-ocr page 1-
-ocr page 2-

IMPRIMATUR.

Datum Buscodiici die 6 Mazi 1885.

J. J. VERSTERREN, Rector.

ad hoc depntatus.

-ocr page 3-

VA\'( f4

OVERWEGINGEN

VAN DEN

9.

Eerwaarden Pater CHAIfiMS, S. J.

NAAR DE

vierde fransche uitgaaf

v e r t a a l d en b e w e ii k t

DOOR

eê7^ Doctor in cze II. GocLgeleercLfie.icL.

(KERKELIJK GOiiDGKl^W^V? ^0^

StODm-Snelpersdruk van

p. stokvis amp; zoon.

\'a-Her togenboach.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

OVERWEGINGEN

VAN DEN

EERIAMDIH PAÏEE CIU1GM, S. J.

-ocr page 6-

IMPRIMATUR.

Datum Bnscoduei die 6 Mazi 1885.

J. J. VERSTERREN, Rector.

ad hoc deputatus.

-ocr page 7-

VAX Ra.^/ OVERWEGINGEN

¥IERDE FRANSCHE UITGAAF V E R TAAL D e n B E W E li K T

DOOR

eeix Doctor vjx de H. Godgeleeróhetd,.

amp; -

(KEllKELIJK G0EDGK1

Stoom-Snelpersdruk van

P. STOKVIS amp; ZOON.

\'3-H e r t o g e n t) o s o h.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORWOORD MM DEN VERTALER.

OW»

De reden, welke den vertaler tot de uitgave van dit hcekslcen heivooy, is aanstonds te raden. Hei groote nut, de noodzakelijkheid van het inwendig gebed of der overweging is bekend. Zooals de H. Joannes Climacus getuigt, is de meditatie de moeder en koninginne, de spijze en bron der deugd.. Zij geeft ons de genade en vermeerdert den vooruitgang in alle goed. „Zie ik quot; zoo spreekt de H. Joannes Chrysostomus, „iemand, die traag is in de overweging en deze gering schat, dan besluit ik daaruit, dat zijn ziel weinig deugd bezit en al met zeer weinig gaven Gods is versierd.quot; En van de andere zijde zegt de H. Augustinus: „Hij weet goed te leven, die goed weet te biddenquot; Geen wonder, dat zooveel gewicht te hechten is aan de overweging. De II. Thomas getuigt van den kloosterling (en in zekere mate geldt dit eveneens van iederen Christen), die niet overweegt, dat hij is als een soldaat zonder wapenen, daar hem de noodige voorlichting ontbreekt en de (jodvruchtige gevoelens niet in hem ivorden opgewekt, die zoo noodig zijn om den goeden geest te bewaren.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

VOORWOORD VM DEN ÏERTËLER.

I]

De reden, welke den vertaler tot de uitgave van dit hoeksken bewoog, is aanstonds te raden. Het groote nut, de noodzakelijkheid van het inwendig gebed 0/ der overweging is bekend. Zooals de H. Joannes Climacus getuigt, is de meditatie de moeder en koninginne, de spijze en bron der deugd. Zij geeft ons de genade en ver-9 meerdert den vooruitgang in alle goed. „Zie ikquot; zoo

spreekt de H. Joannes Chrgsostomus, „iemand, die traag is in de overweging en deze gering schat, dan besluit ik daaruit, dat zijn ziel weinig deugd bezit en al met zeer weinig gaven Gods is versierd.quot; En van de andere zijde zegt de H. Augustinus: „Hij iveet goed te leven, die goed iveet te bidden.quot; Geen wonder, dat zooveel gewicht te hechten is aan de overweging. De H. Thomas geinigt van den kloosterling (en in zekere mate geldt dit eveneens van ieder en Christen), die niet overweegt, dat hij is als een soldaat zonder wapenen, daar hem de 9 noodige voorlichting ontbreekt en de (jodvruchtige ge

voelens niet in hem ivorden opgewekt, die zoo noodig zijn om den goeden geest te bewaren.

amp;

-ocr page 12-

VI

Welke (jeestelijke leidsman heefl het niet ondervonden, dat hij, als hij tot de heoejening der overweging aanspoorde, het antivoord ontving-. ,,Hoe zal ik het doen, H is voor mij te moeielijk.quot;

Zeker, overwegingen zijn er en goede ook.

Noemen wj alleen maar het voortreffelijk werk van den Eenvaarden Heer Hesscveld. Maar te veel zijn er niet en ook hier geldt de spreuk: Verscheidenheid behaagt.

De overwegingen van P. Chaignon zijn duidelijk, helder, voor een ieder bevattelijk. De vertaler iveet het bij ondervinding, daar hij met eenige kleine verandering deze overwegingen gebruikte tot gemeenzame onderrichtingen en gewone Zondagspreeken.

Eenvoudig zijn zij, maar dit juist maakt, dat zij dienstig zijn voor het volk. Vertaler gelooft gerust zijn meening te mogen uitspreken, dat geen grooter gebrek bestaat dan dat men de gewone geloovigen te veel ont-ivikkeld veronderstelt. Men wordt niet verstaan — in de steden nog minder dan op het land, waar de eenvoudige landman in natuurlijk verstand en vooral in kennis der godsdienstige waarheden gewoonlijk de meeste stadsbewoners overtreft — omdat men hoven het begrip der geloovigen gaat, en de ivoorden bijgevolg in de lucht blijven zweven.

Maar genoeg hierover. Dit ééne ivil de vertaler nog opmerken, dat hij daarom alleen op den titel schreef: Vrij vertaald en bewerkt, opdat niemand hem euvel zou duiden, dat hij niet overal een letterlijke overzetting gaf. De redenen, waarom hij dit niet deed, alle aan te geven, zou ie ver voeren. De kundige beoor-deelaar zal bij vergelijking van den Franschen tekst en

-ocr page 13-

vn

de Hollandsche oversethnq dn reden irel spoedig inzien en voor ieder ander is de opsomming van geen nut.

Dit alleen zij gezegd., dat de verandering gewoonlijk Schri/tuurplaatsen en de daarvan gegeven uitleggingen hetrelt.

Moge Gods onmisbare zegen dit boeksken van eenig nut doen zijn voor den geloovige. Mocht het oirbaar blijken, dan hoopt de vertaler spoedig nog eenige andere overwegingen te doen volgen.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

EERSTE OVERWEGING.

Het doel van den mensch.

1. God is het beginsel.

IT. God is het einde.

III. God is de belooning.

VooiiBEREiBEND gebed. Vraag aan God, dat gedurende deze overweging al mv gedachten, al uw gevoelens, al de werkingen uwer ziel enkel en alleen gericht mogen zijn op de glorie van Zijn Oneindige Majesteit.

Verbeeld u een onmetelijke zee, waaruit alle andere wateren voortvloeien en waarheen zij alle als naar hun eenig middenpunt terug stroomen: zoo is God de oorsprong van alle goed, naar Wien alle goed terugkeert.

Bid God, dat Hij u duidelijk doe inzien, met welk doel Hij u heeft geschapen en dat Hij u de genade verleene, dit doel als regel van uw leven altijd voor oogen te houden.

„De mensch is geschapen om in dit leven God te kennen, te dienen, te beminnen en Hem hiernamaals eeuwig te aanschouwen.quot; Deze woorden geven het antwoord op de vraag naar de waarde van den mensch, naar zijn plichten en zijn bestemming. Wat is m\\jn

1

-ocr page 16-

6

beginsel, mijn einde, wat zal mijn belooning zijn, zoo ik de verplichtingen, die voor mij uit het beginsel en het einde voortvloeien, goed ben nagekomen ?

Eerste Deel. God is mijn beginsel. Hij is mijn schepper, bij gevolg in den vollen en besten zin des woords mijn vader: „De mensch is geschapen.quot; Klim ik in mijn gedachten van de uitwerkselen op tot de eerste oorzaken en ga ik de rij der wezens na, dan kom ik tot den eersten schakel der ketting — God. God is vóór alles, is het beginsel van alles. quot;Wat is God? „Ik ben, die ik ben.quot; God is het Opperwezen, het eenige dat vóór de schepping bestond.

Mijn ziel, verplaats u in de. eeuwige eenzaamheid, waarin niets was dan God. Welk een grootheid, onaflian-kelijkheid, volheid van volmaaktheden in Hem, Die geen behoefte heeft buiten Zichzelven. Hij blijft voor Zich-zelven even gelukkig, óf Hij door het woord Zijner Almacht tallooze schepselen in het aanzijn roept óf dat Hij alleen blijft. God is alles: „Mijn God en mijn al.quot; En wat doet God in de eeuwigheid, die de schepping ten minste in mijn gedachte voorafgaat? Hij genoot Zijn geluk en besloot de middelen voor het mijne. Hij regelde de orde en de maat der genaden, die mij zouden voeren en leiden tot heiligheid. Dit leert mij Sint Paulus, Eph. I, 4: „Hij heeft ons uitverkoren in Hem vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig zouden zijn.quot; Hg beschikte mij voor tot het leven, tot het ware geloof, tot dien staat, tot dien bepaalden werkkring in dien staat...

Dit leert mij wederom dezelfde H. Paulus, TV, 11: „En

-ocr page 17-

7

Hij heeft gegeven sommigen, Apostelen en sommigen, Profeten en sommigen Evangelisten en sommigen, herders en leeraars.

12. Ter volmaking der heiligen, tot het werk dei-bediening, tot opbomving van het lichaam van Christus.quot; Hij beschikte mij voor tot den hemel Zijner Zaligen, indien ik van zijn genade gebruik maken wilde: „Met eeuwige liefde heb ik u bemind.quot; Jeremias XXXI, 3.

God heeft de wereld geschapen. Hij heeft ook mij geschapen, mij uitverkiezend boven een oneindige menigte schepselen, die mogelijk waren, maar nooit zullen bestaan. En wat is de reden dier uitverkiezing ? Gij wilt mij die doen kennen en Gij zegt. mij daarom: „Ik heb u bemind.quot; Van alle eeuwigheid was ik in Uw gedachte, lag ik U na aan hét hart; daarom hebt Gij mij genomen om mij een plaatste geven onder de edelste schepselen, slechts „een weinig beneden de Engelen.quot; Ps. VUL 6. En na mij geschapen te hebben, bewaart Gij mijn beslaan, welke bewaring ieder oogenblik een nieuwe schepping is. En deze altijd door vernieuwde weldaad moet mij zoo mogelijk nog tot grooter dankbaarheid stemmen dan de eerste schepping deed. quot;Waarom? Omdat toen Gods goedwilligheid mij uit het niets te voorschijn riep, ik wel niets gedaan had om dat bewijs van liefde te verdienen, maar toch ook niets gedaan had om mij zulks onwaardig te maken; hoe dikwijls heb ik echter nu Gods rechtvaardigheid niet getart, om Zijn gaven aan mij te ontnemen?

Welk een helder licht werpt deze overweging in mijn ziel, die daarbij haar plichten inziet. Maar hoe-

-ocr page 18-

veel reden tevens tot beschaming. Ik ben alles aan God verschuldigd, omdat ik alles aan Hem te danken heb. Zooveel oogenblikken als er zijn vervlogen sinds het eerste oogenblik van mijn bestaan, zooveel titels van eigendom heeft Hij op mij, want ieder oogenblik van mijn leven schenkt Hij mij het leven. De minste mijner zonden is dat God, aan wiens liefde ik zooveel verschuldigd ben, door mij is vergeten, zooals Hij mij door Mozes (Deut. XXXII, 18.) verwijt: „Ge hebt God, Die u heeft voortgebracht, verlaten en den Heer uwen schepper vergeten.quot; Daarom vermaant ons de Psalmist (94, 6): „Laat ons weenen voor het aangezicht des Heeren, onzen schepperquot;.

Tweede Deel. God is mijn einde. Het oneindig wijze Opperwezen heeft een doel gehad, waarom Hij mij schiep en waarom Hij mij in het leven hield.

Welk bedoeling had Hij daarmede? Mijne ziel, \'t

is voor u van het hoogste belang dat doel te kernen, i

\'t is immers het eenige doeleinde, waarnaar ge hebt te ( streven; bereikt ge het, dan hebt ge uw bestemming

bereikt, alles is volbracht, alles hebt ge gewonnen, f

alles hebt ge gered. De Heer Uw God, ziedaar het c

doel van al uw vermogens. God, de oneindige Waarheid n

en het opperste Goed, want de geest heeft een onlesch- v

baren dorst naar kennis, het hart een onafwijsbare be- d

hoefte aan liefde en God alleen kan zeggen, Ps. 80, tgt;,

11: „Doe uw mond wijd open en Ik zal hem ver- i;

vullen.quot; God alleen dus zoekt mijn ziel of moet zij j-j

zoeken. Uit hem gesproten, wil zij tot Hem terug; zij le

gevoelt zich tot Hem getrokken als tot het beginsel van ih

-ocr page 19-

0

haar kracht en haar leven; zij dorsinaar God : Ps. 41, 3. „Gelijk een hert (afgejaagd en vermoeid) naar waterbronnen .«macht, zoo smacht mijne ziel naar U, o God ! Mijne ziel dorst naar den machtigen, levenden God!quot; Zelfs mijn lichaam gevoelt behoefte aan den levenden God. als het zich laat leiden door den geest: „Mijne ziel is begeerig en versmacht van verlangen naar de voorhoven des Heeren, mijn har!, en mijn vleesch juiche den levenden God toe.quot; Ps. 83, 3. Maar hoe zal ik mij vereenigen met God ? Door Hem te loven, te aanbidden, te dienen. De mensch is geschapen om God te kennen, te dienen te beminnen.

\'t Is zijn noodzakelijk doel. Ben ik Gods eigendom, dan behoor ik Hem toe; zoowel Gods wezen als mijn eigen natuur vorderen zujks. \'t Is rechtvaardig en ordelijk, \'t Is niet noodzakelijk, dat ik worde geëerd en bemind; het is niet eens noodzakelijk dat ik leef, maar het is wel noodzakelijk dat ik in mijn leven God dien.

\'t Is een glorierijk doel. Ik ben niet geschapen om aan de wereld te gehoorzamen, nog veel minder om de slaaf te zijn van mijn hartstochten, mijn bestemming is veel hooger. In het bezit van de heerlijke vrijheid der kinderen Gods ken ik geen anderen heer dan Hem, AVien dienen heerschen is. \'t Is het doel van alles in mij. De heerschappij van God over mij is onbeperkt, omvat alle tijden. Altijd onderhoudt Hij mij voor Zich, ik moet dus ook altijd voor Hem leven. Zijn heerschappij omvat alle plaatsen: waar ik ook ben, ik ben van Hem en voor Hem, ik moet

-ocr page 20-

10

Hem dus toebehooren. Zijn heerschappij gaat over alles, wat ik heb, alles wat ik bon, alles wat ik doe. God is de eigenaar van den boom, Hij moet er dus de vruchten van plukken, en omdat Hij alleen de eigenaar er van is, moet Hij die alle hebben en geen verdeeling is geoorloofd, voor Hem moet mijn geest denken, mijn hart kloppen, mijn tong spreken... Ik zal Hem rekenschap geven van ieder onnut woord. Welk een menigte plichten, maar ook welk een groot geluk, zoo ik Hem getrouw wil zijn.

Derde Deel. God is mijn bdooninrj. Hij zal mijn zaligheid zijn. God kennen, dienen en beminnen is mijn doel op aarde, Gods bezit zal mijn deel zijn in den hemel. Welk een gelukkig einde, welk een zoete hoop ! Na den strijd de overwinning, na den arbeid de ruste. De overtocht mag moeielijk zijn onder groote stormen, eindelijk zal ik behouden aanlanden in de haven, in den schoot mijner familie, in de armen van mijn vader, die mij zeggen zal; (Boek den Schepping XV, I) „Ik ben uw loon groot bovenmate.quot; Ik zal gered zijn en uit welk een ongelnk ? De bel is daar om het ons te doen begrijpen. „AVat toch baat het den mensch, indien hij de. gansche wereld winne, maar zijner ziele verlies lijd ?quot; Koste wat het wil, ik moet mijn ziel redden.

Reeds in dit leven is God het heil zijner getrouwe dienaars; Hij redt hun geest van de kwellingen des twijfels, hun hart van de tirannie der hartstochten, hun geweten van de knagingen des gewetens. Die TJice ivet beminnen, hebben groot en vrede (Ps. CXVIII,

-ocr page 21-

11

165), maar vcrdrukhivy in beunystiying over alle ziele des meiischcn, die het kwade werkt. (Rom. II, 9) Ik weet zulks bij ondervinding. Als ik in mijn leven gelukkige oogenblikken wil vinden, waar moet ik die dan zoeken ? In de heilige jaren mijner onschuldige kindsheid, op den schoonen dag van mijn eerste H. Communie. Hoe zoet is mij die herinnering, helaas bitter tevens door mijn latere schuld, „\'t Is mij goed,quot; roep ik met den Psalmist (LXXII, 28) „Gode aan te kleven!quot;

-quot;vr-A/WV/Wv-

-ocr page 22-

TWEEDE OVERWEGING.

Herhaling en ontwikkeling\' der Vorige.

I. Ik behoor geheel aan God.

II. Ik ben geheel voor God.

III. God is alles voor mij.

De woorden van onzen Catechismus: „De raensch is geschapen om God te kennen, te dienen, te beminnen en Hem hiernamaals eeuwig te aanschouwen,quot; zijn niet anders dan een verklaring van het woord der Schrift: „Vreest God en onderhoudt zijn geboden: want dat is alle mensch.quot; Daarin liggen onze oorsprong, ons einde en ons volkomen geluk uitgedrukt. Onze oorsprong: Uit God komen we voort; ons einde: tot God keeren wij terug; ons volkomen geluk, dat bestaat in het eeuwig bezit van God. Vandaar deze drie waarheden: ik behoor geheel aan God, ik ben geheel voor God, God is alles voor mij.

Plaatsverbeelding en gebed als in de eerste overweging.

Eerste Derl. Ik behoor geheel aim God. Hij heeft mij gemaakt, wat ik ben. Ik ben geschapen naar Zijn gelijkenis; mijn ziel is het beeld vau Zijn volmaaktheden. Zij, hoewel eindig, deelt in Zijn verstand, vrijheid, on-

-ocr page 23-

13

sterfelijkheid, eeuwigheid, enz. O ziel van den mensch, waarom bewondert gij de hoogte der sterren, de diepten der zeeën, den schitterenden glans der zon.... sta veeleer verbaasd over u zeiven: gij zijt het beeld van God. Daar is bijna niets in de natuur, waar gij niet op eenige wijze in deelt, o mijne ziel, gij zijt meer verheven dan de hemelen, dieper dan de hel, grooter dan de wereld, uw duur overtreft de eeuwen, gij zijt grooter dan al het geschapene... behoud uw plaats en verlaagt n niet door uw geluk te zoeken in de vergankelijke goederen.

Zoo God mijn schepper is, dan is Hij ook mijn heer. Zoo alles in mij van Hem komt, dan behoort al het mijne Hem ook toe. De meester heeft recht op den arbeid zijner dienstknechten, de vorst op de gehoorzaamheid zijner onderdanen, de vader op de onderdanigheid en den eerbied zijner kinderen; de kunstenaar beschikt naar welgevallen over zijn werk. Maar omdat ik liet schepsel van God ben, behoor ik meer toe aan God dan de dienslknecht aan zijn meester, dan de onderdaan aan zijn vorst, dan het kind aan zijn vader, dan liet vaatwerk aan den pottenbakker, die het gevormd heeft.

Aanbidding-. „Waardig zijt Gij, o Heere, onze God, te ontvangen de glorie, de eer en de macht; want, Gij hebt alle dingen geschapen en door Uw wil is het, dat zij bestaan en geschapen zijnquot;. Openh. IV, 11.

„Komt, laat ons aanbiddend nedervallen en neerknielen voor het aangezicht des Heeren, Onzes Scheppers. Want Hij is de Heer onze God en wij zijn het

-ocr page 24-

14

volk zijner weide en de kudde zi jner liand.quot; Ps. D-i. 6,7.

Dankbaarheid en liefde: \'i Is waar, o Heer, Gij hebt ons bemind met een eeuwige liefde. Gij hebt mij uit uw hart gebaard en mij tot het leven geroepen, nu nog dragen mij Uw handen, ondersteunt mij Uw vaderlijke goedheid. Gij hebt mij boven zooveel anderen het leven geschonken. Was mijn vooruitgezien gedrag ten Uwen opzichte wellicht de reden mijner uitverkiezing, de grond van de liefde, die Uw Hart voor mij zoo gunstig stemde ? Integendeel, helaas! Dat moest eerder Uw weldaden jegens mij hebben belet, die te grooter zijn, naarmate ik deze minder heb verdiend.

Berouw over het verledene en tjoed voornemen voor de toekomst-. Hoe ondankbaar ben ik geweest! Waarheen ik ook zie, nergens vind ik ik iets wat mijn eigendom is en U niet toebehoort. Wat zou ik hebben, zoo God al zijn gaven terug vorderde ? Mijn ziel zelfs en mijn lichaam behooren aan God, zij zijn van mij, omdat Hij die aan mij gegeven heeft. Alles, o Heer! behoort U toe. Gij hebt er recht op, omdat Gij het geschapen hebt en onderhoudt en ik maak misbruik van alles om U te beleedigen. Ps. 68, 6: „O God, Gij kent mijne dwaasheid en mijne misdrijven zijn voor U niet verborgen.quot; Ik wil geheel en alleen aan U toebehooren, Ik behoor U toe met noodzakelijkheid door geheel mijn natuur, ik Avil voortaan ook aan U geheel en alleen en voor altijd toebehooren door de keuze van mijnen vrijen wil.

Tweede Deel. Ik hen geheel voor God. Hij heeft

-ocr page 25-

15

mij geschapen en Hij onderhoudt mij enkel en alleen om Hem te kennen, te dienen en te beminnen. Hij is de oneindige volmaaktheid en Hij heeft mij het verstand gegeven om Hem te kennen. Hij is de oneindige goedheid en Hij heeft mij een hart gegeven om Hem te beminnen. Hij is de Opperheer en al de krachten mijner ziel en mijns lichaams heeft Hij mij alleen geschonken, opdat ik Hem de hulde en de gehoorzaamheid zou bewijzen, die ik Hem verschuldigd ben. Is waarlijk waarduj en rechtvaardig^ billijk en en heilzaam, dat wij U altijd en overal dank zeggen, dus vangt dagelijks de Kerk de praefatie aan der H. Mis. Mijn onophoudelijke toeleg moet zijn, D, o mijn öod; te bedanken en Uw eer te bevorderen door altijd Uw H. wil te volbrengen: daar is niets meer rechtvaardig] ik kan niet in gebreke blijven zonder Uw heiligste rechten te schenden.

Niets is een redelijke, vooral een Christelijke ziel meer waardig, die Gij met zooveel weldaden overladen hebt. Daarin moet ik al mijn verheffing, al mijn glorie zoeken. Men wordt eenigermate gelijk aan God, als men denkt als God, alleen wil wat Hij wil, Zijn leven leeft: geef mijne ziel uit U te leven. Zoo ik mijn waarachtig belang naga, dan kan niets mij meer voordeelig zijn, :l is billijk en heilzaam.

Verwondering en dankbaarheid\'. Welk een eer voor mij geheel voor U te zijn, omdat Gij daarin mij met de Engelen hebt gelijk gesteld, wier geheele verrichting bestaat in U met eeuwige lofzangen te verheerlijken en Uw H. wil te volbrengen. Gij hebt mij

-ocr page 26-

16

daardoor deelgenoot gemaakt van Uw eigen Zoon, die in de wereld gekomen is om fj te verheerlijken. Mag ik liet zeggen, o Heer, Gij hebt mij daardoor gelijkvormig gemaakt aan U zelven, Die niets doet en niets doen kunt dat niet ter Uwer verheerlijking strekt... Welk een dankbaarheid en liefde \'ben ik U schuldig, dat Gij mij tot zulk een edel doel geschapen hebt!

Berouw en voornemen. O mijn Heer en mijn God, hoe slecht heb ik U tot dusverre gediend! Ik moest alles doen strekken tot Uw verheerlijking, zelfs de minste mijner daden, gelijk de Apostel gebiedt, I. Corinth. X, 31: „Hetzij gij eet, lietzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles ter eere Gods,quot; — en hoe dikwijls heb ik bij mijne daden, zelfs bij de heiligste bedieningen niet Uw eer gezocht? Bijna nooit heb ik enkel en alleen U op het oog gehad, maar al te dik-\' wijls, helaas, heb ik tegen U gehandeld, gezondigd, op nieuw maak ik nu liet besluit, zoo dikwijls reeds door mij gemaakt, maar, zoo dikwijls ook weer ontrouw geworden: Alleen voor U, o mijn God, alles voortaan voor U alleen.

Derde Deel. God is alles voor mij. Zoo naijverig God is op zijn eigen eer, zoo bezorgd is Hij ook voor ons heil en Hij heeft ons geluk willen verbinden met Zijn dienst. Hij had tot ons kunnen zeggen; Zoo gij mij gehoorzaamt, doet gij uw plicht en zal u geen kwaad geschieden; maar Hij zegt ons: Dient mij en gij zult het heerlijkste loon ontvangen, ik zelf zal uw belooning zijn. Gen. XV, 1: „Ik zal uw loon ztjn groot boven mate.quot; Die belooning ziet vooral op de

-ocr page 27-

17

eeuwigheid. Maar wat doet de zoo goede Meester reeds niet in dit tegenwoordig leven voor hen, die zich geheel aan Hem geven? Hij vestigt zijn verblijf in hun hart, slaat daar zijn Troon op en doet er met Hem dien vrede heerschen, welke alles te boven gaat. Hij beschermt hen tegen hun vijanden; Hij verhoort hun gebeden, voorkomt hun begeerten. Zijn voorzienigheid waakt over hen als een moeder over haar kind, haar eenige lieveling.

Vene onderin g en berouw. Ik honger naar geluk, ik weet dat God alleen in staat is dien honger te stillen ; en altijd blijf ik hardnekkig voortgaan met buiten Hem te zoeken wat ik niet kan vinden dan in Hem alleen. Zal dan mijn geheele leven verloiengaan in nuttelooze pogingen ? Reeds zooveel tijd heb ik verloren met de ijdelheid te beminnen en den leugen na te jagen. Hoevele stappen waren misstappen buiten den weg des Hemels. Om mij van alle dingen los te maken en mij aan U alleen te hechten, hebt Gij toegelaten, goede God, dat ik, van TI afgedwaald, niets anders ontmoette dan schande en bitterheid. Jammer genoeg heb ik met de lessen, mij zoo barmhartig gegeven, weinig of geen voordeel gedaan.

lrrees en voornemen. Hoe onvoorzichtig ben ik tot nog toe te werk gegaan en dat waar zulke hooge belangen op het spel stonden! Wat staat mij te wachten, zoo de weinige jaren, die mij resten, niet volledig het verledene goed maken. Gij, Heer, heb medelijden met mijn verblinding en laat niet toe, dat ik ooit weer afdwale van ü, het opperste Goed.

-ocr page 28-

DERDE OVERWEGING,

Over de middelen, die den menscli zijn gegeven om lt;ol, zijn doel te komen.

Alle vermogens van onze ziel en van ons lichaam, alle schepselen ter wereld zijn middelen tot ons doel. God heeft de geheele natuur uit het niet te voorschijn geroepen en Hij onderhoudt alles voor den mensch alleen, om hem te helpen het doel te bereiken, waarvoor hij geschapen is. Alle overige dingen, die op aarde zijn, zijn geschapen om wille van den mensch, opdat zij hem helpen het doel zijner schepping te bereiken. „Aldus de H. Ignatius in zijn lib. Ex ere.

1. Hoe kunnen de schepselen ons tot ons doel brengen ?

2. Hoe moeten wij er ons van bedienen, opdat zij ons werkelijk tot ons doel brengen?

Eerste Voorberkiding. Verbeelden wij ons de wereld als Jacob\'s ladder, langs welke wij moeten opklimmen tot God, ons laatste doel. Daar zijn zooveel trappen als er schepselen zijn en God zelf is aan het boveneinde van de ladder, ons met deze woorden aanmoedigend: Komt hier deelen in mijn geluk. Ter gelijker tijd toont Hij de voor ons bestemde kroon.

-ocr page 29-

19

Tweede Voorbereiding. Vraag aan God de genade van niet alleen de diensten te leeren kennen, welke wij van de schepselen kunnen hebben tot onze heiliging, maar bid tevens om de wijsheid en kracht, die noodig zijn om er een goed gebruik van te maken.

Ebrste Deel. Hoe kunnen de schepselen ons tot ons doel brengen? Ons doel is geen ander dan hier God te kennen, te dienen en te beminnen, om Hem hier namaals eeuwig te aanschouwen en tot dit doel kunnen en moeten alle schepselen, ieder op zijne wijze, behulpzaam zijn.

1. Om God te kennen: De wereldorde openbaart ons Zijn wijsheid of liever stelt ons al Zijn oneindige volmaaktheden voor oogen, vooral Zijn macht en grootheid: „De hemelen vermelden de heerlijkheid Gods, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

De ééne dag geeft den anderen het woord over, en de ééne nacht doet het kond aan den anderen.

Het zijn geene reden, het zijn geene woorden, waarvan de klanken niet vernomen worden.

Hun geluid gaat over heel het aardrijk uit, en hunne woorden tot aan het einde der wereld.

In de zon sloeg Hij Zijn tente op.

En Hij 1) is als een bruidegom, die zijne kamer uitgetreden, vroolijk als een held ter baan gaat.

Van het eene einde des hemel is zijn uitgang, en

1) Wij nemen het, woord :on, dat Tronwelijk is, met Beelen hier mannelijk, om \'t geen van de zon gezegd wordt: als een bruidegom, enz. liet schitterend schoon der zou wordt vergeleken bij een bruidegom, hare kracht bij die van een krijgsheld

-ocr page 30-

20

zijn loop is tot het andere; en niemand kan zich voor zijn gloed verbergen.quot;

De zee verkondigt Gods onmetelijkheid, de bloeiende velden spreken ons van Zijn schoonheid... het bestaan van den booze zelf legt getuigenis af van zijn geduld en zijn barmhartigheid.

2. Om God te dienen. Ieder van die ontelbare menigte schepselen geeft ons een voorbeeld. Ps. 118, 91: Alles is U dienstbaar. Marc. IV, 40: De vind en de zee gehoorzamen Hem. En hoe doen zij den wil des Heeren? Zij doen het met blijdschap, Baruch III, 35: „De sterren gaven licht op haar wachtposten en verheugden zich. Zij tierden geroepen en spraken: Hier zijn u ij: en zij schenen met opgewektheid voor Hem, die haar gemaakt had:\' Zij doen het met eerbied: „Hij, die het licht uitzendt en het gaat; en Hij riep het en het gehoorzaamde Hem in vreeze. (38) — Zij doen het met waardigheid, Ps. 103, 3. 4: „Gij maakt Uwe Engelen tot winden en Uwe dienaren tot vlammend vuur.quot; Zijdoen het trouw volhardend, Ps. 118, 91: .Naar Uwe ver-ordening is de dag bestendig.quot; De zon begint en eindigt haar loop met de grootste nauwkeurigheid op het aangewezen oogenblik. — Zij volbrengen Zijn wil bijwijlen tegen den gewonen gang hunner natuur in. Wil God het, dan brandt de vlam van den gloeienden oven de drie jongelingen niet, dan is de zee een vaste weg onder de voeten van Petrus, dan staan de wateren des Jordaans van weerskanten als een muur en laten den doortocht vrij aan Gods volk. O mijn God, welk een schoonen lofzang zingt de geheele schepping

-ocr page 31-

17

ter uwer glorie! als mensch en vooral als Christen moest ik de ziel van het algemeene danklied der onbezielde schepping zijn en helaas, honderde malen heb ik den zang gestoord en geweigerd U te dienen en dat terwijl juist ik, het middenpunt en pronkstuk der schepping, daartoe het meest was verplicht.

3. Om God te beminnen. Zijn goedheid voorziet ons zoo overvloedig van alles, zijn liefde dient ons in alle schepselen. Of is Hij het niet, Die ons verlicht met het licht der zon, die ons spijzigt met de vruchten der aarde AVelk een krachtige beweegreden om God te beminnen ligt daarin, dat Hij, mogen we zeggen, ons dienen wil en met zoo nauwlettende zorg voor onze behoefte waakt!

4. De schepselen eindelijk voeren ons tot het bezit van God door de gelegenheid, waarin zij ons stellen van de deugden te beoefenen, waarvan G-od het loon zal zijn. Daar zijn schepselen, wier gebimik noodzakelijk is tot behoud van de gezondheid en het leven; zij geven de gelegenheid tot het beoefenen der matigheid, der onthechting, der dankbaarheid, enz. — Daar zijn dingen, van welke de natuur afschrik heeft en die wij toch niet kunnen ontgaan, zooals ziekte en armoede; zij geven de gelegenheid tot het beoefenen van geduld, nederigheid en onderwerping. — Daar zijn ook gevaarlijke dingen, die ons konden afwenden van God; zij geven gelegenheid tot het oefenen van versterving en tot het brengen van een offer aan God.

II. Hoe. moeten ire van de schepselen gebruik maken, opdat zij ons brengen tot ons doel. S. Bernardus

2

-ocr page 32-

18

^egt: „Alles werd ons geschonken tot ons nut ; sommige dingen nu dienen tot ons onderhoud, andere tot onze leering, en eindelijk niet weinige tot onze bestraffing. Nu is het zaak, ieder ding te gebruiken volgens de door God gegeven bestemming en naar gelang van onze behoeften. Deze twee regels komen hier in aanmerking.

1. Bij de dingen, waar wij niet geheel buiten kunnen, zooals voedsel, woning, kleeding, rust enz. moeten wij ons bepalen tot het noodzakelijke, edelmoedig al het overtollige opofferend, en ze met dankbaarheid gebruiken. De godvruchtige Eichardus a S Victorie laat ze aldus tot ons spreken: „Neem ons aan, geef er voor terug en vrees. Maak gebruik van den aangeboden dienst, wees er dankbaar voor en vrees voor het, oordeel (over het al niet goed gebruik van ons gemaakt).quot;

Zoo min als het in onze macht is den hemel en de aarde niet te zien, zoo min kunnen wij het gezelschap der menschen ontvluchten, in wier midden wij leven; wij moeten hen zien, wij moeten duizende dingen hooren of die ons aanstaan of niet, maar iedere zaak is op de een of andere wijze geschikt onze ziel tot God te verheffen. Dat noemen de Heiligen: God vinden in de schepselen.

2. Daar zijn andere dingen, wier gebruik niet noodzakelijk is, maar die het ons vrij staat te nemen naar eigen keus: ik kan dezen of een anderen staat kiezen, ik kan fortuin zoeken te maken, eereposten bekleeden en ik kan er mij ook volstrekt niet om be-

-ocr page 33-

19

kommeren. De regel, dien de schrijvers over het geestelijk leven ons hieromtrent geven, is deze: We moeten de heilige onverschilligheid beoefenen, dat wil zeggen, wij moeten de dingen beschouwen met het oog op den dienst van God en op onze eeuwige zaligheid; we moeten geen enkel ding zoeken, maar ook niet verwerpen om zich zelve, maar alleen vragen, of het ons brengt tot of verwijdert van ons eeuwig doel. Niets is billijker dan dit. Of heeft God geen onbeperkte en volledige macht over ons ? Zonder die onverschilligheid doe ik te kort aan zijn Oppermacht, omdat ik mijn begeerten inricht niet volgens zijn maar volgens mijn eigen wil. Wat brengt mij tot God? Een godvruchtige oefening, ingetogenheid; ik wil mij er dus meer dan ooit op toeleggen. Wat verwijdert mij van God of belet mij aan God geheel toe te behooren ?

Uitgelatenheid, vrijwillige onvolmaaktheden, de neigingen, die ik weet, dat mijn zwak zijn — deze moet ik met moed bestrijden.

Zoek God in alles, hecht U aan Hem alleen en loof Hem in naam Zijner schepselen: Jooft den Heer (jij alle zijne werken.\'\'\'\' Daniël, III, 37.

-ocr page 34-

VIERDE OVERWEGING.

Over de middelen die den men.soli zijn gegeven om tot zijn doel tc komen.

T. God geeft zijn genaden.

II. God geeft zich zeiven.

Eerste Deel. God geeft ons zijn (lenaden. Genade is de bovennatuurlijke hulp en bijstand van God. Zij wordt ons verleend om wille van de verdiensten van Jesns Christus en is noodig tot onze heiliging en bijgevolg noodzakelijk ter zaligheid.

De genade is niltcevdiy, bijvoorbeeld de verkondiging van Gods woord, het voorbeeld van den Zaligmaker en dat van Gods Lieve Heiligen, de gunstige gelegenheden tot heiliging, alles kortom wat buiten ons in staat is ons af te honden van het kwaad en te brengen tot het goed. Zij is inu-endig, de staat van heilig-makende genade, de werkdadige genade, die ons verstand verlicht en onzen wil beweegt, heilzame vrees, verlangens en gevoelens, alles wat ons onthecht aan de schepselen en ons hecht aan God, alles wat ons ondersteunt in de beoefening der deugd en ons helpt om de bekoringen te overwinnen.

Welke waarde nu heeft de genade? O mijn zielj indien gij de gave Gods ken del (Joan. IV, 10)! De ge-

-ocr page 35-

21

iiiidi? is een schat, welke onvergelijkelijk ver alle rijkdommen der wereld overtreft. En die genade wordt allen aangeboden op zoo velerhande wijzen, God is er zoo kwistig mede vooral ten uwen opzichte.

Alle dagen kunt gij tegenwoordig zijn bij het H. Offer der Mis, waar de Gever van alle genaden de bronnen daarvan overvloedig openstelt. Alle dagen kunt gij de H. Sacramenten ontvangen, die de gewone kanalen zijn, waardoor de genaden ons toestroomen. Gedurig kunt gij een of andere godvruchtige oefening verrichten, ieder oogenblik daalt een straal der waarheid, een heilige ingeving in uw hart.

O mijn God, hoe innig zou ik nu met IJ vereenigd zijn, tot welk een heiligheid zou ik zijn opgeklommen, liadde ik altijd als getrouwe dienstknecht gewoekerd met de zoo rijkelijk door U geschonken talenten! Maar helaas, wat heb ik weinig voordeel gedaan met hetgeen mij was toevertrouwd. Wat zal ik vol schaamte kunnen antwoorden, als Gij mij zeggen zult: \'„Ik hch acroepev, en (jij hebt jeweiyenl: Ik hei mijn hand uitgestoken, en daar teas niemand die daarop zay.

Gij hebt al mijn raad versmaad, en mijn bestraffingen hebt (jij niet geacht.

Dus zal ik ook in nw verderf lachen, en n bespotten, als u datgene, dat gij vreesde, zal overkomen zijn.

Als u overkomen zal zijn een onvoorziene katijvigheid, en dat hel verderf u overvallen zal als een stoomwind: als over u komen zal de verdrukking tn benaauwdheid.

Dan zullen zij mij aanroepen, en ik zal ze niet hoeren: \'s morgens vroeg zullen zij opstaan en mij niet vinden:

-ocr page 36-

22

Omdat zij de leerimj jekaut Itebben, en de vreeze ues Heereh niet hebben ontvangen.

Noch gevolgd hebben mijn raad\' en gelasterd hebben al mijn bestraffing.

Hierom zullen zij de vruchten huns wegs eten en can hun zaden zullen zij verzaad worden.quot; Prov. I, 24, volg.

Ik vrees, dat mij hetzelfde banvonnis treft als Saül, I Kon. XV, 19: „[En Samuël zeide: Waarom hebt gij dan de stem des Heeren niet gehoord: maar... hebt gij kwaad gedaan in des Heeren oogen?....

22. Meent gij dat de Heer begeert brandoffers en slachtoiferanden, en niet veel meer dat men des Heeren stem onderdanig zij ? Want onderdanigheid is beter dan slachtoiferanden: en gehoorzaam zijn is meer dan offeren het vet van rammen.

Want gelijk de zonde der too ver ij is wederspannig zijn: en als de groote misdaad der afgoderij is niet willen hooren. Daarom omdat gij het woord des Heeren verworpen hebt, zoo heeft u de Heer ook verworpen....

En Saül heeft tot Samuël gezegd: Ik heb gezondigd, omdat ik des Heeren woord... overtreden heb.... Maar nu bid ik u, wilt mijn zonde dragen en keert met mij weder om...

En Samuël zeide tot Saül: Ik zal mét u niet weder omkeeren, want gij hebt het woord des Heeren verworpen en de Heer heeft u verworpen...

En Samuël keerde zich om dat hij weggaan zou: maar Saül greep het opperste van zijn mantel, welke is gescheurd.

En Samuël zeide tot hem: De Heer heeft het rijk

-ocr page 37-

23

van Israël van u gescheurd op dezen dag, en lieejt het wren naaste overgegeven die heter is dan (fy.

Voorts zoo zal de triumfeerder in Israël niet sparen, noch zal liij door berouw gebogen worden: want hij is geen mensch dat liet hem berouwen zon.

Als ik bekennen moet ongetrouw te zijn geweest aan de genade, moet ik dan niet schrikken bij de voorbeelden der schrift? Heli wordt verworpen en

t Samuël komt in zijn plaats, evenzoo gebeurt met Saül

en David, Judas en Mathias, een der veertig martelaars ii van Sebaste verliest zijn kroon, en zijn wachter ont-

ii vangt die. Ik beken het, o mijn God. Ik verdien

r niet, dat Gij mij verder liefde meer bewijst, maar de

n profeet zegt (Habacuc III, 2): ah gij gram zult ivezcn,

zoo zult c/ij der harinhartigheid gedenken, spreek daarom g ik bid nog tot uw dienstknecht, hij zal u bereidwillig

jt gehoorzamen: Spreek- Heer, uw dienaar luistert. I B.

m der Kon. III, !gt;.

IIe Deel. God geeft Zichzelven. Gods mildadigheid ti- jegens deu mensch gaat wonder ver. Het was Hem

niet genoeg, dat tallooze schepselen ons ten dienste i\'t stonden en Hij zelfs Zijn Engelen tot onze bewaarders

had aangesteld. Hij zelf, ons doel, wilde ook het middel ev zijn, teemt, gelijk Sint Jan zegt III, 16, cdzoo heeft

en Q0d de wereld lief gehad, dat Hij Zijnen Ee-nig geboren1

Zoon gecjeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, \'U: niet verloren ga, maar het eeuwige leven hehbe.

ke Het eeuwige woord des Vaders heeft zichzelven aan

ons gegeven: De Zoon Gods, Die mij hee/t lief gehad^ \'ijk en Zichzelven heeft overgeleverd voor mij. Gal. II, 20.

-ocr page 38-

24

Eu waartoe anders heeft Hij ons dat geschenk gegeven, dat alle gaven te boven gaat, dan om ons door zulk een middel van oneindige kracht de zaligheid gemakkelijk te maken? Wat ontbreekt ons met Jesus om alles te doen, wat ter zaligheid noodig is.

