■-
I
1
c UFFROUW LI IJ A.
\\
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1407 3211
JUFFROUW LISA.
EEN PORTRET
DOOR
MARCELLUS EMANTS.
\' S-GrEAVENHAGrE. — W. CEEMER. 1888.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT U T R E C H Ti
TYP. ZUIO-HOIL. BOEK- EN HANOELSOItU«E«U.
JUFFROUW UIA.
EEN PORTRET,
-«Êg«-
.... et la nourricière du cauchemar et de la peur, l\'imagination, l\'emportait aussitót....
J. K. Hüusmans. (Eu rade.)
i-vv tx . «-■
I.
1 fschoon beneden het werk al in vollen gang . — dat hoorde hij aan het knarsen van de . r! p en het klotsen der klompen over de kelder-iivden — lag Jan Prank nog onder de dekens. ;^ j wist wel, dat het benauwd was in de één-en terige pijpenla, die \'s zomers zijn vrouw en h tot slaapvertrek diende; hij hnnkerde ook naar de frissche morgenlucht, die hem weer wat lt;gt;1 /jou stijven; maar na zijn bezetting op de ■Di\'st werd hij nooit goed uitgerust wakker, lt;quot;U Iken dag kostte \'t hem meer moeite zijn bed te verlaten.
1
2
Evenwel, van uitstel kon tocli geen afstel komen. Met een zwaren zucht rees hij dus overeind , en eenmaal op de been, had hij ook binnen twee minuten de grauwe, gelapte, bombazijnen broek aangeschoten, het gescheurde, blauwe boezeroen zich over het hoofd getrokken, en de vette, zijden pet scheef op zijn sluike, grijzende haren geplakt. Geeuwend rekte hij zich nog eens uit, daalde toen op zijn zwarte kousen het drietal treden af, dat de kamer hooger lag dan de gangvloer, en stapte beneden in een paar gereedstaande klompen.
Een blik door de openstaande kelderdeur werpend, zag hij onder het verwelf zijn vrouw Lina in haar roodbruin, proper morgenjak, een zwarte muts op de donkere, gladgestreken lokken, voor-overgebukt de halfvolle teilen afroomen. Toen hij zich omwendde, schoten Ant en Griet, in vuile jakken en rokken gehuld, de magere armen half ontbloot, de slordige haren weggefrommeld ondci groezelige katoenen netjes, haastig stappend, hem voorbij, om zwijgend, met gebogen hoofden, den kelder binnen te glippen.
Zonder een goeden morgen te wensclien, keerde hij zich naar den ledigen koestal, die recht tegenover den ingang lag, nam daar een hemels-
3
blauw juk met dito emmers op, hing het zich om de schouders, en trad naar buiten.
Hoewel het eerst Juli was, zweefde een dikke morgennevel over de velden; het doffe groen van de omliggende weiden smolt weg in het grijs van den mist. De lage woning met haar twee logge hooibargen, haar moestuin met drie reeksen grillig vertakte appelboomen, de zware massa der linden- en iepen kruinen, en het dichte kreupel-boschje naast den oprit, geleek in den bleeken damp een spookachtig eiland in een grijze, Noordelijke zee.
— „We kraige \'t nog warm van daag, Wout.quot; Jan richtte deze woorden tot een oud, ineengeschrompeld mannetje, dat juist een emmer vol schuimende melk in de blinkende, schommelende vaten overgoot, die, achter een dicht latwerk, ronddreven op het donkere water van den koelput.
— „Da\'s te ope ook, baas.quot;
De kleine oude goot zijn tweeden emmer uit, en Jan deed een paar slagen met den knarsenden pomparm om het water te ververschen. Daarna vatten beiden zwijgend de blauwe jukken weder op, en verdwenen in den mist, die recht omhoog zich reeds begon op te lossen in het diepe blauw van den zomerhemel.—
4
Toen de mannen met volle emmers uit de wei terugkeerden, zagen zij door het kelderraam, dat Lina beneden plaats had gemaakt voor haar stiefdochter. Van de vijf en zeventig bruin aarden melkteilen, die in lange reeksen stonden aaneen-geschaard, waren er vijftig verdwenen, en terwijl Griet, de meid, den eenen emmer water voor, den anderen na, over de steenen keldertreden uitgoot, joeg Ant, Pranks dochter, met krachtige bezemstooten, het bruinende vocht over de roode tegels voort, totdat het door een donker gat aan den overkant schuimend wegliep.
Intusschen stond boven, in de dwarsgang, die den kelder met het overluifelde steenen vloertje achter het werkhuis verbond, vrouw Prank, huiverend door de killende morgenlucht, de stijfheid van den room, welke aanstonds gekarnd zou worden, in de staar te onderzoeken. Zoodra zij hiermede klaar was gekomen, wierp Griet de kelderdeur toe, en dadelijk golfde het water ook over de schel blauw aangestreken gangtegels, totdat Ant het nogmaals voortstuwde, en ter nauwernood troebel van stof, over de dorpels van voor- en zijdeur naar buiten dreef.
Nu werden de beide gangen insgelijks gesloten stilte en duisternis keerden er weer. De vrouwen
rokken zich in het werkhuis terug, dat onder ;iju laag dak als een onsymmetrische zijvleugel egen de woning aanlag, en- slechts de diepte had Ler beide voorkamers van het hoofdgebouw.
Hier binnen tochtte \'t al licht, wijl de twee ieuren vlak tegenover elkander stonden. Daarom lad Prank er aan het voorvenster, met een houten leschot en een plankier, een kamertje in doen izonderen, dat \'s zomers als woonvertrek dienst leed. Aan dit kamertje, waarin het loover van wee statige linden een zwaarmoedige duisternis nderhield, grensde de karnmolen, die zijn recht-Loekigen arm door den muur heen stak, vlak .chter het beschot.—■
Met de kalme haast van opgewonden automaten olbrachten de drie vrouwen haar morgentaak. loogst zelden wisselden zij een paar woorden; ,ls een spil of een tand der machine snelde ieder onder aarzeling voort in het afgebakend spoor, \'ij deden heden, wat zij gisteren gedaan hadden, aorgen doen zouden, en aldus ging het ochtendwerk even maanden van de twaalf onveranderd door.
Sinds haar negentiende jaar der saaie een-onigheid van het landleven ontwend, en in tadsdiensten gewoon geraakt aan een dagelijksch \'erkeer met knechts en leveranciers, die haar
6
van al wat er voorviel beter op de hoogte hielden dan de uitvoerigste courant, had Lina, in de eerste maanden van haar huwelijk met Prank, zich op de woning afgesloten van de wereld, aan het leven ontrukt, als in een graf gevoeld. Zij begon nu wel aan de eentonigheid te gewennen; maar het werk, waarvoor zij geen hart had, bleef haar vermoeien, en dikwijls deed zij \'t een of ander verkeerd, wanneer zij, tot ergernis van Ant, in gedachten was.
Terwijl Griet, geen tochtje vreezend, tusschen de twee open deuren voor de kachel stond, om eerst de warme melk te scheppen uit de groote, vastgemetselde koperen kuip, waaronder zij een uur geleden het vuur al had aangelegd, dan de koffie op te zetten voor het ontbijt, voegde vrouw Prank aan de afgeroomde melk, die nu in twee blauwe, houten vaten was overgestort, een lepeltje leb, vier kom karnemelk en eindelijk ook de gewarmde melk toe. Daarna roerde zij het vocht om, overdekte het met grauwe doeken, en liet het vanzelf schiften, opdat de mannen er de dagelijksche komijne kaas van konden maken, die vier en twintig uren later, uitgeperst en met het teeken der gekruiste sleutels gestempeld, in den stal naast hare voorgangsters zou worden tentoongesteld.
7
Ondertusschen had Griet in de koperen kuip na de melk water gewarmd, en Meruit putte Ant om buiten elke teil, elke pan, elk deksel, elk kopje, eerst vóór dan na liet gebruik, zorgvuldig af te wasschen. Snel heen en weder loopend , morste zij telkens onder het afdak een reeks van droppels, die samensmeltend plasjes vormden, waaruit, tusschen de gele steentjes door, kleine beken naar het doorweekte zand sijpelden, dat het vocht maar langzaam verzwolg.
Zwaar viel Lina steeds het overstorten van den room door een zeef in de karnton, en zoo dik-i wijls het dunne bloed haar door de krachtsinspanning met eene dusdanige hevigheid naar het hoofd steeg, dat zij, hijgend en duizelend, met gesloten oogen even het werk moest staken, rees de vraag in haar op:
„ Zu\'k \'t nog wel waard, dat deze man me in z\'n huis heeft genomen?quot;
Toch dacht zij er nooit aan de hulp van Ant of van Grriet in te roepen. Ieders taak was afgepaald, en van haar mocht men wel kunnen getuigen: zij doet te veel; doch nooit: zij doet te weinig. Gelijk zij eertijds in verschillende diensten had gezorgd en gezwoegd voor haar menschen, zoo zorgde en zwoegde zij nu in \'t huwelijk voor
8
liaar man; en \'t was geen bluf, dat zij durfde verklaren:
— „ Zoolang m\'n beenen me kannen dragen, leg ik de bijl d\'r niet bij neer.quot;
Wel gaven haar gezetheid, haar bolle, rood-dooraderde wangen en lichtende, bleekblauwe oogen aanleiding de onderschatting van eigen lichaamskracht voor overdreven te houden; maar Prank, die haar nu twee jaren lang had gadegeslagen, vertelde aan wie \'t maar hooren wilde, dat die dikte, die kleur en die levendigheid niemendal te beduiden hadden.
„ \'t Mensch wordt opgevrete van de zenewe, en al wat ze doet is overspanning.quot;
Juist toen de karnton was gevuld, en recht onder den arm van den molen tegen den krijt-witten muur geschoven, schoten door voordeur en raam de eerste zonnestralen, als op de frissche wieken van een windstoot, naar binnen. Door het kamertje heen drongen zij een oogenblik, een inwaaienden zilveren stofregen gelijk, tot achter in het werkhuis, maar op dezen weg doofde de dichte schaduw der linden hen aanstonds weer uit. Langer bleven zij door de deuropening naar binnen golven, zich spiegelend in den bovenrand van de koperen kuip, kantlichten toove-
9
rend op liet zwarte ijzer van de kachel, weerkaatsend tegen de helder gewitte schoorsteenkap met haar reeks blauwe borden en haar val van glimmend zeildoek. Tegelijkertijd ruischte de wind door het gebladerte; een warme luchtstroom, die naar versch gemaaid gras rook, verdreef den killen morgenmist; de zomer ontwaakte.
Vrouw Prank, die de karndruif in den lijvigen room had neergeduwd, en het doorboorde deksel om den steel gelegd, kon niet nalaten even om te zien, en, met de handen in de zij, een langgerekt, voldaan: „Haaaaquot; te laten weerklinken. Haar oogen werden zoo groot mogelijk , haar wenkbrauwen welfden omhoog, haar bleeke lippen gingen langzaam vaneen, kuiltjes verdiepten haar wangen, en lange, vlakke plooien rimpelden haar voorhoofd, \'t Was of het zonlicht ook in haar geest de nevelen verjoeg en een vroolijken glans uitspreidde over de beelden, die daar sluimerden. Een paar passen brachten haar bij de voordeur, en in de omlijsting van het lindengroen, de zware stammen cn de dorenhaag voor moes- en bloementuin , zag zij, over het verschiet van bleek bedauwde weiden heen, het breed gestrekte, staalgrijze silhouet der stad, wier schuin toeloopende torenspitsen en kaarsrechte fabrieksschoorsteenen
10
zich nu duidelijk afteekenden tegen liet wazige blauw van den hemel.
Reeds ging zij er binnen; reeds doemden allerlei \' herinneringen voor haar oogen op, toen zij zich meteen schok weer omwendde: het werk ging voor.
Ant en Griet hadden noch haar plotselinge verrukking gedeeld, noch er zich over verwonderd. De eerste, met haar welgevormd, opgeruimd, uitdrukkingsloos gelaat, haar veerkrachtig, mager, grof gebouwd lichaam, was even onverschillig als gelijkmatig blijven doorwerken; de andere, klein maar sterk, werkzaam doch nurksch,. had nieuwe takkebossen onder de koperer kuip geschoven en de kachel opgepookt, gelijkelijk ongevoelig voor de koesterende warmte van de vroege zonnestralen als voor den zengenden gloed der twee vuren.
Vrouw Prank keek beiden eens aan, zuchtte, en riep met schelle stem, om het klotsen der klompen , het rammelen van den pook en het krijschen van den borstel te overschreeuwen:
— „Haal ie Koos?quot;
Zonder een woord te spreken wierp Ant haar borstel in den emmer, vouwde haar voorschoot om, een punt tusschen band en jak stoppend, en verdween met zware, haastige stappen in den stal.
Lina maakte den steel, die uit de karnton op-
11
rees, met houten pennen aan den molenarmvast; Ant keerde terug, een log, zwart paard bij den kop leidend, dat zich met uitgestrekten hals liet voorttrekken, en weldra was Koos voor den molen gespannen, begonnen de raderen te knarsen, danste de druif in den room op en neer, dreunde het rliythmisch gestamp van de karn met oorverdoo-vende galmen door de kleine ruimte.
II.
Thans ging vrouw Prank het afgeschoten kamertje met zijn roodbruin beschot, zijn kleine ruiten en zijn laag neerhangend gordijn binnen. In een donkeren hoek opende zij de deurtjes van een lage kast, en nam er, op het gevoel af, een lang bruin brood, een zware homp komijne kaas en een pot boter uit. Aan de tafel gezeten, waarop het aardewerk ontbijtservies al klaar stond, haalde zij haar snuifdoos voor den dag, en zuchtte weer diep. Na de eerste vier uren van onafgebroken staand werk voelde zij zich altijd geknakt in de knieën, moe in den rug, en treurig gestemd.
Terwijl zij werktuigelijk eerst voor den maaier, neef Kees, en Toon, den arbeider, zes stevige boterhammen, rijkelijk met boter besmeerd en met kaas belegd, benevens drie kommen in een mand
12
deed, daarna de dikke sneden voor Jan, Ant, Griet, Wonter en zich zelve op borden neerlei, ging zij nu werkelijk in gedachten de stad binnen, dwaalde er door de straten, bezocht er het huis, waarin zij meer dan twaalf jaren had gediend en geheerscht.
De stilte van het buitenleven drukte, ja, verstompte haar; maar zoodra de karnmolen zijn zwaren, daverenden dans begon, leefde in dat gedruisch haar phantasie weer op, en verdiepte zij zich in het verleden, dat haar zoo dierbaar was, of aanschouwde zij de toekomst, die de kroon moest zetten op haar leven. Van daag was zij weer bij mevrouw van der Wal in de keuken. Na het diner traden de huisvrienden binnen om hunne sigaren aan te steken en jufirouw Lina een compliment te maken over haar kookkunst. Zij hoorde al de bekende stemmen, en slaagde er in de heerlijke gewaarwording van gestreelde ijdel-heid terug te roepen, waaraan zij den naam gaf van zelfvoldoening over volbrachten plicht. Ook deelde zij wenken uit aan onervaren dienstmeisjes en hield zij strafpredicaties tegen oneerlijke knechts. Eindelijk verscheen Jan Prank, die haar vroeg of zij zijn tweede wilde zijn.
Zij herinnerde zich alles precies, en dacht er nog gaarne eens over na.
13
Niet weinig had liet voorstel haar verrast; want ofschoon Prank, die wekelijks boter en eieren bracht, haar geregeld raadpleegde zoowel over de ziekten van koeien en hnisgenooten, als over geldzaken en andere wederwarigheden, was denman toch nooit een woord ontsnapt, dat ook maar van buitengewone vriendelijkheid getuigde. Een oogen-blik had zij zichjzelfs beleedigd gevoeld, daar zij liaast even hoog boven hem meende te staan, als boven het gewone slag van dienstboden.
\'t Is waar, ook haar vader was landbouwer geweest; maar deze Gr elder sche grondbezitter en een Hollandsche pachter konden — meende zij — niet op ééne lijn staan, en daarenboven overschatte liaar trots den afstand, die hen scheidde.
Hooghartig zou zij Pranks aanbod dus van de hand hebben gewezen, ware juist destijds haar gezondheid niet aan het kwakkelen geraakt. De dag naderde, waarop de taak van keukenmeid-huishoudster haar te zwaar moest worden, en meer en meer benauwde haar de vraag:
„Wie zal voor m\'n kind, m\'n Maria zorgen, as ik ens weg zunt?quot;
Toch had zij Prank het jawoord niet gegeven zonder eerst haar dokter de tweede vraag voor te leggen:
14
„Zu \'k nog flink genog voor \'t vermoeiende boerenwerk, en zal \'k m\'n man niet dadeliks tot \'n blok an \'t been worden?\'\'
Het antwoord bad geluid: „ de buitenluebt zal je zeker opknappenquot;, en daarna was de dubbele begeerte in haar ontwaakt zich onmisbaar te maken voor het gezin, waaraan de moeder kort geleden was ontvallen, en een vraagbaak te worden voor de dorpelingen, wier kennis en eigenzinnigheid zij veel te gering achtte.
Dat de werkelijkheid nog steeds niet aan haar wenschen beantwoordde, Ant haar nooit raadpleegde, soms integendeel uitlachte, Jan haar met een onverschilligheid begon te behandelen, die reeds aan minachting grensde, het meerendeel dei-dorpelingen haar schuw ontweek, kon zij zich moeilijk ontveinzen. Zij had evenwel een te groote behoefte aan bewondering, en deed te veel haar best deze te vervullen, om haar dubbele hoop te kunnen opgeven. In haar sterk ontwikkeld \' visionair leven verwijlde zij meestal met gewone menschelijke zelfverblinding bij de oogen-blikken, waarop haar ij delheid was gestreeld geworden, en maakte zich dan gemakkelijk diets, dat ten langen leste de stralenkrans van plichtsbetrachting , arbeidzaamheid, trouw, eerlijkheid,
15
kunde en talent, dien zij haar slapen voelde sieren, ook door haar nieuwe, minder beschaafde omgeving zon worden opgemerkt.
Moe en aangegrepen van het werken, maalde zij zich nu het beeld van den gehoopten ouden dag weer met levendige tinten af, en verwijlde vooral bij de Zondagen, als zij in haar beste plunje met Jan, Ant en Kees dorpwaarts zou gaan. Heeds bij haar eerste kerkgangen was er in de buiten wachtende groepen gegluur en gefluister geweest, wanneer zij met deftig lange schreden op het statelijke gebouw toetrad. Zij had er niet aan getwijfeld, of de faam was haar vooruit gesneld, en die blikken, die woorden getuigden alleen van eerbied en ingenomenheid. Later was \'t eenige malen gebeurd, dat de domineesvrouw, wie inderdaad geruchten van Lina\'s kookkunst ter oore waren gekomen, onder het naar huis wandelen terechtwijzingen had gevraagd omtrent het inmaken van groenten, en toen eindelijk de stroeve notaris, een oude lekkerbek, haar uitgenoodigd had eiken Zondag, na afloop van den dienst, bij zijn wederhelft, die nooit haar huis verliet, koffie te komen drinken, was zij er zeker van geworden eenmaal het voorwerp van aller liefde, aller achting, de hulp in
16
nood, de troost in leed, de bewaarster der geheimen , liet orakel der onkundigen te zullen zijn. — Eensklaps werd het stampen van de karn door een schel gefluit overschreeuwd, dat, als op de vleugelen van den storm, aanzwol en voorbij joeg. Een sneltrein rolde achter den boomgaard om, den grindweg over, op de stad toe; in het lichtvak tus-schen haag en linden zag vrouw Prank boven een verflauwende bruine stip witte stoomwolkj es omhoog rijzen, die kleiner, fletser werden, en verdwenen. r Een rilling voer haar door de leden, en zij moest de koffiekan, die Griet juist had aangebracht, weer uit de hand zetten.
Op hetzelfde oogenblik werd de voordeur toe-gesmakt, en trad Jan, zijn eindje pijp rookend, het kamertje binnen.
— „Zol ie noe willen gelooven, da\'k m\'n angst voor dien overweg maar niet kwijt kan raken? Zoo dikwijls dat ijzeren gevaarte achter \'t pirjeel voorbij schiet, verbeeld ik me altoos, dat er daar een mensch overrejen wordt. Ie zal zien, as dat er nog ens \'n ongeluk gebeurt! \'t Most niet gepermitteerd wezen, zoo\'n lokometief dwars over \'n weg te laten rijen.quot;
Jan haalde zijn hoekige schouders eens op, en streek onverschillig een lucifer op zijn broekspijp aan.
17
— „\'t Spoor raidt nou al ach jaar, en d\'r is nog nooit niks voorgevalle.quot;
Het geringschattende in zijn toon hinderde Lina.
— „77c zie \'t dan nog voor me asof \'t gisteren gebeurd was-, dat die vrindelike, olde kamerheer van de koning\'met z\'n lange, grijze snorren... hoe hiette hiè ook... ik kan maar geen namen ontholden. Hie woonde op de Heerengracht,... \'t was vlak bij z\'n huis .. . noe, de naam doet ook niet af. . . \'n bleekerswagen ... en dood, hoor, liartstikken dood!quot;
Kalm zijn pijp aantrekkend, trachtte Prank in slepende, onvoltooide zinnen te bewijzen, dat een locomotief op spoorstaven veel minder gevaarlijk is dan een bleekerswagen voortgetrokken door een schichtig paard.
Lina echter luisterde al niet meer; dat bewees haar starende blik. Het beeld van den kamerheer, die haar eens in de wangen had geknepen , was in haar geest opgerezen, en zy lierinnerde zich welk een duchtige terechtwijzing de oude heer voor zijn vrijpostigheid had geoogst.
Prank had al pratend juist den dop op zijn pijp gezet, toen zich Wouters kleine, verdroogde gestalte in de deur vertoonde. Tot dezen gewend, besloot hij met de vraag;
2
18
— „Nou?quot;
— „Ze vrete weer allemaal, baas.quot;
— „En geen vlakke?quot;
— „Niks.quot;
J au knikte eens, maar geen spier van zijn vaalgeel, gerimpeld gelaat, waaraan dunne, grijze wenkbrauwen en ijle, gespikkelde bakkebaardjes niet de minste uitdrukking bijzetten, vertrok, en zijn kleine, diepliggende, flets blauwe oogen, die Wouter ternauwernood van ter zijde hadden aangezien, bleven droomerig over de tafel dwalen. Took had hij vier en twintig uren lang in de vrees verkeerd, dat onder zijn tiental varkens de heerschende typhus zou uitbreken.
— „\'t Benne toch ongelukkige gaste,quot; zei hij eindelijk, geen verklaring kunnende vinden voor het gebrek aan eetlust, dat een drietal gisteren aan den dag had gelegd; en hiermee zou de zaak afgehandeld geweest zijn, ware Lina niet juist op dit oogenblik uit haar mijmerij ontwaakt. Zoodra zij begreep waarvan sprake was, begon zij met een heftig gebarenspel te betoogen, dat Jan zijn varkens nooit goed vet zou krijgen. Haar vader deed dit, haar vader deed dat, en Jan liet alles maar aan zijn lot over.
Green antwoord krijgend, wond zij zich op, sprak
19
over hooge prijzen, die Jan nooit halen zon, over zijn koppigheid in het vasthouden aan slechte gewoonten, over zijn verzet tegen nieuwe uitvindingen, keerde tot de varkens terng, en besloot met de waarschuwing:
— „Ik heb oe genog gezeid, da\' z\' in tijen van ziekte blom van zwavel in d\'r melk motten hebben en krimmetart is ook goed; maar \'t schijnt wel asda^ je tegenswoordig krek doet, wa\'k oe afraai. Noe ... \'t is oe land, \'t is oe woning, \'t znnt oe beesten; ie mot \'t eigens maar weten, en ik zal oe geen raad meer geven eer ie d\'r om vraagt.quot;
Weer haalde Prank zijn schouders op, terwijl iets, dat naar een glimlach zweemde, de nattige uiteinden van zijn dunne, vooruitspringende lippen op en neer bewoog. Het was waar, dat hij hoe langer hoe meer neiging gevoelde LinaJs raadgevingen in den wind te slaan; maar toch kostte \'t hem nog altijd eenigen strijd. De mogelijkheid bleef bestaan, dat zij \'t eens bij het rechte eind had, en wie weet hoeveel schade hij zich dan zou berokkenen. Lina had hem vóór den dood van zijn eerste vrouw — misschien bij toeval — menigen practischen wenk gegeven. Bovendien had zij hem zóó dikwijls van de duizenden gul-
20
dens gesproken , die zij eerst liaar vader, later haar onderscheiden meesters en meesteressen had uitgehaald en wist zij deze phantastische cijfers met znlke weelderige slingers van klinkende, doch raadselachtige woorden, vol eigen lof en ootmoed tevens, te omgeven , dat de lichtgeloovige Prank al spoedig een buitengewoon wezen in haar ■ was gaan aanschouwen: een dnizendknnstenares, • die zag, wat voor anderen verborgen bleef, die nog raad wist, waar de knapsten het adegden. Gevoegd bij de wetenschap, dat zij rentegevende papieren bezat, waarvan hij eens een coupon in handen had gehad, was deze opvatting voldoende geweest om hem er toe te bewegen liever een tweede vrouw dan een tweede meid in huis te nemen. Zonder nu berouw te krijgen over dat besluit — Lina deed voor zijn eerste vrouw toch waarlijk niet onder — was hij allengs wel tot het inzicht gekomen, dat de zaak op den duur niet medeviel.
De rentegevende papieren, erfenis van een spilzieken vader, waren gebleken een bitter kleine waarde te vertegenwoordigen; de groote bezuinigingen en geheimzinnige voordeelen, die hij van haar schranderheid en kunde had verwacht, bleven uit, en terwijl haar gezondheid te wenschen overliet — wat hem vroeger met het oog op haar
21
voorkomen ongeloofelijk had geschenen — trad de overdrijving van haar zelfverheffing meer en meer aan liet licht. Hier kwam bij, dat evenredig-met het slinken van zijn bewondering voor Lina, zijn eigendunk toenam. Had hij voorheen maar al te dikwijls zich zeiven gewantrouwd, soms blindelings anderen nagedaan, wier inzichten hem evenmin steekhoudend voorkwamen, in den laatsten tijd was zijn zelfvertrouwen niet alleen gegroeid, maar zelfs overgeslagen tot een minachting van alle meeningen, die met de zijne streden, vooral wanneer .zij door Lina werden geuit of gedeeld. Als kon hij \'t niet verkroppen, dat haar overbluffende woordenrijkdom hem zoolang had verblind, was liij behoefte gaan voelen aan een onomstootelijk bewijs van zijn meerderheid, en aan deze behoefte liad hij voldaan door zich een candidatuur voor den gemeenteraad, die hij tweemaal bescheidenlijk had afgewezen, bij een derde aanbod te laten welgevallen.
Met zijn verkiezing en onmiddellijk gevolgde benoeming tot wethouder was zijn eigenwaan niet geslonken, en de belangstelling in de publieke zaak, die hem zoo plotseling aanwoei, uitte zich meer als strijdlust in partij-guaesties dan als bemoeizucht met de gemeentelijke huishouding. Nooit
22
liet hij een gelegenheid voorbijgaan om der tegenpartij een hak te zetten; maar van zijn zegepralen genoot hij pas, wanneer hij ze te huis aan de etenstafel ter sprake bracht, en Lina\'s aanmerkingen dan schouderophalend kon afweren met de machtspreuk:
— „Voor zukke dinge is Jn vrouw der oof nie gemaakquot;.
Dat zijn particuliere zaken intusschen door zijn toenemende zorgeloosheid zooal niet achteruit, dan toch evenmin vooruit gingen, wilde hij niet toegeven, en sprong ook minder in het oog, daar Lina\'s ijver het eenvoudige raderwerk dei-boter- en kaasmakerij vrij goed in gang wist te houden.
III.
Achter Wouter aan waren ook Ant en Griet binnengetreden; zwijgend nam het vijftal plaats rondom de vierkante tafel, die tegen het venster stond aangeschoven.
De magere beenen gekruist en met den linker arm den rechter steunend, die de dikke boterham voor zijn mond hield, staarde Prank, ineengedoken als een teringlijder, strak naar de doren-
23
haag. Zijn eindje pijp lag op de tafel bij een stapeltje bedrukte papieren.
quot;VVonter, die naast zijn baas zat, bad zijn korte beenen naar de sport van zijn stoel opgetrokken. Hij Meld zijn brood met beide handen vast, en tuurde al etend op het blauwe landschap van zijn bord.
Lina keek van haar plaats aan het venster naar de huizenreeksen der stad, die allengs flauw rood uit den blauwen schaduwtoon opdoemden, en tegenover baar lagen Ant en Griet in luie houdingen achterover geleund, den blik naar de donkere zoldering gewend, de gedachten bij baar vrijers.
Niemand sprak meer een ganschen volzin uit. Wie zijn kop had geledigd, schoof hem zwijgend naar den koffiepot, en zwijgend schonk de vrouw er nog eenmaal koffie in: voor Ant en Jan met melk en suiker, voor Griet en Wouter met melk alleen. Achter de zware linden en het neerhangend gordijn scheen het bruin geverfde kamertje met een grauwen nevel gevuld, en terwijl de vijf paren oogen doelloos voor zich uit staarden, was \'t of de eentonig stampende karndruif de maat sloeg van de verstompende saaiheid. Zoo dikwijls het dreunende beuken ophield, zonk de stilte
24
suizend neer, en werd liet kauwen en slikken voor een oogenblik lioorbaar. Dan verwonderde Ant er zich over, dat de vliegen het paard met vrede lieten, Jan riep met zijn hooge, heesche stem: „vooroit Koos,quot; en de logge zwarte hervatte zijn cirkelgang. De raderen wentelden weer knarsend rond, en de houten zeef danste van nieuws, met slaapwekkend gelijkmatige horten, op en neder in de ton. •—
Plotseling gaf Jan zulk een harden vuistslag op de tafel, dat al het aardewerk rinkelend opsprong, en Lina, bleek als een doek, een kreet slaakte van schrik.
Een breede dubbele rij van bruine tanden ver-toonend, schaterde Ant het uit; Griet en Wouter kauwden onverstoorbaar kalm door.
— „Nou weet ik in eens wie de liberale kiezer is, die dit smerige pampier teugen me ge-schreve eit!quot;
Iedereen keek den baas aan, die kuchend naar zijn papieren greep; maar niemand deed een overbodige vraag; de uitlegging zou immers wel van zelve volgen.
Inderdaad ontvouwde Prank een strooibiljet, dat hem over de post was toegezonden, en las het langzaam voor, met verkeerde klemtonen, zich
25
telkens versprekend, ternauwernood verstaanbaar door liet galmend stooten van de karn.
Kiezers!
De Heer Jan Prank moet herkozen worden, omdat hij na den dood van onzen onvergetelijken de Runter diens plaats heeft bezet in den Raad. Ofschoon hij pas een groot jaar raadslid en wethouder is, heeft Prank reeds duidelijk getoond, dat de liberalen hem ten onrechte voor een der hunnen hebben gehouden. Yraagt gij bewijzen, zij liggen voor de hand. Heeft hij er zich niet met liand en tand tegen verzet, dat de bejaarde, aclitingswaardige schoolmeester van de opgeheven gemeente Span wijk, die — zooals u bekend is — gedeeltelijk met de onze werd vereenigd, een jaargeld uit de gemeentekas zou krijgen, en is die bejaarde, achtingswaardige man, ofschoon orthodox van beginselen, geen edeldenkendmensch? Heeft Prank ook niet ijverig medegewerkt aan het opmaken van de lijst voor den hoofdelij-ken omslag, die nu ter visie ligt, en waarin zulk een onrechtvaardigheid heerscht, dat al wie de lijst heeft gezien er schande van spreekt? ^ as hij \'t niet, wiens houding in zake de nieuwe Tensscheiding de verbolgenheid van alle eerlijken welgezinden in de gemeente gaande heeft ge-
26
maakt? Neen, kiezers, indien het ware belang der gemeente u boven partijbelang gaat, steunt dan niet langer een man, die zich den naam van liberaal onwaardig heeft getoond; maar geeft uw stem aan Hendrik Vermeer, een liberaal van den onvervalschten stempel, die volkomen met uwe belangen vertrouwd is. „Vrijheid en Rechtquot; handhaaft Prank; \'t is waar; maar het gezag van die kiesvereeniging is merkbaar aan het dalen, en dat een sterke fractie zich van haar heeft afgewend, is voor niemand meer een geheim.
Naar de stembus dus, gij allen, die uw eigenbelang goed begrijpt, en uwe biljetten ingevuld met den naam van
HENDRIK VERMEER.
— „Ja, ja,quot; sprak Wouter met vollen mondr „\'k eb Vermeer al \'n paar maal core noeme.quot;
— „\'t Zei m\'n zorg zain; maar weet je nou wie dat ding geschreve eit?quot;
Wouter zweeg.
— „Ikke wel, oor. Niemand anders dan van der Straete. Pas er is op!quot;
Ant schx-ok. Van der Straeten, de rijke logementhouder van De Gouden Leeuw, was de vader
27
van Willem, die haar jongstleden kermis om een eerlijke verkeering had aangezocht. Vijandschap tusschen de twee vaders kwam haar thans al zeer ongelegen.
— „Kom, ben je mal, quot;Willems vader is ommers ook wetouWer, net as jai.quot;
— „Wetouwer is-t-ie; we benne zoovenl as collega\'s; maar ik eb de burgemeester op m\'n and, en .... da\' kan die nie verzette. Ik eb \'t al lang in de gate, dat ie me nou en dan van die steke onder water geef. As we nog goeie vrinde ware, zou-d-ie dat nie doen; maar ik weet alevel welwaar \'t \'m schoilt, en ik zei \'m ook wel te pakke kraige. Pas er is op.quot;
— „Wach ten minste tot ik getrouwd ben, è.quot;\'
— „Tot jai getrouwd ben? \'t Zou mai nie wondere, as dJr van je eele trouwerai net niks niemendal kwam.quot;
— „Wat?quot;
— „Waarom is-t-ie anders niet, zooas \'t behoort, \'s over de zaak komme spreke? As-t-ie denk, dat jai om \'n man verlege oef te zain, dan eit ie \'t mis, oor. Ai kan fesoenlik ier komme, en eerst mot de geschiedenis met dat pampier de wereld oit zain.quot;
Met kauwen klaar, rees Griet zwijgend over-
28
eind, greep de mand met boterliammen op, nam een ketel koffie van de kacliel, en verliet de woning om den maaier, Kees en Toon, die aan ■quot;t hooien waren, in het veld hun tweede ontbijt te brengen. Op hetzelfde oogenblik vertrok Ant haar gezicht, drukte het grauwe, natte voorschoot tegen haar bruine oogen aan, en begon luidruchtig te huilen.
Lina had nog niets gezegd, maar wel aandachtig toegeluisterd, en daar haar stilzwijgen Jan altijd prikkelde , wendde hij zich nu rechtstreeks tot zijn vrouw.
— „Kom; anders eb ie \'t altaid zoo druk met je: oordeelt niet, wanneer je nie geoordeeld wil worde, en nou zeg ie niks niemendal. Maak geen moordkoil van je art, en vertel me nou eris wie dat geschreve kan ebbe, as Jt nie Willems vader is ?quot;
Lina sloot even de oogen als om den weg te zoeken in een verwarring van gedachten, en tegelijkertijd trilden haar lippen van de moeite, die \'t haar kostte, één dier gedachten te vertolken.
— „Heeft van der Straeten d\'r z\'n naam onder gezet?quot;
— „Nou, zoo gek is-t-ie nie, oor. D\'r staat onder: een liberaal kiezer.quot;
— „As z\'n naam d\'r nie onder staat, wie kan
29
\'m er dan lezen? Weet je wat \'tis: \'n ander kijkt door \'n bril van glas, maar jij kijkt door \'n bril van nijd en wantrouwen. Van der Straeten ... ik zal ■\'m niet verdedigen, maar ih zal \'m ook niet veroordeelen; want ... ik ken \'m niet en wanneer ik zeg: oordeel niet, as ie niet geoordeeld wilt worden. . . een wijzere heeft \'t vóór me gezeid. Woorden znnt woorden, en papieren kan iederendeen op de drukkerij krijgen, zoo mooi of zoo leelik as-t-ie maar wil. Daarom mot \'n menscli op de daden letten. — Mijn vader was ook wetliolder, en hie hoefde voor niemand uit de weg te gaan. Wat ie verkeerd heeft gedaan. . . hier hoven mot ie \'t verantwoorden; maar recht is recht en de waarheid is de waarheid. — Kwaad hebben ze van \'m gezeid en geschreven, dat \'n hond er nog geen droog brood van zol vreten; maar z\'n grant heeft ie der nooit voor gehaald. Kijk na urn daden, zei-d-ie, en as d\'r papieren kwammen.. .. regelrecht gingen ze \'tvuur in!quot;
Een fier, afwijzend gebaar had de laatste woorden begeleid, waarvan Prank, ofschoon hij zich onnoozel hield, de scherpte maar al te wel gevoelde. Natuurlijk bleef hij den weerslag niet schuldig.
30
— „Jou vader wis \'t, en nog wat; maar toch eit ie je maar \'n leelike kool gestoof; en wil ik...
Een paarsroode gloed verbreidde ziek over Lina\'s wangen; kaar oogen fonkelden en haar stem klonk doordringend sckel, toen zij haar man in de rede viel:
— „Jan, spreek zoo niet! Wat gebeurd is, is gebeurd; maar Grod alleen kent onze harten, en niemand anders heeft \'t recht over ons te oor-deelen. In \'t hart van oe vijand mot oe standbeeld staan, en as m\'n vader nog leefde, dan.. .
— „Ja, ja; maar met dat al ben \'k nog eve wais as bai \'t begin. Ou jai van der Straete voor de schraiver van dit pampier, of denk ie net as Ant, dat ie d\'r geen debet an staat?quot;
Intusschen had Ant haar tranen gedroogd, en haast lachend riep zij nu uit:
— „Kom, mensch, Willem z\'n vader is al eve vlug met de pen as jai zeivers, oor!quot;
— „En, as ie \'t noe abseluut weten wilt, vraag \'t em dan rejaal in z\'n gezicht.quot;
— Wel koman! Nou maar, dan weet ih t polletieker an te legge, oor. Pas nou eerst reclit is op.quot;
— „Zie zoo,quot; zei Wouter, rees op, en ging heen.
31
Dit was liet teeken, dat de melk gestremd moest zijn.
Ook Jan verliet zijn stoel met zijn strooibiljetten in de liand, en vrouw Prank bracht een bord met kruidnagelen te voorschijn, die in zessen moesten gesneden worden voor de kaas.
— „Van der Straete of niet, ik zei ook is \'n pampier vol schraive, en zoo\'n liberale kiezer \'n pil toediene , die \'m zei enge.quot;
— „Jan, ik zeg \'t oe alle dagen: De polletiek is voor \'n boer krek as de Beurs voor \'n koopman : hie vreet oe tijd op en oe geld ook. Laat noe den olden man niet alleenig. Ie hebt al eenmaal gezanik met oe kaas gehad, omdat ie vol bersten was en te drijven lag op de mart. Doe ha\' je \'t op de borst e^i was ie te zwak om eigens \'n hand uit te steken; maar as je \'t noe weer aan quot;Wout overlaat... ie zal nog zien, dat iederendeen oe bedankt!quot;
— „En jai zou wat in je schik zain, as ik oit de raad geknikkerd werd, è?quot;
IV.
Een „goeie morge samequot;, door een zware, bar-sche stem geuit, sneed het duistere antwoord af, dat de ergernis Lina op de lippen lei.
32
— „Grut, daar eb ie \'m,quot; riep Antverwonderd uit; Prank en zijn vrouw, die insgelijks het geluid van Willem van der Straeten hadden herkend, vroegen zich af, wat de jongen op dit ongewone uur kwam uitvoeren.
De wederzijdsche begroeting bepaalde zich tot een drietal slappe handdrukken, die vergezeld gingen van een onverstaanbaar gebrom. Ant gaf ongaarne zoenen in tegenwoordigheid van derden, en zelfs geen gefluisterd woord verried, dat er tusschen dit paar een bijzondere verstandhouding bestond.
Het werk moest gedaan worden; derhalve gin» ieder zijn gang, en Willem toonde hierover niet de geringste verbazing. Ofschoon zelf geen boer — wat zijn zwartzijden pet en geschoren, verbrand gelaat schenen tegen te spreken, zijn wit linnen en zijn grijs zomerpak echter bewezen — wist hij bij ondervinding, dat kaas en boter heersch-zuchtige meesteressen zijn, die op haar wenken willen bediend worden.
Toen dus Jan en Ant het kamertje verlieten, ging hij zwijgend mee, Lina alleen achterlatend, om de kruidnagelen te snijden, en op een bord het zout af te passen met de komijn.
Ant begaf zich terstond weer aan het schrob-
33
ben en schuren; zij hield echter een oog in het zeil en zette een oor op wacht. Jan, die van zijn schrijverij af had gezien, omdat de schoolmeester toch pas tegen den avond zijn vreemdsoortige zinnen van koppen en staarten kon voorzien, spoelde zich huiten onder de pomp, proestend als een hond, gelaat en handen af.
Nog altijd stampte de karn met eeu ontzenuwende •egelmaat door.
Uit de melkkuipen, die Wouter had ontdekt, erhreidde zich een prikkelend zure lucht, terwijl en beklemmende wasem opsteeg uit den koperen vaterketel.
Allengs besloegen de ruiten.
Tegen dezen tijd werd het Lina eiken dag weeër om het hart. Zoo dikwijls zij naar de karnton moest gaan, ten einde er water op te schenken en te zien of de hoter al boven kwam, vermeed zij zorgvuldig naar de melk te kijken, waarin Wouters bruine, behaarde arm rondwoelde. Hoorde zij het knarsen van de pomp onder het afdak, dan riep zij haar man uit de verte toe: „de zeep leit in \'t kozijnquot;. Dat Jan er toch geen gebruik van zou maken, wist zij; maar \'t was haar onmogelijk deze uiting van gekwetst zindelijkheids-gevoel te weerhouden.
3
34
Een kam door zijn druipende haren trekkend, en nog glimmend van liet water, keerde Pr ank weldra terug, ontblootte den mageren, blauw dooraderden arm, en duwde hem, gewapend mei een houten nap, tot over den elleboog in Lel klonterende, witte vocht. Met de gelijkmatig langzaamheid van een minutenwijzer zijn na ronddraaiend, schifte hij het witte stremsel va de dunne, groengele wei, en juist was hij hiet mede klaar, toen Lina. ziende dat de boter de karn zich had afgescheiden, Ant toeriep Ko naar den stal terug te brengen.
Nog had niemand een woord tegen Willem va der Straeten gericht.
quot;Wijdbeens, met de handen in de zakken wachtte hij, midden in het werkhuis, zijn beu af, en liet onderwijl door de achterdeur zijnbl over de bezonde weiden dwalen tot aan den ram van het zeekanaal. waar boven de knotwilgen-r^ de rookwolkjes van een stoomboot omhoog rezen seinen van een ver verwijderd, veel bewogei leven in het geestdoodend plantenbestaan op het land.
Vrouw Prank haalde nu de weeke boter kluit uit de karnemelk te voorschijn om ze te spoelen-te wrijven en te rollen, totdat de laatste melt
35
deelen er uitgespoten zouden zijn; Wouter schonk de wei in de goot over, die naar het varkenshok liep, uit eiken bak een gulp morsend over den grond; Jan wrong, kneedde en kneep, met handen, knieën en armen den druipenden zak, waarin de dikke kaasstof was overgeschept, en terwijl Ant eiken nap, elke kuip, elk stuk gereedschap weer afwiesch, zoodra het gebruikt was, bracht Griet gestadig versch water aan, goot zij emmer voor, emmer na, buiten over de gele steenen uit.
Persend, dat zijn diepliggende oogen opzetten, de grijze aderen hem op \'t voorhoofd zwollen en zijn mondhoeken schuimden, maar toch onverstoorbaar leuk, sprak Jan eindelijk den jongen van der Straeten toe.
— „ Is d\'r sewaile wat an \'t andje, dat je zoo zoo vroeg al komp kaike ?quot;
Voorzichtig als-een gewone boer, zoolang de drift hem niet tot woorden of daden verleidde, die hij later koelbloedig weer verloochende, begon illem zijn antwoord meestal met een herhaling van de vraag. Hierdoor wou hij den tijd om zijn woorden te wikken, en praatte hij minder dikwijls zijn mond voorbij, dan anders het geval zou geweest zijn.
» Of dquot;r wat an \'t handje is? .. . Nee ... Ik
36
wou maar is wete, of je landvrouw al geschreve heit, wanneer d\'r bruilofspartij zei zijn ?
_ „Dan kom ie danse, è, Willemvroeg Ant.
„ As de muzékante op de dorscbvloer speule. is \'t op zolder of ie d\'r bai ben. Oit de weg \'n beetje, da\'k de karnton niet teuge je mooie,
graize broek rol.\'
Willem ging zwijgend op zij; Jan opende den zak om de droge kaasstof in den vorm over te schudden. _ „Muzekante\'? \'t Is de vraag of d r nou blaas-
poepe te kraige benne.
