Moltzer 3
c
52
De tyd en heeft noyt weghgenomen
H. E, MOLTZER Cx [ibris.
uaajjaAO nfiz Xz ^ep-EU
BIBLIOTHEEK
VAN
Nederlandsche Klassieken,
TEN DIENSTE VAN HET ONDERWIJS EN VAN ALLE BELANGSTELLENDEN IN ONZE LETTEREN,
DOOR
Leeraar in de Nederl. taal en letterkunde aan de H. B. S. te Arnhem.
1885.
M 4.
J. V. VONDEL\'S
LUCIFER.
J. V. VONDELS
LUCIFER.
TREURSPEL.
Fraecipitemqv.e immani turbine adegit. (Hij deed hem nederploffen in een ontzaglijken dwarrelwind).
Vikg. Aen. II 694.
T\' AMSTERDAM,
Voor Abraham de Wees, Boeckverkooper op den Middeldam, in \'t Nieuwe Testament, in \'t jaer 1654.
quot;V erbetering\'.
Op bldz. 95 reg. 19 leze men in de aanteekening op schier omzien enz.; weldra in plaats van hijna.
DEN ONVEilWINNELYCKSTEN
VOKST ElSr HEEKE,
DEN HEERE
FERDINANDUS DEN DERDEN,
GEKOREN
KOOMSCHEN KEIZER,
ALTÏT VERMEERDER DES RYCKS,
Gelyck de Goddelycke Majesteit in een ongenaeckbaer licht gezeten is; zoo zit oock de weereltsche Mogentheit, die haer licht uit Godt schept, en de Godtheit afbeelt, in haren glans verheer-lyckt: maer gelyck de Godtheit, of liever opperste Goetheit, den allerminsten en ootmoedigen, met den toegangk \') tot haren troon, begenadight; zoo gewaerdight de tydelycke Mogentheit oock den allerkleensten, dat hy zich eerbiedigh voor hare voeten vernedere. Op deze hoop verstout zich myne Zanggodin, van verre, aen uwe Keizerlycke Majesteit op te offeren 1) dit treurspel van Lucifer, wiens styl wel ryckelyck de deftigheit en statigheit vereischt, waer van de Poëet spreekt:
Omne genus scripli gravitate Tragoedia vincit;
Hoe hoogh men drave in styl, en toon.
Het Treurspel spant alleen de kroon:
Doch wat aen de vereischte hooghdraventheit des styls ont-breeckt, dat zal de looneelstof, titel, en naem, en doorluchtig-heit des persoons vergoeden, die hier, ten spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigeo, zyn treurtooneel, den Hemel bekleet; waer uit hy, die zich vermat aen Godts zyde te ziten, en Gode gelyck te worden, verstooten, en rechtvaerdighlyck ter eeuwige duisternisse verdoemt wert. Op dit rampzalige voorbeelt van Lucifer, den Aertsengel, en eerst heerlycksten boven alle Engelen, volgh-den sedert, bykans alle eeuwen door, de wederspannige gewelde-naers, waer van oude en jonge historiën getuigen, en toonen hoe gewelt, doortraptheit, en listige aenslagen der ongereehtigen, met
1
\'t Franache qffrir.
II
glimp en schyn van wettigheit vermomt \'), ydel en krachteloos zyn, zoo lang Godts Voorzienigheit de geheilighde Maghten en Stammen hanthaeft, tot rust en veiligheit van allerhande Staten, die, zonder een wettigh Opperhooft, in geene burgerlyeke gemeenschap kunnen bestaen; waerom Godts Orakel zelf, den menschelycken geslachte ten beste, deze Mogentheit, als zyn eigen1), in eenen adem, bevestight, gebiedende Gode en den Keizer elck hun recht te geven. Christenryek doorgaends, gelyck een schip in de wilde zee, aen alle kanten, en tegenwoordigh van Turck en Tarter, bestormt, en in noot van schipbreueke, vereischt ten hooghste deze eendraghtige eerbiedigheit tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvyant des Christen naems te stuiten, en den Kycksbodem en zyae grenzen. tegens den inbreuck der woeste volcken, te veiligen, en te stercken; waerom Godt te dancken is, dat het hem beliefde \'t Gezagh en de Kroon des H. Eoomsehen Eycks, vóór \'s Vaders overlijden op den jongsten Eycksdagh, in den Zone teedinandus den Vierden, te verzekeren; een zegen, waerop zoo vele volcken moedt dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hooghduitschlant, den overwonnen Lucifer, in Michaëls triomf-staetsi ommevoert.
ÜWE KEIZEKLyCKE MAJESTEITS
allerootmoedighête dienaar J. V. VONDEL.
1
de Grieken, en zie verder deze Bibliotheek III, bldz. r- 6 reg. 18. 2 Als zyn eigen; zoowel als zijn eigen-, „waarom Gods orakel zelf, tot heil van het menschelijk geslacht, zoowel deze .Vacht als Zijne eigene verzekert.quot;
OP DE AFBEEIDINGE
VAN
KEISEKLYCKE MAJESTEIT,
FERDINANDUS den DERDEN
toen JoacJiimus Sandrart V van Stockou, my, uit TFeenen in Oostenryck, Zyn Majesteit» afbeeldinge, met Jtaer loof-xoerck en der aden, vereerde.
Deus nob us haec otia fecit. (God schonk ons deze rust.)
De Zon van Oostenryck verheft haer schoone stralen , Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elx oogh, Dewylze, in haren troon gestegen hemelhoogh,
Zich niet ontziet zoo laegh op ons gezicht te dalen.
De derde Ferdinand, geschapen tot regeeren,
Geljck een tweede August, en vader van de pais, Zyn Zoon de heirbaan wyst, naer \'t hemelsche palais. En leert met wapenen van Vrede triomfeeren.
Gezegent is het Eyck, gezegent zyn de volcken,
Daer zyn voorzienigheit genadigh \'t oogh op houdt, En hem de Weegschael wort van \'t heiligh Eecht betrout.
Een Arent broght zyn zwaert en scepter uit de woleken-Een kroon verciert het hooft, ter heerachappy gewyt: Dit hooft verciert de Kroon en schept een\' gulden tyt.
1 Sax dramt ; schilder en biograaf, geboren in 1606 te Frankfort aan den Main, en gestorven in 1688.
BEEECHT
AEN ALLE
RUNSTGEIVOOTEIV,
EN
BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN.
Hier wort u, om uwen kuDstijver weder t\' outsteecken, en uwen geest teffens te stichten en te verquicken, het heiligh ireurtooneel, dat den Hemel afbeelt, opgeschoven1). De groote Aertsengelen, Lucifer en Michael, elck met hunne aenhangelingen van wederzijde gesterckt, komen de stellaedje stofleeren, en hun rollen spelen. Het tooneel en de personaedjen zijn zeker zoodanigh, dat ze eenen heerlijcker stijl vereischen, eu hooger laerzen2) dan ick haer weet aen te trecken. Niemant, die de spraeck van d\'on-feilbaere orakelen des goddelijcken Geests verstaet, zal oordeelen dat wy een gedichtsel van Salmoneus bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metaele brugh, Jupijn braveerende, en met een brandende fackel den blixcm en donder nabootsende, van den donder geslagen wert: nochte wy vernieuwen hier geen grijze fabel van den Eeuzenstriit, oiider wiens schorsse de Poëzy hare toehoorders reuckelooze3) vcrwaentheit, en godtlooze kerckschende-ryen zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; name-lyck, dat lucht en winden, in den hollen buick en het zwavelachtige ingewant der aerde beslooten, by wijlen ademtoght zoeckende, met ghewelt van geborste steenrotsen, smoock, ea roock, en vlammen, en aerdtbevingen, en schrickelyck geluit, uitbersten, en, hemelhoogh opgestegen, in het neerstorten, den gront van lant en zee met assche .en steenen bestulpen 4) en ophoopen. Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aertsengels, en zynen
1
Opgeschoven; opengeschoven, zooala vroeger de „tooneelgordijnenquot; gedaan
2
werden. 2 Hoogee laerzen; hooger, verhevener toon-, het beeld is ontleend aan de gewoonte der Grieksche vertooners van het treurspel om „hooge brozenquot;
3
te dragen. 3 Reuckelooze; onbesuisd\\ eigenlijk onnadenkend, maar in zeer on-
4
gunstigen zin. 4 Bestulpen ; met een stulp = deksol bedekken: bedekken in \'t algemeen, ook verhinderengt; tegenhouden. Men vergelijke ona stelpen en \'t Hgd. stulpen.
V
aenhang, Izaïas en Ezechiël; by den Euangelist, Christus, het allerwaerachtighste orakel, ons met eece stem uit den hemel bevolen te hooren; en endelyck Judas Thaddeus, zyn getrouwe Apostel; welker spreuken waerdigh zyn in eeuwigh diamant, en waerdiger in onze harten geprint te worden. Izaias roept: O Lucifer , die vroegh opgingf,, hue zythge ter aerde geploft ? die de volcken quetsle, in uw harte spraecht: lek wil in den hemel sty gen, mynen stoel loven Godts gestarnte verheffen, op den bergh des ver-bondlt aen de noortzyde zitten. Ick wil loven de hooge woleken steigeren, den Allerhooghsten gelyck worden: maer ghy zult ter helle toe, in den \'poel des afgronts, vernedert worden. Godt spreeckt door Ezechiël aldus: Ghy zyt een uitgedruckte gelyckenis, vol rcysheit, en volkomen schoon. Ghy waert, in de weelde van Gadis paradyt, bekleet met allerhande kostelijcke steenen, sardis, en topazen, en jaspis, en chrizoliten, en onix, en leril, en karbonkel, en smaragden: gout was uw cieraet. Op den dagh uwer scheppinge waren uwe schalmeien^) vaerdigh\'1). Ghy breide u uit, gelyck een beschaduwende Cherubyn, en ick zette u op Godts bergh. Ghy wandelde midden onder de blakende steenen. Ghy waert volschapen in uwen tredt, van den dage uwer scheppinge aen, tot dat men u op loosheit betrapte. Beide deze spreueken zyn, naer den letterlycken zin , d\'een quot;.an den Koning van Babiion, d\' ander van den Koning van Tyrus te verstaen, die, by Lucifer, in hunne heerlyckheit en hooghmoet, gelecken 3), bestraft, en gedreight worden. Jesus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen Lucifer, daer hy zeght: lek zagh den Satan, gelyck eenen llixem, uit den hemel vallen: en Thaddeus ontvout den afval der Engelen, en hun mi9daet,ende straf daer op gevolght, zonder eenige bewimpelinge, beknopt op deze wyze: Doch hy heeft de Engelen, die hunne hoogheii niet bewaerden, matr hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van duisternisse, tegens het oordeel des grooten Godts bewaert.
Wy stuiten dan met deze goude spreueken, en inzonderheit met Judas Thaddeus, leerling en afgezant des hemelschen Leeraers, en Konings aller Koningen, geljck op eenen diamanten schilt, alle de pylen der ongeloovigen, die de zekerheit van der Geesten afval zouden durven in twyfel trekken. Behalve dit onderstut ons ten overvloet doorgaends d\' eendraghtige en eerwaerdighste aelout-heit der godtvruchtige Outvaderen, die in den gront dezer ge-sehiedenisse overeenstemmen: doch om de Kunstgenooten niet op
1
Schalmei; rieten pijp-, \'t Fr. chalumeau. 2 Vaeedigh; in werking. 8 Gk-
VI
te houden, zullen we ons met drie plaetsen genoegen; d\' eerste getrocken uit den heiligen Cvptiaen, Bisschop en Martelaer te Karthago, daer hy schryft: IIy, die te vore door een Engelsche Majesteit ondersteunt, Gode aengenaem en waert teas, borst, toen hy den mensch naer Godts heelt geschapen zagh, door eenen hoosaerdigen naeryver uit, hem door ingeven van dien naeryver niet eer ten val brengende, voor dat hy zelf door dien naeryver ter neer gestort lagh, gevangen eer hy ving, bedorven was eer hy hem hedorf; teruiyl hy, van Nydigheil aengeprickelt, den mensche van de genade der onsterfe-lyckheit, hem geschoncken, beroofde, en zelf oock verloor het gene hy te voren hadde. De groote Gregorius bestelt ons de tweede spreuek: Bees afvallige Engel, geschapen om hoven d\' andere rege-menten der Engelen uit te blinden, is door zyn hoovaerdy zulx ter neder gestort, dat hy nu de heerschappye der stantvastige \') Engelen onderworpen blgft. Het derde en lette bewys scheppen wy uit de predikatiën van den honighvloeienden Bernardus1): Schuwt de hoovaerdy: ick hidde u schuwt ze toch. oirsprong van alle overtredinge is hoovaerdy, die Lucifer zelf, klaerder dan alle starren vitblinckende, met een eeuwige duisternisse heeft verdonckert. Zy heeft niet alleen eenen Engel, maer den oppersten van alle Engelen in eenen Duivel verandert. De Hoovaerdy en Nydigheit, twee oirzaecken of aanstokers van dezen afgrysselycken brant van twee Iraght en oorloge hebben wy uitgedruckt, onder het gespan van twee bestarnde dieren, den Leeuw, en den Draeck, die voor Lucifers oorlogswagen gespannen, hem tegens Godt en Michaël aenvoeren; aangezien deze dieren twee zinnebeelden van deze hooftgebreken verstrecken: want de Leeuw, der dieren Koning, gemoedight door zyne krachten, acht uit verwaentheit niemant boven zich zeiven; en de Nydigheit quest met hare tong den benyden van verre, gelyck de Draeck, met het schieten van zyn vergift, zynen vyant van verre quetst. Sint Aogustyn, deze twee hooftgebreken Lucifer toeeigenende, maelt ons den aert der zelve levendigh af, en zeit, dat de Hoovaerdy is een liefde tot zyn eige grootsheit; maer de Nydigheit een haetster van eens anders geluck; waer uil klaer genoegh blyckt wat hier uit geboren wort: want een iegelyck, zeit hy, die zyn eige grootsheit bemint, benyt zyns gelycken, naerdienze met hem gelyckstaen; of benyt zynen minder, op dat die hem niet gelyck werde; of die grooter zyn dan hy, om datze boven hem staen.
1
nardus, die in de 12de eeuw leefde en o. a. beroemd was door zijn welsprekendheid.
VII
Nu dewyl de dieren zelf van verdoemde Geesten misbruickt en bezeten worden, gelyck in den aenvang de Paradysslang, en in de heileeuwe de zwynskudden, die met een groot gedruis in zee stortten, en dewyl de gestarnten aen den hemel zelfs by dieren afgetekent, oock by de Profeten gedacht worden; gelyck de Pleiades of Zevecstar, en Arcturus, Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weeligheit en leerzaemheit der tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige Geesten zich op ons tooncel hier mede wapenen, en venveeren: want den helschen gedroghten niets eigener is dan slimma treken, en het misbruick der schepselen, en elementen, tot afbreuk van d\'eere en naem des Allerhoogsten, zoo verre hy dit gehengt\'J, Sint Jan, in zyne Openbaringe, beelt de hemelsche geheimenissen, en den stryt in den hemel, door den Draeck uit, wiens staert nasleepte het derde deel der starren, by de Godtge-leerden op d\'afvallige Engelen geduit; w aerom men in Poëzye de gebloemde wyze van spreken niet al te neuswys behoort te ziften, nochte naer de sclierpzinmgheit der schoollessen te regelen. Oock moeten wy onderscheiden de tweederbande personaedjen, die dit tooneel betreden, namelyck quaetwillige en goede Engelen, die een ieder hun eige rol speelen; gelyck Cicero en de voeghelyck-heit zelf ons elcke personaedje, naer heuren staet en aert, leeren uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wy geensins dat heilige stof den tooneeldichter nauwer verbint, en intoomt dan weereltsche historiën, of Heidensche verziersels \'1); onaengezien d\' oude en be-faemde hantvest der Poëzye, by Horatius Flakkus, in zyne Dicht-kunste, met deze vaerzen uitgedruckt:
Be Schilder en Foëel ontfingen heide een maght
Van alles ie bestaen wat elck zich dienstigJi acht.
Doch hier dient inzonderheit aengetekent hoe wy , om den naer-yver der hooghmoedige en nydige Geesten te heftiger \'t ontsteken, den Engelen de geheimenis van het toekomende menschworden des Woorts, door den Aertsëngel Gabriël, Gezant en Geheimenistolck der Godtheit, eenighzins ontdecken; bier in (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der meesten, maer zommiger Godt-geleerden, naerdien dit ons treurtafereel ryeker stof en luister byzet; zocder dat wy evenwel, in dit punt, noch in andere omstandigheden van oirzaken, tyt, plaetse, en wyze, (waer van wy
1
een roal), hem zijn gang laten gaan dus. 2 Vekziersels; verzinsels, verdichtsels.
vm
ons dienden, om dit Treurspel krachtiger, heerlycker, gevoeghe-lycker en leerzamer uit te voeren); de rechtzinnige waerheit op-zettelyck willen in het licht staen, of iet, naer ons eige vonden, en goetduncken. vast stellen. Sint Pauwels, Godts geheimenis-schryver aen de Hebreen verheft zelf, benydenswacrdigh genoegh, tot afbreuck van het Eyck der logenen en verleidende Geesten, de heerlyckheit, maght en Godtheit van het menschgeworden Woort, door zyn uitstekentheit boven alle Engelen, in naem, in zoonschap en erfgenaemschap, in het aenbidden der Engelen, in zyne zal-vinge, in zyne verheffinge aen Godts rechte hant, in de eeuwigheit zyner heerschappye, als een Koning o^er de toekomende weerelt, en de oirzaeck en het einde aller dingen, en een gekroont Hooft der menschen en Engelen, zyne aenbidders, Godts boden, en geesten, gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zalig-heit, welcker natuur Godts Zoon, de Engelen voorbygaende, in het bloet van Abraham aenneemt. By gelegenheit van deze onschult achte ick niet ongerymt; hier ter loop iet aen te roeren tot onschult\') van tooneel en tooneeldichteren, die Bybelstof voorstellen , naerdienze by wijlen opspraeck onderworpen zyn; gelyck trouwen \'s menschen zinnelyckheit verscheiden is, en d\' ongelycke getempertheit der lierssenen veroirzaekt, dat d\' een treek tot een zelve zaeck heeft, die den anderen tegens het hart steeckt. Alle eerlycke kunsten en oefeningen hebben haere be-yveraers, en tegenwryters, oock hun recht gebruick , en misbruick. De heilige treurspeldichters hebben, onder de oude Hebreen, tot hun voor-beelt den Poëet Ezechiël, die den uittoght der twalef Stammen uit Egypten in Gries nagelaeten heeft; onder d\'eerwaerdige Out-vaders hebben zy het groote licht uit den Oosten, Gregorius Na-zianzener, die zelf den Gekruisten Verlosser in Griecksche tooneel-vaerzen uitbeelde; gelyck wy noch van wylen den Koningklyken Gezant, Hugo de Groot, dat groote licht der geleertheit en vro-micheit onzer eeuwe. Sint Gregorius spoor naerstrevende, voor zyn treurspel van den Gekruisten, in Latyn beschreven, en dien onvergangklycken en stichtigen arbeit eer en danckbaerheit schul-digh blyven. Onder d\' Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Eichard Baker, Lucifer en al den handel der oproerige Geesten, oock vry breet in \'t rymeloos uitgestreken1). Wel ia waer. dat de Vaders der oude Kercke de gekristende tooneel-
1
een ander uitstrijken No. II dezer Bibliotheek, Mdz. 55 reg. 18.
IX
«peelders buiten de gemeenschap der Kercke keerden, en het too-neelspel van dien tyt heftigh bestreden: maer let men \'er wel op, de tyt en reden van dien was heel anders gelegen. De weerelt lagh toen noch diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderye verzoncken. De gront des Christendoms was noch onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele\'), der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeelt, en gehouden voor een verdienstigh middel om hierdoor lantplagen van den hals des volcks af te keeren. Sint Augustyn getuight, hoe de Heidensche Aerts-priester, een bedienaer van Numaes instellingen en afgodendienst, te Eome, ter oirzaecke van een zware peate, de tooneelspeelen eerst instelde, en door zyn gezagh bekrachtighde. Scaliger zelf bekent datze, om de gezontheit des volx te verwerven, door ingeven van de Sibille 1) ingestelt waren; invoegen dat dit spelen eigentlyck streckte tot een krachtigh voedtsel van de blinde afgoderye des Heidendoms, en verheffinge der afgoden; een ingekan-kankerde gruwel, wiens uitroien den eersten kruishelden, en de gedurigh worstelende Kercke op zoo veel zweet en bloet stont, maer nu lang uitgestorven, geenc voetstappen in Europe laet. Dat dan de H. Outvaders die tooneslen hierom, en te gelyck om het bederf der zeden, en andere openbare en schaemtelooze mis-bruicken van naeekte jongelingen, vrouwen en maegden en andere vuilicheden bestraften, was noodigh en loflyck, gelyck het in dien gevalle noch zoude zyn. Dit nu overgeslagen, laat ons het nut en den oirbaer 3) van stichtelycke en vermakelycke spelen niet te licht wechworpen. Heilige en eerlycke voorbeelden dienen ten spiegel, om deught en Godtvruchtigheit t\'omhelzen; gebreken, en d\' elenden, daer aen gehecht, te schuwen. Het wit en oogh-merek der wettige Treurspelen is de menschen te vermorwen door schrick, en medoogen. Scholieren, en opluickende jongkheit worden door spelen, in talen, welsprekenheit, wysheit, tucht en goede zeden, en manieren, geoefent, en dit zet in de teere gemoeden en zinnen, een ploy van voeghelyckheit en geschicktheit, die hun, tot in den ouderdom toe, byblyven, en aenhangen: ja het gebeurt by wylen, dat overvliegende vernuften, by geene gemeine 2) middelen te buigen, noch te verzetten, door spitsvondigheden en hoog-dravenden tooneelstyl geraeckt, en, buiten hun eigen vermoeden,
1
genoote Tan Kronos, de moeder van Zeus en de verdere godenfamille Tan den Olympus. 2 Sibille; priesteres met de gave der voorspelling bedeeld.
2
No. II, bldz. 19 reg. 12.
X
getrocken worden: gelyck een edele luitsnaar gelu.it geeft, en antwoort, zoo dra heur weergade, van de zelve nature en aert, en op eenen gslycken toon, en andere luit gespannen, getokkelt wort van een geestige hant, die, al speelende, den tuimelgeest\'), uit eenen bezeten en verstookten Saul dryyen kan. De historiën der eerste Kereke bezegelen dit met de gedenckwaerdige voorbeelden van Genesius en Ardaleo \'2), beide tooneelspeeldcrs, ia den Sehouvvburgh, door den H. Geest verlicht, en bekeert; terwylze, onder het spelen, den Christenschen Godtsdienst quot;willende beschimpen , overtuight wierden van de waerheit, dieze geleert hadden, uit hun deftige speelrollon, doorgaends beter gestoffeert met pit van wysheit dan laffe redenen, uren lang in den wint gestroit, en eer verdrietigh dan leerzaem. Men worpt ons, ten opzicht van Bybelstoffe, voor, dat men geen spel met heilige zaecken behoorde te spelen; en zeker dit zou wat schijns hebben ia onze tale, die juist het woort van Spel mede bengt: maer wie slechts een woort of anderhalf Griecka kan uitstamelen, weet wel dat dit woort by Griecken en Latynen geen gebvuick heeft ia dien zin ; want tra-goedia is een koppelwoort, en beteeckent eigentlyck Bockezang, naer der herderen wedgezangen, ingestelt om met zingen eenen Bock te winnen, uit welcke gewoonte de treurzangen, en sedert de tooneelspelen, hunnen oirsprong namen: en wil men ons immers dus ongenadigh knuffelen3) om het woort Spel, waer blyvenwe dan met orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en ander fluit- en snarespel, by verscheidenheit van Onroomschen in hunne vergaderingen ingevoert? Wie dan dit onder-scheit vat, zal wel, het misbruick der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatigh gebruick niet ongenadigh vallen, en dezen heer-lycken ja Goddelycken vont, een eerlycke uitspanninge, en honigh-zoete verquickinge van \'s levens moeielyckheden, de jeught, en kunstbeminnende burgerye niet misgunnen; op dat wy, hier door gemoedight, Lucifer met meer yvers ten Treurtooneela voeren, daar hy, endelyck, van Godts blixem getroffen, ter helle stort, ten klaren spiegel van alle ondanckbara staetzuchtigen, die zich stoutelyk tegens de gaheilighde Maghten, en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen.
1 Tuimelgeest; onrustige, ongestadige, wilde geest. 2 Genesius en Ae-daleO; Roiueinsche tooneelspelera uit den tijd der keizers (3de eeuw n, Chr.) 8 Knuffelen; herisjten.
INHOUDT.
Lucifer, d\' Aertsemjel, opperste, en doorlucMighste hoven alle Engelen, hoovaerdigh en staetzucMigh, nit blinde liefde lot zyn eige, benyde Godts onbepaelde grootheit, ooch den mensch, naer Godls heelt geschapen, en in het weeligh Paradys met de heerschappye des aerthodems hegijtight. Hy benyde Godt en den mensch te meer, toen Gabriël, Godts lier out, alle Engelen voor dienstbare Geesten ver-klaerde, en de geheimenissen van Godls toekomende menschicorden hun onideckte; tcaer door, het Engelsdom voorbygegaen, de waerachtige menschelycJce natuur, met de Godtheit vereenight, een gelycke maght en Majesteit te vencachten slant: waerom de hoovaerdige en nydige Gtest, poogende zich . zelve Gode gelyok le stellen, en den mensch huiten den hemel te houden, door zyne medestanders, ontelbare Engelen oprockende \'), wapende, en tegens Michael, \'s hemels Veltheer, en zgne heirkrachten, onaengezien Rafaëls waerschmcinge, aenroerde; en afgestreden, na de neêrlaegh, uit wraecke den eersten mensch, en in hem alle zyne nakomelingen, ten val broght, en hy zelf met zyne weerspannelingen ter helle gestort, en eeutoigh verdoemt werl.
HET TOONEEL IS IN DEN HEMEL.
1 Opkocken; opstoken, opsetten, opwinden.
PEESONAEDJEN.
Gabriel, Gods Geheimnistolck. Eey van Engelen.
Lucifer , Stedehouder. Luciferisten, Oproerige Geesten. Michaül, VeUheer.
Kafaël , Bescherm-Engel. Uhiël , Michaels Schiltknaep,
LUCIFER.
TREURSPEL.
HET EERSTE BEDEYF. Belzebub. Belial. Apollion.
Belzebub.
Myn Belial ging hene op lucht en vleugels dryven, Om uit te zien waar ons Apollion magh blyven. Vorst Lucifer zondt hem, tot dezen toght bequaem, 5) Naer \'t aertrijck, op dat hy eens nader kennis naem\'
3 Ons; deze „schijnbaar onverbogenquot; vorm komt naast den „werkelijk onverbogenquot; vorm onze bij Vondel en zijn tijdgenooten herhaaldelijk voor. In \'t vervolg zullen we dien vorm ook in andere naamvallen en bij andere geslachten aantreffen. Terwijl in het Hgd. het bez. vnw, le pers. wiser voorkomt, verschijnt in het Middeld. en Nederd. een korter stam, welks Gen. \\i.vgt;unses luidde. Er is beweerd, dat deze vorm ontstond, doordien men in het onverbogen unser — er voor den uitgang van den mnl. Nom. aanzag en in dien waan een vrl. unse en een Gen. unses vormde. Waarschijnlijker ligt een korter stam ten grondslag (tmsa fj, die ook in den Middelnederl. Gen. meerv. van\'t pers, vnw. voorkomt: onse (ons), naast onser. De bezittel, vnw in \'t Middelndl. stemmen met de Middeld. en Nederd. overeen: dat voor den 1 sten pers. meerv. luidt „onverbogenquot; onse. Men zie Prof. Van Helten\'s VondeVs Taal I § 99 en Dr. Franck\'s Mittelniederl. Grammatik § 220.
4 Bequaem, geschikt: evenals meer ww., die een beweging uitdrukken, deed ook komen vroeger aan een hij elkaar zijn, bij elkaar behooren, aan een rust dus denken; nog wel zeggen we „deze menschen komen, d. i. behooren t \'passen niet bij elkaar.quot; Uit dezen ruimeren zin ontwikkelden zich verschillende toepassingen van den stam, meestal door een vóórgevoegd ge of be versterkt: voegend, \'passend; aangenaam, genoegelijk, behagelijk; welig, frisch, gezond enz.
lucifer.
Van Adams heil en staet, waer in d\' Almogentheden Hem stelden. Het wort tyt om weder van beneden Te keeren hier ter stede: ick gis, hy is niet veer. Een wacker dienaer vlieght op \'t wencken van zyn\' Heer; En stut zyn meesters troon getrou roet hals en schouder. Belial.
Heer Belzebub, ghy Kaet van \'s Hemels Stedehouder, Hy steigert steil van kreits in kreits, op ons gezicht.
Wart (ware liet) Marsa onsen god bequame,
Soe woudic geven in sinen name
Mijn gordel ende mine hantscoen beide.
Rotnau van Cassamus (Uitg. Verwijs) bldz. 50, 2, \'t Is dwaesheyt, dat de measch noch hier op light en maelt,
Gheen hoogmoedt is hequaem voor een die nederdaelt.
Cats (Uitg, Van Vloten), TI, 468, a. Haer gelike wart nie verdaget (aan \'t licht gebracht)
Noch geboren van Adame,
No so reine no so bequame.
Maerlant\'s Strophische Gedichten (Uitg. Verwijs) bldz. 116, vs. 325. Ofschoon de vijge-boom noyt is gewoon te bloeyen ,
Noch siet men aen sijn hout bequame vruchten groeyen.
Cats (Uitg. v. Vl.), II, 488, 6.
De lezer vergelijke verder het Hgd. bequem = „gemakkelijkquot;; het Eng. comely = „passendquot;, „voegendquot;; het Fransche convenable van convenir = het Lat. convenire = con -j- venire, welk venire (oenio) in oorsprong met komen één is. De Germaansche stam heeft kw tot beginletters, die zich in-onze taal echter alléén vóór de a hebben gehandhaafd. (Goth. qiman (kwimanj, Ohgd quëman).
1 Staet; eigenlijk gesteldheid, toestand; doch ook dikwijls voor verheven staat in gebruik: in één adem met heil uitgesproken kan de beteekenis hier wel geene andere zijn. 1 Almogentheden ; meerv. voor het enkelv. de Almo^ gende God. Mr. v. Lennep teekent aan, dat dit meerv. zich laat rechtvaardigen met dezelfde schriftuurplaatsen, waarmede de Theologanten de „D^ieéénheid,, bewijzen, b. v. met Genesis I, 26. 2 Stelden ; \'plaatsten: men zie Biblioth. v. Ned, KI. Ill, bldz. 12 3 Ick gis, hy is niet veer; Vondel laat bij voorwerpszinnen (vooral na dunckt en schijnt) het voegwoord dat zeer dikwijls weg, b. v. ;
Wy porren hem, hy zal ons melden.
Aeneis II, 104.
Ook in onderwerpszinnen:
\'t Was bestemt, ghy zoudt uw\' leitsman volgen.
Peter en Pauwels, 132.
3 Veer voor ver. 8 Steigeren: rijzen, klimmen, stijgen\\ voor zich steigeren, welke reflexiefvorm het intransitieve aanduidt, zooals bij verschillende ww. van gelijksoortige beteekenis; men zie Dr. Beckering Vinckers, Orthogr. E-legie, 48. Door alliteratie met steil verbonden vinden we het ook elders bij Vondel, b. v. in Dl. II (Uitg. v. L), 238:
De Bergen steigren steil.
De belangstellende lezer vindt over Steigeren een uitgebreid artikel in Dr.
£gt;)
TÏEUESPEL.
Hy streeft den wind voorby, en laet een spoor van licht En glanssen achter zich, waer zyn gezwinde wiecken i \' Pe woleken breecken. Hy begint ons lucht te rieckcn, In eenen andren dagh en schooner zonneschijn,
5) Daer \'t licht zich spiegelt in het blaeuwe kristalyn. De hemelklooten zien met hun gezicht, van onder,-Terwijl hy ryst, hem na, een ieder in \'t bezonder. Verwondert om dien vaert en goddelycken zwier,
Die hun geen Engel schynt, maer eer een vliegend vier. 10) Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hy aengestegen, Met eenen gouden tack, en heeft de steile wegen Voorspoedigh afgeleit.
Belzebub.
Wat brengt Apollion? 15) Appollion.
Heer Belzebub, iek heb, zoo vlytigh als ick kon. Het laegh gewest bespiet, en oiïere u de vruchten, Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten. Gesproten: oordeel, uit de vrucliten, van het lant, SJÜ) En van den hof, door Godt gezegent, en beplant Tot wellust van den mensch.
de Jager\'s Woordenboek der Frequsiitatieven. 8 (pag 4.) Kkeits; grens, begrensd gebied; kring: kreiz; Nhgd. Kreis, b. v. in Kreisliuie, Vmkreis, Landes-kreis. De lezer denke ook aan ons krijt („in \'t krijt tredenquot;) voor „afgeperkt strijdveld.quot; Men vergelijke verder Aant. 10, bldz. 7, Op ons gezicht;» terwijl wij hem zien.quot;
1 Streven ; zich beioegen, met de bijgedachte aan snelheid. De betoekenia van streven is eigenlijk zich inspannen, en wel met verschillende bedoelingen, b. v. in den strijd om te overwinnen: vechten, strijden dus, waaraan het En-gelsche strive en \'t Oudfr estriver (men zie mijn De Taal in haar Leven en Ontwikkeling bldz. 43) en \'t Eng. strife nog herinneren. Ook om ieta te bereiken kan men zich inspannen en vandaar zich haasten, snel gaan. 3 Ons; zie bldz. 3, aant 1. 3 Riecken; wij bezigen thans in deze beteekenis ruiken. Dit rieken ontwikkelde zich (over u heen) uit een vroegeren vorm met iu , uit welke iu evenzeer ie als ui kon ontstaan. Het onderscheid, dat wij tusschen rieken en ruiken maken, is willekeurig. 4 Dagh; licht: nog duidelijk zichtbaar in opdagen en in de verversuitdrukking: „zooveel vierkante palmen dagquot; om de wijdte eener opening, waardoor het licht kan binnentreden , te bepalen. 5 Blaeuwe Kristalyn .- omtrent kristalijn vergelijke de lezer de aanteekening op Negen bogen, bldz. 7. 6 Hemelklooten; bij deze „schoone persoons-verbeeldingdie „een grootsch, verheven denkbeeldquot; bevat, zie de lezer de aanteekening op Negen bogen, bldz\', 7. 8 Zwier ; pracht, praal, staatsie: van zwieren, d. i. ronddraaien, heen en weer bewegen (vandaar zwerven}. De bijgedachte van sierlijkheid, ruimte, overvloed kon dit woord een gunstigen zin geven. 10 Verschiet; de lezer zie de aant. op Verschieten, bldz. fk^reg. 2. 11 Gouden; schitterend als goud-, men zie gloeit, 15 regels lager. 17 Laech
3
lucifer.
Belzebüb.
Ick zie da goude bladen, Met perlen van de lucht, den zilvren dau, geladen. Hoe lieflyck rieckt dit loof, dat zyne verf behoudt!
5) Hoe gloeit dit vrolyek ooft van karmozyn, en gout!
\'t Waer jammer zoo men dit ontwyde met de handen, \'t Gezicht bekoort den mont. Wie zou niet watertanden Naer aertsche leckerny? Hy walght van onzen dagh. En hemelsch mann\', die \'t ooft der aerde plucken magh.
10) Men sou ons Paradys om Adams hof vervvenschen.
\'t Geluck der Engelen moet wyken voor de menschen.
gewest; men zie de Aant. op Negen bogen, bldz. 7. 19 Oordeel .. van; oordcel ... over. 20 Hop ; de hof in het „landtquot; Eden natuurlijk : dit hof is in de schrijftaal zoogoed als verdwenen en vervangen door tuin, dat oorspronkelijk haag beteekende; in de spreektaal leeft het evenwel voort en ook hovenier naast tuinman herinnert er ons aan. 20 Beplant; zooals werkelijk in den eersten druk staat.
2 Goude; Vondel sprong met den uitgang der stoffel, bv. nw. naar willekeur om. 4 Verf; later door het Fransche couleur {kleur) gedeeltelijk verdrongen. 5 Vrolyck; schitterend-, men zie het onmiddellijk voorafgaande gloeit en het in reg. 11 (bldz. 5) voorkomende gouden, dat waarschijnlijk met gloeien uit één wortel voortsproot. 5 Karmozijn ; het Arabische Al kermes is eigenlijk eene soort van cochenille, die op de bladen van eene bijzondere soort van kleine eiken leeft; de coccus der eikeboomen. Gedroogd en tot poeder gestampt, geeft dat insect de roode kleur, die in het Arab, kermezt, bij ons karmozijn, beter karmezijn, genoemd wordt; karmozijn zeggen wij onder den invloed van \'t Fransche cramoisi. Karmijn is van denzelfden oorsprong. Men zie desverkie-zende Prof, Dozy\'s Oosterlingen. 8 Hu walght; beter zou \'t zijn te zeggen: hem walgt: walgen toch is niet andera dan draaien en wordt van de spijzen gezegd, die zich in de maag bevinden en weer naar buiten dreigen te komen : iemand kan nog „zoo draaierigquot; worden. Door den persoon op den voorgrond te plaatsen en door minder op de eigenlijke beteekenis te letten „walgen vnjquot; thans van iets. Men vergelijke echter de volgende verzen van Vondel zelf: \'t gebraste en walgende ingewant.
Te braecken uit de keel..............
en die uit Spieghel\'s Hert-Speighel, Boek II, vs. 19:
Het veld, dat korts noch scheen een water rijke meer.
De ruighe kanten toond\' en kreegh zijn verwe weer.
Daar lang de sper tel-vis na lust had ghaan vermayen.
Daar zoumen alle daagh melkrijke beesten wayen:
Dien walght het doffe hoy, enz.
\'t Luidt zeker vreemd, dat ons walgen en het Engelsche to walk oorspronkelijk dezelfde woorden zijn. Den lezer, die over dit woord meer wil weten, verwijzen wij naar Ten Kate\'s Aenleiding II, 732 en naar Huydecoper\'s Proeve III, 286. Dat den vaderen ook „de walge kon stekenquot;, blijkt uit de volgende regelen uit Hooft\'s Historiën\'. „Van de manieren ook der Spanjaarden, zoo stoffende, zoo opgeblaasen, zoo bedekt van harten, ongemeenzaam en belghziek, stak yder de walghe.\'* Het onderwerp hij is een bepalingaankondigend voornaamwoord en
4
treurspel.
Apollion.
Niet waer. Heer Belzebub? al schynt de hemel hoogh, Wy leggen veel te laegh. Het geen ick met myn oogh Gezien heb, mistme niet. \'t Vermaeck van \'s weerelts hoven, 5) Een eenigh Eden gaet ons Paradys te boven.
Belzebub.
Laet hooren watghe zaeght: wy luistren t\' zamea toe. Apollion.
\'k Verzwygh mijn henevaert, om niet te reppen hoe 10) Gezwint ick nedersteegh, en zonck door negen bogen, Die, sneller dan een pijl, rontom hun midpunt vlogen.
moet derhalve met nadruk worden gelezen. 8 Dagh; licht-, men zie bldz. 5 reg. 4.
9 Mann\' ; manna, voedsel-, naam, door de Israëlieten gegeven aan de wonder-spijze, hun in de woestijn verstrekt. De lezer vergelijke desverkiezende Ex. XVI. 31. Num. XI, 7. 10 Paradijs; lusthof: waarschijnlijk het Perzische Jirdans. Hier wordt natuurlijk de verblijfplaats der gelukzaligen bedoeld.
3 Leggen ; de lezer herinnere zich, dat, sedert eeuwen reeds, het causatieve leggen zich in de plaats van liggen tracht te dringen; en verder, dat liggen in \'t algemeen in rust zijn beteeken t en dus als verblijven, wonen kon gebruikt worden: hier heeft het zijn concrete beteekenis zoogoed als afgelegd. Men zie ook bldz. 10 reg. 4 en vergelijke verder het vroegere „ergens t\'huis leggenquot;y ons „op studiequot; of „in garnizoen liggenquot; en Biblioth. van Ned. KI. II, bldz, 52 reg, 7, 4 Mistme niet; ontgaat me niet, „ik heb dat alles heel goed opgemerkt.quot; 4 \'s weerelts hoven ; dat „weereltquot; een genitief op s vormt, is een zeer bekend verschijnsel en komt bij Vondel herhaaldelijk voor: weerelts omme-loop\'*, vdes weerelts goederenquot; enz,, evenwel naast „wonderding der weereldquot; Dat het begeleidende woord bij een vrl, substantief in zulk een geval verbogen werd, alsof \'t een innl. substf. vergezelde, is ook van algemeene bekendheid. Men zie desverkiezende Prof. v. Helten\'s Vondel\'s Taal I § 65. 5 Eden; „oock hadde de Heere Godt eenen hof geplant in Eden, tegen het Oosten; ende hy stelde aldaer den mensche, dien hy geformeert hadde.quot; Gen. II, vs, 8. 9 Reppen; aanroeren. Wij zeggen gewoonlijk reppen van-, het ww. reppen geeft oorspronkelijk „een snelle bewegingquot; te kennen, vandaar even aanraken, aanroeren.
10 Negen bogen; volgens het systeem van Claudius Ftolemeus (150 n. Chr.) in zijn beroemd werk fieydXr] auvzazts rijg aarpovoiiLas, d. i. Groot systeem der Astronomie te vinden. Wij laten hier een vertaling volgen der beschrij-ving, welke Cicero in zijn Droom van Scipio ervan geeft:
Het heelal bestaat uit negen cirkels, of liever uit negen hollen, die zich bewegen. De buitenste sfeer is die des Hemels, welke alle andere omvat en aan de binnenzijde waarvan de sterren zijn bevestigd. Lager wentelen zeven sferen, rondgevoerd door eene beweging, tegengesteld aan die des Hemels. Op den eersten bol (bevestigd) wentelt de ster, die de menschen Saturnus noemen; met de tweede beweegt zich Jupiter, het in der menschen oog weldadig en gunstig gezind gesternte; dan komt Mars, de in rossen gloed schitterende en gevreesde Mars; daarbeneden, op gemiddelde hoogte, glanst de zon, het hoofd, de vorstin, de beheerscheres der overige sterren, de ziel der wereld, wier ontzaglijke bol de ruimte der schepping bestraalt en met haar licht vervult. Na haar komen, als twee trouwe gezellinnen, Venus en Merc ar i us. De onderste sfeer eindelijk wordt ingenomen door de Maan, die haar licht aan het gesternte van den dag
5
LUCIFER.
Het radt der zionen kan zoo snel niet ommeslaen, In ons gedachten, als ick, lager dan de maen En woleken, afgegleên, bleef hangen op mijn pennen, Om \'t Oostersche gewest en lantschap t\' onderkennen, 6) Op \'t aenzicht van den kloot, daer d\' Oceaan om spoelt,
ontleent. Beneden deze laatste hemelsche sfeer, is alles sterfelijk en vergankelij ky behalve de zielen, door de gunst der Godheid aan het geslacht der menschen verleend. Hoog er dan de Maan is alles eeuwig l — Onze aarde, in het middel-pnnt der wereld geplaatst en van alle zijden (even ver) van den Hemelsfeer verwijderd, rust daar onbewegelijk; en alle stoffelijke voorwerpen worden door hun
eigen gewicht tot haar getrokken ........... Met ongelijke tusschenruimten,
maar volgens eene juiste verhouding geordend, ontstaat door de wenteling der sferen een samenklank^ die lage en hooge ton^n in een gemeenschappelijk accoord verbindende, al die verschillende klanken tot de heerlijkste harmonie vereenigt. Zulke grootsche bewegingen kunnen niet in stilte geschieden, en de natuur heeft een lagen toon aan de benedenste en langzaam wentelende sfeer der Maan, een hoogen toon aan den bovensten en snel draaienden bol des Hemels geschonken: met deze beide tonen, aan de grenzen van het octaaf, brengen de bewegelijke bollen zeven tonen voort van verschillenden klank, en dit getal (van zeven) is het geheim van alle dingen. De ooren der menschen, steeds met deze harmonie vervuld, hooren die niet meer; — gij, stervelingen, bezit geen zintuig, dat minder dan dit de volmaaktheid bereikt. Daardoor komt het dan ook, dat de volken, die in de nabijheid van de Nijlvallen wonen, het vermogen hebben verloren om hun gedruisch te vernemen.
Het schitterende concert der geheele, zich snel wentelende, wereld is zoo verbijsterend, dat uwe ooren zich voor deze harmonie moeten sluiten, evenals gij uwe blikken neerslaat voor den glans der zon, waarvan het alles doordringende licht u verwart en verblindt.quot;
Buiten die zeven kringen was de sfeer der vaste sterren geplaatst, die dus den achtsten hemel vormde. De negende was de Eerste Beweger, waarop men in de Middel-Eeuwen het Empyreum of „verblijf de Gelukzaligenquot; plaatste. Dit geheele gebouw was volgens de meening der meeste philosofen gebouwd van bergkristal, zonder welke harde, doorschijnende en onverslijtelijke stof zij het samenstel en de beweging der sterren zich niet konden voorstellen. 11 Mid-punt; de lezer denke aan ons mid-dag en vergelijke het Engelsche mid-rijf (middelrif), midwife, midnight enz. Bij Vondel wordt o. a. ook midwout en mid\' lijf gevonden.
1 Het radt dek. zinnen ; de inwendige zinnen, de werkingen van het brein, waaruit de groote verscheidenheid en snelle afwisseling der gedachten ontstaan.