O onuitsprekelijke barmhartigheid G-ods! roept de H. Anselmns uit in zijn boek: Waarom God mensch werd, 19. „De Vader zegt: neem mijn ééniggeborenen, en stel Hem in uw plaats; en de Zoon zelf: neem Mij en geef Mij voor u.quot; Wat waarde zou mijn aanbidding, dankzegging, gebed en voldoening hebben zonder Jesus Christus? Maar als ik mijn gedachte vereenig met de gedachte van Jesus Christus, mijn gevoelens met de Zijne, mijn zwakke boetvaardigheid met Zijn oneindige voldoening, de bewijzen van mijn eerbied jegens Gods Opperheerschappij, mijn dankbaarheid voor de bewezen weldaden met die Hij zelf aan Zijn hemelschen Vader opdraagt in Zijn naam en in de naam van al Zijn ledematen; als ik mijn gebed vereenig met Zijn gebed, de stem van mijn vermorzeld hart met de stem van Zijn Bloed, dan moet Gij Vader van Jesus en ook mijn Vader, tevreden zijn en ik vrees niet meer, dat Gij mijn eerbetuigingen versmaadt, miju smeekingen verstoot. O hoe zoet is het, mij te verbergen onder den rijken mantel van de verdiensten mijns Zaligmakers! Wat is het mij goed mijn hoogmoed te bedekken met Zijn nederigheid, mijn opstand met Zijn gehoorzaamheid, mijn zonden met Zijn heiligheid, mijn schandelijk gedrag met Zijn aanbiddelijk leven! Zoo ben ik, ondanks

-ocr page 39-

25

mijn onmacht, armoede en nietswaardigheid, ondanks mijn grooto onwaardigheid in staat U, o mijn God, voldoening te geven, ik heb alleen mijn toevlucht te nemen tot Uw welbeminden Zoon, Uw waardigen en volmaakten dienaar. Ik zal in Hem vinden alles, wat mij ontbreekt en de volkomen voldoening voor al mijn zonden.

Verwek gevoelens van bewondering, dankbaarheid en vertrouwen. Maak het besluit voortaan met aandacht te luisteren naar de stem der genade, trouw de ingevingen te volgen, dikwijls u te vereenigen met Jesus Christus, met zijn bedoelingen en handelingen. Vooral aan de H. Tafel spreekt Jesus tot het hart van den geloovige. Daar vereenigt Hij zich op het innigste met de ziel, daar leert Hij haar te leven in en met en door Hem.

Een goede H. Communie is een groote stap naar het eeuwige leven, naar het oneindige geluk, waarvoor ik geschapen ben.

-ocr page 40-

VIJFDE OVERWEGING.

Hciimling der beide Torige naar aanleiding Tan een tekst van Sint Panlns.

„Want alles is Uw: hetzij Panlus, hetzij Apollo, hetzij Cephas, hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij het tegenwoordige, hetzij het toekomende. Want alles is Uw;

Maar gij van Christus, en Christus van God.quot;

I Corinth. Ill, 21, 22.

Deze woorden toonen ons aan, hoe in den christen de hoogste wijsheid gepaard gaat met de eervolste dienstbaarheid. Alles behoort hem, maar hijzelf behoort aan Jesus Christus.

Eekste Deel. Alles behoort mij. Als God mij by het Doopsel tot zijn kind aannam, gaf Hij mij een heerlijk Koningschap en Hij sprak bij monde van den groot en Apostel; Mijn zoon, alles is uw. Welk een onmetelijke gezichteinder ligt hier voor de oogen des geloofs.

Van het oogenblik dat ik kind ben van God, behoort alles mij toe. Vooreerst de Kerk, die ons wordt voorgesteld door de Apostolische mannen, hetzij Paulus, hetzij Apollo, hetzij Cephas. Ja, de Kerk is voor mij; de Kerk, die geestelijke wereld, met de zon der waarheid, de schittering harer geheimen, de levende wate-

-ocr page 41-

27

reu liarer Saciameiiteii, met haar menigle getuigen, beschermers, voorbeelden, met de waarlijk onuitputtelijke schatten van genade. In zijn levendige dankbaarheid eigende zich Sint Paulus de verlossing van Jezus Christus toe, (Ue hem had hemnd en zich voor hem aan den dood had overgeleverd. Ik kan hetzelfde doen ten opzichte der Algeraeene Kerk, van den arbeid der Apostelen eu hun opvolgers, van hun leer, hun leven, hun dood... alles wat der Kerk toebehoort is mijn. Al haar dienaren, alle middelen ter heiliging, over welke zij beschikt, zijn even goed voor mij als het licht en en de lucht des hemels. Wee mij, zoo ik er geen voordeel mede weet te doen. Een ondankbare kan niet zonder schrik denken aan het woord van den Apostel, Hebr. VI, 7, 8; „Want aarde, den menigmaal over haar komenden regen gedronken hehhende, en voortbrengende gewas, dienstig hun, door wie zij bebouwd wordt, ontvangt zegen van God; Dragende echte)\' doornen en distelen, is zij verwerpelijk, en der vervloeking nabij, welker einde is tot verbranding.quot;

Maar zoo de Kerk voor mij is, de wereld is voor de Kerk, en bij gevolg is de wereld voor mij, hetzij wereld. We hebben het reeds overwogen Hoe krachtig laten de schepselen allen hun stemmen hoeren om mij op te wekken tot de liefde voor God. Hoe smart het hun, hoe weeklagen zij, als ik hun natuur geweld aandoe en hen omkeer van hun doel, tot beleediging van den algemeenen weldoener datgene misbruik, wat mij alleen gegeven was om mij te helpen in ziju dienst: Al het schepsel zucht en is als in barensnood tot nu toe, Rom. VUL 22.

-ocr page 42-

i

28

Het lovpii is mijn, hetz\'j leren. Het leven met al zijn wisselingen, zijn droeflieid, zijn vreugde, zijn schoone en sombere dagen, zijn beproevingen en zijn vertroostingen: Tl7/ nu ireten, dat aan hen, die God liefhebben, (dies medeirerht ten goede. Rom VII F, 28. Het leven, dat^Gods Zoon op aarde i§ wezen brengen: Ik hen gekomen opdat zij het lecen hehben en ocervloe-diger hebben. Joan- X, 10. Is Hij zelf niet liet leven? Ik ben het leven. Maar Jezus behoort mij toe. Zijn Vader beeft Hem aan mij gegeven; Hij zelf heeft Zich gegeven en geeft Zich nog aan mij, zoo vaak ik wil, als levend brood en als beginsel des levens. Ik ben het brood des levens ... Ik ben het levend brood. Joan VI, 48, 51.

Ook de dood is mijn, hetzij dood. Ik kan wel is waar den dood niet ontgaan, maar ik kan mij in staat stellen hem niet alleen niet te vreezen, maar zelfs naar hem te verlangen. Sedert mijn Verlosser hem heeft verwonnen, is het in mijn macht hem tot mijn slaaf te maken en er groote diensten van te trekken; ik kan hem noodzaken, dat iiii mij binnenleidt in de gewesten des eeuwigen levens.

Alles is dus mijn, de toekomst zoo goed als het heden, hetzij het tegemcoordige, hetzij het toekomende. Het goede, wat God mij bewijst, is het onderpand van hetgeen Hij voor mij bereidt. Dit vertrouw ik, dat ik het goede des Heeren nog zal geniete» in V land der levenden. Ps. XXVI, 13.

En later zal ik met Hem heerschen in de eeuwigheid. O welk een heerlijk koningschap! Maar daar

-ocr page 43-

20

voor is noodig, dat Christus over mij lieersche. Overwegen wij die edele dienstbaarheid.

Tweede Deel. Ik behoor aan -Testis Christus toe. Sint Thomas geeft deze bepaling van den Christen: Christen iranlt hij c/enoemd, die aan Christus toebehoort. Tk behoor Hem toe als de prijs van Zijn lijden en dood. Hij heeft mij geheel verworven door zich geheel in mijn plaats op te offeren. Gal. IT, 20: Hij heeft zich zeken voor mij overcjeleverd. U neen. ik behoor niet meer aan mij zeiven toe, daarvoor heb ik te vee! aan mijn Verlosser gekost; I Corinth. VT, 19, 20: Gij hehoort u zelven niet foe, trant c/ekocht zijt (jij tot hooien prijs.

Heeft Hij mij losgekocht door zijn dood, bij het Doopsel heeft Hij bezit van mij genomen. Op het oogenblik van mijn geestelijke wedergeboorte, ben ik geteekend met het zegelmerk van Zijn Geest voor den dag der verrijzenis: Net den Heiligen Geest Gods zijt (jij bezegeld tot den dag der verlossing. Dit goddelijk merkteeken in onze ziel drukkend heeft Hij als het ware gezegd: Dit schepsel behoort mij, het moet mij getrouw zijn en dan zal ik het heerlijk doen verrijzen, als ik al mijn uitverkorenen rondom mij zal vereenigen. Ik behoor dus toe aan .Jezus Christus, om Hem te dienen eu om alleen door Hem en met Hem gebruikt te worden tot den dienst van zijn Vader. Door mijn losprijs te betalen en mij doorliet Doopsel lidmaat te maken van Zijn lichaam, heeft Hij een redelijk wezen meer willen hebben, dat God den Vader zon aanschouwen, een vrijen wil meer aan

-ocr page 44-

30

God willen onderwerpen, een hart meer willen hebben, dat God beminde, een mond meer de gelieele eeuwigheid door de hemelsche lofzangen doen zingen.

Ik behoor toe aan Jesns Christus. Welk een glorie! Sint Paulus roemt op de weergalooze eer van de dienaar te zijn van zulk een grooten meester; het is zijn titel van adeldom, waarop hij groot gaat: Paulus dienaar ran Jesus Christus. Maar ik mag het dan ook niet vergeten: adel geeft plichten. Om aan Jesus Christus toe te behooren, is het noodig dat ik Zijn leven leef, dat Zijn Geest mij bezielt: Indien iemand den Geest ran Christus niet heeft, die is niet van Hem. Rom. VIII, 9. De mensch, die volgens den geest der wereld leeft, heeft zooveel meesters als hij hartstochten heeft. De onkuischheid komt en zegt hem: Gij behoort mij toe, omdat gij de genoegens des vleesches begeert. De gierigheid komt en zegt: G ij behoort mij toe; het goud en zilver, dat gij bezit, is de prijs uwer vrijheid. Alle ondeugden komen en ieder van haar zegt: Gij behoort mij toe. Om geheel aan Jesus toe te behooren, moet men los zijn van alle schuldige banden, alle booze neigingen overwinnen en door zijn gedrag altijd- toonen een dienaar te zijn van dien voortreffelijken Meester: Hij is niet van Christus, tenzij hij vrij is van kwaad; hij is niet van Christus, tenzij hij altijd zich als een dienstknecht van Christus kan toonen. Sint Ambrosius.

O welk een zoete gedachte, ik behoor U toe, mijn lieve Jesus. Ik ben van U. Ziedaar wat mij de verklaring geeft van de vaderlijke zorgen TTwer Voor-

-ocr page 45-

31

zienigheid ten mijnen opzichte; ziedaar tevens de grond van mijne hoop op de eeuwige zaligheid. Zal men ooit kunnen zeggen, dat ik uit Uw handen verloren ben gegaan ? Neen, Heer, Gij zult dat niet toelaten, door mij te redden, redt Gij Uw eigendom: Dp. Uwe hen ik, maak mij zalig- Waar ik schaam mij over de heiligschennende vermetelheid, waarmede ik zoo dikwijls over mij zeiven heb durven beschikken ten nadeele van Uwe ontwijfelbare rechten, door met mijn verstand, mijn hart, mijn lichaam, mijn gezondheid, mijn tijd, mijn leven te doen, alsof zij niet op de eerste plaats van U waren en mij geheel alleen toebehooren. En ach, o mijn God! Welk een gebruik of beter gezegd welk een schandelijk misbruik heb ik er van gemaakt.

Verwek berouw over het verledene. Wijd u op nieuw aan Jezus Christus toe, geef u geheel aan Hem. Maak het vast besluit voortaan met kracht alles te bestrijden wat u van Hem zou kunnen scheiden.

-ocr page 46-

ZESDE OVERWEGING.

De Christen.

Daar is in mij een geheel verschillend leven: het natuurlijk leven, dat de rede tot leidsvrouw heeft en het bovennatuurlijk, goddelijk leven, dat door het geloof wordt bestuurd. Van Adam heb ik het natuurlijk leven, het bovennatuurlijke is mij geschonken door Jezus Christus, door het eene leven ben ik mensch, door het andere ben ik Christen. Wat is een Christen?

I. Welke is zijn waardigheid?

II. Welke is de voortreffelijkheid van zijn staat?

III. Hoe moet hij dien staat beleven?

Eerste Deel. Waardigheid van den Christen. Deze bestaat in de nauwe vereeniging met Jesus Christus, van Wien de Christen alles ontvangt : licht, verdienste, handeling en leven.

1°. De Christen ontvangt van Jezus Christus het ücht der waarheid. De Zaligmaker zelf leert het ons „Ik ben een licht in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in mij gelooft, niet in de duisternis blijve.quot; Joan. XII, 46. En de Apostel zegt: „Gij waart eertijds duisternis, nu echter zijt gij licht in den Heere.quot; Eph. V. 8. Jesus verlicht ons ten aanzien van die dingen, welker kennis voor ons van hel

-ocr page 47-

meeste belang is, namelijk God, ons zeiven en de wereld. — God. — De rede zeg\'t ons weinig van Hem in vergelijking van de kennis, die wij verkrijgen door de openbaring. Wat leert ons toch het geheim der Menschwording alleen? Een God was noodig om het offer te brengen van aanbidding zijner waardig en zijn glorie te herstellen. — Welk een grootheid; een God moest, het zoenoffer zijn — Welk een heiligheid en verschrikkelijke gerechtigheid. Zijn eigen Zoon heeft Hij ons gegeven om ons met Hem te verzoenen, hoe barmhartig en goed is Hij! — Ods zeiven. Hoe hoog zijn wij verheven in Jesus Christus! De Godmensch is onze broeder, de Godmensch onze losprijs. „Richt u zelve op, mijn ziel,quot; roept Sint Augustinus uit, „zooveel zijt gij waard.quot; En de H. Euch. zegt: „De verlossing geschiedt met zulk een overvloedig geschenk, dat de mensch de waarde schijnt te hebben van God.quot; — De wereld met haar vermaken, rijkdommen en eerbewijzen. Ach, hoe klein is mij dit alles, als ik haar beschouw met de oogen op Jesus Christus. Zal ik dan nog hoog schatten, wat de oneindige wijsheid heeft veracht?

2°. Alle verdienste komt van Jesus Christus. Zonder Hem heeft ons werken, ons lijden, ons otïer geen waarde voor den hemel. Wij kunnen alleen aan God behagen door onze vereeniging met zijn welbeminden Zoon.

3°. Jesus is ons beginsel van handeling. Wat ik als Christen doe, doet Hij in mij, met mij, door mij. Bij Joannes XXII, \'28 spreekt Hij tot den Vader: „Ik

3

-ocr page 48-

34

in hen, en Gij in mij.quot; En Joannes V, 17: „Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk.quot; De werking van Jesns Christus in den volmaakten Christen is onder sommige opzichten te vergelijken met die Zijner godheid en Zijner menschheid. Geen gedachte werd er gevormd, geen woord gesproken dan op ingeving en onder leiding van liet Woord. Christus is in den Christen als het hoofd in zijn ledematen, Hij beweegt hen volgens zijn wil; als een vorst in zijne staten, om ze te regeeren; als een loods in zijn schip om het te besturen: als de zon in de wereld om haar te verlichten, te verwarmen en vruchtbaar te maken.

4°. Jesns is ons leven. Gescheiden van Hem ben ik de rank, die gescheiden is van den wijnstok, ik ontvang niet meer de sappen, welke het leven onderhouden, ik ben dood. Hij is onder ons gekomen om ons het leven te geven, dat Gods leven is en Hij klaagt over hen, die het niet in Hem komen zoeken. Joan. V, 40: „En gij wilt niet tot mij komen, opdat gij het leven moogt hebben.quot; Hij biedt zich aan ons aan als een levend brood. Joannes VI, 41: „Tk ben het levende broodopdat wij dien H. Maaltijd nemend, door Hem zouden leven, gelijk Hij leeft door zijn Vader, opdat wij van Hem alles zouden ontvangen, gelijk Hij alles ontvangt van den Vader; Joannes VI, 58: „Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik door den Vader leve, zal ook hij, die mij eet, door mij leven.quot; O Christen, ken dan uw waardigheid. Lidmaat van het menschgeworden Woord, herinner (J uw hoofd; deelgenoot van de goddelijke

-ocr page 49-

35

natuur, moogt gij niet te kort schieten aan uw hoo-gen rang door gevoelens en een gedrag, zulk een verheffing geheel onwaardig.

Tweede Deel. Voortreffelijkheid van het Christelijk leven. We hebben het reeds overwogen, liet leven van den Christen is niets anders dan het leven van Jesus Christus in ons. De geest des Verlossers, zegt een godvruchtig schrijver, heeft aan twee lichamen het leven te geven, aan het lichaam, dat Hij heeft aangenomen in den schoot der H. Maagd en aan het lichaam, dat Hij zich heeft verworven door ons vrij te koopen van den dood: het eerste is zijn natuurlijk lichaam, het andere zijn mystiek lichaam, de Kerk. Het eerste leven van Jesus op aarde eindigde op den Calvarieberg, het tweede zet Hij in ons voort. Hij kan nu niet meer lijden, niet meer verdienen in Zijn natuurlijk lichaam, maar Hij wil zijn Vader verheerlijken tot aan de voleinding der eeuwen door de heilige handelingen en het lijden Zijner ledematen.

Het leven van den Christen is dus in waarheid de voortzetting van het leven van Jesus Christus. Zoo ik Christelijk leef, mag ik met Paulus zeggen: „Ik leef echter, niet meer ik, maar in mij leeft Christus.quot; Cajetanus verklaart aldus het woord van den Apostel : „Denken, begrijpen, beminnen, mij verheugen of mij bedroeven, vreezen of begeeren, al die daden mijns levens zijn niet van mij, komen niet van mij voort, maar behooren Jesus Christus toe en gaan van Hem in mij uit.quot; Als ik bid, zet ik het bidden voort van Jesus Christus; als ik werk zet ik het werkzaam leven

-ocr page 50-

36

voort van Hem; als ik lijd voltooi ik Zijn lijden. Welk een groote waarde zou dat goddelijk beginsel geven aan alle ook de meest gewone handelingen, die ik verricht, zoo ik toestond, dat het vrij beschikte over al mijn vermogen, over al mijn zintuigen, in één woord, dat het mijn leven bestuurde! Een handeling immers, in welke God de hand lieett, kan niet anders dan van oneindige verdienste zijn.

Onze wijsheid is in Jesus Christus, ons Hoofd; de grootst mogelijke voorzichtigheid, welke wij kunnen aanwenden, is ons geheel aan de Zijne over te geven. Daar vinden we al onze belangen, onzen roem, onze heiligheid, ons geluk vereenigd. Ik ken een mensch in Jesus Christus, zegt Sint Paulns, dat wil zeggen, innig met Jesus Christus vereenigd door het geloof en de liefde, een mensch bezield door Zijn Geest en die niets doet dan op Diens ingeving.

Zoo sprekend geeft de Apostel zijn eigen beeld en dat van iederen waren geloovige weèr. Wat gebeurde aan dien mensch in Jesus Christus? Hij werd opgenomen tot in den derden hemd. De poorten van het paradijs werden voor hem ontsloten; hij hoorde daar wonderbare dingen, welke geen menschelijke tong bij machte was te verhalen. Heerlijk beeld van de vreugde en het geluk, die ons te beurt vallen in het Christelijk leven, zoo wij Jesus Christus dat in ons laten ontwikkelen en vervolmaken.

Derde Deel. Beoejening van het Christelijk leven. Drie dingen vooral zijn de noodige vereischten: kalmte, heilige onverschilligheid, nauwkeurig acht geven op hetgeen in ons zeiven omgaat.

-ocr page 51-

Tn het derde boek der Koningen XIX, 11 lezen wij dat Elias uitging om op den berg te staan voor den Heer: „Een groote en sterke wind. de bergen ora-keerende, en de steenrotsen in stukken brekende, is voor den Heer; de Heer was in den wind niet, en na dien wind kwam oen beroerte: de Heer was in de beroerte niet.

12. En na de beroerte kwam een vuur: de Heer was in het vuur niet, en na het vuur kwam een blazing van een dunne lucht.

13. Toen Elias dat hoorde, heeft hij zijn aangezicht met zijn mantel bedekt en uitgaande heeft hij gestaan in de deur der spelonk, en ziet een stem kwam tot liem zeggende: Wat maakt gij hier, Elias?quot;

De Heer is in de beweging niet, zelfs niet als zij komt van den vurigen ijver: de vrede is haar element. De ingevingen van Jesus Christus komen in de zielen als de wateren van die fontein van Siloë. die, gelijk Jsaias zegt VIII, 6, hwl stilte f/uan. Immers de Prediker vermaant IX, 17: „Der wijzen woorden worden onder stilzwijgen aangehoord,quot; hoeveel meer moeten dan de woorden van den (roddelijken Heiland eerbiedig en stil worden opgevangen. Willen wij dat Jesus Christus iu ons vrij beschikke, dan moeten wij ons zeiven in vreedzame kalmte bezitten.

Blijven wij ook in die heilige onverschilligheid, welke aan ons Goddelijk Hoofd toestaat Zijn ledematen te gebruiken zooals Hij verkiest en waartoe Hij w 1.

De hand en de voet immers hebben geen tegenzin of geen voorliefde om liever zich op deze dan op gene

-ocr page 52-

3S

wijze te bewegen, het werktuig iaat zich gebruiken naar het goeddunken van den werkman. Laten wij dan ook Jesus Christus de vrije beschikking over onze ziel en haar vermogens, over ons lichaam en deszelfs zintuigen. Maar daartoe is noodig, dat wij geheel onthecht zijn aan elke ongeregelde neiging en wij Hem alleen geheel en al ter wille zijn. De bruid van het Hooglied v. (5, zegt: „Mijn ziel is gesmolten, toen hij sprak.quot; Gelijk het water geen eigen vorm heeft, maar de gedaante aanneemt van het vaatwerk waarin het gegoten wordt, zoo ook moet mijn ziel bereid zijn ineen te vloeien met Gods Wil, alle vormen aan te nemen, allen staat te kiezen, welken Hij geven wil. De ware Christen moet kunnen zeggen: Heer, ik behoor ü toe, ik ben geheel de Uwe; Gij hebt mijn boeien verbroken; Gij hebt mij bevrijd van alles wat mijn hart gevangen hield of ten minste verdeelde; ik kan U het offer aanbieden, dat U welgevallig is door geheel en al aan (Jw wil te gehoorzamen. Ps. CXV, 16; „Och Heere! [Gij, Gij waart mijn Redder;] want ik ben uw dienstknecht! Uw dienstknecht ben ik en de zoon uwer dienstmaagd; Gij hebt mijne banden verbroken!

17. U wil ik een lofoffer opdragen,

en den naam des Heeren aanroepen.quot;

Maar hoe zouden wij ons aan den Geest des Heeren kunnen overgeven, zoo wij niet nauwkeurig acht gaven op het licht, waarmede Hij ons verstand omstraalt, op den stoot, dien Hij geelt aan ons hart! Wij moeten gelijk zijn aan de goede dienaren, die de oogen

-ocr page 53-

39

altijd liebbeu gevestigd op de handen hunner meesters en op het eerste teeken komen ot gaan, zwijgen of spreken. Ps. CXXII, 2:, „Zie gelijk de oogen der dienstknechten | blikken [ op hunner heeren hand, gelijk de oogen der dienstmaagd [blikken] op harer vrouwe hand, alzoo zijn onze oogen | gevestigd] op den Heere, Onzen God, totdat hij zich onzer ontferme.quot;

De godvruchtige ziel stelt zich meermalen aandachtig luisterend tot beschikking des Heeren, om te weten wat Hij van haar hebben wil en zij vraagt Hem: lieer wat wilt Gij dat ik doe.

O .Testis, kom en leef in ons; Uw H. Geest leide ons op den weg der volmaaktheid, op het pad van waarachtige deugd. Heersch met de volheid nwer macht over ons tot meerdere eer Uws Vaders en overwin alle macht, die zich verzet tegen Uw Rijk in ons.

-ocr page 54-

ZEVENDE OVERWEGING.

Hoe de Christeif moet werken aan zijn heiliging.

I. Als aan een zaak, die hem persoonlijk aangaat.

II. Als aan een zaak, die wel moeielijk maar nood

zakelijk is.

III. Als aan een zaak, die den hoogsten spoed ver-

eischt.

Eerste Voorbereiding. Gaan wij tot onzen Verlosser om van Hem de wetenschap des eeuwigen levens te leeren. Meester wat moet ik doen, om het eeuwige leven te bezitten? (Luc. X. 25).

Tweede Voorbereiding. Geef mij, o mijn God, het begrip, dat leidt tot een heilig leven en daardoor tot het geluk des hemels, het eeuwige leven. P.s. 118, 144: Geel mij versland opdat ik leve.

Eerste Deel. Mijn heiliging is een zaak, die mij persoonlijk aangaat. Ik kan er niet in slagen dan door zelf te werken en alles hangt er voor mij van af.

Een vorst wint veldslagen door zijn bevelhebbers en soldaten, regeert zijn Staten door zijn ministers. Zoo gaat het ook in vele mindere betrekkingen: men kan de last van een groote menigte zaken aan een ander overlaten, maar de zorg voor mijn zaligheid en mijn heiliging kan ik aan niemand overdoen. God zelf heeft mij wel geschapen, zonder mij, maar Hij

-ocr page 55-

41

zal mij niet zalig maken zonder mij. Hij wil dat ik meewerk tot mijn geluk en dat de eeuwige vreugde te volkomener zij, doordat ik zal kunnen zeggen: Ik heb mijn kroon veroverd. Mijn heiliging en zaligheid verwerf ik door de onderwerping van mijn verstand aan het geloof, van mijn hart aan Gods wet, in één woord, door het goed gebruik van mijn vrijen wil. Is er iets dat met meer recht mijn eigen werk genoemd kan worden? Gal. VT, 8: Hetgeen de mensch gezaaid hecjt, dit zal hij ooi\' manieu. Matth. XVI, 27: Hij zal een ieder vergelden naar zijn werken.

Daar is hier spraak van al mijn belangen of liever van mijn geheele persoonlijkheid, tier en geluk, lichaam en ziel, alles is voor mij verloren, voor eeuwig verloren als ik verloren ga. Daarentegen is alles gered, zoo ik mijn ziel red. Ging ook mijn geheele leven voorbij in kwellingen en droefheid, als ik maai van die beproevingen gebruik maak om heilig te worden, dan maakt de zaligheid alles goed. Kom ik tot de heiligheid, waartoe ik door God ben geroepen, dan heb ik den hemel met al zijn glorie, al zijn geluk. Maar wil ik geen heilige zijn, dan word ik een verdoemde, mijn plaats zal zijn in de verschrikkelijke hel. Een zaak van zulk een belang kan immers niet behandeld worden zonder vurigen ijver, ik mag zeggen, zonder hartstochtelijkheid. Daar is een eigenliefde, die zondig is en verboden, maar ook een, die de godsdienst zoowel als het gezond verstand gebiedt.

Daarom dan, mijn ziel, geen schuldige lafheid, geen

-ocr page 56-

42

zwakke toegeeflijkheid, die mijn zaligheid ia gevaar stelt. Men moet deu moed heboen den meuschen te durven mishagen, zoo men anders liet ongeluk niet kan ontgaan van te mishagen aan God. Een koning van Frankrijk vroeg eens iets aan den Paus, wat deze hem niet mocht toestaan. De H. Vader antwoordde: „Had ik twee zielen, dan kon ik ei- misschien een voor u opofferen, maar nu ik er maar een heb, kunt gij het mij niet kwalijk nemen, dat ik die red.quot; Vreezen wij die zwakheid van karakter, welke nooit tegenstand weet te bieden. Houden wij, gelijk de Apostel vermaant, vrede met alle menschen, zooverre dit mogelijk is, dat wil zeggen: zijn wij meegaande in alles, wat niet tegen ons geweten strijdt, maar gaan wij nooit een stap verder.

TI. D. Mijn heiliyiny ia ecu moeielijke zaak., maar die noy vee! meer uoodzcikelijli /«. Moeielijk is zij, niet als men het oog vestigt op de vele en machtige hulpmiddelen, die mij met zoo kwistige hand worden toebedeeld, maar zoo ik let op mijn zwakheid en op de verplichting, welke ik heb van zonder ophouden de zelfverloochening te beoefenen en in alles door de genade de verkeerde neigingen der bedorven natuur te overwinnen. De Zaligmaker immers zegt, Luc. IX, 2B: Zoo iemand na Mij iril komen, die verloochene zich zeiven, en neme dadelijks zijn kruis op, en vol je Mij na! De aanhoudende opoffering van zijn neigingen en verlangens maakt den weg ter zaligheid zóó moeielijk, dat Jesus Christus zelf uitroept: Hoe eny is de poort, en hoe nauw de weg, die tot het teoen leidt, en hoe weinigen

-ocr page 57-

48

zijn er die kom vinden 1 Deze weg is het Christelijk leven; het Christelijk leven toch is alleen in ons dooide versterving, men moet aan zich zeiven sterven om voor Jesus Christus te leven. Daar is geen twijfel a?n, het rijk der hemelen kost moeite, Luc. XIII, 24: Strijdt om in te rjaan door de e.nye poort- Matth. XI, 12: Die geweld doen, nemen het rijk der hemelen in.

Dat geweld moet worden gedaan, üe reden hiervoor is zoo overtuigend mogelijk: \'t is noodzakelijk, omdat het noodzakelijk is, dat ik heilig en zalig word.

Men redeneert niet waar de noodzakelijkheid blijkt; men onderwerpt er zich aan, alles buigt voor haar ijzeren wet. Als men ten volle overtuigd is, dat men de moeielijkheden, koste wat het wil, moet overwinnen, dan ontvlammen zij te meer den moed. Het woord van Jesus Christus antwoordt op alles: \'t Is noodig. Eén ding is noodig. Al het andere kan ik ontberen, maar de eeuwige zaligheid kan ik niet ontberen. Ik kan mij schikken in alle ongeluk, maar niet in het afgrijselijk lot van eeuwig verloren te gaan. Daar is dus geen spraak van om na te rekenen, wat het mij kost, een heilige te worden, omdat ik het moet worden, hoeveel het ook kosten moge. Mijn eigenliefde moet er niet voor terugschrikken om vrijwillig zich te offeren in het vuur der goddelijke liefde, maar wel om gedwongen en zonder de minste vergoeding het offer te worden van de eeuwige vlammen der hel. Lijden om lijden, óf hier, door mijn kruis den Verlosser na te dragen, óf door hiernamaals de straf te ondergaan voor mijn lafheid. Zou het lijden van dezen tijd in

-ocr page 58-

44

vergelijking1 kunnen komen met dat eener ongelukkige eemvigheid ? Dan ook geen vrees voor hef vrijwillige kruis, maar alleen voor de gedwongen pijnen eener afschuwelijke verdoemenis.

III. D. Mijn heiliging is een drinfjamp;itde saak, waaraan ik zonder uitstel al mijn zorgen wijden moet. Welk een taak toch is mij opgelegd en welke tijd is mij gegeven om haar te vervullen? Ik kan het mij zeiven niet ontveinzen, dat ik veel heb te doen, eer in mij het ideaal van een heilige is verwerkelijkt, zooals ons dat in het Evangelie wordt voorgesteld. Hoeveel kwaad heb ik goed te maken, hoeveel gebreken moet ik verbeteren, hoeveel deugden mij eigen maken! En hoeveel tijd heb ik ter mijner beschikking om dien ontzaglijken arbeid, die bijna niet is te overzien, te volvoeren? Ben ik er zeker van, dat ik nog eenige jaren voor mij heb? — Kan ik ten minste op eenige maanden rekenen? Helaas, ik begin van daag en wellicht moet ik morgen al eindigen.

O, welk een wonderlijke tegenspraak! Ik wensch vurig zalig te worden en toch heb ik door half werk en gedurig uitstel mijn eeuwig geluk in de waagschaal gesteld. Ik ben zoo langen tijd op en neêr geslingerd door den twijfel, welke partij ik kiezen zou, terwijl én mijn geloof én mijn verstand mij duidelijk zeiden, dat er maar één keuze was. Heer, ik wilde heilig worden, maar op eene andere wijze dan Gij wildet: zonder mij geweld aan te doen, zonder mijn kruis te dragen, zonder mijn vleesch en mijn zondige lusten te versterven. Ik wilde de heiligheid doen samengaan

-ocr page 59-

met een zinnelijk leven, dat Gij vervloekt, met een vermomde eerzucht en een geheimen hoogmoed, die door ü worden veroordeeld. Met andere woorden, ik wilde onwaar maken, wat door U, Die de eeuwige Waarheid zelve zijt, was uitgesproken. Ik wilde Uw Evangelie en het plan onzer verlossing, rtat wij aan Uw oneindige barmhartigheid danken, verbeteren. Gij hebt al Uw bloed tot den laatsten druppel toe gestort om onze hartstochten uit te roeien en ik wilde die door U doen bekronen. Dank, o mijn God, dat Gij U gewaardigd hebt mij van zulk een rampzalige verblinding te genezen ; laat niet toe, dat ik er ooit weer in hervalle. Met de hnlp Uwer genade hoop ik oeen enkel oogenblik te verliezën; ik heb er, helaas, reeds al te veel verloren; ik zal getrouw de voorschriften Uwer wet vervullen; voor U nedergeknield maak ik dit vast besluit en hernieuw mijn vroeger reeds zoo plechtig gezworen eed: Ik heb gezworen en vad I if si of en, T\'ire yereclitiye voorschrijlen te onderhouden.

Ps. cxviir, 100.

-ocr page 60-

ACHTSTE OVERWEGING.

l)e ingetogenheid een bijzonder middel tot heiliging.

I. Zij brengt hem, die zich van God verwijderd had, weer terug.

II. Zij belet een groote menigte bekoringen.

III. Zij bewaart ons voor zonde.

Ie Deel. De ingetogenheid hrengt ons tot God terug. Zij is om zoo te zeggen de eerste stap, dien de ziel weder zet op den goeden weg, als zij zich afwendt van de zonde en komt tot de heiligmakende genade; of uit de lauwheid opstaat, om weder met vurigen ijver te gaan werken aan de zaligheid.

Hoe immers geschiedde de terugkeer van den verloren zoon naar het vaderlijke huis — het beeld van den zondaar, die zich bekeert tot een deugdzaam leven? Hij hoorde een stem in zijn binnenste, die hem terugriep, een van die gelukkige oogenblikken, wanneer Gods genade doordringt tot het ontwakend geweten en zegt: Hoelang zult gij ronddolen in de buitenwereld en vreemd blijven aan uw eigen hart. Hij luistert naar die stem, geeft gehoor aan de vermaning, denkt na en keert in zich zeiven — hij komt weer tot verstand, tot geloof en tot zich zeiven terug. Luc. XV. 17: In zichzelven gekeerd zijnde. De oogen gaan open, de wereld, de vénnaken, de zaken, het leven, de dood

-ocr page 61-

7

toonen zich, zooals zij zijn in de naakte werkelijkheid. De dwaling wordt ingezien, de zonde gekend, het gevaar begrepen. Dan verschijnt de heiligheid, de gerechtigheid, de goedheid Gods, en dat licht grijpt den zondaar aan. De heiligheid Gods doet hem schaamrood worden over zijn misdaden, de goedheid Gods over zijn ondankbaarheid, Gods rechtvaardigheid doet hem vreezen voor de gevaren, die hem dreigen.. Dikwijls worden de grootste zondaars de grootste heiligen ; de ingetogenheid- heeft het begin gemaakt.

Voor de ziel, die in haar vroegeren ijver verflauwde, is de ingetogenheid ook weder het beste geneesmiddel. Overdenk de woorden der H. Schrift, Boek der Openb. TTT, 15: „Och of gij kond of heet waart.

16. Maar omdat gij lanw zijt, en noch koud, noch heet zijt. zoo zal ik n gaan spuwen uit mijn mond.quot; Overweeg dit schrikkelijk woord, denk er eens over na, waar degene valt, die door den Heer verworpen is en zoo de ziel niet geheel doof is voor de inspraken der genade, zal zij opstaan uit haar doodslaap en aan God haar liefde weder schenken, zooals men het wederrechtelijk ontnomen goed teruggeeft.

Tweede Deel. De ingekeerdheid helet eene yroote menigte helorinyen. In zichzelven keeren is zijn verbeelding, zijn geheugen, zijn verstand, zijn wil, al de vermogens zijner ziel in zijn binnenste terugroepen, als zij naar buiten zijn afgedwaald en hen met God en de hemelsche dingen bezig doen zijn. Ingetogen leven wil zeggen: de gelukkige toestand van hem, die aan-houdend acht geeft op de inspraken der genade om

-ocr page 62-

48

deze te volgen en om met de genade mede te werken, welke de verkeerde neigiiigon der bedorven natuur onderdrukt en het verstand geleidt. Een ingetogen ziel is eene, die zich verwijdert van de schepselen en God zoekt en in alles zich voegt naar Gods heiligen wil. Men begrijpt licht, hoeveel bekoringen die inwendige eenzaamheid belet, welke de Heiligen wisten te vinden zelfs te midden der meest verschillende zorgen en der drukste bezigheden.

Een lichtzinnige en verstrooide ziel gaat gedurig door de poorten der zintuigen naar buiten. Zij verkeert aanhoudend te midden der dingen hier beneden, zoekt onophoudelijk de eene of andere natuurlijke voldoening. Zij wil alles zien, alles hooren; het hart staat open voor alle indrukken, die zich voordoen. Die ziel is vervuld met ijdele gedachten, verkeerde oordeelen, maakt ter nauwernood onderscheid tusschen hetgeen het geweten verbiedt en toestaat; onnadenkend stelt zij zich aan duizende gevaarlijke gelegenheden bloot. Staat dat niet gelijk met het zoeken der bekoringen? De ingetogen ziel is voorzichtiger, „dewijl [gij zegt:] Gij Heere, zijt mijn toeverlaat: [en] Oen Allerhoogste gesteld hebt, tot uwe toevlucht: zoo zal ugeen kwaad wedervaren.quot; Ps. 90, 9. Zij verliest nooit voor langen tijd den Alziende uit het oog, Die niet alleen getuige is van haar handelingen, maar ook van al haar gedachten en verlangens; zij leest daar in de blikken, die Hij op haar slaat, wat Hij goedkeurt en wat Hij veroordeelt. Hij toont haar den weg, dien zij volgen moet: Ik zul u onderwijzen en u den weg leeren, dien gij gaan

-ocr page 63-

49

moei; ik sal nnjni\' oogcv op u vestigen, om u een raad te geven, die u diene. Ps. XXXT, 8. De ingetogen ziel waakt over haar verbeelding en haar zintuigen, Jer. IX, 21: De dood is opgeklommen door onze vensters, zij is (jeyaan in onze huizen om te vernielen. O welk een trouwe wachter der onschuld is de ingetogenheid.

Derde Deel. De ingetogenheid hetcaart ons voor zonde. Ons leven is meer of minder onschuldig naarmate onze ingetogenheid meer of minder volmaakt is. De zonde is liet werk van duisternis en zwakheid, zij is een dwaling, een misvatting, een te kort schieten.

Wat is er dus noodig om de zonde te overwinnen en ons er voor te behoeden? Deze twee dingen; Licht en Sterkte. En die geeft ons de ingetogenheid. Een ingetogen mensch bezit zichzelf, is in het volle genot van zijn rede en zijn geloof, hij is onder den invloed der waarheid en niet der hartstocht. Hij ziet de zonde waar deze is, onder welk masker zij zich ook zoekt te verbergen. Hij ziel haar zooals zij is in haar afschuwelijke mismaaktheid. Waarom? Omdat hij eenigermate God ziet. God eu Diens grootheid, macht, gerechtigheid en goedheid; Is. XXXIIT, 17: Zijne oog en zullen den Koning in zijn sieraad zien. Hij gaat voor Hem uit, Boek der Schepping XVII, 1: Wandel voo)\' Mij. Welk een licht voor de ziel is die herinnering aan Gods tegenwoordigheid, den schatter en rechter onzer geheimste bedoeling. God is hier tegenwoordig, Hij ziet mij. Hij veroordeelt mij of Hij geeft Zijn goedkeuring.

Gelijk het oog Gods mij verlicht, zoo ondersteunt en

4

-ocr page 64-

50

versterkt het mij ook, doet mij zegevieren ook over de meest verleidelijke bekoringen. Zoodra de ingetogen ziel deze ziet, roept zij niet Joseph uit in heilige ver-ontwaardiging-: Hoe lean ik dit kwaad bedrijven en zondigen tegen mijn God (Boek der Schepping, XXXIX, 9.)

Hoe, mijn God beleedigen, een zoo groot kwaad bedrijven, zondigen tegen Onzen Tjieven Heer, zondigen voor Zijn aangezicht! Is zoo jets mogelijk? Opstaan tegen Hem, T)ie zooveel rechten heeft op mijn gehoorzaamheid, Zijn wet met voeten treden onder den indruk van den eerbied, mij door Zijn majesteit ingeboezemd, onder den indruk van Zijn verrukkelijke schoonheid. Zijner mêesleepende goedheid, Zijner ontzagwekkende rechtvaardigheid!.. Neen, dat kan ik niet.

Wij kunnen het, helaas! maar al te zeer, en onze vijand weet het, als de uitgelatenheid ons de heilzame overwegingen belet. Ziedaar de reden waarom de H. Schrift gewoonlijk het vallen in zonde toeschrijft aan het vergeten van Ood en de volharding in het goede aan de gedachte aan Zijn tegenwoordigheid. Omdat rji) Mij vergeten hebt, zegt de Meer bij Jeremias XIII, 25. Evenzoo verklaart Daniël de vermetelheid dei ontuchtige grijsaards, XIII, !); Zij hebben hun zinnen venrard en Juin oor/en afgewend ont den hemel niet te zien en de gerechte oordeel en niet te gedenken. David geeft dezelfde reden aan voor alle misdaden, der boozen. Zij zoeken zich wijs te maken, dat God niet meer aan hen denkt dan zij aan Hem, zij vergeten den schrikkelijken wreker van alle ongerechtigheid. God is niet voor zijn aangezicht: Zjne wegen zijn ten alten tijde bezoedeld.

