-ocr page 1-
-ocr page 2-

T. oct.

[500

-ocr page 3-

ONDER DE ATJEHERS.

-ocr page 4-

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

1900 2942

-ocr page 5-

/ i A

Onder de Atjehers.

VERHAAL VAN EEN FRANSCHMAN?

voor Nederlandsche lezers bewerkt

DOOR

E. B. KIELSTRA.

HAARLEM, DE ERVEN F. BOHN. 1885.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOORBERICHT.

In het laatst van 1880 deed een Franschman, de fleer Xavier Brau de Saint-Pol Lias, eene reis naar Loöng, een der staatjes op de Westkust van liet voormalig Atjehsche Rijk, met liet doel, onderzoek te doen naar de mogelijkheid tot de vestiging eener Europeesche landbouwonderneming.

Wat hij daar, en ook in het middelpunt van ons bestuur over Atjeh, opmerkte, heeft hij onlangs op eene naar mijne meening belangwekkende wijze beschreven.

De Nederlanders hebben in de laatste jaren zooveel moeten hooren van Atjeh als het tooneel van den strijd, dat. het hun, dunkt mij, welgevallig moet zijn, eens wat naders omtrent land en volk — zij het dan van een betrekkelijk klein gedeelte van het vroegere Sultans-rijk — te vernemen. Ik heb daarom gemeend, gevolg te moeten geven aan het verzoek der Uitgevers, om van het verhaal van den Franschen reiziger eene Ne-derlandsche uitgaaf gereed te maken.

Bij dezen arbeid heb ik geene getrouwe vertaling beoogd; het is mijne bedoeling geweest om, aan de hand

-ocr page 8-

van den Schrijver, doch hkr wat weglatende, daar wat biivoegende, een Nederlandsch boekje te leveren.

Of ik eenigszins in dat plan geslaagd zou zijn?

Zoo ja, dan twijfel ik niet, of anderen zullen evenveel genoegen scheppen in de lezing, als ik in de bewerking der volgende bladzijden.

E. B. Kielstra.

-ocr page 9-

EERSTE HOOFDSTUK.

Vertrek naar het binnenland.

Een boodschapper van den Kedjoeroean. — De Atjeh-oovlog. — De Generaal van der Heijden. — üroot-Atjeli. — Oleldeh en Kota Radja, de havenplaats en de hoofdstad. — Eene Indische overstrooming. — Vertrek van Kota Radja. — Bezwaren, door een rijksdaalder opgeheven. — Het Mohamniedaansch gebed. — De vorst van Waylah, over den moord, in Tenom op twee Fransche reizigers gepleegd. — Een brief, door een inlandschen schrijver opgesteld. — De dragers van mijne bagage, door den Kedjoeroean gezonden. — Eindelijk op reis! — Oponthoud te Pakan Badak. — Militaire marsch naar Anak Paja. — De versterking van Kroeng Raba. Raden Achnied. — Gedetacheerde officieren van het Nederlandsche leger. — De duinen en hel strand. —■ Een nacht onder den blooten hemel. — Eindelijk aan boord!

De mensch staat toch altijd aan teleurstellingen bloot! Langs den weg van Olehleh komt een inlandsch ruiter op zijn klein paardje aanhollen. Hij rijdt langs do marktplaats, langs de sociëteit van de officieren, en houdt plotseling stil voor het hekje van de voorgalerij mijner tijdelijke woning te Kota Radja, waar ik kalm zit te lezen.

Wat zou er voor bijzonders gaande wezen? In een land als Atjeh is men altijd op onaangename verrassingen bedacht. Maar, een blik op den ruiter werpende die zoo mijn rust verstoort, herken ik al spoedig Aden, een volgeling van den vorst van Loöng; en nu kost het mij inspanning, hem niets van mijne blijdschap te doen blij-

1

-ocr page 10-

i VERTREK fiAAR HÉT BINNENLAND.

kon. Als het met mijne waardigheid van Europeaan overeen te brengen ware geweest, was ik naar hem toe gesneld; reeds zoolang had ik do tijdingen verwacht die hij brengen zou!

Ik blijf dus stil zitten. Mijn bediende laat hem binnen, en hij biedt mij zijne groeten aan met al de haast, die de belangrijkheid van zijne boodschap hem veroorlooft.

— De Toekoe Kedjoeroean (het hoofd van Loöng), zegt Aden, laat Mijnheer weten dat zijn vaartuig van Kroeng Raba vertrekken zal. —

— Wat is dat? Van Kroeng Raba? Van Olehleh bedoelt de Toekoe toch zeker ?

— Neem me niet kwalijk. Mijnheer, de prauw van den Toekoe ligt te Kroeng Raba en kan niet te Olehleh komen.

— Maar hoe moet ik met mijne zware bagage te Kroeng Raba komen? Ik heb daarop in \'t geheel geen gedachte gehad! En wanneer zouden we dan scheep gaan?

— De Kedjoeroean laat Mijnheer weten, dat heden om tien uur alles klaar is.

— Om tien uur van avond?

— Neen mijnheer, om tien uur \'s ochtends.

— Maar, het is nu al half elf!

Do groote afgezant van den vorst van Loöng schijnt door deze mededeeling zeer verrast; hij zegt niets, en bepaalt er zich toe, mij met een verwonderd gezicht aan te kijken. Hij heeft zijne boodschap overgebracht en er niets meer bij te voegen. Ik Iaat hem heengaan met de opdracht, om aan Toekoe Loöng te zeggen dat ik dadelijk mijn goed met den spoortrein naar Olehleh zal zenden en zelf ook nog heden daar zal aankomen.

Doch ik zit mooi verlegen met de oplossing van het vraagstuk, hoe ik mijne koffers van Olehleh naar Kroeng Raba vervoerd zal krijgen. In \'t geheele land is, voor

-ocr page 11-

verïrék Maar hët binnenland.

zoover ik weet, geen kar te huur, en het aantal personen , dat ik nooclig zou hebben om alles te dragen, is nog al belangrijk en moeielijk bijeen te scharrelen.

Ik begrijp dat het \'t beste is, den Generaal om raad en hulp te vragen. Zijne Excellentie heeft de goedheid , mijn briefje onmiddellijk te beantwoorden, maar ik kom er nietveel verder mee. Integendeel, het schijnt dat ik op het punt was geweest, in een wespennest te recht te komen!

„Kroeng llabaquot; — zoo schrijft mij de Generaal — „is op dit oogenblik zeer gevaarlijk. Volgens ingekomen berichten is Toekoe Oemar, het hoofd eener rooverbende, er met de zijnen aangekomen, en zouden deze zich wel eens van mijn goed meester kunnen maken. Het zou dus maar beter zijn, niet te vertrekkenquot; ....

Met dezen raad kan ik mij volstrekt niet vereenigen. De lezer zal dit kunnen begrijpen, wanneer hij eenigszins op de hoogte is gebracht van de toestanden. Het wordt ook tijd hem deze te doen kennen; minstens dient hij toch te weten, in welk land wij ons bevinden!

Nog maar weinige jaren geleden — vóór 1870 b. v. — wist men in Nederland nauwelijks, dat er, op het noordelijk gedeelte van het eiland Sumatra, een rijk van Atjeh bestond. Het Nedérlandsche bestuur, door hot in 1824 met Engeland gesloten tractaat gebonden om de onafhankelijkheid van Atjeh te eerbiedigen, liet zich bij voorkeur zoo weinig mogelijk met dit land in; het liet zich zelfs meermalen veel meer van Atjeh welgevallen dan met zijne waardigheid overeenkwam. Aan zijne verplichting, om handel en zeevaart ook ten noorden van Sumatra bescherming te verleenen, voldeed het niet, en de klachten der kooplieden van Penang en Singapore over de onveiligheid en den zeeroof in de wateren van Atjeh namen steeds toe. In Juli 1870 verklaarde de

1*

3

-ocr page 12-

VEHTllEK NA AU 11EÏ BINNENLAND i

de Gouverneur der Straits-Settlements, dat elk vaartuig, hetwelk de Noordkust van Sumatra bezocht, zelf de schade daarvan zou moeten lijden en niet op de bescherming der Engelsche Regeering kon rekenen.

In 1871 sloot de Nederlandsche Regeering een tractaat met de Engelsche, waarbij deze afzag van alle vertoogen tegen de uitbreiding van het Nederlandsch gezag op Sumatra. Daarmede kregen de Nederlanders de handen vrij, om al datgene te doen wat noodig was om scheepvaart en handel ook ten Noorden van Sumatra te beschermen. Zij beoogden nu, invloed bij den Sultan van Atjeh te verkrijgen, en van dien invloed gebruik te maken ter onderdrukking van den zeeroof, tot de oprichting van vuurtorens enz.

Doch de Atjehers, de Hollanders sedert meer dan twee eeuwen als hun erfvijand beschouwende, waren met die plannen geenszins gediend, en trachtten ze te verijdelen door achtervolgend aan verschillende mogendheden — Amerika, Engeland, Frankrijk, Italië, Turkije — de souvereiniteit over hun land aan te bieden. Het belang van Nederland als koloniale mogendheid bracht echter mede, dat zich geen andere buitenlandsche staat op Sumatra vestigde, en weldra werd, om zulks te voorkomen, eene oorlogsverklaring onvermijdelijk.

Het zou geheel buiten het bestek vallen van dit werkje, indien wij ons hier verder in de staatkundige aangelegenheden verdiepten, die tot deze oorlogsverklaring de dadelijke aanleiding gaven. Genoeg zij het, te vermelden dat den Sultan van Atjeh namens het Nederlandsche gouvernement de eisch werd gesteld, de noodige ophelderingen te geven van zijn gedrag en de noodige waarborg te verschaffen voor de toekomst en dat, toen deze eisch niet op voldoende wijze werd beantwoord, den 2üstuu Maart 187B tot den oorlog werd overgegaan.

4

-ocr page 13-

VE11TRKK NAAR HET BINNENLAND.

Deze werd gedurende eenige dagen door de schepen van Zr. Ms. zeemacht gevoerd, totdat, den 5den April, ter reede van Atjeh eene troepenmacht van 168 officieren en 3200 mindere militairen verscheen, onder bevel van don generaal-majoor J. H. R. Kohier. De tegenstand der Atjehers was echter veel grooter dan men had gemeend te moeten verwachten; en een paar dagen nadat, den 14dea April, de generaal Kohier den heldendood gestorven was, bleek het duidelijk, dat, met de beschikbare macht, het niet mogelijk was Atjeh te dwingen tot het inwilligen van onze eischen.

Met het oog op het aanstaande, voor militaire operation hoogst ongunstige jaargetijde werd derhalve door de Indische Regeering besloten, de troepen naar Java te doen terugkeeren, met het voornemen, de krijgstocht in het goede. seizoen te doen hervatten. Aan de zeemacht werd opgedragen, inmiddels de kusten van Atjeh zoo goed mogelijk te blokkeeren.

De eerste expeditie was dus mislukt, maar onmiddellijk werd eene tweede voorbereid om den ongunstigen indruk van den ondervonden tegenspoed op glansrijke wijze uit te wisschen.

Onder aanvoering van den grijzen generaal J. van Swieten, wien de generaal G. M. Verspijck als tweede Bevelhebber schitterend ter zijde stond, landde de Neder-landsche krijgsmacht, ditmaal sterker in aantal en uitmuntend uitgerust, den 9llen December 1873 op nieuw op Atjeh\'s strand. Ondanks den heftigen tegenstand des vij-ands, ondanks ook de cholera, die vele slachtoffers maakte, behaalden de Nederlanders bij deze tweede expeditie steeds voordeelen, en het succes werd bekroond door de verovering van den Kraton, de hoofdplaats des rijks en de woonplaats van den Sultan, op den i24stequot; Januari 1874.

5

-ocr page 14-

vertrek naar het binnenland.

De generaal van Swieten was van meening, dat het, in verband niet de beschikbare militaire en financiëele krachten, raadzaam was de verdere onderwerping des lands aan den loop des tijds over te laten en zich voor-loopig zooveel mogelijk te bepalen tot de vorming eener veilige stelling in den Kraton, die voortaan den naam van Kota Radja voeren zou, en tot de verzekering eener veilige gemeenschap met de zee. De oorlogvoering werd dus zooveel beperkt als de omstandigheden veroorloofden.

Na verloop van drie maanden (April 1874) achtte de genoemde veldheer de stelling te Kota Radja voldoende verzekerd om met een deel der troepen, waarvan met het oog op den aanstaanden regentijd toch geen doeltreffend gebruik zou kunnen worden gemaakt, Atjeh te verlaten. De kolonel Pel bleef, met een 3000 soldaten, op het veroverde terrein achter.

Zoodra de generaal van Swieten vertrokken was, begonnen de Atjehers weder hoogst vijandig op te treden, en het kostte den kolonel — later generaal Pel een jaar van hooge inspanning en aanhoudenden strijd, om den Kraton en de verbinding met de reede inderdaad veilig te maken. De gezondheidstoestand zijner troepen liet steeds zeer veel te wenschen over, en het behoeft geen betoog dat zijn taak daardoor belangrijk verzwaard werd. Het terrein rondom den Kraton werd voet voor voet veroverd, en door eene reeks van posten werd het bezit van dat terrein verzekerd.

Van Juni tot December 1875 dwongen de uitputting der troepenmacht en de weersgesteldheid de Nederlanders tijdelijk tot het aannemen eener meer lijdelijke houding. De generaal Pel vertrok in dat tijdvak wegens gezondheidsredenen naar Java en slaagde er daar in, het legei-bestuur en de Indische Regeering voor zijne verdere plannen te winnen; inmiddels werd den kolonel G. Ij.

6

-ocr page 15-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

T. Wiggers van Kerchem opgedragen, den bestaanden toestand te handhaven en van lieverlede te verbeteren. De Atjehers bleken, in dit tijdsbestek, nog geenszins verslagen te zijn; met vernieuwde krachtsinspanning togen zij aan den arbeid, om de opgerichte posten door een keten van verschansingen te omringen, en zij werden, toen de Nederlanders meer lijdelijk bleven , bij den dag overmoediger. Meer en meer bleek stilstand achteruitgang te zijn.

De krijgsmacht in Atjeh werd belangrijk vermeerderd om de plannen van den generaal-majoor Pel uit te voeren, en in December 1875 ving de „zeventigdaagsche veldtochtquot; aan, die met een uitmuntenden uitslag bekroond werd; de Sagi der XXV Moekims werd geheel veroverd. Doch zoowel tengevolge van de hoogst ongunstige weersgesteldheid als van de volslagen afmatting van troepen en koelies, was het niet mogelijk, die plannen dadelijk geheel ten uitvoer te brengen. De generaal Pel overleed den 24sten Februari 1876 plotseling aan een slagaderbreuk, en zijn opvolger, de generaal-majoor Wiggers van Kerchem, was door de omstandigheden weder genoodzaakt eene afwachtende houding aan te nemen. Eerst in September 1876 kon er aan worden gedacht, de operatiën te vervolgen, en in het begin van 1877 werd door den generaal-majoor A. J. E. Diemont, die den generaal van Kerchem vervangen had, de laatste hand aan de voltooiing van het programma van den generaal Pel gelegd.

Het westelijk gedeelte van Groot-Atjeh was nu aan het Nederlandsche gezag onderworpen, en de toegangen naar zee waren door de Nederlanders bezet. Hierdoor — zoo vleiden deze zich — zouden de binnenlanden van hen afhankelijk, en aan Atjeh zijne beteekenis tegenover de buitenwereld ontnomen worden.

7

-ocr page 16-

VERTHEK NAAR HET BINNENLAND.

De Gouverneur-Generaal, Mr. J. W. van Lansbergc, die in Maart 1877 Atjeh bezocht, was dan ook van meening dat eene afwachtende houding kon worden aangenomen ; dat geene uitbreiding van het onderworpen gebied meer noodig zoude zijn, en de Atjehers zouden eindigen, zich in het onvermijdelijke to schikken. Men zou nu eene staatkunde van bevrediging en verzoening moeten volgen en met de beschikbare strijdkrachten de kuststaten , die zich nog wederspannig betoonden, tot rede brengen. Dit laatste was reeds, in 1876, met Simpang Olim geschied, en had daarna ook met verschillende andere landstreken — Loöng, Malaboeh, Langsar en Madjapahaït, Samalanga, Gedong enz. — plaats.

De afwachtende houding kon, in Groot-Atjeh, ruim een jaar lang worden volgehouden. Doch toen bleek het, dat- de Atjehers zich den verloopen tijd hadden te nutte gemaakt om hunne krachten weder te verzamelen, en dat zij, met behulp van verschillende kuststaten, nog ruimschoots in de gelegenheid waren zich van alles te voorzien wat voor het hervatten van den krijg noodig was. Van lieverlede traden zij weder stoutmoediger op, en in Juni 1878 dwongen zij, door een inval in het onderworpen gebied, de Nederlanders om de aangenomen gedragslijn te laten varen en op nieuw aanvallenderwijs op te treden.

Aan den toenmaligen kolonel K. van der Heijden, die in 1877 met het militair en burgerlijk bestuur was belast geworden, viel de eer te beurt, den Atjehers beslissende slagen toe te brengen. Hij zocht den vijand in diens gebied op, verdreef hem uit zijne sterke stellingen, en ofschoon de troepen maanden lang, tengevolge van het buitengewoon ongunstig weder, betrekkelijk werkeloos moesten blijven, slaagde hij er in, zoowel in de XXII als in de XXVI Moekims allen tegenstand te breken.

8

-ocr page 17-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

Den 5den September 1879 konden de te velde zijnde colonnes worden ontbonden, en kon de veldheer, inmiddels tot generaal-majoor en kort daarna tot luitenant-generaal bevorderd, naar waarheid verklaren dat krijgsbewegingen op groote schaal niet meer noodig zouden zijn en dat men thans, krachtig door de troepenmacht gesteund, zou moeten trachten te herstellen wat door de rampen van den oorlog was vernield.

De Atjeh-oorlog was toen geëindigd; dat hij later weder opnieuw is ontbrand, toen de luitenant-generaal van der Heijden het bestuur had moeten overgeven aan een burgerlijk ambtenaar , die niet stelselmatig op het ingeslagen pad voortschreed, is bekend. Het tijdperk van het bestuur der burgerlijke ambtenaren, dat in April 1881 een aanvang en in Augustus 1884 een einde nam, valt echter buiten het kader van dit werk, daar de schrijver tijdens het bestuur van den generaal van der Heijden in Atjeh vertoefde.

Het zij mij vergund, hier den indruk weder te geven, dien deze veldheer op mij maakte. Daartoe diene het volgende uittreksel uit mijn dagboek.

Het gezag, dat de generaal hier uitoefent over zijne strijdmacht, over de burgerlijke ambtenaren en ook over de inlandsche bevolking, is inderdaad zeer groot. Allen bewonderen hem; zij zijn verbaasd over de vaardigheid van zijn oordeel en zijne ongeloofelijke wilskracht. Hij kent geene bezwaren, zoo werd van hem getuigd, en gaat met vasten wil op het voorgestelde doel af. Voor-zijne officieren is hij gestreng; van allen, zonder onderscheid van rang, eischt hij volledige medewerking, in den ruimsten zin, en nauwkeurige opvolging van ontvangen bevelen. Jegens hem, die in een of ander te kort schiet, kan hij zich geweldig driftig maken; maar

9

-ocr page 18-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

overigens, goedhartig van aard, houdt hij van zijne ondergeschikten, en is hij door hen ook evenzeer bemind als gevreesd. Men heeft dikke tranen op zijn gelaat gezien bij zijne veelvuldige bezoeken in het hospitaal, waar de gewonde of zieke soldaten hem, op een gemeenzamen toon, bij zich roepen. Hij neemt het de officieren kwalijk , wanneer deze hunne soldaten willen verbieden, hem onder elkaar „Kareltjequot; te noemen. Een soldaat, doodelijk gewond bij den laatsten veldtocht, in 1879, zeide tot den geneesheer, die hem verbond en wat moed wilde inspreken: „Neen, ik weet dat ik spoedig zal sterven; beloof mij alleen maar, aan den generaal te zeggen dat ik mij in het gevecht goed gehouden heb.quot; De generaal ging, zoodra de doctor hem deze woorden had medegedeeld , den lijder in de ambulance bezoeken en drukte hem de hand. „Nu sterf ik gerust,quot; zeide de dappere.

Gedurende mijn verblijf in Atjeh heb ik ten volle de gelegenheid gehad, op te merken hoezeer de generaal aller harten heeft weten te winnen. Ik kwam hem dikwijls in den loop van den morgen in zijn bureau bezoeken. Hier ontving hij zijne officieren, de ambtenaren of bijzondere personen, al wie hem te spreken had, met een beminnelijken eenvoud. Men vond hem steeds in zijne generaalsuniform, ondanks het heete klimaat; maar zijne bezoekers waren in elke kleeding welkom. In de voorgalerij, die voor antichambre diende, stond een tafel, waarop men, binnenkomende, zijn helmhoed of politiemuts nederlegde. Hieraan kon men zien, of de generaal reeds bezoek had, of dat hij alleen was; in het laatste geval ging men maar naar binnen, na even geklopt te hebben aan de half openstaande glazen deur. Ik zul nooit de gastvrijheid en de welwillendheid vergeten, welke de generaal van der Heijden ons ten allen tijde bewezen heeft.

10

-ocr page 19-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND. 11

Hij is voor ieder, voor zijne soldaten in de eerste plaats, een persoon die door zijn loopbaan eerbied afdwingt. Als gewoon soldaat in dienst getreden, verdiende hij reeds,. als onderofficier, het Ridderkruis der Militaire Willemsorde. Als kapitein onderscheidde hij zich gerui-men tijd gedurende den Bandjermasinschen krijg. Als luitenant-kolonel nam hij deel aan de tweede expeditie tegen Atjeh, maar nooit behaalde hij hooger roem dan bij de veldtochten van 1878 en 1879, toen hij geheel Groot-Atjeh tot onderwerping dwong. Met het oog op al wat hij in Indië heeft gedaan, mocht met recht van hem getuigd worden, wat door den Commandant van het Indische leger in 1879 werd gezegd: De Neder-landsche natie is hem grooten dank verschuldigd!

In de verschillende kuststaten, te zamen de „onder-hoorighedenquot; van Atjeh genoemd, is het Nederlandsche gezag nog grootendeels slechts in naam gevestigd; de hoofden hebben er het oppergezag van Nederland erkend, op plechtige wijze trouw beloofd, — maar over \'t algemeen houden zij zich aan hunne beloften niet meer dan met hun belang overeenkomt. Doch Groot-Atjeh, het land waar de Sultan vroeger rechtstreeksch gezag voerde , was in 1880 geheel aan de Hollanders onderworpen.

Het is, behalve een klein gedeelte nabij den Kraton, dat het domein van den Sultan vormde, verdeeld in drie afdeelingen of Sagies, welke elk uit een aantal gemeenten (Moekims) bestaan. Zoo spreekt men van de Sagi der XXV, die der XXII en die der XXVI Moekims, naar het aantal Moekims dat zij aanvankelijk bevatten. De Sagies zijn onderverdeeld in districten — zoo vindt men b. v. in de XXV Moekims het district der IV Moekims, der VI Moekims, der IX Moekims enz. —,

k

-ocr page 20-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

terwijl elke Moekim uit een aantal kampongs bestaat.

Over de districten en kampongs wordt het bestuur door inlandsche hoofden gevoerd. Voor de vroegere Sagi-hoofden zijn thans Europeesche ambtenaren in de plaats getreden. De rechtspleging is in 1881, zooveel mogelijk met instandhouding der landsgebruiken, geregeld.

Wat den reiziger, die Groot-Atjeh bezoekt, het meeste treft, is het Europeesch aanzien van de havenplaats Olehleh. Ondanks de onophoudelijke inspanning, welke de oorlog steeds vorderde, is de militaire genie er in geslaagd, zoowel op dat punt als te Kota Radja reeds zeer veel tot stand te brengen.

Olehleh is eene kleine stad geworden, die, evenals Kota Radja, zijne militaire kampementen en zijne Europeesche, Ghineesche en inlandsche wijken bezit. Van de schepen, die op de reede, enkele honderde meters van het strand, geankerd liggen, gaat de reiziger over in een stoombarkas of eene sloep, waarmede hij het havenhoofd bereikt: eene op ijzeren schroefpalen rustende brug van honderd meters lengte, die loodrecht op het strand gericht is en aan zijn naar de zee gekeerd uiteinde een paar stoomkranen bezit voor het laden en lossen der goederen. De spoorweg, die naar den Kraton leidt, loopt tot aan dit uiteinde door en men kan dus, wat vooral voor zieken en gekwetsten van belang is, dadelijk van het spoor in de sloepen overgaan. Aan het spoorwegstation te Olehleh kan men een telegram naar den kraton zenden; de spoorwagen brengt den reiziger in twaalf minuten derwaarts.

De kraton, de oude versterking der Sultans, is een groote vierhoek van omstreeks 300 meters breedte en G00 meters lengte, vroeger door borstweringen, thans door een ringmuur met bastions omringd. Men vindt

12

-ocr page 21-

Vertrek naar hét binnenland.

daarbinnen een aantal kazernes en verdere gebouwen voor de soldalen, woningen voor den Gouverneur en vele verdere officieren, het arsenaal, de magazijnen der militaire administratie en de bureaux der verschillende autoriteiten.

Aan de oostzijde zijn, door een ijzeren dak overdekt en door eene houten schutting afgesloten, de graven der vroegere sultans. Die graven, die bij de Atjehers nog in een reuk van heiligheid staan, kunnen slechts bezocht worden wanneer daarvoor bijzondere vergunning is verleend; de sleutel berust bij den Hoogepriester. Andere graven van hooge personen, door grafteekenen van brons of bewerkten steen versierd, worden op een heuvel aan de westzijde van den Kraton aangetroffen.

Overigens vindt men bij de Atjehers geene kerkhoven, in den Europeeschen zin des woords; men begraaft de lijken zoowat overal, soms op een heuvel, en houdt de herinnering aan den afgestorvene dikwijls levendig door steenen gedenkteekenen. Meermalen zijn de graven door een gemetselden ringmuur omgeven, die, tijdens den oorlog, tot dekking der Atjehsche schutters diende. Na de vestiging der Europeanen is buiten den Kraton, en ten zuidwesten daarvan, een uitgestrekt kerkhof aangelegd, waar o. a. het stoffelijk overblijfsel van den generaal Pel tusschen dat van zoovele andere officieren en soldaten rust. Fraaie monumenten, op de graven van velen opgericht, geven blijk van de sympathie der kameraden.

Ten zuiden van den Kraton ligt het kampement van Nesoeh, met eenige officierswoningen en verder, voor de huisvesting der soldaten, een aantal planken barakken , met atap gedekt. De Kroeng Daroe, eene rivier die verder door den Kraton loopt en zich, na het verlaten van deze, in de Atjeh-rivier stort, stroomt in de nabijheid van Nesoeh en geeft daar den soldaten eene ge-

13

-ocr page 22-

VF.RTHEK N\'AAtt HET BINNENLAND.

schikte gelegenheid om zich door een bad te verfrisschen. Aan de overzijde van deze rivier vindt men een steenen gebouw van allervreemdsten vorm, de Taman genoemd. Het heeft een achthoekig prisma als basis, en daarboven drie verdiepingen, tot een gezamenlijke hoogte van ruim negen meters. Elke verdieping eindigt in eigenaardige , boogvormige, op bladen gelijkende versieringen, waar-tusschen steenen zitplaatsen. Van buiten voert een trap door den muur naar de eerste verdieping. Omtrent de bestemming van dit gebouw zijn allerlei legenden in omloop; de geloofwaardigste is, dat de sultans zich hier met hunne volgelingen kwamen verpoozen en er zich, op bepaalde tijden, met hunne vrouwen heen begaven om plechtige maaltijden {sedekalis) te houden ter herinnering aan overleden bloedverwanten of andere fami-lie-gebeurtenissen. Anderen zeggen, dat hier de vonnissen der veroordeelden voltrokken werden.

De Kroeng Daroe deelt den Kraton in twee deelen en is daar op verschillende plaatsen overbrugd; enkele dezer bruggen, zooals die welke naar de bureaux van den Gouverneur en den Militairen Bevelhebber voert, zien er heel aardig uit. Buiten de noorderface van den Kraton ligt een brug, die ons op den weg naar Lambaroe brengt; aan dezen weg liggen eene nette lagere schooi, eenige officierswoningen, de militaire kantine en, eindelijk, het groote kettinggangerskwartier.

De kettinggangers zijn inlanders, van Java of andere eilanden van den Indischen archipel afkomstig, die tot dwangarbeid veroordeeld zijn. Zij worden goed verpleegd en verzorgd, maar aan eene zeer gestrenge tucht onderworpen; zij zijn te Atjeh van het hoogste nut. Velen hunner hebben een moord of diefstal onder verzwarende omstandigheden begaan; zij weten, dat zij gestreng worden nagegaan, en doen over \'t geheel hun dienst

14

-ocr page 23-

VÈRTUEK NAAR MKT ËlNfJENLAflD.

met regelmatigheid, onderworpenheid en ijver, — meer dan men bij vrije lieden verwachten kan. Hunne voornaamste bezigheid is die van koelies (dragers) van het leger. Zij vergezellen de troepen wanneer deze uitrukken, dragen de kookketels, de levensmiddelen en de reservemunitie, zijn de genie bij hare werkzaamheden, ook op de gevaarlijkste plaatsen, behulpzaam, doen gedeeltelijk dienst als hospitaalsoldaten, en geven dikwijls blijk, niet alleen van goeden wil, maar ook van buitengewone dapperheid. De generaal van der Heijden heeft mij verhaald, dat hij meermalen zendingen van vertrouwen aan deze lieden heeft opgedragen, waarvan zij zich met het meeste beleid kweten; en aan velen is dan ook, tengevolge hunner goede diensten in Atjeh, vermindering of geheele kwijtschelding van straf verleend geworden.

De dwangarbeiders hebben eene geheel blauwe kleeding — broek, sarong, baadje en hoofddoek — alles van katoen vervaardigd; zij zijn daaraan gemakkelijk te herkennen. Tijdens mijn verblijf te Atjeh waren er in \'t geheel een paar duizend; onder dit aantal kwamen steeds vele mutatiën voor, want ondanks do uitmuntende voeding die hun verstrekt werd, en de goede geneeskundige behandeling , waren zij slecht tegen het klimaat bestand. Vooral de berri-berri, eene bij Europeanen zeldzaam voorkomende ziekte, sleept vele veroordeelden , en trouwens ook vele andere inlanders, ten grave.

De noordzijde vormt hetgeen men den voorgevel van den Kraton zou kunnen noemen. Er zijn twee poorten in: die van den spoorweg, aan de west-, en de gewone ingang voor voetgangers en rijtuigen, aan de oostzijde. Bij de laatste was vroeger eene breede borstwering, waarop een schildwacht, onder een grooten boom staande , den weg overzag die naar den Kraton leidt. Deze weg

15

-ocr page 24-

VEKTUEK NAAR HÉT BINNENLAND.

voert, buiten den Kraton, ter rechterzijde langs de woningen van den contróleur en den secretaris en de groote toko \') van van der Zijl; ter linkerzijde langs de woningen van den adsistent-resident en twee hoofdofficieren (tijdens mijn verblijf te Atjeh de Eerstaanwezend genieofficier en de Chef van den Staf), en, eindelijk, de offi-cierssocieteit. Evenwijdig aan dien weg loopt, of liep althans in 1881, de spoorbaan,— deze is thans door een tramweg vervangen — die, dadelijk buiten den Kraton, aan de eene zijde grenst aan het stationsgebouw met postkantoor, en, aan den anderen kant, aan de uitmuntend ingerichte werkplaatsen der genie, waarin alle werktuigen door eene stoommachine in beweging worden gebracht en alle herstellingen aan het rollend inate-rieël van den spoorweg kunnen worden verricht. Langs den passar (marktplaats) en de missigit (moskee) ombuigende , gaat de spoorbaan verder westwaarts naar Olehleh.

Behalve door dezen „ijzeren wegquot; is Kota Radja nog met laatstgenoemde plaats verbonden door oen uitmuntenden Mac-Adamweg, die den Kraton aan de westzijde verlaat en langs het bovenbesproken kerkhof voert.

De missigit, waarvan ik zooeven melding maakte, is een prachtig steenen gebouw — alle andere duurzame gebouwen in Atjeh zijn, met het oog op de daar voorkomende zware aardbevingen, van hout —, in Moorschen stijl opgericht. De bouw daarvan, waarvan de kosten op omstreeks drie tonnen gouds kunnen worden gesteld, heeft in 1878—1881 plaats gehad op last van den Gouverneur-Generaal van Lansberge, die hiermede eene reeds door den generaal van Swieten gedane belofte vervulde.

\') Een Indische toko is een winkel of magazijn, waar de meest uiteenloopende artikelen te koop zijn: eetwaren in blik, wijn , bier, sterke dranken, galanteriewaren, kantoorbehoeften, reiskoffers , parfumeriën, soms zelfs schoenen, sabels, kleedingstukken enz.

16

-ocr page 25-

VÉKTREK NAAR HET B1NNËNLANÜ.

Hij hoopte den Atjehers daarmede een schitterend bewijs te geven, dat hunne godsdienst, de Mohanunedaansche, door het Nederlandsch gezag volkomen geëerbiedigd werd, en aldus tot verzoening der vijandig gebleven partij mede te werken. De nieuwe tempel werd gebouwd op dezelfde plek, waar de vroegere missigit had gestaan, die den 10Jen April 1873, tijdens de eerste expeditie, in brand geschoten was , en welke plok, door nieuw opgeworpen aardewerken omringd, den 6dei1 Januari 1874 wederom hot tooneel van een hevigen strijd was geweest.

Het gebouw, zooals het thans daar staat, is een eigenaardig bewijs van de bezwaren, waarmede de militaire genie heeft te kampen gehad om de noodige hulpmiddelen voor hare werken te verzamelen. Het land zelf leverde nagenoeg niets op; evenmin bekwame arbeidslieden als bouwstoffen. Onder toezicht van Europeesch personeel heeft de bouw bijna nagenoeg geheel plaats gehad door Ghineesche arbeiders; de spreuken uit den Koran, waarmede de architraafbalken binnen de missigit zijn versierd, werden uitgebeiteld door een Arabisch priester. De kalk werd van Penang, de metselsteenen van Nederland aangevoerd; het marmer, waarmede de vloer en de trappen bedekt zijn, werd uit China ontboden; de gegoten ijzeren ramen kwamen uit België, de zware ijzeren kolommen van Soerabaja, het hout van Moul-mein, enz.

Het leggen van den eersten steen en de voltooiing van het geheele werk zijn met veel plechtigheid en volksfeesten gevierd, — doch na de thans opgedane ondervinding kan men niet zeggen, dat het prachtige geschenk, door de Nederlanders aan de Atjehers vereerd, deze tot dusverre tot dankbaarheid heeft gestemd.

Hervatten wij thans onze beschrijving van Kota Radja. Tegenover de passar, langs de spoorbaan, strekt zich

17

-ocr page 26-

VERÏRËK NAAK HET BINNENLAN\'Lt.

eeno rij van tokos uit, ongeveer tot aan de halte Gedah , die als het beginpunt van de plaats Kota Radja te beschouwen is. Voor de missigit, ongeveer evenwijdig met de westzijde van den Kraton, loopt een ringdijk, welke een polder insluit, waarop de Kraton kan afwateren. Bij hevige regens, zooals zij alleen tusschen de keerkringen vallen kunnen, wordt deze polder door een stoom-pomp van haar water ontlast, hetwelk dan naar de Kroeng Daroe vloeit. Ook het laaggelegen terrein aan den weg naar Lamharoe, waar de school, de kantine enz. staan, wordt op dezelfde wijze door een stoompomp droog gehouden.

Pantei-Perak is eene tweede Europeesche, geheel militaire wijk; deze strekt zich uit langs den rechteroever der Atjeh-rivier. Een nette houten brug, van omstreeks zestig meters lengte, vereenigt de beide oevers. Het kost bij bandjirs (overstroomingen, sterke stroom in de rivier) veel inspanning van de genietroepen en dwangarbeiders om alle voorwerpen die kunnen afdrijven — prauwen, bamboezen huizen, boomstammen enz. — door de openingen tusschen de jukken le leiden of ze vóór die openingen te verwijderen. Men heeft daarom, bij de later gebouwde bruggen over de Atjeh-rivier , steeds de ijzerconstructie toegepast, waarbij de doorvaartopeningen eene wijdte van 10 of 12 meters konden erlangen.

Wanneer men, op de brug van Pantei-Perak staande, de Atjeh-rivier stroomafwaarts volgt, dan vindt men, links, de woning van den pastoor met de katholieke kapel, — een fraaie naam voor eene ellendige bamboehut, aan den nok van een houten kruis voorzien. Naast dit gebouw strekt zich eene rij tijdelijke officierswoningen uit; daarachter een open veld, waar vroeger het groot militair hospitaal heeft gestaan. Deze inrichting, ook geheel uit bamboezen lokalen bestaande, is in het laatst van

is

-ocr page 27-

vehtrëk naar hët binnemlanu.

1880 overgebracht naar het nieuwe hospitaal-etablissement , hooger op aan de rivier opgericht; daarna zijn de oude gebouwen afgebroken. Wegens de mogelijkheid van besmetting van den bodem achtten de geneesheeren het raadzaam, het terrein van hot oude ziekenverblijf voor-loopig ongebruikt te laten liggen.

Langs den linkeroever der Atjehrivier vindt men de muziektent voor de sociëteit; verder de rij toko\'s waarvan ik reeds melding maakte, en eindelijk de magazijnen van den aannemer, die voorzien moet in al de, voor troepen en dwangarbeiders, dagelijksch vereischte mondbehoeften, brandstoffen enz. De rivier maakt dan plotseling eeno wending rechts, en loopt, aan denzelfden kant, verder langs de kampong Gedah , waar men eene allerzonderlingst gemengde bevolking aantreft: Duitschers, Grieken, Perzen, Armenianen, Geyloneezen, — allen kooplieden in manufacturen, schoenen, dranken enz. Nabij de ijzeren brug, die voorbij deze huizen over de Atjehrivier voert, vindt men de nieuwe steenen gevangenis, de woning van het politiepersoneel en eene barak voor eene compagnie infanterie.

De kampong Djawa, die aan de kampong Gedah grenst, is geheel door Atjehers bewoond; hier is ook de woning van den Hoogepriester, den bekenden Toekoe Kadli, eender hoofden die het Nederlandsche gezag het meest genegen is.

Tegenover kampong Djawa, aan den rechteroever der rivier, strekt zich Penajoeng uit. Dit is de Ghineesche wijk, zooals dadelijk te zien is aan den eigenaardigen bouwtrant der woningen, evenzeer als aan het voorkomen der personen die , vooral tegen het vallen van den avond, in groote hoeveelheid in de breede straat aanwezig zijn. Twee Ghineesche hoofden , met den titel van kapitein en luitenant, wonen hier in huizen, die in bouwtrant eenigszins meer met die der Europeanen over-

2*

19

-ocr page 28-

20 Veutuek naak het binnenland.

eenkoraen. Met den luitenant-chinees te Olehleh en dien te Lambaroe zijn deze personen voor een groot deel de aannemers van bouwwerken en wegen en de pachters van het opiumdebiet en andere inkomsten van den staat. Reeds spoedig na de vestiging der Nederlanders in Atjeh, toen het er nog hoogst onveilig was, kwamen daar vele Chineezen hun geluk beproeven; ofschoon bij voorkeur „mannen des vredesquot;, schromen zij het gevaar niet wanneer zij daardoor gelegenheid hebben iets te verdienen. Zij hebben hierdoor belangrijke diensten bewezen aan de Nederlandsche vestiging en aan de militaire bezetting , maar menig Chinees heeft zijne zucht om zich te verrijken moeten bekoopen met den dood, eene zware verwonding of het verlies zijner koopmansgoederen. Evenals een goed soldaat de overtuiging bezit dat hij een maarschalksstaf in zijn ransel draagt, zoo heeft elk Chinees de illusie, eenmaal rijk te zullen worden; daarom heeft hij b. v. een afkeer van den militairen dienst, maar is, voor den handel, hem geene inspanning te groot.

Ik zal nu Kota Radja, de „Koningsstadquot;, die eigenaardige hoofdplaats van Atjeh, vrij volledig hebben beschreven , wanneer ik den lezer verzoek, zich met mij op de brug van Pantei-Perak om te keeren en nog even de rivier stroomopwaarts te beschouwen. In de eerste plaats merken wij dan een eilandje in den stroom op, dat voor en onder de brug ligt en door een houten trapje van de brug af bereikt wordt. Dit eilandje is de badplaats der inlanders, waar zoowel mannen als vrouwen, van den ochtend tot den avond, zich wasschen en baden in de open lucht, — maar met die welvoegelijk-heid, welke in \'t algemeen den inlander eigen is; dat baden in de rivier, zooals men ook elders in Indië steeds kan aanschouwen, geeft den voorbijganger niet den minsten aanstoot. Thans zullen de lieden wel een andere bad-

-ocr page 29-

VEHTHEK NAAK HET BINNENLAND.

plaats hebben moeten opzoeken, want reeds tijdens mijne aanwezigheid in Atjeh nam het eilandje bedenkelijk in oppervlakte af; door den soms hevigen stroom spoelde er telkens een gedeelte weg. — Aan de rechterhand ziet men verder de uitmonding der Kroeng Daroe, met hare groote bamboe-struiken; verder houten of bamboezen uitbouwingen, welke tot de accessoires van de cantine of het kettinggangers-kwartier behooren , en eindelijk de cantine, eene uitmuntende sociëteit voor onderofficieren en soldaten, met schouwburglokaal, biljart- en leeszalen en een afzonderlijk gebouw voor scherm- en gymnastiezaal. De cantine is grooter dan de officiers-sociëteit en bijna even goed ingericht; in de leeszaal vindt men alle mogelijke Europeesche illustraties en verschillende Indische dagbladen.

Aan onze linkerhand zien wij een aantal goed ingerichte officierswoningen, logies voor soldaten, en, verder op, het nieuwe hospitaal, eene uitgebreide en doelmatige inrichting, die niet minder dan twee millioen guldens heeft gekost. In het algemeen moet trouwens van de Nederlandsch-Indische Regeering worden getuigd dat zij, voor de verpleging harer zieke of gewonde officieren en soldaten, geene kosten spaart. In dit hospitaal zijn geen bamboezen barakken op den beganen grond meer, zooals in het vroegere, maar fraaie paviljoenen, waarvan de vloeren een meter boven het terrein verheven zijn. Die paviljoenen, ruim en luchtig gebouwd, zijn allen met elkander verbonden door ruime gangen, die de zieken tot wandelplaats dienen. De terreinen tus-schen de gebouwen zijn als tuinen aangelegd. Het geheele établissement is omringd door een stevig ijzeren hek, en de zieken worden, aan de zijde van het hooger op aan de rivier gelegen Kota Alam, beschermd door twee compagniën infanterie; die in een uitmuntend kampement gelegerd zijn.

21

-ocr page 30-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

Geheel in de verte ziet men den hoogen top van den Goudberg, die het tusschengelegen bergachtig terrein schijnt te beheerschen.

Ik had reeds vroeger vijf maanden in Atjeh doorgebracht ; doch juist bij mijn aankomst waren, in \'t begin van 1880, twee Fransche reizigers in Tenom venjioord, en tengevolge daarvan was mij voorloopig de toegang ontzegd naar alle punten, waar geen Hollandsche soldaten gelegerd waren. Tengevolge van de goede zorgen der machthebbenden voor mijne veiligheid, kon ik mij alleen onder goed geleide, en meestal in gezelschap van een ambtenaar bewegen.

Ditmaal had ik meer vrijheid; maar juist toen ik in Atjeh terugkeerde, had er de grootste overstrooming plaats die de Europeanen in deze landstreek hadden bijgewoond.

Den morgen na mijne aankomst (November 1880) kwam mij mijn Maleische bediende wekken met de mede-deeling , dat er overstrooming was. Ik hield mijn verblijf in de toko van van der Zijl, waar ik^een plaatsje voor mijn veldbed en eene gastvrije tafel gevonden had; want ofschoon men per spoortrein, per vuurwagen zooals de inlanders zeggen, de hoofdplaats van Atjeh bereikt, was daar nog geen logement.

De toko is gebouwd nabij het punt, waar de Kroeng Daroe in de Atjehrivier valt. Zij rust op gemetselde pijlers, zoodat de vloer vrij hoog boven het terrein verheven is, en wordt tegen hooge waterstanden beveiligd door een zwaren dijk, die langs eerstgenoemde rivier is opgeworpen.

Vóór ons zagen wij de Atjehrivier met een buitengewoon feilen stroom, bijna het dek der brug bereikende.

22

-ocr page 31-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

Wij vreesden dat de brug bezwijken zou, maar hadden er niet de minste gedachte op, dat de toko gevaar liep.... Maar een uur daarna stond mijne kamer onder water; mijn veldbed was onder het water verdwenen, dit rees nog steeds, en ik spande met mijn bediende al mijne krachten in om mijne goederen, door ze op eene verhevenheid te plaatsen, van bederf te redden.

Hetzelfde tooneel was tegelijkertijd bijna in alle huizen van Kota Radja te aanschouwen.

Het water was van een anderen kant gekomen dan van die, waarop aller aandacht gevestigd was. Niet de Atjehrivier, maar de Kroeng Daroe was bulten hare oevers getreden; tegen haren aandrang waren de dijkjes aan de zuidzijde van den kraton niet bestand geweest, en in een oogenblik stond alles onder water. De straten waren in kanalen herschapen.