Ant schaterde \'t uit; Wouter en Griet grinnik-\\ ten; Willem vertrok geen spier; Lina ergerde zich. _ „Jan, hoe dikwijls he\'k oe al gevraagd dat leelike woord van de veldwachter voor oe te holden!quot;
Prank zelf had niet gelachen; zonder zijn vrouw te antwoorden hervatte hij, met toegeknepen oogen naar Willem opkijkend:
_ „Ik dach aigelik, da\' je m\' is wa kwam
vertelle.quot;
— „Vertelle? . . . Ikke? . .. Wat dan?quot; _ „Wel, wie of de liberale kiezer is, die n
cirkelaire teuge me geschreve eit.quot;
Willems oogen werden een tint donkerder; overigens was er niets aan hem te bemerken.
37
— „\'n Cirkelaire ?. .. \'k Weet d\'r niks van.quot;
— „Zoo; weet je d\'r niks van?quot;
— „Niks, hoor.quot;
Nogmaals mengde Ant zich in het gesprek. Zij had de gereinigde karnton weer op haar plaats gezet, wentelde nu de ledige kuip om, en goot er een emmer heet water met een drietal zwaaien in uit.
— „Willem eit wel andere dinge an z\'n oof; is \'t nie waar?quot;
Willem antwoordde ook dezen keer niet; maar bleef strak naar den vorm staren, waarin Jan met zijn bruine vingers de komijn, het zout en de kruidnagelen door de kaasstof\' mengde, terwijl Wouter de vlokkige massa uit de tweede knip in den linnen zak overschudde.
— „Weet je misschien ook nie waarom je vader zoo naidig is, dat de schoolmeester van Spanwaik geen jaargeld kraigt oit onze gemeentekas?quot;
— „Nee, dat weet ik net niet.quot;
De rechter knie op den linnen zak neerdrukkend, ving Jan van nieuws met persen aan, en hij zette zooveel kracht, dat de wei niet alleen door de zeef in den bak droop, maar tevens zijwaarts over den grond spoot.
„Nou, dan zei ik ie dat eris zegge. —Jou
38
vader is bang, dat ie d\'r zeivers bai te kort komp; want die schoolvos, zoo oud as-t-ie is, raakt \'m stevig, en bai jou vader staat ie al lang tot over z\'n oore in \'t krait.
Het wit om Willems grijsgroene oogballen werd rood dooraderd van klimmende drift.
— „God verr. . . .! quot;
— „Stil ens wat! Wi\' je dat vloeken wel ens laten!quot; viel vrouw Prank in, „God in oe hart,
maar niet op oe tong!quot;
— „Waarom treitert ie me ook? Wat weet ie d\'r van, wie bij ons in \'t krijt staat ?
Hoe hard hij ook wrong en duwde, Prank verloor zijn bedaardheid niet. De woorden schenen zelfs nog trager dan gewoonlijk zijn lippen te verlaten, terwijl hij nu en dan met zijn kleine oogen Willem recht in het gelaat keek.
- „La mai maar koiere. Ik weet meer dan je denk, en van die oofdelike omslag zou ik ie ook nog wel wat nieuws kanne vertelle. Maar — wil iJc ie nou is wa zegge? — Eer jai me de naam eb genoemd van die liberale kiezer, wi i jou nie meer ier op \'t erf zien. \\ at je m ?
Ant liet van schrik haar borstel in de kuip
vallen.
— „Wa\'s dat nou?quot;
39
Prank staakte zijn arbeid niet.
— „Je eb \'t geoord, en ai ook. Wie op \'t gemeenteois mai d\'r oit wil knikkere, en ier z\'n jonge d\'r in bonsjoere, mot vroeger opstaan, oor! Pas er is op.quot;
Op Willems breed, bleekgeel gelaat verschenen onregelmatige roode vlekken; zijn wenkbrauwen trokken in een diepe plooi samen; zijn rollende oogen schoten vonken, en zijn groote handen, die bloot waren gekomen, balden zich tot wit gevlekte vuisten.
— „Eens gezeid blijft gezeid! Ik zei net zoo lang en net zoo dikkels hier komme, as Ant wil. Daarover heb jij geen goedvinde meer.quot;
— „Zou ie denke? . . . Nou, da\' zelle w1 is zien!quot;
— „Dat zelle we net is zien!quot;
Ant, die \'t erg vermakelijk vond twee jongens tegen elkander op te hitsen, maar ongaarne de oude lui zich met haar aangelegenheden zag bemoeien , begreep, dat de zaak een verkeerde wending nam, en zocht naar een middel om beide partijen te bevredigen.
„Kom, jonge, maak ie zoo dik nie! Zeg maar, dat j\' is aan de drukkerai zei oore van wie dat pampier afkomstig is. Wa ken \'t jou schele ?quot;
„Nee! Jij zei zegge of ik nog langer bier
40
mot kóinme of niet, en zooas jij \'t zeit, zei \'t gebeure, al stond de polisie ook an \'t hek. Dan kan je non meteen is toone hoe je \'t eigelik met me meent en of ie soms liever die Plet Terliorst neemt.quot;
—- „Piet Terorst?quot;
Ant haalde lachend de schouders op , en Lina, die rooder en rooder werd van den heeten damp, het oplichten der zware emmers en het krampachtig uitknijpen van de boter, wierp haar stiefdochter zwijgend een schuinen, afkeurenden blik toe.
— „Ja, Piet Terhorst! Die weerlichsche jongen treitert me gedurig, en m\'n geduld is schoon op! Laatste kermis hebbe w\' al ruzie gekrege, omdat ie zee, dat Ant me voor de mal hield eu hem \'t jawoord had gegeve. Was de burgemeester toe nie tusschenbeie gekomrae, dan zou d\'r misschien wel \'n moord zijn gebeurd, want we hadden \'ra allebei aardig staan, en ik had m\'n mes al klaar. Je weet, da \'k ordinaar niet drink; maar as d\'r wat te doen is , kan\'k\'t op geen droogie uithouwe, en dan weet ik ook van geen ophouwe. Ik waar-schou ie nou, en.....quot;
— „Ach, jonge, je laik wel gek!quot;
Deze woorden deden Willem zijn laatste beetje
41
zelfbedwang verliezen. Als een gewond wild dier sprong hij op Ant toe, greep haar hij den arm en schudde dien zoo woest heen en weer, dat zij haar borstel moest loslaten. een schreeuw gevend van pijn.
Tranen sprongen haar uit de oogen.
— „ Leg ie misschien met je vader onder één deke, en zoek ie na \'n ander om mij de bons te geve? Uitvluchte hoef ie anders niet te zoeke om me weg te krijge! Je hebt maar te spreke, en as je soms denkt, dat ik om \'n vrouw verlege ben, dan zeg ik ie, dat je verdomd ver van de wijs ben, hoor!quot;
Nu werd ook Ant driftig, en terwijl Willem voortging met bulderen over de „cirkelairesJ\', die hem niets aangingen, Jans valschheid en de ge-meene beleediging zijn vader aangedaan, schreeuwde zij tegen hem in:
— „La jai je nie traitere, dan laan ik menie dwinge, al a\' je nog tienmaal ardere knoiste! Igt;at mag ie voor main part an Piet oververtelle. Ik zei prate en danse met wie ik goedvin! Bevalt je dat nie, verheel je dan maar, dat je blauw ben an allebai je schene tegelaik. Om \'n man ben ik werachtig nog minder verlege dan jai om \'n vrouw! A-s k alle jonges mos trouwe, die me mooie praatjes
42
verkoope, dan \'ad ik dagwerk! Maar da zeg ik ie, en \'k ben verdaid as \'t nie waar is, wanneer jou vader gemeene leuges laat drukke van de raaine, dan ka\' je voor main part rondom loope! Ja, rondom .... rondom!\'
Het was er uit en liet deed Prank goed; maar tocli nam hij zich dadelijk voor in geval van nood te verklaren, dat hij zelf nooit met zekerheid Willems vader als schrijver van het strooibiljet had aangewezen.
Thans echter, liet Willem, die niet wilde bekennen hoe vruchteloos hij tegen de verspreiding-van zijns vaders pamflet had geijverd, zich tot zulk een onvoorzichtige uiting verlokken, dat alle twijfel aan Jan werd benomen.
— „Wat, leuges? Zon jou vader d\'r zoo boos om zijn, as \'t waarlik leuges ware, en niemand met rede wat op \'m an te merke had?quot;
Terstond beseffend, dat hij de zaak verraden had, keerde hij zich, om een afleiding te geven, tot vrouw Prank.
— „Zeg nou is zelf: is \'t netjes om mij te late opdraaie voor zoo\'n papiere vod, waaran ik part noch deel heb, en gaat \'t an, dat Ant met andere malligheid maakt, nou ze mij eenmaal \'tjawoord heit gegeve?quot;
43
Ontegenzeggelijk was het aanzien van Lina\'s wijsheid aan het dalen: in de eerste plaats bij Jan, als door den weeromstuit bij Ant, Griet en Wouter; maar toch scheen er nog genoeg van over te zijn om nu allen vol verwachting tot de vrouw te doen opzien.
Lina gevoelde het gewicht van het oogenblik, en hoewel zij — gelijk eiken morgen om dezen tijd — afgemat was door het staan en het zeulen, licht in \'t hoofd ten gevolge van de benauwdheid en het bukken, suizelig in de ooren door het stampen van de karn, spande zij alle krachten in om duidelijk te zeggen wat haar in het laatste kwartier door den geest was gegaan, en met blinde rechtvaardigheid het vonnis te vellen.
Een poos hield zij de oogen gesloten en de lippen stijf op elkander geklemd. Daarna — de bleeke , welgevormde vingers diep in de boter begravend — sprak zij met klem iu haar eigenaardigen tongval, die zijn Geldersche afkomst nooit geheel verloochende:
— n\'f IS) omdat ielni \'t vraagt; want \'t zunt m n zaken niet. Ieder \'t zijne, en Ant is maar m 11 stiefdochter. Of ze dien Piet Terhorst ook \'t jawoord heeft gegeven... ik weet \'t niet; want op de woning is hie zeker in geen half jaar
44
geweest, en . . . da s n zaak van A.ut met d r hart en d\'r geweten. Was ze m\'n eigen kind, dan zol \'k zeggen: wees opreclrt tegen één, want niemand kan \'t tegen twee tegelijk wezen. Maar . .. reclit is recht en de waarheid mot gezeid worden zonder anzien des persoons. Daarom ... dat Ant d\'r vader verdedigt... \'t is mooi, en zooas t behoort. Z\'n vader krijgt een mensch van God, en al was hie ook \'n moordenaar, t past je niet kwaad van \'m te spreken, want zooas t is, zoo is \'t ook goed en niemand zal \'t verbeteren, schoons .... rechtvaardig is (rod niet, en as de dominee \'t vertelt, dan weet ie dr niks van. Trouwens, ik heb \'t \'m gezeid, doe z\'n vrouw me verlejen Zondag vroeg hoe\'k rooie jenever maakte. Waarom, zei \'k. is d\' een rijk en gezond en gaat \'m alles voor de wind, zei \'k, en waarom is d\' ander arm en ziek en ongelukkig ? Wel, zei hie: God is ondoorgrondelik. — Noe, da\'s waar, en daarom motten wij, menschen, rechtvaardig wezen, want God ziet waarheen ie koers zet, maar wij zunt blind. En d\'r staat geschreven: wat gij niet wil, dat u geschiedt, doe dat ook an een ander niet. En zoo komt % zooas z\'in Zutphen zeggen, dat de beste mensch, die heeft ook \'t beste geleuve. Daarom . . . as oe vader kwaad en laster van n ander
45
schrijft, dan schrijft ie z\'n eigen \'n oordeel en op de wereld zal \'t \'m slecht gaan, schoons .... Wie zonder zonden is, mot den eersten steen werpen, en dus zeg ik maar altoos: oordeel niet as ie niet geoordeeld wilt worden. Vergevensgezind motten wij , menschen, mekaar behandelen; want volmaakt zunt we geen van allen, en wie haat draagt jegens z\'n naaste is as \'n man, die z\'n eigen hnis in brand steekt om de duiten te krijgen van de asseransie.quot;
Hoewel Griet en Wouter bij de laatste, duistere beeldspraak goedkeurend hadden geknikt, was de ingenomenheid met de verwarde rede klaarblijkelijk niet algemeen. Prank, wiens vorm nu geheel was gevuld, had er het verwijt in gehoord, dat hij den eersten steen wierp; Ant, die met een boos gezicht bleef doorschuren, nam \'t Lina kwalijk, dat zij niet krachtiger haar partij trok tegen Willems ruwe uitvallen, en Willem, die zich natuurlijk ergerde over de aanmerking op zijns vaders gedrag, kwam bovendien tot het vermoeden, dat eigenlijk Lina den schrijver van het strooibiljet had geraden, en Prank dus maar opgestookt was. Dit laatste prikkelde hem te meer, daar hij zelf de waarheid pas ter elfder ure, na een heftig standje met den ouden van der Straeten, had ver-
46
nomen, en thans herwaarts was gesneld om de zekerheid te erlangen, dat Prank — dien hij voor dom hield — den naam des opstellers niet vermoedde. Ten overvloede koesterde hij tegen Liua al lang andere grieven. Haar vermaningen om niet te vloekeu hinderden hem, en haar zede-prekenden toon kon hij niet uitstaan. Zonder eenig bewijs overtuigd, dat zij \'t was, die Prank het wethouderschap had bezorgd — wat den ouden van der Straeten het leven zoo verbitterde helde hij er toe over, haar van een even geheimzinnige als krachtige tegenwerking zijner eigene plannen te verdenken, en Lina\'s heftigste uitingen van rechtvaardigheid en vergevensgezindheid vermochten niet hem van deze opvatting af te brengen. Oorspronkelijk had hij zich door een onberedeneerde antipathie er toe laten verleiden haar te beschuldigen, en thans gaf hij aan haar woorden zulk een gewrongen uitlegging, dat zijn aanklacht er door gestaafd scheen.
Wat hem aanvankelijk in Ant had aangetrokken was haar knap voorkomen geweest benevens bet gerucht, dat Prank papieren bezat. Werkelijk verliefd was hij pas geworden na haar coquetteeren met Piet Terhorst. Hij begeerde haar thans vooral, omdat hij haar aan niemand anders gunde; maar
47
tegelijkertijd was zijn vrees voor een vernederende afwijzing zóó groot, dat bij telkens op het pnnt stond uit eigen beweging met baar te breken. Ongetwijfeld zou bij Prank getrotst bebben, ware hij van baar steun zekerder geweest. Xu zij bem evenwel voor den gek scheen te houden, en bij vermoedde , dat Lina baar op bad gezet. kwam \'t hem eensklaps raadzaam voor, zich zeiven op prijs te houden en onverschilligheid met onverschilligheid te beantwoorden. quot;Wat lette hem ook met een andere meid te gaan vrijen, alleeu om Ant te tergen? Er waren toch wel meer goede partijen in den omtrek.
Een en ander overwegend, keek bij weer strak door de doffe ruiten voor zich uit, terwijl Lina voor den zevenden keer de boterkluit met water overgoot, en ook de anderen doorwerkten, alsof er geen vreemde aanwezig ware.
Greruimen tijd zweeg iedereen stil. Vrouw Prank kwam met het bouwen klaar; Jan en Wouter maakten zich gereed de kaas naar de pers te brengen, en Ant, die, zonder zich verder om het spatten op Willems broek te bekommeren, de tweede kuip had omgerold, waschte ze met beet water uit. Al het gebruikte gereedschap stond onder het afdak te drogen, en Griet wilde aan de laatste, algemeene afspoeling beginnen, die het
48
werkhuis zijn smettelooze reinheid terng zou geven , en alle binnentredenden noodzaken hun schoeisel achter te laten op een dweil naast de deur.
Reeds gutste de eerste gulp over den grond toen het luik van de voordeur naar binnen wen geduwd en het bovenlijf van een postbode in liet lichtvak verscheen. Met een morgengroet reiktt hij een briefkaart over.
Iedereen staakte het werk; Prank nam di kaart aan; Willem toefde uit nieuwsgierigheid Duidelijk knerpten de wegstervende stappei van den bode over het grind, terwijlJan, onver staanbaar prevelend, het bericht van mevrouw va der Wal ontcijferde.
Eindelijk deelde hij mee:
— „De broiloft is Donderdag; maar de land vrouw mo\' m\' eerst nog over een en ander spreke.\'
Het was vrouw Prank te moede, als drongei de zonnestralen, voor den tweeden keer vandaag opvroolijkend en verkwikkend in haar ziel dooi Zij stelde zich voor, dat allen, die haar kendei waardeerden en bewonderden, aanstalten maai ten om naar de woning op te gaan, en een tal rijke menigte van allerlei leeftijd en allei\'lt stand overstroomde eensklaps het erf. Zij za zich omringd door vriendelijke, deftige, voornam
49
gezichten, en een zegevierend gevoel doortintelde haar, als zij aan de verbazing der boeren dacht bij het aanschouwen van de achting en de vriendschap, door de rijksten en hoogstgeplaatsten nit gansch Nederland haar toegedragen.
Een wanklank verstoorde echter dadelijk haar gelukkige stemming. Met de kennelijke bedoeling om van de gelegenheid gebruik te maken en Ant de duimschroeven aan te leggen, sprak Willem op kwaadaardigen toon:
— „Nou, as quot;t hier zoo gaat, dans dan plezierig; van mij zei je geen last liebbe. Maar één ding zeg ik ie: as ik nou wegga, dan kom ik niet terug of je mot me late hale.quot;
— „Voor main part blaif ie weg,quot; klonk het nijdige antwoord. — „Zeg \'t meteen an Piet Terorst, dan oef ik \'t zeivers nie te doen!quot;
Willems toeleg was mislukt en hij gaf de schuld aan Lina.
Met een ruk trok Willem de deur achter zich dicht. Jan schudde onverschillig \'t hoofd; hij wist, dat al die bedreigingen en uittartingen niet veel om \'t lijf hadden. In vrouw Prank, wie \'t niet ontgaan was, dat haar rede een verkeerden indrui ad gemaakt, ontkiemde een angstig voorgevoel an de vergalling der zeldzame vreugde.
4
Niemand had over Willems plotselingen aftocht een woord gesproken; de overige morgenuren waren in een bijna volkomen stilzwijgen doorgebracht. Op de dofroode vloertegels, uitgehold door het omrollen der kuipen, was nu geen stofje meer te ontdekken; de lichtblauwe, met ijzer beslagen tobben, welke naast de karnton stonden opgestapeld , glommen in smettelooze reinheid, en liet rood koperen, op het fornuis vastgemetselde vat weerspiegelde zijn eigen glans.
De zon gloeide hoog aan den hemel, en breecle wolkschaduwen vlekten den goudglans der weiden, de staalfiikkering der slooten en het zilveren schijnsel van den stoffigen grindweg.
Het middagmaal was afgeloopen; maar liet gezin zat nog aan tafel, thans vermeerderd met den stillen, Duitschen maaier, met langen Toon. den even weinig spraakzamer arbeider, en met | Kees, Pranks neef en pleegzoon, een leelijken. vierkanten jongen, wiens gelaat hoog rood, wiens goedige oogen zacht blauw, wiens haar bijna wit blond was.
De somberheid in het kamertje verminderde.
daar van de volbestraalde linden een groenachtige weerschijn viel over het neerhangende gordijn en le kleine ruiten er onder. De benauwdheid echter lam er nog voortdurend toe, want aan de zure nelklucht en den heklemmenden wasem paarden sich de rook van Jans pijp en de zweetdarap der Irie mannen, die zwaar op het veld hadden geilheid. Toch bleven deur en venster dicht. Een lommelige loomheid maakte zich dan ook van jina meester, trok haar oogleden omlaag en ■erdoofde haar denken. Zoo dikwijls zij naar de sacht roode stad keek, wier stationsgebouw, luizenblokken, panorama en kerken zich in \'t leldere middaglicht scherp tegen den diep blauwen temel afteekenden, was \'t haar of zij weer de litte van haar keukenvuur, de gebrokenheid in il haar gewrichten, de versuftheid van haar loofd gevoelde, waarom zij haar dienst had moeten \'erlaten. Ondanks een grooten lust om zich te \'evdiepen in het naderend genot van de bruilofts-)artij, overmande .vaar een matheid, die al de «elden van liet verleden, het heden en de toekomst iet een effen grauwe, levensmoede tint overtoog.
Onder het aansteken van zijn pijp had Jan de \'olitiek weer bij den kop gevat. Hij sprak op een ijmerigen, slaapwekkenden toon. De orthodoxen
52
^ uit Spanwijk waren op vijandigen voet gekomen met de lijnen van zijn eigen gemeente; van deze omstandigheid had hij besloten partij te trekken. Met de vereenigde stemmen van zijn overgeblevene liberale vrienden en van de niet liberale Span-wijkers meende hij gemakkelijk zoowel Hendrik Vermeer als den anderen tegencandidaat te kunnen verslaau.
— „Maar baas,quot; merkte Wouter aan, „dan ben je toch aigelik geen liberaal meer/\'
— ,/t Zei m\'n zorg zain, oor.quot;
Wouter kuchte, knipoogend alsof hij \'t begreep; Kees en Toon knikkebolden van de soezerigheid; al de overigen geeuwden om \'t hardst.
Zijn pijp uitrookend, gaf de baas nog eenige losse, onsamenhangende opmerkingen ten beste; daarna stond hij op om zijn middagdutje te gaan nemen: een voorbeeld, dat naar gewoonte door allen werd gevolgd.
— „Allou.....Ivees, over \'n uur de Fries iu-
spanne; \'k ga na de stad.quot;
Kees verwonderde zich.
— „Vandaag nog, oome ?quot;
— „Ja. Donderdag komp de landvrouw met d\'r gezelschap, en ze wil alles nog is mimme af-spreke.quot;
53
Een glans van vergenoegen verbreidde zich over Kees\' roode wangen en verdonkerde liet blauw van zijn oogen; zijn groote mond ging wijd open.
— „Komp Maria ook mee?quot;
De naam van baar docbter wekte Lina op.
— „-Tan, Kees zeit \'t, maar ik beb \'t dadeliks gedacbt, en as je mevrouw eigens te spreken krijgt, dan mo\' je beel beleefd zeggen uit mijn naam, as da\'k verzoek da\'k zoo graag, maar wanneer \'t geschikt kan worden met de werkzaamheden en d\'r \'n plaasie open is naast de koes-sier en \'t geen stoornis of aanstootelikbeid geeft, as da\'k dan vrindelik vraag, of m\'n docbter ook ens mee zol maggen kommen.quot;
— .,Sjuusvoegde Kees er bij; maar eer Jan kon antwoorden, riep Ant, die misnoegd over zicb zelve onder bet eten berbaaldelijk baar oogen had afgedroogd, luid huilend uit:
— „Voor jon Maria ka1 je wel mooie woorde vinde en zoete broodjes bakke; maar as \'t main geldt, stuur je de boel altaid \'t riet in! Prate ka\' je, onderd oit, da\'s waar; maar as je Willem nie beter op z\'n plaas weet te zette dan deur \'m zoo woedend te make, dat ie wegloop en nie meer terug wil komme, net da\' w\' is konne danse,
54
dan kan \'k \'t nog wel alleen af, oor, en beter ook ïquot;
Lina wist niet hoe dezen zonderlingen, in de hoogste mate onrechtvaardigen uitval te beantwoorden. Verbouwereerd keek zij Ant aan, en een schel, verbaasd:
— „Schepsel!quot;\' was al, wat zij uitbracht.
Prank begreep, dat hij tusschenbeide moest
komen.
n^eg is, maid, j\' eb \'t teuge je moeder, oor. Pas er is op.quot;
— „Main moeder leit op \'t kerkof.quot;
Daar Ant huilende heenliep, was het kleine incident hiermede geëindigd. Toen Prank evenwel, een uur later, op het punt van weg te rijden, een mandje vol kruisbessen, dat Kees hem met een schuchtere, vergenoegde grijns voor Maria medegat, achter in het L\'trechtsch wagentje had geplaatst, kwam zijn vrouw met haastigen tred, nog juist bij tijds, de woning uit.
— „Wacht nog effen!quot; riep zij, en nader bijgekomen vervolgde zij met de gejaagde stem van iemand, die zich zei ven met zóóveel moeite tot een besluit heeft gedwongen, dat hij vreest voor de uitvoering terug te zullen deinzen:
— „Zeg maar niks van die meid van mij; ik wil \'t niet meer! Oe kind mot voorgaan, want
doe \'k niet meer voor \'t vuur kos staan, hè jij m\' in huis genomen, en elk stuk, da\'k in m\'n mond steek, is genadebrood, waar \'k dankbaar en erkentelik voor mot wezen. Daarom, waar oe dochter is, zol Maria niet wezen — daar ku\' j\' op an — al most ik d\'r ook nooit meer onder m\'n oogen krijgen.quot;
Jan dankte haar niet, en wees evenmin haar voorstel af.
— „\'k Zei wel is kaike oe of \'t loop,quot; sprak hij knikkend, zette met een klik uit zijn scheef getrokken mondhoek den zwarte aan, en voegde er, het hek doorrijdend, bij:
— „\'t Is altaid mal of niemendal.quot;
Teleurgesteld, als had Jan een blijmoedig gebracht offer van haar afgewezen, blikte Lina een pooze haar man na, het hek door, over de glanzige ruggen der grazende koeien naar de stralende stad.
Licht en warmte doortrilden de gansche atmosfeer. De wit verpulverde grond, het gelende groen, het schitterende water, alles scheen, van gloed verzadigd, zijn hitte weer uit te wasemen in de stille lucht, en het werd nu ook buiten benauwd.
Gemakkelijk kon zij het gonzen van de stad
56
in de verte onderscheiden, en \'t was haar alsof zij de rijtuigen en wagens zag rollen, of zij de muziek van de orgels, het getier der straatkinderen hoorde, of zij de honderden bekende en onbekende gezichten der voorbijgangers weer aanschouwde. Juist dit uur was altijd voor haar het volste van den ganschen dag geweest. Dan had zij \'s morgens uit wel tien monden de laatste nieuwtjes vernomen, en vond zij een oogenblik van rust om ze te ziften, te verbinden, aan te vullen of te besnoeien. Dan leefde zij met iedereen mede en ging zij de huizen binnen , verdiepte zich in het leed, deelde in de vreugde, herinnerde zich de dooden, begroette de pas geborenen en teekende in haar geheugen de lotgevallen op van alle familiën, die zij kende. Zoo was de stad haar dierbaar geworden als een reusachtige plant, die haar toebehoorde, en waaraan zij met belangstelling de knoppen zag ontluiken, de bloemen tot vruchten rijpen en de vruchten loslaten van de twijgen. Zij had haar eigen bestaan met het leven van dit groote, duizend-hoofdige wezen voelen samengroeien, en bij haar vertrek de pijn gevoeld van een amputatie.
Meer dan anderhalfjaar was \'t nu geleden, en nog kon zij buiten maar niet wennen. Toen zij zich omkeerde , en, tegen het zonlicht in, de woning aan-
keek, was \'t haar te moede als den veroordeelde, die na het uurtje van verpoozing, waarin hij zijn dierbaren de hand heeft gedrukt, in zijn cel terug keert. Een beklemmend gevoel rees uit haar maag omhoog, kneep de keel haar toe en trok haar borstkas samen.
Nog nooit waren alle tinten van muren, grond, daken, luiken, hooibargen en boomen haar zoo vaal voorgekomen, zoo akelig dof.
Achter de kleine ruiten scheen elk vertrek met een donkeren walm gevuld, en zij vond dat het stille, grauwe huis met het ledige, grauwe erf er om henen er nog doodscher uitzag dan de groote gevangenis in de eenzame duinen.
Eu hier, ver van allen, die haar op prijs wisten te stellen, gescheiden van het kind, dat haar dierbaar was, omgeven door botte, liefdelooze rnenschen, wier taal haar gemeen in de ooren klonk, wier werken en streven zij minachtte, die haar bedoelingen wantrouwden, aan wie zij haar gevoelens niet kon openbaren. hier zou zij \'t moeten uithouden tot haar dood, met geen andere schadeloosstelling dan de zelfzuchtige, Zondagsche vriendelijkheden van den notaris en de domineesvrouw, t Zij begreep niet meer, wat haar vroeger in het buitenleven had aangetrokken, en vroeg zich af
58
of zij wel ten eiude toe bestand zou zijn tegen zulk een leeg, kleurloos, dor levensbesluit.
Had zij daarvoor dan eens den bangen strijd met het denkbeeld van ,d\'r een eind an te maken\' zoo zegevierend bestaan; daarvoor nu meer dan vijf en twintig jaren lang zoo volhardend en zoo ijverig haar plicht gedaan? Was dit dan de toekomst , waarvan zij gedroomd had: de gevierde ouderdom in een heerlijk zomerlandschap, bestraald door bet gouden licht van een langzaam dalende zon?
VI.
Het was weer benauwd, ontzenuwend warm. De schapenwolkjes van den morgenstond waren allengs ineengesmolten tot een glanzend, parelkleurig gordijn, dat wel de zonnestralen op hun doortocht verdoofde, maar tevens de verhitte lucht neergedrukt hield op de aarde. Een zware stilte lag over de natuur; alle geluiden waren verstomd, alle tinten vergrauwd. Green zuchtje doortrilde de hooge linden voor het huis of het kreupelboschje van wilgen, esschen en bruine beuken tusschen schuur en oprit. Green tjilpende musschen- of spreeuwen vlucht doorzwierde de ruimte of dartelde in de takken. Green stofje rees
59
omhoog van de roerlooze kippen, die naast de hooibargen slnimerden, diep in het zand gewoeld. De stoffige grond geleek den spiegel van een vuilen plas in lichte kabbeling versteend; het gebladerte, waarin de glanslichten verduisterd en de schaduwen verbleekt waren, scheen tot massieve klompen vergroeid te zijn, en scherp teekende zich, achter de vaalgroene, met liggend vee gemarmerde weiden, de dof bruine stad tegen den melkwitten hemel af.
Van tijd tot tijd koerde een duif op het dak van de woning; met lange tusscheupoozen knarste de pomp aan gene zijde van het werkhuis, en duidelijk hoorde Prank het rumoeren van de stad.
Of Maria de bruiloftsgasten zou vergezellen, was hem onbekend gebleven; want in plaats van mevrouw Van der Wal had hij haar gehuwde dochter t\'huis gevonden, en een papier gekregen, waarop geschreven stond wat er al zoo gereed moest gemaakt worden in en om de woning.
Op zijn leuke vraag of het ook in de bedoeling lag, dat de kamenier of een van de dienstmeisjes mee zou komen, was het antwoord uitgebleven, en eenig verzoek, Maria betreffend, had hij niet willen doen, ten einde — een stuivertje kon zoo raar
60
rollen — zoo min mogelijk aanleiding te geven tot het ontstaan van huiselijke twisten. Toch hoopte hij zelf, dat zij van de partij zou zijn, en wel om Kees in de gelegenheid te stellen zich te verklaren. In den loop van het jaar moest het pachtcontract vernieuwd worden; met het oog op zijn verminderde krachten en zijn liefhebberij in de politiek wilde Jan een overgangstoestand in het leven roepen, waardoor Kees langzamerhand zijn plaatsvervanger werd; en ter wille van Lina\'s dochter zou de landvrouw allicht voor een schikking te vinden zijn, die hem — Prank — op de woning een zorgeloozen ouden dag verzekerde.
Eén ding viel niet te ontkennen: Ant zat hierbij in den weg. Jan geloofde echter, dat zij gauw zou trouwen, want alle jongens waren mal op de meid. Willem van der Straeten of Piet Terhorst: hem was \'t om \'t even, als de vader van den jongen maar niet onbemiddeld was en geen hooge eischen stelde.
Met hulp van Kees had hij de orders van mevrouw Van der Wal stipt ten uitvoer gelegd.
Tusschen de beide zware boomen, die het groene hek overschaduwden, bengelde al een groot chas-sinet, dat aan weerskanten, in zwarte letters op geolied papier, de woorden: „Heil en Zegenquot; vei\'-
61
toonde; tegen het volgende iepeupaar waren rood houten sterren gespijkerd, die in ijzeren ringen illumineer-glazen droegen, en de twee linden, welke het laantje sloten, torsten oranje-stokken, die over den oprit een eereboog vormden, waarvan de nationale kleuren in breede banen onbewegelijk neerhingen.
Tusschen woning en tuin, op het mulle pleintje vóór het prieel, prijkte een groene tafel met een grauwe plank op schragen tot verlengstuk.
Hier echter was de versiering nog niet voltooid.
Xaast de donkere luiken had Jan in den grauwen huismuur wederom twee sterren vastgeklonken. Voor de toegeplakte ruitjes boven de voordeur waren, in een krans van zwart groen klimop en sneeuwwitte rozen, de rood houten letter\'s L en A aangebracht, en tegen het werkhuis had Kees onderwijl, boven deur en venster, illumineer-latten bevestigd.
Nog vier sterren bleven over; oom en neef beraadslaagden hoe deze te plaatsen.
— „ Twee teuge ieleke boom ?quot;
Jan plukte aan zijn grijze baardje, keek de zware linden nog eens nadenkend aan, lichtte zijn pet op, krabde zich onder de dunne haren en schudde zwijgend het hoofd.
62
— „ Teuge \'t pirjeel dan?quot;
De boer wendde zich om, beschouwde het zitje van vervelooze planken met wilden wingerd overwoekerd, waarboven de kruinen van zijn appelen pereboomen uitstaken, maar knikte nogmaals van neen.
— „Weet je wa\', jo\'? We zelle op ieleke stam één ster spaikere en dan de twee andere op latte d\'r tussche zette.quot;
Kees wist wel, dat Prank geen andere reden voor dit plan had dan zijn onweerstaanbare neiging om de denkbeelden van anderen af te keuren; maar wat kon \'t hem ten slotte schelen hoe de lichtjes werden aangebracht. Voor hem was de voornaamste vraag of Maria mede zou komen, en die kon, helaas, niemand beantwoorden.
Zwijgend haalde hij dus eenige latten uit de schuur, boorde ze naast de boomen tegen den haagdoren in den grond, en een tiental minuten later hadden de twee roode sterren van den gevel en de twee roode latten van het werkhuis vier roode, achtarmige overburen gekregen, waarvan de middelsten haast zwart uitkwamen tegen den bleeken hemel.
Het inhangen der glaasjes nam niet veel tijd weg, ofschoon Prank bijzonder langzaam in zijn
63
bewegingen werd. Terwijl Kees de lampions stuk voor stuk aangaf, beproefde .Tan; op een ladder staande, eiken ijzeren ring met groote omzichtigheid , en verklaarde daarbij herhaaldelijk, dat wie er de handigheid niet van had, met glaswerk bedaard moest omspringen.
— „Wel, oome, j\' eb \'t knappies warm,quot; zei de jongen met een goedaardig glimlachje, toen hij het laatste glas had aangereikt, en Prank, die behoedzaam de ladder was afgedaald, de parelende zweetdroppels van zijn bleek, mager voorhoofd zag afvegen.
Een hoestbui belette Jan dadelijk te antwoorden. Zijn rooden zakdoek in zijn pet wegbergend, sprak hij eindelijk, na gespuwd te hebben:
— „ Die ette laikt me as \'n voist in m\'n oog. lelek mensch wordt met den dag \'n steekie ouwer; maar den een is toch den ander nie. Gelukkig blaif m\'n oof goed, en m\'n ooge benne toch zóó bes, da\'k deur alle brille kan kaike. Nou, op \'t gemeenteois is dat wel noodig; pas er is op!quot;
Flauw lachend zeeg hij op de schel groene bank neer, die tusschen voordeur en koelput tegen den beneden wit geverfden huismuur leunde. - Kees, die van warmte noch kou hinder had, ging midden onder de dubbele ladder staan, en
64
spuwde eens in zijn bruine vuisten. Alvorens zijn last op te nemen vroeg hij schuw;
— ,, Wa\' denk ie nou aigelik ? Zou ze komme?quot;
— „\'t Is al \'n loterai.quot;
Peinzend staarde Kees naar den grond.
— „Eu al komp ze, misschien zeit ze toch weer nee, net as verleje zomer.quot;
— „As jai je kop d\'r teuge zet, dan zei j\' is zien of ze nie liever \'n vraie boerevrouw wordt dan den eele dag klaar te staan om orders af te wachte. Die groote loi ebbe kommissoossie genogt op d\'r laif om \'n mensch \'t leve zuur te make. Pas er is op.quot;
Zonder een woord meer te spreken nam Kees de ladder op en ging heen. Hij dacht er het zijne van. Jan vond het niet vreemd, dat hij geen antwoord kreeg, en nam een pruim uit zijn blikken tabaksdoos.
Een stapeltje linnengoed over den half ontblooten arm dragend, kwam Lina een oogenblik later uit het werkhuis te voorschijn. Het roodbruine jak, waaronder een grijs voorschoot over den zwarten rok afhing, omsloot nog haar dik middel; van do zwarte kanten muts, die naar gewoonte haai\' bruine, blinkend gestreken lokken bedekte, bengelden de linten los om haar hoofd. Haar ooge
65
flikkerden schichtig, en tusschen de vaneengeweken lippen schitterden haar krijtwitte tanden.
Ondanks de warmte liep zij haastig, wierp met zenuwachtige drift het linnen op de plank neder, rukte en duwde de tafel heen en weer, totdat de vier pooten vast stonden, schoof toen de plank er tegen aan, nam een groot laken van den stapel af en begon dit te ontvouwen.
Zoodra het groene blad bedekt was, bracht zij de rest van het linnen er op over, om een tweeden lap er naast te leggen, en als ook deze naar alle kanten glad was gestreken, sloeg zij de los-hangende keelbanden van haar muts achterover, zette de handen in de zijden, trok haar wenkbrauwen omhoog, en schreeuwde:
— „ Ant, Griet, kommen ielui noe haast met de borden en de glazen ? Maak \'n beetje voort! We hebben van daag wel wat anders te doen dan over de jongens te praten en de tijd te vergeten.quot;
Had -Tan het niet reeds aan haar gejaagde bewegingen gezien, dan zouden deze woorden en vooral de doordringende toon, waarop zij geuit werden, hem tot een waarschuwing zijn geweest, dat zijn vrouw weer erg opgewonden was.
— „Met de zenewe gaat \'t al as met de drank placht hij te zeggen; „oe remoeriger je d\'r van
5
66
wordt, oe meer je d\'r later van in mekaar zak.quot;
Inderdaad nam Lina\'s opgewondenheid nog steeds toe, ofschoon zij gisteren avond had verklaard, dat de pret haar al lang vergald was. Zij bemerkte het zelve, en sprak onder het verdeelen der twintig servetten:
— „Alles tintelt m\' an \'t lijf, en \'tis of d\'r wel duizend spelden in m\'n beenen zitten. D\'r komt onweer.quot;
— „De Inch smeert effetief.quot;
Nog eenmaal veegde Jan zich met den rooden zakdoek over het. gerimpelde gelaat, de holle slapen, de sluike, gespikkelde haren en den bruinen, diepgegroefden hals, drukte toen de spitse ellebogen op de magere knieën neer, boog het hoofd voorover, spuwde en staarde ineengedoken, soezerig voor zich heen.
Lina keek haar man eens aan. Voor de honderdste maal van daag welde de vraag naar haar lippen op: „zou d\'r kans wezen, dat ilaria meekwamquot;; maar wederom bedwong zij zich, trouw aan haar parool; mijn dochter zal achterstaan.
Hoewel Ant en Griet, aan genen kant van het werkhuis bezig, Lina\'s aanmaning duidelijk hadden moeten hooren, verschenen zij niet terstond. Dit maakte vrouw Prank boos; maar zij raasde alleen tegen Griet.
67
— „Heb ie noe ooit zoo\'n meid gezien? D\'r is geen voortgang meer in de menschen! Ze zunt verslapt door al de nieuwe leeren. Geen hand zol die Griet uitsteken, as ik d\'r niet van \'s morgens tot \'s avonds nazat. —- Jan, lieb ie ook al niks meer te doen? Zunt de kippen gevoerd en heb ie de kaas al \'n nieuwe doek gegeven? As straks al dat volk komt, is iederendeen — \'t spreekt van eigens — z\'n kop kwijt.quot;
Jan knikte bevestigend, doch zweeg.
— „Ga ie niet \'ens kijken of d\'r ook eiers in de barg liggen? \'t Jonge goed kruipt altoos in \'t hooi, en dan maken ze d\'r kleeren maar vuil, terwijl jij je eiers kwijt zunt.quot;
Puffend rees Jan op, en met knikkende knieën slofte hij, om de woning heen, naar den hooi-barg toe, iets prevelend van:
— „As ze \'t op d\'r eupe eit.. . nou...quot;
Thans kwamen Griet en Ant te voorschijn, elk
een stapel blauwe borden torsend. Behendig stapten zij in de zwarte muilen, die op het steenen stoepje gereed stonden, en naderden de tafel.
— ,,Zu\' je daar eindelik? Noe de glazen nog en de messen en de lepels en de vorken en het brood en de boter en de suiker en de beschuitjes. Koman Griet, vlug wat! Kom, meid! Meteen
68
fluit \'t vijf-uur-spoor; elk oogenblik kannen ze hier wezen; je zal zien, as dat we niet op z\'n tijd klaar kommen!1\'
De beide deernen zetten de borden neder, schopten de muilen weer naast de deur uit, en verdwenen in het huis, Ant luid lachend over al die drukte, Griet grommend, dat zij niet gehuurd was om het werk te doen van een meid uit een logement.
Nu eerst lette vrouw Prank Kees op, die, zijn achterhoofd krabbend, met open mond het chas-sinet boven het hek stond te bewonderen.
-— „Kees, jongen, heb ie niks beters te doen as in de lucht te gapen?quot;
— „Te doen Toon en quot;Wout bcnne an \'t melleke; de maaier zou van avond alleen door-werreke, dan kon ik vader ellepe. Wa\'s d\'r nou nog te doen?quot;
— „Denk ie, dat de groote lui eigens de banken uit de schuur halen? Breng ze maar \'eus vlug naar buiten en de stoelen uit do opkamer ook. Van avond ka\' je na de lichies kijken; maar eerst werken en dan eten. Vergeet ook niet de kaas straks z\'n nachtdoek te geven. Jan zal d\'r wel niet om denken. As d\'r volk is ... \'k weet \'r alles van!quot;
69
Ook Kees lachte om Lina\'s gejaagdlieid; maar liij mocht zijn tante wel lijden en gehoorzaamde dus zonder pruttelen.
Juist had hij zijn klompen naast de huisdeur uitgeschopt, als Toon, met zijn hel blauw juk over de schouders, waarvan twee dito blauwe emmers zwaar afhingen, het erf opkwam, zich omwendde en eveneens het chassinet begon te ontcijferen.
— „Ail... en . .. Zege.quot;
— „Toon, \'t is noe geen tijd om lezen te leeren. Zu\' je klaar met melken?quot;
— „Of \'k klaar ben?... Oezoo?... Met \'t melleke? .. . Jawel.quot;
— „Haast je dan wat, en help de jonge baas \'n handje an de banken.quot;
Toon haakte zijn emmers af, opende het traliewerk van het koelhok, goot de schuimende melk in de blinkende vaten, roerde ze om, pompte verscli water in den put, las nog even boven de voordeur : L . . A, en ging toen op zijn zwarte kousen insgelijks de gang binnen.
Weldra keerden Ant en Griet terug om oogen-blikkelijk weer aan het werk te worden gezet. Vrouw Prank zou met Ant een paar ruikertjes gaan snijden voor bruid en bruidegom; (xriet
70
moest de borden twee aan twee op elkander plaatsen, de glazen afvegen en het gereedschap — zooals zij zelve mes, vork en lepel noemde — verdeelen.
Griet was evenwel zoo onervaren in dit werk, dat Lina haar niet alleen durfde laten.
— „Ant, ga maar alleenig de beketjes plukken. Geen lomp groote of kinderachtig kleine, hoor! Weinig blad en de stelen in \'t gelijk knippen. Griet, schaap, hoe ka\' je zoo dom wezen ? Overeind die glazen en achter de borden! Zoo . .. krek. Noe mes, lepel en vork an de rechterkant er naast... An de rechterkant, zeg ik oe! Weetje niet, wat \'n rechterkant is?quot;
Ant lachte zoo luid, dat haar groote, bruine oogen zich met tranen vulden, en haar donkere tanden allen zichtbaar werden.
Griet bromde nijdig:
- „Wat \'n kommissoossie voor dat stasvolk! Ik eb d\'r maar de las en \'t gezanik van; en Ant mag blomme plukke! Wie denk, da\' zai beter tafel dek dan ik, eit \'t glad mis, oor! Ze weet \'r al eve wainig van af; maar ik ben de maid maar, en zai lach de eele wereld oit. As je bertaal hen, en nou cn dan een moei opzet, durf niemand j\' an, zelfs je aige moeder nie.quot;
71
Driftig, omdat er waarheid achter deze woorden school, zette vrouw Prank de handen weer in de zij, en schreeuwde;
— „Meid, maak geen ambarras meer!quot;
Doch eer zij de rest van haar antwoord klaar had, werd haar aandacht afgeleid door Wouter, die, twee volle melkemmers dragend, ook het chassinet wilde bekijken.