-ocr page 65-

51

Ik betracht we hevelen en vice getuigenissen:

want alle mijne wegen zijn voor mv aangezicht. Ps. CXVIII, 168. Zoo dikwijls hebben wij met denzelfden profeet bet geluk benijd van hen, wier leven voorbijging in den vrede, welken een volkomen onschuld verleent: Gelukkig zij die vlekkeloos van gedrag zijn! Ps. 118, 1. Dat voorrecht zal ook ik hebben en mijn ziel zal niet zulk een onwaardig heiligdom zijn voor den Heer, zoo ik mij gewoon maak in mij zeiven gekeerd te zijn en die gewoonte bewaar. Ik wil dan zooveel mogelijk alles vermijden wat mij uitgelaten doet zijn en alles wantrouwen wat mij verstrooit. Maar te vergeefs zal ik waken voor mijn ziel, indien Gij U niet ge-waardigt de wacht te houden, Ps. CXXVI, 1: Als de Heer de stad niet heiraart, dan waakt haar waker te vergeejs. O Jesus, behoed mij als Vwen oogappel, Ps. XVI, 8. Zoo Gij mij altijd bij U hondt, altijd met U bezig doet zijn, dan zal ik sterk zijn tegen mijn vijanden en den strijd met hen aandurven, die mij willen scheiden van IJ, en ik zeg het met vertrouwen den heiligen man .Tob na: Stel mij nevens V en iviens hand ook mag tegen mij strijden. XVII, 3-

-ocr page 66-

NEGENDE OVERWEGING.

Gelukkige loestand van den Christen, die de gewoonte heeft ■van in inwendige bespiegeling te leven.

- —«irzrgt;0lt;C=^gt;--

I. Zijn vooruitgang in de heiligheid is vlug.

II. Zijn geluk heeft eenige gelijkenis met dat des hemels.

Eerste Dkel. Dp imrendiije bespiegeling verhaast onzen vooruiigang in de heiligheid, door de genaden, die zij ons verwerft, door de verdiensten, die zij ons geeft, door de deugden, die zij ons doet beoefenen.

1°. God schept er vermaak in ons met Zijn gaven te verrijken. Hij wekt ons zelf op die aan Hem te vragen, en als Hij ziet, dat wij bereid zijn om ze te ontvangen en ons er van te bedienen volgens de plannen Zijner Voorzienigheid, dan stort Hij ze over ons uit met een onbegrijpelijke mildheid. Om ons de goddelijke hulp te verwerven en er ons voordeel mede te doen is het leven eener inwendige afzondering de beste gesteltenis; dan zoekt de ziel alleen te zijn met God, om Hem te aanbidden, te loven en te smeeken. De ziel is om zoo te zeggen altijd in gebed, omdat geest en hart altijd verheven zijn tot God. Haar leven is een voortdurende heilige begeerte, een voortdurend gebed, zegt de H. Augustinus. Altijd vraagt zij en daarom ook verkrijgt zij voortdurend, want zij vraagt zooals

-ocr page 67-

gevorderd wordt om te verkrijgen, uiet aaudcicht, eerbied en vertrouwen. Welk een schat van licht en van gevoel, vindt zij in het heerlijke gebed des Heeren, het Onze Vader. Van het oogenblik, dat ik in mij zelf ben gekeerd, ben ik in het volle bezit van mij-zelven, ik heb niet meer noodig te zoeken; „TIw dienaar,quot; zegt David II Boek der Koningen VII, 27, „heeft zijn hart gevonden, dat hij U bidden zou met deze bede.quot; De verwonderlijk schoone gebeden, om zich met God bezig te houden, Hem te aanbidden en te smeeken, welke Jesus Christus en Zijn Kerk ons leeren, zijn dan geen ijdele woorden op de lippen, maar dan zijn wij in het gevoel, dat zij uitdrukken en ik zal, gelijk de Apostel zegt, I. Corinth. XIV, 15, hidden met den geest, hidden ook met het verstand.

Zoozeer als de uitgelatenheid en verstrooiing de goddelijke weldaden afstooten of hun heilzamen invloed tegenwerken, zoozeer roept de ingekeerdheid die af en bevordert hun goede werking. Iemand, die altijd geheel in beslag is genomen door de dingen van buiten, let ter nauwernood op de hem aangeboden genade of laat haar onverschillig voorbijgaan, (rod biedt haar liever aan de oplettende ziel, die haar aanstonds bemerkt en naar waarde schat, aan het van het aardsche losse hart, dat altijd bereid is de roepstem der genade te volgen.

2°. Door ons de gunst des Hemels te verwerven vermenigvuldigt de ingekeerdheid onze goede werken, of liever maakt al onze handelingen, hoe klein, hoe gering zij ook op zichzelf mogen zijn, verdienstelijk

-ocr page 68-

54

voor den Hemel. In de^e ^öilao.hfce: God ziet m\'j en Hij zal tevreden zijn, zoo ik Hem zoek te behagen, ligt alles wat noodig\' is om een zifjl op te wekken uit haar verdooving, haar een zuivere meening te doen hebben, haar te begeesteren en haar in vurigen ijver te ontsteken: en dit geeft immers zoo hoogen prijs aan de meest gewone daden. Men is niet geneigd om hetgeen men kan doen met groot voordeel, door te werken voor God en op eene wijze, welke aan God behaagt, geheel en al nutteloos te verrichten door te handelen voor de wereld en alleen gedreven door het natuurlijk gevoel.

3°. Eindelijk nog worden uit de ingetogenheid geboren de onthechting aan de schepselen om zich alleen te hechten aan God, buiten Wien men slechts het niet vindt; — de walg van al het aardsclie: raapt inen nog stof op, als men de handen vol heeft met diamanten? quot;Wat is de aarde voor hem, die den Hemel beschouwt? Hoe afzichtelijk is de aarde, als ik naar de/i Hemel zk, is het antwoord van den heiligen Ignatius. Verder het geduld en heldhaftige moed in de beproevingen: De rampen immers dezer icereld staan in geen verrielijking met de toekomstige heerlijkheid; — nog de volkomen onderwerping aan Gods heiligen wil: men wil alles wat Hy wil en zooals Hij het wil, in één woord, een leven ran geloof, dat als zijnde een voortdurende oefening van ware deugd inderdaad rechtvaardig maakt en de volmaaktheid verwerft: „Mijn rechtvaardige leeft uit het geloof.quot; Welk een verblinding zulk een schrik te hebben voor de eenzaamheid, waarin men niets anders

-ocr page 69-

55

vin\'It dan Gol, alsof men in Mom niet alle goederen had!

Tweede Deel. Ds inyekterdheid doet ons een geluk geniete}), dat eenlye overeenlotnat heeft nut dot des hemels. Een volkomen onschuld, onverstoorbare rust., de hoogste blijdschap, welke de blijdschap des Heeren zelf is. Het eeuwige leven bezit de volheid van al deze goederen; de ingetogenheid doet er ons in deelen.

Vooreerst niets wat besmet is kan den hemel binnengaan; de zonde is daar onmogelijk, omdat men God schouwt in de volle heerlijkheid Zijner geneugten, en omdat men bij die aanschouwing Hem bemint met al de krachten fier ziel. De gedachte nu aan Gods tegenwoordigheid doet ons eenige stralen Zijner heerlijkheid opvangen en brengt ons aldus in eene gelukkige zedelijke onmogelijkheid van Hem te beleedigen. De vrees paart zich hier aan de liefde om ons afkeerig te maken van aan hem te mishagen: De yedachte aan God, zegt de H. Hieronymus, sluit alle zonden buiten.

Verder, in den hemel kan niets de rust der gelukzaligen storen, omdat zij een stad bewonen, welke God bewaart, en van welke Hij zich verwaardigt het bolwerk te zijn.

Zoo ook bedaren de ingekeerdheid der ziel in zichzelf en de gewoonte van aan Gods tegenwoordigheid te denken alle hartstochten, houden alle ijdele verlangens, die ons in verwarring brengen, tegen, verwijderen alle ongegronde angsten. Wat kan ik vreezen, als ik denk, dat ik altijd aan mijn zijde tot mijn verdediging den Alniachtigen God heb, die mij bemint als een vader, lief heeft als een moeder en mij bedekt roet

-ocr page 70-

Zijn goedwilligheid als met een ondoordringbaar schild? Heer, als met het sehiJd Uwer goedimlligheid hebt (/ij ons gekroond. Ps. V, 13. Men vroeg eens aan een vromen kluizenaar, hoe het kwam, dat hij altijd zoo vergenoegd en zijn gelaat immer zoo blijde was. Kn zijn antwoord was; Ik bezit God, ik hezit alles in God en niemand kan mij mijn schat rooven. Als men den H. Joannes Chrysostonuis met ballingschap dreigde, toonde hij niet de minste ontroering, maar hij herhaalde David\'s woord: De aarde behoort den Heer toe. Al zond men mij in de meest afgelegen landstreek, onder de ruwste volkeren, ik zou daar altijd mijn besten vriend, God, vinden.

Maar ziedaar het toppunt van geluk voor de in zich gekeerde ziel. De Heer heeft ons vermaand in Zijn liefde te blijven en dat doet men vooral als men ai zijn gedachten en neigingen tot Hem richt. Onmiddelijk nu laat Hij op die vermaning volgen: Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn vreuqde in n zij eu uw vreugde vervuld worde. Joan. XV, 11. De ingekeerdheid inderdaad voert ons in die heilige gemeenzaamheid met den Heer, welke een mededeeling is van Zijn eigen vreugde en een voorsmaak van het hemelsch geluk. Sint Au-gustinus sprak bij ondervinding, als hij zeide: „Die in U binnengaat, gaat binnen in de vreugde zijns Heeren, en hij zal niet vreezen; maar zich opperbest bevinden in den allerbesten.quot;

Lees en overweeg dikwijls de schoone plaats van het boek der navolging: „Leer de uitwendige dingen verachten en 11 bezig te honden met de inwendige,

-ocr page 71-

n7

en gij zult het rijk Gods zien komen in u; het rijk Gods is de vrede en de blijdschap in den Heiligen Geest. Maakt gij plaats voor Jesus Christus, bereidt gij Hem in u een woonplaats, Hij zal komen en u met vertroostingen vervullen.quot;

Overdenk vooral deze woorden van den godvruch-tigen schrijver: „Druk is Zijn bezoek bij den inwen-digen mensch, want Hij weet dat hij Hem te huis zal vinden en bereid om Zijn gunsten te ontvangen. Hij spreekt tot hem en Zijn onderhoud is zoet. \'t Is een vriend, die zich onderhoudt met zijn vriend. Hij troost hem en toont hem de vrucht zijner beproevingen, op dit gezicht neemt de vreugde weldra de plaats in dei-droefheid ; een heerlijke en overvloedige vrede stroomt in de ingekeerde ziel; tusschen haar en haar God bestaat een gemeenzaamheid, waarover de hemel zelf zich verbaast. Geef dus plaats aan Christus en weiger aan al het andere den ingang.quot; II B. C. 1.

-ocr page 72-

TIENDE OVERWEGING.

Ongelukkige staat van den Christen, «lie niet in zich gekeerd leeft»

I. Zjjn leven is zonder nut.

II. Het is vol lijden.

III. Het is vol gevaren

Eerste Deel. Het leven van den Christen, die niet zich (jekeerd leeft, is op zijn winst zonder nut, als het niet vol gebreken is. Hij zal veroordeeld worden om liet; goede, dat hij verzuimt, zoo hij het niet wordt om het kwaad, dat hij bedrijft. De rank kan geen vruchten voortbrengen, zoo hij niet verbonden blijft met den wijnstok en diens sappen niet ontvangt. Zoo veroordeel ik mij ook tot volstrekte onvruchtbaarheid door mij te scheiden van J. C.; want Hij is de wijnstok en ik ben de rank. loan. V, 5; Jk hen de wijnstok en gij zijt de ranken. Zoo ik Hem uit wijn geest en mijn hart verban, en daar enkel plaats heb voor de schepselen, zoo ik mij verzet tegen de inwendige leiding, welke Hij mij zou willen geven, scheid ik dan mij niet af van Hem en weiger ik dan niet het levendmakend sap Zijner genade? Luister, mijne ziel, en overweeg godvruchtig deze woorden van (ïods Zoon; „Die in Mij blijft en Tk in hem, de?e

-ocr page 73-

59

draagt veel vrucht. Zoo iemand met Mij niet zal gebleven zijn, wordt hij buiten geworpen als een afgesneden tak en zal verdorren... en zij zullen hem in het vuur werpen en hij zal branden.quot; Joann. XV, 5, 6.

Dezelfde waarheid vindt men terug in de treffende vraajr des Heeren bij den profeet Ezechiël XV, 2, 3, 4: „Zoon des menschen, wat zfil er geschieden met het hout van den wijnstok?.. Zal men het hout van hem nemen, om het te bearbeiden; of zal er uit hem een haak worden gemaakt, opdat aan hem eenig vaatwerk hange?

Zie, het wordt aan het vuur gegeven tot voedsel.quot; Sint Augnstinus, (racf. in Joannem. zegt, dat het hout van den wijnstok, wanneer het is afgesneden, tot niets dienstig is; er is daarvoor geen midden, of wijnstok óf vuur. \'t Is het treurig maar waarachtig beeld van den geloovige, die aan niets denkt dan aan de dingen dezer wereld. Hij is tot niets nut in de handen des Heeren tot volvoering van Diens barmhartige plannen. Hij behoort zonder don minsten twijfel tot het groot, getal dergenen, die geen begrip hebben, of wier begrip ijdel is, omdat zij het niet gebruiken om God te zoeken. Zij zijn verward in hun gedachten, zij zijn afgedwaald van hun doel en nuttelooze wezens geworden: „Allen zijn afgeweken, tegelijk zijn zij nutteloos geworden,quot; Ps. XIII, 3. Zij zijn van geen nut voor de glorie des Heeren, voor de heiliging van den naaste, noch voor zich zelf. Ach, welk een groote spijt zal het deel zijn van zulk een Christen in het uur des doods. Hoe wanhopig zal hij dan tot zichzelven zeggen; Ik

-ocr page 74-

f)0

heb wellicht eenigen naam gemaakt; in vele zaken was ik verwikkeld, ik gold voor bekwaam, werkzaam, voor een man van gewicht... Helaas, ik heb niets gedaan. In plaats van het zekere licht des geloofs te volgen, heb ik alleen de ingevingen gevolgd der natuur. Waartoe hebben al die drukten, al die werkzaamheden gediend ? Eén dronk koud water in den naam van Jesus Christus aan den armen gegeven zou mij op dit oogenblik van meer nut zijn dan al mijn ijdele moeite: Ik heb gezegd: te vergeefs heb ik gearbeid.

Tweede Deel. Het leven van den Christen is zonder de ingekeerdheid een leven vol lijden. Zijn ziel kan in de uiterlijke dingen het geluk, dat zij zoekt en voor hetwelk zij zich naar buiten uitstort, niet vinden; hij is altijd in onrust en kwelling. Gelijk de zee bij stormen met geweld de golven tegen het strand slaat en deze, op het strand gebroken, weer met geweld worden teruggedreven in de zee, zoo ook is de ongelukkige staat van een lichtzinnige en door de hartstochten bewogen ziel een voortdurende strijd. In haar zelve vindt zij niets dan schaamte en wroeging bij de gedachte aan haar laagheden en de schandelijke voorkeur, aan de lengen boven de waarheid geschonken. Zij vlucht zich zelf en stort zich uit naar buiten; aan alles, wat. zij ontmoet, gaat zij een vrede vragen,een bevrediging van haar begeerten, die haar worden geweigerd door haar ongerust geweten. Maar weldra ziet zij haar misrekening in ; de schijngoederen dezer wereld vervelen en walgen haar; zij voelt zich weer teruggeroepen buiten het uitwendig gedruisch en is gedwongen weer tot zich zelve terug te keeren. Zoo wordt zij altijd

-ocr page 75-

61

nanr hui fen geworpen, altij\'1 Aveêr naar binnen gedreven, zonder ooit tot rust te komen noch van buiten noch van binnen.

„\'t Is,quot; roept de H. Augustinus uit „een straf Uwer gerechtigheid, o mijn God, en ter gelijkertijd een bewijs Uwer barmhartigheid, dat liij, die zich van U verwijdert, om in de schepselen een goed te zoeken, dat Gij alleen hem geven kunt, Gij, die het opperste goed zijt, en het goede zelf van alle goed, in stede van de voldoening, welke iiij zoekt, uiet anders vindt dan verdriet en droefheid, en dat zijn fout zijn straf wordt.quot; Hoe groot die verblinding wezen moge, men heeft toch heldere oogenblikken. Men mag zich zelf noch zoo verdooven, bij wijlen komt de mensch boven en men belet niet altijd, dat schrikkelijke nagedachten zich voor den geest stellen, \'t Is onmogelijk, dat niet meer dan eens een ongeruste blik geworpen wordt naar de verborgenheden aan gene zijde des grafs 5 dat men zich zelf geen beschamende verwijten doet, als men een vergelijking maakt tusschen hetgeen men is en hetgeen men wezen moest. Heeft ook de in zich zelf gekeerd levende Christen moeielijkheden en beproevingen, hij troost zich met God. Ach hoeveel droefheid wordt vergeten bij een vurig gebed! Maar waar die ziel heilige geneugten smaakt, daar ontmoet de Avereldgezinde Christen niets dan bitterheid en pijnigenden angst: Berouw en ongeluk zijn op hun wegen. Ps. XIII, 3.

Derde Derl. Het leven van den Christen zonder ingekeerdheid is een leren vol gevaar.

-ocr page 76-

62

De uitgelatenheid verwijdert van ons de gedachten des geloofs, berooft ons van de voorlichting en de kracht, die wij daardoor verkrijgen. Zulk een leven verwijdert de aangeboden genaden en belet in ons de werking der genaden, die wij hebben ontvangen. Zulk een leven zet het hart open voor alle verleiding en levert het hulpeloos aan den geest der duisternissen over. Zulk een leven is de voorbereiding tot alle kwaad en tot de verstoktheid in liet kwaad. Kan men zich een toestand denken, die gevaarlijker is voor de eeuwige zaligheid? Ren ik niet ingekeerd, dan laat ik mijn godsdienstige oefeningen na of ik doe ze slecht. Bid ik niet of bid ik slecht, dan doe ik de bron der goddelijke zegeningen in mij opdroogen. De innerlijke geest, dat wil zeggen, het leven ontbreekt aan al mijn werken; ik ben de onvruchtbare en gevloekte vijgenboom, de afgesneden rank, die buiten geworpen wordt. Ik ben als verdreven van de borst mijns Vaders, dat is de bijzondere Voorzienigheid, met welke God waakt over hen, die Hem beminnen. Ik heb die bijzondere genaden Zijner voorliefde, welke de belooning der getrouwheid zijn, niet meer tot mijn bescherming. Moet ik dan de vervulling der bedreiging niet vreezen: Ten tijde dat zij verstrooid zijn, zullen zij ver(jnan. .lob. VI, 17.

Wilt gij, mijn ziel, dat ongeluk ontgaan, houd dan op rond te dwalen te midden der zinnelijke dingen dezer wereld, waar gij niets anders hebt ontmoet dan dwaasheid, leugen en ijdelheid. Wil niet dwalen, mijne ziel, door het najagen der jdelheden en valsche dwaasheden.

-ocr page 77-

63

Keer in u zelve, keer terug tot uw God ; gij zult in Hem vinden, wat (rij te vergeefs buiten Hem zoekt, want daar Hij het Opperste Goed is, is Hij immers ook de onuitsprekelijke bron aller vertroosting. „Keer tot den Heer uwen God weder, daar Hij de bron is van alle vertroosting.quot; Keer terug, arme duif, keer terug naar Noë, ga terug in de ark, zoek op nieuw een sclmilplaats in het hart van Jesus ; gij zult nergens in veiligheid zijn dan in dat goddelijk toevluchtsoord. Ach, wat hebt Gij reeds duur de onvoorzichtigheid moeten betalen, die u dat heeft doen verlaten. Keer ieruq, mijne zie!, lieer terug, cinive, naar Noc in de ark, naar Christus in het verborgene des harten, ivant latii/ buiten blijven is niet vei Hg. Verzaak aan de lichtzinnige en schuldige genietingen van een leven, geheel in uiterlijke dingen en verstrooiingen doorgebracht, zoo gij de waarachtige en heilige vermaken wilt genieten van de gemeenschap met God. Het verachtelijke voedsel der roofvogels kan het uwe niet zijn, ga niet naar de lijken, waar alles bederf is. r Weiger uitwendig getroost te worden, zoo gij inwendig vermaak wilt; wil niet buiten de ark blijven met de raaf, maar vlucht snel het lijk.quot; Honger, gejaagdheid, lijden hebt Gij ondervonden sedert uw vertrek uit de heilige ark, zij dringen u daarin terug te keeren. Keer dan wéér naar Jesus Christus; Hij zal u de hand reiken en u met goedheid ontvangen, om uwe krachten te versterken, zal Hij u het brood des levens geven. „Lijdt gij honger, keer terug, Christus zal u voeden met het brood des hemels.quot; „Vele hinderlagen zijn er voor

-ocr page 78-

u

de ziel, die buiten ronddoolt, maar groote bescherming wacht de duive, die spoedig terugkeert.quot; Dat wil zeggen, hij, die in uitgestortheid leeft, staat aan vele verleidingen, bekoringen en gevaren bloot, daar is alleen zekerheid, genade, heiligheid en geluk (e hopen voor de in zich gekeerde ziel, die haar binnensteniet verlaat of als de duive zich haast terug te keeren. (Thomas a Kempis. Solil. animae c. 10.)

-ocr page 79-

ELFDE OVERWEGING.

De godvrnelitige oefeningen zijn een ander middel tot heiliging.

1. Men kan deze niet hoog genoeg schatten.

2. Op welke wijze men de achting, welke men er voor heeft, moet toonen.

Eekste Deel. Wij kunnen onze godvruchtige oefeningen niet hoog genoeg schatten. Letten wij op het goede, dat zij ons bezorgen, op het geestelijk goed, op de bovennatuurlijke en eeuwige goederen en bijgevolg oneindig verheven boven alles, wat besloten is binnen den engen kring van de stof en van den tijd. De geleerde Suarez verklaarde, liever al zijn godgeleerde kennis te verliezen dan één kwartier uurs, doorgebracht in het gebed vereenigd met God. Overdreef hij wellicht het gewicht onzer godvruchtige oefeningen? Geenszins, maar hij schatte de oefeningen van geloof, hoop, liefde, aanbidding, vernedering van zich zeiven voor de Goddelijke Majesteit en dergelijke werkingen der ziel in die kostbare oogenblikken, naar waarde. Hij wist, waartoe die kostbare oogenblikken ons kunnen brengen, welke belooning zij verdienen voor dit leven en voor de eeuwigheid. Hij wist, wat ieder dezer goede gedachten, dier heilige indrukken, van al deze genaden in één woord, die ons zoo milddadig worden verstrekt, als wij met zorg onze godsdienstige oefeningen verrichten, aan Jesus Christus heeft gekost.

5

-ocr page 80-

66

Het goed, dat wij verkrijgen door liet mondp^ebed, de overweging, de geestelijke lezing, het gewetensonderzoek, is van bovennatuurlijke orde, bijgevolg heeft het op het natuurlijk goede deze drie dingen vooruit: de begeerte daarnaar is reeds een groot goed; de begeerte verschaft ze ook, maakt ook het bezit er van nog aangenamer,

1°. Bij het natuurlijke goed veronderstelt iedere begeerte een gemis, \'t Is er ver af, dat deze begeerte een goed is ; integendeel zij is een kwelling des harten, zooals honger en dorst de kwelling zijn van het lichaam. Is er echter spraak van de goederen der genade, dan is de begeerte naar hun bezit» reeds een groot goed. Zij is zelf reeds een groote deugd, als zij voortdurend blijft, omdat zij een edele neiging der ziel is, welke God zoekt, het beginsel en de bron van alle waarachtig goed. Dat verlangen maakt ons beter; omdat het de vervulling is van ons doel en^e ziel in haar middenpunt, op de plaats doet zijn, waar zij behoort, \'t Is dus niet te verwonderen, dat het de ziel bevredigt. Ieder wezen toch is alleen dan in rust, als het zich bevindt op de plaats, waar het behoort. Daarentegen is de begeerte naar aardsche goederen bijna altijd een hinderpaal in het bereiken van ons doel, maakt ons slechter en kan dus niets anders dan lijden en kommer veroorzaken: dan is de mensch als een visch buiten het. water.

2°. Een ander groot onderscheid bestaat tusschen de geestelijke en natuurlijke goederen. Begeert men tijdelijk goed, zoo heeft men het daarom nog niet;

-ocr page 81-

II

67

men is niet geleerd, omdat men de wetenschap begeert; de begeerte naar rijkdom maakt niet rijk. Daarentegen heb ik honger en dorst naar de gerechtigheid, dan zal ik er van verzadigd worden; begeer ik vurig wat den menscb rechtvaardig en heilig maakt, dan kom ik in liet bezit van de rechtvaardigheid en heiligheid. En de reden is, omdat ik dan bid. Het gebed is niets anders dan een heilig verlangen en dit wordt door God verhoord, \'t Is niet het geluid der woorden, zegt de H. Augustinus, wat de Heer verhoort, maar bet is het verlangen, de gesteldheid des harten. De allerheiligste Maagd leert het ons in haar schoonen lofzang: De Heer heeft de hongerig en met goederen verzadigd. Vóór haar sprak reeds de profeet Isaias: Gij allen, die dorstig zijt, komt naar de wateren; en die geen geld hebt, spoedt u, koopt. .., koopt zonder geld. (LV, 1). Wat deed de wijze man om zijn wijsheid te \' verkrijgen? Hap. VII, 7: Ik heb begeerd en het ver

stand is mij gegeven.

3°. Ten slotte geeft het verlangen niet alleen het bezit der geestelijke goederen, maar verhoogt ook het genot er van. Men heeft spoedig genoeg van de zuiver menschelijke voldoeningen, van alle goederen der natuurlijke orde, want zij staan in geen even-redigheid met de onmetelijke vatbaarheid van het menschelijk hart. Doch nooit is walging te vreezen bij het zuivere genot, dat de ziel vindt in de geestelijke goederen. Integendeel hoe meer men deze bezit, des gt; te grooter wordt de begeerte daarnaar. De verzadi

ging n«emt iiier den honger niet weg, de honger

-ocr page 82-

68

vermindert niet, maar vermeerdert liet genot van het verzadigd zijn. In zekeren zin kan men van de rechtvaardigen op aarde zeggen, wat St. Augustinus zeide van de gelukzaligen in den hemel: Zij zijn altijd hegeerig en toch altijd voldaan. Het geluk der zaligen bestaat in de tot haar laatste volmaaktheid gekomen vereeniging met God; onze goed verrichte oefeningen van godsvrucht beginnen hier beneden die vereeniging, zijn als een voorspel, een schets, een leertijd der eeuAvige zaligheid: een begin van het eeuwige leven, zegt de H. Gregrorius. Men kan ze dus niet te hoog schatten.

Tweede Deel. Hoe moeten wij onze achting voor onze godsdienstige oejeningen toonen ? Door ze nauwgezet te vervullen en door onzen ijverigen toeleg om ze goed te doen.

1°. De lauwe Christen weet allerlei ingebeelde verhindering te vinden, die hem de godsdienstige oefeningen onmogelijk heeten te maken, allerlei voorwendsels te verzinnen, die hem er van ontslaan. Daarentegen is een goed Christen bedroefd, indien hij inderdaad gedwongen is zijn godvruchtige oefeningen achterwege te laten of den tijd er van te bekorten. Hij regelt zijn tijd zóó en neemt zijn maatregelen, dat geen beletsel hem verhindert er zich onverdeeld aan te wijden, als het uur er voor gekomen is. Zonder twijfel, de oefeningen zijn maar een middel; een verstandig mensch hecht er alleen aan met het oog op het doel en in zooverre zij tot het doel brengen. Hij aarzelt geen oogenblik God voor God te verlaten, de rust van de

-ocr page 83-

69

bespiegeling op te offeren voor de vermoeienissen van het werkzaam leven, als de Goddelijke Meester het gebiedt. God, zegt de H. Franciscus van Sales, haat den vrede van hen, die Hij roept tot het gevecht.

Maar is het altijd wel zuiver waar, dat wij om God, om aan God te behagen, die kostbare oefeningen nalaten ? Is het wel altijd voor Hem, dat wij ze bekorten. Voor den slaap en voor den maaltijd vinden wij den tijd, die bestemd is om de krachten van ons lichaam te herstellen; is dan de heilige tijd van het gebed, van de geestelijke lezing, van het bijwonen der H. Mis minder waard ? Moet ook de ziel haar krachten niet herstellen? Kan zij beter buiten de geestelijke spijzen dan het lichaam buiten het stoffelijk brood ? Zoo wij eenige oogenblikken minder besteden aan onze gebeden, onttrekken wij die dan alleen aan ons zeiven of ook aan God en Zijn glorie? Is dan niet te vreezen, dat wij Hem beleedigën door een roof van Zijn brandoffer: Ik de Beer bemin hei oordeel en haat den roof in het brandoffer. Isaias LXI, 8. De goede Christen vervult daarom nauwgezet zijn godvruchtige oefeningen; hij heeft er den tijd voor, besteedt er al den tijd aan, dien hij heeft bepaald en gaat van zijn regel niet af dan alleen in geval van gebiedende noodzakelijkheid.

De brave Christen verricht zijn godvruchtige oefeningen zoo goed mogelijk, zoowel de geestelijke lezing, waarbij hij naar God luistert, die daar tot hem spreekt, als het gebed, waarin hij zelf spreekt tot God. Voor en onder dien hemelschen omgang legt hij zich ijverig er op toe alles goed te verrichten, hij doet de ver-

-ocr page 84-

70

wijderde en de naaste voorbereiding, zijn geest is aandachtig, zijn hart leerzaam. Ontbreekt niets, dan maakt hij snellen voortgang in den geest des geloofs, dei-onthechting, des ijvers, in de waarachtige heiligheid.

Op nieuw leg ik mij de verplichting op, welke ik als een heilige, onschendbare wet wil beschouwen, om altijd en zoo goed als ik maar kan mijn godvruchtige oefeningen na te komen. In een goede overweging des morgens zal ik in overvloedige mate den inwen-digen geest opdoen, welke mij gedurende den dag zal beschermen tegen de indrukken van buiten. Reeds vereenigd met God door het gebed, zal ik mij nog inniger met Hem vereenigen bij het offer der H. Mis, zoo ik het geluk heb daarbij tegenwoordig te kunnen zijn, vooral als het mij vergund zal zijn daaronder te communiceren. Op het midden van den dag ga ik een weinig in mijzelven, \'s avonds houd ik een kleine godsdienstige lezing en doe een kort bezoek aan het H. Sacrament en voor ik ter ruste ga, zal een ernstig gewetensonderzoek liet verlies herstellen, dat mijn omgang met de wereld mij heeft doen lijden, het zal mijn ijver hernieuwen, nieuwe kracht aan mijn goede voornemens geven, Bemerk ik, dat mijn godsvruchtige oefeningen worden verzuimd of nalatig verricht, dat verstrooiingen mij daarbij overvallen, of dat ik geneigd ben den duur er van te bekorten, dan zal ik gebruik maken van het woord van Jesus Christus en den be-koorder, wie hij ook zijn moge, toevoegen; Ik moet zijn, in de dingen, die mijns Vaders zijn. Luc. II, 49.

-ocr page 85-

TWAALFDE OVERWEGING.

De gedaclife aan de eeinvifjlieid is een machtig middel tot het verkrijgen der heiligheid.

I. Daar is een eeuwigheid.

II. Wat is de eeuwigheid?

III. IIoe zal mijn eeuwigheid zijn?

De meeste onderwerpen der voorgaande overwegingen, maar vooral van die nu volgen, ontleeuen de kracht, die zij hadden om de ziel te doen besluiten tot de door de heiligheid gevorderde offers, hoofdzakelijk aan de gedachte van de eeuwigheid. Doordringen we ons diep van deze zoo gewichtige waarheid.

Ie. Deel. Daar is een eeminghekl. \'t Is van het hoogste belang mijn geloof aan deze waarheid te verlevendigen, welke even troostend is voor de braven als verschrikkelijk voor de zondaars. Te vergeefs zoekt hij, die er belang bij lieeft, de zekerheid van het beslaan der eeuwigheid te verzwakken. Al sluit ik mijn oogen voor het licht der zon, daarom schijnt deze toch en verlicht ook mij, ondanks mijzelven. Mijn verstand, mijn innerlijk gevoel geeft mij de volle zekerheid, dat mijn ziel onsterfelijk is; de door onloochenbare bewijzen gestaafde openbaring leert mij de opstanding des lichaams, de onsterfelijkheid der ziel, de eeuwigheid van den mensch • Ik geloof de

-ocr page 86-

72

verrijzenis des v lee aches, het eewviije leven. Als het onherroepelijk vonnis gesproken is, zullen de verdoemden gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eemvige leven. Matth. XXV, 46. Ja, Heer, ik geloof op gezag van Uw woord, mij door het onfeilbaar gezag Uwer Kerk te gelooven voorgesteld, ik geloof, dat ik na dézen tijd, waarin alles voorbijgaat, zal binnengaan in de eeuwigheid, waarin niets voorbijgaat. Psalm Cl, 26: „In den beginne hebt Gij, o Heer,.de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk uwer handen.

27. Zij zullen vergaan, maar Gij, Gij blijft,

en zij zullen als een kleed verouden,

en als eenen mantel zult Gij ze veranderen, en zij zullen veranderd worden;

28. Maar Gij, Gij zijt steeds dezelfde,

en Uwe jaren zullen niet ophouden.

29. De kinderen Uwer dienstknechten zullen wonen, en hun kroost zal voor altijd bestaan.quot;

Gij hebt de eeuwigheid, die Uw wezen is, willen mededeelen aan mijne natuur.

Gij en ik, wij zullen eeuwig bestaan.

IIe Deel, Wat is de eeuwigheid? Wat de ziel niet kan begrijpen, kan men in geen woorden uitdrukken. De eeuwigheid is een der volmaaktheden Gods, bijgevolg even onbegrijpelijk als God zelf. In betrekking tot ons is de eeuwigheid een voortduur zonder einde, niets kan haar meten; een altijd dezelfde, onveranderlijke staat, dien niets vermag te schokken. Een onmetelijke voortduur, een onbewegelijke toestand.

-ocr page 87-

73

ziedaar, de eenvoudigste en meest ware voorstelling, die ik mij van de eeuwigheid maken kan.

1. Een voortduur zonder einde, door niets te meten. Onze eeuw, die zoo groot gaat op haar kennis, beweert alles onder cijfers te kannen brengen, de uitgestrektheid der aarde, de diepte der zeeën, de afstanden, afmetingen en verschillende bewegingen der hemellichamen ____ De eeuwigheid zal altijd met alle berekening spotten. De stoutste verbeelding zal zich nooit een duur kunnen voorstellen, die er in de vertste verte op gelijkt. Is de eeuwigheid een keten, waarvan de schakels niet te tellen zijn en waarvan iedere schakel vele millioenen jaren telt? Gij hebt dan nog bovendien de oneindigheid. Hoe groot getal gij u ook denkt, gij vergroot daarmede de eeuwigheid niet, hoeveel gij er ook aftrekt, gij vermindert haar niet. Want daar is niets te vergrooten of te verkleinen, de eeuwigheid is een enkel ondeelbaar oogenblik. Zoo zij met iets kon worden vergeleken, dan is het met den cirkel; gij kunt op een gegeven punt den onmetelijken gang beginnen, maar hoeverre gij ook afloopt, gij vordert niets. Men kan van den mensch zeggen, dat hij bij zijn sterven de eeuwigheid ingaat, dat zij voor hem met den dood begint, maar nooit zal men kunnen zeggen, dat hij een derde of vierde gedeelte er van heeft afgelegd, dat hij een honderdste, een duizendste er van achter zich heeft. De eeuwigheid blijft voor hein altijd in haar volle geheel, zooals zij was op het oogenblik, dat zij voor hem begon. Daar zijn maar twee woorden, die van

-ocr page 88-

74

pas komen bij het bespreken van den duur der eeuwigheid: Altijd en Nooit. Hoelang zal de brave Christen in de eeuwigheid op het toppunt zijn van geluk en schitteren in de glorie; hoelang zal die ongelukkige verdoemde gekluisterd blijven aan zijn somberen en afschuwelijken kerker, die bestemd is voor de onboetvaardige zondaars? Altijd. Wanneer zal de eeuwigheid een weinig minder heerlijk worden voor de vrienden van God, wanneer een weinig de wanhoop verminderen van zijne vijanden? Nooit. Wanneer zal er een einde komen aan de zuivere en onuitsprekelijke geneugten, de vervoeringen van blijdschap, de zegezangen der zaligen, aan de folteringen, wanhopige smart on het afschuwelijk gehuil der verdoemden. Nooit. O eeuwigheid! Altijd! Nooit! Hoevelen onzer kennissen en vrienden zijn ons voorgegaan in den dood; hadden wij hun kennis van de eeuwigheid, welk een verandering zou er dan zijn in onze oor-deelen en in ons gedrag!

2. \'t fs een staat, dien niets meer kan veranderen; als de boom eenmaal gevallen is, komt hij nooit meer overeind te staan, „Is het dat de boom valt ten zuiden of ten noorden, in wat plaatse hij valt daar zal hij (Prediker XI, d.) Men kan dien val voorkomen, men kan dien keeren. Naar welken kant hangt de boom over? Helt hij al ver over? Helt hij al lang over? Maar dat is zeker, hij zal blijven, waar hij gevallen is, daar zal hij liggen. Over honderd jaar, over duizend jaar, hij zal daar liggen, waar hij gevallen is. Als de wereld vergaat en de nieuwe

-ocr page 89-

wereld begint, als de nieuwe hemelen zullen geschapen zijn, hij zal daar liggeni waar hij gevallen is. Na zoorele millioenen jaren, als er zandkorrels zijn aan het strand, druppels water in den Oceaan, hij zal daar liggen, waar hij gevallen is.

De vergankelijkheid is het deel van onzen tegen-woordigen toestand, de onveranderlijkheid onze toekomstige bestemming. Hier volgen de dagen elkander op en de eene dag is de andere niet; daar ginds is alles onveranderlijk, alles blijft hetzelfde en duurt zonder ophouden voort. In den hemel wordt de dag nooit vervangen door den nacht, in de hol breekt nooit de dageraad door den stikdonkereu nacht. Niets is in staat de blijdschap der zaligen te storen, niets kan de pijnen der verdoemden verzachten.

Daar is geen verandering te vreezen in den hemel; geen verandering te hopen in de hel, die daar binnengaan laten alle hoop varen. AVas de ongevoeligheid nog maar een gevolg van die eenzelvigheid, dan ware het ongeluk der boozen enkel het verlies van het geluk des hemels, maar neen, zij zullen altijd door ten volle gevoelen, wat het is zich te bevinden in een onveranderlijken staat van het grootst mogelijke ongeluk. De eeuwige jaren zijn alle vereenigd in één ondeelbaar oogenblik, ieder oogénblik dragen de rampzaligen het volle gewicht der geheele eeuwigheid.

O mijn God, geef mij hier een vast geloof aan de eeuwigheid, opdat ik wijs moge zijn en met moed boetvaardigheid doen, vóór ik de eeuwigheid inga! Heb ik eenmaal den drempel der eeuwigheid over-

-ocr page 90-

76

Siolucdfii; van liet eerste oogenblik I)eii ik er voor immer. Maar waar zal ik zijn?

III. Deel. Welke zal MIJN eeuwigheid zijn ? Niemand hier op aarde Iran twee heer en dienen; v:ie nicl voor Mij is, zegt Christus, is tegen Mij; men behoort óf tot het rijk Gods óf tot het rijk van den duivel. Zoo ook is het menschelijk geslacht aan gene zijde van het graf in twee kampen verdeeld. Daar is een eeuwige belooning, de laatste en grootste openbaring van Gods goedheid; daar is een eeuwige foltering, de oneindige verheerlijking van Gods gerechtigheid. In den hemel zijn alle mogelijke glorie, alle mogelijke geneugten, zonder het minste lijden; in de hel zijn alle smarten, alle schande, alle wanhoop op het hoofd der rampzaligen saamgehoopt, zonder de geringste verzachting. Eeuwigheid des hemels, eeuwigheid van de hel! Iedere klopping van mijn hart brengt mij nader tot een van die twee uitersten, noodzakelijk kom ik in een van beide eeuwigheden te recht. (S. Ambros. In psalm 108). Daar is geen midden; zoo de kroon des hemels mij ontgaat, ontsnap ik den afgrijselijken kerker niet. Altijd bij God in de aanschouwing van Zijn schoonheid en deelend in Zijn geluk of altijd gescheiden van God door een onoverkoombare klove, ter prooi aan de gruwelijkste folteringen, de bitterste wroegingen, het afschuwelijkst geknars der tanden. Altijd in het bijzijn van God en Zijn lieve Heiligen, met hen den lof des Heeren en de vi eugdeliederen der blijde overwinning zingende of altijd te midden der duivels met de verdoemden schrikkelijke lasteringen uitbrakende tegen God en vervloekingen tegen zichzelven.

-ocr page 91-

11

quot;Welk van deze twee zal mijn bestemming; zijn? Ik weet het niet; wat ik weet is, dat er maar één stap is tnsschen mij en de eeuwigheid. Ik sta aan den oever der eeuwigheid. Eén golf bloed, één zwakke zucht, die de borst ontsnapt, één te felle klopping of één oogenblik stilstand van het hart, enkele oogenblikken verhindering der ademhaling en ik ben er. Ik weet verder nog, (lat ik de eeuwigheid der heiligen verliezen kan en dan die der verdoemden mijn lot is. O mijne ziel, een gebeurlijkheid van dien aard moest al uw zorg, al uw bekommering uitmaken, u alle voorzorgen doen nemen, tot alle offers doen bereid zijn. O eeuwigheid, roept S. Augustinus uit, wie door de overweging van u niet gedrongen wordt zijn leven te beteren, hij heeft geen geloof of geen hart. Mijn aanhoudende zorg zal voortaan zijn om met mijn tranen de vroegere smetten uit te wisschen en door werken van deugd een gelukkige eeuwigheid te verdienen.

-ocr page 92-

DERTIENDE OVERWEGING.

Waarvan hangt mijn eeuwigheid af?

-a/vx/xsyvw»--

I. Van mijn leven.

II. Van mijn leven, dat zoo kort is.

III. Wellicht van één enkel oogenblik van mijn leven.

Eerste Deel. Mijn eeuwigheid hangt van mijn leven af. Niets zekerder dan dit, daar de H. Schrift ons uitdrukkelijk leert: Een ieder zal ontvangen naar zijn werken, en hij zal plukken wat hij zal gezaaid hebben. Onze daden, de goede en de kwade, zegt de H. Bernardus, zijn alle zaad voor de eeuwigheid. Wij leggen ze in de aarde, zij verdwijnen, maar wij vinden ze terug bij den dood en zij zullen onafscheidelijk met ons vereenigd blijven. Eén gedachte» waarbij mijn geest een oogenblik verwijlt; een woord\' dat mij uit den mond komt; welke daad ook, bijna zoo spoedig voltooid als begonnen, dat alles komt achtereenvolgens in de onmetelijke eeuwigheid en wordt duurzaam en blijvende als de eeuwigheid zelf. Eén oogenblik is genoeg om iets te doen, wat alle eeuwen nooit zullen vernietigen. Ik val in een bekoring, \'t is voor de eeuwigheid. Ik bid, ik geef een aalmoes, \'t is voor de eeuwigheid. De zonde, wier genot voorbijgaat als een bliksemstraal, zal

-ocr page 93-

79

eenwig mijn ziel vastklemmen, tenzij ■ware boetvaardigheid haar verlost; de ziel folteren, als een gier haar prooi, die zij verslindt. Daarentegen zal de daad van gerechtigheid, godsdienst, liefde, mij eeuwige vreugde bezorgen, zoo ik niet de dwaasheid bega van mij zelf van mijn verdiensten te berooven, door mij door de zonde van God te scheiden.