De schuitjes, waarmede men zonder bezwaar over de dijken van de Atjehrivier gekomen was, voeren nu op de plaats zelve , van het eene huis naar het andere, rond.

Die dijken hielden echter nog stand, en aan de overzijde der rivier bleven Pantei Parak en het oude hospitaal nog droog. De aanhoudende stortregens van de laatste vijf of zes dagen hadden opgehouden, en men kon de hoop voeden dat het water dalen zou, zonder, aan dien kant, eenig nadeel toe te brengen; intusschen hielden de genie-officieren de wacht, en had de gouverneur, voor alle eventualiteit, een bataljon infanterie in de kazerne doen consigneeren. Des avonds, ten 7 uur, bij volslagen duisternis, bleek echter het gedeelte van den dijk langs het hospitaal zóó doorweekt te zijn, dat weldra alle pogingen om hem te behouden nutteloos zouden wezen en de genie nog slechts kans zag, een half uurtje de kracht van den stroom te keeren. De soldaten hadden nauwelijks den tijd om het hospitaal te bereiken en de

23

-ocr page 32-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

zieken naar het gelukkig juist voltooide nieuwe hospitaal over te brengen; toen de dijk bezweek, waren allen in veiligheid.

Hoe verschrikkelijk eene overstrooming ook is, moet men zich echter niet voorstellen dat zij een treurigen aanblik veroorzaakt; integendeel, ik heb Kota Radja nooit zoo vroolijk gezien als toen alles onder water stond. In de sociëteit, waarheen ik gevlucht was zoodra al mijne bezittingen in veiligheid waren gebracht, kwamen elk oogenblik officieren aan, kletsnat, de schuitjes die hen zouden kunnen brengen verachtende, en kalm door het water wadende of zwemmende. Dit laatste is trouwens te velde niets bijzonders; daar is het, in den regel , de eenige manier om, wanneer men op een rivier of moeras stoot, aan de overzijde te komen. Het water is altijd lauw-warm, en een inlander geeft er niets om; hij neemt zijne kleederen zelfs niet op, want die drogen gauw genoeg weer aan het lijf.

Elk oogenblik zag men op den weg naar den Kraton, welke weg nu meer een kanaal geleek, schuitjes varen, troepjes soldaten zingende voortmarcheeren, vrouwen, die elkaar met eene hand vasthielden en met de andere hare pakjes op den schouder steunden, al kakelen en lachen; kortom, het was een gejoel en eene vroolijkheid zonder einde. Een enkel soldaat, die wat te veel vocht ingenomen had tegen de koude voeten, struikelde over \'t een of ander, thans verborgen terreinvoorwerp en plofte zoolang hij was in het water, — alles tot groot vermaak van de omstanders of voorbijgangers. Tegen den avond werden al de lichten van de huizen in het water weerkaatst, en kreeg men den indruk van eene stad, midden in de zee gebouwd.

De schade, door de overstrooming aangericht, was in vele opzichten groot. Een gedeelte van den spoorwegdijk

24

-ocr page 33-

VERTREK NAAR HET RINNENLAND.

was weggespoeld, en de dominé — Atjeh was zoowel in het bezit van een pastoor als van een veldprediker — beweerde, dat het wel minstens een paar maanden zou duren voordat de spoortrein weder zou kunnen rijden. Maar die bewering werd tot schande gemaakt door de genie, die binnen drie of vier dagen de spoorbaan weder in orde bracht.

Met dat al was ik eene goede week kwijt; in mijne berekeningen omtrent den benoodigden tijd had ik hot genot eener overstrooming niet opgenomen, — maar, men moest zich wel in het onvermijdelijke schikken. De vorst van Loöng, die zich persoonlijk voor mijne veiligheid verantwoordelijk had gesteld en in wiens gebied ik mij alleen vrijelijk mocht bewegen, liet mij nu weten dat hij nog een week noodig zou hebben om alles voor ons vertrek gereed te maken. Ik vond dien termijn nog al lang, maar de teleurstelling werd belangrijk grooter, toen na die week nog een, en na deze weder een verstreek , zonder dat ik mij naar Loöng begeven kon. Allemaal noodeloos tijdverlies!

Toch was de „Kedjoeroeanquot; — de titel van den vorst — zeer verlangend mij in zijn land te zien, opdat ik daar de mogelijkheid zou nagaan van eene Europeesche landbouwonderneming, een koffie-aanplant b. v. Daardoor zouden wij vasten voet krijgen in dit schoone land, het op ons gemak bestudeeren, en eene gunstige gelegenheid kunnen afwachten om verder binnenslands of langs de kust door te dringen, ten einde de groote rijkdommen te ontginnen welke de bodem zeker bevat. Dat was voor ons het voordeel onzer vestiging; en Toekoe Loöng zag, met een zeer juisten blik, in onze onderneming een hoog belang voor zijn volk: met Europeesch kapitaal, en onder Europeesche leiding, zou het land eene groote ontwikkeling deelachtig kunnen worden. Hij

25

-ocr page 34-

VERTREK XAAR HET BINNENLAND.

was dus zeer ingenomen met onze plannen. Maar er zijn zooveel zaken nog te regelen, zooveel quaestiën te beslissen, dat hij onmogelijk eerder klaar kan zijn ... Ik ben hem zelf gaan opzoeken in zijne woning te Anak Paja, nadat ik hem te vergeefs drie Maleische brieven geschreven en tweemaal mijn bediende gestuurd had!

Aan alle ellende komt echter een einde, en eindelijk kwam dan de boodschap, waarvan ik in het begin van dit hoofdstuk melding maakte. Men zal nu wel begrijpen , dat ik den volgeling, die mij de boodschap bracht, met ongeduld verbeidde, en waarom ik volstrekt ongenegen was om den raad van den Generaal op te volgen, die — zonder mij echter iets te verbieden — het toch beter vond, dat ik mijn vertrek uitstelde!

De Gouverneur kan mij niet helpen, om mijne bagage naar Kroeng Raba vervoerd te krijgen; ik zal er mij eens op bedenken, maar begeef mij intusschen op weg. Ik houd mij schuil tot aan het vertrek van den trein; het is al te laat geworden om nog met den trein van één uur uit te gaan, — trouwens ook een bijzonder warme rit!

Van den Chef van den Staf, den luitenant-kolonel Gey van Pittius, een der beste officieren van het Indische leger, ontving ik eene schets van de kust van Loöng , — dat was alles, wat men op het bureau aan kaarten van het door mij te bezoeken gebied bezat; de adjudant van den Gouverneur geeft mij eenige vellen teekenpapier, om de kaart verder te vervolgen. Maar de instrumenten, voor de opnemingen vereischt? Bij mijn vertrek uit Frankrijk had ik er volstrekt niet op gerekend, in het verre oosten als landmeter te zullen optreden, en mijne uitrusting is, ten aanzien van meet-in-strumenten, bijzonder klein. De genie is druk bezig aan

26

-ocr page 35-

VERTEEK NAAR HET BINNENLAND.

het traceeren van nieuwe wegen en andere opnemingen, en zij kan mij dus slechts met enkele kleinigheden helpen. Van den commandant der marine krijg ik eene aneroïde-harometer te leen; de adsistent-resident geeft mij eene soort van zonnewijzer, ik maak zelf een planchet , — en zoo heb ik dan, ondanks de welwillendheid van allen om mij te helpen, een eigenaardig rommeltje bij elkaar!

Ik neem nu den trein van \'s middags half zes, waarmede de heau-monde van Kota Radja naar Olehleh stoomt om bezoeken af te leggen en wat van de frissche zeelucht te genieten. De wagen voor „officieren en ambtenaren,quot; waarin ik anders ook plaats mag nemen, is reeds goed gevuld door schoone dames, en ik ga maar zitten in den volgenden wagen, die voor „Jan allemanquot; bestemd is; die brengt mij toch ook evengoed waar ik wezen wil!

Ik had den Generaal niet opgemerkt, doch als we te Olehleh aankomen, stapt ook Zijne Excellentie, in zijne schitterende uniform, uit den trein... Ik maak maar gauw dat ik wegkom, uit vrees dat de Generaal mij nog zal ophouden en, misschien , mijn vertrek nog belet !

Rechtstreeks begeef ik mij naar het inlandsche hoofd van Olehleh, Toekoe Nja Mohammed, een van die lieden die dadelijk vertrouwen weten in te boezemen en dat vertrouwen ook niet beschamen. Ik vind hem op de nieuwe brug over de lagune, die het Europeesche en inlandsche Olehleh van elkander scheidt, te midden van een aantal volgelingen:

— Goeden dag, Toekoe!

— Goeden middag. Mijnheer!

— Is Toekoe Loöng hier misschien ook?

— Ik weet niets van hem af. Mijnheer.

— Hij heeft mij laten zeggen dat hij van Krocng Raba wil uitzeilen.

27

-ocr page 36-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

— Ja, Mijnheer, het is moeielijk, om de Koningspunt heen en dan tusschen de eilanden door te komen, om Olehleh te bereiken.

— Maar, het is nog moeielijker voor mij om mijn goed naar Kroeng Raba vervoerd te krijgen! En dan heeft de Generaal mij nog geraden om er niet heen te gaan....

Ik vertel hem nu wat ik weet omtrent de bende van Toekoe Oemar, de onveiligheid van Kroeng Raba enz., en kijk hem aandachtig aan, om te weten wat hij er van denkt.

— Bah! zegt hij, dat heeft Raden Achmed verteld.

— Gelooft gij er dan niet aan?

— Neen, Mijnheer. Hij zegt dat op zoo\'n stelligen toon, dat ik volkomen overtuigd ben van zijne oprechtheid.

— Maar, in ieder geval, moet ik hel een en ander met den Kedjoeroean overleggen. De Toekoe wil mij zeker -wel helpen om hem dadelijk iemand te zenden?

— Bij dag, ja, morgen ochtend. Des nachts,\'Mijnheer, is het onmogelijk.

Ik had dit antwoord verwacht en hernam:

— Ik zal een rijksdaalder geven aan den persoon die van avond nog gaat.

De Toekoe knoopt nu een gesprek aan met de omstanders — in de Atjehsche taal, waarvan ik niets begrijp —, schijnt hen te raadplegen, en geeft mij eindelijk een man mede die mij zal geleiden. Waarheen ? — Dat zal ik wel te goeder tijd gewaar worden. Bij inlanders worden de zaken altijd verschrikkelijk langzaam behandeld, en de eenvoudigste quaestie schijnt nooit opgelost te kunnen worden zonder eene reeks van gesprekken van verschillende personen. — Ik ga met den man mede, die den Toekoe heel eerbiedig groet en daarna met zoo\'n haast den weg naar de kampong inslaat, dat ik moeite heb om hem te volgen.

28

-ocr page 37-

VEKTUÉK NAAK UEÏ BINNENLAND. ^0

Achter den passar komen wij aan eene gesloten toko, waarvan de voorgevel en de deur belde met stevige planken gebarrikadeerd zijn. Mijn gids klopt aan de deur, en hoewel we binnen stemmen hooren, klopt hij maar door totdat men opendoet: „Wij komen van Toekoe Nja Mohammed!quot; Ik word dadelijk in een laag, duister vertrek geleid, met het ééne woord: „Sambajang!quot; (Het gebed!)

De nacht valt. Men biedt mij een stoel aan. Ik vraag of men op het oogenblik in de missigit verzameld is, maar merk nu juist een lang, onbeweeglijk persoon; met grijze haren, hoekige gelaatstrekken, blootshoofds, mager. .. Hij staat voor mij, maar doet alsof hij mij niet hoort of ziet; hij buigt zich neder, staat weer op, buigt weder, laat zijn voorhoofd een oogenblik op den grond rusten.... Ik geef een teeken dat ik wachten zal, en leg het stilzwijgen op aan Maïman, dien ik voor deze reis als tweeden bediende heb aangenomen, en die overal mijne belangen wil behartigen op een toon van gezag, alsof hij de baas is. —• Weldra, na eene laatste buiging, komt de grijsaard uit zijne godsdienstige plooi, en kijkt hij ons aan alsof hij nog niets van ons bespeurd had :

— Goeden dag. Mijnheer, zegt hij, en steekt mij de hand toe.

— Gij zijt een braaf man, daar gij den Heer ijverig dient. Ik kwam U om hulp vragen om onmiddellijk een brief aan Toekoe Loöng te laten bezorgen.

Dadelijk begint nu de bespiegeling over mijn verzoek. Mijn gids en Maïman geven ophelderingen in \'t Atjehsch; naar ik veronderstel, meest over de betaling die ik beloofde. Daar dit stellig het belangrijkste punt is, deel ik nog eens mijne bedoeling mede om behoorlijk te betalen , en vraag ik wie nu gaan zal.

— Twee lieden, antwoordt de oude man; mijn zoon

-ocr page 38-

VEUTllEK NAAK HET BINNENLAND.

on zijn makker, dion Gij daar ziet. Een persoon zou niet in den nacht naar Anak Paja durven gaan. Maar zij maken het bezwaar, dat men hen misschien aan de posten van Pakan Badak en Boekit Seboeu zal aanhouden.

In den verleden tijd, onder het bestuur der Sultans, bleef ieder in zijne wijk, of ten minste iu zijne Sagi,en waagde het niemand van het geringere volk, om zich buiten de grenzen van zijn district te begeven. Er zijn nog, iu Groot-Atjeh, vele lieden van de XXII Moekims, die nooit in de XXV of XXVI Moekims geweest zijn, en omgekeerd.

— Maar, zeide ik, ik zal een briefje medegeven, dat, zij, zoo noodig, slechts aan do officieren hebben te toonon.

— O, dan is het goed.

■ In dat opzicht is dan elk bezwaar opgeheven, en ik doe nu de laatste vraag:

— Hoeveel elschen deze beide personen?

Volgens de gewoonten der Atjehers, — eene gewoonte die men trouwens min of moor over de goheele wereld terugvindt — wordt die vraag door de gewone wedervraag beantwoord:

—■ Hoeveel wil Mijnheer betalen ?

— Een rijksdaalder.

— Dat is genoeg, zegt de grijsaard, en hij geeft bevel aan de jongelui om met mij mede te gaan.

Ik ga nu terug naar Tookoe Nja Mohammed, die mij een vormelijken brief heeft beloofd. De deur van zijne versterkte woning is reeds gesloten, maar zij wordt voor mij zonder bezwaar geopend, en ik treed binnen in het eerste vertrek, eene soort van veranda, waarvan de vloer wat lager ligt dan die van de binnenkamers en die, in al de Indische huizen, voor ontvangzaal dient.

so

-ocr page 39-

VËUTHEK NA AU HET BINNENLAND.

Do Toekoe wordt gewaarschuwd en komt dadelijk in hoogst eenvoudige kleeding bij mij. Hij biedt mij sigaren en de eene of andere drank aan. Hij was aan zijn middagmaal bezig, maar staat er op, mij gezelschap te houden in afwachting dat zijn schrijver, dien hij heeft laten roepen, komen zal.

Terwijl wij zoo over \'t een en ander zitten te praten, komt een aanzienlijk inlander met zijn gevolg binnen, die mij door den Toekoe wordt voorgesteld als de vorst van Waylah, een landschap ten zuiden van Tenom. Het is mij zeer aangenaam , kennis met hem te maken; het is een flinke jonge man, met een open gelaat. Ik zeg hem, dat ik zijn land uit de verte gezien heb, toen ik met het stoomschip langs de kust voer.

— Gij moet er eens komen, antwoordt hij dadelijk. Waarom is Mijnheer niet eens aan wal gestapt?

— Daar kunnen verschillende redenen voor zijn. Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan!

— Men heeft U misschien gezegd dat wij gevaarlijke lieden zijn. Gij kunt gerust bij ons komen wanneer Gij wilt, Mijnheer; Gij loopt niet het minste gevaar. Ons land bevat goud, — veel zelfs. Ik zou niets liever willen dan dat goede menschen, die verstand van de zaken hebben, de goudmijnen van Waylah kwamen ontginnen ; dat zou in \'t belang van het land zijn.

— Maar men is er nog niet veilig genoeg!

— Hoe zoo?

— Wel, die twee vermoorde Franschen dan?

— Maar, Mijnheer! Dat is niet in ons land gebeurd! Waren zij maar bij ons gebleven, dan waren zij zeker nog in leven. Zij zijn omgekomen in Tenom, een naburig landschap.

— Hebt gij den Heer Vallon gekend, Toekoe?

— Ik heb hem nooit gezien, Mijnheer.

31

-ocr page 40-

3:2 VERTREK NAAR HET BINNENLAND»

— Maar hij was toch naar Waylah gegaan. Gij weet dat hij vennoord is. Hoe is dat gebeurd, weet Gij dat soms?

— Ik zal het U zeggen, Mijnheer. De Heer Vallon had mijn vader ontmoet, en met dezen afgesproken om in ons land naar goud te zoeken. Maar toen kwam de vorst van Tenom, die nam hem mede naar Panghan; en het was ten eenemale verkeerd van de beide Hee-ren, dat zij medegingen. Zij hadden bij ons moeten blijven. — Wilt U Waylah niet eens komen zien?

— Zeker, ik heb wel hoop dat wij elkander eens meer zullen ontmoeten. Ik zou voor mijzelven niets liever willen dan bij de Atjehers te blijven; misschien ga ik wel koffie planten te Loöng....

Toekoe Nja Mohammed spreekt Atjehsch tegen hem om hem dienaangaande in te lichten. De Toekoe is van avond bijzonder beleefd tegen mij, en gaat zijn photo-graphisch portret halen, dat hij mij aanbiedt, terwijl hij het mijne vraagt....

Ondertusschen heeft de schrijver, een goed ontwikkeld en verstandig jongmensch, een grooten brief voor mij in gereedheid gebracht. Het eerste gedeelte van dien brief, zoowat eene bladzijde van onze correspondentie, bevat niets anders dan de bij inlanders gebruikelijke beleefdheidsbetuigingen, en de mededeeling dat ik, Mijnheer Die en Die, een brief richt tot mijn vriend, den kedjoeroean van Loöng. In het tweede gedeelte wordt het woord „vriendquot; zoo dikwijls herhaald, dat de brief er haast de helft langer door wordt. In het overige gedeelte wordt dan eindelijk aan den vorst te kennen gegeven dat ik hem verzoek, zoo spoedig mogelijk met zijn vaartuig naar Olehleh te komen, vermits ik meer dan tien personen noodig zou hebben om mijne goederen naar Kroeng Raba te dragen, en de „Groote Heerquot; (de Gouverneur) mij de reis derwaarts bovendien afgeraden heeft.

-ocr page 41-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

Daarop noincn wij afscheid. Met den vorst van Waylah worden warme handdrukken gewisseld; wij hopen elkander spoedig weder te zien.

Nadat ik mijn mooien brief en een rijksdaalder aan mijne nachtelijke zendelingen heb ter hand gesteld en Maïman heb opgedragen, het antwoord van Toekoe Loöng dadelijk bij ontvangst bij mij te brengen, ga ik een bezoek brengen bij den gouvernements-landmeter, aan wien ik mijne tegenspoeden kenbaar maak. Hij wil mij in mijne armoede aan instrumenten te hulp komen, en leent mij eene groote oude boussole, een dubbelen palm en een graadboog. Hij is voorts zoo vriendelijk, mij het gebruik van een en ander te wijzen.

Maandag, 13 December. Een dag om zich in beweging te stellen, een tweeden om de reis te maken, — den derden dag hoop ik dan eindelijk aan boord te kunnen gaan!

Maar mijne verwachting wordt slechts in geringe mate verwezenlijkt.

Ten zes uur \'s morgens, nog geen antwoord van Toekoe Loöng; mijne zendelingen zijn nog niet teruggekeerd.

Volgens de afspraak van gisteren ga ik om zeven uur verder les nemen in de kunst van landmeten, volgens de zeer beleefde inlichtingen van den gouvernements-ambtenaar.

Vandaar begeef ik mij naar de toko van de Lange, waar ik eene bende Atjehers vind: vijftien lieden met gebronsde huidkleur, half bedekt met donkere sarongs, met den tulband op het hoofd en de wijde Atjehsche pantalon aan de beenen, sommigen met gouden of zilveren versierselen aan hunne armoedige plunje: alles te zamen genomen de typen van half naakte struikroovers, die in een Zigeunerkamp goed op hunne plaats zouden zijn.

Hun hoofd, waarin ik Aden herken, den vluggen ruiter

33

-ocr page 42-

VÉHtKEK NAAR llËT BINNENLAND.

die mij hot eerste bericht te Kota Radja kwam brengen, heeft een prachtigen brief voor mij bij zich, die van het zegel van den Kedjoeroean is voorzien. Uit dat schrijven verneem ik, na de gewone langdradige plichtplegingen, dat de prauw onmogelijk te Olehleh komen kan, maar dat hij mij hierbij een ruim aantal lieden zendt om mijne koffers te dragen. Mondeling voegt de chef der galgentronies aan dien brief nog een postscriptum toe: de Toekoe laat mij verzoeken, voor zijne rekening mede te brengen: twintig inlandsche kleedjes {sarongs), vijf en twintig pond suiker en wat gedroogde visch; hij zal mij het geld ter hand stellen zoodra ik hem te Anak Paja ontmoet. Zijn volk vertrekt om vijf uur in den ochtend, schrijft de vorst mij, en hij verwacht mij om tien uur — altijd datzelfde uur! — om dan zoo spoedig mogelijk scheep te gaan.

Maar het is nu al acht uur, en de inkoopen, die ik voor den kedjoeroean moet doen, vorderen eenigen tijd. De dragers hebben geen draagstokken of touwen bij zich, en ik moet Olehleh afloopen om die zaken machtig te worden. Onder al die bedrijven wordt het elf uur, en nu beginnen de lui te zeggen dat ze nog wat te eten moeten hebben. ... De zon staat in haar hoogste punt als we eindelijk op marsch gaan.

Toch had ik waarlijk mijn tijd niet vermorst! Om tien uur was ik nog nuchter, sedert zes uur rondloopende, terwijl de zon hoe langer hoe meer warmte uitstraalde. Bij den Ghineeschen broodbakker had ik toen met veel moeite een broodje veroverd, en daarmede was ik de sociëteit even ingegaan om het met wat mineraalwater door te spoelen. — Ik was wel uitgenoodigd om dé rijsttafel te komen gebruiken, maar op het gewone uur van dien maaltijd had ik wel wat anders te doen! Ik vul mijn maal aan met wat vruchten, die ik onderweg aan een inlandsch winkeltje aanschaf.

u

-ocr page 43-

VERTREK NAAR HÉT BINNENLAND. 35

Ik ben dan op reis, midden tusschen mijn schitterend gezelschap. De lichte koffers w orden op het hooft! gedragen; de zwaardere worden aan draagstokken gehangen, welke twee personen op hunne schouders leggen. Aldus gaan wij over den brandenden weg, die zonder de minste schaduw — pas enkele maanden geleden zijn kleine boompjes geplant — de moerassige streek naar Pakan Badak doorsnijdt.

Bij mijn vertrek ontmoet ik een cavalerie-officier, die mij de hand drukt en mij vraagt, waar ik naar toe moet.

— Gij hebt wel een slechten dag uitgekozen, meent hij. Gavalorie-patrouilles doorkruisen het land in alle richtingen.. . .

— Dat weet ik.... Om Toekoe Oemar op te sporen zeker? Maar men kan niet beter beschermd zijn dan wanneer er veel patrouilles loopen!

— Enfin ! Ik wensch u het beste. Ik heb een ergen dorst en zal blijde wezen als ik thuis ben.

Het was werkelijk, door de drukkende hitte, het verschrikkelijkst oogenblik van den dag. Maar ik had haast om weg te komen!

Te Pakan Badak is de poort van de versterking gesloten , doch ze wordt dadelijk voor mij geopend. Ik geef last aan mijn gevolg om in de schaduw wat te gaan uitrusten, aan welke order onmiddellijk voldaan wordt. Nu ze eenmaal vertrokken zijn , zullen ze ook wel aankomen, en ik ben ten minste zeker om tien uur — van den volgenden dag — te Kroeng Baba te zijn.

De officieren zijn in eene lichte kleeding, binnen de versterking. Een hunner, dien ik vroeger reeds ontmoet heb, vraagt mij of ik soms niet wel bij\'t hoofd ben , om bij zoo\'n drukkende hitte te marcheeren!

— Gij blijft ten minste bij ons rijsttafelen?

— Wat gaarne!

3*

-ocr page 44-

VEHTHEK NAAK HET BINNENLAND.

— Maar ik moet straks zelf ook naar Kroeng Raba, zouden we dan niet samen gaan?

— Hoe laat?

— Om half zes.

Dit is wel wat laat, maar ik houd van gezelschap, en er bestaat al ,zeer weinig kans dat we van avond nog aan boord gaan; en of ik dan al een uur eerder te Kroeng Raba aankom, helpt me toch niets. Ik neem dus het voorstel aan, zend, ten drie uur, de koelies onder geleide van Maïman met mijne goederen vooruit, en houd den anderen bediende, Aripan, bij mij.

Ik heb nu den tijd om den militairen post eens op te nemen. Voor een burger zooals ik, die altijd in de meening heeft verkeerd dat voor eene versterking noodig zijn: 1°. eene aarden borstwering, en 2°. een gracht, maken de posten der Nederlanders bij het eerste gezicht een vreemden indruk. Men ziet er evenmin eene borstwering als eene gracht!

De eerste is vervangen door een palissadeering: aaneengesloten rondhouten, die 1 Meter diep in-, en 2^ Meter boven het terrein komen te staan. Die rondhouten, ter dikte van omstreeks 15 cM., zijn geregen op ijzeren staven, waarmede zij tevens bevestigd zijn aan zware hoofdstijlen, die op ruim een meter afstand van elkander staan. Zoodanige palissadeering is niet duur, gemakkelijk te plaatsen, moeielijk te beklimmen en tegen geweerkogels bestand; daar een inlandsche vijand geen geschut mei ie voert, is zulks voldoende. In vergelijking met de aarden borstweringen heeft zij het voordeel dat zij minder tijd en arbeid kost en, vooral, dat er nagenoeg niet in den grond behoeft gegraven te worden, — iets waarvan de Nederlanders in Atjeh een gegronden afschuw hebben: wanneer men daar graaft, kan ine ook zeker zijn, malariakoortsen op te roepen.

-ocr page 45-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

Om dezelfde redenen hebben de versterkingen dei-Hollanders tegen de Atjehers ook geen gracht.

De nadering van de palissadeering wordt den eventu-eelen vijand moeielijk gemaakt door eene liggende ijzerdraadversperring : kleine paaltjes worden in den grond geslagen , het eene hooger of lager dan het andere, en dan onderling op allerlei wijzen met ijzerdraad verbonden. Wie in dat net van ijzerdraad verward raakt, heeft de grootste moeite om er weer uit te komen, en wanneer hij vijandelijke bedoelingen heeft, dan is er alle kans dat een der schildwachten, op de bastions of achter de palissadeering, hem tijdig van het levenslicht berooft.

Elke twee zijden van de vierhoekige palissadeering worden in den regel beschermd door een stuk geschut, dat op een cirkelafluit geplaatst is en daardoor gemakkelijk in de verlangde richting gebracht kan worden. Het bastion, waarin het kanon is opgesteld, springt wat buiten de palissadeering uit, is gedeeltelijk met aarde opgevuld en zelf door eene zware of dubbele palissadeering omringd.

Achter de omheining loopt een planken banket, waar de schildwachten op en neer loopen. Tegen dat banket sluit het logies der soldaten aan, zoodat zij, opstaande, dadelijk gereed zijn om een aanvaller af te weren. In de palissadeering zijn geen schietgaten, maar het banket (een planken vloer) is zoo hoog aangebracht, dat men over de palissadeering heen kan schieten.

In de versterking vindt men verder de noodige magazijnen , waarin de noodige levensmiddelen, munitie enz. kunnen worden geborgen; vertrekken voor de officieren, een waterput enz.

Bij den pas — in 1880 — gebouwden post te Pakan Badak, waar de mogelijkheid werd verondersteld dat men later het garnizoen zou kunnen verminderen, heeft men de versterking voor 50 man ingericht en de verdere troe-

37

-ocr page 46-

38 VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

pen gelegerd in een aan den post grenzend kampement, dat door een ijzeren hek omgeven is.

Het komt mij voor, dat de nieuwe versterkingen, die na de veldtochten van den generaal van der Heijden in Groot-Atjeh verrezen, zeer doelmatig zijn gebouwd; waar mogelijk, zijn ze alle op een hoog gelegen terreingedeelte geplaatst, en zeker is daardoor de gezondheidstoestand belangrijk verbeterd.

Al hetgeen ik hier nederschrijf, werd mij, na eene uitmuntende rijsttafel, uitgelegd door de officieren, die met hunne nieuwe „bentingquot; zeer ingenomen schijnen te zijn. We blijven nog wat praten en eene sigaar rooken, maar eindelijk wordt het tijd, ons gereed te maken voor den verderen tocht.

Na een goed bad genomen te hebben, ga ik naast den luitenant op marsch. Vier soldaten gaan op een kleinen afstand vooruit; de hoornblazer loopt vlak voor ons. Twintig man volgen ons op twee gelederen, mot het geweer over den schouder; zij moeten gedurende de nacht het garnizoen van Kroeng Raba, dat slechts uit inlandsch personeel bestaat, versterken. De Hollanders hebben daar vroeger eene kleine versterking aan het strand gehad, die nu door hen ontruimd is maar door eenige bevriende Atjehers, onder bevel van Achmed, bezet wordt.

Bij het vallen van den avond doortrekken wij eene prachtige landstreek, bestaande uit aaneengeschakelde kleine, groene vlakten, omringd door heuvels en door geheel begroeide bergen. Hier en daar begint men weder rijstvelden aan te leggen, en ook de hellingen der heuvels te beplanten; maar dit geheele land is tijdens den oorlog verlaten geweest.

De zon is reeds ondergegaan, en de maan verlicht ons wanneer wij de kleine versterking te Boekit Seboen voor-

-ocr page 47-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

bijtrekken. Die versterking, boven op een heuvel aangelegd , ziet er, met hare flinke palissadeering, als een waar arendsnest uit. Verder op, naar de kampong Anak Paja, kan ik den troep wel den weg wijzen, want ik ben er onlangs reeds geweest. De luitenant vergezelt mij naar het huis van den vorst, om te weten of deze nog thuis, dan wel reeds naar Kroeng Raba vertrokken is. — Aripan is al vooruitgegaan. Een ondergeschikt hoofd ontvangt mij aan den voet van den trap en brengt mij bij den Kedjoeroean, die mij met ongeduld schijnt te wachten. Ik breng hem in de eerste plaats bij den luitenant, die aan het hoofd zijner soldaten op ons wacht en ons vraagt of wij onder zijn geleide naar Kroeng Raba willen gaan.

Stellig gaan wij naar Kroeng Raba, maar strakjes, zegt Toekoe Loöng, op den toon van iemand die in \'t geheel niet aan de wenschelijkheid van een militair geleide denkt. Mijnheer gaat immers met mij mee, voegt hij er bij, zich tot mij wendende.

— Zeker!

En ik druk de hand van den luitenant; tot weêrsziens te Kroeng Raba!

Wij gaan nu weder binnen bij den Toekoe waar ik, op den grond, eene eereplaats krijg en aldus de groeten en eerbewijzen ontvang van de verschillende inlanders, die ons naar Loöng zullen vergezellen. Men geeft mij geen stoel, daar de Vorst reeds weet dat ik, onder Atjehers verkeerende, ook bij voorkeur hunne gebruiken volg en evenals de hoofden behandeld wensch te worden. De kedjoeroean vraagt mij of ik nog wat eten wil; maar ik heb te Pakan Badak zoo goed voor den inwen-digen mensch gezorgd, dat ik alleen maar het groote koperen bekken aanneem, waaruit men het drinkwater schept met een half bolvormigen beker, die als glas

39

-ocr page 48-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

dienst doet. Verder vraag ik, waarop we nog wachten?

Wij wachten op „den heerquot; Aripan, mijn bediende, die de uitnoodiging om nog wat te eten anders heeft beantwoord dan ik, en nog druk bezig is.

Zoodra hij klaar is, gaan we op weg; ik naast den Toekoo, al zijne lieden achter ons. De goederen zijn reeds ingescheept. We bereiken eindelijk de vrij wrakke brug over de Kroeng Raba, de rivier, die langs de plaats van dien naam stroomt, en komen daarna aan de poort der versterking. Men doet ons spoedig open, en daar vind ik den luitenant, in gezelschap van Raden Achmed gezeten in eene vrij goed ingerichte hut, waarvan het dak met rood katoen bekleed en waarin een tafel met eenige stoelen, kortom, Europeesch meubilair beschikbaar is. Zelfs een Amerikaansch klokje hangt tegen den wand. Men schenkt ons uitmuntende koffie met gecondenseerde melk en dient daarbij droog Atjehsch gebak, dat zeer goed smaakt.. . Ik was, juist toen we bij de versterking kwamen, bezig aan eene korst brood, die nog van mijn „ontbijtquot; overgebleven was en waarmede ik mijn avondmaal dacht te doen. Maar bij Raden Achmed is alles in orde: hij schenkt ons bier, en hij schenkt dat in schoone glazen! Dit bewijst wel dat hij eene uitzondering is op de Atjehers in \'t algemeen, en vatbaar is voor hoogere Europeesche beschaving. Eigenlijk blijkt hij dan ook niet in Atjeh thuis te behooren. Zijn langwerpig gelaat, met weinig baard, lichten knevel, een klein puntig haarbosje onder de kin, is eene afwijking van \'t gewone type en geeft mij aanleiding tot de vraag, vanwaar hij afkomstig is. Hij is een Palembanger. De nette rottan-ineubels, waarvan het hout zwart gelakt en met een verguld biesje afgezet is, zooals ik ze onlangs te Olehleh zag, en de fraaie met gouddraad doorweven kleedjes, die in Palembang ver-

40

-ocr page 49-

VERTREK NAAR HET RINNEXLAND.

vaardigd worden, geven mij, met al wat ik van dit gewest gehoord heb, een allergunstigsten indruk.

Tot mijn groot genoegen heeft de Toekoe mij medegedeeld , dat wij nog denzelfden avond aan boord zullen gaan. Om tien uur verlaat hij ons om te zien of alles gereed is, en, in afwachting van zijn terugkeer, maak ik eene wandeling langs de wallen der versterking, in gezelschap van den luitenant. Het zijn aarden borstweringen , stormvrij gemaakt door een dikke levende heg van dorenbamboe; buiten deze heg is het terrein geheel open, zoodat men een eventueelen vijand op behoorlijken afstand kan zien naderen. De Raden geeft zijne bevelen aan de Atjehers, en de luitenant stelt op de punten, die het zwakste schijnen, een paar schildwachten. Binnen de gebouwen in de versterking wordt gepraat en gelachen — zonder twijfel door mannen en door vrouwen beide —, totdat op een gegeven oogenblik een aanval de mannen op hun post roept. Dan wordt het vaak een gevecht van man tegen man.... Tk stel mij voor, dat het, een vijfhonderd jaar geleden, bij ons net zoo toeging!

Toekoe Loöng komt terug, terwijl ik nog bezig ben eenige aanteekeningen te maken.

— Alles is klaar! zegt hij.

Ik sta dadelijk op, en na beleefde groeten aan Raden Achmed, en een „tot weêrziens in Europa,quot; gewisseld met den luitenant, begeven wij ons op weg.

Het is mogelijk, dat het „wederzien in Europaquot; betrekkelijk spoedig zal plaats hebben. De luitenant is een officier van het Nederlandsche leger, voor den tijd van vijf jaren bij het Indische gedetacheerd, evenals in de laatste jaren steeds met een vijftig- tot honderdtal zijner kameraden plaats heeft. Men bereikt met die detacheeringen een dubbel doel: men voorziet voor een gedeelte in het gebrek aan officieren bij het Indische leger, en

41

-ocr page 50-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

stelt vele hunner kameraden van het Hollandsche in de gelegenheid, kennis te maken met het leven te velde. Deze doen eene krijgsondervinding op, die niet gering moet worden geschat en wellicht eenmaal, wanneer Ne-derland\'s onafhankelijkheid mocht worden bedreigd, zeer veel waard zal blijken te zijn. Ik heb meermalen in Indië officieren van deze categorie ontmoet, en bijna altijd waren zij zeer tevreden over hun verblijf in de tropen; de vergelijkingen, die zij maakten tusschen den dienst in Nederland en Indië, vielen steeds ten voor-deele van het laatste uit. Dat kan dan ook bijna niet anders; de dienst in Nederland, hoe nuttig ook, is eentonig : jaar in, jaar uit recruten op nieuw tot min of meer bruikbare soldaten vormen, daarna, in de wintermaanden , een hoogst onvoltalligen troep, waarmede weinig te beginnen is.....Welk pleizier kan een kapitein

hebben in de oefening zijner compagnie, als hij in \'t geheel maar tien of twaalf man onder de wapens brengt?

In Indië daarentegen is men waarlijk soldaat. In Nederland het proza, daar de poëzie van het soldatenleven. Daar, zoowel te velde als ook in het garnizoen, zijn de korpsen ongeveer voltallig, daar beteekent elk luitenant wat. Is de dienst niet altijd even aangenaam, men voelt dat men nuttig is, en dat is voor ieder individu van veel belang. Men ziet vreemde landen, schoone gewesten ; men doet menschenkennis op, en de tijd vliegt om. Tegen dat de vijf jaren verstreken zijn, heeft de Nederlandsche officier hart gekregen voor het prachtige Insulinde, met zijne op vele punten onvergelijkelijke natuur, — en bovenal, hart gekregen voor zijne kameraden van het Indische leger, die hem als een broeder hebben ontvangen en met wie hij trouw het lief en leed der militaire wereld heeft gedeeld. Hij heeft Indië leeren liefhebben als zijn tweede vaderland... O, die detacheeringen hebben zoo veel nut!

42

-ocr page 51-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

Nauwelijks zijn we buiten de versterking, of wij ontmoeten Toekoe Abas, een voornaam inlandsch hoofd, die erg blij schijnt mij weer te zien. Daar deze een liefhebber van rooken is, zend ik Aripan nog even naar de versterking terug om een kleinen voorraad te halen. Voordat Aripan nog is teruggekeerd, vraagt Toekoe Abas mij al om een sigaar; zoodra mijn bediende komt, bied ik hem de twee stuks aan die deze medebrengt, en, naar zijne gewoonte, neemt hij ze allebei.

Wij dalen don heuvel af waarop de post gelegen is, en doorloopen een met hoog gras bedekt terrein. Maar nadat wij weder een heuveltje overgetrokken zijn, verandert het landschap plotseling van aanzien, als in eene tooverwereld: achter ons, eene groene, hier en daar zwaar begroeide streek; voor ons, een bijna sneeuwwit veld; een door de maneschijn helder verlicht zeestrand met fijn zand, geheel vlak, zich aan onze linkerzijde uitstrekkende zoover het oog zien kan, terwijl overigens de heldere, kalme zee het land bespoelt.. . . Wij staan op de duinen, die een geheel ander gezicht opleveren naarmate men ze van de zee- of van de landzijde aanschouwt: hun top is de duidelijke scheiding der beide elementen.

Wij volgen het strand om de rivier te bereiken. — Het is een prachtige nacht. Ons inlandsch geleide, zoo zuiver Atjehsch als maar mogelijk is, — want ik heb te Kroeng Raba de laatste Europeanen achtergelaten en ben thans alleen onder den vorst van Loöng en zijn gevolg — vormt eene lange lijn; op inlandsche manier loopen zij stilzwijgend achter elkander over hot witte zand, waarop de maan onze scherp begrensde schaduwen werpt, en waarop men de indrukken van mijn schoeisel, naast die van de barrevoets gaande inlanders — hoofden en minderen — duidelijk volgen kan.

43

-ocr page 52-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

Bij de rivier gaat Toekoe Loong vooruit naar het vaartuig; inmiddels vleien wij ons neder op de plaats waar wij halt houden, aldus een tafereel vormende dat een schilder waardig wezen zou!. . . Wij zitten allen op het zand, met gekruiste beenen; Toekoe Abas en ik in het midden, al het gevolg in een kring om ons heen. Een koffertje van Toekoe Loöng, zeker zijne geldkist, waarvan de koperen hoeken in den maneschijn schitteren, wordt voorzichtig nedergezet; de gewapende personen steken hunne lansen in de grond en hurken daarbij neder .... in een woord, het is een krijgshaftig tooneel! Op den achtergrond van het tafereel ziet men twee bergruggen, waarvan de ronde toppen zich donker op het uitspansel afteekenen; deze gebergten, zich naar de beide uiteinden der baai uitstrekkende, schijnen als met hunne lange armen de golven te omvatten, die, schuimenden bruisend, uit de zee aankomen en in onze nabijheid op het strand te niet loopen,

Ik ben verdiept in den aanblik van dit schouwspel, terwijl Toekoe Loöng terugkomt om ons eene slechte tijding mede te deelen: het water is nog niet hoog genoeg, en zijne prauw kan dus voorloopig niet, over de zandbank heen, uit de rivier komen.

— Welnu, dan zullen wij wachten.

— Maar Mijnheer, we moeten misschien nog lang geduld hebben, en dan is U toch meer op Uw gemak in de kampong.

Hoe! Wij zouden nu nog niet vertrekken! We zouden naar de kampong teruggaan!

— Ik heb het hier best, antwoord ik aan Toekoe Loöng. Het zand is zacht en droog en biedt eene uitmuntende slaapplaats aan. Ik zal hier geduldig wachten totdat de vloed opkomt.

— Goed, dan zullen wc een plaatsje uitzoeken waar we tegen den wind beschut zijn.

44

-ocr page 53-

VEUTKEK NAAR HET BINXEXLAXU.

lorlor gaat nu op verkenning uit, Aripan cn Toekoe Loöng roepen mij al spoedig. Zij hebben een mooi plaatsje ontdekt, — precies een bed, zeggen ze. En, inderdaad, daar toonen ze mij een soort van kuil in het zand, beschut door een misvormden boom en enkele struiken. Maar ik vertrouw dat hoekje niet; onder die struiken kunnen slangen, scorpioenen, duizendpooten en, weet ik het, welke ongedierten anders verscholen zijn! Ik leg dus mijn sprei maar eenvoudig op het vlakke zand, op eene kleine helling, en noodig den vorst uit om plaats te nemen, wat deze ook dadelijk doet. De lansen zijn reeds boven onze hoofden in den grond gestoken, en aan onze voeten wordt een groot vuur aangelegd; ik vind dit laatste niets pleizierig, daar het alleen kan dienen om de aandacht te trekken van andere lieden, die niets met ons te maken hebben. Maar daar is niets aan te doen; het bivakvuur schijnt tot de onvermijdelijke gewoonten te behooren, en het eenige, wat na mijne opmerkingen dienaangaande geschiedt, is dat men het vuur een eindje van ons verwijdert. — Intusschen laat de Toekoe, naar de gewoonte van iemand die zich wel meer in de open lucht opschiet, zijn blik over het bivak gaan alsof hij nog iets zoekt. Hij ziet daar mijn bediende, die zich in zijn dekentje wikkelt. Dadelijk staat hij op, en zegt, half boos, half lachende:

— Wat moet jij daarmee doen?

Hij neemt hem zonder verdere praatjes zijn deken af, en gebruikt dien om ons tegen den maneschijn te beschutten. Zijne lieden hebben in een oogenblik vier stokken in den grond gestoken, waarover de deken gespannen wordt. Zoo hebben wij dan een heinel aan ons ledikant.

Ik ben intusschen ook nog eens op verkenning uit geweest. In de verte zag ik een verdacht voorwerp,

45

-ocr page 54-

VERTREK NAAR HST BINNENLAND.

dat de kiel van eene gestrande prauw bleek te zijn, en twee donkere kuilen, die bij onderzoek slechts zout-pannen waren. Terugkeerende, vind ik onze tent geheel in orde; wel wat laag van verdieping, maar men kan er uitmuntend op den rug liggen.

Ik strek mij dus nu uit zoolang als ik ben, denkende aan de patrouilles die, juist op dit oogenblik, gemaakt worden om Toekoe Oemar te vatten. Als de Gouverneur het eens wist, dat ik dezen nacht heb uitgekozen om, op zoo\'n eenzaam plekje aan het strand, onder den blooten hemel te kampeeren!... Maar ik voel mij, aan de zijde van Toekoe Loöng, volkomen veilig, en slaap weldra den slaap des rechtvaardigen.

Ontwakende, bespeur ik dat mijn hoofd wel wat te veel afgekoeld is, want ik lig bijna geheel buiten de tent. Het is al helder dag! Ik spring overeind. Het vuur is uitgegaan, en alles is stil om mij heen. Niemand is nog wakker; het strand schijnt nog kalmer dan den vorigen avond. Ik wek in de eerste plaats mijn buurman, den Toekoe; zijn gevolg wordt daarna, met wat schoppen, opgeklopt. — Maar Toekoe Abas is verdwenen; met de zijnen is hij naar de kampong teruggegaan. Men gaat hem dadelijk roepen; een ander persoon begeeft zich naar het vaartuig. — Ik zet de lieden tot spoed aan, en vraag waarop we nog wachten; we moeten tocli eindelijk eens op reis gaan! Intusschen gaat meer dan een uur verloren. De zon bestraalt de baai en ver-vroolijkt het pas nog doffe en vochtige strand ; maar weldra zal hij ons genoeg hinderen! Toekoe Abas komt niet, en ik begrijp niets van de berichten die, in de Atjehsche taal, bij Toekoe Loöng worden aangebracht.