— „Wout, as je klaar zunt, ga ie de varkes voeren en dan de maaier helpen.quot;
Wouter bromde iets onverstaanbaars, haakte de kettingen van het juk op zijn borst ineen, goot ook de melk in de koperen vaten over, roerde ze om, deed eenige slagen met den pomp-arm, en bleef daarna blazend staan om zich het breede voorhoofd af te drogen.
— „Heb ie \'t gehoord, Wout?quot;
— „\'k Ben nie doof, en de varkes zelle d\'r bekoms wel kraige, net as alle dag; maar maaie is m\'n werk nie, en die mof kan \'t best alleen af.quot;
Ware zij minder gejaagd geweest om met haar eigen taak klaar te komen, ongetwijfeld zou Lina een dergelijk antwoord niet kalm hebben opgenomen ; in de gegeven omstandigheden smakte zij alleen met de lippen, maakte een vertoornd gebaar en liet het norsche mannetje zijns weegs gaan.
72
Geholpen door Toon, had Kees intusschen de banken naar buiten gedragen, en nn keerde Jan terug met zeven eieren in zijn pet.
• luist gaf hij ze aan Griet over, toen de hond een luid geblaf aanhief, en een achttal mannen, in grijze jassen met groene opslagen gedost, trompetten, hoorns, clarinetten en duiten onder de armen dragend, het erf opslenterden.
— „Daar benne de blaaspoepe, vrouw.quot;
Lina werd tot over den hals rood van verontwaardiging.
— „Jan, hoe dikwijls mot ik oe toch zeggen dat leelike woord luimen te holden. Is dat noe \'n lid van de gemeenteraad, da\' je \'n veldwachter napraat?.. Nee, Kees, nee. Toon; de banken an d\' eene kant, de stoelen an d5 andere. Orde mot er wezen, en zal d\'r wezen, zoolang ik nog wat te zeggen heb!... Zoo, mannen, zunt ielui daar? Komt maar hier. In dit pirjeel ga ie zitten en blijf ie zitten. Pakt noe maar uit, en... . dan weet ielui d\'r alles van. Ferm geblazen, vroolike deuntjes, en niet gebabbeld of gelachen. Dat past niet. Bier zal ie hebben, zooveel as ie lust; maar. .. alles in ordentelikheid. As ie goed speelt, de man \'n borrel, zoodra de femielje weg is.quot;
— „En faiftien goelden, wie accordiert iest,quot;
73
merkte de clarinettist aan, een rossige Hanoveraan.
— „De duiten gaan m\'n man an.quot;
— „Vaiftien guide,quot; herhaalde Jan. „De landvrouw eit gezaid, da\'t goed was.quot;
De Duitschers schoven tusschen tafel en bank het prieel binnen, en Ant kwam met de bloemen terug. Terstond begon zij met Griet de groenkragen uit te lachen, omdat hun pistonnist een schele wiep was; maar vrouw Prank verzocht beiden haar fatsoen te houden, en zond de meid naar huis om voor de arbeiders koffie te zetten en boterhammen te snijden. Daarna liet zij Kees een paar velletjes papier halen, en toen Ant de bloemen tot ruikertjes wilde vereenigen, nam zij haar met een ongeduldig hoofdschudden het werk uit de handen.
Schel fluitend rolde de vijf-uur-trein achter den boomgaard voorbij, den straatweg over en op de stad toe; verdiept in haar werk lette Lina hem ditmaal niet op.
Toen zij eindelijk de helft\'der wijnglazen met tuiltjes had versierd, wierp zij voor den derden keer de keelbanden van haar muts achterover, pufte eens van de warmte, haalde een schildpadden doos uit haar zak en nam een snuifje.
Eensklaps sprong \'t haar in \'t oog, dat Jan
74
en Kees nog in hun werkpakken waren en ei-smerig uitzagen. Jan niet willende kapittelen in liet bijzijn van Ant, richtte zij zich alleen tot Kees:
— „Hoe he \'k \'t noe? Nog op klompen, in oe vuile kiel en zoo\'n smerig boezeroen an \'t lijf! Wi\' je de dames zoo onder d\' oogen kommen? Dat zol me warentig wat moois wezen! Ie most oe schamen!quot;
Kees kleurde en lachte verlegen.
— „Ja, schamen! Dadeliks \'n frisch hemd an-trekken, hoor, en \'t Zondagsche pak en laarzen! Haal de kam ens door oe haar en wasch oe gezicht, oe nek en oe handen; maar van daag met zeep, hoor! Water krijgt de drek d\'r niet af. Ba, ik zol zoo smerig niet rond willen loopen!quot;
Kees en Jan keken naar hun gescheurde kielen , gelapte, grauwe broeken, bruin gemarmerde knuisten, en wierpen elkander een blik van verstandhouding toe. Alleen Prank, die begreep dat zijn vrouw ook voor hem had gesproken, gaf antwoord.
— „Da\' Kees z\'n zwarte jas en \'n schoon boezeroen au mot trekke, nou, da \'s tot daar au toe; maar van al dat gepoerel mot ik niks ebbe, oor. \'n Boef is \'n boer, en wie met koebeeste
75
omgaat, is nog nio voil, al eit ie geen faine \'andjes as \'n stasdame. — Xee, is \'t nie waar?quot;
— „Zeker is \'t waar. \'n Boer is \'n boer, en voor geen graaf of baron lioeft ie uit de weg te gaan; want alle mensclien znn\'t zooas God ze geschapen heeft; maar as ie volk te vesite hebt, dan mo\' je netjes voor den dag kommen: ieder in z\'n eigen eer en stand, da\' ze nie van oe kannen zeggen; hie weet niet hoe of \'t hoort.quot;
Zachter voegde ze er bij:
■— „Je hadt oe ook wel ens kannen laten scheren. Kees heeft d\'r gisteren an gedacht.quot;
Waar het de vraag gold, hoe iets behoorde, was Lina\'s gezag nog onmiskenbaar; bet viel niet te loochenen, dat zij het leven der hoogere standen van nabij had waargenomen. Bovendien herinnerde Prank zich heel goed, dat hij vroeger altijd zijn Zondagsche jas had aangetrokken, wanneer de landvrouw op de woning kwam. Het lag zeker aan de warmte, dat \'t hem van daag door het hoofd was gegaan.
VII.
Toen oom en neef terugkeerden, in ruime jassen gehuld, waaronder grijs gestreepte overhemden de bruine nekken omsloten, met lompe, doffe laar-
76
zen aan de voeten en glimmende, zwart zijden petten op liet hoofd, was de tafel geheel klaar, en zat Lina met haar stiefdochter te konten, zonder meer acht te slaan op de Duitsche muzikanten , welke door Griet van bier waren voorzien.
Ant was in haar Zondagsche, zwart cachemiren jas gedost, waarop een broche van oranje agaat prijkte. Om den mageren, gelen hals droeg zij een dubbel snoer van vuurrood koraal; van de wijd uitstaande ooren hingen zware gouden hangers af, en door het hagelwitte kanten mutsje met den opgeslagen onderrand blonk een zilveren oorijzer heen, dat, tegen de slapen aan, in spitse , fijn uitgewerkte boeken eindigde, en boven het gladde, blanke voorhoofd slechts een smal, blond t omhoog gekamd haarvlokje zichtbaar liet.
Vrouw Prank droeg nog altijd haar zwart kanten muts, waarvan de keelbanden nu onder de kin waren toegestrikt; jak en rok had zij echter voor een donker groene, wollen jas verruild, waarvan de mouwen zorgvuldig waren neerge-stroopt en waarover een zwart zijden boezelaar het grauw linnen voorschoot verving. Van sieraden was zij afkeerig.
Dat zijn vrouw weer op haar praatstoel zat, had Jan al binnenshuis gehoord en tot Kees ge-
77
zegd. Toch verrieden Lina\'s toon en blik, dat zij veel bedaarder was geworden. Zoodra zij de mannen terug zag keeren, hield zij midden in een zin stil. Opgestaan, schoof zij eerst van Jans scheefstaande pet de klep naar voren, en nam daarna Kees het hoofddeksel van de lichtgele lokken af.
— „Vader is vader; maar jij znnt meer as de halfscheid jonger en \'n gezonde borst, die d\'r geen kwaad van zal krijgen, as de zon ens op zquot;n bol schijnt.quot;
Beide mannen bromden: „nou jaen gingen op de groene bank voor het huis zitten. De Duitschers giegelden; Jan kuchte en spuwde.
Een snuifje nemend hervatte Lina:
— „quot;t Is nog \'n stazieuse dame; maar eer ze mevrouw van der Wal werd, bleven de menschen stil staan, as ze voorbij ging. Xooit had ze die weeuwenaar met twee kinders motten trouwen. Ik heb \'t eur genog gewaarschuwd, want \'t belang van m\'n menschen.... daar, ik zol d\'r voor in de gevangenis gegaan zunt! Juffrouw, zei \'k .... ik was doe ter tijd huisholster bij d\'r oom. graaf van Toornen, die op dat mooie kasteel bij Arem woont, waarvan ze zeggen, as dat de vorige eigenaars, die Duitsehe prinsen waren, noe en
78
dan d\'x- nog kommen spoken, en van der Wal kwam d\'r dikwijls lozeeren in de jachttijd. Juffrouw , zei \'k.. . . van mij kos ze alles lioo-ren, omda\'k gepast vrijmoedig, maar nooit astrantig was. Ik heb altoos de waarheid gezeid zonder anzien des persoons, en de waarheid is de waarheid, die kent geen rang of stand. Ie zal oe verdriet niet op kannen, zei \'k; maar dquot;r was geen praten tegen. Dan riep ze, m\'n leven is treurig en eenzaam; \'t is \'n goeie man; oom holdt veel van \'m en ik zunt zoo graag met kinders. — Noe, ik dacht er \'t mijne van. \'t Was een rijke partij en ... . ik oordeel niet, want ik wil ook niet geoordeeld worden. Z\' is altoos goed en rechtvaardig voor me geweest. Twaalf jaren lang heb ik d\'r gediend; noe is Maria d\'r kamenier, en dus ....quot;
Een ontkennend hoofdschudden, gepaard aan een onbeschrijfelijk gebaar, vormde het slot der phrase.
— „We hebben \'t altoos in liefde met mekander kannen vinden, en we zunt ook in liefde gescheien; maar ....quot;
Wederom schudde zij \'t hoofd, terwijl haar vingers tegelijkertijd iets van haar boezelaar schenen weg te vegen.
79
— „\'t Mensch had wat beters verdiend as zoo\'n uitgeleefde vent.quot;
— „Ja-)quot; merkte Jan peinzend aan „klaintjes ebbe ze same nie gead, en dat voorzoontje laik nie veul te deuge.quot;
Lina wierp haar man een verstoorden blik toe, eer zij op bijzonder schellen, heftigen toon antwoordde :
— „Stil ens wat; je weet wa\'k altoos zeg: oordeel niet over oe meerderen. D\'r motten meesters en d\'r motten dienstbaren wezen. Zoo is \'t overal in de wereld, en zoo is \'t ook goed; maar de waarheid is de waarheid, en... God, die me hoort, weet da\'k de lengen haat en de waarheid verbreien wil. Daarom, die jongen.....
spreek toch niet van die jongen. . . hie heeft een leelik korakter. \'t Goeie mensch weet alles zoo niet, en da\'s \'n bestiering; maar ïk weet \'t wel. ^lenige nacht he\'k tot drie uur opgezeten, om-da\'k bang was, dat ie de boel in brand zol steken, as ie dronken t\'huis kwam. Vraag me niet hoe dikwijls ik d\'andere morgen, wanneer hie tot vier uur in z\'n bed bleef leggen, z\'n vuilen rommel heb geredderd. Denk ie, dat ie me ooit \'n vrindelik woord heeft gegeven ? Stank voor dank, en hier met recht. Achter m\'n mg sprak
so
ie nog kwaad van me. Toch zweeg ik maar stil. . . niet voor hem, al was ie ook honderd maal m\'n meester; maar voor z\'n moeder, \'t Arme schepsel had al verdriet zat. Geloof wa\'k oe zeg: die jongen... die jongen heeft \'n leelik korakter!quot;
Ant, die in haar Zondagsche plunje altijd minder goedlachsch was dan in haar werkkleeren, bekeek en betastte haar japon, maar luisterde niet naar het overbekende verhaal. Kees staroogde , kennelijk trachtend zich het drinkgelag met de gevolgen voor oogen te stellen; Prank, die in Louis van der Wal zijn toekomstigen landheer zag, nam een tweede pruim uit zijn tabaksdoos, en sprak:
— „Net wa\'k zee. En wil \'k ie nog is wa\' zegge: \'t komp allemaal van de weelderigaid.quot;
„Jan, spreek zoo niet. Ie wordt al krek zoo mal as die soosjalen!quot;
Dit verwijt kon Prank niet velen. Met een ongewoon heftig gebaar lichtte hij zijn pet op, trok ze weer scheef naar beneden, en snauwde:
— „Praat toch nie over polletiek! Wat weet \'n vrouw daarvan af? Je denk wel, da\' je van alles op d\' oogte ben, maar \'t eit er nog geen and water na, oor!quot;
Vrouw Prank verkeerde in een veel te opgewonden
81
stemming om zich door een paar groote woorden nit het veld te laten slaan. Integendeel hernam zij met een overmoedigen lach:
— „Omdat jij lid van de gemeenteraad znnt, heb ie de wijsheid ook niet in pacht. Weelde is d\'r en weelde mot d\'r wezen! As d\'r geen weelde was, zollen alle menschen dat vuile margarine-vet eten, en hos de boer met z\'n lekkere boter z\'n wielen smeeren!quot;
Kees keek verschrikt op; Ant kraaide \'t weer uit.
— „Ik zeg oe, \'t zit \'m in \'t bloed; de jongen , is krek z\'n vader. D\' appel valt niet ver van de stam, en., hie is d\' eenige niet. Denk ie, dat ie ooit in m\'n keuken kwam om m\' ens te zeggen, dat ie lekker gegeten had?.. Nooit, hoor; nooit. As d\'r dinee was geweest, en de heeren weggingen , dan kwammen ze allemaal naar binnen .... Mensch, ik heb wel graven en baronnen, ministers en leden van de Kamer hij me gehad. Allemaal hebben ze me de hand gedrukt, en geen één was d\'r of hie zei: Juffrouw Lina, nergens eet je zoo lekker als hier. — Noe, zie je, zonder loon kan niemand dienen; maar een woord van prijs en dank is meer waard as duizend guldens. Al weet je noe, da\' j\' oe plicht doet, \'n mensch is zoo niet, of hie wil \'t nog wel ens van anderen hooren.
6
Voor mij is iederendeen altoos goed en erken-telik geweest. J a, erkentelik. Ik zol daar geschiedenissen van kannen vertellen .... wel honderd. Zwijg stil! Maar die jongen .... nooit hoor.... nooit, nooit!quot;
Prank, die zijn schouders weer had opgehaald,
spuwde nog eens en mompelde:
-
Ant evenwel merkte, schaterend om haar eigen geestigheid, aan;
— „Ai ield zeker meer van drinks dan van ete.quot;
De aardigheid werd slecht ontvangen. Vrouw
Prank, wie \'t ergerde, dat haar stiefdochter noch voor haar, noch voor de hoogere standen de ver-eischte mate van ontzag en eerbied koesterde, zweeg met een strak gezicht stil.
Gestuit in hare ontboezemingen, werd zij de drukkende hitte weer gewaar, zwaaide puffend haar uitgestrekte armen op en neder, sloeg ook de oogen naar de breede, grijs en geel gemarmerde luchtstrook tusschen het dak der woning en de kruinen der boomen op, en herhaalde , dat er vast onweer zou komen.
— „Eerst zat \'t alleenig in m\'n beenen en m\'n hoofd; noe is m\'n bloed overal in opstand en al m\'n zenuwen zunt in aasietaasie. Noe.
83
ze kannen op de dorschvloer blijven dansen tot alles weer over is.quot;
Met zijn gedachten elders knikte Jan bevestigend, en liet er dadelijk op volgen:
— „Met al je aasietaasie benne we veuls te vroeg klaar. Maar wa \'k zegge won. M\'n kanse stane non mooi, oor. De ortedoxe van Spanwaik ebbe me can-didaat gesteld, omda \'k geen liberaal beu as Enderik Vermeer en toch ook geen faine as Jaap de Boer, en de meeste liberale van ier wille ook niks van Vermeer wete, omdat van der Straete d\'r achter zit. M\'n cirkelaire eit goed gedaan; pas er is op.quot;
— „Eb ie dan ook \'n cirkelaire geschreve, vader ?quot;
— „Da\' zon \'k meene. Ik kon me toch deur zoon Vergunning geen ak late zette. Ik eb gezaid wat er in mos staan, en onze schoolmeester eit \'t gefassoeneerd. We ebbe d\'r onder gezet; eenige onafankelike kiezers. Nou mot je oore.quot;
Een beduimeld papiertje uit zijn tabaksdoos te voorschijn halend, las Prank voor;
Waarom wenscht eer. zoogenaamde liberale kiezer — „achter liberale staat zoo\'n lange, rechte aal tussche aakjes, vat j \'mquot; — waarom wenscht een zoogenaamde liberale kiezer den heer Jan Prank niet langer in den gemeenteraad?
Ten eerste— „ze zegge, geloof ik, primoquot; —,
84
primo dan, omdat hij geen toelage wilde geven uit de gemeentekas aan een gewezen schoolmeester, die bij den logementhouder van De gouden Leeuw nog voor menig borreltje in het krijt staat.
Twee, omdat hij de nieuwe lijst van den hool-delijken omslag hielp maken, waarin toevallig genoemde logementhouder een klasse hooger werd gezet, ofschoon hij nog altijd te laag is aangeslagen.
Drie, omdat hij zich in zake de nieuwe grensscheiding getrouw aan zijn eed heeft gehouden en alleen de verbolgenheid opwekte van meerge-noemden logementhouder, die zijn collega is.
Het lust ons vooralsnog niet deze zaak verder te ontrafelen, hoewel wij omtrent de wijze, waarop de zoogenaamde liberale kiezer — wiens naam voor ons geen geheim meer is — zijn plichten tegenover de gemeente vervult, nog wel \'t een en ander wetenswaardigs zouden kunnen mededeelen. Eéne opmerking moet ons echter van het hart. Jan Prank is noch rood, noch zwart. Hij behoort tot de weinigen, die den gulden middelweg-bewandelen; maar was hij daarom tot heden toe een sieraad der liberale partij, na aantijgingen als die van onzen liberalen kiezer zou het niet onmogelijk wezen, dat een man als hij, die \'t wel meent met de belangen der gemeente, zich fat-
soenslialve bij de tegenpartij moest aansluiten.
Kiezers, zou liet geen zaak zijn liever eene nieuwe partij van onafhankelijke middelmannen te vormen dan in onze gemeentelijke huishouding vrij spel te laten aan een man als Hendrik Vermeer, van wien wij weten, dat hij voornamelijk gewenscht wordt door den logementhouder van De gouden Leeuw en diens satellieten ?
_Eit ie z\'n porsie of eit ie \'m nie?quot;
Niemand gaf dadelijk antwoord. Ant, van Wouter wetende, dat Willem, ondanks het gebeurde, dezen avond toch op de woning wilde komen dansen, vroeg zich angstig af, hoe de zaken nu eigenlijk tusschen haar en den jongen stonden; Kees, met zijn gedachten bij Maria, had maar half geluisterd en stelde bovendien weinig belang in de politiek; in Lina kampte de aandrift om weer eens ronduit de waarheid te zeggen met haar streven om den huiselijken vrede, vooral van daag, in stand te houden.
Eindelijk ontsnapte haar toch de verklaring;
— „Ie zunt \'n man en ie mot weten wa\' je doet; maar al dat geschrijf en dat geharrewar. een afkeurend gebaar vulde den zin aan. „Haat is ■\'s werelds zwaard. Ie maakt oe van toeversan iederendeen tot vijand en... Mijn vader...quot;
86
Jan liet haar niet uitspreken.
— „Van jou vader wete we nou alles af.quot;
De muzikanten grinnikten en fluisterden; Lina
hoorde t en werd donkerrood van ergernis. Eer zij echter een gepast antwoord had gevonden, riep Ant, verwonderd en blij tevens, uit:
— „Daar eb ie Willem zoowaar!quot;
VIII.
Inderdaad kwam de jonge van der Straeten het erf op. Hij naderde de tafel, ging zitten en zei alleen:
— „(loeien avond; warm, hé?quot;
Prank wist in zijn verbazing niets beters te antwoorden dan:
—- „Ja, warm is \'t.quot;
Een lange stilte volgde. Jan kuchte, gluurde, spuwde; maar zei niets.
Eindelijk begon Ant overmoedig:
„(reaald eb ik nie; maar \'k wis toch dat je terug zou komme.quot;
Geen antwoord viel aan deze uitdaging ten deel; AV illem bleef tot Jan gekeerd, en hervatte:
jij mc nou zegt wie die eenige onaf-hankelike kiezers zijn, dan zei ik ie zegge wie de liberale kiezer is.quot;
87
— „Zoo... en as ik \'t nou eris nie zegr1quot;
— „As je \'t niet zegt?... Dan zijn we tocli nog kiet.quot;
— „Oe zoo?quot;
— „Wel zeker. Kom, vader, wa\' kan die cirke-laire je nou nog schele ?quot;
Vrouw Prank voorzag een herhaling van het laatste standje en overijlde zich in haar zenuwachtige vrees, dat het feestvierend gezelschap midden in een huilbui van Ant zou kunnen aankomen.
— „Willem, jongen, as ie noe woorden zoekt, kom dan \'n anderen keer terug of blijf heelendal weg. In de kroeg lm\' je standjes maken; hier mot er vrede wezen. Elk oogenblik kan de partij ankommen, en \'k weet d\'r alles van hoe \'t met die dingen gaat. An tranen geen gebrek; \'t zol zat genog wezen om \'t lieve kind de stuipen op d\'r lijf te jagen.quot;
Het lieve kind was de aanstaande jonge vrouw, die Lina voor zich zag in het witte bruidsgewaad, gesluierd, met oranjebloesem in de haren. Medelijden beving haar^ bij de gedachte, dat de feestelijke stemming van zoo\'n teer, jong schepseltje door de onhebbelijkheid van het ruwe boerenvolk kon bedorven worden.
88
AVillcm echter, die om allerhande redenen, vooral uit jaloerschheid van Piet Terhorst, een verzoening wenschte, en dus met vredelievende oogmerken het erf had betreden, schreef Lina\'s uitval noch aan vrees, noch aan mededoogen toe. Sterker werd zijn overtuiging, dat zij het was, die zijn huwelijksplannen dwarsboomde, en in drift ontstoken zou hij haar dadelijk met de heftigste verwijten overladen hebben, had Kees, die op den uitkijk was gaan staan, hun niet toegeroepen :
— „Daar benne ze, daar benne ze!quot;
Schuw voor groote lui keek hij verschrikt op, en ontwaarde inderdaad een stofwolk, die boven den overweg omhoog rees.
Snel oprijzend beet hij vrouw Prank nog fluks toe:
— „As je denkt, dat je me d\'r zoo uitkrijgt, dan heb ie \'i mis! Wel verdompeld!quot; gaf Ant de hand, riep: „ik kom weeromquot;, en was in twee stappen het hek door.
Linksaf verdween hij achter het kreupelhout.
IX.
Op den uitroep van Kees was Griet ijlings naar voren gekomen, en vrouw Prank haastig opgesprongen om haar laatste orders uit te deelen.
— „Kees, zet de stoelen weer recht! Koman,
89
jongens, blaast op! \'n Vroolik deuntje, hoor! Griet, naar oe kachel, meid! Ieder op z\'n plaats. De koning op z\'n troon en de prinses voor d\'r vuur. Zoo is \'t in de heele wereld, en zoo is \'i ook goed. Jan, oe pet staat weer scheef! Jij blijft naast me, en ielui achter ons an. Noe vrijmoedig liet kompelement gedaan. — Ant, lach noe zoo dom niet! Niet praten eer oe wat gevraagd wordt. Ze motten zien , asdat we weten hoe \'t hoort. Kind, hoe kn\' je noe zoo grinneken ?quot;
— :,Xou, we gane ommers niet oit begrave?quot;
Kees proestte \'t uit; maar een strakke, verontwaardigde blik van zijn tante bracht hem nog bijtijds tot bedaren. —
Verwelkomd door het Torero-lied uit Carmen, reden twee barouchetten, met een luidruchtig gezelschap gevuld, het hek door. De kreten „hoezee, wij zijn er, heil en zegenquot;, overschreeuwden zoowel het geblaf van den jachthond als het geschetter der trompetten, en de beschuimde paarden stonden hijgend stil.
Lina en Kees hadden dadelijk naar de bokken gekeken, maar . . . geen Maria. Vlugge vingers wierpen de portieren open; een knecht in groen livrei, die in het voorste achterbakje had gezeten, klapte de treden neer, en een bonte, kakelende
90
menigte sprong ondev de donkere rijtuigkappen nit, verspreidde zicli over het nrnlle pleintje, wervelde een fijne stofwolk omtoog.
Lina zag nog eens goed rond: geen Maria. Het deed haar zeer, maar zij hield zich goed.
In de stemmige omgeving van het rijpe, grijs overstoven groen, van de verbruinde woning met haar sombere luiken, en van de grauwe hooi-bargen met hun dofzwarte palen, wekte deze zwerm van giegelende dametjes en heeren, in blinkende zijden, heldere mousselinen, diep getinte wollen kleedjes, met goud opgelegde uniformen, glanzige laken rokken en hel geverfde zomerjassen, de gedachte op aan een vlucht rijk gekleurde, schel schitterende, exotische vogels, door een wreede hand aan hun zonnig vaderland ontrukt, en losgelaten onder een bleek Noordsch zwerk, in de zwaarmoedige stilte van een on-weerszwangeren Juli-dag. Met gekunstelde vroo-lijkheid begluurden zij de muzikanten in hun prieel, dartelden om de aangerechte tafel heen, wuifden zich koelte toe met waaiers, zakdoeken en hoeden, snaterden zonder zin, schaterden zonder reden. En schuw door de ongewoonheid van het tafreel, overbluft door het kleurenge-wemel, verbijsterd door het gejoel, staarde het
91
boerengezin de drukte aan, stram en plomp als de bargen, waarnaast het was opgegroeid, donker en zwijgend als het slootwater, dat woning en akkers omgrensde.
Het laatst stegen twee oudere dames uit. De eerste, die een effen zwarte, pronklooze japon droeg, geheel in overeenstemming met haar strakke, tanige trekken, was mevrouw Hesiink, de moeder der bruid; de andere, wier rijk versierd toilet van bronskleurige zijde en wier opgeruimd, goed geconserveerd gelaat duidelijk verrieden, dat het besef van de ij delheid der wereldsche vermaken nog niet in haar brein was ontwaakt, had den bruidegom tot stiefzoon en heette van der Wal. Op deze traden Prank en zijn vrouw dadelijk toe: hij achteloos knikkebeenend, zijn pet in beide handen ronddraaiend, met half geopende lippen en rondglurende oogen; zij met deftig lange passen , den linker arm dwars over de maag gelegd, den rechter langs de zijde zwaaiend, een vriendelijken, maar eerbiedigen glimlach om den gesloten mond, een fleren, tevens bewonderenden blik in de blij glanzende oogen.
Mevrouw van der Wal drukte beiden met bijzondere hartelijkheid de hand. Zij begroette ook Kees, vroeg naar ieders gezondheid zonder op het
92
antwoord te letten, en lachte voldaan als Jan zeide:
— „Non, landvrouw, je ziet er kapitaal oit.quot;\'
Tegen de muziek in schreeuwend, stelde zij het
gezin aan mevrouw Heslink voor.
— „Bernardien, dat is nu mijn gewezen juffrouw Lina, van wie ik je zooveel heb verteld, en Prank, die al bijna dertig jaar op de woning is. Deze jongen met zijn roode wangen en zijn zachte, blauwe oogen, de neef en pleegzoon van Prank, heet Kees, zooals je weet, en die gezonde, levenslustige juffrouw met haar donkere kijkers is Antje Prank.quot;
Bernardien zeide iets, dat niemand verstond, maar stak geen vinger uit, terwijl vrouw Prank, glimlachend en knikkend, de beide dames beurtelings aankeek. Kees, die tot achter de ooren rood was geworden, kneep de zenuwachtig grinnikende Ant in den arm, en Jan zette zijn pet weer scheef op met de woorden;
— „Ja, ja, waar is de taid gebleve?quot;
Ondertusschen drentelde de rest van het gezelschap doelloos op het pleintje rond. Na het rijkelijk begoten diner in de stad was de kunstmatig opgevroolijkte stemming onder het rijden weer verflauwd. Thans verwachtte ieder van de anderen
93
een ingeving lioe de pret te verwezenlijken, waarop men zich had gespitst.
Een bejaard, deftig heer en een echtpaar van middelbaren leeftijd naderden de gastvrouw en haar vroegere huishoudster; de eerste sprak Lina aan:
— „Ken je mij nog, vrouw Prank?quot;
— „Xoe, maar dat zol \'k gelooven, meneer van Deijl! U is niemendal veranderd. Menig haasje, dat u geschoten had, heb ik gebraaien. As u \'m eigens kwam eten, most er altoos bloed in de sju wezen, is \'t niewaar? Meneer van der Wal hield er niet van. Of ik \'t nog weet!quot;
— „ Ja, Lina. zooals jij hazen wist te braden, zal ik ze wel nooit weer eten. En dan je meloen in \'t zuur! Trouwens, wat deed jij niet in de perfectie ? Nergens smulde je als bij mevrouw van der Wal.quot;
Het compliment was minder voor Lina dan voor hare vorige meesteres bestemd en werd door deze dan ook met een glimlachend knikje beantwoord.
De heer van middelbaren leeftijd kende Lina\'s kookkunst, helaas, niet bij ondervinding; maar had er toch veel goeds van gehoord. Vooral die meloen in \'t zuur werd door de kenners hemelhoog geprezen. Lina\'s oogen schitterden van voldoening, eu haar wangen trilden door de snel opeenvolgende glimlachjes.
94
— „Ja, meneer, dat zoetzuur is \'n geheim, waarvoor \'k in der tijd nog vijf gulden uit m\'n zak heb betaald an \'n olden kok van de prins van Oranje.quot;
— „Vrouw Prank, ik heb al tot mijn vrouw gezegd : iemand als uquot; — dit u nam Lina zeer voor den man in — „moest zijn gedenkschriften schrijven. Daar zon menigeen nog wat uit kunnen leeren.quot;
— „Noe, meneer, dat geloof \'k ook.quot;
Mevrouw van der Wal brak het gesprek af.
— „Nu zal ik mijn zoon roepen, en moet je ook eens kennis maken met zijn allerliefste bruid, de dochter van deze dame. Mijn getrouwde dochter Emma zal je zeker je nog herinneren. Ze is natuurlijk voor de feesten overgekomen; haar man wachten wij morgen voor de huwelijksvoltrekking. Louis,. .. . Antoinette,. ... Emma,... komt eens hier, kinderen!quot;
De muziek zweeg, en uit de gonzende groep, die zich nog altijd uitputte in betuigingen, dat het zoo bijzonder warm was, traden een dametje in licht lila zijde, een tweede in zwarte zijde en een jonge man in een mosterdkleurig zomerge-waad naar voren. De gelaatstrekken der beide eersten waren noch mooi, noch leelijk, gaven noch goeds, noch kwaads te denken. De tengere bruid in \'t lila had een frisch poppengezicht,
95
waarover de donker blonde poneyharen eene uitdrukking van groote onnoozellieid legden.
Het gelaat van den bruidegom moebt, ondanks zijn vale kleur, op fraaiheid aanspraken doen gelden; maar zijn dwalende blik en zijn gedwongen glimlacli maakten den indruk, dat vrouw Prank\'s hard oordeel gerechtvaardigd kon zijn, terwijl de zenuwachtige wijze, waarop hij, met half gesloten oogen omlaag kijkend, gestadig aan zijn blonden knevel draaide, zoowel angst als kwalijk verheelde beschroomdheid verried.
De beide dametjes staken dadelijk naar de vier leden van het gezin hare handjes uit; van der Wal bepaalde zich tot het leggen van twee slappe vingers in Pranks vereelte vuist, en knikte tegelijkertijd de jonge lui genadig toe; Lina keek hij ternauwernood aan.
Vrouw Prank, die — Maria haast vergetend — haar blijdschap over de kennismaking met juffrouw Heslink en over het wederzien van mevrouws ge-trouwde dochter terstond in onsamenhangende, overdreven hartelijke bewoordingen te kennen had gegeven, liet daarna het woord aan haar man. Toen deze zich evenwel vergenoegde met naar het chassinet te wijzen en te betuigen, dat hij voor den jongen landheer, en voor allen, die hem
96
na aan \'t hart lagen, wensclite wat daarop stond nog vele jaren lang. alles naar genoegen, in gezondheid, tot op hoogen ouderdom, meende zij hiermede niet te kunnen volstaan.
Met wijd geopende, vochtig glimmende oogen nam zij nog eenmaal Antoinette\'s strookleurigen handschoen in haar twee handen, en moest met samengeknepen lippen een paar keeren het hoofd schudden, eer zij woorden vinden kon om haar gedachten te vertolken.
— „Ik kan alles niet zoo zeggen as \'k \'t wel voel. Ziet u, juffrouw, ik zunt altoos maar \'n dienstbare geweest, schoons . .. geen dienstbooi, zooas u wel weten zal van uwes toekomstige mama, en zooas iederendeen in de stad u kan vertellen, want alle menschen kennen me, op \'t dorp en over \'t gansche land, tot in de hoogste rangen van de maatschappij. Meneer van Deijl kan getuigen of \'k de waarheid niet spreek. IJdelheid is slecht en zondig; maar wat\'n mensch toekomt... dat komt \'m toe. Wie graaf of berou is.... gelijk zunt de menschen nergens. Eere wie eere verdient en... Voor m\'n meerderen he \'k eerbied en achting gehad; daarom he \'k ook eerbied en achting ondervonden. Wie goed doet, goed ontmoet. Meneer ken \'k al van de
97
tijd af, dat ie nog \'n jongen was en in \'n kort buis met \'n petje op naar \'t gemenasiuin ging. Ja, \'t is waar, \'k heb \'m altoos gezeid: eer oe moeder, opdat oe dagen verlengd zallen worden. Zoo staat \'t in de Scbrift. Wie \'n brave zoon is geweest, die wordt ook \'n brave man en \'n brave vader; maar wie z\'n ouders \'t leven verbitterd heeft... ja ... zoo is \'t. ..quot;
Eensklaps dwaalde zij af. Haar blik werd strak, naar binnen gewend, en haar gedachten keerden naar een onvergetelijken Zondag terug, toen zij \'s morgens heftig tegen Louis was uitgevaren, en zijn stilzwijgen haar in den waan had gebracht, dat zijn berouw ontwaakte. Zelfvoldaner dan ooit had zij daarna haar uitgaans-dag genoten, eu nu zag zij zich weer door de stad rondwandelen, niet opgedirkt als een gewone meid, maar deftig gekleed, gelijk het een vrouw uit den burgerstand past. Fier gestemd, daar zij meende een goed werk te hebben verricht, was zij niet ongeneigd te gelooven, dat de voorbijgangers \'t haar aanzagen. Een vriend van den huize vereerde haar met een genadig knikje, dat zij met een diepe buiging beantwoordde, en ... .
Een ongeduldig rukje van Antoinette\'s gevangen hand bracht haar tot de werkelijkheid terug.
7
98
— „Ja, ziet u, m\'n lieve juffrouw, de menscli is van van daag, maar z\'n gedachten zunt van gisteren. Let niet op de woorden, maar op de bedoeling. Va 11 liarte hoop ili, asdat u gelukkig met \'m zal wezen, en dat er rozen op oe pad zallen bloeien. Zóó is d\'r geen, of ie mot z n andeel dragen in \'t verdriet en de smarten van deze wereld. De Voorzienigheid wil \'t zoo, en zoo is \'t ook goed; want anders... Geduld is lijdens kruis; maar as w\' onze plicht in liefde hebben gedaan, dan zallen w eenmaal beloond worden; hier en hiernamaals. De liefde is ons plechtanker; de liefde is alles. Ik zie t nog ooi me, asof \'t pas gisteren was gebeurd, dat m n beste mevrouw met de kolde koorts in bed lag. Doe was \'k nog jonger en \'k had \'t niet zoo in m\'n rug as tegenswoordig; schoons .... klagen mag ik niet, want de buitenlucht heeft me \\ eel goed gedaan. Vraag maar ens, hoe \'k \'eur verzorgd heb. As dokter Bloem wegging — hie kwam in \'t begin wel driemaal — dan stak ie z n sigaai altoos in de keuken op. O! \'t was zoo\'n vrindelike man, en menigmaal heeft ie gezeid: Lina, mevrouv heeft naast God an d\'r juffrouw \'t leven te danken. Ja, \'n beste man en knap ook. Die had in alle landen van de wereld gestedeerd, en noe
99
leit ie d\'r al drie jaar onder. Daarom zeg \'k altoos tegen Ant en Kees: wij mensclien motten in liefde \'t goeie betrachten. Plicht en cliristelikheid!quot;
Antoinette, die, met moeite haar lachen bedwingend , strak naar den grond had gestaard om de blikken, wenken en kuchjes harer vriendinnen niet op te merken, voelde zich als uit een gevangenis verlost, toen \'t haar eindelijk gelukte den kleinen, gelen handschoen uit Lina\'s klemmende vingeren te bevrijden. Met een vluchtig:
„Dank je wel, vrouw Pr riikbeantwoordde zij de zonderlinge rede, greep Louis\' arm, en voegde zich bij de jongelui, die oogenblikkelijk een dichte, giegelende groep vormden, waarin het bruidspaar verdween.
Een paar flauwe aardigheden volstonden nu om de jolige stemming te doen herleven. Men nam aan, dat de formaliteiten vervuld waren, en een lust om dolle grappen uit té halen maakte zich eensklaps van de jongeren meester. Zelfs de def-tigsten hunkerden er naar eens uit hun plooi te komen. Een zware stem riep: „naar den hooibarg; daar is \'t lekker;quot; een hoogere vroeg: „zouden we niet beginnen met ons te laten wegen om te zien hoeveel we hier afsmelten;quot; een derde schreeuwde: „neen, neen, eerst kijken of er geen
100
sjees is;quot; en plotseling spatte het kleurige troepje iiiteen. Twee zwarte rokken en een rood zijden japon snelden, ondanks de hitte, om \'t hardst naar den barg toe, en sprongen in \'t grauwe hooi; een groene uniform en twee hemelsblauwe jurkjes glipten de gang binnen; de rest van de vlucht dartelde om de woning heen, joeg de kippen kakelend voor zich op, lokte den hond blaffend uit zijn hok en verdween eindelijk door verschillende deuren.
Ondertusschen hadden de koetsiers hunne dampende paarden afgespannen.
— „Wat \'n vroolikheid, wat \'n vroolikheid!quot; riep vrouw Prank uit, glunder als een balling, die weer eens landgenooten ontmoet eu zijn moedertaal kan spreken. „Noe weet u toch niet wat \'n goed \'t me dost weer ens levendigheid om me henen te zien! \'t Is hier zoo stil, zóó stil! — Jan, help de koessiers manges an water voor de paarden. Kees, jongen, ga ens kijken of de heeren wel met de gewichten terecht kannen. en of Wout om de kaas heeft gedacht. Weet ie wa\' je doet, Ant, laat do jonge dames de kelder ens zien.quot;
Alleen gebleven met de beide moeders, het echtpaar van middelbaren leeftijd en den ouden heer van Deijl, stelde Lina voor eens binnen te gaan kijken. Zij wist wel, dat stadsmenschen in
101
een boerenwoning gaarne alles van nabij bescbouwen.
— „\'t Is (1! \'r zoo heel anders as in de stad, schoons . .. lang niet beter, boor!quot;
Bedaard wandelde bet zestal op, en bezocbt eerst bet wintervertrek links, waarin al bet bontwerk geel was geverfd, terwijl gele matten den vloer bedekten. Nieuwsgierig opende de onde beer twee denren, waarachter bij alkoven vond, en terwijl bet echtpaar op de beide latafels de kunstbloemen onder glazen stolpen en tegen de gewitte muren de platen van Paris-nouveau bewonderde, vertelde Lina, dat zij bier \'s winters aten en sliepen.
— „De kamer is ten minste ruim,quot; merkte mevrouw Heslink aan.
— „En warmpies ook met de winterdag.quot;
— „Mais comme il fait sombre derrière ces tilleuls!quot;
— „Ob, il y fait nuit et pense qu\'ils n\'ouvrent jamais les fenêtres! Moi, pour tout Tor du monde je ne voudrais manger et dormir dans une même atmospbère.quot;
Lina meende, dat mevrouw van der Wal over de groote Friescbe klok tusscben de vensters bad gesproken, die twintig minuten achter liep, en verzekerde, dat zij nooit één minuut scheelde.
102
Van het wiutervertrek stak het gezelschap over naar de opkamer, waar \'t nog donkerder was en vunzig benauwd rook.
Terwijl vrouw Prank van het kleine raam boven den koelput de blinden opende , en het groote venster opschoof om de luiken weg te duwen, vertelde mevrouw van der Wal aan haar gasten, dat de zoogenaamde opkamer als logeer- en pronkvertrek dienst deed.
Ook hier dekten gele matten den vloer, waren de muren gewit en sloten twee parelgrijze deuren de alkoven af; maar de kussensloopen waren met borduursel omzet, tegen de wanden hingen, naast bontgekleurde voorstellingen uit de bijbelsche geschiedenis , gecalligrapheerde getuigschriften van prijzen op tentoonstellingen behaald, en do twee mahoniehouten kasten droegen, behalve kunstbloemen onder glazen stolpen , kleine porseleinen beeldjes en vazen A-an verzilverd glas. Geen stofje lag op het tafelblad, geen vlekje ontsierde den krijtwitten muur; de stolpen glansden en het beddegoed glom.
— „Echt oud-Hollandsche zindelijkheid,quot; zei mevrouw van der Wal met een lachje, waarvan vrouw Prank de ironie niet begreep.
Integendeel meende zij in de ronddwalende oogen bewondering te lezen, en gestreeld in haar
103
ijdelheid greep zij eensklaps haar vroegere meesteres bij beide handen aan.
— „Mensch, wat zie j\'r toch nog jeugdig idt! Ja, ja, \'k zunt altoos trotscli geweest op m\'n mevrouw, want Jk wist wel, dat \'r zoo geen tweede in gansch Nederland te vinden was.quot;
Mevrouw van der Wal kleurde en glimlachte.
— „Lina, Lina!quot;
— „Neen, neen! quot;t Is de waarheid, en de waarheid ... is de waarheid. Zol ie noe wel willen gelooven\'quot; — zij wendde zich tot mevrouw Heslink — „dat \'t heele dorp jeloersch is, omdat mijn mevrouw op de woning bruiloft komt vieren ? Van avond bij d\' illemenaasje wed ik da\' z\' allemaal achter \'t hek staan en op de weg.quot;
De aangesprokene geloofde \'t volgaarne en deed kennelijk haar best belangstelling te toonen.
— „Ze hebben \'t wel niet gezeid,quot; vervolgde Lina, veelbeteekenend met de hand wuivend, „maar ik ken ze met d\'r strakke fiselemieën. Doe \'k \'t verlejen Zondag vertelde — ik ga vóór kerktijd nog al ens na de vrouw van de dominee om d\'r ;t een of \'t ander van de kokerij te leeren, en as we dan samen na de kerk wandelen, wil \'t wel, dat we de notaris tegenkommen, die erg gek op \'n praatje is — noe,
104
doe stond AVillems vader d\'r toevallig ook bij — Willem uit De gouden Leeuw zie je, die met Ant verkeering heeft — en of ik \'t in z\'n oogen gelezen heb, hoor!quot;
— „En waar slaap je nu \'s zomers, Lina?quot;
— „Dat zal \'k oe ens wijzen. Gaat noe \'t trappie maar weer af, rechts om, de kelderdeur langs, en dan weer \'n trappie op. Voor ons eigen hebben we zoo\'n mooie kamer niet, hoor. Wij behelpen ons maar; da\'s zoo boeren-aard; maar ... \'n waschtafel heb ik an Jan gezeid, \'n wasch-tafel mot ik hebben. Dat ben \'k al z\'n leven gewend geweest. An de pomp m\'n gezicht zoo\'n beetje afspoelen zonder zeep, zooas dat volk hier allemaal doet... nee, dat zol \'k niet uitholden!quot;
— „Ces paysans sont d\' une saleté .. .quot;
Het trapje afdalend hoorden de dames stemmen-rumoer in den onderliggenden kelder, en door de openstaande deur zagen zij hoe de luitenant van de jagers, met gebogen hoofd in het lage gewelf staande, aan een paar jonge meisjes, die behoedzaam de japonnen ophielden, een verklaring gaf van de verwerking der vette melk tot de gele boter van het gindsche vaatje en de bleeke komijne kazen, welke zij in den koestal hadden geteld. Ant stond er verlegen, met gekruiste
105
armen bij, en gluurde naar de kleurige toiletjes.
Intusschen had Lina de achterdeur boven den kelder geopend.
