ontwakende, reine, eerste liefde, der kuische opwelling van het zich nog slechts half bewust gevoel, dat het hart met weemoed en onuitsprekelijke vreugde valt, gezongen door een schoone jonge vrouw, met een kopje als dat van een werkelijken cherubijn , noch het duet van de comtesse en Suzanna, als ze den lieven page lachend onder handen namen, om hem in het pak te steken van een meisje, waren beden bij machte, opwekkend , verwarmend in het hart te dringen van de bleeke Madeleine, die doof scheen voor de liefelijke tonen, blind voor al de pracht van het tooneel, voor het bonte leven in de zaal.
Gebbel was zeer bezorgd om haar. Inderdaad, hij had haar lief; hij beminde haar met al den gloed, waartoe zijn hart in staat was, en hij leed, terwijl hij baar zoo stil j zoo deelnaamloos daar zitten zag.
De dagen, verloopen sedert dien, waarop zich Madeleine geheel aan hem had weg geschonken, waren treurig omgegaan. Geen glimlach had gespeeld om Madeleine\'s lippen ; geene
231
EEN MISSTAP.
enkele maal hadden haav donkere oogen gevlamd met. het oude vuur. Zij was zoo bleek, zoo stil geworden — Waar of ze immer toch aan dacht? de lange wimpers neergeslagen , de handen soms gevouwen in den schoot, alsof ze bad, met zuchten, haar afgeperst door die gedachten, pijnigende beelden, die Gebbel, zelf daardoor niet minder lijdend, tevergeefs trachtte heen te drijven.
Ze liet hem zoo lijdelijk met haar doen, wat hij verkoos^ Ze hoorde zoo dikwijls naar zijn vriendelijke, liefderijke woorden, naar de innige gezegden, door hem haar toegefluisterd , naar den smachtend haar in het oor gelispten, wensch, dat zij spoedig zijn geliefde vrouw mocht zijn, —-met zulk een blik, alsof ze hem niet verstond, dat hij voor haar begon te vreezen, dat de angst hem kwelde, dat zij, ziek, zeer ziek was of het spoedig zoude zijn.
Hij deed alles, om haar af te leiden, de zwaarmoedigheid te verdrijven, welke alles voor haar in een grijzen nevel hulde, dien dartelen levenslust te prikkelen, welke eens, toen hij haar leerde kennen, zich afspiegelde op het schoon gelaat. Wat had hij niet willen geven, indien hij weer dien hellen, vroolijken lach gehoord had, die eens zoo zilverhekler klonk, zoo schalks uit hare oogen sprak en zulk een tintelend leven schonk aan het gezicht, terwijl de zachte wang zich hooger kleurde.
Hij had haar heden meegenomen naar het Opernhaus in de hoop , dat alles hier haar wat op mocht beuren, al had hij ook zelf, bezorgd gelijk hij was om haar, niet den minsten trek,, om uit te gaan.
232
EEN MISSTAP.
De voorstelling was evenwel nog lang niet afgeloopen, toen Madeleine wenschte heen te gaan. Het werd haar te benauwd in de volle zaal; de tegenwoordigheid van die menschen, allen zoo vroolijk, opgewekt, was haar een kwelling , het lustige, koddige leven op het tooneel deed haar thans pijn.
Zij gingen en wandelden op haar verzoek door de thans rustiger straten en langs de Franz Jozefs Quai.
Zij spraken weinig en liepen langzaam in gedachten verder, om een oogenblik stil te blijven staan op de Augarten-Brücke en den Donau af te zien, in wiens snel voortschietende wateren de honderden lichten van de kaaien aan de kanten zich weerspiegelden.
Dan gingen zij weder zwijgend verder.
Duch zie, zij hadden geen twee pas zich nog bewogen van het midden van de brug, als Gebbel plotseling dreigend iemand tegenover zich zag staan.
Hij schrikte terug, Madeleine steunend, die, sprakeloos, ontzet, bij het zien van den man, die daar zoo onverwachts als uit den grond voor hen verrees, op het punt stond neer te zijgen.
Het was Paul Lassen, die zich uit de Leopoldstadt over de Augarten Brncke naar de binnenstad terugbegaf.
Ook Paul stond door de plotselinge, onverwachte ontmoeting een oogenblik verstomd.
Dan vlamde het op in zijne wangen; dan schoot een wild vuur in zijne oogen: dan» was hij op het punt, zichzelven niet meer meester, zich te storten op den man, voor hem
EEN MISSTAP.
zwarter dan de zwartste schurk, den verleider, den bedrieger , om hem weg te rukken van het wankelende meisje aan zijne zij, toen plotseling Madeleine, al hare krachten samenrapend, gedreven door een onweerstaanhre vlaag van wanhoop, van schaamte en berouw, van walging van het leven, zich met een doffen kreet over de leuning stortte van de brug en in de grijs grauwe wateren van de voortjagende rivier verdween.