— Och, die vent is bang, zegt deze, wiens geduld ook ten einde schijnt te loopen. Hij is bang

4(3

-ocr page 55-

Vertrek naar nar binMenlaMd.

gowoest voor de nachtlucht; nu vreest hij, dat mijne prauw ons allen niet zal kunnen bevatten. Ik zal voor hem eene andere laten zoeken,, hij vertrekt dan maar na ons. Als Mijnheer er niets tegen heeft, zou ik gaarne onderweg even te Lepong aan wal gaan.

— Al weer oponthoud!

— Ik heb daar eene zaak te regelen, die ik gaarne uit de wereld wilde maken.

— Maar wij komen immers over een dag of tien terug, en dan kunt gij die zaak afdoen. Waarltjk, het is beter dat we nu maar dadelijk doorgaan naar Loöng.

— Dat is verschrikkelijk lastig! zucht de ïoekoe met zoo\'n ongelukkig gezicht, dat ik er dadelijk op het volgen:

— En wanneer we Lepong aandoen, gaan we dan ten minste denzelfden dag nog weer verder?

— O zeker. Mijnheer! vandaag nog, antwoordt hij onmiddellijk, blijkbaar zeer tevreden, op die wijze tot eene schikking te komen.

Intusschen is de prauw de rivier uitgevaren om ons aan het strand op te nemen. Ik moet bekennen dat ik, de geringe afmetingen van dit inlandsche schuitje waarnemende , dat men in het midden wel met de beide handen kan omvatten, en waarop alleen maar een dek is aangebracht om onze goederen voor nat te bewaren, lang niet rouwig ben over den aftocht van Toekoe Abas; het is mij al een raadsel, hoe wij daarop, met ons vijf-en-twintigen, plaats zullen nemen.

Maar dit komt terecht, en weldra zijn wij met een goeden wind onder zeil. Een groote roeiriem, aan bakboord achter aan het scheepje, dient als roer. De vorst vat die met krachtige hand, en geeft zijne bevelen met de beslistheid van een ouden zeerob.

— Ik ben daarmede goed bekend, zegt hij; op zee ben ik thuis.

47

-ocr page 56-

VERTREK NAAR HET BINNENLAND.

48

TTij bluft niet. Die kalme man, met zijn zacht, bijna vrouwelijk uiterlijk en zijne nederige manieren, die misschien tot de beschaving der Atjehsche grooten behooren, maar die men haast als bewijs van schroomvalligheid zou aanmerken, is hier in zijn element. Hij spreidt eene werkzaamheid, een verstand en eene wilskracht ten toon, die mij meer en meer opvallen, naarmate ik hem beter leer kennen.

-ocr page 57-

TWEEDE HOOFDSTUK.

Op den Indisehen Oceaan.

Eene Atjehsche prauw. — Maïman roept den wind. Oponthoud te Lepong. — Beleefdlieidsbewijzen. In de moskee. — De balgingen. — Inlandsche losheid en Europeesche stijfheid. — De afsluiting der erven in de kampongs. — Parol, de tweede aanlegplaats. — Altijd zaken! — Ik trek mij terug in mijn tent. — Voorkomendheid van den vorst. — Eon keukeupraatje. — üe nieuwsgierigheid, door een blanke opgewekt. — De straatjongens te Paroi. — Een spelletje aan het strand.

Dinsdag, li December. De wind is goed; in de volle zoe heeft een gewoon roei\' den stuurriem vervangen, en wij zeilen rustig langs de bergachtige kust, geregeld heen en weer slingerende en met den golfslag op en neer gaande; de inlanders zijn echter volkomen op hun gemak.

Toekoe Loöng, als gezagvoerder van ons schip opgetreden, houdt het roer en geelt telkens hevelen:

— Panglima, hijsch de ra!

— Vier het zeil!

— Panglima, maak de schoot aan bakboord vast! Zijn getrouwe dienaar, de Panglima van Kloewang —

want elk van zijne kleine staatjes houdt er een of meer Panglima\'s (hoofden) op na — is ongeveer zijn eerste officier aan boord. Maïman, mijn tweede bediende , helpt ook een handje. Hij heeft, zich zeiven niet te gering

4

-ocr page 58-

OP DEN INDISCilIËN OCEAAN*.

schattende, de derde plaats onder de inlanders, allen ruwe zeelieden, ingenomen.

Toekoe Loöng, goed gehoorzaamd en geëerbiedigd, is, te midden van zijn volk, de goede edelman uit den ouden tijd, met allen eenvoudig en gemeenzaam omgaande. Zijne dienaren zijn tevens zijne makkers, zooals de graven eertijds, en ik acht mij verplicht om mijne bedienden nu en dan, door een blik of oen enkel woord , binnen de perken van eerbied jegens don vorst terug te brengen; zij schijnen wat te geëmancipeerd te zijn. Dat hindert me.

Maïman ligt thans plat op den rug, door den neus een vrij slaperig inlandsch deuntje zingende, waarvan ik niets begrijp. Elk couplet schijnt onveranderlijk te

beginnen met de woorden „ O rang timor____quot; Het komt

mij voor, een liedje te zijn om don wind te roepen. Eenklaps eindigt hij.

— Zing dan, Maïman, roept Toekoe Loöng.

Hij begint het couplet, maar scheidt weder spoedig uit.

— Maïman, roep den wind dan! Gij ziet immers wel, dat het niet meer gaat!

Maïman lacht:

— Maar, Toekoe, ik ken het versje niet moer, ik ben het geheel vergeten ....

— Gekheid, Maïman! Die vent houdt iederkeer op! Gij moet pas ophouden wanneer wij het zeil gaan minderen. Komaan, roept den wind. .. Maar niet met dat liedje; dat boort hier niet thuis; dit is beter.. ..

En hij geeft een ander wijsje aan.

De zon brandt inmiddels boven onze hoofden, en het helpt mij weinig of ik mij al, met mijn Ghineesch zonnescherm, aan hare stralen tracht te onttrekken. De glooiende hitte, weerkaatst door de warme golven, is haast onuitstaanbaar. Hot land schijnt mij op zichzelf

oO

-ocr page 59-

OP DEN INUISCUEN OCEAAN\'.

niet ongozoniler dan een ander, maar de veranderingen van temperatuur maken het hier ongezond en bezorgen ons de koorts.

— Het gaat niet langer zoo, zegt de Kedjoeroean. Het zingen van liedjes baat bij de inlanders al even weinig als het fluiten of het krabben van de mast bij de Europeesclie zeelieden. Men tracht wat vooruit te komen met twee zware roeispanen, maar dat helpt ook niet veel.

Intusschen, — eindelijk komen wij in de baai van Lepong, waar het anker wordt uitgeworpen. Een vlet, een schuitje van een uitgeholden boomstam gemaakt en met dunne latten overdekt, waarop men alleen hurkende het evenwicht kan bewaren, komt bij ons aan boord; de vorst van Loöng gaat daarop over, maar geeft mij in overweging de grootere prauw af te wachten, die van het strand komt aanroeien en bij ons aanlegt zoodra de eerste vertrokken is. Doch dadelijk werpen zich oen aantal menschen daarin. — Mijn hoofd is zwaar van die warmte, mijn maag geheel in de war door de slingering van ons vaartuig, —• ik ben bijzonder slecht gestemd.

— De Toekoe is vertrokken, zeg ik. Goed, maar ik wensch te blijven.

En ik zoek het eenige, wel niet koele, maar ten minste schaduwrijke plokje op dat aan boord te vinden is, en strek mij op mijn gemak uit. Allen kijken elkander aan, maar niemand waagt zich aan eenige opmerking. Men maakt mijne legerplaats wat zachter door eenige ledige zakken uit te spreiden. — Doch na verloop van een half uur komt de Kedjoeroean zelf mij afhalen; „Hij was verplicht geweest mij aan wal vóór te gaan, en hoopte dat ik het niet kwalijk zou nemen .. . .quot; De bemanning van de vlet, waaraan hij mij toevertrouwde, zagen er, eerlijk gezegd, niets vriendschappelijk uit; zij hadden zelfs ontbloote klewangs in

4*

51

-ocr page 60-

OP DEN INUIS(J1IE.N OCEAAN\'.

de hand! Misschien had ik nog niet den tijd gehad, om mij geheel aan den indruk te onttrekken van al wat men mij zooal gezegd had:

— Gij gaat dan zoo geheel alleen onder de Atjehers!

— Vertrouwt ze niet!

— Herinner U het Maleische spreekwoord over Atjeli! enz. enz.

Men moet, wat deze laatste aanbeveling betreft, weten dat een Malei er, de wijde wereld ingaande , van zijn vader den raad medekrijgt om zich te wachten voor drie dingen: de listen van Batavia, de bedriegerijen van Baros, en de hinderlagen van Atjeh.

Hoe dit zij, ik ben nu geheel aan de Atjehers overgeleverd , en indien ik geen ernstiger doel had, kon ik niij op het oogenblik reeds voldoende op de hoogte stellen van den plaatselijken toestand; ik kan nu alles duidelijk opnemen.

Bij onze landing is het strand bedekt met Atjehers, alle tot aan de tanden gewapend, met die groote, zware en goed geslepen klewangs zwaaiende alsof zij reeds naar het eene of andere hoofd zochten dat afgeslagen kon worden. Zij kijken mij met groote nieuwsgierigheid aan, en maken daarvan ook volstrekt geen geheim, maar ik moet zeggen dat hunne houding geenszins verontrustend is. Zij, die den Kedjoeroean nog niet gezien hebben, haasten zich hem hunne groeten met min of meer eerbiedsbetuigingen aan te bieden; zij vatten, op Atjehsche wijze, zijn hand en raken die met het voorhoofd of met de lippen aan, maken eene diepe buiging, of omvatten met beide handen eene knie, die zij ook al trachten te kussen. Sommigen wonden zich, na met den vorst afgedaan te hebben, tot mij en herhalen hunne beleefdheid ongeveer op dezelfde wijze; anderen bepalen er zich toe, mij aandachtig te beschou-

53

-ocr page 61-

OP DEN INDISCHEN OCEAAN.

wen om te weten hoe een Europeaan groet of lioe men hem begroeten moet. Maar ik moet zeggen, dat ik onze beleefdheidsbewijzen lomp vind in vergelijk met die dezer „wildenquot;, en ik breng mijne hand, na de hunne gedrukt te hebben, aan mijn hart om ook eenigszins met hunne manieren mede te doen.

Op korten afstand van het strand, op een begroeid plekje, houden wij stil bij een klein vierkant gebouwtje, waar eene bamboezen bank onder een afdak staat; de vloer van het binnenvertrek, uit zware planken bestaande, ligt wat hooger en is door een atappen dak overspannen. Dat is een bedehuisje, zegt de Kedjoeroean mij. Een zonnige weg, tussehen kokospalmen, bamboestruikenen vruchtboomen loopende, voert vandaar naar de kampong.

De Toekoe vraagt mij vergunning, hier een oog\'enblik uit te rusten, en strekt zich op den planken vloer van deze miniatuur-moskee uit. Het huisje schijnt voor ieder voorbijganger toegankelijk, en tegelijkertijd eene rustplaats en eene sociëteit te wezen. Inmiddels maak ik mij meester van de, evenals bij elke missigit, ook hier aanwezige put, vanwaar Maïman alle lieden verdrijft om mij in de gelegenheid te stellen een bad te nemen. Aripan maakt te gelijkertijd, in de open lucht, mijn eten klaar. Maar juist als mijne kop koffie gereed en mijne eieren naar behooren gekookt zijn, wordt de Kedjoeroean wakker en noodigt hij mij uit, bij hem op zijn matje te komen zitten. In een oogenblik is de vloer bedekt met een middagmaal, waarvan ik verbaasd sta. Groote koperen schalen op hoogen voet, met verbazend hooge deksels die rood, geel en verguld en met een klein, met gouddraad geborduurd lapje laken versierd zijn, — ziedaar bet servies, dat er wel niet nieuw meer uitziet, maar toch wel een goeden indruk maakt. Vanwaar het afkomstig mag zijn? — Ik houd mij echter op het oogenblik

53

-ocr page 62-

OP DEN IND1SCIIEN OCEAAN.

meer bezig met het onderzoek, wat er wol in is: uitmuntende kerrie en een overvloed van gekookte rijst. Ik oefen mij, op Atjehsche wijze met de vingers te eten, en verwonder mij over het gemak, waarmede men lepel en vork missen kan. Aripan brengt mij echter al spoedig eenige borden en mijn tafelgereedschap, en wij kunnen dus ieder wat rijst op ons bord nemen voordat we er met de vingers in zitten. .. . Men verloochent zijne Europeesche gewoonten niet dadelijk! — Eene groote koperen vaas bevat frisch en helder water, en beurtelings drinken de vorst en ik daaruit, met behulp van het koperen napje dat aan de oppervlakte drijft.

Een schilderachtige maaltijd! Honger is toch maar een beste kok, en ik heb zelden lekkerder gegeten dan dezen dag. Zoodra ons diner afgeloopen is, ontvangt Toekoe Loöng eene menigte kampongbewoners, die reeds aan de deur staan te wachten om hunne belangen voor te dragen. Ik ga in den tusschentijd eens naar het strand, waar juist Toekoe Abas met zijn gevolg aankomt.

— Is Toekoe Loöng hier al klaar met zijne zaken V vraagt hij mij.

— Neen, hij begint pas!

De „groote panglimaquot; —zooals Toekoe Abas genoemd wordt —■ geeft daarna een of ander bevel aan zijne lieden, die zich dadelijk gereed maken om te eten.

— Wij hebben den tijd wel om eens naar de kampong te gaan. Gaat Mijnheer misschien mede?

— Gaarne.

Onderweg deelt hij mij mede dat wij zeer hooge personages zullen zien, „die in de plaats van den Sultan getreden zijnquot;. Toekoe Abas spreekt het Maleisch minder duidelijk dan in het algemeen de lieden van zijn rang dat doen, en misschien begrijp ik daardoor den titel van de

54

-ocr page 63-

OP DEN INDISCHEN OCEAAN.

heeren, die wij gaan bezoeken , niet goed. Zijne bedoeling schijnt te zijn dat zij tot de omgeving van den Sultan behoorden, in den Kraton woonden, bij de verovering van deze door de Hollanders gevlucht zijn , en nu een veilig toevluchtsoord hebben gevonden te Lepong, een klein landschap waar men van lastige bezoeken bevrijd blijft.

Nabij de deur van het huis bespeur ik, voor de eerste maal, aan den voet van de trap, eene groote kuip met water, die, gelijk een wijwatervat, op een paal bevestigd is. Een lepel, bestaande uit een uitgeholden klapperdop (bast van den kokosnoot) met een langen steel, doet me aan een wijkwast denken. — Toekoe Abas schept, voordat hij naar binnen gaat, wat water en stort dit over zijne voeten, die hij verder wascht door de eene tegen de andere te wrijven, eenigszins zooals de Europeanen het hunne handen doen. Daarna vult hij den lepel opnieuw en biedt mij dien aan.

— Moet ik dat drinken ? vraag ik, over zijn verstrooidheid lachende.

— O! dat is waar ook, Mijnheer draagt schoenen ....

Wij gaan onder de veranda zitten, op een groot tapijt

van trijp, dat over de mat gespreid is. Zooals dat voor hooge lui past, laten de meesters van het huis ons een beetje wachten. Zoodra zij zich vertoon en, snelt Toekoe Abas naar hen toe; van weerskanten worden de handen uitgestoken en naar het voorhoofd of de lippen gebracht, kortom, de begroeting is allerhartelijkst. Zeer beleefd biedt de een den ander de eereplaats op het tapijt aan; bij slot van rekening wordt deze door mijn kameraad ingenomen, terwijl de beide gastheeren ter rechter- en linkerzijde plaats nemen.

Zij stellen het verledene, hij eenigszins den tegen-woordigen tijd van Atjeh voor. — Dat verledene wordt door hen betreurd; de een, van eene groote gestalte,

55

-ocr page 64-

OP DEN INDISCHEN OCEAAN.

56

mager, bleek, met een zwarten baard en een sprekend Arabische type, beeft iets droefgeestigs over zicb, ongetwijfeld ten gevolge van de vrijwillige ballingschap die hij verplicht is geweest zichzelven op te leggen; de andere, klein en dik, met een gewoon Maleisch gelaat, schijnt zich beter te kunnen schikken. Zij hebben den tegen-woordigen toestand, waarbij zij bun aanzien hebben verloren, niet willen erkennen, doch zij gevoelen dat hij hun te machtig is en doen geen verwijten meer aan hen, die zich bij de nieuwe orde van zaken hebben aangesloten. — Dit zijn dus leden van de vijandelijke partij, die het Indische leger in Atjeh zoo langen tijd de banden vol werk hebben gegeven! Blijkbaar zijn zij ontwapend; zij verlangen slechts, verder met rust te worden gelaten; maar anderen, wellicht met Panglima Polim \'), het vroegere sagihoofd der XXII Moekims als aanvoerder, spannen nog in de binnenlanden van Pedir samen. Hier bevindt zich de jeugdige zoon van den laatsten Sultan, die zonder twijfel door zijne omgeving wordt opgevoed in gevoelens van trots en van wederstand tegen het nieuwe bestuur over Atjeh. Het komt mij voor, dat de staatkunde der Nederlanders daar vooral werkzaam moet zijn; en misschien zouden zij op het oogenblik geen nuttiger overwinning kunnen behalen dan wanneer zij dat, door de inlanders zoo vereerde kind aan hunne zijde wisten te brengen. .. .

Met belangstelling sla ik hier ïoekoe Abas gade; ik had hem nog nooit onder zijns gelijken gezien. Hij vertoont zicb hier geheel als een man, die zijne wereld kent. — Deze lieden, die barrevoets gaan en op den grond zitten, hebben in hunne bewegingen en in hunne

\') Deze is in het laatst van 1883 overleden, maar de toestand is daardoor niets veranderd.

-ocr page 65-

OP DEN\' INDISCHEN OCEAAN.

wijze van zijn iets bevalligs, iets vlugs, iets lenigs, dat de Europeanen hun mogen benijden. Met mijne grove schoenen die ik niet onder mijne beenen kan verbergen , en mot mijne stijve beenen die ik niet behoorlijk op de mat kan uitstrekken , heb ik voor mijzelven het gevoel van een ridder, die met zijn helm, zijn kuras, zijne sporen en zijne rijhandschoenen in een deftigen kring vol baltoiletten wordt binnengeleid.

Wij hebben er den slag niet van om, zooals de inlanders, ons voor een gezellig praatje gemakkelijk op den grond neer te vleien. Wij moeten hooge voorwerpen hebben: stoelen, tafels op hooge pooten . . . . Wij leven meer overeind, stijver, — misschien werkzamer, daar wij den tijd niet hebben, of ons dien niet gunnen, om ons gemak te nemen; dit is wellicht beter; maar in de oogen der oosterlingen moeten wij toch wel lompe wezens zijn! Het moge onze eigenliefde nu juist niet streelen, — de lieden, die wij allicht met den titel van „wildenquot; vereeren, vinden ons op hunne beurt weinig beschaafd; zij buigen zich voor onze grootere materiëele kracht, maar blijven voor ons een gevoel bij zich dragen, dat veel op minachting gelijkt....

Om zijne gastheeren aangenaam te zijn, herhaalt Toekoe Abas in hunne tegenwoordigheid zijne mededeeling aan mij; „zij woonden in den Kraton en hadden het recht, in de plaats van den Sultan op te tredenquot;.... Ik ben natuurlijk zeer vereerd, bij zulke hooge personages toegelaten te zijn; maar, ofschoon ik op het eere-tapijt zit, kan ik toch niet zeggen dat ik het hier heel prettig vind; misschien draagt de overpeinzing, die ik zooeven neerschreef , het hare daartoe bij. — Ik laat mij twee dikke boeken aanreiken die ik in een hoek zie; het zijn twee korans, waarvan een gedrukt, de andere geschreven is. Ik blader daar een beetje in, en stap vervolgens op.

57

-ocr page 66-

OP DEN 1NDISCHEN OCEAAN.

Ik ga thans, door Maïman en Aripan gevolgd, eens een kijkje nemen in de kampong, tot groote verbazing der bevolking. De vrouwen nemen den schijn aan van zich te willen verwijderen; maar de nieuwsgierigheid schijnt sterker te wezen dan de zedigheid of de schrik, en zij blijven staan om mij goed op te nemen. Elk erf is door eene heg afgesloten; de opening in die heg is zoo gemaakt, dat de karbouwen niet binnen kunnen komen. Soms zijn eenige stevige palen dicht bij elkander in den grond geplant, zoodat men zich er op zijde door moet wringen; meestal moet men op een grooten steen klimmen en dan, over een dwarsbalk, op een anderen steen stappen. Enkele malen ook vindt men twee aan elkander verbonden trapjes van bamboe, waarvan men het eene op- en het andere afgaat.

Eindelijk bereik ik het strand, waar ik de prauw van Toekoe Abas, die zich intusschen weder heeft ingescheept, zie vertrekken. Nu zoek ik Toekoe Loöng weder op, die reeds eenigen tijd op mij heeft gewacht. Zijne zaken zijn afgedaan, en wij gaan, op onze beurt, weder aan boord.

Maar de wind is niet gunstig, en men moet gaan roeien; eerst in den nacht komen wij aan eene baai, die grooter en schooner is dan de eerste, en ook tot het gebied van Toekoe Loöng behoort; dat is de baai van Paroi. Men verhaalt ons, dat Toekoe Abas ons hier sinds lang opwacht.

— Wij zullen te Paroi een ander vaartuig nemen, zegt mij de Kedjoeroean; deze prauw deugt niets.

Ik laat hem maar begaan; dit tweede reisje op zee was vrij wat vermoeiender dan het eerste en heeft mij min of meer zeeziek gemaakt.

Wij komen dan aan wal en gaan gezamenlijk door , eene landstreek, die, voor zoover daarover bij maanlicht te oordeelen is, goed bebouwd schijnt en, evenals

58

-ocr page 67-

01\' 1)EN INDISCHEN OCRAAN\'.

Lepong, een goeden indruk maakt. Wij marcheeren geruimen tijd over de dijkjes, die de rijstvelden van elkander scheiden, en komen eindelijk aan enkele bamboehuisjes, waar de Kedjoeroean allen van zijn gevolg achterlaat; slechts met ons drieën gaan wij weder verder , totdat wij eene kampong bereiken, waar bijzonder veel leven is. Nadat, evenals te Lepong, ook hier de voeten afgespoeld zijn, gaan wij het voornaamste huis van de kampong binnen.

Daar vinden we onzen vriend. Toekoe Abas, terug met een talrijke omgeving van min of meer aanzienlijke Atjehers. Hij laat mij naast zich op zijn tapijt zitten en wisselt eenige woorden met Toekoe Loöng, waarop deze mij mededeelt, dat hij hier gaarne drie dagen zou willen blijven; er zijn gewichtige zaken te behandelen!

Bij deze mededeeling spring ik van mijne plaats op, en ik zeg ronduit dat ik geen lust heb om zooveel tijd te verliezen:

— Drie dagen! En we hebben al zooveel tijd verloren! Dan ga ik maar alleen verder, te voet, langs het strand. De Kedjoeroean kan dan hier blijven als hij dat wil.. .

— O neen, Mijnheer! Indien Gij heengaat, ga ik met U mede; maar Toekoe Abas heeft mij hier noodig, en hij laat U vragen of U niet op mij zoudt willen wachten.

— Ik heb lang genoeg gewacht; ik bedank er verder voor.

De Kedjoeroean en Toekoe Abas voeren nu, in het

Atjehsch, een zeer opgewonden gesprek; de laatste heeft het hoogste woord. — Ik val hem eindelijk in de rede, om te vragen wat hij te zeggen heeft.

Tockoe Loöng komt tusschenbeide en verzekert mij, dat Toekoe Abas niet verlangt dat hij. Toekoe Loöng, hier blijft als ik er niet in toestem om ook te blijven____

— Maar Gij hebt met mij immers ook zaken te doen, die zijn toch ook van belang. Het gaat waarlijk niet

59

-ocr page 68-

OP DEN 1NDISCHEN OCEAAN.

aan, die maar steeds nit te stellen! En wat hebt Gij hier te doen?

— Er moeten nieuwe hoofden gekozen worden, Mijnheer. De Wakil, het districtshoofd, is overleden, en er moet ook een kamponghoofd aangesteld worden.

Drommels! ik dacht aan een hoofd, dat weigerde te Kotta Radja te komen omdat hij zaken te Olehleh te doen had, en dien ik daar bij een hanengevecht vond! — Maar hier is het een ernstig geval; men kan een district of eene kampong maar niet zonder bestuur laten, en ik ben dus wel gedwongen mij naar de omstandigheden te voegen. Ik doe dit echter nog maar alleen voor mij-zelven, en zeg aan mijne vrienden dat zij niets schijnen te begrijpen van den toestand van iemand, die drie duizend mijlen van zijn land verwijderd is, die weder daarheen moet terugkeeren, en dien zij behandelen als iemand uit eene naburige kampong, die al den tijd heeft.

— Bij slot van rekening, zeg ik lot den Kedjoeroean, ik hang geheel van U af en kan niets zonder U doen , maar mijn tijd is beperkt; indien ik dien elders dan te Loöng zoek breng, kan ik daar niet meer doen wat ik mij voorstelde, en zou ik verplicht zijn, geheel af te zien van mijn plan om de mogelijkheid na te gaan van eene Europeesche landbouwonderneming. Nu moet Gij \'t verder zelf weten.

De Kedjoeroean overlegt nog verder met Toekoe Abas en de andere hoofden, die wel wat vreemd staan te kijken van mijne heftigheid.

— Zou Mijnheer ons dan één dag willen toestaan, alleen morgen?

— Zeer goed.

Daar ik mij in de kleermakers-positie, met gekruiste beenen, nog niet goed kan schikken, neem ik na deze afspraak de vrijheid , rechtuit op den grond te gaan

GO

-ocr page 69-

ÜP L)EX INUlSOllEN OCEAAN.

liggen. Misschien doe ik daarmede echter tekort aan hot Atjehsch fatsoen, onder zulk een talrijk en schitterend gezelschap, — althans Toekoe Loöng, altijd even voorkomend , haast zich om mij te zeggen dat ik, als ik soms vermoeid ben, mij niet moet geneeren; dat hij er volstrekt niet op gesteld is om mij tegen mijn zin hunne beraadslagingen te doen volgen. en dat hij mij wel mijne slaapplaats zal laten aanwijzen.

Niets liever dan dat; de laatste vier en twintig uren hebben mij wel afgemat, en weldra ben ik in een heerlijken slaap.

Woensdag, 15 December. Ik had de binnengalerij van eene woning te mijner beschikking, waar zich eerst een vijftiental inlanders ophielden; maar deze werden weggejaagd, en niemand mocht meer binnenkomen dan een hoofd, de panglima van Kloewang, die mij tot lijfwacht is aangewezen, en mijne beide bedienden. — Men brengt eene koperen lamp met twee armen, die met eene koperen ketting aan het dak opgehangen wordt; men spant een groot gordijn, dat het vertrek over de geheele lengte in twee deelen verdeelt en aldus eene slaapkamer afschiet, en ik leg mij neder op de (/-latten die den vloer vormen ; bij wijze van matras heb ik eene flinke mat, waarop ik een gat in den dag slaap.

Bij mijn ontwaken geleidt de panglima mij naar het bad, beslaande uit een put die door eene vrij dichte heg omringd is, en in de nabijheid waarvan hij de wacht houdt. Bij mijn terugkeer ziet men onder de huizen eene menigte vrouwen en kinderen, die zich verdekt hebben opgesteld om mij te kunnen waarnemen. In Europa zou de kleeding waarmede ik een deel der kampong doorliep — Ghineesche muilen van hout, eene lange witte kabaai, een helmhoed — de nieuwsgierigheid opwekken; hier

-ocr page 70-

OP DEN INDISÜUÉN OCEAAN\'.

letton ze niet op de kleeding, maar op den persoon : men heeft nog nooit eerder een blanke gezien! Ik zou hun nog wel vreemder voorkomen, wanneer ik eens eene lange jas aan en eelie zwarte kachelpijp op had!

Na een hoogst eenvoudig ontbijt, waarvan het gereedmaken aan Aripan de gelegenheid heeft aangeboden om zich onder de omstanders te doen gelden, begeven we ons naar het strand, waar men dezen morgen onze goederen moet lossen. Ik krijg daar, in de nabijheid van eene visschershut, een aardig klein gebouwtje in het oog; een tentje van atap en bamboe, van ongeveer vier vierkante meters oppervlak, waarin men tegen regen en, min of meer, ook tegen den wind beschermd is. De morgenzon schijnt er in door eene breede opening onder het dak; de frissche lucht kan vrij binnentreden tus-schen de latten, die den vloer en de omwanding vormen, —■ maar de huizen zijn hier over \'t algemeen niet beter gesloten; waarvoor zou \'t ook dienen? Het is immers nooit koud! Zonder naar den eigenaar te vragen — alles is ter beschikking van mijn gastheer, — verklaar ik, hier gedurende mijn verblijf te Paroi te willen verblijven, en onmiddellijk begint men hier mijn goed over te brengen. Aripan maakt, met behulp van een paar roeiriemen, eene stelling waarop mijn koffer met kleeren gezet wordt, en zoekt een paar plankjes waarop hij mijn veldbed opslaat. Mijn ander goed wordt in de galerij geplaatst. Heel gezellig! Ik voel mij hier ongeveer als een slak in zijn huisje. Zoodra mijn veldbed in orde is, ga ik er een oogenblik op liggen, wat een groot genot is; daarop ga ik half naar buiten, door n.1. op den drempel van de deur te gaan zitten, mot mijne voeten op den lager gelegen galerijvloer. Mijne knieën kunnen als schrijftafel dienst doen. De woning is te klein en te vol om een beter plaatsje te vinden.

02

-ocr page 71-

Of DES iNblSUUEN OCEAAN.

Tockoc Loöng komt mij al spoedig een bezoek brengen ; hij is bang dat ik boos ben, en weet niet wat hij doen zal om mij aangenaam te wezen. Ik zal het te benauwd hebben in mijn hutje, meent hij; waarom neem ik het huis vo.n den visscher niet! — Hij laat mij hier binnengaan, om mij te doen zien dat er eene behoorlijke slaapplaats is, maar ik vind mijn veldbed toch beter. — Als ik dan toch met alle geweld wil blijven waar ik ben, zal hij zich van avond met zijne volgelingen in de visschershut opschieten, want hij wil mij in geen geval alleen laten. Hij gaat op de jacht en brengt mij twee groene duiven, die onder het lekkerste wild van dit land gerekend worden. — Hij vischt, en komt een uur later uit de zee terug met een verbazend grooten rooden visch, die uitmuntend moet zijn. Ik weet niet wat ik met al de eetwaren moet doen waarmede ik overladen word, want hij heeft, mij ook reeds eene kip gezonden, die Maïman geslacht heeft en Aripan klaarmaken zal.

Die kip heeft mij al veel hoofdbrekens gekost. Aripan beweert dat hij een beste kok is, maar is er nog niet in geslaagd, iets eetbaars voor den dag te brengen. Ik ben dus verplicht hem te leeren, hoe hij te werk moet gaan, vooral ten opzichte van kippen, daar dit in Indië dagelijksche kost is. Maar het is voor mij niet gemakkelijk hem les te geven, want mijne herinneringen van koken en braden reiken niet ver. Had ik maar een „Zuinige keukenmeidquot; of ander klassiek keukenboek uit Europa medegenomen; jammer dat men niet tijdig er op verdacht is, in welke vreemde toestanden men op reis kan geraken! Ik moet, met dat al, wel een mal figuur slaan in het oog der nieuwsgierige omstanders.

Dit personeel ontbreekt niet. Eerst hebben zij een kring gevormd rondom mij heen, om een blik op mijn zakboekje te werpen; als ik hen hun gang had laten

(53

-ocr page 72-

1)4 OP UËN 1ND13CHEN OCEAAN.

gaan, zouden ze wel op mijne schouders geklommen zijn om mij te zien schrijven. Daarna konden zij zien hoe ik in eene allereenvoudigste kleeding en, wegens de warmte, blootvoets — toch was ik nog verreweg de best gekleede van het gezelschap — mij onledig hield, de kip met mijn zakmes in stukken te snijden; hoe ik het kook-toestel, de peper, het zout, de uien onder de hand had en aan mijn kok wees hoe hij doen moest. Ik had mij voorgesteld hem nu, eens voor altijd, te leeren hoe hij \'t moest aanleggen om een gebraden kip te leveren, maar, tot mijn groote verbazing, was het resultaat: een soort van gestoolde kip!

Indien er nu, onder de bedoelde omstanders, personen aanwezig geweest waren die omtrent vreemdelingen aanteekeningen van ethnographischen aard maakten —-zooals ik te hunnen aanzien deed, — dan zouden ze heden wel een bespottelijk hoofdstuk „over den aard van den Franschmanquot; hebben geschreven! En toch ben ik overtuigd, dat ik door mijne kookkunst, die zij konden waarnemen, meer in hunne achting rijs dan door al het schrijven, dat zij mij uren lang hebben zien doen, maar waarvan zij niets begrepen, ofschoon zij er met een be-wonderenswaard geduld naar stonden te kijken. Zulke lieden hebben alleen begrip van hetgeen rechtstreeks nuttig is.

De Toekoe heeft zijne rijst uit de kampong laten aandragen en wil bij mij komen eten. Hij is er blijkbaar op gesteld, mij geen oogenblik onder een ongunstigen indruk te laten.

— Men heeft een groot feest georganiseerd, zegt hij, bij gelegenheid van de aanstelling der nieuwe hoofden: men gaat een karbouw slachten, zooals bij volksfeesten gebruikelijk is. Dat zal morgen ochtend plaats hebben.

-ocr page 73-

OP DEN INUISCÜEN OCEAAN.

Maar Mijnheer behoeft zich niet ongerust te maken; wij vertrekken dadelijk daarna.

Het zon niet beleefd van mij geweest zijn wanneer ik den Kedjoeroean wilde beletten, dergelijke belangrijke zaken, die de geheele bevolking aangaan, bij te wonen, en evenmin wanneer ik zijne pogingen om mij aangenaam te zijn niet waardeerde. Ik verzoek hem dus alleen, ons verblijf toch niet langer te rekken dan bepaald noodig is, en ben verder zoo vriendelijk mogelijk tegen hem. Inderdaad mag ik hem wel gaarne lijden, en onze verhouding wordt dan ook hoe langer hoe hartelijker.

Dit land schijnt niets mot den oorlog te maken gehad te hebben; de bevolking geniet er eene betrekkelijke welvaart. De karbouwen zijn er talrijk, — de kinderen ook, en de laatste zien er zeer goed uit; ze hebben een helderen en verstandigen oogopslag. Evenwel zijn niet allen even gerust te mijnen opzichte. Er was heden een kleine knaap, van een jaar of tien, die verschrikkelijk bang voor mij scheen te zijn. Of ik hem al toeriep : „Ik zal je geen kwaad doenquot;, „kom eens hier, ventjequot; , en dergelijke; of ik hem al wenkte door, op de in Indië gebruikelijke wijze, mijn handen uit te steken en, alsof ik iets naar mij toe haalde, met de naar beneden gebogen vingers weder terug te trekken, — \'t hielp niets; hij hield zich angstig aan zijn broeder vast en nam weldra de vlucht. Ik ben naar buiten gegaan en heb hem ingehaald, met het plan hem met mij mede te nemen, en hem, b. v. door het verstrekken van een beschuitje, gerust te stellen omtrent mijne bedoelingen; maar ik heb ervan moeten afzien, zoo\'n keel zette de jongen op. Niemand, zelfs zijn eigen vader niet, nam overigens notitie van zijn geschreeuw. Een kleine deug-

-ocr page 74-

OP DEN INUISCUEN OCEAAN.

niet, die zich dapper wilde toonen, kwam naar mij toe en zeide, in het Maleisch:

— Het is een domoor!

Heden avond, na het middagmaal, ben ik gaan wandelen langs het strand, waar het verrukkelijk is. Een twintigtal kinderen, dezelfde nieuwsgierigen van van morgen, vergezelden mij, stoeiden met elkander, trachtten mij het een en ander te laten zien wat mij afleiding kon geven, en het deed mij leed dat zij geen speelgoed hadden , waarbij zij van zoo\'n ruim veld een goed gebruik konden maken. Eenige hunner hadden den geheelen dag met een tol gespeeld, dien zij heel ruw gemaakt hadden van een stuk hout, waaraan met een mes eene min of meer kegelvormige gedaante gegeven was, terwijl een stukje ijzer, met veel inspanning op een steen puntig geslepen, en daarna in het hout geslagen, als punt dienen moest. — Het is frisch weer en mooie maneschijn, — juist geschikt voor eene hardlooperij: ik herinner mij een van die spelletjes, waarmee wij, in onze jeugd, op de kostschool zoo\'n pret hadden. Ik vergader de knapen dus bij mij, roep Maïman om onze tolk te zijn, en laat hen, over de geheele breedte van het strand, twee lijnen trekken om de grenzen der partijen af te bakenen; ik zoek twee jongens uit, die de aanvoerders der partijen zullen zijn, — de eerzuchtigen ontbreken niet, zelfs niet onder de straatjongens van alle landen —, en laat deze beurt om beurt een jongen kiezen , die tot zijne partij behooren zal. Wie de eerste keus heeft, wordt door het lot beslist: de een heeft eene schulp in een zijner vuisten, en de ander raadt of de rechter- of linkerhand gevuld is. Terwijl aldus de jeugd in twee partijen verdeeld is, komen de oude lui opzetten om te zien wat er te doen is; zij gaan op eenigen afstand op eene rij zitten en toonen de meeste belangstelling. Het terrein tusschen

6G

-ocr page 75-

OP DËN\' INDISOHEN* OCEAAN.

de twee getrokken lijnen is neutraal, achter elke lijn is eene bende opgesteld. Nu komt de eerste kampioen op het midden-terrein, als eene echte vechtersbaas, de tegenpartij uitdagen.... Het duurt niet lang, of allen begrijpen het spel opperbest, en zij hebben er zoo\'n plei-zier in, dat het een lust is om te zien! Wanneer een den ander „aanraaktquot;, doet hij dat meestal zoo goed, dat deze een paar passen vooruit stuift en op den grond valt. De vlucht en de vervolging geschieden zoo ijverig, dat men nu en dan een eindje in de zee terechtkomt. . .

Op het oogenblik dat het spelletje in vollen gang is, komt Toekoe Loöng ook aanzetten. Hij stelt er bijzonder veel belang in; hij moedigt de jongens aan, bestuurt hunne bewegingen, en helpt waar hij kan. Vooral voor het lot der „gevangenenquot; is hij bezorgd; aanhoudend wijst hij de zwakste partij op haar plicht om hen te bevrijden ....

Aldus hebben wij ons een goed uurtje vermaakt, en thans nog, terwijl ik zit te schrijven, hoor ik in mijn hutje de kreten , waarmede de onvermoeide hardloopers de lucht doen weergalmen, en die mij zoo geheel aan lang vervlogen jaren herinneren; want kindervreugde heeft overal dezelfde taal. Het eenige onderscheid is, dat het tooneel van den strijd anders was: in mijn jeugd waren we omringd door hooge muren; hier was het terrein slechts door den horizon, de kalme zee, de hooge kokospalmen , de groene rijstvelden en de bergen op den achtergrond begrensd .... Waarlijk, de natuurkinderen zijn gelukkiger dan die der beschaafde volkeren!

G7

-ocr page 76-

DERDE HOOFDSTUK.

Een feest te Paroi.

Aanzienlijke Atjehers. — Wapens en kleedingstukken. — Versieringen. — Het sirihkauwen. — Eene geïmproviseerde tribune. — Een karbouw geslacht. — Toebereidselen tot het feest: de eeretafel. — De Kedjoeroean en Toekoe Abas. — De overlevering in eere gehouden. — Atjehsche vormen. — De groote vergadering. — Sprekers en verkozenen. — De wijding. — Weder aan boord. — Eene maaneclips. — Vrijmoedig oordeel en vrijheid van spreken bij de Atjehers. — Ontscheping in de baai van Pe-toeloet. — Voor den dienst van den vorst. — Aankomst in de woning van Toekoe Loöng.

Donderdag, 16 December. Wanneer men, in Indië, bij liet aanbreken van den dag, zijne legerstede verlaat, haast men zich naar buiten. De natuur is dan op haar schoonst, de frissche morgenwind komt ons tegemoet...

Heden morgen treft mij de schilderachtige ligging vooral van het fraaie landschap, dat, door de rijzende zon verlicht, zich voor mij uitstrekt. Het is gestoffeerd met visschers, die zoo luchtig mogelijk — met allerhande lappen — gekleed en kranig met een rooden of blauwen hoofddoek op hunne zwarte haren versierd zijn, en met geheel naakte kinderen, die hunne schaduwbeelden op het strand werpen. Maar weldra wordt mijne aandacht geheel ingenomen door een voorwerp, dat het vreemdste onderdeel van dit tafereel vormt;

-ocr page 77-

HEN FEEST TE l\'AHOI.

buiten do grens van het zand, oen goed eind de zee in, wordt een bijzonder groote karbouw door twee mannen rondgeleid. Deze gaan tot aan den hals door het water; de karbouw gaat langzaam vooruit, alsof hij van dit vroegtijdig bad :\'.oo lang mogelijk genieten wil.

Ik ga een eind het strand op, om die vreemde reizigers van naderbij te beschouwen; zeker vinden zij het gemakkelijker om maar dwars door de baai te gaan, dan een omweg te maken door het strand te volgen .. . Maar ik merk al spoedig op, dat de plaats, waar ik ben gaan staan, zeer bevolkt wordt. Van alle kanten komen er lieden opzetten; rijk en arm, maar allen met een ontbloot wapen in de hand. Sommige klewangs, waarvan het gevest rijk versierd, geëmailleerd of met goud ingelegd is, kosten een paar honderd rijksdaalders per stuk; andere wapens, die van het geringere volk, zijn eenvoudig lange messen van allerlei fatsoen, waarvan de minste wellicht een halven gulden waard is. Velen dragen bovendien in den gordel een Atjehschen ponjaard met ivoren, beenen of houten gevest, in een min of meer bewerkte houten scheede; sommigen eene Javaan-sche kris, waarvan de scheede verguld is; weer anderen eene scherpe sabel met ijzeren korf, die van binnen met watten gevoerd en voor Europeesche handen te klein is. Eindelijk zijn sommigen met lansen of werpspiesen uitgerust.

De kleeding der voorname lieden, der hoofden, is wel eene korte vermelding waard: het indische hoofddeksel , uit een sterk weefsel met roode, blauwe of gele banden bestaande, versierd met goud of zilverdraad; een wit vest, met zilver geborduurd en met groote gouden knoopen op de borst; een sarong om de middel; een Atjehsche pantalon, waarvan het kruis pas onder de kuil eindigt en waarvan de bijzonder korte pijpen

-ocr page 78-

EEN FEEST TE PAROI.

aan weêrszijden door groote, met edel metaal geborduurde ruiten zijn opgeknapt. Alles is van zijde, door de Atjehsche vrouwen geweven. Over de schouders hangt nog een sirihdoek, waarvan de uiteinden, van voren en van achteren, met gouden voorwerpen zijn beladen; in deze laatste spiegelt zich de voornaamheid van den eigenaar het meest af.

Die sirihdoek verdient nog eene nadere omschrijving. Hij bevat versche sirihbladeren, pinangnoten, doosjes met gebluschte kalk en met gambir, en eindelijk een koperen, zilveren of gouden tabaksdoos \') ; een en ander, in den zijden doek gerold en daaraan vastgemaakt, vormt een pakje, dat op den linkerschouder wordt gedragen ; het uiteinde, dat op den rug hangt, is verzwaard door een dikken gouden ring. Voor op de borst hangt het langste eind; hier heeft men, behalve een tweeden gouden ring, nog eene gouden ketting waaraan eenige sleutels enz. bevestigd zijn. Die sleutels dienen alleen als sieraad; men vindt daarbij tandenstokers, oorlepeltjes , nijptangetjes om splinters en de baardharen uit te trekken, platte lepeltjes om de sirihkalk uit te strijken enz., — alles te zamen tien of twaalf stuks.

De allerrijksten zijn nog beter ingericht, en loopen met een groot kapitaal rond. Intusschen moet men in het oog houden, dat het, ook bij de onbeschaafde volken, niet altijd goud is wat er blinkt ; in werkelijkheid is hetgeen zich als goud voordoet, slechts een mengsel

\') Voor het kauwen of pruimen gebruiken de inlanders 2 of 3 sirihbladen, waarvan de bovenste met een weinig fijne kalk is besmeerd; die bladen worden daarna dubbel gevouwen en een stukje (J) van de pinang- of betelnoot, met wat gambier, daarin gerold. Aldus is de pruim gereed en wordt bij in den mond gestoken ; een pruimpje tabak wordt tusscben de lippen genomen om bet roode speeksel af te vegen. - \'s Lands wijs, \'s lands eer!

70

-ocr page 79-

EEN FEEST TE PAROI.

van goud, zilver en koper, welk mengsel in Ihdië den naam van soewassa draagt.