3 ArGEGLEÊN,. . . bleef hangen; minder duidelijk; men leze echter: „afgleed... en daar bleef hangen oj)quot; 3 pennen; gewone tropus voor vleugels.
4 Oosteksche gewest; uit den mond van een hemelbewoner, die dus van boven komt, klinken deze woorden vrij zonderling: men zie de aanteekening op Eden, bldz. 7 reg .5.4 Onderkennen ; door waarneming iets temidden van andere voorwerpen van dezelfde soort leeren kennen. Het ruimer begrip wordt hier door kloot aangeduid: „op \'t aenzicht van den klootquot; had Apollion meer bepaald het oog op het „Oostersche gewest en landschapquot; gericht. 5 Aenzicht; Op het aanzien, op het gezicht. 5 Oceaan om spoelt: naar de meening der Ouden, dat de aarde aan alle zijden door den Oceaan omringd was, of, om
6
TB.EURSPEI/.
Waer in zoo meoigh slagh van zeegedroghten woelt. Van verre z#gh men hier een\' hoogen bergh verschieten, Waer uit een waterval, de wortel, van vier vlieten, Ten dale nederbruisebt. Wy streecken steil, en schuin 5) Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin
Des berghs, van waer men vlack de zalige landouwen Der onderweerelt en haer weelde kon aenschouwen.
met den Psalmist te spreken, dat „de Heere de aerde op het water uytge-spannen had.quot; Ps. CXXXVI, vs. 6.
1 Slagh; soort: tot hetzelfde geslacht behoorende. 2 Verschieten; uit de verte, uit het verschiet te voorschijn komen, in het verschiet oprijzen. De beteekenis van verschieten, in den ruimsten lin opgevat, is op een effen vlak zonder hindernis (en dus sne.V) voortbewegen. Zooals uit herhaalde toepassingen in onze taal blijkt, werd het o. a. ook gebruikt op \'t snelle, plotselinge verdwijnen van \'s menschen gelaatskleur of zijn „verf\'\' „Den mensch verschoot de kleur door schrikof, door den mensch meer op den voorgrond te plaatsen, „de mensch verschoot van kleur,quot; en eindelijk „de mensch verschootquot; d. i. hij werd bleek,quot; hij zette zijn doodverf.quot; Aangezien nu de schilders door het verbleeken hunner verven de voorstelling van afstand op het doek weten te brengen, kon zich dit begrip van afstand aan verschiet hechten, ja zelfs de hoofdbeteekenis worden en aan het oorspronkelijk dedkbeeld van hleekheid, nevelachtigheid alleen als bijbeteekenis plaats laten. Dit verschiet nu heeft aan dit werkw. verschieten, waaraan thans alle begrip van snelheid ontbreekt, (men denke evenwel aan \'t verschieten eener ster!) een eigenxardigen tint gegeven. Bij Halma vonden we:
Zie, hoe die bergen van verre verschieten.
3 Woriel; een metaphora, die even geoorloofd is als „tak.quot; 3 Vier vlieten; nl. Pison, Gihon, lliddekel en Phrath. De lezer sla hier ter opheldering na Genesis, II, 10—14. 4 Sireecken; strijken beteekent, in den ruimsten zin, „(zich) langs een vlakte bewegen,quot; verder o, a. ook gaan, meestal met de bijgedachte van „snelquot; welk denkbeeld van snelheid hier nog wordt versterkt door steil, terwijl de volgende woorden de vurige begeerte van den Engel verraden om de „zalige landouwenquot; te leeren kennen De lezer zie over strijken verder Biblioth. van Ned KI. II, bldz. 34 en bldz. 55. 6 Vlack: uitgestrekt, in volle uitgestrektheid.quot; 6 Zalige; geluk bezittend, geluk aanirengend. 7 Onderwerelt; in den mond van een hemelhvnonvr zeer begrijpelijk. 7 Weelde; in de beteekenis van rijkdom, geluk, heil, genot enz, geheel overeenkomende met het Eng. wealth, dat evenals weelde ook zijn oorsprong vind in willen, d. i. wenscheu, hegeeren Men denke ook aan het verwante wel in „wel en weequot;, en vergelijke;
Lilde riepen si mettien;
„Wie is dese vercoorne fine.
Die opgaet door die woestine.
Van allen weelden dus rike ?
T)er Zeken Spiegel, B. II, C. 67, vs. 73. Dus sprac hi (Jozef) ten broedren waert:
„Haest, ende haelt mi minen vader,
„Ende segt hem mine weelde al ghader.
Rym, 6. vs. 3176.
7
hjcifek.
Belzebub.
Nu schilder cms den hof en zijn gestaltenis^
Apollion. ^
De hof valt ront gelijck de kloot der weerelt is. 5) In \'t midden rijst de bergh, waar uit de hooftbron klatert. Die zich in vieren deelt, en al het land bewatert.
Geboomte en beemden laefl, en levert beken uit.
Zoo klaer gelijck kristal, daar geen gezicht op stuit. De stroomen geven slib, en koesteren de gronden.
10) Hier worden Onixsteen en Bdellion gevonden.
Hoe klaer de Hemel oock van starren blinckt, en barnt; Hier zaeide Vrou Natuur in steenen een gesternt,
Dat onze starren dooft. Hier blinckt het gout in d\'aderen. Hier wou Natunr haer schat in eenen schoot vergaderen. 15) Belzebub.
Wat zweeft \'er voor een lucht, waer by dat schepsel leeft?
2 hof; Edens \\\\xiihof, het Paradijs 2 Gestaltenis; toestand, inwendige en uitwendige gesleldheii, staat, vroeger ook stal zoo b. v. :
Recht als een boog, die van een sterken manne Stijf ingehaalt, sich kromt; maar weer ontspannen.
Door eygen aard van \'t buyghelijke hout.
Den eersten stal zijns juysten maaksels houd.
Campiiuyzen, III, Vs. LXXV, vs. 25. 4 Valt ; oorspronkelijk geleuren, plaats hebben-, doch hier met verlies van alle concrete beteekenis als copula gebezigd. De lezer vergelijke Hijgen op bldz. 7 reg. 3. 5 Hoofdbron; de watervjl, waarvan op bldz. 8 reg. 18 der aant. sprake is. 6 Vieren; welker „wortelquot; bedoelde quot;vvatbrval is. 6 Bewateren; in \'t Hoogd, nog bewassereu: men vergelijke ook de volgende woorden uit Vaernewijck\'s Hui. van Belgh: „een fijn stede, diemcn zo bewateren can datter gheen vyan-den aen en connen.quot; 7 En levert beken uit; de constructie, die wij uitsluitend aan den hoofdzin geven, wordt bij V. herhaaldelijk aan den afhatikelijke/i. zin toegekend. Tot goed begrip vaa „Vondel\'s ïaalquot; dient de lezer vooral op den bouw der zinnen te letten: we zullen gedurig op afwijkingen van onze wetten letten. 8 Stuit; die dus doorzichtig zijn. 9 Koesteren; bedekken met de bijbeteekenis van beschutten tegen, weldoen, verwarmen, vruchtbaar maken. Hef woord is van Eomaanschea oorsprong (\'t Fransche coueher = \'t Lat. colloeare, d. i. zetten, leggen) en wotget koetsteren, zooamp;is koets-voot legerstede
aan het Frausche eoiiche beantwoordt. 10 Onixsteen; de steen , (Gen.
II, vs. 12). Versta; dea onix, een soort van agaat, of den sardonix, of den smaragd. 10 Bdellion; Bedólah (Gen. II, vs. 12). Versta: het bdellium, een kostbare gom, of den beril, of het kristal, of den karbonkel, of paarlen. 11 Barnt; bekende metathesis voor bran(d)t: in \'t algemeen trad een r vóór korten wortelklinker, waarop een der lipletters d, t, s, n, volgde, vóór een dezer medeklinkers, dus na den klinker. 13 Blinckt; de lezer sla op: Gen. II vs. 12. 14 Vergaderen; ter vergelijking verwijzen we den lezer naar Milton\'s Paradise Lost, Boek IV. 16 Waerby; waardoor, men vergelijke het Engelsche hy. 16 Dat schepsel; het schepsel bij uitnemendheid: de mensch.
8
theükspel.
Apollion.
Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft,
Gelijck de frissche geest, die hier den mensch bejegent. Het aengezicht verquickt, en alles streelt en zegent; 5) Dan zwelt de boezem der landouw\' van kruit, ea kleur. En knop, en telgh, en bloem, en allerhanden geur.
De dau ververschtze \'s nachts. Het ryzen en het dalen Der zonne weet zijn maet, en matight zoo haer stralen Naer eisch van elcke plant, dat allerhande groen 10) En vrucht gevonden wort, in eenerley saizoen.
Belzebcb.
Nu maelme de gedaente en \'t wezen van de menschen. Apollion.
Wie zou ons Engelsdom voor \'t menschdom willen vvenschen, 15) Wanneer men schepsels ziet, die \'tal te boven gaen, En onder wiens gezagh alle andre dieren staen.
2 Zoo zoet een adem heeft; de lezer lette ook hier op de volgorde der zindeeltin, afwijkende van onze voorschriften daaromtrent. De algemeene betee-
kanis van zoet is aangenaam, welbehagelijk: de lezer denke nog aan het Eng. sweet, 3 Tbissche geest; wegens de ijlheid der lucht kon hier geest zeer goed gebezigd worden: geest toch beteekent iets onstoffelijks, iets vluchtigs, iets, dat aan het lichamelijke vreemd is. Men denke ook aan het Engelsche ghost~spook\\ Frisch wekt de gedachte van nieuw, jong, vroolijk, schoon, aangenaam, heerlijk, op. De ftjinej zuivere en gezonde lucht van het Paradijs werd door de Onden zeer geprezen. 3 Bejegent; toewaait; de lezer denke aan \'t Hoogd. gegen en iegegnen, en aan \'t Eng. again. 4 Verquikt; letterlijk „levend maaktquot;: kwik toch beteekent oorspronkelijk levend (\'t Lat. vious) ■ men vergelijke\'t Engelsche quick en zie verder Biblioth. van N. KI. III, bldz. 11, reg. 21. 4 Zegent; weldadig aandoet. Alleen ter herinnering vermelden we hier, dat de geleerden over de afleiding van dit woord verschillen: sommigen brengen het terug tot zeggen, d. i. uitspreken-, anderen tot \'t Lat. signum {teeken des kruisea nl.) 5 Boezem; metaphora, waartoe de „sierlijk getooide boezem eener maagdquot; aanleiding gaf. De afleiding van buigen, boog, gebogen, die men hier en daar vindt, is aan zeer veel twijfel onderhevig: men zie Skeat\'s Etymological Dictionary en Kluge\'s Htymologisches Wörterbuch in voce. 6 Telgh; tak. 7 Vervehscht ze; of verfrischtee-. men zie de aanteekening bij frisch hierboven. 8 Weet zijn maet; doelt op de gematigde luchtstreek, waarin het Paradijs lag, door welke omstandigheid de groeikracht zeer bevorderd werd. 12 Wezen; de aard, het innerlijke, en dus tegenover de gedaente staande. 14 Engelsdom; de staat der Engelen. 15 Die \'t al te boven gaen; in strijd met Ps. VIII, vs. 6 : „Gij hebt hem (den mensch) een weinig minder gemaakt dan de Engelen.quot; 16 Onder wiens gezagh; het gebruik van wies en wiens in den gen. plur. wordt reeds in het Dietsch der 15de eeuw gevonden; Vondel gebraikt wiens naast wier, vooral in zijn oudere periode Voor den inhoud dezer woorden denke men aan Ps. VIII, vs. 7 en 9 ; „alles hebt gij zijnen voeten onderworpen, schapen en rnnderen, allen, ja ook al het gedierte des velds, \'t gevogelte dei hemels, en de visschen der zee.quot; Men leze ook Gen. I, va. 28.
9
1*
LUCIPÏE.
Ick zagh den ommegang van hondertduizent dieren,
Die op bet aertrijck treên, of in de woleken zwieren , Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewent,
En leven schept in zijn byzonder element.
5) Wie zou een ieders aert en eigenschappen ramen Als Adam! want hy gafze op eene ry hun namen. De berghleeuw quispelde hem aen met zynen staert,
En loegh den meester toe. De tiger ley zijn\' aert Yoor \'s Konings voeten af. De lantstier boogh zijn\' horen, 10) En d\' olifant zijn\' snuit. De beer vergat zijn\' toren.
Griffoen en adelaer quam luistren naer dien man,
Oock draeck, en Behemoth, en zelf Leviatan.
Noch zwygh ick vvelck een lof den mensch wort toegezongen En toegequinckeleert van \'t lustpriëel, vol tongen;
1 Ommegang; rondgang, optocht-, zoo spreekt men te Arnhem van den „Hui-senschen ommegang,quot; d. i. de processie te Kuisen. De lezer denke aan de woorden van Gen. II, vs. 19 „Toen deed de Heere God al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels, \'t welk hij uit de aarde gevormd had, tot Adam komen, om te zien, hoe hij ze noemen zoude.quot; 3 Zwemmen in den stroom; de Bijbel spreekt niet van visschen. Ook Milton houdt de visschen, wegens hun element, niet gedagvaard: men vergelijke zijn Faradise Lost B. VIII. 3 Zoo ieder is gewent; deze woorden beantwoorden aan: naar zijnen aart, welke woorden in Gen. I, vs. 21 en 24 te lezen zijn. 4 Leven schept; leeft: men denke aan „vreugde, vermaak, genoegen scheppenquot; 4 Element; vroeger telde men vier elementen of grondstoffen; lucht, water, aarde en vuur. 5 Ramen; gissen, vermoeden, schatten: ramen beteekent eigenlijk een doel (Mhgd. ram) in \'t oog vatten en daarna: trachten het te bereiken of te treffen. Verschillende betee-kenissen konden zich daaruit ontwikkelen: in \'t oog vatten, bemerken, bepeinzen, bedoelen, beoogen, vestigen, bepalen, vaststellen, besluiten, ontwerpen, overleggen, onderhandelen enz. enz. enz. Men vergelijke ter opheldering tillen en gissen in Bibliotheek van N. KI. III, bldz. 67 en 114. 7 Aenquispelen; kwispen had de beteekenis van „een snelle beweging makenquot;, vandaar slaan, geeselen: het frequentatief kon dus den zachteren zin van „(heen en weer) bewegenquot; krijgen. Ons kwispelstaarten herinnert daar nog aan. Aanquispelen is „kwispelende aanrakenquot; met de bijgedachte van vriendelijkheid: zoo dicht Vondel elders:
Terwijl de leeuwen hem aenkwispelen en licken.
9 Lantstier; hiermee wordt eenvoudig eenig groot viervoetig dier bedoeld. 11 Griffoen; in \'t algemeen een „Vogel grijp;quot; naar \'t Pr. Griffoen. Misschien een gier, in elk geval een arend, 12 Behemoth; een groot en sterk zoogdier: Nijlpaard, Walrus, JElcfant of Mammout h ? 12 Leviathan; waarschijnlijk de Krokodil, in de Talmudsche Sage de visch, dien de uitverkorenen in het Paradijs zullen eten. 14 Toequickeleeren ; quinckeleeren beteekent zingen, vroeger ook kwinken en kwinkelen: zoo bij Cats (door v. VI.) I, 627:
Hy singt, hy quinkt, hy drinkt een reys.
En bij de Bo, Gedichten, 30:
De stille nacht hoort God bedanken In \'t kwinklen van den nachtegaal.
14 Tongen; metonymia voor (fraai) geluid, zang; en dit voor zangvogel.
10
TREURSPEL.
Terwyl de wint in \'t loof, de beeck langs d\' oevers speelt. En ruischt op een muzyck, dat nimmer \'t hart verreelt. Had zich Apollion in zijnen last gequeten ,
Hy had ons hemelryek ia Adams Eyek vergeten. 5) Belzebub.
Wat dunckt u van het paar, dat ghy beneden zaeght ? Apollion.
Geen schepsel heeft om hoogh mijn oogen zoo behaeght. Als deze twee om laegh. Wie kon zoo geestigh strengelen 10) Het lichaem, en de ziel, en scheppen dubble Engelen,
Uit klaiaerde, en uit been! Het lichaam, schoon van leest, Getuight des Scheppers kunst, die blinekt in \'t aenscliijn meest, Den spiegel van \'t gemoedt. Wat lidt my kon verbaiaen; lek zagh het beelt der ziele in \'t aengezicht geblazen. ] 5) Bezit het lyf iet schoons, dat vint men hier by een.
Een Godtheit geeft haer\' glans door \'s menseheu oogen heen. De redelycke ziel komt uit zijn troni zwieren.
Hy heft, terwyl de stomme en redenlooze dieren
3 In zijnen last gequeten ; de bedoeling kan zijn: „hadJe Apollion het met de kwijtwicj van zijn last kunnen overeenbrengen.quot; „In zijnen lastquot; toch beteekent „in de uitvoering van hetgeen, waartoe de last gegeven is;quot; als b v. op het einde van dit bedrijf: — en laten zich gebruiken
— In hun\' byzondren last.
En in Joannes de Boetgezant:
— Abraham, in \'s Hemels last getrou.
9 Stbengelen : innig verhinden, frequentatief van strengen: sterk, strak, stijf, streng aanhalen en alzoo verbinden, vereenigen. 10 Bnselen; hier io den zin van voortreffelijke wezens. II Klaiaebde en been; zie Gen. vs. 7 en 22. 11 Leest; vorm: eigenlijk afdruk van den voet, daarna vorm v, d. voet (schoenma-kersfctwy, later vorm in \'t algemeen. De inspanning, die het drukken van iemands voetspoor kost, gaf aanleiding tot het Hgd. ww, leisten (helpen, verlee-nen); aan den tijd. dien een aanhoudende inspanning in beslag neemt, denkt men bij het Engelsche to last. 13 Den spiegel van \'t gejioedt; \'t is duidelijk, dat de dichter hier vooral afin de oogen deukt. 13 Vebbazen; de beteeke-nis is ongeveer dezelfde als ons verhazen, slechts wat sterker\', \'t woord zelf schijnt van Romaansche herkomst te zijn. Het Middel-Engelsch had ahasen (bij ons hazen), welks stam gezocht wordt in \'t Fr. ébahir, d. i. \'t Lat. expavere.
14 Hei beeld dek ziele .....geblazen; „En de Heere God — hlies in
zijne neusgaten den adem des levens; alzoo werd de mensch tot eene levende ziele,quot; (Gen. II, 7). 15 Iet; thans iets, d. i. ietdes. 16 Een godtheit enz. Dus ook bij Milton, (IV.):
„For in their looks divine The image of their glorious maker shone.quot;
17 Tboni; gezicht: waarschijnlijk het Fransche trogne, welks betcekenia evenwel minder gunstig is. 17 Zwieben ; eigenlijk draaien, doch hier met de bijgedachte van schitterend, helder: duidelijk spreken uit, 18 Ht heft, tebwyl
11
LUCIFEK.
Naer hunne voeten zien, alleen en trots het hooft Ten hemel op naer Godt, zijn\' Schepper hoogh gelooft. Belzebdb.
Hy looft hem niet vergeefs voor zooveel rycke gaven. 6) Apollion.
Hy heerscht, gelyck een Godt, om wien het al moet slaven. D\' onzichtbre ziel bestaet uit geest, en niet uit stof. Z\' is heel in ieder lidt, het brein verstreckt haer hof. Zy leeft in eeuwigheit, en vreest noch roest, noch schennis. 10) Z\' is onbegrypelyk. Voorzichtigheit, en kennis,
En deugt, en vrjen wil bezitze in eigendom.
Voor hare majesteit staen alle Geesten stom.
De wyde weerelt zal eer lang van menschen krielen. Zy wacht, uit luttel zaets, een\' rijcken oogst van zielen, 15) En hierom huwde Godt den man aen zijn mannin.
Belzebub.
Wat dunckt u van zyn ribbe, en lieve gemalin?.
Apollion.
- \' Eek deckte myn gezicht en oogen met myn vleugelen, 20) Om myn gedachten en gcnegentheên te teugelen.
Zoo dra zy my gemoete,, als Adam met der hant Haer leide door het groen. By wylen hielt hy stant,
onz. ; navolging van OviMUS, in wiens Herscheppingen (naar Vondels vertaling) geleien wordt;
Dewijl een ieder dier na d\'aerde ziet in \'t slijk,
Bootseerde hij den mensch met aengezicht en oogen Recht opwaert, om \'t gestarnt t\'aenschouwen, enz.
8 Hef.l; nit elk lid spreekt de ziel dus. 8 Verstheckt haee hof; ver-strecken met een praedicaatsnomen komt bij Vondel herhaalde\'malen voor, b. v.; „Zoo ghy — niet in Kanaan een tweede Joseph streckt;quot; men zie verder Professor van Helten\'s Vondel\'s Taal, II § 238. 10 Vookzichtigheit; met de heteekenis van wijsheid, waarvan ze trouwens nog de moeder heet. 11 Deught; waarde, innerlijke kracht, kloekheid, dapperheid, moed. Ééne der drie laatste be-teekenissen zal hier wel bedoeld zijn; de eerste wordt in de spreektaal nog vaak gehoord: van mindere kwaliteit laken, katoen enz. sprekende, zegt men „er zit geen deugd in,quot; 13 Keielen; licht en veel leioegen, vooral van kleine dieren onder elkander gezegd; andere vormen van dit woord zijn krioelen, krieuwelen, krevelen, kroelen enz. 1amp; Mannin; voor vrouw, aldus genoemd, „omdat se uyt den manne genomen is.quot; (Gen. II, 23). 17 Lieve; natuurlijk met krachtiger heteekenis dan dit woord thans algemeen heeft, men denke aan onze Lieve Vrouwe en aan het Engelsche to love. 20 Genegentheen ; begeerten. 21 Gemoeten; versterking van het oude moeten-, men vergelijke \'t Engelsche to meet. 21 Met dek hand: met regeerde vroeger den datief; wij zeggen thans „bij de hand.quot; 22 Br wylen enz; „nu en dan stond hij stil.quot;
12
TEEÜBSPEL.
Beschondeze overzy en onder dat beloncken Begon een heilig vier zyn zuivre borat t\' ontvoncken: Dan kuste hy zyn bruit, en zy den bruidegom:
Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom 5) En brant van liefde, niet te melden, maer te gissen; Een hooger zaligheit, die d\' Engelen noch missen.
Hoe arm is eenigheit! wy kennen geen gespan Van tweederhande kunne, een jongkvrouw, en een man. Helaes! wy zyn misdeelt; wy weten van geen trouwen; 10) Van gade of gading, in een hemel zonder vrouwen.
Belzebub.
Zoo wort\'er met der tyt een weerelt aengeteelt?
Apollion.
Door een genot van \'t schoon, in \'s menschen brein gebeelt, 15) En ingedruekt met kracht van de opgespanne zinnen.
1 Ovehzt ; ter zijde, van ter zijde. 1 Lonk ; is een vriendelijke oogwenk met de bijgedachte van begeerte, verlangen. 3 Beuit; hier voor jonge vrouw, evenals bruidegom voor jonge man: eigenlijk de man (Goth. guma. Lat, homo) der bruid. 4 Brutlopt; kiesche uitdrukking voor paring, 7 Eenigheid; „wee\'den eenzamen, die valt, er is geen tweede, om hem op te richten.quot; (Fred. IV, 10). Bij Mtlton vraagt Adam:
„In solitude What happiness? who can enjoy alone?quot;
7 Gespan ; in \'t algemeen „wat saamgebonden is;quot; dikwijls van een tweetal (pa»rden) gebruikt. Men vergelijke echter:
Te Casaele lach oec een gespan Wel tote XVIm man.
Velthem Sp. H, f®. 273. Wat magie, aerminc, seggen dan,
Ic arem besondich man.
Over mi allene,
Ende vort over al \'t gespan,
Dat uut Adaems vleesce ran enz.
Van Maeelant\'s Strophisehe Ged. Disp., 420. 10 Gade of gading; evenals „eenigheidquot; (reg. 7) op het gemis van vrouwen doelde, moet hier gade eene eeldgenoote beteekenen, en gading de „vereeniging met zulk een gade.quot; De ruime zin van gade is genoot, iemand, die bij een ander behoort; en gaden had de beteekenis van „vereenigen wat bij elkander hoortquot;: men denke aan ons vergaderen en tegader, aan het Hgd. Gatte en sich gatten, aan \'t Engelache together en to gather. Tot deze groep van woorden schijnt goed in stamverwantschap te staan: men vergelijke voor de gunstige beteekenis van goed denzelfden overgang van bekwaam (bldz. 1, reg. 4). 13 Weerelt; menigte menschen: men zie over weerelt mijn De Taai enz. bldz. 66. 15 Opgespanne -zinnen; vroeger sprak men van „sen boog opspannenquot;: zoo b. v. Vondel zelf in zijn Herscheppingen, vs. 545:
ApoUion, moedigh op den draekestrijt, noch versch Gestreên, zagh hem den boogh opspannen met de handen.
13
lucifer.
Dat houdt dit paer verknocht. Hun leven is beminnen, En wederminnen met een\' ouderlingen lust,
Onendelyck gelescht, en nimmer uitgebluscht.
Belzebub.
Nu pasme deze bruit naer \'t leven af te malen.
Apollion.
Dit eischt Natuurs penseel, geen verf, maer zonnestralen. De man en vrou zijn bey volschapen, evenschoon,
1 Verknocht; verbonden, vereenigd: met bekenden overgang van p in chy waarvoor de gerekte oo tot een korte werd. 2 Lust; de grondbeteekenis schijnt begeerte te zijn geweest; het voldoen dier begeerte kon aan dit woord de aangename bijgedachte schenken, die het heeft, 3 Lesschen en blusschen; twee woorden, die in den grond dezelfde zijn: Uusschen toch is niet anders dan he-lesschen (over de 21 zie men v. Heiten Nederl. Spraalck. bldz. 57). De betee-kenis is thans alleen transitief, en aan lesschen en blusschen elk is een afzonderlijk gebied toegewezen. Zoo is het niet altijd geweest. In \'t Ohgd. had men twee ww. leskan en lesJcjan, waarvan het eerste intransitief w?s en ophouden, bedaren, yaan liggen beteekende; terwijl het tweede transitief werd gebruikt, en als factitief van het eerste in den zin van doen ophouden, stillen, uitdooven werd gebezigd. Ook in \'t Nederlandsch zijn herinneringen aan deze onderscheiding en aan een ruimer toepassing overig. Men vergelijke:
Sine bluscht niet {de gloed nl), mer pijnt al toes voort.
Hindus, vs. 423, Den berrenden dorst, dien du nu dreechs en bluschte niet, droncstu den Rijn.
Ibid. vs. 555. Nae datse gherust waren van hunlieder arbeyt Aldaer elck zijnen hongher ende dorst wel heeft gheblnscht.
Coornhert, Odysseu, II, 62. 5 Passen; zorgen, zorgvuldig acht geven, zijn best doen-, het grondwoord van dit werkwoord zoeke men in \'t Transche (Lat passus), d. i schrede% later de ruimte van een schrede, een bepaalde ruimte, ook een tijdruimte, eindelijk een korte tijdruimte, een tijdstip, een oogenblik. Te pas beteekende eerst juist op dat oogenblik, op den vastgestelden, d. i. den behoorlijken tijd; een zekrr denkbeeld van voldaanheid hechtte zich aan deze uitdrukking, zooals ook wij nog kunnen merken, wanneer we goed te pas zijn: de weg tot het aannemen van allerlei gunstige beteekenissen was nu gebaand; men vergelijke:
Paulucius, dese edel Romaen,
Had enen soen , heet Qnintillaen,
Die lustelic, jonc ende lustich was.
Schoen van leden ende wail te pas!!
De moeite, de inspanning, die er vereischt werd om aan een bepaalden of aan een voorgeschreven pas te voldoen, gaf aan het ww. passen de beteekenissen voegen, schikken, zorgdragen, aan een gegeven bevel gehoorzamen» Zeer dikwijls komt het met een ontkenning voor in den zin van niet bevreesd zijn voor, niet geven om, niet malen om, 8 Volschapen; de lezer vergelijke volmaakt.
14
TREURSPEL.
Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon, Door kloeckheit van gedaente, en majesteit van \'t wezen, Als een ter heerschappy des aertryx uitgelezen:
Maer al wat Eva heeft vernoeght haer bruigoms eisch: 5) Der leden tederheit, een zachter vel en vleisch, Een vriendelycker verf, aenminnigheit der oogen, Een minnelycke mont, een uitspraeck, wiens vermogen Bestaet in eedier klanck; twee bronnen van yvoor,
En wat men best verzwyge, eer dit een Geest bekoor\'. 10) Bejegent Engelen, hoe schoonze uw oogh behaeghden;
Het zyn wanschapenheên by \'t morgenlicht der maeghden.
Belzebub.
Het schijnt, ghy blaeckt van minne om \'t vrouwelijcke dier.
1 De kroon spannen ; de kroon (diadeem) om het hoofd binden: spannen toch komt in vroeger tijd herhaaldelijk in de beteekenis van binden voor, b. v.: Al moder naect, harde onsoete.
Om dien hals en om die voete Gespannen uter maten vaste.
Alex. VIII, vs. 814. » Die eamerliDC maecte hem vore {trad voor),
ende spien hem sinen rechteren spore.
Mijn her Lanceloet, die ridder goet,
Spien hem den luchteren ane den voet.
Ferguut (Uitgave Verwijs en Verdam), vs. 1082. Men derke nog aan eedgespan, vloeJcgespan, ontspannen, samenspannenf inspannen. 8 Uitgelezen; uitgekozen: de oudste beteekenis van lezen is verzamelen (b. v. korenaren lezen), de tegenwoordige beteekenis van lezen werd aan dit woord eigen, doordien de staafjes, waarop de runenteekens waren geschreven, bij het doen van voorspellingen , door de priesters werden rondgestrooid, en ze om den inhoud ie leeren kennen moesten worden verzameld en geordend, d. i. gelezen. Dit raden naar den inhoud gaf aan het Engelsche to read zijn tegenwoordige beteekenis.\' 6 Vrienderlyker verf: hevalliger gelaatskleur. 7 Uitspraeck; waarvoor wij gewoonlijk alleen spraak bezigen. „Uitspraeckquot; was evenals nu, ook in V/s dagen vrouwelijk; het betr. vnw wies behoeft echter niemand te verwonderen: Vondel gebruikt als relatief pronomen, gen. s. fem. steeds wie?/s; een vorm, welke in de 16de eeuw zeer gebruikelijk was. Men zie Prof, v. Kelten I, § 120. 10 btjegent enz.; de lezer lette op de eigenaardige constructie van dezen afhankelijken volzin. Wij zouden zeggen: „al ontmoettet ge enz,quot; of „ontmoettet ge ook engelenquot; enz. 13 \'t Vrouwelijcke dier ; ofschoon het waar is, dat in de 17^e eeuw vooral het woord dier (vergel. deerne en \'t Hgd. Dime) voor een meisje of vrouw in gebruik was, geloof ik toch, dat men hier niet in de eerste plaats aan \'t genoemde dier hebbe te denken : de bijvoeging vrouwelijek toch ware dan geheel overbodig. Vondel verstaat onder dier of een schepsel in \'t algemeen , óf meer bepaald een wild beest (soms ook allerlei landgedierte), b. v.:
In \'s midnachts stomme stilte, en eenzaemheit, langs \'t velt,
üaer Vogel, Bier en Mensch, in slaap gevallen, sliepen.
Herscheppingen, vs. 273.
15
lucifer.
Apollion.
Ick heb mijn slaghveêr in dat aengename vier Gezengt. Het vielme zwaer van onder op te stagen, Te roeien, om den top van Engleburgh te krijgen. B) lek scheide, doch met pijn, en zag wel driewerf om, Nu blinckt geen Serafijn, in \'t hemelsch heilighdom. Als deze, in \'t hangend hair, een gonde nis van stralen, Die schoon gewatert van den hoofde nederdalen,
Men vergelijke ook de volgende aanhaling uit Bonayentura\'s Leven van St, Franstscus; „al waert dat een minre broeder conste hadde der manieren der Yoeghelen ende der Vischen, ende der Dieren ende der Menschenquot;
Hier zal dier op te vatten lijn in den zin van schepsel in \'t algemeen. Bij llaeclcen is op te merken, dat wij blaken van minne took,
2 Slaqhveek; de voornaamste veer, door ons gewoonlijk slagpen geheeten. 4 Koeien ; dit woord doelt natuurlijk op de moeite, die hij had om van het „vronwelijcke dierquot; te scheiden. 4 Engleburgh ; de verheven verblijfplaats der englen, 5 Pijn; moeite, tegenzin-, oorspronkelijk straf, kwelling, het Lat. poena, dat tegelijk met het Kristendom in de Germaansche taal overging. Men denke aan \'t Fransche peine en vergelijke:
Een wolf hadde in sijn hol ghedragen Spise ghenoech te iL daghen,
Om met ghemake daer in te sine,
Sonder sorghe, ende sonder pine.
Aesopet.
C Serafijn ; oorspronkelijk een meervoudsvorm (het Hebr. serdftm), met onzekere beteekenis (brandende, vol vuur?) Oudtijds was serafijn ook bij ons een meervoud; zoo b. v. in den Lekenspieghel, B. I, C. 4:
Inden middel hemel sijn Neghen manieren van ynglen fijn;
Dat sijn Yngle, Arcbangele, Throne,
Principale, Dominatione,
Potestate, Cherubijn,
Cherub ende Cherafiin.
Men zie verder de Oosterlingen van Prof. R. Dozy.
Hoe de profeet Jesaia zich de seraphim voorstelde, vinden we in het Vide Kapittel, het 2^ Vers beschreven: „De Seraphim «tonden boven hem („den Heerequot;), een yeghelick hadde ses vleughelen: met twee bedeckte yeder sijn aen-ghesichte, ende met twee bedeckte hy sijne voeten, ende met twee vloogh hy.quot; 6 \'t Hemelsch heilighdom; zinspeling op het heilige der heiligen binnen Salomons tempel, waarin de bondkist zich vertoonde met het afbeeldsel der cherubim. 7 Nis; „een holligheid in een muurquot;, om daarin een beeld (ook iets anders) te plaatsen, ook wel muurrand geheeten. Het is het Fransche niche, met dezelfde beteekenis, 8 Gewatekt; golvend: men denke aan gewaterd lint. Voor de schildering vergelijke men de volgende verzen uit Milton\'s Paradise Lost, VI: She, as a veil down to the slender waist.
Her unadorned golden tresses wore Dishevell\'d, bat in wanton ringlets waved As the vine curls her tendrils enz.
16
treurspel.
En vloejen om den rugh. Zoo komtzc, als uit een licht, Te voorschijn, en verheught den dagh met haer gezicht.
Laet perle en perlemoer ü zuiverheit belovea;
Haer blanckheit gaet de perle en perlemoer te boven. 5) Belzebub.
Wat baet al \'s menschen roem , indien zijn schoonheit smelt, En eindelijck venvelckt, gelijck een bloem op \'t velt?
Apollion.
Zoo lang die hof beneên niet ophoude ooft te geven, 10) Zal dit gezali^ht pier by zulck eea\' appel leven ,
Die, daer in \'t midden groeit, bevochtight van den stroom, Waer by de wortel leeft. Decs wonderbare boom Wort \'s levens boom geuoemt. Zijn aert is onbederflijck.
Hier door geniet de inensch het eeawigh en onsterflijck , 15) Ea wort den Engelen, zijn broederen, gelijck,
Ja, overtreftze in \'t eindt; en aal zijn macht en Kijck Verbreiden overal. Wie k^.u zijn vleugels korten?
Geen Engel heeft de maght zijn wezen uit te storten In duizeutduhenden, in een oneindigh tal. 30) Nu overreken eens wat hier uit worden zal.
Belzebub.
De menscli is maghtigh dus ons over \'t hoofd te wassen. Apollion.
Zijn wasdom zal ons haest verschricken, en vcrraasen. 25) Al duickt zijn heerschappy nu lager dan de maen ;
Al is die maght bepaelt; hy zal al hooger gaen,
2 Verheught; verheldert, venroolykt. 2 Gezicht; verschijning, voorkomen. S Laet enz.; de lezer lette ook op den vorm van dezen afhankelijken zin. 3 Perlemoer; de parelschelp, ah lealster of moeder van den parel: men denke aan \'t Transche mereperle, Sp. madreperla, \'t Eng. mother of pearl, \'t Hgd. Perlmutter. 7 Gelijck ken blo^m enz.; „Gelijk eene bloem ontluikt hij, en verwelkt,quot; (Job XIV, 8. Ps. CU, 15, ! 0), 10 Gezalight ; bevoorrecht, ye-quot;(\'■(/end. 10 Zulck ; bepalinp; aankondigend vr.w ; de ai\'h, zia, welke de aankondigende bepaling bevat, begint met die, waarvoor wij als bezigen. 11 Daek; in den hof nl. 13 Waer by; waardoor\', men denke aan \'t Engelsehe ly. 12 Wonderbare boom ; „En de [kete God deed aldaar allerlei geboomte uit de aarde spruiten, begeerlijk voor het gezigt, en goed tot spijze; ook de boom dca levens in het midden van den hof.quot; (Gen. II, 9.) 13 Onbederflijck; het tegenovergestelde van bederfelijk = vergankelijk, ran het in trans, dus:
blijvende, ongeschonden durende, in volle kracht voortbestaande: men vergelijke onvergankelijk en zie nog onbederfsaem bij Vondel (door v. L IV, bldz. 481, vs. 783): „dit onbederfzaem zaet bewaert het lijek, hoewel het lijck vergaet voor eene wyl.quot; De vrucht van den Levensboom had de kracht om \'s menschen leven in een altoosdurende jeugd te onderhouden. 22 Is machtigh ; bezit (dus) de macht: men zie maght in reg. 26. 2-t Haest; spoedig, weldra. 21 Vereassen; Overvallen.
17
2
lucifer.
Om zijnen stoel in top der hemelen te zetten.
Zoo Godt dit niet belet, hoe konnen wy \'t beletten?
Want Godt bezint den mensch, en schiep het al om hem. Belzebdb.
5) Wat hoor ick? een bazuin? gewis hier wil een stem Op volgen: zie eens uit, terwylwe hier verbeien.
Apollion.
D\'Aertsengel Gabriël, gevolght van \'s hemels Keien, Gonaeekt in \'s Hooghsten naem, om uit den hoogen troon 10) T\' ontvouwen, als Herout, het geen hem wiert geboon.
Belzebub.
Ons lust te hooron wat d\' Aertsengel zal gebieden.
Gabkiël, Rey van Engelen.
Gabriël,
Hoort toe, ghy Engelen: hoort toe, ghy hemellieden. De hooghste Goetheit, uit wiens boezem alles vloeit Wat goet, wat heiligh is; die nimmer wort vermoeit 5) Door weldoen, noch verarmt van haer genadeschatten, Tot noch met geen begryp der schepselen te vatten;
Dees Goetheit schiep den mensch haer eigen beeld gelyck.
1 Om zijnen stoel enz.; om in de hoogste hemelen zich te vestigen. 3 Bezinnen; beminnen: men denke aan „iemand (goed) gezind zijn,quot; „zijn zinnen op iemand zetten,quot; en vergelijke; „De vaader had liet (kind) uit der maaten be-tint, en betreurde het naar gelange.quot; (Hooft\'s Brieoeu).
Ik scide aan Maartje niet zo dra dat ik haar minde.
Of zij verklaarde my dat zy me meê hezivde.
Van der Cruyssen, Esopus, bl. 48. 5 Wil; sal-, men denke aan \'t Engelsche will. 8 Gabriël; een Aartsengel en Gods geheimnistolk■. hij werd aan Daniël gezonden om hem gezichten en openbaringen te verklaren (Dan VIII, 16. IX, 21X1, 1); ook aan den priester Za-charias en aan de maagd Maria, om de geboorte van Joannes en van Jezus aan te kondigen, (Luk. I, 19, 28). 10 Herout; plechtige «akiiwjrfïv/er eener gewichtige zaak, bet Kranaehe héraut, dat vroeger hiralt luidde, naar \'t Middel-Eeuwsch Latijn har aldus, waarmee een Oud-Duitseh woord hariteall, d. i. „machthebber in \'t legerquot; overeenstemt.
8 Uit wiens boezem enz.; „Alle goede gave, ea alle volmaakte gift daalt van boven, van den Vader der lichten. (Jac. I, 17). 5 Van; wat aangaat, wat betreft. 6 Begrijp ; omvang van het menschelijk verstand, ons begrip, waarbij men thans echter meer aan diepte, inzicht denkt. 7 Haer eigen beeld gelyck ; „God schiep den mensch naar zijn beeld,quot; (Gen. I, 27).
18
TREURSPEL.
Oock d\' Englen, op dat zy te zamen \'t eeuwigh Kyck, Het noit begrepen goet, na \'et vierigh onderhouden Der opgeleide wet, met Godt bezitten zouden.
Zy boude \'t wonderlyck en zienel^ck Heelal 5) Der weerelt, Gode en oock den mensche ten geval; Op dat hy in dit hof zou heerschen, en vermeeren ; Met al zyne afkomst\' hem bekennen, dienen, eeren, En stygen, langs den trap der weerelt, in den trans Van \'t ongeschapen licht, den zaligenden glans. 10) Al schynt het Geestendom alle andren \'t overtreffen; Godt sloot van eeuwigheit het Menschdom te verheffen, Oock boven \'t Engelsdom, en op te voeren tot Een klaerheit en een licht, dat niet verschilt van Godt. Ghy zult het eeuwigh Woort, bekleet met been en aren,
1 Oock d\' englen; te weten „schiep Ilij.quot; (Ps. VITI, 6). 2 Noit beghepen ; zie begrijp (pag. 18, reg. 6). 4 Wonderlyck en zienelyck ; onzichlhaar én zichtbaar voor \'s menschen oog: de lezer merke op, dat Vondel het Heelal der weerelt (in een wonderljck cn een zienlijck gedeelte gesplitst), het zoogenaamde Universum, als het geschapene plaatst tegenover het ongeschapen licht (zie 5 verzen lager!); men vergelijke de Aant. op Negen bogen bldz. 7 reg. 10. 5 Ten geval; ten gevalle. 6 Dit hof; dat is het „zienelyck Heelal der weerelt,quot; of „de Aarde.quot; Hof in den zin van aula werd gewoonlijk onzijdig, in dien van hortus mannelijk genomen; aldus de Decker in „De te vroeg oplaickende hloemequot;:
Maer duuren is een schoone stad.
\'t Gaet in het hof, als in den hof;
De hovelingen en de blommen,
Te haest ontloken of geklommen,
Die vallen dick weer haest in \'t atof.
Men vergelijke bldz. 3 reg. 20 cn bldz. 8 reg. 2. 7 Bekennen; kennen en daarvan openlijk blijk geven: belijden, 8 Trans; rondloopendie borstwering van een muur, omgang van een toren. In \'t algemeen \'t verhevenste, \'t hoogste gedeelte. Zoo vinden we bij Vondel elders: „ijlings beklom men den trans der vesting;quot; „ten trans ait van den toren;quot; „eer hij u uit den troon, den aller-hoog sten trans van eere, nederklincke.quot; 11 Sloot; natuurlijk voor besloot % 12 Oock boven \'t Engelsdom; „Zoo lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwig leven hebbe.quot; (Joh. III, 16). 13 Een klaerheit en een licht enz.; „De God van alle genade, die ons tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus geroepen heeft.quot; (1 Petr. V, 10. 2 Thess. II, 14). 14 Het eeuwigh Woort enz ; Het Woord, vleesch geworden.quot; (Joan. I, vs. 14). God geopenbaard in het vleeschquot; (1 Tim. III, 16). „Hij heeft zich zeiven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknecht» aangenomen hebbende, en is den mensche gelijk geworden.quot; (Philip. II, 7).
19
lucifer.
Gezalft tot Heer, en hooft, en rechter, al de scharen Der Geesten, Engelen en menscben te gelyk,
Zien rechten, uit zyn troon, en onbeschadnwt Ryck;
Daer staet dc stoel alree geheilight in het midden/ 5) Dat alle d\'Engelen hem passen aen te bidden,
Zoo ras hy innery, wien \'t mensciielyck gestalt,
Oock boven ons natuur verheerelyckt gevalt,
Dan schynt de heldre vlam der Serafynen duister, By \'s rnenschen licht, en glans, en goddelycken luister. 10) Genade dooft Natuur en al haer glansen uit.
Dit\'s nootlot, en een onherroepelyck besluit..
Eey van Engelen.
Al wat de hemel stemt, zal \'t hemelsch heir behagen 4 Gabriël.
15) Zoo past u trou in Godts en \'s rnenschen dienst te dragen : Naerdien de Godtheit zelf de menscben zoo bemint. Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint.^ De mensch en Engel, beide uit eenen stam gesproten, Zyn medebroeders; uitgckore lotgenoten.
1 heer; „Hij heeft hem gezalfd tot Koning.,; (Hebr. I, 9). „Op zijn schouder rust de heerschappij.quot; (Js. IX, 6). 1 Hooft; „Hij heeft hem tot een hoofd gegeven aan de geheele gemeente.quot; (Ef. I, 22. Kol. I, 18). 1 En kechter; „Jezus Christus, die levenden en dooden oordeelcn zal, hij zijne verschijning in zijn rijk.quot; (2 Tim. IV, 1. Rom. XIV, 3 0). 4 Stoel; „En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen; en dan zullen al de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende ov dc wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid.quot; (Matth. XXIV, 30). 6 Innery; voor „met heerlijkheid orageveuquot; verschijne. 6 Gestalt; „De gestal\' lenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, is hij den mensche gelijk geworden.quot; (Filip. 11, 7). Elders gebruikt Vondel gestalt vrouwelijk. 7 Gevalt; bevalt\', eigenlijk toevallen, ten deel vallen, vroeger met kwaad ui goed vergezeld, later uitsluitend in gunstigen zin gebezigd, 8 De heldre vlam der Serapy-nen; men zie de verklaring op bldz. 16 reg. 6. 10 Genade; hier in dc be-t.eekenis van groote goedheid, genegenheid.. J1 Dit\'s nootlot; door de volgende woorden van dit vers genoegzaam verklaard. Men vergelijke uit Milton VIII: „Necessity and chance Approach not me, and what I will is fate%
So spoke the Almighty.