Geen der mannen dacht een seconde meer aan den ander.
Gebbel had zich in een oogenblik ook in den donkeren stroom gestort en Paul stond als versteend, met handen. welks zich krampachtig om de leuning knelden, met beenen, die onder hem dreigden weg te zinken, met een hoofd, welks onsamenhangende gedachten wild door elkander dwarrelden , met oogen, die star, strak, bewegingloos naar het bruisend water staarden.
Voor iemand in zijn toestand was het een oogenblik, genoeg om het haar te doen vergrijzen , om den opgewektsten mensch voor immer te berooven van allen levenslust, eene beproeving, waarna men nooit dezelfde weer kan zijn.
Hij was verplet, vernietigd, machteloos. Hij kon niets doen, niet helpen — hij kon niet zwemmen. Voor hem de ondraaglijke rol, daar werkeloos te blijven, om toe te zien, zonder eene hand uit te kunnen steken, terwijl zij, die hij was komen redden, het meisje, wier bezit voor hem alle aardsch geluk vertegenwoordigde , wier louter zien hem eiken misstap deed vergeten, werd voortgesleurd door de troebele, wilde baren en hij, aan wiens hand haar te ontrukken hij
234
EEN MISSTAP,
gekomen was en dien hij had willen dooden, met de golven kampte en zijn leven in de waagschaal wierp, om de woest voortgesleepte Madeleine te redden van een akeligen dood.
Eindelijk kon hij zich bewegen en waggelde langs de Franz Josefs Quai in de richting van de Carls Bri\'wke, terwijl de toegeschoten menschen zich voorbij hem haastten, joelend , schreeuwend, allen naar het water dringend, de een met dit, de ander weer met dat gewapend, terwijl hij niet de kracht bezat, om stok of haak of touw aan iemand te ontrukken tot het hulp verleenen, indien dat mogelijk mocht zijn.
Het lichaam van Madeleine schoot onder de Carls-Brug door, achter haar dat van Gebbel, die, een krachtig zwemmer en geholpen door den stroom, haar bijna had bereikt en niet uit het oog verloor.
Aan de andere zijde van de brug was de bateau-mouche tegenover het Diana-bad reeds losgemoerd en stoomde de door de golven meegesleepte in een oogenblik op zij.
Het gelukte Gebbel eindelijk, met een laatste inspanning zijner krachten Madeleine vast te grijpen, het koord te vatten, dat van de boot hem toegeworpen werd , en hij en Madeleine werden onmiddellijk door de krachtige armen van de scheepslui binnenboots gehaald.
De boot stoomde terug naar haar steiger onder de toejuichingen van de menigte en de bewustelooze Madeleine werd dadelijk binnengebracht in het Hotel Kaiser Franz, aan de rivier.
Gebbel was in een oogenblik in een ander pak, een van ■den hotelier, en weer bij Madeleine, die in eene achter-
235
EEN MISSTAP.
kamer onder handen van een dokter was. Doch als hij binnen was geslopen en eindelijk Lassen ook was gekomen, had Madeleine nog slechts eene enkele maal de oogen opgeslagen, zonder een geluid te niten, om ze terstond te sluiten weer.
\'t Was niet alleen het water, mompelde de dokter, treurig liet hoofd schuddend. Het meisje had een sterk gestel, en indien haar dit ware overkomen onder gewone omstandigheden, zou het zoo erg niet zijn geweest. Maar haar physiek, \'t was hem gebleken, was door andere dingen reeds te zeer geschokt, en wat die waren, dat zouden de heeren zeker beter weten dan hij, de vreemdeling.
Gebbel en Lassen, de twee doodsvijanden , die nog slechts een oogenblik geleden zoo dreigend tegenover elkander hadden gestaan, stonden zwijgend \'hans met gebogen hoofd, gebukt door smart en vrees, met stille, vurige gebeden op de stomme lippen, bij het arme meisje, hetwelk de dokter al het mogelijke deed, weer in het leven terug te roepen.
Evenwel, hij schudde weer het hoofd. De kunst vermocht hier niets. De draad van dit jeugdig leven was gebroken, meende hij.
Eindelijk echter sloeg Madeleine toch de oogen weder op, wat langer.
Zij herkende Gebbel en haar oog zocht het zijne. Gebbel boog zich over haar. O! hoe bitter op zijne tong de woorden zoo vol liefde, de laatste woorden, welke hij haar nog toe kon fluisteren. Zijne oogen brandden; weenen kon hij niet.