De kalkdoos van mijn vriend Toekoe Loöng bestaat b. v. uit dit amalgama; evenwel zijn ze ook dan nog niet goedkoop, want volgens zijne verzekering zou die doos honderd en vijftig rijksdaalders hebben gekost.

De aankomenden richten zich in de eerste plaats naar eene prauw, die een goed eind uit de zee op den wal gehaald is, en waarin ik Toekoe Abas ontdek, die, op den achtersteven gezeten, en omringd door verschillende hoofden, daar een soort van eereplaats inneemt. Op het strand komende, heeft de man mij niet goeden dag gezegd. Hij spreekt slechts weinig Maleisch, hetgeen onze conversatie nog al moeielijk maakt, en het is dus mogelijk dat hij mij niet heeft durven aanspreken. Misschien is hij om de eene of andere reden slecht gemutst. Om hiervan het mijne te hebben, ga ik naar hem toe:

— O, Toekoe, wat zijt gij een slecht mensch! voeg ik hem lachende toe.

— Ja, ik ben waarlijk heel slecht. Wil mijnheerevenwel hier naast mij plaats nemen?

— Met genoegen!

Ik beklim de zoo practisch en zoo vlug geïmproviseerde tribune, en zet mij daar, met de beenen gekruist, neder.

— Gij slacht van daag een karbouw, Toekoe?

— Daar is hij! antwoordt hij mij, op het beest wijzende, dat reeds zoozeer mijne aandacht getrokken had zonder dat ik nog aan het feest dacht. Het is hetzelfde dier ; volgens landsgebruik wordt hot, alvorens ter dood gebracht te worden, in de zee rondgeleid.

Na twee of drie rondwandelingen in de baai, wordt do karbouw, door zijne beulen geleid, naar het strand

71

-ocr page 80-

EEN FEEST TE PAR01.

gebracht, op een geringen afstand van onze zitplaats. Men brengt touwen aan, waarmede hij stevig gebonden wordt; daarna worden de pooten gekluisterd en hij op den grond geworpen. Een kring van veertig menschen, die met veel lawaai deze handelingen verrichten, bespaart ons het gezicht op de slachting zelve. Zooals men weet laten de Mohammedanen, evenals de Joden, de dieren die zij eten altijd doodbloeden. Wij zien nu slechts stroomen bloed over het zand loopen en de zee rood kleuren. Toekoe Abas vraagt, of ik het hart van het beest hebben wil; maar ik doe hem begrijpen dat ik meer trek heb in het haasje. Gelukkig vraagt men mij niet welk gedeelte van het dier dit is, want, om de waarheid te zeggen, zou ik dat niet weten.

Mijne bedoeling is echter goed begrepen. Zoodra de „vleeschhouwerijquot; is afgeloopen, zendt men mij eene kafbouwenlever en een karbouwenhaas, waarmede een tiental personen gevoegelijk hun maal zonden kunnen doen. Ik tracht duidelijk aan mijne bedienden uit te leggen, hoe zij een en ander aan een geïmproviseerd spit moeten braden.

Intusschen worden de toebereidselen tot het feest met allen ijver voortgezet. Op eenigen afstand van de visschershut, nabij mijn verblijf, staat een bamboezen afdak, waarin een groot fornuis aanwezig is. In den regel wordt dit gebruikt om zout uit het zeewater te koken, maar thans is hier de keuken gevestigd. In drie verbazende ijzeren kookketels ziet men witte bergen van rijst, die omgeroerd worden met roeiriemen bij wijze van potlepels. Men weet zich blijkbaar naar omstandigheden te behelpen!

Ter zijde zijn een groot aantal lieden, belast met de waarneming der betrekking van koksmaat, op het zand zittende, vlijtig bezig om de groote stukken karbouwen-

72

-ocr page 81-

EEN FEEST TE PAHOl.

vloesch, die van de slachtplaats door twee of drie man worden aangedragen, in kleine lapjes te snijden. De kop blijft in zijn geheel en wordt, bloedend en met zijne horens, op een houten balk geplaatst die door twee paaltjes ondersteund is. Het landsgebruik eischt dat hij aldus, na afloop van het feest, in de zee geworpen wordt, omdat de visschen ook hun aandeel in de smulpartij moeten hebben; dit is eene offerande aan den geest die de zee bewoont, opdat hij de vischvangst zegene.

Een eind verder, onder een grooten boom, is het buffet aangericht. De meeste hoofden en voorname lieden hebben groote schotels met gebakjes, welke de Atjehsche vrouwen uitmuntend weten klaar te maken, daarheen gezonden; men vindt er verder, uit dezelfde bron, kleine taartjes van verschillende soort, gele (met kurkuma gekleurde) rijst, geroosterde kippen en kerrie, — alles op koperen schalen met hoogen voet en koperen deksels, die met laken, waarop goud- of zilverdraad geborduurd is, overtrokken zijn. Men kan denken dat dergelijk buffet voor een vreemdeling een allerzotst aanzien heeft!

Nog verder, vóór mijn huisje, hebben de hoofden zich reeds rondom de eeretafel neergezet. Die tafel bestaat uit een groot ovaal van fijn zand, waarover een donkerrood vischnet met fijne mazen is uitgespreid. Het is wel de netstbewerkte vloer, en tevens de origineelste tafel die men zich kan voorstellen. Toekoe Abas wijst de Heeren hunne plaatsen aan, roept den een, beknort den ander die zichzelven te laag plaatst; alles gaat vroolijk toe, en met het meeste gemak neemt mijn vriend de honneurs waar van het feest, waar alle aan-zittenden zich even deftig en behoorlijk gedragen. Toe-koe Loöng, de eigenlijke heer des lands, houdt zich

n

-ocr page 82-

EEN FEEST TE PAROI.

zooveel mogelijk op den achtergrond en toont voortdurend de meeste deferentie voor Toekoe Abas, ofschoon deze eigenlijk niet de minste macht bezit.

Men moet n.1. weten dat Toekoe Abas, eigenlijk Toekoe Nja Abas Setia Oelama geheeten, in den Sultanstrijd (vóór 1874) Panglima (Sagihoofd) van de XXV Moekims was. Hij onderwierp zich eerst in Januari 1880 aan het Nederlandsch gezag, toen dit door zijn gebied sinds langen tijd erkend en zijn invloed geheel verloren gegaan was.

Hij was de broeder van Toekoe Lampasei, die zich steeds een trouw bondgenoot der Nederlanders had betoond, en sedert de komst van deze als plaatsvervangend hoofd der XXV Moekims was opgetreden, hoewel zijn invloed bij de bevolking niet groot was. Toekoe Lampasei was hoeloebalang (opperhoofd) van de „Zuidelijke Nederzettingen van Groot-Atjehquot;, waartoe Lepong, Paroi, Loöng enz. behooren.

Toen deze in April 1880 overleed, volgde Toekoe Abas hem als zoodanig op, doch slechts in naam; want, in overleg met de verschillende hoofden, werd de Kedjoe-roean van Loöng tot zijn vertegenwoordiger aangesteld, en feitelijk is deze rechtstreeks aan het Nederlandsch bestuur ondergeschikt.

Toekoe Abas voert echter, bij de bevolking, nog steeds den titel van Sagihoofd der XXV Moekims; men bewijst hem nog de hulde, aan dien titel verschuldigd, en keert hem een deel der belastingen en boeten uit.

In bet openbaar betoont Toekoe Loöng zich steeds aan hem ondergeschikt.

liet is wel de moeite waard eens na te gaan, met welke eerbewijzen zoowel Toekoe Abas als Toekoe Loöng worden overstelpt. De hoofden, die het laatst aankomen, dringen door den kring van het publiek

74

-ocr page 83-

EEN FEEST TE PAROI.

heen en kruipen, met het aangezicht ter aarde gebogen, naar hen toe; zij strekken de handen naar hen uit, totdat zij eene hand of eene knie gegrepen hebben om die te kussen of er hun voorhoofd tegenaan te drukken. Na aldus de beide vorsten te hebben gegroet, gaat men rond; met de meeste snelheid, maar zonder iemand over te slaan, maken zij bij al de hoofden hunne opwachting. — Daarna gaan zij zitten, nemen hun sirih-doek van den schouder en bieden deze hunnen buren aan, die, in ruil, de hunne presenteeren. De voornaamste personen wisselen aldus hunne sirih zelfs met Toekoe Abas of Toekoe Loöng.

Op een gegeven oogenblik word ik door Toekoe Abas geroepen naar de plaats, waar mijne twee bedienden mijn afzonderlijk keukentje hebben ingericht. Het blijkt, dat al mijne redeneeringen omtrent de wijze waarop het vleesch gebraden moet worden, nog onvoldoende zijn geweest; men heeft het op eene ijzeren staaf gestoken, die van onderen in den grond geslagen is, terwijl aan het boveneind het vleesch boven het vuur hangt. Om het vleesch op de staaf boven het vuur rond te draaien, zoodat het aan alle kanten gelijkelijk gebraden wordt, — daarvan hebben zij geen begrip, en ik ben verplicht, persoonlijk te wijzen hoe ik het hebben wil.

Toekoe Abas vraagt mij of ik niet aan het feest deelnemen en bij de vergadering tegenwoordig zijn wil. Ik neem deze uitnoodiging met graagte aan.

Het vereenigde gezelschap ziet er indrukwekkend en tevens hoogst schilderachtig uit. Meer dan honderd voorname personen zijn gezeten rondom die groote geruite tafel, waarvan ik boven sprak; Toekoe Loöng zit aan het hoofd, en wijst mij eene plaats naast de zijne aan. Ik doe al mijn best om op inlandschc wijze neder te zitten, maar het is mij onmogelijk, in dat opzicht geheel

75

-ocr page 84-

EEN FEEST TE PAROI.

aan de étiquette te voldoen. De thans beginnende plechtigheid boeit mij echter zoozeer, dat ik al spoedig mijne onmogelijke positie vergeet; het is anders niet alles, op een naar achteren hellend vlak te zitten, zoodat de hielen hooger komen dan het zitvlak.

De groote panglima, Toekoe Abas, heeft een zetel rechts van ons, te midden van de grootste rij gasten, ingenomen. Zijn buurman half lachend, half bevelend, bij den arm nemende, dwingt hij dezen op te staan en zich aan het uiteinde van den kring, vlak tegenover ons, op te stellen. Deze man blijft daar recht overeind staan, bedenkt zich een oogenblikje, en brengt daarop zijn groet aan al de aanwezigen , door zijne beide geopende en met de toppen der vingers elkander aanrakende handen naar boven, ter hoogte van de kin. te brengen.

Hij vraagt vergunning om te spreken, of vergiffenis voor zijne stoutmoedigheid om het woord te willen voeren aan de beide Toekoes, noemt ieder der hoofden en aanzienlijken van de vergadering bij hun naam, die allen na elkander zijne groeten beantwoorden, en begint dan zijne speech. Hij praat verschrikkelijk lang, wordt eerbiedig aangehoord, en blijkt een geboren redenaar te zijn. Zonder een oogenblik te haperen, redeneert hij maar voort. Jammer, dat ik geen woord van al die welsprekendheid begrijp, daar ik de Atjehsche taal niet machtig ben; maar Toekoe Loöng heeft de vriendelijkheid, mij eenigszins op de hoogte te helpen. De redevoering komt, in het kort, op het volgende neder.

— Het hoofd, dat ons land bestuurde, is overleden; wij zijn thans zonder aanvoerder; — hier volgt eene opsomming der moeielijkheden waartoe dat leiden kan, en van de schade die daaruit voor het land zou kunnen voortvloeien. — Wij smeeken daarom onzen heer, de Toekoe kedjoeroean van Loöng, om ons, met goedvinden van den

76

-ocr page 85-

EEN\' FEEST TE KVtiOl.

Toekoe Pangliiiia, het hoofd der XXV Moekims, een nieuwen meester te schenken.

Toekoe Abas spreekt hierna eenige woorden, die blijkbaar de meeste welwillendheid ademen en door de vergadering met genoegen worden aangehoord. Maar allen wenden hunne blikken naar Toekoe Loöng.

Deze blijft op zijne plaats, richt zich niet op, doch neemt op zijne beurt het woord, eenvoudig en waardig in zijne houding. In de eerste plaats wende hij zich tot den grooten panglima. Toekoe Abas.

— Met uwe permissie. Toekoe ....

Vervolgens alle voorname personen een voor een bij hunne namen noemende — die zulks haastig door eene buiging met een Atjehschen groet beantwoorden — spreekt hij eene redevoering uit, waarvan ik ook slechts den korten inhoud kan mededeelen:

— Uw hoofd is overleden, maar hij heeft een zoon nagelaten, die ongetwijfeld de eervolle voetstappen zijns vaders zal volgen, en ik ben bereid dien zoon in zijns vaders plaats te benoemen met de toestemmimg van den Toekoe Panglima (dit is eene beleefdheidsformule), — indien Gijlieden die keus met de belangen des lands in overeenstemming acht. Mocht zulks niet het geval zijn, dan ben ik bereid mijne keuze te laten varen. Thans vraag ik, of zij wordt goedgekeurd door Toekoe Panglima , en door U, en door U .. . .

Hij noemt op nieuw al de voorname personen op, die op hunne beurt door eene buiging, hunne toestemming geven.

— Welnu, dan doe ik weten aan U allen die hier tegenwoordig zijt (nieuwe opsomming der aanwezigen en en nieuwe buigingen van deze), en aan U allen volgelingen der hoofden, die hier gekomen zijt, en ik verzoek U, mededeeling te doen aan alle bewoners des lands

77

-ocr page 86-

ËEN FEEST TÉ RAHOI.

die niet l)ij deze vergadering zijn verschonen, dat ik die en die, zoon van die en die , benoem tot hoofd van dit gewest.

Onmiddellijk neemt een grijsaard de hand van den nieuw verkozene, en doet dezen midden in den kring plaats nemen. Het is nog een jong mensch, hoogstens zestien jaar oud. Toekoe Loöng vervolgt:

— Gij, die en die, door mij tot hoofd dezer landstreek aangesteld, Gij zult voortaan hier regeeren; Gij zult er alle voorkomende zaken regelen, zooveel mogelijk in overeenstemming met de belangen der personen en onder goedkeuring van mij en van het Nederlandsch Gouvernement , dat mijn bondgenoot is en dat Gij, onder allo omstandigheden, gehouden zijt bij te staan en te eerbiedigen.

Hierop volgt dan eene opsomming van de bevoogd-heden en verplichtingen van het nieuwbenoemde hoofd; onder do laatste behoort o. a. hot betalen eener som gelds aan zijn leenheer. Het bedrag van deze schatting wordt door den leenheer bepaald, en wordt ditmaal door Toekoe Loöng vastgesteld op twintig rijksdaalders. Naar deze mij mededeelt, is het cijfer zoo laag omdat het hier eene erfopvolging in de rechte lijn geldt.

Nadat de nieuw benoemde de plaats zijns vaders heeft ingenomen, richt Toekoe Loöng zich op nieuw tot de aanwezigen:

— En Gij allen, zijt indachtig aan Uwe verplichting om de bevelen op te volgen van dongene, die door mij tot Uw hoofd is aangewezen; verleent hem Uwen bijstand onder alle omstandigheden, ontvangt hem ten Uwent, biedt hem voedsel aan wanneer hij Uwe woning voorbijgaat, enz. enz.

Met hetzelfde ceremonieel worden vervolgens nog twee mindere hoofden benoemd; een van deze, die niet ouder dan dertien of veertien jaren schijnt te zijn, komt

78

-ocr page 87-

EEN FEEST TÉ PAUOl.

naast het pas aangestelde hoofd, de andere vlak achter hem te zitten.

Een der aanzienlijken vraagt hot woord:

— Met Uwe vergunning, ïoekoe Loöng!

Hiorop wordt, niet het meeste geraak, eene kleine redevoering gehouden; zeker om, uit naam van de aanwezigen, te bedanken voor de genomen beslissingen.

Twee leden der vergadering, door Toekoe Abas en Toekoe Loöng aangewezen, treden binnen den kringen nemen de deksel van een grooten schotel, die pas aangebracht is. Zij nemen daaruit eene opengesneden en geroosterde kip, trekken deze met de handen uit elkaar en steken een boutje midden in de rijst waarmede de schotel gevuld is. Zij nemen vervolgens een klein balletje rijst in hunne handen, voegen daarbij een stukje suikergebak, en steken een en ander in den mond van den verkozene, die daarop eene diepe buiging maakt en de hand, die hem voedde, aan zijn voorhoofd brengt. Een ander balletje rijst wordt achter zijn oor geplaatst en eveneens met eene buiging ontvangen. Dit is de wijding, het plechtigste gedeelte der geheele geschiedenis; zij heeft ten doel, de zegen des Heeren en dei-profeten in te roepen over de nieuwe hoofden, opdat zij krachtig en rechtvaardig zullen besturen. De twee personen, met deze plechtigheden belast, zijn zonder twijfel Mohammedaansche priesters.

— Indien wij nu maar heengingen, zegt Toekoe Loöng tegen mij, dan konden wij op ons gemak gaan eten.

Ik had dergel ijken voorslag niet durven doen, uit vrees, in eerbied bij zulk eene belangrijke zaak te kort te schieten. De geheele vertooning had mij ten hoogste geboeid; maar ik herinner mij nu, dat ik toch eigenlijk allerongemakkelijkst zit, en als de vergadering dan toch af-geloopen is en wij weder vrij zijn in onze bewegingen. . . .

-ocr page 88-

EEN FEEST TK PAHOl.

Wij begeven ons met ons beiden naar mijne voorgalerij , waar we een uitmuntend middagmaal vinden. De gele rijst is bepaald lekker, hot spit is eindelijk gedraaid en mijn karbouwenhaas is uitmuntend gebraden. De Toekoe bewijst echter niet veel eer aan mijnen disch; misschien is het vleesch hem te rood, ofschoon hij beweert dat het uitmuntend smaakt, — misschien ook eet hij thans weinig, ten einde straks, na mij de noodige beleefdheid te hebben aangedaan, nog met anderen te kunnen aanzitten.

Het tweede gedeelte van de plechtigheid is spoedig afgeloopen, want de Atjehers zijn matig en eten snel. Binnen het kwartier hebben zij hunne pisangbladen, die bij dergelijke maaltijden als bord dienen, leeggegeten, en weldra ziet men eene lange rij van volgelingen en bedienden der aanzienlijken over de dijkjes der rijstvelden aftrekken, de groote koperen schotels met vergulde deksels op het hoofd dragende.

Tegen den nacht duwen een veertigtal personen de prauw, die ons als tribune diende, naar zee. De Ke-djoeroean, voor wien ledigheid des duivels oorkussen is, helpt een handje mee, en weldra zijn wij onder zeil naar Loöng. De wind is vrij sterk en de zee nog al onstuimig. Ik strek mij uit, zoo goed en zoo kwaad dat dan gaat op zoo\'n kleine schuit, nog kleiner dan de vorige; maar Toekoe Loöng roept mij al spoedig op, om naar de „zieke maanquot; te gaan kijken. Wij zijn met een prachtigen maneschijn vertrokken, en er is nu nog maar een klein gedeelte zichtbaar, dat ook spoedig zal verdwijnen. Het is eene totale maansverduistering, die mij aanleiding geeft tot het. houden van eene les in de sterrenkunde, welke door den Kedjoeroean aan het volk wordt overgebracht en allen bijzonder belang schijnt in

80

-ocr page 89-

ËEN FEEST TE PAKOl.

to boezemen. Geen beter middel, om bijgeloof uit te roeien, dan do verklaring van geheimzinnige natuurverschijnselen. ..

Wat mij intusschen minder aanstond dan de maan-eclips, dat was het gaan liggen van den wind, zoodat wij verplicht waren , weder te gaan roeien; in \'s Hemels naam!

Vermoeid van naar de maan te kijken, ben ik maar weer gaan liggen, na voorspeld te hebben — wat nu juist zoo moeilijk niet was — aan welken kant de maan weder zichtbaar worden zou; en ik val in slaap onder den indruk der herinneringen van het feest te Paroi, en van mijn verblijf in dat aardig landschapje, waar ik niet aan wal had willen gaan en waarvan ik, bij slot van rekening, een zoo prettigen indruk heb medegenomen. — De Toekoe Panglima is daar achtergebleven. Ik wilde wel eens weten hoe hij beoordeeld werd dooide personen, die hem zooveel eer bewezen:

— Het is een domkop, antwoordde mij een der hoofden.

Ik keek hem aan, om te weten of hij dit misschien

maar zeide om mijne meening uit te vorschen.

— Maar het is toch een uitmuntend mensch, niet?

— O ja, hij is zeer goed, maar hij kan zijn woord niet doen; hij kan zoo dom redeneeren. Toekoe Loong is geheel anders, die is Hink en verstandig....

Met zooveel vrijmoedigheid beoordeelt dat volk zijne hoofden, waaraan het niettemin, volgens de gewoonte, do grootste eer bewijst!

Eerst te middernacht komen wij in de baai van Pe-toeloot, voor Loöng, aan. De baai is kalm, de landing zeer gemakkelijk: wij zijn thans in den Oost-moesson. Maïman springt te water zoodra de prauw stil houdt, en neemt mij op ziju rug om mij droog aan wal te brengen. Hij is zoo sterk als een beer. De rest van het scheepsvolk volgt ons, mot mijne koffers en de geldkist

0

81

-ocr page 90-

ËËN FÉÉST TE PAUül.

van den Kedjoerocan; zij zetten alles op het strand neder.

— Wij zouden alles hier gerust kunnen laten staan tot morgenochtend, zegt de Kedjoeroean, maar ik zal het toch maar dadelijk laten afhalen.

In onze nabijheid zie ik, tusschen de hoornen, eene bamboezen hut, waaruit al spoedig een paar man to voorschijn komen oin voorloopig onze bagage onder dak te brengen. Wij zetten ons daar neder en drinken een kop koffie, welke Aripan ons bezorgt; inmiddels komen reeds een tiental dragers uit de naburige kampongs, en wij stellen ons in beweging naar Ketapan, de versterkte woonplaats van ïoekoe Loong.

De maan schijnt weder in volle pracht, en stelt mij derhalve in de gelegenheid, de schoone rijstvelden te bewonderen welke wij doortrekken en die, hier en daar, getooid zijn met groote bamboestruiken, pinangboomen en kokospalmen, la het verschiet rijzen indrukwekkende gebergten voor ons op, die, lot aan den top, een rijken plantengroei vertoonen.

Nieuwe dragers komen uil do kampongs, die wij voorbijgaan, te voorschijn, om zich te voegen bij de eerste, wien de last wel wat zwaar is. — Het is thans twee uur in den morgen, maar men staat hier zonder morren op elk uur van den dag of van den nacht op, wanneer het den dienst van den vorst geldt!

Door eene nauwe poort treden wij de woonplaats van den Kedjoeroean binnen. Op het grasperk, dat wij oversteken , verheffen zich de daken van de beide eerste bamboezen huisjes, en wij houden stil op een binnenplein , dat met zware, goed ingestampte keien geplaveid is. In de nabijheid staat, te midden van de voornaamste gebouwen, een put, waarvan de rand met dezelfde steenen is opgezet. Men brengt twee stoelen, voor den Kedjoeroean en voor mij, aan, en wij gaan in den mane-

-ocr page 91-

EEN FEEST TE PAKOi.

83

schijn zitten, terwijl al de familieleden van den vorst, evenals de eenvoudige volgelingen, zich om ons heen neervielen. Inmiddels maakt men mijne kamer gereed, een groot vertrek, vooraan in het grootste linis; hier vind ik een vloer van latten, te mijner eere met een aantal matten en tapijten bedekt. De groote koperen lamp, met klapperolie gevuld, hangt aan het dak, en men haalt een groot gordijn, dat mijn locaal in tweeën moet deelen, zoodat ik eene afzonderlijke slaapkamer krijg, waarin niemand mag doordringen. Hier slaan mijn bedienden mijn veldbed op; zij zeiven gaan in het andere gedeelte liggen met den panglima van Kloewang, die ook hier, volgens de bevelen van de vorst, de wacht bij mij moet houden.

Het is reeds over vieren als ik aan de gesprekken van het gezelschap aan de andere zijde van het gordijn een einde maak. Dat gezelschap is, ondanks het bepaalde verbod van den vorst, met eenige personen vermeerderd welke, door nieuwsgierigheid bewogen, wel tot het aanbreken van den dag al pratende zouden willen wachten. Zij kunnen niet geheel den mond houden, sn de gesprekken worden nog fluisterend voortgezet; echter zoo, dat ik mij goedschiks kan houden alsof ik niets meer merk, en ook verder niet verhinderd ben, den welbe-steeden dag door een genotvollen slaap te bekronen.

ö*

-ocr page 92-

VIERDE HOOFDSTUK.

Land on volk van Loöng.

Inrichting van mijne kamer. — Ochtendwandeling door de kam-jioiig. — Een (Jliineesche goudzoeker. — Weer een feest. — Ontdekkingstochten eu opnemingen. — Een landgoed beschikbaar. — De rivier van Loöng. — Een bergstroom. — Ontmoeting niet Pandjoela. — Koft\'ieaanplant te Loöng. — De geschiedenis van den Kedjoeroean. - Zijn leger en zijne politie. — Bijgeloovige vereering, die hem ijewezen wordt. —

Vrijdag 17 December. Panglima Abas, of Pang-Abas, zooals men hein hier gemeenzaam noemt (niet te verwarren met den in cle vorige bladzijden genoemden Toekoe Abas), is mij van ochtend vroeg komen bezoeken; hij is aan mijne deur komen zitten, in afwachting van mijn ontwaken, om mij dadelijk welkom te heeten. Hij vraagt wat ik zou wenschen en wat hij voor mij doen kan. Een andere oude kennis. Toekoe Hadji, komt mij eveneens op de hartelijkste wijze goeden dag zeggen. Het is thans anders dan de eerste maal toen ik, eenige maanden geleden, Loöng aandeed; toen zagen wij elkander met een onderzoekenden en wantrouwenden blik aan, thans ontmoeten we wederkeerig oude vrienden.

De eerste uren van den dag besteed ik aan het in orde brengen van mijne kamer. Aripan spant een touw

-ocr page 93-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

langs den wand; geen betere kapstok, als men op reis is, dan een touw, en ik hang al mijne kleedingstukken daaraan, terwijl de geschenken, die ik voor Jan, Piet en Klaas medegebracht heb, tot een geschikt oogenblik in mijn koffer bewaard blijven. Bij mijne vroegere reis heeft men al de kleine voorwerpen, die men machtig kon worden, weggekaapt, maar ik verbeeld me dat men mij nn niets ontvreemden zal. Pang-Abas heeft mij reeds een der zaken die ik indertijd gemist had, teruggebracht, n.1. een spons!

Ten tien ure ga ik met Maïman er op uit om in de rivier eene geschikte badplaats op te zoeken; maar een inlander brengt mij, binnen in de kampong, naar een grooten vijver, die, door een muur van gestapelde rol-steenen omringd, eene prachtige gelegenheid voor zwemmen en baden aanbiedt. — Ik kom alleen terug, in mijne groote witte kabaai, terwijl Maïman achterblijft om mijn linnengoed te wasschen. Eene bende kinderen vergezelt mij naar mijne woning en wijst me den kortsten weg, dwars door de kampong, zoodat ik verplicht ben weder, evenals in Lepong, hooge heggen of andere afsluitingen over te klimmen. Velen zijn verwonderd, mij aldus bij hen te zien, en vooral de vrouwen kijken mij nieuwsgierig aan; de meeste kinderen, die ik onderweg ontmoet, sluiten zich bij mijn geleide aan. Maar nergens ondervind ik de minste vijandschap, of eenigen overlast. Ik kan geen woord wisselen met die lieden, die alleen Atjehsch spreken; maar wanneer ik er in slaag, mij te doen begrijpen, is er niemand die niet bereid is te antwoorden of, beter gezegd, door gebaren zijne meening kenbaar te maken.

— Kan men hier langs?

— Is dit de kortste weg?

Op al dergelijke vragen word ik met de meeste wel-

85

-ocr page 94-

LAND EN VOLK VAN LOONG.

willendheid terecht geholpen. En nu vraag ik toch, of er wel een dorp in Europa te vinden zou zijn, waar een persoon van een geheel ander ras, met eene geheel verschillende gelaatskleur, in een zonderling costuum, uit het bad komende en door het dorp gaande, de erven der woningen binnentredende en zich alleen door gebaren verstaanbaar makende, aldus ontvangen zou worden? De straatjongens zouden hem naloopen en met steenen werpen, en de landlieden zouden vermoedelijk ook niet zoo inschikkelijk en vriendelijk voor hem zijn als de „zeerooversquot; of „wildenquot; van Atjeh! Het is waar, de staatkundige en maatschappelijke instellingen laten in Atjeh veel te wenschen over, het openbaar gezag is onvoldoende, de onherbergzame kusten en de ontoegankelijke wildernissen bieden den zeeschuimers al - te gemakkelijke schuilplaatsen aan, en de roovers hebben hier, gelijk in Corsika en Galabrië, gebruik gemaakt van de gelegenheid welke de natuur en de omstandigheden hun aanboden. Maar toch is de bevolking hier, over het geheel genomen, misschien beter dan elders, en zeker beter dan in Europa!

Terwijl ik bezig ben mij te kleeden, komt Aripan zeggen dat het hoofd der Ghineesche gouddelvers te Loöng zich komt aanmelden en vraagt of ik hem ontvangen kan. Die Chineezen, zelfs van de laagste klasse, hebben maatschappelijke vormen en eene beschaving over z\'ch die de onze naderen, en die ik slechts met veel moeite aan mijne Atjehers zou kunnen inprenten. Deze toonen zich weigenegen, maar ze zijn soms lastig, ook dooide uiting hunner welwillendheid. Zij kunnen niet begrijpen dat, wanneer een man is in een huis waar geene vrouwen zijn, hij toch reden kan hebben om hen te beletten binnen te komen en op zijne mat te gaan zitten. Zij voeren in huis nooit iets uit, en kunnen bijgevolg ook

86

-ocr page 95-

LAND EX VOLK VAN LOONG.

niet gestoord worden. Elk oogenblik komt er dan ook een van de talrijke bloedverwanten van den Kedjoeroean, die binnen de versterking wonen, bij mij oploopen; onverwachts verschijnen zij boven aan de trap waarop mijne lage deur — eene kastdeur met twee uitgesneden vleugels van een meter hoogte — uitkomt; zij zien mij een oogenblik schrijven of iets anders doen, bekijken den stoel van Toekoe Loöng, die naast de mijne staat, en eindigen met zich daarin neer te zetten. Als ik den tijd heb en goed gemutst ben, laat ik hen op den grond zitten , nabij mijne stoel, op de mat, en maak ik een praatje met hen; in het tegengesteld geval jaag ik hen eenvoudig weg, wat ze gelukkig ook niet kwalijk nemen. Er zit weinig bij die voorname lui van den tweeden rang, die slechts aan hunne geboorte te danken hebben dat zij met eene dochter, eene zuster of eene schoonzuster van den Kedjoeroean getrouwd zijn.

Terwijl ik, na het ontbijt, reeds op mijn veldbed uitgestrekt lig met het plan, den achterstand in slaap bij te werken die nog van den vorigen nacht is overgebleven , herinner ik mij plotseling de boodschap van Aripan, dat de Chinees belet had gevraagd. Hij was nog steeds blijven wachten. Ik laat hem binnenkomen en doe hem een kop koffie met droge gebakjes aanbieden.

Wij spreken over mijn-ontginning. Hij laat mij stofgoud zien, dat gisteravond gewasschen is; er zijn groote korrels bij, zwaarder dan ik ze nog ooit gezien heb. Voor een halven dag werk is de opbrengst waarlijk ruim; men schijnt eene goede ader getroffen te hebben, — wel toevallig! De wijze van werken der Chineezen is zeer eenvoudig: zij zoeken eene uitholling in het gebergte, dalen daarin neer of laten er zich met een touw in nederzakken, en zij hakken den grond los totdat zij eene mand gevuld hebben, die dan met het touw opgehaald

87

-ocr page 96-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

wordt. Daarna wordt de goudhondende aarde gcwas-schen en aldus het goud afgescheiden.

Toekoe Loöng komt het gesprek storen om mij ie zeggen , dat er weder een feest in de kampong zal zijn waarbij hij tegenwoordig wezen moet. Hij vraagt mij, of ik soms lust heb mee te gaan.

— Zeker!

Ik kan dus mijn slaap voorloopig weder uitstellen. De Chinees verwijdert zich eerbiedig, zoodra de Kcdjoeroean binnenkomt. Ik volg dezen, die door een talrijk geleide opgewacht wordt; onderweg steken wij de rivier over om naar de missigit te gaan, die aan den overkant staat. — Ik ga op het erf zitten onder een afdakje, nabij het huis van den goeroe, d.i. den leermeester, die aan de lieden het lezen van den koran en het gebed onderwijst. Daar volg ik de plechtigheid, die in den tempel plaats vindt; deze beeft een dubbel dak, doch is aan alle zijden open. Men hoort de ernstige stem des priesters, en vervolgens, gelijk het bruisen der golven, de antwoorden der ge-loovige menigte. Dit zijn spreuken uit den koran, die zingende worden opgedreund, en litaniën, die worden uitgesproken; nu en dan ziet men allen met het hoofd in het stof nederbuigen. Ik bespeur intusschen dat de vorst, achteraan op de eerste plaatsen staande, rustig naar buiten staart en zich „weinig schijnt aan te trekken van hetgeen er gebeurt, gelijk een toeschouwer, die voortgaat een luchtje te scheppen nadat de entr\'acte reeds geeindigd is. Bij het verlaten van den tempel spreekt hij dan ook trouwens als zijne meening uit „dat het gebed meer moet komen uit het hart dan van de lippenquot;.

Ik heb den priester, dien ik reeds van vroeger ken, de hand gedrukt, en groet verder een groot en, fraaien Arabier, die, als van Mekka afkomstig en tot een heilig geslacht behoorende, eerbiedig bejegend wordt. — Het

88

-ocr page 97-

LAND EN VÜLK VAN LOÖNG.

geleide van den Kedjoeroean wordt mei deze personages vermeerderd, en wij slaan den weg naar het feestterrein in, van den eenen steen op den anderen springende, want over de rivier is geen brug, dat is hier onnoodige weelde; men loopt maar door het water.

Wat het publiek betreft, biedt het feest ongeveer denzelfden aanblik aan als te Paroi, maar het tooneel is anders: wij zijn niet meer aan het strand, maar in eene kampong, —- en met den vorst bestijg ik eene aan alle zijden open loods, die voor raadhuis bestemd is.

— Misschien heeft mijnheer lust wat met mij mede te eten? vraagt Toekoe Loöng na eenige aarzeling, zoodra wij aangekomen zijn.

— Met genoegen, antwoord ik, ofschoon ik volstrekt niet weet wat er te eten zal zijn.

Ik ben, volgens landsgebruik , met de beenen gekruist, op een matje gaan zitten, naast den Kedjoeroean, die aan zijne linkerhand een mij onbekend, maar zeker gewichtig persoon heeft; want do rangen worden hier steeds nauwkeurig in acht genomen. Do Arabier komt vervolgens tusschen dit heer en den priester in; daarop komen de kamponghoofden, en ook mijn bediende Aripan, die daar deftig heeft plaats genomen onder het voorwendsel van mij te bedienen; in werkelijkheid geeft hij mij dan ook een glas water, het eenige Avat hij doen kan. Men draagt koperen schotels op voet aan, met rijst gevuld, en men verdeelt zich in kleine groepjes rondom die schotels; ik behoor bij den schotel van mijn gastheer, met zijn linkerbuurman. De Kedjoeroean dringt er op aan, dat de Arabier ook bij ons zal aanzitten, maar deze verontschuldigt zich eerbiedig en eet bij den priester mede. Op groote bladen, in een dozijn kleine kommetjes, worden de nevengerechten aangeboden: kleine stukjes van den karbouw, die voor het feest ge-

89

-ocr page 98-

LAND EN VOLK VAN LOONG.

slacht is; kippen-kerrie, komkommers enz., welke men netjes tusschen duim en wijsvinger opneemt om zijn maaltijd in den algemeenen rijstschotel gereed te maken. Alles wordt in een handvol rijst gekneed; soms biedt men elkaar, met de toppen van de vingers, lekkere stukjes aan, — en zoo heeft men dan, met zijn tweeën, drieën of vieren, een afzonderlijken disch.

Ik had al goed ontbeten, maar om mijn vriendelijken gastheer niet te ontstemmen, neem ik toch ook nog een paar hapjes rijst.

Ik geef hem in overweging, van deze vereeniging der kamponghoofden gebruik te maken om hun mijne plannen bekend te maken en hun te verzoeken, ronduit te zeggen of zij daarmede instemmen, daar ik mij in geen geval zou willen vestigen in een land, tegen den zin dei-bewoners. Ik begrijp wel, dat hij hen in de Atjehsche taal reeds heeft ingelicht, hun verteld wie ik was en hun verzekerd dat „mijne denkbeelden en bedoelingen zuiver warenquot;. Doch thans herhaalt hij mijne woorden in eene kleine aanspraak. De Arabier, dien den vorst vleit omdat hij hem voor het een of ander noodig heelt, merkt op, op welken voet ik met dezen omga en spreekt met zijne buren gunstig over mij. De geheele vergadering geeft, op de woorden van Toekoe Loöng, teekenen van instemming. Ik laat daarop volgen, in het Maleisch, dat alle hoofden min of meer verstaan:

— Ik wil hier op vriendschappelijken voet met de Atjehers omgaan, anders kom ik niet.

Men lacht en knikt goedkeurend. Do Kedjoeroean en mijne buren zeggen, dat allen mij zeer gaarne zullen zien komen; men verlangt niets liever dan dat ik mij hier ga vestigen.

Toekoe Loöng brengt de rest van den dag door met,

90

-ocr page 99-

LAND EN VOLK VAN LOONG.

voor mijn ameublement, eene tafel in orde te maken, rlie door de Chineezen vervaardigd, maar zoo hoog is dat, zij de deur niet in kan. Hij zaagt de vier pooten driemaal een eindje af, de derde maal volgens de door mij aangegeven afmeting.

Zaterdag, 18 December. Ik ga dadelijk aan den arbeid, en besteed de eerstvolgende dagen aan een bezoek van de beschikbare gronden en aan de voorloopige opnemingen , die noodig zijn om er een schetskaartje van. te maken.

Wanneer men, van de monding af, de rivier van Loöng opvaart, dan gaat men eerst door eene schoone vlakte, die met rijstvelden bedekt en met kampongs bezaaid is. Hier en daar wordt die vlakte, die zich langs de kust uitstrekt, afgebroken door een alleen staanden, geheel begroeiden heuvel, of door eene kleine groep terrein-verhevenheden die, als duinen, sommige punten van het strand begrenzen. De vlakte zet zich, in de breedte, nog voort tot voorbij de versterkte woonplaats van den Kedjoeroean, die aan de rivier gelegen is. Achter die woning verheft het terrein zich met eene bijna onmerkbare helling tot aan de kampong Lamtoedjin; voorbij deze wordt het terrein zeer geaccidenteerd en komt men spoedig geheel in de bergen. Achter Lamtoedjin begint het perceel, dat wij heden zullen bezoeken.

Wij zijn reeds vroeg vanhuis gegaan om het, in gezelschap van Toekoe Loöng, eens op te nemen. Het is nabij de kampong gelegen: de aard van het terrein, de schoone plantengroei, de natuurlijke grenzen waardoor het afgebakend is, maken er een bijzonder geschikt domein van, zelfs in een land als dit waar men, in de lengte en in de breedte, maar het beste kan uitzoeken.

Aan eene zijde wordt het bespoeld door de rivier van Loöng, waarboven het zooveel verheven is dat het

91

-ocr page 100-

LAND EX VOLK VAX LOOXG.

togen overstroomingen beveiligd is, en waarvan liet den oever over een paar duizend meter lengte volgt. Aan den tegengestelden kant wordt het begrensd door een bergketen met steilen wand; een bergstroom sluit het aan de verst afgelegen zijde af, en biedt, door zijn groot verhang en zijne talrijke watervallen, eene uitmuntende gelegenheid aan voor het maken van waterleidingen. Alleen aan den kant van de kampong is het open; daar grenst het aan schoone rijstvelden en suikerriettuinen.

Wij ontmoeten al spoedig een kleinen heuvel, waar wij omheen moeten loopen.

— Daar moet het huis komen te staan, zegt de Ke-djoeroëan tegen mij, naar den top van den heuvel wijzende: vlak bij de kampong, dicht bij de rivier, met een prachtig uitzicht, aan de eene zijde over het landgoed , aan de andere zijde naar de zee.

Wij gaan verder over heuvels en dalen, een aantal goed bebouwbare hellingen bestijgende ot\' afdalende, kleine beekjes passeerende, en wij houden stil bij eene hut op eene hoogte, midden in een met sirih en met suikerriet beplant terrein. Men snijdt dadelijk eenige rietstokken om ons te verfrisschen ; nooit heb ik fraaier riet gezien. Zij hebben veertien of vijftien centimeters omtrek en zijn bijna twee meters hoog. Men brengt mij ook schuimend rietsap om te drinken, en aangezien zich daarin nog fijne vezeltjes bevinden, gaat de inlander, die het mij aanbiedt, spoedig eene vrucht van een klimplant , die wel wat op een komkommer gelijkt, afsnijden; hij trekt er den schil af, laat er, al schuddende, een massa korrels uitvallen, en heeft daardoor een fijn netwerk verkregen, dat uitmuntend voor filtreer dienen kan. Een jonge knaap komt op dit oogenblik binnen, uit, de buurt eene lange slingerplant medebrengende, die men maar te splijten heeft om er uitmuntend touw van

92

-ocr page 101-

LA-XL) EN VOLK VAN loöng.

te maken, en waaruit, als men haar middendoor snijdt, een heerlijk sap spuit.

Inderdaad, wanneer men een en ander nagaat, dan levert de rijke natuur hier, met slechts geringe bewerking, den mensch alles wat hij noodig heeft.

Gedurende onze rust spreek ik met Toekoe Loöng over de gewoonten en de jaarlijks te betalen schatting. Hij legt mij uit, dat zijn land den terugslag van den oorlog heeft ondervonden, zoodat talrijke aanplantingen verlaten en geheel verwilderd zijn; dat het er slechts aan kapitaal, aan voorschotten aan de bevolking mangelt om weder tot voorspoed en rijkdom te geraken, tot groot voordeel zoowel voor dengene , die bedoelde voorschotten zou willen verstrekken, als voor hem, den Ke-djoeroean zei ven, die zijne rechten zoude heffen van den oogst. Hij heeft hierop aanspraak als eenig en uitsluitend eigenaar van den grond, behoudens zijne verhouding tot het Nederlandsch gouvernement, dat in de plaats van den Sultan getreden is. — Het is wel zeker dat men, in overeenstemming handelende met den vorst, die er belang bij lieeft om de bestaande gebruiken te handhaven, alle kans van welslagen zoude hebben.

Wij hervatten daarna ons uitstapje, met het altijd talrijke gevolg: twee panglima\'s, Pang-Abas en die van Kloevvang, mijne beide bedienden en een tiental volgelingen van den Toekoe Loöng. — Wij gaan langs een heuvel, voorbij oen aanplant van suikerriet, en komen aan een klein ravijn, waarin een beekje met het zuiverste bergwater.

—• De weinige inlanders, die hier het een of ander hebben geplant, zegt Toekoe Loöng tot mij, stellen zich ter uwer beschikking zoodra gij zulks verlangt: zij zijn reeds gewaarschuwd. Anders geef ik hun een ander stuk grond, er is nog genoeg. Gij behoeft u over hunne tegen-

1)3

-ocr page 102-

LAND EN VOLK VAN LOÖXG.

woordighcid niet ongerust te maken, want sterk in aantal zijn ze niet.

Het is verbazend heet; wij hebben lang gemarcheerd. geklommen en gedaald, en besluiten thans den weg naar huis weder in te slaan, tot morgen het bezoek aan het verdere gedeelte van het perceel uitstellende.

Zondag, 19 December. Daar de rivier de voornaamste grensscheiding van „het perceelquot; uitmaakt, kan ik reeds iets nuttigs verrichten. Reeds vóór zes uur ga ik in den marsch om de rivier op te nemen, en ik besteed den ganschen dag aan het meten van hoeken en lengten. Voor de laatste heb ik een lang visscherstouw van Pang-Abas gekregen, dat ik gisteravond in halve meters heb afgedeeld.

Onderweg ontmoeten wij dien braven panglima die, wetende dat ik veel van papaja\'s houd, een voorraad van deze vrucht in het gebergte is gaan zoeken en mij dien aanbiedt.

Tegen den middag slaan wij , op de plaats waar we aangekomen zijn, een tijdelijk bivak op. Daar is juist in de nabijheid een waterval in de rivier, die bijzonder geschikt zou zijn om een rad voor een of ander werktuig in beweging te brengen. De plaats is thans echter ook nog uitstekend voor iets anders: na schildwachten op den weg uitgezet te hebben, haast ik mij, daar een overheerlijk bad te nemen. Maïman en de lieden van den Toekoe, die medegegaau zijn, overdrijven hun consigne en verbieden de passage naar alle zijden. — Inmiddels maakt Aripan wat eten gereed, zoodat ik, uit het water komende, dadelijk kan toetasten. Vervolgens ga ik weder de landmeetkunst beoefenen.