11 Onherroepelyck ; wanneer men dit vers naar het metrum leest, zal men zien, dat de caesuur tusschcn on en herroepelijk valt; een doorloopend\' vers dus. 13 Stemmen; bepalen, besluiten-, denominatief van stem. 15 Past ; gebiedende wijs van \'passen (zie bldz. 14 vs. 5). 15 Dragen; gedragen. Men vergelijke; Wilt u alsoo omtrent u ouders draghen.
Beaumont, Ged. bldz. 187. 19 Uitgekore lotgenoten; bevoorrechte, verheven lotgenooten; de n der verleden deelw. wordt door V. dikwijls verwaarloosd.
20
TREURSPEL.
Des Allerhooghsten zoons en erven, zonder smet. Een ongedeelde wil en liefde zy uw wet.
Ghy weet, hoe \'t Engelsdom moet onderscheiden worden In dryderhande ry, een negenvoudige orden;
5) De hooghste in Serafyn, en Cherubyn, en Troon,
Die zitten in Godts Raet, en stereken zijn geboón.
..De middenry bestaet uit Heerschappyen, Klachten, En Maghten, die op \'t woort van Godts Geheimraet wachten, Tot \'s menschen nut, en heil, en hulp in\'t algemeen.
10) De derde en laeghste ry, gewyt uit Vorstenheên,
En groote Aertsengelen, en Engelen, moet duicken Voor \'t woort der middelrye, en laten zich gebruicken, Beneden het gewelf van zuiver kristalyn ,
In hun\' byzondren last, zoo wyt \'t gestarrent schyn\'.
15) Wanneer de weerelt koom\', zich verder uit te spreiden, Wort elck van deze ry in zyn gewest bescheiden ,
21
Of weet zyn eige stadt, en huis, en wat persoon Zyn zorgh bevolen blyft, ter eere van Godts kroon.
I Des aliekhoogsïen zoons en erven; dit vers dient vooral om het woord „Uitverkorequot; nader te verklaren. 4 In drtdekhande kï; deze verdee-lins: der Hetnelsche geesten in drie „rijenquot; of rangen, elk van drie „ordenquot; of koren, grondde de Oudheid op Rom. \\III, 38. Kol. I, 16. Ef. I, 21; III, 10. De lezer vergelijke bovendien Milton V. 5 Cherubyn ; evenals serafyu (zie bldz. 16 reg. 6) eigenlijk een meervoud, (\'t Hebr. cherubim, Chald. cherubm) en wordt ook bij ouze oude schrijvers als meervoud gebruikt: men zie het voorbeeld bij serafijn op bldz. 1lt;3 reg. 0. Over de eigenlijke beteeke-nis van dit woord loopm de meeningen der geleerden zeer uiteen (sterken?)\\ er worden hemelgeesten van den eersten rang mee aangeduid, nu eens in de gedaante van menschen , dan weer die van dieren, of ook saamijesteld. Een afbeelding van dit fabelachtige dier versierde de bondskist in het heilige der heiligen. (Ezech. I, 5. Openb. IV, 6). 9 Tot \'s menschen nut; „Zijn zij niet allen dienstdoende geesten, die uitgezonden worden, om te voorzien in de behoeften dergenen, die de zaligheid beërven zullen?quot; (Hebr. I. 14). 13 Het ge-welf van zuiver kristallyn; de lezer vergelijke de Aant. op Negen bogen; bldz. 7 reg. 10. 15 Weerelt; hier genomen in de beteekenis van bevolking. 16 Wort elck; dat elke staat, elk gewest, elke stad, elk huisgezin onder de hoede van een beschermengel stond, aan de „zorghquot; van zulk een engel „bevolenquot; was, werd algemeen aangenomen. (Dan. X, 13). Michaël was de Engel van het Joodsche volk. (Dan. X, 21). 16 Bescheiden; aanwijzen, bepalen, vastslellen. De lezer zie Biblioth. van Ned. KI. Ill, bldz. 105 reg. 3. 17 Wat persoon; ook de mensch had een beschermengel: „Hij heeft zijnen Engelen over n bevolen.quot; (Pa. XCI, II). 18 Blyven; viorden, met de bijgedachte van duurzaamheid; in het Deensch is hlive nog het hulpww. van \'t lijdend geslacht.
22 LUCIFER,
4
Getrouwen, gaet dan bene, oiisterfelycke Goden, Gehoorzaemt Lucifer, verknocht aen Godts geboden. Bevordert \'s hemels eer, in \'t menschelyck geslacht. Een ieder in zyn wyck, een ieder op zyn wacht.
5) Laet zommigen voor Godt de schael vol wieroock branden, En brengen voor Godts troon der menschen offerhanden, En wenschen, en gebeên , en zingen \'s Godtheits lof. Dat zich de galm verspreie in \'t eeuwighjuichend hof. Een ander draey\' gestarnte en ronde hemelklooten, 10) Of zett\' den hemel op, of hou de Incht gesloten Met woleken, om den bergh te zegenen om laegh, Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaegb Van mance en honighdau , daer Godt wort aengebeden Door d\' eerste onnozelheit, de burgery van Eden. 15) Wie door de lucht, en \'tvier. en aerde, en water rent, Die matige op zyn pas een ieder element,
Naer Ailams wensch, of legg\' den blixemstrael aen banden, Of breidele den storm, of brceck\' de zee op stranden. Een ander sla de treên des menschea gade op \'t velt. 30) De Godtheit heeft zijn hair tot op een hair getelt.
Men draegb\' hem op do hant, dat hy zyn\' voet niet stoote. Wort iemant, als gezant, gezonden van een\' Groote Aan Adam, \'s aertrijoks Yorst, dat hy zyn\' last verricht\'. Zoo luidt myn last, waer aen de Godtheit u verplicht.
1 Goden; de Daam Ehhim, Godai wordt dikwijls gegeven aan schepselen van verheven aard, die in den naam der Godheid handelen. (Gen. XVI, 13. XVIII, 13, 17. XXXII, 28. Ex. VII. 1. XYI, 8. XXII, 8. Ps, LXXXII, 6). 2 Lücifee; de Lichtbrenger, een Aartsengel, Gods stedehouder, die reeds Apol-lion naar de aarde had gezonden. Zie bldz. 1 vs 3. 5 De schael vol wieroock; „En de rook des renkwerks ging op, met de gebeden der heiligen, van de hand des Engels, voor den troon van God.quot; (Openb. VIII, 4). 9 Een ander draey\' gjsstarnte; volgens de oude Joodsche leeraren hadden de engelen het opzicht over den loop der wereldbollen. J0 Of zett\' den hemel op; d. i. open , om de zonnestralen ongehinderd-door te laten. 11 Pen Bebgh; aan welks voet de „zalige landouwen der onderweoreltquot; lagen: men zie bldz. 10 reg. 5. 13 Manne; hier niet in zijn eigenlijke boteekenis te nemen, maar voor vrticMharen regen. 13 Honiohuau; zoele3 geurige dauw. zachte, verkwikkende regen. 14 Onnozelheit; onschuld-, onschuldige bevolking, van kwaaddoen onbewust. Men zie over onnozel. Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 118. 15 Wie door de lucht enz ; ook was, volgens de Joodsche leeraren, tet bewind over de elementen aan de engelen toevertrouwd. 19 Een ander sla du treên enz ; „Hij heeft zijnen Engelen over u bevolen, dat zij u behoeden op al uwe wegen.quot; (Ps. XCI, 12). 22 Gezant; d. i. als engel, het Gr. ayyzXog — gezant. 22 Groote; door een van hooger orde. 24 Verplicht; hetgeen de Godheid u oplegt.
TRBUKSPBL.
KEY VAN ENGELEN. \'
ZANG.
Wie is het, die zoo hoogh gezeten, Zoo diep in \'t grondelooze licht, 6) Van tijt noch eeufldgheit gemeten,
Noch ronden, zonder tegenwight, By zich bèstaet, geen steun van buiten Ontleent, maer op zich zei ven rast, En in zijn wezen kan besluiten 10) Wat om en in hem, onbewust
Van wancken, draait, en wort gedreven,
Om \'t een en eenigh middelpunt; Dor zonnen zon, de geest, het leven; De ziel van alles wat ghy kunt 15) Bevroên, of nimmermeer bevroeden ;
Het hart, de bronaêr, d\'oceaen En oirsprong van zoo vele goeden Als uit hem vloeien, en bestaen By zyn genade en alvermogen, 20) En wysheit, die hun \'t wezen scliouck
Uit niet, eer dit in top voltogen
Palais, der heemlen hemel, blonck; Daer wy met vleuglen d\'oogen decken Voor aller glansen Majesteit;
3 Zoo hoogh gezeten; „Wie is gelijk de Heer, onze God, die zoo hoog gezeteld is?quot; (Ps, CX1II, 5 Job XXXVI, -22). 5 Gemeten; bij het lezen lette men er op, dat de bedoeling is: „gemeten van tijt, noch eemcigheit, noch ronden, d; z. kringen 6 en 7 Zonder tegenwight, urj zich bestaet; de volstrekte ooafhaokelijkheid van God wordt in Ex III, 14 uitgedrukt door ick sal zijn die ick zijn sal. 9 En in zijn wezen enz.; „Tn hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij.quot; {Hand. XVII, 28). 15 13evkoeden ; begrijpen-, van vroed = verstandig. 17 Goeden; goedheden, weldaden. Men vergelijke; Hoe oft men noch ter wercldt schepsels vindt Zoo ruw, zoo woest, dat zy, als dubbelt blindt De klaare kracht der Godtheid niet bevroeden.
Vol Majesteits en oorspronk aller goeden.
Hooft, Gedichten, 14. en denke aan Jak. I, 17. „Alle goede gave, en alle volmaakte gifte daalt van boven, van den Vader der lichten.quot; 23 Baek wy met vleuglen enz.; de lezer vergelijke Js. VI, 2: Eu de Serafs stonden rondom hem; zes vleugelen had elk^ met twee bedekte hij zijn aangezigt, en met twee bedeckte hij zijne voeten, en met twee vloog hij.quot;
23
lucifer,
Terwylwe \'s Hemels lofgalm wecken,
Eq vallen, uit eerbiedigheit,
Uit vreeze, in zwym op \'t aenzicht neder? Wie is het? noemt, besehryft ons hem 5) Met eene Serafyne veder.
Of schort het aan begryp en stem ?
tegenzang.
Dat \'s godt. Oneindigh eeuwigh Wezen Van alle ding, dat wezen heeft, 10) Vergeef het ons; o noit volprezen
Van al wat leeft, of niet en leeft,
Noit uitgesproken, noch te spreken;
Vergeef het ons, en schelt ons quyt Dat geon verbeelding, tong, noch. teken 15) U melden kan. Ghy waert, ghy zyt,
Ghy blyft de zelve. Alle Englekcnnis
En uitspraeck, zwack, en onbequaeiu, Is maer ontheiligiog, en schennis:
Want ieder draeght zyn\' eigen naem, 20) quot;v Behalve ghy. Wie kan u noemen
By uwen Naem? Wie wort gewyt • Tot uw Orakel? Wie durf roemen? ^ Ghy zyt alleen dan die Ghy zyt,
U zejf bakent en niemant nader. 25) U zulx te kennen, als ghy waert
Der eeuwigheden glans en ader;
6 Schobt; ouihreekt-. men zie Bibliotb. van Ned. KI. III, bldz. 71 reg. 7- 13 Schelt ons quyt ; niet toerekenen: het vroegere quite snelden. Schoon schelden oorspronkelijk een ongunstige beteekenis hnd, komt het voor in de beteekenis van verklaren •, men scout (voor scold) iemand eener sake quite. 14 Dat gken verbeelding enz.; bij Milton (VII) leest men:
„What thought can measure thee, or tongue relate thee Iquot; 15 Ghy avaert, enz ; men zie Openb. I, 4 : „Die is, die was, en die komen sal.quot; 16 De zelve; dezelfde. 17 OnbeciuaiïM; onvoldoende, ongeschikt-, men zie Bequaem op bldz. 1 reg. 4. 22 Oeakel; \'t Lat oraculum: godspraak, goddelijke openharing\', bij, die GülI openbaart. 22 Durf; voor darp (met den uit het meervoud ingedrongen u voor a): geheel overeenkomstig den aard der werkwoorden met verschoven praeteritum eindigt de 3e pers. eakelv. niet op een t, schoon Vondel ook hj durft (met den uit de regelmatige conjugatie overgenomen t) schrijft. Men zie Prof. van Helten\'s Vondels Taal, § 47. 23 Ghy zyt enz.; Die is heeft mij tot u gezonden.quot; (Ex. Ill, 14).
24
TREUllSPEL.
Wien is dat licht geopenbaert?
Wien is der glansen glans verschenen?
Dat zien is noch een hooger heil Dan wy van uw genade ontleenen; 5) Dat overschryt het perck, en peil
Van ons vermogen. Wy verouden
In onzen daur; ghy nimmermeer. Uw wezen moet ons onderhouden. Verheft de Godtheit: zingt haer eer.
10) TOEZANG.
Heiligh, heiligh , noch eens heiligh,
Driemael heiligh : eer zy Godt. Buiten Godt is \'t nergens veiligh. Heiligh is het groot gebodt. 15) Zijn geheimenis zy bondigh.
Men aeubidde zyn bevel.
Dat men overal verkondigh\',
Wat de trouwe Gabriël Ons met zyn bazuin quam leeren. 30) Laet ons Godt in Adam eeren.
25
Al wat Godt behaegt, is wel.
6 Verouden; oud worden-, zoo b. v. ia Jes, 51, vs. 6; „de aerde sal als een kleed veroudenquot; 7 In onzen duur; tijdens den duur van ons bestaan. 11 Hei-hgh enz.; „En de een riep den ander toe: „heilig, heilig, heilig is de Heer der beirscliarenquot; (Js. VI, 3. Openb. IV, 8). 14 Groot gebodt; vervat in Num. XI, 44; „Weest beilig , omdat ik heilig ben.quot; 15 Bondigh; verbindende, dus van kracht: m. a. w. gehoorzamen wij zijn „geheimnisquot; als een „gebod.quot; Men vergelijke over de kracht van dit Bondigh nog de volgende voorbeelden: „want hy mach een nieuwe Godtsdienst ende lleligie bevestigen ende hondich makenquot; Marnix, Bijen-Korf, 1645, bl. 114. „Want sy heeft een volle macht, om alle conciliën te veranderen, bondeloos, nietich ende van geender weerden te maken. Ibid., 1569 f0 61, v0. 21 Al wat godt enz.; Gods weg is onberispelijk.quot; (Ps. XVIII, 3).
2*
mjcifer.
HET TWEEDE BEDRYE. Lucu\'ee. Belzebub,
26
\\
Lücifer.
Ghy snelle Geesten, houdt nu stant met onzen wagen: Al koogh genoegh in top Gods Morgenstar gedragen ; Al hoog genoegh gevoert: \'t is tyt, dat Lucifer 5) Nu dnieke voor de komst van dezo dubble star.
Die van beneden ryst, en zoekt den wegh naer boven, Om met een\' aertschen glans den hemel te verdooven. Borduurt geen kroonen meer in Lucifers gewaet;
Verguit zyn voorhooft niet met eenen dageraet 10) Van morgenstarre en strael, waer voor d\'Aertsehglen nygen ; Een andre klaerheit komt in \'t licht der Godtheit stygen , En schynt ons glansen doot; gelyck de zon by daegh De starren dooft, voor \'t oogh des schepselen, om laegh.
2 Snelle geesten; het adjectief snel voegt bijzonder goed bij geest, wijl dit woord ons doet denken aan iets onstoffelijks, iets onlichamelijks, aan bet tegenovergestelde van wat door Tondel als een ,,\'jrof en sackende elementquot; wordt aangeduid. Op bldz. 33 (bierachter 1) vraagt Lucifer vol verontwaardiging:
Znllen wy. ..........
Ontelbre lichaemlooze ...... zielen
Zien buigen voor een grof en sackende element?
3 Stant houden ; stil houden, zonder daarbij in de eerste plaats, zooals thans, aan den tijdsduur te denken. -Men verbeelde zich Lucifer gezeten op een door hemelgeesten getrokken wagen. Ook bij Milton (VII.) is Satan op een hoog verheven troonwagen gezeten. B Morgenstab : Tenus, door de dichters ook wel Lucifer, d. i. geheeten, omdat zij den dageraad aankondigt.
5 Dubble star; waarbij men in de eerste plaats aan Adam ea Eva, iu \'tal-gemeen aan den menseh te denken hebbe. 7 Verdooven ; levenloos (hier glansloos) maken : bijzondere aandacht verdient de eigenaardige kracht van ons dof (van den geest gezegd ; „hij is erg dofquot;); men denke ook aan „het vuur uitdooven.quot; 9 Dageraet; men denke aan den gloed, door den dageraad aan de kimmen verspreid en verbeelde zich Lucifers voorhoofd met een ster prijkende. Het woord dageraad is wellicht hetzelfde als \'t Ohd. tagarót, dat in \',t Mhd. reeds tage-rdt luidde; het Ags. had dagrêd. De beteekenis dagrood ligt dan ook zeer vóór de hand: meer dan de eenigszins gewrongen verklaring, dat dageraad het Mndl. daeli-grake d. i. de grahinge of grauioinge van den dag zou wezen (men vergelijke nchtendgranwen). 11 Klaerheit; helderheid, glans. 18 Dooet; zie verdooven, reg. 7 boven, en vergelijke daarmee doot - - schijnen in regel 12.
treurspel.
\'t Is nacht met Engelen, ea alle hemelzonnen;
De mensehen hebben \'t hart des Oppersten gewonnen, In \'t nieuwe Paradys. De mensch is \'s hemels vrient: Ons slaverny gaet in. Gaet hene, viert, en dient, 5) En eert dit nieuw geslacht, als onderdaene knapen. De mensehen zyn om Godt, en wy om hen geschapen, \'t Is tyt dat \'s Engels neck hun voeten onderschraegh\', Dat ieder op hen passé, en op de handen draegh\'.
Of op de vleugels voere, in d\' allerhooghste troonen: 10) Onze erfenis komt hun, als uitverkore zonen.
Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Eyck.
De zoon des zesten daghs, den Vader zoo gelyck Geschapen, stryekt de kroon. Met recht is hem gegeven Den grooten staf, waer voor alle eerstgeboornen beven, 15) En sidderen. Hier geit geen tegenspraeck: ghy hoort, Wat Gabriël bazuint voor \'s hemels goude poort.
Bblzebüb.
O Stedehouder van Godt opperheerschappyen ,
1 \'t Is nacht; d. i. „onze glans is verduisterdquot;. 4 Viert; vieren (het Lat. feriari) is eigenlijk „rustdag, vierdag (men denke aan ons vieravond) houdenquot; ter eere van iemand; vandaar hulde hetoonen, eer bewijzen. Men denke aan „iemand fêteer en.quot; 5 Onderdaene; Vondel gebruikte menig adjectief zonder het achtervoegsel ig, waar dit bij ons heden ten dage nooit ontbreekt, zooals: bekend, deft, eenvoud, doorlucht, godtvrucht, nieusgier, ongestode enz,, ook onderdoen. Men heeft gemeend, dat bij zulke vormen de uitgang-^ was weggevallen; in de meeste dergelijke woorden is het omgekeerde waar en zijn de vormen met-i// uit hen voortgesproten. De belangstellende lezer zie Prof. v. Helten, VondeVs Taal, I, bldz. 113, 5 Knapen; bedienden, slaven, 6 De menschen zijn om godt enz. ; men vergelijke Hebr. Iï, 10, „Om wien alles, en door wien alles is.quot; 8 Passé; zie bldz. 14 reg. 5. 10 Onze; de lezer vergelijke bldz, 1 reg. 3. 10 Komt hun ; „gaat op hen over,quot; niet „komt hun toe,quot; naar onze opvatting, 10 Uitverkore; V. laat de eind-w bij bijvoegelijke woorden dikwijls weg. 12 De zoon des zesten daghs; natuurlijk de mensch als op den zesden dag geschapen (Gen, I, 27—31), Het rangschikkend telwoord zeste, door-te van zes afgeleid, is geheel in overeenstemming met de scherpe eind-ó\'. Men zie Dr. Franck, Miitelniederlandische Grammatik, bldz. 159; en Prof. v. Helten, I, bldz. 143. 12 Den vader zoo gelyck; men zie Gen. I, 26: „Ende Godt seyde: Laet ons Menschen maken, na onsen heelde, en onse gelrjckenisse enz.quot; en vs. 27: Ende Godt schiep den Mensche na sijnen heelde enz.quot; 13 Stryckt de kroon; ,jbehaalt de overwinningquot;: dat strijken (men zie Biblioth. van Ned, KL II, bldz. 34 reg. 20) de beteekenis van wegstrijken (dus weghalen!) kon krijgen, zal niemand bevreemden. Men vergelijke „ - - -en erf in Hesperië om \'t welck ghy oorloogde, zoo veel lants, als uw lichaem beslaet: zulck een loon strijekende, enz.quot; Vondel (door v. L.) V, 403; en „De nu gestreeken eer, teeghens den rook eener braveering op te zetten.quot; Hooft , Nederl. Historiën, bldz. 351. 13 Met recht; evenals het overige, ironisch gezegd. 14 Staf ; metonymia voor macht, gezag%
27
LUCIFER.
Wy hooren \'t al te wel, en midden in \'t verblyen Der Keien, eenen klanck, die \'t eeuwigh feest bedroeft. De last van Gabriël leit klaer: dat woort behoeft Geen Cherubynetong om ons den zin t\' ontvouwen. 5) Men hoefde Apollion naer d\'onderste landouwen Niet af te vaerdigen, om nader ga te slaen Wat Adam al bezit, zoo laegh beneên de maen:
Het blyekt, hoe heerlyck hem de Godtheit begenadight, Ja door een lyfwacht van veel duizenden verdadight; 10) En hanthaeft in zyn\' staet en aanzien, min noch meer Of hy gehuldight waer tot aller Geesten Heer.
De poort des hemels staet voor Adams afkomst open. Een aerdtworm, uit een\' klomp van aerde en klay gekropen, Braveert uw mogentheit. Ghy zult het Mensehdom zien 15) Zoo verre boven u, en vallende op uw knien,
3 Leit klaeb; is duidelijk-, het ww. leggen (voor liggen) heeft hier alle concrete beteekenis verloren en is das tot den rang van copula afgedaald. Men zie vallen op bldz. 8 reg. 4. 9 Verdadight ; verdedigt ■. Ohgd. vertagedingen of iagedingeu o. a. „voor \'t gerecht behandelen,quot; afgeleid van Ohgd. taga-ding — gerechtstermijn, verhandeling, van lag in de beteekenis van termijn en ding — verhandeling voor \'t gerecht. 10 Mm noch meer; natuurlijk „niet meer en niet minder,quot; dus „geheel alsof.quot; 12 Afkomst; nakomelingen: afkomst bezit thans zijn concrete (collectieve) beteekenis niet meer. 13 Aerdtworm ; vol verachting gezegd. Men zie hierbij Gen. 11, vs. 7; „Ende de Heere Godt hadde den mensche geformeert uyt het stof der aerden,quot; Om al de vernedering, in deze woorden gelegen, te gevoelen, vergelijke men Ps. XXII, 7 : „Maet ick ben een worm, ende geen man enz.quot; De lezer vergelijke ook Milton\'s Taradise lost, waar we o. a. vinden, vs, 154:
„to advance into our room A creature forntd of earth, and him endow,
Exalted from so base original.
With heav\'ly spoils.quot;
en vs. 175 ;
This new favourite Of Heav\'n, this man of clay, son of despite.
Whom its the more to spite his Maker raised From dust.
14 Bkaveekbn; trotseeren ; de stam is natuurlijk braaf, dat de beteekenis van dapper, moedig, trotsch, prachtig, sierlijk, schoon enz. kon hebben. Voor den overgang tot de tegenwoordige beteekenis denke men aan de ontwikkelingsgeschiedenis vau vroom (oorspronkelijk \'t Lat. primus ~ de eerste, de voorste, dat ook eerst dapper beteekende). De verdere beteekenissen, waarin braveeren vroeger voorkwam, laten zich gemakkelijk uit de opgenoemde van braaf verklaren; snoeven, bluffen, geur maken, prijken, tergen, hinderen, plagen enz. 14 Mogentheit; macht: zie ook vermogen, drie verzen lager. 15 Zoo verre ; met den hoofdtoon op verre te lezen : de beteekenis is heel verre. Men vergelijke de elliptische uitroep; „die man is zoo rijk, o! zoo rijk 1quot;
■28
ÏREUKSPEL.
Met nederslaghtigheit en neergeslagene oogen,
Aenbidden zyne maght, en hoogheit, en vermogen. Het zal, verheerelyckt van d\' allerhooghste maght,
Zich zetten, aen de zy der Godtheit, in zijn kracht; 5) En heerschen, langer en nog wyder dan de ronden
Der entlooze eeuwigheit, aen tyt nog plaets gebonden; Om Godt, haer middelpunt en omloop te gelyck,
Zich draeien, zonder rust. Wat hoeftmen klaerder blyck Dat Godt de menschen wil verheffen, ons verneêren; 10) Wy zyn ter dienstbaerheit, de menschen tot regeeren Geboren. Legh voortaen den scepter uit der hant: Een lager is \'er, die de kroon daer boven spant, Of spannen zal eer lang. Legh af uw morgenstralen. En hulsel voor dees zon, of pas haer in te halen 15) Met zangen, en triomf, en goddelijk cieraet.
Wy zien den hemel haest veranderen van staet. De starren zien vast uit, en wijcken met verlangen, Om vol eerbiedigheit dit nieuwe licht t\' ontfangen. Lucifer.
30) Dat zal ick keeren, is het anders in myn maght
1 Nedeeslabhtigheit; terneergeslagenheid, treurigheid, moedeloosheid. 5 Ronden ; bij deze fraaie en stoute overdracht denke men aan den loop der hemellichten en zie bldz. 7 reg. 10. 13 De kroon spannen; zie bldz. 15 reg. 1. 14 Hulsel; bedeksel, in den ruimsten zin, later meer bepaald hoofdbedeksel, zoodat hulleu zelfs (bij Bhederode o, a.) mut de beteekenis van 7 hoofd versieren, de hup zetten, kappen voorkomt. Sullen heeft een uitgebreide familie, waarvan als stamvader de Germaansche wortel hel (vroeger hd, kal) — verher-gen wordt beschouwd. Als leden dier familie leven in onze taal, behalve Indien, O. a. nog voort: helen, hel, hal, helm, halm, hol, huls, hulst; men vergelijke ook nog \'tLat. eélare — verbergen, \'t Eng. holly en \'t Fr. houx. 14 Zon; vier verzen later het „nieuwe lichtquot; genoemd: natuurlijk de metisch. 10 Haest; -weldra, spoedig\\ men bedenke, dat het woord ook bijna beteekent en vergelijke voor den overgang van „korte afstandquot; tot „korte tijdquot; en vervolgens tot „snelheid,quot; „vlugheidquot; (of ook omgekeerd!) nog: vast, schier (schiefrjlijk), strak(s), nauw(elijJes), pas en zie verder Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 18, reg. 9 en 12; bldz. 19, reg. 2; bldz. 32, reg. 6; bldz. 34, reg. 17 en bldz. 90, reg. 7. 17 Vast; reeds dus. 17 Wyoken; hier natuurlijk voor dwijnen (met spoed, gedreven door \'t verlangen!) 20 Anders; zoo of indien: men vergelijke;
Ontzeght u hulpe niet, is \'t anders in u macht.
Vondel, Warande, Nquot; . 6.
Prince coemt uut Luthers leere ooc eenich goet?
Neent (ISeen het!), moet ghi antwoorden sidi anders vroet.
Anna Buns, Refereinen.
29
lucifer,
Belzebub.
Daer hoor ick Lucifer, en zie hem, die deu nacht Van \'s hemels aengezicbt verdryven kan, en jagen.
Waer hy verschynt, begint het heerlyk op te dagen. 5) Zyn wassend licht, het eerste en allernaeste aan Godt, Vermindert nimmermeer. Zyn woort is \'t hoogh gebodt: Zyn wil en wenck een wet, van niemant t\' overtreden. De Godtheit wort in hem gedient, en aangebeden, Bewieroockt, en geviert: en zou een lager stem 10) Nu dondren uit Godts troon? gebieden boven hem? Zou Godt een\' jonger zoon, geteelt uit Adams lenden, Verheffen boven hem? Dat waer het erfrecht schenden Van \'t alleroutste kint, en zyn stadhoudery Ontluisteren. Naest Godt is niemant groot als ghy. 15) De Godtheit zette u eens in glorie aen haer voeten:
Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten, En dit bezworen Eecht t\' ontwyden, zonder reêa:
Of al de hemel raeckt in \'t harnas tegens een.
Lucifer.
30) Ghy vat het recht; het past rechtschapen heerschappyen Geensins hun wettigheit zoo los te laten glyen:
Want d\' oppermaght is d\' eerste aen hare wet verplicht; Verandren voeght haer minst. Bea ick eeu zoon van \'t licht, Een heerscher over \'t licht, ick zal mijn Eecht bewaren: 25) lek zwicht voor geen gewelt, nog aertsgevveldenaren.
Laat zwichten al wat wil: ick wyck niet eenen voet.
Hier is myn Vaderlant. Noch ramp, noch tegenspoet.
Noch vloecken zullen ons vervaren noch betoomen.
Wy zullen sneven, of dien hoeck te boven komen.
4 Opdagen; daar begint de dcuj aan te breken, daar begint het heldor te worden. Men zie bldz. 3 reg. 4. 16 Omwkoeten; de lezer berinnere zich. bij dit „omwroetenquot; het vroegere „aerdtwormquot; en zie Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 10 reg. 3. 17 Bezworen recht; heiliy recht, wijl het door dure eeden bezworen was. 18 al de hemel; al de hemelbewoners tegen elkaar. 22 Verplicht; d. i. verbonden-, het ww. plegen, waarvan dit woord is afgeleid, schijnt, in den ruimsten zin, een „innigquot; en daardoor „langdurig verbonden zijnquot; aan te duiden. 23 Zoon van \'t licht; met kennelijke toespeling op het woord Lucifer, d. 1. lichtbrenger. Men vergelijke verder Jes. XIV, vs, 12: „Hoe zyt ghy uyt den hemel ghevallen, o Morgensterre, gy, sone des dageraeis?quot; 28 Vervaren ; bevreesd maken: van het vroegere vaar = schrik. De lezer denke aan het Eng. fear en het Hgd. Ge-fahr. 29 Sneven; omkomen-, oorspronkelijk „snel en dus plotseling verdwijnen.quot; Men denke aan \'t frequentatieve sneuvelen, en vergelijke Bibloth. van Ned, KI. Ill, bldz. 19 reg. 37. 29 Hoeck enz.; zeemansterm, met de betcekenis „een moeielijkheid uit den weg ruimen.quot;
30
TEEUSPEL.
Is \'t nootlot dat ick vall\', van eere en staat berooft:
Laat vallen, als ick vall\' met deze kroone op \'t hooft;
Dien scepter in de vuist, dien eersleip van vertrouden, En zoo veel duizenden als onze zyde houden.
5) Dat vallen streckt tot eer, en onverwelckbren lof.
En liever d.\' eerste Vorst in eenigh lager hof.
Dan in \'t gezalight licht do tweede, of nog een minder. Zoo troost ick my de kans, en vrees nu leet nog hinder. Macr hier komt \'s Hemels tolck en wackere Herout, 10) Met Godts geheimnisboeck, zyn zorge toebetrout.
Het waer niet ongeracn, hem nader t\' ondervragen.
Ick wil hem tegentreên, en aftrecn van den wagen.
Gabriel. Lucifee.
Gabeiël.
15) Heer Stedehouder, hoe? waer hcne leit de reis?
Lucotee.
Naer u, Herout en tolck van \'t hemelsche palais.
Gabriel.
My dunckt ick zoude uw wit aan \'t voorhooft kunnen gissen. 20) Lucifee.
31
Ghy die den duistren gront van Godts geheimenissen
3 Eersleip; reelcs, gevoly. slopen heeft nog de beteelcenis van glijden oven het begrip van lengte kon zich daa gemakkelijk aan het verbaal substantief hechten. 7 Gezalight licht ; licht, waarin de zaligheid, de hoogste mate van geluk Eeerscht, 9 \'s Hemels tolck; de engel Gabriel nl, 11 Niet ojjgeuaen; niet ongeraden, niet ondienstig. 12 Aitkeên van den wagen; de lezer zie bldz. 26 reg, 2, 15 Leit ; voert, 19 Wit ; doel; thans, nu de beteekenis is verbleekt, door het synomieme doel aangevuld, In dit wit leeft de herinnering nog voort aan den wortel wid, welke eigenlijk vinden, vervolgens zien (ook inzien, erkennen) beteekende; men vergelijke \'t Lat. videre = zien. Dat zich uit dien wortel een sterk ww, „witeuquot; ontwikkelde, welks praeteritum nog als praesens „(ik) vseetquot; onder ons voortleeft, is bekend. Moo zie desbelust elke spraakkunst op de „Werkw. met opgeschoven verl. tijd,quot; 19 Gissen; raden-, eigenlijk jjof/on te bereiken, zoeken te bereiken, te verkrijgen of (tot zich) it nemen. Men vergelijke het Eng. to guest naast to get = verkrijgen en zie Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 107 reg. 5. Dezen stam get vinden we ook nog in ons „ver-get-enquot;: dit woord toch beteekent niet anders dan uit vjeg — ver!) het bereik, uit het bezit verliezen. Het weglaten van dM na duncken is bij V, niet vreemd,
lucifer.
Door \'t licht van uw vernuft ontdeckt, en openbaert, Verliclitme met uw komst.
Gabkiël.
Wat is \'t dat u bezwaert?
5) Lucifer
Het raetslot en besluit der Godtheit, die de waerde Des hemels lager schat dan \'t element der aerde,
Den Hemel onderdruckt; het aertryck uit een\' poel Door alle starren voert; het menschdom op den stoel 10) Der Englen zet; berooft hun \'t Eecht der eerste gaven; Gebietze om \'s menschen nut te zweeten, en te slaven. Het Geestendom, gewyt tot amptenaers van \'t hof Des hemels, zal voortaen een\' aertworm, uit het stof Gekropen, en gegroeit, ten dienst staan, op hem\'passen, 15) En, in getal en staet, ons over \'t hooft zien wassen?\'
Waer toe vernedert ons d\' oneindige Gena.
Zoo vroegh? Wat Engel paste op zynen dienst te spa? En hoe waer \'t mooghlyck, dat de Godtheit zich zou mengelen 1 Vernuïï; verstand, zonder dat daarbij aan een eigenaardige scherpte hoett te worden gedacht. De groadbeteekenis is te zoeken in \'tww. «emra, waarvan vernemen, met inniger beteekenis dan dit woord nu heeft en waaraan het Over-ijselsche vernémsüg = verstandig herinnert. Omtrent het vóórvoegsel ver-zij opgemerkt, dat het hier een geheel andere beteekenis heeft dan in \'t zooeven genoemde vergeten: het eerste ver- {vergeten, verliezen enz.) drukt een beweging uit van den spreker af; het tweede wr-fWkrijgen, verwerven enz.) daarentegen een beweging naar den spreker toe. Over het wegvallen der M plus ingeschoven r in \'t oude vernWüi^t zie men Prof. van Heltem\'s SpraaJcJcunst I, bldz. 137. 6 Raetslot en besluit; het onmiddellijk gevolg van Vet raetslot is het besluit om aan het raetslot uitvoering te geven. 8 Poel; ook uit het gebruik van dit woord spreekt diepe minachting. 10 Berooft hun enz.; de lezer lette op de constructie van dezen afh. zin, en vergelijke die der onmiddellijk voorafgaande, met deze gelijkgeordende zinnen. 12 Geestendom; collectief, evenals menschdom. 12 Amptenaer; de spelling amptenaar, met beantwoordt veel beter aan de uitspraak dan ambtenaar (met bj, *t welk evenwel ter wille der gelijkvormigheid met ambacht beter dus wordt gespeld, 12 t Hof; men lette op het onz. gesl. en zie boven bldz. 19, va. 6. 13 Aertworm; men zie bldz. 28, reg. 14. Or hem passen; de lezer zie bldz. 14, reg. 5. 17 Vroeg; d. i. bier spoedig. Door \'t gebruik van vroeg, met het Lat, pro verwant en dat eigenlijk alleen van den morgen gebezigd werd, vond de dichter aanleiding om de tegenstelling met spade te vormen. Te spade passen op beteekent „tijdelijk verwaarloozen,quot; „voor een korten tijd verwaarloozen, „ook maar in \'t minste verwaarloozen,quot; 18 Zich mengelen; mengelen is het frequentatief van mengen: den stam meng vindt men ook in \'t Eogelsche ^-mong = onder, tusschen (\'tFr. parmi). Deze Westgermaansehe wortel mang openbaart zich ook in \'t Geldersche mangs = ondertusschen en nu eu dan, b. y^. „ik ging mangs (onderwijl) voort; „ik bin mang(e)s zoo naar, da k t oe nêêt zeggen kan.quot; Men vergelijke ook het Engelsche to mingle. Voor den inhoud zie de lezer bldz, 19 reg. 14, - - - - „het eemeigh Voort, bekleet met been en aren
32
rUEURSPEL.
Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen Voorbyslaen, en zijn\' aart en wezen storten in Een lichaem? d\' eeuwigheit verknoopen aen \'t begin?\' Het hooghste aen \'t allerlaeglist? den Schepper aen \'tgeschapen? 5) Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen?/
Zal \'t eeuwighschynend licht nu schuil gaen in den nacht Der weerelt? zullen wy, Stadthouders van Godts maght, Yoor dit geleent gezagh, een wulpsch vermogen knielen? Ontelbre lichaemlooze en godtgelyke zielen 10) Zien buigen voor een grof en zackende element,.
Daer Godt Zyn majesteit en wezen inneprcnt?
Wy Geesten zyn te grof om dit geheim te vatten,
Ghy, die het slot bewaert van Godts geheimnisschatten , Oatvou ons, magh het zijn, dit donckere geschil,
2 Voorbyslaen; voorbijgaan (met de bijgedachte van snelheid) en dus hier van bijzondere achteloosheid. Bij slaan denken we thans gewoonlijk aan\'t oogen-blik van treffen-, vroeger lette men vooral niet minder op de beweging^ die aan het treffen voorafging; men denke aan „tegen den grond slaanquot; „een hoek om slaanquot; „op hol slaanquot; „uit een venster slaan.quot; Ter verduidelijking diene, dat bij smijten het omgekeerde plaats heeft: vroeger had dit ook de beteekenis, die slaan thans heeft. Ook bij komen werd en wordt nog aan de rust gedacht, die op de beweging volgt. Men zie boven bldz. 1 reg. 4. 3 Verknoopen; aanéénknoopen-. men denke aan verbinden. De kracht van ver- (vergelijk boven bldz. 32 reg. 1) is hier een wederzijdsche beweging naar elkaar toe. 5 Te zamen rapen ; bijéénvoegen, v er éénig en, samenstellen, opmaken: de bijgedachte van spoed, die oorspronkelijk aan rapen eigen is (men zie Biblioth van Ned. KI. Ill, bldz. 9J reg. 24) en nog duidelijk is bij \'t Hgd. raff en, \'t Eng, rap en ons reppen, is hier zeer op den achtergrond getreden. 7 Weerelt; voor aardei men vergelijke boven „gelijck de kloot der weerelt is,quot; bldz. 8 reg. 4. 8 Wulpsch; jong, jeugdig, zonder ervaring, zonder overwicht\', van welp = jong dier in \'t algemeen, thans nog over in leeuwemvelp = leeuwenjong. Uit de beteekenis van jong ontwikkelde zich die van speelsch, dartel, en hieruit ontstond de tegenwoordige. Men vergelijke echter:
En, voor een vryen Staet, verkieze een wulpsch Heer,
Gelijck Rehabeam.
Vondel (d. v. L. VI, bldz. 65 reg. 40), Welp ontstond oit werp. 8 Vermogen; evenals gezagh metonymia voor den mensch, die het gezagh en het vermogen uitoefent. 9 Godtgelyke; samengest. bvnw., niet te verwarren met goddelijke. 10 Grof en zackende; een tegenstelling met lichaemloos vormende: naast dit zackende vindt men bij V. tal van voorbeelden met e in naamvallen, welke anders geen uitgang hebben; een luydende metael, een twee-snijdende sweert, enz. Men zie Prof. van Helt en, V\'s. Taal, I, bldz. 97. 11 Inneprent; inprent natuurlijk: van de vrijheid om ter wille der maat; een lettergreep in tweeën te splitsen (diaeresis) maakten de ouden een veel ruimer gebruik dan de hedendaagsche dichters. 12 Grof, met kennelijken terugslag op het grof in reg. 10. 14 Magh; van mogen met de beteekenis van kunnen. 14 Geschil, onbegrijpelijke, onverklaarbare tegenstrijdigheid.
\'33
3
lucifer.
Uit uw gezegelt boeck: outvou ons \'s hemels wil.
Gabbiël.
Zoo veel \'t geoorloft zy te melden uit Godts bladen.
Veel weten kan altyt niet vordren, zomtyts schaden. 5) De Hooghste ootdeckt ons slechts wat hy geraden vint. Hot al te stercke licht schynt Serafynen blint.
Da zuivre Wysheit wou ten desl\' haer wil bezegelen, Ten dcele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen Nacr heur gestelde wet, dat voeght den onderzaet, 10) Die aea zyn meesters last e.u wil gebonden staet.
De redeu en het wit, waerom wy namaels wachten. Na \'t overleven van een tafel erfgeslaehten,
Den lieer, die, Godt en mensch geworden in der tyt, Den scepter voaren zal, en breet en overwyt 15) De starren, aerde, en zee, en al wat leeft regeeren, Verberght de hemel u; de tyt wil d\' oirzaeck leeren, Gehoorzaem Godts bazuin; ghy hebt zyn\' wil gehoort. LücirER.
Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hooghste woort 30) Uier boveu voeren, en ecii ingeboren zwichten
34
Voor vreemde heerschappy? de mensch een zetel stichten, Zoo verre boveu Godt?
treurspel.
Gabriel.
Genocgh u met uw lot, En staet cn waordigheit, u toegeleit van Godt.
Hy hief u in den top van alle Hierarehyen :
5) Doch niet om icmants glans en opgang te beuyen. De wederspannigheit verplet haer hooft en kroon,
Indien ze wederateef\' des Oppersten geboön.
Uw aenzien schept zyn licht alleen uit Godta vermogen. Lucifek.
10) lek heb tot noch myn kroon voor Godt alleen gebogen.
Gabeiël.
Zoo buighze oock voor \'t besluit der Godtheit, die het al Wat wezen heeft uit niet, of namaels wezen zal,
tensief van zwijgen, naar het heerachcnd spraakgevoel. Er zijn dan evenwel twee ww. zwichten, welker beteekenissen in elkaar zijn gevloeid. Naast het intensief van zwijgen bestaat er nog een zwicMen, welks stam in het Goth. swei l)aii = ophouden gezocht moet worden: het Ohgd. heeft swiftón = stil zijn, het Mhgd. swiften = stil doen zijn. De ch in dit zwichtten ontstond dus uit F: men vergelijke gracht en graft. Men zie verder:
Maer soens gehoorsaemheyt svadera toren swicht.
Anna Byns, Refereinen. en zie verder: bldz. 30 reg. 25 hierboven en Nquot;. III dezer Bibliotheek bldz. 73 reg. 18.
2 Genoegh u; zich tevreden stellen met-, men vergelijke genoegen in de volgende regelen uit Hoopt\'s Granida;
Hoe veel\' schoonheden heeft de schoonheidt t\' saam geveught.
Eer sy genoegen kon aan \'t schoon van een Granide?
3 Toegeleit; voor toegelegd = toegedeeld. 4 Hierarcuyen ; hierarchy = heilige heer schappij (\'t Gr. Ispapy.Ca): over de verdeeling dier hierarchy zie men bldz. 21 reg. 3. 5 Opgang; lloei: werkwoordelijk substantief van opgaan - - naar hoven gaan, zich verheffen. Vondel gebruikt dit woord ook voor een persoon, evenals wij heden nog alle dagen iemand den „roem van zijn landquot; kunnen heeten. De verklaring des heeren v. Lennep, toen hij opgang in de volgende verzen door vertegenwoordiger vertolkte, zal wel minder juist wezen. Den Heer Go de fried van Rheeden, heer van Amerongen, noemt V,:
Den glans van \'t edele Araerongen En opgang van \'t gemytert Sticht.
Vondel (door v. L.) VII, bldz. 592, vs. 30. Dat gla,ns uit het vorige vers maakt, dunkt mij, de verklaring gemakkelijk: daar, evenals in onzen tekst, glans en opgang vereenigd; Mr. van Xennep dacht bij zijn verklaring vermoedelijk aan opgaan in den zin van zich opmaken, opgaan. 13 Niet; niets. 13 Namaels; zie bldz. 34 reg. 11.
35
lucifer.
Bestiert tot zeker eindt, hoewel wy nist beseffen. Lucifer.
Den mensch in \'t heiligh. licht der Godtheit te verheffen, Den mensch, zoo hoogh met Godt vergodlyckt in zyn troon, 5) Te zien het vvierooekvat toezwaeien, op den toon Van duizentduizenden eenstemmige kooralen.
Verdooft de majesteit en diamante stralen Van onze morgenstar, die straelt nu langer niet; En \'s hemels blyschap slaet aen quynen van verdriet. 10) Gabriel.