Dan drong Paul hem zacht op zijde. De sterke man, hij
236
EEN MISSTAP.
beefde; de lieete tranen biggelden over zijne wangen; hij was niet bij machte, een woord te spreken.
En dat was ook niet noodig; daartoe was ook geen tijd; het was zijn blik, die voor hem sprak. Madeleine herkende hem, en in het brekend oog verscheen de laatste, Zwakke glimlach, dat hij haar niet vergeten had, dat hij haar was gevolgd, dat hij haar nog beminde, dat hij haar had vergeven , en de laatste krachten van het schoone lichaam, dat aanstonds dat eener doode zoude zijn, waren in den zachten , hijna onmerkbren druk der hand, dien Paul gevoelde op de zijne, als hij den laatsten kus op hare lippen drukte en het oog van Madeleine zich voor eeuwig sloot.
O! het was te veel; de beide mannen stonden als geknakt. Ook Samuel Gebbel vond eindelijk tranen, als hij het bleek gelaat zoo stil, zoo kalm , zoo rustig, maar met dien lieven mond voor immer toe, met dat sprekend, stralend, liefderijk oog gesloten in den nacht des doods, onbeweeglijk, levenloos, op het kussen liggen zag, en beide mannen weenden bittere tranen.
Wat dacht thans Paul aan zijne zucht naar wraak, zijn recht, zich te wreken op den man, die hem zijn dierbaarst had ontroofd, die zijn geluk vernietigd had, die mede zelfs de hoofdoorzaak van Madeleine\'s vreeselijk einde was.
O! bij een lijk, wanneer de poorten van de eeuwigheid zich openen en sluiten, om een dierbeminde, o! begrijpt ge het? verstaat ge het? voor eeuwig! te ontrukken aan ons sfeer, wanneer geen bloeden van ons hart, geen snijdende jammerklacht, geen bittere wanhoopskreet
237
EEN MISSTAP.
ons baat; wanneer hij of zij, die zoo even nog in onze oogen zag met een blik van oneindige liefde, die zoo even nog met eene hand, waarin warm het levensbloed nog stroomde, de onze teeder drukte, daar neerligt in den slaap, waaruit hier beneden geen ontwaken is, — dan worden in ons oog de menschelijke driften, hartstochten, zoo nietig, zoo verachtelijk. Dan gevoelen we ons zoo klein, zoo zwak, zoo hulpbehoevend; dan wordt het ons zoo duidelijk, dat ons korte leven slechts gelijk een seconde inden stroom der eeuwen is, de menscli een vergankelijk stofje in het heelal, zijn bestaan gelijk een droom, zjjn handelen zoo ijdel meestentijds, geketend, als hij is, aan het stoffelijke , slechts denkend aan het kortstondig heden, zoo weinig aan het groot mysterie van de rol, voor hem eens weggelegd, wanneer het graf zich over zijn gebeente sluit.
2ich wreken! ? — De gedachte bij het lijk van het schoon, aangebeden meisje, dat voor hem den laatsten glimlach, den laatsten handdruk had gehad, vóórdat zich haar geest verhief en opwaarts zweefde, om te verschijnen voor Gods troon, scheen hem eene zonde, een gruwel. Kon zij, die tot de engelen was vergaderd, — en gelooft ge niet, dat zij het was ? — kon zijn met welgevallen nederzien op eene daad van wraak, waartoe ons slechts de hartstocht drijft en die geene zonde uitwischt?
Zich wreken? — Neen! Dat was voorbij. En had ook niet die man, wat ook het verkeerde van zijn handelwijze, Madeleine innig liefgehad? En had hij niet zijn leven voor
\'238
EEN MISSTAP.
haar veil? Kon hij dan zelf wel ooit zijne liefde krachtiger hebben getoond?
Ja, hij haatte hem nog; hij verafschuwde Samuel Gebbel. Hij was een mensch. Maar de noodelooze wraak, de gedachte aan deze was er eene, welke hij thans de kracht bezat, van zich te stooten.
Aan Gebbel\'s zijde droeg hij, twee dagen later , de beminde afgestorvene ten grave, waarop zij scheidden zonder een enkel woord.
Niet waar? zij handelde verkeerd, ja zeer verkeerd! — Toch zij uw oordeel zacht.
Zie, thans wandelt ge met opgerichten hoofde, blikt open in het rond. Maar voor de toekomst hangt een dichte nevel en het raadsel van hetgeen zij eens ons brengen zal, is een mysterie, hetwelk geen menschelijk oog doorgrondt. Zoo menigeen, die fier daarhenen schreed, had later \'t hoofd te buigen, terwijl de wimpers zonken over den eens zoo vrijen blik, de blos der schaamte zijne wangen kleurde •t gekomen was, te smeeken: «Oordeel zacht...
239