De rivier van Loöng is met rotsblokken bezaaid en heeft een snellen stroom; het water dringt zich bruisend

94

-ocr page 103-

LAND EN VOLK VAN LOONCl.

on scliuimcnd door do groote steonon lioon dio zijn wog versporren, spat tegen andere rolsteenen op, en vormt nu en dan diepe, blauwachtige draaikolken nabij zware rotsblokken; soms komt men oene groote, kalme watervlakte tegen, die kunstmatig aangelegd en door dijkjes omgeven is voor het bevloeien der rijstvelden. Overal zijn kindoren, mannen en zelfs ook vrouwen bezig om met oen langen stok, waaraan oen klein, bijna onzichtbaar schepnetje bevestigd is, of mot oen kloino aangepunte bamboe waarmede zij onder do groote stoonon wroeten, naar groote en kleine visschen te zoeken, waarvan do rivier rijkelijk voorzien is.

Maandag, 20 December. Ik vervolgde heden mijne opnemingen, thans langs den bergstroom, die hot terrein aan de verst verwijderde zijde afbakent, liet is onmogelijk , van dien stroom oene oonigszins duidelijke beschrijving te govon. Zijn bed is oene opeenstapeling van groote rotsblokken, waartusschen diepe spieLen met prachtig helder water, die don voorbijganger telkens tot oen bad uitnoodigon. Wanneer men op een dier rotsblokken staat, begrijpt men niet hoe men zoover gekomen is, en ovenmin hoe men vorder zal komen; bij de minste duizeling zou men nederstorten.

Toekoe Loöng, die mij in don ochtend vergezelde, wees mij oene strook gronds aan, die voor het planten van koffie bijzonder geschikt zou wezen.

Later, toen ik don vorst roods verlaten had, kwam ik weder aan de rivier van Loöng, waar ik aan den overkant oonigo inlanders ontwaarde, die mij nieuwsgierig aanstaarden en met klewangs of lange lansen gewapend waren. Ik was op dat oogonblik geheel alleen. Daar ik iemand noodig had om mij bij den overtocht over do rivier te helpen, riep ik hen aan.

US

-ocr page 104-

LAND EM VOI.K VAN LOOXG.

Na een oogenblik van beraadslaging kwam een bejaard man, het hoofd der bende, naar mij toe en hielp hij mij zoo goed als hij maar kon. Vervolgens liep hij voor mij uit, niet zijn klewang rechts en links de takken 1 slingerplanten en struiken wegkappende die mij zouden kunnen hinderen.

Weldra kwamen wij aan de plaats, waar mijne bedienden mij wachtten en ik mij zoo spoedig mogelijk het grootste genot verschafte dat op het oogenblik denkbaar was: een bad in het frissche en diepe water. Daarna kwam ik, in mijn kabaai, een praatje maken met mijn vriendelijken gids. Zijne metgezellen hadden zich weder bij hem gevoegd, en Maïman vervulde de functie van toik; zonder twijfel had hij hen reeds omtrent mijne plannen ingelicht. — Trouwens, de geheele wereld weet reeds dat er een vreemde heer in hel land is, die er misschien eene plantage wil aanleggen.

— Mijnheer, U moet te Loöng blijven; allen zullen er zeer mede ingenomen zijn en zullen met U willen werken.

_ En op welke voorwaarden worden de plantages

hier aangelegd ?

Dit wordt mij lang en breed uitgelegd. Pandjoela

_ zoo heet mijn nieuwe kennis — is het hoofd van

een koffieaanplant, en dus zeer bevoegd in dat opzicht. Hij geeft mij alle mogelijke bijzonderheden omtrent de wijze , waarop de koffie te Loöng geplant wordt; hoe de grond wordt gereed gemaakt, hoever de boomen van elkaar worden geplaatst, hoeveel boomen elk persoon plant en onderhoudt, hoeveel voorschot hij noodig heeft om zijn aanplant te maken, en welke schalling hij, volgens de gewoonte, voor het gegeven voorschot opbrengt.

Het cijfer van het verlangde voorschot komt mij zeer

-ocr page 105-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

laag voor. Pandjoela legt mij daarop uit, dat, zoodra de grond ontgonnen is, de planter rijst zaait en dan eerst een ladang (droog rijstveld) aanlegt, waardoor de grond beter wordt en de planter voor twee of drie jaren voedsel heeft. — Intusschen zijn de kweekbeddingen aangelegd, worden na den rijstoogst de koffieboompjes overgeplant, en reeds aan het einde van het derde jaar beginnen deze zooveel vrucht op te leveren dat het voorschot geheel kan worden terugbetaald. De jaarlijksche schatting is verder, zoolang de koffietuin bestaat, evenredig aan den oogst.

— Ik heb op dit oogenblik acht duizend boompjes en tien inenschen, die ik ter beschikking van Mijnheer zou kunnen stellen.

— Acht duizend is niet veel!

— Neen, maar ieder mijner lieden zal zooveel kunnen leveren.

— Kan men dan met tien man een koffietuin aanleggen?

— Ik spreek slechts van mij-zelven; maar binnen een week kan Mijnheer honderd, en als hij dat verlangt, ook duizend en meer menschen krijgen.

Daarop volgen Atjebsche gesprekken onder mijn gevolg, waarvan ik slechts begrijp dat men te mijnen opzichte met den besten wil bezield is. De inlichtingen van Pandjoela, een man uit het binnenland afkomstig, kloppen overigens geheel met die, welke ik reeds van andere zijde ontvangen had.

Wanneer mijne bedienden niet oppassen, wordt mijne kamer nu en dan eenvoudig een doorgang. Men gaat de trap op die aan het einde van mijne kamer staat, en wanneer men dan, al bukkende, de deur is doorgegaan en het vertrek dwars overgestoken is, gaat men nog twee treden op. Men komt dan bij eene tweede deur, die naar het verdere gedeelle van het huis van Toekoe

97

-ocr page 106-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

Loöng voert. In dat gedeelte wonen drie vrouwen van hem; de vierde houdt te Anak Paja, in Groot-Atjeh, verblijf. Het spreekt van zelf, dat ik voorzichtig genoeg ben, die deur zelfs met mijne blikken te mijden. — Op dit oogenblik komt een jong mensch, met een bevallig uiterlijk, voorbij. Ik vraag, wie dat is.

— Dat is de panglima Niaia, iemand die zijne dapperheid reeds getoond heeft, zegt Aden, de volgeling van den vorst, die te Kota Radja bij mij kwam.

—- Hoe zooV

—- Wel, toen de Toekoe zijne versterking tegen honderd vijftig menschen heeft moeten verdedigen!

Ik hoop belangwekkende bijzonderheden omtrent Toekoe Loöng te vernemen, en verzoek Aden, mij daar een? wat meer van te vertellen, waaraan hij met de meeste bereidwilligheid voldoet.

—- Honderd vijftig man, hervat hij, vielen de versterking aan. Alles was gevlucht. De Kedjoeroean wilde zich echter verdedigen, al zon hij ook alleen overblijven. Tien menschen in \'t geheel hadden den moed, hem getrouw te blijven en hij heeft, met hen, de aanvallers afgeweerd en deze eindelijk op de vlucht gejaagd. Het geheele land was toen tegen Tockoe Loöng ingenomen, omdat hij zich met de Hollanders verbonden had, — en ik behoorde tot zijne tegenstanders.

Maar hij is nergens bang voor. Hij is de sterkste geweest, met de enkele hoofden en volgelingen die hem ter zijde stonden. De anderen zijn gedood of gevangen genomen , en de laatsten heeft hij uit zijn land verbannen. Zij, die zich het meest gecompromitteerd hadden, waren reeds uitgeweken.

— Maar hij moet dan nog vele vijanden hebben?

— O , nu is alles al lang uit. Toekoe Loöng is sedert nog veel machtiger geworden dan vroeger; hij is nu meester

98

-ocr page 107-

LAND EX VOLK VAN LOÖNG.

over verschillende landen langs de kust: Lamboesi, Kloe-wang, Loöng, Parol. Sidoh, Lepong, een deel der IV Moe-kims . . . Niemand durft zich meer tegen hem te verzetten.

— En hoe zijt gij dan weder bij Toekoe Loöng in de gunst gekomen?

— Ik ben in de IV Moekims door vijanden van den Toekoe aangevallen. Ik had nog iemand met eenige volgelingen bij mij, doch die namen de vlucht, zoodat ik alleen met mijn gevolg achterbleef. Ik had een goed geweer, waarmede ik twee lieden doodschoot; de rest ging toen aan den haal. Toekoe Loöng zeide mij dat ik mij goed gedragen had, en ik ben na dien tijd een dei-zijnen. — Ik erken thans dat hij gelijk had, en zelfs zij , die de Hollanders niet kunnen uitstaan, erkennen dat met mij. En dan, ik mag hem gaarne lijden, hij is verbazend sterk, die Toekoe, het is een flinke vent!

Op het oogenblik dat Aden mij verlaat, komt de Kedjoeroean binnen. Onze verhouding wordt hoe langer hoe vertrouwelijker. Hij verontschuldigt zich, dat hij gisteravond bezigheden had, zoodat hij mij toen alleen moest laten, en hoopt dat ik hem zulks ten goede zal houden. Thans brengt hij den geheelen avond bij mij door, en vertelt hij mij zelf zijne geheele geschiedenis.

De terreinen, die wij bezocht hebben, waren bijna geheel met peper beplant en leverden reeds vier honderd pikols op, toen zij verlaten werden. Hij was destijds nog een kind, aan zichzelven overgelaten en onderwezen door een vreemdeling, iemand van Samalanga, die het geheele land in wanorde had gebracht door een geheim dat hij, naar hij beweerde, bezat om goudmijnen te ontdekken. Hij stelde al wat hij het zijne kon noemen, zonder eenige uitzondering hoegenaamd, ter beschikking van den jeugdigen vorst. Hij was gehuwd

en had eene jonge, mooie vrouw medegebracht.....„Ik

7*

99

-ocr page 108-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

wist toen nog in \'t geheel niet wat er in de wereld te koop is, zoo verontschuldigt zich de Kedjoeroean, en was niet in staat, het gewicht of de zedelijkheid mijner handelingen te beseffen; ik verspilde mijne bezittingen en gedroeg mij zeer slecht.quot; — Later bracht Toekoe Loöng twee jaren inde scholen van Groot-Atjeh, en vijf jaren, als page en kamerheer, aan het. hof van den Sultan door. De voorlaatste sultan , Ibrahim, had aldus een dertig jon ge lieden van de aanzienlijkste geslachten des lands aan den dienst van den Kraton verbonden. Toekoe Loöng Avas, in de laatste jaren, onder die dertig de eerste.

Doch een jaar na zijn terugkeer naar Loöng overleed Sultan Ibrahim, en diens opvolger, Machmoed, wierp in den Kraton al het bestaande omver, zonder eenigen eerbied voor de gedachtenis van zijn voorganger.

— Ik was aan deze, die mij steeds als zijn zoon behandeld had, ten hoogste gehecht, en dientengevolge woedend over de handelingen van den nieuwen Sultan. Deze gedroeg zich slecht, en, zoodra de Nederlanders kwamen, zag ik wel in , dat men niet beter kon doen dan zich met hen te verstaan. Daar Sultan Machmoed mijn souverein was en de belangen van mijn land van hem afhingen, heb ik hem een voorraad wapens en munitie gezonden , welke ik voor een oorlog met mijne naburen gereed had, doch ik verklaarde daarbij dat ik niet wenschte, zelf tegen de Hollanders te strijden. Indien hij mij toestond hem een goeden raad te geven, gaf ik hem ten ernstigste in overweging, met Nederland te onderhandelen. Toekoe Lampasej, hoofd der XXV Moe-khns, een bloedverwant en vriend van mij, en die niets deed zonder mij vooraf te raadplegen, was geheel van hetzelfde gevoelen. Doch ik had al de heethoofden binnen den Kraton tegen mij; en ongelukkig luisterde de Sultan naar hen. Al mijne vasallen schaarden zich aan de zijde

100

-ocr page 109-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

van den Sultan en stelden zich vijandelijk tegenover mij. Dat was een zorgvol tijdperk, en dikwijls is er een dag omgegaan dat ik niets te eten had, ot\' een nacht waarin ik niet slapen kon. Maar ik was toen op rijperen leeftijd gekomen, en wist wat ik wilde; ik was geoefend in den krijg, ik heb meermalen man tegen man tegen mijne vijanden gestreden, menigeen in het zand laten bijten,— maar ik zelf ben ook dikwijls gewond geweest.

Hij laat mij werkelijk de litteekenen van verscheidene wonden zien.

— Maar, hervat deToekoe, die ernstig , bijna droefgeestig onder deze herinneringen geworden is, de kogels zijn nooit diep doorgedrongen, en deklewanghouwen genezen spoedig. Ik heb dus den strijd tot het einde toe kunnen volhouden. — Maar de Hollanders weten niet, en zullen ook nooit weten, welke verliezen ik geleden, welk een tijd ik doorgestaan heb, toen ik voor hunne belangen streed!

Zulk een man moet waarlijk wel een trouw bondgenoot zijn.

— Thans is alles in orde, vervolgt hij, en alles zal verder goed gaan, wanneer de Hollanders geene overijlde maatregelen nemen en de gemoederen eenige jaren tijd gunnen om geheel tot kalmte te komen. Natuurlijk kan ik de gedachten mijner onderhoorigen niet beheer-schen; ik kan hen niet dwingen, dadelijk het Neder-landsche bestuur genegen te zijn, terwijl ik alle moeite gehad heb om hen te beletten, daartegen gewapend op te treden. De tegenwoordigheid van soldaten of ambtenaren in dit land zou mij thans stellig nog in groote moeielijkheden brengen. —• Het verheugt mij zeer dat Mijnheer, die een vriend der Hollanders is, het plan heeft opgevat, zich hier te vestigen; zulks heeft niet het minste bezwaar, ieder juicht dat plan integendeel toe, en toen de adsistent-resident mij vroeg of ik voor uw leven kon

101

-ocr page 110-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

instaan, heb ik zonder aarzelen bevestigend geantwoord. Ik loop niet het minste gevaar, indien ik mij persoonlijk verantwoordelijk stel voor de veiligheid van u en van alle Franschen, die met u mede zullen komen; uwe onderneming is voor het oogenblik het beste voor ons land geschikt.

Aldus Toekoe Loöng aanhoorende, herinner ik mij hetgeen ik eens tot den Gouverneur-Generaal van Ne-derlandsch-Indië sprak toen deze mij eene audientie verleende. De Kedjoeroean heeft volkomen dezelfde denkbeelden als die, welke ik de vrijheid nam, bij den Goiiverneur-Generaal te ontvouwen, en die trouwens uit den aard der zaak moeten volgen. Het is toch wel natuurlijk dat de overwinning van een trotsch en oorlogzuchtig volk, zooals de Atjehers, een gevoel van haat tegen de nieuwe meesters moet opwekken, dat slechts door den tijd kan verdwijnen. Dergelijk gevoel bestaat niét in Deli of Palembang, omdat de bevolking daar het bestuur der Nederlanders vrijwillig heeft aanvaard; evenmin bestaat het in Gochin-Ghina tegenover de Fransche heerschappij. Doch zeker is het, dat de Arabieren in Algerië, die in sommige opzichten wel wat overeenkomst met de Atjehers hebben, vele jaren lang de Franschen hebben vervloekt en verfoeid, omdat deze hen overwonnen hadden ; zij zouden de Engelschen, of de Hollanders, of de Amerikanen vriendschappelijk hebben ontvangen op plaatsen, waar geen Franschman zijn leven zeker zou zijn.

Hetzelfde geval doet zich in Atjeh voor. Ik ben ten volle overtuigd dat wij, thans eene landbouwonderneming te Loöng vestigende, de Hollandsche belangen evenzeer zouden bevorderen als die der Atjehers. Wat het voordeel voor de Franschen betreft, het ligt voor de hand dat zij goede vruchten zullen moeten trekken van dergelijke ondernemingen, die den handel met de westkust van Atjeh, eene der rijkste landstreken ter wereld , mogelijk zullen maken.

102

-ocr page 111-

LAND EX VOLK VAN LOÖNG.

Op deze wijze wordt de algemeene vooruitgang der raenschheid bevorderd, zonder dat aan eenige natie nadeel wordt toegebracht.

Ik vraag Toekoe Loöng eenige inlichtingen omtrent de organisatie van zijne strijdkrachten en van het bestuur. — De organisatie is hoogst eenvoudig. De Kedjoeroean is eenige bezitter van den grond, en verdeelt het terrein onder zijne onderhoorigen, die slechts eigenaars zijn van de huizen, die zij gebouwd, en van de boomen die zij geplant hebben. Wanneer het huis vernield en de boomen gestorven zijn, keert de grond weder tot den vorst terug; deze kan er ten allen tijde over beschikken, wanneer hij den eigenaar van het huis of van den boom eenige schadeloosstelling uitkeert. — Alle bewoners van het land zijn zijne vasallen of lijfeigenen, hij roept hen op en stelt hen naar welgevallen te werk, —- volkomen middeleeuwsch! — Voor de oorlogen met de naburen werden alle strijdbare mannen opgeroepen; zij werden, zoolang de krijg duurde, gewapend en gevoed door den vorst, die ongetwijfeld de belastingen dan verdubbelde.

De politie wordt uitgeoefend door de volgelingen van den Kedjoeroean. Wanneer een boosdoener moet worden opgevat, wordt een der volgelingen met een geleide daartoe afgezonden; indien verzet te wachten is, gaat er een panglima op uit, met eenige volgelingen en dertig óf veertig opgeroepen kampongbewoners. In zeer ernstige gevallen stelt de Kedjoeroean zich-zelven aan hun hoofd.

— Ik, zegt hij heel eenvoudig, ik ben nooit bang.

Dat moet wel zoo zijn. Het is onbegrijpelijk, hoeveel vertrouwen zijne omgeving in hem stelt. In de eerbiedsbetuigingen, die hij steeds, waar hij gaat, ontvangt, ligt als \'t ware iets godsdienstigs — of moet men zeggen iets bijgeloovigs ? — ten grondslag. Men moet het

103

-ocr page 112-

LAND EN VOLK VAN LOÖNG.

volk zien, met een pak op het hoofd en een wapen in de hand; zoodra zij den Kedjoeroean zien naderen, werpen zij pak en wapen beide ver van zich en vallen hem te voet.

Inderdaad is het bijgeloof niet vreemd aan de vereering van Toekoe Loöng. Ik zag dezer dagen een fraaien klewang in de handen van een der volgelingen, en was van meening dat die wel tien of vijftien rijksdaalders waard zou zijn:

— Men heeft honderd rijksdaalders aan den eigenaar, Toekoe Loöng, geboden, zegt Pang-Abas daarop.

Ik verwonder mij over dit hooge cijfer.

— Maar, Mijnheer, die klewang is meer dan duizend rijksdaalders waard ; de Toekoe heeft er menigeen mede gedood , en iedereen weet dat en kent de klewang hier. Wanneer ik daarmede gewapend ben om den een of ander op te vatten, dan durft niemand zich te weer te stellen en tegen dit wapen den strijd te aanvaarden.

Ik herinner mij hier een voorval, waarvan ik een paar dagen geleden getuige was. Gedurende ons bezoek aan het landgoed in spe kwam een oud man mij een geneesmiddel vragen voor zijn been, dat zeer opgezwollen was. Ik zeide hem, er een pleister van rijstepap op te leggen. Maar Toekoe Loöng liet hem bij zich komen en bevochtigde de wond overvloedig met het roode sirih-speeksel. De patiënt was bang, van dit geneesmiddel een druppel te verliezen en wreef er zijn geheele been mede in, ja zelfs , toen hij nog wat over had , ook een gedeelte van het andere , zeker als voorbehoedmiddel. — Ik heb er niet om gelachen; want was het in vroegere eeuwen niet juist hetzelfde in Europa, en is men thans nog niet, in Italië b. v., ongeveer even bijgeloovig ten opzichte van de cholera?

104

-ocr page 113-

VIJFDE HOOFDSTUK.

In de versterking van den Kedjoeroean.

Een ongelukje. — Vertrek mijner bedienden. — Ik geheel alleen onder de Atjehers. — Beleefdheden van den Kedjoeroean. — Hoe men hier arbeidt. — Eene nachtelijke verschijning. — Gesprek over de bedoelingen der Nederlanders. — Inlandsche geneesmiddelen. — De vrouwen van den Toekoe. — Bloedschuld en vergiffenis. — De verzoening. — Verdeeling van de boete. — Hervatting der opmetingen. —■ Een tijgerklauw, in het zand afgedrukt.

Woensdag, 22 December. Een ongeluk heeft mij genoodzaakt , voorloopig den arbeid te staken. Een dag of tien geleden heb ik eenige druppels brandende lak op mijn rechterduim gekregen; ik heb daaraan eerst weinig aandacht geschonken, maar de wond wordt erger, en ik heb te vergeefs carbolzuur en een smeerseltje toegepast. Nu ben ik zoover, dat ik den duim in \'t geheel niet meer gebruiken kan, en ook niet weet wat ik er aan doen moet. Het beste is dus, een mijner bedienden naar den Officier van gezondheid te Kota Radja te zenden om een geneesmiddel te vragen. Toekoe Loöng stelt eene prauw te mijner beschikking, waarmede Maïman, als ervaren zeeman, en drie inlanders de reis zullen maken. Doch op het oogenblik van vertrek heb ik zooveel boodschappen , die Aripan het best doen kan, dat ik besluit

-ocr page 114-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

hem mede te laten gaan; en ik blijf dus volslagen alleen onder de Atjehers achter.

Gisteren zijn mijne beide bedienden vertrokken. De Kedjoeroean heeft de goedheid gehad mij een zijner lieden, Si-Amat, een zeer verstandige en ijverige jongen van dertien of veertien jaar, af te staan. Deze betrekt nu de wacht bij mij; maar hij slaapt zoo stevig, dat ik alle moeite had om hem wakker te maken toen ik, wegens de pijn, die mijne wond mij veroorzaakte, midden in den nacht wilde opstaan.

ïoekoe Loöng komt van ochtend vragen wat ik verlang, en laat mij drie borden met Atjehsch gebak brengen, dat uitmuntend smaakt. Des middags laat hij zijne rijst met kerrie van visch en van kip hier brengen, evenals hij gisteren gedaan heeft, om mij niet alleen te laten. Wij gaan op inlandsche wijze op het matje zitten, ter--wijl Amat ons kruipende bedient.

Het grootste gedeelte van den dag breng ik thans op het erf van de versterking door, te midden van het gevolg van den Kedjoeroean en met dezen zeiven. Ik heb daarbij de gelegenheid op te merken, met hoe weinig hulpmiddelen de inlanders over \'t algemeen een ambacht weten uit te oefenen. Enkelen zijn bezig, eene kooi voor het een of ander beest te maken; alleen met behulp van een klein mesje maken zij de kooi in een oogenblik, zeer licht en ijzersterk, van gespleten bamboe en boombladeren. Toekoe Loöng heeft in mijne kamer een mes ontdekt waarvan de punt afgebroken is, en heeft er zich dadelijk meester van gemaakt om het in orde te maken. Tusschen de hooge stijlen waarop het huis gebouwd is, wordt het gereedschap geplaatst, dat wel wat op een scharenslijperswiel gelijkt: een ronde steen op eene houten as, om welke laatste drie of vier maal een touw geslagen is. Een man, op den grond zittende,

IOC

-ocr page 115-

IX DÉ VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN. 107

heeft in elke hand een eind van dit touw en laat, beurtelings krachtig aan een eind trekkende, de slijpsteen heen en weer draaien. Er zijn een aantal dergelijke steenen van verschillende hardheid, die achtervolgens gebezigd worden: de hardste slijpt het ijzer af, de zachtste dient om te polijsten. De Toekoe verstaat het vak uitstekend, en spoedig is mijn mes mooier dan het ooit te voren geweest is.

Ik maak een praatje met de werklieden en, niets beters te doen hebbende, vang ik aan met de studio der Atjehsche taal, tot groot vermaak van mijne leermeesters, die juichen wanneer ik er nu en dan in slaag» een zinnetje van drie of vier woorden in hunne taal uit te spreken. Omgekeerd geef ik heden avond, na het eten, den ïoekoe les in het schrijven met onze letters. Op Java leert men de kinderen schrijven, zoowel in Arabische als in Europeesche karakters; maar in Atjeh zijn de laatste nog bijna onbekend. ïoekoe Loöng is vol moed, vooral nadat ik hem vertel dat Keizer Karei de Groote pas op zijn twee-en-veertigste jaar lezen leerde ; de Toekoe is nauwelijks twee-en-dertig!

Nadat Toekoe Loöng vertrokken is, blijf ik alleen achter in mijne lange galerij, bij het licht eener walmende lamp. Men hoort niets; alles is even stil om mij heen. Mijne bedienden zullen gisteren te Kota Radja aangekomen zijn. Ifc heb mij nog nooit zoo verlaten gevoeld. Indien er mij iets overkwam, zou slechts een persoon, mijn gastheer, er zich wat van aantrekken; hij is ook de eenige, die weet aan wien hij berichten omtrent mij zou moeten zenden. ... En indien hij er eens belang bij had om het voorval te verzwijgen, wat zou het hem dan gemakkelijk zijn om eene geschiedenis over mijn verdwijnen te verzinnen! Welke getuigen zou-

-ocr page 116-

108 IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

den hem tegenspreken? Ik heb van avond te veel gelachen, en ben daardoor wat zenuwachtig. Allerlei schrikbeelden dringen zich op. Ik ben nu geheel alleen onder die Atjehers, die als zeeroovers bekend staan, op dezelfde kust waar twee Franschen, die zich ook veilig waanden , nog kort geleden op zoo vreeselijke wijze den dood hebben gevonden.....

Maar in niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in ïoekoe Loöng. Zijn page, Si-Amat, zal weldra komen aanzetten om de wacht te houden. Het verbaast mij dat hij zoo laat komt. . . .

Plotseling bespeur ik dat er iemand achter mij staat; hij is door de binnendeur van het huis binnengekomen, en zijne bloote voeten hebben niet het minste gedruisch gemaakt. Ik volg zijne bewegingen met een schuinschen blik, terwijl ik voortga eenige aanteekeningen temaken.

Ik zie duidelijk, hoe hij, met zijn sarong, zijne groote klewang afveegt en de snede daarvan met bijzondere zorg schoonmaakt. Zulk een klewang is zoo scherp als een scheermes: hij is vijftig a zestig centimeters lang? en wordt bij het gevest breeder en zwaarder. Dit wapen was het verschrikkelijk werktuig, waarmede de dubbele moord, waarvan ik zoo even sprak, bedreven werd. Aripan heeft mij verhaald, dat de eerste slag op verraderlijke wijze werd toegebracht door een persoon, die Vallon tegemoet kwam om hem te begroeten; het hoofd

was daarmede in tweeën gespleten.....Zijn bediende,

met bloed bedekt en van schrik bevangen, sprong in de rivier om zich te redden. —

Ik keer mij eindelijk naar mijn bezoeker toe; in mijn stoel leunende, zie ik hem aan, en blijf, evenals hij, het stilzwijgen bewaren. Hij verroert zich ook nog maar niet, blijft aan het opwrijven van zijn klewang, voelt of deze goed scherp is, — en legt hem daarna rustig

-ocr page 117-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROKAN. J 09

neder op een van de bintbalken van het dak. — Daarna haalt hij een verbazend grooten bril uit zijn zak, en gaat vlak naast mij staan. —Ik ga weer zitten schrijven, en wenk hem om, achter mij om, aan den anderen kant te gaan; ik vervolg mijn arbeid alsof ik geheel alleen was. Dat duurt zoo een kwartier; hij staart mij maar aan, zonder zich te verroeren. Daarop wend ik mij op nieuw tot hem, en daar hij nu juist in het licht staat, ontwaar ik onder den tulband het gelaat van een goedaardigen, verstandigen grijsaard, met fijne lippen, waarop een zachte glimlach. Si Amat, die juist op het oogenblik binnenkomt, noemt hem ïoekoe, hetgeen bewijst dat hij een voornaam persoon is. Ik laat hern op de mat plaats nemen en wij vangen een gesprek aan; hij kent een weinig Maleisch.

— Mijnheer onderzoekt de gronden in dit land, zegt hij. O, alle menschen vinden dat hier uitstekend. Wij zullen gaarne zien dat gij u bij ons komt vestigen.

Hij schuift wat nader bij, en begint zachter te spreken , alsof hij naar een vertrouwelijk onderhoud verlangt:

— Zullen de Hollanders ons land nemen? vraagt hij.

— Zie eens, antwoord ik, men doet altijd verstandig wanneer men zich in het onvermijdelijke schikt. Zeker moeten de Hollanders dit land nemen: zij zijn begonnen met het te bezetten, zij hebben de toestemming van alle staten van Europa, en ze zouden zich thans niet meer kunnen terugtrekken. Wanneer de Atjehers hen wederstaan, verliezen zij goed en bloed, en maken zij zichzelven ongelukkig. De Hollanders zijn zeer rijk en machtig; zij hebben vele stoomschepen, geweren en kanonnen; wanneer men hunne soldaten doodt, zenden zij andere; doch de Atjehers, die in den strijd omkomen, worden niet vervangen. — Men moet overigens niet denken dat de Nederlanders het geheele land met sol-

-ocr page 118-

110 IN HE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

daten willen bezetten; wanneer de oorlog geëindigd is, zullen zij belastingen heffen en overal de rust met de politie handhaven; dan zullen zij wegen aanleggen en havens, zooals te Olehleh; en dan kunnen de Franschen, Engelschen en andere vreemdelingen komen om met de Atjehers te werken en handel te drijven.

Ik geloof dat dit het beste is wat men op dit oogen-blik aan de lui kan zeggen, indien men verlangt aangehoord te worden. Ik voeg er nog bij:

— Zie Java. Men vindt daar slechts weinig soldaten, maar er zijn lieden van allerlei natiën, die daar, evenals de Hollanders, arbeiden, handeldrijven en ondernemingen besturen.

De man had met volle aandacht naar mijne woorden geluisterd en herneemt:

— U moet hier komen, Mijnheer. De grond is goed en de menschen willen niets liever dan werken. Indien Mijnheer zich hier vestigt, wordt alles met koffie beplant, de inlanders zullen overal willen arbeiden waar Mijnheer dat verlangt.

Hij strekt zich daarna naast Si Amat op den grond uit, en valt in slaap.

Vnjdaj 24 December. Mijne bedienden zijn gisteren nog niet teruggekeerd, zooals ik hun bevolen had, en vandaag evenmin; op zee heeft men veelal wat oponthoud. Maar ik word van alle mogelijke zorg omringd, alsof ik tallooze bedienden had.

Toekoe Loöng wil een inlandsch geneesmiddel voor mijn duim toepassen: er worden eenige bladeren geplukt, en deze tusschen de handen fijngewreven, zoodat er eene geelachtige , dikke vloeistof te voorschijn komt; deze wordt, bij wijze van zalf, op mijn duim gesmeerd. Een inlandsch kwakzalver weet een ander middel: suiker met eiwit, dat op een

-ocr page 119-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

linnen lapje wordt uitgestreken. Bij gebrek aan beter is dit misschien eene bruikbare pleister.

Gisteren hebben wij binnen de versterking bezoek gehad van twee zware personen met een gunstig uiterlijk, die mij herkennen en hartelijk groeien; Toekoe Imam, die, bij afwezigheid van den Kedjoeroean, de zaken behandelt, en Toekoe Daoed, een grijsaard, die min of meer de raadsman van den vorst schijnt te zijn. — Pang-Abas komt vragen hoe het met mijn papaja-voorraad gesteld is, en of ik ook iets voor hem te doen heb. Hij brengt, mij een haan ten geschenke. Bij mijn eerste aanwezen te Loöng kon ik niets krijgen; thans koop ik de kippen voor twee dubbeltjes per stuk. Van alle kanten herhaalt men mij, dat men zoo gaarne zal zien dat ik te Loöng kom wonen. — Maar vooral de Kedjoeroean is onuitputtelijk in zijne voorkomendheid. Heb ik iets noodig? dan heb ik maar een woord te zeggen, beweert hij. Sedert mijne bedienden vertrokken zijn, wil hij niet hebben dat ik zelf iets koop en komt hij telkens bij mij eten: alle dagen kippen en eieren, wat zeker niet tot zijn gewonen kost behoort, en uitmuntende kerrie van viseh. Zijne vrouwen voorzien mij steeds van gebak. Zij zijn al eens zoo stoutmoedig geweest om met den vorst op het erf te komen toen ik er was, maar zagen mij nog maar steesgewijze aan.

Na het ontbijt vraagt de Toekoe mij vergunning om zich naar de missigit te begeven. Hij dient het voorbeeld te geven, daar hij ook verlangt dat zijne onder-hoorigen er naar toe gaan: „God helpt alleen diegenen, zegt hij, die Hem aanbiddenquot;; en wanneer er niet minstens vier en veertig lieden in de moskee aanwezig zijn, worden de kamponghoofden tot het betalen eener boete veroordeeld. — Zijne dochter, een kind van twaalf of

Ill

-ocr page 120-

112 IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

dertien jaren, durft ditmaal bij mij te komen om haren vader te halen, en maakt, op een teeken van dezen, eene sierlijke buiging. Ik geef haar eene photographie en eenige theegebakjes. Drie of vier jonge vrouwen komen tegelijkertijd zonder veel angst aan de deur van mijne kamer; ik bied haar ook Huntley and Palmer-heschmtjes aan, waarop zij verzot schijnen te zijn.

Onze verhouding is dus wel veel gemeenzamer geworden , en wij praten over allerhande zaken. De Kedjoeroean vertelt mij belangrijke bijzonderheden aangaande de Atjehers, en van mijn kant doe ik hem de Europeanen, waarvan men hier slechts een verward of geheel valsch denkbeeld heeft, eenigszins beter kennen. Van de staatkundige aangelegenheden begrijpt hij niet veel, maar onze maatschappelijke toestanden en onze zeden en gewoonten trekken zijne belangstelling ten zeerste. Gisteren hebben wij het gehad over eerezaken en duels; de laatste vindt hij prachtig! Alles, waar iets ridderlijks aan is, bekoort hem.

Maar heden is vooral de avond interessant: er moet eene boete betaald worden voor een moord, en Toekoe Loöng heeft mij uitgenoodigd, bij die vreemdsoortige plechtigheid tegenwoordig te wezen. Om het mij gemakkelijk te maken, wil hij eerst dat zij in mijne voorgalerij zal plaats hebben; maar deze staat te vol met mijne bagage, en ik word dientengevolge, na het middagmaal, in de galerij van het nevenstaande huis verzocht. Met den Kedjoeroean binnentredende, vind ik hier reeds een talrijk publiek vereenigd. De rechte, zeer steile trap staat voor het midden der galerij en deelt deze dus in tweeën; rechts staan de menschen gedrongen op elkaar, links, waar wij ook plaats nemen, is het looneel van de plechtigheid. — De zaal, een langwerpige rechthoek,

-ocr page 121-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN. 113

is in het midden verlicht door eene koperen hanglamp met twee armen; de vloer is met fraaie matten bedekt. Er zijn een veertigtal personen, die stilzwijgend en onbeweeglijk de dingen afwachten welke zullen gebeuren; hunne tegenwoordigheid geeft iets indrukwekkends.

Toekoe Loöng gaat te midden van eene rij toeschouwers zitten; ik neem plaats aan zijne rechter-, Toekoe Imam aan zijne linkerhand. Tegenover ons zijn Toekoe Daoed, met een der bloedverwanten van den vorst, en de kamponghoofden gezeten. In mijne nabijheid staat een Toekoe, wien de Kedjoeroean het woord opdraagt in alle groote quaesties die hij zelf niet dadelijk kan regelen; — hij doet mij denken aan het openbaar ministerie of een Rijksadvocaat in Europa. Tegenover de trap vindt men de nagelaten betrekkingen — eenige neven — van den verslagene.

De zaak loopt over een „manslag door onvoorzichtigheidquot; , van ouden datum. Twee of drie jaren geleden hadden twee vrienden over eene onbeduidende aangelegenheid twist gehad; zij hadden elkander om het lijf gegrepen, de eene wierp den ander omver en viel ongelukkig zoodanig op hem, dat zijn sabel, dien hij zonder scheede in den gordel gestoken had, juist de tegenpartij in de zijde trof. De gewonde stierf weinige uren daarna. De moordenaar had destijds de vlucht genomen, maar was thans teruggekomen om zijne positie te regelen. Dit alles werd mij in korte woorden door den Kedjoeroean verhaald.

Bij het binnentreden van dezen heerschte er een oogen-blik eene eerbiedige stilte. Hij gaat gelijk de anderen zitten en ziet er afgetrokken uit, als iemand wien de zaak eigenlijk niet aangaat.

Toekoe Imam roept den schuldige binnen.

Thans komt een man met langzame schreden de trap op, blijft een oogenblik aan den ingang der galerij onbe-

8

-ocr page 122-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

wegel ijk staan, met de handen tegen elkander zooals bij groeten gebruikelijk is; — daarna roept hij met een smeekende stem driemalen, met kleine tusschenpoozen:

— Vergiffenis, o heer!

— Vergiffenis, o heer!

— Vergiffenis, o heer !

— Altijd in dezelfde houding blijvende, voegt hij er daarna eenige woorden aan toe, zeker om zijn verzoek te ondersteunen.

De man, die hier op het tooneel verscheen, is niet de schuldige zelf, die geheel op den achtergrond blijft en in de geheele vertooning geen woord spreekt, maar zijn kamponghoofd.

De Kedjoeroean blijft even ongevoelig en ziet den smeekeling met een verstrooiden blik aan. — Toekoe Daoed neemt daarop het woord. — Eindelijk verwaar-digi zich de vorst iets te zeggen, en dadelijk werpt het bedoelde hoofd zich nu aan zijne voeten; hij vat zijne hand en brengt die naar het voorhoofd. Op een teeken van den Kedjoeroean, brengt hij daarna dezelfde hulde aan mij, en verder, min of meer, aan al de aanzienlijke personen der vergadering; — de moordenaar volgt met een paar andere lieden — zijne bloedverwanten of vrienden — , dezelfde eerbewijzen doende. Eindelijk gaat de kleine stoet weder terug naar den ingang van de galerij, waar het personeel overeind blijft staan.

Tegenover hen zijn nu de bloedverwanten van het slachtoffer opgerezen. Twee lieden , die den rol van ceremoniemeesters vervullen, geleiden de beide groepen naar elkander. Deze komen elkander langzaam en statig halverwege tegemoet; het kamponghoofd en de oudste dei-bloedverwanten buigen voor elkander, geven elkaar de hand en brengen den gewonen groet. De moordenaar en zijne getuigen volgen, — de verdere familieleden even-

114

-ocr page 123-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN. 115

eens, en allen herhalen, een voor een, dezelfde buigingen en begroetingen.

Dit oogenblik, waarop de verzoening plaats vindt, is inderdaad treffend.

Nadat allen zijn gaan zitten, wordt van eene groote schotel, die van het begin af midden op de mat stond, de met gouddraad versierde deksel opgelicht; men brengt versche pisangbladeren (de borden), en mijn vriend, Panglima Abas, die bij deze gelegenheid de betrekking van opperhofmeester vervult, bedient allen met ruime hand van rijst en gebak. Daarop volgt een soort van psalmgezang en gebed, waarvan het „Amen!quot; meermalen door allen wordt herhaald.

Daarop verwijdert zich de moordenaar en brengt men de boete, den bloedprijs, bij de vorst. Deze bedraagt hier niet meer dan twee honderd rijksdaalders en een aantal goederen in natura, die ongeveer evenveel zullen kosten. Wanneer het slachtoffer een man van aanzien of de omstandigheden van den moord bezwarend er geweest waren, zou ook de boete hooger zijn.

Toekoe Loöng heeft voor zich liggen: twintig stukken katoen, eenige stukken blauwe of zwarte stof, en een zak vol zilveren en koperen munten, die hij er met de hand uitneemt en op de mat werpt om geteld te worden. De Panglima gaat te midden der vergadering aan het verdeden, maar dit geeft aanleiding tot lange redeneeringen , waaraan ieder, behalve den Kcdjoeroean, deelneemt. Men stapelt de munten op hoopjes; men maakt verschillende porties van de manufacturen, deelt en verdeelt op nieuw, maar komt nog tot geen einde. Het begint mij nu wel wat vervelen, en de Kedjoeroean, die zijne sirih kauwt, dringt mij tot het opsteken van een sigaar. — Evenwel is het een fantastisch tooneel, dat ik voor mij zie: al die ernstige, getulbande hoofden

-ocr page 124-

116 IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

over de gelden en goederen heengebogen, al die halfnaakte schouders naast elkander, dat gekakel der aanwezigen , — ik waan een oogenblik tegenwoordig te zijn bij een hoop zeeroovers, die, na een vaartuig te hebben geplunderd, ruzie hebben over de verdeeling van den buit!

Maar, laat ik mij haasten er bij te voegen dat dit volstrekt niet strookt met de gevoelens der handelende personen; mijne verbeelding beschuldigt hen ten eene-male onbillijk. Al hunne overleggingen hebben alleen de rechtvaardige verdeeling van het bloedgeld ten doel onder de tien neven van den verslagene, die niet allen in denzelfden graad van bloedverwantschap tot hem stonden en dus verschillende rechten hebben. Een zestiende gedeelte wordt door den vorst toegewezen aan de oudsten, die het geschil in orde gemaakt hebben. • Wat den Kedjoeroean betreft, deze gelijkt wel het minst van allen op den aanvoerder eener dievenbende. Hij is een groot heer, en neemt voor zichzelven geen cent van de boete.

— Ik zou mij schamen, zeide hij mij, wanneer ik mijne inkomsten uit dergelijke bron putten moest!

Mijne hoogachting en toegenegenheid voor Toekoe Loöng nemen steeds toe.

Ik blijf tot het laatst bij de vergadering, waarvan de meeste leden mij bekend zijn. Ik begin al een weinig Atjehsch te praten; ik kan reeds mijne beenen behoorlijk opvouwen, wat werkelijk moeielijk is, en ik eet mijne rijst zeer netjes met de vingers.

Het is heden Kersnacht! Maar is het avondmaal, waarbij ik heb aangezeten, een maal van vergiffenis en verzoening, niet treffender dan dat in menige Christenkerk ?

-ocr page 125-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN. 117

Zaterdag, 25 December. Nog zijn mijne bedienden niet terug. Daar het mij echter verveelt, langer op hen te wachten, neem ik mijne landmeetinstrumenten weder op en ga ik op weg. Al metende ben ik eenige kilometers van de kampong afgeraakt, — maar het ambacht valt mij lang niet mede.

Ik spreek niet van de gevaren, die men loopt in een land van tijgers, waar geen inlander alleen zou willen blijven staan aan het eind van mijn meetsnoer, dat negentig meters lang is. Ik lachte in het eerst over deze vrees; maar ik moet bekennen dat ik er ernstiger over ben gaan denken toen men mij op het voetpad, dat wij volgden, duidelijk den indruk van een tijgerklauw aanwees.

— Dat is de Menscheneter, Mijnheer, zeide Pang-Abas , die mij met vier volgelingen vergezelde.

— En waar zijn de afdrukken der drie andere klauwen?

— O, misschien vrij ver van hier. Hij heeft hier waarschijnlijk een sprong genomen waarbij hij den grond met een poot heeft aangeraakt, en is toen in het struikgewas verdwenen.

Dus misschien wel ergens in onze buurt. Onwillekeurig heb ik met mijne oogen den gezichtseinder door-loopen, en de bosschen en struiken in alle richtingen doorzocht. De indruk was nog versch, mogelijk van heden morgen, en men kreeg op de duidelijkste wijze eene voorstelling van de monsterachtige afmetingen van het beest. Ik kon zijn koninklijk zegel nauwelijks met mijne hand bedekken.

Naar men mij zeide, hadden de tijgers in de laatste maanden hier talrijke slachtoffers gemaakt.

Doch, zij hebben mij met rust gelaten en waren dus de oorzaak niet van de bezwaren, die ik als opnemer ondervond. Deze bestaan, in de eerste plaats, in het

-ocr page 126-

118 IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN.

totaal gemis aan intellectueele hulp; alle hoeken en lengten, die gemeten worden, moet men zelf opnemen en aanteekenen, hetgeen op den duur vermoeiend is. En dan, verder, in het onbegaanbaar terrein. De inlanders , met hunne vereelte voetzolen, gaan barrevoets en klemmen zich, gelijk de apen, met hunne teenen vast waar dat noodig is. Doch wij, Europeanen, zijn dat niet gewend; ik heb ook blootvoets door de rivier willen gaan, maar ik had niet gerekend op de puntige keien en de glibberige steenen die den bodem bedekten. Het was eene lastige en pijnlijke geschiedenis.

— Mijnheer, wij zullen nog in het bosch zijn als de avond valt, zeide Pang-Abas, en de lieden zijn bang voor den Menscheneter.

Ik wilde echter het onderhanden gedeelte mijner opneming voltooien:

• — Nu, dan gaan wij een plekje in de bergen opzoeken om te slapen!

— De lieden zeggen, Mijnheer....

— Laat hen toch niet zaniken. Zeg hun maar, dat ze hunne meening voor zich kunnen houden totdat ik er om vraag.

— Goed, Mijnheer, antwoordt Pang-Abas, blijkbaar mijne bedoeling maar half begrijpende.

De arme panglima, die even bang voor de tijgers is als de rest, berust gewillig in het lot dat hem wacht. Hij helpt mij waar hij kan, en reikt mij de hand wanneer ik, met mijn gewonden duim, niet gauw genoeg over de steenen kan klimmen.

Eindelijk, na de laatste waarneming, geef ik het tee-ken tot den terugkeer.