Do zaligheit bestaet in een gerust genoegen ,
In \'t stemmen met Godts wil, en zich naer hem te voegen. Lucifsr.
De majesteit van Godt en Godtheit wort verkleent, 15) Indienze haer natuur met \'s menschen bloet vereent, Vereenight, en verbint. Wy Geesten grenzen nader Aen Godt, en zyn natuur, als zoons van eenen Vader Geteelt, en hem gelyck, indien \'t geoorloft is Te stellen tegens een dese ongelyckenis 30) Van een oneindigheit en \'t eindigh; de bepaelde
1 Eindt; doel; men zie wit op bldz. 31 reg. 19 en vergelijke til in Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 67 reg. 4. Evenals doelwit gebruikt men einddoel en doeleind. Ook hier lette de lezer op de constructie van den afh. zin. 1 Beseffen; intensief van het vroegere st. ww. leseoen (Mhgd. hesehen) ~ „met de zinnen waarnemen, gewaar worden.quot; 6 Kooraien ; koorhiapen-, omtrent duizentduizenden vergelijke men Oprnb. V, 11: „En hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden.quot; 7 VEKHOon; zie bldz. 10 reg. 13. 9 Slaet üen \'ï quynen; beyi7it te kwijnen: de gedachte snelheid, welke het ww. slaan opwekte, deed onwillekeurig denken aan een onmiddellijk volgende handeling, en vandaar dat slaan geschikt werd bevonden, om een handeling in een zeer nabijzijnden toekomstigen tijd aan te kondigen. Men denke aan het gebruik, dat wij van het ww. yaan maken („ik ga werkenquot;) om een aanstaanden tijd te vormen en vergelijke het ww. aller, dat door de Franachen eveneens wordt gebruikt. 11 Gerust genoegen; leahne tevredenheid: men zie zich genoegen op bldz. 35 reg. 2. 19 Tegens een ; tegen elkaar, V. gebruikt tegens en tegen-, het eerste vooral vóór klinkers. De lezer zie boven bldz. 30 reg. 18. 19 Ongelyckenis; ongelijk, verschil: eigenlijk vergelijking, d. ge-lijkstelling van twee begrippen, welke niet bij elkaar hooren: in deuzelfden lia komt onghelijc voor in de volgende verzen:
Tis alte grooten onghelijc,
Voer hemelrije te kiesen \'t goet.
Dat men ymmer rumen moet.
Hilueoaersbekch, bldz. 244, vs. 70, Dat bij ongelijk zich het begrip verkeerdheid op den voorgrond plaatste, ligt vóór de hand.
36
tllburspel.
By d\' onbepaelde maght. Indien de zon verdwaelde Uit hare streecke, en zich bekleede met een\' smoock.
Om al den aerdkloot toe te lichten, uit een\' roock, En zwarten damp; hoe zou de vreught der weerelt sterven! 5) Wat zou het aertsch geslacht al glans en leven derven! De zon al majesteits ontbeereu, in haer\' loop!
lek zaegh den hemel blint, de starren overhoop,
Wanorden orden en geschicktheit overrompelen,
Indien de bron van \'t licht haer klaerheit quaem te dompelen 10) In \'t graf van een moerasch. Verschoonme, o Gabriël, Indien ick uw bazuin, de wet van \'t hoogh bevel, Een luttel wederstreve, of schyn te wederstreven.
Wy yvren voor Godts eere: om Godt zyn Hecht te geven. Verstout ick my en dwaal dus verre buiten \'t spoor 15) Van myn gehoorzaamheit.
Gabeiël.
Ghy yvert krachtig voor De glori van Godts naem; doch zonder t\' overwegen
2 Smoock ; dikke rook; men vergelijke \'t Hgd. schmmch en \'t Eng. smoke, en zie „uit een\' roock,quot; en „zwarten dampquot; in reg. 4. 5 Derven; missen, ontberen, naar de vroegste beteekenis van dit woord: een volgenden trap van ontwikkeling vinden we in \'t Hgd. diirfen d. i. noodig hebben, behoeven, die onmiddellijk uit missen voortvloeide. Over de zonderlinge verwarring van durven met het vroegere dorren zie men Biblioth. v. Ned. KI. III, bldz. 43 reg. 29.
6 Majesteits; de genitief wordt door \'t voorafgaande wat (al) = hoeveel geëiseht.
7 Ick zaegh ; ter verklaring van dezen conjunctief lette de lezer erop, dat de afh. zin (met indien beginnende) een veronderstelling bevat. In zulke veronderstellende zinnen gebruikt V. willekeurig den conjunct., of niet: men vergelijke de onmiddellijk volgende regels en bldz. 36 reg, 15 en reg. 18 en bldz. 35 reg. 10.
8 Geschicktheit; orde: schikken beteckent oorspronkelijk „maken, dat iets ye-schiedtquot; (men vergelijke \'t Hgd. Geschic hie van geschehen en Geschick van Schick en), dus regelen, ordenen. De lezer zie nog Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 43 reg. 1. 9 Quaeji te dompelen; zoude komen te dompelen: krachtens het denkbeeld van beweging% aan dit woord eigen, kon het evenals gaan gebruikt worden om tijdsbetrekkingen der ww. voor te stellen. Thans wordt het veelal gebruikt om yas verleden handelingen aan te duiden. Men denke aan \'t Fr. aller en venir, en vergelijke slaan op bldz. 33 reg. 2. 10 \'t Grap van een moerasch; zie ]}oei op bldz. 32 reg. 8. 14 Verstout ik my; de lezer gevoelt lichtelijk de grootere kracht van dit ww., vergeleken met het onze, dat, evenals stout zelf, nu in de eerste plaats aan het minder geoorloofde eener handeling doet denken. Stout had oorspronkelijk de beteekenis ver-heven, uitstekende boven, waaruit in goeden zin zich dapper, moedig, sterk kon ontwikkelen; in minder ernstigen zin ontwikkelde het zich tot trotsch. Voor de eerste beteekenissen zie men ons vroegere stout (Karei de Stoute = Charles le Temeraire) en \'t Engelsche stout = sterk-, voor de laatste het Hgd. stolz. Er schijnt verwantschap te bestaan tusschen stout en steltt door den band: verheffen*
37
LUCIFEK.
Dat Godt het punt, waer in zyn hoogheid is gelegen ,
Veel beter kent dan wy; dies staeck uw onderzoeck. De menschgeworden Godt zal dit geheimnisboeck,
Met /.even zegelen gesloten, zelf ontsluiten. 5) Nu smaecktghe niet het pit, maer ziet de sebors van buiten. Dan zal men d\' oirzaeck zien, de reden, den waerom Van zyn verholentheon, en diep in \'t heilighdom Der heilighdommen gaen. Nu voeght het ons te duicken, En dezen dagenraet \'t aonbidden, te gebruicken 10) Met danckbaerheit, tot dat de kennis in haeï kracht De twyfeling verdryf, gelyck de zon den nacht.
Nu leeren wy allengs Godts wysheit tegenstappen, Eerbiedigh, en beschroomt. Zy openbaert by trappen Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert 15) Dat ieder, op zyn wacht, zich onder haer verneêrt.
Heer Stedehouder, rust, en hanthaef d\' eerste ons wetten: lek ga, daer Godt my zent.
Lucifér.
Men zal \'er scherp op letten.
2 Dies; dus, daarom: oude genitief van \'taanw. vnw. dit. 4 Zeven zegelen; zie bldz. 34 reg. 1. 6 Waerom; anders gewoonlijk onzijdig. 7 Verholent-he én; verborgenheden: men vergelijke hulsel op bldz. 39 reg. 14. 8 Duicken; lukken: men zie ook elders bij V.:
\'t Betaemt den minderen voor meerdre maght te duyekm.
9 Gebutjicken; aanvaarden: „tot zich nemenquot; met meerdere of met mindere graagte: vandaar gemeten, maar ook dulden, verdragen. Men vergelijke het Engelsehe to brook, en zie nog uit de Bediedenisse der Missen:
Die glorie, die euwelike
Die heiligen gebruken in hemelrike.
10 Kennis in iiaek kracht; een bij V. meermalen voorkomende uitdrukking om de volle ontwikkeling te kennen te geven; op bldz. 29 hierboven viodt men dezelfde woorden van het menschdom gebezigd, „dat zich, in zijn kracht, aen de zy der Godtheit zetten zal.quot; 11 Verdrijf\'; wanneer in temporale bijzinnen met eer, totdat de aangekondigde handeling niet zeker was, gebruikte V. den conjunctief. Van gelijk karakter is de conjunctief in zinnen met zoo ras, zoodra als, wanneer, b, v. op bldz. 20 reg. 6: „Zoo ras hy innery, wien ens.quot; 12 Tegenstappen ; uit „allengsquot; in hetzelfde en „by trappenquot; in het volgende vers blijkt genoegzaam, dat we hier aan een langzame, geleidelijke ontwikkeling te denken hebben : het ww. stappen zelf (stampen) doet trouwens aan een regelmatig voortschrijden denken. 15 Ieder, op zyn wacht; de lezer zie bldz. 22 reg. 4 en vlgg. 16 Rust; dat is rust u = wees bedaard, berust hierin, onderwerp u. 16 Ons wetten; over ons zie men bldz. 1 reg. 3.
38
TREVJHSPEIi.
x Eelzebdb. Lucifer.
4
Belzebub.
De Stedehouder lioort waer dit plakkaet op draeit, Dat Gabriels bazuin zoo trots heeft uitghekraeit, 5) Hy gaf Godts ooghmerck u, cock scherp genoegh te ruicken, Men zal uw icogentheit aldus de vleugels fnuickeu.
Lucifer.
Zoo licht niet: neen gevvis, men kan \'er in voorzien.
Geen minder droome hier zyn\' meerder te gebiêa. 10) belzebub.
Hy dreigt wecrspannigheit haer hooft en krocn ie pletten. Lucifer.
Nu zweer lek by myn kroon het al op een te zetten , Te heffen myuen stoel in aller heemlen trans,
15) Door alle kreitsen hene, en starrelichten glans.
Der heemlen hemel zal my een palais verstreeken, De regenboogh een troon; \'t gestarrente bedecken Myn zalen; d\'aertkloot blyft royn steun en voetschabel, lek wil op een karos van woleken, hoogh en snel 30) Gevoert door lueht en licht, met blixemstrael en donder Verbryzelen tot stof, wat boven, of van onder
3 Plakkaet; aangeplakte bekendmaking. 3 Op dbaett; men kan das de spil zien, waarop het plakkani draait, waarop het eigenlijk aankomt. 5 Schkup; duidelijk, nauwkeurig-, men zie 5 regels vroeger, 5 Te ruicken geven; doen gewaarworden, doen verstaan. 6 Mogentheit; macht; men zie bldz. 28 reg. 14. 6 I\'nuïcken ; eigenlijk de veeren uittrekken, later kortwieken en das ongeschikt maken om te vliegen. 8 Voorzien in ; in een aangelegenheid de noodige voor-wichtigheid in aeht nemen: stond het doel, waarvoor men zich te wachten had, duidelijk voor oogen, dan kon men voorzien tegen of jegens iets. Zoo vonden we in Maeblant\'s Rijmbijbel:
- - - ende badt hem dies Bat si nemmermeer waren so ties (dwaas),
Ende si voorwerd mere voorzaghen Jeghen der felre Joeden laghen.
9 Géén minder; Gabriel stond in rang lager dan Lucifer. 11 Hooft en kroon te pletten; de lezer zie bldz. 20 reg. 1. 13 Het al op een te zetten; alles op één zet vlagen, alles op één worp zetten-, deze uitdrukking is klaarblijkelijk aan het dobbelspel ontleend. 15 Door alle kreitsen; men zie bldz. 4 reg. 8 en bldz. 5 reg. 10. 15 Stareeliciiten; genitief, plur. van starrelicht. 16 Verstreoken; omtrent da weglating van tot vergelijke men bldz, 12 reg, 8, 18 Voetschabel; voetbank ■. schabel is het Lat, scdbetlum, \'t Fr, escdbelle en escaheau. 19 Kakos; \'t Fr, carrosse van \'t Lat, car rus — „wagen met vier wielenquot;: leerzaam is het, het deftige karos te vergelijken met het zeer gewone kar, dat van denzelfden oorsprong is.
39
LUCIFER.
Zich tegens ons verzet, alwaar \'t den Veltheer zelf;
Ja, eerwe zwichten, zal dit hemelschblaeu gewelf,
Zoo trots, zoo vast gebout, met zyn doorluchte bogen Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen; 5) \'t Gerabraeckt aertryck zien als een wanschapen romp;. Dit wonderlijck Heelal in zijnen mengelklomp,
En wilde woestheit weer verwarren en verkeeren.
Laet zien wie Lucifer durf trotsen en braveeren.
Men dage Apollion.
40
treurspel.
Belzebub.
Hier treedt hy voor den dagh.
Apollion. Lucifer, Belzebub.
Apollion.
5) O Stedehouder vau Godts onbepaelt gezagh j Orakel, in den Eaet der onderdane Goden,
lek offer u myn dienst, en wacht op uw geboden. Wat eischt de majesteit van baren onderdaen ?
Lucifer.
10) Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaen,
Op een gewiehtigh stuk, dat zalme niet mislucken.
Het wit is Michaël de slaghveor uit te rucken;
Op dat ons toelegh niet op zyu vermogen stuit\'.
Hy voert met zynen arm zoo vele Orakels uit,
15) Als oit de Godtheit heeft met hare haut gedreven In eeuwigh diamant; daer wort de mensch geheven In top der hemelen, door alle kreitsen heen,
6 Orakel; tolk Gods-, eigenlijk het antwoord, dat, naar de meening der ouden, de goden bij monde van hun priesters gaven (\'t Lat. oraculum van ar are = spreken); acht regels lager wordt Orakel gebezigd in den zin van wonder, tot welk gebruik de geheimzinnigheid der godspraak gereedelijk aanleiding gaf. Onderdane; men zie bldz. 27 reg. 5. 10 Zin; meening, inzicht-, de beteekenis van verstandelijke werkzaamheid, van inspanning des geestes om iets te h er eik en y was reeds vroeg aan dit woord eigen; later werd het ook gebruikt om den zetel van het verstand en ook dien des gevoels aan te duiden: aan hetgeen, waarover men veel denkt, hecht men zich toch onwillekeurig. Naast dit woord bestaat nog altijd een sterk werkwoord zinnen (onbezonnen), dat evenwel in \'t Hgd. een grooter bloei geniet dan bij ons (sinnen): dit zinnen beteekende eenmaal „ergens heengaao,quot; „door te gaan een doel trachten te bereikenquot; (ons zenden is er het causatief van en werd derhalve vroeger ook zioak verbogen (gezant). Dat zin ons ook aan een ingeslagen richting doet denken, kan dus geen bevreemding baren; voor den overgang eener lichamelijke tot een geestelijke handeling vergelijke men ramen, gissen en bedoelen (Biblioth. v. Ned. KI. III, bldz. 67 reg. 4 en bldz. 107 reg, 5.), nagaan, erlangen, verlangen, vernemen enz. enz. 10 Verstaen; vernemen-, eigenlijk voor iets gaan staan om het te onderzoeken (over de inchoatieve beteekenis van gaan staan, welke staan in samenstellingen heeft, zie men Biblioth. van Ned. KL II, bldz. 5 reg. 30. De Eogelschen hebben dit woord losgelaten, en gebruiken thans understand. De volgende beteekenissen hebben zich ontwikkeld: hooren, aanhoor en; vernemen; door raadplegen overeenkomen \\ goedvinden, willen, eischen; „zich iets of op iets verstaanquot; = iets kunnen of kennen; verstaan tot iets = gezind zijn tot iets, enz. 12 Wit; doel-, zie bldz. 31 reg. 19. 1:3 De slaghveer uit te rucken ; den (voornaamsten) vleugel fnuiken, dus van alle macht berooven. 13 Vermogen; macht, kracht\\ zie bldz. 17 reg. 2^. 17 Kreitsen; zie bldz. 4 reg. 8.
41
3*
LÜCIÏEK.
En ziet het Engelsdom zoo diep, zoo laegh, beneên Zijn voettapyt, in stof vast grimmelen als wormen. Het lustme met gewelt dien zetel te bestormen,
En op te zetten by dat opzet, in een\' slagh,
5) Al teffens wat myn staet, en star, en kroon vermaga.
Apollion.
Een loffelyck bestaan: dat uwe kroon vermeere,
En aenwasse op dien voet. Ick reken my tot eere Te raden, onder n, tot zulck een brave daet.
10) Het zy die recht en wel, of averechts beslaet.
De wil is prysselyck , al wou het niet gedyen.
Maer om niet reuckeloos noch radeloos te str3ren ,
Hoe treet men allerbest tot zulck een stout bestaen ? v Hoe veilighst tegens \'t punt van \'t raetslot aengegaen?.
42
TREU3PEL.
Lucifer.
Men kante hier met list ons eigen raetslot tegen.
Apollion.
Pat zeggen heeft wat in. Geleende maght te wegen 5) In eene zelve sohael met d\'Almacht; haer gewicht
Weeght over. Wacht uw krcon : wy vallen veel te licht. Belzebob.
Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twyfel hangen, Apollion.
10) Van wien, of hoe, of waer dien aenslagh aengevangen? Het overpeinzen quetst alree Godts majesteit.
Lucifee.
Men hou haer ongequetst; en stappe met beleit Die steile steilten op, en noit gebaende rotsen.
15) Beleit en moedt verwint, en durf gevaren trotsen.
Apollion.
Geen Almaght, noch haer kroon: men koomze niet te na. Ten zy men leeren wil met naberou te spa.
De minder moet gedwee voor zynen meerder wycken. 30) Lucifer.
43
Laet d\' Almaght rusten: zet gelyckheit en gelycken Te zamen. Laet eens zien wiens wapen zwaerder weegh\', lek zie ons vyanden gevlught, den hemel leegh Met eenen slingerslagh; ons heiren overladen 35) Van heerelycken roof: dan wyder zich beraden.
4 Dat zeggen heeft wat in; „dat zijn woorden van wijdstrekkende betee-kenis,quot; „de gevolgen van dien raad, in zoo weinig woorden vervat, zijn van groot belang.quot; 5 Eene zelve ; eene zelfde. 6 Weeght over ; v:eegt zioaarder (zie 16 regels lager), doet de schaal doorslaan. 6 Wachten: hoeden, bewaren. 6 Vallen; zie bldz. 20 reg. 7. 15 Duur; bij dit woord zie men bldz. 24 reg. 22. 21. Gelyckheit en gelycken; men vergelijke hier onghelyckenis op bldz. 36 reg. 19. 22 Weegh\'; bet gebruik van den conjunctief doelt bier natuurlijk op den twijfel. 23 Ons ; zie bldz. 1 reg. 3. 25 Heerelycken ; evenals vroeger bij opzetten en opzet (bldz. 36 reg, 13) is het hier ook alleen de klank, die beide woorden heiren en heerelycken verbindt. Heerelycken toch beeft met heir—leyer niets uit te staan : de stam van heerlijk is heer (over -lijk zie men De Taal in haar Leven en Ontwikkeling bldz. 100), Mhgd. hér, Nhgd. hehr. Eng. hoaVi met de algemeene beteekenis van schitterend, glanzend, voornaam, trotsch, verheven, eerwaardig enz. enz. enz. Uit den comparatief van dit woord ontstond de persoonsnaam heer = de hoog ere, de meer eerwaardige, de oudere: men verg. \'t Ital. sign ore en \'t Fr. seigneur van het Lat. senior. Men vergelijke heerheit = pracht, luister in de volgende woorden nit het Leven van Jezus-. „En wette nit dat de princhen van der werelt hare heerheit plegen toeghsne over dat vole. 25 quot;Wyder; verder: men zie bldz. 34 reg. 14.
lucifee,
Apollion.
Ghy weet wat Michaël, Godts Veltheer, al vermagh:
Godts regementen staen verplicht aen zijn gezagh. Hy draeght den sleutel van het wapenhuis, hier boven. 5) De wacht is hem betrout. Hy houdt op alle hoven Getrou een wakende oogh, zoo dat \'er niet een star Van al het hemelsch heir, in \'t minst, zich reppen dar, Noch op dien hemeltoght uit zyn gelit verroeren., Men vanght haest aen, maer zulck een oorlogh uit te voeren, 10) Dat draeft ons maght voorby, en. sleipt een\' langen staert Van zwaricheden na. Wat tuigh, wat stormgevaert. Kan tegens hem bestaen, en de opperbenden sloopen? Al zette \'s hemels slot zijn diamantpoort open.
Het vreesde list, noch laegh, noch overrompeling. 15) Belzebub.
Indien men ons besluit bekrachtigh\' met de kling,
lek zie de morgenstar op onzen hoogen standert Braveeren, \'s hemels staet en heerschappy verandert. Apollion.
20) Do Veltheer Michaël voert, ruim zoo trots en fier,
Godts wonderlycken Naem in \'t velt van zyn banier.
44
De zon in top.
2 Al; men voege wat...al samen. 3 Regementen; scharen, ixn aanyevocrd worden, 3 Veeplicht staen; afhankelijk zijn-- men zie bldz. 30 reg. 2?. 5 Betrout; loevertronwd. 6 Wakende; men zie bldz. 33 reg. 10. 7 Dak; durft-, men zie bldz. 24 reg. 2?. 7 Eeppen (zich); de aanteekening op rapen (bldz. 33 reg. 5) verklaart genoegzaam, dat er bij reppen aan overhaasting, aan vergrijp tegea de orde kan gedacht vjorden-. de woorden uit bet volgende vers: „uit zyn gelit verroerenquot; geven bovendien nog de noodige opheldering. 9 Haest; spoedig, weldra, licht \\ men zie bldz. 29 reg. 16. 10 Draeft enz.; „dat gaat onze macht verre te boven.1\' men zie voorbyslaen op bldz. 33 reg. 2. 10 Sleipt een langen staekt; men zie hierbij de aanteekening op eeksleip, bldz. 31 reg. 3. 12 Sloopen; vernietigen: ook met de beteekenis „te niet gaanquot; komt slo(o)pen bij V. voor. Zoo in de uitgave v, L. vs, 350: „want terwijl het (vaartuig) op den uitstekenden bult van een banck hangen bleef, tegens het zant aanstiet, lang in twijffel verlet .wiert, en den stroom stuitte, zoo sloopte het, en zette de mannen midden in \'t water neder. Over dit woord kan men Taal- en Letterh. IV, 302 en 303 desverkiezende nazien, waar door dr. van Helten de gelijkstelling van sloopen met het Hgd. schleifen wordt bestreden. 18 Beaveeken; schitteren, pronken-, men zie bldz. 28 reg. If. 21 Wonder-lyck ; sedert wonderlijk iets raars is gaan beteekenen, en wonderbaar eenvoudig vreemd beduidt, is \'wondervol langzamerhand in gebruik gekomen, Ook eervol is te verdedigen, nadat eerlijk zoozeer in beteekenis is beperkt. Men zie De Taal enz. bldz. 99.
treurspel.
Lucifer.
Wat baet een naem met licht geschreven? Een heldenstuck, als dit, wort geensins doorgedreven Met tittelen, en pracht, maar dapperheit, en moedt, 5) En treken, van vernuft en loosheit uitgebroet.
Ghy zyt een meester, tuck om Geesten in te luien, Te rygen aen uw snoer, te leiden, op te ruien.
Ghy kunt bederven zelfs, de vroomsten van de wacht; En leeren weifelen wat noit op weiflen dacht.
10) Begin, wy zien Godts heir gereten aen twee deelen; De hoofden en de leen aen \'t woeden, en krakeelen; De meeste maght alree geblintdoeckt, en verdooft. En Oversten en elck vast roepen om een hooft,
Indienghe een vierde deel op onze zy kunt troonen , 15) Men zal uw kloeck beleit met eere en ampten kroonen.
5 Treken; meerv. van treJce, later trek: meestal in een min gunstigen zin. 6 Tuck; listig: duidelijk elders bij V. „de noot maakt d\'ongeslepene üilcquot; \'tSbsttf. tuk had de beteekenis van slag, streek, list: het meerv. vinden we nog in \'t Hgd. Tücke, Het ww. tukken beteekende in den ruimsten zin „een snelle beweging makenquot;, bij voorkeur naar heneden, met de bijgedachte van arglist. amp; In te luien\\ op een hedriegelijke wijze overhalen tot, 8 Bederven; omkoopen, ontrouw maken, afvallig maken; eigenlijk vernietigen, te gronde richten: causatief bij het nog bestaande bederven.
Want ic had int herte toren,
Ende seide: „Vrouwe, mi dunct dat gi
quot;Wilt altemale bederven mi.quot;
Die Rose, vs. 4552.
Ick hoop op uwen troost, al most ick heden sterven,
lek weet uw Vader-gunst en sal my niet bederven.
Cats (door v. Vl.) II, 886, a. 8 Vroomsten ; zooals we vroeger (bldz, 28 reg. 23 der aant.) reeds zagen, beteekende vroom oorspronkelijk dapper, zachtjesaan kreeg het de tegenwoordige beteekenis: blijkens het volgende vers beduidt vertrouwbaar, onomkoop
baar, en wijkt dus ook van de grondbeteekenis af. 12 Verdooft; doof: dus met een beperkter zin dan verdooft op bldz. 10 reg. 13. De verwarring zal dus zoo groot worden, dat de meesten niet meer zien of hoor en. 13 Vast; reeds. 14 Troonen; bedriegelijk overhalen. Over de afkomst van dit woord heerscht verschil: dr. te quot;Winkel bracht af troonen in verband met trouw, goth. trauan-, aftroonen zou dan beteekenen „door vertrouwen in te boezemen, iemand ergens aftrekken, op meer of min bedriegelijke wijze. Anderen zien overeenkomst met het oude trommen, trompen het Fr. tromper. Volgens Dr. Sciioetensack (Etymologische JJntersuchungen, bldz. 170) zou de grondbeteekenis dan te zoeken zijn in het üligd. drumön d. i. in stukken slaan, waarvan het Mhgd. trümpfe = verminking, benadeeling (het Nhgd. heeft nog zertrümmern): de gedachte bedriegen zou dan uit die van benadeelen ontstaan zijn door de bijvoeging van het begrip listig, opzettelijk.
45
lucifer,
Ga bene, en overlegh dit stuck met Belial:
Het moet \'er duister zyn, daer hy verdolen zal.
Zyn troni, gladt vernist van veinzen en bedriegen, In \'t mommen niemant kent, die haer voorby kan vliegen. B) lek stygh te wagen: legh het over met u twe§.
De Hofraet is vergaert, en wacht ons komst alree.
Men zal, zoo dra ghy komt, u beide binnen roepen.
Heer Overste, bewaeck de hofpoort met uw troepen.
Belial. Apollion,
10) Belial.
Gods stedehouder dient zich van ons beide om hoogh. Apollion.
Wy vliegen te gelyck, als pylen van zyn\' boogh:
Belial.
15) En doelen op een wit, doch hachelyck te raken.
Apollion.
Sta vast, de hemel wil van dezen aenslagh kraken.
Belial.
Laet kraken al wat wil: het moet \'er nu op staen. 20) Apollion.
Hoe grypen wy dit stuck met kans en voordeel aen ?
Belial.
De wapens dienen ons: men moet van \'t heir beginnen. Apollion.
35) De hoofden eerst, met een de stoutsten zien te winnen.
Belial.
Door iet wat glimpelyx, en met een\' schyn verbloemt.
3 Troni; zie\' bldz. 11 reg. 17. 4 Mommen; huichelen, hedektelijk te werk gaan, met hedriegelijke oogmerken. Men zie de eigenlijke beteekenis in Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 67 reg. 18. 4 Voorby ti.iegen ; dus. 5 Legh
het over; zie overlegh Tier verzen vroeger : in innigheid van samenstelling verschillen veel ww. bij V. van de gewoonte daaromtrent in onze dagen. Men leze desbelust v. Helten, Vondel\'s Taal, I § 62 en § 63. 15 Hachelyck; moeielijk, twijfelachtig, onseher-, in laatstgenoemde beteekenis vinden we het bij V. zelf;
\'t Waer hachelijck of ghy dit zoudt gelooven.
Vondel (d. v. L.) III, bldz. 854, vs. 1310. 19 Wil; zal, 21 Kans; zooals gewoonlijk voor kans op slagen, goeden kans, schoonen kans. 23 Men sioet van \'i heir beginnen; „het leger moet eerst overgehaald worden.quot; 25 Stoutsten; moedigsten; zie bldz. 37 reg. 14. 27 Glimpelyx; wat een schoonen glimp heeft: de volgende woorden drukken dezelfde gedachte nog eens uit, zooals dikwijls bij V. Soms denkt men bij
46
treurspel.
Apollion.
Zoo geef het dan een\' naem: laet hooren hoe ghy \'t noemt. Belial.
Men hanthaef \'t Engelsdom, zyn hantvest, eer, en staten, 5) En kieze een hooft, waar op zich ieder magh verlaten.
Apollion.
Dat hebtghe recht gevat: ick wensch geen schooner stof. Noch zaet tot muitery, om burgery en hof Te schennen tegens een, en scharen tegens scharen: 10) Want ieder is gezint zyn staet en eer te waren. En wettigheit, waer toe d\' Almogentheit hem riep.
Eer zy de menschen vormde, en zoo veel spader schiep. Het hemelsche palais is ons tot erf gegeven.
Den Geesten, die dus hoogh op hunne vleugels zweven, IB) En vry van lichamen, niet zacken naer om laegh,
Past beter dit gewest dan \'t aertsch geslacht, te tracgh Om tegens zyn natuur te kiezen deze bogen.
Hier valt de dagh te sterck, te krachtigh , en hun oogen Verdragen geensins \'t licht, ons vroeger aangewent. 20) De mensch beware dan zyn eigen element,
Als andre dieren: hy genoegh\' zich met de palen Van zynen ryken hof. Heï ryzen en het dalen Van zon en maen verdeel1 de maenden, en het jaar. Hy neem\' den ronden loop der heldre starren waer. 25) Hy nuttige zijn ooft en al den geur der kruiden,
En keer\' zich oost, en west, ten noorden, en ten zuiden. Dat zy zyn tytverdryf: en wat behoeft hy meer?
Wy kennen nimmer hier een\' aertschen opperheer.
Zoo sluit ick. Kuntghe, help dien zin beknopter uiten.
aan het ww. glimmen: de grondbeteekenis van dit woord ia echter een „voegend, passend samengaanen daardoor een aangenaam uiterlijk. Het Mhgd. heefd in dezen zin glimpf of gelimpf. In het Angs. heeft men gelimpeti voor zich toedragen, samenvallen met of, zooals wij vroeger zeiden, bijkomen. Men vergelijke de aanteekening op bekwaam op bldz. 1 reg. 4.
4 Hantvest; de voorrechten, bij die handvesten toegestaan. 5 Magh ; kan, vermag. 9 Schennen tegens een ; tegen elkaar opzetten, aanhitsen tegen elkaar: het Mhgd. schünden met dezelfde beteekenis. Ook in Overijsel (Deventer) is (xoas alhaos vóór een kwarteeuw) het woord nog in volle kracht; „iemand opschünen tegen.quot; 12 En zoo veel spadee scHrEP; men herhalo hier „eer zyquot;, dus; „en eer zy de menschen, zooveel spader dan de engelen schiep.quot; 15 Niet zacken; men vergelijke sackende element op bldz. 33 reg. 10. 18 Valt; is: men zie bldz. 10 reg. 4. 19 Aengewent; „dat ona tot een gewoonte is geworden: levenlooze zaken gewennen zich niet meer aan ons.
4,7
lucifer,
Belial.
Den mensch in eeuwigheit ten hemel uit te sluiten. Apollion.
Dat klinckt alle Engelen te wonder wel in \'t oor, 5) Dat vlieght, gelyck een vier, van \'t een in \'t ander koor, Door negen Ordens heene, en alle Hierarchy en.
Belial.
Zoo zal men allerbest versufte traegheit myen.
Ons heil en uitkomst hangt aen snelheit en aen spoet. 10) Apollion.
Niet min aen kloeck beleit, en dapperhcit, en moedt. Belial.
Die zal, door toeval van ontelbre vanen, groejen,
Apollion.
15) Zy morren vast: men moet hier heimlyck onder roejen ,
Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklagh.
Belial.
Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezagh, Zyn wapen aen hun klaght en wettigheit te hangen. 20) Apollion.
Niet plotsling, maer allengs, en als door zydegangen.
Belial.
De Stedehouder met zyn tegenwoordigheit Bie zelf de stercke hant aen zulck een trots beleit, 25) Apollion,
Wy zullen in den Raedt zyn\' zin en voorstel hooren: Hy veinze voor een poos, en geve in \'t endt de sporen Aen \'t opgeruide heir, verlegen om een hooft.
6 Negen Ordens; zie Negen Bogen op bldz. 7 reg. 10. 8 Veksuft; in *t algemeen wekt versuft de gedachte op aan traagheid van geest, afwesig-heid van geest. Vroeger schijnt de beteekenis sterker te zijn geweest dan thans. Kuiaen geeft; delirus, delirans, stupens, iucogitans, soeors-, anoii inops. Een merkwaardig voorbeeld vinden we bij Huygens, Costelick Mal, vs. 85. Over waanzin sprekende zegt hij:
De Sieckte die \'t gedruys van haer versufte toonen Can opwaerts stijgen doen, tot daer de sinnen woonen. 11 Kloeck; niet alleen dapper maar ook verstandig-, men zie N°. II dezer Biblioth. bldz. 16. 13 Toeval; het toevallen. 15 Eoejen; ze dus opnam. 16 Zich mengen in; zich begeven te midden van-, men zie bldz\' 32 reg, 18. 19 Te hangen; d. i. hun klachten met de wapenen steunen, dien klachten dus klem bijzetten door het zwaard. 21 Dook. zïdegangen; of, zooals men ook kan zeggen, bedektelijk, langs linksche vjegen. 26 Zin; meening men zie bldz. 18 reg. 3
48
treurspel, 49
Belial.
Aen \'t hooft hangt al de zaeck. Hoe veel ghy hun belooft, Zy zullen zonder hooft dien optoght niet beginnen.
apollion.
5) Wat ree gewonnen is, behoeft men niet te wincen.
Wie meest gequetst wort in zyn heerlyckheit, en staet,
Dien geit het eerst; die stapp\' vooraen, en sla de maet In zoo veel duizenden.
Belial.
1 0) De billyekheit en reden
Vereeren hem dees kroon: doch eerwe dieper treden , Zoo laet ons al \'t gevaer eerst wegen, niets bestaen,
Of al de Hofraet steeck\' hier zelf zyn zegel aen.
15)
20)
35)
EEY VAN ENGELEN.
f
\' zang.
Hoe zien de hoffelyeke gevels
Zoo root? hos straelt het heiligh licht Zoo root op ons gezicht,
Door woleken en bedroefde nevels? Wat damp, wat mist betreckt Dat zuiver noit bevleckt,
En loutere saffier ?
Die vlam, dien glans, dat vier Van \'t heldere Alvermogen?
Hoe schynt ons nu de diepe gloet Der Godtheit toe, zoo zwart als bloet? Die flus zoo klaer alle oogen
Verheughde? Wie begrypt, wie keut Deze oirzaeck, onder de Eogelsdommen, Die, boven Adams element,
30)
3 Optoght; wat men op de aarde „opstandquot; heet, wordt in den hemel zeer gevoegelijk „optoghtquot; geheeten. 7 Sla de jiaet; natuurlijk voor „die voere aan,quot; „die bevele.quot; 11 Diepeii treden; verder gaan. 13 Bestaen; ondernemen-, men zie boven bldz. 43 reg. 7, en ren. 13. 18 Zijn zeuel aan iets steken of hechten; de woorden \\oor dit gebruik uit vroeger dagen worden thans gebezigd voor wetlirjen, goedkeuren. 16 Hofpelyck ; afleiding door middel van • lijk met de kracht van den genitief 20 Betkeckt; trekt over-, we willen hierbij alleen opmerken, dat betrekken als transitief werkw. in dezen zin niet langer in gebruik is; we betrekken nog wel een huis. 22 Loutek; rein, zuiver. 27 Flus; noy Icoit geleden: het begrip snelheid, dat aan vliegen eigen is, ging bij den stam van den inqierfectum over in korten afstand van tijd, zoowel voor als na een gegeven oogenblik.
4
LUCIFER.
Noch flus op galm van keelen zwommen; Op lucht van Geesten, in den glans, Die galery, en tin, en trans,
Gewelf van koor en hof vergulde, 5) En met een ziel van vreught vervulde.
Al wat hier boven leeft, en zweeft? —
Wie is \'er, die ons reden geeft ?
TEGENZANG.
Toen wy, op Gabriëls bazuinen, 10) Ontvonckten, en eene nieuwe wys
Aenhieven , Godt ten prijs;
De roozegaerdcn, en de tuinen Van \'t hemelsch paradys.
Door zulck een dau en spys 15) Van lof en zang verblyt.
Ontloken; scheen de Nyt Van ouder in te sluipen.
Een groot getal der Geesten stom,
En bleeck, en dootscli, ging , drom by drom, 20) Misnoegend henedruipen.
De winckbraeu hing verslenst op \'t oogh,
1 Galm van keelen en lucht van Geesten ; beide uitdrukkingen doelen op iets bijzonder fijns, waarin alleen voorwerpen, die bijna geen z/caarte hehhea (dus tegenover „sackende elementenquot; staan) kunnen zwemmen, d. i. drijven, zweven, zonder daarbij aan een (roeiende) beweging te denken, zooals wij thans gewoonlijk doen. 20 Misnoegend; het tegenovergestelde van (zich) =
tevreden zijn: klagend, treurend dus. 20 Henedruipen; wij zeggen gewoonlijk afdrnvpen. Vondel bezigt ook nog doordruilen. Gijsbrecht van Aemstel zegt; Nooit kraaide haan, als hem de kam was afgebeten.
Een dog en baste nooit, maar droop, als hij \'t verloor, Met ingetrokken staart en hangende ooren door.
21 Winckbraeu; natuurlijk ons vienhbrauw: bij bratao denke men aan \'t En-gelsche In-ow. Evenals de namen van andere lichaamsdeelen is dit woord heel oud en duister, 21 Verslensen; minder worden, verdwijnen, verwelken. Zoo bij Vondel zelf (Poëzy, 1, 616):
Uw jenght verslenst. Uw vaders stamhuis smelt.
(Ver-Jslensen ontstond door assimilatie uit (ver-)slentsen, \'t welk door achtervoeging eener s aan den stam (men vergelijke riden, ritsen, ritselen-, sliten, slitsen, slissen) zijn ontstaan aan slinden, slenden (men zie ook hier de verscherping van den slotmedeklinker) te danken had. Slendeii leeft nog voort in slenderen, waarnaast slenteren.
De grondbeteekenis vinden we in den Germaanaehen wortel slid, die glijden beteekent; met dit onderscheid evenwel, dat bij glijden aan esn snelle, bij slid aan een langzame beweging moet gedacht worden. De nieuwere vormen ontston-
50
TREURSPEL.
Het gladde voorhooft zette een rimpel.
De hemelduiven, hier om hoogh, Onnozel eerst, opreebt, en simpel,
Aen \'t zuchten sloegen, zoo het scheen; 5) Als of de hemel viel te kleen
Voor haer, toen Adam wierd verkoren, En zulck een kroon den mensch bescborcD.
den door inschuiving eener n; zonder die n vinden we den wortel in slede, \'t Hgd. Schlitten, \'t Eng. to slide en sledge.
Twee hoofdbegrippen zijn bij de ontwikkeling van dit woord steeds duidelijk aan \'t licht getreden: le. die van langzame beweging, en 2e. van langzame ver-vjijdering: verdwijning. De eerste beteekenis hecht zich meer aan slender en en slenteren = traag gaan, rondloopen zonder doel-, bij slensen en verslensen denken we eerder aan verdwijnen, afnemen, achteruitgaan, vervallen, verwelken, slap worden enz. Men denke evenwel aan \'t vroegere adjectief slender = dun, mager, spichtig, dat in \'t Engelsch nog voortleeft. Dat slender en ook voorkomt met de beteekenis van draaien = niet ridderlijk op het doel afgaan zal niemand bevreemden; evenmin ., dat slenter voorkomt in den zin van sleep, sleur ca draai, en in dien van lap, tod. Men zie verder de volgende voorbeelden: Wat is al u cieraet.
Dat metter tijt verslentst, en door de doot vergaet ?
Krul, Diana, 23.
En of hier d\' Egelentier wat slindert,
(Wie \'t port) den wortel blijft.
Orangien Lelyhof, 1,9.
Al is de schoone roos door hitte van der sonnen Verslendert, afgeteert, door rimpels ingewonnen.
Cats, W er eken I, fol. 411. Zy hebben slenters, in hun ommegang en spreeken,
Waar door ze in \'t diep geheim der hartenkamers breeken,
Beiikhey, Vaderl. Afscheid, 76.
Ook werd verslenden transitief gebruikt:
Verslenst ghy zoo de bloem en \'t eelste van uw tijdt?
Vondel, Jos. in Egypte, 22,
1 Zette een rimpel: „op het voorhoofd plooide zich een rimpelquot;: het gebruik van zetten = doen plaats hebhen, te voorschijn roepen is zeer ingekrompen. Vroeger zei men b v. ook „hij zet zijn doodverfquot; voor „hij krijgt een bleeke kleur,quot; „hij wordt bleek.quot; 2 Hemelduiven; voor Ut gewone engelen bezigd, 3 Onnozel; onschuldig\', men zie Biblioth. v. Ned. KI. III, bldz. 118 reg. 14. 3 Simpel; evenals bij onnoozel ontaardde ook hier het onschuldig in bekrompen naar den geest. Men vergelijke ten overvloede: Matth. X, J6: „Weest eenvoudig, gelijk de duiven.quot; 4 Sloegen; „begonnen te zuchten,quot; men zie bldz. 33 reg. 2. 5 Viel; zie vallen op bldz. 8 reg. 4. 7 Beschoben; toe-gedeeld-, het Hgd. zegt grammaticaal juister bescheert, aangezien het ww. be-scheren eigenlijk zwak verbogen diende te worden, als denominatief van Ohgd. scar a, Mhgd. schar = menigte, hoop — gedeelte, af deeling, stam van \'t sterke werkwoord scheren = snijden.
51
T/UCIFER.
52
y
Dees smet ontstelt het oogli van \'t Licht. Z\' ontsteeckt die vlam in Godts gezicht. Wij willen ons uit liefde in \'t midden van hun mengen, En deze oploopentheit weêr tot bedaren brengen.
HET DEEDE BEDEYF. Lüciperisten. Eby.
LüCirERISTEN.
Hoe kan men in zyn waen zoo vroegh bedrogen worden! Hoe is \'t alrce verkeert! wij schatten niemants Orden Geluckiger dan d\' onze, in dit opgaende Eyck, 5) Ja achtten onzen Staet den Oppersten gelyck,
En onveranderlyck, en boven \'t aertsch gezegent;
Wanneer ons Gabriël met Godts bazuin bejegent,
En uit de goude poort verbaest met dit gebodt,
Hetwelck al quot;t Engelsdom versteeckt van \'t hooghste lot, 10) Hun uit den vollen schoot der Godlheit eerst geschonckcn. Daar leggen wy te laegh, en zien de schoone voncken En si.ralen van onze eere en heerlyckheit geblust , De gautsche Hierarchy des hemels ongerust ,
Den mensch, in top van Staet en raaght, zoo trots verheven, 15) Dat wy, als slaven , voor zyn hecrschappye beven.
1 Ontstelt; doet het „oogh van \'t Lichtquot; zijn gewone kalmte, helderheid verliezen. 2 Vlam; als bewijs der „ontsteltenis,quot; van loom dus. 3 Mengen (in \'t midden van hun); zie bldz. 33 reg. 18. 4 Oplcopentheit; oproerige hewvging, oproer-, met veel sterker beteekenis dus dan dit woord tegenwoordig heeft, nl. drift.
3 Waen; meening, verleerde meening: men vergelijke waanzin. 3 Verkeekt; veranderd\', ,\'i kan verkeerenquot; was de leuze van Bbeeroo. 4 Opgaende; iloeiende: men denke aan opgang, bldz. 35 re^. 5. 7 Wanneer: ioen, als. 7 Bejegent; ontmoet, tegenkomt-, men vergelijke het Hgd. begegnen. 8 Verbaest; ontstelt-. men zie bldz. Jl reg. 13. 9 Versteeckt ; de stamwortel siït\'A van dit werkwoord ontstond uit stik, dat in den vóór-Oermaanschen tijd stig luidde {ariyim, \'t Lat. instigarej: de grond beteekenis is „met een of ander scherp, puntig voorwerp ergens indringen;quot; evenals bij slaan (zie bldz. 33 reg 2) werd ook hier aan de voorafgaande beweging gedacht en werd steken een zeer algemeen gebruikt woord om een handeling aan te duiden. Tersteken beteekende verwijderen van, waaruit de beteekenis van berooven gemakkelijk kon voortvloeien. 11 Leggen; men zie bldz. 5. reg 3. 13 Ongerust; zooals duidelijk in\'toog springt, met veel meer kracht dan tegenwoordig, evenals \'t zooeven geooemde verhazen.
TREURSPEL.
O, onverwachte slagh, en staelverwisseling! Och treurgenooten, zet u hier in eenen ring In \'t ronde; zet u hier te zamen : helpt ons treuren, En zuchten: het is tyt ons feestgewaet te scheuren, ö) Te klagen: niemant kan ten minste ons dit verbiên. De bly schap svnilt, en zal nu d\' eerste droefheit zien, Helaes, helaes, helaes, gsbroeders, hemelreien,
Leght af uw hooftcieraet: verandert uw lievreien En vrolyckheit, in rou : slaet neêr uw aengezicht. 10) Zocckt schaduwen, als wy. De droefheit schuwt het licht. Een ieder volge ons stem, en bange jammerklaghten. Vcrdrinckt in jammer; zinekt in droevige gedachten. Het klagen helpt, en zet de droefheit ooek van \'t hart. Nu schept in \'t kermen lust: het kermen heelt de smart. 15) Nu roept uit eenen raont, en volleght ons misbaren. Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaren!