— „Hier slapen we noe in de zomer.quot;
De dames wilden binnentreden, maar zagen terstond in, dat zulks ondoenlijk was. In de nauwe pijpenla bleef tusschen den muur, de latafels, twee stoelen en twee bedden, voor hoogstens een paar personen ruimte genoeg over.
— n\'t Zunt eigenlik tweeslaaps-ledekanten, en vroeger sliepen Kees en Ant in \'t andere bed; maar ik heb dadeliks an Jan gezeid, dat ze daar noe te old voor waren, en da\'k eigens ook niet gediend was van die broeierij.quot;
Van Deijl lachte luidkeels en vestigde de aandacht der dames op het eenige sieraad van het kamertje: een groote, gekleurde plaat, die Jozefs ontvluchting van Potifars huisvrouw voorstelde.
— „Zeer eigenaardig; mais elle a bien fait d\' eloigner les enfants.quot;
De dame van middelbaren leeftijd proestte \'t uit; mevrouw van der Wal kleurde en Bernar-dien vroeg op bijzonder ernstigen toon of er nog meer te bekijken was.
— „Dat zol \'k meenen! Hiernaast is de boes, dan komt de dorschvloer, en de dames zallen
106
tocli ook \'t werkhuis wel ens willen zien, waar gekarnd wordt. In de stad vin je zoo iets niet.quot;
Lina liad zelve de woning nog nooit zoo merkwaardig gevonden.
Den langen ledigen koestal doorgaande, waarin de bloedrood geverfde tegels van de middengang. liet opgeharkte zand der staanplaatsen aan weerskanten , liet zorgvuldig afgewasschen houtwerk en de zindelijke steenen mestgoten te bewonderen waren, ontmoetten zij weer een deel van het jongere gezelschap, dat zich door Kees liet wegen. Juist bleken de grootste gewichten onvoldoende te zijn om de zwaarte eener zeer kleine en magere dame te bepalen, die niet gewaar werd, dat een tweetal heeren met hunne voeten de schaal omlaag drukten.
Men lachte een oogenblik hartelijk; maar tot aller teleurstelling verklapte de goedige Kees het geheim van deze speling der natuur. Van den aangrenzen-den , ruimen dorschvloer was alles reeds weggenomen voor het bal. Het bed van den maaier stond in de wagenschuur; de eggen, ploegen, harken, spaden, scharen, kettingen, tuigen en ladders rustten in den doorgang naar den stal, en alleen de kaas van den dag, waaruit langzaam de groengele wei neer-dropte, was onder haar pers in een hoek achter-
107
gebleven. Lina zei, dat zij haar nachtdoek nog niet om had, en ook om dit woord werd gelachen, zonder dat iemand de verklaring er van vroeg.
Buitenom naar het werkhuis terugkeerend, troffen zij bij een kleinen ren, waarin tien kuikens een zwarte kloek omringden, twee jonge meisjes aan. Het tweetal had van Griet een handjevol gerstekorrels gekregen, en verbaasde er zich over, dat de opgeschrikte diertjes niet wilden eten.
— „De arme kleuters hebben slaap zei Lina, het rennetje met een grauw linnen lap overdekkend.
De dametjes lieten een half verwonderd, half medelijdend: „ach!quot; hooren, gluurden nog eens behoedzaam onder den lap en vonden dat de beestjes allerkneuterigst warm bijeen zaten.
Een luid geknor, gepaard aan een schel ge-krijsch, leidde daarop hare aandacht af\', en lokte ook de rest van het ronddwalend gezelschap naar buiten; Vergezeld van den bruidegom en de bx-nid, was Prank het varkenshok binnengegaan, maar het spatten van de wei, waarmee hij, over de rozeroode snoeten heengietend, de troggen vulde, deed de jongelui verschrikt terugspringen. Men lachte en schertste weer, ergerde zich nog eens uit de verte over de vuile beesten, en ging daarna het werkhuis in, waar Griet schuw onder de
108
schoorsteenkap tussclien kookkachel en broodoven wegkroop.
Hier blonk en glom alles weer van het schuren, schrobben en spoelen. Op de dofroode vloertegels was geen stofje te ontdekken; de lichtblauwe, met ijzer beslagen tonnen en kuipen glommen in smet-telooze reinheid en het rood koperen vat weerspiegelde zijn eigen glans.
Terwijl de oudere dames het sombere kamertje bezochten, van Lina vernamen, dat hier werd gegeten, en zich verbaasden over het sobere menu van brood, kaas, karnemelk, aardappelen, soms een stukje spek, bij uitzondering een eitje met sla, snelden de jongelui al weer verder, het pleintje over en den moestuin in. Onder het gordijn door zag vrouw Prank nog juist een paar met bloemen en vogels versierde hoedjes boven de haag uitsteken en achter het prieel verdwijnen, terwijl de Duitschers, opgeschrikt door het terug-keerend gezelschap, een klagende melodie aanhieven.
Bernardien beweerde, dat zij hier onwel zou worden.
— „Maar Lina,quot; vroeg mevrouw van der Wal, „waarom trek je het gordijn niet op, en zet je het raam niet eens open?quot;
109
— !,M\'n beste mevrouw, da\'s zoo boeren-aard. Jan zol bang wezen, asdat ie z\'n oogen bedierf en \'n bezetting op z\'n borst kreeg/quot;
— „C\'est dégoutant,quot; mompelde mevrouw Heslink.
In het werkbuis teruggekeerd, merkte de beer
van middelbaren leeftijd — die al lang iets bad willen zeggen en nu den schoorsteenmantel met zijn blauwe borden in \'t oog kreeg — schuchter op, dat dit aardewerk zeker oud en zeldzaam was.
Vrouw Prank lachte hem zoo hartelijk uit, dat de man verlegen werd en een nieuwe vraag stelde om zijn misvatting te doen vergeten.
— „Worden hier de lekkere schoteltjes voor manlief klaargemaakt?quot;
Xn lachte Lina niet langer. Zij maakte een afwijzend gebaar, kralde haar onderlip minachtend omhoog, en klopte Griet op den schouder, die met een brommig gelaat een bord afwreef.
— „Wat \'r hier te kokerellen valt, kan onze \' Griet wel af, niewaar meid ? Dat boerenvolk pruimt
maar toe. As ze d\'r magen maar vol krijgen!quot;
Mevrouw van der Wal had schik in Lina\'s ge-ringschattenden toon, en voegde haar vriendin toe:
— „Dis lui, que tu as entendu parler des bons diners rju\'elle savait faire. Tu t\'amuseras; elle est d\'une vanité incroyable.quot;
110
Met een strak gezicht volgde mevrouw Hesliuk den wenk op, en Lina liep onergdenkend in den val.
— „Dinees, mevrouw! Al zeg ik \'t eigens: an \'t hof at je nog zoo lekker niet! Ja, ieder heeft zoo z\'n ponteneur, en met ijver en volharding kan \'n mensch alles leeren, niewaar? Da\' zunt maar Hansen! Ik was d\'r zoo min as u voor in de wieg geleid om dageliks an \'t vuur te staan. Trouwens, dat zal mevrouw wel weten, want iederendeen weet \'t; maar in m\'n goeien tijd. . . noe, ik ging nog voor geen Franschen kok uit de weg. Recht is recht, en wat \'n mensch toekomt , dat komt \'m toe. Met m\'n gansche familie zu \'k in openbare vijandschap gekommen, omda \'k niet wilde zooas zelui wilden. M\'n vader. .. maar . .. da\'s tot daaran toe. Doe he \'k gezeid: neen, ieder mensch heeft \'n hoofd, waar ie na leeft. Zooas God quot;t me ingeeft, zoo is \'t ook goed; ik zeg niet ja, as m\'n hart neen zeit. Geen cent wi \'k hebben. M\'n eigen brood za \'k verdienen, en eenmaal zal ie nog trotsch d\'r op wezen, dat we dezelfde naam dragen, want ih wil uitblinken door kundigheden en door plichtsbetrachting !quot;
— „Comprends-tu maintenant, qu\'elle se que-
Ill
rellait sans cesse avec les autres domcstiques ? 11 est vrai, qu\'elle était line bonne cuisinière; mais a part son honnêteté a toute épreuve, elle n\'avait rien d\'exceptionnel. Pour quelques florins de plus on en trouve encore maintenant de tout aussi bonnes. De jour en jour elle devenait plus difficile, et comme avec sa santé débile elle n\'était plus bonne a grand\' chose, j\'ai été trés contente de son depart.quot;
Bernardien begreep er alles van.
— „Daarom, vrouw Prank, is \'t je ook goed gegaan op de wereld.quot;
— „Mevrouw, de zegen Gods is met me geweest ; ik zeg \'t met dankbaarheid, maar... de anderen zunt \'r ook wel bij gevaren. Voor m\'n menschen... ik zeg niks, want \'t is genog bekend... En denk ie, dat j\' er eer met inlegt of dat \'t goekoop uitkomt, as j\' op den duur de kookster mot nemen?quot;
Een minachtend gebaar en een trotsch lachje begeleidden deze vraag.
— „\'k Heb veel geld in m\'n leven verdiend, want... voor \'n appel en \'n ei kreeg ie me niet. Alle waar is na z\'n geld; maar... as mevrouw me twee honderd en vijftig gulden betaalde, dan haalde ik d\'r wel voor duizend guldens per jaar
112
uit. Laan ze maar kommen, die \'t me nadoen in zuinigheid, en.. . met de liand op \'t hart, zou warentig as d\'r \'n Grod ons ziet, durf ik verklaren, da \'k nooit in m\'n leven \'n snippertje vleesch het huis uit heb gedragen of percenten van \'n leverancier heb angenomen. Daar. .. nog niet zooveel!quot;
Een knip met de vingers verduidelijkte deze woorden.
— „Afdingen dee \'k ook niet, want... goed mos \'t wezen. Alles eerste kwaliteit en anders .... laat oe baas dat dingetje maar opeten, hoor. Toch mocht iederendeen me lijjen, want ik was rechtvaardig. Nee, dat he \'k ook nog tegen baron van Sandwijk gezeid, bij wie \'k maar kort in dienst gebleven zunt, omdat . . . kwaadspreken wi \'k niet; maar.... \'n schriele boel was \'t. Meneer, zei \'k — hie was weeuwenaar, en bemoeide zich met alles — wi\' je lekker eten, dan mot er van alles \'t beste genomen worden. Groe-koop is duurkoop, en van \'n buf kan \'k geen haas braaien. Kan je \'t stellen met tweede kwaliteit vleesch, dan zunt ik oe te duur. Is \'t nie-waar? leder wat \'m past; ik zei \'t openhartig, en . .. zoo is \'t noe eenmaal op de gansche wereld.quot;
— „Quelle bavarde, n\'est-ce pas?quot;
113
Vrouw Prank lachte fier, want zij was over-tuigd, dat iedereen haar lof moest verkondigen.
— „Hoe oud ben je nu eigenlijk, Lina?quot;
, — „Even drie en veertig, mevrouw; maar \' dienstjaren tellen dubheld.quot;
— „Kan je \'t nog altijd goed met je man vinden ?quot;
Deze vraag beantwoordde vrouw Prank niet
dadelijk. Het was, alsof zij naar geschikte woorden zocht om haar meening omtrent Jan juist en volledig weer te geven. Daar dit zoeken echter uitsluitend ten gevolge had, dat de verwarring in haar brein nog toenam, gaf zij de zaak maar op, kneep de oogen toe en riep:
— „Ach, ik kan niet alles zoo zeggen wa\'k denk.quot;
— „Jan is toch een beste man/\'
— „Eere wie eere toekomt! Dat ie me heeft willen nemen, doe \'k niet meer voor \'t vuur kos staan, omdat \'t bloed naar m\'n hoofd steeg.... dat was edel van \'ra en \'n zegen van God voor mij en m\'n kind. Doe was \'k niet as tegenswoordig, want in m\'n rug lag alles los, m\'n beenen zonken onder me weg, en soms was \'t of de heele boel voor m\'n oogen begon te draaien. Daarom zol \'k voor die man m\'n hoofd op \'t blok willen neerleggen; daar ku\' j\' op an, en m\'n eigen dochter zal altoos achterstaan bij zijn Ant, schoons...quot;
8
114
De inhoud van \'t geen volgen moest werd slechts door een vreemdsoortig gebaar aangeduid. Een oogenblik had Lina lust gevoeld naar Maria te vragen; maar tegelijkertijd was de gedachte bij haar opgekomen, dat er iets niet richtig moest zijn, nu mevrouw van der Wal zelfs haar naam nog niet had uitgesproken, en hoewel zij zich dit iets slechts als een kleine ongepastheid voorstelde — Maria vergat wel eens haar afstand te bewaren — wilde zij er toch liever geen onderzoek naar doen in tegenwoordigheid van derden.
Met een sterken klemtoon op het eerste woord vervolgde zij dus:
— „J/,- zeg altoos: anderen hebben \'t vleesch van me gehad. Jan krijgt maar de beenen. Daarom wil \'k niet op \'m neerzien, maar .... \'n boer blijft \'n boer, en ... en . .. mevrouw begrijpt wa k zeggen wil.quot;
Lina knipoogde, maar vergiste zich. Mevrouw Heslink, tot wie zij de laatste woorden had gericht, verklaarde:
— „Je n\'en comprends rien du tout.quot;
— „Elle veut dire, que pour un simple paysan elle peut sentir de I\'estime, mais rien de plus. Comme son père était un riche fermier, échevin d\'une grande commune, elle se figure appartemr
115
a une classe phis élevée de la société. Sa fille, ma femme de cliambre, qu\'elle a impregnée de ces mêmes ridicules prétentions, possède tons les defauts de sa mere moins ses bonnes qualités.
\' Anssi, qnand elle m\'a dit qn\'elle s\'en allait, je ne lui ai pas demandé pourqnoi, mais je Ini ai dit, tont simplement: va-t-en ma fille. Tu com-prends, qne j\' en ai assez.quot;
Het laatste vatte mevrouw Heslink volkomen, en Lina zuchtte:
— „Ja, ja,quot; in de meening, dat de dames haar begrepen, zooals zij begrepen wilde worden. Een snuifje nemend glimlachte zij weer, en hernam:
— „Wat \'n bette; wat \'n hette! \'t Gaat noe wat beter, maar van morgen vroeg zat \'t me erg in de beenen. Ie zal zien, asdat we zwaar weer krijgen.quot;
Mevrouw Heslink schrok; doch liet zich gauw geruststellen door den heer van Deijl, die in \'t Fransch Lina\'s vrees voor ongegrond verklaarde, er bijvoegend, dat kennis van de kookkunst iemand nog niet tot een weerprofeet maakt.
— „Laan we noe ens gaan tuinen.quot;
— „Je neemt de boerentaal al over, Lina.quot;
— „Wat za \'k oe zeggen? Wie onder de wolven leeft, mot mee huilen. Dat he \'k altoos gedaan,
116
en daarom spreek ik noe zoo van alles wat.quot;
Buiten gekomen zagen zij, dat de moestuin, bloementuin en boomgaard geheel door de dartelende jeugd in beslag waren genomen. De blozende gezichten, de lappen schel rood, sneeuwwit en hemelsblauw van de zijden, mousselinen en wollen japonnen, de vlekken glanzig zwart der rokken, het flikkerend passement der uniformen en de lichte tinten der zomerjassen dwarrelden tusschen de rechte reeksen appelboomen door, omfladderden de kleurrijke bloembedjes, doorschitterden de ijle bessenstruiken, en dit tintengewemel, gepaard aan het gegons der stemmen, het gekwinkeleer der lachjes, het getjilp der gilletjes, verlevendigde weer de gedachte aan een bonte, trippelende, joelende vogelenvlucht, die nu plunderend op de vruchten en bloemen was neergestreken.
Half verscholen achter het prieel zagen Ant en Kees grinnikend het schouwspel aan; Prank hing naast het hek met een strak gezicht over de haag, en plukte gramstorig aan zijn dunnen baard. —
Daar de knecht, die de lange tafel reeds van een paar taarten, vier groote kommen vol paarse kersen, gele kruisbessen, roode en witte aalbessen, en een tiental zoetjes op kleinere schalen had
117
voorzien, nog altijd niet gereed was met het ontkurken der wijnflesschen, gunde mevrouw van der Wal zicli den tijd ook Prank eens te ondervragen. Zij had aan Bernardien verteld, dat het hoeren-paar bijzonder eigenaardig was, en wilde nu beiden hunne kunsten laten vertoonen.
Zoolang Lina zich nog in de nabijheid bevond, sprak zij alleen over de drukkende warmte, en vernam toen — tot Bernardiens hernieuwde ontsteltenis — dat ook Jan binnen een uur zwaar weer verwachtte.
Mevrouw Heslink stelde voor dadelijk terug te rijden, werd boos, toen dit plan een slecht onthaal vond, en sprak van nu af aan niet veel meer.
Toen vrouw Prank verdwenen was om den zuren room te gaan halen, sloeg mevrouw van der Wal een andere snaar aan.
— „Wel, Prank, ben je nog altijd over Lina tevreden ?quot;
Jan blikte de landvrouw eens van ter zijde aan.
— „Nou, da\' schik vrai wel.quot;
-— „Hoe lang ben je nu al getrouwd?quot;
— „\'n Dikke anderalf jaar.quot;
— „Ze wist meer van de kaas- en botermakerij af, dan jij gedacht hadt, hè?quot;
Weer wierp Jan een schuinen blik naar zijn
118
ondervraagster; in de rimpelende hoeken van zijn half toegeknepen oogen trilde iets spotachtigs en wantrouwends tevens.
— ,,Wa\' zei \'k ie daar al van zegge? Ze weet wel veul ... te veul zelfs, \'t Kan zoo gek nie weze, of \'t is aar al is deur d\'r oof gegaan, maar .. . z\' is ook aigewais, oor. — Erg! Ze verbeeldt zich, da\' zai \'t alleen bai t rechte aind eit . . . nou, da1 moch wat. D\'r benne toch wel dinge, waar ze niks niemendal van af weet, oor.
Mevrouw van der Wal keek haar vriendin veelbeteekenend aan. Zij had in het rijtuig de meening geuit, dat op den duur geen man het met zoo\'n vrouw kon uithouden, en achtte nu het bewijs voor haar stelling geleverd. Den dieperen grond voor Jans misnoegen: zijn teleurgestelde verwachting, dat Lina\'s bekwaamheden op elk gebied groote materieele voordeelen zouden afwerpen , vermoedde zij in het minst niet.
— „Voor \'t werk is ze nog flink, niet waar?quot;
— „Ze doet d\'r bes, da\' mot gezaid worde, \'silorges, \'t eers op; \'s avens \'t laats na bed, en \'k verzeker je, da\' z \'n dubbeltje om weet te keere, voorda\' z\'t oitgeef.quot;
— „Voila a ses yeux son plus grand charme; il est tres avare.quot;
119
— .Comme tous les paysans (Tailleurs. Avares \' et entêtés.\'quot;
— „Pas er is op,quot; voegde Jan er nog bij, ieder op zijn beurt onderzoekend aanziende. Hij was er zoo zeker niet van als Lina, dat de dames in liet Franscli zijn lof verkondigden, en overwoog veeleer het gevaar, dat in zoo\'n vreemde taal een menscli verkocht en verraden kan worden, terwijl hij er bijstaat.
— „Hoe gaat het tegenwoordig met haar gezondheid?quot;
— „Dat eit aigelik nie over. Met de rug schikt \'t vrai wel; ze kan te minste gestadig an \'t werk blaive, al maak die \'ette d\'r ook slapperig; maar nou is \'t d\'r oof. Ik geloof, da\' ze te veul li over alles geprakkizeerd eit. Voor ons, mensche, | is dat nie dienstig. Nee, is \'t niewaar? — Nou en dan kan ze toch zoo wonderlik redeneere, zoo diepzinnig, weet je, zoo van alle dinge in d\'r verband en d\'r vergelaiking, da\'k d\'r mal van wor in m/n kop. Wat eb ie daar nou an, niewaar? As \'k dan later om \'n oitlegging vraag, wil \'t nog al is gebeure, da\' ze d\'r niemendal meer van af weet. \'k Eb daar met onze meester is over gesproke, en die meende, dat \'t van de zenewe kwam; maar ik geloof, dat \'t zooveul as slaitaasje
120
is. Ja, \'n menscli slait ook as-t-ie oud wordt. Is \'t niewaar?quot;
— „11 en a deja assez.quot;
Mevrouw van der Wal zon op een nieuwe vraag, toen Griet met een soepterrine naar buiten kwam, door Lina op den voet gevolgd.
De room werd midden op de tafel geplaatst, en, met een grooten lepel liet dikke vocht omroerend, riep vrouw Prank triomfantelijk uit:
— „Noe zu\' \'k benieuwd,\'wat de heeren en de dames van m\'n room zallen zeggen!quot;
De schelle stem drong tot in den moestuin door, en de woorden: „aan tafel, aan tafel; de room, de room,quot; liepen van mond tot mond. De bonte vogeltjes trippelden naar het kleine hek, waarachter zij zich opeenhoopten, den uitgang bijkans versperrend, werkten er zich eindelijk doorheen, en omringden snappend en schetterend den welvoorzienen disch. Slechts één paar bleef langer achter, door een zwaren appelboom aan de zoekende blikken onttogen. Toen eindelijk ook dit tweetal, door het afroepen hunner namen opgeschrikt, uit het groen te voorschijn kwam, klonk hun een spotachtig gejubel te gemoet.
— „Van een bruiloft komt een bruiloft!quot; dreigde de heer van Deijl, en zeker had men de slacht-
121
offers nog lang met plagerijen overstelpt, als de stemmen niet waren overgalmd geworden door het trompetgeschal der Dnitschers.
Weldra hadden allen plaats genomen. De glazen werden met donkerrooden Bordeaux gevnld; de taarten, de room en de beschuiten gingen van hand tot hand; de knecht sneed de touwen der Cliampagne-flesschen door, en elke knal van een kurk werd met een paar gilletjes begroet.
Jan, Lina, Kees en Ant slenterden achter de tafel op en neer: nu eens een bord of een schotel aangevend, dan weer een opmerking over de warmte, een vraag naar den toestand van den grond, een landelijke anecdote, zoo goed en zoo kwaad als \'t ging, beantwoordend. Prank had het vooral over de nattigheid, die het land zuur en ziek maakt; Lina behandelde het vroege opstaan benevens de schrale voeding; Kees uitte schuchter zijn afkeer van den militairen dienst; Ant begreep niet, waarom ieder op zijn beurt haar vroeg of zij veel van koek hield.
Zoodra de muziek zweeg, ontstond er een van die algemeene stilten, welke doorgaans pas na toosten plegen in te vallen.
Hiervan maakte Jan gebruik om met een volkomen strak gelaat op te merken, dat de
122
blaaspoepen nog al flink er op los toeterden.
Lina werd weer donkerrood van ergernis; maar de fijnste geestigkeid had niet zoo gunstig op de stemming kunnen werken, als bet ongelukkige woord van den veldwachter.
Alle praat- en lachspieren kwamen tegelijkertijd in beweging. De heeren zaten letterlijk te schudden van het schateren; schelle gilletjes werden met moeite achter fijne zakdoekjes gesmoord, en langs menig wangenpaar biggelden groote tranen. In deze vroolijkheid werd het gezelschap door een geest van verbroedering bevangen, die elk onderscheid in stand, zij \'t voor een oogenblik, wilde opheffen. Zonder voorafspraak was men \'t er onverwachts over eens, dat het echtpaar Prank en de beide jongelui aan de tafel moesten plaats nemen. Griet werd naar buiten geroepen om stoelen aan te dragen. Men schoof in; de knecht voorzag het gezin van borden; de heeren vulden hunne glazen en de dames overlaadden hen met snoeperijen.
Nu brak de toosten-regen los.
Natuurlijk moest eerst het jonge paar plechtig worden begroet. Evenwel, reeds de eerste spreker vlocht grappige zetten door zijn treffende woorden heen. Toen vervolgens de moeders, alias schoonmoeders , aan de orde kwamen, maakte de deftige
123
gemoedelijkheid voor luchtige scherts plaats, en in de overige toespraken tot bloedverwanten en vrienden, al of niet ter plaatse aanwezig, was geen ander streven meer te ontwaren dan de zncht om de aanzittenden zoo vaak mogelijk aan \'t lachen te brengen.
Nadat op deze wijze de gewone onderwerpen waren uitgeput, greep men stout de ongewone aan, dronk achtereenvolgens op alle leden van het gezin Prank, en liet zelfs Griet niet met rust, die onder Lina\'s leiding een meesteres in haar vak kon worden en voorbestemd was om onderricht te geven op de kookschool, zoodra Lina er directrice van zou zijn.
In den laatsten toost streelde het Lina bijzonder zich betiteld te hooren als de gevierde juffrouw, wier roem de faam tot aan Neerland\'s uiterste grenzen had verbreid. In haar bolle, glimmende wangen verdiepten zich de lachende kuiltjes; met stralenden blik en open mond hield zij haar glas op om met iedereen te klinken, en het ontging kaar, dat alleen Maria\'s naam niet werd genoemd. Ja, de Champagne bracht haar gedachten in zulk een koortsachtige woeling, dat een onweerstaanbare lust haar bekroop om ook eens een woordje te spreken.
124
De jager-officier, die haar voornemen ried, vroeg het woord voor mevrouw Prank; een dametje, dat gaarne vreemde talen radbraakte, riep:
— „Hear, hear, taisez-vons done!quot; en het rumoer stierf weg, de bijzondere gesprekken verstomden.
Ten einde haar kaleidoscopisch vervloeiende denkbeelden vast te houden, sloot Lina een poos beide oogen toe, en drukte zij haar lippen met kracht op elkander. Daarna schudde zij \'t hoofd, als wilde zij zich een last van de schouders wentelen, werd doodsbleek, en begon:
— „Ik zunt maar \'n olde vrouw en \'n dienstbare .. .quot;
— „Neen, neen, dat is niet waar!quot; klonk het uit een vijftal monden; Lina dreigde van haar stuk te raken; maar eenige stemmen maanden tot stilte aan, en nogmaals vermande zij zich.
— „Misschien past \'t me niet hier te praten. In mooie woorden he\'k nooit gestedeerd; d\'een kent dit, d\'ander dat. Alle menschen kannen geen avekateu wezep. M\'n vader heeft nooit een koe leeren melken, en toch was ie \'n sieraad van z\'n dorp, in gansch Nederland met eere genoemd, \'n man, dien niemand te na kwam. Zooas \'t is, zoo is \'t ook goed, en daarom getuig \'k zonder haatdragendheid, schoons... Ik zol d\'r veel van kannen zeggen; maar .. laat
125
de dooien rusten. Oordeelen doe \'k niet, maar .. . wat m\' op \'t hart leit, dat mot \'r af. Daarom, bruid en bruigom en mevrouwen en allen, die hier in liefde en eensgezindheid bruiloft viert, m\'n man en ik en z\'n dochter en die jongen daar, nooit zallen we deze dag vergeten. Dankbaar zu\'k, dat de goeie Grod m\' in \'t leven heeft gespaard om dit feest nog te maggeu vieren. Veel menschen lie\'k gediend met trouw en plichtbesef .. . ieder-endeen kan \'t getuigen . .. maar bij mevrouw zu\'k twaalf jaren geweest en nog veel langer ken\'k d\'r al. De wereld is vol narigheid; maar d\'r zunt toch ook nog gelukkige menschen. \'t Goeie motten we loven en erkentelikheid mot ons andeel wezen, want we krijgen . .. wat ons is toebeschikt. Zoo is \'t, en zoo mot \'t ook wezen. Daarom zeg ik as van olds; leve de bruid en de bruigom! Hoezee!quot;
Luide toejuichingen en schetterende fanfares beloonden Lina voor de verbazende inspanning, die haar deze woorden hadden gekost. Met een ecstatischen blik, welke de ronde oogen dubbel groot deed schijnen, keek zij al de gasten, die met haar klonken, zegevierend in \'t gelaat. Toen zij daarna weer ging zitten, parelde het zweet in groote droppels op haar voorhoofd, en overtoog een donkerroode blos haar gelaat.
126
Haar ledig glas werd onmiddellijk weder aangevuld , en de vroolijklieid zou zeker nog toegenomen zijn, waren niet plotseling eenige dikke droppels, hoorbaar tikkend, op de bladeren, de borden en de gasten neergevallen.
— „Het regent, het regent!quot;
Een oogenblik heerschte er een onbeschrijfelijke verwarring.
De netst gekleede dametjes namen, gilletjes slakend, de wijk in huis; de heeren sprongen op, roepend, dat het niemendal te beteekenen had; de knecht en vrouw Prank wierpen servetten over de taarten en bedekten de zoetjes met omgekeerde borden.
Tegelijkertijd viel de schemering snel in, en steeg in het Westen een donker grijze wolk omhoog.
Mevrouw Heslink sprak weer van naar huis rijden; de bliksem sloeg tegenwoordig om den haverklap in boerenwoningen. De jongenlui echter waren eenparig van oordeel, dat men zich door een donderbuitje niet in zijn pret mocht laten storen.
Toen het droppelen dus weer opgehouden en Jan de meening geuit had, dat het vooreerst zoon vaart niet zou nemen, werden de stoelen wat afgeveegd en keerden de dames terug.
Hoewel de stemming had geleden, konden de
127
zoetjes nog rustig worden genoten. Men praatte weer, verkocht zontelooze aardigheden en lachte zonder recht te weten waarom. Bij de aanbieding der sigaren evenwel joeg een verwijderd gerommel het gansche gezelschap op nieuw overeind, en nu stormde alles de woning binnen. De heeren vulden de nauwe gang en namen de opkamer in beslag, het verzoek eerbiedigend om niet in de nabijheid van hooi te rooken. De dames verspreidden zich door \'t huis en kropen drie aan drie bij elkander, in zenuwachtige spanning den eersten bliksemstraal verbeidend.
X.
Te midden van de drukte, door \'t haastig afnemen van de tafel veroorzaakt, was Louis van der Wal er in geslaagd zich onbemerkt van \'t gezelschap te verwijderen.
Eerst liep hij het werkhuis en den koestal door; vond echter niet wat hij zocht. Toen klom hij op naar den zolder, wierp een snellen blik over den dorschvloer, doorzocht de wagenschuur; maar bleef teleurgesteld. Nadat hij de deur met een vloek had dicht getrokken, hield hij een oogenblik halt, besluiteloos om zich henen kijkend, de vuisten ballend van drift.
De verschijning der Duitschers , die , om de
128
woning heen, naar tien dorschvloer koers zetten, joeg hem weer op, na voor langs liet gebouw, dwars over bet mulle pleintje.
Boven zijn boofd tikten de droppels op bet buiverende gebladerte; acbter den tuin rees een fijne stofwolk van den grindweg omboog.
— „Louis, Louis!quot; klonk bet.
— „Ik kom; ik beb mijn zakdoek verloren.quot;
Haastig opende bij \'t bek, en verdween acbter
de baag.
Ook in den bloementuin met zijn pioenrozen, zijn kers, zijn zonnebloemen, keek bij naar alle kanten te vergeefs rond. Daarna draafde bij den moestuin in, zocbt... zoebt... onder de appelen, tusscben de bessen, naast de vlier, en ontwaarde eindelijk, diebt bij de sloot, tegen een knotwilg geleund, een vrouwelijke gedaante.
Bekoorde zij tot de feestvierenden of tot bet boerengezin ?
Elke oningewijde zou op den eersten aanblik \' geantwoord bebben: tot geen van beiden. De goeil gesneden tbibet japon, die rijkelijk met gitten was getooid, bet coquette boedje, waarop een grijze struisveer prijkte, alsmede de bruine glacé-bandscboenen badden ongetwijfeld aan een dei-jonge dames kunnen toebebooren, terwijl de fijne
129
snit van liet spitse neusje en den stuurschen mond, de uitdagend trotsche opslag der groote, helder blauwe oogen, de blankheid van de huid, welke een blos miste, met die kleeding niet in tegenspraak waren. Evenwel, de lompe vorm der groote handen en voeten, ook iets onbeschrijfelijks in hoti-ding, beweging en zelfs in den blik verrieden de vrouw van minderen stand.
Toen Louis was genaderd, te hevig hijgend om dadelijk te kunnen spreken, bleef zij, met een witte watertulp in de samengevoegde handen, recht voor zich uit, over de zwarte, rimpelende sloot, den grauwen weg en de weiden, waarop een vaal schijnsel lag, staroogen naar het silhouet van de stad, dat taande tegeu de zwellende, donker grijze, wolken.
Ruw greep hij haar bij den arm; zwijgend liet zij hem begaan.
Boven de verduisterende huizenmassa weifelde een breed weerlicht; lager ontvlamden de lichten van den spoorweg: gele, groene en roode.
Zoodra hij op adem was gekomen, boog Louis zich dicht tot haar neer, als bevreesd, dat iemand hem kon beluisteren. Elke lettergreep beklemtonend beet hij haar in \'t oor:
— „Onthoud, Marie, dat het je nooit aan geld zal ontbreken zoolang je zwijgt; maar, dat ik
9
130
alles heet liegen, wanneer je kletst en mijn naam verklapt. Goed begrepen?quot;
Een ijskoude, ondragelijk starre blik, een hartstoclitelijk trillen der neusvleugels en geen woord.
— „G-oed begrepen?quot; herhaalde hij, haar driftig heen en weder schuddend. Zij bood geen weerstand; maar opende evenmin hare lippen.
De watertulp ontglipte haar vingers, viel, een sneeuwvlok gelijk, op de donkere aarde neer.
Onder den invloed van Champagne werd Louis dikwijls grof.
— „Je hebt je zeker willen verzuipen, hè? Het effect zou op mijn bruiloft heel romantisch zijn geweest; maar ongelukkig is de moed je in de schoenen gezonken, en nu heb ie je met het plukken van een bloemetje maar vergenoegd.quot;
Weer keek Maria hem een oogenblik strak in de oogen, met opkrullende onderlip haar mondhoeken zoo diep mogelijk omlaag trekkend; daarna begon zij , tot eenig antwoord, langzaam de blaadjes van een bessenstruik af te scheuren.
Een trein stoof fluitend voorbij.
Bleek van woede gaf Louis de tengere gestalte zulk een harden duw, dat zij wankelde en met moeite op de been bleef.
131
— „Gra voor mijn part op de rails liggen, malloot!quot;
Zonder om te zien snelde hij naar de woning terug.
Geen verwijt, geen klacht, geen geluid was Maria\'s lippen ontvloden.
Wat beteekenden ook deze kleine ruwheden,en vernederingen na dien eénen geweldigen slag, waardoor het luchtkasteel van haar toekomst voor immer was ineengestort? Vier en twintig uren lang, \'t is waar, had zij naar een handtastelijke wraakneming gedorst, en Louis had toen wel gedaan haar gedurende een paar dagen te vermijden. Nadat die eerste razernij zich echter had ontladen in een hysterische uitbarsting van zoo hevigen aard, dat de ijlings gehaalde dokter bevreesd werd voor krankzinnigheid, was haar opgebruiste woede in een vertwijfeld wrokken omgeslagen, eu had een willelooze weerzin tegen het leven zich allengs van haar meester gemaakt. Met het vaste plan een einde te maken aan haar ondragelijken toestand, was zij van daag meegereden, en het verwonderde haar, dat zij voor de uitvoering terug deinsde. Na een schichtigeu sprong uit het achterbakje van het tweede rijtuig , had zij, in het kreupelhout verscholen, de vroolijkheid der feestgenooten aangehoord, en \'t was haar duidelijk geworden, dat niemand
132
tei\' wereld liaar zou missen. Onopgemerkt naar den moestuin overgestoken, terwijl allen aan tafel zaten, dronken en lachten, liad zij moeten liooren, dat er op iedereen, behalve op haar, geklonken werd, en dat zelfs haar moeder het woord kon voeren, zonder haar naam ook maar uit te spreken. Niemand gaf dus meer w-.fc om i haar; welnu, zij gaf ook om niemand meer.
Maar indien werkelijk alles en allen haar onverschillig waren geworden, waarom dan haar plan niet volvoerd?
Was \'t niet afschuwelijk eiken avond naar bed te moeten gaan met het verlangen om nooit weer te ontwaken; eiken morgen op te moeten staan met een schrik voor den leegen, onoverkomelijk langen dag ? En dan nog de pijn, de ellende, de ouderdom, waarop de dood toch moet volgen. Wat vroeger of wat later; \'t was immers niets anders dan een vraag van uitstel.
Ja, niets anders, niets anders.... en toch.
Liiider en luider kletterde de regen op het gebladerte. Een koude droppel viel haar in den hals; zij huiverde en keerde zich om.
Nog fluisterde zij:
— „Straks, als \'t heelemaal donker is,quot;
ging toen den tuin uit, overschreed het pleintje,
133
en drukte zich tegen het huis aan, beschut door het vooruitspringende dak.
XI.
Ten tweede male had de regen opgehouden. Het ritselen in \'t gebladerte verstomde ; het omhoog ge-dwarMde stof zonk neer; van het dreigend zwerk breidde zich een geheimzinnige stilte over de aarde uit.
Twee buien trokken tegen elkander op; de eene, die zoo plotseling de laatste zonnestralen had onderschept, rees statig achter de woning omhoog, een breed, somber floers gelijk, waarover lichtere vlokken sneller voortijlden, als stoomwolkjes uit een locomotief over een donker pijnbosch; de andere, die in \'t Oosten boven de stad hing, geleek de wentelende rookzuil van een gesmoorden brand, waarin de heldere vlammen verdoofden tot een rossigen gloed. Zuidwaarts, achter prieel en boomgaard, was de hemel van een koud, door den regen gestreept grijs, waartegen de telegraafpalen met hun achttal draden en de donkere massa van de naaste boerenhofstede dof zwart afstaken, als grillige scheuren in een getint papier. Aan den anderen kant verbruinde het matte geel tot een warmere kleur, die, aan het kreupelbosch
134
achter den oprit haar gloed mededeelend, over de sidderende knotwilgen een glans van zilverbrons lei, de stngge elzen kopergroen verfde en den trillenden bruinen beuk als zijde deed glimmen. Valsche schijnsels en doffe schaduwen zweefden elkander spookachtig over de weiden na. —
Weer ruischte een windstoot door de lindenkrui-nen. In lange veeren joeg het kronkelend opgewaaide stof over den grindweg voort; deuren klapten dicht; luiken sloegen knarsend open; angstig piepend omfladderden een paar spreeuwen de woning.
Met spanning verbeidde liet gezelschap den strijd der elementen: de moedigsten aan de vensters, de vreesachtigen dieper in huis, allen aandachtig de natuurverschijnselen gadeslaand.
Zoodra de tafel met toebehooren overhaast was opgeruimd, gaf vrouw Prank aan Griet last de lampen op te steken en naar den dorschvloer te brengen.
Van een illuminatie kon geen sprake wezen; een oogenblik dacht Lina er over de lampions af te nemen; maar het gegeven bevel trok zij weer in, omdat het vet toch al nat was geworden.
Nu moest Ant haar behulpzaam zijn om overal de ramen neer te schuiven, de luiken vast te zetten.
In den kelder bleek alles klaar te wezen; Kees had. een uur geleden, licht en lucht buitenge-
135
sloten; tegenover de melk kende hij zijn plichten.
Samen deden zij thans de losse ruiten in den boes dicht, doorliepen den zolder, grendelden alle deuren uit angst voor tocht.
De opkamer openend, deinsde Lina terug voor den dichten rook.
\'t Bleek maar sigaren-damp te zijn, die alleen door het raam. dat op een kier stond, kon ontsnappen.
Zij wilde \'t sluiten; maar de heeren verzetten er zich tegen, en lachten om haar vrees.
Van de buitendeuren was de eene, die naast liet werkhuis uitkwam, door Kees al op het nachtslot gedaan; thans sloot Lina de voordeur, zoodat het in de gang volkomen nacht werd.
De winterkamer binnentredend vond zij hier in \'t donker de meeste dames nog wel bijeen, maar toch aanstalten makend om naar den dorschvloer te vertrekken. Een paar slecht georienteerden meenden, dat zij buiten om moesten gaan en zochten naar een regenscherm. Met een zenuwachtig lachje hielp zij deze terecht, en zette daarbij een schelle stem op om door allen te worden verstaan.
— „Wel, noe nog mooier; dat zol warentig met den winterdag wat lekkers wezen! Kom maar ens met. Linksom, dames, linksom en dan recht door. Ant, zet hier manges de luiken vast.quot;
136
Een lilaiiwaclitig licht verhelderde de duistere kamer; Lina kon tot elf tellen eer het grommen van den slag volgde.
— „\'t Is nog ver af. — Noe maar recht vooruit. Au \'t end van de boes is de deur van de dorschvloeiv\'
Door den stal terugkeerend ontmoette zij Kees, die last kreeg meer stoelen te halen, omdat de menschen toch niet om de beurt konden rusten, en nauwelijks had zij dit gezegd, of bij \'t licht van een bliksemstraal meende zij door een der kleine ruiten Jan in den uitgeholden hooibarg te zien zitten. Zij telde tot negen, en nog rommelde \'t boven de woning, toen zij een deurluik opende.
Was Inj \'t of was hij \'t niet? Onder de kap kon zij al niets meer onderscheiden. Een rukwind gierde haar langs het gelaat.
— „Jan!quot;
\'t Was of de wind haar geluid wegvoerde; Prank bewoog zich niet.
— „Jan! Zn\' je doof?quot;
Hij was \'t; zij meende te zien, dat hij opkeek.
— „Waarom ga ie noe weer in de barg zitten? Verleje week heb ie me nog beloofd \'t nooit meer te zallen doen.quot;
Jan bleef zitten. Antwoordde hij of niet? Zij hoorde alleen het fluiten van den wind.
137
— „Kom noe tocli binnen, \'t Is gevaarlik in zoo\'n barg!quot;
Nu sprak hij; maar zij verstond ter nauwer-nood enkele woorden.
— „Wa\' gevaarlik?... Ouwe wijve praat!... Ier. . . droog ... graag ... met rus ...quot;
— „Maar \'t is heel gevaarlik! Graaf van Toornen heeft me wel honderdmaal gezeid, asdat hooge palen \'t licht antrekken. Ie zal oe toch somtemet niet verbeelden, da\' j\' \'t beter weet?quot;
— „Maling in . ., graaf. .. kelder, asje bang.. . bliksem je ebbe. .. daar ook wel vinde. Pas ... op...quot;
Daar lichtte \'t weer. Lina begreep, dat Jan een van zijn koppige buien had en sloot dus de deur, prevelend:
— „As ie wat gedronken heeft, is d\'r niks met \'m te beginnen.quot;
In de voorkamer weergekeerd vond zij Ant op de knieën voor het venster liggen, het hoofd naar buiten gestoken.
— „Schuif toe dat raam!quot;
Ant praatte met iemand en hoorde niet.
Zou Willem daar weer zijn?
Lina kon \'t niet zien en stootte de meid dus aan. Onmiddellijk trok deze haar hoofd terug.
138
• — „Moeder, daar is Maria zoowaar!quot;
Een ijskoude rilling liep Lina over den rug. Gelijk zooeven de donkere wolk aan liet zwerk achter de woning, rees plotseling een voorgevoel, dat haar iets vreeselijks zou overkomen, dreigend in haar ziel op. Ontzet staarde zij haar stiefdochter aan, en ware \'t minder duister geweest, dan had Ant ongetwijfeld naar de oorzaak gevraagd van de akelige bleekheid, die haar moeders wangen overtoog. Nu verwonderde \'t haar alleen geen antwoord te krijgen, en zij herhaalde dus;
—• „Daar is Maria, zeg \'k!quot;
\'t Was Lina als werd de keel haar toegeknepen; haar lippen droogden op; in haar ooren begon \'t te suizen, en zij geeuwde als iemand, die onpasselijk wordt.
Maria hier?
Stond het kind, dat zij te vergeefs in de rijtuigen had gezocht, nu daar buiten, in dien regen, dien wind, die bliksems?
Zij geloofde niet aan spoken; maar er lag toch iets griezeligs in het denkbeeld, dat zonder iemands medeweten Maria zich van de stad naar de woning had verplaatst en er niet binnen was gegaan.
Neen, neen, het was niet waar; het kon niet zijn!
Maar Ant zei \'t toch. Zij had de scherpe, bran-
139
dende woouden duidelijk gehoord, tot tweemaal toe.
Droomde zij dan soms? Had zij misschien te veel wijn gedronken, en... ? Maar dan wilde zij weer tot zich zelve komen, wakker, helder worden, inzien, dat alles zinsbedrog was geweest.
ület de geweldige inspanning van een slapende, die een nachtmerrie verdrijft, slaagde zij er eindelijk in een geluid voort te brengen, en barstte los:
— „Meid, ie zunt van zinnen!quot;
Ant rees op en werd boos.
— „Kaik dan zei vers, as je me nie geloove wil lquot;
De gedachte aan een grap glansde, flauw als
een weifelend weerlicht, door Lina\'s ontsteld brein; maar een grap zou immers zoo lang niet geduurd hebben; voor een grap bleef iemand niet in zulk noodweer naast de deur staan.
Er was iets.... iets kwaads.... iets ergs .... iets zóó verschrikkelijks, dat noch mevrouw van der Wal, noch Maria er haar over durfde spreken.
— „Grerechte Grod, wat is d\'r gebeurd?quot;
Verbijsterd zonk zij voor het venster op de
knieën neder, wrong haar hoofd tusschen raam en kozijn door, keek op zij. ...