— Naar huis!

— Goed, waarheen, Mijnheer ? naar de kampong in het gebergte?

-ocr page 127-

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN. 119

— Neen, naar de versterking, naar Ketapan.

— O, best!

Wij gingen daarop, zoo spoedig als we konden, op weg naar Ketapan. Pang-Abas liep vlag vooruit, om nog maar, voor het vallen van den avond, buiten het bosch te komen. Dit gelukte hem echter niet; het was reeds stikdonker toen wij de kampong Lamtoedjin bereikten. Daar namen wij eene groote bamboezen fakkel mede tot verlichting van ons verder pad, en wij kwamen thuis zonder ander verdriet dan dat onze beenen nu en dan in een modderpoel wegzakten, en ik met mijn ongelukkigen duim, dien ik aan menig rotsblok gestooten had. Nabij onze woning gingen wij nog even in de rivier, om door het heldere water te waden: de manier des lands om zijne voeten af te vegen, voordat men binnentreedt.

Aripan en Maïman waren inmiddels aangekomen, en ik heb een genoegelijken avond doorgebracht te midden van een hoop brieven uit Kota Radja, Batavia, Pinang, Europa.. . .

De doctor van Kota Radja zond mij geneesmiddelen, voldoende voor twintig brandwonden, en verder zes honderd chininepillen, die ik hem voor de inlandsche koortslijders te Loöng had gevraagd.

-ocr page 128-

ZESDE HOOFDSTUK.

Het contract. — Volksfeest en wajangspel.

Afstand van gronden. — Het contract. — Een os geslacht. — Radja Machmoed. - Loöngsche étiquette. — Vriendschap met de bevolking. — De wajang. —- De halé-halé. De troep van Pang-Abas. — Het orkest. — Hoe langer hoe doller! — De critiek. —

Zondag, 26 December. Ofschoon ik dezen dag hoofdzakelijk besteed voor de verpleging van mijn duim, die er nu, door toepassing van de ontvangen medicijnen, reeds vrij wat beter uitziet, doe ik heden toch, tot slot van rekening, nog het belangrijkste werk van al hetgeen ik te Loöng te verrichten had.

Van morgen heb ik tot den Kedjoeroean gezegd: — Ik moet het terrein aan den overkant van de rivier nog eens zien.

Hij noemt een lap gronds een land, en het is dan ook een geheel land voor de inlanders, die met tien menschen een koffietuin aanleggen; maar hij schijnt geen denkbeeld te hebben van eene Europeesche landbouwonderneming , en ik ben bang dat hij schrikken zal, wanneer hij verneemt over welke oppervlakte wij zouden willen beschikken.

Er is sedert verscheiden dagen sprake geweest van drie „landenquot;: het eerste, het dichtst bij de kampong,

-ocr page 129-

HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL. 121

is dat hetwelk wij dadelijk samen hebben bezocht. Dit, meent hij, verdient de voorkeur en is verbazend groot, daar er wel vier honderd planters werkzaam zullen kunnen zijn. Het tweede is nog grooter, maar verder verwijderd, achter het eerste gelegen; het derde, misschien nog uitgestrekter, ligt op den anderen oever.... Maar waarom zullen wij ons daarover verder moeielijk maken, dacht hij; men heeft hier geen begrip van een brug. — Ik denk er echter anders over; de drie landerijen hebben samen één grens, zijn alle beschikbaar, en slechts door de begrippen van den vorst gescheiden! deze, of het Nederlandsche Gouvernement —- wat, zooals hij mij uitlegt, precies hetzelfde is —, is geheel heer en meester over den grond.

Heden middag ontmoet ik hem op het erf, waar hij een feest organiseert, dat morgen moet plaats hebben en mijn besluit heeft vefhaast. Hij heeft daar n.l. verscheidene personen ontboden, die, met den vorst, eene acte te mijnen behoeve zullen moeten onderteekenen.

— Ik heb mijne berekeningen gemaakt, zeg ik tegen hem, en ben daarbij, tot mijn spijt, tot de slotsom gekomen, dat ik in Loöng geen grond genoeg kan vinden voor onze behoefte.

De goede man is, bij deze geheel onverwachte mede-deeling, ten eenemale uit het veld geslagen, en staat te kijken, alsof hij denkt dat ik van avond nog ga ve rtrekken.

- Maar Mijnheer! Dat is onmogelijk! Er zijn hier toch woeste gronden genoeg!

— Och wat, kleine stukjes. Wij zouden een terrein moeten hebben dat, bijvoorbeeld, aan elke zijde zes duizend vademen groot is.

— Laat ons dan eens zien. Mijnheer.

Hij neemt een stok en brengt mij naar eene zandplek, waar hij de rivier uitteekent:

-ocr page 130-

122 HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL.

—■ Hier is één land, wijst hij (het eerste); en daar is er een (het tweede); en dan daar nog een aan den overkant der rivier. . . .

— Ja, maar geen van deze is groot genoeg.

— Welnu, herneemt hij, een kring trekkende die alle drie omvat, als men ze dan samenneemt?

Dit is het juist, waar ik heen wilde. Wij gaan in mijne kamer, en maken dadelijk eene schets van de drie terreinen, met al wat daarbij behoort. — Ik heb de beide eerste reeds voldoende gezien; op het derde ziet men in het midden, op een heuvel, een goed geslaagden koffieaanplant.

Nog denzelfden avond schrijft Toekoe Loöng, met fraaie Arabische letters, het contract waarbij de gronden aan mij worden afgestaan, — natuurlijk voorwaardelijk , voor zoover hem alleen aangaat, want de vorst is er op gesteld, uitdrukkelijk te vermelden dat de afstand geschiedt behoudens de goedkeuring van het Ne-derlandsch-Indisch Gouvernement. Om hem te bewijzen dat wij het hierin volkomen eens zijn, laat ik hem deze voorwaarde nog eens in het schriftuur herhalen.

De overeenkomst is geheel zooals ik verlangen kan. In den tegenwoordigen toestand van Atjeh kan het koloniaal bestuur, welks staatkunde geheel op bevrediging der bevolking gericht moot zijn, er niet aan denken om deze tegen haren wil nieuwe regelingen op te leggen, die door een vreemdeling gevraagd worden, — al zijn daaraan ook voor alle partijen voordeelen verbonden. Ik had dan ook vóór alles aan den Gouverneur van Atjeh moeten beloven te zorgen, dat de bevolking mij genegen was, en het bewijs mede te brengen dat de Kedjoeroean en zijne hoofden ten volle met mijne plannen instemden. Nu, sterker bewijs , dan thans geschreven is , kan men wel niet verlangen. — Niet alleen schenkt het contract

-ocr page 131-

HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL. 133

ons al den grond dien wij noodig hebben, maar het is bovendien in de meest vriendschappelijke en welwillende bewoordingen vervat, en bepaaldelijk wordt het Nederlandsche bestuur daarbij verzocht, de uitvoering onzer voornemens zooveel doenlijk te ondersteunen.

Toekoe Loöng heeft dat alles op zijne knieën zitten schrijven. — Ik denk wel niet, dat hij ooit te voren in zijn leven zoolang achtereen — bijna twee uren — de pen heeft gevoerd. — Hij drukt er zijn groot zegel op — een koperen stempel, waarin Arabische letters gegraveerd zijn en die in de walm van de lamp zwart gemaakt wordt —, en verder ook het zegel van den panglima, met wien hij \'t geheel eens is. De hoofden, met wie hij geraadpleegd heeft en die alle hunne toestemming mondeling hebben gegeven, moeten het stuk verder nog van hunne handteekening voorzien.

Maandag, 27 December. Het is heden groot feest; er wordt een os geslacht!

Volgens den koran wordt het dier door den priester gedood met één messteek, die den strot en de slagaderen doorsnijdt; zoodra het doodgebloed is , wordt het in duizende stukjes gesneden voor de kerrie en het geroosterd vleesch; het roosteren geschiedt door het vleesch op pinnen te steken, die over het vuur hellen.

Twee uren later is er van de geheele os geen spoor meer over.

Ik heb den Kedjoeroean gisteren eenige dingen ten geschenke gegeven, o. a. een markiezencostuum uit den tijd van Lodewijk XV, dat hij een oogenblik al lachende heeft aangepast. Heden vermaakte hij zich bijzonder, o. a. door twee speeldoozen te gelijkertijd te laten werken, wat zeker voor inlandsche ooren eene fraaie harmonie oplevert!

-ocr page 132-

124 HET CONTRACT. - VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL.

Ik heb intusschen mijn contract niet uit het oog verloren : het is door den oom van den Kedjoeroean netjes overgeschreven en bestaat dus thans in duplo. De voornaamste personen van het land hebben er reeds hunne handteekeningen ondergestel d.

Des middags ten vijf ure, na afloop van het feest, merk ik dat de kanonnen voor den dag gehaald worden : oude verroeste stukken, die in den regel kalm onder het grootste huis liggen.

— Wat is er nu weer te doen?

— Radja Machmoed komt!

En waarlijk, weldra treedt er een heele stoet onze versterking binnen. Voorop gaat een man van groote gestalte, „een gehard krijgsmanquot;, schijnt het, met flinke grijze knevels, die op zijne schouders een kind van acht of negen jaren draagt; dat kind is Radja Machmoed, de zoon van Toekoe Abas. Dit kind is reeds verloofd met de jongste dochter van den Kedjoeroean, en zal misschien eens zijn erfgenaam zijn. — De oude krijger gaat tot op het midden van het erf en zet daar zijn last neder; onmiddellijk gaan alle aanwezigen hunne hulde aan Radja Machmoed en aan den Kedjoeroean betuigen. De kleine prins zegt niets, blijft op de plaats waar hij neergezet is staan, en geeft eenvoudig aan de verschillende lieden zijne fijne, magere hand; sommigen kussen zijne knieën. — Ik ga hem ook goeden dag zeggen; hij geeft mij ook een hand, doch verraadt in zijnen blik eenige schrik of verwondering. Hij geeft geheel den indrnk van een bedorven kind, en men heeft medelijden met het ventje, dat, door het decorum, belet wordt om , evenals andere kinderen, te loopen of te spelen. Loopen kan hij zelfs nauwelijks; hij wordt haast altijd gedragen.

-ocr page 133-

HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL. 125

Als iedereen hem zijne hulde betuigd heeft en hij bespeurt dat er niemand meer komt, gaat hij stilletjes de trap van het raadhuis op, om daar wat uit te rusten. — Het valt mij op, dat alleen de Kedjoeroean, de heer des huizes, niet naar hem toe is gegaan en, als onverschillig toeschouwer, op enkele passen afstand is blijven staan. Dat is de eisch der étiquette!

Na de begroetingen neemt een der lieden van Toekoe Loöng deftig het woord; den ouden krijgsman, die het kind gedragen heeft, wordt het welkom toegeroepen, en voorts medegedeeld dat hij het huis als het zijne gelieve te beschouwen. De geleider van Radja Machmoed geeft met een enkel woord bescheid; de beide redenaars blijven elkander intusschen met hunne handen begroeten. — De nieuw aangekomenen gaan daarop naar binnen.

Toekoe Loöng haast zich geenszins om hen te volgen , en laat mij, achter de versterking, een groot wespennest zien. Maar, als ik Pang-Abas met mij wil inedenemen, verzoekt hij mij dezen van avond voor den dienst van Radja Machmoed af te staan.

Ter eere van dit kleine ventje werden, gedurende de begroetingen, drie kanonschoten gelost, die de buurt deden dreunen, maar hem niet uit zijne vreesachtige en schroomvallige onbewegelijkheid konden opwekken.

Dinsdag, 28 December. Ik had juist een blikje saucijs opengemaakt, toen Toekoe Loöng bij mij kwam met zijne geheele rijsttafel en zes soorten gebak. Daar zijn godsdienstig geloof hem liet gebruik van saucijs verbiedt, laat ik deze spoedig ter zijde zetten; van al de voorschriften van den Islam is hot verbod, om varkens vleesch te eten, wel het laatste dat de Atjehers overtreden. Zij hebben van het zwijn een diepen afkeer.

-ocr page 134-

126 HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL.

Toekoe Loöng deelt mij mede dat alle kamponghoofden het contract uitmuntend vinden; alle verlangen naar onze vestiging alhier. Hij voegt er een aantal beleefdheden bij: alle mannen mogen mij gaarne lijden, en de vrouwen vinden mij ook goed. Nu, het is in alle landen raadzaam, de vrouwen op zijne hand te hebben. — De twintig inlanders, die hier en daar een stukje grond hebben bewerkt, zijn ook komen aanzetten en hebben zich, na bespreking met den Kedjoeroean, bereid verklaard in onzen dienst te komen. Alles gaat dus best.

Heden avond wajang, een groot schouwspel. Eiken dag wat nieuws!

Ik had al dikwijls in de versterking een klein, goed gekleed , aardig jongetje gezien , met ringen van (valsch) goud aan de voeten, gelijk Radja Machmoed zelf; men had mij verteld dat dit de wajangspeler van de plaats was, de acteur , het kind dat voor het tooneel was opgeleid , — en ik had het verlangen te kennen gegeven om bij gelegenheid de vertooning bij te wonen. Pang-lima Abas waarschuwde mij van morgen dat er heden avond te mijner eere wajang zou zijn, en wel binnen de versterking, om mij de aanschouwing gemakkelijk te maken.

Inderdaad werd, tegen vijf uur, een groot zeil op zijde van de balé-halé gespannen. De balé-balé is eene lage open loods, die zich op het erf van elk voornaam huis bevindt; dat is de wacht-, en soms ook de receptiekamer. Een vreemdeling gaat in die loods op de mat zitten, kauwt er zijne sirih en praat met de andere gasten, totdat de heer des huizes hem laat roepen of zich bij hem vervoegt. — Het zeil, thans naast de balé-balé gespannen, vormt een afdak ten behoeve van het tooneel , terwijl de loods-zelve als \'t ware de loge

-ocr page 135-

HET CONTRACT. —• VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL. 127

der toeschouwers is. Hier is eene lamp opgehangen, terwijl twee andere de spelers bijlichten.

Met den Kedjoeroean ben ik nog aan het middagmaal bezig, als het gezang ons den aanvang der wajang aankondigt en mij de lust bekruipt om wat spoedig op te staan. Terzelfder tijd komt men den vorst waarschuwen dat Toekoe Imam Kroeng Kala, een zijner districtshoofden, hem wenscht te spreken. Maar de Kedjoeroean haast zich evenmin voor dien Toekoe als voor de wajang — hetgeen ik bij nadere kennismaking met deze wel begrijp — en blijft nog langen tijd met mij praten. Eindelijk staat hij op en ga ik naar het tooneel kijken.

Panglima Abas laat een stoel brengen en doet al de aanwezige toeschouwers verschikken, opdat niemand mij zal hinderen; doch ik wil nog niet gaan zitten, omdat ik meen op den Kedjoeroean te moeten wachten, en, eene sigaar rookende, ga ik een oogenblik aan het uiteinde van de tent staan. Onmiddelijk worden de stoelen — men heeft er intusschen ook een voor den vorst gebracht — mij achterna gedragen, en Pang-Abas laat de aanwezigen nogmaals opstaan om mij een goed gezicht op het tooneel te verzekeren. Hij is blijkbaar de bestuurder , de directeur van den troep, die uitsluitend uit zijne volgelingen samengesteld is; in die hoedanigheid gaat hij bij mij zitten. Hij deelt mij mede, dat Toekoe Loöng waarschijnlijk voorloopig nog wel niet komen zal, daar hij nog eenige zaken te regelen heeft; trouwens, de vertooning duurt nog lang genoeg: den geheelen nacht, tot het aanbreken van den dag!

Op dit oogenblik is een wajangspeler, — niet die welken ik gezien had , maar een andere, nog jongere, zoodat men er twee rijk schijnt te zijn — reeds druk bezig. Tien opgeschoten jongens staan op eene rij tegenover hem. De kleine deugniet, die nauwelijks zes

-ocr page 136-

128 HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL.

jaar oud zal zijn, begint enkele woorden van een liedje te zingen, en al de anderen antwoorden hem in koor. Zij dansen daarbij op de gewone inlandsche wijze: de beenen blijven onbewegelijk, terwijl zij het bovenlijf in allerlei bochten wringen. Het kind gaat met kleine pasjes voor hen uit, speelt met een waaier, buigt zich van rechts naar links, van voren naar achteren, — alles even langzaam en eentonig. In eene zijner handen heeft hij, zooals gezegd, een waaier; met de andere maakt hij allerhande gebaren. Zijne medespelers doen al die grimassen getrouwelijk na, en intusschen gaat het gezang maar onophoudelijk door; beurtelings hoort men de kleine solo van den knaap en het koor, dat telkens op slepende wijze invalt, met eene eenvoudige, voor den dans zeer geschikte wijs, die altijd door herhaald wordt.....

Na dezen moet de tweede wajangspeler binnenkomen.

Doch men begrijpt, dat, bij eene voorstelling van tien ,of twaalf uur, de bedrijven lang duren. Het eerste is nu al reeds meer dan een uur aan den gang, en schijnt vooreerst nog niet uit te zijn; het publiek verveelt zich echter volstrekt niet. — Op mijne vraag aan den Panglima, waarom de beste lamp niet op het tooneel maar in de balé-balé hangt, laat deze de olie in de tooneellam-pen — kronen en voetlichten tegelijkertijd — bijvullen; een oogenblik is het tooneel daardoor in het duister gehuld, maar de vertooning gaat onafgebroken door. Inmiddels geven mijne oogen mij het antwoord op de gedane vraag: de balé-balé is, als eene gereserveerde plaats in de komedie, bezet door Radja Machmoed, en ter eere van dezen is zij zoo goed verlicht.

Pang-Abas vreest, dat de afwezigheid van den Kedjoe-roean mij te lang duurt, en vraagt of ik van de voorstelling nog niet genoeg heb.

-ocr page 137-

HET CONTRACT. - VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL. 129

— Ik vind ze zeer aardig, Panglima; maar komt er nooit een eind aan?

— Misschien over een paar uren! Maar ik zal nu eens een wajang door mannen laten spelen, dat zal U misschien nog beter bevallen.

Op zijn bevel houdt de voorstelling plotseling op; de kleine jongen loopt springende weg, de rij dansers verdwijnt, en daar komen veertien jonge mannen ten too-neele. Men legt matten over den vloer, en de nieuwe acteurs zetten zich daarop, in twee rijen tegenover elkander, neder.

— Het is precies een gevecht, merkt de Panglima op.

Inderdaad wordt thans een wedstrijd geopend tus-

schen de beide partijen: een wedstrijd in kunst, muziek en dans. Wat de laatste betreft, deze geschiedt weder op dezelfde wijze als ik straks reeds mededeelde, en dus juist anders als in Europa, waar het meer in \'t bijzonder op de beenen aankomt.

Ik bespeur, dat er thans onder het publiek een koor aanwezig is dat de spelers accompagneert, ondersteunt en opwekt, en eenigszins de rol vervult van orkest. Een is er, die telkens de maat aangeeft van het gezang, dat de voorstelling uren lang begeleiden zal, en onbegrijpelijk eentonig is: twee muzikale volzinnen, bestaande uit een slepend preludium met goed uitkomende maat, en enkele levendige, vlug gezongen noten die daarop volgen. Deze volzinnen worden altijd door herhaald en maken iemand van lieverlede duizelig of slaperig. Het gezang doet mij denken aan dat der maleische zeelieden als zij een anker opwinden, of aan dat der inland-sche werklieden die met vereende krachten een zwaar werk moeten doen, zooals palen inheien of boomstammen slepen.

Aanvankelijk zingt men zeer zacht en langzaam, en

9

-ocr page 138-

130 HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL.

de beide rijen spelers, die beurtelings den toon aangeven, beantwoorden elkander, buigen bedaard, groeten , enz.; alle lieden van dezelfde rij doen steeds precies hetzelfde. Langzamerhand wordt het tempo wat sneller, het spel levendiger; de armen bewegen zich meer, de handen klappen tegen elkaar en slaan op de mat, de partijen schijnen elkander uit te dagen. Nadat dit weder eenigen tijd geduurd heeft, komen er sarongs of hoofddoeken te voorschijn; deze gaan van de eene hand naaide andere, worden door de lieden van eene rij voor zich gelegd en met eene vlugge beweging teruggetrokken , alsof men de tegenpartij tart om ze te pakken. Dit spel eischt veel oefening en lenigheid. — Eindelijk wordt het gezang, en daarmede de spelers, hoe langer hoe doller; men laat de lange zwarte haren om het gezicht slingeren, slaat ze zoo hard mogelijk op den grond, en het is een leven dat ons hooren en zien vergaat. De acteurs stellen zich als volslagen krankzinnigen aan, en dat duurt zoo lang, dat men vragen moet waar zij de kracht vandaan halen om aldus te schreeuwen, te spartelen en zich in allerlei bochten te wringen, met zulke forsche bewegingen, zulke flinke stooten, dat eene enkele ons reeds hoofdpijn bezorgen zou.

Ongelukkig worden mijne oogleden erg zwaar, en hoeveel moeite ik ook doe om wakker te blijven en nog een bedrijf bij te wonen, het gelukt mij niet. De Panglima tracht mij te vergeefs te helpen. Hij legt mij uit, dat de toeschouwers, wanneer zij tevreden zijn, Menang! en in het tegengestelde geval Talo! roepen.

Een onder het publiek kan niet nalaten, van zijn recht tot critiek gebruik te maken. Hij is opgestaan om beter talo te kunnen schreeuwen, en hij ondersteunt zijne meening met krachtige opmerkingen:

— Zijn me dat nu wajangspelers? Wie heeft er nog

-ocr page 139-

HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL. 131

ooit zulk knoeien gezien! Gaat toch naar school !

En verdere loftuitingen van dezelfde soort.

Naar het schijnt, heeft eene der beide partijen een zwak oogenblik gehad. De andere speelt zeer goed en wordt nu en dan met een vriendelijk woordje van den Panglima aangemoedigd.

Ik begeef mij eindelijk naar mijne kamer, en neem den Panglima mede om hem een paar flesschen limonade ter hand te stellen ten behoeve der acteurs, die wel reeds behoefte aan eenige verfrissching moeten hebben, en aan wie deze vooral goed zal smaken wanneer zij nog een uur of wat op de aangevangen wijze zullen hebben voortgegaan.

Onderweg loop ik even de balé-balé binnen om Radja Machmoed goeden nacht te wenschen. Dit is echter niet noodig, want de knaap ligt, zoo lang als hij is, midden op de mat en slaapt als een roos. Zijne omgeving blijft hem bewaken.

Ik hooi-, te bed liggende, nog steeds hetzelfde lawaai, maar heb te veel slaap om mij er veel aan te storen. Weldra geniet ik een gelijksoortig genoegen als Radja Machmoed; en als ik \'s morgens wakker word, treffen nog de laatste tonen van den wajang mijne ooren. En de meeste toeschouwers zijn daar tot aan het eind toe gebleven! De spelers zouden zeker onteerd zijn, indien de wajang vroeger dan gewoonlijk geëindigd was.

Ik begrijp thans, dat Toekoe Loöng zich niet gehaast heeft om de vertooning bij te wonen: hij heeft er genoeg van. Het schouwspel schijnt echter bij het publiek zeer veel bijval te hebben gevonden.

9*

-ocr page 140-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

firoote vischvangst. — Chineesche mijnwerkers.

Een waar geloovige. — Gemeenschappelijke afstamming der Fransehen en Arabieren. — Bij de Chineezen. — Een mislukt feestmaal. —• Eene suikerfabriek. — De vischvangst. — Mijne groote dapperheid. — Bespiegelingen over kleeding. — Begrippen van welvoegelijkheid. -— De weg naar de goudmijn. — Een Chi-neesch huis. — Altaar en offerhande. — Er is maar één God! — . Een slachtoffer van den tijger. —

Woensdag, 2d December. Wij zouden ons heden naaide goudmijnen begeven, welke door de Chineezen ontgonnen worden. Ik ben er al vroegtijdig op uitgegaan, maar ben, met mijne bedienden, reeds ten negen uur in de versterking terug om den Kedjoeroean af te halen. Deze heeft evenwel nog het een en ander te doen, en in afwachting dat hij gereed is ga ik naar de balé-balé, waar reeds eenige inlanders samen zijn.

Te midden van deze zit de Arabier, van wien ik reeds vroeger melding maakte. Hij geeft mij den indruk van een slimmen klant. Hij behoort, volgens zijn zeggen, tot de ware geloovigen, omdat hij van Mekka afkomstig is. Hij zou wel naar zijn land willen terugkeeren om daar zijne schatten vandaan te halen, maar ik meen begrepen te hebben dat hij wel gaarne, in afwachting daarvan, wat geld van Toekoe Loöng zou willen

-ocr page 141-

GROOTE VISCHVANGST. - CHINEESCHE MIJNWEBKERS. 133

hebben om de reis te kunnen betalen. Hij vleit den vorst althans bovenmate en doet alles om dezen voor zijne belangen te winnen.

Daar deze mij zeer genegen schijnt, is hij het natuurlijk ook; heden beweert hij, in mijne tegenwoordigheid, dat. de Franschen en Arabieren tot hetzelfde ras behoo-ren, en hij geeft aan de aanwezigen eene uitvoerige verklaring van onze gemeenschappelijke afstamming. Nu, in de oogen der Atjchers kan mij dat zeker geen kwaad doen.

Ten elf uur stappen wij eindelijk op, en het eerst houden wij stil bij eene Ghineesche woning, aan den voet van den berg. De Ghineezen hebben hier ook een feestmaal aangericht, waarbij Toekoe Loöng genoodigd is. Ze hebben ditmaal geen rund geofferd, maar eene geit, waarvan mij een heerlijke bout aangeboden wordt. Ongelukkig vraagt Toekoe Loöng, vóór den aanvang van het feest, naar de manier waarop de geit om het leven gebracht is.

— Wie heeft de geit geslacht?

— Wel, wij, zeggen de Ghineezen.

— En hoe hebt gij dat gedaan?

— Juist zooals de Hollanders het ook doen!

— Het spijt mij, dan kan ik er niet van eten.

Groote schrik bij de Ghineezen! Niemand van het gevolg van den vorst zal zich nu aan het beestje wagen; en ik ben, behalve de gastheeren zeiven, de eenige die hunne tafel in dat opzicht eer zal aandoen. De gelegenheid om geitenvleesch te eten doet zich hier niet dikwijls voor!

— Wanneer gij wilt dat ik aan uwe tafel vleesch zal eten, laat het dier dan slachten door een Mahomme-daan, vervolgt de Kedjoeroean; niet door den eerste den beste, maar door een fatsoenlijk man, weet ge, b. v. door het naburig kamponghoofd.

-ocr page 142-

134 GROOTE VISCHVANGST. — CHINEESGHE MIJNWERKERS.

Daar een onzer lieden ons in den steek gelaten heeft, kunnen wij heden niet verder, en\' onze tocht valt in het water, even als het feestmaal der arme Chineezen.

Bij den terugtocht bezoek ik de, hoogst eenvoudig ingerichte, „suikerfabriekquot; van Loöng. Twee zware houten rollen zijn overeind, de eene tegen de andere, geplaatst en draaien tegen elkander in; aldus persen zij het suikerriet uit dat men er tusschen steekt. Het sap loopt, naar beneden, in een groote bak. De rollen, met uitgesneden tanden op elkander werkende, worden in beweging gebracht door een karbouw, die om het ge-heele werktuig heen loopt. Het suikersap wordt in twee ketels gekookt, en aldus veranderd in suikerstroop. — Men zou het licht beter kunnen doen!

Donderdag, 30 December. Ik ben heden reeds vroegtijdig opgestaan, ten einde de reis naar de goudmijn der Chineezen te hervatten, en ga den Kedjoeroean halen, die beloofd heeft mede te gaan. — Wij zullen echter ook heden de mijn nog niet bereiken, want Toekoe Loöng, die gisteren nog niets heeft durven zeggen, bekent thans dat het hem onmogelijk is mij heden te vergezellen, omdat er eene groote vischvangst zal plaats hebben. Alle kampongs zenden hunne lieden om aan dit feest mede te doen.

Ik had inderdaad in de laatste dagen reeds opgemerkt , dat men aan de boomen, die de groote vischrijke watervlakte omringen, een soort van vogelverschrikkers had opgehangen, bestaande uit gevlochten klapperbladen met witte afhangende lappen. Zij worden zoo laag geplaatst , dat de voorbijgangers ze wel moeten zien, of ze willen of niet. Op mijne vraag, waartoe die dingen dienden, werd mij uitgelegd dat zij in \'t algemeen een verbod beteekenden; hier dus het verbod om in den

-ocr page 143-

GROOTE VISGHVANGST. — CHINEESCHE MIJNWERKERS. 135

plas te gaan visschen. Alle zwemmende dieren moesten voor het feest gespaard blijven.

Het spreekt wel van zelf, dat de vorst hierbij tegenwoordig dient te wezen; ik moet er mij wel in schikken en besluit dus, het bezoek der goudmijn uit te stellen en nog eenige opnemingen te doen, waarbij ik dan, in \'t voorbijgaan, het feest even kan aanschouwen.

Voor die opnemingen ga ik maar vast met mijne bedienden vooruit. Aripan draagt, als gewoonlijk, het noodige keukengereedschap om onderweg wat eten klaar te maken.

Na een paar waarnemingen nabij het vischwater komende , vind ik daar reeds eene menigte menschen verzameld. — Ik zet mij op een grooten steen neder, en weldra komt Toekoe Loöng mij daar gezelschap houden.

Een honderdtal personen , met hoofd en bovenlijf ontbloot en met de beenen in het water, zijn in de barre zon bezig om een groot net in orde te maken dat aan houten drijvers vast zit en, stroomopwaarts, het bed van de rivier geheel afsluit. Zij gaan daarna stroomafwaarts de rivier schoonmaken: mannen en kinderen duiken telkens om de visschen onder de rotsblokken te verjagen. Het is een alleraardigst, levendig tooneel, en een teekenaar zou hier rijke stof voor allerlei tafereeltjes vinden. Zoo ziet men o. a. een kind van tien of twaalf jaar, dat zich op een grooten steen heeft geplaatst; evenals alle kinderen van dien leeftijd is het geheel naakt, maar heeft een eenvoudige band om den middel, waartusschen zijn ponjaard in houten schede gestoken is.

Doch die voorbereidende maatregelen voor de visch-vangst duren verbazend lang, zoodat de maag begint te jeuken en ik last geef, het eten gereed te maken Dit kost niet veel tijd: drie steenen vormen het fornuis.

-ocr page 144-

136 GROOTE VISCHVANGST. — CHINEESCHE MIJNWERKERS.

en dood hout ligt in overvloed op den grond. De eerste visschen, die men buit maakt, worden mij aangeboden, en ik ontbijt dus met versche visch, rijst bij wijze van brood, schildpadeieren en eene groote papaja als dessert. Vervolgens verzoek ik den Kedjoeroean om een geleide voor mijne verdere verkenningen.

— O, Mijnheer, daarvoor is het reeds te laat, zegt hij. Bovendien zou ik nu niemand van deze lieden kunnen gelasten, vanhier te gaan; zij zouden zich liever laten doodslaan.

De visschen zijn intusschen in grooten getale opgejaagd , maar worden in hare vlucht door het net gestuit. Ingesloten door het net aan de eene en de rijen visschers aan de andere zijde, worden zij gemakkelijk met de hand gevangen. Wel ontsnappen er veel, in hun angst springen er zelfs over de hoofden der menschen heen, maar de vangst is overvloedig. Al de toeschouwers hebben zich achtervolgend in de rivier begeven; het wordt een algemeene strijd, waaraan zelfs de vrouwen deelnemen, en waarin ieder evenveel vermaak schept. Iedereen heeft een stuk gespleten bamboe of een stuk rottan bij zich, waaraan de gevangen visschen geregen worden; hij, wiens stok nog niet behoorlijk voorzien is, vischt met des te meer ijver. Het is een leven, dat mij hooren en zien vergaat: al de inlanders schijnen half dol. Toekoe Loöng zelf staat, in het water, de opera-tiën te besturen. Hij doet mij weder een dag verliezen, maar het is mij onmogelijk er boos om te worden; ik bepaal mij tot eene schertsende opmerking:

— Wat heeft de Toekoe het toch druk! Net een legeraanvoerder met zijne soldaten: hier een troep, daar een troep, daar de kanonnen. . .. Nu, ik groet U, ik ga verder.

— Hoe nu, Mijnheer ?

-ocr page 145-

GROOTE VISCHVANGST. — CHINEESGHE MIJNWERKERS. 137

Ik vertrek met mijne beide bedienden en met een persoon, dien ik gelast heb mede te gaan en die, ondanks den lust om te visschen, niet heeft durven weigeren. Ik hoor wel, dat men mij naloopt en mij toeschreeuwt, maar ik heb geen tijd meer te verliezen en ga voort, verder op nog een paar lieden overhalende om mij te volgen. — Aldus bereik ik, al metende, een klein huisje, waar men mij suikerriet aanbiedt en het hoofd, dat met het toezicht over de koffie-aanplantin-gen belast is, mij goeden dag zegt. Maar ik rust hier maar een oogenblik uit en zet mijn arbeid weldra voort. Zoodra deze afgeloopen is, keer ik terug naar de versterking, waar ik nog vóór den nacht aankom. Mijn gevolg blijft een eindweegs achter, mijne bedienden dragen mijne wapens. Het volk ziet mij met groote oogen aan; de inlanders zeiven loopen hier nooit alleen, de hoofden hebben altijd een geleide van volgelingen bij zich. Een inlander, wiens huis ik voorbijga, dringt er op aan om bij hem uit te rusten en mijne lieden op te wachten, maar te vergeefs.

In de versterking ontvangt Toekoe Loöng mij met den uitroep:

— Hoe durft U zoo alleen te gaan! Mijnheer is wel dapper!

Het is wel goed. dat zij dat van de Europeanen denken.

Vrijdag, 31 December. Gisteren werkte ik mijne aan-teekeningen uit, doch mijne lamp liet mij in den steek. Dat is een van mijne beide, dagelijks terugkeerende grieven; mijn gekwetste duim en dan die lamp, die kapot is, zoodat ik hier telkens met de verlichting moet sukkelen. Op den tast ging ik een eindje kaars zoeken, maar ik kon het niet vinden, en toen ik mij onderweg

-ocr page 146-

138 GKOOTE VI3GHVANGST. — CHINEESCHE MIJNWERKERS.

aan mijn bed stootte, begreep ik dat het het beste was, mij daarop maar dadelijk neer te vleien. Van morgen bij het aanbreken van den dag wakker wordende, moest ik mij nog nitkleeden voordat ik een bad nemen kon.

Dat gebeurt hier wel meer; daar men toch altijd zeer luchtig gekleed is, valt men \'s avonds in slaap zooals men is, en ontkleedt men zich bij het opstaan. In „het land der barrevoetersquot; zijn de quaesties van kleeding , in Europa van zooveel gewicht, van slechts weinig beteekenis. Ik zou den lezer misschien ergeren en zijne vooroordeelen aantasten indien ik dienaangaande in vele bijzonderheden trad. — Waar zijn hier boordjes en manchetten? Wie heeft hier ooit gehoord van gestreken linnengoed?

De Atjehers kennen slechts twee kleedingstukken : een voor het benedenlijf, een wijden pantalon, zoowel voor mannen als vrouwen, en een baadje, dat alleen door mannen gedragen wordt. De rest bestaat uit losse doeken : de sirihdoek, de hoofddoek, en dan de sarong, die soms zeer breed is en bij wijze van rok laag afhangt. Eigenlijk linnengoed, zooals de Europeanen hebben, bestaat niet. Waarvoor ook ? Pantalon, baadje, sarong bestaan uit dun katoen, linnen of zijde, meestal, vooral voor de vrouwen, van donkere kleur. De vrouwen bedekken het bovenlijf slechts met een doek, die boezem en rug zeer welvoegelijk bedekt.

Het gevoel van betamelijkheid is ongetwijfeld onder het volk goed ontwikkeld; maar wanneer men eene vergelijking maakt met de regelen dienaangaande in Europa en in Indië, dan valt het wel op, hoezeer die regelen in vele opzichten slechts van opvatting of mode afhangen. Maar men is bij de Oostersche volkeren zeker in zooverre vooruit, dat men eenvoudiger en natuurlijker is.

Menige kleederdracht, die in Europa groote ergernis zou opwekken, wordt in Atjeh zeer passend geacht. —

-ocr page 147-

GEOOTE TISCHVAXGST. — CH1XEESCHE MIJNWERKERS. 129

Ik had mijn linnen vest vergeten, toen ik de benoeming der hoofden en het feestmaal te Paroi bijwoonde, en meende dus, bij wijze van verontschuldiging, iets over mijne minder nette kleeding te moeten zeggen; maar ik geloof dat Toekoe Loöng daarvan niets begreep, en hij vond blijkbaar dat ik zeer voldoende voor den dag kwam. Het eenvoudigste onzer kleedingstukken, waarvan men alleen een stukje ziet aan den hals en om de polsen, en waarvan de Engelsche dames den naam niet durven uitspreken, is hier geschikt voor baadje; alleen vindt men het onmatig lang; en als men er dan nog een pantalon bij aantrekt, is men al zeer passend uitgerust. — Een inlander ontdekte eens dat ik dat lange baadje onder mijn wit vest, en over dit vest nog een licht katoenen jasje droeg; de man stond verbaasd, en begreep niet waarom één man het bovenlijf met drie kleedingstukken bedekken moest. Dat is voldoende voor drie personen, beweerde hij , en hij vroeg mij derhalve, hem er althans een van te geven. — Een ander merkte op, bij gelegenheid dat ik mijne schoenen vastmaakte, dat ik onder mijn pantalon nog iets dergelijks droeg, en meende dat ik we! met hem kon deelen. Het is ook eigenlijk waar; waarom trekt men meer kleeren aan, als één stuk genoeg is ? Dat is immers geheel noodelooze luxe, — en wel eene, waarmede men, in een warm land, zich-zelven erg plaagt!

Heden zijn we dan eindelijk naar de goudmijnen getogen. Doch welk een weg moeten wij volgen om dat doel te bereiken! Onophoudelijk zijn er rotsblokken te beklimmen; van den eenen steen springen we op den anderen. Nu en dan zijn er bergkloven, die overbrugd zijn met twee dunne, naast elkander liggende rondhouten , welke , vaak glad en glibberig, ook nog soms onder eene vrij steile helling staan. De rottanbanden,

-ocr page 148-

140 GROOTE VISCHVANGST. — CHINEESCHE MIJNWERKERS.

waarmede de boomstammen verbonden zijn, en die vrij ver van elkaar af liggen, zijn de eenige steunpunten voor den voet. — Ik ga hier over met de voorzichtigheid van den olifant, geen stap doende voordat ik zeker ben van mijne zaak. Maar de Chineezen en Atjehers die ons vergezelden, minstens een man of twaalf, waren alle belast en beladen. Hoe die lui den weg zonder ongelukken aflegden, is mij haast onbegrijpelijk!

Eindelijk komen wij dan aan den voet van een heuvel bij de woning der Chineezen aan, waarheen Toekoe Loöng gekookte rijst, in vlechtwerk van pisangbladeren verpakt, gezonden heeft.

Het huis ziet er goed uit; wel armoedig, maar netjes onderhouden en door een flinken groentetuin omringd. Men komt eerst in een ruim vertrek, en vindt tegenover den ingang een altaar. Evenals in elke Ghineesche woning is dit altaar voorzien van eene afbeelding — elders ook van een beeld — van den beschermgeest van het huisgezin en van het beroep, door de bewoners uitgeoefend. Voor het afbeeldsel staat, op een met rood katoen bedekt tafeltje, een porseleinen offerpot die met asch gevuld is; hierin worden de geofferde reukstokjes gestoken. Een andere offerpot, van brons vervaardigd, dient als komfoor; hierin worden gloeiende kolen geplaatst, waarop men welriekende hout- of harssoorten brandt. Ter weerszijde van den beschermgeest staat op het altaar eene groote, min of meer versierde roode kaars; voorts vazen met kunstbloemen en schotels met nagemaakte vruchten.

Uit dit vertrek komt men in twee slaapkamers, welke elk vier of vijf slaapsteden bevatten; deze britsen zijn van bamboe-latten vervaardigd en worden door blauwe of witte gordijnen omgeven. Achteraan is de keuken , die op den groentetuin uitkomt. Boven elke ka-

-ocr page 149-

GROOTE VJSGHVANGST. — GHINEESCHK MIJNWERKERS. 141

merdeur, in de groote kamer, aan weerszijden van het altaar, ziet men een Ghineesch opschrift op rood papier met gouden letters.

Bij feestelijke gelegenheden bestaan de offers der Chi-neezen uit maaltijden van plantaardige en dierlijke spijzen (de eerste altijd gekookt) en uit drank; met die offers bedoelen zij niet, bovennatuurlijke wezens gunstig voor zich te stemmen, maar alleen, deze hulde en dankbaarheid te bewijzen.

Toen onze Chinees ons alles had uitgelegd, zeide hij, op het beeld van zijnen beschermgeest wijzende:

— Die is zeer groot, hij is in den Hemel, bij God!

— Wat! roept de Kedjoeroean — die de woorden van den Chinees niet goed begrijpt — uit, zich tot mij wendende: Hij zegt dat hij even groot is als God!

Ik breng hem tot bedaren door het misverstand op te helderen.

— O, dan is het wat anders. Maar zeg nooit dat er iemand is die zoo groot is als God; dan zou ik mij werkelijk boos maken.

— Er is maar één God! herneemt hij nog met volle kracht.

Van avond wacht mij nog een kostelijke maaltijd: twee verbazend groote visschen en een gebraden vogel. Om op mijn gemak zorg te dragen dat mijne koks die lekkernijen behoorlijk klaar maken, laat ik mijne stoel op het gras voor de deur zetten.

Hier verneem ik weldra een treurig nieuws, dat evenwel de menschen niet meer dan elk ander dage-lijksch voorval schijnt te treffen: heden morgen ten tien uur is er iemand door een tijger verscheurd, vlak bij het huisje waar ik gisteren nog gerust heb. Het is hier dan toch niet zoo veilig als ik mij voorgesteld had.. ..

-ocr page 150-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Tijgers. — Atjehsche zeden.

De nieuwjaarsdag. — Doerian. - Tijgergeschiedenissen. — Voorbereidselen voor den tijgerjacht. — Hoe Pang-Abas booze geesten heeft ontmoet. — Aripan knorrig- — De Atjehers spreken hun naam zelf niet uit. — De Menseheneter. — Hoeveel slachtoffers een tijger maakt. — Bezwaren, bij de opnemingen ondervonden. — Klapperwater. — In eene Atjehsche kampong. — Een schitterend maal voor weinig geld. — Agio. — Atjehsche processen: een man die zijn dochter uithuwt zonder vergunning.— Eene echtscheiding.

Zaterdag, / Januari 1881. Het is heden nieuwjaarsdag. In Europa mag het een vervelende dag wezen, — het is toch ook niet aangenaam, als er niemand in onze geheele omgeving is die ons „veel geluk in \'t nieuwe jaarquot; wenscht. Meer dan ooit voel ik mij heden verlaten, en met een gevoel van heimwee denk ik aan allen die ik achterliet....

Nadat ik den ganschen dag heh zitten schrijven en rekenen, ben ik van avond onthaald op eene vrucht, die hier zeldzaam voorkomt maar zeer geliefkoosd is: een doerian, een groote, stekelachtige noot, die een alleronaangenaamste geur verspreidt, maar voor hem,

-ocr page 151-

— ATJEHSCHE ZEDEN.

143

TIJGEliS.

die zich daar overheen weet te zetten, eene ware lekkernij is.

Toekoe Loöng deelt mij mede, dat men den „Men-scheneterquot; heden meent gezien te hebben bij eene dei-in de nabijheid gelegen kampongs. Naar aanleiding daarvan vertelt hij mij schrikwekkende tijgergeschiedenissen, waarin hij, zonder zulks zelf te bevroeden, eene heldhaftige rol heeft gespeeld.

Eenige jaren geleden had zich een Menscheneter in de buurt gevestigd. De Kedjoeroean verzamelde vijf honderd menschen om hem in te sluiten; er waren toen nog geen geweren in het land bekend, maar alle waren gewapend met lansen en klewangs. Terwijl het volk de plaats omringde waar men den tijger had gezien, ging de vorst zelf op verkenning uit, vergezeld door een bijzonder dapper mensch, die als een „tijgerdooderquot; bekend stond. Plotseling bemerkten de vorst en zijn makker, dat de tijger vlak voor hen was; hij sliep in het hooge gras. Zij gingen zoo snel mogelijk eenige menschen waarschuwen, en kwamen terug met rottan-touwen, waarin strikken waren gemaakt om het beest te vangen. Weldra slaagde men er in, den tijger een strik om den kop te werpen, maar hij wist zich weer daaruit te werken en ging voort. Eene tweede maal werd de tijger weder in den strik gevangen, doch toen een der jagers hern een werpspies toewierp, sprong het beest plotseling naar den man en greep hem bij het been. Een ander jager kwam te hulp, en pakte het dier bij zijn staart met de linkerhand, terwijl hij het, met de rechterhand, kle-wanghouwen toebracht. Eerst bij den vijfden slag, toen de ruggegraat gebroken was, liet de tijger los; een oo-genblik daarna was hij dood.