Eey.
Wat weeklaght hoort men hier? onaengecamen toon, De Hemel yst hier af. Dees lucht is niet gewoon 30) Te hooren een muzyck van druck op noten galmen Door \'t juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen.
6 Smilt; vervloeit, verdwijnt: wat de i betreft, men weet dat de sterke werkw. der 1ste klasse of onv, e of onvolv. i hebben. 8 Lievreien; gewaden-. van \'t Fransehe livrée, oorspronkelijk de kleeding, welke vroeger de Fransche Koning livra.it (leverde) aan dc dienaren van zijn hnis. 16 Misbaken ; ren. weeklagen, vooral blijkbaar uit de gebaren. Het ww. haren beteekent thans alleen voortbrengen-, vroeger was de toepassing van dit woord raimer en kon het o. a. ook zich gedragen, zich aanstellen, aangaan heteekenen. Men vergelijke het Hgd, gebaren en denke aan ons misbaar-, ook de volgende voorbeelden :
Ey! vrouw kom in huis! miester wordt wakker, en begint hy te boeren!
Jan Vos, Klucht van Oene, bldz. 1.
Soo baart hy als een Droes.
Van dek Veen, Zinnebeelden, bldz. 32, Het algemeen begrip van baren (met een bekenden overgang vóór de r van a in c, uit beren) is dragen. Het woord liep tot de swalelee vervoeging over, vooral onder den invloed van een ander baren ~ ontblooten, openharen, too-nen, behoorende tot haar = hloot (zooals nog in baarblijkelijh en barrevoets)-, alleen geboren herinnert er ons aan. Samenstellingen met mis komen bij Vondel bijzonder veel voor. 16 Gevaken; heengegaan, gebleven-, varen beteekent in den rnimsten zin zich bewegen (van de eene plaats raar de andere). 19 Hiek aï; zooals bekend is, een andere vorm voor hiervan. 20 Muzyck van dkuck; treurige muziek, treurige tonen. 20 Galmen; weerklinken-, de beteekenis van galmen ligt hier meer naar de eerste beteekenis, die van zingen, toe, waaraan zich echter reeds vroeg de bijgedachte van deftig verbond.
53
LUCIFER.
En harpen passen ons, en snaren. Wat wil dit?
Wie of hier hangendsJioofts ineengekrompen zit,
Verlaten, en bedfuckt, en zonder noot beladen?
Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees oirzaeck raden? 5) Myn EeigenootenT^volght: \'t is noodigh dat men vraegh\' Naer d\' oirzaeck van hun leet, en deze donckre vlaegh Van droefheit, die den glans van onze pracht ontluistert, Het licht van \'t eeuwigh feest benevelt, en verduistert. De hemel is een hof van weelde en vreught en vree. 10) Hier nestelt aen dit dack noch rou, noch hartewee. Myn reigenooten volght, en troostze in hun bezwaren.
Luciferistesquot;.
Helaes, helaes, Lelaes , waer is ons heil gevaren!
Eey.
15) Genooten van ons heil en blyschap, broeders, hoe?
O zonen van het licht, hoe dus bedroeft te moê?
Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?
Ghy had begonnen \'t hooft ten hemel op te beuren, Te bloeien in den dagh, die neêrstraelt van Godts glans. 20) De hemel broght u voort, om vlugh, van trans in trans, Van \'teen in \'tander hof, te steigeren, te zweven, In \'t onbeschaduwt licht, vernoeght,, verzaet te leven. Op een gedurigh feest, te smaken \'t hemelsoh mann\' Van Godts onsterflijkheit, in een gerust gespan 2 5) Van feestgenooten, Hoe? dit voeght geen burgeryen
Van Englestandt, o neen: dit voeght geen Heerschappyeu,
3 Zonder noot; zonder oorzaak, zonder iets dat .hen kwelt: noot toch be-teckent kommer, verdriet. b. v.;
Die maechden waren truerich zeer Ende leden van rouwen groten noot.
Der Minnen Loep, B. IV. vs. 527. 3 Beladen ; bezwaard, bekommerd, ievreesd, zoo bij Vondel (door v. L. II, 622); — — — om den vader, die te velde leyd, beladen,
Soo soeckt sy in den soon haer\' minne te versaden.
en in der Minnen Loep, B. I, vs. 1652:
Mer als een mensche so is beladen.
Dat hi selve ghenen raet en weet.
18 Ghy had begonnen; naar onze gewoonten zoude het hulpww. zijn hier gebruikt moeten worden: aangezien den dichter de handeling vooral voor den geest stond, kan \'t gebruik van luibben ons niet zoo zeer bevreemden. 22 Verzaet; men denke hier vooral aan het aangename gevoel, dat ver~adifjiny geeft. 24 Gerust gespan; eensgezind, vreedzaam gezelschap, vereeniging van personen, die bij elkaar behoor en, tusschen wie harmonie heerscht.
54
treurspel.
Geen Maghten, Troonen; noch geen heerschend Hemelsdom. Ghy kropt uw droefheit in, en zit versuft en stom.
Laet hooren wat u deert: ontdeckt het uw gespeelen. Ontdeekt uw hartquetzuur, dat wy die mogen heelen. 5) Lïïciperisten.
Och broeders, vraeghtghe noch met errenst wat ons let ? Ghy hoort, zoo wel als wy, wat Gabriël trompet:
Hoe wy, door \'t nieuw bevel, van onzen staet vervielen In eene slaverny der aerde, en zooveel zielen 10) Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.
Wat is by ons alree mishandelt, of misdaen ,
Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen,
Verheft om d\'Engelen, zyn zonen, te verbazen? Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof? 15) Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof,
Bekleedden onzen plicht, als trouwe ryxgenooten.
En worden op een\' sprong gebannen en gestooten Uit deze waerdigheit, verdruckt te streng, en straf. De hantvest en het Kecht, dat ons de Godtheit gaf, 30) Wort ingetrocken, en, in stede van regeeren
Met Godt, en onder Godt, zal Adam triomfeeren. En heerschen, in zyn bloet en afkomst, onbepaelt.
De zon dsr Geesten is te plotseling gedaelt.
Och lotgenooten, volght ons droefheit, en misbaren. 25) Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaren!
Key.
Ontsteltghe u om den last van Godt en Gabriël?
55
Dit schynt een razerny. Wie durf het hoogh bevel Berispen? wie verwaent de Godtheit wederstreven? 30) Wy zyn gehouden Godt zyn Kecht en eer te geven,
2 Kkopt in; wij zeggen gewoonlijk verkroppen. 2 Versuft; men zie op bltlz. 48 reg. 8. 3 Gespeelkn , speelgenootm, vrienden. C Errenst ; vroeger merkten we reeds op, dat de diaeresis eertijds vrij wat algemeener was dan thans. 6 Let; hindert-, men zie ter opheldering Biblioth. van Ned. KI. Ill, bldz. 113 reg. 6, 9 En zooveel zielen; men leze „en in eene slavernij van (d. i. uitgeoefend door) zooveel zielen enz.quot; 11 Mishandelt; misdaan, verkeerd gehandeld. )3 Verbazen; ontzetten, verschrikken-, men zie bldz. 11 reg. 18. 27 Ontsteltghe u; ontstellen wordt thans niet reflexief meer gebezigd. 29 Verwaent; trots-, volgens Kiliaen gloriosus, gloriaiundns, arrogans, „qui ultra quam par est, de se cogitat.quot; Van het ww. verwanen in den zin van over-waneu, te veel wanen vonden we een duidelijk voorbeeld in Jan\'s Teestye:
LUCIFER.
En harpen passen ons, en snaren. Wat wil dit?
Wie of hier hangendsJioofts ineengekrompen zit,
Verlaten, en bedfuckt, en zonder noot beladen?
Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees oirzaeck raden? 5) Myn EeigenootenT^volght: \'t is noodigh dat men vraegh\' Naer d\' oirzaeck van hun leet, en deze donckre vlaegh Van droefheit, die den glans van onze pracht ontluistert, Het licht van \'t eeuwigh feest benevelt, en verduistert. De hemel is een hof van weelde en vreught en vree. 10) Hier nestelt aen dit dack noch rou, noch hartewee. Myn reigenooten volght, en troostze in hun bezwaren.
Luciferistesquot;.
Helaes, helaes, Lelaes , waer is ons heil gevaren!
Eey.
15) Genooten van ons heil en blyschap, broeders, hoe?
O zonen van het licht, hoe dus bedroeft te moê?
Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?
Ghy had begonnen \'t hooft ten hemel op te beuren, Te bloeien in den dagh, die neêrstraelt van Godts glans. 20) De hemel broght u voort, om vlugh, van trans in trans, Van \'teen in \'tander hof, te steigeren, te zweven, In \'t onbeschaduwt licht, vernoeght,, verzaet te leven. Op een gedurigh feest, te smaken \'t hemelsoh mann\' Van Godts onsterflijkheit, in een gerust gespan 2 5) Van feestgenooten, Hoe? dit voeght geen burgeryen
Van Englestandt, o neen: dit voeght geen Heerschappyeu,
3 Zonder noot; zonder oorzaak, zonder iets dat .hen kwelt: noot toch be-teckent kommer, verdriet. b. v.;
Die maechden waren truerich zeer Ende leden van rouwen groten noot.
Der Minnen Loep, B. IV. vs. 527. 3 Beladen ; bezwaard, bekommerd, ievreesd, zoo bij Vondel (door v. L. II, 622); — — — om den vader, die te velde leyd, beladen,
Soo soeckt sy in den soon haer\' minne te versaden.
en in der Minnen Loep, B. I, vs. 1652:
Mer als een mensche so is beladen.
Dat hi selve ghenen raet en weet.
18 Ghy had begonnen; naar onze gewoonten zoude het hulpww. zijn hier gebruikt moeten worden: aangezien den dichter de handeling vooral voor den geest stond, kan \'t gebruik van luibben ons niet zoo zeer bevreemden. 22 Verzaet; men denke hier vooral aan het aangename gevoel, dat ver~adifjiny geeft. 24 Gerust gespan; eensgezind, vreedzaam gezelschap, vereeniging van personen, die bij elkaar behoor en, tusschen wie harmonie heerscht.
54
treurspel.
Geen Maghten, Troonen; noch geen heerschend Hemelsdom. Ghy kropt uw droefheit in, en zit versuft en stom.
Laet hooren wat u deert: ontdeckt het uw gespeelen. Ontdeekt uw hartquetzuur, dat wy die mogen heelen. 5) Lïïciperisten.
Och broeders, vraeghtghe noch met errenst wat ons let ? Ghy hoort, zoo wel als wy, wat Gabriël trompet:
Hoe wy, door \'t nieuw bevel, van onzen staet vervielen In eene slaverny der aerde, en zooveel zielen 10) Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.
Wat is by ons alree mishandelt, of misdaen ,
Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen,
Verheft om d\'Engelen, zyn zonen, te verbazen? Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof? 15) Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof,
Bekleedden onzen plicht, als trouwe ryxgenooten.
En worden op een\' sprong gebannen en gestooten Uit deze waerdigheit, verdruckt te streng, en straf. De hantvest en het Kecht, dat ons de Godtheit gaf, 30) Wort ingetrocken, en, in stede van regeeren
Met Godt, en onder Godt, zal Adam triomfeeren. En heerschen, in zyn bloet en afkomst, onbepaelt.
De zon dsr Geesten is te plotseling gedaelt.
Och lotgenooten, volght ons droefheit, en misbaren. 25) Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaren!
Key.
Ontsteltghe u om den last van Godt en Gabriël?
55
Dit schynt een razerny. Wie durf het hoogh bevel Berispen? wie verwaent de Godtheit wederstreven? 30) Wy zyn gehouden Godt zyn Kecht en eer te geven,
2 Kkopt in; wij zeggen gewoonlijk verkroppen. 2 Versuft; men zie op bltlz. 48 reg. 8. 3 Gespeelkn , speelgenootm, vrienden. C Errenst ; vroeger merkten we reeds op, dat de diaeresis eertijds vrij wat algemeener was dan thans. 6 Let; hindert-, men zie ter opheldering Biblioth. van Ned. KI. Ill, bldz. 113 reg. 6, 9 En zooveel zielen; men leze „en in eene slavernij van (d. i. uitgeoefend door) zooveel zielen enz.quot; 11 Mishandelt; misdaan, verkeerd gehandeld. )3 Verbazen; ontzetten, verschrikken-, men zie bldz. 11 reg. 18. 27 Ontsteltghe u; ontstellen wordt thans niet reflexief meer gebezigd. 29 Verwaent; trots-, volgens Kiliaen gloriosus, gloriaiundns, arrogans, „qui ultra quam par est, de se cogitat.quot; Van het ww. verwanen in den zin van over-waneu, te veel wanen vonden we een duidelijk voorbeeld in Jan\'s Teestye:
LUCIFER.
En harpen passen ons, en snaren. Wat wil dit?
Wie of hier hangendsJioofts ineengekrompen zit,
Verlaten, en bedfuckt, en zonder noot beladen?
Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees oirzaeck raden? 5) Myn EeigenootenT^volght: \'t is noodigh dat men vraegh\' Naer d\' oirzaeck van hun leet, en deze donckre vlaegh Van droefheit, die den glans van onze pracht ontluistert, Het licht van \'t eeuwigh feest benevelt, en verduistert. De hemel is een hof van weelde en vreught en vree. 10) Hier nestelt aen dit dack noch rou, noch hartewee. Myn reigenooten volght, en troostze in hun bezwaren.
Luciferistesquot;.
Helaes, helaes, Lelaes , waer is ons heil gevaren!
Eey.
15) Genooten van ons heil en blyschap, broeders, hoe?
O zonen van het licht, hoe dus bedroeft te moê?
Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?
Ghy had begonnen \'t hooft ten hemel op te beuren, Te bloeien in den dagh, die neêrstraelt van Godts glans. 20) De hemel broght u voort, om vlugh, van trans in trans, Van \'teen in \'tander hof, te steigeren, te zweven, In \'t onbeschaduwt licht, vernoeght,, verzaet te leven. Op een gedurigh feest, te smaken \'t hemelsoh mann\' Van Godts onsterflijkheit, in een gerust gespan 2 5) Van feestgenooten, Hoe? dit voeght geen burgeryen
Van Englestandt, o neen: dit voeght geen Heerschappyeu,
3 Zonder noot; zonder oorzaak, zonder iets dat .hen kwelt: noot toch be-teckent kommer, verdriet. b. v.;
Die maechden waren truerich zeer Ende leden van rouwen groten noot.
Der Minnen Loep, B. IV. vs. 527. 3 Beladen ; bezwaard, bekommerd, ievreesd, zoo bij Vondel (door v. L. II, 622); — — — om den vader, die te velde leyd, beladen,
Soo soeckt sy in den soon haer\' minne te versaden.
en in der Minnen Loep, B. I, vs. 1652:
Mer als een mensche so is beladen.
Dat hi selve ghenen raet en weet.
18 Ghy had begonnen; naar onze gewoonten zoude het hulpww. zijn hier gebruikt moeten worden: aangezien den dichter de handeling vooral voor den geest stond, kan \'t gebruik van luibben ons niet zoo zeer bevreemden. 22 Verzaet; men denke hier vooral aan het aangename gevoel, dat ver~adifjiny geeft. 24 Gerust gespan; eensgezind, vreedzaam gezelschap, vereeniging van personen, die bij elkaar behoor en, tusschen wie harmonie heerscht.
54
treurspel.
Geen Maghten, Troonen; noch geen heerschend Hemelsdom. Ghy kropt uw droefheit in, en zit versuft en stom.
Laet hooren wat u deert: ontdeckt het uw gespeelen. Ontdeekt uw hartquetzuur, dat wy die mogen heelen. 5) Lïïciperisten.
Och broeders, vraeghtghe noch met errenst wat ons let ? Ghy hoort, zoo wel als wy, wat Gabriël trompet:
Hoe wy, door \'t nieuw bevel, van onzen staet vervielen In eene slaverny der aerde, en zooveel zielen 10) Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.
Wat is by ons alree mishandelt, of misdaen ,
Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen,
Verheft om d\'Engelen, zyn zonen, te verbazen? Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof? 15) Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof,
Bekleedden onzen plicht, als trouwe ryxgenooten.
En worden op een\' sprong gebannen en gestooten Uit deze waerdigheit, verdruckt te streng, en straf. De hantvest en het Kecht, dat ons de Godtheit gaf, 30) Wort ingetrocken, en, in stede van regeeren
Met Godt, en onder Godt, zal Adam triomfeeren. En heerschen, in zyn bloet en afkomst, onbepaelt.
De zon dsr Geesten is te plotseling gedaelt.
Och lotgenooten, volght ons droefheit, en misbaren. 25) Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaren!
Key.
Ontsteltghe u om den last van Godt en Gabriël?
55
Dit schynt een razerny. Wie durf het hoogh bevel Berispen? wie verwaent de Godtheit wederstreven? 30) Wy zyn gehouden Godt zyn Kecht en eer te geven,
2 Kkopt in; wij zeggen gewoonlijk verkroppen. 2 Versuft; men zie op bltlz. 48 reg. 8. 3 Gespeelkn , speelgenootm, vrienden. C Errenst ; vroeger merkten we reeds op, dat de diaeresis eertijds vrij wat algemeener was dan thans. 6 Let; hindert-, men zie ter opheldering Biblioth. van Ned. KI. Ill, bldz. 113 reg. 6, 9 En zooveel zielen; men leze „en in eene slavernij van (d. i. uitgeoefend door) zooveel zielen enz.quot; 11 Mishandelt; misdaan, verkeerd gehandeld. )3 Verbazen; ontzetten, verschrikken-, men zie bldz. 11 reg. 18. 27 Ontsteltghe u; ontstellen wordt thans niet reflexief meer gebezigd. 29 Verwaent; trots-, volgens Kiliaen gloriosus, gloriaiundns, arrogans, „qui ultra quam par est, de se cogitat.quot; Van het ww. verwanen in den zin van over-waneu, te veel wanen vonden we een duidelijk voorbeeld in Jan\'s Teestye:
lucifee.
Eey.
Verknocht met Godts natuur; een wonderlyck bestaen. Ltjcifemsten.
Och Ensielsdom, wou Godt zich paren met uw wezen! 5) Eey.
Wat Godt behaeght, en schickt, dat wort met recht geprezen. Lüclferisten.
Hoe heeft hy \'s menschen peil alree zoo hoogh gemerckt ? Eey.
10) Het is ai wel, al goet, wat Godt bepaelt, en werckt.
Lücifemsten.
Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven!
Eey.
Alle Englen zullen Godt in \'t lichaem zien , en loven. 15) Luciferisten.
Zy zullen slyck en stof aenbidden in het stof?
Eey.
Bewieroocken Godts naera, met geur, en prijs, en lof.
Luciferisten.
20) Den mensch bewieroocken, van hooger hant gedwongen? Apollion. Belial. Eey.
Apollion.
Zy mompelen alree? ghy hoort een\' stryt van tongen.
2 Wonderlyck; wonderdadig, wondervol-, men zie bldz. 19 reg. 4. 3 Bestaen ; hier in den zin van „bij zich zelf staanquot; = existentie. 8 Het peil jiergken ; geschiedde vroeger vrij wat algemeener dan thans, o. a. werd het peil gemerkt in bierkroezen en andere drinkvaten, om de herbergiers te verplichten de noodige hoeveelheid te schenken. Gewoonlijk bestond het peil in een streepje-, vandaar „peil trekkenquot; Zooals men weet ontstond peil langs een bekenden weg uit pegel, en werd dit woord gevormd van het w w. peg tra = aanwijzen, dat in \'t Platd. nog in vollen bloei is. 12 Veiidooven; men zie over verdooven bldz 26 reg. 7. 23 Mompelen; frequentatief van moazpm, d. i. binnensmonds, onduidelijk spreken-, \'tis hetzelfde woord als mommelen en volstrekt niet met mond verwaai, zooals de spelling mondpelen van Kiliaen en Ten Kate zou doen denken. Aardig gebruikt Bogaees dit woord in zijn Togt van Heemskerk (privaat druk):
Dan, uitgeput, terneergeslagen.
Dan mompte hij van vreeverdragen Maer \'t bleef bij \'t momplend stemgeluid.
Skeat\'s Etymological Dictionary heeft mumbte = to speak indistinctly. 33 Tongen ; gebruikelijke metonymia voor geluiden.
58
treurspel.
Belial.
Wat scharen treuren hier, gedompelt in den rou,
De sluiers om de borst, en lenden? niemant zou
Begrypen dat men dus, in \'t midden van de Geesten, 5) Op \'t eeuwige baneket, en d\' endelooze feesten,
Kon treuren, zaegh men niet dit jammerlyck getal , Verslensen van verdriet.; Wat ramp wat ongeval \' Ontsteltze? Broeders, hoe? wat\'s d\'oirzaeek van dit kermen?
Beledight iemand u? men zal uw Eecht beschermen, 10) Wat deert de Broeders? spreekt; laet hooren wat u deert.
Eey.
Zy klagen dat de staet der msnschen triomfeert,
Door Gabriëls bazuin, en opstygbt boven d\' Engelen!
Dat Godt zyn wezen wil met Adams wezen strengelen: 15) De Geesten onderwerpt het menachelyk gebiet.
Daer hoort ghy kort en klaer den gront van hun verdriet, Apollion.
Zoo groot een ongelyck valt lastigh te gedoogen.
Belial.
30) Het overtreft bykans ons krachten, en vermogen.
Eey.
Wy bidden, dat ghy toch dien twist met ons beslecht. Apollion.
Wat raet ? hoe paeit men hen ? zy steunen op hun Eecht. 35) Eey.
Wat Eecht? die wetten geeft vermagh de wet te breken. Apollion.
Hoe kan Eechtvaerdigheit een onrecht oordeel spreken ?
5 Bancket = feestmaal. 7 Verslensen; vergaan, verkwijnen: zie bldz. 50 reg. 21. 8 Ontstellend. i. uit den stel, uit den stal, uit den gewonen stand brengen: tegenwoordig heeft het woord zwakker beteekenia dan vroeger. 8 Beledight; hier stellig met de duidelijke beteekenis: „Heeft iemand u leed gedaan?quot; Ook dit woord is zeer in kracht verzwakt. 14 Strengelen; zich innig verbinden, wat vroeger ook door mengelen is uitgedrukt; in elk geval verwant met ons streng, het Hgd. strang, het Eng, waarschijnlijk ook met
door invoeging eener n (zie slensen op bldz 50) en met metathesis der r. Bij strengen en strengelen zou men dan £an een krachtig ineendraaien, innig verbinden te denken hebben, 15 Onderworpt; lees: „de Geesten onderwerpt aan de heerschappij der menschen.quot; 18 Onqelijck; verongelijking ■. zoo ook bij Hooft: „Naa dat Florus de vijfde — — — d\' ongelijken en wederwaardigheden den Adel toegedreven, opgehoopt had\' met het verkrachten van de huisvrouwe dej Heeren van Velzen,quot; Men zie verder bldz. 36 reg. 19. 23 Beslechten; vereffenen-, men zie Bibliuth. van N. KI. II, bldz. 19 reg. 16. 24 Paeit; paaien is het Fransche payer, het Lat. pacare (pax — paix = ons pais), waarvan ook apaiser: de beteekenis is tevreden stellen, voldoen.
59
lucifer,
Key.
Bestraf Godts oordeel eens, en schryf hem wetten voor. Belial.
De Vader leer\' het kint hem volgen op zyn spoor. 5) Eey.
Zyn spoor te volgen is het zelve als hy te willen.
Apollion.
Verandring van Godts wil veroirzaeckt dees geschillen.
Eey.
10) Hy zet den eenen van, den andren op den troon.
De minder waertste wyek\' voor eenen waerder zoon.
Belial.
Gelyckheit van gena de Godheit best zou passen.
Nu. durf de duisternis het hemelsch licht ontwassen. 15) De kindars van den nacht braveeren zelfs den dagh.
Eey.
Wat adem haelt, met recht den Schepper dancken magh, Die elck zyn wezen gaf, en mindre en meerder waaide. Wanneer het hem belieft, zal \'t element der aerde 30) Veranderen in lucht, of water, of in vier;
De hemel zelf in aerde; een Engel in een dier;
Een mensch in Engleschyn, of onbegrepen wonder. Een maght regeert het al, en keert het bovenste onder. Wat d\' allermiüste ontfangt is loutere gena.
35) Hier geit geen willekeur. Hier komt vernuft te spa. In d\' ongelyckheit is Godts heerlijkheit gelegen.
Zoo zienwe tcgcns \'t lichtste het zwaerste zwaerder wegen. Dus steeckt het schooner af op \'t schoon; de kleur op kleur; De diamantsteen op turkoisblaeu; geur op geur; 30) Het stercke op flauwer licht; gestavrent tegens starren. Ons schicken is den Staet van dit Heelal verwarren,
13 Gena; (jnnstbetoonincj, goedheid. 14 Dukf; over dezen vorm zie men bldz. 24 reg. 22. 14 Ontivassen; men vergelijke „de roede ontwassen zijn.quot; 15 Bbavekken; „de kinderen der aarde trotseeren de hemelbewonersquot; 22 Engleschyn; gedaante van een engel: schijnen toch beteekent eigenlijk zich openharen, zich toonen, glansen. 25 Hier gelt geen willekeur; men vergelijke „Ghy weet Godts reden niet,3\' 15 verzen lager. 25 Hier komt vernuft te spa; „o diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Godsl Hoe ondoorgrondelijk zijn zijne oordeelca 3 en (mnaspeurtijk zijn wegen.15 (Roxri. XT, 33). 29 Turkois; turkoois, Fr. turquoise, een edelgesteente, dat vooral in Oost-Perzië te huis behoort, werd door de Europeanen het Turlcsche genoemd, omdat zij het uit Turkije ontvingen. 31 Ons schicken; „hetgeen wij is niet
anders dan misschikken, d. i. verkeerd schikken of verwarren.quot;
60
treurspel.
Misschicken al wat Godt geschickt heeft, en beleit;
En wat het schepsel schickt, dat is wanschapenheit, In \'t allerminste lidt. Men staeck\' dit murmureeren. De Godtheit kan den Staet van \'t Engelsdom ontbeeren. 5) Zy is met niemants dienst beholpen; eeuwigh ryck En heerelyek behoeft zy wieroock, noch muzyck,
Noch geur, haer toegezwaeit, noch lof, haer toegezongen. Ondanckbre Geesten, zwyght: betoomt uw snoode tongen. Ghy weet Godts reden niet: genoeght u met uw lot, 10) En onderwerpt u Godts en Gabriëls gebodt.
Apollion.
Is dan de staet en \'t lot der Geesten onbestendigh ? Zoo staenze glibberigh, zoo zynze alreede elendigh.
Eey.
15) Om dat een minder zal regeeren in dit Ryck?
Wy blijven diewe zijn: geschiet ons ongelyck?
Belial.
Zy zyn de naeste aen Godt, hun\' toeverlaet, en vader. En lagen hem aen \'t hart: nu leit een minder nader. 20) Ejey.
Zich over \'s anders heil bedroeven, is gebreck Van liefde, en rieekt naer nijt en hooghmoet. Laat dees vleck Op Englezuiverheit en louterheit niet kleven.
Elckandre, in eendraght, liefde, en trou, voorby te streven, 35) Behaeght den Vader, die het al in orden schiep.
Belial.
Zy houden d\' orden, daer de hemel hen toe riep;
Maer kunnen traegh verstaen des mensehen slaef te worden.
5 Beholpen; geholjien, gediend. 7 Geur; van den vnerook nl, 8 Snood; hoos uit voorbarigheid, otmadenkendhfid: de grondbeteekenis van dit woord is misschien behoeftig, waaruit zich die van gering, slecht, verachtelijk, dom, dwaas, onwetend, gek, eindelijk slecht ontwikkelden Het woord kwam vroeger dikwijls onder den vorm snodel voor. Een enkel voorbeeld:
Eer sterven hovesche liede eude wise,
die staen in alder werelt prise ,
dan die snodele entie (en die) domme.
Limborch III, vs, B. 15.
• 13 Elendigh; ongelukkig, rampzalig\', over dit woord zie men mijn Be Taaltar. bldz. 65. 16 Ongelïck; onrecht-, zie bldz, 36 reg. 19. 22 Gebreck van liefde; waarvoor wij „gebrek aan liefdequot; zouden zeggen. 23 Louterheit; een ander woord voor \'t onmiddellijk voorafgaande „zuiverheitquot;: de grondbeteekenis van louter is waarschijnlijk gewasschen. 28 Traegh verstaen; moeilijk, ongaarne (zich met het denkbeeld) vereenigen: men zie over verstaan bldz. 41 reg. 10,
61
LDC1FEE.
Eet.
Dat \'s ongehoorzaemheit: zoo spattenze uit hun Orden. Ghy ziel hoe \'t hemelsch heir, geharrenast iu \'t gout,
En iu \'t gelidt gestelt, zyn beurt en schiltsvacht houdt; 5) Hoe deze star gedaelt, en gene, in top daer boven, i.-. De klaerste en minder klare in luister kan yerdooven;
Hoe d\' eene een kleiner ronde, en d\' andre een grooter schryft: De laeghste hemel snelst, de hooghste langsaam dryft; Èq evenwel verueemtghe, in deze oneffenheden 10) Van ampten, licht, en kreits, en stant, en trant, en treden, Geen tweedraght, nyt, noch stryt: des Albestierders stem Geleit dit maetgezang, dat luistert scherp naer hem.
Belial.
\'t Gestarrent blyft in staet, daer Godt het in wou scheppen. 15) Behaeghde \'them den Staet der Englen niet te reppen, Zy weken geen gestarnte, in eendraght, noch in pais,
Noch steurden met geklagh de rust van dit palais.
Eey.
Zie toe, en wacht u wel deze ongenoeght te sty ven. 20) Apollion.
Wy wenschen, dat dees lucht en wolck magh overdryven, Eerze uitberste, en \'t gewest des hemels zette in vier. Zy groeien ia getal; wie stiltze? wie komt hier?
LucirnasTKN. Belzebub. Eey.
2 5) Lucifeeisten.
Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaren?
Belzebub.
\'t Gaet wel: wy groeien aen : onze Engelen vergaren, En stecken vol misbaer, de hoofden vast by een. 30) Wat port u Engleburgh met kermen en gesteen
T\'ontrusten? kan de bloem der zaligheit verslensen?
Gerust bezitten al wat eenigh Geest kan wenscheiy\' Van Godt, den zegenaar, vernoeght u dat noch niet? Zoo staetghe u zelfs in \'t licht, en koestert een verdriet, 35) Waer van ick d\'oirzaeck noch beseffen kan, noch raden.
7 Ronde ; zie hierbij over de harmonie der sferen bldz. 5 reg. 10. 15 Reppen; aanraken en dus verandering brengen in: men zie bldz. 44 reg. 7. 16 Pais; vrede: \'t Lat. ftax. 17 Steuben; ons stooren, verstoqren-. vernietigen. 19 Ongenoeght; ontevredenheid•. vergelijke ■Misnoegend op bldz. 60 reg. 20. 30 Pokken; aanzetten, aandrijven: wij kennen nog de samenstellingen opporren, aanporren. 34 Zblps; zelf. 34 Koesteren een verdriet; een verdriet voeden, aankweeken: over koesleren zie men bldz. 8 reg 9.
62
TREURSPEL.
Houdt op van kermen: scheurt velttekens, en gewaden Niet langer, zonder reen, maer heldert uw gezicht, En voorhooft met een\' strael, o kinders van het licht! De schelle keelen, die met zang de Godtheit dancken, 5) Zien om en belgen \'t zich, om dat ghy valsche klancken En basterttoonen mengt, in \'t goddelyck muzyck. Uw bittre weeklaght steurt de maet van \'t hemelryck. \'t Gewellef huilt u na. De rougalm, in den hoogen
4 Schel ; helder zonder de onaangename bijbeteckenis, die dit adjectief thans heeft; het behoort tot een vroeger sterk ww. schellen = klinken, welks imperfectum schal in ons geschal o. a. nog voortleeft, en watraan het Hgd. ver-schollen nog herinnert. Het subattf. schel is de stam van het factitieve schellen = doen klinken. 5 Belgen (zich) ; zich hoos maken over, eigenlijk zich opblazen, zich dik maken: nog wel hoort men tegen iemand, die zich boos maakt, zeggen: „maak je maar niet dih; dun is de mode.quot; Uit-denzelfden wortel ontsproot halg, dat in Overijsel nog voor buik wordt gebezigd (in \'t Eng. belly) en dat ook in blaasbalg voortbestaat. 6 Basterttoonen; wanklanken, valsche tonen. De beteekenis van bastaard is, zooals men weet, onecht-, over de afleiding loopen de meeningen der geleerden nog al uiteen. Diez denkt aan het Spaansche basto, Fr. baste (van \'t Germ, bast = schors) — pakzadel\', de bo-teekenis zou dan zijn: „een op een pakzadel geteeld kindquot; en ontstaan wezen in den mond der ezeldrijvers in Provence en Spanje, die van hun zadels zich in de herbergen een slaapplaats bereidden en dikwijls gemeenschap hadden met de dienstmeisjes. Op deze wijze ontstond ook bankaard, van dezelfde kracht.
Dr. Kluge houdt het voor een woord van Keltischen oorsprong, dat door bemiddeling van \'t Fransch tot ons kwam. Volgens hem beteekent het „zoon der geilheid, der ontuchtquot; (samenstelling van bais = ontucht in \'t Nieuw-Iersch en tardd =. spruit in \'t Kymrisch). Het kwam dan naar het vaste land over Engeland, waar de eerste verschijning van \'t woord met Willem den Veroveraar is verbonden (1066); hij droeg als natuurlijke zoon van den hertog Robert II van Normandië den bijnaam bastaard, zooals hij in. zijn brieven zich ook zeiven noemt.
Dr. Franck is het met de verklaring van Kluge niet eens, omdat de benaming „zoon der geilheid of ontuchtquot; met de middeleeuwsche denkwijze weinig overeenkomt. Volgens hem is de verdeeling bast—aard, met den uitgang —aard dus, aannemelijker, vooral ook met het oog op de Oad-Fransche en Oud-Engelsche uitdrukking///5 de bast (bas) en ibore, big eten in bast, d. i. „geteeld in bast, onwettig geborenquot;
Schoetensack , in zijn Bebrag zu einer wissenschaftlichen Grundlage far Etymologische Untersüciiungen, meent dat het woord geheel van Germaau-schen oorsprong is en dat het Mhgd. basthart, ook bast art, tot grondslag heeft gelegen. Bastart beteekende dan oorspronkelijk een nietswaardige-, bast toch werd in het Mhgd. met de ontkenning gebruikt (niht ein bast), evenals wij zeggen „geen zier,quot; „geen boon,quot; geen lor.quot;
Bilderdijk verklaarde bastaard door hang aart en leidde het ook af van bast, maar in den zin van strop, die van boomamp;w^ gemaakt werd. Carolus Tuinman onstak in zijn Fakkel het licht: dat bastaard eigenlijk een bachtaard achter-ling was (van bachten = achter), volgens hem \'t zelfde als aterling.
63
lucifer.
Gestegen, rolt al voort, van d\' eeu in d\' andre bogen •-En zonder misdaet wort, door zulek een ongeluit, De wasdom van Godts naem en glori niet gestuit.
1/ Lucifehisten.
5) i Heer Overste, op wiens wenck ontelbre kenrebenden Zich wapenen, ghy komt van pas, om onze elenden Te zalven, en den smast en onverdienden hoon Te schutten door uw maght. Zal Gabriël de kroon Der heilige Engelen op \'t hooft van Adam zetten,
10) Door Adams erfgenaem Godts eerstelingen pletten?
Wy waren nutter niet geschapen, eer de zon Te wagen steegh, en licht den hemel geven kon.
De Godtheit koos vergeefs de geesten tot trouwanten Van \'t onbeweeghbre hof, indien ze zich wou kanten , 15) En spitsen tegens \'t Escht der Geesten, zonder schuit Tot wederstant geterght, uit noot en ongedult.
Wy juichten, in den lof der Godtheit opgetogen,
Aenbaden , wieroockten met schalen, neighden , bogen Onze aengezichten neer. De hemel gaf gehoor, 20) Verslingert op den dans des galms, van koor in koor,
2 Ongklutt; waarvoor wij liever wangeluid zeggen: men denke aan ondier voor loanschapen dier. Het onderscheid tusschen het ontkennende on- en het stellige wan- zien we nog duidelijk in ongeloof = gehrek aan geloof en wangeloof = verkeerd geloof. 8 Schutten; hesehermen, afweren: evenals sehutting en schot wel verwant met schieten, mits men bij dit werkwoord niet denke aan de nieuwere toepassing „met schietgeweerquot;; men vergelijke : „een schotje schieten voor,quot; „een vertrek afschieten door een schotquot; en zie verder hldz. 7 reg. 2. 11 Wij waren nutter enz.; de lezer vergelijke bldz, 57 reg. Zi. 13 Trouwanten; dienaren, lijfknechten, volgelingen-, naloopers, nadravers. Juister trawant-, draben, draven, \'t Hgd. trahen toch was het grondwoord, waarvan met den Romaanschen uitgang van het tegenw. deelw. trawant (Hgd. Trahani) werd gevormd. 16 Ongedult; onmogelijkheid om langer te dulden: men herinnere zich, dat dulden de beteekenis heeft van verdragen. 17 Opgetogen; uit of liever boven zijn gewonen toestand geplaatst. Benige verzen lager bezigt Tondel van den hemel, het hoogste dus, sprekende, smelten. 18 Neighhen; het causatief van nijgen. 20 Verslingert op; verliefd op, verzot op: thans altijd, in Vondel\'s dagen dikwijls in ongunstige beteekenis, waarvan bier evenwel geen sprake is. Slingen, slingeren beteekent een draaiende beweging maken, zich bewegen luiten de rechte lijn, ook in minder geregelde beweging zijn. Men zie de volgende voorbeelden:
— Peleus zinnen,
Vervrolyckt door den drank, verslingren onder \'t minnen Op Thetis boezem, daar geen blank ivoor by liaalt.
Kotgans, Foezy, bldz. 387. Dan zullen keel en vingeren Op zang en snaar verslingeren,
Weli.ekens amp; Vlaming, Dichfl, Uiisp. bldz. 187.
64
TR2URSPEL.
Ja smolt van volle vreught op tongmuzyck, en harpen;
Toen Gabriëls bazuin zich plotseling quam werpen Met dezen donderslagh in \'t midden van Godts eer:
Daer lagen wy verbaest, verstroit, verdruckt ter neer. 5) De blyschap gaf den geest. De zwangre keelen zwegen. De jongstgeboren streeck de kroon, den staf, den zegen; En \'d outste zoou, onterft by d\' Oppermajesteit,
Gemerekt bleef voor een\' slaef, dat valt gehoorzaemheit, Godtvruchtigheit, en liefde, en trouwe, uit Godts trezooren, 10) Ten deele, dompelt haer in rouwe, ontvonckt den toren. En wraeckzueht, om den mensch, uit een\' gerechten haet, Te smooren in zyn bloet, eer hy der Englen Staet Verplette, ea zy geboeit, als suoode en arme slaven. Gedwongen worden naer zyn zweep en wil te draven; 15) Gelyck hy daer beneêa de dieren houdt in dwang.
Heer Overste, ghy kuut der Geesten ondergang
Vondel zingt tot de te vroeg gestorven Kornelia Vos, Poezy II, 61; \'t hemelsch paradijs, op u verslingert.
Over het op bldz. 64 in reg. 20 voorkomende Dans des galms; zie bldz. 53 reg. 20.
1 Smolt, „smelten van vreugktquot; is in onze dagen iets ongehoords en ook in Vondel\'s fijd ver van algemeen gebruikelijk. De bedoeling is: „raakte buiten zich zelf,quot; „was zich zelf niet meerquot;: smelten toch beteekent wel in \'t algemeen vervloeien, wegvloeien, maar heeft ook (heel natuurlijk) de bateekenis van ver-dioynen. Zoo vinden we bij Vondel zelf (uitgave v. L. III, 210):
Kreüse, die om hoogh Gevaren, small in bey mijn armen.
Zie het zooeven besproken opgeiogen.
4 Verbaest; zie bldz. 11 reg. 13. 5 Zwangre; die gereed waren om den lofzang aan te heffen. 6 Streeck; zie bldz. 37 reg. 13. 8 Gemerckt bleef; „werd en hlecf gemerktquot; enz.; men zie over blijven bldz. 21 reg. 18. Merken is teekenen (»n«\'4teeken), kenhaar maken. 9 godtvruch\'fioiieit; waarvoor wij gewoonlijk het kortere godsvnccht bezigen, d. i. god(s)vrees: vruchten (och beteekende vreezen:
Ende doe hi bnten dore was,
Ende die andre spraken bi rade Een deel in den avont spade Ende die doren waren beloken.
Om dat si vruchten der Joeden stoken.
Maerlant, Rijmb. vs. 26902. Wanneer we den stam vrucht met den Germaanschen wortel forh vergelijken , zien we, dat er verspringing (metathesis) der r heeft plaats gehad. Men vergelijke het Hgd. Furcht, maar ook \'t Engelsche fright. 9 Trezooren; schaikame-ren. 13 Snoodb: ongelukkige, arme-, zie bldz. 61 reg. 8.
65
5
LUCIFER.
Verhinderen, en by hun hantvest hen bewaren:
Besehutze door uw maght: wy staen gereet uw scharen, Uw\' standert, en uw heir te volgen: treek maer aen, \'t Is eerlyck voor zyn eere, en kroone, en Eeoht te staen. B) Belzebtjb.
My deert uw ongelyck, o Koning aller Heeren,
Verboe dit liever. Geef geen stof tot muitineeren ,
Noch tweedraght; geef geen stof tot wederspannigheit. Wat raet? hoe stil ick u, en d\' Oppermajesteit? 10) Ltjcifeeisten.
Zy quetst het heiligh Eecht aen d\' Engelen geschoncken. Belzebub.
Het Keeht te quetsen kan den onderzaet ontvoncken. Een vier ontsteken, daer de lucht af branden zou. 15) O, averechtsen loon van onbevleckte trou!
Hoe zullen wy ons best in dees vertwyfling dragen?
lüCIFEKISTES\'.
Men trooste zich een kans, een\' stouten sprong te wagen. Belzebub.
20) Waer toe zich zelfs gewaeght? men ga een\' zachter gangk. Lucifehisten.
Hier golt alleen gewelt, en kracht, en wraeck, en dwangk. Belzebub,
Men kon, waer \'t mogelyck, een veiligh middel kiezen. 25) Lucifeiusten,
Met uitstel zal men hier niet winnen , maer verliezen. Belzebub.
Men geef zyn ongelyck met reden te verstaan.
Luciferisten,
30) De reden heeft hier uit: men zet ons onder aen.
Belzebub.
66
Met smeecken moglit ghy beat en eerst uw\' wensch verwerven.
1 By hun hantvest enz.; „gij kant ze, met beroep op hun handvesten, redden.quot; 4 Eerlïck; thans, nu eerlijk een beperkter zin heeft, gewoonlijk eervol genoemd: men vergelijke ook eerlaar en eerzaam, en zie mijn De Taal enz. bldz. 100. 6 Ongelyck; verongelijking. 7 Muitineeren; \'t Fransche mutiner. 14 Af; van 15 Averechts; verkeerd, omgekeerd-, verkeerde loon is dus stro.f. V. gebruikt loon zoowel mannelijk als onzijdig. Over averechts zie men boven bldz. 42 reg. quot;10. 20 Gangk; door de eindletters meer achter in den mond uit te spreken, verhardde, in den mond der Amsterdammers, ng dikwijls tot nk. 28 Ongelyck; „men geve zijn verongelijking te hennen met bedaardheid, met kalmte.quot;
treurspel.
Lucifekisten.
- Het stuck ontdecken, is den handel gladt bederven. Belzebtjb.
Men kan dien aanslagh naeu ontveinzen voor het licht. 5) Lucifekisten.
Wy groeien maghtigh aen , en staen in evenwight.
Belzebub.
Ue kans begunstight hun , die met Godts Velthcer vechten.
LucrFEKISTEN.
10) Hier is met sufferye eu schrick niet uit te rechten.
Belzebcb.
Wat zeit Apollion hier toe, en Belial ?
Lucifekisten\'.
Zy trouwen onze zyde, en stereken het getal. 15) Belzebub.
Hoe heeft men dit verhaest? het is nu ver gekomen.
Lucifekisten.
De hemel vloeit ons toe van zelf met volle stroomen. Belzebub.
30) Betrout u op geen heir, vol lichte weifelaers.
Lucifekisten.
Wy zien alree meer kans en voordeel, min gevaers.
Belzebub.
Wie reuckeloos begint, beroem\' zich van geen voordeel. 25) Lucifekisten.
Aan d\' uitkomst hangt het al, voor d\' uitkomst dwaelt het oordeel. Dit gansche leger eischt u tot een opperhooft.
67
En leitsman op dien toght.