Met de genade, die mij voorkomt, vergezelt, onder-stennt, ben ik dus inderdaad meester van mijn eeuwigheid, heb ik de beslissing in handen van mijn eeuwig lot. Welk een reden van hoop en vrees te gelijk. Reden om te vreezen, want zoo ik de toekomst naar het verledene beoordeel, naar mijn onvoorzichtigheden en zwakheden, helaas, wat is dan een zoo gewichtige zaak slecht aan mij toevertrouwd, \'t Is waar, o mijn God, maar omdat gij u nog gewaardigt mij tot ü te roepon en mij de middelen aan te bieden om mijn fouten te herstellen, staat het nog in mijn macht mij een gelukkige eeuwigheid te bezorgen, \'t Is genoeg, zoo ik wil en het schijnt dat ik wil.

Tweede Deel. Mijn eeuwigheid hangt af van mijn hort bestaan. Wat is de tijd, zoo men hem vergelijkt met de eeuwigheid! „Zie, Gij hebt mij dagen gesteld, die te tellen zijn ; en myn wezen is als niets voor u.quot; Ps. XXXVIII. 6. Een duur, die een einde heeft, zooveel te meer een, die voorbijgaat als een droom, is een niet-zijn in vergelijking met een eindeloozen voortduur. Wij staan veel te dicht bij het tegenwoordige leven om over zijn kortheid met juistheid te oordeelen. Beschouwen wij het van de plaats

-ocr page 94-

80

waar wg het zullen zien over eenige millioenenjaren in een der beide eemvigheden. Hoe zal het ons dan voorkomen ? En het is inderdaad zoo als het ons dan zal voorkomen. Ach, daar is geen twijfel aan; na een zoo lang verblijf in de plaats der verdoemden of in die der uitverkorenen, zou ons ter nauwer nood een herinnering gebleven zijn aan onze kortstondige pelgrimstocht op aarde, ware het niet dat de eeuwigheid zelve en wat wij er in ondervinden ons voort-durend doen gevoelen, dat wij geleefd hadden en dat wij in het oogenblik, dat wij geleefd hebben, onze eeuwige bestemming hebben bepaald.

Zoo wij nu reeds den H. Antonius, H. Hilarion, H. flieronymus konden vragen, wat zij van hun lange en strenge boetvaardigheid dachten, met welk een overtuiging zouden zy ons antwoorden: Het zoo korte oogenblik onzer lichte moeielijkheden heeft in ons voortgebracht een eeuwig gewicht van heerlijkheid, een hoogst en onvergelijkelijk geluk. (II. Corinth. IV, 17). Ziet met uw oogen, hoe weinig wij gearbeid hebben en hoe wij een onmetelijke en heerlijke rust hebben gevonden. En wat denken Gods vijanden van dien tijd, dien zij hadden moeten besteden om den hemel te verdienen, en dien zij hebben zoek gemaakt met zich een ontroostbaar wee, een onuitbluschbaar vuur, een eeuwige hel op den hals te halen? Vernemen wij hun klachten in het Boek der Wijsheid V: Wij hebben ons bedrogen. Wij zijn moede geworden op den weg der ongerechtigheid en des verderts. Wij hebben gewandeld op steile en lastige wegen. Waartoe heb-

-ocr page 95-

81

ben ons onze schatten gediend! Wat baat hebben wij gevonden bij het ijdel vertoon met onze rijkdommen? Dat alles is voorbijgegaan als een schaduw . . . Die gedachten zijn nu te laat. Hadden zij dit maar eerder overwogen, toen zij nog op aarde waren en de tijd van barmhartigheid nog niet voor hen voorbij was. O mijne ziel, hoe levend stellen zij u de groote waarheid voor oogen: De tijd is kort. {1 Cor. YII,29).

Hoe snel vervliegt de tijd en hoe kostbaar is hij, als ik hem beschouw met liet oog op de eeuwigheid.

Derde Deel. WeUirhi hangt mijne emwigheid van ee.n enkel oogenhlik mijns levens af. De genade heeft haar tijd. Haar licht schijnt en verdwijnt. God komt tot ons en trekt zich terug. Hij spreekt en hij zwijgt. Hij is Heer en Meester van Zijn gaven en verbindt die aan de voorwaarden, welke Hij verkiest. Het gewone plan van Gods Voorzienigheid is, dat bijzondere en buitengewone genaden de belooning zijn voor de getrouwheid aan de gewone. AVeigert men de medewerking aan de gewone genade, dan maakt men zich de buitengewone onwaardig. Tot welk een heiligheid en geluk kan ons een oogenblik van goed bestede genade niet voeren! Maar evenzeer kan een oogenblik van verwaarloozing der genade ons in den afgrond des verderfs storten.

Abraham ontvangt de belofte van eeuwige zegening, omdat hij gehoorzaam was aan het gebod van zijn zoon Izaak te slachtofferen; Saul wordt voor altijd verworpen, omdat hij ongehoorzaam was aan het stellio- gebod des Heeren van niets voor zich te be-

6

-ocr page 96-

82

waren van den buit. Wat was er van David, Petrus, Maria Magdalena geworden, zoo zii het gunstige oogenblik, het oogenblik der genade, dat voor hen beslissend was ter zaligheid, hadden verwaarloosd ? Gelukkig ware Jerusalem geweest, hoe ongeloovig het tot nog toe ook geweest was, zoo het den tijd der bezoeking gekend had en de stad haar voordeel had gedaan met den dag, die haar geschonken werd! \'t Was haar dag: in dezen uw dag. (Luc. XTX, 42). Maar het verstokte volk sluit de oogen om niet te zien; het weerstaat nog aan de indrukken der genade aan de teederste uitnoodiging der barmhartigheid. Het laat het beslissende oogenblik voorbijgaan, van daar zijn verblinding eh ongelukken. Een hemelsche ingeving, die wordt verwaarloosd, kan de eenwige hel ten gevolge hebben; een stap tot God kan het begin zijn van een gelukzalige eeuwigheid: O oorjenhlik, waarvan de eeuwigheid afhangt!

Groote God, hoor ik Uw stem, welk offer Gij mij ook vraagt, op hetzelfde oogenblik, dat Gij tot mij spreekt, zal ik gehoorzamen. Neen ik wil mijn hart niet verstokt doen blijven. Ps. XCIV, 8: „Zoo gij heden Zijn stemme zult hooren, wilt dan uw harten niet verharden.quot; Maar wat zeg ik? Ik heb Gods stem gehoord; ik hoor haar nog, die machtige stem, die weerklinkt tot in het diepste mijner ziel: eeuwigheid ! eeuwigheid! O wat beuzelarijen vallen weg verdwijnen bij het gezicht der eeuwigheid; beuzelarijen, welke mij gejaagd doen zijn, mij opwinden, bij welke de vreugde mij in vervoering brengt of het verdriet

-ocr page 97-

83

mij ter neder slaat . . . Neen, mijn God, ik zie dni-delijk in, dat er op aarde maar één ding is, dat mijn streven waardig- is — het is datgene, wat mij de eeuwigheid, die ik verlang, nader brengt en mij verwijdert van die ik te vreezen heb. Tk zie duidelijk in, dat er maar een ding is, dat mij bedroeven kan en mij smart veroorzaken. Dat eene is wat mij blootstelt, door ü te beleedigen, aan het ongeluk van eeuwig van IJ gescheiden te worden.

O Jezus, Koning der eeuwige goederen, kom tot mij. Gij hebt het ons beloofd in uw Evangelie; Gij hebt het voor ons verdiend door Uw zoendood; Gij hebt ons het onderpand er van gegeven in Uw allerheiligst Sacrament: Die Mijn vleesch eet en Mijn bloed drinkt, ten eeuwige leven. Omdat Gij mij spijzigt met het brood der uitverkorenen, hebt Gij mij deelgenoot willen maken aan de gelukzalige eeuwigheid. O kom dan bezit nemen van mijn ziel en van mijn geheele wezen; sluit met mij een heilig verbond; laat die innige vereeniging nooit meer door iets verbroken worden. Kom en doe mij behooren onder het getal van hen, Avier omgang in den hemel is, van hen, die bevrijd van alle dienstbaarheid zich verheffen boven de wereldsche dingen en alleen het oog hebben gevestigd op de eeuwigheid; van hen, die de dingen, die voorbijgaan, ter nauwernood een oogslag waardig keuren, maar onafgewend het oog hebben op hetgeen eenwig duurt. Kom. verdedig mijn ziel en bewaar haar voor het eeuwige leven: Het lichaam Omes Heeren Jezus Christus beware mijne zie! ten eeuwige leven. Amen.

-ocr page 98-

VEERTIENDE OVERWEGING-

De Tmcliten, welke men ran de gedachte aan de

eeuwigheid igt;lukt

— ----—-----

I. Wijsheid die ons leidt bij onze beraadslagingen.

II. Moed, die ons ondersteunt in onze beproevingen

III. Vurige ijver, die ons opwekt het goede te verrichten.

Eerste Deel- JJe yedachie aan de eeuwigheid is een zeker licht, dat om leidt hij ome beraadslagingen. Een last, hoe licht ook, een smart, hoe gering ook op zich zelf, wordt ondragelijk, zoodra men de eeuwigheid er bij denkt. Daarentegen heeft een geringe bevrediging, een kleine voldoening een oneindige waarde, als zij altijd duren zal. En hier heeft meu alle ook de meest hevige smarten, de ondragelijkste pijnen, die men denken kan, vereeuigd; van den ande ren kant alle geluk, alle blijdschap, de zoetste vreugde de hoogste verrukking.... Zoowel het een als het ander duurt eeuwig, \'t Is onmogelijk, dat iemand ernstig hieraan denkt en niet de wijze les van St. Gregorius tot regel maakt van zijn gedrag: Geen zekerheid is te groot, waar de eeuwigheid gevaar loopt. Zoodra de eeuwigheid er mede gemoeid is, de eeuwigheid van het hoogste geluk en van het grootste ongeluk, dan kan ik nooit genoeg voorzorgen nemen, omdat ik nooit te veel zekerheid hebben kan.

-ocr page 99-

85

Dezen tegel hebben alle Heiligen gevolgd. Zij ebben geluisterd naar den raad des Apostels, die ons vermaant ons zeiven te meten (II. Oor. X. 12). /ij gevoelden zich geschapen voor de eeuwigheid, zij vonden niets Avat hun paste, wat hun aanstond in een wereld, waar alles vergankelijk is en van korten duur. Meer dan eens gaf deze gedachte aan kinderen een wijsheid, die grijsaards beschaamt. In haar-prille jeugd trekt zich Theresia van alles terug en zij spreekt tot zich zelf; „Altijd gelukkig zijn of eeuwig ongelukkig! Kies, Theresia.quot;

De jeugdige Stanislaus Kostka geeft zich geheel aan God en wil niets van de wereld weten- Men vraagt hem de reden van zijn zonderling doen en zijn antwoord is: „Ik ben niet geboren voor het tegenwoordige, maar voor het toekomstige.quot; De H. Aloy-sius van Gonzaga stelde zich dikwijls deze vraag: „Welke waarde heeft het voor de eeuwigheid?quot; In dit woord liggen twee regels van voorzichtigheid: de eerste is, dat de middelen moeten gericht worden op het doel en de tweede, dat van twee kwaden het minste, van twee goede dingen het beste moet gekozen worden.

lu. Houd ik alleen dit voor oogen, dat ik tot iederen prijs de eeuwigheid der gelukzaligen moet verwerven, en die der verdoemden moet ontgaan, dan zal ik ieder ding beschouwen in het licht van dit eenige doel. Welke zijn de hinderpalen? Welke zijn de middelen om dit doel te bereiken? Door welke middelen ben ik het meest zeker van te zullen slagen?

-ocr page 100-

86

Welke beletselen verminderen voor mij de kans van slagen? Alleen datgene, wat mij helpt om tot mijn doel te komen, stel ik op prijs; wat mij cr van verwijdert, verwerp ik geheel en al. Moet ik blijven te midden van de verlokkingen en gevaren dezer wereld? Doe ik beter met haar te verlaten? Rijkdom of armoede, een gemakkelijk of een boetvaardig leven, grootheid of verachting.... Wat beteekent dat alles voor de eeuwigheid?

2°. Ik vergelijk den duur van dit leven met den duur der eeuwigheid, het goede en kwade van dit leven met het goede en kwade in de eeuwigheid, ik doe mijn keus en geef de voorkeur aan het grootste goed en aan het minste kwaad. Wat is redelijker dan dit gedrag? „Ach, welk een dwaasheid,quot; roept de H. Hieronymus uit, „om een gering vermaak, dat korten tijd duurt, de eeuwige vreugde te verliezen en altijddurende folteringen te lijden!quot; Welk een helder licht werpt de gedachte aan de eeuwigheid op alles en welk een kracht kan ik uit die gedachte putten!

Tweede Deel. De yedachte aan de eeuwigheid ondersteunt otts in onze beproevingen. Onze vijanden gebruiken tweeerlei soort van wapenen tegen ons, het vermaak en het leed.

Wij zondigen en stellen onze zaligheid in gevaar óf door ons eenige voldoening toe te staan óf door ons eenig leed te besparen.

Wat doet nu de gedachte aan de eeuwigheid? Zij stelt vermaak tegenover vermaak, lijden tegenover

-ocr page 101-

87

lijden, vergelijkt den korten tijd van hel offer tegenover de eeuwigheid der belooning. Tegenover een altijddurend geluk verliest een geluk van enkele oogen-ulikkeu alle bekoorlijkheid en folteringen, die nooit een einde zullen nemen, vrees ik al te zeer dan dat een kortstondige kwelling mij nog afschrikken kan. Alhn wat niet eeturiy is, is niets of moet voor niets gerekend worden: Ziedaar mijn antwoord, als de zonde mij begeerlijk voorkomt en de ware deugd mij streng toeschijni.

De gedachte aan de eeuwigheid heeft de heiligen weêrstand doen bieden aan de verleiding van het schuldig vermaak, deed hen standvastig blijven in de omstandigheden, waarin zy alles te vreezen hadden van de menschelijke zwakheid. Zij zeiden tot zich-zelven: Een oogenblik van genot en daarvoor een eeuwigheid van foltering.quot; Neen, daar laat zich geen bekoring zoo hevig veronderstellen, ot zij wijkt voor de heilzame kracht van deze ernstige overweging: De eeuwigheid tegenover één enkel oogenblik! Die gedachte geeft allen moed terug aan mijn geschokte ziel.

Waarom toonden de heiligen zoowel van het Oude als van het Nieuwe Verbond zooveel standvastigheid in de beproevingen? Omdat, zegt Sap. Iü, 4, omdat hun hoop vol was van de onsterfelijkheid. De martelaars omhelsden hun beulen, boden hun ledematen aan om door ijzeren foltertuigen te worden verscheurd. Van waar kwam die bovenmenschelijke grootheid van ziel? Met de genade en bijzonderen bijstand van Jesus Christus van deze gedachte: \'t Is waar, ik lijd, maar

-ocr page 102-

88

mijn lijden zal weldra geëindigd zijn en daardoor blijf ik bewaard voor folteringen, die geen einde nemen. Al moesten mijn folteringen weken, maanden duren, geheel een menschenleven, \'t is niets meer dan één oogenblik vergeleken bij de eeuwigheid. Is dit ééne oogenblik voorbij, dan ga ik binnen in de vreugden en geneugten, welke altijd zullen voortduren.

Het leven yan den Christen is een voortdurende verloochening van zichzelf. Ziet hij alleen het tegenwoordige, dan schijnt de last hem te zwaar, hij is geneigd zich te beklagen. Maar hij moet vergeten, wat hij ziet, wat hij nu ondervindt, gelijk Sint Paulus vermaant, om alleen te denken aan hetgeen hij zien zal, aan hetgeen hij in de eeuwigheid smaken zal (11 Corinth. IV, 18) en niet den Apostel zal hij vervuld worden met troost en blijdschap te midden van zijn lijden (VII, 4). Hij zal inzien, dat er geen vergelijking is tusschen het lijden, dat hij verduurt en het, geluk dat hem wacht. Bom. VlII, 18. De H. Ber-nardus zegf: „Men drinkt het lijden druppel voor druppel, men neemt het in niet weinig tegelijk; maaide belooning zal zich over ons uitstorten als een stroom, als een vloed van vrede, welke ons met zijn wateren zal overstroomen en nooit uitgeput zal zijn.quot;

Derde Deel. De gedachte unn de, eeuwigheid geeft ons een onver moeiden, vurigen ijver in de beoefening vun het goede.

Men is zeker in het toekomstige leven de vruchten te plukken van hetgeen men hier goed heeft gedaan en men weet niet, wanneer men de eeuwigheid zal

-ocr page 103-

89

ingaan; daarom wekt een man van geloof zich op door deze krachtvolle overweging: Mijn ziel, vergeet niet dat gij voor de eeuwigheid arbeidt. De waakzaamheid valt u hard, de voortdurende zorg om alles voor God te doen en hetgeen gij doet, goed te doen, vermoeit u en maakt u bijwijlen het leven bitter. Troost u, luister: hoort gij niet in de verte eenig geluid, dat u de komst van uw bruidegom aankondigt. Nog een oogenblik en gij zult Hem zien en niets zal Hem van u kunnen scheiden. Daar in de verrukking der liefde, in de onsterfelijke vervoering der vreugde zult gij de rijke belooning uwer heilige werken ontvangen, gij zondt er nog gaarne meer hebben gedaan. De gierigaard is niet zoo begeerig geld bijeen te brengen als de ijverige Christen er op uit is den schat zijner verdiensten te vergrooten. De liefde wordt onophoudelijk meer en meer werkzaam in zijn hart en het verlangen naar heiliging vuriger.

Hij die niet werkt voor een gelukkige eeuwigheid, werkt gewoonlijk voor een ongelukkige eeuwigheid. Maar zelfs dan als het niet noodig ware mijn eeuwig heil te verzekeren, dan weet ik immers toch, dat ieder goed werk, door mij verricht, mijn glorie en mijn geluk gedurende de geheele eeuwigheid zal vermeerderen. Ongetwijfeld, voor iedere daad van geduld van nederigheid, voor iederen nieuwsgierigen blik, welken ik nalaat, zal ik de geheele eeuwigheid door God helderder zien. Hem meer bezitten en genieten... Ik weet verder, dat de nacht komt en eenmaal gekomen zal zij mij elke mogelijkheid van te arbeiden ontnemen.

-ocr page 104-

on

•roan. TX, 4. Welaan dan, laten wij het r/oe lr Josn, terwijl wij er den tijd voor hebben. (Gal. VI, 10). Hij die weinig zaait, zal weiniij oogsten, muur hij die overvloedig zaait zal overvloedig oogsten. II Corinth. IX, 6.

Maak deze goede besluiten; 1°. Wandel altijd\'in de gedachte aan de eeuwigheid en verlies deze, zooveel u mogelijk is, nooit uit het gezicht. 2°. Doe iedere goede daad met de gedachte, dat de gevolgen er van eeuwig zijn. 3°. Houd u ten stelligste er van overtuigd, dat ieder offer, door u gebracht tot uw heiliging in Gods handen wordt gesteld, die het u honderdvoudig zal teruggeven in de gelukzalige eeuwigheid. 4 . Als de klok slaat, denk dan dat alle uren, alle minuten, die elkander opvolgen, zooveel stappen zijn naar de eeuwigheid, die altijd nader komt.

-ocr page 105-

VIJFTIENDE OVERWEGING,

Be zonde gestraft.

T. In de oproerige engelen.

II In Adam en zijn nakomelingschap.

III. In iederen verdoemde, die Avelliclit minder sclinldig was dan ik.

Eerste voorbereiding. Stellen wij ons de bel voor met de ontelbare menigte engelen, die oproerig geworden daarin zijn neergestort en met Adam\'s kinderen, die dag aan dag liet aantal vermeerderen der rampzalige verdoemden.

Tweede VoorbereidiivG. Vraag aan God de gevoelens van schaamte en van berouw bij het gezicht van de offers der zonde, wier treurig lot ook gij hadt verdiend.

Eerste Deel. Zonde der Engelen. Na God, den peilloos diepen afgrond van heiligheid, te hebben aanbeden en het „Heilig, Heilig, Heiligquot; te hebben toegezongen aan Hem, die niet wil dat \'t onheilige Hem nadert (Lev. X, 8), Die zulk een afschuw heeft van het kwaad, dat Hij het gezicht er van niet kan verdragen, zijn de Engelen, die in volkomen onschuld den hemel bewoonden, gevallen. Wat waren zij voor hun val en wat zijn zij geworden door de zonde? Hun namen reeds zeggen ons hoe voortreffelijk hun natuur was- Engelen, Aartsengelen, Tronen, Machten,

7

-ocr page 106-

92

Krachten, Hfierscbappijen... Als in een getromven spiegel weerkaatsten in hen alle goddelijke volmaaktheden.

Maar zie, nog zijn onze oogen verblind van zooveel glans en daar is de schrikkelijke ommekeer reeds geschied. Luc. X, 18: Ik zag Satan van den hemel vallen als den bliksem. En waar valt hij? In het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijn engelen. En wie is het, die zoo schrikkelijk straft? Het oneindig Wijze Wezen, dat altijd kalm, zonder een schaduw van hartstochtelijkheid is; God, die ophield God te zijn, zoo Hij ophield rechtvaardig te wezen, zoo Hij een fout ook maar een weinig zwaarder strafte, dan zij verdiende, een oneindig goede Vader, die met blijdschap beloont en niet dan ongaarne straft. En wie zijn de slachtoffers eener zoo verschrikkelijke wraak. Edele schepselen, welke God lief had als het schoonste werk Zijner handen en die Hij geschapen had om Hem de geheele eeuwigheid door groote glorie te bezorgen.

Een kunstenaar had een vaas gemaakt van buitengewone schoonheid. Hij bewonderde zich zelf in zijn werk. Maar zie, een scherp en doordringend gift. viel op zijn heerlijken arbeid. Op hetzelfde oogen-blik is alle glans verdwenen, het kunstwerk is nu afschuwelijk om aan te zien, de maker werpt het in stukken en de scherven schopt hij in een diepen vuilnisput. — Welk vergift is het? Dat gift is de zonde. Een druppel van dat venijn is op de engelen gevallen, die vaten waren van eeve, bestemd tot ver-

-ocr page 107-

93

siering der hemelen en zij zijn niet anders meer dan vaten van toorn, welke God verbrijzelt en in de hel stort...

O Heer, Die ongerechtigheid gevonden hebbende in Uw engelen deze zonder barmhartigheid hebt ge-gestraft, wat zal er worden van mij, als ik ben zooals ik nu ben? Wat hebben de engelen misdaan? Hoe dikwijls hebben zij gezondigd ? O diepte van de schatten der wijsheid en tvetenschnp Gods! Wat zijn Zijn oordeelen onbegrijpelijk en Zijn weyen ondoorgrondelijk !

De misdaad der engelen is daarom zoo groot, omdat zij die bedreven hebben, ofschoon zij met zooveel licht waren omstraald en met zooveel weldaden overladen!.. Q mijn God! ik heb gezondigd in dezelfde omstandigheden, en misschien zeg ik nog te weinig. Had de engel ooit gehoord van den zondvloed, van den vuurregen op Sodoma... en wat mij nog meer moest onderrichten, van die stroomen van Goddelijk Bloed, die vergoten zijn om de zonde te boeten? Ik had een kennis door ervaring, welke de engel niet had. Ik was onderricht door zijn ongeluk. En staat de weldaad mij bewezen van te mogen aanzitten aan de Tafel des Heeren niet eenigermate gelijk aan de hoogste gunsten, welke de Hemelvorsten ontvingen.

O mijn Jezus, hoe onwaardig zou ik Uw medelijden zijn, zoo ik in den droevigen staat, waarin mij de zonde heeft gebracht, geen gebruik maakte van de barmhartigheid, welke Gij gewaardigt mij aan te bieden en die aan de engelen geweigerd is.

-ocr page 108-

94

Tweede Deel. Zonde turn Adam. De hoogmoed deed het derde deel der engelen uit den hemel vallen; de ongehoorzaamheid, het gevolg van den hoogmoed, heeft de aarde in wanorde gebracht Adam was gelukkig en voerde heerschappij over al het zichtbare geschapene en ook over zich zelf. Vrede was in zijn ziel, onschuldig vermaak genoten zijn aan de rede onderworpen zintuigen. Hij bewoonde een heerlijken lusthof, God sprak tot hem als een vriend met zijn vriend.... Dat geluk was nog maar een voorspel van een veel hooger geluk, dat hem beloofd was, zoo hij getrouw bleef, en die hooge bestemming zou hij overbrengen op zijn kinderen. Helaas, hij liet ons niet anders na dan tranen. Ter nauwernood had hij gezondigd, of Gods toorn brak los over hem en tegelijkertijd over de geheele menschheid. Arme Adam, waar zijt gij? Gen. III, 9. Te vergeefs zoek ik U in U zelf te herkennen. Waar is nu de gerechtigheid, waarmede gij omkleed waart als met een koninklijk purper? Waar is nu het heldere licht, dat uw verstand verlichtte, de geneigdheid ten goede, die uw hart bewoog. Ziedaar nu den balling in het dal van tranen.... Wat hebt gij gedaan door te zondigen tegen God?

Ware hij voor zich zelf maar alleen ongelukkig! Doch hij weet, hoe diep ongelukkig het menschelijk geslacht is hem tot vader te hebben. Hij hoort, hoe zijn ontelbaar nageslacht zucht onder het gewicht van des stamvaders persoonlijke zonde, hoe het hem zijn ongeluk verwijt, van hem de onschuld, de onsterielijkheid... al de

-ocr page 109-

95

rijke gaven terugvordert, weike hij zoo goed voor liet mensclielijk geslacht als voor zich zelf had ontvangen. Zoo leefde hij negen honderd jaren in droefheid, in bitter berouw en toen stierf hij. Ziedaar voor Adam het treurig loon der zonde. En nog is die boete niet genoeg. Ook alle zijn nakomelingen moeten lijden, weenen en sterven met hein. En ondanks dit alles blijft er nog een oneindig tekort, dat moet worden voldaan. God zelf zal door Zijn lijden, tranen en dood voor de zonde boeten.... Maar dan na den dood van Gods Zoon, Die ten volle aan Gods gerechtigheid heeft voldaan, zal er dan nog lijden zijn op aarde, is er dan nog vrees te koesteren voorde eeuwige folteringen der hel? Helaas, zelfs dan nog. na de boete en den dood van Gods Zoon, blijft het lijden op aarde en ontelbare ongelukkigen storten ieder oogenblik in den afgrond der hel. O geheimenis van gerechtigheid, welk een reden tot schrik. „O Heere,quot; zoo zeg ik den li Angustinus na, „dat ik leere U te vreezen, zoo ik nog niet geleerd heb TJ te beminnen.quot;

Derde Deel. Straf der .zonde in lederen verdoemde, en wellicht zijn er verdoemden, die minder schuldig waren dan ik. Ik ben hier nog gezeten aan de bron der genaden en als ik in den geest afdaal in de plaats der foltering, dan vind ik daar wellicht zielen, die maar één doodzonde bedreven hebben, \'t Is niet onmogelijk, dat zich daar een of andere Christen bevindt, die jaren lang ijverig was en opgeklommen tot hooge deugd, het ongeluk had

-ocr page 110-

96

te verslappen en in groote zonde viel, in staat van Gods ongenade door den dood werd verrast en bijgevolg begraven is in de hel. Tlij had eens liet recht op een der schoonste tronen des hemels en ziedaar, hij is beroofd van zijn gerechtigheid en in de vlammen geworpen, voor altijd overgeleverd aan al de verschrikkingen eener vreeselijke verdoemenis. En God had hem eenmaal lief, zoodat Hij voor hem gestorven is en hem overvloedig liet deelen in de vruchten der verlossing en diezelfde God straft hem nu om één enkele doodzonde. Mijn God, mijn God, nu schijnen mij de oogen open te gaan. l\\Tii verwonder ik mij er niet meer over, dat de geringste schijn van zonde Uw Heiligen zulk een schrik aanjoeg. Ik begrijp nu, hoe sommigen hun geheele leven lang doorbrachten met te weenen over ééii enkele doodzonde, die zij hadden bedreven. Maar wat ik niet begrijp, is de onverklaarbare vermetelheid, waarmede ik Uw heilige en verschrikkelijke majesteit heb getrotseerd, is de domme ongevoeligheid, wa irmede ik hot ongeluk beschouwd heb van IJ w toorn te verdienen.

De H. Ignatius geeft ons hier den raad drie samenspraken te houden, welke met veel vrucht in de volgende overwegingen kunnen worden herhaald.

De eerste richt zich tot Maria, die in smart verzonken staat naast het kruis van haar Goddelijken Zoon. Wij smeeken haar onze voorspraak te zijn bij den stervenden Jezus en voor ons te verwerven èn de kennis èn den afschuw van onze zonden, het herstel van al onze fouten, zooals God dat van ons\'verwacht;

-ocr page 111-

97

eindelijk de genade van ons geheel aan de wereld te ontliecliten en te verzaken aan haar zondige ijdelheden, die de voornaamste oorzaken waren van ons verkeerd gedrag. Dit gebed sluiten wij met een Wees gegroet.

De tweede samenspraak is tot Jezus Cristus gericht. Wij bezweren Hem voor ons aan Zijn hemel-schen Vader Zijn lijden op te dragen en door de verdiensten van Zijn dood diezelfde drie genaden te verwerven:

„Ziel van Christus heilig mij.

„Lichaam van Christus, red mij.

„Bloed van Christus, maak mij dronken.

„Water van Christus zijde, wasch mij.

„Lijden van Christus, versterk mij.

„O Goede Jezus, verhoor mij.

„In Uwe wonden verberg mij.

„Laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.

„Verdedig mij tegen den boozen vijand.

„Roep mij in het uur mijns doods.

„En beveel mij tot U te komen,

„Opdat ik U met Uwe heiligen prijze,

„In de eeuwen der eeuwen. Amen.quot;

De derde aanroeping geschiedt tot God den Vader, Wien wij het groote zoenoffer van den Calvarieberg aanbieden. Bij de bloedige wonden van Zijn aan-biddelijken Zoon bezweren wij Hem en vragen van Hem deze drievoudige genade, en eindigen met het bidden van het Onze Vader.

-ocr page 112-

ZESTIENDE OVERWEGING.

De Zoude in betrekking\' tot God, — Haar Natnur.

Door den invloed van de begrippen, die in de wereld worden gehuldigd en vooral ten gevolge van niet genoegzaam godsdienstig onderricht ook onder de geloovigen voortwoekeren, is hij velen de verkeerde meening ontstaan, als zon de zonde meer een vergeten zijn van den Goeden God dan wel een opzettelijke beleediging, of men denkt zich Gods oneindige grootheid te hoog boven onze versmading verheven, als dat Hü zich veel aan onze beleedigingen gelegen liet liggen. Tegen beide dwalingen stellen we deze beide waarheden over:

I, De zonde voegt God de grofste beleediging toe.

II. De zonde is een beleediging, die God ten zeerste gevoelt.

Eerste Voorbereiding. Stellen we ons voor God als boosdoeners, geboeid voor Zijn rechterstoel.

Tweede Voorbereiding. Doe, o mijn God, mij inzien welk een schandelijk bedrijf de zonde is, opdat ik haar beweene en mij schame haar zoo dikwijls te hebben bedreven. „Ik zucht als schuldig, terwijl mijn aangezicht rood is van schaamte: Inyemisco tamquam reus; culpa rnhet vultus meus.quot;

Eerste Deel. Belesdiying, die de zonde aan God

-ocr page 113-

99

T

ioevoejl. Hooreii we den Heer zelf: „Gij hebt mijn jok gebroken, ea mijne banden in stukken getrokken, en gij hebt gezegd: Ik zal niet dienen.quot; Jeremias II, 20. Ziedaar de zonde geteekend met het drievoudig brandmerk van opstand tegen God, verachting van God, ondankbaarheid jegens God.

Opstand tegen het heiligste gezag. God geeft Zijn bevelen, maakt Zijnen wil op de duidelijkste wijze kenbaar. God gaf Zijn wet op den berg Sinai, dezelfde wet, die Hij in het heiligdom des gewetens verkondigt: „Doe dit, ik gebied het; laat dat, ik verbied zulks! Als uw Koning, uw Schepper, uw Heer en Meester eisch ik dit bewijs uwer gehoorzaamheid; als uw Vriend, uw Vader en uw Verlosser, vraag ik dat pand uwer liefde. Ik stel het tot voorwaarde van uw eeuwig geluk. Kies tussehen Mijn haat en Mijn tee-derheid, tussehen de glorie van Mij te dienen en het 4 ongeluk eeuwig verdoemd te zijn... En de mensch

antwoordt door zijn gedrag: „Ik zal U niet dienen, maar aan mijn hartstochten gehoorzamen.quot; Welk een roekeloosheid, welk een onrechtvaardigheid, welk een goddeloosheid liggen er in dien opstand! \\ Welk een roekeloosheid ! Degene, tegen wien wij

zoo driest de vaan van het oproer verheffen, is de groote God, voor Wien het heelal maar een stofje is, de volkeren een druppel water zijn, het menschelijk geslacht is, alsof het niet was. Isaias XL. 6: „Alle vleesch is hooi en alle zijne glorie is als de bloeme » des velds.

7. Het hooi is verdroogd, en de bloem is gevallen.

M

-ocr page 114-

100

want de adem des Heeren heeft daarop geblazen. Waarachtig- het volk is hooi.

12. quot;Wie heeft de wateren niet de vuist genieten, en wie heeft den hemel met de palrae gewogen ? Wie heeft er met drie vingeren gewogen de groote zwaarte der aarde, en wie heeft met het gewicht de bergen gewogen, en de heuvelen in eene wage?

13. Wie heeft den geest des Heeren geholpen? of wie is Zijn raadsman geweest, en heeft het Hem getoond ?

14. Met wien heeft Hij raad gehouden, en wie heeft Hem onderwezen, en wie heeft Hem geleerd de wetenschap en heeft Hem getoond den weg der voorzienigheid?

15. Ziet de heidenen zijn geacht als de druppel eens eemers, en als een aesken der wage: Ziet de eilanden zijn als klein stof.

16. En Libanns zal niet genoeg wezen om te ontsteken, en zijne beesten zullen niet genoeg wezen tot het brandoffer.

17. Alle de heidenen als of zij niet waren, alzoo zijn zij voor Hem, en als niet, en ijdelheid, alzoo zijn zij van Hem geacht.

18. Wien hebt gij dan God gelijk gemaakt ? Of wat beeld zult gij hem stellen?

19. Heeft de beeldsnijder het gesneden beeld niet gemaakt? Of heeft de goudsmid het goud niet gefigureerd, en van zilveren platen de zilversmid?

20. Een sterk en onverrottelijk hout heeft hij uitgekozen: de wijze kunstenaar zoekt, hoe hij het beeld mocht stellen, dat het niet beroerd worde.

-ocr page 115-

101

\'21. Weet gij het niet? liebt; gij liet niet gehoord? is het n niet verkondigd van het beginsel? hebt gij niet verstaan de fondamenten der aarde?

22. Die op den omgang der aarde zit, en zijn bewoners zijn als sprinklianen : die de hemelen uittrekt als niet, en spant ze uit als eene tent om daarin te wonen.

23. Die der geheimen onderzoekers brengt alsof zij niet waren, de rechters der aarde heeft hij ijdel gemaakt.

24. En toch hun stronk is geweest noch geplant, noch gezaaid, noch geworteld in de aarde: zoo heeft hij on verzien] ijk op hen geblazen en zij zijn verdroogd, en de stervende wind zal ze als een stroo wegvoeren.

25. En bij wien hebt gij Mij geleken en gelijk gemaakt, zegt de Heilige?

26. Heft omhoog uwe oogen, en beziet wie deze dingen geschapen heeft: die in getal hun heirscliare uitleidt en roept ze allen bij namen: door de menigte Zijner sterkte en macht, en Zijner kracht, zoo is er niet een overgebleven.quot;

„Hij sprak en het geschiedde; Hij gebood en het was geschapen.quot; Ps. XXXI, 9. „Hij, die op de aarde neerziet, en — zij beeft; die de bergen aanroert, en — zij rooken.quot; Ps. CIII. 32. „De bergen smolten als was voor het aangezicht des Heeren.quot;

„Gij, hooggeducht zijt Gij! Wie kan Uwederstaan, zoo haast uw toorn ontbrandt?quot; Wie? Een weinig stof en asch, (Eccli. X, 9) hooi (Isaias XL, 6.), een

-ocr page 116-

102

blad, dut met den wind weggenomen wordt, en een dorre stoppel (Job. XIIl. 25.), een damp, die een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. (Jacob. IV, 14).... \'t Is dikwiils een vreesachtige raensch; liet minste gevaar beangstigt hem en bij beeft niet voor een vertoornden God, Die den bliksem in Zijn hand houdt, hij schrikt niet bij de gedachte aan de hel, die aan zijn voeten gaapt!.... O raensch, hoe durft gij u meten met den Almachtige?

Welk een ongerechtigheid! Zoo het een misdaad is, dat een onderdaan opstaat togen zijn vorst, een zoon tegen zijn vader, hoe dan het bedrijf te noemen van den raensch die opstaat tegen God? Vergeten wij, dat alle macht van God is (Rom. XIII, 1) en wij eigenlijk maar één Heer (Eph. IV, 5) hebben? Wij zijn zoo gevoelig, waar het ons eigen recht geldt, zoo jaloersch op ons gezag; zijn de rechten eu liet gezag van den oppersten Heer minder heilig dan de onze?

Welk een goddeloosheid! Iedere zonde, zegt de H. Bernardus, valt eene eigenschap Gods aan: toorn beleedigt Zijn zachtmoedigheid, de lengen Zijn waarheid, de haat Zijn liefde, het zinnelijk genot Zijn zuiverheid.... Daar is meer, zegt dezelfde Vader, iedere zonde brengt God, zoover dit mogelijk is den doodsteek. Vraagt aan het wederspannig hart wat het hindert in zijn zondig vermaak? Dat een God bestaat, die getuige en wreker is van het kwaad. Vraagt, welk een geheimen heiligschennenden wensch hij koestert? Dat er God niet bestond, die de mis-

-ocr page 117-

103

daad ziet, veroordeelt en stratt! Geen twijfel, Die in den hemel woont zal hem belachen (Ps. II, 4); de boosheid van den zondaar zal alleen hem zelf schaden, maar toch blijft het er niet minder waar om, dat, hij de afschuwelijke begeerte koestert, zoo het mogelijk ware. God te vernietigen. Quaniinn in ipso est Deum intermit.

2. Verachting van Gods hooge majesteit. Isaias. I, 2: „Hoort gij hemelen, en verneemt met de ooren gij aarde, want de Heer heeft gesproken. Ik heb kinderen opgevoed en verheven; maar zij hebben mij versmaad.quot; Ik had kinderen, die ik beminde met onvergelijkelijke leederheid; met welk een zorg heb ik hen opgevoed, tot welken hoogen rang heb ik hen verheven, hen deelgenoot gemaakt aan mijn goddelijke natuur; hoe groot moest hun kinderlijke liefde niet wezen, met welken ijver moesten zij mij niet vereeren!.. Weet gij, wat ze mij hebben gedaan? Zij hebben mij veracht. God verachten; wie zou kunnen gelooven, dat dit mogelijk was? Wat toch is een voorwerp van verachting en wat is God? Hem verachtelijk behandelen, die het beginsel is van alle uitmuntendheid en alle volmaaktheid! En toch dat heb ik gedaan, zoo dikwijls ik in tweestrijd tusschen mijn geweten en mijn hartstocht mijn geweten heb versmaad om mijn harstocht te volgen. De vriendschap van God; het bezit van God, ziedaar den schat, dien ik de keuze had van te bewaren of te verliezen. Wat zal ik zeggen. Heer? Ik heb ü vergeleken, ik heb berekend wat Uw waarde was en wat de waarde was

-ocr page 118-

104

van een oogenblik pleizier... De misdaad verkoos ik boven liet geluk van U te dienen. O mijn God, die keus was zooveel te vernederender voor U, omdat ik zonder dralen het offer had gebracht aan ieder ander dan aan ü, bijv. zoo de wereld, zoo mijn gezondheid het hadden gevraagd. Ik heb gezondigd, omdat ik door de zonde U maar beleedigde, U maar verloor. Gij zeidet tot mij: „Mijn zoon, geef Mij uw hart, onderhoud Mijn geboden; dat hart behoort Mij, Ik wil het gelukkig maken. Waar gaat gij heen, zoo gij in de bekoring toestemt? Kan hij, die u in opstand wil brengen tegen uw Keer en uw Vader, u goeds willen? Denk aan den afgrond van onbeschrijfelijk ongeluk, waarin hij u medesleept...quot; \'Helaas, al Uwe Pogingen waren ij del; de duivel heeft het gewonnen, ik heb de diepe vernedering en de hel met Satan verkozen boven de glorie des hemels met U. Kan de verachting nog verder gaan dan zij hier ging?

3. Ondankbaarheid jegens den meest edelmoedigen weldoener. Jesus sprak tot do joden (Joan. X, 32): „Vele goede werken heb Ik u van wege Mijnen Vader getoond: om welk dezer werken steenigt gij Mij?quot; Tot iederen zondaar zon God dezelfde woorden kunnen spreken: Ik heb u veel goed gedaan, alle goed, dat u gedaan is, hebt gij van Mij ontvangen. Verstand, vrijen wil, uw hart, mv zintuigen, uw leven... Ik heb n alles gegeven. Meer dan dat alles. Ik heb u Mijn Zoon gegeven en heb Ik u daarmede niet alles gegeven? En toch veracht gij Mij, beleedigt gij Mij.... Wat heb Ik u dan gedaan, waarover beklaagt gij u?

-ocr page 119-

105

Zijn iiet Mijn weldaden, die Mij uw beleediginq^en bezorgen? Offert gij mij op voor een schepsel, omdat Ik li geschapen heb? Behandelt gij Mij als vijand, omdat Ik u bevrijd hebt nit de ketenen van een wreeden verdrukker? Straft gij Mij, omdat Ik u te veel heb lief gehad?quot; O mijne ziel, wat kunt gij antwoorden op die verwijten?

Tweede Deel. De zonde is een beleediging, die God ten zeerste gevoelt, üe gelieele leer van het Evangelie steunt op de waarheid, dat God de zonde haat. De leerstukken, voorschriften, beloften, bedreigingen, genade des Christendoms verkondigen ons alle, dat God de volmaakte vijand is van het kwaad. Waartoe dienen de Sacramenten en de verkondiging van Gods woord ? Op de eerste plaats om ons te zuiveren van of te bewaren voor de zonde. Met welk een verontwaardiging straft God deze overal, waar Hij haar ziet ; in de Engelen, in Adam en diens nageslacht, in Zijn eigen Zoon, die de heiligheid zelve is, maar om ons te redden onze zonden op Zich nam! Wil men een goed denkbeeld hebben van den toorn Gods over de zonde, dan moet men tergelijkertijd twee groote geheimen overwegen, die in het innigst verband tot elkander staan, al schijnen zij nog zoo in strijd: de Calvarieberg en de hel. Vergelijkt die beide uitersten, peilt die twee afgronden van barmhartigheid en van rechtvaardigheid: Jezus gestorven voor den zondaar, en de zondaar voor eeuwig verloren!....