In een ander soortgelijk geval, toen slechts honderd personen aan de jacht deelnamen, was het Toekoe

-ocr page 152-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

Loöng, die zijn werpspies naar den tijger wierp. Het wapen drong diep door, doch het dier slaagde er in het met zijne tanden weder uit te trekken; het stond op om een zijner aanvallers te bespringen, doch werd tijdig met een twintigtal lansen doodgestoken.

— Aldus bevond de Toekoe zich vlak tegenover een tijger ?

— O, Mijnheer. dat, is mij meer dan honderdmalen in het bosch gebeurd, antwoordt hij eenvoudig; maar ik durf hem toch niet aan te tasten wanneer er niet veel lieden bij mij zijn. En toch zijn de lui van Loöng-bekend als de dapperste bestrijders van tijgers.

Ik geloof het gaarne; wie, behalve de Atjehers, zou het durven bestaan, aldus de tijgers met de blanke wapens aan te vallen!

Zondag, 2 Januari. Weder komt er bericht, dat een man door een tijger verscheurd is, thans dicht bij eene plaats aan de rivier, waar ik een paar malen gerust heb.

—■ Het gaat niet langer zoo, zegt de vorst, ik zal er naar toe moeten gaan. Ik zal mijn geweer halen.

— Ik ga mee, zeg ik.

En Maïman, een sterke snaak, roept mij dadelijk uit de galerij, waar hij zich bevindt, toe:

— Het gaat niet aan, dat Mijnheer op de jacht gaat zonder mij. Ik wil mee. Ik zal wel den revolver nemen.

— Wij zullen eens zien, antwoord ik. Geef mij mijn zak maar eens aan. Kunt gij met eene lans terecht ?

— Niet al te best, Mijnheer. Ik had den revolver liever.

In een paar minuten ben ik klaar. Met de meeste zorg zoek ik zes patronen uit, die gemakkelijk in den loop van mijn geweer, en ook even gemakkelijk er we-

144

-ocr page 153-

— ATJEHSGHE ZEDEN.

145

TIJGERS.

der uit gaan; het kan gebeuren dat men geen tijd heeft om met het wapen te scharrelen „in de ure des gevaarsquot;. Hetzelfde doe ik met den revolver, waarop vijftien patronen gepast en weder uitgenomen worden. Die kleine voorzorgsmaatregelen blijken mij evenwel ditmaal minder noodig, want mijne wapens zijn van eene uitmuntende fabriek, en hunne soliditeit en juistheid laten niets te wenschen over.

— Amat! roept de Toekoe, ga den Panglima waarschuwen.

Maar Amat komt weldra met eene slechte boodschap terug:

— De Panglima ligt met de koorts.

Hij is half dood van ons uitstapje naar de goudmii-nen teruggekeerd. De groote uitgraving in het gebergte heeft zijne nieuwsgierigheid opgewekt; een Chinees heeft hem voorgesteld de mijn te bezoeken, en is er met zijne lantaren in afgedaald om haar te laten zien. Pang-Abas is, na eenige aarzeling, aan het touw gaan hangen en heeft zich toen mede laten afzakken. — Doch den volgenden ochtend is hij mij met den meesten ernst komen vertellen :

— O , ik heb verkeerd gedaan om in dat donkere gat neder te dalen; er zijn booze geesten!

— Ja, antwoord ik, zeker zijn er booze geesten, en hun naam is Vocht en Koude. De Panglima had het warm, toen heeft hij koude gevat in de mijnput, en nu heeft hij de koorts.

— O, Mijnheer, ik ben den geheelen nacht zoo akelig geweest.

Ik heb hem wat chinine gegeven, maar blijkbaar niet genoeg, want dezen nacht, zegt hij, is hij weder krankzinnig geweest van de hoofdpijn; hij had wel iedereen willen vermoorden.

10

-ocr page 154-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

Ik zend hem een nieuwen voorraad koortspillen met Aripan, zijn besten vriend, — ten einde aldus twee personen te gelijk te genezen, want Aripan is „ziek aan zijn hartquot;, dat wil zeggen dat hij verdrietig gestemd is. Hij had mij driftig gemaakt, zoodat ik hem eindelijk mijn waschwater naar het hoofd had gegooid, en nu had hij het land; hij liep rond met het gezicht van iemand die zijn laatste oortje versnoept heeft. Maar zoodra ik hem met de boodschap voor Pang-Abas belast , begrijpt hij dat mijn booze bui overgewaaid is, en is hij ook weder tevreden; opgeruimd en wel begeeft hij zich op weg.

Dat hij in het gegeven geval wat knorrig was, laat zich begrijpen; het was ook niet goed van mij, dat ik mij door drift liet vervoeren. Maar een mensch is toch niet van ijzer of steen. . . .

Men kan echter de inlanders hier ook op andere wijze boos maken, zonder daartoe de bedoeling te hebben. Zoo — en dat heb ik nooit goed begrepen — kunnen de Atjehers niet best verdragen dat men hen naar hun naam vraagt.

Niet, dat die naam zelf een geheim is; indien men er naar vraagt, zal een ander persoon, geroepen of ongeroepen, tusschen beide komen om de vraag te beantwoorden ; maar het schijnt, volgens de gewoonte in Atjeh, hoogst onwelvoegelijk te zijn dat iemand zijn eigen naam uitspreekt.

Indien er niemand in de buurt is die te hulp kan komen, leidt de vraag tot een gesprek van de volgende soort, waarmede men niets wijzer wordt:

— Hoe heet gij?

— Wat bedoelt Mijnheer?

— Hoe uw naam is.

— Van mij?

146

-ocr page 155-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

— Ja , van u.

— Hoe mijn naam is?

— Ja, hoe uw naam is.

Hij lacht. Gij wordt ongeduldig. En dan draait hij U den rug toe, of verklaart dat hij \'t niet weet, of dat hij \'t niet zeggen kan. . . .

Zelfs zeide Maïman mij eens op een dag, toen ik hem dwong om zijn hardnekkig stilzwijgen, dat mij hinderde , op te helderen :

—■ Maar Mijnheer, indien iemand anders dan U mij zoo iets gevraagd had, had ik hem in zijn gezicht gevlogen. . . .

Ik had hem gevraagd hoe zijne moeder heette; iets, wat mij toch eigenlijk geheel onverschillig was, daar ik immers het goede mensch nooit van mijn leven had gezien! Zijn stilzwijgen wekte mijne nieuwsgierigheid op, en ik had nu toch een belangrijk antwoord gekregen. — Maar aan hoeveel misverstand, aan hoeveel gevaar zelfs staat men bloot te midden van eene bevolking , waarvan ons de gewoonten en denkbeelden geheel vreemd zijn!

Ik spreek, helaas! niet meer van de tijgerjacht.

Toen ik een kwartiertje had zitten wachten, liet de Toekoe mij weten dat het bericht omtrent den tijger twijfelachtig was en dat hij de juistheid er van ging onderzoeken.

Een zijner schoonvaders, een oude praatjesmaker, had het nieuwtje aangebracht, maar het bleek weldra geheel uit de lucht gegrepen te zijn.

Ik had echter eenmaal de moeite gedaan, en doe nooit gaarne iets onnoodigs; ik stel daarom den Vorst voor, toch maar naar de aangewezen plaats te gaan; daar zijn koffie-aanplantingen van den vorst, die ik ook wel eens wil zien.

147

10*

-ocr page 156-

TIJGERS. - ATJEHSCHE ZEDEN.

— Wij moeten nog drie dagen wachten; dan komt de tijger daar pas. Dat is een vaste regel: als hij heden iemand in het gebergte verscheurt, is hij over drie dagen bij den koffietuin.

Uit een lang gesprek, dat ik daarna met den Kedjoe-roean voer, blijkt dat, in de oogen der bevolking, niet alle tijgers gelijk zijn: de Menscheneter is een afzonderlijk soort. Er zijn ook koningstijgers van dezelfde grootte en dezelfde kracht, waarvoor men niet erg bang is; die eten runderen, geiten en dergelijke, maar laten den mensch ongemoeid,

— Er is nu maar één Menscheneter, zegt de Vorst; die heeft in de laatste aclittien maanden een vijftig menschen opgegeten, en die eet ook niets anders.

— Maar hoe weet men dat ? Wie heeft hem gedurende eene maand, of zelfs maar gedurende eene week, gadegeslagen? Waarom zou hij zich niet met een beest behelpen als hij geen menschen krijgen kan?

— Men heeft te vergeefs getracht, Mijnheer, hem met een of ander dier te vangen.

— Heeft men dat wel beproefd ?

— Zeker, de strik wordt dan daarop ingericht.

— Maar de tijger moet toch eiken dag, of laat ons zeggen om den anderen dag eten; als hij dan geen mensch vindt?

— Dan wacht hij misschien wat langer, maar dat is zeker, dat hij niets anders eet.

— En denkt Gij dan dat een andere tijger zich niet op een mensch zou werpen als hij geen dier vond?

— Zeker wel! De Menscheneter is een gewone tijger, meest een der sterkste en stoutmoedigste. In den regel kunnen de tijgers zich genoeg dierlijk voedsel verschaffen; maar in het, gelukkig zeldzaam ge-

148

-ocr page 157-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

val dat dit niet kan, werpen zij zich op den mensch. En wanneer een tijger eenmaal inenschenbloed of men-schenvleesch geproefd heeft, lust hij niets anders meer; dan is hij een Menscheneter geworden, — en dus een hoogst gevaarlijk dier. — Dit alles is stellig waar. Mijnheer. Men heeft Menscheneters gezien met een gemakkelijk te herkennen teeken, en het waren altijd dezelfden die onze lieden verscheurden. . . .

Misschien heeft mijn zegsman gelijk. Nergens heeft men meer ondervinding omtrent, tijgers dan te Loöng , en er is waarschijnlijk geen menschenras, dat de tijgers meer van nabij durft waarnemen dan de Atjehers.

— En heeft de tegenwoordige Menscheneter reeds vijftig personen verscheurd?

— Hij heeft zestien gedood te Lepong; minstens twintig te Loöng . . .

Neem mij niet kwalijk. Heer! valt een Panglima den vorst hier eerbiedig in de rede. Meer dan twintig te Loöng. Gaat U maar na: drie te Alloei-Poeroes; twee te Kroeng Raja; vier te Soengkej, dat is al negen. Te Oemboen: Amat Ré, Ragen Doen, Monsalé, dat is nog drie. Te Roembat: Si-Oedin, Lomaham, Ibrahim. . . .

Zoo gaat de man voort met de opsomming der slachtoffers ; allen kennissen, buren, volgelingen of vrienden. Men huivert als men dat hoort; en er mocht wel wat gedaan worden om de ongelukkige bevolking van zoodanige plaag te verlossen!

Maandag, 3 Januari. Ik ben heden weder ijverig aan het opnemen geweest. Het is een lastig werk; vooreerst door den aard van het terrein: men moet rijstvelden, beken en de rivier-zelve oversteken, door boomstruiken dringen, door den modder waden. . . — En dan dooide weinige hulp der „helpersquot;; mijne twee bedienden

149

-ocr page 158-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

doen het werk, evenals trouwens eiken nieuwen arbeid die wat moeite kost, zonder eenigen lust.

Halverwege tusschen de versterking en de zee had ik hen een oogenhlik uit het oog verloren. Toen ik hen weder ontmoette, vroeg ik hoeveel maal het meetkoord uitgelegd was. Er had zich een ongeluk voorgedaan: een troep karbouwen, tusschen de beide bedienden door-loopende, had het koord medegenomen.

— Driemaal, zegt Maïman; toen is het koord gebroken.

Maar ik kan er niet achter komen, of men de laatste

maal, toen het koord brak, heeft medegeteld. Aripan zegt ja, Maïman zegt neen. We moeten dus van voren af aan beginnen, en drie honderd meters teruggaan:

— Zeg eens aan den inlander die het inslrument draagt, dat hij teruggaat naar de plaats waar het instrument straks gestaan heeft.

Die inlander, een Atjeher, verstaat geen woord Ma-leisch en Maïman moet dus tolk zijn.

— Ga daar ginds naar toe! roept Maïman.

— Maar ik zeg U om hem te doen begrijpen dat hij het instrument juist weer op dezelfde plaats moet zetten van straks. . .

— Jawel, Mijnheer. Daar naar toe! Daar naar toe!

— Maar, stommeling! „Daar naar toequot; kan ik hem zelf ook wel zeggen. Ik wilde. . . .

Het is ten eenemale onmogelijk hem aan \'t verstand te brengen wat ik wilde. En, daar Maïman zich aan den anderen rivieroever bevindt, moet ik nog wel uit al mijne macht staan schreeuwen! Wat moet men toch soms zijne ziel in lijdzaamheid bezitten. . . .

Dicht bij de zee komt er een inlander mij welwillend de hand reiken om mij te steunen bij het doorwaden van de rivier. Men doet dat hier maar zonder eenigen omslag; men stroopt de pantalon niet op, en ik trek

150

-ocr page 159-

ATJEHSCHE ZEDEN.

151

TIJGERS. -

ook mijne schoenen niet uit, want clan zou ik met bloote voeten op de scherpe steenen van de rivierbedding moeten loopen. Het water hindert niet, daar het toch altijd lauw is; en wanneer de overtocht is volbracht , droogt men onderweg wel weer op, — totdat de noodzakelijkheid zich voordoet om op nieuw te water te gaan.

Het is nu twaalf uur, en ik bespeur dat mijn ontbijt van van morgen vrij wel gezakt is. Ik doe dus mijne laatste waarnemingen, berg mijn boeltje bij elkander en neem vervolgens plaats op een grooten platten steen onder de klapperboomen. Ik vind hier een aantal inlanders verzameld, wier nieuwsgierigheid naar hetgeen ik toch eigenlijk uitvoer hen derwaarts dreef.

Ik vraag of er niet wat gekookte rijst te krijgen is.

— Als Mijnheer een beetje wachten wil, zegt Aden, die mij door den Toekoe als gids medegegeven is, dan kan Mijnheer jonge klappers krijgen. Ze zijn al bezig , die voor U te plukken.

Voor die beleefdheid ben ik zeer erkentelijk, want het klapperwater is eene heerlijke, zoete drank, ten minste wanneer de noot niet te rijp is; dan is er aan dat water een olieachtige smaak, die mij minder bevalt.Doch, met het lekkerste klapperwater vult men zijne maag slecht, en ik uit derhalve mijn verlangen om ook wat rijst, kip, eieren enz. machtig te worden.

Mijn gids brengt dien wensch bij het publiek over.

Er schijnt groote vergadering gehouden te moeten worden voordat deswege eene beslissing kan worden genomen, zoodat ik eindelijk ongeduldig word, en vraag of er niet eene kampong in de buurt is.

— Ja, Mijnheer.

— Is daar ook een kamponghoofd?

— Die is op \'t oogenblik niet thuis.

-ocr page 160-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

— Maar dan is er toch wel iemand die hem vervangt?

— Toekoe Tji Bantar is er.

— Breng mij dan daarheen.

— Zou het niet te ver wezen?

— Dat kan mij niet schelen. Zeg maar aan dezen man dat hij mij den weg wijst.

Ik sta op, op den man wijzende die mij bij het doorwaden van de rivier geholpen heeft en die nu dadelijk komt. Al mijn gevolg is reeds op den rug gaan liggen, maar krijgt last onmiddellijk mede te gaan.

Wij volgen een voetpad, dat inderdaad vrij lang blijkt te zijn; maar de weg wordt nog al verkort door het schilderachtig uitzicht. Eindelijk komen wij aan een groot, bijzonder net afgewerkt huis, waarbij verscheidene inlanders zitten; in de galerij ligt een knaap van een jaar of tien, — dat is de genoemde Toekoe Tji Bantar.

Andere kinderen zijn op het erf bezig om van klapperbladeren lange matjes te vlechten, waarop de hlim-bings — eene groene, doorschijnende vrucht — gedroogd moeten worden. Een grijsaard staat bij de put zijn sarong uit te wasschen.

Men verzoekt mij, plaats te nemen en geeft mij het matje van Toekoe Tji Bantar aan, die, naar ik geloof, er zelf op uitgaat om kokosnoten voor mij te halen.

Aan elk huis, dat wij in de kampong voorbijkwamen, vroeg mijn gids naar „vruchten van de kippenquot; (eieren). Maar daar men hier niet gewend is dergelijke zaken te verkoopen, is het eene moeielijke zaak om iets te krijgen. Ik haalde een rijksdaalder uit mijn zak, en wakkerde daarmede de toch reeds wel bestaande lust aan om mij van dienst te zijn. Maar, voor een Europeaan , die daaraan niet gewend is, zijn de lieden hier wanhopig langzaam; er wordt overlegd, geredeneerd, ge-

152

-ocr page 161-

TJJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

loopen, maar het resultaat laat zich altijd geruimen tijd wachten.

Nu men weet dat ik goed betalen zal, gaat er een twaalftal personen op uit om te fourageeren, en eindelijk komen ze dan met „het noodigequot; terug. Docli nu blijkt er weder een ander bezwaar te bestaan: men heeft geen keukengereedschap bij de hand.

— Hoe is dat mogelijk! Ieder heeft toch wel een keteltje! Hebben de lieden hier dan niets?

Ik verneem dat het huis, waar wij aangeland zijn, geen woonhuis is, maar de algemeene loods, waar vergaderingen gehouden, kinderen onderwezen en het gebed gedaan wordt.

Ik ga die loods binnen en vlei mij in een groot lokaal neder, waar ik geheel alleen ben. Ik zet Maïman op wacht, en, overtuigd dat het eten toch nog in het eerste kwartier niet klaar is, ga ik een dutje nemen, na evenwel vooraf met groot genoegen een klapper te hebben leeggedronken.

Naar het schijnt, heeft deze plaats in 1877 te lijden gehad van de expeditie, welke de Nederlandsche soldaten naar deze kust hebben gemaakt. Men vindt althans hier en daar groote granaten, afkomstig van de zeemacht, die nu als grenspalen gebruikt worden.

Nadat ik eenigen tijd heb gerust, komt Aripan mij roepen: mijn ontbijt is gereed. Op eene groote koperen schaal zijn twee schotels, waarvan een met rijst, de andere met kippensoep is gevuld. Naast de schotels staan een kommetje met zout. en eene Ghineesche vaas met drinkwater, met een napje er in. Mijn bediende heeft den disch verder versierd met een lepel van eigen fabrikaat , van een pinangblad gemaakt. Gekookte eieren en heerlijke pisangs maken het menu haast compleet; alleen ontbreekt de wijn. — De afrekening valt nog al mee.

153

-ocr page 162-

TIJGERS. - ATJEHSCHE ZEDEX.

Men moet weten, dat een rijksdaalder honderd pèn (halve stuivers) waard is, en ik krijg van mijn rijksdaalder een- en negentig pèn terug. Wij zouden dus in \'t geheel 22£ cent verteerd hebben?

— Dat is zeker eene vergissing , zeg ik aan Maïman, mijn minister van financiën.

Hij denkt dat ik niet tevreden ben met hetgeen ik ontvang, en maakt nu de volgende „notaquot;:

Een kip........15 pèn.

Vijf eieren............5 „

Eenige klappers.. 3 „

Een tros pisang.. 2 „

Tabak...........4 „

Somma.....29 pèn.

Daarvoor hebben, behalve ik zelf, de vijf lieden van mijn gevolg, een goed maal gehad en deze zelfs nog tabak ontvangen! Men had wel gelijk, toen men mij gisteren uitrekende dat een inlander hier per jaar wel twintig gulden noodig had om te leven! Nu moet ik opmerken, dat men geen ei en geen handvol tabak meer had moeten vragen, want men heeft mij alles verkocht wat er in de kampong te koop was. Zooals men ziet, heeft men geen misbruik gemaakt van de slechte verhouding • tusschen vraag en aanbod. In Europa zou men zoo\'n vreemden reiziger wel anders afgezet hebben.

— En de rijst ? Die hebt gij vergeten, Maïman!

— Rijst, Mijnheer ? Die wordt hier nooit betaald ; dat is tegen de gewoonte.

— Maar dan deugt de rekening nog niet! 29 van de 100____

— Een rijksdaalder doet hier 120 pèn, Mijnheer; er is hier weinig zilver, en de lieden betalen dit graag wat duurder.

154

-ocr page 163-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

Men ziet, ze weten hier ook al van agio.

Ik geloof dat het hier het beloofde land is voor allen, die van een klein pensioentje moeten leven, — ten minste, wanneer zij er niet tegen opzien om rijst met de vingers te eten!

Ik vraag, wie ons dit schitterend maal bezorgd heeft, en zoodra men mij den braven man gewezen heeft, draag ik Aden op, hem te bedanken. Al sprak ik Atjehsch, dan zou ik in dit geval, om niet aan den vorm te kort te doen, toch gebruik hebben gemaakt van een tusschenpersoon. —

— Maar, vraag ik, waarom heeft hij mij dan niet in zijn huis ontvangen; weet men hier niet dat ik de gast en de vriend van den Kedjoeroean ben?

—- Zeker, Mijnheer! Men heeft U juist willen ontvangen als den Toekoe zei ven.

— Nu, zeg hem maar dat ik, als ik soms weer eens hierheen ga, liever bij hem kom; dan vinden mijne bedienden dadelijk keukengerei en alles. . . .

— Goed, Mijnheer!

Ik neem thans mijne beenen weer op en zet de opmetingen tot aan het vallen van den avond voort. Het is reeds stikdonker, als ik mijne woonplaats weder bereik.

Dinsdag, 4 Januari. Heden nacht werd ik gewekt, doordien de vrij sterke wind zich toegang tot mijn slaapvertrek had weten te verschaffen: de mat, die, aan de zijde waar mijn bed staat, de kamer van de buitenlucht afsluit, was losgewaaid en diende thans om den wind juist naar mijn hoofd te leiden. De nachten zijn hier altijd nog al betrekkelijk koud — 24 of 25° G.; — en men heeft, dientengevolge wellicht, niet den minsten last van muskieten. Mijn gordijn dient, opgevouwen, als hoofdkussen.

155

-ocr page 164-

TIJGERS. — ATJEHSGHE ZEDEN,

De Toekoe kwam mij van middag vragen of ik meeging op de jacht, maar ik had nog werk en bedankte dus.

Van avond, juist terwijl ik bezig was een gedeelte van het door hem geschoten wild te verorberen, kwam hij mij halen om mij tegenwoordig te doen zijn bij de betaling eener boete:

Een man had zijne dochter aan den Kedjoeroean afgestaan — voor de huishouding waarschijnlijk —; maar gedurende de afwezigheid van den vorst en zonder diens goedkeuring te vragen, had hij zich veroorloofd haar uit te huwelijken. — Drie honderd rijksdaalders boete! om hem de beleefdheid te leeren die men, ten opzichte van den eersten persoon des lands, nooit uit het oog mag verliezen.

„ Vergiffenis!quot; Net als de vorige maal; de schuldige komt zich stilzwijgend aan onze voeten werpen, gelukkig dat hij er met de betaling der boete afkomt en daarna weder in genade aangenomen wordt. Het hoofd der kampong hield een waar pleidooi; naar het mij voorkwam , hadden de Imams hem erg gekapitteld. Tk weet niet, wat hij allemaal ter verdediging bijbracht; maar aan het eind riep hij vier malen, met eene klagende stem, om vergiffenis. — De Toekoe zelf sprak ook. De Imam van Kroeng Kala, zeker ouder dan die van Loong, leidde de debatten. Het psalmgezang werd ook door hem ingezet; hij hief de beide handen daarbij omhoog en boog het bovenlijf van links naar rechts en van rechts naar links. De Imans waren anders allen tegenwoordig; het gold nu ook eene zaak van den vorst! Voor de eerste maal zag ik ditmaal den Imam van Blang Me, de derde moekim van Loöng. — Elk der drie deelen —- de moekim Loöng, de moekim Kroeng Kala en de moekim Blang Me — waaruit het land van Loöng bestaat, heeft

156

-ocr page 165-

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN.

een hoofd, de Imam, die rechtstreeks aan den Kedjoe-roean ondergeschikt is. Het moekimhoofd is de geestelijke der missigit (moskee) in zijne afdeeling en heeft vier lagere hoofden onder zich; volgens wat de Kedjoe-roean mij mededeelde, „omdat de missigit vier zijden heeftquot;. Evenals in Groot-Atjeh, bevat elke Moekim een aantal gemeenten, die onder de bevelen van Hoeloeba-langs staan en ieder eenige kampongs tellen.

Doch, zegt de Toekoe, de Imams zijn ook mijne hoe-loebalangs; en de Kedjoeroeans-zelven, hoofden dei-kuststaten, waren de hoeloebalangs van den Sultan. Deze titel komt overeen met hetgeen men bij ons stadhouder en krijgsoverste noemt. — De gemeenten hebben geen missigit, maar zooals wij reeds gezien hebben, een gemeentehuis, dat als bedehuis en ook als school dient. Ter zijde van deze loods vindt men altijd een put, opdat de bezoekers hunne voeten kunnen reinigen voordat zij binnentreden.

De vergadering had heden avond plaats in het huis, waar de vrouwen van den vorst verblijf houden en waarvan mij de voorgalerij is afgestaan. De Toekoe kwam mij halen om mij over dien drempel te doen gaan, welke mijne bedienden alle dagen herhaalde malen overschrijden, maar die ik uit bescheidenheid steeds vermeden heb. De vrouwen waren half verscholen in donkere slaapvertrekken of achter de gordijnen. De oudste dochter van den vorst, die getrouwd is maar daar ook, met hare moeder en schoonmoeder, verblijf houdt, stond dicht bij mij achter een houten stijl, en scheen er zeer verlegen mee te zijn dat ik haar zag en aldus in hare aandachtige waarneming stoorde; zij had zich niet spoedig genoeg aan mijne blikken kunnen onttrekken, en trachtte thans op mijn gelaat te lezen wat ik van alles dacht. Wat mij het meeste opviel, was de rijkdom in

157

-ocr page 166-

TIJGERS. — ATJEHSGHE ZEDEN.

allerhande vaatwerk; ik moest mij tusschen tal van koperen schalen een weg banen, en op bamboerekken boven mijn hoofd waren de verdere voorraden opgestapeld.

Nadat Toekoe Loöng zijne drie honderd rijksdaalders had nageteld — zij werden gedeeltelijk in contanten, gedeeltelijk in stukken linnen en katoen betaald — kwam hij een glas limonade bij mij drinken. Laat in den avond kwam hij nog terug; hij had toen nog uitspraak moeten doen in eene andere quaestie: eene echtscheiding.

Iemand had een kind gehuwd, zooals hier veelvuldig voorkomt; dat zijn huwelijken voor de toekomst. Doch hij had later het land verlaten en scheen die bijzonderheid van zijn leven geheel vergeten te zijn; sedert drie Jaren had hij niets van zich laten hooren of zien en het meisje, dat intusschen vijftien jaar oud was geworden, hield meer van een anderen man, die zich wat meer met haar bemoeide. — Er werd beslist dat zij dezen tot echtgenoot mocht nemen; hot eerste huwelijk werd nietig verklaard. Evenwel wordt nog een zekere tijd van beraad — ik meen van vier maanden — aan den eersten echtgenoot toegestaan, en die tijd moet worden afgewacht; is hij dan niet teruggekeerd, dan is de vrouw geheel vrij. — Zooals men ziet, komt de echtscheiding in Atjeh wel voor, doch is het voor de vrouw, ook al zijn alle omstandigheden in haar voordeel, toch niet zoo gemakkelijk om zich te ontslaan van de verplichtingen die zij eens op zich genomen, of, beter gezegd, die een ander voor haar aanvaard heeft!

158

-ocr page 167-

NEGENDE HOOFDSTUK.

Een uitstapje naar het gebergte.

Hoe men zich van dragers voorziet. — Warme kleeding tusschen de keerkringen. — Een heidebrand. — Onzichtbare tijgers. — Koffietuinen. — Een verlaten perceel met papajas. — De woning van een koffieplanter. — Een indische knijpdoctor. — Zucht naar titels, ook bij onbeschaafde volkeren. — Onze slaapkamer. — Onze toekomstige onderneming; de bevolking en de vorst. — Terug naar de versterking. — Een bad tot besluit van den dag- —

Woensdag, 5 Januari. Eindelijk gaan wij heden op weg naar Batang-Oe, eene plaats iji het gebergte, waaide Toekoe een koffietuin heeft aangelegd. Daar de Atjehers er van houden, hunne rijst te eten voordat zij den marsch aannemen, zijn zij, bij het aanbreken van den dag opstaande, pas tegen acht uur reisvaardig. Wij vertrekken dus ook heden mooi laat, en om negen uur brandt de zon met volle kracht! Doch de inlanders hebben geen last van de warmte; de zon is bun trouwe vriendin, die zij bloothoofds en blootvoets tegemoet gaan. Men moet wel voor dit klimaat vervaardigd zijn, om aldus de beide uiteinden des lichaams bloot te stellen. In vergelijking met andere tropische landstreken is het hier, zelfs voor een Europeaan, niet kwaad; de thermometer stijgt hoogstens tot 34° G. en daalt des

-ocr page 168-

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

nachts niet onder de 21°; maar dat neemt niet weg, dat de zon hier soms rijkelijk heet kan zijn. Ik herinner mij nog, dat ik het eens tegen den middag gewaagd heb, blootvoets naar het bad te gaan; maar de stee-nen, waarover ik loopen moest, waren toch zoo gloeiend, dat de voetzolen haast verschroeiden en ik verheugder was dan ooit dat ik het water bereikt had. Het is daarentegen vreemd, dat men weinig van zonnesteek hoort; niet alleen onder de inlanders, maar zelfs onder de Europeanen; ik heb meermalen midden op den dag een eindje door de zon geloopen zonder mijn hoofd te bedekken, en kreeg er zelfs nooit hoofdpijn van.

Behalve het oponthoud, door het ontbijt van ons gevolg veroorzaakt, hebben wij heden nog een ander. Men wacht op Nja Osman, een neef van den Kedjoeroean, die opzichter is over den koffietuin en ons zou komen afhalen. Maar Nja Osman, een geschikt man, flink en verstandig van aard, heeft de koorts, ondanks de chinine-pillen die ik hem gisteren heb laten slikken, en is verplicht het bed, of zijn matje, te houden. Het is al mooi laat als wij vernemen dat hij onmogelijk komen kan, en ons zonder hem op weg begeven. Doch de Kedjoeroean had zeker op het gevolg van zijn neef gerekend, want wij bleken nu maar nauwelijks genoeg personen beschikbaar te hebben voor het dragen van mijne instrumenten en onzen mondkost. Dit aantal wordt niet voldoende geacht, want er schijnt nog een afzonderlijk geleide te moeten wezen voor de dragers, ten einde den Menscheneter ontzag in te boezemen; we moeten dus nog lieden hebben, die met lansen en klewangs gewapend zijn maar niets te dragen hebben. Ten einde in deze behoefte te voorzien, begeven we ons naar de marktplaats en houden daar halt. Daar zijn verscheidene personen, die, op hun rug uitgestrekt, zich een dag van

160

-ocr page 169-

EEN UITSTAPJE NAAK HET GEBERGTE. 1G1

zalig niets-doen hadden voorgespiegeld; zij worden uit-genoodigd, onmiddellijk op te staan en zich bij onzen trein aan te sluiten. Onderweg komen wij nog anderen tegen, die van plan waren te gaan koopen of verkoo-pen, of andere zaken te doen; maar aangezien zij die zaken best tot een anderen dag kunnen uitstellen — wie heeft hier ooit haast? — en de dienst van den vorst vóór alles gaat, mogen zij omkeeren en zich mede bij ons voegen. De volgelingen van den Toekoe geven hunne pakken aan de nieuw aangeworvenen over, en deze maken niet de minste bezwaren; de eersten worden nu weder in hunne eigenlijke functie van gewapende geleiders hersteld.

Rechtstreeks heb ik met de dragers niets te maken; indien ik hun wat te dragen gaf, zouden zij misschien doen alsof ze mij niet begrepen, of ronduit weigeren, of zelfs wegloopen; maar wanneer ik mij b. v. van mijn geweer of patroontasch wil ontlasten, geef ik deze aan iemand van \'s vorsten gevolg, die ze aanneemt met een ijver, alsof hij verheugd is dat ik hem wel de eer wil aandoen, doch over vijf minuten een ander het genot gunt. — Wat mij betreft, ik, ben in den regel alleen met een wandelstok gewapend; dikwijls loopt er een jongen achter mij aan, die de eene of andere kleinigheid dragen kan, zooals mijn helmhoed zoolang wij in de schaduw loopen.

Het is ongeveer elf uur geworden als de trein geheel compleet is en wij voor goed den marsch naar Batang-Oe aanvaarden. Tusschen twaalf en twee uur zijn we bezig ons in te spannen voor het beklimmen van soms erg steile hellingen; en, al draagt men dan ook een zonnescherm, dan wordt het gelaat geheel verbrand dooide terugkaatsing van de hitte door den grond.

Zou het een voorbehoedmiddel tegen de warmte well

-ocr page 170-

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

zen? Toekoe Loöng draagt heden twee kleedingstukken, van laken nog wel! over elkander: een zwart vest met gouden knoopen, en daarover een soort van militaire jas van buitengewone wijdte. Ik behoef nu niet meer te aarzelen om hem eene niet goud geborduurde jas aan te bieden, die ik uit Frankrijk had medegebracht om bij voorkomende gelegenheid als geschenk voor een invloedrijk persoon te dienen, maar die ik thans te Kota Radja had achtergelaten omdat zij mij, gevoerd als zij was, wel wat te warm voorkwam voor een bewoner van Atjeh\'s kust.

Ik lichtte Toekoe Loöng in omtrent mijne plannen met die jas, en uitte levens mijne vrees dat zij te dik zou zijn, maar werd geheel gerustgesteld:

— O, Mijnheer, hoe dikker, hoe mooier!

Hij zou waarachtig in staat zijn, zich in de wapenrusting van onze heldhaftige voorvaderen te steken!

Wij steken de rivier nabij kampong Lamtoedjin over en laten weldra, met de rijstvelden, eene andere kampong achter ons, waar „mijn domeinquot; aanvangt. Wij klimmen en dalen over een aantal heuvelen, en ik ben zeer tevreden over al hetgeen mijn oog aanschouwt. De grond schijnt uitmuntend voor koffie geschikt; de wildernis geeft daarvoor goede aanwijzingen: overal schieten de varens tusschen het hooge gras of onder de boo-inen op, en elk oogenblik wordt het terrein door beken doorsneden. Ik blijf dikwijls staan om van het prachtig vergezicht te genieten dat zich, naarmate wij hooger stijgen, te verder voor onze oogen uitstrekt. Weldra zien wij de zee, als tusschen twee bergen ingesloten, voor ons liggen. Ik doe nog eenige waarnemingen, waarbij Toekoe Loöng, beleefd en geduldig als altijd, wacht en mij de namen van de baaien, de bergen, de kampongs enz. opgeeft.

163

-ocr page 171-

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

De thermometer wijst zoo hoog mogelijk. Het gras, langs liet voetpad plat getrapt, is droog en warm. Nu en dan bukt de Kedjoeroean zich en steekt hij hel gras met een lucifer aan. De trein, die ons volgt, haast zich dan om niet geroosterd te worden, want de vlam verspreidt zich met eene verbazende snelheid. Als om de vlam te helpen verspreiden, doet een der inlanders de kreten hooren van de Maleische zeelieden die den wind aanroepen.

— Men moet den weg open maken om den Men-scheneter te verdrijven, zegt de Toekoe. Mijnheer zou niet kunnen gelooven hoe weinig plaats hij noodig heeft om zich te verbergen. Hij is haast zoo groot als een paard , en weet zich achter een kleinen boom of een struik te verschuilen. Hij gaat daartoe niet slechts plat op den buik liggen, maar graaft zich in; aldus loert hij op zijn prooi. Onlangs heeft hij nog eene vrouw van Loöng verscheurd, midden op een open terrein, waar hij op die wijze, achter een klein struikje verborgen , op korten afstand geheel onzichtbaar was. —

Wij stijgen steeds door, en laten eene lange strook vuur achter ons. Als wij een oogenblik onder een boom rusten hooren wij, beneden ons, het knetteren van een grooten brand, en zien wij de lucht aan eene zijde met rookwolken bedekt.

Eindelijk komen wij dan aan de koffie-aanplantingen. Boomen van drie jaar zijn met vruchten beladen; andere zien er slecht en spichtig uit, door het hoog opschietende gras verstikt. Deze laatste vormen een verlaten koffietuin, waarvan de eigenaar voor den Menscheneter gevlucht is. Wij zien zijn vervallen huisje nog staan op eene bekoorlijke, maar al te eenzame plek. Het is omringd door de prachtigste papajaboomen die ik nog ooit zag. Op last van den Kedjoeroean klimt een jongen van

11*

163

-ocr page 172-

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

twaalf jaar, als een aap zoo vlug, in een dier boomen en werpt hij de vruchten lachende naar het hoofd onzer lieden, die ze niet beide handen opvangen of die projectielen handig ontwijken. De rijpste nemen wij mede; de andere laten wij in het gras liggen, om ze daar nog wat te doen rijpen en ze morgen, bij onzen terugkeer, mede te nemen.

— Hoe jammer, zeg ik tot den Toekoe, dat deze plaats verlaten is!

— Het volk is hier niet talrijk genoeg, luidt het antwoord, en men is bang voor de tijgers. Sinds langen tijd heeft men in deze streken geen Menscheneter gezien, die zooveel schrik verspreidt als die welke thans het land teistert. Wanneer er hier eene kampong met b. v. honderd menschen was, dan zou de tijger niet durven komen; maar tien of twaalf personen, nog hier en daar verspreid wonende, trekken hem integendeel aan. — Dit is eene plantage die pas begonnen is; ik heb haar van den beginne af niet op voldoend groote schaal kunnen inrichten, doordien ik in de laatste jaren vele wederwaardigheden heb ondervonden, die mij ook al niet rijker gemaakt hebben. . . .

Verderop krijgt evenwel de aanplant weer een beter aanzien; de boompjes zijn krachtig en zitten goed in hunne bladeren.

Om te ontbijten, nemen wij thans plaats op een groo-ten steen, nabij helder water dat ons in bakjes, van groene bladeren gemaakt, wordt aangeboden. Ons maal is hoogst sober en bestaat uit papaja\'s en uit pisang, welke laatste vrucht ons in overvloed door de planters wordt toegediend.

De zon staat reeds laag aan den gezichteinder wanneer wij een allerliefst bamboehuisje bereiken dat, voorde plaats waar wij ons bevinden , weelderig schijnt. De

164

-ocr page 173-

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

omwanding is netjes bewerkt van plat geslagen bamboe, welke met rottan op pisanglatten is bevestigd; de stijlen zijn van fraai wildhout gekapt; de brits bestaat uit rondhouten met glad bovenvlak. Op zij is eene kleine terrasvormige vlakte, effen en zindelijk, waarop de kof-fieboonen gedroogd worden; hier en daar staan ronde manden, waarin de oogst verzameld wordt. Twee groote pinangboomen, onmisbaar voor het kauwen der sirih, steken hunne toppen omhoog als rechte masten, aan welker uiteinde fraaie, zware, groene pluimen hangen; enkele pisangstruiken spreiden hunne groote bladeren uit, te midden van welke zich de heerlijke vruchten vertoonen. Maar verderop strekt zich een waar bosch van koffiebooinen uit, die onregelmatig, misschien wel wat dicht op elkander geplant zijn, en een uitmuntenden oogst beloven.

De woning van Nja Osman, waarbij wij zijn aangeland, biedt al de gemakken aan welke men op een dergelijken uithoek verwachten mag: reusachtig houten vaatwerk, dat ons haast aan den tijd van Homerus herinnert en waaruit wij onze rijst met den eenvoud en den eetlust der helden van Homerus eten, — en, om onze vermoeide ledematen uit te strekken, een echte kamer, met hijna een echt bed.

Aanvankelijk lag ik naast Toekoe Loöng op een matje, toen wij bezoek ontvingen van een man met een gunstig, altijd eenigszins lachend uiterlijk, die mij door den vorst werd voorgesteld als het hoofd van den koffie-aanplant, die in deze zaken bijzonder kundig was. Hij groette ons beiden op Atjehsche wijze; daar hij niets anders kon spreken dan de taal des lands, meende hij mij door eene pantomime zijne tevredenheid over mijne komst te moeten te kennen geven, en klopt mij daartoe onder een schaterlach op de knieën, zooals men in

165

-ocr page 174-

IGG EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

Europa doen zou wanneer men zeggen wilde: „watben jij toeli een grappenmakerquot;. Hier is echter, als gezegd, de bedoeling anders. — Hij keerde zich daarop weder tot den Toekoe, ging dwars voor hem zitten, nam de beenen op de zijne en begon ze, van de heup tot de teenen, te wrijven en te knijpen dat het een aard had. Zijne spraakzaamheid leed er echter geen oogenblik onder. — Men ziet, de kunst van Dr. Mezger is in Indië ook niet onbekend ; integendeel, zij wordt, ook op Java, veelvuldig toegepast — men noemt haar daar piedjiet — en schijnt, na groote vermoeienissen, eene zeer aangename ontspanning in de spieren te weeg te brengen.

Toen de Kedjoeroean zich een oogenblik verwijderd had, kwam Toekoe Radja, een mijner oude vrienden van Loöng, mij den man nogmaals voorstellen met de mededeeling dat hij een Radja (vorst) van dat land was-Maar men heeft mij, in de eerste dagen van mijn verblijf in Loöng, reeds zooveel personen aangewezen die Toekoe genoemd worden, dat ik om die titulaturen niet veel meer geef. Het moekimhoofd, Toekoe Imam, die bijna recht op dezen titel heeft, lachte mij uit als ik een ander daarmede vereerde, en vond het blijkbaar lang niet goed dat er zoo mee gespeeld werd. Ook de Atjehers zijn ijdel, en die ijdelheid openbaart zich hier al ongeveer op dezelfde wijze als overal anders. Laat zich ook de knecht van den kruidenier tegenwoordig niet „Mijnheerquot; noemen door onze bedienden, zoolang de intimiteit nog niet groot is?

De hooggeplaatsten trachten de eer, die hun toekomt, voor zich te behouden, maar het mindere volk stoort zich daaraan niet wanneer het bij elkander is, en de lui doelen hunne titels aan den eerste den beste uit; die snaken stellen elkander voor als Toekoo zoo en zoo, Radja van daar en daar — waar slechts één bamboe-

-ocr page 175-

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE. lo7

huisje staat. ... — Om Toekoe Hadji te waarschuwen dat hij bij mij in \'t vervolg dergelijke grappen niet behoefde uit te halen, heb ik om zijne opsomming van titels gelachen; — en, toen onze inlandsche Mezger was heengegaan, zeide ik tegen hem:

— Waarde vriend, waar is de Radja van Batang-Oe gebleven ?

Toekoe Loöng, de eenige Radja hier, die mij dien titel voor de tweede maal hoorde bezigen, viel hierop eenigszins knorrig in:

— Maar Mijnheer, praat toch niet van dien halven gek! ... —

Zoo spreekt hij nu over den man, die hem pas met zooveel zorg gepiedjiet heeft! Wat kan gekwetste eigenliefde iemand tot zwarte ondankbaarheid verleiden, hier zoowel als in Europa!

Dit is de eenige maal dat ik den Kedjoeroean wat uit zijn humeur zag; maar laat ik mij haasten er bij te voegen, dat de booze bui geen minuut duurde. —Toe-koe Loöng vroeg mij dadelijk daarop hoe wij het van nacht zouden schikken, en of ik de kamer alleen voor mij wilde hebben. Die kamer, ongeveer vier vierkante meters groot, beslaat een derde van het huis; zeventien personen moeten zich in de overige ruimte opschieten, en niemand zou buiten durven slapen uit vrees voor den tijger.

— Maar Toekoe, dat is heel eenvoudig; wij doen net als op het strand van Kroeng Raba, wij zijn nog slaapkameraden.

En dat is waarlijk heel eenvoudig in een land, waar ieder maar gaat liggen zonder zelfs zijne schoenen uit te trekken; het is trouwens ook eene zeldzaamheid als men schoenen draagt. Mijn voorstel draagt volkomen de goedkeuring van den Kedjoeroean weg; het zou dan ook

-ocr page 176-

1C8 EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

niet gepast voor hem geweest zyn om, als de achttiende r in de acht vierkante meters buiten mijne deur te liggen. — Hij roept dadelijk Aripan om de slaapkamer in orde te maken; en, in die kamer komende, dwingt hij mij de beste plaats te nemen : een echt matras, met een hoofdkussen , op eene fraaie heldere mat! Een groot gordijn, aan het dak vastgemaakt, beschermt mij tegen even-tueele muskieten. De Toekoe gaat op zij, op eene eenvoudige mat liggen. — Een matras heb ik sinds langen tijd niet gezien, en vind ik nu ook volkomen overbodig; ik heb het ten minste overdwars willen leggen om er mijn kameraad ook een gedeelte van te geven, maar hij bedankt en ik ben verplicht het geheel voor mij-zei ven te houden.

Daar de kamer goed verlicht is door eene hanglamp met twee armen , kan ik nog eenige aanteekeningen maken voordat ik mij ter ruste begeef.

Donderdag, 6 Januari. Heden morgen heb ik, zoodra de zon zich boven de bergen vertoonde, mij naar het hoogste punt van Batang-Oe begeven dat ik bereiken kon, en vandaar, met mijne boussole, nog de ligging-van verschillende punten bepaald. Daarna maakte ik nog een schetsje van een der schoonste panorama\'s die men zich kan voorstellen.