1 Stuck ; door te kennen te geven hetgeen er gaande is, bederven we ons geheele plan, den aanslag.quot; 6 In evenwight staen; in macht gelijk zijn. 10 SuffekïE; men zie suf op bldz. 48 reg. 8. 14 Tkouwen; Hezen ■. men vergelijke nog het volgende voorbeeld, waarin trouwen in denzelfden zin wordt gebezigd: „Dnytschen en andren, die noch ettelijke steden ia, en zyn\' parthy gdrouwt hadden.quot; Hooft\'s Ned. Hist., bldz. 554. Ook zyde dragen wordt door V. gebezigd. 14 Stekcken; steunen stutten\', in aard en heteehenis één met stijven \'. als grondwoord toch wordt beschouwd de germaanache wortel sfark, welks beteekenis zeer waarschijnlijk star = stijf is geweest. Men vergelijke het En-gelsche starch = ons stijfsel. 1G Vekhaesten; met haast bevorderen ; overhaasten heeft een meer stelligen, onganstigen zin. 20 Lichte; waarop niet te rekenen valt. 24 Reuckeloos; zonder berekening-, men zie bldz. 42 reg. 12. 24 Beroem\' zich van ; wij beroemen ons op iets.
lucifer.
Belzebub.
Maer wie is zoo berooft Van zinnen, dat hy uw gerechtigheit verdadigh\'. En \'s hemels heirkracht terge? ay, weest n zelfs genadigh. 6) Versehoonrae vao dien last; ick kieze geene zy.
Men legge met verdragh deze ongelyckheit by.
Eey.
Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aen met smeken By Godt, door middelaers: men wint met tusschenapreken 10) Gemackelyker velt dan door dien steilen wegh Yan oproer. Handelt koel met raet en overlegh.
Wy willen te gelyek uw Kecht om hoogh verweeren.
Bedaert: ghy quetst de kroon van Godt, dea Heer der Heeren. Lucipekisten.
15) En gby ons wettigheit: verstout u hooger niet.
Heer Belzebub, aenvaert dit wettige gebiet.
En zet de heiren schrap: wy volgen u te gader.
Belzebub.
O yveraers, bedenckt, bedenckt u liever nader.
30) Ick wil u voortreên naer den troon van \'t groot palais, En ons gerechtigheit bemiddelen door pais,
En onderlingh verdragh, gewilligh, onbedwongen.
Eey.
Houdt stil; houdt stil: ghy wort van Michaël besprongen. 25) Michaël. Belzebub. Lüciferisten.
Michaël.
Waer zynwe? wat gedruis verneemt men hier alreê? Dit schynt een hof van twist en oproer, niet van vree,
3 Verdadigh\'; verdedig, voorsla- men zie bldz. 28 reg, 9. 6 Verdragh; elders zegt Vondel: „verdraag het scheel,quot; waardoor de beteckenis van verdragh duidelijk wordt. „Het scheel verdragenquot; is toch niet anders dan „de oneffenheden gelijk maken, het geschil slechten door toegevendheid.quot; 17 Schrap; vast, stevig: met staan, stellen, zetten vervoegd, kon het ook de beteekenis van toegerust tot, bereid tot krijgen; b. v. „en konde men in \'t waater zich niet t\' schrap zetten om de pylen te zwenken.quot; Hoopt, Tacitus, bldz. 29 reg. 2.
O, schrand\'re jonghe liên I die op de steile trappen TJ schrappe voeten set, enz.
Starter, Friesche Lusthof, bldz. 313. „Als hy na naakt op de vleesbank lagh uitgestrekt, en de scharprechter stond.quot; Hoorr, \'Ned. Eist. bldz. 424.
68
tretjespel.
Gehoorzaemhcid, en trou. Prins Belzebub, wat reden Beweegt u, als een hooft van wederspannigheden,
Dien omloop , zwanger van een goddeloos verraet,
Te stjven tegens Godt, ons aller toeverlaet? 5) Belzebub.
Genade, o Miehaël, gewaerdigh ons te hooren,
Eer ghy een vonnis velt, uit yverigen toren,
Ter eere van Godts Naem; belast ons met geen schuit. Michaël.
10) lok zal uw onschult dan aenhooren met gedult.
Belzebub.
De t\' zamenrotticg van zoo menigh duizent troepen,
Gesteurt om \'t hoogh gebodt, ten ryxtroon uitgeroepen, Op Gabriëls bazuin, vereisehte een tussehenspraeck, 15) Tot slissing van dien brant; waerom iek van hun zaeek En klaghten kennis koom te nemen, om het muiten,
By alle middelen en mooghlykheên, te stuiten :
Zy varen echter voort, al razende en ontzint Aen \'t hollen, buiten spoor, en dringen \'t klaghtbewint 20) Met kracht ons op den hals. Ick poogh de maght te scheien\', (Laet tuigen van myn trou dees Godtgetrouwe Reien), Te raden hunne klaght te storten voor Godts stoel;
Maer yvre vruchteloos, in \'t midden van \'t gewoel,
6 Gewaerdighen ; de eer bewijzen, de goedheid hebben: men denke aan \'t Fransche daiyner en dïgne, en aan \'tLat. dignari naast dignus. Thans geregeld reflexief: zich verwaardigen. 7 Yverig; verbolgen, driftig. 8 Belasten; beladen . 10 Onschult; verontschuldiging. 13 Gesteurt; verstoord. 14Tusschen-spraeck : bemiddelaar, iemand, die tusschen de beide partijen onderhandelt: de lezer vergelijke bldz. 68 reg. 8:
Houdt boven aen met smeken By Godt, door middelaers: men wint met tusschensprecJcen Gemackelycker velt enz.quot;
15 Slissing; slissen) over slitsen, uit sliten ontstaan, heeft, krachtens zijn
oorsprong, de beteekenis van splijten, verscheuren, verderven, vernietigen, ver-minderen, een einde maken aan, beslechten.
Doe deden {deed hem) tscimminkel daer verbiten Al te stikken, ende sliten — geheel vernietigen.
Esopet, Lil, 34.
„Zeer sleet dit de burghery en \'t luttel soldaaten dat\' er in was.quot; Hooft, Ned. Hist. bldz. 239. „De Koningen zullen belooven na \'t der binnen-
landsche beroerten, met ernst een wettigh Concilie te bevorderen.quot; Ibid. bldz. 18. 19 Klaghtbewint; de leiding, de voorgang der Jclagenden. 20 Scheien ; verdeden en daardoor te breken, verzwakken.
69
lucifer.
En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen.
De Veltheer tre nu voor: wy staan gereet te volgen,
Indien hy middel ziet tot slechting van \'t geschil.
Michaël.
5) Wie durf zich tegens Godt en zynen heilgen wil
Verzetten ? wie dus stout den oorloghstandert planten, In \'t koniagkryck van pais? indienghe door gezanten Wilt handelen om hoogh, tot voorstant van uw lot; Wy willen uwen zoen bemiddelen by Godt,
10) Of anders wacht uw hooft: dit zal u niet gelucken.
LuarmasTEv
Zoudt ghij met wapenen ons heiligh Recht verdrucken ? Zy zyn den Veltheer niet tot zulck een eindt betrout. Wy steunen op ons Eecht: Eechtvaerdigheit is stout. 15) Michaël.
D\'inspanner tegens Godt is allerminst rechtvaerdigh. Lüciferisten.
Wy dienen Godt: hij kenne ons tot zyn diensten waerdigh. De hemel blyve maer in zynen eersten stant.
20) Men steil\' geene amptenaers van \'t hemelsch Vaderlant Beneden \'t aertsch geslacht; dat staet de Hierarchyen, De Troonen , Machten, hooge en lage Heersehappyen Der Geesten, Englen, en Aertsenglen nimmermeer Te lyden; neen, geensics: al zoude uw blixemspeer 25) Doorstooten borst aen borst, en d\' allertrouwste harten: Wy laten ons geensins van Adams afkomst tarten.-Michaël.
Ick wil dat elck vertrecke, op \'t wencken met mijn hant. Hy kant zich tegens Godt, en Godtheit, wie zich kant 30) Meineedigh tegens ons. Vertreckt naer uwe vanen.
Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen Des hemels. Wat gewelt, wat moedwil dryft men hier!
5 Durf; zie bldz. 34 reg. 23. 10 Wacht; hoeden, oppassen voor: waken voor. 8 Voorstant; werkw. sbsttf. van voorstaan = verdedigen. 13 Betrodt; toevertrouwd. 16 Inspannee; een, die zich gereed maakt, inspant, om tegen God op te trekken; over spannen zie men bldz. 15 reg. 1. 23 Troonen; zie bldz. 45 reg. 14. 36 Afkomst; collectief met de beteekenis van nakomelingen. 26 Tarten; trotseeren, hraveeren•. minder in den zin van uitdagen. 30 Meineedigh; met verzaking van zijn eed-, mein (Ohgd. en Mhgd. mein) is een adjectief, dat valseh, bedrieqelijk beteekent. 33 Moedwil; met veel sterker beteekenis dan dit woord thans heeft: de grondbeteekenis van moed, nl. „opgewonden, heftige toestand der zielquot; leeft in deze samenstelling voort. De gewoonte van Vondel om dezelfde gedachte door twee of meer woorden uit,te drukken, deed hem hier verzet herhalen door moetwil. Het adjectief baldadig lijdt aan dezelfde verzwakking.
70
tkeürs\'pel.
Wie anders oorelooght dan onder myn banier,
Beoorlooght Godt, en is een vyant van zyn Rycken. Luoiferisten.
Wie op zyn Eecht staet, hoeft voor geen gewelt te wycken. B) Naturelyck is elck beschermer van zyn Eecht.
Michael.
\'k Gebiede u, datghe flux de wapens nederleght.
Door t\' zamenrotten wort uw eer en eed geschonden. Lucifekisten.
10) Natuur heeft d\' Engelen door eenen bant verbonden Elckandre by te staen .■ ooek wort niet een alleen Geraeckt in dit geschil, maer \'t raekt ons ia \'t gemeen. Michaël.
Zoudt ghy met wapenen den hemel dan beroeren ? 15) Die zyn u niet betrout om tegens Godt te voeren.
Misbruicktghe uw maght, zoo vreest des Allerhooghsten maght.
Lucifekisten.
De Stedehouder wort alle oogenblick verwacht.
Hy is in aller yl gedaghvaert en ontboden.
20) Wy willen al op een, en Goden tegens Goden
5 Naturelyck; met krachtiger beteekenia dan dit woord nu heeft: naar de wetten der natuur. 8 t\'Zamenrotten ; een rot is een af deeling 3 een schaar, een menigte\', het kwam uit het Fransch tot ons, dat vroeger had voor een leg er af deeling en ar outer voor ordenen, scharen. De grondbeteekenis is te vinden in het JNllat. rupta van \'t Lat. rumpere = hreken; een rot is dus een afgebroken gedeelte. Het hedendaagsche Fransch heeft nog route voor via rupia = een gebroken weg. 12 Geraeckt; getroffen\', evenals slaan, smijten (zie bldz. 33 reg. 2) en steken (bldz. 52 reg. 9), doet ook raken denken aan een beweging ergens heen, b. v. „ik raak er achter,quot; „het is verloren geraaktquot; maar ook aan het oogenblik, dat het doel bereikt is, aan het treffen% 14 Beroeren; in roer, in heftige beweging brengen: voor de kracht der be-teekenis van roer denke men aan „in rep en roerquot; en aan oproer. 19 Gedaghvaert; opgeroepen, ontboden: dagvaarden is een denominatief van dagvaarde, dagvaart, d. i. dagreize, reis die men in één dag kon doen (heen en terug) bijvoorbeeld naar het „gerechtsambt.quot; „Ter dagvaarde oproepenquot; werd door dagvaarden uitgedrukt. Voor de beteckenis van dagreize in den ruimsten zin, zie men \'t volgende:
Si reden dachvaerdc groot
IValeweiji, vs. 10884. Ic dar mi wel vermeten das.
Dat daer iene staet Ninive,
Drie dachvart lange ende mee.
. . Alex. B. VII, vs. 1069,
71
lucifer.
Opzetten, liever dan ran ons gerechtigheit Aftreden door gewelt.
Michaël.
Zoo groot een onbescheit 5) Verwacht ick nimmermeer van \'a hemels Stedehouder.
Lucipbristen.
Het zweemt naer onbescheit, een eersteling, een\' ouder Te stellen onder \'t juck dos jongsten, als een\' knecht.
Dat d\' Engel de natuur der Engelen bevecht\',
10) En tegens zyns gelyk, in staet, en aert, en wezen. De wapens voere, wort met onbescheit geprezen.
1 Opzetten; uitdrakkiog aan het spel ontleend : Vondel gebruikt ze dikwijls, 2 Aftreden van; afstand doen van: af- geeft hier geen beweging van hoven naar beneden, doch alleen verwijdering te kennen. 4 Onbescheit; verzet, oproer: sterke ontwikkeling van de oorspronkelijke beteekenis, onverstand-, men zie bldz. 66 reg. 16, en vergelijke ter opheldering nog de drie volgende voorbeelden:
Wel leert, o Bogaertman! op awe boomgewassen,
Leert vaders! als het dient, op uwe kinders passen;
Want die uyt onbescheyt hier op geen acht en slaet,
Beklaeght zich menighmael wanneer het is te laet.
Cats.
Ach I Waer toe of der Goden onhescheyd Befaemde deughde hier rust en vreê ontseyd.
Vondel, door v. L. II, bldz. 475. Dat gby, zoo schandelijck de bloem van mijne zoonen,
Voor \'s vaders oogen, in zijn tegenwoordigheit,
Om hals brengt en vermoort, uit wraecke, en onbescheit.
Vondel, \\III, bldz. 324. Men lette vooral op de verschillende kracht in het onbescheit dezer aanhalingen. 7 Zweemt; gelijkt naar: verzachtende uitdrukking voor het stellige is gelijk aan. De grondbeteekenis is te zoeken in zwijmen, dat oorspronKelijk heen en weer hewegen, draaien, zich naar iets toe bewegen zonder het geheel te naderen, in de verte naderen beduidt. Het imperfectum ziceem, gesubstantiveerd, betee-kende dan ook „een het oorspronkelijke naderende gelijkenisquot;: etnflamoe, zwakke afbeelding, voorstelling. Van dit zweem kwam ons dat oorspronkelijk
„wel iets hebben vanquot;, „een Jiauvj beeld geven vanquot; beteekent.
Een paar voorbeelden ter opheldering:
Dit Kerkbeelt zvjijmt naar hem.
Vondel, Herschepp. 441.
Dit zwijmt naer Priams hant, gelijck de drack van \'t wapen.
Vondel, Palamedes.
Zyn beeldt na Pebus zwijmt-,
\'t Zy dat hy dicht of rijmt.
Vondel, Poëzy II, 57S.
10 Zyns gelyok; het adject, gelijk, regeerende den genitief van het pers. vnw.
11 M et onbescheit geprezen ; wordt als oproer aangemerkt, beschouwd. Prijzen, als denominatief va.n prijs, diende zwak te wezen. Een nieuwer prijzen, amp;. i. „den|»7}\'s ergens ophechtenquot;(in een kleedermagazijub.v.) wordt dan ook behoorlijk zwak vervoegd.
72
TMtlaSÏEL.
Michaël,
Hardneckige aert, ghy zyt geen zonen meer van \'t licht, Maer eer een bastertslagh, dat voor geen Godtheit zwicht. Ghy terght den blixemstrael, en onverzoenbren toren: 5) Volhardtghe, wat een ramp en val is u beschoren! Ghy luistert naer geen raeS, noch onderwys: laet zien Wat d\' Allerhooghste stem ons boven zal gebiên.
Welaen, ick wil dat zich d\' oprechte en vrome Keien En scharen daetlijck van rebelle rotten scheien. 10) Luciferisten.
Laet scheiden al wat wil: wy houden ons by een. Michaël.
Getroue reien, volght Godta veltheer.
Luciferisten. 15) Treckt vry heen.
Belzebub. Lucifer. Luciferisten.
Belzebub.
De Veltheer vaert naer Godt, om over u te klagen.
73
Schept moedt: Vorst Lucifer, gestegen op zyn\' wagen, 20) Wort herwaert aan gevoert. Ghy moet u kort beraên. Een heirkracht, zonder hooft, kan nimmermeer bestaen. Wat my belangt, die last valt my te zwaer te tillen.
5*
LüCIFEK.
Lucifer.
De gansche hemel waeght en dreunt van uw geschillen. De keurebenden staen gereten en gedeelt.
Het oproer slaet al voort. De hooge noot beveelt 5) Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen.
Luciferisten.
Heer Stedehouder, wijck en toevlught aller vromen, Wy hopen nimmermeer dat ghy, als Michaël,
Den hals van \'t Engelsdom tot eene voetschabel 10) Van Adams afkomst zult verwerpen, en verdoemen,
En zulck een\' smaet en hoon vergulden, en verbloemen, Met schijn van billyckheit, en styven door uw maght Den opgang van den mensch, een grof een aertsch geslacht. Wat wieroock schenckt hy toch den schaers van hem gezicnen ? 15) Waerom belast men ons een\' snooden worm te dienen, Te dragen op de hant, te luistren naer zyn stem?
Schiep Godt de Hemelen en Eoglen slechts om hem; Wy waren nutter noit geschapen, noch geworden.
Ontfarm u , Lucifer. Gedoog niet dat onze Orden 20) Zoo laegh vernedert werde, en zonder schuit verzinck\'.
2 Waeght; dreunt, met welk woord Vondel ook onmiddellijk hetzelfde begrip herhaalt: ons gewagen is zeer verzwakt van kracht. De grondgedachte is „zich bewegen,quot; „in beweging zijn,quot; „schuddenquot; enz., bier met bijzonder krachtige beteekecis,
Daer was groote blijscap, als sy malcanderen aagben,
Elc vertelde wecnende tsijn, \'t gantsche huys scheen te wagen.
Coornhert, Odyssea I, 67. Maer hy heeft Irum so inden neck geslagen.
Recht ondert oor, dat doort daverent gewagen De beenders inwendich braken, craecten en bogen.
Ibid II. 85.
Wagen, wegen, wiegen, waggelen, enz. hangen met dit woord samen. 4 Slaet al voort; holt steeds vevder: men zie over slaan bldz. 33 reg. 2. 5 Voor te komen; de lezer zie bldz, 46 reg. 5. 8 Nimmermeer; veel sterker ontkenning dan \'met. 9 Voetschabel; voetbank: zie bldz. 30 reg, 18. 10 Afkomst; collectief voor nakomelingen. 10 Verwerpen: vernederen. 12 Bilütckheit; wettigheid-, met veel sterker beteekenis dan het woord thans heeft. Een bil is oorspronkelijk een „geschreven stuk/\' later een geschreven reehtsakte. 13 Opgang; bloei-, zie bldz. 35 reg. 5. 14 Schaers; nauwelijks-, men vergelijke het Engelsche scarce, 15 Snood; nietig, gering-, men zie bldz. 61 reg. 8. 19 Ontfarm u; heb medelijden. Over de afleiding van dit woord loopen de meeningen der geleerden nog al uiteen: slechts bij vermoeden wordt ontfermen\'va verband gebracht met het bijvnwd. arm = Lat. miser, We zouden dan met een nabootsing van een Latijnsch-Christelijk woord te doen hebben, door het Christendom in navolging van een Latijnsch-Christelijk begrip geschapen (men denke
74
TKliTJHSPEIi.
De mensch, gelyck een hooft der Englen, strale, en blinck\', In \'t ongenaeckbre licht, waar voor de Serafynen, Al bevende van angst, als schaduwen, verdwynen.
Indien ghy u verneêrt zoo groot een ongelyck, 5) Tot voorstant van ons Recht, te slechten in dit Eyek; Wy zweeren uwen arm eendraghtigh t\' onderstutten.
Aenvaert dees heirbyl: help, och help ons Hecht beschutten. Wy zweeren u met. kracht, in volle majesteit.
Te zetten op den troon , aen Adam toegeleit. 10) Wy zweeren uwen arm eendraghtigh t\' onderstutten,
Aenvaert dees heirbijl; help, och help ons Recht beschutten. Lucifer.
Myn zonen, op wier trou geen vleck van ontrou hecht. Al wat de Godtheit wil, en van ons eischt is recht. 15) lek ken geen ander Eecht; en stutte als Stedehouder
Der Godtheid, zyn besluit en raetslot met myn schouder. Den scepter, dien ick voer, ontfing myn rechte hant Van zijne Almogentheit, als een genadepant En teken van Godts gunst en liefde tot ons allen. 20) Is nu zyn hart en zin op Adam juist gevallen,
En lust het hem, den mensch, in volle heerschappy, Te zetten boven aen, en boven u, en my Te kroonen, schoonwe noit in onzen plicht bezweken; Wat raet hier toe? wie wil dat raetslot tegenspreken? 25) Indien hy Adam noch een zelve heerlyckheit, En d\' Engelsche natuur gelyck had toegeleit,
aan misereri naast miser). Het grondwoord harm zou dan uit bi-arm ontstaan zijn, evenals bang b. v. uit bi-ang. Erbarmen, dat we in later tijd uit het Hgd. overnamen, laat zich dan verklaren. Moeielijker , zooals steeds
in het MNdl. voorkomt: ontf- kan een verscherping zijn van oniv(e)-, en dit uit de twee voorvoegsels ont-bi ontstaan wezen. Het voorvoegsel ont- zou dan gebruikt zijn naar analogie van een bestaande afleiding met ont- (bijv. ont-seffen = beseffen).
Het verband met barm (van beren = dragen), met de beteekenis van boezem, schoot, wordt in den laatsten tijd losgelaten.
9 Toegeleit; toegedeeld. 13 Hecht; kleeft-, hechten (heften) is als causatief van haften eigenlijk overgankelijk. 16 Besluit en raetslot; Vondel gebruikt deze beide woorden meer dan eens naast elkander: acht verzen lager alleen raetslot, en weder eenige verzen verder zegt Belzebub: „wat raetslot men besluitquot;. De beteekenissen van raetslot en besluit komen dus vrij wel overeen. 17 Rechte; thans met linker steeds in den comparatief: men denke echter aan het bijw. rechts. 20 Zin; genegenheid-, men zie bldz. 41 reg. 10. 23 In onzen plicht; men zie bldz. 11 reg. 3. 26 Engelsche natuur; de natuur der Engelen.
75
Lucifer.
Dat waer verdraegelyck voor alle hemeltelgen,
Gesproten uit Godts stam: nu moghten zy \'t zich belgen j Zoo belghzucht geene vleck om hoogh gerekent waer.
Maer hoe men \'t vat, dit loopt van wederzy gevaer, 5) Het zy men zwiehte uit sohroomte, of moedigh wederstreve: lek wensche dat hy u dees belleghzucht vergeve.
Lucifekisten.
Heer Stedehouder, ay, aenvaert dien heirstaf toch. En hanthaef \'t heiligh Eecht: wy volgen in uw zogh. 10) Wy willen sneuvlen, of zeeghaftigh triomfeeren.
Lucifer.
Dit stryt met onzen eedt, en Gabriëls gebodt.
Luciferisten.
Dab stryt met Godt, en zet het Menschdom boven Godt. 15) Lucifer.
Laet Godt zyn eer, en stoel, en majesteit bewaren.
Luciferisten.
Bewaer uw\' eigen stoel: wy willen, als pylaren,
U stutten, en den Staet der Engelen met een.
20) Geen mensch zal onze kroon, Godts kroon, met voeten treên.
Lucifer.
De Veltheer Michaël, gewapent onder \'t zegenen Van boven, wil ons flux met al zyn heir bejegenen. Zyn heirkracht by uw maght, wat is \'t een groot verscheel I 2 5) Luciferisten.
Is \'t geene helft, ghy sleipt een\' staart van \'t derde deel Der Geesten mede, indienghe u geeft op onze zyde.
Lucifer.
Dan is de kans gewaeght, ons gunst verloren by de 30) Verdruckers van uw Recht.
Luciferisten.
De moedt, de dapperheit. De hoon, de smaet, de spy t, de wanhoop , het beleit, De wraeck, het ongelyck, niet anders te beslechten, 35) En wat hier aenhangt, zal ons styven, onder \'t vechten.
2 \'T zich Belgen; de causale genitief is hier vervangen door den accusatief. Men vergelijke echter „dat zich zijn menschheit scheen te belgeu Der Bitterheit.quot;
Vondel, AltaergeJieimenissen I, 1475. 9 Zosh; het Hgd. zug van zieken\', ons tocht (van tien) = trek = spoor, die het schip achterlaat in het water. 23 Flux; spoedig weldra. 24 Verscheel; verschil. 27 Geeft; thans begeeft. 36 Zal ons styven; al het opgenoemde zal ons sterken, zal ons kracht geven.
76
TKEXJRSPEL.
Belzebub.
Wy hebben \'t heiligh Eyck alleen in onze maght. Wat raetslot men besluit\', de wapens geven \'t kracht, En nadruck. Zoo wy slechts ons in slaghorden stellen; 5) Wat nu noch weifelt strax op onze zy zal hellen.
Lucifer.
lek troostme dan gewelt te keeren met gewelt.
Belzebub.
Zoo stygh de trappen op, o allerbraefste Helt.
10) Heer Stedehouder, stygh dien troon op, dat we u zweeren.
Lucifer.
Vorst Belzebub, getuigh, en ghy, doorluchtste Heeren, Apollion, getuigh, getuigh. Vorst Belial!
Dat ick, uit noot en dwang, dien last aenvaerden zal, 15) Tot voorstant van Godts Kyck, om ons bederf te keeren.
Belzebub.
Nu brenght den standert voort, dat wy den siandert zweeren, Getrouwigheit aen Godt, en onze Morgenstar.
Luciferisten.
20) Wy zweeren te gelyck bij Godt, en Lucifer.
Belzebub.
Nu brengt het wieroockvat, ghy Godtgetrouwe scharen: Bewieroockt Lucifer met wieroockkandelaren,
En schalen, ryek van geur. Verheerlyckt hem met licht, 25) En glans van facke\'.en. Verheft hem met gedicht.
Gezangen, en muzyck, bazuinen, en schalmeien.
Het voeght ons, hem aldus met staetsie te geleien.
Heft op een\' heldren toon,
Ter eere van zyu kroon. 30) Luciferisten.
Op, treckt op, o ghy Luciferisten,
Volght dees vaen.
Kuckt te hoop al uw krachten, en listen.
Treckt vry aen.
35) Volgt dezen Godt, op zyn trommel, en trant.
77
Beschermt uw Eecht en Vadarlant.
5 Stkax; weldra, 9 Allerbraefste; de lezer zal opmerken, dat het woord hraef bij Vondel wankelt tusschen de eerste beteekeuis van moedig en de latere van deugdzaam, 13 Doorluchtste; zie bldz. 40 reg. 3. 15 Vooiistant; verdediging •. substtf. van voorstaan = verdedigen. 26 Schalmei; pijp, fluit ■. \'t Fr. chalumeau (Mlt. calamella). 28 Heft op; wij heffen gewoonlijk aan, schoon opheffen natuurlijker zij. 35 Trant; gang, stap, tred.
LTJCIFEE.
Helpt hem Michaels heirkrachten stuiten.
Houdt nu moedt.
Helpt den hemel voor Adam nu sluiten, En zyn bloet,
5) Volght dezen Helt, op zyn bazuin en trom.
Beschut de kroon van \'t Engelsdom. Ziet. ay ziet nu de Morgenstar blincken.
Voor die pracht Zal des vyants banier haest verzincken, 10) Iq den nacht;
Wy met triomf kroonen Godt Lucifer. Bewierooekt hem: aenbidt zyn Star.
EEY VAN ENGELEN.
ZANG.
15) Waer zynvve toe gekomen.
Dat \'s hemels burgertwist De regementen splist, En \'t zwaert is opgenomen, ïe zinneloos en blint?
20) Wie is er van ons benden,
Hy sneuvelt, of verwint, Geluckigh ? die d\' ellenden
Van hunne broedren zien, En Eijx- en Eeigenooten ?
25) Of die verwonnen vliên,
In ballingschap gestooten ?
O zoons van eenen Godt, Waer toe verdwaelt uw lot?
TEGEN ZANG.
30) Helaes! waer toe verdwalen
De Geesten ? wat verleit Hen uit de zekerheit Van hunnen Staet en palen Te spatten, zonder noot ?
35) Zich op bet spits te wagen?
78
Ons weelde was te groot,
17 Splist; assimilatie uit splitst: men zie slissen op bldz. 69 reg 14. 22 Dre b\' ellenden enz ; men leze vóór deze woorden: „zijn ey gelukkig,quot; die enz. 35 Op het spits; in het uiterste gevaar.
TREUBSPEL.
Te dertel om te dragen;
De hemel niet genoegh Om Engelen te paejen:
De Nydigheit most vroegh. 5) Dit zaet van oorlogh zaejen,
In \'t Yreedzaem Vaderlant Wie leit dien twist aen bant?
toezang.
Is dit kryghsvier niet te smooren, 10) Door een maght van hooger hant.
Wat wil blyven in zyn\' stant? Staetzucht zal alle Orden stooren. Hemel, aerde, zee, en strant Zullen staen in lichten brant. 15) Staetzucht, door het triomfeeren
Als gewettight, zal verwoet Godt en alle maght braveeren. Staetzucht kent noch Godt, noch bloet.
HET VIEEDE BEDEYF. Gabriël. Michaël.
Gabriël.
De gansche hemel gloeit in eenen lichten brant Van oproer en verraet. \'k Yerdaegh u, als Gezant Van Godt en Zijnen stoel, nu daetlijck op te trecken ,
1 Dektel; rijk, groot-, in min gunstigen zin weelderig, wellustig, met een minder deftig quot;woord hrooddronkev. Gewoonlijk denkt men bij dit woord aan het Hgd. sart, dat oorspronkelijk lief, dierbaar, schoon befeekent. Indien werkelijk een Nederlandscb zart (dart) den grondslag van het vroegere ww. darten en \'t tegenwoordige adject, dartel uitmaakt, linbben we daarbij te denken aan troetelen, vertroetelen, liefkoozen. 3 Paejen; tevreden stellen-, men zie bldz. 59 reg. 24. 14 In lichten brant; thans meestal „in vollen brandquot; of „in lichter laaiequot;, of „in lichterlaaie vlam.quot; Laaie = vlam (Hgd. Lohe).
3 Verbaeohen; oproepen: men zie bldz. 40 reg. 9 en vergelijke:
Godt verdasght, op dat gerucht En Mozes klaght, zijn Geesten in de lucht.
Vondel (door v. L.) IV, bldz, 469.
Ook komt verdagen voor in den zin van „dMj wordenquot;, opdagen, uitstellen, vertoeven.
79
LUCIFER.
Met eenen gloet van vier en yver deze vlecken Te branden uit Godts naem, en \'t zuiver Hemeladom.
Vorst Lucifer braveert: hy roert trompet, en trom.
Michaël.
5) Is Lucifer, helaes! is zijne trou verandert?
Gabriël.
Des Hemels derde deel heeft reede zynen standert, Die valsche Morgenstar, gezworen, zijnen troon Bewieroockt, als een Godt, en met een lastertoon 10) Van goddeloos muzijck hem eere toegezongen.
Zij komen herwaert aen in volle kracht gedrongen, En dreigen schrickelljck, de poort van \'t wapenhuis
3 Braveeren; men zie over de beteekenis bldz. 28 reg. 14: opmerking verdient hier, dat het gewoonlijk met een beheersching) voorkomt. 3 Roeren ; oorspronkelijk „in beweging brengenquot;, is en was voor een trompet minder gebruikelijk: van een trom gebruiken wij \'t ook nog. Vroeger werd er van \'t werkw, roeren in verschillende toepassingen veel meer gebruik gemaakt dan heden. Zoo b. v. als ontstaan, een aanvang nemen, (zich) in beweging zetten.
Edelheit - - -
Moet uit reinen herten gronde
Comen, ende roeren tallen stonden.
Lekensp. B. I, C. 34, vs. 80,
dus ook roeren als substtf. voor oorsaak:
Dat eerste roeren vander zaken Dat God den mensche wilde maken,
Dat was, enz.
Ibid. B I. C. 16, vs. 19. dan ook als rahen, in eigenlijken en in figuurlijken zin: „Al die geene, die sinte rochus roerden, waren terstont verlost.quot; Passionael Somer Stuck f0 o i x, e.
Wat roertet yemant van wat veruw dat mijn kliedt is?
Bredero, Roddr. bldz. 10. verder voor optillen, verplaatsen, waaraan roerende have, roerende goederen nog herinneren: „Pascanius dede daer dusent mannen comen - - - mer si en moch-tense gheen sins (be-)roeren. Ende doe dede hi aen haer metten dusent mannen vijftich paer ossen, mer nochtans bleef lucia onberocrlic. Ende Pascanius riep doe gokelaren dat sise souden doen roeren met hore tovernye. Passinonael Wijnterstuch f0 c x xiiij, b. Ook als veroorzaken, aanraken, vermelden enz. komt het voor. 9 Lastertoon; zooals het Hgd. Laster(=misdaad) nog aanduidt, beteekent laster in \'t algemeen iets verkeerds, schandelijks: een lastertoon is dus een sterke wanklank, een zondige toon. Voor laster werd in onze taal vroeger gewoonlijk lachter gebezigd (= oneer, schande, smaad, hoon) h,N.-. Gevalt mi dat ic bederve,
Sonder uwe hulpe, ende sterve.
Wet wel, datmen u daer af over al Euwelijk lachter spreken sal
Lancelot, B. Ill, vs. 7582.
K\' en ding gheen eer, dit weet; dus treft mi ook gheen lachter.
Spif.shel, Hartsp, (üitg, 1614), bldz. 3, vs. 14.
80
TREÜE8PEL.
Te rammen met gewelt. Een woest en wilt gedruis Van onweer buldert vast, van boven, en van onder. Het weerlicht, stormt, en raest. De blisem en de donder, In arbeit, schudden vast de pylers van ons hof. 5) Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof. Een ieder zit in druck gedompelt over d\' ooren.
Dan zwygen plotseling, dan huilen al de kooren Der Engelen, van druck, en medelijden, om Den blinden afval van \'t gezalight Engelsdom, 10) En d\' Engelsche natuur, \'t Is meer dan tyt om heden Te quyten uwen plicht, en op uw heilige eeden —-(Die ghy, als Veltheer, op het punt des blixcms zwoert. By Godt en zynen naem) te passen.
Michaël.
15) Wat vervoert
Godts Stedehouder dus zich tegens Godt te kanten. Te dragen als een hooft van dolle vloeckverwanten ?
Gabriel.
De hemel weet hoe noode ick Godts gerechte zaeck 20) Verdadige, op dees wijs. Hoe bitter wil de wraeck
Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden. Om dit verdoolt geslacht rampzaligen en blinden Te leiden op de baen, de heirbaen van hun trou.
Laster ea ladder beide zijn afgeleid van een werkwoord, dat in \'t Ohgd. lahan heette en bij ons nog laken luidt. Lachter ontstond dan door den uitgang -ter (Ohgd. -ird) achter den stam van lahan te plaatsen. Laster komt uit denzelfden stam voort, doch nu werd achter den werkw. stam ïah niet -ter maar een in de plaats daarvan getreden -ster (Ohgd -sira) gezet. Door het uitvallen van den keelletter h vóór s ontstond dan laster.
1 Kammen; thans rammeien; met een (storm-)ram beuken. De wortel ram doet denken aan kracht: men denke aan ram — mannetjesschaap en aan rammelaar—mannetjeskonijn , en vergelijke het Hgd. ww. rammelen. 2 Vast; lievig-. uit het begrip innigheid kon zich dat van kracht ontwikkelen; men zie verder Bibloth. van Ned. KI. III, bldz. 18 reg. 9, en vergelijke:
Daer was ghevochten vaste en sere.
Stokb, Dl, I, bldz. 348.
4 In arbett; zwanger-, men zie Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 105 reg. 7.
5 Wedergalm; voor echo. 9 Gezalight; gelukkig gemaakt en dus gelukkig-. een vroeger sdl = gelttk, dat in \'t Mhgd. sdliche, d. i. „op geluk aanbrengende wijze,quot; nog zichtbaar is, schijnt ten grondslag te liggen. 11 Te quïten uwen plicht; wij zeggen „zich kwijten vanquot; bij V. vonden we vroeger (bldz. 11 reg. 5.) „zich kwijten inquot;. 12 Op het punt des blixems ; op het spits van den degen. 30 Verdadige; zie bldz, 28 reg. 9.
81
6
LUCIFER,
lek zagh Godta blyschap zelf zich met een wolek van rou Beschaduwen; in \'t endt de wraeck een vlam ontsteken In d\' oogen van het licht; eer, om dien slagh te breken, Het last gaf tot den toght. Ick hoorde een wyl het pleit, B) Hoe d\' opperste Genade, en Godts Gerechtigheit
Elckandre in wederndght, met pit van reden, hielen. Ick zagh de Cherubyns, hoeze op hun aenzicht vielen, En riepen vast: Gena, gena, o Heer, geen Eecht.
Men had dit zwaer geschil gezoent, en schier geslecht; 10) Zoo «cheen de Godtheit tot genade en zoen genegen:
Maer als de wieroockstanck in top komt opgestegen, De smoock, die Lucifer om laegh wort toegezwaeit. Met wieroockvat, bazuin, en lofgezangen , draeit De hemel zyn gezicht van zuleke afgoderyen,
15) Gevloeckt van Godt, en Geest, en alle Hierarchyen.
Gena had uitgedient. Waeckt op, in \'t harrenas.
De Godtheit daghvaert u, eer \'t oproer ons verrass\'.
Betem met uwen arm de woeste Behemotten,
En Leviathans, die dus godtloos t\' zamenrotten. 20) MICHAËL.
Urièl, schiltknaep flux, men breng\' den blixem hier, Myn harnas, helm, en schilt. Breng herwaert Godts banier. Men blaze de bazuin. Te wapen, flus te wapen. Ghy Maghten, Troonen, wat getrou is, en rechtschapen, Dat wapen\' zich met ons. Ghy regementen, voort, 25) Een ieder in \'t gelidt: de hemel geeft het woort.
Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels, Verdaghvaerde in der yl ontelbre dicke drommels
3 Slagii; oproer, beroerte. 4 Het; d. i. het licht = de godheid. 6 In we-dekwicht: in evenwicht-. Gods genade en gerechtigheid verpersoonlijkt, en als een paar pleiters voorgesteld, die met elkaar twisten. 9 Gezoend; door zoen geslecht of geslist. 12 SuoocK; evenals wierooclestanch verachtelijk voor rook-, men liel bldz. 37 reg. 2. Behemotten en Leviathans ; over deze monsters zie men bldz. 10 reg. 12. 27 Dicke ])E0M3rBt,s; dichte drommen zeggen wij: het verkleinwoord drommel is bij ons niet meer in gebruik: men vergelijke trommel naast trom. Het sufasttf. drom werd onmiddellijk afgeleid van den participialen stam van een werkw. drommen of dromen, dat dringen beteekende. De lezer vergelijke de volgende voorbeelden en zie desbelast v. üelten\'s Proeve, bldz. 32. Alsi den vleeschoawer saghen comen,
Dene woude achter den andren dromen.
JEjmet, fab, 50.
Die swarte ginc altoos op hem dromen.
Stekende ende slaende enz.
Walewein, 9930.
82
teeur3pel.
Gewapenden. Blaest op: ick schiet de wapens aen,
Het geit Godts eer alleen. Het moet \'er nu op staen. Gabeiël.
Dit harnas past zoo braef, alwaer \'t u aengeschapen. 5) Hier komt de veltbanier, waer in Godts naem en wapen ü toestraelt, en de zon in top u heil belooft.
Hier komen de Kornels u groeten , als het hooft Van \'t heir der hemelen, die Godts baniere zwoeren.
Schep moedt, Vorst Michaël: ghy zult Godts oorlogh voeren. 10) Michaël.
Zoo zal ick. Hou myn woort om hoogh: wij trecken heen. Gabriël.
Wy volgen uwen toght met wenschen en gebeên.
Lucifer. Belzebub. Luciferisten.
15) Lucifer.
Hoe staet het met ons heir? hoe is \'t\'er me gelegen?
belzebub.
Het heir verlangt, gereet om, onder uwen zegen, Te vliegen regelrecht op \'t spits van Michaël. 20) Luciferisten.
Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel,
Om teffens d\' armen en hun vleugels eens te reppen,
Dien grooten vyant lucht en winden t\' onderscheppen, En, als hy leght in zwym, te ketenen met kracht. 35) Lucifer.
Hoe talryck is het heir? waer in bestaet ons maght? Belzebub.
83
Die groeit alle oogenblick, en bruist uit alle transen Ons toe, gelyck een zee van vier en heldre glansen. 30) \'k Vertrou het derde deel des hemels houdt ons zy, Is \'t niet de halve streeck : want Michaels gety Verloopt alle oogenblick, en ebt aen alle kanten.
1 Aenschieten ; veronderstelt haast, gejaagdheid. 4 Beaef ; goed, flink. 18 Verlangt, geeeet; „verlangt en is gereet om enz.quot; 22 Reppen; roeren, met de bijgedachte van snel. Zie bldz. 5 reg. 9. 23 Dien gegoten vyant ; de samentrekking heeft hier plaats gehad tegen de regelen der grammatica: genoemde woorden staan in den datief, de weggelatene zouden in den accusatief moeten staan, 30 \'k Vertkou het derde deel enz.; dat bij een objectszin het verbindende dat wordt weggelaten, zagen we vroeger. 32 Verloopt; weg-loopeu, elien, verminderen. 32 Alle oogenblick; aanhoudend, voortdurend.
LtCIFEE.
De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten,
üit ieder Orden, van een ieder Hierarchy,
Verzweeren hunnen Heer, Vorst Michaël, als wy.
Men ziet \'er Cherubyns, Aertsenglen, Serafynen 5) De vanen voeren. Zelf het paradys, aen \'t quynen
Geslagen van verdriet, verschiet zyn groente, en verf; En waer men d\'oogen keert, daer schynt een wis bederf, En boven \'t hooft een buy en donckre wolck te hangen. Dat voorspoock spelt ons heil: men heeft slechts aen te vangen. 10) Ghy draegt alree de kroon des hemels op uw kruin.
Lucifer.
Die klanck behaeghtme meer dan Gabriëls bazuin.
Hoort toe en geeft gehoor, beneden deze trappen.
Hoort toe, ghy Oversten: hoort toe, ghy Eidderschappen, 15) En luistert wat wy u vermelden, klaer, en kort.
Ghy weet hoe verre wy alree zyn uitgestort,
In wraeckzucht tegens \'t Hooft der opperste palaizen, Dat het een dolheit waere, op hoop van zoen, te deizen; Ea niemant dencken durf deze onuitwischbre smet 20) Te zuivren door gena: dies moet de noot een wet, E^q wisse toevlught van te wancken, noch te wycken Verstrecken; ghy, met kracht en zonder om te kyeken.
3 Viiezweeeen ; afzvjeren. 5 Quynen ; cpiynen, quenen; quylen en quelen i\\]ii wisselvormen met de beteekenis van smart lijden, pijn lijden: jammeren, Magen, treuren enz. enz. Aan het sterke kwelen herinnert nog ons kwaal, terwijl ook nog het causatieve kwellen — doen lijden onder ons voortleeft. 6 Geslagen: begonnen met de liij^edachte van onverwachts, eensklaps-, men zie over slaan bldz. 33 reg. 2. 6. Vehschteten; meu zie over verschieten bldz. 7 reg. 2 en merke op, dat hier groente en kleur zelfs als lijdend voorwerp worden gebruikt. Men vergelijke:
Ho, sy verschiet haer kleur.
Staeteii, Timbre de Car done, bids. 19. 6 Yerp; later in dezen zinquot; door \'t Fransclie kleur (couleur) verdrongen. 7 Wis; zeker: wat {groeten (Hgd. geioissen) wordt, wat bekend is. 16 Uitse-stokt; met de beteekenis van uitgespat\', vooral op de bijgedachte „wildquot; lette men bij storten. Zie het Engelsche start = to move suddenly. 18 Deizen ; voor deinsen (zooals men weet naast denzen), evenals peizen voor peinzen {nAastpenzenj. 19 Duef; behoeve-, men zie bldz. 24 reg. 22, en vergelijke nog „datje een heelen zomer voor geen verdorren sorghen darj\'t (behoeft).quot; Hooft, Brieven, Dl. III, bldz. 427. „Jozeph... doet alle toezienders soo schreyen... dat de treurspeelder... Euripides niet durj\' (noodig heeft te) wijeken.quot; Vondel (door v, L,) III, bldz. 318. 21 Toevlught van; toevlucht, die geen wijken of wan-ken (primitief van wankelen) toelaat. 22 Veesteeoken; zonder tot: men zie bldz, 52 reg. 9. 22 Ghy; gij moet.
84
TRETJKSPEL.
Dien standert en myn star verdadigen, met een Den vrygescliapen Staet der Euglen in \'t gemeen.
Het ga zoo \'t wil: volhardt groothartigh, onverdrietigh:
Geen almaght heeft de maght dat zy geheel vernietigh\' B) Het wezen, dat ghy eens voor eeuwighlyck ontfingt. Indienghe fel en fors met uwe heirspits dringt In \'t hart van \'s vyants heir, en komt te triomfeeren. Zoo zal de tyranny der hemelen verkeeren In eenen vryen Staet, en Adams zoon, en bloet, 10) Gekroont in top van eere, en met een\' aertschen stoet Omcingelt, uwen hals niet boeien aen de keten Van slaefsche dienstbaerheit, om hem ten dienst te zweeten. En onder \'t kopren juck te hygen zonder endt.
Indienghe my voor \'t hooft van uwen vrydom kent, 15) Gelyekghe uit eenen mont dien standert hebt gezworen;
Zoo ataeft den eedt noch eens eenstemmigh, dat wij \'t hooren. En zweert getrouwieheit aen onze Morgenstar.
Luciferisten.
Wy zweeren te gelyek by Godt, en Lucifer. 20) Belzebub.
Maer zie hoe Eafaël, verbaest, en vol medoogen.
Met zynen vredetack van boven komt gevlogen,
Om uwen hals, op hoop van stilstant, en verdragh.
Eafaël. Lucifer.
25) Eafaël.
Och, Stedehouder, mont van \'t goddclyck gezagh ,
86
Wat heeft u buiten \'t spoor van uwen plicht gedreven ? Zoudt gby den Schepper van uw glori wederstreven? Lichtvaerdigh weifelen, en wancklen in uw trou?