Eén zonde, één enkele doodzonde wordt door God gestraft, met een eeuwige straf in de hel; maar wie

-ocr page 120-

106

is God, die zóó straft? Een God, Die gestorven is, gekruisigd is om de zonde uit te boeten; een Vader, Die den zondaar meer lief heeft dan Abraham zijn zoon Isaac beminde; en toch ondanks die teedere liefde verwerpt Hij dien zoon, dien Hij met zooveel tranen heeft beweend, met zulk kostbaar bloed heeft vrijgekocht, als deze in de zonde sterft. Hij verwerpt hem voor eeuwig. O zondaar, zeg niet meer, de zonde vertoornt God niet, want wat verliest Hij er door? Wat Hij er mede verliest? Zooveel het aan u ligt, gaan er Zijn smarten, vernederingen, Zijn dood met te loor. Wat Hij er door verliest? u, ongelukkige! En hebt gij Hem niet, genoeg gekost, om gevoelig voor dat verlies te zijn? Gij zijt het werk Zijner handen, de prijs van Zijn Bloed.... en Hij moet u veroordeelen om de geheele eeuwigheid door den kelk Zijner wrake te drinken tot op den bodem! Wat is dus de zonde wel, die zooveel haat doet zijn in dat Goddelijk Hart vol oneindige liefde!

Wek u op tot berouw, terwijl gij de voornaamste fouten van uw leven nagaat en uw oogen vestigt op het kruis, lilijf aan de voeten van den Zaligmaker, als een trouwelooze vriend aan de voeten van zijn vriend, dien hij op de onwaardigste wijze verraden heeft, als een weerspannige zoon, die een aanslag tegen zijn koninklijken vader heeft beproefd. Hoe groot uwe misdaden ook waren, zij zullen vergeven en vergeten zijn, als gij met een waarlijk oprecht berouw vergiffenis er voor vraagt in naam van de H. Wonden van Jezus Christus.

-ocr page 121-

ZEVENTIENDE OVERWEGING.

De «loodzonde. — Be gevolgen er van in de ziel, die doodzonde doet.

Tot den menscli, die zware zonden heeft bedreven, moet men zeggen, wat God tot Cain sprak na diens broedermoord: Wat helt gij gedaan? (Gen. IV, 10)

1. Wat men verliest door een doodzonde te doen.

2. In welk een afgrond\' men zich neerstort.

EersteVoorhereidinq. Stel n, voor God, als een misdadiger voor ziju rechter, om het vonnis te hooren, dat hij tegen u gaat uitspreken.

Tweede Voorbereiding. Bid God, dat Hij n den trenrigen staat doe kennen van een -ziel, die het ongeluk heeft gehad Hem doodelijk te beleedigen.

Eerste Deel. Wat hebt gij verloren door te zondigen ? De vriendschap van God. O! Mocht gij begrijpen, welk een waarde deze heeft. Men leest in de geschiedenis van hovelingen, die van droefheid wegkwijnden, omdat zij den gunst van hun koninklijken meester, een mensch, eeu sterveling zooals zij, hadden verloren. En wat voor een mensch was bij wijlen die vorst? Stierf de eens zoo machtige kanselier van Engeland, kardinaal Wolsey, niet van verdriet, omdat hij in ongenade gevallen was bij Hendrik VITT, een monster van wellust en bloeddorst, door een Nero wellicht

8

-ocr page 122-

108

geëvenaard, door niemand overtroffen. Moet een Christen dan niet ontroostbaar zijn, als hij geen viiend meer is van CTod? God woonde eenmaal in hem en vond in hem zijn behagen: Joannes XIV, 23: „Jezus antwoordde, en sprak tot hem (Judas, niet de Iscarioth): Zoo iemand mij lief heeft, hij zal mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem liefhebben: en wij zullen tot hem komen en woninge bij hem maken.quot; En in het Boek der Spreuken, VIII, 31: „Mijn wellust is met de kinderen der menschen te zijn.quot; Hij noemde zich met den naam van Vader en Hij toonde zich inderdaad een Vader. Welke zoete banden ver-eenigden u met Hem. Zij zijn verbroken. „Ongelukkige ziel, gij waart de bruid van Jezus Christus, de tempel van God, het heiligdom van den H. Geest; en omdat al die voorrechten zijn verloren gegaan, moet ik bij de optelling er van zuchten slaken, want gij zijt niet meer, wat gij geweest zijt.quot; (Sint Augustinus).

Wat heht gij verloren ? De schoonheid uwer ziel. Zoo verrukkelijk schoon als zij was, zoo afschuwelijk is zij nu misvormd. Een ziel, die in staat van genade is, vestigt op zich de oogen van God (Pa. XXXI, 8). Hooglied I, 8: „Bij mijne rijdinge in Pharao\'s wagen heb ik u geleken, mijne vriendinne.

9. Schoon zija uwe wangen als eene der tortelduiven : uw hals is gelijk aan sieraden.

10. Gouden gewrongen ketenkes zullen wij u maken, geschakeerd met zilver.

14. Ziet, gij zijt schoon, mijne vriendinne, ziet, gij schoone, uwe oogen zijn als der duiven.

-ocr page 123-

109

15. „Ziet, gij zijt schoon, mijn lief, en sierlijk.quot;

Maar de doodzonde berooft de ziel van haar rang; stelt in de plaats van haar schoonheid een afschuwelijke melaatschheid, God wendt zich van haar af, Hij kan haar gezicht niet meer verdragen: „Gij kunt de hoosheid niet zien.quot;

Wat hebt gij verloren ? De rijkdommen van uw ziel, de titels op de eeuwige belooning, het recht op den hemel. Al hadt gij alle verdiensten der heiligen te zamen, al hun aalmoezen, al hun gebeden, al hun verstervingen, al hun offers... één enkele doodzonde is genoeg\' om u van die onwaardeerbare goederen te berooven.

Bij Ezechiel XVIII, 24 spreekt immers de Heer: „Maar is het, dat de rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardigheid, en boosheid doet, naar alle de afgrijselijkheden, die een goddelooze pleegt te doen, zal zij leven? Alle zijne rechtvaardigheden, die hij gedaan heeft, zal men niet gedenken.quot;

Gij hebt zelfs het vermogen verloren van iets te kunnen verdienen. Wat ge ook doen moogt, zoo gij niet in de vriendschap zijt van God, baat het u niets voor het eeuwige leven. Doe de nuttigste werken.. bekeer zoo mogelijk de geheele wereld.. lever met de martelaars uw lichaam over aan de vlammen.. Al uw arbeid, hoe verdienstelijk ook op zichzelf, is ijdel voor den hemel, zoo gij schuldig zijt aan een enkele doodzonde: „Zoo ik de liefde niet heb, ben ik niets.quot; (I Corinth. XIII, 2.) De boom is nog niet geveld, maar hij brengt niets meer voort, heeft geen sappen meer van den wortel.

-ocr page 124-

110

Wat licht gij verloren ? Hel leven van woe ziel. Als zij van God is gescheiden, is zij dood, gelijk uw lichaam dood is, wanneer het gescheiden is van de ziel. Sint Augustinns de Verb, a post. Senno 28 zegt daarom: .Die mensch schijnt u toe levend te zijn, omdat hij loopt, omdat hij ziet en spreekt; gij bedriegt u, hij is dood in zijn beste deel.. Het huis slaat overeind, maar het wordt slechts bewoond door een doode. Wat doet gij met uw tranen, zoo gij ze stort om een lichaam, waaruit de ziel is weggegaan, terwijl gij niet weent om het ongeluk eener ziel, die dooide zonde van God gescheiden is.quot;

IIe. Deel. Jn welk een afgrond hebt gij u gedort door te zondigen? Gij zijt de slaaf geworden van den duivel en de vijand van God. Overwegen wij beide gevolgen.

1°. De H. Petrus zegt (II, II, 19): „Iemand is de slaaf van hem, door wien hij overwonnen is.quot; In den staat van genade waart gij vrij met de vrijheid der kinderen Gods. Is er een hoogere, betere vrijheid, dan de heerlijke vrijheid der kinderen Gods. Gij hebt aan den duivel toegegeven, daarom zijt gij zijn slaaf. Hij heeft een onbeperkte macht over u, alles in u is aan hem dienstbaar geworden, de vermogens uwer ziel, de zintuigen uws lichaams, uw talenten, uw fortuin... Uw tyran zegt u: Gaat en gij gaat, doe dit en gij doet het. Zoo hij van u eischt wat den mensch onwaardig is, bijgevolg nog veel meer onpassend is voor den Christen, zoo hij u een laagheid, een schandelijkheid, een schaamteloosheid, een lange

-ocr page 125-

Ill

reeks van zouden beveelt., helaas! maar al te veel zal hij worden gehoorzaamd .. Gij sleept uw ketenen al zuchtende en verdrietig op u zelf, maar gij sleept ze toch. Is uw geschiedenis niet dezelfde, welke de H. Augustinus verhaalt, als hij de slavernij teekent, in welke hem zijn hartstochten boeiden: „Ik slaakte zuchten, geketend niet, met het ijzer van een ander, maar door mijn eigen ijzeren wil. De vijand hield mijn willen in zijn macht en daar had hij mij een keten van gemaakt en zoo had hij mij geheel ter neer geworpen,quot; BeJijdevissen. Boek 8, Hoofdstuk 5.

Het lot van den Eomeinschen keizer Valeriaan is u bekend. Verslagen door den wreeden Sapor werd hij de gevangene, de speelbal, het slachtoffer van dien Perzischen koning. Op het eerste teeken van zijn tyran moest de overwonnen keizer op de knieën vallen, zich bukken en de schouders van den üomeinschen Caesar dienden dan tot voetbank van den barbaar om op zijn wagen te klimmen. De zondaar, weleer nog hooger verheven dan een aardsche koning, (Gij waart immers, volgens de Schrift, van een koninklijk geslacht) is door de zonde nog veel meer veilaagd, hij heeft daarbij zijn schande en zijn ongeluk alleen zichzelven te wijten. Door eigen keuze heeft hij zich tot slaaf gemaakt, hij heeft zijn vrijheid verkocht en voor welken prijs?... Zijn geweten, dat nu tegelijk zijn getuige, zijn rechter en zijn beul is, laat hem geen oogenblik rust. Als getuige beschuldigt het hem, als rechter veroordeelt het hem, als beul foltert het hem, en omdat hij van zonde in zonde valt, valt hij van de eene straf in de andere.

-ocr page 126-

112

2°. De doodzonde, die mij tot slaaf maakt van den duivel, maakt mij ook tot vijand van God. Heb ik wel ooit goed overwogen, wat het zeggen wil, dat de Almachtige op mij vertoornd is? Door de zonde heb ik niet alleen de vriendschap van God verloren, maar ik heb ook zijn toorn en verontwaardiging be-loopen. De Psalmist zegt van God, V, 7: „Gij haat alle werken van ongerechtigheid.quot; En bij den profeet Oseas IX, 12 spreekt God: „Wee hen, als ik van hen zal weggegaan zijn.quot; Ja de Eeuwige zweert bij zich zeiven, Deut. XXXII, 40. 41: „Ik leef in de eeuwigheid. Is het dat ik mijn zwaard scherp slijp, gelijk een bliksem en dat mijn hand het recht oordeel aangrijpt: zoo zal ik met de wraak mijn vijanden vergelden en degenen, die mij haten, zal ik weder loonen.quot; Vandaar de verschrikkingen, die den zondaar zonder ophouden kwellen en de wroegingen, die de scliul-dige ziel overal vervolgen. O wat is de zondaar te beklagen, zoo hij in zijn geweten den knagenden worm der wroeging gevoelt, maar nog veel ongelukkiger is hij, zoo hij haar niet meer gevoelt, zegt Sint Augus-tinus. De vrede toch in staat van zonde is het grootste bewijs van den toorn des Heeren.

Ik was dus niet alleen onrechtvaardig en wreed tegen U, o God, als ik zondigde.

Onrechtvaardig, omdat ik al Uwe rechten met voeten trad; wreed, omdat ik Uw Zoon op nieuw kruisigde. Ook tegen mij zeiven woedde mijn haat dolzinnig, ik deed mij zei ven meer kwaad dan al mijn vijanden mij konden doen. Heer, ik beken mijn

-ocr page 127-

113

dwaasheid, en mijn misdrijf; maar beken ook Gij uwe barmhartigheid. Hebt Gij niet bij Isaias 1,18 gezegd •\' „Is het dat uwe zonden geweest zullen zijn als scharlaken graan, zoo zullen zij gelijk sneeuw wit worden: en al zijn die geweest zoo rood als vermiljoen, zoo zullen die als wolle wit zijn,quot; Herinner u een zoo goedgunstig woord, daarop rust al de hoop van uw onwaardigen dienaar. Ps. GXVIII, 49; „Gedenk het woord tot uwen dienstknecht, waarop Gij mij hebt doen hopen.quot; 149: „Hoor mijne stem naar Uwe goedertierenheid, o Heer.quot; Gij kunt niet willen, dat men zeggen zou: Daar was een zondaar, die zijn vertrouwen stelde op God en hij is beschaamd geworden, hij meende zich als de verloren zoon in de armen zijns vaders te werpen, die medelijden hebben zou en hij is gevallen in de handen eens vijands, die hem ten ver-derve bracht! Neen, nooit zal men zoo kunnen spreken. Zoo zeker als de onboetvaardige zondaar zich te vergeefs vleit aan- Uw wraak te kunnen ontsnappen, zoo zeker zult Gij ook uw belofte getrouw blijven, een vermorzeld en verootmoedigd hart zult Gij niet versmaden. O mijn God, bekeer mij en ik zal bekeerd worden, laat uw genade op het oogenblik zegevieren in mijn hart en zie goedgunstig neder op mijn berouw. Ik vraag U niet om kwijtschelding der straffen, om bevrijding van het leed, dat mijn boezem verscheurt, breek mijn hart, dat zoo ondankbaar was u te grieven nog meer, overstelp het met bitterheid. Maallaat dan ook het woord des vredes hooren, dat Gij mij vergeven hebt. Kom zelf in uw II. Sacrament

-ocr page 128-

114

4

tot mijne ziel zeggen, dat Gij haar zaligheid zijt. Kom en ik zal opspringen van vreugde; in d^ vervoering mijner dankbaarheid zal ik mijn edelmoedigen Verlosser zegenen en met den Psalmist XXXIV, 3, 9. zeggen: „Zeg tot mijne ziel: Uwe hulp ben ik. En mijne ziel zal juichen over den Heer en zich verheugen over zijn heil.quot;

-ocr page 129-

ACHTTIENDE OVERWEGING.

%

Dc Ergernis.

— ———r---

I. De ergernis is een vers.clirikkeiijk groote zonde.

II. De ergernis is een zonde, die veelvuldig voorkomt.

Eerste Deel. De ergernis is een verschrikkelijk yrooie

zonde. Om liet kwaad dier zonde goed te begrijpen, moet men bedenken, welk een goddeloozen strijd zij tegen God voert en tegen, den godsdienst, hoe wreed zij is tegen den naaste, welk een vreesehjke verantwoordelijkheid zij laadt op dengene, die er zich aan schuldig maakt. Die ergernis geeft, is volgens den Verlosser (Matth. XIII, 28) een vjandhj mensch. Ziedaar de naam, dien hem de Zaligmaker zelf geeft.

1°. Hij die ergernis geeft is de vijand van God en van den H. Godsdienst. Alle ergernis is een aanmoediging tot zonde en streeft daardoor naar het verderf der zielen. Andere zondaars weigeren aan God de verschuldigde gehoorzaamheid, de ergernis-gever zet tot den opstand aan tegen Gods Oppermajesteit; de anderen beleedigen God, maar hij voegt bij deze misdaad nog die van hem nog te doen beleedigen. Het ligt niet aan hem, dat de plannen Gods bij de schepping, de instandhouding en de verlossing van het menschelijk geslacht worden verijdeld; al die plannen toch hebben maar een doel, de eer van God

-ocr page 130-

116

en de zaligheid der mensclien. Hij werpt zich dus op als tegenstander van God.

Als een onderdaan voor de oogen zijns vorsten diens beeltenis zou verminken en met voeten treden, diens paleis in brand stak en in de asch legde, met dolzinnige woede de handen sloeg aan den eenigen zoon des konings en hem in diens tegenwoordigheid vermoordde, dan zou niemand twijfelen, of hij een doodvijand was van den vorst. Maar de mensch van ergernis geeft door al deze aanslagen zijn goddeloozen haat tegen den Opperheer des heelals te kennen. Een onschuldige ziel is het beeld van God — de ergernisgever werpt die ziel in het slijk der zonde, werpt haar onder de voeten van den duivel. Een zuivere ziel is de woonplaats van God, men mag zeggen, dat het zijn hoogste hemel is: waar de ziel van den rechtvaardige is, daar is dn hemel en God noemt het zelf zijn wellust met de kinderen der men-schen te zijn. Dat paleis van den Goddelijken koning werpt de mensch van ergernis omver, om op de puin-hoopen er van den troon van Satan op te slaan. Eene reine ziel is het kind van God, dat Hij zich verworven heeft door het lijden en den dood van Jezus Christus — en dat zoo teer geliefde kind, dat zoo duur is gekocht, rukt de mensch, die ergernis geeft, uit de armen van den Verlosser en Vader om het te verbrijzelen tegen den steen des aanstoots. Hij maakt voor de ziel alles nutteloos, wat God heeft gedaan en geleden om haar te verlossen. Komt zij immers te sterven in den ongelukkigen staat, waarin

-ocr page 131-

117

hij haar hueft gebracht, dan zal zij verloren gaan, dan zal zij verdoemd zijn, niet minder gewis dan zoo het geheim des kruises voor haar niet bestaan had. O Jezus! Kan men Uw Goddelijk Hart gevoeliger treffen, dan door U op die wijze de vrucht van [Jw kruisdood te ontrukken?

De Kerk weent als een andere Rachel bittere tranen om den dood van een groot aantal harer kinderen, die haar door de zonde zijn ontnomen. Maar is de ergernis niet de grootste reden van haar droefheid? Dat noodlottig onkruid verstikt het goede zaad, dat zij in de harten der kleinen door een christelijke opvoeding had gestrooid. De ergernis maakt den opstand tegen den hemel algemeen door de verkeerde beginselen ingang te doen vinden, losbandige gebruiken in te voeren, het zinnelijke, wereld-sche leven in de plaats te stellen van het verstorven leven des kruises!...

Neen, \'t zijn de bloedige vervolgingen niet, die de Kerk het meest te duchten heeft; de bloeddorst van een Nero, een Domitiaan of hoe zij ook in den loop der eeuwen geheeten hebben, die liet Christendom vervolgden, zonden duizende martelaars naar den hemel; maar zij, die ergernis geven, brengen duizende zielen in de hel. Want wat baat het, of zij nog Katholieken heeten, als hun werken in tegenspraak zijn met hun geloof?

2o. De ergernisgever is de vijand zijner broeders, gewoonlijk van hen, die hij het meest schijnt te beminnen. De zonde van ergernis maakt zich schul-

-ocr page 132-

118

dif? aan een geestelijken moord, die, ons verstand en ons geloof zeggen het ons duidelijk, veel afschuwelijker is dan die des lichaams. Wie wordt in de Schriftuur met den hatelijken naam van den eersten moordenaar gebrandmerkt? Caïn, die zijn broeder moordde? Neen, de duivel, het helsche serpent heeft op aarde de zonde en daarmede den dood gebracht, hij, zoo zegt de H. Apostel Joannes VIII, 44-, was een moordenaar van den beginne. De belager der zielen, zegt de H. Joannes Chrysostomus, is duizendmaal meer te vreezen dan de moordenaar der lichamen. Dezen kent men gewoonlijk, men kan op zijn hoede zijn voor diens haat en toorn, men kan veiligheidsmaatregelen nemen, om niet door hem te worden overvallen, maar de andere reikt ons den giftbeker, met bloemen om-kransd. Als Judas omhelst hij haar, die hij aan de woede des duivels overlevert; hij doodt door liefkozingen en kussen. Is het, zoo gaat die Kerkvader voort, strijdig met de Christelijke liefde, iemand zijn goed, zijn eer en goeden naam te ontrooven, wat moet men er dan wel van zeggen, indien men hem zijn eeuwige rust doet verliezen ? Hoe moet men zulk een geweldigen haat wel noemen, die niet tevreden is, of zijn slachtoffer moet eeuwige pijnen verduren?

3°. Verschrikkelijk is de ergernis, zoo men de gevolgen beschouwt, \'t Is zeker, dat de zonde van den mensch, die ergernis geeft, een en dezelfde zonde wordt met die van den mensch, die ergernis neemt. Unum faciunt et agentium et aspicientinm crimen, zegt de H. Cy-prianus. Alle kwaad, waar ik door mijne schuld

-ocr page 133-

119

oorzaak van ben, komt op mijne verantwoording; door het kwaad te doen bedrijven, doe ik het zelf. Welle een verschrikkelijke afgrond gaapt er voor de voeten van hen, wier geheele leven niets is dan een aaneenschakeling van ergernis. Denken we ons alleen maar een veelgelezen schrijver, die door zedeluoze of god-delooze geschriften, menschen van lederen leeftijd en stand bedeift en den dood dei- zonde berokkent.

\'t Is waar, deze en dergelijke ergernissen zijn niet zoo talrijk, maar welke noodlottige gevolgen komen bij wijlen niet voort uit de geringste ergernis? Soms wordt de een of andere raad gegeven, die niet zou gegeven zijn, ware ons hart niet te veel ingenomen voor den een, te veel afkeerig van een ander, \'t Gevolg van dien raad is een zonde, en hoeveel zonden volgen weder uit die eerste? Wij geven een voorbeeld van zwakheid, maar zij, die door ons voorbeeld worden verleid, geven op hun beurt weder een slecht voorbeeld, hoeveel, die verleid zijn, worden weer op hun beurt verleiders. Waar houdt de besmetting op en wie zal den duur er van bepalen? Zeg niet, dat gij al die onheilen niet hebt voorzien, gij hadt ze kunnen en moeten voorzien. Waarom anders wordt ons de kardinale deugd der voorzichtigheid zoozeer aanbevolen? Hebt gij brand gesticht, zijn dan de gevolgen er van niet voor uw rekening? Honderdduizend jaren zondigt men voort op het gegeven slechte voorbeeld, en in de plaats der foltering vermeerdert iedere nieuwe zonde den schat der wraak, die de ongelukkige op zijn hoofd heeft verzameld. De erger-

-ocr page 134-

120

nis is dus wel eeu vreeselijk groote zonde, maar meenen we niet, dat zij zelden voorkomt.

Tweede Deel, De ergernis is een zonde, die gedurig onder allerlei vormen gebeurt. Men zal er volkomen van overtuigd z\\jn, zoo men op de volgende overwegingen acht geeft.

1°. Men kan ergernis geven zonder juist den wil te hebben om ergernis te geven. Men moet onderscheid maken tusscheu de bedoelde en de niet rechtstreeks bedoelde ergernis. De eerste, ook duivelsche ergenis genaamd, is, wanneer men als satan het kwaad doet met opzet, met de bedoeling, met het plan om iemand tot zonde te brengen. Maar de tweede ergernis ligt niet zoozeer in onze eigen bedoeling als wel in de daad, de handeling zelve, die wij doen. Zonder het rechtstreeks te willen, maar toch wetens en willens doet men het kwaad. De duivelsche ergernis is ongetwijfeld grooter kwaad, maar zij komt ook zelden voor. De niet zoo rechtstreeks bedoelde ergernis is echter zoo gewoon, dat er wellicht niemand is, die met zijn eigen zonden ook niet tevens die van anderen te betreuren heeft, waar hij de schuldige oorzaak van is. Tertulliaan geeft de reden er van aan: Iedere zonde, die bedreven wordt in tegenwoordigheid vau anderen is een slecht voorbeeld voor hen, die er bij tegenwoordig zijn.... Ieder slecht voorbeeld nu is zonde van ergernis en alle die slechte voorbeelden te zamen maken een openlijke zonde, een rijk van zonde, dat de ondeugd in eere brengt en de deugd in minachting.

-ocr page 135-

121

2°. Men kan ergernis geven, al wil men geen ergernis geven. Daar zijn handelingen, die zoo gevaarlijk zijn, dat de beste bedoeling ter wereld de ergernis niet beletten kan. De H. Joannes Chrysos-tomus zegt: „Gij kunt uw bedoelingen zooveel reclit-vaardigen als gij wilt, de ergernis, die gij niet hebt willen geven, wordt toch genomen. En al was men ook zoo wijs van geen ergernis te nemen, gij zijt er toch niet minder schuldig om, want gij hebt ze gegeven. Is iemand zoo verstandig het vergift niet in te nemen, wordt daardoor de onvoorzichtigheid en de misdaad goedgemaakt van hem, die liet vergift heeft klaar gemaakt en aangeboden.quot;

3°. Hoe meer vertoon gij maakt van uiterlijke godsvrucht, des te meer is men geneigd zich aan uw onvolmaaktheden te ergeren. Die ergernis is onrechtvaardig, ik beken het; maar wat moet volgens het voorschrift des Apostels daaruit voor ons volgen ? Dat wij te ijveriger op ons zeiven waken, opdat die tegenover staat, beschaamd worde, niets hebbende om aangaande ons kwaad te spreken.

Men kan ergernis geven op duizenderlei wijze: door woorden, door zwijgen, door iets te doen en door iets te laten. Ergernis van anderen toe te laten is soms ook weer ergernis.

O mijn God, niet alleen moet ik treuren over de zonden, die ik mij bewust ben, maar even goed als David moet ik ook treuren over die, welke mij niet bewust zyn. Daar is één, maar een machtig middel om aan uw gerechtigheid te voldoen en dat is, zoo

-ocr page 136-

122

veel m mijn vermogen is, mede te werken tot de bekeering der zondaars, de uitbreiding van uw rijk en het heil der zielen door mijn gebeden, mijn goede raadgevingen en vooral door een goed voorbeeld. De verplichting daartoe is niet meer dan billijk, de ijver voor de zielen is de beste boetvaardigheid voor de ergernis. Neem, bid ik U, mijn berouw goedgunstig aan, zegen mijn besluit. Ik heb maar één verlangen en dat is, alles volkomen, zooveel ik vermag, te herstellen, wat ik tegen de H. Kerk, tegen mijn broeders en vooral tegen II heb misdaan.

-ocr page 137-

NEGENTIENDE OVERWEGING.

])e Heiligsclienuende Commmiie.

Alleen het hooren noemen van deze misdaad doet den geloovige huiveren. Men zou zoo iets voor onmogelijk willen houden. Maar als men Sint Paulus reeds in de schoone dagen van de pas ontluikende Kerk zulke ontzettende woorden hoort uitspreken tegen die zonde, wat moet men dan niet vreezen in onze dagen, waarin het er verre af is, dat alle Christenen heiligen zijn, en veeleer gevraagd mag worden, of de tijd niet is aangebroken van de verslapping door Christus voorspeld; „Als de Zoon des Menschen op aarde zal komen, meent gij, dat Hij dan geloof vinden zal?quot; Zeker is het, dat maar al te dikwijls veel te weinig zorg wordt besteed aan de voorbereiding en men zich bijgevolg in groot gevaar stelt van de Tafel des Heeren te ontheiligen, als men tot haar nadert.

Voor de Godminnende zielen is dit droevig onderwerp even goed als \'s Heeren lijden ter overweging geschikt. De liefde lot Jesus ontvlamt bij het herdenken van alle onwaardige behandelingen, aan welke Hij zich heeft willen onderwerpen om zich aan ons te geven in dit Hoogheilig Sacrament.

AVat is een onwaardige Communie?

1°. Het is de afschuwelijkste van alle zonden, be-

9

-ocr page 138-

124

schouwt men de beleedigin:!:, die frod daardoor Avordt aangedaan.

2n. Het is de rampzaligste van alle zonden, zoo men de straffen nagaat, welke zij den\' zondaar op den hals haalt. •

Eerste Deel. Geen misdaad is zoo afschuwelijk als de heleedigim/ God, door een onwaardiye Communie aan-f/i\'daan.

Zij randt God zeiven aan, zij randt Hem aan op Zijn troon van liefde, zij randt Hem aan om de onedelste beweegredenen, zij brengt Hem in een staat, die het meest in tegenspraak is met Zijn oneindige heiligheid.

1°. Andere zondaars beleedigen God in Zjju heiligen Naam, dien zij lasteren, in Zijn wet, die zij overtreden, in Zijn schepselen, waarin zij Zijn Beeld en Gelijkenis onteeren, in een van Zijn oneindige volmaaktheden, in Zyn eeredienst, of\' waarin dan ook.

De heiligschenner valt God zeiven aan. \'t Is een misdrijf liet gebod eens konings te verachten, maar \'tis een gruwelstuk den koning te treffen, een aanslag op zjjn leven te doen. „\'tls iets anders,quot; zegt Sint Thomas van Aquinen, in zijn uitlegging van den Co-rintherbrief, „de gegeven geboden van een koninklijke^ wet te veronachtzamen; iets anders den koning in eigen persoon te wonden, door met eigen hand het wapen op hem te slingeren.quot; Zoo bij Mattheus 21,37 zegt de Heer van den wijngaard van hen, die zijn knechten hadden gedood: „Mijn Zoon zullen zij ontzien quot; Maar neen, de Zoon van God wordt hier in persoon mishan-

-ocr page 139-

125

deld, met voeten getreden, gekruisigd. Te recht heeft men die zonde altijd vergeleken met den gruwel der joden, die den Godsmoord bedreven, maarvlaar is meer dan één verschil, dat de onwaardige Communie nog meer onverschoonbaar maakt, nog meerbeleediarend voor den Verlosser. De joden, zegt ongt; de Apostel Paulus, zouden nooit den Heer der heerliikheid hebben gekruisigd, indien zij haar hadden gekend (T. Corinth. 2. 8). Maar de heiligschenner is de beul, die zijn slachtoffer kent, hij aanbidt hem eerst. Op liet kruis van Calvarië offerde Jesus een sterfelijk leven, dat hij had aangenomen om het op te offeren; op het kruis, opgericht in het hart van den heiligschenner, tracht deze Hem nog te doen sterven, die eenmaal gestorven niet meer sterven kan en gezeten is in de heerlijkheid des Vaders aan Gods rechterhand. Toen Hij zicli op Golgotha opofferde, deed hij dit tot verheerlijking Zijns Vaders en om de wereld te verlossen, maar hier is het geen offer, maar de grievendste beleediging van God; verre van eenig nut aan ie brengen, brengt het de grootste ongelukken.

„Hij nam,quot; zegt Bonrdalone, „het eerste kruis met vollen vrijen wil aan, omdat Hij er de eer van God en het voordeel van den mensch in zag; maar hij verafschuwt het tweede en Hij gruwt er van, omdat Hij tegelijkertijd God er door ziet onteerd en den mensch er door verloren gaan.quot;

2U. En op welke plaats, in welk Geheim wordt de misdaad voltrokken? In de heiligste plaats ter wereld, aan de Tafel des Heeren, daar waarde liefde

-ocr page 140-

126

van Jezus Christus zich het teederst, het meest edelmoedig\' toont jegens ons. Zoo wij den Verlosser ergens moeten beminnen, dan is het wel vooral in het Sacrament van zijn liefde. Hoe moest onze eerbied wel zijn in Zijn tegenwoordigheid ? Hoe moest ons hart niet opengaan, door de vurigste liefde verteerd en de minste oneerbiedigheid beweenen, die in zijn heiligdom bedreven wordt?... Daar gaat men Hem beleedigen, daar gaat, men Hem trotseeren, daar gaat men Hem met de onwaardigste versmadingen verguizen.

8°. Wat zet tot die misdaad aan? Ken geweldige bekoring? Neen, men bedrijft dat kwaad in koelen bloede. Men geeft toe aan den tegenzin, dien men heeft om een zwakheid te belijden en soms gemakkelijk genoeg te overwinnen was. Alsof het niet het schoonste was, wat men doen kan, als men een fout heeft begaan, die zoo spoedig mogelijk herstellen. De ontheiliging der heilige Geheimen ware minder onvergeeflijk, zoo zij niet zoo gemakkelijk ware te vermijden. Maar men schrikt terug voor een eervolle vernedering, men laat zich overwinnen door een laffe vrees voor een mensch- Wat zal de biechtvader zeggen ? Of wat zal men van mij wel denken, als ik niet ten hoogtijd ga? Maar wie zijn het toch, wier oordeel gij zoozeer vreest? Menschen, zwak als wij; wellicht nog veel zwakker. Waarom vraagt gij niet veel liever, wat de Engelen, de heiligen van ü zullen denken, wat Uw God, uw rechter van u zeggen zal, als ge onwaardig tot de H. Communie gaat? Men

-ocr page 141-

1\'27

doet zich anders voor dan men is. men neemt den schijn aan van deugdzaam te zijn en als weleer Judas verraadt men den Zoon des Menschen met een kus!... Welk een schijnheiligheid! Welk een laaghartige trouweloosheid, zooverre mogelijk is, den doodsteek te geven aan Jezus Christus, terwijl men den schijn aanneemt van Hem te aanbidden. Andere Herodessen, want, zoo zegt de H. Chrysostomus in zijn homilie op Mattheus: „Die onwaardig misbruik maken van de Communie van het Sacrament, vermoorden, zooveel in hun macht is, Dengene, Dien zij aanbidden.

4U. Men schrikt er voor terug onzen Goddelij-ken Zaligmaker te beschouwen in den bedroevenden staat, waarin de onwaardige Communie Hem brengt. De meest onverschillige mensch zou zich belee-digd gevoelen, zoo men hem in staat achtte om het H. Sacrament aan te raken met besmeurde handen, gelijk Sint Augustinus zegt (Senn. 244 de Temp.): „Wie is zoo goddeloos, dat hij het wagen zou met beslijkte handen het Allerheiligste Sacrament te betasten?\' Maar Gods Zoon wordt vrij wat meer beleedigd door den heiligschenner, die Hem ontvangt in zijn door zonde bezoedeld hart; want welk vuil kan den oneindig heiligen Jesns meer mishagen dan de zonde ? Nadert men na een schandelijken val tot de H. Tafel om daar een godsdienstige handeling te verrichten, waartoe de zuiverheid van een engel noodig ware, wat is dat anders dan het H. Bloed van Jesus werpen in een put vol onreinheid. ... „O welk een gruwel,quot; roept S. Thomas a Villanova, de Sacr. c. 3. „in de

-ocr page 142-

allervuiJste put van uw hart het H. Bloed van Christus uitstorten!quot; En de H. Cyrillus van Alexandrië het woord van Sint Jan toelichtende: En na de hele, voer Satan in Judas, roept uit: „AYelk een mensch, die in zijn hart Satan ontvangt en Jesus Christus. Satan om dien er te doen heerschen; en Jesus Christus om Dien er te doen sterven. Satan, dien hij er een onbeperkte macht geeft en Jesus, dien hij er kruisigt; Satan, dien hij boven Jesus verheft en Jesus, Dien hij aan Satan aanbiedt als een offer, Dien hij aan Satan overlevert.

Daar is geen zonde, die zoo noodlottige gevolgen heeft. Blijven wij bij de verschrikkelijke woorden van Sint Paulus: „Al wie onwaardiglijk dit brood eten, of den kelk des Heeren drinken zal, zal schuldig zijn aan liet lichaam en bloed des Heeren.quot; Hij is er schuldig aan, omdat hij dat goddelijk lichaam en dat aanbiddingswaardig bloed ontheiligt, het onderscheid niet makend, dat hij maken moest. Hij is er verantwoordelijk voor, hij neemt de misdaad op zich, hij laadt de schuld er van op zich. God is jaloersch op de eer van Zijn Zoon, Hij kan niet anders dan deze afschuwelijke heiligschennis streng bestraffen. Dat zelfde bloed, dat op het kruis stroomde lot recht-vaardigmaking des zondaars, komt aan de Tafel des Heeren op hem neder tot zijn verdoemenis. Toen riep het om barmhartigheid, nu roept het nog meer dan het bloed van den eersten rechtvaardigen Abel om

-ocr page 143-

129

wraak. Dat bloed moest het krachtigste geneesmiddel zijn, het wordt nu voor den zondaar liet doodelijkste vergift. Sint Panlus voegt er bij, dat hij zijn oordeel eet en drinkt. Hij ontvangt daar zijn rechter, zijn vertoornden rechter, die zonder dralen tegen hem hetzelfde vonnis spreekt, dat Hij tegen Judas uitsprak, toen deze Hem verried: „Wee dien mensch, liet ware hem beter nooit geboren te zijn.quot;\' (Matth. 26, 24.)

De Apostel beroept zich in zijn brief aan de Corinthiërs op de vele buitengewone ziekte- en sterfgevallen onder hen als straf voor liet onwaardig gebruik van de H. Communie gemaakt: „Daarom zijn er onder u vele zwakken en kranken, en zijn menigen ontslapen.quot;

Mogen die zichtbare werkingen van Gods macht niet zoo veelvuldig zijn als in de ontluikende Kerk, zeker is het, dat de werking voor de ziel dezelfde blijft. Het gewone gevolg van do onwaardige Communie is de doodslaap der ziel. Zij wordt verblind en verhard eu dood voor alles wat God en de zaligheid betreft. Men is gerust in den meest gevaarlijken toestand, maar welk een ontwaken wacht na den dood, welk een eeuwigheid na dit leven! Zoo de hel bereid is voor iedere doodzonde, wat moet men dan niet deuken van de straffen, die God bewaart voor Hem, die Gods Zoon met voeten heeft getreden en zijn bloed heeft onteerd? Dat aanbiddelijk bloed verandert voor den heiligschenner in een zee van vuur en uit den diepen afgrond hoor ik de schrikkelijke wanhoopskreet: Ik heb gezondigd door het bloed van den liechtvaardiye over te leveren.

-ocr page 144-

1B0

Beproeven wij dus ons zeiven, gelijk de Kerk liet ons met Sint Paiilus beveelt. Reinigen we onze ziel, zooveel wij kunnen. Wisschen wij de geringste vlekken uit en mistrouwen wij, ondanifs alle voorbereiding, ons zeiven en vertrouwen we alleen op de goddelijke barmhartigheid. O mijn God! leg in mijn hart dat levend geloof, die heilzame vrees, die ons altijd moet bevangen als wij naderen tot uw heiligdom, volgens het woord der Schrift: ,, \\rrees voor mijn heiligdom; ik ben de Heer.quot; Lev. 26, 2. Dat mijn oogen verduisterd worden, mijn tong aan het verhemelte kleve, het leven mij verlate, eerder dan dat ik het machtigste middel, dat Gij mij ter zaligheid gegeven hebt, tegen mij keere.

Hebt gij u geen zware zonden te verwijten, volgt dan bij de H. Communie den raad, dien de Zaligmaker u geeft bij den schrijver der Navolging: „Doet wat gij kuut en doet liet met groote zorg. Ontvangt het lichaam van den Heer uwen God, niet om aan de gewoonte te voldoen, maar met vreeze, met eerbied, met liefde, als Hij zich verwaardigt tot u te komen. Ik zelf roep n en beveel u te komen. Ik zal alles aanvullen, wat u ontbreekt, komt en ontvangt mij.quot; (IV. B. 12e Hoofdst.)

%

\'•.i

-ocr page 145-

TWINTIGSTE OVERWEGING.

Mij li eigen persoonlijke zoiiden.

T. Het groote getal mijner zonden.

II. De afschuwelijkheid dier zonden.

III. De boosheid van hem, die zich er aan schuldig maakte.

Eerste Yoorbereidinr. Stel u voor God als een dier melaatschen, welke aan Jezus om genezing kwamen vragen.

Tweede Voorbereiding. O mijn God, leg in mijn hart de gevoelens van schaamte, welke de herinnering mijner zonden in mij moet opwekken; geef mij een oprecht berouw over allen en doe ze mij met overvloedige tranen beweeuen.

Eerste Deel. Iht groot getal mijner zonden. Ik ga nu de zonde beschouwen, niet meer in de oproerige engelen, in Adam of in een anderen schuldige of reeds verdoemde — maar ik moet de zonden zien in mij zelf. De booze geesten en wellicht meer dan één verdoemde hebben maar één zonde bedreven en die ééne zonde werd zoo streng en toch zoo rechtvaardig gestraft. Daar tegenover staat van mijn kant een niet te noemen getal van zonden.

Zonden van alle tijden. In mijn kinderjaren. Welk gebruik heb ik gemaakt van mijn ontluikende rede,

-ocr page 146-

132

van de eerste indrukken mijns harten, van de eerste ingevingen der genade? Was liet eerste gebruik van mijn vrijen wil een hulde aan God en aan Hem alleen? Helaas, ik was een zondaar zoodra ik het kon wezen en ik moet met den H. Augustinus belijden: „Zoo klein en toch al een zoo groote zondaar.quot; — In mijn jeugd kende ik beter de rechten des Heeren op mijn gehoorzaamheid en mijn liefde; maar ik was er alleen te onverschoonbaarder oin, als ik ze Hem weigerde. Hoeveel verkeerde gedachten en boozo begeerten ! Hoe werd ik heen en weder geslingerd door mijn hartstochten. „O jeugd,quot; zoo roept de H. Augustinus uit, „gij zijt de bloei der jaren, maar het gevaar der ziel.quot; Op rijperen leeftijd werd het voorwerp der hartstochten een ander, maar ik was er niet minder schuldig om. Sinds ik op aarde ben en in staat om te zondigen, is er nooit een tijd geweest, dat ik niet zondigde, is geen dag voorbijgegaan zonder dat ik een afdwaling en zwakheid te betreuren had.

Zonden van alle plaatsen. In mijn ouderlijk huis, waar ik de eerste bewijzen van G-ods goedheid ontving; op de school, waar ik de eerste beginselen der wijsheid leerde, maar niet altijd in de vreeze des Heeren wandelde; op de plaatsen, waar ik mijn ontspanning zocht; in de heilige plaats zelf, in Uw tempel, o mijn God, voor het aangezicht van Uw Tabernakel, in de tegenwoordigheid Uwer altaren... overal ontmoet ik de herinnering aan mijn zonden. „Waar,quot; zoo vraagt St. Augustinus in zijn Belijdenissen, „waar, ik bid U, o mijn God, waar of wanneer ben ik onschuldig geweest?quot;

-ocr page 147-

133

Ga ik de gezelschappen na, welke ik bezocht heb, mijn vermaken en mijn bezigheden .. alles herinnert mij aan mijn zonden. Ga ik Gods geboden na, dan is er geen enkel gebod, dat ik altijd goed heb onderhouden. In hoeveel bekoringen ben ik niet gevallen? Is er een enkele onder de vermogens van mijn ziel en van mijn lichaam, welke niet gediend heeft tot een of ander kwaad? Almachtige God, ik beken het-ik heb gezondigd, ik heb vreeselijk veel gezondigd; Ik belijd voor God Almachlia, dat ik zeer gezondigd heb.