Ik ken dit land van Loöng thans even goed als mijn geboorteland; naar het mij meer en meer toeschijnt, is de bevolking er voor onze plannen zoo goed als men maar wenschen kan: geschikte lieden, niet al te verstandig — anders zouden zij beter partij trekken van de rijkdommen, die de vruchtbare grond hun in den schoot werpt — en nog zoo weinig op de hoogte van al wat er in de wereld omgaat! Men zou wanen dat zij eene andere planeet dan de onze tot hunne woonplaats

-ocr page 177-

EEN UITSTAPJE NAAH HET GEBERGTE.

hebben gekozen, zoo vreemd slaan zij te kijken wanneer men hun van Londen, Amsterdam of Parijs vertelt. Hunne kennis van Europa bepaalt zich tot do wetenschap, dat er een Sultan van Turkije is, en zij vragen of al de vorsten van Europa te zamen wel tegen dezen opgewassen zijn! Hoewel er hier lieden zijn, zooals we gezien hebben, die drie honderd rijksdaalders boete kunnen betalen, is geld hier nog eene zeldzame zaak, en heeft het kapitaal dus bijzondere waarde. Daar dit land niet de minste betrekkkingen met eenig ander land onderhoudt, verkeeren de Europeanen, die zich hier willen vestigen, in een exceptioneelen toestand, die voor hen nog gunstiger is door den oorlog, welke nieuwe behoeften aan ontwikkeling en aan verbetering van den arbeid heeft doen ontstaan. Hoeveel goeds kan hier worden verricht, en welke voordeelen van allerlei aard zijn er, voor ons en voor de bevolking beide, te behalen!

Wat mij hier het meeste opvalt — misschien omdat ik nog onder den indruk ben van Europeesche begrippen — dat is de onbegrensde eerbied, die de bevolking voor hare hoofden heeft. De Kedjoeroean is de spil van alle bewegingen; zijn wil is de wil van allen, en hij zelf is daarvan, met beminnelijken eenvoud, volkomen overtuigd. Ik vroeg aan een der lieden die het contract teekenden:

— Zoudt gij waarlijk gaarne willen dat wij ons hier kwamen vestigen?

— Wat drommel, zegt de vorst kortweg, zonderden man tijd van antwoorden te laten; ik wil het immers?

En de vorst van Loong is ook geheel op de hoogte van zijne rol. Hij beheerscbt zijne omgeving van voorname personen evenzeer als don kleinen man, door tot ieders terrein af te dalen; hij is de verstandigste, de dapperste, de knapste van allen; hij weet eene menigte

169

-ocr page 178-

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

170

zaken waarvan de anderen nooit gehoord hebben. Wanneer zij niet weten hoe te handelen, is het vaste gezegde: „We zullen het aan den Toekoe vragen.quot; Hij alleen kent de naam van alle bergen en rivieren. Hij hanteert den klewang, de lans en de werpspies, het geweer en de sabel beter dan een zijner panglima\'s. Niemand kan beter dan hij een vaartuig in de zee besturen en niemand heeft, in moeielijke oogenblikken, meer kracht, meer handigheid en meer zelfbeheersching. Hij maakt een mes of eene mand, gereedschap voor de jacht of de vischvangst, en hij kent de wetten en gebruiken, en ook de oudste hoofden erkennen hierin zijne meerderheid. Met dat alles heeft hij er den slag van, den grooten heer uit te hangen; hij gaat gemeenzaam met zijne lieden om, doch weet niettemin den afstand te bewaren. Hij bemint het vermaak, doch is hoogst matig en onbaatzuchtig. Indien hij mij gevraagd had om mij te verbinden tot het betalen van eene zekere som gelds op den dag waarop ik het afgestaan terrein in bezit zou komen nemen, had ik hem dat niet kunnen weigeren; maar integendeel, hij overlaadt mij met beleefdheden en wil niet hebben dat ik zijn volk betaal; hij meent mij geschenken te moeten aanbieden in ruil tegen de mijne. Hij verlangt de Europeesche beschaving te leeren kennen; hij gevoelt, dat deze noodig is voor de ontwikkeling van zijn land, en toont zich zeer dankbaar dat ik het plan, om hier te komen wonen, geopperd heb. Hij wil alles doen wat hij kan om de uitvoering van dat plan mogelijk te maken. In het contract heeft hij meer geschreven dan ik verlangen kon. Hij heeft het laten teekenen door al de mannen van aanzien in het land: de moekimhoofden, de priesters, de oudsten, al zijne bloedverwanten, en hij heeft bewerkt dat allen mij gunstig gezind zijn. Allen zijn even voorkomend , verscheidene brengen mij kleine geschenken, —

-ocr page 179-

EEN\' UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE.

waarvan ik aanteekening houd en die ik hun stellig, bij mijne terugkomst, zal vergelden. Of zij er op zouden rekenen? In ieder geval is het een bewijs van vertrouwen. — Toekoe Loöng is een man, met wien men zaken kan doen; men ontwikkelt hem een plan, hij luistert aandachtig, neemt het aan wanneer hij er zich mede vereenigen kan , en is dan ook tot de uitvoering bereid. Al zijne vasallen heeft hij geheel in zijne macht. —

In overleg met hem zullen wij hier zeer veel goeds kunnen tot stand brengen!

Wij hebben den dag nuttig besteed door de aanplantingen in den omtrek na te gaan. In den namiddag keeren wij langs het gisteren gevolgde voetpad huiswaarts , en eerst als alles reeds donker is, komen wij in de versterking aan. Weldra verlaat ik deze echter weder om, onder de hoede van Maïman, nog een bad te gaan nemen; ik begeef mij daartoe ditmaal naar eene bron die , naar het zeggen der inlanders, geneeskundige eigenschappen bezit.

—■ Wanneer hier iemand ziek is, —■ koorts is haast de eenige bekende ongesteldheid — dan gaat hij daar baden, zegt de Toekoe; volgens de overlevering krijgt hij daar al zijne krachten terug.

Hoe het zij, — het bad is overheerlijk. De maan is intusschen opgekomen, en ik houd lange gesprekken met lieden, die ik niet zie, maar die zich in de nabijheid ophouden. Telkens als ik mijn hoofd boven water steek, heb ik de eene of andere vraag te beantwoorden over Nederland, Engeland, Frankrijk, Turkije.... Wat die lieden zich toch eene vreemde voorstelling van Europa maken!

171

-ocr page 180-

TIENDE HOOFDSTUK.

Afscheid van Loöng. Vertrek van Atjeh.

Afscheidsreceptie. — De panglima van Kloewang, Toekoe Din, Mohammed Ta-oei. — Ruwheid en schrik van Maïman. — Eu-ropeesch overwicht. — Geschenken der Atjehsche hoofden. — De dag van vertrek. Afscheid van de dames. — Reis langs het strand. — De missigit van Blang Mé. — Toekoe Hadji. — Hoe men de koorts verdrijven moet. — Wij gaan naar Kroeng Kala. — Een kamponghuis. — Keukengereedschap. — De Toekoe heeft weder allerlei zaken. Ik ga vooruit, naar Paroi. — Eene bamboezen brug en eene apenval. — De Kedjoeroean laat mij in den steek. — Verveling en afleiding. — Over zee naar Kroeng Raba en verder over land naar Kota Radja. — Mijne verplichtingen aan de Nederlanders. — De pastoor Verbraak. — Mijn vertrek van Atjeh. — Mijne wenschen voor de toekomst van dit land.

Vrijdag, 7 Januari. De Kedjoeroean deelt mij mede, dat hij bericht ontvangen heeft aangaande zijne vrouw te Anak Paja; ze moet ernstig ziek zijn, en hij zou daarom gaarne, zoodra ik met mijn werk gereed ben, naar Groot-Atjeh willen vertrekken. — Ik stel voor, nog heden de reis te aanvaarden; mijne opnemingen zijn nog wel niet geheel, maar toch nagenoeg voltooid, en men moet wat voor zijn medemensch overhebben. Maar zooveel haast is niet bedoeld; Toekoe Loöng is ongetwijfeld een goed echtgenoot, maar hij heeft hier toch ook drie vrouwen.. . . Hij bepaalt, dat we morgen de reis zullen aanvaarden, en ik maak derhalve van de

-ocr page 181-

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

gelegenheid gebruik om de heuvel achter Lamtoedjin, waar vermoedelijk het woonhuis van den Europeeschen ondernemer zal moeten verrijzen, nog eens te bezoeken en nader op te nemen. Het is dichtbij en niet zeer hoog, maar de weg is erg moeielijk; we moeten ons geregeld een pad door de wildernis banen.

Na mijne terugkomst geef ik den Toekoe in overweging, dat hij morgenochtend vooruit zal gaan naar Kroeng Kala, waar hij nog wat te doen heeft; ik kan hem dan tegen den avond derwaarts volgen. Maar hij wil niets daarvan weten; in geen geval gaat hij zonder mij, — en er wordt dientengevolge uitgemaakt dat we morgen avond samen zullen gaan. Het is duidelijk, dat het uitstel hem wel gelegen komt.

Heden avond komen de laatste personages van Loöng, die het contract nog niet geteekend hebben, zich van die taak kwijten. De meesten zijn niet zoo geletterd dat zij er eene handteekening op nahouden, en bepalen zich tot een kruisje of een streepje; in dat geval neemt de Kedjoeroean de moeite, er naam en titel bij te voegen.

Elk oogenblik komt er bezoek; de vergadering wordt nog al talrijk, — ik houd geregeld afscheidsreceptie. Sigaren, limonade en koekjes worden aangeboden; echter alleen aan den vorst, daar het niet gepast zou zijn de overige lieden zoo gemeenzaam te behandelen. De Toekoe en ik zitten beiden op een stoel, al het verdere publiek zit rondom ons op den grond.

De Panglima van Kloewang waagt het ook, onder de menigte te verschijnen, en ik ben daarmede wel ingenomen omdat aldus, vóór mijn vertrek, de vriendschap tusschen ons weder geheel kon worden hersteld. Men moet n. i. weten, dat hij mij op zekeren dag, toen mijne bedienden afwezig waren, in den steek had ge-

173

-ocr page 182-

174 AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTRKK VAN ATJEH.

laten; en als hij toen \'s avonds weder, als naar gewoonte , in mijne nabijheid wilde gaan slapen, had ik hem weggejaagd:

— Ik houd er niet van om \'s nachts samen te zijn met lieden, die overdag liever niet bij mij zijn, zeide ik hem op een toon, die geen tegenspraak duldde.

Hij had daarop zijn matje opgenomen en ging heen.

Maar thans komt hij terug om zich weder in genade te doen aannemen, en ik ben zoo vriendelijk jegens hem als ik maar kan.

Eén is er slechts die niet verschijnt: Toekoe Din, een der volgelingen van den Kedjoeroean die de versterking bewonen. Tk heb hem mijne waterkruik zoo dikwijls laten vullen, dat hij er nog den schrik van beet heeft. Het is een groote onverschillige, luie vent, die, bij voorkeur op den rug liggende, slechts opstond om mijne trap te beklimmen, en het mij lastig te maken. Maar ik had een goed middel bedacht om hem dat af te loeren. Zoodra hij zich maar vertoonde, riep ik uit:

— O , Toekoe Din , Gij komt alsof gij geroepen waart!

En dan ging ik dadelijk naar de hoek van mijne kamer, waar een groote ijzeren ketel stond; die gaf ik hem in de hand met de opdracht, hem ten spoedigste bij de put te gaan vullen. Hoewel hij steeds dadelijk een ander riep om de taak over te nemen, durfde hij toch niet te weigeren. Wanneer hij nog terugkwam, liet ik hem verder nog achtervolgend twee groote Chi-neesche vazen vullen, welke de vorst mij geleend had om het water te doen bezinken. — Hij eindigde met weg te blijven.

Een ander voornaam heer, Mohammed Ta-oei, de schoonzoon van den Kedjoeroean, vereerde mij aanvankelijk ook met zijne bezoeken, die lastig hadden kunnen worden; maar den tweeden dag zeide ik hem dat,

-ocr page 183-

AFSCHEID VAN LOÖNG, VERTREK VAN AÏJEH. 175

behalve den Kecljoeroean en ik, niemand op mijne stoelen zitten mocht; hij moest dus op den grond plaats nemen, en was daardoor gekrenkt; tot mijne groote zelfvoldoening zag ik hem niet weer. Boos bleek hij echter niet te wezen, want een paar dagen later liet hij mij om een glas wijn vragen. Naar hèt schijnt, is het gebruik van wijn aan de belijders van den Islam niet bepaald verboden, zooals wel het geval is met sterke dranken, likeuren, varkensvleesch en alle beesten die niet volgens de godsdienstige voorschriften geslacht zijn. Men is niet zeker of men wijn mag drinken, maar stapt gemakkelijk over het gewetensbezwaar heen, zonder echter ooit tot misbruik te vervallen. — Mohammed Ta-oei is heden avond ook onder mijne gasten; hij blijft nog als al de anderen reeds vertrokken zijn, doet al zijn best om Ma-leisch te praten en, terwijl hij anders in den regel den mond houdt, is hij thans erg druk. Ik geef hem, na het vertrek van den Kecljoeroean, een glaasje wijn; — met mate echter, want veel zou niet goed voor hem wezen, en bovendien ben ik aan mijne laatste flesch. Wij blijven lang praten, en pas tegen middernacht krijg ik hem met een zoet lijntje de deur uit.

Zaterdag, 8 Januari. Heden morgen heeft Maïman mij geweldig boos gemaakt door, met zijne gewone ruwheid, iets te breken waarop ik veel prijs stelde.

— Ga heen, ellendeling! riep ik hem toe en ik stompte hem daarbij zoo , dat hij op den grond viel.

Maar daar bleef hij liggen, terwijl ik de stukken opraapte....

— Wil je weggaan, of ik bega een ongeluk!

Ik grijp een knuppel die mij voor de hand komt. Hij gaat nu aan den haal als een haas, nu en dan omkijkende of ik hem ook nazit, en verschuilt zich in het

-ocr page 184-

17G AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

bosch. Ik heb er toch werkelijk om moeten lachen: daar is nu een vent, die mij maken en breken kan; als een kind neemt hij mij op zijne schouders, als we eene rivier moeten overgaan of door de branding moeten loo-pen, opdat mijne voeten droog zouden blijven, — en bovendien heeft hij mijne geladen revolver nog in den gordel. . . Hij heeft zich schuil gehouden totdat ik hem liet roepen , en kwam bevende terug.

En dat was toch een man, die eens een ander, waarmede hij twist had gehad over een paar stuivers, doodsloeg!

Het moreel overwicht der Europeanen doet bij de menschen van dit ras, zelfs bij de krachtigsten en meest onverschrokkenen onder hen, zijn invloed gelden. Ik had hem eenige dagen geleden naar Lamtoedjin medegenomen; bij het vallen van den nacht beweerde hij moede te wezen en een ongemak aan zijn voet te hebben, zoodat hij niets dragen kon. Hij had reeds de gewoonte aangenomen van de volgelingen van den Kedjoeroean, om zijn last aan een gewoon inlander over te geven, doch daarvoor was ditmaal geen gelegenheid. Ik had haast; hij maakte mij ongeduldig, en ik werd boos. Ik gaf hem het geladen geweer dat ik zelf droeg — hij had reeds mijne revolver — , en ik liep voor hem uit door rijstvelden en struiken, in eene geheel eenzame streek langs de rivier, onder mededee-ling dat, wanneer hij niet dadelijk medeging, ik hem denzelfden avond nog uit mijn dienst zou ontslaan. Om niet geheel hersteld te schijnen bleef hij vijftien of twintig pas achter mij, — maar hij liet mij geen minuut wachten.

Pang-Abas biedt mij eene lans aan, die ik ter herinnering aan hein moet medenemen; de Toekoe schenkt mij eene sirihdoos, en Nja Osman een pikol koffie

-ocr page 185-

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

in twee groote zakken. Verder worden mij nog verschillende kleinigheden vereerd.

Ik dacht nog heden avond de reis te aanvaarden, maar de Kedjoeroean komt mij, ietwat verlegen, zeggen dat alles nog niet gereed is en wij onmogelijk vóór morgenochtend acht uur kunnen vertrekken.

Zondag, 9 Januari. Toekoe Loöng heeft van ochtend al de zaken, die ik hem geschonken heb, met de meeste zorg weggeborgen. Ik geef hem ook nog mijn jachtgeweer. Zijne oudste dochter, de vrouw van Mohammed Ta-oei, liet mij om een mijner twee fraaie tafelborden vragen; ik ontbied haar bij mij en schenk haar beide borden , tot hare groote verrassing. — Het geheele huis staat thans voor mij open. Bij het heen en weer loo-pen, zooals in de laatste oogenblikken altijd geschiedt, zie ik de vrouwen achter elkander in ootmoedige houding zitten om den vorst goeden dag te zeggen; zij grijpen zijne hand, brengen die naar hun gelaat.... Maaide man trekt er zich niet veel van aan; hij trekt de hand terug om naar eenig voorwerp te wijzen of een bevel te geven. Hij houdt zich geen minuut op, tenzij men hem nog iets van ernstigen aard te zeggen heeft; dan gaat hij met den sollicitant in een hoek op den grond zitten, hoort hem aan en beslist. Een oogenblik later is hij weder terug.

In gezelschap met hem begeef ik mij naar binnen om de dames goedendag te zeggen: de oudste echtgenoot behandelt mij vriendschappelijk, als haar gelijke; eene andere, die nog jong is en er zeer goed uitziet, schijnt bedeesder te wezen. De drie vrouwen leven steeds met elkander in de beste verstandhouding; daar ik slechts door een beschot van haar gescheiden was, hoorde ik ze dagelijks praten en gekheid maken, maar nooit twisten. Ik noodig den Toekoe uit, haar mijn dank te be-

12

177

-ocr page 186-

178 AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

tuigen voor de goedgekookte rijst en de uitmuntende gebakjes, die zij mij aanhoudend hebben gezonden; de Toekoe neemt mijn dank aan, maar acht het niet noo-dig dien over te brengen. Maleisch verstaan zij niet.

Eindelijk, ten een uur in den namiddag, zijn wij marschvaardig en verlaten wij Ketapan, waar ik ruim drie weken lang waarlijk veel vriendschap genoten heb. De Iman van Kroeng Kala, met een grooten Turkschen sabel in de hand, gaat voorop- en geleidt den stoet naar Blang Mé, waar wij, al pratende en slenterende, tegen drie uur aankomen.

De missigit van Blang Mé maakt een alleraangenaam-sten indruk. Zij ligt op drie- of vierhonderd meters van de kampong aan cle oevers van eene beek, midden in de rijstvelden, en aldus door helder groen omgeven. Het is een eenvoudig vierkant houten gebouw, door een steenen borstweringsmuurtje omringd, met een vloer van ingestampte klei en een dubbel atappen dak, kortom nagenoeg gelijk aan alle andere bedehuizen in dit land. Groote boomen, in de nabijheid geplant, bieden de noodige schaduw aan.

Zonder eenigen omslag betrekken wij hier het bivak. Onze geweren worden opgehangen aan de deurstijlen, onze bagage nedergelegd op den drempel, en de volgelingen , den muur aan alle kanten overklimmende, spreiden matten over den vloer, waarop de Toekoe mij verzoekt plaats te nemen. Er is geen sprake van dat ik in deze landelijke moskee mijne schoenen moet uitdoen, hoewel er twee Imams bij ons zijn; die van Blang Mé heeft zich aangemeld zoodra wij zijne kampong bereikten.

Doch ik heb den voorlaatsten nacht te lang zitten schrijven, misschien wel tot de dag aanbrak; — mijn horloge is blijven stilstaan, en ik heb nu geene andere tijdsbepaling dan de opkomst en ondergang van zon en

-ocr page 187-

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH. 179

maan, het kraaien van den haan en dergelijke — en sliep dus te weinig. Gisteren heb ik mij nog al vermoeid, en toen ik thuis kwam ging ik dadelijk liggen. Misschien was het wel koorts, maar in ieder geval sliep ik van nacht ook zeer ongerust, en thans ben ik afgemat, koortsig, — in één woord , wat men in Indië noemt onlekker. Ik ga nu op mijn veldbed, buiten onder de groote boomen, en val dadelijk in slaap. Weldra komt men mij evenwel weder wekken omdat het regent, en mijn bed wordt naar de missigit gedragen. De vorst geeft mij in overweging, mij maar dadelijk naar de kampong te begeven, waar ik het gemakkelijker hebben zal; doch ik zie tegen de verhuizing op en tracht nog wat uitstel te krijgen:

— Ik zal op den Toekoe wachten, zeg ik.

Intusschen begint de avond te vallen. Hij weet dat ik niet gemakkelijk in den donker over de dijkjes tus-schen de rijstvelden loopen kan, en heeft de beleefdheid onmiddellijk al zijne bezigheden af te breken om mij elk voorwendsel tot uitstel te ontnemen. Hij brengt mij zelf naar het huis van Toekoe Hadji, dat te mijner eere geheel met witte, gele, blauwe en roode gordij • nen behangen is; na eenige chininepillen geslikt, maar niets gegeten te hebben, ga ik op nieuw te bed.

Toekoe Hadji zet zich in mijne nabijheid op de mat neder, en verhaalt mij dat hij de eerste is geweest die zich bij Toekoe Loöng aansloot, toen deze zich aan het Nederlandsch gezag onderwierp. Het geheele land verzette zich destijds en schold de Hollanders voor onge-loovigen. Er waren toen versterkingen langs de kust, die door de geheele bevolking verdedigd werden, terwijl de vrouwen en kinderen naar het gebergte waren gevlucht. Zij — Toekoe Loöng en Toekoe Hadji — hielden zich (April 1877) op aan boord van de oorlogssche-

12*

-ocr page 188-

180 AFSCHEID VAN LOONG. VERTREK VAN ATJEH.

pen, die de versterkingen beschoten en de landingstroepen overvoerden. Toen deze aan wal waren gegaan , de verdedigers der versterkingen verdreven en de schuldige kampongs getuchtigd hadden, waren de hoofden bereid zich te onderwerpen. Toekoe Loöng, die zich een jaar lang in Groot-Atjeh had opgehouden, keerde daarop naar zijn land terug, wist hier zijn wil te doen zegevieren, herstelde op uitnemende wijze verder orde en rust, en na dien tijd namen zijne macht en zijn aanzien geleidelijk toe.

— Thans is hij groot, zegt Toekoe Hadji, en niemand durft hem te weerstaan.

Hij verhaalt mij verder hoeveel goeds Toekoe Loöng hem heeft bewezen en hoezeer deze in alle opzichten zijn schuldeischer is. Toekoe Hadji is arm, heeft twee kinderen en vreest nimmer zijne schulden aan zijnen vorst te zullen kunnen afdoen. Daarom zou hij ook gaarne, uit persoonlijk belang, wenschen dat ik mij in Loöng vestigde; hij zou dan in mijn dienst willen treden en mij in alles behulpzaam zijn. Het is een verstandig, ijverig, flink persoon, die ons zeker hoogst nuttig wezen zou.

Maandag, 10 Januari. Met kleine, zeer kleine dagreizen gaan wij verder. Ik heb gisteren acht chinine-pillen ingenomen; doch daar deze hoeveelheid nog niet voldoende bleek, neem ik heden zestien, de grootste dosis die ik nog ooit slikte. Ik voel mij hierbij zeer wel, en ik bespeur niets van duizelingen, hoofdpijn enz., zooals anders op een groot chinineverbruik volgen.

In het algemeen schijnt het trouwens, dat men in Indië meer chinine verdragen kan en noodig heeft dan in Europa. In Groot-Atjeh hebben alle officieren een voorraad in huis, en ik heb er menigeen gekend die, wanneer hij zich maar eenigszins koortsig voelde, dadelijk twintig tot dertig pillen slikte om de koorts bij hare

-ocr page 189-

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAX ATJEH. 181

geboorte te onderdrukken. En den volgenden dag gingen zij weder aan hunne dagelijksche bezigheden alsof er niets gebeurd was.

Of dit de ware manier is ? Zeker is het, dat sommige geneesheeren haar volkomen goedkeuren. Een hunner, een zeer bekwaam arts, zeide mij eens:

— Ik heb eerst in Indië geleerd hoe men koortsen moet behandelen. In Nederland zijn de meeste doctoren veel te bang voor chinine.

Na eene koude kippekluif verorberd te hebben, vervoeg ik mij bij den Kedjoeroean, die reeds in de rnissi-git vergadering houdt, en stel ik hem voor, maar naar Kroeng Kala vooruit te gaan.

— Och, zegt hij, over een uurtje ga ik mee.

— O, dan is het goed.

Ik gelast mijne lieden te wachten en zet mij naast den Toekoe op de mat neder. Maar als mijn geduld reeds voor een goed deel uitgeput is, zegt hij mij, te vreezen dat het oponthoud te lang zal duren, en dat het dus toch maar goed zou zijn als ik vooruitging. Hij geeft mij Aden mede, die mij in zijn huis te Kroeng Kala brengen zal.

Wij gaan alzoo op marsch, door een vrij heuvelachtig terrein. Midden op den weg toont men mij nogmaals het „groot zegelquot; van een tijger, bijzonder duidelijk in het \'/and afgedrukt. Men schijnt hier wegens de zekerheid, dat zich een dergelijk dier in de nabijheid ophoudt, niet bijzonder ongerust te wezen; het is de Menscheneter niet, maar een andere tijger, die zich met karbouwen , apen en geiten voedt.

— Hoe kunt gij dat welen?

— Hij heeft in deze streek nog nooit een mensch aangevallen!

De kleine vlakte van Kroeng Kala ziet er allerliefst

-ocr page 190-

182 AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

uit; een groen tapijt van frissche, aaneengeschakelde rijstvelden , omringd door kokospalmen, pinang-, doerian-, areng- en mangaboomen, bamboe- en pisangstruiken, die de kampong aan den voet des heuvels beschutten. De landschappen, die men hier voor zich ziet, zijn inderdaad bekoorlijk; de kokospalmen en pinangboomen hebben er dikwijls eene verbazende hoogte. Dit land heeft slechts veiligheid, rust en een verstandig bestuur noodig, om zich tot het schoonste gewest ter wereld te ontwikkelen!

Nadat wij omstreeks anderhalf uur langs een gemak-kelijken weg gewandeld hebben, komen wij te Kroeng Kala aan, bij een oud, vervallen huis. Aden schijnt er wel wat verlegen mede, en deelt mij mede dat het huis reeds meer dan honderd jaren daar staat, — hetgeen , als \'t waar is, voor een houten getimmerte al verbazend lang mag heeten. Het is hot huis van zijne moeder en hij denkt zeker dat het zijn tijd ook nog wel duren zal; aan groote herstellingen heeft hij zich althans niet bezondigd. De galerij, waar wij ontvangen worden, strekt zich over de geheele breedte uit en is aan alle zijden open, zoodat de wind er vrijen toegang heeft.

Zonder complimenten begeef ik mij naar binnen en neem ik de vrijheid een geschikt plaatsje uit te zoeken, waar ik mijn nachtkwartier kan betrekken. Een kamponghuis ziet er in Atjeh vrij donker en berookt uit, en het meubilair bepaalt zich tot het noodzakelijke: matten op den vloer, en kookgereedschap op een zolderplank geplaatst. Een of twee half ronde ijzeren potten zonder steel, een paar aarden of koperen pannen, eveneens zonder steel, om rijst in te koken, welke aan een rottan-strop boven het vuur gehangen worden; eenige aarden borden met groote roode bloemen en een aantal kommen van dezelfde soort, van Europeesch fabrikaat, — dit alles vormt eene weelde, die men lang niet overal

-ocr page 191-

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH. 183

vindt. Daarbij behooren dan nog een koperen schaal op hoogen voet en een dito deksel. — In een uithoek van het huis vindt men eene hoogst eenvoudige stookplaats, zonder schoorsteen, en daarbij een groote houten soort van kandelaarwaarop eene fakkel rust, benevens eene koperen of aarden lamp met kokosolie. Bij de keuken zijn twee zaken altijd aanwezig: een ronde steen, waarop de spaansche peper fijn gewreven , en eene rasp, waarop de rijpe kokosnoot geraspt wordt. Wanneer men de geraspte noot uitperst, krijgt men klapper- of kokosmelk, die in gebak gebezigd wordt, of, gekookt, de in Indië gewone olie oplevert. Ook de geraspte noot wordt, met suiker vermengd, als een bestanddeel van sommige gebakken gebruikt. — In eenige flesschen en zakken vindt men eindelijk allerhande specerijen; hier en daar ligt eene zak rijst opgeschuurd.

Na dit alles aanschouwd te hebben, begeef ik mij naar het huis van den Imam, waar drie of vier vrouwen, naakte kinderen dwars op de heupen dragende, mij nieuwsgierig opnemen. Hier ontmoet ik Toekoe Loöng, die inmiddels aangekomen is en mij opzoekt; weldra gaan wij te zamen weder naar het oude huis terug. — Maaide Toekoe heeft ook hier allerlei zaken te behandelen, en verlaat mij dus weder. In den loop van den avond komt hij mij nog bezoeken.

Gedurende mijne afwezigheid heeft men mijne kamer Avat opgeknapt, door de wanden met doek van verschillende kleuren te behangen. Des avonds val ik in slaap, onder het godsdienstig gezang der geloovigen.

Dinsdag, 11 Januari. Ik heb den Kedjoeroean gezegd dat ik dezen morgen bij het aanbreken van den dag naar Paroi wilde vertrekken, om van de frissche ochtenduren te profiteeren. Mijne bedienden en de verder te

-ocr page 192-

184 AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

mijner beschikking gestelde personen sliepen van nacht in mijne nabijheid; mijn groote koffer en verdere zware goederen zijn in eene prauw geladen en gaan dus over zee, terwijl wij de kust volgen.

Ten zes uur heeft mijn gansche gevolg reeds gegeten en gaan wij op weg. Van Aden krijg ik een wapen ten geschenke, dat zijn vader vroeger gedragen heeft.

Bij het oversteken van eene rivier vinden wij eene brug, die den vorigen avond ten onzen behoeve gemaakt is. Zij is vrij eenvoudig: eene dikke bamboe, in het midden door eene vork ondersteund, en eene dunnere die, iets hooger geplaatst, als leuning dient. — Wij trekken verder door peper-, koffie- en suikerriet-tuinen , en zien onderweg een groote bamboezen kooi, die dient om apen te vangen — een „apenvalquot; dus —, waarin, als lokaas, eenige pisangs. De kooi is zoodanig ingericht, dat de apen er wel in, maar niet weer uit kunnen gaan; daartoe is de ingang kegelvormig, met het nauwe einde aan de binnenzijde, en de apen, zich door de bamboelatten heenwringende om de pisangs te bereiken, kunnen die latten, die als met eene punt naar elkander toeloopen, niet weer genoeg van elkander verwijderen om te vluchten.

Bij Paroi hebben wij een prachtig vergezicht, tot aan de eilanden Poeloe Nassi en Poeloe Bras toe. De grond schijnt ook hier uitstekend vruchtbaar. Gedurende den oorlog zijn vele lieden naar Paroi uitgeweken; sommigen hebben zich daar voor goed gevestigd en beginnen peper of koffie te planten.

Woensdag, 12 Januari. Ik heb mij van daag liederlijk verveeld, en geërgerd. Daar hebben we nu drie dagen besteed om van Loöng tot Paroi te komen, — een afstand, dien men gemakkelijk in één dag zou kunnen

-ocr page 193-

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH. 185

afleggen — en thans moeten we nog te Paroi blijven wachten. De Kedjoeroean zou zich reeds gisteren bij ons voegen, maar is heden nog niet verschenen. . . .

Ik blijf uren lang uitgestrekt op mijn veldbed liggen, onder een atappen afdak, en tracht mij aldus in het onvermijdelijke te schikken, maar het gaat mij slecht af. Telkens tuur ik in de verte, — maar Zuster Anna ziet nog niets komen!

De eenige afleiding, die zich aan mijn oog vertoont, is enkele malen eene schoone vrouw, met lang zwart haar, die in vorm, houding en gang belangstelling opwekt. Zij haalt water uit een put, en draagt daartoe eene koperen kruik op de heup. Zij doet mij denken aan een dier bijbelsche tafereelen, die men zoo dikwijls op platen en prenten afgebeeld vindt.

In het denkbeeld dat een Europeaan zeker van alle dingen verstand heeft, bracht men mij gisteren een ziek kind, dat ik maar moest zien te genezen; of ik al zeide dat ik geen doctor was, ik was verplicht als zoodanig op te treden. Heden kwam dat kind weder terug, onder geleide van eenige inlanders, waaronder ook de straks-bedoelde vrouw. Ik heb eenige reden om dit te betreuren , want mijne betoovering is verbroken; van nabij gezien zijn hare trekken te grof. Haar gelaat blijkt eenige overeenkomst te hebben met dat van een fraai standbeeld, dat op een hoog voetstuk is geplaatst, en waarvan de trekken opzettelijk wat scherper worden gemaakt om o p eeni-gen afstand nog goed gezien te worden.

Gisteravond heb ik, bij maneschijn, eene wandeling-door de kampong en naar de Mandarsah — het bedehuis der kampong — gemaakt; in dit gebouw was men aan de godsdienstoefening bezig. Vele mannen, elk met een groot zwaard in de hand, liepen heen en weder; ik was de eenige ongewapende. Een oogenblikje ben ik

-ocr page 194-

186 AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

op eene bamboezen horde gaan zitten om aan Radja Machmoed — die hier vrij wat gunstiger indruk op mij maakt dan bij zijn komst te Loöng, en nog al een aardige , levendige jongen blijkt te wezen — een en ander over Europa te vertellen. Een aantal inlanders, die waarschijnlijk weinig van mijn Maleisch verstaan, zitten niettemin aandachtig te luisteren, — totdat op een gegeven oogenblik de stem van den Hadji (geestelijke) weerklinkt en allen zich aan den godsdienst gaan wijden.

De Kedjoeroean van Loöng is een uitstekend man, maar hij heeft slechts één gebrek: die eeuwige „zakenquot;, die hem overal ophouden. Mijn geduld is ten einde, en ik geef aan Toekoe Abas, die zich mede te Paroi bevindt , te kennen dat ik niet langer op den Kedjoeroean wensch te wachten; ik wil nu maar de kust volgen totdat ik weder in Groot-Atjeh terecht kom. Maar Toekoe Abas acht dit ten eenemale onraadzaam, omdat de weg langs het strand veel te gevaarlijk is; hij zou mij niet willen helpen en ik zou niemand krijgen om mij te vergezellen.

Dientengevolge besluit ik, mij in te schepen op eene prauw, die juist gereed ligt om van avond naar Kroeng Raba te vertrekken.

.....Ik heb Raden Achmed, de versterkingen van

Boekit Seboen en Pakan Badak, en eindelijk Olehleh en Kota Radja teruggezien. Hier is weinig veranderd gedurende mijne afwezigheid; de laatste sporen van de overstrooming van November zijn verdwenen; de schade, aan wegen, dijken en gebouwen toegebracht, is met den meesten spoed hersteld.

De personen zijn dezelfde gebleven. De generaal van

-ocr page 195-

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH. 187

der Heijden ontvangt mij recht hartelijk en neemt met de meeste belangstelling kennis van den uitslag mijner reis; hij is zeer ingenomen met mijne plannen en belooft mij alle mogelijke medewerking. De Chef van den Staf, de luitenant-kolonel Gey van Pittius, lieeft de welwillendheid , naar de door mij medegebrachte gegevens eene kaart te doen samenstellen. De Heeren van der Zijl bewijzen mij op nieuw gastvrijheid door voor den tijd, dien ik hier nog zal moeten doorbrengen, eene kamer en hunne tafel voor mij beschikbaar te stellen. Allen, met wie ik verder in aanraking kom, beijveren zich om mij, waar zij kunnen, van dienst te zijn.

Van één persoon moet ik nog afzonderlijk melding maken: van den waardigen, door roomschen en protestanten beide vereerden en geachten pastoor Verbraak, die mij vooral gedurende mijn eerste verblijf in Atjeh, toen hij mij in zijn bamboehuisje herbergde, bijzonder aan zich heeft verplicht. Hij is sinds langen tijd de oudste Europeesche bewoner van Groot-Atjeh, en schijnt volkomen tegen het klimaat bestand te zijn. Door zijne tevredenheid in zijnen niet altijd benijdenswaardigen toestand, door zijn onverstoorbaar goed humeur, door zijne verdraagzaamheid, door zijne levenswijze , in één woord door zijne geheele persoonlijkheid , is hij een voorbeeld voor velen. Toen, den 30quot; November 1880, bij de inwijding van de loge der Vrijmetselaren te Kota Radja, door den feestredenaar werd getuigd: „Wij hebben te Atjeh eerbied gekregen voor de geestelijken van verschillende gezindheden, die, te midden van oorlog en ziekten, met groote zelfverloochening hunne roeping volgden en zooveel hulpbehoevenden troostten en opbeurden,quot; — toen had hij in de eerste plaats den pastoor Verbraak op het oog. Deze is een van die Christenen, bij wie de liefde, volgens de les van Paulus,

-ocr page 196-

188 AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH.

alles „bedekt, hoopt, gelooft en verdraagt.quot; O, mochten allen zoo zijn als hij!

Den 2Gn Januari ben ik eindelijk geheel gereed om Atjeh te verlaten. Inmiddels heb ik den Kedjoeroean van Loöng hier ontmoet; hij brengt mij nog eenige geschenken mede, die het ethnographisch museum zullen verrijken, biedt mij duizende verontschuldigingen aan voor zijn achterblijven, wenscht mij eene voorspoedige reis naar mijn vaderland en een spoedigen terugkeer naar Loöng, ter uitvoering van mijne plannen, — die thans evenwel, ten gevolge der omstandigheden, nog altijd plannen gebleven zijn. Allerhartelijkst is het afscheid van de vele Nederlanders, die ik in Atjeh heb leeren kennen; zij hebben mij mijne taak aangenaam en gemakkelijk gemaakt, en ik blijf hun dankbaar daarvoor. Moge het hun en hunne opvolgers gegeven zijn, binnen weinige jaren dit land geheel tot rust en voorspoed te brengen, zoodat landbouw en handel daar tot hooge ontwikkeling geraken! Thans wordt nog, door velen in Nederland, Atjeh beschouwd als een wespennest, waarin men zich op een onzalig oogenblik heeft gewaagd; — eenmaal zal de tijd aanbreken, waarin men erkennen zal, niet te vergeefs goed en bloed te hebben veil gehad voor de vestiging van Europeeschen invloed, en daarmede van Europeesche beschaving, in het Noordelijk gedeelte van het schoone Sumatra!

-ocr page 197-

INHOUD.

EERSTE HOOFDSTUK.

Bk.

VERTREK NAAR HET BINNENLAND...........1

Een boodschapper van den Kedjoeroean. — De Atjeh-oodog. — De Generaal van der Heijden. — Groot-Atjeh. — Olehleh en Kota Radja, de havenplaats en de hoofdstad. — Eene Indische overstrooming. — Vertrek van Kota Radja. — Bezwaren, door een rijksdaalder opgeheven. — Het Mohammedaansch gebed. — De vorst van Waylah, over den moord, in Tenom op twee Fransche reizigers gepleegd. — Een brief, door een inlandschen schrijver opgesteld. — De dragers van mijne bagage, door den Kedjoeroean gezonden. — Eindelijk op reis ! — Oponthoud te Padan Badak. — Militaire marsch naar Anak Paja. — De versterking van Kroeng Raba. Raden Achmed. — Gedetacheerde officieren van het Neder-landsche leger. — De duinen en het strand. — Een nacht onder den blooten hemel. — Eindelijk aan boord !

TWEEpE HOOFDSTUK.

01\' DEN INDISCHEN OCEAAN.............49

Eene Atjehsche prauw. — Maïman roept den wind. Oponthoud te Lepong. — Beleefdheidsbewijzen. — In de moskee. — De ballingen. — Inlandsche losheid en Europeesche stijfheid. — De afsluiting der erven in de kampongs. — Parol, de tweede aanlegplaats. — Altijd zaken! — Ik trek mij terug in mijne tent. — Voorkomendheid van den vorst. — Een keukenpraatje. — De nicuws-gierigheid, door een blanke opgewekt. — De straatjongens tc Paroi. — Een spelletje aan het strand.

-ocr page 198-

INHOUD.

Biz.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN FEEST TE PAHOI ...........68

Aanzienlijke Atjehers. — Wapens en kleedingstukken. — Versieringen. — Het sirihkauwen. — Eene geïmproviseerde tribune. — Een karbouw geslacht. — Toebereidselen tot het feest: de eeretafel. — De Kedjoeroean en Toekoe Abas. — De overlevering in eere gehouden. — Atjehsche vormen. — De groote vergadering.

— Sprekers en verkozenen. — De wijding. — Weder aan boord.

— Eene maaneclips. — Vrijmoedig oordeel en vrijheid van spreken bij de Atjehers. — Ontscheping in de baai van Petoeloet. — Voor den dienst van den vorst. —• Aankomst in de woning van Toekoe Loöng.

VIERDE HOOFDSTUK.

LAND EN VOLK VAN LOÖNG ... .........84

Inrichting van mijne kamer. — Ochtendwandeling door de kampong. — Een Chineesche goudzoeker. — Weer een feest. — Ontdekkingstochten en opnemingen. — Een landgoed beschikbaar. — De rivier van Loöng. —• Een bergstroom. — Ontmoeting met Pan-djoela. — Koffleaanplant te Loöng. — De geschiedenis van den Kedjoeroean. — Zijn leger en zijne politie. — Bijgeloovige vereering, die hem bewezen wordt.

VIJFDE HOOFDSTUK.

IN DE VERSTERKING VAN DEN KEDJOEROEAN............• 106

Een ongelukje. — Vertrek mijner bedienden. — Ik geheel alleen onder de Atjehers. — Beleefdheden van den Kedjoeroean. — Hoe men hier arbeidt. — Eene nachtelijke verschijning. — Gesprek over de bedoelingen der Nederlanders. — Inlandsche geneesmiddelen.

— De vrouwen van den Toekoe. — Bloedschuld en vergiffenis- — De verzoening. — Verdeeling van de boete. — Hervatting der opmetingen. — Een tijgerklauw, in het zand afgedrukt.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET CONTRACT. — VOLKSFEEST EN WAJANGSPEL......121

Afstand van gronden. — Het contract. — Een os geslacht. — Radja Machmoed. — Loöngsche etiquette. — Vriendschap met de bevolking. — De wajang. — De halé-halé. De troep van Pang-Abas.

— Het orkest. — Hoe langer hoe doller! — De critiek.

190

-ocr page 199-

INHOUD.

Bk.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

fiROOTE VISCHVANGST. — CHINEESCHE MIJNWERKERS 132

Een waar geloovige. — Gemeenschappelijke afstamming der Fransehen en Arabieren. — Bij de Chineezen. — Een mislukt feestmaal. — Eene suikerfabriek. — De vischvangst. — Mijne groote dapperheid. — Bespiegelingen over kleeding. — Begrippen van welvoegelijkheid. — De weg naar de goudmijn. — Een Chi-neesch huis. — Altaar en offerande. — Er is maar één God! — Een slachtoffer van den tijger.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

TIJGERS. — ATJEHSCHE ZEDEN............• • 142

De nieuwjaarsdag. — Doerian. — Tijgergeschiedenissen. — Voorbereidselen voor den tijgerjacht. — Hoe Pang-Abas booze geesten heeft ontmoet. — Aripan knorrig. — De Atjehers spreken hun naam zelf niet uit.—De Menscheneter. ■— Hoeveel slachtoffers een tijger maakt. — Bezwaren, bij de opnemingen ondervonden. — Klapperwater. — In eene Atjehsche kampong. — Een schitterend maal voor weinig geld. — Agio. — Atjehsche processen: een man die zijn dochter uithuwt zonder vergunning- — Eene echtscheiding.

NEGENDE HOOFDSTUK.

EEN UITSTAPJE NAAR HET GEBERGTE..........159

Hoe men zich van dragers voorziet. —Warme kleeding tusschen de keerkringen. — Een heidebrand. — Onzichtbare tijgers. — Koffietuinen. — Een verlaten perceel niet papajas. — De woning van een koffieplanter. — Een indiscbe knijpdoctor. — Zucht naar titels, ook bij onbeschaafde volkeren. — Onze slaapkamer. — Onze toekomstige onderneming; de bevolking en de vorst. — Terug naar de versterking. — Een bad tot besluit van den dag.

TIENDE HOOFDSTUK

AFSCHEID VAN LOÖNG. VERTREK VAN ATJEH........172

Afscheidsreceptie. — De panglima van Kloewang. Toekoe Din, Mohammed Ta-oei. — Ruwheid en schrik van Maïman. — Euro-peesch overwicht. — Geschenken der Atjehsche hoofden. — De dag van vertrek. — Afscheid van de dames. — Reis langs het strand. — De missigit van Blang Mé. — Toekoe Hadji. — Hoe men de koorts verdrijven moet. — Wij gaan naar KroengKala.—

191

-ocr page 200-

INHOUD.

Een kamponghuis. — Keukengereedschap. — De Toekoe heeft weder allerlei zaken. Ik ga vooruit, naar Paroi. — Eene bamboezen brug en eene apenval. — De Kedjoeroean laat mij in den steek.

— Verveling en afleiding. — Over zee naar Kroeng Raba en verder over land naar Kota Radja. — Mijne verplichtingen aan de Nederlanders. — De pastoor Verbraak. — Mijn vertrek van Atjeh.

— Mijne wenschen voor de toekomst van dit land.

192

-ocr page 201-