LUCIFEE.
86
5)
10)
Dat hoop ick nimmermeer, Helaes, ick zwym van rou, En blyve om uwen hals beklemt, bestorven hangen.
Genade, o Lucifer. Verschoon u zelve: draegh Geen harnas tegens my, die treurig smüte, en quyne Van druck, om uwent wil. Ick koom, met medecyne En balsem van gena, gestegen uit den schoot 15) Der Godtheidt, die, gelyckze in haren Kaet besloot, U, boven duizenden gekroonde Heerschappyen,
Gezalft heeft op den stoel van haer Stadthouderyen. Wat dolheit is het, die uw zinnen dus verruckt?
2 Beklemt; benauwd, beangst: de beteekenis van klemmen is te zoeken in ons krimpen, dat thans alleen intransitief gebruikt wordt, vroeger ook transitief gebezigd werd en eigenlijk samentrekken en dus vernauwen beteekende. Het denkbeeld samentrekken, inééntrekken, nauwer maken, kleiner maken, op de lengte toegepast huigen, krommen, beheerscht de geheele ontwikkelingsgeschiedenis van dit woord, waarvan wij hier, met het oog op den omvang van dit boekje, slechts een paar fragmenten kunnen geven. Vooreerst hebben wij den stam van den praesens krimp als substantief („hij heeft geen krimpquot;, „er is geen krimpquot; \\ figuurlijk voor armoede; en meer eigenlijk: („de visch is op krimp gesneden,,), en als adjectief („dit huis is uit geen krimpe beurs gebouwdquot;). Verder den imperf,-stam kramp (krimpen, kramp, gekrompen) als substantief voor samentrekking der spieren; door aphaeresis der keelletter ontstond uit dit kramp het woord ramp, eerst met dezelfde, later met meer algemeene beteekenis van ongeluk. Door assimilatie van mp in mm (men vergelijke \'t Engelsche lamb en ons lam; eenbaar, ember, emmer) en door overgang van de vloeiende r in de vloeiende l, ontstond klimmen, d. i. door samentrekking der beenspieren zich omhoog werken. Het Engelsche to climb bewaart de vroegere b nog en \'t Fransche grimper vertoont de p. Door afwerping van de eind^? en door vervloeiing der r tot l ontstond uit den stam van den inperf. het sbsttf. klam (Mhgd. klambe, klam) = samentrekking, benauwing, verenging; en hiervan maakte men klemmen = in de engte drijven, in de benauwdheid brengen. Ons adject, klam (het klamme zweet) zal dan ook wel benauwd beteekenen en door de herhaalde vereeniging met zweet het begrip vochtig hebben verkregen. Men denke hier ook aan ons kram = een gebogen ijzer; \'t Eng. cremp, ;t Hgd. krampe, aan krom; aan rimpelen = Eng. to crimp; aan \'t Fransche cripard, graver, agrafe, grapper, crampe, clampe enz. 2 Bestorven; bleek. 12Smilte, en quyne; men zie bldz. 36 reg. 9 en bldz. 65 reg. 1. 18 Verrucken; d. i. uit de plaats rukken, ontstellen, verdwazen: men denke aan \'t Hgd. verrückt, dat zinneloos beteekent. Voor de kracht vergelijke men het volgende verlegen.
TREURSPEL.
Zy had haer zegel en gelyckenis gedrukt Op uw geheilight hooft, en voorhooft, overgoten Met schoonheit, wysheit, gunst, en wat \'er komt gevloten. En stroomen, zonder maet, uit aller schatten bron. 5) Ghy blonkt in \'t paradys, voor \'t aenschyn van de zon Der Godtheit, uit een wolck van dau en versche roozen. Uw feestgewaet stont styf van perlen en turkoozen, Smaragden, diamant, robyn, en louter gout.
De zwaerste scepter wert uw rechte hant betrout, 10) Zoo dra ghy steeght in \'t licht, en, op bazuin en bommen, Door \'t blakende gesternte en steenen quaemt te brommen: En zoudt ghy reuekeloos u storten uit dien troon? Verreuckeloozen al dat heerelyck, en schoon?
Zoudt ghy uw glansen, die de hemelen verderen, 15) Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren. En mengsel van gedierte en ondier onder een, Griffoensklaeu, drakenhooft, en andre gruwzaemheên Misscheppen onbedacht? en zouden \'s hemels oogen, De starren, u zoo laegh berooft zien van vermogen, 20) En eere, en majesteit, door \'t schenden van uw trou?\' Dat keer\' de goede Godt, wiens aenschyn ick aenschou, In \'t zaligh licht, daer wy, geheilight alle zeven Hem dienen voor zyn troon, en sidderen, en beven
8 Loutee; adject.: zuiver. 9 Zwaerste; en dns ook de gewichligsie. 10 Bommen; trommels: klanknabootsend woord voor een hol lichaam. 11 Blaken ; gloeien, schitteren■. (primitief van blakeren). 11 Brommen ; schitteren, in alle pracht te voorschijn treden.
En ofse schoon als een Bruyt brompt.
S. Costek, Spel van de Rijcleen-Man, bldz. 9. Ick heb jou huur verhoogt en maeck dat gy so bromt,
Ja datje, trots de beste boere meyt, ayt komt.
Noozejian, Beroyde Student, 1679, bldz. 2. 13 Verreuckeloozen; onnadenkend wegwerpen-, men zie bldz. 67 reg. 24. 15 Ons licht verduisteren ; afh. zin bij glansen. 15 Knoöp; vereeniging, mengeling •. later herhaald door mengsel. 18 Missoheppen ; omscheppen met een ongunstige bijbeteekenis; misvormen. Op de talrijke samenstellingen met mis wezen we vroeger reeds (bldz. 53 reg. 15). Onbedacht is een herhaling van \'t vroegere reuekeloos. 21 Wiens aenschijn enz.; „Wiens troon ik gedurig omgeef, en voor wiens aangezicht ik sta, om hem te dienen.quot; „Ik zeg u, dat hunne Engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht mijns Vaders, die ia de hemelen is.quot; (Matth. XVIII, 10.)
22 Geheilight alle zeven; „Ik ben de Engel Rafaël, een der zeven, die voor den Heer staan.quot; (Tob. XII, 15). Het zevental was vanouds een heilig getal: zie Openb. I, 4, 12 en boven bldz. 34 reg. 1.
87
LÜCIFEE.
Voor zulck een Majesteit, die op ons voorhooft straelt, Verquickt en leven geeft wat leeft, en adem haelt.
Heer Stedehouder, magh mijn bede uw hart bewegen j Ghy kent myn zuiver wit, en hart, met u verlegen, 5) Kuck af dien trotsen kam: schud uit dit harrenas:
Smyt neder uit dees hant de heirbyl, de rondas Uit d\' andre. Hooger niet: legh neder, och, legh neder, Legh neder, stryck van zelf den standert, en de veder quot;Van uwe vleugelen, voor Godt, en zynen glans; 10) Eer hy u uit den troon den allerhooghstqn trans Van eere, nederklincke aen gruis en stof te mortel,
Ja zulx dat van den stam der Geesten tack, noch wortel. Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet;
\'t Bq ware een leven van elende, van verdriet, 15) De Doot, de Wanhoop, en een worm, een eeuwigh knagen. En knersetanden moght den naem van leven dragen.
Verneêr u: staeck dien toght: ick offere u gena.
Met dien olyftack: gryp, of echter \'t is te spa,
Lucifer.
20) Heer Eafel, ick verdien noch dreigement, noch toren. Myn helden hebben God, en Lucifer gezworen,
En, onder \'s hemels eedt, dien standert opgerecht. Men stroie wat men wil den hemel door: ick vecht, En oorloge onder Godt, tot voorstant van zyn kooren, 25) De hantvest en het Eecht, hun wettigh aengeboren. Eer Adam zyne zon zagh opgaen, eer de dagh Zyn paradys bescheen. Geen menschelyck gezagh,
88
Geen juck van menschen zal den neck der Geesten plagen;
2 Verquickt ; het best te verklaren door de onmiddellijk volgende woorden: „leven geeft.quot; Men vergelijke Biblioth. v. Ned. KI. III, bldz. 21 reg. II. 4 Wit; doel-, zie bldz. 31 reg. 19. 4 Verlegen; „met u legaanquot;-. eigenlijk „uit den gewonen toestand gebracht,quot; evenals het zooeven genoemde verrukt: verlegen is evenwel kalmer dan verrukt, evenals leggen meer kalmte veronderstelt dan mhlcen. 6 Eondas; rond schild •. \'t Fransehe rondache. 8 Stkïck den standert; men vergelijke „de kroon strijkenquot; op bldz. 27 reg 13. 11 Nederklincke; men denke aan nederploffen, nederlonzen, nederkletsen: alle samenstellingen van neder met een klanknabootsend woord. 11 Mortel; tot gruis: men zie Biblioth. van Ned. KI III, bldz. 66 reg. 9. 12 Zulx; zoodanig. 13 Gedachtenis; herinnering•. tegen een dubbele ontkenning hadden de vaderen zulk een groot bezwaar niet als onze deftige grammatica, 18 Of eoutek; of anders-, eigenlijk of later: men denke aan\'t Engelsche after en aan achterdocht, dat oorspronkelijk nadenken beteekent, 21 Gezworen ; wij zeggen „iemand trouw zweren.quot;
TREtmSPEL.
Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen, Met zynen vryen hals, gelyok een dienstbaar slaef,
\'t En zy de hemel ons in eenen poel begraef\'.
Met zooveel seepteren, en kroonen glans, en voncken, 5) Als ons de Godtheit uit haer\' boezem heeft geschoneken, Voor eeuwigh, en alt.yt. Laet bersten al wat berst: lek hanthaef \'t heiligh Kecht, door hoogen nood geperst, En, na veel wederstants my entlyck overdrongen. Op \'t klagen en gekerm van duizenden van tongen. 10) Ga bene, bootschap dit den Vader, onder wien
lek dus, voor \'t Vaderlant, den standert voere, en dien.\' Kapaël.
Och Stedehouder, wat verbloemt ghy uw gepeinzen Voor \'t alziende oogh? ghy kunt uw oogmerek niet ontveinzen. 15) De strael van zyn gezicht ontdeckt de duisternis.
De staetzucht, daer uw geest zoo grof van zwanger is. En reede in arbeit gaet, om dit gedroght te baren.
Waer bergh ick my van schrick! hoe ryzen al myn haeren! Verdsvaelde Morgenstar, verschoon u zelve toch. 30) Ghy kunt d\' Alwetentheit niet paeien met bedrogh.
Lucifer
Wat staetzucht? heeft myn plicht in eenigh deel ontbroken?
Eafaël
Wat hebt ghy in uw harte al heimelyck gesproken? 3amp;) Ick wil in \'s hemels top, door alle woleken heen,
En boven Godts gestarnte opstygen, van beneên,
8 OvEKrRONGEN; opdringen:
De slechtste will sijn singen Een yeder overdringen.
Huygens, Korei-bl. I, 642. 11 En dien\'; men zie „te raden onder uquot; op bldz 4i reg. fl. 16 Staetzucht; zucht naar groothnd, naar heerschappij•. heerschzucht. 17 In akeeit gaet; in barensnood komt-, men zie over in arbeit Biblioth van Ned. KI. III, bldz. 105 reg. 7. 20 Paeien; tevreden stellen, met de bijgedachte zie bldz.
59 reg. 24. 22 Ontbkoken; in gebreke blijven, tekortschieten„is wyn plicht in eenig opzicht tekortgeschoten; ben ik in de vervulling van mijn plicht eenigs-zins tekortgeschotenquot;.
De Minnegoden noch hnn moeder niet ontbreecken M.et hunne fackelen het lijekhout aen te steecken
Vondel (door v. L.) II, 205. Men bezigde vroeger ook ghebreken met den genitief;
Al dat hi spreect, dat gheschiet.
Des en ghebreect emmer niet.
Lekensp, B II, C. 22, vs. 42.
6*
89
liUcnriiiBo
God zelf gelyck, geen magt bestralen met genade, \'t En zyze aen mynen stoel het leen verheergewaede. Geen majesteit braveer\' met scepter, nochte kroon.
Ten zy ick haer beleene uit mynen hoogen troon. B) Bedeck uw aengezicht: val neder: stryckt uw pennen, En wacht u, boven ons, een hooger maght te kennen. Lucifer.
Hoe nu toe? ben ik dan Godts Stedehouder niet? Eafaël.
10) Dat zyt ghy, en ontfingt van \'t onbepaelt gebiet Bepaelde mogentheit, en heerscht uit zynen name. Lucifer.
Helaes, hoe lang? tot dat Vorst Adam ons beschame. En, boven de natuur der Engelen, zyn lot 15) Uit \'s hemels schoot ontfange, en aenzitt\' neffens Godt?
Eafaël.
Wil d\' opperste Monarch zyn maght met mindren deelen; Ja d\' eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen, Hem wyden tot een hooft der Geesten, boven al 30) Wat kroon en scepter voert, of namaels voeren zal; Zoo leer ootmoedigh u Godts raetslot onderwerpen.
2 Veeheekoewaden ; als leengoed afstaan: in ruimer zin zich onderwerpen. Eigenlijk een heer-gewaad, d. i. een krijgsrusting schenken: een plicht, die op den leenman rustte. Later kreeg verheergewaden de ruimer beteekenis van aan-bieden, opdragen als hulde.
Want Hij, de Hoogste, aan wiens genaden,
Wy \'t Leen des Eyks verheergewaden.
Oudaen, Poezy I, bldz. 231. Naardien Elizabeth zich noit als onderdaan Wou dragen onder hem, en \'t leen verheergewaden.
Vondel (door v. L ), 442, vs. 97.
Bij Hugo de Gkoot {Inl. tot de Roll, liechtsgel. 1631), leest men op f0 96: „deze Heergewaden werden veeltijds in de uitgifte uitgedruct, bestaende in een valck, haviek, sparwer, zalm, snoeck, windhonden, sporen, handschoenen, al het welck met seecker geld nae ouder ghewoonte afgekocht kan worden.quot; 8 Hoe nu toe; waarheen nu? wat nu? 10 Gebiet; macht. 18 Bevelen; toevertrouwen :
Wye den wolf sijn schapen hevelt,
Die en is ter wijsheit niet ghestelt.
Hildegaeksb Ged. bldz. 251, vs. 15. 21 Ootmoedigh; deemoedig-. Ohdgd. ódh-muddic, V\'.hgd. öt-müetec, d. i. „die een lichten, gewilligen, gemahkelijken zin heeft.quot; Oot toch beteekent oorspronkelijk licht, niet zwaar. Het eerste gedeelte van deemoed is stamverwant met dienen-, deemoed is dus de „gezindheid des dienendenquot; de „deugd van den dienaar.quot;
90
TKETJKSPEL.
LÜCIFEE.
Dat is de wetsteen, om dees heirbyl op te scherpen.
Eafaël.
Ghy scherptze reuckeloos voor uwen eigen neck. 5) Bedenck eens waer wij staen. De hemel kan geen vleck Van afgunst, haet en nyt, noch hoovaerdy verdragen. De Wraeck des hemels dreight dees schantvleck uit te vagen. Hier helpt geen veinzen, och, of voor d\' alziende Zon, Het aldoordringende oogh, ick deze lastren kon 10) Bedecken. Lucifer, waer is uw glans gebleven?
Lucifee.
Mijn glans is Adam en zyne afkomst lang gegeven. Men noem\' my langer niet den eerstgewyden zoon, Den outsten erfgenaem.
15) Eafaël.
Vorst Lucifer, verschoon U zeiven: onderworp u \'t opperste behagen.
Gewaerdigh ons, dat wy die blyde tyding dragen Naer boven: ieder ziet myn weerkomst te gemoet. 20) Ick valle ootmoedigh dus uw heerlyckheit te voet.
Om Godts wil, wacht u toch weêrspannigen te sty ven, Die op uw\' wil en wenck, als op hun aspunt, dry ven. Zoudt ghy, in wederwil van \'t hemelsche palais,
Dees lucht, vol heiligheit, vol vrede, d\' eerste reis, 2 5) Met duizentduizenden in \'t harrecas, beroeren?
Op trommel en trompet den oorloghsstandert voeren, En kanten tegens Godt, den stercksten worstelaer?
Lccifeh.
Men kant zich tegens ons. Was Adanas afkomst maer 30) Een zeiven staet en stoel, als d\' Engelen, geschoncken ; Dat scheen verdraegelyck: nu vliegen vast de voncken Van dezen hemeltwist door alle daken heen.
91
Zwygh Engelsdom: verhef eerbiedighlyck het leen Van al wat ghy bezit aen Adam, en zyn neven.
4 Reuckeloos: roekeloos, onnadenkend: men lie boven bldz. 42 reg. 12. 7 Vagen; meestal vegen-, men zie naast vagen d. i. „schoon makenquot; evenwel \'t Eng. fair = schoon. 9 Lasteen; misdaden: zie vroeger bldz. 80 reg. 9. 18 Ge-waeedigh ons; men vergelijke bldz. 69 reg. 6. 23 In wederwil van; tegen den wil van. 25 Beboeren; „in roer brengenquot;: men zie bldz. 80 reg. 3. 33 en 34\' Vebuep eerbiedighlyck het leen aen Adam, anders verheergewaden, zie dit woord op bldi. 90 reg. 2. 34 Neven; kleinkinderen en dus nakomelingen-, het woord neef behoort tot een overonde familie, welker leden
lucifer.
Den mensch weerstreven, is de Godtheit wederstreven. Hoe magh het Godt van \'t hart, dat hy zoo laegh, zoo diep Vernedert dien hy tot den grootsten scepter schiep? Ben edelmoedigheit, geheilight tot regeeren,
5) Voor eenen minder zich zoo zwaerlyck kan verneêren, Van heerlyckheit ontkleên, en opstaen uit haer staet. En stoel, dat zy vervloeckt den glans en dageraet Van haren opgangk, ja veel liever had gebleven Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven: 10) Want niet zyn, overtreft verkleening duizentwerf.
Eafaël.
Geleende heerschappy staet los, en is geen erf.
Lucifee,
\'k Misdanckme dan dit leen, als \'t immers leen moet heeten. 15) Eafaël.
Bewaer uw ampt: of is zyn ooghmerck u vergeten? Het Stedehouderschap uw wysheit wert betrout.
Op dat ghy \'tal in ruste en orden houden zoudt: En hebtghe tegens Godt het panser aengescboten, 20) Als een meineedigh hooft van blinde bontgenooten?
Lucifer.
Wy schoten slechts, uit noot en nootweer, \'t panser aen; Zoo luttel wouden wy de Godtheit wederstaen.
De reden spreeckt, al waer \'t dat schilt en wapen zwege. 25) Wy vryen onzen Staet: benyt men ocs die zege?
in de Germaansche talen algemeen voorkomen. Zie b. v. \'t Indisch napdt (stam naptr) — afstammeling, zoon, Tcleinzoon; \'t Lat. nepos ~ kleivzoon; \'t Grielcsche véTzoSs? — nakomelingen, \'t Mhgd. neve = zusterszoon, broederszoon, oom, familielid in den ruimsten zin enz, enz. Dut neef \\oot familielid \\a\'t kan gebezigd worden, kunnen we nog alle dagen op het platte land (in Overijsel ten minste) ervaren. „Wi nèft, geleuf ik, nog zoo\'n beetjenquot; beteekent dan ook „we zijn. geloof ik, nog familie van elkaarquot; (de graad doet er niet toel)
3 Grootste sceptir; vroeger zwaarste, zie bldz. 87 reg. 9. 4 EdelmoediO-heit; iemand met een verheven aanleg, met een verheven roeping; van fijner bewerktuiging-, men vergelijke:
Mijn zoon, een dienstmaeght, uit onedele geboren,
Spreeckt dickwijls heerlijck, en dat waerdigh is te hooren;
Gelijck dees dienstmaeght nn, niet ydel met haer mont,
Maer edelmoedigh spreeckt, en billijck en gegront
Vondel (door v. L.) XI, 191, vs. 64. 14 Misdancken (zich); afwijzen, weigeren ■. meer dan eens wezen we op de talrijke aamenstellingen met mis-. 23 Nootweeb; verdediging, waartoe de nood dwingt. 25 Vbïen; bevrijden.
92
TKECESPEL.
Eafaël.
Geen zege is heerelyck, daer, in een zelve Kyck,
Slaghordens van een\' Staet bestryden haers gelyeki En deerlyck is het, zoo gebroeders van eene Orden 5) Door hun gebroeders zelfs in \'t endt verwonnen worden. Om onzent wil, om Godt, en zyn gedreighde straf. Och Stedehouder, voer uw regementen af:
Voer af, en laet u toch vermorwen door gebeden.
lek hoor, \'tis schrickelyck, alree de ketens smeden, 10) Om, na de neêrlaegh, u geketent door de lucht Te voeren in triomf. Ick hoor alree gerucht,
En zie allengs het heir van Michaël genaken.
Het is hoogh tyt, hoogh tyt dien dollen toght te slaken. Lucipeh.
15) Wat baet het, schoon men zich op \'t uiterste bera?
Hier is geen hoop van pais.
Eafaël.
\'k Verzeker u gena, En stelme, als middelaer, om hoogh voor u te pande. 20) Lccifer.
Myn Star te dompelen in duisternisse, en schande. Myn vyanden te zien braveeren op den stoel!
Eafaël.
Och Lucifer, waeck op. Ick zie den zwavelpoel, 35) Met opgespalckte keel, afgryslyck naar u gapen.
Zult ghy, het schoonst van al wat God oit heeft geschapen. Een aes verstrecken, voor het vratige ingewant Des afgronts, nimmer zadt, en nimmer uitgebrant;
Dat hoede Godt. Och och, bewilligh onze bede.
30) Ontfang dien tack van pais: wy offren u Godts vrede.
^ Deekltck; thaos meest als bijwoord gebezigd. 8 Vermokwen;
week maken. Men zie meuken in Bibliolli. van Ned. KI. III, bldz. 48 reg. 16. 25 Ofgespalckt; opengespalkt-, versterking van spalken, dat reeds splijten, openen beteekende. De wortel spal- werd in het Nederlandsch gesteund door een keelletter (-i), die ïich bij een eenigszins diep uitsproken a als vanzelf aansloot. In het Hoogduitsch is de tongletter l door een andere tongletter (-lt;) gevolgd. Ook in samenstelling, wanneer de stem minder in de a wegzinkt, gebruiken wij spalt: zoo b. v. ia het tegenwoordige tweespalt en het vroegere tweespaltig, veelspaltig. In Coster\'s Polyxena vindt men evenwel iwcespalk;
Maar zeyndt op \'t onghesienst bederffelijcke plaghen. Als hongherige twist en tweespalek in dat landt.
27 Aes ; voedsel-, ergens op ami b. v. 28 Zadt ; thans geheel in verval geraakt; men denke evenwel aan verzadigen. 30 Offren; aanbieden-. men denke aan \'t Fransche offrir.
93
LUCIFEE.
LÜCIFEE.
Of ergens schepsel zoo rampzaligh zwerft als ick ?
Aen d\' een zy flaeuwe hoop; aen d\' andre grooter sclirick. De zege is hachelyck; de neêrlaegh zwaer te mydei). 5) Op \'t onwis tegens Godt en Godts banier te stryden ? Den eersten standert op te rechten tegens Godt, Zyn hemelsche bazuin, en openbaer gebodt ?
Zich op te worpen als een hooft van Godts rebellen, En tegen \'s hemels wet een wederwet te stellen ? 10) Te vallen in den vloeck der snootste ondanckbaerheit ? Te quetsen de genade en liefde en majesteit Des rycken Vaders, bron van alle zegeningen,
Die noch t\' ontfaugen staen, en wat wy reede ontfingen ? Hoe zijnwe nu zoo wyt verzeilt uit onzen plicht! 15) Ick zwoer myn\' Schepper af. Hoe kan ick voor dat licht Myn lasterstucken, myn verwatenheit vermommen!
Hier baet geen deizen: neen, wy zyn te hoogh geklommen.
3 Haohelyck ; onzeker, onwis. Thans alleen gevaarlijk, welke beteekenis zich uit die van onzeker gemakkelijk kon ontwikkelen : men vergelijke gewaagd (een gewaagde onderneming), toagen en waag (\'t is een ivaag, een waagstuk), welk laatste woord oorspronkelijk de imperf. stam van wegen is, Hachelen staat in verband met een haggelen (ook wel hakkelen), met de beteekenis van stotteren, d. i. stootend spreken, zich minder duidelijk uitdrukken, \'t zij uit een organisch gebrek, \'t zij uii onzekerheid van \'t geen men zeggen wil, \'t zij uit drift. In hachelijk had z\'ich dus het begrip onzeker vooral ontwikkeld; in het Engelsche haggle, higgle („to be slow in making a bargainquot;) trad dat van langzaamheid meer op den voorgrond; terwijl in het Overijselsche heggelen, d. i. aanhoudend, vervelend twisten, daarentegen een zeker gevoel van heftigheid merkbaar is. 5 Op \'t onwis; \'t zelfde als hachelyck in den vorigen regel. 14 Verzeilt uit; afgeweken van. 16 Lasterstucken; euveldaden, misdaden-, men zie over laster bldz. 80 reg. 9 en bldz. 81 16 Verwatenheit; schuld boosheid: verwaten is beschuldigen, veroordeelen, vervloeken, ook in den hau doen, vanwaar verwaai en verwaetenisse = ban. Ook hier heeft Vondel dezelfde gedachte op twee wijzen uitgedrukt: lasterstucken — verwatenheit. Aangezien verwatenheid in de poëzie dikwijls gebruikt wordt voor schuldige, strafbare hoogmoed, en misschien ook wijl verwaten in klank eenigszins lijkt op verwaand, denkt de ondeskundige tegenwoordig bij \'t hooren van verwaten dikwijls aan verwaand.
Voorbeelden: „Zy dedense in den ban oft verwaet.quot; Vaernewijck, f0 74 6.
Wat esser menich Christen mensch ghestorven,
Daer Luters leere, van gode verwaten.
Anna Rijns, Ref. 548, II.
Maer dat verwatene diet Waenden dat hijt seide van vare,
Ende si verhieven hem openbare,
Rijmb. vs. 33214.
94
TETOBSPEL.
Wat raet? wat best geraemt in dees vertwyfeltheèo ?
De tyt geen uitstel lydt. Een oogenblick is geen Genoeghzaemheit van tyt: indien men tyt magh noemen üees kortheit, tusschen heil en endeloos verdoemen.
5) Maer \'t is te spaj en hier geen boete voor ons smet.
De hoop is uit. Wat raedt? Daer hoor iek Gods trompet!
Apollton. Lucifer. Eafaël.
Apollion.
Heer Stedehouder, op ! het is geen tyt te marren : 10) De Veltheer Michael, in aentoght met zyn starren, En regementen, daeght u uit in \'t vlacke velt.
De tyt vereischt dat ghy u in slaghorden stelt.
Treek op, treek op met ons: vry zien den stryt gewonnen. Lucifer.
15) Gewonnen? dat \'s te vroegh; de stryt is niet begonnen. Men weegh\' dien zwaren slagh en oorlogh niet te licht. Apollion.
lek zag alree den schrick in Michaëls gezicht,
En al zyu benden doots schier omzien naer de hielen. 20) Wy willen, twyfel niet, haer sloopen, en vernielen.
Hier komen d\' Oversten met onzen standert aen.
Lucifer.
Een ieder in \'t gelidt: een ieder kenn\' zyn vaen.
Nu rustigh de bazuin en krygstrompet gesteken.
Want om dat d\' inghel mesdede,
So es hi sonder enech verlaten Verdoemt ewelijc en de verwaten,
Feestye, bldz, 523, vs. 924. — ; men mach geen biechte versegghen,
Up \'s paeus verwatenesse ofte ha7i.
Belg. Mus. VI, bldz 61. Een verwatene = een heiden, een ongeloovige; zoo in Jt Leven van Jezus, C. 136: „ende en ghehort hi de heilghe kerke nit, so sal hi di syn alse een verwatene.quot; 16 Vermommen; bedekken, verbergen: men zie over mom Biblioth. van Ned, KI. III, bldz. 76 reg. 18. 17 Deizen; voor deinzen.
1 Geraemt; bedacht en dus gekozen-, men vergelijke Biblioth. van Ned. KI. III, bldz. 25 quot;reg. 1. 5 Boete; herstel\', boeten = herstellen goedmaken. Men vergelijke een ketelboeter, netten boeten. 9 Marren; toeven, dralen. 19 Doots; bleek als de dood. 19 Schier omzien naer de zoogoed als op de W-
vlucht slaan. 20 Sloopen; gewoonlijk van gebouwen gezegd: vernielen, vernietigen 9 met den grond gelijk maken. 24 Rustfgh; eigenlijk toegerust, wel toegerust; vandaar kalm, bedaard. 24 Gesteken; men vergelijke het Hgd. „in\'s Horn stechenquot; en herinnere zich, dat V. ook vroeger de trompet met de trom liet roeren (bldz. 80 reg. 3.)
95
96 lucifer.
Apollion.
Wy wachten op uw woort.
Lucifer.
Zoo volght ons op dit teken. B) Eafaël.
Helaes, hy stont aireede in twyfel, en beraet:
Nu voert hem Wanhoop aen. Helaes, in welek een\' staet Van jammernissen stort d\'Aertsengel al de zynen!
Nu magh hy nimmermeer in vreught om hoogh versehynen, 10) \'t En zy de Godtheit dit medoogende belett\'.
Ghy Hemelreien, komt, en geeft u in \'t gebedt:
Misschien of noch dees slagh te schutten waer met smeken. Het bidden kan een hart van diamantsteen breken.
Eey van Engelen. Eafaël.
16)
20)
25)
30)
Eey.
O Vader, die geen wieroockvat.
Noch gout, noch lofzang waerder schat Dan godtgelatenheit, en stilte
Van \'t schepsel, dat uit nedrigheit Behagen schept aen uw beleit,
En in uw\' wil zich zelf versmilte; Ghy ziet, o aller telgen stam,
Hoe \'t hooft der Geesten zyaen kam Durf kanten tegens uw behagen;
Hoe hy trompet en trommel roert. En blint, van Staetzucht aengevoert, U terght op zynen oorloghswagen.
Ontferm u over \'t lasterstuek,
En keer, och, keer het ongeluck Van duizentduizent lotgenooten.
Die al te jammerlyck misleit,
Met zulck een wederspannigheit Het harnas hebben aengeschoten.
18 Godtge!,atenheit; berusting in Godswil\', men vergelijke bldz, 57 reg. 10: Die zich gelaeten stelt, — Godt dienen is regeeren.
20 Behagen scheppen aen; hier juist aen, omdat de mensch niet in Gods beleid kan doordringen. 21 Zich versmilten in; met vernietigiog van eigen wil, zich geheel met die van God vereenigen. 2S Lasterstuck; zie tasterstuc-ken op bldz. 94 reg. 16.
treurspel.
Eafaël.
\'Verschoon genadig!), och verschoon Den Stedehouder, die de kroon Der kroonen op zyn hooft wil zeiten, B) Om neffens u, en boven al
Te triomfeeren. Och, wie zal Hem zuiveren van zulcke smetten?
Eet.
Gedoogh niet dat de schoonste ziel, 101 Waer op uw oogh genadigh viel,
Gedoogh niet dat d\' Aertsengel sneve. Hy boete deze ondanckbre daet, En blyf\' gehanthaeft by zyn\' staet. Dat uw gena zyn schuit vergeve.
HET VïFDE BBDKYE. Eafaël. Uriël,
Eafaël.
De gansche hemel, van den gront op tot de kruin Der aertspalaizen, juicht op Michaëls bazuin,
En zwaeiende banier. De veltslagh is gewonnen.
B) Ons schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen. Uit elcke schiltzon straelt een triomfanten dagh.
Daer komt Uriël zelf, de Schiltknaep, uit den slagh. En zwaeit het vlammend zwaert, dat, scherp van wederzyden. Gewet van \'s hemels wraecke en gramschap, onder \'t stryden, 10) Door schilt, en harrenas, en helm van diamant,
Gevaeght heeft, slinx en rechts, al wat de horens kant En opsteeckt tegens Godts doordringende alvermogen. Gestrenge Schiltknaep, die het scherprecht uit den hoogen
3 Aertspalaizen, eerste, voornaamste, hoogste paleizen. 8 Vlammend zwaert; zinspeling op het vlammend lemmer eens zwaards, dat heen en weer zwaaide, en waarmee de door God gestelde schrikgestalten of Chernbim den toegang tot het Paradijs verhinderden. (Gen. III, 24). 11 Gevaeght; gestreken, gezviaaid-. vagen beteekende oorspronkelijk reinigen, zuiveren, zooals uit vagevuur — pur-gatorium nog blijken kan. Door een bijzondere toepassing hechtte zich \'t begrip strijken over aan dat woord, dikwijls met de bijgedachte van heftigheid. 11 Slinx; bijvorm van links. 13 Sciierprechi; men denke aan scherprechter: scherprecht is het strenge, straffende recht.
97
LTJCIFEE.
Bekleet, en *t ongelyek, dat tegen \'t eeuwigh Kecht Zich opworpt, met een slagh rechtvaerdiglyck beslecht ; Gezegent is \'t geweer, gezegent zyn uwe armen.
Die d\'eer van Englestadt handhaven, en beschermen.
5) Wat legtghe al pryzen in by de Oppermajesteit!
Verhael ons toch den stryt: ontvou ons al \'t beleit, En \'s hemels eersten toght: wy luistren met verlangen.
Ueiël.
Uw lust ontvonckt myn\' geest om rustigh aen te vangen, 10) Dien vreesselyken storm t\' ontvouwen op een ry.
Gelukkigh vecht het heir, dat Godt heeft op zyn zy. De Veltheer Michaël (verwittight uit den hoogen,
Door \'s hemels afgezant, die neder quam gevlogen.
Noch sneller dan een star, die door de lucht verschiet, 15) Hoe Lucifer zoo trots zich tegens \'t hoogh gebiet Had opentlyk gekant, gereet hen aen te voeren.
Die hem bewieroockten, zyn starre en standert zwoeren;) Schoot voort, op \'t aenstaen van den trouwen Gabriël, ,Het schubbigh panser aen, en gaf terstont bevel,
20) Aen al zyn Oversten, en hoofden, en Kornellen,
De heiren, in Godts naem, in hun geleên te stellen, Om met gemeene maght en kracht, op \'t luchtigh ruim. Van \'t zuivre hemelsblaeu, al dit meineedigh schuim Te vagen, al dit spoock in duisternis te dompelen ,
3 Geweer; voor wapen in \'t algemeen: men denke aan afweren, zich verweren, zijdgeweer, schietgeweer. 7 Toght; tocht ten strijde nl. 0 Rusttgü, halm, bedaard-, men zie bldz. 95 reg. 24. 10 Op een ky; in geregelde orde. 12 Verwittight; verwittigen ia (wittig = wetende) maken: doen verstaan dus. De lezer herinnere zich, dat ons weten eigenlijk een imperfectum-vorm is van het vroegere witen, welks i nog over is in den vergroeiden nieuwen onvolm. verl. tijd loist, in wit doel, en in gewis.
— hare derde kint,
Dat wittich was ende goet,
Ende aen die sterre herde vroet.
Der Leken Sp. I, 113. 14 Verschiet; men zie over Verschieten bldz. 7 reg. 2. 18 Aenstaen; aandringen-, eigenlijk bij iemand gaan staan, met bet doel om hem ergens toe over te halen. Men vergelijke deze Biblioth. II, bldz. 51 reg. 30, en zie verder : „aan te staan om richting van \'t geene, dat teeghens \'t verding met Bn-gelandt gemaakt.....was.quot; Hooft, Ned. Hist. pag. 1112, reg. 11. 20 Kornellen; oppersten, hoofden-, eigenlijk \'t hoofd eener colonne, \'t It. colonella. 21 Geleên; voor geleden, ons gelederen. 22 Luchtigh; het ruim der lucht-. men lette op het onderscheid met {ioor-)hichtig op bidt. 40 reg. 3. 24 Vagen; de lezer vergelijke de vorige bladzijde, reg. 11 en lette vooral op de bijgedachte „met geweld.quot; 24 Spoock; een in de hoogste mate onaangename verschij-
98
treurspel.
Eer zy op \'t ongezienste ons moghten overrompelen. Op dezen last vergaert Godts heirkracht in der yl Slaghordenswys, zoo snel gelyck een vlugge pyl.
Gedreven van de pees. Men zagh ontelbre drommen, 5) In een driekantigh beir, aen alle kanten brommen,
Gelyck een driehoeck steeckt en straelt op ons gezicht. Men zagh een enckelheit in een diiepuntigh licht, Zoo spiegelgladt, gelyck een diamant, geslepen; Een heirspits, eer van Godt dan eenigh Geest begrepen. 10) De Veltheer, met den gloet des blixsms in de hant.
Hiel recht voor Godts baniere, in \'t hart van \'t leger, stant. Wie moedt wil houden, en triomf en zege barea,
Die moet vooral het hart verzekren, en bewaren.
Kafaël.
15) Waer bleef \'t verwaten heir, dat ons bestormen wou.?
üriël.
Het quam vol moedts ter bane, en had zyn eerste trou, Gehoorzaemheit en eer en eedt en al vergeten ,
Te heiloos en verwaent op Godt en ons gebeten. 20) Het groeide snel, en wies gelyck een halve maen.
Het wet zyn punten, zet twee horens op ons aen;
Gelyck \'t gestarrent van den Stier de hemeldieren En andre monsters, die rontom hem henezwieren.
nivg\\ men zie \'t voorafgaande schuim. Vondel gebruikt dit woord meermalen collectief. Over de eigenlijke beteekenis zijn de etymologen het nog lang niet eens.
4 Gedkeven; de bijgedachte „snelquot;, die dit woord oorsponkelijk vergezelde, openbaart zich in dezen zin nog. Men denke evenwel ook aan ons drift en driftig, en aan het Engelsche to drive, o. a. snel loopen, aanhitsen. Ook lette men op „snelquot; en „vluggequot; uit het vorige vers. Vroeger werd drijven veel meer gebruikt dan thans: men dreef eertijds feeste, ghelmd, ghescal, ghescrey, enz. enz. We drijven nog handel, en onze Duitsche broederen treiben allerlei dingen, die wij beoefenen, uitoefenen enz. enz. 4 Drom; de lezer zie bldz 82 reg. 27. 5 Beommen; schitteren-, de lezer zie bldz. 87 reg. 11. Men lette nog op „steeckt en straeltquot; in het volgende vers. 7 Enckelheit; éénheid\\ men denke aan de drieëenheid. 9 Begrepen; die geheimzinnige drie-één-huid nl. 10 Gloet des blixems; het vlammende zwaard. 13 Hart; evenals op bldz. 105 reg. 6. veroorlooft zich ook hier Vondel een speling met het woord hart: in regel 11 komt het als het middelpunt des legers voor, hier wordt er \'s menschen hart mede bedoeld. 15 Verwaten; vervloekt. 19 Heiloos; doorgaans bij Vondel voor heilloos-, men zie Hutdecoper\'s Proeve, Dl. II, bldz, 147. 21 Wet; spitst-, wetten beteekent letterlijk „scherp makenquot;. Men vergelijke \'t Hgd. wet-zen, \'t Eng. to whet enz. 23 Zwieeen; draaien, dikwijls met de bijgedachte sierlijk.
99
LUCIFEK.
Met goude hoornen dreight. De rechte horen wort Vorst Belzebub, op dat hy ons de vleugels kort\',
En zyne wacht betrout; Vorst Belial de slincken.
Men ziet hen beide om stryt in hunne rusting blineken. 5) De Stedehouder, nu Veltmaerschalck tegens Godt, Verzekerde den buick des legers, om het slot, Der regementen knoop, in \'t midden te bewaren.
De trotse standert, daer de dagh scheen op te klaren, Uit zyne morgenstar, wert van Apollion 10) Gehanthaeft, achter hem, zoo moedigh als hy kon,
In zynen vollen krits, om hoogh ten toon gezeten.
Eafaël.
Helaes, wat durf, wat durf d\' Aertsengel zich vermeten? Och, of ick hem by tyts tot afstant had gebroght. 15) Beschryfme niettemin het aenzicht van dien toght.
En in wat schyn de Vorst de benden quam geleien.
Ueiël.
Omringt van zyn staffiers, en groene lievereien, Hy, wrevligh aengevoert van onverzoenbren wrock, 20) In \'t gouden panser, dat, op zynen wapenrock
Van gloeiend purper, blonck, en uitscheen, steegh te wagen. Met goude wielen, van robynen dicht beslagen.
De Leeuw, en felle Draeck, ter vlught gereet, en vlugh. Met starren overal bezaeit op hunnen rugh, 25) In \'t pa^rele gareel, gespannen voor de wielen,
3 Slincken ; voor rechte en slinke(n) gebruiken wij tbans rechter en linker \\ men zie evenwel rechts en linies en bldz. 97 reg. 11. Naar de meening van Mr. S. J. E. Rau hebben we bij slincken te denken aan „die van de slincke horen.quot; 5 Veltmaerschalck; hier natuurlijk alleen voor opper-aanvoerder. 6 Buick; centrum, midden-, men zie hart op bldz. 99 reg. 13. 8 Dagh; licht: men zie vroeger bldz. 5 reg. 8. 8 Klaren; helder schijnen, men vergelijke;
Die mane, alssi an die sonne gaet,
Haren wecli gaet si vort an;
Ende emmer clarende meer enz.
Broeder Geraert. Nat. vs. 1454. 9 Morgenstar; men zie bldz. 26 reg. 3. 10 Gehanthaeft ; in den letterlijken zin van in de hand hebben of houden-, men denke aan maintenir. 11 Krits; kreits, Tering, omgeving\', het vroegere Nederl. krijt („in het krijt d. i. strijd\' perk tredenquot;). 14 Afstand; tot het afstaan van zijn booze plannen: men zie aenstaan op bldz. 98 reg. 18. 18 Staffiers; eigenlijk stafdragers, meer algemeen volgelingen, bedienden-, \'t Fransche estafier, \'t Italiaansche staffiere. 18 Groene lievereien; Mr. Rau meent, dat de groene kleur der livreien, de kleur van Mohammed, samenhangt met den vorm der halve maan van het leger der opstandelingen. 19 Aengevoert; geprikkeld-, met veel krachtiger beteekenis dan thans. 23 Vlught; verb, sbstf. van vliegen natuurlijk.
100
teeoespel.
Verlangden naer den stryt, en vlamden op vernielen. De heirbyl in de vuist, de scheemrende rondas,
Waer in de morgenstar met kunst gedreven was,
Hing aen den slincken arm, gereet de kans te wagen. 5) Eafaël.
O Lucifer, ghy zult dien hooghmoedt u beklagen.
Ghy feniK, onder al wat Godt daer boven looft,
Hoe steeckt ghy, onder \'their, zoo fier met hals en hooft, En helm, en schoudren uit! Hoe heerlyck past u \'t wapen, 10) Als waer \'t naturelyck uw wezen aengesehapen!
O hooft der Engelen, niet hooger: keer weerom.
Ueiël.
Zoo stonden zy gekant, en slaghree, drom by drom,
2 Scheemkende; naar de vroegere beteekenis schitterende, blinhende-. men vergelijke:
— enen mantel van suiker maniere.
Dat hi was te prisene starcke:
Hi was van sarasijnscen waerke,
Ende scemerde van claerliede groot.
Walewein, vs. lOECQS.
Ook schimmeren vindt men bij Vondel:
— die gesternte tent die van Hyacinthen schimmert.
Hier us. verwoest, 18.
Een anderen vorm, schemelen, vonden we o. a. in Croon\'s Moy-al, 175; Dat er het gesicht op schemelt,
Schier al oft de Sonne waer.
Schemeren is verwant met schijnen: reeds vroeg trad, naast het begrip licht, dat van onzeker licht, eindelijk dat van donkerheid op den voorgrond. Ohgd. scimo, Mhgd. schime = glans; Ohgd. scimo, IVlhgd. scème = schaduw: beide behoorden met schijnen tot één wortel. De tijd tusschen donker en licht (twee-licht) heet schemering; maar ook dien tusschen licht en donker („tweedonkerquot;) noemt men zoo.
In het vroegere Nederlandsch komt wel eens scheem voor met de beteekenis van licht, schijnsel, doch meestal heeft schiem, scheem de beteekenis van ons schim = onzekere verschijning, spooksel, schaduw, „doe wi waren met alle onsen vaders in dat voorburcht der hellen ende der donckerheiden soe wordt daer een wheeme op ons, een godlike ver we der socnen en een root conninclike lichtquot; Passionael Som er-stuck, fo iiij, c. „Sijn daghen en sullen haestelijc over-liden {voorbijgaan) als een scheemquot; Bijhei van 1477, Prediker VI, vs. 12. Ghy, Tityr, leght hier plat onder de beuken scheem,
Beaumont, Tijtsnipp. 99.
Men vergelijke verder: het Hgd. Schimmer, schimmern; naast schemen: het Eng. schimmer en shim. 7 Tenix ; heilige vogel der Egyptenaren, die volgens sommigen, nadat hij een hoogeti ouderdom (500, 1461, 7006 jaar) bereikt had, zichzelf op een brandstapel verbrandde, doch verjongd uit zijn asch herrees: beeld der onsterfelijkheid. Hier: voortreffelijkste. 10 Naturelyck; van nature, 10 Aengeschapen ; men denke aan aangeboren.
101
LÜCDFEB.