Tweede Deel. De afschuwelijkheid dier zonden. Zij zijn ten hoogste afschuwelijk, omdat zij een oneindige beleediging zijn van God, Die de hoogste schoonheid is, bijgevolg zijn zij het tegendeel van schoon, ten hoogste leelijk, — Als ik zondigde, kwam ik, ellendig stof, in opstand tegen den Heer, tegen den Almachtige! Ik meende sterk te zijn tegen God zelf. Welk een vermetelheid! — Als ik zondigde, verachte ik alle volmaaktheden Gods: Zijn Almacht, wijl ik wist, hoe Hij mij op het oogenblik, dat ik Hem beleedigde, kon treffen; Zijn wijsheid, door Zijn zoo lichten last en zoo zoet juk, Zijn zoo beminnelijke wet van mij te werpen en mij te laten leiden door de grillen van mijn hartstochten; Zijn alomtegenwoordigheid, Zijn heiligheid, door Hem als te dwingen mijn verkeerdheden aan te zien. Welk een goddeloosheid! — Als ik zondigde, vergat ik niet alleen mijn grootsten weldoener, maar ik keerde al Zijn weldaden tegen Hem, gebruikte alles, wat Hij mij gegeven had om Hem te dienen, tegen Hem; welk een ondankbaarheid! — Als

-ocr page 148-

m

ik zondigde, koos ik den dood boven het leven, de hel boven den hemel, Satan boven Jesus Christus;... ik verliet een teederen Vader voor een trouweloozen meester, voor den wreedsten aller tyrannen, welk een verblinding, welk een dwaasheid! 6 mijne ziel, zoo gij eens n zelve kondet zien in den toestand, waarin u zoovele afschuwelijke boosheden hebben gebracht, hoeveel verdiensten gij hebt verloren en hoe uw schoonheid in monsterachtige leelijkheid is verkeerd: hoezoudtgij verschrikt

zijn voor u zelve. „Vlucht, o ziel, u zelve, verschrik van u zelve, en verdraag uw afschuwelijkheid niet zonder diepe weeklachten uws harten.quot; St. Bonav.

Deede Deel. Be hoosheid der zonde met het ourj op hem, die ze bedrijft.

Wat is de mensch; hoe zwak, hoe nietig is hij! Maar wat ben ik ia vergelijking van zooveel andere menschen? En wat zijn zij in vergelijking met de engelen? En wat zijn de engelen, vergeleken bij God! Wat ben ik dus voor het aanschijn dier Majesteit, voor welke alle natiën zijn als niets, Is, XL, 17;

„Alle volkeren als waren zij niet, zoo zijn zij voor u?quot; En ik heb het gewaagd den grooten God het hoofd te bieden. Hem in het aangezicht te weerstaan en hem onbeschaamd te zeggen: Te vergeefs geeft Gij Uw bevelen, ik zal niet gehoorzamen. Dan. Y, 22: „Tegen den beheerscher des hemels hebt gij u verheven. — En gij hebt gezegd: ik zal niet dienen.quot; Jeremias II, 20.

Beschouw ik mij zelf als Christen, dan moeten mijn zonden nog grooter afschuw in mij verwekken. Het

-ocr page 149-

135

doopsel heeft mij aan God toegewijd, heeft mij lidmaat gemaakt van Jezus Christus, tempel van Zijn H. Geest. Iedere zonde dus, die een Christen bedrijft, is een ontheiliging, een heiligschennis. Als ik zondig, zegt de Apostel I. Corinth. VI, 15, neem ik de heilige ledematen mijns Verlossers, onttrek die aan hun bestemming en maak die dienstbaar aan schandelijke buitensporigheden. Ik verjaag den Geest Gods uit zijn heiligdom, dat ik tot een onrein hol van den duivel maak. Het leven van den Christen moet het leven van Jezus Christus zijn. Herkent men Hem in mij, als ik zondig.

Ik vraag mij nu af, na zoovele afschuwelijke boos-heoen, hoe het mogelijk is, dat niet alle schepselen tegen mij opstonden; hoe zij mij nog verder konden dienen, als ik hun en mijn Schepper beleedigde. O, ik wil God bedanken voor het geduld, waarmede Hij mij heeft willen verdragen en ik belijd nederig, dat ik niet anders verdiende, dan beroofd te worden van alle genaden, van alle gaven, die ik zoo schandelijk heb misbruikt. Ik bid den gekruisigden Jezus, dat Hij voor mij aan Zijn hemelschen Vader den afgrond van lijden en versmading, waardoor Hij verslonden werd, wil aanbieden en ik zeg met den H. Bernardus: „Heb barmhartigheid met den boetvaardige, Gij die den zondaar zoolang hebt gespaard.quot;

-ocr page 150-

EEN EN TWINTIGSTE OVERWEGING,

Herhaling der vorige. BeTrepgredeneu lot berouw en droefheid.

--— ■ \' ; .-!?£*■. sgt; -----

De beweegredenen tot berouw, welke in de vorige overwegingen werden nagegaan, kan men in het kort met deze drie woorden weergeven; tellen, wegen, meten.

De menigte der door mij bedreven zonden tellen; wegen, hoe zwaar zij zijn om de gevolgen, welke zij hadden; meten, hoever hun boosheid en verkeerdheid, gaat.

I. De menigte mijner zonden tellen.

II. Wegen, hoe zwaar zij zijn.

III. Meten, hoever zij gaan.

Eerste Deel. De menigte mijner zonden. Laat ik in mijn geheugen alle zonden van mijn leven in de verschillende jaren, op de verschillende plaatsen, in de verschillende toestanden en omstandigheden, waarin ik mij bevonden heb, voorbij trekken, dan zal het mij, met Gods genade, gemakkelijk vallen door mid. del van de volgende beschouwingen een levendigen afschrik er voor in mij op te wekken:

1°. Is één doodzonde, zooals St. Bernardus zegt, al genoeg voor het eeuwig geween, wat heeft hij dan niet verdiend, die zooveel doodzonden heeft gedaan, dat hij zelfs het kleinste deel er van niet meer kent?

-ocr page 151-

137

2°. Ts Lucifer, eenmaal een wonder van schoonheid, door eene enkele hooo\'tnoedige gedachte, die maar een oogenblik duurde, zulk een afschuwelijk monster geworden, dat, volgens het oordeel der heiligen, het een der grootste folteringen der verdoemden zal zijn hem eeuwig te moeten zien — hoe zal dan een ziel er uitzien, die door allerlei en dikwijls herhaalde zonden is bezoedeld. Een druppel gift, gevallen op den Engel, die liet heerlijke werk was van den Schepper, een vaas bestemd tot versiering des hemels, heeft dezen zoo misvormd, dat hij een vaatwerk werd van schande en toorn, wat God verbrijzelde en in liet diepste van den afgrond wierp. Eom. IX, 22: Vaten van toom, (jpschild ten verderve. Maar datzelfde vergift is op mijn ziel gevallen met den overvloed van een stortvloed. Hoe groot is dus mijn verlaging, hoe zeer ben ik misvormd en welk een toorn is tegen mij ontstoken, in het hart van den driewerf heiligen God!

;30. Als iedere ongehoorzaamheid aan de wet des Heeren een beleediging is, alle Zijne oneindige volmaaktheden aangedaan, een wonde toegebracht aan zijn hart,... ach, hoeveel beleedigingen heeft Hij dan van mij ontvangen, hoeveel malen heb ik Zijn aanbiddelijk hart gewond, en dat heb ik gedaan, die Hem zooveel liefde, zooveel toewijding schuldig was.

4quot;. Zoo iedere doodzonde een keten is, die mij aan den duivel bindt, zoo ik hem daardoor het recht geef om mij eeuwig als zijn slaaf te behandelen, dien hij geheel in zijn macht heeft,.,. welk een macht moet dan de wreede vijand der zielen over mij hebben, met

-ocr page 152-

138

hoeveel ketens houdt hij mij niet gebonden aan zijn triomfwagen, verondersteld dat mijn zonden mij nog niet vergeven zijn!

5°. Zoo ik eindelijk door iedere zonde zulk een ontzag\'lijke schuld jegens Gods gerechtigheid op mij laad, dat alleen de boetvaardigheid en de voldoening van een Godmensch in staat zijn er mij van te ontlasten, dat alleen het bloed van het vlekkeloos Lam in staat is den vroegeren toestand te herstellen,... wat heb ik dan niet te vreezen, na mijn ontelbare overtredingen? Ben ik niet de schuldenaar, die zijn schulden niet betalen kan en veroordeeld wordt tot de uiterste duisternissen, waar geween en geknars der tanden zijn zal ?

Tweede Dekf,. Het c/ewiclit mijner zonden is niet minder verschriklcelijk dan het groote r/etal. Neem ik de weegschaal in de hand, waarmede Hij weegt, Wiens oordeelen waarheid en gerechtigheid zijn en leg ik daarop al de gevolgen, welke mijn opstand tegen den hemel hebben gehad: het ongelijk, dat ik God heb aangedaan door hem zoozeer te verachten, dat ik Hem in mijn achting beneden de lage voldoening stelde^ welke de zonde schenkt; door zoo onwaardig zijn belangen te verraden, welke ik door de heiligste verbintenissen van mijn doopsel, enz. had beloofd te verdedigen: — het ongelijk, dat ik der zegevierende Kerk heb aangedaan door haar te berooven van de vreugde, welke zij van mijn godsvrucht en van mijn ijver verwachtte; dat ik der lijdende Kerk aandeed, die van mij niet de hulp en de vertroostingen ontving.

-ocr page 153-

189

die zij van mij hopen mocht; dat ik aan de strijdende Kerk heb aangedaan door haar door mijn gedrag te schandvlekken, wellicht ook door haar Sacramenten te onteeren en haar kinderen te ergeren; eindelijk het onrecht, dat ik mij zei ven aandeed: ik heb alles verloren, mijn waardigheid, mijn vrede, mijn vrijheid, de vriendschap van mijnen God, mijn verdiensten, mijn ziel.,. Ik heb alle ongelukken op mijn hoofd doen nederkomen. Ach, zoo ik eens gestorven ware in dien droevigen staat, waarin de zonde mij had gebracht! Het Avare gedaan geweest! De hemel ware voor mij altijd gesloten geworden en ik ware overgeleverd aan de eeuwige straffen.

Ik stel mij voor den geest, hoe een ongelukkige, na het bedrijven van ééne doodzonde in de hel geworpen, daar voor eeuwig tot de verworpenen behoort, terwijl ik nog de genade heb deze treurige maar heilzame waarheden te overwegen.

Hij had minder genaden ontvangen dan ik; hij had meer deugden beoefend, langen tijd volhard. Had de dood hem eenige dagen, eenige uren vroeger getroffen, hij zou zich ve/heugen in het gezelschap der engelen, hij bevond zich in een oceaan van geluk... en nu is hij in een zee van vlammen. Hij woont nu met de duivels en de geheele eeuwigheid door zal hij doorbrengen in godslasteringen, in haat tegen God, in vervloeking van zich zeiven. Dat is het gevolg van ééne zonde. En hij, die hem zoo straft, is de God van oneindige goedheid en barmhartigheid;.. Hij beminde die ziel meer \'dan de teederst.e moeder haar

-ocr page 154-

140

éenig kind kan beminnen____ O diepte van de wijsheid Gods! Rom. XI, 58.

O mijn God! Hadt Gij mij voor üw rechterstoel gedaagd de eerste maal, dat ik het ongeluk had CJ met een doodzonde te beleedigen, ik zou, gebukt onder den zvvaren last van Uw schrikkelijke wraak, toch gedwongen zijn geweest de billijkheid van üw vonnis te moeten erkennen. Ps. CXVIII, 137: Rechtvaardig zijt Gij, Heer, en Uw oordeel is gerecht. Hoe hebt Gij mij zoo lang kunnen sparen, als alles ü dwong om mij te verderven: het belang Uwer volmaaktheden, welke ik beleedigde; het belang Uwer genade, die ik met voeten trad; het belang der zielen, die ik ergerde? Hoe hebt Gij mij met zooveel geduld gewacht, mij het leven gelaten, mij de middelen gegeven, welke het mij zoo gemakkelijk maakten mij met U te verzoenen en den hemel te verdienen. Ik zal U prijzen, Heer mijn God, en ik zal U dank zeggen uit geheel mijn hart; want Gij hebt zulk een overgroote barmhartigheid mij betvezen en Gij hebt mijn ziel uit het diepste der hel gered. Ps. LXXXVIII, 12, 13.

Derdk Deel. De boosheid mijner zonden en de verkeerdheid er van. Hier zie ik geen grenzen, van alle kanten staat de oneindigheid. Want de boosheid dei-zonden moet ik afmeten naar de grootheid van God. dien ik er door beleedigd heb: Wie is als God ?.. . naar de grootheid van het goede, dat ik Hem hebi ontnomen of heb willen ontnemen. Ik heb Hem zijn glorie ontroofd door Hem te verachten. Ik heb Hem zijn heiligheid, zijn gerechtigheid, zijn onmetelijkheid

-ocr page 155-

141

willen ontnemen ... alle die eigenscliappen, die mij verontrusten bij het bedrijven der zonde, dat wil zeggen, ik heb Hem van zijn wezen willen berooven: „De zonde vernietigt God, in zoover het van haar afhangt,quot; zegt de H. Barnardus. — Ik moet de zonde afmeten naar de goddelijke weldaden, welke ik ontvangen heb. Ieder van deze weldaden was oneindig in de beweegreden, die God had om deze aan mij te verleenen, dat wil zeggen, in zijn liefde; oneindig om het geluk, dat het doel er van was. quot;Wat wilde immers mijn Goddelijke weldoener anders dan mij daardoor brengen tot het hoogste en eeuwig geluk? — Ik moet de zonden afmeten naar het lijden en de versmadingen, welke Jesus er voor geleden heeft. Helaas, door mijn zonden heb ik voor mij de verdiensten van Zijn dood vernietigd; ik heb zijn kruis omver gehaald, of beter gezegd, ik heb dat smartelijke en schandelijke kruis weder opgericht, om op nieuw mijn beminnelijken Verlosser er aan vast te nagelen. Immers zoo zegt de H. Apostel Hebr. VI, 6: „Opnieuw Gods Zoon in zich kruisigend en smadelijk ten toon stellend.quot;

Deze overweging eindigt men met de drievoudige samenspraak der vijftiende meditatie.

-ocr page 156-

TWEE EN TWINTIGSTE OVERWEGING.

Oorzaken Tan onze zonden. — De hartstochten.

I. Wij moeten alle hartstochten vreezen, omdat zij alle tot zonde brengen.

II. Wij moeten vooral die hartstochten vreezen, welke zich zoeken te verbergen, omdat zij tot de grootste zonden voeren.

Willen wij de zuiverheid des harten erlangen, welke Jesus Christus ons zoozeer heeft aangeprezen, als Hij leert, Matth. V, 7, dat zij ons het geluk bezorgt van God te zien, dan moet onze afkeer van de zonde zich ook noodzakelijk uitstrekken tot de oorzaken van het kwaad, wij moeten opklimmen tot den oorsprong der rivieren, waar het alleen mogelijk is het nog kleine beekje droog te maken.

Eerste Deel. Alle hartstochten zijn te vreezen, omdat alle tot zonde hrengen. Zij bedriegen ons, zij vleien ons, zij tirannizeeren ons en daardoor doen zij ons in zonde vallen en houden ons in dien treurigen staat gevangen.

1°. De hartstochten bedriegen ons. Zooals de wolken de schoonheid der zon verbergen, zoo verdonkeren de ongeregelde neigingen de fakkel des ge-loofs en zelfs der rede- Hoe sterk sprak niet Abel\'s onschuld en de stem des bloeds tot Caïn? Wat krachtige vermaning gaven aan de verachtelijke

-ocr page 157-

14R

giijsaards, die de deugd der kiiisc.he Susanna belaagden, hun grijze haren en het heilig ambt, waardoor zij geroepen waren de deugd te beschermen en de boosdoeners te straffen ?.... Welk een indruk vooral moesten de zachte, en teedere woorden van Jezus op Judas maken?... Spreekt niet de geheele schepping, alle schepsel, dat door God is gelast ons dienstbaar te zijn, tot den mensch? Wat roept het kruis, het altaar van Tezus Christus niet luide tot den Christen!.... Maar als de hartstocht eenmaal in de ziel wortel heeft gevat, dan verbreidt zij daar zulk een stikdonkere duisternis, dat men niet meer ziet wat anderen zien, wat voor ons op een ander oogenblik helder is als de zon. Ps. LVII, 9: Vuur is er over neergevallen en zij zagen de zon niet.

Alle hartstocht wordt geboren uit de ongeregelde liefde tot zich zelf. Wat de zelfzucht vleit, wil men nooit voor kwaad houden. Zoo zegt dan ook de H. Augustinus:

„Alles, wat wij willen, is heilig.quot; Men vindt altijd eenige verontschuldiging, of wel moet de hartstocht zelve, haar kracht, haar geweld tot verontschuldiging strekken. Men ziet intusschen meer dan men zou willen zien en dit juist maakt de boosheid, dat men het licht, dat men had, heet liegen, quot;t Is zoo zelden, dat de verblinding geheel en volkomen is. Daar blijft in de ziel altijd, om het zoo uit te drukken, een open veiligheidsoog en zij ziet, ondanks den hartstocht, de wet die gebiedt en verbiedt, de misdaad, die de wet schendt en de straf, die de schennis der wet wreken zal.

2°, De hartstochten vleien ons, zi| beloven ons

-ocr page 158-

114

genot, verleiden ons hart en slepen den wil mede. Te vergeefs ■waarschuwt het verstand, roept het geweten, dreigt God; men luistert naar niets. De verbeelding is ontvlamd, zij stelt het vermaak veel grooter voor, doet de gevolgen vergeten en men valt in den afgrond. Dat ongeluk had ik vermeden, zoo ik mij van den beginne aan de verleidingen van den hartstocht had ontrukt, al had ik daartoe ook een edelmoedig besluit moeten nemen en om Uw woorden, o Jesus, te gebruiken, mij een oog moeten uitrukken of een hand moeten afkappen. Ik weet dat, zoo ik een oprechten wil heb. Uw genade mij zal ondersteunen en zal doen triomfeeren over mijn eigen hart, den eenigen vijand, dien ik waarlijk te vreezen heb. Want alle duivels hebben tegen mij geen kracht, zoolang ik hun geen wapenen in de handen geef. Zij zijn overwonnen van het oogenblik dat ik mij zeiven weet te overwinnen.

3°. De hartstochten tirannizeeren ons. Zoodra ik iets toesta, wordt haar macht grooter, worden zij sterk, veeleischend en gebiedend. Ik ontneem mij zeiven de kracht, welke ik haar schenk. Eerst heb ik toegegeven aan heur lastige smeekingen, maar spoedig kan ik geen wederstand meer bieden en ik heb mij van mijn lage wellusten een gewoonte gemaakt. En de gewoonte is, volgens het oordeel van den groo-ten heiligen Augustinus, die zelfde ervaring had opgedaan, als een ijzeren ketting, die den wil bindt. Ik was gebonden door mijn ijzeren teil. Ach, welk een betreurenswaardige toestand is die van den Christen, welk zich tot den lagen slaaf van zijn hartstochten heeft

-ocr page 159-

145

gemaakt. Hij bevredigt die, maar bevredigt hij zijn geweten ? En waartoe dient het zijn hartstocht te voldoen, blijft zijn ziel niet in kwelling, zijn geest niet in onrust, zijn hart niet verscheurd door wroeging? De Apostel zegt Rom. II, 9: „Verwarring en beangstiging dringen tot in het diepste der ziel van iederen mensch, die kwaad doetquot;. Vreezen wij alle hartstochten en bedenken wij waarheen zij voeren.

Tweede Deel. Van alle hartstochten zijn zij het meest te vreezen, die zich verbergen, omdat zij tot de vreeselijkste uitersten voeren.

De hartstochten vermommen zich, of om de misdaad te verbergen, of om deze te vermenigvuldigen, of om den schuldige bij zijn misdaad gerust te stellen.

1°. De naakte misdaad is altijd afschuwelijk, zelfs in het oog van hem, die ze bedrijft, omdat het geweten hem die voorhoudt als een verzet tegen de orde, tegen het verstand, tegen de wet, die geschreven staat in het hart van alle menschen. En zoo zij afschuwelijk is zelfs in het oog van den schuldige, hoe zal zij dat niet zijn voor allen, die er getuigen van zijn? Om den haat en de schande, die aan het kwaad verbonden zijn, te ontgaan, zoekt de hartstocht het te omhullen. Judas, die een dief was, zocht voor een voorspreker der armen door te gaan. Wie zou die gierigheid hebben gezocht onder den mantel der liefde? En toch zijn gierigheid gaf hem het verwijt in den mond tegen de boetvaardige Maria Magdalena: „Waartoe die verkwisting? Kon dat

-ocr page 160-

14R

reukwerk niet worden verkocht en de prijs aan de armen worden gegeven?quot; Die schoone schijn is een misdaad te meer, van het oogenblik, dat zij wordt gebruikt om een andere misdaad te bedekken. Maar omdat de vermomde hartstocht een dubbel schuldige hartstocht is in uwe oogen, o Heer, zult Gij haar dan ook dubbel straffen en als hartstocht en als schijnheiligheid!

2°. De hartstochten verbergen zich om de misdaad te vermenigvuldigen. Het is inderdaad zeldzaam, dat een hartstocht, welke zich openlijk toont, niet wordt onderdrukt of ten minste wordt gehinderd in haar uitspattingen. Maar zoo zij er in slaagt zich te verbergen, dan houdt niets haar tegen en brengt zij tot alle uitersten. Een ontdekte mijn levert weinig gevaar op, maar daarentegen is alles te vreezen, zoo de vijand er in slaagt zijn arbeid te verbergen voor het oog der bespieders. Zoo kwamen de Fari-zeën, die hun ijverzucht en haat tegen Jezus onder het uiterlijk van ijver voor het algemeen welzijn en voor den godsdienst verborgen, door een aan eenschakeling en menigte van boosheden tot de laatste en grootste, den Godsmoord.

3°. De hartstochten verbergen zich om den zondaar in zijn misdaad gerust te stellen. Welke listen, welke kunstgrepen worden er gebruikt om de afschuwwekkende losbandigheid van sommige hartstochten voor de oogen der menschen te verbergen. Alsof men, o mijn God, zich ook zoo kon onttrekken aan Uw alziend oog, dat beter dan wij zelfs alles ziet, wat in de ge-

-ocr page 161-

147

heime plooien van ons hart is verborgen. Dikwijls poogt men, als alle schijnheilige listen onmachtig zijn te beletten, dat het verkeerd gedrag bekend wordt, de meening voor zich te winnen door brutale loochening en onbeschaamdheid. Zie het voorbeeld van Judas. De treurige verklaring, door Jesus aan Zijne leerlingen gedaan, dat een van hen Hem verraden zal, is als een bliksemstraal, die raidden onder hen slaat.

Ieder spreekt tot zich zelf: De Godmensch zegt het; \'t is dus onmogelijk, dat Hij het niet weet of dat Hij niet de waarheid spreekt. Ieder vreest en onderzoekt zich zelf, geen enkel van hen is gerust. . en de verradelijke apostel, die zeer goed weet, dat het woord van den Verlosser tot hem is gericht, die meer dan alle anderen er door getroffen moest zijn, is de eenige, die er zich niet over schijnt te ontrusten. En de onbeschaamdheid op het hoogste drijvend vraagt hij op zijn beurt koel weg : Meester, ben ik het ?

Ziedaar het karakter der hartstochten in het algemeen geteekend. Daar is _echter een hartstocht, die alle anderen in onbeschuamdheid overtreft, \'t is de onkuischheid. De lengen, het bedrog, de meineed, de heiligschennis zijn haar spel. Al wordt men op heeter daad betrapt, dan nog is ifet antwoord klaar: Ben ik het? Deze schandelijke hartstocht tracht zich bijwijlen onder zulk een schaamteloos uiterlijk te verbergen, dat dit alleen genoeg is om haar te leeren kennen.

Zuchten wij bitter over de verwoestingen, die de

-ocr page 162-

148

hartstochten in ons hebben aangericht. Erkennen wij haar bittere vruchten in de bijna oneindige menigte van zonden, die zij ons deed bedrijven en beweenen wij de onbeschaamdheid, met welke wij ons zeiven hebben bevestigd in het kwaad.

De H. Ambrosius vergelijkt onze hartstochten met de koorts, waaraan de schoonmoeder van Petrus ziek lag. „Onze koorts is de gierigheid, onze koorts is de wellust, onze koorts is de ontucht, onze koorts is de eerzucht, onze koorts is de toorn.quot; Lib. 4 in Luc. c. 4.

-ocr page 163-

DRIE EN TWINTIGSTE OVERWEGING.

De hoogmoed de aanvang: van alle zonden.

Eccll. X, 15

Het begin van iedere zonde is de hoogmoed.

I. Waarom haat God den hoogmoed meer dan alle andere zonden.

II. Bijzondere redenen waarom ook wij die zonde moeten haten.

De mensch zondigt of om zich eenige moeite te besparen of om zich eenige voldoening te verschaifen, bijgevolg stelt de zondaar altijd zich zei ven boven God, en zet hoogmoed altijd tot den opstand aan: Ik zal niet dienen. (Jerem. II, 20). Laten wij dus ernstig strijd voeren tegen die allerafschuwelijkste zonde; Gehaat hij God en de mensch en is de hoogmoed. (Eccli. X, 7.)

Eerste Deel. Waarom haat God den hoogmoed meer dan de andere zonden. De H. Augustinus geeft als reden aan, dat deze ondeugd God meer rechtstreeks en onbeschaamder aanrandt dan eenige andere zonde. Hij zou God van zijn troon willen stooten. Hij doet een aanslag op Zijne onsterfelijkheid, \'t Is vooral van die zonde waar, wat St. Bernardus zegt, dat zij, in zooverre het haar mogelijk is, God vernietigt, omdat zij de ontkenning is van de eigenschappen, die vooral het wezen der godheid uitmaken. Het bewijs hiervan ligt voor de hand.

-ocr page 164-

150

Voor iemand, die door dezen hartstocht wordt beheerscht, is God niet meer de eerste en de laatste, het begin en het einde. Openbaring1, I, 17, 8: „Ik ben de eerste en de laatste, Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.quot; Hij is voor hem niet meer de Opperheer van alles: Mij behoort alles toe. De hoogmoedige immers gaat groot op de voorrechten, welke hij meent te bezitten of werkelijk bezit, alsof hij alleen aan zich zelf alles te danken had. Te vergeefs roept de H. Paulus hem toe; „Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En zoo gij het ontvangen hebt, waarom verheft gij n er op, alsof gij het niet ontvangen hadt?quot; God is dus voor hem niet de bron, waaruit alle goed voortkomt, \'t Is er verre af, dat de hoogmoedige alles wat hij zegt en doet tot meerder eer van God verricht, hij zoekt bij alles zijn eigen glorie en wil alleen lof voor zich zelf. God is dus voor hem geenszins het laatste doel, waarheen alles moet terugkeeren. Doet alles ter verheerlijking Gods. I. Corinth. X, 31. De hoogmoedige wil onafhankelijk zijn, beschouwt de goederen, welke hij alleen onder zijn berusting heeft, als zijn eigendom. God is bijgevolg voor hem niet meer de Opperheer, de Heer van alles, wien alles toebehoort.

De hoogmoed is van den eenen kant een ontkenning van God, van den anderen kant een afgoderij. De hoogmoedige stoot God van den troon om er zichzelven op te plaatsen; Hij zoekt Hem te onderkruipen in de achting en waardeering der menschen en wil den wierook alleen voor zich zelf. Wie ziet

-ocr page 165-

151

niet in, dat God een bijzonderen haat tegen deze zonde koesteren moet en haar vooral moet tegengaan?

Tweede Deel. Bijzondere redenen, die wij hebben, om den hoogmoed te haten: de genaden waarvan hy ons berooft; de verdiensten, die hij ons ontneemt, de deugden, die hij uitroeit, de straffen, welke hij over ons brengt... Hebben wij wel ooit goed het kwaad ingezien, dat die eerste onder alle zonden ons berokkent?

1°. Genaden, waarvan de hoogmoed ons berooft. Het gebed is het gewone kanaal der genade. God is rijk, maar voor hen, die Hem aanroepen. Eom. X, 12: Rijk voor allen, die Hem aanroepen. De hoogmoedige bidt weinig of bidt slecht. Hoe zal hij\' dus deel kunnen hebben aan Gods mildheid? — Hij bidt weinig; hij gevoelt er geen behoefte aan. Hij is vol van zich zelf, opgeblazen over hetgeen hij is of meent te zijn. Hoe kan men er dan aan denken, dat hij vragen zal? Bidden is bekentenis doen van zijn ellende, zijn afhankelijkheid, zijn nietswaardigheid voor God erkennen. Bidden is den arme navolgen, die de hand uitsteekt aan de deur van den rijke. Wat is meer tegen den zin van den hoogmoedige ? Hij bidt slecht. Immers de ingekeerdheid is noodzakelijk om goed te bidden en de rust der ziel wordt op de eerste plaats gevorderd, wil men in zich zelf keeren. Maar hij, die rust wil zoeken in het hart van den hoogmoedige, is gelijk aan iemand, die kalmte zoekt midden in den storm. Is er iemand, die nog niet bij ervaring weet, dat het onmogelijk is door het gebed zijn hart tot God te verheffen, als men onder de macht der

-ocr page 166-

15\'J

hartstochten is, zulk een is gelukkig te noemen. Maar is er een?

2°. Verloren verdiensten. De hoogmoed doet aan onze goede werken hetzelfde, wat de insecten doen aan de planten. Zij knagen aan den wortel en de plant verdort. Welke vruchten zal ik plukken van de heiligste handelingen, zoo de hoogmoed de leidende oorzaak was? Ook de Farizeërs deden lange gebeden, vastten streng, onderhielden de wet naauwgezet en toch spreekt Jesus Christus tegen hen zijn wee uit. De hoogmoed is niet een dier weekelijke hartstochten, welke van den arbeid afhouden, integendeel hij zet daartoe aan. Ik word wellicht als een voorbeeld gesteld van werkzaamheid en ijver; men spreekt van niets dan van het goede dat ik doe. .. Maar ach, als ik voor Gods rechterstoel zal verschijnen, hoevele werken zullen dan worden verworpen als nutteloos, of zelfs tegen mij worden voorgebracht als boos, om-omdat het gift van den hoogmoed die werken had bedorven. Ik bezoek armen en zieken; ik onderricht de onwetenden; ik ben lid van alle godvruchtige ver-eenigingen.... Wat een werkzaam leven, zegt men. God ziet er wellicht niet anders in dan dagen in ledigheid doorgebracht en als ik mij niet verander, dan dan zal het schrikkelijk vonnis mij treffen: Werpt dien onnutten dienstknecht in de uiterste duisternissen. (Math. XXVquot;, 30). Is het niet treurig den arbeid verricht te hebben van een Apostel en daardoor het lot van een duivel te hebben verdiend?

3°. \'lt; Is de vernietiging van alle deugd. Het geloof

-ocr page 167-

153

is de grondslag van alle deugd. Maar het geloof zelve steunt op de nederigheid. Een trotsche geest kan onmogelijk de eerbiedwaardige duisternis van de geheimen des geloofs eerbiedigen. La Harpe zeide na zijn bekeering: „Daar ligt een oneindige afstand tusschen den hoogmoed en het geloof.quot; Zeker is het, dat men zonder nederigheid nooit het levendig geloof, het inwendige licht bezit; niet dat inzicht in de wetenschap der Heiligen heeft, wat reeds hier beneden het geluk der deugdzamen uitmaakt; God verbergt zich voor de hoogmoedigen en openbaart zich aa.n de kleinen. Matth XI, 25: „Ik beken voor U, Vader — dat gij deze dingen verbórgen hebt voor de wijzen en verstandigen, en ze den kleinen hebt geopenbaard.quot;

Geen enkele deugd kan met den hoogmoed samengaan, noch het geduld, noch de zachtmoedigheid, noch de broederlijke liefde, welke zijn eigen belangen vergeet om te denken aan die van zijn naaste, welke liever zijn recht opoifert dan dit te koopen ten koste des vredes... Een hoogmoedige is uit den aard der zaak zelfzuchtig. Gelijk de liefde de harten verbindt, zoo worden zij door den hoogmoed gescheiden. Zoo zegt dan ook het boek der spreuken XIII, 10; „Tusschen de hoogmoedigen zijn altijd twisten.quot; Ook de kuisch-heid heeft geen grooter vijand, dan de hoogmoed; de prikkel des vleesches volgt altijd den hoogmoed des geestes. „Voor velen,quot; zegt de H. Gregorius, „is de hoogmoed de kweekschool der ontucht.quot; En de H. Ambrosius: „Wilt gij kuisch zijn? Wees nederig. Wilt gij zeer kuisch zijn? Zijt dan zeer nederig.quot;

-ocr page 168-

154

De H- Joannes Chrysostoimis wederom: „De hartstocht der ijdele glorie is het vuur, waaraan alle hartstochten ontstoken worden.quot;

4°. Straffen en ongelukkige gevolgen. God Iaat zich niet ongestraft Zijn glorie ontnemen, welke Hij heeft verklaard aan niemand te willen afstaan. „Ik zal mijn glorie aan niemand anders geven.quot; Is. XLII, 8. Hij wederstaat aan de goddeloozen, zegt de Apostel Petrus I, V, 5. De H. Joannes Chrysostomus merkt hierop aar.: De H. Geest zegt niet, dat de Heer zijn genade onttrekt aan den vermetelen roover Zijner glorie, maar Hij wederstaat hem, Hij biedt hem het hoofd, Hij stelt kracht tegenover kracht. Haar hoe, vraagt de H. Kerkvader, heeft Hij dan tegen hem de de wapenen noodig der natuur; moet Hij Zijn bliksem tegen hem slingeren ? Neen, daar is niemand zwakker dan de hoogmoedige; zelf stoot hij en verbrijzelt hij zich tegen alle klippen. Hij is zijn eigen beul, zegt de H. Bernardus; hij is uiterst gevoelig op het punt van eer; de dorst naar onderscheiding vei\'slindthem, de hindernissen, door de eigenliefde van anderen hem in den weg gelegd, de menigvuldige misrekneingen, die zijn plannen en luchtkasteelen in duigen werpen, maken zijn leven tot een voortdurende kwelling. Hij wil tot iederen prijs een ieders stem, alle afkeuring ontgaan, overal worden geeerd.. Hij wil het, maar is hij ook geslaagd? Zal hij ook slagen? AYelk een stof tot verteerenden spijt of tot kwellenden angst. En omdat het de weg der goddelijke voorzienigheid is, dat iemand wordt gestraft door datgene, waarin hij

-ocr page 169-

155

heeft misdreven, {Boek der Wijsheid, XT, 17: Door die dingen iemand zondigt, door die dingen zal hij ook worden gekweld), zoo zal de hoogmoedige te meer met vernederingen worden overladen, naarmate hij begee-riger naar roem was: Die zich verheit, zal vernederd worden. Dit woord der H. Schrift wordt reeds in dit leven vervuld. Altijd vindt een Aman een Mardocheus op zijn weg, die zijn triomf in een nederlaag verandert.

Doch die tijdelijke kastijdingen zijn dikwijls vol barmhartigheid. Daar zijn veel verschrikkelijker straffen. Op den dag van het algemeen oordeel en in de eeuwigheid zal de trotsche mensch verpletterd worden onder het gewicht der goddelijke wraak. Isaias II, 12: „De dag van den Heer der legerscharen zal komen over alle hoogmoedigen... en zij zullen vernederd worden.quot; De trotschheid wordt door den H. Gregorius als het duidelijkste teeken der verworpenen beschouwd. Peilen wij ons hart, beweenen wij het verledene en houden wij niet op in ons een rampzalige neiging te bestrijden, welke niet voor onzen dood in ons sterft.

11

-ocr page 170-

VIER EN TWINTIGSTE OVERWEGING.

De boogmoed. — Vervolg.

I. Hoezeer wij zijn blootgesteld aan den hoogmoed.

II. Hoe wij dien moeten bestrijden.

Eerste Deel. Wij staan vooral aan den hooc/moed bloot.

1°. \'t Is een van die zonden, welke wij van den moederschoot af hebben: In zonden heeft mij mijn motder ontvangen. De kiem er van brengen wij mede bij de geboorte. Die zonde is niet alleen zeer gewoon, zij is om zoo te zeggen algemeen. De aardsche menscli is geheel gestorven in hem, die geen aanvallen van hoogmoed meer bespeurt.

2U. Daar is geen zonde, die zich beter weet te verbergen en zelfs den schijn aannemen van deugd. Om verzekerd te wezen, dat zij geen invloed meer uitoefent, moet gij ernstig onderzoeken, welke de beweegredenen zijn van uw handelwijze. Kalm zijn, u zeiven meester blijven, als niemand jegens u te kort schiet en u niets in den weg treedt, is geen bewijs, dat gij nederig zijl;. Het stilzwijgen bewaren, bedaard blijven, als gij beleedigingen ontvangt, is nog geen zeker bewijs. Want zoo gij den hoon verdraagt, omdat gij bevreesd zijt de wonde nog grooter te maken door haar te willen genezen, zoo gij zwijgt uit fierheid, omdat gij hem, die u beleedift, veracht.

-ocr page 171-

157

dan is uw bedaardheid enkel en alleen de voorzichtigheid van den hoogmoed, is uw geduld slechts de berekening der eigenliefde.

3°. Die hartstocht vindt overal haar voedsel en dikwijls wordt zij sterker door hetgeen de andere hartstochten verzwakt. De versterving temt den wellust; godvruchtige milddadigheid vernietigt de gierigheid; geregelde arbeid overwint de traagheid. Maar past men er niet voor op, dan kan dit alles den hoogmoed bevorderen. Zelfs van haar eigen nederlagen weet die sluwe zonde partij te trekken. Heb ik op den hoogmoed eenige overwinning behaald, dan komt hij er mij mede gelukwenschen en welligt de vrucht er van ontrooven.

41. De hoogmoed valt bij voorkeur dengene aan, die het meest verheven is in de orde der genade en der heiligheid. Zijn meesterstuk is geweest, dat hij zelfs engelen tot val bracht. Vooral legt hij zich er op toe zielen van hooge deugd ten verderve te brengen. Hoe rijker gij zijt, des te afgunstiger is hij en wil u van uw rijkdom berooven. Hoe meer gij in de deugd vooruitgaat,\'zegt de H. Eucherius, des te meer moet gij waken tegen de bekoring der ijdelheid. De heiligen vinden haar gedurig bij zicli in hun eenzaamheid, bij hun gebeden, bij hun vasten, zelfs bij de vermaningen, die zij er tegen houden.

Wat heeft Jezus Christus niet gedaan om Zijn leerlingen tegen die verschrikkelijke hartstocht te wapenen? Na hun de voeten te hebben gewasschen, zegt hij, dat de dienstknecht niet beter is dan zijn

-ocr page 172-

158

meester; dat rte Zoon des menschen, hun goddelijke Meester, niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen. Hij verbiedt hun de Farizeërs na te volgen, die de eerste plaatsen en eeretitels begeerden. Math. XXIII, 8: „Gij echter moet geen Rabbi genoemd icillen worden.quot; Ziet hij, dat zij van hun zending terugkeeren, vol zelftevredenheid en met blijdschap Hem de groote dingen verhalen, welke zij hebben verricht, — zij keerden weder met vreugde zeggende: Heer, zelfs de duivels zijn ons onderworpen, — dan doet de Heer alles om hen te behoeden voor het, vergift der ijdele glorie; hij gebruikt daartoe de sterkste uitdrukkingen, de krachtigste beelden: Ik zag Satan van den hemel vallen als den bliksem. Luc. X. 18. O mijne leerlingen, gij spreekt mij van uw goed geslaagden arbeid en mij doen de gevaren, waarin gij u bevindt, vreezen. Ontstaat er onder hen een twist en vragen zij Hem dan, wie de eerste plaats zal hebben in zijn koninkrijk, dan geeft Hij alleen dit antwoord, dat allen hoogmoed moet ter nederslaan, Marc. IX, B4: „Zoo iemand de eerste wil zijn, dat hij dan de laatste zij en aller dienaar.quot;

Hij doet nog meer; om hun een duidelijk denkbeeld te geven van die geringheid, welke Hij hun als eenigen grondslag der Christelijke grootheid voorstelt, roept Hij een klein kind tot Zich, stelt dat in hun midden en zegt hun: „Voorwaar ik zeg u, zoo gij niet gelijk wordt aan kleine kinderen, zult gij het rijk der hemelen niet binnen gaan.quot; Matth. XVIII, 3.

Tweede Deel. Hoe wij onzen hoogmoed moeten be-

-ocr page 173-

strijden. Men bestrijdt de duisternis door lief- licht, den leugen door de waarheid. De hoogmoed is een valsch beeld van de grootheid, zegt de EL Augustinus, alles is valsch in die zonde, welke in de ziel is wat de opgeblazenheid in het ligchaam is. Of is de waterzucht wellicht de gezondheid? Wij verwijderen ons van den hoogmoed als wij ons verwijderen van de dwaling en in ons de waarheid doen heerschen. De H. Bernardus zegt: De ijdelheid vindt daar yeen toe-yany, waar de waarheid heerschf. Als alles in onze gedachten en in onze gevoelens onder de heerschappij der waarheid is, dan heeft de ijdelheid geen vat meer op ons.

Wij worden nederig, zegt de H. Augustinus, „door onzen Schepper en onzen toestand te schouwen, ex intuitu conditoris nostri et conditionis nostrse.quot; Hebben wij een volmaakte kennis van Gods oneindige voortreffelijkheid en van onze diepe ellende, dan zal de gerechtigheid ons dringen eere te geven wien eere toekomt, en te verachten wat niet anders dan verachting waardig is. Wij zeggen met David in Ps. CXTII, 9; „Niet aan ons. Heer, niet aan ons, maar aan Uwen naam geef heerlijkheid/\' Overwegen wij wat (rod is en wat wij zijn; overdenken wij wat ons lichaam is, hoe zwak en ziekelijk en hoe spoedig het zal vergaan in het graf; hoe klein ons verstand is, hoe ziekelijk onze verbeelding en vol ijdele droombeelden; hoe zwak onze wil is en ten kwade geneigd... Onderzoeken wij ons geweten. Verwijt ons dit ook maar één enkele doodzonde in onzen geheelen levensloop,

-ocr page 174-

160

dan moet het ons reeds gemakkelijk vallen onzen hoogmoed te beschamen.