Een blauwe gloed overdekte de linden, het pleintje, den muur, het kreupelbosch. . .
Zij was \'t. . . Maria.
142
onder den opgestoken wind; bladeren en takken dwarrelden door de lucht en tikten tegen de ruiten.
— „God, Grod! \'t Komt recht op ons an! Onze gemeente mot \'t weer ontgelden! — En zoo\'n Jan, die niet uit de barg wil! As \'t ens insloeg! Met al die menschen in huis!quot;
Hoe slecht, hoe akelig Maria er ook uitzag, voor Lina was \'t een geruststelling geweest werkelijk haar kind, geen spookverschijning de kamer te zien binnentreden. Zij had dus weer met bezorgdheid aan haar man en haar gasten kunnen denken; doch nu schrok zij op nieuw.
Had zij waarlijk die boosaardige flikkering in Maria\'s oogen gezien, en dien kwalijk gesmoorden lach gehoord, of was \'t een begoocheling geweest van de dansende schijnsels en het aanhoudend gebrom in de verte ? Een heirleger van booze geesten scheen de woning te omzweven en het luchtruim te vullen met hun ramoer.
— „Kind, wat heb ie toch?quot; gilde zij verschrikt uit, met wijd geopende oogen naar de grauwe gedaante turend, die roerloos bij de deur was blijven staan.
— „Wat ik heb? — Ik heb lust om \'t licht \'n handje te helpen, \'t hooi op zolder an te steken, de dorschvloer af te sluiten en je mooie mevrouw
143
van der Wal met d\'r zoon, d\'r dochter en de heele troep as ongedierte te laten verbranden! Dat heb ik!quot;
Lina ontzette, en weer liep een rilling haar over den rug, terwijl zij op haar hart een gewicht voelde neerzinken, dat al zwaarder en zwaarder begon te drukken.
Sprak zoo haar dochter, haar zachte, in zich zelve gekeerde Maria? Wat was er dan in het kind gevaren, dat zulk een ommekeer kon te weeg brengen? Toorn, vrees, schrik, medelijden bekampten elkander in haar gemoed; duizenden gedachten bliksemden haar door den geest.
— „Meid, hoe he \'k \'t met oe? Heer in den hemel, is \'t mogelijk, dat zoo iets in \'n mensch z\'n hersens opkomt? Wat hebben ze oe gedaan? —-Kind, kind, \'t is onnatuurlik en onmenschelik! He \'k oe niet geleerd; wiens broodje eet, wiens woord je spreekt? Weet je niet. . ..quot;
Met een wilden snauw brak Maria de phrase af.
— „Zet zoon stem niet op! Griet hoeft \'t ommers niet te hooren. En schei maar uit met dat gepreek! Ik ben geen klein kind meer, dat praatjes voor zoeten koek opslikt. Ik ken ze nou, die altijd d\'r monden vol hebben van braafheid en deugd!quot;
Overbluft door een toon, dien zij nog nooit van
140
— „Schepsel, wat voer ie daar uit?quot;
Verblind door liet licht kon Lina niets meer
onderscheiden; een groenachtig paars schijnsel zweefde haar voor de oogen. Het antwoord echter hoorde zij vlak naast zich:
-— „Ik schuil voor den regen.quot;
— „Waarom kom ie dan niet binnen?quot;\'
— „Ach, \'k wil ook wel binnen kommen.quot;
Met het zwellende gerommel van een aanjagenden
trein was de donder genaderd, en nu dreunde hij over de woning heen, als ware de opstuivende wolkenmassa een reusachtige spoorwegbrug.
Nog nooit was Lina voor een onweer zoo bang geweest. Het hart klopte haar in de keel; sidderend stond zij met gesloten oogen midden in de kamer, de armen uitgestrekt, de vingers wijd vaneen, een duizelende gelijk, die naar een steunpunt zoekt.
Intusschen volgden de fletsere lichten en de zwakkere slagen van de andere bui sneller en sneller elkander op. Onder de donkere linden door zag Ant achter de schoorsteenen en torenpunten van de stad de gele weerschijnen, nu eens vlak en breed gestrekt, dan weer spits omhoog vlammend, zóó aanhoudend op en neer flakkeren, dat zij aan een verren brand kon gelooven. Juist
141
wilde zij dit uitroepen, toen hare gedachten een andere wending kregen. Twee mannelijke gedaanten kwamen schielijk het hek door, overschreden het pleintje en verdwenen achter het huis.
Nil had zij wel een schreeuw willen geven van pret.
— „Moeder, daar is quot;Willem met de maaier. Nou gane we danse op zolder!quot;
— „Hoe ka\'j noe an dansen denken?quot;
Ant hoorde de gelispelde woorden niet meer, en liep weg; in de deur gleed Maria haar voorhij.
Weer trilde een helder licht over de kruinen der boomen, drong door de ruiten heen, golfde langs de wanden, en vulde de kamer als met een witten damp. Een oogopslag, en vrouw Prank had de vaalheid van Maria\'s vermagerde kaken, de kringen om haar weggezonken oogen, de norschheid van haar strakken blik, de verbittering van haar neergetrokken mondhoeken opgelet.
Daarna was \'t, of zij in een donker floers werd gehuld, waarop duizenden roodachtige sterren dansten.
Bevend telde zij: „een, twee, drie, vier,quot; en de slag weerklonk: een doffe plomp, die dreunend aanwies en in hortende golven wegstierf. Kletterend viel de stortregen neer; als scheuren in een zwaar gordijn doorkliefden bleeke stralen de jagende wolken; het geboomte zwiepte en suisde
142
onder den opgestoken wind; bladeren en takken dwarrelden door de Incht en tikten tegen de ruiten.
— „God, God! \'t Komt recht op ons an! Onze gemeente mot \'t weer ontgelden! — En zoo\'n Jan, die niet uit de barg wil! As \'t ens insloeg! Met al die menschen in huis!quot;
Hoe slecht, hoe akelig Maria er ook uitzag, voor Lina was \'t een geruststelling geweest werkelijk haar kind, geen spookverschijning de kamer te zien binnentreden. Zij had dus weer met bezorgdheid aan haar man en haar gasten kunnen denken; doch nu schrok zij op nieuw.
Had zij waarlijk die boosaardige flikkering in Maria\'s oogen gezien, en dien kwalijk gesmoorden lach gehoord, of was \'t een begoocheling geweest van de dansende schijnsels en het aanhoudend gebrom in de verte ? Een heirleger van booze geesten scheen de woning te omzweven en het luchtruim te vullen met hun rumoer.
— „Kind, wat heb ie toch?quot; gilde zij verschrikt uit, met wijd geopende oogen naar de grauwe gedaante turend, die roerloos bij de deur was blijven staan.
— „Wat ik heb? -— Ik heb lust om \'t licht \'n handje te helpen, \'t hooi op zolder an te steken , de dorschvloer af te sluiten en je mooie mevrouw
143
van der Wal met d\'r zoon, d\'r docliter en de heele troep as ongedierte te laten verbranden! Dat heb ik \\quot;
Lina ontzette, en weer liep een rilling haar over den rug, terwijl zij op haar hart een gewicht voelde neerzinken, dat al zwaarder en zwaarder begon te drukken.
Sprak zoo haar dochter, haar zachte, in zich zelve gekeerde Maria? Wat was er dan in het kind gevaren, dat zulk een ommekeer kon te weeg brengen? Toorn, vrees, schrik, medelijden bekampten elkander in haar gemoed; duizenden gedachten bliksemden haar door den geest.
— „Meid, hoe he \'k \'t met oe? Heer in den hemel, is \'t mogelijk, dat zoo iets in \'n mensch z\'n hersens opkomt ? Wat hebben ze oe gedaan ? — Kind, kind, \'t is onnatuurlik en onmenschelik! He \'k oe niet geleerd: wiens brood je eet, wiens woord je spreekt? Weet je niet. ...quot;
Met een wilden snauw brak Maria de phrase af.
— „Zet zoo\'n stem niet op! Griet hoeft \'t ommers niet te hooren. En schei maar uit met dat se-preek! Ik ben geen klein kind meer, dat praatjes voor zoeten koek opslikt. Ik ken ze nou, die altijd d\'r monden vol hebben van braafheid en deugd!quot;
Overbluft door een toon, dien zij nog nooit van
144
haar dochter had gehoord, slaakte Lina een langgerekt:
— „Oooo!quot; doch, als om de mogelijkheid van meer ergerlijke onthullingen af te weren door de zekerheid aan te nemen, dat er slechts alledaagsche strubbelingen waren voorgevallen, meende zij plotseling de quaestie te doorgronden.
— n\'t Is slecht oe grant te willen halen an menschen, van wie we nooit anders dan goeds en weldadigheid hebben genoten! — Ik zie \'t wel asda\' je lacht; maar as ie denkt, da\'k d\'r niet alles van begrijp, dan vergis j\' oe leelik, hoor. Zoolang as we samen dienden ging \'t nog; maar noe hebben die stadsmeiden oe den kop heelemaal gek gemaakt. Hoe dikwijls he\'k oe niet gewaarschuwd naar d\'r malle praat niet te luisteren. Ja, trappel noe maar van drift, en snauw maar toe; \'t is zooas \'k zeg en ik schaam me niet over m\'n woorden! Omdat oe de handen niet heel end\' al verkeerd staan, en omda\' je \'n fesoenlik voorkomen hebt, denk ie maar dadeliks, dat \'r zoo geen tweede op de wereld is te vinden, en dat niemand \'t recht heeft oe \'n anmerking te maken, \'t Lijkt d\'r niks na, hoor! D\'r is nog genog voor oe te leeren, eer ie uitgestedeerd zunt, en as mevrouw anmer-
145
kingen maakt, past \'t oe niet \'n grooten mond op te zetten. Ieder mensch mot op z\'n tijd gehoorzamen en dienen: de hoogste en de laagste; \'t is niet anders. Wanneer mevrouw oe de dienst heeft opgezeid, omda\' je \'n slecht nmeur hebt, omda\' je astrantig zunt, en omda\' je de distansje vergeet, dan dee ze wijs en rechtvaardig. I/c zol me ook geen mond laten geven in haar plaats. Dat past niet! Respekt mot \'r wezen; anders komt \'r moord en doodslag!quot;
Een verblindend licht brak den draad harer gedachten af; met een angstkreet borg zij het gelaat in de handen, en nauwelijks had Maria haar fluks toegeduwd:
— „Denk ie, dat ik wacht tot znlk volk mij de dienst opzeit?quot;
of plots, als ware het zwerk een strak gespannen vlies, waarop een houten hamer neerbonsde x borst de donderslag los, rolde voorbij, daverde terug, breidde zich rommelend uit, en gromde weg in de verte.
Zoo snel had Lina de oogen niet kunnen sluiten of bij het witte schijnsel was er het beeld in opgenomen van Maria, die haar hoed afzette, en deze kleine, onschuldige beweging had vrouw Prank een electrischen schok door hoofd en hart doen gaan.
10
146
Die hoed met veeren, die glacé-liandsclioenen, die jurk met gitten .... een kind, dat in eenvoud was grootgebracht! —
Een afschuwelijk, ondragelijk vermoeden vlijmde haar door de ziel. Tafreelen van misbruikte uitgaansdagen, nachtelijk verlichte straten, onzedelijke danshuizen rezen voor haar geest op. Zij zag een lange reeks van bekende gezichten, die allen, allen den breeden weg waren opgegaan: de eene willens en wetens, omdat zij slecht was van aard; de andere uit zwakheid en onverstand, door een ellendeling bedrogen; de derde misleid door den schijn, het slachtoffer harer vadsigheid Hoevelen waren niet bezweken, van wie zij t nooit had gedacht; zij herinnerde zich ijzingwekkende bijzonderheden. — Maar haar dochter, die met zooveel angstvalligheid was opgevoed, het kind, waarover zij gewaakt had met de achterdocht van een gierigaard, het dametje, dat gruwde van een onvertogen woord, meedoogenloos anderen vonnisde.. . . Neen, neen, \'t was onzinnig zoo iets te gelooven! — En toch, hoe schielijk ook zij haar vermoeden als een monsterachtige hallucinatie verwierp, reeds was een uitroep van schrik haar naar de lippen geweld en op snerpenden toon haar mond ontvloden:
147
— „Kind, as ie gemeen geworden. .. .!quot;
Krijschend vau drift en met opgeheven vuisten, als wilde zij haar moeder slaan, sprong Maria toe. Haar blik brandde, haar adem was heet, een trillend geluid siste tusschen haar tanden door, en bij het flikkerend weerlicht scheen zij weer in een dreigend spooksel vervormd, zelfs voor Lina onherkenbaar.
Vrouw Prank deinsde terug, tot haar hand een steunpunt vond, en boog over het tafelblad achterover. Green van beiden vond woorden om het overkropt gemoed in te ontladen, en slechts onverstaanbare klanken hadden zij voortgebracht, toen een bliksemstraal vlak langs de ruiten neerschoot, zóó fel schitterend, dat Lina een striem over de oogen meende te voelen.
Ratelend, als vielen duizenden meters ketting uit den hemel op een ijzeren vloer neer, barstte op hetzelfde oogenblik de donder boven de woning los. De ruiten rinkinkten, de meubelen sidderden, het gansche huis beefde, en, na een oorverdoo-vend gerammel, dat aan het voorbijrollen van een vliegende batterij over een keibestrating deed denken, galmde de slag in wijde golven verder en verder weg.
Op Maria\'s lippen was elk geluid verstomd;
148
vrouw Prank dorst het hoofd niet uit de handen opheffen.
— „Da\'s ingeslagen,quot; sprak zij eindelijk dof, luisterend of zij geen onraad hoorde. Binnensmonds liet Maria er op volgen:
— „Voor mijn part.quot;
Een wijle bleef het binnen doodstil; buiten ruischten de bladeren, zuchtten de boomen, kletterden de regendroppels en bromde de donder. Na de overweldigende akkoorden van zooeven was er iets angstwekkends, iets onheilspellends in deze geheimzinnig zachte muziek.
Maria herstelde zich het eerst van den schrik, en met haar opflikkerenden toorn vond zij ook de phrase terug, die zij haar moeder, bij wijze van zweepslag, had willen toeslingeren.
Louis\' vermoeden was juist geweest. Door Lina met een levendige verbeeldingskracht bedeeld, had zij zich een zelfmoord op het bruiloftsfeest als een romantisch uiteinde en tevens uitgezochte wraakoefening voorgesteld. Doch niet alleen aan den jongen van der Wal had zij haar wrok willen koelen met de wreedheid eener zwakke, zelfzuchtige natuur, die haar vurigsten wensch verijdeld ziet. Pas voor weinige dagen was de wondeplek in Lina\'s leven, het geheim harer eigene geboorte,
149
haar ontsluierd geworden, en deze ontdekking had haar een slachtoffer geleverd , waarop zij het knagen van haar wroeging en haar teleurstelling kon verhalen. Volkomen ter goeder trouw verbeeldde zij zich thans ook door Lina misleid, gekrenkt, verongelijkt te zijn. Veel scherper, veel dieper dan Louis — dit besefte zij levendig — zou zij haar moeder kunnen treffen, en \'t was, of zij uit de vernieling van Lina\'s zuur verdienden gemoedsvrede troost verwachtte voor het grievende leed, dat als een Samoem, verschroeiend, doodend, over haar eigen ziel heen was gestreken. Ontbraken haar de kracht en de volharding om Lina\'s voorbeeld te volgen: door middel van een levenslange plichtsbetrachting te boeten voor een misslag, zich weer op te heffen van een val; wel was zij in staat haar moeder tot zich neer te trekken, haar toe te roepen: je bent niet beter dan ik.
Zij deed het meedoogenloos.
— „Spreek jij van gemeen, jij? •— \'t Is om te lachen! Wat voor recht heb ie op anderen anmer-king te maken? Kijk toch eerst naar je eigen, eer je mij wat verwijt!quot;
Het was vrouw Prank, alsof zij een dolkstoot kreeg midden in het hart, en toch kon zij haar ooren niet gelooven, den gewonde gelijk, die den schok van
150
een kogel heeft gevoeld, maar \'t uog niet kan aannemen , dat hij moet vallen en sterven. Had zij \'t dan inderdaad gehoord ? Was \'t geheim, dat zij voor immer begraven had gewaand, waarlijk uit het graf opgestaan om zich aan haar te openbaren, die van alle menschen het laatst er achter moest komen?
Neen, neen; haar gansche wezen kwam in opstand tegen zulk een gedachte.
Nogmaals kliefde een witte straal de ruimte, schoot in wilde zigzags tusschen de linden door en boorde zijn weg in den grond. Weer volgde onmiddellijk de slag, die kraakte, als werd de gansche woning met titanskracht uiteengerukt, en daverend heen en weder rolde, de schallende echo gelijk in een machtig gewelf.
Thans waren de beide buien elkander genaderd en ving de wilde tweekamp aan. Hemel en aarde schenen in vlammen te moeten opgaan. Naar alle kanten schoten de hoekige flitsen over de velden, als de pijlen van een reusachtig vuurwerk, terwijl het rustelooze weerlicht de dwarrelende wolkeu met een flakkerenden glans overgoot, die aan het afschijnsel deed denken van een brandenden krater. De ratelende donderslagen smolten samen tot een aanhoudend geroffel, waarboven alleen het snijdend gefluit van den wind nog uitklonk,
151
die klagend door de ruiscliende linden voer, gillend het kermende kreupelhout neerboog en loeiend door den schoorsteen naar binnen drong. Op de regenvlagen, die de ruiten hadden gezweept, stroomende beken en rimpelende meren vormend op den doorweekten grond, volgde een hageljacht, die knetterend tegen de glazen sloeg, met om-schuimde luchtbellen de plassen bedekte, een wit kleed spreidde over de donkere dorenhaag. En terwijl de razende wolkenlegers op elkander stootten, in schitterende stralen dood en verderf zendend naar de aarde, terwijl de losgebroken krachten der natuur, een horde uitgehongerde leeuwen gelijk, met duizendstemniig gebrul ten strijde trokken, hoorde Lina de vreeselijke woorden als het bazuingeschal van den dag des oordeels alle andere geluiden overweldigen, hen dempend tot een onklaar gehuil.
Alles draaide haar voor de oogen; het laatste beetje bezinning, waarover zij nog beschikte, stierf weg, en nog altijd weergalmde \'t in haar ooren: j- — „Heb ilc \'t soms met m\'n broer gehouwen?quot;
In het gewirwar der vurige tongen, die de kamer vulden met een lichtenden damp, zich aan de meubelen vasthechtten, de woning omgaven met een flonkerend spinneweb, zag zij nog even
152
Maria\'s somber dreigend gelaat, en toen was \'t haar, alsof zij, een dood blad gelijk, in den gierenden storm werd opgenomen, meegesleurd, naar de zoldering omboog geworpen, op den vloer neergesmakt, voortgetrokken, rondgeslingerd . . . vernietigd.
Tocb wist baar taaie wil met een laatste, wanhopige inspanning van alle zenuwen de verloren zelfbebeerscbing nog eenmaal te berwinnen.
Almachtige God, die smaad was onverdiend! Alleen uit onwetendheid had zij gefaald; en was baar geheele leven niet een aanhoudende boete-, doening geweest voor die ééne fout?
Nog sprak Maria door, verwijt op verwijt stapelend, toen zij baar in de rede viel.
— „Oordeel niet, as ie de beele waarheid niet kent! Wie praat van m\'n broer? Wist ik \'t dan, dat we kinderen waren van één vader? Was ik in m\'n onnoozelheid z\'n wettige vrouw niet geworden, as de olde Ka had stilgezwegen? Was z\'n moeder niet dood, even goed as de mijne, en had iemand me ooit verteld, hoe dat wijf m\'n vader z\'n hoofd zoo warm bad gemaakt, dat de arme man alle stuur over z\'n daden was kwijt geraakt, en gestorven is in \'t dolhuis ? M\'n broers en m\'n zuster en m\'n beele femilie wilden da\'k
153
\'m toch nog zol trouwen, omdat ze wisten da\'k \'ti kind onder rri\'n hart droeg. D\'r stond niks van in de wet, zeien ze; rechtens was ik z\'n zuster niet ens; maar ik zei: neen, de wet is de wet en het recht is het recht; maar ik weet voor G-od wa \'k te doen heb en te laten. Voor al wat leelik is hebben ze me uitgescholden; toch zu \'k standvastig gebleven, want ik wist \'t best wat goed was en slecht; en doe z\' over geld kwammen te spreken, he \'k gezeid, daar z\' allemaal bij waren : van mij zal ielui geen last hebben, noe niet en nooit meer! Liever spring ik voor oe oogen \'t water in, dan da\'k ooit \'n cent van oe anneem, en, as God wil, da\'k \'n kind zal krijgen, dan wi\'k met deze handen voor ons beien m\'n brood verdienen. Ielui zunt daar; ik zunt hier, en tus-schen ons is niks meer!quot;
Maria schrok; dit alles had zij er niet bij vernomen. De zaak kwam haar eensklaps in een geheel nieuw licht voor, en onder den eersten indruk van haar dwaling voelde zij zich weeker gestemd, zelfs geneigd tot iets, dat naar medelijden zweemde. Evenwel, de teleurstelling, het berouw bleven bestaan, haar wrok was nog ongekoeld, en de wetenschap, dat zij haar moeder niet kon j vernederen, verscherpte het leed, waartegen zij
154
tocli al niet was opgewassen. Onmogelijk kon zij zwijgen, eer zij den ganschen last van zich af had gewenteld, overgedragen op een ander gemoed.
— „Des te minder reden om de geschiedenis an de groote klok te hangen. Hadt je weten te zwijgen, dan droeg je dochter nou geen kind onder d\'r hart, dat, evenmin als ik, ooit \'n vader zal hebben, want niet die Antoinette, maar ik zon morgen mevrouw van der Wal zijn!quot;
Het laatste was een leugen; Maria wist het, maar voor het oogenblik sloeg zij er toch zelve geloof aan. Lina echter zag er den sleutel in voor al wat haar nog raadselachtig was gebleven in deze overstelping met ellende.
En op hetzelfde oogenblik, dat zij alles meende te begrijpen, had ook haar phantasiè zich van den samenhang der gebeurtenissen meester gemaakt, was haar een licht opgegaan over het verband van Maria\'s ongeluk met haar eigen schuld. Ja, dat was de hand van God, de bestiering eener Voorzienigheid, die slechts hiernamaals genade gelden laat voor recht, hierbeneden onvermurwbaar het kwaad vervolgt en straft. Gelijk zij zooeven nog, bij den feilen glans van een snellen bliksemstraal, in één enkelen oogopslag de kamer met al haar meubelen, het pleintje, \'le
155
linden, de weiden, de stad zelfs had aanschouwd, zoo lichtte nu in haai\' geheugen die plotseling ontvonkte gedachte over de tallooze gevallen, dat zij God zich op den mensch had zien wreken. Mevrouw van der Wal was ongelukkig geweest, omdat zij haar man niet uit liefde getrouwd had; zij herinnerde zich een gierigaard, die aan een beroerte was gestorven op het oogenblik, dat hij de honderdduizend trok; gestolen geld brengt nooit geluk aan; de kinderen van drinkebroers worden dronkaards of misdadigers, enzoovoorts enzoovoorts. Dies moest ook Maria lijden voor de schuld van haar moeder. Met haar zin voor het ruw tragische was \'t haar onmogelijk aan de waarheid te twijfelen, die zich uit al deze voorbeelden scheen op te dringen, en zij zag in, dat op haar en op haar vader de schuld kwam van Maria\'s ongeluk. Vruchteloos had zij onmiddellijk na de ontdekking van haar fout zich een boetedoening opgelegd voor haar gansche verdere bestaan ; vruchteloos had zij reeds meer dan twintig jaren van haar leven aan de strengste plichtsbetrachting toegewijd; vruchteloos had zij haar kind met wijze lessen overladen, met angstige zorgzaamheid ver gehouden van alle verleiding. Haar misdrijf was als een vloek uit de vergetelheid
156
herrezen, en had onmeedoogend de schuld harer moeder voor Maria\'s oogen blootgelegd, nadat het eerst haar kind had meegesleurd op denzelfden noodlottigen weg.
Dit alles besefte Lina in één ondeelbaar oogeu-blik, maar gelijk op de verblindende schittering van het hemelvuur een diepe duisternis volgt, waarin voor een poos alle lijnen, alle tinten verdooven, zoo zonk nu ook over de omtrekken en de kleuren van haar verbijsterende denkbeelden een zwarte sluier neer. en \'t werd nacht om haar henen, nacht in haar hoofd. Haar knieën knikten, en zij zou omgevallen zijn, ware er geen stoel nabij geweest, waarop zij kon neder-zijgen, uitgeput, verpletterd. —
Dat de razende donderbuien aftrokken, een vroolijke polka met het rhythmisch getrappel van dansende paren over den dorschvloer weerklonk, de logge sprongen van Willem en Ant, den maaier en (rïiet op zolder weergalmden, en eindelijk Maria gebroken, door den schrik overweldigd, snikkend naast haar neerzonk .... zij hoorde \'t niet meer. Slap hingen haar armen aan weerszijden af, en machteloos voorovergebogen rustte haar hoofd op de tafel.
157
XII.
Ondanks zijn verwondering over Maria\'s tegenwoordigheid had Jan den toestand van zijn vrouw aan den wijn geweten. Niet lang, nadat hij haar te bed had gelegd, was de verdooving, die haar belet had het vertrek der bruiloftsgasten op te letten, allengs overgegaan in een zeldzame, koortsachtige helderheid van geest.
De vroolijkheid aan tafel, haar angst voor het onweer, de schrik toen Ant riep: daar is Maria, Iiaar klimmende ontzetting bij elk woord van haar kind, het gevoel eindelijk, alsof de bliksem haar dwars door het hoofd ging en daarna diepe duisternis haar omhulde : alles had zij niet alleen voor den tweeden keer doorleefd, maar toen de reeks der pijnlijke gewaarwordingen ten einde was gekomen had zij ten derde, ten vierde male ze zich weer moeten herinneren, en aldus was \'t doorgegaan den heelen nacht. Een onweerstaanbare aandrang had baar telkens weer op- en voortgezweept; alle pogingen om in te slapen en voor een poos te vergeten waren volkomen vruchteloos gebleven.
Doodsmoe was zij op de gloeiende kussens blijven rondwentelen zonder rust of koelte te vinden. Duizenden hamerslagen had zij in haar aderen
158
gevoeld, duizenden echo\'s van klokgelui in kaar ooren gehoord; dat was de heete koorts geweest; zij kende die teekenen bij ondervinding. Eerst tegen den ochtend was met de hitte in haar bloed ook de martelende beeldenrij begonnen te ver-bleeken en had zij zelfs korte oogenblikken van sluimering genoten, waaruit echter telkens een phantastisch droomgezicht haar, badend in het zweet, met hevige hartkloppingen, dadelijk weer deed ontwaken.
IJl in \'t hoofd, nog klam over \'t gansche lijf en als verlamd in alle gewrichten, lag zij nu roerloos achterover. Vaal drong de morgenschemering door de geel katoenen gordijnen van haar ledikant, en vaal herleefden ook in haar brein de folterende gedachten.
Verstomd was het feestrumoer; verstomd was het stormgeweld.
Op het erf kraaide een haan; een andere antwoordde in de verte: hoorbaar tikte Jans horloge in de suizende stilte. —
Dus was het vroolijke feest, waarop zij zich zóó had verheugd, voorbij; voorbij ook het verschrikkelijke oogenblik, waarin zij het verleden uit de dooden had zien opstaan. Die dartelheid, waaraan zij deel had genomen, die triomf aan tafel, waarbij
159
\'t haar te moede was geweest, als werd zij op de handen gedragen, die vreeselijke onthulling, waardoor zij de tempelmnren van haar zelfvergoding had zien splijten, niets bracht ze meer terug en niets wischte ze meer uit. Met honderdtallen van bloesems, bladeren en twijgen in tuin en boomgaard was haar zwakke hoop op een geëerden ouderdom afgescheurd en neergeworpen in \'t slijk. Ook deze nieuwe dag zou voorbij gaan, nog een en weeleen, en haar bestaan zou grauw blijven, grauw ten einde toe, als het licht, dat thans naar binnen viel. Zij had aan het ontzag der dorpelingen te \' liooge eischen gesteld om hun nog onder de oogen te durven komen, wanneer Maria\'s misstap rucht- • baar zou geworden zijn, en voelde de eentonige stilte van het land dus tot een lijkkleed worden, . waarin zij en haar kind levend waren begraven. — Daar kraakte het bed van Jan; dat was het teeken van zijn ontwaken. Nog een oogen-blik en hij stond op. schoot geeuwend zijn klee-ren aan, verliet de kamer. Weldra kraakte \'t ook boven haar; voetstappen daalden dreunend de trap af; klompen klotsten de gang door.
\'t quot;Was tijd; het werk verschoonde niemand; de taak wilde volbracht zijn; zij moest er uit. Inderdaad ging zij overeind zitten; doch nu
160
werd zij zoo duizelig en wee om \'t hart; nu begon \'t haar weer zoodanig te bonzen in \'t hoofd, dat zij dadelijk in de kussens terugzonk en sterren zag wiebelen op het floers voor haar oogen.
Allengs bedarend, terwijl een koud zweet op haar voorhoofd uitbrak, herinnerde zij zich gisteren avond Jan tot Griet te hebben hooren zeggen, dat haar zuster van morgen moest komen helpen. Xiet terstond werd haar tegenwoordigheid dus vereischt; nog een poosje kon zij zich toestaan. Van slapen was evenwel geen sprake meer; integendeel zette de drukte van den morgenarbeid, dien zij onder zich in kelder en gang hoorde voortschrijden, even als het stampen van de karn, haar phantasie nogmaals tot verhoogde werkzaamheid aan.
Natuurlijk rees het beeld van Maria dadelijk in haar geest op, en het eerste, wat zij er bij gevoelde, was een hartverscheurend medelijden. Arm kind, arm kind, en ze is nog zoo jong!
Doch beter dan van nacht kon zij thans haar gedachten beheerschen, en kalmer deed zij een poging om zich voor te stellen hoe alles eigenlijk in zijn werk was gegaan. — Geen ergernis, geen toorn, maar wel bitter zelfverwijt was er het gevolg van. Alles, alles was haar eigen schuld. Waarom had zij Maria ook aan haar lot overge-
161
laten en zich verzet tegen een huwelijk met Kees?
Een antwoord lag voor de hand: het kind heeft nooit recht van Kees gehouden; met Ant kon zij \'t evenmin goed vinden; voor \'t boerenwerk deugde zij in \'t geheel niet. Edoch .... was zij, haar moeder, daarmee verantwoord? Had zij zich niet in \'t hoofd gezet, dat Maria nooit, met wien ook, zou mogen trouwen? En waarom? Om het verleden? Haar dat had men immers toch niet ontzien!
Ofschoon Maria geen naam had genoemd, was Lina overtuigd, dat mevrouw van der Wal zelve haar geheim had verraden.
Wie anders kon zij verdenken? Alleen aan de weinigen — als Jan en hare vorige meesteressen — tegenover welke zwijgen, in hare oogen, misleiding ware geweest, had zij alles bekend. Was het niet duidelijk, dat deze moeder ter wille van Louis haar belofte van geheimhouding had geschonden, en zou iemand het recht hebben dit kwalijk te nemen?
Wat echter nu te doen?
Alles aan Jan, Ant en Kees vertellen en van hunne goedertierenheid hopen, dat zij Alaria en haar kind op de woning zullen dulden ?
Deze gedachte kwam niet bij haar op. Anderen mochten bij de pakken neerzitten, lijdelijk af-
11
162
wacliten wat de dag van morgen brengen zou, zij was daar de vrouw niet naar; zij vroeg geen genade, nam ze zelfs niet aan. Integendeel; zoolang er nog een druppel bloed door haar aderen vlood, zou zij liet laatste beetje kracht, dat haar restte, gebruiken om haar hoofd recht op te houden, zich te verzetten tegen omstandigheden, die haar wilden buigen, te volbrengen wat haar goed en noodzakelijk scheen. Maar dit goede, dit noodzakelijke zocht zij ook weer niet door een angstig wikken en wegen. Wat haar te doen stond, zag zij dadelijk in den geest voor zich, zooals een kunstenaar zijn werk aanschouwt: levend in kleuren en lijnen, maar tevens zoo overweldigend, dat hij geen woorden weet te vinden om \'t in te beschrijven.
Aldus had zij zich drie en twintig jaar geleden als dienstbare onder de menscheu gezien om een nieuw leven te beginnen, waarin zij door een vlekkeloozen wandel en aanhoudende plichtsvervulling de verloren achting zou herwinnen; aldus zag zij zich nu op nieuw haar bestaan prijsgeven, van voren af aan in een ondergeschikte stelling boete doen, nogmaals de wereld dwingen haar te eeren en te bewonderen. Zij wilde weer met Maria gaan dienen, en evenmin als zij voorheen geaarzeld
163
had haar visioen te verwezenlijken, stelde zij zich nu vragen aangaande de uitvoerbaarheid en het nut van dit snel gerijpte voornemen. Voorzeker ontsproot het plan zoowel uit de moederlijke behoefte het leed van haar kind te deelen, als uit het fier, edelaardig besef, dat zij geen schande mocht laden op J an\'s woning; maar tevens lachte haar het vooruitzicht toe het boerenvolk, dat haar miskende, te zullen verlaten, en een vei\'leden te kunnen hernieuwen, waarop zij met zooveel trots, zooveel zelfbehagen terugzag.
Gresterkt, haast blijmoedig gestemd door het genomen besluit, vermeide zij zich nog een pooze met het phantaseeren over haar toekomst, hoorde toen den gillenden trein voorbijrollen, die haar zeide, dat de karn al lang aan het stampen was, en hield het niet langer uit in bed.
XIII.
Het was een triestige dag geworden. De bleeke hemel scheen met dikke, grijze builen bedekt, die elk oogenblik dreigden te barsten en haar vochtigen inhoud over de aarde los te laten. De uitgeputte wind was onmachtig bet wolkenfloers vaneen te scheuren, en het licbt, dat er flets doorheen drong, lei glans noch schaduw over de
164
donkere slooten, den effen weg, het natte, zware gebladerte. Een dnn, grijsachtig waas steeg uit den doorweekten bodem op, doofde de kleuren van den voorgrond, zweefde als een fijn stof over de weiden en loste aan den horizont de omtrekken van de stad in nevelen op. Een sombere killigheid was van de stille, huiverende linden in de gang van de woning neergezonken en streek Lina langs \'t gelaat, \'t Was haar, of zij de koude hand van een doode voelde, en zij stelde zich die doode als Maria voor.
Waarom? — Zij wist het niet.
Toen zij het werkhuis naderde, was Koos alweer op stal gezet, en zweeg de dreunende karn. Een warme waterdamp vermengd met zure meiklucht drong haar walgingwekkend te gemoet.
Zij vermande zich en trad binnen.
Naast de ton stond Grriet boter te bouwen, terwijl haar zuster de emmers vulde en Ant de melkkuip uitschuurde. Met een houten nap schepte Wouter de wei over in de goot; Jan la\'g met ééne knie op den linnen zak gedrukt, en perste, dat hem de breede ader op het voorhoofd aanzwol.
Allen keken op bij Lina\'s „goeie morgen\'\', en zij meende achterdocht in hunne blikken te
165
lezen, onvriendelijklieid te hooren in den flauw gebromden wedergroet.
— „Oe gaat \'t nou, moeder?quot; voegde Jan er aan toe.
Zij sloot even de oogen, omdat alles haar weer begon te draaien, en terwijl een paarse gloed snel verbleekend over haar wangen gleed, klonk bet antwoord gejaagd:
— „Ga noe maar oe gang, en laat me met rust! lelui zal d\'r niet bij te kort kommen.quot;
Onmiddellijk had zij berouw over die woorden, en weenend ware zij Prank om den hals gevallen, indien hij ze kwalijk genomen had.
Toen hij evenwel, opstaande, slechts prevelde:
— „Alleen van \'t drinke,quot;
leefde plotseling de gedachte in haar op, dat zij hier volstrekt niet onmisbaar was, en vervulde bitterheid haar ziel. —
Prank had besloten zijn nieuwsgierigheid aangaande Maria te bedwingen, overtuigd, dat Lina des te meer zou openbaren, naarmate men haar minder vroeg.
Green woorden werden dus meer verspild. Zoodra Lina zich had verzekerd, dat alles zijn gang ging, trok zij zich in het kamertje terug, dat donkerder was dan ooit, en wachtte er angstig haar dochter
166
af, naar wie zij niet had durven vragen. Het ging haar als de moeder, wier kind uit een zware hersenziekte is hersteld; zij deinsde voor de mogelijkheid terug Maria geheel veranderd te vinden.
Eerst, nadat zij voor het middagmaal de helft van het vereischte aantal boterhammen met moeite van het ronde, bruine brood had afgesneden, bij eiken duw op het botte mes het bloed naar haar slapen voelende stijgen, zag zij Maria buiten langzaam voorbij slenteren en verdwijnen in den moestuin. Zij wilde oprijzen, haar volgen, en bleef toch zitten, door een onverklaarbare macht gekluisterd op haar stoel.
Was \'t wijl zij voorgevoelde, dat Maria haar plan zou verwerpen? —
Terwijl zij voortging met snijden, voelde zij weer die oude pijnen in den rug, waarvan zij een verklaring meende te geven door te zeggen, dat alles er loslag. —
Vóór het etensuur kwam Maria niet terug. Al de overigen hadden hunne plaatsen reeds ingenomen, toen Kees, die een oprechte belangstelling in den toestand van zijn tante had getoond , schuchter vroeg:
— „Ze komp emmers?quot;
Een zwijgende knik was Lina\'s eenig antwoord;
167
daarop haalde de jongen een stoel uit de winter-kamer, en schoof dezen in tusschen zijn eigen plaats en die van Ant.
Zoodra Griets zuster den grooten schotel vol dampende rijst, benevens het bord met spek had opgezet, door Ant uit een aarden kruik voor ieder een glas met bier was volgeschonken, deden allen een lang gebed: de mannen in staande houding met hunne petten voor het gelaat gedrukt , de vrouwen zittende, de handen samengevouwen in den schoot. Lina alleen bad niet, maar keek afwisselend naar buiten of in den kring rond. Het bidden dezer menschen, die zij voor te stomp hield om zieleleed te kunnen gevoelen, ergerde haar zonder dat zij wist waarom, en nooit meende zij pijnlijker scherp gevoeld te hebben, dat Maria en zij altijd vreemdelingen zouden blijven onder dit dorre boerenvolk.
Juist was het gebed geëindigd, toen Maria, in hetzelfde gewaad van den vorigen avond, op den drempel verscheen.
Ook zij keek rond en had waarschijnlijk een dergelijke gewaarwording als haar moeder; haar bovenlip krulde ten minste weer verachtend omhoog, en spotachtig trilden haar lippen.
Een dof gebrom begroette haar, zoodra de
168
mannen weder gingen zitten. Zij beantwoordde \'t met een stug „morgenquot;, nam op den ledigen stoel plaats, en hield zich, alsof zij de hand, die Kees uitstak, niet bemerkte.
Lina zag haar aan, vond geen antwoord op de vraag die haar bezwaarde; maar besefte \'t nog duidelijker dan straks, dat zij hier niet langer konden blijven. Zij moesten weg, samen weg van die boeren.
Maria\'s onverschilligheid had den jongen zeer .gedaan.
— „\'k Eb m\'n ande pas gewassche, oor.quot;
— „Maar nie met geperfemeerde zeep!quot; riep Ant schaterend uit.
Lina kon niet nalaten haar stiefdochter even afkeurend aan te zien; Maria stak Kees haar witte, slappe vingers toe.
— „As je d\'r zoo op gesteld bent. .. daar dan.quot;
Kees aarzelde en werd rooder dan ooit; zijn
oogen begonnen vochtig te glanzen, de wimpers er van trilden. Hij voelde zich beleedigd en tegelijk diep gegriefd.
Thans bedierf Jan, wat er nog te bederven overbleef. Zich van de rijst bedienende gaf hij Kees een duw met zijn elleboog, en duisterde, voor iedereen verstaanbaar:
169
— „Kom, jonge, geef d\'r \'n zoen.quot;
— „Nee, oor; geen zoen en geen and ook. Nou wacht ik, da\' z\' is oit d\'r zelve komp.quot;
Met een onvasten greep nam kij de rijst aan, vulde zijn bord en schepte de helft weer in den schotel terug.
Intusschen had Ant een duit in het zakje gelegd.
— „Flink zoo! As zai te groos is voor jou, dan mot jai te groos zain voor aar. Ik \'eb \'t gisteren avond wel in de gate ge\'ad, da\' ze wegge-krope is, omda\' ze d\'r voor ons schaamde. Z\' is ook zoo fain angekleed met van die glasseeje anschoene en zwarte gitte. \'n Eele dame, oor!quot;
Toon, Wouter en Griet bromlachten flauw onder liet kauwen; Lina, weer geheel in haar plan verdiept, ving wel eenige woorden op; maar besefte er de kracht niet van.
Eensklaps keerde Maria zich tegen Ant.
— „Laat me nou met vrede, hè! Ik bemoei me niet met jou zaken; bemoei je dan ook niet met de mijne.quot;
— „Nee, da\'s waar; bemoeie doe je je met niks! Anders ad je wel is \'n andje oitgestoke nou je moeder niet goed is. Maar da\' zou jammer geweest zain van je mooie kleere, è?quot;
Maria haalde de schouders op. Haar neusvleugels
170
beefden, en minaclitend stak zij even de lippen vooruit.
— „Wel zeker; ik heb mijn dienst opgezeid omdat ik ziek ben, en nou zal \'k hier voor Assche-poetster kommen spelen!quot;
— „Zoo, zoo, zit \'t \'ra daar,quot; liet Jan zich ontvallen; in Ants schaterlach gingen zijn woorden echter verloren.
— „Kaik er is an; die wil zegge, da\' ze ziek is! En wat eb ie dan wel, juffrouw kammenier\'? \'t Zuur? Of is \'t de loierkoors?quot;
Een hortend geknor, waarmee de arbeiders, al dooretend, hunne goedkeuring over deze geestigheid te kennen gaven, was voor Ant een groote aanmoediging. Zij vervolgde dus dadelijk:
— „En wanneer is \'t nou jou broiloft met de beron? — Doe nou maar niet of d\'r niks van an is. Willem en ik wete d\'r toch alles van. Je bedankt voor \'n boerejongen in \'n boezeroen, met \'n pet op, omdat je gek bent op \'n beron met\'n zwarte lakesche jas, die zukke lange punte draait an z\'n knevels!quot;
Een gebaar verduidelijkte de laatste woorden; Ant gilde van \'t lachen en sloeg zich met beide handen op de dijen. Een oogenblik scheen Maria naar een antwoord te zoeken; plotseling echter
171
wierp zij de stalen vork op haar bord neer, rees op en ging heen. Niemand volgde haar, en niemand verbrak ook het stilzwijgen, dat op Ants ontboezeming was gevolgd. Alleen het tikken der lepels, gepaard aan het kanwen der tanden, klonk hoorbaar door het vertrek; peinzend keek ieder op zijn bord en dacht van alles het zijne.
Het meest verlegen met de zaak waren Ant en Kees; de eerste, omdat zij naar gewoonte meer had gezegd dan zij kon verantwoorden, en dus vreesde op de vingers getikt te zullen worden ; de ander, omdat in zijn grove gestalte een fijn voelende ziel huisde, die zich door Maria miskend achtte, door Ant vernederd en belachelijk gemaakt.
Om een afleiding te geven betuigde hij zijn verwondering, dat Lina van niets wilde eten.
— „Je kan toch nie van de wind leve. Kom, neem wat rais. Ik lus dat flauwe goed aigelik nie, maar jai wel.quot;
Lina schudde ontkennend het hoofd.
— „Kees, ie zunt \'n beste jongen, da\' j\' om me denkt; maar eten kan ik van daag niet. \'t Is of m\'n keel wordt toegeschroefd en m\'n heele mond is verschroeid. As ie wat voor me doen wilt, geef me dan die omslagdoek ens an, die achter oe op de kast leit. \'t Is krek of d\'r water langs
172
m\'n rug loopt; ie zal zien, da\'k weer de koors krijg.quot;
— „Allemaal van \'t drinke, moeder,quot; sprak J an, met een ironiscli tintje in zijn stem. „Sterkedrank of wain, \'t is al om \'t eve; wanneer je arses nie meer zoo bestig benne, dan wor ie d\'r maar mal van in je oof.quot;
Kees gaf den doek aan; Griet haalde nog karnemelk , en op de muziek van bet kauwen volgde die van bet slurpen.
Woorden werden er niet meer gewisseld tot aan bet oogenblik, dat J an, na eens gegeeuwd en gekucbt te bebben, zijn pijp op de tafel uitkloppend, zicb langzaam verbief. Toen wacbtte Lina alleen nog bet vertrek van de arbeiders en de meiden af om, met de gejaagdheid van iemand, die zicb noode zoo lang heeft ingehouden, hem toe te voegen:
— „Jan, ik mot oe spreken .... spreken onder vier oogen ... . in de slaapkamer; en ie mot doen wa\'k zeg, want.... want \'t kan noe eenmaal niet anders.quot;
— „Je zei nog zien, da\' ze an \'t male raak,quot; dacht Prank, en deze gedachte stemde hem zacht, omdat zij allen twijfel wegnam aan zijn verstandelijk overwicht.