Een ieder op zyn lucht, en hoefslagh, en by ryen Gesnoert aen hun gezagh, om \'t schoonst van wederzyen; Wanneer de dolle trom en klinckende trompet Zich mengen; het geluit geweer en handen wet, 5) En steigert in den trans van \'t heiligh licht der lichten;
Ben klanck, « aer op terstont een zwangre wolck van schichten Geborsten, slagh op slagh, een gloênden hagel baert, Een\' storm en onweer, dat de hemelen vervaert, De hofpylaren schudt, de kreitsen , en de starren, 10) Verbystert in hun ronde en ommeloop, verwarren. Of zwymen^op de wacht, en weten niet waer heen Te dry ven, oost of west, of boven of beneên.
Al weerlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder. Wat blijft \'er in zijn stant ? het bovenste raeckt onder. 15) De heiren , na \'et gedreun van \'t eerste schutgevaert,
Geraken hantgemeen met knods, en hellebaert.
En sabel, speer, en dolck. Het gaet \'er op een kerven, En steken. Al wat kan, wat toeleit op bederven, Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schent. 20) De broederschap heeft uit, en niemant ziet noch kent
1 Hoeïslagh; vastgestelde plaats, post. Er schijnen op zijn minat tweeërlei hoefslag te zijn, verschillende in de betee/cenis van het eerste deel der samenstelling en in de toepassing van het tweede deel. Het eene hoefslag is sanmgesteld uit hoef (hoeve — grondiraï van zekere grootte, misschien met hellen verwant) en den stam van slaan (slagen) in den zin van omslaan, ronddeelen-. hoefslag zou dan de omslag zijn der verplichtingen, die de bewoners eener hoeve hadden na te komen. Die verplichtingen konden vele zijn: vandaar de verschillende toepassingen van hoefslag. Eene dier verplichtingen was b. v.: het betrekken der wacht; eene andere: het in orde houden van een dijk, enz. Ook op het gedeelte van den dijk, die moest onderhouden worden, ging de naam over.
Het tweede hoefslag is een samenstelling van (paarden-) hoef en den stam slag in den zin van treffen (men zie over slaan bldz. 33 reg. 2) Van dit laatste hoefslag = de indruk van den paarden/io^/, vonden we het volgende duidelijke voorbeeld:
Ende hi sach die hoefslaghe Daer twee ors hadden gelopen,
Ende was ember dies in hopen Dat daer sijn vader hadde gereden enz.
Roman van Moriaen. (Uitgave Dr. Jan te Winkel), vs. 2438. 4 Geweer; voor wapen ia \'t algemeen. 6 Schichten; pijlen, stralen-, men vergelijke bliksemschichten en zonnestralen, en zie het „gloênden hagelquot; uit het volgende vers. 10 Verbystert; van den geregelden weg brengen, doen dolen. 17 Het oaet \'er op een enz ; een kerven enz. begint. 17 Kerven, zie over kerven deze Biblioth. 11. bldz. 19 reg. 23. 18 Toeleit; doelt op, beoogt•. men denke aan toeleg. 20 Heeft uit; bestaat niet meer.
102
TREURSPEL.
Zyn\' medeburger meer. Men ziet\'er parle huiven,
Gekrolde vlechten hairs, en pluim, en pennen stuiven. En schitteren, in \'t vier der blixemen gezengt.
Men ziet turkoisblaeu, gout, en diamant gemengt, 5) En perlesnoer, en wat de hairlock kon vercieren. De vleugels, half geknot, gebreke pylen zwieren En zweven door de lucht. Een gruwzaem veltgeschrey Verheft zich uit den stoet der groene lieverey;
Daer lyt het krygsheir last, geperst uit noot te deizen. 10) De dolle Lucifer hervat den stryt drie reizen.
En stut de flaeute van zyn regement zoo trots,
Gelyck het zeegedruis al schuimende op een rots Gestuit wort, reis op reis, en meer niet uit kan rechten. Eafaël.
1 5) Gewis het heeft wat in de Wanhoop af te vechten.
Uriël.
De dappre Michaël laet blazen: Eer zy Godt. De regementen, op die leus en zyn gebodt,
Gemoedight, te gelyk aen \'t steigeren, en stygen 30) Naer boven, om de loef van \'s vyants heir te krygen;
Dat styght met een om hoogh, maer met een trager vaert, En raeckt in \'t ende in ly. Als of men hemelwaert Een\' valck zagh, van om laegh, om zyne wackre pennen Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen; 25) Die sidderen van schrick, in \'t bosch, by eenen beemt, Zoo dra het hooge nest dien vyant daer verneemt.
108
De reiger schreeut, en styght, en, bang voor \'s vyants pooten; Verwacht hem op den beek, om door de borst te stooten, Van onder, als hy ploft van boven op den buit.
1 Huiven ; een huif is een bedeksel in \'t algemeen, bij voorkenr een hoofd-hedeksel: men denke aan ons huifkar en vergelijke \'t Hgd. Ilauhe, ook in Fickelhaube, Sturmhauie. 15 Afvechten; men vergelijke afrijden, afstrijden, afranselen, afbelden. 20 Loef; de zijde van het schip, die vaar den wi/id gekeerd is, de bovenzijde dns; vroeger (waarschijnlijk) de naam van een plat hout, dat diende ter tegemoetkoming aan het roer, om het schip recht te houden ; door de overeenkomst van dit hout met de vlakke hand kan men het loef (Goth. lofa — de vlakke, hrcede hand) hebben geheeten. 22 Ly; de lager zijde, de zijde van een schip tegenover den loef; men zie het Engelsche lee — a sheltered place. Het Angs. heeft hleó, hleow = een deksel, bedekking, waarvan een Engelsch dialect heeft: lew == warm. We geven deze voorbeelden alleen om op ons luw te wijzen; in het Engelsche lukewarm (waarin luke een ontwikkeling is van genoemd lew — lauw) vinden we ons leuk verklaard. 21 Zich geven; zich legeven.
lucipeb.
Rafael.
O Lucifer, wat raet! het ziet er schricklyck uit.
Ghy zweeft hier op een vlackte, en zonder poort, en wallen. Een gruwelycke Orkaen wil plotseling u bevallen, 5) En zincken in een\' poel, en afgront, zonder gront.
Ukiël.
^ Wat gaf \'t een schoon verschiet, om laegh een hallef ront. Of halve maen; om hoogh een driekant spits t\' aenschouwen; De regementen , die zich sluiten , en ontvouwen , 10) Op \'t wencken van hun hooft, een ieder in zyn vaen. Te zien zoo pal, gelyck metale muren staen.
Als op eea wederwight van lucht en eige zwaerte,
Met al hun slingertuigh, geschut en stormgevaerte. Zy hangen even als men zich een wolck verheelt, 15) Een wolck, waer in de zon met heure stralen speelt; En schildert en schakeert door luchte regenbogen. De hemelsche adelaer, zoo steil in top gevlogen.
Bespiet Godts vyant vast, de havicksvlught, beneên. Hy klapt van moedigheit zyn pennen tegens een, 30) Misguntze \'t weiden niet, en vruchteloos braveeren,
Terwyl hy vlamt om hem te zitten in de veeren, Te pionderen eerlang van zyne gladde pluim;
Zoo ras de kromme beek en klaeu, op \'t luchtigh ruim, Het aes bevalle, of dryf voor wint af, uit zyn oogen. 25) Dus komenze afgestort, en stroomen uit den hoogen,
Gelyck een binnenzee, of nooitschen waterval,
Die van de rotsen bruischt, en ruischt, met een geschal Dat dier en ondier schrickt, in diepgezoncke dalen;
Daer steenen, van de steilte, en dicke waterstralen,
4 Bevallen; overvallen: men vergelijke bevangen. B Zincken; met causatieve kracht; doen zinhen, storten. 7 Verschiet; gezicht in de verte, men zie bldz. 7 reg. 2. 13 Wederwight; evenwicht. 16 Luchte; lichte, heldere. 18 Ha-quot;vicksvlught ; collectief om het leger der opstandeliogcn, die zich lager bevinden, aan te dniden, 20 Weiden; blijkens de tweede helft van dit vers: ijdel pralen, pronken, pralen, brallen. Eigenlijk zich te goed doem weide toch had oorspronkelijk de beteekenis van voedsel, en kreeg eerst later die van voedings-veld. De voldaanheid, die elk dier gevoelt, wanneer het aan zijn behoefte ruim kan voldoen, openbaart zich hier tot dartelheid toe. Minder sterk in: „zijn oogen laten weiden\'\' Men zie verder deze Biblioth. II, bHz 21 reg. 16. 22 Plonde-ren van; berooven van: plunderen beteekent eigenlijk „den plunder (= huisraad, kleeren, de plunje) wegnemen.quot; 23 Kromme beck; „wanneer de adelaar op de vlucht haviken toeschiet, ze tot zijn aas maakt of verschrikt, en in de grootste verwarring voor zich uit drijft.quot; 35 Dus; in zulk een verwarring. 28 In diepgezoncke dalkn; bepaling bij stroomen.
104
teeuespet.
En masten, zonder tal, verpletten, en vertreên Wat tegens woest gewelt van stroom en hout en steen Niet opgewassen is. De heirspits treft den navel Der halve mane fel met roode en blaeuwe zwavel, 5) En vlammen, slagh op slagh, en donderkloot op kloot.
Dat baert een luchtgesohrey. Het hart van \'t heir in noot, Begint van langer hant den wrevelen t\' ontzacken.
De boogh der halve mane, aen \'tkraecken, en aan \'t knacken, Zoo styf gespannen staet (want d\' einden krommen vast) 10) Dat hy in \'t midden moet bezwycken voor dien last, En springen, wort hem flux geen\' ademtoght gegeven. De trotse Lucifer, dan hier dan daer gedreven,
Schiet toe op dit geschrey, en geeft zich rustigh bloot. Om zyn groothartigheit, in \'t nypen van den noot, 15) Te toonen voor de vuist, op zynen oorloghswagen.
Dat geeft den flaeuwen moedt. Hy schut de wreetste slagen En scheuten op \'t gebit van zyn verwoet gespan.
De Leeuw en blaeuwe Draeck, aen \'t woeden, vliegen van Zyn hant, op elcken wenck, met vreeselycke driften.. 20) D\' een brult, en byt, en scheurt, en d\'ander schiet vergiften. Met zyn gesplitste tong, ontsteeckt een pest, en raest. En vult de lucht met smoock, dien hy ten neuze uitblaest, Eapaël.
Hier wil de barrening van boven hem beknellen.
25) Ueiël.
Hy zwaeit de heiibyl vast, om Godts banier te vellen , Die neerstyght, en waer uit Godts naem een schooner licht En schooner stralen schiet in \'t glocn van zyn gezicht. Men deneke eens na of hy dit voorspoock ons benydde. 30) De heirbyl in zyn vuist, aen d\' eene en d\' andre zyde , Den toescheut stuit, en sloopt, of schutze op zyn rondas, Tot dat hem Michaël, in \'t schittrend harrenas,
Verschynt, gelyck een Godt, uit eenen kring van zonnen. „Zit af, o Lucifer, en geef het Godt gewonnen.
3 JNavel; middelpunt\', elders huik, hart. Men vergelijke met dezen naam van een lichaamsdeel het verwante naaf van een rad en zie verder deze Biblioth. III, bldz. 11 reg. 18. 6 Hart; middelpunt: over de woordspeling zie men bldz. 99 reg 13. 7 Van langer hant; op den duur. 7 Wrevelen; koenen, maar in ongunstigen zin: trotschen, ver wat enen. 9 Vast; reeds. 13 Rustigr; moedig, halm. 15 Voor de vuist; dadelijk, zonder bedenken, 16 Schut ... op; houdt tegen ... met-, men zie bldz. 64 reg. 8. 22 Smoock; men zie bldz. 82 reg. 12. 24 Barrening: branding: doelende op detoestroomende menigte. 29 Voorspoock; voorteeken, 31 Toescheut; de toeschietende menigte. 34 Zit af; men zie over inchoatieven deze Biblioth. II, bldz. 51 reg. 30,
105
7*
LtlCIFER.
Geef over uw geweer, en standert: stryck voor Godfc.
Voer af dit heiloos heir, dees goddelooze rot,
Of anders wacht uw hooftquot;. Zoo roept hy uit den hoogen. D\'Aertsvyant van Godts naem, hardneckigh, onbewogen, 5) Ja trotser op dat woort, hervat in aller yl
Den slagb, tot driewerf toe, om met zyn oorloghsbyl Den diamanten schilt, met een Godts naem, te kloven.
Maer wie den hemel terght gevoelt de wraeck van boven. De heirbyl klinckt en springt op \'t heiligh diamant 10) Aen stucken. Michaël verheft zyn rechte hant,
En klinckt den blixemstrael, gesterckt door \'t alvermogen, Dien wrevelmoedigen, door helm en hooft, in d\' oogen Al t\' ongenadigh dat hy achterover stort,
Eu uit den wagen schiet, die omgeslingert, kort 15) Met Leeuw en Draeck en al, den meester volght in \'tzincken. De standert van de star vergaet hier op het blincken,
Zoo ras Apollion myn vlammend zwaert gevoelt,
Den standert geeft ten roof, daer \'t barrent en krioelt Van duizentduizenden, om \'t hooft der helsche scharen 20) In\'t vallen, voor den val en neêrsmack, te bewaren.
Hier yvert Belzebub: daer trotst ons Belial.
Dus wort de maght ontsnoert, en met den zwaren val Des Stedehouders breeekt de boogh der halve mane In stucken. Echter komt Apollion ter bane 25) Met zooveel monstren als de kloot des hemels draeght. De Eeus Orion schreeut, dat al de lucht vertsaeght, En poogt met zyne knods ons heirspits \'t hooft te kneuzen, Die op Orions past, noch knodzen, noch op Eeuzen. De Noortsche Beeren op hun achterklaeuwen staen, 30) Om met een dommekracht in \'t hondert toe te slaen. De Hydra braeckt vergift, en gaept met vyftigh keelen. Ick zie een galery, vol oorloghstafereelen,
7 Schilt; dit woord was vroeger dikwijls mannelijk; in de beteekenis van „vlak daar een wapen op staatquot; meestal onzijdig. 9 Klincken ; vroeger troffen we ook nederklinkcn aan. 12 Wkbvei/moedigen; troischen, hoogmoedujen-. zie bldz. 105 reg. 7. 14 Kort; onmiddellijk, dadelijk. 24 Echtek ; daarna, vervolgens. 26 Oiuon; een bekend sterrenbeeld, door Nieuwland bezongen. 26 Vektsaeght; ontstelt: thans ten gevolge van assimilatie ootct\'-saagd. men zie Hgd, zag, zag helft. Over de afleiding van dit woord hcerscht nog al verschil van gevoelen. 28 Passen op; letten op, geven om. 31 Hydra; waterslang, zuidelijk sterrenbeeld. 31 Vyftigfi keelen; de Hydra Lernaea, dus genoemd naar het meer Lerna, en door Herkules gedood, had zeven, volgens andere lezingen der fabel, acht, negen, vijftig, honderd koppen.
106
TREDRSPEL.
Geboren uit dien slagh, zoo wyt men af kan zien.
eafaël. \'
Gelooft zy Godt: valt neer: aanbidt hem op uw knien. Och Lucifer, helaes, waer blyft uw valsch betrouwen? 5) Helaes, in welck een\' schyn zal ick u lest aensehouwen? Waer is u klaerheit nu, die allen glans braveert ?
uriël.
Gelyck de klare dagh in naren nacht verkeert.
Wanneer de zon verzinckt, vergeet met gout te brallen; 10) Zoo wort zyn schoonheit oock, in \'tzincken, onder\'t vallen, In een wanschapenheit verandert, al te vuil;
Dat helder aengezicht in eenen wreeden muil;
De tanden in gebit, gewet om stael te knaeuwen;
De voeten en de hant in vierderhande klaeuwen; 15) Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huit.
De rugh, vol borstlen, spreit twee drakevleugels uit. In \'tkort, d\'Aertsengel, wien noch flus alle Englen vieren, Verwisselt zyn gedaente, en mengelt zeven dieren Afgryslyck onder een, naer uiterlycken schyn; 20) Een\' leeu, vol hoovaerdy, een vratigh gulzigh zwijn, Een\' tragen ezel, een rinoceros, van toren Ontsteken, eene sim, van achter en van voren Al even schaemteloos, en geil en heet van aert. Een\' draeck, vol nyts, een wolf en vrecken gierigaert. 25) Nu is die schoonheit maer een ondier, te verwenschen,
Te vloecken, zelf van Godt, van Geesten, en van menschen. Dat ondier yst, indien \'t de blieken op zich slaet.
En deckt met damp en mist zyn gruwelyck gelaet.
Eafaël.
30) Dat leert de Staetzueht Godt naer zyne kroon te steken. Waer bleef Apollion?
Uriël.
Hy zagh zyn ty verstreken, Op \'t ondergaen der starre, en vloodt: een ieder vloodt. 35) De hemelsche kortou van boven, schoot op schoot,
9 Verkeert; verandert-, men zie deze Biblioth. II, bltU. 31 reg. 2. 10 Brallen ; pralen; men vergelijke \'t Engelsche to irawl. 18 Vieren; vereeren-, men zie bldz. 27 reg. 4. 19 Zeven dieren; men denke aan de zeven hoofdzonden•. lioüvaardij, vraatzucht, luiheid, toorn, wellust, nijd, gierigheid. 23 Sim-, aap: Lat. Simia. 83 Verstreken; vergaan, verloopen: men zie strijken in deze Biblioth. II, bldz. 34 reg. 20. 35 Kortou; een klein, dik kanon; \'t Ital. \'{Uariana , d. i. een kanon, dat slechts 25 pond schoot, dus een vierde vau 100 pond, die de grootste konden schieten.
107
LTJOIFEE.
Met weerlicht blixemen en donderen aen \'t rollen, De monsters, in het licht geklautert, holp aen \'t hollen, En groeide in zulck een jaght. Wat waa \'t een dwarreling Van buien ondereen ! hoe ruischt \'et hier! wat ging, 5) Wat ging \'er een gety! ons maght, van Godt gezegent,
Euckt voort, en treft, en sloopt voor \'s hants wat zy bejegent. Wat green hier overal, waer \'top een vlughten ging, Ben wilde woestheit, een gestaltverwisseling,
In leden, en in leest! men hoortze brullen, bassen.^ 10) D\'een janckt, en d\'ander huilt. Wat ziet men al grimmassen In Engletronien nu zweemen naer de hel,
En helsche gruwzaemheên. Daer hoor ick Michaël, Om triomfant in \'t licht met Engleroof te pralen.
De Keien groeten hem met lofzang, en cimbalen, 15) Schalmeien, en tamboer. Zy treden hier vooruit.
En stroien lauwerloof, op \'t hemelsche geluit.
Key van Engelen, Michaël.
Key.
Gezegent zy de Helt,
20) Die \'t goddeloos gewelt.
En zyn maght, en zyn kracht, en zyn\' standert Ter neder heeft gevelt.
108
Die Godt stack naer zyn kroon.
3 Gegeide rn; de lezer zie bldz. 109 reg. 10. 3 DwahkelinG; {A)warreling: wordt vooral van stof, rook enz. gebezigd. 5 Geit; vloed en ebbe: de eene partij kwam aangol-ven en verdreef de andere. 6 Voor\'s Hants; met geheel andere beteekenis dan dit woord tegenwoordig heeft. Thans ia deze adverbiale uitdrukking vrij wel synoniem met voorloopiy; in Vondel\'s dagen, en nog lang daarna (men vergelijke Weilasd\'s Ifoor-denhoeh) hechtte men daaraan den zin, dien wij nog hechten aan voetstoots: wat voor de hand ligt, wat de hand het eerst vindt, al wat de hand maar vindt, vandaar; zonder te onderzoeken. 7 Giïeen; yrijuen, (jnnen beteekent eigenlijk: „den mond vertrekkenquot;, dat zoowel tot lachen als tot weenen, halen, jarnrnwen zijn kon. Geheel in overeenstemming met: „Wat ging erquot; in reg. 5, had ook hier moeten staan:. Wat green erquot;\'. Vondel liet hier er evenwel weg, zooals hij, bij minder aanleiding, wel meer deed. Men zie v. Helten\'s Vondel enz. I, 5 237. 10 Grimmassen ; een grimmas ~ \'t Franache grimace = een vertrokken, een verwrongen gezicht; naar aommiger meening heeft men in \'t Fransche grimer een vervorming te zien van \'t Ohgd. chrimphan (ons krimpen), dat we ook in kramp, klimmen enz. terugvonden. Men zie bldz. 86 reg. 2.14 Cimbaal; eigenlijk één der twee holle metalen platen, die tegen elkaar werden geslagen en zoo als muziekinstrument dienden. 15 Schalmei; blaasinstrument•. \'t Fransche chalumeau, vroeger chalemie, Mlat. scalmeia, Lat. calamus — rietpijp, 16 Tamboer ; trom.
TEEURSPEL.
Is, uit den hoogen troon.
Met zyn maght in den nacht neergezoncken.
Hoe blinckt Godts Naem zoo schoon!
Al brant het oproer fel,
5) De dappre Michaël
Weet den bram, met zyn hant uit te blusschen, Te straffen uien rebel.
Hy hanthaeft Gods banier.
Bekranst hem met laurier.
10) Dit palais groeit in pais, en in vrede.
Geen tweedraght hoor men hier.
Nu zingt de Godtheit lof,
In \'t onverwinbaer hof.
Prys en eer zy den Heare aller Heeren. 15) Hy geeft ons zingens stof.
Michaël.
Gelooft zy Godt; de Staet hier boven is verandert. D\' Aertsvyant leyt \'er toe. Hy laet ons zynen standert, En Morgenstar, en helm, en vanen, en rondas, ■
20) Dien afgejaeghden roof, aen \'s hemels heldere as. Met juichen, en triomf, en eere, en lofgezangen.
Bazuinen, en trompet, ten klaren spiegel hangen Van wederspannigheit, en Staetzucht, die de kam Verheffen tegens Godt, den onverzetbren stam, 25) En oirsprong, en de bron en Vader aller dingen.
Die wezen en natuur en eigenschap ontfingen.
Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit Bezwalckt zien door den damp van snoode ondanckb?.erheit. Zy zwerven in de lucht, en tuimelen, en woelen,
30) Heel diep beneden ons gezicht, en deze stoelen,
Benevelt, en verblint, en ysselyck misvormt.
Zoo moet het gaeu, die Godt, en zynen stoel bestormt.
10 Gkoeit ih ; groeien, zooals bekend ia grooter worden, toenemen beteekenende, heeft ia overdrachtelijken zin, dikwijls de beteckenis van ~ick verheugen in, zic\'n vermeien in. Dikwijls hoorden we het in Overijsel nog in dien zin gebruiken, maar dan altijd met de bijgedachte „in een anders leedquot;. Men vergelijke deeg van dijgen ~ grooler worden in deze Bibliotheek III, bldz 66 reg. 14 en boven bldz. 42 leg. 11. 18 Leyt \'ee toe; ligt er neder,ligt geveld. Over \'t gebruik van leit voor ligt en van lag voor legde kan men Huyde-coper\'s Proeve III, bldz. 143 desverldezende nazien. 20 Afgejaeghden; d. i. hun al jagende af- genomen; vroeger o. a. bldz. 103 reg. 15 vonden samenstellingen met af-, waarin ;dit de beteckenis van zich self-, uitgeput, had. 28 Bezwalckt; tedelct en daardoor verduisterd, 32 Gasjj; „zoo moet het hem vergaan, die enz.quot;
109
lucifer.
Eey.
Zoo moet het gaen, die Godt, en zynen stoel bestryden. Den mensch, naer \'t hemelsch beelt geschapen, \'t licht benyden.
Gabriel. Michael. Eey.
5) Gabriel.
Helacs, helaes, helaes, hoe is de kans gekeeit!
Wat viert men hier? \'tis nu vergeefs getriomfeert:
Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen.
Michaël.
10) Wat hoor ick, Gabriël?
Gabriël.
Och, Adam is gevallen; De vader en de stam van \'t menschelyck geslacht Te iammerlyck, te droef alreê ten val gebraght.
15) Hy leit \'er toe.
Michaël.
Dat is een donderslagh in d\' ooren. Al yze ick, my verlangt die nederlaegh te hooren.
Heeft dan \'t verwaten Hooft het aerdtryck ook bestreêu? 30) Gabriël.
Hy ruckte, na den alsgh, \'t verstroide heir by een,
Doch eerst zyn Oversten, die voor elckandre gruwen; En zette zich, om \'t licht van \'t alziende oogh te schuwen, In een holle wolck, een duistre moortspelonck 25) Van nevlen, daer geen vier dan uit hun blieken blonck; En, midden in den ring des helschen Eaets gezeten,
Hief uit zyn zetel aen, te helsch op Godt gebeten: Ghy maghten, die zoo trots, voor ons gerechte zaeck.
Dien afbreuck hebt geleên: nu is het tyt om wraeck 30) Te nemen van ons leet, en listigh, en verbolgen, Met onverzoenbren wrock den hemel te vervolgen.
3 Gaen; „zoo moet het hun vergaan, die enz.quot; 7 Vieet; zie bldz. 27 reg. 4. 8 Brallen; \'t zelfde woord als pralen. 16 Hy leit er toe; zie boven bldz. 109 reg. 18. 18 My verlangt; oudtijds onpersoonlijk: men vergelijke Hutdecopkr\'s Proeve, III, bldz. 219, en tan Helten\'s Vondel enz. II, § 168. 19 Verwaten; vervloekt, gevloekt•. men zie vroeger bldz. 94 reg. 16. 25 Geen vier enz.; de lezer vergelijke hier Bilderdijk\'s Ondergang der eerste Wereld, 3de zang, vs. 159 en vlgg.:
Door \'toog by eigen licht, in \'t duister uitgeschoten, De jamm\'ren scheemrend raamt, enz.
80 Van; wij zeggen gewoonlijk over.
110
TKEtJRSPEL.
In zyn verkoren beelt, en \'t menschelyck geslacht Te smooren in zyn wiegh, en opgang, eer het maght In zyne zenuw kryge, en aenwinne in zyne erven.
Myn wit is Adam en zyn afkomst te bederven. 5) lek weet, door \'t overtreên der eerstgestelde wet,
Hem aen te wry ven zulck een onuitwischbre smet,
Dat hy, naer lyf en ziel, met zyn nakomelingen Vergiftight, nimmer zal ten zetel innedringen,
Waeruit men ons verstiet: edoch gebeurt het al 10) Dat iemant bovenstijge, een kleen, een dun getal.
En noch door duizent doon, en arrebeit, en lyden, Zal steigren tot den Staet en kroon, die ze ons benyden. Blenden zullen zich terstont, op Adams spoor.
Verspreiden zonder endt, de wyde weerelt door.
15) Natuur zal, van dien slagh getaistert, schier verteeren. En wenschen in een Niet of mengelklomp te keeren.
Ick zie den mensch, die naer het beelt der Godtheit zweemt. Van Godts gelyckenis verbastert en vervreemt,
In wil, geheughenis, en zyn verstant ontluistert,-20) Het ingeschapen licht benevelt, en verduistert,
En wat den dagh besohreit, in \'s moeders bangen schoot, Gevallen in den muil der onvermijbre Doot.
Ick wil de tyranny verheffen, altyt stouter.
En u, myn zoons, gewyt tot Godtheên, op het outer, 25) In kereken zonder tal, tot aen de lucht gebout.
Vereeren offervee, en wieroockgeur, en gout,
Ja zoo veel menschen, als geen tong vermagh te noemen. En al wat Adam teelt in eeuwigheit verdoemen.
Ill
Door gruwelstuck op stuck, Godts naem ten trots begaen. 30) Zoo dier wil hem myn kroon, en zyn triomffeest staen.quot;
2 Opgang; opkomst. 4 Bederven; ongelukkig maken, vernietigen. 9 Al; toch. 13 Elendt:; met het oog op de samenstellende dcelen (el = ander en land) is de spelling ellende. 15 Getaistekt; geteisterd, d. i. gekweld geplaagd, mishandeld-, teisteren is frequentatief van een vroeger teezen (Ohgd. zeisan, Mhgd. zeisen. Eng. nog to tease), oorspronkelijk „wol kaarden of plukkenquot; en daarna op personen toegepast; kwellen, plagen. Zoo leest men in de Warande der Dieren, 55, van Vondel: „deweleke als zy de Tyrannische Keysers tot Heeren hadden, ende niet minder van haer als de Duyven van den Havick getopt ende geteest werden.quot; 18 Vekbastert; ontaard-, zie bldz. 63 reg, 6. 24 Gewyt tot Godtheên; „zinspeling op den dienst der afgoden, door de Oudheid geacht als door demons of duivelen bezield.quot; Men vergelijke Milton\'s Paradise lost, J. 27 Menschen; menschenoffers. Het menschenoffer was bij de afgodische volkeren vrij algemeen. 29 Godts naem ten trots; God ten spijt.
MJCrFEE.
Michael.
Verwaten vloeck, zoo trots de Godthait noch brareeren! Wy willen u eerlang dat lasterstuck verleeren.
Gabriel.
5) Aldus spreeckt Lucifer, en zent Vorst Belial,
Op dat hy datelyck de menschen breng\' ten val.
Dees schiet de boosheit zelf, de listighste aller dieren, De slang aen, om met glimp van woorden te vercieren Het lockaes, \'t welck aldus d\' onnoosle schepsels ving, 10) Daer zy geslingert om den tack der kennis hing.
„Heeft Godt, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomen Den vrydom van dit ooft, den smaeck van \'t puick der boomen? Neen Eva, simple duif, gecnsins: ghy zyt verdwaelt. Aenschou eens, bid ick u, dien appel. Ay, hoe straelt, 15) Hoe gloeit dit ooft van gout en karmozyn te gader! Hoe noodt u dit baneket! ay dochter, tre vrat nader:
Hier nestelt geen venyn in dit onsterflyck loof.
Hoe lockt dees vrucht: ay pluck: ay pluck vry: ick beloof U wetenschap, en licht, wat deistghe, bang voor sobennis? 20) Tast toe, en wordt Godt zelf, in wysheit en in kennis. En wetenschap gelyck, en eere, en majesteit,
Hoe zeer hy \'t u beny. Zoo vat men \'t onderscheit Het wezen en den aert en d\' eigenschap der zakenquot;.
Terstont begint het hart der schoone bruit te blaken, 25) T\'ontvoncken , en zy vlamt op d\'aengepreze vrucht.
2 Vloeck; vloekwaardig schepsel: het adjectief verwaten geeft aan vloek een bijzondere kracht. 3 Lasteustuck; misdaad-, zie boven bldz. 94 reg. 16. 7 Listighste aller dieeen: „de slang nu was arglistiger dan al het gedierte des velts, \'t welk de Heere God gemaakt had.quot; (Gen. Ill, vs. I.) 8 Vercie-ken; vroeger met c en ook wel met ch geschreven, wijl men aan de afleiding van \'t Fransche dier dacht. Thans denkt men liever aan verwantschap met \'t Hgd. zieren en \'t Eng. tire. 9 Onnoosle ; onschuldige: men zie deze Biblioth. III, bldz. 118 vs. 14 10 Den tack der kennis; de boom der kennisse des goeds en des kwaads, door God in het midden van Edens hof geplant, (Gen. II, 9.) II „Heeft Godt enz.quot;; „Is het niet, dat God gezegd heeft: gij zult niet eten van allen boom dezes hofs? — Gij zult van de vracht des booms, die in het midden des hofs is, niet eten noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.quot; (Gen. Ill, I, 3). 12 Vrydom; vrije beschikking. 12 Simpel; onschuldig, onnoozel. 13 Ghy zyt vekdwaelt; gij oordeelt verkeerd. 16 Bancket; lekkernij, die aan een banket werd gebruikt, men zie deze Biblioth. III, bldz. 31 reg. 8. 17 Hier nestelt enz.; „Toen zeide de slang tot de vrouw: gij zult den dood niet sterven.quot; (Gen. III, 5.) 19 Schennis; de daad van schenden-, ontwijding gt; overtreding, misdrijf. 20 En wordt Godt zelf enz.; „God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, uwe oogen zullen geopend worden, en gij zult als God zijn, kennende goed en kwaad,quot; (Gen. III, 5).
112
TKEUESPEL.
De vrucht bekoort het oogh, het oogh den mont, die zucht. De luat beweeght de hant al bevende te plucken. Zoo plucktze, en proeft, en eet (dat wil haer afkomst dracken!) Met Adam, en zoo dra hun oogen opengaen,
6) En zy hun naecktheit zien, bedeckenze, met blaên,
Met vygenloof, hun schaemte, en schande, en erfgebreken , En gaen zich in geboomte en schaduwen versteken, Versteken, maer vergeefs, voor \'t aldoordringende oogh. De lucht betreckt allengs. Zy zien de regenboogh 10) Gespannen, als een bode en voorspoock van Godts plagen. De hemel treurt in rou. Geen handenwringen, klagen,
Noch schreien helpt den mensch en zyne weergade. Ach, Het weerlicht, reis op reis: het dondert, slagh op slagh. Al wat men hoort en ziet, is schrick, en angst, en zuchten. 15) Zy vlughten voor hun schim, maer kunnen niet ontvlughten Den worm, die \'t hart doorknaeght, het overtuight gemoedt. Zij knickebeenen beide, en struicklea, voet voor voet. Het aengezicht ziet doots, ea d\' oogen , diep verdroncken In tranen, zien geen licht. Hoe is de moedt gezoncken! 30) Hoe stack by iïus het hooft zoo moedigh in de lucht!
1 De vrucht bkkoorï ; „En de vrouw zag, dat de boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de oogen, ja begeerlijk om aan te zien.quot; (Gen. III, 6). 1 Zucht; van begeerte nl.: naar onze opvatting van ^hopeloos verlangenquot; zou men deze plaats allicht verkeerd verstaan. De voorafgaande woorden „blaeekenquot;, „ontvonckenquot; geven anders de beteekenis duidelijk aan, en ook het volgende „de lust.quot; 3 Zoo plucktze enz ; „.En zij nam van zijne vrucht, en at; en zij gaf ook haren man, en hij at. (Gen. III, 6). 3 Afkomst; collectief voor nakomelingen. 4 Zoo DRi enz.; Toen werden hun beider oogen geopend, en zij werden gevaar dat zij naakt waren.quot; (Gen. 111,7). 5 Bedeckenze enz.; «En zij vlochten vijgeboom-loof te zamen, en maakten zich schorteo.quot; Gen III, 7). 9 De eegenboogii; gewoonlijk een teeken des „verbnndsquot; tusschen God en Noach met zijn nageslacht gesloten. (Gen IX, 11-17); hier een teeken van Gods naderende straffende hand. 11 De hemel treurt; onze ten Kate vertaalt milton aldus:
De beet der tanden Scheen \'t hart der moederaard te wonden: want daar ging Een schok in \'t ronde, en met een bange huivering Deed al \'t Geschaapne een zacht van diepen weedom hooren, Als fluisterde Natuur: „Nu is het al verloren 1quot;
14 Zuchten; een geheel ander zuchten dan boven reg. 1. 20 Flus; zooeven nog: men zie v. Helten\'s Vondel enz. I, § 153.
113
lucifer.
Het ritslen van een bladt, of beeck, een kleen gerucht
Verbystert hen; terwyl een zwangre wolek komt dalen,
Die scheurt, en baert allengs een licht, een\' glans, en stralen,.
Daer d\' Opperste uit verachynt, in dien bedruckten staet, 5) En dondert met zyn stem , die hen ter aerde slaet.
Eey.
Och och och och, de mensch waer nutter noit geschapen.
Dat leert zich aen een vrucht, een\' mont vol saps, vergapen,
Gabkiël.
10) „O Adam!quot; dondert Godt, „waer zyt ghy toe geraekt?quot; •—
Vergeefme, o Heer! ick vlught uw aenzicht, bloot en naeckt.
„Wie leerde uquot;, vraegt hem Godt, „uw schaemte en naeckt-
heit kennen?
Durft ghy uw lippen aen verbode vruchten schennen?quot; 15) „Myn gade, myne bruit bekoorde my, helaes.quot;
Zy zeght: „de slimme slang bedroogme met dit aesquot;.
Dus schuift elck van den hals den oirsprong der gebreken. Key.
Gena. Wat vonnis wort op dit vergryp gestreken? 20) Gabriël.
De Godtheit dreight de vrou, die Adam heeft verleit,
Met ween, en barensnoot, en onderworpenheit;
Den man met arbeit, zweet, en zorge, en lastigh slaven;
Den acker, die den mensch ten leste zal begraven,
2 Verbystert; maakt hen van streeki verschrikt hen. 4 Bedruckten staet j de staat, waarin Adam en Eva verkeerden. 10 O Adam, dondert Godt enz.; „En zij hoorden de stem. des Heeren Gods, wandelende door den hof. „En de Heere God riep Adam, en zeide tot hem: „waar zijt gij?quot; 11 Ick vlught; „En hij zeide: ik hoorde uwe stem in den hof, en ik vreesde: want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.quot; (Gen. III, 19), 12 Wie leerde u enz.; „Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij ook van den boom gegeten, van welken ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?quot; (Gen. III, 11). 15 Mijn gade enz.; „toen zeide Adam: de vrouw, die gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.quot; (Gen. III, 3 3). 21 De Godtheit dreight de vrou enz,; „Tot de vrouw zeide hij: ik zal vermenigvuldigen uw kommer en uwe zwangerheid. Met smarte zult gij kinderen baren; en gij zult onder des man» magt zijn; en hij zal over u heerschappij hebbenquot; (Gen. III, 16). 23 Den man met arbeit enz.; „En tot Adam zeide hij: dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten hebt, waarvan ik u verbood, zeggende: gij zult daarvan niet eten; zoo zij het aardrijk om uwent wille vervloekt I met kommer zult gij daarvan eten, al de dagen uws levens.quot; (Gen. III; 17), 24 Den quot;acker enz.; „Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijn zult gij uw brood eten, totdat gij wederkeert tot de aarde; want uit haar zijt gij genomen: stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren.quot; (Gen. III, 18, 19.)
114
TKEUKSPEL.
Met onkruit, en veel ramp; de Slang, om \'t loos misbruick Van haer doortrapte tong, zal kruipen op den buick.
Langs d\' aerde hene, en slechts by stof en aerde leven.
Maer om den armen mensch een\' vasten troost te geven, 5) In zulck een jammernis, belooft de Godtheit trou
Te wecken, uit bet zaet en bloet van d\' eerste vrou, Den Stercken, die de Slang, den Draeck, het hooft eal pletten. Door erfhaet, van geen tyt noch eeuwen te verzetten.. En schoon dat felle Dier hem naer de hielen byt,
10) Noch triomfeert de Helt met eere, na dien stryt.
lek koom uit \'s Hooghsteu naem dat onheil u ontvouwen. Stel daetlyck orden, eerze ons moeite op moeite brouwen. Michaël.
Uriëi, Schiltknaep, die het heiligh Eecht bewaart, 15) En reuckeloosheit straft; gryp aen uw vlammend zwaert: Yliegh hene naer om laegh, en dryfze beide uit Eden, Die d\' eerste wet zoo blint zoo reuckloos overtreden.
Bewaeck den ingangh van \'t ontheilight paradys,
115
En keer de ballingen met kracht af van do spys, 30) Den boom, die \'t leven reckt. Gedoogh niet datze pluicken D\'onsterfelycke vrucht, en \'t hemelsch ooft misbruicken. Ghy wort op schiltwacht voor den hof en boom gestelt. Dat Adam buiien zwerve, en, vroegb en spade, velt En klaigront ommeploegh\', waer uit hem Godt bootseerde.
1 De slang enz.; „Toen zeide de Heere God tot de slang; dewijl gij dit gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt onder al het vee, en onder al het gedierte des velds. Op uwen buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.quot; (Gen. III, 14). 5 Bplooit de Godtheit enz.; „En ik zal vijandschap zetten tusschen u en 4e vrouw, en tusschen uw zaad en haar zaad.quot; (Gen III, 15). 6 Zaet en bloet ; kroost natuurlijk. 7 Den Stekken enz.; Datzelve (zaad) zal u den kop vermorzelen.quot; (Gen, III, 15). Die Sterke, die de oude slang den kop heeft vertreden , zijn macht vernietigd, is Jezus Christus (1 Joz. III, 8. Hebr. II, 14. Openb. XII, 9). 9 En schoon dat felle Dier enz.; „En gij zult het de verzenen verwonden.quot; (Gen. III, 15). 18 Bkouwen; twoorazfere, in bewerken: met ongunstige bijbeteekenis. 18 Bewaeck den ingangh enz ; „En hij dreef Adam uit; en hij stelde Cherubim vóór den lusthof en het vlammend lemmer eens zwaards, dat heen en weer zwaaide, om te bewaren den weg van den boom des levens.quot; (Gen. III, 24). 20 Pluicken; bij V. meermalen om \'t rijm voor plukken: De lezer vergelijke desbelast het Woordenb. op Beederoo en v. Helten\'s Vondel enz. Dl. I, § 23. 23 Dat Adam buiten zwerve enz.; „En de Heere God zond hem weg, uit den lusthof, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.quot; (Gen. III, 23). 24 Bootseerde; of boetseerde•. met den basteruitgang -eeren van bootsen, en dit van bootse = omtrek, model-, \'t Oudfransche bosse, ioche = „verheven beeldwerk.quot;
LUCrPER.
Ozias, aen wiens vuist de Godtheit zelf vereerde Den zwaren hamer van gekloncken diamant,
En ketens van robyn, en krammen, spits van tant, Ga hene, vang en span het heir der helsche dieren, 5) Den Leeu, en feilen Draeck, die tegens ons banieren
Dus woedden: vaegh de lucht van dees vervloeckte jaght. En boeize aen neck en klaeu, en ketenze met kracht. Dees sleutel van den put des afgronts en zyn holen Wort, Azarias, u en uwe zorgh bevolen.
10) Ga hene, sluit in \'t hol al wat ons maght bestryt. Maceda, neem dees torts, die vlam is u gewyt.
Ontsteeck den zwavelpoel, in \'t middelpunt der aerdej En pynigh Lucifer, die zoo veel gruwlen baerde, In \'t eeuwighbrandend vier, gemengt met killen vorst;
1 Ozias; „kracht des Heerenquot;: verdichte naam voor een voornamen Engel.
3 En ketens enz.; „En ik zag een\' Engel afvallen van den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en eene groote keten in zijne hand quot; (Openb. XX : 1).
4 Spannen; hinden: zie boven bldz. 13 reg. 7. 5 Den Leeu, en iellen Draeck; in de eerste plaats genoemd, als gespannen vóór Lucifers wagen. 6 Jaght; collectief, afgeleid van jagen: men vergelijke vlucht van vliegen. 7 En boetze enz.; „En hij greep den Draak — en boeide hem. (Obenh. XX, 2).
9 Azawas, Azaeia ; „hulpquot; of „voorhof Godsquot;, gelijk zich de Engel Raphael noemde, als hij het geleide van den jongen Tobias op zich nam. (Tob. V, 18).
10 Sluit in \'t hol enz.; „En de Engelen, die hunnen vorigen stand niet bewaard, maar hunne woonstede verlaten hebben, heeft hij met eeuwige boeijen in den duisteren kerker opgesloten, tegen het gerigt van den grooten dag.quot; (Jud. 6. 2 Petr. II, 4). 11 Maceda; „aanbiddingquot;, „nederbuigingquot;: naam van een voornamen engel. 11 Tobts; thans toorts •. torst beantwoordde meer aan het Eransche torche, waarnaar het werd gevormd. 11 Gewyt; opgedragen, toevertrouwd. 12 Zwavelpoel ; de strafplaats der verdoemden: men vergelijke de beschrijving bij Vondel, [Joannes de Boetgezant VI), en bij- Bildekdijk, {Ondergang der Eerste Wareld, III, vs. 153—186). Veel licht geeft de vergelijking met Virgilius\' Aeneis, VI, 264 en volgg. 12 \'t Middelpunt dek aekde; de Ouden dachten zich de plaats der verdoemden {hel = verholen plaats) onder de aarde; de Joden juist in \'t middelpunt. Latere dichters volgden de voorstelling der Joden. Zoo b.v. Bilderdijk in zijn Ondergang enz. III, va. 153:
In \'t middelpunt der aard, in onverstoorbre nacht Van tastbra dampen enz.
14 Eeuwighbrandend vier; „Een vuur, dat niet wordt uitgebluscht.quot; (Mark. IX, 45). 14 Kil; eigenlijk alleen houd (men vergelijke het Hgd. leilhl en \'t Eng. chili)\', het denkbeeld vochtig hechtte zich misschien aan dit woord door de gedachte aan het gelijkluidende substf. kil = diepte (o. a. van hst water gebezigd: Dordsche killen).
116
THEUKSPEL.
Daer Droef heit, Gruwzaemheit, Versteentheit, Honger, Dorst, De Wanhoop, zonder troost, de prickel van \'t geweten. En Onverzoenbaerheit, een straf van \'t boos vermeten. Versteken van den glans der Godtheit, in dien roock, 5) Getuigen \'s bemels ban, gevelt op \'t heiloos Spoock,
Terwyl \'t beloofde Zaet, verzoenende Godts toren,
Herstelle uit liefde al wat in Adam wert verloren.
Eey.
Verlosser, die de Slang het hooft verpletten zult, 10) \'t Vervallen Menschdom eens van Adams errefsehult Verlossen t\'zyner tyt, en weêr, voor Evaes spruiten. Een schooner paradys hier boven opensluiten;
Wy lellen d\' eeuwen, en het jaar, ja dagh, en uur.
Dat uw gena verschyn\'; de quynende Natuur 15) Herstell\', verheerelycke, in lichamen, en zielen;
Stoffeerende den troon, daer d\' Engelen uitvielen.
,
117
UIT.
1 Versteentheit; verhardheid. 3 Vermeten; vermetelheid. 4 Versteken; verstoken = beroofd. 5 Heiloos; ellendig, snood, rampzalig: zie bldz. 98 reg. 19. 6 \'t Beloofde Zaet; de Messias (Gen. UT, ? 5). 16 Stoffeeren; bekleeden, met de bijgedachte van „met pracht.quot;