Wat heb ik gedaan met een doodzonde te bedrijven ? Ik heb mij verlaagd beneden de meest verachte dieren. Ik ben een ellendige, die uit den hemel gebannen en veroordeeld is tot eeuwige schande en tot folteringen zonder einde, een opstandeling tegen en een verrader van den Goddelijken Meester, aan Wien ik gebonden was door de heiligste eeden, een ondankbare en ontaarde zoon van den besten aller vaders, een beul van Jesus Christus, Dien ik gekruisigd heb in mijn hart... Ach, hoeveel verachting verdien ik reeds door één enkele overtreding van de Goddelijke wet. Hoeveel meer dus; zoo ik dikwijls die groote zonde op nieuw heb bedreven!.. Maar verondersteld, dat ik nooit een groote zonde had gedaan en dat ik nog voor God schitter in al den luister mijner eerste onschuld, welnu hoeveel tijd is er noodig om een zonde te doen, die mijn ziel doodt? Hoeveel tijd behoeft dan maar te veiloopen, dat de dood mij voor den rechterstoel sleept van den Oppersten Rechter, Die mij door Zijn uitspraak verdoemt tot de hel, welke dan voor alle eeuwigheid mijn woonplaats wordt? Hoeveel tijd is er noodig om al die rampen op mijn hoofd te laden? Één enkel oogenbhk, I Corinth. X, 12: „Die meent, dat hij staat, zie toe, dat hij niet valle.quot;

De overweging van het lijden van Jesus Christus oefent ook op den geest en het hart een machtigen invloed uit, om die afschuwelijke zonde te bestrijden. Dat lijden toont ons aan, hoe gerechtigd de verach-

-ocr page 175-

161

ting is, die men legen ons koestert of kon koesteren. Zij doet ons die beschouwen als een gunst, welke de Goede God ons geeft om ons gelijkvormig te maken aan Zijn welbeminden Zoon en die ons leidt tot waarachtige nederigheid, die des harten. Matth. XI, 29 : „Leert van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van harte ben.quot;

Eindelijk het goed begrip van de dwaasheid van den hoogmoed zelf is reeds een geneesmiddel. Inderdaad welk een tegenspraak, in zich ellende te ontdekken, welke mij nog verachtelijker maken dan het niets, want het niets heeft geen zonde, en dan toch mij verhoovaardigen! Waarop? — Welk toppunt van dwaasheid. Ziedaar wat mij, gelijk de andere beweegredenen, tot diepe nederigheid moet stemmen.

Ik moet echter niet gelooven, dat ik mij door mijn eigen overwegingen van die schuldige dwaasheid kan genezen. Dit zou wederom van mijn kant een groote hoogmoed zijn. Ik moet de genezing van God alleen verwachten. Hij is inderdaad de eenige, die mij goed kan voorlichten omtrent zijn grootheid en mijn eigen verachtelijkheid, in mij de neiging kan uitroeien of onderdrukken, die mij aanzet om de achting der men-schen te zoeken, zelfs dan als ik begrepen heb, hoezeer ik verdien door hen veracht te worden. Het woord van den H. Joannes Chrysostomus is een waarheid, die wij ons gedurig moeten herinneren; „Men wordt van den hoogmoed alleen genezen door het (jehed.^

-ocr page 176-

VIJF EN TWINTIGSTE OVERWEGING

«Wee n, die nn lacht.quot;

Luo. Vr, 23.

Daar zijn toch geoorloofde vermaken: waarom zou dan de Goddelijke Verlosser zoo volstrekt alle wereld-sche vreugde veroordeelen ? Waarom anders, dan omdat de vermaken, zooals zij meestal in de wereld ztjn, gewoonlijk noodlottig worden voor de onschuld des Christens en omdat men tot toppunt van ongeluk weigert dat te gelooven ?

I. Zelden of ooit, dat de wereldsche vermaken vrij zijn van wanordelijkheid en zonde.

II. Nog zeldzamer ziet men de wanordelijkheid en zonde, die er in gelegen zijn, in.

Eerste Deel. De iverel\'Jsche vermaken zijn zelden zonder wanordelijkheid en zonder zonde. Waarom? Omdat er bijna altyd hartstocht bij komt. Daar zijn vele menschen, die voor deugdzaam worden gehouden en zich zelfs toeleggen op hooge volmaaktheid en die toch zonder het minste gewetensbezwaar de wereldsche vermaken genieten, lekker eten en drinken, openbare vermakelijkheden bezoeken, allerlei zoogenaamde liefhebberijen hebben, op kaartspelen en vermomde dob-belarijen verzot zijn, enz. Hun voortdurende zorg, hun eerste en laatste gedachte schijnt op niets anders

-ocr page 177-

16R

gericht te zijn dan om zooveel mogelijk alle onthouding, alle leed verre te houden en zich alle genot, dat maar met eenig fatsoen mogelijk is, te bezorgen. Zij schijnen voor niets anders zin te hebben dan voor datgene, wat de H. Bernardus de wetenschap des vleesches noemt. Maar is dat dan geen ongeregelde, bijgevolg zondige hartstocht?

1°. \'t Is een lage, een redelijk schepsel geheel onwaardige hartstocht. Uw ziel is van hemelschen oorsprong; zij is geschapen voor den hemel; haar begeerten moeten op den hemel gericht zijn. Zonder ophouden nu aan vermaak denken, is een strafbaar vergeten van uw oorsprong, een schuldige venvaarloozing van uw doel, een verkeerde richting geven aan uw begeerten. De heidensche wijs ge er en zelfs hadden dit reeds begrepen. Seneca zeide: „Ik gevoel, dat mijn ziel in betrekking staat tot de Godheid; de begeerte, welke de ziel heeft om het Opperwezen meer en meer te leeren kennen, het gedurig met Hem bezig zijn, dat der ziel zoo wel doet, dit alles doet ons zien, hoe God haar middenpunt en leven is... Ik ben veel te groot, mijn bestemming is veel te heerlijk, dan dat ik mij zou mogen verlagen, tot een slaaf mijner harstocht.quot; Dacht een heiden reeds zoo, hoezeer moet dan de Christen zich niet schamen zijn dagen te slijten in een weekelijke rust! \'t zou waarlijk een wonderschoone bezigheid zijn voor een onsterfelijke ziel, aan niet anders te denken dan hoe den tijd, die zoo snel vervliegt, te dooden, zonder ooit te denken aan de eeuwigheid, die ons wacht.

-ocr page 178-

1fU

2°. Die hartstocht is blinrl en in duidelijke tegenspraak met de wijze inzichten van Gods voorzienigheid. Denk eens na over de orde des heils. Is onder de wegen, die ter eeuwige zaligheid voeren, één, welke alleen op rozen gaat en niets anders biedt dan een aaneenschakeling van onschuldige genoegens ? Zoo ja, volg dan uw zin. Maar zoo gij overal ziet, hoe gij met Gods genade naauwgezet waken moet om de bedorven natuur in bedwang te honden en te versterven, begrijp dan ook, dat al moogt gij ook van tijd tot tijd u eenig vermaak gunnen, de hartstochtelijke neiging daartoe u altijd streng verboden blijft, \'t Ts waai- vóór den zonden val plaatste God den mensch in een hemelsch lusthof, maar Hij wilde dat de arbeid zijn hart zou onthechten en vrij zou houden. Met welk lecht kan dan de gevallen mensch meenen, dat hem geoorloofd zou zijn wat zelfs den mensch in staat van onschuld verboden was? Nog meer, welk een dwaze inbeelding is het, zoo men gelooft den hemel langs een anderen weg binnen te kunnen gaan dan langs dien, welken de Heiligen en ons Hoofd Jesus Christus gewezen hebben!

3. Een hartstocht, die onchristelijk heeten moet. Hoe is de genotzucht in overeenstemming te brengen met een godsdienst, die zelfverloochening, een geesc van opoffering en versterving predikt? Iemand, die er alleen aan denkt zijn zinnelijkheid te voldoen en van iedere moeite ontslagen te worden, zal immers ook niet bereid zijn de vasten- en onthoudingsgeboden stipt te gehoorzamen en andere werken van Christelijke boetvaar-

-ocr page 179-

105

digheid te volbrengen. Zal hij in staat zijn de prroote waarheden des hells te overwegen, te bidden, bij de huiveringwekkende H. Geheimen naar behooren tegenwoordig te zijn? Aan den voet van het altaar, waar Jezus Christus zich opoffert, zal hij zonder aandacht en zonder godsvrucht zijn. De H. Gregorius verzekert, dat deze hartstocht zich vooral kenmerkt door een onoverwinnelijken tegenzin in de wezenlijkste plichten van het Christelijk leven.

4. \'t Is een ijdele hartstocht, die een nutteloos doel najaagt. Gij kunt zooveel moeite doen en zooveel zorg hebben, als gij wilt, om uw vermaken te veranderen en te kiezen; gij zult, zegt de H. Augus-tinus, de natuur er van niet anders maken. Zij zijn in den grond der zaak alle laf, uw smaak er in zal hen niet kruiden. Zij zijn alle bedriegelijk, uw gehechtheid er aan zal hun geen degelijkheid en betrouwbaarheid schenken. Zij zijn alle kortstondig en vergankelijk, uw hartstochtelijkheid zal hun duur niet het minste verlengen. Salomon dacht eens als gij: „Ik zeide in mijn hart: ik zal gaan en van genot overvloeien. Ik heb tuinen aangelegd en boomgaarden, watervijvers, bekers en kruiken...quot; Maar evenals hij zult ook gij tot het treurig besluit komen: „Ik heb in alles ijdelheid en droefenis gevonden.quot; Eccl. II, 1.

5. \'t Is een wreede hartstocht. Men vergeet hen, die lijden. Men wendt de oogen af om de armoede en de smart niet, te zien. Als de ongelukkige rijke van het Evangelie zit men aan een welvoorzienen disch en men Iaat den armen Lazarus van honger en

-ocr page 180-

166

ellende aan de deur sterven. Gij deukt aan uw vermaken. Waarom denkt gij niet liever aan de behoeften uwer broeders? Gij zijt vol zorgen voor het overvloedige, en hun ontbreekt zelfs het noodzakelijke. Zoo dit leven, vol verstrooing, doorgebracht in op zijn minst genomen lichtzinnig vermaak, een onschuldig leven is, wat wordt er dan van het Evangelie? Waar is de enge weg, die alleen ten hemel leidt? Is echter de weg des vermaaks blijkbaar de breede weg, waarheen kan deze dan anders voeren dan naar de eeuwige verwerping?

Tweede Deel. De wereld is blind voor de wanordelijkheid en de zonde, in haar vermaken gelegen, \'t Zijn twee zeer gewone dwalingen, dat men zicli verbeeldt, hoe niets verboden is bij het zoeken van het vermaak dan alleen wat op zich zelf zoude is j en dat er geen zonde is buiten de schandelijke misdaad, welke dikwijls het toppunt is van het kwaad en de straf voor de andere zonden. Men gaat van den goeden weg en men komt in de hel ook wel langs andere wegen, dan die der onkuischheid en de minste stappen, die men naar dit kwaad doet, zijn zoovele diepe vallen. Stelt men zich vrijwillig bloot aan het gevaar van God te beleedigen, dan is dit reeds een beleediging van Hem. Maar verder alles wat eenige ondeugd, welke ook, in de hand werkt, goedkeurt of voedtquot; is inderdaad een wezenlijke wanordelijkheid. Steun et-niet op, dat al die vermaken zoo weinig indruk op u maken, want waren zij u zoo onverschillig, waarom zoekt gij die dan? Waarom houdt gij zoo hardnekkig vol, dat zij geoorloofd zijn?

-ocr page 181-

167

Mijn God, verblinding op dit punt zou zonde, zou tevens ook mijn ongeluk zijn. Gij hebt mij alleen geschapen om U te dienen en aan mijn zaligheid te werken. Hoe ware het mogelijk, dat ik niet zou inzien, dat een leven van zingenot in tegenspraak is met het plan uwer voorzienigheid en ik mij dus door zulk een leven schuldig zou maken in uw oogen? Nu begrijp ik, waarom gij in zoo algemeene bewoordingen alle genietingen en vermaken der wereld veroordeelt ; omdat men het gevaar, de wanordelijkheid er van niet inziet. Men wil niet overtuigd worden, dat men langs dien weg recht op den afgrond afgaat. Maar omdat er geoorloofde vermaken zijn en ik ten dien opzichte behoefte heb aan een levensregel, ziehier eene, die is voorgeschreven door het gezond verstand en bet geloof. Nooit op het vermaak verzot zijn, maar het alleen te willen als noodzakelijk of nuttig; alle buitensporigheid, alle ergernis, alle gelegenheid tot zonde te vermijden; er weinig tijd aan besteden, vooral het nooit hartstochtelijk najagen. Zoo, o Heere, zal ik (J zelfs behagen in mijn ontspanningen, ik zal deze doen medewerken tot üw glorie en mijn eeuwig geluk.

-ocr page 182-

ZES EN TWINTIGSTE OVERWEGING,

Tijdverlies.

I. Hoe algemeen dit kwaad is.

II. Wat uien doen moet, om het te vermijden.

Eerste Deel. Wie kan zeggen, dat hij onherispelijk

is wat het goed gebruiken van zijn tijd betreft! Men verliest zijn tijd op vierderlei wijzen:

1°. Met kwaad te doen. De tijd is het leven. God heeft het mij gegeven. Houdt Hij mij soms in het leven om Hem te beleedigen! Als ik zondig, keer ik de gaven, welke ik van den Heere ontvangen heb, tegen Hem; den tijd, welken ik moest besteden om Hem te dienen en te beminnen, gebruik ik om Hem te beleedigen. Helaas, hoevele mijner dagen zijn bezoedeld door die gruwelijke ondankbaarheid? Elk oogenblik — en mijn leven is niet anders dan een opeenvolging van oogenblikken — gaat het eene oogenblik na het andere over mijn hoofd; gelijk de golven van een stroomende rivier de een de ander opvolgen en ten slotte in de zee verdwijnen, zoo ook makeu de telkens elkander opvolgende oogenblikken geen deel meer uit van den tijd, maar worden aanstonds opgenomen in den grooten schoot der eeuwigheid. Doch voor zij daar binnengaan, komen zij eerst voor den koning der eeuwen en legden volgens het goede

-ocr page 183-

ieO

of kwade gebruik, dat ik er van gemaakt heb, een goed of kwaad getuigenis tegen mij af. Groote God, wat een onnoemlijk aantal beschuldigers wachten mij voor Uw rechterstoel, zoo ik daar verschijnen zal, eer ik mij vergiffenis verworven zal hebben voor de zoo vele oogenblikken, welke ik verloren heb met U te beleedigen!

Wat zal ik ongelukkige antwoorden, als al die oogenblikken, welke ieder een bijzondere weldaad van God aan mij brachten, mij voor oogen zullen gehouden worden? Welk een groot aantal zal mij dan getoond worden, waarin God niets anders terug ontving dan onverschilligheid en minachting.

2°. Men verliest zijn tijd met niets te doen. Dat reeds is genoeg om zich zelf in \'het verderf te storten. Ben ik werkeloos, dan houd ik op het doel van mijn bestaan na te streven, dat bestaat in de verheerlijking van God door Hem te dienen. Ik ben dan het smakeloos geworden zout, dat men buiten werpt en met voeten wordt getreden; de onnutte knecht, die wordt veroordeeld; de onvruchtbare boom, dien men velt om te verbranden. „Bedenk,quot; zegt de H. Ber-nardus, „wat de zonde verdient, als de nutteloosheid alleen reeds genoeg is ter veroordeeling.quot; Wat zal het mij baten, dat ik niet veroordeeld wordt om het kwaad, dat ik gedaan heb, zoo ik toch verloren ga om het goede, dat ik had moeten doen en niet heb gedaan ? Wat lezen wij in het H. Evangelie, dat het verwijt zal zijn door den Rechter op den laatsten oordeelsdag aan de verdoemden gedaan, als hij hen

-ocr page 184-

170

ter eeuwige straf verwijzen moet ? Hij zal van niets anders gewagen dan van het goede, dat zij hebben verzuimd: „Ik heb honger gehad en gij hebt mij niet te eten gegeven, enz.quot;

Een heilig en geleerd Kardinaal bezocht eens een bisschop, wiens leven hoogst stichtend geweest was, in zijn laatste ziekte en vroeg hem, hoe het hem ging. De stervende, die zich met niets meer bezig hield dan met zijne ziel, antwoordde hem, dat hij gerust was, daar hij ernstig zijn geheele leven had nagegaan en zijn best had gedaan al zijn fouten in het Bloed van Jezus Christus af te wasschen. De hooge bezoeker antwoordde: „Goed. De fouten, welke gij begaan hebt, zijn u vergeven, omdat gij er vergiffenis voor gevraagd hebt om de verdiensten van den Verlosser. Maar hebt gij uw onderzoek ook uitgestrekt tot de zonden van verzuimenis? Hebt gij er wel aan gedacht om ook Gods barmhartigheid in te roepen voor het goede, dat God van u verwachtte en dat gij wellicht niet in die mate hebt verricht als gij hadt moeten doenquot; ? Op die nieuwe vraag kwam de zieke als uit een zwaren slaap en riep onder het slaken van een diepen zucht; „O, mijn God, hoe ben ik er aan toe en wat zal er van mij geworden, indien gij met mij handelt volgens de gestrengheid Uwer gerechtigheid ten aanzien van zooveel middelen, welke Gij mij gegeven hebt om het goede te doen, zonder dat ik er voordeel mede gedaan heb ?quot;

8°. Men verliest zijn tijd door niet te doen, wat men doen moet. Vergeten wij nooit den grooten regel:

-ocr page 185-

171

quot;Wjj zijn tot niets anders geschapen dan tot den dienst en de verheerlijking van God. Ieder oogen-blik van ons leven, dat niet hiertoe wordt besteed, is verloren tijd. God nu wordt alleen gediend door die Zijn wil doen en in zooverre zij dien doen. Hij is heer en meester over alle standen en wil, dat een ieder de plichten van zijn staat nauwgezet vervulle. Het hoofd des huisgezins, de vader, de moeder, het kind, de staatsman ... ieder heeft eigen verplichtingen in den stand, waarin hij geplaatst is. Wat nut-telooze dingen worden niet gedaan, door \'t lezen van romans, bezoeken zonder doel, zelfs door goede werken, maar welke God niet van ons wil, omdat zij niet overeenkomen met onzen staat!

4°. Men kan zelfs zijn tijd verliezen door te doen, wat God wil, als men het niet doet, zooals Hij het wil; want Hij beveelt het goede te doen en het goede goed te doen. Zoo ik bij de vervulling mijner plichten achteloos te werk ga, verdien ik Gods verwerping. Jerem. XLVIII, 10; Gevloekt die het werk des Heeren bedriegelijk doet. Arbeid ik niet voor God, is Hij niet het begin en het einde van mijn werk, dan volg ik mijn natuurlijke neigingen, doe het wellicht om de menschen, zeker doe ik het niet om God, ben dus geen dienaar van God. Welke vrucht zullen zij plukken van al de inspanning des geestes, van alle vermoeienissen des lichaams, de mannen van studie en van daad, die groote schreden gedaan hebben, maar buiten den weg? (S. Augustinus.) O mijn God, hoeveel tijd heb ik op die Avijze verloien!

i

i

12

-ocr page 186-

172

Tweede Deel. TTat men doen moet om zijn tijd goed te besteden.

1°. Orde hebben. Dit is het voornaamste punt volgens het oordeel van allen, die over het geestelijk leven geschreven hebben, Zonder regel doet men altijd zijn eigen wil, zelden den wil van God. De H. Gregorius van Nazianze zegt: „zich een vasten levensregel stellen, houd ik van zooveel belang, dat ik geloof, dat daardoor de grondslag gelegd is om het leven goed of kwaad door te brengen.quot; Fénelon schreef aan een krijgsman, wiens bekeering hf) ondernomen had, hoe de eerste maatregel, dien hij te nemen had bij zulk een gewichtige zaak, daarin moest bestaan, dat hij een dagorde maakte, welke den tijd van zijn godsdienstige oefeningen en het gebruik van zijn vrije oogenblikken bepaalde.

De dagorde leert ons het geheim van den (ijd te verdubbelen. Die zich aan geen regel willen binden, dwalen van den weg af door de weifelingen hnnner gedachten; zij zijn ten prooi aan grillen en luimen, aan de veranderlijkheid der verbeelding; zij zijn onzeker, wat zij zullen doen of niet doen. Is de dag ten einde, hoeveel tijd zullen z\\j dan niet kunnen rechtvaardigen als goed gebruikt! Daarentegen is in een welgeregeld leven geen leegte. Alles is voorzien, alles volgt geregeld, alles heeft meer verdienste om de gehoorzaamheid, die wordt beoefend en de overwinningen, die men op zich zelf behaalt.

2n. Dikwijls nadenken over de snelheid, waarmede de tijd voorbijgaat en over den weinigen tijd, welken

-ocr page 187-

173

wij bezitten. Het verledene behoort ons niet meer toe; de toekomst is er nog niet; daarbij is zy onzeker, zoolang de toekomst nog toekomst is, is zij ons van even weinig nut als het verledene. De tegenwoordige tijd alleen behoort ons toe, maar die schat gaat ons, om zoo te zeggen, dof)r de vingers. Wij hebben hem ter nauwernood of hij is ons reeds ontsnapt. De H. Aug. zegt, dat de tijd meer heeft van het niets dan van liet zijn, omdat zijn natuur is voorbij te gaan, te ver-loopen, ophouden te zijn. En toch, hoe groot is de waarde van een kortstondig oogenblik! Eén enkele

, één enkel uur is van onschatbaren prijs. Wat zou een verdoemde niet geven, (ware het hem mogelijk goede gedachten te hebben,) zoo hij zooveel tijd hebben mocht als noodig is om een goed akte van berouw te bidden ? O dwaze verblinding van hen, die hun dagen te lang vinden en behoefte hebben aan tijdverdrijf. De H. Bernardus kon die uitdrukking niet verdragen. Serm. 17 De diversis: „Zij zeggen, het staat vrij te praten, totdat het uur voorbij is. O! Totdat het uur voorby is, dat de barmhartige Schepper u geschonken had om boetvaardigheid te doen, om vergiffenis te verkrijgen, om genade te verwerven, om de heerlijkheid te verdienen. O! totdat de tijd is voorbijgegaan, waarin gij Gods goedheid hadt moeten verzoenen, u hadt moeten spoeden naar het gezelschap der engelen, hadt moeten verzuchten naar de verloren erfenis, hadt moeten weenen over de bedreven boosheid.quot;

8°. Een bijzondere zorg hebben voor een zuivere meening en die meer en meer vervolmaken. Ts deze

-ocr page 188-

174

goed en vurig, dan geeft zij aan onze geringste daden een hoogen prijs. Een groote begeerte om aan God te behagen, een voortdurende oplettendheid om alles te doen en te lijden uit liefde tot God koopt den tij 1 op zulk een voortreffelijke wijze terug, dat enkele dagen jaren kunnen vergoeden. Beklagen wij ons niet over den korten duur van ons leven. Het is lang genoeg voor hem, die zicli wil heiligen en het is maar al te lang voor hen, die er misbruik van maken.

Keer ernstig in u zelven en maak het vaste besluit een heilig gebruik te maken van uw tijd. Laat dit besluit niet nutteloos zijn door te groote algemeenheid, maar stel van nu af aan vast iederen dag te beginnen met een edelmoedig offer en bepaal in welke omstandigheden gij het zult hernieuwen. Onderzoek \'s avonds uw geweten omtrent dit punt Bid heden met den H. Bernardus: BNeem; o mijn God, het overige mijns levens. Alles zij voortaan voor U. Maak het van hooger waarde in Uw oogen door mij een vurige begeerte te geven van U te verheerlijken. Verwerp om den tijd, dien ik verloren heb, ik bid en bezweer U, mijn vermorzeld en vernederd hart niet.quot; Serm. 21. in Cant.

-ocr page 189-

ZEVEN EN TWINTIGSTE OVERWEGING.

Tijdverlies.

1. Het moedwillig verkwisten van den tijd is

zelf een zonde;

2. Is daarenboven oorzaak van vele andere zonden. Eerste Deel. Zijn tijd nutteloos laten voorbijgaan

is altijd zonde: omdat de tijd hoogst kostbaai is en omdat alle mensclien streng verplicht zijn den tijd

goed te besteden.

1°. De waarde van den tijd kan men afmeten naai hetgeen hij gekost heeft en laat zich begrijpen uit het goede, dat een verstandig gebruik van den tijd ons bezorgt.

Vragen wij aan den Calvarieberg, hoeveel waarde de dagen en uren hebben, aan wier verlies zoovele Christenen niet eens denken. De tijd is de eerste, de noodzakelijkste van alle genaden, is de grondslag er van. Zoolang de tijd mij geschonken is, heb ik genade; ik kan bidden en door het gebed de andere genaden verwerven. Wordt echter de tijd mij ontnomen, dan is het gedaan, dan heb ik geen genade meer. Is er nu geen enkele genade, welke niet betaald is moeten worden met het lijden, met het bloed van Jesus Christus, hoe hoog moet ik dan ook het kanaal niet schatten, door hetwelk mij al die kost-

-ocr page 190-

176

bare genaden toestroomen? O mijn Gotf, de genade van dit oogenblik mijns levens, dat Gij mij nog hebt willen toestaan, is de prijs van Uw bloed. Ware het alleen de prijs Uwer tranen, hoe hoog ware het dan reeds te waardeeren; de tranen toch van een God hebben geen geringe waarde. Wij lezen in het tweede Boek der Koningen XXIII, 14, dat David in een sterkte was, terwijl de Philistijnen in Bethlehem waren en hij water begeerde uit den put en zeide: „Och of iemand mij geve een dronk waters uit den put, die te Bethlehem is bij de poort!

16. Zoo zijn de drie sterke mannen door het leger der Philistijnen gedrongen en zij hebben water geput uit den put van Bethlehem, die bij de poort was en zij hebben het aan David gebracht, maar hij wilde het niet drinken, maar stortte het uit als een plengoffer voor den Beer.

17.^ Zeggende: De Heer zij mij genadig, dat ik dit niet doe: zou ik het bloed van die mannen, welke gegaan zijn, en het gevaar hunner zielen drinken? Hij wilde daarom niet drinken.quot;

En zou ik mij niet schamen den fijd van barmhartigheid, die de vrucht is der wonden en van den dood. van Jesus Christus, te misbruiken om den teugel te vieren aan mijn hoogmoed en mijn zinnelijkheid! Ik wil er beter gebruik van maken en hem aan U, mijn Verlosser, geven, geheel aan U toewijden om U te verheerlijken en U te dienen.

De glorie van God en de zaligheid van den mensch zijn de beide onwaardeerbare gevolgen van den goed

-ocr page 191-

177

gebruikten tijd. De glorie, welke wij redelijke schepselen God geven, is Hem aangenamer, dan die der geheele schepping. De hulde, die ik Hem breng, kan ik Hem ook weigeren; ik hecht mij aan Hem ondanks de duizende bekoringen, die mij van Hem trachten te scheiden. De vrijheid, waarmede ik mijn keuze doe en God maak tot den God van mijn hart, geeft aan mijn offer een welriekenden en aangenamen geur, die de waarde er van in zijn oogen ontzaglijk verhoogt.

Beschouwt men den tijd met de oogen des geloofs, dan is hij te vergelijken met een muntstuk, welks waarde alleen in den hemel en in de hel op juisten prijs wordt geschat. De verdoemde betaalt zijn schuld in de plaats der foltering, maar hij voldoet nooit en daarom is de hel eeuwig! Die ontzaglijke schuld weegt ook ook nu op mij, zoo ik op het oogenblik in de ongenade des Heeren ben. Gelukkig voor mij kan ik die schuld aflossen, zoo lang ik tijd, hoe weinig ook heb, maar houdt eenmaal de tijd op, dan ben ik niet meer in staat te betalen en ik word dan in den kerker des vuurs geworpen, waaruit men nooit wordt verlost. Geef, o mijn God, dat ik goedquot;begrijpe, dat de ongelukkige eeuwigheid niets anders^is dan een eeuwige wanhoop, de misgeboorte van een eeuwige spijt over het slecht besteden van zijn tijd. — Stel ik mijjiaarentegen den hemel voor en vraag ik iede-ren zalige wat hem zijn kroon gekost heeft, dan ontvang ik ten antwoord: Tijd, een weinig goedgebruikte tijd. De H. Bernardinus van Siena zegt daaronrin zijn 18 sermoen: „De tijd is zooveel waard^als God,

-ocr page 192-

178

omdat het bezit van God verworven wordt door den goed doorgebrachten tijd.quot; Hoe boog is dus de tijd te schatten; welke mij het opperste Goed verwerft\'en welks verlies het onherstelbare ongeluk der verwerping na zich sleept.

2°. Ik ben als mensch en als zondaar aan God verschuldigd van mijn tijd een nuttig en heilig gebruik te maken, want dit volgt van zelf uit de opperheerschappij, die Hij over mij voert en uit de wet, die Hij na den val den mensch gegeven heeft, dat deze arbeiden moet in het zweet zijns aanschijns. Behoor ik aan God toe, zoo ben ik verplicht voor Hem te leven en Hem te dienen. Ik dien God niet zoo ik de vermogens, die Hij mij geschonken heeft en die Hij voortdurend in stand houdt, niet in Zijn dienst besteed. Meer nog dan de mensch in staat van onschuld heeft de zondige mensch de verplichting te arbeiden. Voor Adam in het Paradijs was de arbeid een vergenoegen, nu is zij een boete en straf. Tot allen is gezegd in den persoon van den schuldigen stamvader van het ge-heele menschelijk geslacht: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten. * Ziedaar het zware juk dat gelegd is op alle kinderen van Adam van den dag dat zij den moederschoot verlaten tol op den dag van de begrafenis in aller moeder. ** De dagen des menschen, zegt lob. VII, I. zijn als die van den dagloon er, geheel doorgebracht in zwaren arbeid. En Sint Paulus schrijft II. Thess. III, 10: Indien iemand niet wil werken, dat hij ook niet ete,quot; Helaas, hoevele rijken schijnen

* (reu. III, 19. ** Eccli. XL, 1.

-ocr page 193-

179

volstrekt geen kennis te dragen van liet bestaan dezer wet of ten minste er zich volstrekt niet om te bekommeren!

Tweede Deel. Het slecht gebruik maken van den tijd is oorzaak van vele zonden. Ga de rampzalige gevolgen na, die de lediggang na zich sleept voor de ziel en geve God, dat gij het voorbeeld niet hebt in u zeiven. Zoo gij den arbeid niet lief hebt, stelt gij u bloot aan alle bekoringen en uw leven is niets dan een voortdurende wanorde. De H. Geest zelf heeft gezegd, Eccli. XXXIIT, 29: „De ledigheid heeft veel boosheid geleerd.\'\' Daarentegen is de arbeid, zegt de H. Hieronymus, een schild voor het hart. Het kost den duivel bijna niets geen moeite om een, die reeds ontzenuwd is door de weekelijkheid en wiens ziel open is voor alle slechte indrukken, in de schandelijkste ongebondenheid te doen vallen. De H. Bernardus zegt: „De onkuischheid bedriegt spoedig den mensch, die ledig gaat. Geweldiger brandt zij dengene, dien zij ledig vindt.quot; Do giftplanten groeien op onbebouwden grond, en de ijdele en zondige gedachten vliegen als een bijenzwerm in de verbeelding van den mensch, die niets doet. Het water is zuiver zoolang het snel over de helling des heuvels loopt, maar in de vlakte wordt het stilstaande water, dat vroeger zoo helder was, troebel. Roert gij daarin, wat ziet gij dan? Kruipende dieren, wier menigte niet te tellen is. Ziedaar het beeld van den mensch, die arbeidt en dat van hem, die ledig gaat.

Wanneer is Salomon, de wijste aller stervelingen,

-ocr page 194-

180

zoo diep gevallen, dat hij de dwaasheid beding voor stomme afgodsbeelden wierook te branden? Niet terwijl hij bezig was met den bouw van den tempel des Heeren, niet toen hij vol ijver zijn koninkrijk bestuurde, maar toen hij te midden des voorspoeds zorgeloos indommelde. Hetzelfde gebeurde met David. Toen hij werkte, kon hij beeren en leeuwen overmeesteren; toen hij in ledigheid rond zag, werd hij zelf overmeesterd door een oogslag.

Ik zie in, o mijn God, hoezeer ik mij schuldig gemaakt. heb tegen U en tegen mij zeiven door het verlies van den tijd, die U zooveel glorie en mij zooveel verdiensten had kunnen verwerven. Hoe groot is Uw geduld geweest, dat Gij in mijn handen een zoo kostbaren schat hebt gelaten, ondanks dat ik er zoo schandelijk misbruik van maakte. O mocht ik als die werklieden in Uw wijngaard, die in het laatste uur lavamen, door vurigen ijver en onverdroten werkzaamheid in den korten tijd van den arbeid het vroeger verzuimde inhalen! O mochte ik door het heilig gebruiken der dagen, welke Gij nog gewaardigt mij te bewaren, een blik van barmhartigheid verwerven en de vergiffenis verdienen voor alle vroegere dagen! Ik wil, meer dan ik tot nu toe gedaan heb, denken aan de vroegere dagen, die verloren zijn en aan de eeuwigheid, die ik spoedig zal binnengaan.

-ocr page 195-

ACHT EN TWINTIGSTE OVERWEGING

Het misbrniken der genade.

1. Hoe misdadig dit is.

2. Hoe God het straft.

Eerste Deel. Wat voor zonde is het misbruik der genade? Een zonde die God veracht in Zijn gaven; het schepsel of de ongeregelde neigingen boven Hem stelt: alles nutteloos maakt wat Jesus Christus voor onze verlossing heeft gedaan en geleden.

Zoo Gods gezag oneindig hoog te achten is, Zijn teederheid voor ons schijnt nog meer onzen eerbied te verdienen. Als Hij beveelt, dan kan niets mij van de gehoorzaamheid ontslaan. Ik mag mij willen wijs maken, dat het gebod boven mijn krachten gaat, dat het te lastig is, dat het wel wat verzacht kon worden — al die valsche redeneeringen der hartstocht maken den misdadigen opstand niets minder. Ben ik dus, welk voorwendsel ik ook moge opgeven, altijd schuldig bij de minachting der wetten van den oppersten Heer, hoeveel schuldiger moet ik zijn, als ik zelfs Zijn genaden veracht ? Spreekt God als gebieder, dan moet ik gehoorzamen; zoekt Hij mij als een Vader op, om mij Zijn* weldaden en gunsten aan te bieden, dan kan ik Hem niet met verachting afwijzen zonder Hem in het hart te trelfen en tevens een wreede vijand van mijzelven te zijn.

-ocr page 196-

182

\'S Reeds sta ik op den rand van den afgrond; ik voel mij al overhellen door liet gewicht mijner bedorven natuur; maar ik hoor Uw stem, o mijn God, Gij reikt mij de hand. Wat, zou ik mij niet verwaardigen U aan te zien? Ik zou mijn oor sluiten voor Uw zoo welwillende uitnqodiging en mij keeren naar het schepsel, alleen luisteren naar de hartstócht? Welk een onwaardige voorkeur! Welk een stuitende verachting uwer goedheid!

Maar het toppunt van boosheid is, dat ik door zoo (p üw gaven te misbruiken, zooveel in mijn macht is en ten minste ten mijnen opzichte het heerlijke werk onzer verlossing te niet doe. God vernietigt zich, de gedaante eens dienstknechts aannemend; God wordt geboren in armoede, leeft in vermoeienissen en vernederingen, sterft in foltering en schande. Dat alles moest geschieden volgens het raadsbesluit der Oneindige wijsheid, om mij de genaden ter zaligheid te verdienen en ik verwerp die genaden en weiger daarvan gebruik te maken! Het bloed van Jesus Christus verwerp ik en een verlossing, welke, tot zulk een grooten prijs is gekocht, maak ik onnut! Gal. V, 11: Dus is de ergernis des kruises ij del gemaakt.

Wat leert mij het geloof omtrent de waarde en de noodzakelijkheid der genade? Deze is de vrucht der vernederingen, van het lijden, van het sterven van den Godmensch. Zij begint, vermeerdert en vervolmaakt onze verdiensten. Zij is voor ons het zaad der eeuwige glorie; zij is na de aanschouwing Gods in den hemel, waarheen zij voert, het grootste goed. Al?

-ocr page 197-

183

men alle schatteu bijeenbracht, welke de aarde en de zee bevatten, als men daaraan toevoegde al wat de menschelijke geest zich hier beneden kostbaars denken kan ... dan is de minste genade, één goede ingeving des H. Geestes honderde malen meer onze bewondering en ons verlangen waardig.

Maar wat doet nog meer uitkomen, hoe vermetel en zondig het misbruik der genade is? De genade is niet alleen van hooge waarde, zij is ook noodzakelijk. Zonder haar kunnen wij volstrekt niets ter zaligheid. Deze waarheid is uitgesproken door de Kerk, (2e Concilie van Oranje, C. 7.) duidelijk geleerd in bet Evangelie. De Zaligmaker immers zegt: Zonder Mij, zonder Mijn genade, welke u opwekt om het goede te doen en u helpt bij de goede daad, kunt gij niets doen dat verdienstelijk is voor het eeuwige leven. De H. Paulus schreef aan de Philippensers II, 13: „God is het. Die in u werkt het willen en het volbrengen naar zijn welbehagen.quot; En aan de geloo-vigen van Corinthe: „Wij kunnen uit ons zelve, als uit ons zelve, geen enkele goede gedachte vormen; God alleen stelt ons daartoe in staat.quot; II, III, 5. Zonder de genade kan ik niet bidden, om haar te verkrijgen, noch mij in de noodige gesteldheid brengen om haar te ontvangen. Wat doe ik dus, zoo ik de genade \'verzuim of haar van mij stoot? Ik weigelden sleutel des hemels, mij door God aangeboden; ik wil het talent niet ontvangen, dat een onsterfelijke kroon waard is en alleen in staat is deze te verdienen. Welk een schandelijk vergeten van mijn ernstige be-

-ocr page 198-

184

langen! Ik ben bedroefd, als ik de een of andere beuzeling verlies en als ik genaden verloren heb, bij welke vergeleken alle goud dezer wereld niets is dan een weinig stof en het zilver niets dan slijk, (Sap. VII, 9: „Alle goud is in vergelijking van haar een weinig stof en als slijk zal het zilver geacht worden in haar bijzijn.quot;) vind ik daarin volstrekt geen reden tot droefheid en tranen

O mijn God! hoelang zal ik Uw liefdevolle pogingen ontvluchten, mij met alle kracht verdedigen tegen het zachte geweld, dat Gij mij aandoet? „Geef uwen dienaar een leerzaam hart,quot; opdat hij uwe genade niet meer te vergeefs ontvange (II. Cor. VI, 1.). Beschik zoo over mijn ziel, dat voortaan het goddelijk zaad een goede aarde vinde, er in ontkieme, opgroeie en honderdvoudige vruchten voortbrenge. Luc. VIII, 8.

Tweede [\'eel. Hoe God het misbruik der genade straft; in den tijd en in de eeuwigheid.

1°. In dit leven onttrekt God zijn genade om het misbruik er van te straffen; een even gerechte als verschrikkelijke straf.

\'tls de gewone straf. Ps. LXXX, 12, 13: „Mijn volk heeft niet geluisterd naar Mijn stem en Israël heeft niet op Mij gelet: en Ik heb hen laten gaan naar de begeerten huns harten; zij zullen gaan in hun uitvindsels.quot; Joan. XII7 35: „Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternissen u niet vastgrijpen.quot; De H. Schrift is vol van dergelijke bedreigingen en de voorbeelden er van, dat God aldus de minachting Zijner genade straft, zijn daarin in grooten

-ocr page 199-

185

getale vermeld. Heli, Saül, Judas, enz. De eerste is een hoogepriester, die zich schuldig maakt aan te zwakke toegeeflijkheid jegens zijn zonen; de tweede is een door den Heer zelf wonderbaar gekozen koning; de laatste een Apostel, door Jesus Christus onmiddehjk geroepen; zij verliezen de genade, omdat zij zelf de genaden verworpen hadden. Is, helaas, deie straf niet al te gewoon in onze dagen? Koevele flauwe Christenen laat God niet voortdommelen in hun lauwheid, vallen in hun verblinding, om het misbruik te straffen, dat zij van Zijn genade gemaakt hadden?

Een hoogst gereclite straf. De genade is een bewijs van lietde, dat Jesus Christus, Die mij aan het harte draagt, geeft. Hij klopt en houdt aan met dringende teederheid, opdat ik Hem binnenlate en Hij mij met Zijn gunsten overlade. Ik bied weêrstand aan Zijn uitnoodigingen en weiger Hem te ontvangen. Eindelijk moede mij te vergeefs Zijn weldaden op te dringen, houdt Hij op mij met Zijn barmhartigheid lastig te vallen en Zich veracht ziende, trekt Hij Zich terug. Is dit niet billijk? Moest Hij de Hem aangedane beleediging beloonen door altijd voort te gaan met mij opnieuw de genaden aan te bieden, welke ik van mij stoot? Men ontneemt het rijk des hemels. Maar aan wien ? Aan hem, die zich onwaardig maakt de kroon er van te dragen, omdat hij haar met verachting verwerpt. Is dit niet volkomen volgens billijkheid en recht.

Een schrikkelijke straf. Wordt de genade ons onttrokken, of liever trekt (iud Zich lenig, dan verwijdert

-ocr page 200-

186

zich het Opperste Goed, en het grootste kwaad, de zonde en de hel, komen ons nader. Het schrikkelijkste ongeluk, namelijk te sterven in vijandschap met God, is niet anders dan het weigeren dier beslissende genade, waardoor de ziel, vóór zij het lichaam verlaat, in de gevoelens van een waar berouw deze wereld vaarwel kon zeggen. Wordt de genade onttrokken, dan is alle licht, alle kracht verloren, alle goede stemming heeft opgehouden, dan is alle hoop op de zaligheid voorbij.... O neen. Goede God, \'t is nog tijd. Zoo ik maar wil, behoef ik nooit te wanhopen, omdat ik nog Uw belofte heb, dat Gij altijd den zondaar, die zich tot U bekeert, met goedheid zult ontvangen en ik nog heden een der kostelijkste genaden ontvang, namelijk den schrik, die mij om het hart slaat wegens de door mij misbruikte genaden. Die genade, o mijn Heer en mijn God, zal mij tot U terugbrengen. Reeds voel ik opnieuw in mij de achting ontwaken voor Uw ingevingen en ik maak het vaste voornemen dat zoo onschatbare talent goed te besteden.

2°. Na dit leven straft God het misbruik van de genade gemaakt door een strenger oordeel en dooide verscheurendste wroegingen. AVie meer is bemind heeft van zelf ook meer verplichtingen aan hem, die hem het goede bewezen heeft. Luc. XII, 48: „Van hem, wien veel gegeven is, zal ook veel gevorderd worden.quot; Tot de Joden sprak de Verlosser, Joan. XV, 22: „Ware Ik niet gekomen en hadde Ik niet tot hen gesproken, dan zou hun zonde minder groot zijn.quot; Als Hij mij oordeelen zal, kan Hij dan ook tot

-ocr page 201-

187

mij niet zeggen: Gij zouclt minder schuldig zijn, als Ik bij de uitdeeling mijner weldaden u niet zoozeer liad begunstigd ? De menigvuldige en groote genaden, welke Mijn liefde u aanbood, maar uw lauwheid veronachtzaamde, hebben u tot een zondaar gemaakt, die zonder verontschuldiging is en daarom vindt gij in Mij een rechter zonder medelijden. Hoe zal ik beschaamd staan, als de verwijten van God zullen bevestigd worden door de klachten van vele andere verdoemden, die op lange na zooveel hulp en bijstand, zooveel middelen ter zaligheid niet zullen hebben gehad! Ach, roepen zij uit, ba lde Gods barmhartigheid voor ons zooveel gedaan, als zij voor u heeft over gehad! Welk een vergelijking! Welk een wroeging! Welk een wanhoop! Hoe gemakkelijker het voor mij geweest ware om in den Hemel te komen, des te schrikkelijker verblijf zal de hel voor mij zijn.