173
— „Maak jai maar geen moordkoil van je art, moeder.quot;
XIV.
Somtijds rookte Jan na het eten zijn pijp in den moestuin; daarna ging liij altijd een groot half uur liggen.
Ofsclioon \'t haar onmogelijk was over dag te slapen, had Lina het zich ook tot gewoonte gemaakt omstreeks dezen tijd naar bed te gaan ten einde wat uit te rusten.
Toen Jan dus uit den tuin terugkeerde, verliet zij het kamertje, waarin zij zat te beven van koude en zenuwachtigheid, geslingerd tusschen de begeerte om met Maria te spreken, haar te troosten, te liefkoozen, en een instinctieven angst voor ieder woord, dat haar kind zou uiten.
Zich vasthoudend aan elke deurpost, strompelde zij met loome beenen en een licht hoofd het werkhuis uit, de gang door, het trapje op.
In de slaapkamer aangekomen zeeg zij hijgend en duizelend op een stoel neer, terwijl Jan, op den rand van zijn bed gezeten, zijn lompe laarzen uittrok.
Bang, dat de zenuwen haar parten zouden spelen en verwarring brengen in haar gedachten, begon zij met een slokje te vragen uit de brandewijn-
174
flesch, die de matige Prank zorgvuldig achter slot hield.
— „\'k Zou van dat sterreke goed nou maar afblaive.quot;
Deze weigering joeg Lina al dadelijk het bloed naar de wangen. Overtuigd, dat zij steeds het goede wilde, kon zij geen afkeuring van haar daden velen. Bovendien viel \'t haar dezen keer toch al zwaar genoeg haar zaak te bepleiten; waarom moest Jan over deze kleinigheid nu nog een afzonderlijken woordenstrijd uitlokken ?
— „Dwarsboom me niet! Den heelen nacht he\'k geen oog toegedaan! J e wilt toch niet, da\'k voor oe voeten na de grond sla. Dan sta \'k in vuur, dan is \'t, of ze me emmers water over m\'n rug gooien! Ik zeg oe, dat m\'n beenen onder me doorbuigen. M\'n lenden zunt zoo slap, asof \'k uit \'n zware ziekte kom, en m\'n polsen.... ie most ze maar ens voelen! Maar ielui, boeren, ielui hebt geen , gevoel!quot;
— „Ja, ja,quot; gromde Prank, korzelig, omdat zijn rechterlaars weerstand bood aan zijn rukken; „en as je nou borrels drink,. . . pas er is op, je wordt er maar minder van.quot;
Lina stak beide handen met uitgestrekte vingers, als in vertwijfeling omhoog, en hoewel zij
175
haar best deed kalm te spreken, klonk haar trillende stem doordringend schel.
— „Jan, \'k heb oe gezeid, dat j\'r niet te kort bij zol kommen, en ie zal d\'r ook niet te kort bij kommen; maar .... maar as ik niet meer kan. dan kan \'k niet meer. Geef me noe een kleine hartsterking, anders zeg \'k nooit, wat... wa\'k zeggen wil.quot;
Zwijgend ging Prank naar de latafel, nam er een flesch met een likeurglaasje uit, en reikte het laatste halfvol met brandewijn aan zijn vrouw over.
Lina ledigde het in één teug, grilde toen het heete vocht haar door de keel ging; maar voelde eensklaps haar krachten herleven, haar gedachten verhelderen.
Zij stond op.
— „Zie zoo; noe zal \'t voor \'n poos wegweer schikken, \'t Is krek as vroeger, wanneer \'t erg druk was, en \'k den heelen dag voor \'t vuur most staan. Dan begon alles te dansen voor m\'n oogen, en \'k voelde geen grond meer. Ha\'k noe en dan geen slokkie genomen .... \'k was d\'r al lang niet meer geweest. Dokter Bloem zei, dat \'t niemendal geen kwaad kos, as \'k d\'r maar geen gewoonte van maakte. Noe; daar heeft Grod me voor be-
176
waard; maar, wa\'k noe eigenlik zeggen ging . ..
Prank, die geraden meende te hebben, dat Maria woorden bad gebad met de landvrouw — wat bem niet verwonderde, want bij vond baar lui en nog eigenwijzer dan baar moeder — verwachtte een voorstel om de meid aan een dienst te helpen op \'t dorp: bijv. bij den notaris. Altijd nog de hoop niet opgevend, dat Kees zijn opvolger kon worden door een huwelijk met mevrouw van der AVal\'s gewezen kamenier, overwoog hij reeds welke betrekking de voorkeur verdiende, toen hem plotseling een bos sleutels onder de oogen werd gehouden.
— „Hier zunt oe sleutels! Alles is op z\'n plaats, en schoon weggeborgen. Geen stuk mankeert; gisteren he\'k de boel nog nagekeken; maar wiquot; je \'t goed natellen .... \'t is oe recht!quot;
Jan verroerde zich niet. Eerst keek bij eens naar de sleutels zonder ze aan te nemen; daarna richtte hij zijn fletsen, steeds argwanenden blik op Lina\'s gelaat, en bij was op bet punt iets te zeggen, toen de bos hem in den zak werd geduwd.
— „Neem ze noe, neem ze noe, en doe maar wa\'k zeg.quot;
— „Z\'is werachtig niet in ordebromde hij tusschen zijn tanden.
177
Op heftigen toon, onder het drukke gesticuleeren lierhaaldelijk zijn arm aanrakend, als wilde zij hem dwingen haar gestadig aan te zien, voer Lina voort:
— „Da\' je me getrouwd hebt, doe \'k niet meer
voor \'t vuur kos staan, en alles in m\'n rug loslag____
edel is \'t geweest, en al stond ik voor de rechter, met \'t zwaard boven m\'n hoofd, nog zol \'k \'t zeggen, want \'t tvas edel. Wat waar is mot openbaar worden, want de waarheid ... en de wereld .... geloof me toch, ik ken d\'r, die.. ..quot;
Wat volgen moest ontschoot haar; zij wreef zich over het voorhoofd, zocht een poos, maar vond den draad barer gedachten niet terug.
— „Al m\'n bloed is in opstand; ik weet haast niet meer wa\'k zeggen wil, en toch mot \'t gebeuren, omdat.... An m\'n eigen denk ik nooit! Da\'k in oe belang handel en voor oe kind . . ie weet \'t en anderen weten \'t ook; maar niemand mag d\'r an twijfelen. Recht is recht, en ongerechtigheid .. .
Weer streek zij met de hand over haar boezelaar , als om er iets van weg te vegen.
— „Neen, laat me uitspreken, en vraag me niks. O! ik weet, hoe \'t in de maatschappij toegaat, (rod heeft me meer gegeven dan me toekomt;
12
178
maar de rechtvaardigheid regeert de wereld niet. Zoo staat \'t in de Schrift, en zoo mot \'t ook wezen .... Daarom .... en de menschen .... ik weet d\'r alles van. Zu\' je van daag op de tong, dan kom ie morgen op de straat! Van \'n zucht maken z\'n donderslag, en al \'t water van de zee wascht oe nooit meer schoon. Veel goedheid he\'k ondervonden; denk ie, da\'k tot dank schande wil laaien op \'t dak, waaronder ik m\'n hoofd heb neergeleid, en oe naam in opspraak brengen ? Daarvoor he\'k altoos m\'n hart te hoog gedragen, en waar Ant is .... zal mijn Maria niet wezen!quot;
Fier wierp zij het hoofd in den nek, en een gebaar, dat aan Christus\' afwijzing der verdoemden op Michaël Angelo\'s „Laatste oordeelquot; deed denken, begeleidde haar laatste woorden.
quot;Weer op den rand van zijn bed gezeten keek Prank zwijgend naar zijn schommelende beenen. Hief hij den blik al een paar malen naar Lina op, een vraag stelde hij niet, want vruchteloos zocht hij naar een leiddraad in den doolhof vau haar woorden.
Thans hield zij haar geopende rechterhand hem voor.
— „Geef me twee honderd gulden te leen. Ie zal ze eerlik terug hebben; dat wi\'k met \'u
179
heiligen eed bezweren. Most ik d\'r ook dag en naclit voor werken, droog brood om eten, ie zal ze terug hebben, en nooit za\' je meer iets van mij of m\'n kind hooren .... nooit .... nooit!quot;
Onderzoekend zag Jan eens op. Hij vond, dat Lina akelig glazige oogen had, en wist maar niet wat aan te vangen. Misschien was het beste nog een poging te wagen de zaak op de lange baan te schuiven.
— nOor is, moeder, main oof is nie zoo aastig gebakerd as \'t jouwe, \'k Eb nou slaap; maar wach tot van avond. Alles kan \'k begraipe, as iemand me d\'r kalm oitlegging .. . .quot;
Lina liet hem den zin niet voleindigen.
— „Neen, Jan, neen! D\'r staat geschreven: wa\' je doen wilt, doe \'t haastiglik. Ik vraag niet na oe amparte zaken; ie mot ook niet na de mijne vragen. AVa\' je i\'echt hadt te weten, dat he\'k oe gezeid, en zoolang \'t God behaagde zu\'k \'n goeie vrouw voor oe geweest. O! ik heb m\'n goed en m\'n kwaad gehad, krek as \'n ander. Volmaakt is niemand, maar wanneer ie denkt, cla\'k \'t zol uitholden, as Ant ook maar zóóveel reden had me schuins an te zienquot; — zij knipte met de vingers — „dan kè\' je me niet, hoor!
180
Besterven zol \'k \'t! In liefde en eensgezindheid zu\' we samen geweest; laan we noe in liefde en eensgezindheid scheien. In m\'n hart blijf ik oe vrouw; maar voor de menschen zu\' we vreemden. Hier zunt ik; daar jij, en voortaan hebben we niks meer met mekaar te maken!\'-
Dit was Prank al te kras.
— „Eb ie ooit van z\'n leve! Wanneer \'k je redenaasie goed begraip, dan wil je zooveul zegge asdat je genogt en meer as genogt van me eb. Nou, da\'s tot daran toe. Ik weet ook wat ik weet; maar wanneer je me wil late zitte, net as de vrouw van Klaas Oppert eit gedaan, die met d\'r neef na Amerika is gedrost, dan . . . .quot;
— „Jan, zoo mag ie niet spreken! Oe vrouw tot an \'t graf, he\'k beloofd, en da\'k m\'n belofte niet kan holden .... mij mag ie \'t niet wijten .... \'t Zit in m\'n bloed as \'n ziekte. Niet om m\'n eigen denk ik en ook niet om m\'n kind. AV\'a\'k doe is voor oe en voor oe dochter. M\'n ja is ja; m\'n neen is neen. Ie mot me gelooven op m\'n woord van waarachtig! quot;
Prank verloor zijn geduld en gleed van zijn bed.
— „Oor eris: zet die malligaid maar gerus weer oit je oof. As d\'r wat nie in orde is met jou of met Maria, dan kan je \'t me zegge; maar
181
van weglooperaie of andere grappe ben \'k nie t\'ois. Praatjes ou je d\'r genogt op na, een eele zak vol; maar we make ier geen romans zooas in \'t boiteland onder de roovers en ander gespois! Waar denk ie, dat \'n vrouw t\'ois oort? Bai d\'r man, oor, en nerges anders. Je mag zoo wel is zegge: zoo is \'t, en zoo is \'t ook goed; nou zie je: zoo is \'t en zoo is \'t nou met recht ook goed. (reloof ie, da\'k er zinnigaid in eb deur \'t eele dorp oitgelaclie te worde, omdat m\'n vrouw d\'r van deur is ? Zoo zelle ze prate; pas er is op! Nee, nee, wegloope, da\'s tot daran toe; maar zoo waar as d\'r \'n God leef, ik aal ie terug, almost ik d\'r ook voor na de poliesie gaan!quot;
Lina hield het niet langer uit. Met krampachtig gebalde vuisten, gloeiende wangen en wijd opengespalkte oogen, inderdaad een waanzinnige gelijk, trad zij op haar man toe, boog het hoofd zóó ver voorover, dat hij ter zijde week voor haar heeten adem en lichtende oogen, en beet hem toe:
— „Wat uitlachenV Wie uitlachen\'? Weetniet iedereen wa\' je waard zunt? Hebben ze oe niet in de gemeenteraad gekozen om oe eerlikheid en korakter? Neen, mij zallen ze de schuld geven, en zoo mot \'t ook wezen, want de wereld zol te niet gaan, as d\'r hier beneden al rechtvaardigheid
182
was. Maar zu\' je bang; goed, dan za\'k \'n papier schrijven, en ik zal d\'r op zetten, aada\' je twee jaren lang \'n beste man voor me geweest zunt, da\'k in vrijheid en liefde weg zunt gegaan, en dat mijn ongeluk niet \'t ongeluk van \'n ander mag wezen! Ik kan alles zoo niet zeggen as \'k wil, want as \'k alles zei, dan zol \'k dingen zeggen, die \'k niet zeggen mag, en wa\'k niet zeggen mag, dat wi\'k ook niet zeggen. Maar... zóó is de waarheid, en de waarheid zal overwinnen!quot;
Herhaaldelijk had Jan het hoofd geschud; nu wierp hij de sleutels met een smak op den grond. en riep vastbesloten uit:
— „Geen twee onderd guide en geen twintig ook nie! Ik geef geen geld zonder te wete waarom. Je boel in \'t water gooie.. . daarvoor is \'t altaid nog vroeg genogt. Denk ie, dat de landvrouw me slois- en poldergeld oitbetaalt, zonder da\' ze vraagt om de kwitansie te zien ? Pas er is op; z\' is gek, è? Wil ik jou is wa\' zegge ....?quot;
Hij kon niet vervolgen. Lina greep hem bij den arm, schudde dien heen en weer, zonder dat hij tegenstand bood, en schreeuwde:
— „Zu\'k \'n goeie vrouw voor oe geweest of niet?quot;
Prank werd weer angstiger.
— „Is dat nou \'n vraag? Kom, ga wat legge.quot;
183
— „Neen, Jan, neen; eerst mo\'je me behoorlik antwoord geven. Zu\'k \'n goeie vrouw voor oe geweest, ja of nee ?quot;
— „Non, ja dan, ja: maar nou gane w\' ons middagslaapie neme.quot;
— „He\'k altoos oe belang en dat van Ant gezocht , of durf ie zeggen, da\'k meer om m\'n eigen en m\'n eigen kind heb gedacht?quot;
Driftig rukte Prank zich los.
— „Wat, weerlich, wil je met dat malle gevraag ? Eb \'k dan over je geklaag of anmerkinge gemaak? Je zou iemand z\'n kop gek male! Ik eb d\'r genogt van!quot;
Dus sprekend kwakte hij zijn pet neer, schoof de bedgordijnen open, en ging weer op den rand van het ledikant zitten.
Met knippende oogleden zwiepte Lina als een beschonkene heen en weer. Toch wist zij zich nog genoegzaam te beheerschen om plotseling kalmer te hervatten:
— „Jan, Jan.... maak oe niet helg. \'t Zal zoo lang niet meer met me duren, \'k Voel, dat m\'n hoofd van binnen in vuur staat; m\'n rug is heel end\'al gebroken, en alles schemert me voor d\' oogen. \'t Zal oe te laat berouwen, as ie nou hardvochtig tegen me zunt. Ens zal de waarheid
184
an \'t licht kommen; dan zal Ant nog \'n marmeren monement met golden letters op m\'n graf laten zetten, en ie zal zeggen: Lina heeft toch gelijk gehad. G-eloof me, \'k heb altoos \'t voordeel van m\'n menschen gezocht, omdat \'t m\'n plicht was, en noe \'k niet meer hoef te dienen, zoek ik dubbeld oe voordeel en \'t geluk van oe kind. Eerst voor d\' anderen, dan voor m\'n eigen; zoo he\'k m\'n gansche leven gedacht en zoo wi\'k ook sterven, want zonder \'n gerust geweten zol \'k de eeuwigheid niet kannen ingaan. Daarom, Jan.... laan we geen ongeluk over oe huis brengen. Ik kan alles zoo niet zeggen; maar ie mot me gelooven, want \'k heb maar één woord en dat woord is voor allen gelijk .... in de rechtvaardigheid!quot;
Medegesleept door haar eigen klinkende frasen, was Lina hoe langer hoe ingenomener geworden met de rol, die zij zich had voorgesteld van nu af aan te spelen, en deze ingenomenheid had wederom ten gevolge gehad, dat er in haar toon een zeldzame plechtigheid was gekomen, welke klaarblijkelijk op Prank indruk maakte. Ten minste, toen zij met gesloten oogen, snel ademend, uitgeput, op den stoel bij het venster neer was gezegen, boog hij zich niet achterover naar de kussens, maar ging hij voort zijn hoekige knieën
185
te wrijven, trok hij de ijle wenkbrauwen peinzend samen, en begon hij haar strak aan te gluren. Een soort van eerbied, die met zijn gewisheid omtrent Lina\'s verzwakte geestvermogens in botsing kwam, sprak onmiskenbaar uit zijn aarzelend gebaar en nadenkenden blik.
Wat wilde zij echter precies ?
Nog altijd begreep hij \'t niet; maar onwillekeurig keerden zijne gedachten naar den avond van gisteren terug. Hij zag het fijn gekleede, bont gekleurde, levendige gezelschap zijn moestuin vullen, aanschouwde het ook aan tafel. boorde weer de deftige, mooie woorden en geloofde op het spoor te zijn.
Een poos spraken geen van beiden, en al dien tijd was \'t, of met het vale daglicht van den grijzen hemel een naargeestige stilte nederzonk, die de woning omhulde en door alle poriën er binnen drong.
Toen Jan eindelijk den sleutel van het geheim gevonden meende te hebben, ving hij bedaard, maar overtuigd aan:
— „Wil ik jou is wa\'vertelle? Je bent\'n goed mensch, en je eb \'t ook goed met andere voor; maar de oovaardai maakt je arses van streek, en daar zit \'m de kneep.quot;
Zoo iets had niemand vrouw Prank nog gezegd.
186
Zij dorst haar ooreu niet gelooven. Wijder en wijder gingen haar oogen open; de bevende wenkbrauwen optrekkend rimpelde zich haar voorhoofd in tal van lang gestrekte plooien, en zij stotterde:
— „ Wat .. hoov .... Ik ... . hoovaardig ... ?quot;
Jan hief beide armen met een logge beweging
omhoog.
— „Overspan je nou nie zoo, maar la me oit-spreke! Ik zeg, da\' je oovaardig ben, en Jk zei je daar ook oitlegging van geve. — Pas er is op. — Toe je d\'r niks van wou oore, da\' Kees en Maria same \'n eerlike verkeering zouwe beginne, eb ik al dadelik gedach: \'t zon mai nie wondere as de jonge dr te min was. — Nee, nee, la me eerst oitspreke! \'k Weet eel goed, da\' je je dochter nooit wil late trouwe, omdat \'t dan met de pampiere oit mot komme wie d\'r vader is gewees; maar da\'s nou net niks geen rede, oor. — En eb ie \'t nie vertikt om \'n aizer te drage, è, — zooas Ant en al je \'s gelaike op \'t dorp? — Je dochter met d\'r glasseeje anschoene en d\'r veere op d\'r oed ziet er al eve voornaam oit as de landvrouw zeivers, en je noemp z\' ook nie Mie, zooas de maine Ant iet; maar net as in \'n roman langoit; Ma-ri-a. — Da\'s allemaal grozigaid en oovaardai, zie je? Jai ben \'t kind van \'n raike
187
grondaigenaar, en wailoi benne in jou ooge maar lompe boere! Da\' zit je dwars voor je maag, en nou de landvrouw ier is gewees, nou iedereen je oof weer gek eit gepraat, eb ie d\'r spait van gekrege, da\' je m\'n vrouw ben geworde. — Ja, of ie nou al van nee knik, \'t is toch zooas \'k zeg. Zoolang meneer Lewie nog t\'ois was, ad je \'fc nie gemakkelik; da\' wil \'k wel geloove; maar nou mevrouw d\'r zoon en dochter allebai van de vloer benne, trek je art weer na de stad terug. Je wil as van ous juffromv Lina zain, en je verlangt na de beronne en andere ooge loi, die in je keuke mooie praatjes kwamme opange. Ik ben nie van mooie woorde t\'ois, en ier boite iet je eenvoudig vrouw Prank. Vat je \'m? Daar zit de kneep en nerges anders.quot;
In weerwil van Jans aanmaningen had Lina hem niet rustig laten uitspreken. Eerst was zij met uitroepen van verontwaardiging in de rede gevallen ; de uitroepen waren kleine zinnen geworden en ten slotte schreeuwde zij tegen hem in:
— „Ie kan me gelooven of niet; dat staat oe natuurlik vrij, en ik kan d\'r ook niks an doen; maar ens zal \'t oe toch berouwen, da\' je zoo van me gesproken hebt. Onthold wa\'k oe zeg: ens zal \'t oe berouwen, en dan .. . .quot;
188
Prank sloot de discussie door zicli achterover te laten vallen, zijn voeten op het hed te trekken, en met een ruk de gordijnen te sluiten.
Overbluft staarde Lina de gele katoenen lappen aan.
Alles gloeide en beefde haar weer aan \'t lijf. Geen twijfel meer; zij had de koorts, de echte koorts.
\'t Was of haar beenen van glas waren; voor haar oogen zweefden grijze vlakken; in haar ooren suisde de zee, en om haar hersenen lag een heete, knellende band. Het denkbeeld van een doek met azijn in den nek en natte omslagen tegen de slapen kwam Hauw in haar geest op: maar zij was evenmin bij machte een besluit te nemen als een spier in beweging te brengen. Tegelijkertijd werden haar gevoelens en haar denkbeelden al scherper en scherper. Zij keek door het raam naar de logge koeien, die herkauwden, naar den grijzen motregen, die een gaas spande over de weiden, naar de bruine rookwolkjes van een stoomboot, die voortkropen over het geboomte; zij luisterde naar het eentonige tikken van Jans horloge, naar het doffe kraken van zijn bed, naar het flauwe koeren van een duif; zij rook de mufheid van het kamertje, de stanken van mest, melk, leb, zweet, tabak,
189
en nog nooit had de muffe onzindelijkheid, de ontzenuwende grauwheid, de doodsche saaiheid van het landleven haar zoo loodzwaar gedrukt-En zou zij; die een leven vol drukte geleid, een huishouding op grooten voet bestierd, een dagelijkschen omgang met de voornamen in de maatschappij genoten had, zich nu moeten laten miskennen, en veroordeelen, omdat zij vruchteloos liaar best had gedaan zich tevreden te stellen met dit graf\', te schikken in deze ellende, te plooien naar zooveel onhebbelijkheid? Aan Maria\'s misstap, de eigenlijke aanleiding tot haar plan, dacht zij op dit oogenblik in \'t geheel niet meer. » Als een plant uit haar zaadkorrel was haar voornemen om heen te gaan uit het ongeluk van haar kind opgegroeid; maar nu die plant een knop droeg, die een bloem beloofde te worden, vergat Lina gemakkelijk, waarom zij haar gekweekt liad.
O! die boeren; wat een bot, grof, gevoelloos volk!
Hoovaardig! Zij, hoovaardig!
Allerlei tafereelen uit het verleden rezen met een ongewone helderheid in haar op; maar waar zij ook aan dacht, wat zij ook aanschouwde, liet woord: hoovaardig bleef in vurige letters voor haar oogen staan, en angstig zocht zij naar
190
bewijzen om deze folterende beschuldiging te kunnen ontzenuwen.
Zij, hoovaardig; was \'t mogelijk zoo iets te beweren ?
Had zij dan niet vrijwillig, om boete te doen voor baar fout, familie en stand in den steek gelaten, zich op ééne lijn gesteld met gewone dienstboden, betrekkingen aanvaard van negentig en honderd gulden\'? — Was haar ooit een arbeid te zwaar of te min geweest, wanneer het er op aan kwam de belangen van haar meerderen met hart en ziel voor te staan? —- Had zij niet ten allen tijde voor hooger geplaatsten den diepsten eerbied getoond? — Had zij niet steeds de rechtvaardigheid gezocht, zoowel voor haar zelve als voor anderen, en kon een hoovaardig mensch rechtvaardig zijn?
Neen, neen, zij kende haar zwakke, maar zij kende ook haar goede zijden, en wijsmaken liet zij zich niemendal. Dat anderen het vleesch van haar hadden gehad en Jan zich met de been en moest vergenoegen, zij ontkende \'t niet; maar
toch____ ruimschoots had zij hem zijn goedheid
vergolden door hard te werken, nooit te klagen en liefderijk te zorgen voor zijn kind. Dankbaar wilde zij blijven haar leven lang; doch geen
191
verwijt verkoos zij te hooren, geen genade aan te nemen. Dan ging zij liever weer onder de men-schen, om te zwoegen en te zorgen, tot God zeggen zou: \'t is genoeg geweest.
Reeds overdacht zij de bewoordingen, waarin zij haar diensten zon aanbieden. Betaal ons wat ii goeddunkt, des noods mijn kind alleen, als u mij te oud vindt, en zet ons op straat, zoodra u maar het geringste heeft aan te merken. Maar vraag nooit, waarom ik van mijn man ben weggegaan, want mijn hart is vol erkentelijkheid, en toch mag ik niet spreken.
Aldus wilde zij nog eenmaal een nieuw leven beginnen, nog eenmaal boeten voor haar schuld, haar aandeel dragend ook in Maria\'s fout, en nog eenmaal de achting en den eerbied, die haar toekwamen, verdienen, afdwingen. Midden in dezen gedachtengang werd het haar echter duidelijk, dat Jan recht had Maria\'s geschiedenis te kennen. Al was zij geen kind van zijn bloed, hij had door zijn huwelijk toch al de aanspraken van een vader op haar verworven. Bovendien zou hij anders verkeerde gedachten omtrent zijn vrouw kunnen koesteren, en dit mocht niet. Het was dus haar plicht hem alles te openbaren, en, kostte wat het wilde, haar plicht moest zij volbrengen.
192
Haar gewone, zenuwachtige haast om een genomen besluit oogenblikkelijk uit te voeren belette haar langer rustig te blijven zitten. Zonder te weten waarom, rees zij op, en begon prevelend heen en weer te loopen. Alle aderen klopten haar, en duizelend moest zij zich vastklampen aan de latafel en het ledikant. Allengs ging het wel beter; maar nu begon zij ook luider te praten, en zoo dikwijls zij Jans bed naderde, vermocht zij ter nauwernood haar hand van de gordijnen af te houden.
Prank, die niet kon inslapen, en Lina\'s schaduw telkens als een donkere, omtreklooze vlek over het katoen voorbij zag glijden, richtte zich eindelijk op, om bijna driftig uit te roepen: \' — „Mensch, ka\' je nou nie rustig gaan legge? Je klaagt d\'r over, da\' je nie meer vort kan, en toch murmereer je maar deur! Je zal ons allemaal nog gek prate en \'t is toch werachtig wel noodig, dat \'r ier ten minste één z\'n zinne bij mekaar oudt.quot;
— «Jan, ik kan \'t niet helpen: maar .... dat m\'n hoofd niet meer deugt, weet \'k al lang, en ie mot me vergeven, as \'k meer zeg dan\'k zeggen wil. M\'n hersens zunt soms zoo vol, da\'k spreek eer \'k \'t eigens weet. Alles za\'k oe zeggen, want... •
193
maar hoovaardig zu \'k niet. Wat de waarheid is .. . goed; maar wat niet waar is .. .
Een onduidelijk gebaar verving weer het slot der phrase; zuchtend en kuchend stak Jan zijn heenen wederom naar buiten.
Zich meer en meer opwindend, voer Lina voort.
— n\'t Was niet goed van me, da\'k iets voor oe verzweeg. Daar .... ik zeg \'t .... want ie zunt m\'n man voor Grod en voor de menschen. Wat ik weet mo\' je ook weten. As \'k afgeroepen word, heeft Maria alleenig d\'r vader nog op de gansche wereld.quot;
Bedrukt keek Prank zijn vrouw aan; zij sloeg hoe langer hoe meer onzin uit; hij kon zich toch voortaan dag aan dag den kop niet warm laten praten.
— „En \'t zal zoo lang niet meer duren. lelui boeren zunt voor de menschen as voor de beesten; medelijen krijg ie niet, eer ie afgebeuld bij de weg neervalt, en omda\'k m\'n gang ga en een rooie kleur heb, denk ie, da\'k nog sterk genog zunt. Xoe .... ik vraag niet om oe medelijen,
voor mij niet en voor m\'n kind niet; maar____
ik zal d\'r m\' ook niet over beklagen as Hij, die alles weet.... tot hiertoe en niet verder. De wereld...quot;
— „Mensch l\' viel Jan op een toon van ver-
13
194
twijfeling uit; zij liet hem echter niet doorspreken.
— „G-oed, goed, ik heb gezeid: ie zal alles weten, en ie zal ook alles weten; maar ie mot oe niet verbeelden, dat \'t zoo gemakkelik gaat. Ik zunt dan toch d\'r moeder .... en as ze d\'r eigen slecht heeft gedragen .... ie mot d\'r ook niet voor zoo\'n stadsmeid holden, die met den eerste den beste .... niks daarvan, hoor! Denk ie, da\'k \'n gemeene slet in oe huis zol brengen? Eer had \'k d\'r gisteren avond in dat weer de weg opgestuurd, en nooit. ... Neen, zoo mo\' je niet spreken; want da\'s onrechtvaardig! Alle dieven ka\' je ook niet over één kam scheren. Dat weet je even goed as ik. Ik heb een groote dame gekend , uit de hooge wereld .. • d\'r man was au \'t hof ... , noe , die kos \'t stelen niet laten; maar eiken avond brocht de knecht alles weer terug. In de Schrift staat . . . .quot;
— Vrouw, ik begraip d\'r geen steek van! Eit Maria dan gestole?quot;
— „God beware ons! Gestolen? Mijn kind? Mijn kind, dat in eer en deugd groot is ge-brocht? Waarvoor \'k gewerkt en gezorgd heb ? T)\'i\' vader .... ie weet d\'r alles van .... maar een dief ....!quot;
— „Wat eit ze dan oitgevoerd?quot;
195
— „Wat ze gedaan heeft?quot;
— „Dat zal \'k ie zeggen,quot; blonk het eensklaps achter hen.
Verschrikt keken heiden om, en zagen Maria in de kamer staan, kalm, als kwam zij de geschiedenis van een derde vertellen, en met denzelfden tartenden blik in de koude, heldere oogen, dezelfde minachtende plooi om de strakgetrokken lippen, die haar moeder ook gisteren avond, ook heden morgen met smartelijke verbazing had waargenomen.
Dat haar kind koel, onvriendelijk van aard was, zelden aan een ander dacht, en, ondanks een bewondering voor haar moeder, die voorheen tot nabootsing was geklommen, altijd minder bewijzen van gehechtheid gegeven dan verlangd had, Lina was er sedert lang van overtuigd. Dat echter het ongeluk, waardoor zij zich zelve gelouterd, zachter voor anderen gestemd, tot grootere dankbaarheid voor elk zonnestraaltje op haar pad geneigd waande , zoo kennelijk Maria\'s gemoed had kunnen verharden, haar oordeel verscherpen, haar men-schenhaat ontwikkelen, dit trof haar niet alleen als een wrange vrucht van haar liefderijke zorgen voor het eenige wezen, op wier wederliefde zij gemeend had een recht te hebben, maar tevens
196
als een nieuw bewijs, dat haar schuld, de onverzoenlijke , zich wreekte op wat haar het dierbaarst was. Met haar begeerte naar bewondering en achting hield haar behoefte aan vriendelijkheid en liefde gelijken tred. Reeds had zij om wat minzaamheid vruchteloos bij Jan en Ant aangeklopt; thans onthield Maria haar de liefde en werd zij daarentegen in de oogen van haar eigen dochter den weerschijn gewaar van een bevrozen hart. Krampachtig worstelde zij met de gedachte van moedwillig aan haar kind, dat geen vader, geen familie had, een koud, ellendig leven te hebben bereid, waarvoor zij zelfs geen erkentelijkheid mocht vergen.
Met een paar ongelijk haastige stappen was Maria nader getreden tot in \'t volle licht van het venster.
— „Je kijkt gek op, hè, omdat ik weet, waarover je praat; maar dan mot je maar zoo hard niet schreeuwen, dat ik alles in de gang kan verstaan. En as je nou weten wilt, wat ik heb uitgevoerd, begrijp dan maar, dat ik op dit oogen-blik mevrouw van der Wal zou zijn als moeder had weten te zwijgen!quot;
Ofschoon niets deze stelling rechtvaardigde, had zij zich nu vast in \'t hoofd gezet, dat in Lina\'s
197
verleden de aanleiding lag tot Louis\' woox-dbrenk. Haar overgeërfde eigenwaan, die, nog versterkt door Lina\'s verdeeling van den dienstbaren stand in „wijquot; en „de restquot; , baar zelfkennis vervalsclite, kon het onmogelijk verkroppen achteruit gezet te zijn voor een andere, al ware die andere ook een dame, voornaam en rijk als Antoinette Heslink. Zij was er te lang aan gewend geweest zonder eeni-gen grond op haar gelijken neer te zien, om thans de gedachte te kunnen verdragen, dat zij zonder een bijkomende reden, even als een gewone kamenier, door Louis verleid zou zijn en neergesmeten bij die verachte „restquot;.
Prank begreep niet dadelijk wat zij bedoelde, en dacht na; Lina jammerde, eer zij de laatste woorden gehoord had:
— „O! God, O! Grod, he\'k \'t an die jongen verdiend, dat ie m\'n kind zoo schandelik most bedriegen ?quot;
Het woord bedriegen klonk Maria natuurlijk nog valscher in de ooren dan achteruitzetten zou gedaan hebben. Zij stoof op , snauwde haar moeder toe:
— „Wat bedriegen?quot;
en schreeuwde, zich met beide handen op de borst slaande:
198
— „Is dit soms niet mijn lijf\', mijn hoofd.!1 Niemand heeft daarover te zeggen; ik kan d\'r mee doen wat ik verkies! As ik me zelve an een man wil geven, dan is dat alleen mijn zaak, die niemand angaat!quot;
Fluitend schoot een trein langs de woning voorbij, en aanstonds vervolgde zij:
— „Wanneer ik lust krijg onder zoo\'n locomotief\' op de reils te gaan leggen, dan zal ik dat even goed doen zonder iemand om permissie te vragen. Begrijp je \'t? Ik: Ma-ri-a zal dat doen! En weet je waarom? Omdat ik om niks meer maal! Om niks ... niks . .. niks! En dan nog pijn lijen op de koop toe? — Ik dank je feestelik!quot;
Lina ontzette.
— „Kind, ie draagt \'n leven met oe om! Weet je niet, dat \'t zonde ...
— „Ach, wat zonde? Ik zou toch waarlik de eerste niet zijn en de laatste evenmin. En is \'i zoo rechtvaardig, dat ik alleen boeten mot voor ons beien? As ik maar \'n middel wist, dat me d\'r gemakkelik en zeker van afhielp! Voor \'t wurm zou \'t waarachtig wel zoo goed zijn, want ik haat het ommers nou al. Denk ie, dat ik er blij om ben, dat je mij vroeger niet bij tijds weg heb gemaakt?quot;
199
— «zwijg stil, zwijg stil!quot; gilde Lina verwilderd uit, en terwijl zij nog een smartelijk gesmoord „Ooooquot; slaakte, zeeg zif, metdebleeke handen stijf tegen de oogen gedrukt, verbijsterd op een stoel neer.
Het was wel, gelijk zij gevreesd had: Maria was geheel veranderd; zij had haar kind, haar kind van vroeger, voor altijd verloren, en alles, alles was haar eigen schuld.
Een scherpe pijn vlijmde haar door \'t gemoed en zij kreunde:
— „God, God, as je wist wa\' je m\' an-i doet!quot;
Intusschen was Prank beter op de hoogte gekomen en dacht hij — zonder eenige aandoening te gevoelen — over de gevolgen na, die een en ander voor hem zou kunnen hebben. Zonder dadelijk een besluit te nemen of er iets en wat er dan gedaan moest worden, maakte hij van de gelegenheid maar vast gebruik om Lina eens een lesje toe te dienen.
— „Daar eb ie \'t nou. Kees was jou te min. Van \'n eerlike verkeering wou je nie oore en nou zie je de gevolge van je oovaardai.quot;
Lina verstond zijn woorden niet; maar Maria weerlegde ze zelve met een ijzigen, hoonenden lach.
200
— „Net of ik zoo\'n boerenlnmmel met vereelte knuisten en vuile tanden ooit tot m\'n man genomen had!quot;
Nu Herstelde zich ook vrouw Prank. Zij wilde herwinnen wat nog herwonnen kon worden; een flauwe hoop doorlichtte haar ziel.
— „Neen, Jan, zooas \'t is, zoo mot \'t wel wezen, schoons .... Ieder heeft \'t zijne op de wereld; maar nooit zal d\'r zegen rusten op mij of op m\'n kind. Ik zal tevrejen wezen as oe huis voor schande is bewaard, en in liefde zallen we mekaar gedenken; maar ie mot me tweehonderd gulden geven voor d\' eerste tijd. Eerlik geef ik ze terug. Zoodra \'k weer op de been kan blijven gaan we heen, en d\'r zal nog wel \'n dienst te krijgen wezen, waarin z\' ons samen willen hebben, al zol \'t dan ook voor mij zonder loon wezen, omda\'k al old zunt, en niet veel meer deug. Maar nie waar, kind, wij zallen samen dragen, wat Grod ons heeft opgeleid.quot;
Ontkennend schudde Jan \'t hoofd; doch eer hij spreken kon, was Maria weder losgebarsten.
—• „Dienen? ... Ik? ... Nooit! Nooit in m\'n leven meer! Denk ie, dat ik er niet zat ge-nog van heb me te laten kommandeeren, en dat ik de praatjes van die vuile stadsmeiden en
201
die smerige knechts nog langer wil anhooren?quot;
— „Schepsel, wat wi\' je dan?quot;
— „Niks, niks . .. niks! Dat heb ik ommers al gezeid! Maar dan wil je me hier niet houwen, hè? \'n Mensch mot z\'n kost verdienen, anders is-t-ie slecht, niewaar? \'t Is de moeite waard, die kost! Aardappelen met spek ! En daar mag ie je lam voor werken!quot;
Nogmaals lachte zij minachtend, en viel toen op nieuw uit:
— „As je nou denkt, dat \'t me wat schelen kan of ie me goed of slecht vindt, dan sla je de plank glad mis! Heb ie genog van me, smijt me dan gerust de weg op! Misschien durf ik dan ... O! as je wist hoe graag ik d\'r heelemaal uit zou zijn .. . maar heelemaal zie je .... niks, niks meer van de boel merken!quot;
Had Jans tegenwerking Lina, slechts tot een krampachtig vasthouden aan haar plan kunnen prikkelen, Maria\'s weigering om mede te werken bezorgde haar een oogenblik van opbruisende drift, waarin zij buiten staat was woorden te vinden voor de verwarde menigte gedachten, die plotseling opdoken in haar brein. Zij wilde haar dochter als voorheen gestreng kapittelen over haar ondankbaarheid jegens God en de menschen,
202
en haar tegelijkertijd ootmoedig smeeken; blijf bij me en hond van me, want je bent het eenige, dat ik bezit, liet eenige, dat ik liefheb.
Zij wilde Maria toeroepen: ik ben en blijf je moeder, je moet me gehoorzamen, en tevens troosten met de verzekering, dat niemand iets van haar vergen zou, dat zij — Lina — alleen voor beiden, dubbel hard wilde werken.
Evenwel, op eiken aanval van vertwijfeling, die noch aan een roekelooze daad het aanzijn schenkt. noch in een doffe berusting wegsterft, volgt een hoopvolle reactie. Lina dacht er ook aan, dat Maria moeder moest worden, en het vertrouwen ontwaakte, dat de ijskorst om het hart van haar dochter zou smelten, zoodra deze het teere wichtje gezien en zijn eersten roep om hulp en zorg vernomen had. Kon zij tot zoolang Maria\'s verbittering maar in slaap sussen door zachte meegaandheid, dan zou zij haar genegenheid wel herwerven, haar afkeer van een werkzaam leven overwinnen en haar instemming krijgen met een plan, dat zij nu geheel in het licht beschouwde van den terugkeer naar een betreurd verleden.
Ondertusschen had Maria echter op denzelfden sarcastischen toon doorgepraat, vruchteloos pogend door hatelijke uitvallen tegen allen en alles zich
203
te bevrijden van liaar wrevel over het ontwaken uit een pliantastisch heerlijken droom. Zij schold op de doodsche saaiheid van het landleven, tierde over de onrechtvaardige verdeeling van rijkdom en geluk, raasde over de gemeenheid, de wangunst, de laagheid der menschen, en Prank, die haar met zijn toegeknepen lippen, zijn fletse oogen zwijgend aan bleef kijken, kwam meer en meer tot de overtuiging, dat zij denzelfden weg van haar moeder op zou gaan: eindigen in een dolhuis.
Plotseling, midden in een zin ophoudend, trad zij driftig een stap naderbij, en duwde hem nijdig toe:
— „Waarom kijk ie me nou zoo au, hè?—Hou ie ook as moeder al die voorname lui voor eerlik, deugdzaam, oprecht, en weet ik wat nog meer ? — Dr eigenbelang zoeken ze, en anders niemendal! An mooie woorden geen gebrek, zoolang ze wat van je halen kannen; maar wacht is tot ze beter vinden of je niet langer van no ode hebben! Voor d\'r paarden op stal gebruiken ze meer konsideraas-sie dan voor ons! We zouwen goed ankommen, as moeder nou nog \'n dienst wou zoeken! Jk hoor ze al: \'n vrouw, die \'t met d\'r broer heeft getouwen ! En d\'r dochter heeft ook al \'n onecht
204
kind! Wat \'n gemeen volk! — Vroeger wisten ze \'t allemaal net even goed; maar toen knepen ze d\'r oogen dicht, omdat moeder eerlik en zuinig was, en beter kookte dan de beste kok; maar non ze niet meer voor \'t vuur kan staan, non d\'r niks meer van d\'r te profiteeren valt ...
Een gil van Lina bracht haar eensklaps tot zwijgen.
— „Kind .... zn\' je .... vroeger wisten ze .... wat zeg ie toch .. . hoe zollen al die menschen .... geweten hebben, dat ik
— „Hoe ze dat geweten hebben? — Mooie vraag! Asof dat volk niet alles van mekaar afwist en alles an mekaar vertelde! Denk ie, dat ze zich sjeneeren? Ze verraaien en verkoopen je
* in \'t Fransch, daar je bijstaat. Vraag maar is an Albert, de nieuwe knecht, die verlejen bediend heeft, wat je lieve mevrouw van der Wal al zoo an d\'r vrindinnen van je vertelt, an tafel of hij de thee. Hij is van de kanten van Vlaanderen en verstaat al wat ze zeggen. — \'t Is fijn, hoor! Hij zeit, dat er niemand over den vloer komt of . .. nou . . .quot;
Verachtend had Maria gegrimlacht; maar eensklaps verdween de tergend spotachtige trek om haar mond.
205
„Is dat nou \'n reden om zulke oogen op te zetten? . . . Moeder .. . (rod, wat scheelt d\'r?quot;
Een verblindend licht was voor Lina plotseling opgegaan; een licht, dat als met scherpe naalden haar hersenen doorboorde, een licht, dat haar gansche verleden met pijnigende duidelijkheid uit ziju dommelige grijsheid deed opstaan, een licht, dat al wat haar blik ooit door liefelijk zachte tinten had bekoord, ontverfde tot de witheid van gebleekte doodsbeenderen, en al wat zij had geschuwd, of wat haar verborgen was gebleven, met schelle , terug-stootende kleuren bedekt, aan haar blikken opdrong. Dus had niet alleen mevrouw van der Wal, maar de heele stad, iedereen haar geschiedenis gekend ! Dus hadden de weinigen, aan wie zij ootmoedig haar misstap had beleden, haar vertrouwen geschonden, hun woord gebroken ! Dus waren de lof en de achting der tallooze anderen slechts huichelarij en bedrog geweest! Dus hadden allen den draak met haar gestoken, haar geminacht, haar bespot! Zoolang het mogelijk was geweest met haar te pronken, had men haar als een jong, kostbaar paard gestreeld, gesust, aangevuurd, en zou men haar thans als een oud, versleten ros ranselen, schoppen, uitjouwen, omdat zij in den dienst haar beste krachten had verbruikt? Was \'t
206
dan onmogelijk het verleden te hernieuwen; had zij zonder \'t te weten op de woning een gevangeniscel betrokken, die zij nimmermeer zon kunnen verlaten zonder te worden gehoond, beschimpt ?
Den ontnuchterden dronkaard gelijk, die in zijn waanzin een vechtpartij heeft uitgelokt, waarvan zijn beste vriend als slachtoffer is gevallen, zag zij al de tooneelen van gestreelde ijdelheid, die te zamen haar verleden vormden, tot hersenschimmen verkleurd, dood voor zich.
Ontelbare bekende, eens zoo vriendelijke gezichten grijnsden haar nu aan als vastenavond-maskers ; het aureool, dat zij voor iedereen zichtbaar om haar slapen waande, werd tot een zotskap, die een doornenkrans verborg, en toen zij zich de toekomst in een beeld wilde voorstellen, ging alles in nevelen op, was \'t of de wereld onder haar voeten wegzonk.
Nog lispte zij een paar malen achter elkander, terwijl heete tranen haar over de wangen biggelden, met klanklooze stem:
— „De kroon is van m\'n hoofd; de kroon is van m\'n hoofd.quot;
Daarna hoorde zij niets meer, vroeg zij niets meer, zag zij niets meer, en haar gansche lichaam schokte op en neer van het hevige snikken.
207
XV.
— „De meester ale? — Daar zon \'k nog maar is mee wachte,quot; had Prank gezegd; „maar weet je wa\', Kees, loop jai eris na d\' appeteek, en laat die zenewedrank klaarmake. Je weet wel, zoo\'n rooie. Je mot d\'r maar op waclite, oor.quot;
Zonder iets meer te vragen of te zeggen was Kees, zoo snel als zijn jonge maar toch stijve beenen hem dragen konden, naar het dorp gerend, een uur later, hijgend, met een groote flesch vol steenroode medicijn teruggekeerd, en daarna on-middeUijk aan het inspannen van den zwarten Fries gegaan, waarmede Jan naar de stad wilde rijden.
Aanvankelijk had Prank er den ochtend van morgen voor bestemd om aan mevrouw Heslink het hestelde proefje boter te bezorgen, aan de landvrouw voor de ..rikkommandaasiequot; een kannetje room te vereeren, en de ongebruikte lampions zoo duur mogelijk van de hand te zetten. Nu echter de regen het hooi-binnenhalen belette, was hij van plan veranderd, en deze verandering liad meer dan éénen voordeeligen kant. Ten eerste kreeg hij den volgenden morgen geheel vrij, en daarenboven kwam \'t hem welvoegelijk voor de
208
landvrouw zoo gauw mogelijk bericht te geven van Lina\'s ongesteldheid. Twee andere overwegingen echter wierpen, hoewel hij \'t zich niet bekende, het meeste gewicht in de schaal.
Deze waren, dat hij 1° door het dorp komend zelf den uitslag der stemming kon gaan vernemen, 2° onder het rijden eens na wilde denken over die malle historie met Maria. Beide zaken beletten hem zijn gedachten bij andere dingen te bepalen, en met de laatste vooral viel niet te gekscheren. Zoo\'n paar overdreven vrouwspersonen waren tot alles in staat, en gebeurde er wat bijzonders, dan zouden zijn vijanden — wie heeft er geen — met van der Straeten aan \'t hoofd, wel zorgdragen, dat de boel op zijn kop neerkwam. Grod weet, of zij niet rond zouden strooien, dat hij zijn vrouw mishandelde en zijn stiefdochter een kind had gemaakt. Een mooie grap voor een wethouder! Neen, neen, wel goed, maar niet gek; dat dingetje moest „polletiekquot;, doch flink worden aangepakt! Als hij nu maar wist hoe.—
Kees had het Utrechtsche wagentje uit de schuur getrokken, de kan room en de illumineer-glazen onder de lederen kap geborgen, waarop de motregen zwarte kralen strooide, en eindelijk den Fries er voor gespannen, die zijn ongeduld al
209
te kennen gaf door met den rechter voorpoot een gleuf te krabben in den grond.
Gedost in zijn beste zwarte jas, een schoon grijs boezeroen aan \'t lijf, een nieuwe zijden pet scheef op \'t hoofd, verscheen Jan op den drempel van de voordeur, hield daar stil en begon zijn pijp te stoppen.
— «Nou, Kees, je blaif in de buurt en oudt \'n oogie.quot;
— „Oe is \'t d\'r nou mee, oome?quot;
— „Ze slaap; maar voordeelig zie ze d\'r nie oit.quot;
„Nou maar, ik dach straks da\' ze zoo dood ging. Ze zag d\'r net oit as \'n laik; en d\'r arreme leke wel staif en verwronge. \'t Was om akelig van te worde!quot;
Jan knikte, nam zijn pijp tusschen de tanden, en sprak door zijn rechter mondhoek:
— „Ja, ja, da\' benne van die krampe, weet je; zenewekrampe.quot;
„Maria was d\'r ook van streek van, oor.quot;
Prank keek eens naar den grijzen, druipenden hemel, en streek over zijn broek een lucifer in vlam, die terstond weer uitging.
„Zou de wind d\'r van daag nog onder wille komme? Nou, ik mag \'t laie.quot;
14
210
Een tweede lucifer bleef aan, en terwijl de zwavel afbrandde, hernam hij:
— „Ze ad dan ook wel rede.quot;
— Zoo,quot; zei Kees, vragend zijn oom aankijkend, terwijl hij den maantop van den zwarte streelde, „\'t Is waar, ze riep, dat alles aar schuld was, en ze maar bai d\'r geboorte gesmoord ad motte worde. Nou .... da\' zou toch wel wat erg gewees zain.quot;
Prank gaf geen verdere ophelderingen. Met zijn ondoorgrondelijk strak gezicht beklom hij het gele wagentje, keek of er aan den inhoud niets ontbrak, nam op de voorbank plaats en greep naar de leidsels. Hij was al op het punt van weg te rijden, toen Kees, die den zwarte had losgelaten, uitriep:
— „Ze wil niks van me wete.quot;
Jan hield het paard in.
— „Zoo . . eb ie nog met d\'r gesproke\'? En wa\' zai ze?quot;
— „Ja, ze was errig kort van stof; maar ik iel an, zie je, en eindelik zai ze zoo: je zei d\'r toch wel voor bedanke de vader te worde van \'n kind, da\' je nie angaat. Nou . . . toe wist ik wel waar de schoen \'m wrong en zai \'k: as \'t jou kind is, is \'t ook van jou, en voor al wa\'
211
van jon is zei \'k zorrege of \'t van me zelf was.quot;
Prank knikte.
— „Net. En wat eit ze daar wel op geantwoord?quot;
— „Nie venl mooi\'s. Eerst keek ze me eel - wonderlik an .... zoo errenstig, weetje; maar
daarna begon ze valscli te lache. Non, da\' vin ik nie mooi; \'t was toch zoo belachelik nie. Toe zai ze: je weet nie wat je praat, en je zei d\'r nog wel is anders over denke. Maar da\'s nietes! Ik wist eel goed wa\'k zai, en ....quot; Bij deze woorden begonnen zijn oogen voclitig te glinsteren: „as ze d\'r ongelukkig van wordt .... waarom zon ik dan naderand anders prate? Ik meen \'t ommers goed met \'r, en .. ..quot;
Hij vermoedde maar flauw hoe \'t zijn hart zou streelen, als Maria\'s ongeluk in geluk mocht veranderen, en zij aan hem dien ommekeer te danken had. Jan begreep er echter genoeg van en de eerste steen van zijn plan was gelegd.
Een lange rookwolk door zijn rechter mondhoek uitblazend, sprak hij „polletiekquot;:
— „Ja, ja, \'t is \'n moord met die maide, allewel .... as \'t maar eenmaal achter de rug is, dan schikt \'t ook weer.quot;
Kees look op.
— „Zoii ie denke, oome?quot;
212
— „Pas er is op!quot;
— „Geloof\' ie, dat er nog \'n kans voor me is?quot;
— „As jai je kop d\'r maar flink teuge zet.... waarom nie? Ik zei d\'r ook is over prakkizeere. Nou ... je weet d\'r alles van. Koman, zwarte, vooroit, jo.quot;
XVI.
Hoewel er meer wind was gekomen, bleef de dag triestig. De bleeke vervloeiende wolkenmassa\'s dreven wel langzaam over de dof\' groene weiden voort om te verzinken achter de stad, wier grauw silhouet zich allengs scherper begon af\' te teekenen ; gestadig rezen echter nieuwe, vuil gele vlokken achter den wilgenrand van het kanaal omhoog, die nu eens elkander afstootend het blauw lieten doorschemeren, dan weder samenpakten tot een zwaar, laag neerhangend floers. De motregen had opgehouden; maar nog altijd parelden zijn grijze kralen op bladeren, bloemen en grassprieten, glom zijn vochtige adem op palen, stcenen en takken, verbruinden alle tinten in den weerschijn van die fletse glansen. Ongestoord door het eentonige tikken der goten en het flauwe getjilp van. een enkele musch, duurde de naargeestige stilte voort; slechts wanneer een zuchtje uit het Noord-
213
westen de linden deed huiveren, vielen duizenden droppels ritselend van blad tot blad.
Tusschen den witten muur en de geel katoenen bedgordijnen zat Maria roerloos aan het venster van de slaapkamer, staroogend naar de droomerige koeien, die, opeengedrongen in de melkbocht, wachtten. Het kwam niet in haar op een bezigheid te zoeken, en zij deed evenmin haar best na te denken. Eén kort oogenblik maar bad het leven haar toegelachen, ja dronken gemaakt van vreugde; daarna had al wat haar omringde zijn afstootend voorkomen teruggekregen, en op haar luchthartige opgewondenheid was een loodzware verstomping gevolgd. Wat baatte \'t, of zij er zich in verdiepte waardoor \'t zoo ver was gekomen\'? Wat gaf \'t, of zij zich afvroeg hoe de dag zou zijn van morgen ? Aan het verleden viel niets meer te veranderen, en de toekomst .. .. ?
Zij zag Ant zicb wasschen onder de pomp, in haar havelooze morgenplunje uren lang schrobben en schuren, dan sla snijden en aardappelen schillen, met schralen kost in een donker hok zich voeden, weer schrobben, weer schuren, tot zij afgemat op
den zolder in baar bed neerviel, enz. enz.....
een lange, eindeloos lange reeks van gelijke, groezelig getinte dagen.
214
Zij had het immers nooit begrepen, dat er menschen waren, die zulk een bestaan volhielden, laat staan er welgemoed onder bleven. En dan kwam er nog die pijn bij, die onvermijdelijke af-schuwelijkheid met al de vreeselijke gevolgen.
Door Lina wel met haar werkzame phantasie, wel met haar eerzuchtige ijdelheid, maar niet met haar plichtbesef\', niet met haar volharding begiftigd, had Maria zich al vroegtijdig een ideaal leven ingedacht en tevens buiten staat gevoeld er door eigen kracht ook maar één stap toe te naderen. Ontevredenheid met zich zelve en met de geheele wereld was hiervan het noodzakelijk gevolg geweest; altijd waande zij zich verongelijkt, en geen lofrede, geen belooning, geen vermaak beantwoordde ooit aan haar hooggespannen verwachting.
In den vreemdsoortigen waan opgevoed, dat zij wel beschouwd tot geen enkelen maatschappe-lijken stand behoorde, maar tusschen bevelenden en gehoorzamenden een afzonderlijk standpunt innam, was zij altijd eenzelvig gebleven, even onuitstaanbaar hooghartig tegenover haar kameraden , als stroef aanmatigend tegenover mevrouw. Een bevel deed haar zeer; dit bewees immers, dat zij ongeschikt was om te gehoorzamen; de omgang met knechts en meiden was haar een
215
gruwel; pleitte dit niet voor haar verfijnde natuur\'? Lina had zich zelve een hoog voetstuk gebouwd, waarvan geen steen door haar dochter was aangebracht; toch eischte ook Maria haar plaats er boven op.
Natuurlijk was Louis\' overwinning door een en ander niet weinig verlicht geworden, daar Maria er onmogelijk aan had kunnen twijfelen een hartstochtelijke bewondering, een duurzame liefde en een verheffing tot mevrouw van der Wal niet ten volle waardig te zijn. Nooit was één compliment haar overdreven voorgekomen; geen oogenblik ook hadden de plechtige trouwbeloften haar wantrouwen gaande gemaakt. Vaak daarentegen had zij zich voor haar spiegel afgevraagd of er wel veel dames waren, die op zulk een slank middel, zulke mooie oogen, zulke blanke handen konden bogen, en altijd was het antwoord een zelfvoldane glimlach geweest, waarmee zij het beeld van de aanstaande voorname dame begroette.
— „Nergens,quot; had Louis haar toegefluisterd, „heb ik een meisje ontmoet, dat zelfs maar in je schaduw kan staan,quot; en die woorden hadden haar in de ooren geklonken als het zekerste bewijs voor Lina\'s stelling:
— „Kind, wij zunt niet as ... de rest.quot;
216
Reeds had zij het programma ontworpen voor een bestaan, dat zij harer waardig keurde. De morgens aan het toilet gewijd, de namiddagen voor visites, winkelbezoeken of rijtoeren bestemd, de avonden buitenshuis op diners, soirées, concerten, bals doorgebracht .... en ziet, eensklaps had zij de nevelachtige toekomst zien opengaan als een lange, hel verlichte zaal, wier wanden fonkelden van goud en edele gesteenten, waarin gerokte heeren en gedécolleteerde dames met bevallige zwaaien ronddansten, waar de Champagne uit volle glazen gedronken, en fijn suikerwerk met volle handen gesnoept werd, wier atmosfeer met bedwelmende geuren was gevuld, terwijl een schetterende muziek er weergalmde .... en dronken van geluk door zulk een vooruitzicht had zij zich in Louis\' armen nedergeworpen. Was \'t wonder, dat zij, verblind door zulk een schitterend visioen — zij behoefde het immers nog maar te grijpen — geloof had geslagen aan de drogredenen van een af te wachten meerderjarigheid, van vooroordeelen der familie, van een maatschappelijke promotie, waarmee hij telkens de uitgestelde openbaarmaking hunner trouwplannen gepoogd had te rechtvaardigen ?
Neen, zij was inderdaad niet als die rest, en
liet leven zou haar recht doen wedervaren.
217
Zelfs nu, ontgoocheld en geknakt, met het gevoel van iemand, die, halverwege een steile helling neergestort, beseft, dat hij den top nooit meer kan bereiken en in de uitzichtlooze vlakte niet leven wil; zelfs nu bleef \'t haar onbegrijpelijk, ^Lat Louis, wien \'t om geld niet te doen was, aan zoo\'n Antoinette Heslink boven haar de voorkeur geven kon. Was zij dan iemand om als Ant, plassende in het vuile water, des winters in tocht en regen, des zomers in de hitte van een vuur en van haar zweet, den ganschen dag te zwoegen en te slaven zonder eenige betere afwisseling dan de ruwe dronkemanspret van een dorpskermis? Zij hoorde het gemeene, harde stampen van de karn; zij rook de stanken van melk en kaas; zij voelde de drukkende saaiheid van een grauwen winter op de woning, en toen daarna, even, vluchtig, de bonte kleuren, de heerlijke geuren, de levendige volheid van het bestaan, dat haar toekwam, in haar opdoemden, welde een „liever doodquot; naar hare lippen. Ja, liever dood dan weer als een dier worden ingespannen, opgejaagd en voortgezweept, zonder ander loon dan geregeld voer en een warmen stal om in uit te rusten. Liever dood dan zwaar, vuil werk, duldelooze pijn en eindelooze een-
218
tonigheid; ja, liever, honderd, duizendmaal liever .... dood.
Ware \'t maar minder moeielijk er een eind aan te maken.—
Terwijl Maria, onbewegelijk aan het venster zittend, aldus ten prooi was aan het plagen van haar geheugen, lag Lina, geheel gekleed, even stil te bed en dacht na.
Omkruifd door verwarde grijze en bruine haren, kwam haar bol gelaat wasachtig geel tegen het witte kussensloop uit. De verwelkte lippen stonden wijd vaneen en de fletse oogappels staarden recht voor zich henen.
Ofschoon spoedig uit haar bezwijming ontwaakt met de onklare herinnering van een ramp zóó vree-selijk, dat zij haar hart nog meende te voelen bloeden , had het lang geduurd eer het volle besef van haar toestand was teruggekeerd. Zoodra Jan haar een lepel van den rooden drank had toegediend, was zij weer achterover gezonken in de kussens, verlangend zich met gesloten oogente kunnen bezinnen.
Evenmin als ooit te voren deed zij het thans in woorden en volzinnen. Gelijk de bergbewoner, door nevelen omhuld, nu en dan de kloven, welke hij angstig gepeild, de spitsen, die hij moedig beklommen heeft, uit den mist ziet verrijzen.
219
scherper zich afteekenen en wederom verflauwen, was zij gewoon in haar afgetolit paar rusteloos brein allerlei stukben van het verleden terug te zien en weer uit het oog te verliezen. Xu voor \'t eerst ontbraken daaraan de heerlijke gevoelens van dankbaarheid, zelfvoldoening, trots, welke die tafreelen tot nog toe altijd hadden begeleid.
Zij aanschouwde de weinige dames, aan wie zij deemoedig haar geheim geopenbaard, haar schuld beleden had, en \'t was of zij in plaats van belangstelling en deernis, lage nieuwsgierigheid en kwalijk verheelden afschuw op haar gezichten las.
Zij zag de tallooze voorname heeren, de edelste van Nederland, die haar met loftuitingen hadden overladen, met beleefdheid begroet, en nu voelde zij de spotternij van hunne vleiende woorden, het gekscheren van hun vormelijk saluut.
Zij hoorde mevrouw van der Wal tot haar vriendinnen een vreemde taal spreken, voldaan glimlachend, als ware elke klank, dien zij uitte, een woord van blijdschap en dank over het bezit van een schat gelijk Lina, en thans verstond zij dat Fransch, thans wist zij, dat er haar geheim in verraden, haar voortreffelijkheid in belasterd, haar menschelijke zwakheid in uitgesponnen werd.
Wel had zij zich niet ten onrechte verbeeld,
220
dat de gansclie stad, lieel Nederland haar kende; maar niet met acliting, niet met bewondering werd haar naam genoemd; iedereen wist, dat zij \'t met haar broer had gehouden, en erbarmingloos wees men haar na als iemand, die in opspraak was geweest. Zij herinnerde zich levendig, hoe op zekeren dag niet slechts alle dienstboden, maar zelfs mevrouw van der Wal en haar zoon naaide vensters waren gesneld om een vrouw voorbij te zien gaan, omtrent wie een schandaleus gerucht de ronde deed. Welnu, zoo waren eertijds ook voor haar de menschen naar de ramen gekomen, en zoo zouden zij op nieuw haar spottend begluren, wanneer zij nogmaals in een dienst kwam, wat misschien niet eens meer mogelijk was.
Geen boete, zelfs niet die van een heel leven, wischt fouten als de hare uit. Had zij vroeger zich voorgesteld op een wijden kring van vrienden en lofredenaars te kunnen bogen, thans werd die kring, naarmate zij langer nadacht, al nauwer en nauwer.
Eerst kromp hij tot de stadgenooten samen, welke naast haar fout toch zeker ook van hare groote verdiensten hadden hooren gewagen; vervolgens tot de familie van der Wal met al haar aanhangers, waarvoor zij twaalf jaren lang gewerkt en gezwoegd had; daarna tot het gezin
22 i
van Prank, waaraan zij zoo belangeloos haar laatste kracliten ten offer bracht; toen tot haar dochter, het wezen, waarvoor zij alles had getrotst, alles gedaan, alles verdragen; en eindelijk ....
Zouden achting, vriendschap, en liefde dan maar voortbrengselen van haar inbeelding zijn? Stond zij wel beschouwd alleen, heel alleen in die volle maatschappij?
Terwijl Maria de kussens van haar bed opschudde, had zij gepoogd haar kind tegen zich aan te drukken en te zoenen. Snikkend had zij gestameld: „we hebben ommers toch mekaar nog, niewaar?quot; maar zwijgend, met een trek van weerzin om den mond, was het frissche gelaat van de gloeiende lippen teruggeweken.
Dus had voorheen ook haar eigen kind, net als al die andere zelfzuchtige, liefdelooze menschen, gezegd wat zij niet meende, verzwegen wat ei-omging in haar hart, geveinsd, gelogen.
Zoo deinsde de wereld, die zij nabij , deelnemend, warm had gewaand, tot zij ver, onverschillig, koud was geworden, en zij voelde zich als op een ijsschots midden in een groote, grauwe, verraderlijke zee.
222
Waar was nu de kracht, waarmede zij voor drie en twintig jaren een geheel nieuw bestaan had begonnen, waarmede zij twee jaren geleden de eentonige vermoeienissen van het landleven had aanvaard, waarmede zij nog voor weinige uren ten tweede male de wereld had willen ingaan? Heen, heen; zij was verlamd, gebroken, machteloos, en fluisterde voor zich zelve;
— „Wat zallen ze blij wezen, as \'t olde, onnutte meubel begraven wordt.quot;
Dreunend rolde de vijf uur trein voorbij, en plotseling schoot Maria\'s uitroep haar weer te binnen:
— „Wanneer \'k lust krijg onder zoo\'n locomotief op de reiis te gaan leggen, dan zal \'k dat doen, ik . .. 3Ia-ri-a.quot;
Zonderling; die woorden hadden hunne verschrikking verloren; zij vond er zelfs iets troostrijks in. Was zij dan al zoo ondankbaar geworden voor het vele goede, dat zij had genoten? —
Een schuchter kloppen deed haar de starende oogen ter zijde wenden; door de kier tusschen de gordijnen zag zij de deur langzaam opengaan en Kees\' rood gelaat met de goedige blauwe oogen in de opening verschijnen.
— „Oe gaat \'t d\'r nou mee?quot;
Met een paar driftige stappen was Maria op
223
hem toegetreden; zacht, maar barsch tevens, klonk haar antwoord:
— „\'t Zelfde, hoor. Ze slaapt; maak dus maar geen leven.quot;
Kees wierp een schuinen blik naar het gesloten ledikant; doch ging niet weg.
— „Is de drank al op?quot;
— „Ach, wel neen.quot;
— „Wil ze niks ete?quot;
— „Ik zeg ie ommers, dat ze slaapt.quot;
Kees vond niet dadelijk een nieuwe vraag; maar kon evenmin tot heengaan besluiten. Reeds had Maria een ongeduldig „mmquot; laten hooren, toen hij zijn blik weer van den grond naar haar ophief.
— „Je mos is \'n luchie scheppe; da\' zou je wat opfrissche. quot;Wil \'k Ant vrage je voor\'n poossie af te losse?quot;
— „Dank ie wel, hoor. D\'r zou veel motten gebeuren eer ik van Ant \'n dienst annam. En \'t komt d\'r ook niks op an, waar of \'k zit.quot;
Xu keek Kees haar recht in de oogen met een droevig smeekenden blik.
— „Kan \'k dan niemendal is voor je doen?quot;
Het hart bonsde Lina in de keel; maar Maria
draalde zelfs niet met haar antwoord.
— „Niemendal.quot;
224
— „Maria .... ik zou toch zoo graag . .. .quot;
— „Ach, jongen, je bent niet wijs!quot;
Met dezen ruwen uitroep duwde zij Kees terug en drukte de deur dicht, vlak voor zijn oogen.
Lina liad alles vernomen; maar vond niets om te zeggen. Zij hoorde de zware stappen van Kees zich traag verwijderen door de gang, en \'t was haar of\' de laatste band, die Maria nog aan het leven had kunnen hechten, met dien killen snauw was doorgescheurd.
XVII.
Een doffe onverschilligheid had Lina overmand, de beelden in haar hoofd uitgewischt, haar spieren met verslapping geslagen.
Toen Maria, alvorens de kamer te verlaten, een blik achter de bedgordijnen wierp, meende zij haar moeder nog altijd te zien slapen, en door geen beweging, door geen geluid poogde Lina haar kind terug te houden.
Eerst de terugkeer van Jan, die de gordijnen opensloeg, naast het bed plaats nam en op lucht-hartigen toon vroeg of \'t nou wat begon te schikken, deed haar uit deze verdooving ontwaken.
Zij keek hem met haar verzwakte oogen strak aan, en prevelde weer:
225
— „Wat za\' je blij wezen as ie \'t onnutte meubel kan begraven.quot;
Prank was te zeer met zijn eigen gedachten vervuld om aan dezen weeroep veel aandacht te kunnen schenken. Hij vergenoegde zich met een bedarend: „ja, jaquot; en liet er dadelijk op volgen:
— „Vermeer eit \'t nie kanne aische, oor. Van der Straete eit wel z\'n bes gedaan; maar d\'r oit knikkere kon ie me toch nie.quot;
Lina had altijd een groote geringschatting gekoesterd voor het kleingeestig gehaspel, waarin Jan meende, dat zijn taak van magistraatslid voornamelijk bestond. Zij geloofde zelve het leven veel ernstiger op te vatten, en dat Prank, naai wat er gisteren en van daag had plaats gehad, nog zóóveel belang kon stellen in den uitslag eener verkiezing, die — volgens hare overtuiging — slechts het gevolg was van boerenbedrog in den volsten zin des woords, bewees haar, dat hij als mensch te laag stond om ooit te kunnen begrijpen, wat zij gewild, gedacht, geleden had.
Zonder eenige deelneming in haar toon antwoordde zij zacht:
— „Ik hoop, dat \'t tot oe geluk zal wezen.quot;
Prank begon nu de ontvangen gelden na te
tellen en te vergelijken met de cijfers, die hij
15
226
vóór zijn vertrek op een beduimeld stukje papier had neergeschreven. Vroeger was dit Lina\'s werk geweest. Zij maakte de nota\'s; zij kreeg het geld; zij hield van alles aanteekening. In haar overprikkelden gemoedstoestand beschouwde zij nu Jans handelwijze als een grof middel om haar te doen gevoelen, hoe nutteloos, ja overbodig zij was, en door een onrechtvaardigheid , waartoe zij gisteren morgen nog niet in staat zou geweest 1 zijn, verschenen al zijne goede daden haar eensklaps in het licht eener sluwe berekening.
Iedereen had dus misbruik van haar gemaakt! ; Ach, Maria had wel gelijk met haar uitroep: — „As je wist, hoe graag ik d\'r heelemaal uit zou wezen.quot;
Intusschen was de uitkomst van Prank\'s optelling geweest, dat zijn porte-monnaie vijf en twintig gulden te weinig inhield.
Zijn schrik was groot; het angstzweet parelde hem aanstonds op het voorhoofd. Zenuwachtig begon hij weer van voren af te rekenen, verzocht Lina mee te tellen, verweet haar, dat zij maar altijd over zich zelve sufte, en vond noch een fout in zijn becijfering, noch een bankbiljet meer in zijn beurs. Toen trachtte hij zich te herinneren waar hij al zoo was geweest, noemde mevrouw
227
Heslink, de landvrouw, een oude juffrouw uit de Hoogstraat, een paar winkeliers, de drukkerij van de courant, en deed aldus in Lina de vraag oprijzen: wat zouden die mensclien wel aan Jan gezegd of gevraagd hebben, nu de plotselinge verdwijning van Maria ons natuurlijk op aller tongen heeft gebracht.
En, alsof Jan moest gevoelen wat er in haar omging, vroeg zij alleen:
— „Wat zeien ze wel?quot;
— „Wie . . . waarvan?quot;
— „Wel, allemaal . . . van Maria . . . van mij?quot;
— „Ach, mensch, ze ebbe d\'r naam nie genoemp.quot;
Het antwoord liet vrouw Prank onvoldaan. Dat
zij zelve in de stad nagenoeg vergeten zou zijn en Maria\'s geschiedenis geen aandacht had getrokken , wilde er niet bij haar in. Bovendien was haar vraag voortgekomen uit die zonderlinge aandrift, welke zoo menigen lijder dwingt een ontstoken wond, tot verlevendiging van de pijn, nog te knijpen of te drukken. Zij eischte dus bijna een antwoord, dat de smart nog zou verscherpen, die toch al moordend rondwoelde in haar bloed, en zon op een nieuw middel om het te verkrijgen. — Evenwel, Prank luisterde niet, eer hij, na al zijn zakken te hebben uitgehaald, het bankbiljet samenge-frommeld in zijn vest had gevonden. Met een vreemd-
228
soortigen glimlach, waarbij al zijn bruine tanden zichtbaar werden, vouwde hij \'t toen open, streek het op zijn magere knie glad, en sprak op een ongewoon levendigen toon:
— „AVel verdompeld, is me dat schrikke? Ik dach effetief, da\'k \'t verlore ad. \'t Is met \'t wissele gekomme, zie je? Toe \'k m\'n geld ad opgestoke bleef d\'r nog één zoo\'n pampiertje legge. Ik meende, dat \'t de landvrouw toekwam; maar zai riep maar: „Prank, \'t is van jou.quot; Nou, zai \'k, as je \'t zeker weet, zei \'t wel zoo weze, eu omda\'k de leege ton al onder m\'n arm ad, douwd\' ik \'t zoo maar in m\'n ves. Begraip ie? \'t quot;V^^as toch onvoorzichtig, want as \'k nou m\'n potlood is oit ad wille ale, zou \'t mee zain gegaan, en dan ad \'k d\'r na kanne floite, oor! Pas er is op!quot;
Lina had geen woord van het verhaal begrepen en ook niet de minste belangstelling getoond. Onmiddellijk liet zij de vraag er op volgen:
— „Hebben z\' ook niet na Ant gevraagd?quot;
— „Da\' zou \'k meene. Die ... nieuwe ... van dich bai \'t spoor .... oe iet ze nou ook weer ?\'
— „Mevrouw Heslink?quot;
— „Sjuust. — Nou, die vroeg eerst oe \'t d\'r ging, en toe sprak ze d\'r over, da\' ze eldere
229
ooge ad, en zeker in eer en deng was opgegroeid. Eindelik zai ze zoo kaasjeweel: as Anna ... ze zai geen Ant oor .... as Anna d\'r ooit an dach om te gaan diene, dan mos ze maar trek bai aar komme. Fesoenlike maisjes ware d\'r tegens-woordig nie gemakkelik te kraige.quot;
De beteekenis van dit antwoord was voor Lina onmiskenbaar.
Met volle maat werd de pijn, die zij gezocht had, haar toegemeten, en nieuwe bitterheid vervulde haar gemoed. O! Maria had ook wel gelijk gehad, toen zij zeide: „We zouwen goed ankommen, as moeder noe nog \'n dienst wou zoeken.quot;
„Maar, gerechte Grod,quot; sprak zij in zich zelve, „as dan niemand meer van me houdt, niemand me meer achting toedraagt, niemand m\'n raad meer van noode heeft, niemand m\'n diensten meer kan gebruiken, waarom mot ik dan nog langer langs de weg loopen, anderen tot \'n last, tot\'n ergernis wezen\'?quot;
Groote tranen biggelden haar weer over de vale wangen, en een geruime tijd verliep, eer zij gewaarwerd, dat Jan op zijn gewone lijvige manier, met horten en stooten, bezig was haar een verhaal te doen. Hij had geprakkizeerd en een plan beraamd , dat iedereen moest bevredigen; maar
230
(jbidanks zijn herhaalde „pas er is op\'squot; ontging de inleiding haar geheel en al. Toch was deze onontbeerlijk voor het recht verstand van de zaak.
Uitgaande van de stelling, dat Louis van dei-Wal er groot belang bij moest hebben de gevolgen van zijn verhouding tot Maria geheim te houden, had Prank zich afgevraagd: wat kan ik daaraan doen en welk loon zou voor mijn hulp te bedingen zijn?
Natuurlijk deelde hij noch de tweede helft dezer vraag, noch al zijne overwegingen aan Lina mede. Zij had veel te overdreven opvattingen van plicht, rechtvaardigheid en andere fraaie, maar ondoelmatige dingen om een al te groote openhartigheid tegenover haar niet tot een slechte politiek te maken. Jans eerste klinkende, maar tevens duistere woorden hadden dus uitsluitend ten doel gehad haar te doen gevoelen, dat het voor Louis\' jonge vrouw verschrikkelijk zou zijn, indien zijn vroegere verstandhouding met Maria ruchtbaar werd. Toen Lina echter begon toe te hooren, had hij dit uitgangspunt reeds een goed eind achter zich gelaten, en als bewezen aannemend, dat iedereen Louis moest verdenken, zoodra Maria bevallen was, vervolgde hij:
— „Da\' magge we de landvrouw nie andoen.
231
Wie weet of ze d\'r wel zeivers achter is, wat d\'r zoon op z\'n gewete eit.quot;
— „Denk ie dan, dat Maria \'t zal rondvertellen? Dan kè\' je m\'n kind niet, hoor! Daar is ze veel te trotsch voor.quot;
— „Dat mag wel zoo weze; alle wel .... ik zeg maar . . wat in m\'n mach staat en met m\'n gewete overeenkomp .... nou, da\' wil \'k ook doen.
_Op de wereld mo\' je mekaar ellepe; nou schikt den een is wat in, dan weer den ander.quot;
Schuins door het raam ziende nam Jan hij deze woorden een pruim tabak uit zijn blikken doos, en duwde ze achter zijn kiezen.
— „Jan, \'t wordt me raar in m\'n hoofd; ik begrijp nie wa\' je wilt, en . ..quot;
— „Eb toch geduld, mensch! Met dat elleke-durige tusschen-in-praten maak ie iemand z\'n oof zóó warm, dat ie zeivers nie meer weet wat ie zeit.quot;
Vrouw Prank verbeeldde zich al haar zenuwen te voelen tintelen. Niet alleen werden Jans aanmerkingen haar hoe langer hoe onverdragelijker; doch zij kon zelfs zijn geluid niet meer hooren zonder korzelig te worden, en verlangde maar, dat hij haar met rust liet.
— „Zeg niet, da\'k er tusschen in praat. Je weet ommers, dat \'t niet waar is!quot;
232
Prank vertrok zijn geziclit tot iets, dat naar een lacli zweemde.
— „\'t Is goed, oor; loister dan maar. — Wanneer Maria d\'r kind nou is \'t onze was . . . \'t was wel nie te verwachte ... op jou leeftaid.... maar \'t kon tocli, niewaar\'? Onmogelik is \'t nie. We benne getrouwde mensche ... en ... allewel . . . nou, d\'r om lache zelle ze; maar ... ik dach, wat kan \'t ons aigelik schele, dat de mensche d\'r is om lache ? ... Nee, is \'t niewaar\'? . .. As we nou teuge de taid, dat Maria d\'r pakkie neerlait, is net deje of jai . .. We zegge dan an de meester: mondje dich, en nader and kan Maria d\'r kind toch zei vers verzorrege, en zoo .... hafijn . .. bovendien, wie weet of .. ..quot;
Lina vatte nog altijd niet recht, wat haar man bedoelde.
— „Maar Jan, je mot er dan toch angifte van doen op \'t gemeentehuis.quot;
-— „Wel nee; da\'s te zegge, zie je, ik mot wel angifte doen; da\'s voor de wet. Alles mot opge-schreve en angeteekend worde; anders zou d\'r geen orde zain. Maar as ik nou maar opgeef, dat \'t kind gehore is ... wa\' kan \'t de wet dan schele of \'t wurm an jou of an je dochter oort?quot;
Het plan werd Lina nu wel helderder; maar
233
Jans woorden „d\'r om lache zelle zequot; schenen \'t haar volkomen onaannemelijk te maken. Haar ijdelheid zou ziel) doen gelden, zoolang er nog één droppel levend bloed in haar aderen aanwezig was.
Ontkennend schudde zij dus \'t hoofd , en Prank, die het denkbeeld verworpen achtte , wijl het van hem kwam, rees boos op om heen te gaan.
— „Is \'t alweer nie goed? Zoek jai dan maar wat beters. As \'t schaap nou al te voornaam is om \'t kind van \'n boer te worde, dan . . .quot;
Lina gevoelde, dat zij bezig was .Tan groot onrecht te doen, en terstond wilde zij haar fout herstellen.
■— „Word toch niet zoo boos, as \'k alles niet dadeliks begrijp.quot;
Prank bleef; maar vond, dat Lina\'s verstand met het uur achteruit ging. Ongeduldig schudde hij het hoofd, en op een wreveligen toon, die meer ^-voor zijn begeerte om gelijk te krijgen dan voor zijn zuivere bedoelingen getuigde, hervatte hij zijn betoog.
— „Je weet toch , oe \'t zain zou as ie zeivers \'n kind kreeg, niewaar? ■— Op jou leeftaid kon da\' nog bes; de vrouw van (rovert was wel \'n jaar ouwer. — Nou, dan zou \'k toch na \'t gemeenteois en na de landvrouw motte gaan, en
\'234
dan zou \'k ommers zegge: den \'eer eit ons met \'n zoon of \'n dochter gezegend. Is \'t waar of nie?
Lina knikte al gesticnleerend, maar zeide niets.
— „Welnon, as Maria moeder wordt, doe\'k net \'t zelfde. Dan denke z\' allemaal, da\' jai \'t ben, en zai is d\'r schoon af.quot;
Vrouw Prank moest wel toegeven, dat dit plan de redding inhield van haar kind; maar .... toch kon zij er nog niet dankbaar voor zijn. Instinctmatig zocht zij naar mogelijke bezwaren.
Op dit oogenblik trad Ant binnen. Zij bracht een eitje met spek en sla, en vroeg of moeder nog wat anders wilde gebruiken.
Terwijl Jan het bord aannam, zeggende, dat het vooreerst wel genoeg was, zag Lina eensklaps het bezwaar in levenden lijve voor zich. Ant zou er immers nooit in berusten.
Aanstonds wierp zij, met een schuinen hoofdknik naar de deur, haar man een beteekenisvollen blik toe, fluisterend:
— „Wat zol zij wel zeggen?quot; en Ant had de kamer nog niet verlaten, toen Prank haar terugriep.
Verwonderd keek zij om, trad, een slip van haar boezelaar oplichtend, nader, en vroeg op wantrouwenden toon:
— „Wat is d\'r?quot;
235
Prank sloeg een oolijken toon aan.
—• „Wel maid, wa\' zou je d\'r van zegge, as ie nog is \'n broertje of\' \'n znssie kreeg?quot;
Aut werd vuurrood, liet met een grijns al haar leelijke tanden zien, en stotterde, verlegen aan haar mouwen plukkend:
— „Kom, ou me nou nie voor de mal.quot;
— „Je voor de mal ouwe? Mensch, ik denk d\'r niet au. De kool is al gekoch, oor. Ik wou alleen nog maar is wete, wa\' jai d\'r van zou zegge.quot;
Ant keek beurtelings vrouw Prank en haar vader aan, trok haar gelaat langzamerhand in strakkere plooien, en zei ten slotte tamelijk stroefquot;:
— „Mai kan \'t alweer zoo veiü nie schele; maar. .. geloove doe\'k \'t nie, oor.quot;
Op nieuw kleurde zij, ditmaal met iets boosaardigs in haar blik, en ging heen. Jan vroeg niet verder; doch zoodra zij verdwenen was, sprak hij:
— „Zie je nou wel, da\' zai d\'r niks om maalt?quot;
Lina was overwonnen. Zij had in Ants woorden
een bewijs van genegenheid gehoord en schaamde zich thans over haar eigen verzet. In tranen losbarstend greep zij haar man bij den arm, trok hem tot zich, en riep snikkend uit:
— „Jan ... Jan.. . God moge oe alles vergelden wa\' je voor mij en m\'n kind gedaan hebt en nog
! 236
doet. Ik kan \'t niet. Ie en Ant .... allebei zn*
i
je veel te goed; we zunt \'t niet waard, da\' j\' ons zoo behandelt. Maar ik zweer oe: voor oe werken en voor oe zorgen wi\'k , totda\'k d\'r bij neerzink en niet meer op kan staan. Ie liebt \'quot;t toch wel goed gezeid, da\'k groos was en hoo-vaardig. Ik voel \'t noe, en eerlik wi\'k \'t bekennen: ie zunt maar \'n eenvoudig man van \'t land; maar de hoogste en de voornaamste zol \'t oe niet verbeteren. Al zunt oe handen van \'n boer, oe hart is van \'n koning! Ie most mij en m\'n kind oe huis uit zetten; dat was oe recht, en noe wi\' je ons nog redden van de schande. Jan, da\'s mooi; da\'s edel. Altoos he\'k \'t gezeid: God is niet rechtvaardig, want as hie rechtvaardig was, dan zol oe naam in alle kranten vermeld worden. Ie zoldt \'n medalje krijgen en hoog in anzien staan in binnen- en buitenland, bij alle grooten der aarde! Ja, ja, d\'r worden d\'r wel voor minder met ridderorders beloond, \'t Zunt niet altoos de beste, die \'t volk voorgaan. Kijk, ik heb oe niet gekend en \'k ben van oe weg willen gaan, omda\'k niet wilde, da\' je me d\'r op an zol zien en in oe hart wrok en wrevel voelen tegen m\'n kind. Hoovaardig was \'k, groos en hoovaardig, juist zooas ie gezeid hebt, en
237
zooas ik niet geloofde, omdat de mensch met blindheid geslagen is. Maar noe . . . recht is recht, en eere wie eere toekomt ... oe dochter Ant .... z\' is d\'r vader niet ... maar ... ze heeft toch ook \'n hart, en ze denkt niet an d\'r eigen .... want anders .... Jan, ie mot \'t me vergeven. Ik heb oe weinig goed gedaan, en in m\'n hart znnt slechte gedachten opgekomen over . . . ach, over de gansche wereld. Feilbaar is ieder mensch en \'t niterlik is \'t \'m niet. Dns zie je ... d\'r staat: wie klopt, die zal open worden gedaan, en daarom ...quot;
Plotseling verloor zij den draad harer gedachten; zich bezinnend sloot zij de oogen en zweeg.
Op Prank had de lange rede, waarvan hij niet veel begreep, geene andere uitwerking dan dat hij, voldaan over Lina\'s instemming met de eerste helft van zijn plan, tot de tweede meende te kunnen overgaan. Hij knikte dus goedkeurend, bromde iets van „nou ja, wees maar stil, \'t is afgesprokequot;, en hernam daarna, niet zonder aarzeling in zijn toon:
— „As ik nou van main kant wa\' doe .. . zie je ... dan mot d\'r vau \'n andere kant ook is wa\' komme. Jou dochter is ook wel main dochter, daarvan nie; maar jai staat \'r toe li nog nader.
238
zou \'k meene, en meneer Lewie is in alle gevalle de vader van \'t kind. — Nee, is \'t waar of nie? Pas er is op!quot;
Lina raakte de kluts weer kwijt; maar zweeg nog steeds.
— .,\'t Is non nie om wa\' te zegge, en ik praat ook nie van de doizende guides, die jai me zou bevoordeele; maar ik eb nou toch maar weer Griet d\'r zuster in ois motte ale. \'t Zou m\' ook niks wondere, as we morrege de meester over de vloer adde ... en dan de medesaine ... je weet met die dinge wel waar je begint, maar nie waar je eindigt. Daarom, dat wurm voor altaid tot m\'ti las te neme zonder eenige vergoeding ... zóó, eb \'k \'t nou ook al weer nie gemeend.quot;
Het woord vergoeding klonk Lina wanluidend in de ooren; zij meende, dat Jan van de gelegenheid gebruik wilde maken om den jongen van der Wal geld af te persen, en dit zou haar een gruwel zijn geweest.
Hartstochtelijk riep zij dus uit;
— „Jan ... liever zol \'k eigens m\'n kind op de reils leggen, dan da\'k \'n cent van die Louis om d\'r annam!quot;
— „Bedaar toch, moeder, bedaar toch. Je denk altaid, da\' je alles trek begraip, en \'t eit d\'r
241
den andere, stelde Lina nog gerust met de ver-zekering, dat liet zijn zou gelijk zij wilde, zette haar overeind, gaf haar het bord met eten in de handen, en vertrok.—
Veel kon Lina niet gebruiken; maar een tevredenheid, zooals zij meende er in tal van jaren geene gekend te hebben, verkwikte en sterkte haar. Wel voelde zij zich moe, zwak en licht in \'t hoofd; doch hoe veel rustiger klopte haar hart, welk een koesterende soezerigheid daalde op haar neder. Bedaard was haar angst, gestild waren hare pijnen, en \'t was haar of zij door een zachte zusterhand werd gestreeld en geliefkoosd. Morgen zouden hare krachten geheel teruggekomen zijn; zij was daar zeker van, en verlangde de eentonige werkzaamheden te kunnen hervatten.
Zoodra zij gegeten had, strekte zij zich weer onder de dekens uit. en toen was \'t haar zoo wel te moede, als wachtte haar een onuitsprekelijk groot geluk. Green wrok leefde meer in haar gemoed; zij vergaf wie haar kwaad hadden gedaan, en met een levenslange toewijding wilde zij het goede vergelden, dat zij toch zoo ruimschoots had genoten.
, Jan in de eerste plaats zou haar rechtvaardigheid leeren kennen. Wee haar, die zich vermat van dezen man kwaad te spreken!
16
242
Zij dacht er over, lioe zij Maria kon doen inzien wat een edele ziel en een beste vader die eenvoudige Prank, die boer, inderdaad was.
— „In gansch Nederland,quot; zon zij zeggen, „is d\'r geen tweede as bij. Laan ze maar kommen, de groote lui, die altoos zoo fijn gekleed over de straat gaan, en d\'r monden vol hebben van de belangen der Xederlandsche naasie. Zoolang z\' oe kannen gebruiken is \'t botertje boven, en reiken ze oe zelfs de hand; maar as ie old geworden zunt en gebrekkig, dan scliimpen z\' achter oe rug, en wanneer z\' oe femilje spreken, dan doen ze of z\' oe nooit gekend hadden. Neen, kind, geloof me, onder deze eenvoudige boeren zallen we gelukkiger wezen dan ginder in de stad bij de voorname en rijke lui.quot;
Ja, ja, zij gingen samen nog een heerlijke, rustige toekomst te gemoet.