O mijn God, wees eeuwig gezegend voor het licht, mij geschonken. Ik heb nu Uw genade leeren kennen door de overweging van het groote verlies, dat ik heb geleden door de vroegere genaden te verstooten; van de afschuwelijke beleediging, welke ik U heb aangedaan; van het verschrikkelijke gevaar, waaraan ik mij zoo vermetel heb blootgesteld. Ik zie nu in, hoe oplettend ik voortaan acht moet geven op de oogenblikken van genaden en al de ingevingen er van moet volgen, de indrukken met dankbaarheid moet ontvangen en vruchten voortbrengen, der genade waardig. ik beu daartoe verplicht en ik wil die verplich-

13

-ocr page 202-

188

ting vervullen. Versterk, o mijn God, mijn groote zwakheid. Laat Uw genade, waarmede ik tot nog toe zoo weinig voordeel heb gedaan, het besluit ondersteunen, dat diezelfde genade mij heden heeft ingegeven.

-ocr page 203-

NEGENENTWINTIGSTE OVERWEGING.

Dc dagclijksche zonde.

1. Wat is volgens ons heilig geloof de dagelijksche zonde ?

\'2. Welk besluit moeten wij daaruit voor ons zelve maken?

Als wij liier over de dagelijksche zonde spreken, bedoelen wij vooral liet kwaad, dat met opzet wordt bedreven, ondanks de waarschuwing van het geweten, en dat alleen daarom nog geen doodzonde kan worden genoemd, omdat het een overtreding is in een kleine zaak. Telt iemand zulke overtredingen niet, zich daarop beroepend, dat het geen doodzonden zijn, dan geeft hij daardoor het bewijs de leer der Kerk omtrent de dagelijksche zonden niet te kennen. Overwegen wij heden wat de dagelijksche zonde is. Stellen wij ons den mensch, die zich met dagelijksche zonden besmeurt, voor als iemand, die aan een ziekte lijdt, welke op het oogenblik nog geen dadelijk gevaar van sterven oplevert, maar hem met afzichtelijke zweren bedekt, zoodat hij vreeselijk misvormd is en zijn bijzijn zelf voor zijn beste vrienden ondragelijk wordt.

Doe mij, o mijn God, de boosheid van de dagelijksche zonde inzien, vooral wanneer zij begaan

-ocr page 204-

190

wordt door een ziel, die door Uw goedheid zoo overladen is met weldaden; wek in mij den afschrik, welken zij verdient.

I. Wat is volc/ens de leer der godc/eleerden de dagelij Is che zonde?

Daar is onderscheid tusschen de doodzonde en de dagelijksche zonde. Wij lezen immers bij den H. Evan-list Mattheus, dat de Zaligmaker zegt: ,Wat ziet gij den splinter in het oog uws broeders en den balk in uw oog ziet gij niet.quot; En in het boek der spreuken staat geschreven- „De rechtvaardige valt zeven malen daags en staat weder op.quot; En het H. Concilie van Tiente, XIV. zitting, hoofdstuk V. bepaalt: „Uit die instelling van het Sacrament der boete, die nu uitgelegd is, heeft de geheele Kerk altijd begrepen, dat door den Heer ook ingesteld is de volledige belijdenis der zonden en deze voor allen, die na het doopsel gevallen zijn, naar goddelijk recht noodzakelijk is, omdat onze Heer Jesus Christus, als Hij van de, aarde zou opklimmen ten hemel, de priesters als zijn stedehouders heeft achtergelaten gelijk presidenten en rechters, tot wie alle doodzonden zouden gebracht worden... Hieruit volgt, dat door de boetelingen alle doodzonden in de biecht moeten opgenoemd worden ... Want de dagelijksche zonden, door welke wij van Gods genade niet worden uitgesloten, en in welke wij meermalen vallen, hoewel het goed en nuttig en buiten alle vermetelheid is deze in de biecht te belijden, kunnen echter zonder schuld worden verzwegen en door vele andere middelen worden uitgeboet.quot;

-ocr page 205-

191

Canon VII : „Zoo iemand zeggen zou, dat het in het sacrament der boetvaardigheid niet volgens goddelijk recht tot vergiffenis der zonden noodzakelijk is alle en iedere doodzonde te biechten... of eindelijk, dat de dagelijksche zonden niet mogen gebiecht worden, hij zij anathema.quot;

De dagelijksche zonde nu is de vrijwillige overtreding van een ivet, die niet op zware zonde vcrplichl, is een ongeregelde gedachte, een ongeregeld woord, daad of verzuim, strijdig met Gods wet, maar niet zoo zwaar, dat men er Gods genade door verliest, de eeuwige straffen er door verdient en een vijand wordt \\an God. In dit soort van kwaad wordt echter alles gevonden, wat een wezenlijke zonde vormt: God beveelt en de mensch weigert te gehoorzamen. Het verschil tusschen de doodzonde en de dagelijksche zonde is een meer of een minder, een meer of minder volkomen toestemming, een meer of mindere hoeveelheid. Overigens is het altijd een onwaardige voorkeur, die aan \'s menschen wil geschonken wordt boven God.

Daar is dus in iedere vrijwillige dagelijksche zoude een werkelijke verachting van God gelegen, een wezenlijke beleediging, die wij gering noemen in vergelijking met die God door de doodzonde wordt aangedaan, maar die niet gering is, zoo men haar op zich zelf beschouwt, omdat zij de oneindige majesteit aanrandt. Zou dus iemand iets, wat door God bevolen was onder dagelijksche zonde, minachten en voor niets tellen, dan ware dit een zeer groote oneerbie-

-ocr page 206-

192

(ligheiil jegens God, een dwaling in liet geloof, ja een godslastering, als zon God dingen hebben bevolen, die nietswaardig waren. Vandaar dat de H. Hiero-nyinus zegt: „Het is geen kleine zonde God in een kleine zaak te verachten.quot; En de H. Bernardus {Serm. 1. de conversione S. Pauli.) zegt: „Niemand spreke in zijn hart: dat zijn maar kleine zonden, ik draag geen zorg mij hierin te beteren; het is geen groote zaak, zoo ik in deze dagelijksche en kleine zonden blijf; dit toch, veelgeliefden, is onboetvaardigheid, dit is een zonde legen den heiligen Geest.quot;

Maar ook als deze opzettelijke verachting van Gods gezag niet aanwezig is en de mensch de zaak alleen gering acht, omdat de geboden of verboden zaak op zich zelf genomen klein en slechts een geringe belee-diging van God is, hij bijgevolg alleen een dagelijksche zonde daarmede bedrijft, dan blijft het toch nog altijd een beleediging van God door een armzalig schepsel, om een ellendige reden. En dat doe ik, als ik mij overgeef aan kleine drift, aan geheime jaloezy, aan geringe onmatigheid, als ik mij de kwaadspre-kendlieid veroorloof, die den goeden naam van mijn naaste geen ernstige schade berokkent, door leugens zoogenaamd om bestwil, door eigenliefde, nieuwsgierigheid, verstrooiing, gebrek aan oplettendheid en aandacht bij mijn godsdienstige oefeningen, waarvan zooveel oneerbiedigheden tegen Gods oppermajesteit en tegen den Hem verschuldigden eerbied het noodzakelijk gevolg zijn.

II. Trekken wij nu hel besluit. De dagelijksche

-ocr page 207-

198

zonde is een beleediging van God. Met reden mag de christen, die de dagelijksclie zonde zoo licht en zonder eenige wroeging doet, bezorgd zijn bij de vraag, of hij het groote gebod wel vervult: Gij zult den Heer meen God lief hebben uit geheel uw hart, geheel wv ziel en al uw krachten. Zou ik God beminnen, uit geheel mijn hart, Hem liefhebben, als ik er zoo weinig tegen opzie Hem te mishagen, Hem te weerstaan, dan zelfs als Hij mij de gemakkelijkste dingen beveelt ? Ik bedroef den heiligen Geest en het Hart van Jesus, die niet alleen voor de doodzonden maar ook voor de kleinere zonden geleden heeft. — Maar die zonden berooven mij niet van Gods genade ? — gij wilt Hem dus alleen gehoorzamen, wanneer Hij u bedreigt met de eeuwige straffen ? Bemint Gij God of bemint gij u zelf het meest ?

De dagelijksche zonde beleedigt God, is dus een kwaad voor God. Zij is na de doodzonde de grootste, de eenige ramp, die een schepsel treilen kan, hetzij voor den tijd, hetzij voor de eeuwigheid.

Daar is geen ongeluk zoo groot, dat men het ten koste van een dagelijksche zonde zou mogen verhoeden. Alle lijden van het geheele menschelijke geslacht, alle folteringen der martelaars, alle verstervingen der kluizenaars, alle arbeid en opofferingen en liefdewerken der heiligen, alle goede werken, die van het begin der wereld af gedaan zijn en zullen gedaan worden tot het einde der wereld, afgezien van de waarde daaraan gegeven door de voldoening van het Vleeschgeworden Woord, zouden niet in staat zijn de

-ocr page 208-

194

leediging\' goed te maken, welke God door een enkele dagelijksche zonde wordt aangedaan.

Wat moeten Avij dus denken van iemand, die zich gemakkelijk troost over de beleedigingen, die hij God heeft aangedaan en die voortgaat Hem dagelijks te beleedigen, zeggende, dat zij geen groot kwaad zijn, omdat zij maar dagelijksche zonden zijn ?

Bij de heiligen vinden wij een grooten afschrik voor alle zonden, ook voor de dagelijksche zonden. Hooren wij eenigen van hen. De H. Edmondns zegt: „Liever zou ik mij op een brandstapel werpen dan God op eenigerlei wijze vrijwillig beleedigen.quot; De H. Ignatius van Loyola: „Een ieder, die de reinheid des gewetens waardeert, moet zich voor God vernederen ook wegens de kleinste zonden en bedenken, dat Hij, tegen wien hij zondigt, oneindig is in alle mogelijke volmaaktheden en dus de boosheid der zoude tot in het oneindige gaat.quot; De H. Catharina van Genua: „Ik zou mij zoo noodig in een oceaan van vlammen werpen om de geringste zonde te vermijden en ik zou daarin tot het einde der wereld blijven, liever dan door één dagelijksche zonde er uit gered te worden. De H. Catharina van Sienna: „Kon de onsterfelijke ziel sterven, dan ware het gezicht eener enkele dagelijksche zonde, welke haar schoonheid bezoedeld had, in staat haar den doodsteek te geven.quot; De gelukzalige Alphonsus Rodriguez riep dikwijls uit: „Heer, liever lijd ik alle pijnen der hel dan dat ik een enkele dagelijksche zonde bedrijf.quot;

O mijn God; ware ook mijn hart heilig, dan zon ook ik ten opzichte quot;van alles, wat U beleedigt, denken

-ocr page 209-

en gevoelen als Uw heiligen. Gewaardig U mijn hart te heiligen en in mij het viuir Uwer heilige liefde te ontsteken. Wie IJ bemint, haat alle zonde meer dan den dood, meer dan de hel. „Zoo wij Christus waarlijk beminden,quot; zegt de H. Joannes Chrysostomns {Hom. fgt; ad populum), „zonden wij ongetwijfeld de beleediging van den beminde voor erger houden dan de hel.

-ocr page 210-

DERTIGSTE OVERWEGING.

l)e geToIgcii en straffen der dagelijksclie zonde.

F. De gevolgen tier dagelijksche zonde.

II. De straffen der dagelijksclie zonde.

Eerste Voorbereiding: Stel u een mensch voor den geest, die geheel met wonden is bedekt en door bloedverlies is uitgeput; of wel denk u de vlammen van het vagevuur en in die vlammen een ziel, die de schuld, ook door haar kleine fouten gemaakt, bij Gods strenge gerechtigheid moet uitboeten.

Tweede I oorhereidiny: Vraag aan God de kennis van en den afschuw voor de dagelijksche zonden.

I. üe gevolgen der dagelijksche zonden. Zoo de dage-ijksche zonden mij geen schrik aanjagen, moet ten minste die ongevoeligheid mij schrik aanjagen.

1°. De dagelijksche zonde vermindert het licht des geloofs in onzen geest. Iedere dagelijksche zonde, die ik bedrijf, is als een kleine wolk, welke zich stelt tusschen mijn ziel en de zon der eeuwige waarheid. Hoe menigvuldiger die fouten zijn, des te dikker de wolk wordt; ten slotte onderschept zij de stralen der goddelijke zon bijna geheel en bevind ik mi) in groote duisternis. Vandaar het zwakke geloof, waarmede ik de heiligste dingen behandel en dat najagen van ijdele droombeelden; daar ik in dat geestelijke donker als

-ocr page 211-

iugedoaiiiiold ben en voor hoogere dingen niet, meei waken kan.

2°. De dagelijksche zonde verzwakt den wil. Iedere zonde, hoe klein ook, geeft aan een verkeerde neiging voedsel, dat haar versterkt. Alles nu wat de liefde tot de schepselen vermeerdert, vermindert de liefde Gods. De liefde voor God en de liefile voor de schepselen zijn twee verschillende vuren; het eene wint in gloed, wanneer het andere verliest. De menigvuldige ongetrouwheden aan God vermeerderen mijn gehechtheid aan het schepsel, dat wil zeggen, mijn boeien. Vandaar mijn zwakheid en lusteloosheid, een zekere machteloosheid gevoel ik om het goede te doen. If at haten, zegt de H. Hieronymus, de vleugels, als de voeten gebonden zijn ? Wat helpen mij de goede voornemens en vrome wenschen, als de daad jiooit volgt? Met goede voornemens, zegt een heilige, is de hel geplaveid.

3quot;. De dagelijksche zonde misvormt en onteert een der heerlijkste meesterstukken der genade, de ziel gekleed in heiligheid en gerechtigheid. Zij is een leelijke vlek op een sneeuwwit kleed, eeifafzichtelijke zweer op een schoon gelaat. De H. Augustinus en de H. Cesarius vergelijken de dagelijksche zonde met een atschuwelijke melaatschheid, die den hemelschen bruidegom van ons verwijdert en ons zijn gunsten onwaardig maakt.

4. De dagelijksche zonde berooft mij van een hooger trap van genade en van het recht op een grootere glorie. Beiden zou ik hebben verdiend door weerstand

-ocr page 212-

198

te bieden aan de bekoring; ik heb beiden erhtpr verloren door mijn val. Wat heb ik er door verloren ? Dat ik God in de eeuwigheid nu minder ken, minder bemin, minder bezit?... Ziedaar de gevolgen van een enkele dagelijksche zonde.

5. Zij vermindert Gods vaderlijke zorg voor mij en berooft mij van die bijzondere oplettendheid, welke de belooning is van den ijver. Ik meet Hem met karigheid mijn trouw toe, zoo meet ook Hij Zijn weldaden af.

„Geeft, en u zal gegeven worden: eene goede, en nedergedrukte, en geschudde, en overloopende maat zullen zij in uwen schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gij meet, zal u wederom genieten worden.quot; Luc. VI. 38. Zie ik er zoo weinig legen op een zoo grooten en beminnelijken meester te be-leedigen, dan maak ik mij de bijzondere Voorzienigheid onwaardig, met welke edelmoedige harten bevoorrecht worden.

6. De dagelijksche zonde stoort mijn vrede en brengt mij menigmaal in groote verlegenheid. „Wie,quot; zoo spreekt de heilige man Job, „heeft Hem weder-staan en vrede gehad?quot; Zou ik zonder het te weten de grens niet hebben overschreden, dio de doodzonde van de dagelijksche zonde scheidt, welke grensscheiding volgens den H. Thomas niet zonder gevaar bepaald wordt, dat wil zeggen, niet altijd ver van elkander ligt en niet altijd gemakkelijk te onderscheiden is?

7. Eindelijk voert de dagelijksche zonde tot de doodzonde, gelijk de ziekte tot den dood. De H. Schrift

-ocr page 213-

190

zegt liet uitdrukkelijk, Luc. XVI, 10: „Die in liet kleinste ongerecht is, is ook in het groote ongerecht.quot; T)e stroom, die geheele landen verwoest, is bij zijn oorsprong een klein beekje; een kleine vonk brengt dikwijls een grooten brand te weeg. God behandelt ons zooals wij Hem behandelen. Gij hebt Mij veracht, ongetrouwe ziel, Ik zal u op Mijn beurt verachten; gij hebt Mijn gunsten versmaad. Ik zal ook u Mijn steun weigeren en n aan uw lot overlaten. Deut. XXXII, 35; „Mij is de wraak en ik zal het hen loonen ten tijde, alzoo dat hun voet struikelen zal.quot;

II. Df straffen der dagelijlische zonden. God straft deze somtijds reeds op de wereld. — Moses en Aaron kwamen niet in het beloofde land, omdat zij te weinig vertrouwen hadden gehad, een zwakheid, waarin we o)) het eerste gezicht bijna geneigd zouden zijn geweest alleen een te groote nederigheid te zien. — Een profeet, die groote wonderen had gedaan, die door zijn woord alleen het altaar, door Jeroboam ter eere der valsche goden opgericht, had doen omver-vallen, wordt door een leeuw verscheurd, omdat hij al te lichtvaardig een anderen profeet had geloofd en tegen het verbod des Heeren de uitnoodiging bij hem den maaltijd te gebruiken had aangenomen. — In het vierde boek der Koningen II, 23, lezen wij, dat twee en twintig kleine hinderen door twee beeren werden verscheurd, omdat zij den profeet Elizeus voor kaalkop hadden gescholden. — Oza werd met een plotselingen dood gestraft, omdat hij het waagde de Bondsark aan te raken, als bij zag, dat deze wan-

-ocr page 214-

200

kelde en dreigde te vallen. Vijftig duizend Bethsa-mieten ondergingen dezelfde straf, omdat zij dit heiligdom oneerbiedig hadden beschouwd. — David zag zeventig duizend onderdanen sterven tot straf, dat hij uit ijdelheid zijn volk had laten tellen... Doet dit niet genoegzaam zien, wat God denkt van de dageiijksche zonde? En toch zijn deze straffen nog niets in vergelijking van de straffen, die de dageiijksche zonde in het andere leven wachten.

Wat leert mij het geloof over het vagevuur? Zielen, die rechtvaardig zijn en bestemd voor den hemel, die dierbaar zijn aan God en welke Hij verlangt in Zijn geluk te doen deel en, zijn nog voor een tijd. sommigen nog voor zeer langen tijd, van Gods aanschijn verbannen. Die heilige zielen zijn veroordeeld tot de foltering van een vuur, dat, volgens de meening van den H. Thomas, niet verschilt van het vuur der hel. „Door hetzelfde vuur wordt de verdoemde gekweld, de uitverkorene gezuiverd.quot; Maar waarom moeten zij zoo streng boeten? Omdat in die zielen nog eenige overblijfselen der zonde gevonden worden en God een oneindigen afschuw heeft van alle kwaad. Een vader steekt een grooten brandstapel aan en daarop werpt hij zijn zoon. En als ik nu weet, dat die vader allerzachtmoedigst is en zijn zoon ten hoogste bemint, dan moet ik wel besluiten, dat die zoon door een of andere fout zijn vader erg bedroefd heeft. O mijn God, wat mishaagt U de dageiijksche zonde, dat Gij U genoodzaakt ziet met zulk een gestrengheid de geloovige zielen te straffen, die Gij oneindig

-ocr page 215-

201

meer bemint dan een menschalijk hart beminnen kan.

Ga ik dan heden na hoevele dergelijke zonden ik bedreven lieb door mijn schuldige onwetendheid of door mijn verzuim... hoevele ik er nog dagelijks bedrijf door verstrooide gedachten, door al te vrij spreken, door de slechte gewoonte van weinig op mij zelf te waken en mij bijna nooit in iets te versterven, — zoo moet ik met den profeet uitroepen: Mijn zonden hebben mij omringd en ik heb ze allen niet kunnen zien en tellen. Hun groote menigte gaat het getal te boven van de haren van mijn hoofd en mijn hart is als bezweken, als ik ze wilde optellen. O mijn God, vergeef mij mijn ontelbare zonden en geef mij de gelukkige nauwgezetheid des gewetens, die mij doet terugschrikken zelfs voor den schijn van het kwaad. Ik weet, dat ik om op dezen weg te wandelen gedurig op mij zelf moet letten, mij een groote menigte voldoeningen moet ontzeggen, die op het eerste gezicht onschuldig schijnen. Maar ik weet ook, dat ik niet te duur liet dubbel voorrecht koopen kan van TI, o mijn God, minder te beleedigen en zoo de rampzalige gevolgen van zooveel ongetrouwheid te voorkomen.

-ocr page 216-

EEN EN DERTIGSTE OVERWEGING.

De Lauwheid.

1. De verkeerdheid,

2. De gevaren, die in de lauwheid gelegen zijn.

I. De verkeerdheid, welke in de lauicheid gelegen / . Wat wil het zegden lauw zijn? Dat wil zeggen, niet koud en niet warm zijn voor een Gnd, Die zooveel liefde waardig is; dat wil zeggen, traag zijn in den dienst van een zoo grooten en zoo goeden meester, weinig vrees hebben om Hem te beleedigen, zoo j^oed als geen verlangen hebben om Hem te behagen, zonder ijver zijn voor zijn glorie, zonder ijver voor zijn belangen. Wat is meer in tegenspraak met de voornaamste voorschriften der wet, met de wezenlijkste verplichtingen van den Christen?

1. Aan het hoofd van alle geboden staat als het heiligste, het noodzakelijkste gebod het gebod van God te beminnen uit geheel zijn ziel, uit al zijn krachten ... En de lauwe mensch schijnt tot God te zeggen, dat Hij zooveel eerbied, zooveel liefde niet waard is; dat zijn dienst te lastig is; dat in het geluk van Hem te behagen. Hem zeker en eeuwig te bezitten, geen genoegzame vergoeding gevonden wordt voor do offers, welke Hij vraagt. Is God wel inderdaad Degene, Die Hij is, voor de ziel, die Hem zoo

-ocr page 217-

behandelt. ? — Weest volmaakt yelijk uw hemelsche Vader volmaakt is. Daar is geen twijfel aan, men vraagt van ons het onmogelijke niet. Doch God stelt daardoor zijn eigen volmaaktheid als het doel, waarnaar wij moeten streven. Hij wil daarmede te kennen geven, dat wij hier nooit mogen rusten. God wil, dat hij, die heilig is, zich nog altijd meer en meer heilige; dat de rechtvaardige nooit ophonde toe te nemen in rechtvaardigheid, tot. dat hij op het innigste ver-eenigd is met Hem, die de gerechtigheid en de heiligheid zelve is. Wie ziet niet in, dat de lauwheid onvereenigbaar is met de vervulling van dezen onaf-wijsbaren plicht ? De H. Bernardus geeft deze bepaling van de Christelijke volmaaktheid; Een onvermoeide ijver om vooruit te komen, een aanhoudend pogen om heter te worden. Wordt dat in mij gevonden, als ik lauw ben ?

2. De groote verplichtingen van den Christen, gelijk de naam zelf te kennen geeft, zijn, dat men dezelfde gevoelens heeft, als Jesus Christus, gelijk de Apostel de geloovigen van Philippi vermaant, II, ó: „Hebt dit gevoelen in u, dat ook in Christus Jesus was.quot; Wij moeten Hem navolgen in het dragen van zijn kruis, in het kruisigen van het vleesch, in de zelfverloochening.... Doe ik dat, ben ik bet beeld van den Verlosser, als ik een weekelijk en zinnelijk leven leid, aan mijn neigingen zoowat alles toesta, wat zij verlangen, onder voorwendsel, dat zij mij niets vragen, wat zeker groote zonde is ?

II. De gevaren van de lauwheid. De valsche ge-

14

-ocr page 218-

204:

rustlieid, waarin zulk een lauwe mensch voortdom-melt, maakt zijn toestand zoo gevaarlijk voor zijn zaligheid; hij vreest minder, naarmate hij meer te vreezen heeft.

1. Hij is gerust over het kwaad, dat hij doet. Hjj luistert weinig naar de stem van zijn geweten; hij ziet in zijn gedrag geen schandelijke zwakheden, geen misdaden, die den grooten zondaar teekenen en over de dagelijksche tekortkomingen en zijn gewone nalatigheden in den dienst van God maakt hij zich niet ongerust. De ontelbare menigte van dagelijksche zonden, die ijdele gesprekken, de tijd, dien hij verliest met het lezen van op zijn minst genomen mitte-looze boeken, het doelloos heen en weer reizen, kortom dat leven zonder den geest des geloofs, der versterving , zonder den waren geest des Christendoms rekent hij zoo hoog niet aan.

De rechtvaardige wantrouwt al zijn werken. Job. zegt IX, 28: „Ik vreesde alle mijne werken, wetende dat Gij den misdoende niet spaart.quot; Hij, die God vreest, schrikt reeds voor den schijn van een beleedi-ging van God, en die heilige schrik is het veiligste bolwerk der onschuld. Gelukzalig de mensch die altijd bevreesd is Maar om die reden moest men ook den mensch ongelukkig heeten, die zonder schrik in de gewoonte van dagelijksche zonden voortleeft. Hij komt spoedig tot een zonde, die de ziel doodt, als hij zich vertrouwd maakt met de zonde, die de ziel wondt. De slaap der lauwheid gaat zoo gemakkelijk in een doodslaap over; de overgang is zoo geleidelijk en zoo

-ocr page 219-

205

zjiclit; men valt niet in eens en liard in rlen afgrond, maar glijdt er zaclitjens aan in en daarom doet men in dit seval zoo zelden moeite er weder uit te komen.

2. Hij is genist op liet goede, dat hij meent te doen en waarmede hij zich vleit. De lauwheid gaat zeer goed samen met sommige deugden en daarom blijft de ziel in een valsche gerustheid. De bisschop van Ephesus, over wien het tweede hoofdstuk der Openbaring van Joannes spreekt, was onder verschillende opzichten een voorbeeldig herder. Jesus Christus zelf geeft hem dit getuigenis: „Schrijf aan den Engel van de kerk van Ephesus: Dit zegt degene, die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die daar wandelt in het midden der zeven kandelaren;

2. Ik ken uw werken, uw arbeid, uw geduld en dat gij de kwaden niet kunt verdragen; en gij hebt beproefd degenen, die zich voor apostelen uitgeven, terwijl zij het niet zijn, en gij hebt hen leugenaars bevonden:

3. Gij zijt geduldig, en gij hebt om mijnen naam geleden, en gij zijt niet bezweken.

6. Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nico-laïten haat, die ook ik haat.quot;

Ondanks al die lofprijzingen echter deze schrikkelijke waarschuwiing :

4. „Maar dit heb ik tegen u, dat gij van uw eerste liefde zijt afgeweken.

5. Gedenk dan van waar gij gevallen zijt, doe boetvaardigheid en herneem uw eerste werken. Of anders kom ik zoo bij u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, indien gij geen boetvaardigheid doet,quot;

-ocr page 220-

20fi

De bisschop der kerk van Laodicea steunde ook op zijn goede werken, ondanks zijn lauwheid zeide hij tot zich zei ven, Iir; 17 : „Ik ben rijk en wel voorzien en ik heb niets van doen.quot; Hij wist niet, dat hij beklagenswaardig was om zijn groote armoede en verblinding en hij van alle waarachtig goed geheel verstoken was.

14. „En schrijf aan den Engel van de kerk van Laodicea; Dit zegt degene, die de waarheid zelve is, de getrouwe en waarachtige Getuige, die het Begin van het schepsel Gods is.

15. Ik ken uw wei ken en dat gij noch koud noch heet zijt. Och of gij koud of heet waart.

16. Maar omdat gij lauw zijt, en noch kond, noch heef. zijt, zoo zal ik u gaan spuwen uit mijn mond.

17. Want gij zegt: Ik ben rijk, en wel voorzien, en ik heb niets van doen; en gij weet niet, dat gij ellendig, deerlijk, arm, blind en naakt zijt.

18. Ik raad u, dat gij van mij goud koopt, dat door het vuur gezuiverd is, opdat gij rijk moogt worden ; en witte kleederen om aan te doen, opdat uw schandelijke naaktheid zich niet openbare; en ook oogenzalf om uw oogen te bestrijken, opdat gij zien moogt.

19. Ik berisp en kastijd degenen, die ik bemin. Wees dan ijverig en doe boetvaardigheid.

2«. Zie, ik sta aan de deur en ik klop. Zoo iemand mijn stem hoort eu mij de deur opent, zal ik tot hem binnengaan en met hem avondmaal honden en hij met mij.

-ocr page 221-

207

21. Den overwinnaar zal ik vergunnen met, mij te zitten op mijn troon, gelijk ook ik overwonnen heb en met mijn Vader op zijn troon gezeten ben.

22. ï)ie ooren heeft, dat hij hoore wat de Geest tot de kerken zegt.quot;

3. Hij is genist bij de gevaren, die hem dreigen. En hij vreest die niet. Hij blijft rustig al wordt hij ook op de verschrikkelijkste wijze bedreigd. — Werpt dien nutteloozen dienstknecht in de uiterste duisternissen, waar geween en geknars der tanden zijn zal. Had die raensch, welke zoo streng gestraft wordt, de wetten der vechtvaardigheid, der matigheid, der kuischheid geschonden? Niets bevestigt dit vermoeden. Hem wordt alleen verweten, dat hij nalatig is geweest het ontvangen talent goed te besteden. Hebben de genaden, waarmede mij God overladen heeft, geen vrucht gedragen. dan zal ik veroordeeld worden om het goede, dat ik verzuimd heb. — Wat hadden de dwaze maagden misdaan, die de Bruidegom niet wil kennen en die Hij weigert in den feestzaal te ontvangen ? Matth. XXV, 11 : „Ten laatste kwamen ook de andere maagden, en zeiden : Heer, Heer, doe ons open.

12. Maar hij antwoordde en sprak : Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet.quot;

Zij waren niet waakzaam geweest; zij hadden in heur ziel het vuur der liefde niet onderhouden : onze lampen [/aan uit. Toch hadden zij den schat van heur maagdom bewaard, want zij worden door Jesus Christus nog altijd maagden genoemd. — Wat beduidt de onvruchtbare vijgeboom, die door Gods Zoon wordt

-ocr page 222-

208

gevloekt en op het oogenblik verdort? Matth. XXI, 19: „En ziende een vijgeboom aan den weg, ging hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven, dan bladeren alleen, en sprak tot hem: Nimmer wasse van ii vrucht in eeuwigheid! En terstond verdorde de vijgenboom.quot; „Jesusquot; zoo zegt de Evangelist, „had, als hij wederkeerde naar de stad, honger.quot; Hij gaat naar den boom toe, zoekt daar vruchten aan en Hij vindt niets dan bladeren, nuttelooze versieringen, die de verschrikkelijke vervloeking niet tegenhouden. Mag ook de uiterlijke schijn van deugd genade vinden bij den mensch. God ziet het hart. God heeft honger naar onze liefde, naar onze toewijding. „Hij vindt daar Uaderen alleen, waarmede Hij Zich niet vergenoegen kan. Bij den profeet Jeremias XLVIII, 10 lezen wij: „Gevloekt zij hij, die het werk des Heeren bedriegelijk doet.quot; God straft hier niet de onvruchtbaarheid, de schuldige werkeloosheid, neen het op zich zelf beschouwd beste werk, het werk den Heeren is daar. Bidden, de ongelukkigen bijstaan, de plichten van mijn staat vervullen, dat zijn de werken des Heeren. God beveelt mij deze en wil zelf de heerlijke belooning er voor zijn. Maar als ik deze nalatig en met lauwheid verricht, welke vrucht oogst ik dan er van ? Vervloeking. Hoe wanhopig zal ik zijn als eenmaal uit Gods mond dat verschrikkelijke woord mij zal toegevoegd worden : Gaat van mij, vervloeiden, in het eeuwige vuur! — Wie zou niet schrikken, zoo tot hem werd gesproken, wat Jesus Christus tot den bisschop van Laodicea zeide, dat Hij hem uit zijn

-ocr page 223-

209

Hart ging verbannen, liem uit Zijn mond ging spuwen, omdat hij lauw was? Wat geeft die uitdrukking: Ik zal n uit mijn mond (/aan spuwen, niet een schrikkelijk denkbeeld van den grooten afschuw, dien een Christen zonder ijver aan Gods Zoon inboezemt; hoe moeielijk moet voor hem de terugkeer niet zijn in Jesus Hart, dat zulk een walging van hem gekregen heeft ? Maar Heer! Gij wacht met zooveel geduld de zielen, die verre zijn afgedwaald; Gij zoekt hen zelf met groote inspanning op ; Gij biedt aan, al onze ellende te verhelpen; Gij roept allen tot u, die in nood verkeeren: Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijn en Ik zal u verkwikken — hoe, zult Gij zonder medelijden zijn voor een zondaar, dien Gij zoo teeder hebt bemind ? — Ik zal hem verre van Mij stooten. Ik zal bem uit Mijn mond spuwen. — Wat heeft hij dan gedaan, o mijn God, om zoo uw toorn op te wekken ? Heeft hij den kostbaren hem toevertrouwden schat des geloofs verloren ? Heeft hij den schoonen naam van Christen door een of anderen ergelijken val onteerd? — Neen; maar hij is zonder ijver voor mijn dienst; hij is lauw : omdat gij lauw zijt, zal ik 11 gaan spuwen uit mijn mond.

Heb ik in mijn leven volgens die goddelijke lessen gehandeld ? Ik heb ze gekend, o mijn God, maar er niet aan gedacht of ten minste er maar zeer oppervlakkig aan gedacht, zonder een ernstige toepassing op mij zeiven te maken. Zijn er in mij geen teekenen van lauwheid ? En zoo ik gedwongen ben dit te erkennen, hoe is het dan mogelijk, dat zulke bedreigin-

-ocr page 224-

210

gen mij zoo weinig verschrikken? Ik bid U niet om geestelijke vertroostingen, waarmede Gij somwijlen reeds in dit leven uw getrouwen dienaar beloont, maar verleen mij den ijver tot boetvaardigheid, tot geduld, tot versterving, tot geringschatting van mij zeiven; dit is de zekerste weg en de eenige, die voor den zondaar past. Geef mij de genade alle dagen mijn wil in overeenstemming te brengen met den Uwen en voortaan voor U te leven in dien geest van opoffering, welke het zekerste bewijs is van een waarachtige liefde.

-ocr page 225-

INHOUD DER EERSTE HELEVERING,

Het doel van den mensch en den Christen. Waardigheid van den Christen. Algemeene ek bijzondere middelen tot heiliging, den mensch en den Christen gegeven.

Hladz

EERSTE OVERWEGING. Het doel van den

mensch..............

I. God is mijn beginsel.

II. God is mijn einde.

III. God is mijn belooning.

TWEEDE OVERWEGING. Herhaling en ontwikkeling van de vorige overweging. ... 12

I. Ik behoor geheel aan God.

II. Ik ben geheel voor God.

III. God is alles voor mij.

DERDE OVERWEGING. Middelen, die de mensch in de schepping heeft om tot zijn

doel te komen.....•...... ^

I. Op welke wijze do schepselen ons tot ons doel kunnen brengen.

II. Hoe wij ons van de schepselen moeten

bedienen, opdat zij ons tot ons doel brengen,

-ocr page 226-

INHOUD.

R\'.tIZ

VIERDE OVERWEGING. Boveimatuurlyke middelen, die deu niensch zija gegevea om tot zijn

doel te komen............ 21

I. God geeft ons zijn genade.

II. God geeft zich zeiven.

VIJFDE OVERWEGING. Herhaling der beide vorige naar aanleiding van een tekst van Pau-lus: „Alles behoort u toe, hetzij Paul us, hetzi] Apollo, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij het leven, hetzij de dood, hetzij het tegenwoordige, hetzij de toekomst____ Maar gij

zelf, gij behoort aan Jezus Christusquot;. ... 26 ZESDE OVERWEGING. De Christen ... 32 I. Welke is zijn waardigheid.

II. Welke is de voortreffelijkheid zijns levens. III. Welke is de beoefening van dat leven. ZEVENDE OVERWEGING. Hoe moet de Christen aan zijn heiliging werken...... 40

I. Als aan een zaak, die hem persoonlijk aangaat.

II. Als aan een zaak, die te gelijkertijd moeilijk en noodzakelijk is.

III. Als aan een zaak, die uiterst dringend is. ACHTSTE OVERWEGING. Bijzondere middelen tot heiliging. Het in zich zelf gekeerd zijn. 46 I. Het brengt dengene tot God terug, die zich van Hem verwijderd had.

II. Het verwijdert een groot aantal bekoringen.

III. Het bewaart ons voor de zonde.

-ocr page 227-

INHOUD.

Bladi.

NEGENDE OVP^RWEGING. Gelukkige toestand van den Christen, die in zich zelf gekeeld leeft.............52

L Snelle vorderingen maakt hij in de heiligheid.

IT. Zijn geluk heeft eenige overeenkomst met dat des hemels.

TIENDE OVERWEGING. Ongelukkige toestand van een Christen, die niet in zich zelf gekeerd leeft...............5^

I. Zijn leven is nutteloos.

II. Vol lijden.

III. Vol gevaren.

ELFDE OVERWEGING. De oefeningen van godsvrucht een ander middel tot heiliging. . 65 I. Men kan deze niet hoog genoeg schatten.

II. Hoe men de achting, die men er voor

heeft, moet toonen.

TWAALFDE OVERWEGING. De gedachte aan de eeuwigheid een machtig middel om heilig

te worden............. 71

I. Daar is een eeuwigheid.

II. Wat is de eeuwigheid?

III. Hoe zal mijn eeuwigheid zijn.

DERTIENDE OVERWEGING. Waarvan hangt

mijn eeuwigheid af?.........78

I. Van mijn leven.

II. Dat zoo kort is.

Til. Misschien van één enkel oogenblik in mijn leven.

-ocr page 228-

ttmouï).

Bladz,

VEERTIENDE OVERWEGING. Vruchten van heiliging\', welke de gedachte aan de eeuwigheid voortbrengt.................84

I. Wijsheid, die ons leidt bij onze beraadslagingen.

II. Moed, die ons ondersteunt in onze beproevingen.

III. Vurige ijver, die ons aanzet het goede te doen.

-ocr page 229-

INHOUD DER TWEEDE REEKS.

De zonde gekend door de straffen van God. Het

wezen der doodzonde. haar gevolgen. EeNIGB grooteke zonden : de ergernis, de heiligschen-

nende communie. dk oorzaken der zonde. HET misbruiken der genade. üe dage-lijksche zonde. üe lauwheid.

Bladz.

VIJFTIENDE OVERWEGING. De zonde gestraft:

I. In de oproerige engelen......92

II. In Adam en zijn nakomelingscliap.

III. In lederen verdoemde, die wellicht minder schuldig was dan ik.

ZESTIENDE OVERWEGING. De Zonde in betrekking tot God — Haar Natuur.....98

I. De zonde voegt God de grofste beleedi-ging toe.

II. De zonde is een beleediging, die God

ten zeerste gevoelt.

ZEVENTIENDE OVERWEGING. De doodzonde. — De gevolgen er van in de ziel, die doodzonde doet.............107

I. Wat men verliest door een doodzonde te doen.

II. In welk een afgrond men zich neerstort.

-ocr page 230-

INHOUD.

Bladz.

ACHTTIENDE OVERWEGING. De Ergernis. 114

I. De ergernis is een verschrikkelijk groote

zonde.

II. De ergernis is een zonde, die veelvuldig

voorkomt.

NEGENTIENDE OVERWEGING. De heilig-schennende Communie.........123

I. Het is de afschuwelijkste van alle zonden,

beschouwd als beleediging van God. II. Het is de rampzaligste van alle zonden, zoo men de straffen nagaat, welke zij den zondaar op den hals haalt. TWINTIGSTE OVERWEGING. Mijn eigen persoonlijke zonden ..... ...... 131

I. Het groote getal mijner zonden.

II. De afschuwelijkheid dier zonden.

III. De boosheid van hem, die zich er aan schuldig maakte.

EEN EN TWINTIGSTE OVERWEGING. Herhaling der vorige. Beweegredenen tot berouw

en droefheid.............136

I. De menigte mijner zonden tellen.

II. Wegen, hoe zwaar zij zijn.

III. Meten, hoever zij gaan.

TWEE EN TWINTIGSTE OVERWEGING. Oorzaken van onze zonden. — De hartstochten. . 142 I. Wij moeten alle hartstochten vreezen. omdat zij alle tot zonde brengen.

II. Wij moeten vooral die hartstochten vree-

zen, welke zich zoeken te verbergen, omdat zij tot de grootste zonden voeren.

-ocr page 231-

INHOUD.

Bladz.

DRIE EN TWINTIGSTE OVERWEGING. De hoogmoed de aanvang van alle zonden. . . 149

I. Waarom haat God den hoogmoed meer

dan alle andere zonden.

II. Bijzondere redenen waarom ook wij die zonde moeten haten.

VIER EN TWINTIGSTE OVERWEGING. De

hoogmoed. — Vervolg.........156

I. Hoezeer wij zijn blootgesteld aan den

hoogmoed.

II. Hoe wij dien moeten bestijden.

VIJF EN TWINTIGSTE OVERWEGING. „Wee

r., die nu lacht.quot;...........162

I. Zelden of ooit, dat de wereldsche vermaken vrij zijn van wanordelijkheid en zonde.

II. Nog zeldzamer ziet men de wanordelijk

heid en zonde, die er in gelegen zijn, in.

ZES EN TWINTIGSTE OVERWEGING. Tijdverlies ...............168

I. Hoe algemeen dit kwaad is.

II. Wat men doen moet, om het te vermijden.

ZEVEN EN TWINTIGSTE OVERWEGING. Tijdverlies ..............175

ACHT EN TWINTIGSTE OVERWEGING. Het

misbruiken der genade.........181

I. Hoe misdadig dit is.

II. Hoe God het straft.

-ocr page 232-

INHOUD.

Bladz.

NEGENENTWINTIGSTE OVERWEGING. De

dagelijksche zonde..........189

I. Wat is volgens ons heilig geloof de dagelijksche zonde ?

11. Welk besluit moeten wij daaruit voor ons zelve maken ?

DERTIGSTE OVERWEGING. De gevolgen en

straffen der dagelijksche zonde......194

I. De gevolgen der dagelijksche zonde.

II. De straffen der dagelijksche zonde.

EEN EN DERTIGSTE OVERWEGING. De

lauwheid.............. 200

I. De verkeerdheid.

II. De gevaren die in de lauwheid gelegen zijn.

-ocr page 233-
-ocr page 234-

- V.■ . \'•• •

-ocr page 235-