Terwijl liaar gedachten aldus rondzwierven, braken plotseling de late zonnestralen door de wolken heen, een helderen hemel belovend voor den dag van morgen, en het warme avondlicht doorschitterde ook haar denkbeelden, doorstroomde ook haar ziel. Ondanks het gesloten raam hoorde zij het suizen van den wind door het geboomte, het tjilpen van de vogels op het dak, rook zij den bloemengeur uit het
243
tuintje, de hooiluclit van het veld; en de stille afzondering van het landleven, die haar tot nog toe als een nachtmerrie had benauwd, werd haar nu tot een hemelsche gelukzaligheid. quot;Wel voelde zij zich verbannen naar een klein, eenzaam eiland, midden in de wijde, vijandige wereldzee, maar zij wist nu, dat hier alleen rust en vrede, ware vriendschap en oprechte waardeering te vinden waren. Voorzeker, zij zou geen ondankbare zijn; als God haar de krachten gaf, wilde zij \'t Jan m Ant duizendvoudig vergelden.
Zoo denkend shiimerde zij kalm in met een glimlach om de lippen.
XVIII.
Het was schemerdonker, toen vrouw Prank wakker werd.
Ondanks een flauw besef, dat er iets buitengewoons had plaats gehad, kon zij zich aanvankelijk niet herinneren, wat er gisteren en heden was i voorgevallen. De overwerkte, slecht uitgeruste ■ hersenen hadden evenals een afgebeidd lastdier tijd noodig om wederom in \'t gareel hare werkzaamheid te kunnen hervatten, en de tanende indruk van een afgrijselijk, benauwend droomgezicht leefde het eerst weer in haar hoofd op. Duidelijk
244
/
kon zij zich het aanschouwde tafereel niet meer voorstellen5 de woedende stem echter, die haar had beschimpt en bedreigd, weergalmde nog steeds in haar ooren.
Maar was \'t wel een droom geweest?
Die stem tierde nog altijd door. — Zij hoorde ook andere geluiden; in de gang werd gepraat, getwist, gelachen.
Sprak daar Willem niet?
En die lach ? .. Dat was immers Ant.
Wat gebeurde er toch?
Zij begreep het niet. vermoedde iets verschrikkelijks , en voelde de kalmte weer uit haar gemoed wijken, den angst er herleven.
\'t Was of haar hart stil hield en een vochtige hand haar voorhoofd drukte. Een huivering sloop als een kille adder over haar schouders, haar rug, haar gansche lichaam heen.
Met gespannen aandacht luisterde zij toe, zóó strak voor zich uit starend, dat haar oogen kleurige vlekken zagen glijden over het vergrauwde gordijn.
Willem sprak.
— „Laat ze uit d\'r hoek komme, as ze wat op me an te merke heit. Nee, daarin zit t m niet! Ik zeg ie, dat haar vervloekte stokerij de
245
schuld is van de heele gescliiedenis. Met d\'r mooi praterij draait ze jelui allemaal \'n rad voor d\' ooge; maar ih laat me geen knolle voor citroene in m\'n hande stoppe!quot;
Wie was die ze?
Daar lachte Ant weer.
— „Houd dan toch eindelijk is met dat verdomde lache op! As je ezelachtig genogt ben om je zoo in de lure te late legge, dan ben j\' ook te stom om mijn vrouw te worde!quot;
Ant lachte niet meer.
— „Ze wil niks anders dan jou loere draaie, waar ze maar kan.quot;
— „Och, jonge, ben je mal? As ze d\'r Maria bevoordeele kan, zei ze \'t wel nie late; maar daarom oef z\'n ander nog geen loere te draaie.quot;
— „Is \'t dan soms niet de waarheid, dat jou vader eer ie d\'r trouwde, tweemaal voor de gemeenteraad had bedankt, en dat zij d\'r \'m in heit gedouwd alleen om \'m tege mijn vader op te kanne stoke, en op die manier jou de voet dwars te zette?quot;
Zij .... zij .... zij! Vrouw Prank kon er niet langer aan twijfelen wie bedoeld werd. Doch, opstoken, opstoken tegen Ant; zij, die gezegd
246
had: waar jou dochter is zal de mijne niet wezen ?
Waar haalde zoo\'n jongen de lage aantijgingen van daan? En dat noemde hij waarheid, en daar bleef Ant op zwijgen? — Was de meid dan niet overtuigd, dat Willem louter gemeene lastertaal uitsloeg?
Weer sprak hij op bijtenden toon;
— „En weet je, waarom ze jou niet mag lije? Omdat je haar Ma-ri-a in de weg staat, die ze bij d\'r wil hebbe! Die stadsnuf mot met Kees trouwe; da\'s duidelijk, en \'t zou me niet ver-wondere, as jelui landvrouw d\'r al lang, zwart op wit, had beloofd, dat Kees dan na je\'s vaders dood of misschien al eer, de woning krijgt!quot;
Dieper en dieper voelde Lina de nattige koude haar hoofd en al haar leden doordringen; thans bonsde haar hart als wilde \'t zijn kas ontspringen.
Dat was het begin van een nieuwen koortsaanval; zij wist er alles van. O! God, O! God, had zij kunnen denken, dat er zulke valsche menschen op de wereld leefden?
Doch nu antwoordde Ant; er lag minachting in haar stem.
— „Och, kom! Om d\'r praterai maalt de landvrouw al net evenmin as vader of ik. \'t Mensch
247
is ommers maar half snik. Achter d\'r rug lacht iederendeen d\'r oit. En weet je wa\'k geloof? Z\' is veuls te groos om juffrouw Ma-ri-a an \'n boerejonge te geve.quot;
— „Te groos? Heit ze dan zelf geen boer genome? As \'t op de cente ankomt is niemand groos! Waarom heit ze d\'r Maria anders terug late komme, nou bij mevrouw van der Wal \'t vet van de ketel is? Vertel me dat is. Dat die fijne juffrouw met d\'r opgetrokke neus ziek zon zijn, mag ze wijsmake wie ze kan. \'n Ander ding is, dat Ma-ri-a misschien zelf voor Kees bedankt; maar dan heeft ze d\'r ook al weer wat op gevende en \'t kind van de rekening ben jij toch. Daarom zeg ik ie . ..
Verwarde geluiden beletten Lina te verstaan wat hij verder sprak. Een deur viel toe, voetstappen weerklonken, zij verbeeldde zich Ant te hooren huilen, en nu mengde zich een derde stem in het gesprek: \'t was die van Maria.
— „\'k Heb alles gehoord, en dat hebben jelui zeker wel gewild, want anders had je wel zachter gesproken. Eén ding wil \'k ie wel zeggen: ik denk an geen trouwen, vooral niet met een van jelui \'s gelijken! En as je gelooft, dat ik d\'r wat om maal of ie kwaad van mij en m\'n moeder
248
spreekt, dan vergis je je leeiik. Jelui bent toch maar .... lompe boeren!quot;
Een wilde vloek volgde onmiddellijk. Hoewel zelf geen landbouwer voelde Willem, dat de be-leediging ook hem gold.
— „Schijnheilig nest, zei jij op de boere schelde? Heb ie je zakke al zoo vol ge stole, dat \'tje niet meer schele kan Ant uit d\'r erfenis te ver-dringe? Lompe boere! God weet wie jou vader is geweest, of denk ie, dat \'t me niet heugt, dat er bij \'t trouwe van je moeder niet één lid van d\'r familie over was?quot;
Grerechte God, waar moest dat heen? \'t Was Lina of haar bloed stolde, het merg in haar gebeente tot ijs werd, de hersenen in haar hoofd versteenden! Zij wilde oprijzen, en kon geen lid verroeren; zij wilde schreeuwen, doch haar keel was toegesnoerd.
Een pooze hoorde zij slechts een onduidelijk geraas. Maria sprak, Willem tierde, Ant jammerde. Daarna klonk Willems stem weer boven alles uit.
— „Ant liegt er niet om; maar as jij \'t haar liege hiet, dan zei je moeder zelf biechte. Ik ga na binne!quot;
— „En ik zeg ie, dat je m\'n moeder met vrede zal laten!quot;
249
„Dat zelle we zien! quot;Wel verdomme Zij vochten; Lina was er zeker van. Kwam J an dan niet tusschenbeide ? Zou hij toelaten, dat die jongen als een bulhond op haar lossprong? — Plotseling vloog de deur open; Maria tuimelde naar binnen, en viel naast het bed op haar zijde, met het voorhoofd tegen den stoel bonzend. Achter haar trok Willem Ant, die luid schreiend haar boezelaar tegen de oogen hield gedrukt, met een woesten ruk tot vlak voor het ledikant.
Lina slaakte geen kreet. Zij lag roerloos, verstijfd van schrik, en staarde in het schemerdonker naar de binnengedrongen gestalten met den verdwaasden blik van een waanzinnige.
Terwijl Maria zich langzaam oprichtte, om kreunend van pijn, met de rechterhand op de heup gesteund, dadelijk weer op den stoel neer te zijgen, keek de jonge boer Lina, Ant en Maria beurtelings uitdagend aan. Hij snoof van woede als een getergde stier, en verwachtte klaarblijkelijk, dat een der vrouwen het eerst zou spreken.
Vrouw Prank meende zijn oogen te zien lichten.
Maria was niet in staat een woord te uiten; Ant snikte maar door.
Eindelijkkon Lina met holle, onvaste stem vragen:
250
— „Waar is ... . vader?quot;
—• „Je man, de overlooper? Dat zei je zelf \'t best wete! Je liebt \'m zoo goed behekst, dat ie van den eene dag op den andere niet meer weet wat ie wil of gelooft. Je hebt eer van je werk, hoor; maar as \'t alleen op mij gemunt is geweest, dan heb ie je toch te veel moeite gegeve. Nou, Ant, waar blijf ie? Je zoudt \'t d\'r ommers is flink zegge!quot;
Ant hield met huilen niet op.
— „Durf ie weer evenmin as vroeger? Daar heb ie \'t nou! Had je bij tijds je mond opengedaan , dan was \'t nooit zoo ver gekomme! Waar-om heb ie ock toegelate, dat je vader hertrouwde, en dat nog wel met \'n keukeprinses ?quot;
Het was Lina als sloeg de jongen haar in \'t aangezicht. Zij voelde zelfs het branden op haar wangen, en door alle leden voer haar zulk een hevige schok, dat zij een eindweegs over de kussens naar boven schoof. Zij vroeg zich af of zij niet droomde, misschien inderdaad krankzinnig was. Moest zij zulke taal, zulke beleedigingen aanhooren; had iedereen zich dan van haar afgekeerd; leefde er niet één mensch meer op de wereld, die haar partij nam? Voor de tweede maal dwong zij haar lippen tot een vraag:
251
— „Wat.... wil.... je?quot;
— „Wat ik wil? Ik wou maar is wete of \'t waar is, wat Ant me vertelt en wat Maria d\'r liege hiet, dat z\' eerstdaags \'n broer of \'u zussie krijgt? Je denkt misschien, dat ze \'t nog aardig vindt ook; maar \'t lijkt d\'r niks na, hoorlquot;
Bij deze verklaring begon Ant met verdubbelde kracht te schreien, en zij jammerde zoo luid, dat Willem, haar driftig bij den arm heen en weer schuddend, om zich te doen hooren schreeuwen moest:
— „Hou toch je bek, as je niks beters te doen weet dan zoo te janke! Op die manier kanne we mekaar ommers niet verstaan!quot;
Zoodra Willem zijn vraag had gesteld, was Lina alles duidelijk geworden, en had zij de scherpe, onontwijkbare klip in het oog gekregen, waarop het broze, lekke huikje, dat het geluk van haar laatste levensdagen droeg, stranden moest, juist nu zij den laatsten storm doorstaan en een veilige, zij \'t ook enge haven bereikt waande. Wat zij gevreesd had, gebeurde dus toch.
Vernietigd was het mooie reddingsplan, eer zij nog een begin had gemaakt met de uitvoering, en nu stond geen enkele andere uitweg voor haar en haar
252
/
kind meer open. Van een blijven op de woning, waar zij voor iedereen slechts steenen des aanstoots zonden zijn, kon geen sprake meer wezen; de gedachte aan een terngkeeren onder de vijandige menschen had zij eveneens al geheel van zich afgezet. De zon, die haar kamer had verlaten, was ook in haar leven ondergegaan, en hier om nooit weer te verrijzen.
Toch gaf zij zich niet dadelijk overwonnen. Gelijk de krijgsman, die zijn gansche leven gestreden heeft, zich verweert tot zijn wapen hem uit de handen valt, zoo moest ook zij weerstand blijven bieden tot aan haar laatsten ademtocht.
Op hoogen toon riep die jongen haar namens Ant tot verantwoording. Wilde zij de meid dan onrecht doen?
Kon zij Ant niet vrijwaren tegen elke vermindering van haar wettig aandeel?
Aan dit denkbeeld klampte zij zich vast, en al de denkkracht, die haar nog restte, spande zij in om het middel te vinden, waardoor de toestand gered kon worden, zonder dat Ant er schade bij leed.
Aanstonds meende zij er niet één, maar wel vijf te kunnen aanwijzen; doch nu volkomen
253
buiten staat de felle reactie van haar verzwakte zenuwen ook maar eenigermate te beheersclien, verwarde zij zich zoodanig in haar stuurloos dooreen woelende gedachten, dat zij aldra zelve niet meer wist waarover zij sprak. Zij hoorde haar eigen onsamenhangenden woordenstroom voortrollen, als vlood hij van vreemde lippen, en naarmate zij duidelijker besefte, dat Willem haar onmogelijk begrijpen kon, nam haar zenuwachtige gejaagdheid toe, smolt haar vertrouwen weg op het reddingsmiddel, dat zij zelve aangaf.
Zij sprak over kinderen, die dadelijk na de geboorte sterven, en mengde er de bevoegdheid in om een erfenis te verwerpen, redeneerde over Jans recht om een testament te maken en een verdeeling, waarbij Ant even dikwijls drie zou krijgen als Maria twee ontving. Alle vaste toezeggingen van de landvrouw loochenend, begon zij aan een plechtige verklaring, dat haar dochter nooit een cent zou aannemen van iemand, die van der quot;Wal heette, en in een langen tusschen-zin wijdde zij uit over een afstand op zegel, al moest zoon papier haar ook vijfhonderd guldens kosten, en haar kind er door in armoede geraken. Ten slotte gewaagde zij nog van een belofte, dat Willem Jans opvolger zou worden op de wo-
254
ning, en bezwoer hem terzelfder tijd af te wachten of het wurm niet een meisje was, dat hem dan immers nooit in den weg kon staan.
Slechts kort liet Willem haar ongehinderd doorrammelen; toen viel hij bijna tegelijk met Maria haar in de rede. Terwijl echter de laatste nauwelijks de woorden „ ach moeder, laat die.... antwoord nietquot; stamelend kon uitbrengen, bleef hij met zijn tegenwerpingen haar op den voet volgen.
Een testament vernietigd te krijgen was zijns inziens maar een vraag van omkooperij en vooreen prikje kon iedereen een dood kind ruilen tegen een levend of een meisje tegen een jongen. Beloften van groote lui of papieren op zegel hadden niemendal te beduiden; want de eerste de beste advo-kaat hielp je naderhand er weer af; zelfs als Prank en de landvrouw hem op staanden voet de huur van de woning overdeden, zou hij nog onvoldaan blijven, omdat het heele geknoei hem niet langer aanstond. Grod weet wat zij verzinnen zou, zoodra hij goed en wel met Ant was getrouwd?
— „Bazel nou maar niet langer!quot; brulde hij eindelijk. „Ik heb met al je redenaasies niemendal van noode. Lache zou \'k d\'r om, wanneer \'t hier met richtige dinge toeging; maar iedereen slaat
255
z\'n hande in mekaar zooas Prank, nadat ie \'n tweede vrouw heit genome, as \'n blad op \'n boom is veranderd. Ik vraag nou maar of d\'r nog \'n mond bij zei komme om hier mee te ete? Zeg dus maar kortaf: ja of nee.quot;
Een leugen kwam Lina niet over de lippen. Nog een paar mompelingen en haar bevende mond bracht geen geluid meer voort. Als een uurwerk, waaraan het regelend slingergewicht ontvallen is, had zij doorgedraafd jen de koortsachtige werkzaamheid van haar zieken geest stierf weg in een doffe machteloosheid. Zij besefte alleen nog, dat alles, alles verloren was. Noch voor- noch achteruit, noch rechts noch links kon zij meer een uitkomst ontwaren. Het werd haar te moede als veranderde zij in een levenloozen klomp, die ruw voortgeschopt zou worden of minachtend op zij geschoven.
Nog driftiger wordend, omdat zijn vraag onbeantwoord bleef, wat hij aan trotschheid toeschreef, voer Willem al spoedig weer uit:
— „Zou je m\' ook antwoord wille geve? Eerst heit Ant d\'r vader zoo\'n doodeter as die Kees in huis genome, toen kreeg ie d\'r uwees bij; mag ik ook verneme of Ant wat d\'r overschiet nog met \'n zus of \'n broer zei motte deele?quot;
256
Lina bleef zwijgen; Maria kermde; Ant solireide met een heftigheid, die onoprecht klonk.
— «Ach, God, ach, God! Ai wil me late zitte; ai wil me late zitte! Ik eb ommers maar gekaid gemaak om \'m te plage. quot;W7a\' kan die Piet me schele? Ik ond alleen van Willem; ïk wil nooit \'n andere man ebbe! Wa\' dee vader ook te ertronwe? Kon ie \'t dan nie af met mai en Griet en d\'r zuster?quot;
Een diepe zucht welde trillend uit Lina\'s borst omhoog.
— „En we bcnne d\'r nog niet! Ik weet wel, dat ze niks liever zou wille dan me de deur uit besjoere; maar al zeit ze nou geen nee en geen ja. . .
Pranks bekende kuch deed quot;Willem midden in zijn zin ophouden.
— „Wa\'s ier te doen?quot;
Ant voelde terstond, dat zij tegenover baai-vader beter deed de zaak zelve te bepleiten. Met droge oogen, maar op een huilerigen toon voorkwam zij Willem dus:
— „D\'r is, dat \'t eele dorp me zei nawaize, _£s \'k nog \'n broer of \'n zussie kraig. Niemand zei geloove, da\' zoo ies richtig in z\'n werk is gegaan, en ïk ben \'t kind van de rekening; want trouwe is goed en wel, maar voor armoe laie
257
bedank je de beste! Niet alleen, dat nou Willem z\'n vader al \'tland an me eit; maar as \'t zoo deurgaat wil ie me zeivers nie meer ebbe. Wa\' dee j\' ook te ertrouwe?quot;
Jan begreep er alles van; maar maakte zicli over bet gevalletje volstrekt niet ongerust. Willem was wat driftig uitgevallen; doch als \'t op handelen aankwam, bedacht hij zich immers altijd tweemaal. Nog kort geleden had hij vast verzekerd niet terug te willen komen eer hij werd gehaald, en ondanks al zijn gepraat was hij op den avond van de partij uit eigen beweging toch weer aan komen zetten. Dezen keer zou \'t ook wel losloopen; hij voelde zich in staat er „polle-tiekquot; een mouw aan te passen.
Met deze gedachte vervuld kostte \'t hem geen moeite om, zonder Willem een hard woord over zijn onbeschaamdheid toe te voegen en zonder iets ten voordeele of ter verdediging van Lina in het midden te brengen, zijn bedaardheid te bewaren. Hij scheen zelfs te glimlachen, noodigde van der Straeten en Ant op een gemoedelijken, leuken toon uit mee naar voren te gaan, om daar kalm de zaak te bepraten, en sprak zijn vrouw niet één woord toe.
Edoch, Lina begreep niet meer wat er voorviel.
17
258
Flauw hadden Ants woorden haar even door \'t hoofd gesuist:
— „Om haar praterai maalt de landvrouw al net evenmin as vader of ik. \'t Mensch is ommers maar half snik.quot;
Daarna verbrijzelde haar aanzwellende hartslag de laatste schakels tusschen haar gedachten : een verstikkende gloed vulde haar borstkas, drong op naar haar keel, en \'t was haar of ze verzonk in een bloedroode, vlammende diepte.
XIX.
In het benauwde slaapkamertje was \'t nagenoeg volkomen duister. Alleen het flikkerende, rossige schijnsel van het oliepitje zweefde over meubelen, ledikanten en balken, lange bevende schaduwen afteekenend op het grijs van muren, vloer en zoldering. Tusschen de grauw doorschenen bedgordijnen viel over de wollen dekens een gele streep licht heen, die, te zwak om in het katoen van den overkant wat kleur op te roepen, het donker in de enge ruimte tot een flauwe schemering deed verbleeken.
Het was binnen en buiten zoo stil, dat het grommen van de stad in de verte even duidelijk hoorbaar werd als het tikken van Jans horloge
259
up de latafel. Alleen het scherpe knitteren van het nachtlicht overstemde van tijd tot tijd die zwakke geluiden.
Rusteloos hijgend woelde Lina op de heete kussens rond, nu eens laken en deken van zich afwerpend, dan weer het dek omhoog trekkend tot aan haar kin.
Te kunnen slapen, voor een paar uren alles te mogen vergeten, was haar eenig, haar vurig verlangen; maar in de stilte van den nacht scheen een onzichtbaar wezen om haar henen te waren, dat haar nu eens over het voorhoofd kittelde, dan weer op de borst drukte, soms zijn heeten adem over de oogen blies, en dan weer in \'t oor fluisterde. \'t Grebeurde ook wel. dat zij zijn schaduw waande te zien; doch als zij zich verschrikt omwendde was er niets dan de duisternis en de diepe, suizende stilte.
Ze was zich bewust, dat zij niet sliep, en toch kwam \'t haar voor, dat de donkere gordijnen met den kier, waardoor zij een bruin stuk latafel en een grijzen driehoek van wand en zoldering kon zien, achter phantastische, hel verlichte, sterk gekleurde beelden verdwenen.
Dat alles deed de koorts; zij wist het wel, en die koorts droeg ook de schuld van het bonzen
260
in haar hoofd, het gloeien van haar wangen, het branden van haar lippen, de steken in haar rug. Zij herinnerde zich wel eens wartaal te hebben uitgeslagen met het volle besef, dat zij bazelde en bazelen moest. Zoo iets zou haar weer kunnen overkomen; zij gruwde er van en deed daarom haar best niet meer te kijken, niet meer te denken, weg te zinken in den slaap.
\'t Was alles vruchteloos.
Hoe zij zich ook draaide en keerde, welke hulpmiddelen zij ook te baat nam, rust vond zij niet. Zij verbeeldde zich al haar zenuwen te voelen trillen, in elke ader den golfslag te hooren van het jagende bloed.
Hoe lang had deze toestand reeds geduurd? Was de onoverkomelijke nacht al een eind gevorderd of moest zij nog vele trage uren doorworstelen eer de dag zou aanbreken?
Zij wist het niet, en luisterde geruimen tijd te vergeefs naar het slaan van een klok.
Soms meende zij duidelijk in de verte slagen te vernemen; maar die slagen hielden niet op en het werd haar duidelijk, dat zij het kloppen waarnam van haar eigen hart.
Eindelijk ving haar oor dan toch het schorre afloopen van de Friesche in de voorkamer op, en
261
daarna telde zij tien, tergend langzame slagen.
Hoe ijselijk vroeg nog! — Kon zij maar inslapen, droomen, vergeten!
Werkelijk voelde zij zich een oogenblik door een aangename loomheid bevangen; angstig Meld zij de oogleden toegeklemd, bedwong zij baar pbantasie.
Eensklaps was \'t echter weer of iemand haar aanraakte en neerduwde, met de voeten vooruit een helling af, van haar bed in een diepte. Een schok trilde door al haar leden, een gloeiende siddering liep haar over het lijf en een ongewone helderheid doorstraalde haar moeden geest.
Overeind zittend dronk zij eens; maar het lauwe water doofde het vuur niet in haar drogen mond, leschte den dorst niet van haar verschroeide keel.
In de kussens teruggezegen, bemerkte zij weer spoedig op den donkeren achtergrond gekleurde vlekken, die allengs vormen aannamen, \'t quot;Was een verwarde, bonte beeldenreeks zoowel van tooneelen uit haar leven als van gedrochtelijke droomgezichten, die soms voorbij dansten, soms naar alle kanten uiteenspatten, soms in elkander overgingen als de tafereelen door een tooverlan-taarn op het doek gemaald. Zij zag zich met
262
Prank trouwen, en de wethouder achter de groene tafel werd tot Willems vader, die hen uitschold en te lijf wilde. Naar de keuken van mevrouw van der Wal verplaatst, hoorde zij de scheldwoorden van Louis, die dronken fhuis kwam, en Louis veranderde in Willem, die haar bij den strot greep en wilde worgen. Xog eenmaal doorleefde zij de angstige spanning van een brand, welke haar jaren geleden bijna het leven had gekost, en de zware stadsklok luidde nog, toen zij een locomotief door de vlammen zag heen breken, haar omwerpen en vermorzelen.
Doodsbenauwd hernam zij haar zittende houding ten einde de akelige visioenen te verdrijven, en deze beweging was voldoende om het klamme zweet haar op voorhoofd, rug en handpalmen te doen uitbreken.
\'tWas of haar gansche lichaam met zweer en was bedekt; geen plekje, dat niet stak en gloeide.
Plotseling hoorde zij het verwarde gelui van een menigte klokken; zij wilde schreeuwen, dat er brand was in de buurt, en kon haar tanden niet van elkander krijgen.
Snakkend naar wat verademing ging zij wederom liggen, ditmaal op de linker zij.
263
Als zij eens beproefde haar aandacht op eene genoegelijke herinnering te vestigen?
De oogen sluitend deed zij haar best zich het bruiloftsfeest weer voor oogen te stellen.
Zij zag de rijtuigen de plaats oprollen onder het schetteren der muziek, liet de woning kijken, en gaf van alles uitlegging, nam midden onder het luidruchtig gezelschap aan de tafel plaats en luisterde naar de aardige toespraken.
Daar stond de heer van Deijl op, om haar lof te verkondigen, en zij hoorde zich weer betitelen: de gevierde juffrouw, wier roem de Faam tot aan Neerlands uiterste grenzen had verbreid.
Doch ziet.... met een doordringenden lach stak hij den wijsvinger naar haar uit, en iedereen keek haar aan. Een tweede begon te lachen, en ook zijn hand wees op haar. Een derde, een vierde, een vijfde volgden het voorbeeld .... Zij wilde wegloopen; maar was aan haar stoel gekluisterd; zij trachtte de oogen te sluiten; doch voelde zich gedwongen rond te zien. Daar verscheen Maria; tegelijkertijd flikkerde het eerste licht, rolde een donderslag over de woning heen. Badend in het zweet werd zij wakker.
Welk een afschuwelijke hitte, en welk een beklemmende angst!
264
Wederom zat zij overeind, het opgezette hoofd gebogen over de omhoog getrokken knieën, het bovenlijf op en neer gaande met het schokken van haar benauwde borst. Onophoudelijk sloegen de tallooze hamers in hare verlamde polsen en samentrekkende slapen maar door; fijne naalden tintelden in haar oogen en vingertoppen; loodzware gewichten hingen aan haar schouders en drukten op haar heupen. Zou zij dan nooit meer tot kalmte komen; misschien straks in den gloed van een ijlende koorts schreeuwend als een bezetene door de woning gaan hollen ? 0! nu besefte zij eerst hoe \'t krankzinnigen te moede moet zijn!
Nog zat zij duizelend rechtop, herhaaldelijk met de bevende vingers haar keel betastend, als wilde zij een strop losmaken, die haar den adem benam, toen midden in het donkere gordijn weer het ontzettende gevaarte met den rookenden schoorsteen, de gloeiende oogen verscheen. Don-\' derend reed het op Maria toe, smeet haar neder, en ... .
Gerechte God! —
Maar lag zij dan niet in bed ? — Zij was toch bij haar zinnen; zij wist immers, dat er ginds aan het voeteneinde een ondoorzichtbare steenen muur was, waarvoor maar een lap geel katoen hing! —
265
Op nieuw vlijde zij het hoofd in het brandende kussen neer; op nieuw poogde zij zich iets aangenaams uit het verleden in het geheugen terug te roepen.
Zij zag zich weer in haar keuken, tevreden, werkzaam, gelukkig in het bewustzijn, dat iedereen haar achting toedroeg. — Deze toestand hield evenwel niet aan. Allerlei menschen drongen naar binnen, en begonnen hardop over haar te praten. Knechts en meiden beschimpten en bespotten haar; leveranciers hoonden en lachten haar uit; buren en voorbijgangers schoten toe om te luisteren. Onmogelijk was \'t dit leven langer vol te houden; zij ging dus naar boven om mevrouw den dienst op te zeggen. In de gang echter hoorde zij, dat ook het salon vol menschen was, die eveneens spotten, eveneens scholden, eveneens lachten. Verbitterd over de onrechtvaardigheid der wereld, snelde zij de trap weer af, gloeiend van schaamte, en bevreesd iemand onder weg te ontmoeten; maar nu was \'t als weergalmde het gansche huis van stemmen: beneden, naast haar, boven, en die allen riepen op minachtenden toon haar naam af: Lina, Lina, Lina!
Ten einde raad vluchtte zij ongekleed de straat op, en stond met Maria te midden eener gonzen-
266
de menigte. Overal bekende gezichten; doch niemand groette haar meer. Integendeel zag zij hoe men geheimzinnig fluisterde, aanving te giegelen, en ter zijde week, als ware zij een gevaarlijke zieke. Hoe verder zij voortgingen, hoe meer de opeenhooping aangroeide, en hoe luider de men-schen over haar spraken, haar uitjouwden, zelfs gemeene woorden naar het hoofd wierpen. Toen men haar eindelijk met den vinger nawees, schreeuwend: „daar heb ie d\'r nou, daar heb ie d\'r nou met d\'r dochter,quot; hield zij \'t niet langer uit, maar zette \'t in haar vertwijfeling op een rennen. Weg, weg! klonk het in haar binnenste; doch \'t baatte niet meer. Hoe harder zij voortsnelde, hoe vlugger de dichte menschendrom achter haar aanliep, haar omringde en vooruit holde. Ofschoon zij zich de ooren dichthield, drong het gegil en gelach tot haar door: de joelende bende sloot haar in, greep haar bij de kleeren, spoog haar in \'t gelaat! Reeds voelde zij zich aangevat, behandeld als de gemeenste der gemeenen .... daar blonk een watervlak haar in de oogen: zij ging er in springen....
Wederom weigerden haar beenen dienst; zij was verstijfd van het hoofd tot de voeten, buiten staat zelfs een kreet te slaken. Tegelijkertijd
267
echter ontwaakte flauw haar besef, dat alles maar een akelig droomgezicht was, en ofschoon zij zich niet aan de bekoring van het visioen kon ontworstelen, zag zij duidelijker en duidelijker de omtrekken van haar ledikant en den rossigen glans van het nachtlicht door de lijnen en kleuren van het gezichtsbedrog heen schijnen. Zich van links naar rechts en van rechts weer naar links wentelend, joeg zij voor een poos de spokerij op de vlucht; maar volhardde zij een wijle in dezelfde houding, dan was \'t of ééne helft van haar lichaam gevoelloos werd en afstierf. Bovendien leek de matras met messen gevuld, die haar in de gewrichten drongen, en wierp zij zich met een geweldige inspanning om, dan sloegen de bloedgolven haar aderen te bersten, terwijl vlijmende pijnen als vliegende pijlen haar leden doorboorden.
En welk een oorverdoovend klokkengelui in haar hoofd!
Doch hoorde zij daar niet het joelen van een menigte menschen? —
Ja, dezen keer was zij er zeker van. Zij ijlde niet; alles was wel echt, wel waar.
Een dichte drom gonsde in de gang, en drong pratend en lachend haar slaapkamer binnen.
I
268
Beschaamd, dat men haar te bed vond, dorst zij niet omkijken; maar zij hoorde de verschillende stemmen, en herkende ze duidelijk. Het waren allen kennissen van den overleden heer van der Wal, deftige menschen, de eersten van het land.
Wat kwamen zij hier doen; wat verlangden zij van haar?
Willens of onwillens moest zij eindelijk omzien, en nu stak er één lachend den vinger naar baar uit. Een tweede, een derde, een vierde volgden; bovendien vingen zij aan te schimpen, te jouwen en te schelden.
Gerechte God, als Jan dit boort! Straks zal hij komen en zien wat voor een schandelijk too-neel er plaats heeft in zijn eerzame woning! Een verbijsterend geraas vulde thans de kamer, en de lucht werd er zoo benauwd, dat zij dacht te zullen stikken. Doch luister: dat was de stem van Jan en hij schimpte mee. Ook haar man vervolgde , smaadde haar dus! En Willem, Ant, de notaris, de dominé, het gansche dorp was vereenigd! O! wat lachten zij, wat lachten zij! —
Sprak daar niet iemand er van haar de woning uit te smijten? — Ja, nu boorde zij\'t duidelijk; fluisterend beraamden zij hun plan. Op de heele wijde wereld was dus niet ééne plek meer, waar zij rust
269
kon vinden! O! er moest een eind komen aan deze dnldelooze foltering!
Was dat liet geratel van een voorbijsnellenden trein ?
Ja .... Maria had gelijk: op de reils gaan liggen .... wachten .... één oogenblik ... ., en dan was alles voorbij.
Haastig rees zij op, de oogen dichtknijpend om al de nawijzende, grinnikende, spottende menschen niet te aanschouwen, en zij had maar één wensch meer: dat niemand haar voornemen zou verijdelen.
Haar kleeren waren niet uit geweest; in een paar muilen te stappen was het werk van een seconde.
Langs den wand schoof zij naar de deur, ging de gang door en stond eindelijk buiten.
Het was gelukt; geen mensch had haar verdwijnen opgelet. Grinds lag de straatweg, en verder rechts blonken de rails. Niettegenstaande de duisternis onderscheidde zij alles even duidelijk als bij dag. Reeds naderden de vurige oogen van het ijzeren gevaarte; zij zonk op de knieën, lei snel het hoofd neder; de trein rolde aan....
Daar bedacht zij, dat Maria niet bij haar was. Zij kon haar kind toch niet alleen achterlaten.
270
Dadelijk wilde zij terugkeeren.... maar nu had zij de kracht niet meer haar hoofd op te lichten. Zij voelde het gloeiende ijzeren rad haar hals verpletteren ; een rauwe gil ontsnapte haar mond, en ... .
Nog altijd lag zij te bed, met verschroeide lippen, klokgebom in de ooren, een brandend hoofd, dat spleet door de galmende slagen, een gebroken ruggestreng, waarvan de scherpe wervels haar vleesch doorboorden.
Ach! waarom was het vreeselijke oogenblik maar een waan geweest, en moest zij nogmaals ontwaken in haar ondragelijk bestaan? Hoe snakte zij naar bevrijding, naar de eeuwige rust!
Als zij metterdaad haar bed, die folterbank, eens verliet, den weg over, de rails opging?
Ja, ja, er uit, er uit!
Het tafreel van den zelfmoord bleef haar voor den geest staan; zij moest er aan denken, de handeling in gedachten herhalen.
Eerst gleed zij uit het bed, daarna verliet zij de kamer.
Behoedzaam sloop zij met Maria de gang door \' en de woning uit.
Door het nachtelijk duister beschermd gingen zij het erf af, sloegen rechts om en bereikten
271
den overweg. Langs het baanwachtershuisje wandelden zij, hand in hand, een eindweegs tusschen de rails voort en legden zich dan met den hals op het koude ijzer. De trein kwam donderend aanrollen, de lichten van de locomotief flikkerden haar in de oogen, en ... . weer begon zij van voren af aan, verliet haar bed, haar kamer, doorschreed de gang, het hek, en zoo voorts, en zoo voorts, tallooze malen. —
Eensklaps voelde zij, dat het tijd werd; de laatste trein was nog niet voorbijgesneld; een zenuwachtige haast maakte zich van haar meester. Zij dacht niet langer over het verleden, maalde zich geen toekomst meer; het beraamde plan alleen vervulde haar geheel; elke zenuw, elke spier stond gespannen om met al de kracht, die haar nog restte, dat ééne, laatste doelwit te bereiken.
„Gauw, gauw,quot; klonk het in haar binnenste, en zij gehoorzaamde werktuigelijk als een gehypnotiseerde.
Reeds had zij de gordijnen geopend, het dek weggeduwd, haar muilen aangetrokken.
Nu stond zij naast het bed en deed een stap naar de deur. Daar verscheen Maria op den drempel.
272
Een kreet van ontzetting sneed door de luclit.
— „Moeder, wat is d\'r?quot;
Met een wilden greep vatte Lina haar bij den arm, en pogende haar naar buiten te dringen, riep zij met een gejaagde, klanklooze stem uit:
— „Kom met, gauw! De trein, de trein!quot;
Maria duwde haar terug, zelfs een eind van
zich af, rukte zich los en sloot de deur.
— „Moeder, ben je gek!quot; liet zij zich ontvallen , en omziende voelde zij een rilling door haar leden gaan. Die opengespalkte, glanzende oogen! Geen twijfel meer; onwetend had zij de waarheid gesproken: haar moeder was gek, stapelgek !
Afgrijzen vervulde haar gemoed; zij voelde haar haren overeind staan en zag Lina weggevoerd, in een gesticht opgesloten, voor iedereen dood!
In de derde persoon als van een bewustelooze sprekend, jammerde zij:
— „Grroote God, wat is d\'r met haar gebeurd? D\'r oogen staan zoo wild! Ze doet zoo raar!quot;
Op nieuw greep Lina haar aan. Zij voelde zich naar de deur dringen, terwijl vier nagels zich vastboorden in haar arm, en weer klonk dat akelig toonlooze geluid:
273
— „Onder den trein .... de locomotief! Ie hebt \'t eigens gezeid. Kom noe, ganw, gauw; \'tis tijd.quot;
— „Moeder, je weet niet wat je zeit; je weet niet wat je doet!quot;
Nog bood Maria tegenstand , haar pijnen vergetend; maar reeds verlamde haar een aanval van zulk een vernietigende wanhoop, als zelfs de verbrijzeling van haar eenig droombeeld niet in staat was geweest in haar op te wekken. Nog nooit had zij zóó scherp gevoeld met welk een hechten band haar leven aan dat van Lina was verbonden, als nu die band met zulk een onweerstaanbare kracht werd aangetrokken, dat hij moest scheuren of haar medesleepen den dood tegemoet.
Haar moeder krankzinnig! —
Dus niet één toevlucht meer in al de naderende ellende, die haar reeds dreigend aangrijnsde; niet één oor meer, waarin zij haai\'jammerklachten zou kunnen uitstorten; niet één hart meer om haar wrok op te koelen? — Alleen zou zij blijven. Alleen midden onder de menschen, een afgereten blad in een schuimende zee, een lam omringd door verscheurende wolven ....
Neen, neen, dat was onmogelijk! Alles liever dan die afgrijselijke eenzaamheid!
18
274
En dan de ellende, welke haar wachtte!
Kwam zij er door, dan zon \'t een levenslange dwangarbeid zijn met al de folteringen van het alleen-staan. Moest zij bezwijken, dan ging zij hulpeloos een dood te gemoet in snijdende pijnen, waarvan zij zich voorstelde, dat geen uitvinding der menschelijke martelkunst ze ooit had geëvenaard. Het visioen van een miskraam met haar bloedplassen rees als een afzichtelijk spook, dat reeds zijn ontvleeschte handen uitstrekte, voor haar oogen op, en een duizeling greep haar aan. Had de aarde zich op dit oogenblik geopend, zonder aarzelen zou zij zelve \'t eerst in den gapenden afgrond zijn neergesprongen.
Evenals de zwaar gewonde, die zich van kant maakt uit angst voor de naderende operatie; evenals de toeschouwer bij een hevigen brand, die, door den schrik bevangen, zich van een veilig balkon op de straatsteenen te pletter werpt, ~quot;werd ook Maria door den onweerstaanbaren drang aangegrepen om in zelfvernietiging vrij-gt; waring te zoeken voor verschrikkingen, waarte-
gen zij voelde, dat haar kracht te kort
Nu eerst scheurde de laatste vezel, die haar aan \'t leven hechtte; nu eerst was zij in staat haar plan ten uitvoer te brengen. Ook hare oogen be-
275
gonnen van een waanzinnige opwinding te glanzen , en toen Li rui nogmaals uitriep:
— „Gauw, gauw!quot;
stemde zij in, trok zij haar moeder zelfs voort, nog ademloos van schrik.
Ijlings doorschreden zij de gang, werden den zwarten nacht niet gewaar, hoorden \'t niet, dat in de voorkamer Jan, Willem en Ant druk redeneerden. Met instinctieve behoedzaamheid openden zij de voordeur, en hand in hand, evenals .^zij voorheen \'s Zondags door de straten van de stad hadden gewandeld, liepen zij het huis langs, het erf af.
De hond blafte; maar niemand lette \'t op.
Hoewel in de duisternis, die van het starren-loos zwerk nederzonk, de lichtgroene hekpalen en de gele grindweg slechts liauw te onderscheiden waren, als grijzige vlekken op een zwarten grond, stapte Maria zonder aarzelen op haar doel af, en met geweld sleepte zij haar moeder voort, die het sidderende kreupelhout met spookgestalten gevuld zag, in de lucht het gejoel eener schimpende menigte hoorde weergalmen en zinneloos van ontzetting zich mee liet sleuren, als een dier, dat ter slachtbank wordt geleid.
Op het kiezel staande was \'t een oogenblik of
276
beiden zich gingen bezinnen. Zij wierpen een blik om zich henen; maar zagen niets, verblind door het licht van een lantaarn, die, voor de baanwachterswoning op den grond staande, een bree-den stralenkegel wierp over den spoorweg en het aardappelenveldje er naast.
Onopgemerkt gingen zij dwars door den gelen glans heen, en nu konden zij duidelijk, recht voor zich uit, als op een laag donker gordijn waarachter een bleek schijnsel omhoog steeg, de gele lichten van de stad zien: een lange rij links, een lange rij rechts, en daartusschen de onregelmatige opeenhooping van roode en gele vlammen vóór en in het station.
Een klagende muziek ruischte tusschen de telegraafdraden door; Maria hoorde ze niet; op Lina werkte ze bedarend.
Tusschen de rechte, eindelooze spoorstaven , wier flets glimmen verder en verder wegvlood in den nacht, schreden zij voort, en \'t was of\' de stad met heur duizenden oogen haar nog altijd aantrok, verblindde en den dood te gemoet lokte.
Strak voor zich uit starend hield Lina plotseling stil. Zij scheen tot kalmte weergekeerd; nog eenmaal ging zij het wereldje, dat haar dierbaar was geweest, binnen, liep de straten door, betrad
277
de huizen, zag de bekende gelaatstrekken terug.
— „Kom toch , moeder; ze kannen ons zien.quot;
— „Zien? — Ja.... allemaal, allemaal.quot;
— „Kom nou toch! Ik hoor \'m al.quot;
Lina verbeeldde \'t zich insgelijks. — Hij kwam aanstuiven, zou haar dooden, en zij zag hoe de vreeselijke tijding zich door de stad verspreidde; zij las op de verbleekte gezichten, welke zij alle gekend had, den verstijvenden schrik; zij hoorde hoe de bevende lippen elkander toeüuisterden:
— „Weet je \'t van juffrouw Lina? — An haar is geen gerechtigheid weervaren.quot;
— „Neen, neen,quot; riep zij uit, „an haar is geen gerechtigheid weervaren!quot;
— „Zwijg toch, moeder. De baanwachter is al buiten. Hij zal ons zien. Kom!quot;
Ruw sleurde zij Lina een eindweegs voort.
Luider klaagde de wind door de telegraafdraden en nu droeg hij ook den wegstervenden galm aan van een schel gefluit.
— „Daar is-t-ie,quot; sprak Maria, en zij zonk op de knieën neder, met de rechterhand op de spoorstaaf\' steunend, met de linker haar moeder meetrekkend.
Lina boog voorover; maar als had de herinnering van de stad haar weer aan het leven doen
278
hechten, zij kon er niet toe besluiten eveneens op de rails neer te zijgen.
Haar opwinding was bedaard; met kracht trok zij terug.
Maria liet niet los.
— „Ga leggen, ga leggen,quot; schreeuwde zij, even hardnekkig nu het einde zoekend, als zij weinige uren geleden geweigerd had een nieuw leven te beginnen.
Reeds snelde het monster aan; zijn vurige oogen wiesen tot verblindende zonnen; zijn grommen zwol aan tot een oorverdoovend gebrul.
— „Kind, Maria, om Godswil, sta op, ga weg!quot;
— „Neen, neen!quot;
— „O! schepsel, wat doe je?quot;
Eens nog rukte Lina met al de kracht der wanhoop.
Haar vingers schoten los; zij tuimelde achterover , gleed uit, viel.
— „\'k Wil niet!quot; gilde zij; maar reeds greep een reusachtige klauw haar op, wierp haar omhoog tot aan \'t verbijsterend gewemel der starren, smakte haar weer neer in den peilloozen nacht. Duizenden bliksems schoten haar door de hersenen, een eindelooze donderslag daverde haar dooi\' \'t gehoor en al haar leden scheurden van elkander.